I
--
301
3 12
ARISTOCRATEN IN MADRID.
3oi./5./2
ROMAN
uit het hedendaagsche leven der Spaansche groote wereld
PATER LUIS COLOMA S. J.
uit liet Spaanscli vertaald door
Jbr. C, C. H, MARTENS.
TWEEDE DÉÉL
UTRECHT,
P. H. REYERS. 1894.
DERDE BOEK.
I.
Het was een merkwaardige avond. . . . Pedro Lopez verzekerde den volgenden dag en bekrachtigde het met zijne hand-teekening in de kolommen van de „Flo: de Lisquot;, dat Meyerbeer\'s geest het rijk der harmonieën had verlaten om de eerste opvoering van „Le Pardon de PloL:\'meV, in het theater Heal te bezielen. Iets ontastbaars en harmonieus, dat men wedervond in de stemmen der zangers en zangeressen en in de tonen van het orkest, had hij, Pedro Lopez, zien nederdalen uit den wagen van Phoebus, die het plafond versiert, en zich zien verspreiden in den bedwelmenden dampkring van de prachtige zaal.
Ook Villamelon had, zittende met den rug naar het tooneel, achter in eene loge, zoo iets gevoeld, toen hij, met zijn peinzend hoofd geleund tegen het dun beschot, zijne oogen gevestigd hield op het plafond en van daar den vollen adem gevoeld had van den allerleelijksten Aeolus, die achter den wagon van Phoebus, longontstekingen en catarrhen schijnt uit te storten op de kale hoofden der haarlooze muziekliefhebbers.
Currita, vóór in hare loge gezeten met Leopoldina Pastor tegenover haar, voelde zich aan de aarde ontvoerd door het heerlijk klokkenterzet aan het eind der eerste acte, als de donder in de verte rommelt tusschen het dof gebrom der contrabassen en het zacht gemurmel der violen, dat liefelijk, teeder en schoon, op den zwakken adem gelijkt van den wind, die den naderenden storm voorafgaat, of op het geritsel der bladeren, die door de
1*
4
eerste windvlagen bewogen worden, terwijl men flauw den geur van aarde meent te ruiken, die den op handen zijnden regen aankondigt.
(Jlié oscuro è il ciel!
En Currita, even bewogen als Dinorah zelve, die te vergeefs hare geliefde witte geit Bellak poogt bij zich te houden, keek steelsgewijze naar de loge van de Veloz club, waar Gorito Sar-dona, Paco Velez, Diogenes en Angelito Castropardo pratende en lachende zich vertoonden; en achter allen, boven allen uitstekende door zijne fiere houding en zijn hoogmoedig uiterlijk, Jacobo Sabadell, die zijne binocle met onbeschaamde volharding gevestigd hield op eene loge, die Currita niet kon zien, omdat zij juist boven de hare was.
— Heerlijk! zeide Currita, meer en meer aangedaan, want de geit ontsnapte op dat oogenblik en Dinorah liep haar achterna om haar te zoeken; Noel sleepte Correntin mede half waanzinnig-van angst, en de muziek stierf langzaam weg, pianissimo, in een zacht gemurmel, immer verder weg, tot dat zij overging in een wegsteivende, geheimzinnige, tooverachtige echo, die de trillende klanken liet hooren van het zilveren klokje van Bellak, de witte geit. \')
Toen viel het gordijn en het publiek bleef oen oogenblik stom, verbaasd, nog luisterend in die stilte, waarin men een blad had kunnen hooren vallen, onder den druk van die zachte beklemming, die het gevoel van het verhevene in de ziel veroorzaakt. Een storm van brave\'s en handgeklap brak eindelijk los en toen kwam Villamelon uit zijne afgetrokkenheid tot de werkelijkheid terug en met een gelaat, alsof hij nu tot een besluit was gekomen , zeide hij:
— Zoo is het!.... De vol-au-venf \'tux corniehnns maakt mijn maag altijd van streek.
1) De nualitische beschrijving üezer opera is genomen uit een kritiek van den lieer Pena y Uoni.
5
Currita, die zich eveneens aan hare artistieke ontroering ontrukte , boog zich snel naar Leopoldina Pastor om haar boos cn bezorgd te vragen:
— Zeg oens! Waarnaar kijkt Jacobo zoo in de loge hierboven ?
Leopoldine draaide haar hoofd om en op die onnavolgbare wijze, die alleen vrouwen eigen is, die zien zonder te kijken, wierp zij een vluggen blik op de loge van de Veloz club. De heeren maakten aanstalte om weg te gaan en Jacobo, staande in de loge, hield zijn binocle met in het oog loopende onbeschaamdheid in de richting, die Currita had genoemd; hij stoorde gt;ich niet aan de spottende opmerkingen, die, te oor-deelen naar hun gelach, zijne metgezellen hem maakten. Diogenes, die ook naar denzelfden kant keek, greep Jacobo bij oenen arm en maakte met zijn linkerhand eene beweging in de lucht, alsof hij hem zijn zegen schonk. Men barstte in de loge in lachen uit en Leopoldina zeide ernstig;
— Kom aan! — Diogenes trouwt hen reeds. ...
Currita, zeer ontsteld, vroeg toen op nieuw:
— Maar wie kan er toch hier zijn? ....
Leopoldina, die al de loges van het theater Real kende, wist ook op haar duimpje alle abonnementen en alle geabonneerden van eiken rang. Zij berekende een oogenblik, naar welke zijde de heeren van de Veloz club zagen en zeide eindelijk:
— Ik weet niet, wie daar kan zijn .... die loge is niet verhuurd.
Villamelon, met zijne handen in de zakken, trappelde ongeduldig met zijne voeten en zeide schroomvallig:
— - Currita, ik verveel mij. ... Weet je? ....
Currita was nu nog altijd even wijs, en het scheen haar ook niet zoo bijzonder veel te kunnen schelen, maar toch sloeg zij Leopoldina Pastor voor om Carmen Tagle, gedurende deze entreacte in hare loge te gaan bezoeken, vanwaar men kon zien, wie er in de loge boven haar zaten. Leopoldina had
hierin niet veel lust, maar moeilijk kon zij dezen kleinen dienst aan hare edelmoedige vriendin weigeren, in wier loge en rijtuig en aan wier tafel altijd een plaats voor haar open was; want Leopoldina Pastor was een van die\' indringende, tafelschuimende menschen uit den minderen stand, die allerlei soort van beleediging en minachting verdragen, om voor de oogen van het publiek altoos te verschijnen naast de eerste lieden dei-mode en der Grandeza De sjerp van haren broeder, die eenigen tijd Kapitein-Generaal van Madrid was geweest, had haar de deuren van den beau monde geopend en daarin had zij zich genesteld en brieven van naturalisatie gekregen.
Villameion, steeds met den voet trappelende, zeide voor do honderdste maal:
— Curra, weet je, ik ben ziek!....
— Fcrdinandito; om \'s hemels wil, zeg dat toch niet.
— Ik heb eene indigestie.... Die vol-au-vent met augurken. Ik heb het altijd gezegd; die bederft altijd mijn maag. Begrijp je mij wel? ....
— Maar mijn beste man! Ga dan een beetje wandelen, dat zal u goed doen! .... Ga met Leopoldina mede, en kom gauw terug.. . .
En steeds ongeduldiger wordende zeide zij tegen Leopoldina zachtjes:
— Laai, Carmen niet bemerken, waarom je komt. Zie, dat ge er ongemerkt achter komt.
Villamelon trok een scheef gezicht en waagde te zeggen:
— Misschien dat ik t\'huis ....
— Thuis? — Wat zul je alleen t\'huis doen, ventje lief? .. . . En als u iets overkomt?.... Neen, ga om \'shemels wil met Leopoldina mede en kom gauw terug.
De Hertog van Bringas kwam de loge binnen en spoedig daarop Oom Frasquito, met zijne nicht Maria Valdivieso, die als altijd vol opgetogenheid en dwaasheid, vol grappen en kinderachtige drukte was.
7
La Ortolani was een prodije. Welk eene berceuse dat: Si carina caprettina! Oom Frasquito was het niet met haar eens; hij hield meer van de romance VIncantator della Montagna, en was bezig die op de fluit in te studeeren. De Hertog van Bringas was niet tevreden; dit was geene partituur, maar eene Fransche opera comique, die men geïtalianiseerd had en Ortolani, psch!.... Zij zong niet slecht, maar zij was zoo mager \\.
— Alsof men met zijn wangen zingt!.... riep Maria Valdi-vieso zeer verstandig uit.
En van onderwerp veranderende, vertelde zij aan Currita eene zeer grappige geschiedenis van de Hertogin van Bara, die iets lager zat, in de loge van de Moreno\'s, die weder op hunnen troon van Matapuerea hersteld waren. Lucy zou eindelijk gaan trouwen met Gonzalito en de Hertogin berustte er in, haar als schoondochter te slikken. Paco Velez had het haar gezegd.
— Ja, zeide Currita, ik kan mij alles best voorstellen. De druiven zijn zuur, zoolang men ze niet kan krijgen.
— Zoo is het juist! Paco Velez zeide hetzelfde. Zij zitten hier met hen beiden, dood verliefd in de loge, en maken hun engagement publiek. Paco Velez zegt, dat het eene heele geschiedenis is geweest; Lopez Moreno belegerde Beatriz en hongerde haar uit, en tusschen een gerechtelijken verkoop en eene trouwpartij bleef er niets anders over dan te capituleeren. Beatriz bezorgt den Hertogstitel en de andere scheldt de schuld kwijt en klaar is het. Maar het mooiste is, dat Lucy als huwelijksgift vier millioen medebrengt....
— Hoe heerlijk!.... Zoodat, als Gonzalito weduwnaar mocht worden, hij in elk geval Prince douairière, dat is, douairier, blijft van Matapuerea. . ..
De Hertog en Oom Frasquito vonden deze grap van Currita zeer aardig en Maria Valdivieso voegde, schaterend van het lachen , er bij :
— Zoo is het juist! .... Hoe gelukkig gevonden!----Ik zal
dat aan Paco Velez vertellen.... Prins douairier van Muta-
8
puerca. Dien naam moeten wij hem laten behouden. Zij zijn nu druk bezig den stamboom van Lucy te zoeken. . ..
— Zie eens hier, Maria, ik zal dien boom voor u maken____
Op den eersten tak zetten wij den slechten moordenaar en aan don laatsten hangen wij Lopez Moreno aan een strop.
— Maar Curra! — Je bent en veine van avond! riep Maria Valdivieso, half dood van het lachen. Wat zou Beatriz niet willen geven, als de stamboom van Lucy op die wijze eindigde. . .. Paco zegt, dat Moreno schatrijk is. . . .
Hier zweeg zij een oogenblik als verbaasd, en terwijl zij opmerkzaam in de zaal staarde, zeide zij met hare gewone onstuimigheid :
— Maar menschlief, — heb je dit niet gezien. Is dat ginds
niet Jacobo met Isabella Mazacan?____Wat een schandaal!....
Hoe kun je zoo iets toestaan? ....
Currita had dit wel gezien!.... Het was, alsof de innerlijke nijd, dien zjj gevoelde, de muse was, die haar dien avond met die scherpe, geestige gezegden bezielde. Sinds de acte uit was, had zij Jacobo geen oogenblik uit het oog verloren, zij had hom zijne tourne\'e zien doen bij de dames in de verschillende balcons en hij was daar om zoo te zeggen met handgeklap ontvangen, gevleid en met betooverende glimlachjes aangemoedigd. Isabella Mazacan vooral scheen hem wel te willen opeten en twee of drie maal, terwijl hij bij haar in de loge was, had zij naar Curita\'s loge een blik geworpen, die zoo veel zeggen wilde,
als: „Wees maar flink woedendquot;!____ Hij ontving al die hulde-
betooning met al het ongekunstelde en het gemak van iemand van hooge geboorte, die weet, dat hij de leader is der mode, de held van den dag, om wiens groet wordt gebedeld, wiens gezegden worden herhaald, wiens kleeding tot model wordt genomen en wiens hoesten en niezen wordt geteld en besproken.
Nooit had Madrid zulk eene volkomene en edelmoedige vergiffenis geschonken, als de gewezen revolutionnair ontving, toen het zijn romantisch avontuur hoorde, en toen het hem op nieuw
9
den aristocratischon schaapskooi zag binnen gaan, onder de bescherming van Butron en der Gravin van Albornoz; berouwhebbend wel is waar, maar toch met opgeheven hoofd, geene bescherming afsmeekend, maar die iedereen aanbiedend.
In de diepste vertrouwelijkheid der boudoirs en bij geheime politieke bijeenkomsten werd over vreemde dingen gemompeld. Er word verteld, dat Jacobo een grooten dienst had bewezen aan de partij dor restauratie, door de plannen van drie intri-geerende en trouwelooze personen te verijdelen, die, altoos hakend naar geld en naar macht, na den val van Amadeo , te Biarritz zich verraderlijk hadden willen dringen in de partij, die werkte voor het herstel van den troon, dien zij zeiven, vijf jaren geleden, hadden helpen ondermijnen. Dit mocht zijn, zooals het wilde, zeker is, dat de eerwaarde Butron opeens te voorschijn was gekomen met Jacobo onder zijnen beschermenden mantel; dat Currita hem de belanglooze vriendschap van haren beminden echtgenoot had aangeboden en dat zoowel in de vertrouwelijke hoekjes der boudouirs als op de breede trottoirs der openbare pleinen, dit drietal werd aangeduid als: de jeugdige Telémachus, de wijze Mentor en de onkwetsbare Calypso. Tevens mompelde men, dat Jacobo geruïneerd was, dat do partij der Restauratie zijne toekomst verzekerde door voor hem eene portefeuille beschikbaar te stellen, als loon voor zijne diensten en dat Currita in het tegenwoordige voorzag, met eene grootmoedigheid , die het tot nog toe stevig gevestigde vermogen van het rijke Huis der Villamelons met ondergang dreigde.
— En dit spreekt van zelf, zeide de Hertogin van Bara eens op eenen avond. Currita wordt al zeer fanée en Jacobo is geen Juanito Velarde, dien men met een postje van twintig duizend realen (vijf en twintig honderd gulden) kan afschepen.
Leopoldina Pastor was ondertusschen in de loge van Carmen Tagle gekomen en terwijl zij haar np beide wangen kuste, zeide zij zacht;
— Ik kom gevlucht!.. . .
10
— Welzoo. .. . Wio zit u achter na? ....
— Curra... . Die Curra is schrikkelijk, zij is vieesolijk! ... . Jk kom met haar niet meer in hot publiek! .. . . Ik houd van geen opspraak, ik wil geene schandalen.... Daarom dacht ik hij mij zelve: al blijft zij deze entreacte alleen, ik laat haar zitten en ga naar Cilrmen.
— Zeer bedankt voor uwe voorkeur .... lieve.
— \'t Heeft niets te beduiden____ Zij brandde van nieuwsgierigheid om te weten, wie er in de loge boven haar zit. .. . En dat alles omdat de ander maar altijd daarheen keek met zijn binocle.
Terwijl zij zoo sprak, nam zij de paarlemoeren binocle van Ciirmen en zag naar de loge, die Currita zoo verontrustte. Daarin zaten twee dames; de eene, nog jong, zat vooraan en de andere, van rijperen leeftijd, zat achterin en was bijna onzichtbaar. . .. Eerstgenoemde scheen nog geheel con kind te zijn, tenger, fantastisch gekleed, een van die geelharige, levendige katjes, die aan de oevers der Seine worden groot gebracht en die gewoonlijk alle valsche streken schijnen te bezitten van het kattengeslacht. Met den rug naar het tooneel gezeten, zag zij er uit, alsof zij in hare levensdagen nog geen bord had gebroken en zij liet hare oogen door de schitterende zalen dwalen, zonder ze ergens op te vestigen, met de onverschilligheid, waarmede men eene menigte van geheel onbekende menschen beschouwt ; veeleer dan om te zien, scheen zij hier om gezien te worden en uit de overdreven sierlijkheid van haar toilet, zeer in het oog loopend, van zwart fluweel met roode camelia\'s, bleek duidelijk haar vooraf beraamd plan, aller oogen te trekken. Hare begeleidster, die zeer goed hare moeder kon zijn, was eene tengere vrouw met een gedistingeerd voorkomen; zij had haar grijs haar gekapt a la Anglaise, haar zwart fluweolen japon was tot boven toe dicht en zij droog een zeer schitterend sieraad van valsche brillanten. Beidon schenen vreemdelingen en den geheelen avond hadden zij geen woord samen gewisseld.
11
Leopoldina beschouwde de beiden zeer opmerkzaam en zeide ten laatste, haar hoofd schuddende:
— Zwart en rood. . . . Een slecht teeken !. . . . De kleuren van den duivel. . . . En wie zijn die menschen nu? ....
Ciirmen Tagle begon te lachen en haalde hare schouders op. Leopoldina bekeek ze op nieuw en zeide onder haar binocle:
— Ik kan u zeggen, dat het fluweel, dat de moeder te veel heeft en tot aan hare ooren reikt, had kunnen dienen om het lijf der japon van de dochter iets hooger te maken. ... Wat
een onbetamelijk schepsel!____ Maar zij is mooi, die kleine....
Hoe heet zij ? ... .
— Niemand kent haar. .. . Dinsdag zat zij in dezelfde loge, in het wit met rose camelia\'s, en gisteren reed zij in de Castellana in een zeer nette milord met witte camelia\'s op den hoed en op do borst.... Van daag is het zwart fluweel met roode camelia\'s. . . .
— Nu, dan hebben wij al een naam om haar te geven, zeide Leopoldina lachend: La dame aux camelias.
En op die gegevens verzonnen die twee vriendinnen eene kleine, aardige geschiedenis, totdat Leopoldina, eenige oogen-blikken voor het begin der tweede acte, naar de loge van Currita terugkeerde. Currita wachtte haar met ongeduld en hare verkenster zeide met een zeker leedvermaak, dat do onbekende een zeer jong en zeer schoon meisje was, dat niemand kende en dat men met den veelbeteekenenden naam van „la dame aux cameliasquot; had gedoopt, eenon naam, die haar wel scheen toe te komen.
— Ik hoop, dat Carmen niet bemerkt heeft, dat ik u zond, zeide Currita nadenkend, en Leopoldina zeide, met hare lippen op elkaar geknepen en met hare oogen naar boven geslagen, alsof zij zeer beleedigd was:
— Wat haalt gij u in het hoofd ? Bon ik bij geval niet wijs? ....
De acte begon. Villameion bleef mot zijne indigestie zitten en Currita, steeds mokkend, hield een oog in het zeil. Leopoldina,
12
die veel van muziek hield en er ook verstand van had, verloor geen noot en Oom Prasquito bleef nog zitten om bjj Leopoldina te blijven, omdat hij van al zijne bastaard-nichten het meest van haar hield wegens hare mannelijke en besliste allures en hare excentrieke invallen.
In de loge van de Veloz club waren Diogenes en Jacobo alleen overgebleven, de eerste mot een onvorschillig gezicht, alsof alles hem niet het minst kon schelen, do andere als een schooljongen, steeds kijkende naar de dame aux camelias. Op het tooneel zong Dinorah, de arme waanzinnige, de schoone aria, die hare schaduw, die hare gestalte in het maanlicht wierp, haar inspireerde. Dit is een van de gelukkigste ingevingen van Meyerbeer en de toen zoo gevierde Ürtolani gaf het meesterlijk weer.
Het tooneel veranderde toen op eens en de waterval, de afgrond en de bergstroom ontpersten aan de toeschouwers een gemompel van bewondering, want zelden hadden zij iets gezien, dat zoo schoon en in alle bijzonderheden zoo nauwkeurig was wedergegeven. Noel wilde Corentin, den doedelzakspeeler, noodzaken in den afgrond af te dalen, om den schat te zoeken; op nieuw betrekt de lucht en dan openbaart zich weder het ontzettend groot genie van Meyerbeer, den schepper van „de Hugenotenquot; en van „Robert le Diablequot;, die met de acht noten van zijn vijflijnigen muziekbalk het woeden der elementen en alle menschelijke hartstochten weet te beschrijven.
Onverwacht breekt het orkest de maat af, de contrabassen brommen geweldig, de fluiten laten schelle tonen hooren, het koper schalt met donderend geluid, de cymbalen weerklinken met kracht.... Nu schijnt het niet langer een storm, een orkaan te zijn, maar eene aardbeving, die de aarde uit hare voegen rukt. En op dat oogenblik, het glanspunt der opera, vertoonde zich tusschen de karmozijn roode gordijnen, achter in de loge van Currita, een harig, citroen-geel hoofd, dat door Oom Frasquito werd aangezien voor het hoofd van den vreese-
13
ijken Adamastor, den genius der stormen en door Villamelon voor het galachtig spook zijner indigestie, dat de gastronomische vergelding voor hem had opgeroepen.
Dat was Butron, de eerwaardige Butron, die op zijne teenen loopende binnentrad, met zijnen vinger op de lippen, terwijl hij door teekens te kennen gaf, dat niemand zich voor hem zoude derangeeren.
Hij ging op den stoel zitten, dien Villameion, niettegenstaande zijn onaangenaam gevoel en zijn ingewandspijn, zich haastte naast Currita af te staan.
De storm hield aan met woeden. Noel en Corentin kermden van angst, en Dinorah, de arme krankzinnige, met Hadderende haren en met haar door bliksemstralen verlicht gelaat, tartte de elementen, terwijl hare heldere, trillende stem de knallende donderslagen en den gierenden wind overstemde, even als deze weinige woorden, die Butron Currita in het oor fluisterde:
— Het uur nadert!.... Concha is met ons! ....
Aan Currita ontsnapte een zachte uitroep van verrassing, die door Oom Frasquito werd opgemerkt; maar een blauwe bliksemstraal verlichtte op dat oogenblik het tooneel; een grootsch chromatisch toonbeeld, ontstaan in de hoogte van het orkest en uitklinkende in de laagte als in een dof en onheilspellend geruisch, kondigde hot inslaan van den bliksem aan en tusschen donderslagen en weerlicht en de heerlijke trillingen van de muziekinstrumenten kon hij niet verstaan, wat Butron er bij voegde; alleen kon hij hoeren, dat de diplomaat met veel nadruk deze woorden sprak:
— Morgen om vier uur in mijn huis.... Om \'s hemels wil! Zorg er voor, dat ge er zijt, en vergeet niet Jacobo te waarschuwen.
De nieuwsgierigheid deed Oom Frasquito bijna zijn verstand verliezen en door te trachten te vernemen, wat er eigenlijk gezegd werd, zag hij noch Bellak, de witte geit, die als oen pijl het landelijke bruggetje overloopt, noch Dinorah, die in
14
den afgrond stort, noch Noel, die haar wanhopig te hulp snelt, noch Currita, die met een dreigend gezicht en met onuitsprekelijke woede haren waaier omknelt en zacht tegen Butron zegt:
— Jacobo!____Zal ik dien misschien van avond nog zien?____
Hij is in alle loges geweest; alleen mij heeft hij niet eens begroet.
— Die ondankbare, fluisterde Butron.... Ik zal hem gaan halen.. ..
En hij ging weg, zooals hij gekomen was, op zijne teenen, terwijl hij zwijgend wenkte, dat niemand zich zou laten storen. Oom Frasquito bleef verbaasd zitten. ... Wat had hij dan gehoord ? . . .. Currita om vier uur aan huis bij Butron en Jacobo moest eerst gewaarschuwd worden ?. Dat was toch iets bijzonders, dat de wijze Mentor, de jeugdige Telemachus en de onkwetsbare Calypso in het geheim een afspraak maakten; dat de dame zich naar het huis van den heer zoude begeven, in plaats van den heer naar het huis der dame, zooals toch de eerste beginselen der welvoeglijkheid medebreugen.
— Zeerr vrreemd geval!....
En toen hij in de verte naar Jacobo zag, steeg zijne nieuwsgierigheid nog, toen hij Butron achter de gordijnen der Veloz club zag verschijnen, hem een teeken geven en hem met zich voeren, terwijl dit tweetal door Diogenes ongevraagd gevolgd werd. De acte was uit, toen Butron, voldaan en zegevierend, met Jacobo de loge van Currita binnentrad en naar de dame gaande met het gezicht van eenen goedigen papa, die een gril van zijne dochter inwilligt, nam hij in eene der zijne de beide handen, die zij hem toestak, terwijl hij met deftige toegeeflijkheid de woorden van Shakespeare mompelde:
— Old, old history!....
Toen hij dit gezegd had, nam deze „Spiegel voor Riddersquot;, zooals Pedro Lopez hem noemde, deze doorkneede diplomaat, deze geslepen politicus, deze eerwaardige en geestdriftvolle grijsaard , die reeds met den eenen voet in het graf stond, zijn horloge uit zijn zak, keek er op, haalde zijne wenkbrauwen
15
omhoog en nam in allerijl afscheid. Het was al elf uur en om kwartier over elven had hij een onderhoud met den Aartsbisschop van Toledo. Het was over een aanslag van het gouvernement van het plebs tegen de kerk en hij wilde in dit conflict den rol van Constantinus spelen. Het hart van Oom Frasquito werd ruimer, toen hij meende, dat nu het oogenblik gekomen was, dat hij iets zoude ontdekken; hij spitste zijne ooren en maakte zich gereed om Jacobo en Currita slim te doorgronden. Maar op eens greep eene verraderlijke hand hem bij den strik van zijne witte das, dien hij zoo zorgvuldig gelegd had, en draaide dien met eene snelle beweging in zijn nek. Hij keerde zicli verontwaardigd en onthutst om en zag het groote hoofd van Diogenes, die grijnzend en kwijlend op eene verliefde toon zeide:
— Lieve Francesea! .. .. Ik ben het maar, Paolo !....
Groen van woede en wit van angst, was het Oom Frasquito,
alsof hij achter Paolo den akeligen schim van Gianciotto zag verschijnen, en hij gromde tusschen zijne tanden:
— Wat mankeerrt je?.... Je bent waarrlijk zeerr verr-velend!. . ..
En verontwaardigd weggaande uit vrees voor nog erger, ging hij naar de achterloge, om daar voor een spiegel zijn das weder in orde te brengen. Daardoor liet hij zijn stoel vrij , hetgeen juist was hetgeen Diogenes had bedoeld, die nu bedaard ging zitten en Villameion een klap op de dij gaf en hem eene platheid zeide over zijne ingewanden, die van dien aard was, dat Jacobo en Leopoldina elkaar als onwillekeurig en tegelijk aankeken, alsof zij wilden zeggen: Wat een beest!.... Currita zeide zeer boos: Hemel, man, wat scheeltje?.... Je bent shocking, shocking!.... En Ferdinandito voegde er met een gelaten glimlach bij:
— Die vol-au-vent met augurken, die maakt mij altijd van streek!.... Weet je wel? ....
— Ja, of ik dat weet — Polaina. ... Daarom neem ik ook altijd een vol-au-vmt van uiensoep.
16
En toegevende aan zijn schaamteloozen vagebonden aard, voegde hij er bij:
— Hoort eens. . .. Wie brengt mij straks in zijn rijtuig thuis ? Jij of Jaeobo? ....
— Wat mij aangaat, zeide Jaoobo, ik neem u niet mede, want ik ga zelf dadelijk weg.
— Ik ook niet, voegde Currita er onmiddellijk bij, Perdi-nandito is niet wel en wij gaan van hier regelrecht naar huis.
— Zet mij dan onderweg af in de Calle de Aleala, vóór den chocoladewinkel van donna Mariquita; om niets ter wereld zou ik mijn kopje chocolade met een paar beschuitjes willen missen....
— Dat is wel lekker, meende Villamelon.
— Het zou heerlijk zijn, zeide Currita, wanneer men ze u den geheelen avond tusschen de tanden stak, dan zoudt ge beter uw mond kunnen houden.
— Polaina!.... En wanneer gij u wat meer met die onschuldige beschuitjes bezig hieldt, dan zoudt ge minder reden geven, dat er zoo over u gepraat werd.
Currita beet zich op de lippen, omdat zij wel begreep, dat een strijd onmogelijk was vol te houden met zulk een kaffer, die er pleizier in scheen te hebben de schandelijke toegeeflijkheid der wereld op zijne grove manier aan den kaak te stellen en Jacobo nam, zoodra de volgende acte begon, vriendelijk afscheid met een dubbelzinnig: tot weldra, waardoor hij Currita zeer tevreden achterliet. In het midden der acte, wanneer Dinorah haar verstand terugkrijgt, en zich het schoone gebed; Sancta Maria, wil herinneren, bij de heerlijke trillingen der muziek, die de geestesinspanning van de arme krankzinnige uitdrukt, wikkelde Currita zich in hare prachtige s ,rtie van granaatkleurig fluweel, met wit bont gevoerd, nam, als teeken van verzoening den arm van Diogenes en verliet de loge, gevolgd door Villamelon en Leopoldina Pastor, de eerste blijde, zijne indigestie te kunnen uitslapen en de andere woedend te
17
moeten weggaan, zonder het slotkoor der pelgrims- te hebben gehoord.
De foyer was nog leeg en de lakeien, met hunne roodo neuzen in hunno groote kragen verborgen, begonnen zich te vertoouen om aan hunne meesters de komst der rijtuigen te berichten. Toen kreeg Currita op eens lust om op een divan te gaan zitten en de mensehen te zien weggaan.
— Maar lieve kind, riep Villamelon ontsteld uit, het is hier om te bevriezen, Curra. . . .
En hij bond zich haastig een fijnen foulard om den hals en trok den kraag van zijnen overjas over zijne ooren.
— Ik vind het toch beter naar de loge terug te gaan, indien. . . .
Een geweldige niesbui sneed hem het woord af en vermeerderde zijne bezorgdheid.
— Zie je wel? .... Zie je wel? .... Daar ben ik al verkouden. ... Ik heb van daag geluk----Weet je.....Ik iieb voor
eene week genoeg!....
Do menschen begonnen voor Currita en Leopoldina voorbij te trekken, terwijl dezen Ferdinandito maar lieten niezen. Currita, zonder haar doel uit het oog te verliezen, groette rechts en links de ontelbare kennissen, die langs haar hoen gingen. Op eens trok Leopoldina Currita zachtjes bij haar kleed en fluisterde:
— Kijk hier! Die is het.
Er was niet veel te zien: twee witte gedaanten gingen voorbij, onder wier wijde burnous, zwarte sleepen te voorschijn kwamen; de oudste liet onder haren geopenden capuchon een gebogen on spits neerhangenden neus zien, en van de andere zag men niets dan een paar hemelsblauwe oogen, die, zooals het Currita toescheen, oen oogenblik uitdagend op haar gevestigd bleven. Do witte burnou der onbekende raakte even de granaatkleurige sortio van Currita aan, en een gezegde in het Duitsch, dat deze wel kon hooren, maar niet kon verstaan: — Daar heb je II. 2
18
Jiaar — schoen toen onder den gebogen en scherpen neus uit te komen en beide verschijningen verdwenen onder de menigte, voorafgegaan door een keurig geklceden kleinen groom, die niet veel ouder dan twaalf jaar scheen te zijn.
— Maar vrouwlief, zullen wij nu eindelijk gaan? zeide Villa-melon. Diogenes, geef haar uw arm. . .. Eene mooie verkoudheid heb ik opgedaan! .... Wat doe jij, wanneer go verkouden zijt, Diogeues ? .
— Ik? .... Niezen.
II.
De eerwaardige Butron sloeg met de vuist op de meubelen en liep met groote stappen door het vertrek, terwijl hij zijne vrouw, die hij dan eens Geno, en dan weder Veva, maar nooit in eens Genoveva noemde, uitmaakte voor eene onnoozele, stompzinnige grootmoeder van den duivel, een fijntje, die niets kende dan een Pater Noster opzeggen en die hem de les wilde lezen, hem, een Pyrrhus, wat genie betrof, een Ulysses in bedachtzaamheid, een Anteus in moed, een Alexander in grootmoedigheid en een Soipio in geluk.
Wonderlijke tooneelen waren er aan den huiselijken haard voorgevallen, tooneelen, die ongelooflijk moeten schijnen voor hen, die slechts het officieel karakter der groote personages kennen, en die men moest beeldhouwen op de voetstukken, waarop de publieke opinie velen van die maatschappelijke toon-aangevers plaats, die schitteren op congressen, op academische bijeenkomsten, op tribunes en in salons.
De Markiezin, die oude dame van vlekkelooze deugd en van eene uitstekende opvoeding, hoorde dien woordenvloed van beleedigingen en verwijten onbeweeglijk aan, met haar hoofd gebogen en met tranen in de oogen, als het beeld van het geduld, dat in eigen smart is verzonken. Twee malen had zij getracht hem in de rede te vallen, door hem eeneu brief te toonen, dien zij in do hand had, maar het schreeuwen en de beleedigingen van den geslepen diplomaat maakten haar bang
2»
20
on van streek en zij bleef zwijgen. Het gedrag van Lanzun, die de Hertogin van Montpensier , zijne oelitgenoote met den stok dreigde, schreeuwende: Louise de Bourbon, trek mij de laarzen uit! was zeker der ongelukkige dame niet onbekend.
Beide eehtgenooten bevonden zich in het particulier vertrek van den diplomaat, eeue groote kamer, eertijds met deftige pracht gemeubeld, maar waarop de tijd zijn invloed had uitgeoefend ; het was bevlekt en versleten, zwart geworden en yerschoten, en het geldgebrek van den grooten heer had tot nog toe hem niet veroorloofd dit te herstellen. Aan het einde, achter een afgeschilferd kamerschut, gemaakt van negen bladen van coromandelsch lakwerk, zag men eene groote tafel, beladen met papieren en omgeven door kunstig gemaakte kastjes, die allen binnen het bereik der hand waren; dat was het Sanctum Sanctorum, waar alleen de ingewijden mochten komen onwaar geene andere onderwerpen behandeld werden dan die der diplomatie. Aan het andere einde, tegenover een hoog raam, dat in den tuin uitkwam, naast oenen zwart marmeren schoorsteenmantel, stond een groote tafel uit de zeventiende eeuw, van notenboomenhout, met gedreven ijzer beslagen; gemakkelijke stoelen en zachte canape\'s, die evenwel verkleurd en beschadigd waren, stonden er om heen. Hier ontving Butron de on-ingewijden, wien het veroorloofd was den drempel van zijn particulier vertrek te overschrijden. Overal, op de tafels, op de twee schoorsteenmantels, op de kasten en aan den muur, zag men portretten van Koningen, Prinsen, en groote personages ; sommigen waren gephotografeerd, andere prachtig in staal gegraveerd en met pralende onderschriften aan den zeer knappen diplomaat opgedragen, zijne betrekking tot de groote heeren en zijne gewichtigen invloed uitbazuinend. Boven eene versleten eu gehavende canapé, oorspronkelijk van prachtige japansche stof, hing op de eereplaats eene groote photographie van Prins Alfonso in zijn uniform van leerling van het Maria Theresia collego, met de opdracht, eigenhandig door den toe-
21
komstigen Monarch goschrevon, luidende: Aan den getromcen Markies van Butron, het toonbeeld can ridderlijkheid. Herinnering aan den 2dea December 1870. — Alfonso. Deze plechtige datum was die, waarop Butron zich het eerst na de revolutie,
in de tegenwoordigheid zag der vorstelijke bannelingen, en aan de voeten van het koninklijk kind zwoer hem op den troon van Spanje te herstellen, of bij die poging te sterven. Iets verder, naast eene verroeste en incompleete wapentropee, hingen twee fraaie gravuren van Louis Philippe en Koningin Amelie,
eveneens met onderschriften en tusschen de portretten van allerlei koninklijke, staatkundige of letterkundige beroemdheden,
het portret van Martinez de la Rosa, uit den tijd, dat men hom Rosita de banketbakster noemde, met dit kort en krachtig bijschrift: Aan Pepillo Butron, zijn leermeester Paco.
Maar onder al die zinnebeelden van hoogachting Was de merkwaardigste eene schoone photografie van de Koningin van Engeland, die door een schijnbaar en gezocht toeval op den schoorsteen stond op een standaard van geoxydeerd zilver, welks versierselen gedeeltelijk het vereerend bijschrift bedekten. Hare
I
Britsche Majesteit had hem dit eeis in Rome geschonken, na oen dienst, dien hij op een gesch\'kt oogenblik had bewezen.
En hom bijzonder willende onderschoiden schreef zij eigenhandig in het Spaansch het onderschrift. Maar Her Gracious Majesty,
waarschijnlijk de taal van Cervantes niet geheel machtig, schroef volgons Engelsch gebruik: Aan den Markies van Butron recuerdo.
Daarbij vergat zij de u te schrijven, en zoo stond er: Aan den Markies van Butron recerdo!) en dit werd met eigen koninklijke hand onderteekend door Hare Majesteit, Keizerin van Indie en Koningin der drie vereenigde rijken.
De verbazing van Butron was groot, toen hij zich, door de ongelukkige weglating van een letter, ingelijfd vond bij den minst fatsoenlijken tak der dikhuidige familie, en hij haastte
------------------- ;gt;!
1) Cerdo — varken. Recerdo rr dubbel varken.
22
zich voor dit koninklijk geschenk een standaard te koopen, onder welks versierselen hij den lapsus calami Harer Britsche Majesteit kon verbergen, zonder nog geheel het eervolle opschrift te bedekken.
Ernstige gebeurtenissen waren voorgevallen en deze waren oorzaak van den twist, dien Butron met zijne vrouw had. Pavia had den 3\'lul1 Januari zijnen slag geslagen en de pas geboren republiek was ten ondergegaan bij het knallen van drie of vier schoten van los kruit in de couloirs van het Congres. Serrano had weder de macht in zijne klauwen en de algemeene verwarring, de tuchteloosheid van het leger, dat zonder geloof of hoop streed in die twee groote kolken van Carthagena en het Noorden, die stroomen bloed en beeken geld verzwolgen, dit alles te zamen toonde den geduldigen Alfonsisten, die met de armen over elkaar den loop der gebeurtenissen afwachtten, dat het uur naderde, waarop men do hand slechts behoefde uit te steken om de geheel rijpe vijg te plukken. Het tooneel van Aristophanes in zijne comedie „de Vredequot;, wanneer de vredelievende Trigio, gezeten op een slak, den Olympus bestijgt, was toen in Spanje te aanschouwen. De Olympus was verlaten, alleen waren daar overgebleven de Oorlog en de Vernieling, die in een mortier een geheel volk fijn stampten en zich daartoe bedienden van de hand eens eerzuchtigen Generaals.
Een ander dapper, beleidvol en invloedrijk Generaal nam toon op zich den tak, waaraan de zoo begeerlijke en betwistte vrucht hing, naar de zijde der Alfonsisten over te buigen. Deze was Generaal Concha, die het bevel over het Noorder leger had aanvaard en naar Bilbao was vertrokken, met het voornemen de discipline daar te herstellen, de Carlisten te verjagen en den jongen Prins Alfonso tot Koning van Spanje uit te roepen. Wel had men een en ander noodig om het leger gunstig te stemmen; maar do platte beurzen, de ontwaakte begeerlijkheid en het verholen egoïsme bemoeilijkten zeer de uitvoering van dit plan Het vernuft van den Markies van Butron zou daarin
23
voorzien, en aan het liuot\'d zijner brigade dames wilde hij het ondernemen. Dadelijk bedacht hij eene damesvereeniging te stichten met het dool de gekwetsten van het Noorderleger te helpen; deze vereeniging moest zich over geheel Spanje uitbreiden en hulpmiddelen van allerlei aard verzamelen, ten einde die uit naam der Alfonsistische dames mildehjk onder het leger uit te deelen en alzoo de gemoederen in het belang der partij te winnen. \')
Hot plan werd met geestdrift goedgekeurd door de hoofden der partij en de groote Robinson, met zijne gewone geestkracht en werkzaamheid, dacht er toen aan een centraal bestuur in Madrid te vestigen. Allereerst moest hij eene Presidente zoeken, die de grondsteen zou zijn, waarop het geheele gebouw kon rusten. Een aanzienlijke naam, die alles, wat in de Residentie groot, goed en geëerbiedigd was, zoude medeslepen, kwam hem dadelijk voor den geest: de Markiezin van Villasis. . . . Maar do schipperende theorieën van deu harigon diplomaat eischten, dat nog andere elementen worden verzameld, en toen dacht hij aan de Gravin van Albornoz voor het Vice-presidentschap. Deze zou onweerstaanbaar alles wat in Madrid schittert en bruischt, tot zich trekken; zij was een klein, maar giftig gist, dat de geheele maatschappij bederft, en door deze hare ondeugden en wetten voor te schrijven, haar een schijn geeft van slechtheid, die erger is dan de werkelijkheid. De andere zoude om zich ver-ccnigen alles, wat in Madrid eerbaar, verstandig en godvruchtig was, hoedanigheden die daar minder schaarsch voorkomen. En om die beide groepen zou dan dadelijk liet geheele groote Madrid
1) Er werden in de dagen vele damescomités opgericht, met het doel de gekwetsten in het Noorden te helpen, en het comité, ^at liet meest nut deed, was dat, hetwelk door de Markiezin van Mirafïnres, wier naam steeds verbonden is aan goede en liefdadige werken, werd gepresideerd. Wij gelooven, dat het niet noodig is, dat wij onze lezers waarschuwen, dat de vereeniging, die wij hier verzinnen, niets te maken heeft met.werkelijk bestaan hebbende, en dat het onze, ofschoon naar het model genomen, zuivere verdichting is.
24
zich scharen, de groote drom der dienaren van de mode, veeleer beuzelachtig dan bedorven, eer karakterloos dan slecht en wiens uitwendige slecht is of goed, naarmate de ster, die hem beschijnt, een glans afstraalt van slechtheid of braafheid.
liet plan was overschoen. Maar wie zou der kat de bel aanhangen. Wie zou de ernstige en strenge Markiezin de Villasis bewegen, zich bij de beminlijke en wufte Currita aan te sluiten, al gold het dan hier ook de verovering van het Heilige Land? Wie zou de grenzelooze ijdelheid der Gravin van Albornoz ontwapenen, om haar, bij welke gelegenheid ook, eene tweede plaats te doen innemen? De geslepen Butron besloot het terrein te verkennen en noodigde beiden uit in zijn eigen huis, op onzijdig gebied, zonder de eene vooruit te zeggen, dat de andere daar ook zoude komen, onder voorwendsel van in eene verga-doring van voorname personen de belangen der partij te bespreken. Hij had op zich genomen, Currita daarvan den vorigen avond in het theater in kennis te stellen en op zijn uitdrukkelijk bevel schreef zijne vrouw aan Maria de Villasis, aan wie zij door oprechte en teedere banden sints jaren was verbonden. De aanstaande Presidente had dit spel spoedig doorgrond en oene zeer goed te pas komende en hardnekkige verkoudheid verhinderde haar, hare woning te verlaten. Dit schreef zij aan hare lieve vriendin Genoveva, in een brief vol betuigingen van hartelijkheid, op een elegant velletje papier, waarop in een hoek haar naam Maria te lezen stond onder de hertogskroon van een Grande van Spanje.
Mevrouw de Butron zeide te hopen, dat de verkouden dame toch wel zou komen en toonde haren echtgenoot daarbij den brief en dat was het oogenblik, toen de eerbiedwaardige staatsman zijn groot ongenoegen losliet over de ongelukkige dame en haar al de liefelijkheden zeide, waarvan wij aan het begin van dit hoofdstuk melding maakten.
Op eens nam hij weder zijn beleefden glimlach aan met zijne voorname manieren cn deftige houding; want do Hertogin van
25
Bara, ook cone dor gonoodigdon, kwam binnon. Deze was oono zijnor goede vriendinnen, ofschoon niet van zeer ouden datum. Met haar had, jaren te voren, de kwaadsprekendheid zich veel bezig gehouden en deed dit thans ook nog wel, ofschoon maar van tijd tot tijd. De Hertogin, eenc zeer vertrouwbare vrouw, was volstrekt niet kieskeurig; zij kende Madrid door en door en Butron luisterde naar haar als naar een orakel in alles, wat den vrouwenoorlog betrof, die met intriges en met den waaier gevoerd werd. Kort daarop kwam Oeneraal Pastor, die op het punt stond om naar het Noorden te vertrekken, om daar de pogingen van Concha te ondersteunen en hem volgde zekere don Jose Pulido, een handige, slimme man, de rechterhand van Butron en tevens zijn nymph Egeria, die met hem aan de Universiteit gestudeerd had, en daarna, onder bescherming van den diplomaat, menige goede post had bekleed. Het was reeds drie uur en ten vier uur zouden Currita en Jacobo Sabadell komen. De Markiezin van Villasis had er reeds moeten zijn, indien hare zoo ter gelegener tijd uitgebroken verkoudheid haar dit niet had belet. De bedachtzame Butron had de uitnoodi-gingen gedaan met een uur tusschenruimte, ten einde met zijne vertrouwelingen vooraf te beramen, wat later met de anderen zoude worden behandeld. Allen schikten zich om den haard met den rug naar de vierkante tafel en de eerwaarde Butron logde de zaak bloot. De Hertogin van Bara liet hem niet uitspreken; zij oordeelde, dat het niet mogelijk was aan Maria de Villasis het Vice-Presidentschap van Currita te doen slikken , wanneer men het niet bij verrassing deed en men haar onvoorbereid op de. groote damesvergadering, die men wilde houden, de reeds door iedereen goedgekeurde voordracht van het bestuur liet zien; en ook hiervan beloofde de Hertogin van Bara zich niet veel. Maria do Villasis was eene lastige en belachelijke zedepreekster, die in staat was geheel Madrid voor het hoofd te stooten, indien haar dit in het hoofd kwam.
— Ik zal nooit vergeten, zeide zij, wat zij deed met die
26
arme Rosa Pennurron, bij gelegenheid dat deze dat fameuse concert gaf ten behoeve van de overstroomden bij den watersnood in Valencia. Rosa zond haar drie kaartjes en Maria Villasis had de onbeschaamdheid haar die terug te zenden met hetgeen zij kostten, vijftien of twintig pesetas, terwijl zij naar Valencia een aalmoes zond van drie duizend duros, aan het adres van den Aartsbisschop.
Butron trok zijne geweldige wenkbrauwen op. Generaal Pastor streelde zijn geweldigen baard, terwijl Senor Pulido, practischer en minder kittelbaar, zijn baardeloos gezicht wreef en zeide:
—• Met dat al, indien zij ons ook zooveel zond , al ware hot dan ook door de hand van den Moor Muza. ...
De Hertogin, die juist haren zoon en haren titel aan den heer Lopez Moreno had verkocht, antwoordde vol waardigheid en zeer gestreng:
— O neen, neen, Pulido!.... De welvoeglijkheid laat zich niet verkoopen en is niet te schatten. Ook hebben wij Maria Villasis niet noodig om ons een lesje te geven.
Overigens had zij niet veel vertrouwen in de houding, die Maria de Villasis in dit geval zoude aannemen, en wist zij niet in hoeverre men op haar kon rekenen betreffende de Restauratie.. . . Ongetwijfeld was hare vriendschap voor de onttroonde Koningin steeds innig, trouw en onafgebroken geweest; maar zij wist uit goede bron, dat Bravo Murillo de onbescheidenheid had gehad aan de Markiezin het antwoord over te vertellen , dat de Aartsbisschop van Villadolid had gegeven op den vraag, of de Restauratie, ja of noen, de eenheid van het Katholicisme moest behouden. En dit antwoord kon niet meer afdoende zijn: Het teas yeene pnlitieke partij geoorloofd hieromtrent te oordeelen. Dit was nu eene dwaasheid, een gebazel van den Aartsbisschop, dat spreekt. Maar het was genoeg om het geweten van zulk eene femelaarster als Maria te verontrusten en haar een voorwendsel aan de hand te doen om de koorden van hare beurs toe te halen.
27
De Markiezin de Butron had hare oogen neergeslagen, toen zij over de eenheid van het Katholicisme hoorde spreken en de schaduw van treurigheid, die steeds over haar gelaat lag, werd dieper. De doorkneede diplomaat en de heer Pulido wisselden een snellen blik; ongetwijfeld hadden deze comperes meer dan eens over deze zaak gesproken, bij hunne vertrouwelijke samenkomsten, daar aan den anderen kant achter het kamerschut. Butron nam het woord en stak zijne harige hand uit.
— Ik sta voor Maria Villasis in, zeide hij op stelligen toon. Hetgeen gij daar vertelt, is waar, maar de domme zet van Murillo heb ik zelf hersteld... . Maria kwam toen ter tijd zcor ontsteld bij mij en vroeg om afdoende opheldering en ik beloofde haar toen plechtig, dat de Restauratie do eenheid van het Katholicisme in haar geheel zoude handhaven, als het kostbaarste juweel der Spaansche glorie.
Do Hertogin haalde hare schouders op met teckenen van groot ongeduld.
— Maar dit zegt hot manifest niet, dat Bravo Murillo geweigerd heeft te teekenen. —
— Het tegendeel evenmin
— En dus.. ..
— En dus blijft er toch hetgeen ik heb beloofd. .. . Over de toekomst kan men toch niet beschikken, en het is mogelijk, dat tegen onzen wil en tegen onze begeerte wij ons genoodzaakt zien een voldongen feit te eerbiedigen of voor eene beslissing in de Cortes het hoofd te buigen. .. .
Do heer Pulido gaf door een gebaar te kennen, dat hij hiermede volkomen instemde en sloeg zijne oogen, bij voorbaat, reeds gelaten neder. De Hertogin, verheugd over haar verstand en doorzicht, riep luchtig uit:
— Begrepen!.... Begrepen!.... Genoeg!.... Toch blijft er nog iemand anders over, met wie men zich moet verstaan. Denkt ge, dat de apin Jenny tevreden zal zijn met haar Vice-Presidentschap ?
28
Butron keek zeer verbaasd op, toen hij die vreemdsoortige viervoetige candidate hoorde noemen, die de Hertogin in deze voorname damesvereoniging wilde opnemen, en vroeg verrast:
— De apin Jenny ?... .
— Wel dat is Curra. ... La Villamelon. Weet je dat dan niet?.... Diogenes heeft haar dien naam gegeven, nadat hij haar een kostbare narghilé had cadeau gedaan, die hij van den Ambassadeur van Marocco heeft gekregen. ... In de zoölogische tuin te Londen is eene beroemde apin — ik heb haar gezien — die heet Jenny, en die rookt een pijp met een gracie en een nuffigheid, die geheel en al aan Currita doen donken.
— Kom, kom! . . .. riep de diplomaat met olympische genadigheid uit. Ik heb nooit iets gezien als Madrid, wat betreft het geven van bijnamen en het belachelijk maken van iemand, ledereen houdt veel van iedereen, men is dag en nacht bij elkaar, maar zoodra keert men elkaar niet den rug toe, of men trekt elkaar de haren uit of maakt elkaar bespottelijk.
— Hoort eens dien puritein, dien broeder der barmhartigheid! .... Ami. de la vertil, plutót que vertueux. Ge hebt anders tijd genoeg gehad, u er aan te gewennen.
— Ik zal met do apin Jenny beginnen om mij er aan te gewennen. ... De apin Jenny zal het Vice-Presidentschap aannemen.
— Denk je ? ....
— Ik reken er op.... Ik heb voor haar nog een andere, zeer belangrijke rol bewaard, die haar het ondergeschikte van de eerste zal doen vergeten.
Toen ontvouwde Butron zijn plan in alle bijzonderheden. . . . Het was hem niet te doen om eene vereeniging van louter Alfonsistische dames. Duizend maal had hij dit reeds gezegd en hij zoude nooit moede worden, dit te herhalen. Het was noodig: harrer para d ntro (naar binnen bezemen), ieders wil te bevredigen, ieders schroom te verdrijven, in eiken hoek snuf-
29
felon of er niet iets in te vinden was, in elke vuilnisbak zoeken of er niet een kluwen vuil garen was, alles in het werk stellen: feesten, bals, stierengevechten, fancy-fairs, jongelui\'s partijen, die door de nieuwerwetsche liefdadigheid zijn uitgevonden om tranen te drogen en de harten te verheugen, om de maag te vullen en de beenen in beweging te brengen.... De gewonden in het Noorden helpen!.... Wat een prachtig lokaas om den
weêrbarstigsten Carlist en den radikaalsten liberaal te vangen!____
Daarom had hij gedacht, dat groote naar binnen bezemen te doen plaats hebben op een groot bal, een fameus feest, dat klinken zou als een klok, een feest op hreeden grondslay aangelegd, dat de apin Jenny, Curra, zoude geven en waarop zij alles, wat in Madrid maar bruikbaar was, moest noodigen, van de Presidente consorte van het Carlistische comité, tot de vrouw van den gewezen Minister, de zeer waardige echtgenoote van den alleruitmuntendsten S1\' D. Juan Antonio Martinez. ... En daar, bij den gloed der champagne, die medelijdende harten ver-teedert, en onder den invloed van geprikkelde ijdelheid, die het verlangen doet ontwaken om in het oog te loopen, zal het net der liefdadigheid worden gespannen, het lokaas der gekwetsten in het Noorden, om dan met eenen slag in de mazen van het damescomité het geheele vrouwelijke Madrid, allen waaraan maar iets gelegen is, te vangen. . .. Spoedig daarop zou dan eene algemeene, voorbereidende vergadering gehouden worden aan huis van Butron zelf, gepresideerd door Genoveva, en daar zou dan aangeboden worden en bij verrassing goedgekeurd de voordracht van een bestuur, die reeds te voren was opgemaakt, waarin alle zoo handig bij elkaar gebrachte elementen zouden voorkomen en waarbij de partij der Restauratie de overhand zoude hebben. Butron zou dan, achter do schermen, het bestuur en de vereeniging kunnen leiden, even gemakkelijk , alsof hij aan de kruk van een orgel draaide. Het bestuur was dus de sluitsteen van den boog, de clou van het plan, en de eerwaarde Butron eindigde zijne aanspraak met
30
zijnen toehoorders fe verzoeken, eens goed de zaak te overleggen en de candidaten te kiezen volgens deze schets, die hij hier op een papier had aangegeven.
— Eene Presidente, godvruchtig en van aanzienlijken naam. (Eene zooals Maria Villasis!)
— Eene Vice-Presidente, elegant en met entrain. (Eene zooals Curra Albornoz!)
— Zes Gedeputeerden: eene Oarlistische , voldoende dwaas, eene andere radicaal, met weinig te zeggen, en vier Alfonsiati-schen, van de Grandeza, van de fine fleur, die voor eerbaar doorgaan, overigens bij de hand en doortastend.
— Eene secretaris, die vlug kan stellen.
— Eene thesaurierster van de haute finance.
Generaal Pastor juichte vol geestdrift de handige krijgslist toe; de heer Pulido sloeg zedig de oogen neder, alsof hij een groot aandeel had aan het vaderschap van dit denkbeeld, en de opgetogen Hertogin begon namen te noemen, zeide haar oordeel, sprak over geslachtsboomen, gaf levensbeschrijvingen, die ten duidelijkste bewezen, welk een groot talent zij had om in het leven van anderen door te dringen; zottinnen vond zij bij de vleet; handige vrouwen waren er ook wel te vinden; het eenige, wat haar moeielijk scheen, was het vinden van eerbare dames; niet dat die er niet bij hoopen waren, maar omdat de Hertogin ze niet wist te ontdekken en dit kwam, omdat niemand zoo veel eischend is of er zooveel behagen in vindt bij een ander vlekken te zien, als iemand, die het leven doorbrengt wentelende in het slijk.
De eerwaarde Butron ontving deze huldeblijken met een majestueusen glimlach en ieder oogenblik vreezende, Currita te zien binnenkomen, beval hij zijnen vertrouwden op nieuw de grootste voorzichtigheid aan. Men moest het bestuursplan voor haar verborgen houden en haar opwinden met het denkbeeld van het bal en haar doen gelooven, dat hare partij den goeden uitslag der onderneming aan hare handen had toevertrouwd.
31
Als zij maar eerst hiervan was doordrongen, was het gemakkelijk bij verrassing en ter gelegener tijd, haar dat ondergeschikte van het Viee-Presidencschap te doen slikken.
Eindelijk kwam Curra, de apin Jenny, met Jacobo Sabadell, den jeugdigen Telemaehus. Zij waren wat laat en dat was de schuld van Oom Prasquifco. ... Wat hadden zij om dezen armen stakker moeten lachen! Hij had zeker geroken, dat er iets op touw werd gezet en hij presenteerde zich op smeekenden toon en een achterdochtig gezicht om te dejeuneeren!.... Zij had hem gedurende het geheele dejeuner voor het lapje gehouden en toen, om van hem af te zijn, had zij hem gevraagd, of hij haar wilde vergezellen op een rijtoertje in den Petiro, met miss Bu-tefull en de kinderen, en zij had hem naar het rijtuig gezonden, terwijl zij ondertusschen haren hoed opzette. Arme oude man!
Toen hij zijne hielen gelicht had, ontsnapte zij met Jacobo langs de dienstbodetrap en met hen beiden waren zij in Jacobo\'s rijtuig gekomen, alsof zij pas getrouwd waren. Hoe heerlijk!
En met kinderlijken eerbied kuste zij de Markiezin, met zusterlijke liefde de Hertogin van Bara, stak met kinderlijke genegenheid hare hand Butron toe, had een vriendelijk glimlachje voor Generaal Pastor en een beschermend, allerliefst lachje voor den heer Pulido. .. .
Butron liet haar bij zich zitten en naast de Markiezin, en zij, met hare lichte oogen gevestigd op den Groothertog Alexis, dien zij, met een spinneweb bedekt, vóór zich had, begon met zeer kiesche uitdrukkingen over de buikpijn van Perdinandito te klagen.... Bijna, bijna, was zij niet gekomen, omdat zij hem niet alleen dorst te laten: maar de boodschap, die Butron haar gezonden had, was zoo gewichtig, zoo vleiend, dat zij er ten laatste maar toe had besloten.
— Als gij niet gekomen waart, zouden wij allen bij u aan huis zijn gekomen! riep Butron niet nadruk uit. Want zonder u kunnen wij niets doen; het is niet anders; het lot onzer partij ligt in uwe handen.
32
De ijdelheid werkte bij Currita uit, wat de schaamte nooit had gedaan: zij bloosde.
— Hemel Butron, ik arme! riep zij met hare zachte stem. Maar als ik iets in mijne hand houd, wees dan niet bang, dat ik het loslaat.
Butron begon het plan uit te leggen, alsof het voor de aanwezigen geheel onbekend was; hij sprak niet over het bestuur, maar wijdde uit over het zoo wenschelijk bal, als de spil, waarom de geheele onderneming moest draaien; het herstel van den troon, het geluk van Spanje, de wereldvrede en het evenwicht van Europa. Currita scheen te weifelen. Zij had naar Jacobo gekeken, als om hem te raadplegen en gezien, dat hij zijne wenkbrauwen gefronst had. Curra was slim on het was niet gemakkelijk haar in het lokaas te doen bijten. De diplomaat versterkte zijne argumenten en Generaal Pastor zeide beslist met knjgsmans openhartigheid:
— Gravin.... Gij kunt op dat bal met uwen waaier meer uitrichten, dan ik in het Noorden met mijn degen.
En de heer Pulido voegde er met een zachten glimlach bij, terwijl hij zijn duimen om elkaar draaide:
— O! Mevrouw de Gravin! .... Als u verkiest, zal men met reden dit bal kunnen noemen de zoete alliantie. .. .
De dame stak beide hare fraaie handjes uit, terwijl zij met grappigen schrik uit;
■ Ach, neen, neen, Pulido, om \'shemels wil!-.... Zoo heet de banketbakkerswinkel in den Carretera de San Jerónimo.
Toen mengde de Hertogin zich ook in den strijd en met vrouwelijke behendigheid bracht zij Currita met zekere hand eene wonde toe, door de volgende groote leugen te vertellen:
— Wel beschouwd, zeide zij, is het niet eens noodig, Curra lastig te vallen, want indien zij het bal niet kan geven, heeft Isabel Mazacan beloofd, het te doen.
Het schot was raak en Curra hakte dadelijk den knoop door, zeggende:
33
— En waarom zou ik het niet geven ? . ... Niets is gemakkelijker. ... Binnen veertien dagen is het Carnaval. Wat dunkt ii wel van een gemaskerd bal?....
— Dat kost u de ooren van het hoofd! mompelde Jacobo, slecht geluimd, alsof hij dat moest betalen.
Maar de Hertogin, die het gezegde in den loop opving en de spaarzaamheid van Monsieur Alphonse begreep, belette, dat Currita het zoude hooren door opeens in schaterlachen uit te barsten. Allen zagen haar verbaasd aan.
— Waarom lacht ge? ....
— Och, niets!.. .. Ik denk alleen, wat voor kostuum Mevrouw Martinez zal uitkiezen. . . . Misschien wel van Teresa Panza, de vrouw van Sancho.
3
II.
III.
De gedurige omgang met Bonnat te Parijs had de liefde tot de kunst bij Currita wakker gemaakt en, niet tevreden met hare rol van Maecenas, wilde zij zelve de kunst van den godde-lijken Apelles kweeken. Zij bezocht Meissonnier, vroeg Charles Durand ten eten en toen zij Raimundo Madrazo had kunnen overhalen om haar eenige lessen te geven, hetgeen hij uit de zuivere menschenliefde van een volmaakt gentleman deed, keerde zij naar Madrid terug en liet Rosa Bonbeur overbluft en bijtende op hare nagels van afgunst, achter.
Eens in Madrid terug, had zij behoefte aan een gedienstigen geest, aan een helpenden engel, die met zijn penseel leven en uitdrukking moest geven aan die doode en plompe figuren, die zij op haar doek te voorschijn bracht. Eindelijk vond zij zekeren Celestino Reguera, een beroemd aquarellist uit de school van Sevilla, een van hen, die het correcte boven het grootsche verkiezen en die een landschap van Watteau stellen boven een Sibylle van Michel Angelo. Het penseel van Celestino streek zoo ijverig over Currita\'s doek, dat, wanneer een barer schilderijen af was, zij met recht kon zeggen hetgeen de koorknaap zeide: Ik en de pastoor, wij bedienen de Sacramenten.
Maar nog meer dan aan hare kunstenaarsglorie dacht Currita, als vrouw van smaak, aan de lijst, die haar moest omgeven, en had haar atelier ingericht met eene weelde, die Fortuny of ■Pradilla, Delaroche of Makart waardig was. Het was een groot
35
vertrek met doelmatige verlichting door vensters op het oosten en van boven; kostbare kunstwerken en oudheden, tapijten van Beauvais en gobelins bedekten do muren, den vloer en de tafels. Nauwlijks vond men plaats om den voet neder te zetten en men kon geen stap doen zonder iets te bewonderen of over iets te struikelen. Oud brons, zeldzaam porcelein, vazen uit Pompeji met tropische gewassen, Arabische, Perzische en Romeinsche lampen, waarvan een de wedergade was van de beroemde di capo d\'anno in het Museum van het Vaticaan; borstbeelden, schilderijen, standbeelden, helmen, zwaarden, hellebaarden en geheele wapenrustingen van verschillende tijdperken, omringden, als bladzijden uit de geschiedenis van alle tijden, Currita\'s schildersezel , die, in een goed licht geplaatst, het licht des hemels scheen te weerkaatsen en dat, zooals die groote klaplooper van een Reguera verzekerde, hetzelfde, zeer zeker hetzelfde licht was, dat in vroegere tijden de negen Muzen lieten vallen op de voorhoofden van Raphael, Velasquez en Titiaan.
De deur werd aan weerszijden bewaakt door twee ledepoppen, als wapenkoningen uit de zestiende eeuw gekleed, gewapend met reusachtige schilden en echte dalmaticas van violetkleurig fluweel, overdekt met torens en leeuwen. En daar tegenover stond in een hooge, breede en diepe nis een ïurksche divan, overtrokken met een echt Perzisch tapijt; de zachte kussens waren van satijn en fluweel en de muur er van bestond uit Romeinsche en Pompejische mozaïken, (tichels als van Delftsch blauw) met Egyptische reliefs en schitterende Moorsche azulejos er onder; met drie wit marmeren trappen stueg men in die nis. Daar bevond zich de narghile, het geschenk van Sidi-Mohammed-Vargas, ambassadeur van Marocco, en op keurige tafeltjes van Fez, die geen twee handbreed hoog waren, nog andere pijpen, waarmede Jacobo aan Currita de weelderige droomen, door den Hatchis veroorzaakt, leerde genieten, en die Diogenes op den inval hadden gebracht om de houri van dit paradijs den eigen-aardigen naam te geven van de apin Jenny.
3»
36
In een hoek, afgezonderd en verborgen als iemand, die daar uit mededoogen wordt toegelaten, zat aan een kleinen schildersezel Paquito liiijan, tusschen cene reproductie van het standbeeld van Byron door Pozzi te Turyn en een gebeeld-houwden boog uit de vijftiende eeuw, dien men zeide, dat aan Isabella de Katholieke had toebehoord. Daar schilderde hij, altoos zwijgend, in zich zelf gekeerd, stug en beschroomd, eveneens onder toezicht van Celestino Reguera, die in den knaap rijkelijk den kunstaanleg aantrof, dien zijne moeder niet bezat.
Drie dagen na de vergadering der ingewijden werd eene groote beraadslaging gehouden in dezen kunsttempel. Currita, voor eene prachtige ronde tafel gezeten, waarvan het blad van Mexicaansch onyx was, bezichtigde eene menigte kopergravuren en teekeningen, die Celestino Keguer haar liet zien en die zij vervolgens gaf aan Jacobo en aan Tonito Cepeda, een ele-ganten flaneur, die verstand had van paarden als de zoon van Theseus, amateur was van alle kunst en verdiende, dat het erkentelijk vaderland hem in de Cortes een onderkomen toekende, als representant van den goeden Parijachen toon in Spanje. Tonito Cepeda was meer dan chic, meer dan pxchntl, hij was v\'lan, tschock. Maar de ongelukkige jongeling, buiten staat eenen prijs te bepalen voor de ontelbare adviezen, die hem werden gevraagd, zat vol schulden en had zelfs geen geld om zich te laten begraven.
Het was een ernstige vraag, die Currita den vorigen dag aan zijn helder verstand had onderworpen, waardig behandeld te worden door een Areopagus van dandies, zooals Domitianus in vroegere tijden het oordeel van den Senaat vroeg omtrent do saus, waarmede men een tarbot moest klaar maken. Toen de dame eens besloten was tot het geven van een gecostumeerd bal, het groote feest op breeden grondslag, waarop pêle méle Tyriërs en Trojanen zouden dansen, deftige personages, die in de Guia voorkwamen, en burgerlijke plebejers, die door de revolutie in de hoogte waren gekomen, was het noodig iets
37
nieuws te vinden iets verrassends, dat de clou van het feest zoude zijn; iets, dat de profane menigte met open mond zoude laten staan , zooals de Martinezzen en hun soort, bastaard ge-noodigden, zooals Oom Frasquito zou gezegd hebben, die zij wel zoude zorgen uit hare salons te bezemen, wanneer de liefdadige onderneming om de gewonden in het Noorden te ondersteunen, hunne gespekte beurzen eens goed had gepeild.
