-ocr page 1-

op I)Ct

HUerïjttUgste.

_ , *\'\'\'111: tocgelicljt öonr -------\' ———l

J. C. ALBERD1NGK THIJM, S. J. j

?j?g4!j rglt;!4!4ii 33SS3 \\SSSE3

Pi!

rgagaa. S5SB- ^BES

jfe iW

,JLÉS£i

| Boclt^aiiörl rn BinSrvij.

3 C. L. Van Langenhuysen, n AMSTERDAM.

Dvultfervil BtsHuguBtiiius. Desclée, De Brouwer en Cquot;. BRUGGE.


-ocr page 2-

313 C 20

-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

£j O f t -o

;«g«glt;i i-gaaai ;«gggji liuumssst tssssi is-sssuttsamp;zsz

ê iKw.

cn^j

B

Brnere\'s Ditl)ilinillLU\'

op fjer

HUerbeiUgste

tncBEliröt önor

J. C. ALBERD1NGK THIJM, S. J.

«4«n i-e««si .sxsxe ESS3XS3 tsss^i mémüi

■■alt;ü-s^lt; ^3S3 S3ïE22Si3 laxairs isas^s

iiorlifinnörl rn BmSnij. G. L. Van Langenhuysen, AMSTERDAM.

BRUGGE. !g|

32223 SS^S S2S3 S22S tairzr;

ürufelifrij JSt=S[iiffusfmii6. Desclée, De Brouwer en Gie.


-ocr page 6-

ALLE RECHTEN VOORBEHOUDEN.

-ocr page 7-
-ocr page 8-

niei

mij

ver,

U

opd

ken

Sac

biet

ook

bov An

i

-ocr page 9-

aroetutjömg.

\'istus, m

Verlosser, Jezus Chk.

het stof neergebogen voor Uiu troon, draag ik, nietige zondaar, U den geringen en zoeten arbeid op, door mij besteed, aan de verklaring van dit lied, gezongen ter verheerlijking van de liefde Uws harten. Geiuaardig U op dit boekje Uw hemelschen zegen ziit te storten, opdat het vrucht drage tot Uwe glorie: U inniger doe kennen, vur iger beminnen, trouwer dienen in het groote Sacrament Uwer liefde en Uw hart eenig eerherstel biede voor al den smaad, waarmede Gij in deze eeuw, ook in ons vaderland, helaas ! overladen zijt, Gij, „ onze boven alles verheven, in eeuwigheid gezegende God /quot; (\') A men.

i. rom. ix, 5.

Dithyrambe.

-ocr page 10-
-ocr page 11-

„Jaren aan jaren heeft niet ver van Leiden een man gewoond, die zeker tot de schitterendste geniën te rekenen was, welke op onzen vaderlandschen bodem het licht zagen. Hij was een wijsgeer van nature, een diep en vruchtbaar denker, doorbelezen in de schriften der heidensche wijzen, der kerkvaderen, der latere duitsche en fransche filozofen. Hij schreef een geheel eigen, echt-hollandschen, harmonischen, rijk geka-danseerden stijl. Als aesthetikus bizonder, als dichter, als begaafd met hemelsche aanblazing, stond hij zoo hoog, dat weinigen bij hem te vergelijken waren. Toch hebt gij hem nooit tot uw medelid benoemd, en eerst toen hij, toevallig, eene brochure, een ,, Bezadigd woordquot; richtte aan uw adres, hebt gij hem opgemerkt. quot; (\') Ofschoon wij vreezen, dat de meesten dergenen, tot wie in 1868 ook dit bezadigd, maar toch hartig en warm woord gericht werd — de leden van de Maatschappij der Nederlandsche Letteren, te Leiden — steeds in dezelfde zonde van onbekendheid volharden, van onbekendheid met een vrij wat hooger begaafd vaderlandsch vernuft dan bv. de in zijn dagen zoo gevierde Borger was, zoeke men toch niet in de volgende bladzijden eene poging, om juist hun den denker en dichter Cornelius Broere nader bij te brengen. Zulk een taak overigens ligt buiten onze

i. Levensbericht van Mr H. A. A. van Berckel, door J. A. Alber-dingk Thijm. Overdruk uit de Handel, der Maats, der Ned. Leiteren, te Leiden. Leiden, E. J. Brill, 1868, bl. 6—7.

-ocr page 12-

bevoegdheid ; maar door wien ook ondernomen, zij blijft in ons oog wanhopig, daar wij volmondig Dr Schaepman bijstemmen, waar hij schrijft: ,, Nog eens, het is waar: Broere\'s Dithyrambe is buiten een zekeren kring niet bekend. Laat ons niet twisten over de oorzaken dier onbekendheid; wie ze hoopt te verdrijven, zij gezegend in zijn hoop. quot; (\') Het is veeleer tot dien ,, zekeren kringquot; van hen, die de Dithyrambe kennen, liefhebben en bewonderen,dat wij ons richten, in de wellicht vermetele, maar toch zoete hoop die kennis, zoo mogelijk, nog duidelijker, die liefde nog inniger, die bewondering nog levendiger te maken. Het is mede om dien kring te verbreeden, om allen daarin op te nemen, die er, wij zouden haast zeggen, een aangeboren recht op bezitten. Van wie toch zou de Dithyrambe meer het eigenaardige, het geliefkoosde lied behooren te zijn dan van onze S/gt;es Ecclesiae Ncerlandicae, van de studenten onzer Semina-riën ? de Dithyrambe, dat priesterlijke gedicht bij uitstek ? Nu wil het ons voorkomen — wij hopen ten onrechte — dat vóór een vijftien, twintig jaren de bekendheid, de vertrouwdheid met Broere\'s jubelzang op het Allerheiligste in dien kring juist grooter en algemeener was dan thans : de strijd dier dagen over „de scheppingskroonhet „sidderen der rozenkleuren het „ Glorie komt uit Glorie jagen !quot; enz. kon althans van gemeenzaamheid met den zanger getuigen.

Geleid door de overweging, dat als grondslag van redelijke liefde en bewondering vóór alles helder

i. Onze Wachter, 1874, II, bl. 63.

-ocr page 13-

begrip gevorderd wordt, hebben wij er ons in deze verklaring op toegelegd om,naar de mate van licht ons geschonken, den zin der verzen, volgens onze opvatting, zoo duidelijk en verstaanbaar mogelijk weer te geven. De j uistheid dier opvatting zal men hier of daar kunnen betwijfelen — quot capita tot sensus—hare beteekenis, vertrouwen we, nergens. Van aestheti-sche aanmerkingen hebben wij ons nagenoeg geheel onthouden ; men vindt ze in overvloed in den verdienstelijken arbeid, welken P. Fr. H. Derksen in 1874, onder den titel van „ Critisch-analytische toelichting van Prof. Broere\'s Dithyrambe op het Allerheiligste Sacrament van Mirakel, quot; bij C. L. Van Langenhuysen heeft uitgegeven. Dr Schaepman, in zijn bovengenoemd Wachter-^xViVó. vulde die nog met enkele aan; terwijl Prof. A. M. C. Van Cooth ons in De Katholiek (\') een kort, maar keurig overzicht der Dithyrambe schonk. Broere\'s oudste vriend, Mr J. F. A. Leesberg, gaf natuurlijk in zijn ,, Gedichten van Mgr. C. Broerequot; der Dithyrambe hare plaats en maakte in de voorafgaande ,, Levensschets quot; „ de verhevene taal, quot; waarin Broere\'s lijkredenaar, deken P. W. Van Oorte, den „ bijna hemelschen lofzangquot; schetst, tot de zijne. De lezing dier stukken kan niet anders dan veel tot welverdiende waardeering des gedichts bijdragen. Wij hebben \'t niet noodig geacht uitdrukkelijk aan te geven waar onze opvatting van die onzer voorgangers afwijkt.

Om ook de meest positieve onzer welwillende lezers niet wrevelig te stemmen, verzoeken wij hen te

1. D. lxxxi, bl. 332—36.

-ocr page 14-

— 10 —

bedenken, dat de teksten der H. Schrift hier niet ad probanduvi, maar alleen ad illustrandum worden aangehaald, en dat wij die meer dan eens niet in den letterlijken, maar in den toegepasten zin, in den accommodatus, (quot;) gebruiken. Het goed recht van dit gebruik der Schriftuur, waarvan kerkelijke schrijvers en liturgieën vol zijn, te bepleiten, kan niet in ons opkomen.

Moge, beter dan vele woorden, deze toelichting van Broere\'s Dithyrambe blijk geven onzer dankbare vereering van den innig vromen priester, den grooten, geloovigen denker, den invloedrijken leeraar, den veelzijdigen kunstenaar, den beminlijk eenvoudigen man, in wien de Kerk van Nederland in deze eeuw een harer hoogst begaafde, meest toegewijde verdedigers en glansrijkste sieraden heeft bezeten !

_.1._

•I*

Zoo ongeveer schreven we vóór vier jaar, toen deze „ Toelichtingquot; in de Studiën (1) voor \'teerst in druk verscheen. Wij hebben daar niets aan toe te voegen, dan dat éen punt eene wijziging heeft ondergaan, onze opvatting namelijk der verzen uit den aanhef:

„ Hij die, geboren Uit \'s Vaders schoot, de scheppingskroon.

Wier kleuren Hem om \'t voorhoofd gloren.

Verwonnen heeft ! Maria\'s Zoon, — quot;

1

Studiën op godsdienstig, wetenschappelijk en letterkundig gebied, XX0 Jaarg. Deel XXX.

-ocr page 15-

We noemden die verzen een waar crux interpre-dat zijn zij metterdaad. In onze Bijlagen (II) vindt de belangstellende lezer de gronden voor onze veranderde zienswijze blootgelegd.

En hiermede bieden wij dit voortreffelijke Hooglied van het goddelijk Liefdegeheim opnieuw der bewondering en godsdienstige overweging onzer geloofsgenooten zoo in Noord- als Zuid-Nederland met eerbied en liefde aan.

J. C. A. TH. \'s-Gravenhage, feestdag van St-Jozef.ig Maart 1892.

-ocr page 16-

Cornelius Broere werd geboren te Amsterdam, 18 Nov. 1803 ; was student aan\'t Seminarie te Culemborg v. 12 Nov. 1819 tot 22 Aug. 1820 ; ging Oct. 1820 naar Hageveld, onder Velzen, waar hij, bij de opheffing der Seminaries in 1825, achterbleef tot het najaar van 1829, toen hij Mgr van Bommel naar Luik volgde en hier aan \'t Seminarie zijne theologische studiën voltooide. Den ion Augustus 1830 priester gewijd, werd hij op 10 Dec. van dat jaar leeraar der Wijsbegeerte te Hageveld. Hij bleef dit, terwijl op 26 Aug. 1847 het Seminarie van Velzen naar Voorhout werd verplaatst, tot 1851, om nu als Professor der Kerkelijke Geschiedenis aan het groot Seminarie te Warmond op te treden. Hier werd hij in 1854 door Pius IX tot Kamerheer, in 1858 tot Kanunnik en in 1859 door Willem III tot Ridder v. d. Ned. Leeuw benoemd. Hij overleed er 28 Dec. i860 en werd 31 Dec. ten grave gedragen. Op het graf te Warmond plaatste men een bescheiden monument, waarvan L. Royer de bas-reliefs ontwierp ;in de vestibule van Hageveld een door Stracké vervaardigd wit marmeren borstbeeld, met het opschrift „ Nulla tnum 7iomen delebit oblivio.quot;

De Dithyrambe op het Allerheiligste werd vervaardigd ter gelegenheid van het vijfde Eeuwgetij van het Mirakel van Amsterdam, in Maart 1845.

-ocr page 17-

t

De glorie, niet die God zich schept in stargewelven, Of op een kring van wolken schiet.

Maar die Hij eindloos in zich zeiven

En uitstort en geniet:

Het Licht uit Licht! Hij die, geboren

Uit \'s Vaders schoot, de scheppingskroon. Wier kleuren Hem om \'t voorhoofd gloren.

Verwonnen heeft! Maria \'s Zoon —

Hij, \'t Woord, dat God en menschen hooren, Is, in zijn heerlijkheid, voor \'s hemels zaalge koren \'t Alovertrefifend loon.

. En als \'t geluid van donderslagen.

Dat over de eeuwge bergen holt, Is \'t Halleluja ! \'t Wolkenjagen,

Waarmee de luister zich ontrolt!

Duizend, duizend stemmen mengelen Met den harpslag van Gods engelen \'t Onnavolgbaar bruiloftslied ;

Vleuglen ruischen,

Cirablen druischen.

Koren bruischen.

Waar de lofbazuin uit schiet!

Zee door zee ! zoo gaan de zangen ;

En de sferen, die er hangen,

Dreunend gaan in \'t evenwicht — I Voelen\'s levens stroom ontspringen,

Loeien, uit haar vlammenkringen, Eeuwenmaat en lofgedicht!

1

1

-ocr page 18-

— 14 —

God ! o God ! mijn tranen stroomen ;

Overstelping van geneugt!

Hij, dien \'k zing, is neergekomen ;

Heemlen, \'k juich in uwe vreugd ! — Hij, uw licht en uw verblijden,

Is de Koning van het lijden !

Is de mijne ! — Hij bedwong,

Om op aard me in \'t hart te dalen,

Weer \'t oneindig gloriestralen.

Waar Hij eeuwig in ontsprong ; \'t Woord, ja \'t Woord der Hemelzalen, Der verrukking niet te malen.

Waarin de englen ademhalen,

Vangt mijn sidderende tong ! —

Blanke bloem van korenaren,

Druppelende druivenwijn.

Daarop waan\' hier \'t oog te staren ;

Mijn geloof doorbreekt dien schijn ! \'t Is de wolk bij \'t nedervaren.

Voorhang, om mij \'t licht te sparen, Liefde \'s heilig echtgordijn !

Ja ! hier mint God, en leert Hij minnen. En wekt Hij geest, en dooft Hij zinnen. En viert den grooten bruiloftsnacht...

Nog is het stil, nog stoflijk duister Omgeeft den luister ; De geestenwacht Zweeft ongezien, bij zucht en klacht En beegefluister ...

-ocr page 19-

— IS —

Maar toch, Hij is \'t!. . Hoe vol verkwikken Dauwt zijn gena in tranen hier geschreid !

Het leven kiemt en voelt de zonneblikken Van zijne liefde en hare onsterflijkheid ! ... O Samenspraak ! O zoet genieten !

Bij \'t in- en uit- en overvlieten Eens strooms van innig zielvergieten, Waarin ontvangen geven is,

En wellust droefenis ! ...

Hier— bid, mijn ziel ! Hier is uw vragen Een offer Hem van welbehagen ;

Hier sta uw eigen leven af En geef u zeiven weer aan die zich zeiven gaf...

Hier bid ! Laat \'t uur u niet ontglippen : De wonde bloedt ! Zet uwe lippen Aan dit voor u doorstooten hart I... Ken \'t verblijden Van het lijden.

Drink de goddelijke smart! ...

Een wijl nog, en Hij zal genaken.

Zijn onvermengde vreugd u blaken.

Zijn heerlijkheid de wolken doen vervliên. Uw hand de hand van uw Verlosser raken ! En oog in oog zult gij Hem zien !

-ocr page 20-

— l6 —

Geloof aan de inspraak, hier gegeven, Aan d\'eigen grond, waarop ge staat.

Aan dezen dag, dien gij moogt leven,

Waar vijfmaal om een eeuwkring heeft gedreven, Maar die in de eeuwen niet vergaat.

Is \'t Amstel niet, waar \'s levens morgen U opging in zijn vroolijk licht?

Waar uwer vaadren asch geborgen En toeven blijft op \'t laatst gericht!

Hier I — \'t oord zoo veler teederheden !

Hier heeft, wat wilt ge meer ? de God, van u gebeden.

Zijn waarheid en zijn macht En \'t eeuwig heil getoond, waarop gij hoopt en wacht.

Hier deed om \'t Godsgeheim het vuur zijn vlammen spoeien

En \'t stond er onverzengd ! — de hoofdstof eerde in \'t gloeien Haar Opperheer!

Hier bad de kranke, die zich \'t leven voelde ontvloeien : \'t Keert in hem weer !

Hier riep de balling heen om vrijheid uit zijn boeien : Zij vallen neêr !

De ontstelde schepeling om hulp in \'t stormenloeien :

Stil is \'t op \'t meer.

Ja ! God woont onder stervelingen ;

Het rijk der Heemlen is gesticht!

God is met ons ! en wij omringen

Met d\'englenrei den troon van \'t licht.

Gij, geesten ! op uw vleugelslagen,

Als vlammen waaiend, voortgedragen.

Gij zijt dien troon niet nader bij !

De tranen, die onze oogen weenen.

Gaan ruischend door uw loflied henen ;

-ocr page 21-

- i7 —

En wat aanschouwing u verblij\',

Ook ons is zijne macht verschenen,

Ook ons in \'t hart roept onder \'t stenen Zijn eeuwge liefde : kom tot mij ! —

Hij is in ons ! Aan \'t licht, aan \'t leven.

Dat Hij ontvangt in \'s Vaders schoot.

Wordt met zijn Vleesch ons deel gegeven

Met \'t Bloed, dat Hij aan \'t kruis vergoot. Zijn broedren zijn we ! \'s Vaders zonen !

In ons komt beider Liefde wonen,

En God vereenigt ons met God !

Hang\' dan de sluier nog der zinnen ;

Zij lijden, strijden, overwinnen

Ons immer wederkeerend lot:

Heil ons ! Wij kunnen Hem beminnen ; Ons gloeit de Hemel reeds van binnen,

In liefde \'s zaligend genot !

Eens eindt de worsteling der tijden,

Vervult zich \'s werelds barensnood ;

Scheidt goed van kwaad, en vreugd van lijden.

En eeuwig leven van den dood !

Eens scheurt de wraakbazuin de wolken ; En, bij het angstgeschrei der volken.

Galmt luider steeds haar schrikbaar uitgehaalde toon !

Daar stort het zonlicht van zijn troon !

Daar verwarren Zich de starren.

Zwicht natuur !

Grijpt het vuur

-ocr page 22-

— i8 —

Om des aardrijks krakende assen :

De oceaan huilt in zijn plassen !

Aller elementen kracht Vecht in vlammen 1 Uit den nacht Spuwt de brand, met vonkenloover, Bliksemstraal en -slag te voor!

Rolt bergen over,

Afgrond door !

Tot dat \'t eerste rotsgesteente,

\'t Diep gebeente Van de wereld, dondrend kraakt.

En in laaie vlammen blaakt !

Maar wie redt uit dit vuur ? — Wie, als straks zonder krachten Weer de eerste baaierd drijft, en \'t scheppingswoord blijft

[ wachten.

Wie dan, wie spreekt hem toe ? —

Gij, mijn onzichtbre God ! dien\'k knielend hulde doe. Die, in dor vlammen siddrend zwichten.

Hier eens uw waarheid op deedt lichten. Wie dan zal niet vergaan in d\'afgrond ? — Wie herrijst ? —

Vloeit uit, vloeit uit, mijn dankbre zangen ! Zij zullen \'t leven weer, voor immer weer erlangen.

Mijn God ! al die Gij spijst!

Neen ! dan niet meer zal ons de dood vervaren.

Als Hij, die hier ons uit zijn harte voedt. En \'t leven goot in \'s kranken stollende aren,

In ons verschijnt met d\'aangeboren gloed.

O Paradijs ! dat om ons uit zal bloeien.

Waarin de geest met de elementen speelt.

Als onze God, die uit der stormen loeien

Den schcepling redt, zijn schepter met ons deelt!

-ocr page 23-

— 19 —

En, woelend hart! hoe zult ge in vrederusten,

Als ieder mint, als liefde liefde kweekt ;

Als Hij regeert, die weer van verre kusten In de armen voert, en \'s vijands boeien breekt !

Stort, liefdebron ! stort uit uw blijde golven !

Mijn boezem dorst... de nacht daalt om mij heen ... Zwicht, wereld ! zwicht! van u — in puin bedolven, — Wil mijne ziel haar Redder tegentreen !

Komt reeds door het laatste duister

Geen verschiet ? —

Siddren van verborgen luister

Ginds de rozenkleuren niet ? ...

Hoor ! het klapwiekt! Hoor ! daar rijzen Zilvren stemmen, die Hem prijzen ! ... Hallel ! Hallel ! \'t Licht ontgloort! Daar, met donderend akkoord.

Breekt de Oneindigheid hervoort !

Glorie komt uit Glorie jagen !

Niet als zeven scheppingsdagen : \'t Is éen dag, een enkel Woord ! De eeuwge Vader Hij komt nader In den ongeschapen Zoon !

Myriaden Wezens baden,

Zonnen drijven om zijn troon !

Liefde \'s stroomen. Voortgekomen Als hun beider vlammenkroon,

-ocr page 24-

20

Storten neder,

Keeren weder,

Klaatren door den zegetoon !

„ Halleluja ! Hij regeere !

„ Hem zij heerlijkheid en kracht! „ Hem zij dank en lof en eere,

„ \'t Schuldloos Lam, voor ons geslacht!quot; En de stralen, die er varen.

Waaruit duizend geesten staren. Zij verheldren ! zij verklaren !

„ Heilig ! heilig !quot; galmt het weer ;

En de stroomen, die er vlieten.

Zwellen hooger, en vergieten Zich met duizelend genieten !

Immer ! immer ! en nog meer !

I

-ocr page 25-
-ocr page 26-

J

Of op een kring van wolken schiet. Maar die Hij eindloos in zich zelvcn

f-

I.

De God- j mensch Je- \\ zus Chris- \\ tns is in zijne heer- I lijkheid ltd ■ loon dcr gc- ■ lukzaligen. \'

En uitstort en geniet: 5 Het Licht uit Licht ! Hij die, geboren

i—4. De glorie____ die (God) eindloos in zicii zeiven uitstort

en geniet: het Licht uit Licht! d. i. de tweede Persoon der allerli.

Drievuldigheid, die bij uitnemendheid de Glorie des Vaders wordt genoemd, omdat Hij is het glorierijk Beeld van \'s Vaders heerlijkheid en tevens het Woord, waarin de Vader de kennis van zijn glorierijk Wezen uitdrukt. (Zie Bijl. I.) Hierom wordt van die glorie gezegd, dat God (de Vader) haar in, niet buiten, zich zeiven,

in het goddelijk Wezen, in eigen schoot, uitstort, d. i. voortbrengt ,

als zijn Zoon, uitdrukt als zijn Beeld, uitspreekt als zijn Woord —

en geniet, d. i. met oneindige liefde bemint en omhelst en door Hem wederkeerig bemind en genoten wordt; welke oneindige, weder-zijdsche liefde, uit Vader en Zoon, als uit één Beginsel, voortkomend,

de derde Persoon der allerli. Drievuldigheid, de H. Geest is, hier dus mede zijdelings aangeduid door „genietquot;. Dat uitstorten en genieten nu is eindeloos, d. i. zonder ophouden, eeuwig, oneindig.

Met de woorden van het symbolum van Nicea : quot; owe ex (fazó:, quot;

wordt daarop de Zoon genoemd : het Licht uit Licht! het uitgestraalde Licht van het stralende Licht des Vaders, de Uit- of Afstraling van des Vaders heerlijk Wezen. Verg. v. 189 : „ Glorie komt uit Glorie jagen !quot; — Beide uitdrukkingen Glorie en Licht wijzen op Hebr. 1, 3, waar de Zoon Gods heet : „ Splendor gloriae et figura substantiae eiusquot; (Patris), en op Sap. 5, 26, waar het van de goddelijke Wijsheid luidt : „ Candor est enim lucis aeternae et speculum f sine macula Dei maiestatis et imago bonitatis illius;quot; voor splendor en candor staat op beide plaatsen in den Griekschen tekst hetzelfde

A

-ocr page 27-

H Omscftrijtring cn Verklaring.

