I
■
•ÏC-
/
• -
-r\'-c
c
s- ^
X, \'
\'fC-
quot;v / \'■-. quot;gt;»- •• - \'\'
- \' ï\'quot; t quot;
■ : - \' /,
- .
•\' -.v/). gt;-■.\'•\' -f-
fpi, .-0-■t. ï\' |
\' : -V\' .4 rquot; rK^ ■\' - -! ■ - ^ J ^ quot; |
.v-c1 -rJc-v(r- ■ --gt; 1 ■■-\' \' ^ . / - \' - ^V: |
■A \'- j -
■■)•■ ■ V
\', J •■l -■
V- .V
s: gt;.
quot;, v--
4 •
:;. a:\'
\' t- -
-quot;s :gt;
-i
tï 7
-, -1
- ,
v ve
V^k; quot; ^ ■ i, ■ ■■■■quot;
- .j V r
-
V
. • i— 3 T-\'- ^ ,
•V-;
:/-
,lt;•
|
■ . i.., - .•? : . ^v- .lt; , r- ,. — mmr : ^ ^ -v;.-, k\'?\' |
V . ■A ;.quot;V \' . - , , /vW:-v? ■ . , -i- ^ :• - - : j} V - ■ -lt; i......I.....■ ....... • v nv •; gt;. ! s , w - ■ I. 1 ■■ / \' ■ ... :■.-»- S r: ■■.^ ; ■ ,:v; ■ . c-: \'\' --- • a -.^s; n y - s ;.: ■ ■ .- i \'5\'.. |
: f^v A, quot;■
Mi
1
v \' -
-
.....■
\' \'. r
i
-■ 1
. , ■ -
, ^ ^ quot; ,V- . V \' : : 1
■, ^ ■ »
V ; -. ■ ,
, - r- r -, : ..... - \\ ■■• \' I
I
. ■. - .^.c..•• _ i\' ■.:gt;A \' ■ •. -:: . :
-
■x J-1\' V::ss: 4^;3::4-\' 4-44-f\' ^ quot;• »!!
44 .; ,quot;L .:4-4-5 \'. CA, , \'\';4. ,;
\' \' \'•■• , \'., 4 •-4. \' , -lt;-• ■ quot; \'■ ; quot; • •£-.
■r-\' ~ - I \' _ X ^
. \'■ 5 ;quot;. . ■ -- -
i. . ■ -: \'c.;..quot;-. \' \'Vr\'quot; ; - \' - 4 I
I
i 4 ■ quot;r ■ ■ \' ■ \' 4 v.:^, 4
. 4\' \' 4v ■ . ■ L ^ \': -x - • - - üë. ■
\' \' - quot; ■ .
\' .■
1 quot;■■ . c\' x. _ . .
. \') :-m
^ - gt;lt;• ■ :
- -r •\'■ :
(\'■
f. .....AW
X , gt;■,- ■fcgt; - f1 \'S ■.—, quot;■
... ~
-, lt; - , gt;-. - \' i ■••-• ■ ••gt; ■-
■ \'■■■ : - \\
■ • \' -
/ -----
_ ■ ■ • -se - : ■
^ ~ quot; gt;
; tr ■■-■ \' -, : ::: -gt;•■gt;-\'. \' f -
. \' .v y - L-^ .-:quot;r y-
^ ^ L . quot;
? • .gt;41
I mm „ .,, ...,., .1 - :. f. 1
;:
, \' /, -vquot;\' ,-\' quot;quot; - r \' • \' quot;
(•\' 5
\'
34
- v
■ s
4
ü-/
m
\'i ,-
S\'
lt;■
■v
■
.-X • ; \\-
. i, quot;Z\'\\ cr
\'5
\'(•\' 1
C C 4 \' \'r-
-s44^
•Vi ■
quot;4^ \': 4^
\'. 4- .. - .
. 4 ^i
:• vgt;:4, K
f.,-
4:- V ^ 7
;•-4
■\\/
--- ; - . -
3gt;;-
./■quot; ¥■
4 . 4 4\': [■■ . . \'V ~4 -.S- \'4 -
n . ■■-\' vf
■7 ■ ^v~\'
■ ■ t - quot; \' gt;
i ■ \'\'■)
■ ■■ 4 vgt;\' - -rquot; ■ \', lt;quot;
mmm
DE SYNODE TE EMDEN 1571
DE SYNODE ÏE EMDEi
1571
DOOR
Dquot;. B. VAST MEER
Predikant te Meteren
quot;S GRAVENHAGE
MARTINUS NIJHOFF 1892
GEDRUKT BIJ C. A. SPIN amp; ZOON.
INLEIDING.
inSTLEIIDIlsrC^.
quot;Wie Wïenbog aert\'s „Kerckelicke Historiequot; raadpleegt over de Synode, die in 1571 te Emden gehouden is, vermoedt weinig, dat daar sprake is van eene vergadering, die niet alleen getuigenis geeft van het levend geloof onzer vaderen, maar die ook den grond gelegd heeft voor de organisatie van de Gereformeerde Kerk dezer landen.
Zeer weinig toch is het, wat Wtenbogaeht ons desaangaande bericht, 1 terwijl bovendien dat weinige
é
1
Dit bericht is te vinden in zijne Kerckelicke Historie, uitg. 1646, p. 175J en luidt als volgt:
quot;Tot noch toe en vinde ick in onse Historyen niet van eenige Synodus der Gereformeerder Kercken gehouden in \'t Nederlandt, sedert den aenvanck van de Reformatie in de selve. Schijnt evenwel dat een Synodus der selver Kercken gehouden is buyten dese Landen binnen Emden in Oost-Vrieslandt, in \'t jaer 1571. (waer van ick d\' Acten authentijck niet hebbe gesien) alwaer allereerst besloten soude zijn; Dat alle Predicanten de Nederlantsche Confessie, uytgegeven in \'t jaer 1566. met eenen brief aan de[n] Koninck voor, ende vermaninge aen de Staten achter, (soo voor is verhaelt) souden onderteeckenen tot bewijs der eenicheyt in de Leere. Of dit zy geschiet nae voorgaende nieu ondersoeck der selver Confessie gedaen in de selve vergaderinge, om te weten of de selve in allen deelen Gods woort conform was (nademael doch die Confessie, eerst so voor geseyt, was ingestelt by weynige ende
1*
4
nog op zeer weifelende wijze wordt medegedeeld.\' Want, daar hij zegt, dat het quot;schijntquot;, dat er eene Synode te Emden gehouden is, blijkt het duidelijk, dat hij voor zich van de werkelijkheid niet volkomen overtuigd is, en wanneer hij verder van de handelingen dier bijeenkomst niets weet, dan dat alle predikanten de Confessie zouden hebben onderteekend, kunnen wij waarlijk niet zeggen, dat zijn bericht rijk aan inhoud is.
Vragen wij nu, of het noodig was, dat WtbnbOGAERT zoo weifelend over de Emder Synode sprak, dan moet het antwoord ontkennend zijn. Hij moge, zooals hij zelf verklaart, quot;d\'Acten authentijckquot; niet hebben gezien, van eene vertaling dier Acten had hij kennis kunnen nemen, en zou dan het afdoend bewijs hebben gehad voor de historische zekerheid van de gehouden vergadering.1 De reden van dit weifelende in zijn bericht is derhalve te zoeken of in gebrek aan belangstelling, zoodat hij het niet der moeite waardig heeft geacht nadere berichten in te winnen, of in zekere oppervlakkigheid, waardoor hij een grondig onderzoek heeft nagelaten. In elk geval had dit quot;schijntquot; in zijn bericht niet mogen voorkomen.
1
A0. 1612 verscheen n. 1. de eerste druk van quot;de Kercken-ordeninghen der Ghereformeerder Nederlandtscher Kerckenquot; (bij Jan Andriessz te Delft), waarin de Acta Emdana in Hollandsche vertaling voorkomen.
5
Intusschen moet ons oordeel zachter zijn met betrekking tot het weinige dat hij geeft, daar ook Bbaxdt, Thiol and en MEIKERS ons niet in bizonderheden weten in te lichten.
Wat Brandt ons b. v. bericht 1 is wel rijker aan inhoud dan de mededeelingen van Wtenbogabrt, maar bevredigen kan het ons evenmin. Want zijn verhaal komt hierop neer, dat er in het jaar 1571 te Emden eene quot;sekere versaemelingquot; is gehouden van de quot;Nederlantsche kerken, die onder \'t kruis saeten, en in Duitschlandt en Oostvrieslandt verstrooit waeren,quot; onder het praesidium van quot;KASPAR van der Heyden, toen Predikant van Frankendael.quot; Na er op gewezen te hebben, hoe hier orde gesteld werd op het houden van Consistoriën, Clas-sen, Synoden en de verdere verzorging der gemeenten, geeft hij den inhoud weer van het eerste artikel, daarbij aantoonende, dat dit artikel gericht scheen tegen de quot;Bisschoplijkheitquot; in eiken vorm. Terwijl hij zijn bericht eindigt met aanhaling van de artikelen 2, 4 en 5.
Laat Brandt ons onvoldaan, ook met trigland is dit het geval. Zeker geeft hij meer dan Wtenbogaert en ook meer dan Brandt ; ongetwijfeld bevat zijn bericht enkele bizonderheden, waarvoor wij hem dank schuldig zijn,2 maar dit neemt niet weg, dat het toch weinig is, wat hij ons mededeelt. 3
Hij bericht ons, dat er in den jare 1571 te Emden eene Synode is gehouden, op welke Synode de Gereformeerde verstrooide Nederlandsche Kerken in hare gedeputeerden
1
G. Bbandt, Historie der Reformatie, 2^ druk, D. i, p. 523, 524.
2
Cf. Werken der Mamix Vereeniging, s. II, ü. III, p. 42, 43.
3
J. Trig-land , Kerekelycke Geschiedenissen, p. 161, 162.
6
zijn samengekomen ter beraming van eene quot;Kercken-or-deninge,quot; die „met stichtinghequot; zou kunnen worden gebruikt, zoowel tijdens de verstrooiing, als wanneer quot;Godt haer de seer begeerde vryheydt soude verleenen in haer Vaderlandt.quot; Hij toont verder aan, dat het boven allen twijfel verheven is dat deze vergadering is samengekomen en het beoogde doel — de vaststelling eener Kerkorde — is bereikt. Immers in de dagen, waarin Trigland schreef, bestonden de authentieke acten nog: zij waren in het bezit van iemand van quot;treffelijcke qualiteyt,quot; die een bloedverwant was van een der leden van de Synode, en wel van een zoodanig lid, dat als een der voornaamste moest worden beschouwd. Hij deelt vervolgens nog enkele artikelen uit die Acta mede, om ze te gelijkertijd in het kort te bespreken.1
Wat ten slotte Meiners aangaat,8 ook bij hem zoeken wij te vergeefs naar historische bizonderheden. Wel geeft hij de Acta Emdana in eene Hollandsche vertaling, zooals hij die gevonden had achter quot;Emdens Herder-stafquot; van J. J. HarkbnrohT; 2 wel wijst hij op twee brieven, geschreven aan de gemeente te Emden,3 die naar zijn oordeel veel zullen hebben bijgedragen tot het samen-
1
Hy noemt de artt. 1, 2, 48, 49, 50.
2
8 A. w., p. 426.
3
Een van de twee brieven is een schrijven van de broeders van
7
komen der Synode, maar noch over de toebereidselen tot die bijeenkomst, noch over de vergadering zelve weet hij zijnen lezers iets te zeggen.
Doen wij nu onderzoek naar de reden, waarom WTKN-bogaert en Brandt, Trigland en Meixers üoo weinig dienaangaande berichten, dan kan die oorzaak worden gezocht in hetgeen Meiners als de reden heeft aangegeven. Hij schrijft, sprekende over de Emder Synode: quot;Van de wyze en de omstandigheden, op en met welke de zelve gehouden is, vinde ik in onze Kerkelyke geschriften 1 en in ons Protokol 1 van dien tydt geen de minste naricht, alleenlyk wordt in \'t Protokol den 30 Januarius 1572 ter loops van deze Synode gewag gemaakt.quot; En op grond van deze bevindingen spreekt hij dan als zijn vermoeden uit, quot;dat deze vergaderinge in alle stilte, en, als het ware, bedektelyk hier 1 gehouden zy, om de Spaansche Regeringe niet te zeer in \'t oog te lopen.quot; 2
Is dit vermoeden juist, dan kan het ons niet verwonderen dat de genoemde geschiedschrijvers niet meer hebben gegeven. Maar inzonderheid was het gemis aan historische bescheiden oorzaak, dat zij slechts ter loops over de eerste Synode van de Gereformeerde Kerk dezer landen hebben gehandeld.
1
Meiners was predikant te Einden; vandaar, dat hij schrijft: \'\'onze Kerkelyke geschriften,\'\' quot;ons Protokolquot; en quot;hier.quot;
2
J A. w., p. 425, 426.
8
Jaren lang waren de Acta der Synode schier het eenige document, dat aan haar herinnerde; in den laatsten tijd eerst zijn vele bescheiden aan het licht gebracht en in druk uitgegeven, die ons menige bizonderheid van hare geschiedenis doen kennen.
Als zoodanig staan bovenaan de quot;Werken der Marnix-Vereeniging,quot; die ons overeenkomstig het doel, waartoe die vereeniging in het jaar 1869 werd opgericht, \' een schat van oorkonden aanbieden, die voor de geschiedenis van de Nederlandsche Gereformeerde Kerk der 16d• eeuw van onschatbare waarde zijn.
De tweede plaats bekleedt het tweede deel van het quot;Ecclesiae Londino-Batavae Archivum,quot; door den Heer J. H. HesSBLS uitgegeven, dat ons niet alleen veel leert aangaande de Gereformeerde Gemeenten in Engeland, maar ook menige bizonderheid doet kennen met betrekking tot de Gereformeerden op het vaste land.
In de derde plaats komen in aanmerking de quot;Godsdienstige en Kerkelijke geschriften van philips van Ma rn ix van St. Aldegonde,quot; die door Dr. j. j. van toorenenbergen zijn uitgegeven. In drie deelen en een aanhangsel zijn tal van stukken van Marstix\' hand samengebracht, die ons dezen doen kennen en waar-deeren als een uitmuntend theoloog en als een uitnemend christen, maar ook van veel waarde zijn voor de geschiedenis van onze Kerk in de tweede helft der 16d\' eeuw. 2
1 Zie S. I, D. I, p. V.
3 Aangezien liet drietal genoemde werken meermalen zal worden geciteerd, zullen wij in het vervolg kortheidshalve de Werken der
!)
Aan de hand van deze documenten is het thans mogelijk meer licht over de Emder Synode te verspreiden dan vroeger geschieden kon. Dat daartoe eene poging gewaagd wordt behoeft zeker wel geene verdediging.
De Emder Synode is en zal altijd blijven een heerlijk lichtpunt te midden van de duisternis, die in de dagen, waarin zij gehouden werd, over deze landen lag uitgespreid. Of moet het niet als eene daad van moed en krachtig geloofsvertrouwen worden aangemerkt dat deputa-ten van onderscheidene Gemeenten in eene vergadering samenkwamen om eene Kerkorde op te stellen, terwijl de Kerk zelve deels quot;onder het kruisquot; zat, deels heinde en verre was verstrooid?
Naar het uitwendige te oordeelen, scheen de toestand van de Gereformeerde Kerk dezer landen schier hopeloos. Van het oogenblik af van het aanbreken der hervorming was plakkaat op plakkaat gevolgd met toenemende gestrengheid en wreedheid. Brandstapel en schavot hadden tal van offers geëischt, en wat in de dagen van Karel V het werk der Inquisitie was geweest werd onder het schrikbewind van Alva voortgezet door den Raad van Beroerte.
Marnix Vereeniging aanduiden met quot;W. d. M. V.,quot; het tweede deel van het Ecclesiae Londino-Batavae Archivum met quot;Archivum,quot; de uitgave van de Godsdienstige en Kerkelijke Geschriften van Philips van Maiïnix van St. Aldegonde, met quot;Dr. van Toorenenbergen , Mahnix.quot;
10
De naam van die rechtbank, de quot;Bloedraad,quot; zooals hij genoemd werd, is voldoende om te herinneren aan al de ellende, waarin ons land en met dat land onze Kerk werd gedompeld. Mannen als DB VABGAS en Hbs-sbls kunnen niet oprijzen voor het oog des geestes, of het is als zich badende in het bloed, dat in overeenstemming met het eentonig oordeel van den laatste 1 en den afgrijselijken stelregel van den eerste\'2 bij stroomen werd vergoten.
De jaren van de tirannie van Alva behooren onder de donkerste van de lijdensgeschiedenis van ons volk. Wat was ook te verwachten van een man, die, zooals Motlby naar waarheid schrijft, 3 quot;seemed to have set himself to the task of ascertaining the exact capacity of the country for wretchedness; was resolved accurately to gauge its width and its depth; to know how much of physical and moral misery might be accumulated within its limits?quot; De tijd van zijn verblijf in deze landen is dan ook zoozeer geteekend door jammer en ellende, dat zelfs de dagen onder het bestuur van MARGA-retha van Parma en van db Rbqueseks gunstig daartegen afsteken.
„Non curamus vestros Privilegies,quot; dit woord, door jüan db vargas gesproken tot de hoogleeraren der Leuvensche hoogeschool, 4 is kenmerkend voor het gansche
1
Het bekende quot;ad patibulum, ad patibulum.quot;
2
Zijn stelregel was: quot;Haeretici fraxerunt templa, boni nihil faxerunt contra, ergo debent omnes patibulare.quot; Cf. Brandt, Reformatie, D. I, p. 466.
3
Motley, Rise of the Dutch Republic, Part 111, Chapter V, (uitgave Diirr, vol. II, p. 243).
4
Cf. Bob, Nederlandsche Oorlogen, (uitgave 1679), B. 4, p. 222.
11
bewind van Alva. Elk privilegie, ja, elk recht werd met voeten getreden en de willekeur van den dwingeland was de eenige wet, die in deze landen gold.
Niemand en niets was veilig. Wie tegen Alva\'s wil in verzet kwam werd door diens ijzeren vuist verpletterd, ook al ware hij een van de trouwste zonen der Roomsche Kerk. Zelfs de clerus vond in zulk een geval geene genade in zijne oogen. \' En dit zegt genoeg wat een quot;ketterquot; te wachten stond.
Om den opstand te dempen en de „ketterijquot; uit te roeien was Alva hier te lande gekomen. Bij de uitvoering van die taak betoonde hij zich als een uitnemend dienstknecht van zijn Koninklijken meester. Was het Philips eene ondragelijke gedachte over ketters te regeeren, en had hij liever duizend levens verloren, zoo hij die te verliezen had gehad, dan verandering in den godsdienst te vergunnen, Alva was inderdaad het geschikte werktuig om die strafoefening over de van de Kerk afvalligen te houden, die zijn heer als een plichtmatig gebruik van de hem toevertrouwde macht beschouwde. 1
Het moet dan ook altijd bewondering wekken, dat ons volk, aldus getiranniseerd, niet door moedeloosheid verslagen het hoofd in den schoot heeft gelegd, maar heeft volgehouden, meermalen tegen hope op hope. Ja, die
1
s Cf. Groen\' van Pkinsterbr, Handboek der Geschiedenis van het Vaderland, 3e druk, p. 78.
12
volharding zou een raadsel wezen, zoo wij niet wisten, dat zij bij een groot deel van ons volk was te verklaren uit hun krachtig geloofsvertrouwen. Want, mogen er geweest zijn, die om de zware belastingen, die Al va wilde invoeren, den strijd met Spanje aanbonden, er waren anderen, die worstelden om vrijheid der conscientie. De weerstand tegen den Koning van Spanje, aanvankelijk vooral eene verdediging van de rechten en vrijheden, eerst tegen Kabel V, straks tegen Philips II, werd, naarmate de Gereformeerden in aantal toenamen, meer en meer religie-krijg, en in diezelfde mate werd gewetensvrijheid de zaak waarvoor men streed. 1 Toen Alva deze landen betrad, nam dan ook die kamp een aanvang, waarin het ging om het zijn of niet-zijn van de Reformatie niet alleen in deze gewesten, maar ook in alle die landen, waar het licht door God zeiven weder op den kandelaar was geplaatst. 2
In dien strijd waren onze vaderen van menschelijke hulp zoo goed als geheel verstoken. Een deel van de Protestantsche vorsten beschouwde de worsteling als een schuldigen opstand. Andere gevoelden weinig sympathie voor den strijd, omdat zij zagen, dat de Luthersche Kerk daarbij niet zou worden gebaat. En de overige, die der Gereformeerde leer waren toegedaan, beloofden wel veel, maar gaven weinig of niets. De eenige lichtstraal, hier te ontdekken, was de volkomene toewijding, de rustelooze inspanning en de opofferende liefde van den Prins van Oranje, het heerlijk middelpunt van het edel vijftal
1 A. w., p. 88. 3 A. w., p. 94.
13
quot;Nederlandsche Maccabeeuwen.quot; 1 Maar ook die lichtstraal werd meermalen verdonkerd. Wat al pogingen van den Prins tot redding des vaderlands zijn mislukt! In 1572 ging hij naar Holland en Zeeland, om daar, zooals hij meende, zijn graf te vinden!
Het scheen wel, of ons land te gronde zou gaan en ons volk ten doode was opgeschreven. Wie de vlucht nemen kon, bleef niet achter. Hadden reeds vroeger velen ons land verlaten, bij de komst van Alva nam het aantal vluchtelingen schrikbarend toe.2 Engeland 3 en een deel van Duitschland4 werden als \'t ware door ballingen overstroomd.
1
A. w., p. 99.
2
Reeds in Juli 1567 zond Margaretha van wege de vele vluchtelingen brieven aan de steden, om het verder vluchten te beletten. Cf. Boe, a. w., B. 3, p. 172, 173.
3
Engeland was in die dagen onder de regeering van Elizabeth, (1558—1603) een veilige haven voor de Gereformeerde ballingen. Zoo was het vroeger ook geweest onder Eduard VI, (1547—1553) doch in de dagen van Maria (1553—1558) had het zwaard der vervolging in Engeland gewoed.
Menige gemeente van Nederlandsche Gereformeerden werd in Engeland gevonden, waaronder eene enkele zelfs tot belangrijken bloei geraakte, zooals b. v. die te Londen.
4
Niet geheel Duitschland stond voor de arme vluchtelingen open. Getuige b. v. de behandeling, die de voor Maria uit Engeland gevluchte Gereformeerden te Hamburg, Lubeck, e. a. ondervonden. Maar dit neemt niet weg, dat er vele plaatsen en streken waren, waar den vervolgden een gastvrij dak was bereid. Zoo waren er b. v. gemeenten van Nederlandsche vluchtelingen in Emden, Keulen, Wezel, Daut/.ig, Aken. Frankenthal, Frankfort a/d. Main, Heidelberg, enz.
14
En het was waarlijk geen wonder, dat menigeen naar den vreemde eerst het oog en straks den voet richtte: hij vond daar althans bij levensbehoud vrijheid van godsdienstoefening. Hier in deze landen toch zat de Kerk in den waren zin van het woord quot;onder het kruis;quot; slechts in het verborgene konden de aanhangers der quot;nieuwe leerquot; samenkomen en dan nog alleen in voortdurende vreeze van te worden overvallen of verraden. Van de zijde der Spaansche regeering waren maatregelen genomen, om elke reformatorische levensuiting te smoren.
Maar wat zij ook deed, zij zou het ondervinden, hoe waar het woord was door Maximiliaan tot Keizer Kakel gericht: quot;Alles kan de staatswet regelen en voorschrijven en dwingen, maar \'t godsdienstig, maar \'t geestelijk leven der volkeren, — dat nooit!quot; 1
Streng waren de plakkaten, waarin het verboden werd Gods Woord te lezen en te verkondigen, ter prediking te gaan en hervormingsgezinden te herbergen, en toch nam in weerwil van inquisitie en brandstapel, van galg en schavot, het aantal van de aanhangers der quot;nieuwe leerquot; voortdurend toe. Het scheen wel, of van den geest van eenen ter dood gebrachte terstond twee deelen kwamen niet slechts op éen enkele, maar op tien, twintig anderen te gelijk. Ja, ongetwijfeld is menig bloedgetuige door zijne standvastigheid en manmoedigheid, door zijne blijdschap des geloofs in Gods hand het middel geweest, waardoor velen ontvingen wat ook hen deed jubelen als overwinnaars, zelfs in het aangezicht van den dood. Zoo
1
Cf. Dr. J. Gr. de Hoop Scheffer, Geschiedenis der Kerkhervor-ming in Nederland van haar ontstaan tot 1531, p. 62(5.
15
bleken de pogingen van Spanje\'s vorst, om den voortgang der Reformatie te stuiten, juist het tegenovergestelde te bewerken van wat zij beoogden. Hoe wreeder de plakkaten werden, des te grooter werd het aantal van hen, die de quot;nieuwe leerquot; beleden en beleefden. Het ging hier, als met de Israelieten in Egypte : quot;Hoe meer de Egyptenaren het volk verdrukten, hoe meer het vermeerderde en hoe meer het wies.quot; 1 Trouwens, steeds werd aanschouwd in de geschiedenis der Christelijke Kerk, dat juist vervolging en uitwendige benauwing gepaard gingen met of gevolgd werden door rijk geestelijk leven en inwendigen bloei, gelijk het op eigenaardige wijze wordt gesymboliseerd door het zegel van eene der kerken van Schotland, dat om eene distel dit randschrift draagt: quot;Hoe meer men mij vertreedt, hoe meer ik groei.quot;
Indien ergens, dan moesten juist hier de pogingen, om den stroom der reformatie te keeren, daartoe onmachtig blijken te zijn. In menig ander land was de hervorming van de overheid uitgegaan, maar in deze gewesten wortelde de reformatie in het volk zelf, dat door eene voorbereiding gedurende eene gansche eeuw, 2 geworden was als een toebereide akker die met verlangen uitzag naar de dauwdruppelen des Evangelies. Met vreugde was dan ook
1 Exodus 1 : 12.
3 Men denke hier vooral aan de werkzaamheid van de broeders des gemeenen levens, aan het optreden van de Rederijkers, aan het uitgeven van de H. Schrift (of van deelen van den Bijbel), aan de verbetering van het onderwijs, de reactie onder het volk tegen de gebreken van
16
het licht te Wittenberg ontstoken begroet, en toen eenmaal dat licht was doorgebroken, was juist krachtens die lange voorbereiding geen volk beter dan het onze geschikt, om door te dringen tot den grond van het beginsel der reformatie en dat beginsel in alle consequenties door te voeren, gelijk dan ook inderdaad de adem der hervorming het leven van een groot deel van ons volk in alle zijne uitingen bezielde. De Staten en Magistraten hier te lande gevoelden de kracht dier strooming, en gaven, hetzij gaarne, hetzij tegen wil en dank, toe, beseffende dat tegen den stroom op té roeien eene onmogelijkheid was. De Spaansche regeering lette op de kracht dier strooming niet, en meende haar te kunnen breken. Intus-schen had juist dit ten gevolge, dat menigeen deze landen verliet, om het zaad des Evangelies te strooien aan vele wateren. Groote invloed is er van de vluchtelingen uitgegaan in die plaatsen, waar zij zich vestigden, en die invloed was voor een deel ongetwijfeld toe te schrijven aan de zelfstandigheid van het volkskarakter en aan de vaardigheid in takken van nijverheid en industrie, maar voor een ander deel niet minder aan de krachtige geloofsovertuiging, waarvoor zij leden en streden. 1
den clerus en aan het ontwaken van de belangstelling voor het zuivere Evangelie. Van groot gewicht bij dit alles was de uitvinding van de boekdrukkunst en de arbeid van mannen als Ageicola en Erasmus.
