wmmamp;sm
mlMM
, DE INVENTARIS
. Atü
wmÊéik.
EENKR
\',MEN SCHENZIE.L-
MM
BEETEA TOH SÏÏTTNEE.
•,
:
----- ■ . ,
MET EKNK VOORKEDE TAK
DR. L. IT. SLOTEMAKER,
: predikant tc Amhciu.
\'iviWÊtrtMfi x fs £-/
SfSï
LEIDEN. - DE URE UK amp; SMITS. — 1891.
i\' J
^ltamp;
-yk»quot;*? ^ ^ ilfeii
m$$m
~~~ - ---.■, --:---r~-•---rquot;T} •
dit js^ii ^éjtómplareii in jpraclittané a £ 3.60quot; te békoÈaen. ^
■ \';lt;■gt; quot; quot; \' .u
248 H 6
Van de Romantische Werken van
BERTHA VOIV SUTTNER
{^Bertha ^Baronesse von Suttncr, ydoren -{gravin \'Kinslif)
zijn bij de Uitgevers DE BREUK amp; SMITS te Leiden ^ ^ ^3
verschenen: ?7
Syf*.
Trudi.
Een deel. — f 2.70.
Daniela Donnés.
Een deel. — f 2.30.
Een slecht mensch.
Een deel. — f 1.90.
De roman van een schrijver.
Een deel. — f 2.20.
Een handschrift?
Een deel. — f 1,80.
De wapens neergelegd.
Twee deelen. — f 4.50.
ÜE INVENTARIS EENER MENSCHENZIEL.
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
Boek- «n steendru
0754 3410
DE INVENTARIS
EENER
MEN8CHENZIEL.
DOOR
Bertha von Suttner.
MET ERNE VOORREDE VAN
DR. L. H. SLOTEMAKER,
predikant tft Arnhem.
•■On r-»l
LEIDEN. — DE BREUK amp; SMITS. — 1891
De schrijfster van dit werk, Bertha voh Suttner, is aan ons Hollandsch lezend publiek niet onbekend. Verschillende romans uit haar vruchtbare pen gevloeid, „ Trudiquot;, „Daniela Dormesquot;, „Een slecht menschquot;, „De roman van een schrijverquot;, „Een handschrift!quot;, werden dooide firma De Breuk dj Smits te Leiden in zeer hruikhare vertaling bezorgd. Zij deed zich daarin kennen als een schrijfster van ongemeen talent, met een open oog voor de geestesstroomingen van onzen tijd, met een warm hart coor iedere overwinning op onkunde en vooroordeel behaald. Ook in haar boeiendste verhalen heeft zij gelegenheid gevonden — zonder de aandacht te vermoeien of van de romantische venvikkeling af te leiden — hare eigenaardige levensbeschouwing aan het woord te doen komen.
Ofschoon het romantisch en didaktisch element elkaar hier geen schade toebrachten, kon toch het verlangen ontwaken om deze hoog ontwikkelde, talentvolle vrouw buiten de fictieën van den roman te hooren over de belangrijkste vragen van den dag.
Aan dit verlangen is voldaan door de uitgave van dit werk, dat in het oorspronkelijk aan hare romans voorafging , maar thans in wederom zeer goede vertaling daarop volgt en behoudens enkele, tot afwisseling ingevlochten , zeer korte, boeiende novellen, in zuiveren betoogtrant geschreven is.
Niemand verwachte hier evenwel een zuiver methodisch, streng wetenschappelijk, stelselmatig betoog. Aangenamer en voor het lezend publiek bruikbaarder vorm is ge-
kozen. In schijnbaar ordeloos daarheen geworpen causerieën ontvangen wij zeer scherpzinnige, niet zelden verrassende en altijd belangwekkende ontboezemingen over wat in onze dagen hoofd en hart van een kind dezer eeuw vervult, m. a. w. den „inventaris eener mensehenzielquot;, waaraan het streven van onzen tijd op veelsoortig gebied niet vreemd gebleven is en waarin bovenal leeft het vast en blij geloof aan den vooruitgang, een besliste afwijzing van het fatalisme , een vurige bewondering der natuur , een vast godsdienstig geloof en het besef dat het men-schelijk philosopheeren onuitsprekelijk onbegrensd is.
Het is geen boek dat men als een spannenden roman achtereen wenscht uit te lezen, maar in stille, vrije uren neemt men het telkens ter hand om tot verder nadenken geprikkeld te worden. Geheel in overeenstemming met den wensch door haar zelve aan het slot uitgesproken:
„Nu danquot;, — zegt zij —■ „wanneer dit boek slechts tonen bevat, die in den geest van vele lezers verwante snaren doen trillen, wanneer het tot zelfdenken, ja zelfs tot tegenspraak opwekt, heb ik niet verkeerd gedaan door het de wereld in te zenden. Gedachten — oude en nieuwe — willen in beweging gebracht, gestooten, omgegraven ivorden , zooals teelaarde, opdat er vruchten uitspruiten.
„„Elke roepstem die, hoe zacht ook, de geesten samenbrengt , werkt op hare stille manier voort gedurende een onberekenbaren tijd.quot;quot; {Platen).
Hare roepstem, van geen onzeker geluid, vinde in ruimen kring weerklank.
L. H. SLOTEMAKliR.
U\'
■r- i
.
er
er gt;»
j
\'d si
(j EERSTE HOOFDSTUK.
Gedachten hij hel opstoken van het vuur. — Van den haard naar d schrijftafel. — Opdracht van mijn hoek aan l : mijzelven , stelselloosheid.
Hermitage 1879.
Daar heb ik nu urenlang bij den haard gezeten en het vuur opgestookt. Tegen de ruiten klettert een dichte regen en door de ruime gangen van het kasteel huilt de herfststorm. Ik verveel mij .... Nog erger; ik word moede. En op deze wereld heb ik niemand anders om mij gezelschap te houden , dan mijn vervelend ik.
Niettemin onderscheid ik dit »lkquot; met echt dualistische helderheid als een in mij wonenden levensgezel, die mijne inzichten deelt — of nu en dan ook bestrijdt, wiens achting ik wil verdienen, die al mijne lotgevallen kent, de eenige is die mij volkomen begrijpt en mij tot mijnen dood toe niet verlaten zal — of ik moest soms waanzinnig worden , in welk geval ik, die reeds zooveel heb verloren, ook nog bij mijn leven mijn Ik zou kunnen verliezen.
Daar zaten wij dan bij den haard, Ego en ik , en hebben als naar gewoonte — nagedacht. Het verledene, met zijne droevige en vroolijke herinneringen, de toekomst, met hare beloften en bedreigingen, vermengden hunne beelden in de spelende figuren der vlammen ; afgetrokken i. z. 1
denkbeelden, invallen, voorstellingen, overpeinzingen kwamen daarbij — maar alles zoo door elkander geworpen , zoo verward , dat Ego , in plaats van mij op te vroolijken mij — zooals ik pas opmerkte — vermoeid beeft. Toen heb ik met den pook nijdig een laatsten stoot in de brandende domme blokken gegeven , dat de vonken in het rond vlogen, en ben van den haard naar de schrijftafel verhuisd.
Ziezoo... Komt nu, gedachten, herinneringen en beschouwingen — gij kunt niet langer in wilde wanorde door-eenwoelen noch wegfladderen , ik houd u vast. Papier en pen zullen mij eene soort \' van natuurkundig instrument verschallen. Evenals alle stoffen in gasvormigen, vloeibaren of vasten toestand kunnen gebracht worden, heeft ook met het geestelijk element een daarmede overeenkomende verandering plaats. De »ideequot; die in den toestand der droo-merij als gas vervluchtigt, wordt door het woord vloeibaar , door het schrift vast. Eerst in deze gedaante kristalliseert zij zich tot blijvende vormen.
Zoodoende zal, hetgeen ik denk een tastbaar bezit voor mij worden. De zwevende schaduwen in de camera obscura van het geheugen zal ik voor mij fixeeren; de invallen zal ik voor mij tot aanschouwingen maken — de aanschouwingen tot overtuigingen uitwerken. Mijn geheele geestes-en gevoelsleven , mijn twijfelen en mijn gelooven , mijne lotgevallen en mijne droomen zullen tot een boek worden . .. en dit boek draag ik aan m ij op.
sMijquot; nikquot; »mijnquot;. Hoe angstvallig zou ik uit een gevoel van welvoegelijkheid in den stijl al deze woorden mijden , als het boek voor anderen bestemd was. liet is immers algemeen aangenomen , dat de innerlijke zelfwaar-deering , die hel grondbeginsel is van ons aller bestaan, zorgvuldig verborgen moet worden. Daarom is uit de vormen van den beleefden omgang en uit den geijkten briefstijl de overwegende heerschappij van het gt;lkquot; geheel ver-
bannen. Wij geven den aangesprokene den voorrang, wel wetende, dat hij dien voorrang als een hem toekomende schatting aanneemt en verwachten daarvoor, dat hij van zijnen kant — als hij aan het woord is — ons met dezelfde beleefdheid ook denzelfden voorrang zal inruimen. Door deze uitwisseling wordt dan ook eigenlijk aan geen van beide zijden het totaal der zelfwaardeering verminderd.
Ik behoef echter , Gode zij dank , dif schijnbaar verdwijnen van het Ik hier niet in toepassing te brengen. Mijn publiek — dat toch alleen uit mijzelven bestaan zal — zal het mij slechts dank weten , als ik mij zooveel mogelijk ermede bezig houd. ik behoef mij daarom evenmin te bekommeren als om de eischen van den stijl. Het is hier niet te doen om een harmonischen zinsbouw te zoeken, met nieuwe wendingen te schitteren, zorgvuldig de herhaling van woorden te vermijden, en in het algemeen bij alles wat men zegt de gewicliiige vraag voor oogen te houden: «wat anderen er wel van zullen zeggen.quot;
En toch - hier neem ik weer met verschuldigde achting den hoed voor u af. mijn toekomstig lezend Ego — zal ik mij moeten beijveren om zoo duidelijk en ordelijk mogelijk te schrijven ; want ik weet zeer goed , dat een onduidelijk uitgedrukte gedachte na verloop van eenigen tijd door den schrijver zeiven niet meer verstaan kan worden en dat geel geworden bladen doorgaans het scherpst ge-critiseerd worden door dengene die ze geschreven heeft. In zooverre hel schrift het spiegelbeeld van den geest fixeert, moet natuurlijk na eenigen tijd het afbeeldsel van het eeuwig wisselend origineel verschillen. Zoo beziet men zijn eigen portret uit zijn vroege jeugd en vraagt zich dan met een stillen zucht af: »was ik toen inderdaad zoo mooi?quot; En leest men een uit dienzelfden tijd afkomstige lang ver-getene dichtproeve, dan vraagt men zich dikwijls af: «was ik toen inderdaad zoo dwaas?quot;
4
Gelukkig verwelkt de geest niet, zooals de schoonheid van het jeugdige lichaam ; integendeel: elke nieuwe ondervinding, elke nieuwontwikkelde gedachte, die in het voorhoofd een nieuwen rimpel groeft, verhoogt zijn gehalte en zijne kracht. Daarom zullen wij ook bij het aanschouwen onzer verbleekl^photographieën en onzer oude papieren den wensch weieens voelen opkomen : »Ach , mocht ik er toch nog zoo uitzien !quot; maar denkelijk niet uitroepen : sAch, kon ik nog maar zoo schrijven !quot; Degenen die de zoogenaamde «vervlogen illusiesquot; betreuren , en de naïeveteit hunner voormalige gezindheden terugwenschen, verkeeren toch ook slechts in een tijdperk van overgang, waarover zij eenmaal, zoodra zij tot volle helderheid gekomen zullen zijn , onvermijdelijk zullen lachen. Alleen het opnemen eener waarheid verhoogt de waarde der ziel; wie eene dwaling terugwenscht, heeft ze meestal niet ten volle als zoodanig leeren beschouwen.
Ik koester dus de vaste overtuiging, dat mijn lezer — namelijk mijn toekomstig Ik — verstandiger is dan ik, die thans schrijf, en daarom moet ik moeite doen om den gestrenge te bevredigen. Maar wees vooral niet te trotsch, nEgo van laterquot;, op uwe meerderheid boven nEgo van thansquot;. Wat gij bij den schat uwer denkbeelden zult gevoegd hebben , zal gedeeltelijk de opneming van een vreemden geest zijn , gedeeltelijk de vrucht van m ij n e n arbeid. Elke toestand is het gevolg van voorafgegane toestanden. Derhalve bepaalt de tegenwoordige vorm mijner gedachten den lateren vorm uwer gedachten. In den langza-men ontwikkelingsgang van het menschenverstand ontstaat altijd de eene kennis uit de andere; — de gedachten van een Herschel hebben sedert den tijd, toen het onbeholpen kinderhandje zich naar de moederborst uitstrekte, tot aan het tijdstip toen zijne berekening de ruimten des hemels mat, stellig geen enkelen sprong gedaan. Mocht gij dus,
5
mijn loekomcnde lezer, u werkelijk krachtiger gevoelen,—• vergeet dan niet, dat deze mijne tegenwoordige inspanning en moeite een deel uitmaken van de door u afgelegde proeve van kracht.
Nog iets wilde ik u verzoeken , schouderophalende toekomstige lezer. Wij hebben onlangs in de lade eener schrijftafel — herinnert gij het n ? — een ouden brief van mij gevonden, dien ik op dertienjarigen leeftijd schreef, toen ik volstrekt zeeman wilde worden. Daar stond deze volzin in : »Ik weet, ik gevoel het — Ik ben een geboren reiziger om de wereld , en ik zal geen rust hebben noch duur, voordat ik een nieuw land ontdekt of in den oceaan een nat graf gevonden heb.quot; — Wal hebben wij om dien brief gelachen. Ego en ik! Die opgewonden zeevaarder toch heeft niet alleen geen duim lands ontdekt, maar ook nooit een voet aan boord gezet.
Tegen zulk lachen over mijn tegenwoordig geschrijf verzet ik mij, want toen ik mij aan mijne schrijftafel plaatste om mijne opvattingen te ordenen, te verhelderen en vast te houden, heb ik daarmede de taak niet op mij genomen naar een vast plan een werk te voltooien noch mij willen aanmatigen aan eene vreemde, niet eens aan mijne eigene toekomstige denkwijze, mijne opvattingen als onomstootelijk juist op te dringen. Ik ben geen wijsgeer, geen geleerde, geen schrijver. Van geen enkel vak bezit ik eene grondige kennis en voor mijne denkbeelden maak ik niet de minste aanspraak op gezag.
Maar het vele denken en voelen zonder ontwikkelden samenhang vermoeit mij. Hier, in mijne eenzaamheid, waar zoovele herinneringen uit mijn leven , zoovele boeken en dagbladen uit de buitenwereld, steeds meerdere gedachten in mijn binnenste doen ontkiemen, zou die gebeele vegetatie van denkbeelden op den akker mijner arme hersenen nog tot waanzinnigniakens toe voortwoekeren , als ik er niet
O
een beetje in wiedde en bond. Ook zijn vele dier ontluikende denkbeelden mij lief, ik kom er rond voor uit, en gaarne zou ik ze een weinig verzorgen en bezien.
Het moest een genot zijn dikwijls te kunnen overtellen wat zich in den spaarpot van onzen eigenen geest verzameld heeft. Menige overtuiging, menig geloof, menige fijngevoeligheid waardeert men als een waren schat, dien men voor niets Ier wereld zou willen afstaan ... waarom zou men die inwendige rijkdommen niet nu en dan uit hunne verborgene bergplaatsen halen en zich erin verblijden, gelijk de hebzuchtige in zijn goud? — nCogito ergo sum.quot;\') Deze stelling geeft immers te kennen , dal eerst in de tot bewustzijn verhoogde gedachte het leven zelf als zoodanig waargenomen wordt. Het verbazingwekkende genot, waarmede hel in zijn laatsten grond onverklaarde »ik benquot; ons vervult, wordt alleen door de zjchzelve begrijpende gedachte opgewekt.
Het zijn dus de trillingen van mijn geestelijk beslaan die ik hier wil beluisteren en welke deze bladen — op de manier van een phonograaf — voor u, die ze eens in handen krijgt, zullen herhalen. Het werktuig is weliswaar slechts gebrekkig. Tusschen het schriftleeken en de gedachte heerscht niet zulk eene wiskunstige overeenstemming als tusschen de indrukken der geluidsgolven en de opteekeningen van de phonograafstifl. Wat wij kunnen uitdrukken blijft nog verre ten achteren bij hetgeen wij gevoelen. Daartegenover staat van de zijde des ontvangers der geschrevene indrukken een zekere fijngevoeligheid, die verder reikt dan het tee-ken en zoodoende de onvolledig weergegevene gedachte halverwegen tegemoet komt.
Nu ik hier alles ga opschrijven wat ik denk en geloof, wat met éen woord mijne wereldbeschouwing uitmaakt, heb
\') Ik deuk, daarom ben ik.
7
ik door het boek aan mijzelven op te dragen, hel een voorrecht verzekerd, namelijk : de oprechtheid, en tevens voor de uitvoering een groot gemak verworven , namelijk ; de ongedwongenheid. Wanneer men voor het publiek, voor de critiek en zelfs — in stille hoop — voor de nakomelingschap schrijft, is men bij zijn werk bovenal om den vorm bezorgd. Hij moet nauwkeurig naar de eischen der kunst uitvallen, regelmatig en harmonisch zijn en daarom worden vooraf grenslijnen — d. i. een zoogenaamd plan — ontworpen. in die lijst wordt dan al het voorhanden zijnde materiaal geperst en elk deel mag slechts naar evenredigheid van zijne verhouding tot het geheel een bepaalde ruimte innemen.
Daardoor ontslaat de groote zwarigheid, dat de vorm een lastigen dwang oplegt en men verplicht is een stelsel op te bouwen, hoe moeilijk dit ook zij. Hoe de oprechtheid in dergelijk geval verloren gaat is duidelijk; zoodra men iedere gedachte als bouwsteen voor een op te richten monument beschouwt, moet men zonder genade alles uitstooten wat niet nauwkeurig in de voorgeteekende lijnen van het plan past en zelfs hier en daar voor de onmisbare aanvulling en ter wille van het evenwicht den een of anderen post of balk te baat nemen, die niet uit zijn eigen voorraadmaga-zijn afkomstig is. Ik zal mijne steenen naast elkander leggen, in een mozaïek zonder teekening, en niet op elkander, alsof er een hemelhooge toren gebouwd moet worden — dan behoef ik ook geene instorting te vreezen.
Tegenspraak, twijfel, onduidelijke denkbeelden en — laten wij het bij zijnen naam noemen — dwalingen ducht ik niet. Ik behoef er niet omheen te draaien noch ze te verloochenen. In liet getrouwe spiegelbeeld eener mensche-lijke ziel kunnen dergelijke vlekken niet ontbreken. Al had ik al de wijsheid van vroegere denkers in mij opgenomen en al voegde ik nog een deeltje nieuwe wijsheid daarbij —
8
hoe onvolkomen zou dan nog altijd de kleine gezichtskring van mijn begrensd denken het onhegrensde Al omvatten. En verre zij van mij de aanmatiging, dat ik de vlucht der gedachten van de groote geesten die ons voorgingen , ook maar gevolgd zou zijn; nog veel minder dus zal ik mij verstouten te beweren, dat ik — van hen uitgaande — het wagen zou mijne vlucht nog een eindweegs hooger uit te strekken. Maar op iedere sport van de ladder des geestes is een meer of minder wijde horizon zichtbaar. Alles wat hij ondervonden , geleerd, geleden , gedroomd heeft, vormt voor lederen afzonderlijken mensch de grenzen van dien horizon. Ter plaatse waar ik sta, wil ik rustig en langzaam den hlik om mij heen laten weiden en opteekenen wat ik — kortzichtige — zie.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Herinnering aan de kleine Nina.\'— Alles beweegt zich, — Alles hangt samen.
Aan de hand waarmede ik schrijf, zie ik een trouwring. Die hem mij gaf heb ik verloren. De storm die buiten huilt, buigt den treurwilg over haren grafheuvel. Hij woedt zeker ook op den oceaan — dezelfde storm en slaat een schip tegen de scherpe klippen le pletter. Maar in zijne klaagtonen mengen zich de klanken van een orkest: in het casino is juist een bruiloftsbal. En ik ben hier — alleen, liet geheel: graf en zee en bal en ik — wentelt met eene snelheid van 246 mijlen in de minuut met het lichtkogeltje Aarde op de elliptische wereldbaan voort... Is dat schrikkelijk of schoon ? —
Deze vraag dringt zich eigenlijk bij alle duizelingwek-
9
kende schouwspelen en begrippen op. Maar nu zou ik mij wel willen antwoorden : het her- en derwaarts vliegen der voorstellingen in zulke schrille tegenstellingen is eerder dwaas dan schrikkelijk of schoon. Evenals een onbezonnen vlinder in een lampenglas, stoot op deze manier de gedachte tegen al hare grenzen aan en komt niet tot bezinning. Wat beteekent de vergelijking van zulke verschillende grootheden als een graf en een planeet ? — Wij kunnen immers niet verhinderen, dat het kleine in onze nabijheid zich grooter aan ons vertoont dan het verwijderde groote. Uit de beschouwing van het laatste kunnen wij niet besluiten tot de nietigheid van het eerste. In den waterdroppel onder den microscoop kunnen wij meer zien dan in het sidderende lichtbeeld, dat de Sirius ons door den telescoop toezendt.
Ik kom dus op het kleine voorwerp terug, dat mij zooeven in het oog viel — den trouwring dien ik van mijn arm dood vrouwtje heb — en wil daarbij blijven.
13e geheele herinnering die ik van mijn huwelijksleven bewaard heb, is een kort rozengedicht. Het begint met de roode rozen , waarmede wij elkander eens in haren tuin spelend bestrooiden. Haar kinderlijke lach klonk daarbij zoo helder, hare wangen zeiven gloeiden zoo als rozen, dat ik — ook half een kind — haar toen vroeg : »Wil je mijne vrouw worden?quot; Tien maanden later eindigde het gedicht reeds met de witte rozen, die de ongelukkige weduwnaar op de geopende kist der ontslapene strooide. .. Zij stierf op achttienjarigen leeftijd, mijne kleine Nina. En ik zou haar zeker gelukkig hebben gemaaja. De dood heeft toch onbarmhartige luimen. Een schitterend visioen — stralend in Jeugd en vroolijkheid en liefde was zij aan mijnen hemel opgegaan, om ook even snel en onherroepelijk te verdwijnen als een droombeeld. Mijne kleine Nina... mijn weggezweefde schaduw... mijn lachende ongel des lichts...
10
met stillen heiligen schroom roep ik uw beeld terug.. . G ij waart...
Zeventien jaren zijn daarover heengegaan. Van den man die mijne kleine Nina liefhad, is eigenlijk ook niets overgebleven. Wat ben ik veranderd !
Ik heb overigens opgehouden het veranderen der tnen-schen en zaken als eene ramp te beschouwen. Ik ben tot het inzicht gekomen, dat de afwisseling eene onafscheidelijke eigenschap van al hel beslaande is. Bestaan en veranderen zijn onverbrekelijk verbonden. Aan de wel der eeuwige beweging gehoorzaamt alles zonder uitzondering. Wel is de beweging bij vele dingen zoo langzaam, dat zij ons ontgaat, en dan spreken wij van stilstand. Ik heb ook eens geloofd , dat er rotsen zijn die eeuwig vastslaan en eene trouw die nooit wankelt — en welke hersenschimmen van onveranderlijkheid er meer zijn. Maar de studie der natuur — de eenige waaraan wij toch maar alle juiste kennis te danken kunnen hebben — leert ons, dat ook de rots zich langzaam gevormd heeft en onder den invloed van hel doorsijpelende water onophoudelijk verandert; dal een diamant niets anders is dan het product eener langzame verandering van koolslof, en dal elk gedenkteeken rusteloos, al zij het ook onzichtbaar, aan zijne bestemming arbeidt om in de toekomst een puinhoop te worden.
Ons zedelijk wezen, dal toch ook riet kant en klaar uil den hemel neergevallen is, maar dat — evenals de lichamen uil de beweging der moleculen — uil de beweging der gedachten te zamen is gevoegd, moet daarom ook een eeuwige wisseling ondergaan. Wat verandert niet? — Tevergeefs laat ik den blik over het geheele gebied mijner kennis weiden, nergens vind ik iets, dat tol beantwoording dier vraag genoemd zou kunnen worden.
Dal is juist de proef, waarmede men moet onderzoeken of leerstellingen steekhoudend zijn — men moet namelijk
11
den geheelen otnvanu; der kennis langzaam verlichten met den straal der in twijfel getrokken meening. Past die meening in alle richtingen, verdwijnt in haar licht geene der reeds verkregene waarheden, dan wordt zij een begrip. Absolute waarheden bezitten deze schoone eigenschap, dat zij zich evengoed in de analytische verbrokkeling der dingen openbaren als de verste synthetische kringen ervan verlichten. Nemen wij tot verduidelijking de hiervoren aangevoerde grondstelling, dat er geen stilstand is — of om den negatieven vorm dezer uitspraak tot den positieven terug te brengen: «Alles beweegt zichquot; — en laat ons zien of wij op tegenspraak stuiten. Van welk punt wij dit onderzoek ook mogen beginnen, om van dit punt uitgaande onze waarnemingen in ruimere of engere kringen te verrichten , altijd vinden wij de bevestiging dier wet. Het stofje in den zonnestraal beweegt zich en de zon zelve — als het lid van een stelsel van hooger orde — beweegt zich , en wat tusschen zulke uitersten ligt; het ontkiemende zaad, het tot ontbinding overgaande lijk, de donkerder wordende mahoniehouten tafel, de elkander verslindende infusiediertjes, de riffen bouwende koraaldiertjes, de verroestende wijzers aan de stilstaande klok, ons kloppend hart, onze denkende iiersens — alles, alles beweegt zich.
De uitkomsten van zulk eene rustelooze beweging kunnen nergens als stilstand optreden. Daarom is ook bestendigheid — namelijk de stilstand der toesianden van den geest of het gevoel — eene illusie. Echter is het betrekkelijke volharden, d. i. het tot onzichtbaarheid toe langzaam werkende veranderen , ook in zedelijke dingen voorhanden en kan dan zeer goed, zoolang de taal daar geen juiste uitdrukking voor heeft, bestendigheid heeten.
Gelukkig philosopheer ik hier in alle stilte met mijzelven. Sprak ik tot anderen, dan zou ik alle tegenwerpingen moeten beantwoorden, waarmede vele theologen en idea-
12
listen mij in mijnen gedachtengang zouden sloren om mij te verwijten, dat ik uit de beweging der stof zonder den minsten geleidelijken overgang tot de beweging van den jgeestquot; besluit. Wel zouden zij ook op dit hun toegewezen gebied geenen stilstand kunnen aanwijzen — want dat godsdiensten , staatshervormingen, talen , — die openbaringen van den geest, steeds aan verandering onderhevig zijn, zou niemand hunner kunnen tegenspreken; maar al zouden zij ook mijn »Alles beweegt zichquot; op het gebied van het denken moeten toegeven, (och zouden zij zich verzetten tegen de gevolgtrekking, van stoffelijke premissen uitgegaan. Ik behoef daarover niet te twisten; want sedert lang reeds ben ik het met mijzelven eens, dat het onnoodig is het woord «allesquot; in twee helften te verdeelen. De som onzer begrippen is juist dit nallesquot;, en wat wij binnen die grenzen voor waar hebben leeren kennen , moet steeds op het geheele gebied — stoffelijk en geestelijk — gelden. Wat boven onze kennnis reikt, d. i. wat buiten den tegenwoor-digen horizon van onzen geest ligt, kunnen wij immers in het geheel niet waarnemen, en dus evenmin ontkennen als bevestigen. Waar wij echter tot inzien gekomen zijn •— zij het ook langs duizendvoudig slingerende wegen — kunnen wij het gevondene in een eenvoudigen vorm uitdrukken. »Tout se tientquot; zooals de Fransche spreekwijze zoo juist zegt; nAlles houdt zich,quot; dat is — «Alles hangt samen.quot;\' Dat is het reismotto mijner gedachten, die op deze manier altijd gaarne van elk punt uit naar alle richtingen uitstapjes doen, overtuigd dat de wereld op een net gelijkt, waarin van maas tot maas, naar rechts en naar links, naar boven en naar beneden in het oneindige altijd dezelfde draad zich vastknoopt.
Men handelt verkeerd, als men uit dit net eene maas wil lostrekken en ze niet meer in verband met het geheel beschouwen; als men b. v. den mensch en zijn zieleleven
aan eene andere waarnemingsmethode onderwerpt, dan men voor liet onderzoek en de beoordeeling der natuur heeft gebruikt. \\\\ ij zijn immers een integreerend deel der natuur,— en hebben dus geen recht ons op een geïsoleerd punt te willen stellen, evenals hetgene wij ons szielelevenquot; noemen weder een integreerend deel van onszelven is en evenmin van de biologische beschouwing van ons wezen gescheiden kan worden. Voor elk verschijnsel der idee vinden wij een overeenkomstig beeld in de verschijnselen der stoffelijke wereld, of omgekeerd. Zoo b. v. de ontwikkeling uit het zaad en de vertakking uit den stam. Op welk gebied van de verschijnselen van den geest ontmoeten wij niet het stelsel der vertakking en werkzaamheid? — Het eene begrip ontstaat uit bet andere, evenals de cel zich van de cel scheidt, en uit die twee nieuwe begrippen splitsen zich weer twee andere, en dat gaat zoo voort tot uit de kiem een wijdvertakte boom is opgegroeid. Zoo ontsproot b. v. uit het eerste godheidsbegrip (dat zelf uit de meest verschillende elementen van vrees, ontzetting enz. was samen-gesield) de machtige stam die «godsdienstquot; heet, en aan dezen alle takken en twijgen der onderscheidene hoofdbelijdenissen en sekten.
Ik wil mij thans niet door eene verdere opsomming van voorbeelden in mijne meening betreffende het bij elkander behooren der geestelijke en stoffelijke wereld versterken, want ik behoef mijne opvatting aangaande dit punt niet eerst nog tot eene overtuiging uit te werken, — Zij is reeds zoo sterk in mijn diepste denken overgegaan, dat ik in den loop mijner beschouwingen maar al te dikwijls erop zal terugkomen. Ook zou ik nooit met mijne uiteenzettingen klaar komen, wanneer ik telkens — om de grondstelling »tout se tientquot; in toepassing te brengen — bij een opgeworpen denkbeeld naar alle daarmede verbonden denkbeelden wilde afdwalen en uitstapjes doen. Dat
14
zou veel hebben van een woordenboek, waarin met elk afzonderlijk artikel telkens alle andere artikelen verbonden werden.
DERDE HOOFDSTUK.
Iets over Doprechle overtuigingenquot;. — Vreugde over zijne eigene
blikken in het rijk der gedachten. — »Ik geniet de wetten quot; It is a safe world.
Terwijl ik dezen arbeid voortzet, vvensch ik mij telkens levendiger geluk met den inval hem aan een lezer opgedragen te hebben , die met mij ten naasten hij op denzelfden trap van ontwikkeling staat, althans dezelfde tijdperken van ontwikkeling heeft doorloopen. Daardoor hen ik ontheven van de taak om denkbeeldige tegenwerpingen van vreemde tegenstanders te beantwoorden en elke meening die ik uit, van hare verdediging vergezeld te laten gaan. Ook behoef ik den geheelen deductieven of inductieven weg niet meer af te leggen, waarop ik ertoe gekomen hen om ze voor andersdenkenden, soms ook voor in het geheel niet denkenden, verstaanbaar te maken. Ik kan van den voorraad mijner overtuigingen — zonder de geschiedenis van haar ontslaan te vertellen — vooruit aannemen, dat zij begrepen en onvoorwaardelijk toegestemd worden, en ze op mijn gemak rangschikken, om uit hare bijeenvoeging nieuwe denkbeelden af te leiden. Het is b. v. zeer vermoeiend, wanneer men het een of ander kaartspel spelende, zijnen medespelers eerst den gang en de regels van dat spel moet verklaren, en in dat geval zou ik ongeveer verkeeren, als ik mij verschillende lezers moest voorstellen, voor wie ik eerst de juistheid mijner denkbeelden moest uiteenzetten. Zij wier ervaring verre bij de mijne ten achteren gebleven
15
is, zouden mij loch niet kunnen volgen, en anderen, die zich verre boven mijnen gedachtenkring verheven hebben, zouden mijne ophelderingen nielig en overtollig vinden — evenals het voor een sterk piquetspeler hoogst belachelijk en lastig zou zijn, wanneer zijn zwakkere tegenpartij zijn spel ongeveer op de volgende manier aangaf:
— «Groot vijfde in harten: vijfde beduidt vijf opeenvolgende kaarten; groot drukt uit, dat het de hoogste in de kleur zijn; er zijn vier kleuren en het spel beslaat uit 32 kaarten; kaarten zijn niet anders dan beschilderde blaadjes papier, die eens, naar men zegt tot verstrooiing van een zieken koning. .
sGenoeg, genoegquot; zou de andere speler roepen en de kaarten door elkander gooien. «Uw groot vijfde deugt niet, want ik heb een zevende in ruiten, maar op die manier kan men waarlijk niet spelen.quot;
Tot zulk een tooneel zal het tusschen Ego en mij niet komen in onze gemoedelijke gedachtenpartij. Wij zijn van gelijke sterkte, zullen ons in de kleine fijnheden van het spel verheugen... en merken onze wederzijdsche fouten niet op.
liet uiteenzetten wordt mij bespaard. Ik zie vooruit reeds af van alle didactische waarde van de voordracht. Van vele dingen kan ik naar hartelust het van den professoralen katheder verbannen gt;ik weet nietquot; zeggen, waartegen elke geest vaker of zeldzamer stuit, maar dat alle onderwijzers zoo dicht mogelijk in de zware plooien hunner phrasen-ge-waden trachten te verbergen. Op zijn hoogst komt de positieve philosoof ertoe om in het algemeen van den laatsten grond der dingen te zeggen; »men weet nietquot; — of liever nog imen kan niet welenquot; — maar wie spreekt ook gaarne van den leerstoel af in den eersten persoon, wanneer hij zijne onbekendheid met eene zaak moet belijden?
L)aa_r schiet mij eene anecdote te binnen, nis de maan
It)
bewoond ?quot; vroeg op een examen een schoolonderwijzer. »Ja, zij is bewoond,quot; antwoordde een jongen. »Men weet liet niet,quot; verbeterde de onderwijzer. En de knaap op stel-ligen toon: ilk weet het.quot;
In den mond van een schooljongen klinkt zulk eene bevestiging wel komisch — maar hoe dikwijls bevatten voordrachten en leerboeken even onbewezene en even categorisch uitgedrukte stellingen.
»lk heb nu eenmaal zoo mijne vaste meeningenquot; (de Franschen zeggen: opinions arrètées). Deze phrase boort men zeer dikwijls uit den mond van personen die — naar de gronden hunner meeningen gevraagd — geen verder uitsluitsel willen of kunnen geven en hare vastheid als hare rechtvaardiging aanvoeren. De zoogenaamde toprechte overtuigingquot; geniet ook een dergelijk aangematigd aanzien: «toutes les convictions sincères sont respectablesquot; en daarop steunt dikwijls de aanmatiging der meest valsche overtuigingen. Twee ïoprecht overtuigdenquot; van een tegengesteld gevoelen behoeven zich daarom nog niet met lange twistgesprekken in te laten, maar dienen eenvoudig voor elkander den hoed af te nemen. Wel zegt men, dat uit de wrijving der meeningen de vonk der waarheid ontspringt — maar wat bekommert de eerbiedwaardige bezitter der vaste meeningen zich om de waarheid? — Deze godin houdt, zooals men weet, haar verblijf in eenen put en nog wel in een zeer onvoldoend toilet... waartoe dus het ongemakkelijke en ongepaste afdalen in dien put, terwijl toch de fraaist gekleede poppetjes der overtuiging, die onbeweeglijk op de étagère van den geest staan, zulk eene algemeene achting vorderen? —
Voor mijne eigene meeningen beb ik juist geenen bewon-derenden eerbied, maar vele — ik beken het —verschaffen nüj eene oprechte blijdschap. Voor niets ter wereld zou ik ze willen ruilen. De zoogenaamde skwellende twijfelingenquot;
\\1
plagen mij niet, want de overwonnen twijfel is slechts de weg, die mij tot mijne verworvene overtuigingen heeft gevoerd, en de onoverwonnen twijfel is juist als dat onschadelijke nik weet nietquot; blijven staan, dat mij — overeenkomstig het spreekwoord )wat niet weet wat niet deertquot; ook verder geene ongerustheid veroorzaakt.
De vreugde die mijne blikken in het rijk der gedachten mij verschaffen, vindt ongeveer hare uitdrukking in het gezegde van markies Posa tot Filips II; gt;Ik geniet de wetten.quot; Ik bedoel hier niet de staatswetten, maar de verhevene allesomvattende natuurwetten en ik leg den nadruk op het woord «geniet.quot; Want het bewustzijn eener ons omgevende nimmer wankelende orde, waartoe men door de ontdekkingen der alzijdige wereldwetten gekomen is, vervult de ziel inderdaad met eene eigenaardige, onuitsprekelijke vreugde. Onze aanleg brengt nu eenmaal mee, dat wij harmonieën kunnen genieten. Of zij in de samenstemming der tonen als muziek om ons heen ruischen, of zij als ineensmelting der kleuren ons hart verrukken, of in het ineenvloeien der gevoelens als liefde ons hart vervullen — overal zijn het harmonieën die ons de verhevenste vreugde bereiden. De harmonie van het heelal, namelijk het unisono van allesa-raenklinkende natuurstemmen, brengt dus zeker het hoogste genot, waarnaar de over eeuwige vragen haarklovende geest kan streven. De harmonie der schepping is eene muziek, waar het verstand met wellust naar luistert, en al kunnen wij ook nooit de volle pracht van het concert des heelals vatten, toch maken de tot ons doordringende zwakke echo\'s ons reeds gelukkig.
De voorstelling van wanorde en willekeur boezemt angst en ongerustheid in; de voorstelling van regelmaat en orde daarentegen brengt vertrouwen en rust. De hoogste lof dien een Engelschman iemand kan toezwaaien, is: the is a safe man,quot; dat wil zooveel zeggen als seen zeker manquot;
I. z. 2
18
en zoo zeg ik tot mijzelven van deze schoone wereld: Mt is a safe worldquot;. Waar de natuur haar woord heeft verpand — en hare eeden zijn wetten — kan men ook zeker op haar rekenen. De weifelingen, de dwalingen, de tegenspraak liggen alleen in de onvolkomenheid onzer kennis, in het misverstand uit de scheiding der woorden ontstaan, en in de valsche sluitredenen der bespiegeling. De proefneming
echter — namelijk de door een daad bewezene ondervinding
van een natuurkundig proces — voert ons alleen lot on-bedriegelijke feiten en wat wij daarop bouwen is usafe.quot;
Dit gevoel van zekerheid nu is eene vreugde voor mij. Eene andere vreugde sluit zich hieraan, namelijk het op overtuiging gegronde geloof aan een onophoudelijken vooruitgang, aan een beter-, schooner- en grooter worden van al wat mij omringt. Ik zal mij eens een afzonderlijk hoofdstuk gunnen voor het opzeggen der vroolijke litanie op den vooruitgang. Hier noemde ik deze beschouwing slechts in beknopten vorm, zooals men een artikel uit zijne geloofsbelijdenis noemt. Wanneer mijne geliefde couranten en revues mij hier in de eenzaamheid bericht brengen van de eene of andere nieuwe ontdekking of grootsche uitvinding of bespiegelende uitzetting van den horizon der gedachten, aanvaard ik dat telkens als een rijk, gelukkigmakend geschenk. Ik zou ongelukkig zijn, als iemand mij mijnen phonograaf, mijn electrisch licht en mijnen megaphoon weder wilde ontnemen. Wel heb ik al die schoone zaken nog niet hier, maar te weten dat zij bestaan, vervult mij met genoegen. Naast zulke lichtzijden brengen de dagbladen mij weliswaar berichten van het duistere woelen der partijen, van den nietigen strijd der vooroordeelen, van de bloedige kampen der oorlogsfurie.. . maar geduld — over een paar duizend jaar zal dat alles beter zijn.
Over een paar duizend jaar ... daaruit blijkt hoe ik mijn persoonlijk bestaan uit het oog verlies, wanneer ik mij in
19
de beschouwing van het bestaan der wereld verdiep. In deze laatste is mijne plaats zoo oneindig klein, mijn zijn of nietzijn zoo nietig, dat ik er in liet geheel niet aan denk.
Maar — van swereldbeschouwingquot; kan men niet leven. Aan de plaats die ik in de schepping inneem — hoe klein, hoe nietig ook — ben ik toch geheel gebonden en besla ze. Waar de mensch leeft, heeft hij met zijne behoeften, hartstochten en belangen de taak te volbrengen, die elk deeltje aan het geheel verschuldigd is. Het nabij zijnde, niet het groote is van gewicht voor ons. Wat ons omgeeft, wat ons aangaat werkt het krachtigst. De slag bij Marathon zal wel van hoog belang zijn geweest — maar dat mijn oude kanarievogel niet wel is, grijpt mij meer aan. Is liet groote ver van ons af, dan moet het zich heel klein maken om tot ons te komen: doorboren wij een vel papier met eene speld en zien wij door die opening naar den hemel op — dan kan een stuk van den melkweg zich gemakkelijk in den speldeprik bergen.
Deze begrenzing der ruimte van het zichtbare laat zich uit de wiskunstige wetten van het perspectief verklaren en alle indrukken op ons gevoel — evengoed als die op ons oog — zijn aan een dergelijke perspectieve verhouding van graad onderworpen.
Alleen het nabijzijnde kan dus werkelijk groote afmetingen voor ons hebben. Waarom zou men dan vele belangen unietigquot; noemen? Elke, ook de schijnbaar geringste vraag, kan nog altijd verder ontleed en verdeeld worden, en haar gewicht blijft altijd onverminderd of wordt — al naar de omstandigheden — nog verhoogd. In een keuken is het recept voor een ragout zeker van meer belang dan de geschiedenis van het Romeinsche rijk.
Ik herhaal het: van wereldbeschouwing kan men niet leven. De vreugde die ik in de groote orde der natuur vind, kunnen de veelvuldige kleine smarten en zorgen van
40
mijn persoonlijk bestaan toch niet geheel opheflen. Misschien zijn er wijsgeeren , die zoo verdiept zijn in hunne bespiegelingen, dat zij in het genot der harmonieën van het heelal de talrijke wanklanken niet hooren, dieelkmen-schenleven vergezellen — maar ik ben immers, zooals ik reeds in den beginne beleed — geen wijsgeer. Ik heb slechts — zooals de meeste menschen doen — mijne gedachten met de eeuwige vraagstukken bezig gehouden, die zich aan alle kanten aan ons opdringen en daarin meer lichte vreugde dan donkeren twijfel gevonden, maar mij uitsluitend daarbij bepalen kan ik niet.
Wilde ik een boek schrijven, dan moest ik bij het eenmaal gekozene onderwerp blijven en, wanneer de gedachten daarvan beginnen af te dwalen , de pen uit de hand leggen om ze dan eerst weder op te nemen , wanneer de verzamelde denkbeelden in het vroegere spoor komen. De lezer, die zich een uur lang met een zekere zaak wil bezig houden, heeft natuurlijk het recht van zijnen schrijver te vorderen , dat hij bij de zaak blijft. Maar ik, Gode zij dank , schrijf hier geen boek (hoe dikwijls zal ik mij daarover verheugen I) maar eenvoudig een inventarisch register van hetgeen ik aan gedachten bezit. Daar kan ik alles invoegen : het paar zaken van waarde, die ik mij uit vreemde verzamelingen van kostbaarheden heb toegeëigend en de vele prullen en lorren — soms echte vodden — vooral
,. , ii- i • pir vent venir
de lieve dierbare gedachtenissen... Ja. Ja IW
zooals de oude eenvoudige rebus zegt: «un soupir vient souvent d\'un souvenir.quot;
Hetzij bitter, hetzij zoet, eene herinnering kost meestal eenen zucht — of: gt;ach , dat hel zoo warequot; of lach, dat hel zoo was.quot;
Dikwijls heb ik, als ik bij mijnen haard zat, eene romantische episode mijns levens terug willen roepen om in hare herinnering te zwelgen, maar ook dan — zooals dat
21
niet de vliegende gedachten wel meer gaat — hebben zij maar al te dikwijls de begonnen tochten gestaakt en mij het gewenschte beeld nooit recht duidelijk voor den geest gebracht. Nu wil ik de geheele geschiedenis eens aan mij-zelven vertellen.
VIERDE HOOFDSTUK.
Een voorval uit mijne jeugd.
Het was in den tijd, toen ik jong en rijk en levenslustig was. Mijn huwelijk lag slechts als een korte droom achter mij, en ik\'was te moede alsof ik pas aan den drempel des levens stond, in die blijde stemming der jeugd, die op de spanning gelijkt, waarmede men in den schouwburg het ophalen van het gordijn afwacht, wanneer er een goed stuk is aangekondigd.
Zelfstandig , zonder beroepsplichten, bezitter van een aanzienlijk vermogen , drager van een oudadellijkcn naam — zoo waren mijne uiterlijke omstandigheden. Enthusiast, romantisch, koningsgezinde met éene opwelling van dichterlijke opgewondenheid — dat waren mijne innerlijke eigenschappen.
Wat ben ik veranderd ! Maar dat behoort hier niet te huis. Aan de geschiedenis van de ontwikkeling mijner overtuiging zal ik ook een afzonderlijk hoofdstuk wijden. Ik moet mij enkel en alleen in mijne geheele toenmalige persoonlijkheid terugdenken, om nog eens de indrukken te ondervinden die ik toen ontvangen .heb.
Ik had het besluit opgevat een reis van verscheidene jaren door Europa te doen, geruimen tijd in de verschillende hoofdsteden te vertoeven, om de wereld te lee-ren kennen. Mijn eerste pleisterplaats was te . .. waartoe
22
■f
den naam te noemen — ik zal wel nooit vergeten waar het was.
Het was eene koninklijke residentiestad, die den vreemdeling veel bezienswaardigs op het gebied der kunst en een gezellig verkeer aanbood. Bij mijnen gezant aanbevolen , werd ik door hem in de eerste familiën voorgesteld, maar van al de soirées, diners en raoats die ik hier bijwoonde, kan ik mij slechts verwarde voorstellingen maken, die zich met de gelijke herinneringen vermengen, welke mij uit hetzelfde leven der groote wereld in latere jaren en op andere plaatsen zijn bijgebleven. Ook was toen de eigenlijke carnavalstijd nog niet begonnen en aan het hof hadden geen recepties plaats.
De plek waarheen ik mijne gedaclTten wil terugvoeren , is eene villa in de voorstad, door eene oude dame, een nicht mijner moeder, bewoond, voor wie ik ook eene aanbeveling had medegebracht. Eene lieve vriendelijke oude vrouw, die gravin Dionyse. Ik denk gaarne aan haar, want tegelijk met haar beeld verrijst altijd een ander lichtbeeld voor mij. Er zijn herinneringen die altijd dubbel aanslaan, zooals de interval van hetzelfde accoord.
Goede tante Dionyse! Eene echte groote dame. Zij had haar geheele leven aan een naburig hof doorgebracht; eerst als eeredame, eindelijk als opperhofmeesteres , maar thans leefde zij sedert een paar jaren stil en op zichzelve.
Nog zie ik haar elegant klein salon, vol bloemen en snuisterijen en het eeuwige borduurwerk dat zij in de handen hield. Zij had een dag in de week waarop zij ontving , maar dan was haar kleine salon zoo stampvol met oude hofdames, dat ik haar liever op de dagen bezocht, wanneer zij alleen was. Ik vertelde haar van mijne moeder en zij onderhield mij over de loopende stadsgeschiedenissen , — de kroniek, die zij op hare Maandagen, verzamelde.
23
Zoo zat ik weer eens tegenover de goede oude dame, en klaagde haar schertsend de leegte van mijn hart.
sMij dunkt, lieve Karl, dat bij uwe positie en uw uiterlijk\'\' — ik boog — ^intriges en avonturen niet kunnen uitblijven.quot;
sAch, lieve tante, wat u bedoelt bevredigt mijn verlangen niet. Ik dorst naar eenen roman — naar eenen hartstocht... Iets heftigs — ongehoords — tragisch ... \'
Terwijl ik zoo sprak, gins de deur open en op den drempel stonden twee dames. Tante sprong van haren stoel op en snelde met een luiden vreugdekreet de binnentre-denden tegemoet. De eene dame wierp zich in hare armen en kuste haar herhaalde malen : sMijne goede, eenige, gouden , oude Dionyse!quot; riep zij.
Ik was opgestaan en wist niet of ik heen zou gaan of blijven. De schoonheid der binnentredende had mij letterlijk verblind «n de hartelijke stem waarmede zij tante tusschen hare kussen door de liefkoozende woorden toesprak, klonk mij bijzonder betooverend in de ooren. De tweede dame — waarschijnlijk eene juffrouw vsn gezelschap — stond zwijgend erbij.
»Waarde tantezeide ik , mijn hoed nemende en eene buiging makende, »ik wil u niet storen.quot;
Thans eerst bemerkte mij de schoone onbekende. Zij monsterde mij met eenen lachenden blik en tante voorttrekkende, fluisterde zij haar iets in. Vervolgens zeide zij iets tegen hare gezelschapsjuffrouw, die terstond groette en de kamer verliet.
Ik maakte nog eens aanstalten om te gaan, maar tante zeide: jBlijf nog wat, lieve Karl. Barones Maisdorf zal mij vergunnen haar mijn lieven neef voor te stellen quot;
Wat er nu na deze voorstelling gesproken werd, kan ik mij in weerwil van alle inspanning niet nauwkeurig herinneren ... waarschijnlijk de banaliteiten die in zulke ge-
24
vallen doorgaans uitgewisseld worden. Slechts zooveel herinner ik mij, dat er door het geheele gesprek iets van een ongewone nevengedachte liep: van mijnen kant was het eene met geweld ontwakende bewondering; van tantes kant een vreemde onrust; van den kant van barones llaisdorf eindelijk als het ware een mengsel van vertrouwlijkheid, nieuwsgierigheid en vermaak. Bij verscheidene vragen die ik haar deed — en die toch niets bijzonders hadden — lachte zij alsof er een bijzondere zin in lag en wisselde blikken van verstandhouding met tante.
Een liefelijker, boeiender wezen had ik nooit ontmoet. Zij was het beeld der uitstekendste en tevens ongedwon-genste voornaamheid. Haar toilet was eenvoudig, maar zeer rijk. Zij droeg een donker fluweelen costuum met blauw vossevel omzoomd. Zij had eene fijne, slanke gestalte en leunde met onuitsprekelijke gratie in haren fauteuil achterover; de in atlas schoentjes gestoken voetjes rustten op de kussens die tante uit beleefde voorzorg dichterbij geschoven had. Een oogenblik had het mij geërgerd, dat eene jonge vrouw zich door eene oude dame zoo zonder tegenspraak liet bedienen ... maar zij was zeker een verwend kind.
Toen ik een half uurtje later de beide dames verliet en met rassche schreden door de stralen ijlde — ik wist niet waarheen — was het met mij gedaan. Mijn naar liefde smachtend hart, mijn romanesk gemoed, had ik lang genoeg als een gevaarlijk kruitmagazijn met mij omgedragen. Uit de zwarte oogen der barones llaisdorf was nu de vonk erin gevallen.
Overigens is zulk eene ontploffing wel verdoovend maar tevens zeer aangenaam. Het is als het ware eene plotselinge vermenigvuldiging der levensgeesten, — eene verdubbeling van het bewustzijn, want naast het gewone sik leefquot; ondervindt men nog het even wonderlijke »ik beminquot; —
Den volgenden dag kwam ik zoo vroeg bij mijne tante ,
25
dat zij nog sliep. Een uur later kwam ik terug. Nu werd ik toegelaten. Tante Dionyse was in ochtendgewaad en scheen tamelijk slecht geluimd.
— «Waarom zoo vroeg? je weet immers, dat ik vóór tweeën geen bezoeken afwacht.quot;
sVergeef mij, lieve tante, maar ik heb u zooveel te vragen ...quot;
«Ik zeg toch niets.quot;
«Maar u weet nog niet eens wat ik vragen wil.quot;
»Ik kan het wel denken — maar ik spreek geen woord,quot;
ïVertel mij toch eens als \'t u belieft — wie is die barones Maisdorf? Is zij gehuwd of weduwe ? Is zij familie van u ... waar woont zij ?quot;
Tante Dionyse zweeg.
bWaarom wilt gij mij geene inlichtingen geven?quot;
sOnidat ik niet wil.quot;
Zooveel is zeker, dacht ik, dat tante niet goed te spreken is, als zij pas op is, en op deelnemenden loon vroeg ik luide: sllebt u misschien hoofdpijn?quot;
Tante maakte een ontkennende beweging. xDie barones Maisdorf schijnt veel van u te houden begon ik het gesprek weer... nmisschien eene jarenlange vriendin?quot;
Dionyse zweeg. Ik wilde weten of tante ook in het morgenuur door eenen Trappisteneed gebonden was dan of zij alleen ten opzichte van de barones het zwijgen bewaarde en zocht daarom naar eene andere vraag. Een krijschende papegaai, die mei den kop naar omlaag langs de tralies zijner kooi rondklauterde, bood mij een welkom onderwerp aan; gt;Hoe oud is het lieve dier ?quot; vroeg ik.
»Acht en negentig jaar.quot;
sTante, al dat draaien geeft niets , ik zeg u ronduit, dat ik precies moet weten ...quot;
gt;Ik verzeker je, dat hij al zeventig jaar was, toen ik hem kreeg.quot;
26
ilk moet weten,quot; ging ik voort zonder mij van mijn stuk te laten brengen, iwie deze bekoorlijke vrouw is... of ik hoop heb haar te verwerven, want — ik maak u tot mijne vertrouwde, goede tante — ik ben tot over de ooren verliefd .. .quot;
•Karl, je schertst misschien — maar ik zeg je in vollen ernst: denk niet aan deze vrouw. Ik geef je geene inlichtingen omtrent haar, omdat ik door eene belofte gebonden ben, maar zooveel kan ik je zeggen: Denk niet aan die vrouw ... haar te beminnen zou een ongeluk zijn ... haar te bereiken eene onmogelijkheid.quot;
Zulke woorden waren alleen goed om mij nog opgewondener te maken, en ik gaf mij nog alle moeite om van tante iets te vernemen — maar tevergeefs.
Ik verliet haar in levendige gemoedsbeweging, want bij de gisteren ontwaakte verliefdheid was nog de bekoring van het geheimzinnige, het moeilijk verkrijgbare gekomen en mijn romanesk gemoed stond in lichterlaaie. Zooals vanzelf spreekt, was ik er nu allereerst op bedacht om berichten in te winnen, overal naar die barones Maisdorf te vragen, maar niemand kende eene dame van dien naam, Op alle wandelplaatsen, in alle salons, in den schouwburg, overal zochten mijne blikken het verrukkelijke beeld; mijne gedachten hielden zich met niets anders bezig, \'s nachts droomde ik ervan, maar nergens ontmoette ik het vurig begeerde origineel.
lederen dag ging ik naar mijne tante. Ik hield van de kamer, waarin ik de vluchtige verschijning had gezien en gravin Dionyse zelve was mij thans — na mijne onbekende — de belangwekkendste persoon in de stad. Ook was zij de onvrijwillige vertrouwde van mijnen toenemenden hartstocht. Zij wilde mijne bekentenissen wel afweren, maar ik liet mij niet terughouden. Ik deelde haar de gedichten mede, die ik aan mijne geliefde richtte, want — hoe onwaar-
27
schijnlijk ik het tegenwoordig moge vinden — ik schreef toen sonnetten , romances en liederen. Of ze goed waren, weet ik niet, maar het was mij eene behoefte ze te vervaardigen.
Zoo verliepen omtrent veertien dagen. Ik zat weer in het kleine salon van Dionyse, toen zij mij plotseling zeide: «Weet je wel, Karl, dat ik je gedichlen aan mevrouw von Maisdorf heb laten lezen?quot;
Ik voelde dat ik verbleekte. jU hebt haar gezien?quot; «Ja , meer dan eens — en haar van je dwepende liefde verteld... dat amuseert haar — maar zooals ik gezegd heb, er is geene hoop ..
jHoe hebt u gezegd, tante, lamuseert haarquot;... lacht mevrouw von Maisdorf over mijne liefde?quot;
gt;Neen , om de waarheid te zeggen, lachen doet ze niet. Daarvoor is zij een veel te edel, teergevoelend wezen. Zij heeft je verzen verscheidene malen herlezen — meegenomen zelfs — en met aandoening gezegd: «Welk een dichterlijk , innig gemoedquot; en daarbij zuchtte zij. Een zucht die beduidt: »Ach , mocht ik maar 1quot; want waarlijk , zij raag niet, Karl.quot;
Tante Dionyse had mij ten hoogste gelukkig gemaakt. De geliefde was dus met mijnen hartstocht bekend en had mijne gedichten medegenomen! O, welk een zoete, zalige dwaasheid, dat verliefd zijn!quot;
\'s Anderendaags ging ik natuurlijk weder naar mijne tante. In de voorkamer wilde de bediende mij afwijzen : tMevrouw heeft bezoek en er mag niemand toegelaten wordenzeide hij — maar ik schoof hem op zijde en snelde door de rij kamers naar het kleine salon, met het voorgevoel dat ik »haarquot; eindelijk zou terugvinden.
En inderdaad, zij was het die naast tante Dionyse zat. Bij mijn binnentreden sprong tante op: «Hoe kom je hier, ik had toch verboden ..
28
Mevrouw von Maisdorf bracht haar met een gebaar tot zwijgen. «Bedaar, mijn goede Dionyse — Het doet mij groot genoegen uwen neef terug te zienquot; — en zij reikte mij hare hand.
Ik boog over die hand en drukte er eenen kus op. De electriciteit heeft ons nog lang niet al hare geheimen onthuld ... in het telegrafisch toestel en de kaars van Ja-blotschkow kan men hare werkingen aantoonen, maar in de slagen die zij ons bij de aanraking eener geliefde hand uitdeelt, heeft men haar wezen nog niet pogen te omschrijven.
«Eindelijk — eindelijk vind ik u weder.. .quot; begon ik.
gt;Om Gods wil, Karl, zwijg,quot; zeide tante Dionyse. »Je weet niet..
»Lieve gravin,quot; viel de jonge dame in, sik herinner u aan uw woord — doe alsof gij ook niets wist, en laat uw neef zeggen wat hij te zeggen heeft. Ik ben... nieuwsgierig het te hooren.quot;
tDan wilde ik liever niet verplicht zijn het aan te hooren ,quot; sprak de gravin , terwijl zij naar de deur van haar kabinet ging.
nZooals gij wilt,quot; knikte mevrouw von Maisdorf.
Wij waren alleen gebleven. Kan ik mij nog wel goed in die ure verplaatsen ? Het wordt mij moeilijk. Ik ben thans bedaard en bij mijne zinnen — toen werd ik door eene verrukking omhoog gevoerd, die mij de geheele wereld in een beiooverend licht vertoonde. En wat in mijn luid kloppend hart woelde, wat in mijnen half ijlenden geest brandde , dat alles heb ik in een geestdriftvolle rede samengevat , die ik thans niet meer in staat zou zijn te bedenken , maar die toen met zulk een onweerstaanbare kracht uit mijne ziel stroomde, dat ik mij geene rekenschap van mijne eigene woorden gaf. Onwillekeurig was ik op de kussens neergezonken, die naast hare voeten lagen en
quot;19
knielde aan hare zijde. Zij hield hare hand als afwerend voor mijn gezicht en luisterde met een eigenaardig, half koen-, half verschrikt-vroolijk glimlachje — zooals bevallige amazonen glimlachen , wanneer haar paard over eene diepe gracht springt.
Nu stond zij op en zich nog altijd niet de uitgestrekte hand tegen mijne nadering beschermende, sprak zij halfluid: »Dat is dus liefde... dat is het, wat in de gedichten en romans staat... welk eene bijzondere, bedwelmende macht...quot; daarop wendde zij zich plotseling tot mij en sprak op koelen loon ;
))Ik had u niet moeten aanhooren, mijnheer. Het is waanzin — of liever kinderachtigheid — ik wil het vergelen. Dat is de beste genade die ik voor uwe vermetelheid kan verleenen.quot;
Mijn gelaat moet een hevige smart uitgedrukt hebben , althans zij zag mij nu kalm en getroffen aan. Zij stond een eindje van mij af, met de eene hand op de leuning van eenen armstoel; haar hooge gestalte verhief zich in eene aanvallige houding boven het vloertapijt, de lange sleep lag in fraaie plooien op den grond.
Zij wenkte mij nader te komen. Ik wierp mij in den armstoel waartegen zij leunde en bukte over de blanke, welriekende hand. »Dus heb ik geene hoop — geene ?quot; vroeg ik met van smart trillende slem,— «gij will slechts vergeten ?quot;
ilk heb u niet willen krenken sprak zij zacht en trok hare hand niet weg... »Gij zult spoedig inz-ien, dat ik niets anders te geven heb dan hel vergeten van dit uur.quot;
En mij vast in de oogen ziende: »Zijt gij bereid elk mijner bevelen te vervullen ?quot;
jElk,quot; antwoordde ik.
»F o i de gentilhomme?quot;
sBij mijne eer en bij mijnen God!quot;
30
«Dan beveel ik, dat gij morgen om dezen tijd onze stad en ons land verlaten moet hebben — opdat ook gij gemakkelijker zoudt kunnen vergelen wat ik thans zeg ... dit is een oogenblik dat ik uit mijn leven strijk ... maar ik wil toch zeggen... een enkelen keer..Weifelend hield zij stil.
tik heb gezworen riep ik , van mijne plaats opspringende en haar middel omvattende, «morgen om dezen tijd ben ik verre van hier, maar deze minuut kan voor mij tegen eene eeuwigheid opwegen, als je mij maaréen woord van liefde zegt. .
Zij liet haar hoofd op mijnen schouder zinken en weerde mijnen kus niet af... «Ik z o u je bemind hebben—quot;fluisterde zij. Daarop rukte zij zich plotseling uit mijne armen los. «Dionyse!quot; riep ze luid. De gravin kwam binnen, sik wil nu naar huis rijden, lieve gravin — mijne dame komt pas over een uur; wees gij zoo goed mij te vergezellen. Laat het rijtuig voorkomen, verzoek ik, en maak u gereed.quot;
iZooals Uwe Majesteit beveelt,quot; zeide Dionyse en ging weer in hare kamer.
Als versteend bleef ik staan. De koningin zag mij met een droevig lachje aan. Binnen enkele seconden verscheen mijne tante weer met hoed en sjaal, tik ben gereed,quot; zeide ze.
«Laten wij dan gaanquot;... Op den drempel zag de hooggeplaatste vrouw nog eens om en knikte mij toe. rVaarwel!quot; zeide ze.
Ik maakte eene buiging, zooals men voor koninginnen doet. Toen ik opzag, waren heide dames verdwenen.
Ik wachtte tantes terugkomst af. Binnen een uur was zij weer thuis.
«Zie je nu ook in, lieve,quot; voegde zij mij toe, «dat je verliefdheid hopeloos was.quot;
i Heeft zij nog over mij gesproken?quot; vroeg ik haastig — ten wat ?quot;
31
»Ja, zij heeft over je gesproken. Ik geniet haar voile vertrouwen — zij heeft als kind zeer dikwijls op mijnen schoot gespeeld — en nu nog komt zij mij telkens bezoeken om over oude tijden te praten.quot;
«Ach tante, ik bezweer u — herhaal mij elk harer woorden ...quot;
iJe zult morgen vertrekken , heb ik gehoord. Zij heeft mij alles verteld. En als hij nu eens niet afreisde, wat dan?quot; vroeg ik. sDan zou hij als een meineedige mijne verachting waard zijn, maar ik koesier een dergelijken twijfel niet,quot; antwoordde zij.quot;
5Zij alleen had mij van mijnen eed kunnen ontslaan .. . maar het mocht niet zijn. Ik vertrek vandaag nog.quot;
sik breng je ook eene boodschap, Karl. »Zeg uwen neef, lieve oude vriendin,quot; dit waren hare eigene woorden, gt;dat ik zijne gedichten zal bewaren. Ik geef hem voor de opdracht geene orde noch medaille; ik heb hem met eene minuut doorleefde poëzie ervoor beloond.quot;
VIJFDE HOOFDSTUK.
Poëzie en Proza. — Geest der analyse en der synthesis.
Wel had zij gelijk, mijne schoone koningin. De minuut is de ware koker, waarin die gevoelsether, spoëziequot; genaamd, moet weggesloten worden. Zuivere geestdrift, verrukking, genot zijn zulke kortlevende, vlokachtige, vervliegende zaken — dat het niet mogelijk is ze vast te houden en uit te breiden. Wanneer men zulk een gedicht van éene minuut tot den geheelen duur eens levens wilde uitzetten, zou dat evengoed zijn, alsof men met een druppel karmijn de zee wilde verven. Wij zijn skinderen des oogen-bliksquot; genoemd en wanneer wij tol het oogenblik het be-
32
roemde ttoef toch, gij zijl zoo schoonquot;, zeggen, is het reeds lang heengevioden.
Ik geloof aan poüzie. Dal is ook een artikel mijner geloofsbelijdenis. De gedachte bereikt den vorm der poëzie, juist zooals de plantencel den vorm der bloem bereikt. De dierenziel of ook de ziel va» den wilden ruwen mensch brengt het nooit tot poëtische begrippen , evenmin als de wieren, hel leverkruid en de mossen ooit bloemen dragen.
ik kan niet anders: zoodra ik mij iets duidelijk voor oogen wil stellen, moet ik altijd weer tot de beschouwing der overeenkomsten vervallen, die zich tusschen de natuur en de dingen van den geest aan mij opdringen. De richting mijner denkmethode heeft haren oorsprong in de volgende overweging.
De eenvoudigste vorm van hel plantenleven beslaat uit het celblaasje — een hol, doorzichtig, met gekleurde stof gevuld kogeltje. In dit éene element zijn alle krachten der voortplanting vereenigd. Door den microscoop kan men in elk glas water (wanneer het water door een geruimen tijd in het zonlicht te staan groen is geworden) hel geheele voorllelingsproces volgen. Elk dier cellen bevat verscheidene andere, die zich daarin ontwikkelen, groeien, elkander dringen, tot zij het omhulsel verscheuren, en dan evenveel nieuwe cellen vormen, die zich op dezelfde manier vermenigvuldigen.
Parallel — en analoog met dezen gang van zaken denk ik mij de oorspronkelijke ontwikkeling der gedachten. Als oertype — zooals daar de cel — kan men hier de idee aannemen — namelijk de eerste zellbewuste opvalling der dingen. Uit deze prolo-idee komen verscheidene andere die daarin vervat waren, voort, om zich voortdurend weder door deeling te vermenigvuldigen en tot in het oneindige te vertakken. De parallel houdt echter niet bij het vraagstuk der vermeerdering op, maar strekt zich ook uit tot het beginsel
33
van vooruitgang, dat de grondslag is van alle leven en — onafhankelijk van de afzonderlijke ontwikkeling der gescheiden individu\'s — eene steeds ingewikkelder volmaking der soorten ten gevolge heeft. Uit de schimmelplant zelve groeit geene cactusbloem op: uit het eerste ontwaken van het menschelijk bewustzijn is ook niet terstond eene encyclopedie ontstaan. Maar de bedektbloeiende planten hebben in den loop der tijden door de ophooping harer eigene kleine lijken die teelaarde gevormd, waaruit eene hoogere orde van planten kon voortkomen, welker naaste nakomelingen wedi*r een trap hooger stonden en zich in verscheidene zich vertakkende soorten splitsten, tot de oneindige verscheidenheid en de volmaakte pracht der geheele planten-hiërarchie was verschenen , die wij tegenwoordig bewonderen. Evenzoo vormen de ideeën van een geheel geslacht eerst eene soort van geestelijke teelaarde, waaruit eene hoogere orde van gedachten kan opgroeien , die zich op hare beurt weder splitst en nieuwe, telkens meer ingewikkelde vormen aanneemt, tot al de verschillende godsdiensten , wijsgeerige stelsels en dichtsoorten ontloken zijn, die in de geestelijke Flora van onzen lijd — deels fossiel, deels levend — voorhanden zijn, — en insgelijks de eigenschap bezitten zich in de toekomst nog verder te splitsen en tot meerdere volkomenheid te geraken, evenals immers de tegenwoordige tuingewassen voor verdere veredeling en scheiding in nog meerdere varieteiten vatbaar zijn.
liet is natuurlijk, dat mijne zinnebeeldige methode van vergelijking die van den oorsprong der dingen- uitgaat, ze in de meest verschillende openbaringen naspoort en om zoo te zeggen als een «roode draadquot; door het geheele weefsel mijner gedachten loopt. Daarom zal in den loop dezer geschrevene alleenspraken dezelfde formule misschien nog dikwijls terugkeeren en om haar in mijne eigene oogen I. \'L. 3
34
te rechtvaardigen was het juist mijn streven haar in hoofdstukken te schetsen. En nu kom ik tot de poëzie terug.
Zij is de geur die liet schoone uitwasemt, maar die ook alleen door schoone zielen kan ingeademd worden. Onder poüzie is natuurlijk niet uitsluitend de berijmde taal te verstaan , die toch maar een der duizend vormen van het poëtische is. Een duidelijk uitgedrukte bepaling van het innerlijke wezen van dit poëtische te geven, dunkt mij moeilijk, omdat het eigenlijk een verlangend uitzien naar, een duister vermoeden, een genieten van het «onuitgedruktequot; is. Wat men niet in staat is te z e g g e n : de macht der tonen, het godsdienstig ontzag, het vuur der liefde, dat gevoelt men slechts, en dit gevoel dat door geene woorden of cijfers volkomen aanschouwelijk voorgesteld kan worden, is het eigenlijke «poëtische gevoelquot;. Daarom kiest het ook — wanneer het eens worstelt om eene uitdrukking te vinden — zulke talen die het verst van den stelligen vorm afstaan, en spreekt in muziek, in droo-raen of minstens in — verzen. Deze zijn aan geene duidelijke droogheid gebonden , gelijk het armoedige proza en vermeien zich in de zinnelijke betoovering van het wiegelende rythmus.
i). . . On te pariera , langue de l\'impalpable Langue de l\'impalpable et de l\'inassouvi 1quot;
zooals Eduard Paillerre in zijne «Immortellequot; zegt.
Jawel — taal van het ongrijpbare en het onbevredigde ... Berijmde kreet van verlangen der naar schoonheid dorstende ziel.
Waarom zou deze taal verstommen ? Is er dan werkelijk eene secte van realisten ontstaan, die zich de uitroeiing van alle poëzie tot laak heeft gesteld — en moeten de verdedigers van het ideaal naar de wapenen grijpen om den grond te behouden, vanwaar men ze wil verdringen? — Wanneer zulk een strijd werkelijk gestreden wordt, berust
35
hij op wederzijdscli wantrouwen en misverstand — de hoofdoorzaken van de meeste twisten onder de menschen.
De idealist meent, dat de nuchtere navorschers en de koude denkers ernaar streven om al het verhevene te loo-c.ienen en te smaden — en de rationalist daarentegen gelooft , dat de dichters vreemd zijn aan alle werkelijkheid en waarheid. sTot been gewordene gemeene natuurquot; noemt de eerste den laatste. nOnnoozele koortsachtige droomerquot; roept deze terug. Maar wanneer die twee elkander tegenkomen , moeten zij elkaar wel recht doen wedervaren — inzien, dat er verstandige dichters en verheven denkende positivisten zijn.
liet poëtisch gevoel houdt geen gelijken tred met den cursus dien het versland doorloopt. Deels is het daaraan vooruitgesneld, deels daarbij achtergebleven. Wat een geslacht van droge denkers begrijpt, zegepraalt pas over het volgende geslacht van dichters. En omgekeerd, wat de tegenwoordige dichters vermoeden, zal de ervaring pas aan de latere denkers leeren. Vandaar die eeuwige tweespalt. De geestdrift voor het traditioneele, het onweerstaanbaar verlangen naar wat fantastisch is en nieuw, ziedaar de beide richtingen waarin de poëtische gedachte zich beweegt. Of zij haakt zich, gelijk de klimop, aan de oude reeds bouwvallige kennis vast, of stijgt met krach-tigen vleugelslag naar nog onbeklommen hoogten. Den dichter komt elke analyse, elke droge verdeelingsarbeid der geleerden verdacht voor, maar hij vergeet, dat zijne tegenwoordige synthesis slechts de vrucht is van. voorafgegane analyses. Vandaar komt het, dat in het kamp der poëten of der zich «idealistenquot; noemende gevoelspoëten alle nieuwigheden , uitvindingen , vragen van den dag enz. als echt prozaïsch veracht worden ; — hunne taal heeft daarvoor nog geene uitdrukking, en hun répertoire nog geen traditie. Langzamerhand, wanneer de arbeid der prozaïsten gerijpt
36
is, ontwikkel! zich daaruit de poëtische zin die in alle verschijnselen woont, later enkele personen te machtig wordt, en zoo zijne zangers vindt.
Ik denk bijvoorbeeld aan het hoofdbegrip spoorwegen. In den beginne, toen deze inrichting in het leven trad, was het zeker eene vraag van locomotievenbouwen , rails-leggen , spoorwegmaatschappijen en dergelijke prozaïsche dingen. De dichters wendden zich van het rookspuwende monster af en hunne liederen bleven als voorheen aan den iklinkenden posthoorn\'\' of de «op flinke rossen voortdra-vende ruitersquot; getrouw. Maar natuurlijk bleven alleen de zangen trouw, de zangers zeiven maakten in prozaïsche uren toch van de nieuwe inrichting gebruik en als zij moesten reizen , zagen zij gaarne van een «vroolijk trekken door groene weidenquot; af en namen welgemoed in een rookcoupé plaats. Allengs zullen velen hunner de groolschheid der geheele onderneming ingezien hebben ; — zonder op de ondergeschikte bijzonderheden van — kolenmagazijnen, goederenwagens en concessie voor den aanleg, te letten, zal het volledige beeld van het menschelijk vernuft in zijne uitvindingen zicli openbarende , van de onverzettelijke wilskracht daarbij aan den dag gelegd , van de in boeien geslagen natuurkracht in hoog-poiitische trekken voor zijnen geest geteekend zijn — en in zulk een stemming wordt dan gemakkelijk een gedicht op den spoorweg vervaardigd. Alleen moeten voor dit doel eerst de gangbare woorden in andere minder prozaïsche — locomotief b. v. in nstoom-rosquot; — veranderd worden.
.laren zijn er gemoeid met dien overgang der dingen van het gebied van het proza op dat der poëzie en voor den strijd der beide kampen blijft steeds tijd genoeg over. In het bovenstaande voorbeeld heb ik het achteraan-k o m e n der idealistische opvattingen voor mij verzinnelijkt, thans wil ik mij ook een duidelijke voorstelling maken
37
hoe zij soms vooruiiloopen , en dus de realistische opvattingen achter zich laten..
Wanneer de dichter zich van eene synthesis heeft meester gemaakt, laat hij ze in steeds wijder kringen opstijgen — geene werkelijkheid bindt hem — zijn geest kan zich tot iedere willekeurige hoogte verheffen. Zoo zou bijvoorbeeld de bedoelde dweper met spoorwegen — zoodra hij maar voor het menschelijk vermogen van uitvinding, voor de vernietiging der afstanden in geestdrift ontstoken is — nog verder kunnen zien en eenen tijd bezingen, waarin menschenkinderen op vleugelen door de lucht ijlen en boven wolken zweven. Hier zou de realist wantrouwig worden. Zulke dingen zijn niet voorhanden, daarom wendt hij zich met een medelijdend lachje van den dweper af en nu blijft h ij achter. Eerst langzamerhand door allerlei nieuwe werktuig- en scheikundige proeven zal het hem misschien gelukken bestuurbare luchtschepen of zelfs kunstvleugels te vervaardigen en dan eerst zou hij den dichter ingehaald hebben. Maar nu zou deze weder bedremmeld staan , want de nieuwe aanwinst zou ook al met zulk eene overdaad van droge technische en industriöele attributen omhangen zijn , dat de muze het kind harer droomen daarin nauwelijks meer zou kunnen herkennen.
De vleugels zouden uit kleppen, motoren, spiraalveren en ventilen, schroeven en nagels bestaan; eene maatschappij onder toezicht der regeering zou de exploitatie overgenomen hebben ; de reclame zou met de grootst mogelijke letters op alle blinde muren en tramwagens tDe beste vleugels bij Meyer amp; Co. machinefabriekquot; aankondigen en boeken , zooals ; »De kleine wolkenspringer in het vestzakjequot; of »Practische handleiding tot zelfonderricht in de vliegkunstquot; aanbevelen — en de sidderende poëet zou dan nog een poos bij zijn stoomros blijven staan.
Aan den eenen kant het in praktijk brengende, tot in de
38
kleinste bijzonderheden uitpluizende , dat is proza ; aan den anderen kant het omvattende, tot hoogere volkomenheid idea-iiseerende , dat is poëzie. En zoo slaan die twee vijandelijk tegenover elkander, meestal vergetende, dat zij eigenlijk uit dezelfde dingen hunne meeningen scheppen. Overal tocli is het immers dezelfde wereld met haar afwisselend voorkomen die de stof voor een nuttig gebruik verschaft of onze geestvervoering opwekt. Of wij haren geur met wellust inademen , of ze naar liet aantal barer meeldraden onder eene bepaalde plantensoort rangschikken , of hare olie voor den uitvoerhandel winnen — toch blijft het dezelfde roos.
Derhalve mist de meening, als zou de wereld uit twee deelen ; het prozaïsche en het poëtische bestaan, allen grond. Alles heeft veeleer slechts zijnen poëtisclien en zijnen pro-zaïschen kant. Het jliartquot; als het verzamelbegrip van alle menschelijke gevoelens is in gedichten wel op zijne plaats (en rijmt dan helaas maar al te dikwijls op »sniartquot;), maar als bloedpomp beschouwd , wordt datzelfde ding evengoed in de anatomische les te pas gebracht. De menschelijke hartstochten en misdrijven — welk eene w:ilde poëzie — en toch verschaffen zij voor statistieke tabellen zeer bepaalde droge cijfers.
In plaats van elkander wederkeerig als koud of droome-rig te verachten , behoorden deze tegenstanders beiden te bedenken; zonder den voorafgeganen streng analytischen geest der ontbinding zou de vrije geest van het overzicht nooit een steunpunt gevonden hebben, vanwaar hij zich hooger kon opwerken — en omgekeerd — wanneer het beschouwen en ophoopen der kleinste deeltjes niet beloond werd door de gelegenheid aan te bieden om het geheel te overzien , zou het een hoogst ondankbare arbeid zijn.
Ook het boogsl poëtische wordt prozaïsch , wanneer men het in zijne kleinste bestanddeelen ontbindt en ook uit het dorste proza kan men in zijne algemeenheid een verhevenen
39
zin opdiepen. Nemen wij een ruiscliende simfonie van Beethoven , welker klanken ons in vurige geestdrift brachten , en beginnen wij het werk der ontleding; tellen wij alle darmsnaren der violen, gaan wij na met welke dierenhuid de groote trom is bespannen, beschouwen wij de koolstof die de fluitist uit zijne longen blaast — wat blijft er dan nog over van de kunstig bezielende eenheid van hel snarenspel? Verder bezien wij de noten en sleutels en lijnen, beschouwen wij de tonen als zoo- en zooveel wiskunstig berekenbare luchttrillingen die ons trommelvlies aandoen, wat blijft er dan nog over van de muziek? — en nu het tegengestelde geval. Nemen wij eenen mesthoop — men kan zich nauwelijks iets onpoötischers voorstellen ... maar denken wij daarbij aan zijne bevruchtende tooverwerking in de aarde, waar hij het zaad met zijne zegenaanbren-gende kracht tot rijpheid dwingt en in den verheven kringloop van alle stoffen een even aanzienlijke plaats inneemt als de bron , die van de hooge rotsen zich naar omlaag stort... en ons gemoed kan bij het zien van den mesthoop tot dezelfde geestverrukking worden opgevoerd als bij het aanhooren der simfonie. De vraag is dus maar om op het juiste oogenblik en op de juiste plaats de dingen van het analytisch of het synthetisch standpunt te beschouwen. Het zou een éven misplaatst realisme zijn, als men in de concertzaal zijn kunstgenot bedierf door aan den druppel speeksel te denken, die misschien in het mondstuk van de klarinet is gevloeid, als het een overtollig idealisme zou lijn, wanneer de boerenmeid die den stal, moet schoonmaken , eene gezwollene redevoering tegen den mest ging houden.
liet gemis van de juiste maat in deze uiteenloopende opvattingen brengt twee even onaangename typen voort: de overspannen en de gemeene karakters. Ook hier is de gulden middelweg de ware. liet zwaartepunt is zeker niet
40
gemakkelijk te vinden, men helt naar den eenen of den anderen kant over — men wachte zich slechts naar den kant te vallen waarheen men overhelt. Onder juiste maat versta ik niet, dat men zijn gevoelen in twee elkander in evenwicht houdende helften moet deelen , de eene voor het reiiele, de andere voor liet ideale. Het laatste neemt, omdat het op de toppen tehuis is, feitelijk minder ruimte in dan het eerste, dat in de vlakten blijft. Poëzie is de gecondenseerde eenheid van tallooze veelheden. Daarom moeten er in eene goedgeordende maatschappij meer handwerkslieden dan dichters zijn — en daarom moet in een goedgeordend leven een realistisch gevoel meer voorkomen dan een idealistisch. Men kan toch niet telkens als men zijne laars uit- of aantrekt, dat meer dan 700 maal in een jaar geschiedt, door een hooggestemd gevoel omhoog worden gedragen en zijn hart niet in een edel vuur voelen ontgloeien , zoo dikwijls men zijne handen wascht.
De poëzie schiet slechts zoo nu en dan als een bliksemstraal door ons leven — het proza doorweekt het als een langdurige regen. Hoe goed dat het zoo is: een streek waar geen regen viel en liet zoo maar opeens begon te bliksemen , zou eene zeer ongezellige streek zijn. En daarom dank ik mijne koningin, dat zij mij eene minuut poëzie heeft geschonken,.. Thans nog wordt het, als ik daaraan denk , helder in mijne ziel.
ZESDE HOOFDSTUK.
Afdwalingen op de zijpaden van den grooten weg des levens. — Gemiste carrières. — Gebrek aan concentratie. — Anti-fatalisme. — Kosmocritiek. — De toestel: het geheugen .
Ik heb eene veelbewogene jeugd achter den rug. Het valt mij inderdaad moeielijk den weg te vinden in den mengel-
4.1
klomp van indrukken en lotgevallen, van genot en lijden die mijn deel zijn geweest. Jammer dat ik geen dagboek heb gehouden — dan kon ik nu alles schiften en ordenen en de aaneenschakeling mijner toestanden en gezindheden in hare juiste volgorde beschrijven , maar uit de verward in de kast van het geheugen liggende schakels (en daarvan zijn vele onherstelbaar verloren d. i. vergeten) kan ik onmogelijk meer de geheele keten samenstellen.
Eén ding is mij duidelijk: ik was nooit een zoogenaamd karakter. Niets in mijn leven noch in mijnen aard, dat geheel, vast, samenhangend mocht heeten. Wel ben ik (altijd naar aanleiding van de grondstelling «alles beweegt zichquot;) overtuigd, dat er in den volstrekten zin dier woorden geene geheele, vaste en samenhangende dingen zijn — maar in den betrekkelijken zin, waarin die uitdrukkingen eigenlijk gebruikt worden, vindt men werkelijk bij vele mensclien een vast karakter, eene bepaalde levensrichting, eene in hoofdzaken zich gelijkblijvende meening.., maar zulk een mensch was ik niet.
In plaats van eenen bepaalden levensweg te gaan met de daarbij behoorende grondstellingen tot gidsen, ben ik tegen alle heuvels opgevlogen, heb ik op alle zijpaden rondgedoold, ben telkens weer andere richtingen ingeslagen en heb gedurig mijnen horizon veranderd. Allerlei carrières heb ik gekozen, mij altijd door de warreling laten medesleepen waarin het toeval mij wierp — nu eens geheel voor de studie, dan voor het genoegen, soms weer voor allerlei beroepsbezigheden geleefd of in kunsten geliefhebberd, en op die manier mijn vermogen en mijne persoonlijkheid erbij ingeschoten.
Daar sta ik nu — diep in de dertig — zonder betrekking, zonder eigenlijke carrière, zonder familie, zonder noemenswaard vermogen, zonder volledige kennis van het een of ander vak, zonder in een enkele kunst meester te
42
zijn, zonder — weet ik, wat mij nog meer ontbreekt — in het halfvervallen gt;slot mijner vaderenquot; dat echter niet zonder hypotheek is en luister hoe daarbuiten de wind huilt of hoe in mijnen haard het vuur knettert en — denk daarbij na.
Eerst in dit laatste levenstijdperk — namelijk het stadium van het eenzame leven en nadenken, waarin ik nu sedert drie jaren verkeer — heb ik rust d, i. het evenwicht der ziel gevonden. Het gadeslaan, beschouwen, beoordeelen der dingen en gebeurtenissen, waaraan ik mij thans met zulk eene toenemende vreugde overgeef, past niet voor dezulken die in den stroom des levens moeten voortzwemmen , het is alleen goed voor ons die — evenals de nadenkende ooievaars — aan den oever staan.
En die neiging droeg misschien ook reeds vroeger de schuld van mijne wispelturigheid. Zoodra men eens al het schoons en ook al liet verdrietelijks der verschillende beroepen leert kennen, wordt men van den eenen kant overal heengetrokken en houdt het van den anderen nergens uit. Door sterken lust tot het spel gedreven waagt men zijnen inzet; allengs komt men tot het besef, dat »het spel de kaars niet waard isquot; en dooft ze uit.
Maar al verklaar ik mijnen levensloop, van het wereldsche standpunt bezien, ook voor mislukt, al beken ik ook, dat vele mijner handelingen zeer onverstandig, de meeste inconsequent, soms berispelijk en eenige mij thans zelfs volkomen onbegrijpelijk toeschijnen, toch verlies ik mijnen tijd niet met daarover berouw te gevoelen. Alles wat ik ondervonden, gedacht en gedaan heb, maakt juist de som van mijn tegenwoordig bewustzijn uit. Ik kan ook niet welen of ik, wanneer ik eenen anderen weg had ingeslagen en mij nu in dezen of dien toestand bevond, dit ook beter zou vinden; want om dien gedachten toestand te beoordeelen, staat mij niets anders ten dienste dan mijne tegen-
43
woordige waardeering, de vrucht van momenten die alleen uit hetgeen ik werkelijk heb beleefd, zijn voortgesproten.
Men begaat meestal de fout — wanneer men wenseht, dat in het verledene iets anders gegaan was — te gelooven, dat men dit andere zoo beschouwt als het ons thans voorkomt. Men zegt bij ziehzelven: »Ik had dit of dat moeten doen of laten, dan zou mijn lot zus of zoo zijn en ik zou het zoo beoordeelen en zoo genieten.quot; Afgezien daarvan, dat men in het algemeen niet kan weten welke onberekenbare — misschien ongelukkige gevolgen met de gewenschte omstandigheid verbonden zouden geweest zijn, vergeet men, dat het nikquot;, dat de voordeden van den gedachten en beoordeelden toestand overweegt, een geheel ander zou geworden zijn en derhalve ook de opvatting eene andere zou zijn. Gewoonlijk iou men die daden waarover men berouw heeft, met andere verwisseld willen zien, maar daarbij niet gaarne een deel van het tegenwoordige vermogen om te beoordeelen inboeten. Nu is de tegenwoordige wijsheid — ze moge groot zijn of gering — echter een gevolg van de opgedane ondervinding, kennis en indrukken, die wij slechts konden verwerven door den weg te bewandelen, dien het ons berouwt gekozen te hebben.
Daarmede wil ik het gevoel van berouw niet buitengesloten hebben, inzooverre het, wanneer men eene slechte daad heeft begaan, de veroordeeling is dier daad, de erkentenis, dat zij bij nader inzien slecht is, en de daarmede verbondene, wel nuttelooze maar toch zeer natuurlijke wensch, dat men ze niet had begaan. Maar hier Ls het berouw eenvoudig een gevoel van rechtmatigen afschuw, in het eerst aangevoerde geval daarentegen (de overdenking namelijk van gemiste bestemmingen of verzuimde kansen op geluk) slechts een zelfpijniging en dwaling. — Niet dat ik meen, tot elke mijner handelingen door een onafwendbaar noodlot gedwongen te worden en dat zijdeeenig
44
mogelijke gevolgen van voorafgegane oorzaken zouden zijn; ik bedoel slechts, dat voor de gestalte die mijn tikquot; in zijn tegenwoordig stadium heeft aangenomen, mijne antecedenten juist moesten zijn wat zij waren. Maar ik geef daarbij toe, dal ik evengoed duizend andere gestalten had kunnen aannemen, wanneer ik alnaar omstandigheden en alnaar mijnen vrijen wil andere richtingen had ingeslagen.
Ik ben volstrekt geen belijder van het fatalisme, ik geloof, dat den wil steeds duizend mogelijkheden ten dienste staan om zich te uiten Elke vrijwillige daad heeft haar noodzakelijk gevolg maar niet haren noodzakelijken oorsprong. Ik ben mij te helder en levendig bewust, dat ik nu de pen kan neerleggen, rechts of links van het papier, dat ik het venster kan openen of het huis in brand steken of gaan slapen, en ofschoon elke dier handelingen zeker een gevolg moet hebben, ben ik toch door geene voorbeschikking tot eene enkele dier verrichtingen gedwongen. Al wordt de vrijheid ook van de meest verschillende theologische en meta-physische standpunten bestreden , toch kan zij niet uit het bewustzijn worden uitgeroeid; zij behoort tot die zekere grondtrekken van het zoogenaamd «gezonde menschenver-standquot;, van het ssens cornmunquot;, dat in den grond toch de laatste instantie van alle innige overtuigingen uitmaakt. Maar toch zijn onze duizend mogelijkheden — hoe vrij zij zich ook voordoen aan de richtingen van onzen wil — binnen een onoverkomelijken kring van wetten besloten en wij kunnen niets doen noch laten, dat den verhevenen ontwikkelingsgang der dingen stoort. Om ons heen zien wij in de werkzaamheid der krachten een zeker en daarom noodzakelijk resultaat en dat brengt ons in de verleiding om de noodzakelijkheid als een allesomvattend beginsel aan te nemen. Maar de noodzakelijkheid ligt in het voorval, niet in de aanleiding. Wanneer ik op de piano den toets aansla, geeft dat een zuiver wiskunstig zeker aantal trillingen der ge-
45
luidsgolven, maar dat ik nu met schrijven ophoud en naar de piano ga om die proef te nemen, is volstrekt niet noodzakelijk. Tot bereiking harer verhevene doeleinden is het voor de natuur volkomen genoeg eenen dwang der werkingen ingesteld te hebben, zonder eenen beperkenden, pedanten , eenig mogelijken weg van aanleidingen voor te schrijven. Al kunnen vele aanleidingen ook in eene lange rij zeiven als gewone gevolgen van voorafgaande aanleidingen beschouwd worden, toch is dit slechts een achter-uitstellen van aaneengeschakelde leden , maar eindelijk moet men toch als aanvang dier keten de spontaneïteit aannemen. De aan de levende wezens geschonkene vrijheid is — evenals vatbaarheid, bewustzijn — eene tot het leven zelf be-hoorende eigenschap en hare uitingen, in den haar toegemeten kring ongebonden, kunnen geene aanspraak maken op onontbeerlijkheid, Eene vlieg heeft zich straks op dit blad neergezet en ik heb ze verjaagd... Zou ik meenen, dat de wereld uit hare voegen geraakte, wanneer wij beiden, de vlieg en ik , dit tooneeltje niet hadden opgevoerd? — Bij den terugblik op mijn leven heb ik dus voor alle— om ze bij den rechten naam te noemen — domheden die ik beging, niet de fatalistisch gemakkelijke uitvlucht: ïhet moest zoo zijnquot;, maar dat ik tengevolge mijner meer of minder domme stappen tegenwoordig ben zooals ik ben — dat moet zeker zoo zijn. Ik kan van mijne ondervinding niets afdoen en evenmin den assimileerenden arbeid ongedaan maken, waarmede mijne ziel al die ervaringen tot hare vorming gebruikt heeft. Hier dringt zich weer tus-schen ideale en stoffelijke zelfstandigheden eene zekere overeenkomst op — namelijk, dat de geest voor zijne voeding en zijnen wasdom, soms voor zijne misvorming, ook eene soort van scheikundig proces verricht, terwijl de op liern inwerkende ideeën en indrukken zich met zijn innigste wezen verbinden en daardoor de geestelijke stofwisseling
46
d. i. liet intellectueele leven ondeihouden. Ik wou, dat ik de scheikunde had bestudeerd, dan kon ik deze vergelijking nog verder uitwerken en met eenige voorbeelden uit de natuurkunde voor mij duidelijk maken, hoe de stoffen zich naar gelang van hare verwantschap en haren toestand van beweging zich met elkander tot nieuwe stoffen verbinden of elkander afstooten — evenals van buiten op den geest inwerkende of vreemde gedachten al naar den toestand en de hoedanigheid der voorhanden gedachten zich daarmede vermengen en nieuwe gestalten aannemen of als niet voor assimilatie geschikt weder verdreven worden.
nik wou, dal ik de scheikunde had bestudeerdzeide ik zooeven. ik wou, dat ik in het algemeen de een of andere wetenschap grondig had geleerd. Zou het daarvoor nog niet vroeg genoeg zijn? — Denkelijk wel; maar ik vrees, dat ik te nieuwsgierig, te ongestadig ben om het bij éen vak te kunnen uithouden. De geduldig-slovende arbeider in den tempel der kennis , die zijn leven doorbrengt met het aanbrengen van eenen enkelen bouwsteen, heeft zeker het edelste doel gekozen — maar ik zou deze stelling niet kunnen volhouden. Telkens zou ik naar buiten gedreven worden om van verre het nog wel niet voltooide maar toch heerlijke gebouw te aanschouwen en mij te verlustigen in de bezichtiging van zijne naar alle hemelstreken zich uitzettende zuilen en gangen.