De menuet en de pavane, de figuren der zarabande en der chacona had men al zoo dikwijls gezien en hadden in de salons der aristocratie reeds honderd maal gediend, als protest van het onvervalsehte Spanjolisme tegen den overweldiger Don Amadeo. Celestino Reguera stelde voor eene allegorische voorstelling van Spanje, waarin dames en hecren zouden schitteren in de kleederdrachten der verschillende provinciën. Het voorstel werd door Currita verworpen.
— Mijn hemel, Reguera, zeide zij. Dat zou op een cursus in de geographic gelijken.
Tonito Cepeda zag minachtend op het schildertje neder, en stelde eene van die vertooningen voor, waarin men een zeker tijdperk opvoerde. Men moest de Piincesse de Sabran navolgen, die in Parijs de fabels van Esopus had doen herleven, door een groot gecostumeerd bal te geven, waarop zij zelve, als pauw verkleed, ontving; de gasten stelden ieder een of ander dier voor. Hij, Tonito, had zeer de aandacht getrokken in zijn elegant costuum als groene padde. Het denkbeeld was niet nieuw, maar scheen toch wel in staat Currita te verleiden. Het zou haar wel hebben bevallen, zich als een wit katje te ver-kleeden met rose laarzen.
Maar Jacobo, met de voorzichtigheid, waarmede hij de verkwistingen van Currita matigde, sints hij tot aan zijne ellebogen in hare geldkisten wroette, verwierp ten slotte het voorstel en stelde een ander plan voor, dat goedkooper en tevens nieuwer zoude zijn. . .. Men zou twee quadrilles vormen uit de stukken van een schaakspel, de eene wit en de andere zwart, en deze
38
zouden bij wijze van contradans togen elkaar spelen. Louis Fonseca, zijn ambtgenoot als ambassadeur, had het gezien in Cochinchina, tijdens de feesten ter eere van Pharo-Norodom, Koning van Eambodja. Het voorstel werd met minachtende inschikkelijkheid door Tonito aangenomen, met volkomen onderwerping door Ourrita en Celestino Reguera word belast, den volgenden dag teekeningen mede te brengen voor de kleeding der dame, die de witte Koningin moest voorstellen, en een kostbaar japansch schaakspel, waarvan de groote ivoren stukken konden dienen als model voor de kleeding der andere figuranten in de quadrille.
Currita weifelde bij de keus van het model, maar Jacobo, met den invloed, dien hij hier in huis bezat, als vertrouwd vriend van Villamelon en als neef der Gravin, maakte, dat zij zich weldra bepaalde tot het goedkoopste. ...
Currita gehoorzaamde zonder eenige aanmerking te maken, zonder een woord te spreken. Zij wist zeer goed, dat die man haar volkomen onder den duim had, dat hij hier meester was in huis over alles, van Villamelon af tot Don Joselito; van de Gravin van Albernoz tot de geringste bordewaschster. Allen gehoorzaamden gedwee aan zijne bevelen, raadden zijne begeerten en schikten zich naar zijne luimen en smaak. Twee schepseltjes alleen, de zwakste en de weerlooste, Paquito en Lili\', weerstonden den alvermogenden wil van dien schaamte-loozen parasiet; want het engelengevoel van deze beide kinderen vertoonde hem aan hen als een kruipend gedierte, dat door de zonnestralen overgoten, wel schitterde, maar niettemin afzichtelijk was.
Eens, kort nadat Jacobo zich in de vertrouwelijkheid van het echtpaar had ingedrongen, schilderde Currita in haar atelier een portret, dat zij zeide te zijn van Byron, den geliefden dichter, dien zij geschilderd, in borst- en in standbeelden, overal om zich heen had; maar het was in werkelijkheid het beeld van Jacobo, dat door Reguera afgemaakt was en hem voorstelde
39
met hot voorhoofd dour lauweren omwonden en met den breeden boord van zijn schotsch hemd tot halverwege den borst openlatend.
De beide kinderen zagen, naast hunne moeder staande, stilzwijgend en oplettend het penseel der schilderes zich over het doek bewegen, terwijl zij met zeker innig genoegen de laatste streken deed aan den t\'raaien eu gespierden hals van den on-echten Byron.
Op eens zeide Lili, met die uitdrukking van ernst en nadenken , die soms kinderen aannemen, tot hare moeder:
— Mama____Waarom houdt u zooveel van Oom Jacobo?----
De Gravin keerde zich verrast om, steunende op haren schilderstok en op het punt van te ontroeren, maar zich dadelijk herstellende, zeide zij zeer vriendelijk:
— Waarom zou ik niet van hem houden, kind? — Hij is mijn neef .... uw oom....
Het meisje schudde haar hoofdje met eene beweging van twijfel.
— Ja! .... zeide zij. Ik houd ook veel van mijn neefjes Baptista en Carlos, maar niet meer dan van u of van Paquito, neen ...., neen .... neen!.... En zij begon bitter met een kloppend hartje te schreien en zij verborg haar liefelijk hoofd aan den boezem harer moeder, alsof zij daar zocht, hetgeen het kleinste zwaluwtje onder in zijn nestje vindt: de warmte van moederlijke teederheid. Paquito had niets gezegd, maar was vuurrood geworden, met dien heiligen blos, waarmede ingeboren schaamtegevoel het gelaat der onschuld bedekt, en terwijl hij met zijne vingertjes, zonder het te bemerken, eene romeinsche amphore, een zeldzaam tranenfleschje, dat voor hem op tafel stond, verbrijzelde, onderdrukte hij met mannenkracht de dikke tranen, die uit zijne oogen opwelden.
Bij eene andere gelegenheid, eenige maanden later, toen de naamdag van Currita, den tienden October, de feestdag van San Francisco de Borja, naderde, hadden de kinderen eene
40
samenzwering op touw gezet om hunne moeder te verrassen. Paquito. bij wien zich reeds groote aanleg voor de schilderkunst begon te openbaren, had een pastel van zijn vaders portret gemaakt, eenen misvormden Villameion, met een kleur als een peen en een opgezwollen linkerwang, maar die desniettemin met het origineel slechts eene zeer middelmatige gelijkenis had. Het meest in het oog loopende van het portret was het gedeelte van het voorhoofd en van het hoofd, waar de knaap zeer getrouw hot dichte haar zijns vaders had geschilderd, zooals het midden op het hoofd was gescheiden en boven de beide ooren, twee hoorntjes vormde a la Napoleon III, die door den onbe-kwamen kunstenaar grooter gemaakt waren, dan wel behoorde. Lili\' had, als haar aandeel en geholpen door Miss Butefull, die in het geheim was, eene lijst gemaakt van Russisch leder, met bloemen opgewerkt, en toen zij deze lijst om het portret hadden gedaan, was hun beider geschenk gereed. Jliss Butefull schreef met hare fraaiste engelsche hand er onder: Aan hunne beminde mama, op den dag van haren Heilige, — en beide kinderen teekenden: Lili-Paquito.
O! Het was een prachtig en kostelijk geschenk en de makers moesten noodwendig zich voor hunne moeite schadeloos stellen
door geheel en al de blijdschap hunner moeder bij te wonen____
De zoo vurig verwachte dag brak aan en nadat Lili\' het prachtig portret met haar bonten manteltje had bedekt, traden de beide kinderen op hunne toonen het atelier hunner moeder binnen. Daar was zij gewoon eiken dag vóór het, dejeuner te komen, dikwijls laat na twaalven, en daar was de beste gelegenheid de verrassing te geven. Op Currita\'s schildersezel zette Paquito zeer zorgvuldig zijn meesterstuk.... Daarna, lachende als een paar engelen in den hemel, ontroerd door hunne groote verwachtingen, met een teeder vertrouwen der heiligste genegenheid, verborgen zij zich haastig tussehen al die nuttelooze zaken, onder eene ouderwetscho met staal ingelegde secretaire, die achter een tapijt stond, waarop eenige zeer groote, droge, leelijke
41
figuren waren afgebeeld; de drie schikgodinnen. Van hier konden zij den schildersezel zien, waarop het mislukte kunststuk prijkte, en, vast tegen elkaar aangedrukt, beschouwden de kinderen hun werk.
— Wat staat het daar goed! zeide Lili.
Een half uur ging voorbij; Lili begon ongeduldig te worden en rekte haar beentjes uit.
— Zij komt niet, zeide zij.
— Houd je stil!. . . .
Zij hoorden iets; Lili\' stiet haren broeder met don elleboog aan en fluisterde hem in het oor: — zij komt toch en zij werd zeer zenuwachtig. En zij kwam inderdaad, maar niet alleen. Jacobo, oom Jacobo, was bij haar en sprak over zaken, die zij niet begrepen. Hoe vervelend! Schulden, die men moest betalen; schuldeischers, die afdoening vroegen; eene handteeke-ning, die men van Villamelon moest trachten te krijgen onder
een wissel, die reeds drie maal was geweigerd____ Eene leening,
eene zuivere leening, aflosbaar bij de terugkomst der koninklijke familie, wanneer hij den prijs zoude innen van eenige geheimzinnige papieren van waarde.. . .
Jacobo sprak op gedempten toon en Currita sprak hem vroolijk en opgeruimd moed in, terwijl zij op alles, wat hij zeide, antwoordde, dat hij geen zorg moest hebben. Üp eens zag zij haren schildersezel.
— Wat is dat? ....
De kinderen haalden nauwlijks adem en drukten zich nog vaster tegen elkaar, nog vaster.... üp eens hoorden zij schaterlachen.
— Zie je dat? ....
Een andere lach stemde in, die van Uom Jacobo, en zij hoorden hem zeggen:
— Dappere stommeling!. . ..
En hunne moeder en Oom Jacobo begonnen te lachen op eene manier, die de kinderen geheel en al van hun stuk bracht.
42
want hot was geen vroolijko, liefelijke, tevreden lach, waarin do moederlijke teedorheid overvloeide en waarop zij gehoopt hadden, maar het was een schelle, spottende, onbeschaamde lach, die hen deed denken, zij wisten niot hoe, aan den lach, waarmede boze vrouwen elkaar op straat beleedigen.
— Wat een ding! .... Arme schepseltjes! .... En wat een leelijke poedel!.... Kijk, het lijkt wel of hij kiespijn hooft! Hoe grappig!....
— De jongen heeft hem flinke hoorns gegeven.. . .
— \'t Is waar ook! . .. .
Daarop volgde een schandelijk gefluister van afgebroken woorden en wat gelach.... Zij namen iets van eene tafel, deden iets aan hot portret en op nieuw klonk het schaterlachen, dat zooveel pijn deed.
De kindoren zeiden niets. Zij waren van elkaar afgegaan, alsof zij vreesden elkaar hunne gewaarwordingen mede te doelen, en zaten daar neergehurkt, onbeweeglijk, zeer stil .... zoor stil....
Een bediende kwam het atelier binnen en zeide, dat het dejeuner gereed was en Jacobo en Currita gingen daarop heen, zonder zich verder om het portret, door de kinderen gemaakt, te bekommeren.
Paquito kwam het eerst uit zijn schuilhoek; hij zag or uit als een knaap, die onder een geweldige nachtmerrio leed; met iets op de borst, dat hij noch tasten noch begrijpen kon, maar dat hem neerdrukte en vernietigde en hem deed hijgen naar luch t.
— Ach! zeide Lili\' bedroefd. Wat hebben zij er aan gedaan.
Een schendende hand had met houtskool aan de twee lokken op het portret, een beschimpend bijvoegsel geteekend, eene zeer gemeene beleediging.
Do knaap werd eorst rood en daarop bleok, neer bleek. Hij nam het portret, verborg het onder zijn kieltje, ou ging naar
43
de deur zonder een woord te spreken. Lih\' begon te schreien; toen keerde hij zich om en gaf haar een kus.
— Schrei niet, — zottin.....
Hij schreide niet; hij was zeer ernstig, met witte neusvleugels, drogen mond en bleeke lippen. . . . Hij stak een vinger op en, met zijn oogen op het vloerkleed gevestigd, zeide hij:
— Je zegt hiervan niets aan Mademoiselle. . . . Hoor je? .... Niets, niets. ... Ik ga naar mijne kamer.
En hij ging naar zijne kamer, de kleine knaap, en daar in zijne eenzaamheid, waar niemand was om hem te troosten, snikte hij hardop en liet hij zijne tranen stroomen, want hij voelde eene diepe smart, die hij niet begreep, zijn hart verscheuren, zooals de kanker kan woeden in de ingewanden, zonder zich te ver-toonen; het was eene, om zoo te zeggen naamlooze schaamte, die hem zijn in tranen badend gezichtje deed verbergen in zijn hoofdkussen. En waarom, waarom voelde hij die schaamte, indien hij toch braaf was en zijne ouders lief had, en Lilf aanbad en altoos uitstekende nota\'s kreeg en dagelijks tot God bad en ook tot de Heilige Maagd, die daar vóór hem stond in een schilderij, met het kind in hare armen?....
Hij bedaarde een weinig. O! Hoe gelukkig moest dat goddelijk kind zijn geweest, omdat het tot die zoo reine moedor had kunnen zeggen: Moeder!.... Moeder!.. . .
Eenige dagen daarna nam Currita plotseling haren zoon van het Collegie van onze lieve Vrouwe der Herinnering. Hij was al twaalf jaren oud en de Pater-Rector gaf zijnen vader op een bezoekdag te kennen, dat het thans tijd werd hem voor te bereiden voor de eerste communie. Currita was er niet bij en Villameion haastte zich het voornemen goed te keuren. Vóór alles wenschte hij, dat zijn zoon een christen zoude zijn.
— En geloof mij. Heer Kector; dat zit in mijn bloed. Mijne vrouw is verwant aan den Heiligen Pranciscus de Borja en ik aan de Heilige Theresa, en door de Bcnedetti aan den Heiligen Pranciscus Caracciolo. . ..
44
O! do Villamclons waren altijd vroom.... Zij hielden elk jaar eeno novena ter eere van Sint lioclms, don bezweerder der pest, te Quintanar de Oreja, waar zij bezittingen hadden. Hij was Collator der kerk en had het reeht eenen pastoor te benoemen. Begrijpt gij mij wel, Keetor ? .
De Rector begreep hem zeer goed en, op den Heiligen Pran-ciscus Caraceiolo vertrouwende, ging hij nog een stap verder; het feest der eerste communie zou den 19\'\'™ Maart, op don St. Josephsdag, zijn en het kwam hem zeer natuurlijk, zeer behoorlijk, zeer stichtelijk voor, indien de vader van den knaap en Mevrouw do Gravin, zijne moeder, hem aan de heilige tafel vergezelden. Ook dit nam Villameion aan te doen.
— Ja, Heer Bector, ik zal met mijneii zoon ten Nachtmaal gaan. Mijne zalige moeder zeide altoos: het is behoorlijk tegenover God zekere opmerkzaamheden in acht te nemen. Begrijpt gij mij wel?.... En daarbij, die familietooneelen roeren mij; ik ben voor oen patriarchaaal familieleven. . .. Mijne moeder was eene heilige; mijne vrouw is oen engel, die mij naar de oogen ziet en geen eigen wil heeft. Curra wil je dit doen, of Curra wil je dat doen, en zij doet het. Begrijpt gij mij Heer Rector?
He Keetor, die een nauwgezet man was, durfde geen woord zoggen, uit vrees van een leugen te laten ontsnappen en Villa-melon vervolgde met het air van eenen vorst, dien men verzoekt peter te zijn over een bedelaarskind.
— Nu dat is goed. Heer Rector; wij beiden zullen met den jongen communieeren en ik zal, vindt gij ook niet, in uniform komen.
De Rector, die aan alles vooruit dacht en de gebeurtenissen reeds van verre zag aankomen, waarschuwde hem, dat het goed zou zijn te biechten, alvorens hij naar het Collegie ging, omdat de Paters hier gewoonlijk gebrek hadden aan tijd en dat het kon gebeuren, dat men hen onmogelijk kon helpen.
— Goed, Heer Rector .... goed.... Ik heb mijn vasten
45
biechtvader; ik heb nooit bij een ander gebiecht.... Dat is Pater Pareja, een uitstekend mcnsch , een heilige, Heer Rector, een heilige, begrijpt gij mij wol ? . . . .
De Heer Rector begreep hem zoo goed, dat hij op het punt stond in lachen uit te barsten. Pater Pareja, de gewone biechtvader van mijnheer den Markies, was al tien jaren dood.
Villamelon keerde zeer tevreden naar huis terug en vertelde aan Currita, wat zij hadden afgesproken. Zij, met haar vlug begrip en helder verstand, begreep onmiddellijk al het ernstige van die afspraak en eene afschuwelijke gedachte van heiligschennis vloog, als een ongeluksvogel, een oogenblik door haar hoofd. Maar voor die gedachte schrikte zij toch; want ook de Spaanscho vrouw is zelden goddeloos; op den bodem van haar hart vindt zij nog altijd geloof en vrees en de ongeveinsde boosdoenster schrikt eer voor heiligschennis terug dan de vrome huichelaarster. Hare vruchtbare verbeelding gaf haar dadelijk een anderen uitvlucht aan de hand, eenen uitvlucht der Superieure van Port Royal waardig, der mystieke Janseniste Sophie Arnauld.
— Maar wat vertel je mij toch, Perdinandito? — Een jongen van twaalf jaar laten communieeren? — Wat eene barbaarsch-heid! Dat is iets oneerbiedigs en ik kan het niet toestaan.
Villameion opende verbaasd zijn mond.
— Maar vrouw, Curra, weet je? Als de Heer Rector het goed vindt ? .
— En ik vind het niet goed; in Frankrijk gaat niemand naar het Avondmaal onder de veertien jaar, op zijn vroegst.
— Maar nu wij in Spanje zijn. . . .
— Hoor eens Perdinandito, mijn beste; ik heb u gezegd, dat ge nooit iets zoudt afspreken; dit is geen quaestie van land. Begrijpt ge dat?.... En nu gaat ge morgen weêr naar het College en zegt van mijnentwegen aan den Rector, dat ik niet goed vind, dat Paquito aan het Avondmaal gaat, zonder behoorlijk daartoe te zijn voorbereid.... Ik heb gezegd ! ....
46
Vergeefs voerde de Rector aan, dat de jongen reeds meer dan genoeg was voorbereid ; dat die Fransche gestrengheid nog een overblijfsel was van het Jansenisme, dat door de voorschriften der kerk en door den ijver der geestelijkheid reeds geheel verdwenen was en dat het eene verkeerdheid, eene werkelijke overtreding was, zoolang aan eene schuldelooze ziel den bijstand van een Sacrament te onthouden, dat werkt ex opere operato.. . . Villamelon haalde zijne schouders op, niet goed begrijpende over welke opera\'s gesproken werd. De slimme nauwgezetheid van Currita gaf niet toe en de Rector, die de huichelachtige bedoeling raadde, zeide, dat de jongen op den St. Josephdag zou communieeren, zonder toestemming zijner ouders. Hierover werd Currita verontwaardigd en om de vreese-lijke heiligschennis te vermijden, haastte Currita zich om den jongen van school te nemen.
Van toen af begon het kind zijne naïeve opmerkzaamheid te vestigen op de tooneelen, die er in zijn huis plaats vonden. Bijna altoos alleen, vluchtte hij naar de stallen, waar hij het grootste gedeelte van den dag tusschen lakeien en stalknechts doorbracht; en daar hoorde hij gesprekken, die hem eerst dedeu blozen, maar waarmede hij eindigde te lachen, naarmate bij hem het schaamtegevoel, dat een soort van opperhuid is, die de reinheid der ziel bewaart, zich verhardde. De dwerg D. Joselito vermaakte hem buitengemeen en naar hem ging hij om de oplossing te vragen van vreemde geheimzinnigheden, die deze boze pygmee zich haastte voor hem te ontsluieren en hij liet hem verborgenheden zien, even als de Diahle boileux, de onreine en vuile Asmodee, die liet zien aan zijnen leerling Cleophas Zambullo.
De jongen begon van een en ander op de hoogte te komen.
Toen kwam er te Madrid een beroemd dramatisch fransch tooneelgezelschap. En Currita gaf last zich voor eene loge te abonneeren, waar de kinderen eiken avond heen moesten. Die lieve scheppeltjes spraken een Fransch, zoo plat, zoo pro-
4?
vinciaal, dat het hoog noodig was, dat zij eons het zuiver Panjsch accent leerden door het te hooren spreken. In die school van accent en prosodie kwam de arme jongen meer en meer op de hoogte van hetgeen er om heen gebeurde. Bij zekere gelegenheid, dat die duivelachtige dwerg, gedurende een lang onderhoud, dat zij samen hadden, onderzocht, wat zijn hebzucht verwachten kon van het edelmoedig karakter van den jonker, door deze in te wijden in het doolhof der zonde, werd alles hem duidelijk!.... Van toen af veranderde zijn karakter; hij had meer gezien, dan hij verwacht had en een sterk, zeer duidelijk gevoel van schaamte ontstond met een wilden, ingehouden haat in zijn hart. Uit schaamte durfde hij zijne oogen niet opslaan voor een lakei en zijn haat mokte in stilte... . Want wanneer hij eens een man zoude zijn! Indien hij eens te bevelen had in zijn huis! ....
Zijn vader boezemde hem minachting in en zijne moeder walging; alleen Lilf, de eenige engel in huis, bleef hij aanbidden. Jacobo vermeed hij zooveel mogelijk en meer dan eens ontdekte Currita, tot haren werkelijken angst, een blik van innigen haat in de oogen van den knaap, een blik van wraakzucht, die in zijne blauwe oogen, onder zijn blonde wimpers schitterde als het staal, wanneer het de schede verlaat. Van toen af legde hij zich met ijver op de schilderkunst toe en bleef vele uren voor zijn schildersezel zitten. Lilf bleef dan naast hem, alsof zij zijn schutsengel was. Zoo zaten zij daar op den dag, dien Currita had aangewezen om het gecostumeerd bal, met al wat daartoe behoorde, te regelen. De kinderen bleven onbeweeglijk, niettegenstaande hunne nieuwsgierigheid, in hun hoekje zitten. Maar toen Celestino Reguero op het schaakbord de prachtige stukken plaatste en Jacobo de schilderachtige manier ging uitleggen , waarop de personen, die het spel zouden voorstellen, zich moesten bewegen, kon Lili de verzoeking niet weerstaan en naderde de groep op hare teenen, terwijl zij zwijgend haren broeder een teeken gaf om ook te komen. Dat was toch zoo
48
mooi!.... Do knaap besloot er eindelijk toe en stond op, om oen oogenblik te zien; hij bad zijn palet in de eene hand en zijn schilderstok in de andere. TTij was veel gegroeid en bijna dertien jaren; zijn gelaat beloofdo fraai te worden en zijn lichaam slank en forsch. Glimlachend tegen Lih\', ging hij naar de groep en bleef achter zijne moeder staan, naast Jaoobo, terwijl hij op zijne teenen zich ophief om beter te zien. Op eens, in het vuur van zijne uitlegging, deed Jacobo eene beweging met zijn elleboog en stiet het palet uit de hand van den knaap, zoodat het op zijn mouw terecht kwam en die geheel bevlekte. De jongen deed een stap achteruit en werd doodsbleek.
Jacobo keerde zich driftig om en uitte een gemeen scheldwoord met die vuile grofheid, die dikwijls onder de beschaafde manieren van sommige mannen verborgen is en die plotseling te voorschijn komt, wanneer de drift zich van hen meester maakt, of onder den invloed van ongedwongen vertrouwelijkheid. Toen de knaap dat scheldwoord hoorde, zag hij zijne moeder en Jacobo woedend aan, terwijl hij een dreigend gebaar maakte, waarbij men den man zag ontwaken onder hot broos omhulsel van het kind.
— Wat wil je? riep Jacobo uitdagend, uit. Niemand heeft u hier geroepen. Ga heen!
Het bloed liep den jongen in zijne oogen en hij gaf zulk eenen slag met den schilderstok, dat die in twee stukken brak.
— Daar heb ik geen lust in! schreeuwde hij.
Jacobo deed eene beweging om zich op hom te werpen, maar Currita hield hem verschrikt tegen. ... De knaap met eene stem, schor van woede, kort en afgebroken, als van iemand , die koorts heeft, schreeuwde weêr:
— Ik ga niet weg!.... Ga jij weg! .... Hier heb je niets te zeggen! .... Dit is uw huis niet!....
En hij bleef hijgend staan, zonder geluid te geven, onder eene onheilspellende stilte, zooals gedurende eenen storm tus-
49
schen twee windstooten kan heerschen. . . . Jacobo stond met gebalde vuisten, terwijl hij mompelde:
— Wil je een klap om je ooren? ....
Hij eindigde den zin niet. Met de kracht en de vlugheid van een leeuw bij den aanval, met de bloeddorstige gretigheid, waarmede een jonge tijger zich op zijne eerste prooi werpt, vloog het kind Jacobo aan, sloeg hem zijne nagels in den hals, stiet hem met zijn hoofd in het gezicht, terwijl hij Jacobo\'s lichaam trapte met zijne kleine, sterke beenen, die spieren van staal schenen te hebben. Jacobo, verrast door dezen plotselin-gen aanval, maakte den jongen met zijne sterke armen van zich los en wierp hem ver van zich, alsof hij een zak zand ware geweest. De jongen kwam met zijn hoofd terecht tegen een antieken bronzen vaas, die een metaalklank van zich gaf.
Met oogen, wijd opengesperd van afgrijzen, was Lill in éénen sprong naast hem en beurde zijn doodsbleek hoofdje op. Celestino droeg hem haastig de kamer uit.
Lili bleef geknield op het vloerkleed liggen en terwijl zij hare bloedige handjes aan hare moeder toonde, stamelde zij met de doflfe beving van grenzeloozen schrik;
— Bloed!... . Mama. . . . Bloed! . ...
4
II.
IV.
Pedro Lnpez dacht te bezwijken onder den overvloed van zijne geestdrift, bij het verslag geven in de „Flor de Lisquot; van het groote bal op breeden grondslag, dat op maandag van het Carnaval in het huis Hunner Excellenties, den Markies en de Markiezin van Villamelon was gegeven.. ..
Er zijn toestanden, er zijn sohouwtooneelen, die de mensch begrijpt en bewondert met zijn instinct, maar met al zijne talenten niet kan beschrijven, of er een begrip van geven. In zulke gevallen is de grootste dichter, de meesterlijkste schrijver hij, die de natuurlijkste kreet, de heftigste ontboezeming slaakt. Daarom oordeelde Pedro Lopez, dat de beste manier om dit tooverachtig bal te beschrijven, was om eenvoudig boven een vel papier te zetten een; O!!!!; een diep gevoelde ware, uit de borst gewelde o! en de rest van het papier blank te laten.. . .
Op dat bal, tegen den morgenstond, toen hij zich in de serre had afgezonderd om er eenige aanteekeningen te maken, kwam Butron naar hem toe, tevreden en voldaan als een veldheer nn de overwinning; en terwijl hij zijn met korte broek en zijden kous bekleed been vooruitstak en met jeugdigen zwier zijn venetiaanschen mantel omsloeg, zeide hij op plechtigen toon en diep geheimzinnig, terwijl hij de punt van zijne neus in Lopez\' linkeroor stak:
— Lopez .... gebruik uwe oogen goed. Uw compte rendu
51
moet ons de overwinning verzekeren. Laat al die kleine luidjos, die hier zijn, hunne namen in de „Flor de Lisquot; zien opgehemeld door den eleganten reporter der salons en zij zijn ons, voor altoos. quot;Weg met kieskeurigheden! Mevrouw de Martinez, allerschoonst!.... Mevrouw Garcia Gomez, betooverend !. ... En deze, die daar aankomt, een wonder; de Victoria Colonna dezer eeuw.
En vol opmerkzaamheid en hoflijkheid ging hij de hand reiken aan de Victoria Colonna der negentiende eeuw, een oude, dikke schommel, als Sappho gekleed, met een myrthen krans op haar hoofd , een vergulden lier in hare hand, en in hare ooren, — o schim van Phaon, laat ons zwijgen — gouden oorbellen!. ...
Dat was Mevrouw Pauline de Rebollar de Gomez Gonzales de Hermosilla, eene groote letterkundige, beroemde dichteres, op wie Butron zijn oog had laten vallen voor het Secretarisschap van het bestuur der damesvereeniging.
De vischpartij was volkomen gelukt, en Butron noemde die de wovderdadige vischvangst. Het liefdadig lokaas, de gekwetsten in het Noorden te helpen, had aller harten getrokken; het heterogene personeel der damesvereeniging was aangeworven en er ontbrak nog maar alleen aan, haar te organiseren. Butron , zegevierend en verjongd, complimenteerde de eene, bemoedigde de andere, was overal, stak overal zijn hengel uit en verhit door het souper en opgewonden door zijn goed slagen, was dit sterk hoofd op het punt zijne kalmte te verliezen, zoo zelfs dat bij hem een oogenblik de gedachte opkwam. Mevrouw Pauline Gomez de Robollar de Gonzales de Hermosilla voor de cotillon te vragen. Een vreemd gerucht, dat zich door de salons verspreidde, hield hem op den rand van dien afgrond tegen, eenen afgrond, die dieper was dan de woelige zee, het graf der echte Sappho, aan den voet der rots van Leucadia.
Men fluisterde, dat ergens in een salon een zaak van eer was opgekomen tusschen twee personen van groot aanzien. Verschrikt ging Butron zelf zien, wat er gebeurd was; want hij
52
was bang, dat een onvoorzien geval de banden van eensgezindheid zoude breken, die hij mot zooveel moeite had gelegd. Hij ging naar een groep; daar in het midden stond Gorito Sardona druk te praten. Deze was gekleed als een peon in het schaakspel en scheen geheel vervuld van het voorval. Hij was bij al het gebeurde tegenwoordig geweest en zeide, dat Oom Frasquito een van de partijen was.
— Polaina! riep Diogenes uit. En waarop zal men duel-leeren.... Op de schaar of op de naald ? . . . .
— Zoo iets, antwoordde Gorito; het een of het ander.
En hij vertelde verder; zeer gewichtig en zeer geheimzinnig, dat de tegenpartij Sir Robert Beltz was, een kapitein van de Garde en attaché van de Engelsche legatie, een zeer phleg-matiek man, die naar alles vroeg, en van alles het „waaromquot; wilde weten, daarbij van zulk een langzaam begrip, dat hij den volgenden dag om de grappen lachte, die hij \'s avonds gehoord had.
Toen Diogenes den naam van Sir Robert Beltz hoorde, scheen hij een oogenblik door eene geweldige lachbui te worden overvallen; maar hij hield zich goed en hoorde ernstig het verhaal van den gommeux aan. Uit dat verhaal bleek, dat Oom Frasquito, eerst met verwondering, toen ongerust, daarna met angst, bemerkt had, dat Sir Robert Beltz hem steeds op zijde bleef, zonder hem een oogenblik uit het oog te verliezen. In den beginne schreef hij dat toe aan de bewondering over zijn kostuum van Groot Mandarijn, een kostuum zoo fraai, dat het den Mikado jaloersch had kunnen maken; want Oom Frasquito was de gelukkige geweest, die de zeer groote eer had genoten den witten koning voor te stellen aan de zijde van Currita, in het fameuse schaakspel, dat zoo even was afgespeeld. Maar toen dit was afgeloopen, had Sir Robert Beltz in het gedrang van het feest hem verscheiden malen tegen het lijf geloopen en hem zelfs twee malen opzettelijk betast.
— En elleboogstooten! zeide Oom Frasquito, vrrreeselijk,
53
vrrreeselijk.... Het was, alsof\' hij wilde onderzoekon, of ik hol klonk.. . .
En iets latei\', toen de deftige Mandarijn met ecnige dames stond te praten en zich voorover boog, omdat zij gezeten waren, naderde Sir Robert Beltz hem zeer listig, verborgen tusschen de menigte gasten en zonder eenige aanleiding, zonder dat er iets was, waarmede hij zich kon rechtvaardigen, stak hij hem met Britsche phlegma een speld tot aan den kop in zijn linker-zitdeel.
— Stomme ezel! riep Diogenes uit; ik heb hem toch gezegd, dat het rechtsch was... . Het rechtsche is van kurk.
En tot verbazing van allen en daarna onder algemeene vroo-lijkheid, loste Diogenes het raadsel op. .. . Terwijl de schaakquadrilles gedanst werden, stond Sir Robert Boltz naast Diogenes en keek zeer oplettend naar Oom Prasquito, die deftig en zeer in zijn schik, bedaard eic majestueus, zijne passen maakte over het rood en witte rapijt, dat het schaakbord voorstelde.
— Wie is dat jonkman? vroeg hij aan Diogenes.
— Jonkman?.... Polaina.... Hij is twee jaren ouder dan ik, en ik ben drie en zestig; reken nu maar uit.
Het steeds verwonderde gezicht van Sir Robert Beltz werd nog langer en Diogenes deed zijne verbazing nog toenemen door er ernstig bij te voegen:
— Zooals gij hem daar ziet, heeft hij twee en dertig postiches aan zijn lijf.
— Oah! mijnheer van Diogenes! Gij zijn een Andaluziër \'), zeer geloofwaardig. ...
— Gelooft ge mij niet ? . Dan zal ik ze voor u opnoemen. En hij begon de bestanddeelen op te noemen, waaruit volgens de legende Oom Frasquito bestond en eindigde met het kurken zitdeel. De verbaasde Sir Robert Beltz, die een nieuw model
1) Eene andaluzada is in hel Spaansch ongeveer wat in liet Fransch cone gasconnade is. Eene overdrijving.
54
van elastieken man meende gevonden te hebben om in het Britsch museum te plaatsen, wilde op deze vondst zyne proeven doen en ontving daarvoor als loon plotseling met een waaier eenen slag, dien Oom Prasquito in zijne zenuwachtigheid hem toebracht. Het kwam evenwel niet tot bloedvergieten. Currita bemoeide zich er mede, verontwaardigd over de lompe grappen van Diogenes; zij maakte een einde aan de twist door den arm van Sir Robert Beltz te nemen, om met hem eene wandeling door de serres te doen, terwijl zij Oom Prasquito wegzond met de opdracht allen, die met haar in de quadrille gedanst hadden, zwarten en witten, voor den volgenden dag bij haar ten eten te noodigen. Perdinandito wilde beide groepen in hunne verschillende costumes photographeeren om daarvan eene groote gravure te laten maken in de Illustracion Espanola j Americana.
Dat diner was alleraardigst. Currita had den inval gehad, haren kok een japansch menu te laten maken en allen zetten zich aan tafel in het japansch kostuum, waarin zij zich in het atelier van Perdinandito bij groepen hadden laten photographeeren. Op het dessert kreeg Oom Prasquito een nieuwen en bijzonder gelukkigen inval; eene ware ingeving, opgekomen uit de voldaanheid van zijn maag en die door allen met geestdrift werd toegejuicht. Deze ingeving was, de gedachtenis aan dat grootsche bal, de herinnering aan die prachtige kostumen te vereeuwigen; nooit de uitgelezen japansche quadrille, door hem uit de fine fleur van de Veloz club bijeen gebracht, van hare koningin te scheiden en deze maskerade te bestendigen door die te herscheppen in een soort eerewacht, om Currita overal te vergezellen en die dan het een of ander insigne moest dragen, om zich van de overige stervelingen te onderscheiden.. . . Currita nam dit voorstel verrukt aan en gaf tot onderscheidingsteeken dezer nieuwe orde een blauwe das, de kleur van den vermaarden kouseband dor Gravin van Salisbury, die volgens do overlevering aan Bduard den Derde aan-
55
leiding gaf tot het stichten der aloude en hoog adellijke orde van den Kouseband. De dame belootde aan ieder lid dexer nieuwe orde zulk een onderscheidingsteeken te zendon en zij zond inderdaad aan elk een kostbare, hemelsblauwe das van japansohe zijde, voorzien van een speld met een groeten parel, die zij genomen had van een collier, dat aan hare moeder had toebehoord.
Oom Frasquito werd met handgeklap tot Grootmeester dezer edele orde benoemd, waarvan de ridders den eeretitel ontvingen van Mousquetaires van Currita. De scherpe Jladrileensche spot, de vinnigste, die wij nog misschien gekend hebben, gaf hun spoedig een anderen naam. Carmen Tagle, die zeer gevoelig was, omdat er voor haar geen eerewacht was gevormd, niettegenstaande zij in de schaakpartij de zwarte Koningin had voorgesteld, begon de eerewacht van hare tegenpartij met den naam van Mikado te bestempelen.
— Dat is de ware naam! — riep Isabella Mazacan; het is natuurlijk en het spreekt van zelf, dat de lijfwacht van de apin Jenny bestaat uit mica\'s. \')
En van toen werd de nieuwe musketiers garde genoemd do Micos van Currita.
Ook Oom Frasquito kreeg bij deze gelegenheid een nieuwen bijnaam bij de vele, die de aanzienlijke kringen te Madrid, hetzij uit boosaardigheid of uit afgunst, zoo rijkelijk geven.
De Hertogin van Bara had zijn beeldtenis gezien in de Ilustracion, in zijn groot kostuum van Mandarijn, als Pan-Hoei-Pan, beroemd chineesch schriftgeleerde. En Pan-Hoei-Pan noemde hem voortaan die eindelooze troep van wettige en bastaardneven.
Jacobo, met die baatzuchtige en schraperige zuinigheid, die allo verkwistingen van Currita matigde en met het despotisch gezag, dat hij over haar uitoefende, berispte haar over dat
1) Een soort van apen.
56
weggeven der parels, toen zij die dassen aan hare mice\'s ton geschenke gaf.
Zij, verblind door de ergste en diohtstgewevene van alle blinddoeken en steeds bevreesd de voorlichting en don raad to moeten missen van dien man, die de enge ruimte van haar hart vervulde en aan de onverzadelijke behoefte barer ijdelhe\'d voldeed, besloot, om het bij hem weder goed te maken, hem op don 30stequot; April, zijnen verjaardag, een prachtig geschenk te geven. Zij kleurde toen, met behulp van Reguora, oene prachtige photographie, waarop zij was voorgesteld in haar rijk kostuum van japanscho koningin en liet teekeningen maken voor een prachtige lijst, die door Marzo en Ansorona van goud, zilver en edelgesteente zou worden vervaardigd.
Do toekoningen bevielen haar evenwel niet. De 30sl0 April naderde en verontrust door den nog maar korten tijd, wanhoopte zij, haar plan tot uitvoering to zien komen. Toen stolde Colostino Reguora haar voor eene oudenvotsche lijst te koopen van geciseleerd zilver, die afkomstig was uit oen zeer bekend Hertogelijk huis en te koop was op de tentoonstelling van oude kunst. Currita sloeg zich voor het hoofd.
— Hoe dom van mij! zeide zij. Dat is niet noodig, ik heb hier in huis iets bij de hand, dat beter en kostbaarder is, dan iéts dat te koop is.
En met de drukte van een jong meisje, dat aan oen gril gaat voldoen, waarvan zij \'s nachts heeft gedroomd, liep Currita door de groote vertrekken van het paleis, waar overal verfijnde weelde schitterde en kwam eindelijk aan een afgelegen gedeelte, voorheen de vleugel der eere, thans door hot dienstpersoneel bewoond. In een soort van rotonde, met fresco\'s versierd, die door don tijd bijna geheel waren verkleurd en uitgewischt, bevond zich een groote eikenhouten deur, welker fraai gebeeldhouwde paneolon met kunstig bronswerk waren beslagen. Vergeefs beproefde zij den grooten, gocisoleerdon grendel weg te schuiven; de sleutel was er niet. Toen ging zij naar het einde
57
van eencn gang, die in de keukens uitkwam en riep daar ongeduldig:
— German! . ... Basilio! .... Is daar niemand? ....
German kwam haastig aangeloopen, zeer verbaasd Mevrouw
dc Gravin op dien ongewonen plek te ontmoeten.
■— Waar is de sleutel van die deur? zeide zij.
Gorman haalde do schouders op. Wie kon weten, waar die sloutel was?
— Ga hem dan dadelijk zoeken! riep Currita. Vraag D. Joselito, vraag den Hofmeester, vraag overal! Hemel, hoe vervelend !
En zij stampte ongeduldig met hare voeten op den grond, terwijl German vloog om den sleutel te gaan zoeken. Eindelijk, na een kwartier gezocht te hebben, kwam hij terug met een zeer grooten sleutel, vol roest, waaraan een perkamenten kaartje hing, waarop geschreven stond: Oratorium üe sleutel drong knarsend in het slot, maar vergeefs poogde German hem om te draaien; hij moest hem er weer uithalen, het slot oliön cn nadat hij een staaf door het oog van den sleutel had gestoken, kon hij na vijf of zes vergeefsche pogingen het slot openen. Toen moest German nog met al de zwaarte van zijn lichaam op de deur drukken om haar langzaam open te kunnen krijgen. Een vochtige luchtstroom kwam hem te gemoet, het was er binnen donker.
—• Wacht hier, zeide Currita met een zweempje van vrees.
En zij ging naar binnen, met de handen vooruit, om nergens aan te stooten, terwijl zij hare oogen een oogenblik sloot om zich aan de duisternis te gewennen. Enkele zwakke lichtstralen kwamen door twee hooge en breede zijvensters, door zware gordijnen van rood damast bedekt, die verkleurd en vol stof waren. Currita wilde een gordijn wegtrekken door middel van een zijden koord, dat langs don muur hing; zij rukte er hevig aan, maar de gordijnringen knarsten zonder te verschuiven en het koord, dat zeker half vergaan was, brak van boven
58
en viel als een spiraal op Cm\'rita, als een lange dunne slang. Zij gaf een gilletje en een dichte stofwolk ontstond ter zelfder tijd; twee vleermuizen kwamen uit de vouwen van het brocaat en vlogen heen en weer.
— German! schreeuwde Currita, half dood van angst.
Terwijl hij binnenkwam, verborg zij haren plotselingen angst
en terwijl zij zich ontdeed van dat ongelukkige touw, alsof het werkelijk een slang was, zeide zij:
— Hemel, wat ben ik onhandig Help mij en doe dat andere gordijn open.
Met veel moeite en door met de uiterste voorzichtigheid aan de koorden van het tegenover hangende gordijn te trekken, kon hij dit open krijgen en toen sprong, door het licht verschrikt, oen kip van het altaar af en twee of drie kuikens verdwenen kakelend door een half geopend deurtje, rechts van het heiligdom. Currita keek German verstomd aan en deze, dio met groote moeite een lachbui inhield, die hem oneerbiedig scheen tegenover zijne hooggeborene meesteres, zeide zeer ernstig;
— De kok sluit hier de hoenders op, die hij slachten moot, om ze dichter bij de hand te hebben.
— - Maar hoe brengt hij ze hier ? . ... De deur was toch zoo moeilijk te openen.
— Door het andere deurtje van de sacristie, naast de keukeu.
— Zoo!....
Het licht drong spaarzaam door de vuile en bestoven ruiten, alsof het zich schaamde, maar het was voldoende om dat treurig tafreel van goddelooze veronachtzaming te verlichten.... Het oratorium was een fraaie kapel met hoog plafond, al fresco geschilderd en met veel smaak en weelde gebouwd op het einde der XVII. eeuw. In vroegeren tijd was het van boven tot beneden behangen met rijke scharlaken stoffen van Damascus, die thans als vuile lompen langs de muren hingen, govlakt en geschonden als het gezicht van een poklijder; hier en daar zag men in kostbare, maar vermolmde lijsten gele parkementen, die
59
de tallooze aflaten en privilegiën vermeldden, die door de Pausen aan de stichters dezer kapel waren geschonken. Het kostbare, maar een weinig beschimmeld beeldhouwwerk van het altaar onder een dikken laag van stof en spinnewebben en de verschillende beelden, die in de nissen stonden, hadden die dood-sche kleur, die bij de menschen het kenmerk is van de heftigste schrik.
Op het altaar zag men de gebroken mistafel, den ineen-gestorten tabernakel en twee schoone engelen, aan weerszijden, die vroeger zilveren kandelaren hadden gedragen, maar thans hunne ledige, gebalde vuisten opstaken, alsof zij den toorn des Heeren aankondigden. .. .
Aan den ingang van de kapel op een gebroken biechtstoel en op verscheidene half vergane bidstoeltjes lagen oude prullen, afgedankte meubels en de requisiten van een theater, waarop de Gravin, lang geleden, tableaux vivants had voorgesteld. Boven de trap, die naar den preekstoel leidde, was een soort van glazen kast in den muur gemaakt, waarin relieken werden bewaard. Daar ging Currita naar toe en beval German het deurtje te openen. In het benedenste bevonden zich verscheidene half geopende étuis, die heilige vazen bevatten en in een hoek geschoven, gefrommeld en opgerold, lag een misgewaad van zwart fluweel, rijk met goud geborduurd, dat de opgewerkte wapens van het huis Villameion liet zien. Toen Currita dit zag, herinnerde zij zich dadelijk de laatste Mis, die in deze ontheiligde plaats was opgedragen. Dat was vijftien jaren geleden bij de lijkmis der oude Markiezin van Villamelon, de moeder van Fer-dinandito. Men zag ginds nog, tusschen de opgestapelde overblijfselen van het tooneel, de schragen van de katafalk, die haar lichaam had gedragen, .. . Currita voelde eene soort van angstige rilling en zag onwillekeurig naar de plaats, waar de oude Markiezin dagelijks de Mis hoorde. Daar was de zetel van fluweel, thans geheel verscheurd en in stukken, en daarvoor stond de bidstoel, welks opgevulde kussens de indrukken
60
hadden bewaard van hare knieën en armen. Currita wendde zich schielijk af, alsof zij vreesde den schim der oude dame bleek en toornig te zien verschijnen.
Het bovenste gedeelte van de kast, gevoerd met rood fluweel, was vrij goed bewaard gebleven, en op kleine kussentjes van hetzelfde fluweel lagen eenige reliekkastjes van zilver, die beenderen van heiligen bevatten en in een hoek, tegen den muur, stond in een marokijnen omslag, waaraan de ratten hadden geknaagd, een vrij groot voorwerp, en dit was hetgeen Currita had gezocht. Zij moest hare beide handen gebruiken om het op te nemen, daar het zeer zwaar was en zij verliet ijlings de kapel, met eene overhaasting, alsof zij eene heiligdom had bestolen.
Toen zij alleen in haar atelier was, deed zij den omslag weg en bleef zelve vol bewondering staren op het prachtstuk. Het was een kunstwerk van zeer groote waarde; een lijst van geciseleerd zilver, een bewonderenswaardig voortbrengsel der gond-smeèkunst uit de XVI. eeuw. Aan den voet van een der zeer schoone beeldjes vond men den naam van den beroemden Enrique de Arfe, den maker van de Custodie te Cordoba en van het zoogenaamde Oude Kruis.
Dit wonderfraai kunstwerk diende evenwel tot lijst voor een zeer vreemd en onbeduidend ding: op een grond van wit satijn en door helder glas bedekt, zag men een vod, een grof, grijs-gestreept stuk van een pij. Van achteren werd het geheel gesloten door een zilveren plaat die met fijne schroefjes op de lijst was vastgemaakt en die Currita, niet zonder veel moeite, losdraaide.
Binnen in, door witte draden aan elkander gebonden, waren twee stukken papier, die door den tijd waren geel geworden, en waarop in zeer duidelijk schrift uit de XVI. eeuw iets geschreven was. Op een er van las men: Stuk van de monnikspij van den eerwaarden dienaar deft Heeren, Broeder Alonso de Lujan, gestorven in reuk van heiligheid in zijn klooster can Talavera de
61
la Eeina den 23s\'»quot; Januari 1590. — En een regel er onder, met de naïeve aanmatiging der Grooten uit dien tijd, vond men eene eenvoudige handteekening: — Dona Catalina.
— Zoo! riep Currita, vol bewondering uit. Dat is dus van hem !... .
En hare oogen zochten onder de honderderlei zaken van waarde, die haar atelier versierden, een bewonderenswaardigen kop, geschilderd door Pantoja, voorstellende het hoofd van een gestorven Capucijner, wiens trekken straalden van die kalme rust, die de dood als bij voorbeschikking op het voorhoofd der rechtvaardigen drukt. Dat was het portret van den eerwaarden Broeder Alonso de Lujan, broeder van den vierden Markies van Paracuellar. Het portret was jaren geleden, uit het oratorium naar de salons overgebracht, niet als een voorwerp van vereoring, maar als een kunstwerk.
Op het andere stuk papier was een afschrift der clausule van het testament van dona Leonor Manrique de la Cerda, waarbij zij onder hare bloedverwanten een kleedingstuk verdeelt van haren vollen neef, den eerwaarden vader Alonso de Lujan, geestelijke der Capucijner Orde.!)
— Mijne Vrouwe, de Hertogin del Infantado, moge het stuk kiezen, dat zij begeert; een ander geef ik aan den Graaf van Salvatierra; een ander geef ik aan den Graaf van Montijo; een ander aan mijne nicht Catalina, Markiezin van Paracuellar, en den gordel aan den Graaf van Salinas, mijnen neef, om dien gordel te bewaren en te eeren als een reliek van zulk oen eerwaardig man, zooals ik gedaan heb; ook nog een stuk linnen, dat ik van gezegden Pater Alonso bezit, zal aan Mevrouw de Hertogin worden ter hand gesteld en ik verzoek Haar, indien zulks Haar goed dunkt, het te geven aan den Graaf del Cid; voorts een stuk ter keuze Harer Exellencie, om te geven aan
1) Deze clausule is lellerlijk overgenomen uit genoemd testament. De naam van den Markies de Paracuellar is alleen verzonnen.
62
den Hertog van Bejar, aan wiens huis gezegde Pater Alonso zeer gehecht was.
Currita was een en al verbazing. . .. Het kwam haar ongerijmd voor, dat zulke aanzienlijke lieden, groote hoeren voor het meerendeel, en velen er van met zulke beroemde historische namen, als kostbare juweelen een groven pij van een armen monnik verdeelden. Wat veranderen de tijden!.... De goede dona Catalina had een hoop geld uitgegeven om voor dat vod van een monnikkenkleed een juweel, van een kunstwerk te laten maken, zonder te vermoeden, dat het aan haar, Currita, eene groote uitgaaf zou besparen, eene verkwisting voor. ...
Zij schudde met eene ruwe beweging het reliek uit de lijst en zette haar eigen portret in de plaats. Dit paste zeer goed; alleen moest zij er een weinig de randen van afknippen en dan sloot hare photographie in de lijst, alsof deze er voor gemaakt was. Currita hield haar portret op eenigen afstand van zich af om het te beschouwen en terwijl zij zoo deed, stiet zij met hare hand tegen het stuk monnikspij. Plotseling trok zij hare hand terug, alsof zij een gloeiend ijzer had aangeraakt en zag met ontzetting, met angst naar den prachtigen kop, door Pantoja geschilderd, die op het doek zoo bewonderenswaardig de kalme rust van den dood terug gaf. Met dezelfde papieren, waarin het reliek en de testamentaire clausule gewikkeld waren geweest, nam zij het stuk der monnikspij van Broeder Alonso op, zonder het met hare vingers aan te raken, en met eene mengeling van afkeer en vrees, van walging en eerbied, wierp zij het in de prullemand. Dadelijk bedacht zij zich, want zij had gehoord, dat men heilige zaken niet moest verscheuren, maar verbranden. Daarom zocht zij alles weer bij elkaar, eveneens als te voren, zonder het aan te raken, en wierp het in den haard op het vuur. ... En nogmaals wierp zij, haars ondanks, een schuinen, angstigen blik op het bleeke hoofd van den dooden monnik.
Eene scherpe, onaangename lucht van verbrande wol ver-
63
spreidde zich onmiddellijk door hot vertrok. Op dat oogenblik kwam Villamelon opgeruimd en tevreden binnen. Hij kwam van Chamartin de la Rosa, waar hij in zijne fraaie villa Mira-cielos proeyen deed met het kunstmatig uitbroeden van kippeneieren.
— Lieve vrouw, wat eene akelige lucht! riep hij uit, terwijl bij den ingang bleef staan. Wat heeft er hier gebrand? Het stinkt als de hel.
Currita keek zeor ernstig, bijna boos, zelfs verbleekte zij.
— Luister eens, Ferdinandito .... zeg geene dwaasheden. Ik houd er niet van, dat men spot met dingen van de andere wereld.. . .
En alsof er sprake ware van hem, wierp zij weder een vluch-tigen en angstigen blik op het indrukwekkend hoofd van Broeder Alonso.
— Maar Curra .... kindlief, weet je? Laten wij een venster openzetten. Het ruikt hier naar een brandstapel of naar verbrand hoorn.. ..
— Och! het is niets, man; het is alleen een oud penseel, dat ik in den haard heb gegooid. . .. Laten wij er niet verder over spreken. . . . Hebt ge Lih\' gezien?
Villameion sloeg zich voor het hoofd.
— Vrouw!.... Dat heb ik glad vergeten.
—• Heb ik u dan niet gezegd, dat ge naar haar toe zoudt gaan? riep Currita driftig uit.
— Jawel, jawel, kindlief, maar ik heb hot vergeten. Wat zullen wij er aan doen ?
— Mijn hemel! Wat een man. Hij denkt aan zijn kippen en vergeet zijne dochter.
De lezer weet nog niet, dat geen der beide kinderen meer thuis was. Vier dagen na de scène, waarvan wij in het vorige hoofdstuk melding maakten, was het Currita ingevallen en had zij er Villamelon van overtuigd, dat zij zich niet uitsluitend kon bezig houden met de opvoeding der kinderen, zooals zij
64
Ave! zoude wenschen. Daarom zou het beste zijn, Lili\' naar Cha-martin te zenden, bij de geestelijke zusters van het Heilige Hart, die daar een school hielden en Paquito naar het Jezuieten college te Guichon, aan de andere zijde der Pyreneeën. Noch zij, noch Jacobo hadden er aan gedacht, dat ia ditzelfde Col-legie de kleine Alfonso Tellez Ponce, de zoon van Jacobo, werd opgevoed.
Villamelon, die zeer veel spijt had over zijne vergeetachtigheid , beloofde zijn verzuim den volgenden dag goed te zullen maken, wanneer hij weer naar Chamartin wilde gaan om het kunstmatige eieren uitbroeien na te gaan, eene-nieuwigheid, die al zijn aandacht en zijn tijd in beslag nam.
Toen Diogenes van deze liefhebberij hoorde, zeide hij: — Daar is niets vreemds in.... Hij is zelf de kloek.
V.
Do file rijtuigen voor het paleis van den Markies van Butron besloeg bijna de geheele Calle de Hortaleza, liep voorbij de Calle de San Luis en eindigde in de Calle de la Montera. De koetsen gingen langzaam voort, hielden een oogenblik stil, dan werden de portieren geopend en snel weder dichtgeslagen en daarop reden zij voort om op de Plaza de Santa Barbara hun standplaats te gaan innemen. De voorbijgangers bleven verwonderd staan kijken naar dien langen damesstoet, zoo zeldzaam in Madrid, \'s middags om drie uur. De regeering scheen niet gerust; verscheidene politieagenten wandelden aan de overzijde van het paleis op het trottoir heen en weer en eenige agenten in burgerkleeding mengden zich onder de menigte of knoopten gesprekken aan met de koetsiers en de lakeien, die van den bok met elkaar babbelden en volgens do klassieke gewoonte elkaar met de aanzienlijke namen hunner meesters aanspraken.
Do dames sprongen luchtig uit hare rijtuigen, gingen de groote vestibule door, de met tapijten belegde trap op en verdwenen met een uiterlijk van samonzweersters in de groote comediezaal. Deze zaal was indertijd beroemd geweest, omdat daar D. Ventura de la Vega den Man van de wereld had opgevoerd en Breton de los Jlerreros, de repetitie van het dons van de weide zelf had gedirigeerd. Er heerschte een bescheiden half duister, eene kunstmatige schemering, die met vaderlijk mededoogen het groot verval van het decoratief verborg, dat
66
niet in staat was het volle licht van don namiddag met eere te doorstaan.
Van buiten was liet, alsof\' men het gegons hoorde van een ontzettend grooten bijenkorf; twee honderd dames fluisterden tegelijk onder het ruisehen der zijden japonnen, het geklik-klak der waaiers, de gemaakte kuchjes, die tijd geven om een antwoord te bedenken, de honigzoete lachjes, die altoos do vrouwelijke lieftalligheid vergezellen en de parfumerieën van twee honderd verschillende smaken en twee honderd verschillende kaptafels. Soms kwam er plotseling eene van die stilten, die door het Andaluzische volk wordt toegeschreven aan den eerbied voor den onzichtbaren vleugelslag van een engel, die voorbij zweeft; maar het waa veeleer een duiveltje, dat binnen kwam, wanneer op den drempel eene dame verscheen, die zich om de eene of andere reden befaamd had gemaakt en voor een oogenblik de aandacht op zich vestigde.
Geen enkel man was er te zien. Evenwel achter in de zaal, verborgen door het eenvoudig gordijn van rood fluweel, waarop in het midden het wapen van Butron was geborduurd en dat voor het tooneel hing, vermoedde men iets mannelijks, iets onheiligs, dat hoestte en niesde even als andere stervelingen. Tweemaal hoesten en éénmaal niezen had Mevrouw de Barajas, die er dicht bij was, gehoord en zij had hare zuster even met den elleboog aangestooten, zeggende: — Hier zijn kaboutertjes —, en de andere zonder het hoofd om te wenden had zeer ernstig geantwoord :
— Robinson en Vrijdag, die verkouden zijn geworden op
hun onbewoond eiland---- Zoo was het inderdaad Robinson,
de groote Butron en de heer Pulido waren achter het gordijn en keken door dezelfde ooggaten, waardoor in vroegere tijden de hooggeboren tooneclspelers hadden gekeken om de zaal te overzien. De eerwaardige Staatsman scheen ongerust en de heer Pulido ging zwijgend van het een naar het andere kijkgat, terwijl hij zijne lippen op elkaar drukte en zijn hoofd schudde, alsof hij zeer bezorgd was.
67
De bijeenkomst der dames was zeer talrijk, zeer uitgezocht en geheel geschikt om de plannen van den diplomaat te bevorderen. Toch bemerkte hij een verontrustend kenteeken, een gevaarlijk gebrek aan discipline onder de aristocratische keurbende, geborene Alfonisten, die voor het grootste gedeelte behoorde tot de Grandeza. Dezen hadden plaats genomen aan de linkerzijde der zaal, waar zij een groep hadden gevormd en onder elkaar gigelden en grappen vertelden, terwijl zij de binnenkomende radicalen, die zich bij elkaar voegden, met die soort van beschermende toegeeflijkheid aankeken , als eene groote dame doet, wanneer zij hare kamenier verlof geeft in hare tegenwoordigheid te gaan zitten. Alleen de Hertogin van Bara, getrouw aan het consigne van den aanvoerder, had zich gehaast plaats te nemen tusschen twee vrouwen van gewezen ministers, mevrouw Martinez, eene zeer eenvoudige en be-scheidene vrouw, die zich hier op haar plaats voelde als eene kat in een vreemd pakhuis en mevrouw Garcia Gomez, eene pretentiense dame, die dacht door haar vertoon van elegance en goeden toon eene groote dame als de Hertogin van Bara te overschaduwen.
Vergeefs liep de Markiezin de Butron van de eene naar de andere zijde, hopende door hare fijne tact en gedistingeerde manieren die vrouwengevoeligheden en aanmatigingen in hare geboorte te smooren, die de zoo wenschelijke fusie, op het bal van Cnrrita met zooveel moeite verkregen, dreigde te verijdelen. Het eenige, wat haar moeilijke arbeid verkreeg, was dat zij de Hertogin van Astorga, eene dood goede vrouw, overhaalde te gaan zitten naast Hare Excellentie Mevrouw Paulina Gomez de Rebollar de Gonzalez de Hermosilla, wier zeer groote figuur zichtbaar was op een hoogen stoel, waarop zij zwijgend en peinzend nederzat, als Sappho op de rots van Leucadia, bedacht op zelfmoord.
De Carlisten, weinig in aantal, maar zeer strijdlustig, vormden een andere verdachte groep. Deze had tot aanvoerster eene
5*
68
kleine, oude dame, mager en zenuwachtig en met zeer levendige oogen. Zij was dc ]gt;aronosse do Bivot, ci\'iie Catalaansoho van zeer hooge geboorte, die onophoudelijk op haren stool heen en weer school\' en met haren waaier schermde met al het vuur van den veteraan, die haakt naar den strijd en het kruit reeds van verre ruikt. Carmen Tagle doopte haar dadelijk.
— Daar is Zumalacarregui, zeide zij tot hare buurvrouw. .. . Zij smeekt om ruzie.
Do eerwaarde Butron vloekte ondertussohen alle duivels van de hel bij elkaar, want hij vreesde eene ongelukkige ontknooping. In plaats van zijn oog hield hij zijn oor voor het kijkgaatje, om te beproeven, of hij geen enkel woord kon opvangen, waardoor hij do richting van den storm, dien hij verwachtte, kon bepalen. Maar hij hoorde niets anders dan een groot gegons als van een bijenkorf, wanneer men er tegen stoot. Dit maakte hem zeer onrustig en zenuwachtig.
— Is er dan onder al die vrouwen geen eene, die haren mond houdt! riep hij woedend uit; en do heer Pulido, zonder zijne wijsgeerige bedaardheid te verliezen, zeide zacht:
— Ik heb liever, dat zij praten, Pepe. Wanneer zij haar mond houden, is het onnatuurlijk. En op dat oogenblik, alsof die beminnelijke schepseltjes wilden bewijzen, dat zij altijd in de contramine zijn, wat de kenmerkende trek is van haar geslacht, zwegen allen plotseling en er ontstond eene diepe stilte, eenige heele maten rust, die wel een minuut duurde, gevolgd door een wild allegro, een onmogelijk crescendo, en vivace.... Er was iets bijzonders gebeurd en de eerwaarde Bruton en de wijsgeerige Pulido snelden zeer verschrikt naar hunne observatie posten.... Het was de Gravin van Albornoz, die binnen trad, met dien tred, waarvan Virgilius spreekt, die eene koningin of eene godin verraadt. Zij boog haar hoofd met de uitdrukking van voldane ijdelheid van dien Komeinschen Keizer, die bukken moest om zijn hoofd niet te stooten, toen hij onder zijne triumfbogen doortrok. Do Markiezin van Yaldivieso volgde
69
haar; doze was eeno van die gemakkelijke, met weinig tevreden te stellen vriendinnen, door wie zij gewoon was zich te laten volgen om, zooals zij het uitdrukte, tot lijst te dienen harer élégance.
Leopoldina Pastor trok haar bij het voorbijgaan aan de japon en wilde, dat zij tusschcn haar en Carmen Tagle ging zitten. .. . Men moest die brutale radioalen, die daar ginds met open mond zaten, een gevoelige les geven. Wat een airs gaven zij zioh; misschien droomden zij wel van het presidentschap.
— Zie haar eens aan! Wat een portretten!.... Zij wilde, dat Genoveva eens het woord nam om die schepsels eens flink te zeggen, waarop het stond. Maar die kon het niet schelen!.... Zij zou er van houden, te paard haar geschil uit te maken, zooals de Hunnen van Attila. Currita gaf haar een vriendelijk tikje met haren waaier en fluisterde: c\'asf dróle. — Toen groette zij met eene allerliefste beweging van haar hoofd den breeden kring harer hoog geboren vriendinnen en liet zich door Mevrouw de Butron langzaam naar do overzijde geleiden, waar zij bij do Hertogin van Bnra en de beide Ministers vrouwen ging zitten. Zij drukte hartelijk do hand van Mevrouw Martinez, terwijl zij haar „Mijne lievequot; noemde, en betuigde aan Mevrouw Garcia Gomez haar leedwezen, dat deze haar den vorigen dag niet had thuis gevonden.
— Het speet mij zoo, toen ik uw kaartje vond.... Ik had zoo graag een poosje met u willen keuvelen. ... Ik wilde gaarne, dat wij vriendinnon waren. . . .
Mevrouw Garcia Gomez dacht te barsten van geluk over zulk eone onverwachte eer on zij zag naar allo kanton, opgetogen en voldaan, rond, tusschen die twee dames dor Grandeza gezeten, als do rat uit de fabel in de Hollandsche kaas. Maria Valdivioso kneep hare lippen op elkaar om niet in lachen uit te prooston, hetgeen van haren kant eene ongewone voorzichtigheid was. Butron volgde door zijn kijkgat die goheele pantomime en mompelde zenuwachtig en opgewonden:
70
— Bravo voor Currita.... Dat is eon handig aapje, die Jenny, caramba! ..., Wanneer Maria Villasis hetzelfde doet, hebben wij het gewonnen! De heer Pulido, altijd een ongeluksprofeet , veroorloofde zich er aan te twijfelen; zijn fijn instinct deed hem een klip vermoeden, waarvan de eerwaarde Butron geen begrip had.
— Zij zet al een gezicht, alsof zij Voorzitster was, Pepe, zeide hij.
— Wie?....
— Currita, Pepe. ... Ik heb het u wel gezegd! . . ..
En zoo was het ook werkelijk. Zij was zoo doordrongen van hare meerderheid, dat zij geen oogenblik twijfelde gekozen te zullen worden. Het scheen haar toe, dat het Presidentschap op haar bal moest volgen, zooals de dag volgt op den nacht. Zij had reeds verscheidene bevelen aan oom Frasquito den Grootmeester der Mico-orde gegeven en nog dienzelfden middag aan Maria Valdivieso honderd aardige plannetjes verteld, die zij ten voordeele van de gekwetsten in het Noorden wilde uitvoeren , vooral het plan van eene fameuse kermis, die millioenen zoude opbrengen.
Butron werd op het zeggen van Pulido zeer boos en stak zijne beide armen hoog in de lucht.
— Zet zij een gezicht, alsof zij Presidente was ? .... Laat het dan maar bij het gezichten trekken blijven, Pulido. . .. Dat mankeerde er nog maar aan. Eene vrouw zoo als zij, zonder een greintje schaamtegevoel. . . . Alle fijntjes jaagt zij op de vlucht. . . . Wat zou de Aartsbisschop zeggen, indien zij hem zijn zegen op dit werk vroeg?.... Maria Villasis, Pulido! en geene andere, geene andere, Pulido! . . . .