Cf. Dr. G. J. Vos Azn., Geschiedenis der Vaderlandsche Kerk, 2e druk, p. 44, 48—51, 53,54. Yquot;pey en Dermout, Geschiedenis van de Hervormde Kerk in Nederland, D. I, p. 1—45, Hofstede de Groot, Honderd jaren uit de Geschiedenis der Hervorming in de Nederlanden, p. 36.
1 Menige plaats had aan die gevluchte Nederlanders hare opkomst eu haren bloei te danken. Men denke o. a. aan Hanau en Frankenthal.
17
Vergeten wij het niet, dat zij quot;Gereformeerdenquot; waren en dat hunne godsdienstige beginselen hun stempel drukten op alle levensuitingen. Die beginselen waren als een stroom, die door zijnen forschen golfslag niet alleen de raderen van het kerkelijk leven in beweging bracht, niet alleen de drijfkracht was van het private leven, maar ook op het maatschappelijk leven zijnen invloed deed gevoelen.
De aanhangers van de quot;nieuwe leerquot; in deze gewesten ten tijde van de Emder Synode waren voor het meerendeel Gereformeerden. Reeds van den aanvang der Reformatie af waren de gevoelens hier afwijkende van sommige leeringen van Luther. Het is genoeg de namen van CoRXELis Hoen, Hinxe Rode, Oanieivus, Woüteb, enz. in het geheugen te roepen om te doen zien, dat het juister is de quot;ketterijquot; hier te lande, voor zoover zij niet Anabaptistisch was, in hare eerste jaren te betitelen als quot;Sacramentisterijquot; dan als quot;Lutherij.quot; 1 Juist door de langdurige voorbereiding had de Reformatie hier eene eigenaardige, zelfstandige ontwikkeling gekregen, die met zich bracht dat hare aanhangers zelfs Luther niet als hun meester erkenden; het Woord Gods was de eenige kenbron. En dit eigenaardige bleef der Reformatie hier te lande eigen. In 1530 scheen het of de quot;Sacramentariërsquot; voor goed waren
2
1
Zie liierover Dr. de Hoop Sc heffer, a. \\v. p. S(i, vgg.
18
onderdrukt, om plaats te maken voor de quot;Anabaptisten.quot; Maar de quot;Sacramentisterijquot; bleef, hoewel in het verborgen, bestaan en werkte voort, hoewel langen tijd onzichtbaar. Een menschenleeftijd later zou het worden aanschouwd, want wat toen bij de openbaring van krachtig geestelijk leven het heerschend gevoelen was, stond in onmiskenbaar verband met de geestesrichting quot;der oorspronkelijke Hervorming, die in WOUTER, in Canirivds, in HOEN hare grondleggers erkende en op WILLEM DlRKS en PlSTOBIüS als haar martelaren roemde.quot; 4
Omstreeks 1560 zien wij allerwege Gereformeerde gemeenten in snellen aanwas. Schijnbaar had de oude stam der oorspronkelijke Hervorming als verstorven gestaan, maar het leven was niet uitgebluscht geweest. Het vertoonde zich op nieuw, en dit nieuwe uitspruitsel zou niet alleen de slagen der bijl weerstaan, maar ook tot zulk eene ontwikkeling komen , dat de oorspronkelijke boom een dwerg zou wezen in vergelijking van wat hij nu stond te worden. Vier momenten werkten daartoe samen. In de eerste plaats was door het loeien der stormen de stam wel hevig geschud, maar daardoor was tevens de aarde losser geworden en konden de wortels des te gemakkelijker in de breedte en diepte zich uitslaan. Bovendien was de grond rijker bevochtigd met en beter doordrongen van de dauwdruppelen des Evangelies. In de derde plaats kwam gloed en licht uit het Zuiden het welig groeien van het uitbottende groen bevorderen, en
1 Dr. de Hoop Scheffee, a. w. p. 623.
19
eindelijk stonden bekwame hoveniers gereed om hunne zorgen te wijden aan deze veelbelovende planting. Door de vervolging van Karel V gelouterd, door het Anabaptisme gewaarschuwd voor verderfelijke uitersten, waren de aanhangers der quot;nieuwe leerquot; door een voortdurend, nauwgezet onderzoek van de Schrift vaster gefundeerd in de waarheid, en doordrongen van het noodzakelijke van de praktijk der godzaligheid. Zoo kwam het dat zij, die als quot;Sacramentariërsquot; waren verdwenen, als quot;Gereformeerdenquot; opnieuw verschijnen; doch thans niet meer als eenlingen op zichzelve staande, maar strevende naar een Kerkverband. Van grooten invloed hierop was het licht te Geneve ontstoken en de prediking van zoovele uitmuntende mannen, in de school van Calvun gevormd.
Die Gereformeerden hadden behoefte kerkelijk samen te leven: hunne Consistories getuigen het. Zij gevoelden zich éen en die eenheid moest worden uitgesproken ook tegenover de hen vervolgende machten; vandaar de quot;Confession de foy, faicte d\'vn commun accord par les fideles qui conuersent és pays has, lesquels desirent viure selon la pureté de VEuangile de nostre Seigneur lesus Christ.quot;
HOOFDSTUK I.
AAIsTLEIDEINDE GOEZAJKEJST.
r
hoofdstuk i.
AANLEIDENDE OORZAKEN.
Green gebeurtenis kan plaats hebben op kerkelijk of maatschappelijk gebied, zoo niet in- en uitwendige oorzaken tot het tot stand komen daarvan samenwerken. Hoe zou b. v. de Hervorming in de 16quot; eeuw zoo snel zich hebben uitgebreid als in waarheid geschied is, indien niet aan het optreden van Lüthbh, van zwingli, van Calvun eene langdurige voorbereiding ware voorafgegaan? Hoe zou b. v. de Revolutie in Frankrijk zulk eenen grooten omvang hebben gekregen, wanneer niet de werkzaamheid der Encyclopedisten en de algemeene ontevredenheid over de voorrechten van adel en geestelijkheid den weg hadden gebaand voor de ophitsende taal der Jacobijnen?
De noodzakelijkheid van het samenwerken van in- en uitwendige oorzaken heeft hierin haren diepsten grond, dat de wereldgeschiedenis de uitvoering is van Gods raadsbesluiten en derhalve niet bestaat uit eene reeks van gebeurtenissen, die slechts toevalligerwijze elkander opvolgen, maar inderdaad beheerscht wordt door éene leidende gedachte Gods. Bij die wereldgeschiedenis immers is God niet een bloot toeschouwer; integendeel is
24
Hij de Koning, die alles regeert en bestuurt volgens zijnen eeuwigen raad, naar zijn wereldplan en dit doet Hij in den weg der middelen. Even stellig toch, als Hij bij de wereld-schepping onmiddellijk wrocht, werkt Hij bij de wereld-onderhouding en wereld-regeering middellijk. Dit nu brengt met zich, dat Hij eenerzijds den man, die in Zijne kracht wat goeds tot stand zal brengen, niet eer verwekt, dan nadat Hij de behoefte aan dat goede bij velen heeft doen levendig worden, en dat Hij andererzijds vooraf de menschen overgeeft in de booze overleggingen hunner harten, voordat Hij diegenen doet opstaan, onder wier leiding die overleggingen in daden zich zullen openbaren.
Zulk eene samenwerking van in- en uitwendige oorzaken valt ook op te merken bij het tot stand komen van de Emder Synode. Op deze oorzaken hebben wij thans het oog te slaan.
Onder de inwendige oorzaken moet in de eerste plaats de aandacht gevestigd worden op de behoefte der Gereformeerden, om de door hen zoo levendig gevoelde onderlinge eenheid op krachtige wijze uit te spreken, op welke behoefte wij reeds met een enkel woord in onze inleiding wezen. 1
De Gereformeerden konden, bij hun besef van gemeen-schappelijke afhankelijkheid van de genade Gods, geen vrede hebben met een toestand, waarbij niet allen, die ééns geestes met hen waren, ook in kerkelijke gemeen-
1
Zie p. 19.
25
schap vereenigil met hen leefden. Zij konden dus niet rusten, voordat de Gereformeerde Kerk zich in hare eenheid openbaarde. Consistorie en Provinciale synode konden hen derhalve niet bevredigen, eene generale synode was het ideaal!
Wij hebben thans na te gaan, hoe hun streven zich allengs krachtiger openbaarde totdat het zijne eerste meer afdoende bevrediging vond in de Emder Synode.
Niet reeds te Wezel in 1568, eerst te Emden in 1571 werd die meer afdoende bevrediging gevonden. Want al staan het convent te Wezel en de Emder Synode in nauwen samenhang als twee onderscheidene stadia op éen zelfde ontwikkelingslijn, toch is er tusschen die twee vergaderingen een aanmerkelijk verschil. Het is met beider werkzaamheden gelegen als met de bemoeiingen van David en van Salomo ten opzichte van den tempelbouw. Evenals David niet verder mocht gaan dan het maken van toebereidselen, zoo kon ook het Wezeler convent niet meer doen dan de lijnen trekken, die het plan voor den bouw eener kerkorde aangaven. Uitvoering te geven aan dat plan, dat vermocht eerst de Synode te Emden, gelijk het bouwen van den tempel des Heeren voor Salomo was weggelegd.
Reeds spoedig na den snellen aanwas der Gereformeerde gemeenten openbaarde zich het gevoel van eenheid, door de instelling van Consistoriën, en weldra in 1561! nog levendiger door het tot stand komen van de eerste breedere vergadering.\'
1 Waarschijnlijk zijn er drie zulke vergaderingen gelijktijdig gehouden,
26
Intusschen was deze slechts een bijeenkomst van Walsche broeders, terwijl zij duidelijk een provinciaal karakter droeg.1 Maar, toen eenmaal de eerste schrede op den weg der quot;meerdere vergaderingenquot; was gezet, kon het niet anders of met verlangen moest naar die quot;meerderequot; worden uitgezien.
Welnu, twee jaren na de genoemde bijeenkomsten vinden wij van die begeerte dan ook reeds duidelijk blijk, toen de behoefte aan eene vergadering, meer uitgebreid dan eene provinciale Synode, werd kenbaar gemaakt. In 1565 zond namelijk de Gereformeerde gemeente van Antwerpen aan den kerkeraad te Emden een schrijven, inhoudende, dat zij het plan had opgevat eene vergadering te beleggen van quot;Predikanten uit Vlaanderen, Zeelandt, en van Zandwijk, om over zommige zwarigheden raet te plegen.quot; 2De brief werd gezonden met het verzoek of de kerkeraad te Emden de Antwerpsche broeders in dezen van advies
1
Het provinciaal karakter blijkt uit het opschrift: quot;Synode Provincial,quot; en verder uit het feit, dat er den 2üsten April 1563 zoo niet drie, dan toch zeker twee zulke vergaderingen gehouden zijn in de Walsche provinciën. Cf. Hooijer a. \\v., 1. 1.
2
Cf. Meiners, a. w. p. 410.
Evenals Emden zelve de quot;herbergquot; onzer Kerk was, zoo was de kerkeraad aldaar de vraagbaak bij voorkomende moeielijkheden en bij gewichtige te nemen besluiten. Dit blijkt ook weer hier; de brief van Antwerpen hield in: 1° kennisgeving van het bestaande plan, 2° verzoek om advies.
Zie over de beteekenis van Emden voor de Gereformeerde Kerk dezer landen de zaakrijke mededeelingen bij Hooijer, a. w., p. 56—58.
27
wilde dienen. Aan dit verzoek werd voldaan. CORNELIS COOLTUYN1 antwoordde, dat de kerkeraad het plan niet onvoorwaardelijk kon goedkeuren van wege de zware en moeitevolle tijden en de groote onveiligheid in Brabant en Vlaanderen; dat hij eerst op de hoogte moest wezen van de redenen, die de broeders te Antwerpen hadden om zulk eene vergadering bijeen te roepen, voordat hij zijne volle adhaesie kon betuigen, en dat hij op grond daarvan hun den raad gaf, in geval van nood liever twee of drie uit hun midden af te vaardigen, opdat deze te Emden met anderen zouden kunnen confereeren. 2 Wat er nu na het ontvangen van dit antwoord door de gemeente te Antwerpen is besloten of gedaan, weten wij niet. Het is zeker, dat de raad aangaande het samenkomen te Emden toen niet is opgevolgd,3 maar, of eene vergadering te Antwerpen is belegd, dan wel of hetgeen men eigenlijk wilde tot later is uitgesteld, daar het nu door den druk der omstandigheden onmogelijk werd gemaakt, wie zal het zeggen? Daar wij zien, dat in Juni 156() de prediking te Antwerpen en in geheel Vlaanderen in het openbaar geschiedde,3
1
Cogltutn. {Colthunius, Colthuynius) geboortig uit Alkmaar, was sedert 1559 predikant te Kmdeu, waarheen hij reeds vroeger was gevlucht. (27 Juni 1558 verschijnt hij voor den kerkeraad). Cf. Meisees, a. w., p. 355—8ii0. Brandt, Reformatie, D. 1, p. 219—220. 2ie ook nog Geschiedenis der Christel. Kerk in Nederland in tafereelen, D. II, p. 12—14.
2
Meinees 1.1. vermoedt dat genoemde correspondentie eene der aanleidingen is geweest tot het samenkomen van de Synode te Emden in 1571. Indien er iets bekend ware geweest van eene vroegere bijeenkomst aldaar gehouden, had hij tot zulk eene onderstelling niet kunnen komen.
3
Cf. H. Q. .Janssen, Kerkhervorming te Brugge, D. I, p. 39, vgg.
28
en wij gewag vinden gemaakt van Synoden, gehouden a la Vigne, Pinksteren 1565,1 3 December 1565,2 16 April 1566,3begin Mei 1566, 4 Juli 1566, 5 October 1566, 6 1 Jan. 1567 7en Febr. 1567,8 behoort het immers geenszins tot de onmogelijkheden, dat aan het plan uitvoering is gegeven; ja het zou zelfs kunnen zijn dat eene dier genoemde vergaderingen de bijeenkomst is geweest, die door de Antwerpsche gemeente werd begeerd. Alles toch geschiedde onder de grootste geheimhouding; met betrekking tot de laatste der hierboven genoemde Synoden8 is niet veel meer bekend dan dat ze gehouden zijn en voorts een of twee der behandelde punten,9 of wel de naam van een enkele,
1
Hooijer, a. w., p. 20 vgg.
2
A. w., p. 22.
3
Ibidem.
4
Cf. Francisci Junii vita ab ipsomet scripta, bij Gerdes, Scrinium antiquarium p. 245, 2-16 of bij Dr. A. Kuyper, Francisci Junii opera selecta, p. 26.
5
A. \\v. bij Gerdes, p. 247, bij Kuyper p. 26.
6
Brandt, a. w., p. 395. Brandt beroept zicli op Keael, die in die bijeenkomst tegenwoordig zou zijn geweest als deputaat van Amsterdam, met andere gevolmachtigden ter vergadering opgeroepen om een request aan den Koning op te stellen. Dit request is te vinden bij Bor, a. w., B. 3, p. 122, 123. Zie ook Willem te Water, Historie der Hervormde Kerke te Gent, p. 235.
7
Willem te Water, a. w., in het Voorbericht *** 2 verso.
8
Van de eerste drie zijn de acta bekend, zie Hooijer, a. w. ,p. 20, vgg. Van de overige vijf geldt wat in den tekst wordt gezegd.
9
Zoo is b. v. van de Synode van Mei 1566 bekend, dat aldaar de Geloofsbelijdenis is herzien en dat besloten werd voortaan het Woord Gods in het openhaar te verkondigen (aanleiding tot de hagepreeken); van de Synode van Juli 1566, dat aldaar is opgesteld een kleiu geschrift
29
die daar tegenwoordig is geweest.1 Wie zal dus beslissen, of deputaten uit Zeeland en van Sandwich eene dei-genoemde Synoden hebben bijgewoond?
Doch, hetzij dat de door de Antwerpsche gemeente begeerde vergadering gehouden is, hetzij dat ze door allerlei omstandigheden niet tot stand is gekomen,2 dit is in allen gevalle zeker, dat de behoefte levendig werd aan eene bijeenkomst, meer uitgebreid en meer algemeen dan de tot dusverre gehouden vergaderingen waren geweest. 30]) die gevoelde en zoo duidelijk betoonde behoefte leggen wij thans den nadruk. Wortelende in een beginsel, kon zij niet van tijdelijken en voorbijgaanden aard wezen. Het kon dus niet anders, of telkens moest zich het ver-
1
Op de Synode van Mei 1506 waren b. v. aanwezig Franciscus Junius, Marnix van St. Aldegonde en Saravia. Cf. Hooijer, a. w., p. 23. Dr. Geesink, Calvinisten in Holland, p. 1(5.
Aangaande de Synode van 1 Jan. 1567 bericht te Water, a. w., Voorbericht *** 2 verso, dat des namiddags te 1 ure na de predikatie Petrus Dathenus met andere gedeputeerden uit Gent naar Antwerpen ter Synode vertrok.
2
Het is evenwel hoogst waarschijnlijk, dat eene der genoemde Synoden identisch is met de door de Antwerpsche gemeente begeerde bijeenkomst.
3
Niet alleen werd die behoefte te Antwerpen gevoeld, evenzeer werd ze te Emden begrepen. De bezwaren immers van den kerkeraad vloeiden in hoofdzaak uit de tijdsomstandigheden voort. Het houden van eene meer uitgebreide vergadering als zoodanig werd geenszins gewraakt, integendeel goedgevonden. Vanwaar anders het voorstel om in Emden saam te komen?
30
langen doen gelden naar eene vergadering, waar niet alleen de gemeenten van vele provinciën, maar de gansohe Gereformeerde Kerk vertegenwoordigd zou zijn.
Wat nu de Antwerpsche broeders noodig oordeelden moet ook den anderen broeders, zoo al niet noodwendig, dan toch zeer begeerlijk zijn voorgekomen, daar het hun immers eene behoefte was onderling voeling te houden op grond van de eenhei tl des Geest es. Al was het wen-schelijke hiervan door de andere broeders te dien tijde nog niet uitgesproken, ja zelfs, al hadden zij het nog niet duidelijk ingezien, éene enkele roepstem, éen enkel woord moet voldoende zijn geweest om, wat sluimerde, te doen ontwaken. En die roepstem is ongetwijfeld op vele plaatsen gehoord, toen na den slag bij Oosterweel1, de inneming van Valenciennes, 2 en straks bij de nadering van Alva, onder de duizenden die deze landen verlieten 8 de Ant-■werpsche broeders niet te vergeefs werden gezocht.3 Als vluchtelingen toch zullen zij in den vreemde evenzeer als
1
Na den mislukten aanslag van Toulouse (den broeder van Philips van Makxix van St. Aidegonde) op Walcheren, werd zijn leger 13 Maart 1507 bij Oosterweel letterlijk in de pan gehakt en hij zeli\'-in duizend stukken gehouwen.quot; Cf. t)i\', Jan ten Brink . De eerste jaren der Nederlandsehe Revolutie, 1555—1568, p. 199, 200. Hooft. Nederl. Historiën 4e boek, p. 132. Bor. a. w., B. 3, p. 156.
2
Valenciennes moest zich 24 Maart 1567 na een beleg van drie maanden door XoiRCAiniES overgeven. Er werd eene vreeselijke strafoefening gehouden; de twee predikanten Guido de Bres en Peregrin de la Grange werden naar de galg verwezen en opgehangen. Zie Groen van Peinsteree, a. w., p. 86. Bor, a. w., B. 3, p. 134—142. Hooft, a. w., 3® boek, bl. 125 vgg., 4® boek, bl. 141.
3
Cf. Bor, a. w., B. 4, p. 166.
ai
in hunne vaderstad naar kerkelijke vereeniging hebben verlangd; ja, dat verlangen zal juist in den vreemde des te krachtiger hebben gesproken.
Velerlei werkte daartoe samen. In de eerste plaats de begeerte, om te midden der groote verstrooiing ten minste gedurende enkele dagen te kunnen genieten van de onderlinge eenheid, door hetzij persoonlijk, hetzij in den geest tegenwoordig te zijn in eene vergadering, waar deputaten van heinde en verre bijeen waren. In de tweede plaats wenschte men bij voorkomende moeielijk-heden het oordeel der broederen te vernemen. Zulke moeie-lijkheden toch deden zich nu en dan voor, daar in de eene gemeente, vooral wat bijkomstige dingen betreft \', allengs praktijken waren ontstaan, verschillende van die in eene andere gemeente en de vluchtelingen zich allicht konden stooten aan een of ander gebruik dat in de gemeente, die hen opnam, gewoonte was geworden. In de derde plaats kwam hierbij de overtuiging, dat het welwezen der Kerk eischte, dat eenerzijds de eenstemmigheid in de leer werd uitgesproken en er andererzijds eenparigheid zou wezen in de kerkregeeriug en het samenkomen van de meerdere vergaderingen.
Dat op grond van het bovengenoemde het noodzakelijke van eene meer uitgebreide vergadering niet alleen in Antwerpen\'s gemeente maar ook elders gevoeld werd, blijkt uit de schriftelijke correspondentie, die de broeders met elkander onderhielden, eene correspondentie, dieniet alleen gevoerd werd tusschen quot;genabuurdequot; gemeenten.
1 Hieronder zijn b. v. te rekenen die dingen, die als 4ires adia-phoraequot; werden beschouwd. Cf. Acta Emder Synode, artt. 19. 20.
32
maar ook tusschen die van naburige, ja zelfs van ver verwijderde landen. Zulk eene correspondentie immers was een surrogaat van de meerdere vergaderingen, zoolang deze door den druk der omstandigheden voorshands tot de onmogelijkheden behoorden, of slechts zeer zelden konden gehouden worden.
Een leerrijk voorbeeld hiervan geeft ons de twist, die in 1564 in de Londensche gemeente is ontbrand, met eene andere oneenigheid, die daarop is gevolgd. Het eerstgenoemde geschil liep over het al of niet noodzakelijke van de tegenwoordigheid van peters en meters bij het doopen van kinderen, een geschil, dat ontstaan was, toen de predikant GODFRIED VAN WlNGBN in 1564, spoedig na de aanvaarding zijner bediening, met goedvinden van den kerkeraad aan de gemeente bekend maakte quot;dat men de kinderen ten doope in de gemeente soude presenteren met peters en meters.quot; Deze inschikkelijkheid jegens de kerkelijke traditie, die in de Anglikaansche kerk gehandhaafd werd, wekte aanstonds tegenstand. Sommigen ontzagen zich niet haar te noemen, quot;een duyvelache antichristische ceremonye, van den Paus HYGINüS eerst inghevoert, een plantinghe, die van den hemelschen Vader niet en was gestelt.quot; 1 Over en weer werden bewijzen aangevoerd; de strijd nam in hevigheid toe, zoodat nog in dat zelfde jaar door den kerkeraad aan het consistorie te Emden om raad werd gevraagd, terwij 1 de opposanten van hunne zijde hunne protesten insgelijks te Emden indienden. Wel is waar heeft de kerkeraad te Emden
1
Zie W. d. M. V., S. Ill, D. I, p. 60, Cl.
33
niet spoedig geantwoord — misschien in het geheel niet1 —, maar dit neemt niet weg dat wij hier een duidelijk voorbeeld hebben van correspondentie. 2 Intusschen was zij in dit geval slechts met éene enkele gemeente gevoerd. Doch uitgebreider werd zij bij den tweeden twist, dien wij thans willen gadeslaan.
In 156G vestigden zich in de Londensche gemeente tal van nieuwe vluchtelingen, die quot;nu voortkwamen uit denzelfden kring, en dus uit dezelfde warme atmosfeer, waarin de hagepreek en de beeldstorm tot rijpheid ge komen waren.quot; 3 Het is dus niet te verwonderen, dat deze laatst aangekomenen daar groote reden van beklag vonden, aangezien de oudere partij in de gemeente tegen den beeldenstorm gekant was en het zelfs gebeurd is, dat quot;int openbaer gepredickt wierd tegen het onordentlick verbreken der beelden int Nederland en tegen het plunderen van kerkelicke goederen, zijnde een zake die tegen God en d\'overheyt streed, en de Gemeynte Christi zeer ergerlick.quot;4 Bevreemden kan het evenmin, dat zij in openlijken tegenstand kwamen, toen de beeldst ormerij hevig werd gehekeld in een boeksken, dat Mr. joannes Engelram uitgaf onder den titel: quot; üytspraeke enz. tot de strytlustighen.quot; 5
1
Ten miuste 21 Mei 156G was Let fintwoord nog niet gekomen. Of. Dr. van Tooeenenbekgen, Marsix, Deel I, p. XXXVII, noot 1.
2
De twist is eindelijk beslecht door Edmund Grixdall den bisschop van Londen. Cf. W. d. M. V., s. Ill, D. I, p. 61. — Zie over dezen strijd ook Dr. A. Kuypeu: üe HoIIandsche Gemeente te Londen in 1570/1 in quot;Voor driehonderd jaren,quot; 2e serie, p. 137, vgg.
3
Dr. van Tooeenenbergen, Maenix, Deel I, p. XXXVII.