Bovendien, nu ik geen effen levenspad bewandeld en zooveel achter mij gelaten heb , is mijne belangstelling in zoovele zijden des levens, als ik gelegenheid heb gehad te leeren kennen, ook onverflauwd gebleven. De staatkunde, het hofleven, tooneelgeschiedenissen, salonintriges, reisavonturen — dat alles ga ik in den spiegel mijner couranten met gelijke deelneming na — omdat ikzelf van al die dingen geproefd heb; en bovendien bezit ik nog een open oog voor den grooten kring van menschelijke gevoelens en
Al
hartstochten, zooals zij in de schilderingen mijner schrijvers en in de herinneringen uit mijn eigen verleden leven. Liefde , eerzucht, geestdrift heb ik gekend, ik heb geleden, aan dierbare graven geweend, teleurstellingen en ontmoediging ondervonden , over onrechtvaardigheden en laagheden gezucht, de meest verschillende menschen ontmoet — en zoodoende ben ik met het menschelijk woelen en gevoelen, ons geluk en ons ongeluk en het geheele weefsel der wereld-sche en huiselijke belangen steeds van nabij bekend gebleven , al leef ik in de eenzaamheid — en het zou mij bijna onmogelijk wezen al mijne gedachten op éene zaak samen te trekken.
Ik moet er dus van afzien thans nog een bepaald studievak te kiezen. Evenmin als het mij gelukt is op mijn levenspad bij een bepaald beroep te blijven, evenmin is het mij thans — nu overpeinzingen en nadenken mijne geliefkoosde bezigheid zijn geworden — mogelijk die werkzaamheid mijner gedachten tot een begrensd vak te beperken. Zelfs de wijsbegeerte , die zich toch tot taak stelt rond te zien op het geheele gebied van den menschelijken geest, is op zich-zelve ook een afgesloten veld, en daargelaten nog de vraag of ik wel eens tegen die wetenschap zou opgewassen zijn , schrikt de schoolarbeid mij af dien ik eerst zou moeten verrichten, om mij met hare geschiedenis, hare terminologie, hare verschillende stelsels en methodes bekend te maken — om ten laatste het eene of andere dier stelsels te kunnen aannemen of wel tot de aanmatiging verleid te worden er zelf een op te bouwen. Zooals ik reeds zeide, het veld is begrensd en met een hoogen muur omgeven. Van het bonte, schoone wereldtooneel dringt geen echo meer over dien muur heen , met de kleine alledaagsche genoegens en belangen zijn daar ook alle droomerijen en fantasieën uitgesloten; voor geene enkele dier stemmingen is er meer plaats , waar de ziel als gewiegd op eene golf van
48
het geheimzinnige, ophoudt met denken en zich overgeeft aan de bedwelming van het gevoel. Hier is ook mijn geliefd , geruststellend nik weet nietquot; verbannen ; — zelfs het woord smisschienquot; past niet goed meer in den mond van den discipel der wijsheid.
Hoe zal ik de studie noemen waaraan ik mij wijd , die zich in geen bijzonder deel der kennis verdiept en ook haar geheel in geen bepaald stelsel samenvat ? — Het is eene studie welke wij bijna allen, bewust of onbewust, in vele uren beoefenen, namelijk het optellen der overtuigingenen der twijfelingen , der aangenomen en der verworpen dingen. De uitkomst dier optelling heet dan wereldbeschouwing — de optelling zelve zou men kosmocritiek kunnen noemen. De kosmocritiek — om bij dien naam te blijven — is met recht eene vrucht van onzen tijd.
Alles wordt bij het licht der criliek onderzocht. Dingen waaraan zich vroeger slechts het geloof waagde, die nooit anders dan met ontzag en eerbied genoemd werden — zooals de inhoud der Evangeliën of de majesteit van het koningschap, de overleveringen der volkeren — worden tegenwoordig gescheiden , vergeleken , beoordeeld en zoodoende dichter bij den critischen blik der menigte gebracht; de uitkomsten van liet wetenschappelijk onderzoek, die vroeger in Latijnsche folianten of in de enge kringen der geleerde kaste besloten bleven , stormen thans van alle kanten in beknopten , licht verstaanbaren vorm op ons aan en deze meest verschillende uitstralingen van den lichthaard waarheid — nog door meer ol minder dichte wolken van onwetendheid verduisterd — komen allen in een enkel beeld te zaraen, dat wij in onzen geest om zoo tn zeggen als een universeel bewustzijn waarnemen. Een dergelijk bewustzijn draagt zeker iedereen met zich om en zij die het willen verhelderen en aanschouwelijk maken, zijn de wijsgeeren, zooals zij zich noemen. Die overtuigd zijn, dat
49
!iet wereldbeeld in hunne ziel alleen uit meetbare lichtstralen is samengesteld, mogen desverkiezende met een prisma gewapend , dien arbeid opvatten , ik voor mij mag mij aan die taak niet wagen , al ware het slechts omdat ik weet, dat de donkere plekken, de schaduw der bovengenoemde svvolken van onwetendheidquot; eenen maar al te grooten invloed op het totaal effect hebben , dat mijn zwak oog waarneemt. Wanneer ik hier oprecht en zonder voorgeschreven richting al mijne opvattingen en oordeelvellingen opschrijf, moet daaruit het getrouwe afbeeldsel mijner wereldbeschouwing ontstaan — wilde ik echter deze laatste tot punt van uitgang kiezen , dan zou ik dikwijls op de achterwaarts leidende paden der gedachte verdwalen , temeer omdat het met de onbevooroordeelde oprechtheid gedaan zou zijn — want hoe zou het mogelijk zijn dat beeld zonder omtrekken, dat slechts uit sidderende lichtjes en zwevende schaduwen bestaat, getrouw en overeenkomstig de werkelijkheid in eenen vasten, juist begrensden vorm, d. i. in een stelsel te brengen? —
Zooeven zeide ik ; nvanneer ik al mijne opvattingen opschrijf.quot; Daarmede wilde ik echter slechts een hypothetisch geval aanduiden, want niemand is immers in staat nalquot; zijne gedachten voor zich te laten heentrekken en ze dan bovendien nog met eenen naam aan te wijzen. De vluchtige dingen staan niet allen in rij en gelid, maar warrelen door elkander gelijk de stofjes die op den adem des winds dansen en slechts een uiterst klein getal voegen zich in zulk eene samenhangende gestalte bijeen, dat zij in -den stijven vorm der taal kunnen gebracht worden. Gewoonlijk denkt men niet eens in woorden maar met voorstellingen. Zoo zweefde, toen ik vroeger aan mijne talrijke pogingen om tot eene bestemming te komen , terugdacht, eene rij van beelden, eene keten van verwarde herinneringen, de geheele geschiedenis van mijne verschillende verwachtingen en le-i. z. 4
50
leurstellingen mij voor den geest, zonderdat ik eene autobiografie in drie deelen aan niijzelven verteld had.
Een vreemde, geiieimzinnige, wonderlijke toestel, het geheugen! Daar liggen — als men meerdere talen kent — over de honderd duizend woorden in, getallen, datums, landschappen, melodieën, geuren — alles komt éen voor éen op, wanneer men het roept, of, indien het bevolen wordt, in groepen of ook als totaal bewustzijn in eene enkele saam-gesmoltene massa. Maar wanneer van dit geheele leger het bevelvoerende üzelf\' afwezig is, hetzij door slaap, koorts of dronkenschap, voeren die snaken eenen wilden, onge-regelden rondedans uit — maar snel kruipen ze weer weg ieder op zijne eigene plaats, zoodra het kommandeerende uzelfquot; terugkomt.
Dewijl ik er juist aan toe ben gedachten-manoeuvres uit te voeren en wel ter uwer eere, Ego, dien ik gaarne een genoegen zou willen doen, roep ik er nu een hoopje naar buiten dat tot onze vreugde-compagnie behoort. Vroeger heb ik reeds te kennen gegeven, dat ik geenen eerbied koester voor mijne meeningen, maar mij erin verblijd. Eene mijner blijde overtuigingen nu is het geloof aan den vooruitgang en omdat ik mij toch reeds beloofd heb een hoofdstuk aan dit onderwerp te wijden, roep ik in het volgende mijnen braven verdedigers der vatbaarheid voor volmaaktheid toe: jGeeft acht — voorwaarts — marschlquot;
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Samenspraak tusschen eenen loochenaar en eencn belijder van het beyinsel van den vooruitgang.
Gewoonlijk wordt om de uitwerking der gemanoeuvreerde overwinningen te verhoogen, een gevaarlijke, als het kan overmachtige vijand voorondersteld, die ten laatste na al-
51
lcrlei aanvallen volgens de regelen der krijgskunst, ii plate couture geslagen wordt. Zulk eenen grimmigen tegenstander wil ik ook voor mij oproepen. Ik ben zoo sterk van het vertrouwen in den vooruitgang doordrongen, dat het mij bijna overbodig zou toeschijnen de gronden voor dit vertrouwen nog ten mijnen behoeve op te helderen; maar wanneer ik mij eenen tegenstander voorstel, zal ik ijverig de tegenwerpingen weerleggen die hij waarschijnlijk zal inbrengen en mijn eigen gevoelen nadrukkelijk voorstaan. Mijn eerwaardige buurman, de groote grondeigenaar graaf R., is juist de persoon dien ik noodig heb. Een oprecht hater van nieuwigheden, een loochenaar van den vooruitgang, een verdediger van de oudheid, een oude heer die slechts wenscht, »dat alles bij het oude blijft!quot;
Ik heb dikwijls het genoegen hem te zien; maar als wij elkander ontmoeten, zorg ik wel met hem niet in twist te geraken. Onze meeningen loopen zoo wijd uiteen — dat gevoelen wij beiden — dat wij over sommige dingen liefst maar in het geheel niet spreken, en wanneer er, zooals dikwijls gebeurt, toch een klein verschil ontstaat, ben ik gewoonlijk de eerste die het gesprek weer op een onverschillig onderwerp brengt. Ik ben een slecht spreker; ik mis de gave mijne gevoelens in eene vloeiende rede uiteen te zetten en de ergernis over onlogische aanmerkingen pakt mij dadelijk zoo bij de keel, dat ik niet langer kan spreken. Zoodoende heeft mij de goede graaf — overigens een zeer beminnelijk, oud heer — reeds dikwijls woedend gemaakt; mijne schoonste argumenten verdwenen onder een jammerlijk stotteren en schijnbaar werd ik geslagen. Later kwelde ik mij dan met allerlei gepaste antwoorden, die ik hem had moeten geven maar nu den eersten keer den besten zou geven. Kwam het echter zoo ver, dan waren al mijne bestudeerde gezegden verdwenen of door eene zijner
52
tegenbedenkingen weer als verslikkingswerktuigen in mijne keel teruggedrongen.
Nu wii ik mijnen kleinen moed toch eens aan den ongelukkige koelen. Ik zal hem met al mijne ingeslikte woordknotsen nederdonderen en hem duidelijk laten voelen, dat ik hem voor heelwat dommer houd, dan ik er gewoonlijk bij hem uitzie. Ik zal namelijk — zooals wijzere lieden reeds vóór mij gedaan hebben — mijne stelling in eene denkbeeldige samenspraak ontwikkelen. Wat graaf R. in gegevene omstandigheden zou zeggen, weet ik vrij nauwkeurig uit het hoofd en mijne antwoorden zijn reeds — maar al te lang — gereed.
Ik stel mij voor, dat mijn buurman bij mij heeft gegeten, dat wij nu na den eten onder een kopje zwarte koffie en het rooken van eene sigaar zitten te praten.
Graaf R. (Deze voorletter kan tegelijk voor R-eactio-nair gelden.) Wal korten de dagen al!
Karl. Ja, dat kan men bij den dag zien.
Graaf R. Gij moet hier in uwe eenzaamheid toch erg vervelende winteravonden doorbrengen, mijn jonge vriend. Waarachtig, gij moest een kort besluit nemen en naar een postje... eene bezigheid uitzien. — Gij kunt nog altijd iets beginnen.
Karl. Ik dank u voor uwe vriendelijke deelneming, maar ik verveel mij waarachtig niet; — ik heb mijne boeken — mijne couranten —
Graaf R. Och wat, boeken. .. dat zijn hersenschimmen en de couranten brengen toch niets dan ergernis. Mij althans ... Wij beleven thans eenen ongelukkigen tijd — overal komen zulke onzinnige ideeën op — aan alle orde wordt
geschud ---niets wordt gerespecteerd — wij staan op
het punt te gronde te gaan ... en als dat nog lang zoo duurt, is het liet einde der wereld. Ik word bepaald misselijk , als ik al dat krantengeschrijf lees. De kranten ver-
53
lellen niet alleen hel geheele ongeluk, zij dragen er ook mede de schuld van. Ue dagbladschrijvers berichten en verhaasten levens de d é c a d e n c e der eeuw.
Karl. tEinde der wereldquot;, jdé cade neequot;, tgeschudde ordequot; — dat zijn zoo uwe geliefkoosde dooddoeners, waarmede gij uwe ondankbaarheid voor de weldaden van den tegenwoordigen tijd lucht geeft. .. waarmede gij den ontwikkelingsgang der geschiedenis miskent... de overwinning van den vooruitgang loochent . .
Graaf R. Maak u niet driftig. Men kan wel zien, mijn waarde, dat het lezen van revolutionaire bladen uwe denkwijze vervalscht. — Laat u door eenen man van meerdere ervaring en leeftijd leeren. De geschiedenis zelve die gij aanhaalt, toont ons , dat de staten zich tot eenen zekeren glans verheffen en dan door zedenbederf, door den afval van tucht en geloof, door inwendige verrolling met éen woord , weder ineenstorten. AVaar is nu de vooruitgang ? De menschen bouwen op — en daarna halen zij weer omver. Het omverhalen echter wordt onder den naam van verbeteren verricht, en zij bemerken niet eens, die blinde dwaze mannen van den vooruitgang, dat zij niet anders zijn dan agenten van het verval, dan arbeiders aan puin-hoopen...
Karl. Nu geraakt gij in vuur, waarde graaf...
Graaf R. Ja, ik kan mij ergeren, als men ons telkens wil wijsmaken, dal de menschheid voortdurend beter wordt, terwijl we toch zien , dat thans nog evenals vroeger alle hartstochten woeden , dat er altijd dezelfde ellende, hetzelfde ongeluk bestaat. . .
Karl. Dat is eene van de radical» dwalingen uwer beschouwing. Ellende en ongeluk bestaan zeker nog en hartstochten ook — maar niet in gelijke mate. De eersle zijn verzacht, de laatste worden meer bedwongen dan in den ruwen onwetenden voortijd.
54
G r a a f R. Dat is eene radicale dwaling van uwe beschouwing, dat gij altijd van ruwe voortijden spreekt. Weten wij dan niet, dat Egypte een hoog standpunt van ontwikkeling heeft bereikt, dat er in Griekenland eene verfijnde beschaving heeft bestaan , in het Romeinsche rijk een tijd is geweest van weelde en luister, en dat al die bloeiende beschavingen vergaan en gestorven zijn? Wij hebben , Gode zij dank , ook geschiedenis geleerd.
Karl. Geleerd ja — maar de les die er in ligt ook gevat? — Ternauwernood. Gij ziet in deze tot bloei komende en uitstervende beschavingen slechts eenen gelijk-vormigen kringloop van ontstaan en vergaan, en gelooft daaruit tot eene wet te kunnen besluiten, die eiken hoog-beschaafden staat noodzakelijk tot eene langzame oplossing in het Niet doemt.
Graaf R. En wat anders?
Karl. Wij, die niet alleen geschiedenis geleerd maar erover nagedacht hebben en ze met de andere vakken van onze kennis vergelijken — wij die stellig weten, dat er overal vormveranderingen maar nergens een volledige vernietiging bestaat. dat geen atoom uil het heelal verloren gaat, wij zien de geschiedenis der rijzende en zinkende staten in een ander licht. Wij weten , dat puinhoopen en asch en stof geene vertegenwoordigers zijn van het iNietsquot;, maar eene veranderde gedaante van het nietsquot;. In deze onze wereld van het onverdelgbare, waarin de lijken van voormalige afgietseldierljes nog als gebergten bestaan, zijn ook de oude beschavingen , waarvan gij als uitgestorven spreekt, niet spoorloos verdwenen. Het kleine stukje wereldgeschiedenis waarop wij terugzien , dat korte tijdperk van wisselende lotgevallen der volken , ligt zelfs nog dicht genoeg bij ons om ons daarin duidelijk te laten zien , hoe de beschavingen zich vermengd , verdrongen, verbonden en geschikt hebben — de een van de ander borgende,
55
overnemende; — van Egypte naar Israël, van Indië naar Griekenland, van Athene naar Rome, van de oude naai\' de nieuwe wereld.
G r a a f R. ik heb u nog nooit zoo lang in cenen adem hooren doorspreken. Maar elke verstandige discussie moet natuurlijk ophouden, wanneer men van de eenvoudige vraag of de tegenwoordige toestanden beter zijn dan de uitgestorvene , dadelijk op afgietseldiertjcs, op onverdelgbare atomen en dergelijken sierlijken onzin overspringt.
Karl. Ik wilde eenvoudig zeggen, dat men in hel algemeen niet van uitgestorvene, slechts van overge-dragene, door elkander aangevulde beschavingen spreken kan. Met de lagen der afgietseldiertjes heb ik ongetwijfeld de vraag in eenen wijderen gezichtskring verplaatst en het is zeker waar , dat de meeste redetwisten tot niets leiden, omdat den beiden twistenden hetzelfde voorwerp onder verschillende gezichtshoeken in het oog valt. De een zit aan den voet van den berg — de ander op den top en daar wisselen zij van gedachten over de gesteldheid van het dal.
Graaf R. Ik weet niet of gij de verhevene plaats op den top voor u eischt, mijn bescheiden jonge vriend, echter — om bij uw beeld te blijven — die beneden zit ziet stellig duidelijker.
Karl. En hij die boven zit, ziet stellig meer. Maar ik spreek te veel in beelden. Laat ons tot de eenvoudige strijdvraag terugkeeren — zonder allegorieën en van nabij bezien. Lees als \'t u belieft deze plaats uit eenen brief dien Paus Leo XIII geschreven heeft , toen hij nog kardinaal Pecci was en zich nog niet geroepen gevoelde eene ency-clica te vervaardigen, waarin hij de veroveringen van het menschelijke verstand iikoortsige droomenquot; noemt. Gij zult daaruit zien , dat degene die uit beginsel de instandhouding van het bestaande moet verdedigen en dit als een nauwgezet opperherder nu ook doet, toch van den anderen kant, als
56
denker, zich genoopt ziet de in den mensch liggende kracht tot vooruitgang te erkennen. Monsignore Pecci schreef in 1877 aan het bisdom Perusa o. a. liet volgende:
«Dewijl de maatschappij uit wezens bestaat die voor volmaking vatbaar zijn, kan ze niet onbeweeglijk blijven maar schrijdt onophoudelijk voort op den weg der volmaking. De eene eeuw erft de uitvindingen en ontdekkingen die de voorgaande heeft verworven, en zoodoende kan de som der zedelijke en maatschappelijke weldaden wonderbaar zich vergrooten. Wie zou de ellendige hutten der alleroudste volken , hunne grove werktuigen, hunne onvoldoende instrumenten willen vergelijken met alles wat wij in de 19de eeuw bezitten? Geene vergelijking is er mogelijk tusschen den arbeid dien onze zoo kunstige machines verrichten met den arbeid, die eens met veel moeite uit de nienschenhand voortkwam, liet is aan geen twijfel onderhevig , dat de oude slecht aangelegde wegen , de onveilige bruggen, de vroeger bezwaarlijke en lange reizen verre bij onze spoorwegen ten achteren staan , die ons om zoo te zeggen van vleugels voorzien en onze planeet verkleind hebben , zoo dicht zijn nu de volken tot elkander gebracht. Is door de zachtheid der openbare zeden, door de welvoeglijkheid der gebruiken onze eeuw niet boven de ruwe handelwijze der barbaren verheven en zijn de onderlinge betrekkingen niet verbeterd ? Is het staatkundig stelsel niet in velerlei opzicht beter geworden door den invloed van den tijd en de ondervinding? Persoonlijke wraakoefening, vuurproef enz. wordt niet meer geduld; de kleine feudale tirannen , de strijdende gemeenten , de zwervende horden van bandelooze soldaten — zijn ze niet verdreven ? liet is dus eene op feilen berustende waarheid , dat de mensch in de maatschappij vooruitgaat van het drievoudig standpunt van lichamelijke welvaart, zedelijke betrekkingen en staatkundige toestanden.quot;
57
Graaf R. Wanneer de paus dat werkelijk geschreven heeft, deed hij dat voordat hij onfeilbaar was. Overigens is het zeker waar, dat de menschen in een technisch opzicht vorderingen gemaakt hebben ; maar dat bewijst nog volstrekt niet, dat zij over het geheel beter en gelukkiger zijn geworden en bewijst het allerminst, dat zij verder vooruit zullen gaan. Op eens komt er een inval van Mongolen of — wat bij den staat der zondige wereld nog waarschijnlijker is — een geduchte zondvloed (graaf R. zegt «zondquot; vloed) en met de heele nijverheid en kunst en alle spoorwegen en schouwburgen en courantdrukkerijen is het dan uit — en de schade zal werkelijk niet groot zijn.
Karl. Zulk een onheil ligt buiten onze bespreking. Wij spraken van den vooruitgang der menschheid ; stelt gij ze u voor als uitgeroeid of verdronken, dan vervalt natuurlijk de beschouwing van het lol haar wezen behoorende vermogen om zich te ontwikkelen. Overigens ben ik van de noodzakelijkheid, dat al het bestaande voortdurend beter en volmaakter wordt, zoo stellig overtuigd, dat ik, ook in geval onze soort eens uitstierf, toch aanneem , dat er uit de asch van het begraven geslacht een nieuw, voor nog hoogere ontwikkeling geschikt geslacht zou opstaan.
G r a a f R. En wanneer door den schok eener komeet — de duivel de geheele aarde eens haalde ?
Karl. Vooreerst hebben wij recht om aan te nemen , dat de kometen zulk eene geringe dichtheid bezitten, dat zij onze aarde — ingeval zij haar ontmoetten , niet meer hinder zouden doen dan een voorbijfladderende gazen sluier. Ten tweede is er geen duivel , wien de vervelende taak zou opgelegd zijn In alle eeuwigheid altijd het een of ander ergens te moeten halen en ten derde , wanneer — zooals al het eindige in het oneindige — ook de aarde zich eens moest oplossen, dan zullen uit hare vergruisde, in het we-
58
reldruim zwevende atomen nieuwe en schoonere gesternten zich vormen.
G r a a f R. Gij werpt mij voor de voeten, dat ik van de strijdvraag afwijk — en zelf onderneemt gij zulke fan-tastisclie tochten in het wereldruim , dat men uwe opgeloste en verbrokkelde aarde niet meer kan volgen en uw zwevend sterrengruis moeilijk als een steekhoudend bewijs voor de voortreffelijkheid onzer eeuw zal aannemen.
Karl. Pardon. Gij zijt begonnen met uwen kometen-duivel. Maar die zal eens zichzelven halen en ik ben bereid u in zake van het bestreden beginsel op ieder gebied waarop gij maar wilt, te woord te staan. Ik wil er u borg voor staan , dat de vooruitgang ...
Graaf R. Och, laten we liever van iets anders spreken .. • ik kan u verzekeren, dat ik alleen reeds den naam »vooruitgangquot;, dien gij dikwijls in den mond neemt, in het diepst mijner ziel haat, omdat het de leus is van alle revolutionairen, van alle het gezag omverwerpende, den eerbied vernietigende rustverstoorders, die onder voorwendsel , dat alles beter zal worden , niets goeds willen laten staan; omdat elke schooier, die niets anders om handen heeft , zich onder de strijders voor den vooruitgang schaart; omdat dit woord op de vlag staat die op barricaden wordt geplant — en het krijgsgeschreeuw is van alle lantaarnvernielers , koningsmoordenaars en petroleuses.
Karl. Bedaar toch, waarde graaf. Ik zou nog harder kunnen schreeuwen en ook met de vuist op de tafel slaan, dat mijn arme koffiekopjes nog hooger moesten springen, om u te antwoorden, dat zoovele woorden die gij hoogschat — en ik met u — b. v. het woord ügodsdienstquot; ook op bloedige vanen en onder brandende mutserds geschreven werd, dat het als krijgsgeschreeuw voor nachtelijke straat-moorden en wreede volksverdrijvingen weergalmde ; maar daarmede zou ik slechts bewijzen. dat de verhevenste be-
59
grippen — waartoe gij mij zult vergunnen ook den vooruitgang te rekenen — onder den invloed der menschelijke dwalingen onder gruwelijke vormen zijn opgetreden. Maar het is niet billijk deze dwalingen op te tellen om ze op rekening van het begrip zelf te stellen , in plaats van ze te wijten aan de ruwheid en onwetendheid dergenen in wier handen het tot een moordwerktuig werd verdraaid. Ik zou ook als een tegenstelling van uwen schimpsctieut al de zegeningen kunnen optellen, die dit, in den mond der petro-leuses verderf brengende woord, in den mond der volksleeraars , der zendelingen en denkers op deze aarde verbreid heeft. Maar door zulk eene wending van het gesprek gaat de discussie te licht in declamatie over; wanneer twee twistenden zich daarmede inlaten , trachten zij elkander in welbespraaktheid te overvleugelen en, om geene bewijsvoering zich langer bekommerend, wordt het twistgesprek een rhetorische wedstrijd, De zege blijft dan waarschijnlijk aan dengene die den langsten adem heeft. Het heil en het onheil dat in den naam eener zaak gesticht werd, zou alleen dan beslissend voor de waarde eener zaak mogen aangevoerd worden, als men in staat was ten slotte aan te toonen welke van beide sommen de grootste is; maar wanneer beide tegenstanders slechts hunne onopgetelde getallen uilroepen, is dat, zooals ik zeide, slechts declamatorische ijver, zonder de minste waarde als argument. De zoogenaamde wegsleepende welsprekendheid is geheel overtollig voor de uiteenzetting eener feitelijke waarheid; daartoe kan men zijne hoorders rustig opvoeren en behoeft men ze niet eerst met geweld mede te sleepen. Als gij mij het bewijs wilt leveren, dat de vooruitgang schadelijk is, of liever — wat de oorspronkelijke inhoud van uw beweren was — dat hij volstrekt niet zelfwerkend bestaat, maar slechts een verschijnsel in den op- en neergaandeu loop der dingen is, brens dan tot bevestisins uwer meenincr een
60
feit, eene proeve, of minstens eene gevolgtrekking bij — maar bedien u niet van loochening en smaad. Ontkenning of toestemming, lof of blaam moeten het doel, niet het middel van het beloog zijn.
Graaf R. Rr is vandaag niets met u te beginnen. Nu houdt gij zelfs eene voordracht over de wetten van den twist en wilt iemand voorschrijven hoe hij zijne meening behoort uit te spreken. Ieder heeft zijne eigene manier.. . en als ik mij over eene meening erger, als ik weet, dat zij op eene verdraaide, overspannen, onzinnige en gevaarlijke gedachte berust, dan zoek ik naar krachtige woorden om mijnen tegenstander te laten zien , iioe ik over zijne overtuiging denk en om mijnen toorn te luchten. Ik behoef niet eerst feiten , gevolgtrekkingen en proeven bij te brengen , wanneer ik het radicale vooruitgangsgespuis wil zeggen, dat het in mijne oogen uit straatslijpers en gekken bestaat.
Karl. Zeer verplicht. Gij hebt nu liet terrein betreden, mijnheer de graaf, waarop iedere bestrijder eener meening zich terugtrekt, zoodra hij geene wapens van het verstand meer bij de hand heeft; — het terrein der persoonlijke beleediging. Hier volg ik u niet: gij zijl mijn gast en aan den vooruitgang van onzen tijd is het te danken , dat ik geen zwaard aan mijne zijde draag, dat ik nu als laatste beslissend argument uit de scheede kon halen om mij over uwe beleediging te wreken.
Graaf R. Wanneer gij dat vooruitgang noemt, dat heden ten dage een edelman bedaard alle grofheden slikt, in plaats van zooals onze ridderlijke voorvaderen dapper van leer te trekken...
Karl. Mijnheer — — ik ben bereid u met degen of pistool voldoening ervoor te geven , dat gij mij eenen gek hebt genoemd — — een schot heeft in ieder geval meer chance door u verstaan te worden dan een logische redeneering. ..
01
Graaf R. Onbeschofte liberaal, radicaal!
— Stompzinnige feudale reactionair !
— Roode omwentelingsliainer !
— Vastgeschroefde steunpilaar der domheid!
— liet is genoeg... morgen zend ik mijne getuigen.
— Tot uwen dienst.
Het noodlottig verschijnsel, dat verschil van meening op eene kloppartij uitloopt, ligt zoo in den aard der zaak , dat zelfs deze in gedachten gevoerde strijd geheel tegen mijne bedoeling met een denkbeeldig tweegevecht is geëindigd. Een miniatuurportret van het ontstaan der partijgeschillen en der sektenoorlogen. Het koelbloedig van gedachten wisselen over tegengestelde meeningen is haast niet denkbaar. L)e denkwijzen der tegenstanders loopen zoover uiteen, dat elk — wanneer de discussie een eindweegs op gang is — zijn zacht woord tot een schreeuw moet uitzetten, als hij wil dat de anderen hem nog zullen hoeren; eindelijk blijven in de verte alleen nog maar de grofheden verstaanbaar en nu zit er niets anders op dan met gebalde vuist — of, al naar omstandigheden, met eene oorlogsverklaring — op elkander aan te vliegen.
Eene rede kan samengestelde denkbeelden slechts dan eenigermate aanschouwelijk maken, wanneer zij ongehinderd wordt voortgezet, zooals in eene voorlezing of in de predikatie — maar de vrije tegenspraak dringt den redenaar onophoudelijk op labyrintische zijpaden. Wie heeft het ooit beleefd, dat waar twee twisten de een den ander tot zijne meening heeft overgehaald ? Overtuiging is een gewas dat heel vast en heel langzaam wortel schiet. Toespraken van een kwartier zijn evenmin in staat hel te planten als het uit te rukken. Wel kunnen wij vele onzer meeningen in drie woorden uitdrukken, doch zeker waren het niet maar drie
62
woorden, die eene zoodanige raeening in ons bewustzijn tol leven wekten ; daarvoor was eene onberekenbare massa indrukken en kennis noodig, die met onze gezamenlijke vroeger opgedane kennis tot éen geheel versmolten zijn. In de natuur komen geene sprongen voor — en evenmin in onzen geest, Geene enkele gedachte kan daarin toegang vinden, die zich niet in de rechte lijn aan de reeds voorhandene laat aansluiten. Om eene in het Chineesch uitgesprokene waarheid — al ware zij nog zoo duidelijk — bij den schal onzer kennis te voegen, moeten wij eerst Chineesch verslaan. Dit voorbeeld duidt weliswaar eenen zeer grooten afstand tusschen hetgeen bevat moet worden en de mogelijkheid i van bevatting aan; maar even onbegrijpelijk als een Chi-neesche volzin, is voor ons eene stelling in de moedertaal, wanneer zij van de keten onzer gedachten ook maar den afstand van eene enkele schakel verwijderd is. Men neemt eene nieuwe en vreemde idee slechts dan in zich op, als hare kiem reeds in den akker onzer eigene kennis verborgen lag en nu , door den uilwendigen stoot, haar hulsel doet openspringen. Iedere overtuiging moet op eene vroegere overtuiging steunen. Daarom hooren wij zoo gaarne wat anderen denken, die eigenlijk hetzelfde denken als wij. Wat wij reeds lang voor waar hielden, brengen zij in eenen nieuwen helderen vorm onder woorden, en onze eigene gedachten ontspruiten krachtiger en slingeren zich om elkander en nemen toe in getal.
Daarom wil ik in mijn eentje — zonder daarbij eenen tegenstander te denken die mij in de rede valt — het geliefde thema van den vooruitgang nog verder variiieren.
Waarheen ik mijne blikken ook wend, overal zie ik dat heerlijke beginsel aan het werk. Ik zie het in mijnen tuin, waar uit de wilde hondsroos de geurige Malmaison ontstond; ik zie hel in mijne klassieken, in wier werken het eerste stamelen der menschelijke taal tot eene dichterlijke macht
03
is aangegroeid; ik zie het aan het uitspansel, waar de kosmische nevelvlekken zich tot zonnen verdichten. Het eeuwige Worden is tevens een eeuwig Veredelen: het streven naar verbreiding, naar verfraaiing, naar volkomenheid is de levenskracht die in alle dingen woont. Zien wij dan niet hoe alle dingen die ons tegenwoordig in eenen staat van betrekkelijke volkomenheid omringen, trapsgewijze dat punt bereikten? Wat zou ons recht kunnen geven om aan te nemen, dat het een of het ander op de hoogste sport aangekomen is... Wij kunnen nog duidelijk de afgelegde treden der eeuwige ladder zien, moet dat ons geen waarborg zijn voor een nog hooger stijgen?
En overal zien wij slechts het goede, het schoone en het ware naar verbreiding streven, want dat zijn de positieve attributen van het wezen der wereld; de negatieve verschijnselen dier attributen — namelijk hunne afwezigheid — worden wij ook wel gewaar, evenals wij schaduw en duisternis waarnemen, en zijn wij kortzichtig of zelfs blind, dan laten wij ons gemakkelijk door de vrees bekruipen , dat duisternis iets is dat werkelijk bestaat. Wij gelooven eveneens, dat waar boosheid, verval, dwaling, verderf optreden, dezen eene positieve kracht bezitten, die de krachten van den vooruitgang tegenwerkt; maar dan hebben wij toevallig den blik juist alleen op de plaats gevestigd , waar tijdelijk gebrek aan vooruitstrevende kracht heerscht; toch mogen wij ze evenmin ontkennen, als wij te middernacht het bestaan der zon zullen loochenen. Juist omdat de vooruitgang eene macht is, eene eeuwig zegevierende en onweerstaanbare macht, weergalmen op zijnen weg zoo klagend de jammerkreten dergenen die zich tegen hem willen verzetten en die hij onbarmhartig verplettert.
Er is zeker niets, dat uit zoovele zijden is samengesteld als de zegeningen van den voortuitgang. Om slechts een klein voorbeeld aan te voeren: de vetkaars vloekte toen de
04
siearinekaars verscheen; deze schreeuwde luid toen de mo-derateurlamp optrad; deze tierde van toorn en verachting bij het indringen van de petroleum; deze knarste op de tanden tegen het gas — en dit laatste verzet zich wanhopig tegen het electrische licht. En toch--wie wenscht
tegenwoordig de vetkaars terug?
Door tranen en over puinhoopen heen rolt de vooruitgang in vroolijke majesteit verder — maar niet degenen die met hem gaan , dragen schuld aan dien jammer , maar zij die hem willen afweren. Maar ook hunne tranen verandert hij in eenen vruchtbaarmakenden regen voor volgende oogsten en uit de puinhoopen hunner hutten bouwt hij huizen voor een komend geslacht. Wij mogen niet verlangen , dat die heerlijke macht, waaraan wij al onze opgehoopte en geërfde schatten te danken hebben , en die evenals vroeger ook thans nog voor onze verste nakomelingen werkzaam is — tevens ook ieder onzer in het bijzonder slechts zegen en weldaden zal brengen. Evengoed kon men van den met zaad beladen en de lucht vegenden storm begeeren, dat hij elk grasje zacht zal omwaaien en geenen enkelen bloeienden struik ontbladeren.
Doch mijne ingenomenheid met den vooruitgang ontstaat niet alleen uit zulke uitwendige oorzaken. Dankbaar geniet ik de duizend gemakken en genoegens die mij aan alle kanten als resultaten eener onafzienbare keten van vorderingen op het gebied van beschaving en nijverheid omgeven, zoowel als de verfijnde levensvreugde, door kunst en kennis verschaft en waarvan de allereerste menschen niet eens een vermoeden konden hebben. «Gelukkig onze nakomelingen!quot; heet het. Maar gelukkig ook wij, die toch ook al tamelijk gevorderde nakomelingen van gruwelijke, oude tijden zijn, toen onze arme voorvaderen in leemen hutten woonden, bekrompen van geest, ruw van aard, geene hoogere vreugde
65
kennende dan eenen knotsslag, op den schedel van eenen vijand neerkomende.
Als nu mijn op tegenspraak beluste graaf R. weer wat in te brengen had, kan ik mij wel voorstellen wat hij zou zeggen: — Ach, geloof mij — zou hij met eene zekere trotsche droefgeestigheid beginnen — die menschen waren misschien gelukkiger dan wij. Eenvoudig, geene aanspraken makende, zonder al die duizend behoeften , ons door de ongelukkige beschaving gebracht, in den ongekunstelden , frisschen natuurstaat, naar de gezonde verheffende genietingen strevende, die het leven in Gods vrije wereld ons biedt; zonder listen, zonder intriges, geene jacht makende op geld, titels , vermaken — kortom , benijdenswaardige menschen!
— Niets verhindert u, waarde graaf, in een hol in het bosch weg te kruipen en daar de geneugten door u geschilderd , na te jagen.
— Dat is helaas niet mogelijk. — Ik ben door de weelde van den tijd te diep bedorven ...
— »Bedorvenquot; is het juiste woord niet. Gij moest zeggen, dat gij met den tijd zijt jvooruitgegaanquot; — en daarom is een willekeurig terugtreden — zelfs in den wensch — niet meer mogelijk. Men kan niet oprecht begeeren met het goede, dat men kent, onbekend te zijn gebleven, de waarheden die men door ondervinding heeft verkregen , niet te kennen; de verfijnde gevoelens met oude ruwheid — of den welstand die ons omringt, met primitieve morsigheid te verruilen. Er zijn heden ten dage nog menschen genoeg — het is God geklaagd — die op de onderste trappen van ontwikkeling leven onder de wilden, de Samojeden, de Oosterlingen, de Kalabreezen en ook onder de in ellende verzonkene bewoners onzer steden. Maar wij kunnen hen waarlijk niet benijden, wanneer wij hunne kwalijkriekende woningen betreden, waar het geheele gezin op een stroo-
i. z. 5
66
leger neerhurkt en waar de menschen met hunnen huisgenoot het zwijn hun soher voedsel uil denzelfden trog mede-eten ; — wanneer wij zien, hoe die arme schepsels in ondeugd verzonken zijn, in eenen geestelijken nacht omdolen; — hoe roof- en moordzucht soms de eenige bliksemstralen zijn die uit dezen nacht schieten, of hoe onnoozelestompzinnigheid hen dikwijls geheel tot de gelijken maakt van het dier 1...
— En dan spreekt gij nog van vooruitgang — zou nu mijn tegenstander zegevierend uitroepen — terwijl gij toch zelf toegeeft, dat er temidden onzer veelgeprezene beschaafde maatschappij zulke verwaarloosde wezens leven... De tegenstelling tusschen den glans en de ellende is er slechts te wreeder om — de gezonkenheid te dieper ... de ondeugden te verdorvener ...
— Neem mij niet kwalijk — hiermede breek ik deaan-gevangene declamatie af — met »vooruitgangquot; wordt geenszins volkomenheid bedoeld. Ik heb alleen aangewezen , dat het besproken beginsel reeds duizendvoudige verbeteringen heeft aangebracht, maar ik wilde volstrekt niet zeggen, dat er niets meer te verbeteren zou zijn; integendeel: toen ik het vertrouwen op eenen toekomenden vooruitgang uitsprak, gaf ik daarmede tevens toe, dat er gebreken bestaan. Het is juist eene eigenschap van alle graden van ontwikkeling waarmede wij te doen hebben, dat wij op eiken trap vertegenwoordigers der verschillende toestanden ontmoeten. Zoo b. v. in de menschelijke talen: wij hebben op aarde de hoogst ontwikkelde volkstalen met eene rijke letterkunde, wij hebben ook de nauwelijks uit honderd woorden bestaande neger-dialecten, zoowel als — tusschen deze beide uitersten — duizend verschillende talen die op een meer of minder hoogen trap van ontwikkeling staan. Of, wanneer wij de reeks der organische wezens als eene vooruitgaande keten beschouwen, dan vinden wij naast de hoogontwikkelde soorten nog in onzen tijd de week- en straaldieren vertegenwoordigd, en de tot diamant wordende
07
stof is ook nog als zuivere kooi voorhanden. En zoo zien wij op verschillende punten der aarde de menschelijke beschaving in alle mogelijke tijdperken van ontwikkeling en zelfs zijn in elke beschaving de overblijfselen nog kenbaar van de phasen die ze heeft doorloopen.
— Nu zijt gij, geëerde heer Karl, geheel ongevraagd op de theorie van Darwin gekomen, die ik zoo haat... ik geloof, dat de beroemde kleinzoon der apen zelf volstrekt niet op de gedachte is gekomen zijne leer op de beschaving toe te passen .. .
— Is eene theorie juist, waarde graaf — en degenen die haar niet verkeerd verstaan en niet ongekend bij voorbaat veroordeelen , houden de meening van den grooten Engelschen geleerde voor juist — dan moet zij op alles toepasselijk zijn. Ünze wereld Is zoo samenhangend, zoo ecne eenheid, dat dezelfde wetten, dezelfde krachten in alle dingen gelijkelijk werken.
— Op dit gebied volg ik u niet; ik keer tot de beschaving terug. (Thans stel ik mij namelijk mijnen graaf als bijzonder tam en beleefd voor, om een nieuw tweegevecht te voorkomen.) Al geef ik u ook toe, dat ik de tijden niet terugwensch, toen onze voorouders in paalwoningen verblijf hielden en al hun huisraad uit eenige steenen bijlen bestond, moet gij mij toch toestemmen, dat ik met recht den niet al te ver achter ons liggenden tijd betreur, toen uwe en mijne vaderen op hunne heerlijke sloten woonden, in pronk en macht — in den dienst der vorsten en der vrouwen — hun leven verfraaiende met roem en min en vroomheid; omgeven door getrouwe, tiendplichtige lijfeigenen en tot den dood toe verknochte vasallen; godvreezend, dapper, geëerd; de lustige jagers vroolijk door de wouden galopperend, of voor het vaderland strijdende of schitterend aan de hoven der koningen ...
— Phrasen uit ridderromans, waarde graaf! Eén van
08
beiden, gij bemint of haat, loochent of belijdt den vooruitgang in beginsel — dan moet gij ook al zijne consequenties beminnen of haten, loochenen of belijden. Gij kunt niet deze of gene phase eener evolutie voor u uitzoeken en goed noemen, zoodra gij het beloop zelf wilt betwisten of ver-oordeelen. Indien er geen vooruitgang is of moest zijn, behoort gij den oorspronkelijken toestand den besten en meest gewenschten te noemen; maar wanneer gij oordeelt, dat onze vaders er beter aan toe waren dan onze grootvaders, moet gij ook toestemmen, dat diezelfde loop van zaken voor onze kleinkinderen iets zal brengen dat nog beter is. Al verkeerden ook in menig opzicht onze voorvaderen in eenen aangenamer en schitterender toestand, het geldt toch meer bepaald voor onze klasse. Maar de kinderen dier tiendplichtigen, wier gedrukt, den mensch onteerend bestaan bij de som uwer opgetelde genietingen gerekend is, — zij zullen dat tijdperk wel niet terugwenschen. En bij het overzicht eener door de wisseling der tijden teweeggebrachte werking, komt het voor- of nadeel van den enkelen persoon pas na haar gevolgen voor het geheel in aanmerking. Bij de beoordeeling van eenen toestand van beschaving moet men zich altijd voorstellen eene weegschaal in de hand te hebben, waarin men niet het afzonderlijke lief en leed der individu\'s legt, maar van alle personen. Dan zou men wiskunstig de gelukswaarde van een tijdvak kunnen bepalen. ^Vanneer er gisteren twee menschen leden en éen gelukkig was, vandaag daarentegen twee gelukkig zijn en éen lijdt, dan zeg ik, dat de dag van heden beter is dan die van gisteren —- al was ik ook zelf die éene.
— Welk eene edele opoffering! zou graaf R. niet zonder ironie opmerken. Mijne liefhebberij om mij op te offeren zou, ik met dit gezegde nog geenszins bewezen hebben. Ik zeide, het zou zoo boter zijn, maar ik heb niet tevens gepocht, dat het mij liever zou zijn. Het goede en het
69
betere geschiedt, Gode zij dank, en vindt zijnen weg in de massa\'s zonder zich om de wenschen en begeerten der individu\'s te bekommeren, want die wenschen, ingegeven door eene natuurlijke zucht tot zelfbehoud en zelfgenot, bedoelen de gemeenschap niet.
— Dat zijn weer zeer onedele gevoelens. Alle menschen denken toch niet altijd alleen aan zichzelven — men is dikwijls gaarne bereid iets te lijden om hun die men liefheeft, eene vreugde te verschaffen...
— Die men liefheeft? Zeker; maar zijn degenen die wij in het hart dragen, ook weer niet een deel van onszelven? En zeg mij eens oprecht, beste graaf, wat zoudt gij thans onaangenamer vinden : met een paar nauwe laarzen eenen berg te moeten bestijgen of te vernemen, dat er in Peking eene stadswijk is afgebrand? Bedenk eens, hoeveel ellende, hongersnood, oorlogsgruwelen, rampen te land en te water wij dagelijks met ons ontbijt uit de ochtendbladen in ons opnemen, zonderdat het ons\' eenigszins in ons behaaglijk gevoel stoort, terwijl wij werkelijk verdrietig gestemd worden , wanneer de room zuur of de boter niet versch is.
— En is dat geen kras, grenzenloos egoïsme, en het bewijs dat alle philantropische ideeën\'onzin zijn?
— Neen, in het geheel niet — het is niets anders dan het natuurlijke perspectief der gevoelens ...
— Maar hoe zal de vooruitgang dan ooit tot algemeene welvaart, tot uitgestrekte menschlievendheid voeren ?
— Door de kracht van zijnen eigenen stoot. De belangen van iederen mensch op zichzelven knoopen zich in steeds wijdere kringen aan de belangen zijner omgeving. Elke beweging deelt zich slechts aan het naastbijliggende mede, maar werkt toch lot aan dc uiterste grenzen door: ti 1 se t r o u v e que c h a c u n va au b i e n c o m m u n, croyant aller a ses intéréts particuliersquot; heeft Montaigne reeds gezegd.
70
ACHTSTE HOOFDSTUK.
De aaneenschakclimj der gedachten. — Strijd om het bestaan in het rijk der denkbeelden. — De erfelijkheid van alles wat geworden is en geschied. — Alles wordt in een magazijn opgeslagen. — Nog eens anti-fatalisme.
Ik heb in het voorgaande hoofdstuk van gedachten en meeningen gesproken, die zich de een uit de andere ontwikkelen. Daarbij opende zich voor mij een wijd veld van beschouwingen, die ik toen terzijde liet om van mijn onderwerp niet af te dwalen , maar waaraan ik nu de slof voor verder nadenken wil ontleenen. Er ligt eene bijzondere bekoorlijkheid in dat zichzelf weerkaatsende uitpluizen der gedachten ; het is alsof een met verstand begaafd uurwerk onder liet loopen zijnen eigenen gang waarnam , de tandjes der raderen telde en zich rekenschap wilde geven hoe de beweging zijner spiraalveer zich langzamerhand aan liet overige werk heeft medegedeeld.
«Iedere overtuiging moet op eene voorafgaande overtuiging steunen.quot; Volgens deze grondstelling zou de aaneenschakeling van al onze gedachten tot op het ontwaken van ons eerste bewustzijn vervolgd kunnen worden. Hoe en waaruit dit laatste zelf ontstaan is, neem ik niet in den kring mijner beschouwingen op, want het bevindt zich op dat grenspunt van liet absoluut onverklaarbare , dat in de gedaante van den «laatsten grondquot; zich op ieder gebied aan ons begrip, onze nasporing onttrekt.
Zonder dus verder terug te willen, verplaatsen wij de toelichting van bovenstaande stelling in den schooltijd.
Een kind, dat gewillig het onderwijs van zijnen meester in zich opneemt, heeft vooreerst de overtuiging medegebracht , dat de meester hel goed weet. Iedere geest — ook
71
de kindcrlijkste — is met eene onbewuste, logisclic kraelit toegerust, die tot proefsteen dient voor alle nieuwe ge-daclitenreeksen en , zonder zieh daarvan rekenschap te geven, met eene enkele voor waar gelioudene stelling ook alle daaruit voortvloeiende gevolgen tegelijk voor waar aanneemt. Staat het eenmaal bij het kind vast, dat de meester alles weet, dan vloeit daaruit het onbeperkte geloof aan al zijne lessen voort. Diezelfde redeneering maakt den grondslag uit van elke soort van geloof. Geen onderzoek is meer noodig of de afzonderlijke artikelen des geloofs elk op zichzelf vertrouwen verdienen, zoodra men het middelpunt vanwaar zij uitstralen, voor rechtzinnigheid heeft erkend.
Doch ook in het leven van het rijk der gedachten wordt die sstrijd om het bestaanquot; afgespeeld, die de wereld om ons heen vervult. Elke overtuiging die uit den stam der eerste grondstelling voortkomt, kan weder een stam van nieuwe consequenties worden die zich daaruit ontwikkelen. Gebeurt het nu, dat de nakomelingen van eene dier grondstellingen met de nakomelingen der andere in tegenspraak komen, dan begint de strijd en de zege blijft aan de sterkste of liever aan die welke voor hunne omgeving het geschiktst zijn. Als voorbeeld neem ik weer het bovenaangehaalde geval van het op zijnen onderwijzer vast vertrouwende kind. Onder de verschillende door het onderwijs verworven overtuigingen — die op hare beurt tot stamstellingen van nienwe verlakte consequenties zullen dienen — komt b. v. de sidling voor: 2 maal quot;2 is 4-. Terwijl de latere rekenkunstige bepalingen allen tot deze stelling teruggebracht kunnen worden , schiet zij, als iets dat vanzelf spreekt, wortel en leeft nu in den zin des kinds voort, gescheiden en onafhankelijk van den oorspronkelijken stam waaruit ze is opgegroeid (namelijk uit de stelling; ïAlles wat mijn meester zegt, is waarquot;). Om naderhand overtuigd te zijn , dat 2 maal 4 8 is, behoeft de rekenende geest niet meer op
72
meesters woord te steunen; deze tak der kennis leeft nu op eigenen bodem voort en geeft aan nieuwe bloesems het aanzijn. Naast dezen stam van denkbeelden kunnen wij ons nog verscheidene andere voorstellen , welker loten zich in den zin des leeriings in verschillende richtingen uitbreiden. Zoolang de uit de menigvuldige staramen schietende takken elkander niet kruisen, groeien zij zeker naast elkander voort. Wanneer het echter b. v. als consequentie van eene der aangenomene leerstellingen plotseling blijkt, dat twee maal twee vijf beteekent, begint onvermijdelijk een strijd. Niet in alle gevallen blijft de zegepraal aan de zijde der waarheid. Het komt er nu maar op aan, welke van de beide tegenstanders op het oogenblik der ontmoeting het stevigst geworteld en het meest vertakt is — de dwaling of de juiste kennis — maar éen van beiden moet wijken.
Het behoort wel tot de zeldzaamheden, wanneer de denker zich rekenschap geeft van de meenings-evoluties die zich in zijnen geest afspelen: de eene grondstelling verslindt de andere in alle stille, eene hare kracht gevoelende consequentie eet eene tegensprekende gevolgtrekking op, die zich slechts zwak teweerstelt, en zoo vormen zich in het hoofd allerlei nieuwe gestalten, zonderdat men erop verdacht is.
Het antagonisme der denkbeelden heerscht niet alleen tusschen waarheid en dwaling, maar ook slechts al te vaak tusschen de nakomelingen van twee valsche grondstellingen of tusschen de ontaarde kinderen van volkomen juiste stellingen. Dat is een bloeien en vruchtdragen, en ook een ontaarden en vergroeien — een verward maar toch aan vaste wetten onderworpen plaatsverschuiven en op elkander stapelen — juist als in de vormingen der organische wereld. De gedachtenkiemen die vanbuiten af in onze ziel vallen, ontwikkelen zich krachtens den in haar wonenden aard, maar afhankelijk van de inwerking der omstandigheden
73
waarin zij zich beyinden. De rol die in het organische leven aan de grondgesteldheid toekomt, speelt in onzen geest de overgeërfde aanleg — wat men aangeboren talenten, neigingen en in het algemeen gt; verstandelijken aanlegquot; noemt. Geene aangeborene geestelijke vatbaarheid kan er bestaan, die niet het gevolg is van eenen door vroegere geslachten verrichten geestesarbeid, evenmin als er eene vruchtbare aarde is, die niet uit voor lang opgestapelde, den groei bevorderende stoffen is ontstaan. Een kind uit Zoeloeland, dat met een bijzonder talent voor muzikale compositie geboren werd, is even ondenkbaar als een stukje grond op het eiland Spitsbergen, dat voor den maïs-bouw geschikt zou zijn.
De erfelijkheid houd ik voor de groote methode om alles nuttig te besteden, waardoor de natuur alles wat er wordt en geschiedt, opstapelt en tot steeds aangroeiende kapitalen verzamelt, wat schijnbaar door de vlucht van den tijd verwaaid is. Geen ademtocht gaat er verloren — maar ook geene gedachte, geen gedane arbeid gaat verloren. Alles wordt in- een magazijn opgeborgen: de zonnestralen in de kolenmijnen, de gebeurtenissen in het erfgoed der opeenvolgende geslachten. — Wat ieder onzer mag wezen, denken , gevoelen, heeft hij te danken aan hetgeen zijne gezamenlijke voorvaderen waren, dachten, gevoelden. Evenals diegenen onder ons die zachte handen hebben, eene reeks van voorouders moeten bezitten die geenen groven handenarbeid verrichtten, evenzeer zijn de raseigenschappen van geest en karakter afhankelijk van voorouderlijke beschaving. De erfelijkheid is de trouwe overbrengster van alle afgelegde wegen, alle bevochten zegepralen, alle beklommen hoogten. Dood en ondergang, die wij om ons heen zien heerschen en waarvan wij konden meenen, dat zij in de soldij van het s Nietsquot; hunnen somberen arbeid verrichten, zij storen niet de rustige ademhaling van het
74
bestaan der wereld, den steeds krachtiger polsslag van het eeuwige leven, — want wat ons als dood en ondergang voorkomt, zijn eenvoudig de wisselende gedaanten der telkens herboren wordende dingen en de erfelijkheid brengt de verzamelde schatten van het eene tijdperk tot het andere, van het eene geslacht tot hot andere over. Die overbrenging geschiedt zeker niet altijd op dezelfde manier. De natuur heeft geene spaarkas, waarin de weggelegde muntstukken in dezelfde gedaante blijven liggen; — de eeuwige wisseling — het de wereld regeerende sAlles beweegt zichquot; verstempelt voortdurend ook al die bespaarde munten, zoodat zij — al blijft de w-aarde dezelfde — toch geheel onkenbaar weder in omloop komen. Wie is nog in staat in het zoete sap der doodrijpe perzik het spoor der heete stralen te herkennen, waarmede de zon haar kuste, ja zelfs nog de sporen van al die stralen, welke de reeds lang verdorde stammen tot ontwikkeling brachten, waaruit eene bepaalde perzikvrucht in onafzienbare erfopvolging ontstaan is? De zwaarmoedige trek dien wij op het gelaat van vele geheel zorgelooze menschen vinden , is misschien het gevolg van eene groote smart, vele geslachten vroeger beleefd; de eene of andere zachte aandoening die ons hart vervult — misschien is zij de natrilling eener jeugdige liefde van onzen grootvader — misschien het afschijnsel van eenen glimlach onzer moeder. — [let medelijden dat wij gevoelen met het leed en de dwaling van anderen, wordt misschien teweeggebracht door de tranen die wij eens — waarom, weten wij niet meer — vergoten, of wier geruisch uit eene lang-vergetene ure, toen wij onszelven van dwaling aanklaagden, tot ons overkomt.
Bij zulke gelegenheden is de nawerking dikwijls zoo duidelijk en kenbaar, dat uit die erkentenis de volkomen juiste vooronderstelling voortvloeit, dat onze handelingen zekere gevolgen na zich sleepen. De eene vat zulke ge-
75
volgen als natuurlijke consequenties, de andere als bovennatuurlijke strafgerichlen op. Maar zeer velen meenen, dat
sleelus tgewichligequot; en zoogenaamd xgoedequot; of nslechtequot; handelingen gevolgen liebhen, terwijl onbeduidende voorvallen spoorloos voorbij zouden gaan — ofschoon in werkelijkheid alles zonder eenige uitzondering op deze wereld nawerkt. Maar met de grove werktuigen van onzen geest vatten wij alleen, wat gewichtig voorkomt, het overige onttrekt zich aan onze waarneming, evenals ons onvolmaakt , ongewapend oog den oorlog in den waterdroppel of de sterren in den melkweg niet ziet. Wij zouden eerst in het bezit van verslandsmicroscopen, van geestesteles-copen moeten zijn , om het weven en werken der dingen en gebeurtenissen na te gaan, die ïniet gewichtigquot;, d. i. die door kleinheid of afstand aan den beperkten kring onzer aanschouwing omtrokken zijn.
Nu ik van de noodzakelijke nawerking der handelingen en gebeurtenissen gesproken heb, moet ik mij tegen een schijnbaar uit deze woorden volgend fatalisme verdedigen, dat in volslagen tegenspraak is met mijne overtuiging en dat ik daarom overal uit den weg ga. Ik houd mijn geloof aan de nduizend mogelijkhedenquot; vast en kan nergens in onze wentelende, levende, bruisende en willende wereld een zoo sterk, rechtlijnig beginsel herkennen, als in de predestinatieleer opgesloten ligt.
Gevolgen staan tot de gebeurtenis (onverschillig of hel eene menschelijke handeling of het een of ander in den lijd zich bewegend voorval is) in dezelfde verhouding als de ontwikkeling eener kiem tot die kiem zelve, liet is dezelfde onafzienbare, achter- en voorwaarts reikende keten, want de kiem is tevens het product van tallooze voorvaderen en de stammoeder van tallooze nakomelingen. Evengoed is de handeling, de gebeurtenis zelve het gevolg eener onafzienbare rij voorafgegane gebeurtenissen en de
76
oorzaak van steeds verder gaande werkingen. Tot zoover gaat deze beschouwing met liet fatalisme mede. Eerst bij de opvatting van het begrip skiemquot; zullen wij van elkander gaan. Zij is geen omhulsel, waarin hare geheele verdere geschiedenis kant en klaar opgesloten ligt. Of zij levenskracht bezit, dat hangt van haar voorgeslacht, af; — boe zij echter en in het algemeen of zij leven zal, komt op de inwerking van duizend andere, met haar bestaan zich kruisende factoren aan. Een voorbeeld tot opheldering.
Geen enkel ei krijgt bij zijn komst in de wereld van het lot eenen brief mede, waarin slaat of het uitgebroeid dan wel naar de markt gebracht zal worden, liet vrije besluit der huisvrouw — in ieder geval onder, den invloed van huishoudelijke omstandigheden genomen — kan voor de eene of de andere mogelijkheid beslissen , maar wordt niet door de ïbestemmingquot; van het bedoelde ei tegen wil en dank in deze of die richting gedwongen. — Nemen wij nu verder aan , dat het ei ter markt wordt gebracht, liet was dus bestemd om voor eene omelet bij een zeker ontbijt gebruikt te worden ? Het schijnt van neen; want onderweg tuimelde de korf van den rug des ezels , omdat hij over een steen struikelde — die gisteren van een vracht-wagen gerold was — die voor den aanleg van een spoorweg over den weg reed enz. — Zou soms de vorst des lands het plan van dien spoorweg hebben moeten goedkeuren, opdat het lot van dat ei vervuld zou worden ? Menige fatalist zal daar een eed op doen. Maar hoe dit ook zij — hier ligt het arme ding in het stof en wordt evenmin een hoen als een omelet. Toch gaat er geen deeltje van verloren , het vermengt zich met de aarde, het assimileert zich met andere sloffen , het gaat tot bederf over en in zijn verrot binnenste kruipen pasgeboren wormen rond. Ten slotte zou de aanleg van dezen spoorweg misschien wel ter wille van die wormen ondernomen zijn ? ? Er be-
77
slaan tenminste fatalistische beschouwingen, waaruit zulk eene vooronderstelling door eene strenge redeneering zou moeten volgen. Alle draden van het groote net, het heelal, zijn althans zoo door elkander geweven, dat men, onverschillig van welke maas ook uitgaande, eene verbinding met alle andere mazen zou kunnen vinden ; doch men kan geen willekeurige afzonderlijke knoop als het noodzakelijke of vooruit bepaalde middelpunt beschouwen , waarop alle andere draden zouden moeten uitloopen.
Dewijl ik de leer der voorbeschikking buiten mijn denksysteem gesloten heb, zie ik de kiem niet als de draagster barer geheele latere geschiedenis aan. Ook onze handelingen, evenzeer kiemen van eindelooze consequentiën, ontwikkelen deze niet alleen uit kracht van haren aanleg, maar ook tengevolge van de omstandigheden die op haar werken. Zoo komt het, dat menige slechte daad het verwachte nadeelige gevolg niet heeft, en dat omgekeerd van menige veelbelovende gebeurtenis de voordeden achterwege blijven , waarop van beide zijden uitzicht was gegeven. De gevolgen van lichtzinnigheid en verkwisting b. v. brengen gewoonlijk armoede; het gevolg van betamelijke werkzaamheid is doorgaans eene voldoende verdienste. Maar dat dit niet altijd uitkomt, heeft de ondervinding zeker iederen mensch geleerd. Alles komt slechts op de omstandigheden aan. Eenen brandenden lucifer weg te gooien is op zichzelf zoo\'n groot kwaad niet, maar wanneer hij toevallig in een vat kruit neerkomt, zijn de gevolgen erg genoeg, \'s Buurmans huis moedwillig in brand te steken is geene loffelijke daad, maar komt er eene regenbui bij, die de eerste vonk uitbluscht, dan zal de geheele brandstichting denkelijk geene nadeelige gevolgen hebben. Gebeurtenissen verwaaien evengoed als zaadkorrels. De gevolgen van verschillende aanleidingen kruisen zich onderling, wenden zich van de ingeslagen banen af, ondersteunen of beoorlogen elkander of heffen elkander
78
wederkeerig op — kortom, alweer een beeld van den overal
heersehenden strijd om het bestaan. Maar ondanks alle afwijkingen bij de afzonderlijke verschijnselen openbaart zich toch bij het geheel der verschijnselen een onverzwakte overeenstemming met de wet. Bij de beoordeeling der deeltjes vergissen wij ons zoo dikwijls in de grenzen, omdat de deeltjes onderling niet gelijk zijn ; maar waar wij het geheel kunnen omvatten, zullen wij altijd zien, dat de eene of andere onveranderlijke wet zich heeft verwezenlijkt. Daarom zijn het ook alleen de groote en de middencijfers . die ons bij de beschouwing der dagelijksche gebeurtenissen aangaande haren loop inlichting kunnen geven. Zoodra wij van de gemiddelde sommen de kleine cijfers gaan afzonderen en onze beschouwingen daaraan vastknoopen, vertoont zich overal wanorde en tegenspraak , terwijl liet totaal alleen ons vaste en welgeordende beelden laat zien.
NEGENDE HOOFDSTUK.
Terugblik op een winterseizoen te Parijs. — Vreugderoes. — Verandering der levenswenschen. — Geblaseerdheid,
Ik breek opzettelijk af. De beschouwingen over de gevolgen onzer handelingen zouden mij te ver — tot op het gebied van moraal en ethiek — voeren en daarheen wil ik — tenminste voor het oogenblik, mijn eenigszins vermoeid denkorgaan niet zenden. Eene ingespannen voortzetting dier ideeën-tochten staat toch, zooals gij weet, mijn goede Ego, niet op ons programma. Eigenlijk hebben wij niet eens een programma.
Ik wil weer een paar geschiedenissen nit mijne jeugd aan mijzelven vertellen. Uit dien ouden tijd klinkt en dreunt het nog altijd in mijn oor en nevelachtige gestalten en een
79
weifelend kleurenspel — als door de maan beschenen spoken , zweven en wenken , stijgen op en verdwijnen op den wankelen bodem der herinnering. Toclj zijn ze mijn eigen1-dom, die schaduwbeelden, mijne rechtmatige onvervreemdbare bezitting ... Ach , kon ik ze maar in eene lijst vatten.
Hoe het toch komt? De treurige herinneringen stemmen niet tot droefheid — de vroolijke niet tot vroolijkheid. Heeft dan werkelijk alleen het gevoel van het tegenwoordige oogenblik subjectieve macht? — Ja, zoo is het. Daar heerscht weder de wet der stofwisseling. Wat wij doorleefden is volstrekt niet verloren —■ al is het ook vergeten — want het werkt nog voort, op stille onberekenbare wijze. Maar vervluchtigd is het, verbrand, vergaan — van zijne gedaante is niets overgebleven. Wat ons eens in jubeltonen deed losbarsten heeft misschien den grond gelegd voor ons tegenwoordig leed, en wat ons den lang weggestorven smartkreet afperste , is misschien nog als een bestanddeel van ons tegenwoordig geluk bewaard gebleven. Al de vreugde die ik in mijne jeugd heb gesmaakt en daarnevens al het leed, toen ondervonden , dat alles te zamen heeft den grond gelegd tot de mengeling van geblaseerdheid en genotzucht die in mij woont. Ik beschouw mijzel-ven thans als wijs genoeg om zonder morren alles te ontberen wat ik eens wilde verwerven, maar tevens als geschikt om met verstand te genieten, wat ik eens onopgemerkt mij voorbij liet gaan.
Nog lang niet heb ik met de hoop op de toekomst afgesloten... en wie zou dat ook? — Ik behoef hier niet te liegen, daarom beken ik openhartig, dat ik nog altijd een naar geluk smachtend oog wend naar het komende, het onverwachte, het mogelijke, en dat doe ik onwillekeurig — bijna evenals de plant, zoolang zij leeft, zich naar den zonkant keert. En zoo gaat het zeker met iedereen. Zelfs de kluizenaar, die de geheele
80
wereld verzaakte — arbeidt hij niet in stilte aan eene woning voor zich in eenen hemel waaraan hij gelooft?
Maar ik wilde immers een weinig achter- niet vooruitzien. Ik wil aan dien dollen jongelingstijd denken, toen ik in zulk eenen roes van glans en kunst leefde, dat ik »genietenquot; werkelijk voor het hoogste levensdoel hield en ieder uur, waarin ik mij niet «amuseerdequot; als eene verkorting mijner levensrechten beschouwde.
Ik was toen naar Parijs gegaan. Ik kende die schitterende stad uit boeken zoo goed alsof ik daar gewoond had. Er bestaat eene zekere Fransche letterkunde die den vreemdeling met alle namen der straten, alle schouwburgen, koffiehuizen, typen en gewoonten der hoofdstad bekend maakt, zoodat een ieder die van deze letterkunde op de hoogte is, als hij voor het eerst te Parijs komt, zich verbeeldt het eindelijk terug te zien.
Ik wist wel, dat ik hier in het rijk van den levenslust aangekomen was. Jong, van voorname geboorte, met eenen kredietbrief van tweemaal honderd duizend francs in den zak, hakend naar genot, kon ik mijn seizoen te Parijs wel met dezelfde gevoelens tegemoet zien, waarmede een hongerige lekkerbek aan eene rijkvoorziene tafel plaats neemt.
Het zijn schoone oogenblikken in het leven, wanneer men zoo opgehoopte schatten die er slechts op wachten dat iemand ze in bezit neemt, voor zich ziet liggen. Verblind sluit men half de oogen en aarzelt om ze te gaan lellen.
Iets dergelijks ondervindt het kind bij het zien van den kerstboom. En zoo was ik ook te moede, toen ik op eenen heerlijken herfstmorgen in de dartele, weelderige, schitterende stad was aangekomen en op mijne kamer iri het Grand llótel overleide, hoe ik mijne wintercampagne zou inrichten.
Voor alles zou ik mij een klein hotel in de wijk der Champs Elysées huren, eene volslagene vrijgezellen-huis-
8i
houding opzetten, paarden en rijtuig aanschaffen, en dan eerst, mijne aanhevelingshrieven afgeven. Een kostelijk plan !
Op den dag mijner komst reeds wendde ik mij tot het kantoor John Arthur, dat zich met het verhuren van huizen belast. Dat was me een droom uit een sprookje, dat rondrijden in de straten met deftige kleine, tusschen tuinen gelegen paleizen, waarvan er mij een met de tooverspreuk — wel niet tSesam,quot; maar «Portefeuille open uquot; binnen zijne nette, gezellige muren zou opnemen. En overal kwam het mij bij het bezichtigen der vertrekken voor, alsof ik sporen van romans zag rondfladderen: aan de vergulde trapleuningen, aan de marmeren schoorsteenmantels, aan de met kant behangen hemels der ledikanten. Ook mijne romans zouden zich hier afspelen. De verschillende eetzalen bevolkte ik in gedachten met mijne levenslustige, door champagne opgewondene vrienden en vriendinnen, en aan de geheime trapdeur zag ik de zwart gesluierde gestalte eener geliefde hertogin verdwijnen.
Terzijde van de Avenue de l\'Impératrice, tusschen hooge boomen verscholen, vond ik reeds op den tweeden dag een lief huis dat mij bijzonder paste. Het was oorspronkelijk voor een ongetrouwd heer ingericht en bevatte dus de in de overige hotels aangewezene en voor mij geheel overbodige nappartements de madamequot; niet. Als ik de oogen sluit, zie ik nog de reeks kamers die de eenige verdieping bevatte: bibliotheek, biljartzaal, studeerkamer, rookkamer, slaapvertrek, toiletkabinet, badkamer; eene salie d\'a r-mes, groot genoeg om voor danszaal te dienen; de eetzaal met een terras aan de tuinzijde; daarnaast nog een klein oostersch ingericht vertrek en daaraan grenzend, een wintertuin. Binnen weinige dagen had ik het betrokken. Het huis was geheel gemeubileerd, maar toch kocht ik nog eenige kleine schilderijen, beeldjes en andere voorwerpen die mij voor de schitterende winkelruiten der boulevards i. z. 0
8-2
verleidden en sierde daarmede mijn genoeglijk nestje op. Want genoegen was mijne leus. Genieten wilde ik — genieten met volle, dorstige teugen. En genoten heb ik. Ik heb den beker geledigd — tot den bodem toe, zou ik zeggen, als het beeld niet zoo versleten en bet in mijn geval niet juister was de beeldspraak anders in te kleeden en te zeggen: Jk heb uit den beker gedronken, to.t hij rinkelend in scherven uit mijne handen viel. Want nog voordat ik aan den bodem kwam, was hel met den vreugdedronk uit voor mij — want zonder beeldspraak — ik was geruïneerd. De oorspronkelijke tweemaal honderd duizend francs waren in twee maanden verdwenen en andere volgden en voordat de winter om was, was ook (op een klein onaantastbaar overschot na) mijn geheele vermogen weg.
Ik dwaas — ik driedubbele dwaas — lichtzinnig mensch ... deugniet... gek... O, ik kan mij gerust een heel register van scheldwoorden toeroepen, want het komt mij voor, alsof de Ego van toen een heel ander mensch was dan ik. Want ik zou waarachtig niet kunnen vooronderstellen, dat ik tot zulk een onzinnig gedrag in staat zou zijn. Wanneer ik op dat verleden terugzie, vind ik mijzelven daar niet in, maar aanschouw het beeld van een jong (eerlijk gezegd — niet leeiijk) mensch met eenen dichten krullekop, (en — o wee — mijn schedel wordt kaal) met een vroolijk, lachend gezicht; ik zie hem menigmaal op zijn volbloedpaard in het sBois\'- galoppeeren, of hoopen goud en bankbiljetten op de speeltafel neerwerpen, of in den kring van dolle vrienden en dolle schoonen zelf de dolste van allen zijn. Maar zulke beelden schieten mij slechts als bliksemstralen voorbij en altijd komt die verkwister, die hals, die on-noozele sukkel — ik behoef hem volstrekt niet te ontzien — slechts als derde persoon daarbij voor.
Maar het was toch een schoone tijd. Jammer, dat men niets kan achterhouden van dien roes , dat dit alles onder rate-
83
lende donderslagen zoo spoorloos verdwijnt als een uitgebrand vuurwerk. Waarom kan ik geen van die kussen meer op mijne lippen voelen branden, die ik als verhooring mijner in diamanten gevatte beden verkreeg? Waarom kan ik den geur der zijden vlechten niet meer inademen , die los op zachte kanten kussens vielen — waarom kan ik de ruiscliende danswijzen niet meer hooren, hij welker klanken ik in de draaiende vlucht mijne van koorts rillende danseres aan het hart drukte — waarom de flauwe stem niet vernemen , waarmee de heete purperen mond nje t\'aimequot; fluistert, terwijl uit het oog tranen van wellust vloeien .. .
Neen — dat alles is voor eeuwig voorbij. Zoo iets zou ik niet meer kunnen gevoelen, zou ik niet eens meer wen-schen te gevoelen. Daarvoor was de jeugd, de geheele dampkring van vermaak en dartelheid noodig die mij toen omringde. Alle verfijningen der wereld zijn erop aangelegd om het genoegen tot eenen afgod te verheii\'en. LTit de kristallen schalen vloeit de wijn bedwelmender; tusschen de gecapitoneerde zijden wanden klinken de verliefde zuchten zoeter en beklemmender; onder al die hovelingen van gebogen dienaars, rijtuigmakers, juweliers en andere leveranciers voelt de verkwistende roué zich eenigermate als een koning, die gaarne van den bok waarop hijzelf gezeten is of uit de loge d\'avant-scène de huldebevvijzen der afgunstige menigte aanneemt.
Neen, neen, ik zou aan dat alles niet meer mede willen doen. Dikwijls hoort men zuchtend; tAch, kon ik deze of die ure uit de jeugd of den kinderlijken leeftijd nog weer eens doorleven!quot; Maar wanneer deze vvensch vervuld kon worden , wie onzer zou vrijwillig weer op het hobbelpaard gaan zitten, dat ons eens in verrukking bracht? — Ons tegenwoordig Ik is met zijne tegenwoordige neigingen en afkeerigheden zoo vergroeid, dat, als men ook maar eenen enkelen gemoedstoestand — al ware het de geblaseerdheid — wegtooverde,
84
men reeds niet meer dezelfde zou zijn. Met de opheffing van liet Zelf, dus met het verlies der identiteit, zou de omge-tooverde een nanderequot; zijn en het kan toch niet in zijne bedoeling gelegen hebben, dat een andere zich gelukkig gevoelde.
Geblaseerdheid is geen voorrecht — wel hem die zich beroemt op volkomene vatbaarheid voor genot. Gelukkig de jongeling voor wien het leven door eenen rooskleurigen sluier schemert, gelukkiger nog het kind dat om eenen roodwan-gigen appel kan juichen. Maar de man kan geene schrede teruggaan in die tijden en behoort ook niet te wenschen het te doen. Heeft men eenmaal geleerd het een of ander genoegen smakeloos te vinden, dan is dat ook eene winst: men kan nu nooit meer smart gevoelen als men het moet missen. Of hindert liet ons soms, als wij op marktdagen geene looden soldaatjes krijgen? liet genoegen eene mazurka te dansen kan ik mij thans evenmin voorstellen als het plei-zier dat een kikvorsch misschien ondervindt, als hij inden modder wegkruipt; en hoewel ik mij herinner, dat mijne eerste mazurka met eene sclioone adellijke Poolsche dame mij eens in verrukking bracht, dat het kletteren mijner eigene sporen mij daarbij als een hemelsch geratel voorkwam, toch rijst thans nooit meer de lust bij mij op op eenen parketvloer in den mazurkapas rond te slenteren, evenmin als de wensch mij plaagt met den voornoemden kikvorsch de genoegens van den modder te deelen.
Neen. Wanneer Mephisto vandaag bij mij kwam, geenen jeugdigmakenden drank zou ik van hem begeeren. Ik^ou niet zoo opeens den geheelen schat mijner ondervinding willen verliezen, mijn innigste Zelf verloochenen, nog eens alle dwaasheden uithalen, die als merkteekens op mijnen levensweg slaan — nog eens door zulk eenen waan bevangen, zoo rusteloos op genoegen bedacht, zoo met dwalingen beladen zijn, als ik was in de dagen mijner jeugd. Wel zou men — tenminste wanneer men eenen alles inwilligenden
85
Mephisto aanneemt — dien wenseh ook zoo knnnen fornm-leeren , dat men met behoud van alle verworvene levensbeschouwingen in een jeugdiger leeftijd werd verplaatst; doch bij deze opvatting zou men vergeten hebben, dat in zulk eenen wenseh eene zichzelve weersprekende, dus zich-zelve opheffende stelling vervat is, waarom zijne vervulling ook voor eene goddelijke of demonische almacht onmogelijk zou zijn. Wanneer een vierhoek verlangde rond te worden en toch zijne vier hoeken te behouden , dan zou dat evengoed zijn alsof een man van rijpen leeftijd een jongeling wenschte te worden met behoud zijner volle rijpheid. De toove-naar zou onder die voorwaarde den wenscher hoogstens het uiterlijke voorkomen der jeugd kunnen schenken maar niet haar innerlijke wezen; want dit bestaat even als de hem eigene blijde vatbaarheid voor genot juist uit de onrijpheid, uit de algemeene onbevredigde nieuwsgierigheid naar het leven.
Wanneer men eenen opgetilden sluier weder gezakt wilde zien, moest men tegelijk ook kunnen vergeten wat daarachter ligt — maar eene erkende waarheid, een doorgrond geheim geeft niemand zoo gemakkelijk op Nooit heb ik het, in lyrische dichtproeven van bleeke jongelingen en oude jongejuffrouwen zoo dikwijls voorkomende gejammer over »verloren illusiesquot; goed kunnen begrijpen. Verdient eene illusie een beter lot dan verloren te worden? liet zou treurig zijn, als de jeugd zoo ontnuchterd als de rijpe leeftijd aan het banket des levens aanzat, maar even treurig zou het zijn, als de rijpe leeftijd ten koste zijner opgedane ondervinding weder tot den toestand van overwonnen dwaasheid wilde terugkeeren.
Bovendien — er bestaat geen oterugquot; en het moet ook niet beslaan in onze vooruitgaande wereld. Eene vrucht die weer bloesem werd, zou een onding zijn . .. beter is het als zij wormstekig op den grond valt. Een beschaafd voIk ,
86
al ware hel ook vaneengescheurd, dat tot de patriarchale reinheid van zeden terugkeerde, zou evenzeer een onding zijn,., het moet zich liever geheel oplossen. Uit de gevallene vrucht scheidt de kern zich misschien nog af en groeit tot eenen nieuwen boom op , en van de vernietigde beschaving blijft de bevruchte bodem nog over voor den wasdom van het nieuwe, hooger begaafde geslacht. — Neen, er bestaat geen «terugquot; en iedere op dit woord gegronde wensch is onnatuurlijk. Wat een mensch heeft ondervonden, is niet alleen zijne eigene onvervreemdbare winst, maar behoort ook tot den schal van het algemeene verstand, liet zou doodjammer zijn, wanneer Alexander von Humboldt op veertigjarigen leeftijd soms den wensch gekoesterd en vervuld gezien had weer een onervaren verliefd jong mensch te worden. Daarmede wil ik niet zeggen, dat mijne ervaring van een even groot gewicht voor de nakomelingschap zou zijn als die van genoemden geleerde ; — maar tot jllu-stratie van een beweren haalt men altijd de schrilste voorbeelden aan , en al staat wat ik denk en mededeel tot Ilum-boldts mededeeling ook als een tot honderd duizend, als het stofje tot den berg, de vergelijking heeft toch recht van bestaan, het stofje mijner ondervinding behoort toch ook tot den algemeenen voorraad van het menschelijk weten.
Laten wij évenwei het spooksel geblaseerdheid eens ferm onder de oogen zien en onderzoeken wij of dat ding inderdaad zoo verschrikkelijk is. Ik geloof zelfs , dat het eenvoudig bluf is. Al vinden wij geene vreugde meer aan een voormalig speelgoed, zijn wij daarom minder vatbaar voor vreugde, of is misschien het speelgoed waarnaar wij thans verlangen , slechts een ander geworden ? Dit laatste zal wel het geval zijn. Ik kan in deze zaak niet goed mede-spreken ; want al zie ik ook op de genoegens mijner jeugd als op iets lafs terug en al zouden ze mij tegenwoordig niet de geringste vreugde verschaffen , toch kan ik mij niet
87
ngeblaseerdquot; noemen in den jammerlijken zin des woords, want ik betreur die genoegens niet. Ik zou ze niet terug willen hebben — mijne tegenwoordige genoegens z ij n m ij liever. Ik koester nog we! eenige wenschen ; maar het geluk zooals ik het thans wilde genieten, heeft met de luclilkasteelen mijner jonge dagen niets gemeen en daarenboven acht ik wat ik thans wensch, beter, reiner, inniger, meer begeerenswaard. — Is dat weder eene uitwerking van dat bedrieglijk perspectief, waardoor het tegenwoordige altijd hel verwijderde schijnt te overtreffen? Het kan zijn, maar — het is zoo. Geen enkel tgisterenquot; wil ik mij terugtooveren , als ik in het «hedenquot; slechts naar wensch kan deelen.
Zelfs wanneer men naar het bijzijn van eenen dierbaren overledene terug verlangt, is dat schijnbaar een verplaatsen in het verledene. Neen, heden wilde men hem bij zich hebben — onze tegenwoordige hartsgeheimeu willen wij hem me-dedeelen, met hem vereenigd in het toekomende «morgenquot; overgaan... En zou dat ook niet duizendmaal gelukkiger zijn dan eene herhaling der verloopene dagen ? Thans weten wij immers pas goed hoezeer wij hem beminnen en wij zwelgen in zijne dierbare nabijheid; — toen wij hem nog niet verloren hadden, kenden wij niet eens den vollen omvang van het geluk hem te bezitten.
Niets van al hetgeen waarin ik tegenwoordig genoegen vind, zou ik willen afstaan voor mijne jeugdige grillen. De verrukking die ik ondervind . wanneer eene bezending nieuwe boeken en tijdschriften mij in mijne eenzaamheid bericht brengt van de groole gedachtenwereld daarbuiten en de eene of andere dier gedachten in mijnen eigenen geest plotseling een licht verspreidt — eenen bliksemstraal gelijk die eenen nieuwen horizon verlicht — die verrukking zou ik niet willen derven voor het genoegen dat ik eens in de renbaan vond, waar mijn volbloed de zege be-
88
haalde of aan de baccarailafel, waar mijne kaart tienmaal passeerde of in het welriekende boudoir, waar de dame aux camélias mij de gemakkelijkste veroveringen schonk. Die geheele dolle rei welke de zoogenaamde j e u n e s s e d o r é e omzwiert, niet haar oorverdoovend geraas van rammelende goudstukken, rollende rijtuigwielen, uitgelaten gelach en veile kussen, met haar bliksemen en vonkelen van brandende lustres, zwartgerande oogen en met de kleuren van den regenboog schitterende champagneglazen; met haar geuren van theaiergas , paardenstal, truffelsaus, broeikasplanten en sandelhouten waaiers — vind ik tegenwoordig niet waard ook maar eene seconde ernaar te verlangen. — Niet dat ik den vreugderoes zou ontkennen, waarin zulk een leven ons kan meesleuren of met eene would be wijsgeerige verachting die vreugde onwezenlijk zou noemen — zelf heb ik immers in dien maalstroom geademd , met waar genot geademd , hoe zou ik dan zijne macht of zijne werkelijkheid bestrijden ? Ik zeg alleen: voor het tegenwoordige komt dit alles mij niet wenschens-waard voor; ik , zooals ik thans ben, kan geene vreugde daarin vinden. Of zooal vreugde (want zoo\'n erge ijzegrim is men op zijn zevenendertigste jaar nog niet) toch zeker niet het doel en de bestemming des levens , en het allerminst het ideaal van het geluk. Maar in die dagen verbeeldde ik mij, dat een toestand van onafgebroken vermaak bestendig mijn streven moest zijn , alsof het mijne taak en mijne roeping ware mij rusteloos te amuseeren. Aan niets anders denkende en door die zelfzucht en zelfoverschatting bevangen , die iemands eigen persoon tot het middelpunt der schepping maakt, waaromheen al het overige wentelt, leefde ik waarachtig alsof de rol, die ik in mijne wereld speelde, het gewichtigste moment van het heelal was en voelde mij doordrongen van den plicht, die rol zoo glansrijk mogelijk te vervullen. Hoe getrouw volbracht ik ook
89
de kleine verplichtingen van mijn beroep! Zoo kan ik b. v. met rechtmatigen trots zeggen : nooit heb ik eene eerste opvoering verzuimd.
Duur heb ik ze weliswaar betaald, maar toch spijt het mij niet die ondervinding en herinneringen bijeengezameld te hebben. Zij vormen in den inventaris van mijne geestelijke bezittingen een klein ingelegd pronkkastje met allerlei kleine schuifladen en geheime vakken, waarin flonkerende edelgesteenten en allerliefste op ivoor geschilderde miniatuurportretten rusten. Daar wil ik toch een weinig in snuffelen.
TIENDE HOOFDSTUK.
Van het hof der Tuileriën. — De Parijsche maatschappij tijdens hel Tweede Keizerrijk. — Napoleons plan lot ontwapening. — Keizerin Eucjcnie. — Tout-Paris.
liet was in den winter van het jaar 1867—68. Het tweede keizerrijk stond op het toppunt van zijnen glans. Wie had toen vermoed, welke ramp drie of vier jaar later over deze dartele en prachtige stad zou losbreken, welke wereldhistorische storm de boomen van het vroolijke Bois de Boulogne zou vellen, de paviljoenen van het trotsche paleis der Tuileriën zou doen instorten. .. Sedert dien tijd zijn de boomen wel weder gegroeid, de puinen weer opgebouwd en alle vroolijkheid en pracht opnieuw herrezen, zoodat de storm in den grond toch slechts een zacht koeltje
was--het wuiven van het zorgelooze waaierspel van
Clio, de Muze. Hoe dit ook zij, van alles wat mij daar omgaf, werd door dit waaien van den tijd — hetzij storm, hetzij koeltje — het meeste spoorloos weggevaagd.
Ik bewoog mij bijna uitsluitend in de kringen der maat-
90
schappij van het Keizerrijk. Op de tkleine Maandagen der keizerinquot; ontbrak ik zelden. Ik heb zelfs eens den markies de Caux, later echtgenoot van Adeline Patti, bij de regeling van den cotillon vervangen. Ik heb bij al de maskeraden en tooneelvoorstellingen medegewerkt, die in den cirkel van de toenmalige koninginnen der mode gehouden werden; met de geestrijke gemalin van den üoslenrijkschen gezant heb ik eens een duo-boufïe gezongen, waarbij haar gemaal, prins Richard, met zijn gewoon kunstenaarsvuur het accompagnement op de piano speelde. Ik herinner mij den inhoud van dat duet: Een oud echtpaar spreekt gemoedelijk over de dagen hunner jeugd; de man biecht, dat hij menig snoepreisje heeft gedaan :
Je te trom pais, ma vieille Et t u n \' a s jamais r i e n s u.
Waarop de vrouw schalks antwoordt: — ik hoor nog hoe de prinses eene bevende oudevrouwenstem aannam. Je te rendais la pareille Et tu n\'as jamais rien su.
Dat was me een lustig, overmoedig, met geest gekruid, van weelde stralend leventje! Wat werd er later niet over de verdorvenheid van dat tijdvak allerwegen gepreekt, geschreven, gedeclameerd... van de zegedronken Duitsche stemmen af, die luide verkondigden, dat het zwaard der kuische, reine Germania al het vreemde onkruid van de ondeugd had uitgewied, tot de stemmen der eigene landskinderen toe, die om de verantwoordelijkheid van de natie af te schuiven, ze op de schouders eener dynastie, eener coterie wilden laden en plotseling als strenge zedenmeesters op haar wezen en met de vreeselijkste beschuldigingen uitriepen: tZiet — die verdorven kliek is de schuld van ons ongeluk!quot; Phrasen, phrasen , phrasen I
Ik haat die dingen. Er zijn geheele heirlegers van phrasen — meestal soldeniers der slechte zaak, verdedigers van
91
het vooroordeel, bestrijders der jonge ideeën — en vooral groot in den toeleg om op de overwonnenen, op de onge-lukkigen aan te vallen en ze morsdood te maken.
Ik heb mij in die Parijsche maatschappij en in de voorname kringen van andere landen bewogen, en waarlijk in de eerste niet meer slechtheid, niet meer verdorvenheid gevonden dan in de andere. Alsof in de kringen van andere aristocratieën, waar rijke, schitterende, leegloopende, kunstlievende menschen met elkander omgaan, slechts stichtelijke lectuur en kousenbreien geduld werd; — alsof niet in de hofkringen van Weenen, Berlijn, Petersburg evengoed comedie gespeeld, maskeraden gegeven, gelachen, gesoupeerd, gedanst, gepronkt en gecoquelteerd werd, als te dien tijde te Parijs. Wanneer toevallig een huis verbrandt, waarin juist een bal plaats heeft, is dat nog geene reden om met heiligen schrik uit te roepen, dat het een goddelijk strafgericht is voor het zondig bedrijf. In andere huizen danst men ook — het is immers carnaval — en zij verbranden niet. Niet omdat de gasten een strenge menuet en ginds eenen overmoedigen galop dansten, is het lot zoo verschillend, maar omdat ginds en niet hier een brand uitbarstte. Misschien is het nog eenvoudiger den afloop van dien krijg voor een deel tot de geschutgieterij te Essen in plaats van tot de kleedermakerswerkplaatsen van Worth terug te brengen, waar de dames Pourtelós en Gellifet hooge rekeningen hadden uitslaan.
Men amuseerde zich eu daarmee uit. Geen zedenbederf, geene schaamteloosheid, geene losbandigheid heerschten daarbij. De «grandes m o n d a i n e squot; van het tweede keizerrijk waren tevens ook groote dames en wij — de jeunesse dorée — wanneer wij het ongebreideld genot wilden smaken, dat de rijke jeugd uit alle landen najaagt, moesten het in eene andere wereld opzoeken, die te Parijs evenals op alle plaatsen te vinden is — hier weliswaar schitterender en in het oog loopender dan elders.
92
Dat vindt zijnen oorsprong echter niet in eene grootere verdorvenheid der Fransche natie, maar in de opeenhooping van den rijkdom en de genotzucht van alle natiën, die te Parijs als in een middelpunt samenkomen.
De pracht en bekendheid der galante wereld die tengevolge der samenvloeiing van zoovele elementen van weelde en vermaak ontstaan zijn, leiden tot het vergeeflijk verschijnsel dat de f a t s o e n 1 ij k e dameswereld dikwijls met nieuwsgierige blikken een oogje erop werpt en menigmaal Theresa\'s liederen wil hooren, of Cora\'s paleis zien of Leonides geschiedenis bij ondervinding leeren kennen ... nu en dan onder het geleide van eenen vriend bij de dansen in Mabille toeschouwster is — en in het bescheiden domino gehuld op de gemaskerde partijen van Arsène Hous-saye de beroemde sterren van het tooneel van nabij beziet. Daarom behoefde Emile Zola zijne C u r é e nog niet te schrijven, dat afgrijselijke boek waarin hij de dames van het tweede keizerrijk als ware Messalina\'s van nieuwsgierigheid schildert, die slechts in cabinets particulier s willen dineeren en cancan dansen en , oververzadigd van wereldsche vreugde, op de meest verfijnde ondeugden bedacht zijn. Laster! Eene vroolijke, elegante, beminnelijke maatschappij — een beetje lichtzinnig misschien — maar zeker niet zonder waardigheid.