De Nymph Egeria gaf op nieuw zijn twijfel aan zijn Numa Pompilius te kennen, altoos met de bijvoeging van den voornaam Pepe, de uitdrukking van de vertrouwde en innige vriendschap, die hen verbond.
t— Ik betwijfel het, Pepe. .. .
71
— Zou ik met haar moeite hebben ? . . ..
— Zij zal u bedanken, Pepe... .
Butron, zeer ontstemd, wendde zich half af en zeide: zij zal er niet voor bedanken, en de heer Pulido, zonder zijne kalmte te verliezen, zeide :
— Zij zal u laten zitten, want zij zal niet komen, Pepe....
— Niet komen? ....
— Zij heeft veel neiging tot verkoudheid. ... Herinner u de laatste vergadering, Pepe. . . .
— Zij komt, man, zij komt. ... Zij heeft het beloofd aan Veva, gisteren nog.
En zoo was het inderdaad. De Markiezin van Butron was don vorigen dag bij Maria de Villasis aan huis geweest, om haar uit naam van alle heiligen te smeeken, toch op de vergadering te komen. De oude dame scheen zoo ontdaan en vroeg het haar zoo dringend, alsof haar loven er mede gemoeid was. Maria de Villasis scheen er echter niet zeer mede ingenomen en begon te lachen, zeggende:
— Maar wat zou ik daar doen, lieve mensch?.... Hetzelfde als een hond bij de mis.
— Zeg dat niet, Maria, want dat gelooft ge zelve niet, antwoordde de andere bedroefd.
— Luister eens, Genoveva; ik zal openhartig met u zijn. ... Indien het uwe zaak was, uitsluitend uwe zaak, dan zou ik met hart en ziel helpen. Maar nu het betreft .... hetgeen het betreft .... hoe zal ik zeggen ? .... ik houd niets van dat naar hinnen bezemen van uw man, want dat stelt iemand altijd bloot om over opveegsel te struikelen. En, ronduit gesproken, wil ik de kans niet loopen om in aanraking te komen met eene .... Curra Albornoz, of iemand van haar soort.
— Gij hebt gelijk. .. . Maar wat zal men doen, als Madrid zelf een vuilnisbak is ? ....
— Neen, neen, Madrid is geen vuilnisbak, want gij, en ik en vele anderen zijn Madrid en wij zijn, den hemel zij dank,
72
geen vuilnis.. . . Ik geef toe, dat er in Madrid vuilnis is, doch dat kan men volkomen goed vermijden door maar oen beetje de japon op te beuren. . . . Maar hot schijnt wel, dat dio vuilnis een aangename geur bij zich hoeft, oven als eau de Cologne; anders kan ik mij niet verklaren, dat zoo weinige menschen er togen op zien zich er in te rollen.
— Maar in mijn huis is goon vuilnis, Maria.. . .
— Dat weet ik — boter dan iemand anders, want er is niemand, die u zoo goed kent on zooveel van u houdt, als ik. En daarom weiger ik niet naar uw huis te gaan, maar naar de vergadering, die uw man hij u aan huis heeft belegd. Begrijp jo?
En daar zij vreesde, dat do andere het onderscheid oen weinig bovennatuurlijk zoude vindon, gaf zij nog oono wending aan haar zeggen en voegde zij er bij:
— Geloof daarom niet, dat ik weiger tot het doel der ver-eeniging bij te dragen. ... Ik weet zeer goed, dat het ondersteunen dor gekwetsten een voorwendsel is en dat het er om te doen is het leger te winnen.... liet doet er niet toe; ik wil ook van het mijne geven, maar zonder het te doen bij wijze van een liefdewerk. ... Ik wil hot deen, omdat ik den Prins heb zien geboren worden on hem en zijne zaak beschouw als de mijne, en ik doo het bovenal, omdat mij plechtig is beloofd, dat de eerste zorg dor Restauratie zal zijn do Katholieke eenheid to herstellen, en behalve dit verlang ik niets, niets. .. .
De Markiezin do Villasis zwoeg oen oogenblik en zonder de minste vertooning van vrijgevigheid, met den natuurlijken eenvoud van iemand, die iets van weinig belang aanbiedt, voegde zij er bij:
— Daarom stel ik tien duizend duro\'s ter uwer beschikking. ... Als ik meer kon geven, zou ik hot doen
Het grooto bedrag van dit aanbod nam don schaduw van Genoveva\'s gezicht niet weg Zij had hare vriendin beschroomd aangehoord en haar hoofd schuddende zeido zij :
73
— Ik weet, dat ge rijk zijt on dat ge het gold ook weet te gebruiken. . . . Maar uw naam, uw naam is voel meer dan die tien duizend duro\'s waard.
En do andere, haar vriendelijk op de handen kloppende en haar droevigen toon nabootsende, zeide schertsend:
— Maar mijn naam, mijn naam is juist, wat ik niet geef. .. . Zeg dat aan uw man... .
Mevrouw de Butron liet hare beide armen neerslachtig in don schoot vallen en zeide angstig en bijna onhoorbaar:
— Mijn God! hoe kan ik hem dat zeggen?.. . En op eens een snik gevende, verborg zij haar gelaat in haren zakdoek on begon erbarmelijk te schreien, terwijl zij een afgrond liet zien vol bitterheid, van tot nog toe verzwegen en verborgen smart Maria bleef een oogenblik verslagen zitten, ontsteld en bedroefd, omdat zij zulk een diepe smart had veroorzaakt.
— Maar Genoveva, om \'s hemels wil! Heb ik u beleedigd?
Do andere schudde mot haar hoofd nadrukkelijk van neen
en zeide tusschen hare snikken;
— Neen . . ., neen, neen. . .. Maar Pepe. . . .
— Nu dat is dan goed.. . . Zeg hom niets! . . . Wil je dat ik zal gaan ? . . . Dan zal ik gaan, met alle liefde. Hoe kon ik denken, dat ik u verdriet zou doon?
En even droevig als hare vriendin drukte zij hare beide handen tusschen do hare, terwijl Mevrouw de Butron, zonder den zakdoek van haar gelaat te nomen, alsof zij zich schaamde voor de tranen, die haar verstikten, mompelde:
— Pepe ... de goode man. . .. Hij is zoo heftig. . . .
Dit laatste woord was voor Maria als een lichtstraal, die haar de waarheid deed zien. Zij vouwde hare handen met eene beweging van boosheid, verrassing, diep modelijden, van grenzeloos mededoogen. Het was dus waar , het was dus zeker dat gerucht, dat zoo dikwijls tot haar was gekomen, dat namelijk de edele Butron, die ridderlijke cahallero, die smettolooze staatsman, dikwijls zijne echtgenoote mishandelde, die hoogge-
74
borene dame, die zwakke vrouw, die daar voor haar stond te snikken en de schandelijke behandeling van haren man en haar eigen ongelukkig lot verborgen hield.
Een heftig gevoel van edele verontwaardiging rees in haar hart. Zij had het geheele geheim aan de ongelukkige willen ontrukken, niet alleen om haar smart te heelen, maar ook om haar te wreken. Maar de edele oude dame, getrouw aan hare positie als eohtgenoote, bleef zwijgen en bekroonde zoo doende, als eene heldhaftige ziel, dio zij was, een der scherpste pijnen, die er op aarde bestaan, van ongewaardeerde en nutte-looze zelfopoffering. Ook waagde de Markiezin van Villasis het niet, haar te ondervragen. De eerste zorg, die do kiesch-heid heeft bij het troosten van eene smart, is die te eerbiedigen en niets wondt zoo als de nieuwsgierigheid, do heiligschennis om zoo te zeggen van de onvoegzaamheid.
Een zwijgend beklag; het edelste van allen, een beklag der liefde, die weent met hen , die weenen, wanneer zij niet kunnen helpen of verlichten, baande zich toen een weg uit hare oogen en terwijl zij haar verzekerde, dat zij den volgenden dag mot het meeste genoegen bij haar zoude komen, voegde zij er bij met een drang uit haar hart, die de heilige vriendschap zoo zeer op prijs stelt:
— Wil je nog iets anders, Genoveva? — Kan ik iets voor u doen? Zeg het mij dan.
Eene andere klacht, die uit de volheid harer groote smart opwelde, uit het gebrek aan vertroosting, uit de eenzaamheid harer ziel, ontsnapte toen aan de lippen der oude dame.
— Jawel, jawel, veel.... Voel je het niet? Het doet mij zoo goed bij iemand uit te weenen; iemand te hebben, die met mij weent!
En bij het afscheid nemen, toen zij weder geheel tot bedaren was gekomen en, voor zoo ver het mogelijk was, getroost, zeide zij met eene bepaalde bedoeling;
— Denk er om, dat ik alleen u gevraagd heb morgen bij
75
mij aan huis te komen.... Wat er overigens kan gebeuren, daarvoor ben ik voor niemand aansprakelijk en ge kunt zonder vrees weigeren, wanneer ge geen lust hebt.
Hn zij voegde er treurig glimlachend bij:
— In uwe plaats zou ik hetzelfde doen.
VI.
Do Markiezin van Vülasis Hot op zioh wachten. Hot was reeds half vier on do eorwaavde Butron stond doodsangsten nit, bevreesd als hij was, dat hij voor de tweede maal dooide dame om den tnin zon worden geleid. Met zijn oog togen het gaatje in hot scherm, ontveinsde hij zijn boos humeur en zijn angst om geen last fe hebben van de wauwelaehtige opmerkingen van den heer Pulido, die door zijn eigen kijkgaatje staarde. Voor iemand, die achter van het tooneel kwam, bood dit tweetal een zeer wonderlijk en buitengemeen schouwspel. De kijkgaten waren vrij laag bij den grond en om er door te zien moest men op zijn hurken gaan zitten, eene zeer lastige houding, die om maar geene andere voorbeelden aan te halen, deed donken aan de houding van de wilden aan de Ohio, die krijgsraad honden. Ovidius vertelt niet, of de verliefde Pyramus ook zulk eene belachelijke houding aannam, toen hij in dou muur een opening zocht om Thisbe te aanschouwen ; indien dit zoo was, dan trof haar aanbidder het, dat de dame hem niet zag.
Op eens hoorde men achter op het tooneel stappen, die de planken deden kraken: Butron keerde zich driftig om en terwijl hij zijne uitgestrekte handen ongeduldig bewoog, fluisterde hij nijdig, sottn voce, tegen den komende:
— Zachtjes, voor den duivel, zachtjes! . . .
Het was oom Prasquito, die het consigne, dat iedereen den toegang tot dezen schuilhoek verbood, had geforceerd. Hij
77
kwam haastig en nieuwsgierig aanloopen om te zien, wat in die damesvergadering voorviel, en liij droeg een prachtige, opzichtige das, eene fraaiigheid, waaruit men gewoonlijk den aard van een individu leert kennen. Deze das van Oom Pras-quito was do cravatte van Grootmeester der Mico\'s van Currita, van hemelsblauwe zijde gemaakt en vastgestoken met een speld met een enkele parel. De Gravin van Albornoz had hem aan huis van Butron bescheiden, om hem onverwijld hare eerste beschikkingen als Presidente te doen kennen.
Do pas gekomene gaf aan den Diplomaat stomme teekens, dat hij bedaard moest blijven en deze ging weer op zijn hurken zitten, om door zijn kijkgat zijne waarnemingen te doen, nadat hij den heer Pulido ingefluisterd had do bedienden op nieuw streng te bevelen het consigne in acht te nemen. Maar Pulido, die bang was, dat Oom Prasquito zijn observatiepost zou gaan betrekken, deed alsof hij het niet begrepen had en liet zoodoende den toegang voor een ieder open.
Oom Prasquito zocht intusschen vergeefs naar een ander kijkgat en besloot or een voor zich, met zijn pennemos te maken, toon op eens achter hem eene groote schaduw verscheen. .. . Dat was Diogenes, die zeer zacht, sluipende naar het drietal toekwam, dat hij daar met den rug naar hem toe, op de hurken zag zitten. Hij grinnikte stil bij zich zelf, met den lach van een jakhals, van een hyena; een lach, die Oom Prasquito de haren van zijn pruik had kunnen ten berge doen rijzen, indien hij dat gezien had. Hij kruiste zijne armen over den borst, schudde zijn groot hoofd en verdween onhoorbaar tusschen de coulissen, alwaar hij in de diepte verdween, als een nihilist om in de ingewanden der aarde een of ander boos stuk voor te bereiden.
— Maria de Villasis!... fluisterde op dat oogenblik Butron met een zegevierend gelaat en dadelijk plakte hij weer zijn oog-voor het kijkgat om niets van hetgeen thans zoude voorvallen, te verliezen.
78
De Markiezin was inderdaad binnengekomen en had eene beweging van algemeene verrassing veroorzaakt. Daarop was een langdurig gefluister gevolgd, dat Butrons angsten had verdreven , dat de Hertogin van Bara zegepralend had doen glimlachen en dat Currita op hare lippen had doen bijten, omdat zij in haar dadelijk eene mededingster had herkend; voor haar de ergste , omdat zij haar het meest verfoeide. In de gedachte van alle aanwezige dames werd dadelijk het denkbeeld wakker, dat deze de aangewezene was voor het Presidentschap, want op allen maakte de Markiezin indruk, en wel om verschillende redenen. De verstandige en eerbare dames zagen in haar het type van eene groote dame, deugdzaam en met grooten invloed, eene waardige en beminnelijke vrouw, die, vast in hare overtuiging-te midden eener wufte en bedorvene maatschappij, op een ieder haren invloed doet gelden, en altoos zwijgend de groote macht uitoefent van het goede voorbeeld. Anderen, die lichtzinniger of minder eerbaar waren, zagen toch in haar de vrouw van talent, de edelvrouw van hoogen naam, onmetelijk rijk, van een sterk en onafhankelijk karakter, die zonder ooit te kort te doen aan de billijke eischen van haren hoogen rang, eiken lastigen dwang, waarvan haar geweten of haar gevoel van betamelijkheid afkeerig was, van zich wist af te schudden. Hierdoor wekte zij de groote bewondering van alledaagsche middelmatigheden, die niets anders kunnen dan navolgen hetgeen de ijdelheid streelt, of hetgeen verleidelijk is voor het gevoel; een oorspronkelijk type, ongekunsteld edel, waardig en geëerd. Niemand, uitgezonderd Butron en de Hertogin van Bara , wist op wat voor manier het bestuur moest benoemd worden en eenigen begonnen onder elkaar te fluisteren. Mevrouw de Martinez, zeide met eene naïeve, ofschoon eenigszins burgerlijke oprechtheid, die bij eene andere gelegenheid haar de scherpe hekeling der Hertogin van Bara op den hals zou hebben gehaald.
— Dit is nu nog eens eene echte Markiezin! . . . . Maria
79
Valdivieso mot haar gewoon gebrek aan tact boog zich over Currita, als om een stofje van de kunstig gestrikte linten van haren hoed weg to doen en fluisterde zacht:
— Ei?.... Wat is dat nu?.... Op zulk oene gast hebben wij niet gerekend? .... Maakt dat u ongerust? ....
De andere richtte zich op als eene Juno, aan wie men kwam vertellen, dat eene gewone nymph van den Olympus in haren door pauwen getrokken wapen ging plaats nemen, en antwoordde minachtend:
— Mij?.... Zij is niet eens in staat mij te doen geeuwen. Zoo weinig indruk maakte zij op mij. Ook de Markiezin de Villasis maakte hare opmerkingen. Zij liet hare blikken door de zaal gaan en zag daar het altijd heterogene Madrid, waar deugd en ondeugd zich beminlijk vermengen en de altijd ware geschiedenis verhaald van den rotten appel, die aan de gezonde zijn bederf en zijne wormen mededeelt, zonder daarvan den gezonden geur en heerlijken smaak over te nemen. Zij zag daar de laakbare en schadelijke vermenging van aanzienlijke namen en groote oneerbaarheid, van vlekkelooze eer en verloren goeden naam, alles met hetzelfde vernis van goede manieren , als een kaartspel door elkaar geschud tengevolge van hetzelfde blinde verlangen naar genoegens, van dezelfde dwaze ijdelheid, dezelfde onweerstaanbare behoefte de ledigheid van zich af te schudden, der verveling afleiding te verschaffen, die de vreeselijke en voortdurende verleiding is der groeten en rijken en hen voert tot allerlei buitensporigheden en allerlei afdwalingen.
— Mijn God! dacht de dame. Welk een grootsch werk zou het zijn, dat afkeerwekkend en bederf aanbrengend mengsel te scheiden; dat mengsel, dat de ondeugd van het kenteeken bevrijdt, dat anders als een brandmerk der schande haar op het voorhoofd wordt gedrukt en dat haar breidelt, zij het dan niet uit vreeze Gods, dan toch uit ontzag voor de menschen.
Door deze vermenging worden de zuiverste zielen vertrouwd
80
met het schandelijke en de machtige slagboom van afschuw en onbekendheid, die het goede van het kwade moet scheiden, weggenomen; en door te beginnen met het verkeerde te dulden , eindigt men met het navolgenswaardig te vinden! .. .. Welk een weldaad zouden zij kunnen doen, die, gedreven door denzelfden geest van liefde, welke toevluchtsoorden sticht voor weezen en jonge meisjes, die in gevaar verkeeren, ook een salon wilden stichten voor eerbare vrouwen en fatsoenlijke mannen, waar de jeugd, zonder slechte voorbeelden te duchteu te hebben, betamelijke, geoorloofde en ook noodige afleiding kou vinden, gepast voor haren leeftijd; waar men zonder gemaaktheid die voorname en waardige behandeling ondervindt, die opwekt en vervroolijkt, die de neigingen van den man verfijnt en verzacht en die de vrouw versterkt en haar eene leiding geeft; waar men een verkeer vindt van onderlinge vertrouwelijkheid, gegrond op reine sympathie, die aanleiding geeft tot kuische en rustige liefdesbetrekkingen, die weêr den grond leggen tot zeer gelukkige en uitgezochte huwelijken, waaruit christelijke en voorbeeldige huisgezinnen voortspruiten!.... Bene weldoende liefde, de uit den hemel neergedaalde liefde, de eenige ware en heilige, die dit alles met hare lynxoogen ziet; die onvermoeid werkzame liefde, die alles wil omvatten, overal het kwade wil voorkomen, smarten wil verlichten, tranen wil drogen, bedroefden wil troosten, wonden wil heelen, heeft die liefde nooit gelet op deze pestbuil? Is misschien de fabriek-arbeidster, de arme dienstmeid, die door verwaarloozing in het slijk terecht komt en door de liefdadigheid in een toevluchtshuis gered wordt, meer te beklagen dan de hoogmoedige jonkvrouw , de rijke erfgename, wier verwaarloozing alleen in het uiterlijk verschilt en die op eene andere wijze in het slijk der salons wordt neergeworpen? Het is toch zoo moeilijk niet, zooals het op het eerste gezicht schijnt, het geneesmiddel te vinden, want het zou misschien al voldoende zijn, indien eene vrouw van aanzien en geestkracht, hare ooren sluitende voor onbeta-
81
melijkc gesprekken en wars van strafwaardige toegeeflijkheid, uit liefde Gods een toevluchtssalon wilde stichten en naar de vier hoeken der hooge Madrileensohe maatschappij uitnoodigings-kaarten wilde zenden van den volgenden verrassenden inhoud: de Markiezin Zus of de Hertogin Zoo is eiken avond thuis voor eerbare dames en fatsoenlijke heeren! . . ..
En ofschoon nog in de diepte van hare overtuiging verborgen, toch duidelijk en klaar, vond de Markiezin de Villasis, dat zij kon en ook moest zijn de Markiezin Zus of de Hertogin Zoo, die de bedoelde uitnoodiging zoude rondzenden. De stem van Genoveva de Butron kwam haar plotseling uit die wonderlijke overleggingen wekken; het vrouwencongres was voltallig en thans begon zij bet doel van deze vergadering te verklaren.
De Markiezin van Butron volgde den weg, die door haren echtgenoot te voren was aangewezen en vermeed handig de gevaarlijke punten en de grove leugens, door den diplomaat verzonnen. Zij sprak langzaam, met een eenvoud, die vrij was van alle gemaaktheid en met den nadruk en de zekerheid, eigen aan personen, in hooge kringen geboren en opgevoed, die gewoon zijn aan een voortdurend verkeer in de wereld en die doordrongen zijn van het gevoel hunner eigen grootheid. Butron, neergehurkt achter zijn kijkgat, volgde met ademlooze aandacht de toespraak zijner vrouw, terwijl hij met zijne beide handen den maat sloeg als een orchestdirecteur, of als een magnetiseur, die met vreemde gebaren den stroom uit zich zelf doet voortkomen. Hij was vrijwel te vreden.
De ellende, waarin de ongelukkige gekwetsten van het noorder-leger verkeerden, was groot en beklagenswaard en moest noodzakelijk in de harten van alle Spaansche vrouwen het grootste medelijden opwekken.... Daarom had zij, Mevrouwde Butron, het gewaagd de aanwezige dames uit te noodigen, uit liefde Gods en uit medelijden met die ongelukkigen, hare krachten te vereenigen om hen bij te staan en eene vereeniging van dames II. G
82
te stichten, die, zich uitbreidende over alle provincies, talrijke hulpmiddelen voor gezegd doel zoude bijeenbrengen.
Hiertoe bepaalde zich het eerste gedeelte der toespraak van de Markiezin, die in een vroom, plechtig stilzwijgen werd aangehoord. Er ontstond eene pauze, waarin de verschillende partijen elkaar aanzagen, allen even strijdvaardig, maar zwijgend, zooals vijandige legers, die op het punt staan met elkaar handgemeen te worden, den knal van het eerste geweerschot afwachten. Mevrouw de Baronesse de Bivot, de edelmoedige Zumalacarregui, opendo het vuur met al de juistheid van de zuiverste logica.
— Het denkbeeld kan niet liefdadiger en edeler zijn en ik veronderstel, dat het de goedkeuring van alle aanwezige dames zal wegdragen, zooals het de mijne heeft gewonnen, zeide zij, terwijl zij zich met den waaier frissche lucht toewuifde. Maar men moet wel bedenken dat er in het Noorden twee Spaansche legers zijn....
En de scherpe oude dame drukte op het woord Spaansche, met een dubbelzinnig lachje, dat Butron achter zijn kijkgat deed opspringen.
— Een leger van de regeering, en een Carlistisch leger: in beiden zijn er gekwetsten, en in beide heerscht ellende. ... Ik veronderstel dus, dat de gelden, die verzameld zullen worden, in twee gelijke deelen zullen worden verdeeld; het eene gedeelte voor de gekwetsten in het leger der regeering, het andere voor de Carlisten....
Eene stilte als van het graf in de geheele zaal en zenuwachtige trillingen van Butron, die buiten zichzelf van woede in zijne schuilplaats stond te blazen.
— Die duivelsche oude heks!.. .. Dat ontbrak er nog maar aan! Dat dacht ik wel! Uit de fondsen van mijne vereeniging wil zij geweren koopen voor de Carlisten! En die stomme Veva houdt haren mond!.... Antwoord dan, voor den duivel, Geno, antwoord dan: neen; laat haar heengaan, als zij wil.
83
maar zeg haar, dat zij geen duit krijgt. Ik zal haar aanklagen !.. . .
De in verwarring gebrachte Markiezin antwoordde inderdaad niet, want op die redeneering was geen antwoord te vinden, zoo juist ter pas en onverwacht kwam zij. De Markiezin van Villasis, die medelijden kreeg met de angsten harer vriendin, kwam haar dadelijk te hulp.
—^ De Barones heeft groot gelijk, zeide zij, maar zonder twijfel heeft zij een onoverkomelijk bezwaar over het hoofd gezien,... De regeering zal zeker toestaan, dat in het leger allerlei soort van hulp zal worden verleend; maar onmogelijk kan zij toestaan, dat aan de Carlisten geld zal worden verstrekt. . . . Daarom zal de vereeniging zich moeten bepalen tot hulp aan de gekwetsten van het leger, terwijl zij, die de gekwetsten der Carlisten willen helpen, zulks in het geheim zullen dienen te doen. ...
En zich naar de Baronesse keerende, voegde zij er met een beteekenisvollen glimlach bij:
— Ik veronderstel Mevrouw, dat gij den weg wel zult kennen, maar indien er iemand is, die den weg niet kent, kan ik een zeer veilig middel aangeven om die ongelukkigen bij te staan, die niet minder nooddruftig en te beklagen zijn.... Ik heb mijn plan al gemaakt. De helft van hetgeen ik geven kan, zal ik Genoveva ter hand stellen, en het overige aan de Carlisten. ...
Goed zoo, dacht Butron, bij de eerste woorden der Markiezin en hij ademde niet kracht, terwijl hij fluisterde: dat middel is niet kwaad. — Maar toen hij zag welke wending de dame aan haar antwoord gaf en bemerkte, dat haar plan geen krijgslist was, die zij bezigde, maar een werkelijk voornemen, dat door vele andoren kon aangenomen worden, geraakte hij buiten zich zelf van ongerustheid en bromde tusschen zijne steile bakkebaarden :
Dui\\el .... duivel .... duivel! ... . Het middel is erger
e*
84
dan de kwaal, als dat zoo moet gaan. De helft gaat er mede verloren, wordt ons afgenomen, ons ontstolen. Toen zeide de heer Pulido met zijne koele bedaardheid :
— Wees niet bezorgd, Pepe. . . . Weinigen zullen geven, indien zij in het geheim moeten geven. .. .
De dappere Zumalacarregni, vastgezet door het niet minder logisch antwoord der Markiezin, brak hare guerilla af en verschanste zich op den Aventijnschen berg en deed haren aftocht, Xenophon waardig.
De Markiezin van Butron maakte van dit gunstig tusschenspel gebruik om haar aanspraak bij het neteligste punt weder vast te knoopen. . ..
Het was noodzakelijk een bestuur te benoemen en daarom wilde zij eene kandidatenlijst, die in eene vergadering van autoriteiten was opgemaakt, voorlezen en die aan de goedkeuring der vereenigde dames onderwerpen.
Het was een stoutmoedige streek en het was duidelijk, dat het bestuur werd opgedrongen. Men moest aannemen, dat niemand zich tegen een ontwerp zou durven verzetten, dat door zulk eene geëerbiedigde Vrouw in haar eigen huis werd voorgesteld.
Er heerschte eene diepe stilte en men had kunnen hooren, hoe Butron en Pulido met hunne oogleden knipten, terwijl zij aan hunne kijkgaten geplakt stonden, de zuchten, die Oom Pras-quito slaakte om zich goed te houden in zijne ongemakkelijke houding en het onderdrukt gelach van Diogenes, die in het souffleurshokje voor iedereen verborgen was en bij zich zelf zonder twijfel, een duivelachtig plan had gemaakt, waarover hij van pleizier zat te grinneken.
De Markiezin haalde een groot papier voor den dag en begon te lezen, terwijl zij hare stem een weinig verhief.
— Voorzitster: Mevrouw de Markiezin weduwe van Vil-lasis... .
Een algemeen gemompel van instemming. . . . Eene ongedul-
85
dige beweging van Currita en eene plotselinge flikkering van toorn in hare lichtkleurige oogen. ... Butron lachte voldaan achter het gordijn en Pulido slaakte eene verlichte zucht. Oom Prasquito, verrast en ontsteld zijne koningin ontkroond te zien, verliest zijn evenwicht en houdt zich aan het gordijn vast, waardoor hij zijne metgezellen in gevaar brengt van ontdekt te worden. Stomme wenken en woedende blikken roepen hem tot de orde. ... In het souffleurshokje maakt Diogenes een gebaar, dat zeggen wil: Dat kun jelui denken — en gaat door in zich zelf te lachen . . . De Markiezin van Butron zet hare lezing voort.
— Vice-presidente; Mevrouw de Gravin van Albornoz. . ..
Diepe stilte. . . . Twee honderd onderzoekende oogen vestigen
zich op de gekozene en Isabella de Mazacan begroet haar spottend uit de verte bij wijze van gelukwensching. . . . Currita bijt zich op do lippen en het bloed stijgt haar naar het hoofd; een stukje van haren kanten zakdoek glijdt over haren schoot en valt op den grond.. . . Achter het gordijn ontstelt Butron op nieuw. Pulido mompelt — ik heb het wol gezegd. Oom Prasquito heeft alle moeite zijn evenwicht te bewaren. Diogenes heeft het souffleurshokje verlaten en de Markiezin van Butron vervolgt:
— Afgevaardigden : Mevrouw de Hertogin van Astorga.... Mevrouw de Gravin van Villarcayo. . . .
Eene beweging van afschuw onder de volgelingen van mevrouw Zumalacarregui. . ..
Ben teeken van protest der aanvoerster.
De bevoorrechte glimlacht met een onnoozel gezicht, en iedereen begrijpt waarom zij op do lijst is geplaatst. — De Markiezin van Butron vervolgt:
— Mevrouw Servanda Molinillos de Martinez. De uitverkorene bloost zeer zedig; zij steekt hare handen uit, schudt het hoofd en zegt: neen. .. . De Hertogin van Bara spreekt haar hartelijk toe.... Mevrouw Garcia Gomez houdt hare ver-
86
ontwaardiging in en wacht om te zien, of zij ook op de lijst voorkomt.. ..
Achter het gordijn kijkt Butron naar Pulido en Pulido naar Butron en beide lachen.. . .
Oom Frasquito, in zijne waardigheid getast, blijft neergehurkt zitten.... Diogenes verschijnt op het tooneel en zoekt iets aan den muur achter de coulissen, links... .
De Markiezin van Butron vervolgt... .
— De Gravin van Macharnudo. De Hertogin van Bara.
Stille verbazing van deze, nu zij zich ingelijfd ziet bij deze
groep dames, die volgens den eisch van Butron alleen uit eerbare dames moest bestaan. ... De Markiezin houdt een oogen-blik op, overziet haar gehoor en leest verder:
— Secretaresse: Mevrouw Paulina Gomez de Rebollar de Gonzalez de Hermosilla. .. .
Eene onstuimige beweging van Leopoldina Pastor, die op de betrekking gehoopt had, en een krachtig: „ongepastquot;, dat in de zaal weerklonk, zonder dat iemand wist van waar het kwam. Carmen Tagle proest het uit van lachen.. . . De gekozene bewaart een voornaam stilzwijgen, speelt met hare gouden oorbellen en neemt zich voor in de rhetorica van Cicero het gedeelte, dat handelt over officieele documenten, te bestudeeren. De Hertogin van Astorga wenscht haar zonder eenigen zweem van boosheid geluk. . .. Achter het gordijn is Butron vol hoop, Pulido vol vrees en Oom Frasquito vol gedachten... . Diogenes heeft aan den muur een touw gevonden, dat van den zolder schijnt af te hangen en bekijkt het oplettend. ... De Markiezin van Butron besluit:
— Penningmeesteresse: Mevrouw Ramona Gomez de Lopez Moreno. . ..
De genoemde schijnt door een aanval van beroerte bedreigd.... De Hertogin, die op de hand der dochter hoopt voor haren zoon, groet haar uit de verte. . .. Groot gemompel, dat aangroeit, aangroeit, evenals een stormwind, die begint met fluiten en ein-
87
digt met loeien.... Op eens, een geheimzinnig geknars.... Eene diepe stilte .... daarop algemeene verrassing.
Diogenes heeft aan het touw getrokken, het gordijn gaat snel op, en de drie gezellen worden zichtbaar, zittende op hunne hurken, Butron, Pulido en Oom Prasquito, voor de oogen der verbaasde dames.... Slottabloau.
VIL
De damesvereeniging maakte fiasco, en eerst twee maanden later kon Butron met veel moeite eeno nieuwe tot stand brengen, die op eene geheel andere leest geschoeid was en die vooral in de provincies veel bijval vond. De Markiezin van Villasis had ronduit geweigerd het Presidentschap te aanvaarden; Currita had het vernederend voorstel verworpen, eene tweede plaats in te nemen en had zich daarbij zeer gevoelig getoond; de Carlis-tische dames hadden zich zeer verontwaardigd terug getrokken, zoo ook de radicalen, die zich zeer beleedigd gevoelden. En zoo bleef het heldendicht onafgewerkt, waarover Mevrouw Paulina Gomez de Kebollar de Gonzalez de Hermosilla gepeinsd had en de rood fluweelen Pompadourzak ledig, die de vrouw van Lopez Moreno bij de modiste voornemens geweest was te bestellen om er mede te collecteeren. De heer Pulido stak zijn wijsvinger op en de leden er van bewegende, zeide hij: ik heb het wel gezegd en de geslepen diplomaat, met de kracht der volharding, die niet bestaat in altoos hetzelfde te doen, maar wel om op een zelfde doel af te gaan, sloeg een anderen weg daartoe in en troostte zich met de gedachte, dat Napoleon ook fouten beging in zijn oorlog tegen Rusland, Cyrus in zijn oorlog tegen de Scythen, Cesar in Afrika en Alexander in Indic.
Den volgenden dag was er ten huize van Currita een congres van beleedigde menschen en de trotsche dame nam het antwoord over, dat Marat gegeven had aan Camille Desmoulins en
89
Fréron, toen deze hem voorstelde hun dagblad, La Tribune des Patriotes, in het zijne, L\'ami du Peuple, op te nemen; I)e adelaar gaat altijd alleen, de kalkoenen gaan bij troepen. — Zij was de adelaar, de overige dames waren de kalkoenen en Butron de kalkoenenhoeder.
Het lot der ongelukkige gewonden in het Noorden ging der gevoelige Gravin toch ter harte, en zij besloot daarom alleen en voor hare eigen rekening alles te doen, wat in hare macht stond om hun lot te verlichten. Zij stelde zich in rechtstreeksche verbinding met den Opperbevelhebber van het leger, met den edelmoedigen Generaal Pastor, den broeder van Leopoldina. Zij riep hare mico\'s bij elkaar, verzamelde hare getrouwen en maakte een betooverend plan van feesten, bals en pretjes, alles ten bate van de gekwetsten. Een kermis, door Currita bedacht in navolging van een dergelijke, die te Parijs door de Figaro was georganiseerd ten voordeele van den overstroomden te Tzegedin , zou alles van dien aard overtreffen. De beroemdste actrices en de aanzienlijkste dames, door hetzelfde gevoel van medelijden bij elkaar gebracht, hadden daar wonderen van liefdadigheid verricht door op de altaren der armen hun meer of min echt schaamtegevoel ten offer te brengen. In twee kleine uurtjes had Madamme Judic met het verkoopen van marrons glacés, meer dan vijfduizend francs verdiend. En wat zou Currita dan niet bij elkaar brengen, al verkocht zij maar noten en geroosterde boonen.
Maar het plan had nog niet de goedkeuring verworven van Jacobo en zonder dat durfde de dame geen stap doen in eene zaak, waarbij geld gevraagd moest worden en juist dien avond kwam Jacobo niet, evenmin den volgenden dag bij het dejeuner, zooals hij gewoon was.
Ongerust geworden, zond Currita eene boodschap naar het huis van den afwezigen vriend, om naar de oorzaak van zijn vreemd wegblijven te vragen. liet antwoord van den lakei was afdoende:
90
— Mijnheer de Markies was den vorigen nacht uit Madrid vertrokken.
Currita werd ijskoud van schrik. . . . Jacobo was vertrokken zonder haar een woord te zeggen, zonder haar een boodschap te zenden, zonder haar zelfs een enkel lettertje te schrijven! —
Welk een dolksteek in haar hart, vooral welk een slag voor hare eigenliefde! Want wat zouden de menschen wel zeggen, indien zijn vertrek en zijne daarbij gepaard gaande minachtende behandeling bekend werden? ....
Dit tooneel viel voor in de eetzaal, waar de echtgenooten ontbeten in gezelschap van Maria Valdivieso, Celestino Reguera en Gorito Sardona, wiens schitterende blauwe das aantoonde, dat hij dien dag mico van de wacht was. Allen zagen Currita zeer verbaasd en vragend aan, toen zij het vertrek van Jacobo vernamen en Villameion een oogenblik de koortsachtige werkzaamheid stakende, waarmede hij het gouden mes, hem door Ferdinand VII geschonken, hanteerde, zeide op klagenden toon:
— Het gaat slecht met Jacobo, en dat doet mij leed.
En alsof het leed, dat de gebreken zijner vrienden hem veroorzaakten zijne spijsverteering vergemakkelijkte, stak hij eene geheele cotelette in zijn mond, die daarin verdween, alsof het een roomsoes was.
— Maar vriendlief, zeide Maria Valdivieso ik wist niet, dat hij een borstkwaal had... . Hij is dik en stevig. Paco Velez zeide mij nog gisteren, dat hij er begint uit te zien als een rijke kruidenier.
— Dat is het ook niet, Maria, weet je wel?.... zeide Villameion met vollen qjond. Ik zeg, dat het slecht met hem gaat, omdat hij op verkeerde wegen gaat. Begrijp je mij wel?
Allen zwegen en keken vóór zich op hunne borden, maar somtijds ook schuin naar Currita, die, zonder twijfel haren eetlust verloren hebbende, zeer netjes en handig een prachtige abrikoos zat te schillen. Villamelon, die aan tafel steeds wor-
91
stelde tusschen zijn lust tot eten en zijn lust tot praten, vervolgde eenigszins ongeduldig.
— Dat Frangaisetje .... die .... die. Hoe heet zij ook.. . . Mijn hemel! Bij den dag wordt mijn geheugen slechter! Jij, Gorito. Weet je! Hoe heet zij toch; met die camelia\'s....
Gorito opende wijd zijne oogeu en spitste zijn mond en scheen zich niets, niets te herinneren. . . . Zijne memorie scheen hem op eens verlaten te hebben, alles was blank en ledig als wit papier. Maria knipte even met de oogen tegen Currita, alsof zij haar veel zoude kunnen mededeelen en Villameion zeidc ten slotte, meer en meer ongeduldig geworden :
— Nu dan, ik herinner mij den naam volstrekt niet meer. Alleen weet ik, dat zij bezig is hem te plukken.
Eene groote, verlegene stilte volgde en het boosaardig duiveltje van den lachlust begon de gasten te kwellen, daar het hun voorkwam, dat de veeren, die Jacobo werden uitgetrokken, afkomstig waren van den huid van Villameion. Currita, die nog altijd bezig was met het schillen van hare abrikoos, nam een oogenblik waar, dat de bedienden weg waren en zeide toen half luid tegen haren man, met hare liefste stem:
— Maar Ferdinand lief .... beste man, ge hebt de gave, op ongelegen tijd te spreken; je lijkt wel een horloge, dat niet gelijk gaat!.... Wie krijgt het in zijn hoofd over zulke zaken te spreken, waar de knechts bij zijn.... De hemel mag weten, wat die van den armen Jacobo denken.. . .
Villamelon antwoordde dadelijk met groote deftigheid:
— Luister eens Currita... . Aan tafel geen ruzie Weet ge? Maar ge hebt een bijzonder zwak voor Jacobo, en zult u daardoor veel teleurstelling op den hals halen. Begrijp je mij wel, Curra!.... Dit plotselinge reisje maakt mij ongerust, want ik wed, dat hij niet alleen is gegaan.
Currita legde thans de geschilde abrikoos op haar bord, wiesch de toppen harer vingers in een kostbaar Venetiaansch
92
vingerglas en naar de droppels kijkende, die van hare rooskleurige nagels vielen, zeide zij zeer eenvoudig;
— Hij neemt natuurlijk zjjn kamerdienaar mede. . . .
Villameion keek verbaasd zijne vrouw aan, zag toen Gorito
aan, toen Reguera met een uitdrukking van toornig medelijden op zijn gelaat, dat er rood en opgezwollen begon uit te zien, ten gevolge van de dampen, die uit zijn overvulde maag opstegen. . .. Die onnoozelheid van Currita maakte hem somtijds ongeduldig, want zij begreep nooit het kwaad, dat in sommige dingen stak!....
Eindelijk was het déjeuner afgeloopen en Currita verliet de eetzaal aan den arm harer nicht, terwijl zij een schoteltje met broodkruimels mede nam om die aan de goudvischjes te geven, die in een prachtige vischkom van kristal en verguld brons in de gang stonden. Zij hield van die diertjes met hunne schitterende kleuren en de vischvangst was onder de sportvennaken, degene, die haar het meest vermaakte.
Gij zult u dan onthalen Op vele kleine visschen Die, onnoozelen, als zij u zien,
Zich door u zullen laten vangen.
Maria Valdivieso hoorde verstomd deze idyllische ontboezeming aan, want zij had verwacht, dat Currita zich zoude gehaast hebben haar te ondervragen, met dezelfde drift, waarmede Othello Jago ondervroeg. Die teleurstelling was voor haar al te groot en zij riep spijtig uit:
— Loop heen met die visschenliefhebberij! Nooit heb ik eene juistere omschrijving gehoord dan die van een hengelstok: „Een lange stok, die aan een uiteinde een visch heeft en aan het andere een gek.quot;
— Quaestie van smaak, antwoordde Currita bedaard.
En zij begon haar broodkruimels aan de visschen te voeren, terwijl zij togen hen sprak met de teederheid en de jokkernij eener moeder, die hare kinderen vertroetelt.
93
— Ho, ho! slokoppen.... Hebben jelui honger? Bedaard wat! Er is voor iedereen. Kijk, Maria, kijk eens, hoe zij hunne bekjes open doen. Hoe lief, hoe grappig!
— Die vrouw heeft evenveel bloed als een kastanje, dacht Maria zeer kwaad. Maar pas op, nu begin ik....
En zij begon nu, steunende op het zeggen van Villaraelon, haar allerlei erge dingen van Jacobo te vertellen. . ..
Paco Velez had haar den vorigen avond alles verteld. Uit voorzichtigheid had zij willen zwijgen .... maar nu dacht zij, dat het oogenblik gekomen was van spreken en als eene goede vriendin moest zij haar de oogen openen.
— Deugniet! — Schrokop! riep op dat oogenblik Currita. Bijt hem niet!.... Heb je dat gezien?.... Zoo een gulzig dier! .. .. En zich oprichtende zeide zij, met hare oogen steeds op de vischkom gevestigd:
— Vertel eens, waar woont die Fransche dame?
— En als ik u dat nu eens niet zeide, gaf de andere ten antwoord, die van spijt overging tot woede, maar ik zal het u vertellen om u de oogen te openen.... Zij woont in de Calle de Rebollo, num. 08. In een hotel, een zeer net hotel, en zij heet. .. . Hoe heet zij ook weer? Mijn hemel! dat ben ik vergeten .... het is een naam, als uit een apotheek. . ..
— Praatjes, lieve mensch, praatjes van menschen, die niets te doen hebben, antwoordde Currita, terwijl zij rustig hare kruimpjes bleef strooien.
En in koortsigen angst ging zij bij zich zelve alle namen der apotheken na, die zij kende, en spande zich in om de Calle de Kebollo en het nummer 68 in haar geheugen te prenten.
— Praatjes? riep Maria buiten zich zelve uit. En is dat ook een praatje, die reis, met zijn kamerdienaar tot gezelschap ? .
— Dat is toch duidelijk, riep Currita plotseling uit, terwijl zjj driftig de laatste kruimels in de vischkom wierp. Praaljes, allerboosaardigste praatjes, Maria! Ik zal het toch wel weten,
94
Oaramba.... Al dat gepraat is geen duit waard. ... Je bent mijne vriendin en ik zal hot u in het geheim zeggen: Jacobo is voor de belangen onzer partij er op uit en komt spoedig terug... . Nu zie je, hoe de geschiedenis geschreven wordt!
— Zoo! riep Maria Valdivieso uit, terwijl zij het verhaal slikte; Currita haalde ten laatste ietwat verruimder adem, want deze leugen, die omdat ze haar in het geheim was medegedeeld door de nicht met allen spoed in Madrid zoude worden verspreid, zou voor de oogen der menschen de wonde harer eigenliefde verbergen.
Om drie uur vroeg de Gravin haar coupé en zij beval den lakei, als de natuurlijkste zaak der wereld, naar Jacobo te rijden. Deze woonde in de Calle de Alcalii in eene dure jonggezellen woning. Zijne bediening bestond uit een kamerdienaar, een jockey, eene huishoudster en een kok. Voorts had hij in de stallen aan het einde der Calle de Barquillo vier Engelsche paarden staan, waarvan drie koetspaarden en een rijpaard, een coupé, een char-a-banc en eene victoria. De mildheid van het echtpaar Villamelon voorzag in die uitgaven, die de trouwe vriend zoude terugbetalen, zoodra de Restauratie hom gelegenheid zou geven munt te slaan uit de kostbare papieren der geheimzinnige portefeuille.
Currita klom vlug de trap op, die naar het entresol leidde, waar Jacobo woonde en drukte tot drie maal toe op den knop van de electrische schel, zonder dat iemand antwoordde. Eindelijk ging de deur open en de jockey kwam te voorschijn, zonder livrei, zonder boord en das. Zijn oogen glinsterden en zijne wangen gloeiden, terwijl hij sterk naar wijn rook. Toen hij zich tegenover de dame zag, deed hij verschrikt een stap achteruit en stotterde:
— Mijnheer de Markies is uit. ...
— Dat weet ik .... roep Damian.
Het was niet noodig hem te roepen. Aan het eind van den kleinen overloop zag men zijn hoofd en daarachter dat van den
95
kok en dat van de huishoudster, allen rood en verhit, alsof men hen, op het einde van een overvloedig feestbanket was komen overvallen. Damian naderde zeer bedaard, terwijl hij tegen den ontstelden jockey ondeugend met zijn oog knipte, een gebaar van een doortrapten schelm, dat door de Gravin zeer goed werd opgemerkt. Niettegenstaande hare schaamteloosheid, had zij nog genoeg van eene groote dame overgehouden, om hierover innerlijk te gloeien van verontwaardiging.
— Kom binnen, Mevrouw de Gravin, zeide hij. En hij opende vlug de beide deuren van het salon, terwijl hij de üuweelen portière oplichtte om de dame binnen te laten. Deze liep snel de kamer door en opende zelf de deur van een kabinet, waardoor zij in Jacobo\'s zitkamer kwam en waar zij in een leuningstoel plaats nam, alsof alles haar zeer goed bekend was.
— Wat is het nu eigenlijk, Damian?.... Hoe is de reis zoo plotseling opgekomen ? .... Ik heb den Markies maar een oogenblik kunnen zien, en dat was, toen er andere menschen bij waren.
— Ik weet het niet, antwoordde Damian schouderophalend. Mijnheer de Markies stond gisteren middag om één uur op en ging zonder dejeuneeren het huis uit. Om zes uur kwam hij terug en gaf bevel zijn koffers te pakken.
— Nam hij veel goed mede ? ... . Hij zeide mij, dat hij verscheidene dagen dacht uit te blijven.
— Ja, mevrouw. Hij nam een koffer mede en twee valiezen. Ik heb ze zelf gepakt.
— En ging hij alleen?.... Hij zeide mij, dat hij misschien een paar Fransche dames zoude vergezellen.. . .
Hier bleef Damian stom en haalde wederom zijne schouders op. Daarna zeide hij :
— Demetrio ging met hem naar het station. Ik bleef thuis.
— Roep Demetrio. ... Ik heb er belang bij het te weten.
Spoedig kwam Demetrio, half dronken, aangeloopen en keek
naar Damian, terwijl hij een glimlach onderdrukte. . . . Hij had
96
in het gedrang niets gezien, maar in het compartiment, waarin mijnheer de markies had plaats genomen, was nog meer bagage.
— Ging hij in een sleeping car ?
— Neen, in een gereserveerden coupé.
Currita beet op hare lippen.
— En heeft hij hier zijn adres gelaten ? .
— Neen, mevrouw.
— Ik vraag dit om de brieven, die voor hem kunnen komen.... Hij heeft mij zijn adres gelaten.
— Indien Mevrouw de Gravin de brieven wil opzenden, zal ik haar die brengen welke hier worden bezorgd.
_ Juist____Dat is de kortste en gemakkelijkste weg, zeide
Currita snel.
En op dit oogenblik kreeg zij een hevig verlangen de geheele woning te zien; deze was zeer net en alles was zeer goed geschikt. De salon, de twee kabinetten , de zitkamer, de slaapkamer, de badkamer, de kleedkamer. — Eene schilderij in de kleedkamer trok de aandacht; zij stelde voor een takje camelia\'s uit het midden waarvan het borstbeeld eener blonde vrouw te voorschijn kwam, wulpsch uitgestrekt op dat kunstvol geschikt bloemenbed. . . . O! daar was geen twijfel aan, dat was de naamlooze Fransche vrouw, met dien pillennaam, die hem zoo wreedaardig van haar had afgetrokken. Zij bleef de beeltenis met het gezicht van een kenner aanstaren.
__Een mooi idee! .... De uitvoering is zeer goed. . .. Wie
zou zij zijn? ....
Op nieuw trok Damian de schouders op.
_ Eene Fransche dame, de dochter van een overleden Generaal schildert die dingen---- Eenigen tijd geleden, kocht de
Markies van haar deze schilderij.
— O ja! Nu weet ik, wie zij is. Zij woont in de Calle de Rebollo, n0. 68____Hoe heet zij?----
— Zij heet____ zij heet.... Wel, dat herinner ik mij niet
meer. . . . Een vreemde naam is het, zooals van een stroopje . . .
97
Currita maakte cene ongeduldige beweging; want hot begon op een raadseltje te gelijken.
De een zeide het was een pillennaam, iets uit een apotheek en de andere zeide het was de naam van een stroopje. Dit alleen was duidelijk dat de apotheek er bij te pas kwam.
Toen zij de eetkamer doorging kwam de huishoudster haar zeer oplettend en gedienstig begroeten , terwijl zij met haar breed lichaam de tafel onzichtbaar trachtte te maken , waarop de overblijfselen van het feest stonden, dat de aan zich zelf overgelaten bedienden, tijdens de afwezigheid hunner meester, aangericht hadden. De kok, een schurk van het eerste water, kwam met een goedig en voorkomend gezicht aangeloopen en vroeg of Mevrouw de Gravin ook de keuken wilde zien. Currita werd vuurrood en. .. . durfde niet weigeren.
De vuisten gebald van woede en spijt, stapte de dame in haar rijtuig on beval den koetsier naar Generaal Belluga te rijden. Dat slimme lachje van den jockey, die onwaarschijnlijke berichten, waaruit zij niet kon opmaken of Jacobo al dan niet dames begeleidde zette haar op vurige kolen en zij moest zelve zien achter de waarheid te komen.
Het rijtuig van den Generaal stond vóór, de palfrenier leunde tegen den deurpost en de koetsier zat stijf op den bok met de zweep rechtop. Do Gravin ontmoette op den trap de Generaais-vrouw die op het punt was uit te gaan met hare beide dochters die onlangs van hare school te York waren te huis gekomen en, die in den bedorven dampkring der salons reeds de natuurlijke geur barer oprechtheid en reinheid begonnen te verliezen. Zoo verliezen thijm en rosmarijn haren frisschen geur in een muskusdoos. De Gravin noemde ze hare petekinderen, omdat zij ze op haar beroemd bal op h ceden grondslag, onder hare bescherming vonr hot eerst aan de menschen had voorgesteld.
De dames wilden weder naar binnen gaan, on Currita, zonder zich veel tegen die beleefdheid te verzetten, stemde spoedig toe. Zij wilde haar evenwel niet lang ophouden , maar zij vroeg of II. 7
98
zij eeno barer petekinderen voor den gehcelen namiddag mocht mede hebben; zij, en eenige andere dames waren overstelpt door drukte, want zij vroegen overal pluksel voor de arme gewonde soldaten en voorts allerlei dingen voor de verloting op de Kermesse die alleraardigst beloofde te zijn. Dezen middag-was zij alleen met dat werk belast en daar m kwam zij eene prettige gezellin zoeken, een schutsengel die haar zoude helpen om giften in te zamelen.
— Welk medelijdend hart verstaat een bede uit een jongen, lieven mond? ....
En zij kuste het oudste der beide meisjes Margarita, dat op haar hare hemelsblauwe oogen vestigde en zij lachte met al de onschuld waarmede een kind lacht als het de oogen vestigt op de schitterende schubben van een slang waarop het licht speelt. De Generaalsvrouw stemde dadelijk toe, denkende dat het een groote eer voor haar kind was En deze voorbeeldige vrouw, deze teedere en christelijke moeder, die hare kinderen in de heilige vreeze des Heeren en in eene reine omgeving had opgevoed, vertrouwde zonder nadenken, de schoonste barer engelen aan deze schaaintelooze zondares toe, aan deze geslepen bedriegster !.. ..
Allen gingen nu uit huis, de Gravin van Albornoz achterna die op den arm van Margarita leunde; midden op den trap keerde de Gravin zich om en zeide levendig:
— Daar wij veel te doen hebben en het laat zal worden, blijft mijn petekind bij mij eten. .. . Vindt ge dat goed ? .
— Te veel eer. — Gravin!
— Dank u, lieve, dank u.
In het visitekaartenbakje harer coupé bewaarde Currita een papier waarop een groot aantal namen en adressen was geschreven. Zij maakten twee visites; eene aan de vrouw van een lid van den Hoogen Raad, en de andere aan de vrouw van een artillerie-Generaal, beiden zeer waardige dames, die de olympische Gravin, zoodra zij hare geldelijke bijdragen beet
99
had, met schaamtelooze gratie belachelijk maakte hetgeen de onschuldige Margarita deed barsten van het lachen. Toen gaf zij aan den lakei een paar adressen die onder aan de lijst met potloodstreepjes waren onderschrapt.
— Calle de Rebollo, num. 68. Hotel. —
— Wie woont daar — vroeg Margarita.
— Dat weet ik niet----Eene frangaise is het die schildert____
Misschien kunnen wij van haar wel een schilderijtje krijgen____
— Weet u wel dat dit zeer prettig is, zoo bij de menschen aan te kloppen.
— Dat vind ik ook: allerprettigst.... Die gezichten te zien van die ongelukkigen als men hun den dolk der weldadigheid op de borst zet. . .. De beurs of de bespotting. ... En die arme luidjes geven hun beurs over en blijven niettemin be-lachlijk.
— Neemt u mij een anderen middag weêr mede, Gravin?
— Ja zeker, kindlief, met alle genoegen. Maar zog geen u
tegen mij, zeg jij en noem mij Currita---- Komaan ik ben
toch zoo oud nog niet! . . . .
Zij kwamen in de Calle de Rebollo, n0 68, en het rijtuig-hield stil voor een Hotel, dat meer opzichtig dan wel smaakvol was, een soort bonbonnière eer aardig dan mooi. Currita stapte het eerste uit, zenuwachtig, een beetje bleek, maar niet van schaamte of vrees, maar van drift, begeerte en nijd....
Eindelijk zoude zij, onder den dekmantel der weldadigheid en onder beschutting der gekwetste soldaten in het noorden, het hol van het wilde dier binnendringen, om zelve zich te overtuigen wat voor apothekersmiddel het was, pil of stroopje, aan wie de bagage behoorde, die Demctrio in de gereserveerde coupé had gezien. Hiervoor en hiervoor alleen had Currita dien middag deze liefdadigheidsreis ondernomen en tot metgezel dit schuldelooze kind medegenomen, dat niet in staat was de modderlaag te pijlen waarop zij liep. Een zeer net groompje, hetzelfde dat Currita in het Theatre Royal gezien had, op den
7*
100
avond van do eerste opvooving van het „Pardon do Ploermolquot;, stond aan de deur. Zij vroeg hem of de dames thuis waren. De groom antwoordde bevestigend en liet de twee bezoeksters in een klein salon gelijkvloers. Currita dacht bij zich zelf;
_ Zij is zeker op reis en nu zal ik met de oude te doen
hebben.....
Een klein, allerleelijkst hondje kwam onder oen gordijn te voorschijn, begon te blaffen en kroop toen grommende en zijne tanden latende zien, weg. Het leelijk diertje maakte Margarita bang.
— Het lijkt wel een kwaadaardig duiveltje.. . .
Er heerschte in het salon een half donker. De meubels waren vuil en stonden in wanorde, en er lagen kleedingstukken op enkele stoelen. Op een ingelegde tafel, zeer fraai bewerkt, tusschen porceleinen ornementen en een photographiealbum, stond een grooten koperen chocoladeketel, oud en doorgebrand, met den tuit, waaruit de dikke vloeistof werd geschonken, recht op. De Gravin toonde Margarita met de punt van haren parasol dit vreemdsoortig bibelof en zeide zacht:
— Artistengrillen. . . .
Margarita kreeg een lachbui die zij met groote moeite bedwong en de Gravin, niettegenstaande zij zich met geheel iets anders bezig hield, moest ook lachen en fluisteide.
— Als men ons dat meubel maar niet voor de kermis stuurt.
Men hoorde in de verte een deur dicht doen, spoedig daarop
dichter bij een andere en de groom lichtte het gordijn op: Currita ademde verruimd. Binnen kwam de dame die haar zooveel kwelling bezorgde, de onbekende met de camelias, met de onverstoorbare driestheid van een café chantant diva die zich aan het publiek vertoont en daarop een blik vestigt eer uitdagend dan bevreesd of ongerust. De Gravin liet evenmin ontroering blijken, en met de uitgezochte distinctie van eene geborene groote dame, die zij in zoo hooge mate bezat, en de aplomb eener vrouw van de wereld die middel weet tegen alles
101
wat haar hindert, eenen uitweg in elk doolhof en onder alle omstandigheden haar woord weet te doen, legde zij aan de dame, wier naam haar zelfs onbekend was, het doel van haar bezoek uit. Deze toonde veel gevoel voor de zaak en zeide in gebroken Spaansch dat zij veel hield van Spanje en dat de Carlisten brutale bandieten waren, zooals Diego Corrientes en José Maria.
Toen Currita haar zoo jammerlijk het Castillaansoh hoorde radbraken, sprak zij haar in het Fransch aan en de andere erkende deze beleefdheid met oen dankbaren glimlach. Toen begon doze met groote radheid en zich sierlijk uitdrukkende de verwoestingen van den oorlog te bejammeren, terwijl zij de roeping der vrouw ophemelde en de deugd der liefdadigheid aanprees met het vuur van een Vincent de Paul. Currita zeide glimlachend:
— Jk zie dat ik mij niet bedroog toea ik oen beroep ging doen op uw gevoel en ik hoop dat ge ons iets zult zenden, voor onze arme gekwetsten.
— O! zeker, zeker.. . .
— Zoo het een of ander. Wat ge maar wilt. Een bibelot voor de kennesse.
— O! zeker, zeker. ... Ik zal een of ander kunstwerk zenden. . . .
Margarita beet zich op de lippen om niet in lachen uit te barsten; zij dacht dat de chocoladeketel wel het beloofde kunstwerk kon zijn. Currita zeide toen met haren bevalligen glimlach:
— En indien dat kunstwerk een voortbrengsel zal zijn van uw talent, zal ik er nóg dankbaarder voor zijn.
— O!... . Mijn talent? .... riep de andere zeer verbaasd uit.
— Ja: uw talent, zooals ik zeide.... Gij weet wel dat zoo iets niet verborgen kan blijven. . . . Uwe landgenoote. Mevrouw de Stael zeide: waar genie is, daar schittert het.
— O!....
— De Markies van Sabadell, — vervolgde Currita terwijl zij
102
langzaam hare woorden liet vallen, toonde mij dat bouquetje camelias .... dat gij eenigon tijd geleden aan hem hebt verkocht. . . . Het is een snoeperig schilderijtje. Indien gij voor de kermesse een dergelijk croquis wilt zenden, zal er geen geschenk zijn dat daarmede te vergelijken is. . . .
De dame met den onbekenden naam glimlachte, steeds met neergeslagen oogen, als overstelpt door al die vleiereien die de neusvleugels van haren fijnen neus deden trillen van woede. Currita die haar den genadeslag wilde toebrengen, zeide daarop met eene uitdrukking van goedertieren bescherming:
— En hebt ge vele leerlingen ? . .. .
De andere richtte zich heftig op, alsof de gedachte van haar geld met werken te verdienen haar zeer beleedigde.
— De Markies heeft mij gezegd, dat gij les gaaft in het schilderen.
— O! — noen, neen. — Ik ben geene leermeesteres: slechts eene leerlinge, eene zeer nederige leerlinge....
Onder hare liefelijke stem en bedaarde manieren verborg en weerhield zij het woeste verlangen van eene razende kat om de oogen harer tegenpartij uit te krabben: eindelijk gevoelde Currita zich voor voldaan en liet haren kwelgeest, naar het scheen, verlegen en verootmoedigd achter. Toen de coupé wegreed kon Margarita eindelijk uitlachen en riep schaterend uit:
— Maar wat deed die chocoladeketel toch in het salon.
— Heb ik u dat dan niet gezegd? — vroeg Currita, die mode begon te lachen. Zij stuurt die ketel bepaald naar de kermesse als een nooit gezien bibelot. Je zult het zien.
Drie dagen daarna kon Margarita zich overtuigen, dat hare hooggeborene vriendin en petemoei zich glad had vergist.. . . Pedro Lopez had gezegd, en duizenden hadden het in de „Leliequot; gelezen, dat do engel der barmhartigheid zijn verblijf had gevestigd in het paleis der hemelsche Gravin van Albornoz. Dit ware zoo of niet, zeker is het dat van alle kanten der stad, van hoog en laag, kostbare geschenken toestroomden voor de
103
kermesse die genoemde dame onder hare bescherming had genomen. Deze geschenken zouden voor hot publiek te bezichtigen zijn in de verschillende salons waar zij zeer sierlijk waren uitgestald. Zooals Pedro Lopez zich uitdrukte, verzamelde zich \'s avonds in die salons een kweelende zwerm van jonge schoonen en elegante jonkers, die zich onderling vormeiden en paartjes vormden. Twee aan twee tegen elkaar gedrukt, meer dan de heerschende temperatuur noodig maakte, wijdden zij zich aan de liefdadige taak pluksel te maken voor de gewonden in het Noorden. Currita die den wedijver wilde opwekken ten bate van de arme gewonden, had zulks zoo geschikt en hot was werkelijk verrukkelijk om te zien, iets dat de tranen uit de oogen perste die teedere paartjes, die onschuldige jonge meisjes van vijftien tot twintig jaren en die kuische jongelingen van twintig, dertig en veertig jaren, die uit een zelfde lapje draden trokken en onder de hand heimelijke liefdevolle gesprekken hielden om elkaar tot het werk der barmhartigheid op te wekken. En dit alles werd verondersteld te geschieden onder het toezicht van de engelachtige Gravin van Albornoz die van den een naar den ander ging, de paartjes schikte, de lapjes uitdeelde en op zilveren schalen, daarbij door hare mico\'s geholpen, het reeds gedane werk verzamelde. Zij moedigde de luiaards met een glimlach aan, wekte de langzamen met een woord op en verspreidde overal den gloed van de weldadigheid die haar zelve bezielde. Noch de staf van St. Franciscus, noch de mantel der heilige Theresa, noch de gordel van St. Ignatius de Loyola deden ooit zulke wonderbare genezingen als dit pluksel, met zulke reine bedoeling gemaakt, zoude bevorderen bij de wonden, kwetsuren en builen der arme gekwetsten in het Noorden. Zoo iets verdiende gezien te worden en Diogenes die liet eens gezien had vertelde in de Veloz club, toen hij daar eens laat in den nacht kwam, waaraan die arbeidende paartjes hem hadden doen denken en den indruk die de directrice op hem gemaakt had.
104
De aanzienlijkste lieden uit de groote wereld gingen er heen en betaalden hunne schatting. Zelfs D. Casimir Pantojas had op een avond pluksel gemaakt en bij die gelegenheid, tengevolge zijner bijziendheid, eene vergissing begaan. Hij had namentlijk de kostbare baptiste zakdoek der dame naast wie hij zat, aangezien voor het pluksellapje cu zich beijverd daaruit een hoopje zeer fijn pluksel te maken. l)e dame had daarover luide gejammerd, want aan dien zakdoek waren voor haar dierbare herinneringen verbonden; en toen D. Casimir zijne dwaling bemerkt had, gaf hij haar niets anders terug als eene franje.
Twee groote personages evenwel hadden geschitterd door hunne afwezigheid, nl. de Markies van Butron en Oom Fras-quito; er werd verteld dat de laatste door eene hardnekkige verkoudheid binnen de vier muren van zijn huis was opgesloten en het was aan niemand ook onbekend dat de verhouding van den groeten Robinson met de adellijke dame eenigszins bekoeld was nadat het Vice-Presidentschap door hom was aangeboden en door haar was versmaad. Het baarde dus verwondering toen men op dien avond den harigen diplomaat het liefdadige plukselatelier zag binnentreden en de Gravin naderen met zijn vriendelijkst gezicht en met beteekenisvolle gebaren. Toen zij hem zag ontsnapte aan Currita eene lichte kreet van kinderlijke blijdschap en zij deed de verbazing nog grooter worden toen zij met hare liefelijkste maniertjes uitriep:
— Butron — een lapje? Jawel, jawel.. .. Hier mag niemand leeg zitten. Kom met mij pluksel maken. Kom hier bij mij zitten en van hetzelfde lapje met mij pluksel maken.. ..
En hare arbeiders overlatende aan hun eigen aandrang om het werk der liefdadigheid voort te zetten, ging zij met den diplomaat in een hoek zitten en nam een vierkant lapje mede en een zilveren schaal om het pluksel in te verzamelen. Currita wist niets van Jacobo en toen zij den behaarden diplomaat zag binnenkomen stelde zij zich voor door dezen iets van den voort-vluchtigen Telémachus te zullen liooren. Butron evenwel ver-
105
keerde in dezelfde onwetenheid eu dezelfde gedachte en dezelfde wenseh voerden hem naar de onkwetsbare Calypso. Het plotseling vertrek van Jacobo had hem verontrust, want hij vreesde dat daar de eeno of andere intrige achter stak die zjjne politieke bemoeingen kon afbreuk doen. Door zich te houden alsof hij geheel op de hoogte was van hetgeen hij weuschte te weten, stelde hij zich voor van de dame te hooren hoe de vork in den steel zat. Currita en Butron zagen elkaar in dit afgezonderd hoekje een oogenblik oplettend aan alsof zij elkaar stilzwijgend tot spreken uitnoodigden. Toen zij zag dat de eerwaarde diplomaat zijn licht niet deed schijnen begon zij ijverig draden uit te trekken en hem hare huiselijke zwarigheden mede te deelen.... Ferdinandito maakte het zeer slecht en zijne gezondheid gaf haar veel zorg; zijne memorieloosheid was van dien aard dat hij, drie dagen geleden, vergeten was dat hij al gedineerd had. Hij had een geweldig standje gemaakt en had nóg eens aan tafel willen gaan. . . . Sanchez Ocana en Letainendi hadden hem onderzocht en beide waren van oordeel dat hij eene hersenverweking had die hem langzaam grafwaarts zoude voeren. Zij was er wanhopend onder. . .. Indien het nog eene plotseling opgekomen ziekte was waarmede God hem in weinige dagen wegnam .... dan ware het nog een zware slag als vrouw alleen over te blijveu om twee kinderen op te voeden, zonder een man om haar ter zijde te staan. . . . Maar hem zoolang te zien lijden, hem langzamerhand te zien wegkwijnen, zonder eenige hoop!....