4
W. d. M. V., S. Ill, D. I, p. G7.
5
Cf. Dr. van Toorenenbeegen a, w., p. XXXVIII. Het bovengenoemde boekje wordt door Maenix aangeduid en beoordeeld in zijn -\'Advys
3
34
Dat dit boekje zulk eene uitwerking wel hebben moest blijkt uit liet volgende citaat, ontleend aan Mabnix\' beoordeeling t. a .p.: quot;Ick late staen dat dit gelfde boeexken een oorsake gheweest is van menich onnoosel bloet dat van den tirannen heeft vergoten gheweest, beroepende zich op dat boeexken ende veroordeelende dat onnoosel bloet op het schrijven der ghenen die zich voor gheloovighe uytghe-ven, hetwelcke Godt en den Hemel gheclaecht moet zijn.quot; Er ontstond dan ook zulk eene jammerlijke tweespalt, dat het Consistorie het noodig achtte de beslissing in te roepen van de kerken van het vasteland. In zeven en twintig stellingen1 zette de kerkeraad uiteen, wat zijn gevoelen was aangaande de punten in quaestie, 2 waarna eene deputatie 3 met die stellingen gezonden werd naar Genève,
1
Die stellingen zijn te vinden bij Dr. van Toobenexbeegen, a. w. in de Nalezing, p. 547, vgg., die ze ontleend heeft aan \'quot;Epistolarum
2
Theol. Th. Bezae Vezelii Libcr unns.quot; Genevae 1575 (Ed. secunda), p. 137, sqq.
3
De punten in quaestie waren in hoofdzaak quot;de Christelijke vrijheid\'1 (met eenige daarmede samenhangende vragen) en quot;het gebied zoowel van de Kerkelijke als van de burgerlijke, de wereldlijke jurisdictie.quot; Deze beide hoofdpunten waren de respectieve brandpunten van de twee oneenigheden. De twist van 1564 quot;over de doopgetuigenquot; was een strijd roor vrijheid tegen dn-ang (uit dien strijd kwam straks een andere voort, de strijd over de Synodale Kerkinrichting tegen het Bisschoppelijk gezag); de twist van 1566 was een strijd over de autoriteit den\' overheid. Cf. Dr. Küypee, a. w. p. 140, vg.
3 Do deputatie bestond uit de II.H. Joannes Engelram en Willem Havard, aan wie een geloofsbrief werd medegegeven. Cf. Archivum, p. 298, vg.
Bern, Lausanne, Zürich, Heidelberg en naar Emden, opdat de voorgangers dier gemeenten hun oordeel daarover zouden uitspreken, zoo mogelijk er hunne goedkeuring aan zouden hechten. Was die verkregen, dan zouden de artikelen strengelijk worden gehandhaafd. 1 Genève, Lausanne, Bern , Zürich en Heidelberg voldeden aan het verzoek,2 doch een officieel antwoord uit naam van of door
1
Cf. Dr. van Toorenenbergen, a. w., p. XXXIX.
Welke waarde door het Londensche Consistorie aan die artikelen werd gehecht, blijkt uit wat Marnix schrijft in zijn genoemd Advies: \'\'het andere daer ick uwe grondtlicke meyninghe hebbe connen alderbest vernemen, is gheweest uyt een artyckelschrift, dat men tot Emden ende op andere plaetsen heeft ghesonden ende grootefeeste daervan gemaeckt, als zijnde noodich te ghelooven ende byna hehoorende under de 12 ar-Wielen des gheloofs gheïnregistreert te wesen quot;
2
liet antwoord van Genève is behalve in de brieven van Beza. ook te vinden in een M. S., dat het eigendom is van den Heer Mr. Royaards van den Ham te Utrecht. — In dat M. S. zijn bovendien aanwezig de antwoorden van de kerken te Lausanne, Bern, Zürich en Heidelberg.
Uit de data dier brieven blijkt, hoe de beide deputaten hunne reis hebben gemaakt. Die van Genève is gedateerd 25 Juni 1568, die van Lausanne 8 Juli 15G8, die van Bern 14 Juli 1568, die van Zürich 19 Juli 1568 en die van Heidelberg 30 Juli 1568.
Tusschen het antwoord van Genève en dat van Lausanne komen in het M. S. nog twee brieven van den kerkeraad van Genève voor. De eerste is gedateerd 2 Juli 1568 en gericht aan de Hollandsche Gemeente te Londen. Daarin wordt gemeld, dat in de maand Mei Herman Moded en Carolus Brune tot hen waren gekomen uit naam van de Hollandsche Gemeente te Norwich, en wel naar aanleiding van de twisten in de Londensche Gemeente. Zij hadden dien beiden mannen een brief medegegeven, van welken brief zij thans eene kopie aan hun schrijven toevoegen, opdat zij voor de Londensche broeders niets ver-
3*
36
den kerkeraad van Emden gezonden is niet bekend. Wellicht is, zooals Prof. van Toobenenbergen waarschijnlijk acht, het beantwoorden van het „artyckel-schriftquot; aan Mabnix overgelaten. \'
Eene dergelijke correspondentie, als wij hier aantreffen, doet met klaarheid zien, hoe de bestaande behoefte aan onderling beraad in de Londensche gemeente krachtig werd gevoeld.
Wij kunnen echter van deze geschillen te Londen niet afstappen, alvorens eerst nog het oog naar Norwich te hebben gewend. Daar toch werd evenzeer als te Londen ten gevolge van die oneeuigheden verlangd naar overleg met de geloofsgenooten, zoodat ook van daaruit over die twisten werd gecorrespondeerd, en zelfs een tweetal mannen werd afgevaardigd om den raad in te winnen van de kerk te Genève. Uit een brief namelijk, den 23steu Maart 1568 door het consistorie van Norwich geschreven aan den kerkeraad van Emden,2 blijkt, dat aldaar de naweeën werden gevoeld van den strijd, die in Londen werd gevoerd. In Norwich immers hadden de broeders den
borgen houden. Deze eopie is dan de tweede bedoelde brief (de datum van onderteekening is 21 Mei 15(58).
Het antwoord van Genève is ook nog te vinden (doch in het Hollandsch) bij Symeok Kuvtisck in W. d. M. V., S. Ill, D. I, p. 07 vgg., die ook het einde van den strijd vermeldt, hetwelk evenwel niet kwam vóór het begin van 1571.
Zie over het verloop van den strijd, die nu eens feller woedde, dan weer scheen bijgelegd te zijn: Dr. A. Kuvpep., in (\'Voor Driehonderd jaren.quot;
1 Cf. Dr. van Tooeenenbeegen, a. w., p. XXXIX.
2 Deze brief is te vinden; W. d. M. V., S. Ill, D. II, p. 6 vg.
37
l^dtn quot;ontfanghen zeeckere brieven met een groot ghe-
tal der artyckeleu, stricktelicke verheiscende, zij moesten daer op verand woorden voor den laetsten Maywant zoo zij dit niet deden, zouden de Londensche broeders hun quot;verzwuijghen1 voor een bewillinghe aenneemen.quot; Verder wordt in dien brief gezegd, dat de gemeente te Londen plan had quot;approbatie van huer voernemen ende derzelve artykelen van die van Geneven te verzoucken,quot; welk plan den angst en de bezorgdheid der gemeente te Norwich gaande maakte. Die artikelen toch schenen haar toe eene allerverderfelijkste strekking te hebben, niet alleen voor de kerken in Engeland, maar ook voor de kerken in het vaderland, zoo daar n. 1. weder te eeniger tijd eene deur voor het Evangelie zon worden geopend. Derhalve werd besloten pogingen in het werk te stellen om dat plan te verijdelen. Broeder Herman2 had, daartoe aangezocht, zich bereid verklaard naar Genève te gaan, om daar opening te doen van den stand der zaken in de Londensche gemeente, opdat de Geneefsche broeders quot;zonder eenighe fraude gheïnformeert zijnde, een recht oordeel naar Godes woert (tot gherustheyt aller kercken ende consistoriën) gheven mochten.quot; De brief eindigt met het dringend verzoek bij dit alles de helpende hand te willen bieden quot;zo met snbscriberen van onser L. commissie, als in het toevoughen van goet gheselscap tot Weesel,quot; en voorts de broeders aldaar te quot;vermanenquot; er
1
Stilzwijgen.
2
Deze broeder was Herman Moded, die met Kaeel Brune te Genève gekomen is. Zie noot 2 op p. 35.
38
voor te zorgen, dat Modbd ook verder op zijne reis van geleide voorzien zou zijn. 1
Bij de twisten te Londen en de correspondentie daarover gevoerd hebben wij, wat ongetwijfeld niemand zal wraken , iets langer stilgestaan, omdat hier niet alleen duidelijk blijkt, hoezeer de behoefte aan eenheid werd gevoeld, maar ook hoe zulk eene correspondentie het verlangen naar eene Synode moet hebben verlevendigd. De on-eenigheid te Londen immers dwong tot eeue correspondentie tusschen de gemeenten in Engeland onderling, tusschen Londen en de gemeenten van het vasteland, tusschen Norwich en de kerken van Emden en Genève, en dientengevolge kon het niet anders, of al dat schrijven naar heinde en verre moest er toe leiden, dat in alle de daarbij betrokken gemeenten steeds helderder werd ingezien, dat er een middelpunt moest wezen voor de samenwerking en onderlinge besprekingen, d. i. eene Synode.
Verder mogen wij niet vergeten, dat de broeders in Frankrijk reeds verscheidene Synoden hadden gehad, 2nadat zij in Mei 1559 te Parijs onder het praesidium van den predikant Francois Morel de eerste hadden gehouden. Dit was een voorbeeld, dat tot jaloerschheid
1
Deze tocht van Moded heeft plaatsgehad. Zie de brieven, genoemd p. 35, noot 2, waaruit duidelijk blijkt, dat hij te Genève is geweest en aldaar de hem opgedragen taak heeft vervuld.
2
Konings plaats had. 8 Aug. 1570 was n.1. de vrede te St. Germain gesloten, waarbij de Hugenooten volkomen vrijheid van geweten en godsdienstoefening verkregen. Cf. Kurtz, Kirchengesehichte, § 142, 15.
39
verwekte door de heerlijke vruchten, die zoodanige bijeenkomsten afwierpen, en, aangezien de godsdienstige beginselen van de Fransche broeders dezelfde waren als van de Hollandsche en Vlaamsche Gereformeerden, dezen tot navolging moest brengen.
Aanvankelijk was dit voorbeeld reeds nagevolgd in de provinciale Synoden onder het Kruis, doch deze eerste stap wachtte op den tweeden; van de provinciale Synode moest men tot de nationale en generale opklimmen.
Ongetwijfeld is dus de behoefte der Gereformeerden, om de onderlinge eenheid uit te spreken en — wat hiermede samenhangt — hunne gemeenschap in het uitwendige te bevorderen , een krachtig motief geweest voor het samenkomen van de Emder Synode. Aan deze eerste en voornaamste der inwendige oorzaken sloot zich als tweede aan: het verlangen om tot vastheid in kerkregee-ring en tot eene schriftuurlijke kerkorde te geraken, voordat de dagen der vrijheid zouden aanbreken. Op dit motief wijst Trigland, wanneer hij in zijne Kercke-lycke Geschiedenissen over de Emder Synode handelt, door te zeggen, dat de Nederlandsche Kerken, waarvan sommige onder het kruis, andere verstrooid waren in Duitschland, goed gevonden hebben quot;eene samentlijcke Kerckelijcke of Synodale vergaderinghe te doen by een komen ende houden tot Embden in Oost-Vrieslandt, op dat zy met malkanderen ghelijckheit souden houwen so wel in kerckelijcke regieringlie, als inde leere, ende datse mochten hebben eene rechte, wei-gestelde forme van kercken-re-
40
gieringhe, als Godt haer de seer begeerde vryheydt sonde verleenen in haer Vaderlandt.quot; 1
Dat dit inderdaad eene zeer krachtige drangreden is geweest blijkt vooral, als wij het oog slaan op het eerwaardig convent, drie jaren vóór de Emder Synode gehouden te Wezel.2
Wat toch was het doel van deze bijeenkomst? Het was het ontwerpen van het plan eener kerkorde, die in de dagen der verwachte, vurig verlangde vrijheid zou kunnen worden gebruikt.
Wel is ons aangaande de geschiedenis dezer bijeenkomst weinig bekend, — geen brief noch eenig ander document op deze vergadering betrekking hebbende schijnt meer te bestaan 3 — maar het authentieke stuk, dat de aldaar opgestelde artikelen bevat, is gelukkig bewaard. 4 En uit zijn inhoud blijkt voldoende, dat het genoemde doel het oogmerk van deze samenkomst is geweest.
Blijkbaar hadden de aldaar vergaderde mannen geene macht en geen recht eene kerkorde op te stellen, maar niets belette hen de lijnen aan te geven, volgens welke eene kerkorde zou moeten worden uitgewerkt. 5 Dit heb-
1
A. w., p. 161.
2
De artikelen zijn onderteekend: 3 November 1568.
3
Cf. Dr. F. L. Rutgers , Acta van de Nederlandsche Synoden der 16du eeuw, W. d. M. V., S. II, D. Ill, p. 1.
4
\' A. w., p. 1, vg.
5
Duidelijk blijkt dit b. v. Caput I, artt. 3, 4, 5 en 6.
Nadat in art. 3 gewezen is op het wensehelijke en noodzakelijke van eene quot;Sjnodus prouineialis totius Belgii,quot; wordt in de volgende drie artikelen genoemd wat volgens het oordeel der vergaderden op zulk eene wettige Synode moest worden behandeld en geregeld. Trouwens het geheele stuk draagt een karakter van voorbereiding, wat bij lezing der artikelen al3
41
ben zij dan ook gedaan en dat zij het deden bewijst voldoende, hoezeer, naar hunne innige overtuiging, eene kerkorde noodzakelijk was en hoe wenschelijk zij het oordeelden, dat die kerkorde zou zijn opgesteld, voordat de Kerk uit haren druk zou zijn bevrijd.
Wat uit den arbeid der te Wezel vergaderde mannen reeds met zoo groote duidelijkheid blijkt, blijkt nog treffender, als wij letten op de tijdsomstandigheden, te midden waarvan zij zijn samengekomen.
Het was immers in het jaar 1568 dat het convent gehouden is, en de herinnering aan dat jaar is genoeg om te doen beseffen, hoezeer eene kerkorde den Gereformeerden eene zaak des harten was. Want inderdaad, indien dit niet zoo ware geweest, zouden zij dan zijn saamgekomen, om over eene kerkorde te beraadslagen, terwijl voor hunne broeders en zusters op den vaderland-schen bodem nog allerwege galgen en brandstapels werden opgericht ?
Welke de redenen zijn, waarom juist in 1568 eene dergelijke vergadering gehouden is, laat zich niet met zekerheid bepalen, omdat, zooals boven is gezegd, geen enkel document, dat op die vergadering betrekking heeft, bekend is. Het is dus zeer goed mogelijk dat de twisten, die de Londensche gemeente verdeelden, 1 de naaste aanleiding tot dit convent zijn geweest, te meer, daar
1
Zie p. 32, vgg.
42
juist in dit jaar gezanten waren gezonden naar Genève, Bern en de andere bovengenoemde plaatsen. Het is echter evenzeer mogelijk, dat de pogingen van Prins Willem tot redding van het vaderland 1 den stoot tot deze bijeenkomst hebben gegeven. 9 Het kan ook wezen dat beide deze momenten hebben samengewerkt, of dat nog andere oorzaken tot deze vergadering hebben geleid.
Doch wat ook de naaste aanleiding tot het convent te Wezel geweest zij, dit is zeker, dat het doel geen ander was dan het ontwerpen van het plan eener kerkorde. Dat de gepastheid van zulk een ontwerp door velen werd erkend, blijkt uit het groote aantal van hen, die de Wezelsche artikelen hebben onderteekend, 2 hetzij eigen-
1
Zie over die pogingen Groex van Prinsterer, a. w., p. 107,108. Toen het Wezeler convent gehouden werd, waren de eerste aanslagen wel is waar mislukt, maar de Prins zelf hield nog tegenover Alva stand. Eerst in December was hij genoodzaakt zijn leger af te danken. Het is dus mogelijk, dat in het begin van November nog altijd gehoopt werd op eenen goeden uitslag van Oranje\'s onderneming.
2
Al dc namen tc zamen zijn 63 in getal en niet 53, zooals \'s Gra-
43
handig, hetzij bij procuratie. 1 Voorwaar, wanneer wij in die dagen van vervolging en druk een stuk door 63 mannen vinden onderteekend, onder wie quot;mannen van grooten naam in kerk eu staat, uitstekende viri politici en ministri ecclesiaequot;, dan kunnen wij veilig aannemen, dat allerwege de wensch bestond om tot vastheid en eenheid in de kerkregeering te zijn gekomen en eene schriftuurlijke kerkorde te bezitten, voordat de dagen der vrijheid zouden aanbreken.
Slaan wij thaus het oog op de uitwendige oorzaken. Het convent te Wezel, dat wij zooeven noemden, vormt daartoe den geleidelijken overgang. Alles toch droeg daar, zooals wij zagen, een voorloopig karakter. Welnu, dit voorloopige vroeg definitieve vaststelling. Het officieuse moest officieel van kracht worden.
Wat op het Convent te Wezel was bepaald, was het werk van mannen, die onze Kerk tot eer verstrekten. De namen van PBTEUS Dathenus en herman Moded eenerzljds, en die van Marnix van St. Aldegonde en Willem van Zuylbn van Nijbvelt andererzijds, zijn meer dan voldoende om te doen zien, welke tot zulk een werk bekwame mannen Wezel binnen zijne muren ver-eenigd zag. Welnu, aangezien hun arbeid, die verricht was
1
Op de vergadering zelve is het stuk door 37 niannen eigenhandig onderteekend, door 4 hunner bovendien uit naam van 7 anderen, die afwezig waren. Vervolgens is het stuk nog bekrachtigd door 19 handteekeningen van mannen, die hunne adhaesie betuigden, quot;de lecture der overghezette copie hen ghedaen zijnde.quot; (Dr. Hutgees, a. w., p. 39.) 14 van die 19 zijn eigenhandig, de overige 5 bij procuratie.
44
op het rechte tijdstip en met de innige overtuiging, dat hij niet alleen wenschelijk, maar ook noodzakelijk was, om voltooiing riep, kon het niet anders, of de eerste de beste gelegenheid moest der Kerk welkom zijn, om haar zegel te hechten aan het werk van een deel harer beste zonen, voor zooverre dat werk bij een nader onderzoek den toets zou doorstaan.
Dat de roepstem om de hand te slaan aan den arbeid, te Wezel begonnen, weerklank moet hebben gevonden, spreekt van zelf, wanneer wij de inwendige oorzaken, waarop wij hierboven wezen, in aanmerking nemen. Maar weerklank vinden was niet genoeg, de roepstem moest worden opgevolgd. En daartoe was menige aansporing van buiten noodig, wat niet bevreemden kan in dagen van druk en vervolging, in een tijd, waarin de Kerk deels onder het Kruis zat, deels heinde en ver was verstrooid. 1
Vragen wij, aan wiens werkzaamheid het naast en dooide voorzienigheid Gods inzonderheid te danken is, dat aan die roepstem gevolg is gegeven, dan zien wij voor ons oog oprijzen de eerbiedwaardige gestalte van Philips van Marnix van Sint Aldegonde. Door zijne bemoeiingen vooral is het, dat de Synode te Emden in 1571 is gehouden.
1
Op de Walsche Synoden onder het kruis waren wel reeds meerdere punten besproken en vastgesteld, maar deze hadden sleehts geldigheid voor de Walsehe provincies, niet voor de geheele Kerk. En juist eene kerkorde, geldig voor de gansehe Kerk, was het, waaraan behoefte bestond.
45
Dr. k. Krapft schrijft ergens 1 aangaande Ma rn ix: quot;Wir glanben deszhalb mit Recht behaupten zu können, Jasz dem genialen Manne, als Urheber und Beförderer des presbyterialen S}-nodal(ge)dankens bei uns die her-vorragenste Stelle gebührtquot;, nadat hij eene bladzijde vroeger reeds gezegd had: „Philipp Marnix , Herr von St. Alde-gonde, der niederlandische, theologische Staatsmann znr Zeit des Abfalls der Niederlande von Spaniën, ist auch wesentlich mitbeteiligt gewesen bei Entstehung der Synodalverfassung im Westen Deutschlands, und verdient um so mehr ein dankbares Andenken, da diese so einfluszreiche Thiitigkeit von Marxix unbekannt ge-blieben ist.quot;
Volgens dit getuigenis van Dr. Krappt, dat blijkbaar op nauwkeurig onderzoek berust, komt dus aan Marnix de eere toe, den grond te hebben gelegd voor het Synodaal verband tussohen de Gereformeerde kerken in West-Duitscliland. Ik heb thans aan te toonen, dat die quot;einfluszreiche Thiitigkeitquot; ook bij de voorbereiding en het tot stand komen van de Emder Synode in 1571 van groot belang is geweest. Want ten opzichte van de wording van het Synodaal verband heeft Marsix zich niet alleen verdienstelijk gemaakt voor West-Duitsch-land, maar ook voor onze vaderlandsche Kerk, hoewel hij met betrekking tot de laatste meer als quot;Befördererquot; dan als quot;Urheber des Synodal (ge) dankensquot; is te beschouwen. 2
1
k. Krafpt, Die Stiftung der Bergischen Provinzial Synode am
2
21 Juli 1589 zu Nevigcs bei Elberfeld, p. 41.
46
Wat MAENIX in dit opzicht heeft verricht, is slechts een deel geweest van zijn omvangrijken arbeid op kerkelijk en theologisch gebied. En waarlijk zijn blik was hier even helder en diep, als op staatkundig terrein fijn opmerkende en juist onderscheidende.
Vragen wij, waarnaar zijn hart meer uitging, naar de woelingen van het politieke leven, of naar de meer stille theologische werkzaamheid, het was ongetwijfeld de laatste, die de liefde van zijn hart bezat. Maar het besef, zich in de tegenwoordige omstandigheden niet te kunnen noch te mogen onttrekken aan de beslommeringen van het staatsmansleven, deed hem ten allen tijde, wanneer hij geroepen werd zijne krachten daartoe beschikbaar te stellen, eigen wenschen vergeten, om zichzelven met alle zijne gaven te wijden aan de belangen des vaderlands. Doch werd hij door de omstandigheden gedwongen op politiek terrein voor eenigen tijd niet meer dan toeschouwer te zijn, dan toonde hij, hoe hij, de uitnemende quot;vir politicus,quot; niet minder een uitstekend quot;vir ecclesiasticusquot; was. Dan stelde hij tijd en krachten, gaven en talenten dienstbaar aan de vervulling van zijnen wensch, werkzaam te wezen voor het welzijn der Kerk.
Fbanc. Jünii vita, ed. Kuvper, p. 26), wellicht meermalen, tegenwoordig was, hem zoo zeer bekraehtigd zullen hebben in zijne overtuiging omtrent het belang van dergelijke bijeenkomsten, dat liü overal, waar hij kon, op het houden van synoden zal hebben aangedrongen. Daardoor is hij voor quot;West-Dultsehland quot;Urheber und Beförderer des Synodal(ge)dankensquot; geweest. Met betrekking tot do Nederlanden echter behoefde hij niet meer dan quot;Beförderer des Syno-i-lal(gG)daiikcnsquot; te wezen, aangezien in ons land, zooals wij boven gezien hebben, machtige inwendige factoren reeds werkzaam waren.
47
Het kan flan ook niet verwonderen, dat de tijd zijner ballingschap 1 gekenmerkt is door een rusteloozen arbeid voor Kerk en Theologie. Eene herinnering aan den quot;Biëncorf der H. Roomsche Kercke,quot; 2 is reeds voldoende om dien arbeid naar waarde te doen schatten. Hier toch vinden wij Marnix als een geharnast ridder strijdende voor de eere Gods, de zuiverheid van het Evangelie en de genoegzaamheid der Heilige Schrift tegen de misbruiken, die in de Roomsche Kerk waren ingeslopen, en de verkeerdheden, die, onder hare auspiciën gepleegd en door haar gezag gedekt, ten deele zelfs werden aangeprezen als onmisbaar ter zaligheid te zijn. Met juistheid weet hij zijne pijlen te richten en, hoe goed zij treffen, blijkt genoeg uit den naam,3 dien het boek van Roomsche zijde ontving, en uit daden, als van den bisschop van Roermond, die in 1570 eenige honderden exemplaren, welke hij bij een boekverkooper te Well had gevonden, des nachts aan den oever der Maas liet verbranden. 4
Als kampioen voor de eere Gods en tegen de inzettingen van menschen zien wij hem in die dagen evenzeer optreden in den kring der gemeenten van Gereformeerde belijdenis ,
1
In den voorzomer van het jaar 1567 nam Marnix naar Duitsch-land de wijk, 17 Aug. 1568 werd hij door Ar.VA verbannen met confiscatie van alle zyne goederen. In 1572 kwam aan die ■ ballingschap
2
een einde, toen hij in dienst van Willem I in het vaderland op het staatstooneel optrad.
3
Uitgegeven A0. 1569.
3 quot;Iste pestilentissimus liher.quot;
4
\' Cf. ür. van Toorenexbeeges, JIarxix I, p. XLV.
48
wanneer hij zijne twee adviezen geeft met betrekking tot de ons bekende twisten, die in de Nederduitsche Gereformeerde Gemeente te Londen scheuring hadden te weeg gebracht. \' Beide heeft hij gezonden aan Pietbr Carpentier, 1 door hem genoemd quot;minen goeden vriendt.quot; Het eerste is geschreven te quot;Lntzbourgh in Vrieslantquot; den 19\'iequot; September 1568, het tweede in dezelfde plaats den 10\'iequot; Januari 1569. Beide vallen dus ongetwijfeld in den tijd, waarin Marsix bezig was aan zijnen „Biëncorfquot; te werken. Maken wij eene vergelijking tusschen dit geschrift en die twee adviezen, dan vinden wij overal een zelfde krachtig ijveren voor de eere Gods en het welzijn van de gemeente des Heeren, hetwelk evenmin een duimbreed voor den vijand wijkt, als dat het om den wille der vriendschap de dwalingen van vrienden ook maar eenigszins vergoelijkt. Slechts dit onderscheid valt op te merken, dat hij, die zich tegenover den vijand bedient van het wapen der ironie, jegens zijn vriend gebruik maakt van de meest teedere vermaningen, die getuigenis geven van zijn liefdevol hart. Wij hebben hier niet met een twee-mensch te doen, wat bij eene oppervlakkige vergelijking van de adviezen en den quot;Biëncorfquot; allicht zou kunnen schijnen het geval te wezen; evenmin staan wij hier voor het raadsel, als gaf éene zelfde bron zoet en bitter water te gelijk; wij hebben hier een krijgsknecht des Heeren, die in de aller-
1
Pieter Carpentier was ouderling der gemeente te Londen en behoorde tot de oudere ballingen.
49
eerste plaats vraagt naar de eere zijns Gods en, waar het diens eere geldt, met volhardenden moed daar standhoudt, waar hij op grond van Gods Woord weet te moeten staan. Bij dit standhouden op zijn wachtpost dringt hem de liefde van Christus werkzaam te zijn tot behoudenis van zondaren, met de bede in het hart. dat het Gode moge behagen, zich van hem te bedienen tot uitbreiding van zijn Koninkrijk. In waarheid is het dezelfde liefde voor zijnen God, die hem nu eens de geeselroede der ironie doet zwaaien, dan weer doet waarschuwen met eene stem vol teederheid.