Men behoeft zich slechts het beeld der eerste dame uit dien kring voor den geest te roepen, om hare geheele omgeving beschenen te zien door den glans harer reinheid. Eugénie, de lieftallige, vrome, eerbare, op wie destijds — gelijk aan Gesars gemalin — geen zweem van verdenking gevallen zou zijn, — Onder het schild harer onaantastbaarheid hadden toch ook de dames van haar hof tegen de lastertaal van booze tongen beveiligd moeten zijn of men had ze tenminste met evenveel toegeeflijkheid moeten be-oordeelen als de voornaamste dames op de hofbals in andere
9a
residentiën. Nog zie ik haar, de bevallige keizerin, met welk eene onnavolgbare majesteit en vriendelijkheid zij hare verzamelde gasten met eene enkele buiging en tegelijk met eenen in de rondte gezondenen lachenden blik groette. Deze révérence circulaire — zooals wij het noemden — was een van Eugénies triomfen. Alles was een golvende lijn aan die vrouw. De eenigszins voorovcrgebogene houding, de gebukte zwanenhals, de afloopende schouders, de golvende sleep , de vleiende toon harer zachte stem , het in eenen klassieken knoop opgebondene blonde haar met den warmen, rossigen glans, de zwevende gang — ja ze was destijds, toen ik haar kende, in de volle glorie harer keizerlijkheid, eene betooverende verschijning.
En als men dan bedenkt, dat, toen de kroon met een pijnlijken ruk van dat vlekkelooze hoofd werd afgerukt, er lieden gevonden werden die dat gebogene , ontkroonde hoofd durfden beleed igen ! Maar dit gift dat het gepeupel uitspuwde, bereikte haar niet — en waar zij zich later ook vertoonde, bogen allen die haar ontmoetten in stomme achting voor het zwijgend gedragen groote ongeluk. Hare smart om den gade was hevig en diep. Aan zijne kist heeft zij veel bitterder tranen geweend, dan in die schrikkelijke dagen, toen zij uit de hoofdstad moest vluchten, door haar geheele volk zoo verlaten , dat zij slechts aan de hulp van een Amerikaanschen tandarts haar redding te danken had. Toen later te Londen de tijding kwam, dat het grauw roovend en zengend in de Tuileriën was gedrongen, riep Eugénie op smartelijken toon uit; «Ach mijn arme, arme Trochu!quot; «Waarom arm?quot; vroeg men haar. sllij heeft mij herhaalde malen verzekerd: Slechts over mijn lijk, mevrouw, kunnen de aanvallers in de Tuileriën komen — derhalve is mijn goede Trochu dood.quot; Volgens latere berichten bevond generaal Trochu zich in blakenden welstand. Doch om op de weduwensmart der arme vrouw terug te
u
komen. Geen bitterder rouw dan liet treuren over eenen miskende. Te weten, dal het geliefde aandenken bij duizend anderen veroordeeld en verwenscht is; dat den beschuldigde en gekrenkte door dien onoverkomelijken scheidsmuur van den dood de mogelijkheid is benomen zich te rechtvaardigen en in zijne eer hersteld te worden, dat maakt de droefheid over het verlies nog tienmaal zwaarder.
Die hem van nabij kenden, hebben zeker van Napoleon lil de herinnering bewaard, iioeveel warme goedheid, hoeveel fijne geest er onder zijn eenigszins koel voorkomen verborgen was; hoezeer de eerste deugd van eenen regent — de zorg voor het welzijn des volks — zijne gedachten bezig hield. Maar hoe zouden de getuigenissen zijner vereerders en vrienden boven het doldriftig getier kunnen uitkomen, dat den val van dien troon in het land zelf en in alle wereld-deelen vergezeld heeft? Hoe weinigen weten, dat het Napoleons lievelingsplan was aan alle Europeesche mogendheden het voorstel eener algemeene ontwapening te doen; want ondanks de oorlogen, waartoe hij door de partijen werd gedrongen, was het hem toch uit de ziel gesproken, het beroemde «l\'empire c\'est la paix.quot; De geheele natie vloog legen Pruisen te wapen. De geestdrift was onbeschrijfelijk — republikeinen en legitimisten hieven de Marseillaise aan; in geheel Frankrijk was er maar één persoon die dezen oorlog niet wenschte, en dat was de keizer. Maar hij kon de algemeene beweging niet tegenhouden. «Welaan dan,quot; zeide hij, toen hij door zijn destijds reeds levensgevaarlijk lijden gefolterd, te velde trok, mog deze eene veldtocht en dan le désa r mem en t.quot; ... Ja het »danquot; ligt in geen \'s menschen hand; dan is het meestal — en zoo was het ook hier, t e laat.
En nog heviger smart was Eugénie beschoren , dan de rouw over het onherstelbare verleden — namelijk de smart over de in puin vallende toekomst... de dood van het
95
eenige, geliefde kind — haar trots — haar toekomstige keizer. Zij kan hem zich nog slechts gruwelijk verminkt voorstellen: door zeventien lanssteken doorboord... het dierbare oog doorstoken ... «Tout est f i n i!quot; zijn de woorden die zij steeds herhaalt, en weenende verbergt zij in hare handen het eens zoo schoone, door het ongeluk drievoudig gezalfde hoofd............
Maar ik ben nu verre afgedwaald van mijne persoonlijke herinneringen. Ue ïuileriën toch waren het niet, waar ik mijne eigene kleine romans zou aangeknoopt of afgespeeld hebben; ook niet de salons der verschillende ministeries en gezantschapshotels, die ik bezocht — mijne avonturen speelden in andere kringen. Ook niet in den uitsluitenden nmondequot; van den faubourg St.-Germain, dat uit het ancien régime overgebleven, naar wierook riekende stukje feudaliteit; daar zocht ik geenen toegang en zou ik als een aan hel keizerlijke hof ontvangen vreemdeling moeie-lijk toegang gevonden hebben. Ook in de burgerkringen ben ik niet doorgedrongen, maar ik koester de overtuiging, dat het daar even zedig en huiselijk toegaat als in de gezinnen in andere sleden en landen. Er zijn te Parijs immers zoovele werelden naast elkander. Die welke vreemdelingen het meest in het oog loopt is zeker de coterie, in de dagbladen stout Parisquot; genoemd, die men bij de eerste voorstellingen ontmoet — autour du lac — teLongchamps — op Dinsdagen in het Theatre francais, op Vrijdagen in de groote opera — maar dat is lang niet geheel Parijs, Toch was het ook m ij n Parijs. De Variétés en het Théatre des Bouffes — het café anglais — la maison dorée — de restaurants Dignon en Frères Provenceaux, de wijk de la Madeleine in het algemeen, de cercle de la Rue Royale — de verschillende op de Champs E 1 y s é e s uitkomende avenues met de door mijne be-
f
01,,,. \' 1 I P
$fL fUSJl
1;;
96
kenden bewoonde hotels, de Avenue de l\'Impéra-trice en het B o i s tot aan het zoogenaamde «Madrid,quot; dat is mijne geheeie kaart van Parijs.
En dit Parijs heelt zijne eigene dagbladen, zijne letterkunde, zijne schilders, zijne kroniekschrijvers, zijne be-richtgevende reizigers, zoodat de overige wereld gemakkelijk in den waan wordt gebracht, dat de karakteristiek van het geheeie groote Dabei zich juist in dit deel helder afspiegelt.
»Zelf Babel!quot; zou ik den Berlijnschen, Weener of Londenschen zedenmeester wel willen toeroepen, wanneer hij na een vroolijk urntje in den monde oü l\'on s \' a ra u s e begint te weeklagen over de hier tierende ondeugden , en daarbij de minder vroolijke maar zeker niet deugdzamer uren vergeet, die hij in het Orpheum, bij Schwender of in de Cremornegardens heelt doorgebracht. Het wordt ook zoo licht vergeten, het dolle gejoel der slemppartijen. Mijne herinneringen aan die dagen en nachten verdrinken allen in een enkel tafereel, weliswaar met gloeiende kleuren geschilderd en in eene gouden lijst gevat —• maar zoo onduidelijk, dat ik geene bijzonderheden meer onderscheiden kan. De meesten van de bedoelde miniatuur-portretten die uit dien tijd in het kastje van het geheugen liggen, hebben geenen naam voor mij... Was het Lucette, — was het Fifine — was het Niniche — was deze blond of die bruin... was het na het bal in de opera of na het groote souper in den Kerstnacht bij Véfour...? dat alles weel ik niet meer. Ik kan mij die uren niet meer te binnen brengen. Waartoe ook? de roes is vervlogen.
97
ELFDE HOOFDSTUK.
Het voorstel tot ontwapening van den afgevaardigde Bühler. — Denkbeelden van Henry Thomas Buckle over den oorlog-zuchtigen geest. — De idee van den wereldvrede. — De gruwelen van den slag.
Ontwapening! Toen ik bij de vermelding der plannen van den derden Napoleon dit woord nedersclireef, stegen er allerlei gedachten bij mij op, die mij dikwijls over het vraagstuk van den wereldvrede hadden bezig gehouden, die zich, bijna zonderdat ik het recht wist, tot eene gc-heele keten van overtuigingen samenvoegden en die ik nu als een mijner geliefkoosde denkbeelden aan een nauwgezet onderzoek wil onderwerpen, liet begrip j vredequot; is ook eene mijner verlustigingen , een mijner geloofsartikelen.
Wanneer het mogelijk is het licht der goddelijke waarheid in stralen te breken, stel ik mij liet schoone, het goede en het gelukkige als hare meest in het oog loopende regenboogskleuren voor. Vrede is eene der schakeeringen van het geluk. Ook de liefde behoort in dienzelfden godde-lijk-helderen stralenbundel. Krijg en haat liggen erbuiten. Dit zijn de schaduwen , de afwezigheid van het licht.
Maar al stel ik mij ook eenen eeuwigen vrede als het einddoel voor, waar alle veroveringen der beschaving naar streven, toch geef ik mij niet aan de illusie over, dat, ingeval Napoleon 111 lang genoeg geleefd had om zijn voorstel te doen, die voorslag gehoor gevonden zou hebben en uitgevoerd zijn. In het jaar 1879 diende in het Pruisische Parlement de afgevaardigde Bühler een dergelijk voorstel in en het werd als eene kinderachtigheid, als de utopie van een droomer met glimlachend schouderophalen begroet. Prins Bismarck liet zich aldus uit: — Duitschland kan het aller-I. z. 7
98
minst het voorbeeld eener ontwapening geven , want het moet aan vier zijden front maken — en bovendien had de onpractisclie voorsteller moeten bedenken, dat wij in Duitsch-land en niet in nWolkenkoekoeksheimquot; leven. — Had onder de Romeinsche of Grieksche republiek iemand de afschaffing der slavernij voorgesteld of had men ten tijde van de inquisitie en de dweepzieke godsdienstoorlogen gelijke rechten voor alle belijdenissen verlangd, dan zouden toen dergelijke denkbeelden ook voor »Wolkenkoekoeksheimquot;-achtig uitgekreten zijn.
En des ondanks zijn die denkbeelden verwezenlijkt. Zoo zal ook eenmaal het voorstel van Bühler doordringen — daarmede moge hij zich troosten — al zullen hij noch zijne kleinkinderen liet beleven; het zal dan niet eens als een voorstel geformuleerd worden, maar om zoo te zeggen uit de kracht der dingen van zelf volgen. Zoo alleen komen de veranderingen tot stand, als gevolgen van bijna onnaspeurlijke, duizendvoudig opeengestapelde motieven, maar niet op het initiatief van eenen, al was het ook nog zoo machtigen arm.
Sommige meeningen zijn zoo duidelijk en klaar, voeren zulk eene schare van bewijsgronden mede, dat men inderdaad niet weet waarmede te beginnen om hare juistheid te bewijzen — en tot die meeningen behoort ook ontegenzeglijk de overtuiging, dat vrede beter is dan oorlog. Ik denk, dat dit zoo van zelf spreekt, zoo zeker is, als dat éen meer is dan nul.
Maar juist die gevoelens, welke het eene deel der mensch-heid zoo duidelijk vindt, dat het bijna overbodig schijnt ze te betoogen, staan bij het andere deel der menschheid in zulk eenen kwaden reuk, dat het inderdaad overbodig is ze te betoogen. Er wordt eenvoudig niet naar geluisterd, men haak de schouders op en glimlacht.
Toegegeven al, dat de eeuwige vrede op zichzelven beter is — zullen de voorstanders van den oorlog zeggen — hij
99
is toch niet mogelijk, niet denkbaar. Oorlog ligt in dè natuur, hij is eene eeuwige wet.
Daarop zou ik willen antwoorden: Dat is eenvoudig eene verkeerde woordopvatting — strijd is de wet, geen oorlog. liet krijgvoeren is slechts een der vormen waarin de groote algemeene strijd zich openbaart, die voor zijne zegepralen niet de ruwe kracht alleen aanwendt, en derhalve om misverstand te voorkomen liever concurrentie dan «strijdquot; moest genoemd worden. In den wedstrijd behaalt het voortreffelijkste de overwinning, wat zich het beste schikt naar de bestaande omstandigheden. Wapen legen wapen zullen overal de voortreffelijkste zegevieren, doch dit geldt niet enkel van de kanonnen, maar ook van de werktuigen voor den strijd des geestes, der schoonheid, der bekwaamheid, in het algemeen der veredeling. En zoo kan men zich zeer goed voorstellen, dat het in den loop des tijds met den strijd der zich meer en meer bevestigende humaniteit tegen de barbaarschheid aldus gaan zal; vredelievende naties roeien langzaam de oorlogvoerende stammen uit; de volkenhaat sterft uit door het veldwinnen van cosmopolitische denkbeelden; voor de toenemende glorie van wetenschap en kunst taant de oorlogsroem; eene steeds nauwere verbroedering ontstaat door het verbond der algemeene belangen, zoodat de nietige persoonlijke belangen verdwijnen — en op deze manier kan en zal door den, volgens de wet, eeuwigen strijd de prijs van den eeuwigen vrede verworven worden.
Dat dit vertrouwen geene dweperij is, niet louter een vrome wensch, maar eene op feiten berustende gevolgtrekking, kan door de studie der geschiedenis bevestigd worden, althans wanneer men deze studie in verband met de overige wetenschappen en met behulp van de daarin gebruikelijke methode — namelijk de opsporing der wetten —tot een onderwerp van vergelijkende en logische navorsching maakt. Is het mogelijk in de geschiedenis — de steeds wederkee-
lüt)
rende oorlogen ten spijt — den weg niet te zien dien de
beschaving gaat en zijne riciiting te miskennen, die tot den onverzettelijken eindpaal des vredes voert? Ik geef nu het woord aan llenry Thomas Buckle, eenen der meest overtuigende banierdragers van de nieuwere geschiedschrijving, in wiens uliistory of civilization in Englandquot; ik bevestiging gevonden heb voor veie mijner hoopvolle verwachtingen.
«De grootste ramp die het menschdom kentquot; — zoo schrijft de groote denker in het 4de iioofdstuk van zijn werk — »die, wanneer wij de godsdienstige vervolging uitzonderen, het meeste lijden heeft veroorzaakt, is ongetwijfeld de zucht lot oorlogvoeren. Dat deze barbaarsche handelwijze bij den vooruitgang der maatschappij meer in onbruik raakt, moet ook den vluchtigsten lezer der geschiedenis van Europa in het oog vallen.\') Vergelijken wij de eene eeuw met de andere, dan zal het ons blijken, dat sedert zeer langen tijd de oorlogen minder talrijk zijn geworden en tegenwoordig treedt deze beweging zoo duidelijk te voorschijn, dat wij na de laatste uitbarsling bijna 40 jaar lang vrede gehad hebben 2), een toestand zonder weerga niet alleen in ons vaderland, maar in de geschiedenis van elk ander land, dat van genoeg belang is geweest om eene hoofdrol in de wereldgebeurtenissen te spelen.
»De vraag rijst op, welk deel ons zedelijk gevoel heeft aan het ontslaan dezer groote verbetering. En wanneer wij deze vraag beantwoorden, niet door vooroordeelen verblind maar op grond van de onloochenbare feiten, dan zullen wij moeten zeggen, dat dit gevoel daaraan volstrekt geen
^ Over de verminderde liefde voor den oorlog, die zich nog sterker openbaart dan de werkelijke vermindering der oorlogen, zie men eenige belangrijke opmerkingen in Auguste Comte Philosophic positive IV. 4S8, 713. VI. 68, 424—36, waar de strijd tusschen den militairen en den industriëelen geest goed is voorgesteld.
quot;) Buckle heeft dit in 1855 geschreven.
101
deel heeft. Stellig zal niemand willen beweren, dat in nieuwere tijden de eene of andere nieuwe ontdekking over de rampen van den oorlog gedaan is. Dienaangaande is thans niets bekend , wat niet voor vele honderden jaren reeds bekend is geweest. Dat verdedigende oorlogen rechtvaardig en aanvallende onrechtvaardig zijn , zijn de twee eenige grondstellingen der moralisten. En zij waren even helder uitgedrukt, even goed verstaan, even algemeen erkend in de middeleeuwen, waarin geene week zonder krijg voorbijging, als tegenwoordig, nu een oorlog voor iets zeldzaams cn buitengewoons gehouden wordt. Sedert dien tijd heeft zich de verhouding der menschen lot den oorlog allengs gewijzigd, terwijl hunne zedelijke wijsheid over den oorlog dezelfde gebleven is; en dus ligt het voor de hand, dat de veranderde werking niet door de onveranderde oorzaak teweeg is gebracht. Dit over den invloed van het zedelijk gevoel op de verhooging van onzen afkeer van den oorlog. Wenden wij ons echter tot het verstand in engeren zin, dan vinden wij dat iedere vermeerdering zijner werkzaamheid een zware slag voor den oorlogzuchtigen geest is geweest. Het volledig bewijs hiervoor zal ik later uitvoeriger geven, in deze inleiding kan ik slechts eenige hoofdpunten aanstippen, die terstond begrijpelijk zijn, omdat zij op de oppervlakte der geschiedenis liggen.
gt;Een daarvan ligt zeer dicht bij, namelijk dat elke belangrijke toeneming in kennis den invloed der intelligente klassen vermeerdert, omdat zij de middelen vermeerdert waarover zij te gebieden hebben, liet onderscheid nu tus-schen deze klasse en de militaire is voor ieder duidelijk , het is het onderscheid tusschen denken en handelen, tusschen het in- en het uitwendige, tusschen bewijs en geweld, tusschen overreding en lichaamskracht, met éen woord , tusschen menschen die van de krachten des vredes en hen die van de krachten des oorlogs leven. Wat derhalve nut-
102
tig is voor de eene klasse, is bepaald ongunstig voor de andere. Onder overigens gelijke omstandigheden moet de neiging tot den oorlog verminderen , naarmate de verstandelijke ontwikkeling eens volks vooruitgaat, en wanneer zijne verstandelijke schatten zeer gering zijn , zal zijne neiging tot den oorlog zeer groot zijn. In geheel barbaarsche landen bestaan geene verstandelijke veroveringen ; de geest is eene ledige, dorre woestijn, en derhalve blijft er niets over dan werkzaamheid naar buiten \'), persoonlijke moed is de eenige verdienste. Dat is de zuivere wildheid en tevens de trap van menschelijke ontwikkeling, waarop oorlogsmoed het hoogst geacht en krijgslieden het meest geëerd worden.
«Van deze vreesselijke laagte voert eene lange ladder tot het toppunt van beschaving; op iedere sport verliest de macht van het geweld een beetje en wint de macht der gedachte iets. Langzaam , de eene na de andere verheffen zich de intellectueele en vredelievende klassen ; eerst worden zij door de krijgslieden diep veracht, toch winnen zij allengs grond , nemen toe in aantal en macht, en verzwakken bij iederen toevoer dien zij bekomen, den ouden oorlogzuchtigen geest, waarin vroeger alle richtingen zich verloren hadden. Handel, verkeer, fabrieken , wetten, diplomatie , letterkunde, wetenschap, wijsbegeerte — dat alles was oorspronkelijk onbekend en werd later eene bijzondere taak voor eene afzonderlijke klasse. Iedere klasse liep nu hoog met het gewicht barer werkzaamheid. Ofschoon ongetwijfeld enkelen dier klassen minder vreedzaam zijn dan de andere , toch zijn zelfs de minder vreedzame
1) Bij eenige Macedonische stammen werd de man , die nooit eenen vijand had geveld, door een vernederend kenteeken aangeduid. Onder de Dajaks op Borneo kan een man niet huwen, zoolang hij geen menscheuhoofd medegebracht heeft, en heeft hij er vorschcideno , dan kan men hem aan zijne trotsche eu hooge houding herkennen, want dat is zijn adelbrief.
103
dit natuurlijk meer dan menschen , die alleen met den oorlog te doen hebben en in eiken nieuwen krijg de kans op persoonlijke onderscheiding zien , waarvan zij in vredestijd geheel uitgesloten zijn.quot;
In den verderen gang zijner redeneering somt Buckle nu drie hoofdredenen op, die volgens zijne meening medegewerkt hebben om de aangeduide beweging te verhaasten. Namelijk :
1. De uitvinding van het buskruit, op zichzelve weliswaar oorlogzuchtig maar toch bevorderlijk voor de belangen van den vrede , omdat door de vorming van een staand leger hel aantal personen werd ingekrompen, op wie de verplichting tot oorlogvoeren rustte.
2. De ontdekkingen door de staathuishoudkunde gedaan , omdat de handelsnaijver, die vroeger eene der sterkste oorzaken van den oorlog was , opgebonden heeft de natiën tegen elkander op te zetten , sedert de lessen der bovengenoemde, helaas nog niet genoeg gewaardeerde wetenschap, den waren aard van den rijkdom der volken hebben uiteengezet en uitgemaakt, dat het welzijn eener natie volstrekt niet afhankelijk is van hel wee eener andere en dat de eigen handel niet wordt bevorderd door de belemmering van den handel zijns buurmans.
3. De toepassing van den stoom op reisgelegenheden en middelen van vervoer. Daardoor kreeg de uit onkunde voon-gesprotene verachting, die een volk zoo geneigd is voor een ander aan den dag te leggen, een knak — verachting die verdwijnen moet, zoodra door een gemakkelijker verkeer de volkeren gelegenheid hebben elkander nader te leeren kennen.
üWanl van alle oorzaken van den volkenhaatzegt Buckle met betrekking tot het aangevoerde, sis onkunde de machtigste. Wanneer hel verkeer toeneemt, neemt de ruwheid af en zoo vermindert de haat. Dit is het ware verbond der liefde en weegt op tegen alle lessen, die zeden-
104
leeraars en godgeleerden kunnen geven. Eeuwenlang hebben zij liun ambt uitgeoefend, zonder den minsten indruk op de menschen tot vermindering der oorlogen teweeg te brengen. Maar zonder de minste overdrijving kan men beweren, dat elke nieuwe spoorweg die aangelegd wordt, elke nieuwe boot die over het kanaal vaart, verdere waarborgen zijn voor het behoud des vredes, die het geluk en de belangen der beschaafde natiën met elkander verbindt.quot;
Buckle is geen droomer. Wat hij uitspreekt zijn geene vrome wenschen noch geïnspireerde profetieën, naar de rekenkunstige uitkomst van mathematisch aaneengevoegde facta. Zelden heeft er een vlijtiger, nauwgezetter denker bestaan dan deze. Hij zocht uit dc massa der aanwezige ervaringen zijne stof bijeen en doet daarmede, om zoo te zeggen voor de oogen zijns lezers, proeven gelijk een natuurkundige in de collegezaal. Zoo iemand roept ook niet in den trant der moralisten uit: sAch, waterstofgas met zuurstof verbonden zou water geven — ook moet dat volgens geloofwaardige overleveringen zich reeds zoo toegedragen hebben ... hopen en bidden wij, dat het weer zoo geschieden moge!quot; maar hij toont eenvoudig aan, dat dit, izooals gij ziet, mijnheerenquot; onfeilbaar zoo toegaat.
De vrede is een toestand die noodwendig uit de vorderingen der beschaving moet volgen. Weliswaar zijn wij nog lang niet op dat punt aangekomen en dit verzwaart het proefondervindelijk bewijs wel een beetje. Maar zoodra het bewijs voor eene ingcslagene richting is gevonden, is daarmede ook het eindpunt reeds aangegeven, want wij moeten toch de wet erkennen, volgens welke eene zich voorwaarts bewegende strooming niet gemakkelijk kan ophouden en nog minder omkeeren. Dat de oorlogzuchtige geest in den loop der eeuwen voortdurend verminderd is, is een historisch feit; dat eene aanhoudende vermindering eindelijk tot oneindig kleine breuken die wij met nul uitdrukken, zal
105
leiden, is eene wiskunstige waarheid. It is a safe world.
Maar de formaties der beschaving stapelen lich met dezelfde verhevene en onvermoeibare langzaamheid opeen, waarmee de gebergten zich door sedimentaire lagen uit de wateren verheffen. Voor de studie der geologie is geene wandeling over de Alpen genoeg en voor de heoordeeling van de wetten der geschiedenis kan men niet volstaan met de kamerverslagen van onzen tijd te doorbladeren. De natuur arbeidt in groote trekken en daarbij met zulke kleine werktuigen, dat wij om haren arbeid te waardeeren geheel moeten afzien van de verhoudingen van ruimte en tijd, die voor den kring onzer werkzaamheid gelden. De oneindig kleine oorzaken onttrekken zich aan onze grove zintuigen en de oneindig groote werkingen liggen builen onze korte ervaring. Eerst moesten wij leeren ons gezicht door instrumenten te verscherpen, voordat wij konden, ontdekken uit welke microscopische beslanddeelen de reusachtige gevaarten der aarde zijn opgetrokken, en om de resultaten dier ophoopingswerken te beoordeelen, hebben wij van de spanne tijds onzer persoonlijke ervaring moeten afzien en onze toevlucht nemen tot denkbeeldige tijdvakken die bij millioenen jaren tellen. Evenzoo moeten wij ook — en dat is de geest van het moderne historisch onderzoek — trachten de microscopische factoren van den geest op te sporen, die in hunne tallooze oplioopingen cultuurhistorische toestanden teweegbrengen, en de grootst mogelijke tijdvakken in het oog houden, wanneer wij den loop der menschelijke lotgevallen willen nagaan.
Op de vraag toegepast die mij tegenwoordig bezighoudt, (het beginsel van den vrede namelijk—afwijkingen zouden mij te ver voeren) vindt de theorie der oneindig kleine factoren ook hare bevestiging. Voor het ongewapènde geestesoog zou het namelijk moeten schijnen, alsof de geest des vredes
106
voor zijne versterking en verbreiding die beginselen en gevoelens gebruikte, welke zijnen aard kenmerken, namelijk: menschenliefde, gerechtiglieid, zachtmoedigheid, medelijden en dergelijke, maar de ervaring leert, dat geheel andere, met de belangen des vredes schijnbaar in geene betrekking staande beweegredenen — zooals het door Buckle aangehaalde voorbeeld van de uitvinding van het kruit — deze belangen juist het sterkst bevorderen. Derhalve mag men ook de hoop koesteren, dat eens de uitvinding van steeds geweldiger vernielingswerktuigen, die eindelijk in staat zouden zijn, door middel van een — weel ik liet — electrisch-dynamisch of magnetisch uitbarstings-apparaat geheele legers op eenmaal te vernietigen, de geheele krijgskunst zal opheffen en het oorlogvoeren voorgoed tot eene onmogelijkheid maken.
Het met en naast elkander werken van tallooze motieven brengt een resultaat voort. Vestigt men alleen op dit laatste het oog, zooals het zich in zijn geheel en van verschillende gezichtspunten voordoet, dan ontgaan iemand daarbij de nietige bestanddeelen waaruit het is samengesteld. Algemeene vrede als een voltooid resultaat zou zeker zachtmoedigheid, medelijden, gerechtigheid en menschenliefde als karakteristieke trekken vertoonen, maar dezen zouden het materiaal niet geweest zijn, waaruit het voltooide gebouw opgericht was.
De chemie van den geest, wier taak het zou zijn de verschijnselen van den tijd te analyseeren en de geestelijke grondstoffen in hare vermenging te onderkennen, neemt nog geene plaats onder de exacte wetenschappen in. De meet- en weegwerktuigen voor zulke proeven zijn nog niet uitgevonden of althans niet verfijnd genoeg. Deze instrumenten zouden geene andere zijn dan streng logische scherpzinnigheid aan den eenen kant, een omvattende statistieke vergelijking aan den anderen. Voorloopig is het analyseeren der historische en beschavingsverschijnselen, der ziels- en
107
maatschappelijke toestanden nog niet in eere. Zoodra een denker eene poging waagt om op de psychische raadselen dezelfde methode toe te passen, die in natuurwetenschappelijke vakken tot zulke heldere resultaten heeft geleid, gaat in het kamp der zich noemende sidealistenquot; een jammerklacht van ontzetting op tegen zulk nmaterialistisch,quot; Bprozaisch,quot; »pedantquot; en Dketterschquot; ingrijpen in het voor hen afgebakend gebied. Zij gaan hardnekkig voort binnen de door henzelven getrokken grenzen alle ideale verschijnselen, niet met inachtneming hunner bestanddeelen maar als een geheel te verklaren. Zoo bijvoorbeeld, wanneer de geest des vredes — voorzeker een ideaal verschijnsel — zonder acht te geven op de veelvuldige, dikwijls met de idee des vredes in tegenspraak zijnde stoffelijke inwerkingen, alleen door de geestelijke kenteekenen der liefde, deugd, zachtzinnigheid enz. verklaard werd. Wilde men beweren, dat de verbreiding dezer hoedanigheden eens den wereldvrede tot stand zou kunnen brengen, dan zou dat evengoed zijn alsof men wilde leeren, dat de bergketenen uit hoogten, steilten, toppen en dalen bestaan. Tot de wolken reikende gletschers behooren tot het voorkomen der Alpen — maar gevormd hebben zij zich uit zeeslib, niet uit gletschers. En zoo zal de vrede ontstaan uit elkander overtreffend geschut, uit nieuwaange-legde wegen, uit tot bloei komende labrieken, uit ijzer-, petroleum- en kolenmijnen en niet uit menschenliefde. — Zou anders onder alle beschaafde volkeren het ideaal van Biihler en diens geestverwanten — waaronder ik mij gaarne reken — niet reeds lang bereikt zijn, wanneer mensche-lijkheid, gerechtigheid en vredelievendheid voldoende waren om het te verwezenlijken? Iloevelen zijn er nog onder ons, die een welgevallen hebben in de moorden in massa der oorlogen? Zeker niet éen. Zelfs de veldheeren niet, zelfs de vorsten niet — die zich wel over de gevolgen der overwinningen, maar zeker niet over de gruwelen der veldslagen
108
verblijden. Wanneer zij te velde trekken, voelen zij zich door de omstandigheden gedrongen, als volbrengers van zware plichten, maar niet als strijdlustige, met haat tegen hunne vijanden vervulde menschendooders.
Soms kan weliswaar de zucht om zich te onderscheiden — die natuurlijke, iederen mensch die zijn beroep liefheeft, inwonende aandrift — de gevoelens van afkeer van den oorlog verstikken en zelfs een zeker welgevallen in de krijgskunst te voorschijn roepen. Bij velen — zooals bij eenen Napoleon I, kan de roem- en beerschzucht zoo sterk zijn, dat de ellende van millioenen menschen niet meer dan een ons weegt in de weegschaal hunner eigene begeerten. Diezelfde Napoleon was het ook, die kon zeggen, toen hij de lijsten der lotelingen, welke Berthier hem overhandigde, doorzag: sj\'ai done dix mille hommes a dé-penser par moi s.quot; — Een gezegde dat aan de woorden van Shakespeare in Henry IV herinnert:»Deze woorden zullen vandaag tien duizend lires kosten.quot;
Ieder afzonderlijke mensch, hij zij soldaat of burger, die zijnen plicht doet, verdient de achting zijner medemenschen in dezelfde mate als waarin bij dien plicht vervult, verdient ook de bewondering die aan zijn succes in den hem aangewezen werkkring betaald wordt. Dat er nog oorlogen worden gevoerd, is een betreurenswaardig overblijfsel uit barbaarsche tijden ; maar nu dat eenmaal zoo is , zou ook de vredelievendste mensch, ik wed mijnheer Bühler zelf en wij allen met hem, geen rechtsomkeert maken, wanneer wij in het front van een stormloopend regiment stonden. De zeden, wetten, instellingen zijn antieke, arbeidende reuzenmachines, in welker raderwerken wij onweerstaanbaar gevangen zijn en ons persoonlijk handelen kan alleen door onze betrekking tot het ons rechtstreeks aangaande deel der machine bepaald worden , maar niet door onze zedelijke beoordeeling van het werk in zijn geheel. Allerminst kunnen
-109
wij door tegenstand, door schudden aan het dichtst bij ons gelegen rad iiet geheele wérk vernietigen; — het rad zal ons eenvoudig verpletteren en draait ongehinderd voort.
De verschillende stemmen die zich in den laatsten tijd tegen den oorlog laten hooren , zijn wel getuigende maar geene besturende momenten der vredesbeweging. Misschien kunnen zij in geringe mate ook iets bijdragen tot het alge-meene vernietigingsproces, dat de groote oorlogsmachine eens zal vernielen , maar eene instelling die uit zoovele elementen is samengesteld, sedert zoolang bestaat, zoo wijdvertakt is, kan alleen door evenveel ontbindende en ondermijnende ele-menien, die zich even wijd vertakken en even langzaam werken , ten val worden gebracht, üe langzaamheid van den wasdom en het verval is aan zulke vaste wellen gebonden, dat al ons tijdelijk ingrijpen om ze le verhaasten daarop onfeilbaar schipbreuk moet lijden. Onze handelingen en woorden hebben slechts de kracht van zaadkorrels: duizenden daarvan verwaaien en gaan verloren , vele woekeren met ongehoorde weligheid voort — maar altijd is en blijft de t ij d de eenige die de ontwikkeling der afzonderlijke kiemen kan bewerkstelligen.
En wij kunnen het allerwegen zien kiemen, dat liefelijk vredesbeginsel. Onder piekhelmen zelfs ontspruiten de kleine loten; in de torpedofabriek van Mr. Whitehead bloeit het in den vorm van kunstnijverheid, die toch eene zijner gewichtigste verscheidenheden is. liet slingert zijne ranken om de lier des dichters — want terwijl vroeger de barden meestal krijgsliederen, geharnaste sonnetten en dergelijke zongen, beginnen onze moderne poëten klachten over de jammeren des oorlogs en geestdriftvollen lol op menschen-liefde aan te hellen. Will Watson, de Amerikaansche ttoe-komstdichterquot;, schildert met zulke roerende trekken de ellende der krijgslieden; een nieuwere Italiaansche poëet be-
no
zingt zoo gloeiend si I trien fo del la pacequot;; al matter en met verouderende sieraden rijmen de krijgslustige zangers; al welsprekender en vuriger zingen de jonge dichters van den vrede. Dit behoort ook al tot de teekenen des tijds, die van de beweging der geesten in de richting van den wereldvrede getuigen en ze levens bespoedigen. Het zou eene loonende, schoone taak zijn, eene bloemlezing samen te stellen van al de in onze dichtbundels verstrooide vredes-strofen. Er zijn zoovele krijgsliederen verzameld, zoovele izegevanen, voorouderlijke zwaarden, heldendooden, kruit-wolken, bloedig morgenrood, beschermde grenslanden, vijandelijke lijken, tromgeroffel, dappere, koene, blijmoedig in den strijd gaande, trouwe, brave broederscharen , getrouwe strijdrossen , op vestingmuren geplante zegevanen , triomfeerende dubbele arendenquot; en dergelijke benoodigdheden der oude veldslagcomedie opeengehoopt — dat het nu ook eens geen kwaad kon de stemmen te verzamelen , die de achter deze tooneeldecoraties verborgene gruwelen van haat en dood en pest en vertwijfeling aanklagen en de stralende beelden van den zoeten vrede bezingen. Zoo vereenigd zouden deze liederen in een krachtig woord samenvloeien, dat het evangelie der eendracht, waarvan onze dichters een voorgevoel hebben , tot op verre afstanden zou verkondigen.
Onder die soort van gedichten heeft ook het volgende — van Theodore de Banville — mijne aandacht getrokken en is mij in de gedachte gebleven. Er ligt zulk een schoone diepe zin in. Die dichter verhaalt in de eerste strofen, hoe hij eens op eenen zonnigen, helderen morgen op een vroeger slagveld eenen kleinen vogel gadesloeg, die zich op den rand van een gesprongene granaat zette en welgemoed het daarin verzamelde regenwater dronk. »Ach ik begrijp,quot; roept de beschouwer, door dit tooneel opgetogen, uit en gaat dan aldus voort;
Ill
Je comprends enfin ó prairie,
Sous ton beau ciel serein ,
Ceux qui font la rouge tuerie Ne l\'auront pas faite pour rien.
Je disais parfois, je l\'avoue,
Pensant k ce qui nous est cher,
A quoi sert ce canon qui troue Toutes ces murailles de chair?
A quoi bon tant de meurtrissures Et sous la noitraille de feu ,
Toutes ces lèvres des blessures Que l\'on entend crier vers Dieu ?
Guerre, il faut que tu me révèles, Pourquoi tes coursiers en clietnin Foulent des débris de cervelles Oü vivait le genre humain.
Oui je parlai ainsi, poète,
Ayant en souverain mépris La bataille, sinistre fête,
Mais a présent j\'ai tout compris:
Non, ce hideux massacre, oü Thomme Egorge rtiomme sans remords,
N\'était pas inutile, en somme,
Puisque les amas des corps morts,
Tant de dépouilles méprisées,
Ces pales cadavres cloués A terre, ces têtes brisées,
Tous ces affreux ventres ouverts,
m
Aboutissent h quelque chose ,
Car, s\'éveillant, ö mes amis,
Sous le regard de l\'aube rose Ce champ plein de morts endormis,
Ge charnier de deuil et de gloire,
Au souffle pestiiemiel,
A la fin sen !i faire boire Un tout petit oiseau du ciel.
Ja. — daarvoor was het goed, het gelieele slachters-feest, dat een kleine vogel uit de bom kon drinken. Met deze tegenstelling drukt de den oorlog veracluende dichter zoo treffend de wanverhouding aan , die tusschen de offers en de uitkomsten van den oorlog bestaat. Het vroolijke vogeltje is natuurlijk maar een illustratie der dichterlijke gedachte. Maar inderdaad, ook de verworvene ordelinten, de overwinningsberichlcn, de veroverde provinciën, zijn slechts eene geringe vergoeding voor het vergotene harte-bloed, voor de schedels onder de hoeven rier paarden vertrapt , voor al de verwoesting en vernieling. En moge al de ijdelheid, de roes van den room de eene der oorlogvoerende partijen kunnen troosten — wat blijft er over voor de andere, die bij gelijke smarten, gelijke offers, ook nog de vernedering dragen moet; wat blijft er anders voor haar over dan de troost van het wraakzweren ? De gevoelens die beide tegenstanders bij het begin van den strijd bezielen, moeten zich na zijne beslissing lucht geven — hier in triomf, daar in haat. Daarmede is dan gelukkig weer het zaad voor een nieuwen oorlog uitgestrooid. De herinnering aan 1870—71 zou op zichzelve reeds genoeg zijn om de Franschen tot eenen veldtocht tegen Duitsch-land aan te vuren. De haat, die tusschen twee beschaafde natiën een onding is , wordt door de krijgsgebeurtenissen
113
eerst gerechtvaardigd. Het spreekt van zelf, dat a! het
overmoedige stoffen op behaalde overwinningen, alle uitdrukkingen van geringschatting, alle lasteringen enz. die in oorlogstijd de ronde doen, wanneer zij niet met de wapenen gewroken kunnen worden als bittere debetposten in het revancheboek der overwonnenen opgeteekend worden. Gelukkig verbleeken vele dier wraakposten door den invloed van den tijd; de wrok schrijft met roetzwarte maar spoedig vervluchtigende teekens.
In welke verlegenheid moet de nGod der heirscharenquot; zich niet bevinden, wanneer Hij de tegenstrijdige wenschen wilde verhooren , die uit de beide veldgodsdienstoefeningen opstijgen ; van een dank-Te-üeum kan Hij ten slotte in ieder geval verzekerd zijn, ot de overwinning aan deze of aan gene zijde gevierd wordt.
Het ingrijpen van het geweld tot beslissing van het recht is zoozeer met het algenieene rechtsgevoel in tegenspraak , dat men zulk een ingrijpen, wanneer het in persoonlijke aangelegenheden te pas wordt gebracht, terstond tegengaat. Reeds wordt op het duel de wel toegepast en begint het uit te sterven; familie-veeten, die vroeger op verscheidene opeenvolgende geslachten als eene erfenis overgingen en tusschen twee huizen van moord en vervolging eenen eereplicht maakten, zijn over het geheel genomen reeds verdwenen ; alleen tusschen geheele volken, die elkander niet het minste leed aandeden, die elkaar volstrekt geenen haat toedragen , wordt nog dikwijls een reuzenstrijd aanbevolen. Alles wat anders in op zichzelve staande gevallen als eene zware misdaad gestraft en geschuwd wordt, ziet zich plotseling tot wet verheven: moord, roof, brandstichting , vernieling worden tot plicht gemaakt. Daartegen moet ieder oprecht tot zichzelf inkeerend gemoed zich verzetten en er blijft voor den man van beschaving die te velde trekt — afgezien van de vreugde over de hem wel-i. z. 8
114
liclit besclioren voordeelen van onderscheiding en bevorde-).jng — slechts de troost over: sliet moet zoo zijn.quot; Zeker, het moet zoo zijn , want indien het niet moest wezen, zou het niet zijn. Doen wij dus getroost onzen plicht. Maar bij de bewering, dat oorlogen noodzakelijk zijn, dient men het volgende wel in het oog te houden, liet »moetquot; wortelt niet in de rechtmatigheid van het oorlogvoeren zelf, niet in eene natuurwet die onafgebroken den eenen mensch tegen den anderen aanhitst, maar ontstaat uit een andere alge-meener wet, volgens welke namelijk alles wat uit oude tijden tot ons gekomen is, al mist het ook tegenwoordig alle recht van bestaan , zulke vaste en wijdvertakte wortels heeft geschoten , met zoovele levensvoorwaarden vergroeid is, dat het zoolang het zijne werkkracht behoudt, ook werken m o e t. De oorlogstoestand is eene levensfunctie die het inenschdom van de allereerste tijden af heelt door-loopen en nog zijn hare organen werkzaam en zullen eerst afsterven, wanneer zij in hunne omgeving al minder voedsel , al minder gelegenheid tot oefening vinden.
Mijn vertrouwen reikt zelfs nog verder. Ik betwist niet alleen. dat er altijd oorlogen moeten zijn, maar ik ben veeleer overtuigd, dat een dringend »moetquot; de waarborg is, dat zij eenmaal zullen ophouden. Alles streeft naar evenwicht. Gerechtigheid nu is het evenwicht der feiten, liet onrecht kan ontstaan, bestaan kan het niet. Overeenkomstig die wet hebben wij — in het korte tijdperk onzer historische ervaring — reeds na elkander vele schijnbaar onwankelbare instellingen zien verdwijnen: slavernij — godsdienstvervolging — pijnbank enz. — Waarom zou de oorlog alleen — dat kort begrip van ongerechtigheden — weerstand kunnen bieden? Onmogelijk.
Iedere menschelijke instelling, die met een organisme vergeleken kan worden, is uit een rechtsidee ontstaan. De overtuiging, dat iets «rechtquot; is, is om zoo te zeggen de levenskiem der meeste
115
zeden en geboden. Eigen haard te verdedigen tegen den inval van den roover — onverschillig of hij leeuw, tijger of mensch heet — is in ieder geval een recht en dat was de wortel van alle oorlogen. Den alleenzaligmakenden godsdienst door alle middelen te verbreiden is eene rechtvaardige zaak — want wat beteekent het beetje aardsche lijden bij de eeuwige zaligheid ? Deze gedachte kan als de wortel van alle buitensporigheden der onverdraagzaamheid beschouwd worden. Daar nu echter de ontwikkeling van het menschelijk verstand den twijfel aan dat salleenzaligmakendequot; heeft opgewekt, werd deze twijfel de kiem der vernietiging van het geheele, uit de onverdraagzaamheid opgegroeide stelsel van vervolging. Evenzoo kunnen wij aannemen , dat ook aan het organisme van den krijg de vernietiging reeds knaagt, want het overvallen van eigen haard door roovers heeft opgehouden tusschen bescliaafde natiën een grond voor verdediging te zijn, omdat haar ontwikkelingsgang onmiskenbaar niet op bestrijding maar op vereeniging van alle belangen gericht is. Zopdra maar in het openbare bewustzijn eene zaak als onrechtvaardig is erkend, gaat zij hare, misschien langzame, maar zekere oplossing tegemoet. Hecht en onrecht zijn weliswaar op zichzelve positieve toestanden van evenwicht en overwicht der dingen , maar de onderscheiding van het recht hangt van den graad der verstandsontwikkeling af; vandaar dat in de onwetendheid en in deze alleen, niet in het gebrek aan het gevoel voor recht, de oorzaak te zoeken is van al liet beslaande onrecht.
Eene de nevelen verdrijvende zon gelijk, stijgt langzaam en majestueus het licht der kennis aan den horizon van het mensclielijke inzicht omhoog en drijft alle monsters die in de duisternis huisden, op do vlucht. De menschenolïers, de door morsigheid gevoede epidemieën , de folieringen, de geweldenarijen der despotische woestaards, de geloofs-vervoluingen, dat alles werd door die zonnestralen ver-
116
dreven en ook de oorlog, dat machtigste aller schrikbeelden , zal de andere volgen.
En wie zal om het verscheiden van den oorlog wel eenen traan storten? In zijne stervensure zeker maar weinigen. Want hij zal dan eerst sterven, wanneer hij geene reden van bestaan meer zal hebben. Tegenwoordig zou er waarschijnlijk nog een vreeselijke jammerkreet worden aangeheven, wanneer de krijgsgod van zijn voetstuk viel. Zijne priesters, zijne zangers en zijne aanhangers zouden gelooven, dat met hem ook al de schoone dingen verloren waren, waarmee de afschuwelijke god zich bij voorkeur tooide : lauweren, ridderkruisen, zegekransen, en dat alle edele gevoelens en deugden, die in zijnen dienst geschitterd hadden; opoffering, geestdrift, rechtschapenheid , eerzucht en mannenmoed, moesten afsterven.
De kortzichtigen! Voor éen veld van eer zijn er wel tien. Bestond er in oude lijden — of tegenwoordig ook bij wilde volken — maar éene gelegenheid om zich te onderscheiden , die van den oorlog, thans bieden zich dagelijks nieuwe kansen om lauweren te plukken aan. In techniek , kunst, weienschap, weldadigheid, overal wenkt de eerzucht een schooner doel dan op de slagvelden. Ik wilde liever Edison heeten dan Hannibal, liever Peabody dan Radetzky, liever Newton dan Wellington. Eens heeft ook de geschiedenis, toen de geschiedschrijvers zeiven door den oorlogs-geest bezield waren, den roem der krijgshelden het luidst uitgebazuind , en die eeuwen achtereen tot ons overgebla-zen klanken hebben den waan geschapen , dat de oorlogsdaden de hoogste en gewichtigste zijn. Maar dat zal ook anders worden. De nieuwere geschiedschrijvers, de jongeren van Buckle, Cumte, Scherr, zullen belangrijker daden hunner tijdgenooten opteekenen dan hunne verschillende gevechten en veldslagen , daden welker sporen niet door het eerstvolgende gevecht, den eerstvolgenden veldslag uitge-wischt worden, maar die tot in lateren tijd nawerken,
117
steeds groeiend en vruchtdragend; dan zullen dus niet langer slechts militaire kronieken en beraadslagingen op conciliën in de geschiedboeken opgeschreven staan , maar eene nauwkeurige opteekening van de elementen der beschaving, eene biologie van de ontwikkeling der menschheid. En dat tegenwoordig in zake van beschaving aan do oorlogen slechts een negatief gewicht toekomt, in zooverre zij stremmend tegen den gang der ontwikkeling optreden, spreekt vanzelf. De elementen welke de beschaving bevorderen , zullen het zijn, waaraan men voortaan het meeste gewicht, bijgevolg den grootsten roem zal toekennen. De ontdekkingen der wetenschap, de uitvindingen der werktuigkunde, de ver-eenigingen van liefdadigheid, de verbreiding der beschaving op afgelegene vastelanden , dat zullen de roemrijke daden zijn , welker kroniek de onderscheidene berichten van veldslagen zal overleven. Voor opoffering, geestdrift en mannenmoed is op al die gebieden , Gode zij dank , voldoende ruimte. Dapperheid is eene schoone zaak, wie zou het loochenen ? Wie om te redden zich in de vlammen van een brandend huis stort, verdient zeker veel lof; — dat het daarom ook gepast zou zijn , nu en dan onze huizen in brand te steken om den redder eene gelegenheid te geven zijnen moed aan den dag te leggen (evenals de afgezondene oorlogsverklaring het leger gelegenheid geeft zijne dapperheid te toonen) wil er niet goed bij mij in. In tijden van algemeenen vrede zal er toch ook geen gebrek aan toets-steenen voor den moed zijn. De strijd tegen de elementén die vaak vijandig tegen ons optreden , het bestrijden van ziekten en ellende vraagt ook zijne helden. Bergen laten springen , dammen opwerpen , branden blusschen , hospitalen bezoeken , genezen , helpen , — zijn toch zeker geene lafhartige daden Te strijden valt er altijd genoeg , ook zonderdat men elkander op commando bevecht. Ziekten, overstroomingen, lawinen, ellende, waanzin, wilde dieren
116
dreven en ook de oorlog, dat machiigsie aller schrikbeelden , zal de andere volgen.
En wie zal om het verscheiden van den oorlog wel eenen traan storten? In zijne stervensure zeker maar weinigen. Want hij zal dan eerst sterven, wanneer hij geene reden van bestaan meer zal hebben. Tegenwoordig zou er waarschijnlijk nog een vreeselijke jammerkreet worden aangeheven, wanneer de krijgsgod van zijn voetstuk viel. Zijne priesters, zijne zangers en zijne aanhangers zouden gelooven, dat met hem ook aldeschoone dingen verloren waren, waarmee de afschuwelijke god zich bij voorkeur tooide : lauweren, ridderkruisen, zegekransen, en dat alle edele gevoelens en deugden , die in zijnen dienst geschitterd hadden: opoffering, geestdrift, rechtschapenheid , eerzucht en mannenmoed, moesten afsterven.
De kortzichtigen ! Voor é e n veld van eer zijn er wel tien. Bestond er in oude lijden — of tegenwoordig ook bij wilde volken — maar éene gelegenheid om zich te onderscheiden , die van den oorlog, thans bieden zich dagelijks nieuwe kansen om lauweren te plukken aan. In techniek , kunst, wetenschap , weldadigheid , overal wenkt de eerzucht een schooner doel dan op de slagvelden. Ik wilde liever Edison heeten dan Hannibal, liever Peabody dan Iladetzky, liever Newton dan Wellington, Eens heeft ook de geschiedenis, toen de geschiedschrijvers zeiven door den oorlogs-geest bezield waren, den roem der krijgshelden het luidst uitgebazuind, en die eeuwen achtereen tot ons overgebla-zen klanken hebben den waan geschapen , dat de oorlogsdaden de hoogste en gewichtigste zijn. Maar dat zal ook anders worden. De nieuwere geschiedschrijvers, de jongeren van Buckle, Comte, Scherr, zullen belangrijker daden hunner tijdgenooten opteelienen dan hunne verschillende gevechten en veldslagen , daden welker sporen niet door het eerstvolgende gevecht, den eerstvolgenden veldslag uitge-wischt worden, maar die tot in lateren tijd nawerken,
117
steeds groeiend en vruchtdragend; dan zullen dus niet langer slechts militaire kronieken en beraadslagingen op conciliën in de gcschiedboeken opgeschreven staan , maar eene nauwkeurige opteekening van de elementen der beschaving, eene biologie van de ontwikkeling der menschheid. En dat tegenwoordig in zake van beschaving aan de oorlogen slechts een negatief gewicht toekomt, in zooverre zij stremmend tegen den gang der ontwikkeling optreden, spreekt vanzelf. De elementen welke de beschaving bevorderen , zullen het zijn, waaraan men voortaan het meeste gewicht, bijgevolg den grootsten roem zal toekennen. De ontdekkingen der wetenschap, de uitvindingen der werktuigkunde, de ver-eenigingen van liefdadigheid, de verbreiding der beschaving op afgelegene vastelanden , dal zullen de roemrijke daden zijn, welker kroniek de onderscheidene berichten van veldslagen zal overleven. Voor opoffering, geestdrift en mannenmoed is op al die gebieden , Goile zij dank , voldoende ruimte. Dapperheid is eene schoone zaak, wie zou het loochenen ? Wie om te redden zich in de vlammen van een brandend huis stort, verdient zeker veel lof; — dat het daarom ook gepast zou zijn , nu en dan onze buizen in brand te steken om den redder eene gelegenheid te geven zijnen moed aan den dag te leggen (evenals de afgezondene oorlogsverklaring het leger gelegenheid geeft zijne dapperheid te toonen) wil er niet goed bij mij in. In tijden van algemeenen vrede zal er toch ook geen gebrek aan toets-steenen voor den moed zijn. De strijd tegen de elementen die vaak vijandig tegen ons optreden , het bestrijden van ziekten en ellende vraagt ook zijne helden. Bergen laten springen, dammen opwerpen, branden blusschen , hospitalen bezoeken, genezen , helpen , — zijn toch zeker geene lafhartige daden Te strijden valt er altijd genoeg, ook zonderdat men elkander op commando bevecht. Ziekten, overstroomingen, lawinen, ellende, waanzin, wilde dieren
418
en wilde menschen — dat zijn allen vijanden wier bestrijding heelwat strijdlust bevredigen kan.
Slechts die strijd is rechtvaardig, waarin de zegepraal eene ^stellige winst oplevert, die niet door eene even stellige schade wordt opgewogen. Wanneer b. v. de pest-epi-demie door bestrijding onderdrukt wordt — zooals in 1879 te Wetljanka door eene internationale samenwerking geschiedde — dan is, die overwinning eene stellige winst die niemand benadeelde. Wanneer echter een milliard in een land gewonnen wordt, maar het moet uit het andere land gehaaid worden, dan is de winst slechts denkbeeldig — of tenminste even onrechtvaardig als wanneer ik een goudstuk uit .lans rok in den mijne goochel. Een braakliggend stuk land op een onbewoond eiland is, wanneer eene kolonie het ontgonnen heeft, eene stellige winst en een buit die de gevaarlijke zeereis voldoende beloont, maar eene provincie, die nu op de landkaarten met groene in plaats van roode kleur is afgezet, levert geen wezenlijk voordeel op; want al viel zij den overwinnaar ook ten deel, zij ontbreekt toch in de schatten van den overwonnene, evenals Jans goudstuk in zijnen zak ontbroken zou hebben, wanneer ik het geroofd — ik wilde zeggen — veroverd had. Het voordeel voor den eenen, dat op de schade van den anderen berust, is zoozeer met alle gevoel van recht in strijd , dat tallooze wetsbepalingen tegen zulk maken van winst gericht zijn. Ook in de handelswereld heeft zich het feit bewaarheid, dat de winst der eene contracteerende partij volstrekt niet van het verlies der andere afhangt , maar dat integendeel slechts dat eene handelszaak genoemd raag worden, wat beide partijen voordeel geeft; zoodra eene van beide schade lijdt, dat is sgefoptquot; wordt, heet de handel geen zakendoen meer maar bedriegerij.
De uitkomsten die door den oorlog tusschen twee even beschaafde volken verkregen worden, kunnen nooit eene
119
positieve winst opleveren voor de zaak der algemeene lie-schaving Want dat dit stuk land iiier of daar helioort , dat deze generaals bevorderd werden en grootkruisen bekwamen en die voor eenen krijgsraad gebracht werden, kan voor het geheel toch onmogelijk een voordeel zijn. Maar wel is de schade aan beide zijden der strijdende partijen en in hare gevolgen ook voor de onzijdige buren van stel-ligen aard. De vernietigde arbeidskrachten , de gestremde nijverheid, de vernielde gebouwen en kunstverzamelingen , de schadelijke dampen die noodzakelijk uit de opeenhoopin-gen van lijken zich moeten ontwikkelen , dat alles veroorzaakt onloochenbare, wiskunstig zekere en algemeen nawerkende verliezen , die in geene verhouding tot de afzonderlijke winsten staan.
De generaal die met goed gevolg eene vesting heeft bestormd — den eenen of anderen onbeduidenden steenhoop, die bij de onderteekening van het diplomatische vredes-tractaat misschien weer ontruimd moet worden of op wiens linnen bij den volgenden veldtocht waarschijnlijk weder een andere vaan waait — moest bij zijn bericht van de behaalde overwinning: sArdahan, — of Kars, of Metz, ot Ollmütz, of hoe dat bolwerk moge heeten — ligt aan de voeten Uwer Majesteitquot; ook dit naschrift voegen : «Tevens heb ik tien gros typhus-miasmen en een paar dozijn cholerakiemen besteld; ook is aan het land reeds voor het volgende jaar eenen behoorlijk mislukten oogst met hongersnood toegezegd.quot; Wie weet of het bericht der zegepraal dan wel in alle «vaderlandsche gouwenquot; met zulke blijde dankdagen gevierd zou worden.
Als mijn buurman , graaf R, met wien ik onlangs in den geest over vooruitgang gedisputeerd heb, mij zoo hoorde spreken, zou hij mij stellig weer van anarchistische gevoelens belichten en zich in naam van het geheelc leger beleedigd achten. Hij zou waarschijnlijk niet begrepen heb-
120
ben, dat in mijne summiere veroordeeling van een stelsel daarom nog niet de vertegenwoordigers van eenen door dit stelsel te voorschijn geroepen stand begrepen zijn. Zelf ben ik immers de zoon van een veldmaarschalk-luitenant van het Oostenrijksche leger en heb ik in 1866 als vrijwilliger in Roheme medegevochten. Daarom moet ik er verre van af zijn de soldaten te minachten. Mijne brave, arme Oostenrijksche broeders die ik aan mijne zijde zag vallen — en mijne brave , arme Duitsche broeders, die aan de overzijde in de vijandelijke gelederen vielen — en gij allen mijne brave menschenbroeders , die op Fransche en Russische en Italiaansche slagvelden zijt gebleven — voor u allen laat ik groetend den degen zakken. Uw aandenken , het aandenken van uwen dapperen offerdood zou ik met geene schaduw van eene minachtende gedachte willen beleedigen, — maar van de barbaarsche zede, wier dwingend geweld ons tegen elkander loslaat en ons zulke den mensch onwaardige plichten oplegt, van haar mag ik luide bekennen, dat zij mij met afschuw vervult.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
Pauze. — Droomerij en droom. — Aan niets denken.
Dat was me een dissertatie van langen adem! Ik ben er zoowaar moede van en moet mij als rustpunt een hoofdstuk gunnen , dat ik met niets vul. Dat wil zeggen met niets geordends, samenhangends ... eenvoudig een loslaten van de teugels der gedachten.
Ik ben immers alleen met mijzelven. Of ik nu bij den haard zit en in de vlammen tuur, of hier aan de schrijftafel en in mijne eigene ziel rondzie, hel doet er niet toe, toch kan ik mij ongehinderd aan die gemakkelijke houding
121
overgeven, die voor het lichaam hierin bestaat, dat men achterover in eenen zacht bekleeden armstoel ligt en voor
den geest in eene doellooze droomerij. Half slaap, half poëzie, half bewusteloosheid ... Een vurig verlangen naar men weet niet wat, voorstellingen van nooit geziene dingen, luisteren naar eene uit gevoelens klinkende muziek, een wiegen en schommelen op een rythmisch aan-niets-denken. Zeker gaat het moeilijk met woorden — dat kruipend gedierte — achterna te komen, wanneer de gedachten — die ethervogels — zich in de wolken der fantasie verheffen. Dat golft en trilt en wentelt, een dans van phospho-resceerende atomen. Dat alles heeft geenen naam; het openbaart zich ook niet op eene voor de zinnen waarneembare wijze; het geeft geen licht, het geeft geenen klank , het laat zich slechts denken. Tevergeefs zou men die microideeën met de vraag »wat\'.\'\'\' naderen, Zij zijn, maar wat ze zijn, dat zeggen zij niet... misschien einbryonen van nog ongeborene begrippen ? ...
Van de droomerij tot den droom is de afstand niet ver. Worden in de eerste de teugels der gedachte slechts opzettelijk gevierd, in den laatsten gaan de dingen werkelijk door, van alle bestuur, d. i. het bestuur van den bewusten wil ontslagen. Dat geeft dan een verward getier. Het is bepaald onmogelijk met de wakende begrippen ook slechts te verstaan, wat de droomende gedachten verzinnen. Ik weet niet of het anderen ook zoo gaat, maar bij m ij n droomen gaan denk- en gevoelvermogens zoo vreemd te werk, dat ik in wakenden toestand geen gepaste voorstellingen — veel minder woorden — daarvoor kan vinden. Terwijl ik insluimer of in eenigszins onrustige nachten, wanneer ik telkens wakker word en van de eene op de andere zijde ga liggen, en bovendien van een duister besef vervuld ben, heb ik dit verschijnsel waargenomen, maar ben dan nooit in staat geweest naderhand, wanneer ik
122
klaar wakker was, mij al wat ik ondervonden had weer duidelijk voor te stellen. Bij herhaling besef ik , terwijl ik half slaap, dat de bij mij opkomende gedachte onzin is, een wanbegrip — maar in de volgende seconde overmeestert ze mij weer. liet pas gelezene boek, eene \'s avonds gehoorde melodische of gesprokene phrase speelt doorgaans een eerste rol in onze valsche begrippen , maar zoo verkeerd , zoo met andere tegengestelde dingen vermengd, dat het volstrekt geen wezenlijke beteekenis meer heeft. Het valt mij moeilijk een voorbeeld aan te halen, want woorden zijn er niet voor deze mislukte producten van dooreen-geschudde gedachten; maar ongeveer b. v. zoo: Een uit lucifers geschreven brief, die op de nachttafel op de melodie van den Faust-wals zichzelven leest, is tegelijk identiek met eene lichte pijn in mijne knieholte, en mijn dek moet weggeschoven worden om het van de zoldering afhangende schaakprobleem op te lossen.
Ik verklaar mij dit op de volgende wijze: de in de hersenen fladderende losse gedachten en indrukken draaien zoo vreeselijk snel door elkander, dat zij geheel onbegrijpelijke figuren vormen, liet wakende verstand en ook de taal zijn gewoon alleen de bijeenbehoorende dingen te groepeeren, te begrijpen en uit te drukken. De in den droom opeen-geworpen ideeën echter onttrekken zich aan het woord, ongeveer zooals een geschudde kaleidoscoop zich aan de photographische opneming zou onttrekken. Beweging is het groote wachtwoord van alle verschijnselen in de stoffelijke en geestelijke wereld ; en zoo vind ik ze ook in mijn verward klein rijk der droomen terug, die eerste oorzaak aller dingen. De denkbeelden die zich in ordelijken samenhang aaneensluiten, vormen de verstandige begrippen van den geest in wakenden en gezonden toestand ; de denkbeelden echter, die uit hunne vormen losgemaakt, met de vrijheid der moleculen dooreenkrioelen, stijgen aan een
123
nevel gelijk uit onze slapende hersenen als droomen op of uit onzen gestoorden geest als waanzin.
Hoe komt het, dat wij de oojenblikken, waarin het denkende Ik zichzelf niet beschouwt, bestuurt noch herkent, niet tot ons leven rekenen , hoewel alle overige levensverrichtingen daarbij toch onafgebroken werkzaam blijven? Is dat geen bewijs, dat het bewustzijn, het zoogenaamde «zelfquot; eene hoogere levenskracht is, dan het eenvoudige levend-zijn? Ook de biologische verschijnselen hebben hunne ladder. Zij beginnen bij de ademhalende plant, bij het schaaldiertje en bereiken hun hoogste punt in het mensche-lijke «Ik benquot;. Maar omdat wij van geene ladder de laatste sport zien, moet ook hier nog eene hoogere en hoogste toeneming des levens beslaan. Misschien iets waarvan de Indische wijzen een duister voorgevoel hadden, wanneer zij van het »atmanquot; leeraarden , van het allesomvattende subjectieve jzelfquot;, en meenden de gelukzaligheid te veroveren door zich daarin te verdiepen ... of datgene wat ook wij slechts vermoeden . .. wat wij vol verlangen en eerbied slechts met eenen gestamelden naam noemen : — God ...
Maar hoe hoog klim ik op ? Ik wilde dit hoofdstuk met «nietsquot; vullen en nu ben ik bij het tegengestelde van het »Nietsquot; aangeland, bij het de wereld vervullende Alles. Atman en Nirwana liggen naast elkander. Voor de droomen staat immers de geheele wereld open. Weliswaar slechts eene wereld die om het middelpunt van het kleine Ik schijnt te draaien — maar wat daar alzoo in bont gewoel voorbij waggelt: zwevende gestalten — fabelachtige landen ... en een smachten, vragen — een onbestemde weetgierigheid — een gloeiend bang verlangen naar liefde, een .. . neen, dat laat zich niet beschrijven. Dan leunt men met het hoofd tegen de sluimerrol — sluit de oogen — luistert zuchtend naar het kloppen van zijn hart — en laat de pen uit de vingers glijden .. .
124
DERTIENDE HOOFDSTUK.
Reis door mijne bibliotheek. — liet werk der critiek. — Eeredienst der klassieken. — Mijn hartstocht voor de actualiteit. — Verlawjlijst van boeken.
Bij het inventarjseeren der liezitlingen mijner ziel moet ik ook aan de goudmijn denken , waaruit mij mijn helderste inkomen is toegevloeid en waarin nog altijd nieuwe schatten voor mij beschikbaar blijven: ik wil zeggen — mijne lieve boeken. Natuurlijk kan ik dat kapitaal niet als mijn eigendom beschouwen, maar ik verblijd mij in het vruchtgebruik. Ten slotte is toch alles, wat een enkele weet en denkt, slechts de geestelijke inbezitneming van een klein , onnoemelijk klein deel der interesten welke het gezamenlijk kapitaal der algemeene schatten van den men-schelijken geest afwerpt.. En hoe weinigen onzer is het vergund bij den universeelen rijkdom een muntstuk met onzen eigenen stempel te voegen.
Kik boek bevat de in éen middelpunt samenkomende weerkaatsing van alle boeken die zijn schrijver ooit gelezen heeft. En daar deze laatsten op hunne beurt ook weer uit zulke weerkaatsingen bestaan , breidt de verwantschap van elk werk zich tot het geheele gebied der letterkunde uit en klimt zijne afstamming tot de eerste beschrevene perkamentrol op.
Mijne dierbare kleine boekerij ! Daar staat ze dicht aan mijne linkerzijde, naast de schrijftafel, ik moet mij nog eens het genoegen doen de vertrouwde rugtitels op te lezen. Overigens is er ook niet veel orde of stelselmatigheid te vinden. Geene rangorde of bijeenvoeging van het gelijksoortige — eenvoudig een ongedwongen gezelschap van ge-noodigde vrienden. Want hier zijn slechts mijne lievelings-
125
boeken en alleen dezulke die ik werkelijk lees of nog eens lezen wil. Ik heb nog ergens in huis eene boekenkamer, hoogdravend bibliotheek genoemd , daar komen alle gedrukte oude eerwaarde heeren in — de geheele voorraad geërfde, bij gelegenheid gekochte, ten geschenke gekregen, toegezonden boeken en brochures, woordenboeken , spraakkunsten , tijdschriften enz., die zich in den loop des tijds in een huis plegen op te hoopen. Daar zijn ook zeer lezenswaardige werken onder, maar werken waarvan het genoeg is te weten , dat men ze bezit en, dat men ze later misschien — eerlang eens — zeker bij gelegenheid — ook nog zal lezen.
Verder zijn naar deze bibliotheek alle vakboeken verbannen , die eene stomme kroniek opleveren van mijne verschillende levensrichtingen en de liefhebberijen die ik bij de hand heb gehad : scheikunde, wiskunde, tuinbouw, schaakspel , landhuishoudkunde , werktuigkunde, handelswetenschap , wapenkunde , teekenscholen, piano- en viool-methodes — heb ik dat alles dan werkelijk aangepakt, door den wensch bezield de zaak eens grondig te beoefenen of zelfs ten volle overtuigd , dat ik thans mijne eigenlijke roeping ontdekt had? liet schijnt bijna zoo, want waarom zou ik mij anders al die werken in zulk eene aanzienlijke hoeveelheid aangeschaft hebben ? liet is een eigenaardig naïeve ijver, waarmede men — wanneer men voor het eene of andere vak van menschelijke wetenschap of kunst belangstelling heeft opgevat — alle mogelijke op het bedoelde vak betrekking hebbende methoden en geschriften wil leeren kennen en meent, dat met de aanschaffing eener massa bouwstoffen reeds de voornaamste schrede op de pasge-kozene baan gedaan is. Maar hoe vergist men zich daarin 1 Ja — alles wat op een zeker gebied geleerd, ondervonden en gearbeid werd, is wel volledig in het pakket boeken voorhanden en het schijnt daarom heel gemakkelijk het vlug
12Ü
meester te worden — maar hoe bedriegt men zich! De ervaring, de studie, de arbeid van vele jaren, welker uitkomsten iu een octavo deeltje in hoofdzaak opgenomen kan zijn — in weinige uren kan men het lezen, maar om in vollen eigendom op den lezer over te gaan moet hij het evenveel jaren doorgestudeerd, doorgewerkt en zoo mogelijk van buiten af ervaren hebben.
Nu, wanneer ik den inhoud dier vakboeken, aangeschaft met het doel om ze grondig door te werken , mij eigen wilde maken, zou ik , niet te ruim berekend , behalve een genialen aanleg voor ieder vak, zoowat zeven en dertig menschenlevens daarvoor noodig hebben, liet is werkelijk jammer, dat wij slechts zoo kort leven in verhouding tot den arbeid , dien de steeds vermeerderende leerstof om ons been verzamelt! Weliswaar zou bij eene gemiddelde verlenging van den levensduur die wanverhouding tusschen den tijd en den voorraad van kennis dien men kan opdoen, steeds dezelfde blijven. Want als nu eens plotseling twee-honderdnegentigjarige geleerden en vierhonderd jaar oude onderzoekers hunne ervaring in vaamdikke encyclopediën hadden neergelegd, dan zouden de arme studenten ook slechts met groote moeite na hun honderdste halfjaar bun doctoraal examen kunnen afleggen, s Pas honderd tachtig jaar oud,quot; zou men van eenen vlijtigen student zeggen, sen reeds tot doctor gepromoveerd. De jongen kan het ver brengen !quot;
Voorloopig laat ik dus mijne studiewerken in de groote bibliotheekzaal onder hunne dunne stoflaag rusten en keer hier tot mijn vertrouwd boekenplankje terug. De titels en de namen der schrijvers wilde ik eenvoudig aflezen en bij elk der boeken — die mij zooveel zeiden — nu ook een paar woorden zeggen. Eene critiek zal dat niet worden , namelijk in zooverre men onder critiek bet rechterambt verstaat, dat over het onderwerp een vonnis velt. Aan
127
zulk eene critiek behoort in het algemeen de enkele persoon zich slechts met voorzichtigheid te wagen, want krachtens welk gezag kan het door hem gevelde oordeel een eindvonnis zijn ? Wie voelt zich groot en gerechtigd genoeg om zijnen eigenen geest tot rechter over andere geesten te verhellen 1
De werken der kunst staan voor een algemeene rechtbank van gezworenen: eerst door de ballotage der stemmen van het levende geslacht en de nakomelingschap komt men tot eene rechtvaardige uitspraak.
Verstaal men echter onder critiek geen beslissend oordeel , maar eenvoudig de oprechte uiting van den ontvangen indruk, dan is tot de critiek in zulk eenen zin iedereen ten volle gerechtigd; want het is zeer natuurlijk , dat een ieder, zonder te vragen naar de betrekking waarin zijne bevoegdheid om te oordeelen tot den beoordeelde staat, mag zeggen ; sik denk daar zus en zoo over— het bevalt mij of het bevalt my niet,quot; of ook sik begrijp bet of begrijp het niet.:\' Al werd de indruk ook verzwegen, hij zou toch gemaakt zijn. Onverschillig of die indruk juist is of valsch, hij bestaat toch en heeft derhalve recht om zich te uilen. Of hij ook recht heeft om te vorderen, dat rnen er acht op slaat, is eene andere vraag. Gezag in critische uitspraken behoorde alleen aan de scherpste en onpartijdigste geesten toegekend te worden. Zegt iemand in alle oprechtheid : kGoethe vind ik zwak van geestdan kan men dien criticus niet van leugen beschuldigen, want het is inderdaad zoo; Goethe vindt hij zwak van geest. Die uitspraak benadeelt echter den geest van Goethe niet, want zij bewijst niets anders, dan dat de spreker zelf zwak is van geest. De algemeene jury die ik bedoel, waaruit de ware critische beslissing vanzelve ontstaat, is juist de verzameling van alle persoonlijke meeningen, van alle meest uiteenloopende in dezelfde
128
vaas door elkander geworpen oordeelvellingen, die onderling strijd voeren. De uitspraken der zwakken van geest gaan daar als gebrekkigen barer soort natuurlijk ten onder, al zijn zij ook in de meerderbeid; de uitspraken der seherp-zinnigen vermeerderen zich en breiden zich uit; de blaam verstikt den lof of de lof verstikt de blaam, al naarmate deze of die van de beide strijdende machten bet recht aan hare zijde heeft, en zoo wordt eindelijk, geheel buiten den smaad of den opgeschroefden lof der afzonderlijke recensenten om, het te beoordeelen kunstgewrocht naar zijne werkelijke waarde gecritiseerd. — Onder werkelijke waarde versta Ik niet zoozeer de volstrekte schoonheid van een werk, maar veeleer zijne gelukkige overeenstemming met de omringende toestanden. Hier zooals overal beslist de kring waarin bet zich beweegt. Een boek, dat in een zeker land en in eenen zekeren lijd een ongehoord opzien baart, zou onder andere omstandigheden en in een ander tijdperk mis-schien geheel verdwijnen. Desalniettemin blijft zijn roep, zoodanig als hij is, gerechtvaardigd en gegrond, omdat de rechten en gronden, die dezen veroorzaakten, in werkelijkheid bestaan hebben.
Tegen de rechtvaardigheid van den roem bij het nageslacht doet zich allicht het bezwaar op, dat de lof, die over een sedert lang gewaardeerd werk in omloop is, tot zijne werkelijke waarde niet in gelijke verhouding staat als de lof, die aan een nieuw werk wordt toegezwaaid. Wanneer b. v. een hedendaagsch drama op eene lofgrootheid van — laat ons zeggen — zes lofeenheden kan wijzen (overeenkomstig het tegenwoordige streven om overal equivalenten in de berekeningen in te voeren, neem ik de vrijheid, evenals men warmte-eenheden en arbeids-eenheden aanneemt, ook eene fictieve kunstwaarde naast haar critiek-equivalent aan te nemen) dan vinden wij voor hetzelfde gewicht der waarde bij Shakespeare eene lofgrootheid van — zeggen
129
rtij — zeshonderd lofeenheden. Daardoor kan men geenszins liet bewijs leveren, dat de waarde van Shakespeare soortelijk zwaarder weegt dan de hedendaagsche, evenmin mag men daarom aan het critisch vooroordeel verwijten, dat het in dit geval eene rekenfout — eene door twee nullen uitgedrukte onbillijkheid — begaat, — maar men moet daarbij in het oog honden, dat de lof — evenals zoovele andere dingen — eene versnellende en ophoopende beweging heeft, zoodat dientengevolge een sedert drie eeuwen geprezen kunstenaar natuurlijk eene erkenning geniet, ilie tot zijne waarde in eene geheel andere verhouding moet slaan, dan de som van den lof dien een tijdgenoot bij gelijke verdienstelijkheid kan verworven hebben. Jlot de stemmen der kenners paren zich in den loop des tijds de stemmen der napraters; er ontstaat, beroemdheid, eindelijk classiciteit, de lof der massa\'s wordt dan met zooveel geweld met steeds toenemende kracht voortgesleurd, dat er om de namen der zoogenaamde klassieken ware lawinen van bewondering ontslaan. Had men eerst een nauwkeurig meetwerktuig voor de critiek gevonden en was men in staat te berekenen hoeveel met de vierkanten der afstanden de kracht van den lof toeneemt, dan zou men het bedrag der schijnbare wanverhouding tusschen waarde en lof kunnen bepalen en na de aftrekking zou er toch altijd weer eene wiskunstig zuivere crilische uitkomst overblijven.
liet oordeel over den persoon eens kunstenaars, dat het resultaat is van duizend en nog eens duizend oordeelvellingen, doet zich, zoodra een kunst-criticus het in beknopten vorm voordraagt, als een geheel voor, dat kant en klaar uit den critischen zin van dien beoordeelaar voortgekomen is en ook kant en klaar in den zin zijner hoorders of lezers moet overgaan. Maar dat is eene dwaling, lin die dwaling is het, welke de recensenten verleidt over nieuwe kunstproducten een allesomvattend eindoordeel uit te spre-i. z. 9
130
ken, omdat zij in den waan verkeeren, dat hunne critieb aan het lieoonieelde werk onherroepelijk de daaraan toegedachte plaats in de openbare meening kan aanwijzen. En toch kan de afzonderlijke criticus niets anders doen dan een of meer meeningsalomen in den strijd zenden, waaruit dan de zoogenaamde «openbare meeningquot; als een geheel te voorschijn treedt, die geene zichtbare sporen meer vertoont van de atomen, uit welker opeenhooping zij samengesteld is.
Ik zou geen criticus willen zijn — het is een gevaarlijk ambt In volle oprechtheid zegt men soms van een eersibe-ginnend leiterkundige «de arme vent is een stumperdquot; en zie, een twintig jaar later blijkt het, dat hij een dichter-heros was en men wordt niet zijne critiek en al onder hel marmer van hel pas omhulde gedenkteeken verpletterd. Of men begroet een nieuw, ontluikend genie, voorspelt hem wereldberoemdheid en lauwerkransen — en na eenigen tijd is de naam van dien zoo hoog geprezene glad vergeten. Voorbeelden van dergelijke gevallen zouden gemakkelijk uit de meeste levensbeschrijvingen van kunstenaars aangevoerd kunnen worden. En dat geldt niet alleen met betrekking tot onbekende recensenten — de grootste geesten staan bij de beoordeeling van andere geesten aan diezelfde dwaling bloot, liet oordeelen geschiedt zoo opeens, zoo onwillekeurig en gemakkelijk, dat er eerst heelwat nadenken noodig is om de juistheid van dat oordeel te betwijfelen en de motieven waaruit het ontstaan is, na te sporen. Wij slaan de oogen op en zien den sterrenhemel. Met dien blik hebben wij ook reeds eene voorstelling in ons opgenomen en een oordeel erover geveld. 01\' wij openen een boek: het geestesoog ziet en beoordeelt den schrijver. Maar evenmin als wij ginds alle sterren hebben waargenomen, konden wij hier alle eigenschappen van den schrijver opmerken. In beide gevallen hangt het van onze lichamelijke en geestelijke scherpzichtigheid at\', in hoeverre onze voorstelling degege-
131
vene werkelijkheid nabijkomt. En zoo komt het, dat er veie veroordeelende critieken over groote voorthrengseien zijn uitgebracht, die bij alle oprechtheid toch niet meer waarde hebben dan 1). v. de meening van eenen mol over zonnevlekken. Voor mijne eigene critiek in het bijzonder koester ik een schuw wantrouwen, want menigmaal heb ik ondervonden , dat ik een boel;, een schilderstuk, eene opera in gemoede nietszeggend vond en later, bij rijper oordeel of na een dieper indringen in de zaak, hunne schoonheden eerst opmerkte — eenvoudig omdat niet het veroordeelde voorwerp «nietszeggendquot; maar ikzelf slechts tnietshoorendquot; geweest was.
Oordeel is eene weerkaatsing. De critici beschouw ik slechts als kleine spiegels, die zich met veel drukte om een groot lichtverschijnsel groepeeren en vol aanmatiging hun teruggekaatst beeldje aan de wereld toonen: » —■ Ziet hier, zoo ziet dat verschijnsel eruit.quot; Nu zijn er echter onder die spiegeltjes niet alleen glad gepolijste, maar ook doffe, hoekige, beslagene, zelfs zeer mismakende scherven. Ik zal mij daarom wel wachten, van u, groole geesten, die mijne boekenplank versiert, te zeggen: «Zoo zijt gij,quot; ik kan slechts zeggen : — «Zoo zie ik u.quot; Dat kan niemand mij beletten — ik geef daarmede niet u, alleen mijzelven aan het algemeene oordeel prijs.
Nu ga ik een begin maken met de aangename rugütels na te zien. Op de eerste plank van boven — eigenlijk wel wat hoog, zoodat de deelen niet gemakkelijk te grijpen zijn — de Duitsche klassieken. Goethe, Schiller, Wieland, Lessing enz. Natuurlijk heb ik ze allen gelezen.. . maar ik moet ze nog eens lezen, liet is reeds zoolang geleden, sedert ik het meeste uit deze verzameling leerde kennen — tDon Carlosquot; en de nWablverwandschaftenquot; waren liet eerste wat ik in mijne jongelingsjaren las — dat ik veel weer vergelen ben.
132
En — om de waarheid le zeggen — zoo geheel en al heb ik ze loch niet doorgezien, mijne klassieken. Het is schande. Zonderling, men schaft zich zulke volledige uitgaven aan met het vaste plan zich vandaag of morgen erin te verdiepen, en meestal stelt men zich met dat plan tevreden. «Den dreissigjjihrigen Krieg\'\' heb ik niet gelezen, sWertherquot; heb ik niet gelezen — sOberonquot; heb ik niet.,. Neen, het is beter ze maar niet allen op te tellen die ongelezen zijn gebleven ... het heeft immers veel van eene biecht en dat is altijd onpleizierig. Ik wou weieens weten, of liet anderen ook zoo gaat? Jlen bezit zijne volledige klassieken en beeft hunne schatten dagelijks te zijner beschikking, evenals de bewoner eener residentie alle mogelijke kunstverzamelingen en musea, waarheen alle vreemdelingen te bedevaart tr ekken, in zijne onmiddellijke nabijheid heeft, zich verheugende, dat hij die bezienswaardigheden op lederen dag die hem gelegen komt, zoo gemakkelijk kan genieten, maar tevens grijs wordt, zonder ze gezien te hebben. Neen, waarlijk, dat moet ik goedmaken. Zoodra ik weer van die plank daarboven een boek krijg, zal het geen van de oude lievelingen zijn — geen «Nathan,quot; geen «Faust geen sWallensteinquot; — maar een van de ongelezene.
In die eerste rij ziet het er anders heel ordelijk uit; daar staat alleen het gelijksoortige — enkel klassiek en enkel Duitsch. Alleen de silias\'\' en »Odysseaquot; zijn Grieksch, traar toch ook in Dnitsche vertaling. «Homerusquot; is zeker een passende buurman. Maar toch zal ik binnenkort die twee deeltjes naar de groote rustende bibliotheek overbrengen en de plek voor eenen nieuwen Duitschen dichter openlaten, die intusschen tot klassiek schrijver bevorderd kan zijn. Door die goden-, helden- en herderszangen zal ik mij loch stellig niet meer heenslaan — Here met de ossenoogen en de mannenbeheerschende zwijnenhoeder zeggen mij niets. En wanneer ik maar twee bladzijden hexameters en pentameters
133
achtereen gelezen heb, loopt mijn hoofil om. Die versmaat blijft mij zoo lastig in het geheugen hangen, dat ze mij naklinkt als een draaiorgeldeun en de eenvoudigste gedachten zich telkens in deze of dergelijke woordschikking aanmelden: «Hoe lange toch laat weer des huizes vergrijsde bestierster op \'t zwarte verkwikkende sap harer boonen mij wachten?quot; «Zou het b v. na in Homerus gelezen te hebben in mijnen geest klinken, terwijl ik anders eenvoudig gedacht zou hebben: iWaarom brengt die goede Madame Susi mijne koffie toch niet?quot;
Op de tweede plank ziet het er reeds bonter uit. Daar staan oude en nieuwe schrijvers naast elkander, niet naar vak of taal geordend. Duitsch, Fransch, Engelsch. Ik begin in den linkerhoek : Weber, Democritus — een lachende — nu en dan een beetje bitter lachende — het geheele mensch-dom plunderende wijsgeer. »Shakespeare, works.quot; De nalge-voeler,quot; zooals Lichienberg hem zoo trelfend schoon genoemd heeft. jJean Paul, Friedricb Richter.quot; — Daar liggen de diamanten en edele steenen van den geest zoo dicht op elkander , als in de schatgrotten der tooversprookjes. nCor-neille, Tragédiesquot;; «Racine , Tragédies.quot; Dat zijn plastisch heldere dichterlijke gewrochten. Zij staan daar — zij het ook wat stroef en streng — toch verheven en verheffend, als door zuilen gedragen tempels op den donkerblauwen achtergrond des hemels. jgt;Lafontaine, Fablesquot; — sierlijke, vroolijke, achter diermaskers verborgene wijsheid. nGutzkow, Zauberer von Rom.quot; Dezelfde, «Die Ritter vom Geist.quot; Zelf Ridder van den Geest, moet men den armen grooten doode toevoegen , zelf Toovenaarl Ik noem Gutzkow arm, omdat hij in het leven zooveel onrecht ondervonden heeft en omdat zijn dood — in het eenzame slaapvertrek door den rook verstikt — ook zoo erg treurig was. i Meyers llandlexicon.quot; Onwaardeerbare samenpersing van al het wetenswaardige— zulk een boek behoort ieder fatsoenlijk mensch
134
op zijne schrijftafel te hebben. Nu komt een woordenboek in vier deden — ik lees immers met nauwgezetheid alle rugtitels af, derhalve mag ik ook mijnen goeden »Reifquot; niet overslaan. sDeutsch-französisch-engliscb-russisch.quot; «Buckle , History of civilization in England.quot; Een grenssteen in de geschiedenis der geschiedschrijving. «Adam Smith , The wealth of nations.quot; Moest door alle staatslieden en wetgevers gelezen worden. »E. Marlitt, Die Goldelse.quot; Hoe boeiend en diepzinnig schrijft toch die edele vrouw ! Wat zij bewijzen wil en aantoonen , spreekt zij niet met ronde woorden uit, maar hare werken bevatten in zichzelven het bewijs en toonen overtuigend aan, dat het recht der men-schenwaarde niet afhankelijk is van stand en geboorte.
Maar van orde is er, zooals ik zie, werkelijk geen spoor in mijne boekenkast. Moet ik daar soms gaan schiften en indeden: de wijsgeeren naast elkander, de dichters, de romanschrijvers? Maar waarom? In mijnen geest, waarin ik ze heb opgenomen en liefgekregen, al die grootheden , zijn ze toch ook dooreengemengd. Dus zet ik mijn onderzoek voort. «Michelet, L\'Amour.quot; Een prettig gevoel doordringt mij. «Michelet, La Femme quot; Nog prettiger. «Johannes Scherr, Blü-cher und seine Zeit.quot; Krupp is zeer ijverig in het kanonnengie-ten , maar onze geniale Scherr levert toch nog grootere proeven van zijne bedrevenheid in het smeden van krachtige Duitsche woorden, iWilhelm Jensen, Das Pfarrhaus von Ellernbrook.quot; Welk een dichter ! Ik denk, dat hij een onzer grootste zal worden. «Edgar Qninet, llistoire de mes idéés.quot; Ook hij is een dichter. Evenals Jensen een dichter is in den roman , is Quinet een dichter in zake het weten. Al meer en meer ontluiken op den eens zoo dorren bodem der exacte wetenschappen de heerlijke bloemen der bezieling. Welhaast zullen zij nog alleen op dit veld gedijen — dan liggen de oude lyrische beemden van den maneschijn braak.
Op de derde rij ziet het er weer wat stelselmatiger uit,
135
want daar staan 50 deeltjes in liet geliefkoosde lichtgele Tancliniiz-editie-onislag naast elkander: «Collection of British authors.quot; Men moet een Duitschcr en een hartstochtelijk lezer van Engelsche romans zijn om de volle bekoorlijkheid dier gewone titelomslagen te beseffen. Dat groet en wenkt zoo vertrouwelijk achter de vensters der boekwinkels u toe en wanneer men eenen nieuwen Tauchnitz in handen neemt, is men in eene zeer eigenaardige welwillende stemming om te lezen verplaatst, liet kost mij altijd eene soort overwinning om Engelsche romans in eene Lomlensche uitgave te lezen, liet is een vooroordeel, dat is waar — maar alles heeft immers zijne physionomie, waarom zou men ook niet eene voorliefde voor zekere boekomslagsphysionomieën hebben ? Allereerst de namen der geliefde schrijvers! Dat is geen vooroordeel, wanneer u daarbij reeds de hersens in het hoofd lachen; Dickens, Thackeray, Eliot, AVilkie Collins, Charles lïeade , Lever Braddon, Ouida enz. sFrank Fairleghquot; van eenen ongenoemden schrijver, helaas zijn eenig boek. Ik moet die kostelijke historie binnenkort voor de vierde maal weer eens lezen. En mijn geliefde Dickens, boe dikwijls zal ik mij nog door uwe tooverkracht gevangen laten nemen en helderop lachen of tranen van aandoening schreien , al naar gij beveelt ?