De Openbaring van Gods heerlijkheid — niet die uitwendige, stoffelijke, waardoor Hij als Schepper zich verheerlijkt in de pracht des fonkelenden starrenhemels of in den glans, dien Hij uitschiet op een kring van lichtende wolken ; maar de inwendige, eeuwige, oneindige Afstraling zijner glorie, waarin de Vader geheel zijn goddelijk Wezen uitstort en uitdrukt en in zalige liefde geniet: het Licht uit

woord ; i.ny.-jyz\'JiJ.x (v. «« (auc.)) lichten) lett. „ afschijnselquot; (Lipman), „lichtglans quot; (Beelen). Schoon is de aanteekening van Corn, a Lap. op Hebr.. i, 3 ; „ Filius est splendor gloriae, i. e. gloriosae

raaiestatis eius, scil. Patris____Sicut enim radius a sole, ita Filius a

Patre procedit; et sicut sol suam lucem, decorem et gloriam osten-dit in suis radiis ita splendentibus, in iisque quasi refulget et relucet, ita Pater suam gloriam ostendit in gencratione sui Filii tam fulgidi et gloriosi. quot;

1—2. 7iiet die God zich schept in stargewelven of, enz. Niet dus het geschapen, uitwendige, stoffelijke beeld van Gods heerlijkheid, zooals wij dat vooral in sommige natuurtooneelen zien schitteren, als in sterrenhemel, morgen- of avondrood, regenboog, maar het inwendige, ongeschapen, goddelijke Evenbeeld. — Hoe schept God zich glorie, d. i. verheerlijkt Hij door schepping zich zeiven, in de levenlooze natuur? Op dubbele wijze, antwoordt Lessius : a) door ons in haar een beeld (eig. een spoor, vestigium) te toonen zijner volmaaktheden en ons aldus op te wekken Hem te verheerlijken: „ Coeli enarrant gloriam Deiquot; etc. Ps. iS, 2 ; en b) door ons in haar gebruik een hulpmiddel te schenken om tot ons doel, zijne verheerlijking, te komen. {De perfect, moribusque divihis, L. 14, c. 4);

5—6. Hij die, geboren uit \'s Vaders schoot. Ps. 3, 7 : „ Dominus dixit ad me: Filius meus es tu, Ego hodie genui tequot;; Ps. 109, 3 : „Ex utero ante luciferum genui tequot;; loan. 1, 18 ■ „ Unigenitus

-ocr page 28-

— 24 —

Uit \'s Vaders schoot, de scheppingskroon, Wier kleuren Hern om \'t voorhoofd gloren,

Verwonnen heeft! Maria\'s Zoon —

Hij, \'t Woord, dat God en menschen hooren, 10 Is, in zijn heerlijkheid, voor \'s hemels zaalge koren \'t Alovertreffend loon !

Filius, qui est in sinu Patris, ipse enarravit. quot; (Verg. hieronder v. 9.)

6 — 8. de scheppingskroon, wier kleuren Hem om \'t voorhoofd gloren, venvonncn heeft!

scheppingskroon— Verg. Bilderdijk, Jezus Christus ■. „Die de kroon der Schepping spantDe Godmensch wordt gezegd de kroon der schepping te hebben gewonnen, omdat Hij door zijn Menschwording a) ook als mensch, de Koning, Caput hominum et angeiorum; b) het pronkjuweel, de bekroning der schepping is geworden, in hetwelk al de schatten der stoffelijke en geestelijke natuur, der genade en der glorie zijn vereenigd, en dat door zijn eigen vereeniging met de goddelijke natuur in den Persoon des Woords, tot eene oneindige waardigheid en heiligheid is verheven. Zoo schitteren de kleuren van het drievoudige rijk der schepping, met het Licht van \'t drieéénige rijk der scheppende Godheid zelve, van Hem uk, wordt in zijne allerh. menschheid de gansche schepping metgoddelijken luister gekroond, „worden de menigvuldige woorden der schepping saamgevat in het vleeschgeworden Woord. Ephes. 1, 10quot;. Broere. {Kath. D. 27, bl. 211). Eenerzijds is Christus God, die mensch is ; Verbum abbreviatum, anderzijds mensch, die God is : microcosmus deificatus — Imago Patris, Exemplar hominumt \'s Vaders beeld, voorbeeld zijner broeders.

Hebr. 2, 9 ; „ Eum autem, qui modico quam Angeli minoratus est, videmus lesum propter passionem mortis gloria et honore coro-natumquot;. Cfr. Phil. 2, 5-11. Zoo wordt hier \'s Heeren eeuwige geboorte uit den schoot des Vaders, zijne tijdelijke geboorte tot een sterfelijk leven uit den maagdelijken schoot van Maria en zijn tijdelijke geboorte tot een onsterfelijk leven uit den moederschoot der aarde tevens herdacht. Zie Kath. D. 33, bl. 76 en 277-279, noot 4. Verg. Bijl. II.

-ocr page 29-

O

— 25 —

Licht! Hij, de Zoon des eeuwigen Vaders, voor den dageraad uit diens schoot voortgebracht, maar tevens Zoon der Moedermaagd Maria, die door zijn menschwording, lijden en sterven zich de hoogste kroon der schepping op de slapen heeft gedrukt ; Hij, het Woord, door God van eeuwigheid, door de menschen in den tijd gehoord : de Godmensch, JEZUS CHRISTUS, is in de volle heerlijkheid van zijn eeuwig rijk voor de zalige hemelingen het loon, dat alle begeerte en begrip te boven gaat!

9. Hij) V Woord) dat God e7i menschen hoor en. God de Vader kent zijn Woord en Zich in zijn Woord van eeuwigheid, welke kennis hier metaphorisch een hooren van dat Woord genoemd wordt. „ En se connaissant donequot; — aldus vertolkt Mgr Landriot de schoone gedachte van vele Vaders — ,, le premier principe engen-dre son Verbe, qui est sa lumière et son image, et qui redit dans un hymne infini les beautés de l\'essence paternelle, ou plutot qui est lui-même eet hymne unique, dontl\'écho remplit le ciel et devient la louange la plus parfaite du Père. quot; (Le Christ de la Tradition, irc Conf ) En van het vleeschgeworden Woord getuigt de Apostel : „ exauditus est pro sua reverentia. quot; Hebr. 5, 7. Dat hebben de menschen gehoord tijdens zijne omwandeling op aarde : ,, Sicut mens gignit verbum mentis, hocque fit vocale dum in os et linguam carneam deducitur et quasi ex ore nascitur: ita Pater genuit \\ er-bum mentale, quod factum est vocale per Incarnationem, dum induens carnem, os et vocem hominis, per eam locutum annuntiavit nobis voluntatem Patris. quot; (Corn, a Lap. in im Ep. loan. c. 1 v. 1.); dat blijven zij hooren door de Kerk : „ qui vos audit, me audit (Luc. 10, 6). Ook in den hemel wordt dat Woord door de zaligen gehoord, d. i. aanschouwd.

10. in zijn heerlijkheid: in de dubbele heerlijkheid zijner Godheid {praemium essentiale) en zijner verheerlijkte menschheid, in de heerlijkheid zijner zaligen, in al de heerlijkheid van zijn hemelsch paradijs (praemiuni accidetitale), is Hij door aanschouwing, liefde en genot voor de zijnen :

-ocr page 30-

— 26 —

En als \'t geluid van donderslagen, Dat over de eeuwge bergen holt, Is \'t Halleluja ! \'t wolkenjagen, 15 Waarmee de luister zich ontrolt!

Duizend, duizend stemmen mengelen Met den harpslag van Gods engelen \'t Onnavolgbaar bruiloftslied ; Vleuglen ruischen, 20 Cimblen druischen,

Koren bruisen.

Waar de lofbazuin uit schiet! Zee door zee ! zoo gaan de zangen ; En de sferen, die er hangen, 25 Dreunend gaan in \'t evenwicht,

11. V Alovertreffend loon. Gen. 15, 1 : „Ego ... merces tua magna nimis — „ Se regnans dat in praemium — „ Bene de me scrip-sisti, Thema, quam ergo mercedem accipies ? Cui ille: Non aliam, Domine, nisi teipsum (Brev. Rom. d. VII. Mart. in festo S. Thom. de Aquino ). Cfr 1 Cor. 2, 9 : „ Sicut scriptum est, quod oculus non vidit, nee auris audivit, nee in cor hominis ascendit, quae prae-paravit Deus iis qui diligunt illum

De dichter schetst hier in stoute, echt schriftuurlijke heelden het Coeli enarrant Gloriam Dei in hoogeren zin, nl. de vervoering a) der hemelingen, engelen en overige zaligen, bij de aanschouwing van de glorie des Woords; b) der hemellichamen, op hun wijze in die blijdschap deelend. Van beide wordt gezegd, dat zij hun vreugde uiten door bewegingen (resp. dans) en zangen; de indruk van den zang dezer onmetelijke, bezielde en onbezielde „ koren quot; herinnert, zegt de dichter, aan de machtigste geluiden in de natuur ; donderslag, golfgeklots en stormgeloei. — Waarschijnlijk stond B. hierbij Hiindel\'s Halleluia 1 dat hij zoo bewonderde, voor den geest.

12—15. En als\'t geluid van donderslagen—onirolt! Zin; het loflied der zaligen is als het geluid des donders en hun beweging als die der wolken, bij de uitbarsting eens onweders.

Men denkeaan Schriftuurplaatsen, als bv. Ps. 75, S : „ Illuminans

-ocr page 31-

En als \'t geluid eens machtigen donders, die in hollende vaart over de gebergten der hemelen rent, als het woelen en jagen daarbij van de wolken : zoo klinken de daverende halleluja\'s, zoo is de beweging, de vlucht en de drang der hemelingen bij \'t aanschouwen van den goddelijken luister, die zich voor hun blikken ontrolt. Hoor ! duizenden en nogmaals duizenden doen bij \'t harpspel der engelen het bruiloftslied weerklinken, dat niemand vermag te zingen dan zij alleen! Hoor het zachte ruischen der engelenwieken bij den forschen klank der cimbalen en het bruisende lied dier onafzienbare koren, waaruitbazuinen den lof van Gods Zoon doen schallen! Gelijk aan zeeën, die met vasten, klaterenden golfslag elkander schijnen te antwoorden, zoo kruisen de jubelende beurtzangen ! En

tu mirabiliter a montibus aeternis. quot; —- Ps. 17,11 — r4 : Ascendit super Cherubim et volavit, volavit super pennas ventorum ... Prae fulgore in conspectu eius quot; (voor den glans van zijn aangezicht — Allioli) „ nubes transierunt. quot; — Hab. 3, 3 vlgg. „ Contriti sunt monies saeculi, incurvati sunt coUes mundi, ab itineribus aeternitatis eius quot; etc.

Zoo zingt Vondel in „ De getemde Mars quot; van de „ Vreegodinne ,,Haar volgen op dat zegenrijeke spoor Een dicke drang en wolk van dankbre zielen. quot; enz.

16\'iS Duizend, duizend — bruiloftslied. Apoc. 14, 2—3 : „ Et audivi vocem de coelo tamquam vocem aquarum multarum ( ,, Zee door zee ! zoo gaan de zangen quot; ), et tamquam vocem tonitrui magni („En als\'t geluid van donderslagen quot;): et vocem, quam audivi, sicut citliaroedorum citharizantium in citharis suis (,, Met den harpslag van Gods engelen quot;) ; et cantabant quasi canticum novum ante sedem ... et nemo poterat dicere canticum, nisi ilia centum quadraginla quatuor millia ( „ Duizend, duizend stemmen mengelen ... \'t onnavolgbaar bruiloftslied quot;), qui empti sunt de terra. quot; En 19, 6-7 ; „ Et audivi quasi vocem turbae magnae („ Koren bruisen quot; ), et sicut vocem aquarum multarum, et sicut vocem tonitruo-rum magnorum, dicentium ; Alleluia! quoniam regnavil Domi-nus Deus nosler omnipotens ! Gaudeamus et exultemus, et demus

-ocr page 32-

28 —

Voelens \'s levens stroom ontspringen, Loeien, uit haar vlammenkringen, Eeuwenmaat en lofgedicht !

God ! o God ! mijn tranen stroomen ; 30 Overstelping van geneugt !

Hij, dien \'k zing, is neergekomen,

Heemlen, \'kjuich in uwe vreugd! — Hij, uw licht cn uw verblijden,

Is de Koning van het lijden ! 35 Is de mijne! — Hij bedwong,

Ji

gloriam ei: quia venerunt nuptiae Agni, et uxor eius praeparavit se quot; (\'t eenig, quot; onnavolgbaar bruiloftslied quot; ).

26—28. Voelen \'s levens stroom —lofgedicht! Zin : gevoelen zich als bezield en doen een reusachtig loflied klinken, waarvan hun geluid de melodie en harmonie, hun beweging den rhythmus uitmaakt, welke rhythmus tevens onze aardsche tijdmeter is. „ De groote cirkelsquot;, zegt Broere elders, „ die den ongestadigen tijdstroom meten.quot; (Kat/t. D. 34 bl. 221 ). Verg. hierachter en in Beschouwing des tijds, waar hij schrijft : „ in dat schitterend uitspansel, dat deze aarde bekroont, dat eene zoo eeuwige orde schijnt, waaraan wij de jaren tellen onzer vergankelijkheid, hoevele starrenquot; enz. en een weinig verder; „ gij zult eerst daar [in de wereldgeschiedenis] eenen starrenhemel aanschouwen vol licht en vol duisternis, waaraan de eeuwen gemeten en de dagen geteld worden. quot; {Kath. D. 21, bl. 1 en 3) Over zang en dans der sterren verg. Bijl. III. — Dat is in den hoogsten zin het dies diet eructat Verbum et nox nocti indicat Scientiam, het Halleluia en Sanctus der stoffelijke schepping. Verg. : ,, Qui emittit lumen, et vadit ; et vocavit illud, et obedit illi in tremore. Stellae autem dederunt lumen in custodiis suis, et laetataesunt : vocataesunt, et dixerunt : „ Adsu-mus I quot; et luxerunt ei cum iucunditate, qui fecit illas. quot; Bar. 3, 33— 35 ; de Psalmen „ Benedicitequot; ( Dan. 3 ) en „ Laudate quot; enz.. Ook vindt hier het woord des H. Hieronymus eene geschikte plaats :

in.

Die Koning der glorie schenkt ons in V Allerheiligste den hemel op aarde.

-ocr page 33-

dc hemelbollen, die daar hangen in de matelooze ruimte en dreunend voortwentelen in onverstoorbaar evenwicht, ook zij deelen op hun wijze in dat leven der verrukking en galmen uit hun vlammende kreitsen lofliederen, bij welker ontzaglijken maatgang wij de jaren tellen en de eeuwen !

O mijn God, mijn God ! ik gevoel mijne tranen stroomen, tranen van overstelpend geluk, bij de gedachte, dat die God van oneindige majesteit, wiens glorie ik bezing, op aarde is nedergedaald, en ik, nietig, zondig sterveling, o hemelen ! daardoor mag medejuichen in uwe vreugde ! Ja, Hij, die uw albezielend licht, uwe eindelooze blijdschap is, Hij is de Koning des lijdens. Hij is de mijne geworden! Om op aarde tot

Tune surgens imperavit ventis et raari. quot; Ex hoe loco intelligimus, quod omnes creaturae sentiant Creatorem. Quas enim increpa-vit, et quibus imperavit sentiunt imperantem ; non errore haere-ticorum, qui omnia putant animantia, sed maiestate Creatoris, quae apud nos insensibilia, illi sensibilia sunt. quot; L. I. Comm. in C. 8 Matth.

De dichter heeft o. i. in geheel de volgende strophe rechtstreeks het oog op de H. Eucharistie, slechts zijdelings op de menschwor-ding en het lijden :,. is neergekomenquot;, nt. woont onder ons in \'tH. Sacrament; „ is de Koning van het lijdenquot;, nog voortdurend in zijn onbloedig offer: tamquam occisus — recolitur memoria passionis ems— mortem Domini annnntiabitis, etc. —,, is de mijne ,quot; vooral in de //. Communie.

31—32. „Ut homines deos faceret, factus homo.quot; S. Thora. Opusc. 57 — \'I; juich in uwe vreugd ! nl. inchoative.

33. Uw licht — Apoc. 21 23 : „ Lucerna eius est Agnus. quot;

34. ts de Koning van het lijden !quot; De Eucharistie is het gedenk-teeken van Christus\' lijden, van zijn triomf over en door het lijden, van zijne onsterfelijke liefde voor de lijdende menschheid, die Hij met zich door lijden tot de zege voert.

35. h de mijne ! „ Dilectus meus mihi et ego illi.quot; Cant., 2, 16.

-ocr page 34-

— SO —

Om op aard me in \'t hart te dalen, Weer \'t oneindig gloriestralen,

Waar Hij eeuwig in ontsprong ; \'t Woord, ja \'t Woord der hemelzalen, 40 Der verrukking niet te malen,

Waarin de englen ademhalen,

Vangt mijn sidderende tong ! —

35—3S. Hij bedwong — ontsprong. De zin dezer verzen is duidelijk : de Zoon Gods omhulde in zijne menschwording uitwendig den glans zijner godheid, in het H. Sacrament doet Hij dit andermaal; maar zie hoeveel verder hier zijn liefde gaat: Hij verbergt niet alleen zijne godheid,maar zelfs zijne menschheid, „dezen, laatsten straal zijner heerlijkheid, onder ziellooze gedaanten,\'\' (Br.) daar Hij niet slechts op aarde dalen wil, maar tot in mijn hart. „ Communicavi quot;, zegt Chrysostomus, „ carni et sanguini propter vos ; rursum vobis eamdem carnem et sanguinem trado, per quae congener vobis factus sum. quot; Hom. 45 (46) in loan. n. 3.

Met het bedekken der gloriestralen van Christus in \'t H. Sacrament kan men in verband brengen, wat wij van Mozes lezen (Ex. 34, 29—35), dat hij, om met zijn volk om te kunnen gaan, zijn gelaat bedekte, dat glanzend was van den omgang met God, „ex consortio sermonis Domini;quot; en er de redeneering op toepassen, welke de Zaligmaker zelf (loan. 10, 35—36) gebruikt; „ si illos dixit deos, ad quos sermo Dei factus est...,quem Pater sanctificavit quot; etc. : indien hij zijn glorie reeds voor \'toog der men-schelijke zwakheid moest bedekken, die slechts met God gesproken had, hoeveel te meer Hij, die het levende Woord en Licht der Godheid zelve, die voortdurend in den schoot des Vaders is?

39—42.\'/ Woord — long ! Mijn sidderende tong vangt het Woord! Welk een uitdrukking ! Om het vangt in gewone taal om te zetten, moet men wel komen tot: vangt... op, ontvang ik op...; maar hoeveel zegt het niet meer i Vanzelf denkt men hierbij aan de woorden der Kerk tot de Moedermaagd: „ Quem coeli capere non poterant, tuo gremio contulisti ! quot; en aan Vondel\'s

-ocr page 35-

_ 31 —

in mijn hart te kunnen afdalen, heeft Hij andermaal, als weleer bij zijne menschwording, maar thans met dubbelen sluier, den glans bedekt der oneindige glorie, waarin Hij van eeuwigheid uit den Vader geboren wordt. Het goddelijk Woord, ja, dat Woord, dat de hemelen vervult en in onbeschrijfelijke verrukking brengt, het Woord, welks zaligende aanschouwing en liefde het leven der engelen is, dat Woord ontvang ik op mijne van eerbied en liefde sidderende tong !

wonderschoone regelen uit de „ Opdracht der Maeghdebrieven quot; :

,, Godts Geest, een kracht, een duyf van \'l Ilemelsch dack,

Omhelsde en kuste uw kuyschheid zonder vlack :

Die dronck het Woort. Geen dauw drupt aengenamer Op \'t leliblat quot; .

Onze opvatting dezer vier regels is eenvoudig deze ; mijn sidderende tong vangt het Woord, het Woord der hemelzalen, der onbe-schrijfelijksto verrukking, het Woord, waarin de engelen ademhalen, uit hetwelk zij leven. — Men overwege : „ Ego (Sapientia) ex ore Altissimi prodivi primogenita anteomnem creaturamquot; (Eccli. 24, 5); het Woord, als door den mond des Vaders uitgesproken, ontvang ik, nietige zondaar, met den mijne, als een liefdegroet, een vredekus van God ; „occummt sihi mutuo in osculo sancto Deus et poenitens animaquot; (Imit. Chri. L. Ill C. 52.); verg. v. 123 : ,, En God veree-nigt ons met God !quot; — het Woord, waarin de engelen ademhalen, of, zooals Vondel van de Moeder zingt: „ Dat Cherubijns heloncken en beminnenquot; ; waarin en waaruit zij leven, gelijk wij leven in en van de lucht, die ons omgeeft, waarin onze mond ademschept; dat Woord, welks voortbrenging en liefde het levensgeheim der Godheid, welks aanschouwing en genot de zaligheid der hemelen, als het voedsel, het leven der engelen is, dat Woord wordt ook \'t voedsel van mijn bovennatuurlijk leven; panis angelicus fit fanis homi-num; Hij, die rust in den schoot des Vaders, die zetelt op de Cherubs en Tronen, komt rusten op mijne tong! — En hoe dan komt Hij tot mij ? De volgende verzen antwoorden : onder de gedaanten van brood en wijn.

-ocr page 36-

— 32 —

IV.

Blanke bloem van korenaren, Druppelende druivenwijn, 45 Daarop waan\' hier \'t oog te staren :

Mijn geloof doorbreekt dien schijn ! \'t Is de wolk bij \'t nedervaren, Voorhang, om mij \'t licht te sparen, Liefde\'s heilig echtgordijn !

50 Ja ! hier mint God, en leert Hij minnen,

Ouder de gedaanten va tl brood en wijn komt God in ons midden,

envereenigt zich allerinnigst niet ons.

43—46. Blanke — schijn! Het oog en de overige zintuigen wanen hier, in de geconsacreerde Hostie, brood en wijn waar te nemen : het geloof mij, dat, krachtens de woorden der Consecratie, de zelfstandigheid van brood en wijn veranderd is in Christus\' Lichaam en Bloed, onafscheidelijk vereenigd met de ziel en de Godheid, en van brood en wijn slechts de gedaanten, de schijn [species, accidentia) gebleven zijn. Vandaar zingt de H. Thomas;

,, Visus, gustus, tactus in te fallitur,

Sed nuditu solo tuto creditur ; quot;

maar is het niet minder waar, ja strikt genomen juister, wat die groote verheerlijker der PI. Eucharistie elders zegt: ,, Accidentia autem sine subiecto in eodem [Sacramento ] subsistunt, ut sen-sus a deceptione reddantur immunes, qui de accidentibus indicant sibi notis. quot; ( Opusc. 57. Cfr Summa 3 q, 7 7 : Schouppe, Eleni. Theol. dogm. II p. 191—93 ). Men lette op de keurige alliteratie van „ BLanke BLcem quot; en „ DRuppelende DRuivenwijti. quot;

47. V/s de wolk enz. Klaarblijkelijke toespeling, zoowel op de wolkzuil, waardoor God de Joden in de woestijn geleidde en welke altijd, des daags als wolk-, des nachts als vuurkolom, onder hen verbleef; als op de wolk, die den tabernakel overdekte en waarin de Heer zijne tegenwoordigheid openbaarde in het Heilige der Heiligen. (Verg. Exod. 13, 21—23 ; Num. 9, 15—i6;3 Reg. 8, 10—12 )

48. Voorhang enz. duidt op het voorhangsel des tempels, dat het

-ocr page 37-

Vrij wanen de oogen des lichaama hier niets voor zich te zien dan brood uit blanke tarwebloem, dan druppelenden wijn van druiven : het oog mijns geloofs dringt dieper, dringt door den uitwendigen schijn heen en leert mij, dat die gedaante van brood en wijn slechts als de wolk is, waarmede de nederdalende Godheid zich omhult; als het voorhangsel, om mij voor het blindend licht van Gods Majesteit te beveiligen ; als het heilig gordijn, dat de geheimzinnige omhelzing van den goddelijken Minnaar en de ziel aan de blikken onttrekt.

Ja waarlijk! hier toont God tot welk uiterste Hij ons liefheeft en leert Hij ons Hem wederkeerig beminnen ; hier wekt

Heilige der Heiligen afscheidde en onzichtbaar maakte. En van dit heilige gordijn uit de wet der vreeze : „ ne omni tempore ingrediatur Sanctuarium, quod est intra velum ... ut non moriaturquot; (Lev. 162), komt de dichter als vanzelf op het overschoone, zinrijke beeld, waaronder hij in \'t volgende vers de innigste, de levenwekkende vereeniging van de ziel met God in de wet der liefde aanduidt;

49. Liefdés heilig echt gordijn. Dit behoeft geene verdere verklaring ;

,, Expertus potest credere Quid sit lesum diligeie. quot;

Verg. in Het Vuur door P. V. d. Ploeg:

,,Gij zaagt\'t altaargeheim in ?l spattend haardkolkvuur,

Dat\'t heilige gordijn niet raakte En siddrend week ! quot;

Hiermede maakt de dichter den overgang op een zijner meest geliefkoosde beschouwingen : de H. Eucharistie als het huwelijksgeheim van Christus en zijne Kerk.

50—52. Ja hier mint God. lo. 13, 1. ,, Cum dilexisset suos qui erant in mundo, in finem dilexit eos. quot; In finem a) am oris sui, b) vitae suae, c) vitae nostrae (Viaticum), d) mundi.

En leert Hij minnen. ,,Ibi me docebisquot; — „Laeva eiusquot; (Christus\' menschheid) sub capite meo et dextera illius quot; (Christus\' Godheid) „amplexabitur me.quot; Cant. 8, 2—3.

-ocr page 38-

— 34 —

En wekt Mij geest, en dooft Hij zinnen, En viert dén groeten bruiloftsnacht ...