— En eiken dag wordt hij gekker — Butron. Denk niet dat ik overdrijf.... Ik dacht niet dat het mogelijk was nog gekker te worden, maar jawel, eiken dag wordt hij erger. . . .
De eerwaarde Butron zuchtte eens en als lokaas een kleine troost aan zijn vischangel doende, sloeg hij den hengel uit.
— Jacobo blijft u toch altoos over, een uitmuntende vriend, die u altoos wel zal weten raad te geven. . . . Heeft hij u niet geschreven ?
106
Terwijl zij zeer netjes hare draden schikte, antwoordde zij zeer eenvoudig:
— Ja, gisteren heb ik een brief gekregen.... Ik denk dat hij u ook wel zal geschreven hebben
— Neen, ik heb geen brief ontvangen, maar dat verwondert mij niet. .. . Toen hij afscheid van mij nam, zeide hij niet te zullen schrijven voor hij bepaald bericht had. Van waar heeft hij u geschreven?. . . .
Do draden kwamen in den war en zij moest zich naar het licht keeren om goed te kunnen zien, zoodat er eene kleine pauze ontstond.
— Ja, dat schreef hij mij niet eens, wil je dat wel geloo-ven. . . . Alleen schreef hij mij, dat hij in een restaurant van een station zat wachtende op den opgaanden trein. . . . Daar hij zoo uiterst attent is, wilde hij in allerhaast mij gerust stellen----
— Ja, zeer attent, dat is hij — antwoordde Butron maar ook zeer gedachteloos. Geeft hij u volstrekt geen adres op?.. ..
— Volstrekt geen!
— Zie nu eens aan! Aan mij evenmin heeft hij een adres opgegeven, en ik moet hem noodzakelijk een paar instructies zenden , die ik na zijn vertrek ontvangen heb. Daarom kwam ik van avond hier om u te vragen of je ook wist waar hij was.
— Dat weet ik niet, Butron, en dat maakt mij ook zeer verlegen. . . . Want Damian heeft mij verscheidene brieven gebracht die voor hem met de post gekomen waren en ik weet niet waarheen ze te zenden.
— Daar is er bij hom een op den loop. Dan moeten wij wachten tot hij u weer schrijft. En ik druk u zeer op het hart dat zoodra je zijn adres weet, je het mij opgeeft.
— Wees gerust Butron, — maar ik verzoek u eveneens, dat gij het mij laat weten, indien gij het eerst bericht krijgt. .. .
— O! antwoordde Butron, zeer galant. Het is niet mogelijk dat Jacobo zulk eene lompheid zou begaan.
— Helaas! — Butron, zeide Currita. Geloof niet dat ik mij
107
eenige illusies maak. Ik weet zeer goed dat eene vrouw geen meer gevreesden mededinger heeft dan klaveren boer, of de hoop eene portefeuille... .
En hiermede liop hun gesprek ten einde, terwijl beiden overtuigd waren dat de ander hom had bedrogen. Zij dacht, met de woede eenor furie, dat Jacobo in overeenstemming met Butron vertrokken was voor partijbelangen, zonder haar een woord er van te zeggen; en hij , als een basilisk, meende dat Currita en Jacobo zich aan zijne voogdij hadden onttrokken, zich op een onafhankelijk standpunt hadden geplaatst, en nu op eigen verantwoording aan de politiek waren gaan doen.
Eene onverwachte gebeurtenis belette hen hunne wederzijdsche positie verder mot dezelfde handigheid te verkennen. Een lakei kwam binnen mot een fiuweelen étui van donker granaatkleurig rood, een prachtig geschenk voor de kermesse, dat opzettelijk op dit ongewoon uur werd bezorgd, om het doorliet schitterend gezelschap te doen bewonderen. Gorita Sardona, de dienstdoende mico van dien avond , nam de étui uit de handen van den lakei en zette dezelve op tafel en ging Currita roepen. Deze kwam toeloopen gevolgd door den diplomaat en een zachte kreet die de bewondering haar scheen te ontlokken, maar die in werkelijkheid voortkwam uit vrees en verrassing, ontsnapte hare lippen bij het zien van de étui. ... Zij herinnerde zich dadelijk eene andere die volkomen op deze geleek, met het onderscheid dat daarop een markiezenkroon en een fantasie S van mat goud zich bevonden, terwijl bij deze, op dezelfde plaats, slechts te zien was dat het fluweel een weinig dof was geworden. . . . Drie seconden bleef zij do étui onbeweeglijk aanstaren, zonder dezelve te durven openen: allen schaarden zich om haar heen terwijl zij haar drongen en tegen de tafel drukten, uit verlangen om het prachtstuk te aanschouwen, en nu zat er voor haar niets anders op dan den deksel te openen.
Een algemeene kreet van verbazing ontsnapte aller lippen en smoorde het doffe geluid van woede en razernij welke in
108
Currita\'s keel oprees. . . . Op het wit fluweel dat het binnenste voerde, vertoonde zich in al zijne schoonheid het meesterstuk van Enrique de Arfe, de lijst van ouderwetsch geciseleerd zilver die zij Jacobo had geschonken in dezelfde étui met haar eigen portret als Japansche princes. ... Dit was verdwenen en in de plaats zag men een allervreemdste photographic Deze stelde voor eene camelia van natuurlijke grootte, en daarop als op een vensterbank leunende, zag men de buste eener vrouw, van die dame, Currita\'s kwelgeest, die allen kenden, met haren linkerwang steunende op hare gevouwen handen en met uittar-tende onbeschoftheid, met de uitdrukking van doortrapte schelmerij, den tong uitstak tegen een ieder die het portret aanzag van welken kant men het ook bekeek, onder las men, in flink engelsch schrift:
Aan de Hooggeborene Vrouwe Mevrouw de Gravin van Albornoz
Mademoiselle de Sirop.
Niemand sprak een woord, of maakte eene bemerking. . . . In de drukkende stilte die volgt op de onthulling van een schandelijk iets, hoorde men slechts de welluidende stem van Currita die, hoewel een weinig bevend, zeide:
— Mademoiselle de Sirop! . . .. Hoe aardig!.... Zij zal eene nicht zijn van Henry Mure wiens stroopje men Ferdinandito heeft voorgeschreven! . .. .
VIII.
Jacobo was in een vrolijken luim ontwaakt: hij had den vorigen nacht tot vier uur \'s morgens in het Casino gespeeld en meer dan vijf duizend duro\'s gewonnen. Toch is er in den mensch iets dat eerder dan het verstand en de zinnen wakker wordt, dat de stem vei heft, en roept en niet zwijgt in die oogenblikken van sluimering waarin de gedachten drijven als losgemaakte touwen, zonder dat de nog slapende wilskracht, tijd heeft gehad ze vast te maken en ze te schikken naar otis begeeren. Dit „ietsquot; heet wroeging, en deze met haren stekenden prikkel vertoonde voor Jacobo\'s oogen, nog vóór de vijf duizend duro\'s hem verschenen, de ontstelde gezichten van de vrouw en de kinderen van hem die het geld had verloren, oeu huisvader, speler van beroep, wien het ongeluk vervolgt zooals velen van zijn soort, en die geen medelijden verdienen omdat zij het ongeluk zoeken, maar integendeel afkeer verwekken. In de speelwinsten, heeft iemand gezegd, is altijd iets dat op roof gelijkt, want men kan met alle recht zeggen, dat men een ander mans goed, tegen diens zin neemt. En hoewel hot niet tegen te spreken is dat men, door het geld van den ander te winnen, men zijn eigen geld daartegen in de weegschaal stelt, zoo is het ook waar dat roevers hun leven op de openbare wegen blootstellen, en een leven, ook dat van een roover is meer waard dan geld.
Jacobo draaide zich op zijne andere zijde om, en smoorde
no
deze overdenkingen met zijn reeds wakker geworden wil. Hij trok aan het schelkoord terwijl hij tusschen zijne tanden neuriede;
Zijn naaste lief te hebben Gebiedt ons de leer.
En in den oorlog Brengt men hem om.
Damian kwam binnen, en bracht zooals eiken dag, de brieven en couranten, die hij binnen bereik van Jacobo\'s hand, op een nachttafeltje legde. Daarop opende hij de persiennes, trok de gordijnen op en ging do kleedkamer binnen om warm water klaar te zetten en de kleederen van den Markies gereed te leggen.
Jacobo was zeer lui van aard, en het kostte hem altoos veel moeite, zich uit zijn bed los te rukken. Hij wentelde zich om en om, rekte zich uit met de onverschilligheid van iemand, die geen zorgen heeft, noch plichten te vervullen, en die om den nieuwen dag te begroeten geen woord, geene gedachte, geene andere gevoelsuiting heeft dan oen lang gerekt geeuwen. Eindelijk kwam hij er toch toe, eene hand uit te steken en nam de brieven van zijne nachttafel. Er waren er vier of vtjf. Al dadelijk trok zijne aandacht een groote vierkante brief die het zegel van het Congres droeg, want toen hij dien in zijne hand nam, meende hij te bespeuren, dat er belialve het papier nog een rond voorwerp in zat. Hij bekeek het couvert van alle kanten met die dwaze besluiteloosheid bij het ontvangen van een brief, waarvan men de hand des schrijvers niet herkent en die iemand er toe brengt, bij zich zelf te overleggen en te gissen, van wien die brief wel kan komen, terwijl men door hem eenvoudig te openen, zekerheid kan krijgen. Zoo deed hij dan ook ten laatste en scheurde het couvert in eens open. Zijn twijfel werd toen gevolgd door verrassing en schrik. Hij vond er een wit vel zeer sterk papier in, dat in het midden was gevouwen en daar bovenop was zeer zorgvuldig een zegel
Ill
van groen lak, zoo groot als een halve duro, geplakt. Jacobo kon niet dadelijk zien wat dat voor zegel was want het licht kwam maar flauw door de tralies van het balcon en door het groote tulle gordjjn, dat, aan lambrequins van geel damast opgehangen, tot op de vloer reikte. Zeer verlangend te weten, wat het was, ging hij rechtop zitten, terwijl hij zijn lichaam buiten het bed boog om licht te zoeken en toen kon hij in alle bijzonderheden den afdruk van het zegel onderscheiden: het waren de rechthoek en de passer, gekruist in den vorm van een ruit, met het acacia takje, het zinnebeeld der vrijmetselarij. Een vreeselijk vermoeden, eene verpletterende gedachte, die veel waarschijnlijks had, doorkruiste zijn geest als een ongeluksvogel. Met één sprong was hij zijn bed uit en hij liep naar het balconvenster om bij beter licht den vreemden brief en het geheimzinnig zegel te onderzoeken. ... Er was geen twijfel aan. Indien liet niet hetzelfde zegel was, dan was het toch geheel gelijk aan een van de zegels, die hij te Parijs in het Grand Hotel uit het pak had gesneden, dat men hem te Milaan in de logo had toevertrouwd. Wat beduidde dit? Was het een grap? Was het eene waarschuwing? Was het eene bedreiging?
Met zijne oogen wijd open zag hij op straat, alsof hij daar de oplossing zocht zijner vermoedens, het antwoord op zijn vrees. ...
Vlak tegenover hem stond het huis van den Markies van Riera, sedert vele jaren gesloten, dat het geheimzinnig voorkomen had aangenomen van gebouwen, die langen tijd verlaten zijn. Men haalt dan voor zijne verbeelding herinneringen aan misdaden of schimmen van spoken. Het was een sombere dag, een van die dagen van onafgebroken fijnen regen, wanneer men op den grond slechts vuil en modder vindt en aan den hemel grauwe, onbeweeglijke, wollige wolken, die de torens en de koepeldaken schijnen te lekken als met het kwijl van een ontzettend groot monster.
112
De voetgangers liepen haastig ovev de trottoirs, gewapend met parapluies en imperraeables, ploeterende door den modder, waarover de vrouwen met opgetilde rokken en de mannen met omgeslagen broekspijpen, of met hooge laarzen eenen weg zochten. Een dikke kapitein der lanoiers kwam van de Puerte del Sol, zijne sporen en slobkousen vol modder, terwijl zijn kort blauw manteltje met witte tressen achter hem aan fladderde. Jacobo verbeeldde zich, dat hij een officier van den staf was en naar het Ministerie van Oorlog ging. Hij volgde hem aandachtig met zijne oogen, maar de militair ging den hoek van het huis van Riera om en verdween in de Calle del Turco. Ach de calle del Turco! Daar was vier jaren geleden een moord begaan, een moord, gepleegd op een beroemd man, zijnen vriend, die hem groote gunsten had bewezen, gunsten van den eenen wolf aan den ander, maar ten slotte toch gunsten. Ook toen had men daarin de hand van vrijmetselaren meenen te bespeuren. ... Maar hij! o hij wist wel, wat er van aan was. Daarom had hij in allerijl moeten vluchten, door het noodlot gedrongen! — ellendig noodlot, dat hem in Constanti-nopel in een anderen bloedplas deed uitglijden, tengevolge waarvan hij weder moest vluchten, eerst naar Italië, toen naar Frankrijk en later naar Spanje.
Jacobo kreeg het koud, zeer koud, hetgeen ook natuurlijk was, want hij was maar half gekleed en de koude drong hem door vleesch en beenderen tot in zijn ziel met een kil akelig gevoel, zooals hij zich voorstelde, dat het lemmet van een dolk moest hebben, die de borst doorboort. Hij ging weder naar bed, waar hij de warmte opzocht onder de dekens, terwijl hij zijn hoofd verborg tusschen de kussens om te denken, te overleggen en om niet naar het balcon te kijken, waar hij Generaal Prin* meende te zien en de Cadina Sahara! en den geworgden eunuch, die elkaar de hand gaven en buigingen maakten, als tooneelspelers doen, wanneer zij bij het einde van een stuk toegejuicht worden. Hij was zoo vroolijk wakker geworden en
113
had bij zich zolf overlegd, hoo hij het best die vijf duizend duro\'s, die hij gewonnen had, voor zijne schuldeischers zoude verbergen!
Damian stak bescheiden zijn hoofd om de deur en vroeg, of Mijnheer de Markies niet wilde opstaan, want het warme water begon koud te worden.
— Ik kom .... ik kom, antwoordde Jacobo. En hij trok zijn pantoffels aan en wikkelde zich in een goed gewatteerden kamerjapon, terwijl hij bij zich zelf overlegde, dat het beste zoude zijn aan Oom Frasquito te vragen, wat hij met die drie zegels had gedaan, die hij hem te Parijs had geschonken. Toen werd hij bedaard, bijna gerust. Ongetwijfeld zou het wel blijken een domme grap te zijn. In deze netelige zaak was hem overkomen, hetgeen met allen onstuiinigen karakters gebeurt. Is eenmaal de eerste indruk voorbij, dan vervallen zij in de grootste onverschilligheid en laten de plannen varen, die zij met zoo veel snelheid hebben gemaakt en met zooveel vuur hebben begonnen. Toch was het niet zeer waarschijnlijk, dat de vrijmetselaars, na zich anderhalf jaar te hebben stilgehouden, zouden komen om de papieren op te eischen en hunne aanvraag zouden doen voorafgaan door een zotte grap. Maar dit geheimzinnig toezenden van het zegeltje was met dat al toch wel iets voor hen.
Maar wat duivel! Zij hadden hem eenige papieren toevertrouwd om die aan Amadeo ter hand te stellen. Maar Amadeo was weg! Moest hij dan over bergen en dalen den onttroonden Koning achterna? En met welk recht vroeg de Spaansche vrijmetselarij hem rekenschap, hem, die tot de Italiaansche behoorde? De brief toch was uit Madrid, want het zegel van het Congres maakte die vrij van port. Dus geen angst meer, het recht was aan zijn kant. quot;Wat duivel! Hetgeen God gegeven heeft, moet Petrus zegenen en die hot dichtst bij de geit is, die melkt haar.
Damian ging hem scheren zooala eiken morgen, en toen hij aan zijn keel de koude voelde van het staal, kon hij eene II. 8
114
i-illiug van angst niet weerhouden. Eenc lichte beweging, eene kleine snede en dan stroomde het bloed, ontvlood het leven en kwam de dood, onafwendbaar, onherroepelijk. En dan ging hij uit den doodstrijd over in het land van die vreeselijke schaduwen , dat men de eeuwigheid noemt. Dan zou door Madrid het nieuwtje de ronde doen van den Misdaad in de Calle de Alcald, zooals vier jaren te voren de nog ongestrafte en geheimzinnige misdaad werd rondgeroepen van de Calle del Tureo. . . . En dat sneedje, die lichte beweging kon de hand van Damian toebrengen, daartoe omgekocht door het goud der vrijmetselaars. Want, hoe kon hij weten, wat die Damian eigentlijk was? Een schurk waarschijnlijk, een bedrieger zooals iedereen. Want een ander naar zich zelf beoordeelende, verdeelde hij de menschen in twee soorten namelijk in menschen, die opgehangen zijn en in menschen, die het verdienen.
Eindelijk moest hij om zijne dwaze inbeeldingen lachen en toen hij geheel gekleed was, vroeg hij zijn hoed, handschoenen en zijn parapluie.
— Ontbijt Mijnheer de Markies thuis?
— Neen.
— De koetsier vraagt om zijne orders.
— Zeg hem, dat hij om vier uur terugkomt.
En hij ging naar de deur, maar keerde zich dadelijk weer om. Hoe dom! Misschien vond hij in de andere brieven , die hij in zijn schrik vergeten had te lezen, het een of ander, eene opheldering, eene aanwijzing of zoo iets omtrent die laffe grap met het zegel. Hij opende den een na den ander en alle wierp hij woedend op de witte berenhuid, die voor zijn bed lag. Niets, niets! Eene uitnoodiging voor een bal, een briefje van Angel Castropardo, die hem vroeg om mede te gaan soupeeren met een paar actrices na afloop van het theater, een briefje van een wanhopigen schuldeischer, die hem met beslag dreigde... .
Die fijne regen bleef maar altoos aanhouden, langzaam, onafgebroken, doordringende tot op de beenderen, die hij ver-
115
kleumde, even als ceue sombere altijd terugkoerendo gedachte het hart doordringt en verstijft.
In de Cuatro Galles, tegenover de eeuwemude bouwvallen van de Calle de Sevilla, even als die van Italica bekroond door gele bloemen, nam Jacobo eene vigelante om den, in deze buurt onafgebroken stroom van gaande en komende menschen te ontgaan, die op de trottoirs eindelooze cordons vormen van mannen, vrouwen, kinderen, dio, op dion regendag allen door parapluies gedekt, door elkaar krielen en op eeno groote processie gelijken, op eene fantastische contra-dans van reusachtige, beweeglijke paddestoelen. Tien minuten later stapte hij uit voor do deur van Oom Prasquito.
Gekamd, geverfd en blinkende van netheid, zat Oom Prasquito aan zijn dejeuner. Zijne keurige eetkamer werd uitstekend verwarmd door een haard met een zwart marmeren schoorsteen, waarin hout brandde. Met die groote vreugde, waarmede iemand, die van praten houdt, een ander ontvangt, dien hij tot toehoorder kan krijgen, ontving de oude .man Jacobo, terwijl hij dadelijk een tweede couvert gereed liet zetten. Hij had behoefte zijn hart te ontlasten, want de woede over de grievende beleediging, die hij den vorigen dag had ondergaan, vervulde hem nog geheel. De grappen van Diogenes bereikten zulk eene hoogte, dat, indien er in Madrid nog een bestuur bestond, indien er nog eene regeering was, hij voor het minst, ja voor het minst met levenslange dwangarbeid gestraft had moeten worden.
Och! och! Voor hetgeen hij den vorigen dag had uitgevoerd, verdiende hij, dat men hem, om mede te beginnen, de rechterhand afhakte. Zoo met de Madrileenscho dames, die toeh met een vroom doel te zamen waren gekomen, den spot te drijven! Zoo drie .... neen twee —- want dat Pulidootjo is maar een ploertje — achtenswaardige mannen voor den gek te houden.
Die Pulido, die parvenu, verdiende hot overigens, want Butron zou nooit de domheid hebben begaan, Maria Villasis als presidente voor te dragon. Pulido had hom zeker dion slechten raad
8»
116
gegeven. Bij hem was het nooit opgekomen, dat zij toe zoude
bijten____ Wat er nu gebeurd was, moest gebeuren. . . . Hoe
lachte die huichelaarster boosaardig, toen zij met hare aanmatigende en beleedigende inbeelding zeide, daarbij duidelijk op Currita doelende, dat hare bescheidenheid haar verbood Presidente te zijn, waar zulk eene waardige Yice-Presidente was. . . . En de arme Curra zweeg maar, zweeg uit voorzichtigheid, maar ik ken haar genoeg om to weten, dat het haar gevoel diep griefde. . . .
Hier hield hij een oogenblik op met praten, nam een goeden hap, maakte een anderen zeer grooten gereed en zeide toen:
— Maarr je eet niet keerrel, je hebt niets gegeten als die
oesters....
— Ik heb geen trek. . . .
— Ik ook niet. Ik verronderrstel, dat het eigenlijk goed is, dat het zoo gegaan is; want indien mijne nicht Villasis presidente ware geworden, zou het werk der Verreeniging tot bedestonden beperkt zijn en tot aalmoezen aan de kerkdeuren. En zelfs dit niet eens; want ik zelf heb haar eens hoorren zeggen, ik, ik zelf _ en hier trok Oom Frasquito zich met een indrukwekkend gebaar aan zijn oor — dat het eene schande, eene goddeloosheid was mooie, jonge meisjes bij wijze van rreclame aan de kerkdeuren te zetten. Zie je! Is dat nu eene manier
om de zaken te behandelen!---- Maar die arme gewonden
zullen toch niet in den steek gelaten worrden en waarr de volmaakte weduwe hen aan den eenen kant loslaat, zal de zondige Samarritaansche hou naar evenredigheid aan den anderen kant helpen. Want Currita met haar grootmoedig hart — begrijp je _ heeft het voor hen opgenomen met eene warmte, met eene geestdrift!. . . . En dan die hennesse----Die zal veel geld opbrengen ____omdat je er gisteren avond niet bij waart, ben je
niet op de hoogte .... maar het is er nu om te doen eene plaats te kiezen. Sommigen spreken van de goudsmederij van Marrtinez, anderen van het Theater Ureal. Wat dunkt u er van?----
117
Jacobo, dien dit oude wijven gewauwel verveelde, was op het punt te zeggen, dat hij de beste plaats vond op de maan, maar Oom Frasquito, toen hij zag, dat hij geen antwoord kreeg, haastte zich er bij te voegen:
— Ik geloof, dat iu hot Theater Rreal. ... Te Parijs deed men het in de Oporra, voor den watersnood van Szegedin en dat was schitterend. . . . Maar rronduit gesproken , ben ik bang voor Diogenes, dat die er zich weêrr mede bemoeien zal.. . . Ik ben bang voorr hem; ik zeg u, dat ik bang voorr hem ben. Want wat moet iemand doen, als men hem zelfs niet kan uitdagen ?.
— Waarom niet? riep Jacobo uit, die in weerwil van zich zelf moest lachen. Daag hem uit en snijd hem de ooren af.
— O! Wat mij aangaat, ik zou niet achterblijven, riep Oom Frasquito vol strijdlust uit. Maarr zoo iets is onmogelijk. — Weet je, wat met Paco la Grande gebeurd is ... net zoo een beest als hij?.... Wel, Diogenes speelde hem ook een poets en Paco zond hem zijne getuigen. Diogenes zeide, dat hij wilde vechten, maar daar aan hem de keuzo der wapenen stond, eischte hij, dat het duel met het kanon zoude plaats hebben. Stel je voorr!.... Paco liet hem toen zeggen, dat hij hem, waar hij hem tegen kwam, om zijne ooren zoude slaan en eens ontmoetten zij elkaar ook en wat gebeurde err, Jacobo, wat gebeurde er?.... Diogenes, die zoo pootig is, gaf hem een slag met zijn knuppel en brak hem twee rribben, twee rribben. Denk niet, dat ik overdrijf .... twee rribben.
En Oom Frasquito, blakende van verontwaardiging, wees met den rug van zijne hand naar de plaats, waar, echt of valsoh, zjjne ribben moesten zitten.
Jacobo zeide niets en toen de oude man zijne afgetrokkenheid begon te bemerken, liet hij hem goedig bespeuren, dat het dejeuner spoedig zoude gedaan zijn en dat hij er reeds genoeg van had.
— Ik geloof toch, dat het \'t best zou zijn, dat wij de hennesse
118
in het Theater Ureal houden. .. . Van daag ga ik nog naar Curra om tot een besluit te komen.. . . Maar je hebt nog niets gebruikt?
Jacobo draaide een knoop in zijn servet, legde het op tafel en zeide, terwijl hij Oom Frasquito ernstig aanzag:
— Omdat ik u noodzakelijk moet spreken.
— Zoo! riep de oude man uit.
En hij zette zijn mond wagenwijd open en ontstelde zeer, want na dien noodlottigen nacht, waarin Jacobo het geheim van zijn pruik en van zijne tanden had ontdekt, beschouwde hij Jacobo met dat angstige wantrouwen, dat ons steeds men-schen inboezemen, die door maar een weinig hun tong te laten gaan onze reputatie of ons geluk kunnen vernielen. Wel wenschte hij hem niet dood, maar het zou hem toch niet gespeten hebben hem ten grave te zien dalen, wanneer hij daarin zijn geheim mede nam. Jacobo vroeg toen:
— Herinnert ge u dien nacht in het Grand Heitel, toen uw slaapmuts in brand was geraakt ? ... .
Oom Frasquito verschrikte zeer en dacht bij zich zelf: daar heb je de poppen aan het dansen, en ongerust en zenuwachtig, vol ontzetting, keek hij naar de bedienden, terwijl hij zacht zeide:
Houd jc stil man, houd je stil. Wij gaan koffie drinken in het boudoir en daar zal niemand ons storen.
Want Oom Frasquito had ook zijn boudoir, een echt boudoir van eene elegante dame, gevuld met al die prullen, die do Pranschen bibelots noemen en die in de nieuwmodische paleizen de ouderwetsche kunstwerken hebben vervangen. Deze laatste ontbraken evenwel ook niet en het meest opvallende was het portret van een ridder, een type van hoogmoedige en manlijke schoonheid. Het was door van Dijck in Engeland geschilderd, in denzelfden tijd als het beroemde portret van Karei I, eene bewonderingswaardige beeltenis, waarin de trots van den Vorst zich paart aan een soort van voorgevoel van zijn tragisch einde.
119
Deze personage was de vijfde Hertog van Aldama, ambassadeur te Londen van Philips IV en Oom Prasqnito was de derde zoon van den tienden Hertog van dien naam. Onder het portret hingen een dolk en een spaansche degen, beide onverbeterlijk bewerkt en van groote waarde. Zij hadden aan den edelman van het portret behoord. Vlak daartegenover en goed in het licht geplaatst, stond een mamoniehouten raam, waarop Oom Prasqnito, de negentiende eeuwsche afstammeling van den grooten heer uit de zeventiende, kostbare pantoffels borduurde.
De koffie werd gediend. Jaoobo had zich achteloos in een leuningstoel neergelaten en begon den puro te rooken, dien Oom Prasquito hem had aangeboden, terwijl hij zijn eene been over de leuning van den stoel had geslagen. Oom Prasquito haalde zeer geheimzinnig een prachtig gouden met edelgesteenten omzette snuifdoos voor den dag, waarop het portret van Koningin Maria Louisa prijkte en nam een snuifje rapé, terwijl hij grappige gezichten trok.
— Dit is mijn ondeugd, zeide hij. Niemand weet er van. Het is een geheim. Pêché caché est tout h fait pardonné.
En hij niesde driemaal, daarbij allerlei kluchtige gebaren makend, waarmede hij hoopte Jacobo die vervloekte herinnering aan zijn brandende muts uit de gedachte te brengen. Maar toen de bedienden vertrokken waren na de echte Jamaica rum te hebben ingeschonken, vroeg Jacobo op nieuw.
— Herinnert ge u dien nacht nog wel?
Oom Prasquito beantwoordde die vraag met een beschroomd en beschaamd: Ja! — alsof die nacht hora aan een groote misdaad herinnerde.
Jaoobo vroeg toen verder:
— En herinnert ge u nog die zegels van lak, een rood en twee groen, die ik u dien nacht ten geschenke gaf?
— Ja, antwoordde Oom Prasquito, weer meer bemoedigd.
— Wat hebt ge daarmede gedaan?
— Ik heb ze in mijn album.... Wilt ge ze zien ?
120
— Ja, laat ze mij zien.
Oom Frasquito, thans ontheven van zijne vrees, haalde vlug een kostbaren lezenaar, dien hij voor Jacobo plaatste. Op dien lezenaar lag een soort koorboek, welks weelderige band een soort van kunstwerk was, een zeer fraai gewerkt mozaiek op marokijn met allerliefste teekeningen in zeer levendige kleuren; een geheel, dat waard was vergeleken te worden met de sierlijkste oude banden van de Vaticaansche bibliotheek. Het boek werd door een a jour bewerkt slot dicht gemaakt, waarop het wapen der Aldama\'s was afgebeeld, gedekt door de Hertogskroon van het hoofd van het geslacht.
— Er bestaat geene verzameling als deze, zij is de eerste uit Europa, zeide Oom Frasquito, terwijl hij hut boek op den lezenaar open sloeg met al het vuur van den amateur, die zijne liefhebberij laat zien.
En hij begon den index na te gaan, omdat het boek in verschillende afdeelingen was verdeeld. Er waren koninklijke zegels, nationale zegels, zegels van particuliere personen en zegels van allerlei soort. Oom Frasquito zocht onder het gemengde soort en vond eindelijk op pag. 117 — vrijmetselaars zegels — Markies van Sabadeil. Want de verzamelaar had de opmerkzaamheid, altijd naast het geschenk den naam van den schenker te vermelden.
Toen sloeg hij pag. 117 op .... en Oom Frasquito zag Jacobo verstomd aan. Jacobo, afgrijselijk bleek, zag naar Oom Frasquito. De talrijke vakjes van het blad bleken gevuld met zegels, behalve twee, en boven die twee vakjes stond geschreven: vrijmetselarij en er onder Markies van Sabadeil. Op het fijn velijn papier zag men nog de gom, waarmede zij opgeplakt waren geweest. Jacobo, met gesmoorde stem en een gebaar van angstige drift, zeide toen:
— En het andere, het roode zegel. quot;Waar is dat?
Toen de verschrikte Oom Frasquito de ontroering van Jacobo bemerkte, waagde hij het niet een woord te spreken, daar hij
121
eene grofheid vreesde, maar hij ging ijlings zoeken tussohen de koninklijke wapens, terwijl hij bevend mompelde:
— Het was van Victorr Emmanuel, dat herrinnerr ik mij zeer goed. Het zal te vinden zijn tusschen de Italiaansohe Vorrsten, tussohen een Herrtog van Parrma en Ferrdinand van Napels. Het vereenigd Italië .... daar wil ik niet van weten.
En eindelijk, na veel omslaan, kwam hij aan pag. 98, vol koninklijke zegels en tusschen een zegel van den laatsten regeerenden Hertog van Parma en een van Ferdinand van Napels was weder een vakje in blanco. Boven stond: Koning van Sardinië en daaronder: Markies van Sabadell. Toen gaf Jacobo een geweldigen slag op den arm van zijn leuningstoel en zeide dof:
— Ik ben verloren.
— Om \'s hemels wil, Jacobito .... om \'s hemels wil, wat is er? Wat gebeurt er? riep Oom Frasquito doodelijk verschrikt uit.
— Ik ben verloren, ik ben verloren, herhaalde Jacobo.
En onder den indruk van zijnen angst en zijne ontsteltenis verteldj hij niet zijne gewone onnadenkenheid aan den dwazen ouden man, zooal niet het misdadigste, dan toch het gevaarlijkste van zijn avontuur met de vrijmetselaren.
Oom Frasquito, half dood van angst en overal vrijmetselaarsdolken meenende te zien schitteren tusschen de zachte kleeden en gordijnen, begon waanzinnig door do kamer te loopen en tegen alle meubelen te stooten als een nachtuil, die plotseling in het daglicht komt.
— O! o! o! Santa Marria, wat een leehjk geval! Maarr Jacobito. Go zult u toch wel herinneren, dat ik het niet was, die de zegels wilde hebben. Herinnert ge u niet? Ge wildet ze mij geven, en ik wilde ze niet aannemen. Om u aangenaam te zijn, om uw zin te doen heb ik ze aangenomen. En ik heb er spijt van, want ik heb ze niet noodig en ik wil ook niets met die heeren te doen hebben. — Begrijp je mij! En reken niet op mij, want ik zal het alles vertellen, duidelijk
122
vertellen, hoe het gebeurd is en ik wasoh mijne handen in onschuld.
Plotseling bleef hij staan, en sloeg zich voor zijn hoofd als iemand wien onverwacht een licht opgaat. Ja, ja, ja! Zijn angst werd nog grooter en hij was genoodzaakt te gaan zitten.
— Nu begrijp ik alles, alles! Nu wordt alles mij duidelijk ! . . .. Santa Marria!... . Nu weet ik, wat er met mij gebeurt!....
— Wat dan?.... riep Jacobo driftig.
Zijne ontroering scheen op Oom Frasquito te zijn overgegaan, en daar de arme, oude man zijne eigen zwakheid kende, besloot hij steun te zoeken bij den sterkere. . . . Hij nam Jacobo bij oenen arm en voerde hem geheimzinnig naar zijne slaapkamer, een aardig nestje, behangen met hemelsblauw perzische zijde, de vloer bedekt met witte dierenhuiden. Het bed was laag en van rozenhout, zeer luchtig, eene vereeniging van kant, van Hollandsch linnen en hemelsblauwe zijde, gelijkend op een gekuifde golf der zee, gekroond door wit schuim. Er stond een kostbare kast, eveneens van rozenhout, met zilveren sloten, waarin Oom Frasquito gewichtige papieren bewaarde. Hij opende een Inadje en nam er een pakje brieven uit.
Sedert meer dan drie maanden overkwam hem dagelijks iets____
Het was om gek te worden, zelfs voor het sterkste hoofd. Aanvankelijk vond hij het onaangenaam, vervolgens werd hij er woedend om en daarna, nu, op dit oogenblik, was hij er geheel van ontdaan, ja ontzet; zijne haren stonden hem recht op het hoofd.
— Eens, ik herinner het mij zeer goed .... het was op den g.lcn December, kreeg ik een brief uit St. Petersburg. . ..
Oom Frasquito haalde den eersten brief uit het pakket en het postzegel droeg inderdaad het beeld van Alexander II.
— Uit Sint Petersburg? .... Ik opende den brief verwonderd en vond dit.. ..
En terwijl hij al pratende den brief opende, vertoonde hij aan
123
L
de verbaasde oogen van Jacobo een vel wit papier en midden daarop atond alleen dit woord geschreven;
Jacobo kon in weerwil van zijn angst een groote lachbui niet onderdrukken. Maar Oom Frasquito vervolgde zeer droevig :
— Lach je daarom? Wacht maarr, wacht maarr!.... Ik lag den geheelen nacht te peinzen: Zot eu St. Petersburg ? En ik pijnigde mijne hersens en lag te zweeten, zonder er iets wijzer door te worden.... Den volgenden dag, een anderr brriefje!
Waar rvandaan denk je? Van Chinchon, Jacobo, van Chinchon!...
Ik deed don brief open en hetzelfde opschrift: Zot! — Den vol- jife,
genden dag een brief van Puente Ovejuna, provincie Córrdova,
en weer hetzelfde. ... En van toen af, jongenlief, eiken dag,
zonder mankeeren, een briefje, telkens van een ander en uit een andere plaats, van alle plaatsen der aarde: Frankrijk, Engeland, Italië, Duitschland, uit Calcutta, ja Calcutta, Jacobo.
Uit Constantinopel en uit Terrones, Jacobito — uit Terrones,
een gehuchtje van drie huizen in de provincie Salamanca, en altoos met hetzelfde woord: Zot! — Eens. den twintigsten Januari, St. Sebastiaans martelaarschap — ik herinner mij dat heel goed, werd ik iets geruster. De post kwam en bracht geen brief, \'s Middags kwam ik hier in mijn slaapkamer, ik open het nachttafeltje en daarin vind ik een brief, weer met woord: Zot. — Zeg jij mij nu eens, is dit niet om gek van te worden, en verbergt dit geen vrreeslijk geheim , dat uw brief met het zegeltje zal kunnen oplossen?
Jacobo begreep het ook en dacht dadelijk, dat er niemand behalve Diogenes te Madrid of in de geheelc wereld bestond,
die in staat was met zooveel volharding dien armen, onnoozelen man voor den gek te houden. liet was een grap, die een onuitputtelijk geduld vereischte en van iemand, die beschikken kon over zeer uitgebreide relaties en zeer ingewikkelde middelen van gemeenschap. Met ongeveinsde verbazing vroeg Jacobo:
t ■s
Li
124
— Maar werkelijk, is die brief geen enkelen dag weggebleven?
— Nooit! — Ja toch, somtijds als de brief van zeer ver kwam. Dan gingen er wel eens eon dag of drie voorbij, dat ik er geen kreeg. Maar in dat geval krreeg ik er drrie te gelijk. Ik zeg u, dat er voor eiken dag één is. Zie maarr, tel ze, zeide hij, terwijl hij de brieven met een gebaar van diepe wanhoop op de tafel uitspreidde en ge zult zien, dat er voor eiken dag een is. .. . Van den SM0» December af tot van daag, den IS1\'™ Maart, zijn zeven-en-negentig dagen. Hier is die van vandaag.
En hij haalde uit zijn zak een brief uit Chiclana, provincie Cadix, waarin men ook dat sibyllijnsche woord, die geheimzinnige bezwering vond: Zot!
Jacobo\'s positie was volstrekt niet om te lachen en hij bedwong zeer spoedig den lachlust, dien deze omslachtige grap bij hem had gaande gemaakt, die van niemand anders kon komen dan van Diogenes. Toen hij den angst en schrik van Oom Fras-quito zag\', kreeg hij spijt, dat hij hem iets van zijn geheim had medegedeeld. Hij besloot dus zich van zijn stilzwijgen te verzekeren door hem te doen gelooven, dat het groote gevaar hem eveneens bedreigde. Hij bleef de brieven opmerkzaam nazien, terwijl hij in weerwil van zijne bezorgdheid groote moeite had nieuwe lachbuien te onderdrukken. Eindelijk zeidc hij met eene uitdrukking van diepe overtuiging:
— Het is duidelijk, dat dit alles van vrijmetselaars komt. . . . Zij veroordeelen mij om hetgeen ik gedaan heb en u herinneren zij, dat gij een zot zijt, omdat gij de schuld op u genomen hebt....
— Maar dat is niet waar, riep Oom Frasquito, doodelijk ontsteld uit. Ik heb niets op mij genomen; wel heb ik de zegels genomen, toen gij ze mij gaaft. . ..
— En daarmede, vervolgde Jacobo, zonder acht te slaan op het gezegde van den ander, willen zij zeggen, dat, indien zij mij bij het omslaan van den een of anderen hoek van een huis
125
overhoop stoken, zij u eeno bastonnade zullen toedienen, zoodra zij u maar in handen krijgen.
De tong kleefde Oom Prasquito aan het gehemelte en hij riep half schreiend uit:
— Ik zal den Gouverrneurr van Madrid waarrschuwen. . . . Ik zal er met Paco Serrano over sprreken! .. . .
— Dat zou zijn u in het hol van den wolf te wagen, want het zijn allen wolven uit hetzelfde nest. Hoor eens hier. Oom Prasquito, voor u zit er maar een ding op en dat is een knoop in uwen tong te leggen en op te passen, dat er niets uitlekt van hetgeen voorvalt.
— Wat dat aangaat, mijnentwege zal niets. . . .
— Goed! .. . En ten tweede, mijn waarde vriend, met duimkruid komt men een heel eind en, vrijmetselaars of geen vrijmetselaars , voor eten danst de hond.
Oom Prasquito maakte een gebaar van onderwerping, even als de patient, wien men zegt, dat het noodig is, zich een tand te laten uittrokken, en Jacobo vervolgde:
— In de derde plaats moeten wij zeer voorzichtig trachten op het spoor te komen van den persoon, die de zegels gestolen heeft; dan kunnen wij met hem afrekenen____Wien verdenkt ge er van?
Oom Prasquito deed bovenmenschelijke pogingen om zijne herinneringen te ordenen.... Zeker, zeer zeker waren • vóór veertien dagen nog die zegels op hunne plaats. Toen had hij zeer uitvoerig het album getoond aan den Baron van Buenos Aires en nergens had hij een zegeltje gemist.. .. Eenige dagen later kwam een onbekend persoon bij hem, die hem door zijn hemdenmaker was gerecommandeerd en die hem met alle geweld drie merkwaardige exemplaren wilde verkoopen. . . . Toen had hij nog eens in zijn album gebladerd.... Later had hij er niet meer aangeraakt.
— Wat was dat voor iemand? ....
— Ik weet \'t niet... . Een arme duivel, met een hongerig gezicht....
126
— Hier zijn wij al op het spoor! riep Jaeobo met groote belangstelling uit. Liet ge hem alleen ? Kwam hij aan het album ?
— Neen! neen! .... Ach, ja toch, Jacobito. . . . Nu herinner ik mij, dat Vincent Astorga kwam en dat ik hem in het salon ontving omdat ik niet wilde, dat hij zulk een paillas bij mij zoude vinden. En die bleef tien minuten .... tien minuten op zijn minst.. ..
— Nu zijn wij op den goeden weg. . .. Laten wij vandaag nog naar dien hemdenmaker gaan.
Oom Frasquito liet zijn coupé voorkomen en het tweetal stapte er in en liet zich brengen naar den hemdenkoopman, een eerbaar winkelier in de Calle de Carretas.. . . Ook deze wist niet, wie de onbekende was. Hij wist alleen, dat hij een Italiaansch commissionnair was, de vriend van een Franschen reiziger, die in betrekking stond met de zaak, waaraan hij parfumerieën bezorgde. .. . Toen Jaeobo de nationaliteit van den onbekende vernam, klom zijne onrust ten top, want daaruit bleek duidelijk, dat de loges van Italië en Spanje zich onderling verstonden. Hij zeide toen aan Oom Frasquito, dat het niet noodig was verdere navraag te doen en zij keerden bezorgd en zwijgend naar het huis van Oom Frasquito terug. Onderweg, toen Jaeobo het gevaar onder de oogen zag, ontwaakte bij hem zijne onstuimige energie en in dat kort tijdsverloop, dat de rit duurde, beraamde hij een stout plan, het eenige, dat naar zijn oordeel zijne begane misslagen zoude kunnen herstellen en de gevolgen zijner onvoorzichtige roekeloosheid kunnen afweren. En dienzelfden avond, zonder van iemand afscheid te nemen, zonder aan iemand de reden op te geven van zijn vertrek, zonder zelfs te laten vermoeden, waarheen zijne reis ging, reisde hij naar Italië om op Caprera Garibaldi te gaan opzoeken, die hem eertijds te Milaan in de loge had voorgesteld. Zijn doel was tegenover hem te trachten de verduistering der dooumenteu te verklaren. Met een verhaaltje, met een leugentje, eeuo draaierij, wat dan ook, zou hij trachten zich uit dezen angstigen
127
toestand to verlossen. Geld had hij in overvloed. Hij had de vijfduizend duro\'s, die hij den vorigen nacht had gewonnen en dan had hij in Oom Prasquito een mijn, die zeer gemakkelijk voor hem was te exploiteeren.
Toen hij hij Oom Prasquito thuis was gekomen, had hij dezen zijn plan blootgelegd en er bij gevoegd, dat daar het gevaar hen beiden betrof, het ook billijk was, dat beiden de kosten zouden dragen en dat hij noodzakelijk dadelijk twee duizend duro\'s in banknoten noodig had. Bij zijne terugkomst zouden zij do rekening opmaken en als broeders do kosten der onderneming golijkelijk dragen.
Hier had Oom Prasquito zich aanvankelijk wel tegen verzet, omdat hot hem voorkwam, dat die drie zegels hem te veel geld kostten. Maar eindelijk, overwonnen door de redeneering, do dreigementen en bangmakerij van Jacobo, gaf hij zijn compère het geld, dat hem werd afgetroggeld en nam met een leelijk gezicht van hem afscheid. Toen hij alleen was, word hij nog angstiger; hij voelde zich onwel, ging naar bed en gaf streng bevel, niemand toe te laten.
Den volgenden dag kreeg hij een brief uit Segura, een dorpje, beroemd door zijn kaas en dat verborgen ligt in een rotsachtigeu uithoek van Guipiizcoa en daarin stond weer het woord: Zot!
Hij kreeg twee graden koorts en liet don pastoor van zijne parochie komen; hij wilde biechten.
EINDE VAX HET DERDE BOEK.
VIERDE BOEK.
I.
De beambte, die de tollen int aan de kust van Meagas, ver-sekerde stellig aan José Ignacio Bernaechea, dat nooit sierlijker rijtuig met fraaier paarden en gekker mensohen van San Sebastian naar Zumarraga was komen rijden. Men hooide reeds van verre, daar ginds aan den voet der hoogte, het snerpend hoorngeblaas, dat tegen de hooge bergen wonderljjk weerklonk, als eene ontwijding, als een lachen in de kerk, als een grap onder een preek, als het gezang eener bacchante onder de plechtige en statige tonen van een Gregoriaansch kerklied. O! hoe schoon is daar die ernstige, wilde natuur met hare diepe valeien, waardoor riviertjes atroomen; met dorpjes, die verdwijnen in een zee van groen, waarop het heldere licht kleur-schakeeringen vormt als op eene woelige zee. De arbeid der menschen heeft haar vruchtbaar gemaakt en de kerken hebben haar geheiligd. Zij is altoos schoon, altoos groen, altoos angstverwekkend zwaarmoedig. Zij vereenigt de zwijgende majesteit eens tempels met de kalme treurigheid van een herfstlandschap, dat terzelfder tijd schijnt te weenen eu te glimlachen. Zij overstroomt de ziel met die liefelijke droefgeestigheid, die wanneer bij het vallen van den avond het Angelus van do klokketorens klinkt, en de dag afscheid neemt, den mensch dat woord toefluistert, dat duizendmaal wordt herhaald, zonder dat ooit aan zijne eindelooze beteekenis wordt gedacht: Adiós.. ..
Het naar beneden gaan was gevaarlijk door de steilte der
9*
132
helling en de scherpte der bochten. De zes koetspaarden zetten hunne voorbeenen stevig op den grond, terwijl zij hunne fraaie hoofden tegen de borst drukten. Hunne flanken zwoegden en het zweet kwam onder hunne prachtige tuigen als wit schuim te voorschijn. De remschoen knarste onophoudelijk en op do hoogste bank van de fraaie mail coach zat Leopoldina Pastor te gillen en riep, dat die akelige paarden haar nog naar beneden zouden doen storten. Naast haar zat Oom Frasquito met een fijnen zakdoek aan zijn stroohoed vastgemaakt om de blankheid zijner huid tegen den gloed der zon te beschutten. Hij keek met angst in den diepen afgrond en klemde zich bij eiken schok, dien het rijtuig kreeg, bezorgd aan zijne bank vast, terwijl hij uitriep:
— Cnrra .... om \'s hemels wil voorzichtig! Curra, voorzichtig !. .. .
Op de voorste der achterbanken zaten Maria Valdievieso, Paco Velez en Grorrito Sardona te schateren van pleizier, terwijl zij elkaar de eer betwistten om met longen als van een duiker op een hoorn te blazen om hunne komst aan te kondigen aan de vreedzame landlieden, aan de eenvoudige, manden op het hoofd torschende vrouwen en aan de bedaarde ossen, die met varen beladen, knarsende wagens voorttrokken. Alles was genoodzaakt zich aan den kant van den weg in den een of anderen hoek te verbergen, want de met zes paarden bespannen mail coach der Gravin van Albornoz moest den geheelen rijweg naar Guipuzcoa vrij hebben. Op de achterste bank, onder een dames waterproof, die door de zonnestralen werd gestoofd, lag een man, die met groot gevaar van te vallen alle bewegingen van het rijtuig mede maakte. Hij snorkte met het asthmatiek geluid van oude dronkaards, die hun roes uitslapen.
Binnen in de mail coach, tnsschen schotels, doezen en stukken van een uit elkander genomen veldtent zaten Kate, de Engelsche kamenier der Gravin, Fritz, haar Pruisische lakei en Tom Sickles, de beroemde koetsier, die, zonder zijne Engelsche koelbloedig-
133
heid te verliezen, van tijd tot tijd, naar de evoluties keek, die de volstrekt niet bekwame handjes der Gravin het vurige zesspan doden maken. Want zijne hooggeborene gebiedster hield van Biarritz af zelve de teugels. Den vorigen dag hadden zij die plaats verlaten en den gevaarlijken rijweg verkozen boven don gemakkelijken spoorweg, om een van die modegrillen te volgen, aan cene van die buitensporighodou te voldoen, door den goeden toon aangegeven en die meest gegrond zijn in den volgenden even diepzinnigen als wijsgoerigen stelregel: speelt gij op de fluit, dan fluit ik tussehen de tanden (en omgekeerd).
Naast haar op den bok zat de Markies van Sabadell, die vriendelijk en zorgzaam met een groote parasol van scharlaken taf het gezicht «der dame tegen de zonnestralen beschutte en voortdurend oplette om met zijn sterke vuist zijne aristocratische menster, zoo noodig, in hare moeilijke taak bij te staan. Spoedig deed zich daartoe de gelegenheid op. Bij het maken eener wending bleef de roede parasol aan de takken van een eik hangen en viel op het kruis van een der achterpaarden, dat verschrikt achteruit sprong. Het rijtuig, met kracht teruggedrongen, wankelde een oogenblik en bleef toen staan, langzaam op eene zijde overhellende. ... Een kreet van schrik ontsnapte aller lippen. Eene oude vrouw, die een ezeltje voortdreef en hen tegenkwam, stak hare dorre armen uit en riep met de kracht des geloofs, die oogenblikken van angst schenken:
— Aita San Ignacio .... Salvaizazu. \')
Het gevaar was dreigend. Een achterwiel was van den weg afgeraakt en werd slechts boven den afgrond tegengehouden door den stam van een overhangenden eik, waarvan de wortels reeds kraakten en elk oogenblik meer loslieten, terwijl groote stukken grond naar beneden vielen. Eén oogenblik van aarzeling, één enkele beweging der verschrikte dieren — en paarden, rijtuig en menschen zouden van de hoogte te pletter vallen.
1) Red hen Heilige Ignatius (Ba^kisch).
134
Jacobo bleef bedaard , Tom Sickles eveneons. De eerste nam onmerkbaar zacht do tougels in do hand; do ander sprong uit het rijtuig, greep het achterwiel, dat nog op den weg stond en trok het met alle kracht naar z\'ch toe. De oude vrouw kwam hem te hulp en trok mede met hare ontvleeschde armen, die wel op een paar sterke kabeltouwen geleken. Fritz was Tom achterna gesprongen en had hot verschrikte bijdehandsche paard van het achterspan handig gegrepen en tot bedaren gebracht. De schrik had een ieder bevangen en allen waren onbeweeglijk blijven zitten uit vrees van, als zij zich verroerden, het ongeluk te verhaasten. De man met do waterproof bleef doorsnorken.
Op een kreet van Sickles legde Jacobo ongenadig de zweep over de paarden; Fritz vuurde ze met zijne stem aan; het rijtuig wankelde een oogenblik op den kant van den afgrond, maar werd knarsend op den weg getrokken. Daarbij kreeg het een stoot, die den slapenden man boven van zijn bank op den grond deed storten, waar hij languit als een blok bleef liggen. De mail coach verdween ondertusschen in een wolk van stof op de helling en bleef doorrijden tot tegenover Oiquina, waar Jacobo, in de schaduw van eenige boomen, de paarden, overdekt met stof, zweetende en hijgende, tot staan bracht. En het was hoog tijd geweest. De eik had toegegeven en hing nu nog maar aan een paar wortels boren den afgrond, langs de steilte. Tom Sickles, zonder zich om den man, die op den grond lag te bekommeren, zag het rijtuig wegsnellen en balde zijne vuisten, terwijl hij het krachtige vervloekingen nazond, die niet voor de paarden bedoeld waren, maar voor zijne hooggeborene Mevrouw en Meesteres.
Pritz en de boerenvrouw waren naar den gevallen man gegaan en toen deze zich van zijn waterproof had ontdaan en op den grond zat, toonde hij het puisterige en verschrikte gezicht van Diogenes, dat nog de sporen droeg van den kolossalen roes, dien hij zich den vorigen dag gedronken had. Hij keek ver-
135
1
baasd om zich heen en kon zich maar niet begrijpen, hoe hij, die op den bank van een mail coach geslapen had, op den grond wakker werd midden op een rijweg. De pijn in zijne beenderen maakte het hem eindelijk duidelijk en terwijl hij zich aan Pritz vastklampte, beproefde hij op te staan, terwijl hij mompelde:
— Polaina!.... Ik heb een gevoel alsof ik afgeranseld ben.
Evenwel ging het loopen vrij goed en bespeurde hij geen
letsel. Hij stapte voort met den hoed in de hand, overdekt met stof, terwijl hij de waterproof achter zich aan sleepte. Die in het rijtuig zaten, hadden hun spraak herkregen, toen zij zich buiten gevaar zagen. Zij praatten allen te gelijk en niemand dacht er aan God te danken, die hen aan de klauwen des doods als door een wonder had ontrukt, uitgezonderd Kate, het En-gelsche kameniertje, dat in een hoek gedoken met een gezicht wit als papier, met gevouwen handen en gesloten oogen tus-schen hare tanden een gebed scheen te prevelen. Toen dachten zij eindelijk aan Diogenes en zagen hem in de verte aankomen, gevolgd door Tom Sickles en den Duitscher, die de schar-lakenroode parasol droeg, de oorzaak van het ongeval. De vroolijkheid verdreef thans geheel den schrik en allen begroetten den gevallene met luid gelach, behalve Leopoldina Pastor, die, het geschater mot hare sterke altstem overschreeuwende, driftig uitriep:
— Zie die lompert, hoe hij mijn waterproof over den grond sleept. Diogenes! Kerel, neem die impermeable op, zie je niet, dat je die smerig maakt!....
Diogenes hoorde haar zeer goed en wikkelde zich in de waterproof met den zwier, waarmede een torrero den mantel omhangt om, aan het hoofd zijner cuadrilla, vóór den aanvang van het stierengevecht, den voorzitter te begroeten. Hij wilde eene pirouette maken, maar eene lichte flauwte belette het hem. Bij het voorbijrijden van het badhuis te Cestona, kreeg hij op nieuw eene duizeling en Leopoldina Pastor, die met al
r,%
- r quot;\'ill
m
in
li
rJT
m
136
hare excentriciteit een werkelijk goed hart bezat, wilde hem met alle geweld een paar glazen Yan dat beroemde geneeskrachtige water laten drinken. Diogenes antwoordde haar met eene zijner gewone grofheden, waarom allen in koor moesten lachen. Hij ging werkelijk naar het badhuis en dronk daar een groot glas jenever, waarin hij volgens gewoonte oen paar stukken suiker liet smelten. De alcohol bracht hem zijne gezondheid en vroohjkheid weder, en van Cestona tot Azpeite babbelde hij onophoudelijk, terwijl hij tot groot vermaak van allen zijn geweldigen plof beschreef.
-— Polaina! freule Frasqnito! Als u zoo iets overkwam! Ge zoudt in twee en dertig stukken breken, zooals een ander zijn nek breekt. — Zulk een sprong te doen op zijn vijf en zestigste jaar — maar hij kende iemand, die nog wel een andereu sprong had gemaakt. Die vriend had van het dejeuner op een maandag tot het diner op een donderdag aan één stuk aan tafel gezeten, zonder er last van te krijgen.
In gestrekten draf reed men door de straten van Azpeite, zonder zich aan het verbod van den Alcalde of aan de boeten te storen, en op gevaar af de arme alpargatero\'s !), die op de drempels hunner winkels zaten te werken, of de krioelende kinderen te vertrappen, en zoo kwamen zij op den weg, die
regelrecht naar de weide van Loyóla voert____ Aan het einde
daarvan, beschaduwd door den hoogen top van den Izarraiz kwamen het groote gebouw van het koninklijk college en het heiligdom, door Fontana gebouwd, indrukwekkend uit, als een kostbaar juweel, door eene Koningin daar geplaatst om de woning van een heilige te omvatten.1)
Midden in de weide verhief zich op een voetstuk, omgeven door een hek, het standbeeld van San Ignacio de Loyóla, den
1
Het adellijk huis, waar Ignacio de Loyóla geboren is, heelt men laten staan en daarom heen en daar legen aan is het heiligdom of Sanctuario gebouwd.
137
zoon en den beschermheilige van Guipüzcoa, die de hand uitstrekt als om de landstreek te zegenen, waar zijn wieg stond en waarop thans zijn reusachtig beeld als weldoende zijn schaduw werpt.
Een rechten hoek vormende met het koninklijk College van Loyóla, staat een ander gebouw, dat in den zelfden tijd gebouwd is en de Hospederia genoemd wordt. Daar worden de reizigers geherbergd, die het heiligdom bezoeken en daar had Currita gedacht de reis af te breken en een paar uren uit te rusten, daar te eten en vervolgens de reis voort te zetten naar Zumarraga, waar men den sneltrein kon nemen naar Madrid, die daar om half zes ophield.
Het was een prachtige dag, ofschoon zeer warm, zooals gewoonlijk in de laatste dagen van September in Guipuzcoa. De Gravin beval daarom de tafel gereed te maken in den wijden overdekten gang, die door de acht bogen gevormd wordt, welke toegang geven tot de Hospederia. Vóór hen strekte de weide zich uit, groen, lachend, vol licht en vroolijkheid; een lustig klaterend fonteintje spoot zijn water met vier stralen in de lucht. Links verhief zich het grootsche gebouw van het College, waarvan de trotsche portico vooruit trad, zooals een krijgsman van Christus zoude vooruit treden, in zijne sterke armen het kruis opheffende. De majestueuze koepel verhief zich ten hemel, alsof hij daar licht, kracht en moed zocht. Rechts opende zich de vallei van Azpeitia, met het vroolijk ruischend riviertje, de Urola, dat het dorp en het heiligdom omslingert als met een gordel van bloemen, terwijl het liefelijk afstak tegen den somberen tint van hot landschap als een roos op den grafzerk eens rechtTaardigen, als een zachte glimlach op het gelaat van een trappist. De hooge Izarraiz, groen aan den voet als de lente van het leven, ruw en aschkleurig op den top als do ontgoochelde ouderdom , sloot plotseling het gezicht af. En in het midden van dit alles verhief zich boven den grond, ongevoelig voor het vroolijke of het treurige, onverschillig voor armoede
138
of rijkdom, het standbeeld van St. Ignatius, de heiligheid zelve, altoos kalm, gelijkmoedig, rustig, predikende en zegenende.. . .
Binnen het college klonk een bel en spoedig aanschouwden de reizigers een tooneel, zeer gewoon op die plaats, maar voor hen vreemd en nieuw. Van de kleine trap, die in de portiek uitkomt, kwamen de novices, drie aan drie, om uit wandelen te gaan. Zij droegen den rozenkrans aan den gordel en zagen er zeer zedig uit met hunne ternedergeslagen oogen. Toen zij buiten gekomen zijnde het standbeeld van den stichter voorbij gingen, groetten zij het met dat teeder gevoel van eerbied, waarmede men zijnen vader groet en daarop verspreidden zij zich over verschillende paden en wegen. Twee of drie teedere, kleine novices brachten Leopoldina in verrukking. Met haar servet in de hand stond zij van tafel op cn ging buiten de bogen staan om hen beter te zien en riep opgetogen uit:
— Ziet eens .... ziet eens .... wat een snoeperige guitjes
zijn dat____Zij lijken wel pastoortjes in den knop. Hoe lief----
hoe snoezig!....
— Koop ze dan gesuikerd ! riep Jacobo boos uit.
— Ik zou ze wel willen koopon, als ze te krijgen waren!----
Men zou lust krijgen er een paar mede te nemen om ze op eene étagère te zetten als speelgoed! . . . .
— Het is geen mooi speelgoed, die leelijke huilebalken, zeide Jacobo met ingehouden woede. De eerste stommigheid, die de Restauratie begaan heeft, is geweest de deuren open te zetten voor dit canaille! Hoe was het mogelijk toe te laten, dat zich hier een pakhuis vormt van intriganten, eene pépinière van huichelachtige revolutiemannen!. . . .
Toen begon een levendige twist over de Jezuieten en tot toelichting werden afdoende bewijzen aangehaald uit het werk van Eugène Sue „de Wandelende Jood.\'T Ten slotte werd besloten , na den eten, terwijl de paarden nog wat uitrustten, dat allen dit duistere hol zouden bezichtigen. . .. Diogenes, die zich tot nog toe niet in het gesprek had gemengd, gaf als zijn
139
onomstootbaar gevoelen te kennen, dat hij niet gewoon was ergens zijne voeten te zetten, waar men het recht had hem de deur te wijzen, en dat de vaders der stichting gelijk zouden hebben, indien zij de dametjes en de heertjes, die hun huis wilden overstroomen, niet toelieten. Allen maakten zich hierover zeer boos en hij begon rechts en links grofheden om zich heen te werpen, terwijl Currita, met de hoogheid eener beleedigde Koningin, den lakei Pritz riep en hem beval onmiddellijk naar den Superieur te gaan en hem te zeggen, dat de Gravin van Albornoz tusschen twee en half drie het huis en het heiligdom zoude komen bezichtigen.
Diógenes had op dien driftigen toon gesproken, dien hij gewoon was aan te nemen, als hij in ernst sprak en op eens van tafel opstaande, ging hij bleek en zenuwachtig een gang binnen, die in de stallen uitkwam. Kort daarna zag men hem, veeleer lijkkleurig dan bleek, er weder uitkomen en als machteloos neerzinken op een ijzeren bank onder de bogen. Met veel moeite en zweet had hij in een hoekje van den stal het weinigje, dat hij gegeten had, uitgeworpen. Leopoldina en Gorito snelden toe, bevreesd dat zijne buiteling van dien morgens hem kwaad had gedaan en de eerste vroeg met oprechte belangstelling:
— Diogenes, hoor eens — je bent ziek. Zou het niet goed zijn, dat je eens met een doctor gingt spreken? ....
— Een doctor? stamelde Diogenes met uitpuilende oogen. Van mijn leven heb ik nog geen doctor geraadpleegd. De allopathie is een Armstrong kanon en de homoeopathie een Am-brosius karabijn. Loop rond met uw doctors en medicijnen Ik genees mij zelf. . ..
—- Laten wij dan ten minste den veearts roepen, zeide Gorito.
— Dat is iets anders. Die weten er ten minste meer van, want zij genezen den patient zonder een woord uit hem te halen.. . . Maar het is nog niet noodig. Ik genees mij zelf.
En een fiesch jenever nemende, dronk hij glas op glas, terwijl
140
hij, in plaats van twee, drie of vier stukken suiker er in deed. Intusschen maakte Maria Valdivieso eene sentimenteele scène aan Paeo Velez, omdat deze, in plaats van zich met haar gedurende het gevaar van \'s morgens te bemoeien, alleen maar om zijne eigene veiligheid had gedacht. Jacobo en Oom Pras-quito waren in de Hospederia gegaan, zonder aan iemand te zeggen waarheen zij gingen en Currita, in eene idyllische bui, hield zich bezig broodkruimels aan een haan met zijne kippen toe te werpen.
Een man, nederig van uiterlijk, naderde haar toen; hij had een brief in de hand en zonder eenigo plichtplegingen vroeg hij haar, of zij de Gravin van Albornoz was. De hooghartige dame antwoordde met een hoofdknik en toen stelde de man haar den brief ter hand en ging dadelijk weer de Loyóla stichting binnen op de zelfde trap, waarover hij er uit was gekomen. Currita las verbaasd deze regels:
„Indien de Gravin van Albornoz te Loyóla komt om te biechten en om van God vergiffenis af te smeeken voor hare buitensporigheden, heeft zij niet noodig daarvoor uur of tijd te bepalen, want elk uur is daarvoor geschikt. Maar indien zij alleen komt om dit heiligdom getuige te doen zijn van de ergernis haars levens, dan wordt zij dringend verzocht de onaangenaamheid van voor haar de deur te sluiten te besparen aan den, haar in Christus liefhebbenden nederigen dienaar,
Pedro Pernandez. S. J.
Verplet bleef Currita met den brief in de hand staan en zag naar den haan, die met een poot opgetrokken, met scheeven kop en vlammend oog, haar ridderlijk den bijstand zijner spooren scheen aan te bieden, in geval van strijd.
De dame las den brief op nieuw en begreep toen een ding en dat was iets, dat haar al zeer onwaarschijnlijk voorkwam en dat in haar hart een gevoel van drift, verrassing, woede deed ontwaken, zooals de eerste spoorslag bij een onge-
141
temd jong paard, de eerste drukking van den stang, die hem in zijn vrijen loop terug houdt en hem doet gevoelen, dat er iemand is, die hem kan, wil en zal onderwerpen en vernederen. Zij voelde, dat, voor het eerst in haar leven, eene deur voor haar werd gesloten en dat hij, die dat deed, een onbekende was, een arme monnik, een Pedro Fernandez. ... De kleine fontein, die naast haar klaterde, deed haar denken aan het hoongelach der menschen, wanneer zij zouden hooren, dat zij teruggewezen was door een Pedro Fernandez! ....
Op dat oogenblik klonk de stem van Jacobo achter haar en zij haastte zich dien hatelijken brief in den zak van haar japon weg te stoppen. Jacobo was bezig het gezelschap bij elkaar te roepen, want het liep al tegen half drie en wanneer men zich te lang ophield met het bezoeken van Loyóla, zou men te laat in Zumiïrraga komen. Currita ging hem langzaam te gemoet, terwijl zij slecht geluimd zeide:
— Ik voel mij niet wel .... zou het niet beter zijn het maar achterwege te laten? ....