In de volgende rij nog 25 Tauchnitz-deeltjes. De dichters ; «Moore, Lallah liookh.quot; «Tennyson, Poems.quot; «liyron , Don Juanquot;, nChilde Harold quot; Bulwer (wel in proza schrijvend maar bij de dichters ingelijfd), «Eugene Aram, Maltravers\'\' enz. «Longfellow, Poems.quot; (Shelley Carlyle, Scott, Miitoa enz zijn in de groote bibliotheek boven). «Liltré, Augusta Comte et le positivisme.quot; Welk een helder, bescheiden, diep denker, die Littró, wiens opneming in de Académie de reden was, dat Monseigneur Dupanloup zijnen zetel aldaar wilde ontruimen. Vervaardigers van godgeleerde pamfletten en schrijvers van herderlijke brieven kunnen trouwens
136
ook niet naasl banierdragers der vrije gedachte zitten. Deze laatsten echter zijn in de gewesten hunner heschouwingen zoo verre van alle strijdvragen der dogmatiek af, dat zij het niet eens opmerken of er van de kansels tegen hen gedonderd wordt ol\' niet. Om het merkwaardig contrast heb ik juist het boek van den sliberalenquot; prelaat, üL\'athéisme et Ie péril socialquot; naast bet werk van Littré geplaatst. Apologetische geschriften en encyclieken zijn eene geliefkoosde lectuur voor mij; ik verzuim nooit in de dagbladen deze voortbrengselen der clericale literatuur na te lezen. Ik vind dat, wanneer men boog loopt met de eene of andere theorie, het genoegen dat men nit de geschriften barer aanhangers put, bijna door het aenoegen «ordt geëvenaard om de zwakke punten op te sporen die de betoogen barer tegenstanders bevatten, lüj eenen der laatste drukken van Louis Büchners werken zou ik niet gaarne de daarbij gevoegde polemische bedenkingen zijner bestrijders missen. Zij vullen de denkbeelden van Hüchner aan en leveren zonder het zeiven te weten hel bewijs voor hunne juistheid. Dat heeft de schrijver waarschijnlijk ook ondervonden en daarom zijnen lezers het bedoelde genot niet onthouden. Wanneer men overtuigd is van het recht van den geest om allerwegen zijne fakkel te dragen , ziet men niet ongaarne de wachters der overlevering hun best doen om ze uit te blazen, want de moeite die zij zich geven dient ten slotte slechts om de fakkel te beter te doen branden. Weliswaar spreekt het twijfelende woord ook menige dwaling uit:—navorsching, vraag, twijfel zijn de wapens en niet de buit der strijders voor de waarheid. Maar, omdat iedere dwaling menschelijk is; lEerbiedigen wijquot; — zooals George Sand in haar veel te weinig bekend diepzinnig werk «Lettres d\'un voyageurquot; zegt, van verschillend denkende vrijgeesten sprekende — «eerbiedigen wij het recht dat zij hebben zich te vergissen — hunne tegenstanders maken er zulk een ruim gebruik van.quot;
137
Ik keer tot mijne boekenplanken terug. s.Gustav Freytag, Die verlorene Handschrift.quot; «Spielhagen , Problematische Naturen.quot; »llacklander, Künstlerroman.quot; «Aiierbach, Aufder llöhe.quot; Waarlijk om onzen schat van romans , nog dagelijks door jongere meesterlijke pennen (Horn, Ebers, Hopfen, S. Masoch enz.) vergroot, zijn wij Duitschers wel te benijden. tDante, La divina comedia.quot; Om de waarheid te zeggen : nooit geheel doorgelezen. «Uoccaccio, Decamerone.quot; Even oprecht gesproken, een paar geschiedenisjes meermalen gelezen. De beide laatstgenoemden zullen overigens binnenkort naar de gepensioneerde boekerij verhuizen. — Ruimte voor de jonge Italiaansche letterkundigen: voor Balbi, Lenpardi, Nicolini, Gioberti! «Victor Hugo, [lernani. Ruy Bias. Feuilles d\'automne.quot; Eene onnavolgbare, onbereikbare grootheid! Als deze zanger eenmaal op den Parnassus verschijnt, mag Apollo wel tot hem zeggen — zooals de Spaansche koningen lot hunne granden : «Couvrez vous, mon cousin.quot; sTur-geniew, Werke.quot; Ik ben in het Russisch niet vast genoeg om al de schoonheden van dezen schrijver — den trots zijner landgenooten — naar behooren te waardeeren; maar omdat ik die taal toch ken, heb ik mij in het hoofd gezet Turgeniew in het oorspronkelijke te lezen. Aan vertalingen heb ik in het algemeen een hekel: üTradutore, traditore.quot; iGothaischer Hol kalender Jaargang 78 en 79. ik weel niet in welke hoedanigheid deze almanak onder de dichters en denkers verzeild is — maar een feit is bet: — hij staat daar en ik blader er dikwijls in. Wat al beelden trekken daar voorbij mijnen geest... hofgeschiedenissen, liefdesgeschiedenissen, wereldgeschiedenis! De arme koningin Mercedes, geboren .luni IiSüO, gehuwd Januari 1878, overleden Juni 1878! Zijn deze drie datums niet eene geheele, met frissche mirten, kroondiamanten en rouwfloers doorvlochten elegie? ik heb zoo nu en dan weieens in dien almanak gelezen en mij naar de verschillende namen der personen
138
allerlei voorslellingen gemaakt. Als jongeling lieb ik met eene bijzondere voorliefde de tus-iclien 1840 en 50 geboren prinsessen en gravinnen opgezocht. Later vond ik ze de eene voor de andere na als gehuwd opgegeven — en thans zie ik tot mijn leedwezen, dat zij langzamerhand grootmoeder worden. bM. A Lerci, Die llardmarsburg.quot; Een stukje levens, zoo vrooiijk en natuurlijk verteld. iiCherbuliez. Prosper Randoce, Le grand cenvrc.quot; Een toekomstig lid der Académie Met Alphonse Daudet mag hij lot de beminlijkste romanschrijvers van onzen tijd gerekend worden — bovendien een wijsgeer. «Karl Emil Fntnzos, Aus llalbasien.quot; Eene heerlijke beeldengalerij, waaronder echte kabinetstukjes, jlgnoins, 50 portraits.quot; Een eigenaardige stijlvirtuoos — 4 deelen. «Erzahlungen vom Novellenkönig Paul lleyse.quot; ïMeschtscherski; de verborgenheden van het tegenwoordige Petersburgquot; (Russisch). Mescluscherski is een in zijn vaderland veelgelezen veelschrijver, dien ik dikwijls tot heilzame ergernis lees. Hij vertegenwoordigt de achterlijkste, de kwezelachtigste panslavistische denkbeelden met zulk eene bekrompene geestdrift, dat ik ondanks alle ergernis mij erin verkneukel — altijd overeenkomstig het beginsel, waarnaar ik pleizier vind in de onhoudbaarheid van zekere redekunstige sieraden der wederpartij. «Renan, La vie de Jésus.quot; Wat zou Monseigneur Üupanloup wel van de opneming van dezen meester in den slijl in de rijen der veertig onsterfelijken gezegd hebben ! En toch — kan men zich eene waardiger geschiedschrijving denken , dan deze in de bron der waarheidsliefde gedoopte pen met het beroemde en verbrande boek ons gegeven heelt\'! »Otto Ulo, Das VVeltall.quot; Wonder op wonder, ik begrijp niet hoe men het woord «natuurlijkquot; als het tegengestelde van wonderbaar kon aannemen, terwijl de natuur zelve — wier heldere en verborgene sporen het boek van Ule volgt — het wonderbaarste aller wonderen is. »Jules Verne, La capitaine Hat-
139
teras.quot; «L\'tle merveilieuse.quot; sVingt mille lieues sous la mer.quot; Deze machtige droomer heeft tot de verspreiding van stellige kennis meer bijgedragen dan honderd professoren. Hij is het geliefde eigendom der jeugd geworden en in het opkomende geslacht zal zijn kolossaal werk nog kolossaal nawerken, liet tooneel zelfs wordt door Verne tot eene gehoorzaal voor aardrijkskundige, volkenkundige en sterrenkundige voordrachten. En welk een rijkdom van vinding naast deze schatten van kennis — eene in gloed gedoopte verbeeldingskracht in dienst van de wiskunstige natuurkunde. Vóór Verne heeft niemand zoo geschreven; hij is een baanbreker , een onderzoeker van nog onbetreden gewesten. Eere zij hem. «Stanley, Through the dark Continent.quot; Ook hem zij eere!
Nu ben ik met den inventaris mijner hoekenkast gereed. Jammer dat al mijne lievelingen daar niet bij zijn. Jammer dat ik niet in een register alle werken bijeengevoegd heb die ik in den loop mijns levens las . , . hoe belangwekkend zou bet zijn zulk eene lijst door te zien. Vroeger reeds heb ik de bovengenoemde titels overgezien en de indrukken, reeds lang geleden opgedaan, zweefden mij daarbij voor den geest: hoe aangenaam zou het eerst zijn , als ik al het gelezene voor mijn geheugen de revue kon laien passeeren. Wat zou daardoor veel aan de vergetelheid orrtrukt worden, waarin het allengs voor mij verzinkt. Natuurlijk zijn deze boeken slechts een klein gedeelte van hetgeen ik zooal gelezen heb. Zonder de werken te rekenen, die boven in de bibliotheekkamer rusten en die ik althans nog zou kunnen monsteren — wat moeten er vele boeken zijn, welker titels ik zelfs vergeten ben en die ik in openbare en leesbibliotheken en op reis gelezen heb , die mij geleend werden of die ikzelf uitgeleend heb om ze nooit weer te zien. — En dan nog die stroom van artikelen, novellen , verhandelingen die ik
140
in couranten en revues heb aangetrofïen! De tallooze nieuwe nog naar drukinkt riekende doelen , in de aangename pakketten doorbladerd, door den boekhandelaar beleefd «ter inzagequot; aan mijn huis gezonden. Rigenlijk zijn het die pakketten boeken en de tijdschriften die mij hel levendigste genoegen bij het lezen verschaffen. Er zijn oudheidlievende hartstochten — mijnen hartstocht zou ik wel den hartstocht der actualiteit willen noemen. Dit hangt natuurlijk weer samen met hel geheole geloof aan den vooruitgang door mij beleden , dat mij noopt hel Heden hooger te schatten dan het Gisteren en het Morgen met een nog sterker vertrouwen tegemoet te zien. Wel moet dit in het oog van al degenen die aan den eeredietrst der klassieken zich wijden , eene misdaad schijnen. Maar hoe kan ik gelooven , dat onze voorvaderen het schoonste reeds geschapen hebben, terwijl ik overtuigd ben , dat ook de schoonheid een van die dingen is, welke zich tot steeds hoogeren trap ontwikkelen ; — en hoe kan ik aannemen , dat de menschelijke wijsheid haar laatste woord reeds gesproken heeft, terwijl ze toch aan de bron die haar van den beginne afaan voedde — namelijk de kennis der natuur — met steeds rijkelijker leugen zich laaft ?
Een taalgeleerde ben ik zeker niet — de ouden zijn mij vreemd; want de kwellingen mijner schooljaren kan ik mij toch waarlijk niet als een doordringen in de schoonheden der oude klassieken toerekenen. Misschien zou ik , ingeval ik mij in hunne waarde verdiept had, de geestdrift hunner aanbidders deelen en daardoor jegens de nieuweren wantrouwend gestemd zijn. Maar ik geloof het niet. Mijn vertrouwen op de steeds toenemende kracht van den geest, hel genie, in het algemeen van elke ideëele beweging is te innig met al mijne opvattingen verbonden, dan dat ik van iets wat geweest is zou kunnen zeggen : «Dit is het hoogste.quot; Iets hoogers is altijd denkbaar.
UI
De klassieken der toekomst rijzen uit het tegenwoordige op. Maar ik geloof, dal zij in latere eeuwen liun aanzien niet zoo lang zullen behouden als het den klassieken der oudheid gelukt is, die van eenen afstand van tweeduizend jaren tot ons overkomen. Ten eerste zal. meen ik, het wantrouwen tegen het nieuwe verdwijnen, omdat het geloof aan den vooruitgang steeds meer aanhangers zal vinden, en ten tweede zal de vooruitgang der volgende geslachten veel sneller zijn (omdat de beschaving niet In eene rekenkunstige, maar in eene meetkunstige reeks toeneemt), zoodat een tijdvak van twee duizend jaren tusschen ons en onze nazaten eene veel dieper klove zal vormen, dan er tusschen ons en onze voor even langen lijd geleefd hebbende voorvaderen bestaat. Op zijnen steeds vooruitgaanden weg deed het menschelijk geslacht in zijne kindsheid slechts uiterst langzame kruipende schreden , tuimelde nu en dan ook wel een eind achteruit, maar al zekerder en sneller werd zijn gang. — Hoe zouden de ouden wijzer zijn dan wij, terwijl ze zooveel wat wij welen niet eens vermoeden konden? Wat in onze dorpsschoolboeken staat, konden de ouden of volstrekt niet gissen of althans slechts met behulp hunner geheele wijsbegeerte door redeneering ertoe komen.
Maar afgezien van deze algemeene beschouwingen die eigenlijk niet uit de vergelijking van oude en nieuwe kunstwerken in mij ontstaan zijn, maar in eene andere, hier in het geheel niet tehuis behoorende theorie wortelen , berust mijn hartstocht voor de aclualileit nog op andere gronden. Ik heb mijn tijdgenooten lief—zoo ongeveer als men zijne landgenooten liefheeft. Niet alleen de ruimte — ook de tijd waarin wij geboren zijn, vormt een vaderland. In den tijd wortelen evengoed als in de aardkluit de duizend zeden , gewoonten, spreekwijzen, waarmede wij zoo vertrouwd, die ons zoo lief zijn , en daarom gevoel ik mij onder de
142
boeken mijner tijdgenooten even wel en tehuis ais in het gezelschap mijner landslieden, die mijnen tongval spreken, die in mijne streek tehuis zijn ; vooral wanneer ze met al de praatjes bekend zijn, die in deze mijne streek in omloop zijn. En evenzoo gaat het mij met mijne levende schrijvers. Ook zij zijn uit mijnen tijd; ook zij ademen de lucht van het Heden ; zij spreken het bargoensch van den dag; zij kennen al de vragen en historietjes die in ons tegenwoordig verblijf In omloop zijn. De groote dooden zijn toch meer of minder voorname vrienden en wat zij ons uit hun land — ik bedoel uit hunnen lijd — vertellen, is wel van groot belang maar de gemoedelijke vertrouwelijkheid ontbreekt. Die zekere sympathieke strooming der volkomene overeenstemming wordt gemist. Dikwijls komt, wanneer ik het boek vun eenen groeten overleden denker lees , de kwellende gedachte bij mij op, dal hij, leefde hij thans, zeker in menig opzicht anders zuu spreken. Dat is ook onloochenbaar, want kende hij de voorvallen en ontdekkingen die ons na zijnen tijd bekend zijn geworden , dan moest hij op grond zijner eigene beschouwingen veel met een ander oog bezien dan hij in zijnen tijd doen kon.
Dan is er nog iets in de letterkunde van den dag dat mij bij uitstek boeit: het waarnemen en volgen der nieuwe talenten. Men kan nagaan hoe de jonge gedaanten zich allengs verheffen en ontwikkelen, men kan de echo beluisteren die hunne stemmen wakker roepen en het zachte koeltje hooren, dat langzamerhand tot eenen storm van bijval zwelt. Misschien zien wij het aan, hoe er gesternten opgaan, grooter en schitterender dan allen die ons tot nogtoe beschenen hebben. Met is zulk een aangenaam gevoel, wanneer een naam, dien men eerst bij zijn geheugen liet afglijden, plotseling door een geruchtmakend werk de aandacht trekt en wanneer men hem dan later bij een
us
tweede en derde werk reeds als een bekende terugvindt: dan maakt zich eene steeds toenemende belangstelling van iemand meester en de stille hoop dat dit een der uitverkorenen is... Zoo is het mij met Yiktor Blüthgen , met Ernst Ziel, met prins Schönaicli en vele anderen gegaan. Yan Cams Sterne had ik slechts een paar opstellen in de ïGartenlaubequot; gelezen en reeds was hem in mijn zevengesternte eene plaats aangewezen. Zijn iWerden und Ver-gehenquot; was op mijn verlanglijst van boeken ingeschreven, reeds lang voordat liet door de beraadslagingen op den landdag te Herlijn (Maait. 1879) in ruimeren kring beroemd was geworden.
Ja, mijne verlanglijst van boeken! Men kan helaas niet altijd alles lezen wat men wenscht. Dat is maar eene geldvraag. In mijne landelijke eenzaamheid bestaat geene openbare bibliotheek, ook geene leesbibliotheek, derhalve kan ik slechts gekochte boeken lezen en om die aan te scliafl\'en moet (ik was te Parijs loch een afschuwelijke deugniet) men allengs een fonds afzonderen tot bestrijding der kosten.
Na de titels der boeken die ik bezit, nagezien te hebben, wil ik ook nog de namen der werken opteekenen die ik zou willen hebben. Kiepen de eersten mij genoegens in het geheugen die ik reeds heb gesmaakt, de laatsien zullen mij van de blijde uren spreken die mij nog wachten. De lijst mijner bestellingen luidt aldus: (Overigens zal deze lijstop het tijdstip, waarop zij afgeloopen kan zijn, wel steeds opnieuw aangevuld wezen — er is volstrekt geen uitzicht dat zij ooit uitgeput zal raken) ïVisclier, Auch Einer. «Afrikanus Spir, Die Wahrheit.quot; sStuart Mill, System of Logic.quot; sJu-lian Schmidt, Portriits von Zeitgenossen.quot; «Auguste Langel, Les problèmes de l\'ame.quot; «Quetelet, Essai de physique sociale.quot; «Samuel Dutler, Life and habit.quot; «Moleschott, Kreislauf des Lebens.quot; «Swinburne, Poems.quot; «Renan, Dialogues philosophiques.quot; — Jaargangen van het tijdschrift
144
«Kosmos.quot; gt;Huxley, Man\'s place in nature.quot; sTaine, L\'in-lelligence.quot; »Fritz Mauthner...quot; Meen. ik laat het liierbij... het register is te lang.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
Ongeboren begrippen. — Ontbrekende zinnen, — Inwendige zinnen, — »Duistere voorgevoelens,quot;
Hoezeer ik er ook naar streefde geene critiek uit te oefenen, heb ik toch bijna bij iederen naam der vorenstaande boeken eene korte beoordeeling gevoegd. Weliswaar had ik vooraf met mijzelven afgesproken, dat bij eene mogelijke uitspraak een tot mijn eigen persoon beperkt «mij isquot; en niet «liet isquot; sous-entendu was. (Wat zou toch het Hollandsehe woord zijn voor sous-entendu?... jündergedachtquot; soms). Ik mag immers hopen, dat mijn lezer — namelijk het iets oudere Ego — mijne ondergedachten verslaat.
Mijn armzalig klein oordeel betreft toch slechts eenige opgevangen bijzonderheden der gelezene werken; wie zou zich vermeten te gelooven, dat hij alles verstaan, alles in zich opgenomen heeft, wat die geesten dachten en dichtten : geheele werelden! Men kan immers tenauwernood het ge-heele gebied zijner eigene gedachten onderzoeken. Ik weet niet of het anderen ook zoo gaat, maar ik sprak vroeger van aangeboren begrippen — ik voel hoe zulke sporen van denkbeelden in mijne hersenen krioelen, nog niet ontsloten, nog gebonden. Dat zijn wat velen zoo ten onrechte «duistere voorgevoelensquot; noemen en wat eigenlijk het vermogen is van den geest om dingen te begrijpen, waarvan men nog niets weet. En dat is immers zeer natuurlijk. In de hersenen van den wilde moet toch ook reeds de kiem voor
145
hel opvattingsvermogen aanwezig zijn, dat zich later door de beschaving in de totnogtoe door hem «duister voorgevoeldequot; — d. i. nog niet geweten — begrippen werkzaam betoonen zal. Overal heerscht immers eene de toekomst voorbereidende werkzaamheid, dus stellig ook in\'s menschen geest. Dat streven en dringen, waarvan wij zulk een duister besef hebben, is een wasdomproces. Maar een wasdom, waarvan eerst volgende geslachten de uitkomst zullen too-nen. Beproeft men met zijne afgeronde begrippen en woorden die onbestemde aandoeningen uit te drukken, dan moet men of de onmogelijkheid dezer poging inzien en ze met den zucht van ontmoediging opgeven, dien vergeefsche inspanning ons afperst — of men vervalt in onduidelijkheid en mysticisme. Hier en daar rukt een microscopische nieuwe gedachte zich los; uit het persen en dringen ontstaat misschien een nieuw woord en zoodoende wordt het algemeene verstand weer met de dikte van een stolje vermeerderd; maar billioenen en trillioenen van zulke nieuwe geboorten zijn er noodig, voordat zich een waarneembaar resultaat van de uitbreiding der menschelijke begrippen vertoont.
In dezelfde verhouding waarin wij met de schatten van ons weten tot de eerste menschen staan , staat misschien ook de tegenwoordige toestand van onzen geest tot eenen anderen die nog niet bereikt is maar toch bereikt kan worden. En daarbuiten kan nog zeer goed een werkelijk onbereikbare toestand liggen, voor welks opvatting wij geene formule bezitten. Wij hebben vijf zinnen , de bronnen van al onze indrukken en kennis. Waren wij allen blind geboren, zouden wij dan ook maar een vermoeden hebben van de lichtverschijnselen? Zouden wij ooit op de gedachte van het geluid zijn gekomen, wanneer het wonderbare werktuig van het gehoor ons geen bericht van die zaak bracht? — Hoe — wanneer er nog honderd, nog talloos vele diergelijke zinnen waren?... Tegenwoordig, nu de wetenschap i. z. lü
146
meer en meer tot het geweldige inzicht nadert, dat er éen enkel beginsel is dat den grond uitmaakt van alle krachten en verschijnselen, dat die krachten en verschijnselen allen in elkander overgaan; — dat warmte in licht, licht in warmte, electriciteit in heiden kan worden omgezet—dat er overal cene enkele oorzaak voor alle verschijnselen bestaat , al wordt zij ook naar gelang van den zin die er den indruk van ontvangt, anders opgevat; de beweging. Waarom zouden er niet nog oneindig meer andere werkingen van de beweging beslaan , die bij gemis van de noodige toestellen door ons organisme niet waargenomen worden ? — Op de ladder der wezens zijn wij toch niet de volkomenste die men zich denken kan ... wel zijn wij het op de aarde en in ons tijdperk — maar op andere sterren ... in andere lijden? Vergeten wij slechts niet, dat. wij burgers zijn van eene wereld , welker uitzettingen oneindigheid en eeuwigheid heeten. Een smeerquot; is overal en altijd aan te nemen.
Maar zonder naar de streken af te dwalen die buiten de grenzen van ons begrip liggen en tot welker bestaan wij alleen besluiten kunnen krachtens onze overtuiging, dat alles oneindig is, zijn er toch ook nog binnen de grenzen van ons bevattingsvermogen dingen, waarvoor wij thans woorden noch gedachten hebben. De ondervinding is onze leermeesteres — maar hoe langzaam, hoe schoorvoetend ruimt zij voor ons het veld! Welk een verbazend gedeelte der natuur was ons b. v. gesloten vóór de toepassing van den microscoop — eene geheele oneindigheid in het kleine. Hoeveel ligt er misschien nog om ons heen, dat wij wel zien maar niet aanschouwen, liet zoogenaamde inwendige oog is voor zooveel blind dat zich getrouw in het netvlies spiegelt. Al treft ook iedere toon van een muziekstuk het trommelvlies van eenen onkundige, toch hoort hij waarlijk geene muziek daarbij. Det inwendige waarnemingsvermogen is iets, dat evengoed als het orgaan dat den
147
indruk overbrengt, eerst geoefend en verfijnd moet worden. — Het spraakgebruik (een wijsgeer zonder het te weten) heeft daarom ook aan die gesehikiheid om de indrukken der zinnen niet oordeel op te nemen, insgelijks den naam izinquot; toebedeeld. Men zegt, zin voor muziek, zin voor natuurschoon enz. Deze zinnen — velen in getal — heeft de mensch slechts langzaam den eenen na den anderen of liever den eenen uit den anderen, verkregen en gevormd, en elke verfijning als een erlstuk aan zijne nakomelingen nagelaten. Onze voorvaderen zagen dezelfde natuur als wij en toch, hoe geheel anders zien wij de schoonheden der natuur aan, namelijk wanneer men met «zienquot; de werking van den tzin voor natuurquot; in tegenstelling niet den eenvoudigen gezichtszin bedoelt, liet ontbreekt ons dus, behalve aan de uitwendige zintuigen die wij mogelijk nog derven , zeker nog aan zoo menigen inwendlgen zin voor dingen, die onze verschillende zenuwen ons wel overbrengen , maar waarvoor onze geest niet ontvankelijk is. En wat zulk een nog ongevormde inwendige zin is — een streven om het nog onverstane te begrijpen — dat ondervinden wij mede in de szoogenaamde duistere voorgevoelens.quot; Hen voorgevoel is niet waarvoor het bijgeloof het houdt: het vooruitgcvoelen van toekomstige gebeurtenissen; neen, voorgevoelens zijn nog dichtgeslotene, van verlangen zwellende gedachtenknoppen.
»lk weet niet, wat het moet beduidenquot; zooals in het volkslied staat. Zoo is het ook: wij zien , hooren, ondervinden zooveel, maar wij weten niet swat liet moet beduiden.quot;
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
Een feest der fantasie. — Sehoonheid, goedheid, geluk.
Wat is het hier treurig, in het sombere, oude kasteel van den verarmden, eenzaam achtergebleven weduwnaar!
•us
In zoovele valsche vrienden bedrogen, bedrogen ook in zich-zelven . .. in eene wereld, waarin alles, alles den zekeren dood tegemoet gaat... waar zoovele tranen vlieten, zoovele harten breken — waar zooveel sleclitheid, laagheid en dwaasheid heerscht — waar alle wijsheid slechts op twijfel sloot — waar geene vrijheid bestaat, maar alles in liet onbarmhartige raderwerk der natuur verpletterd wordt — waar ellende, onreinheid, ondeugd en misdaad...
Genoeg, genoeg, geëerde heer Pessimist. — Uw gehamer deert mij niet, en hoop vooral niet, dat ik ermede instem. Al was ik nog tienmaal meer te beklagen, dan zou het mij hoogstens oprecht leed kunnen doen, dat ik zoo\'n arme duivel ben, maar nooit zou ik ertoe komen onze geheele heerlijke wereld met mijne kleine tranenkruik te willen begieten. En ofschoon ik alleen en weduwnaar ben en om allerlei andere redenen recht heb verdrietig te zijn, zal ik in weerwil van u, vervelende wereldhater, hier een feest voor mij aanrichten , zoo rijk , zoo vroolijk , zoo schitterend als maar mogelijk is. En ik noodig u daarop, — schimp en huil maar, zooveel gij wilt, dat zal een goede tegenstelling opleveren.
De kosten van mijn feest zijn niet hoog. Dit witte vel papier, eene pen, de oprechtheid mijner optimistische gevoelens en een beetje fantasie. Deze zal de honneurs waarnemen en zij is het ook, geachte heer Uzegrim, die u in het gezelschap mijner feestgenooten binnenleidt. Overigens een zeer kleine, uitgelezen kring. Behalve de vrouw des huizes, Fantaisie, nog drie dames: de adellijke vrouwen Schoonheid, Goedheid, Geluk en twee heeren; gij en ik. Voor de inrichting van het feestlokaal heb ik aan genoemde vrouw des huizes carte blanche pegeven; laten wij dus eens zien, wat zij voor onze onvangst gereed heeft gemaakt.
Verscheidene duizenden voeten boven den zeespiegel een stukje dampkringslucht met rooskleurig eiderdons gecapi-
149
tonneerd. Van de azuren kristallen zoldering hangt voor lichtkroon een bundel sterren, waaruit glinsterende vonken spatten; een luwe, naar viooltjes riekende lucht doorstroomt de zaal en daarbij parelt uit schuimende watervallen een verkoelend frisch stofregentje. Door zwevende geniën gedragen, wenken ons saffieren schalen met ambrozijnen vruchten gevuld : een fontein van zoetbedwelmenden wijn stort zich in diamanten bekers, en in de verte klinken zachte ryth-mische harptonen. Op een vlokkig wolkenbed uitgestrekt, rust de Schoonheid in eenen doorzichtigen zilveren sluier gehuld; aan hare voeten ben ik neergevallen en zie naar haar betooverend lachje op. Van een iets hooger wolkenbed, geheel in een zacht stralend licht gedompeld, ziet de Goedheid naar omlaag: en boven ons allen, op eenen door gouden zuilen gedragen zetel van bloemen, onder een baldakijn van stralen, troont het Geluk.
In eenen afgelegenen hoek onzer feestzaal steekt de krater van eenen dof rommelenden vulkaan boven den grond uit; op zijnen rand neemt mijnheer Pessimo plaats.
DE SCHOONHEID.
Zoo opgetogen staart gij op mijn trekken, zoo vertrouw-lijk, innig, als een oud bekende. En toch, o zoon der aarde, ben ik u vreemd, mijn naam
alleen werd u genoemd. Een zwakke weerschijn valt van mijn kroon wellicht in
uwe tleine wereld;
Toch weet gij niet, met welke heerlijkheid zij den hemel
gansch verlicht.
Of heb ik soms van mijnen bloementooi verstrooid een geurig blaadje losgemaakt En is het op uw pad gevallen als een bode van ongedachte
pracht ?
150 IK.
Gaarne wil ik, o dochter Gods, u openbaren hoe ik uw
wezen heb doorgrond, Al hebt gij met de volheid uwer gaven mijn aardsch verblijf niet beschonken. Een weerschijn slechts? [Iet zij zoo, maar verneem dan hoe de weerschijn uwer toovermacht Ons bestaan met duizend heldere prismatische beelden al-
omme verfraait.
In de ijle nevelen van het morgenrood en den westelijken
purpergloed,
Doet gij de gouden zonneschijf opgaan en in de bruischende
golven ze zinken;
In uwen overmoed gebruikt gij daarbij uit spilzucht en
zonder doel,
Al de vonken der zon om van de zege gewis uw lieflijk
spel te drijven.
Elk bedauwd grashalmpje tooit gij met een last van diamanten
En ontsteekt met de roode stralen van het noorderlicht de
kroon in het poolpaleis. In der bergen schacht en in druipsteenholen zoowel als in
den onpeilbaren oceaan, In de fata morgana der woestijn en op de zilveren baan
der nachtvorstin;
In verre tropische wouden, waar lianen van lak tot tot
zich bruggen bouwen. Waar vogelen prijken met een kleed van robijnen en smaragden, waar bloemenreuzen te zien zijn... Genoeg — te veel wonderen moest ik noemen, allerwegen
door mij aanschouwd. Wilde ik al de transen tellen, waar uwe vlaggen van
waaien.
151
Zelfs ontzetting, angst en schrik hebt gij aan uw oogmerk
dienstbaar gemaakt.
Wanneer de storm de golven opstuwt, vlammen opstijgen
in den donkeren nacht, Wanneer bergen lava spuwen en lawinen verderf aanbrengend van de hoogten nederstorten, Ook dan moet de mensch, ten ondergang gedoemd, nog zeggen : «Ontzettend is \'t, ontzettend schoon !quot; Maar toch, bevallige tooveres, volg ik het liefst uw geheimzinnig spoor,
Als gij u zonder beeld of kleuren , niet gezien — geraden
slechts,
Aan het inwendig oog vertoont, een vluchtige schaduw, een liefdevolle blik, een toon, een geur, Een onbestemd iets, dat ons uit kunstwerken toeroept:
jllier ben ik!quot;
En wat mij op uwen wenk met trotsche vreugd en blijde
hoop vervult,
Wat mij borg staat voor eigene waarde, raadselen der
ziel voor mij onthult, Is: dat mij een inwendige zin werd geschonken, die u,
Schoonheid , bevatten kan , Waarmede tevens in het scheppingsplan mij het recht werd
toebedeeld u te genieten.
PESSIMO.
Ik ben waarachtig te beklagen,
Dat \'k zooveel onzin hooren moet,
En de kraterrand is zoo waar Voor mij, arme, geen donzen bed,
Bij den klinkklank uwer woorden.
Want och, ik zie op \'t wereldrond Geen enkle ware vreugde wenken.
152
Het beste is nog: — uit de Lethe drinken En ten slotte in \'t Niets verzinken.
Wat maakt u toch zoo stekeblind Dat ge aan bedrog en ijdlen waan,
Hoezeer \'t verstand zich ook verzet, Den zwakken geest gevangen geeft? Hoe men met woorden goochlen kan, Dat de eene gek den anderen prijst,
Gelooft gij niet, en wilt niet vatten. Dat alorame en onder alle rassen, De mensch \'t bedriegen niet laten kan.
Uet absolute en het ware Waant gij steeds te kunnen grijpen,
Maar van de wieg tot aan het graf Is alles slechts een schijnvertooning. Niemand die ooit de Schoonheid zag. En onbereikbaar is het doel Der Schoonheid echte waardij te kennen, Hoe juist en scherp men onderscheide. Om \'t schoone ook maar schoon te noemen.
Wat ons bevalt geldt in andre landen Voor \'t toppunt van de leelijkheid. Wat heden schoon heet, wordt verguisd. Als onze luim, als onze smaak Mettertijd verandring ondergaat.
Want rustloos slingert, schommelt In onzen vleugellammen geest Een wisslend beeld in tal van lijsten, Waarvoor elk een andren naam heeft.
153
En waant gij dan, o dweper, overal
Van die schoonheid een spoor Ie zien?
Bijk aan ervaring, aan droomen armer,
Beweer ik stout, dat allerwegen
Het leelijke, met smart en weeën.
Met laagheid en met zondenval
Den mensch al zijne afzichtelijkheid toont,
En \'t onnoodig acht zich te verschuilen,
ïrotsch en tevreden als \'t maar schrik aanjaagt.
DE SCHOONHEID.
Mijn koenen kampioen zeide ik reeds vroeger, dat hij mij
nooit zelf heeft gezien En toch waagt hij tot mijn bestaan te besluiten en dat vertrouwen was niet ongegrond. Maar gij, o twijfelaar, dunkt mij veel vermeetler, als gij
mijn wezen wilt ontkennen , Terwijl gijzelf misleid, inplaats van te bewijzen, verbitterd
met drogreednen speelt. Als \'t waar is, wat gij zegt, dat de begrippen wankelen, dat nu dit dan dat schoon heet. Als men naar land en lijd, naar smaak en zede, geheel
uiteenloopende dingen prijst, Dan wijst dit op uwe zwakke krachten, op het flikkerend
licht van uwen geest, Dat beurtelings valsch en dof mijn beeld beschijnt, maar
dit beeld — wankelt niet. En dat op duizenderlei wijzen gij ernaar streeft om mij te
zoeken en te vinden, Al dwaalt gij vaak en verliest den moed, — toch bewijst
het, dat er in u leeft Een onophoudlijk, reikhalzend zoeken naar een u voor oogen
zwevend ideaal,
154
En alleen bereikbare doeleinden zijn in \'t onmetelijk gebied der schepping opgenomen. Dat het leelijke met afschuw u vervult — ook dat «neem
ik als eene hulde aan; Want als gij mij waar ik niet ben kunt zeggen, verklaart gij tevens dat ik ben.
IK.
Maar lieftallige Schoonheid, zeg, benijdt gij niet Den zachten glans der Goedheid, die bescheiden Met haar lachje eenen zegen uitstort,
De bloemen van ons hart als regen drenkt Uit den hoogen hemel neergedruppeld.....
Hier breek ik de rijmelarij af. Dat staat mij zeker vrij. Fantasie, de vrouw des huizes, kan allerlei grillen hebben. Zij heeft namelijk opeens, inplaats van nog langer verzen te smeden, in de bedoelde feestzaal eene verandering ten tooneele gevoerd.
Toen ik tot de Goedheid die ik juist wilde aanspreken, opzag, aanschouwde ik weer hetzelfde gelaat dat mij voorheen als Schoonheid toegelachen had en toen Ik vervolgens naar het Geluk den blik wendde, zag ik daar den gouden troon in eene zon veranderen, wier stralen de drie gestalten , die ik vroeger gezien had, schenen te vormen, terwijl de eene in de andere overging — en Pessimo was Iegelijk in het gat van den krater weggezonken.
Zoo zijn nu al de decoraties verdwenen en er blijft mij niets anders over dan het slottableau als eene allegorie te beschouwen , waarvan ik den zin nu zeer gemakkelijk in proza kan verklaren. Onder ons gezegd, een dichter ben ik niet. Ik spreek zoo gaarne alles uit wat ik denk en niets anders dan ik denk , en dat is alleen in proza
155
mogelijk. Zoodra men de taal in eene rythmische dansbeweging heeft gebracht, is het ook met hare volstrekte oprechtheid gedaan; men moet veel van hetgeen men dacht ongezegd laten, omdat het volstrekt niet rijmen wil en erger nog: die noodlottige rijmen roepen onderweg gedachten op, die niet uit de bezongene zaak zelve maar uit al die woordverrekkingen voortspruiten. Wil men dan nog eerlijk blijven, dan kost dat in ieder geval groote moeite — en waarom zou ik met moeite over geluk en goedheid spreken, wanneer het bespreken van dit onderwerp mij zooveel vreugde kan verschaffen! Ja wel: het is zooals die allegorie het voorstelde — stralen eener zelfde zon zijn Schoonheid , Goedheid en Geluk . en zoo vloeien ze ineen, dat men dikwijls niet weet met welken naam men ze moet aanduiden. Het spraakgebruik wijst ook op de identiteit der voornoemde begrippen. Eene handeling die uit goedheid ontspringt, wordt eene sschoone handelingquot; genoemd , een schoon schilderstuk, eene schoone harmonie heeten »een goed schilderstukquot;, »goede muziekquot;; ige-lukkige aanlegquot; beduidt goede aanleg, en met een jsehoon uurquot; wordt zeker een uur van geluk bedoeld. Het aanschouwen van het schoone verschaft ons vreugde en vreugde maakt schoon; een goed werk komt uit een schoon hart en de goedheid verspreidt geluk.
Het geluk als een duurzame toestand wordt in ons midden steeds nagejaagd en nooit b«reikt, vandaar dat er zijn die zijn bestaan ontkennen. Ware mijn Pessimo niet in lava begraven, dan zou hij zeker het Geluk ook nwaan, bedrog, hersenschimquot; toevoegen — en toch zou het ook recht hebben om te antwoorden: «Ik ben.quot; Zien wij niet alle deeltjes van het geluk in het rond om ons heenfladderen en hebben wij ze niet allen van namen voorzien: vreugde, lust, opgewektheid, genot, verrukking, en wat zwakker: aannemelijkheid, behaaglijkheid, opwekking? En die allen vindt
156
men steeds in het gevolg der Schoonheid en Goedheid. Alleen een goed boek kan opwekkend zijn , alleen een goede armstoel behaaglijk: alleen iets schoons kan ons in verrukking brengen. Ook Schiller zong in zijn Lied an die Freude; iiWollust ward dem Wurm gegeben.quot; Ja, er bestaat een oorspronkelijke haard van het geluk , waar al die gewaarwordingen uitstroomen en daaraan deel te verkrijgen slaat in de macht van alle schepselen. En hun die lijden en weenen, die ellendig en krank zijn, die klagen over hun gemis van vreugde, hun zou het Geluk hetzelfde antwoord kunnen geven, dat zooeven de Schoonheid aan mijnen Pessimo gaf; «Wanneer gij, waar ik niet ben, over mij kunt klagen , dan zegt gij toch zelf dat ik besta.quot;
Goedheid in den zin van deugd wordt ook door het geluk vergezeld. Deels in de gelukkigmakende zelfbelooning van het geweten en deels omdat slechts zulke handelingen deugdzaam zijn, die anderer geluk bevorderen, zooals weldoen , vergeving, moedige verdediging, redding enz. Hoezeer in beginsel ook tegen aardsclie genietingen gekant, stelt de theologie toch eeuwige vreugde als loon der deugd voor en ze heeft ook de begrippen goed en gelukkig met elkander vereenzelvigd, doordat zij de goeden in den over-treffenden trap — namelijk de heiligen — in den overtref-fenden trap gelukkig — namelijk zalig — noemt.
Schoonheid , goedheid en geiuk zijn voor volmaking vatbaar. Een terugblik op onze historische en natuurwetenschappelijke ervaring kan ons\' leeren , dat de ontwikkeling van dat klaverblad gelijktijdig is .voortgegaan. De ruwe en de eenvoudige toestand wijst daarvan nog niets aan. Eerst de hoogere ontwikkeling brengt het schoone voort. De uitdrukking jRuwheidquot; heeft ook een dubbele beteekenis: bij levenlooze dingen beduidt ze onbehaaglijke vormloosheid, bij menschelijke wezens echter boosheid, wreedheid, stompheid, kortom slechtheid. Het woord veredeling wijst insge-
157
lijks in eenen dubbelen zin op de vermeerdering van de bladeren der roos, op de toenemende sappigheid der vrucht en op de verfijning van het gemoed. Al het edele hebben tientallen van eeuwen doet rijpen. Op de nog niet afgekoelde korst van onzen vuurbol bloeiden nog geene honderd-bladerige rozen en onder barbaarsche volksstammen bestaat geene fijngevoeligheid. Geen verloren paradijs hebben wij te beklagen, maar een dat verworven kan worden wenkt onze verste achterkleinkinderen!
Met deze beschouwing is ook weer de erkenning verbonden van den zegen der beschaving, want wij zien immers dat zij het is, die dat schoone, goede en gelukkigmakende om ons heen bijeengebracht heeft. Natuurlijk moet men bij deze vraag zich op een zeer hoog standpunt plaatsen dat een ruim en onbelemmerd uitzicht aanbiedt, en geheele tijdperken en gelieele vastelanden in hunne ontwikkeling gade slaan, oin niet lot de discussies van die kampvechters te vervallen, welke afzonderlijke feiten en plaatselijke gebeurtenissen tot het criterium der wereldorde willen maken. Zegt mij iemand, dat hij eenen goedaardigen bewoner van Midden-Afrika en eenen ruwen professor in de letteren heeft gekend, of dat bij een natuurvolk vele gelukkige herders weiden, terwijl in het hoekje der beschaving de kerkers en de fabrieksarbeiderswoningen van ellendige menschen wemelen, dan kan dit evenmin mijn vertrouwen op den voor-waartschen gang van hel geluk door de beschaving schokken, als een weerkundige, die de richting van passaatwinden berekent, zich 0|i eenen dwaalweg zou laten brengen, wanneer iemand hem zeide: «Uw storm beweegt zich volstrekt niet naar de aangegeven hemelstreek, want ik bemerk duidelijk eenen tegengestelden luchlstroom.quot; — iMaar, slechte rekenaar !quot; — zou de weerkundige moeten antwoorden — »uw luchlstroom wordt immers door gindschen heuvel, waarlegen uw huis leunt, of zelfs door die gebrokeneven-
158
slerruit bepaald — dat bewijst niets tegen de richting van mijnen storm.quot; — Wanneer de ondergeschikte afzonderlijke verschijnselen, die door andere wetten beheerscht worden, als tegenbewijzen worden aangevoerd, houdt elke juiste beoordeeling eener algemeene wet op. En dat schoonlieid, geluk en goedheid op onze aarde langzaam ontstaan zijn en voortdurend in wasdom toenemen, meen ik als bewijs voor zulk eene algemeene wet ie mogen aannemen, al worden mij nog zoovele afzonderlijke gevallen van wisselvallige verschijnselen van het leelijke, booze en ongelukkige voorgelegd.
De arbeid door de sclioonheid aan hare veredeling besteed, wordt veel minder bestreden, liet is al te duidelijk, dat in de kunst b. v. van de eerste in steen gekraste die-renfiguren tot de schilderijen van Makart, van een lied voor eene Pansfluit lot eene opera van Gounod, van eene leemen hut tot het kristallen paleis, een lange, stap voor stap afgelegde weg ligt. Maar voor goedheid, onder hare verschillende namen van deugd, moraal enz. is men steeds geneigd een onveranderlijk recht te laten gelden en deszelfs vooruitgang onder de menschen in twijfel te trekken; evenzoo gaat het met het geluk, dat velen in de allereerste natuurtoestanden willen terugplaatsen. En toch hebben goedheid en geluk (niet als absolute begrippen, maar naar de mate waarin zij zich onder ons geopenbaard hebben) eene gelijke ontwikkelingsgeschiedenis achter zich als de schoonheid. Het aantal goede menschen neemt onophoudelijk toe, en de zin dezer goede menschen gaat onafgebroken voort zich te veredelen. Ook de deugden vertakken zich. Eenmaal was cr slechis éene deugd, namelijk de moedig gebruikte kracht, (vandaar het Latijnsche virtus, dat zoowel dapperheid als deugd beduidt), doch wie kan tegenwoordig nog al de groote en kleine vormen tellen, waarin de goedheid zich vertoont: van de barmhartigheid tot de hoffelijkheid —van de grootmoedigheid tot de kieschheid.
159
Al meer en meer neigt onze gezindheid tot zachtmoedigheid en liefderijkheid; dat kan men zoowel aan de nieuwere wetboeken als aan de tegenwoordige dichtbundels zien. De schilderingen van uitgeoelende strengheid, van haat en wraakgierigheid bevredigen ons niet meer. Wij voelen ons alleen aangedaan en meegesleept, wanneer dichter en tooneel-schrijver ons tooneelen van vergeving, liefderijkheid en verzoening voorstellen. Een tooneel, zooals Emile Angier in de Fourchambaults heeft geschapen, waar de in het gelaat geslagen broeder de wang aanbiedt: — seffacequot; — opdat de beleediging door oenen kus uitgewischt worde — zou een paar eeuwen vroeger niet met de dichterlijke kracht gewerkt hebben, die dit woord thans op de toeschouwers uitoefent. Al wist de beleediger ook niet, dal de beleediging eenen broeder trof, en dat er bovendien in het geheel geene reden voor was, dan had ze toch in de oogen onzer voorvaderen niet door eenen kus maar slechts door vergoten bloed uitgewischt kunnen worden.
Onder de zangers der goedheid neemt ook mijn zoo hoog geprezen Victor Hugo eene voorname plaats in; bij hem staat het verzoenend gevoel op de iioogte van zijn dichterlijk gemoed. In zijne werken zou men eene geheele bloemlezing van door goedheid ingegeven uitspraken kunnen vinden. iN\'insultez jamais une femme qui tombequot; heeft hij in een onuitspreeklijk schoon gedicht uitgeroepen. In Ilernani zegt Karei V tot de schim van Karei den Groote, bij wien hij raad zocht voor de vervulling van zijnen vorstenplicht:
»Je t\'ai crió: par oü faut-il que je commence?
Et tu m\'as répondu: mon fils, par la clémence.quot;
Van denzelfden dichter is ook het beroemde: iTout com-prendre c\'est tout pardonner,quot; afkomstig, dat een geheel stelsel, niet alleen van goedheid maar van wijsbegeerte bevat.
De strengheid, welker heerschappij zoo lang met pijnen en folteringen onder ons ten gerichte zal, verzwakt hoe
160
langer hoe meer. De gerechtigheid heeft bij de uitoefening van haar ambt niet enkel weegschaal en zwaard noodig, maar bovenal: Schatten van toegevendheid.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
Het kwade beginsel — een spook.
Het hoofdstuk dat ik aan de tegenstelling van het vorige wijd, namelijk aan het»kwaadquot;in zijne verschillende schrikgestalten van slechtheid, ellende en dood — zal misschien het luchthartigste hoofdstuk van den inventaris mijner gezindheid worden.
Ik geloof namelijk niet aan die spooksels. Slechts schaduwen zijn het, nullen, pauzen, nietsen. Het zijn slechts ontkenningen van werkelijke dingen, maar zeiven bestaan zij niet. üe menschelijke taal heeft voor de erkende begrippen woorden uitgedacht en duidt met die woorden elk waargenomen zijn aan. Voor de afwezigheid van zulk een zijn, heeft de taal echter telkens een zelfstandig woord daartegen gesteld en daardoor zijn alle in de war brengende tegenstellingen en tegenspraak ontstaan, die — van de Veda-wijzen af tot Hamlet toe — den grondslag uitmaken van alle vragen over zijn of niet-zijn. Men is door de gelijke waarde der tegenstellende uitdrukkingen gewoon geraakt ook eene gelijke waarde der begrippen aan Ie nemen en daaruit is de voorstelling ontslaan, alsof zij wederkeerig tegen elkander opwegen, elkander verlammen of bestrijden: leven — dood; licht — duisternis; goed — kwaad. Uit het tegenover elkander stellen van beide laatstgenoemde is het geheele geloof aan den duivel voortgesproten. Het kwaad als beginsel in strijd met hel goede beginsel, ziedaar de grondgedachte van al de strijdige beschouwingen, die zooveel
161
onheil en verwarring in \'s menschen filosofeeren hebben teweeg gebracht.
Ik stel mij de zaak eenvoudig aldus voor: licht bestaat — maar duisternis is er niet. Deze is slechts het niet-zijn van het licht. Er is een leven: — dood echter is slechts een plaatselijk ophouden van de verschijnselen des levens. Als met elkander in strijd verkeerende, kan men zich slechts twee verschillende werkelijkheden denken, waarvan nu de eene dan de andere de overhand heeft en eindelijk de eene de overwinning behaalt. Zoo kunnen twee vlammen met verschillende afwisselende lichtsterkte elkander bestrijden, maar duisternis en licht kunnen niet met elkander worstelen. Waar licht is, is geene duisteruis, en omgekeerd. Vooreen tweegevecht zijn toch twee personen noodig. Wanneer ik in mijne kamer ben, ben ik hier, wanneer ik eruit ga,
ben ik niet hier.....zou men zich redelijkerwijze eenen
strijd tusschen mijn sik hierquot; en mijn «Ik — niet hierquot; kunnen voorstellen? De afwezigheid van een ding is niet evengoed een ding, ofschoon het spraakgebruik ze met eenen even volklinkenden naam bedacht heeft. Waren er geene woorden voor duisternis en schaduw, maar heetten die twee iGeenlichtquot; en «llinderlichtquot;, dan had de voorstelling van de vijandig tegenover elkander slaande machten van het licht en de duisternis zich niet in zulk eenen wijden kring kunnen voortplanten.
Niet altijd kan men gemakkelijk onderscheiden, of een woord slechts den onikennenden vorm van eene zaak aanduidt, dan wel of het een stellig begrip uitdrukt. Het kwade bijvoorbeeld vertoont zich dikwijls in zulk eene werkelijke, tijd en ruimte innemende gestalte ; de dood oefent zoo zichtbaar zijne vernietigende heerschappij, de leelijkheid vertoont zoo openlijk hare «alginguekkende tafereelen, dat het oordeel gemakkelijk tot die dualistische opvatting verleid kan worden — maar toch geloof ik, dat zulk eene opvatting van i. z. H
162
eere dwaling uitgaat. Al schijnen genoemde tegenstellingen ook eene dubbele werkelijkheid te waarborgen, al zijn strijdende beginselen van goed en kwaad — Ormuzd en Ari-nian — God en duivel — ook nog denkbaar, er beslaan ook andere tegenstellingen, bij welker beschouwing het volkomen duidelijk is, dat beide namen slechts dienen om het zijn en niet-zijn van dezelfde zaak aan te duiden. Zoo bijvoorbeeld; rumoer — stille. Kan men zich een stilzwijgen denken, zoo hevig dal het een geruisch onderdrukte? Zeker niet; het zachtste vleiigelgekle|) eener mug daarentegen is reeds voldoende om de diepste stille op te heffen. Dan alleen is een begrip stellig, wanneer men zich kan voorstellen , dat hel voor uitbreiding vaibaar is. liet rumoer kan altijd nog luider gedacht worden, het stilzwijgen echter niet stiller. Een ander voorbeeld: beweging — rust. Van den gang der slak tot aan de trekking van den electrischen stroom wijst de beweging de meest uiteenloopende graden van snelheid aan , maar de rust laat zich niet melen. Ook de duisternis heeft geenen graad. Er is licht en meer licht, maar de trappen van schaduw bestaan toch alleen uit weinig licht en minder licht. Hoe zwart zou eene duisternis wel moeten zijn , die in slaat was — ik zeg niet den zonneglans — maar alleen het schijnsel van een glimwormpje te verslinden? Waar deze verliefde kleine kever zijne coquel-teer-lantaren ontstoken heeft, is ook het volledige begrip van duisternis reeds opgeheven. Alleen de cijfers vormen sommen;, de nullen mag men optellen en vermenigvuldigen zooveel men wil, ze blijven toch altijd gelijk nul. Zoo is het leven een cijfer en de dood eene nul. De levenskracht is altijd voor toeneming vatbaar. Yan de kleine breuk van het levenscijfer, die zich in het straaldiertje roert, tot aan de met bewustheid denkende som van bestaan van een hooggeorganiseerd wezen, vertoonen zich verschillende grootheden van levenskracht; maar de dood — die is eenvoudig hel niet-
163
zijn, dus de nul van het leven en hij kan niet als dooder, als nog dooder en als allerdoodst gedacht worden.
sletsquot; en «Nietsquot; kunnen onmogelijk niet elkander in strijd verkeeren. ilet Niels heeft geene wapenen. Uet Niets — als zelfstandig begrip — is eigenlijk slechts eene misgeboorte van menschelijke zwakheid van gedachten. Zeker, wanneer wij eene beurs hebben en er is niets in , worden wij dat duidelijk genoeg gewaar, maar tot troost kunnen wij zeggen , dat dit mietsquot; zich niet kan verdubbelen, het kan onmogelijk nietser worden en de eerste cent de beste heft het geheel op. Eigenlijk zijn alle snietsenquot; onderling gelijk. Welk onderscheid is er b. v — om bij de beurs te blijven — tusschen eene beurs waarin geen goud en eene waarin geen zilver is ? liet Niets bevat steeds alle ontkenningen — alleen het Iets heeft eenen bepaalden inhoud. In diezelfde beurs is tegelijk ook: geenpapier, geensteen, geenkonijntje. Ik heb met opzet de woorden als zelfstandige naamwoorden geschreven, in navolging van het spraakgebruik, dat zoovele ontkenningen met zelfstandige naamwoorden heeft uitgedrukt en daardoor een handje meehelpt om de verwarring in ons denken te bevorderen. — Duisternis en dood zijn immers niets anders dan zulke zelfstandige naamwoorden voor verhevene begrippen van alwezigheid.
Gelijk de schaduw tot het licht, slaat ook de onwetendheid tot hel weten , de domheid tot het verstand. De graden der onwetendheid en domheid zijn slechts schijnbaar, want eigenlijk is de hoeveelheid der onwetendheid slechts naar het grooter of kleiner gebrek aan kennis at te meten. Alleen de hoeveelheid der kennis is voor loeneming vatbaar, van eene allengs grooter wordende onwetendheid kan men zich geene voorstelling maken. Desgelijks kan ik mij slechts hoogere machten van het bewustzijn denken, maar niet een boven alles verheven »onbewustquot;, zooals vele hedendaagsche pessimisten gelieven aan te nemen.
164
[(et zal mij misschien moeile kosten bij bovenstaande mothoile te blijven, wanneer ik het kwade, het [eelijke en hel ongelukkige ook als eenvoudige ontkenningen wilde beschouwen ; want deze dingen laien zich niet als eenvoudige afwezigheid harer tegenstellingen voorstellen, maarzij moeten als iets stelligs erkend worden, omdat zij ongetwijfeld trappen toelaten. Er zijn leelijke , slechte, ongelukkige wezens en daarnaast bestaan er leelijker, slechter, ongelukkiger. L)e smart is niet alleen een gebrek aan genot, zij is een zelfstandige , voor toeneming vatbare toestand.
Wil men nu het tegengestelde vau schoonheid , goedheid en geluk niet als daarmede gelijke rechten hebbende aannemen , dan levert dit zeker eenige zwarigheid op, een schijnbaar ingewikkeld vraagstuk. iMaar daarvoor is ook eene oplossing te vinden: liet booze, leelijke en ongelukkige zijn niet als openbaringen eener overal werkzame kracht, maar veeleer als storingen dier kracht te beschouwen. De smart is eene abnormaliteit, wie zou het willen loochenen ? Desgelijks de hoosheid, desgelijks het walgingwekkende leelijke — pathologische verschijnselen zijn het, anders niets. En hoe zou er aan eene gelijkheid van recht, aan tegen elkander opwegende strijdkrachten tusschen goed en slecht, schoon en leelijk, gelukkig en ellendig te denken zijn, terwijl wij de eersten dier beginselen steeds als doeleinden aangewezen zien, waarop alle maatschappelijke en natuurlijke richtingen wijzen , terwijl de laatsten (die eigenlijk geene beginselen, maar slechts toevalligheden verdienen genoemd te worden) rondom zich slechts algemeene vliegkracht opwekken ?
Üe smart treft men meestal aan in gezelschap van de ontkenningen van het goede en schoone. En omdat deze ontkenningen steeds geringer worden, door de ontwikkeling en verbreiding van het goede, kan men ook een zichtbaar afnemen der smart aantoonen. De ziekten nemen af door de
165
toeneming der geneeskundige kennis en door de vermindering der ellende, de kweekster van ziekte De misdaden, de haat, de onwetendheid — die de eerste oorzaak der meeste kwalen is — worden geringer in het steeds sterker ontgloeiende vuur der menschenliel\'de en der kennis. Geene toenemende, wel overal in het groote geheel verminderende ellende kunnen wij aanwijzen. En waar het goede en schoone en ware zich vertoont, daar gaat het geluk er steeds naast — het eene zou men naar het andere kunnen afmeten. De liefde, die hoogste uitdrukking van het goede, is ook de hoogste uitdrukking van het gelukkige. «Dezen kus aan de geheele wereldquot; kon Schiller slechts in een lied aan de vreugde zingen. Het medelijden, de barmhartigheid zijn ook uit de liefde gesproten gevoelens en dezen strekken weer tot vermindering der ellende. De barmhartigheid heeft het Roode Kruis geschapen en eene nog hoogere barmhartigheid zou eene banier dragen, die de geheele wereld in eenen band des vredes besloot. Het medelijden, geroepen om de som van het lijden op deze aarde te verkleinen, heeft zich ook de dierwereld aangetrokken en ofschoon reeds lang in den Bijbel de spreuk stond »De rechtvaardige ontfermt zich ook over zijn vee,quot; toch was het eerst onzen gevorderden tijd voorbehouden vereenigingen tot bescherming van dieren te stichten en het schietmasker uit te vinden, dat hel arme slachtvee zooveel angst en lijden bespaart en waarvan het gebruik, hopen wij, evenals tegenwoordig in eenige plaatsen van Zwitserland , weldra allerwegen door de wet zal voorgeschreven worden. — [Iet chloroform en het lachgas heffen de pijn der heelkundige operaties op; de zedelijke pijnen der gele-dene onderdrukking wijken voor den invloed van den zich steeds verbreidenden vrijheidsgeest; weeshuizen, scholen, liefdadige instellingen van allerlei aard verminderen het getal der verwaarloosden en daardoor tevens hel getal der misdadigers — met een woord het booze en het goede kampen,
166
maar hun kamp gelijkt op den kamp van den aanbrekenden morgen met den nacht; de schaduw wijkt zeker.
En dal dit geene utopistische droomerij is, dat het goede waarachtig en inderdaad de voorgesciirevene baan van den loop der wereld vormt, dat kunnen wij immers duidelijk inzien, wanneer wij den blik slaan op den reeds afgelegden weg. Wel is het in vergelijking met de eeuwigheid een zeer kort eind dat achter ons ligt en daarbij is ons gezicht ook maar zwak. Maar toch moeten wij erkennen, dat alom het licht de schaduw verdreef, het ruwe zich veredelde, het eenvoudige zich verfraaide, de waarheid over de dwaling zegevierde, dat om ons heen het streven van al wat bestaat zich verwezenlijkt heeft in het vermeerderen van het goede en het verminderen van het slechte. En nu dit troostvolle beeld zich voor onzen achterwaarts gewenden blik onthult, en dewijl de onveranderlijke wet van het heelal ons borg slaat, dat elke werkzaamheid der na\'uur door alle tijden heen ook in dezelfde richting zal werkzaam zijn — wat moet zich dan wel aan onze hopende blikken verloonen, wanneer wij ze naar de baan richten die vóór ons ligt? Daarginds in de verte, waar loekomstige geslachten ontslaan, die lol ons menschen in verhouding slaan als wij tot de mosselschalen ... daarginds op gesiernten waarbij onze Gea een zandkorreltje is ... daarginds aan den haard zeiven der waarheid, aan de vlammenbron der liefde... in de verblindend lichte nabijheid Gods. .. daar moet ik trillend van verrukking het zwakke zielsoog sluiten — den glans die van alles afstraalt, kan het niel verdragen!
167
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
De tijdgeest. — De stempel van het tijdperk. — Men kan zijnen tijd niet vooruit zijn. — Het onzichtbare kiemen der denkbeelden. — Verandering der denkstof.
Ik lieb mij vroeger laten meesleepen. Dat gaat zoo. Menigmaal slaat de gedachte zoo met de vleugels , stijgt naar zonnige hoogten en valt dan afgemat neer — zooals de sage van Ikarus reeds lang geleden verzinlijkt hoeft. Wanneer wij met den te onzer beschikking staanden voorraad van begrippen en woorden die schemering van voorgevoelens willen uitdrukken, die aan den gezichteinder van onzen geest zoo maar als een bliksemstraal de lucht doorklieven , dan vervallen wij zoo gemakkelijk in overdrijving en hebben toch bij lange na niet bereikt wat wij met het zielsoog aanschouwen. Het is waar, wanneer men zijne bezittingen telt, zooals dit de taak is van dezen inventaris, kan men niet volstaan met de gangbare munten op te teekenen, maar moet men ook de ongestempelde baren vermelden — en dat zijn de in de diepste diepte van iederen menschelijken geest verborgen liggende inbeeldingen en neigingen. Eerst een latere tijd erkent eenmaal naar eenen algemeen aangenomen muntvoet de waarde der thans nog onopgedolven metalen.
Tijd, tijdperken. Deze woorden vloeien zoo dikwijls uit mijne pen. Zeker omdat toch alles van de strooming des lijds afhankelijk is, waarom de beschouwing van alle onze aandacht trekkende verschijnselen in rechtstreeksch verband slaat met de beschouwing van de gedaante des tijds. Ongemerkt gaal het heden in het morgen over en de kenmerken van het tegenwoordige ontsnappen ons. Maar op eenigen afstand — namelijk wanneer de op elkander volgende dagen zich lot eene massa gegroepeerd hebben die men een tijdperk
168
kan noemen, vertoonen de menigvuldige persoonlijke gevoelens, de richtingen van den smaak, de wijzen van uitdrukking zich in massieve groepen en wij herkennen de verschillende trekken van den tijd in de kunstwerken, de meubels, de modes, den schrijfstijl, de denkwijze der vervlogene tijden. Voor den oudheidkenner draagt ieder stuk porselein , ieder schilderij, iedere band van een boek eenen datum , en zoodoende verkrijgt nog alles wat ons omringt onbewust eenen onuitwischliaren stempel van zijnen tijd
De zoogenaamde tijdgeest, waarin onze geest zich beweegt, evenals dit lichaam in den luchtkring die het onmiddellijk omgeeft — wat is die ook al een voorwerp van het wantrouwen en den haat in het kamp der tegenstanders van den vooruitgang — wat wordt daar zijn noodzakelijke invloed— zooal niet geheel geloochend dan toch met jammerkreten begroet. «Ach, de teekenen des tijds!quot; »0, die verdorvenheid onzer eeuw!quot; «Wee, die gevaren der moderne gedachte!!!quot; Zoo klagen en waarschuwen de wachters Sions. Maar wat baat het ... zij zelfs zijn in de golven des tijds gedompeld, al zwemmen zij ook tegen den stroom op.
Een eigenaardig iets, die onzichtbare, sterke.macht, tijdgeest genoemd. Eerst in onze dagen begint men zijne heerschappij waaraan niets omkomen kan, te erkennen en ermede te rekenen ; vroeger daarentegen werd de strooming des tijds meestal beschouwd als een vijandig element, dat slechts in het voorbijgaan optrad en met alle macht bestreden moest worden. Het woord tijdbewnstzijn draagt den aüernieuwsten stempel en nog is dit bewustzijn lang niet overal ontwaakt.
Wanneer ik deze geheimzinnige, ongrijpbare en toch zoo tastbare geestelijke zelfstandigheid die van alle kanten invloed op ons uitoefent, in zinlijken vorm wil voorstellen , moet ik weer tot een beeld uit de stoffelijke wereld mijne toevlucht nemen. Van alle lichamen maken zich oneindig kleine deeltjes los, die als stof onzen geheelen dampkring vullen.
169
Onder de stofjes, die wij in den invallenden zonnestraal zien dansen, fladderen deeltjes van alle denkbare sloffen uit het planten-, steenen- en dierenrijk. Dit in de schaduw onzichtbare, altijd ongrijpbare kleine wereldpuin omgeeft ons van alle kanten en dringt in alle voegen; het blijft aan ons hangen en wij ademen het in — als geuren, wanneer het uit het bed viooltjes, als giftige miasmen, wanneer het uit het rottende moeras opstijgt. En een dergelijk proces heeft in onstoffelijke dingen plaats. Evenals de ruimte met onzichtbare lichamen is ook de tijd met fladderende denkbeelden gevuld. Van den voorraad van tnenschelijk willen en denken maken zich ook zulke deeltjes los en dringen in alle voegen der ziel. Er zijn van die beschouwingen, meeningen , richtingen, die in het algemeen voelbaar zijn en toch door de meeste individu\'s evenmin ondervonden als erkend zijn geworden. Uit de boeken, uit de gehoorzalen, uit de kolommen der dagbladen, uit de verzamelplaatsen der men-schen, waar de denkbeelden groeien en bloeien, voert de wind slechts oneindig kleine stofjes naar de overige wereld — uit de kunstzalen waaien de geuren, uit de spelonken der misdaad of uit de achterlijke streken der domheid waaien de miasmen — dat alles ademt de menigte in; dat werkt op hun geestesleven, op hun bewustzijn , en dat is het ons aan alle kanten omgevende tijdstof. Wie is in staat zich boven zulk eenen dampkring te verhellen?
Toch vinden de tnenschen er zoo dikwijls lust in den menschelijken geest de verdienste toe te dichten, dat hij buiten zijnen tijd is. Of door, zooals sommigen van zichzelven beweren, gt;niet zoo slecht als de eeuwquot; of, zooals dit vaak van groote geesten wordt gezegd: «zijnen tijd vooruitquot; te zijn. Een man die zijnen tijd vooruit is, is letterlijk genomen, een even groote onzin als een vogel die over zichzelf wegvliegt. Ieder mensch kan altijd slechts met die denkbeelden te werk gaan , die in den lijd waarin hij
170
leeft, reeds — ten minste in de kiem — aanwezig zijn. Wel komt het voor, dat door een vlijtiger verzamelen, dooreen levendiger waarnemingsvermogen bij den eenen geest meer dan bij den anderen de in de tijdruimte algemeen opgelost zwevende denkbeelden zich tot vaster vormen samenvoegen en nu voor het eerst duidelijker uitgedrukt zich openbaren. Zulke voorvallen op het gebied des geesles zijn het dan, die gewoonlijk met de woorden »hunnen tijd vooruitquot; worden aangeduid.
Zeker vindt er onophoudelijk een stellige aanwas van denkbeelden plaats, anders zou \'s mensehen geest altijd op hetzelfde punl blijven staan, maar die aanwas ontstaat niet door het vooruit opvatten van eene gedachte, die nog niet in den tijdgeest woont, maar door het vermogen der voorhanden stof om zich te vermenigvuldigen. Uit de wrijving van twee gedachten ontwikkelt zich eene derde; of een denkbeeld verdeelt zich en geeft zoodoende liet aanzijn aan nieuwe, weer voor verdeeling geschikie afstammelingen. Zoo kan bij vlijtige denkers een schat van denkbeelden ontstaan, die schijnbaar den tijd voorultloopen, maar In werkelijkheid slechts In den tijd ontkiemd zijn.
Wel is het licht mogelijk, dat Iemand bij zijnen tijd ten achteren is. Daartoe wordt alleen vereischt, dat hij door afzondering, door onwetendheid of door gebrek aan opvattingsvermogen vrij gebleven Is van de Invloeden des tijds. Maar dat is een zeldzaam geval; het bedoelde tijdstof is zóó doordringend dat het door alle reten en voegen stuift, zijne atomen uitzendt door kloostermuren heen, onder de strooien daken der da^loonershutten, zelfs in de kinderkamer.
Eene meening die zich in het eenzame studeervertrek van sommige denkers uit het overgeleverde gedaclitenmaterlaal ontwikkeld heeft, vangt eerst langzaam en met moeite haar bestaan aan; zij vlucht weg in een paar boeken en tracht daar verder te leven; nn waagt zij zich buiten en stuit op
17i
tegenstanders. Dit laatste is misschien de beste voorwaarde voor ontwikkeling. Alle nieuwe denkbeelden worden hel eerst door hare bestrijders bekend. De groote menigte, die den gedachtenarbeid niet ondernomi\'n heeft, welke tot de geboorte der bedoelde nieuwe idee leidde, zou er natuurlijk niets van begrijpen, daarom hare verschijning niet eens gewaar worden — maar de tegenstanders zijn er, om te verkondigen, dat deze of die monsterachtige gedachte aan den gezichteinder is opgegaan en luide roepen zij tol den strijd daartegen op. Zonder zich de moeite te geven de als gevaarlijk uitgekreten gedachte grondig te onderzoeken, herhaalt de menigte nu het waarschuwend geroep en de meeste men-schen praten dan over eene zaak, die hun slechts doorliet opgetrommelde protest bekend is geworden. Zoo komt het, dal er in den beginne aan de namen van nieuwe, baanbrekende ideeën een zekere schimp kleelt, die nagalmt in de ooren dergenen die volstrekt niets vernomen hebben van de mei den geschandvleklen naam verbondene begrippen.
Eene merkwaardige illustratie van bovengenoemden gang van zaken verschaft de leer van Darwin. Terwijl bet boek lOver het ontstaan der soortenquot; slechts door weinige vakmannen gelezen werd, verhief zich in het groote publiek een ware vloed van artikelen, tegenschriflen, oproepingen, discussies, waarin Darwins gedachte verdraaid, misvormd en aangetast werd; en zoo werd de naam van den grooten natuuronderzoeker hoogberoemd en berucht tegelijk, het woord Darwinisme bijna gelijkbeduidend met Satanisme, en juist diegenen die van den geest dezer leer het minste begrip hadden, droegen door hun ach-en-wee roepen het meest tot hare verbreiding bij. sDe mensch stamt van den aap af.quot; Daarmede geloofden zij de kern der nieuwe theorie gevat te hebben en dat werd dan gemakkelijk met een verachfend schouderophalen wederlegd. liet gold zelfs in den beginne in wijde kringen als eene soort schande, als zwakheid van
172
geest, zoo niet als heiligschendende waanzin, een aanhanger van Darwin te zijn en tegenwoordig (zij het ook met vele uitzonderingen, want het aangevoerde voorbeeld is nog nieuw) nu de meest uiteenloopende nasporingen allen gelijkelijk op de stelling wijzen »van het eenvoudige tot het samengestelde,quot; nu wordt Uarwins aaneenschakeling der organismen — zonder bij de apen opzettelijk eene rustplaats te houden — door de meeste beschaafde lieden stilzwijgend als grondslag der waarnemingen aangenomen en zelfs niet meer als tDarwinisme,quot; maar eenvoudig als eene door het verstand voorgeschrevene methode gebruikt. — Heeft eene gedachte eenmaal dit stadium bereikt, dan vermengt zij zich om zoo te zeggen met het openbaar bewustzijn en dringt in den geheelen kringloop der gedachten, zooals b.v. ingenomen ijzer zich met het bloed vermengt.
Menigmaal gelooft iemand, dat hij eene nieuwe gedachte ter wereld gebracht heeft, terwijl door vele anderen gelijktijdig hetzelfde gedacht wordt. Dat is ook zeer natuurlijk; de kiem waaruit mijne gedachte voortkwam, zweeft immers allerwegen rond. liet geschiedt zeer dikwijls, dat dezelfde uitvindingen en verbeteringen op verschillende plaatsen gelijktijdig in het leven treden. Door de verbreiding der kennis, door de vorderingen der nijverheid, is ook beider vruchtbaarheid toegenomen en daarom vallen nieuwe ontdekkingen thans zoo dikwijls samen.
Soms vindt men in oude boeken denkbeelden en meeningen uitgesproken, waarop men als op eenen fonkelnieuwen eigenen inval heel trotsch was Hoe zou men ook in zijn eigen hoofd kunnen navorschen, wat daar werd ingevoerd, en wat zich daarin zelfstandig ontwikkeld heeft? De massa van het eerste is zoo onberekenbaar en hel laatste zoo uiterst gering — in de meeste hoofden niet eens voorhanden.
Nu en dan ontmoet men in oude werken denkbeelden, die toen zij voor het eerst uitgesproken werden, onopgemerkt
m
voorbijgingen en die nu als nieuw de wereld in rep en roer brengen. Daarvan levert liet Darwinisme ook alweer een voorbeeld op. Zoowel bij Lamark vindt men de grondgedachte dezer leer als bij Oken en voornamelijk in de geschriften van Darwins grootvader. Daaruit ziet men weer, dat niets — ook denkbeelden niet — alleen uit eigene kracht bestaan kan, maar dat ieder bestaan door duizenderlei uitwendige wisselwerkingen bepaald wordt. Altijd de oude geschiedenis van de op steenachtigen of op vruchtbaren bodem vallende zaadkorrels. De grond waarin denkbeelden vallen, is voor hunne ontwikkeling van even groot belang als de in hen wonende levenskracht. Iloevele nieuwe gedachten zouden er tegenwoordig wel ontslaan, welker gebonden levensbeginsel eerst in latere jaren — wanneer de gunstige omstandigheden zullen medewerken — tot werkzaamheid zal ontwaken ?...
liet is bij alles en iedereen zoo moeilijk, het eigenlijke begin eener zaak aan te geven. Wij dagteekenen gewoonlijk eene uitvinding, een denkbeeld, van het tijdstip waarop voor bet eerst stemmen opgingen, die deze uitvinding of dit denkbeeld bespreken; maar wie kan weten of niet misschien veel vroeger diezelfde verschijnselen zich reeds vertoond hadden, zonder opgemerkt te worden? Evenals de volheid van eenen toon niet enkel van zijne eigene klank-eigenschap, maar hoofdzakelijk van den weerklank der ruimte afhangt, waartegen zijne trillingen stooten, zoo is het ook de hoofdvoorwaarde voor het doordringen eener gedachte, dat zij niet, aan eenen klokketoon in eene gewatteerde doos gelijk, door dom onverstand verstikt worde.
Ik zou weieens willen weten, of iemand met volle overtuiging en rechtmatige beslistheid bij het uiten eener gedachte kan zeggen: «Dit denkbeeld is van mij.quot; Ik geloof het haast niet. Omdat iedere nieuwe gedachte het aanzijn dankt aan die denkbeelden welke gemeengoed zijn, kunnen ver-
174
scheidene zulke tweelinggedachlen in verschillende hoofden geboren worden.bovendien — hoe wil men zicli zoo nauwkeurig rekenschap geven van den doorloopen gedachtengang en weten of lietgeen men zooeven dacht een eigen voortbrengsel is of wel de herinnering aan iets dat men lang geleden gehoord of gelezen heeft ?
Eigenlijk kan men iedere gedachte zijne eigene noemen, die niet opzettelijk overgeschreven of nagepraat wordt, maar uit den voorraad onzer overige zelfopgedane beschouwingen ontstaat en in overeenstemming is met onze geheele eigene manier van denken. Wat men eens gelezen, begrepen en onthouden heeft, vermengt zich met de aanwezige opvattingen, en spreekt men het weer in verband met deze laat-sten uit, dan mag men het zeker zijn eigen denkbeeld noemen. En al is dit ook niet nieuw, nieuw is toch de wijze van uitdrukking. De eindelooze verscheidenheid die overal in de wereld der vormen heerscht, moet zich in de inkleeding der denkbeelden openbaren, zoodra men ze niet nabauwt, maar eerst onder woorden brengt, als zij omgewerkt uit ons eigen gedachtenmodel te voorschijn komen.
Van de scheikundige verbindingsprocessen die in de men-* selijke hersenen plaats hebben, van die vormverandering der opgenomen gedachtenelementen heb ik eens eene zeer aardige omschrijving in de «Revue des deux mondesquot; gevonden (geteekend E. Montéput), die ik hier vertaald laat volgen;
tEene scheikunde des geestes, die met de natuurkundige overeenkomt, vermengt de aan hare werking onderworpene kennis, lost ze op, geeft er nieuwe gedaanten aan. Wal vroeger een historisch feit was, wordt opgelost, verliest geheel zijn concreet karakter en wordt een zuiver bovennatuurkundig afgetrokken begrip; wat eenvoudig een denkbeeld was, niets dan eene wiskunstige monade, onttrekt zich aan den toestand der abstractie en verbindt zich , gedreven door de wetten eener geheimzinnige keurverwantschap, met een stof-
Mb
felijk feit en vormt zich zoo door aantrekking een lichaam; eene doornige en droge wijsgeerige theorie zal zich met bloemen bedekken, evenals de struiken der heggen; een geheel stelsel zal zich in een enkel, op eene ijle nevelwolk gelijkend beeld, oplossen, en omgekeerd: — eene enkele figuurlijke uitdrukking wordt het vruchtbare beginsel van een geheel stelsel.quot;
Zij is ook al een teeken van onzen tijd, die neiging om de dingen des geestes naar dezelfde methode waar te nemen, die in de natuurwetenschappen sedert lang in gebruik is, namelijk het opsporen van wetten. In dezen zin beschouwt b.v. het lid der Academie 11. Taine in zijne critische werken de verschijnselen der kunst, terwijl hij ze als een uitwerksel der sfeer (d.i. de natuur des lands, de omgevende verhoudingen , de heerschende strooming des tijds enz.) voorstelt, leder schrijver is volgens Taine, evenals iedere kunstenaar en in het algemeen ieder mensch, zonder het zelf te weten het resultaat der genoemde krachten, die in eene onmetelijke reeks van wederkeerige afhankelijkheid op elkander werken.
Deze theorie, die ook een voorwerp der hevigste bestrijding is, zal ik van verschillende kanten bezien en tot het onderwerp van een afzonderlijk hoofdstuk maken. Zulke beschouwingen, die immers de innigste genoegens betreffen, mij door het denken verschalt, wil ik in deze voor mijzel-ven geschreven bladen niet maar zoo in het voorbijgaan aanroeren, maar met liefde uitwerken.
176
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
Pauze, — Over de liefde. — Hare duizend varieteilen. — Het ideaal eener geliefde. — Prinses Kalhi. — Het ideaal eener vrouw.
Weder eene kleine pauze. De gedachte die, van het Ik zich losmakend, in de algemeenheid zich beweegt, onderneemt eenen zeer vermoeienden tocht naar hoogere streken. Dat is zoo\'n gezicht in vogelvlucht, zooals een genoeglijk reisje per luchtbol verschaft, maar het vermoeit heel gauw. Men verlangt toch weer naar omlaag, naar zijne kleine naaste aardsche omgeving, waar iemands eigene woning er niet als een zwart stipje uitziet en waar het menschelijk bedrijf niet alleen op het gewemel van een troep mieren gelijkt.
Wat zou men spoedig oogpijn hebben, als men altijd alleen door telescopen en microscopen keek, en ofschoon deze instrumenten ons gezicht verscherpen en het verwijderde en kleine van welks bestaan wij anders geen vermoeden zouden hebben, dicht bij ons brengen, toch snakt het oog naar de gewone afmetingen. Men beziet toch liever het portret der geliefde in het medaillon, dan de ringen van Saturnus aan het hemelgewelf, en men heeft er niets tegen het dansen der spirillen en bacteriën in het waterglas niet op te merken, dat men gereed staat aan zijne dorstige lippen te zetten. Evenzoo mag ook de gedachte de omringende voorwerpen niet altijd in de wijsgeerige afmetingen hunner heteekenis voor de wereld beschonwen, maar wil ze liever in hunne betrekking lot onze kleine persoonlijke omstandigheden opvatten. En nu ik toch geen stelselmatig boek schrijf — weder verheug ik mij over deze dikwijls vermelde omstandigheid — kan ik ook op deze bladen zei ven de weldadige rustpoos voor den geest onder woorden brengen en hier alles op-
177
teekenen, zooals liet zich aan mijn ongewapend oog en mijne niet diepgaande gedachten voordoet, wanneer ik ze de grenzen mijner vier muren niet laat overschrijden, ze niet buiten het gebied mijner persoonlijke gevoelens laat treden.
Zal ik weer eens beproeven een paar herinneringen uit vervlogene dagen te tixeeren? Ach, dat de schoonste daarvan zoo vervluchtigd zijn als een morgennevel! Liefdesgeschiedenissen waren het natuurlijk , die ik mijzelven wilde vertellen. tKroon des levens, liefde zijt gijquot; zooals in het liedje staat, en zoo is het ook. Dat zijn de heerlijkste stations op de levensreis, die verschillende rustplaatsen aan de «Teedere Rivier.quot; Een hart dat nooit van het gevoel der liefde of althans van het verlangen naar liefde geklopt heeft, is niet volkomen normaal. Zaligstmakende aller we-reldwetten — diepste aller mysteriën en misschien toch de sleutel aller overige mysteriën!
INina ... Marie--Izabel — Adèle — Kitti... hoe
zoet klinken die namen mij in het oor. En voor mijne herinnering zweven ook gestalten voorbij die zonder naam zijn, die maar zoo opeens, in gloeiende en liefelijke kleuren gedoopt , oprijzen om terstond weer te verdwijnen. Eenen kussograaf moest Edison voor mij uitvinden, waarin op eene gevoelige plaats de gewaarwordingen bij den eersten kus vastgelegd werden, liet is zoo — wanneer al die lippen-vlammen zich dan in eene enkele vonk vereenigden en de machine zich ontlaadde, zou dat genoeg zijn om eenen man te dooden...
Over veel heb ik reeds nagedacht — dat getuigen mij deze bladzijden — maar over de liefde ben ik nooit in beschouwingen geit eden. Daarentegen heb ik bemind, en veel en stormachtig en dwaas en innig bemind! En thans, nu mijn hart vrij is, is het zeker niet vrij van een hevig verlangen naar liefde.
Welken der door mij beleefde romans zou ik wel terug I. z. 12
178
willen tooveren, wanneer zoo iels in mijne macht stond? — Neen, niel éen. Hel zou weer eene «nieuwe liefdequot; moeten zijn. Er bestaan ook duizend variëteiten Vreesde ik niet mijzelven te gaan vervelen met mijne eeuwige vergelijkingen aan de bewerktuigde natuur ontleend, dan zou ik mij weer zeer goed kunnen verzinlijken hoe zich uit de oorspronkelijke kiem der liefde die gelieele bloemenrijke flora heeft omwikkeld, die den menschelijken tuin der liefde siert. Wat was het in den beginne? — Eene natuurdrift, een gebod van voortplanting en wal heeft zich dat ontplooid, veredeld, vergeestelijkt — wat is daaruit die geheele bloemenwereld met hare bedwelmende geuren, met hare gloeiende kleuren ontstaan, die het pad onzer jeugd verheerlijkt!
Dat de liefde, zooals wij ze tegenwoordig kennen en bezingen, ook een product is van mijnen geprezenen voor-uilgang, kan niemand ontkennen. Wal welen de wilden van deze bloem des gevoels? De tegenwerping, dal de middeleeuwen onzen zoogenaamden goud- en nijverheidslijd in dweperij met de liefde overtreffen, laat ik niet gelden; want ik meen, dat ndweperijquot; in het algemeen een kinderlijke lage trap op de ladder des gevoels is, evenais b. v. hartstocht; ook moeten wij rijker dan de\'middeleeuwen zijn in onze goederen der liefde, al ware hel maar om de romantische kronieken uit dien tijd. Alles stapelt zich op en alle schatten vermeerderen zich, ook die van het algemeene menschenhart — (evenals er een tijdbewustzijn, een algemeen geweien bestaat, neem ik een universeel hart aan). Wat onze voorvaderen gedacht, wat zij met hunne kinderen gearbeid hebben, dal alles is in ons bezit gebleven; en evenmin is helgene zij gevoelden, dichtten en liefhadden voor ons verloren. Zelfs gaan wij dikwijls te ver in dien wensch om de opgelegde rijkdommen van gevoel in bezit te nemen; wanneer wij verliefd zijn, gelooven wij altijd, dal wij alles zullen gevoelen wal de verliefden van alle tijden ons van
179
hunne gevoelens hebben medegedeeld. Alles wat wij gelezen en gehoord hebben van de maclu van den hartstocht, van het vuur des verlangens, van de aanbidding, verrukking, overgave, dat alles willen wij in de kloppingen van ons eigen hart vereenigd vinden. «Deze of geene,quot; nEeuwig en eeuwig de uwe!quot; illaar bezitten of sterven,quot; dat zijn zoo enkele van die dooddoeners, welke de verschillende min-nenden hebben achtergelaten en waarbij men ook zweert, zoodra men de eerste verliefde aandoening voelt. Dat komt, omdat men meent, dat er maar éene «echtequot; liefde is en wanneer men weet door de zoete krankheid aangetast te zijn, denkt men, dat alle bekende verschijnselen zich ook moeten voordoen. Maar het is niet altijd zoo gevaarlijk. Hoe dikwijls bemint men wel voor het «eerstquot; en hoe dikwijls voor hel «laatstquot;? [ioe dikwijls zegt men «Die of geenequot; en neemt dan toch de andere? En hoe, wanneer de liefde verdwijnt?
«Die was voor mij niet weggelegd.quot;
Dit woord des dichters geeft men zich ten antwoord verklaart, dat de verdwenen liefde de ware niet was, en treedt de eerstvolgende weer met hetzelfde volle vertrouwen tegemoet; tot men eindelijk oud en koud en sceptisch wordt en schouderophalend meent, dat de liefde in hel algemeen niet werkelijk beslaat — slechis een dichterlijke waan is en de droom van een bakvischje. Maar zulk een twijfel is ook valsch. Liefde, bestaat inderdaad en in duizend en nog eens duizend gedaanten dartelt zij om onze gevangene zinnen en vervult zij onze kloppende harten. Haar thermometer doorloopt van het nulpunt tol het kookpunt tallooze graden; of om op mijne geliefkoosde beeldspraak aan het plantenrijk ontleend terug te komen; (dat wordt bijna lol een sidée fixequot;) hier groeit de liefde als een onaanzienlijk mosplantje en daar als eene roos — en in de harten, zoo heet als de zuiderkeerkringslanden, als vergift uitwasemende purperen bloesems.
180
liet ontleden en ontbinden der liefde, hare terugbrenging tot de eenvoudige aandrift der voortplanting, waarmede vele pessimisten dit heerlijke gevoel zoo gaarne vau alle poëzie zouden beronven, ontneemt daaraan eigenlijk niets van zijne pracht en zijne werkelijkheid. Alles laat zich tot een grondelement terugbrengen: de diamant tot de koolstof, de japon van brocaat tot de zijderups, Paganini\'s spel tot de trillende darmsnaar, de paradijsvogel tot den uitgebroeiden dooier van het ei, de stormende zee tot het in beweging gebrachte zuur- en waterstofgas — zijn daarom die ver-schijnselen minder bewonderenswaardig en minder reëel?
Alles wat eenmaal gedacht en eenmaal gevoeld is, heeft in het rijk van het ideale zijn recht op bestaan en zijne voortdurend werkzame levenskracht. Elke variëteit der liefde, hoe overspannen ook, die eenmaal gevoeld werd en uitgedrukt, is waar en eene werkelijkheid; men kan verklaren uit welke oorspronkelijke, eenvoudige gevoelens zij zich heeft ontwikkeld, maar haar samengesteld bestaan laat zich niet meer wegcijferen.
Van de duurzaamheid der hartstochtelijke liefde heb ik nooit te veel verwachting gehad. Ik heb te vroeg ondervonden , dat de liefde in hare ontwikkeling de meest verschillende toestanden doorloopt. En de verrukkelijkste dier toestanden blijft toch de eerste gewaarwording van zijn eigen gevoel en de zekerheid, dat het beantwoord wordt. Üe eerste overeenstemming.... het eerste je.... O, onuitsprekelijk zoet, geheimzinnig schemeruur, dat het verrijzen van de zon der liefde voorafgaat 1 Gesproken heeft men nog niet, maar toch waagt men het de geliefde vrouw met eenen veroverenden blik te bedwelmen... Zij verbleekt en beeft onder dien blik en terwijl haar oog het onze ontmoet — beklemd, bezwijmend, met eene bijna pijnlijke belofte van genot, geeft zij zich gevangen .. . Üe diepste bekoorlijkheid der ontluikende liefde is het bewustzijn van het gedeelde geheim; en
181
het bewustzijn, dat hel geliefde wezen ook zulke gedachten koestert als wij, die met éénen bliksemschicht het geheele beloofde land van het aanstaande liefdesgeluk omvatten. Is dit liefdesgeluk nu een verboden geluk, dan voelt men voor beiden de smart van den strijd en de bedwelmend zoete aantrekkingskracht van den afgrond. Liever dan van elkander te scheiden, zou men elkander met eenen wilden stervenskreet in de armen vallen . . .
iMaar gewoonlijk volgt niet de dood — doch slechts een paar met leugen en bedrog gekochte zwijrnel-uren ; spoedig verliest de afgrond de betoovering der krankzinnigheid — hoe langer hoe rustiger wandelt men erin rond en alles eindigt met een koud vaneengaan.
Ik heb alle mogelijke minnarijen aan de band gehad, liet is waarlijk mijn plan niet hier gedenkschriften a la Casanova te schrijven; maar waarom zou ik deze omstandigheid, die immers in het leven der meeste mannen voorkomt — allerlei minnarijen namelijk — niet mogen vermelden? Niet dat ik mij daarop iets laat voorstaan. Integendeel: wanneer een man recht heeft ergens trotsch op te zijn, dan zeker op hel geluk eene geliefde of eene gade gevonden te hebben , die hem zulk een boeiend leven der liefde bood, dat hij jarenlang in ongeschonden trouw aan hare zijde kon volharden. — Mijn arm klein vrouwtje heeft de dood mij zoo snel ontrukt en van mijne geliefden wist geene enkele trouw in te boezemen noch te betoonen. Tengevolge van mijne ondervinding van vrouwen en liefde vorm ik mij dan ook verschillende idealen — het ideaal eener geliefde en bet ideaal eener gade. liet eerste verwezenlijkt voor mij »de groote dame.quot; Daarmee bedoel ik geene modemaakstertje of kameniertje, geen landmeisje of Camelia-dame; ook niet de eerzame vrouwen en dochters uit den middenstand. Neen , de dame uit de groote wereld. Dat wil ik dadelijk ophelderen en mij langs dien weg een beeld voorstellen dat aan mijn ideaal beantwoordt.
182
Laat ik haar prinses Kathi noemen. Het is in adellijke kringen eene geliefde tegenstelling aan de trotsclie vrouwen zulke verkorte boersche namen te geven. Dat staat nog veel trotscher. gt;Voor mijnsgelijken ben ik Kathiquot; — schijnt dat te zeggen — «des te grooter is de afstand van degenen die mij als Hare Doorluchtigheid Katharina prinses van en tot \' *dame van de sterrenkruisorde en van het paleis, moeten aanduiden.quot;
Prinses Kathi is tusschen de vijf en twintig en dertig jaar oud. Hare schoonheid bestaat niet in frischheid van kleur noch in de regelmatigheid der trekken, maar in de betoovering der van hare macht overtuigde voornaamheid. Elke barer bewegingen is een bewust en tevens achteloos zwaaien van den schepter. Gang eh houding zijn zwevend en vermoeid tegelijk ; het hoofd eenigszins zijwaarts gebogen , als drukte de diadeem. Wanneer zij de marmeren treden eener met tapijten belegde trap afdaalt, met eenen zwaren golvenden sleep , of wanneer zij de balzaal betreedt of ook maar uit een modemagazijn tot aan het opengehouden portier van het rijtuig gaat, — altijd is het alsof zij tusschen een dubbele rij van diepbuigende hovelingen doorging. Zij is teeder en zwak ; den gloed harer blikken verbergt zij onder halfneergeslagen oogleden ; een eigenaardige vluchtige geur — als van echte kant die in sandelhouten kistjes ligt — stijgt uit hare kleederen op en een zacht gouden geklepper van kettinkjes en medaillons vergezelt elke harer langzaam-bevallige bewegingen.
Iets ruws en hards heeft haar nooit getroffen — zij kent het leven slechts van de schitterende, bloemige, heldere zijde. Haar bestaan is door hermelijn en dons tegen de koude beschut. De lucht die over haar bloote blanke schouders strijkt, is door vreugdevlammen verwarmd en met bloemenadem verzadigd ; haar porseleinglad voetje in den schoen Louis XV door zachte zijden strikken omsloten,
183
kent de steenen van den weg niet en treedt slechts op flu-weelen tapijten of met grint bestrooide lanen van een park. Hare gewone houding is een achteloos leunen in de kussens van haar door zwarte paarden getrokken landauer, op de zwellende kussens harer causeuse, in den armstoel harer loge in de opera.
Eene eindelooze reeks van feesten vult hare dagen en nachten; bals, hoffeesten, diplomatieke diners, gezantschaps-routs , liefhebberijtooneelen , weldadigheidsbazars , wedrennen , badreizen, jachtpartijen volgen elkander onafgebroken op. Zij beoefent het rusteloos genieten als een gebiedenden plicht. Maar moede is zij, moede Onder het engsluitende atlaskuras klopt het hart van bang verlangen ... een nieuwsgierig vragen: ter moet toch nog andere vreugde bestaan ?...quot;
Prins Rudi, de gemaal van Kathi, woont in den anderen vleugel van het paleis en beschermt zooals iedereen weet eene aardige operetten-zangeres. — Liefde — hartstocht. Die woorden treffen van alle kanten Kathe\'s oor. Op de golven der opera-muziek, door de bladen van den nieuw-sten roman , door het kwaadsprekend gefluister der salonkronieken , overal wordt dat tooverwoord haar toegevoegd. Nu valt het in de diepte harer ziel en plotseling vlamt het knetterend op. Gelukkig , driewerf gelukkig diegene harer aanbiddende slaven op wien in dit oogenblik haar smachtend oog rust.
De begunstigde eener zoodanige vrouw te zijn is wel een lof, die de meest verfijnde liefdesgeneugten biedt, waarvoor onze overbeschaafde en weelderige zin ontvankelijk is. In zooverre liefde een roes is , eene zinsverbijsterende opwekking der levensgeesten , hoe kan men zich dan een dampkring denken die bedwelmender zou werken dan de glans-atmosfeer, welke de groote dame omgeeft. Alles wat den hartstocht prikkelt, namelijk de ijdelheid, het geheim-
184
zinnige, de moeielijkheid om iets te verkrijgen, werkt hier samen. Zulk eene geliefde te bezitten is een roem, eene verrukking en een gevaar.