De omvang zijner theologische werkzaamheid in de dagen zijner ballingschap blijkt nog nader uit hetgeen hij schreef tegen toen in omloop zijnde dwalingen. Hiervan zijn ons bewaard een brief, dien hij aquot;. 1570 heeft geschreven aan Bernardus BOEMIUS en twee brieven, die hij in dat zelfde jaar heeft gezonden aan ao gaeus albada. 1 Prof. van toorenenbergen schrijft 2aangaande de laatste twee: quot;Gij zoudt ook, tenzij gij Marnix kent, zijne briefwisseling uit dien tijd met Aggaeus albada, den geleerden keizerlijken rechts-beambte te Spiers, over den persoon van CHRISTUS lezende, geen staatsman in den schrijver dier diepzinnige en kristalheldere theologische disputatiën vermoeden,quot; welk getuigenis evenzeer van toepassing is op
4
1
Deze drie brieven zijn te vinden in de\'\'Oenvres de Ph. de Maexu de Sainte Aldegonde,quot; uitgegeven door E. Quixet en A. Lacroix in het laatste deel, dat de quot;Correspondance et Mélangesquot; bevat, p. 119—141, p. 1-12—150, p. 151—169.
2
- Dr. van Toorenenbeeoen, Marnix 1. p. XXXIII.
50
den brief aan BernaedüS Boemios. In dit drietal brieven toch trad Markix op als verdediger van de leer van de twee naturen in christus tegenover de dwaling van Schwbnkfbld. Boemiüs en Albada toch waren beide aanhangers van diens gevoelen en schijnen hoogelijk ingenomen te zijn geweest met het boekje van een zekeren LangiüS, een geestverwant van Schwenk-feld. Tegen dat ziekelijk mysticisme trekt Marnix te velde met zulk een keur van argumenten, waarvoor hij zoowel van de Heilige Schrift als van de getuigenissen der Patres gebruikt maakt, dat wij ons evenzeer hebben te verbazen over zijne belezenheid als over zijn helderen blik en zijne voortreffelijke wijze van bewijsvoering en weerlegging.
Die veelzijdige arbeid van Mahnix uit de dagen zijner ballingschap, dien wij nu kortelijk gadesloegen, toont duidelijk, met welk een ijver hij werkzaam was in alles, wat het welzijn der Kerk betrof, en hoe hij daaraan zijne beste krachten wijdde. Herinneren wij ons bovendien, dat Marnix tegenwoordig was bij het convent van Wezel 1 en straks, nadat hij in 1569 door den Keurvorst van de Paltz in zijn opperkerkeraad geroepen was, diens gunst verwierf door zijne onvermoeide werkzaamheid, dan verwachten wij niet anders dan dat hij ook in de voorbereiding en het tot stand komen van de Emder Synode een werkzaam aandeel zal hebben gehad. Ja, het
1
Het is niet te gewaagd te onderstellen, dat Marnix ook daar een werkzaam aandeel zal hebben gehad aan de beraadslagingen en de genomen besluiten.
51
zou bevreemding wekken, indien hij dat alles slechts als toeschouwer had aangezien. Neen, meer dan toeschouwer is hij geweest. Als een der hoofd-figuren, zoo niet als de hoofd-figuur staat hij vóór ons. Slaan wij dan zijne werkzaamheden in dezen gade.
In het begin van 1569 was MARNIX nog in Oost-Friesland, 1 doch spoedig daarop heeft hij dat gastvrije oord verlaten, om zich te begeven naar de Paltz en bij den machtigen Keurvorst hulp te zoeken.2 Welwillend werd hij, zooals hij zelf schrijft, door dezen ontvangen en, wij merkten het reeds op, geroepen om zitting te nemen in den Opperkerkeraad. 3 Intusschen was zijn gezin nog
4*
1
Zie het onderschrift van zijn tweede advies in zake de twisten te Londen; quot;Datum te Lutzbourgh, 10 Januarii 1569.quot; ür. van
2
TO oren en bergen. marnix T, p. 182.
3
Hij schrijft A0. 1579, sprekende over den tijd zijner ballingschap: quot;Finallement ne voulant estre en charge a mes amis, je me suis mis au service de feu Monseigneur le Prince Electeur Palatin, duquel ses enne-mis mesmes etc.. Iceluy me recent benignement, et me favorisa de sa grace plus que mes merites ne portoyent.quot; Deze woorden zijn ontleend aan zijn: quot;Response a un libelle fameux nagueres publié contrc Monseigneur le Prince d\'Orenges\'\' en te vinden in de Oeuvres de Ph. de Marnix, Ecnts politiques et historiques, p. 81.
3 De Opperkerkeraad of wel quot;hoogen kerckeraedtquot; was gevestigd in Heidelberg, de stad quot;daer de Churfurst ende thof was.quot; Hij bestond uit G personen, quot;3 politische ende 3 kerckelyckeen kwam alle dagen samen quot;om alle kerckelycke saken te verhandelen die jnder gantscher Paltz voervielen, mitsgaders wat dien aenclceft.quot; Uit de quot;Kercken-regiering in de Pfaltz ouder Fridreich den 3en, Relacie van M. Caspar van der Heijden, eigener handt,quot; in M. S.
52
te Emden gebleven, aangezien het zijn plan was geweest een nieuw toevluchtsoord te zoeken en, wanneer hij daarin geslaagd was, naar Emden terug te keeren, om dan de broeders aldaar dank te zeggen voor de hem betoonde liefde en gastvrijheid en tegelijkertijd zijn gezin af te halen. 1 Het was hem echter onmogelijk dat plan tot uitvoering te brengen. Uit de Paltz teruggekeerd was hij tot Keulen gekomen, maar verder reizen kon hij niet; vele gewichtige oorzaken dwongen hem daar te blijven, zoodat hij derwaarts zijn gezin moest opontbieden en daar een brief schreef aan de broeders te Emden, om hen quot;hooghlick te bedanckenquot; voor de quot;liefde, vrientschap, christelicke geneghentheit ende onverdiende ere,quot; die zij hem hadden bewezen.2 Met zijn gezin keerde hij vervolgens naar de Paltz terug, om zich te quot;begeven in de beroepinge, daer hem de Heere toe beroepen had,quot; \' en hier bleef hij, totdat de Prins van Oranje zijne diensten noodig had. 3
Tot de jaren nu van zijn verblijf in de Paltz behooren de bemoeiingen, die zooveel hebben bijgedragen tot het
1
Dit blijkt uit eenen brief, dien liij den Juni 1569 uit Keulen schreef aïin de broeders te Emden, welke brief is te vinden bij Meixers, a. w., D. I, p. 420—424.
2
5 Dit is de brief in de vorige noot genoemd.
3
Maknix schriift er van in zijne Response a un libelle fameux: quot;Tceluy (le Prince Electeur Palatin) me favorisa de sa grace plus que mes merites uc portoyent. Jusques a ce que estant requis par Mon-
53
tot stand komen van de eerste Synode der Nederlandsche Gereformeerde Kerk. Het was zijn hartewensch, dat er eene zoodanige bijeenkomst zou worden gehouden. Diep was hij doordrongen van de eenheid van het lichaam van CHRISTUS; de gemeenschap der heiligen was hem een heerlijke troost, de voorbidding voor elkander eene behoefte der ziel. 1 Doch die eenheid moest ook in het uitwendige blijken. Eene Synode was zijn ideaal!
Dat zulk een man geroepen werd in den Opperkerkeraad van de Paltz zitting te nemen, moest der Kerk dezer landen ten goede komen. Daar kon hij onverdeeld bezig zijn met kerkelijke zaken. Te verwonderen is het dus niet, dat hij, die zelf een balling was, uit zorg voor de gemeenten, die óf onder het kruis, óf in de verstrooiing waren, alle krachten heeft ingespannen tot de bereiking van zijn ideaal. Mondeling en schriftelijk trachtte hij de belangstelling in zulk eene vergadering te verlevendigen. Waar en wanneer hijj kon, was hij onvermoeid daarmede werkzaam.
Ons is een merkwaardig document bewaard gebleven,
1
Zoo schrijft bij b. v. in zijn afscheid aan Emden: quot;Ende nadien de Christelicke liefde en eenicheyt in gheene verre of naby ligghende geleghentheyt der plaetzen en bestaet, dan enckelick in den bandt der lidmaten des lichaems Christi Jesu. zo bidde ick en beghere zeer vriendelick van U. L. gy wilt my altyt voor een van uwe broederen en lidmaten des lichaems Christi holden, en derhalven myner ghe-dachtich wezen in uwe heylighe ghebeden, als eenes medelits uwes lichaems.quot; Meiners, a. w., p. 422.
54
dat krachtig getuigenis geeft van dit streven van Marnix, een document, dat liier eene nadere bespreking verdient, aangezien liet eene belangrijke schakel is in de keten der oorzaken, die tot de Emder Synode hebben geleid.
Het bedoelde stuk is een rondgaande brief, die namens de gemeenten te Heidelberg en te Frankcnthal is gezonden quot;aen de Eerbare ende Godsalige mannen, de Dienaren ende Ouderlingen der Nederduytscher gerneyn-ten tot Londen, Zandwijck, Nordwijck, etc. (Emden, etc.),quot; en onderteekend is door „PHILIPS van MaKKIX, toegenaemt van Mont slnt Aldegondb , uyt naeme ende bevel der Nederlandsche broederen te Heydelberchquot; en door quot;CASPAR VAN DER HbyDEN, Kerckendiener te Franckenthall ende in den naeme der andere broederen aldaer, etc.quot; 1
Ongetwijfeld is deze brief, zooals Prof. van toorenbn-bergen in zijne introductie tot dit schrijven zegt, quot;van de hand van PH. van marnix, den eersten onderteekenaar.quot; 2 De stijl is een duidelijk herkenningsteeken 3 en een afdoend bewijs zijn de onderteekeningen. Wanneer wij die beide nauwkeurig gadeslaan, zien wij, dat Marnix alleen quot;uyt naeme ende bevel der Nederlandsche broede-quot;ren te Heydelberchquot; teekent, terwijl gaspar van der Hetden den brief onderschrijft eerst uit zijn eigen naam en daarna uit naam van de broeders te Fran-
1
Deze brief is te vinden bij Dr. van Tooresenbergen, Maksix,
2
Aanhangsel, p. 3—38.
3
A. w., p. 3.
3 Het stuk is in keurigen stijl geschreven. Cf. over Marnix als prozaschrijver; Dr. R. Fruin, Tien jaren uit den tachtigjarigen oorlog (nieuwe uitgaaf), p. 337, vg.
kenthal. Klaarblijkelijk geeft deze dus zoowel van zijne eigen instemming in dien brief als van die van de Frankenthalsche gemeente blijk, iets, wat ongerijmd zou wezen, indien hij zelf de opsteller van den brief ware geweest.
De geschiedenis van het ontstaan van dezen brief kunnen wij ons gemakkelijk voorstellen. De hoofdgedachten in dit schrijven nederlegd waren door MABNIX besproken in de vergaderingen der broederen te Heidel-berg, 1 daar de nood der Kerk hem er toe drong en zij quot;ooc ernstelick van die van Geneven waren vermanet worden.quot; 2Zij hadden sympathie gevonden en zoo was besloten, naar andere gemeenten te schrijven en haar het nuttige en het noodige van de verwerkelijking dier gedachten op het hart te binden, waarom Marxix werd uit-genoodigd dienovereenkomstig een brief op te stellen. Deze deelde vervolgens aan Gaspae vax deh Heyden 3mede, welk besluit was genomen en welke opdracht hij had gekregen. Van diens zijde moest natuurlijk betuiging van instemming volgen, daar ook hem het welzijn van de Kerk boven alles ter harte ging. 4 En van die instemming gaf hij blijk door mede dat schrij ven te onderteekenen, terwijl hij op zich nam, hetzij op verzoek van MARNIX, hetzij vrijwillig den broeders te Frankenthal te vragen hunne adhaesie eveneens te willen betuigen.
Met betrekking tot de verdere geschiedenis van den
1
Ma li xix was Ouderling der Nederlandsche gemeente te Heidelberg.
2
a Dr. vas Tooeenenbergen, Maexix, Aanhangsel, p. 10.
3
Gaspar van der Heyden was sedert 1567 weder te Frankenthal, zie M. F. van Lennep, Gaspar van der Heyden, p. 71, vgg.
4
A. w., p. 74.
56
brief vinden wij hier en daar enkele aanwijzingen, onder anderen in een nog bestaanden brief, die te Londen wordt bewaard.1 Blijkbaar heeft Marnix\' rondgaande brief gecirculeerd in het land van Cleef en het Sticht van Keulen en Aken. Althans uit de Acta van de Synode, 3 en 4 Juli 1571 te Bedbur gehouden, vloeit voort, dat de brief in die streken ontvangen is. 2 Te Emden is hij zeker aangekomen, want hij is er nog in het kerkeraads-archief aanwezig. 3
1
Bedoeld is een schrijven van het consistorie der Nederlandsche gemeente te Maidstone aan de kerkeraden der Nederduitsche gemeenten te Frankenthal en Heidelberg van Donderdag, den 10den Aug. 1570.
2
Deze brief is afgedrukt in quot;Archivum,quot; p. 348—352.
3
Deze Acta zijn te vinden in de W. d. M. V., S. II, D. II, p. 3—7.
De bedoelde passage is aldaar te lezen p. 5, en luidt aldus:
quot;Is ten eerste voorghegheven vande puncten, die voormaels (de Synode werd gehouden Juli 1571, de brief van Marnix was van Maart 1570) van die van Hcydelberch eude Franckendael de andere gemeynten zijn voorghedragen ghcweest. Als nacmelyck van de ghemeyne contributie aller gemeynten tot onderhoudinge der Dienaren des Wordtsende Studenten int ghemeyne.
Item van de ghemeyne overeencominghe der gemeynten met onderlinge schrijven aan malcanderen, etc.quot;
3 Volgens het getuigenis van Dr. A. Kuyper , Geschiedenis der Christelijke Kerk in Nederland in tafereelen, D. II, p. 77, noot 1. Ook Meiners bericht, dat in zijne dagen de brief te Emden aanwezig was. A. w., p. 426. Daar hij schrijft dat Gaspar van der Heyden en Philips van Marnix, quot;uit naam en last van de Gemeenten te Fran-kendaal en Heidelberg,quot; den brief hebben onderteekend, als datum noemt den 218ten Maart 1570 en hij er verder op wijst, dat in dien brief zeer aangedrongen wordt op quot;de oprechtinge van ene algemene beurzequot; en op het zenden van gezanten naar Frankfort ter bevordering van
57
Ook Engeland heeft hij bereikt, waar hij ongetwijfeld bij alle de gemeenten heeft gecirculeerd, evenals hij dooide broeders te Londen en te Maidstone gelezen is en aanleiding gaf tot ernstige overwegingen. 1
De hoofdgedachten in den brief nedergelegd zijn drie in getal; 1° wordt gesproken over de opleiding van Predikanten, 2° over de correspondentie der verstrooide
1
Dit blijkt uit den p. 56 genoemden brief. In den aanhef heet het: quot;Naer alle godsalighe ende behoorlicke groetenisse zeer gheliefde Broeders V. L. suit weten dat \\vy het schrift by huliedeu an onse L. B. de Dienaers van Embden ghesonden onfanghen ende ghelesen hebben , waerop wij V. L. dit voor ons aduys cortelic hebben willen ouerschryuen.quot;
Hieruit blijkt, dat de brief over Emden is gegaan en Engeland bereikt heeft. Dat hij gecirculeerd heeft volgt uit het slot. waar gesproken wordt van het advies van de andere broeders, zoowel van Londen als van elders. Zulk een advies toch onderstelt de lezing van het stuk en derhalve de circulatie. De bedoelde woorden zijn: quot;Dit is lieue ende weerde B. cortelic ons aduys dat wij V. L. hebben willen particulierlic oner senden met het aduys onser anderen B. ende Dienaren zoo van Londen als van elders. Wij hadden vooren ghenomen huyt alle ghe-meinten by een te commen om van der saccke te spreeckcn ende gene-ralic ons aduys an V. L. ouer te schryuen maer het en conde voor ditmael niet gheschiden.quot;
58
gemeenten en 3° over do verzorging van reizende ge-loofsgenooten. De gansche inhoud groepeert zich dan ook om deze drie hoofdzaken als om zoovele middelpunten. Intusschen mogen wij bij de onderscheiding van deze drie niet voorbijzien, dat éene leidende gedachte overal in den brief duidelijk te onderkennen is: de wensch, om het tot stand komen van de uitwendige eenheid te bevorderen door anderen op te wekken hunne krachten mede aan die taak te wijden. Zeer duidelijk wordt die gedachte uitgesproken, wanneer Mabnix, schrijvende over het wensehelijke van eene quot;algemeyne ende eenparige handreykingequot; aan de dienaars des Woords en andere quot;persoonen van aensienquot;, zegt, dat dit een heilzame weg zou wezen om quot;alle de gemeynten der Nederlanden tot éénen lichaeme in te lijvenquot;. 1 Prof. van toorbnbnbergen teekent terecht bij die woorden aan: quot;Stichting van ééne Nederlandsche Hervormde Kerk was het doel.quot;
Innige belangstelling in het welzijn der Kerk spreekt op iedere bladzijde van het merkwaardig stuk, zoowel, waar gewezen wordt op de dure verplichting — die tevens een heerlijk voorrecht is — om zorg te dragen voor de opleiding en het onderhoud van de dienaren des Woords, als waar het groote nut wordt aangetoond van eene onderlinge correspondentie of gesproken wordt van het noodzakelijke om met quot;gemeyn besluytquot; orde te stellen op het ver-leenen van hulp aan arme reizende geloofsgenooten. Een paar citaten mogen als voorbeelden hier dienst doen. quot;Ende nadien hy ons (die hy noch uyt enckele
1
Dr. van ïo oren\'en berg en, JlAENix, Aanhangsel, p. 16, Ci. aid. noot 1.
59
genade in dese jammerlicke verwoestinge barmhertig-lick gesparet heeft) so lieflick noodet ende roepet tot boete ende bekeeringe, met eene gewisse toesegginge, liy wil sijnen toorn van ons afwenden, ons ende onse broederen uyt deze sware ende jammerlicke tyrannie der godloosen verlossen, so moeten wy gewissenlicken toe-sien, dat wy met eenen ernstigen yver ons tot onsen God bekeeren ende gelijck als de prophete Amos het volck Israël vermanet, alle vlijt ende neersticheyt aen-wenden, opdat den tempel Godes opgebouwet werde, ende de vervallene hutte Jacobs wederom opgerichtet, ende tot dien eynde een yeder van ons int besonder ende wy alle te samen gelijckerhandt verstrecken ende te vooren geven, een yeder nae syne gelegentheyt, de gaven, daer hem God mede begavet heeft, het zij den geestelicken ofte tijtlicken segen, opdat ons hiernamaals niet verweten en werde, dat wy in cederen, dat is, in costelicke huysen gewonet ende de mildicheyt Godes tot onsen nut ende tot onse gemack gewendet hebben, ende daerentusschen dat den teiiipcl des Heeren is ongebouwet ende verwoestet gebleven.quot; \' En nadat de schrijver vervolgens er op gewezen heeft, dat Gods aangezicht nog in gunst tot hen is gewend, doordien Hij hun nog vele trouwe dienaren had gelaten en toekomstige dienaren had gegeven, gaat hij aldus voort; quot;Daerom, L. broeders in Christo Jesu, hebben wy niet willen laten, als litmaten éénes lichaems, U te bidden ende te vermanen door die inwendige ende onuitsprekelicke liefde ende barmherticheyt Godes, dat gijlieden met
1 Ibidem, p. 6.
60
ons alle te gader ende een yeder besondert voor sick selven dat behertigen wilt ende met een rechten ende ernstigen yver u daertoe begeven, dat doch dat liohaem Jesu Christi mach opgebouwet werden ende de dienst sijns Woorts als een eenich middel onser welvaert, salicheit ende verlossinge ernstelick verrichtet ende te wege gebracht.quot; 1Deze beide citaten zouden met onderscheidene andere te vermeerderen zijn, doch dit tweetal is reeds voldoende om te doen zien, hoezeer het welwezen der Kerk Marnix ter harte ging. 2 Hij wist, dat de dienst des Woords en der Sacramenten onmisbaar is tot de opbonwing van de Kerke Gods, en zoo smeekte hij met al het vuur zijner liefde, dat toch een ieder doen zou, wat hij doen kon, opdat er een goede quot;voorniet getrouwer ende bequaemer dienarenquot; mocht worden gevonden. En dat nu reeds daarvoor gezorgd werd, was hoog noodig, opdat, wanneer het Gode behagen mocht quot;morgen ofte overmorgen het lant te openen,quot; 3 de opbouwing der Kerk quot;niet en achterblyven
1
Ibidem, p. 7.
2
• Het is waarlijk ecu genot den brief te lezen, van wege de verkwikkende frisclilieid, die er ons uit tegenwaait, en het krachtig geloofs-vertrouwen, dat er uit spreekt.
3
Dat dit gebeuren zal, stond bij Marnix vast, zooals blijkt uit de volgende woorden, die hij in parenthesi schreef achter de aangehaalde: quot;gelijck hy ontwijfEelick doen sal so wy ons danckbaerlick tegen hem houden ende dat het ons salich is.quot;
Het in den tekst vermelde is. eeue staving van wat p. 39 is genoemd als eene der ooi-zaken, die tot de Emder Synode hebben geleid. — De zorg, dat er een voldoend aantal dienaren zal wezen, wanneer de deur van het vaderland zal geopend worden, komt uit dezelfde bron voort, als het verlangen tot eene vaste Kerkorde te zijn gekomen, voordat de dagen der vrijheid zouden aanbreken.
61
zou uyt gebreck der Dienaerenquot; en daardoor de vijanden gelegenheid zouden vinden wederom de overhand te bekomen. Want in dat geval zou het laatste erger zijn dan het eerste en wel quot;door een gerechtich oordeel Godes.quot; 1 Niemand mocht dan ook zeggen: quot;wij hebben reeds zoovele lasten te dragen,quot; maar een ieder had te letten op de heerlijke beloften Gods, die den blijmoedigen gever honderdvoudig kan en wil vergelden, quot;ja het en staet hier niet aen tien ofte twintich ten honderden, maer aen den segen ende genadige gunsticheyt Godes in desen leven ende hier-naemaels aen de eeuwige salicheyt.quot; 2 Bovendien, indien zij, door niet te zorgen voor de opleiding en onderhouding der predikanten, quot;het zij door traecheyt of door eygen-soeckelickheyt ende giericheytquot; verzuimden acht te geven op hetgeen nuttig en noodig was voor den quot;voorspoedigen voortganckquot; van het quot;Rijcke Christi Jesu,quot; dan zouden zij ongetwijfeld eens, maar dan te laat, hunne gierigheid beklagen en het bejammeren, hun tijd ongebruikt te hebben laten voorbijgaan. 3 Het voorbeeld der Fransche broederen moest hen daarom tot navolging opwekken. Even goed als de Nederlanders waren zij quot;geschuppet uyt alle haere goederen,quot; met tienmaal meer lasten waren ze bezwaard, en nochtans hadden zij zich veel milder betoond quot;achtende het voor het aldervoornemelicxste punct.
1
Dr. vax Toorexenbergex, Mahxix. Aanhangsel, j). 9.
2
3 Tbulem, p. 7—9.
3
Maexix wijst hierbij op het voorbeeld van hen, die in 15g8 uit gierigheid niet een a twee tonnen gouds wilden bijeenbrengen quot;tot be-scherminge haers vaderlantsquot; en nu gedwongen waren tien en twintig tonnen op te brengen, en dat nog wel tot hunne eigene verdrukking.
62
dat sy van goede ende bequaeme Dienaren des Godde-licken Woorts mogen version ende versorget wesen.quot; 1
Voor het welzijn der Kerk was het dus noodig, dat er gezorgd werd voor een voldoend aantal goede, bekwame dienaren des Woords, maar bovendien moest er in de onderhouding der predikanten eenheid zijn. Tal van zwarigheden en quot;ongheschickthedenquot; toch kwamen er uit voort, dat iedere provincie quot;op haer eygen handt handtreyckingen hebben gedaen tot onderhoudinge der Dienaeren,quot; waarom het raadzaam was, dat met quot;ge-meynen raedtquot; naarstiglijk overlegd zou worden, of het niet wenschelijk ware eene quot;algemeyne borssequot; op te richten, opdat daarin eenerzijds de quot;handtreyckingen wierden gebrachtquot; (en dit zooveel mogelijk quot;gelijcker handtquot;) en andererzijds daaruit quot;die men bequaem soude vindenquot; zouden betaald worden. - De bedoelde zwarigheden immers waren van groot gewicht. 2 Om slechts enkele te noemen, quot;de eenicheyt, welcke behoorde onder alle lidmaten der Kercken te wesen,quot; werd verbroken, doordien ieder quot;landt-schapquot; zorg droeg voor zich zelf, zonder acht te geven op de quot;gemeynschap;quot; de quot;verkiesingequot; der dienaren geschiedde te veel naar quot;gunste en ghenegentheytquot; en kon quot;niet wel verrichtet werden sonder onbehoorlicker vrijerijen;quot; de dienaren waren te ongelijk verdeeld en bovendien waren er verscheidene, die quot;ledichquot; gingen en nochtans den gemeenten, die groot gebrek hadden aan pre-
1
Dr. van Toobenenbekoek, Mahnix. Aanhangsel, p. 10.