Nog is het stil, nog stoflijk duister Omgeeft den luister ;

En wekt Hij geest. ,, Qui autem adhaeret Domino, unus spiritus est.quot; i Cor. 6, 17. Voedingen volmaking van het geestelijk leven, dat vooral in de vereeniging door de liefde met Christus en met elkander in Christus bestaat, is het bijzonder doel van dit Sacrament.

en dooft Hij zinnen. „ Peccat caro, mundat caro.quot; — Cfr Cant. 2. 3 ; „ Sub umbra illius quem desideraveram sedi, et fructus eius dulcis gutturi meo :quot; met zijne menschheid, de schaduw zijner godheid, koelt Hij den brand der begeerlijkheid af ; „ universitatis Dominus servilem formam, obumbrata maiestatis suae dignitate, suscepit. quot; S. Leo M. Serm. II de Nat. Dni. „ Virtus de illo exibat et sanabat omnes. quot; Luc. 6, 19.

En viert den grooten bruiloftsnacht...... „ Gelijk voor Maria,quot; zegt

Broere, „ is voor ons het vleesch middel tot een innig huwelijk met God. De Zaligmaker zelf zegt : „ Mijn vleesch is waarlijk spijs, en mijn bloed is waarlijk drank ; wie mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, blijft in mij en ik in hem. Gelijk de Vader mij gezonden heeft en ik leef door den Vader, zoo zal ook hij die mij eet door mij leven. Joan. VI. In \'t geheim der Eucharistie alzoo heeft het eigenlijk huwelijk met Christus plaats. Daar worden wij vleesch van zijn vleesch en gebeente van zijn gebeente. Ephes. V, 30. Daar wordt de ziel, als Maria, bruid des Woords, „ want die van de . ledematen des Bruidegoms gespijsd en van zijn bloed gedrenkt worden, hun valt de huwelijksgemeenschap met Hem ten deel Theodoret. Repreh. Anath. Cyr. XI.quot; {Kath. D, 27 bl. 259—60) Verg. hierv. 18 en v. 127—29.

Kard. Franzelin spreekt aldus : „ In hoc sacramento est unionis per caritatem velut intimum centrum, ad quod quodammodo radii aliorum sacramentorum diriguntur, dum unio cum Christo in aliis sacramentis praeparat ad consuramationem unionis in hoe sacramento.quot; Dit wat de vereeniging der ziel betreft. Omtrent de vereeniging onzer lichamen met \'s Heeren maagdelijk vleesch en

Nog ge- ; schieUt dit i n diepever-borgcnheid; j

-ocr page 39-

Hij het leven des geestes op en dooft Hij den gloed der begeerlijkheid ; hier viert Hij het groote bruiloftsfeest mot

de ziel in den nacht van dit aardsche leven......

Want nog grijpt alles plaats in stilte en verborgenheid ; nog

bloed vat dezelfde beroemde Theoloog op de volgende wijze de beloften van Christus en de uitspraken der Vaders samen: „ Christus Dominus ipsam carnem eorum qui digne suscipiunt Sacramentum, tamquam contactu suae sanctissimae carnis conse-cratam, considerat ut carnem suam speciali affinitate. Quamvis enim corpora nostra, quamdiu per statum gratiae templa sunt Spiritus Sancti, sint per hoc ipsum membra Christi, de ossibus eius et de came eius, ex quo tempore ipse naturam nostram per incar-nationem fecit suam et participavit carni et sanguini nostro (i Cor. VI. 15. 19 ; Eph. V. 30 ; Hebr. II. 14), haec tamen mystica unitas carnis nostrae cum came Christi suam pleniorem consummationem et velut sacramentalem consecrationem accipit per coniunctionem glorificati corporis et sanguinis eius cum ipsis corporibus nostris ; in qua coniunctione celebrantur nuptiae Agni cum sponsa sua Ecclesia adhuc peregrinante in membris singulis, quae iucundiores et plenioris unitionis solum celebrabuntur in patria (cf. Apoc. XU. 23). Sic igitur ex sacramentali coniunctione oritur peculiaris illa affinitas, qua Christus sponsus considerat carnem digne manducantium carnem eius et bibentium sanguinem eius speciali titulo ut carnem suam. Et propterea conformat carnem nostram carni suae incor-ruptibili ac glorificatae, bic quidem in exilio nondum incorruptibi-litate et immunitate a concupiscentia, sed quantum conditio haec patitur et nostrae dispositionis ac cooperationis defectus non obstat, per auxilia interna et externa adversus tentationes carnis et diaboli, aliquando etiam restinctione cupiditatum per aliquam praeterna-turalem huraorum attemperationem immediate in ipso corpore Sanctorum suorum. quot; ( De SS. Enchar. Sacrant. et Sacri/. C. III. Thes. XVII, XIX.)

bruiloftsnacht, in tegenoverstelling van den luisterrijken, nimmer eindigenden bruiloftsi/a»- des hemels : „ En neen, quot; — het is weder Broere zelf, die spreekt — „nog is deze aarde geen hemel, maar daaruit daalt Hij neer op de stem zijner Kerk, zijner heilige bruid, in

-ocr page 40-

- 36 -

VII.

55 De geestenwacht

Zweeft ongezien, bij zucht en klacht En beègefluister......

Maar toch, Hij is \'t!... Hoe vol verkwikken Dauwt zijn gena in tranen, hier geschreid ! 60 Het leven kiemt en voelt de zonneblikken

Van zijne liefde en hare onsterflijkheid I ...

O samenspraak ! O zoet genieten !

Bij \'t in- en uit- en overvlieten Eens strooms van innig zielvergieten ,

dezen aardschen nacht, waar hare liefde Hom blijft wachten.quot; {Kath. D. 75, bl. 73-74). Deze gedachte wordt verder ontwikkeld in de volgende verzen 53-57 :

,, Habeo enim te in Sacramento, quot; zegt de schrijver der Navolging, i,vere praesentem, quamvis aliena specie occultatum. Nam in propria et divina claritate te conspicere, oculi mei ferre non possent: sed neque totus mundus in fulgore gloriae maiestatis tuae subsi-steret ... Me oportet contentum esse in lumine verae fidei et in ea ambulare, donee aspiret dies aeternae claritatis et umbrae figurarum inclinentur. quot; ( L IV, c. 11). ,, Nunc autem frequenter gemo et infelicitatem meam cum dolore porto, quia multa mala in hac valle miseriarum occurrunt ... Moveat te suspirium meum ... O lesu, splendor aeternae gloriae, solamen peregrinantis animae, apud te est os meum sine voce, et silentium meum loquitur tibiquot; ... (L. III, c. 21 ).

58. Maar toch, Hij is\'t! ... „Dixit ergo discipulus ille, quem diligebat Jesus, Petro : Dominus est !quot; loan. 21, 7.

,, Plagas, sicut Thomas, non intucor,

Deum tarnen meum te confiteor ! quot;

58—59. Hoe vol verkwikken dauwt zijn genei in tranen, hier geschreid! Het leven kiemt......

„ Nog grootere droefheid ja ! vervult ons quot; — zegt Broere in zijn preek Op een Feest van gedurige aanbidding — „ dat wij eene zoo onbegrijpelijke goedheid hebben beleedigd ; maar die droefheid is

maar toch, Gods tegenwoordigheid openbaart zich in de gena-werkingen ;

VIII.

in de zoetheid van zijn verkeer ;

-ocr page 41-

— 37 —

gaat Gods glorie schuil in stoffelijk duister ; nog zweven de geesten, wachters om het tabernakel, onzichtbaar rond bij de zuchten en klachten en \'t fluisterend bidden der geloovige scharen.

Maar toch, Hij is het, de levende God ! ... Het is zijne genade, welke zoo verkwikkend nederdauwt in de tranen van berouw, hier geschreid : nieuw leven ontkiemt in de ziel, die zich voelt koesteren door den zonnegloed van Jezus\' liefde, wel wetend, dat niets haar van die liefde scheiden kan ...

O onbeschrijfelijke samenspraken ! O zoet genot bij het in-

niet bitter, en verkwikkelijk zijn die tranen waarmee de hoop, de dageraad van het andere leven, opgaat en zich verheldert in ons gemoed. quot; {Kalh. D. 75, bl. 77 ).

Dauwt zijn gend — Cfr. Osee, 14, 6—5 : „ Sanabo contritiones eorum, diligam eos spontanee ... Ero quasi ros, Israel germinabit sicut lilium, et erumpet radix eius ut Libani. quot;

voelt de zonneblikken van zijne liefde : „ En ipse stat post parietera nostrum, respiciens per fenestras, prospiciens per cancellos. quot; Cant. 2, g. „ Et conversus Dominus respexit Petrura. Et recordatus est Petrus verbi Domini, et egressus foras Petrus flevit amare. quot; Luc. 22, 61—62.

en hare onsterfelijkheid. ,, Caritas numquam excidit. quot; 1 Cor, 13, 8. ,, Quis ergo nos separabit a caritate Christi ? quot; Rora. 8, 35 (Verg. verder Kath. D. 27, bl. 252 : ..Ich Hebe, also werde ich seyn Stolb.)

„ Propositi ergo banc [ Sapientiam ] adducere raihi ad conviven- -dura : sciens quoniam raecura communicabit de bonis, et erit allo-cutio cogitationis et taedii mei ... Intrans in domum meara, con-quiescam cum ilia ; non enim habet amaritudinera conversatio illius, nee taedium convictus illius, sed laetitiara et gaudium ... quoniara iramortalitas est in cognatione Sapientiae, et in amicitia illius delectatio bona ... et in certaraine loquelae illius sapientia, et praeclaritas in communicatione serraonura ipsius.quot; Sap. 8, 9. 16—18.

63. Bij \'t in- en uit- en overvlieten. „ Anima mea liquefacta est ut locutus estquot; [ Dilectus]. Cant. 5, 6.

„Tune exultabunt omnia interiora mea, cum perfecte fuerit unita Deo anima raea. Tune dieet mihi; Si tu vis esse meeura. Ego volo

Dithyrambe.

-ocr page 42-

- 38 -

6s Waarin ontvangen geven is, En wellust droefenis !......

ix. Hier —bid, mijn ziel ! Hier is uw vragen

Hiermoti Een offer Hem van welbehagen ;

men bidden #

en zich we- Hier sta uw eigen leven af,

ófferen!quot; 70 En geef u zelve weer aan die zich zeiven gaf...

Drink hier uit Gods hartwonde.

x. Hier bid ! Laat \'t uur u niet ontglippen :

Dc wonde bloedt! ... Zet uwe lippen

esse tecum. Et ego respondebo illi; Dignare, Domine, manere raecum, ego volo libenter esse tecum. Hoc est totum desiderium meum, ut cor meum libi sit unitum. quot; Imit. Chri. L. IV, c. 13.

65—66. IFaai/n ontvangen geven is en we/lust droefenis ! Deze twee verzen kunnen in velerlei zinschakeering worden opgevat. Onderscheiden we, om de goede oplossing althans nabij te komen, het zekere van het onzekere. Zeker is wel, dat er in v. 66 omzetting plaats heeft van subject en praedicaat en de zin is, dat „droefenisquot;, smart, lijden, tranen, daar „wellustquot;, vreugde, geluk zijn, omdat er geleden wordt voor den beminde. Niet even zeker is het dat diezelfde omzetting in v. 65 is geschied en de dichter bedoeld heeft, dat „ geven quot; daar „ ontvangen quot; is, en niet omgekeerd : „ontvangenquot; is daar „gevenquot;. Dit staat vast, dat hij heeft willen zeggen : ontvangen en geven is daar als een zelfde zaak, want men ontvangt niet zoohaast of men geeft terug en omgekeerd ; dat hij dien geestelijken „minnehandelquot;, dat „admirabile commerciumquot;, waarvan de H. Kerk zingt, die „ mutua communicatio bonorum inter araantem et amatum quot;, waarvan de H. Ignatius spreekt, in een paar trekken heeft willen schetsen. Wij verstaan liefst ; „waarin ontvangen geven is en droefheid genot.quot;

Bij deze strophe wordt de gedachte door de uitdrukkingen zelve opgevoerd naar den aanhef en vooral naar het slot des gedichts, waar er spraak is van de ,, zwellende stroomen quot; van genot, waarin de gelukzaligen baden bij hun volmaakte vereeniging met God, en van de „ nederstortende en wederkeerende stroomen quot; der Liefde, waarin Vaderen Zoon elkander omhelzen: den cirkelgang der liefde in den toestand der genade en der glorie en in de Godheid zelve.

-ocr page 43-

-SO-

en uit- en overvloeien van dien stroom der innigste, weder-zijdsche zielsuitstorting, waarbij men aanstonds teruggeeft als men ontvangt en vreugde vindt in de smart !...

Hier, mijne ziel, hier is \'t de plaats om te bidden ! Hier zijn uw vragen een Jezus welbehagelijke offerande! Breng hier uw leven, uw denken en willen, al wat ge hebt en zijt, ten offer, en schenk u zelve geheel weder aan Hem, die zich zei ven geheel aan u geschonken heeft! ...

Ja, bid hier ! het gunstige oogenblik is daar : laat het u niet ontsnappen ! Zie de wonde bloeden in de zijde uws Verlos-

66—76. „Caritas enim Christi urget nos ; aestimantes hoe, quo-niam si unus pro omnibus mortuus est, ergo omnes mortui sunt quot; (sc. sibi ipsis): „ et pro omnibus mortuus est Christus : ut et qui vivunt, iam non sibi vivant, sed ei qui pro ipsis mortuus est et resurrexit. quot; 2 Cor. 5, 14—-15. „ In fide vivo Filii Dei, qui dilexit me et tradidit semetipsum pro me quot; Gal. 2. 20.

Verg. ƒ»«\'/. Chris., L. IV c. 8 ;... „ Sicut non sufficeret tibi, omnibus habitis, praeter me : ita nee mihi placere poterit qüidquid dederis, te non oblato. Offer le mihi et da te totum pro Deo, erit accepta oblatio. Ecce, ego me totum obtuli Patri pro te; dedi etiam totum Corpus meum et Sanguinera in cibum, ut totus tuus essem et tu meus permaneres.quot; — „ Sume, Domine, et suscipe omnem meam libertatem, meam memoriam, meum intellectum atque omnem voluntatem meam, quidquid habeo et possideo. Tu mihi haec omnia dedisti : Tibi, Domine, ea restituo ; omnia sunt tua, dispone de illis pro omni voluntate tua ! Da mihi amorem Tui et gratiam, nam haec mihi sufïicit.quot; S. Ignatius. Exerc. Spirit.

We stippen slechts aan : „Desiderio desideravi hoc Pascha man-ducare vobiscum, antequam patiar. quot;

„ Hoc facite in meara commemorationem quot; —■ „ Quotiescumque enim manducabitis panem hunc et calicem bibetis, mortem Domini annuntiabitis quot; — „ O memoriale mortis Domini ! quot; etc.

„ Surge igitur, anima, amica Christi, quot; roept de H, Bonaventura uit, „ vigilare non cesses : ibi os appone, ut haurias aquas de fontibus Salvatoris quot;. (Zk hgna vitae).

-ocr page 44-

r

— 40 —

Aan dit voor u doorstooten hart! .. Ken \'t verblijden 75 Van het lijden,

Drink de goddelijke smart ! ...

Een wijl nog en Hij zal genaken,

Zijn onvermengde vreugd u blaken.

Zijn heerlijkheid de wolken doen vervliên, Uw hand de hand van uw Verlosser raken En oog in oog zult gij Hem zien 1

En de H. Chrysostomus : „ Hinc mysteria ortum habent, ut quoties ad admirandum calicem accedis, tamquara ab ipso latere hauriens accedasquot;. {Hom. 84 in C. 19 loan.).

En de dichter van \'t Stabat Mater dolorosa :

,, Fac me plagis vulnerari,

Fac me cruce inebriari Et crwore Filii ! quot;

En de zrnger van den Kruysbergh

,, O hartebron des wijzen Godts !

O artsenij voor alle krancken !

Vergun mij oock een droppel nat :

Besproei mijn dor en dorstigh blat.

En leer me mijn Verlosser dancken ! quot; enz.

En wie weet niet, hoe de Zaligmaker zelf, door een buitengewone gunst, meer dan een zijner bevoorrechte vrienden uitnoodigde aan die zalige bron hun dorst te komen lesschen ? en wie gevoelt zich niet gelukkig in \'t bewustzijn, dat dit bijzonder liefdeblijk ook geschonken werd aan een door de hoogste deugd en wetenschap uitmuntend Nederlandsch priester, den Gel. Petrus Canisius van Nijmegen ? „Nu, 0 Heerquot;, zoo getuigt hij zelf, „ toondet Gij mij uw hart, dat ik meende van nabij te zien ; Gij geboodt mij uit die heilrijke bron te drinken en noodigdet mij uit, de

XI.

Nog een j weinigtijds f 01 gij zult ; Hem out- | sluieniaan- i schomueu. 80

-ocr page 45-

sers ! ... Treed toe en zet uwe lippen aan die openstaande bron, aan dat hart, voor u doorstooten ! .., Leer hier de zoetheid des lijdens smaken, drink bij volle teugen de smarten in van uw God !...

Nog een wijle, en Hij zal tot u komen, zijne zuivere, eeuwigdurende vreugde uw hart ontgloeien, zijne heerlijkheid alle nevelen en sluiers doen verdwijnen ; gij zult uw hand in de hand uws Verlossers mogen leggen, van aanschijn tot aanschijn Hem aanschouwen I

wateren mijner zaligheid bij U te putten. Ik brandde van verlangen, daaruit een grooten overvloed van geloof, hoop en liefde over mij te zien stroomen. Ik hijgde naar armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid, en smeekte door U gezuiverd, bekleed en passend versierd te worden. Nadat ik tot uw zoet hart was genaderd en daarin mijn dorst had durven stillen, hebt Gij mij een kleed beloofdquot; enz. (Ex commentar. in VUam auctam a Pd. Python).

Verg. bij dit alles Broere\'s Preek op een Feest van gedurige aanbidding. Kath. t. a. p. bl. 80—81.

77. Een wijl nog en Hij zal genaken— „ Iterum modicum et videbitis me: quia vado ad Patremquot; loan. 16, 16. (Zie Lipman, t. d. p, 2C beteekenis.)— „Vado et venio ad vosquot;. Ib. 14, 28 (in denzelfden zin verstaan : in gloria mea).

78. Zijn onvermengde vreugd u blaken — „ Iterum autem videbo vos, et gaudebit cor vestrum, et gaudium vestrum nemo tollet a vobisquot;. Ib. 16, 22 —„ Ut gaudium vestrum impleaturquot;. Ib. 15, u-

79—81. „ Cum autem venerit quod perfectum est (1 Cor. 13, 10), cessabit usus sacramentorum, quia Beati in coelesti gloria non egent medicamine sacramentali. Gaudent enim sine fine in prae-sentia Dei, facie ad faciem gloriam eius speculantes, et de claritate in claritatem abyssalis Deitatis transformati, gustant Verbum Dei caro factum, sicut fuit ab initio et manet in aeternumquot;. Imit. Chri, L. IV. c. 11. Men denke hier terug aan de ie strophe.

Verg. met deze 1 ie strophe de 17\', v. 130—33: „ Eens eindt de worsteling der tijden quot; enz. en de 2ie tot de 24°, v. 159—74: „ Neen, dan niet meer quot; enz.

-ocr page 46-

— 42 —

XII.

Geloof aan de inspraak hier gegeven,

Aan d\' eigen grond, waarop ge staat, Aan dezen dag dien gij moogt leven, 85 Waar vijfmaal óm een eeuwkring heeft gedreven. Maar die in de eeuwen niet vergaat.

Is \'t Amstel niet, waar \'s levens morgen U opging in zijn vroolijk licht ?

Waar uwer vaadren asch geborgen 90 En toeven blijft op \'t laatst gericht ?

Hier! — \'t oord zooveler teederheden !

Met deze strophe maakt de dichter den overgang op het episch gedeelte, de kern zijner „ Dithyrambe op het Allerheiligste,quot; het verhaal der wonderen in en door de H. Hostie, te Amsterdam en elders, gewrocht. Dit gedeelte slaat zoowel op al het voorafgaande terug als het heenwijst op al wat volgt; „ het mirakel van de H. Stede vonkelt wel degelijk als de lichtende kern door alles heen quot;. (A. M. C. Van Cooth, Kath. D. 81 bl. 334). Die wonderen nl. zijn een tastbare bevestiging van hêt reeds beschouwde. Zij roepen ons toe : „ Hij is \'t! quot; (v. 58 ), Hij „ is neergekomen quot;, die de vreugde der hemelen is ( v. 31); eenmaal zal „ zijne onvermengde vreugd [ ons ] blaken quot; ( v. 78 ) en Hij ons „ alovertreffend loon quot; zijn ( v. 11 ). Zij zijn mede voorafbeelding der toekomst. Die Hostie, ongeschonden te midden der vlammen, toont ons hoe door hare kracht de met Haar gespijsden eenmaal ongeschonden en heerlijk uit den wereldbrand zullen verrijzen ; en de overige wonderen, door den verheerlijkten Christus, hier in \'t Sacrament, gewrocht, wijzen op de volheid des levens, op de vrije heerschappij over de stof, op de zalige liefde, welke ons deel wordt in den hemel, waar wij aan Hem gelijkvormig zullen zijn.

82. Geloof aan de inspraak enz. „ En wilt gij dan zoo mogelijk met oogen zien, wat liefde hier het hart ontvlamt, welaan, ik wijs u op de uitwendige gevolgen, waarvan alle eeuwen der Kerk getuigen waren, en die met de waarheid der Katholieke Kerk de waarheid van dit Heilig Sacrament stavenquot; — zoo spreekt

Dat waarborgt u dit eeuwfeest zelf:

XIII.

Hier toch heeft God in \'t Sacrament zijn waarheid enmacht ,en uw eeuwig heil getoond.

-ocr page 47-

— 43 —

In dit geloof bevestigt u het getuigenis, dat hier gegeven is, hier op de plek zelve, waar gij staat, op dezen dag zeiven, dien gij beleven moogt; den dag, waarom reeds vijfmaal eene eeuw haren kringloop heeft volbracht, maar die in den loop der eeuwen nimmer zal vergaan.

Is \'tniet aan de boorden des Amstels, dat de blijde morgen des levens voor u oprees ? dat, in afwachting van den dag des laatsten gerichts, het stoffelijk overschot uwer vaderen rust ?

Hier, in dit oord, reeds met zoovele blijken van teedere

Broere in bijna denzelfden gedachtengang „ op een Feest van gedurige aanbidding quot; — en hij wijst op het voorbeeld der Heiligen, die edelste, die wonderbare vruchten van den Boom des Levens, midden in het paradijs der Kerk geplant.

83. sia/i d\' eigen grond, enz. „ Locus enim, in quo stas, terra sancta est.quot; Exod. 3, 5. — En wanneer ge ziet, dat deze Amstel-stad ., van een Visschersbuyrdt soo groot-machtighe Zee-haven, ende als een pack-huys der gantscher wereldt, en Cooren-schuyr van ons Vaderlijcke Nederlandt gheworden is, quot; bedenk dan hoe de grond zelf hier getuigt voor Hem, aan wiens wonderwerken in \'t Sacrament uw stad boven alles haar „ eer en opkomenquot; te danken heeft. (L. Marius, Amstelredams Eer ende Opcomen enz. Opdracht aan P. P, Rubens. )

84. Aan dezen dag enz. ,, Habebitis autem hunc diem in monu-mentum ; et celebrabitis eum solemnem Domino in generationibus vestris cultu sempiterno. quot; Exod. 12, 14. Het wonder schiet hier zijn stralen uit in tijd en ruimte !

91. Hier! — \'toord van veler teederheden. „ Omnipotens Deus, quot; zegt het Proprium Harlemense op dit feest, „ qui efficacibus suis ac supranaturalibus operibus se locum istum civitatemque Amstelre-damensem diligere demonstrabat. quot; — Men kan \'t echter ook verstaan als ; het oord, waaraan voor u zoovele teedere herinneringen zijn verbonden; of, in beide beteekenissen vereenigd : zoo-veler teederheden van Gods kant en zooveler zoete herinneringen voor u. Wij geven de voorkeur aan de eerste der drie opvattingen.

-ocr page 48-

quot;

— 44 —

Hier heeft, wat wilt ge meer? de God, van u gebeden,

Zijn waarheid en zijn macht En \'t eeuwig heil getoond, waarop gij hoopt en wacht.

95 Hier deed om \'tGodsgeheim het vuur zijn vlammen

[ spoeien,

92. De God, van 21 [niet; «re/] gebeden. Verg. voor de uitdrukking bv;

„Ja, \'toogenblik was daar, zoo lang van God gebeên,quot; ( Gedichten v. Broere, bl. 100 ), en hoe gemeenzaam het Broere was op deze wijze van in plaats van door te gebruiken, kan men zien bv. in zijn Lofrede op den H. Bonifacius ( Kath. D. 81 ), waar deze constructie slag op slag voorkomt. Zoo leest men, bl. 2 : „ deze maatschappij, van Christus saamgehouden, zal zich tot hooger eenheid volmaken;quot; bl. 3; „deze goddelijke beloften werden vervuld en deze profetische woorden van die der werkelijkheid gevolgd;quot; bl. 9 ; „en nu, van Christus geroepen, van Petrus gezonden, van den goddelijken Geest, die de Kerk uitbreidt, bezield, ging hij scheep quot; enz. enz.