De bitterheid van den verstoorden vrede die andere ongeoorloofde liefde vergalt, valt hier weg. Prins Rudi zal door de trouwbreuk niet ongelukkig worden, als de sischijnquot; maar bewaard blijft. In het ergste geval jaagt hij ons eenen kogel door het hoofd. Voor Kathi zelve is de inwijding in het leven der liefde geene storing maar eene volmaking van haar bestaan. Zij valt in onze armen, niet als in eenen afgrond, maar als op een zacht rustbed; het heimelijk gewisselde ))lk bemin jequot; klinkt voor haar niet als een bange kreet van het geweten, maar als de eindelijk gevonden oplossing van een zwaar en kwellend raadsel.
liet geheim waarin de «liaisonquot; moet gehuld zijn, is maar even dicht genoeg om ze te omsluieren en verhoogt zoodoende hare betoovering. Wie het doorzien, doen er met eenen glimlach het zwijgen aan toe. In siilte is men het om zoo te zeggen met de geheele kliek eens en bovendien nog bescheiden. Steeds moet men op zijne hoede wezen om zijn gestolen geluk te verbergen, te beschermen, zich duizend moeiten geven om niet ontdekt te worden — en heeft nog daarenboven de geruststellende zekerheid, dat, wanneer men ontdekt werd... het toch ook geen ongeluk zou zijn.
En hoe trotsch, met welk een gevoel van bevredigde eerzucht denkt men aan zijnen vorstelijken schat! Is het mogelijk? Dezelfde persoon, tegen wie gewone menschen slechts op eenen eerbiedigen afstand opzien, op wier wegen zich alle hoofden oniblooten en buigen, spreken wij met jjequot; aan en onder onze blikken gloeit dat voornaam bleeke, koude gelaat; het kunstig gebouw dier torenhooge lokken, waarin diamanten lonkelen, stoot onder onze sidderende hand in en uit zijden ringen die op ons voorhoofd vallen ,
485
stijgt een welriekende geur op. Wij ontmoeten haar op den rit in liet Corso of in het schitterend gedrang van het hoffeest, wij maken eene eerbiedige buiging, terwijl zij\' ons met een onverschillig hoofdknikje begroet en toch — en toch... eene krampachtig zoete beklemming doet onzen adem stokken bij de gedachte, dat die hooge, trotsche, ongenaakbare met ons een geheim en duizend gloeiende herinneringen en verwachtingen deelt.
Hoe is de zaak toch aangekomen? Was het een blik, een zacht gesproken woord, een toevallig tegen elkander kloppen der harten bij het rondzwieren in eenen dollen dans? — Ik meen het mij te herinneren: het was in den schouwburg. Ik was juist de eenige bezoeker in hare loge. Ik besprak, evenals ik vroeger reeds dikwijls gedaan had, de liefde — in het algemeen — maar hartstocht sidderde in mijne stem. Ik zat achter haar en ademde de geuren in harer blonde haren, die in zware met parelen door-strengelde massa\'s op haren hals vielen; haar hoofd was een weinig terzijde gewend en de witgehandschoende hand plukte aan de bloemen van den ruiker camelia\'s.
Nu viel het scherm, het sluk was uit. Zij ging het loge-salon binnen en ik nam den met bont gevoerden mantel van rood atlas om hem op hare schouders te leggen. Dat mantelomdoen was het begin. Als of eene lichte huivering haar deed rillen, schikten en drukten zich hare schouders in het zachte omhulsel — warmte was voor haar eene behoefte, teederheid zocht ze — en leunden zoo eene minuut, — eene halve minuut tegen mijne borst... En Kathi was de mijne.
Maar zoo\'n Kathi is toch slechts eene schitterende episode in het leven. Haar ie mogen beminnen is zeker een idealistisch geluk — prikkelend, bedwelmend en ras vervliegend — maar haar echtgenoot zou ik niet willen zijn. Van
186
het ideaal eener gehuwde vrouw maak ik mij weder eene andere voorstelling.
«liet huwelijk is het graf der liefde.quot; Degene die deze stelling het eerst uitsprak , verbeeldde zich waarschijnlijk eene geniale ontdekking te hehben gedaan en allen die hem napraten, meenen eene treurige algemeene waarheid te verkondigen , waarop slechts hier en daar eene uitzondering kan toegelaten worden.
Ik moet toch ook eens zoo\'n prachtig axioma verzinnen. Bijvoorbeeld:
8 De lucht is het graf van den visch.quot;
Dat is treffend juist en Ik heb daarbij nog voor, dat er volstrekt geene uitzondering op dezen mijnen algemeenen regel mogelijk is. Omdat die stelling mij zeer goed bevalt, gebruik ik ze dadelijk voor eene sluitrede en zet ze als eerste praemisse op:
De lucht is het graf van den visch.
Nu heb ik eene tweede noodig:
De visch is een levend wezen;
Bijgevolg:
De lucht is het graf der levende wezens.
Halt. Dat kan toch niet volkomen in den haak zijn. Er zijn levende wezens genoeg in de lucht. Raven en meikevers niet eens medegerekend, bevind ikzelf mij daarin bij uitstek goed. Zijn dat misschien ook al van die uilzonderingen, die bij de beroemde stelling over het huwelijk toegelaten worden. Laten wij het eens wat nader onderzoeken, Het huwelijk is het graf der verliefdheid. Verliefdheid is een gevoel der liefde,
bijgevolg: ha, nu ben ik er. Verliefdheid is maar een onderdeel van het algemeene begrip «liefdequot; , evenals de vis-schen eene afzonderlijke orde in het rijk der levende wezens uitmaken. Een predicaat dat in de eerste stelling op een bijzonder geval betrekking heeft, mag in de volgende niet op het geheel toegepast worden. Had die wijsgeer iverliefd-
187
heidquot; gezegd inplaats van liefde, dan zou zijn axioma even onomslootelijk zijn geweest als mijne bewering aangaande de visschen. Dezen — ofschoon ook levende wezens — onderscheiden zich juist van andere levende wezens o. a. daardoor, dal zij aan andere levensvoorwaarden gebonden zijn. En de verliefdheid — hoewel ook liefde — heeft voor haar bestaan voorwaarden noodig die in het huwelijk evenmin aanwezig zijn als het water in de kruinen der boomen — namelijk de geheimhouding, het verbodene, de wensch om iets te bereiken , het hopen , volharden , smachten , twijfelen. Al deze dingen waarin de verliefdheid beslaat en ademt, zijn in het huwelijk voor eeuwig verdwenen Daarvoor zijn andere voorwaarden in de plaats gekomen , die ook weer aan andere gevoelens bevorderlijk zijn. Maar ook gevoelens der liefde, Gode zij dank, liefde zooals zij uitsluitend in het huwelijk gedijen kan, niet wild, niet koortsachtig, niet zengend, maar innig, vreedzaam en gelukkigmakend. Niet gt;geluk zonder rustquot;, integendeel: »een geluk zonder berouwquot;, eene vervulling aller wenschen, een zoet rusten in schaduwrijke koelte. Een rustkussen zou de boezem mijner vrouw voor mij moeten wezen, en in mijne armen moest zij in veilige haven zich gevoelen. Beiden behoorden wij te weten dat ons Ik verdubbeld was , al onze gedachten en aandoeningen zouden moeten samenkomen, ineenvloeien, gelijk twee beken die zich vereenigen om verder te stroomen. Bij zulke verhoudingen moet het huwelijk de zuiverste oplossing van alle vragen des harten zijn Geheimen zouden tusschen mij en de mijne niet mogen bestaan; nergens eene leemte, nergens een punt dat ons scheidde. Daarom mag ik ook niet in de zoo vaak geuite meening deelen, dat het, wanneer de man over sommige vragen vrijdenkt, goed zou zijn, wanneer de vrouw bekrompen is van geloof. Derhalve zou mijne gade, terwijl ik tracht de samenhangende wereldbeschouwing die aan den hemel van hel weten begint te sche-
188
meren, te doorgronden, eene bedevaart naar Lourdes moeten doen; ik moet weten, dat zij van het diepste leven mijner ziel geen begrip lieeft, en zij van haren kant moet gelooven, dat ik een verloren ketter ben , voor vvien zij met ontzetting op zijn allermeest nog eene bekeering op het sterfbed mag hopen — — en daarbij moeten wij gelukkig — dat wil zeggen één zijn? Moe is dat mogelijk? Neen, de gezellin op mijn levenspad zou overal aan mijne zijde moeten wezen, in staat zijn mijnen geest op al zijne reizen te vergezellen ; geene stilzwijgende overeenkomst zou er tusschen ons mogen bestaan om zekere vraagpunten niet aan te roeren. Daardoor ontstaat eene kloof — dat scheidt twee harten door eenen breeden afgrond. Overeenstemming is immers de hoofdvoorwaarde der rust. Een wanklank — of hij onder dien naam in het rijk der tonen optreedt, of onder de namen wrijving, strijd, vijandschap in het rijk der dingen en men-schen — brengt alom niets dan foltering teweeg. Dus vooral geene verschillend gestemde zielen tusschen levensgezellen.
En valschheden evenmin, liet is noodzakelijk, dat men niets behoeft te verzwijgen van hetgeen men denkt; dat men niets behoeft te zeggen wat men niet denkt. Alles moet men elkander kunnen mededeelen en bekennen ; nergens komt een zedelijk omzien te pas. [Iet huwelijk behoort een volkomen met-zichzelf-alleen-zijn van twee personen te wezen.
ïlleb uwen naaste liel als uzelven.quot; Deze schoone stelregel kan alleen in het huwelijk ten volle nageleefd worden. Evenmin als men zichzelven in armoede, in tegenspoed, ja zelfs in de misdaad ooit verlaat, evenmin mag ook in die verdubbeling van zichzelven, zal het goed zijn, ooit de vrees bij ons opkomen , dat uitwendige omstandigheden de banden der liefde die ons vereenigen, los zouden maken-Of mijn ideaal-vrouw schoon is ? Zeker, het doet mij genoegen als anderen haar dat voorrecht toekennen; ook is
189
het mij lief, wanneer zij de vreugde geniet die eene vrouw in de bewustheid harer schoonhtid schept ; maar op de liefde die ik voor haar gevoel, heeft die schoonheid rechtstreeks niet den geringsten invloed. Ik weet en zij moet het weten, dat wanneer heden eene ziekte haar mismaakte of wanneer de ouderdom hare bekoorlijkheden vernietigt, zij mij daarom geen greintje minder dierbaar zal zijn. Hoeveel gerustheid schenkt haar dat. . . met welk een onverschillig oog zal zij eens in den spiegel de eerste rimpels opmerken ; en verbleekt haar haar, dan zal zij zich slechts over de witte kroon verheugen die haar, de waardige matrone, zal sieren. En ik voor mij ga mijn lot even rustig tegemoet. Ik heb geene behoefte aan wereldschen voorspoed om in de oogen der dierbare hooger te stijgen. Verwerf ik eer en rijkdom, te zamen zullen wij ons verblijden — maar al troffen mij verliezen — schande zelfs — nog zou ik geene verkoeling harer liefde te vreezen hebben. Ik weet het, alleen zou zij haren kus nog zachter op mijn gebogen voorhoofd drukken.
Ach, bezat ik maar zulk eene vrouw!
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
Over de analogie der zeden- en natuurwetten, — Hoovaardij der dualistische zielkundigen.
»Het is eene veilige wereldquot; en »lk geniet de wettenquot;. Deze beide uitdrukkingen, die ik uit blijdschap over de schoone iurichting der stofl\'elijke natuur gebruikte, kan ik ook op den gang der gebeurtenissen, op de openbaring aller zielsvermogens toepassen.
Maar terwijl het eerste gebied — de stoffelijke natuur namelijk — door iedereen zonder bedenken vrijgelaten wordt
190
voor het onderzoek en het opsporen der daarop heerschende wenen, bestaat er nog een ontzettend vooroordeel dat zich overal ten sterkste gekant heeft tegen de toepassing derzelfde methode op onstofl\'elijke dingen. Er beslaan zekere lieden en zekere scholen die zich beleedigd en gekrenkt voelen, wanneer men het een of ander zielkundig verschijnsel tot eene vaste wel wil terugbrengen, wanneer men de voorvallen uit hel leven van den mensch of ook van den slaat door middel van eene aan natuur- of werktuigkunde ontleende vergelijking wil ophelderen «Onzin, kwaadsprekendheid , godslasteringquot; heet hel daar , of — om zoo verachtelijk mogelijk te spreken: «Laag, kras materialisme.quot;
Waarom slaagquot; 1 Dat zoo menigmaal hel standpunt van andersdenkenden voor laag wordt uitgekreten, in vergelijking van het standpunt dat de spreker inneemt! De afstand berust misschien wel hierop, dat de andersdenkende hooger staat. Maar neen , het blijft erbij: een ieder gelooft, dat de andere zich niet tol hem verheffen kan. Als Gretchen haren geliefde uitvraagt, hoe het met zijnen godsdienst staat, waarop Faust antwoordt: «Mijne liefste, wie durft zeggen: ik geloof aan God? Vraag hel priester of wijze, en hun antwoord schijnt slechts spot met den vrager te zijnquot; dan vindt zij zeker ook , dat de dierbare man het niet zoo ver gebracht heeft als zij in de waardeering der sacramenten. Wie in den donder Gods vertoornde stem hoort en in eene besmettelijke ziekte een goddelijk strafgericht ziet, meent zeker ook vol medelijden, dat dokter X. niet voor eene dergelijke zielsverheffing geschikt is, omdat hij inhei onweder slechts eene ontlading van electnciteit en in de epidemieën eene uit natuurlijke oorzaken ontstane verbreiding van bacteriën en microben ziet.
Maar zeer gering is reeds het aantal dergenen die zich tegen het streven om natuurverschijnselen tot hunne natuurlijke oorzaken terug te brengen, verzetten; daarentegen
191
zijn de bewakers van het zoogenaamde ideale nog altijd talrijk, die hun gebied trachten te verdedigen tegen het binnendringen van den analyseerenden en generaliseerenden geest. Degenen echter die het toch wagen de wetten op te sporen die de ideëele wereld beheerschen en de menigvuldige overeenkomsten in het licht te stellen, die zij tusschen stoffelijke en onstoffelijke voorvallen opmerken, moeten zich daarbij telkens van een beeldspraak bedienen die nu en dan gedwongen kan schijnen en hun maar al te dikwijls het verwijt berokkent, dat zij alle zielkundige vraagstukken tot de natuurlijke omlaag willen trekken, (liet kan zeer goed wezen dat het woord nomlaag trekkenquot; hier te onpas is gebezigd, want hoe dieper wij in de wetten doordringen, waaraan de stof gehoorzaamt, desiemeer moeten wij hare verhevenheid bewonderen en erkennen; in onze schoone wereld, waarin alles in eenen cirkelgang ineenvloeit, bestaat geen «omlaagquot;). Wanneer men den onderzoekers van nog schaars bezochte gebieden des geestes verwijt, dat zij beeldspraak en leenspreuken misbruiken , dan vergeet men daarbij, dat het juist in den aard der menschelijke taal ligt van het bekende tot het onbekende over te gaan en dat zij van haar eerste begin af tot hare tegenwoordige ontwikkeling toe eene onafgebro\'iene reeks van overdrachtelijke spreekwijzen aanwijst. Slechts wanneer het voor het eerst wordt gebruikt, vertoont een beeld zich als zoodanig; zoodra het in het algemeene gebruik is overgegaan , doet het niet langer dienst als beeld maar als de uitdrukking van het nieuwe begrip.
Dikwijls wordt met zulk een gangbaar geworden allegorisch woord eene geheele reeks van beelden en vergelijkingen uitgedrukt, die men, werden zij afzonderlijk opgenoemd, als eene aanmatigende of althans overdrevene leenspreuk zou verooordeelen.
Ik stel het geval, dat iemand tot eenen minister, die op
m
zijn staatsbeleid zeer trotsch is, zeide: fcUw staat is een lichaam, welks leven afhangt van den bodem waarin het wortelt; de afzonderlijke leden van dit lichaam zijn niet bij machte het leven van het geheel door hunnen wil te besturen , maar alle deelen staan onderling in verband en werken wederkeerig op elkander, en de wasdom of het verval van het geheel hangt van den omloop van het levenssap, van den toevoer der voedingsstof, van...quot;
«Genoeg, genoeg,quot; zoo zou de machtige rijksbestierder hem in de rede vallen , «gij vermoeit mij met uwe beeldspraak , die bovendien op het onder mijne leiding staande gebied niet toepasselijk is. Want hoe kan men de levensverschijnselen van planten of dieren niet de lotgevallen van eenen staat vergelijken , die door de wilsuitingen van het verstand worden geleid\'? Hier hangt alles af, niet van bodem en sap en voeding , zooals gij zoo prozaïsch en met zoo weinig zaakkennis beweert, maar van de wijsheid, de strengheid, de zedelijkheid en wilskracht der mannen , die het staatsorganisme in handen hebben.quot;
— «Vergeef mij, Excellentie — met het woord «organismequot; hebt gij al mijne bovenstaande beelden en nog vele andere bovendien in een enkel woord samengevat en daarmede alles toegegeven, wat gij wilt bestrijden. Bovendien hebt gij, hoewel een vijand van beeldspraak, een ander beeld gebruikt dat bepaald onjuist was, toen gij spraakt van gt;in handen hebben.quot; Een organisme kan onmogelijk in handen van een zijner organen zijn.quot;
Het woord «bewegingquot; op de meest verschillende openbaringen van het staatkundige en geestelijke leven toegepast, is ook sedert lang in het spraakgebruik overgegaan; men geeft toe, dat er «arbeidersbewegingen\'quot;, «reactionaire bewegingenquot; enz. zijn — maar komt toch in verzet, wanneer voor de menschelijke lotgevallen een regelmatig verloop wordt aangenomen af wanneer men beproeft de ver-
193
schillende bewegingen door mechanische wetten te verklaren. Evenzeer laat men de «stroomingenquot; gelden; «zedelijke besmetting\'\' wordt van alle kanten aangevoerd; van elke men-schelijke instelling worden de woorden «wassen, gedijen, vertakkenquot; en dergelijke gebruikt en toch voelt men zich weder beleedigd, wanneer de afhankelijkheid van omringende invloeden als grondstelling wordt gebezigd. De bedoelde methode wordt, zoo ze niet als keltersch, plat materialistisch, als lasterlijk zelfs wordt uitgekreten, toch minstens als hopeloos en doelloos, als mislukt bespot.
«Moe! De onberekenbare levensuitingen, de door \'s men schen wil bestuurde daden, wilt gij in bepaalde vormen persen, met instrumenten en gewichten de zielen meten en binnen wiskunstige grenzen bannen, wat vrij, buiten de ruimte zweeft?! IJdele, dwaze poging! Wanneer gij alle voorvallen tot toestanden van bodem en tijd wilt terugbrengen, waar blijft dan de menschelijke vrijheid van wil; wanneer gij de handelingen der afzonderlijke personen door de invloeden hunner omgeving verklaart, waar blijven dan de zedelijke verantwoordelijkheid, de verdienste der deugd, de strafbaarheid der ondeugd ? Wanneer ieder mensch slechts een product van vreemde inwerking was, wat beteekenden dan nog het karakter, de aangeboren eigenschappen, met éen woord — de individualiteit? En niet alleen de individualiteit der afzonderlijke personen wilt gij ons betwisten , ook het volkskarakter, den volksgeest, de schoonste gronden voor onzen vaderlandschen trots, de werken onzer kunstenaars, de boeken onzer denkers, al deze kenmerken van aloude psychische oorspronkelijkheid, wilt gij van uwe katheders op natuurkundige gronden wegredeneeren ! Welk eene bekrompene wijze van oordeelen! En de zoo ingewikkelde, zoo afwisselende, door elkander slingerende gebeurtenissen meent gij vooruit te kunnen berekenen — maar dat is immers even dwaas alsof gij wildet verkondigen welk weer het morgen zijn zal — en aan al de spontane kinde-i. z. 13
194
ren van onzen geest wilt gij de noodzakelijkheid tot moeder geven! Neen, neen; blijft in uwe laboratoriën, in uwe werkplaatsen en klinieken; meet daar het meetbare en weegt het weegbare; vermengt en scheidt en neemt proeven zooveel gij wilt, in het rijk der stof — dit willen wij gaarne aan uwe nasporingen en ontdekkingen overlaten; wij zijn u zelfs dankbaar voor het praetische nut, dat uwe ontdekkingen aanbrengen — maar blijft van ons, zielkundigen, verre met uwe cirkels en loepen, laat aan ons de raadselen van het menschenhart, de daden van den geest, de verlichte hoogten van het ideaal over — waartoe geene ladders van hout en ijzer reiken Iquot;
Op dezen toon bulderen de tegenstanders van de nieuwere methode tegen ons, en inderdaad, in hunne geestdriftig klinkende woorden woont eene zekere overtuigende kracht. Men zou voor een oogenblik het spoor bijster kunnen worden.
Maar wij mogen het antwoord niet schuldig blijven. Geene welbespraaktheid zal ons uit het veld slaan; integendeel: hoe hartstochlelijker de pleitrede, des te zwakker is ver-nioedelijk de zaak. Wie de waarheid oprecht zoekt is kalm, alleen de bewakers der dwaling zijn zoo opgewonden. Het thema: sLaat ons ons geloof,quot; sWaagt u niet aan de oude instellingen,quot; werd van de oudste tijden afaan met luidruchtiger ijver gevarieerd dan het rustige woord van den vorscher: «Laat ons de zaak eens onderzoeken.quot; Er zijn inslellingen en theorieën die zich verbeelden volmaakt te zijn en daarom geene arbeiders aanstellen die vreedzaam voortwerken, maar geharnaste patrouilles uitzenden om iedereen die weetgierig nadertreedt, af te snauwen. Hun ambt brengt niet mede liet gebouw dat zij bewaken , hooger op te trekken, daaraan te arbeiden, te verbeteren, het tegen het weer bestand te maken ; maar den toegang te bewaken, zich met oude phra-sen voor wapentuig te verdedigen — zoo lang tot ondanks
195
hun geroep: »o, schudt daar niet aan!quot; het bouwvallig metselwerk vanzelf achter hunnen rug instort. Er is een tijd geweest, waarin zelfs de verkondigers van natuurwetten op heftigen tegen-stand stieten. De bewering, dat de aarde draaide, was ketterij en Galvijn liet Servetus verbranden, omdat hij twijfel uitte over «het land overvloeiende van melk en honig.quot; In onzen tijd is het niet meer mogelijk de door wetten geregelde orde in de stoffelijke wereld te bestrijden en daarom wordt dit veld dat het onderzoek voor zich veroverd heeft, met schijnbare grootmoedigheid aan de navorsching overgelaten en hebben de afwerende grenswachters zich in het rijk der idee verschanst: «Waagt het niet hier binnen te treden met uwe sondeernaald en uw scalpeer-mes, ellendig stof- en krachtgespuis!quot;
Maar wij wilden immers het antwoord niet schuldig blijven. Voor alles een beleefden groet. ïGeëerde heeren en broeders in de waarheidsliefde! Uwe laatste beleedigende woorden tellen wij niet, omdat wij ons bewust zijn, dat zij op eene miskenning van ons streven berusten en omdat gijzelven ^ indien het ons gelukte door u gezien te worden zooals wij inderdaad zijn, zoudt bekennen, dat uwe beleedigingen op ons niet van toepassing zijn. Wij wilden eigenlijk maar — eene zwakke schare van gelijkdenkenden — eene kleine onderzoekingsreis in het gebied van het onverklaarde doen; daar zoeken, waarnemen, misschien schatten vinden, die wij o zoo gaarne met allen zouden deelen, en wilden andersdenkenden daarbij geheel ongemoeid laten. Maar zoo gaat het altijd: zoodra iemand in zijne onnoozelheid het een of ander vraagstuk wil ter hand nemen, eenvoudig wenschende daarover na te denken, komt er dadelijk eene gewapende bende op hem af en roept: sllalt — daar valt niets te beschouwen en niets meer na te denken; het vraagstuk behoort ons en wij weten de oplossing.quot; — pPardon,quot; zeggen wij dan weer op beleefden toon. ïUwe oplossing is ons
196
bekend, maar zij bevredigt ons niet; gij vergunt ons zeker, dat wij het nader onderzoeken —quot; gt;Neen, neen, wij vergunnen liet niet; de grond is ons eigendom en er bestaan verborgenheden die niemand het recht heeft te...quot; «Nog eens pardon, — wanneer er ooit een gemeengoed bestaat, dan zeker de natuur in al haren omvang; wanneer er een onbetwistbaar gemeenreebt bestaat, dan zeker het recht der weetgierigheid, — en wat de verborgenheden aangaat, door mysticisme kunnen zij bet allerminst doorgrond worden. En bovendien, waarom maakt gij u toch zoo moeilijk, mijne-lieeren? Wij hebben u immers niet willen beleedigen. Terwijl wij iets otulerzoeken, gaan wij immers volstrekt niet van de gedachte uit, om de daarmede verbondene gevoelens omver te werpen teneinde daarvoor— 6te-toi que je m\'y met te — de onze in de plaats te stellen. Wij behoeven immers in het geheel niet te weten wat de overtuiging van alle andere menschen is, wanneer wij onze eigene overtuiging uitspreken, of liever wanneer wij pas aan het werk gaan om tot eene overtuiging te geraken. Er bestaat geen vreedzamer werk dan zoeken en vragen. Slechts twee bevestigingen kunnen elkander bestrijden, maar de vraag is niet aanvallend. Wij hebben alleen met het vraagstuk zelf te doen en niet met de vertegenwoordigers van zoogenaamde oplossingen. Strijd en wrok beginnen pas waar het onderzoek ophoudt en waar nog onopgeloste vragen met voorbarige antwoorden v e r d e d i g d w o r d e n.quot;
De weg tot kennis is lang, zeer lang, en voert over vele kronkelende paden van vermoedens. Ongelukkig blijven zoo-velen aan deze eerste vermoedens-stations staan en verkondigen, dat zij aan het doel zijn. Het aantal stations is ontelbaar, doch er is slechts een doel. Inplaats nu van ver-eenigd en elkander wederkeerig hulp verleenend op het doel af te gaan , beginnen allen die bleven staan hun terrein te bewaren, te verdedigen en zoowel elkander onderling te
197
beoorlogen als hun die rustig verder gaan , toe te roepen: «Blijft toch hier, gij dwazen, dit is immers het gevonden doelquot; — «Kunt gij het bewijzen 1quot; — »Er zijn dingen die zich niet laten bewijzen, maar wij bezweren..«Laten wij dan ons onderzoek voortzetten ; iedere echte waarheid draagt haar bewijs in zich; zoolang wij dit niet gevonden hebben, zijn we niet aan het eind van onzen weg. Dan alleen mogen wij van eene veroverde waarheid spreken, wanneer er geen twijfel meer mogelijk is, maar niet zoolang zij met meer of minder ijver verdedigd moet worden. Eerst zulke ontdekte waarheden die haar bewijs in zichzelven dragen, zoodat er geene aanleiding tot strijd meer bestaat, brengen ons zegen en macht, dezen alleen zijn de sporten vanwaar men tot eene hoogere orde van ontdekkingen kan opstijgen. Wat eenmaal wiskunstig berekend is, wat binnen de grenzen der proef, althans der logica (de wiskunst der gedachten) gedrongen kan worden, dat is pas onze onvervreemdbare, vrucht-brengende bezitting, liet woord van Bacon thomo minis ter et interpres naturae, quantnm scit tantum potestquot;, dat in de stoffelijke wereld zoo glansrijk bewaarheid wordt, is zeker even toepasselijk op de ideëele verschijnselen, die toch ook niet buiten de natuur liggen. De krachten en stoffen wier werkingen wij nauwkeurig kunnen berekenen, zoodat zij zich onfeilbaar naar onze proefnemingen schikken, zijn ons dienstbaar geworden. Door geene twisten, geenen strijd der meeningen hadden wij kunnen bereiken, dat de bliksemvonk onze gedacliten door den kabel leidt en dat de zonnestraal onze albumportretten teekent. Wat werkelijk ontdekt, wat waarachtig de natuur afgeluisterd is, wordt een algemeen goed en kan geene aanleiding meer geven tot verdeeling in partijen, secien en scholen. Al het zegenrijke kunnen, dat den mensch tot vruchtgebruiker der natuur maakt, is een gevolg van zijn weten. En dat weten is slechts de uitkomst der onderzoekende (en niet der
m
bevestigende) waarneming, der opgezameide ondervinding, eindelijk gevolgd door de ontdekking eener wet. Dat is het doel. liet woord wet beduidt in dezen zin zooveel als zekerheid. Dat er aan de overzijde der wet nog eene onnaspeurlijke vraag voor ons overblijft, namelijk: slloe en waarom werd zij ingesteld — en door wien ?quot; — zal onze vreugde in het onderzoek niet storen. Daarginds bij die grens ontmoeten alle scholen elkander in dezelfde onwetendheid , de verklaring van den «laatsten grondquot; kan de dweepziekste bovennatuurkundige evenmin als de droogste positivist geven. Maar aan deze zijde dier grens reeds moet gij ons geen perken stellen en de geheele helft van het gebied der ervaring — namelijk de wereld der onstoffelijke verschijnselen — voor onze schatgravende methode willen afsluiten ; — want dok hier kunnen wij dat geprezene doel bereiken en vinden wat wij zoeken , namelijk de wet.
Tot welke geruslsielling, opklaring en zekerheid zouden wij in ons zelfbewustzijn en in onze maatschappelijke levensbetrekkingen geraken . wanneer wij eens te weten kwamen volgens welke onverbrekelijke wetten de denkbeelden en gebeurtenissen zich bewegen en op elkander invloed oefenen. Evenals de heerschappij over sloom, warmte en de talrijke andere natuurkrachten, en evenals de kennis der dynamische werkingen ons onberekenbare voordeden verschaft , evenzoo zou misschien de heerschappij over de krachten der ziel, de nauwkeurige kennis der zedelijke werkingen ons de regeering van dien vrede en die gerechtigheid brengen, waarnaar alle staatkundige, zedekundige en godsdienstige stelsels tot nogtoe tevergeefs gestreefd hebben.
Het geloof, dat de lotgevallen van staten en volken van den wil van enkele personen afhangen en niet volgens een eeuwige wet verloopen, dat geloof verleidt die enkele personen tot daden en verordeningen, wier uitkomsten dikwijls lijnrecht in strijd zijn met hunne bedoelingen. Vele
199
gezaghebbers handelen evenals iemand die, van alle kennis der natuur verstoken, een laboratorium binnentreedt en daar aan het werk gaat Hij zal zijn best doen, zal de smeltkroezen en retorten overredend toespreken, liij zal er de stoffen naar kleur en reuk uitkiezen en ze zoo evenredig en smaakvol mogelijk dooreenmengen\'; hij zal misschien over zijnen arbeid den zegen des hemels of de hulp van Satan afbidden — en onverschillig wat hij ook doet, zullen de uitkomsten met wiskunstige zekerheid zoodanig zijn, als de eigenschappen der door hem gebruikte stoffen dit medebrengen , maar nooit zullen ze zijn wat de onwetende proefnemer gewild heeft. De wetgevers vermoeien en kwellen zich, de volksmenners declameeren en polemlseeren, de vorsten grijpen met bloedig ijzer in; — en omdat zij allen zonder te weten, dat Is zonder verzekerd te zijn van de gevolgen die uit kracht der wet noodzakelijk uit hunne daad moeten voortvloeien, proeven nemen, wordt hun voornemen nooit bereikt en tot groot gevaar voor het leven brandt en gist en ontploft het In het rond.
Ook de kleinste machine wordt niet gebouwd, zonderdat vooraf haarfijn de volgens dynamische weiten te wachten bewegingen daarvan berekend werden , — maar staatsmachines en plannen voor het leven van geheele volken worden ontworpen zonder zulke onveranderlijk zekere grondslagen — enkel op «trouw aan overtuigingquot; of shet gezag der overleveringquot; af. Neen , slechts in zooverre hij weet kan de mensch; dus moet ook hier op het zoo groote, nog weinig doorzochte gebied van het leven der ziel en der volken het wachtwoord zijn :Zoek de wet.
Met blijde hoop kunnen wij dus aan het werk gaan. Hier zullen wij de oplossing der vragen vinden, waarvoor de menschheld zich In zulk eenen strijd stort. Trachten wijde vraagstukken die de partijen verdoelen, hun ontstaan, hunne werking enz. tot wiskunstig zekere werkingen terug te bren-
200
gen; want geen strijd zou er te duchten zijn\', indien de noodzakelijke loop der dingen door statistisch-oeconomische bewijzen duidelijk en klaar voor ons lag. Het meeste onheil komt daar vandaan , dat men het onmogelijke wil. Zoodra echler het onmogelijke als zoodanig erkend is, zal niemand het meer willen, en is het reeds onschadelijk. Wij zien nooit dat eene schaar ijverige mannen door eenen rotswand willen loopen. Wisten vele revolutionairen , dat hun streven iets even onmogelijks bedoelt als het omverloopen van de rots door goedgezinde schouders, dan bleven zij zeker vreedzaam tehuis. Blijkt daarentegen uit het onderzoek naar de wet, dat de revolutionaire eisch naar een mogelijk, wat meer zegt naar een rechtvaardig doel streeft, dan is het beter dit terstond en vrijwillig te erkennen, alweer uit overweging van de onomstootelijke noodzakelijkheid, waarmee ten slotte al wat recht is over het onrecht zegeviert. Het laatstgenoemde begrip zelf — de rechtvaardigheid namelijk — waarmede immers de hoogste zedelijke vragen in verband slaan , is ook slechts gelijksoortig met eenen drang, die de geheele wereld der lichamen regelt: den drang naar herstelling van het evenwicht.
Zoo zijn wij altijd gedwongen, wanneer wij in de wereld der zielen naar weiten zoeken , te erkennen niet alleen dat er hier ook heerschen, maar dat het zelfs dezelfde wetten zijn die wij in de natuurlijke wereld hebben leeren kennen. Deze erkenning vervult ons met verdubbelde bewondering voor de aaneengeschakelde ordening van het Al en verblijdt ons door de zekerheid, dat onze arbeid daardoor wordt verlicht: het is dus niet de vraag om nieuwe regelen le bedenken, maar slechts om de oude op het nieuwe veld met juistheid toe le passen. — Maar hier begint onze eindelooze beeldspraak en hier is het ook, idealisten, dat wij u zooveel leeddoen. Ik weet niet, welke zonderlinge hoogmoed u bezielt, dat
201
gij alles wat natuurlijk is, ja zelfs de geheele natuur, als eene soort van laag plebs behandelt, waar het patriciaat van het buitennatuurlijke — d. i. de ziel en het wonder — boven verheven is. Waarom zoekt gij het wonder niet daar, waar het zich het schitterendst en verhevenst vertoont, namelijk in de onwrikbaarheid — echter niet in de opheffing — der wereldwetten? Waarom zoudt gij als privilege van den zielenadel op eene onafhankelijkheid, eene onoor-zakelijkheid aanspraak maken, die toch nergens is aan ie wijzen? ïlndividualiteitquot; hebt gij een dier voorrechten genoemd, die uw geestesleven aan de inwerkingen der natuurlijke verhoudingen moet ontrukken? — Maar wat is individualiteit ooit anders dan de som der bijzonderheden van een enkel persoon, bijzonderheden die de rechtstreeksche gevolgen zijn van eenen samenloop van uitwendige invloeden? »Neenquot; — brengt gij daartegen in — »de mensch is wel is waar in zekere mate afhankelijk van zijne omgeving, in zooverre zij zijne individueele eigenschappen wijzigt, maar dezen worden niet door toevallige omstandigheden bepaald, maar zij bestaan reeds zelfstandig, zijn aangeboren.quot; — Aangeboren, zeker; maar dat wil eenvoudig zeggen geërfd, derhalve eene door de ouders overgedra-gene uitkomst van de invloeden hunner omgeving. Met het woord taangeborenquot; wordt de toestand van afhankelijkheid van het individu niet weggeruimd, maar gedeeltelijk voor een of meer geslachten achteruitgeschoven.
Al geeft gij soms ook toe, dat gebeurtenissen en omstandigheden op elkander werken, toch meent gij, dat hare slingeringen en kruisingen zoo ingewikkeld zijn, in het ver-ledene en de toekomst eene zoo onafzienbare reeks vormen, dat het eene dwaasheid w(tfen zou die reeksen te willen onderzoeken en berekenen — even dwaas als de voorspelling hoe hei weer morgen zal zijn. Yergeet gij, dat wind en weder sedert lang niet meer als zinnebeeld voor het
202
grillige gelden, dat de weerkunde de verborgenheden der lucht- en zeestroomingen heeft doorgrond, dat er geen eiken-ontwortelende orkaan woedt, geen stuifmeeldragend koeltje suist, of zij hebben hunne dwingende oorzaak in eene hoeveelheid lucht, door de zonnestralen verwarmd en uitgezet? Waren wij met de bewegingen in den dampkring maar nauwkeuriger bekend, dan konden wij misschien het weer niet alleen voorspellen maar het zelfs maken, een kunstmatige regen kan verwekt worden \') en heeft men door de vervaardiging van kunstijs, door het opvangen van zonnewarmte niet reeds eene schrede gedaan om het klimaat naar willekeur te veranderen? Waarom zouden de stormen in het menschengewoel, de uitbarstingen en omwentelingen zoowel als de zachtste bewegingen dier verschuifbare ophooping van wezens — menschelijke maatschappij genoemd — waar het eene het andere drukt en stoot, zooals de molecule der lucht — ook niet volgens eene onveranderlijke wet plaats hebben? Alleen door waarneming, niet door bespreking is dit uit te maken.
Maar uw trots wil de geheele helft van de wereld der verschijnselen voor den geest van waarneming afsluiten; — alsof er dingen bestonden welker waardigheid niet vergunt zich aan het onderzoek le onderwerpen. Die dingen mogen niet verdeeld, niet ontleed worden, naar haren oorsprong raag men niet vragen; ze zijn niet stoffelijk en dus — volgens uwe opvatting — niet deelbaar, niet afgestamd, maar
*) Kapitein Alexander Makay (zoo rerhaalt Cams Sterne in eene verhandeling over „Weervoorspelling, vroeger en thansquot;) was in 1845 bij de opmeting der Atlantische quot;kust werkzaam. Hij wist uit de onderzoekingen van den weerkundige Espy, dat men^door groote vuren in het droge jaargetijde storm en regen kan veroorzaken. Daarom liet hij het riet in groote uitgedroogde vijvers in brand steken en verwekte op die manier eenen kunstmatigen regen, tot schrik en verbazing der hem omringende negers, die hem voor eenen toovenaar hielden.
203
een geheel, hebben recht op een zelfstandig bestaan, zijn autochtoon , individueel, absoluut. De kunstvoortbrengselen van eenen mensch — wij mogen niet naspeuren door welke omstandigheden van leven, opvoeding en ervaring, dooi\' welken van zijne voorouders geërfden aanleg die werkstukken het aanzijn krijgen , wij moeten ze als de uitdrukking van het jgeniequot; beschouwen, weder een woord dat op de onafhankelijkste innerlijkheid aanspraak maakt. Het karakter van een volk — wij mogen daarin niet de totale uitwerking van alle door dit volk beleefde historische, klimatische en andere ervaringen, maar eenen materialistischen geest zien — insgelijks eene ijle spookgestalte. De daden der menschen — wij mogen ze niet tot dwingende invloeden terugbrengen, maar daarin slechts de openbaring erkennen van het goede of het kwade beginsel. Maar — zou het niet troostrijker zijn , als men de duistere daad van den armen misdadiger ontleedt, daarin als elementen den honger te vinden en de ellende, die hij heeft uitgestaan , de sporen van den voet waaronder zijn nek zich moest krommen, van den onrecht-vaardigen zweepslag die zijne voorvaderen getuchtigd heeft; dit alles vermengd met de miasmen die uit de zedelijke moerassen en de poelen der onwetendheid opstijgen, in welker midden de ongelukkige is opgevoed? Is eene misdaad, zoo beschouwd, niet minder afstooielijk dan wanneer men ze als een geheel, als een onvermengd en vrijwillig bedrijf des duivels opvat? Na zulk eene ontleding van het vergrijp zullen wij ons niet tevreden stellen met den dader te straffen om anderen af te schrikken en onzen toorn te bevredigen , maar wij zullen vóór alles het daarheen trachten te leiden , dat de ellende verzacht, de honger gestild, de trappen van den hoogmoed en de zweepslagen der aristocratische willekeur afgeschaft, de zedelijke bodem gezond gemaakt en de duisternis der onwetendheid verdreven wordt. Langs dien weg kunnen wij de misdaad — die wij vroeger
204
alleen straften, omdat wij ze verafschuwden, — nu ook verdelgen, omdat wij ze hebben leeren kennen. »De maatschappij bereidt de misdaad voor,quot; zegt Quéteiet, »de misdadiger is niets anders dan het werktuig dat ze uitvoert.quot; Het zoogenaamde nhoozequot; vertoont zich nergens als een onontbindbaar beginsel, maar slechts als uitkomsten van zekere mengingen en storingen. Ouk in de zedelijke wereld kunnen geene normale ziektetoestanden , slechts abnormale en bestrijdbare verschijnselen van ongesteldheid bestaan. Maar alleen het erkende kwaad kan bestuurd worden; wij moeten de krachten leeren kennen die wij willen neutraliseeren en alleen door ze te gehoorzamen kunnen wij de natuurwetten in ons voordeel gebruiken. Niet door preeken, toespraken en waarschuwingen weten wij pokken en koorts verre te houden; willen wij de misdaad bestrijden, dan moeten wij eerst de pathologie der ondeugd leeren — en de heelkunde van het kwaad volgt dan van zelf. Bestudeeren wij de mecaniek der gebeurtenissen en wij zullen ze dwingen onze heerschappij te erkennen. Laten wij bekennen, dat alle bewegingen — in de natuur zoowel als van den geest — aan dezelfde wetten gebonden zijn ; dat hier zoowel als daar wetten van aantrekking en afstooting heersclien, dat de eenmaal gegeven sloot zich altijd van deeltje tot deeltje voortplant, dat de snelheid en de kracht der bewegingen in juist bepaalde evenredigheden moet toe- of afnemen — en wij zullen tot afwering van sociale bewegingen der massa\'s geene kleine parlementsbesluitjes meer stellen, evenmin als wij eenen aanrollenden stroom met een wilgenlakje zouden tegenhouden.
Wanneer een verstandig denker de uitkomst zijner nasporingen in de gedaante van eene onveranderlijke alge-meene wel verkondigt, wanneer hij b. v. zegt: gt;Eene industrie die bescherming noodig heeft, heeft geen recht om te leven,quot; dan moest men hem niet verantwoordelijk stellen
205
voor de onverbiddelijkheid eener zoodanige uitspraak. Maar dan gaat terstond liet geroep op: slloe, onbarmhartige, gij wilt dus, dat zoovele eerbare menschen broodeloos worden, dat honderdduizenden te gronde gaan! — Neen, neen, zoo wreed zijn wij niet. Komt hier en schaart u om ons, gij arme vervolgden , gij in uwe have zoo sterk bedreigden — wij hebben immers tollen en inkomende rechten om u op de been te houden — laten wij den hardvochtige steeni-gen die u zoo in het verderf wilde storten.quot; «Niet i k ben het,quot; zegt de gesteenigde daarop , idie eene machtspreuk uitspreekt — ik zeide niet «het zijquot; — ik verkondigde slechts; ïhet is.quot; Wat ik persoonlijk met betrekking tot dit, bijzonder geval denk en gevoel, heeft met de algemeenheid niels temaken. Ik heb geenen wensch uil gesproken, maar eene wet genoemd.quot; — sVermetele Iquot; luidt het dan weer— nhoe wilt gij het wagen den ondoorgrondelijken loop der gebeurtenissen te berekenen ... enz enz.quot; Wanneer ecliter diezelfde beschermer der nijverheid , die geene dwingende algemeengeldigheid eener tegenovergestelde meening wilde toegeven, in een ander geval nu werkelijk uit zuivere willekeur honderdduizenden op het slagveld in den dood zendt, dan zal hij, over deze wreedheid onderhouden wordende, snel de aloude — maar geenszins bewezene — stelling aanvoeren, sdat de oorlog eene natuurwet is.quot; Zoo maakt gijzelven zeer dikwijls tot verdediging uwer beweringen van eene onderstelling gebruik, welker algemeene toepassing gij in het volgende oogenblik ons niet wilt toegeven. Dat is zoo een gewoon zwak der cholerische polemici. Maar zooals wij zeiden, ons onpartijdige zoekers beneemt niets onze kalmte. Rustig blijven wij vragen en »de wet zoeken.quot; Wij weten , dat we, als deze gevonden is, tot de kennis eener onverbrekelijke waarheid gekomen zijn en deze brengt u ten slotte ook winst aan. Gij moest geene grenspalen en scheidsmuren willen op-
206
richten tusschen de observatieposten onzer wereld. Alles hangt samen. Helpen wij daarom elkander. Geen enkel atoom of het hangt met het universum samen , en evenmin is er eene idee, een molecule van den geest, die niet even onafscheidelijk aan het Al geketend is. Zegt ons, wat er in uw binnenste omgaat en wij willen er ons voordeel mededoen om een duidelijker inzicht te krijgen in het stoffelijke; en wat wij het leven der natuur hebben afgeluisterd, moge u tot eenen dieperen blik in de ziel dienen.
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Het dilettantisch philosopheeren. — Salonverklaringen van al het onverklaarbare. — Disputeermethode der vertegenwoordigers van het ongerijmde. — Ontbrekende denkorganen. — Zielenstatisliek.
Al gebruikte ik vroeger het voornaamwoord »wijquot;, toen ik uit naam van de realistische natuuronderzoekers sprak, toch zou ik daarom niet gaarne bij u, Ego van vroeger, in verdenking komen alsof ik zoo aanmatigend was mij tot het roemrijke gilde der natuur-pliilosophen en -ontdekkers te rekenen. Neen, ik ben mij mijner onbeduidenheid bewust; — ik zeide slechts «wijquot;, omdat in den steeds luider wordenden strijd der beide partijen mijne sympathie en ook mijne denkwijze is op de zijde dergenen, voor wie ik in het vorige hoofdstuk slecht of recht het woord heb opgenomen.
Zijzelven, de edele zoekers, de rustelooze stellers van vragen aan het heelal, zij redetwisten niet, ze hebben wel iets beters te doen. Hun voorwerp is X, de onbekende grootheid; daarmede hebben zij ie maken en niet met de meeningen die de verschillende personen aangaande X koesteren. Het pleiten, hel maken van proselieten, het driftig weer-
207
leggen van tegenovergestelde theorieën, is hunne zaak niet; hun streven is het vinden van tastbare bewijzen. Over korter of langer tijd zegeviert de waarheid zeker door zichzelve, het is overbodig haar te verdedigen., — haar gevonden te hebben dat is alles. Er is reeds genoeg geduld en geestkracht noodig om op den weg van het onderzoek voort te gaan, den moed niet te verliezen bij zijne eigene struikelingen — waarom zou men dan onderweg nog blijven staan en met de boosaardigen strijden die steeds waarschuwend roepen: tVerboden toegang!quot; of sllalt, gij dwaalt!quot;
Gewoonlijk hebben echter juist degenen die het recht om naar alles te vragen willen betwisten, toch op alles een antwoord. Het alles-willen-welen is de naaste buur van het niets-weten. Hoe verder wij in een vak van kennis vorderen, des te meer zien wij in, hoeveel daarin voor ons nog te leeren blijft. Hoe hooger men stijgt hoe ruimer de gezichteinder wordt. Op zijn sterfbed zou de groote sterrenkundige Laplace tot zijne vrienden , die hem aan de vele verdiensten herinnerden welke hij zich voor de wetenschap had verworven, gezegd hebben: «Ach , wat wij welen is weinig — maar wat wij niet weten, dat is verbazend veel!quot;
Met welken schroom genaakt de geleerde de geschiedenis van de schepping onzer aarde! Ondanks de reusachtige bouwstoffen die zijne broederen in archaeologische, geologische en palaeontologische studiën hebben bijeengebracht, ondanks de fossiele documenten, ondanks de in onderaardsche geschriften begraven akten, — hoe omzichtig spreekt hij van den voortijd, blijde als het hem gelukt eene gissing te durven wagen .. . Ondervraagt men echter eene eenvoudige ziel over het ontstaan der wereld — eene beuzeling: — hij talmt niet met zijn antwoord: — in zes dagen was alles gereed; hij kan ook zeggen hoe; hij weet het nauwkeurig en weet het precies. In nadenken verdiept, in verbazing verzonken beschouwt een dierkundige den vleugel van een
208
insect onder zijne loep ; hij beweert niet, dat hij begrijpt hoe het teervertakte weefsel zich gevormd heeft en door welk beginsel het leefde en zich bewoog; — ondervragen wij echter eenen salon-idealist over de verborgenheden der menschenziel: geen twijfel kwelt hem dienaangaande; hij kan op al hare levensverschijnselen eenen eed doen en op hare onsterfelijkheid erbij.
Juist de onopgeloste, de diepste en raadselachtigste vragen zijn hot, die in het algemeen met de meeste zekerheid beantwoord worden; het geldt voor eene schande daaromtrent geen uitsluitsel te kunnen geven. Hel slaat vrij niet te weten hoeveel percent stikstof in de lucht vervat is, of hoeveel mijlen de afstand van de maan tot de aarde bedraagt;— maar geene afgeronde meening over het aan gene zijde des grafs te hebben: — welk eene armoede van geest! Dingen waarover velen zekerheid gekregen hebben , zooals de hierboven aangehaalde voorbeelden van de bestanddeelen der lucht of van den afstand der maan , behoeft men desnoods niet geleerd te hebben — maar dingen die toch niemand weten kan, daarover mag geen fatsoenlijk mensch in het onzekere verkeeren; zonderlinge eisch!
De ontdekking eener plantensoort, de klassificeering van een voorwereldlijk been, de ontcijfering van een hiërogly-phenschrift, dat zijn voldoende eeretitels die een lang, aan de studie gewijd leven de verdiende belooning verzekeren. Maar in zaken van den geest, op het onafzienbare raadselachtige gebied van het ideëele, daar moeten niet alleen wijsgeeren van beroep, daar moet ieder urechtdenkendquot; mensch een universeel stelsel kant en klaar in het hoofd hebben, daar moet hij op iedere vraag bescheid weten, kortom hij moet alles weten, en wat niet bewezen kan worden met geloofssterkte en vastheid van overtuiging voorstaan. In de verschillende vakken der natuurwetenschap mogen de heeren professoren aan de universiteiten desnoods
209
«specialiteitenquot; heeten, maar in de wetenschappen der zielenwereld moeten wij allen — ik en gij en juffrouw Susi, de huishoudster en alle lidmaten eener plattelandsparochie echte encyclopedisten zijn. In een gezelschap van leeken wordt niet gevraagd: — «Welke zijn de wetten der middelpuntvliedende kracht?quot; of slloe wordt door spierbeweging warmte ontwikkeld?quot; of »lloe heelt de bloedsomloop plaats?quot; want op zulke vragen zouden de aanwezigen onbescliroomd antwoorden: «Dat weten wij niet.quot; Wordt er echter gevraagd; «Wat is het leven na den dood?quot; «Hoe zijn de soorten ontstaan?quot; «Is er eene Voorzienigheid ?quot; en dergelijke meer, dan regent het van alle kanten categorische antwoorden, want over zulke dingen moet men natuurlijk een oordeel kunnen uitspreken, üe een spreekt daarbij den ander tegen, als bewijzen worden stellingen aangevoerd die zelve nog onbewezen zijn (p e t i t i o p r i n c i p i i) of er worden zelfs verschillende stellingen verkondigd die elkander opheffen — maar dat doet er niets toe: men heeft gewoonlijk bij deze dingen niet eens de eerzucht om de juiste meening te hebben, het is voldoende als men in het algemeen maar iets van dien aard bezit, omdat men «meeningenquot; voor eene onmisbare meubileering van eenen beschaafden geest houdt.
Wat bij dergelijke dilettantische gedachtenwisselingen den werkelijk overtuigden denker in de uiteenzetting zijner denkbeelden stoort, is de aangenomene vooronderstelling, dat er in de ideëele wereld geene bewijsbare zekerheid bestaat en dat daarom alle elkander tegensprekende opvattingen evenveel recht hebben. De verdedigers van het on-gerijmdste mysticisme, het wondergeloof, de zwendelarij der spiritisten, de voorgevoelens en het helderzien, hebben altijd twee argumenten klaar, die berekend zijn om den tegenspreker tot zwijgen te brengen. De eene dier kunstgrepen is een bescheiden: «Dat gaat boven onze bevatting — I. z. U
210
dat kunnen wij niet uitmaken — dat zijn vraagstukken, alleen voor de hoogste geesten toegankelijk.quot; iloe wil men dan met schik nog voortgaan met spreken, alsof men zich-zelven voor zulk eenen ihoogsten geestquot; hield? l)e tweede handigheid bestaat daarin, dat de voorstanders der genoemde theorieën de tegenpartij in de rede vallen met den uitroep: )»Ach, waarom kortaf geloochend wat men niet kan hegrijpen — waarom altijd bedriegerij genoemd, wat nog onopgehelderd is — kunt gij ontkennen, dat er nog tallooze onbekende krachten kunnen zijn?quot; — «Dat kan ik zeker niet.quot; «Nu, dan is het zeer goed mogelijk, dat mijne meening juist is.quot; — Door deze wending stelt zich de voorstander van het onderwerp van den strijd met zekere nederbuiging op gelijken voet met deszelfs bestrijder en trekt zich zoodoende — al had hij ook de belachelijkste hypothese voorgestaan — ongedeerd uit den strijd terug, terwijl hij zijnen tegenstander nog iets schijnt toe te geven: «Ik kan mijn gevoelen niet bewijzen — gij kunt mij het tegendeel niet bewijzen; bijgevolg zijn wij quitte. Misschien hebt gij gelijk (genadig), misschien echter (met zelfvoldoening) heb ik het bij het rechte eind.quot; Dat is gewoonlijk het slot der discussie. De ontkenner zwijgt, maar gevoelt, dat hij verongelijkt is; de ander daarentegen is met zijne overwinning tevreden. Bij het punt in geschil heeft men vergeten, dat, al kan ook veel wat mogelijk en denkbaar is, nog niet bewezen worden, toch ook menige bewering iets onmogelijks en ondenkbaars bevat, en dal het stellige bewijs van de valschheid eener meening gemakkelijk geleverd kan worden, wanneer er eene tegenspraak in opgesloten ligt. Tegenspraak sluit gelijkhebben uit. Zoodra eene stelling op stellingen berust of er toelaat die elkander ophefl\'en, is zij zeker valsch. Al is de logica ook niet altijd in staat ons tol de kern der waarheid te voeren, in ieder geval kan zij ons toch van de duizend dwaalwegen afhouden,
211
die bezijden het doel der waarheid liggen. Ook behoorde men te bedenken , dat al kan men tegen eene onbewezene zaak ook geen negatief bewijs aanvoeren , ze daarom toch geene twee g e 1 ij k e kansen bezit, waar of onwaar te te zijn. Daarom heeft vroeger ook de tot zwijgen geiirachte partij gevoeld, dat haar onrecht geschiedde. Ilij die iets bevestigt is uitsluitend verplicht gronden lot staving van zijn beweren aan te voeren, wie iets ontkent is daartoe niet gehouden. Eene zaak, waarvoor het bewijs, dat zij is, ontbreekt, kan zich er niet op beroepen, dal het bewijs, dat zij niet is, evenzeer ontbreekt. Daarom wordt ook voor de rechtbank allereerst het bewijs gevorderd, dat de aanklacht gegrond is; anders volgt er geen veroordeelend vonnis, al is de aangeklaagde ook buiten staat het stellig bewijs zijner onschuld te leveren. Wanneer iemand beweert, dat ik vandaag vóór vijf en twintig jaar \'s morgens te 5 uren zijne grootmoeder vermoord heb en het mij volstrekt onmogelijk is te bewijzen, dat ik het niet gedaan heb (want hoe zal ik nog rekenschap geven van mijne handelingen op dien morgen?) dan is deze omstandigheid in het geheel niet voldoende om mij aan die misdaad schuldig te verklaren, liet gemis aan bewijs voor de ontkenning is op zichzelf geene bekrachtiging der bevestiging. Of een ander voorbeeld. Op tafel ligt een spel kaarten. A. de mysticus zegt: nik heb een voorgevoel — de bovenste kaart is hartenvrouw.quot; B. nDaar zijn vele kansen tegen.quot; A. Mijn voorgevoel bedriegt mij nooit — ik zeg, het is hartenvrouw.quot; B. »Ik kan het moeielijk gelooven.quot; A. sWij zullen zien — (hij neemt het spel en schudt, zonder de bovenste om te keeren, alle kaarten door elkander). Zie zoo — nu kan mijne bewering niet meer bewezen worden, ik blijf er echter bij — kunt gij mij bewijzen, dat bedoelde kaart vroeger hartenvrouw niet was?quot; B. nDat is mij zeker niet meer mogelijk.quot; A. jBijgevolg, misschien hadt gij ge-
212
lijk, misschien had ik echter gelijk — en we zijn quitte.quot; — In dit geval zou B. gemakkelijk kunnen antwoorden, dat hij niet toegeven kan dat ze quitte zijn; want wanneer het spel uit bi kaarten bestaat, is er voor de onbewezene ontkenning van B. juist een en vijftig maal meer grond dan voor de evenzeer onbewezene bevestiging van A. Hadden er twee spellen kaarten gelegen , dan was de kracht van A\'s bewering nog honderd en twee maal lager gezonken. Betreft het echter geene dingen waarvan, zooals in het bovenaangevoerde voorbeeld, het aantal kansen bepaald is, maar wordt er gesproken van nog onopgehelderde raadselen der natuur, van toekomstige gebeurtenissen enz., dan staat de onbewezene bevestiging tot hare bestrijding niet meer als 1 tot 5i of als i tot 21)4, maar als één tot — oneindig.
Wanneer eenmaal het juist denken onder vaste formules gebracht zal zijn, wanneer men zal inzien, dat men evenmin toevallig juist denken kan als toevallig juist rekenen, wanneer men algemeen zal erkennen, dat ideëen, sluitredenen en dergelijke in volkomen gelijke wiskunstige verhoudingen tot elkander staan als cijfers en getallen, dan eerst zal men misschien niet meer zoo lichtzinnig erop losphilo-sopheeren , zich aan geene vergelijkingen van denkbeelden, aan geene kubiekworteltrekkingen van afleidingen meer wagen, zonder vooraf een behoorlijk eenmaal éen der gedachten geleerd te hebben.
Het is te hopen, dat men allengs meer zal gaan inzien, dat de ideëele wereld evengoed eenen schat van toegankelijke, vaste waarheden in zich bergt, als de ons omringende organische en anorganische natuur. Dan zullen ook aan de zoekers dier waarheden gelijke rechten en methodes toe-geslaan worden als aan de natuurvorschers. Ook hier zal het altijd zegevierende beginsel der verdeeling van arbeid doordringen. Het gezamenlijke ideëele weten zal zich insgelijks
913
in zoogenaamde specialiteiten splitesn. Waarnemen en waarnemingen bijeenbrengen, dat is de taak van de opbouwers der wetenschap. Eere aan een ieder die een zandkorreltje bijvoegt. Hoe talrijker en grondiger de analytische arbeid is, des te helderder is de daaruit voortvloeiende synthese. Hoe heeft die geheele schat van kennis zich torenhoog opgestapeld , die thans een — voor lederen student toegankelijk gemeengoed is geworden ? Door waarnemen en waarnemingen bijeenbrengen. Maar dat is niet het werk van éen persoon. Miilioenen menschen hebben waargenomen en duizenden van jaren hebben zij aan het bijeenbrengen besteed. De groote vrouwelijke student, die de haar omringende natuur al hare geheimen wil afluisteren , en haar er reeds zoovele afgeluisterd heeft, geenen eigenen beroemden naam heeft zij en zij leefde en leerde in geenen bepaalden tijd. Zij heet menschheid en zij leert onafgebroken. Tot de ontwikkeling der algemeene kennis hebben zelfs de afzonderlijke dwalingen krachtdadig medegewerkt. Hoe dikwijls blijkt het, wanneer wij op overwonnen theorieën terugzien , dat de dwaalbegrippen de wegwijzers werden naar juister opvattingen. De weg uit den nacht tot het licht voert immers door schemering.
Toen de menschheid nog een kind was, ontwaakte zij eerst allengs lot bewustzijn , moest eerst leeren ademhalen, zien, grijpen ; daarop begon zij gebrekkig te stamelen, te spellen; later verzon zij sprookjes en aardige historietjes en langzamerhand begon zij ernstig te leeren. Maar welk eene leerstof ontvouwt zich nu voor haar !
Op dit punt zijn wij nu zoowat aangekomen. Bij den nog niet ontsloten voorraad van kennis die verworven kan worden , zijn wij te moede als de leerling der eerste klasse die eenen blik slaat in de universiteitsbibliotheek. Moed gehouden — de leerling heeft nog tien of twaalf studie-
214
jaren voor zich — en ook gij, menschheid, moed gehouden — de boekerij der natuur is wel onbegrensd, maar gij hebt immers ook om in haar folianten te bladeren de onsterfelijkheid voor u !
Met rechtmatigen trots mogen wij op den reeds verrichten arbeid terugzien — met blijmoedig vertrouwen aan dien arbeid gaan die nog te verrichten is. Wat allen die ons voor waren geleverd hebben, is thans winst voor een iegelijk onzer, maar wij moeten inzien , dat wij als afzonderlijk persoon weder in het geheel der toekomst zullen verdwijnen. Bij geenen physioloog, botanicus of chemicus komt het ooit op een beeld zijner wetenschap te ontwerpen , zooals zij er over eene eeuw zal uitzien. Hij weet te goed dat het duizend en millioenen waarnemingen en proeven waren , die de stof voor zijne tegenwoordige kennis hebben bijeengebracht; hij weet hoe nog niet zoo heel lang geleden nog vele begrippen ontbraken die thans zijnen geest verlichten, hoe er nog geen vermoeden bestond van de dingen die thans den grondslag zijner studiën uitmaken, en zoo raag hij ook vooronderstellen , dal in de toekomst nieuwe waarnemingen in zijn eigen vak en in de andere vakken de algenieene grenzen der wetenschap weder zullen veranderen. Maar deze edele bescheidenheid, waarmede de vakgeleerde de hem tebeurtvallende taak vervult, de erkentenis van de microscopisch kleine plaats , die hij in het reusachtig gebouw der wetenschap inneemt, deze bescheidenheid bezielt gewoonlijk de verschillende wereldverlich-ters niet, die wijsgeerige stelsels opbouwen en over alle raadselen van het leven der ziel, hel scheppingswerk en wat dies meer zij ons bereidwillig inlichten. Wanl nevens degenen die alle menschen even onbevoegd verklaren om op ideëel gebied eenige stellige ondervinding op te doen, zijn er weer anderen die gelooven , dat in dit opzicht alles reeds lang is ontdekt, zoodat er nieis nieuws meer bijge-
215
voegd kan worden. [Iel is alsof zij meenden dat, terwijl men slechts door langdurige ondervinding lot kennis van de stoffelijke wereld kan komen , de kennis der afgetrokken begrippen zoo maar opeens voor iederen scherpzin-nigen geest te verkrijgen is. Volgens hun gevoelen staat de oplossing van hel wereldraadsel sedert overoude tijden uitvoerig en duidelijk beschreven — het komt er maar op aan ze te lezen, hetzij in de boeken der Veda\'s, der Grieksche wijsgeeren, des Gijbeis of in de diepte van onze eigene denkende hersens. Dil gevoelen is ook de grondslag van het vertrouwen, dat in afgetrokkene dingen aan de oudste wijzen geschonken wordt. Bij de studie van stellige takken van kennis zal niemand op de gedachte komen bij leerstellingen te zweren, die vóór eene eeuw of al was het maar voor een jaar in geschrift zijn gebracht, wanneer latere ondervinding die leerstellingen heeft omvergeworpen of tot een hooger standpunt opgevoerd. De oude classificatie van de drie rijken der naluur, de verdeeling van alle stoffen in vier elementen , de aanneming eener warmtestof en dergelijke verouderde theorieën zal niemand meer tot grondslag van zijne verdere onderzoekingen maken. Wel zal men met lof de verdiensten erkennen die de groole mannen uit vervlogene tijden — bij den toenmaligen stand der weienschap — zich verworven hebben , door die wetenschap te ordenen en eene schrede vooruil te brengen ; maar bij zijne eigene nasporingen zal men toch slechts van de allerlaatste theorieën uilgaan. Natuurwetenschappelijke werken , die niet doortrokken zijn van den geest der nieuwste ontdekkingen, schijnen verouderd, maar onder de jongeren der wijsheid gelden nog tegenwoordig Zoroaster en Mozes en Socrates als bezillers der volle waarheid. Deze opvatting wortelt in het begrip, dat de waarheid een van oudsher volledig en onveranderlijk geheel uitmaakt, en dat de menschelijke geest een even volledig
216
bevallend insirument is. Wanneer men zoo denkl, kan men zeer goed aannemen, dal voor verscheidene duizendtallen jaren de denkers onder de mensehen bedoelde volledige bevatting reeds bereikt hadden en kan ook — lerwijl men zich aan de bespiegelende laak waagt — bij het bezien van het beeld zijner wereldbeschouwing meenen, dat hel de afspiegeling is van het de waarheid omvattende beeld. Maar van genoemde beschouwing is slechts het eerste gedeelte juist: namelijk dat de waarheid een van eeuwigheid volledig en onveranderlijk geheel is; maar het geloof, dat des mensehen geest even volledig en volkomen geschikt is om de waarheid le bevatten , is weder een van die aanmatigende , door hoogmoed verblinde laatdunkendheden, waarmede \'s mensehen nietig Ik, dat zich voor het middelpunt der wereld wil uitgeven , zoo gaarne zichzelf huldigt.
De gronddwaling berust hier weder op de vooropgestelde verdeeling der kennis in twee deelen, He ervaring, die langzame arbeid der massa, wordt aan het exacte weten overgelaten, en het abstracte welen zou door zichzelf, kant en klaar en in volle wapenrusting, evenals Pallas Athene uit het hoold van Jupiter, uit het hoofd van iederen denker te voorschijn treden\'? Alsof er eene kennis zou kunnen bestaan zonder ervaring. Al onze begrippen — allen — zijn uit de zinnelijke waarneming voortgesproten; er bestaat geen alge-trokken denkbeeld — geen enkel — dat in het brein eens mensehen zou kunnen oprijzen , die zonder gehoor, zonder gezicht en zonder gevoel geboren was. De wasdom van het menschelijk denkvermogen is een langzaam proces, dat met den wasdom van de som der ervaring gelijken tred houdt. Uil den voorraad der verzamelde indrukken is de voorraad der denkbeelden ontstaan en dezen maken naar gelang van hun aantal de kleinere of de grooteresom van het menschelijk versland uit. Deze denkbeelden bezitten dan verder de geschiktheid om van de uitwendige indruk-
217
ken, die hen oorspronkelijk wakker riepen , af te trekken en lieeten daarom abstracties. Daarmede kan men ook zelfstandig verder denken; zij verbinden zich, schakelen zich aaneen, splitsen en vermeerderen zich, en hoe verder deze beweging voert, des te afgetrokkener worden zij;.al meer gaat het spoor hunner afdamming verloren en ofschoon elk hunner tot eenen zinnelijken indruk teruggebracht zou kunnen worden, geven velen zich voor abstract geboren uit.
Er zijn geene twee soorten van kennis en er zijn ook geene twee wereldhelften , waarvan de eene slechts door eenen gezamenlijken arbeid van vele duizenden jaren zon nagespoord kunnen worden, terwijl de andere open en bloot zou liggen voor eenen enkelen scherpen blik van ieder afzonderlijk persoon. Wat wij onzen scherpen blik noemen, die geheele machinekamer van begrippen , besluiten , grondbeginselen , waarmede wij onze denk-evoluties verrichten , is ook geene persoonlijke bezitting die wij bij onze geboorte medebrachten, maar het aandeel dat wij ons toeëigenen aan den opgehoopten schal van langzaam ontwikkelde, door millioenenvoudige krachisinspanning voorigebrachte ideeën.
In elk bepaald vak van wetenschap wordt toegegeven , dat ieder voor zich moet uitgaan van het resultaat van allen voorafgeganen arbeid, om eene schrede verder te komen. Van niemand wordt verwacht, dat hij eene aangeborene kennis van aardrijks-of sterrenkunde zal bezitten ; van eiken jonger in zulke vakken van kennis wordt voorondersteld, dat hij zich eerst den hoofdinhoud van alle voorhanden materiaal der ervaring eigen heeft gemaakt, dat hij de tallooze waarnemingen die zich tot bepaalde formules en grondstellingen verdicht hebben, gebruikt en ernaar streeft om dagelijks nieuwe ervaringen in den nooit volledigen schat zijner kennis op te nemen. Wat voor enkele vakken van kennis geldt, zal ook wel voor allen gelden , en niet het minst voor de wetenschap, die zich ten doel stelt ze
quot;218
allen te omvatten, de wijsbegeerte. Voordat wij de wereld verklaren, moeten wij ze eerst grondig leeren kennen. Voordat wij den geest verklaren, die de natuur doorademt en in onze ziel woont, dienen wij de natuur en onze eigene ziel te leeren kennen. Laten wij onzen geest arbeiden, opdat hij zich ontwikkele en groeie. Voor de kennis van de dingen die wij tegenwoordig niet kunnen verstaan, hebben wij waarschijnlijk gedach-ten-formules, begrips -perspectieven noodig, die nog in het geheel niet voor ons ontsloten zijn. Evenals de nijverheid hare werktuigen schept, die dan weder geschikt zijn steeds verbeterde werktuigen te vervaardigen , evenzoo beschikt de geest zich zijne samengestelde instrumenten, zijne balansen en drijfriemen, om daarmede nieuwe gedachten te fabriceeren. Welke fabrikant zou tegenwoordig de stoomkracht willen missen , welke natuuronderzoeker de in den iaauten tijd doorgedrongene beschouwing van hel 4behoud van het arbeidsvermogenquot; verwerpen ? Of welke denker zou de begrippen nog kunnen loochenen die door kernachtige uitdrukkingen als «strijd om het bestaan,quot; naiavisme,quot; «vervorming der krachten,quot; ïkringloop des levens\'\' enz., in de wereld der gedachten zijn ingevoerd?—Want al arbeidt ook ieder geleerde in zijn vak — of zooals men het tegenwoordig noemt—in zijne specialiteit voort, toch werpt elke ontdekking, in welk vak ook gedaan, tegelijk een licht op alle andere vakken. Overal toch arbeidt de denker met begrippen en met elke nieuwe ervaring wordt een nieuw begrip geboren, dat, al is het ook op eene bepaalde plaats ontstaan, toch allerwegen bevestiging en toepassing vindt. Eene wet door den werktuigkundige ontdekt, zal den sterrenkundige bij zijne berekeningen dienen ; met hetgeen de physioloog onder zijn microscoop heeft gezien , doet de geneesheer zijn nut ; de methode die met goed gevolg bij het taalonderzoek werd
219
toegepast, zal den ethnoloog tot hetzelfde doel voeren. Kortom, alles hangt samen. De een borgt van den ander en de wijsgeer, hij borgt van allen. Maar eene eigenaardige fierheid verhindert hem dit te erkennen , hij zou zijne leer wel voor juil zichzelf ontstaanquot; willen uitgeven, hij wil niet bekennen, dat zijn arbeid de opvattingen der waarheid in den loop der tijden bijeengebracht, heeft verwerkt , maar hij wil beweren dat die arbeid de waarheid zelve, de geheele, enkelvoudige, onomstootelijke waarheid is. Deze aanspraken op oorspronkelijkheid worden ook door alle dochterwetenschappen der wijsbegeerte gekoesterd. Metaphysica, ethiek, psychologie, alles wat op het veld der gedachten ontspruit, derhalve ook aesthetica, politiek, theologie en zooal meer, willen zich van ieder verband met de exacte weienschappen vrijhouden , aan dezen de proefnemingen en de voortgezette omwerking overlatende , voor zichzelven aanspraak makende op de voltooiing. Maar zoolang de bespiegelende wetenschappen in hare gewaande meerderheid zich blijven afzonderen, zullen zij aanleiding geven tot strijd en twist en hare eigene ontwikkeling in den weg staan. Door zich zoo voornaam aan te stellen en voorrechten te eischen, maken zij zich bij hare democratische zusteren weieens belachelijk en blijven bij haar frisch en vroolijk voorwaarts streven ten achteren.
Wij allen zijn de erfgenamen van eenen reeds tamelijk hoog opgestapelden schat van kennis, al staal zij ook tol de onbegrensdheid van het Al, als het bestaan der mensch-heid tot de eeuwigheid. Deze schal waarin de arbeid der individu\'s verdwijnt, evenals de bezinksels in de gebergte-formaties verdwijnen , beslaat uit uitwendige ervaringen en uit derzelver in ons binnenste zich verloonende afspiegelingen. Hei verdiepen in die afspiegelingen brengt wel een verscherpt begrip, eene meer bewuste opvatting der waargenomen verschijnselen teweeg, scherpt tevens den geest
220
voor de opvatting eener hoogere soort van verschijnselen, maar vermeerdert geenszins het materiaal der wijsbegeerte. Slechts eene nieuwe ervaring brengt voor het algemeene weten eene stellige nieuwe vermeerdering aan. Het is dus een werk van vermetelen eigenwaan met den aanwezigen voorraad kennis en begrippen eene het Al omvattende verklaring te willen afgeven. Zulke verklaringen , hoewel ze met hun terminologie tot aan de uiterste grenzen van het absolute reiken, hoewel ze door hare vervaardigers en der-zelver aanhangers voor liet laatste woord van menschelijke wijsheid worden uitgegeven, nemen toch in het geheel der algemeene verzameling van gedachten ook alweer slechts de haar toekomende infusorische plaats in.
Eene wetenschap verdient dan eerst dien naam, wanneer zij op een reeks van dingen die men weet is opgebouwd. Rondom hetgeen men weet ontstaan toch altijd een aantal hypothesen ; maar hoe kolossaal dezen ook mogen wezen, ze zijn toch weer niets anders dan de voorbereiding eener nieuwe microscopisch kleine zekerheid. En alleen deze zekerheden, niet de mogelijke overvloed van hypothesen, brengen de wetenschap weder een eindje hooger. Heel mooi is het zeker over de gewonnen waarheden na te denken: — het is het genieten van eenen schat; het schatgraven echier geschiedt door de waarneming, die zonder vooringenomenheid, uit begeerte naar ondervinding verricht wordt en met nadenken gepaard gaat. Dij millioenen samengeraapt, brengen deze waarnemingen weder eenen millimeter nieuwe waarheid tot stand. Zoo handelt de statistiek, die geduldige vraagal, die tegenwoordig reeds de alwetende genoemd wordt en waarschijnlijk ook wel geroepen is om, steunende op de wet van het groot geial, al de geweldige vragen met zekerheid te beantwoorden, aangaande welke de gezamenlijke staatkundigen en wijsgeeren der wereld tot nogtoe tevergeefs hunne broze stelsels bedacht hebben. Ook de zielkunde
221
behoorde zoo te werk te gaan: waarnemen en de wet zoeken. Daarbij is het niet te versmaden de reeds — onverschillig op welk gebied — gevondene wetten op de eigene verschijnselen toe te passen. Geheugen, verbinding van denkbeelden, overerving van aanleg , gewoonte , verstandsontwikkeling , waanzin, zinnelijke gewaarwording, gevoelsleven, bewustzijn en onbewustheid — welk eene onuitputtelijke vragenlijst voor de statistiek der ziel!
EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Achter de schermen der gedachte. — Onbehaaglijk gevoel van domheid.
Ik heb geen geheim voor u, Ego. Evenmin is liet mij te doen om voor u te poseeren. Wel praat ik er maar op toe over wijsgeerige vraagstukken, over de eeuwigheid en den vollen schat aller kennis; dat klinkt misschien heel schoolmeesterachtig en zou wellicht den indruk op u kunnen maken , alsof ik in het bewustzijn van eenen grooten rijkdom van verstand mij voorgenomen had eens genadig den hoorn des overvloeds mijner gedachten uit te storten. Maar laat ik het u liever dadelijk zeggen: ik heb een onbehaaglijk gevoel van domheid. Dat is nu wel eenen graad beter dan welgevallen te vinden in zijne domheid, maar toch is het de toestand niet, dien men recht heeft van iemand van middelbaren leeftijd te verwachten, die het eene hoofdstuk na het andere met de ongerijmdste onderwerpen vult. Wie voordrachten houdt en boeken vervaardigt moet men zich altijd kunnen voorstellen als iemand die op eene wolk van wijsheid zweeft — door de zon beschenen, rustig, klaar en vroolijk. Maar nu koml het voordeel mijner stelling weder goed uit: ik schrijf geen boe*, ik verzin. Wilde
m
ik op het publiek indruk maken, nooit zou ik bekend hebben hoe dom ik mij gevoel, maar tegenover u, Ego, behoef ik waarlijk geen masker voor te doen. Anders zoudt gij werkelijk — als gij dit over tien of vijftien jaar leest en de siemming vergelen waart waarin ik schreef — kunnen gelooven, dat ik een ingebeelde schoolvos was. Dat zou mij leed doen. Ook zoudt gij dan uzelven voor iemand houden, die een veel helderder inzicht heeft dan uw verleden Ik, en die zelfverheffing gun ik u niet, oude Ego.
Het dom-zijn, mijn waarde, is zulk een natuurlijk ambt, zoo geoefend zijn de hersenen in d i e functie, dat wij hel werktuiglijk uitoefenen zonder ons daarvan rekenschap te geven. Het denken is eene bewerkelijke inspanning, die ons voor een oogenblik aan dien toestand ontrukt, maar telkens weer worden wij daarin — al wilden wij ook in het denken volharden — met geweld teruggeworpen en dan ondervinden wij hem in vollen ernst en nu en dan , zooals ik vroeger zeide , op eene alleronaangenaamste manier. Wij voelen (of laat ik liever in den eersten persoon spreken — misschien zijn anderen niet zoo dom) ik voel, hoe de gedachten plotseling bij mij ophouden en hoe in mijn hoofd — geen molenrad maar eene groote nul omdraait. Dat is nog zoo\'n herinnering uit een vroeger bestaan, toen ik als kik-vorsch de maan aankwaakte.
In zulke oogenblikken besta ik, dus sum — maar cogito? Volstrekt niet. Toch zijn al mijne ervaringen, al mijne kennis, in zooverre ik ze beroepen kan, bereid om in de gedaante van gedachten en voorstellingen langs mij heen te zweven — maar waar zijn die dingen toch als damp heengetrokken gedurende de vermelde minuten van mijn kik-vorschenleven?? — Jammer dat deze laatsten niet de uitzondering maar veeleer den regel uitmaken voor mijnen dommelenden geest. De uitzonderingen zijn die oogenblikken, waarin ik eene rij van woorden lees of hoor of schrijf. De
223
woorden hebben de eigenschap aan atnorphe, dat wil zeggen fladderende ongebonden ideeën-moleculen, vormen, gestalten te geven , en terwijl ik die vormen gadesla of zelfs ze bijeenvoeg, word ik aan het gewone domme suffen van mijn aanzijn ontrukt. Heb ik eens eene gedachte gevat, dan kan ik ze soms zelfs afwikkelen evenals den draad van het tonnetje eener zijderups — maar dan laat zich ook maar al te dikwijls plotseling een nkrakquot; hooren: de draad is gebroken en ik verval weer in mijne natuurlijke stompzinnigheid. Bij de geschreven, afgewikkelde en verwarde draden merkt men weliswaar niet, hoeveel »kraksquot; er tusschen de regels voorgekomen zijn. En had ik mij niet soms de moeite gegeven — want eene moeite is het, op mijne eer — die idee-tonnetjes af te spoelen , waarschijnlijk had ikzelf dan ook de meeste mijner meeningen in het geheel niet ervaren. Het is ook al zoo\'n algemeene waan , dat men meent den geheelen rijkdom zijner gedachten kant en klaar in het hoofd te dragen, onverschillig of men ze gelieft uit te drukken of niet. Alsof men zijne hersens slechts behoefde op te slaan als een zakwoordenboek om het verlangde artikel daaruit voor te lezen. Dat is eene dwaling. Gelooft gij soms dat Shakespeare al zijne drama\'s gedachten gevoeld zou hebben , ook al had hij ze nooit geschreven ? Neen; iedere uitgedrukte voorstelling is een scheppingswerk en scheppen wil zeggen : in het leven roepen wat vroeger niet bestond. Neen — een schrijver is niet de uitkramer zijner denkbeelden , hij is hun schepper. gt;Welk een klare, heldere kop Iquot; roept men na het lezen van de verhandeling eens denkers en, verdiept in de beschouwing van zijn portret, stelt men zich voor hoe licht en ordelijk en rijk het er achter dat hooggewelfde voorhoofd wel moet uitzien — als in eene electrisch verlichte schatkamer. Mis; een halfdonkere werkplaats ligt achter dit voorhoofd — daarna een paar slijpsteenen — vijlen en
\'224
een verwarde hoop ruw materiaal — de juweelen der schatkamer worden in de geselwilien nedergelegd.
Maar nu ben ik weer tot algemeenheden afgedwaald en spreek van groote diclners en denkers, in plaats van bij mijne eigene domheid te blijven , terwijl ik eene volledige schildering van haar besef wilde geven. Men mag toch veilig aannemen dat het — niet inachtneming der evenredigheid — in het eene menschenhoofd gaat als in het andere. De een, een neger uit Australië, arbeidt met drie of vier duistere begrippen, de ander, een genie , arbeidt met myriaden uitgewerkte ideeën ; ik , die daar tusschenin sta, arbeid met mijn paar beschouwingen , maar het stelsel is toch overal hetzelfde. Overal slechts een zich meer of minder hoog opwerken voor korter of langer tijd uit den normalen stand van domheid. Rondstaren , luchthappen , de pols laten slaan, dat is onze eigenlijke levenstoestand — denken is eene stoornis daarin die veel inspanning kost. Wel beweren vele lieden dat zij geene seconde met niet-denken doorbrengen, maar kan men die bevende weerkaatsingen van voorstellingen, die onze hersenen voorbijvliegen als wolkcnschaduwen over de zee , ook gedachten noemen ? Maar de wensch om zich aan dien chaos te ontworstelen , de drang tot vorming die allerwegen de wereld vervult, werkt ook in de alge-meene menschenziel, en dat is het dan ook wat in mijn eigen zieltje het onbehaaglijk gevoel teweegbrengt van eenen onbevredigden wensch. Ik hel) nog te veel, nog veel te veel chaos in mij. Wat in mijnen geest omgaat, is niets anders dan een uiterst zwakke herhaling van hetgeen den algemeenen menschengeest vervult en sedert zijn ontwaken vervuld heeft: een onweerstaanbaar verlangen om aan de zwevende kiemen der begrippen een vorm te geven. Aan de voorafgegane reusachlige pogingen van den algemeenen geest dank ik de vormen — of zooals het in de rekenkunde en het denken heet; de formules — die mij nu tot
225
denken in staat stelde — wat zou ik, arme menschenworm, zijn als ik de spraak niet had geërfd ? — Hoe dikwijls wordt in een enkel woord het resultaat samengevat van een duizendjarig worstelen naar wijsheid , en thans staat dit woord eiken dwaas ten dienste en wanneer hij het gebruikt , gelooft hij misschien wel, dat de wijsheid in zijn eigen hoofd zit.
Maar, van wijsheid gesproken: ik geloof, dat wij daar niet eenen veel te hoog klinkenden naam den Irap van ontwikkeling hebben benoemd, waarop de menschelijke geest sedert de Indische Brahmanen lot op den huldigen dag heelt gestaan. Zeker, krachtig heeft hij zich aan de oorspronkelijke dommeligheid ontworsteld en omhoog gewerkt , maar ons geslacht is nog jong; de afgelegde weg is onbeduidend kort, vergeleken met den afstand die nog voor ons ligt. Wij staan nog vreeselijk dicht bij den chaos, het punt van uitgang. Al meenen ook een paar afgietseldiertjes onder ons den steen der wijzen te hebben gevonden , de menschheid in haar geheel bedriegt zich daarin niet en zet onvermoeid den reuzenstrijd voort om steeds nieuwe vormen van kennis te vinden ; de universeele geest arbeidt, krachtig daartoe gedwongen, voortdurend om verder \' gelegen doeleinden te bereiken. Ik geloof, dat de menschheid — in het algemeen genomen — zich ook nog onprettig dom gevoelt. Nu en dan rijzen ook bij haar gedachten op, waarvoor zij geen uitdrukking kent en die zij daarom niet eens ten einde loe kan uitdenken , maar die als bliksemstralen ontwijken, een pijnlijk donker besef achterlatende. Dan worden de individu\'s wel ontmoedigd en vervallen weer tot het natuurlijke niet-denken , maar de menschheid moet voortworstelen en plotseling wordt dan ergens de nieuwe gedachte geboren, in woorden gewikkeld , gevoed , grootgebracht en daarna op reis gezonden met de geschiktheid om in ieders hoofd in te keeren. Dan i. z. 15
226
wordt zij overal zelfs als een oude bekende begroet: jReeds lang heb ik ook zoo gedacht,quot; zeggen de meesten en nemen haar gastvrij op.
TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Ije microchronoscoop.
Dat is een toovcr-instrument, dat ik gaarne zon bezitten , wanneer een genius mij vergunde eenen wensch te uiten van welks vervulling ik zeker kón zijn. Ik vrees echter, dat de genius mij niet zou verstaan, want ik beken, dat ikzelf van mijn wensch geen recht begrip heb, omdat hij fantastisch — onwerkelijk — misschien eenvoudig eene zinnelooze gedachte is.
iGeef mij eenen microchronoscoop, goede genius !quot;
.Wat?quot;
tEen toestel om de minuten le vergrooten.quot;
«Wees zoo goed u duidelijker uit te drukken, heer.quot;
»lk moet zeggen, dat Aladin beter bediend werd. Die behoefde eenen wensch maar aan ie duiden en zijn lampenjongen heeft hem reeds vervuld, zonder eerst lange uitleggingen te vragen. Hier met eenen microchronoscoop !quot;
»Neem mij niet kwalijk ... paleizen van robijnen, ver-jongingsdranken , wolkenschepen , dukatenregen ... alles , alles wat gij gelieft le bevelen bezorg ik — maar het genoemde ding ken ik niet. Een gezichtkundig werktuig misschien ?quot;
jHet heeft er wel iets van.quot;
slla, dan kan ik u dienen Wilt gij een vergrootglas hebben , waardoor het oog eener bladluis zoo groot lijkt als het Maartveld te Parijs, of misscliien een verrekijker, die eene vijfhonderd aardmiddellijnen verwijderde ster zoo nabij brengt, dat men de daarop groeiende boomen ziet ?quot;.
227
jGij verstaat mij nog altijd niet. Wat ik bedoel, heeft met de verhoudingen der ruimte niets te maken. Het instrument dat ik verlang , moet ook wel vergrooten en uit elkander schuiven , maar , zooals als ik zeide, niet de ruimte, wel den tijd. Niet den millimeter wilde ik onder het voor-werpglas brengen, maar de seconde. Ik geloof altijd, dat eene seconde volstrekt zoo kort niet is als zij ons toeschijnt; de lichtstraal toch vindt in haren duur gemakkelijk tijd om zijne 44000 mijlen af te leggen en hoevele voorstellingen kan de geest niet samenvoegen in den tijd van eenen oogopslag ? üf ik plaats mij aan het klavier en speel eene op den lessenaar liggende notenfiguur af; de gezichtszenuwen brengen de teekens aan mijne hersenen over ; dezen overdenken al hare ervaring van de studie der muziek, zenden dientengevolge hare bevelen naar de vingertoppen, die eene reeks van tonen aanslaan, welke met vele duizenden trillingen in het oor van den toehoorder komen , dat de ontvangene boodschap weer aan geest die ze opvat, moet overbrengen en dat alles zou in eene seconde geschied zijn die werkelijk zoo kort is, als zij ons toeschijnt? — Onmogelijk. Dal moet bedrog zijn, bedrog in tijd Iquot;
Mijn genius schudt verbaasd het hoofd ; ik geef hem echter eenen wenk mij niet in de rede te vallen en ga met toenemende opgewondenheid voort: «Ja, bedrog omringt ons van alle zijden. Wat wij zien en hooren en voelen , het is alles slechts de schijn der werkelijkheid — maar onze geest reikt verder dan den schijn en achter al de goochelspelen die onze zinnen omzweven, zoekt hij het wezen en perst het zijne geheimen af. Hoe! De natuur heeft ons zoo doof gemaakt, dat wij slechts geraas kunnen hooren, en ons onhoorbaar zacht toeschijnt, wat toch in de werkelijkheid de geheele lucht door tallooze trillingen in beweging brengt... maar wij hebben nu den megaphoon en kennen nu ook het gestommel der vliegenstappen en den stormwind der muggen-
\'228
zuchten. Hoe! zoo blind zijn we, zoo kunstig met valsche oogen voorzien, dat wij voor eene punt, voor de grens van al het kleine houden, wat tocli duizenden zich bewegende organismen bevat. .. maar met glazen kunstgrepen hebben wij toch het geheim ontdekt en de honderdvoudig verdeelde lengte van eene streep moet ons haren inhoud laten zien. En zoo stomp voor den tijd — of hoe moet ik het noemen — zijn wij, dat wij moeten meenen, dat ook de seconde zulk eene punt is;... maar ik wil liet niet langer dulden; Genius, hier met eenen microchronoskoop!quot;
iNu versta ik u , heer. Ik wist eerst niet, dat gij eenig besef hadt van de uitzetbaarheid en inkrimpbaarheid van den tijd. Gewoonlijk houden de menschen de hun eigene kennis van den lijd voor iets absoluuts. Welnu, omdat gij het deeltje eeuwigheid waarin gij u beweegt, in vergroole gedaante wilt beschouwen , worde uw wensch vervuld en nog meer: ik wil u de duizendvoudig vergroote seconde laten zien, maar gij zult ook de saamgedrukte jaren leeren kennen. Ik geef u een instrument dat als een tooneelkijker aan de eene zijde vergroot en wanneer gij het omkeert, verkleint, beiden zooveel graden als gij wilt. Gij kunt hier eene minuut doorleven , die u een tijdvak zal toeschijnen en daar een paar duizend jaren als een bliksemstraal aan u voorbij laten gaan. Hebt gij er weieens aan gedacht, dat ook uwe gewone opvatting van den tijd reeds min of meer microscopisch kan zijn en dat de lange reeks uwer geologische tijdperken gelijk kan zijn aan eenen eenvoudigen oogopslag van het eeuwige Alwezen ?quot;
»Weet gij ook, dat de natuur, de nooit rustende, nooit zich haastende natuur, geene vermoeidheid gevoelt, al behoeft zij voor vele harer werken ook arbeidsdagen van millioe-nen jaren ?quot;
»L)at alles weet ik, goede genius.quot;
gt;Nu ja, gij weet het — het staat in uwe boeken. Maar
229
gij zijt loch niet in staat het te begrijpen. Welaan — hier hebt gij de vervulling van uwen vvensch — neem . .
ilk zie niets.quot;
«Meent gij dan, dat onze tooverkijker zichtbaar kan zijn en ruimte innemen, wanneer hij den tijd moet regelen \'I Nu, waarmede wilt gij beginnen ?quot;
sLaat eene ademhaling zoolang duren als vele duizenden andere.quot;
»Gij zult u vervelen.quot;
«Het zij zoo,quot;
jMij goed. Ga aan het venster en zie naar buiten. Haal nu adem, de betoovering begint.quot;
......Ik herken het gewone landschap niet. Van
alle voorwerpen komt in regelmatige golving een lichtstraal af, trilt op mijn netvlies voorl en maalt daar een omgekeerd beeld. Met aangename rustigheid wendt mijn geest het beeld om en begint het te beschouwen. De eene bijzonderheid voor, de andere na duidt hij met eenen naam aan, dien hij echter eerst in een soort van woordenboek, geheugen genaamd, moet opzoeken ; daarna maakt hij vergelijkingen, voert berekeningen over de grootte der afstanden uit, overdenkt eene lange reeks van herinneringen die zich aan de geziene voorwerpen vastknoopen — en nu eerst neem ik het gewone beeld waar. Er kruipt iets groots, zwarts, akeligs over den weg; zijne stralen golven zoo langzaam naar mijn oog, dat ik nog niet kan uitmaken wat het is, maar toch beweegt hel zich — al is het ook bijna onmerkbaar, verder. Nog voordat hij zijn woordenboek heeft nageslagen , zendt mijn geest aan keel en tong het bevel den genius te vragen, wat voor een monster het is. De genoemde spraakwerktuigen schijnen geen haast te hebben, want ze zwijgen vreeselijk lang — of was de bode op zijnen zenuwtocht verdwaald? Eindelijk begint eene in beweging gebrachte luchtgolf mijn oor te trelTen en na vele
230
duizenden trillingen verneem ik de vraag donr mijzelven gedaan : »Wat is dat zwarte ?quot; Eenen onberekenbaren tijd daarna antwoordt mijn genius met eene schijnbaar vele uren aanhoudenden volzin: »Dat is een sneltrein.quot;
Gelukkig is de uitgerekte tijd nu verstreken. De genius had gelijk; dat was me een kolossaal vervelende ademtocht.
iNu spotte hij, »hoe bevalt u de geniicroscopeerde tijd?quot;
iHalt!quot; riep ik — teen inval! Ik wil toch nog zulk eene vergroote seconde doorleven. Laten wij naar mijn meisje snellen ; het geliefde kind heeft mij eindelijk voor vandaag eene samenkomst toegestaan ... ik sluit haar in mijne armen en op het oogenblik waarop onze lippen elkaar voor het eerst ontmoeten , wend ik de betoovering aan en zwelg zoo in eeuwig lang genot...quot;
gt;Rampzalige, houd op! Dat was uw zekere dood. Zie, wanneer gij met de hand eene kaarsvlam doorsnijdt, blijft gij ongedeerd, maar hieldt gij uwe hand erin, dan zou ze moeten verkolen. De zaligheid van den eersten kus mag ook slechts met rassche vlam uw hart doortintelen of zij zou het vernietigen... Arme nienschenkinderen , van het vuur des hoogsten geluks mogen u slechts vliegende vonkjes treffen ... om daarin te vertoeven zoudt gij eerst goden moeten zijn. Zie dus van zulk eenen vermeteler! wensch af en volg mij. Ik voer u in het rijk der eendagsvliegen. Ziet gij daar wel die twee haften? [let zijn de wijzen van hunnen stam, een paar waardige grijsaards, zeker reeds vele uren oud. Luister naar hun gesprek, gij kunt er veel uit leeren. Tegelijk met de macht om den tijd te verlengen , schenk ik u thans de bekwaamheid om de taal dier dagvliegen te verstaan. Geef acht en luister.quot;
.....De beide oude heeren-vliegen zijn in druk gesprek.