2
Marsix noemt er 15. A. w., p. 11—15.
c:i
dikanten, niet quot;dienstichquot; konden wezen, aangezien zij gebonden waren door hunne verplichtingen jegens de gemeente, die hen onderhield. Alle die zwarigheden echter zouden verdwijnen, indien alle de gemeenten en provinciën, quot;zijnde met een gemeyn verdrach onder malcanderen samen ghevoecht, raet vonden, om eene algemej-ne ende eenparige handreykinge toe te brenghen, opdat de Dienaers ende andere persoenen van aensien, die tot den dienst des landts souden bequaem bevonden werden, hiernaemaels voortaen in gemeyn van der gant-scher gemeynte weghen aengenoraen ende onderhouden werden.quot; 1 Aanwijzingen werden vervolgens gegeven, hoe het bestuur van zulk eene quot;algemeyne borssequot; moest worden saamgesteld en op welke wijze die commissie hare werkzaamheid zou hebben te verrichten, 2 terwijl aanbeveling voor dit plan werd gevonden in het voorbeeld der Apostelen, in het exempel van Jozef in Egypte en in de reeds bestaande gewoonte der quot;Walscher Kercken.quot; 3Intusschen verwachtte MARNIX, dat deze quot;vergemeyn-schappinghequot; niet allerwege instemming zon vinden. De gemeenten, die tot dusverre zich allerlei moeite hadden getroost, om eene goede handreiking te doen, zouden wel allerlei bezwaren hebben. Maar die bezwaren waren niet onoverkomelijk, integendeel waren zij gemakkelijk weg te ruimen en moesten zij bovendien wijken bij de overweging van het feit, dat alle gemeenten te zamen éen lichaam vormen. Alle leden immers zijn schuldig de opbouwing van
1
A. w., p. Ifi.
2
3 A. w„ p. Ifi, 17.
3
A. w., p. 17, IS.
64
het gansche lichaam te bevorderen , zonder dat ooit het eene lid het andere mag verwijten, quot;dat het meer moeyte soude ghehadt hebben tot onderhoudinghe des lichaems.quot; 1
Derhalve stond het vast, dat de quot;ghemeynehandreykinghe aller ghemeynten der stiohtinghe des lijfs CHEISTI seer voorderlijck ende nutquot; was, de quot;besonderdequot; daarentegen quot;hinderlick ende nadeelich.quot; Redenen, waarom het wel niet anders kon, of spoedig zou er instemming worden betuigd met de ontwikkelde plannen, als zijnde noodig en nuttig voor de opbouwing van de Kerke Gods. 2
De tweede hoofdgedachte, in den brief ontwikkeld, heeft betrekking op de onderlinge correspondentie. Deze moest nader worden geregeld, opdat zij meer profijtelijk zou zijn. Bene goede correspondentie toch was bevorderlijk voor de onderlinge eenheid, omdat de gemeenten daardoor elkander hulp en bijstand konden bieden in alles, dat quot;eenichsins de vervoorderinge der eere Godes ende des rijcx Jesu Christi sal bedraghen 3.
Het wenschelijkste zou natuurlijk wezen, dat er Synoden konden worden gehouden, opdat langs dien weg de correspondentie mondeling kon worden gevoerd. Maar dewijl de middelen ontbraken „om Synodes ende ghemeyne samenkomsten te weghe te brenghen,quot; was het noodig, dat wat mondeling niet geschieden kon, quot;met brieven
1
\' De bezwaren, welke er al zoo konden zijn, worden door Maenix opgeteld en gebracht tot tien, waarna Mj ze een yoor een gaat wederleggen, in welke wederlegging hij tegelijkertijd zijne plannen en het wen-schelijke van die plannen nader uiteenzet. A. w., p. 19—27.
2
A. w., p. 28.
3
Bedraghen = betreffen.
65
verrichtetquot; werd, opdat er in waarheid zou wezen, quot;een gemeyne overeenkominghe, intelligencie ende verkund-schappinge onderlincx.quot; Raadzaam zou het zij n die schrif telijke correspondentie op te di-agen aan quot;ludens,quot; 1 die quot;kennisse ende gemeensaemheyt hebben met ludens van andere gemeynten,quot; opdat deze elkander over quot;de standt ende ghelegentheyt der ghemeyntenquot; zouden schrijven en van de ontvangen berichten verslag zouden doen aan hunne respectieve consistories.
Opdat nu de correspondentie zoo vruchtbaar mogelijk zou wezen, waren er quot;opghericht etlicke artikelenquot;, die quot;als een spiegel oft patroon, daer sy sick mochten nae richtenquot;, dienst konden doen. Deze artikelen worden vervolgens medegedeeld. Zij vormen eene uitgebreide serie van vragen, die het kerkelijk en gemeentelijk leven in zijn geheelen omvang betreffen.2
Intusschen mocht niet worden vergeten, dat het stellen en beantwoorden van die vragen behoorde te geschieden uit het zuivere verlangen: quot;eendraehtelijck alle nootdruften der Kercken Godes te hulpe te komen,quot; waarom het dan ook noodzakelijk was er zorg voor te dragen, dat het plaats had quot;met sulcker voorsichticheyt ende bescheydenheyt, die met christelicke sachtmoedicheyt vermenget zij,quot; en dat quot;alle argwane van te willen heerschen, d\'een over d\'an-
5
1
Ludens = lieden.
2
Dr. van Toorenenbergen, Marnix, Aanhangsel, p. 29—34.
Dergelijke vragen werden later op de bijeenkomsten der Classes dooiden praeses den aanwezigen voorgelegd. Althans in dien zin werd door de Emder Synode besloten. Cf. art. 2 van het hoofdstuk, dat handelt quot;de Classieis Conventibns.quot; Zie ook art. 43 der Acta.
6G
der,1 ende alle vermoeden van onbescheydene nueswijs-heyt met rechten verre gekeeret werde.quot;
De derde hoofdgedachte betreft het helpen van en bijstand verleenen aan arme reizende geloofsgenooten. Er moest een waarborg wezen, dat zij, die zich voor geloofs-genooten uitgaven, het ook inderdaad waren, opdat er een eind komen mocht aan het schandelijk misbruik, dat van de Christelijke barmhartigheid werd gemaakt. Het was immers overbekend, hoe menigmalen quot;landloopers ende schaedelijcke listige boeven der armen almissen tot sick krijghen.quot; Om nu in deze bezwaren te voorzien, waren er enkele quot;artykelen opgerichtet,quot; die, indien zij allerwege in acht werden genomen, een afdoenden waarborg zouden geven, dat alleen aan geloofsgenooten onderstand werd verstrekt. Maar aangezien deze artikelen niet zouden baten quot;sonder gemeyne verwillinge aller gemeynten,quot; werden zij medegedeeld, in de hoop, dat zij allerwege instemming en toepassing zouden vinden, of door betere worden vervangen. 2
De inhoud der artikelen komt in hoofdzaak hierop neder: geen arme worde aangenomen zonder behoorlijke attestatie. Mocht deze ontbreken, dan moest eerst worden onderzocht, of de zich aanmeldende voldoende
1
Van niets waren de Gereformeerden dier dagen zoo afkeerig als van hiërarchie : zij zijn allen quot;lidmaten eens eenigen liehaems Jesu Christiquot; en als zoodanig allen gelijk. Zie b. v. het eerste artikel van de Emder Acta.
2
Dr. van Toorenenbergen, Marnix, Aanhangsel, p. 34—37.
67
rekenschap kon geven van zijn geloof en in waarheid bidden kon. 1
Vragen wij thans na deze inhoudsopgave, of de brief tot het samenkomen van de Emder Synode kan hebben medegewerkt, dan moet het antwoord bevestigend luiden.
Met nadruk immers wordt gewezen op het treurig verschijnsel, dat er verschil in gewoonten bestaat tusschen de onderscheidene gemeenten, een verschil, dat niet kan worden weggeruimd zonder onderling beraad. Eene geregelde correspondentie kan daartoe wel veel bijdragen, maar komt toch niet in vergelijking met eene vergadering, waar allen samenkomen. Het wijzen op de bestaande verschillen moest dus leiden tot verlevendiging van de behoefte aan eene algemeene Synode, te meer, omdat die verschillen een hinderpaal vormden voor de quot;opbouwinge der Kercken Godes.quot;
Hier komt bij, dat in menige provincie, waar tot dusverre te veel op eigen belang werd gelet en te weinig acht gegeven op het welzijn der geheele Kerk het gemeenschapsgevoel moet zijn versterkt door het lezen van den brief, die iedere gemeente er aan herinnerde, dat zij een lid was van hot éene lichaam. De geheele brief immers wordt bezield door den wensch, dat de onderscheidene gemeenten naar het uitwendige zich mogen openbaren als quot;éene Gereformeerde Kerk,quot; gelijk zij inderdaad deelen zijn van een organisch geheel. Werd nu
1
Wat hier als weuschelijk wordt uitgesproken , is in de Emder Synode bepaald. Zie artt. 44—47 der Acta.
68
dit gevoel van eenheid versterkt, dan werd daardoor de weg gebaand voor eene\'vergadering, waarin die eenheid als het ware symbolisch werd afgebeeld.
Heilzaam moet de brief ten derde hebben gewerkt, doordien er duidelijk in doorschemert, hoe treurig het was, dat er tot dusverre geene mogelijkheid had bestaan eene Synode te houden. Daardoor toch had men niets definitief kunnen vaststellen, gelijk ook de thans voorgestelde regelingen slechts voorloopig konden zijn, en juist aan eene definitieve beslissing bestond in zoo menig opzicht groote behoefte.
Letten wij er ten slotte op, dat de hoofdgedachten, in den brief ontwikkeld, in de Emder Synode niet alleen besproken zijn, maar ook besluiten hebben uitgelokt, \' dan is het niet wel voor tegenspraak vatbaar, of de brief van MaKNIX is als een belangrijke factor te beschouwen in de wordingsgeschiedenis dezer Synode.
Nog duidelijker blijkt de waarheid van ons beweren, als wij letten op een punt in den brief, dat wij tot dusverre onbesproken hebben gelaten. Om de belangrijkheid zij het hier in zijn geheel afgeschreven.
Wanneer Marnix gekomen is aan het slot der uiteenzetting van de eerste hoofdgedachte en den wensch heeft te kennen gegeven, dat de geadresseerden het niet alleen volkomen eens met hem mochten wezen, maar ook het plan zouden bevorderen, eindigt hij met de woorden:
1 Van de tweede en de derde hoofdgedachte merkten wij dit reeds op. Zie p. 65, noot 2 en p. G7 de noot. Van de eerste blijkt het bij eene beschouwing van de artt. 36, 37, e. a. van de Acta.
fiO
quot;Of so daer eenige oorsaken waren (hetwelcke wy niet en verhopen), waerom dat sulex geenssins en konde oft en behoorde te weghe ghebraeht werden, so bidden wy U hertgrondelijek seer, wilt het ons met schrijven ter naester gelegentheyt te kennen geven, opdat wy de-selvige redenen ende oorsaeken moghen rijpelick ende onpartijdichlijck overleggen ende daernae ons sehicken; doch evenwel hoe dat het gae, \'t zij dan dat ghy het verwilliget ende goet achtet ofte niet,-so bidden ende begeerea wy dat ghy doch wilt de naevolgende Franck-fortsche Misse desen volgenden Septembri een of twee ofte meer bequaeme ludens nae Franckfort opseynden, welcke vollen last ende commissie hebben de saecke met den gesanden 1 van andere gemeynten, die hier oock wesen sullen ten vollen te beraetslagen, te verhandelen ende gantschelijck te besluyten, opdat alsoo met ghe-meyne verwillinge ende overeencominge delvercke Christi Jesu opgebouwet werden mach.
Ende wilt desen onsen brief den naestliggenden ghe-meynten, uwen naeburen, ofte ymmers anders copie desselven overseynden, opdat sy oock van haerent-wegen hetselve moghen doen ende haere gedeputeerde opseynden, op datter een eyndelijck besluyt2 van ge-maeckt mach werden tot lof ende prijs des naems Godes en tot opbouwinge der Kercken Christi Jesu.quot;3
Het is den schrijver dus te doen om tot een practisch resultaat voor alle de gemeenten te komen. Daarom dringt
1
Gesanden = gezondenen, gezanten.
2
7 Een eyndelijck besluyl = een definitief besluit.
3
Dr. van Toorenexbergen, Marnix, Aanhangsel, p. 28, vg.
70
hij er op aan, hetzij zijn plan instemming vindt, hetzij het tegenspraak uitlokt, in elk geval tegen de Frankfor-ter Mis van dat jaar gezanten naar Frankfort te zenden, van zulk een lastbrief voorzien, dat zij niet alleen kunnen beraadslagen, maar ook besluiten nemen; terwijl, opdat het aantal deputaten zoo groot mogelijk zij, rondzending van den brief of van eene copie daarvan wordt gevraagd.
Op het afvaardigen van gezanten komt hij in den brief nog eenmaal terug en wel aan het slot, waar wij lezen; quot;Insonderheyt, wilt doch niet naelaeten uwe gedeputeerde hier toe te seynden ter naester Franckfoort-scher misse, opdat wy ghelijckerhant eendrachtelijck alles moghen besluyten tot lof ende prijs Godes ende tot stichtinge sijnder gemeynte.quot;
Blijkbaar lag het samenkomen van deputaten Marnix dus zeer na aan het hart. Of de aandrang daartoe in zijnen brief de gewensohte gevolgen heeft gehad, moet thans worden onderzocht.
Doch voordat wij hierop nader het oog vestigen, willen wij even nagaan, of er ook nog iets te ontdekken valt aangaande den indruk, dien de brief op de geadresseerde gemeenten heeft gemaakt.
In het land van Cleef en het sticht van Keulen en Aken heeft hij ongetwijfeld krachtige sympathie gevonden. De acta immers zoowel van het consistorie der vluchtelingen te Keulen, als van de classicale en synodale bijeenkomsten in den omtrek toonen duidelijk, hoe de gemeenten daar verlangden om biddend mede te ar-
71
beiden aan de opbomving der Kerk. 1 Intusschen werden de eerste twee, wellicht alle drie de hoofdpuntenvan den brief te gewichtig geacht om daarover in eene provinciale Synode te besluiten, zoodat de beslissing werd uitgesteld, totdat de generale Synode zou zijn samengekomen. 2
Ook in Einden is de-brief ongetwijfeld met gro(jte belangstelling ontvangen en ten deele zeker met ingenomenheid begroet. Het punt n.L, dat handelt over de handreiking aan arme reizende geloofsgenooten, moet den broederen aldaar als \'t ware uit het hart zijn gegrepen, want meer dan ergens elders werd juist in Einden, „de her-
1
Zie de Handelingen van den Kerkeraad der Nederdnitsehe Gemeente te Keulen in de W. d. M. V., S. 1, D. III, van de Classieale en Synodale Vergaderingen der verstrooide gemeenten in het land van Cleef, het stieht van Keulen en Aken in de W. d. M. V., 8. II, D. li.
2
Cf. de acta van de Synode te Bedbur, W. d. M. V., 8. 11, D. II, p. 5, waar vermeld wordt, dat die punten quot;zijn wtgestelt wordden tot. op het naestkomende Synodus qualificatus.quot;
Behalve van de twee genoemde punten is hier nog van een derde sprake, waarvan de behandeling eveneens tot de eerstkomende Synode wordt verdaagd. Dit derde punt ziet op een voorstel aangaande de behandeling en vaststelling van quot;puncten ende articulen belangende de Eegeringe der Nederlantsche Christel ij eken Ghemeynten,quot; van welke artikelen gezegd wordt: quot;dat sy oock ter selffster tijt aen onse Gemeynte geschreven zijn gheweest.quot;
72
berg der vervolgdenquot;, een beroep op de broederlijke liefde gedaan. De aanvragen waren zoovele, dat beide de kerken van Einden in de Synode van 1571 den aanwezigen verzochten, aan de kerken hunner Classes te kennen te geven, dat hare diakenen in het vervolg slechts aan doortrekkende armen onderstand zonden verleenen. Diegenen echter, die daar, zooals nu eu dan geschiedde, langeren tijd moesten vertoeven, wachtende op gunstigen wind om naar Engeland te vertrekken, zouden niet meer op ondersteuning kunnen rekenen. 1
Wat ten slotte Engeland aangaat, daar was de belangstelling voor de hoofdgedachten van den brief groot, ofschoon de instemming niet volkomen was. Duidelijk
Uit de wijze, waarop bier over die quot;puncten ende articulenquot; gesproken wordt, volgt blijkbaar, 1° dat zij niet behooren tot den brief van 21 Maart 1570, door Mabnix v. St. Aldegonde en Gaspar van der Heyden onderteekend, en 2° dat zij evenwel omstreeks denzei Men tijd als die brief ontvangen zijn. Naar het schijnt, is er over die artikelen alleen met de gemeente te Keulen gecorrespondeerd, aangezien er staat, quot;weleke aen onse Gemeynte geschreven zijn gheweest.quot; Er is hier slechts van éene enkele gemeente sprake, en aan welke zullen wij daarbij eerder denken dan aan de Keulsche? Het ons bewaarde afschrift immers van de acta der Synode te Bedbur is uit het Keulsche archief afkomstig en heeft stellig aan de Keulsche vluchtelingen-gemeente behoord. (Dit blijkt b.v. duidelijk, uit de aanteekening bij art. I: quot;Sybertüs Lohn ende Ever-aerdt van Heyst zijn in dcse Synode verschenen van weghen onser gemeynte;quot; van elders immers weten wij, dat Sybertus Lohn predikant was te Keulen en Everaerdt van Heyst een van de ouderlingen van de vluchtelingen-gemeente aldaar. Zie b.v. W. d. M. V., S. I, D. III, p. 5.) Wie de opstellers van die quot;puncten ende articulenquot; zijn wordt niet gezegd.
1 Zie de le vraag der Quaestiones Particulares.
73
blijkt dit uit den brief van het consistorie te Maidstone van 10 Augustus 1570. 1 Met betrekking tot het eerste pnnt betuigde de gemeente aldaar weliswaar instemming in het plan om quot;het vervallen Huys des Heeren op te richtenquot; en gaf zij den raad, zoo spoedig mogelijk daarmede te beginnen, maar het middel, daartoe beraamd, de oprichting eener algemeene beurs, kon de goedkeuring niet wegdragen. De bezwaren daaraan verbonden waren te groot. De tweede en derde hoofdgedachten daarentegen werden quot;zeer goet ende noodsaeckelickquot; geacht.
Dat de andere gemeenten in Engeland in denzelfden zin geantwoord hebben, blijkt uit het slot van den brief waar gezegd wordt, dat het hun voornemen was geweest, uit alle gemeenten deputaten te doen vergaderen, 2 quot;om van der saecke te spreecken ende generalic het aduys over te schrijvenquot; aan de kerkeraden van Heidelberg en Frankenthal. Aan dit plan had men echter geene uitvoering kunnen geven, zoodat de kerk te Maidstone thans haar advies quot;particulierlicquot; zond met het advies van do andere broeders en dienaars quot;zoo van Londen als van elders.quot;
De indruk, dien Marnix\' brief maakte, is dus vrij gunstig te noemen. En op grond hiervan mogen wij veilig aannemen, dat zoo mogelij k is voldaan aan het verzoek om gezanten, van een lastbrief voorzien, naar Frankfort te zenden tegen den tijd, dat aldaar de Mis zou worden gehouden.
Van die van Maidstone weten wij, dat zij wel depu-
1
Zie p. 56, noot 1.
2
Een bewijs, dat de voorstellen hun gewichtig genoeg voorkwamen.
74
taten hadden willen zenden, maar de kosten waren hun te groot: de uitgave was te drukkend voor de draagkracht dezer kleine gemeente. 1 Waar dit geldelijk bezwaar niet bestond, is aan het verzoek ongetwijfeld voldaan. In elk geval is het zeker, dat deze brief de aanleiding is geweest tot eene bijeenkomst te Frankfort in September 1570.
Aan de onderscheidene redenen waarom deze brief als eene der aanleidende oorzaken van het samenkomen der Emder Synode is te beschouwen, moet dus als eene zeer gewichtige, zoo niet als de gewichtigste worden toegevoegd, dat hij inderdaad is geweest de convocatie tot de genoemde vergadering. Want zijn er al van die bijeenkomst geen berichten tot ons gekomen,2 toch is het zeker, dat zij gehouden is en dat daar onder meer ook gesproken is over het noodzakelijke eener Synode. Dit volgt n. 1. uit een brief van MARNIX aan de Neder-landsche gemeenten in Engeland van Juli 1571, waar hij schrijft, dat eenige der broederen, gedreven door een goeden
1
Zie den brief van 10 Aug. 1570. In dien brief wordt nog gezegd, dat het naar het oordeel der gemeente raadzamer ware geweest de vergadering ergens in Engeland te beleggen, \'quot;dewyle dat weinighe Ghe-meinten huyt een Graefschap met minderen oncost ende beter connen commen dan vele ghemeinten huyt een gansch Conincrycke. Deze opmerking moge een bezwaar bevatten tegen het beraamde plan, toch doet zij ons op nieuw zien, hoe het verlangen naar eene uitgebreide vergadering van deputaten, van heinde en verre saamgekomcn, levendig was.
2
Ook te Frankfort zelf is op het oogenblik geen stuk bekend, dat op die vergadering betrekking heeft, zooals Dr. Ebuard, quot;Biblio-thécaire en chef de la ville,quot; mii welwillend heeft bericht.
75
christelijken ijver, dikwijls hebben voorgehouden hoe heilzaam liet wezen zou eene Synode te houden. Wanneer dit quot;dikwijlsquot; gebeurd is, zou het dan ook niet geschied zijn op de Frankforter bijeenkomst?1 Wellicht is er reeds over beraadslaagd, waar en wanneer zij zou kunnen vergaderen, 2 doch vastelijk besloten is dit niet. Want zelfs 4 Juli 1571 was het nog niet zeker, op welken dag de Synode zou samenkomen en evenmin was toen reeds de plaats bepaald.3
ïe betreuren is het, dat er van die bijeenkomst te Frankfort niets meer bekend is. Intusschen mogen wij voorvast aannemen, dat alle aanwezigen geleid zijn door den wensch, hunne krachten te wijden aan en eenpariglijk samen te werken tot het tot stand komen van de uiterlijke eenheid der Kerk, en dat met dit doel voor oogen de beraadslagingen zijn gevoerd en de besluiten zijn genomen. Waarlijk, het is niet te veel gezegd, wanneer wij met Dr. A. KUYPER verklaren: quot;De vrucht dezer bijeenkomst was de Synode, die tegen 5 October 1571 werd uitgeschreven en zich in het gastvrije Bmden verzamelde.quot; 1
1
De bedoelde brief is te vinden in Arcbivum, p. 365—369, en bij Dr. van Toorexexeergen, Marnix, III. p. l(ii)—174. Zie in dc laatstgenoemde uitgave voor het bovengezegde p. 171.
2
Zoo sebrijft Dr. A. Kuyper. dat men hoopte het omtrent, plaats en dag der Synode eens te zullen worden. Geschiedenis der Christelijke Kerk in Nederland in tafereelen, D. II. p. 77.
3
Zie van de Acta van de Synode te Bedbur van 3 en 4 Juli 1571 de artt. 1—5. W. d. M. V., S. II, D. II. p. 3. vg.
76
Intusschen mogen wij niet vergeten, dat de onmiddellijke gevolgen dier bijeenkomst niet bekend zijn. Doch dit neemt niet weg, dat het bovengezegde den loop der gebeurtenissen te kennen geeft. Wij houden ons overtuigd dat, indien eenmaal nog de acta der bijeenkomst te Frankfort mochten worden gevonden of ook eenige documenten, die op haar betrekking hebben, deze het aangewezen verband des te duidelijker zullen doen uitkomen.
De draad der ontwikkeling, die van den brief van MABNIX voortgaat naar de vergadering te Frankfort, om daar voor ons oog af te breken, komt straks weer te voorschijn, om dan naar de Emder Synode heen te leiden. Het is hiermede gesteld als met eene rivier, die een tijdlang zichtbaar voortkronkelt en dan plotseling verdwijnt, evenwel om een eind verder op nieuw te verschijnen en dan haren weg ongestoord te vervolgen, totdat zij de plaats harer uitmonding bereikt heeft. 1 Zal nu iemand zeggen , dat dit twee verschillende rivieren zijn ? Immers neen, want kondtgij de aarde verwijderen van de plaats af waar zij verdwenen is tot waar zij op nieuw zichtbaar wordt, met eigen oog zoudt gij aanschouwen, dat het eene en dezelfde rivier is, die onafgebroken hare bedding volgt. Welnu, evenzoo is het met den draad der ontwikkeling, die van den brief van MaRNIX heenleidt naar de Emder Synode. Onafgebroken gaat hij voort van den brief naar
1
Zoo was het b. v. vroeger bij de Rhone (Perte du Rhone.)
77
7^
de samenkomst te Frankfort en vandaar verder naar de vergadering in Oost-Friesland. Het is alleen door gebrek aan voldoende bescheiden, dat hij niet overal
even duidelijk aan de oppervlakte ligt.
Hetzij nn de vruchten der vergadering te Frankfort volkomen aan de verwachtingen van Marnix hebben beantwoord, hetzij ze hem eenigszins hebben teleurgesteld, of ook hebben doen zien, dat de tijd nog niet rijp was voor het houden van eene algemeene Synode, in elk geval is hij zonder twijfel onvermoeid voortgegaan met zijne pogingen tot verwezenlijking van zijn ideaal: quot;uitwendige eenheid der Kerk.quot; Immers wanneer wij wederom getuigen kunnen zijn van zijnen arbeid in dezen, dan is die gekenmerkt door denzelfden ijver en denzelfden drang der liefde, als waarmede wij hem tot nu toe werkzaam zagen. Vol gloed spreekt hij en met volharding houdt hij aan, totdat hij allen, die hem hooren, heeft bezield met de gedachte: „Eene Synode moet er komen.quot; Ja, hij rust niet, voordat men besloten heeft eene generale Synode te houden.
Het is in het sticht van Keulen, dat wij hem aldus krachtig zien optreden op de vergadering, den 3quot; Juli aldaar gehouden.
Doch aan deze vergadering gekomen hebben wij in de wordingsgeschiedenis van de Emder Synode het punt bereikt, waar wij niet meer kunnen spreken van aanlei-dende oorzaken, aangezien voortaan alle de bemoeiingen het karakter dragen van voorbereidende maatregelen. Uit hare acta immers blijkt duidelijk, dat er besloten is eene
. VA -
78
generale Synode saam te roepen. Sedert was het dns alleen nog maar noodig te bepalen, waar en wanneer dit zou geschieden, en tegelijkertijd tot zoo groot mogelijke deelneming op te wekken.
HOOFDSTUK II.
VOORBEREIDEÏTDE MAATREGELEN.
hoofdsstuk: ii.
VOORBEREIDENDE MAATREGELEN.
Xlet is een opmerkenswaardig verschijnsel, dat juist zij, die uit de vaderlandsche erve waren gebannen of gevlucht, het meeste hebben bijgedragen tot de voorbereiding en het tot stand komen van de Einder Synode, gelijk zij in liet algemeen krachtig hebben geijverd voor het welzijn van de Kerk dezer landen. Dit verschijnsel is intusschen wel te verklaren. Hadden in vroegere dagen slechts enkelen deze landen verlaten om zich te vestigen in die plaatsen, waar meerdere godsdienstvrijheid werd verleend, het aantal der uitgewekenen was met de komst van Alva schrikbarend toegenomen. 1 Een gevolg hiervan was, dat, terwijl de gemeenten in liet buitenland vroeger te klein waren om invloed uit te oefenen op de Kerk in het moederland, thans de vraag gewettigd was, waar de Kerk meer was te zoeken, buiten of binnen de grenzen des vaderlands. Hierbij kwam, dat de oorspronkelijke gemeenten der vluchtelingen meer op zichzelve stonden, terwijl
1
Het aantal der vluchtelingen in die dagen wordt geschat op ruim 100,000. Alleen in Emden kwamen in het jaar 1567 naar gissing 6000 ballingen. Zie Meiners, a. vr., Egt;. 1, p. 414.