93—94\' Zijn waarheid en zijn macht en \'t eeuwig heil getoond, enz. nl. door de wonderen, hier en van hieruit gewrocht. Dat God in die wonderen zijn macht toont, is duidelijk; maar zijn waarheid, in welken zin ? Wij antwoorden : in velerlei zin. a ) Elk waarachtig wonder is, volgens Br.\'s kernachtige uitdrukking, „ verzinnelijkte waarheid quot; ( Kath. D. 34, bl. 225 ; verg. D. 33 bl. 76, noot), omdat het ons de waarheid der leer, ter wier bevestiging het geschiedt, in een zinnelijk waarneembaar feit voor oogen stelt, b) God heeft hier derhalve door .die wonderen getuigenis afgelegd voor de waarheid van de leer zijner Kerk, dat Hij in \'t H. Sacrament waarachtig tegenwoordig is ; dat de \'woorden der belofte (loan. 6) en instelling (Matth. 26, 26; Mare. 14, 22 ; Luc. 22, 19), in den zin der Kerk opgevat, waarheid zijn ; dat derhalve die Kerk de waarheid leert, dus de ware is. c) Op geheel bijzondere wijze wordt in de H. Eucharistie het in- en uitwendige leven der Kerk, d. i. hare volle \'waarheid, als in het middel- en brandpunt samengevat, daar klopt

XIV. Hier bleef

-ocr page 49-

— 45 —

voorliefde door God begunstigd, hier heeft — wat kunt gij meer verlangen? — de verborgen God, dien gij in \'t Sacrament aanbidt en aanroept, door schitterende wonderen zijne waarachtigheid gestaafd, zijne almacht ten toon gespreid, u een onderpand en voorafbeelding geschonken der eeuwige gelukzaligheid, in welker vaste hoop en blijde verwachting gij leeft.

Hier immers deed het vuur om de H. Hostie zijn vlammen kronkelend opgaan en ongezengd stond Zij te midden van

het hart der Kerk ; en zoo waarachtig als het rijk der natuur in zijn wezen en werken bestaat om het rijk der genade, en dit om het rijk der glorie, wordt in den verheerlijkten Christus der Eucharistie de gansche schepping en de geheele wereldgeschiedenis saamgetrokken en verheerlijkt in de „ Scheppingskroonquot;, het éene, levende Woord, de hoogste uitdrukking der Waar/ieid Gods : daarom jubelt de H. Kerk, na iedere H. Mis, door den mond harer priesters: „Benedicite omnia opera Domini Domino !quot; (Verg. Broere, Kath. D. 34, bi. 20, 31, 218—26, D. 75 hl. 74—76; Schouppe, 1. c. p. 158, 3.)

En \'teeuwig heil getoond. Die wonderen nl. zijn als een voorafbeelding en onderpand van het leven in de hemelsche glorie. Zie v. 95—103, verg. met v. 164—79.

In deze strophe worden eenige der voornaamste wonderen opgesomd, in en door de miraculeuze Hostie gewrocht. Ziehier het eenvoudig verhaal dier wonderen, zooals de oudste kroniekschrijvers het hebben geboekt. (Verg. de werkjes van L. Marius, „ Amstelre-dams Eer ende Opcomen quot; enz. (1689) en A. J. Pluijm, ,, Het H. Sacrament van Mirakelquot; enz. (1845).

95—97. Zgt;e H. Hostie ongeschonden te midden der vlammen bewaard. Dit geschiedde tot twee malen toe ; eerst in den nacht van 15 op 16 Maart r345 ; vervolgens 25 Mei 1452.

a) „ In het jaar des Heeren 1345, op Dinsdag vóór Palmzondag, zijnde de r50 Maart, was er te Amsterdam een zieke, die zich in gevaar van sterven bevond. Op verlangen van den

-ocr page 50-

46

En \'t stond eronverzengd! - de hoofdstof eerde in \'t gloeien

Haar Opperheer!

Hier bad de kranke, die zich \'t leven voelde ontvloeien : \'t Keert in hem weer !

ioo Hier riep de balling heen om vrijheid uit zijn boeien : Zij vallen neer !

De ontstelde schepeling om hulp in \'tstormenloeien : Stil is \'t op \'t meer !

Ja! God woont onder stervelingen:

zieke, die door het ontvangen van het H. Lichaam des Heeren in het heil zijner ziel wilde voorzien, werd de priester ontboden. De priester kwam, en diende hem, volgens gebruik der Katholieke Kerk, de goddelijke Teerspijze toe. Dit geschiedde kort na vespertijd. Eeni-gen tijd daarna veroorzaakte de ziekte aan den lijder eene braking, waardoor hij de H. Hostie overgaf. De vrouwen, die den zieken man oppasten, namen het uitwerpsel, en wierpen het zonder te bezien of er ook iets van de genuttigde Hostie onder gemengd was, in een groot vuur. Het vuur brandde, op diezelfde plaats, den geheelen nacht door, om de kamer ten beste van den zieke te verwarmen. Eene dier vrouwen, toen zij des anderen daags morgens opgestaan was en haar kind gekleed had, wilde haar bed spreiden ; maar op dat oogenblik gevoelde zij door al hare leden eene zoo groote koude, dat zij zich haastte om bij het vuur te komen. Zij rakelde het vuur op, en nu zag zij in het midden der vlammen, eene schoone, witte Hostie, geheel ongeschonden, zooals zij die vroeger, in de handen des priesters, aan het altaar gezien had. Op dit gezicht verschrikt zij, doch steekt onvervaard hare hand in de vlammen, en haalt de Hostie midden uit het vuur, zonder dat hare hand in \'t minste door het vuur beschadigd werd quot; enz. ( Pluijm. 1. cc bl. 7—8).

b) „Een felle brand, die op den 25quot; Mei van het jaar 1452

dc Hostie ojigesc honden in de vlammen ; vond de kranke ge- gt; nezing, dc j gevangen • ballingverlossing, de • schipbreukeling redding.

xv.

God woont

-ocr page 51-

— 47 —

den gloed: de machtige grondstof eerbiedigde in \'tbranden haar Opperheer ! Hier stortte de zieke, die zich het leven voelde ontzinken, zijn gebed : en zie, de gezondheid is hem hergeven ! De balling, in vreemde gevangenschap zuchtend, riep den Verlosser, hier in de wonderdadige Hostie verblijvend, aan, om slaking zijner boeien : op \'t eigen oogenblik vallen zij af! De schepeling, vol angst en ontsteltenis te midden der loeiende stormen, riep de hulp van dien Verlosser in ; en de woedende zee is plotseling stil!

In waarheid ! de God der glorie woont onder stervelingen,

binnen Amsterdam uitbarstte, vernielde hel grootere en voornaamste gedeelte der stad, en ten gevolge daarvan werd ook de H. Stede in de asch gelegd ... Terwijl de geheele kapel tot asch verteerd werd — bleef het H. Sacrament van Mirakel (in een met zijde omwonden monstrans bevat) ongeschonden in het midden der vernielende vlammenquot;. (Aid. bl. 40—41).

98—99. De kranke. Dit geschiedde o. a. den 15quot; Juni 1475 met eene religieuze Clarisse van Amsterdam ( Aid. bl. 49 ).

Aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk genas (tusschen 14S2—84) van een hopelooze ziekte, ten gevolge der belofte, welke hij deed, van, in geval van genezing, de H. Stede te bezoeken, en verleende in 14S9 aan Amsterdam het recht zijne rijkskroon boven haar wapen te voeren. (Aid. bl. 50—53 ).

100—101. De balling. Een jongeling uit Bremen, die in Barbarije in boeien lag, werd, na eene dergelijke belofte, wonderbaar verlost, 1443. (Aid. bl. 38 ).

102—103. De schepeling. Volgens Marius, „ een Oost-vaar-der — mede ten gevolge derzelfde belofte. ( bl. 84 ).

104. De gevolgtrekking uit de voorgaande strophe, uit het feit der wonderen: waarlijk, God woont dan in ons midden ! „ Vere Dominus est in loco isto ... Non est hie aliud nisi domus Dei et porta coeli!quot; Gen. 28, 16—-17.

-ocr page 52-

- 48 -

105 Het rijk der heemlen is gesticht!

God is met ons ! en wij omringen Met d\' englenrei den troon van \'t Licht.

105. Het rijk der heemlen is gesticht! Verg. v. 32 : „ Heemlen, \'k juich in uwe vreugd!quot; enz. eene gedachte, die zeer dikwijls onder Broere\'s pen wederkeert. Schoon drukt ook P. Al. Baum-gartner S. J. in zijn Festspiel, ter eere van den Spaanschen priester, den onsterfelijken dichter der Autos sacrainentales, Calderon, hetzelfde denkbeeld uit. In zinnebeeldige figuren treden op de Oude Wet en de Genade :

Das Gesetz.

Was ahnend ich geschaut, es ist vollendet,

Die Menschheit schaart sich um das Liebesmahl;

Was ich erhofft, ersehnt, ist uns gespendet,

Der Himmel senkt sich in das Erdenthal.

Die Gnaüe.

In die Natur der Schöpfer stieg hernieder Und rafft zu sich die Schöpfung mit empor.

Auf! Singt das schönste aller Jubellieder,

Das Erd\' und Himmel eint in vollem Chor.

Gesang.

Tantum ergo Sacramentum

Veneremur cernui! enz. Calderon, bl. 66.

,, Vall\' hemel en aarde voor Jesus te voet!quot;

O , had de zanger van God Diet o?is de volle beteekenis van dat woord begrepen, hoe anders nog hadde hij gejubeld :

,, Ik zag Hem, ik gaf mij !...

De hemel ging op uit Uw woord in mijn ziel!quot;

( Da Costa, God met ons. Voorzang )

106. God is met o?is! „ Et vocabunt nomen eius Emmanuel, quod est interpretatum: Nobiscum Deusquot;. Mt. 1, 23.

„ Et ecce Ego vobiscum sum omnibus diebus usque ad consum mationem saeculiquot;. Mt. 28, 20.

-ocr page 53-

— 49 —

het rijk der hemelen is op aarde gesticht! God is waarlijk met ons, en even waarachtig als de engelen in den hemel, omringen wij hierbeneden met diezelfde engelen den troon van \'t ongenaakbaar Licht I Neen, reine geesten, die als waaiende vuur-

106—7. En wij omringen mei d\' englenrei den troonvan \'t Licht — met de engelen, die zoowel op aarde als in den hemel den persoonlijk tegenwoordigen God omstuwen. Zie Kath. D. 33, bl. 319, noot. De tekst zelf levert een schoonen commentaar op deze plaats : „ Wil iemand van de eenheid der Kerk in de Eucharistie begrijpen, wat er van te begrijpen is ? Hij vestige het oog zijns geloofs op dat niet van menschenhanden gemaakte tabernakel, op den hemel, welke Christus is ingegaan. Hebr. IX, 11, 24. Want niet als het Joodsch tabernakel is het geheim der Eucharistie slechts des hemels figuur, — neen, die hemel gloeit er [verg. v. 128], die hemel wordt er bewerkt, tot dien eenigen berg, die stad des levenden Gods, met duizenden van engelen zijn wij genaderd; wij zijn door den onder ons tegenwoordigen God in waarachtige gemeenschap met de geesten der voleinde regtvaardigen (Hebr. XII, 22, 23), en de H. Joannes, den hemel beschrijvend, beschrijft ons altaar, onze eeredienst, de ééne Katholieke Kerk, de nog ongeziene stad Gods, met Driemaal vier, met twaalf poorten, met twaalfmaal twaalfduizend uitverkorenen, die geen ander licht heeft dan het Lam dat geslacht is, en waar dat Lam alleen alles verlicht. quot; En elders : „Ja, het altaar is de troon des Lams, dat alles verlicht, Apoc. XXI, 23, en waardoor alleen geheel de Katholieke Kerk begrijpelijk wordt; het altaar is de bruiloftskoets van het Lam en zijne heilige Bruid. Apoc. XIX, 7. quot; En wederom; „ Hoe meer het geloovig gemoed zich in de beschouwing van dit geheim verdiept, hoe meer het erkent, dat hier, in liet middelpunt van alle orde, tijd en eeuwigheid samensnellen, en met niet uit te spreken verheffing aanbidt het voor dien onzichtbaren troon des Lams dat alles verlicht, waarom de stemmen opgaan der eeuwen, de jubel klinkt der zalige geesten, en hemel en aarde in nimmer eindigend beurtgezang den lof verkondigen van den Vader, den Zoon en den H. Geest. quot; {Kath. D. 27 bl. 274 en D. 75 bl. 75 ).

-ocr page 54-

1

lt;-n 0

1

Gij, geesten ! op uw vleugelslagen, Als vlammen waaiend, voortgedragen 110 Gij zijt dien troon niet nader bij ! De tranen, die onze oogen weenen Gaan ruischend door uw loflied henen,

En wat aanschouwing u verblij\', Ook ons is zijne macht verschenen, 115 Ook ons in \'t hart roept onder \'t stenen Zijn eeuwge liefde : „ Kom tot mij ! quot;

§

XVI Hij is in ons ! Aan \'t licht, aan \'t leven. God komt Dat Hij ontvangt in \'s Vaders schoot.

treedt in le-

ioS—9. A/s vlammen waaietid, voortgedragen. Cfr. Hebr. I, 7—8 : „ Et [ relate ] ad angelos quidem dicit: „ Qui facit angelos sues spiritus et ministros suos flammam ignis;quot; ad Filium autem ; ,. Thronus tuus. Deus, in saeculum saeculi!quot; De engelen zweven als waaiende (snelheid) vuurvlammen (kracht en glans) om den troon van \'t menschgeworden Woord; Br. koppelt de beide beelden der H. Schrift, wind en vlam, aaneen ; waaiend als vlammen. Verg. ook Da Costa ;

Den Legervorst, die vlan iiiende englenkringen Tot wachters heeft en op de wolken rijdt !quot;

( Voorzienigheid).

113. En wat aanschouwing u verblij\'. Verg. v. 41 : ,, Waarin de englen ademhalen.quot;— „ Manducat te angelus ore pleno; manducet te peregrinus homo pro modulo suo, ne deficere possit in via, tali recreatus viatico,quot; Orat. ante Missam. Sabbato. Cfr. Summa P. 3, q. 80, a. 2 c. en de boven aangehaalde woorden van Kard. Franzelin. Christus, en onder zeker opzicht, Christus in de Eucha -ristie, is de éenheid der strijdende en triomfeerende (en lijdende) Kerk. Ook aldus is de Eucharistie het sacramentum unitatis bij uitnemendheid : „ ut sint consummati in tinum quot; (loan. 17).

-ocr page 55-

— 5i —

vlammen op de slagen uwer vleugelen wordt voortgedragen, neen ! gij zijt dien troon van God niet nader bij dan wij ! De tranen, welke wij schreien, ruischen door de blijde tonen uwer lofliederen henen : en, al verheugt gij u in de klare aanschouwing van Gods glorie, ook ons, menschen, heeft zich zijne almacht geopenbaard, ook in ons binnenste klinkt, bij zuchten en lijden, de stem zijner eeuwige liefde : „ Kom tot Mij !quot;

Nog meer : Hij daalt neder in ons binnenste ! Hij geeft ons zijn eigen Vleesch tot spijze, het Bloed, dat Hij aan \'t kruis vergoot, ten drank, en hiermede deel aan \'t goddelijk licht en leven, dat Hij in den schoot zijns hemelschen Vaders ontvangt. Zoo worden wij op geheel bijzon-

II516- Ook ons in Uhart roept, enz. ,, In caritate perpetua dilexi te, ideo altraxi te miserans. quot; lerem. 31, 3. — „ Venlte ad me omnes, qui laboratis et onerati estis, et ego reficiam vos, quot; Mt. 11, 28. Verg. Bioere. Kath. D. 75, bl. 82.

117. Niet alleen is Hij „met ons quot;, onder ons, maar Hij komt „ in ons maakt een hemel van ons binnenste.

117—^20- \'tlicht, aan \'t leven, enz. „ Caro enim mea vere est cibus, et sanguis meus vere est potus; qui manducat meam carnem et bibit meum sanguinem, in me manet et ego in illo. Sicut misit me vivens Pater, et ego vivo propterquot;( door ) „ Pat re m : et qui manducat me, et ipse vivet propterquot; (door) „me.quot; loan. 6, 56—58. Hierbij teekent Corn, a Lap. aan ; „ Nota hie gradatio-nem, qua vita e Deo, quasi per scalas, gradatim ad nos descendit. Primus enim gradus est, quo Pater Filio vitam suam divinam communicat. Secundus, quo Filius vitam eamdem humanitati a se assumptae per communicationem idiomatum impertit. Tertius, quo eidem vitam participatam, puta gratiae et gloriae, inspirat. Quartus, quo non aequalem, sed similem nobis in Eucharistia instillafquot;. — Op de aangehaalde plaats gaat Broere voort; „ Daar (in de Eucharistie) wordt onze aanneming, als die van

-ocr page 56-

52

Wordt met zijn Vleesch ons deel gegeven,

Met \'t Bloed, dat Hij aan \'t kruis vergoot. Zijn broedren zijn we ! \'s Vaders zonen ! In ons komt beider Liefde wonen,

En God vereenigt ons met God !

Hang\' dan de sluier nog der zinnen : Zij lijden, strijden, overwinnen Ons immer wederkeerend lot ;

Heil ons ! wij kunnen Hem beminnen. Ons gloeit de hemel reeds van binnen In liefde\'s zaligend genot!

vensgemeenschap met ons,

sticht een | hemel in ons hart.

125

Maria, voltooid; worden we, als zij, zonen en dochters Gods, dewijl wij geheel vereenigd, wij gespijsd worden met dat vleesch en bloed, dat ons opnieuw heeft gebaard {Chrysost. in Ps. 144); worden we, als Maria, Christusdragers, één niet Hem in den bloede, één in het vleesch, en daardoor deelachtig aan de goddelijke natuur (5. Cyrill. Hier. Catech. 22 )quot;. Zie ook Kaih. D. 33 bl. in,

123. En God vereenigt ons met God ! Wij vatten dit vers in den aangegeven zin op: in de H. Communie vereenigen wij ons onmiddellijk met Christus\' Lichaam en Bloed, met deze is zijn h. ziel en zijne Godheid onafscheidelijk verbonden, en aldus vereenigt ons de mensch Christus, die tevens God is, ook met de beide andere personen der allerh. en ondeelbare Drieéénheid. Zou men echter, op grond van andere plaatsen uit Broere (zie bv. Kath. U. 75 bl. 80—81) en van de punctuatie in deze versregels, beweren, dat met het eerste „Godquot; niet de Godmensch, maar de persoon des H. Geestes bedoeld is, die ons met den Zoon en den Vader vereenigt, wij zouden dat gevoelen niet geheel durven verwerpen als onwaarschijnlijk. Cfr. S. Aug. Tract. XXVJ in loan. „ Haereat [ membrum ] corpori [ Christ! ], vivat Deo [ Christo ] de Deo [ Spiritu Christi ]. quot;

125—29, Zij [ niet: Zijn ] lijden, enz. Hier liefde in lijden, hier vermengd genot, ginds onvermengde zaligheid der liefde ; hier

-ocr page 57-

dere wijze zijne broeders, kinderen des Vaders, woonsteden des Heiligen Geestes, die de Liefde is van den Vader en den Zoon : en aldus vereenigt de Godmensch in persoon ons menschen met den drieéénigen God. De sluier der zintuigen, die Hem ons verbergt, moge dan nog niet zijn opgelicht ; lijden, strijden en overwinnen moge op aarde ons gestadig wederkeerend lot blijven : toch zijn wij waarachtig gelukkig, daar wij ons zoo innig met Hem vereenigen kunnen en in het genot zijner liefde reeds een hemel vol zaligheid in ons binnenste voelen gloeien.

f

vereeniging, gelijkvormigheid met den lijdenden, hierna met den triomfeerenden Christus : maar waar vereeniging is met den Geliefde, daar is altijd in zooverre genot, zaligheid, hemel. — Ziehier ongeveer dezelfde gedachte, uitgesproken door de H. Teresia, bij eene verschijning aan eene harer religieuzen : «Wij, die in den hemel zijn en gij, die op aarde zijt, wij moeten dezelfden zijn in liefde en zuiverheid : wij, in den hemel, terwijl wij \'t Wezen Gods aanschouwen, gij op aarde, terwijl gij het Allerheiligste Sacrament aanbidt, waarvoor gij moet doen in de ballingschap wat wij hier doen ten opzichte van het goddelijk Wezen, wij in genot, gij in lijden: daarin verschillen wij; en hoe meer gij op aarde zult lijden, te meer zult gij eens in den hemel genieten. Zegt het aan mijne dochters ! ,,En die twee woorden: ,, Allcvhciligst Sacyci/ue?it en Lijden , gaat P. Ribera voort, „ bleven die persoon in geheugen en hart geprent ( Ribera, Leven der H. Teresia, B. 5 h. 4.)

128. Ons gloeit de hemel reeds van Mimen. Buiten ons gloeit de hemel, schoon onzichtbaar, in het tabernakel, in ons, wanneer wij in een welgesteld hart Jezus in de H. Communie ontvangen. Maar dit alles geschiedt nog, terwijl „ de sluier der zinnen hangtnog in \'t verborgen — \'tis nog geen ,, Paradijs, dat om ons uitbloeit (verg. v. 168), \'tis „ de hemelquot; reeds, ja, maar ook nog slechts van binnen.

Dithyrambe.

-ocr page 58-

54

xvii. 130 Eens eindt de worsteling der tijden,

dcquot;sirijdquot; Vervult zich \'s werelds barensnood ;

van dit leven op. _

Aan een dichter, die dit alles miste, gaf „ de Hoopquot; alleen reeds deze fraaie verzen in ;

,, Neen, van die Almacht die we aanbidden Scheidt ons geen eindlooze afstand af!

Hij woont. Hij zetelt in ons midden.

Die in ons hart zijne inspraak gaf!

Ja, Godheid ! ja, Gij hoort de bede.

Gij, die dat hart weldadig kneedde.

En \'t hebt geheiligd door de Hoop !

Door haar doet Gij \'t van Liefde gloeien.

Door haar van Lofzang overvloeien !

Door haar het Paradijs herbloeien.

Waar op Uw eerste zegen droop !quot;

( Bild., De Hoop. )

Nog eens ; hadde hij de %ave Gods gekend !

Aan het slot der voorgaande strophe heeft de dichter gezegd, dat wij wel is waar in de zaligheid der liefde hier reeds een hemel bezitten, maar dat dit geluk nog geheel inwendig is en telkens terugkeerend lijden, strijden, overwinnen ons lot op aarde blijft. Doch eenmaal, roept hij thans uit, zal die worsteling ophouden, dat lijden voldragen zijn, goed en kwaad met hun gevolgen voor eeuwig vaneengescheiden worden ! „Eensquot; toch „scheurtquot; enz.

Wil men eenigermate achterhalen wat al Broere bij deze vier regelen voor den geest stond, dan raadplege men zijne oorspronkelijke „Beschouwing des Tijds. 1852,quot; met dien schilderachtigen aanhef, welke zoo volmaakt op deze regelen terugslaat : „Alles is gemengd ! Dus zuchten we bij den eersten blik op dezen raadsel-achtigen tijd, niet wetende of wij dien gelukkig of ongelukkig moeten noemen ; alles is gemengd, wonderbaar gemengd! is eene worsteling van vreugd en smart, van goed en kwaad, van leven en dood, en tot door het gejuich der schepping, ons Gods

-ocr page 59-

— 55 —

Dan, eenmaal breekt de dag aangt; waarop de worstelstrijd van dit tijdelijk leven uitgestreden, de barensnood

heerlijkheid verkondigend, gaan verneembare kreten des lijdens. De schoone bloem verwelkt en wordt afzichtelijk, de stroom, die het landschap vervroolijkt en voedt, snelt van doodsche en onvruchtbare bergen naar den afgrond der onvruchtbare zee, en in dat schitterend uitspansel dat deze aarde bekroont, dat eene zoo eeuwige orde schijnt, waaraan wij de jaren tellen onzer vergankelijkheid, hoevele starren zijn daar, welker glorie lang heeft uitgeschenen, en die er thans straalloos wentelen !quot; Hetzelfde verschijnsel als in de natuur doet zich voor in ons hart, in de geschiedenis ; overal worsteling der twee wereldmachten, goed en kwaad, leven en dood, en die worsteling der tijden zal eerst eindigen met den jongsten dag. Dan — ander beeld voor dezelfde gedachten ;

131. Vervult zich \'s werelds barensnood. Cfr. Rom. 8, 19—23 : „Nam exspectatio creaturae revelationem filiorum Dei exspectat. Vanitati enim creatura subiecta est non volens, sed propter eumquot; ( Deum ), „qui subiecit earnquot; (propter peccatum hominis ) „in spequot; (spem tamen ei relinquens); „quia et ipsa creatura liberabitur a servitute corruptionis transiens in libertatem gloriae filiorum Dei. Scimus enim quod omnis creatura ingemiscit, et parturit usque adhuc. Non solum autem illa, sed et nos ipsi primitias spiritus habentes: et ipsi intra nos gemimus\' adoptionemquot; (perfectam ) „filiorum Dei exspectantes, redemptionem corporis nostri.quot; — „De oude wereld gaat als zwanger van eene nieuwe wereldquot; ( Beelen, t. d. p.) en ziet reikhalzend uit naar het uur harer verlossing van kwaad, lijden en dood (Cfr. Gen. 3, 17—19), en harer verheerlijking.