Hunnen hoogen leeftijd ten spijt, die uit hunne gebukte houding en doffen blik blijkt, schijnen zij nog frisch te zijn van geest. De een strijkt juist met twee achterpooten over
231
zijne vleugels, zucht en spreekt. «Ja, ja — wij beleven eenen kwaden lijd. Ik lieb veel, veel ondervinding opgedaan en ik geloof waarlijk — wanneer ik naga hoe met iedere minuut alles slechter wordt — dat het einde der wereld reeds nabij is.quot; — «Naar mijn gevoelen,quot; antwoordt de andere, terwijl hij zijne voorbeentjes poetst, »zal de wereld nog lang staan. Nog wel tien en nog eens tien dagen... Ook gelool ik, dat ze reeds vreeselijk lang bestaat, langer nog dan onze overleveringen reiken, misschien al veertien dagen ... wie weet — misschien vijftien...quot;
«Ach, ik bid u, noem niet zulke duizelingwekkende getallen. Daarbij is uw gevoelen kettersch. Weet gij dan niet, dat eene week geleden de zon, de groote dieren en grassen geschapen werden en daarna ten slotte, als de kroon op het werk , de dagvliegen ?quot;
«Wie is in staat in die overoude tijden terug te zien?quot; meent de andere en schudt nadenkend zijn op eenen spelde-knop gelijkend hoofd.
«Laten wij van iets anders spreken. Is het waar, dat uw kleindochter, de schoone Rapidella, reeds eieren heeft gelegd ?quot;
«Jawel. Maar het was ook hoog tijd. Het meisje was reeds drie minuten oud. Den jongen Ephemerich, die naar haar vrijde, liet zij volle twee seconden op het jawoord wachten. Maar wij moeten ons van onze wijsgeerige beschouwingen niet laten afbrengen. Wij zijn immers de leeraars van het volk en moeten op de hoogste vragen bescheid weten. Ziet gij dien grooten mierenberg daar ginds ? Men zegt, dat hij niet altijd zoo hoog is geweest — in andere, lancvervlogene tijdperken moet hij lager geweest zijn, — dus zijn er dingen hierbeneden die groeien?quot;
«Gelooft gij dat ? Ik houd het voor een fabel. Noch wij noch onze vaderen herinneren zich, dat iets van wat ons omringt veranderingen heeft ondergaan, en daarom kannen
232
wij daaruit gerust afleiden, dat er ook werkelijk niets verandert. Het zou dwaasheid wezen liet getuigenis onzer lange rij van voorouders in twijfel te trekken en de van ouderdom eerwaardige, wekenlange geschiedenis onzer wereld naar de verwaten gevoelens te willen beschouwen, die sedert de laatste kwartseconden onder onze jeugd in omloop zijn.quot;
»Genoeg,quot; zeide ik tot mijnen geest. nDeze professoren van eenen dag zijn om zich dood te lachen. Hoe komt een geslacht, dat met breuken van secouden rekent, ertoe om onze wereld, die zooals men weet reeds 6ÜÜ0 jaar bestaat, te willen beoordeelen 1quot;
Een fijn lachje speelt om de lippen van mijnen genius, maar hij antwoordt niets.
Nu wenkt hij eenen luchtballon om nader te komen, laat mij daarin stijgen en spreekt, terwijl hij bij mij komt zitten:
gt;Sluit uwe oogen — wij vliegen hoog. Ik wil u nog eene proefneming laten zien.quot;
Na eene opstijging die ik weet niet hoe lang duurt — want ik was mij niet bewust of mijn kijker aan de rechte of aan de omgekeerde zijde werkte — bereikten wij het doel.
tZie naar omlaag,quot; sprak mijn begeleider. Ik opende de oogen en een zonderling schouwspel vertoonde zich aan mij. Diep onder ons lag de aarde of liever liep de aarde, want ik zag ze duidelijk naar het Oosten snellen. Op hare zich snel draaiende oppervlakte ging het druk toe. Bergen stegen uit de zeeën op; de oevers van het vasteland weken terug; eilanden zwommen naar elkander toe en vereenig-den zich met een snellen ruk ; vastelanden scheurden vaneen ; hier en daar zag ik steden uit den grond oprijzen en terstond weer in puin vallen ; hoopjes menschen stoven van de eene plaats naar de andere, meestal naar het westen
zich uitbreidend. Iedere seconde bracht een ander beeld, steeds wisselend van kleuren en vormen, en zoo woest door elkander zich slingerend, dat ik duizelig werd.
»Wat is dat ?quot; riep ik ontsteld.
«Een paar verdichte duizendtallen van jaren van de geschiedenis der aarde.quot;
......Wij waren weer neergedaald en ik bevond mij als tevoren in mijne kamer. De genius stond voor mij, in afwachting van nadere bevelen.
«Wat nu?quot; vroeg hij. tWilt gij weer een verdunde seconde doorleven en daarin een kabeltelegram op zijne kruipende reis begeleiden, of wilt ge nog eens den tijd zoo saamgeperst opvatten, dat de omlooptijd der zon om hare zon als een bliksemstraal aan u voorbijgaat?quot;
«Geen van beiden. Neem het rampzalige werktuig weg, opdat ik niet meer in verleiding kome het te gebruiken. Ik wil weer gelooven, dat de seconden vliegen en de jaren kruipen. Ik wil, dat een eeuw mij weer eerwaardig voorkomt... Ik mag met de duizelingwekkende snelheden en de onmeetbare traagheid die den eeuwigen tijd vullen, mijn eindigen zin niet in verwarring brengen. Ik kan slechts ademen in den gewonen tijd.
•Gij wilt dus geenen microchronoscoop hebben ?quot;
«Neen , neen. Een gewoon zakuurwerk is mij liever — al was het van talmigoud.quot;
234
DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Van den oorsprong der dingen. — Spontaneïteit. — De o^s omgevende beginselen. — Gewoonte als levenselement der handelingen. — Eene proef, die de schepping van een zonnestelsel voorstelt.
. . . Doch von dem UrqneÜ alles Lebens, Das alle Kraft in sich begreift,
Anch alle Forschung stets vergebens Wie\'s ihrer Endlicbkeit Gebot Des ew\'geu Riithsels Schleier streift.
Drum thut auch ihr die Demutli noth, Die selbst dem kühnsteu Wisseosstreiter, Auf allzu kurzer Himmelsleiter,
Zuruft: bis hierher und niclit weiter.
V. lledwitz. (Odilo)
Nadat ik de aanmatiging van het liefhebberen in de wijsbegeerte gekastijd lieb en mijne overtuiging uitgesproken , dat onze nog onvolledige voorraad van begrippen onmogelijk toereikende kan zijn om de hoogste vragen te bevatten en nog veel minder ze te beantwoorden , nadat ik zelfs te verstaan heb gegeven , dat wij naar verhouding even on-noozel moeten zijn als de eendagsvliegen, wil ik mij nu toch zelf aan de beschouwing — niet de oplossing — van het allermoeilijkste vraagstuk zeilen, het vraagstuk namelijk van den oorsprong der dingen. Ik kom mijzelven daarbij komiek voor. Maar het behoort tot mijnen plicht als opmaker van eenen inventaris ook de komische bezittingen mijner ziel op te nemen. En natuurlijk draag ik zoogoed als de eerste mensch de beste ook altijd een wereldstelsel in mijn vestzakje , dat is zoo de algemeene manier — hoe had ik mij daaraan kunnen onttrekken? Gij zoudt mij eenen huichelaar noemen, waarde Ego, als ik u mijne kleine private dagvliegen-wijsbegeerte wilde onthouden. Maar geloof vooral
235
niet, dat ik, terwijl ik ons allen voor onbevoegd verklaar, mij daarbij in stilte voor eetien der bevoegdsten houd. Neen ; ik wil mij in het leger der denkenden gaarne met de laagste graden vergenoegen. Zeggen wij b. v., dat Ik korporaal ben, maar ik geloof, dat ook onze veldmaarschalken in verhouding lot de Alwijsheid, tot de absolute waarheid, insgelijks maar op de manier der dagvliegen wijs zijn,
Dit vooropgesteld hebbende , wil ik u nu mijne onder-officiers-meeningeu over oorsprong — en in het volgende hoofdstuk misschien over nog hoogere vragen — onomwonden mededeelen. Ik wil echter niemand bekeeren, en ook u, Ego, in het geheel geene meening opdringen. Zijt gij door do eene of andere pas opgedane ervaring, door het opnemen van een vreemd denkbeeld tot eene meergevorderde meening gekomen, dan zal het mij genoegen doen.
liet komt mij voor , dat wij de vraag naar den oorsprong der dingen ons hierdoor zeer moeilijk maken, dat wij al te ver terug willen gaan en altijd nog naar het begin van lang voorafgegane dingen vragen, en daarbij geheel over het hoofd zien, dat wij ons te midden van oorsprongen bewegen. Beschouwen wij liever deze beginselen die ons aan alle zijden omringen , wellicht geven zij ons beier uitsluitsel dan ons wroeten en graven in het verledene.
Niet omdat zij zoo ver achter ons liggen , de eerste beginselen aller dingen , zijn ze zoo moeilijk te vatten , maar omdat ze zoo ontzettend klein zijn. Maar tegenwoordig zijn ze altijd. Ze dansen in den zonnestraal, ze groeien aan de laagjes schimmel, ze warrelen uit de menschenhersenen, ze zweven door den nevel van den kosmos —• maar zoo bitter klein, zoo ijl, zoo los, dat wij ze nergens zien. Eerst wanneer die dingen eenmaal groot zijn geworden, vragen wij hun vol verbazing; «Waar komt gij vandaan?quot; dan beproeven wij hunne geschiedenis achteruitgaande te volgen
236
en schuiven de vermeende eerste beginselen al verder en verder terug, tot wij er niet meer uit kunnen komen. Over die verre grens — die meer of minder teruggeschoven werd — loopt gewoonlijk het verschil.
Eindelijk is er toch niets heters tot verklaring van den aanvang te vinden , dan de spontaneïteit. Deze toch is de laatste consequentie van elke theorie over het ontslaan der dingen. Natuurlijk met omschrijvingen. Zegt men b. v. tUeze kiem is nvanzelfquot; ontstaanquot;, dan antwoordt li. de antispon-tanist; »Dat is niet mogelijk, zij ontstond uit eene andere kiem.quot; A; «Dat kan wel zijn — maar deze?quot; ü; «Weder uit eene andere.quot; A: «Toegestaan, maar deze?quot; B: «Insgelijks uit eene andere.quot; A: jjJat neemt geen einde. Ik bedoel het laatste lid der keten — dat moet toch ook eenen oorsprong hebben.quot; B: «Uit God.quot; A: gt;En deze?quot; B: «Vanzelf.quot;
Hier zijn dus beiden op hetzelfde punt aangekomen en God zou derhalve hel begrip zijn der oer-spontaneïteit. Waarom hebt gij dan gestreden? — Nu wij toch allen — hoe verschillend onze theorieën over den oorsprong der dingen ook zijn — wanneer wij streng blijven doorredeneeren, vroeger of later bij de spontaneïteit moeten ophouden , willen wij daar liever terstond mede beginnen. Waartoe dat verschuiven naar lang vervlogene tijden — in den stilstaanden ring der eeuwigheid zijn een paar millioen jaren ook niet verder terug dan gisteren. Laten wij daarom op de tegenwoordige eerste beginselen het oog vestigen. Wij zijn immers middenin het gewemel der protoplasmen. Vragen wij niet altijd hoe het ontwikkelde ontstaan is , maar trachten wij toe te zien hoe het ontstaande zich ontwikkelt. Dat er niets nieuws onder de zon is, is een valsch spreekwoord; er is niets anders dan nieuws. Iedere seconde brengt iels dat er in de vorige niet was. De verdeeling in tweeën van elk celblaasje is nieuw, de uitkomst van eiken arbeid is nieuw.
Wij willen weten, hoe de omringende planten, dieren,
237
staten, talen, inriclitingcn enz, ontstaan zijn en dringen bij die navorscliing zoo diep mogelijk in voorhislorische tijden door. Maar ook nu, ook in de tegenwoordige seconde, ontstaan onder onze oogen — in het vervuilende water, in de met stof gevulde lucht, rondom ons in de ruimte en rondom ons in den tijd — nieuwe levende wezens , nieuwe organismen. Dorpjes zijn de wieg van groote staten der toekomst; armzalige tongvallen zijn op weg om zich tot nieuwe talen te vormen; van inrichtingen , zeden , die in latere eeuwen gestalte en vastheid zullen aangenomen hebben , wordt juist tegenwoordig de eerste kiem gelegd door den eenen of anderen inval, de eene of andere luim, het een of ander samentreffen van twee denkbeelden , die elkander vroeger nog nooit ontmoet hadden. — Evenzeer als men goed doet met tot oplossing van onstoffelijke vraagstukken de ervaring, op het gebied der natuur opgedaan, ter vergelijking erbij te halen , kan men ook met voordeel de omgekeerde handelwijze toepassen en om eenige verborgenheden van het organische leven op te laten helderen , ze bij het licht der ideeën-physiologie beschouwen. Misschien vindt men zoo doende eenige ophelderingen over de geheimzinnige oorsprongen des levens. Bij het ontstaan der denkbeelden zijn wij in ons eigen bewustzijn getuigen hunner spontane geboorte — want alle tegen de vrijheid van den wil opgeworpen theorieën ten spijt, kunnen wij in ons binnenste de overtuiging niet tot zwijgen brengen , dal wij spontane besluiten opvatten. Nu gaan wij verder. De denkbeelden , handelingen, voorvallen, kortom al die in den lijd zich openbarende, geene ruimte beslaande, derhalve wezenlijk onstoffelijke dingen zijn ook vol levenskracht. Zij ontwikkelen zich , bloeien , vermenigvuldigen , splitsen , vertakken zich en sterven af naar dezelfde wetten, volgens welke lichamelijke organismen leven en sterven. Ja, de overeenkomst gaat zoo ver, dat de bovengenoemde verschijnselen van
238
den tijd steeds trachten de gedaante van.fortneele organismen aan te nemen. Wie zou kunnen looclienen , dat b. v. de menschelijke talen levende wezens zijn. krachtig van gestalte en tegenwoordig zeer hoog georganiseerd ? Dat onverklaarde beginsel, leven genoemd, dat in liet georganiseerde lichaam zoo moeilijk is op te sporen , dat aan het mes van den vivisector en de loep van den plantenken-ner zich onttrekt, — misschien valt het lichter het in de georganiseerde gestalten.van den geest na te sporen. Overal is het eene idee, eene gedachte als eene kiem zoo klein, een begrip dat op eene oorspronkelijke cel gelijkt, waaruit het geheele organisme voortspruit. En hoe langzaam , hoe traag! Hoe strijdt het om het bestaan ! Hoe wordt de arbeid verdeeld I Zoo is de duistere , zwevende Godsgedachte , die zich het eerst nit de hersenen van eenen mensch losmaakte , de levenskiem geweest waaruit alle godsdiensten zijn gesproten. Zoo kunnen onze gezamenlijke instellingen, onze levende stelsels van staatkunde, geloof en denken , tot zulk eene enkele proto-idee teruggebracht worden. Maar ook iedere gedachte-spoor die in het tegenwoordige oogen-blik met snelle vaart zich losrukt, kan weder de oorsprong van volgende organismen van den geest zijn,
Denkbeelden hebben levenskracht; maar niet alleen de goede en verstandige, allen bezitten die, ook de dwaze en onnoozele , dat getuigen zoovele bloeiende menschelijke instellingen , die welig zijn opgegroeid uit eene onzinnige kiem. Alles, alles wil leven: koren en onkruid, paradijsvogel en kruipend dier, genie en stompzinnigheid. Al wat in het leven getreden is, het moge zijn wat het wil, wenscht niet alleen zijne plaats te behouden , maar tracht ook voort te woekeren. Elke luim die men eens heelt gehad, elke handeling die men eens heeft verricht, bezit de neiging om zich te herhalen. Gelukt dit, dan wordt de gril mode; de handeling wordt bij de herhaling tot gewoonte en bij verbreiding tot zede.
239
De gewoonte als gewiclnig levenselement der handelingen plant zich zelfs door overerving voor. »Bon ehien chasse de racequot; d. i. wanneer een jachthond zijn werk geleerd heeft, jaagt zijn nakomeling ook zonder daartoe afgericht te worden. Eene daad tot gewoonte geworden , leeft zoo zelfstandig voort, dat zij geenen spontanen aandrang van den wil meer noodig heeft om zich te openbaren. Al zulke daden die op instinct berusten , namelijk die zonder bewust besluit volbracht worden , zijn dergelijke zelflevende herhalingen. Instinct is niets anders dan overgeërfd aanwensel. Naast het overgeërfde hebben wij nog zelfverworven instinct — namelijk zulke handelingen waarin wij ons zoo geoefend hebben , dat zij voortaan altijd zonder toedoen van onzen wil werkzaam zijn, zooals de vaardigheid in het spreken , schrijven , gaan. De hand voert de pen, zonderdat de wil ze bij eiken trek behoeft te besturen. Dit is slechts zoo lang noodig als wij schrijven le eren; kennen wij het eenmaal, dan geeft de geest alleen de woorden op, de hand leidt de trekken van zelf en evenzoo spreekt de tong en gaat de voet, «Van zelf,quot; »van zelf,quot; dat is allerwegen het geheimzinnige drijven. Van zelf groeit het gras, van zelf door-loopen de sterren hare banen , van zelf gedijen de denkbeelden , herhalen zich de handelingen — van zelt is alles ontstaan, al verklaart men dit »zolfquot; ook met de oude Indiërs als het groote alles vervullende lAtmanquot;, al vertolkt men ook , om de vraag naar den oorsprong te verschuiven, dit »zelfquot; met den naam God.
Dat is nu ook de grens van ons denken. Daarover heen moesten wij ophouden met stellig te spreken. Maar wij afgietseldiertjes hebben o zoo gaarne het heelal in den mond en zouden ook nog wel willen vertellen door wien en hoe het gemaakt werd.
Eigenlijk moet de vervaardiging van een zonnestelsel nog niet eens zoo moeilijk zijn. Een proeve van den Belgischen
\'240
natuurkundige Plateau geeft ons daarvoor een recept in miniatuur.
Men giet in een vat een mengsel van water en alcohol en plaatst in het midden een druppel olie. Door 4ezen druppel steekt men eene naald, waaraan men eene regelmatige ronddraaiende beweging geeft. De olie-bol draait zich met hare as en wordt aan de polen afgeplat. Weldra zal zich — wanneer de proef behoorlijk wordt verricht — van de uitzetting van haren aequator een ring losscheuren, die zich in kleine kegeltjes verdeelt, welke nu allen om de centrale massa beginnen te draaien.
Dat is dus de heele zaak. Een kosmische oliedroppel, het scheppingswoord van den Alwiller nBeweeg uquot; — waarin het bijhelsche «Er zij lichtquot; bevat is, want licht is ook eene beweging — daarbij, en een planetenstelsel is gereed.
VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Hel ideaal van een behoudsman. — Eene redevoering in het Parlement. — Buckle over de wellen. — Een edict uit den ouden tijd. — Edmund Burke. — Polilieke kunst en politieke wetenschap.
Een mensch die geduld had en bovendien zijne denkbeelden ingang wilde doen krijgen bij zijne medemenschen, zou het vorige hoofdstuk tot een boek uitgewerkt hebben. Maar bij het inventariseeren is eene vluchtige opnoeming der voorhanden zijnde voorwerpen voldoende. En hoe dikwijls moet ik het u nog zeggen: ik mag.niets hooren van boekenschrijven en wat er al zoo aan gedachten — vreemde en eigene — in mijn hoofd omgaat, maakt volstrekt geen aanspraak op het geringste gezag. Om stelsels op te werpen, om naar een vast plan gebouwen van denkbeelden op
241
te richten, zijn geschikter personen ie vinden. Wanneer gij wilt, toekomstige Ego, gebruik dan deze bladen als bouwstof en zie of gijzelf daaruit een boek kunt schrijven (want daarentegen kan ik u tot uw troost zeggen , dat ook reeds dommer lieden boeken gemaakt hebben), maar in zooverre ik u meen te kennen, dilettantische droomer, zult gij het wel laten. Ordenen, doorstrijken, schikken, vijlen en dan met een ernstig gezicht naar eenen uitgever te gaan en het geordende, doorgestrekene, geschikte en gevijlde voor een werk uit te geven, dat het levende geslacht niet onthouden mag worden — daar ziel gij niet naar uit. Nog minder nu het zulke teere zaken betreft. Ik moet zelfs nog van staatkunde en godsdienst spreken — anders zou ons register niet volledig zijn — en niet die onderwerpen ergert en beleedigt men altijd nog zoovele lieden. Waarom zou ik moedwillig den toorn van menschen op mij laden, die ik niet eens ken en wien ik volstrekt geen leed wil doen ?
Ik zal nu den graaf dien ik vroeger verzon, weer eens oproepen en naar hartelust met hem redetwisten. Dat is een onschadelijk genoegen.
Thans stel ik hem mij als staatsman voor. Daarbij zal ik wellicht mijzelven eenige meeningen toeschrijven, waarvan ik volstrekt geen vermoeden had, want om de waarheid te zeggen: naar mijne staatkundige kleur gevraagd, zou ik moeten antwoorden : nin het geheel geenequot;, maar tegenover den graaf mijner verbeelding zal ik trachten meeningen te ontwikkelen — zoo lijnrecht mogelijk tegen de zijne in — en het kan wezen, dat ik al pratende een hoogst fatsoenlijke schakeering krijg.
Hier zitten wij weder bij onze koffie zonder melk, Nu echter niet onder mijn dak — opdat mijn plicht als gastheer mij niet dvvinge tot voorkomendheid — maar in een voorvaderlijk kasteel van den graaf zeiven. De hem hier omringende sieraden, vol herinneringen aan leenroerige i. z. ie
242
grootheid, passen ook veel beter hij zijn voorkomen. Zijne gevoelens en levenshesehouwingen lijken in deze omgeving ook zeer natuurlijk en gegrond. Hij is bezitter van de heerlijkheden Altstadt, Bünzberg en Mirdorf; Kapittelridder, grootkommandeur der St. George orde, Malthezerridder, erllijk Rijksraad, Kamerheer enz. enz. — Hoe zou hij dan denkbeelden huldigen die het prestige van al die heerlijkheid dreigen te vernietigen?
Uit de vensters van het halkon ziet men het uitgestrekte park en het torentje der slotkapel. Deze bereikt men door eene met portretten der voorvaderen versierde galerij, \'s Graven neef, de aartsbisschop, heeft vanmorgen in de kapel de mis gelezen, \'s Voormiddags (want het is de geboortedag van den slotheer) vervoegde zich plichtmatig eene schaar van beambten in zwarten rok en witte das op het kasteel om nonderdanigst te feliciteerenquot; — ook de dokter en de notaris uit het naaste stadje kwamen. Dit liet in hel gemoed van den hoogen heer eene flauwe voorstelling achter, dat de zoogenaamde «ontwikkelden in den landequot;, die nn ook gaarne in staatszaken luide wilden mede-spreken, eigenlijk van nature ook al gemeen volk met gekromde ruggen zijn. Misschien is hij te beleefden — inden tegenwoordigen tijd te voorzichtig om dit flauwe gevoel uit te drukken, maar het maakt eeneu ondergrond uit voor zijne maatschappelijke beschouwingen. De thans al te vaak opgedane ondervinding, dat jzulk volkquot; soms tot even hooge staatsambten opklimt als het erfrecht van zijn huis zijn, mengde een dosis gal-appel in zijn politiek gemoed en een eenigszins strenge trek om de vastgesloten lippen, een rimpel van droefheid tusschen de saamgetrokken wenkbrauwen drukt de verhevene afkeuring uit, die hem met een pijnlijk gevoel over den algemeenen staat van zaken vervult. Om den conservatieven hemdskraag (nauw gesloten en stijf) is de zwarte das met conserva-
2i3
tieven slip gebonden; aan den vierden vinger der welverzorgde rechterhand zit een breede zegelring met het familiewapen erop gegraveerd; de met den trouwring fonkelende linkerhand (de graaf is met eene prinses Oetten-berg-Reitz-Streitz gehuwd) strekt hij bij voorkeur met mi-nisteriëele deftigheid in het armgat van zijn vest. Het kuchen klinkt streng, de blik is scherp, de houding ontzagwekkend ; de geheele verschijning doel denken aan eenen voogd over de wereld die niet tevreden is over zijnen pupil.
Wanneer ik zulk een wezen in levenden lijve ontmoet, voel ik mij door het gewicht zijner grootheid overweldigd. Zijne zelfvereering omgeeft hem met zulk eenen dampkring van aanzien, dat ik niets anders denk dan: Ue man heeft van zijn standpunt volkomen recht zoo ontzagwekkend te zijn en er zit voor mij niets anders op dan mij ontzag te laten inboezemen. Ik waag mij in zulk gezelschap hoogstens aan een uitstapje op genealogisch of heraldisch gebied of aan een gesprek over de geschiedenis van den dag en zet daarbij een gezicht als een pupil, die de noodzakelijkheid der strengste voogdij erkent... maar staatkundige redetwisten? Neen! Het is nooit aangenaam veracht te worden en daar zou het toch zeker op uitloopen, als ik tegenover den graaf mijne door hem en bloc verafschuwde meeningen wilde ontwikkelen. Tevens beken ik, dat liij ook, zooals hij is, noodzakelijk zijn moet; dat hij de plaats, waarop zijne denkbeelden wortelen, waardig inneemt; dat de eischen zijner betrekkingen, de grondslagen zijner opvoeding, de richting van zijnen stand, de gezindheden van zijnsgelijken, kortom alles wat item omringt hem noodzakelijk stempelen tot den persoon die hij is. Hoe zou ik eraan denken om te beproeven hem tot mijne gevoelens te be-keeren of ze ook maar te verdedigen, nu ik vooraf weet, dat ik mij zoodoende slechts minachting op den hals zou halen, op de lijst der vogelvrijverklaarden geplaatst zou
244
worden ... Zoo iels zon toch waarlijk geen gezellig en behaaglijk koffieuurtje zijn. Maar in gedachten, dat is iets anders. Ik begin:
Karl. »Naar ik lioor, mijnheer, — gij veroorlooft mij eene nieuwe sigaar op te steken — wachten wij eerstdaags uwe benoeming tot president van het lleerenhuis... ik feliciteer u.quot;
Graal\' R. »De felicitatie komt misschien een beetje te vroeg. — En om de waarheid te zeggen ... de last en de verantwoordelijkheid zouden zeer groot zijn; —ik ben toch al zoo met bezigheden overladen ...quot;
Karl. «Dij uwe zaakkennis ..
(Ik weet, dat de graaf veel houdt van dit duistere woord. Wel weet niemand, hij het allerminst, wat voor eene machinerie de staatszaken eigenlijk zijn , maar de genoemde eigenschap is een van die aangenomen kenmerken, die in geene levensbeschrijving van eenen minister of den president van eenen landdag mogen ontbreken: ïBij zijne beproefde zaakkennis, zijne parlementaire arbeidsroutine enz.quot;)
(Daarbij merk ik nog eens tusschen twee haakjes aan, hoezeer de woorden tarbeid en zakenquot; — welker oorspronkelijke heteekenis, waar het werkelijken handenarbeid of werkelijke handelszaken betreft, met voorname minachting bejegend wordt — hoezeer deze woorden in het spraakgebruik der hoogwaardigheidsbekloeders zijn ingeslopen; hoe de ministers voortdurend xarbeidenquot; en de vorsten rusteloos hunne ïregeeringszakenquot; behartigen. Vroeger was dat anders. De arbeid lag aan de onderste sport der maatschappelijke ladder: alleen de slaaf, de eigenhoorige verrichtte den arbeid en zaken deed alleen de handelsjood. Thans echter, op hoe hooger maatschappelijken trap, des te meer wordt — wel niet gearbeid — maar het woord tarbeidenquot; gebruikt. Arme mieren — is het dan werkelijk zoo vermoeiend, dat sleepen eener portefeuille?)
245
».....Bij uwe zaakkennis, waarde graaf, bij
uwen werklust..
Graaf R. sGoed, goed. Ik sprak slechts van den zedelijken last der verantwoordelijkheid — van de reusachtige laak : »den oppositie-geest te breidelen ; de gezonde grondbeginselen te steunen; het rijk voor ondergang te behoeden ; de vijanden van de grensgewesten af te schrikken ; de aanmatigingen der liberalen te beperken; de aloude rechten in stand te bonden ; de nijverheid des lands te doen bloeien ; de geldmiddelen te vermeerderen ; het constilutioneele werk der vereeniging te bekrachtigen ; troon en altaar te bevestigen ..
Karl. iStellig een mooie taak. Maar zooals ik zeide , waarde graaf, bij uwe liefde voor den arbeid, bij uwe kennis van zaken ...quot;
Graaf R. nGoed , goed. Aan rustelooze vlijt, aan werk-dadigen ijver zal het mij zeker niet ontbreken. Maar nu valt bet mij ook in , jonge vriend , dat gij wel zoudt doen met eene loopbaan in ie slaan. Waarom stelt gij u niet can-didaat ? Wel vrees ik — te oordeelen naar ons laatste gesprek over den vooruitgang — dat gij u waarschijnlijk bij de liberale linkerzijde zoudt voegen. Maar onverschillig wat uw staatkundig standpunt ook moge zijn , gij behoort den staat uwe diensten te wijden , gij moogt uwe jeugdige krachten niet aan het vaderland onthouden.quot;
Karl. üNaar uwe meening echter moest mijne werkzaamheid — omdat gij van tegenovergestelde beginselen uitgaat — gevaarlijk zijn voor den staat — boe kunt gij mij dan met een goed geweien raden om deel te nemen aan de openbare zaken 1quot;
Graaf. R. »lk bad daarbij uw belang op het oog, mijn waarde, en ook zal een beetje oppositie meer of minder de regeering niet schaden. De goede en sterke zaak triomfeert ten slotte toch.quot;
246
Karl. sGij geeft dus vooruit reeds toe, dat op den loop der zaken door het toedoen van een enkel persoon geen invloed kan geoefend worden en let alleen op het persoonlijk belang, dat iemand moet bewegen om de rol te spelen van vertegenwoordiger der openbare belangen ? Gij hebt zonder het te weten in deze korte uitspraak alle gronden samengevat, die mij van de candidatuur doen afzien.quot;.
Graaf R. «Dat is mij niet helder.quot;
Karl. »lk zou een programma moeten opstellen — evenals gij vroeger deódt, hoewel ik de overtuiging koesier, dat ik niet in staat zou zijn daarvan een nummer uit te voeren. Ik zou mij bij de rechter-, de linkerzijde ol\' het centrum moeten voegen, hoewel ik tot eene fractie behoor die geen van deze drie is, wier beginselen niet eens eene plaats in het worstelperk van den landdag innemen.quot;
Graaf R. »Dan zou ik weieens willen weten ..
Karl. »Welnu , wanneer gij nieuwsgierig zijt, wil ik u gaarne de grondstellingen en beschouwen ontvouwen, die aan de fractie welke ik bedoel, hare plaats builen het parlementsgebouw aanwijzen. Laat mij, als \'t u belieft, in plaats van koffie een glas suikerwater geven ; mijne toespraak kan tot de lengte van eene kanselrede uitzetten. Wees zoo goed mij niet in de rede le vallen , behalve met onwillekeurige uitroepen van nhoortquot; of jzeer goed.quot; quot;
Graaf R. «Of; noho.quot; quot;
Karl. «Mijnentwege ook «oho.quot; Er zijn ook »oho\'squot; die de stelling van den redenaar slechts versterken — zooals het pedaal aan het klavier. Ik neem dus aan , dat ik de tribune heb beklommen — en begin :
Graaf R. »Ik luister.quot; (Hij steekt de hand in zijn vest, neemt zijn parlementair gezicht aan en leunt achterover in zijnen armstoel.)
Karl, t Mijnheer de voorzitter ! Al de geëerde heeren die voor mij het woord voerden , hebben, toen zij deze tribune
247
voor het eerst bestegen , gepoogd de gronden en gevoelens uiteen te zetten, die lien aansporen om aan de staatszaken deel te nemen en tevens de doeleinden opgenoemd, waarnaar zij voornemens zijn te streven. Ik daarentegen heb, slechts voor een oogenblik mijne plaats daarbuiten verlatende, het woord gevraagd om de oorzaken op te noemen die mij bewegen niet tot dit Huis te behooren en om te verklaren , dat ik voor mij al die doeleinden onbereikbaar acht. Geene bescheidenheid doet mij zoo spreken , maar ik geloof. Mijne Heeren, dat de bedoelingen van ieder uwer onbereikbaar zijn. Of gij nu tot deze of tot gene partij behoort, u bij deze of die fractie aansluit, het beginsel dat gij verdedigt of dat gij bestrijdt, zal naar gelang van zijne eigene gegrondheid,, vooral van zijne tijdigheid, zegepralen of bezwijken , onafhankelijk van uwe verdediging en uwe bestrijding. De druk van buiten is onweerstaanbaar — rechterzijde, linkerzijde, centrum, zij allen volgen toch alleen dien druk. Gij zit hier in deze enge ruimte , en de een houdt zich bezig kleine dammen tegen den stroom des tijds op te werpen, de ander om hem een klein bed te graven: maar de dammetjes werpt hij neder en het bedje heeft hij niet noodig. Gij zijt allen door den trotschen waan bevangen , dat gij de bestuurders en ontwerpers der geschiedenis van den dag zijt, terwijl gij toch slechts eenige van de letters verschaft, waarmee de eigenzinnige Clio haar dagboek schrijft.
Het gemis van het besef uwer algemeene onbeduidendheid is ten slotte noodzakelijk om u een zeker aanzien te bezorgen ; maar wanneer men vervuld is van het bewustzijn zijner eigene machteloosheid , mag men niet meedoen aan het spel van het zelfbedrog. Allerminst mag men zijne overtuiging en idealen in vermoeiende redevoeringen samenvatten , welker resultaat zooals zich laat voorzien bijna gelijk nul zal zijn. Met redevoeringen, al zijn ze nog zoo wegsleepend door hare welsprekendheid , kan inon het toch nooit zoo ver bren-
248
gen, dat de daarin ontwikkelde gedachte tot daad wordt. Elke toehoorder luistert, oordeelt en beslist slechts naar de nieening die hij heeft medegebracht, die de slotsom is van duizend voorafgegane meeningen , de vrucht van degeheele vroegere geschiedenis van zijn leven en denken, en die dus niet door de beknopte samenvatting eener tegengestelde meening aan het wankelen gebracht kan worden. En inderdaad — heeft men ooit in dit Huis bijgewoond, dat terwijl een liberaal van de tribune woorden sprak gloeiende van vrijheidszin, een paar clericalen plotseling uit het centrum sprongen om zich ijlings naar de uiterste linkerzijde te dringen ; of omgekeerd, lieeft ooit eene donderende philippica van den meest overtuigden reactionair bewerkt, dat een half dozijn leden van de vooruitgangspartij zich hals over kop in het centrum stortten ? Zeker niet. De eindstemming zal — men kan het met wiskunstige zekerheid aannemen — niet van de waarde der gehoudene voordracht afhangen maar van de gezindheid, die de meerderheid in het Huis mede heeft gebracht.
Geheel en al zonder uitwerking blijft zulk eene rede nu wel niet, zooals in het algemeen op deze wereld niets zonder werking blijft; alleen staat het toevallige resultaat lot het beoogde, als éen tot billioen. Terwijl de spreker zijn best doet om door de macht van het woord aan zijne beginselen oogenblikkelijk recht te verschali\'en , stuiten zijne woorden op de vooruit opgevatte gevoelens zijner hoorders af. Maar diezelfde woorden zullen uaarbuiten door gesprekken en dagbladen verspreid worden, in de wereld rond-klinken , en daar liun nietig scherfje bijdragen tot de vervorming der openbare meening ; zij zullen in den eeuwig-durenden strijd der gedachte om hel bestaan voortwerken , in duizend onkenbare vormen den lijd doorvliegen , als geestesvoedsel in de hoofden van het opkomend geslacht doordringen , en langs dien weg eens weder in de medege-
249
brachte meeningen yan de meerderheid der toekomst bevat zijn.
Met deze hescheidene uitkomst zou echter geen van de hier verzamelde voorvechters voor grondstellingen tevreden zijn. Üp elk afzonderlijk programma slaat de beslissende zegepraal van deze of die partij. Een ieder wil de verwezenlijking zien van de uiterste consequenties der theorie waarvan hij uitging en bedenkt daarbij niet, dat hetgene de logica in eene redeneering van een kwartier bereikt, in de werkelijkheid voor zijne ontwikkeling dikwijls eene eeuw noodig heeft. Zoo komt hot, dat — al zijn de beraadslagingen nog zoo heet en al roept de zaakkundige schel van den voorzitter nog zoo dikwijls tot de orde — de liberalen met dat al toch niets llbereeren , de constltutioneelen niets constltueeren en de conservatieven niets conserveeren.
Het eenige wezenlijke resultaat, dat oogenhllkkelijk zijne werking doende door dit Huls wordt teweeg gebracht, zijn de nieuwe wetten. Dezen zijn terstond van kracht, maar of zij het doel bereiken waarvoor zij uitgevaardigd werden, dat Is eene vraag die de terugblik op de geschiedenis der wetgeving doorgaans ontkennend laat beantwoorden. Altijd blijken die wetten de weldadigste te zijn, die vroegere wetten opheffen. Eene hervorming bestaat gewoonlijk niet in de invoering van Iets nieuws, iets dat den vooruitgang bevordert, maar in de afschaffing van iets ouds, dat storend werkte, liet laten vallen der grenzen , het wegruimen der hindernissen , door vroegere staatslieden ingevoerd , is steeds de hoogste weldaad der hedendaagsche wetgevers. Maar het Is uw hoogste eerzucht, Mijne Ileeren , niet oud vuil weg te vegen , maar nieuwe muren op te trekken , want daarbij oogst gij voor uzelven den meesten roem. Gij houdt ervan grenspalen te plaatsen , beschermende en ver-bodsmaatregelen in te voeren, die eenmaal uwen nakomelingen de verdienste verschaflen door hen weder o|igeheveii te worden.
250
ïHet is zelcerzegt Henry Thomas Buckle, tdat alle voornaamste belangen jammerlijk geleden hebben door de pogingen der wetgevers om ze ie bevorderen. Onder het bijwerk der nieuwere beschaving is niets gewichtiger dan de handel , welks uitbreiding waarschijnlijk meer dan iets anders voor de vermeerdering van liet welzijn en het geluk der menschen gedaan heeft. En toch heeft elke Europeesche regeering, die handelswetten heeft uitgevaardigd, juist zoo gehandeld alsof haar hoofddoel geweest was den handel te onderdrukken en de kooplieden te gronde te richten. Inplaats van de nijverheid des volks aan zichzelve over te laten, heeft men ze door eindelooze verordeningen belemmerd, die allen tot haar best moesten dienen en allen ernstige schade aanrichtten. Dit werd zoo ver gedreven , dat de hervormingen van den handel, waardoor Engeland zich in de laatste twintig jaren onderscheidde, slechts bestaan hebben in de afschaffing dezer schadelijke bemoeizucht der wetgeving. De wetten die vroeger over dit onderwerp gegeven werden en waarvan er nog maar al te velen van kracht zijn , leveren een merkwaardig schouwspel op. Zonder overdrijving kan men zeggen, dat de geschiedenis der handelswetgeving In Europa alle mogelijke pogingen om den bloei des handels te belemmeren , bevat. En iemand van groot gezag in deze zaak heeft onlangs verklaard, dat zonder den sluikhandel de handel niet had kunnen beslaan , maar onder die onophoudelijke inmenging te gronde had moeten gaan. Deze verzekering moge ongerijmd schijnen, toch zal niemand ze tegenspreken die weet, hoe zwak de handel eens was en hoe sterk de hindernissen die hem in den weg kwamen. Overal en ieder oogenblik liet de hand der regeering zich voelen. Tollen bij den invoer, tollen bij den uitvoer , ondersteuning om eenen handel die met verlies gedreven werd op te beuren en lasten om eenen anderen die voordeel Opleverde, te fnuiken; deze tak van nijverheid verboden.
251
die aangemoedigd; het eene handelsartikel mocht niet gekweekt worden , omdat het in de koloniën groeide ; een ander mocht geteeld en gekocht maar niet weder verkocht worden , terwijl een derde gekocht en verkocht mocht worden maar niet buitenslands gaan. Verder vinden wij nog wetten tot regeling van het arbeidsloon, wetten tot regeling van den prijs, wetten tot regeling van het handelsvoordeel, wetten tot regeling van den rentevoet, tolhuisinrichtingen van de ongemakkelijkste soort, bovendien een ingewikkeld plan , dat men met recht de sluipschaal (sliding-scale) noemde, een plan zoo kunstig bedacht en in den grond zoo verkeerd , dat de belasting voor hetzelfde artikel telkens veranderde eu niemand vooruit kon berekenen , wat hij te betalen zou hebben. Bij deze onzekerheid, die op zichzelve reeds de vloek van allen handel is, kwamen nog zulke zware ac-cijnsen, dat ze door alle klassen, de verbruikers en de voortbrengers gevoeld werden. De tollen waren zoo drukkend, dat zij de kosten van voortbrenging dikwijls verdubbelden of verviervoudigden. Er was een stelsel van inmenging ingevoerd en ten strengste doorgezet, van inmenging in de markten, de fabrieken, het machinewezen en zelf? in de winkels. De kommiezen bewaakten de steden en de havens wemelden van tolbeambten wier eenige bezigheid het was bijna elke huiselijke verrichting te bespieden, in ieder pak te gluren en elk artikel te belasten ; en om de ongerijmdheid ten top te voeren, geschiedde dit grootendeels ter wille van de bescherming, d. i. het geld werd naar men voorgaf geheven en de last geduld, niet ten bate der regeeringen maar ten bate van het volk. Met andere woorden, de nijvere klassen werden beroofd, opdat de nijverheid zou bloeien.
sDat zijn eenige van de weldaden die de Europeesche handel aan de vaderlijke voorzorg van Europeesche wetgevers dankt. Maar dat is nog hel ergste niet, want hoe
252
groot de oeconomische nadeelen ook zijn, de zedelijke die dat stelsel teweegbracht, gaan hen nog verre te boven. Het eerste onvermijdelijke gevolg was, dat in ieder deel van Europa talrijke en machtige benden sluikhandelaars ontstonden die van hun verzet legen de wetten leefden, welke hunne onwetende regeeringen hadden voorgeschreven. Deze menschen, door vrees voor de straf I) tot wanhoop gebracht en aan elke misdaad gewoon, bevlekten hunne omgeving, voerden in vreedzame dorpen vroeger onbekende ondeugden in, veroorzaakten den ondergang van geheele families en verbreidden overal waar zij kwamen dronkenschap, diefstal en losbandigheid. Zij gewenden hunne makkers aan die ruwe lusten, die natuurlijk bij zulk een zwervend en wetteloos leven tot zede werden, üe talrijke misdaden die daardoor ontstaan, komen voor rekening van de Europeesche regeeringen, die er aanleiding toe gaven. De misdaden werden door de wetten veroorzaakt en nadat men de wetten had ingetrokken, zijn de misdaden verdwenen. Maar men kan moeilijk beweren, dat de belangen der beschaving door zulk eene staatkunde bevorderd werden, dat wij veel dank schuldig zouden zijn aan een stelsel, dat eindelijk terugkeert op zijne schreden, nadat het een nieilwe klasse van misdadigers heelt geschapen. Ofschoon het daardoor een einde maakt aan de misdaad, vernietigt hel toch eigenlijk slechts wat het zelf geschapen bad.
»Ik behoef niet te zeggen — voegt Buckle erbij — dat onze opmerkingen niet tegen de werkelijke diensten gericht zijn, die elke dragelijk ingerichte regeering aan de maatschappij bewijst. In elk land moet de eene of andere macht bestaan, die de misdaad straft en de wetten opstelt, anders
1) Townsend die in 1786 Frankrijk bereisde, zegt; van de vele smokkelaars die gepakt werden, werden eenigen geliaogen, anderen geradbraakt en anderen levend verbrand. Townsend, Spain I. 85. Uitgave van 1792.
253
verkeert het volk in een toestand van regeeringloosheid. Maar de aanklacht die de geschiedschrijver tegen elke regeering, die lot nogtoe bestaan heeft, moet inbrengen , is deze, dat zij de haar toekomende bevoegdheid is te buiten gegaan en bij elke overschrijding van dien aard onberekenbare schade heeft aangericht. De zucht om gezag uit te oefenen blijkt zoo algemeen te zijn, dat geene klasse van menschen, die het ooit bezeten heeft, bestand is geweest tegen de verleiding om het te misbruiken. De orde te handhaven, den sterke te verhinderen den zwakke te onderdrukken en eene zekere voorzorg voor de openbare gezondheid door voorzichtigheidsmaatregelen, dat zijn de eenige diensten die eene regeering aan de beschaving kan bewijzen. Dat dit diensten zijn van zeer groote waarde, zal niemand loochenen; maar men kan niet zeggen, dat de vooruitgang der menschheid daardoor verhaast wordt. Dat alles dient slechts om den vooruitgang eene gelegenheid aan te bieden; de vooruitgang zelf hangt van andere dingen af. En dat dit eene gezonde opvatting van de wetgeving is, wordt nog duidelijker door het feit, dat met de verbreiding der kennis en naarmate de toenemende ervaring elk geslacht de ingewikkelde levensomstandigheden beter leert verstaan, de menschen steeds sterker op de afschaffing der beschermende wetten aandringen, welker uitvaardiging de staatslieden voor de grootste zegepraal van staatkundige wijsheid hielden.quot;
Zoo spreekt de Engelsche wijsgeerige geschiedvorscher, van wiens gezichtpunten gij allen — al zoudt gij ze ook niet toegeven — toch minstens kennnis moest nemen. Vele maatregelen schijnen op het oogenblik, dat zij genomen worden , door onderscheidene omstandigheden uit onze naaste omgeving zeer tijdig, en eerst de toekomst leert, hoe ontijdig zij geweest zijn. Om b. v. het beginsel van bescherming, dal hier dagelijks tot heftigen strijd aanleiding geeft, van
254
de beweegredenen die invloed op ons oefenen, vrij te maken, willen wij het eenigszins uit de verte beschouwen en te dien einde veroorloof ik mij u een besluit mede te deelen , dat in het begin der vorige eeuw werd uitgevaardigd. Tegenwoordig schijnt het eenvoudig ongerijmd, toch zijn het dezelfde grondverven die thans nog op ons palet liggen, maar toen schel en dik werden opgesmeerd en wel met veel vertoon van staatkundige tzaakkennisquot; en met de werkelijke bedoeling om iets in te stellen dat voor alle tijden nut zou aanbrengen De bedoelde wet luidt:
sNadat Z. K. Majesteit van Pruisen enz. onze allergena-digste heer, bij edict van den C Juli 1717 genadig verordineerd heeft, dat het dragen der houten schoenen en pantoffels op de gezamenlijke dorpen der Keurmark voortaan geheel nagelaten en afgeschaft zou worden. Evenwel tot zijn hoog misnoegen heeft moeten waarnemen , dat de allergenadigste wilsuiting hieronder niet behoorlijk nageleefd wordt, maar in verscheidene dorpen tot schade en nadeel der schoenmakers , wien zoodoende het brood wordt ontnomen , het voornoemde edict ontdoken en in strijd daarmede gehandeld wordt, zoodat nog onlangs bij eene gedane huiszoeking vele paren houten schoenen en pantoffels hier en daar gevonden en weggenomen zijn : Zoo heeft hoogstgemelde Z. K. Majesteit de gedane verordening niet alleen bij deze willen herhalen en vernieuwen maar ook verder in genade en met allen ernst bevolen , dat het dragen der houten schoenen en pantoffels op de dorpen overal geheel afgeschaft en nagelaten zal worden, bij gebreke waarvan, zoo bij iemand wien zulks aangaat ooit dergelijke houten pantoffels en schoenen gevonden wierden, dezen te waarschuwen, dat tegen hem naar bevinden met de straf van het halsijzer of gevangenis zal geprocedeerd worden. Wordt tevens den ge-richtsoverheden en schouten van elke plaats hiermede ernstig en op straffe van 200 dukaten ten behoeve der recruten-
255
kas, die zonder verscliooiiing ingevorderd zullen worden, gelast en aanhevolen elk vierendeeljaars in de onder hunne jurisdictie en reclitsgebied staande dorpen een nauwkeurig onderzoek dienaangaande in te stellen en met alle vlijt erop toe te zien , opdat deze verordening gehoorzaam opgevolgd en behoorlijk nageleefd worde. In oorkonde waarvan onder Zijner Koninklijke Majesteit lloogsteigenhandige onderteeke-ning en bijgedrukt koninklijk zegel. Altlus gedaan en gegeven te Berlijn den 7 December 1726.quot; Volgen de onderteeke-ningen des konings en van verscheidene hoogwaardigheids-bekleeders. Deze laatsten, personen die volgens het toenmalig gebruik behalve »lloch-\\vohl-edelgebohren Gestrenge und llerrlichequot; ook «liolz-und Wolfürsichtige Weisheitenquot; betiteld moesten worden.
Misschien heeft dit besluit te zijner tijd ook wel eenige tegenstanders gevonden; maar dezen hebben althans slechts zwakke aanmerkingen gemaakt en zouden, wanneer zij voor hunne gevoelens rond waren uitgekomen, als gevaarlijk voor staat en regeering weder aan eene andere welvoor-zienige halsijzerwet vervallen zijn. Heden ten dage zou er ook geene enkele stem meer opgaan — noch onder de reactionairen noch zelfs onder de schoenmakers — om het bovenstaande edict weer van kracht te verklaren; ook zou geen redenaar er meer aan denken om ertegen te protesteeren, omdat het gecue ernstige weerlegging meer waard is en het geheele stuk—zeker de trots van zijnen opsteller—thans nog slechts grotesk lijkt. Zou het nog de moeite eener uiteenzetting waard zijn, dat het een onverantwoordelijk ingrijpen in bet privaatrecht is, deze of die voetbekleeding te verbieden; verder dat men om eeu bedrijf te beschermen, de klanten niet dwingen kan er gebruik van te maken; want wie geene middelen heeft om zich bij den schoenmaker te voorzien, zal wanneer bet dragen van houten schoenen hem verboden wordt, eenvoudig op bloote voeten rondloo-
256
pen; of wanneer hij toch lederen laarzen koopt en molenaar is, dan zal hij om zijne groolere uilgaaf weer in te halen zijn meel duurder verkoopen , of wanneer hij kleermaker is , den prijs der kleedingstukken, die hij levert, hooger berekenen en de begunstigde schoenmaker — die toch ook meel en kleeren noodig heeft — zal die behoefte juist evenveel duurder moeten betalen als hij van zijne gedwongen klanten heeft ontvangen. Zoo herstelt zich vanzelf liet evenwicht, en dat heeft ondanks alle ambtsparagrafen altijd plaats, zoodat deze laatsten nooit haar indirect doel maar slechts hare direct ingevoerde verdrietelijkheden en storingen bereiken. Deze gronden als zoodanig worden thans nog vaak tevergeefs aangevoerd, ook waar tegenwoordig grootere en meer ingewikkelde belangen op bet spel staan, maar, zooals reeds gezegd is, het zou overbodig zijn ze tegen het bovenaangehaalde edict bij te brengen, omdat men bij den tegen-woordigen stand der ontwikkeling van onzen tijd gerust mag aannemen, dat deszelfs onzinnigheid algemeen erkend wordt. Werkt dit echter niet ontmoedigend op het frisch wetten-smeden? Moet de vrees ons niet bekruipen, dat onze nieuwe, door eene zwakke en achtenswaardige oppositie bestreden besluiten, eens even algemeen als belachelijk zullen uitgekreten worden?
Evenals verbodene houten schoenen zijn er ook van oudsher verbodene gedachten geweest en al vindt men het thans algemeen iets ongerijmds eenen mensch in het openbaar te verbranden , omdat hij niet aan den duivel gelooft, toch leeft in verminderden graad hetzelfde onverdraagzame beginsel nog voort en openbaart zich onder u bij hen die tegen zekere leerstellingen protesteeren. Een onderwijzer b. v. haalt uil Sternes boek aan: «in den beginne was de koolstof,quot; dan wordt hij daarom — wel niet verbrand, (eilieve waarom niet verbrand? Dat zou toch categorischer en consequenter zijn) maar van de school weggejaagd. Maar even-
257
min als vroeger de brandstapel bij machte geweest is de opkomende twijfelingen te verteren, evenmin zullen ook de maatregelen, thans tegen het vrije onderzoek aangewend, het in zijnen gang stuiten. Ook de staatkundige twijfel, ook het onderzoek der volken naar hunne eigene rechten op vrijheid zal door de strafwetten der regeerings-orhtodoxie niet uitgeroeid worden, liet is zooals Lenan zegt:
Al wilt gij ze stuiten als zij in menschlijke gedaante
Op aarde zichtbaar neer wil dalen —•
Al houwt gij alle groene spruitjes terstond af,
Al rukt gij alle wortels uit de moederaarde
En doet de vogels door uw schot uit de lucht tuimelen
Uit blinden haat tegen het groen en de liederen;
Toch kunt gij den aandrang stuiten noch stillen ,
Den onweerstaanbaar sterken wil der lente.
Gelooft mij, vorsten, nog minder vermag
Uw wapengeweld tegen de gedachte,
Wanneer zij het menschdom de vrijheid wil schenken ,
Door de geschiedenis wil bloeien en zegevieren.
Neen , met dwang brengen wij niets tot stand. Het maken van wetten die overal geldig en eeuw igdurend zijn, is geen arbeid voor den mensch. Wij kunnen geen leven voortbrengen en geene wetten maken die het beoogde doel bereiken. Wat wij met dezen hoogklinkenden naam aanduiden , zijn plaatselijke verordeningen, die toch weer aan eene hoogere, naar buiten\' werkende wet die zich niet in de war laat brengen , onderworpen zijn. Zoo zijn wij niet in staat om den algemeenen loop der zaken, en het allerminst de verre toekomst te regelen. Maar al reiken onze wetjes ook niet verder dan ons persoonlijk verkeer, daarop kunnen zij toch invloed oefenen; en ten volle staat het in onze macht elkander te plagen, het leven zuur te maken, i. z. 17
258
elkander te folteren. Wij kannen elkander houten schoenen verbieden, couranten verbeurd verklaren, uit den gemakkelijken slaapwaggon elkander halen om aan de grens onze passen na te zien; onze inkomende goederen methooge rechten belasten; elkander achter den ploeg vandaan in den oorlog zenden ; mijnentwege elkander ook ter wille van het heil onzer ziel — zooals dit eenmaal geschiedde — aan vier paarden binden of op het rad leggen; dat zijn altemaal op zichzelven staande kleine maatregelen , die wij door hel uitvaardigen eener wet van kracht kunnen doen zijn , waardoor de menschen ook rechtstreeks getroffen worden , maar waarvan de mensch-heid als een geheel zich in de toekomst onfeilbaar zal losmaken. Hoe nader de maatschappij namelijk komt bij het voorgestelde doel der vereeniging, hoe helderder het besef wordt, dat zij niet uit twee helften , eene regeerende en eene geregeerde, bestaat, maar met onbetwist gezag het zelfbestuur moet in handen nemen, — des te meer zal zij ernaar streven hare statuten aan het algemeen welzijn bevorderlijk te maken en zichzelf zoo min mogelijk last te veroorzaken, te kwellen en hare vrijheid van beweging te belemmeren.
Zulk eene profetische opvatting der taak van het Parlement had reeds Edmund Burke , die onder de regeering van George lil in het Engelsche Lagerhuis zeide : het volk is de heer. liet behoeft zijne meeningen slechts in het algemeen en in grove omtrekken uit te drukken. «Wij zijn,quot; gaat hij voort, ide ervaren kunstenaars, de geschikte arbeiders om hunne wenschen in eenen volkomen vorm te gieten. De burgers voelen het lijden , zij vertellen ons de kenteekenen der ziekte ; wij echter kennen den zetel der kwaal en weten hoe wij het middel naar de regelen der kunst moeten aanwenden. Hoe schrikkelijk zou het zijn , wanneer wij onze kunst tot eene schadelijke bedrevenheid wilden verlagen om ons aan onze plichten te onttrekken en onze werkgevers,
259
die onze natuurlijke heeren zijn , in hunne billijke verwachting te bedriegen ! Voorwaar , den openbaren wil te volgen , niet hem te dwingen ; aan den algemeenen geest der gemeenschap eene richting, eenen vorm, een technisch gewaad en eene specifieke erkenning te geven: dat is het ware doel der wetgeving.quot;
Slechts in een opzicht heeft Edmund Burke daar te veel gezegd ; namelijk toen hij zijne hoorders ervarene kunstenaars noemde, die weten waar de zetel is der kwaal en het juiste middel kunnen aanwenden Neen, te zijner tijd was de staatkundige geneeskunde nog lang niet op zulk eene hoogte gekomen en tegenwoordig is zij het nog niet. liet kwaad wordt gestraft, niet genezen ; de kenteekenen worden verboden, maar hunne oorzaken niet uitgeroeid. Daarbij oefent menigeen — slechts op eigen voordeel bedacht — kwakzalverij a la doctor Eisenbart uit en biedt zijne niet alle machtspreuken pronkende universeele middelen voor eenen waren spotprijs te koop. Geen uwer, Mijne Heeren, behoeft zich daardoor beleedigd te gevoelen , want een ieder kan zich onder den kwakzalver zijnen tegenstander voorstellen. Maar zoolang gij in het algemeen aanneemt, dat er eene volledige staatsmanswijsheid bestaat, op welker bezit ieder voor zich aanspraak kan maken en welker eindelijke zegepraal van den ijver en de bekwaamheid barer vertegenwoordigers zal afhangen; zoolang zal dit Huis een worstelperk der strijdende partijen blijven, inplaats van een forum der algemeene belangen te zijn. De staatkunde moet eerst nog tot eene exacte staatswetenschap verheven worden , om tot staatkundige listen en kuiperijen in dezelfde verhouding te staan, waarin tegenwoordig de scheikunde tot de kunst van goudmaken , de sterrenkunde tot de sterrenwichelarij staat. Goudmaken en in de. sterren lezen hebben gelukkig uitgediend , maar hier worden nog in de wets-retorten vlijtig verdachte wets-raetalen gegoten en allerlei
260
overgeleverde tooverformules daarover uitgesproken. Maar geduld slechts ; ook de staatkundige wetenscliap zal eene gedaante aannemen , krachtig worden en zegenrijk de staatkundige kunstenarijen verdrijven.
De staatsgeleerden zullen inzien, dat noch A noch B het geheimzinnige talent bezitten om door middel van willekeurige stelsels van grondbeginselen , door middel van eigen-bedachte dwangwetten, de volken tol hun best wil te besturen, maar dat deze beginselen , deze wetten allen van den beginne afaan en zelfstandig in de skracht der dingenquot; werkzaam zijn ; dat het de taak van deze wetenschap evenals van elke andere is, ze op te sporen en zich ernaar te schikken. De natuurlijke noodwendigheid is het veld, waaraan alle leerstellingen , zullen zij als zoodanig waarde bezitten , ontleend moeten worden; niets wat men zelf bedenkt , niets wat men vermoedt, voorspelt en wat dies meer zij — slechts wat men ervaart, waarneemt en ontdekt heeft waarde. Maar de sterren zijn het eenige niet dat eene geregelde baan doorloopt; niet alleen de verschijnselen van wind en weder , van licht en geluid , van alle elkander ontvliedende en opzoekende stolfen werken naar wiskunstig zekere wetten, maar overal — ook in de verschijnselen van den tijd — heerscht eene zekere «kracht der dingen.quot; Door onpartijdige , geduldige waarneming aan die kracht hare keuren af te luisteren , is de taak van iedere wetenschap, dus ook van de staatswetenschap. Dat alleen kan geluk aanbrengen , want wij zien overal, dat tegenover de natuurwetten alleen het gehoorzamen nuttig werkt. Aanvankelijk geloofden de menscben ook wel, dat al het wentelen der sterren, al het stormen der zee, al het duistere der wolken niets anders was dan een grillig bedrijf van vele eigendunkelijke goden , tot allengs de steeds voortgezette waarneming der regelmatigheid van alle natuurverschijnselen , de overtuiging, dat dezelfde oorzaken onvermijdelijk dezelfde
261
uitwerkingen teweeg brengen , tot het inzicht leidden, dat al die verschijnselen naar onomstootelijke wetten in ongestoorde orde op elkander moeten volgen. Tot vergoeding heeft zich het geloof aan de grilligheid nog niet betrekking lot de lotgevallen en levensuitingen der menschen gehandhaafd. Men neemt hunne grillige handelingen voor de leidende oorzaken der gebeurtenissen aan , en luim tegen luim , wil iedereen liever de zijne doorzetten. Maar de buiten ons bestaande werkelijkheid, het wezenlijke leven der wereld, welks polsslagen wij niet kunnen regelen, alleen beluisteren en herkennen, maakt zich meester van alle uit den tijd geboren dingen en ordent haren loop. Dit ongenoemde Iets, dit werkelijke, zekere, eeuwig werkzame, op alles invloed oefenende , zonder zelf voor eenigen invloed vatbaar te zijn, moet ook den staatsgeleerde voor den geest staan als het doel van zijn zoeken en streven. Hoe nauwer hij de mensche-lijke inrichtingen met de verordeningen dier natuurwijsheid in verband brengt, hoe gelukkiger en rechtvaardiger zij zullen zijn. Want de verhevene gerechtigheid die in de zoogenaamde kracht der dingen woont, overtreft alle rechtsgeleerde stelsels, ongeveer zooals de regelmatigheid der sterrenbanen de lijnen overtreft die een schaatsenrijdende schooljongen op het ijs beschrijft.
sliet is,quot; zoo behoort de formule van al onze wijze stellingen te luiden ; wij houden echter maar al te veel van hoogvliegen en veranderen ze in het vruchtelooze nllet zij.quot; Dit slietquot; waarvan ik spreek , het handelende onderwerp in den zin tweemaal twee is vier, (bet is vier, wij mogen betwisten en twijfelen en ertegen strijden zooveel wij willen) dit ihetquot; weifelt niet en dwaalt niet, is tot geene ongerechtigheid , geene partijdigheid, geen gunstbetoon in staat. Dit nhetquot; , dat in het zooeven aangevoerde voorbeeld duidelijk te herkennen is, is in alles wat er gebeurt verborgen ; overal heerscht zijne zekere wiskunstig gerechtvaar-
262
digde werking, die zich nooit op een dwaalspoor laat brengen. Drijven de wolken haar eleciriseli spel, dan bliksemt het; doorboort een kogel mijne borst, dan is het de dood. Maar ook waar het spraakgebruik dit heerschende gt;lletquot; niet aanduidt, waar onze gedachte gewoon is voor oorzakelijk onderwerp der ons omringende feiten Pieter of Paul of eene persoonlijke hemelsche of helsche macht te houden , ook daar heeft h e t gewerkt; en nu behoorden wij moeite te doen om dit te erkennen, teneinde ons doen en laten daarnaar in te richten.
Wel zijn we vrij om te doen wat wij willen — altijd staan er voor onze handelingen duizend mogelijkheden open; maar de gevolgen onzer daden hangen niet van onze wilskracht af. Wij kunnen wanneer wij willen eene paraplu opzetten, maar dat zal ons niet tegen eene aanrollende lawine beschermen ; wij kunnen insgelijks drukperswetten invoeren , maar dat zal aanstormende volksopstanden niet tegenhouden ; wij kunnen met eenen gieter op een brandend dak spuiten, maar dat zal den brand niet blusschen; wij kunnen ook tolgrenzen stellen en tarieven van invoer vervaardigen , maar dat zal de macht der concurrentie niet verlammen. Wie het voorstel deed eenen vuurspuwenden berg met kurk te sluiten, zou zich onsterfelijk belachelijk maken, want wij weten, de lava zou er toch uitstroo-men; maar gelooft mij, Mijne lleeren , in dit Huis werden dikwijls even onzinnige voorslagen in vollen ernst gedaan en ernstig besproken, xonderdat hunne buitensporige belachelijkheid in het oog viel, omdat waar het tijdsomstandigheden betreft, die ontembare macht der wet niet erkend, ja niet eens gezocht wordt, ofschoon zij dikwijls tot de maatregelen waarover hier gestemd moet worden, indezelfde verhouding staat als de lavastroom tot de kurken stop.
Maar ik zou niet gaarne door mijne woorden, die zich legen de instelling van nieuwe en tegen de stijve handha-
263
ving van onde keuren kanten, den schijn op mij laden, alsof ik tot de partij van omverwerping behoorde, alsof ik den eed had gezworen aan de roode vlag. Dan zou men mijne verklaringen stellig verkeerd begrijpen. Reeds bij het begin van mijne veel te lange en zeker hoogst onparlementaire rede heb ik vooropgesteld, dat ik noch lot de rechter-noch tot de linkerzijde overhel, allerminst naar het centrum verlang, maar dat mijne overtuiging mij buiten deze muren houdt. Deze overtuiging van de onbereikbaarheid der meeste bedoelingen die men hier zich voorstelt, betreft niet alleen het conservatieve programma, maar evenzeer bet streven der uiterste radicalen. Ik ben er niet alleen tegen , dat men socialistische geschriften verbiedt, maar ik ben er ook tegen, dat men ze schrijft. Zoowel het uitstrooien als het verbeurd verklaren van zekere grondstellingen is onnut. De volksmenners , volksredders en maatschappij-verbeteraars begaan op hunne manier dezelfde fouten , die de koppige wachters der orde begaan: zij vragen niet naar de heerschende wet ten der werkelijkheid. Evenals ik de makers van repressieve wetten met voorzichtige menschen vergeleek , die tegen lawinen paraplu\'s opzetten , zou ik de opruiers met lieden willen vergelijken, die met een doosje lucifers rotsen willen laten springen, [let phosphorus zal hun en dengenen die hen omringen misschien in de oogen springen , maar de rots zal ongedeerd blijven. Eeuwenoude instellingen laten zich niet omverblazen. Het koningschap zal niet door een paar revolverschoten en een paar keukenmessen van den Europceschen bodem verdelgd worden. Zoolang het bestaat, is het noodzakelijk en goed. In nieuwe werelden, waar zich vrije menschen nederzetten en naar moderne begrippen zich inrichten, voor kunsten en nijverheid leven, zooals in Amerika, Australië , welhaast misschien ook in Afrika , behoeven eerst geene samenzweerders rond te sluipen , daar ontstaat de republikeinsche regeeringsvorm vanzelf. Wal
264
alleen door moord en ruwheid en geweld kan doorgezet worden, is nog ontijdig, bijgevolg schadelijk, bijgevolg misdadig. De volksredders moesten , wanneer zij werkelijk hun eigen belang niet bedoelden — wal zeker bij zeer weinigen het geval is — wanneer zij inderdaad niet voor zichzelven en hunne neefjes woelen maar voor de menschlieid , bedenken dat deze als een geheel niet 101 het thans levende geslacht beperkt is. Gelijk een kwartier in het leven eens menschen, vervliegt een geslacht in het leven der menschlieid. Weest dus tevreden, gij die uzelven opoffert voor uwe broederen, wanneer de achierkleinkinderen van de achterkleinkinderen uwer achterkleinkinderen de zon zien rijzen, die thans aan uwen idealen hemel schemert. Wildet gij voor uwe tijdge-nooten reeds zulk een licht aan den gezichteinder ontsteken, dan zal het geene zon maar hoogstens de vuurgloed van brandende steden zijn 1
Deze onbekendheid met zijne kracht — of liever met zijne zwakheid — is de schuld van al het ongeluk. Die wanverhouding tusschen de verkondigde doeleinden en de beschikbare middelen — die dwaasheid om de zee te willen leegscheppen met theelepeltjes I Dat verlangen om vandaag reeds het duizendjarig zaad te oogsten!!
Gij valt mij geen enkelen keer in de rede, mijnheer?
De graaf (vliegt op en wrijft zijne oogen uit). «Bravo. Zeer goed... ik heb niet geslapen ; ik ben maar zoo gewoon na het diner de oogen eventjes te sluiten. Zeer vloeiend gesproken... alleen wat te liberaal. Maar niet kwaad, bravo.quot;
265
VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Pauze. — Smachtend verlangen. — Een nietszeggend hoofdstuk.
Lezen is eene schoone zaak. En schrijven is eene schoone zaak. Maar locli zijn er uren, waarin men de ontzeüendste romans en tooneelstukken die in de boeken staan, en de ingewikkeldste gedachten en schitterendste kinderen der verbeelding die men uit zijnen eigenen inktkoker haalt, gaarne zou willen geven voor het allergeringste wat men zelf beleeft. Deze toestand draagt verschillende namen. Nu eens heet hij verveling, dan weer smachtend verlangen — ook dorst naar daden wordt hij door velen gedoopt , of sluimerende geestkracht. Ik weet niet, hoe ik hem zal noemen, maar nu ik toch mijne ziel inspecteer, mag ik het niet verzwijgen. Waarschijnlijk drukt mij mijne eenzaamheid, waarschijnlijk ontstemt mij het weer. Dat eeuwige huilen van den storm en stuiven van de sneeuw begint hinderlijk te worden. Ik gevoel een onbeschrijfelijk verlangen om frissche viooltjcsgeur in te ademen of een golvend korenveld te zien , met blauwe en róode bloemen erin of een door de zon beschenen lentelandschap , waarin het bleekgroene loof nog zoo zacht als een veertje aan de hoornen siddert, dat de blauwe hemel overal door het bladergewelf heenlacht. Of in een donker sparrenbosch zou ik willen zijn, na eenen lauwen zomerregen. O, ik zie hel, dat woud. Tusschen de boomen gloeit het avondrood en hult hier en daar oenen naam in gebronsd licht. Uit den bemosten grond, die van smaragdenweerschijn fonkelt, stijgen vochtige, zware dampen op , in de toppen hangt een gouden wasem ... Mijn paard heb ik ingehouden, om de stille wijding van dit beeld te genieten. Ook de amazone naast mij blijft staan. Wat is
266
ze schoon ... Gloeien hare wangen van den weerschijn der ondergaande dagvorstin, of van den snellen ril — of... zij duldt, dat ik mijnen arm om haren slanken leest sla — haar hoofdje zinkt op mijnen schouder en haar oog ziet tot mij op — neen, de wangen gloeien niet van den rit, niet van de zon , zij gloeien van de eindelijk geschonkene wederliefde ...
Onzin! Het is December en ik hen alleen in mijne vervelende kamer; zelfs de oude juffrouw Susie is niet tehuis. Alleen Ego, dat geduldige schaap, is er en laat zich al het mogelijke door mij voorvertellen en voorphilosopheeren en voorraaskallen. Ik geloof, dat hij als ik hem in mijn eentje eenen czardas ging voordansen — er ook niets legen zou hebben. Maar ook dit bevallige en hygiënisch misschien zeer nuttige vermaak lacht mij niet toe. Jammer, dal ik de klarinet verwaarloosd heb. Misschien zou hel eene verlichting voor mij zijn een lied zonder woorden te blazen!
Bij het nauwgezet inventariseeren mijner ziel sluit ik zoo nu en dan op vreemde dingen — die ik niet weet in welke rubriek te brengen. Of hoe moet mijne tegenwoordige stemming — hoe moet dit geheele tegenwoordige hoofdstuk eigenlijk heeten? — Neem mij niet kwalijk, Ego, maar het heet volstrekt niets.
ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Cijfers en getallen. — Wijsheid der getallen — Poëzie der getallen.
Ik heb in mijn leven nogal vele studiën aangevat en daarbij voor verscheidene eenen zeer Ireurigen aanleg geloond. Muziek b v. heb ik behalve op de bovengenoemde klarinet niet zonder gevolg op de piano en op mijn eigen strotten-
267
hoofd heoefend, en zoo voort. Het was mijne bedoeling niet mijne verschillende talenten op te lellen, maar ik wilde integendeel zeegen , dal als er Iels is, waarvan ik niet het minste begrip toonde, dal voor mij altijd een met zeven zegelen gesloten boek bleef, het de wiskunde is geweest. Al die cijfers en teekens, minussen, plussen en Xsen, quadraten , cirkels, tangenten , logarithmen en kubiekwor-tels hebben nooit geweten hoe zij zich voor mij duidelijk zouden maken. Optellen is de eenige rekenvorm die mij niet afschrikt; maar deelen staal mij reeds legen en zijn er nog liendeelige breuken bij , dan wil ik er volstrekt niets meer van weten. De stelling van Pythagoras heb ik slechts in mijn geheugen kunnen prenten mei behulp van een prentje in de nFliegende Bliilierquot; , dal Pythagoras op eene Zondagswandeling voorstelde in gezelschap zijner gemalin , de oude mevrouw llypolhenuse en zijner twee met verlof overgekomen zoons in de uniform van cadet. Ook heb ik nog een Fransch versje hierop onthouden:
Le carré de i\'hypolhénuse Est égal, si je ne m\'abuse,
A la sonime des carrés Sur les aulres deux cólés.
Toch wil ik dit hoofdstuk aan de getallen wijden , om de hoogachting , ja de geestdrift aan den dag te leggen , die de wijsbegeerte der getallen en de poëzie der getallen mij inboezemen!
Cijfers verheugen zich weliswaar niet in eenen roep van beminnelijkheid en poëzie wordt hun geheel en al ontzegd. sDroog nvervelend tprozalsch «koud dat zijn zoo kenmerken waarmede die miskenden doorgaans aangeduid worden. Tegen dergelijke aanklachten kunnen zij «niet schuldigquot; pleiten, ja zij konden in de eerste plaats tot hunne
quot;268
verdediging aanvoeren , dat zij eigenlijk niet eens bestaan. Cijfers zijn op ziehzelven niets; zij zijn slechts de teekens van getallen. En getallen zijn op ziehzelven eerst met recht niets, want ze zijn slechts de vorm voor onze opvatting van de verhouding der dingen. Kan men zich b. v. eene absolute, op zichzelve bestaande, abstracte gt;vijfquot; denken? Die bestaat er in de geheele wereld niet. Wel hebben wij aan de hand eenen duim, oenen wijs-, eenen middel-, eenen ring- en eenen kleinen vinger, maar dat die dingen tezamen ïvijfquot; uitmaken , is slechts onze vergelijkende idee van evenredigheid. Het vijf-zijn onzer vingers neemt noch als voorval tijd, noch als zelfstandigheid ruimte in, derhalve is het ook niets. Maar al beslaan de getallen noch in den tijd noch in de ruimte , toch behaalde het menschelijke verstand de schoonste zegepraal door ze te bedenken en verschaft hun gebruik de eenige gelegenheid om onomstootelijke zekerheid te verkrijgen: getallen bewijzen.
Wat wij in cijfers kunnen uitdrukken is eene aan de werkelijkheid afgedwongene erkentenis, en wij mogen erop rekenen dat zij in het vervolg daarvan ook nooit zal afwijken. Het is eene veilige wereld. Wat eens berekend , gemeten, gewogen en geteld is, dat is ook toegegeven; tenminste naar édne zijde toegegeven en wel op eene manier die geenen twijfel meer toelaat. Dat is juist het mooie van de bekentenissen die in getallen geformuleerd worden , dat zij eene vaste, de geringste tegenspraak niet toelatende, geenenquot; hartstocht kennende zekerheid medebrengen. Beweringen die zich nog niet op zulk een aan haarzelven ontleend bewijs kunnen beroepen, behoorden nooit apodictisch op te treden, geenen steun te zoeken in overredingskracht, maar zich eenvoudig als hypothesen, als vermoedens, als vooronderstelling, als goede hoop — of met eenen anderen bescheiden naam aan te melden — maar niet Inide te bezweren dat zij «waarheidquot; zijn en dan nog liefst met des
969
te meer ophef hoe levendiger zij de zwakheid van den grond waarop zij rusten, gevoelen. De zegepraal der wiskunde zal in vollen glans prijken, wanneer de methode welke de rekenende geest op de meting der lichamen toepast , ook op overeenkomstige wijze gebruikt zal worden om ideëele waarheden te doorgronden. De formules zouden natuurlijk moeten verschillen; want met cijfers, die zwaarte, uitgebreidheid en aantal van stoffelijke dingen aanduiden, zou het onstoffelijke zich niet juist laten uitdrukken. Ik wil alleen zeggen, dat de methode en vooral hare strengheid, dezelfde zou moeten zijn. De overeenkomst springt in het oog; logica is niets anders dan de rekenkunst van het verstand. Eene redekunstige sluitrede en een regel van drieën berusten op dezelfde handelwijze. Elk onzinnig beweren is een rekenfout van den geest. Of ik zeg 5 en 3 is 17, of beweer, dat de Vrijdag een ongeluksdag is —in beide gevallen heb ik de verhouding der dingen tot elkander niet juist begrepen. Oorzaak en werking staan nauwkeurig in even wiskunstig onfeilbare betrekking tot elkaar, als de becijferbare gewichten en uitzettingsverhoudingen der lichamen. Vrijdag en ongeluk echter staan tot elkander in niet de minste betrekking ; wie ze met elkander in verband wil brengen, begaat zelfs eene nog grootere fout dan het aangehaalde »5 en 3 is 17quot;, want de gemeene maat ontbreekt — het is alsof men zeide: »5 ellen en 3 ponden bedragen 17 uren.quot; Jammer dat de ongerijmdheid der gangbare rekenfouten in het denken niet altijd zoo in het oog valt en zoo gemakkelijk te bewijzen is, als de met getallen begane dwalingen. Maar men kan met zekerheid aannemen, dat elke valsche bewering tot de, eene of andere onlogische — dus geestelijk valsch berekende — stelling terug te brengen is. Met de cijferkunstige berekeningen neemt men het zeer nauw. Vertoont zich de geringste tegenspraak in de kleinste breuk eener uitkomst, dan gaat men zoolang narekenen,
270
probeeren en de fout zoeken , tot de tegenspraak is opgehelderd, omdat men met volkomen zekerheid weet, dat zij in werkelijkheid niet beslaan kan, dat er dus eene dwaling moet plaats hebben. Maar hoeveel leerstellingen, geloofsstellingen, levensbeschouwingen en dergelijke laat men rustig staan, ondanks de daarin voorkomende, elkander opheffende tegenstrijdigheden.
Eene van de hoofdrekenfouten der gedachte is het noodlottige : «Niets is onmogelijkquot;, waarmede velen hunne beweringen bekrachtigen. Bijzonder in den mond der vromen is het bekende «Rij God is alles mogelijkquot; een argument dat aan lederen strijd een einde maakt. Maar uit de wiskunde hadden wij de overtuiging moeten putten, dat niet alles mogelijk is; Twee en twee kan geen vijf zijn, twee evenwijdige lijnen kunnen elkander nooit ontmoeten, een vat kan niet van minderen omvang zijn dan zijn inhoud; er is — bij God zoowel als overal — duizenderlei onmogelijks — en wel; alles wat tegen het gezond verstand strijdt. Alle stellige waarheden laten het begrip van haar tegendeel toe — maar zulk een tegendeel, dat alleen in de ontkennende wijze van uitdrukking of in ons dwalend verstand ligt, in het tuighuis der goddelijke Almacht te willen verplaatsen — dat is eene verwatene, eene godslasterende — hoe zal ik zeggen — ook eene rekenfout.
Ik herinner mij een dorpsschoolmeester die het zooeven gezegde in een duidelijk licht plaatst. jIs God alomtegenwoordig?quot; vraagt de examineerende onderwijzer. Leerling: iJa.quot; Onderwijzer; gt;Versta je mij wel goed. Is God in dit vertrek?quot; Leerling; jJa.quot; — sBij jou aan huis?quot; — »Ja.quot; — «In je tuin?quot; — »Ja.quot; — »In je kelder?quot; — gt;Neen.quot; — sik heb je toch uitgelegd, dat de alomtegenwoordige God overal is; bedenk je eens goed... Hij is dus in je kelder?quot; — uNeen.quot; — ^Domkop, overal beduidt toch ook in den kelder — antwoord behoorlijk, of je
271
krijgt een pak slaag.quot; De leerling blijft bij zijne ontkenning ; de meester deelt de beloofde klappen uit en slaat zoolang, lot de schreiende knaap eindelijk roept: «Maar meester, — wij hebben niet eens eenen kelder — hoe kan de lieve God er dan in zijn ?quot;
Keeren wij tot onze getallen terug. Ook de rechtvaardigheid, dat hooge zedelijke begrip, is zedelijk evenwicht, bijgevolg eene getalsverhouding. De begrippen oneindigheid en eeuwigheid zouden, omdat die dingen geheel buiten onze ervaring liggen, nooit in ons opgekomen zijn, als onze geest de getallen niet had bedacht. Maar toen bij daarmee begon te denken, in den beginne slechts de vingers zijner hand, later misschien de schapen zijner kudde tellende, heeft hij daarmede gedurig meer dingen vergeleken, ze bijeenverzameld, vereenigd, opgeteld en ingezien, dat er in de gedachte bij elk getal nog eene eenheid kan gevoegd worden en nog eene — dat er eigenlijk in het geheel geene reden is, om met deze werkzaamheid der gedachte op te houden en — het begrip «oneindigheidquot; was geboren, liet besef van de verhevene onveranderlijkheid der wereldorde, van de on-bedriegelijke vastheid der natuurwetten zou ook zeker nooit in ons ontwaakt zijn, als wij niet geleerd hadden met onze cirkels, onze meet- en weegwerktuigen de verschijnselen om ons heen, ten aanzien van hunne nimmer wisselende vastheid van getal te onderzoeken.
Welk eenen blik in de huishouding des levens danken wij overal aan onze becijferde waarnemingen; welk eene ngewikkelde nauwkeurigheid in de inrichting van al het bestaande hebben wij langs dien weg leeren bewonderen; welk eene grootschheid in de opeenhooping der hooge getallen en in de verbrokkeling der eenheid. Ik wil mij toch nog eens verlustigen in de opnoeming van enkele dier heerlijkheden van het getal.
Bij voorbeeld de rijkdom in de verhouding der toeneming
272
in de natuur. Een tarwekorrel draagt 10 aren; eene aar geeft 80 korrels; bij den tweeden oogst 04-0.000, bij den derden 512 millioen en bij den vierden 4- milliarden korrels. Wat beteekent echter deze vruchtbaarheid in vergelijking met de slaapbolplanten die 32.000, of de tabaksplanten die 36.lt;l00 korrels dragen? Verdere getallen-historietjes; de sporen der bedektbloeienden zijn bij duizenden in sapblaasjes besloten, die zoo klein zijn, dat pas verscheidene honderden daarvan zoo groot zijn als een spolde-knop. Een cellenweelsel kan in eene minuut tot 60 millioen aangroeien ; 47 millioen koraaldiertjes wegen een grein. Van de roode wieren die geheele streken der zee roodverven, gaan er 40.000 op eenen millimeter. Iedere vierkante duim onzer huidoppervlakte heeft 2800 poriën met eene buizenlengte van 7 duim; bijgevolg zijn wij, alles te zamen genomen , met 7 millioen poriën met eene buizenlengte van 28 Engelsche mijlen bedekt, liet over de gansche aarde verbreide uitbarstingsgesteente van den middeltertiairen tijd wijst bazalten aan , die volgens Fischers berekening 350 millioen jaren noodig hebben gehad om af te koelen. De kern der kometen, die daarvan het dichtste gedeelte uitmaakt, is maar negenmaal dichter dan de lucht, die, in onze uitgeputte luchtpompen achterblijft; de staart der komeet echter heeft eene dichtheid die nog 10 billiocnmaal geringer is. Overal waar wij narekenen, ongeloofelijke getallen I Wat wij ook meten, hetzij groot, hetzij klein, hetzij uitgebreidheid, dichtheid, tijdduur, opeenhooping, wenteling, trilling — altijd iets wonderbaars! Tot dit machtige werktuig der gedachte, getal genoemd, zijn de gewichtigste ontdekkingen van den menschelijken geest terug te brengen. Met behulp van een denkbeeldig net van lijnen , dat wij om onze globe spannen, met behulp van eenen in graden verdeelden meridiaan kunnen wij ons op alle punten der aarde oriënteeren ; door middel van graden en hoeken, die wij aan den licht-
27S
straal meten, hebben wij ons dieplood zelfs in die andere werelden geworpen, die zicli aan den lot rekenen onbekwa-men blik wel enkel als glinsterende versierselen van het hemelgewelf voordoen , maar die voor den getallenbeheer-schenden geest zulk ecne rij van wonderen ontsluiten , dat een heilige eerbied hem met vreeze vervult. Wanneer men nagaat, dat gindsche flauwliclitende nevels myriaden van sterren zijn ; wanneer men de millioenen aardmiddellijnen overtelt , door welke het licht in den ether trilt en ons bericht brengt van zonnen , die zoo- en zooveel malen grooter zijn dan onze zon , welker geheele stelsel slechts een verkleind model is van de andere in den melkweg aaneengeschakelde wereldstelsels... wanneer men verblind, verrukt, duizelend van bewondering dergelijke gedachten poogt te vatten , dan mag dit met volle recht heeten:met getallen bidden!
Aan de cijferwijsheid hebben wij de kennis te danken der beroemde wet van het ïgroote aantalquot;, die bij de optelling van feiten eene telkens wederkeerende gemiddelde zekerheid aanwijst, en ons zoodoende een helder antwoord geeft op de schijnbaar ingewikkeldste vragen. Wanneer wij naar grondstellingen handelen , doen wij dit niet alleen uil een zedelijk gevoel, maar wij volgen zeer verstandig de grondregelen die om zoo te zeggen onbewust uit de gemiddelde uitkomst van de verzamelde ondervinding der menschheid ontstaan zijn. De uilzonderingen , dat zijn de schommelende kleine getallen, bewijzen wel dikwijls dat zekere grondstellingen niet allijd uitkomen, dat het in spijt van de spreuk jEerlijk duurt het langstquot; velen bedriegers goed gaat; dat loterijspelers een vermogen winnen, dat Traviata\'s door vorsten worden gehuwd; maar uit het groote getal blijkt toch , dat de grondstellingen gelijk hebben ; dat de bedrieger te schande wordt gemaakt, de speler te gronde gaat en Traviala in hel hospitaal sterft.
Wat zou er in deze wereld bestaan, dat niet becijferd I. z. 18
274
kan worden ? Re opbruisching van het gevoel ? De pulso-nieter kan nauwkeurig de slagen tellen die het door haat, liefde of vrees bewogen hart in de minuut doet. De kunst-effekten ? Hier komt het getal eerst goed in het spel. Wat is harmonie anders dan getalverhouding? Wanneer er onder de duizenden trillingen van een goedklinkend accoord maar enkele ontbraken, zou het accoord reeds valsch zijn. Een opgeloste dissonant, die rustgevend of verrukkend onzen zin streelt, is eigenlijk niels anders dan — na eene tijdelijke stoornis — de terugkeer tot het juisle aantal trillingen; de bevredigende drieklank aan het slot van een stuk is om zoo te zeggen de som der in de laatste maten hegrepene kolom van te tellen getallen. Iedere welluidende toon van de interval berust op de overeenstemming van het getal. Zonder het zelve te weten is de muziek een rekenen met tonen. En de broederkunst, het schilderen, zou hij het getal wel kunnen ontberen ? — Zijn de prismatische kleuren niet evengoed geteld als de trillende tonen — is het perspectief niet de strengste meetkunstige evenredigheid ? — Wordt de dichtkunst niet door het rhythmus gedragen ? En de bevalligheid der dansfiguren , de schoonheid der bouwgewrochten en beeldhouwwerken — berusten zij ook niet op de harmonie der lijnen ?
De natuur handelt overal volgens wiskunstige regels ; in de elliptische krommingen der sterrenbanen zoowel als in de vorming der kristallen. Alle vormen dezer laatslen laten zich tot stelsels van drie of vier rechte lijnen terugbrengen. Geweldige en tevens haarfijne, volkomen juiste bere-ningen vervullen de wereld om ons heen. Waar de men-schen die rekenkunstige raadsels op het spoor komen , waar het hun gelukt die strengheid der regels , die gelijkmatigheid , die overeenstemming van getal te gevoelen, na te rekenen of na te volgen , daar worden zij wijzen, geleerden of kunstenaars genoemd.
575
ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Potpourri.
Wanneer men huisraad inventariseert, stuit men stellig ook op eene plank of kist of schuiflade, waarin de onge-lijksoortigste dingen door elkander gesmeten zijn. Dingen die in het huishouden geene bepaalde plaats hebben, die niet tot een vol dozijn behooren, die buiten gebruik zijn, maar die men toch niet wilde weggooien en die daar beland zijn. Zulk een op elkander gehoopt potpourri van oude voorwerpen noemt het volk «rommelquot; , maar de nauwgezette boedelbeschrijver moet dezen toch op zijne lijst plaatsen, al mag hij zich ook ontheven rekenen van de moeite om te ordenen en in te deelen.
Dit wil ik nu ook doen met een hoopje onsamenhangende gedachten,\' beschouwingen en anderen in mijne hersenen opgestapelden gedachtenrommel.
[Iet is toch vreemd, dat wij voor hetgeen geworden is eene opvatting, eenen naam hebben; maar dat wij nooit het oogenblik kunnen aanwijzen, waarop het wordende in den genoemden toestand komt. Wij zien wel wat een kind en wat een volwassene is, maar wanneer zou men tot het kind kunnen zeggen: ))Nu ben je volwassenquot;? Was het dan in de vorige seconde nog anders? — Een ander voorbeeld. Trok men eenen dichtbehaarden mensch het eene haar na het andere uit, dan zou hij toch zeker eindelijk kaal moeten zijn. Ik stel echter het geval, dat een getuige dezer bewerking het oogenblik moest aanduiden, wanneer deze kaalhoofdigheid begonnen is. Onmogelijk. Na het hoeveelste haar zou er geroepen worden : tllalt, de patient heeft een kaal hoofd...quot; Was de kale kruin dan minder
276
zichtbaar voor het laatst uitgetrokken haar ? Het langzaamaan, dat is het masker waarachter de werkelijkheid die onder onze oogen omgaat, zich zoo kunstig verbergt. Zoo wast het gras, zoo veranderen onze gevoelens, zoo leert men eene taal, zoo ontstaan de soorten ; en ofschoon wij overal toezien — de langzame en onmerkbare toeneming van alles wat in den tijd en de ruimte wordt, beneemt ons altijd de mogelijkheid om tot het ding te zeggen: »Daarquot; of «nuquot; begint uw zijn.
Den schoonsten zelfmoord waarvan ik ooit gehoord of gelezen heb (ik bedoel schilderachtig, niet zedelijk schoon) trof ik in een roman van Octave Feuillet aan. Zijne heldin, Julie de Trecoeur, die den tweeden man harer moeder bemint, en door hem wederbemind, op bel punt is voor haren hartstocht te bezwijken, wil liever sterven en haar uiteinde — dat de beminde toevallig als getuige bijwoont — wordt volgenderwijs verteld. In den vroegen morgen onderneemt Julie een wandelrit. In dolle vaar\' stormt zij naar eene hoogvlakte, aan welker afbelling een steile afgrond ligt. Onmogelijk haar ter hulp te komen. In de nabijheid van den afgrond gekomen, keert het paard echter plotseling om en nu ziet men, hoe zij haar ros met geweld achteruitdrijft — bet steigert, het gaat op de achterpooten staan, maar haar teugel trekt bet met kracht terug — aan den gezichteinder teekenen zich de gedaanten van ros en berijdster af; al meer moet bet dier den rand des afgronds naderen.. . eindelijk ziet men bet nog maar even met zijne voorpooten in de lucht slaan — en zonder een enkelen kreet, zonder geluid zinkt bet beeld spoorloos weg in de diepte.