Allen geloofden, dat zij ongesteld was, want zij zag er bleek en ontdaan uit. Er werd toen besloten dadelijk naar Zumarraga te rijden en daar in een hotel een goed uur uit te rusten, vóór dat de trein kwam. De jenever had Diogenes geheel opgemonterd en hij hielp Tom Sickles cn den Duitschen lakei de paarden inspannen , terwijl hij met een jeneverstem als van een staljongen zong:
Komt heeren, komt op reis Ingestegen, genoeg gerust.
Spoedig, spoedig, laten wij vertrekken Voordat de hitte ons zal braden.
Jacobo en Currita gingen weer op den bok zitten, terwijl hij ditmaal de teugels nam. De overigen gingen zitten in dezelfde orde, als zij waren gekomen. Bij het voorbij rijden van het standbeeld van San Ignatio nam Diógenes zijn hoed af, zooals
142
hij dat te voren had zien doen door de novices en op harte-lijken toon sprak hij dien schoonen groet der landbewoners van Guipüzcoa, aan den Heilige die de glorie hunner bergen is, nit, en die hun door eenvoud, vroomheid en liefde wordt ingeboezemd ;
Aita San Ignacio! ... agur. \')
Daarop, niettegenstaande de boosheid van Currita, die dreigde hem midden op den weg te zetten als hij zijn mond niet hield, begon hij op nieuw eene strofe uit El Mayoral te zingen:
Pas op dit wagenspoor Buk u koetsier!
Als ik kom aardig meisje Zal ik u wel krijgen.
De mail coach vloog over den weg, voorbij de baden van San Juan, door het gehucht Juin Torrea verborgen in zijne tuinen, langs het klooster Santa Cruz , hoog verheven op zijn berg, langs het vervallen paleis Florida, waarin Jean Jacques Rousseau meer dan een concilie van Encyclopedisten heeft bijgewoond. Zij gingen in stap, bedaarder dan \'s morgens, de straten van Azeoitia, en kwamen weder op den rijweg waar naast de rivier vloeit, voorts kwamen zij spoedig in de zeer nauwe en wilde bergengte gevormd door twee hooge met donkere bosschen bedekte bergen, wier boomen hen schijnen te bestormen als soldaten die op den top den wolkensluijer schijnen te willen verscheuren, die somtijds blauw zijn en zwevende als de tunica eener danseres, somtijds aschgrauw, even eens golvend maar akelig als de lijkwade van een doode. Hier was de natuur schilderachtig maar somber. Het water der rivier, wier loop door de rotsen bemoeilijkt werd, deed een treurig angstverwekkend geluid hooren, en de zon drong hier niet door verborgen door de beide hooge bergen.
1) Baskisch. San Ignacio ... adiós.
143
Currita op den bok gezeten, even somber als de natuur om haar heen, maar niet als deze kalm, overpeinsde den brief van Loyóla. Zij had een dof gevoel van verbittering en zij kon zich geene rekenschap geven wie die haar inboezemde. Door een vreemd verschijnsel waarvan zij de verklaring niet wist, kwam die Pedro Fernandez, die schrijver van den brief en de oorzaak der beleediging haar slechts voor den geest als een ondergeschikte; en veeleer als een plaatsvervanger, als een werktuig in de handen van een zeer machtig wezen dat aan de ijdele vrouwe ontzag scheen in te boezemen en haar dwong te buigen, zich te vernederen en te zwijgen. .. .
Een weinig verder, bij het omslaan van een hoek, zag zij op de helling van den berg drie van die kleine novices staan die Leopoldina Pastor zoo verrukkelijk had gevonden. Zij waren niet alleen, want bij hen stond eene oude gebrekkige vrouw wier hoofd bedekt was met de witte kap der Baskische landbewoners. Zij was bezig, geholpen door de drie novices om een zwaren takkebos die op den grond lag, op hare schouders te laden. Om uit te rusten en weder op adem te komen had zij haar vracht op den grond geworpen en thans had zij moeite die weêr op te laden. Toen zij hiermede gereed was en een tiental schreden gedaan had, overviel haar weder de vermoeidheid, en de takkebos wier gewicht hare krachten te boven ging, viel weder. De oude vrouw begon te schreien. De drie knapen begonnen toen een oogenblik te fluisteren en een hunner die de sterkste scheen, nam den takkebos op zijn rug en klom den steilen berg op naar een bouwvallig huisje, dat zich op den top vertoonde als een vogelnestje in het groen verscholen.
Leopoldina begon te beven, op hare manier ontroerd en riep dat die geesten engeltjes uit den hemel waren, kleine heiligen die men eer moest bewijzen. Zoodra zij te Madrid was gekomen, zou zij voor hun zwarte kousen zenden door haar zelf gemaakt van het beste linnen garen, dat er te krijgen was. Allen begonnen te lachen, maar Currita zweeg terwijl zij een ongekend
144
gevoel van verleedering over zich voelde komen, iets dat haar verootmoedigde, maar dat zij spoedig bestreed door aan deszelfs weldadigen invloed den slagboom harer ijdelheid tegenover te stellen, dier onverdelgbare ijdelheid die in de ziel van sommigen do macht van het kwade uitmaakt. Die drie novices, die drie Pedro\'s Fernandez in wording, die uit liefde zich verootmoedigden voor eene bedelares, deden haar begrijpen dat die andere Pedro Fernandez uit plicht bij haar, hoogmoedige Grande van Spanje, had kunnen ontzag inboezemen. Een plotseling licht, als een bliksemstraal die verheldert en doet ontstellen tevens, deed haar duidelijk zien wat zij al reeds vermoed had; die brief, die beleediging kwam niet van eenen armen monnik, van eenen Pedro Fernandez, en de eerste deur die in haar leven voor haar gesloten werd, was niet de deur van Loyola\'s stichting maar het waa de deur van God!. . . .
Zij voelde zich koud worden en vroeg aan Kate een dunne shawl waarin zij zich wikkelde, steeds nadenkend en stil. . .. Zij ging het licht na dat in hare ziel was ontstoken en bij dat licht zag zij zich zelve van buiten af, zooals de geheele wereld haar moest zien, zooals Pedro Fernandez haar had kunnen zien zitten op den bok naast Jacobo. .. . Instinktmatig keek zij naar dezen, en voor de eerste maal in haar leven, scheen het haar toe, wat nog nooit was gebeurd: dat zij samen schuldig waren.
Het rijtuig reed door de straten van Villareal, stak de brug over die het stadje met Zumarragu verbindt en hield stil over het station, tusschen verscheidene uitgespannen rijtuigen en diligences, voor de deur van een wolbekend Hotel, waarvan de eetzaal op het stationsplein uitkomt. Allen stegen uit; de dames vroegen eene kamer om zich wat op te knappen en de heeren gingen ieder hun kant uit. Tom Sickles en de lakei brachten de paarden en de mail coach in een naburige stal om ze den volgenden dag met den trein naar Madrid te vervoeren. Vóór de aankomst van den eerstvolgenden trein had men nog een uur over. Oom Frasquito, reeds afgeborsteld en blin-
145
kende van netheid, met fijne peau de Suède handschoenen in de eene hand en een mandje van Leopoldina Pastor in de andere hand, trad de eetzaal binnen en vroeg eene kleine ver-frissching van water met bessensap. Maar hij had geene gelegenheid dat te gebruiken. ...
Een dienstmeisje kwam schreeuwend binnen, zonder te kunnen spreken en maakte wanhopende gebaren. ... In een gang bij de keuken lag Diógenes op zijn rug, de armen over zijn borst gekruist, een been opgetrokken en met de lijkkleur op het gelaat, waartegen de roode vlakken, die thans violetkleurig zwart waren geworden, scherp afstaken. Hij scheen dood. Oom Prasquito gaf een gilletje en zette het op een loopen, terwijl hij Jacobo en Gorito riep. Alles in het Hotel kwam toeschieten en spoedig ook Jacobo, die met een boos gezicht op zijn horloge keek.
— Tot zelfs als hij dood gaat, is hij lastig zeide hij, toen hij tegenover Diogenes stond.
Twee sterke jonge mannen namen hem op; zij waren zoons van den Hótellier, en brachten hem te bed in eene kamer op de eerste verdieping. De doctor, dien men geroepen had, kwam in allerijl aanloopen, en toen hij van den val van \'s morgens hoorde en den patient had onderzocht, gaf hij een onheilspellende pronostiek. Het was eene hersenberoerte, een gevolg van zijnen val, en indien hij al van deze attaque opkwam, zou hij bij eene tweede bezwijken.
De dames, die angstig bij elkaar gescholen waren, durfden hare kamer niet verlaten en nog veel minder naar den zieke gaan zien. Maria Valdivieso vroeg diep meewaardig, of hij zeer leelijk was geworden. Leopoldina Pastor, ongeveinsd bedroefd, zuchtte zeer luidruchtig. Op eens zeide zij:
— Heeft de arme kerel wel geld bij zich ? .
Ondertusschen had de Hótellier zich tot Jacobo gewend en
hem orders gevraagd, maar deze zeide mot bestudeerde onverschilligheid , dat noch hij, noch iemand van het gezelschap iets II. 10
146
met dien man te maken had; dat hij maar een oppervlakkig bekende was, die te Biarritz bij hen op liet rijtuig gekomen was, zonder dat iemand hem dat gevraagd had en dat hij dus niet voor hem aansprakelijk was en evenmin aangaande hem bevelen kon geven. Het uur van vertrek van den trein naderde en na eene korte beraadslaging, waarbij het wreedste eigenbelang zegevierde, ging men op weg. Leopoldina Pastor, die zeer ongerust was, smeekte Currita toen om ten minste den Duit-schen lakei achter te laten om voor den ongelukkigen Diogenes te zorgen. Currita antwoordde haar:
— Als Pritz van nacht wil blijven, heb ik er niet op tegen.... Hij zal dan een slechten nacht hebben, maar dat moet hij zelf weten. Maar morgen moet hij met Tom mede. Tom kan niet alleen met zes paarden naar Madrid reizen.
Toen ging Leopoldina naar den Hotellier en zeide hem met veel nadruk:
— Ik weet niet, of de ongelukkige man geld bij zich heeft, ten minste voor hetgeen hij noodig heeft. Breng het mij maar in rekening. Ik ben de zuster van Generaal Pastor en ik woon bij hem in.
En zij gaf hem zijn adres zeer duidelijk op een visitekaartje. Ook Oom Prasquito kwam toen er bij en vroeg dringend, dat indien de ongelukkige onberecht mocht sterven, men hem dat dan per telegraaf zoude laten weten; hij gaf toen zijn adres en een peseta voor de kosten van het telegram.
\'s Avonds tegen negen uur scheen de zieke zeer te verminderen en de beangstigde Hutellier zond naar den pastoor om hem het laatste oliesel toe te dienen. De crisis ging evenwel voorbij en om twaalf uur opende Diogenes zijne oogen en zag den Hotellier vóór zich. Deze was een groote, dikke man met een glad geschoren gezicht, zonder das en met een geborduurd mutsje op en een wijd vest aan, de type van een welvarenden dorpsbewoner van Guipüzcoa. De zieke had eenigen tijd noodig om zijne gedachten te ordenen, maar eindelijk herinnerde hij zich
147
hetgeen er gebeurd was. Eene voor hom vreeselijke gedachte kwam hem voor den geest.... Met gebroken, stervende stem, die zijnen angst, zijne marteling, zijne onrust op smeekenden toon weer gaf, zeide hij zeer zacht:
— Zal men mij in het ziekenhuis brengen ? ...
De Hotellier zag hem verbaasd, bijna boos aan en antwoordde hem met de plompe eerlijkheid van een echten Guipuzcoano:
— U laten gaan, Caballero, daarheen? — Is dat gebruik in Guipüzcoa? Nooit!....
Diógenes slaakte een zucht van verlichting en begon te schreien.
10*
11.
Diogenes wist niet, dat hij de laatste Sacramenten had ontvangen en gedeeltelijk gerust gesteld door het antwoord van den Hotellier, kwamen andere gedachten in zynen door nevelen bedekten geest op. . .. Maar eene g-roote dofheid, eene zware slaperigheid, voorboden van den dood, overmeesterden van tijd tot tijd zijn geheele wezen en verstrooiden zijne gedachten , die hij zijn best deed om bij elkaar te houden. Somtijds kwamen zij hem voor als onmerkbaar lichtende puntjes, die in eenen onein-digen mist zweefden, zich langzaam verwijderden en allen één voor één uitdoofden, totdat er slechts een enkel overbleef, dat hem nu eens troosteloos voorkwam als een kandelaar bij eeno stervenssponde, dan weder treurig als een waskaars, die voor een doode brandt, dan eens vreeselijk als de flikkering van de vlammen uit de hel. Dat was de gedachte aan den dood en
de onzekerheid omtrent de eeuwigheid----
Somtijds werd de wezenloosheid grooter en ging dat angstverwekkend licht uit. En als Diógenes zich dan voelde wegzinken in dien slaap, die hem den laatsten scheen; in die sombere duisternis, waarin hij niets kon zien; in die angstige stilte, waarin elke stem verstomde, dan sloeg hij zijne nagels in de lakens en scheurde die aan flarden, alsof hij zich met geweld aan den
rand van den kuil klemde, waarin men hem wilde begraven----
En vóór hij zijne oogen nog geheel had gesloten, werd hij weder wakker en dan was het hem, alsof iemand hem onverwacht
149
voortduwde als in ocnc vreoselijke nachtmerrie; do geringste geluiden schenen hem geweldig; zij schenen hem het geratel van een trein of een waterval van vloeibaar brons, dat zijne ooren pijnigde. Zij schenen hem bellen van een rijtuig, nog versterkt door hot geroffel van duizend tamboers, dat zijn trommelvlies verscheurde. Het was dat eigenaardig geknars (el sonua) der Baskische karren, dat den landman bij de krommingen van den weg waarschuwt; een helsch geluid, dat door een duivelachtig wonder tot een gloeiende zaag was geworden, die zijne hersens in tweeën sneed.. . . Zoo ging de nacht voorbij: een poosje voor den dageraad verdween de beseffeloosheid en de machteloosheid met de nachtmerrie en eene rustige slaap kwam twee uren lang over hem. Een regelmatig geluid, dat zijn hoofd pijn deed, maar als eene vriendelijke echo in zijn hart weerklonk, maakte hem toen wakker. Het was de kerkklok die de mis luidde.
Diogenes deed zijne oogen open en voelde zich veel beter. Hij ging opzitten en dacht, dat hij geheel hersteld was. Zijn hoofd was helder, zijne ledematen, hoewel zwak, kon hij goed bewegen; hij meende eenigen eetlust te bespeuren en dacht, dat een groot glas jenever hem wel goed zoude doen op zijn nuchtere maag. Hij zag om zich heen. Op de tafel knetterde een nachtlichtje; eene vrouw van rijpen leeftijd snurkte onrustig in een gemakkelijken stoel aan het voeteinde van zijn bed en door de reten van twee gesloten vensters drongen zachte lichtstralen, alsof de nieuwe dag op de punten zijner voeten glimlachend naderde om den zieke zijnen gelukwensch toe te brengen.
De zieke zat op in zijn bed, aangenaam verrast, terwijl met het leven zijne spotlust terug kwam; hij wierp een kussen, het eerste voorwerp, dat hij onder zijn bereik had, naar zijne waakster en liet een geweldige kreet — polaina — hooren, die haar verschrikt in haren stoel deed opspringen, terwijl zij eenige woorden in het Baskisch mompelde.
Daarna beval hij haar de vensterluiken open te doen en licht
150
en lucht stroomden binnen, speelziek als kinderen, terwijl zij de witte haren van den zieke streelden en, als zijn liove kleinkinderen, hem hunne geschenken brachten: de reuk van den bedauwden grond, de gezonde geur der bergen, het vroolijk zingen der vogels\', het plechtig luiden van de kerkklok, die als eene liefelijke stem uit de hoogte scheen te roepen: Kom — kom. — Wat een domme angst; wat eene belachelijke onrust in den vorigen nacht! Sterven? Wie denkt er aan sterven, als de dag aanbreekt en de zon zoo prachtig aan het blauw des hemels opstijgt; wanneer de groene bergen zich in de verte vertoonen, overdekt met bloemen en door lachend zonlicht overstraald.
Kort daarop kwam de doctor binnen, vergezeld door den Hótellier, en Diogenes ontving hen, terwijl hij mot den eerste schertste en tegen den ander op vriendelijke manier bromde. Zijne met bloed beloopen oogen hadden eene uitdrukking van teederheid, die zijne dankbaarheid te kennen gaf voor de ondervonden barmhartige behandeling. De doctor, die hem zorgvuldig onderzocht, deed hem vragen zonder eind, die Diogenes half knorrig, half lachend beantwoordde; hij lichtte hem de oogleden op, die de met bloed doorschoten oogappels half bedekten en schudde onheilspellend zijn hoofd.... De eerste aanval was doorstaan, maar er waren nog voorteekenen van een tweeden en het was niet mogelijk, dat dit gealcoholizeerd gestel aan dien vreeselijken stoot zou kunnen weerstand bieden. Toen wisselde hij met den Hótellier eenige woorden in het Baskisch, dat Diogenes aanhoorde, terwijl hij ongerust van den een naar den ander keek. En op eens, onbewimpeld en zonder voorbereiding, zeide de doctor hem met landelijke ruwheid, dat de dood onafwendbaar naderde en dat het hoog noodig was, de weinige oogenblikken van helderheid, die zijn toestand hem nog overliet, te gebruiken om zijne zaken met de menschen te regelen en zijn schuld aan God af te doen.
De slag was wreed en toen Diogenes dat hoorde, voelde hij.
151
dat men hem daarbij eene zeer sterke hoop ontnam, dc hoop om te blijven leven, de sterkste van alle hoop; omdat het de laatste is; die nooit wordt uitgeroeid, zonder dat het tranen perst uit de oogen of bloed uit het hart.. . . Eene woeste drift maakte zich van hem meester en benevelde zijn verstand; want er is niets zoo onberedeneerd als de vrees en het geleek hem een schandelijken roof toe, die men aan hom deed. Hij keerde zich verwoed tot den doctor, alsof deze het was, die hem dien streek had gespeeld en wierp hem alle grofheden en beleedigingen in het aangezicht, die zijne drift en afschuw op den bodem van zijne ziel vonden. ... De doctor en de Hótellier gingen dadelijk weg en lieten Diogenes alleen, die zich woedend omwentelde, terwijl hij uit de machteloosheid en de benauwdheid, die hem onweerstaanbaar overvielen, opmaakte, dat de doctor noch overdreef, noch loog, dat de dood inderdaad naderde en dat hjj gedwongen was zich verloren te geven of te capituleeren. . ..
Het is licht te gelooven, dat er niets schrikkelijker is dan het geweten te peilen van een verhard zondaar in de angsten des doods. Achter dat doodsbleeke en ontdane uiterlijk wordt een schrikkelijke strijd gestreden tusschen den geest des kwaads en het begrip van het goede. Vreeselijke spookbeelden doet het geweten oprijzen en er wordt een verbitterde strijd gestreden, waarin beurtelings de engel van berouw en de duivel van onboetvaardigheid zegepralen. Afschuwelijk is het, maar er is strijd en waar strijd is, bestaat altijd hoop, ja waarschijnlijkheid op overwinning. Maar veel afschuwelijker is het, wat er wel eens gevonden wordt achter die glazige oogen, in dien stond, ontzettend als de sombere poort, waarvoor Dante zich voelde bezwijken en wankelen; dat is het gevoellooze, de vreeselijke rust eener ziel, die langzaam in de eeuwigheid verzinkt. Wel geeft zij zich er rekenschap van; maar geene andere dan beuzelachtige gedachten rijzen bij haar op; alledaagschheden, waarmede men gewoon was zich bezig te houden of te vermaken en waarmede men voor zich zelf den afgrond verbergt, totdat
152
op eens de dood zijne zeis velt en men ontwaakt geketend in het diepste der hel.
Doodsche gevoelloosheid, noodlottige helling, waarlangs men, zonder een wonder der Groddelijke genade, rechtstreekB in de eeuwige verdoemenis terecht komt!.. ..
Dit was de toestand, waarin Diogenes zich bevond , toen hij alleen was en woedend en afgemat zich in zijne kussens had laten neervallen, met zijn hoofd naar den wand gekeerd. De gedachte aan de hel doorkruiste voor het eerst zijn brein, maar hij zocht afleiding door naar het leelijke behang te kijken, dat van boven tot onder overdekt was met bloemen guirlandes, waartusschen rijen aapjes dansten, die elkaar de hand gaven; dat geleken wel duiveltjes, die leelijke beesten en hij begon ze één voor één te tellen, terwijl hij, om ze te volgen, zijn gezicht ongelooflijk inspande. Hij telde er, voor zoover hij er kon zien, honderdvijf — honderd twintig. .. .
De vrouw, die bij hem \'s nachts gewaakt had, zat in een hoek eene kous te breien; zij werd voor een oogenblik buiten geroepen en Diogenes dacht toen, dat zij nu ook werd opgeroepen om verantwoording te doen; en daarop viel hem een van die honderde aanstootelijke verhaaltjes in, die hij kende. Een heiden, een verharde dief, biechtte, en de priester zeide hem: Wat zoudt gij doen, ongelukkige, indien de Hoogste Rechter u heden nog ten oordeel opriep? — Wat ik doen zou? Wel, niet gaan!....
— Niet gaan! — Niet gaan — herhaalde Diogenes en hij zich toen stelde voor een ingebeelde vlucht, waarbij hij in het rijtuig steeg, dat juist voor de deur stilhield en waarvan het welluidend belgerinkel hem pijnlijk in de ooren klonk. Daarin verbeeldde hij zich naar San Sebastian te rijden om zich daar in te schepen en te vluchten naar het einde der aarde, als Kain voor den Rechter, die hem vervolgde. Door zijn wentelen in bed voelde hij zich misselijk worden en kreeg hij eene groote behoefte om te spuwen en dit verontrustte
153
hem nog moer, want hij zag daarin de zeis van den dood. De dood! Die vervloekte wekkerklok, die op de tafel stond, herinnerde hem onophoudelijk aan den dood en het scheen hom toe, dat hij zijnen stap regelde naar de maat van dat somber getik, dat sneller ging dan ooit. Hij beval knorrig aan de vrouw den wekker stil te zetten, maar zij, begrijpende dat hij wilde weten, hoe laat het was, bracht hem het klokje. Diogenes trok het haar met een woesten ruk uit de handen en wierp het tegen den muur stuk.
Intusschen zond de hemel eene onverwachte hulp en dat in hetzelfde rijtuig, waarin zijne verontruste verbeelding zich voorstelde, den Oppersten Rechter te zullen ontvluchten. Daarin zaten de Markiezin de Villasis en haar kleindochtertje Monina, die van Zaldivar kwamen, waar zij, zooals elk jaar, de minerale wateren hadden gebruikt. Zij waren vergezeld door Monina\'s gouvernante, eene kamenier, een hofmeester, die haar op allo reizen vergezelde en een ouden dienaar. De Markiezin was voornemens den sneltrein te nemen, die om half drie te Zumarraga stopt, om dienzelfden avond nog te Madrid te zijn. De Hotel-lier had al ras een gesprek met den hofmeester aangeknoopt en aan deze zijne bezwaren en bezorgdheid omtrent Diogenes medegedeeld. Verrast haastte zich de oude man hiervan mede-doeling te doen aan de Markiezin, dat haar zeer moest interesseeren en zij, zeer getroffen, wilde den stervende dadelijk zien. Evenwel dacht zij nog een oogenblik na en liet den Hótellier komen, om vóór alles alle bijzonderheden te vernemen van dit treurig geval, waarvan de ontknooping reeds naderde. Zoodra zij vernam, dat de geneesheer niet langer dan tot middernacht voor het leven van den zieke instond, meende zij genoeg te weten en gaf dadelijk aan Don Frederico, den hofmeester, last, de reis af te breken en in het Hotel kamers te bestellen. Toen ging zij in het bureau van den Hótellier een brief zitten schrijven aan den Superieur van Loyola om in allerijl een priester te zenden ten einde een stervende bij te staan, wiens
154
naam en stand zij in den brief vermeldde. Een expresse te paard vertrok in galop met den brief en een uur later had deze zijne bestemming bereikt.
Vervolgens dacht de Markiezin er aan den zieke te gaan zien, maar vreezende, dat hare onverwachte komst hem geweldig zou ontroeren, vroeg zij den Hótollier, hem langzaam op haar bezoek voor te bereiden. Zij gingen te zamen naar Diogenes\' kamer en de Hötellier stak zijn hoofd beschroomd door do opening dor deur. Diogenes lag daar zeer krachteloos neder, met zijn afkeerwekkend groot hoofd gedoken in de kussens, mot zijne beide armen op do sprei uitgestrekt, terwijl hij do boddelakens tusschen zijn handen rolde, zonder hiervan begrip te hebben. Hij gevoelde opnieuw die afschuwelijke verdoving, die sombere gevoelloosheid, welke hom den vorigen nacht gemarteld had, over zich komen... .
De Hótellier naderde een paar schreden, terwijl hij do deur half open liet staan en zeide hardop:
— Mijnheer .... mijnheer, er is visite voor u.. . .
Diogenes draaide zijn hoofd een weinig om en zeide boos:
— Visite?---- quot;Wie?.... De doodgraver? Laat hem wachten.
En hij liet eene gruwelijkheid, eene gemeenheid los, die den
Hótellier geheel overblufte en de Markiezin achter de deur deed kleuren met dien heiligen blos, die zoo vaak opstijgt op hot gelaat dier onverschrokken en kuische engelen der liefdadigheid, die dienst doen in de hospitalen, zonder voor iets terug te deinzen of de sponden te schuwen van zekere zieken.
De Hótellier, zeer in verwarring gebracht, wilde er kortweg een eind aan maken en zeide:
— Het is Mevrouw de Markiezin van Villasis. ...
Diogenes uitte een luide en smartelijke kreet, alsof hij daar
Juist eene godslastering gezegd had. Hij wilde het bed uit, zoo mogelijk gaan opzitten, maar de krachten ontbraken hem, hij viel zwaar neder, terwijl hij zijne armen ophief, zijne handen bewoog en een onverstaanbaar gebrom liet hooren, een
155
vreemd gereutel als van een wild dier, dat in zijn hol ligt te sterven.
De Markiezin kwam toen naderbij en zonder vrees of afschuw drukte zij de zweetende handen van den stervende in de hare.
— Maria! — Maria! — riep Diogenes.
— Wat is er Perico?.... Wat is er man?.... vroeg zij zacht, terwijl zij haar door tranen overstroomd gelaat over het ingevallen gezicht van den grijsaard boog.
— Ik sterf, Maria!.... Ik sterf!.... Uwe voorspelling komt uit. ... Ik sterf wel niet in een hospitaal, maar uit medelijden laat men mij sterven in een herberg....
— En wat doet er dat toe? .... Veel dichter bij don hemel is een bed in een hospitaal dan een bed in een paleis.
Diogenes zweeg zuchtend en de Markiezin wilde nog iets zeggen, maar de stervende vroeg, zonder met zuchten op te houden;
— En Monina? ....
— Die is beneden.....Wilt ge haar zien?....
— Ja! .... zeer gaarne. . .. Zal ik haar een kus geven? .... Die kleine engel.... Mag ik? .... Ik zal haar op haar schoentje kussen, alleen maar op haar schoentje.... Ga haar halen, om Gods wil.... Als zij ten minste niet van mij walgt... .
De Markiezin, in den hoogsten graad bewogen, scheen plotseling een inval te krijgen. Zij maakte hare handen uit die van Diogenes los, die de hare sterk drukte on zeide:
— Heb een oogenblik geduld?.... Ik zal haar halen.
Toen zij buiten het vertrek was, wischte zij haastig hare tranen
af, om Monina niet te doen ontstellen en haar op hare knieën zettende, legde zij haar, zacht sprekende en met grooten nadruk uit, wat zij van haar verlangde. Het meisje luisterde, met hare oogen wijd open en met eene uitdrukking van groote oplettendheid, die somtijds bij kinderen eene verstandsontwikkeling openbaart, ver boven hunne jaren.... Toen hare grootmoeder ge-
156
daan had met spreken, knikte zij van ja.... üe grootmoeder kuste haar op hot voorhoofd met grenzelooze liefde en herhaalde toen duidelijk, hetgeen zij gezegd had en prentte haar dat zin voor zin in. Monina, zonder een woord te spreken, knikte wederom van ja. Toen nam de dame haar bij de hand en bracht haar in de kamer van Diogenes. Daar zette zij haar zonder iets te zeggen op zijn bed en verliet de kamer, waarvan zij de deur sloot.
En toen?.... Begreep dat engeltje van zes jaren werkelijk de taak, die hare grootmoeder haar had opgedragen?.... Sprak uit haren schuldeloozen mond de schutsengel van Diogenes? .... Zeker is het, dat het meisje, zonder bang te worden voor dat akelige hoofd met de verwarde haren, waarop reeds de doodstrijd te lezen stond, zonder afkeer te toonen van de vieze zweetlucht van don zieke, hare rose handjes in de witte knuisten van don grijsaard verborg; en volgens hare gewoonte, terwijl zij sprak, daaraan trekkende, zeide zij met haar zacht, rood mondje tegen zijn oor, in haar kindertaal:
— Heb lekkere beschuitjes van Mendara, en je krijgt er ook van. . . . Waarom heb je mij die pop niot gekocht, die pa en ma kan zeggen; maar mama grootje heeft mij een pop gekocht
die schreien kan .... een heelo, heele groote____ Zoo groot____
En grootje zegt, dat je dood gaat, en dat je biechten moet.. . . En ik zal voor u bidden, als ik bid voor mijn papa en mijne mama en grootpa, die allen in don hemel zijn. ... Eu daar kom ik ook. . . . Wilt gij er niet komen? .... Maar dan moet gij biechten.
En toen gaf Monina, nu zij hare zending had volbracht, hem een kus op het voorhoofd, liet zich van het bed glijden en liep naar de dour. Diogenes slaakte eene zucht, die hem de borst scheen te verscheuren, alsof zijn hart van binnen brak. Zijn bed kraakte onder de heftige beweging van zijn lichaam en terwijl hij zijne armen boven zijn hoofd zwaaide, stamelde hij met steeds zwaarder wordende tong;
157
— Ik wilik wil .... ik wil biechten!.... Maria!.... Maria!.... Hoort ge, wat het kind zegt?.... Ik wil biechten. ... Maar aan wien ? ... . aan wien ? . Wie zal mij den biecht afnemen, mijn God?.... Waar is een vuilnisbak, vuil genoeg om mijne zonden te ontvangen ? .... Ik ben een verdorven ellendeling, een slechte kerel.... Ik heb berouw, mijn God! ....
En met zijn gesloten vuisten gaf hij zich op zijn borst geweldige slagen, die dof in de kamer weerklonken en hem deden hoesten. Monina verloor haren moed, toen zij buiten de deur was en hare bleeke lippen tegen de japon van hare gouvernante drukkende, vroeg zij zacht ■
— Gaat hij nu dood? ....
Ondertusschen trachtte de Markiezin Diogenes te bedaren door hem te vertellen, dat zij in allerijl naar Loyóla gezonden had om eenen Jezuieten pater, die elk oogenblik kon komen.
Diogenes riep uit:
— Ik ben bij hen opgevoed.. . . Maar ik heb het nooit gezegd, want ik ben hun tot oneer. Zijne heftige ontroering-scheen zijn geest te hebben verhelderd, maar zijn pliysiek leed er onder en zijne krachten namen zichtbaar af.
De Markiezin vroeg een kruisbeeld en het vóór hem plaatsende, zeide zij, dat hij maar te voren zijn geweten moest onderzoeken, terwijl de priester onderweg was. Diogenes nam liet beeld met beide handen aan en kuste het vroom, maar liet het spoedig op de sprei vallen en begon troosteloos te weenen.
— Maar ik weet niets, Maria. ... Ik herinner mij niets. ...
— Wees niet bang, mijn vriend; ik zal u in een oogenblik op den weg helpen. . ..
En met groote teederheid begon zij hem te onderrichten, hoe men zijn geweten moest onderzoeken, terwijl Diogenes opmerkzaam toeluisterde en van tijd tot tijd naar het kruisbeeld zag. Toen do Markiezin opliield met spreken, zeide hij haar met den eenvoud van een knaap:
158
— Indien ik iets vergeet... . Het beste zal zijn, dat ik u eerst alles zeg .... en dat vertelt ge dan dadelijk aan den priester .... en gij met u beiden kunt dan zien, of er iets aan ontbreekt. ...
— Neen, man, dat is niet noodig, antwoordde de Markiezin, die een glimlach niet kon onderdrukken. Denk nu maar eerst eens goed na, en dan komt spoedig de priester om u te helpen. .. .
Eene lange poos bleef Diogenes zwijgen, terwijl hij met beide handen het kruisbeeld vasthield, waarop hij zijne oogen strak had gevestigd. Van tijd tot tijd verhief zijn borst zich met een zucht en overvloedige tranen rolden over zijne wangen. Dan kuste hij de voeten van het Christusbeeld, sloot zijne oogen en scheen te bidden. De Markiezin was aan het voeteneinde van het bed gaan zitten en bad haren rozenkrans. Daar klonken de bellen van een rijtuig en de Markiezin deed eene beweging om op te staan.
Diogenes opende verschrikt zijne oogen:
— Maria..... Gaat gij weg? ....
— Neen. Ik ga zien, of de priester komt.
— Maar zult ge niet weg gaan ?... .
— Neen, wees maar niet bang. ik ga niet weg.
— Zult gij hier blijven, totdat ik sterf?....
— Ik zal blijven, totdat gij sterft, antwoordde zij teeder.
Diogenes sloot zijn oogen bedaard en gerust, zooals een
kind gaat slapen onder het oog zijner moeder.... Na eene lange stilte zeide hij;
— Maria, ik herinner mij het Credo niet meer. Hoe was dat ook ? . Rij is opgevaren ten hemel, en is gezeten.... Waar is hij gezeten?....
— Aan de rechterhand van God den Vader,.... antwoordde glimlachend de Markiezin.
— Almachtig — vervolgde Diogenes en eindigde langzaam en duidelijk het symbool van het geloof, terwijl hij daarna met groote innigheid het Christusbeeld kuste.
159
Kort daarop ging de dour open Do Hótellier stak zijn hoofd naar binnen en kwara zeggen, dat twee paters van Loyóla gekomen waren. De Markiezin wilde opstaan om hen te gemoet te gaan, maar Diogenes, zeer verschrikt, zeide haastig:
— Maria .... ga niet heen .... laat hen binnen komen, maar waarom zoudt ge heen gaan ?
De deur ging open en binnen kwam eene vreemde figuur, die de Markiezin verrast deed opzien en Diogenes zijn hoofd onder zijn kussen deed verbergen, toen hij hem zag naderen met uitgebreide armen. Men zou gezegd hebben, dat de dood zelf, gekleed in eene jezuieten soutane, de kamer binnen trad. Het was een grijsaard van eene hooge gestalte en zoo ont-vleeschd, dat men als het ware zijne beenderen kon tellen; hij droeg eene oude soutane, om zijn middel gebonden door een koord, waarvan een rozenkrans afhing; onder zijne groote calotte kwamen eenige witte lokken te voorschijn. Hij naderde, langzaam, wankelend, zijne handen voor zich uithoudende, alsof hij bang was tegen iets aan te loopen, want hij was halfblind, en zoo kwam hij, zonder de Markiezin te zien, aan het bed van Diogenes, waar hij tastend naar diens hand zocht. Toen, met den glimlach van een kind, die zonderling afstak tegen zijn grijze haren, met een gebroken, maar zachte stem, die de asthma, die hem vreeselijk kwelde, eenigszins kortaf maakte, zeide hij;
— Perico!.... Goede Perico!.... Mijn jongen? Ik ben het .... ken je mij niet? ....
Verwonderd zag Diogenes deze verschijning aan zonder een woord te kunnen uitbrengen; en sloeg zijn blik vragend op de Markiezin, of op den jongeren broeder, die mede was gekomen. De oude man voegde er toen bij:
— Ik ben vader Mattheus .... uw inspecteur van het adellijk college.... Herinnert ge u nu ?
— Ja!.... Ja!.... Ik herinner het mij, antwoordde Diogenes met luider stem, terwijl hij zonder het kruisbeeld los te laten de kille handen van het levend geraamte drukte en die
160
vurig aan zijne lippen bracht. De grijsaard met zijn kalman, kinderlijken lach, wendde zijn hoofd naar zijnen metgezel en zeide met innige tevredenheid:
— Hij herinnert het zich.... Ja, ja, ik heb het wel gezegd! Zeker!....
— Ja! Ik herinner mij, zeide Diogenes met vuur, Uw Eerwaarde waart zeer goed voor mij en hadt mij zeer lief. Gij hebt mij leeren bidden: Gezegend zij uwe reinheid en daarna de drie Ave Maria\'s, die, zeidet gij ons, ons tot de Maagd der erbarming ophieven.
— En dat zeg ik nog, Perico, dat zeg ik nog, antwoordde de grijsaard ernstig. Zij heffen op, zeer zeker. En aan u zelf ziet gij het heden .... want gij moet ze hebben opgezegd.
— Ja Vader — zeker — altoos .... altoos.... En ik heb ze Monina geleerd... . Geen enkelen nacht heb ik ze overgeslagen .... ofschoon ik wel eens.... De grijsaard sneed hem levendig het woord af:
— Ziet gij wel?.... Ziet gij wel, hoe onze lieve Vrouwe, de Maagd Maria, u hare genade heeft betoond ?.... Ik vroeg die voor u, ik vroeg die voor u .... en zonder op te houden te glimlachen, vouwde hij zijne handen te zamen en hief die ten hemel met eene uitdrukking van zaligheid in het oog.
— Ik vroeg die genade voor u, omdat toen ik in het jaar vijf en dertig op het eiland Cuba was, Miquelito Tacon, die
daar Kapitein-Generaal was, mij vertelde, dat gij een beetje----
komaan .... een beetje al te vroolijk leefdet.... En zie nu
eens, hoe goed Onze heilige Moeder is---- Zij heeft mij zes
en tachtig jaar laten worden, om u nog te zien, Perico, zes en tachtig jaar. O, voorzeker!
Diogenes, die steeds zwakker werd, weende in stilte. De oude man zocht op den tast naar de handen van den zieke en terwijl hij die met zijne geringe krachten drukte, voegde hij er bij:
— Want gij hebt mij willen zien. . . . Niet waar Perico? . . .. Ge zult willen biechten... .
161
— ja Vader .... ik wil biechten. . . . Aan u. . . . Nog van daag, dadelijk! riep Diogenes, terwijl hij zijne armen uitstrekte als een kind naar zijne moeder.
En de andere grijsaard, zonder met glimlachen op te houden, ofschoon ook thans zijne tranen stroomden, wierp zich aan zijne borst, terwijl hij mompelde:
— Zes en tachtig jaar.... Zes en tachtig jaar geworden, wachtende op u!. ...
Ondertusschen hadden de Markiezin en de andere priester de kamer verlaten en de laatste vertelde aan de dame de geschiedenis van den ouden man. Pater Mattheus had Diogenes, nog zeer jong, gekend in het adellijk Collegie, en vernemende dat hij op sterven lag te Zumarraya, had hij den Superieur verlof gevraagd hem te gaan bijstaan. Deze had echter geweigerd, omdat hij vreesde, dat dit werk den ouden man op zijn hoogen leeftijd den dood zoude berokkenen. Maar de grijsaard had zoo dringend aangehouden, zoo gesmeekt, met zoo veel overtuiging beweerd, dat God hem zes en tachtig jaar had laten worden, alleen daarvoor, dat de Superieur niet anders kon doen dan hem zijn zin te geven.
Door de gesloten deur, hoorde men dan eens do zuchten van Diogenes, dan eens zijne kreten van afschuw over zich zelf en vervolgens het droevig weenen van een verbrijzeld hart, overvloedig , maar zoet en zonder bitterheid, zooals elke smart is, die steunt op het geloof en de hoop. Na verloop van een uur klonk een schel in de kamer en de Markiezin en de andere Jezniet haastten zich binnen te gaan.. . . Pater Mattheus zat aan het hoofdeinde van het bed, uitgeput en hijgende naar adem, alsof hij in dit enkele uur het overschot zijner krachten had verloren. ïwee tranenstroomen groefden de wangen van Diogenes en verloren zich in zijn witten baard. Met eene lichte beweging wenkte hij de Markiezin en zeide haar met eene uitdrukking van ongeveinsde vreugde:
— Vader Mattheus zegt, dat God mij heeft vergeven.
U. 11
162
En daarop met het diepe gevoel van onwaardigheid van oenen zondaar, die zich zelf oordeelt, met de» ootmoed van een Christen, die zich op hot punt ziet van in het stof te vergaan, voegde hij er zeer zacht bij, als eene zwakke klacht en zijne hand willend, maar niet kunnend opheffen om zich op de borst te slaan:
— Mij!... Mij!... .
Toen drong de andere Jezuiet Vader Mattheus naar Loyóla terug te keeren, vóór dat de avond viel. De majordomo der Markiezin zoude hem in het rijtuig vergezellen. De twee tot sterven bereidde grijsaards namen van elkaar afscheid, zonder smart, als twee vrienden die op den drempel van een paleis, dat zij door verschillende deuren binnen zullen gaan, elkaar de hand reiken en zeggen: Tot aanstonds!.. . .
Daarop wilde men den zieke het Sacrament der Stervenden toedienen, en hij hoorde daarvan de aankondiging met diepen ootmoed. Hij sloeg zijne oogen op en herhaalde :
— Aan mij! .. .. aan mij! ... .
Eenige oogenblikken daarna bemerkte de Markiezin, dat hij zeer onrustig om zich heen begon te zien en hoorde zij hem diep zuchten.
Zij kwam naar hem toe. . .. Hij had eene zeer zware zonde vergeten .... en voor de dame nog den priester kon roepen, bracht hij zeer moeielijk uit;
— Ik heb .... om mij te vermaken .... om hem boos te maken .... eiken dag een brief geschreven aan Prasquito .... met het woord Zot!.... Vier maanden heb ik dat volgehouden !... . Toen Jacobo uit Italië terug kwam, heb ik er mede opgehouden. .. . Deze vroeg hot mij omdat hij er belang
bij had---- Wilt gij Prasquito daarvoor om vergiffenis voor
mij vragen? Het bezwaart mij. . . .
Het heilig Sacrament kwam en de zieke ontving het met vele tranen en met een teeder, ootmoedig ontzag, dat hem steeds deed herhalen;
163
— Aan mij .... aan mij!. . . .
Toen vroog hij het laatste oliesel en men zeide hem, dat hij dit reeds den vorigen avond had ontvangen; maar hij zeide met grooten eenvoud, dat hij het opnieuw wenschte te ontvangen.
— Ik herinner mij het niet, zeide hij. . . . laat mij het opnieuw ontvangen, nu ik reiner ben.
Om zeven uur voelde hij zich nog vrij wel, en op eens vroeg hij luide naar Monina.
De Markiezin liet het kind komen en zette het evenals \'s morgens op het bed; het onschuldig schepseltje klemde zich verschrikt aan den hals der grootmoeder en zag den zieke met groote oogen verschrikt en verrast aan, zonder te durven schreien. De zieke poogde vergeefs zijne hand op te heffen en zag met grenzenlooze teederheid het meisje aan. Met moeite bracht hij uit:
— Ik heb u geleerd: Gezegend zij mee reinheid zeg het op.
De oogen van het meisje vulden zich met tranen en haar
borstje begon te trillen als van een angstig vogeltje. Hare grootmoeder fluisterde haar in het oor:
— Zeg het op lief kind! . . . . Je weet het wel; zeg het op.
Het meisje vouwde hare handjes en begon het vers op te
zeggen, dat door Diogenes met zachte stem werd herhaald. Hij deed dit zeer langzaam, met een soort van verheven plechtigheid, die aan de toonen van een orgel deed denken, dat den stem van een engel begeleidt.
Gezegend zij uwe reinheid
En in der eeuwigheid
Want God vindt behagen
In uwe bevalligheid.
Aan U, hemelsche Vorstin,
Heilige Maagd Maria
U bied ik heden aan
Mijne ziel, mijn leven en mijn hart.
Zie meedoogend op mij neder. .. .
11*
164
Hier stokte de stem van Diogenes en men hoorde slechts het bevend stemmetje van Monina, die door eene gelukkige vergissing of door eene ingeving des hemels den laatsten regel veranderde in:
Verlaat hem niet, mijne Moeder!
Diogenes hoorde reeds niet meer. Het stervensgereutel begon en zijn benauwd ademhalen hield soms langer dan eene minuut op. Zij namen heb kind weg.
De Markiezin en de Jezuiet knielden neder en begonnen de litanie der stervenden te zingen. Ten half twaalf uur, zonder eenigen schok, zonder werkelijken doodstrijd, steeds liet kruisbeeld vasthoudende, opende hij een weinig den mond en stierf....
Den volgenden morgen, na de plechtige Requiemmis die de Markiezin in Zumarraga had verordend, keerde de Jezuiet naar Loyóla terug en hoorde daar dat er ook de kerkklokken geluid werden voor een doode. . . . Pater Mattheus had er des nachts den geest gegeven. Men had hem bij het aanbreken van den dag op zijne sponde gevonden, recht uitgestrekt, reeds koud. In zijne handen hield hij den rozenkrans en over zijne lippen zweefde zijn kinderlijke glimlach, zijn gelaat, geel als oud ivoor, door zijne witte haren als door een stralenkrans omgeven, droeg de liefelijkste uitdrukking van zedelijke schoonheid die de mensch kan bezitten: de onschuld met grijze haren.. . . \')
1) De dood van dezen vromen grijsaard, bijna op het zelfde oogenblik als die van den persoon dien hij bij zijn sterven bijstond, is een streng historisch feit.
i
III.
iï.
Vclo on ernstige gebeurtenissen hadden plaats gehad, sedert yj
wij bij het einde van het vorige boek Jacobo op weg naar Italië hebben verlaten, tot wij hem op den weg naar Guipüzcoa,
wedervonden, waar hij naast Currita gezeten den mail-coach met zes paarden bestuurde. De eerste van die gebeurtenissen was eene vreemde verschijning voor de poorten van Madrid die den Markies van Villameion een angst bezorgde, zoo als Catilina nooit had veroorzaakt toen hij voor de poorten van Rome stond,
of Mahomet 11 voor Constantinopel, of Isabella de Katholieke voor Grenada, of Willem I voor Parijs! .... De trichine! Dat was oen verdriet en eene ergernis, met joodsche gestrengheid te moeten afzien van de rooskleurige ham uit Bstramadura, en van de saucijsjes van Genua of zich er aan bloot te stellen die
m
satansche mikroben in te slikken die den ontstelden Ferdinandito in zijne verbeelding in alle gedaanten vervolgden.
Dit gebeulde op den achtsten of den tienden dag na het plotseling vertrek van Jacobo en onder neerslachtigheid des geestes, brandende gewaarwordingen van de maag en verzwakking van zijn verstand, ontving Villameion een hartelijken brief van zijnen teederen vriend Jacobo, die hem met zorgvolle oplettendheid een onfeilbaar middel tegen de trichine zond dat hem door de gebroeders Tramponetti, fabriekanten van worst te Genua was medegedeeld. Het recept was eenvoudig: het varkensvleesch en de kookgereedschappen driemaal door gewoon
¥
V
166
kookend water to halon, Ferdinandito denkende in het bezit te zijn van een kostbaren talisman, liep naar zijne beminde echtge-noote om haar dit recept mede te deelen en was van plan al het varkensvleesch uit de etenskast door het kokend water te laten gaan, met al het keukengereedschap benevens het geheele keu-kenpersoneel met den kok aan het hoofd. ... En waarom niet? Eenige dagen geleden had in de couranten gestaan dat de Keizer van Birma zevenhonderd personen levend had doen begraven om de helsche geesten te bevredigen die in zijne staten de zwarte pokken hadden verspreid. Waarom zou hij dan niet mot een kok en drie keukenjongens mogen kooken om zich en zijne bloedverwanten en vrienden van de trichine te bevrijden?
Currita hoorde het nieuws met eene ontmoedigende koelheid aan en weigerde ronduit van het recept gebruik te maken mot eene soort van wrokkende hardnekkigheid die niets gemeen had met de zaak. Ook zjj had dien dag een vriendelijken brief van Jacobo gekregen, gedagteekend uit Milaan, waarin hij haar in onbepaalde bewoordingen sprak over groote gevaren en groote zaken en haar, met al de verwaten van iemand die veronderstelt met sterk verlangen gewacht te worden, hot onschatbaar geluk aankondigde van zijn spoedige terugkomst. Dan zou hij haar voldoende opheldering geven van zijn plotseling vertok.
— Uitmuntende vriend! riep Villameion uit, vandaag nog zal ik hem antwoorden om hem te bedanken.
Currita opende den mond met eene driftige beweging, alsof zij hom iets wilde zeggen, maar zich plotseling bedwingende, sloot zij dien weêr en zeide een oogenblik later met hare gewone zachtheid:
— Nu goed dan .... als ge dien brief klaar hebt, stuur mij dien dan, ik wil er nog een paar woordjes bijvoegen. Dat spaart mij veel geschrijf.
Een half uur later bracht een lakei op een zilveren schaal den brief van Ferdinandito, en nadat de dame dien gelezen
167
had, scheurde zij dien met een gebaar van woede in twee stukken... . Nog twee andere brieven van Jaeobo waren dien dag in Madrid gekomen. De een was lang en omstandig en gericht aan den Markies van Butron. Een brief vol leugens en draaierijen, die den verwaanden diplomaat wel niet misleidden, maar hem toch deden begrijpen, dat Jaoobo, do jonge Telemachus, verre van zich te emancipeeren van zijne voogdij, deze meer dan ooit noodig had, en dat hij hem nog altijd kon gebruiken bij zijnen politieken arbeid. Hij had bij La Bruyère eene zinspreuk gelezen en die zich eigen gemaakt, nadat hij die ontdaan had van de fijne ironie waarmede bedoeld schrijver besluit: „Ook de bekwaamste en met de beste gevoelens bezielde Staatslieden hebben schurken naast zich noodig; men moet zeer omzichtig met hen omgaan en hen weten te ontzien, maar er zijn omstandigheden waarin men ze niet missen kan. Eer, deugd, geweten zijn altijd zeer eerbiedwaardige eigenschappen, maar dikwijls onbruikbaar. Wat zal men somtijds met een eerlijk man uitvoeren?quot;
De andere, eveneens lange brief, was voor oom Frasquito, en op zeer geheimzinnigen toon geschreven, hij verzekerde hem daarin dat hij door vermetelheid en geld het gevaar had bezworen en beloofde hem dat het woord — Zot —- zoude ophouden zoodra hij in Madrid kwam en daar de orders der Italiaansche loges aan die van Madrid had overgebracht. Bij teekende dezen brief met een gefingeerden naam, zette er geen datum op en drong er zeer op aan den brief te verbranden, dadelijk na lezing. Zoo deed dan ook oom Frasquito vol bezorgdheid, en daar hij dacht dat hij het nu wel kon wagen, mot eenige voorzorgsmaatregelen uit te gaan, vertoonde hij zich \'s avonds jammerlijk hoestende aan huis bij Currita in do plukselwerkplaats, waar hij aan de dames klaprozen ulevelletjes aanbood als het eenige middel tegen zijn verschrikkelijken hoest die hij uit zijn hardnekkige catarrhe had overgehouden.
Currita antwoordde Jaoobo niet, en deze daarover verwonderd,
1 UK
|
a-y •»
üquot; i
i
1 I
Si
1
168
schreef haar op nieuw weder zonder antwoord te krijgen. De toekomstige minister maakte zich toen ongerust en hij schreef aan Butron om afdoende opheldering van dit volhardend stilzwijgen , dat hem deed vermoeden dat de dame wrok koesterde. Dat zou altijd een zeer gevaarlijk ding voor hem zijn en in deze omstandigheden, waarin de vriendschap en do volle buidel van de Villamelons hem onmisbaar waren, bepaald noodlottig.
Op bezadigden toon en met vaderlijke gestrengheid antwoordde de geleerde Mentor den jeugdigen Telemachus en vertelde hem van het geschenk dat M11\'\' Sirop voor de Kermesse had gedaan, onderhield hem over het gerechtigd ongenoegen van Currita over die beleediging die het verraad aan den dag bracht, gepleegd door een vertrouwd vriend aan wien zij zooveel weldaden verspild had. Verder schreef hij over de wreedaardige wijze waarmede men dit avontuur besproken had en hoe men er over gelachen had, om te stikken. De geslepen Mentor eindigde den brief met beschermende zorgzaamheid en vaderlijke toegeeflijkheid: „Uwe lichtzinnigheid is groot geweest, maar verzin eene verontschuldiging; haast u terug te komen en wij zullen zien de zaak te schikken.
Jacobo liet zich dit niet tweemaal zeggen en vijf dagen later melden Mentor en de jeugdige Telemachus zich in het boudoir aau, dat wil zeggen: Zij bestegen het strand van Ogygia, het betooverde verblijf der onkwetsbare Calypso.... ITet tooneel moet roerend geweest zijn, maar geene enkele nimph pleegde verraad aan de Godin door te vertellen hetgeen zij had kunnen hooren of zien in de geheimzinnige grot en tot op den huidigen dag weet men nog niet, hoe dit drietal tot de volmaakte overeenstemming kwam die, zooals Madrid kan opmerken, van nu af tusschen hen bestond. Maar toch las men in de couranten dat de Markies van Sabadell aangifte had gedaan van den diefstal waarvan hij eene fransche avonturierster Mlle Sirop beschuldigde; vervolgens hoorde men dat deze verdwenen was, en ten slotte mompelde men dat dezelfde Markies,
169
T
T
die haar aanklager was, haar in zijn eigen huis verborgen hield. Evenwel kon niemand met zekerheid dit vreemd geval, staven.
De zaken stonden nu zooals zij een maand tevoren waren, alleen kon Jacobo bij Currita, met groote spijt zijnerzijds opmerken , die anomalie der vrouw, welke daarin bestaat dat zij zich slaafs onderdanig betoont tegenover den man die haar onderdrukt en wreedaardig tiranniek tegenover hem die haar onderworpen is. Waarlijk een weinig edele trek die door Ignatius de Loyóla in zijn beroemd boek „de Exereitienquot; is wereldkundig gemaakt. Van den duivel sprekende zegt hij woordelijk: De aartsvijand gedraagt zich als de vrouw : hij is zwak tegenover den sterke en sterk naar evenredigheid van \'s mensehen zwakheid. .. .
Zoolang Jacobo in zijn vertrouwelijken omgang met do dame zich hard en veeleisohond gedroeg en haar in alles zijnen wil als meester voorschreef, vond hij haar altoos gedwee cn onderworpen, gereed om zich voor hem op te offeren met al don ootmoed van een rampzalige die zijne offergave voor zijn afgod laat branden niets anders hoopt of vraagt dan dat dit welgevallig zij aan het voorwerp dier hulds... . Maar toen tengevolge van het gebeurde Jacobo zich voor haar moest verootmoedigen en zich van haar afhankelijk moest betoonen, stak Currita dadelijk het hoofd omhoog en zonder in iets hare gemeenzaamheid met hem to verminderen of hare verkeerde mildheid ten zijnen opzichte te beperken, begon zij hem al dadelijk haar juk te doen gevoelen en hem doen begrijpen dat zij de volstrekte meesteres was. Zij gaf voldoening aan hare ijdelheid, die de drijfveer was van al hare daden, door hem aan de wereld te vertoonen als overwonnen cn onderworpen; als een gevangen koning aan de raderen barer zegekar vastgebonden.
Voor het overige wist niemand ooit wat Jacobo in Italië had gedaan; hij wachtte zich er wel voor het te zeggen en met allerlei leugens verklaarde hij aan iedereen de oorzaak zijner
ii
m
f
\'i
iii
f
jl li
H
1
f
■fiï
I
« ■
t V .h\'
m IR
-
170
afwezigheid. Zoo bleef dit nieuwe avontuur verborgen in de nevelen, die zooals de lezer zal hebben opgemerkt, de daden en het karakter van dezen historisehen persoon altoos omgaven.
Tiet was evenwel zeker dat hij op Caprera Graribaldi gezien had en hem een alleraardigst historietje opgedisoht had, dat hot verdwijnen der papieren volkomen verklaarde, zonder iemand daarvan te beschuldigen. De oude kluchtspeler, die zich misschien niets meer van de zaak herinnerde, had zijne schouders opgehaald en medegesleept door Jacobo\'s praten, had hij hom op hartelijke wijze aanbevelingsbrieven aan do eerwaarde meesters van Milaan en Spanje mede gegeven, die hem tegen alle gevaar zouden beschutten. Vol vreugde had Jacobo die aangenomen, denkende dat daarmede reeds het gevaar bezworen was en was toen al zijn geld vroolijk in Italië gaan verteeren, en in Monaco liet hij aan de roulette tot den laatsten penning van hetgeen hij Oom Frasquito had afgetrocheld. De berichten van don wijzen Mentor deden hem haastig naar Spanje terugkeeren en daar ving hij op nieuw zijn gewoon leven aan van elegante losbandigheid en aristocratische vagabondage, somtijds afgebroken door tusschenruimten van hooge politiek. De brieven die Garibaldi hem gegeven had bleven in zijne portefeuille, de angst die hem naar Italië had gedreven was voorbij en zijne aangeboren zorgeloosheid van een ondeugenden jongen, maakte dat hij niet meer aan de vrijmetselaars dacht en hij oordeelde dat ook zij niet meer aan hem dachten.
Intusschen liepen de voorbereidende werkzaamheden voor Alfonso\'s herstel op den troon ten einde en Jacobo die meende dat hij door de overgave van de bewuste papieren, wel eene goede belooning verdiend had , viel Butron aanhoudend lastig. Steeds was hij in het midden der politieke mannen die ten gunste der partij werkzaam waren en vroeg dan om eene portefeuille die men hem nooit in ernst beloofd had maar steeds voor hem in de verte had laten schemeren, als belooning voor zijn diefstal, in de tijden dat het consigne nog was: naar binnen
171
bezemen. Maar thans was het uur gokomon van „naar buiten bezemenquot; en de geslepen Butron greep al ter sluiks naar den bezem, om den jeugdigen Telemachus den eersten veeg toe te dienen, zonder te bemerken dat een nög machtiger bezem achter zijn rug gereed werd gehouden, met liet stellig voornemen hem eveneens er uit te bezemen. Do staatkunde der belanghebbenden was zeer aardig: de ministerieele combinaties werden reeds gedaan, en bij allen deed men het Butron en Jaoobo voorkomen alsof er voor hen eene zoo vurig begeerde portefeuille werd bewaard; maar zoodra had de jeugdige Telemachus niet zijne hielen gelicht of allen zeiden aan den bedachtzamen Mentor, en deze was de eerste zulks toe te stemmen, dat het eene groote onvoorzichtigheid en een discrediet voor de partij zoude zijn, nog langer een man te dulden als Sabade\'1, een man zonder karakter, een dwaas zonder fatsoen. De portefeuille die hij dacht te krijgen, moest men geven aan Fernandez Gallego, een eerlijk man, een beroemd redenaar, en die in staat was een kar uit den modder te halen, en hoeveel eerder dan niet een gouvernement, door in de ooien van het span paarden den vollen klank van zijn krachtig woord te doen hooren.
Dit bleef dus afgesproken, maar zoodra had Butron hen niet verlaten of do overigen zeiden dat het eene dwaasheid, eene domheid zoude zijn, eene portefeuille weg te gooien aan dien onbeduidenden man met zijne damespolitiek en dat hij tevreden moest zijn met eene buitenlandsche vertegenwoordiging, op zijn hoogst. De portefeuille, die Butron begeerde, kon zoo niet met eer, dan toch met nut, waargenomen worden door D. Eusebio Diaz do la Laguna, een vette vogel Grijp uit de dagen van Amadeo en die, zooals altijd bij Restauraties, met pak en zak was overgeloopen naar de Alfonsisten, toen bij hen de zon der overwinning begon to dagen. Dergelijke huichelarijen noemt men in de staatkundige dieventaal politieke zwenkingen, maar zij moesten eigenlijk schelmerijen en gemeenheden genoemd worden. Zijne opname in het ministerie moest dienen om blijk
172
te geven van de verdraagzaamheid en de vergevensgezindheid der Restauratie.
Met zijn zeer fijnen reuk had de heer Pulido al deze geheimnissen ontdekt en hij haastte zich naar zijnen vriend Pepe te loopen om hem er mede in kennis te stellen, want hij vreesde voor zich en zijne familie de schitterende afstraling te verliezen van het ministerschap zijns vriends. Dus trad hij op oenen goeden morgen het huis van den eerwaarden Butron binnen. Zenuwachtig en ontdaan, zijn rechter wijsvinger opgeheven, met het — ik heb het u wel gezegd op de lippen — trad hjj achter het kamerschut met negen bladen, dat in het studeervertrek van den diplomaat, een schuilhoek maakte waar do geheimste zaken werden behandeld. Daar zat de diplomaat in diepe gedachten, voor eenige papieren die groote staatsgeheimen moesten bevatten en waarvan hij de oogen slechts een oogen-blik afwendde om die op den nieuw aangekomene te vestigen, terwijl hij afgetrokken mompelde:
— Hola Pulidito!
Maar Pulidito stak zijn onverbiddelijken wijsvinger uit en bewoog dien op en neer, alsof die van elastiek was cn zeide met eene bedrukte uitdrukking:
— Zie je wel Pepe .... zie je nu wel.... Ik heb het wel gezegd.... Ik heb het wel gezegd . ..
— Wat dan? zeide Butron met de toon van gelatenheid van iemand, die oen geweldige stortbui afwacht.
— Wat dan?.... Niets anders, dan dat zij u do portefeuille weggoochelen, antwoordde Pulido. En op de maat van zijne vingerbewegingen deelde hij den diplomaat zijne verontrustende nieuwtjes mede. ... De eerwaarde diplomaat vertrok geen spier. Was hij misschien niet wijs? Hij was toch op de hoogte van alles; maar hij zweeg maar, zweeg maar .... deed alsof hij niets zag, want hij was er zeker van — zijne grenzenlooze ijdel-heid gaf hem inderdaad die zekerheid —- dat het toekomstig kabinet zijn persoon en zijne verdiensten niet kon missen.. . .
173
Wat Sabadell betrof, dat was een ander ding; die had zich ongerijmde verwachtingen gemaakt, die in de nieuwe orde van zaken onmogelijk konden worden verwezentlijkt. Sabadell was een onwijze, een zot, die wel is waar eenige diensten aan zijne partij had bewezen, maar die niet van het hout was, waarvan de Restauratie ministers kon snijden; dat had kunnen gaan bij een Prins of een Serrano maar nooit bij een Canovas del Castillo of een Butron.. . .
Hier hield de Diplomaat een oogenblik plechtig stil en voegde er daarna op onderrichtende wijze bij:
— Elke boom is van hout, maar dennenhout is geen mahoniehout. .. . Naar mijne meening is het niet mogelijk dat Sabadell minister wordt, en kan het niet anders, dan dat ik het wel word.
De vinger van Pulido ging op en neer met groot gevaar zich te ontwrichten en zijne bewegingen verrieden het ongeduld van den eigenaar.
— En denk je Pepe, dat Canovas del Castillo van diezelfde meening is ? ....
De diplomaat keek hem medelijdend aan en zeide eindelijk:
— Zie eens hier Pulidito ... geloof maar, dat ik lang niet onnoozel ben... . Canovas doet niets zonder met mij te voren te overleggen.
— En heeft hij met u de candidatuur van Diaz de Languna al overlegd ? ... .
De groote Robinson verbaasde zich hierover zeer, want hij wist van die candidatuur volstrekt niets af, maar daar het hem strijdig met zijne waardigheid scheen zich onwetenheid te toonen en zijne overgroote ijdelheid hem er toe dwong, alles met groote leugens en raadselachtige plannen te bedekken om zijn staatkundig vertrouwen op te houden, antwoordde hij onverstoorbaar;
— Hij heeft het verteld.
— En dus....
— En dus kan ik u verzekeren, dat de heer Laguna altijd de kikker zal blijven van den vorigen modderpoel.
II
I è
■ \'4.
«
ill
1; .li
w
ril
.:K
11 JV\'.JJP\'
ïl m\'
t \'m
i
fwl
IÉ
W ü
ht
i
(f
It -
174
En mot zijne uitgestrekte Esau\'shand een harden klap gevende op de papieren die vóór hom lagen, zoido hij plechtig en met eene uitdrukking van deftige terughouding die aan Pulido moest te kennen geven, dat behalve het kamerschut, er nog een scherm bestond der zware wenkbrauwen van den staatsman, waarachter het hem niet gegeven was door te dringen:
— Luister, Pulidito! . .. . laten wij dit maar rusten. ... Do
geheimen van mij zelf kan ik aan een vriend toevertrouwen____
die van een ander, nooit. . . . Om u gerust te stellen zal ik u evenwel twee dingen vertellen. . .. Ten eerste dat Antonio Canovas met mij heden nacht heeft beraadslaagd tot vier uur in den morgen, in de zelfde leuningstoel waarin gij nu zit. . ..
Hier hield Butron een oogenblik op om Pulido deze grove leugen te laten genieten, en vervolgde:
— Ten tweede, dat Ciinovas bij het afscheid nemen mij dit geheim verdrag met Duitschland ter hand stelde — en hij sloeg op de papieren vóór hem — en dat ik, om die te bestudeeren .... tijd en eenzaamheid noodig heb....