„\'s Werelds machten Zijn als in barensnood en alle schepsels wachtenquot;,

zingt Da Costa, met het oog op Christus\' eerste komst ( God met ons); hetzelfde geldt nog sterker voor de tweede komst des Heeren.

-ocr page 60-

V ik

— 56 —

Scheidt goed van kwaad, en vreugd van lijden. En eeuwig leven van den dood !

XVIII. Eens klinkt de bazuin ten wraakgericht.

Eens scheurt de wraakbazuin de wolken ; 135 En, bij het angstgeschrei der volken,

Galmt luider steeds haar schrikbaar uitgehaalde toon

1

XIX.

Hemeltee-

Daar stort het zonlicht van zijn troon !

J.J2—33. Scheidt goed van kwaad, enz. Cfr. Matth. 13, 24—30; „Sinite utraque crescere usque ad messem, et in tempore messis dicam messoribus : Colligite primum zizania, et alligate ea in fasci-culos ad comburendum, triticum autem congregate in horreum meum,quot; en andere parabels van het laatste oordeel. Vreugd en eeuwig leven, gevolgen van het goed, gelijk lijden en dood van het kwaad; tijdelijk kwaad, lijden en dood zullen ophouden om voor

vereeuwigd kwaad, lijden en dood in de hel plaats te maken, en evenzoo tijdelijk goed, tijdelijke vreugde en leven voor de eeuwige in den hemel; scheiding ook van de goeden en de kwaden, op den dag des oordeels en voor eeuwig.

Cfr. i Cor. 15, 54—55 : „Tune fiet sermo qui scriptus est ; Absorpta est mors in victoria! Ubi est, mors, victoria tua ? ubi est, mors, stimulus tuus?quot; Is. 25, 8; Osee, 13, 14, etc.

134. de wraakbazuin, de bazuin, die het einde der tegenwoordige wereld en Gods laatste en groote wraakgericht aankondigt, en dit wraakgericht vangt reeds aan in de ontzettende, in de volgende strophe beschreven teekenen, welke de opstanding der dooden zullen voorafgaan : „ Dum veneris iudicare saeculum per ignem.quot; {Off. Def.) Verg. „Et mittet angelos suos cum tuba et voce magnaquot;. Matth. 24,31. —„In novissima tuba ; canet enim tuba quot;. 1 Cor. 15, 52 ; „ Canet enim tuba. quot; —„ Dies ultionis hi sunt.quot; Luc. 21,22. Zie ook Apoc. hfdst. 8 en 9.

135. het angstgeschrei der volken : „Et tunc plangent omnes tribus

-ocr page 61-

der schepping vervuld zal zijn ; waarop goed van kwaad, vreugde van lijden, het leven voor immer van den dood zal gescheiden worden !

Ja, eenmaal slaat het uur, waarop het geschal der bazuin, Gods wraakgezicht aankondigend, door de wolken dringt! Hoor! luider en luider galmen, onder de klimmende angsten jammerkreten aller volken, hare tonen, schrikwekkend uitgehaald !

Daar stort de zon van haren lichttroon ! Daar warren

terrae.quot; Mt. 24, 30 — „Arescentibus hominibus prae timore et exspectatione, quae supervenient universo orbi.quot; Luc. 21, 26.

Quantus tremor est futurus,

Quando ludex est venturus !quot;

136. Galmt, enz. „Tuba tnirum spargens sonum.quot; Verg. hierachter Broere\'s ,, Constantijn —

Denk bij dit te recht beroemde vers aan de classieke plaats uit Tasso\'s Jeruzalem verlost, 4e zang, aldus door Lulofs weergegeven:

„De schaar, die \'t oord bewoont, in eeuw\'gen nacht verzonken,

Wordt opontboón ten raad met schor klaroengeschal:

Hol daavren van dien galm de onmeetb\'re helspelonken ;

Dof dompig luchtgebom herbauwt hem overal ;

Geen donder ploft en bonst, hoe \'t zwerk ook stuif van vonken

Bij \'s bliksems rooden gloed, met zulk een ratelknal ;

Nooit dreunt, nooit kraakt zoo de aarde, als saamgeperste dampen Haar zwangren solferschoot doorwoelen en doorkampen.quot;

De dichter geeft, als men ziet, geene beschrijving van den laatsten oordeelsdag, maar, overeenkomstig zijn doel, alleen van eenige teekenen, welke dien dag voorafgaan, vooral van het ontzaglijke vuur, dat de aarde zuiveren zal, om daarop des te krachtiger, als we \'t zoo noemen mogen, den triomf der Eucharistie over dat vuur te doen uitkomen, eindtriomf, waarvan het mirakel ter H. Stede als een gering voorspel was.

-ocr page 62-

i

- 58 -

Daar verwarren Zich de starren ! 140 Zwicht natuur !

Grijpt het vuur Om des aardrijks krakende assen ! De oceaan huilt fn zijn plassen ! Aller elementen kracht 145 Vecht in vlammen ! Uit den nacht

Spuwt de brand, met vonkenloover Bliksemstraal en -slag te voor Rolt bergen over,

Afgrond door I J 50 Tot het eerste rotsgesteente,

\'t Diep gebeente Van de wereld, dondrend kraakt. En in laaie vlammen blaakt!

xx.

De Red-der uit dat vuur is de God der

Maar wie redt uit dit vuur ? — Wie, als straks zonder

[ krachten

155 Weer de eerste baaierd drijft en \'t scheppingswoord blijft

[ wachten,

137. het zonlicht: „Statim autem post tribulationem dierum illorum ( „het angstgeschrei der volkenquot; ) sol obscurabiturquot;. Mt, 24, 2(j — „Sol factus est niger tamquam saccus cilicinus.quot; Apoc, 6, 12.

T38—39. de starren: „Et stellae cadent de coelo et virtutes coelorum commovebunturquot;. Mt. ibid. — „Et stellae de coelo ceciderunt super terrain, sicut ficus emittit grossos suos cum a vento magno movetur, et coelum recessit sicut liber involutus.quot; Apoc. 6, 13—14.

140- Zwicht natuur ! — „Stupebit et natura.quot;

141—53. Grijpt het vuur, enz. „Adveniet autem dies Domini ut fur: in quo coeli magno impetu transient, elementa vero calore solventur; terra autem, et quae in ipsa sunt opera exurentur quot; etc. 2 Pet. 3,10—12. „ Ignis succensus est in furore meo, et ardebit

kenen en wereldbrand.

-ocr page 63-

— 59 —

de sterren door elkander, wordt het samenstel der natuurkrachten verbroken ! Daar grijpt het vuur om de krakende aardassen heen ! Huilend werp de zee haar ziedende golven omhoog I Het ontketend geweld aller elementen jaagt hen tegen elkander op in een reusachtigen vlammenstrijd ! Uit den stikdonkeren nacht, die de aarde omhult, braakt de wereldbrand, onder een dwarrelenden vonkenregen, bliksemstralen en donderslagen uit! Over bergen, door afgronden rolt hij voort, dieper en dieper, totdat het eerste rotsgesteente, het diepstliggend rif der wereld, met donderend gekraak ineenstort en in laaie vlammen staat!

Maar wie is de redder uit dat alvernielend vuur ? — Wie, als straks weder de oorspronkelijke baaierd, uitgeput van krachten, daar ligt te drijven, in afwachting van \'t woord dat zijn aanschijn herscheppen zal, wie, wie

usque ad inferni novissima; devorabitque terram cum germine suo, et montium fimdamenta comburet. quot; Deut. 32, 22.

De oceaan huilt enz. „Et in terris pressura gentium prae con-fusione sonitus maris et fluctuum.quot; Luc. 21, 25 — „Excandescet in illos aqua maris et flumina concurrent duriter.quot; Sap. 5, 23.

Vecht in vlammen ! „Armabit creaturam ad ultionem inimi-corum ... et pugnabit cum illo orbis terrarum contra insensatos.quot; Sap. 5. iS, 21.

Uit den nacht. „Et dabo tenebras super terram tuam.quot; Ezech. 32, 8.

Bliksemstraal en -slag. „Ibunt directe emissiones fulgurum, et tamquam a bene curvato arcu nubium exterminabunturquot; (impii), et ad certum locum insilientquot; (fulgura) „et a petrosa ira plenae mittentur grandines.quot; Sap. 5, 22—23.

het eerste rotsgesteente, enz. „Et apparuerunt effusiones maris, et revelata sunt fundamenta orbis ab increpatione Domini, ab inspi-ratione spiritus furoris eius.quot; 2 Reg. 22, 16.

155. \'tscheppingswoord — Cfr Is. 65, 17 ; „Ecce enim ego creo coelos novos et terram novam.quot;

-ocr page 64-

6o

Wie dan, wie spreekt hem toe ?

Gij, mijn onzichtbre God ! dien \'k knielend hulde doe ; Die, in der vlammen siddrend zwichten,

Hier eens uw waarheid op deedt lichten. — 160 Wie dan zal niet vergaan in d\' afgrond? — Wie herrijst?— Vloeit uit, vloeit uit, mijn dankbre zangen ! Zij zullen \'t leven weer, voor immer weer erlangen. Mijn God ! al die Gij spijst!

157—63. Gij, mijn onzichtbre God! enz. „Qui manducat meam carnem et bibit meum sanguinem, habet vitam aeternam : et Ego resuscitabo eutn in novissimo die.quot; loan. 6, 55.

158—59- D\'ey iquot; der vlammen, enz. Verg. v. 92—93, 95—97. Dan zullen de vlammen voor U zwichten, gelijk zij \'t hier deden in \'t mirakel der H. Stede.

uw waarheid op deedt lichten. Zie de noot op v. 93.

160—63. Niet alleen zal dezelfde God, dien wij in de Eucharistie aanbidden, den wereldbrand gebieden, maar Hij zal nog op andere wijze zijne macht over het vuur toonen, doordat zij, die met zijn Sacrament zijn gevoed, uit kracht hiervan, als triorafeerend uit dien brand zullen te voorschijn treden: èn in eigen Persoon derhalve ( schoon niet meer onder de sacramenteele gedaanten verborgen ), èn in den persoon van die Hem ontvingen, zal Christus andermaal het vuur doen zwichten.

„Resurrectionem gloriosam quod attinetquot;, zegt Kard. Franzelin, 1. c. ... „satis est, quod Christus Dominus carnem nostram ex affinitate, quae per coniunctionem eucharisticam oritur, specialiter ut carnem suam considerat conformandam ipsi exemplari in gloria resurrectionis, et quod ex Eucharistia, ut a Christo est instituta, oritur in ipso corpore suscipientium peculiaris titulus et congruentia ad eamdem resurrectionem.quot;

i64—75. In deze driestrophen worden zeer treffend met de drie vermelde wonderen, door Christus in \'t H. Sacrament van Mirakel gewrocht, de eigenschappen van het verheerlijkt leven des hemels in verband gebracht, gelijk in de vorige strophe het won-

Eucharistie, de geredden zijn de niet Haar ge-spijsden.

-ocr page 65-

— 61 —

spreekt hem dan dat machtwoord toe ? — Dat zijt Gij, o mijn God, wien hier op onze altaren verborgen, ik knielend mijne hulde breng; Gij, die hier, als ter voorafbeelding, in het van eerbied sidderend zwichten der vlammen uwe waarachtige tegenwoordigheid in het Sacrament met nieuwen luister schitteren deedt ! En wie zijn zij, die dan niet in den afgrond vergaan, wie, die ten leven verrijzen zullen ? O stroomt, stroomt uit mijn dankbaar hart, spoedt u het te melden, mijn zangen I zij zullen het leven, een heerlijk leven voor eeuwig weder ontvangen, al wie Gij, o mijn God, met uw onsterfelijk, verheerlijkt Lichaam gespijzigd hebt I

der der ongeschonden Hostie in het vuur met de uit den wereldbrand Reddende en geredden. Men vergelijke derhalve v. 98—99 met v. 164—67 { de kranke); v. 102—3 met v. 168—71 { de sche-peling))v. 100—101 met v. 172—5 {de gevangen balling).

Men moet, dunkt ons, om zooveel mogelijk de volle gedachte, die aan deze verzen ten gronde licht, te vatten, bedenken, dat er hier niet alleen a) eenige gelijkenis wordt aangestipt tusschen de wonderen hier gewrocht en het glorierijke leven daarginds ; noch alleen b) gezegd wordt, dat de gelukzaligen die eigenschappen van hun verheerlijkt leven te danken hebben aan hun innige vereeniging met Hem, die hier die wonderen werkte ; maar bovendien c) in ieder dier wonderen een spoor is te vinden van een of meer bepaalde, daarmee overeenkomstige eigenschappen Gods, welke eigenschappen, voor zoover mogelijk, gedeeld en dus ook afgespiegeld worden door Christus\' verheerlijkte menschheid (in de Eucharistie en in den hemel) en in het verheerlijkt leven der gelukzaligen. Zoo b. v. wanneer Christus in het H. Sacrament bovennatuurlijk leven in de ziel stort (v. 165) en, door een wonder, nieuw leven in het lichaam van den kranke (v. 166), doet Hij zich hierin vooral kennen als dengene, die, gelijk wij van elders weten, als God het leven zelf, als mensch onsterfelijk is; met dien Godmensch nu zullen wij in den hemel in de innigste levensgemeenschap treden; bijgevolg wijzen ons die levensuit-

-ocr page 66-

— 62

XXI- Neen ! dan niet meer zal ons de dood vervaren,

rtjihaquot;!\' 165 Als Hij, die hier ons uit zijn harte voedt, En \'t leven goot in \'skranken stollende aren, In ons verschijnt met d\'aangeboren gloed !

stortingen hierbeneden op de raededeeling van heerlijk, onsterfelijk leven daarboven, vinden wij in gene wel geen bewijs, maar een bevestiging van deze. Korter: die uitwerkselen der Eucharistie hier zijn een onderpand en een beeld van nog heerlijkere ginds.

„Zij zullen \'t leven weer, voor eeuwig weer erlangenquot; enz. zoo besloot de dichter de vorige strophe ; hoe natuurlijk volgt nu ;

164 Neen ! dan niet meer, enz. „Mors ultra non eritquot;. Apoc. 21, 3.

165. A/s Hij, die hier enz. Cfr. loan. 6, 52 ; „Si quis man-ducaverit ex hoc pane, vivet in aeternum — Qui manducat meam carnem et bibit meum sanguinem, habet vitam aeternam, et Ego resuscitabo eum in novissimo diequot;. Verg. v. 117—20; „Hij komt in ons!quot; enz. Hier reeds stort Christus bovennatuurlijk leven in onze ziel, voedt Hij ons met zich zeiven, met zijn eigen bloed ; welke volheid van leven zal ons deel dan niet wezen, waar onze vereeniging met Hem nog voller, nog gelukkiger is ?

166. En \'t leven goot enz. In den vorigen versregel werd het bovennatuurlijk leven der ziel herdacht, in dezen is er spraak van het natuurlijk leven des lichaams, door een wonder behouden, in den volgenden van het heerlijk, onsterfelijk leven der glorie voor ziel en lichaam beide.

167. In ons verschijnt met (t aangeboren gloed. Rechtstreeks is hier o. i. bedoeld de onsterfelijkheid (impassibilitas) en heerlijkheid (claritas) der verrezen lichamen, slechts middellijk het glorieleven der ziel. Dit schijnt de samenhang te vorderen, daar er in de vorige strophe gesproken is van de verrijzenis des vleesches en dit couplet begint met den uitroep : „Neen ! dan niet meer zal ons de dood vervaren, als Hij ... in ons verschijntquot; enz., als nl. de glorie zijner Godheid en zijner verheerlijkte menschheid ook, voor zoover mogelijk, in onze verheerlijkte lichamen zal uitschijnen. „Sicut animaquot;, zegt de engelachtige leeraar, ,.divina visione fruens, quadam claritate replebitur, ita per quamdam

-ocr page 67-

- 63 -

Neen, dan zullen wij geen dood meer hebben te duchten, wanneer Hij, die hier met zijn eigen hartebloed ons ziele-leven onderhoudt, Hij, die den reeds stellenden bloedstroom in de aderen des kranken nieuw leven instortte, zijn goddelijk glorieleven in ons openbaren zal !

redundantiam ex anima in corpus, ipsum corpus suo modo claritatis gloria indueturquot;. {Coni. Gent., L. 4, c. 86 ) Middellijk echter is ook de heerlijkheid der ziel bedoeld als de aysieke of moreele ) bron van de glorie des lichaams. Die heer neid der ziel vloeit voort uit het lumen gloriae, waarvan de H. i. ^mas zegt (Summa 1. q. 12, a. 5 c. ): „et secundum hoc lumen efficiuntur deiformes, i. e. Deo similesquot;, en dat P. Lessius (De Summo Bono, 1. 2, c. 8, n. 44) aldus beschrijft ; „Lumen istud est suprema quaedam irradiatio et participatio lucis illius, qua Deus seipsum videt, per quam intel-lectus ad statum divinum elevatur et fit deiformis. Si enim sol mundi istius corporei potest nubes apte dispositas ita illustrare, ut ipsae instar solis luceant et soles quidam, quos parelios vocant, esse videantur, multo magis poterit Deus, qui est sol mundi incorporei, mentes rationales velut nubes spirituales suo fulgore illustrare, ut ipsi omnino similes sint et tamquam dü quidam divino lumine fulgeantquot;. Dit is, dunkt ons, genoeg om het „in ons verschijnenquot; van Christus „met d\'aangeboren gloedquot; te verklaren. „In ons verschijntquot; verstaan wij derhalve; in ons verschijnt naar buiten, in ons uitschijnt, geopenbaard wordt; „met d\'aangeboren gloed-quot; Hem aangeboren in de drievoudige geboorte van het goddelijk, het tijdelijk en het verheerlijkt leven (z. b. en loan. 17, 5), welke glans en gloed van den Godmensch, in en uit wien zij leven, door de gelukzaligen, naar lichaam en ziel, wordt weerspiegeld en uitgestraald. Cfr. Col. 3, 4 : „Cum Christus apparuerit vita vestra, tune et vos apparebitis cum ipso in gloriaquot;. — „Christus dicitur vita vestraquot;, teekent A Lap. aan, „metonymice, quia est causa vitae nostrae tam gratiae quam gloriae : causa, inquam, tum efficiens, tum exemplaris, tum obiectivaquot;. (voorwerp onzer actus vitales van kennen, beminnen, genieten, enz.)

-ocr page 68-

- 64 -

O paradijs, dat om ons uit zal bloeien,

Waarin de geest met de elementen speelt, 170 Als onze God, die uit der stormen loeien

Den scheepling redt, zijn schepter met ons deelt!

En, woelend hart ! hoe zult ge in vrede rusten. Als ieder mint, als liefde liefde kweekt;

Gelijk in de vorige strophe het heerlijk, onsterfelijk leven der gelukzaligen hoofddenkbeeld was, zoo is dit in deze hun heerschappij over de elementen, de stof, de volkomen dienstbaarheid der stof aan den geest; gelijk Christus derhalve daar als het goddelijk Levensbeginsel, in den aangegeven zin, wordt voorgesteld, zoo hier als de Koning, de Scheptervoeder, die naar welgevallen over de schepping heerscht, in wiens macht de hemelingen deelen ; gelijk daar onze dichter vooral het oog had op de impassibilitas en daritas der lichamen, zoo hier op hun subtilitas en agilitas, waardoor zij der ziel op haren wenk gehoorzamen en als vergeestelijkt zijn.

168. O paradijs, enz. nl. het hemelsch paradijs, waarvan het aardsche eene afschaduwing was. Dit aardsche paradijs, waarin het eten van stoffelijke vruchten geestelijke uitwerkselen had (Gen. 2, 9), zegt Broere treffend, heeft God in de Kerk als „herplant, door in de Sacramenten het stof te dwingen opnieuw vruchten van onsterfelijkheid te dragenquot;. ( Kath. D. 1 bl. 25.) Door het paradijs des hemels verstaan wij dan bij voorkeur al de niet zuiver geestelijke genoegens van het andere leven, waar èn ziel en lichaam uit den overvloed van Gods huis verzadigd zullen worden, en rein, lichamelijk genot de zaligheid des menschen voltooit.

169. Waarin de geest met de elementen speelt. Van een spelen van den Geest met de elementen bestaat op aarde geen roerender voorbeeld dan wat Christus zelf geeft in de aanbiddelijke Eucharistie : daar speelt Hij waarlijk, indien men \'t zoo mag uitdrukken, met de stof, speelt Hij „als de Liefde doetquot;: „Cum eo eram cuncta

xxii.

Vergeestelijking.

xxiii.

Lief de rust.

-ocr page 69-

- 6; -

O hemelsch, o herwonnen paradijs, dat rondom ons uit zal bloeien, waarin de geest naar welgevallen over de stof heerscht en beschikt, als dezelfde God, die hier den schepeling redde uit het geweld van stormen en golven, zijne koningsmacht met ons deelen zal !

En gij, nimmer rustend hart, wat zoeten vrede zult gij smaken, als allen elkander beminnen, en de liefde in wederliefde onophoudelijk nieuw voedsel vindt; als Hij regeert.

componensquot; ( de geheele wereldorde in Mij samenvattend ), „et delectabar per singulos dies, ludens coram eo omni tempore, ludens in orbe terrarum, et deliciae meae esse cum filiis hominunv\' Prov. 8, 30—31. Zie over de twaalf inirabilia — ,,memoriam fecit mirabiliura suorumquot; — der Eucharistie : Lessius, De perfect, moribusque divinis, L. I2,c. 16.

171. zijn schepter met ons deelt. „Qui vicerit, dabo ei sedere mecum in throno meo ; sicut et Ego vici, et sedi cum Patre meo in throno eius.quot; Apoc. 3, 21.

Met deze strophe, gewijd aan de zaligmakende liefde, wordt de schildering van het geluk des hemels, in de wonderen van het Sacrament afgespiegeld, voltooid en tevens het slot des gedichts voorbereid. Die schildering, als men ziet, bevat alles, al de dotes animae et corporis beatorum: in de ie der drie strophen toch wordt de impassibilitas en claritas, in de 2quot; de subtilitas en agilitas corporum aangeduid ; in de i\' wordt mede, zijdelings, gewezen op het lumen gloriae, waar de vtsio beat ijl ca uit voortvloeit; in deze 3° wordt de amor beatificus herdacht, met de daarmee gepaarde gaudium en pax, en dat alles voor eeuwig: geen dood, geen scheiding meer !

172. En woelend hart! enz. Men denke aan\'t bekende woord van Augustinus : „Fecisti nos ad te, Domine, et irrequietum est cor nostrum donee requiescat in te Iquot; Conf. L. 1 c. 2.

173. Als ieder mint, als liefde liefde .• als God ons allen en ieder bemint, als allen God beminnen en in en om God

-ocr page 70-

— 66 —

xxiv.

Als Hij regeert, die weer van verre kusten i/S In de armen voert en \'s vijands boeien breekt !

Stort, liefdebron ! stort uit uw blijde golven !

Mijn boezem dorst ... de nacht daalt om mij heen , Zwicht, wereld, zwicht! van u — in puin bedolven -Wil mijne ziel haar Redder tegentreên !

Verlangen naar dat oogenblik.

xxv. 180 Komt reeds door het laatste duister

Breekt het

daar niet _

reeds aan f

elkander en alles wat Hij bemint, en de liefde onophoudelijk wederliefde verwekt, welke der liefde tot nieuw voedsel strekt. P. Lessius, het beeld der zon in de visio beatifica voortzettend, zegt van de zaligmakende liefde : „Sicut sol illustrat inferiora et per lumen excitat in illis calorem, qui ea sursum versus solem trahit: ita Deus, qui est sol mundi spiritalis, in mentes subiectas infundit lumen sapientiae, et per hoc lumen excitat calorem amoris, quo mentes sursum trahuntur et Deo coniunguntur. Hoe modo iuxta S. Dionysium in amore est perpetuus circulus et motus circulars ... Est ibi perpetua a Deo egressio et perpetua in illum regressioquot; {De Summo Bono, L. 2, c. 12). Het is de voltooiing van het „Uit- en in- en overvlietenquot; van v. 63, en het volmaaktste beeld van het „Storten neder, keeren wederquot; der vv. 201—2.. Verg. bl. 38.