Waarom de menschen zoo blij zijn met titels ? Die dingetjes zijn toch zoo klein, dat men ze slechts van heel
277
dichtbij zien kan. Zoodra een gedaante op het voetstuk der beroemdheid geplaalst is of tot de geschiedenis behoort, kan men de titels niet meer waarnemen. Hoe zou het klinken als men zeide: ïZijne Keizerlijke Majesteit Karei Vquot; of üZijne Excellentie Alexander von Humboldt.quot; Adeline Patti zou beter gedaan hebben als zij niet markiezin had willen heeten. De volledige titel van den koning van Birma is nog zoo kwaad niet. sZijne glorierijke Majesteit Heer Ishadans, Koning der olifanten, Gebieder van vele witte olifanten ; lieer der goud- , zilver-, robijn-en barnsteengroeven , alsmede die van den edelen slangensteen ; Souverein der rijken Thoenaparanta , Tanipatipa en andere groote rijken en landen ; Opperheer der gezamenlijke regenschermdragende hoofdmannen , Verdediger des geloofa ; de uit de zon gesproten Monarch; Gebieder over leven en dood ; de groote rechtvaardige Koning; Koning der Koningen, Bezitter van gren-zenlooze gebieden en onovertreffelijke wijsheid enz. enz. enz.quot;
Wanneer eene schijf zich 2000 maal in de minuut draait (zooals dat b. v. hij de de diamantslijpmachines te Amsterdam voorkomt) schijnt zij stil te staan. En de langzaam voortgaande uurwijzer schijnt ook bewegingloos. Ons opvattingsvermogen voor de bewegingen van den tijd is toch vreeselijk beperkt en bedricgelijk. Dit moeten wij wel bedenken , wanneer wij het eene ol andere ideëele verschijnsel van den tijd willen beoordeelen.
Het zou eenen olifant moeilijk vallen (ook al behoorde hij tot de vroeger besprokene witte, parapludragende) de teekening van een mozaïekbroche te verklaren , terwijl hij de grenzen der steentjes met zijnen poot wilde aangeven. Maar met ons plomp verstand, dat tot de fijne streepjes van het mozaïek der wereldverborgenheden staat als duizend oli-fantspooten , verklaren wij altijd alles wat wij maar willen.
278
De mogelijkheid moet ook bestaan, dat de stukken op een schaakbord zoo geplaatst zijn, dat men zeggen kan; wit begint en geeft met den honderdsten , met den duizendsten zet mat. Kene dergelijke opgave kan echter door geen mensch bedacht worden , alleen omdat de berekening der nevenverbindingen meer dan zijnen geheelen leeftijd zou vorderen en boven zijne scherpzinnigheid gaan. Maar alle verbindingen zijn grenzenloos voorhanden. Al ware het schaakspel nooit uitgevonden , toch zou deze of die stand met aanneming der voorgeschrevene wetten van het spel ook dit of dat vraagstuk opleveren.
Het huwelijk is een vuurwerk, dat met vuurpijlen begint.
llelmholz heeft isoleerinstrumenten uitgevonden, die, wanneer men ze tegen het oor houdt, het maar voor eenen enkelen toon toegankelijk maken, üp deze manier kan men naar eene symphonic of het straatrumoer luisteren, en steeds zal alleen die éene, bepaalde toon, zoo dikwijls hij weerklinkt , de gehoorzenuwen treilen; voor alle andere geluiden blijft het oor doof, dat met dit instrument is gewapend. Zoo luisteren wij ook naar het rumoer des levens. Onze hartstochten gelijken op die instrumenten en wij hooren niets buiten hetgene waarmee onze geïsoleerde zin is vooringenomen.
Van tien haatdragenden verdienen er zeker negen gehaat te worden en van honderd verachters zijn er zeker negen en negentig verachtelijk. Maar zelden verdient het gehate of verachte voorwerp de hem toegedragen gevoelens, die meestal hunnen grond vinden in de boosheid en nog vaker in het onverstand dergenen die ze koesteren. Nemen wij en bloc de verachting van de eene natie voor de andere: — de benaming Christenhond waarmee men ons in vele landen aanduidt — verdienen wij die soms? Al die algemeenever-
279
achting—van volk voor volk, van kaste voor kaste, van secte voor secte — berust op onkunde. En de individueele verachting , van persoon voor persoon , herust in honderd gevallen misschien maar eens op de onweerlegbaar bewezene verachtelijkheid van het betrokken voorwerp en de overige keeren op onkunde, -r- of zooals het in dit geval heet, — op miskenning.
Doe vooral nooit — nooit iemand leed!!
Wilden die onzalige aanspraken op antochionie maar eens verminderen. En mocht het inzicht wat meer verbreid worden , dat alle dingen met elkander verwant zijn, hoeveel bitter gekijf zou daardoor bespaard worden. Welk een hoogmoedige waan , de bewering de eenige te zijn die van God afstamt; dat afzonderen , dat uitsluiten en dan nog het geloof, dat die afzondering van oudsher een gebod der natuur is, alsof de schepping een groote privilegie-brief was , alsof alles wat thans bestaat altijd en op zichzelf geweest is waarvoor het zich houdt, namelijk: iets beters dan al het andere!
sPoorchild of doubt and death, whose hope is built on reeds.quot; )lt;Arm kind van den twijfel en des doods , wiens hoop slechts op riet is gebouwd.quot; Zoo noemt Byron den mensch. Neen , neen — kinderen des levens zijn wij, de twijfel is de helderste lantaren van ons denken en die op riet gebouwde blijde hoop, is zij geen schoon kunstwerk?
Eene van de volmaakte schoonheid barer vormen overtuigde— en tevens zedige — vrouw zou, wanneer zij zeker weet, dat niemand weet dat zij het weet, niet ongaarne in het bad begluurd worden.
280
De mensch heeft eene neiging tot deugd. Hij bemint en kweekt ze overal. In moerassen en op kerkhoven brengt hij ze tol bloei. Dal, toonen de moerassen van bet bijgeloof, waarop de hoogste folterpalen wassen, dat toonen de met verrotting bemeste slagvelden, die zich met groene lauweren dekken. Later vreest de mensch wel, wanneer het voor de gezondheid ijverende verstand erbij komt om de moerassen op te dropen, om de lijken weg te ruimen, dat men zijne schoone bloemen vernielen wil... Troost u , — op een anderen bodem tieren zij weer en nog schooner.
Hoe lang dragen wij in ons de toestellen reeds rond, die onze nieuwste uitvinders vervaardigen. In het oor hebben wij eenen telefoon, in het oog eene photographische donkere kamer, in het geheugen eenen phonograaf.
Men zegt altijd: sElk genie dringt doorquot; en haalt de voorbeelden van zulke geniale menschen aan , die ondanks talrijke hindernissen zich toch eenen weg gebaand en strijdend de hoogte beklommen hebben. Kent men echter de duizenden die niet doordrongen , die in den strijd ondergingen ? Dat waren misschien ook genieën — men is het slechts nooit te weten gekomen.
De vervulling van alle behoeften der natuur is met genot verbonden. De opvatting en ondervinding eener wetenschappelijke waarheid is ook een genot, liehoort soms de erkenning der waarheid door den mensch ook tot de noodzakelijke , door zachten dwang bevorderde bedoelingen der natuur ?
Alleen wat oorspronkelijk gedacht is , kan begrepen worden. Eene aaneengeschakelde rij van letters kan nooit als een gedicht ontcijferd -worden, wanneer zij niet als een gedicht is samengesteld. Onze gedachte — onze kleine geest,
281
met al zijne begrippen van schoonheid, geluk, deugd,
wijsheid, kan niet iets hoogers en edelers zijn dan de overige wereld, maar aileen het uiterst kleine spiegelbeeld eener veel hoogere en veel edeler gedachte — een weerkaatsing van de zon der godheid in oenen dauwdruppel!
Monisme heet de wereldbeschouwing die alles wat is tot éen beginsel terugbrengt. Hoe 1 roepen de tegenstanders, warmte, licht, geluid, eleclrische, magnetische en andere verschijnselen zouden niets anders zijn dan beweging? — Waarom niet — maar dat de beweging niet enkel eene plaatsverandering is in de ruimte, maar de oorzaak van al die wonderen — dat is het heerlijke daarbij. — Hoe — roepen de dualisten weer — alles wilt gij n éenen vorm werpen — alle krachten, alle zielen, alle lichamen!? — Waarom niet... die vorm heet immers wereld. En er zijn geen twee, geen vijf en twintig, geen honderd werelden, maar éene.
Dat twee omstandigheden samenvallen is op zichzelf niet het allergeringste bewijs van oorzakelijken samenhang. Deze Iaat zich alleen uitwijzen door herhaalde (niet op zichzelf staande) proelnemingen of door de wet van het groote getal. Dat moest aan allen duidelijk gemaakt worden, die met een gezicht alsof zij iemand willen overtuigen , zeggen : sZie maar, verledene week droomde ik van uiigehroken tanden en jawel, mijne grootmoeder is toch maar gestorven 1quot;
Men heeft opgemerkt, dat wanneer het oog twee naast elkander liggende lijnen van verschillende lengte vergelijkt, het het onderscheid zal waarnemen , wanneer dit minstens een honderdste deel bedraagt; wat daar beneden gaat is reeds onmerkbaar. Bij voorbeeld, lagen er twee staven, waarvan de een een meter, de ander tW centimeters lang was, dan
282
zou men op het gezicht nog ontdekken , dat de tweede staaf iets korter is. Mat echter de eerste staaf 1ÜÜÜ en de tweede 999 centimeters, er zou voor de oogmaat geen verschil meer wezen.
Opmerkelijk, dat in zaken die de geest meet, diezelfde verhoudingen heerschen! Bestaat ons geheele vermogen uit honderd guldens en verliezen wij eenen daarvan, dan zullen wij dit verlies nog voelen; bestaat ons vermogen uit duizend of tien duizend gulden , dan zullen wij het .ontbreken van den eenen zonder natellen niet opmerken. Naar dezelfde wet lijkt het tienjarig kind een jaar zoolang, omdat het met liet oog op de geheele levenshaan, daarvan een vol tiende deel bedraagt; hoe verder men in het leven vordert, hoe langer de baan wordt waarop men terugziet, des te korter schijnt het jaar te duren. Dat staat wiskunstig vast: de noemer der breuk wordt telkens kleiner — eerst is het een tiende, dan een twintigste , dan een vijftigste deel van het leven , zoo krimpt hel jaar voor onze beschouwing ineen. Evenredigheden , perspectieven werken naar dezelfde regelen in de ruimte als in den tijd , in den lichamelijken als in den geestelijken gezichtskring. Eigenlijk moesten al onze opvattingen onder graden en hoeken gemeten kunnen worden, als wij eerst maar het goede zedelijke kastje voor mathematische instrumenten daarvoor bezaten.
Een ander voorbeeld van de overeenstemming der wetten van het zien voor het lichamelijk en liet geestesoog. Er bestaat een gezichtsbedrog, irradiatie genoemd, waardoor heldere lichamen op een donkeren grond grooter schijnen dan ze zijn. En schijnt een kleine helderverlichte vreugde ook niet grooter op een donkeren achtergrond van ellende; zijn schitterende deugdzame daden uit donkere tijden ook niet door de irradiatie vergroot?
283
Gelukkige liefde; Eene kruik die zoolang tot de vreugde-bron gaat, tot zij breekt.
Vooral niemand leed doen! Wat zou de som van het menschelijk geluk stijgen , wanneer iedereen waarlijk door dien stelregel vervuld was. Wat al kleine krenkingen, verwijten , beleedigingen, onachtzaamiieden en nuttelooze beschuldigingen zouden daardoor bespaard worden!
»0 die groote, die hooge dingen!quot; spreekt vol geestverrukking eene mier, nadat zij den top van een grashalm heeft beklommen en den bedwelmden blik een vadem in het rond laat weiden. »0 die Alpen , o die reusachtige bergen, o die hemelhooge toppen — hier zijn wij de Godheid naderquot; — zoo dwepen de menschen. En toch zijn de bergen volstrekt niet hoog, de zeeën volstrekt niet diep. Alleen omdat wij zoo vreeselijk klein zijn , lijkt het ons zoo. De verheffingen en verlagingen der aardkorst, die ons als zulke geweldig hooge bergen, als zulke onpeilbare diepten van den oceaan ontzag inboezemen , zijn op zichzelven niet aanzienlijker dan de oneffenheden eener sinaasappelschil. Wanneer men onzen aardbol door eene globe met eene middellijn van dertien meters aanschouwelijk voorstelt, zal bij inachtneming van de betrekkelijke grootte het Himalaya-gebergte een paar millimeters uitsteken en de diepste plaats van den oceaan niet meer dan 1 centimeter bedragen. De bewondering voor de grootheid der natuur behoort ons dus niet alleen bij het aanschouwen dier schijnbare hoogten en diepten aan te grijpen , maar overal en altijd.
Een mensch die de gewoonte heeft, de hem aangebodene hand met beide handen teeder te omvatten , is gewoonlijk valsch.
284
Aangename gevoelens; Een gevangen vogel zijn en het kooideurtje open vinden. Een goed mensch zijn en een verheugd sdank uquot; hooren. Een schoon meisje zijn en zich in de balzaal in den spiegtd zien.
Het is wel waar: de verstgevorderde schrede van het versland is de erkentenis, dat er eene menigte dingen zijn die het tehovengaan. »La dernière démarche de la raison est de reconnailre qu\'il y a u n e i n f i n i t é de c h o s e s qui 1 a s u r p a s s e n t. Elle n\'est que faible, si elle i e va jusqu\'ii connaitre c e 1 a. (Pascal, Pensées.) Maar men misbruikt die onweerlegbare stelling, wanneer men ze tot verdediging van ongerijmde leerstellingen aanvoert. Wat hel versland voor ongegrond , voor met zichzelf in tegenspraak kan erkennen , behoort niet tot het gebied der daarbuiten liggende dingen. Een onverstandige of met het verstand strijdige verklaring kan niet beweren het onverstaanbare en het versland tebovengaande getroffen te hebben, liet wezen van dil laatste beslaat juist hierin, dat het in het geheel n i e l verklaard kan worden. Hel mysticisme doorgrondt geene verborgenheid.
ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Bel vraagstuk van den arbeid. — Geld, tijd , arbeid en (jenot slaan in waarde gelijk.
Als ik hier een boek schreef — ik heb in lange mijne tevredenheid niet te kennen gegeven , dal dil mijne taak niet is, — wanneer ik dan een boek schreef, zou hij de behandeling van het hoofdstuk »Arbeidquot; het onaangename bewustzijn bij mij opkomen, dat er over dil onderwerp,
285
dat in onze dagen van alle kanten beschouwd en behandeld wordt, moeilijk meer iets nieuws te zeggen valt. Arbeid en arbeiders behooren tot de zoogenaamde brandende vragen en bijgevolg is daarover bijna alles gezegd. Maar wanneer het de plicht van een boek , of althans de aanmatiging van eenen schrijver is, iets nieuws voor den dag te brengen — want waartoe zou hel anders dienen het te laten drukken? — eene voorwaarde om in mijnen inventaris opgenomen te worden , is het stellig niet. Wat kan ik eraan doen , als ik oude, afgedragene, veelgebruikte dingen in mijn bezit vind; het is immers alleen maar om het opschrijven te doen.
Is arbeid een lust of een last? Daarover ben ik het niet recht met mijzelven eens. Vele talen hebben voorde begrippen jmoeitequot; en «arbeidquot; (b. v. in het Russisch: trud) een en hetzelfde woord, liet begrip «moeitequot; wordt in andere talen weer uitgedrukt met een woord, dat ssmartquot; en tevens tstrafquot; b.eduidt, b. v. het Fransche: peine. Zeker bestaat er eene nauwe verwantschap tusschen smart en arbeid — en omgekeerd, bestaat er iets dat meer bevrediging, iets dat zuiverder genoegen schenkt dan juist de arbeid? Een onweerstaanbare drang drijft alles tot werkzaamheid aan en het gehoorgeven aan eenen drang verschaft toch altijd een rust en geluk aanbrengend gevoel. Omgekeerd — ik kom niet uit de tegenstellingen •— is met eiken arbeid ook inspanning verhonden en inspanning beduidt de altijd smartelijke overwinning op de behoefte aan rust, maar — nog eens omgekeerd — een ieder weet, dat het alleen na ge-danen arbeid goed rusten is.
Door de groote bedrijvigheid die het rustelooze heelal vervult, worden wij ook voortgesleept en hebben zoodoende deel aan het eeuwige scheppingswerk. Ik zeg üeeuwige scheppingswerkquot; , omdat ik mij de schepping onmogelijk kan voorstellen als iets verledens; — wij zien immers om ons heen maar al ie duidelijk, dat zij voortgezet wordt. Zoo
286
werken wij dus ook mede in de grenzenlooze werkplaats; al hel gemaakte, al het geschapene dat uit onze handen en uit onzen geest komt, vindt plaats in het Al en werkt voor eeuwig voort. Arbeid is de ware »Vernieerderaar van het Rijk.quot;
Wat heeft die arbeid — evenals alle dingen — zich toch gedeeld, bevrucht, vermeerderd en uit ziehzelven in tallooze vormen ontwikkeld en tot welke steeds talrijker en steeds hoogere vormen zal hij zich nog voortdurend ontwikkelen. Er is maar eene manier waarop al het beslaande zich ontwikkelt : van hel eenvoudige lot hel samengestelde en dat gaat zoo eindeloos voort.
In den beginne bestond er onder ons menschen ook maar een enkele arbeid, namelijk het omwroeten van den grond. Jagen en visschen — ofschoon ze als middelen van bestaan ouder zijn dan de akkerbouw — reken Ik niet onder het begrip arbeid, omdat ik daaronder de werkzaamheid versla die eenen aanwas van het aanwezige materiaal ten gevolge heeft. Gedood wild en gevangen visschen — die artikelen der roofdierindustrie — zijn geene vruchten van den arbeid. Het gezaaide, verzorgde en geoogste koren daarentegen brengt zichtbare vermeerdering teweeg. Dit gezaaide koren is liet protoplasma van allen arbeid en allen rijkdom ; indien wij de afstamming onzer meest samengestelde fabri-katies en operalies nagaan, komen wij zeker bij de omgedraaide aardkluit aan.
Niets van hetgeen geschapen, geworden, geschied is gaat verloren. Zoo ook met den arbeid en zijne uitkomsten. Zich vermeerderend en plaatselijk zich ophoopend gaan de uilkomsten van den aibeid van het eene tijdperk lol het andere over en wel in de gedaante van kapitalen Ik kan den heeten strijd niet al te best begrijpen, die tegenwoordig lusschen arbeid en kapitaal gevoerd wordt. Weet men dan niet algemeen, dat die twee zaken hetzelfde zijn;
\'287
hier in enkele stukjes, daar in opgehoopten toestand ; dat — om een zeer eenvoudig beeld te gebruiken — de arbeid staat tot liet kapitaal als het hooi tot de hooimijt. De oorzaak dezer begripsverwarring is zeker de gedaanteverwisseling, die de steeds aangroeiende en ophoopende arbeid ondergaat, voordat hij onder den naam kapitaal verschijnt. In een rentegevend aandeel in eene nijverheiilsonderneniing kan de landman zeker zoo gemakkelijk de voren door zijnen ploeg getrokken niet meer herkennen en in een machine-fabriek laten zich alle hamerslagen der eeisie smeden niet meer natellen. Maar het vorentrekken en het slaan met den hamer uit den voorlijd zou evenmin verloren gaan als in gelijke waardeloosheid bijeengezameld worden, maar het heefi, steeds in omvang en volmaking toenemende, zich opgehoopt om nu onder den helaas miskenden en daarom gevloekieu naam kapitaal rijkelijk vruchiendragend verder te werken. Elk werktuig, elke machine, elke in een boek samengtvalle kennis is een kapitaal. De erfelijkheid — ik spreek nu niet van de burgerlijke wellen op de erfenissen, maar van de onafgebroken zorg, waarmee de natuur ieder verworven bezit van het eene geslacht op het andere laat overgaan, de erfelijkheid zorgt ook hier ervoor, dat alles wat eens door arbeid lot stand kwam, altijd zijne rijkdom scheppende kracht behoudt. Zoo is zelfs het talent, het aangeboren genie, dat ook als een rentedragend kapitaal gebruikt kan worden, een geërfd gevolg van den ingespannen arbeid, van tallooze vroegere geslachten.
liet vraagstuk van den arbeid, dat als leus voor de meest de-niocratische, alles gelijkmakende bedoelingen gebruikt wordt, bevat eigenlijk een geheel wetboek der meest aristocratische beginselen. Men kan zich geene hierarchic denken , die uit meer rangen bestaat dan de hierarchie van den arbeid. Van het steenkloppen af tot aan dien hoogen geestesarbeid toe, waarbij — zooals Schiller zegt: gt;De wijze in nadenken ver-
288
zonken in het stille vertrek gewiciitige cirkels ontwerptquot;... welk eene opeenvolging van rangen !
Dat men dit onderscheiii in rang over het hoofd zag, zelfs beproeven wilde het af te schaffen — berust alweer op eene rekenfout en op kwalijk begrepene uitdrukkingen der taal. In den laalsten tijd werd het begrip arbeid — en met het volste recht — in hooge eer gebracht. Wen heeft zelfs leeren inzien, dat de arbeid de grondslag is van alle welvaart, het eerste bestanddeel van alle zegeningen der beschaving. Met deze hulde aan het woord larbeidquot; gebracht, verbeeldden nu de Darbeidersquot; zich in de eerste plaats gemeend te zijn. sWanneer arbeid de hoogste schat is van den menschquot; — riepen nu alle fabrieks-, en veld-arbeiders en andere daglooners — ïdan zijn bijgevolg wij, de arbeiders, zonder tegenspraak de menschenklasse die het meeste recht heeft op rijkdom. Welaan dan , Vrijheid , Gelijkheid , Menschenwaarde — weg met het kapitaal — weg met de bloedzuigers. ..quot; en wat er van dergelijken onzin al meer is. liet is alsof een gekgeworden tarweveld schreeuwde: «Weg met de schuren — weg met de korenzolders — weg met het broodquot; — waarvoor zal men u, tarwekorrels, dan nog noodig hebben ?
Zou — naar rood-socialistische begrippen — werkelijk den steenklopper hetzelfde loon en hetzelfde aanzien toekomen, als den bedoelden »peinzenden wijze\'\'? Zou dat rechtvaardig zijn ? Rechtvaardigheid is een wiskunstige zaak , laten wij dus eens narekenen :
Alle primitieve werkzaamheden, zooals daar zijn : steenklop-pen, grondbewerking enz. zijn in dc geschiedenis van den oorsprong van lederen zeer samengestelden arbeid in opgehoopte en samengeperste massa\'s bevat. Zal een student aan de universiteit de wetenschap opdoen , die hij noodig heeft om sgevvich-tige cirkelsquot; te ontwerpen , dan heeft daaraan vooraf moeten gaan, dat in een onberekenbaar lang verleden onder
289
een geheel geslacht van grondbewerkers een-c aar vlijtiger lui waren , die wat meer verworven hadden dan de overigen en daardoor tijd vonden om hunnen geest bezig te houden — om iets te noemen, met het schrijven te bedenken. In het volgende geslacht moesten weer een paar bevoorrechten het schrijven beoefenen en verbeteren ; vervolgens ... maar wanneer ik wilde uiteenzetten door welk een ophooping van arbeid , welk eene besparing van uitkomsten van den arbeid zich uit de eerste rij van steenkloppers de professoren aan onze universiteiten hebben ontwikkeld , moest ik eenvoudig alle geschiedboeken afschrijven en nog eene nauwkeurige kroniek van alle takken van nijverheid, uitvindingen , bouwwerken , studiën , kunsten enz. die de eene uit de andere, door zich telkens splitsende arbeidskrachten ontstaan zijn, daaraan toevoegen.
Eene onafzienbare reeks van erfenissen en voorrechten — die twee bêtes noires der rooden — is uit het hoogteverschil van den arbeid ontstaan. Maar tegen voorrechten der natuur baat geen samenspannen en het erfrecht der voortplanting, dat de verworvene vaardigheden van de ouders op de kinderen overdraagt, laat zich niet omverwerpen. Onze wereld is op zeer aristocratische grondslagen opgebouwd. Alle levende wezens vormen weliswaar eene onafgebrokene keten, maar van de straal- en weekdieren tot Goethe — wat al verschillende rangen ! Al wilde men ook alle maatschappelijke, thans bestaande rangordeningen afschaffen, die de menschen in navolging van de aristocratische natuur hebben ingevoerd — noodzakelijk moet altijd weer deze of gene zich door meerdere verdiensten onderscheiden en daaruit zal dan eene bevoorrechting of met een ander woord eene aristocratie ontstaan. «Alle menschen hebben gelijke rechtenquot;, hoort men aan alle kanten. Toegestemd. Gerechtigd om te verzamelen , te groeien en in den loop der tijden in rang te stijgen. Maar eene gelijk-i. z. 19
\'290
tijdige gelijkstelling — die kan en zal er nimmer wezen. Het allerminst in den arbeid. Zullen er niets dan encyclopaedislen of niets dan aardomsclioffelaars bestaan, of misschien slechts lieden die knoopsgaten in handschoenen boren ? Of zal de arbeid dien de erfgenaam eener duizendjarige beschaving in staat is te leveren, op denzelfden trap van achting staan en hetzelfde loon genieten , als de werkzaamheid van den polynesischen wilde die zich in de koloniën met rijstteelt bezighoudt ?
Arbeid, geld, tijd en genot zijn dingen , die op zeer ongelijke en schijnbaar zeer onrechtvaardige wijze onder de men-schen verdeeld zijn. De een bezit een paar millioen , arbeidt in het geheel niet, brengt zijnen tijd met genietingendoor; de ander werkt dag en nacht voor een gering loon , heeft geen tijd om te genieten en geen geld om het genot te betalen. Er zijn werkzaamheden die in een kwartier meer opbrengen — zooals b. v. de concert-aria eener prima donna — dan andere in verscheidene jaren ; er zijn geldmassa\'s die door den geringen arbeid van een pennestreek zich verdubbelen , en er zijn geplaagde daglooners die nooit iets kunnen besparen.
Maar zooals gezegd is, arbeid , tijd, geld en genot zijn slechts schijnbaar onrechtvaardig verdeeld en zij zijn van elkander niet alleen afhankelijk , maar In vele gevallen identiek. Geld is op zichzelf maar iets denkbeeldigs, liet heeft slechts de waarde, welke men daaraan bij overeenkomst als ruilmiddel voor voortbrengselen van den arbeid heeft toegekend Daarom is ook alle geld — het zij op goud gestempeld of op papier geteekend, onderling gelijk; het is immers niets anders dan een afgesproken t e e k e n. Onder de leden der Jockey-club geldt daarom het ivoren fiche juist evenveel als klinkende munt. Geld als loon voor verrichten arbeid is dus hetzelfde als de werkelijke waarde, door den arbeid geschapen. Deze bestaat namelijk in de
291
hoeveelheid voedsel, die de bedoelde arbeid voortbrengt. Aan den arbeider staat de keus, of hij zijnen tijd met het zaaien van een korrel wil doorbrengen en er brood van maken om zich daarmede te voeden, of hij kan dienzelfden tijd met eene andere werkzaamheid tegen een loon inruilen , waarvoor hij elders minstens evenveel brood kan koo-pen. Zoo komt het, dat de t ij d die aan eenen arbeid besteed wordt, ook eene waar is. Waar nu is weer hetzelfde als geld — en de internationale stelling «Tijd is geldquot; berust op goede gronden.
Van deze drie dingen dus: arbeid, tijd, geld kan naar willekeur het eene in het andere omgezet worden en daar komt nu ook het vierde bovengenoemde element: het genot, bij. — Dit is reeds van den beginne afaan in de geheele reeks van handelingen opgesloten : vooreerst de tijd , waarin de arbeid verricht wordt, de inspanning; daarna het loon — onverschillig of dit in brood of in voor brood verwisselbaar geld bestaat — en vervolgens het broodeten : dus het genot. Ons geheele leven als industrieel , handelsman , kunstenaar , staatsman, in het algemeen ons leven als lid der maatschappij is een eeuwig in- en uitwisselen, verkoopen, koopen , schenken en rooven van tijd, arbeid, geld en genot.
En ik geloof, dat deze beweging evenals alle andere, aan mechanische wetten gehoorzaamt, dat het evenwicht telkens hersteld wordt, dat er alzoo over het geheel — ook hier mag men geene afzonderlijke gevallen in aanmerking nemen — altijd een vast equivalent tusschen deze in elkander overgegane elementen heerscht. Hadden niet al die dingen zich zoo ontwikkeld, opgestapeld en vermenigvuldigd , was het altijd hij het eenvoudige graanverbouwen en broodeten gebleven, dan zou het heerschende evenwicht voor het oog zeer goed merkbaar zijn : — ieder zou precies zooveel eten als hij gewerkt had — maar in de samengestelde massa van gedeelde en verfijnde werkzaamheden, van
292
uit geld geboren gelden, van sedert duizenden jaren opge-hoopten arbeidstijd, van zoo ontelbaar veel verfijnd kunsten geest- en zingenot, — valt het zeer moeilijk den weg te vinden. En tocli geloof ik , wanneer wij voor die dingen eene weegschaal hadden , dat wij in iedere bepaalde som gelds het overeenkomstig aantal eenheden van tijd , arbeid en genot zouden vinden; en daarentegen in iederen arbeid evenveel tijd, geld en genot als hijzelf weegt. De waarde van tien duizend bewerkte akkers, van den tijd aan dien arbeid besteed , van liet voedingsgenot daardoor verkregen, kan in een enkel blaadje geldswaardig papier worden samengeperst; wij kunnen echter naar welgevallen het blaadje weer ontbinden in tien duizend akkers , in evenveel genietingen en in een daarmede overeenstemmende waarde aan tijd. Wij kunnen zeker de bestede honderd jaren niet aan ons leven toevoegen , maar toch ons andere dingen aanschaffen , die ook honderdjarige moeite hebben gekost. Wanneer wij erven wat door duizend jaren bijeen werd gebracht , dan hebben wij daardoor in den vorm van geld duizend jaren in den zak. liet is dus niet onbillijk , wanneer dit bezit meer genot oplevert, dan de persoonlijke en primitieve veldarbeid van een geheel menschenleven kan verwerven.
Dij de ontbinding der verschillende bestanddeelen van rijkdom , genot en arbeid, moet men vooral de daarin vervatte hoeveelheden tijd niet over het hoofd zien, en de schijnbare onbillijkheid in hunne waarde zal verdwijnen. Nemen wij als voorbeeld die zoo schreeuwend duur betaalde concert-aria. Wij vinden daarin — wel geene lange studiejaren , want de zangeres is jong — maar al de eeuwen , waarin de muziek zich lot eene kunst heeft ontwikkeld; al den tijd waarin muziekscholen ontstaan zijn ; de aan de kunst gewijde uren , niet alleen van haar eigen leertijd, maar van al hare voorvaderen , die haar talent en stem als erfgoed
293
schonken en ook de voorvaderen barer leermeeslers en barer modellen, üat alles is in de zoo duurbetaalde uitvoering voorhanden. Bovendien is er nog eene andere maat voor den arbeid, het genot. Kn in verhouding tot het genot, dat de veel lijd hebbende, kunstzin bezittende kenners en liefhebbers door de zangeres gesmaakt hebben , is haar arbeid niet te duur betaald, liet genot vooral is een gewichtige maatstaf voor de regeling der marktprijzen en zoo komt het, dat zelfs de verkochte schoonheid dikwijls meer kan kosten dan de aanleg van een straatweg die duizend werklieden arbeid geeft. Maar in het geld waarmede liet genot wordt betaald — al bestaat dit ook slechts in de kussen eenei Aspasia , in asperges in Maart of in hurdle-rennen — in dit geld zijn toch weer al de voorafgegane arbeid en tijd verval, waarvoor het werd ingeruild ; en door welke handen dit geld ook gaat, als ruilmiddel steeds dezelfde waarde behoudende, kan het ook altijd weer tegen de overeenkomstige som van arbeids- en tijdseenheden ingewisseld of voor genietingen uitgegeven worden, die een ieder naar zijne luim waardeert.
Hoe het geld ook besteed wordt, het genot — zij het ook verborgen — kan toch opgespoord worden. Wie het geld uitgeeft is zich daarvan misschien niet eens bewust, maar met zijn geld koopt hij altijd öf geld f)f arbeid öf weer geld öf t\'enot. De grootmoedige aalmoezengever vindt genot in het weldoen. , de uitdeeler van den schat der kerk vindt genot in hel bereiden eener woning in den hemel; de gierigaard vindt genot in het opleggen zijner bezittingen.
Schaft men zich voor zijn geld eene stoommachine aan , dan heeft men zich daarmede tijd gekocht, omdat de boeveelheid werk , die er tc verrichten is, door bet. gebruik der machine sneller afgemaakt wordt. Werkzaamheden die boven andere door groolere geschikiheid uitmunten , hebben die voortreffelijkheid gewoonlijk door geduldige herhaling verkregen — oefening, die smeesterniakendequot; macht.
294
is dus niets anders dan verduurzaamde tijd. Door daglooners te huren die op mijnen akker den noodzakeiijken arbeid verrichten , heb ik voor mij tijd gekocht, dien ik nu naar welgevallen anders besteden kan. Ik kan hem in genot doorbrengen of ook lot mijn geldelijk voordeel aanwenden, door zelf mijnen lijd te verkoopen , al was het maar — wanneer ik niets anders kan krijgen — om tegen betaling iemand gezelschap te houden.
Dat het winnen van tijd den rijkdom vermeerdert, is zeker voor iedereen duidelijk. De werktijd waarover wij de beschikking hebben, is ons toegemeten; het komt maar op onze geschiktheid aan om hem zoo te verdoelen , dat wij tte gewenschte uitkomsten van onzen arbeid zien; of wij om eenen oogst binnen te halen, zoo en zooveel tijd moeten besteden aan het zware omwoelen der aarde met onze handen, dan wel of wij door het gebruik van landbouwwerktuigen dezelfde uitkomst in eene honderdmaal kleinere tijdruimte kunnen verkrijgen en daardoor 99ü/o tijd uilhalen , die besleed kan worden om iegelijk 99 andere graanakkers te bebouwen. Maar hel nul dat tijdsbesparing aanbrengt, is niet alleen tot zulke slerksprekende voorbeelden beperkt, het ligt ook ongetwijfeld in elke, schijnbaar nog zoo nietige winst van seconden. Alle verbeteringen die in elke samengestelde inrichting worden ingevoerd, strekken altijd tol vergemakkelijking der middelen , lol sneller bereiking van het doel. Zoo is de zoogenaamde methode slechts hel opzoeken van den koristen weg tol verwerving eener kennis , eener kunst enz. Wij zijn nog niet zoo ver gekomen , dat wij den gemiddelden duur van een menschenleven kunnen verdubbelen (ofschoon de verminderende ellende der lagere klassen , de vorderingen der geneeskunde enz., volgens statistieke opgaven eene verhooging van dal middencijfer ten gevolge hadden) maar wij mogen aannemen , dat elk leven van eenen werkenden zoon der beschaving hel leven van eenen natuurmensch in arbeidsge-
295
halte — dat is dus zoogoed als in saamgepersten tijd, honderd-, of, weet ik het, een paar duizendmaal overtreft. Dewijl nu de bestaande welvaart en de gewone genietingen de regelrechte uitkomst zijn van verrichten arbeid, en het duidelijk is , dat wij nog den opgelegden arbeid van ons ge-heele verleden bezittefl , volgt uit eene eenvoudige vergelijking, dat wij over eene aanzienlijker welvaart beschikken dan onze voorvaderen en dat die welvaart zal toenemen in verhouding tot den arbeid , dien wij gedurig sneller zullen leveren. Zoo werkt de uitvinding van elke machine, van elke tijdbesparende bewerking, meer uit voor het volksgeluk dan alle mogelijke vlugschriften en redevoeringen der opruiers die zich vrienden des volks noemen. Alle toestellen die zelfwerkend teekenen , copieeren , liniëeren, rekenen enz. vermeerderen door hunne werkzaamheden den algemeenen schat van tijd; hetzelfde is ook het geval met de vereenvoudigingen in het verkeer, de opgeheven belemmeringen en grenzen , de afschaffing van nuttelooze formaliteiten , de invoering van gelijke maten en tarieven , waardoor de vroeger noodzakelijke herleidingen vervielen enz.
Niet door verdeelings-, tol-, belasting- en erfwetten , noch door menschelijke dwangmaatregelen van welken aard ook, is het mogelijk eene rechtvaardige verdeeling van goederen te verkrijgen; men moet dit overlaten aan den ongehinderden loop der natuur die overal naar evenwicht streeft. Hare inrichting kan altijd tot een onberispelijk voorbeeld dienen voor de inrichting der staten , en wij zien , dat mededinging en ophooping de beide middelen zijn, waaraan de natuur al hare rijkdommen te danken heeft. Waar wij in onzen eigenwaan regelend willen ingrijpen in den natuurlijken loop der dingen , brengen wij slechts eene quot;voorbijgaande stremming , een voorbijgaand oponthoud teweeg en ten slotte zegeviert toch de onweerstaanbare macht van den drang der natuur over ons.
296
Het was ook eens eene willekeurige, gewelddadige belemmering van den loop der natuur , dat de arbeider niet voor zichzelf aanspraak had op de mate van genot die met zijne werkzaamheid gelijk stond. Dat was de arbeid die van zijne gelukaanbrengemle vruchtbaarheid was beroofd, namelijk de met het mt\'nschenreclu strijdige, wreede en tevens onvruchtbare slavenarbeid en heerendiensten. Daarmee konden tien duizend nienschenlevens doorgebracht worden , zonder iets nuttigers tot stand te brengen dan eene piramide. Slavenarbeid hoopt zich op zonder zich te vermeerderen en zonder zich te veredelen ; hij is onnatuurlijk en daarom levenloos. De arbeid van den vrije staat daartoe gelijk het fris-sche woud staat tot den houtstapel. Ter plaatse waar gebouwd wordt, zijn zoo en zooveel vademen eikenstammen , wanneer men ze verdubbelt, nog maar dubbel zooveel eikenstammen ; terwijl een enkele door den wind gedragen eikel daarginds, bij het woud, na een paar jaar reeds een nieuw eiken-boschje kan zijn. De arme steensleepende slaaf kan van vader op zoon honderd duizend steenen sleepen , en bij slot van rekening zullen er toch maar honderd duizend steenen liggen ; de vrije arbeider daaremegen koopt voor het loon van zijn steenendragen eenen beitel en houwt uit den eersten steen den besten een standbeeld.
De beschavingsarbeid dien onze gezamenlijke voorouders langzaam en met moeite hebben opgestapeld, is nu in eenen zoo beknopten vorm , dien men zich gemakkelijk kan eigen maken, voorhanden , dat voor het thans levende geslacht ieder afzonderlijk leven volstaan kan om alle pleisterplaatsen van den afgelegden veelduizemljarigen weg te door-loopen. Zien wij het niet dagelijks, dat iemand door zijnen arbeid van de nederigste beginselen lot het hoogste punt van rijkdom opklimt? Maar wanneer nu ook allen op die hoogte wilden zijn, zou liet immers geene hoogte meer wezen : bestonden er enkel aaneengeslotene rijen van Alpen-,
297
Andes- en Karpathentoppen, dan zou de geheele aarde enkel jplallandquot; zijn.
Ladders moeten er in alle dingen zijn, dus ook in arbeid, in rijkdom, in verdienste. Maar al is eene gelijke hoogte niet mogelijk en ook niet wenschelijk, verhooging van het peil is toch wel begeerlijk en bereikbaar. Wanneer de alge-meene voorraad van rijkdom vermeerdert, wanneer de gevorderde arbeid al sneller en gemakkelijker uitgevoerd wordt, wanneer de tijd- en kraelitroovende zoogenaamde «ruwe arbeidquot; hoe langer hoe meer de taak der machine wordt, dan wordt daardoor de maatschappelijke ladder uit het slijk opgetrokken — en hare onderste sporlen komen dan op een punt te staan , waarnaar in vroegere tijden met benijdende blikken werd opgezien.
NEGEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
■luffroiav Susi politiseert.
Nadat ik als een oud sociaal staatsman over arbeid en kapitaal gepraat en in het algemeen reeds zoovele verhandelingen over politiek- nationaal- economisch- wetenschappelijk- wijs-geerige onderwerpen op het geweten heb en toch door stand, studiën noch wijsheid geroepen ben over dergelijke dingen gezaghebbende meeningen te uilen , gevoel ik mij gedrongen u, geëerde Ego van vroeger, nog eens te verzekeren, dat ik volstrekt geene katheder-pretentiën koester. Je zoudt mij anders waarlijk nog kunnen verdenken , dat ik mij plotseling had ingebeeld een patent te kunnen verwerven voor de allesomvattende verklaring der wereldraadsels. Het zou mij leed doen , als je mij soms miskendet en daarom uit-lachtet.
De stioom des tijds, die ons allen medesleept, drijft er
298
ons nu eenmaal toe om over alles mee te praten — je zult het waarschijnlijk ook niet heter maken. Dat is wel voornamelijk de schuld van de couranten. Zij brengen iemand dagelijks het spiegelbeeld van het geheele openbare leven in huis en zoo leert men in alles belangstellen. De telkens herhaalde uitdrukkingen der gezamenlijke partijen en scholen treffen den geest zoo dikwijls, dat zij er sporen achterlaten of zich zelfs daarin nestelen en jongen uitbroeden. Dat er dan soms afschuwelijke misgeboorten te voorschijn komen, is zeker.
Menigmaal deelt juffrouw Susi — die geregeld mijne couranten leest — mij hare opmerkingen over de vragen van den dag mede en dan krijg ik de vreemdste dingen te hoeren. Het liefst behandelt zij de mogelijke kansen der verschillende Europeesche verbonden en oorlogen. Dat noemt zij: politiseeren. Daarbij goochelt ze met de betrokken mogendheden, dat het een lust is: «Ik geloof, dat de Rus tegen den Duitscher zal gaan ; maar dan zal de Fransch-man meedoen en wanneer de Engelschman onzijdig blijft, gaat de Oostenrijker misschien met den Pruis mee—maar dan valt de Italiaan natuurlijk over ons heen en de Hongaar zal weer met den Turk coquetleeren.quot; — »Gij kunt wel gelijk hebben, juffrouw Susi,quot; zeg ik aanmoedigend, »maar mij dunkt, dat in dit geval de Spanjaard misschien met den Zweed zal gaan—om zoo het evenwicht weer te herstellen.quot; Ik weet namelijk, dat het Europeesch evenwicht een van de lievelingsonderwerpen van juffrouw Susi is ; onlangs viel het blad met het koffieservies nog uit hare handen, zoo bijzonder druk had zij hel over die zaak.
Juist hoor ik het bekende rammelen van de sleutels in de gang ... ispreekt men van den ventquot;quot; .. . Het is juffrouw Susi, die gewoon is mij lederen avond hel menu voor den volgenden dag voor te leggen en de beraadslaging kan beginnen: gebraden patrijs of Poolsche ossen-
■299
tong ? ? Voor beiden is veel te zeggen. Maar nu wil ik de brave juffrouw Susi van de huiselijke praatjes afhouden en haar tot «politiseerenquot; verleiden.
Nadat dus het lastige vraagstuk van het menu voor morgen niet kalfscoteletten — die ook niet te versmaden zijn — gelukkig was opgelost en juffrouw Susi zich wilde verwijderen, riep ik haar terug :
«Hier zijn ook weer couranten voor u, juffrouw Susi, neem..
sik dank u wel, mijnheer — ik ben al nieuwsgierig naar de telegrafische telegrammen. Het zal er gauw op losgaan.
»Wat zal losgaan ?quot;
tDe oorlog, mijnheer — liet is al zoo donker aan den politieken gezichteinder — de Rus geeft geen rust en de Engelschman, die is sluw.quot; — »Ja sluw is hij zeker ga daar wat bij den haard zitten, dan kunnen wij wat praten — gij gelooft dus, dat het spoedig tot een oorlog zal komen ?quot; igt;Ja, mijnheer, daar valt niet aan te twijfelen. Ik wacht al iederen dag op het ultimatum. En gij zult zien, hoe dat gaan zal... Ik heb een bijzonder talent om die dingen te voorzeggen; mijn neef die copiist was aan een ministerieele kanselarij en daarom goed op de hoogte was van de diplomatieke finesses, die zeide altijd wanneer men in een gezelschap begonnen was te politiseeren, sdaar moet men tante Susi naar vragen.quot; — Gij zult eens zien, wanneer Rusland slaag krijgt, zal Pruisen Polen annexee-ren ; en Oostenrijk, wanneer het met Pruisen geallieerd was, zal zich in Turkije uitbreiden. Wanneer echter Duitschland slaag krijgt, en Frankrijk met Italië samendoet, of wanneer Engeland nog in Voor-Indlë troepen opstelt, of wanneer soms Turkije met den Egyptischen Vice-Khedive in de Zwarte Zee bruikbare schepen zendt, dan kan later —quot;
«Dat zou alles heel, heel treurig zijn,quot; met deze woorden stuit ik die levendige schildering van hetgeen er ge-
300
beuren kan, »ik ben geen vriend van vechten, lieve juffrouw Susi..
ïNiel? Nu, dat verwondert mij — mijnheer is toch zelf officier geweest — en dat is toch de mooiste stand... Dan zijn de couranten nog eens de moeite waard , als er ergens eene kloppartij plaats heeft — cn hoe zon men kunnen po-litiseeren zonder oorlogen? Ziet gij, mijnheer, dat heelt de lieve God eens heel wijs ingericht, anders kwamen er te veel menschen op de wereld ... en wat voor een leven zou het in de stad zijn zonder militaire muziek?quot;
gt;Dat is alles zeer waar en juist, maar men heeft zoo zijne antipathieën. Al is het niet met de wapens, onder de menschen worden toch altijd genoeg belangrijke oorlogen gevoerd met woorden en meeningen.quot;
ïlla, gij bedoelt het over en weer praten in de Parlementen ? Om de waarheid te zeggen , daar kan ik nooit goed bij ... ik lees het ook wel, omdat ik voorgenomen heb alles te lezen wat in de kranten staat — maar het is toch erg vervelend. Wanneer de eene heer afgevaardigde den anderen een paar grofheden zegt, wat heeft het land daaraan? Bij slot van rekening beslissen bij alle vragen toch alleen de militairen.quot;
gt;lloe zoo? Gij bedoelt, wanneer het tot openbare rustverstoring of tot den oorlog komt?
»Neen, ik bedoel in het Parlement zelf. Wanneer de heeren van het centrum, en de linkerlui en de recluer-man-nen urenlang met elkander getwist hebben, komt de beslissing toch maar van de aanwezige heeren majoors, liet eenige wat ik niet begrijp is, waarom er niet liever generaals zitten — want de generaliteit moet toch nog meer ie zeggen hebben dan de majoriteit.quot;
«Maar wat zegt gij dan wel van de minoriteit ?quot; vraag ik glimlachend.
301
«Ik zeg, dat men den minoren jongelieeren in het geheel niet moest veroorloven om mee te spreken.quot;
fDaar hebt gij wei gelijk aan. Maar wat eraan te doen? Er worden ook dikwijls onderwijszaken besproken en dan zijn juist degenen die de school pas verlaten hebben , het meest bevoegd om daarover te spreken. Hebt gij gelezen , hoe de minister van onderwijs in Frankrijk...quot;
sAch , mijnheer, met liet arme Frankrijk heb ik waarlijk te doen , ik zou kunnen huilen om de ridderlijke Franschen .. . een burger in plaats van een keizer of koning... Als ik bedenk , dat de regent van zoo\'n groot land niet eens eene kroon op zijn tafelzilver kan hebben!quot;
— «Ach, kronen,quot; zeg ik, meer tot mijzelven dan tot juffrouw Susi — »zijn tocli maar zinnebeelden. Elk hoofd , dat een roemrijken lauwerkrans heeft verworven, is gekroond. Voor. een uit doornen gevlochten kroon, op het bloedende voorhoofd van den Zoon des menschen , hebben zich zeer vele koningsdiademen gebogen. En een dikke gouden vlecht om een schoon onschuldig meisjeshoofd gedraaid — is dat ook niet eene kroon?... Koninklijkheden zullen er altijd zijn, men mag de wereld moderniseeren zooveel men wil; den stralengloed zal men nooit uitdooven , die de majesteiten van het genie, de goedheid en de schoonheid kroont!... Goedennacht, juffrouw Susi.. . het is laat en ik wenscli nog een poos te werken.quot;
tGoedennacht, mijnheer... ik zal dan zoo vrij zijn de couranten mee te nemen. Zeker vind ik weer aanwijzingen, dat het er binnenkort op zal losgaan. De Uns zal beginnen, maar de Engelschman is sluw ..
gt;Zeer sluw, juffrouw Susi. Vergeet het vooral niet: ge-moesde aardapppelen bij de kalfscoteletten.quot;
302
DERTIGSTE HOOFDSTUK.
Phlogiston-lhcorieën. — Karakters.
Van God , godsdienst en geloof wil ik nog spreken. Maar voordat ill aan deze hoogste vragen begin , moet ik nog eens rondzien, of er niets anders voor mij ie beschouwen blijft.
Ik ben mij nog eene groote hoeveelheid vragen en vraagstukken bewust, die bij het vuuroppoken , het boekenlezen en hel slapengaan in mijn hoofd woelen. Ik dien toch te beproeven, of ik ze niet kan oproepen, even vasthouden en onderzoeken. Niet dat ik geloof, op die vragen en vraagstukken ook het antwoord te kunnen geven — maar het is reeds iets gewonnen, wanneer het gelukt eene vraag juist te stellen, duidelijk in te kleeden. Ach , die verwarring van denkbeelden — wie ons daarvan verloste!! Onze begrippen zijn nog allen zoo vreeselijk door elkander geworpen. Oorzaak en uitwerking worden verwisseld , oorsprong en gevolg, aard en bijkomende omstandigheden , grond en vorm , voorwaarde en toeval. Voor dezelfde zaak hebben wij verscheidene namen en gelooven dan , dat het verscheidene zaken zijn; en omgekeerd — voor verscheidene zaken hebben wij soms maar éen woord en gelooven dan, dat zij maar éene zaak zijn. En wat nog erger is : voor de spruiten der dwaling, voor de zoogenaamde hersenschimmen, voor opgetelde nullen, voor nietbestaande dingen, gewrochten onzer verbeelding, hebben wij ook woorden. En dan wordt zulk een woord als eene zaak behandeld en boekdoelen vol met verhandelingen daarover geschreven , en zijne gevolgen sluipen met al hunne wezenlijke dwalingen , nullen en inbeeldingen in het geheele omliggende gebied der gedachte binnen.
Bij voorbeeld: het woord duivel. De misgeboorte eener angstige fantasie — het schrikbeeld van het menschdom dat nog in zijne kindsheid verkeert, voor onbegrepen natuurver-
303
schijnselen siddert — werd van eenen naam voorzien en hel onding lieefl eeuwenlang onrust gesticht en is nog lang niet geheel en al uitgeroeid. Dit voorbeeld zou zelfs tegenwoordig nog velen mijne bedoeling niet duidelijk maken, omdat zij meenen, dat Dduivelquot; niet maar een woord doch werkelijk een ding is. (Een ding nog wel, waardoor ik volgens hunne meening, dit tusschen twee haakjes, verdiende gehaald te worden.) — Een ander voorbeeld dus: Nemen wij het woord «phlogiston.quot; Zoo noemden de natuurkundigen van de oude school — voordat Lavoisier de theorie omverwierp —. eene vooronderstelde, in alle brandbare lichamen wonende stof, die, wanneer zij ontstoken was , het verschijnsel van de vlam zou teweeg brengen. Door dien naam werd de toesiand van een ding tot eene wezenlijke , van het ding onafscheidelijke eigenschap verheven. En zooals de nieuwere natuurkunde leert, ten onrechte, want branden is niet de zichtbaar gewordene openbaring van een vroeger in het lichaam verborgen sphlo-gistonquot; maar eenvoudig eene beweging van de stof. — Is de geest die in het pasgeboren kind glimt, in den denkenden mensch brandt, en in den dichter blaakt, ook niet zulk een vuurverschijnsel — en is het geloof, dat deze brandstof zelfstandig, na het uitgaan der zichtbare vlam voortbestaat — de theorie van de onsterfelijkheid der ziel — ook geen phlogiston-geloof?.... Ik vraag slechts. Eene andere vraag: de zoogenaamde «nationaliteitquot;, die tot het innerlijksle wezen der volkeren zou behooren , die zich in de volkstypen en volkskarakters zou openbaren ... is dat eigenlijk ook wel iets anders dan phlogiston ? ? Ach, kon men eens alles vragen I Maar dan klinkt het: «Waartoe dat ijdele vragen ?quot; Neen ; van de antwoorden zijn de meeste ijdel, niet van de vragen. Weetgierigheid is nooit ijdel — de erkentenis dat men iets niet weet, is — ook in den anderen zin des woords — niet ijdel.
304
Waar spraken wij van ? — Ach ja, van verwisselde begrippen, van dooreengeworpen oordeelen. Een vroolijk onderworp. Het zou volslrekt geene moeite kosten daarover wat in het honderd te praten. Waarom zou ik mij toch kwellen met over de dwalingen van anderen na te denken — alsof ik niet genoeg te dragen had aan de mijne ! — Kn welk eene taak hei) ik mijzelven daar niet opgelegd: rondkijken in liet hersenkastje en alles opteekenen , wat er aan onuitgedrukte gedachten en vraagstukken nog in te vinden is. Wel bedankt; dat is ook gemakkelijker gezegd dan gedaan. Neemt men een nauwkeurig afgebakend veld en zegt men: daarover willen wij handelen — dan gaat het. Men haalt eenvoudig het verlangde gedachten-tonnetje voor den dag en wikkelt — of zooals het in dit geval heet: — handelt af. Maar met het vrij rondvliegen in het onbeperkte gebied van het denken , komt er niets schrijfbaars en niets leesbaars — komen er slechts vormlooze fantasieën te voorschijn , zooals ze bij het vuuroppoken passen. Ga eens naar buiten in het open veld, draai snel een spiegeltje in eenen kring rond en beproef dan eens alles na te teekenen wat zich daarin afspiegelt. — gt;Wat?.... den kerktoren, de hoornen, den put, de zon, de murmelende beek, de jagende wolken — maar dat gaat niet... hoe zou ik dat alles kunnen teekenen en waar moet ik beginnen?!quot; Je kunt niet? Vorder dan ook niet van mij de weerkaatsingen te copiëeren , die mijn zwakke geest van de geheele groote, hem omringende wereld terugstraalt. Zetten wij het spiegeltje in eene bepaalde richting vast — misschien zal het dan gaan om het begrensde kleine beeld ten naastenbij na te teekenen ... maar niet zoo ronddraaien !
Spreken wij van — karakters.
De som der onderscheidene kenmerken die ons bij men-schen, volken , planten , dieren enz. in het oog vallen , noemen wij karakters. Bij voorkeur wordt mei dezen naam de
305
zedelijke toestand , de geestelijke nard der menschen aangeduid. In dezen zin wordt het karakter ook dikwijls als eene soort phlogiston opgevat. Men denkt het zich niet meer als de volledige uitkomst der van duizend invloeden afhankelijke vorming van den geest, maar als de voorbestaande drijfkracht, waarvan de bedoelde vorming de uitkomst was. Door deze opvatting verdraait men de gelieele vraag. Men heeft zekere uitwendige kenteekenen , zekere in het oog loopende verschijnselen vereenigd gezien en in hun geheel als een beeld waargenomen, het met den naam van een karakter voorzien; en nu gelooft men, dat dit karakter op zichzelf een zeker zelfstandig ding is , een vooraf vastgesteld plan , waarvan de verwezenlijking uit de waargenomen verschijnselen blijkt. Langs dien weg wordt dan het karakter als oorzaak, als maat, als factor beschouwd. Niet het geheel van booze neigingen en handelingen wordt b. v. als tboos karakterquot; gedacht — maar men stelt zich de booze handelingen en neigingen als een onvermijdelijk gevolg, als de uiting van het «booze karakterquot; voor. liet is alsof de lucht vol was van zuivere typen en alsof de waargenomen verschijnselen slechts de in een vorm gegoten verwezenlijking waren van de idealen dier typen , evenals schilderstukken en standbeelden verwezenlijkingen zijn van de idealen der verbeelding die den kunstenaar voor den geest zweven.
Zoo opgevat wordt het karakter tot een wezen, tot eene soort van huwelijksgift der ziel, tot een de verschijnselen regelend beginsel. Dan gevoelen de menschen, dat zij met een karakter geboren zijn en zijn daar niet weinig trotsch op. Zij zouden het heel graag nauwkeurig kennen , daarom wekt het hunne hoogste belangstelling, wanneer uit de halen van het schrift, of uit de trekken van het gelaat, uit den vorm van den schedel of al was het maar uit de lijnen der hand hun karakter gelezen wordt. Zij weten zeiven niet al te best hoe het ding er uitziet, maar dat erkent niemand i. z. 20
306
gaarne van zichrelf en daarom hoort men zoo menigmaal een beslissend igt;Dat is nu eenmaal zoo mijn karakter.quot; Eene eigenschap, eenc neiging, die iemand zelf aan zich opmerkt, begroet hij als eene openbaring van zijn karakter en dewijl hij ze nu aankweekt en vasthoudt, wordt zij inderdaad tot eenen karakteristieken trek. Een vast, een geheel karakter te zijn, dat is de hoogste eerzucht. Vooral geene karakterloosheid! Alsof het met den naam karakterloosheid aangeduide type van slingerende neigingen, van onzekere meeningen , van wisselende gevoelens ook geen karakter was. Meer of min slingeren die laatstgenoemde dingen altijd en waar zij betrekkelijk voortdurend optreden, daar ontstaat als geheel een zoogenaamd nvast karakterquot;; maar er is geene bijzondere eigenschap, geene zelfstandige «karaktervastheid ,quot; die tot grondslag voor die volharding dient en de voorwaarde is voor het bewaard blijven der enkele trekken.
En omgekeerd ; wanneer meeningen en gevoelens veranderen , dan geschiedt dat naar den maatstaf hunner eigene onhoudbaarheid , omdat zij namelijk op zwevende oorzaken berusten , en ofschoon het geheel dat daaruit voortspruit, een «zwak karakterquot; heet, lag de schuld dier schommelingen toch niet bij eene bijzondere ikaraklerzwakheidquot;; — evenals de weersgesteldheid die op den barometer door ïveranderlijkquot; wordt aangeduid, door zekere meteorologische invloeden, door verschillende luclitstroomingen en niet door eene besturende, op zichzelve bestaande «veranderlijkheid van wederquot; wordt teweeggebracht.
Er zal wel niemand zijn die loochent, dat de mensche-lijke karakters door opvoeding, door den invloed van het voorbeeld, door de afwisselingen der uiterlijke omstandigheden gevormd en veranderd worden. Maar ondanks deze erkende buigzaamheid en afhankelijkheid, zou men het karakter toch gaarne willen laten doorgaan voor iets, dat op zichzelf bepaald en bepalend is, dat wel g e w ij z i g d ,
307
maar niet wezenlijk veranderd kan worden, dal wel naar gelang van zijnen innerlijken aard verschillende gedaanten aanneemt, maar in den grond zich toch steeds gelijk blijft. Volgens deze meening zal een tgoed karakterquot; altijd goed blijven, evenals goud altijd goud blijft, onverschillig of het tot munt gestempeld, tot sieraad bewerkt of door het rivierzand meegevoerd wordt. Uier ontstaat echter een nieuwe strijd der gedachte. Ook bij den vurigsten voorstar.der van de bovengenoemde opvatting der innerlijke onafhankelijkheid van het karakter moet het denkbeeld oprijzen , dat de geestes- en gevoelstoestand van lederen mensch door eene onafzienbare massa van uitwendige invloeden teweeg is gebracht, dat hij, wanneer hij zijne antecedenten, zijne ervaring, zijne omgeving wegdenkt, onfeilbaar geheel anders zou zijn dan hij is. Aan den anderen kant kan ook weer de ijverigste belijder van het determinisme zich niet ontveinzen, dat het menschelijke karakter volstrekt geen tabula rasa is, waarop de omgeving altijd onfeilbaar dezelfde afdrukken nalaat — omdat het aan geen twijfel onderhevig is, dat b. v. dezelfde opvoeding en dezelfde voorvallen bij verschillende kinderen in hetzelfde gezin of hetzelfde opvoedingsgesticht zeer uiteenloopende gevolgen voor hel karakter hebben; terwijl verder de omstandigheden en onvoorziene gebeurtenissen die de lotgevallen der menschen uitmaken, niet tevens bun geheele karakter bepalen, liet genie b. v. kan wel door zekere omstandigheden ontwikkeld en aan den dag gebracht worden, maar die omstandigheden zijn niet tegelijk de scheppers van het genie. Had Beethoven b. v. geen muziekonderwijs genoten, zijn genie zou zich niet geopenbaard hebben, maar men zal toch niet willen beweren, dat het zich uit het onderwijs en zijne verdere levensomstandigheden heeft ontwikkeld. Er is dus iets oorspronkelijks, iets medegebrachts, dat wel eene zekere omgeving en zekere omstandigheden noodig heeft om zich
308
te vertoonen, maar dat daardoor niet gemaakt kan worden. Natuurlijke aanleg, aangeboren hartstochten, individueele geestvermogens zijn niet weg te redeneeren. En hier hebben de deterministen schijnbaar ongelijk. Hun analyseerend stelsel van denken, dat in elk geheel slechts de som van oneindig vele deelen ziet, dat in alles wat werd slechts liet noodzakelijk gevolg eener onafzienbare keten van voorafgegane oorzaken zoekt, wordt daar plotseling tot stilstand gedwongen, door hun iets oorspronkelijks, iets dat op zichzelf bestaat en van uitwendige invloeden onafhankelijk is — dat men onmogelijk kan loochenen — voor oogen te houden.
Doet zich zulk eene tegenspraak voor, dan kan men als zeker aannemen, dat ons alleen de sleutel van de oplossing ontbreekt, dat die oplossing echter inderdaad bestaat, want de werkelijkheid duldt geen tegenspraak.
En in dit bijzonder geval hebben wij ook de oplossing. Eenvoudig aldus : Het medegebrachte, de natuurlijke aanleg — dat alles is ook geen beginsel, geen iets zonder antecedent, dat van zelf ontslaan is, maar evenzeer de uitkomst eener tot in de eeuwigheid terugreikende keten van vroegere graden van ontwikkeling — want elke bij de geboorte medegebrachte aanleg is een erfstuk. Pasgeboren kinderen zijn immers niets anders dan de voortzetting hunner ouders. Elke oorspronkelijke karaktertrek is derhalve door alle ervaringen en inwerkingen bepaald , die de persoon van de geheele reeks zijner voorouders ontvangen heeft. De tegenspraak tusschen oorspronkelijke karakters en die welke de omgeving gevormd heeft, valt dus weg, want altijd — onverschillig of men hem in het geboorte-uur of in den loop des levens beschouwt, doet de karakteraanleg en de karakter-vorm zich niet alleen als factor maar ook als uitkomst, niet alleen als voortbrenger maar ook als voortbrengsel voor. En zoo wordt het vraagstuk tol de verre eeuwigheid teruggeschoven , oneindig verder dan onze blik reikt, waar voor
309
ons alle verklaring en alle strijd noodzakelijk moet ophouden.
Ieder menscli, ieder dier , iedere plant brengt in de kiem de geheele levensgeschiedenis zijner gezamenlijke voorouders mede. iedere kleine peer- of appelpit, die van eenen veredelden boom afstamt, is een archief, waarin het belangrijke feit opgeteekend staat, hoe de tuinman erbij kwam en het edele takje op den vaderstam entte; — en daarnaast eene aanteekening, wat voor weer het dien dag was... en bovendien de geschiedkundige jaarboeken van alles wat er vooraf was gebeurd. Wel schuilt er eene eeuwigheid in het zaadje , maar dat baart de natuur geen zorg; het is nu zoo hare gewoonte om het heelal in onzichtbaar kleine puntjes op tesluiten.
Wat wij dus bij lederen mensch zijn karakter noemen is niet een ding, dat zich naast het aangeborene en daardoor alleen bepaald — heeft ontwikkeld , maar het is de uitkomst eener sedert overoude tijden werkzame en nog altijd voortgezette ontwikkeling. Daarom veranderen de karakters telkens; daarom moet men er niets onwankelbaars in zoeken, noch in den aanleg — het zoogenaamde innerlijke wezen — noch in eene toekomstige bestendigheid — de zoogenaamde vastheid van karakter. Elke nieuwe ervaring , elk gelezen boek, elke geledene smart, elke beleefde vreugde en ook elke stoffelijke invloed van klimaat, ziekte, welvaart, ellende enz. giet het karakter ieder uur in een nieuwen vorm.
Dat er in dien nieuwen vorm van het reeds medegebrachte niets verloren gaat, kan de oorzaak der vergissing zijn , alsof er onder al die afwisselingen een onveranderlijk iets overbleef;— en omdat wat oorspronkelijk voorhanden was noodzakelijk in de latere gevolgen medewerkt, omdat er met andere woorden karakler-c onsequenties zijn, gelooft men aan eene karakter-c onsequentie en denkt daarbij aan een bewaard blijven der eens waargenomen trekken, waarnaar ieder moet streven — of tenminste moet huichelen te streven.
310
EEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
De Godsgedachte. — Gelooven, twijfelen, weten en loochenen. — De waarschuwende stemmen tegen het ongeloof. — Godsdienst en godsdiensten. — De opkomende beschouwing der wereld als één geheel. — Kosmodoxie.
Nu treed ik beschroomd en vol eerbied het heiligdom nader, leder mensch draagt in het binnenste zijner ziel een plekje met zich, waarop hij aan de Godsgedachte offert — hetzij door eene leerstellige geloofsbelijdenis, hetzij door een wijsgeerig gevormd stelsel van denken , of al was het maar door een onverklaard vermoeden — en dit plekje is het, dat ik nu in mijn eigen hart wil bezichtigen.
Maar hier wordt hel schrijven mij moeilijk. Woorden en begrippen zijn uiterst zwakke middelen om uit te drukken wat niet gezegd kan worden, om het onbegrijpelijke te bevatten. Evenals ons zwak oog zich sluit, wanneer wij in de middagzon willen zien , zoo sluit zich ook onze verblinde geest , wanneer wij hem tot de gedachte aan God verheffen. En toch , evenals wij in het eerste geval zelfs door het neergeslagen lid het roode schijnsel der zon zien , zoo wordt ook onze geest door een afschijnsel van het licht verhelderd , dat hij niet in staat is te aanschouwen.
Ik kan, ik kan Hem mij niet voorstellen. Wat helpt het verlangend uitzien naar de hoogten : ik kan toch niet vliegen. Ik kan het sterrenschrift niet lezen, waarmede Hij in de onbegrensde ruimte zijnen vlammenden naam heeft geteekend. En omdat wij Hem niet wagen te noemen , te beschrijven, te begrijpen, klaagt men ons van godioochening aan. Omdat wij soms zeggen, wat God niet is, meent men, dat wij verklaard hadden , dat Hij niet is. Juist degenen die het Godsbegrip zoo hoog stelden, dat zij het boven elke mensche-
311
lijke uitdrukking verheven achtten, gaan voor de ergste godloochenaars door. Zoo staat Voltaire te boek als den diepst-gezonkene aller twijfelaars en toch heeft hij gezegd; «Als God niet bestond, moest men Hem uitvinden.quot; En hij, Voltaire , was hel alweer die in de volgende verzen Spinoza beschuldigt aan God te twijfelen:
Alors un petit juif, au long nez, au teint blême, Pauvre, mais satisfait, pensif et retiré ,
Esprit subtil et creux, moins lu que célébré,
Caché sous Ie manteau de Descartes, son maitre, Marchant a pas comptés, s\'approcha du grand Etre; Pardonnez-moi, lui dit-il, en parlant tout bas,
Mais je crois, entre nous, que vous n\'existez pas.
(Gehuld in den mantel van Descartes, zijnen meester, nadert hij met afgemetene schreden de Godheid, en spreekt zachtjes: Gij neemt het mij, hoop ik, niet kwalijk, maar, onder ons gezegd, ik geloof niet dat Gij bestaat.)
Daarmede geschiedde ook aan Spinoza onrecht. Verre van het bestaan van God te ontkennen, vatte hij veeleer de geheele wereld als dat bestaan op; God — wien te erkennen hij de hoogste menschelijke deugd achtte — was voor hem de immanente oorzaak van alles wat is en geschiedt en het heelal noemde hij de zelfopenbaring van God.
De verhevenste omschrijvingen der Godheid zijn juist te vinden in de werken van degenen , die bij de rechtzinnigen godloochenaars heeten. Geen iVaderquot;, «Herderquot;, iKoningquot;, ïlleer der heirscharenquot;, noch andere menschelijke benamingen worden daar gebruikt, maar de hoogste afgetrokkene denkbeelden: »De Eenheid van al het oneindigequot; zegt diezelfde Spinoza; Ernest Uenan schrijft: sNeen, den eeuwigen God heeft niemand van aangezicht tot aangezicht gezien. Hij is de deugd van den deugdzame, Hij is het genie vau den
312
geniale. Dank zij Hem bestaat er niets onvruchtbaars op de wereld — dank zij Hem brengt elke wereld voort, wat er in haren schoot bevat is. Hij is de steeds sterker wordende adem van al liet bestaande.quot;
Zeggen de denkers tot de geloovigen : Niet zooals gij u voorstelt kan de Godheid zijn — dadelijk gaat een alge-raeene kreet van schrik op, alsof iedere over dit onderwerp geuite ontkennende nieening eene vernietigende macht, een godverkleinend gevaar bevatte. Welk gezag bezitten overigens menschel ijk geloof en menschelijke twijfel tegenover zulk een bovenmenschelijk begrip? Gelooft de blinde aan de purperkleur of twijfelt hij daaraan? Wijdt de duif zich aan de muziek — waardeert een tweejarig kind Kants »Kritik der reinen Vernunftquot;! En even ver huiten de grenzen van het denken en begrijpen van den wijsten mensch moet toch het goddelijke liggen. Derhalve geen trots , geene verwatenheid, geen satansche hoovaardij is liet, wanneer men van God zegt, »ik kan Hem mij niet voorstellenquot;, maar deemoed, diepe , oprechte , ware deemoed.
Maar hoe zwak het vlammetje van onzen geest ook flikkert, met dien oorspronkelijken haard der waarheid vergeleken, toch is het eene vonk van hetzelfde licht en dus heeft de gedachte zich lot twee bovenmenschelijk hooge begrippen opgewerkt: eeuwigheid , volkomenheid. Die twee als persoon voorgesteld — dat is God. Maar wie is bij machte om die twee begrippen in hunnen vollen omvang door te denken? Niemand, het is onmogelijk. Daarom is er zooveel onvolkomens, zooveel oneeuwigs ontslaan, waar de menschelijke inbeelding die eigenschappen bij de gedachte Godheid tot in bijzonderheden poogde te verklaren. Wel zegt het geloof: God is volkomen , maar de kerkleer voegt hij die stelling zoovele omschrijvingen, waarvan de eene de andere opheft, en daardoor ontstaan de schreeuwendste tegenstrijdigheden, zooals b. v. algoedheid en veroordeeling tot hel-
313
sche straffen ; eenheid en drievuldigheid; alwijsheid en voortdurende onlevredenheid over zijn eigen werk ; hoogste zaligheid en een telkens zich gekrenkt en beleedigd gevoelen door de zonden der mensehen; geen begin en geen einde in het grenzeniooze Al en daarbij lot middelpunt de tijdelijke lotgevallen van schepping, verlossing en jongsten dag van het zandkorreltje aarde; onbedriegelijk vooruitzien der toekomst, anders gezegd «eeuwige Voorzienigheidquot; en daarbij zich gedurig regelen naar menschelijke handelingen en gebeden. Toornen, wrokken, wreken, beproeven, in verzoeking leiden, zichzelf tol. boete voor zijne eigene genoegdoening offeren — lievelingen tegen zijne eigene slagen beschermen, vervolgen wie met zijn eigen vloek beladen is; de veldslagen en het weer besturen; millioenen zielen verdoemen; het strafbare veroorloven en toch het veroorloofde straffen ... dat zouden ongeveer de daden zijn, waarmede menig geloovige meent, dat het eeuwige en vol-komene leven Gods wordt doorgebracht en waaraan het godslastering geacht moet worden te twijfelen?!
Uier redt ook alleen de deemoed. Zij die in al deze tegenstrijdigheden berusten, doen het, omdat zij het niet wagen daarover na te denken Zij voelen met eerbiedigen schroom dat hun geest het wezen Gods niet kan vatten en daarom nemen zij zonder onderzoek, vol achting, in goed vertrouwen en met een vroom gemoed de leerstukken aan, die hoogere geesten — door God verlicht, zooals zij meenen — hebben overgeleverd. Voor zulk eenen godsdienstigen zin past het ons, wanneer hij oprecht in een naar God verlangend nienschenhart woont, met achting en aandoening te buigen. In den twijfel aan de menschelijke bevatting van Gods grootheid stemmen geloovigen en vrijdenkers overeen. Het onderscheid bestaat alleen hierin, of die twijfel voor of na het onderzoek der overgeleverde geloofsstof ontstaat.
Echter moesten degenen wien het aan moed, kracht of
314
wil voor dat onderzoek ontbreekt, de beschouwingen van den denker niet minacliten, die zich in eenen kring van gedachten beweegt, waarin zij hem niet zijn gevolgd.
Lén verwijt vooral is het, een bitter verwijt en een zware aanklacht, dat de rechtzinnigen den verkondiger der vrije gedachte allerwegen in tallooze wijzigingen van denzelfden volzin naar het hoofd slingeren: sGij wilt ons berooven van het liefste wat wij hebben ; gij wilt ons heiligdom vernielen ; uit boosheid, uit ijdelheid, uit geestelijke grootspraak wilt gij aan het hoogste goed der menschheid, aan den godsdienst raken, zonder te denken aan de gevaren, aan het dreigende verderf, dat uw toeleg over de geheele wereld inroept. Hebt gij al liet ongeluk twijfel te koesteren, houdt hem dan voor u. Zijt gij van onzen beerlijksten troost beroofd, beproef niet hem ook ons te ontnemen. Waar gij niets kunt opbouwen, haal daar niets omver. Omsluier uwen afval van het geloof, zooal niet uit schaamte, dan toch uit medelijden!quot;
Het is moeielijk zich te verdedigen, wanneer men weet, dat men bij voorbaat voor boosaardig, ijdel en grootsprekend gehouden wordt; wanneer men moet vreezen, dat elk woord, dat men tot opheldering zijner meening kan aanvoeren, tot nieuwe beschuldigingen aanleiding zal geven; wanneer men althans niet alleen zijne meening zelve maar ook het recht ze te koesteren en te uiten, zal voorstaan. Toch wil ik hier beproeven dit pleidooi te houden. Niet om andersdenkenden voor mijn gevoelen te winnen, want ik geloof niet aan de mogelijkheid om door de redekundige kracht eener enkele rede — al nare zij van eene honderdvoudige Demostheues-kracht, hoeveel minder dan door mijn zwak woord —- ingewortelde meeningen in de tegenovergestelde te doen overslaan. Maar ik wensch mijzelven rekenschap te geven om welke redenen de boven aangevoerde verwijten mij steeds zoo onverdiend voorkwamen.
315
Voor alles wil ik — niet het twijfelachtige, niet het betwijfelde, maar het begrip twijfel zelf van nabij beschouwen. Zonder met den Spaanschen dichter in te stemmen, die den twijfel het zekerste van alle dingen noemt;
De las cosas mas seguras
La mas segura es dudar wensch ik hem toch tot de zekerste onzer rechten te stellen. Voor-waar-houden of niet-voor-waar-houden is een werking van het verstand, die zich onmogelijk naar vreemden, ja niet eens naar onzen eigenen wil kan richten, maar die uitsluitend van de aangebodene klaarblijkelijkheid afhangt — evenals het zien en nietzien van het zonlicht niet uit een persoonlijk besluit volgt, maar alleen afhangt van de aan- of afwezigheid van het licht en van de inrichting van den gezichtszin. Waar ik ergens licht zie, kan ik mij met alle geweld niet dwingen het met opene oogen niet te zien, en omgekeerd, waar ik niets zie, zal ook de sterkste inspanning der gezichtszenuwen mij niet tot zien brengen. Het geestesoog staat tot de waarheid juist in dezelfde verhouding als het lichamelijke oog tot den lichtstraal. Wil, voornemen, wensch, gehoorzaamheid — geen van deze dingen is bij de waarneming werkzaam, daarom valt hierbij de persoonlijke verdienste of persoonlijke schuld weg. Zien kunnen wij sieclits hetgeen verlicht is — voor waar houden alleen wat klaarblijkelijk is. Wanneer iemand gelooft wat een ander hem beveelt te gelooven, en zich daarom op de gehoorzaamheid van zijn geloof iets laat voorstaan, bewerende dat hij hierin naar geen bewijs vraagt, dan heeft hij vergeten, dat zijn voor-waar-houden geenszins uit zijne eigene wilskracht voortsproot, maar dat daaraan de overtuiging vooraf was gegaan, dat zijn onderwijzer in het bezit der waarheid is. Deze overtuiging die insgelijks op eene voorafgegane zelfstandige gevolgtrekking van zijn verstand berust, heeft in dit geval tot bewijs gediend.
316
Het volksspreekwoord, dat zegt: »Gelooven beteekent niets wetenquot; heeft het mis — want het zou een zwak, ja eigenlijk geen geloof zijn, dal zich niet de gelijke van liet weten gevoelde. Het vooronderstellende geloof, namelijk de vooronderstelling, het voor-mogelijk-houden van iets, is weer geheel iets anders en zou beter vermoeden hee-ten, maar het werkelijke geloof komt in zooverre met het weten overeen dat beiden een overtuigd voor-waar-houden beduiden. Gewoonlijk bezigt men het woord «wetenquot; voor het voor-waar-houden van een feit, welks klaarblijkelijkheid van zelf spreekt en niet op de klaarblijkelijkheid van een voorafgegaan feit berust; «geloovenquot; daarentegen wordt het voor-waar-houden van zulke dingen genoemd, die op zichzelven niet rechtstreeks bewijsbaar schijnen maar uit een vooraf begrepene, de klaarblijkelijkheid in zichzelve hebbende waarheid volgen. Wanneer ik aan den eed van een man van eer volkomen geloof schenk, dan heb ik daarbij niet eerst een onderzoek in het werk gesteld naar het gehalte van het door hem bezworen voorwerp, want omdat ik weet, dat de eed van een man van eer komt, is het beëedigde voor mij even zeker als mijne overtuiging van de rechtschapenheid des eedafleggers. Maar ofschoon nu in dil geval mijne overtuiging zich even sterk gevoelde alsof zij jwetenquot; was, kan ik ze toch slechts sgeloovenquot; noemen, omdat zij als tweede lid in mijne keten van gevolgtrekkingen voorkomt, of liever als derde, vierde lid , want de kennis van de rechtschapenheid van den bedoelden persoon kon ook alleen door voorafgegane gevolgtrekkingen verkregen worden. Zoo sluit zich het eene lid aan het andere, draagt de overtuiging op elkander over, zonderdat het voor-waar-houden door die voorafgaande geleiding iels van zijne sterkte inboet. Elk weten bergt een onafzienbare en onverzwakte rij van dingen in zich die men gelooven moet. En niets is er van hetgeen men ge-
317
looft, of het zat — wanneer men de keten van gedachten maar behoorlijk lot haar begin nagaat - blijken te steunen op het een of ander wat men weet. Dat dit te gronde liggende weten op dwaling, op misleiding kan berusten — naar gelang van de gebrekkige geestgesteldheid van den persoon — spreekt vanzelf. Wordt derhalve in eenen geest eene stelling als uit ziehzelve klaarblijkelijk aangenomen, die valscii is, dan ontslaat daaruit eene geheele keten van geloofsstellingen, die als gevolg van het eerste lid wel recht van bestaan hebben en onomstoolelijk zijn, maar in zichzelven even valsch en ongerechtvaardigd zijn als dat eerste lid.
liet kleinste aantal onzer overtuigingen , beschouwingen enz. zijn zulke eerste , op zichzelven berustende klaarblijkelijkheden ; gewoonlijk denken en bevatten wij met de verkregen gevolgtrekkingen. Hoe verder nu wat men gelooft zich in de rij zijner opvolgende gedachten verwijden van liet eerste wal men weel, des te moeilijker wordt het die volgreeks weer van achteren af te denken en zoo gebeurt het, dat men ze wegcijfert en hel schijnbaar op zichzelf staande geloof voor eene deugd ot een genadegifl houdt. Gewoonlijk wordt de geheele weg vergeten dien het geloof heeft doorloopen, sedert hel zich van de onbetwistbare «ingevingquot; heeft losgemaakt, liet is den mensdielijken geest eigen om, wanneer hij eene formule gevonden heeft, daarmede verder te werken en niet meer te overdenken , hoe dit denkwerk-tuig zich gevormd beeft. Meestal valt bij geloovige menschen die formule-vorming in hunne kindsheid. Toen vonden zij het zeer natuurlijk, dat hunne onderwijzers in het bezit van alle waarheid waren , en met deze éene zekerheid , die hun toen nkennisquot; aanbracht, was de grond gelegd voor alle volgende geloofsovenuigingen. liet bewuste weten, namelijk het welen van welks juistheid men zich rekenschap geeft, gaat langzamerhand in eene niet meer doordachte
318
maar veeleer ondervondene zekerheid over en dit gevoelde weten heet dan geloof.
Dat die beide genoemde wijzen om iels voor waar te houden elkander niet uitsluiten maar in elkander grijpen , kan verder uit de omstandigheid blijken , dat men bij menige overtuiging onzeker is welk van de beide woorden men moet kiezen en dikwijls liet eene voor het andere gebruikt, bijvoorbeeld , allen zeggen wij te weten, dat de aarde zich om de zon draait. En toch durf ik beweren , dat de meesten onzer het slechts gelooven. Wij hebben namelijk niet zeiven nagerekend, niet ontdekt, de bewijzen niet gevonden en gezien, dat de aarde zich beweegt; maar wij hebben uit andere gronden , die met de beweging der aarde rechtstreeks niets te maken hebben , de overtuiging gekregen , dat de sterrenkundige wetenschap thans op zulk eene hoogte staat, dat hare uitkomsten wiskunstig zeker zijn; wij weten , dat verzekeringen als de genoemde door duizend feiten bevestigd worden; kortom wij weten, dat ze geloofwaardig zijn, maar wij weten niet dat het zoo is — ofschoon wij ons ten onrechte aldus uitdrukken. Zoo gaat het ons met het meerendeel onzer kennis ; wat de scheikundigen van hunne proeven mededeelen , dat gelooven wij, omdat wij weten , dat wij dagelijks dezellde proeven zouden kunnen nemen ; zijn wij niet zeiven in Amerika geweest, dan gelooven wij slechts , dat New-Vork de grootste stad der Vereenigde Staten is — wij hebben echter zulk eenen goeden en vasten grond om het te gelooven, dat wij het woord jwetenquot; ervoor gebruiken. Bij ieder dergelijk afgeleid voor-waar-houden zijn de bewijzen om zoo te zeggen altijd bij de hand ; men is altijd bereid de geheele keten van klaarblijkelijkheden door te denken en daarom noemen wij onze wetenschappelijke kennis — ofschoon zij zich meestal slechts als tweede lid voordoet — toch kortaf weten. Waar men evenwel de gronden voor zijn geloof niet meer kan verklaren, of waar
319
men ze niet eens w i 1 opzoeken , kunnen de beide uitdrukkingen niet meer verwisseld worden en men moet — ofschoon liet gevoel van overtuiging even sterk kan zijn — niet meer zeggen «ik weetquot;, maar nik geloof\'.
Voor den Irage van geest is deze toestand der overtuiging, waar zij in een gevoel is overgegaan waarvan men zich geen rekenschap kan geven, in ieder geval zeer gemakkelijk. Hij vordert geen verder nadenken, maar alleen een innig herhalen en bekrachtigen van het eenmaal — hoe weet men niet meer — verworven voor-waar-liouden. Dat dit halsstarrig vasthouden eene deugd schijnt, komt daar vandaan, dat het toch dikwijls eene overwinning, ja soms eenen zwaren strijd kost om het onderzoek en de oprijzende bedenkingen van het versland van het voorwerp des geloofs af te weren. Men heeft vergelen , dat ditzelfde geloof — een onderzoek naar zijne gegrondheid houdt men voor eene zonde—lochalleen uit eene klaarblijkelijkheid is gevolgd , die men eens voor voldoende hield , dat hel uit een oordeel onlstaan , dat het dus onder alle omstandigheden een kind is van hel verstand en nu houdt men dezen zijnen voorvader voor een vijandig, tegenover zijn wezen slaand beginsel, liet besluit door het versland opgemaakt, tol een gevoel geworden, heeft nu zijnen zeiel in het hart; het gelooft, dat het in liet hart, waarin het groot werd gebracht, ook geboren is , en dat het het verstand moet bestrijden. Ineengesmolten , niel-ont-lede gedachten , die door hare verbintenis een gevoel het aanzijn schenken , zijn en blijven toch maar gedachten — en liet woord «hartquot;, dat de som der gevoelens beduidt — wordt lot een zwevend, verwarrend begrip , wanneer men het hart wil voorstellen als van den geest onafhankelijk, ja zelfs als daar legenover slaande.
Dewijl nu hel geloof als deugd wordt opgevat, ofschoon het niet zelf, maar alleen de in zijnen dienst zich door daden toonende deugd der zelfoverwinning , der bestendig-
320
heid, der zelfopofferina; en dergelijke dien naam verdient; dewijl verder de twijfel gewoonlijk ais lijnrecht tegenover de deugd staande , wordt beschouwd , zoo volgt daaruit, dat deze een ondeugd is. Om den twijfel te wreken , willen wij eens zien, hoe hij inderdaad tot het geloof staat. De erkentenis dat eene zaak onwaar is, is voor den geest hetzelfde, wat voor het oog de gewaarwording is, dal het door geen licht wordt getroflen. «Dit is valsch denkt de geest — ndit is duister,quot; voelt het oog. Ook hier is het niet-waarnemen — hetzij lichamelijk hetzij geestelijk — niet afhankelijk van opzet, van goeden of kwaden wil, maar eenvoudig van het getuigenis der zintuigen , in het eene, van getuigenis van het verstand in het andere geval. Niet-gelooven berust in de allereerste plaats ook op eene klaarblijkelijkheid , namelijk op de klaarblijkelijkheid , dat eene zaak .niet is. De opvatting van het zijn en niet-zijn is, omdat zij zich aan den geest opdringt, niet verdienstelijk en niet misdadig. Alles wat hierboven verder van het geloof werd gezegd, dat van het weten is afgeleid, zou ook van den twijfel kunnen gezegd worden, die als tweede lid der ontkenning zich voordoet.
Laten wij eens beproeven beide manieren van denken tegenover elkander te stellen;
De vormen van het geloof — De vormen van den twijfel
weten gt; loochenen. ]
gelooven dal,ecne twijfelen dat eene
vermoeden | zaa ls\' betwijfelen | zaa\'i \'s\'
Wanneer men in de plaats van den bevestigenden vorm der laatste stelling den ontkennenden zet (sdat eene zaak niet isquot;), dan worden de beide voorafgaande begrippen in hun tegendeel omgezet: Weten, dat eene zaak niet is, is van gelijke beteekenis als loochenen , en omgekeerd; looche-
321
nen , dat eene zaak niei is, beteekent hetzelfde als weten. Daaruit volgt, dat hier geene twee in den grond verschillende beginselen zijn, maar dat in beide gevallen éene en dezelfde werking van het versland aan het woord is, die echter, evenals alles op deze wereld, in eenen bevestigenden of ontkennenden vorm kan uitgedrukt worden. »Waren de dagelijks gebruikte woorden zoo scherp omschreven als de woorden shoekquot; en xvierhoekquot; — zegt Diderot in zijn «Plan d\'une universitéquot; — wat zou er dan weinig strijd en weinig dwaling onder de menschen overblijven.quot;
De begripsverwarring, die in de ingewikkelde vraag van geloof en twijfel beerscht, wordt nog ingewikkelder, omdat een derde toestand van den oordeelenden geest, die van beide genoemde gedachtenvormen even verre afslaat, door het spraakgebruik insgelijks met den naam stwijfelquot; wordt aangeduid. Het is namelijk de toestand van het weifelen, het oneens zijn, of eene zaak is of niet. Dat is eigenlijk die bittere, kwellende gewaarwording, die bij den geloovige oprijst, wanneer hij den ongeloovige aanklaagt en beklaagt, eene gewaarwording die hij moet bestrijden en die hem soms ongelukkig maakt. Omdat hetzelfde woord, dat het tegengestelde van het geloof uitdrukt, tevens de pijnlijke weifeling tusschen die twee bepaalde oordeelvellingen beduidt, worden ook alle kenteekenen die met het begrip van weifeling verbonden zijn , mede binnen den kring van den geest des twijfels besloten. Alweer een bewijs voor Diderot\'s uitspraak— want indien het begrip twijfel in den zin van besluiteloosheid , in den zin van strijd tusschen twee meeningen, scherp bepaald was en een eigenen naam droeg , dan konden zijric consequenties niet op een gelijknamig maar geheel verschillend begrip worden geschoven. Van de in den beginne aangehaalde beschuldigingen zou de phrase wegvallen: jAI hebt gij het ongeluk twijfel te koesteren , verzwijg hem.quot; Want de ongeloovigen zouden kunnen antwoorden , dat dit i. z. 21
m
ongelukkige twijfelen hun geval niet is. Dit ontstaat, wanneer tegen een dierbaar , alle wensclien en hopen omvaltend gelooven, waarvan de eerste klaarldijkelljklieid ons niet helder meer voor den geest staat, de eene of andere later duidelijk gewordene klaarblijkelijkheid die met de eerste in tegenspraak is, optreedt. Daaruit wordt zeker een droevige strijd geboren — die echter vaker in kloostercellen dan onder vrijdenkende menschen voorkomt, liet eigenlijke tegendeel van gelooven, namelijk niet-gelooven, is geen strijdende, maar een rustige, lijdelijke houding van het verstand. «Zal ik gelooven of niet?quot; «Is dit waar of valsch ?quot; kunnen zeker lastige vragen zijn , vooral wanneer het leerstukken betreft, die ons sedert lang bekend en daarom lief geworden waren, maar het ongeschokte niet-voor-waar-houden is geene kwelling — dan zegt men met dezelfde rustige zekerheid, waarmee de geloovige van zekere leerstellingen zijn sik geloofquot; uitspreekt, een even vast sik geloof niet.quot;
Het is eene vreemde begripsverwarring van vele lieden, dat zij .alleen dien twijfel als verwerpelijk brandmerken , die gericht is tegen hetgene z ij gelooven , zoodat zij zelfs alleen zulk een bepaalden twijfel onder den minachtenden naam «Scepticismequot; verslaan. Zij bemerken niet, datzijzel-ven , terwijl zij hun geloof belijden , daarmede tegelijk duizend twijfelingen en duizend ontkenningen uitdrukken. Zegt iemand; nik ben een goedgeloovig, Grieksch niet-geüni-eerd Christenquot; , dan zegt bij daardoor met alle zielsgerust-heid : »lk betwijfel het Uoomsch-Katholicisme; de protes-tantsche leer dunkt mij valsch; aan den Islam geloof ik niet; het recht der vrije gedachte loochen ik; met éen woord ik betwijfel niet alleen, maar ontken bepaald alle godsdiensten, secten, wijsgeerige stelsels en meeningen, die niet in den jCatechismus der orthodoxe kerk van het morgenland door paler Mogilasquot; opgeteekend staan.quot; Even uit-
sluitend zal de vrome Jood den inlioud van den Talmud voor waarheid verklaren , en aan alle overige nlieiligquot; genoemde schriften geen geloof schenken. En zoo gaat het in iedere secle.