G
82
de latere bannelingen levendige betrekking onderhielden met de gemeenten in het vaderland. Waren zij, door den nood gedrongen, verplicht geweest hun heil in den vreemde te zoeken, met verlangen zagen zij uit naar het oogen-blik, waarop zij het land der vaderen weder konden betreden. En dat oogenblik zou komen. Aldus klonk de taal des geloofs in hunne ziel. Maar dan ook was het hunne roeping er voor te zorgen, dat de Kerk tot openbaring harer eenheid zou zijn gekomen, voordat de dag der vrijheid zoude aanbreken. Die in het vaderland waren achtergebleven vermochten niets: zij moesten zich schuilhouden ten gevolge van het woeden van Alva en waren alzoo tot werkeloosheid gedoemd. De uitgewekenen daarentegen genoten meerdere vrijheid: zij konden handelend optreden; op hen rustte dus de schoone taak, quot;om door regeling en aaneensluiting meer vastheid aan het geheel te geven.quot;1 Het was dan ook bij die uitgewekenen, dat de inwendige oorzaken, waarop wij hebben gewezen, het krachtigst hebben gewerkt, terwijl de arbeid van den Heer van St. Aldegonde toont, dat ook de uitwendige oorzaken grootendeels bij de vluchtingen waren te zoeken.
Het kan ons dus niet verwonderen, \'lat wij bij het beschouwen van de voorbereidende maatregelen voor de Synode van 1571 wederom het meest onze aandacht hebben te vestigen op de Gereformeerden buiten ons vaderland.
1
Vgl. hierover Dr. A. Kuyper in de Geschiedeuis der Christelijke
83
Zij waren het, die in die dagen van druk en benauwdheid geene moeite ontzagen om de verwezenlijking van hun ideaal te bereiken, terwijl het juist de Gereformeerden in ons land waren, die aanvankelijk, voor een deel ten minste, weigerden daartoe mede te werken.
Eindigden wij hierboven met eene herinnering aan de Synode, den 311\'quot; en 4l\'enJulij 1571 te Bedbur 1 gehouden, wij hebben daar thans mede te beginnen, aangezien die vergadering in het sticht van Keulen in waarheid is aan te merken als het uitgangapunt van de voorberei-dende maati-egelen, die genomen zijn om het tot stand komen van eene algemeene Synode mogelijk te maken. Op grond derhalve van de belangrijke plaats, die de bijeenkomst te Bedbur in de wordingsgeschiedenis van
gaan, hoe de Gereformeerden, die uit deze landen zijn uitgeweken, een kraehtigen invloed hebben uitgeoefend niet alleen op de Kerk dezer landen, maar ook op de streken, waar zij zich vestigden. Als een voorbeeld kan worden aangehaald, dat in de landen van Gülik, Berg en Cleef en in het graafschap Mark de presbyteriale kerkinrichting, door hunnen invloed ingevoerd, tot omstreeks 1812 is blijven bestaan. A0. KJIO werd de eerste generale Synode der genoemde landen (a0. 1611 voor het eerst in verbinding met het graafschap Mark) gehouden. In 1793 kwam de laatste, d. i. de o6stü, te Duisburg samen. 21 Juli 1589 kwam de eerste Bergische provinciale Synode in de pastorie te Neviges bijeen; voor het laatst, d. i. voor de 23O8t0 maal werd zij gehouden te Langenberg van 23—25 Juni 1812. In het daarop volgende jaar vinden wij de Classis van Elberfeld den 22sten Juni voorliet laatst bijeen. Zie hierover Dr. Krafft, a. w., p. 28 en 31.
1 Bedbur is het tegenwoordige Bedburg, aan de spoorlijn van Dilren naar Neuss.
6*
84
de Emder Synode inneemt, hebben wij aan haar al onze aandacht te schenken.
Zooals wij vroeger hebben opgemerkt 1 , is in de vergadering, in September 1570 te Frankfort gehouden, ongetwijfeld gehandeld over het wenschelijke en noodzakelijke van eene generale Synode. Reeds de aanwezigheid van den Heer van St. Aldegonde geeft volkomen recht om te onderstellen, dat er in die bijeenkomst met nadruk op moet zijn aangedrongen het voorbeeld der Fransche broeders na te volgen. Intusschen werd te Frankfort eene definitieve beslissing niet genomen. Wat daarvan de reden zij , laat zich niet met zekerheid bepalen, omdat ons aangaande die bijeenkomst zoo weinig bekend is.
Zeker is het evenwel, dat de aldaar vernomen aansporing niet zonder gevolg is gebleven. Althans eenigen tijd later zien wij enkele uitgeweken Gereformeerde broeders — waarschijnlijk in het land van Gttlik of daaromtrent - met elkander beraadslagen, quot;oilmen niet eens een generale byeencompste ende vergaderinge sonde cunnen becomen van de Kercken die althans door Gods sonderlinghe genade so wel inde Nederlanden onder t\'crnys bewaert worden, als oock die allenthaluen door de wille desselfs verstroyt sijn.quot; Die beraadslagingen leidden tot het gewenschte einde, zoodat besloten werd, dat men zou trachten de adhaesie van andere broederen uit te lokken en hen tot ondersteuning van het plan op te wekken. Dienovereenkomstig werd eene
1
Zie p. 74: vg.
85
reis naar Heidelberg en Frankenthal aanvaard, waar het ontworpen plan werd blootgelegd voor eenige der voornaamste dienaren des Woords en voor andere broeders, in die beide plaatsen woonachtig. Met ingenomenheid werd van het voornemen kennis genomen en met sympathie werd het begroet. De heerlijke gevolgen, die het zon kunnen hebben, wanneer het tot uitvoering komen mocht, stonden den Heidelbergers en Franken-thalers zóo duidelijk voor oogen, dat zij het plan onvoorwaardelijk quot;heilich goet ende noodsackelickquot; noemden. Bovendien werd er, omdat de heilzame vruchten eener Synode der Kerk ten goede zouden komen, niet eerst in de dagen der vrijheid, maar reeds in den tijd van algemeene verstrooiing, krachtig op aangedrongen, dat zij, die het voornemen hadden opgevat, allen ijver zouden gebruiken en mitsdien alle geschikte middelen aanwenden, om zulk eene algemeene Synode zoo spoedig mogelijk tot stand te doen komen.
De broeders te Heidelberg en te Frankenthal gaven dus aanstonds van hunne sympathie blijk, en dit niet alleen in woorden, maar ook in daden. De dienaren te Heidelberg namelijk zonden naar Wezel en naar andere plaatsen een schrijven, waarin zij betuigden, hoezeer het plan om eene Synode te honden hunne goedkeuring wegdroeg, terwijl zij op het ondersteunen van dit plan aandrongen, tot verwezenlijking er van opwekten en bovendien eenige artikelen ten beste gaven, die naar hun oordeel op eene dusdanige vergadering behoorden behandeld te worden. 1
1
Bij dezen brief hebben wij aan een ander schrijven te denken dan
86
Onderwijl waren zij, die het plan om eene Synode samen te roepen hadden opgevat — versterkt door de deelneming, die zij te Heidelberg en te Frankenthal hadden gevonden — voortgegaan met het nemen van maatregelen, tot verwezenlijking van hun plan. De aansporing, om hierin met spoed en ijver werkzaam te zijn, was niet te vergeefs geweest; onverwijld hadden zij hunne reis vervolgd en zich begeven naar den Prins van Oranje,
aan den brief, die 21 Maart 1570 door den Heer van St. Aldegonde geschreven was. — Een krachtig bewijs hiervoor vinden wij in het feit. dat deze brief later als bijlage A. gevoegd werd bij een schrijven, dooide twee gedeputeerden van de Bedbursche Synode in zake de te houden generale Synode aan de Gemeenten in Engeland gezonden. (Zie p. 105, vg.) Dit overzenden immers bewijst, dat de bedoelde brief in Engeland onbekend was. En hieruit volgt, dat deze brief een andere wezen moet dan die van 21 Maart 1570, want van dezen laatste konden de deputaten weten en wisten zij zonder twijfel ook, dat hij in Engeland bekend was. Op de Synode te Bedbur immers was Marnix tegenwoordig geweest. Daar had hij den inhoud van zijn schrijven van 21 Maart 1570 aan de orde gesteld en bij de besprekingen ongetwijfeld niet nagelaten te vermelden, welk eene ontvangst aan zijn brief bereid was geweest. De eene afgevaardigde (de andere was niet ter vergadering aanwezig) heeft dus uit den mond van Marnix kunnen hooren, welk antwoord op zijn schrijven was ingekomen van de gemeente te Maidstone quot;particulierlicquot; en welk advies de broeders van Londen en de andere gemeenten in Engeland hadden gegeven, — voor hen een afdoend bewijs, dat de brief in Engeland was aangekomen.
Hierbij komt nog, dat de twee deputaten van de Bedbursche Synode hun brief naar Engeland te Emden hebben geschreven, waar men zeer goed wist, dat de brief van Maart 1570 naar Engeland was gezonden, aangezien hii, zooals blijkt uit den brief van de gemeente te Maidstone (zie noot 1 op p. 57), door tusschenkomst van de broeders te Emden de reis naar Engeland had gemaakt.
87
bij wien de Heer van St. Aldegonde zich op dat oogen-blik bevond. Eene gunstige ontvangst was hun aldaar bereid. Waren zij gekomen om het advies van den Prins in te winnen en zich van zijne goedkeuring te verzekeren, bij hun vertrek konden zij de vaste overtuiging medenemen, dat de Prins ten zeerste met het plan was Ingenomen en zijne autoriteit zou gebruiken om het welslagen van hun voornemen te bevorderen. 1
Aldus gesterkt keerden zij huiswaarts, om thans in het land hunner vreemdelingschap pogingen aan te wenden tot het doen samenkomen van eene vergadering, waarin hun plan nader zou worden geregeld. Het resultaat van die pogingen was de Provinciale Synode den 3liequot; en •i\'1\'\'quot; Juli 1571 te Bedbur gehouden. 2
In deze vergadering, waar, zooals wij boven reeds opmerkten, het plan om eene generale Synode te houden inderdaad tot besluit verheven werd,3 waren behalve de deputaten der Güliksche gemeenten ook anderen uit
1
Aldus heb ik gemeend den loop der gebeurtenissen te moeten schetsen op grond van het eerste deel van den brief, die den 24sten Juli 1571 door Gerard van Kuilenburg en Jhr. Willem van Zuylen van Nuevelt uit Emden gezonden is aan het consistorie der Nederduitsche
2
Gemeente te Londen. Zie Archivum, p. 378—387.
3
Zie de acta dier Synode in de W. d. M. V., S. II. D. II, p. 3—7.
3 Zie behalve de Acta der Synode, ook den brief van Marnix van Juli 1571, waarin hij meldt, hoe enkele broeders meermalen op het wensche-lijkc van eene generale Synode hebben gewezen en niet hebben gerust, voordat men eindelijk quot;nu onlancx in eene particuliere vergaderinge der Gulickssche ghemeynten sulex voor te dragen heeft voorgenomen ende besloten.quot; (Marnix spreekt hier ongetwijfeld van quot;particuliere vergaderingequot; in tegenstelling met de quot;generale Synode,quot; die aanstaande
88
Duitsohland en Braband aanwezig. \' Een dienaar des Woords uit Brussel en een onderling van de gemeente te Antwerpen1 merken wij onder de vergaderden op, terwijl ook MarniX met eenigen, die hem waren quot;byge-uoechf\'de bijeenkomst heeft bijgewoond. 2 Vooral aan tie tegenwoordigheid van den Heer van St. Aldegonde is hot te danken, dat genoemd besluit genomen is.
Wanneer wij lezen wat Marxix zelf dienaangaande schrijft, zouden wij dat niet vermoeden, maar des te duidelijker blijkt het uit een brief van Chbistiaan Otzbnrath , predikant te Bedbur, d° 10 October 1576. Deze schrijft namelijk: quot;Wir wissen uns auch noch zu erinnern, wie hefïtig der Herr von St. Aldegonde im Synodo zu Bedbur-ReifEerscheidt, Anno 71 den 3. July gehalten, dasz diesze Kirchen dem gemeinen Synodo sich vnterwürfïen, anhielte, und nit daran er Recht that, abliesz, bisz er vnserer Kirchen erklarungh dariiber hatte. So wir nun als Glieder des Generalen-Synodi sollen gehalten werden, wie denn auch mit der
1
Hunne namen zijn niet bekend.
2
Zie den brief van MARNIX van Juli 1571 en dien van de twee deputaten der Bedbursche Synode van 24 Juli 1571.
89
That von nnaern Kirchen sowoll an den armen verjagten Christen in Wesel unci in AntorfT mit stewer, als Con-tributionen zur Fördernng der gemeinen saohen bewisen ist, so halten wir es daffir.... u. s. \\v.quot; 1
Wat Marx IX zelf er van zegt komt hierop neer: eerst bericht hij, hoe zijne tegenwoordigheid in de vergadering het gevolg was geweest van het verzoek, dat enkele broeders tot den Prins van Oranje hadden gericht, of Z. E. hem wilde toestaan die bijeenkomst bij te wonen. Vervolgens deelt hij mede, hoe hij te Bedbur gekomen was met de uitdrukkelijke opdracht van den Prins, om uit zijn naam er op aan te dringen, dat toch het voornemen om eene generale Synode te houden tot uitvoering zou worden gebracht en tegelijkertijd enkele andere punten der vergadering ter overweging voor te leggen. Met betrekking tot die quot;puntenquot; was echter niets besloten, aangezien zij zijn uitgesteld geworden quot;tot aen het algemeyne Synodum der nederlandissche gemeynten. In het welcke sy alle te samen eendrachtelick gewillceurt ende gestemt hebben, bekennende het voor seer nut ende gantz noodich te wegen.quot;- Niemand zal bij het lezen van die woorden vermoeden, dat het quot;eendrachtelick willceuren ende stemmenquot; een gevolg was van het bezielend optreden van den schrijver zelf: daarvan zwijgt hij geheel. Dit wekt intusschen geen bevreemding bij een man, die steeds met de grootste nederigheid over zichzelven spreekt. Hij was niet meer dan quot;een cleyn lidmaet des Heylighon Lichaems Christi
1
Zie bij Dr. Krafft, a. w., p. 41.
90
Jesu,quot; 1 die quot;van God cleyne gauen heeft ontfangen,quot; welke gaven door de broeders wellicht, krachtens de liefde en de genegenheid, die zij hem toedroegen, hooger geschat werden, dan hij ze kon gevoelen. 2 Zulk een man moest wel, over de vergadering te Bedbur sprekende, zijn aandeel in de aldaar genomen beslissing stilzwijgend voorbijgaan, al was dat aandeel, zooals nit den brief van Otzenrath duidelijk blijkt, verre van gering.
Op grond van dien brief toch moeten wij aannemen, dat de Dnitsche gemeenten aanvankelijk niet geneigd waren om zich quot;aan de algemeene Synode te onderwerpenquot; en dat daarentegen Marnix niet ophield het noodzakelijke van zulk eene aaneensluiting te bepleiten, totdat zij eindelijk hebben toegestemd. Dat Marnix bij de Nederlanders een dergelijken tegenstand niet heeft ontmoet, spreekt van zelf, daar het juist Nederlandsche uitgewekenen waren, door wier bemoeiingen de vergadering te Bedbur was samengeroepen, opdat onderling zou beraadslaagd worden over liet houden van eene vergadering van quot;de Kercken die door Gods sonderlinghe genade so wel in de Nederlanden onder t\' cruys bewaert werden , als ooek die allenthaluen door de wille desselfs waren verstroyt.quot;
Ongetwijfeld heeft Mars ix dus grooten invloed uitgeoefend op de vergadering, in het land van Gülik gehouden, en is het voor een groot deel aan zijn optreden te danken, dat aldaar besloten is voort te schrijden tot het samenroepen van eene generale Synode.
1 Ibidem, p. 173. 3 Ibidem p. 171.
01
Maar niet alleen werd toen dit besluit genomen; er zijn ook maatregelen getroffen om aan dat besluit uitvoering te geven. Algemeen werd het namelijk noodig geacht en diensvolgens ook door alle aanwezigen goedgekeurd, dat men schriftelijk de andere gemeenten in kennis zou stellen van het genomen besluit en haar tot deelneming zou opwekken, terwijl bepaald werd, dat allen, die ter vergadering aanwezig waren, den brief eigenhandig zouden onderteekenen.
Intusschen werd nog niet beslist, waar en wanneer de Synode zou samenkomen. Over den tijd en de plaats namelijk wilde men eerst met andere broeders confereeren, voordat in dezen een definitief besluit genomen werd. Daarom werden twee deputaten gekozen, Gerard van Kuilenburg en Jhr. Willem van Zuylbn van Nubvblt, die gevolmachtigd werden om naar Emden te gaan en daar met de gemeente over deze zaak te beraadslagen. 1 Slechts in éen opzicht werd hunne vrijheid beperkt. De vergadering droeg hun namelijk op, om aan de broeders, met wie zij zouden overleggen, in overweging te geven, of het niet het raadzaamste was, dat men de Synode óf naar Emden, óf naar Frankenthal,2óf naar Siegen3 zou samenroepen, en haar zoo spoedig mogelijk zou houden, liefst nog in den zomer van het loopende jaar.
Staande de vergadering werd vervolgens een credentie-brief voor de twee deputaten in gereedheid gebracht en
1
Emden was in die dagen gewoonlijk de vraagbaak.
2
3 Frankenthal lag in liet gebied van den Keurvorst van de Paltz.
3
Siegen lag in dc Nassausche landen.
92
door alle de aanwezigen onderteekend, opdat de te raadplegen gemeente daarin een voldoenden waarborg zoude hebben, dat de twee broeders, die tot haar kwamen, in waarheid afgevaardigd waren, om uit naam van de Synode te Bedbur den hun opgedragen quot;last ende Commissie wtte-richten.quot; Voor reisgeld werden bovendien 24 daalders bestemd, welke som door de aanwezigen werd bijeengebracht.
Van de twee gekozen deputaten was slechts Gerard van Kuilenburg 1 in de vergadering tegenwoordig. Wat
1
Zie over Gerard van Kuilenburg, de aanteekening bij diens naam in Archivum p. 38(5. Wij kunnen aan de daar aangehaalde plaatsen uit de W. d. M. V. nog eenige toevoegen, t. w.: S. II, D. Ill, p. 37, 132, 175, 211. 262 en 315. Enkele dezer geven aanleiding tot eene wijziging van hetgeen door den Heer Hessels is gezégd. Deze schrijft namelijk, dat Gerard van Kuilenburg a0. 1574 predikant was te Middelburg, doch a. w., p. 132 en p. 175 komt hij voor als predikant van Zierikzee, die als deputaat van de Classis van Schouwen de Provinciale Synode van Dordrecht (15—28 Juni 1574) heeft bijgewoond (zie ook p. 211), terwijl wij hem p. 262 en p. 315 wederom genoemd vinden als predikant van Zierikzee, namens de Classis van Schouwen afgevaardigd ter nationale Synode, 3—18 Juni 1578 te Dordrecht gehouden. Op grond van S. Ill, D. V, p. 173 is het echter waarschijnlijk, dat hij a0. 1576 te Middelburg vertoefde, wat zeer goed mogelijk is, daar hij volgens J. W. te Water. quot;Kort Verhaal der Reformatie van Zeelandquot;, p. 220. omstreeks het midden van dat jaar Zierikzee heeft moeten verlaten. Cf. Bor, a. w., B. IX, p. 682, waar wij lezen, dat dit 2 Juli is geschied. In 1577 is hij daar echter weer terug, zie te Water, a. w., p. 224. Wellicht is hij reeds in het laatst van 1576 te Zierikzee teruggekeerd, althans Archivum. p. 567—570. komt een brief voor aan de Ncderduitsche Gemeente te Londen, geschreven door quot;Gerardus Culenborgicus, Dienaer des
93
den anderen, Jhr. Willem van Zuijlen van Nijevelï betrof, wist men derhalve niet, of hij bereid was de hem opgedragen taak te aanvaarden. Daarom werd nog besloten, dat, wanneer het blijken mocht, dat hij bezwaar had tegen de opdracht, waarmede men hem had vereerd, doordien hij geene gelegenheid kon vinden om de reis naar Emden te ondernemen of wellicht liever met zulk eene taak niet werd belast, dat alsdan marnix van St. Alde-gonde en Gerard van Kuilenburg te Wezel een anderen afgevaardigde in diens plaats zouden kiezen. 1
1
Deze voorzorg bleek intusschen later overbodig te zijn geweest, daar Jhr. van Nijevelt den hem opgedragen last heeft aanvaard, gelijk hij hem met Gerard van Kuilenburg heeft volbracht. Volgens J. w. te Water heeft Jhr. van Nijevelt den tijd zijner ballingschap te Wezel doorgebracht, (waar hij in 1568 op het convent tegenwoordig was), waarmede het in den tekst gezegde schijnt overeen te stemmen. Want daar in Wezel een ander moest gekozen worden, indien Jhr. van Nijevelt mocht bedanken, mag daaruit afgeleid worden, dat hij zich op dat oogenblik ten minste in Wezel bevond. Intusschen was volgens Hoopt Emmerich inzonderheid de woonplaats van Jhr. van Nijevelt (Nederl. Historiën, VII, B. 299: „Jonker Willem van Zuilen van Nieveldt, Heer van s Heeren Arentsberghe. een Eedelman van staat-lyken huyze, die, voorvluchtigh om den Godsdienst, de kost met zijn\' handen had moeten winnen, en zich tot Emmerik met boekbinden geneertquot;). 8 October 1568 is hij door Alva het land uitgebannen, cf. J. Marcus, Sententiën en indagingen van den hertog van Alba. p. 148. waar onder de namen van 24 personen. die quot;voorvluchtich vuyter Steedc van Schoenhouenquot; den lande werden uitgewezen met confiscatie hunner goederen, ook zijn naam voorkomt. Hij heet aldaar quot;Guillau.me
94
Wat nu verder ter vergadering behandeld is, is voor ons nog in zooverre belangrijk, dat het duidelijk doet zien, hoezeer het den broederen ernst was alle krachten in te spannen, opdat het genomen besluit niet zou blijken eene doode letter te zijn. 1 Bij de meeste voorstellen
1
De besproken punten zijn, op zichzelve beschouwd, belangrijk genoeg en cener nadere overweging waard. Volgens het opschrift zijn het voorstellen, die Marnix gedaan heeft, deels uit naam van den Prins van Oranje, deels uit zijn eigen naam, (W. d. M. V., S. II, D. II, p. 4, vgg.)
Merkwaardig is b. v., dat in deze quot;Articulenquot; krachtig wordt aangedrongen niet alleen op quot;het oprichten van een overeenkom inge met de ghemeynten in Vranckrijck,quot; maar ook op het beramen van die middelen, die geschikt zouden wezen quot;om een eenicheyt ende overeen-
95
toch van ingrijpenden aard werd besloten ze uit te stellen quot;tot o]) het naestkomende Synodus qualificatus.quot; Aan de belangrijkheid der voorstellen werd niet getwijfeld: eener degelijke bespreking werden ze waardig geacht;
kominghc op te richten met de gemeyute der Confessie van Ausborch.quot; (De behandeling van beide deze punten werd uitgesteld tot het quot;Synodus qualificatus.quot;) Opmerking verdient bovendien, dat eenerzijds wordt voorgeslagen, een brief of een boekje te schrijven aan de Nederlandsche gemeenten onder het kruis tot bemoediging, vertroostingen vermaning, en andererzijds het voorstel wordt gedaan, aan Marnix een brief mede te geven voor de Dienaren ties Woords in het land van Dillenburg om hun eene verklaring te geven aangaande de goede quot;Christelijcke gene-gentheytdie de Synode te Bedbur had quot;tot de gemeyne vrede.quot; (Beide voorstellen werden goedgekeurd, echter met dien verstande, dat ten aanzien van het eerste besloten werd een brief, geen boekje te schrijven.) Eindelijk is het waard opgemerkt te worden, dat enkele voorstellen eene politieke strekking hadden. Duidelijk komt «lit uit in het 4,,c punt, door Marnix ter sprake gebracht; quot;Is voorghegheven dat daer een goede overeenkominge ende onderlinge ver-standt opgericht wordden mach in politicque saeken belangende de wederoprichtinge der Nederlandenquot;. (Op de Synode werd beloofd, dat een iegelijk in dezen zijn best zou doen, maar later heeft dit artikel aanstoot gegeven. Zoo werd b. v. in de instructie voor cornelis walrave, adriaax van coninxloo cu jan de roye (Johannes Regius), gemachtigden van den Keulschen Kerkeraad ter classikale vergadering, 3 Maart 1572 te Bedbur te houden, als 7de punt de vraag gesteld, of het niet goed en raadzaam wezen zou het 4e artikel, dat Marnix in de Synode te Bedbur den 3lt;len en Juli 1571 had voorgesteld, te verbeteren, aangezien daarin sprake was van quot;eygen politicque saeken, die allecnelijck schijnen der wereltlijcken regemente aen te ghaen.quot; Op grond daarvan werd voorgesteld quot;de wederoprichtinge der Nederlandenquot; te veranderen in quot;de wederoprichtinge der Nederlandts-schen Kercken.quot; Zie ook punt 8 in die instructie, welke te vinden is: (W. d. M. V., S. Ill, D. V, p. 44, vgg.)