Overgang: „Ad haec audita inardescit animus, iamque illic cupit assistere, ubi se sperat sine fine gaudere.quot; ( S. Greg. M. Hom. 37 in Ev. )

176. Stort, liefdebron ! enz. O bron der liefde, bron der Godheid, bronnen mijns Zaligmakers, stort uwe blijde wateren uit! ■— Hier) in dit leven, zijn die wateren nog met bitterheid vermengd, hier moeten wij „\'t verblijden van het lijdenquot; smaken, hier „de goddelijke smart drinkenquot;; maar ginds stroomt uit de volle, openstaande Bron niets dan louter genot, onvermengde vreugde, eeuwige zoetheid; dan ten volle: „Haurietis aquas in gaudio de fontibus Sal vat oris !quot; Is. 12, 3.

-ocr page 71-

— 6/ —

die hier des vijands boeien verbrak en den balling uit het verre land in de armen zijner dierbaren terugvoerde !

O bron der liefde, haast u uw blijde golven uit te storten ! Mijn hart brandt van begeerte zijn dorst aan u te

stillen ...... \'t is of nachtelijk duister mij omhult, mij de

werkelijkheid onttrekt ... ja, aarde, verdwijn, verzink ! want mijne ziel smacht naar het oogenblik, waarop zij van uw puinen, zegevierend, haren goddelijken Redder te gemoet zal snellen ! ............

Zie! breekt door de laatste duisternis de morgenschemering

177. Mijn boezem dorst. —• „Quemadmodum desiderat cervus ad fontes aquarum : ita desiderat anima mea ad te, Deus ! Silivit anima mea ad Deum fortem, vivum ; quando veniam et apparebo ante faciem Dei?quot; Ps. 41, 2—3.

,,Iesu, quern velatum nunc aspicio,

Oro, fiat illud quod tam sitio:

Ut te revelata cernens facie Visu sim beatus tuae gloriae ! quot;

de tiac/ii. enz. Om daalt, dat op een bepaald verschijnsel wijst, hebben wij onze eerste opvatting in den boven aangegeven zin gewijzigd.

178—79. Zwicht, wereld, zwicht! — wereld, aarde, verga! verzink ! mocht uw laatste dag reeds verschenen zijn en ik uit uwe asch en puinen mijn Verlosser, mijn Kedder, zegevierend, van liefde blakend te gemoet vliegen !......

Overgang: En inderdaad, zie ik ginds door het laatste duister van den aardschen nacht het licht van den eeuwigen dag reeds niet schemeren ?

180. Komt reeds, enz. Hier herinnere men zich de schoone regelen uit Broere\'s Maria (Aath. U. 27 bl. 12 ): „Maar de liefde ? Loopt ze gevaar van te dwalen? Neen, zij kan het zelfs niet. Wat men hare dwalingen noemt, zijn hare spelingen, hare zoete overdrijvingen, hare vlammende pijlen, die ze te hoog schiet, maar om ze juist te doen vallen op het eigenlijke doel. üe

-ocr page 72-

— 68 —

Geen verschiet ?

Siddren van verborgen luister

Ginds de rozenkleuren niet?...

Hoor ! het klapwiekt! ... Hoor! daar rijzen Zilvren stemmen, die Hem prijzen ! ...

Hallel! Hallel! \'t Licht ontgloort! Daar, met donderend akkoord, Breekt de Oneindigheid hervoort!

Glorie komt uit Glorie jagen !

Niet als zeven scheppingsdagen :

185

XXVI. ( ïezicht der heerlijkheid van Chris-

IQO

tuf hemelrijk.

liefde ontwijkt niet aan den dag. Zij juicht in het licht en diens ontelbare kleuren ; zij snelt de zon der heerlijkheid in den hemel te gemoet ! Want de liefde staat niet, zij zweeft, zij vliegt; ja zij is altijd in den hemel, want alles strekt haar ten vleugel en Christus ziet zij overal.

Echter er zijn van die oogenblikken dat zij ontvlamt, dat zij opvaart als de gloeiende lucht, dat zij nadert tot daar, waar de laatste dunne nevel op het punt is van te verdwijnen. Dan ziet zij

den Bruidegom van verre staan en schreit.......quot;

i82_3. Siddren van verborgen luister ginds de rozenkleuren

niet 1 — De roze7ikleureti ginds in \'t „verschietquot;, het rozenkleurig verschiet, de rozenkleurige lucht en wolken aan den gezichteinder sidderen, beven, trillen — van verborgen luister, van den hemelschen luister, dien zij verbergen in haar schoot, maar die reeds schemert door het rozenkleurig wolkgordijn, die op het punt staat door te breken : gelijk de dageraad, blozend van het opkomend zonnelicht, onder welk beeld hier de Godheid wordt voorgesteld. Men merke den climax op in de beschrijving van dit zich voor de oogen des dichters trapsgewijze ontrollend tafereel der heerlijkheid Gods, en vergelijke het met de verzen van den aanhef: „En als \'t geluid van donderslagenquot; enz.

Nadat de dichter in den laatsten regel der vorige strophe God met het meer algemeene woord „Oneindigheidquot; heeft aangeduid.

-ocr page 73-

— 6c, -

reeds niet heen?—Is \'t niet, of ginds de rozenkleurige wolken sidderen onder het wicht des goddelijken luisters, dien zij in haar schoot verbergen ? ... Hoor, daar kleppen vleugelen ! hoor, daar gaan zilveren stemmen op, die Hem, den Godmensch, lofzingen ! Halleluja I de Zon der Godheid stijgt ten hemel I Daar, onder het losbarsten van donderende akkoorden, treedt de oneindige Godheid te voorschijn!

Goddelijke heerlijkheid straalt van goddelijke heerlijkheid uit! Niet als bij de schepping, in opeenvolging van zeven woorden, zeven dagen : \'t is het ééne Woord, dat God spreekt

beschrijft hij hier in \'t bijzonder de drie Personen in \'t ééne goddelijke Wezen, maar zoo, dat, overeenkomstig zijn doel, de tweede persoon, het Woord, op den voorgrond treedt. In de vorige strophe hoorde hij nog slechts „zilveren stemmenquot;, „donderende akkoordenquot;, hier verneemt hij duidelijk de woorden zelve van den zegezang ; de lichtstralen worden hoe langer zoo klaarder, de liefde-stroomen zwellen hoe langer zoo hooger voor zijn blik en hij sluit zijn zang met het stamelen zijner onmacht, om uit te drukken wat geen oog gezien, geen oor gehoord, geen menschelijk hart ooit bevroed heeft.

189. Glorie komt uit Glorie jagen: de Glorie des Zoons uit de Glorie des Vaders, de heerlijke Zoon wordt voortgebracht door den heerlijken Vader — van het Licht, dat wordt uitgeschoten door het Licht des Vaders en waarvan de „glorie, die Hij op een kring van wolken schietquot; ( v. 2 ) slechts een zwak schaduwbeeld vertoont; in het jagen ligt tevens de ontzaglijke, oneindige barens^rarf/des Vaders uitgedrukt. Zie het aangeteekende op v. 1.

190. Niet als zeven scheppingsdagen: ri\\eX als de eindige glorie der schepping, die slechts in opeenvolging, met afwisseling van morgen en avond ontstond, die bovendien schepping, d. i. voortbrenging uit het niet en buiten God was : terwijl het hier is voortbrenging uit en in den schoot Gods, van eeuwigheid geheel.

Dithyrambe.

-ocr page 74-

— 7o —

\'t Is één dag, één enkel Woord ! De eeuwge Vader, Hij komt nader In den ongeschapen Zoon ! Myriaden Wezens baden,

Zonnen drijven om zijn troon ! Liefde\'s stroomen, Voortgekomen Als Hun beider vlammenkroon. Storten neder,

Keeren weder.

195

200

191. \'t h cén dag, één enkel Woord! \'t Is het ééne Woord, door den Vader gesproken op den éenen dag van \'t eeuwig heden : „Filius meus es tu: Ego hodie genui Te.quot; Ps. 2, 7. De H. Augustinus noemt de eeuwigheid „aeternum hodiequot; — het nunc stans der School. Dat is o. i. de naastbedoelde zin. Niets belet echter bij dag daarenboven aan den Persoon des Woords zeiven te denken, als stond er : \'t Is één Licht, één enkel AVoord ! één daglicht, dat door onze vele, aardsche dagen, door de zes scheppingswoorden en dagen als van verre wordt weerkaatst; en de beide zinnen veree-nigend : Hij, die op den éénen dag der eeuwigheid wordt voortgebracht en zelf de Dag, het Licht der Godheid is. Verg. Ven. Beda, Comment, in Lucam : „Dominus ipse se diera, suos vero Apostolos horas appellat, dicens Nonne duodecim horae sunt diei ? Si quis ambulaverit in die, non offendit.quot; Et in Psalmis praecipitur: „Bene nuntiate diem de die, salutare einsquot;, hoc est. lumen de lumine, Deum verum de Deo vero. Sed et multis Sanctae Scripturae locis per tres dies mysterium Trinitatis ostenditur.quot;

192—-4, De eeuwge Vader, enz. In deze drie verzen wordt o. i. gewezen op die eigenschappen der goddelijke Personen, welke de Theologie circumvisessio noemt waardoor, krachtens de éénheid van Wezen en het werkelijk onderscheid der drie Personen in de Godheid, de drie Personen in elkander, schoon werkelijk onderscheiden, leven en bestaan : mutua inexistentia trium Personarum. (Cfr Franz.

-ocr page 75-

— ;i —

op den éénen dag van zijn eeuwig heden ! Zie, daar nadert de eeuwige Vader, levend in den ongeschapen Zoon ! In de lichtzee, die zijn troon omgolft, baden wezens, drijven zonnen zonder tal I De goddelijke stroomen van Beider wederzijdsche Liefde, die Hen als met vlammen omkroont, storten neder van den Vader op den Zoon, keeren van den

De Deo Trino. Thes. XIV. Daarom zegt de dichter, dat de Vader in den Zoon — en deze bijgevolg in den Vader, en de H. Geest in beiden en beiden in den H. Geest — nader komt. Dit nader komen verstaan wij eenvoudig van het naderen tot den ziener, als zeide hij . „ik zie hen nader komen, zij naderen mij.quot;

195—7. Myriaden wezens baden, enz. De hemelsche hofstoet der goddelijke Majesteit, tronend als in een zee van zonnen; een aanschouwelijk beeld voor „het ontoegankelijk lichtquot;, waarvan de Apostel spreekt (1 Tim. 6, 16), „het grondelooze lichtquot;, waarvan Vondel zingt en Bilderdijk, als hij zegt ( Geeslenwareld, v. 525 vlg.) :

en wat zag ik ? Myriaden Van wezens, die in \'t Licht, als eigen hoofdstof, baadden,

Omringden me, en hun heil vloot over in mijn borstquot; ;

terwijl hij elders met ontzettende kracht van uitdrukking dat licht schilden als den troon van God „omnevelendquot;.

198—203. Liefde\' s stroomen, enz. Voorstelling van God den H. Geest, den stroom van Liefde, die ?iederstort van den Vader in den Zoon, die wederkeert van den Zoon tot den Vader; die Beiden als met vlammen kroont, omdat de H. Geest, uit Vader en Zoon als uit één liefdebeginsel voortkomend tevens als de afsluiting, de bekroning der Allerheiligste Drieéénheid vormt. Verg. het exordium van Bossuet\'s preek Sur le mystere de la Sainte Triniti: „Quand je considère en moi-même ... que li nous verrons le vrai Fils de Dieu sortant éternellement du sein de son Père, et demeurant éternel-lement dans le sein du Père; que nous verrons le Saint-Esprit, ee torrent de flamme, procéder des embrassements mutuels que se donnent le Père et le Fils, ou plutót qui est lui-même l\'embrassement, 1\'amour et le baiser du Père et de Fils : ......

-ocr page 76-

— 72 —

Klaatren door den zegetoon ! ,.Halleluja! Hij regeere! 205 „Hem zij heerlijkheid en kracht!

„Hem zij dank en lof en eere !

„\'t Schuldloos Lam, voor ons geslacht!quot; En de stralen, die er varen.

Waaruit duizend geesten staren, 210 Zij verheldren, zij verklaren !

„Heilig ! Heilig !quot; galmt het weer ; En de stroomen, die er vlieten,

Zwellen hooger, en vergieten Zich met duizelend genieten ! 215 Immer ! immer ! en nog meer !

mon ame est ravie, Chrétiens Iquot; etc. En de groote bisschop van Poitiers : „Celte nature, ou bouillonnent {jagen ) la mouvement et Ia vie, et oü 1\'infinie puissance et l\'infinie intelligence s\'embrassent dans un flux et reflux d\'éternel et infini amour.quot; ( Pie, CEuvres, T. 5. P- 83.)

204—7. „Halleluja! Hij regeere, enz. Het zegelied der hemelingen ter eere des Verlossers.

„Dignus est Agnus, qui occisus est, accipere virtutem, et sa-pientiam, et fortitudinem, et honorem, et gloriam, et benedic-tionem !quot; Apoc. 6, 12.

\'t Schuldloos Lam, voor ons geslacht! — die ook „als geslachtquot; tot de voleinding der eeuwen op aarde verblijft in de H. Eucharistie, ter herinnering aan zijn werkelijke slachting ingesteld en deze onophoudelijk op onbloedige wijze vernieuwend.

208—10. En de stralen, enz. met de trits parallelverzen 212—14; En de stroomen enz, verstaan wij, de eerste van het licht, de tweede van den stroom, die uitgaan van den troon der Godheid, symbolen der zaligmakende aanschouwing en liefde van de hemelbewoners. De dichter ziet dat licht en dien stroom toenemen, evenals Hij den Vader naderen ziet. Of men kan desbelievend dat verhelderen en zwellen verklaren van een

-ocr page 77-

— 73 —

Zoon tot den Vader weder, klateren door het zegelied heen, dat de zaligen aanheffen : „Halleluja ! Het onschuldige Lam, voor ons geslacht, regeere! Heerlijkheid en kracht komt Hem toe ! Dank, lof en eere worde Hem gebracht!quot;

En de lichtstralen, die er uitgaan van Gods troon en waarin men duizenden geesten in zaligende aanschouwing verzonken ziet, worden al helderder en klaarder ! En opnieuw weergalmt het: „Heilig, heilig Iquot; En de liefdestroomen, die uit den troon ontspringen en de stad Gods verblijden, zwellen al hooger en hooger, onuitsprekelijk genot om zich uitstortend ! En dat alles voor immer, voor immer, in eene eeuwigdurende volheid, waarvoor wij, stervelingen, geene woorden vinden !...

bijkomende vermeerdering van glorie (gloria accidentalis) in de gelukzaligen, zooals dat in den „Constantijnquot; op dergelijke wijze geschilderd wordt. Waaruit duizend geesten stare?i dient o. i. opgevat van \'t den toeschouwer aanstaren der geesten uit dat licht; de dichterziet allesvóór zich als op eene schilderij met engelenkopjes enz. Cfr. Ps. 35, 9—10 : „Inebriabuntur ab ubertate domus tuae ; et torrente voluptatis tuae potabis eos. Quoniam apud te est fons vitae : et in lumine tuo videbimus Lumenquot;.

215. Immer ! immer ! en nog meer ! Q,ix Exod. 15, iS „Dominus regnabit in aeternum et ultraquot;. (Cfr. Mich. 4,5) Hyperbolische uitdrukking voor een duur, zoo lang als wij ons dien kunnen denken, met de toevoeging, dat hetgeen wij ons daarbij voorstellen door de werkelijkheid nog ver overtroffen wordt, en deze door ons niet volkomen uit te drukken is. Verg. het slotkoor van Racine\'s Esther:

„Que son nom soit béni; que son nom soit chanté !

Que Ton celebre ses ouvrages Au dela des temps et des ages.

Au dela de I\'eternite !quot;

waarop P. Sengler in zijn voortreffelijke noten aanteekent: „Cette hyperbole, d\'une audace extraordinaire, ouvre k l\'imagination étonnée un horizon sans bornes, et donne quelque idéé de ces

-ocr page 78-

— 74 —

siecles qui se succèdent sans fin dans 1\'éternité de Dieu. C\'est finirquot; — en wie acht dit niet van volle toepassing op de Dithyrambe? — ),Par \'e sublime de l\'Ecriture une [ poésie] teute pleine de son espritquot;. Wij voegen er bij : het is al stamelend den lofzang eindigen der liefdewonderen van het goddelijk Woord en juist door de erkenning der menschelijke onmacht om de gloriën zijner liefde uit te spreken, dat vleeschgeworden Woord, des Vaders glorie en de onze, zoo luid mogelijk verheffen ; „Gratias agimus tibipropter magnam Gloriam iuam !quot;

En aldus is de cirkel voltooid ; zoo sluit deze zang der liefde waar hij begon ; in Hem, die de A en Q, begin en einde van alles is. Evenals de heilige zanger, in hoogeren zin geduid, volgt deze gewijde dichter de goddelijke Zon, het vleeschgeworden Woord, op hare wondervolle baan, die uitgaat van het hoogste der hemelen en in het hoogste der hemelen wederkeert. Hij ziet die Zon in \'t eeuwig licht des Vaders, hij ziet haar schuilgaand wel is waar achter de blanke „wolk,quot; maar toch ! niemand van goeden wil, die zich aan den gloed harer „blikkenquot; onttrekt ! Ja, in den loop der tijden — de mirakelen der H. Stede getuigen—schiet zij hare stralen door de wonderbare wolk heen, als om allen toe te roepen : komt tot mij en gij zult verlicht en verkwikt worden ! Wie niet doof is voor die stem, wie gelooft en bemint, zal eeuwig leven, de Zon van \'t menschgeworden Woord eens in volle glorie aanschouwen en genieten.

-ocr page 79-

Parallelplaatsen uit BROERE\'s poëzie met plaatsen uit de Dithyrambe.

Bijna gelijkluidend met den aanhef der Dithyrambe zijn deze verzen uit den „Constantijnquot;:

... Toen zij op Haren troon de Godheid zagen blinken Met glorie, die Ze niet op lucht of wolken spreidt,

Maar uitstort in zich zelf en Hare oneindigheid (■).

Met het begin en het slot der Dithyrambe (vv. i—n en 189—215 ) vergelijke men deze verhevene plaats uit den

„Constantijnquot; :

In eene zee van licht, een afgrond, eindloos hoog.

Waarin de hemel zelf met zijn onmeetbren boog Vergaat en in verdwijnt, daar woont Gods eeuwig Wezen. De cherub, die tot Hem al juichend opgerezen.

De wieken om zich hden als vlammen waaien doet, Hij naakt de kringen niet van dien onpeilbren gloed ; De Godheid is \'t alleen ! \'t Is, van de stilte omgeven Der eeuwigheid, dat daar de Vader van het leven Zijn eigen Glorie teelt, het Licht uit Licht ontgloeit, En Liefde uit beider vlam met beiden samenvloeit.

Oneindig heiligdom ! waar de oorzaak aller dingen Berust; geheimen, niet van englen te doordringen, Van leven en van dood, van toekomst en van lot Bewaard zijn ; zaligheid, geen meegedeeld genot.

Maar eigen wezen is, niet vatbaar voor volmaken. De Waarheid in \'t bestaan en Liefde\'s levend blaken (\') ! Dan uit dien afgrond ook wordt het gedruisch gehoord Van d\'eeuw\'gen oceaan ! de nagalm van Gods WOORD

1. Gedichten, bl. 89.

2. Versta : de zelfstandige, levende Waarheid en Liefde.

-ocr page 80-

-y---

-76-

Klinkt uit die diepten en doorzweeft de hemelrijen.

O wellust, o genot, o eindeloos verblijen.

Waar dan de geesten in verzinken, waar \'t gemoed Bij smelt in vlammen van een eeuwgen liefdegloed ! De heemlen duizlen, en de vreugd met volle stroomen. Een storm, een vloed gelijk, die uitbarst uit zijn zoomen, Weerkaatst, en overstelpt dit koninkrijk van vree.

Het is dat Woord, dat eens het licht verrijzen deê.

Het niet ten aanzijn riep, dat geene stoflijke ooren.

Neen, zielen indringt, haar de waarheid niet doet hooren.

Maar schouwen met het oog in d\'ongeschapen glans.

O God ! U zien zij, U haar naadren op den trans.

Die alle heemlen kroont; van uit die lichte kolken.

Daar drijft de troon uit voort van bliksemende wolken : Hij daagt d\'Almachtige, den Vader, die den voet Zet op een starrenboog ; de Zoon, wien zonnegloed Van waarheid en gena komt stralen van het wezen.

Zit aan zijn rechterhand ; daar (gt;), uit Hen opgerezen. De Heiige Geest het vuur, waarin zijn vleugel baadt.

Als in omhelzing weer op beiden nederslaat I

O aanblik van een God, drievoud, en één in wezen !

Gij zijt het, die de ziel, van stof en dood genezen.

Doet leven, gij alleen \'t genot der zaligheid !

Al \'t schoon, door de Almacht op de schepping uitgespreid : Der vriendschap rein gevoel, het hoogste liefdeblaken. Verrukking, waar de geest eens wijzen bij zijn waken In opvliegt, waar de band des lichaams, die hem boeit, Van siddert en verteert, genade, in \'t hart ontgloeid.

Die Godes samenspraak den stervling doet genieten —

Wat zijn zij ? Drupplen uit de stroomen, die daar vlieten, De schaauw van \'t licht, dat daar de levende Orde spreidt, Het sterven bij \'t bestaan, het niet bij de eeuwigheid (1) I

1

Ged., bl. 93—95.

-ocr page 81-

— 77 —

Met vs. 12—28 ;

quot;En als \'tgeluid van donderslagen,

Dat over de eeuwge bergen holtquot; enz.

en vs. 204—207 ;

„Halleluja ! Hij regeere 1quot; enz.

Het hemelsche gebergt verschokte, levensstroomen Ontsprongen, en de roos der vreugd aan hunne zoomen Sproot uit in nieuwen dag, van \'t aanzicht Gods gestraald. De schepping zelf vernam wat zegen was gedaald ;

En of een andre reeks van eeuwen zoude ontrollen. Zóó donderde op eenmaal \'t gezang der wereldbollen, Wier loop de tijden telt, met nieuwe kracht omhoog.

Toen zag men de engelen elkander voor Gods oog Omhelzen, toen begon met luiten en met snaren,

Als \'t bruisen eener zee, het loflied op te varen.

Dat alle heiligen verhieven tot Gods eer;

„Ja, waardig is het Lam, der eeuwen Opperheer, ,,Te ontvangen lof en dank ; Hij is voor ons gestorven, „Hij overwon alleen. Hij heeft ons heil verworven ; „Aan Hem zij glorie, kracht en macht en majesteit! „Amen ! Regeere Hij tot in der eeuwigheidquot; (\') I

En elders (1):

Scheen hij een berg, die zwart in \'t vallend onweer staat. En van de donders beeft, op zijne kruin aan \'t rennen.

Bij „7 Wolkenjagenquot; van vs. 14 :

Toen zag men overal de ontelbre geestenscharen Bewegen, toen alom door \'t eeuwig daglicht varen. Als wolken, waar de wind in omjaagt en in woelt (3).

1

Ged., bl. 177.

-ocr page 82-

Bij het „ Vleuglen ruischenquot; (vs. 19) cn het maatgeluid der „sferenquot; ( vs. 24—28 ) :

Als \'t lieflijk gorgelen, waarmee door de valleien. Na vruchtbre regenvlaag, de stroomen zich verspreien. Zoo was het vlerkgeruisch, dat door den ether vloog. Eerst na \'t bereiken van den laatsten hemelboog,

Waar \'t zware maatgeluid der wentelende sferen Ineensmelt, en zij zelv\' met siddring wederkeeren Voor eene oneindigheid, wie geene starrenbaan. Wat eeuwen ze ook omvat, kan in haar kring beslaan, Toen schoten de engelen hun aangeboren luister Al stralend om zich uit (\').

Voor den zang en dans der sterren, vergelijke men nog b. v.

Schepping! al uw kleuren wemelen,

Met den harpslag van de hemelen Smelt uw bruiloftslied ineen :

\'t Evenwicht dreunt van uw krachten (2).

Of in den „Oorsprong der Liefdequot;:

Hoog zien wij de starren rijzen

In \'t doorschijnend luchtverschiet ;

Maar zoo hoog als Liefde\'s oorsprong Gaat de dans der starren niet (3).

Hoe gaarne Br. het gezang der hemelkoren bij het bruisen der „groote waterenquot; vergeleek :

„Zee door zee ! zoo gaan de zangen /quot;

ziet men uit menige plaats van den „Constantijnquot; :

Als \'t woelende gedruisch der waatren, als de orkaan Met al zijn stemmen, die door lucht en wolken slaan,

1. Ged., bl. 88. — 2. Ged., bl. 330. — 3. Ged.. bl. 390.

-ocr page 83-

— 79 —

Zoo was het juichen aller talen, aller tongen En volken om Gods troon ; zoo, zonder eind gezongen, Weerklonk van kring tot kring het hemelsch bruiloftslied... :

.....— \'t gejuich der geesten zonder tal

Vermengt zich als een zee met \'s werelds lofgeschal ...