De heer Pulido voelde zich zeer klein worden tegenover het doggengezieht van Bismarck, dat de woorden van den diplomaat voor hem op de tafel deed oprijzen. Hij begreep, dat hem met deze sierlijke wending het elfde gebod in het geheugen werd geroepen dat zegt, niet lastig te zijn, en hij nam afscheid, ditmaal met zijn wijsvinger gebogen, vol vrees en hoop. Hij kon evenwel niet nalaten nog even een blik te werpen op de papieren, die het geheim tractaat met Duitschland inhielden en waarop de diplomaat zijne hand uitgespreid hield als om die te beschermen tegen alle mogelijke nieuwsgierigheid. Iets merkte hij evenwel op, dat bij hem het vermoeden deed opkomen, dat dit een geheim tractaat was, niet precies met het Duitsche gouvernement, maar met den restaurant van Lhardy, eene machtige gastronomische mogendheid in de Carrera de San Jerónimo. Tusschen de behaarde vingers van den diplomaat kwam door een reet het vignet der rekeningen van den vermaarden Emilio
175
te voorschijn. Nu was de heer Pulido de niiin niet, die eenmaal op het spoor gebracht, voor eenig gevaar of hinderpaal terugdeinsde. Dus ging hij regelrecht naar het huis van Lhardy en vroeg, of de Markies van Butron in zijne restaurant een of andere uitstaande rekening had. Emilio, die buiten twijfel dacht, dat deze heer kwam om te betalen, zeide hem, dat hij er vier had, waarvan de oudste was die van een buffet op een bal dat drie jaren geleden (ter eere van Currita) was gegeven en dat hij den vorigen dag de rekeningen al voor de honderdste maal ingezonden had, maar tot nog toe geen cent had ontvangen. Toen knipte de heer Pulido zijn wijsvinger met de kracht van een catapult, en de verbaasde Emilio hoorde hem tweemaal zeggen:
— Dat heb ik wel gezegd! . ... Dat heb ik wel gezegd!...
IT.
Eindelijk was do 29,llt;\' December 1874 aangebroken en ton elf uur, zes en vijftig minuten sprong de Minister van Oorlog, Serrano Bedayo, met geweld uit zijn bed, zooals hij vier en twintig uren later uit zijn rainisterieelen zetel zoude springen. Een telegram van den militairen bevelhebber van Sagunto meldde hem, dat Generaal Martinez Campos in de Ventas de Puzol, vóór het front der brigade Daban, prins Alfonso tot Koning van Spanje had uitgeroepen. Het ontstelde gouvernement belegde dadelijk eene buitengewone vergadering in het ministerie van oorlog, en de eerste maatregel dien men nam, was den handschoen toewerpen aan Canovas del Castillo en aan vele andere personen van gewicht, zooals den heer Pulido, den jeugdigen ïelemachus en diens eerbiedwaardigen Mentor. Men sloot hen op in den Saladero, met het heilig voornemen, zoodra deze stoute onderneming den kop zoude zijn ingedrukt, hen de gezonde zeelucht te laten inademen op den weg, die naar de Philippijnsohe eilanden voert. De hofllijkheid van den gouverneur van Madrid Senor Moreno Benitez wees huil eenige uren later een beter verblijf aan in het gouvernementshuis; maar was het eene kuiperij der vrienden of wreede boosaardigheid der tegenpartij, zeker is het dat Jacobo, Butron en Pulido, de drie compadres, gevangen bleven in den Saladero, waar zij in angst en beven den negen en twintigsten en den geheelen dertigsten doorbrachten, Maar bij het aanbreken van den vol-
177
I
■ %
gendon dag\' werden de poorten der gevangenis voor hen geopend, en terzelfder tijd werden de poorten der hoop voor hunne oogen gesloten. .. . Den vorigen avond om kwart over negen was het revolutionnair bestuur voor altoos ondergegaan, terwijl D. Fernando Primo de Rivera, de militaire gouverneur van Madrid, met alle macht bekleed bleef. Al de notabiliteiten, die in het gouvernementshuis gevangen gehouden werden, stelde men toen dadelijk in vrijheid. Zij haastten zich een ministerie samen te stellen, dat het Regentschap zou voeren eu daarin kregen zitting de heeren Gallego en Laguna, terwijl de jonge Telemachus en de eerwaarde Mentor er buiten bleven. \')
Butron was verpletterd, Jacobo woedend en Pulido vond geen kracht om zijn wijsvinger op te heften of zijn stem om — ik heb het wel gezegd — uit te brengen. Hij was verstomd als Cassandra bij het aanschouwen van het verwoeste Troje. Butron brulde, Jacobo spuwde vuur en vlam. Pulido kermde en onder heftige gesprekken, bittere verwijten, dolle eischen en plannen voor een nieuwen veldtocht om het Gouvernement, dat hen had ter zjjde geschoven, omver te werpen, gingen eenige dagen voorbij, totdat het miuisterieele llegentsehap door de komst van den jongen Koning eenigszins uit zijne verlegenheid geraakten en het eindelijk kon overgaan tot het bewijzen van gunsten en aan den tak met sappige dadels schudden, die
1) Dit eerste Alfousistische kabinet met Don Antonio Cünovas del Castillo als voorzitter, bestond uit de heeren: Gastro, Cardenas, Jovellar, Markies de Molins, Romero Robledo, Ayala en den Markies de Orovio. Wij behoeven niet te zeggen dat toen wij eenen heer Gallego en eenen heer Laguna verzonnen, als deel uitmakende van dit kabinet, wij op geen der heeren zinspeelden, die in werkelijkheid het vormden. Ln nu. van zinspelingen sprekende, zeggen wij nogmaals, dat men zich zeer vergist indien men in de figuren van deze roman de portretten meent te herkennen van bekende personen. Onze personen zijn geen portretten maar sociale typen. En moge het do ijdelheid van den schrijver vleien, dat zijne beelden als uit de werkelijkheid gegrepen schijnen, zoo moet het toch voor zijn kieschheid en zijn geweten hinderlijk zijn, en dan hadde hij een pamphlet gemaakt van een tendence roman.
II. i\'2
i :|
gt;01
m
i I
■H#
:V ^\' | .
I
i 1
M
I
m •!!
1
i,
!
1 1
\' ■ \' i I
II
178
den olijftak, het oude zinnebeeld van den vrede vervangen had. Het begon onder de vrienden, posten, waardigheden on betrekkingen uit te deelen on Butron kreeg een gezantschap eerste klasse. Men had hem daarom laten vragen, eensdeels uit voorzichtigheid , anderdeels uit betamelijkheid, terwijl men zonder twijfel overwoog dat voor feilen honger droog brood zelfs begeerlijk is; dat bij gebrek aan brood, men korstjes van pasteien eet, en dat één vogel in de hand beter is dan tien in de lucht. En zoo ging Butrou op majestueuse wijze den persoon van Al-fonsus XIII in den vreemde vertegenwoordigen. Ook voor Pulido vond men eene dergelijke betrekking, maar van den tweeden rang en men bood Jacobo een gezantschap aan, gelijk aan dat, door Butron aanvaard. Maar de jeugdige Telémachus was iemand om in zijn nijd dezelfde wraak te oefenen als de Chineezen, die daarin bestaat dat zjj zich aan de deur van hunnen vijand ophangen om daardoor over hen den toorn des hemels en den afschuw hunner medeburgers te verwekken. Vol wrok sloeg hij dus hoogmoedig het aanbod af en meende door eigen kracht te verkrijgen, wat men hom niet vrijwillig had willen geven. Hij nam dus onmiddellijk weder dienst bij zijn oude vrienden, de nog niet hermuntte revolutionnairen, waarover op dit oogon-blik Zijne Excellentie Martinez het bevel voerde en die eene geweldige oppositie dreigden te zullen worden op den dag dat zij het koningschap van Alfonso zouden erkennen. Zij ontvingen hem als een Hercules, uit den homel gedaald om met hen op nieuw de twaalf werken op aarde te volbrengen; en toen wij hem aan Currita\'s zijde ontmoetten, komende uit Biarritz, had hij reeds met behulp van deze getrouwe vriendin oen Senatorschap voor het leven gekregen, een zeer hooge plaats, vanwaar hij, aan de zijde van Zijne Excellentie Martinez, den ministe-rieelen Olympus hoopte te bestijgen, wanneer maar eens de gevaarlijke maar veel beloovendo manoeuvre was gedaan, die de slimme os Apis in groot geheim voorbereidde.
Kort daarop vertoonde zich Madrid in al zijne vroohjkheid
179
van het wintersaisoen en twee groote gebeurtenissen namen de opmerkzaamheid dor staatslieden en der groote wereld in beslag. Dat waren de opening der Cortes en het huwelijk van den Koning. De eerste beloofde campagnes op politiek gebied, zooals nog nooit te voren aanschouwd waren en de andere, verstrooiingen on vermaken, zooals nog nooit te voren waren genoten. Een en ander werd in de salons van Currita besproken en voorbereid, die in dien tijd het vereenigingspunt uitmaakten van de voornaamste staatslieden die tot de aanstaande dynastieke oppositie behoorden en die tevens het meest gommeux het meest poisseux aanzienlijke kringen in Madrid vormden. Hare après-diners des Vrijdags waren wijd vermaard, en even gemakkelijk werd daar een kabinet gevormd als er een aanstaand huwelijk werd afgemaakt; daar werd een afgevaardigde voor de oppositie gewonnen, als een jong meisje voor altoos gecompromitteerd, door de galanterien der salons, waartoe de goede Currita ijverig medewerkte. Ben schrijver die zeker voor geen kleintje vervaard is noemt dit: arbeid met een houweel, dat de ondeugd gebruikt om de deugd te ondermijnen. Pedro Lopez vergeleek in de Flor de Lis de salons van Currita met die beroemde reunions die begonnen in het Hotel Rambouillet en eindigde bij Mesdames de Stael, Kécamier, Tallien eu Girardin.
En voorzeker, indien men in de salons van Currita niet, zooals in de bovengenoemde, de uitgezochte wellevendheid en het aangename onderhoud vond, die in de oogen der tegenwoordige dames en heeren als het uitsluitend eigendom beschouwd worden van kanten lubben en gepoederde pruiken, zoo vond men er toch dezelfde grondstelling, die van allo moraal losmaakt en die bestaat in het dulden en toelaten van schandelijkheden.
Daar zag men duidelijker dan ooit den noodlottigen invloed, welken op eene gansche maatschappij eene van die koninginnen der mode uitoefent, die beginnen met de japonnen lager te doen uitsnijden en eindigen met de zeden te verslappen; die
12*
180
boginncn het juk op te loggen harer elegante buitensporigheid en eindigen mot hare sehaamtelooze ondeugden in zwang te brengen. Zij maken hare omgeving met de ondeugd vertrouwd, en zelfs in de oogen van deugdzame mensohen, dragelijk en van goeden toon. En dan wordt, zonder verwondering, zonder blikken of bloozen, zonder er iets over te zeggen, het aangezien hoe Currita met uitgezochte distinctie, te zamen met den Markies van Sabudell de honneurs van haar huis waarneemt , terwijl zij om hare kinderen niet denkt die ergens op school liggen en Villameion, half versuft besigue of tresillo speelt met de celebriteiten van den dag, of het geduld zijner toehoorders op zwaren proef stelt door zich met zijne verhalen altoos in den zelfden vervelenden kring te bewegen: het landzeegevecht van Cabo Negro, de voordeelen van het kunstmatig eieren uitbroeden of de vreemde proefnemingen van Dr. Tannes en den Italiaan Succi, die tot zijne groote verbazing het voor hem zoo ontzettende en onbegrijpelijk vraagstuk van zonder eten te kunnen leven, hadden opgelost.
Een nieuw schandaal, ten huize van Currita, bedachten beraamd, en inderdaad onder hare bescherming en misschien, met hare medewerking uitgevoerd, deed den ordentehjken lieden gevoelen, dat de nabijheid der ondeugd zóó gevaarlijk is, dat men, al is zij niet besmettelijk, toch in haren atmospheer een zeker vergif inademt, dat in de war brengt, op het dwaalspoor voert en ten laatste doet struikelen en vallen. . . . Margarita Belluga, die bij hare eerste verschijning in de salons der groote wereld, het meest de opmerkzaamheid had getrokken door haren eenvoud en hare reinheid, verdween op eens uit haar ouderlijk huis, om kort daarop in Italië weder te voorschijn te komen. Magna parens artium, onbereikbaar toevluchtsoord van schurken uit alle volken, als echtgenoote van Celestino Eeguero, dat kladschildertje, den medeplichtige van Currita\'s zonden op het gebied dor schilderkunst, dien zij altijd bij zich had gehouden om haar hof met spranken van een genie te verlichten, zooals
181
Philippus aan het zijtic Aristotelos liet vertoeven, Augustus Virgilius, Karei V Garcilosa en Lodewijk XIV Molière.
Toen begon het gejammer en de verbazing, hot gepraat en de ontsteltenis. Weldra was het geen fluisteren meer, zacht als hot geruisch van een golf over het strand , maar het verbreidde zich en werd geweldig en indrukwekkend als het beuken der zee op de kusten. . . . Maar ofschoon iedereen zag, uit welken hoek die storm was opgekomen en het stof, waaruit al dio modder was ontstaan, waren er niet meer dan een paar eerbare vrouwen, die hare dochters niet mede namen naar de salons van Currita en van de getrouwde heoren was er slechts een enkele, die met zijne vrouw dat noodlottige huis niet meer bezocht; dat huis, waar men toch zoo hoogmoedig heen moest — omdat .... omdat men daar zulke heerlijke uurtjes doorbracht, omdat de dame, die daar recipieerde, de wetten van den goeden toon voorschreef, en eindelijk omdat de toegang tot hare salons een brevet was van chic en aanzien.
Maar op eens begon er door Madrid een verbazend nieuwtje de ronde te doen, dat in den beginne voor een verzinsel werd gehouden van den oen of anderen leeglooper der Veloz club; hot scheen even onwaarschijnlijk, alsof Sagasta de mis zou zingen of de Qroote Turk monnik op den Sint Bernard ging worden, maar het verbreidde zicli niet te min, ongelooflijk als het was, als een waar feit, van de salons naar de anti-ehambres, van de couloirs van het Congres naar de couloirs van de opera en vervulde de geheele groote wereld met verwondering, bevreemding en nieuwsgierigheid. De altoos overspannen verbeelding der Madrilenen smukte het geval op met uitleggingen en opmerkingen; eenigen zagen er een politieke manoeuvre in, anderen den naijver eener vrouw, weêr anderen een teeken van toenadering tusschen de profane en de vrome wereld. Maar velen die, zooals zij beweerden, het best op de hoogte waren en het knapst om hunnen naaste te beoordeelen, zagen er integendeel eene gevaarlijke hinderlaag in, die de onbuigzaamste der vrome
182
dames aan de toegeeflijkste der zondaressen had gelegd, eene berisping, door de orthodoxie toegediend aan het heidendom, een tweegevecht tusschen de Markiezin van Villasis, die don handschoen had toegeworpen en de Gravin van Albornoz, die ongetwijfeld zich zou haasten dien op te nemen.
Want het geval was dit: aan eenige bevoorrechte huizen der Madrileensche groote wereld waren gedrukte kaarten afgegeven, waarin de Markiezin de Villasis aan hare talrijke vrienden mededeelde , dat zij hare salons had geopend en als receptiedag had vastgesteld — en hier zat de knoop — denzelfden dag van Currita, den Vrijdag!!.... Het bericht hiervan kwam op een Woensdag avond tot Currita, toen daar bij haar aan huis niemand anders waren dan do Hertogin van Bara, Carmen Tagle, Leopoldina Pastor en Maria Valdivieso, eenige oude heeren speelden irevillo en in de billardkamer hoorde men het stooten der queus tegen de ballen. Currita nam inderdaad de handschoen op en zette zich dadelijk in postuur. Zij uitte hare verwondering met den argeloozen eenvoud van een jong meisje:
— Wel, wel!.... Wat ben ik blijde, ik veronderstel, dat zij de novices van het Heilig Hart zal uitgenoodigd hebben.
Allen schaterden het uit, maar zij vervolgde, alsof zij zeer verwonderd was over dat gelach;
— Ik zeg het niet uit gekheid. . . . Gelooft mij, dat ik het zonder eenige arrière pensee zeide. Maria Villasis is zoo vroom en gewoon aan alles een devoot tintje te geven. . ..
— Dat is zoo! antwoordde de Hertogin van Bara zeer ernstig. En daarom heeft zij ook de Congreganten van San Luis uitgenoodigd.
— En zij zal zeker eischen dat degenen die aan haar worden voorgesteld ten minste het bewijs overleggen, dat zij met Paschen hebben gebiecht.
— En een bewijs van goed gedrag van hun pastoor. .. .
— Hoe verrukkelijk!.. . . En zij zullen het bal openen met een rozenkrans te bidden.. . .
183
— En hot kwartet van do Koninklijke kapol zal muziek maken, on in de pauses zullen zij de zaligheden van den Hoi-ligon Joseph zingen.
— Zoo zal het zijn!.... Maria Villasis weet wel, hoe zij doen moet en zeker heeft zij de vergunning van den Aartsbisschop voor al hare avondjes.
— Maar alle gekheid op een stokje, zeido Currita, terwijl zij oen einde maakte aan al die grappen. Wat zou die goede Maria er mede voor hebben ? ... .
Hier zag de persoon, die het nieuws gebracht had, zeer geheimzinnig om zich heen en de vijf dames rekten hare halzen uit en sperden hare ooren open, vol gespannen nieuwsgierigheid.
— Men zegt .... men zegt .... dat zij voornemens is .... eerbare vrouwen te ontvangen.
Een — zoo! — door allen geuit met eene vreemde, bijzondere uitdrukking, volgde op dit zeggen en Currita, hare oogon trouwhartig opslaande, zeidc met hare lieve stem:
— Tot nog toe heb ik geene uitnoodiging gekregen.
De dames begonnen hardop te lachen en zeiden:
— Ik ook niet.. ..
— Ik ook niet... .
— Ik ook niet. ...
Leopoldina Pastor alleen zeide niets; zij werd gloeiend rood, ging voor de piano zitten en spoelde met woede het oudcr-wetsche lied: „Trdgalaquot;. (Slik hot.)
Eindelijk brak de Vrijdag aan, het etensuur kwam en slechts dertien van de twintig genoodigden zetten zich aan don disch van het echtpaar Villameion. Het was het kwade nummer en de Hertogin van Bara, die dadelijk de oorzaak van die plotselinge laffe boetvaardigheid vermoedde, zeide zachtjes aan haren neef, den Hertog van Bringas:
— Een kwaad getal. ... Het is misschien wel het laatste avondmaal.
Met dat al, ken ik u den rol van Judas uiet toe,
B lil
■Hti
I
11 i
Ir %
r
I
ê
31
Sf it M
184
— O! noen, neen! Tk blijf Currita trouw.
— Maar waarom zijn de anderen gaan loopen ? ... .
— Om niets, jongen! Er zijn alleen twee potten tegen elkaar gestooten en die van Maria is blijven drijven
— Het zal er beter zijn dan hier.
— Bah!.. . . Nonnenbeschuitjes en hemelseho rolpens. . . . Tk verkies den kost bij Currita, daar heeft men meer aan.
— Wat krijgt men er dan ? ... .
— Olla podrida (Hutspot).
En hierover begonnen tante en neef zoo te lachen dat de consommé h la Béyence dié van prachtige zilveren borden werd gegeten, hun bijna uit de neus kwam.... Met deze onheilspellende voorteekenen begon het diner, langzaam en zonder opgewektheid.
Villamelon met de deftigheid van een groot heer en een plechtig gelaat stopte zich zwijgend vol, zonder zich veel te bemoeien met de Ambassadrice van Duitschland on de Hertogin van Bara tusschen wie hij gezeten was.
Telkens raadpleegde hij hot menu, dat in gekleurde letters op perkament velijn gedrukt was, in den stijl van ouderwetsche misboeken dor middeneeuwen, en daarmede niet te vreden, vroeg hij van tijd tot tijd don knecht, die hem bediende:
— Heb ik van alles gegeten ? . ..
Vlak tegenover hem zat Currita mot den Duitschen ambassadeur aan hare rechterhand en Zijne Excellentie D. Juan Antonio Martinez, anders gezegd, den os Apis, aan hare linkerhand, die mot loffelijke grootmoedigheid oude veeten vergetende , op dit oogenblik do vertrouweling der dame was, als plaatsvervanger van den eerwaarden Butron in diens betrekking van Mentor van don jeugdigen Telémachus.
Currita overlaadde hem met uitgezochte attenties en praatte soms zacht met hem met veel vertoon van groote vertrouwelijkheid. Zoo toonde zij hom onder anderen haastig en met een geheimzinnig gebaar een klein voorwerp, dat op tafel stond.
185
Onder de vele fraaiigheden, dio de tafel versierden was voor het couvert van eiken heer, oen klein bouquet viooltjes voor het knoopsgat van den rok, in zeer fijne glazen buisjes geplaatst zoo licht en doorschijnend dat zij wel verglaasde lucht geleken, en midden daarin bevond zich een lelietje, een zeer schoon natuurwonder met de grootste zorg in do broeikassen van Currita gekweekt.
Met beteekenisvollen glimlach wees de dame den os Apis het bouquet, dat hij vóór zich had en deze, eveneens glimlachende, antwoordde zonder dat zij dit tegensprak:
— De vrouwen zijn toch duiveltjes. .. .
Behalve deze beide hoofdgroepen, die boven aan tafel zaten, waren er nog de vrouw van Lopez Moreno, die zijn zeer groot fortuin nog vergrootte door tegen twintig percent geld uit te leenen; voorts de Markiezin van Valdivieso, die niet meer Paco Velez aanhaalde om hare gezegden te bevestigen, maar thans zekeren Permin Doblado; de gravin van Balrano, van haren man gescheiden en in proces met hare kinderen, do Hertog van Bringas, op verzoek zijner vrouw onder curateele gesteld wegens verkwisting; D. Casimir Pantojas steeds zoekende naar het paulo post futurum van een of ander grieksch werkwoord ; twee aankomende afgevaardigden, eenvoudige provincialen, wien de hooggeboren Gravin, in overleg met Zijne Excellentie Martinez, het lokaas van hare feestmalen voorhield om hen voor de toekomstige oppositie te winnen; de geestige Pedro Lopez, die zijn couvert van eiken vrijdag betaalde met eenige kolommen in de „Plor de Lisquot;, met proza van gelatine achtigen aard; eindelijk do Markies van Sabadell die, de zeven opengebleven plaatsen opmerkende, Currita ongedurige blikken toewierp die op hare vorbctcne woede de uitwerking hadden van wind op het vuur, en beiden gevoelden met spijt dat een of ander plan dat zij voor hadden, zou verijdeld worden.
De woede van Currita evenaardde in der daad hare ongerustheid , want hare ontrouw geworden gasten behoorden juist tot
ill |
■gt;\'
:l i
11
m
\'w.
ï; |
iM
? m •isii
m
1 ;■ ..w;j
I
I lp
i:| li iü
186
hot onbedorven en goede gedeelte der Madrileensche wereld, en op hetwelk zij gesteld was in haar huis to ontvangen, ten einde door hunne tegenwoordigheid don schroom van anderen te overwinnen, zooals men in sommige holen, waar eene ver-bodene industrie wordt uitgeoefend, aan den ingang een vertoon maakt van eene andere, onschuldige industrie, om de politie op een dwaalspoor te brengen en tot lokaas te dienen voor argelooze menschen. Er ontbraken dien avond: de Hertogen van Astorga, die door den nieuwen Vorst met veel doorzicht gekozen waren om deel uit te maken van de omgeving der jeudige koningin; de Graven van Orduna, edele figuren dor oude Carlistische partij, steeds trouw in het ongeluk, en de Markiezin van Lebrija, wier ijver om vrome vereenigingen te ondersteunen en te leiden haar den welverdienden dubbelen faam had gegeven van weldadig en ijdel te zijn. Eveneens ontbrak Oom Frasquito, die tot groote verontwaardiging van Currita zelfs de moeite niet had genomen, zijn weg blijven te verontschuldigen en dan nog Leopoldine Pastor, die op het laatste oogenblik een klein briefje had gezonden, waarin zij zeide, dat zij een afschuwelijk puistje op haar oog had gekregen, wat haar in een zeer slecht humeur had gebracht. De afwezigheid van deze twee, kwetste Currita\'s eigenliefde meer dan die van de overigen. Want hij en zij waren van die vogels, die den boom verlaten, wanneer hij zijn blad laat vallen, en naar dengene vliegen, die groen begint te worden.
Dit alles maakte Currita zeer ongerust en het scheen haar een bepaald bewijs eener bedenkelijke samenzwering. Terwijl zij het verflauwende gesprek trachtte gaande te houden en levendiger te doen worden, luisterde zij tevens naar hetgeen buiten do eetzaal voorviel. . . . Gewoonlijk waren op hare vrijdagen hare salons, nog vóór het diner afgeloopen was, gevuld met talrijke bezoekers, die zich meester maakten van de tresillo tafels, en van de billards, of partijtjes maakten, dikwijls tot het aanbreken van den dag.. . . Maar dezen avond hoorde men
187
niets on steeds ongeruster rekte zij don maaltijd. Alle hulpmiddelen van haren geest wondde zij aan; tuasehen de gerechten vertelde zij geschiedenissen, even pikant als de stork gekruide saucen, met het oogmerk den menschon tijd te laten om te komen en zoo doende te voorkomen dat hare gasten den ougunstigen indruk kregen van hare salons ledig te vinden. Ten laatste werd het haar onmogelijk het langer vol te houden en zij maakte dus een einde aan het diner door eene geheimzinnige vertooning, gevolgd door een handig uitgevoerden coup de theatre. .. . Met haar voet drukte zij onder de tafel zacht don hoof van den os Apis eu beiden wisselden met Jacobo een snellen blik van verstandhouding, die scheen te zeggen: „Opgepast!quot; Toen nam Currita het bouquetje, dat vóór den os Apis lag, en met de allergrootste lieftalligheid stak zij zelve het in zijn knoopsgat, terwijl zij de gewone frase der Parijsche bloemenmeisjes fluisterde:
— Monsieur .... fleurissez votre boutonnière... .
Maar Jacobo met volkomen goed voorgevende vriendelijkheid viel haar van zijne plaats in de rede:
— Pas op, Martinez, pas op!.... men spant u een strik.
— Een strik? riep Currita uit, terwijl zij haastig het bouquetje terug trok.
— Ja, zeker, een strik, hield Jacobo lachende vol. Ziet ge niet, dat er in dat bouquet eene lelie is.
— Ach, hemel! antwoordde Currita geergerd uit.
Maar ik protesteer, ik protesteer!. . . . Ik overtuig wien ik kan, maar ik overrompel niemand.
Wilt ge, dat ik u dit bouquet op de borst steek, Mantinez? Ja of neen?....
— Hoei, hoei, boei, loeide de os Apis, terwijl hij ja knikte.
— Neemt gij het dan aan? vroeg Currita.
— Tk neem het aan.
— Mot al de gevolgen?
— Met al de gevolgen, herhaalde de os Apis.
188
En hij zag al do aanwezigen mot een hoovaardigen, bijna wilden blik aan, met hot govoel van do ruwe grootheid van eenon Marius, plebejisch en geweldig tegelijk, die zich door verwijfde patriciërs laat vleien.
Een algemeen applaus begroette do verklaring van den gewezen revolutionnair en Villamelon stolde een toost op Alf\'on-sus XII in. Do glazen worden geledigd en Ferdinandito nam daarop het glas, waaruit Martinez gedi\'onken had en zeide plechtig:
— Dit glas zal met der tijd eene groote historischo waarde hebben.... Begrijp je mij wel, Martinez.... Sta mij toe, dat ik het bewaar. ... Ik wil het aan mijne kinderen nalaten. . . .
En vol van dit historisch feit, bood hij aan do ambassadrice van Duitschland zijnen arm om naar de blauwe salon te gaan, waar gewoonlijk op gala-dagen de koffie werd gepresenteerd. . . . Daar namen de zegepralen een einde. De salon was ledig en door de open deuren zag men links de gele salon en rechts de groote danszaal, die alleen Vrijdags werd geopend en verlicht, beiden ledig. Alleen zag men achter in de gele salon, in een hoek, vier deftige, stijve hoeren zitten, die tresillo speelden; in de danszaal weerkaatsten de lichten in het blinkend parket van fijn ingelegd hout en in de groote spiegels dio aan dit vertrek het tooverachtig en indrukwekkend voorkomen gaven der tooverpaleizen in de feëen sprookjes. Het fiasco was volkomen ; de ontstelde Currita zag op de klok van verguld brons, die dicht bij haar op den schoorsteen stond; het was kwartier over tienen.
Toen zag zij achter zich in de blauwe salon waarin zij zich bevond, eene dame die in eene sierlijke houding in oen leuningstoel lag te slapen. Zij had in de hand een nummer van een mode journaal, dat achteloos op haren schoot lag en het zachte licht van een groote lamp, die op een drievoet stond en door
een kap van zachte zijde gedekt was, viel vol op haar gelaat----
Dat was Isabella Mazacan, de perfide Isabella, sints twee
189
maanden mot Currita verzoend en gereed om op nieuw honderd maal met haar te strijden, wanneer tijd en gelegenheid zich daartoe aanboden. Niets was daartoe zoo geschikt als dit oogenblik, en veinzende in deze eenzaamheid in slaap te zijn gevallen, opende zij langzaam hare oogen met zulk eene grappige verbazing, met zulk een koddigen schrik, dat allen uitbarstten in lachen.
— Hemel, lieve Curra, neem het mij niet kwalijk ....maar toen ik hier zoo alleen zat, ben ik ingedut.
Currita vond de aardigheid niet naar haren smaak, en antwoordde scherp:
— Hoe heerlijk! .. .. En ge hebt zeker van engelen gedroomd ? .. . .
— Dat heeft er wel iets van, want ik droomde juist van u....
Currita paste wel op, haar te vragen hetgeen zij gedroomd
had, maar Maria Valdivieso met hare gewone indringerigheid zeide vroolijk:
— Wat een overeenstemming, en wat heb je gedroomd.
— Niets bijzonders, lieve... . Alleen dat de arme Curra ook naar Maria Villasis ging.
En die schelmsche Isabella Mazacan, sprak dat arme Curra uit, met eene uitdrukking van spot, op een toon van medelijden, dat de beklaagde zich woedend omdraaide en met haar kinderlijk lachje zeide:
— Wel, wel. ... — Wilt ge wel gelooven, dat mij noch wakende, noch droomende, zoo iets van u in de gedachten zoude komen.
— En dat waarom ? .. . .
— Om twee redenen. ... De tweede reden, omdat gij niet zoudt willen gaan. .. .
— En de eerste, omdat Maria de Villasis mij niet zou willen hebben, zeide Isabella mot al hare ongegeneerdheid.
— Juist antwoordde Currita. Hetzelfde als D. Simplicio Eobadilla, die stommeling en die ossekop , zeide: Aangezieu
190
Leonora mijne hand niet wil hebben, zie ik van de hand van Leonara af.
Isabella wilde antwoorden maar op dat oo^enblik kwamen Carmen Tagle, Paco Velez en Gorito Sardona, met groot vertoon van leedwezen binnen. Zij zeiden, dat zij uit het Theatre Real kwamen, maar dat daar niemand, niemand was.... Eerst hadden zij gedacht, dat Monsieur tont le monde bij Currita zoude zijn, omdat het haren vrijdag was, maar spoedig hadden zjj vernomen dat le grand complet dien avond was, bij — wie kon zoo iets gelooven? — bij Maria Villasis aan huis was, en daarom waren zij zeer verontwaardigd hier gekomen, als een protest daar tegen, omdat het hun niet behoorlijk voorkwam te gaan slapen , zonder de arme Curra goeden nacht te wenschen
De arme Curra ontsnapte, zoo goed zij kon, aan die bewijzen van medelijden, die op hare zenuwen werkten en zij begaf zich naar de billardzaal waar Jacobo, de beide afgevaardigden en Zijne Excellentie Martinez zich zeer genoegelijk onderhielden. Zij wenschten der dame geluk met de handigheid, waarmede zij de comedie van het bouquet had voorbereid en afgespeeld , en meenden, dat dit een grooten weerklank zoude vinden. Den volgenden dag zou de Flor de Lis er melding van maken en op die wijze het terrein effenen voor de verklaring, die Zijne Excellentie Martinez binnen kort in den Senaat wilde afleggen. Maar alvorens tot dien stap over te gaan, scheen het hem van belang toe, nog eene anderen voorbereidenden maatregel te nemen. Het kwam hem voor, voorzichtig te zijn, eerst het gevoelen aan het hof te weten te komen.
Currita bood daartoe dadelijk hare diensten aan. Zij was hofdame sedert de dagen van Isabella II en toen do koning-twee maanden te voren, (den 23 .lanuarij 1878) huwde, zag de nieuwe koningin zich verplicht haar ook het kruis van hofdame te zenden. Martinez schudde zijn groot hoofd. Dit was niet zoo zeer hetgeen hij zocht, want degene op wien hij het
191
1
oog had laten vallen om hem als zijn heraut het paleis in te voeren, was Jaeobo. Deze kon als Grande van Spanje.. . .
De Baronesse van Platavieja sneed hem hier, door haar
binnentreden, het woord af\'. Zij was gevolgd door hare zes
dochters, berainlijke spruiten, die met hare moeder in aantal
en in soort de zeven zonden voorstelden, onder welke bena-
• ... ScflH
ming zij in de groote wereld ook bekend waren.
Moeder en dochters kwamen eveneens, in allerijl en vol verontwaardiging , der arme Curra van haar protest doen blijken en Mevrouw de Baronesse verzekerde coram populo, dat Maria de Villasis dien avond niets meer of minder begaan had dan oen slinkschen streek.
— Een echte slinkscho streek, herhaalden de zes freuletjes de Platavieja in koor, terwijl zij dadelijk als vlinders om de twee ongehuwde afgevaardigden begonnen te Hadderen, zonder twijfel om hen in te palmen.
Het was onmogelijk verdere afspraken met zulke getuigen te maken, en de avond ging langzaam en vervelend voorbij zonder verdere voorvallen. Maria Valdievieso, die op familiaren voet met hare nicht omging, begon te gapen, terwijl zij veinsde zulks te willen verbergen, telkens als Curra haar aanzag. De Duitsche Ambassadrice zong mot opvallend gebrek aan smaak eene hallade; de Hertogin vond dat het janhen was en tegen twaalf uur begon Pedro Lopez, na zijne thee gebruikt te hebben en zijne zakken zoo vol Sandwiches gestoken te hebben, dat hij er wel eene week genoeg aan had, bij zich zelf de Clu o-nique scandaleuse der salons, die eiken Zaterdag in de Flor de Lis uitkwam, op te maken. Zijne verraste oogen konden onder de artistiek beschilderde plafonds slechts het bekrompen getal van veertien dames tellen; zeven er van behoorende tot de familie dor hoofdzonden, terwijl de zeven anderen zich kouden verdoelen onder de drie vijanden dor ziel, de wereld, den duivel en het vleesch.
De Markiezin van Villasis zegevierde op de geheele linie en
. \'iti i ^
iK
li
a
158»
i n
m
gt;\'• «i
iii \'i
gt;■ %
192
de honderd twintig eerbare vrouwen, die zij dien avond in haar huis bijeen had gebracht en voortaan eiken Vrijdag bleef ontvangen, overtuigden de pessiuiisten van hetgeen zij zelve aan de Markiezin van Butron nog niet lang geleden had gezegd.
— Madrid is geen vuilnisbak!....
Zeker is daar iets dat riekt naar verrotting en dat naar alle kanten zijn bedorven lucht verspreidt, even als de uitwaseming van een kleinen poel over een geheel prachtig veld zich uitstrekt, het besmet en den gezondm plantengroei een tint geeft van ziekelijkheid. Maar hier liep het bederf, de vuile poel, slechts over door eigen schaamteloosheid en door de lafhartigheid van de anderen; het vermengde zicli met het zuivere water en deelde, in schijn ten minste, daaraan zijne onreinheid mede; het had zich opgehoopt in het huis van Currita Albornoz, en zoodra men er buiten af van bevrijd was, legde de logica van de cijfers, onverbiddelijk hare hand op den dessus du [panier dn grand monde, en hield veertien vrouwen over, tegenover honderd en twintig vrouwen van eer.
Een boete predikend blad maakte evenwel van de dames uit dien tijd eene onderverdeeling.
Voldoende goed.
Niet al te slecht.
Velen die tot de eerste categorie behooren, schijnen tot de tweede te behooren.
V.
Het nieuws viel als een bom uit de lucht, en ofschoon velen het wilden loochenen, zelfs tegen beter weten in, moest toch alle tegenspraak verstommen tegenover het officieel, legitiem en authentiek document, dat de ronde had gedaan in alle huizen der Grandeza. Het was een dienstbrief van den Grootmeester zijner Majesteit, waarbij het hoofd van het paleis des konings letter voor letter en punt voor punt aan alle Grandes van Spanje schreef: Excellentie, Zijne Majesteit koning Alfonso XII (dien God behoede) heeft het tweede uur na den middag van den zevenden Februari aangewezen als het uur voor de plechtigheid om het hoofd te dekken in zijne koninklijke tegenwoordigheid , der Heeren Grandes van Spanje wier namen hier op den rand zijn vermeld, etc., etc... .
En onder die op den rand vermelde namen, streng volgens de orde naar hunne oudheid ingeschreven en die allen in herinnering brachten grootheid van karakter, vastheid van deugd, reinheid van gedachten en daden van moed, waarmede onze geschiedenis is vervuld, stond voluit geschreven als tweede: Zijne Excellentie Senor Don Jacobo ïellez Ponce Melgarejo Markies van Sabadell.
Het was een zeldzaam geval, en zij die er liefhebberij in vonden de innerlijke drangredenen van hunne naasten te onderzoeken , de spitsvoudigen, die er van hielden duistere plekken te ontdekken in de eenvoudigste gebeurtenissen in het leven II. 13
194
van anderen, zij, die hot knapst waren in de fijne kunst om draden aan elkaar te knoopen, zagen dadelijk daarin eeno ver-borgenene overeenstemming tusschen het stuk van het hoofd van \'s Konings Huis en het artikel, dat eenigo dagen te voren in de Flor de Lis was verschenen. Volgens dit laatste werd er gemompeld, dat een zeer gewichtig personaadje, die zich gedurende eenigen tijd uit de politiek had teruggetrokken, thans op nieuw in het strijdperk was verschenen, gevolgd door talrijke clienten, terwijl hij in zijn sterke hand, met ridderlijke onafhankelijkheid de banier van Alfonsus XII omhoog hield. Eene engelachtige dame, in de hooge kringen zeer bekend door haar verstand, hare élégantie en hare schoonheid, had hem op oen diner eene duidelijke verklaring ontlokt van zijne, ofschoon nog niet openbaar gemaakte, monarchale gevoelens. Een bou-quetje viooltjes was de aanleiding geweest en een engel het werktuig. Welgelukzalig de athleet, die het nieuwe pad betreedt onder zulke dichterlijke omstandigheden! . .. .
Dit artikel van de hand van Pedro Lopez was duidelijk genoeg. — Martinez was de athleet; goed, dat kon men aannemen; maar hoe — duivel! — was Currita dan de engel?.... Zie hier de oplossing die iemand er van gaf\';
— Zeer eenvoudig.... Ook Lucifer was een engel.
Nu was iedereen tevreden en het openbaar ministerie, waargenomen door fluisteraars, begon zeer oplettend de gebeurtenissen te ontleden. .. .
Al dadelijk sprong iedereen eene omstandigheid iu het oog, om zoo te zeggen van huiselijk karakter. Jacobo was alleen maar Markies consort en zijne rechten op den titel van Grande kwamen uitsluitend van zijne vrouw, van wie hij al sedert twaalf jaren gescheiden leefde... . Hierover werd veel gepraat en iedereen was van oordeel, dat hot van Jacobo hoogst onwelvoeglijk was van dat recht gebruik te maken.
Toen dit eenmaal was vastgesteld, ging men er toe over de diplomatieke draden na te gaau die de charade uit de Flor de
195
Lis, vorbondon met het ambt van Hoofd van \'s Konings Huis. Jacobo had, na do Restauratie, zieli laten aanwerven hij den revolutionnairen aanhang van den atbleet Martinez en deze had den nieuwen koning tot nog toe alleen erkend op een particulier diner, onder het symbool van een bouquetje viooltjes, dat hem was aangeboden door een engel, die niet ingeschreven was in de hemelsche rollen... .
Het feit nu dat Jacobo zich ten paleize ging presenteeren , bewees dat zijn aanvoerder, de os Apis, nóg een stap voorwaarts deed, door een vertrouwden verspieder naar het vette land van Mesopotamie te zenden.
Het feit scheen onwederlegbaar en ook kwam men tot het besluit, dat Jacobo\'s presentatie als Grande, al bleef het eene onwelvoeglijkheid, een staatkundige daad was. En dit én het voorgevallene tusschen den athleet, het bouquetje en de engel waren, volgens uitspraak van deskundigen, twee gebeurtenissen, dio zeer goed met elkaar te rijmen waren en elkaar om zoo te zeggen in vriendschappelijk deelgenootschap de hand gaven.
Een derde vraagstuk kwam nu dadelijk op het tapijt als een onvermijdelijk gevolg van het eerste geval, en dit vraagstuk kon men weêr in twee deelon splitsen.. . . Wie zou de patroon ziju om den held aan het hof voor te stellen? .... en wie zou den treurigen moed hebben eene onwelvoeglijkheid onder zijne bescherming te nemen, en de kansen te loopen van een poli-tieken eersten stap ? .
Het is onder de Grandes, die zich het hoofd moeten bedekken eene traditioneele gewoonte een Grande, die de plechtigheid reeds heeft verricht, uit te noodigen bij die ceremonie als patroon te fungeeren, en die andere, waarvoor men gewoonlijk hot hoofd van zijn geslacht neemt, was in het geval van Sabadell de oude Hertog van Ordaz, een voorbeeld van eer en adeldom.
De knapste speurhonden, die den besten reuk hadden om hier op het spoor te komen, gingen er dadelijk op uit en
13*
196
spoedig wist mon to vertellen, dat Jacobo de schaamteloosheid had gehad den ouden Hertog daartoe uit te noodigen, en de edele grijsaard de welvoeglijkheid had gehad, het te weigeren. De zaak bleef dus nog steeds een zeer geheimzinnig aanzien behouden, zonder dat men er uit wijs kon worden; maar spoedig zou een schrijven door den Chef van \'s konings huis ontvangen, den sluier van het geheim oplichten. De nieuwsgierigen klapten in do handen on riepen
Hoezee! hoezee!
De patroon is gevonden!
En het schrijven hield in: De Markies van Villamelon en Paracuellar, Graaf van Albornoz en Caltunazor verzoekt Uwe Excellentie tot Patroon te mogen strekkon bij de plechtigheid de cuhrirse (zich het hoofd te dekken) van Senor Don Jacobo Telloz Ponco Melgarejo Markies van Sabadell, welke plechtigheid door Zijne Majesteit is vastgesteld op den 7llpn Februari 1878 , des namiddags ten 2 uur in zijn koninklijk paleis.
De uitslag overtrof do verwachting en gaf aan de zaak, nemine discropante, oen derde karakter. Zonder twijfel was het oone onwelvoeglijkheid, zeer zeker was het een politieke zot, on in elk geval beloofde het oen lachtvorwekkend kluchtspel te zijn.
De bepaalde dag brak aan en was bewolkt; do wind was vinnig koud en togen den namiddag begonnen dikke sneeuwvlokkon te vallen, als een regen van jasmijnbloemen. Een groote landauer schoot als oen bliksemstraal aan do rechterzijde van hot Theatre Real to voorschijn, beschreef een halven cirkel langs do Plaza de Oriente en hield voor de Puerto del Principe stil, plotseling en flink, met een van die meesterlijke hand-bewogingen waarmede alleen de ijzeren vuist van Tom Sickles in staat was een span paarden te bohoerschon zonder zo te bederven. Zijn pioenrood gezicht zag men op den bok te voorschijn komen boven een grooten bonton kraag, en toen de
197
lakei Frits als door een stalen voer opgewipt, van den bok sprong zag men dezen zijn vierkant hoofd ontbloten en bet zware portier openen met een handigheid en vlugheid zooals een eleganten en correoten lakei betaamt.
Toen kwam er uit het portier een driekante steek door gekrulde witte veeren omzoomd te voorschijn, en dadelijk daarop een verlakte schoen met gouden gespen en een gevulde kuit door witte zijde bedekt. Binnen in het rijtuig weerklonk een geweldig — Brrr! — even als van iemand die in een vijver met ijskoud water valt en men zag den Markies van Yillamelon wien de beide extremiteiten toebehoorden en wiens lichaam bedekt was door een praohtigen mantel van marterbond. Onder dien mantel droeg hij zijn galakleed van Grande. Een oogen-blik bleef hij staan om met zijne voeten te stampen en zeidc toen ongeduldig; Komaan! . ...
Vervolgens verscheen het geweldig groote hoofd van den os Apis en weldra stond Zijne Excellentie Martinez in levenden lijve naast Ferdinandito. Hij had zijn groeten overjas aan en zijn onafscheidelijken wandelstok in do hand. Een klein, door een zwarte handschoen bedekt handje, stak toen uit hot portier en legde zich op de hand van Yillamelon, en zonder bijna den trede aan te raken sprong op den grond het fraaie figuurtje van de Markiezin van Valdivieso.
Wederom een oogenblik pause; Ferdinandito stampte ongeduldig met de voeten, roepende: komaan, komaan en toon vertoonde zich zeer langzaam het mot een zwart hoedje bedekte roodharig hoofdje der Gravin van Albornoz. Zij wierp een snellen blik naar de koetsen die aan beide zijden van den ingang van het paleis stonden, stapte bedaard uit het rijtuig, en terwijl zij bedaard om zich heen zag, zeide zij eindelijk zeer ontevreden:
— Hij is er nog niet.
— Het is zeer onbetamelijk van hem! — antwoordde Villameion zeer ongeduldig. Als hij nu maar niet te laat komt! Weetje?....
198
En alsof dc klok op het palcis op dat oogcnblik zijn onrust wilde vergrooton sloeg het kwartier voor tweeën. Villamelon bood zijn arm aan Maiia Valdivieso om de groote trap op te gaan en Currita volgde leunende op den arm van den os Apis. Op den neventrap klom terzelfder tijd een dikke oude man met kort geknipten grijzen baard, die zich zeer levendig onderhield met een ander tenger, oud heertje, dat zeer in de puntjes gekleed was. De dikke had een eenvoudige dichtgeknoopte overjas aan en de magere droeg de uniform van luitenant generaal in groot tenue.
Toen Currita hen zag, drukte zij sterk den arm van den os Apis terwijl zij fluisterden:
— Kijk eens hier, wie daar gaan. Martinez. Gallego de Minister van Justitie... . Wat zal hij opkijken, als hij u ziet! Nu! nu kijkt hij naar ons. Hoe heerlijk! Ge kunt er zeker van zijn, dat dezen avond de crisis in het kabinet uitbreekt.. . .
Dc aanwezigheid van den os Apis maakte werkelijk een diepen indruk op den dikken ouden man, die door Currita als Minister van Justitie was aangeduid. Hij bleef een oogcnblik verrast staan en zeide iets tegen zijn metgezel die verbaasd scheen over zijne verbazing.
Na den val van Amadeo was Martinez niet in het paleis geweest en zijne aanwezigheid aldaar op dit oogcnblik, al ware het alleen maar uit nieuwsgierigheid, gaf aan den stap van Jacobo eene publieke wijding, die zijn gewicht nog vergrootte. Martinez, die schuin naar den Minister keek, gaf zijn verlangen te kennen, met hem kennis te maken. Currita liet hem niet uitspreken.
— Niets is gemakkelijker.... Dadelijk____Ge zult het zien....
En terwijl zij met eene sierlijke buigiög de diepe buigingen
beantwoordde, die de twee oude heeren boven op de trap voor haar hadden gemaakt, zeide zij op eens:
— Gallego .... een oogcnblik. ... Ik heb u een verzoek te doen.... Ik heb een zeer eenvoudig kruisje noodig, eene
199
orde van Isabella de Katholieke of\' van Karei III, voor oen Ij
bloedverwant van mij te Grenada, die gaat trouwen en dien
ik dit cadeautje wil doen. .. . Hij is een beetje ijdcl en zou
graag zoo iets in zijn knoopsgat hebben.. .. Wilt ge daar voor
zorgen? Wel, Gallego?
En toon op eens, alsof het haar zoo plotseling inviel zeido zij:
— O, mijn hemel! neem mij niet kwalijk!
Kont a\'ii Martinez niet?.... Martinez, de hoer Fernandez
. «\'T
Gallego, Minister van Justitie. Mijn goede vriend D. Juan
Antonio Martinez.
Beide personaadjos groetten elkaar met groote deftigheid en Currita, met een klein airtje van de Princes des Ilrsins, dat vrouwen wel eens eigen is, wanneer zij in het openbaar met staatslieden als met marionnetten spelen, wandelde toen tus-schen hen voort naar de deur van de kleine zaal. Daar stond Villameion op haar te wachten, zenuwachtig, ongerust en ongeduldig, terwijl hij onophoudelijk naar de trap keek. .. .
— Maar Curra, om \'s hemels wil! Hoe blijf je toch overal zoo stil staan. Weetje? En is Jacobo nog niet gekomen? Versta je wel Curra?.... Je blijft maar bedaard als of liet niets is....
Daar slaat het al twee uur op het paleis.... Ik laat hem aan zich zelf over, als hij te laat komt.
Op dat oogenblik zag men Jacobo vol haast, aan het einde der galerij komen, terwijl zijn witte mantel der orde van Santiago luchtig achter hem golfde. Hij droeg de schilderachtige kleeding der ridders van Sevilla.
Villameion liet hem niet tot adem komen. ïer nauwernood kon hij een vriendelijken glimlach wisselen mot de dame en een handdruk met Martinez, want do ongeduldige patroon trok hom mede naar de kleine zaal. Daar wachtten de grandes, die hunne hoofden zouden bedekken met hunne padrinos. Hot was
S HR
eone schitterende verzamoling van velerlei en kleurige costumes,
waartegen enkele zwarte onberispelijk gemaakte rokken ernstig afstaken.
;| I .
200
Ondertusschen werd de aristocratische plechtigheid in de antichambre voorbereid. Deze ceremonie is streng geregeld door Keizer Karei V toen hij het recht om in \'s Konings tegenwoordigheid de hoed op het hoofd te houden, beperkte. Dit privelegio de cubrirse behoorde in vroegere dagen aan een ieder, die een adellijken titel voerde, maar Keizer Karei V kende dit maar aan twaalf grandes toe, die van toen af Grandes deprimera clase genoemd werden. Zij waren de Hertogen van Medina Sidonia, Alburquerque Infantado, _Alba, Frias, Medina de Rioseco, Es-calona, Benavente, Najera, Areos, Medinaceli, en de Markies van Astorga.
De ceremonie is sedert dien tijd bijna onveranderd gebleven en heeft plaats, zooals de meeste door de etiquette voorgeschreven plechtighedeh, in de antichambre des Konings.
Dit vertrek is een groot vierkant, van strenge pracht, waarvan het plafond door Maella geschilderd eene allegorie voorstelt die wel in staat is ontzag in te boezemen aan alle grooten die daar onder door gaan. Zij stelt voor de Waarheid door den Tijd ontbloot.
Wanneer men de kleine zaal binnen komt heeft men rechts twee balcons die op de Plaza de la Armeria uitkomen, links twee deuren die naar de binnenvertrekken voeren en vóór zich een dubbele deur die tot de Camara toegang heeft.
Het geheele vertrek is met een kostbare, blauwe stof behangen , waarop groote lelies en de door elkaar gevlochten initialen A en B van opgewerkt fluweel. 7ier groote portretten van Karei IV, Maria Louisa, Ferdinand VI en Koningin Amalia vullen de vakken naast de deuren. Rondom zijn rustbanken met dezelfde stof bekleed als van het behangsel en vijf prachtige consoles van marmer en brons dragen kandelabres en borstbeelden van Isabella II en Francisco de Asissi, van Philips V en Ferdinand VI.
Tusschen de twee balcons op een der consoles en tegenover een schoorsteen van jaspis met een grooten spiegel daarboven,
201
ziet men eene buste van Karei III, in rijk geciseleerde wapenrusting en omhangen met den koninklijken mantel. Al de deuren van de antichambre waren open, behalve die van de kleine zaal, en achter de gordijnen verdrongen zich de familieleden en de vrienden dor grandes, zeer verlangend dit voorname schouwspel te zien. Vóór de deur van de camara zag men eene tafel bedekt met een grenaatkleurig fluweelon kleed en een groeten zetel, bestemd voor den Koning.
Juist ten twee ure kwam deze uit de camara, gevolgd door den Grootmeester, den dienstdoenden grande, de adjudanten en al de grandes ya cuhiertos (die do plechtigheid van in \'s Konings tegenwoordigheid den hoed op te zetten reeds vroeger hadden vervuld.
Do Koning droeg de uniform van Kapitein-Generaal en had zijn steek in de hand. Hij ging zitten en zette zijn steek op; ook de grandes dekten zich en bleven aan weerszijden van do deur der kleine zaal staan.
Toen begon do plechtigheid.
De Secretaris van het koninklijk zegel, dio belast was met het opmaken van het proces-verbaal dor plechtigheid, opende de deur van gebeeldhouwd mahoniehout en kondigde aan;
— Senor. — De Markies van Benhacel.
Deze was de Grande dio, als uit het oudste geslacht, zich het eerst moest dekken. Een jong man kwam toen binnen, die zijn rechterhand gaf aan eenen grijsaard en zijn linker aan don kamerheer der week. De jonge mau was gekleed in groot tenue van kapitein der artillerie en de grijsaard, die gebrekkig en gebukt ging, als Admiraal; zijn borst was bedekt met ridderorden. Dit was de Hertog van Algar, de grootvader en bij deze gelegenheid de patroon van den jongen Markies, die de plechtigheid ging verrichten.
De grijsaard had zijn admiraalssteek op het hoofd en de jonge man had zijn shako in de hand, hij had een flink, zeer spaansch gelaat, een weinig door de zon gebruind en zwarte, levendige oogen, waarin het vuur van zijn dapper geslacht schitterde.
202
Hun binnenkomen was indrukwekkend. Mot oen gemompel van eerbiedige hulde werd het edel tweetal ontvangen, toon hot in don ingang verscheen; de ouderdom, steunende op de jeugd, als do verwachting, die eene herinnering oproept; als eene voorstelling van de ervaring, die den moed geleidt, welke oen onbe-vlekten degen komt nederleggen aan den voet van den troon.
Op don drempel dor deur maakten beide de voorgeschrevon eerste buiging, midden in de zaal de tweede en voor den Koning-gekomen de laatste; toen groetten zij de grandes, die rechts en links van hen geschaard waren en dezen groetten door hunne hoedon af\' te nemen.
De oude Hertog en de kamerheer deden toen een stap achterwaarts en de jonge Grande bleef alleen staan, midden in de zaal. De Koning, na hem op militaire wijze gegroet te hebben, sprak toon:
— Marqués de Benhacel cubrios y hablad. — (Markies van Benhaeel dek u en spreek). Toen zette de Markies zijn shako op, en zich tot den Koning richtende, hield hij eene korte aanspraak, waarin hij, volgens gewoonte, de roemrijke geschiedenis van zijn geslacht, in breede trekken schetste, welke begon met dien Fortun de Torres, die naast Alfonso den Oeleerde streed en te Alcazarde Jérez sneuvelde terwijl hij tusschen zijne tanden zijns Konings banier vasthield, die hij met zijne verminkte handen niet langer kon opheffen, noch verdedigen.
l)e stem van den artillerie-officier, die in het begin beschroomd en stotterend was, werd al sprekende vaster en vaster, alsof de roemrijke daden, die hij in herinnering bracht in zijn hart genoeg weerklank vonden om die na te volgen, en toen hij een voorval bij Trafolgar verhaalde dat hij do laatste heldendaad van zijn geslacht noemde, trilde zijne stem, bewogen door dat geheimzinnig gevoel, dat den spreker in hoogere sferen schijnt te voeren en hem niet alleen het vermogen geeft te overtuigen en de kracht om mede te sloepen, maar zelfs het recht tot bevelen....
203
Gravina lag stervende in de kajuit van het schip „de Prins van Asturiëdat ontredderd naar Cadix terugkeerde onder hot bevel van eenen man, die het gevecht had begonnen met drie zoons, en naar zijn haard terugkeerde met slechts eenen, den jongste, die pas adelborst was geworden. De storm nam tegen middernacht toe en men moest een ra vastmaken, die bij ongeluk aan den mastkorf was blijven haken en deze dreigde te vernielen. Drie marsgasten waren reeds naar boven geklommen om het touw door te hakken, maar de storm had hen alle drie in de zee begraven. Toen nu die ijzeren man zag , dat de gedecimeerde bemanning terugbeefde voor die gevaarlijke gehoorzaamheid, keerde hij zich tot zijn eenig overgebleven zoon, den afgod van zijn hart en de laatste hoop eener aanzienlijke familie, en zeide slechts:
— Nu jonker. . . . Uw beurt!
De knaap klauterde met zijn bijl tusschen de tanden naar den mastkorf en met bijstand der llciligc Maagd, kapte hij het touw door.
En te midden eener diepe stilte terwijl do oogon vochtig werden en de boezems zwollen onder een trillend snikken, keerde Benhacel zich langzaam naar den ouden Hertog en zeide, terwijl hij op hem wees:
— Die adelborst was mijn grootvader, die held was zijn vader.
—■ De mijne, vervolgde hij, terwijl men tranen kon bespeuren
in zijn stem, diende eveneens zijnen Koning op de vloot, tot hot jaar 08 in September. . . . Toen rukte hij zich de epauletten van den schouder en verbrak zijn degen, .. .
Ik Senor, trok don mijne het eerst in den slag bij Alcolea en, getrouw aan de overlevering van mijn geslacht, bied ik u dien heden aan als Grande van Spanje, zooals ik u dion reeds gaf als soldaat.
En toen hij zijn rechterhand op het gevest van zijn degen legde, zagen allen, dat de twee middenvingers ontbraken. Een granaatscherf had die hem weggenomen te Alcolea.
204
Benhaccl zweeg, en te midden eenor stilte, welke het grootste bewijs was van bewondering en ontzag, ontblootte hij het hoofd cn eene knie buigende, kuste hij de hand des Konings. Daarop groette hij aan weerskanten de Grrandes en, vergezeld van zijn grootvader, voegde hij zich bij hen. De grijsaard weende als een kind. Een der Grandes zeide;
— Do Admiraal schreit en de adelborst schreide niet.
Ongelukkig was hiermede de plechtigheid nog niet ten oinde.
Do Secretaris van het koninklijke zegel opende op nieuw do deur van de kleine zaal en keerde zich toen om, ten einde aan te molden:
— Senor. ... — De Markies van Sabadell.
Nu begon de klucht en Yillamelon verscheen, plechtig, indrukwekkend, met het hoofd opgeheven, met zijn nog al dikbuikig lichaam vrij stijf, terwij hij Jacobo aan de hand mede-voerde, die een type voorstelde van den schoonston, elégantsten en voornaanisten man , dien men zich kan voorstellen.
De vuurroode, met zilver omboorden kazak der ridders van Sevilla, omsloot volmaakt goed zijn sierlijk lichaam; op zijn borst droeg hij en sautoir, een van die breede ordelinton, die ingesteld zijn om de verdienste te beloonen en de deugd aan te moedigen, maar ook wel gebruikt worden om aan de ijdel-heid te voldoen of knappe jongens mede te versieren. Ben twitto, korte broek omsloot zijn welgevormd been, terwijl hooge verlakte laarzen en een driekante steek met fijne, witte veeren dit schilderachtig kostuum voltooiden.
Toen de gewone buigingen gemaakt waren, liet Villamelon de hand van zijn beschermeling los eu bleef achter hem staan in eene voorname, maar bestudeerde houding en hield zijne blikken gevestigd op de groote neus van Karei III waar tegenover hij stond, maar hij keek toch soms schuin naar de Grandes en zeide dan bij zich zelf.
— Vele van hen kijken naar mij. ... Ik moet er goed uitzien.
205
Jacobo bleef alleen, midden in de zaal staan; een weinig bedremmeld in den beginne, maar toon bij ziob het doelwit zag van eene belangstelling, die bij zeer wel begreep, dat hem niet gunstig was, wies zijn hoogmoed en ontwaakte zijne aangeboren stoutmoedigheid. Hij wierp een blik om zich heen, dien hij trotsch en kalm wilde doen zijn, maar die eenvoudig onbeschaamd en uitdagend was. De nieuwsgierigen verdrongen elkander achter de gordijnen en Currita, die vooraan stond, verslond Jacobo met hare oogen.
Martinez, die tegen de post van de deur werd gedrukt, kon hem niet zien, maar luisterde angstig, terwijl hij op den knop van zijn wandelstok beet.
Achter de dubbele deur van \'s Konings vertrek hoorde men het ruischen van zijden japonnen en naderhand werd verteld, dat de Koningin daar de ceremonie had bijgewoond.
De Grandes rekten hunne halzen uit, verlangend .facobo te hooren... . Zoo even hadden zij in de aanspraak van Benhacel als in een spiegel gezien, wat een Grande behoorde te zijn en wat die oude ridderspreuk beduidt nohleza ohhya, die zeer zeker niet van eiken getitelden Castilliaan eischt een genie, noch van eiken Grande een held, noch van eiken hooggeborene een heilige te zijn; want het genie wordt niet geërfd en bet verstand is geen vaderlijk erfdeel, en de heldenmoed geen perkament en de vroomheid geen majoraat. Maar het eischt en legt op, met al de kracht van plicht en geweten, in de Grandeza te zien een plicht zoowel als een ner; in woorden, daden en gedrag te strekken tot een voorbeeld; om de glorie op te houden, die de Grandeza vertegenwoordigt; zooals Brennus, het gewicht hunner degen of het gewicht eener hoogere ontwikkeling te werpen in de weegschalen der volken; iets meer te verlangen dan enkel genot; iets meer te zoeken dan enkel vermaken; eindelijk oen troon weten te verdedigen als in \'68 in Spanje of met een Koning te sterven als in \'93 in Frankrijk.
En nu, nog onder den verschen indruk van dien hoogen
206
adeldom, dio de gedachten verheft en de harten ontroert; zou men aan Jacobo zien, wat die zelfde Grandeza is, wanneer zij in een modderpoel de stralen van haren roem weerkaatst, wanneer de ondeugd haar ontluistert en de laagheid haar bezoedelt en het vergeten van eigen waarde haar in dienst stelt van een Martinez, die haar gebruikt om er zijn poot op te zetten ten einde zich iu de hoogte te werken en haar dan later, wanneer hij zich er boven op heeft gewerkt, den schandelijksten schop te geven, die er bestaat, namentlijk den ezelsschop.
Jacobo sprak goed. De liefste van al zijne ijdelheden was voor hem de ijdelheid op zijne welsprekendheid, toch had hij, bij deze gelegenheid, het niet op zijn geheugen durven laten aankomen en bepaalde hij zich er toe zijn aanspraak te lezen, omdat hij vreesde een of ander van die handige draaierijen over het hoofd te zien waarmede hij de talrijke klippen, waar tus-schen hij zich bevond, wilde trachten te ontzeilen.
Dit deed hij werkelijk met opmerkelijke meesterschap, waarin velen de krachtdadige medewerking van den os Apis meenden te zien, en toen hij gedaan had met spreken, zagen allen elkaar veelbeteekenend aan. ...
Het was een feit: Martinez en zijne aanhang zongen hun boetpsalm en aan Jacobo, die Grande van Spanje was door zijne vrouw, was opgedragen die op eerbiedigen toon onder het gehoor van den Vorst te brengen.
Do aanhangers der regeering maakten zicli ongerust en de heer Fernandez Gallego, die zich onder de nieuwsgierigen had verscholen, fronste den accent circonflexe die hij boven zijn neus had, toen hij dacht aan die wolk van hongerige barbaren, die uit de omgehakte bosschen der revolutie kwamen en die een inval dreigden te doen in de vruchtbare vlakte der begrooting, die zij alleen exploiteerden. Wat zou de Monarch doen?
Dit vroegen aller oogen en de nieuwsgiérigheid bleef voortduren, terwijl de twaalf Grandes, die de plechtigheid herhaalden, hunne aanspraken voorlazen. Eindelijk stond de Koning op en
207
mot ontbloot hoofd ging hij de antichambre door, terwijl hij alle Grandes aansprak en hen grootte. Nieniiind bewoog zich. liet oogenblik was gekomen, dat zij zouden weten, ot\'de onderwerping-van Martinez was aangenomen of afgewezen en of het noodig was met de indringers te onderhandelen of hen met ketelmuziek terug te drijven tot op de grenzen hunner verwoeste bosschen.
Er was een slecht voorteeken: de Koning ging Villamelon voorbij zonder hem aan te spreken, terwijl hij hem slechts vluchtig groette, daarna hield hij zich een geruimen tijd op bij den Hertog van Algar en diens kleinzoon en kwam vervolgens eindelijk bij Jacobo. Men had in de antichambre een mug kunnen hooren vliegen , of een speld hooren vallen.
De Koning bleef voor Jacobo staan en zag hem ondeugend spottend aan:
— Hoe gaat het met u, Sabadell? .... En met uwen vriend Martinez?.,.. Men heeft mij gezegd, dat hij zooveel van viooltjes houdt. ... Zeg hem, dat er zeer vroege zijn in de Casa de Campo. !) Daar ga ik donderdag middag heen, om vier uur....
En zonder er iets bij te voegen, draaide hij hem de rug toe____
Nauwlijks had hij dit gezegd, of een diepe zucht werd achter het gordijn van de kleine zaal geslaakt, als de adem uit een borst, waarvan een zwaar gewicht wordt afgewenteld. Het was de os Apis die op dat oogenblik wel had willen hinneken, zooals de jonge mannen uit zijn geboortestreek doen, wanneer zij hun pleizier willen uiten. Hij had zijne hooggeborene boudgenoote wel in zijn armen willen drukken en Currita, eveneens zonder hare vreugde te kunnen bedwingen, zeide:
— Martinez! bestel uw uniform.
En een zacht stemmetje, men hoeft nooit geweten van wie, zeide spottend;
— Keer de uniform van Amadeo maar om, dan hebt gij er een goedkoop.
1) Ivoninklijk domein uuu do Munzauares.
208
Nu bleof nog het schilderachtigste gedeelte van de plechtigheid over, dat voor Jacobo de apotheose zou zijn van zijn zegepraal. Nadat de Koning in zijn woonkamers was teruggekeerd, kwamen de Grandes reden cuhiertos (die zich pas het hoofd gedekt hadden), naar volgorde van hunnen rang, uit de anti-chambre om voorgesteld te worden aan het corps Alabarderos (Hellebardiers).
Deze stonden aan weerszijden van de dubbele trap en de Grandes, met hunne padrinos aan hunne rechterhand, moesten de eene af- en de andere weer opgaan, terwijl de hellebardiers met klinkend wapengeluid, hun het eerbewijs brachten.
De nieuwsgierigen vulden de galerij boven en het portaal beneden van de prachtige trap waarvan de fraaie zoldering, door Giaquinto geschilderd, Spanje voorstelde dat zijn kracht en zijn zegeteekenen den Godsdienst aanbiedt.