96
evenwel werd besloten Je beslissing te verdagen tot de generale Synode, die komende was. Wel een bewijs, hoe men vertrouwde, dat de lang gekoesterde wensch eindelijk zon worden vervuld. Wat in de tweede plaats het aldaar verhandelde voor ons doel nog belangrijk doet zijn is, dat hier duidelijk blijkt, hoe de Prins van Oranje krachtig aandrong op liet houden van eene generale S3-node. 1 Zooals wij boven hebben gezien, was hem door eenige uitgeweken Nederlanders het verzoek gedaan in dit opzicht zijne autoriteit mede in de schaal te leggen, juist in den tijd, waarin Maenix op bevel van den Keurvorst Fredbiuk III zich bij den Prins bevond. -Ongetwijfeld zal de aanwezigheid van Ma rn ix op dat oogenblik den broeders ten goede zijn gekomen, daar het voornemen, dat zij koesterden, volkomen overeenstemde met zijne wenschen en hij dus hun verzoek zal hebben ondersteund. In elk geval, de Prins gaf zijne toestemming en — zijn gegeven woord heeft hij gestand gedaan. Toen later het verzoek tot hem kwam, toe te laten, dat maenix mede op de geprojecteerde vergadering te Bedbur verschijnen zou, heeft hij niet alleen daarin bewilligd, maar hem ook enkele punten medegegeven, om die in zijn naam aan de vergaderden voor te leggen. Ja, hij heeft er krachtig op aangedrongen, dat men die vergadering houden zou, en den wensch uitgesproken, dat die bijeenkomst tol stand mocht komen, om quot;met
1
Op dit aandringen van den Prins moet wel gelet worden, aangezien hij later met den afloop der Synode niet geheel tevreden was. Zie
97
Godes Imlpe ontwijfïelick tot eenen goeden saligen eyncle te ghedj-en.quot; 1
Zonder twijfel heeft deze aansporing van de zijde des Prinsen krachtig medegewerkt tot de definitieve beslissing, die te Bedbur gevallen is, en tot het nemen van de maat-regelen, waardoor het besluit tot uitvoering is gekomen. Want al werd deze aansporing niet gegeven met eenig imperatief gezag en al waren de Gereformeerden zelfstandig genoeg, om desnoods tegen het uitdrukkelijk verlangen van den Prins in te gaan, wanneer hunne overtuiging hen daartoe drong—ik denk hier aan het voorstel\' in des Prinsen naam in de Synode te Bedbur gedaan aangaande de aaneensluiting met de Lutherschen, hetwelk op die vergadering werd aangehouden, om te Einden te worden verworpen 2 — wij weten hoeveel het gezag van quot;Wilhelmus van Xassouwe1\' bij de Nederlanders vermocht.
Zooals wij gezien hebben, werden Gerard van Kuilenburg en Jhr. Willem van Zuylen van Nijbvelt te Bedbur als deputaten aangewezen, om in overleg met de broeders te Emden tijd en plaats der generale Synode te bepalen, en werd die taak door deze mannen naar be-hooren vervuld.
1
Zie den brief van Maenix van Juli 1571, uitgave van Dr. VAN Tooeenekbeegen, p. 171, vg.— Insgelijks wordt in den brief van Gerard van Kuilenburg en Jhr. van Nijevelï aan de Hollandscte gemeente te Londen van 24 Juli 1671 berieht, dat JIaenix op de vergadering te Bedbur is verschenen, voorzien van eredent iebrieven, \'\'bij de weleke alle gemeijnten van sijn Excellentie versocht worden volcomelick geloof toe te stellen in al hetghene hij van wegen syne Excellentie soudevoordragen.quot;
2
Immers in Art. 2 der Acta van Emden is wel bepaald, dat men
98
De plaats, waar Geeard van Kuilenburg zijnen mede-afgevaardigde heeft ontmoet, wordt niet genoemd. Waarschijnlijk is hij in gezelschap van Marnix naar Wezel gegaan en hebben zij daar Jhr. van Nuevelt hetzij terstond, hetzij door overreding bereid gevonden de opdracht te aanvaarden. Althans wij zien hem met Gerard te Wezel optreden, om den uitgeweken dienaren des Woords aldaar in kennis te stellen van wat er gaande was.
Het was namelijk het uitdrukkelijk verlangen der broeders, die te Bedbur vergaderd waren geweest, dat de deputaten hunnen weg naar Emden zouden nemen door het land van Cleef, opdat de Nederlandsche gemeenten aldaar verwittigd zouden worden van het genomen besluit en om advies zouden worden gevraagd. Het eerst werd de kerk van Wezel geraadpleegd. Gerard van Kuilenburg en Jhr. van nljevelt droegen haar voor, welk plan ontworpen was en werden daarbij krachtig gesteund door Marnix, die aan de vergaderde broederen quot;het aduijs des voerseiden Proiunciael Sijnodus vertoonde mette ghe-apostilleerde beantwoordinge der bijgeuoechde artyculen,quot; en hun mededeelde, hoe de Prins van Oranje zijne volle sympathie geschonken had aan het beraamde plan. Na aandachtige overwegingen werd door de broeders te Wezel eenparig instemming betuigd in het genomen besluit en door hen als hun gevoelen uitgesproken, dat het noodwendig was eene Synode zoo spoedig mogelijk te doen
aansluiting aan de Gereformeerden in Frankrijk zou zoeken (ook dit was te Bedbur voorgesteld, doeli eveneens aangehouden), maar van eenige verceniging met de Luthersehen is daar evenmin als in eenig ander artikel een spoor te ontdekken.
99
samenkomen. Zij achtten het verder raadzaam, dat van alle de quot;andere Cleefsche ende Eemdelantsche wtgewekene gemeyntenquot; de medewerking zou worden gevraagd, waartoe zij, opdat dit door de twee dcputaten van de Synode te Bedbur met goed gevolg zon kunnen volbracht worden, die beiden autoriseerden. Ds. Gerard en Jhr. van Nijevelt, aldus ook door de Wezelsche broeders gevolmachtigd, raadpleegden vervolgens eerst de andere Cleefsche gemeenten, bij welke zij even veel instemming vonden in het plan als bij de Wezelsche broeders, terwijl ook haar advies eensluidend was.
Voordat zij nu hunne reis vervolgden, keerden beiden eerst nog naar Wezel terug, 1 waar zij verslag deden van het resultaat hunner bemoeiingen en Marnix hun verscheidene brieven medegaf, waaronder een voor de quot;Duytsche ende Francoijsche wtgewekene broederen te Eembden,quot; een andere voor dequot; wtgewekene Nederlantsche Ghemeijnten beijde Duytsche ende Franchoijsche in Engel-lant,quot;welke brieven dienen moesten om het groote belang eener generale Synode aan te wijzen en tot deelneming daaraan op te wekken.
Nadat aldus het begin van hunnen tocht met eene gewenschte uitkomst was bekroond, gingen de deputaten in aller ijl verder, om de quot;Eemdelantsche wtgewekene ge-meijntenquot; te raadplegen en aldus zoo mogelijk het be-
7*
1
Dit blijkt hieruit, rlat Marnix in den brief, dien hij hun mede-geeft voor de gemeente te Emden, mededeeling doet van hun wedervaren bij de Cleefsche gemeenten. Zie Archivum, N0. 108, § 5.
100
oogde doel te bereiken. 1 Behouden kwamen zij te Emden aan en begonnen terstond met de broederen in dat gebied over het ontworpen plan te spreken. Tal van beraadslagingen zijn er gehouden met de quot;wtgewekene Dienaren ende broederen van verscheyde provinciën,quot; en het schijnt wel, dat hier meer bezwaren waren weg te ruimen dan in het land van Cleef. Doch quot;eijntelickquot; hebben de deputaten het zoover gebracht, dat de broeders quot;inde substantie des voorgevens bewillicht ende geconsenteert hebben.quot; Doch hiermede waren zij nog niet, waar zij wezen moesten.
tyiutb* J
1.
Het was reeds iets, dat alleiy eenparig de bijeenroeping eener Synode wenschelijk en noodzakelijk oordeelden, maar waar moest zij gehouden worden en wanneer zou zij plaats hebben ? De omstandigheden waren niet \'gunstig. Het was dus een eerste vereischte eene zoodanige plaats van samenkomst te kiezen, dat de Synode quot;sonder perijkelquot; kon vergaderen. Wenschelijk was het bovendien, dat alles nog vóór den winter zou afloopen, en toch kon de termijn ook weer niet al te kort worden gesteld, aangezien de broeders in Engeland nog moesten worden opgewekt om toch vooral hunne deputaten te zenden. In de derde plaats was eene zoo groot mogelijke geheimhouding van den vastgestelden tijd en de aangewezen plaats noodwendig. quot;De duivel en zijne trawanten slapen nooit,quot; en zoo was het te verwachten, dat hij
1 Als een bewijs van den spoed, dien zij maakten, kan b. v. dienen, dat Marnix geen tijd gelaten werd den brief aan de Gereformeerde gemeenten in Engeland (in de vorige noot genoemd) behoorlijk te 4,superscriberen ende subsigneren.quot; Zie Archivum, N0. 108, § 11.
I»
101
ook hier alle krachten zou inspannen om de voorgenomen vergadering te verijdelen. Plicht was het dus, zooveel mogelijk quot;alle voorvallende peryculen ende ver-raderije te voorcomen ende euiteeren,quot; en uit dat oogpunt was het wenschelijk, dat de beraadslagingen over tijd en plaats slechts door enkelen werden gevoerd en het beslotene alleen aan hen, die het noodzakelijk weten moesten, zou worden bekend gemaakt. Diensvolgens werd eindelijk na velerlei besprekingen door de twee gedeputeerden van de Synode te Bedbur, in overleg met de uitgeweken dienaren en broeders in Emden , bepaald, dat door quot;yeder natie,quot; waarvan vluchtelingen in Emden eene schuilplaats hadden gevonden, éen persoon zou worden benoemd en gevolmachtigd, om met Gebaed van Kuilenburg en Jhr. Willem van Zuylen van Nijevelt tijd en plaats der komende Synode vast te stellen. Deze commissie zou vervolgens van haar besluit kennis geven aan hen, die als deputaten voor de alge-meene vergadering zouden worden aangewezen, evenwel zoo kort mogelijk vóór den dag, waarop de Synode zou beginnen.
Naar hetgeen aldus bepaald was heeft men ook gehandeld. Vier mannen werden gekozen, om met de beide deputaten uit het Giiliksche de definitieve beslissingen te nemen. De broeders van Vlaanderen benoemden Gehard mortaingne; 1 de Fransche gemeente te Emden volmach-tigde haren predikant joannes polyander; - de Bra-bantsche en Zeeuwsche broeders gaven mandaat aan
1
Zie Archivum, p. 52, noot 7.
102
Cornelius Rhetius, 1 terwijl IJsbrand van Harderwijk2geroepen werd de Gereformeerden uit Friesland te vertegenwoordigen. De commissie, die alzoo uit zes leden bestond, kwam nu overeen, dat Emden de plaats zou wezen, waaide Synode zou samenkomen, terwijl de ls\'e October werd aangewezen als de dag, tegen welken de vergadering zou worden uitgeschreven.
Dat op Einden als vergaderplaats de keuze viel, kan ons niet verwonderen, daar deze stad niet te vergeefs den naam droeg van quot;Herberg dér gemeente Gods.quot; 3 In waarheid is het, zooals het heet in de spreuk rondom het schip boven de oosterdeur van de Groote Kerk;
GODTS KERCK VERVOLGT VERDREVEN HEFT GODT HYR TROST GEGEVEN.4
Wat al ballingen en vluchtelingen hebben in Emden de gewenschte schuilplaats en de elders te vergeefs gezuchte rust gevonden. Met de grootste liefde werden zij ontvangen en de meest milde gastvrijheid werd hun betoond. 5
1
Zie a. w., p. 387, noot 19.
2
Zie a. w., p. 387, noot 20.
3
Zoo stond b. v. boven de quot;Bolten poortequot; dit opschrift:
HEER BEWAERE DE HERBARG DINER GEMEENE.
Zie J. T. Harkenroht, Oostfriesche Oorsprongkelykheden D. I,p. 135.
4
Harkenroht, a. w., D. I, p. 136.
5
Zooals wij vroeger reeds opmerkten (zie p. 81) kwamen in het jaar 1567 alleen te Emden 6000 vluchtelingen. Om zich van het aantal der naar Emden gevluchten eenig denkbeeld te vormen vergelijke men nog bij Harkenroht de opsommingen van hen, die naar Emden uitweken. Zoo noemt hij D. I, p. 137. vgg. de namen van 142 per-
103
Hierbij kwam, dat de kerkeraad van Einden in de jaren van vervolging en druk steeds de vraagbaak was geweest voor elke gemeente, die in moeielijkheden verkeerde, en dat aan zijne beslissing groote waarde werd gehecht, zoodat Emden niet alleen als Herberg, maar ook als quot;Moederkerk der Kerke Godsquot; genoemd werd,1 Bovendien was Emden bijzonder gunstig gelegen voor het beoogde doel, omdat niet alleen de Gereformeerden van het vasteland, maar ook die van Engeland gemakkelijk hunne deputaten derwaarts konden zenden. 2 Terwijl eindelijk in de vierde plaats niet mag vergeten worden, hoe de Graven van Oost-Friesland, ofschoon zelve meer tot het Luther-sche neigende, altijd de Gereformeerde religie hadden beschermd. Redenen genoeg, waarom Emden als van zelf de aangewezen plaats was voor eene algemeene Synode.
Ongetwijfeld zou dan ook de vergadering, die drie jaren vroeger te Wezel gehouden was, niet aldaar, maar te Emden zijn samengekomen, indien de tijdsomstandigheden het hadden gedoogd. Maar in 1568 waren er twee redenen, waarom het niet raadzaam was in Emden te vergaderen. De eerste was, dat Alva dreigde Emden en geheel Oost-Friesland quot;met scherpe geeselenquot; te zullen
sonen, die uit Groningen, Appingedam en Ommelanden gevlucht, in 1581 zich nog te Emden en in Valderen ophielden. (Er waren oorspronkelijk twee dorpen quot;Valderen,quot; een G-root-Valderen en een Klein-Val-deren, die later bij de uitbreiding der stad werden quot;geannexeerd.quot; Zie Harkexroht a. w., D. II, p. 721, D. T, p. 107.)
1 Habkeseoht a. w. D. I, p. IDS.
2 In een oud lied wordt Emden genoemd quot;Neêrlands sleutel, Duitsch-lands slot.quot; Zie Mr. G. Gkoes van Pkinsteeer, Vaderlandsche zangen, 2e druk, p. 52.
104
kastijden, omdat Graaf Lodewijk van Nassau na zijne nederlaag bij Jemmingen te Emden eene schuilplaats had gevonden. 1 De tweede is te zoeken in de zware pest, die in dat jaar Einden geteisterd heeft. 2 Doch in het jaar 1Ó71 waren er dergelijke beletselen niet; geen wonder dus, dat Emden toen als vergaderplaats werd gekozen.
Dat de dag der opening op 1 October werd vastgesteld spreekt reeds als van zelf, wanneer wij letten op hetgeen boven is gezegd. Mocht de termijn niet al te lang worden genomen vanwege den winter, en omgekeerd niet al te kort met het oog op de broeders in Engeland, dan bleef er wel niets anders over dan de eerste dagen van October te kiezen. Maar er was nog een reden, waarom die dagen inzonderheid zich leenden voor het houden van de algemeene vergadering. In dien tijd toch viel de jaarmarkt te Emden, en juist die jaarmarkt bood eensdeels aan de broeders, die ter Synode zouden worden afgevaardigd, eene geschikte gelegenheid, om de reis naar Emden te maken, terwijl verder door den grooten toeloop van menschen de aanwezigheid van vreemdelingen niet het minste opzien zou baren en alles dus ongemerkt kon afloopen. 3 Wellicht viel juist op den
1
Zie Meiskhs a. w., D. I, p. 417.
2
3 Deze pest was oorzaak, dat er twee Kraukenbezoekers werden aangesteld. Zie Meikers a. w., D. I, p. 418.
3
Dat er in het begin van October jaarmarkt te Emden was, blijkt uit een brief van Gaspar van der Heydes, dien hij 4 October 1571 uit Emden heeft geschreven aan Arnoldus Crusius. Jan Monde-kens en de andere dienaren quot;der gemeyute Christi te Franckenthal.quot; (üe brief is te vinden bij Dr. M. F. van Lennep, Oaspar van rgt;er
105
ls,en October het begin der jaarmarkt ; althans er werd bepaald , dat op dien dag de algemeene vergadering zou worden geopend \'
Nadat aldus dit deel van de quot;commissie,quot; door de Synode te Bedbur aan hare depntaten gegeven, was uitgevoerd, gingen zij onverwijld voort met het verrichten van de andere hun opgedragen werkzaamheden. De brieven, die de onderscheidene gemeenten in kennis moesten stellen van de gemaakte bepalingen, werden in gereedheid gebracht en verzonden. En met welk een spoed en ijver de twee deputaten hun last hebben volvoerd, kan voldoende hieruit blijken, dat, terwijl de Synode te Bedbur den 4quot;quot;° Juli was gesloten, reeds den 24gt;tequot; Juli de brief aan de gemeenten in Engeland gereed lag. Ongetwijfeld zijn dergelijke brieven ook aan andere gemeenten gezonden — wellicht
106
is er hier of daar nog een enkele verscholen —, maar bekend is tot dusverre alleen de brief aan de gemeenten in Engeland.1
Deze brief ging vergezeld van 5 bijlagen, die achtereenvolgens met de letters A,B, C, D en E waren gekenmerkt , terwijl zij ook in den brief zeiven met die letters worden genoemd. Duidelijk is het, waarom deze teekens op de bijlagen waren geplaatst. Daaronder toch bevond zich het stuk, dat de mededeeling bevatte van de aangegeven plaats en den bepaalden tijd, en aangezien nu die beide slechts op het laatste oogenblik en alleen aan de gedeputeerden mochten worden bekend gemaakt, was het noodig het stuk, dat die beide noemde, goed te sluiten, maar ook het van buiten te teekenen, opdat het terstond herkenbaar zou wezen. -
1
Deze brief is dezelfde, die reeds meermalen geciteerd werd en waarvan in noot 1 op p. 87 gezegd is. dat hij is uitgegeven in het Arehivum, p. 378—387.
107
De bijlage, met Je letter E. geteekend, was de brief, dien MarnIX te Wezel had geschreven aan de gemeenten der Nederlandsche vluchtelingen te Londen, 1 waarvan wij hebben opgemerkt, dat Mahnix hem door het haastig vertrek der twee deputaten vergeten had te quot;superscriberen ende subsigneren.\'quot; - Hij werd medegezonden op verzoek van marnix zeiven, die namelijk den deputaten verzocht had om, zoodra zij in Emden alles zouden hebben geschikt, er voor te zorgen, dat dit zijn schrijven naar Engeland zou worden geëxpedieerd. Dat zij gaarne van dien quot;lastquot; zich kweten spreekt vanzelf, daar die brief eene krachtige aansporing behelst, om toch vooral medeafgevaardigden te zenden. 2
Enkele historische gegevens hebben wij reeds aan dezen brief ontleend; hij verdient ook onze aandacht, voorzooverre hij opwekkingen bevat, om mede te werken aan het tot stand komen van de Synode. De schrijver begint met er op te wijzen, dat het quot;genoech openbaer ende kennelickquot; is.
1
Deze brief is uitgegeven in Arcbivnm, p. 365—3B9, en door Hr. VAN ÏOOREXENBERGEN. MARNIX, D. III. p. 1(19, vgg.
2
Opmerkelijk is bovendien, hoe de deputaten den gemeenten in Londen verzekeren, dat zij er zich veilig op kunnen verlaten, dat de brief van Marnix is, al draagt bij diens ]iandteokening niet. Wel een bewijs, dat M A itx i x boog werd geschat en van zijne aansporing veel werd verwacht.
108
hoe er noodzakelijk in de Kerke Gods moet bestaan eene quot;goede, vaste ende onbewegelicke ouereenkomingequot; tus-schen de leden der gemeenten onderling, niet alleen in de hoofdstukken der quot;reyner leere, maer oock inde wij-sen ceremoniën en de regeringhe der kercken,quot; waarom het onmisbaar is quot;een onderlinghe ghemeynschap emle goet verstant te houden.quot; Dit sprak immers reeds van zelf; het werd ten overvloede nog bevestigd door het voorbeeld der gemeenten in Frankrijk, welk voorbeeld tevens deed zien, dat die eenparigheid en eenstemmigheid, die er zoo noodzakelijk wezen moest, niet komen kon dan door het honden van Synoden. Daarop gaat hij verder met te vermelden, hoe reeds meermalen enkele broeders op het bijeenroepen van zulk eene vergadering hadden aangedrongen en waren blijven aandringen, totdat eindelijk onlangs in eene vergadering der Güliksehe gemeenten besloten was eene Synode te houden. De broeders te Wezel hadden aan dit plan hunne goedkeuring gehecht, en nu was hem verzocht een opwekkend woord te schrijven aan de gemeenten in Engeland, opdat ook zij hunne instemming zouden betuigen en hunne medewerking verleenen. Dit verzoek was juist hem gedaan, omdat hij op de vergadering in het Guliksche uit naam van den Prins van Oranje instemming in het plan had moeten betuigen en dus de aangewezen man was, om ook aan de gemeenten in Engeland quot;getuygeniss te geuen vanden will ende meyninghe des Printzen.quot; Hij meende echter, dat het onnoodig was vele woorden te gebruiken om de broeders in Engeland op te wekken, aangezien quot;de saecke haer seluen ghenoechsaem wtwyst,quot; waarom hij eindigt met uit naam van de broeders, die te Bedbur
109
vergaderd waren geweest, uit naam van de broeders te Heidelberg en Frankenthal en uit zijn eigen naam het dringend verzoek te doen, dat toch de broeders in Engeland deputaten zouden zenden quot;van beyderley spraeken, Duytssche ende Walssche,quot; voorzien van eene absolute volmacht, opdat zij uit naam hunner gemeenten konden spreken en besluiten. Ten slotte geeft hij de verzekering dat quot;sijn Vorstelicke ghenadequot; zich zeer zoude verblijden, indien de Synode waarlijk gehouden mocht worden Gode tot lof en prijs en zijner gemeente tot stichting en opbonwing.
Slaan wij nu na de beschouwing van deze bijlage nog even het oog op den brief van de deputaten zelve. Het eerste gedeelte is een kort verhaal zoowel van datgene, wat geleid had tot de Synode te Bedbur, als van hetgeen op die vergadering is verhandeld en bericht, hoe de beide onderteekenaars waren gedeputeerd om te Emden met de broeders aldaar tijd en plaats der Synode vast te stellen. Het tweede gedeelte geeft dan verslag van de wijze, waarop zij in het land van Cleef waren ontvangen, en van de instemming, die de gemeenten aldaar in het plan hadden betuigd. Vervolgens wordt medegedeeld, wat zij beiden te Emden hebben verricht, welke maatregelen zijn genomen, opdat zij aan hunnen lastbrief mochten voldoen, en hoe zij in overleg met de benoemde commissie tijd en plaats hebben vastgesteld. Van de aangewezen plaats en den bepaalden tijd werd bericht gegeven in den quot;ingeleyden besloten brief met D. geteekent.quot; Zij meenden ten opzichte van de gemeenten in Engeland met het oog op de quot;voorvallende peryculen ende verraderij equot; dezelfde methode te moeten toepassen
110
als met betrekking tot de andere gemeenten. Daarom noemden ze dag en plaats niet openlijk in hunnen brief, maar in eene goed gesloten bijlage. Hun verzoek was nn, dat, zoodra de gemeenten in Engeland — in hoofdzaak ten minste — zonden hebben toegestemd in hetgeen te Bedbur, Wezel en Emden was goedgevonden, die ingesloten brief zon worden ter hand gesteld aan den dienaar (sic) des Woords der Nederduitsohe gemeente te Londen, opdat hij met andere daartoe benoemde dienaren en broeders van den inhoud kennis zou nemen en dien later mededeelen aan hen, die ter algemeene Synode zouden worden gedeputeerd. Vervolgens vragen zij om verschooning, dat de gemeenten in Engeland niet vooraf zijn geraadpleegd. Deze hadden daar ongetwijfeld recht op gehad vanwege hare talrijkheid en haren bloeienden staat, maar aangezien de tijd van voorbereiding zoo kort was geweest, had dit niet kunnen geschieden. Dit gebrek aan tijd was inderdaad de eenige reden, waarom de gemeenten in Engeland als \'t ware voor een voldongen feit werden gesteld. De deputaten vertrouwden, dat de broeders dit niet kwalijk zouden nemen, en spraken den wensch uit, dat ter algemeene Synode ook deputaten van Engeland zouden verschijnen, niet alleen van Londen, maar ook van de andere gemeenten , waarom den Londenschen broeders verzocht werd, den brief te doen kopiëeren en die kopieën rond te zenden met een opwekkend woord tot deelneming aan de algemeene Synode. Voorts wordt er op aangedrongen, dat de broeders den aan hen gerichten nevens-gaanden brief van den Heer van St. Aldegonde nietongelezen zullen laten, terwijl de deputaten hun quot;exouysquot; maken, dat die brief ongeteekend is. Zij hadden dit eerst in Emden
Ill
bemerkt: cle gelegenheid had hun derhalve ontbroken die fout te doen herstellen, en daarom voegden zij den brief, dien Mabnix geschreven had aan de gemeente te Emden en die wel geteekend was, als bijlage aan hun schrijven toe, 1 opdat uit de vergelijking van beide de identiteit van den schrijver blijken mocht en aldus quot;alle scrupulus ende uadenckenquot; verdwijnen, of die ongeteekende brief wel echt was. Eene opwekking volgt eindelijk om, indien het den broeders te Londen goeddunkt, terstond alle quot;opene brieven ende stuckenquot; te doen kopieeren ter toezending aan de andere gemeenten, opdat deze zoo spoedig mogelijk zouden kunnen besluiten wat te doen, en met de Londensche broeders eenige mannen quot;vol des Heiligen Geestesquot; verkiezen tot afgevaardigden ter algemeene Synode. Zoodoende zou de Londensche gemeente handelen in overeenstemming met het verlangen van de Synode van Bedbur en zich begeven tot een werk, dat Gode welgevallig was en den Prins van Oranje tot groote blijdschap strekte. Met eene heilbede eindigt de brief, die door de deputaten met quot;gewoonlike handt ende subsignatiequot; was onderteekend.
Op dezen brief volgt bij wijze van aanhangsel eene verklaring van de vier leden van de commissie van voorbereiding — die door de broeders van quot;elcke natie te Eembden woonachtichquot; waren gecommitteerd om met Gerard van Kuilenburg en Jhr. Willem van Zuy-len van Nuevelt over den tijd en de plaats eene beslissing te nemen — dat de dag en plaats in het stuk.
1
Deze brief is de bijlage gemerkt met eene C.
112
met D. geteekend, genoemd, waarlijk de bestemde dag en de aangewezen plaats zijn.
Dat deze brief met de bijlagen in Londen aangekomen is en aan het verzoek der beide deputaten door de broeders aldaar is voldaan, blijkt duidelijk uit een brief, door MICHAEL EphippiüS, 1 predikant te Ipswich, den 21quot;equot; September 1571 gezonden aan het consistorie van de Hollandsche Gemeente te Londen. 2 Deze toch schrijft, dat zij de brieven van de broeders te Heidelberg en te Emden alsmede den brief, door de broeders te Londen den IS\'1611 September 1571 aan de gemeente van Colchester geschreven, hebben gelezen en daaruit hebben vernomen, hoe sommige quot;vredebegherendequot; broeders het plan hadden opgevat eene algemeene Synode van alle Nederlandsche quot;uitgedrevenquot; gemeenten te houden. De Londensche kerkeraad had in zijn schrijven gevraagd, of de gemeenten te Colchester, te Ipswich en elders haar advies in dezen wilden mededeelen en berichten, of het plan hare goedkeuring mocht wegdragen. In antwoord daarop deelt Ds. PAXNEEL uit naam van die van Ipswich mede, dat zij een advies niet zouden geven, omdat het eigenlijk onnoodig was, dat zij in dezen hun gevoelen te kennen gaven. Bovendien zou het hun zeer moeielijk vallen, daar zij niet in de gelegenheid waren, op het verzoek der Londensche gemeente af-
1
Zie over Michael EphippiüS (Miohiel Panheel) Archivum , p. 388, noot 1.