En welhaast, als een zee aan \'twentien, golfde en vloog De kreet der heiligen van kring tot kring omhoog (\').

vs. 43—45 : „Blanke bloem van korenarenquot; enz., in verband met het begin ; „De Gloriequot; enz.:

Waar zich Gods aangezicht onthult.

Waar Licht uit Licht den troon vervult, En rondstraalt door de hemelkringen,

Daar schalt der englen koorgeluid.

Daar slaat de stem der schepping uit En hoort Hij alle sferen zingen.

Maar wie, wanneer Hij op deze aarde Uit liefde tot ons nedervaart.

Slechts blankheid toont van \'t tarwekoren,

Zijn glorie wegdruipt met den schijn Van uitgegoten druivenwijn.

Wie dan, wie doet den lofzang hooren (2) ?

En in het vers „Op de eerste H. Misofferande van den Wel Eerzu. Heer B. J. Hafkenscheid\':

„Oneindig God !quot; zoo klinkt der zaalgen lof,

„Als tarwebloem toont Ge U aan stoflijke oogen ; „Maar, meer Ge daalt in d\'afgrond van het stof, „Te meerder gaat Uw luister zich verhoogen. „Uw wijsheid was \'t, die zulk een zielspijs vond,

„Uw almacht komt Uw liefde hier te stade ;

„En welk een lof ook \'t firmament verkondt,

„Ach, eindloos meer blinkt hij in Uw genade (3) 1quot;

x. Gcd., bl. 90, 137. 223. — 2. Ged.t bl. 341. — 3. Ged.t bl. 345.

-ocr page 84-

vs. 52 ;

„£« viert den grooten bruiloftsnacht ...

\'t Is stilte vol geheim, de bruiloftszaal, de nacht,

Waarin de ziel met smart, op haren Bruigom wacht (\').

vs- 55 :

„De geestenwachtquot; ens.

De Algoedheid liet den mensch, van dood en hel omgeven.

Niet in \'t gevaar alleen ; nauw treedt hij in het leven,

Of op zijn schreien daalt een hemelwachter af.

Die heimlijk hem omhelst en bijblijft tot aan \'t graf.

O liefde zonder maat! \'t is engelen bevolen.

Om met den sterveling op aarde rond te dolen

En nog om zijne koets te waken als hij rust.

Zij zijn die morgenwind, die hem zijn voorhoofd kust.

Als na \'t ontwaken hij ten arbeid weer gaat keeren ;

Zij zijn \'t wier heilig schild de pijlen af blijft weren.

Waarmede de afgrond uit zijn kloven hem beschiet.

En voor wier vlammend zwaard de heileeuw henenvliedt ;

Zij die, als hij voor God ter aarde neergebogen

Den wensch van \'t innig hart gaat zenden naar den hoogen.

De zinnen stillen door de schaduw en \'tgestreel

Van de uitgebreide wiek, dan zijne ziel geheel

Doorgloeien, uit dit stof ten hemel leeren vluchten

En woorden fluisteren en onuitspreekbre zuchten,

En de uitgestorte beê met vroolijk vleuglenslaan

Tot voor den hoogen troon der Godheid brengen gaan (\').

vs. 65 :

„En wellust droefenisquot; ! ...

De blijdschap die uw jeugd geniet.

Neen, neen ! zij is de hoogste niet.

Ze is in de zorg u voorgezongen ;

l. Ged., bl. 407. — 2. Ged., bl. 86,

-ocr page 85-

Er is een heil, door leed bereid,

Er is een vreugd, die tranen schreit. Een leven, aan den dood ontwrongen.

O prijs 1 o kroon 1 door deugd behaald. Waarom de smart als glorie straalt, En tranen boven paarlen blinken ! Gij kwijnt niet weg, gij valt niet af, En praalt eens boven dood en graf, Waar zonnen gloeien, die niet zinken.

Ja reeds op aard wordt dat gesmaakt, Wat eeuwig, eeuwig zalig maakt. Wat nog uw jeugd niet werd beschoren : Het heil, door zorgen voorbereid. Waarbij het hart van blijdschap schreit. De vreugde, uit leedgevoel geboren (\').

vs. 67 enz. :

„Hierbid, mijn ziel t Hier is uiv vragen Een offer Hem van welbehagen ;

Hier sta uw eigen leven af,

En geef u zelve weer aan die zich zeiven gaf.

Hier bid! Laat \'t ?inr u niet ontglippen :

De tvonde bloedt!...... Zet uwe lippen

Aan dit voor U doorstooten hart! ...

Ken \'t verblijden Van het lijden.

Drink de goddelijke smart 1quot; ...

„Waarom, waarom zooveel lijden ?quot;

Vraagt ge in opgetogenheid,

„Wordt ons kwaad dan afgewasschcn Door de tranen, die Hij schreit ?quot;

1. Ged.t bi. 401.

-ocr page 86-

— 82 —

Lieve kindren ! hoort zijn woorden Aan zijn allerlaatste maal ;

Hij nam brood, sprak zijnen zegen,

Brak het, en dus was zijn taal ;

„Neemt en eet! dit is mijn Lichaam,

„Drinkt hieruit: het is mijn Bloed !quot;

Zoo heeft Hij weleer zijn jongren,

Thans U, uit zijn hart gevoed ;

Vleesch zijt gij van Hem geworden.

Zijn gebeente is uw gebeent.

Zoo wordt ook zijn leed uw lijden.

Zijn \'t uw tranen, die Hij weent!

O, mijn kindren ! wat erbarmen !

Klemt Hem, klemt Hem in uwe armen,

Zet uw mond aan \'t open hart ;

Drinkt er, drinkt er zijn ontfermen,

Drinkt er goddelijke smart (\')!

O stilte vol geheim ! Wat, in uw schemerlicht.

Gebeurde er tusschen God en \'s vromen ziel, bij \'t scheiden

Der neevlen, die zich nog om hunne omhelzing breidden ?

Sabinus ! hier voltrok in eeuwge liefdevlam

Zich \'toffer van uw hart ; God boodt ge\'t, en God nam

\'t In welbehagen aan (2)............

vs. 108—9 :

„Gy, geesten ! op mv ■vleugelslagen^

Als vlammen waaiend, voortgedragenquot; . .

De cherub, die, tot Hem al juichend opgerezen.

De wieken om zich heen als vlammen waaien doet (3).

... En ademt door de lucht Den hoogen geestengloed, dien hem de heemlen schenken, Mij toe uit zijne vlucht (^).

i. Ged., bl. 364—365. — 2. Ged.t bl. 278.— 3. Ged., bl. 93. — 4. Ged., bl. 368.

-ocr page 87-

_ 83 -

Nog op den vroegen dag, bepaald voor \'t feestvertoon, Behing men lijst en zuil met plooiende gordijnen Van licht Armenisch groen, en purper, welks weerschijnen In \'t golvend nat gewaai van vlammen bracht voor \'t oog (■).

Of als heel de aard in sluimer licht,

Omwaaien hem in \'t nachtgezicht

Gods schrikbare openbaringsvlammen (1).

vs. 136 :

Galmt luider steeds haar schrikbaar uitgehaalde toon /quot;

Een der aartsenglen vloog tot midden voor den troon ;

Daar hief hij zijn bazuin, waarvan de schrikbre toon Op éénmaal aller oog deed naar deze aarde keeren;

Niet slechts der heilgen, die voor \'t aangezicht des lleeren Den engel zagen staan : de klaterende schal Schoot als een donder tot de palen van \'t heelal..

En al de geesten die op zon en starren wonen,

Verhieven zich op eens van hunne gouden tronen En wendden hunnen blik verwonderd naar beneén (3). vs. 146—47 ;

„Spuwt de brand, met vonkenloover,

Bliksemstraal en slag te voor !quot;

Dan slingren in de vlam, die \'t nachtgewelf doorspuwde (4).

Haar licht brak uit, de waarheid kwam te voor.

Die al wat is, bezielt met hare vonken (5).

vs. 180:

„Komt reeds dooi- het laatste duisterquot; enz.

Op den wiekslag van Gods engelen Die zich in deez\' bede mengelen.

Steeg mijn vlotte ziel omhoog.

1

S. Ged., bl. 349.

-ocr page 88-

- 84 -

Hun bazuinen wederklonken ;

Wolken ! gij waart weggezonken ;

Open sprongt ge, starrenboog !

\'t Licht, het licht, waarin verdronken.

Rij aan rij de zaalgen blonken.

Schitterde in mijn starend oog (\').

vs. 189;

„Glorie komt uit Glorie jagen, ens.quot;

\'t Breekt uit! \'t breekt uit — het licht! Van heerlijkheid

[omgloord,

Uit welker vlammengloed onzetbre geesten staren En stemmen klateren en bliksempijlen varen.

Daalt jezus, \'t eeuwig Woord des Vaders, naar bencên. Hij is \'t! De Redder is \'t! Nog waait om zijne leên Een kleed met bloed bespat gelijk met purpervonken. Hem is de heerschappij van al wat is geschonken ;

Zijn voorhoofd is bedekt met kronen ; Oppervorst Staat op den gordel, die zijn lichtgewaden torst.

Als met één slag geveld, zoo vielen alle scharen Terneder voor den God, die op hen aan komt varen ; De grijsaards werpen Hem hun kronen te gemoet. En zinken van hun troon en vallen voor zijn voet (2).

Deze plaatsen waren nog met andere te vermeerderen, doch wij moeten ons beperken. Intusschen willen wij de opmerking niet verzwijgen, dat o. i. voor het ware verstand van Broere\'s geschriften vooral het beginsel geldt: verklaar duistere plaatsen uit duidelijkere van denzelfden schrijver, verklaar Broere zooveel mogelijk uit Broere zeiven. De reden

i. Ged., bl. 357. — 2. Ged., bl. 99.

-ocr page 89-

- 85 -

hiervan ligt in het oorspronkelijke der beschouwing en het eigenaardige sommiger uitdrukkingen, die, het valt niet te ontkennen, ook niet zelden door zekere, gewilde of niet gewilde onbepaaldheid meer dan ééne opvatting toelaten.

Dithyrambe.

-ocr page 90-

De „Glorie.quot;

A. Definitie; „Gloria est clara cum laude notitia.quot;

Deze gewone bepaling van gloria schijnt aldus letterlijk het eerste voor te komen bij den H. Augustinus. De uitgevers toch van den H. Thomas waarschuwen ons, dat de H. Leeraar, waar hij in zijne beide Summae den H. Am-brosius als zegsman opgeeft, verkeerdelijk den meester noemt in plaats van diens grooten leerling. De H. Augustinus op zijne beurt beroept zich op Cicero, en deze, de om

schrijvend, herinnert weder kennelijk aan hetgeen bij Ari-stoteles staat aangeteekend. Vandaar zegt P. Suarez ( T. 9, Lib. VIII. De causis habitualis gratiae, C. 1, n. 3. ) : „Gloria Dei quae extra ipsum est, consistit in clara et publica eius notitia (hier althans blijkbaar in passieven zin te verstaan : gekend zijn ) cum laude ; haec est generalis ratio gloriae pro-prie sumptae, iuxta generalem descriptionem gloriae proprie sumptae, traditam a Cicerone, Aristotele, Augustino, D. Thoma et aliis, quod gloria sit clara cum laude notitia. quot; Ten gerieve des lezers en om tevens uit hare genealogie den zin dezer definitie te verduidelijken, schrijven wij hier bij elkander de plaatsen uit, waar de drie eerstgenoemde wijs-geeren de gloria bepalen.

a. Aristotele s. Lib. I Rhet., S, «. 7 ( 13 ) zegt: ,,Euoo?ia SestI to \'jtzo TtavTiov oTtouoarov UTCoXa^jSavsaOai., gt;7 Toto-JTou ti ïyivt oJ TiavT-? ItptEvrat, -ii o[ TzoXkoï, -ii ol dyaOoi, i? oi apovi^^o^.. — „Bona vero existimatio est, cum quis ab omnibus virtute praeditus existimetur, vel cum aliquid eiusmodi habeat, quod omnes appetunt, aut multi, aut boni, aut

-ocr page 91-

- 8/ -

prudentesquot;. Sylv. Maurus in h. 1. „Gloria et fama estquot; etc.

b. Cicero. De Invent., L. II, c. 55.

„Gloria est frequens de aliquo fama cum laude.quot; Hetgeen hij elders aldus oratorisch omschrijft:

„Gloria est illustris ac pervulgata multorum et magnorum vel in suos cives, vel in patriam, vel in omne genus homi-num fama meritorum.quot; (/ Marcello, C. VIII). En zeer schoon noemt hij in de Tuscul. Disput., L. 3, II, den roem de echo, het klankbeeld der deugd : „Est enim gloria ... consen-tiens laus bonorum, incorrupta vox bene iudicantium de excellenti virtute : ea virtuti resonat tamquam imago.quot;

c. De H. A u g u s t i n u s haalt in QQ. LXXXIII q. 31 eenvoudig de woorden van Cicero aan, zonder meer : „Gloria est frequens de aliquo fama cum laude.quot;

Trad. 100 in loan, geeft de H. Leeraar op de woorden : „Ille me clarificabit,quot; na gezegd te hebben dat (Jó;a zoowel dar it as als gloria beteekent en deze twee woorden eensluidend zijn — „gloria namque fit quisque clarus et claritate gloriosusquot;—weder dezelfde definitie : „sicut autem definierunt antiqui latinae linguae clarissimi auctores, gloria est frequens de aliquo fama cura laude,quot; en past dit vervolgens toe op de valsche en ware glorie van Christus (n. 1—2 ).

Lib. II ( al. Ill cont. Maximin. c. 13 ) eindelijk schrijft hij : „Restat ergo ut soli sapienti Deo gloria sit per lesum Christum, hoc est dara cum laude notitia (weder in passieven zin ), qua innotuit gentibus Deus Trinitas : ideo per lesum Christum, quia, ut alia taceam, ipse praecepit baptizari gentes in nomine Patriset Filii et Spiritus Sancti ( Mt. 28, 19 ), ubi praecipue commendata est huius individuae gloria Trinitatis.quot;

B. Beteekenis van Gloria, toegepast op Christus.

In welken zin wordt Christus de „Glorie des Vaders,quot; de „hoogste Glorie Godsquot; bij uitnemendheid genoemd, èn als God èn als mensch ?

In antwoord op deze vraag, meenen wij de leer der meest

-ocr page 92-

gezaghebbende schrijvers (\') omtrent dit punt te mogen samenvatten als volgt.

Vooraf echter zij opgemerkt; a) dat oudere Theologen, als b. v. S. Thomas, Suarez 11. cc., het hoofdelement der gloria in de notitia stellen, en lans meer als oorzaak of als gevolg der gloria beschouwen ; terwijl Lessius en de meesten na hem als element der gloria ook au tor, gaudium, enz. opnemen, en de notitia hierbij eerder als grondslag dan als hoofdfactor opvatten. Onderstaand overzicht berust op het eerste gevoelen.

b) Dat er in God slechts overdrachtelijk spraak kan zijn van lans : „quia laus consistit in solis signis verborumquot; (23ae q. 103 a. 1 ad 3m), maar dat om dezelfde reden het Verbum door de H. H. Vaders dikwijls „laus, hymnus Patrisquot; wordt genoemd. Neemt men in God laus = anwr, dan worden in II en III resp. de cognitio en het Verbum rechtstreeks, de amor en Spiritus Saucius zijdelings bedoeld: Verbum spiralis amorem. ( Cfr I q. 43 a. 5 ad 2m ).

I. Gloria sumitur duplici sensu :

a) pro excellentia interna vel externa, ratione cuius aliquis dignus est qui cognoscatur et laudetur (gloria obiectiva seu materialis ) ;

b) pro ipso hoc cognosci et laudari, iuxta vulgarem defini-tionem : „gloria et clara cum laude notitiaquot; (gloria formalis).

II. Itaque duplex est etiam gloria Dei: obiectiva et formalis ; turn haec tum illa est vel tntrinseca vel extrinse ca.

a) Gloria Dei intrinseca obiectiva est ipsa excellentia infi-nita divinae essentiae ;

b ) Gloria Dei intrinseca formalis est actus, quo Deus infi-

i. S. Thomas i2ae cj. 2 a, 3; 22ae q. 103 a. 1 ad 3m ; q. 132 a. 1 c ; Lont. Gent. L. 3 c. 29, Exp. in Ep. ad Hebr. c. 1 lect. 2; Suarez, T. 9, Lib. VIII c. 1 n. 3 ; Lessius, De perfect, moribq. divinis, L. 14 c. 1, n. 7. — Cfr Saint-Jure S. J. De la connaissance et de 1\'amour de N, S. J. Ckr., T. 1 Liv. 2, Ch. 4, § 1, 4, 5.

-ocr page 93-

- 89 -

nitam suam excellentiam cognoscit et quodammodo laudat ;

c) Gloria Dei extrinseca obiectiva est imago divinae excel-lentiae relucens in excellentia et perfectione creaturarum ;

d ) Gloria Dei extrinseca formalis est actus, quo excellentia divina a creaturis cognoscitur et laudatur.

III. lamvero Christus Homo-Deus ;

1°. ut est Deus, est a.) Imago perfecta, imo consubstan-tialis Patris, habens cum Patre eamdem excellentissimam divinara essentiam seu naturam {G\\or\\s. intrinseca obiectiva)-, b ) Verbum Patris seu terminus infinitus actus, quo Pater infinitam suam excellentiam cognoscit, sibi cxprimit, quodammodo laudat ( Gloria inlrinseca formalis );

2°. ut est HOMO, est a) creatura perfectissima adeoque imago divinam excellentiam perfectissime repraesentans ( Gloria extrinseca obiectiva );

b) creatura, a qua excellentia divina perfectissime cognos-citur et laudatur ( Gloria extrinseca formalis\').

C. Wat de woorden „splendor gloriaequot; van Hebr. i, 3 betreft, teeketien wij hier nog slechts aan, amp;aX gloria op deze plaats door de meeste Schriftuurverklaarders in objectieven zin, door den H. Thomas evenwel in formeelen zin wordt opgevat, daar hij splendor gloriae uitlegt als = genita Sapientia.

De H. H. Vaders zijn onuitputtelijk in het aantoonen van treffende analogieën tusschen dit beeld van den glans of den straal uitgaande van het licht en het daardoor aangeduide geheim der eeuwige voortkomst van den Zoon uit den Vader.

(Zie Hurter, De Deo Trim, Thes. CVII ; Corn. A Lap. en Bern. A Piconio in Ef. ad Hebr. I, 3). Verder wordt op het geheim der Menschwording dezelfde vergelijking van den zonnestraal, door het glas dringend zonder het te deren enz., overschoon toegepast. (Verg. Levensschets van P. J. Roothaan, bi. 73—75 ).

Ook de H. Liturgie is vol van dit beeld. Zoo, om iets

-ocr page 94-

— go —

te noemen, in de Praefatio de B. M.: „quae ... virginitatis gloria permanente, Lumen aetermim mundo effudit, lesum Christum Dominum nostrumquot;. — In dezen zin is Christus, naar zijne menschheid, dus ook de „splendor gloriaequot; zijner maagdelijke Moeder : de G o d m e n s c h is de uitstralende glorie der M o ed e r m a a g d ! „Emissiones tuae Paradisus, o Maria !quot;

Zoo in den blijden geboortezang op Kerstmis :

„lesu, Redemptor omnium,

Quern lucis ante originem Parem paternae gloriae Pater supremus edidit!

Tu lumen et splendor Patris !quot; enz.

Zoo zingt de H. Ambrosius :

„Splendor paternae gloriae.

De luce lumen proferens (\'),

Lux lucis et fons luminis,

Diem dies illuminans !quot; enz. enz.

t. Versta: De luce inaccessibili divinitatis tuae (qua Ipse es Lux de Luce et fons luminis) proferens lumen gloriae, gratiae et naturae turn spirituale, tum materiale. Anderen anders.

-ocr page 95-

— gi

ll.

De „Scheppingskroonquot;.

„Hij die, geboren Uit \'s Vaders schoot, de scheppingskroon,

Wier kleuren Hem om \'t voorhoofd gloren, Verwonnen heeft! Maria\'s Zoon.quot;

Laten wij klaar mogen zijn en kort. Een overzicht van een tiental verschillende opvattingen dezer verzen vindt de belangstellende in de Studiën van 1888, bl. 284—91.

De vraag is deze : wat bedoelt Broere met de woorden : „Hij die ... de scheppingskroon ... verwonnen heeftquot;?

Beteekent hier „scheppingskroonquot;: kroon van het scheppen of kroon van het geschapene ? Beteekent „verwonnen heeftquot; : overwonnen of gewonnen heeft ? De antwoorden, op deze vragen gegeven, brengen ons tot drie hoofdopvattingen.

A. De eerste luidt : „Hij die, de Scheppingskroon, d. i. het hoogste schepsel zijnde, de overwinning heeft behaald !quot;

— Zoo lazen Mgr. V. d. Ploeg en Mr. J. F. A. Leesberg, en in onze eerste „Toelichtingquot; hebben wij ons bij hen aangesloten a ) om hun gezag als getuigen van B. \'s eigen opvatting, om welke het hier alleen te doen is ; b ) omdat bij deze lezing alleen het woord „verwinnenquot; tot zijn goed Hollandsch recht komt, naar hetwelk (getuige Dr. M. De Vries ) overwinnen beteekent : eene vijandige, tegenstrevende macht doen bukken. — Daar echter 1) in deze lezing de dichterlijke periode gewrongen,ja bijna onmogelijk wordt ; 2) genoemde zegslieden wel is waar B.\'s opvatting gemakkelijker kennen konden, maar toch geen van beiden verklaart die feitelijk vernomen te hebben uit des dichters mond ; 3) de uitdrukking een kroon verwinnen elders bij B. voorkomt

— zoo laten wij voortaan gaarne deze opvatting als minder waarschijnlijk varen.

-ocr page 96-

— 92 —

B. De tweede verstaat den zin aldus : „Hij die de kroon, welk Hem als Schepper siert, overwonnen (d. i. overtroffen, of vertreden, of verborgen) heeft in zijn verlossingswerk.quot; Aldus in hoofdzaak P. Dercksen t. a. p. en anderen. — Vóór deze uitlegging pleit: a) dat de opvolging der gedachten daarin zeer geleidelijk is ; Christus eerst voorgesteld als Zoon des eeuwigen Vaders, dan als Schepper, eindelijk als Zoon van Maria ; b) dat de uitdrukking „Maria \'s Zoonquot; daarin eene bijzondere kracht en teederheid bezit, welke zij in de andere verklaringen mist. Daar staat echter tegenover : 1°) dat de uitdrukking : een kroon overwinnen, al neemt men dat ovey-loonnen in overdrachtelijken zin, onhollandsch en onaesthe-tisch is, daar, volgens ons taaleigen, in overwinnen altijd het denkbeeld ligt opgesloten van het te boven komen eencr wederstrevende macht en dit denkbeeld vreemd is aan kroon. Een kroon laat zich veroveren, laat zich door overwinning (van den kroonbezitter ) verkrijgen, maar overwinnen laat een kroon zich niet. Ware de uitdrukking alleen onhollandsch, men zou zich kunnen redden met de gedachte : B. was niet zoo streng in zijne taalkundige eischen ; nu zij echter in den grond ook valsch is, beelden koppelt die niet bij elkander voegen, willen wij, tenzij door den nood gedwongen, des dichters „geniale vrijhedenquot; zoover niet uitstrekken. 2°) In deze verklaring schijnt het vreemd, dat de dichter spreekt van de „kleurenquot; der scheppingskroon, waar bv. woorden als glansen, stralen, enz. voor de hand lagen en, daar er spraak is van de kroon des Scheppers, niet van het veelkleurige geschapene, veel eigenaardiger waren. — Daarom komt ons ook deze meening minder waarschijnlijk voor en omhelzen wij als de meest waarschijnlijke :

C. de derde, welke verklaart ; „Hij die de kroon van al het geschapene verwonnen, d. i. met moeite gewonnen heeft!quot; wij meenen B. \'s dan gedachte aldus te mogen vertolken : Hij, die de Zoon van God is, van eeuwigheid uit den Vader geboren, is tevens als Maria \'s Zoon, als mensch, het hoogste

-ocr page 97-

93 —

schepsel en het Hoofd van engelen en menschcn geworden : in Hem is alles onder éen Hoofd samengevat, Hij is, in zijne met de Godheid vereenigde menschheid met al de glansen en gloriën der schepping voor eeuwig gekroond.