Hoe komt het nu , dat al die geloovigen , in wier geloofsbelijdenis eene stilzwijgende ontkenning van alle andere vormen van geloofsbelijdenis ligt 0))gesl0ien, die alzoo gelooven krachtens hunnen duizendvoudigen twijfel, tevens den twijfel zeiven als iets verderfelijks, verachtelijks, ellendigma-kends voorstellen , waarvoor men zich dient te wachten en dat men moest verbergen, «zooal niet uit schaamte dan toch uit medelijden.quot; Een ieder geeft openhartig toe, dat hij alle leerstukken, uitgezonderd die welke in zijn kerspel worden voorgedragen, voor valsch houdt; komt er nu echter iemand, die bij al het betwijfelde ook nog die éene leer van het kerspel rekent, dan wordt hij een onheilstichtend ongelukkig scepticus genoemd. Twee geloovigen van verschillende belijdenis verdragen het geduldig, dat de een tegen den ander zegt: »Je dwaaltquot;, maar wee den derde die — inzooverre hij tot geen derde gezindheid behoort — het waagde te zeggen ; gt;Gij hebt beiden gelijk , want gij dwaalt beiden.quot; — Al schrijven protestanten zoo minachtend mogelijk over de de Roomsche «paperijquot; en al betitelt aartsbisschop Watheley zijn boek gt;Dvvalingen van de Roomsche Kerkquot;, al donderen aan den anderen kant de Katholieke encyclieken nog zoo heftig tegen Luthersche en andere ketterijen : het veroorzaakt in beide kampen niet de minste onrust. Dan worden de angstkreten van: «Ucli, schudt toch zoo niel aan het dierbaarste wal wij hebbenquot; niet aangeheven. Men gaat aan beide zijden van de vooronderstelling uil, dat die geschrilten alleen door de betrokken gemeenten gelezen worden , dat zij tot de andersdenkenden in het geheel niet doordringen, dat beide partijen slechts haar recht of liever haren plicht uitoefenen , wanneer zij hare
324
eigene onfeilbaarheid verdedigen en daarbij de andere leerstellingen zoo diep mogelijk verguizen. De een neemt voor den ander den hoed af en zegt: «Gij noemt mij kettersch, bijgeloovig en blind , daartoe hebt gij van uw standpunt recht — gij verkeert in een waan en meent, dat ik het ben, maar ik eerbiedig uwen waan.quot; Deze zonderlinge beleefdheid wordt niet den naam «verdraagzaamheidquot; bestempeld.
Maar tot degenen die buiten den belijdenisstrijd staan, wier denkbeelden — de overlevering terzijde latende — zelfstandig naar waarheid zoeken, wordt die verdraagzaamheid niet uitgestrekt. Voor dezulken hebben alle plotseling tot verbondenen geworden partijen op het gebied van het geloof de monsterachtige uitdrukking verzonnen : sMenschen die volstrekt aan niets geloovenquot; en van die gedrochten moet nu alle gevaar en alle ergernis komen. De dikwijls gehoorde uitdrukking; «leder dwaalgeloof is beter dan in het geheel geen geloofquot; herinnert aan de bekende anecdote: «Kijk eens, Johan , wat voor weer het vandaag is.quot; iO heel slecht, kapteiu, het regent, sneeuwt en stormt.quot; — «Nu, altijd nog beter, dan in het geheel geen weer.quot;
Een denkende geest die volstrekt aan niets gelooft! Dat zou ook een soort van zedelijk tin het geheel geen weerquot; zijn. Elk oordeel van het verstand, elke verworvene overtuiging is toch ook op zichzelf een geloof, zelfs al ontkent deze overtuiging alle bestaande door den staat erkende vormen van geloof. Waren de eerste Christenen niet ge-loovig ? Toch waren zij ten aanzien van den toen heer-schenden godsdienst slechts twijfelaars aan alle goden van den Olympus, bijgevolg naar beidensch begrip jlieden die volstrekt aan niets geloofden.quot; En de eerste Protestanten ? Zoo sterk in het geloof, of liever zoo sterk in den twijfel, dat zij voor hunne overtuiging van de dwalingen des Paus-doms met vreugde stierven — waren zij ook geene afvalligen , — wijst niet reeds hun naam (dien zij sedert lang
325
gaarne met «evangelischquot; verwisselen) erop, dat zij slechts uit de ontkenning, uit het protest zijn voortgekomen ? Het verwijt dus, dat de vrijdenkers moet treffen — die toch ook maar hun protest tegen zekere vormen en stellingen uitspreken — moest dus iedere geloovige, wilde hij zich-zelven gelijk blijven, tegen allen richten die een ander geloof zijn toegedaan. Verdraagzaamheid is bovendien een begrip dat met strengen geloofsijver onvereenigbaar is. Zij is aan de verschillende partijen ook maar door de macht der dingen afgedwongen. In Frankrijk moesten (om maar éen voorbeeld uit de geschiedenis aan te voeren) door de Hugenooten eerst acht veldslagen geleverd worden, voordat Katholieken en Protestanten verdraagzaamheid leerden.
De menschen zijn slechts verdraagzaam waar zij niet anders kunnen ; zij geven daarbij aan eenen onweerstaan-baren druk toe, maar bewaren tegelijk gaarne den schijn, alsof zij genade oefenden; zij gebruiken het werkwoord tduldenquot; — bedrijvend, terwijl zij slechts de lijdelijke en lijdende onderwerpen van het tdulden moetenquot; zijn. Een leerstellig vast geloof kan onmogelijk tot zijn laatste gevolgtrekkingen komen en tevens werkelijk verdraagzaam zijn. De verdraagzaamheid schuift eenen grendel voor de gevolgtrekkingen van het geloof. Maar trage geesten bemerken dien grendel niet, omdat zij gewoonlijk evenmin de eerste als de laatste gronden hunner meeningen opzoeken. Beproeven wij echter eens het begrip van de nalleenzalig-makende kerkquot; tot zijne uiterste conseqaenties te vervolgen en gaan wij na, of de verdraagzaamheid daarnaast plaats kan vinden. Wanneer men aan de beide volgende stellingen vasthoudt: sAllen tlie niet tot de zaligmakende kerk behoo-ren , worden verdoemd,quot; »lieb uwen naaste lief als uzelvenquot;, dan is het niet mogelijk onverschillig en werkeloos toe te zien , hoe de naaste zijne verdoemenis tegemoet gaat, hoe hij door de verbreiding zijner ketterij nog andere zielen in
326
het verderf kan storten. Is zulk eene verdraagzaamheid geene misdaad ? Zou het dulden van diefstal en eenvoudi-gen lichamelijken doodslag niel veel vergeeflijker zijn dan het lafhartig voorbij laten gaan van al die kettersche ziele-moorden ? Zeker, en van dit standpunt uit, ziehzelve gelijk blijvende, is ook de geheele geschiedenis der inquisitie niet als eene afdwaling, maar veeleer als eene logisch noodzakelijke rechtspleging der machthebhende Kerk te beschouwen. Dat de afschuwelijke gruwelen der godsdienstvervolgingen uit de geschiedenis van onzen tijd verdwenen zijn , is niet alleen aan de zachtere aandoeningen der menschen-liefde, maar hoofdzakelijk aan den geest des twijfels te danken , die de onhoudbaarheid van het salleenzaligmakenquot; aan den dag bracht of althans, zooal geen rechtstreeksche ontkenning dan toch eene zekere onverschilligheid in theologische zaken te voorschijn riep. En waar nog geene onver-sclulligheid heerscht, waar nog werkelijke zoogenaamde nultramontaanschequot; ijver bestaat, daar ontbreekt de macht voor de vervolging , anders moest zij onfeilbaar plaats hebben. Maar hoe zou de dweepzucht eener geringe partij heden ten dage nog légen gevestigde , ingestelde rechten , tegen den geest des tijds , tegen de openbare meening den strijd kunnen opnemen ? Dat gaat niet aan — en dus wordt er maar verdraagzaamheid geoefend.
Tot op zekere hoogte wordt van de zijde der geloovigen ook aan de vrijdenkers verdraagzaamheid toegestaan. Hun aantal is reeds zoo gestegen , het aanzien hunner vertegen woordigers in letterkunde en wetenschap zoo onaantastbaar, dat het bijna niet mogelijk meer is hen in de ban te doen. Geen ijverig geloovige is er , of hij lelt onder zijne vrienden en hekenden verscheidene voortreffelijke menschen , die zich mei geenen eeredienst inlaten en toch eerlijke, werkelijk goede, in den edelsten zin des woords deugdzame lieden zijn; en daarom worden ook zij stilzwijgend in den
327
kring der gedulden opgenomen. Maar, zooals gezegd is: stilzwijgend en op voorwaarde, dat zij ook stil zullen zwijgen. Dat zij hunne gevoelens eropnahouden, dat wordt nog geduld — want zij zijn daarbij zeer beminnens- en achtenswaardig; maar dat zij diezelfde gevoelens uitspreken, dat is uit den Booze. Uier begint de slechtheid, leder mag voor zich zoo vrij denken als hij wil — wij leven immers in een verdraagzamen tijd — maar zulke gedachten verbreiden, dat kan alleen uit boosheid, ijdelbeid en vernielzucht gebeuren. Nu zou ik echter wel willen vragen , waarom leerstelsels, die zonder gevaar gedacht kunnen worden, ook niet zonder gevaar uitgesproken zouden kunnen worden ; waarom meeningen, die degenen welke ze koesteren, zooals men gaaf toestemt, nocb slecht noch ongelukkig maken, plotseling zulk eene uitwerking moeten krijgen , wanneer zij uitgedrukt worden ?
Ik weet wel, dat hierop het gewone antwoord zou zijn: nDenkbeelden , die althans bij enkele , hoogontwikkelde men-schen onschadelijk zijn, zouden voor den grooten hoop verderfelijk werken ; al kunnen ook veie sterke geesten den eeredlenst ontberen , voor het volk is eene zichtbare symboliek onmisbaar ... enz.quot; — Deze tegenwerping brengt echter de geheele strijdvraag op een ander terrein , omdat zij niet meer vraagt of de besprokene denkbeelden recht hebben van bestaan en hoe zij ontslaan zijn , maar ze naar het gebied der praktische gevolgen verwijst. Nu zijn echter de in zwang zijnde meeningen over de praktische gevolgen van theoretische stellingen gewoonlijk slechts onbewezene ■vooronderstellingen , slechts holle phrasen ; verder behoeft de denker — hij heete geloovlge of wijsgeer, vrijgeest of mysticus — bij het uitspreken zijner gedachte niet te letten op hare mogelijke uitwerking maar alleen op hare gegrondheid. Wie hetgene hij voor-waar-houdt verkondigt, doet dit o m d a t hij het voor-waar-houdt, en niet omdat
328
die verkondiging deze of gene gevolgen na zich zal sleepen. — Er zou onder ons menschen nooit eene pas ontdekte waarheid uitgesproken zijn , wanneer die uitspraak tegengewerkt was door de overweging van de tijdelijk volgende schade; want alle nieuwe uitvindingen , stelsels en begrippen hebben altijd, omdat zij het oude, bestaande, liefge-kregene omverwierpen of deden wankelen, voor een tijd lijden en ergernis teweeg gebracht. Dat naderhand die afzonderlijke en korte nadeelen , welke uit de nieuwigheden ontstaan zijn , door duizendvoudige weldaden opgewogen werden , is ook een geschiedkundig vaststaand feit; en met het oog op dit feil, zou dat bij eene voortgezette berekening der gevolgen nog eerder eene reden zijn om een voor-waar-geliouden nieuw denkbeeld te verkondigen dan om het te verzwijgen. Maar zooals gezegd is , eene berekening van de gevolgen mag niet als drijfveer tot en niet als taak v a n de uitdrukking der gedachten beschouwd worden.
Iets te leeren , omdat men vindt, niet dat het waar is, maar dat het goed is het te gelooven — daarin ligt een, misschien welgemeend , maar toch altijd een bedrog opgesloten. En tegelijk ook een zellbedrog, want ten slotte kan de misleiding toch onmogelijk beter zijn dan de werkelijkheid. Om anderen van eene leer — zij moge waar zijn of valsch — te kunnen overtuigen , moet men allereerst zelf overtuigd zijn. Wanneer derhalve alleen het vermeende nul en niet de waarheid eener theorie overblijft, heeft zij hare eigenlijke levenskracht verloren en moet in duigen vallen. Evenals men zelf alleen gelooven wil wal waar is, niet wat «heilzaamquot; geacht wordt «te geloovenquot;, behoorde men ook anderen geen dergelijk geloof, dat als een geneesmiddel voor de ziel moet ingenomen worden , aan te prijzen. Men heeft ook de kracht niet zulk een levenloos geloof mede te deelen. Daarom zullen ouders, die ofschoon zeiven vrijdenkend, van tneening zijn, dat hunne kinderen streng
329
geloovig moeten opgevoed worden, deze opvoediug aan eenen geloovigen godsdienstleeraar overlaten. Maar omdat zij door hun voorbeeld, hunne gesprekken de in het catechisatieuur gegevene les niet ondersteunen , aan de doode letter het leven des geestes niet inblazen, zullen de kinderen waarschijnlijk ook tot vrijdenkers opgroeien en eenmaal bij de keuze van een beroep, zeker het predikambt niet kiezen. (Stelt men zich voor, dat dit gedurende eenige geslachten zoo voortgaat, dan zullen de ouders die ongeschikt zijn om zeiven het geloof mede te deelen, steeds talrijker worden en de geloovige godsdienstonderwijzers steeds schaarscher.)
Evenmin als de meening, dat eene leer nuttig is, voldoende is om ze te handhaven , evenmin kan de meening dat zij schadelijk is, volstaan om ze te onderdrukken. Een dubbel onrecht wedervaart echter den zoogenaamden »onge-loovigenquot;, wanneer men hun verwijt, dat de vermeende schadelijkheid hunner leer juist voor hen eene reden is om ze te verkondigen, en ze daarom van opzettelijke boosaardigheid beschuldigt Geen zucht naar schandalen, geen vernielzucht is het, die het openbaar worden van sceptische meeningen bewerkt, maar het zijn dezelfde gronden , die eiken geloovige, eiken denker ertoe leiden of liever dringen om zijne beschouwingen mede te deelen. Het is diezelfde onbedwingbare behoefte die de gedachte tot uitdrukking drijft — zooals de beek tot de rivier, de plant tot het licht gedreven wordt.
Ook de vrijdenker wendt zich tot zijne geestverwanten ; zijne en hunne inzichten wil hij bevestigen en niet aan de inzichten van anderen s c h u d den, zooals de geliefkoosde verwijtende uitdrukking luidt. Dat is mijn geloof, spreekt hij, en denkt zich daarbij geen bepaald geloof als tegenstander dien hij bekeeren wil. Evenals b. v. de Katholiek het recht heeft om duidelijk te maken , waarom
330
rijne Kerk de tonfeilbarequot; heet — waardoor geen Protestant, geen Jood, geen deïst in zijne gevoelens gekwetst wordt — zoo moest ook van den vrijgeest voorondersteld worden, dat zijne uiteenzettingen niet de ondermijning van geloofsartikelen die anderen mensclien dierbaar zijn, maar de bevestiging zijner eigene, hem niet minder dierbare overtuigingen bedoelen.
In dezen zin kon een groot sterrenkundige, —die zijnen Schepper gaarne in de eeuwige werkplaats der planeten naderde — kon Johann Heinrich Madler zich aldus uitlaten;
Op deze kampplaats van bloedige meeningsgeschillen , Waar waarheid en verstand begraven liggen,
Op dezen bol waar het monster der vervolging Van de eene zegepraal naar de andere vliegt,
In dit rijk van duisternis en leugen,
Waar men de menschheid in slaap heeft gewiegd,
Hier wil ik m ij n geloof trouw b e 1 ij d e n , De wereld noeme het zooals zij wil.
Niet den God dien men Jehova noemde ,
Die heden schept en wien het morgen reeds berouwt,
Wiens ruwe bloeddorst geen erbarmen kende.
Den vijand van het medelijden en der menschelijklieid;
Die wilde leeuwen in de hutten zond ,
Omdat Hem nog geen tempel was gewijd,
Die zich niet schaamt diefstal te gelasten
En dan gebiedt: Gij zult niet stelen.
Ook niet het spooksel dat uit de hersenen
Van Athanasius, het monnikje, ontsprong
En voor wien een hoogepriester met stalen voorhoofd
Van blinde dwalenden eerbied afdwong;
Hoe het gezonde verstand ook toornde,
Het ongehoorde vraagstuk gelukte :
331
Het zwaard moet het verstand tenonder houden Tot men den God, den Eeuwige, heeft gescheiden.
In U alleen , die eeuwig boven werelden zetelt,
En dien geen sterflijk oog ooit heeft aanschouwd,
ü , die in elk rein harte woont,
Dien ieder, die ü ernstig zocht, ook vond.
ö , die de waarheid mint, de dwaling verschoont En dien geen tempel, geen heilig land omsluit; In U wil ik gelooven, uw loon wil ik verwerven,
Uwer wil ik zijn in leven en in sierven.
Zoo schreef Madler in het jaar 1830. Toen behoorde er nog meer moed toe dan tegenwoordig om zulk eene belijdenis af te leggen. Maar nooit heeft het den menschen aan moed onlbroken om uit te spreken wat zij geloofden. Eene gedachte , die zich eenmaal van het bewustzijn des tijds heeft meester gemaakt, moet doorbreken, door geene plaatselijke en tijdelijke onderdrukkingen weerhouden. Er bestaat in de geschiedenis geen voorbeeld , dat verbod , vervolging en marteling van welken aard ook , ooit in staal zijn geweest eene opkomende gedachte te vernietigen. Wel kan de wet en de vrees voor straf inzooverre doel treffen , dat op vele plaatsen en in vele tijden de verbodene gedachte niet geuit wordt, maar desalniettemin bestaat en leeft ze. Mier en daar breekt zij toch in een onverschrokken woord door. En dit alleen heeft eene stellige nawerking, eene vruchtbare kiemkracht; het zwijgen is ontkennend en maakt het woord niet onschadelijk. Waar éen overtuigde luid spreekt, baat het niet al zwijgen duizend huichelaars. Met stilhouden dient men eene zaak niet.
Een stelsel, dat overal in het rond smeekt: »0 denkt niet —o spreekt niet — o schudt niet!quot; — zulk een stelsel moet zich wel zeer zwak gevoelen en gelijkt op een kaarten^
332
huis, waarbij het spelende kind roept: tO blaast niet — mijn schoon huis, dat ik met zooveel moeite heb opgebouwd , waarin ik zooveel pleizier vind , stort anders in elkander!quot; «Maar kindlief — ik heb maar even gezucht en dacht er daarbij volstrekt niet aan om je huis omver te blazen. En — al houd ik nu om je pleizier te doen den adem in , toch zal de eerste ruk aan de tafel je lief speelgoed omgooien. Onthoud deze les voor je geheele leven : wanneer je een huis voor je bouwt, maak het dan tegen het weer bestand; trotseer de stormen , dan behoef je de zuidenwindjes niet te smeeken : o blaast niet!quot;
Zoolang de Kerk de macht had twijfelaars en ketters te verbranden , smeekten hare aanhangers ook niet zoo deemoedig om het stilzwijgen harer tegenstanders. Maar tegenwoordig is die macht gebroken , haar geest uit de maatschappij verdwenen; derhalve kan er geene sprake meer zijn van vervolging, van bestraffing, van banvloek tegen vrijdenkers. Toch is er nog een zekere zedelijke ban overgebleven, een onbewust verdoemen uit kracht der gewoonte; want de geloovigen hebben zich nog maar niet kunnen afwennen om aan de ongeloovigen te bevelen hunne denkbeelden , wel niet af te zweren , maar toch te verzwijgen.
Degenen die overeenkomstig dit bevel handelen , doen het waarlijk niet, omdat zij inzien, dat hun verzet gevaarlijk zou kunnen worden voor het algemeen, of omdat zij hopen door hun zwijgen eene — weliswaar ontkende maar hun toch achting afdwingende — zaak te dienen , maar zij gehoorzamen eenvoudig uit liefde tot zichzelven , uit gemakzucht; om zich verdriet te besparen ; om zich geen veroordeelend vonnis, geene miskenning op den hals te halen, waarop zij door eene oprechte belijdenis van hunne gezindheid anders van zekere zijde stellig zouden kunnen rekenen. Voor al de schatten der wereld zou ik bijvoorbeeld dit hoofdstuk mijnen geëerden buurman , graaf li., niet willen voorlezen. Ik zou
333
daardoor in de oogen van den clericaal-feudaal gezinden groolen lieer tot eenen lasteraar, lot eenen sschudder aan het heiligstequot; of minstens — misschien is hij ook verdraagzaam — lot eenen plebejer naar den geest, tol eene soort van burgerman in mijne denkwijze afdalen ; want de aristoeralische geest is met een instincimaligen afschuw vervuld van twijfelzucht, in welken vorm ook. In mijn geval zou het ook nutteloos zijn en gebrek aan tact verraden , wanneer ik tegenover dien beminnelijken ouden heer met de beschouwingen die ik hier uitdrukte, voor den dag kwam. Wat meer is, het zou in tegenspraak zijn met de achting die ik aan zijne overtuiging — al deel ik ze niet — van harte toedraag. En niet alleen lerwille van mijne gevoelens , maar vooral lerwille van de zijne, zou ik over dit onderwerp zwijgen. ïe weten , dat men door eene meening te uiten den aangesprokene kwetst, is zeker eene voldoende aanleiding om ze niet te uilen. Voor zulke gevallen heeft men zekere, vaak herhaalde waarschuwingen niet noodig — dan is mijn stelregel genoeg: nVooral niemand leed doenlquot; Maar iels anders is het, met ruwe ontkenning tot de afzonderlijke personen ie komen , die in hun geloof troost en vreugde vinden , tegen hen eene taal te voeren die ze toch niet zouden verslaan en die hen slechts in hun vroom vertrouwen zou kunnen schokken ; — en iels anders is het, zich tegen geestverwanten of tegen onbevooroordeelde vragers uit te laten. De eerste handelwijze vooronderstelt altijd ruwheid van gemoed. Denkt men alleen aan dergelijke gevallen , dan mag zeker de uiting van sceptische mee-ningen hatelijk schijnen. Wal zou hel een hardvochtige vlegel met een gemeene ziel moeten zijn, die bij eene biddende moeder aan het bedje van het zieke kind kwam en zeide; — ïBid niet, de ziekte moet haar beloop hebben of die den stervende die spreekt; i)Tot weerziens!quot; antwoordde: «Wie weet?quot; —of die bij eenen armen monnik,
334
die de aarde onherroepelijk voor den hemel heeft opgeofferd, de hoop op dien hemel verzwakie; — of die eenen edelen priester, die met zelfopoffering en liefdevol zijn ambt waarneemt, de verschuldigde achting ontzegt, — of die met gedekten hoofde een altaar naderde , waaromheen de biddende schare knielt... Waar met znlke daden van persoonlijke ruwheid , met zulk een bepaald gebrek aan tact en gevoel is het openbaar worden der twijfelzucht niet te verwisselen. Bij eenig nadenken moet het duidelijk zijn, dat iedere meening, de strenggeloovigste zoogoed als de ongeloovigste, in hare uiting ongepast, onnadenkend en pijnlijk kan zijn, al naar gelang van de plaats en de omstandigheden, waar zij optreedt, lien ijverig Protestant, die, door den paus ten gehoore toegelaten , eene toespraak tot hem hield over bijgeloovige vereering der heiligen ; of een Katholiek , overtuigd dat zijne kerk de alleenzaligmakende is, die aan eenen stervenden Protestant de hel voorspelde; of de voorlezing van een christelijk godsdienstig boek aan het hof van den Khedive; — ja al was het maar het teeken des krui-ses in eene synagoge; — dat alles zou even laakbaar zijn , als de bovengenoemde, aan den vrijgeest toegedichte handelwijze.
Wanneer derhalve orthodoxen zoogoed als vrijzinnigen in bepaalde gevallen verkeerd kunnen handelen door voor hunne meening uit te komen , kan daarom toch nog niet aan allen het recht om zich te uiten in het algemeen ontzegd worden. Wat van den kansel tot eene gemeente die éen is in geloof, gesproken wordt, wat de wijsgeer van zijn katheder voorleest, wat de denker in zijne boeken neder-legt — dat alles behoelt aanhangers van een ander geloof volstrekt niet te verontrusten. Wie tot het publiek spreekt, wie zijne gevoelens laat drukken, wordt alleen gehoord en gelezen door degenen die hem willen hooren en lezen; hij zal dus in zijnen kring grootendeels geestverwanten tellen ; en gelukt het hem weifelaars tot zich te trekken , dan
335
zullen zij uit eene vrije keuze van het verstand tot hem overgaan en daarin geene smart, geene pijn, maar veeleer geruststellende bevrediging vinden. Een Renan, een Strauss, een Vogt, wendt zich in zijne geschriften evengoed lot de zijnen als een aartsbisschop dit in zijnen herderlijken brief doet. (Alleen met dit onderscheid , dat in den herderlijken brief Renan\'s boek veroordeeld wordt om door de vlammen vernietigd Ie worden , terwijl Renan er geenszins aan denkt om herderlijke brieven te verbranden.) Dewijl elke meening recht heeft van bestaan en ten slotte ook — zonder vragen — van het recht om zich te uiten gebruik maakt, heffen de wederkeerige aanvallen elkander op; de bevestiging van haar eigen bestaan, die elke meening zelfstandig voor zich bewerkt, mag volstrekt niet als een aanval op bepaalde andere meeningen beschouwd worden , maar als een openbaring van de zucht tot zelfbehoud, die in alle dingen van het geestelijke zoowel als het organische leven woont.
Een mensch die zegt; sik ben pantheïstof upositivist of imaterialistquot; en daarbij de redenen uiteenzet die hij voor zijne opvatting heeft, zegt daarmede slechts voor zich-zelven de waarheid en wil daardoor noch den paus , noch het opperhoofd der Mormonen , noch baron Rothschild, noch den Sultan, noch den keizer van China , noch mevrouw zijne tante beleedigen, ofschoon die allen hem gevoeglijk konden aanklagen , dat hij geschud heeft aan hetgeen hun het dierbaarsten het heiligst is, en ofschoon mevrouw zijne moei die aanklacht ook inderdaad indient.
Geen leed willen doen, de overtuiging van tegenstanders eerbiedigen , niet nutteloos twijfel wekken aan geliefkoosde verwachtingen van het geloof, — dat alles is slechts eene persoonlijke toegevendheid die alleen in bijzondere gevallen te pas komt; wilde men ze op de algemeenheid overbrengen , dan zou ze elke geestelijke mededeeling onmogelijk maken, want de spreker of de schrijver kan er altijd zeker
336
van zijn, dat er zich in de gehoorzaal of onder het lezend publiek eenige personen bevinden, met wier tneening hij in tegenspraak is en die zich daardoor geërgerd kunnen voelen. En al zijn er ook velen die om deze reden in hunne boeken en in hunne voordrachten uit voorzichtigheid vermijden rechtstreeks voor hun gevoelen uit te komen en zich altijd beijveren om eencn verzoenenden toon aan te slaan, die allen tevreden moet stellen, dan verlammen zij daardoor slechts hunne eigene uitspraken, die dan noch aan deze noch aan gene zijde versterkend werken , maar meestal naar alle kanten ergernis geven. Ook verhindert deze halfheid niet, dat er altijd menschen zijn die ten volle ule courage de leur opinio»quot; bezitten en dat derhalve de beleedigende beschouwingen, waarvoor men angstig uit den weg is gegaan, toch in zwang blijven. Maar door het boek dat ik n i e t schrijf, door de rede die ik n i e t uitspreek , kan ik aan de zaak der tegenpartij — al wilde ik ook — geenen dienst bewijzen. Degenen die aan hun geloof vasthouden en den moed en de kracht daartoe in zich gevoelen, mogen bet door woord en schrift verdedigen, maar niet begeeren, dat anderen hun daarbij door hun zwijgen behulpzaam zijn.
Er staat voor den twijfelgeest een methode open om zich te doen gelden , welke buiten het bereik van de opgenoemde gewone verwijten is en die tevens het allerzekerst tot het doel voert. Namelijk om met volkomen voorbijgang van het betwijfelde onderwerp zijn tegengestelde krachtig te bevestigen. De twijfelzuchtige leeraar zal niet zeggen; »dit of dat is niet\'\', maar hij levert het bewijs van het bestaan van iets, dat het niet-zijn van het — door hem in het geheel niet genoemde — tegengestelde ding in zich sluit, zoodat bij den hoorder — in zooverre hij het bewezene heeft begrepen — de ontkenning van zelf oprijst. In het algemeen is de sceptische geest veel
337
meer tot bewijsvoering verplicht ilan de geloovi^e. De twijfel kan niet gepredikt. hij kan slechts logisch aangetoond worden. De menigte is niet zoo gemakkelijk tot twijfelen te brengen als tot gelooven. Terwijl het gebiedende woord »geloofquot; voldoende is om een geheele reeks van op zich-zelven geheel onhoudbare dingen geloofwaardig te maken , als slechts deze éene voorwaarde aanwezig is , dat de onderwijzer in het bezit is van de overgeleverde waarheid; mist daarentegen het niet met bewijzen gepaarde igeloof nietquot; doorgaans het vermogen om zich mede te deelen. Dat woord gaat meestal van onbekende, ongeroepen stemmen uit, en moet derhalve onderzocht worden of het wel steek houdt, terwijl het woord tgeloofquot; van geroepen zijde komt, van de ouders, de waardigheidbekleeders instaat, school en kerk, en geene andere voorwaarde voor zijn recht kent, dan de erkenning van het gezag.
Maar naast het gezag van het geloof neemt in onze maatschappij het gezag der wetenschap in steeds hoogere mate toe. Ik zeide tnaastquot;, al begint het reeds itegenquot; en zal het ook eindigen met nbovenquot; te heeten. Tegenwoordig is het echter in vele opzichten nog naast. Beiden staan onloochenbaar in hoog aanzien en eerbiedigen elkander bij eene ontmoeting meestal wederkeerig : — de puissance h puissance. Om den schok te vermijden , dien beide soorten van gedachtenreeksen zouden moeten veroorzaken , wanneer zij zich op hetzelfde veld bewogen , wordt gewoonlijk door beide machten bij de ontwikkeling harer theorieën de andere niet bestreden maar stilzwijgend voorbijgegaan. De prediker — die toch voor geleerdheid en wetenschap in het algemeen de grootste achting aan den dag legt — doet, zoodra hij den kansel betreedt, — alsof de uitkomsten der wetenschap in het geheel niet bestonden ; en de professor aan eene universiteit — die zijnerzijds van hoogachting doordrongen is voor godsdienst en kerk — houdt onbeschroomd zijue anthropologi-i. z. 22
338
sche en geologische voorlezingen, alsot er nooit eene geopenbaarde geschiedenis der schepping verkondigd was. Onder de leeken , die van dit heusche doodzwijgen niets bemerken en in hun binnenste ook dien dubbelen eeredienst van wetenschap en vroomheid huldigen, heerscht een schuchtere en gemaklievende stemming in de reeks van gedachten. Zij denken maar tot op een zeker punt en vermijden voor beide richtingen van het denken den weg der laatste gevolgtrekkingen. De denkgymnastiek van het geloof heeft hen in de kunst geoefend om de galoppeerende slotidee af te weren. Wie echter in de eene of de andere richting moedig lot aan de uiterste grens gaat en niet blijft staan op het punt waar de vragen uiteenloopen, zal aan den eenen kant moeten vinden , dat ieder onbewezen geloof een bijgeloof — of aan den anderen kant, dat de alle gezag verwerpende wetenschap een ijdel, voor de ziel gevaarlijk satanswerk is. .Maar door zulke overdrevene uitdrukkingen stelt men zich bloot aan het gevaar door zijn tegenpartij een lasterlijke vrijgeest of een bekrompen duisterling genoemd te worden, in plaats van het rustige aanzien van een vromen , verlichten , naar kennis dorstenden geloovige te genieten. De tegenspraak die in de laatste woordkoppeling ligt, wordt ook met opzet over het hoofd gezien of men tracht ze kunstig te verzoenen. Maar de geest des geloofs en de dorst naar kennis kunnen niet lang naast elkander gaan; de ware consequentie van den eerste is een afstanddoen van verder onderzoek en de geest des on-derzoeks kan pas verder doordringen, waar reeds afstand is gedaan van het onvoorwaardelijk geloof. De mensch zou zoo gaarne van alles hebben. Waar twee begrippen niet vereenigd kunnen worden, beproeft hij toch de met beiden verbondene voordeelige kenmerken lot zijn nut aan te wenden , al de goedklinkende woorden op zichzelven toe te passen, vergetende dat, «wanneer twee hetzelfde doen, hel niet helzellde isquot; of wel wetende, dat de meeste men-
339
schen zicli de moeite niet geven een woord op te lossen in al de bestanddeelen van zijnen inhoud. — üe geloovige wordt geacht en met recht; — de onderzoeker wordt geacht, en met recht; — dubbele achting dus voor den geloovigen onderzoeker 1 Dat is evengoed alsof men zeide : De man wordt bemind , — het kind wordt bemind : dubbele liefde dus voor den kinderlijken man, het mannelijk kind I
Woorden! Woorden! Zij zijn zulk een gemakkelijk omhulsel van den zin , dat ze verwisseld en omgegooid kunnen worden , zonderdat er van dien zin veel te voorschijn komt. Alleen de woorden worden opgelezen , op de schaal gelegd , aan hen alleen wordt aanstoot genomen en de verborgen zin gaat in zijn woordenkleed zonder gevaar door duizend handen, alleen verstaanbaar voor den ingewijde en voor hem die verstaan wil.
Op deze manier kan de wetenschap stellingen opwerpen, die in lijnrechte tegenspraak zijn met vele godsdienstige leerstukken en den aanhangers dezer laatsten toch geen ergernis geven. Wanneer de krasse ontkennende vorm, wanneer de verbodene woorden maar weggelaten worden, kan men alles zeggen. Wanneer het b. v. ketterij was aan te\'nemen, dat tweemaal twee vier is, zou men ongestraft kunnen zeggen : het is vijf min een , of de helft van acht — maar voor niets ter wereld ronduit vier. Even aanstootelijk zouden velen de bondige uitspraak vinden, dat de geschiedenissen van Adam en Eva, van den toren van Babel en dergelijke slechts kinderlijke fabels zijn . terwijl diezelfde personen toch aan den arbeid der natuur- en taalonderzoekers, die geheele boekdeelen met verhandelingen over den oorsprong van het menschelijk geslacht, over het ontstaan der talen schrijven , de hun toekomende achting bewijzen. Wel levert die arbeid het onomstootelijk bewijs, dat alle organismen allengs ontslaan zijn en zich langzamerhand ontwikkeld hebben, en wie zich van de waarheid van dit betoog laat
340
doordringen , kan onmogelijk meer tegelijk aan een uit den hemel gevallen menschenpaar gelooven, noch aan voltooide talen die tijdens den bouw van een toren plotseling ontslaan zouden zijn, om bijwijze van straf verwarring te stichten.
Maar tot deze besluiten, die als logische consequenties uit eene leer voortvloeien , geraken , wanneer zij niet uitdrukkelijk worden medegedeeld, alleen degenen die ertoe komen willen en de gelooviggezinden verschansen zich opzettelijk daartegen. Wat niet met zwarte letters gedrukt staat, zien ze niet en ze hopen dat de anderen het ook niet zien — evenals de struisvogel die meent, dat ook zijn vijanden niets meer zien, wanneer hij zijnen kop verbergt.
De van verschillende zijden door sommige schrijvers genomen proeven om geloof en wetenschap met elkander te doen overeenstemmen — die overigens maar zelden oprecht overtuigde doch meestal door godgeleerden uit esprit de corps vervaardigde gelegenheids-geschriften zijn — kunnen ook alleen volgens den genoemden denktrant uitgevoerd worden , die beide uiteenloopende theorieën met geweld van hare laatste gevolgtrekkingen terughoudt. Een geliefkoosd wapen der geloovigen tegen vrijdenkers is het verwijt van «halve beschavingquot;, van «oppervlakkig weten.quot; Daardoor moet de menigte zich natuurlijk getroffen gevoelen , want de meeste menschen dragen de bewustheid met zich om, dat zij geen iNewton, geen Herschel, geen Helm-hotz zijn ; en tevens blijft voor den verwijtende de schijn bewaard, alsof hij zelf veel verder in de diepten der kennis doorgedrongen is . alsof hij — de twijfelaars aan de oppervlakte achterlatende — het punt bereikt heeft, waar de wetenschap met het geloof overeenstemt.
Dit wapen is niet eerlijk. Niet eerlijk, omdat het niet tot tegenweer gebruikt kan worden. Want wie zou eenen geloo-vige kunnen beschuldigen , dat hij niet bedreven is in de Evangeliën, de kerkvaders en de besluiten der kerkver-
344
gaderingen ? Wie zou den boerenjongen die in eene processie meeloopt, kunnen te laste leggen, dat zijne overtuiging misschien alleen op godgeleerde halfbeschaving, op oppervlakkige kennis van het kanonieke recht berust 1 Wat den een toekomt, moet den ander ook toegestaan worden ; evenmin als de godgeleerde van zijne aanhangers vordert, dat zij door eigen onderzoek, door grondige studie hunne meening te rechtvaardigen hebben , evenmin mag men van den vrijdenker eischen, dat hij alle bijzonderheden van hel stelsel kent, met welks geest hij het eens is. Ook in het weten — niet alleen in het geloof — wordt in vele stukken het gezag gevolgd Men behoeft niet zelf den Kosmos te kunnen schrijven en kan toch zeer goed bij Alexander von Humboldt zweren , evenals men geene algemeene kerkvergadering behoeft bijgewoond te hebben, om alle leerstukken aan te nemen die daarvan uitgingen. Geen men-schengeest is groot en ruim genoeg om alle bijzonderheden te leeren kennen, waaruit de voorraden van kennis en gedachten bestaan , die het gehcele menschdom bijeengebracht heeft. Maar het onderscheid tusschen hel gezag dat de ge-loovige, en het gezag dat de vrijdenker volgt, is: dat het eerste opgedwongen . het laatste ter keuze van het verstand gesteld wordt; dat het verboden is, het eerste in zijne besiand-deelen te onderzoeken en het laatste door iedereen in zijne elementen kan opgelost worden ; het eerste mag alleen als een onomstootelijk punt van uilgang voor alle verdere afleidingen beschouwd worden ; hel laatste mag ieder voor zich uil eigene inductie eerst samenstellen ; het eerste is een door «Gods genadequot; ingesteld autocraat, hel laatste een bij meerderheid van stemmen gekozen vertegenwoordiger eener gezindheid. In ieder geval — zonder verdere vergelijkingen — behoorden de voorstanders van hel eerste gezag , dat op hel verbod van onderzoek berust, er den voorstanders van het laatste geen verwijt van te maken, dat het niet voldoende onderzocht is.
342
Tegen het hier gezegde zou misschien met eenigen schijn van grond liet bezwaar kunnen ingebracht worden , dat aan twee zoo tegenijestelde dingen als godsdienst en godsdienstloosheid niet dezelfde maatstaf van recht aangelegd kan worden. Maar nu blijkt het weder duidelijk, hoezeer zij de slaven der laai zijn , en wal al begripsverwarring er wordt aangericht, naarmate de woorden willekeurig of opzettelijk uitgebreid , samengetrokken of omgekeerd worden.
liet woord «godsdienstquot; bevat de verhevenste vlucht van den monschelijken geest, de edelste gevoelens van het men-schenhart in zich ; het is een ruimer algemeen begrip dat zicli over hel geheele gebied aller deugden , aller plichtsbetrachting , aller ethische, moreele en transcendente begrippen uitstrekt. Nu heeft echter het spraakgebruik medegebracht , dat al de onderscheidene eerediensten en belijdenissen zich het woord «godsdienstquot; tot naam toegeëigend hebben. Men zegt, de Joodscbe, de Christelijke godsdienst, en bij deze nog in onderafdeelingen, de Katholieke, Evangelische , Luthersche godsdienst enz. De algemeene naam wordt zoodoende valschelijk aan elke onderafdeeling van het geheele begrip geschonken en daardoor ontstaat in de opvatting een even valscli aanknoopen der algemeene kenmerken aan de voorstelling der bepaalde afzonderlijke vormen. En zoo gebeurt bet, dat de verschillende godsdiensten (die juister belijdenissen moesten heeten) met godsdienst in het algemeen verwisseld worden, liet laatste begrip — dat in den zin der rechtzinnigheid eigenlijk in het geheel geen meervoud toelaat — moet dan zijne gezamenlijke kenmerken aan eiken afzonderlijken afscheidingsvorm afslaan en schijnt geheel te verdwijnen , waar het zich naar geen der ingestelde vormen schikt. Wie geen belijder is van eenen der talrijke godsdiensten , is — volgens bovenstaande wijze van beschouwing — zonder godsdienst , bijgevolg ontbloot van al die deugden van geest en hart die van de verschillende kansels geleeraard worden.
343
En dewijl de eene valsche redeneering de andere na zich sleept, vertoont zich ook in de aanwending van het woord gt;ongodsdienstigquot; dezelfde begripsverwarring. Drukt men namelijk alles wat deugdzaam, verheven en beminnenswaardig is, met de benaming sgodsdienstigquot; uit en vat men tevens de godsdienstigheid als het uitsluitende kenmerk der verschillende — zich godsdiensten noemende — belijdenissen op, dan volgt daaruit vanzelf, dat alle buiten de grenzen der belijdenis beslaande gezindheden met het woord «ongodsdienstigquot; in den zin van slecht, laag en hatenswaardig bestempeld moeten worden. Hoe weinig dit woord in genoemden zin echter steek houdt, wanneer men het op alle vrijdenkende menschen wil toepassen, — dat behoorde toch elke nog zoo strenggeloovige uit ervaring te weten, want — ik herhaal het — in onzen tijd leeft niemand meer in gezellig en geestelijk verkeer, die niet talrijke vrijdenkende vrienden en vrijschrijvende auteurs waardeert. Ongodsdienstig behoorden die personen te heeten, — onverschillig tot welken uitwendigen vorm van eeredienst zij behooren — die buiten staat tot iedere verheffing van gedachten, ruw en stompzinnig, er volstrekt niet naar vragen , wat recht is en onrecht, maar die hetgene zij erkennen onrecht te zijn toch doen uit hartstocht en zelfzucht, en datgene wat zij erkennen recht te zijn , toch uit traagheid en zwakheid nalaten.
Dat zijn de voorstellingen , die de uitdrukking tongods-dienstigquot; met éenen slag bij den hoorder doet opkomen en die dan met het schijnbaar van dezelfde beteekenis zijnde ïgodsdienstloosquot; verbonden worden; daarom heeft ook de uitdrukking »tot geen kerkgenootschap behoorendequot; — hoewel zij voor de burgerlijke wet recht heeft van bestaan — voor de meeste ooren nog zulk eenen hatelijken klank. Wie er rond voor uitkomt tot geen nkerkgenootschap te behoorenquot; schijnt daarmede eene schaamtelooze bekentenis af te leggen van deugdenloosheid , beginselloosheid , goddeloosheid , niet éen woord van roekeloosheid.
Het wordt lijd, dat de geheele groote naamlooze gemeente van lien die de wereld liefst als een geheel beschouwen , dat de dagelijks toenemende secte dergenen die tol geene secte belmoren , eindelijk eens den onlkennenden Torm laten varen , waarin zij lol nogloe hare gezindheid openbaarde, dat zij luide bekend maakt, wat zij is en niet langer duldt, alleen onderscheiden ie worden door helgene zij niet is. Dal laatste brengt eene soort van zedelijke ballingschap mede, eene godsdienstige onaanhoorigheid , die met al de onaangenaamheden en plagerijen verbonden is , welke bijvoorbeeld iemand zonder pas en bewijs van inschrijving in zijnen burgerlijken staal te lijden heeft, en om deze nadeelen te ontgaan , legt menigeen die in slille tot geene belijdenis behoort, valsche getuigschriften van geloof over.
Dat de tijd niel verre meer is, waarin de grooie nog zwevende nieuwe wereldbeschouwing eene gestalte zal aannemen , kan men , zonder door een profelischen geest verlicht te worden , gerust voorzeggen. Het woord zal vleesch worden. Dal was reeds in oude tijden eene stelling, die zonderdat men zich wellicht bewust was hoeveel wijsheid ze bevatte, met nadruk werd uitgesproken. Eene stelling, die niet alleen voor de beide Testamenten opgaat, maar die de groote wel verkondigt, volgens welke hel woord , dat is de gedachte, zoodra zij eenmaal in het algemeene versland begon te ontkiemen , zoolang leeft en streeft, tol zij eenen tastbaren vorm heeft aangenomen , lot zij zich openbaart, lol zij vleesch geworden is. Kenen nieuwen godsdienst laat zich pas verkondigen , wanneer hij reeds lang bestaal, Evenzoo slaat de bliksem pas in , wanneer de eleclricileil zich reeds lang in de wolken heeft opgehoopt. Maar wij zien alleen den bliksem en hij komt ons voor als hel korlbegrip van het plotselinge. Wanneer door de heldere vlam eener inslaande gedachte eene menschelijke gedaante — die in deze seconden ter plaaise was—verlicht werd, dan gelooft men
345
naderhand, dat zij hel geweest is, waarvan de vlam uitging. Zoo wordt dan de persoon die in het juiste oogenblik uitspreekt wat duizenden om hem heen denken , tot stichter van de licht geworden gedachte benoemd.
Wie zou nog het bestaan miskennen van dat stelsel zonder naam , zonder statuten , door geen bepaald persoon vertegenwoordigd, dat tegenwoordig in ijlen vorm de wereld van het denken vervult? liet staat tusschen de regels onzer beste boeken , het wordt buiten hei leerplan om aan alle hooge-scholen onderwezen , het beweegt zich zwijgend in de kringen der maatschappij en der familie, het heeft rang aan het hof, zitting in het parlement, steun bij het volk. Zijne aanhangers tellen bij millioenen , zijn geest bezielt de kunsten, zijn druk dwingt de wetten. En toch bestaat er nog geen woord voor in onze taal, geene plaats in onzen staat, geen zinnebeeld in onze geschiedenis. Maar woord, plaats en zinnebeeld zijn slechts de uiterlijke teekenen, waarmede eene zaak hare eindeiijke openharing omgeeft, de zaak zelve is reeds sedert onheugelijke tijden werkzaam geweest. In onze vaak zoo verkeerde opvatting van hetgeen er geschiedt, wil het ons toeschijnen alsof een stelsel, eene instelling, een godsdienst van het oogenblik dagteekent, waarop voor het eerst een nieuw woord uitgedacht, eene nieuwe leer gepredikt werd, terwijl de ware gang van zaken juist andersom is: iedere naam, dien men voor eene nog onverstaanbare zaak wilde uitdenken , is eene doode letterreeks, en elke verkondiging eener nog niet vooruit begrepene leer is eene prediking in de woestijn. Op het tijdstip echter, waarop de nieuwe leer tot het bewustzijn van haar bestaan ontwaakt, waaroj) zij door den tijdgenoot erkend en tastbaar waargenomen wordt, bemerkt men eerst, dat zij er eigenlijk reeds lang was; nu zal men hare geschiedenis tot het begin toe vervolgen ; haren oorsprong aan lang geleden — indertijd onopgemerkt voorbijgegane — voorvallen en personen vast-knoopen; eene geschiedkundige wieg voor haar in orde
346
brengen en pogingen doen om het uur harer vermeende geboorte op te geven. Maar al staat zij ook voor dwalingen bloot bij dien vorscbenden terugblik, zooveel is zeker: de nieuwe leer, wier kiem zich reeds lang ongezien ontwikkelde, heeft nu het daglicht aanschouwd; de vormlooze stof is tot eene gestalte, de zin tot een woord geworden Namen en zinnebeeld zijn gereed; nu verzamelen en vereenigen zich de vroeger verstrooide aanhangers, zij herkennen elkander, zij komen voor hunne belijdenis uit, zij hebben nu een banier waaromheen zij zich kunnen scharen.
Op dit punt is het stelsel dat ik bedoel, de moderne gedachte die de wereld als een geheel beschouwt, nog niet aangekomen. Wij leven in den tijd , dat zij nog maar in onvolkomen toestand aanwezig is. Maar de menigte erkent alleen wat geboren is. Wat rondom ons in eenen slaat van wording verkeert, wat uit volle kiemkracht, met opbruisend levenssap naar het licht streeft, willen de meesten niet erkennen; zij houden het voor eene onbeduidende, ongerechtvaardigde, voorbijgaande afwijking die onderdrukt moet worden. In dit licht beschouwden de Farizeërs het ontwakende Christendom, later deed zich de het hoofd opstekende Hervorming aldus voor aan het oog der inquisiteurs. Tegenwoordig is bet nieuwe geloof — toi nogtoe onder den naam ongeloof bekend — aan de beurt.
Hier kunnen wij echter, zonder blind te zijn , de aanstaande geboorte niet ontkennen. Hier blijkt het een feil, dat de massa der aanhangers reeds gereed staat, nog voordat het stelsel geboren is. Kon men hel getal der confessi-oneelen en nicl-confessioneelen in twee weegschalen leggen en was tevens het gewicht naar de wederzijdsche graden van beschaving en geestontwikkeling geregeld (op deze manier zou bijvoorbeeld éen Ilaeckel, éen Stuart Mill, éen Alfred Fouillée tegen geheele dorpsparochies opwegen), dan mag men genist aannemen , dal ile schaal niet de bevangenen door hel geloof—al zijn daaronder ook vele hooggestemde
347
naturen en zeergeleerde geesten — hoog in de lucht zou vliegen! En wat deze schaal naar heneden doet gaan, zijn de zware gewichten der gewoonte, is de geweldige kracht van de overlevering.
Toch is, geloof ik, de ure der werkelijke geboorte van die grooie, in de geheele verstandelijke wereld zich roerende geloofsvrucht niet verre meer. lieeds zijn de weeën begonnen. In alle kerken, scholen , parlementen klinken de proclamaties en protesten ; ministers van onderwijs worden voor godsd:enstvervolgers, bisschoppen voor vernietigers van het onderwijs aangezien ; op de kansels wordt staatkunde behandeld, in de volksvertegenwoordiging worden godsdienstige gesprekken gevoerd; de radicale bladen spreken openlijke heiligschennis uit, de ultramontanen openlijke vervloekingen ; de geestelijkheid bidt voor zichzelve in den naam der vrijheid die zij vroeger nooit aan anderen wilde toeslaan , — en omgekeerd — het staatsbestuur (wet-Ferry, artikel 7) zou tegen de priesters gaarne den gezagsdwang aanwenden, die vroeger altijd aan de priesters verweten werd. Ik vrees, ik vrees zeer, dat er in deze geboorte-strijd nog veel smartelijke — nog veel bloedige wonden zullen toegebracht worden... Er zullen nog vele bittere ongerechtigheden , nog vele wreedheden begaan worden — vooral door de sterkslen, dus tegenwoordig door ile leeken.
Het blijde optimisme, dat mijne geheele wereldbeschouwing doortrekt, verhindert mij niet hier zwarte stippen te zien. Want nu komt niet liet Al ter sprake, maar het door ons bewoonde plekje, de aarde ; niet de wentelende loop der millioenen jaren, maar onze, op het werelduurwerk met den secondewijzer aangeduide eeuw. En het is maar al te waar, men ziet nog treurige, barbaarsche dingen. Er worden nog oorlogen gevoerd; de vragen van het recht worden nog met wapenrumoer, de vragen der waarheid nog met luidklinkende beleedigingen uitgevochten , want recht noch waarheid zijn bekend genoeg om door de kracht
348
hunner eigene geldigheid le zegevieren. Dat alles is hoogst treurig voor ons, die in dit nog zeer oorspronkelijke ontwikkelingstijdperk van het menschelijk geslacht leven, maar van het standpunt van het absolute is het niet treuriger dan een twist in een mierenhoop. Alles zal en moet helder worden, maar wij zijn nog in het duister. Ik wil zeggen — in de schemering. Want reeds zien wij uwe stralen, o eeuwige waarheid, al is het nog met een mat schijnsel, de toppen der bergen aanraken en hebben wij een voorgevoel van uwen vollen glans I
Zoo ben ik dan, al erken ik ook al het dreigende ongemak , toch weer bij de vermelde optimistische beschouwing aangekomen. Gij de bezichtiging der groote trekken waai mee de geschiedenis der menschheid de beelden van haren vooruitgang ontwerpt, moet men nooit voorbijgaande alleenstaande gevallen in aanmerking nemen , want dit is de fout waartoe alle kortzichtigen , of allen wier persoonlijk belang ermede gemoeid is, vervallen, wanneer zij hun licht laten schijnen over de vragen des tijds. Deze fout draagt de schuld van de meeste in zwang zijnde val-sche waardeeringen der dingen, van talloos misverstand, liet kleine leed dat met elke hervorming onvermijdelijk gepaard gaat, wordt naar de meerdere of mindere mate van hartstochtelijkheid dergenen wien het treft, maar toch altijd vergroot voorgesteld en dan niet als een bijkomende omstandigheid , maar als het algemeen karakter der betrokken hervorming bejammerd. Is het woelige overgangstijdperk eenmaal voorbij, is het vuurproces doorgestaan, waardoor het goud van \'s menschen geest, van slakken bevrijd , uil den smeltkroes des tijds tevoorschijnkomt, dan eerst beschouwt men het ondergane lijden in zijne juiste verhouding tot de verworvene winst, en geeft toe , dat het oneindig klein en onbeduidend was. Zoolang het mensche-lijke oordeel bij het meten der gebeurtenissen niet streng naar de wetten der doorzichtkunde, niet met eene meet-
.\'149
kunstig nauwkeurige berekening der verhoudingen te werk gaal, zoolang zal ook de voor de oogen dansende mug grooter genoemd worden dan de zon, die achter deze mug wegschuilt.
Bij eene onpartijdige beschouwing van de tegenwoordige beweging der geesten, van de pogingen van het algemeen verstand om alle boeien af te schudden , moet men erkennen , dat het niets anders is dan een eenvoudig voortrollen van den stroom des tijds, die onophoudelijk , zoolang de geschiedenis heugt, in dezelfde richting — zonder zich ooit te laten terugvoeren — vloeide. [)e in driehonderd jaar afgelegde weg van het middeneeuwsch geloofsfanatisme tot op onze conventioneel-verdraagzame onverschillige fatsoenlijke vroomheid is een veel langere en door veel heviger strijd gekenmerkte afstand dan die, welke thans nog tusschen het uit gewoonte lijdelijk erkennen der oude godsdiensten en de openbare verkondiging van den opkomenden wereldgodsdienst — de kosmodoxie — ligt.
De pleisterplaatsen op die achter ons liggende heirbaan — die zeker niemand op aarde meer tot aan het begin zou willen terugwandelen — heeten : verdrijving der Mooren , Jodenvervolging , Ibrtholomeusnacht, heksenprocessen. Flagellanten , duivelbanner), dertigjarige oorlog — wat zijn daarmede vergeleken onze kleine onaangenaamheden in kerk en school ? — lin wat vlammen , zwaard en hartstochtelijke geestdrift niet konden stuiten — den wasdom van den vrijen onderzoekenden geest — dat zou thans nog omlaag worden gehouden door het schuchtere; »Üschudt daar niet aan 1quot;?
Eenigen tijd geleden heeft een Engelsche pair, markies Queensbury, aan den redacteur van het dagblad gt; Vanity Fairquot; een schrijven gericht, waarin hij verklaarde bij uitersten wil bepaald ie hebben , dat hij in zijnen luin moest bijgezet worden : ))hij verlangde niet in gewijde aarde te rusten , want hij was geen Cl» riste n.quot;
350
Dal woord is als een dynamietbom ondei\' het publiek gevallen. Vermelellieid saudacityquot;, onbeschaamdheid werd lord Queensbury\'s verklaring genoemd en heele preeken tegen de verdorvenheid des tijds aan deze huiveringwekkende verklaring vastgeknoopt. — Geen Christen !! Volgens de opvatting der hoorders klinkt uil dat woord weder de verwerping van alle deugden, die onder den naam christelijke deugden bekend slaan. Het gezegde: «Ik ben een Christenquot; heeft zoo dikwijls gediend om in korte woorden uit te drukken: »lk bemin mijnen naaste als mijzelven; ik streef ernaar om deugdzaam te zijn; ik ben deemoedig, eerbiedig, geduldig enz.quot;, dat de tegenovergestelde woordenreeks : »Ik hen geen Christenquot; even kort het tegendeel tan alle bovengenoemde voortreffelijkheden schijnt uit te drukken. Dat deze opvatting weder uit een valsche sluitrede ontstaat, moet bij eenig nadenken duidelijk blijken. Wen behoeft alleen te bedenken, dat de genoemde deugden weliswaar bepaald christelijk zijn maar niet uitsluitend christelijk. Het gezegde in het eerste voorstel is wel terecht gebezigd, maar het is niet alleen voor dat eene onderwerp geldig. Zegt men b. v, sde Franschen zijn dapperquot;, dan volgt daar niet uit, dat de uitdrukking ïlk ben geen Franschmanquot; gelijkbeteekenend is met «Ik ben lafhartig.quot;
Hoe komt het, dat dit kwalijk opgevatte gezegde inden mond van een Pasja, eenen Joodschen bankier, eenen Ja-panschen gezant zoo onschuldig klinkt en alleen bij eenen (als ontoerekenbaar kind) gedoopte zulk eene overmaat van schaamtelooze en voor de maatschappij gevaarlijke slechtheid schijnt uit te drukken ? Hoe komt het verder, dat degenen die zooveel aansloot nemen aan de verklaring van lord Queensbury, tegelijk in den omgang zoovele menschen hoogschatten, die feitelijk geene christenen zijn ; dat zij hunne hoeken en redevoeringen bewonderen, hunne vriendschap zoeken; dat zij doodbedaard aanzien, hoe deze
351
negatieve christenen nooit de kerkgebeden volgen ; dat zij al het lijdelijk onchristelijke dulden, misschien wel zeiven er aan meedoen, — en dan zoo schrikken, wanneer iets, dat zij allerwegen en ieder uur om zich heenzien, plotseling in eenen beknopten vorm onder woorden wordt gebracht ? Deze vragen zijn gemakkilijk te beantwoorden. De Pasja, de bankier, de Japannees kunnen bij hun vanzelfsprekend »lk ben geen Christenquot; voegen: ilk ben eea Muzelman — Israëliet — Boeddhistquot;, maar de vrijdenkende Engelsche edelman zou zijne gevoelens eerst met deelenvol verhandelingen moeten uiteenzetten, wanneer hij duidelijk wilde maken, om welke redenen hij zich niet onderwerpt aan de 39 artikelen der Anglikaansche kerk — en zou bij slot van rekening toch nog misverstaan worden Had hij kunnen zeggen; «ik benquot; — nemen wij aan — «een Kosmodoxquot;, en was de kosmodoxe geloofsbelijdenis reeds in beknopten vorm in de openbare archieven geplaatst, dan zou de uiting van zijne meening niet het minste opzien hebben verwekt.
Er was stellig koenheid — of zooals de meesten het noemen: vermeiellieid — noodig om onder de bestaande verhoudingen zulk eene taal te voeren. Daarmede is onvermijdelijk verbonden, dat men ergenis geeft, opzien baart, en vredelievende, op hunne eigene rust bedachte menschen, al zijn ze ook volstrekt igeene christenenquot; meer, zullen zich daarvoor wel wachten. Maar vergeet men dan, dat er eens, ten tijde van Diocletianus, nog duizendmaal meer moed toebehoorde — ik denk , dat de praetoren het vermetelheid noemden — om met den dood in het strijdperk voor oogen luide te zeggen : »lk ben een Christen.quot; Zoo onweerstaanbaar is de drang der overtuiging om voor hare belijdenis uit te komen , dat zij — al zwijgen ook duizenden uit voorzichtigheid — toch altijd gelegenheid vindt hare onverdelgbare levenskracht in enkele stemmen voort te planten. En ten laatste wordt liet woord vleesch 1
Zullen wij nog , zullen onze kleinkinderen getuigen zijn,
352
dat het tegenwoordig de geesten bewegende jwoordquot; eene gestalte krijgt? Dat is moeilijk uit te maken, ilet tijdstip waarop toekomende gebeurtenissen zullen plaats hebben, laat zich niet gemakkelijk voorspellen, al kunnen de gebeurtenissen zeiven op den weg der inductieve gevolgtrekking ook met zekerheid vooruitgezien worden. Men begint reeds de geschiedkundige documenten als verschijnselen te beschouwen welker geldigheid proefondervindelijk blijkt en die de wet van den loop der menschelijke beschaving vaststellen. De lessen uit het verledene dienen niet meer om het geheugen met jaartallen op te vullen, om de feiten eenvoudig aan elkander te verbinden, maar om hunne banen te berekenen — evenals de plaats gehad hebbende zons-en maansverduisteringen niet meer dienen om enkel als herinneringen aan belangwekkende onheilvoorspellende vertooningen te worden medegedeeld, maar om den tijd te helpen vaststellen, waarop zij terugkomen.
In de historische wetenschap zijn wij weliswaar nog lang niet op de vereischte hoogte gekomen om den loop der gebeurtenissen te meten — misschien is hij ook in het geheel niet meetbaar — maar wij zijn toch in staat om zijne richting na te gaan. In het punt waarheen de beweging der geesten tegenwoordig uitgaat, kan men zich niet meer vergissen. Wie erkent, dat de ideëele verschijnselen aan eene wet zijn gebonden, wie aan eene dynamiek der geestelijke krachten gelooft, kan duidelijk zien welke richting eene losgelaten gedachte in hare vlucht inslaat en alle smeekende stemmen die daartegen opgaan, klinken in zijn oor als een ijdel: »0 houd op, O keer om!quot; dat eene afgeschotene pijl wordt nageroepen.
Onze tijd beweegt zich dan in de richting van nog zeer ver verwijderde maar vast bepaalde doeleinden : naar wereldhandel , naar wereldvrede, naar eenen wereldgodsdienst. Eenheid is ons doel. Dewijl er maar éene waarheid is; dewijl de wetenschap — de vindster der waarheid — aller-
353
wegen slechts dezelfde kan wezen , aan geene taal, geene natie, geen geloof is gebonden; dewijl het verder de wetenschap is , die zich tot middelpunt der wereldbelangen maakt, waarvan alleen alle toenemende welvaart, alle duurzame macht kan uitstralen , zullen ook deze stralen in éen licht moeten opgaan; en evenals er tegenwoordig geene sterrenkundige, geene naiuurkundige en geene wiskundige secten meer bestaan , zullen er eenmaal ook geene godsdienstige secten meer zijn. — En menschen zonder godsdiensten zouden daarom nog geenszins menschen zonder godsdienst zijn. De verheffing van den geest lot bet eeuwige, het goddelijke — en dit is toch de eigenlijke kern van het begrip godsdienst — deze verheffing die bij onze Arische voorvaderen voor een paar duizend jaren begonnen is en sedert nooit heeft opgehouden , kan ook voor de toekomst niet met verzinken dreigen. De kracht lot godsdienstige verheffing woont in het oordeel, in liet versland zelf; zij is eene van den geest onafscheidelijke eigenschap, eene soort middelpuntvliedende kracht der gedachte. Daarom is het onnoodig een bijzonder, van oordeel en verstand verschillend «godsdienstig instinctquot; aan te riemen. «Godsdienst door een godsdienstig instinct le verklarenzegt Max Müller, «is zoogoed alsof men het onbekende wilde verklaren door iets wat nog onbekender is. liet ware godsdienstige instinct of aandrift is de druk van het oneindige.quot;
De groote godsdienstonderzoeker met zijn diep gemoed, dien ik daar noemde, de hooggeleerde kenner der Veda\'s, verwacht ook van de toekomst eene ineensmelting en eenparigheid van geloof, sik hoop, dat de tijd zal komen,quot; zoo besloot Max Müller eene zijner in het Chapterhouse der Westminster abdij gehoudene voorlezingen , gt;dat de on-deraardsche metselwerken aller menschelijke godsdiensten meer en meer toegankelijk zullen gemaakt zijn, dat de wetenschap van den godsdienst, die ons thans nog maar als een zaadkorrel en eene hoop voorkomt, mettertijd tot i. z. 23
354
vervulling en rijken oogst zal gedijen. Wanneer die tijd gekomen is, wanneer de diepste grondslagen van alle godsdiensten der wereld uit liet puin opgegraven en in hunnen aanleg begrepen zijn , wie weet, of die oude muren en gewelven dan niet, zooals eens de catacomben en krypten onder onze hoofdkerken , een toevluclilsoord kunnen worden voor allen — lot welk geloof zij ook mogen beboeren — die naar iets beiers, reiners, ouders, meer waars verlangend uitzien , dan hetgeen zij in de voorgeschrevene offers, godsdiensten en predikaties vinden, die hun aangeboden worden door den tijd en de plaats, die het lot hun op aarde heeft toebedeeld; voor menschen die geleerd hebben kinderlijke vonden, zij mogen geslachtsregisiers, oudwijfsche fabelen , wonderen of godspraken heeten , af te leggen , maar die toch van het kinderlijk geloof van het menschelijke hart geenen afstand kunnen doen! — Al laten zij ook veel achter van heigene in Indische pagoden, in Boeddhistische viharas, in Mohammedaansche moskeeën , in Joodsche synagogen en Christelijke tempels geleerd en vereerd wordt, toch kan ieder in de stille krypt met zich medenemen wat hem hel waardst en het dierbaarst is, die éene kostbare parel, waarvoor hij alles wat hij had zou weggeven:
üe Brahmaan zijn ongeloof aan deze wereld , zijn onwankelbaar geloof aan eene andere wereld;
Dc Boeddhist zijne erkenning eener eeuwige wet, zijne onderwerping aan deze wet; zijne zachtmoedigheid, zijn medelijden;
De Mohammedaan, zooal niets anders, dan toch zijne
matigheid en zijne onthouding;
De Jood zijn vasthouden in goede en kwade dagen, aan den eeuwigen God , den God die gerechtigheid liefheeft en wiens naam is: Ik ben ;
De Christen, wat heler dan alles is , de twijfelaars moeten er maar zeiven de proef van nemen: Liefde tot God, men noeme Hem zooals men wil, den Onzichtbare, den
355
Oneindige , den Onsterfelijke , den Vailer , liet hoogste Zelf, boven allen, door allen, in allen — en zulke liefde betoond in de liefde tot de levenden, in de liefde tot de dooden , in levende, onvergankelijke liefde.
In die krypt, al is zij nog eng en duister, dalen reeds van tijd tot lijd velen af, wien het gedruiscb van vele stemmen, de glans van vele kaarsen en de schok van vele meeningen daar boven den grond onverdraaglijk is geworden. Wie weel of zij mettertijd niet ruimer en helderder kan worden , zoodat de krypt van het verledene de kerk der toekomst wordt.quot;
Dat zijn wijze en schoone woorden. Maar laten wij de droomerige vragen over de toekomst rusten. De voorspelling eener aanstaande groote macht werkt niet overtuigend en kan het thans bestaande recht niet versterken. Dat zij eens de gebeele wereld zal belieerschen, dat zij nooit kan wankelen, beweert elke kerk van zichzelve; en al verkondigen de vrijdenkers ook uit volle overtuiging, dat hun de toekomst behoort, dan klinkt dat even aanmatigend en mist voor tegenstanders evengoed alle bewijs als de verschillende mo-nopolieën der alleenzaligmakerij. Zeggen wij allereerst wat wij zijn; verdedigen wij onze rechten en staven wij onze gronden; wentelen wij de verdachtmakingen en beschuldigingen van ons af die ons wezen mismaken. Dwingen wij , terwijl wij met opgeheven hoofde rond voor ons gevoelen uitkomen , de ons toekomende achting af. Ook waar men onze meeningen niet kent, niet verstaat of niet deelt, behandele men toch onze wereldbeschouwende gezindheid met die eerbiedige toegevendheid en medegevoelende waardeering , waarmede wij van onzen kant anders ingekleede godsdienstige gezindheden altijd gaarne bejegenen. Zullen wij niet steeds eerbiedig en geroerd blijven staan , wanneer wij eerbiedige en geroerde menschen zien? Zullen wij spotten en lachen, wanneer wij getuigen zijn, hoe het hoofd van een gezin aan zijne saamgekomene huisgenooten een bijbelplaats voorleest; wanneer eene moeder haar ten strijde trekkenden zoon
356
eene gewijde medaille omhangt: sliet behoede u, mijn liefste schat op aarde!quot; wanneer een vrome Turk naar Mekka gewend uil volle overtuiging spreekt: »Allah is groot en Mohammed is zijn Profeetquot;; of wanneer wij aan den treur-muur van Jeruzalem het droevig gezang der Joden beluisteren:
«Wegens den tempel die verwoest is —
Wegens de muren die gescheurd zijn —
Wegens onze heerlijkheid die voorbij is
Daarom zitten wij eenzaam en weenen.quot;
Zullen wij bij zulke aanleidingen honen en spotten of in naam van het verstand het anathema uitspreken ? Neen, zeker niet. Wel deelen wij al die geloofsopvattingen niet, waarin die mensehen hun gevoel uitgedrukt hebben, maar dat gevoel zelf, wij achten het niet alleen, wij deelen hel ook. Wij vinden misschien in de bedoelde bijbelplaats eene tegenstrijdigheid; wij gelooven niet aan het beschermend vermogen der amulet; wij erkennen de beteekenis van Mekka niet; wij bejammeren den val van Jeruzalem niet; maar het vrome eerbiedige, God zoekende, met éen woord heilige, dat (fen grondslag uitmaakt van al die verschillende wijzen van uitdrukking, dat voelen wij godsdienstig gestemd mede. — Maar dan hebben wij ook het recht te vorderen, dat die Christenen — hetzij Luthersche bijbels lezende of Roomsche reliquieën vereerende — dat die Mekka-groetende Turken, die weeklagende kinderen Israels, al nemen zij onze meeningen en gevolgtrekkingen niet aan, toch ook de heiligheid der God zoekende, naar deugd strevende gevoelens erkennen, die de leiddraden zijn van het onderzoeken en denken van ons — Kosmodoxen. Wij moeten niet dulden, dat men ons over éene lijn scheert met lieden , gt;wien niets heilig is.quot; Zulke men-schen, die voor geene godsdienstige aandoening vatbaar zijn , die slechts spot en boon overhebben voor kinderlijk geloof, die wanneer zij een altaar voorbijgaan, de muts
357
dieper in de oogen drukken, die hun hart nooit tot liefde voor de deugd, voor den naaste, voor God verheffen, — dat zijn eenvoudig wezens ruw vim gemoed en arm van geest, zooais zij overal in alle kringen en alle landen aangetroffen worden ; maar zij vormen geen secte , zij behooren tot geene school, maken de vastgeslotene phalanx van het wereldhedrei-gende ongeloof niet uit, waartegen het leger der geloovigen steeds tot afweer onder de wapenen geroepen wordt.
En tot die denkbeeldige phalanx zullen wij door de zeloten zoolang gerekend werden, als wij blijven zwijgen en voor onze denkbeelden niet uitkomen. Confessie beteekent belijdenis. Belijden wij onze overtuiging en wij zullen niet langer confessieloos heeten. De zwijgende aanhangers der nieuwere wereldbeschouwing zijn legio, de luide belijders — nog zeer enkelen. Eerst wanneer de laatsten legio heeten , zal de belijdenis hoorbaar zijn. Zoo\'n paar honderd men-schenstemmen zijn een zeer zacht, gemakkelijk overstemd gegons in het luide wereldconcert. Een toon, zal hij doordringen , moet niet alleen uit de keel van vele millioenen komen, hij moet ook wel honderd jaar lang onafgebroken voortklinken. De belijdenis die ik voor mijn persoon afleg — al werd ik door tallooze geestverwanten gehoord — heeft toch maar, zoolang die allen niet luide met mij instemmen, de macht van eene enkele stem, en beteekent dus in verhouding tot eene algemeen geldende belijdenis ongeveer evenveel als éen steen in den bouw van eenen toren , als éene sneeuwvlok in de lawine , als éen vonk in den prairie-brand.
Maar ik inventariseer mijne ziel; ik heb in de verbor-genste diepten van mijn hart eenen blik geslagen , al mijne gedachten en halve gedachten onderzocht, bijgevolg moest ik ook mijn godsdienstig geloof onileden. En omdat er nog nergens een goedgekeurde catechismus bestaat, die de ge-loofs- en beschouwingsstellingen van mij en mijne duizend broederen behelst, heb ik eene poging gedaan om ze allen op te noemen. — Allen? — Neen, dat zou nauwelijks
358
mogelijk zijn. Op elk gebied van overtuiging is zooveel dat gevoeld wordt, zooveel waarbij de taal tekortschiet, zooveel zwevends, dat het zich niet onder woorden laat brengen. In den grond laat zich op deze wereld zoo weinig ze g-gen; de geur der roos, de liefelijke betoovering van eenen blik, de sappige smaak eener vrucht kunnen niet eens uitgesproken worden ; hoeveel te minder dan die zachte trillingen van den geest, waarmee de ziel onder den lichtstraal der gedachte aan God zwijgt...
Dat is het ook, geloovigen , wat in uw hart als vroomheid brandt. Gij gevoelt het, gij kunt het niet zeggen. Gewiegd in eenen lichten droom van orgeltonen , van wierookgeuren, overweldigd door de nabijheid van den Oneindige, doorgloeid van liefde tot God, door verborgenheden bedwelmd, wordt gij door een hooggestemd gevoel opwaarts gedragen, dal — omdat liet u in de kerk aangrijpt — naar uwe meening alleen binnen de wanden der kerk kan ondervonden worden. Gij beklaagt ons — die uit de kerk blijven — omdat wij voor zulke aandoeningen onvatbaar zijn en stelt u voor, dat wij daarom nooit die hoogte zullen bereiken, vanwaar gij de nabijheid van uwen God gevoelt. Weet gij het dan ? Hebt gij ooit een blik in ons hart geslagen al klinken onze stelsels , onze bespiegelingen eenigszins droog, hebt gij soms ondervonden wat er achter het woord ligt? Ook uwe leerstellingen als zoodanig zijn droog — duizendmaal droger nog dan de stellingen, waarin wij samenvatten wat wij weten — slechts wat uw hcilbegeerig gemoed afgescheiden daarvan gevoelt, dat is uwe vroomheid; en wat als opflikkerende begrippen ons denken verheldert, onuitsprekelijk , de oneindigheid omvattend , dat is de onze.
Wat hebt gij dan boven ons voor ? De openbaring ? — Gij verschuift ze in nevelachtige voortijden , vermengd met duizend door uzelven als mythen erkende voorgewende openbaringen van andere godsdiensten ; gij hebt slechts men-
359
schelijke overlevering als bron van kennis voor de langverleden omwentelingen, die het tegenwoordige in uw oog niet meer waardig schijnt. En voor ons openbaart zich het groote wereldgeheitn in elke nieuwe minuut; ieder uur lichten wij de plooien van den sluier der natuur op en zien daaronder de godheid; van de toekomst verwachten wij met ware Messiasvreugde de altijd helderder en schitterender ontvouwing van de bedoelingen des Scheppers.
Wat nog meer ? de wonderen ? Ook voor dezen hebt gij slechts het getuigenis van menschen, slechts geschiedenisjes uit den kindertijd. Daarenboven zijn uw verhaalde wonderen zoo nietig, zoo weinig goddelijk , naïeve kunststukjes, die tegenwoordig geen goochelaar meer zou willen opvoeren : eene bron die uit de rots ontspringt, veranderd water, stemmen onder bliksem en donder... en dergelijke meer als wonderdaad der Almacht! Onze wonderen daarentegen zien wij dagelijks in het heerlijke heelal, dat pronkjuweel van luister, dat gewrocht eener oneindige wijsheid, welks wetten door haar eeuwig onwrikbare onveranderlijkheid veel wonderbaarder getuigenis alleggen voor de macht van den Schepper, dan hare tijdelijke opheffing ooit zou kunnen doen.
Of hebt ge de liefde vooruit ? Dat is zoogoed alsof gij wildet beweren het voorrecht van den adem te hebben. Ja wel, gij hebt de liefde in uwe stellingen en draagt ze ook in het hart — maar uwe stellingen hebben ze niet ingevoerd. Gij hebt lief en ademt, wij ademen ook en hebben lief. Wij hebben zelfs beter verstaan dan gij, dat de liefde het ademen der wereld beduidt,
Wat anders? Het gebed? — Hierover moeten wij eerst trachten het eens te worden. Heet bidden den geest tot God verheffen — of om iets verzoeken? In den eersten zin treft men zeker minder bidders in de kerken aan dan in het studeervertrek :
360
»Maar in liet stille vertrek ontwerpt de peinzende wijze Gewichtige cirkels, besluipt vorschend den schep-
penden Geest;
Onderzoekt de macht der stoffen, het haten en beminnen
der magneten,
Volgt den klank door de lucht, den straal door den aether, Zoekt de vertrouwde wet in de ontzettende wonderen
van het toeval, Zoekt de rustende pool in de vlucht der verschijnselen ..
In den anderen zin , in den zin van het verlangend gebed , dat allerlei gaven en voorrechten voor zich afsmeekt — bidden wij zeker niet, [Iet geloof aan de onwankelbare geldigheid der goddelijke wetten sluit iedere mogelijkheid uit, van de Godheid eene ingrijpende storing dier wetten ter wille van onze eigene bedoelingen en wenschen te begeeren. Evenals ook de dweepziekste mensch niet zou bidden , dat om zijnentwil morgen de zon niet opging, omdat hij van den regelmatigen gang der planeten overtuigd is en omdat hij de wanverhouding zijner persoonlijke belangen tot zulk eene omkeering van de wereldorde zeer goed begrijpt — kunnen wij ook niet om de geringste wending van ziektegevallen, van zeestormen , van welke dagelijksche voorvallen ook bidden , omdat wij welen , dat al deze dingen aan even vaste weiten onderworpen zijn als de wenteling der aarde.
Wij begrijpen de gebeden niet van twee tegenover elkander staande legers, die elk van den barmhartigen hemel de vernietiging van het andere afsmeekt ; terwijl toch aan beide zijden elke afzonderlijke krijgsman door zijne eigene gebeden en die zijner geliefden tegen de moordende kogels beschermd moest worden. Maar de kogels treffen toch en hun wiskunstig zeker berekenbare vlucht wordt door physi-sche en dynamische weiten bepaald , maar niet door de vurigste gebeden. Genade kan men slechts van menschelijke machthebbers begeeren; dezen kunnen hunne willekeurige
361
strafbepalingen tijdelijk opheffen, maar dit is de ware, hooge genade Gods, dat zijne wetten — die geene straf maar de wijste orde zijn — niet ingetrokken kunnen worden. Om zich menigmaal barmhartig te kunnen toonen.zou de normale toestand der Godheid immers eene voor verzachting vatbare onbarmhartigheid moeten zijn. Waren er verhoorde gebeden, dan zou elk onverhoord gebed eene wreedheid zijn. Waren er begenadigden, dan zou elke onbegenadigde het offer van goddelijke ongerechtigheid zijn. Het begrip wet, waarvoor wij in vrome bewondering huiveren , wanneer wij onze heerlijke wereld Gods doorzoeken , zou door eene enkele tijdelijke opheffing der wet van zijne geheele goddelijkheid beroofd, in het Niet opgelost zijn. Alleen wanneer wij die onwrikbare onveranderlijkheid erkennen , alleen wanneer wij in alle gevallen op haar rekenen mogen (sliet is eene veilige wereldquot;) kunnen wij den weg der godzaligheid inslaan. Alleen daardoor leeren wij het kwade vermijden , en de schatten lichten , die de Al-Liefde voor ons bereid houdt. Om dreigend onheil te verhoeden schrijven wij geene openbare vast- en bededagen uit; maar tegen overstrooming werpen wij dammen op, tegen besmettelijke ziekten nemen wij gezondheidsmaatregelen , tegen mislukte oogsten voorzien wij ons van voorraad; het door de natuur met nooit verslappende strengheid ons geleerde »IIelp uzelvenquot; voerl ons door dwang tot ons eigen geluk. Slechts éen gebed is er in de reeks uwer gewone gebeden, een enkel, dat wij met oprechte instemming kunnen medespreken — niet om biood, niet om eer, niet om rijkdom , niet om bescherming, niet om het leven — maar alleen de uitdrukking der stille overgave jileere. Uw wil geschiede.quot; — Ja, zelfs den deemoed hebt gij niet vooruit. Ook wij liggen met het voorhoofd in het stof; maar niet voor de grotten, door aan zinsbegoocheling lijdende boerenkinderen als grotten der verschijning aangeduid, wel voor het geheel der verwonderlijke verborgenheden van al
362
wat is, voor het reusaclitig Al, waarin wij erkennen eene onmerkbaar kleine plaats te beslaan ; de deemoed vervult ons , wanneer wij verbaasd staan , wanneer wij bewonderen ... bij de grootten, bij de hoogten... bij de raadselen.
Ook de geestverrukking hebt gij niet vooruit. Wel klimt ons hooggestemd gevoel niet tot hysterische stuiptrekking. Bij ons heet het niet Jgodsdienstwaanzinquot;, het heet geestdrift, Het vlamt door onze ziel. De gedachte stijgt jubelend in de lichte hoogten, liet maakt ons gelukkig, dat wij van opstanding en zaligheid niet willen weten, liet aan de aarde gebondene , door omstandigheden gevormde, armzalige , kleine Ik — wij willen het niet eens eeuwig behouden, de eeuwigheid van het heelal, waarin wij onverdelgbaar bevat zijn, is ons genoeg; de groote Al-gedachte, waarvan eene weerkaatsing in onze ziel trilt, en die wij eenmaal misschien in hoogere klaarheid zeiven zullen mededenken, is ons genoeg. Niet ik, niet de Zoeloekoning, niet gij, mijn zetter , drukker en lezer — niet wij zijn onsterfelijk — want zoodra wij niet meer zijn , wat wij juist door alle ons omringende voorwaarden uitmaken , zijn w ij volstrekt niets meer — — Maar het levensbeginsel zelf is onsterfelijk, de wereldgedachte is nooit uitgedacht; er bestaat een eeuwig voortleven, een steeds bewust voortbestaan. Dat er zoove-len voor ons gestorven zijn , schaadt immers niet aan de volheid van het gevoel dat wij leven ? Alzoo zal ook ons sterven geene afbreuk doen aan het algemeene bewustzijn : Ik ben.
En beklaagt ons niet: noemt ons niet arm en ongelukkig, omdat wij op geenen hemel hopen. Daarvoor hebben wij ook geene vrees voor de hel. Wij vinden zulk eene rust, zulk eene bevredigd blijde helderheid in onze manier van de wereld te beschouwen, dat, wie eens van dezen boom der kennis geproefd heeft, er niet meer van kan afblijven — dat er onder ons Kosmodoxen nooit afvalligen zijn.
363
LAATSTE HOOFDSTUK.
Terugblik.
Ik ben aan het einde. Of\' juister uitgetlrukt; ik sluit af. Want bezwaarlijk zou het gaan werkelijk aan het einde van dezen arbeid te komen, Eene ziel inventariseeren — dat is heelwat anders dan een kastje met schuifladen. Hierbij kan men zeker, wanneer het laatste stuk uit de laatste lade opgeschreven is, uitroepen; nik ben aan het eindequot;. Maar met het hersenkastje is het anders gesteld. Daar laat de laatste lade en de laatste gedachte zich niet vinden. Elke afzonderlijke gedachte heeft er altijd duizend anderen in haar gevolg enzoovoort. Alweer een heelal in een doosje. Dat wij, eindige wezens, toch om ons heen uitsluitend op het oneindige stooten !
Maar omdat ik toch niet tot aan mijnen laatsten snik aan dit boek — want het handschrift is werkelijk reeds zoo dik als een boek geworden — wil voortkrabbelen, moet ik er met geweld een slot aan maken. Ik weet zeer goed, dat er morgen en overmorgen weer nieuwe dingen die geïnventariseerd moeten worden , in de betrokkene ziel zullen verschijnen, want ik houd immers niet op te lezen, te leeren , te leven en elke nieuwe ervaring moet toch den kring van mijn denken verruimen; maar wanneer ik dan telkens weer inventariseerde, zou er ook nooit — zooals de Franschen zeggen — eene reden zijn om ermee op te houden.
Voorloopig heb ik hel doel dat ik mij voorstelde , bereikt. Ik wilde immers slechts eenige losse zwevende gedachten in den vasten vorm der uitdrukking knellen , om ze mijzelven voor den geest te stellen. Had ik een boek willen schrijven, (ten slotte moet ik mijzelven toch nog eens gelukwenschen, dat dit mijn plan niet was) dan had ik vooreerst een paar
364
heldere grondgedachten voorop moeten stellen , een paar vast aangenomen stellingen , en dan mij erop toeleggen om ze te verklaren, te ontleden . weer samen te voegen en al mijne uitspraken aan de opgegevene denkheelden te toetsen, om behoorlijk met gt;Hetgeen te bewijzen wasquot; te kunnen eindigen. Nu is het juist andersom gegaan ik heb ongedwongen en met de grootste oprechtheid elke gedachte opgeschreven, die bij mij oprees en zonder van vaste stellingen uit te gaan , heb ik er enkele in den loop van mijnen arbeid uit afgeleid. De óprechtheid levert eenen beteren waarborg voor de juiste aaneenschakeling en natuurlijke opeenvolging der meeningen dan een stelselmatig ingericht plan dit vermag. Ook de fouten en zwakheden der denkbeelden hebben in ieder hoofd hare reden van bestaan en zijn in eenen on-afgebrokenen, noodzakelijken samenhang met het overige. Een met opzettelijke valschheid verzwegen onzin kan het geheele verband van den zin verscheuren.
Veel wat ik slechts onduidelijk gevoelde, wat zoo maar aan mijnen geest voorbijstoof, half geloof, half bewustzijn, half gevoel, heeft zich tot eene dankformule verdicht, die ik nu uok zonder moeite in beknopte stellingen kan kleeden. Eenigc dier stellingen wil ik hier nog laten volgen, om deze geheele rhapsodie op dezelfde\' manier af te sluiten , waarop vele muziekstukken eindigen, wanneer in de laatste maten de in den loop van het stuk gevarieerde motieven nog eens in een paar korte accoorden naklinken.
Welnu, in de geïnventariseerde ziel heb ik aangetroffen:
Een vast en blij geloof aan den vooruitgang.
Eene stellige afwijzing van het fatalisme. Ik weet al te goed , dat ik, rookend voorbij een vat kruit gaande, de brandende pijp kan uitdoen of in hel vat werpen en daarvan — niet van eene onveranderlijke voorbestemming — zal het afhangen of eene uitbarsting vermeden of veroorzaakt wordt Teugels , roeren , voornemens, plannen — zouden al te gader in eene wereld , door het blinde Noodlot ge-
365
regeerd , geheel overtollige dingen zijn , en wie — ook onder de ijverigste fatalisten — zou ze willen missen?
Het geloof aan de overeenkomst — om niet te zeggen de eenswezendheid — der de ideëele en de stoffelijke wereld beheerschende wetten.
De opvatting, dat eenheid eigenlijk het eindpunt en het uitgangspunt van alle dingen is.
liene gloeiende, verbaasde, gelukzaligmakende bewondering der natuur; het geloof, dat er eene Godheid bestaat; — namelijk een bewust Willen van al het onbewuste Werken — een Weten van alles wat er bestaal. ..
Het besef, dat het menschelijk philosopheeren onuitsprekelijk nauw begrensd is. Wel worden die grenzen ieder uur eenigszins verschoven, maar toch is de macht onoverwinlijk , waarmede zij ons aan alle zijden omringen en insluiten. De wereld om ons heen kan met tonen gevuld zijn die wij niet hooren , met kleuren die wij niet zien , met geuren die wij niet inademen , — met gedachten die wij niet denken.
In het rijk van hetgeen er te weten valt (dat alleen door God geheel beheerscht wordt) stel ik mij de dingen voor als in vier klassen verdeeld, bevattende:
I. Wat waargenomen en verklaard is , met andere woorden wat men stellig weet.
II. Wat waargenomen en nog niet verklaard is.
III. Wat benoemd, welks beslaan erkend , maar voor ons onverklaarbaar is.
IV. Datgene, waarvan wij geen vermoeden hebben.
Ik meen, dal de meeste dwalingen en twisten onder ons hieruit voortkomen, dat wij de raadselen der derde klasse in de tweede willen schuiven — namelijk dal wij het onverklaarbare uitgeven voor hetgeen nog niet verklaard is; daar dan allerlei hypothesen vormen , die wij nu hel liefst in de eerste klasse — namelijk in de rubriek van hetgeen men weel — plaatsen. Verder meen ik, dat de aanmati-
366
ging, de vermetele overschatting van het menschelijkc denken — met name van het denken der salon-dilettanten — aan deze omstandigheid te wijten is, dat de vierde klasse geheel weggecijferd wordt. Dat wil zeggen, men heeft niet alleen geen vermoeden — want dat spreekt vanzelf — van de dingen die niet vermoed worden , maar de meeste menschen vermoeden eigenlijk volstrekt niet, dat er iets bestaat wat men niet vermoedt.
En thans — Ego van voorheen — leg ik deze u opge-dragene bladen ter zijde en sluit ze in de lade van eene schrijftafel, waar gij ze een tijdlang moet laten liggen, om ze eens — wanneer gij soms niets beters te doen hebt — weer te voorschijn te halen.
Zult gij dan bij het doorlezen geeuwen — het hoofd schudden — of toestemmend knikken ? Of zult gij misschien de geheele geschiedenis in den haard werpen, opdat de daarin vervatte denkbeelden zich weer in de opstijgende vonken oplossen, waaruit zij bij ons gewoon poken oorspronkelijk voortgekomen zijn ? .. .
NASCHRIFT.
Uwen wensch heb ik dus vervuld, Ego van toen. Ik liet uw geschrift eenen tijdlang liggen en op eenen goeden dag — waarop ik inderdaad niets beters te doen had — heb ik het te voorschijn gehaald en nu geheel doorgelezen.
Met eene critiek laat ik mij niet in. Wel zou ik thans veel anders uitdrukken, veel schrappen, veel bijvoegen. Maar dat is mijne zaak niet. In het vuur werpen zal ik uwe overpeinzingen ook niet, zooals gij gevreesd hadt, mijn arm jonger Ik. Integendeel: ik laat de ngeheele geschiedenisquot; drukken. Wij wagen daarmede geen van beiden iets. Gij zijt niet verantwoordelijk , omdat gij immers niet voor het publiek, maar alleen voor mij geschreven hebt, en ik
367
ben het evenmin, omdat ik pas verklaard heb, dat ik het geheel thans misschien anders zou schrijven.
Ik weet wel, dat dit werk evenmin onderhoudende als leerzame lectuur geeff. De ernstige, hooge vragen , die ik behandeld heb, zijn geene stof voor licht en vluchtig tijdverdrijf en aan den anderen kant is er de degelijke en grondige behandeling, die aan zulke vragen toekomt en die een bestudeerd man van het vak recht zou hebben daarin te verwachten , nog minder in te vinden.
Ik ben weliswaar ijverig tegen liethebberende wijsgeeren losgetrokken, maar — zelf een hunner — wend ik mij tot de zoodanigen. Ik stel mij voor (en dat is het, wat mij tot de uitgave dezer bladen beweegt), dat er in onze kringen duizenden en duizenden menschen zijn — onder den verzamelnaam «beschaafde standenquot; begrepen, die wel slechts met eene oppervlakkige kennis bedeeld zijn, maar toch dikwijls met al de diepe en ernstige vraagstukken in aanraking komen , die uit de vertrekken der geleerden opstijgen en de lucht om hen heen vervullen. Wij allen, die geene geleerden , geene wijzen , geene letterkundigen zijn , wij officieren , landedellieden , renteniers , industrieelen , kunstenaars, beambten en onze schoone elegante dames en onze lezende en denkende huisvrouwen, wij hebben allen onze wijsgeerige uren. Zeer dikwijls wordt aan de theetafel, in de sociëteit, op een diner na de jacht, in den vrienden- en huiselijken kring het gesprek op al de onderwerpen gebracht, die ik hier behandeld heb. Bij zulke gesprekken moge mijn inventaris te pas komen. Misschien zal menigeen zijne eigene gedachten herkennen , in woorden uitgedrukt vinden, wat reeds lang in zijne eigene niet-geïnventariseerde ziel zweefde. Denkbeelden toch zijn zulk een gemeengoed , dat men veilig raag aannemen, dat hetgeen een enkele zegt, altijd door tallooze anderen wordt medegedachl. Werkelijk «nieuwequot; denkbeelden brengt niemand kant en klaar voor den dag — slechts hulzen die
3Ö8
(ie kiemen van nieuwe denkbeelden in zich dragen ; maar dat merkt gewoonlijk de spreker evenmin als de hoorder.
Nu dan, wanneer dit boek slechts tonen bevat, die in den geest van vele lezers verwante snaren doen trillen, wanneer het tot zelfdenken , ja zelfs tot tegenspraak opwekt, heb ik niet verkeerd gedaan door het de wereld in te zenden. Gedachten — oude en nieuwe — willen in beweging gebracht, gestooten , omgegraven worden, zooals teelaarde, opdat er vruchten uitspruiten.
jElke roepstem die, hoe zacht ook , de geesten samenbrengt, werkt op hare stille manier voort gedurende eenen onberekenbaren lijd.quot; (Platen).
EINDE.