Toen Jacobo weder op de galerij was gekomen en hij door Currita en eenige vrienden begroet werd, die hem opgewonden gelukwenschten, gaf voldane ijdelheid aan zijn gelaat eene uitdrukking van hoogmoedswaanzin, zoodat hij het had kunnen uitschreeuwen als Nebukadnezar in de opera:
Jo non Bé, so Dio!. . ..
Zijn oog zocht Martinez en hij zag hem eenige schreden van hem af, zijn groot hoofd schuin tegen zijn stok houdende en met zjjn boerschen lach op de lippen eveneens zijne hulde ontvangende.
Een groep hovelingen omringde hem en zij verdrongen elkaar om zijne harige handen tusschen hunne fijne met handschoenen bedekte handen te drukken, bij wijze van voorloopige vleierij. De Generaal, die te voren den Minister van Justitie had vergezeld, vroeg hem zeer beleefd op eene jachtpartij op zijne goederen te Pardillo. Hij was Grande en werd in het paleis de weêrvoorspellende Koekoek genaamd, omdat hij altijd de eerste was om te raden, vanwaar de slag zou komen, die een Minister zou doen vallen.
209
Het sneeuwde geweldig en de bezorgde Ferdinandito had haast te vertrekken. Currita vroeg Jaeobo en Martinez te eten en beiden namen de uitnoodiging aan; maar Jaeobo wilde eerst naar zijne woning om zijn kostuum uit te trekken.
Thuis gekomen vond hij op het blaadje, bestemd voor visitekaartjes en brieven, een grooten officieelen brief dien hij in het voorbijgaan mede nam, terwijl Damian hem zijn witten mantel met het roode kruis op den linkerschouder, afdeed. Een van zijne hooge laarzen knelde hem geweldig en zonder op Damian te wachten, wilde hij ze zelf uittrekken, zoodra hij in zijn kamer was. Hij kon er evenwel niet mede klaar komen en bleef met eene laars aan, in een leuningstoel op Damian wachten. Deze liet zich wat lang wachten en toen opende Jaeobo ongeduldig het couvert.
Op een vel wit papier zag hij het roode zegel, dat vroeger den omslag van de vrijmetselaars documenten had gesloten.
Hij bleef er verschrikt op staren; het geleek een druppel bloed.
II.
14
VI.
Den volgenden dag was het de zondag van liet Carnaval en Madrid ontwaakte met een vuilen bodem, terwijl de hemel daarboven straalde als eene publieke vrouw, die met bloemen omkranst, aan een modderpoel zit. Een sterke noorden wind had de wolken weggevaagd en de sneeuw bevroren, die aan de bezems van hot stedelijk bestuur had weten te ontsnappen. De koude was hevig en werkte de luiheid in de hand, zoo zelfs dat zij de vroegste opstaanders onder de warme dekens van het bed wist te houden. Damian hoorde het acht uur slaan en draaide zich nog eens om, verwachtende dat volgens gewoonte, de Markies zijne diensten niet zoude behoeven voor ver in den morgen. Ben geweldig schellen deed hem evenwel verschrikt uit zijn bed springen.
Mijnheer de Markies schelde om hem on had zooveel haast, dat vóór Damian half gekleed was, hij nog tweemaal hard belde, waaruit de kamerdienaar kon opmaken: een buitengewoon slecht humeur en de uitbarsting van onbedwingbare drift.
Met zijn vingers bracht hij zijn zwart krullend haar in ordo, opende haastig de deur van de studeerkamer om eerder in hot slaapvertrek te komen en bleef\' op den drempel daarvan staan, stijf als een paal, vierkant als een militair en verstomd als iemand, die de zou ziet opgaan ter middernacht.
De Markies zat reeds geheel in morgentoilet gekleed voor zijne schrijftafel met een dichtgemaakten brief in zijne hand.
211
— Heeft miinheer de Markies geroepen ? . ...
— Ik heb niet geroepen. ... Ik heb drie honderdmaal geluid, antwoordde Jacobo driftig, maar zich dadelijk beheerschende gaf hij aan Damian den brief, zonder hem aan te zien en zeide:
— Breng dezen brief aan zijn adres. .. Ge doet dit zelf, dadelijk.. .. Indien de persoon, aan wien hij gericht is, ergens anders is gaan wonen, hetgeen wel mogelijk is, vraag dan aan den portier, waarheen hij vertrokken is en breng den brief dan daarheen.. . . Begrepen ? .
Damian maakte zwijgend eene buiging en vertrok terwijl hij het adres las: Senor D. Francisco. Javier Perez Cueto — Calle de X, n0 10. Derde verdieping.. . . Spoed. .. .
Damian trok zijne schouders op. De Perez Cueto moest wel een arme drommel zijn, die niet waard was, dat iemand als hij, Damian, het zich om hem lastig maakte. Jacobo, alleen gebleven, vroeg zich af, wat ter wereld iemand moet doen, die \'s morgens om acht uur al op is.
De klok der naburige San Josékerk begon op dat oogenblik te luiden, alsof zij Jacobo wilde antwoorden: „ga naar de mis,quot; en het viel hem in, dat het veertien jaren geleden was, inliet eerste jaar van zijn huwelijk, dat hij er eene gehoord had.
Toen gevoelde hij zekere treurigheid, zekere onbehaaglijkheid, die hem kwelde, niettegenstaande zijne voldaanheid over het gebeurde van den vorigen dag op het paleis.
Maar nu hadden de vrijmetselaars voor de tweede maal die belachelijke grap met de zegeltjes gehad, en ook nu weer, zoo als bij den eersten keer, was hij er eerst door beangstigd, toen was hij er boos over geworden en eindelijk had het bij hem voor een oogenblik eene vurige ondoordachte werkzaamheid opgewekt om het dreigend gevaar te bezweren, zonder zulks te doen. Hij bejammerde zijne onvoorzichtige zorgeloosheid en hij beloofde bij zich zelf thans beter op te passen, terwijl hij in den grond van zijn hart erkende:
14*
212
Het is een lafaard eigon De verloren gelegenheid te beweenen.
Evenwel dacht hij, dat alles nog niet verloren was, want hij had nog de brieven van Garibaldi, die zijn gedrag verklaarden en zijn persoon waarborgden Zeker hadden die brieven veel van hunne waarde verloren, omdat in dien tusschentijd de oude revolutionnair gestorven was en hij nagelaten had ze te bezorgen; maar aan ingewikkelde leugens en handige draaierijen om alles naar zijn eigen zin uit te leggen ontbrak het hem niet, en daarbij, zijne positie zoude nu spoedig veranderen en hij een personage van belang worden
Het was vrij wel zeker, dat met den os Apis was gesproken om hem President van den ministerraad te maken, wanneer het reeds wankelend kabinet zou gevallen zijn, en dan, o! dan, zou hij zeker minister worden, en eenmaal dergelijken hoogen post bekleedende, kon hij veilig om de grappen en bedreigingen der vrijmetselaars lachen.
Ondertusschen had hij den vorigen nacht slapeloos in zijn bed liggen wentelen, zonder zijne onrust te kunnen verdrijven, in weerwil zijner redeneeringen en hij besloot in elk geval ditmaal niet te wachten op de komst van het derde zegeltje.
De brieven van Garibaldi waren gericht aan Br. Neptuno, een groot personaadje in de loges, en die ontdaan van den drietand, van de kroon van zeewier en van de drie puntjes, in het gewone leven bleek te zijn eenvoudig een D. Francisco Javier Perez Cueto, stijfselfabriekant in eene der voorsteden; sommigen zeiden, dat dit slechts een aangenomen naam was en dat daarachter eene beroemde persoonlijkheid zich verborg, die bij zijn leven en zijn sterven veel gerucht maakte.
Jacobo wist dit wel en had gelegenheid gehad, hiervan op de hoogte te komen in de dagen van zijnen vertrouwelijken omgang met don Graaf van Reus (Generaal Prim.) Aan dezen Perez Cueto had Jacobo nu den brief geschreven en hem zeer
213
beleefd maar dringend om een onderhoud over cone zaak van groot belang gevraagd; in dien brief had hij al het ceremonieel der vrijmetselarij in acht genomen en teekende met zijn ouden nom de guerre Br. Byron, welke naam hem gegeven was om zijne verwonderlijke gelijkenis met den dichterlijken Lord.
Een groot half uur had Damian noodig om hoen en weer naar do woning van Perez Cueto te gaan en ondertusschon maakte Jacobo, op een stukje papier, met do brieven van Garibaldi vóór zich, een soort van schets van de leugens en draaierijen waarmode hij zijne onschuld aan Br. .\'. Neptuno wilde bewijzen.
Do terugkomst van Damian stoorde hem in deze bezigheid en hij ondervroeg hem dadelijk met zijne oogen. De heer Perez Cueto was te huis en had den brief in ontvangst genomen.
Jacobo ademde vrijer, alsof hij de zaak reeds tot een goed einde zag gebracht en daar hij van nu af tot het dejeuner niets te doen had, kwam het hem voor, dat hij niets beter kon doen dan maar weer naar bed gaan. Dat opstaan van vele men-schen vóór twaalf uur vond hij eene onbegrijpelijke dwaasheid.
— Wanneer er een brief komt, zeide hij tot Damian, maak mij dan dadelijk wakker.
— Komt er geen .... blijf dan weg tot twee uur. . . En daar or geen brief kwam, trad Damian dan ook precies om twee uur de slaapkamer binnen waar hij zijnen heer in diepen slaap vond. De Markies stond zeer slecht geluimd op, baadde zich en kleedde zich, met zijne gewone netheid, aan. Daarna ontbeet hij sober en zonder etenslust en ging toen naar de veloz club, terwijl hij aan Damian het bevel achter liet, hem den brief of het bericht te komen brengen, dat hij verwachtte.
In de club verdween spoedig zijne sombere stemming en hij lachtte en schertste daar als een jongen. Gorito Sardona en Paco Velez, hangende over de balustrade van een balcon, gooiden van daar naar de voorbijgangers met een saquillo en Jacobo ging hen daarbij helpen; deze saquillo was een fraai zakje, behangen met bellen en linten en vastgehouden door een zijden
214
koord, dat niet lang genoog was om op do hoodon der voorbijgangers te recht te komen. Met veel gerucht wierpen zij het op de voorbijkomende dames en deze keken dan verschrikt vanwaar het geluid der bellen kwam. Waren zij jong en zagen zij er goed uit, dan werd op haar een regen van bonbons en bloomen uitgestort; waren zij oud en leehjk, dan staken zij voor haar met de grootste onbeschaamdheid, de tong uit.
Ofschoon dit spel voor een aanstaand Minister niet zeer deftig was, had Jacobo er groot pleizier in en bestelde dadelijk voor den volgenden dag in den banketbakkerswinkel „la Mohonesaquot; eenige ponden confetti, een soort van bommen, gevuld met meel, en waarmede men elkaar op het corso te Rome bombardeert.
Toen het donker begon te worden, verliet Jacobo het balcon om naar Currita te gaan, bij wie hij den vorigen dag, tegelijk met den os Apis, was uitgenoodigd. Zeker beroemd Senator, die onlangs met de regeering in ongenoegen was geraakt, had Currita verzocht hem in aanraking te brengen met den os Apis, en zij had zich gehaast haren eigen disch, als een onzijdig terrein, aan te bieden. De beide heeren zouden dan met dit doel, bij de Gravin van Albornoz komen eten. Jacobo, het troetelkind der nieuwe partij, kon natuurlijk bij die gelegenheid, aan de zijde van zijnen chef, niet ontbreken.
De toekomstige Minister ging de Calle de Alcala op, en de Calle del Carmen in, waar vlak over de kerk van dien naam een troep studenten stond, in het geel en vuurrood gekleed, die zeer valsch een wals uit de Grande Duchesse tokkelden.
Een lange man, die op stelten stond, zoodat hij met zijn hoofd op de hoogte kwam van de eerste étages, zamelde geld in, terwijl hij op de klarinet blies en pirouettes maakte. De menschen lachten, terwijl zij naar de sprongen van den kunstenaar keken en eenige bonte, dwaas toegetakelde maskers stampten in den modder, terwijl zij duizelingwekkend ronddraaiden op de maat van die canailleachtige wals.
De schemering gaf eene donkere en vuile tint aan dit hoekje
215
dor straat, waar het schoen dat de modder der hielen de modder van het plaveisel nog vuiler maakte.
Jaeobo slaagde er in zich door hot volk eenen weg te banon en naderde de kleine trap van de kerk; maar hij hield dadelijk stil en verborg zich verschrikt achter eenige gemaskerden, die op hun hoofd gescheurde gazen sluiers droegen en halfdronken voor hom uit dansten.
Naast Jacobo en denzelfden kant uitgaande, liepen twee mannen , die vreemden schenen te zijn en die elkaar vasthielden om in het gedrang niet gescheiden te worden. De oudste droeg eene roodo bouffante, die zijn hemd geheel bedekte, een eenigs-zins vettigen calabreeschen hoed en een gouden oorring in zijn linker oor; de jongste was klein en dik en zonder spoor van baard op zijn rond gelaat. Sabadell bleef wat achter en zag angstig naar hen, om ze te herkennen.
Er was geen twijfel aan: de oudste was een Italiaan, Cassa-nello genaamd, met wien hij kennis had gemaakt in de loges te Milaan eu dien hij nog dit zelfde jaar wedergetroffon had bij Garibaldi aan huis op Caprera.
De twee mannen draaiden zich plotseling om, omdat zij door het volk niet verder konden en de ontstelde Jacobo bedekte schielijk zijn gelaat met zijn zakdoek, alsof hij zijn neus wilde snuiten en liep haastig de trappen der kerk op.. ..
In het eerst zag hij niets, dan dat het er zeer duister was, maar verder ziende bemerkte hij een groot schitterend licht dat den tabernakel van het Sacrament boscheen. Aan den voet vau het altaar lag eene groote zwarte massa, waaruit bij wijlen eone zachte klank opsteeg, langzaam en regelmatig, die eene andere, sterkere en duidelijkere stem scheen te beantwoorden.
— Om pro nobis!....
Jacobo bleef oen oogenblik verward staan met zekere eerbiedige vrees, zooals een goddoloozo moet gevoelen, die plotseling verplaatst wordt in liet diepste der Catacomben, te midden van den Heiligen Dienst. Achter hem, op straat, hoorde hij
216
de wals uit de Grande Duchesse en het geschreeuw van het gepeupel.... Toen deed hij eenige stappen op den tast om den uitgang te vinden in de Calle de la Montana, en stiet tegen een biechtstoel, die rechts van hem aan den muur stond. Dadelijk ging het kleine lage deurtje van voren open en vertoonde zich eene zeer witte hand die uit een zwarte mouw stak. Jacobo deed verrast een stap achteruit, het deurtje ging weer dicht en de hand verdween en een kalme stem zeide in de duisternis:
— Neem het niet kwalijk, ik dacht, dat gij kwaamt om te biechten....
De goddelooze verwaandheid van Jacobo werd bij deze woorden gaande gemaakt en hij antwoordde brutaal:
— Dat is goed voor oude wijven .. .
De stem zonder zijne kalme uitdrukking verloren te hebben, zeide in de duisternis:
— Vocavi et renuistis....
— Vocavi et renuistis? — herhaalde Jacobo zonder den zin te begrijpen van dat vreeselijk gezegde.
quot;Wat zou hij daar mede meenen?.. ..
En driftig de kerk verlatende kwam een sterke luchtstroom hem te gemoet en vervulde zijne ooren met den wals uit do Grande Duchesse, die geheel het zacht gefluister, de vrouwestem der barmhartigheid uit den hemel, verdoofde.
— Ora pro nobis!... .
Door achterstraten en steeds omziende, of men hem ook volgde, kwam hij zeer zenuwachtig bij de Gravin van Albornoz aan. De ontmoeting met dien man, in deze omstandigheden, had hem een angst ingeboezemd die veel geleek op den angst, dien hij gevoeld had, toen hij in Oom Frasquito\'s album de ledige plaatsen zag, waar voorheen de drie zegels opgeplakt waren geweest. Wat had die kerel in Madrid te doen? Zou zijne komst met vrijmetselaarsoogmerken in verband staan? Zou er bijgeval in dit alles iets anders steken dan eene gewone, flauwe aardigheid?
217
Currita zag er dien avond betooverend uit met hare roode haren a la grecque en in haar vreemd, een weinig grillig toilet, dat geheel past bij den vastenavond. Des middags was zij niet in het Prado geweest. Het verveelde en het hinderde haar in den Carnavalstijd, dat eeuwig rondrijden, blootgesteld aan de onbeschoftheden, die afgunst en onbeschaamdheid, beveiligd door het masker, haar toeroepen.
Wat had zij vroeger al niet moeten aanhooren. .. . Daarom was zij maar in haar stulpje gebleven en paste, als een braaf huismoedertje, Villamelon op, met wien het achteruitging. Toen het donker werd, kwam Zijne Excellentie Martinez en kort daarop de Senator D. Vicente Cascante.
Jacobo was nog maar niet verschenen en het hinderde Currita, omdat zij vond, dat elk woord door den os Apis, in afwezigheid van den geliefden vriend gesproken, een tekort was, aan den geliefden vriend gedaan. Zij ging hem dus opzoeken, want Jacobo was dikwijls gewoon, als iemand, die zich thuis voelde, in haar boudoir te gaan, of in de kamers van Villamelon, voor dat hij zich in de salon vertoonde op het oogenblik van het diner. Toen zij een der voorkamers doorging, ontmoette Currita een lakei, die haar op een zilveren blaadje een brief aanbood:
— Voor den heer Markies van Sabadell.
Currita nam dien brief dadelijk haastig aan. Zij bekeek het adres, dat met eene engelsche vrouwenhand, flink en loopend was geschreven. Onder Jacobo\'s naam las zij: zeer dringend....
— Wie heeft dezen brief gebracht? — vroeg zij.
— Damian.... — Mijnheer de Markies had er den geheelen dag op gewacht en thuis de boodschap achter gelaten, dat zoodra hij kwam, men hem dien moest bezorgen op do Veloz club, Damian was daar geweest, maar mijnheer de Markies was al weg; toen heeft hij een rijtuig genomen en hem hier gebracht.
Currita bleef een oogenblik in gedachten staan.
— Is de Markies nog niet gekomen!\' —
— Nog niet.
218
— Goed — ik zal hem zelf den brief wol geven, zoodra hij komt.
En met don brief in de hand ging zij haar boudoir in, met gefronste wenkbrauwen, hare lippen opgekruld en met een dreigenden blik in hare lichte oogen. Bij het licht van de groote lamp, die door den ebbenhouten neger werd gedragen, bekeek zij den brief van allo kanten; de omslag was van mooi, sterk papier; hij had geen initiaal of zegel en was met gom maar even dichtgeplakt.
Currita gebruikte een fijn ivoren vouwbeeutje om hem te openen en het harde papier, zonder te scheuren of te kreukelen, liet gemakkelijk los. Er kwam een vierkant kaartje uit, waarop de elegante dames gewoon zijn hare briefjes te schrijven; de linker bovenhoek, die waarschijnlijk een naamcijfer had gedragen, was er afgeknipt. In weinig regels was geschreven:
„De bijeenkomst met mij, die gij verlangt, brengt mij in groote ongelegenheid, maar ik geef toe aan de gevoelens, die gij mij inboezemt en wacht u dezen nacht, tusschen twaalf en oen uur, in de Calle de X, n0 vier, eerste étage: Stilzwijgen en bescheidenheid.
Noem mijn naam niet aan den portier, maar vraag naar la Senora de Rosales N.
— Hoe lief! mompelde Currita, terwijl zij tot bloedens too, zich op de lippen beet. Zij ging in een leuningstoel zitten en las het briefje nog een paar maal over.
Daarop verzonk zjj in gedachten, terwijl niets hare gemoedsbeweging verried dan een licht beven van de hand, die het briefje vast hield, een gering samentrekken van hare lippen en oene dreigende uitdrukking in hare oogen, die zij op het tapijt gevestigd hield. Haar blik was geen van de Nymph Calypso, hoogmoedig, bevallig, stralende van voldane jjdelheid en vervulde begeerte, maar het was do jaloersche, woeste, woedende blik van Medea, zooals Seneca dien beschrijft, vreeselijk en indrukwekkend in zijn sombere bedaardheid.
219
Zonder hare kalmte een oogenblik te verliezen, schreef Currita op een velletje papier het adres dat in den brief was opgegeven; nog éénmaal las zij den brief over en deed hem toon weer in den omslag, dien zij mot een weinig gom vastplakte, hield hem een oogenblik voor het vuur om de gom goed te laten drogen en wierp den brief toen op een fraai schrijfbureautje. Toen riep zij Kate.
— Is mijnheer de Markies van Sabadell gekomen?
— Hij is zoo juist gekomen en is in den salon met de heeren.
— Er moet hier ergens een brief voor hem liggen. . . . Die moet hem dadelijk gebracht worden.
Kate vond den brief op het schrijfbureau en nam hem mede; maar de geslepene dame, die nooit iemand in hare kaarten liet zien, zeide op knorrigen, klagenden toon:
— Kom nog eens hier meisje; maak mij eerst een dosis antipirine klaar, ik word door eone schrikkelijke migraine geplaagd !. ...
Kate kwam spoedig met de gevraagde medicijn, die zij in een kopje had klaar gemaakt.
— Heb je den brief bezorgd? vroeg Currita.
— Mevrouw de Gravin zeide mij toch, dat ik eerst de antipirine moest brengen.. ..
— Loop heen, kind. ... Er staat toch op den omslag „dringendquot; ....
Kate was nauwlijks de kamer uit, toen Currita de medicijn in het vuur wierp. Toen ging zij haastig naar do blauwe salon, waar Jacobo juist binnen trad. Zij wilde van nabij den indruk zien, dien het lezen van den brief op hem zoude maken. Een oogenblik later kwam een lakei hem dien op een zilveren blaadje brengen
Jacobo opende hem met groote haast en zonder nauwelijks het adres te lezen, scheurde hij don omslag\'in tweeën. Currita verslond hem met hare oogen, maar kon op zijn gezicht geen enkel teeken van genoegen of tevredenheid lezen. Integendeel
220
bemerkte zij eene uitdrukking van angst, terwijl hij las en die opgevolgd word door eene groote afgetrokkenheid die het ge-heele middagmaal duurde. Soms sprak hij lang achter elkaar zonder ophouden, niet zekere zenuwachtige prikkelbaarheid, die gloed bijzette aan zijn onderhoud en waarover Currita zich verontrustte; dan weêr zweeg hij bot stil en bleef nadenkend en bezorgd zitten kijken, zonder bijna acht te slaan op hetgeen er om hem heen gesproken werd.
Hij was geheel in de war. Al dadelijk had hij begrepen, dat deze vreemde brief het antwoord was van Br. .-. Neptuno, want aan niemand dan aan hem had hij een onderhoud verzocht. Maar hij was uiterst verwonderd over den vorm van den brief, een duidelijk bewijs van de moeite, die men genomen had om alles te vermijden wat het maoonniek karakter kon verraden en het deed voorkomen als een geheimzinnig rendez-vous van geliefden, zooals Currita dan ook had gedacht.
Een gegrond vermoeden rees toen bij hem op dat die brief wel een valstrik kon verbergen, en op nieuw werden toen zijne angsten gaande; maar spoedig daarop dacht hij aan de belachelijke geheimzinnigheden en voorzorgsmaatregelen, waarmede de vrijmetselaars zich altoos omringen en deed hij moeite te gelooven, hetgeen hij zoo gaarne wensohte en dat zijne angsten verdreef: dat er achter dit alles niets anders stak dan eene impertinente en belachelijke aardigheid, die hij geheel moest slikken en dat do brief van Perez Cueto een Carnavals-grap was, die op alles de kroon moest zetten. Te midden zijner bezorgde overpeinzingen zeide hij op eens tegen D. Casimir Pantojas;
— Zeg eens, Pantojas.... quot;Wat wil dat zeggen vocavi et renuisti?....
De goede D. Casimir zag hem zeer verbaasd aan en blijde zijne geleerdheid te kunnen luchten, antwoordde hij snel:
— Dit wil letterlijk zeggen ik heb u geroepen en gij hebt mij verstooten. Het zijn woorden van Jesaja, indien ik mij goed
221
herinner, die de Hoer sprak tot de verharde zondaren, die aan de genade weerstand bieden.
Jacobo begon te lachen en Currita vroeg hem plagend:
— Heb je plan om in de Senaat een preek over dien tekst te houden? ....
— Ik zelf denk er geen te houden, maar van middag heb ik er een gekregen, antwoordde Jacobo.
En op lachverwekkende wijze deed hij een omstandig verhaal van het gebeurde bij den biechtstoel in de kerk van de Heilige Carmen, terwijl hij er zich wel voor wachtte de ware reden te vertellen, waarom hij in de kerk was gekomen. Volgens hem was het onmogelijk geweest in de Calle del Carmen te komen door het gedrang van het volk, en daarom was hij de kerk doorgeloopen om zoo de Calle de la Montera te bereiken. Allen lachten om het gebeurde met den priester en de heer D. Vicente Cascante, Senator van het koninkrijk, voegde er deftig en opgeblazen bij:
— Let nu eens op, hoe, daargelaten het belachelijke van het geval, de aanmatiging en onbeschaamdheid der geestelijke heeren, als altoos, voor den dag komt; zij beschikken over het hemelsch licht, alsof God hun daarover te beschikken had gegeven. Het is onverdraaglijk; honderd maal heb ik het gezegd en ik zal het nog wel honderd maal zeggen: de hardnekkigheid en de onhandelbaarheid der geestelijkheid is de worm, die knaagt aan de kerk in Spanje.
En de heer D. Vicente Cascante, Senator van het koninkrijk, om zijn ijver voor het Godsrijk aan te vuren, at, zwaar zuchtend, een patrijzenborstje
Ten elf uur \'s avonds scheen het paleis Villamelon — een buitengewoon geval — wel het verblijf van rust en stilte Mevrouw de Gravin was vroeg naar hare vertrekken gegaan, met eene vreeselijke migraine die haar sedert den middag kwelde; de Markies was naar bed, omdat hij geweldig misselijk was en het talrijk dienstpersoneel, vrij van allen dienst en zeker dat
222
men het thans niet noodig had, was grootendeels uitgegaan om do talrijke gelegenheden op te gaan zooken, waar men zich in den Carnavalstijd te Madrid kan vermaken.
Toch was iedereen in huis niet tot rust gekomen, om half twaalf werd het kleine deurtje naast den wintertuin geopend en ging eene zwarte gedaante omzichtig de straat op, zich haastig verwijderende, terwijl zij den sleutel bij zich stak.
Het was eene gemaskerde vrouw, die in weerwil van hare hooge hakken en hoog kapsel , klein van statuur scheen. Over een kort kleed van zwarte zijde droeg zij een wijden domino eveneens van zwarte stof en rijk, grijs bont bedekte haren hals, hare schouders en armen.
De onbekende doorliep onbeschroomd haastig eenige kleine straatjes en kwam door de Calle Ancha de San Bernardo op het pleintje van Santo Domingo. Een oogenblik bleef zij op den hoek staan en keek naar alle kanten uit.
De menigte der gemaskerden, die naar de bals gingen was reeds groot; voetgangers liepen her- en derwaarts en rijtuigen kruisten elkaar. Bij de Calle de Fudescos stonden drie vige-lantes, waarvan de koetsiers op den bok zaten te slapen. De onbekende ging naar de middenste, deed het portier open en beval den koetsier, die plotseling wakker schrikte, haar naar de Paseo de los Recoletos te rijden en bij den ingang van de Calle de X*** stil te houden. Deze was eene der vele straten, die loodrecht staan op de Calle Serrano.
De onbekende stapte op de aangewezen plek uit, en den koetsier gelastende haar daar te wachten, ging zij de Calle de X*** in en keek naar do beide rijen huizen, alsof zij het terrein verkennen wilde. Deze straat is niet lang en in dien tijd bestond de linkerzijde uit het groote hek van den tuin, waarin het Hotel de Recoletos was gelegen, een terrein vol puin, en aan den hoek was de zijmuur van een huis dat in de Calle de Serrano nit kwam, en waarin een deurtje was, dat, naar het scheen, dichtgemetseld was. De rechterzijde werd gevormd door
223
den zijgevel van een openbaar gebouw, dan volgden een prachtig eigen huis en de rij sloot weder om met een terrein, waarop men bezig was te bouwen en de zijmuur van een huis in de Calle Serrano, waarin evenwel geen deurtje was.
De onbekende in wie de lezer ongetwijfeld reeds de onver-schrokkene Currita zal herkend hebben, scheen zeer verlegen met het geval. Er kon in de Calle X geen huisnummer 4 zijn, aangezien er geen ander huis was dan bovenvermeld eigen huis en daarin woonde juist — hoe toevallig — Isabella Mazacan.
Was er misschien eene vergissing in het huisnummer en was die goede ziel misschien de schrijfster van den brief? Dit scheen Currita niet waarschijnlijk toe. Lang behoefde zij niet te twijfelen. De groote dubbele glazendeur achter in de vestibule ging open en er reed een rijtuig vóór, dat onder aan de trap stil hield. Tfoch de koetsier, noch de palfrenier droegen livrei, evenmin had het rijtuig wapens op de portieren, of initialen, of een kroon en de geoefende neus van Currita rook uit dit alles het begin van een avontuur.
Daarop kwamen twee dames naar beneden in shawls gewikkeld met kostbare kanten van Manila en maskers van rose fluweel voor het gelaat en zijden zakdoeken op het hoofd. Aan den luidklinkenden schaterlach van de eene, toen zij in het rijtuig stapte, herkende Currita Leopoldina Pastor, en aan hare hooge gestalte en den meesterachtigen toon, waarop zij den koetsier hare orders gaf herkende Currita hare doodsvijandin, Isabella de Mazacan. De koets reed weg en Currita haalde ruimer adem. Er viel niet aan te twijfelen; de twee vriendinnen reden naar het Theatre Real om de eene of andere intrigue te hebben.
Toen keerde de dame naar baar rijtuig terug, besloten daarin geduldig te wachten en voorzichtig uit te kijken naar hetgeen gebeuren zou. Zij maakte het zich zoo gemakkelijk mogelijk achter in het rijtuig, zonder hare oogen oen oogenblik van de straat af te wenden. Deze breidde zich, sreheel eenzaam, voor
224
haar uit en rees met eene kleine helling naar de Calle de Serrano, waardoor zij van tijd tot tijd oen enkelen voorbijganger zag verschijnen on verdwijnen als poppetjes in een toover-lantaarn; zij liepen haastig tengevolge van de koude; soms ook een rijtuig gevuld met gemaskerden die naar de bals gingen en de trams, die met dof geluid heen en weer reden en in de verte monsterachtige beweegbare vuurbakens geleken. Slechts twee gaslantaarns verlichtten de straat. De portier van Isabella Mazacan\'s paleis had de poort gesloten en de afgaande maan liet haar licht helder schijnen en deed alle voorwerpen duidelijk uitkomen. Een klok in de verte sloeg kwartier over twaalven en kort daarna kwam van den kant der Calle de Serrano een zeer groote man aan, die een lange jas droeg en een spitsen hoed op het hoofd had. Hij liep met zijne handen op den rug en scheen of een dwaas, die zich verveelde en te middernacht een beetje frissche lucht kwam inademen op de Recoletos, of een genie, die een kunststuk overpeinsde, of een wanhopige, die ging zoeken naar een boom om zich aan op te hangen of een eenzame plek om zich dood te schieten. Currita keek naar hem met het gevoel van angst, dat in het holle van den nacht alles wat vreemd of geheimzinnig toeschijnt, inboezemt en zij verstopte zich nog meer achter in het rijtuig. Op den hoek der Recoletos kruiste de man met de groote jas een anderen persoon die haastig kwam aanloopen. Currita keek door het achterraampje en haar hart begon heftig te kloppen.
Dat was Jaeobo, fier daarheen stappende, gewikkeld in een Andaluzischen mantel met roode lissen en met een lichtgrijzen flambard op. Hij sloeg den hoek om zonder op de vigelante te letten en liep snel de straat in terwijl hij de huizen zeer opmerkzaam bekeek. Evenals Currita raakte hij in de war, toen hij bemerkte, dat er geen nummer 4 was. De dame, stikkende van woede, zag hem na met de hand op den kruk van het portier, alsof zjj op het punt was hem na te gaan.
Jacobo, wien het rondkijken begon te vervelen, begon nu te
225
denken, dat de vrijmetselaars hem hadden beet genomen en dat de brief van Cueto een karnavals grap was, die er de kroon op moest zetten en hij besloot als laatste proef op het gesloten deurtje te gaan kloppen, het eenige aan de linker huizenrij; de slagen weerklonken in de stilte en een vreemdsoortige echo, dien Currita zeer angstig maakte, herhaalde ze in de verte.
Niemand gaf antwoord en Jaeobo riep ongeduldig tot driemaal toe, steeds luider. Toen stampte hij driftig met zijn voet op den grond en liep door, den hoek omslaande van de Calle de Serrano.
Nu was voor Currita het oogenblik gekomen om uit het rijtuig te springen en Jacobo achterna te loopen, daar zij vreesde dat hij in de deur van het hoekhuis zoude verdwijnen. Jacobo evenwel scheen daaraan niet te denken of die deur nog niet te hebben kunnen bereiken, tenminste Currita zag hem in de Calle de Serrano staan kijken naar de voorzijde van dat huis, dat er zeer bescheiden uitzag. De deur was reeds gesloten en beneden was een kantoor gevestigd van eene begrafenis-ver-eeniging.
Daar stonden zij tegen over elkaar en niettegenstaande hare vermomming herkende Jacobo haar dadelijk. Met meer verbazing dan ongenoegen stak hij haar de hand toe en vroeg haar:
— Hemel! Schepsel! .... Hoe kom je hier? .... Wat voer je hier uit? ... .
Zij, ontroerd door duizend tegenstrijdige aandoeningen, waarin evenwel de woede de overhand had, antwoordde met bitteren spot:
— Wel niets! Ik kom alleen om u n0 4 te wijzen.
— Wie heeft u hierover gesproken ?. riep Jacobo verrast uit. Komaan, je hebt iets anders gedacht. ...
Bn haar bij den arm nemende ging hij met haar den hoek van de straat om; daar bleef Currita aan den huizenkant staan, blind van drift, alsof de woede haar daar had vast genageld en begon zij haar overloopend hart lucht te geven in een stroom II. 15
226
van beleedigingen zooals een vulkaan in een enkelen golf al zijn opeengestapelde stoffen uitwerpt, als gloeiende lava, die op haar weg alles vernielt, wat zij tegenkomt. Vergeefs beproefde Jaoobo zijn onschuld te bewijzen; Currita liet hem niet aan het woord komen. Met hare tengere handjes had zij zijn mantel opengetrokken en dreigde hem met hare nagels, alsof zij hem de oogen wilde uittrekken
Jaoobo, die zich nog geprikkeld voelde door de grap van Cneto, overstelpt door de verwijtingen van Currita en bang hare vriendschap, die hem onmisbaar was, te verliezen, zag zich ten laatste genoodzaakt haar de goheele waarheid op te biechten, om haar tot bedaren te brengen. Dit gelukte dadelijk. Toen de dame van vrijmetselarij hoorde, verdoofde eensklaps hare woede en kwam daarvoor eene bijna kinderachtige vrees in de plaats, die wel verwonderlijk was bij zulk oen energiek karakter.
— Laten wij gaan Jacobo, zeide zij. Om Gods wil laten wij dadelijk weg gaan! kom! En met een uitdrukking van werkelijken angst herhaalde zij, terwijl zij ontdaan naar allo kanten uitzag;
— Zij zijn in den ban gedaan! Weet je wel? .... Zij zijn in den ban gedaan!....
Jacobo die de angst zijner vriendin, zich aan hem voelde mededeelen trachtte haar gerust te stellen.
— Wees niet gek, wees niet kinderachtig! Laten wij gaan, als je wilt, maar wees gerust. Ben ik niet bij u ? . . .. Ben je alleen gekomen? ....
— Ja. . ..
— Te voet ?. . . . Hoe dwaas! . . . .
— Neen, ik heb eene vigelante bij mij....
— Dan zal ik n daarmede naar huis rijden, en dan mijzelf naar huis laten brengen.
— Heb je wapenen bij u ? vroeg zij zacht.
— Ja, een revolver.
227
Beiden vervolgden hunnen weg naar de Recoletos; zij, steeds angstig om zich heen ziende, terwijl liij, door zich wijs te maken dat de brief van Cueto een karnavalsgrap was, trachtte de ongerustheid te verdrijven, die de vreemde schrik van Cur-rita hem, zijns ondanks, had ingeboezemd.
Bij het omslaan van den hoek zagen zij elkaar verstomd aan, als of uiterste verwondering hun de mond had gesnoerd. Het rijtuig was verdwenen en was nergens te zien.
— Had je al betaald ? vroeg Jacobo ten hoogste ontdaan.
En zij, terwijl zij zich tegen hem aandrukte als iemand, die
beefde van koorts, antwoordde zacht:
— Neen .... ik heb hem niet betaald.. ..
Het was een vreemd geval en Jacobo voelde al zijne onrust met dubbele kracht terug komen. Het was toch niet denkbaar dat de koetsier uit zich zelf zou weggereden zijn, zonder zijn geld te hebben ontvangen , indien er niet iemand geweest was die hem overgehaald had heen te gaan. Hij had toen een oogenblik van verbasterenden angst, van werkelijke vrees, die zijn hart, dat van nature dapper was, deed beven zooals een forsch lichaam kan beven in een ijskouden wind.
— Laten wij dan te voet gaan, zeide hij. En beiden gingen, elkander vast aan den arm houdende, op weg zonder een woord te spreken en staken den wandelweg schuin over om den overkant te bereiken, die hun minder eenzaam toescheen. Currita liep zeer haastig zonder rond te kijken steeds hare oogen gevestigd houdende op het licht der lantaarns waaruit haar redding en leven schenen toe te stralen, ofschoon zij lust en tegelijk een onoverwinlijken angst had om achter zich te zien. Toen zij den voet op het trottoir zette, ademde zij geruster en waagde het om te kijken. Alles scheen verlaten; alleen zag men in de verte, in de Calle del Almirante, eenen man loopen die met de handen in de zak de marsch uit de „Pan y toros1\'\' floot. Toen Currita de San Pascual voorbij kwam, sloeg zij haastig een kruis. Jacobo teeder haren arm drukkende zeide spottend:
15»
228
— Kleine gekkin.
Zij waren al bij het Ministerie van Oorlog en daar werd Currita geruster, want daar begon de eenzaamheid, die haar zoo drukte, iets minder te worden. Een rijtuig reed de Calle de Alcala op en verdween in de Paseo del Prado; in den tuin van het ministerie blonk het geweer van een schildwacht, en eenige zingende mannenstemmen hoorde men zeer duidelijk aan de andere zijde van het hek.
De hoek van het ministerie werd gevormd door een afzonderlijk paviljoen van eene verdieping, met vier zijmuren elk met drie vensters. Twee net gekléede mannen, maar die schreeuwden en lachten als dronken lui, sloegen den hoek van het paviljoen om en stietten op Currita en Jacobo, voor het derde venster. De grootste van de twee drukte zich tegen den muur, de kleinste week op den rijweg uit en zoo lieten zij Jacobo en Currita tusschen hen door gaan. Toen gebeurde er iets vree-selijks, dat maar eene seconde duurde. . . . Currita voelde dat een geweldige ruk Jacobo van haar aftrok, dat een andere sterke hand hem den mantel van het lijf rukte die op den grond viel onder het venster en dat iets vloeibaars en warms als een straal haar op hare kleederen en handen spoot. De vrees gaf haar vleugelen om de Calle de Alcala in te vluchten, zonder dat zij zich rekenschap kon geven van hetgeen er voorviel en buiten staat een kreet te slaken.
Een jammerkreet van een stervende drong haar in de ooren en een tweede, sterke kreet, vol doodsangst sneed akelig door de lucht en door de stilte van den nacht.
— Kommandant van de wacht! — er is een man vermoord!....
Daarop klonk het bevel: Sta! snel achter elkaar uitgesproken
als kreten van waarschuwing en bedreiging; toen vielen twee schoten. Currita was reeds ademloos en bezwijmend bij het hek der kerk van San José gekomen en greep er zich aan vast. Zij wilde terug, zij wilde wegvluchten, zij wilde om hulp roepen, en meende op de plaats zelve te moeten sterven. Toen hoorde
229
zij do fluitjes van du serenos \'), hoorde vensters openen en zag aan de overkant der straat een man met een mantel aan en een piek in zijn hand, waarmede hij een lantaarn in de hoogte hield.
Het instinkt, veol meer dan nadenken deed haar begrijpen, dat zij zelve hier groot gevaar liep en zij begon op nieuw hare vlucht, liep de Calle del Caballero de Graoia door, zonder een oogenblik stil te staan, zonder adem te scheppen, zonder iets te zien of te hooren, zonder zelfs te denken, totdat zij, zij wist zelve niot hoe, zich hijgend in haar boudoir terug vond. Stijf van leden, met een ontdaan gelaat en uitpuilende oogen stond zij voor den neger van ebbenhout, die de nog brandende lamp omhoog hield als om voor haren geest het vreeselijk tafereel te verlichten. Zijne blinkende witte tanden grijnsden als met den eeuwigen grijns van een verdoemde.
Bij het licht dier lamp bezag zij hare handen, die nat en kleverig voelden en zij bemerkte, dat die met bloed waren bevlekt. Een grenzelooze afschuw doordrong toen haar lichaam en drukte hare ziel neder. Eene herinnering drong in hare gedachte als een gloeiend staal, en zij dacht aan haar dochtertje LIK, zooals die geknield had gelegen in het atelier hare handjes opheffende, bevlekt met het bloed van haren broeder en met grenzelooze schrik had geroepen:
— Bloed .... mama. . . . Bloed. . ..
1) De Sereno of schildwacht is een type dat het Spanje der middeneeuwen aan het Spanje van lieden heeft nagelaten. In alle steden hoort men, zoodra het donker is, stemmen die het uur van den nacht aangeven; dat zijn de Serenos. Zij loopen langs de huizen gekleed in een bruinen mantel en zijn gewapend met een sabel en een piek waaraan de traditionele lantaarn hangt. Deze lantaarn heei\'t alle verbeteringen in de straatverlichting\', zooals reverbères, gas en elec-trisch licht, overleeld.
VIL
Het duurde een groot uur, eer het Gerecht kwam om het lijk te herkennen en weg te voeren. Het lag dwars over het trottoir op zijne rechterzijde met het hoofd rustende op het voetstuk van het paviljoen, onder het tweede venster. Zijn rechterslaap vertoonde eene zware kneuzing, zonder twijfel door den val veroorzaakt, en aan de linkerzijde van den hals had het een geweldigen dolksteek, die den slagader geheel had doorgesneden. De groote stroom bloed, die daaruit was gesprongen, weekte zijne kleederen en bevochtigde den grond. Op den hoek van de Recoletos en de Calle de Alecla lag op het trottoir eene kostbare pelerine van beverbont, eveneens met bloed bevlekt. Voordat de rechter kwam durfde niemand iets aanraken.
Het lijk was gemakkelijk te herkennen. Men vond in zijn zak het briefje met de bedriegelijke uitnoodiging, dat hij des namiddags had ontvangen, verder de twee brieven van Garibaldi aan Br. Neptune, en verscheidene visitekaartjes met den naam van den Markies de Sabadell. Deze naam was maar al te zeer bekend en bij den natuurlijken afschuw, die elke misdaad inboezemt. voelden de aanwezigen die vermenging van schrik en verwondering, waarmede de mindere man een vermogen ziet te gronde gaan, of een machtige van de zachte kussens zijner koets vallen, om op de tafel van een hospitaal eene lijkschouwing te ondergaan. Dit nieuws liep van het eene
231
einde der residentie miar het andere, zonder dat iemand er een traan over stortte, maar het deed overal bewondering, schrik, en bovenal nieuwsgierigheid ontstaan; eene zenuwachtige, om zoo te zeggen, razende nieuwsgierigheid om de bijzonderheden van dit geheimzinnig drama te leeren kennen, die veel belangwekkender schenen dan de sombere tooneelen van Anna Eadcliffe of de dramatische avonturen van Claussa Harlowe. Vele clubleden van den Veloz gingen in het hospitaal het lijk zien en bij den hoek van het Ministerie van Oorlog zag men den ganschen dag een groeten kring van menschen, die met angstige belangstelling naar den grond onder het venster keken, waar nog de donkere schaduw van de misdaad schoen rond te waren, \'s Namiddags toen de grootste menigte gemaskerden en andere leden naar het Prado en de Eecoletos stroomde, durfde niemand deze met bloed besproeide plek betreden, en nam een ieder den overkant van den weg, terwijl men lang en bevreesd naar het tweede venster keek.
De dagbladen gaven extra nommers uit, die met geschreeuw in de straten werden gevent en toen werden de bijzonderheden van de misdaad bekend en besproken De verklaring van den schildwacht voor het Ministerie van Oorlog werd daarbij ook gepubliceerd. Volgens hem had hij tegen één uur in den morgen door het hek der Recoletos een man en eene vrouw zien loopen die met veel haast van de Oastellana kwamen. Zij liepen gearmd; de man droeg een Andaluzischen mantel met roode lissen en de vrouw had een zwart masker voor het gelaat en een grijsbonten mantel over hare schouders. Tegelijkertijd had hij door het hek van de Calle de Alcola gezien, dat twee mannen schreeuwende en zingende van dien kant kwamen, als of zij dronken waren. Beide paren kruisten elkaar bij het paviljoen, dat op de Kecoletos uitziet en daar had de schildwacht hen uit het gezicht verloren. Maar dadelijk daarop had hij in de stilte van den nacht het geluid gehoord van een lichaam, dat valt en een van die kreten, in doodsnood geuit,
232
die men nooit vergeet en die met geen andere kreten zijn te verwarren. Hij had toen de gemaskerde vrouw als eene wanhopige zien vluchten, de Calle de Alcala in, en de twee mannen, die eerst dronken schenen, maar thans zeer goed ter been waren, op den loop zien gaan, de een naar de Castellana en de ander naar de Plaza de Toro s. De laatste struikelde over de Cihele fontein en naar het plassen van het water te oordeelen, scheen hij er te zijn in gevallen Spoedig was hij er weer uitgekomen en zijn snelle loop had hem in do duisternis doen verdwijnen. De schildwacht, die door zijn consigne en het hek zijn post niet kon verlaten, was naar het hek gesprongen en had door de spijlen den man met den mantel op het trottoir zien liggen. Daarop had hij de wacht buiten geroepen, den vluchteling tot drie maal toe „haltquot; achter na geschreeuwd en ten laatste zijn geweer tot twee maal toe afgeschoten om nog meer alarm te maken. Drie serenos kwamen dadelijk aangeloopen en de officier van de wacht ging toen met twee soldaten het hek uit om naar den man op het trottoir te zien. Deze was reeds dood.
Er bleek dus uit een en ander, dat er eene „Zijquot; in het spel was, maar de, vooral in de hoogere kringen, zoo gloeiende nieuwsgierigheid stiet af op het geheim der instructie. Men wist dat Damian, de kamerdienaar van het slachtoffer, reeds den volgenden dag gevangen was genomen en dat zekere D. Francisco Javier Perez Cueto, stijfsel fabrikant in eene der voorsteden, als getuige was opgeroepen.... Van toen af hoorde men niets, waaruit men kon opmaken, dat de Justitie een stap vorderde en men begon met angstige verwondering te mompelen, dat in dit alles de hand der vrijmetselarij was te herkennen, dat de moord van Sabadell even ongestraft zou blijven als die van zijnen vriend Prim en dat de misdaad in de Recoletos altijd even geheimzinnig zou zijn, als die in de Calli del Turco. Maar opeens, toen dit gemompel meer vorm begon aan te nemen en bij de menschen eene vrees wakker werd, die elke
233
verborgen macht inboezemt, tegelijk met de verontwaardiging over eene laffe hinderlaag, deed een tegenstrijdig verhaal de ronde, waarvan men nooit de herkomst heeft geweten, maar dat zich toch met veel grond van waarschijnlijkheid verspreidde, zooals een onderaardsche put overal zijne vochtigheid uitwasemt. ... Br werd verteld, dat aan het geheele ongeval niets anders ten grondslag lag dan eene galante intrigue; dat de Rechtbank een briefje bezat, waarin een rendez-vous was bepaald, en dat eveneens een kostbaar kleedingstuk in handen der Justitie was, dat behoord#aan de aanlegster van de misdaad-, eene pelerine van bont, van binnen geteekeud met een zwart étiquette waarop met roode letters geschreven stond: — Worth — rue de la Paix Paris. . ..
Twee dagbladen, die naar veler oordeel aan de vrijmetselaars behoorden, schreven heftige artikels tegen de Rechtbanken in Spanje, die den arme als een misdadiger inpakken en hem als ontuig van de straat vegen en die hare oogen sluiten en hare armen over elkaar slaan, wanneer het machtigen der aarde geldt, die hunne misdaden bedekken met eene wapenrusting van goud, waarop het zwaard der Gerechtigheid splintert.
Wanneer een arme kerel Een enkel eitje steelt,
Trapt men hem onder den voet Een ander loopt daar vrij Met honderdduizend misdaden.
Men uitte zich zoo onbeschaamd en de stoutmoedigheid was zoo groot, dat de algemeene opinie, door die boosaardige toespelingen op een dwaalspoor gebracht, nu de Gravin van Al-bornoz als met den vinger aanwees, en men den drempel van haar paleis met denzelfden afschuw begon aan te zien, als drie dagen te voren het trottoir bij deu hoek van het ministerie van Oorlog.
Zonderbaar zijn soms de dwalingen van de conscientie van
234
het publiek, welke God in zijne eindelooze i\'eohtvaardighoid toelaat, om daarmede eene werkelijke misdaad te wreken, dio ongestraft was gebleven
Niemand in Madrid had Currita rekenschap gevraagd van het bloed van Velarde, dat, zooals iedereen wist, door haar toedoen was vergoten, en thans wierp men haar het bloed van Sabadell in het gezicht, waaraan zij toch onschuldig was en dat zij gaarne, tot eiken prijs, had terug gekocht.
Want de droefheid der dame was werkelijk groot, ofschoon niet luidruchtig of overloopend. Het^vas epne van die smarten, om het zoo uit te drukken, die aan sterke zielen eigen zijn; aan zielen, die zich in zichzelven terug trekken tot op den bodem van hun hart, als om hare kracht niet te verliezen, zooals de gewonde zwaardvechter doet, die in zijn pijn nieuwe kracht zoekt om zijne spieren te stalen en een laatsten geweldigen aanval te doen. . . . Deze zwakke, kleine vrouw had in haar tenger lichaam eene van die sterke zielen, die groot worden in het gevaar en het uittarten en die geen steun behoeven in smart of medeplichtigen bij de misdaad; zij was zich zelve genoeg en zij wierp de verschrikking van den vorigen dag van zich af, zooals de stier de rejones \') die hem pijnigen en hinderen met eene krachtige beweging van zich afschudt. Zij maakte zich tot verdediging gereed en was vast besloten de gevolgen van dien vreeselijken nacht onder de oogen te zien.
ifi isi i
Vóór alles moest zij nu nadenken, een plan vormen, hare antwoorden gereed maken en haar vragen ordenen. Ferdinandito lag te bed, met een van die aanvallen van verstomptheid, die het gevolg zijn van hersenverweeking en zij maakte daarvan gebruik om dien geheelen Maandag voor niemand thuis te geven. Zij was bang, dat men haar onmiddellijk met visites zou komen lastig vallen, met onbescheiden vragen en beleedi-
i
m
1) Kleine ijzeren schichten die bij de stierengevechten den stier in de huid worden gestoken om hem aan te hitsen.
235
gende condoleances, zooals mon dat had gedaan bij den dood van Velardi, ook eene vreeselijke katastrophe, die haar nu, zij wist niet waarom, akeliger voorkwam dan in het eerst. Maar tot hare groote verbazing ging de geheele Maandag voorbij, zonder dat er een enkele bezoeker hare antichambres doorliep; zoo ging de Dinsdag en ook de Woensdag voorbij. De beer in de vestibule kreeg geen enkel kaartje in zijn zilveren schaal. Evenmin kwam er een enkel briefje, het on-beteekenendst schrijven waaruit van eenige belangstelling, opmerkzaamheid of tH^tttf|^k. . . . Die verlatenheid, welke zij zich niet kon verklaAfï^j^Iöeg haar ter neêr, want zij wist niet, dat de publieke opinie Jacobo\'s lijk op den drempel van hare deur had nedergelegd; maar toen het haar ter oore kwam dat eene boosaardige geheimzinnige mond van den ongelukkigen vondst der bonten pelerine gebruik had gemaakt om op haar de verdenking van de misdaad te laten vallen, kreeg zij in hare eenzaamheid duizelingen van woede, sidderingen van een opgesloten wild dier en zij besloot den laster met doortastende stoutmoedigheid in het gezicht te slaan.
Het toeval bood haar zeer spoedig eene geschikte gelegenheid daartoe aan. Vrijdag vroeg in den morgen kreeg zij bericht, dat zij den volgenden dag dienst had in het paleis.
Volgens gewoonte zond de dame, die den vorigen dag in dienst was geweest, haar dit bericht. Deze dame was eene eenvoudige, vrome ziel, die de lasterpraatjes, welke er liepen minachtte. Zij waarschuwde dus Currita, dat het Zaterdag hare beurt was en liet het aan haar zelve over, of zij in het paleis wilde komen of niet.
Voor het eerst, na het vreeselijk onheil, glimlachte Currita, met dien glimlach van een duiveltje, die bij haar het teeken was, dat er een gelukkig denkbeeld in haren geest oprees. Haar dag van dienst viel dus op eenen Zaterdag en het was eene oude gewoonte, dat de Koning en Koningin dien dag het saluut van Atocha bijwoonden. Dit zou eene groote menigte
236
menschen trekken, daar de jonge Koningin de plechtigheid voor het eerst zoude bijwonen en indien nu Currita aan Hare zijde gezien werd, zou dit, zooals zij meende, de pijlen van den laster afwenden. Zij kende de wereld, waarin zij zich bewoog, zeer goed en wist, dat die haar oordeel en hare handelingen naar die van hooger regelde en zij dacht op goeden grond, dat zij zich in het publiek maar éénmaal naast de Koningin behoefde te vertoonen als bij de bron van alle eer, om aller terughouding te overwinnen en haar op de voorname plaats te herstellen , die zij altijd in de groot^jMp§d had ingenomen.
Zonder Kate te roepen sprong voor negen uur het
bed uit en deed zelf de luiken van een venster open om zich van den staat van het weder te vergewissen. De zon scheen in vollen glans, geen wolkje was aan den hemel te zien en de morgen beloofde een prachtigen namiddag. Currita voelde cene levendige blijdschap, die haar een zegepraal scheen te voorspellen. Voor deze gelegenheid zou men natuurlijk in open hofrijtuigen uitgaan en na het saluut zou men ongetwijfeld een toer doen door de Castellana, waar al de elegance van Madrid gelegenheid zou hebben haar te zien op haren post van eer.
Een ding ontzette haar evenwel. Zij was nu genoodzaakt den zelfden weg te gaan, dien zij met Jacobo in dien vreese-lijken nacht had geloopen, langs dezelfde kerk, waar hij het laatst had gesproken, voorbij dien hoek, waar zij hem, mot een doodskreet op de lippen, had zien vallen. Maar wat stond haar te doen? Op haar vijf en veertigste jaar zich levend begraven ?.... Zou zij, ter wille van sentimenteele bezwaren, zich door den laster haar overwicht laten ontnemen? Zich den scepter uit de hand laten slaan, waarmede zij den goeden toon en de goede manieren aangaf en dien zij, in weerwil van honderden schandelijke dingen door haar werkelijk gedaan, tot nog toe onbetwist had gezwaaid? ....
Zij moest om zich zelve lachen, toen zij het koortsig ongeduld bemerkte, waarmede zij het uur, om naar het paleis te
237
gaan, verbeidde. De vrouw van Lopez Moreno had geen grooter angst uitgestaan, of sterker verlangen gehad op den dag, dat zij voor het eerst werd voorgesteld in het Hotel Baselewsky. Met verdubbelde zorgen en uitgezochten smaak koos zij zich een zeer elegant toilet met inachtneming van al die kleinigheden die een verstandig mensoh nooit verwaarloost en die bewijst, dat hij volkomen op de hoogte is van het terrein dat hij gaat betreden. Zij koos een prachtig costuum van donker blauw fluweel met chinchilla bont afgezet, haar hoed en mantel waren van hetzelfde, in hare ooren droeg zij twee zwarte paarlen en op hare borst eene broche, in den vorm van een klaverblad, van een zwarte, een blanke en een rose paarl. Op haar linkerschouder droeg zij aan een vuurrooden strik de twee kruisjes van hofdame: oen kruisje van rood émail, dat zij van Koningin Isabella had gekregen en een kruisje met een M van brillanten en robijnen, dat de nieuwe Koningin Mercedes haar had geschonken. Toen zij gekleed was, bracht Kate haar eene kostbare kanten zakdoek en een paar handschoenen van peau de snede, terwijl Currita in eene doos zocht naar een zilveren reliekdoosje, dat een lignum crucis bevatte en dat zij zeer vroom kuste na het een oogenblik op hare borst gedrukt te hebben, terwijl zij hare oogen sloot en haar hoofd boog. Het was, alsof zij van den hemel oen grooten steun afsmeekte en daarop stak zij het in haar zak, als een amulet, aan hetwelk zij de kracht toeschreef om alle mogelijke kwaad en gevaar van haar af te wenden.
Toen zij de trappen van het paleis opging, voelde zij haar hart kloppen en hare beenen trillen, want zij bemerkte, dat twee lakeien met elkaar begonnen te fluisteren terwijl zij naar haar keken. Maar toen de hellebardier, die de wacht voor de deur der Kleine Zaal hield, zijnen helbaard afzette en met dien klinkenden slag de komst eener Grande aankondigde, wakkerde Currita\'s hoogmoed weder aan, ontwaakte hare energie op nieuw en met al haren wilskracht gewapend, ging zij de antichambre
238
door en drong tot in de Camara zelf, gereed den kamp te aanvaarden. Zij dacht daar de grootmeesteres of den dienst-doendon kamerheer, of misschion wel beiden te vinden, maar er was niemand en Currita ondervond de verlichting eener zieke, die bemerkt, dat de gevreesde operatie eenige oogen-blikken wordt uitgesteld, omdat de geneesheer zich verlaat heeft. Zij ging op een rustbank zitten, vlak tegenover de deur, die naar de bijzondere vertrekken der koninklijke familie leidde, om te wachten, totdat de koningin haar zoude roepen, maar hare zenuwachtige spanning liet haar geen rust en zij stond op om naar een der balcons te gaan en uit te kijken op de Plaza de la Amerie. Toen ging zij voor een der prachtige spiegels staan om de krullen op haar voorhoofd in orde te brengen, daarop ontdekte zij het prachtige portret van Alfonsus XII door Casado geschilderd, en in al den luister van een meesterstuk praalde op het kostbaren zijden behangsel van rood grenaat met gele bloemen. Een kwartier ging voorbij, dat Currita wel een kwart eeuw toescheen, en steeds vóór hot portret staande bemerkte zij dat de groote dubbele deur der vertrekken van de koningin open ging. Zij draaide zich snel om en zag dat de deur weer halver wege werd dicht gedaan, alsof de persoon die er uit wilde gaan, plotseling was blijven steken. Toen hoorde zij zonder de woorden te kunnen onderscheiden , eene zachte, ontroerde vrouwenstem, die om iets scheen te smeken, waarop een forsche driftige mannenstem met nadruk antwoordde:
— Neen, neen .... vandaag nog!. ...
Currita ontstelde vreeselijk en stak hare hand in den zak, als om het lignum cruris te zoeken. De groote dubbele deur ging open en de Grootmeester, eveneens zeer ontroerd, verscheen. . . . De dame, die veinsde nog altijd in de beschouwing van het portret verdiept te zijn, draaide haar hoofd om, terwijl zij hem met de hand groette en zeide met hare lieve stem, die in weerwil van haar zelve van angst beefde:
239
— Een prachtig portret! Ik had het nog niet gezien. Wanneer heeft men dat daar opgehangen ? —
Maar do grootmeester, zonder hare vraag te beantwoorden en met de uitdrukking van iemand, die een zeer moeielijk te vervullen plicht volbrengt, zeide stamelend:
— Hare Majesteit de Koningin ontheft u van uwen dienst . ... en .... en heeft mij opgedragen u Haren wil mede te deelen, dat gij uw kruis van hofdame zult terug geven.. . .
Currita wendde zich half om en met hare vuisten gesloten en haar hoofd in den nek geworpen, scheen zij den Grootmeester wel te willen aanvliegen; zij hield hare heldere oogen wijd geopend op hem gevestigd, en in die lichtkleurige oogen kon hij al de woede zien van iemand, die een slag in het gezicht zoo even heeft ontvangen al den schrik van iemand, die zijn laatste hoop ziet verdwijnen, al de venijnige en machte-looze woede van iemand, die zich ter aarde voelt geworpen door een veel sterker hand. .. .
Daarop, alsof bij de vernedering van dezen vuistslag in haar de hoogmoedige groote dame wakker werd, rukte zij beide kruisjes van hare borst en wierp ze op den grond. . . .
VIII.
Deze geweldige slag vernietigde Currita niet zóó, of boezemde haar dat vreemde gevoel van angst en woede in, als dergelijke slag in het aangezicht, dien zij te Loyola had gekregen en die haar had beschaamd, vernederd en doen zwijgen....
Achter de hand van Pedro Fernandez had zij de hand van God erkend, die haar verbood Zijn huis door het aanstootelijke van haar levensgedrag te ontheiligen, en achter de hand van den Grootmeester zag zij slechts de hand des Konings, die voor haar geen denkbeeld was, maar een mensch dien zij kon bestrijden en misschien overwinnen.
Zeer goed had zij met haar helder verstand en hare wereldkennis al dadelijk begrepen, dat zij al de scherpte van haar vernuft, al hare onverschrokkenheid en alle hulpmiddelen van haren rijkdom te vergeefs zoude aanwenden om op nieuw hare vrienden om zich te scharen en zich weder het middelpunt te maken van die schitterende hofhouding, die de bron was van haar leven, omdat die de bron was van hare ij delheid. Niets sleept zoo mede als het voorbeeld van een Vorst die in zijn persoon zelf de macht bezit om alléén een ganschen kring van lieden te verheffen of te vernietigen en de strenge, maar rechtvaardige wegzending van Currita uit het paleis, al had zulks veel eerder moeten geschieden, zou geheel Madrid dit voorbeeld doen volgen en de hooggeborene dame van het toppunt harer glorie naar beneden werpen met al het gerucht dat aan
241
groote schandalen is verbonden en met al de felheid, waarmede men zich veelal haast om van een gevallen boom brandhout te maken.
Zonder zich gewonnen te geven, zonder in haar eenmaal genomen besluit maar in iets te verflauwen, en in hare woede, hare razernij en hare smart zelfs kracht vindende om de koppigheid van eene eigenzinnige, verwende vrouw staande te houden, wist zij den weg te vinden dien zij thans had in te slaan. Al haar staatsmansbeleid en veldheerskunde, al hare practische wereldkennis en kennis van het menschelijk hart stonden haar hierbij ten dienste. Eene voorzichtige terugtrekkende beweging zou de vijandelijkheden doen bedaren, de ingenomenheid tegen haar doen ophouden, terwijl nieuwe schandalen de oudere zouden doen vergeten, misschien vergeven. Zij had er zooveel voorbeelden van gezien!. . . De aanleiding om zich terug te trekken bood zich als van zelve aan; Ferdinandito was thans tengevolge van zijne hersenver-weeking in oen staat van volkomen onnoozelheid gekomen, en men diende noodzakelijk met hem naar Parijs te gaan om daar een specialiteit te spreken, die moest trachten het werkelijk wonder te doen om een vonkje verstand te voorschijn te roepen in die ledige hersenkas, die nooit eenig licht van zich had gegeven.
Tot de reis werd dus besloten en Currita schreef twee dagen vóór den dag der afreis een brief naar het pensionnaat van Chamartin de la Kosa om Lilf af te halen . .. Het meisje was reeds twaalf jaar en zij geleek veel meer op een engeltje, dat gereed is zijn vlucht te nemen dan op een wezentje, dat het leven pas begint. Zij had iets in hare blauwe oogen, dat aan den hemel deed denken, iets treurigs en tegelijk kalms; iets opens en toch zoo diep, iets dat aan haar geheel wezen eene zeer sterke en tegelijk weemoedige bekoorlijkheid gaf, even aangrijpend als de dro\'evige glimlach eener weeze.
Hare moeder bejegende haar met hare zachtste lieftallig-II. 16
242
heden, en fluisterde hnar in terwijl zij haar omarmde, dat zij haar een goed, een prettig, een groot nieuws had te vertellen....
— Kun je het niet raden? . . .
Het meisje met oogen vol tranen en hare wangen, rood van den reinsten blos, vroeg snel;
— Gaat het beter met papa? — Heeft hij gebiecht?.. .
Currita zweeg, uit hot veld geslagen, zooals dit haar altijd
gebeurde met die ongelegen vragen van het kind. quot;Wie had kunnen denken, dat zij zich over haren vader bekommerde en of hem ja of neen het Sacrament was toegediend dat hij iu zoo lang niet genomen had ?
Zij begon te lachen alsof zij zich over dio vraag verwonderde. Kom! . . . Dat was het niet, . . . het was nog iets veel beters .. ., het was iets dat haar zelve aanging : hot beste, wat haar kon overkomen en hetgeen zij zeker gehoopt had. . . .
En weder moest Currita zich over Lib\' verwonderen, want al haar bloed steeg haar in het gelaat en zenuwachtig bevend bewoog zij hare handjes; zij hief hare oogen tot hare moeder op, waarin een bedwongen verlangen en zoete verwachting straalde naar hetgeen zjj het allervurigste wenschte. Haar engelachtig mondje opende zich een oogenblik ten halve, als om haar geheim te laten ontsnappen, zooals eene bloem haren geur loslaat, maar zij sloeg hare oogen weêr neder en bloosde nog sterker, terwijl zij bleef zwijgen met een verholen glimlach op de lippen.
— Maar zottinnetje, raad je het dan niet?.... Uw schooltijd is afgeloopen en je gaat met mij mede. ...