Voor deze opvatting, welke mede die van Dr. Schaepman en Reet. A. M. C. Van Cooth is, pleit 1°) dat de uitdrukking een kroon verwinnen, d. i. zuinnen, maar niet zonder strijd, zonder moeite winnen, in dezelfde bete eken is door B. gebezigd wordt in den 7™ Zang van zijn „Constantijn,quot; waar hij den vurigen Christen Decius doet bidden ;

„Dat eens ten dage hij, weerstaande tot het bloed. De kroon verwinnen mocht van Christen liefdemoed.quot; (\')

3° Dat deze voorstelling van Christus als de kroon der schepping dragend en aldus metonymisch zelf de kroon der schepping genoemd (verg. verklaring A), een lievelingsdenkbeeld van B. was. Men zie bv. De Katholiek D. 21, bl. [ vlgg. ; D. 27 bl. 211, 221, 239, 245, 2S4, 317 ; D. 33, bl. 69 ; D. 34, bl. 32. 30) Dat hierin „ het Licht uit Lichtquot;, van Christus\' Godheid gezegd, treffend staat tegenover „de kleuren der scheppingskroon, die Hem om \'t voorhoofd glorenquot;, naar zijne menschheid.

Vraagt men — om dit ten slotte er bij te voegen — zuanneer Christus de „scheppingskroonquot; verworven heeft, dan moet het antwoord luiden : a ) in zoover „kroonquot; koningschap insluit — Koning aller schepselen is Christus, als God, van eeuwigheid,als mensch sinds het oogenblik zijner menschwor-ding; b) in zoover „kroonquot; hoogsten luister aanduidt — dien ontving Hij, als mensch, vooral in de menschwording zelve, toen zijne h. menschheid met de volheid der genade, der kennis, met de zaligmakende aanschouwing, met de persoonlijke vereeniging met de Godheid begiftigd werd ; doch voor sommige gaven,welke Hij waarachtig heeft (2), als de

glorie des lichaams, de verheffing aan \'s Vaders rechterhand,

1. Gedichten, uitg. Leesberg, bl. 222, 2, Cfr S. Thom. P. 3, q. 19, a. 3.

-ocr page 98-

zijne verheerlijking op aarde, enz. na zijne hemelvaart. In die volle heerlijkheid beschouwt hem hier de dichter.

Ziehier eene plaats van den weisprekenden bisschop van Poitiers, die als een prachtige commentaar op deze verzen der Dithyrambe gelden mag :

„Je le sais: la couronne du Fils de Dieu descendu vers nous, c\'est l\'humanité sainte dont Marie le revêtit au jour de l\'incarnation. Et comme le soleil, a son lever, péne-trant de ses rayons les blanches vapeurs del\'horizon, se pare, sous les doigts de l\'aurore, d\'un nimbe de pourpre et de flamme, ainsi le Verbe éternel, en se levant sur le monde, emprunta aux flancs de Marie l\'auréole d\'une chair virginale, pénétrée, imprégnée des feux de Ia divinité (\'). Sortez, ó filles de Sion, et venez voir le roi avec le diadème dont l\'a couronné sa mère au jour mille fois heureux de sa naissance temporelle, jour d\'allégresse pour son coeur, paree qu\'il satisfit les voeux longtemps inexaucés de son amour: Egredimini, et videte, filiae Sion, regem in diademate quo coronavit eum matey sua in die desponsationis illius et in die laetitiae cordis eins. (\') — Je Ie sais encore : ce royal manteau de l\'humanité hypostatiquement unie a la nature divine n\'a pas eu sur la terre tout son rayonnement ; a peine en a-t-il jailli quelques étincelles au Thabor. Au ciel seulement la chair déifiée du vainqueur de la mort brille de tout l\'éclat de sa beauté, de sa richesse et de sa gloire. Sortez, ó filles de Ia Jerusalem terrestre, élevez-vous par dela ce monde inférieur, et voyez le roi avec Ie diadème dont sa mère 1\'avait orné au premier jour de ses noces, diadème désormais transfiguré, et dont la splendeur éblouissante plonge les anges et les élus dans une ivresse de béatitude et de gloire qui s\'alimente aux sources mêmes de son divin cceur : Egredimini el videte, filiae Sion, regem in diademate quo coronavit

1. S. Greg. M. Fn. Cant. C III, 2.

2. Ca7it.y 3, 11,

-ocr page 99-

— 95 —

euni mater sua in die desponsationis il/ius el in die laetitiae cordis eiusquot; (\').

Men verguhne ons hierbij eene heerlijke bladzij van Maria Lataste te doen aansluiten over het drievoudig leven in Christus :

„Un jour de Paques j\'assistais a Ia sainte messe. La tristesse s\'était changée en joie, les habits de deuil avaient disparu et Ie prêtre était revêtu de ses plus riches ornements. L\'alléluia était dans toutes les bouches ; et, sur presque tous les fronts, 11 me semblait voir la paix et la tranquillité de l\'arae. Au milieu de cette fête, malangue ne savait prononcer qu\'une parole : Alleluia ! Mon cceur n\'avait qu\'une pensée : JÉSUS ressuscité. Mes yeux n\'avaient qu\'un spectacle, la pierre du tombeau renversée et l\'ange qui se tenait debout criant au monde : II est ressuscité !quot;

JÉSUS me fit alors entendre sa voix et me dit :

„Ma fille, j\'ai été engendré de toute éternité dans le sein de mon Père, et ma personne est une parole qui dit éternel-lement a Dieu, mon Père, les gloires de ma naissance éternelle.

J\'ai été engendré, dans le temps, au sein de la glorieuse Vierge Marie, et au jour de ma naissance, dans le temps, les anges vinrent sur la terre chanter : „Gloire a Dieu au plus haut des cieux, paix aux hommes de bonne volonté sur la terre!quot;

J\'ai été engendré aussi a la vie de gloire sur Ia terre (\'). Le tombeau a été le sein maternel qui m\'a donné cette nouvelle vie, et au jour trois fois mémorable de la Paque, ou je regus rna naissance a la vie de gloire, la Divinité, les anges, les hommes, la nature entière, célébrèrent cette

1. Pie., Oenvres, t. VII p. 631—632.

2. Qui natus olim e Virgine Nunc e sepulchre nasceris Tecumque nos a moriuis lubes sepultos surgere.

(Hymn. Dom, ad Mat, temp. Paschali, j

-ocr page 100-

troisième naissance de Dieu, par Ia puissance duquel je sortis du tombeau. Les anges, qui vinrent servir de témoins a ma resurrection ; les hommes, ceux-ci déja pris par Ia mort, en ressuscitant avec moi; ceux-Ia, qui voulaient m\'empêcher de ressusciter, en publiant ma résurrection ; d\'autres, enfin, en me contemplant ressuscité ; la nature, en se taisant devant moi, en oubliant ses lois pour ne reconnaitre que la force de ma divinité.

Voila ce que vous célébrez en ce jour, ma fille ; vous célébrez ma résurrection, c\'est-a-dire ma naissance a la vie de gloire.

O Vie du Fils de 1\'homme! Mort du Fils de l\'homme! Résurrection du Fils de l\'homme I Vie éternelle du Fils de Dieu ! Union admirable de la vie du Fils de Dieu avec celle du Fils de l\'homme I Vie éternelle du Fils de Dieu avec la vie glorieuse du Fils de l\'homme ! Vies étonnantes d\'un Dieu fait homme, d\'un Dieu fait homme ressuscité ! Vie éternelle et vie mortelle, vie éternelle et vie immortelle, vie sans commencement ni fin, vie qui a commencé et qui a fini, vie qui a commencé et qui ne finira jamais, vie glorieuse et désormais impassible ! Considérez autant que vous le pourrez le mystère de ces viesquot; enz.

( La vie et les Oeuvres de Marie Lataste, 4. ed., t. II, L. II, n. XI.)

in

De harmonie der sferen.

„En de sferen, die er hangen,

Dreunend gaan in \'t evenwicht.

Voelen \'s levens stroom ontspringen,

Loeien uit haar vlammenkringen Eeuwenmaat en lofgedicht !quot;

Niet om een nadere verklaring dezer verzen, welke wij als genoegzaam toegelicht beschouwen, is \'t ons hier te

-ocr page 101-

— 97 —

doen ; alleen wenschen wij er eenige plaatsen van andere vaderlandsche dichters mede in verband te brengen, waar van den dans en den zang der sterren spraak is, en die ongetwijfeld Broere\'s gedachten in nog helderder licht zullen stellen.

Het is den lezer bekend, hoe oud deze hoog dichterlijke voorstelling is en hoe veelvuldig zij in de letterkundige voortbrengselen van oude en jongere volken voortkomt (\')■ Bepalen wij ons daarom tot een greep in den schat onzer Nederlandsche poëzie.

Dezelfde gedachte, welke Broere in de verzen :

„Loeien uit haar vlammenkringen Eeuwenmaat en lofgedichtquot;

door een stouten hendiadyn uitdrukt (= loeien uit haar vlammenkringen een lofgedicht, bij welks maat wij de eeuwen tellen, een eeuwenmetend lofgedicht), wordt door Vondel inden in rei van Adam in ballingschap hoogst eenvoudig weergegeven, als de wachtengelen zingen :

„De hemel eischte ook zijn cieraeden.

Als d\'Almacht daer de tortse ontstack.

De zon, die met robijne raden

Haer heirbaen volgde, en niet ontbrack Uit Oosten helder op te dagen ;

Waarnae de maen haer ronde sloot,

Gestarnt de schaduw vóór kwam jagen.

En dansen om den hemelkloot.

Zoo leert men jaeren onderscheiden En maenden......quot;

i. Men kan overigens onderscheiden tusschen het wijsgerige stelsel ( vooral van Pythagoras), waarin de „harmonie der sferenquot; slechts een onderdeel uitmaakt der geheele, muzikaal-arithmetische wereldbeschouwing, en de dichterlijke voorstellingen van der hemelen maatzang en maatgang. — Misschien is het oudste gedicht van Nederlandsche herkomst, dat van ,,de koren der hemelgeesten en hemellichamenquot; zingt, de Latijnsche elegie van den H. Radbodus, 1411 bisschop van Utrecht (a. 900), op den H. Suitbertus. Zij wordt medegedeeld door de

-ocr page 102-

dichterlijke vertolkingen van Gen., i, 14, „Fiant luminaria in firmamento coeli, et dividant diem ac noctem, et sint in signa et tempora et dies et annos.quot; Men weet, hoe de geheele 2de rei van dat treurspel gewijd is aan het „nabootseerenquot; van den „Godsdansquot; der hemelen door ons eerste ouderpaar met de wachtengelen van \'t paradijs.

Elders zingt onze grootste poëet:

„Hoe blinckt die schoone riem des Bruigoms, daar mijn geest Die twalef tekens merckt, waerdoor de zon de ronden Voltreckt om ieder jaar, het schijnt hij wordt bewonden Van drij paer lichten, die met eenen schoonen zwey Ten dans rondom hem gaen, terwijl de bruyloftsrey Van zooveel duizenden, met hant aan hant te gader. Den rondendans besluit en aller glanssen vader Van verre tegenjuicht en danckt voor \'t rijcke licht.

Dat in elx oogen schijnt en straelt uit zijn gezicht (\').quot;

„Verheven majesteit,quot; roept Ten Kate uit:

„Verheven majesteit der eindelooze hemelen !

Doorzichtige oceaan, waar starrengroepen wemelen.

Gelijk het stofgoud op den bodem van het diep !

Wat moet Hij heerlijk zijn, die u zoo heerlijk schiep !

\'t Heelal doorwandelend verkonden zij den Heere

De sterkte van zijn hand, den glans van zijn gelaat,

In alle ruimten, alle tijden, op de maat

Van eigen lofmuziek hun heiige dansen menglend.

Gij hoort ze niet, maar ziet hun ommegang, zich strenglend

Dooréén, en trekkende in hun stralende figuur

Het cijfer van Gods Naam aan \'t eindeloos azuur (2).quot;

Bollandisten, Acta Ss. op i Mart. T. I p, 87, verg. Sl-Gregorius-btad, 1881, bl. 19—20. Verder kan men zien: Plato, liep., X, n. 617 B; Cicero, De Rep. Somn. Scip. V, 10; Dante, Div. Comm. Parad. I, XXXIII; Shakespeare, Merch. of Ven. V, 3 ; Goethe, Faust, Prolog im Himmel, enz.

1. Bespiegelingen van Godt en Godtsdienst, B. III v. 856—64.

2. De Schepping, 4e tafereel.

-ocr page 103-

Minder statig, maar zwieriger had reeds Da C o s t a gezongen ;

„Eén woord bevolkte \'t Niet, toen myriaden zonnen Hun voorbestemden dans op hemelmaat begonnen !quot; en van de „dienstdoende Englenquot; ;

„Der hemelkloten loop staat onder hun bestier !

Zij golven d\'ether door met goddelijken zwier,

En stuwen zonnen en planeten met hun vinger Door d\'oceaan der ruimte, en hangend aan den slinger Der Godheid, kruisen en doorkruisen onderling Elkanders wegen en steeds weer begonnen kring. En vormen met den zwaai der tallelooze bollen,

Die in d\'azuren stroom om onze hoofden rollen. Een heil\'ge mengeling van dansen, op \'t geluid,

Jehova! van Uw stem (\')!quot;

Bij lichteren toon is de grondgedachte dieper, waar Schaepman met Dante zingt „van de Liefde, die de starren beweegtquot; :

„De werelden des Heeren (^)

Gaan langs d\'azuren trans Door de eindelooze sferen Den heilgen levensdans.

Bij \'t ruischen en het bruisen

Der wondere muziek.

Door alle ruimten zwevend Op lichte, gouden wiek.

Ze zwaaien en ze zwieren

1. Voorzienigheid.

2. Cfr Hebr., i, 2: ,, Per quern fecit et saeculaquot; ( Beelen ). — Met Broere\'s eigen uitdrukking had dezelfde dichter reeds „Het Lied des Koningsquot; aangeheven:

• «Nog eenmaal \'t Koningslied, nog eenmaal \'tlied des Heeren,

Bij \'t schokken van den grond, bij 7 dreunen van de sferen,

Bij \'t loeien van den storm gezongen !quot;

-ocr page 104-

— 100 —

Naar wondervolle maat,

In al de glanzen stralend

Van \'s Heeren keurgewaad, In kringen vol van gracie

En vaste harmonie,

Bewogen op het spelen Der hoogste poëzie.

Zij dansen voor den Hoogste

Den heilgen levensdans ;

Zij zweven langs de hemelen

In gloriegloed en glans,

De sterren en de zonnen.

Bewogen rond de Zon,

Van \'t licht der eeuwigheden Van eeuwigheid de bron.

„Gij zanger,quot; zoo spreekt de dichter Dante aan ;

„Gij, zanger, die uw haren

Aan \'t helvuur hebt geschroeid,quot;

maar daarna

„Verheugd zijt opgestegen.

De sterrenkringen door,

Bij \'t heerlijk jubileeren

Van \'t vlammend englenkoor, — Gij hebt des levens dansen Genoten en aanschouwd,

Waar in Gods eigen glansen Het empyreum blauwt, —

Welnu,

„Gij, zeg ons de mysteriequot;

-ocr page 105-

101

van der sterren jubelenden dans ! En het antwoord, „de grondtoon van Dante\'s liedquot;, klinkt:

„\'t Is L i e f d e, die de sterren Haar heilgen dans gebiedt ;

\'t Is L i e f d e, die de zonnen Doet kringen door \'t azuur.

Rij \'t zwieren van haar stralen Vol licht en levensvuur (\')!quot;

En wie heeft niet opgetogen gestaan bij de prachtige vergelijking, waarmee in „Aya Sofiaquot; de Photins-zzng wordt bekroond :

„O wonder schouwspel, als in koren breed en weidsch Rondom de zonne gaat der sterren zilvren kreits.

Van die in \'t Zuiden staan met tintelend geflonker. Of beuren met hun glans het hangend Westerdonker, Of stralend in het Noord den valen, bleeken nacht Doen wijken voor een gloed als Oostermorgenpracht; Als de éene harmonie, uit de éene liefde ontsprongen, Den lof des Scheppers zingt met gouden vlammentongen : Heel de aarde luistert stil en \'t wonder sterrenkoor Klinkt heel der Englen lied, het lied dor heemlen door. Zoo reit om Petrus\' stoel de Apostlenkring zich samen, Zóo klonk het lied dat eens uw koepels nog vernamen, Aya Sofia, \'t lied, door d\'éenen Geest geleid,

Voor \'t menschgeworden Woord, het Woord van eeuwigheid!quot;

Bilderdijk eindelijk vertolkt met evenveel degelijkheid van opvatting als kracht van uitdrukking het loflied der gansche schepping — van al wat God met vrije liefde buiten Zich heeft uitgestort en wat, elk wezen volgens zijn

i. De Dans der Sterren, in den Volks-Alm. v. Ned. Kath., 1879. Dilhyramhe. 7

-ocr page 106-

— I02 —

aard, naar den Schepper heenwijst en heenstreeft (\') — in de volgende onsterfelijke strophen :

„Gewis, Gij doet Uw glorie rijzen

Van uit het needrigst greintje stof: —

Zoo \'t Englendom zijn God raag prijzen,

Ook de aard doordavert van zijn lof.

Des hemels ongenaakbre luister.

Des afgronds ondoordringbaarst duister,

\'t Roept al Uw groot- Uw goedheid uit: De koeltjes, die door \'t lover suizen.

De stormen, die door \'t zeenat bruisen.

Met de onderaardsche bergfornuizen,

\'t Stemt alles \'t zelfde lofgeluid.

Geen rotsgrondsplijtend donderkraken. Of \'t mengt zijn romm\'len in dit lied ; En \'s afgronds vlam- en vloekenbraken

Vervult, maar stoort dien maatzang niet. Wat warelden om zonnen draaien,

Wat zonnen door den ether zwaaien —

i. In welken zin ? Hooren wij den H. Thomas, waar hij het gezegde van Dionysius ( De div. Mom. c. 10 et c. 4) ; „Deus convertit omnia ad seipsum tamquam ad ullimum finemquot; uitleggend, zegt: „ Finis dupliciter dicitur, scil. cuius et quo : i. e. ipsa res, in qua ratio boni invenitur, et usus sive adeptio illius rei, sicut si dicamus quod ... finis avari est vel pecunia, ut res, vel possessio pecuniae, ut usus. Si ergo loquamur de ultimo fine hominis quantum ad ipsam rem quae est finis, sic in ultimo fine hominis omnia alia conveniuntquot; { heeft al het overige hetzelfde laatste doel als de mensch ). ,,quia Deus est ultimus finis hominis et omnium aliarum rerum. Si autem loquamur de ultimo fine hominis quantum ad consecutionem finis, sic in hoc fine hominis non communicant creaturae irrationales. Nam homo et aliae rationales creaturae consequuntur ultimum finem cognoscendo et amando Deum ; quod non competit aliis creaturis, quae adipiscuntur ultimum finem in quantum participant aliquant similitudinem Dei, secundum quod sunt (levenlooze stof), vel vivunt (planten), vel etiam cognoscunt ( dieren ).quot; i2;gt;e q. i, a. 8. c. Cfr. 1, q. 59, a. 1, c. .

-ocr page 107-

— 103 —

Zij wandlen op die melody ; En elke bloeddrop in onze aaren Blijft zwierende die maat bewaren Met de opgetogen Englenscharen, In nooit ontstemde harmony (\') !quot;

Treffend wordt door Broere, bij den aanvang van het Jubeljaar 1850, met toespeling op de Romeinsche revolutie en den toen nog gebannen Paus, den geestelijken sterrenhemel van het kerkelijk jaar met den stoffelijken op deze wijze in verband gebracht :

„Heden bijzonder, nu weder vijftigmaal de aarde haren loop volbracht, en hare jaargetijden ordelijk gewisseld heeft, mogen we herhalen wat na de laatste verwarringen reeds dikwerf is aangemerkt: dat, terwijl de mensch God durft beleedigen en bestrijden, de natuur steeds zijne wetten huldigt, en de hemelen zijne heerlijkheid blijven verkondigen. Ook daar, zoo zeggen ons die er van weten, komen starren op en verdwijnen in den nacht: ook daar, zijn pcvturbuticu. Verdient het echter dien naam ? Is het niet juist het noodige, om onze gedachten naar nog hooger hemel door te laten, en om ons te waarschuwen, dat alle deze dingen zullen voorbijgaan ? Doch wij willen niet declameeren ; de zedelijke wereld, het geringste leven is meer dan de starrenhemel ; maar het treft ons toch, dat wij zoo aan de orde herinnerd worden te midden van de wanorde ; het treft ons, dat het jubeljaar is ingevallen, terwijl hij, wien het bij uitstek toekomt dit tijdfeest te vieren (1), zich nog in ballingschap bevindt, en de plechtigheid niet zal kunnen verrichten, welke ons herinnert, dat Christus onze ware zon is, Christus ons

1

onsterfelijken en onzichtbaren Koning der eeuwen en der eeuwigheid.

-ocr page 108-

— 104 —

door die starren den weg geopend heeft en den scheidsmuur

doen vallen......

Herinneren we ons wat we daar straks hebben aangestipt, dat niet deze aardsche zon, maar Christus de ware zon, het licht der wereld (Joan., VIII, 12), de zon der rechtvaardigheid is, naar de voorspelling van Malachias ( IV, 2 ) voor degenen die den naam des Heeren vreezen, is opgegaan, en van welke vroeger Isaias voorzegd heeft, dat ze voor eeuwig zal schitteren. „Niet meer ondergaan zal uwe zon en uwe maan niet meer afnemen ; want de Heer zal uw licht zijn in eeuwigheid.quot; Is. LX., 20. Welaan, zien we nog dat licht? Zien we nog die zon haren overwinnenden loop voortzetten ? Is Christus nog de Koning der koningen, die de geschiedenis beheerscht en de wereld voortleidt naar haar oneindig doel ? Wij hebben immers de oogen slechts op te heffen, om er ons van te overtuigen. Wat is zoo zichtbaar, onderscheidt ge zoozeer, ziet gij bij de schromelijkste verwarringen zoo bijna alleen, als de groote stad der liefde, die er boven drijft, als de Katholieke Kerk met den onsterfelijken Petrus aan het hoofd ? Zoekt ge eene orde, die aan dien grooten maatslag der planeten beantwoordt, die in beurtgezang met\'de hemelen den lof des Heeren verkondigt ? Ziet, beschouwt, onderzoekt dan die Kerk ; gij zult bevinden, dat zij de eenige is, die met dat wentelend firmament gelijkelijk voortgaat, die hare eeuwen kan tellen van Hem af die ze heeft geschapen, die daarom ook den winter aan zijne Geboorte, de lente aan zijne Verrijzenis, den zomer aan zijnen H. Geest, iederen Zondag aan zijne eer gewijd heeft, iederen dag van het jaar genoemd heeft met Hem dierbare namen, en den starrenhemel als gedwongen heeft den Verlosser te bezingen. Ja, zij vertoont ons dat licht van Christus, zij is de zedelijke aarde, die hem tot zonnegordel heeft en ons, eeuw in eeuw uit, de twaalf werken van den overwinnenden God verkondigt (\').quot;

I. Katk. D. 17, bl. I, vlgg.

-ocr page 109-

— los —

--

Hoort ge hier niet den heerlijken weerklank van Vondel\'s lied:

„Geen dierenriem, waer door de zon haar streeken Gedurigh houdt, de twalef maenden langk,

Maer riem, waer langs uw Kruiszon gaet haer gangk Door \'t jaer, omgort met zoo een twalefteken ?quot; ...

Hem, „den onsterfelijken, den onzichtbaren Koning der eeuwen, den eenigen God, zij eer en glorie in de eeuwen der eeuwen ! Amen. quot; (\')

Drukkerij van Sint-Augustinus, Brugge.

i. i Tim. i, 17. — Dom. ad Prim.

-ocr page 110-

\'-

L

\'

1

i lt;

-ocr page 111-
-ocr page 112-
-ocr page 113-
-ocr page 114-

^MMm .

ffl ■... ■ BHHHHH ■ :

••;•\':? quot;.; -ÊMèt

WmÊÊsmMSSffilÊÊÊÊm

-ocr page 115-

£

-ocr page 116-

- /\'\'J - •

Y- -gt; *quot;\\ \'

;l

\' J \' lt; , - ^

ti*- If 1quot; v v * Jt

jT * ? k^-i

4 -\' ■ ^\\, r . vf

■ ^ ,. 7lt; \\ •gt; -lt;**■* ■ ^

^ V x

z*-\' gt;—( ^

quot; .~-rH

^ v *•

iquot; ■

• f- r .}V s-fe^l

^ s iV V \' v ^ ^

7\',V U^-\'.

-w* v gt;\'\' - gt; ^rv ~quot;i I

^ hquot;\'. quot; quot;\' gt; r J

V ■JV^7 /r ^■»*■:• „v . lt; •**

? s*

V

-\' . ~w/

-\'-• gt; Y t . 1 f •

^ # /.• *% 5 V\'

xil A Na gt; • \\

ï • m v \' 1lgt;-r^, v, v J

^V- T\'\'

s tf l ^ quot;v - jfti i .

1 ;% ^ il ^ • r gt; :• t ;lt;?, ^ ^ , ( \' ,gt;2

/15»^ V-^ -^rvx%

^-r-f Vkic\'. a -v,t V.:-v\'

^h-f

i\' /