Wie had zoo iets kunnen denkon? .... Toen het meisje dit hoorde, bestierf de glimlach op hare lippen en verdween als een licht, dat door een windstoot wordt uitgedoofd. Angstig vouwde zij hare handen, zag hare moeder ontsteld aan en begon met een droevig hart te schreien.
— Maar mijn hemel, lieveling! riep Currita verbaasd uit. Wil je dan niet modegaan? Waarom schrei je nu? ... .
243
Lih\' wroef mot beide handen hare oogon en riep schreiend uit:
— Hier houdt iedereen van mij .... iedereen .... de moeders, de meisjes... .
— Maar mijn kind, houden zij dan misschien bij ons in huis niet van je! riep Currita uit, terwijl zij zeer ernstig zag; en het meisje dat een oogenblik weifelde, antwoordde met oprechten eenvoud, zonder de diepte van den zin harer woorden te kunnen meten:
— Paquito is er nu niet.. . .
Currita kreeg een gevoel van woede, dat evenwel dadelijk veranderde in een gevoel van diepe, heftige smart, zooals zij nog nooit had bespeurd in haar moederborst. Hare oogen vulden zich met tranen, zij trok het meisje tot zich, nam nu beide handjes van het gezicht en terwijl zij haar op het voorhoofd kuste, zeide zij zeer teeder:
— Wij zullen hem onderweg afhalen en dan gaan wij allen te zamen naar Parijs.
Het meisje schudde haar hoofd terwijl zij de liefkoozingen harer moeder afweerde, en hare droefheid trachtte te overmeesteren. Alsof zij zich tot een strijd gereed maakte, zeide zij beslist:
— En dan----ik kan hier niet van daan____ik kan niet....
— Waarom niet. ... Je bent bijna eene vrouw .... en hier zijn alleen kinderen. ...
— En vrouwen ook.. ..
— Maar mijn hemel kind! Waar zijn dan die vrouwen?____
— De Moeders....
— Wil je dan eene non worden? riep Currita met hare oogen wijd geopend uit. Eu het meisje, hare oogen sluitende en met eene bevestigende beweging van haar hoofd zeide:
— Ja!....
— Zoooo!---- Zeer goed; nu begrijp ik het, zeide Currita
zeer langzaam met hare liefelijkste stem____ En de Moeders,
die zooveel van u houden die----arme zielen, hebben dit u
in het hoofd gebracht. .. .
16»
244
— Neon, neen Mevrouw.... De Moeders hebben mij er niets over gezegd.
— Dan is het de biechtvader geweest, Pater Cifuentes.
— Ook niet....
— Maar wie dan ? .
— Paquito.
— Paquito? .... Welk een apostel!.... Waarom wordt hij zelf geen monnik?
Dat heb ik hem ook geschreven. Ik heb hem hot „leven van den heiligen Stanislausquot; gestuurd en een plaat van San Luis Gonzaga. . . . Maar hij heeft mij geantwoord, dat hij daar zeer dankbaar voor was, maar dat hij zeer ongelukkig was en op aarde een zeer groote taak had te vervullen.
Een zeer groote taak. . . . Welke, weet ik niet.. . .
Een vermoeden rees bij Currita op en zij werd zeer bleek ; het tooneel in haar atelier toen de knaap als een bloeddorstig wild dier zich op Jacobo had geworpen, kwam haar voor den geest; zij beefde van ontzetting, mot de terugwerkende kracht die een doorgestaan gevaar nog naderhand inboezemt; het knaagde aan haar geweten en verlevendigde in haar hart do pijn van eene nog bloedende, schrijnendo wonde. Ach! ....
Reeds behoefde de arme jongen die groote, zeer y. oote taak niet meer te volbrengen; oen andere, misdadige hand had het reeds gedaan op den hoek der Eecoleto\'s.
Lilf, in hare engelen-onschuld de uitwerking niet kunnende beseffen, die hare woorden op hare moeder moesten maken, vervolgde:
— Hij zeide mij, dat ik altoos goed moest oppassen en het Collegium nooit verlaten, en dat ik veel voor hem moest bidden en voor u, en voor papa, omdat Gods toorn over ons huis zoude worden losgelaten. ... Ik heb toen veel, veel geschreid en heb mij zelf als non aangeboden en dit aan Moeder Larin en Pater Cifuentes gezegd.
— En wat hebben zij u geantwoord? vroeg Currita met kleur-looze lippen.
245
— Do Moeder begon te schreien . . .
— En do Pator? ....
— Die begon to lachen en troostte mij, en zeide mij, dat ik niets moest beginnen vóór dat ik hem had geraadpleegd.
Currita bleef in gedachten verzonken en zweeg geruimen tijd, terwijl zij het meisje oplettend aanzag; op eens zeide zij:
— Pater Cifuentes moet veel van u houden!
— O! zeker; hij houdt veel van mij; hij is heel goed voor mij.
Wederom zweeg Currita, ernstig en nadenkend.
In dien geweldigen storm van aandoeningen, waarmede God hare ziel zweepte om die te redden, aandoeningen waarvan sommige heilig waren zooals do moederliefde, andere heilzaam zoo als do wroeging, zag zij eerst flauw, daarna al duidelijker en duidelijker hare idéé fixe weer te voorschijn komen, dat haar weldra vervulde en overmeesterde. Die idéé fixe was haar door haren kwaden ongel ingegeven; daarmede hield zij zich onafgebroken bezig; het zat haar in haar voorhoofd genageld als oone hardnekkige zenuwhoofdpijn. En die idéé fixe was: aan hare ijdolheid voldoening te verschaften en hare nederlaag te wreken; zij wilde hare oude positie in de groote wereld her-winnen, en hare schitterende hofhouding van elegante vrouw terug hebboQ. Op eens had zij een middel ontdekt, dat zij nog niet kende, een kronkelend voetpad, dat tot het begeerde doel zoude leidon. Vijf minuten lang bleef zij zwijgend, onbeweeglijk zitten en overwoog hare plannen. Lill, met hare handjes over hare knieën gevouwen, on met haar hoofdje op zijde gebogen, zag haar van tijd tot tijd door hare lange wimpers aan en verwonderde zich over deze ongewone stil-zwijgenhoid.
Eindelijk sprak Currita. Haar mooi, kostelijk duifje had haar verteederd; maar dit alles was zeer ernstig, zeer gewichtig .... en er moest bedaard, zeer bedaard over gedacht worden, eu niet, om zoo te zeggen, op eens, in eene seconde....
246
Vooreerst zou zij het meisje in het college laton en hare reis afbreken om met Pater Cifuentes te spreken. .. .
Toen Lih\' dit hoorde, sprong zij op eens van haren stoel, wierp zich aan hare moeders borst en bedekte haar gezicht met kussen, zij lachte en schreide tegelijk, zooals in April regen en zonneschijn in eene voorjaarsbui samen smelten. Ook Currita werd min of meer verteederd en stortte een paar tranen.
— Nu, nu, hartediefje bedaar; wij moeten alles goed bodenken ; bid God, dat hij ons voorlichte. . . . En nu, lieveling , zeg aan Moeder Larin, dat ik haar een oogenblik wensch te spreken, maar één oogenblik, liefste, zeg haar dat....
Moeder Larin kwam zeer ongerust aangeloopen, daar zij de eene of andere fopperij vreesde. Currita wierp zich met een aandoenlijk gelaat, weenend in hare armen. .. . Deze dag was de gewichtigste van haar leven, want God had haar geschonken waarom zij altoos zoo vurig had gebeden, eene dochter, die geestelijke zou worden!. . . . Zeer zeker ging het haar als een zwaard door de ziel, en zou het haar misschien het leven kosten, te scheiden van dien lieven engel; maar indien zij zeven zonen had, evenals de heilige Maria Magdalena van JPazzis, zou zij hen allen, één voor één, Gode wijden. De wereld was zoo slecht!....
Moeder Larin, zeer verontwaardigd toen zij Maria Magdalena van Pazzis, op eens moeder hoorde maken van zulk eene uitgebreide familie, haastte zich hiertegen op te komen door eerbiedig te zeggen:
— De heilige Sinforosa, meent misschien Mevrouw de Gravin.
— Was het de heilige Sinforosa? vroeg Currita. Ik dacht dat het die andere was; omdat ik eiken dag in het „Christelijk jaarquot; lees, verwar ik wel eens de eene met de andere.... Maar zeg mij eens Moeder Larin, denkt gij, dat mijn dochtertje bij haar voornemen zal blijven en dat het werkelijk hare roeping is.
De moeder trok hare wenkbrauwen op, en zeide zeer deemoedig:
247
-- Het meisje heeft het vormsel ontvangen .... en voor zoover ik kan oordeelen .... zoo als ik hoop. .. . Maar het beste zal toch altoos zijn, hierover haren geestelijken vader te raadplegen.
— Wie is dat? ....
— Pater Cifnentes,. . .
— Pawr Cifnentes?.... Werkelijk?.... Hoe verheugd mij dat. , . . Hij is een heilige .... iemand met zooveel kennis en zoo bedachtzaam. . . .
— Dat is zoo. . . . Spreek met hem en zie dan. . . .
— Maar ik ken hem niet---- Ach, Moeder Larin, schrijf
hom een briefje, deux mots, om mij bij hem aan te bevelen— Zeg hem, wat ik wensch, hoeveel ik van mijne kinderen houd, en dat ik altoos gewoon ben, recht door zee te gaan.... Dan zal hij mij wel goedgunstig willen aanhooren.. . . Gij kent mij wel, Moeder Larin. ... Ik ben zoo ongelukkig. . . . Men hoeft van mij zulk eene verkeerde voorstelling. . . .
En Currita, zelve overtuigd van hetgeen zij zeide, zooals dit gewoonlijk het geval is met bedriegers van beroep, strekte hare handen uit en opende wijd hare lichte oogen, als om Moeder Larin gelegenheid te geven haar van binnen te bestudeeren en eindigde met bitter te gaan schreien, terwijl zij haar gezicht met haar zakdoek bedekte. Moeder Larin die veel medelijden met haar had en meende , dat dit verdoolde schaap de schaapskooi weder opzocht, poogde haar te troosten en beloofde haar, dienzelfden avond nog aan Pater Cifnentes te schrijven om haar bezoek aan te kondigen.
— Ik ben u in mijne ziel daarvoor dankbaar, Moeder Larin, en zal het mijn leven lang niet vergoten, steunde Currita.... Maar gelooft gij niet, dat er tegen het voornemen van mijne arme Lib\' moeielijkheden zullen zijn? .... Perdinandito is een zeer goed mensch, maar als man bezit hij do vroomheid niet van ons vrouwen en zal hij de zaak uit een geheel ander oogpunt beschouwen.
248
En toen zij roods bij do dour was cn hartelijk afscheid van de goede Moeder genomen had, zeide zij nog eens.
— Vergeet niet, waarop het aankomt.... De Pater moet overtuigd zijn van de goede trouw waarmede ik handel, van do oprechtheid mijner bedoelingen. . . .
En op eens terug komende, alsof haar daar juist iets inviel, zeide zij:
—• Ach, Moeder Larin, daar vergat ik iets. ... Ik weet niet of ik het al aan Lili\' heb gezegd; het is als of die gedachte mij uit den hemel komt. .. . Men heeft mij vertelt, dat gij een nieuw sieraad maakt voör den Witten Donderdag en ik wilde gaarne, dat dit op mijne kosten geschiedde. ... Ik wilde gaarne dit aandenken u laten .... laat Lili\' dit kleine geschenk aan het College doen.. ..
— Dank, duizendmaal. Mevrouw de Gravin.
— Dank?.... O Moeder Larin, welk eene wereld waarin wij leven. God gave, dat het geld slechts gebruikt werd voor zulke gaven.
Zij stapte in hare coupé De inval moeêt haar inderdaad van boven zijn ingegeven, want het was Lili\', een engel des Heeren, die haar er op had gebracht. Vreemd was het, dat zij niet eerder op die gedachte was gekomen; en zij ging den brief van Loyola, dien gowichtigen brief van Pedro Fernandez, welken zij van buiten kende, in hare gedachten eens na en daarin stond: „Indien Mevrouw de Gravin van Albornoz te Loyolo komt om haar zonden te biechten en God vergiffenis komt vragen voor hare afdwalingen, dan behoeft zij daarvoor geen tijd te bepalen, want elk uur is daarvoor geschikt.quot; En over deze zinsnede peinzende, legde zij die op de volgende wijze uit:
„Indien de Gravin van Albornoz te Loyola komt, dat wil zeggen bij Pater Cifuentes, hare zonden biecht en aan God vergiffenis vraagt voor hare afdwalingen, of hetgeen hetzelfde is, dien eerwaarden heer een rad voor de oogen draait, door
249
hem te vertellen hetgeen hij reeds weet en achter houdt hetgeen hij des noods kan verzwijgen .... kon zij onder de hoede zijner eerwaardigheid en zich vasthoudende aan zijn priesterlijk kleed, in het binnenste heiligdom der aristocratische vrome dames binnendringen, met den rozenkrans in de hand zich oen weg banen op het pad der godsdienstigheid, naar die hooge plaats, waarvan laster en ondankbaarheid haar hadden neder-gerukt.
Maar daarvoor was het niet noodig tot heiligschennis te vervallen , waarvoor zij altoos was teruggedeinsd en nog terugdeinsde. Zij was bereid alles te biechten, voor zoo ver zij dacht, dat het onvermijdelijk was, zich zelve beschuldigen van al hare zonden en al hare afdwalingen opsommen. ... Wat kon hot haar schelen of Pater Cifuentes al wist, wat in alle couranten had gestaan hetgeen zij zonder blikken of blozen gelezen had. Indien zij een offer had te brengen, indien zij van iets afstand moest doen, dan ware het een ander geval, maar do dood, de dolk van een moordenaar had zich reeds daarmede belast, en haar bleef niets over dan die wonde in het hart en die haat in de ziel! . . . . En bij het denken aan Jacobo\'s dood en aan hare eigene vernedering geraakte zij buiten zich zelve en voelde zij haar bloed koken van smart en woede. De misdaad, aan Jacobo gepleegd, vond zij de afschuwelijkste die er ooit was gedaan en haar val de wreedste tirannie, waarvan ook een Nero, Tiberius of Busiris is beschuldigd.
Met een kleinen, maar zeer natuurlijken en gegronden schroom, ging zij Pater Cifuentes bezoeken, want deze had de faam, dat er met hem niet te spotten viel, maar haar voornemen, plotseling opgekomen als een vrouwengril, stond vast als oen manlijk besluit en de gedachte stelde haar gerust dat er slechts weinigen waren, die haar overtroifen in scherpzinnigheid en bedrie-gelijke vleierei. Met de grootste behendigheid begon zij haar plan uit te voeren. Eerst sprak zij over de roeping van Lili, over haren hartewensch, over haar zielsverlangen, dat zij al
250
hare krachten wilde ondersteunon, ofschoon zij veel zoude hebben te worstelen met moeielijkhedeu, die Pèrdinandito haar in den weg zoude loggen. Dit laatste was een handige zet van de guslepeno vrouw, waardoor zij een slag om den arm hield om later, als zij haar doel had bereikt, de vrome plannen van het meisje te verijdelen. De Jezuiet hoorde haar onverstoorbaar aan, met de handen in de mouwen, terwijl hij van tijd tot tijd op haar zijne oogcn vestigde, wier blik scherp was a!s een lancet, en waarvoor Currita de hare moest afwenden of neerslaan , of laten rondwaren langs do muren van het vertrek. Toen de dame uitgesproken had, begon de Pater den deksel van zijn hoornen snuifdoos met zijn blauw en groen geruite zakdoek te wrijven; en met de grootste natuurlijkheid der wereld zeide hij op vasten toon:
— Uwe dochter heeft geene roeping daartoe, Mevrouw de Gravin.
Currita bleef verstomd en uit hot veld geslagen zitten en stotterde, terwijl zij haar hoofd op en neer bewoog.
— Maar zij heeft het mij toch gezegd, ik dacht . . .
— Gij dacht verkeerd, Mevrouw de Gravin.
liet meisjo is een engel met een helder verstand en oen grootmoedig, rechtschapen hart; zij is gedrukt door do brieven van haren broeder; die snijden door de ziel, mevrouw de Gravin, die snijden door de ziel! . . . .
En de twee ontleedmessen, die Pater Cifuentes in zijne oogen had, drongen door en door Currita\'s voorhoofd, alsof zij daar hare gedachten wilden onderzoeken.
— Daarom, vervolgde de Jezuiet langzaam, wil het arme kind zichzelve ten otter brengen, om de redding der anderen te verzekeren, om voor de zonden van anderen te boeten, waarover zjj zich bedroeft, even als de engelen in den hemel. Zij beweent die zonden, zonder iemand daarmede te bezwaren. Let wel op. Mevrouw de Gravin: zonder \'iemand daarmede te bezwaren.
251
Mevrouw de Gravin sloeg zedig hare oogen neder, alsof zij het wilde doen voorkomen, dat zij niet begreep, of zij het was of een ander die dit aanging.
— Maar Mevrouw de Gravin zal wel begrijpen, dat dit denkbeeld, hetwelk ik niet zal bestrijden, terwille van het goede en prijzenswaardige, dat er in gelegen is eu omdat die lieve engel daardoor nader tot God komt om te verkrijgen, hetgeen zij van Hem vraagt; dat dit denkbeeld, herhaal ik, daarom nog geene roeping is. Het is alleen een aanbod, dat het arme meisje in haar verdriet en uit de volheid van haar edelmoedig hart, doet. Zoolang God dit niet aanneemt, bestaat er geene ware roeping; en wat mij aangaat, kan ik hierin niet aanmoedigen.
— Dus zijn wij hier, dacht Currita bij ziohzelve, die niets van al die mystieke fijnheden begreep, juist zoover als aan hot begin van ons onderhoud. En terwijl zij een prachtig gebedenboek, dat zij om hare vroomheid te toonen had medegebracht, in hare handen omdraaide, zeide zij ootmoedig:
— Wat dunkt u dan dat er gedaan moet worden?
— De genade Gods laten werken, die haar misschien als gunst de roeping schenkt, die zij nog niet heeft. En onderwijl haar op het collegium laten.
— Gij denkt dus, dat ik haar niet moet overhalen mede naar huis te gaan?
Pater Cifuentes deed zijn snuifdoos open, en met de onverstoorbaarheid van iemand die tegen een doove spreekt en mot de bedaardheid van iemand, die zegt, dat het warm is, of dat het rogent, zeide hij eenvoudig:
— Neen, Mevrouw.... De voorbeelden, die zij daar ziet, zullen haar waarschijnlijk niet bederven, maar zeer zeker dooden.
Currita antwoordde niet op deze verschrikkelijke beschuldiging; evenmin schaamde zij er zich over, of werd boos. Integendeel maakte zij gebruik van dezen zweepslag, die haar zoo even was toegediend om op jammerlijken toon te zeggen:
252
— Ach ja, vader, dit is zoo.. . . Als gc wist, wat er in ons huis omgaat. Als go kondot begiijpon in welken toestand ik mij bevind.
En mot uiterste handigheid veinzende haar masker af to werpen vertelde zij , met oprechtheid en eenvoud, aan Pater Ci-fuentes onbewimpeld het ergerlijke van haar loven, het tragisch einde van Jacobo, den laster door onzichtbare vijanden uitgestrooid, de onmogelijkheid om hen aan te klagen en zich voor den rechter te verdedigen. Zij had de bescherming zoo noodig van een geacht persoon, van iemand, die door zijne braafheid en prestige bevoegd was; hare verdediging op zich te nemen, door haar hare werkelijke fouten te vergeven en haar tegen valsche beschuldigingen te verdedigen, door haar in zijne bescherming on vriendschap op te nemen, en door dit feit alleen, haar in de oogen der wereld te rehabiliteeren. . . . Dit was veel gevraagd, dit wist zij wel; maar zij vroeg het niet voor zich zelve, die het niet verdiende en die erkende, maar zij vroeg het om de liefde Gods uit medelijden, uit deernis met hare arme kinderen
Currita zweeg met gebukt hoofd en gevouwen handen, zij wachtte zeer godvruchtig met neergeslagen oogen op de geduchte strafpredikatie en de geweldige oorwassching, die zou volgen, vergezeld van eene strenge vermaning om te biechten en boete te doen en eenige zinspelingen op de vlammen der hel, en ten slotte, maar veel later, hetgeen zij zoo vurig verlangde en met zooveel gretigheid zocht; een edelmoedig aanbod, gul, oprecht en volledig. Maar Pater Cifuentes, die zonder los te barsten, deze opeenstapeling van schandelijkheden en gruwelen had aangehoord, zonder zelfs eenig teeken te geven van ontzetting, afkeer, medelijden of ongeloovigheid, haalde zijn hoornen snuifdoos uit den zak, nam een snuifje en zeide:
— Ga de oefeningen bijwonen.. . .
— De Oefeningen ? .... vroeg Currita verbaasd.
— Ja, de Oefeningen van Sint Ignatius, bedoel ik....
253
Gisteren zijn zij begonnen in de kerk van het Heilige Hart in de Calle del Caballero de Graeia. Gij hebt nu nog tijd;. .. . begin er van middag mede.
— Ik .... goed .... dadelijk, stotterde Currita. Maar zooals ik heb gehoord, kan men er alleen komen als men eene uit-noodiging heeft.
— Ik zal u de Superieure aanbevelen en met de Markiezin de Villasis er over spreken, die is Presidente van het bestuur....
Ourrita voelde zulk eene ontroering van blijdschap, dat zij op het punt was zich te verraden. . . . Eindelijk zegepraalde zij toch! En niettegenstaande zijne koelbloedigheid en gevatheid , had zij den vromen Pater doen toebijten. . . . Tussohen de Markiezin van Villasis, de dame, die de meeste achting in de groote wereld genoot en Pater Cifuentes, den priester van nog meer prestige, zou zij haren zegepralenden intocht doen, in het binnenste heiligdom der aristocratische vromen. En als zij maar eens daar binnen was, zou zij weldra allengs de toejuiching en vereering weten te herwinnen en de plaats te hernemen, die zij tot onlangs had ingenomen.
Toen zij thuis gekomen was, kleedde zij zich zeer eenvoudig, met die zorgzaamheid voor kleinigheden, die gewone menschon versmaden, maar die door lieden van hoogeren rang en met praktisohen geest bezield, nooit over het hoofd worden gezien. Eene stemmige japon van zwarte zijde, een flnweelen mantel met bont gevoerd en de mantilla geheel over de schouders getrokken, met veel gratie gechiffoneerd, een gedeelte van haar gelaat bedekkend, overigens hare roode lokken, waaraan zij steeds kenbaar was, zeer duidelijk latende zien. Zij zorgde er wel voor, dat men, in geval het in de kerk duister was, of dat men twijfelde, of zij het was of niet, zij goed te herkennen zou zijn.
Om vijf uur begon de Heilige Oefening en zij had het er op toegelegd zeven minuten over vijven binnen te komen, opdat allen haar konden zien. Zij stapte uit haar rijtuig en
254
ging de vestibule binnen, waar zij dacht de eene of andere geestelijke zuster of een portier te vinden, wien zjj naar de Markiezin de Villazis of naar Pater Cifuentes kon vragen. Maar zij zag niet anders voor zich dan een steile trap, die in het midden was gescheiden door een ijzeren hek dat als leuning kon dienen. Boven stonden twee dames zacht te fluisteren, maar hielden daarmede dadelijk op, toen zij Currita zagen, die de trap opklom. Zij verdwenen onmiddelijk, zonder dat Currita haar herkend had. Toon stond Currita vlak voor de deur dei-kapel , die wijd open stond; de kapel was zeer ruim en achterin was een groote deur die tot het Collegium toegang gaf en een andere daarnaast, voor het publiek bestemd. Aan het boveneinde der kapel stond het altaar, spaarzaam verlicht met eenige kaarsen die rechts en links van den tabernakel brandden Boven, op het hoogste gedeelte, was eene schoone afbeelding van het Heilige Hart en daaronder hing een groot brocaat van rood fluweel, waarop deze woorden geborduurd waren: — Venite ad me omne.f.. . . Aan beide zijden van de groote deur, achter in de kapel, stonden de koorstoelen der geestelijke zusters en daarop zaten de dames van het bestuur. De Markiezin van Villasis zat aan den rechter hoek, met de Hertogin van Astorga naast haar.
Currita zag, toen zij in de deur stond, dat er een einde van een bank ledig was en daarvoor ging zij nederknielen, terwijl zij met hare handen een paar van die wonderlijke grepen in de lucht deed, waarmede sommige dames meenen een kruis te slaan.
Toen sloeg zij hare handen over de leuning, boog haar hoofd zeer godvruchtig, en begon uit hare ooghoeken oplettend na te gaan, wie er in de kapel waren en wat er in gebeurde.
En hoe wonderbaar is toch die scherpzinnigheid en dat aanstekend vermogen onder eene kudde vrouwen. . . . Het duurde geene vijf minuten, of er was in die groote ruimte geene enkele meer of minder vrome ziel die hare opmerkzaamheid niet op Currita\'s aanwezigheid hield gevestigd, zonder dat daarvoor iets
255
anders noodig was geweest dan oen zacht gefluister, een of andere gelieimzinnige wenk, oen godsdienstig boek of een gewijde rozenkrans, die op don grond viel om aan de dame die hem opraapte gelegenheid te geven ongemerkt een snellen blik om zich heen te werpen. Daar zat Currita in zeer vrome houding, terwijl zij kalm de blikken doorstond, waaruit zij de innerlijke opmerkingen, die ze vergezelden, zeer goed kon vermoeden. De Gravin van Murqufa, eene zeer gestrenge dame, die vele vrijdagen bij Currita had gegeten en niet zelden geprofiteerd had van hare loge in do comedie, zat naast haar. Currita\'s nabijheid deed haar ontstellen; zij wendde haar gelaat met eene akelige uitdrukking af en drukte zich, zooveel zij kon, tegen de andere dames op die bank, terwijl zij moeite deed do ruimte tusschen haar en de geschandvlekte, zoo groot mogelijk te maken. Currita, zonder hare godvruchtige houding te laten varen, voelde lust haar bij de haren te trekken.
Een oogenblik later kwam eene dame met twee jonge meisjes binnen, die hare dochters schenen te zijn. De kleinste knielde naast Currita neder, maar de moeder — zonder twijfel gewaarschuwd door eene dame die zachtjes iets tot haar gezegd had — stond haastig op, nam het meisje bij den schouder en verwijderde het van daar. Currita voelde ditmaal geone kwaadheid; maar zij kreeg een pijnlijk, verscheurend gevoel, dat zij nog niet kende; het scheen haar het treurige gevoel toe van iemand, die zich alleen en hulpeloos door een bemind wezen ziet verlaten ; het meisje, dat een oogenblik naast haar geknield had, had haar doen denken aan Lili.
Nog andere dames kwamen binnen en de kerk werd allengs gevuld. Die later kwamen, voegden zich bij degenen, die er reeds waren, maar niemand wilde de open plaats naast Currita innemen, liet gevoel van verlatenheid drukte haar meer en meer, het deed haar pijn, en veroorzaakte bij haar eene innerlijke prikkelbaarheid, een bitteren haat, die haar er toe bracht, vol wrok in hot onreine van haar leven te wroeten en na te
256
gaan en op te tellen de ergerlijkheden en vuiligheden, waarvan iedereen wist en die geduld, veroorloofd, ja zelfs bijna toegejuicht waren door datzelfde Madrid, dat haar thans den rug toekeerde En zij had lust Madrid die schandalen in het aangezicht te werpen en het zeer logisch de vraag stellen: Ben ik bij geval nu slechter dan vroeger? Maakt een anonyme laster, door verraderlijke moordenaars verspreid, meer indruk op u dan die hoop modder, waarmede ik u aanhoudend het gezicht heb bespat ?
— O! Wat een wereld, wat een wereld! Zoo onrechtvaardig en vuilaardig. Wat heeft Lilf gelijk, die niet te willen betreden. Zij, engel des Heeren, zoo rein en lieflijk.... En bij deze herinnering verscheen voor haren geest, met de snelheid eener décoratie in een tooverballet, het beeld van het meisje tegenover het ongerechte, onreine Madrid, dat haar drift had gaande gemaakt. Hare gansche ziel was vol van Lilf, die een hemelsch licht verspreidde tegenover den hoop afzichtelijk en stinkend slijk, den onreinen en troebelen poel, dien zij in hare verbeelding had te voorschijn geroepen, toen zij met zooveel volharding in de herinnering van haar leven had gewroet. Het was Currita, alsof zij een riool bij het rose licht van den dageraad aanschouwde; alsof zij de hel zag, beschenen doorstralen uit bet Paradijs en zij voelde zich overwonnen en beschouwde zich veroordeeld. Want die hoop slijk was zij zelve en dat licht van Lili was het licht van God, van den eenigen zede-meester, die onafhankelijk is van ellendige maatschappelijke toegeeflijkheden en naar wien de daden der menschen zich moeten regelen. Eene laatste opwelling van trots beheerschte haar nochtans.
— Ik ben eene eerlooze, dat is zeker.... Maar laat God mij oordeelen, en niet de menschen.. . .
En terwijl zij haar gelaat vol woede en wanhoop ophief om een blik van lioogmoedigo uitdaging terug te werpen, zag zij vóór zich het beeld van Jezus Christus, den eenigen Rechter,
257
die haar overwonnen trots wilde aannemen, en die haar zijn bloedend hart toonde en, met de spreuk die daar onderstond, zeide: Venite ad m* omnes. Eene geheimzinnige smart doorboorde toen haar hart, en zij herhaalde zacht:
— Omnes.... — Allen, allen! .. . .
Ondertussohen was het gebed geëindigd en een Jezuiet beklom den kansel, om de meditatie te verklaren, die volgens de vastgestelde regelen der Oefeningen van San Ignacio aan de beurt was.
De meditatie handelde over het laatste oordeel en de Jezuiet verdeelde zijne rede in drie doelen. Ten eerste: de schrik der huichelaars, wanneer zij hunne verborgen zonden aan het licht gebracht zien. De vernedering der schaamteloozen, wanneer zij hunne openbare zonden, waarop zij zich verhoovaardigden door iedereen zien verafschuwd en de Voorzienigheid klaar en duidelijk gerechtvaardigd zien in de onbegrijpelijke wegen, door God voorgeschreven tot heil der menschen. En eindelijk: Gods alwijs bestuur, geopenbaard in groote en kleine gebeurtenissen, in smart en vreugd, in nederlaag en zegepraal, in zachten drang en harde bedreiging, in belooningen en straffen. Al deze zaken, die in ieders leven voorkomen, doen bij het licht van den vreeslijken dag des oordeels de vaderlijke Voorzienigheid Gods zien, in vereoniging met hare meest te vreezen en meest te begeeren eigenschappen: de rechtvaardigheid en de barmhartigheid.
De Jezuiet sprak zeer eenvoudig, terwijl hij die verschrikkelijke waarheden op duidelijke wijze verklaarde. Van tijd tot tijd deed hij angstverwekkende beschrijvingen, die de verbeelding pijn deden, de harten deden beven en die de ziel voorbereidden op den toekomstigen weerklank van die verschrikkelijke woorden:
— Odsa arida, audite Verhum Domini!....
Er heerachte eene diepe stilte, die voel overeenkomst had met de stilte der vrees, en de Jezuiet, een weinig de richting IL 17
258
van zijno toespraak veranderende, liet op eens de oneindige goedheid Gods zien, de meest vertroostende van al zijne groote eigenschappen; zijne grenzelooze barmhartigheid, waarin hij den zondaar eene vergiffenis toezegt, zóó eindeloos groot en zóó volkomen, dat daarin de grootste overtredingen als atomen verdwijnen.
— Laten wij ons een mensch voorstellen, die tot het uiterste van de misdaad is vervallen; belast hem in uwe gedachten mot de eerlooste handelingen, die men maar bedenken kan; ziet hem daar rustig slapen, te midden zijner verachtelijkheid, alsof hij buiten bereik van den dood ware, alsof er geen geweten en geone wroeging bestonden. . . . Maar evenals in den droom van Nebukadnezar een van den berg losgemaakten steen den kolossus met leemen voeten verbrijzelde, zoo zal een sprankje van Gods barmhartigheid, op het smeeken van eenen rechtvaardige, zonder eenige zichtbare oorzaak, dezen colossus van het kwaad vernietigen, en in diens verscheurde ingewanden een traan doen ontstaan, die naar het hart zal opstijgen en van daar naar de bezoedelde oogen, waaruit hij zal springen en over zijne wangen vloeien. . . . Deze traan had hem de waarheid geopenbaard, schuldvergeving doen verwerven en den vrede achter gelaten! ....
En alsof die heilzame traan, door de prediking van eenen rechtvaardige te voorschijn geroepen, in het binnenste van ééne ontstond, tot het hart opwelde en uit de oogen barstte van ééne, zoo verbrak oen snik van geweldige droefheid de diepe stilte en weerklonk tot in de verste hoeken der kapel. De Jezuiet ontstelde er een oogenblik van en zij, die de Gravin van Albornoz kenden, zagen elkaar bleek en getroffen aan. Currita lag daar, gebogen over de leuning, vermaald als een graankorrel onder een molensteen, op hare handen bijtende als met eene bovenmensoholijke inspanning, om hare kreten, hare snikken, haar gekreun van do pijn, die in hare borst brandde, in te houden.
259
Du preek was godaau en eveneens was het aandoenlijke, zachte gezang van den berouwhebbenden zondaar: Perdon, oh Dios mio! geëindigd. De talrijke vergadering ging langs Currita heen, zonder dat deze het hoofd ophief, of zich bewoog, alsof de schaamte over geheel haar leven, haar daar had neergeworpen en vastgenageld hield in tegenwoordigheid van al die nieuwsgierige, medelijdende of spottende blikken harer vroeger mededingster.
De kapel bleef ledig en eene leekezuster, die zich als een schaduw bewoog, deed de lichten uit, zonder dat de Gravin van Albornoz zich bewoog of teeken van leven gaf. . . . Een paar armen omsloten haar toen in die eenzaamheid, waarvan alleen God getuige was, en een bewogen stem zeide zeer zacht:
— Curra, mijne dochter, beneden staat mijn rijtuig____ Wilt
ge, dat ik u raedeneem? ... .
Curra lichtte haar hoofd op en vestigde op haar, die zoo sprak, een weerstrevenden, angstigen blik, alsof zij geen begrip had van de werkelijkheid. In hare oogen weerkaatste als in twee spiegels al de verbazing en al de foltering harer ziel.... Eindelijk herkende zij de Markiezin van Villasis en het gelaat der zondares, voor het eerst van haar leven, rood van schaamte, verborg zich aan den reinen boezem der sterke Vrouw, terwijl zij snikkend fluisterde:
— Ja, ja! ... . Neem mij mede, waar mij niemand ziet.... Naar Chamartin, bij mijne dochter....
Het meisje was niet verwonderd haar te zien. .. . Dien zelfden namiddag had zij, op raad van Pater Cifuentes, het offer van haar leven aangeboden, en zij wachtte vertrouwend en rustig, zooals de schutsengelen wachten op de tranen der zondaren.
17*
IX.
Men heeft gezegd dat een arme slokker spitsvondige!- is dan honderd advocaten, maar er is een, die spitsvondiger is dan honderd armen en honderd advokaten te zamen en dat is do levenslustige, weinig ijverige knaap, die met een boek vóór zich, op een bank zit geplakt. In dat geval bevond zich op zekeren dag de jeugdige Alfonso Tellez Ponce, bijgenaamd de Prop, met de guitenstreken van een duivel en het hart van een engel, aanhalig als geen ander, de afgod en do voortdurende verzoeker zijner kameraden en de lieveling en eeuwigdurende kwelling zijner onderwijzers.
Toch konden op dien morgen zijne voornemens niet beter zijn, nog zijne bedoelingen oprechter Den volgenden dag zou de naamdag van den Heilige des rectors met eene heerlijke buitenpartij gevierd worden op het strand bij Biarritz, en de Prop, die door twee of drie vonnissen tot eene langdurige opsluiting was veroordeeld, hoopte door een geheelen dag van voorbeeldig goed gedrag de algeheele vrijspraak zijner straffen te verkrijgen, en de schorsing van tien of twaalf gedingen die hem wegens verschillende attentaten, streken en inbreuken op do wet, nog bij den Pater Prefect wachten.
HÜ was dus, zoodra de bel begon te luiden opgestaan, had zich gewasschen zonder een droppel water te morsen en had geen ander ongeluk gehad dan zijn j/iif de chambve te breken, natuurlijk zonder opzet. Hij had zich netjes aangekleed, was
261
de kapel binnen gegaan had daar de mis aangehoord met al de aandacht van San Luis üonzaga in persoon.
Tot zoover ging alles goed, maar bij het verlaten van het gewijde gebouw was hem een oogenblik de duivel in het lijf gevaren en zonder het te kunnen laten, had hij zijn kameraad, die in de gewone volgorde voor hem uitging, aan een stuk van diens hemd getrokken, dat zeer onordelijk onder zijn kiel te voorschijn kwam. In do studeerkamer had hij de actiones nostras met groote vroomheid gebeden, daarna, uit kracht van gewoonte, een prop papier naar zijn linker buurman geworpen; de boeken van zijn rechterbuurman, als een noodzakelijk gevolg van zijn temperament, op den grond gegooid en eindelijk met veel omslag den deksel van zijn lessenaar geopend.
Toen zette hij zich aan de studie. Zijne rhetorische studiën waren al het vorige jaar geeindigd. Hij had al het beleg van Troje medegemaakt, was tegenwoordig geweest bij de stichting-van Rome, had met Horatius gedronken uit de watervallen van Tibur, had met Virgilius de bijen bewonderd, met Cicero de Republiek gered en met Demosthenes op de openbare pleinen redevoeringen gehouden. Dit jaar moest hij zich wijden aan de verheven kennis van de mathesis en hij had reeds, op bevel van den professor de hoogte gemeten van den dorpstoren, met eene fout in zijne berekening van ongeveer twee kilometer. Op gezegden morgen had hij zich niets minder voorgenomen dan om den straal van een bol te berekenen en hij haalde vol ijver zijn leerboek voor den dag, zijn passerdoos en een vel wit papier, waarop hij zijne berekening wilde maken.
Pater Bonnet, die met het toezicht belast was, zag met verbazing, van zijn zetel, naar zooveel ijver en hij meende de bekeering van Sint Augustinus te zien, of de verandering van Saulus in Paulus.
Met een vlugge beweging van zijn passer trok de Prop netjes en zuiver een cirkel, rond als de volle maan. Mooi! .... Rond als de wereld!.. .. Het geleek, vond hij, op hot gezicht van
262
mquot;io Dous, de winkelierster, die elastieke ballon verkocht bij de Bayonner poort. Hoe merkwaardig! .... De Prop trok zeer handig er een paar boogjos in, die elkaar sneden en vond zich in zijne meening bevestigd. . . . Die twee boogjes beteekenden zonder twijfel de oogon van madame Dous, rond klein en wijd geopend, de gelijkenis was treffend, alleen ontbrak er boven op het hoofd nog de chignon en daarom teekende de Prop op het hoogste punt van den cirkel een chignon; verder teekende hij een neus, een grooten mond, en opdat er niets aan zoude ontbreken, aan beide zijden van den cirkel een paar ooren met daarbij behoorende oorbellen. In minder dan een kwartier had hij het gezicht van madame Dous in plaats van den straal van den cirkel gevonden.
Hierover voldaan, liet hij zijn werk aan zijne beide buren zien. Een vlugge hand kwam toen achter hem te voorschijn en maakte zich meester van het kunststuk.
Alle heiligen! .... Hoe schrikte de Prop, toen hij , zich om-keerendo Pater Bonnet zag! ... . Eene mooie gelegenheid om thans zijn verzoek tot toegeeflijkheid in te dienen.
—• En hiermede maakt gij uw schoolwerk .... mijnheer van .... Prop,.... zeide de Minister van Justitie met een ontzettende stem.
En de heer van Prop, ofschoon overbluft, antwoordde flink weg, met de hand op zijn hart, dat hij het in gedachten had gedaan, zonder er iets aan te kunnen doen.
— Daarom, zonder er iets aan te kunnen doen, krijg je van daag geen dessert en morgen, zou ik denken, geen buitenpartij voor u. .. .
De Prop begon droevig te schreien, duwde links zijn leerboek weg, rechts zijn passerdoos en met zijn hoofd leunende op beide handen, staarde hij door zijne tranen heen op den looden inktkoker vóór hem. Eene vlieg liep op den rand en bewoog zijn fijn snuitje terwijl hij met zijne achterpooten zijne doorschijnende grijze vleugeltjes glad streek. De vlieg scheen na te denken,
263
on toen viel het don Prop in, dat hij, om zijn verdriet te verzetten, hot diertje wel kon vangen. Hij greep de vlieg bij do achtorpooten, maar het diertje verzette zich verontwaardigd daartegen, door op eene jammerlijke wijze met zijn vleugels te snorren.
Gevangen in het nauwe net Geeft de onnoozele kwartel Zijne krachten prijs aan den wind.
Te laat zich beklagend.
De onverbiddelijke Prop besloot de vlieg te gebruiken als het werktuig zijner wraak. Hij nam een zeer fijn papier, schreef er op: — Dood aan Pater Bonnet .... en terwijl hij netjes een punt er van omvouwde maakte hij het van achter aan het dier vast en liet dit vliegen met het papier als de lange staart van een paradijsvogel. De pret van den Prop was onbeschrijfelijk. Hij had de theorie van den postduivendienst in praktijk gebracht. Toen sloeg hij do handen aan den arbeid en in minder dan een kwartier vlogen door de kamer een dozijn vliegen die allen het devies voerden: — Dood aan Pater Bonnet.... Deze muiterij scheen aanstekelijk, want zij vond overal navolging, maar ook variatie. De een schreef op roodo papiertjes: — Leve de vrijheid. Een ander ging verder en schreef: — Weg met de Jezuieten, en een derde, de zoon van een emigrant, maakte eene bonbonniére stuk en schreef op blauw papier: — Leve Carlos VII! .. ..
Het was eene algomeene uiting van persoonlijke neigingen en staatkundige idealen en er was geen een onder de Lili-putiaansche staatslieden, die niet zijne gevoelens openbaarde door middel van dit nieuwe soort postduiven. Alleen Paco Lujan, ofschoon hij zich niet veel bezig hield met het boek, dat hij vóór zich had, bepaalde zich er toe de vlucht der postduiven met oen goedkeuronden glimlach te volgen, maar nam geen deel aan dit sluiksch tijdverdrijf. Achter hein zat een groote jongen met een smal voorhoofd, oen maleisch type en
264
eene afgunstige uitdrukking op zijn gelaat; deze die meer daa eens twist had gehad met Lujan en verscheidene malen had kennis gemaakt met diens sterke vuisten, schreef heimelijk op een cigaretten papiertje eenige woorden, maakte dit volgens het systeem van den Prop aan eene zeer groote vlieg vast en, terwijl hij angstig om zich heen zag, liet hij de vlieg ter sluiks boven het hoofd van Paco vliegen, liet diertje zweefde een oogenblik in de lucht, maar naar beneden getrokken door zjjn papieren staart zette het zich op den schouder van den knaap die vóór Lujan zat. Deze begon te lachen toen hij het zag en greep het papier, terwijl de vlieg heenvloog, en do arme jongen, blijde met zijn buil, ging het papiertje lezen.... Maar zijn pleizier was spoedig gedaan... . Hij werd doodsbleek, toen hij het ontcijferd had en sprong half van zijn bank op, alsof men hem met een gloeiend ijzer had aangeraakt. Hij wierp een blik van wilden haat en van woede op den onschuldigen Prop, die juist zijn zestiende vlieg, met het devies — Dood aan Pater Bonnet — losliet. Achter beider rug bespiedde de Maleier met boosaardige belangstelling dit zwijgend tooncel, dat tegelijk iets kinderlijks en vreeselijks had. Paco Lujan wendde langzaam het hoofd af en verborg het, als verpletterd, in beide handen die beefden van woede; twee tranen, twee van die tranen, die zelden op vijftienjarigen leeftijd gestort worden, sprongen uit zijne oogen, rolden over zijne wangen; zijne woede droogde ze dadelijk, zooals het zand der woestijn den waterdruppel inzuigt. Hij had op dat papier eene grove aardigheid gelezen, waarbij de naam zijner moeder en bedektelijk die van Sabadell genoemd waren en onderteekend door den zoon van dien gehaten man, dienzelfden Alfonsito Tellez, den argeloozen Prop, het duiveltje in rozekleur, zooals de Kector hem noemde, om tegelijk zijn engelenoponhartigheid en zijne guitenstreken aan te duiden.
Wat een onverwachte en vreeseljjke slag!.... De knaap, door het groot en stil lijden van zijn jeugdig leven gewoon te
265
zwijgen, zwoeg ook thans, terwijl hij zijn wraakzucht en zjjne tranen verkropte en een uur daarna, toon do bel de leerlingen naar school riep, gaf Paco Lujan geen teeken, het gehoord te hebben en bleef op de bank zitten met het hoofd in de handen, zonder ander teeken van leven te geven dan door de zenuwachtige schokken, die zijn lichaam bewogen. Pater Bonnet dacht, dat hij in slaap was gevallen en nam hem de handen vóór zijn gezicht weg. Toen zag hij zijn verwrongen gelaat, zijne wijd geopende oogen en voelde zijne gloeiende handen:
— Wat is er, mijn jongenf.... Zijt ge ziek? Hebt ge koorts ?.
— Neen, neen . . . ik heb niets, antwoordde de knaap met een gedwongen glimlach. En zich snel uit de handen van den Pater losmakende, liep hij naar de schoolkamer.
ïfooit was er vroolijker ontwaken dan dat op den volgenden morgen voor do schooljongens op hot Collegie te Gruichon; hot het had iets van het ontwaken der vogels bij het aanbreken van oen schoenen dag in Mei, wanneer zij bij den eersten zonnestraal van hun takje springen, met vrooljjk gedruisch elkaar toeroepen en zich door het gebladerte verspreiden niet een geluid als een waterval van juichende trillers, dat tot in de diepte der ziel doordringt, haar ontroert en medesleept en in haar wakker roept vrede, vreugde, troost en dankbaarheid jegens God. Eene vroolijke fanfare had dien dag weerklonken, in plaats van de bel, die op gewone tijden de jongens uit hunne diepe rust wekte, om hen te werpen in de kleine, maar voor hen zoo groote moeieljjkheden van het schooljongensleven. Honderd daverende vivats voor den Kector gaven antwoord op de muziek en de overstroomende vreugde, het leven, dat bruisehte in die kleine lichamen, stortte zich uit in de slaapkamers, over de gangen en over het geheele Collegie en brak op de deuren der kerk, door eene van die plotselinge wendingen, bijua ongelooflijk bij jongens, maar die bewijs geven van de groote macht van de tucht en van de onweerstaanbare
2G6
kracht, die uitgaat van eene overheid, die zich weet te doen eerbiedigen en beminnen te gelijk. In de kerk heerschte eene diepe stilte; de mis werd met vrome aandacht aangehoord en daarna een sober ontbijt gebruikt. Toen volgde een oogenblik van algemeene afwachting en angstige spanning.
De Pater Prefect, de gevreesde uitvoerder van plechtige vonnissen, verscheen en beval de Prop en zes andere veroordeelden uit de gelederen te treden. Ontsteltenis vertoonde zich op aller aangezicht en terwijl de boosdoeners, bleek en boetvaardig, zich naar de linkerzijde begaven, ontstond er onder de andere knapen die woeligheid, die altoos bij de menigte heldhaftige besluiten voorafgaat.
Ben kleine, dikke jongen, rood als oen tomaat, trad vooruit en den Rector tegemoet gaande, die juist binnen kwam zeide hij met heldhaftige grootmoedigheid:
— Laat dezen mede naar buiten gaan.... Ik zal in hunne plaats blijven; ja, mijnheer, ik zal in hunne plaats thuis blijven.
Een kreet van vervoering begroette de zelfverloochening van den held en de Rector, zijne hand met een indrukwekkend gebaar uitstrekkende, zeide ernstig:
— Gij, mijnheer de advocaat van verloren zaken zult mede naar buiten gaan en deze zeven heeren zullen oogenblikkelijk uit mijn oog.. . .
Hier hief de Rector zijne hand op, alsof hij den bliksem der wrekende gerechtigheid op de schuldigen wilde doen nederdalen en besloot met vreeselijke strengheid;
— Om ook met ons naar buiten te gaan.
De strengheid van den Rector deed een blijden schaterlach ontstaan en een groot gejuich begroette de vrijspraak; de mutsen vlogen op vleugelen van opgewondenheid de lucht in, terwijl de ontslagen boosdoeners en de edelmoedige jongen, die hun voorspraak was geweest, met broederlijke hartelijkheid in de hoogte werden geheven.
Allen gingen toen op weg door de velden vol bloemen, langs
267
do gi-oono weilanden, dichte boschjos en langs villa\'s, door heerlijke tuinen omgeven die den geheelen weg van Gruiohon tot de zee versieren De zee breidde zich achter Biarritz uit, beukte de rotsen met geweldige kracht, dreigend en indrukwekkend onder den azuren hemel en bij dat kalme weder scheen het een gebaar van heftige woede in het aangezicht eener rustige godheid.
Maar ginds aan het Biscaisch strand, op een hoog en verborgen plateau, dat door rotsen gevormd wordt en niet ver van eene bekende, verrukkelijke villa verwijderd is, hield de vroolijke troep halt met het doel daar hun kamp op te slaan en hunne siesta te houden. Het eten was zeer goed en de etenslust niet minder.
Bij groepjes van tien of twaalf begonnen de jongens hun landelijk feest, waaraan de zeebries eene verkwikkende frischheid verleende.
De zon overstroomde allen met haren gouden gloed en de vroolijkheid der jeugd bracht hare genoegelijke spraakzaamheid aan De onderwijzers hielden oen wakend oog, liepen her- en derwaarts, namen deel aan de gesprekken, schertsten en lachten, en voorkwamen door hunne tegenwoordigheid buitensporigheden, zonder te schaden aan de vroolijkheid en de uitgelatenheid. Op een zijner omgangen ontwaarde Pater Bonnet Lujan, op zijn turksch gezeten te midden van een der talrijkste groepen. De knaap scheen in gedachten verzonken en sprak niet mede, hot bord voor hem was nog leeg, en het brood, dat op hot servet lag, was nog niet aangeraakt. Een der jongens zag dit cn riep;
— Vader .... Lujan eet niet . . .
Deze keerde zich snel om, en met gedwongen vroolijkheid antwoordde hij:
— Eet ik niet? .... Zie maar eens... .
En hij dronk in een teug, zonder adem te halen, een boordevol glas wijn; daarop toonde hij zich vroolijk, spraakzaam en grappig.
268
Toen stond hij plotseling op en begon heen en weer te loopen, iilsof hij iets zocht. Het eten was afgeloopon en de jongens, die zich overal verspreid hadden, begonnen allerlei spelen.
Boven op een rots zat de Prop to paard op oen dor uitstekken ; hij was in zijne horadsmouwen en had het druk met van oen door hem gevonden rieten stok en een lang snoer oen vischtuig te maken.
Lujan naderde hem van achteren en eene hand op zijnen schouder loggende zeide hij met oen vreemden klank in zijne stem:
— Prop .... kom mede! . . . .
Deze sloeg zijne oogen op, maar bij hot zien van dat bleek gelaat en dien dreigenden blik word hij ongerust; hij liet den rieten stok los, wierp zijn vest over don schouder en stond gedwee op.
— Ga voor, zeide Pace.
Een smal voetpad in den rots uitgehouwen, liep tusschen spitse en groote steenbrokken tot onder aan het strand waarop de golven beukten, en de beide knapen klommen daarover naar beneden , Alfonsito verrast en ontsteld en de andere bleek en met een dreigend gelaat. Beiden, zonder hot te vermoeden, werden medegesleept door de grootste ramp op aarde en die het meeste medelijden verdient; dat namelijk de onschuldigen voor de schuldigen moeten booten.
Toen zij onder aan het voetpad waren gekomen waar groote rotsen zich eenzaam verhieven en het gedruisch der zee verdoofde en beangstigde; waar het gejuich der jongens niet meer werd gehoord en geen spoor van menschen te zien was, keerde Prop zich ongerust om en zag zijn makker beschroomd aan; maar deze hem voortdringende zeide:
— Ben je bang? .... Vooruit. . ..
liet voetpaadje, dat zij gevolgd waren eindigde op een klein, overal door rotsen omgeven plat, dat de zee bij vloed overstroomde met wit schuimende golven, bij ebbe in eene kleine
269
holte eene vrij diepe waterput achter latende. Tapon drong tegen den rots aan, die hom den uitgang afsneed. Weder keerde hij zich om met een bleek en doodelijk ontsteld gelaat en vroeg zacht:
— Wat wilt ge? ....
En do ander den vrijen teugel latende aan de woede, die hem verstikte, aan zijne wraakzucht tegen den vader van dezen onschuldigen knaap, die reeds liuiten zijn bereik was en die zijn wraakzucht reeds zoovele jaren in de diepte van zijnen boezem had gevoed met al het geduld, waarmede men de snede van een mes scherpt, riep mot eene vreesolijke stem uit, terwijl hij hem aan zijn arm schudde en de vuist voor zijn gelaat hield:
— Wat ik wil?.... Dooden wil ik u, uw nek breken.. . . U in het water gooien. ... Een van ons beiden mag niet op het collegie terug komen.
En het noodlottig papiertje, dat hij den vorigen dag in handen had gekregen, uit zijn zak halende, hield hij het den Prop onder de oogen terwijl hij, doodsbleek van woede, schreeuwde:
— Ken je dit? ....
l)e knaap vestigde een oogenbük zijne oogen op het hem onbekende papier, dat de hand, die het vasthield, deed ritselen van hartstocht; het schaamtegevoel van zijn schuldeloos gemoed kleurde een oogenblik zijne lijkkleurige wangen. Hij schudde het hoofd, sloot zijne oogen en wendde zich af.
— Dat is eene gemeenheid, zeide hij .... dat is slecht. .. .
— Slecht! en jij hebt het geschreven! .... brulde de ander op het toppunt van woede. En met een geweldigen vuistslag velde hij den armen Prop ter aarde en wierp zich toen dadelijk op hem, onder kreten, schor van razernij, terwijl hij tegen den vader, de moeder en den knaap zelve afschuwelijke belee-digingen uitbraakte die uit zijn keel schenen te barsten, alsof daar geene plaats was om die uit te storten. Hij sloeg hem met den vuist, trapte hem, trok hem de haren uit, beukte zijn hoofd tegen de rotsen, totdat hij uitgeput eu hijgend zijn
270
eigen handen vol bloed zag. . . . Toen deed hij een stap achteruit, bleek en ontdaan, en toen overviel hem in oen oogenblik het gevoel, dat in alle edelmoedige harten opkomt, wanneer do vreeselijke bedwelming van de wraak over is en zij het weerloos slachtoffer overwonnen en vernietigd aan hunne voeten zien uitgestrekt. Een gevoel van groote genegenheid voor dien armen jongen, op wien hij, zonder dat het hem baatte, al de matelooze haat, die hij den vader toedroeg, had willen wreken, drong toen in zijn borst en bracht hem weer tot zijn verstand. Met eene bedaarde, bijna verteederde stem gaf hij zijn zakdoek, zeggende:
— Prop .... ge bloedt.. . .
De knaap poogde overeind te komen, jammerlijk kreunend en op een toon van groote waarheidsliefde steeds herhalend: ik bon het niet geweest! .... ik ben het niet geweest.... En met eene uiting van verscheurende smart, alsof de beleedigingon die hij tegen zijnen vader en zijne moeder had hooien uiten , hem moer pijn veroorzaakten dan zijne lichamelijke wouden, riep hij klagend:
— Mijn vader is dood.... Ik heb hem nooit gekend.. . . Maar mijne moeder is eene heilige... . Verstaat ge? .... eene heilige!
Paco Lujan voelde zijn hart wegsmelten in tranen en ging toen op den knaap toe, die op het punt was Hauw te vallen, om hem te ondersteunen. Deze had een wond in zijn voorhoofd en hieruit vloeide overvloedig bloed, dat langs zijn aangezicht liep en zijn hemd kleurde. Hij hielp hem opstaan, terwijl hij hem onder zijne armen steunde en voerde hem mede naar de waterplas, die door do ebbe in de holte van den rots was achtergelaten. De knaap liet zich vol vertrouwen leiden, terwijl hij zijn doodsbleek hoofd, wit als een jasmijn, die \'s morgens is afgesneden, op den schouder van Paco liet rusten. Lujan, bemerkende dat hij zijn zakdoek op de plaats van het gevecht had laten liggen, liep t rug om dien te halen.
271
Tollez intussohen, ontdaan on bijna wezenloos, voelde na de ruwe behandeling, die hij ondergaan had, een gevoel alsof hij moest overgeven. Hij zat op den rand van het plateau en zich voorover buigende om in zee te spuwen, verloor hij zijn evenwicht en viel naar beneden. Een groote golf\', die op dat oogen-blik tegen de rotsen opklom, greep hem met zijn duizend klauwen van schuim en in zijn geweldigen terugstoot sleepte hij hem mede Lujiin gaf een geweldigen kreet van schrik, onbegrijpelijk sterk voor de geluidorganen van een kind en hij bleef met ton berge gerezen haren en met vertwijfelde uitgestrekte armen staan kijken naar die groote golf, die een onschuldige van de aarde veegde en daarmede een vreeselijk gericht van God voltrok.
Zijne vreeselijke ontzetting duurde maar een oogenblik. . .. Hij zwom zeer goed .... en hij zou hem er uit halen . . .., al moest hij daarvoor tot op den bodem der zee duiken en daar zijn hoofd verpletteren tegen de rotsen, of met gebroken armen worstelen tegen den dood. En hij trok zich de kleeren al loopend van het lijf en scheurde zijne naakte boenen aan de scherpe steenen en zijne hijgende borst aan de puntige rotsen terwijl hij met wijd opengesperde oogen over den rand hoonboog om te zien, of hij in zee geen zwart punt zag, geen bewoging aan de oppervlakte van het water.
Niets!. . . . niets!. . .. dan de golven, blauw en helder, niettegenstaande het afschuwelijk ongeluk, en waarin de azure, schitterende hemel zich spiegelde. . ..
— Heere Jezus!.... Heilige Maagd.... Laat hij zich vor-toonen... . Moeder der bedroefden, ik geef mijn leven in ruil. Ik haat hem niet .... ik bob hem lief .... ja zelfs zijn vader... . Heere Christus, vergiffenis ... Tk heb berouw. .. . Hij was goed... . Wie slecht was, dat was mijne moeder . . . . zij .... zij----
Hij stond rechtop, stijf als een dondo; het was, alsof hij do helft grooter was geworden. Daar .... daar .... daar op twintig
172
vademen van gindsche rots, bewoog zich het water een weinig, eene wieling in het water werd zichtbaar en een zwarte stip kwam te voorschijn. ... Ja .... ja. .. . Er was geen twijfel aan, Jezus!.... een gebald handje dat om hulp werd opgestoken. . ..
Als een vallende ster beschreef Jjujan oen boog in do lucht en het andere slachtoffer verdween in zee. Een vrome kreet uit zijne prille jeugd, door de Koningin der engelen op zijne lippen gelegd in dit uiterste oogenblik, was als eene belofte van vergiffenis :
Droevige Maagd der herinnering Zult gij mijner gedenken?
Hij zwom twintig vademen met de kracht der wanhoop; dook eenmaal en kwam weer boven, hij dook weder en toen kwam er niet één hoofdje boven, maar er waren er twee naast elkaar het eene blond, het andere zwart. Toen gingen beiden weder onder, eene kleine draaikolk achterlatende, tegelijk met een weinig schuim en eenige waterblaasjes, onmerkbaar in de onmetelijke zee, die alleen begrensd is aan den verreu horizon door een witten sluier, die haar in tweeën deelt.. ..
Den volgenden dag vonden eenige visschers van Guetary, de twee lijken der knapen op eene rots uitgestrekt. Zij hielden elkaar nog vast, ook in den dood.
In hun angstigen, vreeselijken strijd tegen den dood, was het scapulier van den een om den hals van den ander geslagen, en het rustte als een merk des hemels op beider borst.
Nooit heeft men geweten, aan wien van de twee bij zijn leven het heilig zinnebeeld had toebehoord. Hot was het bidsnoer der Maagd der Herinnering.
EINDK VAN HET VIERDE KOEK.
NAREDE.
De klok van het Sanctuarium van Loyola had reeds den laatsten slag vóór de Mis laten hooren; de Broeder portier stond aan de deur te kibbelen met eene van die indringerige, femelende vrouwen die altijd eone vrome belangstelling toonen in allerlei nieuwtjes, die de kerk betreffen om daarover te wauwelen; die donken, de zegepraal der kerk en de uitroeing der ketterij te bevorderen door onder geloovigen en ongeloovigen rond te vertellen, dat Pater, A. tweemaal achter elkaar geniesd heeft en dat het boordsel van het calotje van Pater B. uitgerafeld is.
Eene dame iu den rouw kwam op dat oogenblik uit do Hos-pederia, ging langzaam het grasveld over en klom de trappen op, die naar het Sanctuarium voeren. Zij was eene groote, nog jeugdige vrouw, die neergedrukt scheen door de zwaarte van een dier groote rampen, die het lichaam ter aarde buigen alsof zij daar troost en vrede zoeken. Het zwarte krip, dat over haar voorhoofd hing, zonder het geheel te bedekken, liet een paar oogen zien, ontstoken van het wecnen, maar waarin thans geene tranen meer waren, en op haar verwelkt gelaat van een volmaakt schoon ovaal, scheen de roerende uitdrukking ingeprent van onvergankelijke smart. Toen zij den portier voorbij ging, groette deze haar met teekenon van diepen eerbied en de femelaarster altijd belust op nieuwtjes, vroeg, wie zij was;
274
— De Markiezin van Sabadell, antwoordde de portier.
Ue vrouw liet een kreet van verassing hooren en met een soort van medelijdende bewondering volgde zij de dame met hare oogen, tot dat zij verdween in de Gothische poort van het oude ridderlijk huis der Loyola\'s.
Een oud rammelkastje, door twee magere paarden getrokken , kwam op hetzelfde oogenblik de poort van Catalengua binnen, reed vlug het grasveld over en hield stil voor de kleine trap. Eene andere dame, eveneens in rouw gekleed, stapte er uit. Zij was tenger, klein van gestalte en bedekte even als de andere dame onder zwart krip een afgetobt gelaat; dit was vol vlakken en hare roede lokken waren met grijs vermengd. Niemand in deze streek kende haar; zij had zich dien zomer in een zeer net huurhuisje gevestigd, dicht bij het badhuis van San Juan en van den weg af kon men haar dikwijls in den tuin zien wandelen met een zwaarlijvig heer, die, naar het scheen idioot was, en die van tijd tot tijd op vreemde wijze schreeuwde, of dwaas lachte; hij kwam bijna niet uit zijn wagentje, dat dan eens werd voortgetrokken door een klein ezeltje, dan eens door een knecht, maar meestal door de dame zelve. De boeren uit den omtrek noemden haar Gorriya, dat wil zeggen de roode.
De Broeder portier kende de dame en groette haar, toen zij voorbij kwam, met veel oplettendheid en onderscheiding. De femelaarster vroeg toen weer, wie de dame was.
— De Gravin van Albornoz, — antwoordde de ander.
De Gravin ging eveneens het gewijde gebouw binnen en naar boven naar het beroemde heiligdom, dat op dat oogenblik vol menschen was, van allerlei rang en stand; waar de edelman zich mengde onder de landbouwers, de groote dame zich voegde bij de boerinnen, met die vertrouwelijkheid en volmaakte gelijkheid , die velen uitbundig aanprijzen, maar die alleen begrepen en tot werkelijkheid gemaakt kan worden in den tempel van God. Currita raakte met haar japon bij het voorbijgaan de japon van hare ongelukkige nicht aan en ging, zonder
275
deze te bemerken, op vier schreden afstand van haar knielen. Maar de Markiezin had Cnrrita wel gezien en herkend en het trillen harer handen, het plotseling gebaar van afschuw, toen zij haar gelaat afwendde, het zwoegen van hare gepijnigde borst, zonder dat er een traan uit hare oogen kwam, alsof de bron er van was opgedroogd, waren duidelijke kenteekenen van den afgrijselijken indruk, dien gindsche noodlottige vrouw op haar maakte. Het was de eerste maal, dat zij hare nicht weder zag na zooveel rampen.
De Mis begon voor het beeld van Sint Ignatius, aan den anderen kant van het rasterwerk.
Currita, bleek en onrustig, liet haren blik rondwaren om naar een zitplaats te zoeken en er geen vindende, liet zij zich ootmoedig neder op de koude zerken. Ben oude bedelaar van Azpeitia stond van het einde der bank, waarop hij zat, op om voor haar plaats te maken; maar zij wilde die niet aannemen en bedankte met een vriendelijken glimlach.
Eindelijk kwam het oogenblik der Communie. De priester opende den tabernakel, keerde zich tot het publiek en zegende armen en rijken, aanzienlijken en geringen, onschuldigen en boetelingen, beulen en slachtoffers. Aller hoofden bogen en allen knielden.
— Ecce Agnus Dei, ecce qui tollit peccata mundi!. ...
Vele mannen en vrouwen kwamen naar voren en knielden neder; daaronder waren de Markiezin van Sabadell en de Gravin van Albornoz, do twee mededingsters, de beul en het slachtoffer, de onschuldige vrouw en de cynische schaamtelooze.
Een geruime tijd ging voorbij; deze Mis liep ten einde en eene andere begon. Langzamerhand verlieten de geloovigen het heiligdom, maar de Gravin van Albornoz bleef achter, neder-geknield. Haar hoofd was gebogen, hare handen waren gevouwen en zij was het levend zinnebeeld van den ootmoed, verpletterd door de genade. Achter haar knielde de Markiezin van Sabadell, ver van de andere verwijderd, en zij ondervond
276
voor het eerst, na den dood van haren zoon, de onuitsprekelijke verlichting der tranen.
Op eens deed Cnrrita eene pijnlijke poging om op te staan. De Markiezin stond ook plotseling op, ging de kapel uit en bleef staan bij den wijwatersbak.
Daar zag haar de Gravin van Albovnoz, die bleek als een schim een stap achteruit deed,
Maar de Markiezin een stap vooruitgaande, deed eene enkele beweging, niets dan eene kleinigheid, eene van die waarover de menschen zich verbazen en de engelen zich verheugen.
Zij stak hare hand in den bak met het gewijde water en bood het haar aan, op de toppen harer vingers. ...
EINDE.