2
Deze brief is uitgegeven in het Archivum n0. 109, p. 388—390.
113
iloentle te antwoorden. Een tweetal redenen werkte daartoe samen. Ten eerste was de gemeente uitwendig in slechte conditie 1 en ten andere bestond zij uit hoogstens 10 a 12 huisgezinnen, van welke eerder eene vermindering dan eene vermeerdering te verwachten was. Zij meenden dus zich te moeten quot;submitteren inde Christ-licke discretie anderer meerder ghemeenten.quot;
Vragen wij hoe de andere Engelsche gemeenten over dit alles oordeelden , een brief, die ais antwoord op het schrijven der twee deputaten heeft gediend, is tot dusverre niet bekend. Uit een officieel stuk kunnen wij dat oordeel dus niet afleiden, maar er zijn andere gegevens, die ons in staat stellen op te maken, wat hun opinie moet zijn geweest. Uit een brief van MODED , den 14llequot; October 1571 uit Emden geschreven aan de Nederlandsche gemeenten in Engeland, blijkt dat in dat land verscheidene dienaren des Woords verlangden naar eene algemeene Synode.2 Ongetwijfeld heeft het plan dus in Engeland sympat hie gevonden, maar, al was die nog zoo groot, toch was het den broeders aldaar ditmaal bepaald onmogelijk daarvan te doen blijken. De herinnering aan enkele data maakt dit duidelijk. Den ISquot;1quot; September 1571 schreef het consistorie te Londen aan de andere gemeenten in Engeland om advies, waarop de gemeente te Ipswich den 21s\'el1 Sep-
1
■■-De stant was onseker. alleene stuenende op eene verbale ende tytlicke permissie vauden MagistralArchivum, p. 389.
2
Moded schrijft namelijk, dat quot;diuersehe vrome Ministers in Enge-landt voor lange, eenen eyuer ende begherte, namliek tot een ghemeue Synodale versamelinge. getont hebben.quot; — Zie den brief zeiven af-gedrukt in Biilage B.
114
tember 1571 geantwoord heeft. Op zijn vroegst waren derhalve einde September de antwoorden der gemeenten te Londen ingekomen. En gesteld nu, alle die antwoorden luidden gunstig en alle gemeenten drongen aan op het zenden van deputaten, dan was toch October reeds in liet land, voordat alle schikkingen waren getroffen. Onmogelijk kon dus vóór 1 October een antwoord uit Londen zijn verzonden en ook van het zenden van deputaten kon dus geen sprake zijn geweest. 1
Ook in Nederland zouden de gemeenten worden geraadpleegd en aangespoord om voor zoover het met de droeve omstandigheden, waarin het land verkeerde, bestaanbaar was. mede te werken tot het doen welslagen van het ontworpen plan. Het schijnt intusschen, dat de gemeenten hier te lande over het algemeen ten opzichte van die geprojecteerde vergadering niet zoo gunstig gezind waren als die dienaar des Woords uit Brussel en die
1
14 October lö71 was er nog ^reeu antwoord van uit Engeland te Emden gekomen. Dit blijkt uit den brief van müded boven genoemd. Daar tocb wordt gezegd, dat men bang was, dat de brieven Engeland wellicht niet hadden bereikt (n. 1. het schrijven van de deputaten met ilc bijlagen). liet is mogelijk, dat bovendien toen reeds die bezwaren gevoeld werden, die later duidelijk werden uitgesproken, toen krachtens besluit der Einder Synode de gemeenten in Engeland werden opgewekt tot deelneming aan eenc geprojecteerde tweede Synode. Onjuist is het dus, wanneer Dr. Rutgers, Do Geldigheid der Oude Kerkordening, p. 15. onder de gemeenten. die in het houden van eene Synode hadden bewilligd en zich tot de vereischte medewerking bereid hadden verklaard, ook die in Engeland telt.
115
ouderling uit Antwerpen, die in de Synode van Bedbur
van ii en 4 Juli 1571 tegenwoordig waren geweest. Met
algemeene stemmen was daar goedgevonden eeno Synode
te houden, zoodat dus ook deze beide mannen hunne
goedkeuring hebben te kennen gegeven. Maar indien nu
door de aldaar vergaderden die betuiging van adhaesie is
beschouwd als een gelukkig voorteeken van de hartelijke
ontvangst, die aan hun voornemen in deze landen zou te
beurt vallen. dan hebben zij later moeten ondervinden,
dat zij zich hadden vergist. Want niet alleen viel het
plan hier niet in goede aarde, maar zelfs vond het tegen-
kanting en tegenwerking. Ja, de Hollanders/stelden _f
pogingen in het werk om het geheel en al te verijdelen. \'t.
Welke hiervan de redenen waren, is niet met zekerheid .
uit te maken, daar hun antwoord op den brief, die hen van het plan in kennis moest stellen en tot deelneming aansporen, tot dusverre niet bekend is. 1 Intusschen schijnt het , dat de opgegeven redenen meer gezocht dan gegrond waren. Althans de broeders te Keulen achtten ze van weinig gewicht. -
Deze onverhoopte tegenspoed veroorzaakte bij de Gereformeerden in Duitschland hevige smart en bracht hen ongetwijfeld in verlegenheid. Zij bleven echter niet bij de pakken zitten, maar spanden alle krachten in, om zoo mogelijk het gevaar, waardoor hun voornemen
8*
1
Dat zij geantwoord hebben is zeker. Dit blijkt b. v. daaruit, dat eene kopie van hun antwoord is gezonden aan den Prins van Oranje. Cf. den brief, die 22 Aug. 1571 uit Keulen aan den Prins is geschreven, in W. d. M. V., S. III. D. V, p. 3—«.
• Ibidem p. 4.
116
bedreigd werd, af te wenden. Den IS\'quot;quot; Augustus 1571 werd er namens de Walsche en Vlaamsche (Neder-duitsche) gemeenten te Keulen een brief gezonden aan Petrus Dathenus, Petrus van Cuelen en Jean Taffin, te dien tijde predikanten te Heidelberg, om hun mede te deelen, hoe quot;de satan het houden van eene Synode trachtte te verijdelen, en zich bij die pogingen van de Hollandsche broeders als van zijne werktuigen wilde bedienen.quot; Verder werd gemeld, hoe besloten was, den Prins van Oranje van deze droevige zaak in kennis te stellen en daarbij zijne Excellentie te verzoeken, eener-zijds den Heer van St. Aldegonde, met zijne autoriteit bekleed, ter vergadering te zenden, opdat de Synode, door Zijne Excellentie geautoriseerd, meer nut en voordeel afwierpe, en andererzijds de Hollanders nadrukkelijk te bevelen zich op de algemeene Synode door afgevaardigden te doen vertegenwoordigen. Voorts werden de drie genoemde predikanten aangespoord eveneens over deze quot;droeve zaakquot; aan den Prins te schrijven en daarbij het verzoek, dat uit Keulen aan Zijne Excellentie zou worden gericht , krachtig te ondersteunen. Die aansporing werd tot hen gericht, omdat de Keulsche broeders overtuigd waren, dat DathenuS, van Cuelen en \'1affin evenzeer als zij zelve verlangden naar eene algemeene Synode op grond van het nut, dat daaruit voor de Kerk des Heeren zou voortspruiten, en even bedroefd zouden zijn over den tegenstand, van de zijde der Hollanders ondervonden. 1
1
Deze brief is te vinden W. d. M. V., S. Ill, IJ. V, p. 6 eu 7. — Hij is onderteekend door Feaxcoysle CLKKC.door X iCOI.as Moryan, quot;ancien
117
Werd in dezen brief gesproken van een besluit om aan den Prins van Oranje te schrijven, vier dagen latei-werd inderdaad aan dit besluit uitvoering gegeven. Den 22quot;e|i Augustus 1571 werd een schrijven aan hem gericht. 1 Hierin werd allereerst gewezen op de groote genade, door God betoond quot;in het beweghen der herttenquot; van vele dienaren quot;in sulcker voeghen als dat sy hun seer korts by een sullen versaemeien in een generael Synodum,quot; waarvan dag en plaats den Prins door den Heer van St. Aldegonde wel zou zijn medegedeeld. Zulk eene Synode toch was van het allergrootste gewicht, daar zij direct der Kerk van CHRISTUS ten goede moest komen en indirect zoude opleveren eene quot;goede gheregheltheyt ende voorderinge tot alle goet in politicque saeken.quot; Aangezien echter de quot;Hollandsche natiequot; weigerde tot die Synode mede te werken en daarbij tot excuus weinig gewichtige redenen aanvoerde, werd den Prins verzocht in dezen zijne autoriteit te gebruiken. De Keulsche broeders herinnerden Z. E. hoe — om hunne eigene woorden te bezigen — quot;sijne V. G. - veel bij de selve natie (desghelijcx oock bij allen anderen onse natiën etc.) ver-mach, niet alleen midts 2 de goede gheneghentheyt die sy van naturen tot sijne V. G. draeghen, maer oock van weghen der authoriteyt die sijne V. G. over ons heeft,
1
Dit is de brief p. 115, noot 1 genoemd. De onderteekenaars zijn
2
Sijne V. G. = Zijne Vorstelijke Genade.
3 Midts — wegens, op grond van.
118
als onser aller Beschermheer zijnde,quot; waarom hun ootmoedig verzoek dan ook was, dat het quot;hem ghelieven wille aende voors. Hollandtsche natie niet alleenlijcken te begheeren, maer oock te ghebieden hun, oft hunne ghe-deputeerde, opt selve Synodum te laeten vinden.quot; 1
Wat nu de vrucht dezer bemoeiingen is geweest, is slechts uit de gevolgen op temaken. Of de predikanten te Heidelberg aan de aansporing gehoor hebben gegeven, weten wij niet. Een brief, waaruit blijkt, dat de Prins aan het tot hem gerichte verzoek heeft voldaan, is tot dusverre evenmin bekend. Maar aangezien verscheidene predikanten van de gemeenten onder het kruis, die op de Erader Synode tegenwoordig waren, uit Holland zelf ter Synode zijn opgekomen, kunnen wij veilig aannemen dat de door de Keulsche broeders genomen moeite niet ijdel is geweest.
Gaan wij nu van ons vaderland oostwaarts, dan vinden wij opnieuw bevestigd, wat in liet begin van dit hoofdstuk is gezegd, dat wij bij het beschouwen van tie voorbereidende maatregelen het meest het oog hebben te richten op de Gereformeerden, die in Duitschland eene wijkplaats hadden gezocht en gevonden.
Hoe zij het waren, die tien moed hadden om tot het houden van eene Synode te besluiten, hebben wij reeds opgemerkt: wij zagen hen evenzeer werkzaam bij hunne pogingen om allerwege bij de Gereformeerden instemming
1
Op den verderen inhoud zullen wij straks de aandacht vestigen, zie pag. 123 vgg.
119
in hun besluit uit te lokken en hen tot deelneming op te wekken, terwijl ons voorts gebleken is, hoe ook zij wederom alles in het werk stelden om de gerezen bezwaren uit den weg te ruimen. Thans hebben wij nog na te gaan, op hoe krachtige wijze zij in eigen kring werkzaam waren. In het bijzonder hebben wij hierbij het oog te vestigen op de gemeente der Nederlandsche vluchtelingen te Keulen.
Zooals wij gezien hebben was die gemeente op de Provinciale Synode te Bedbur van .\'i en 4 Juli 157] vertegenwoordigd geweest door quot;Sybbrtus i.ohx ende Evbraebdt van Heyst,quot; die een afschrift van de Acta mede huiswaarts hebben gebracht , dat w aarschijnlijk later van kantteekeningen is voorzien. 1 Beide afgevaardigden hadden mede toegestemd in de beslissing, die aangaande het houden van eene Synode genomen was en in overeenstemming daarmede werd li! Augustus li)71 door het consistorie van de Nederlandsche gemeente te Keulen met algemeene stemmen besloten, quot;dat men dat Generaal Synodum sal besuchenn. \'2 Van dat oogenblik af
1
Het afschrift is datgene, waarop meermalen lt;le aandacht is gevestigd en dat afgedrukt is in de W. d. M. V.. S. ii. D. ii. p. 3—7.
2
Het zou verwondering kunnen wekken, dat dit besluit eerst 13 Augustus genomen is. terwijl de Bedbursche Synode 3 en I Juli reeds was gehouden. Men houde echter in het oog. «lat de vluchtelingen te Keulen eerst bij accoord van 5 en 12 Augustus 1071 een eigen consistorie hebben gekregen. Vroeger waren de uitgeweken Nederlanders altijd gerekend geweest bij de Gemeente, die vóór hunne komst reeds te Keulen bestond, maar die samenvoeging gaf aanleiding tot allerlei moeilijkheden. En zoo kwam het, dat na veelvuldige beraadslagingen eindelijk een accoord getroffen werd. waarbij quot;men op beyder sijden alle saeken sonde moghen wtrechten tot Godes eere ende der opbouwinge sijnder
120
was de algemeene Synode meermalen in de vergaderingen van het consistorie een onderwerp van bespreking. \' Eene week later b. v., tien 20\'quot;quot; Augustus, kwamen de broeders weder bijeen en de generale Synode ontbrak op de agenda niet.
Maar, voordat wij op die vergadering het oog vestigen, hebben wij nog op twee dingen te letten. In de eerste plaats nierken wij op, dat zeer waarschijnlijk in de vergadering van 13 Augustus is uitgesproken, dat het wenschelijk zou wezen een predikant naar de algemeene Synode af te vaardigen. Daartoe besluiten kon men echter niet, omdat de gemeente der quot;Nederlanderenquot; en de gemeente der quot;Inghesetenequot; samen dezelfde dienaren des Woords hadden. 1 Derhalve werd aan de beide predikanten , die ter vergadering tegenwoordig waren 2verzocht het verlangen der quot;Nederlanderenquot; aan de quot;Inghesetenequot; bekend te maken, met de bede, dat dezen er in zouden toestemmen een van de dienaren des Woords ter algemeene Synode af te vaardigen. 3
Zien wij hier de Nederlanders te Keulen werkzaam met betrekking tot de afvaardiging van leden uit de stad
1
5 Zie art. 1 van het In de voorlaatste noot genoemde accoord.
2
Volgens art. 6 van het accoord moest minstens éen dienaar des Woords in de vergadering van het Nederlandsehe consistorie aanwezig zijn. De twee predikanten waren Henbicus Vellem en Sibertus LOHN.
1 Wel wordt in de acta van de vergadering van 13 Augustus niets van dit alles genoemd, maar dat het verloop aldus geweest moet zijn,
3
De Acta van den Kerkeraad der Nederlandsehe Gemeente te Keulen zijn uitgegeven W. d. M. V., S. I. D. III.
121
hunner inwoning, ook tot uitgebreider kring strekte hunne zorg zich in dezen uit. Eene herinnering aan den brief, dien wij boven hebben genoemd, is, voldoende om dit te staven. 1 In dien brief immers, den 18dequot; Augustus 1571 in vereeniging niet de Walsche broeders te Keulen opgesteld, richtten zij tot de predikanten te Heidelberg het verzoek, hen te willen steunen in de pogingen, die zij zouden aanwenden om den Prins te bewegen van zijne autoriteit gebruik te maken, opdat de Nederlanders niet langer het houden van eene Synode zouden tegenwerken. Dit is het tweede punt, waarop wij wilden wijzen. Beide die punten zijn der vermelding waard, omdat zij doen zien met welk een ijver de Nederlanders te Keulen werkzaam waren in het belang der te houden Synode.
Keeren wij nu tot de vergadering van 20 Augustus terug. Raadplegen wij de Acta, dan zien wij, dat bij de opening der vergadering wellicht het plan had bestaan, over te gaan tot het kiezen van afgevaardigden, maar dat die verkiezing door omstandigheden
bliikt uit eene nauwkeurige beschouwing van de acta van de vergaderingen van 13, 20 en 22 Augustus. 13 Aug. wordt besloten, dat men de Synode zal bezoeken, 20 Aug. wordt de verkiezing vau afgevaardigden verdaagd tot 22 Aug. en op dien dag beeft de verkiezing ook plaats, docb voorloopig; eerst zullen de Nederlanders ntiy eenmaal het verzoek richten tot de Keulschen, om een der predikanten ter Synode te laten gaan. Uit dit quot;nog eenmaalquot; blijkt zoowel, dat het verzoek reeds eens gedaan was, als dat daarop afwijzend was beschikt. Nu zou dat verzoek ook in de vergadering vau 20 Aug. kunnen zijn opgesteld, maar rationeeler is het te denken aan de biieenkomst van 13 Aug.
1 Zie p. 115, vg.
verdaagd is. De reden is wel deze geweest, dat de predikanten, die beiden weder tegenwoordig waren, geen afdoend antwoord uit naam der Keulschen konden geven op liet verzoek der Nederlanders, hun in de vorige vergadering gedaan. Althans besloten werd twee dagen latei-op nieuw bijeen te komen en dan over de afvaardiging te beraadslagen.
Op den bepaalden tijd werd die vergadering gehouden. Een der predikanten, Sibertus Lohx, was aanwezigen deze deelde mede, dat de Keulschen bezwaar hadden om in het verzoek der Nederlanders te bewilligen. Dit antwoord verwekte natuurlijk groote teleurstelling, maar de Nederlanders gaven den moed niet op. Zij besloten aan te houden en nogmaals den Keulschen te verzoeken er in toe te stemmen, dat een der dienaren des Woords ter algemeene Synode werd afgevaardigd. Die vergadering had de liefde van hun hart en zoo ontzagen zij geene moeite om alles te doen wat in hun vermogen was, ten einde het welslagen der Synode te verzekeren. Of zij nu nog eenige hoop voedden, (-lat hun verzoek, als het voor de tweede maal zou worden gedaan, een gunstiger onthaal zou vinden, weten wij niet. Zeker is het, dat zij het mogelijk achtten, dat het antwoord ten tweeden male ontkennend zou zijn. Duidelijk blijkt dit bij de benoeming van afgevaardigden. Als deputaat werd benoemd Jan db Roye, 1 terwijl bepaald werd, dat, voor het geval de Keulschen ten tweeden male mochten weigeren hunne toestemming
1
.Jan de Roye, meer bekend als Johannes Regius, was ouderling der Nederlandsche gemeente.
123
te geven, Adhiaan van coninxloo 1 en Jan de Roye namens het Consistorie aan M. petrus Hazaarï zouden opdragen als deputaat ter Synode te gaan. 2
In de verdere acta dezer vergadering vinden wij een nieuw bewijs voor hetgeen wij zooeven opmerkten, dat de Nederlanders te Keulen hunne zorgen tot het bereiken van het groote doel verder uitstrekten dan tot de stad hunner inwoning. Besloten werd, dat Adriaan van Coninxloo en Jan DroOGBROOD 3 uit naam der Nederlanders een brief zouden schrijven aan den Keurvorst van de Paltz, om zijne Keurvorstelijke Genade te verzoeken aan DathENUS, (\'oloxius en TaffiNUS verlof te geven, naar de generale Synode te reizen.
In de geschiedenis der Emder Synode is die 225,e Augustus ongetwijfeld een merkwaardige dag, want op dien datum werd ook de brief naar den Prins van Oranje geschreven, waarop wij in een ander verband reeds de aandacht hebben gevestigd. 4 Het daar besproken deel van den inhoud gaan wij thans voorbij, om het oog te slaan op wat die brief verder bevat, namelijk op tie ootmoedige, maar dringende bede, dat het den Prins mocht behagen den Heer van St. Aldegonde naar de generale Synode te zenden.
1
Adriaan van Coninxloo was ouderling der Nederlandsche gemeente.
2
Deze voorzorg bleek later overbodig te zijn geweest, daar, zooals wij aanstonds zullen zien, de Keulsclien hunne toestemming hebben gegeven.
3
Jan Droogbrood was een der diakenen.
4
Zie p. 117.
124
Wel wisten zij, dat de Prins zijn raadsman moeielijk kon missen; dat hij diens hulp bij zijne plannen tot redding van het vaderland noodig had, maar toch vertrouwden zij, dat de quot;ghewichticheytquot; eener generale Synode den Prins gunstig voor hun verzoek zou stemmen. Dit te eerder, daar de Prins eenigen tijd geleden immers ook had toegestaan, dat marnix tegenwoordig zou zijn op de Provinciale Synode te Bedbur. Met vrijmoedigheid richtten zij derhalve hunne bede tot den Prins, wetende, dat het welzijn van de Kerk Z. E. zeer ter harte ging, en overtuigd zijnde, dat het welzijn der Kerk door de inwilliging van hun verzoek zou bevorderd worden. Of was het niet in de provinciale Synode, onlangs gehouden, overtuigend gebleken, dat de tegenwoordigheid van den Heer van St. Aldegonde van het grootste gewicht was? Niet slechts was hij iemand, die van God groote gaven had ontvangen, waardoor hij in het bizonder geschikt was, om mede te arbeiden aan het vervallen huis des Heeren, maar ook wanneer hij kwam, was het als gezant van den Prins, met diens autoriteit bekleed.
Ka dezen dag vol drukke werkzaamheden in het belang der Synode, moeten wrij enkele dagen stilzwijgend voorbijgaan, om dan weer het oog te vestigen op de consistorievergadering van 27 Augustus.
Oppervlakkig beschouwd schijnt die bijeenkomst niet bizonder belangrijk te zijn geweest met het oog op de toekomstige Synode, maar in waarheid is ook zij een duidelijk bewijs, dat de broeders te Keulen de zaak niet uit het oog verloren. Immers toen besloten werd, dat johannes Hegius quot;sal besuchenn das Provinciael Synodum jnt landt van Gulich, mit dem dienaer die gesondenn sal werdenn van
125
der gemej\'nte van Cuelen,quot; was dit zoo al niet direct, dan toch indirect van groot belang voor de Einder Synode te achten, aangezien de vergadering, waarop in het besluit gedoeld werd, onder de punten harer agenda de generale „t\'samencoomstequot; telde. 1 Het tweede besluit in die bijeenkomst genomen, dat op de zaak der Synode betrekking had en blijk gaf van de sympathie der Nederlandsche broeders te Keulen, was de bepaling, dat men achter in het notulenboek bij de kopieën der brieven zon quot;te boeckstellen die credentie brieven met oock die instructlenn ende punctenn welcke die gedeputeerde die reysenn sullenn op het provinciael und generael Sinodum met sullenn dragenn um vuer te geven.quot; Dit besluit toch doet met klaarheid zien, hoe de Nederlandsche broeders te Keulen niet alleen ijverden voor het tot stand komen van eene generale Synode, maar evenzeer voor haar welslagen. De quot;instructienn ende punctenn,quot; den gedeputeerden mede te geven, zijn immers een bewijs, hoezeer zij verlangden het oordeel te vernemen der gansche Kerk over moeielijkheden, die gerezen waren, of wellicht rijzen konden, en hoe eenstemmigheid in punten, waarover verschil bestond, ernstig door hen werd begeerd. 2
Of die quot;instructienn ende punctennquot; voor de gedeputeerden naar de provinciale Synode en die voor de
1
Zie over die provinciale Synode p. 127, vgg.
2
De quot;instrnctienn ende punctennquot; voor de provinciale Synode, waarover gesproken is, en die voor de Emder Synode zijn nog bekend. Zij getuigen levendig van de liefde die de Keulsche broeders koesterden voor de Kerk van Christus. Zie p. 127 en 129.
126
afgevaardigden naar de generale Synode toen reeds waren opgesteld, blijkt niet. Dit doet ook minder ter zake; hoofdzaak is en blijft de groote belangstelling, die de Nederlanclsche broeders te Keulen in de toekomstige Synode hebben getoond.
Den 31stequot; Augustus zien wij hnn consistorie wederom samenkomen en ook ditmaal is de te houden algemeene vergadering een onderwerp van bespreking. Uit het besluit, dat toen genomen is, blijkt in de eerste plaats, dat de Keulsche gemeente eindelijk gezwicht heeft voor den aandrang harer Nederlandsche zuster en heeft toegestemd, dat een van de dienaren de generale Synode zou bezoeken. De tweede aansporing was dus niet ijdel geweest en had tot gevolg gehad, dat slbertus Lohx als deputaat was aangewezen. Het besluit zelf hield in dat 28 daalders beschikbaar werden gesteld en aan Johannes Regius overhandigd, opdat deze met dat geld de reiskosten mocht bestrijden, die hij hebben zou , wanneer hij naar de Provinciale Synode te Aken zou gaan en wanneer hij in gezelschap van slbertus Lohn de generale Synode zou bezoeken. 1
Of nu in de maand September de belangen dier generale bijeenkomst nog verder in consistorie-vergaderingen behandeld zijn, weten wij niet, aangezien het ons onbekend is, of er in die maand al dan niet bijeen-
1
Het geld zou tijdelijk door Adeiaan van Cosinxloo worden voorgeschoten (verlacht), aan wien het zou worden teruggegeven, zoodra het door de gemeente was bijeengebracht, terwijl Jas de Boye bij zijn terugkeer rekening en verantwoording zou moeten doen. Dit is later ook inderdaad geschied in de kerkeraadsvergadering van 0 Dec. 1571.
127
komsten van den kerkeraad zijn gehouden. 1 Intusschen is het zeker, dat in September eene meer uitgebreide vergadering is samengekomen, waar der Synode nogmaals werd gedacht.
De gemeenten in liet land van Cleef en het Sticht van Keulen en Aken, hebben den O\'1\'quot; dier maand eene provinciale Synode gehouden. De punten, die de Gereformeerden te Keulen hunnen deputaten derwaarts ter overweging hebben medegegeven, zijn bewaard gebleven. Eenerzijds leveren zij het bewijs, dat de Gereformeerden te Keulen er naar verlangden, dat de provinciale Synoden op vaster leest zouden worden geschoeid dan tot nu toe het geval was, 2 en andererzijds doen zij zien, dat de oorspronkelijke Keulsche gemeente thans evenzeer als de Nederlanders te Keulen doordrongen was van het nut en de noodzakelijkheid eener generale Synode. 3
Beschouwen wij de quot;punten ter overweging gegeven,quot; dan zien wij in het 1quot;\' artikel eene opdracht aan de deputaten, om bij de Synode er op aan te dringen, dat men de broeders, ter vergadering aanwezig, quot;kerckelijcken vermanenquot; zou om toch vooral op de generale Synode, den lstequot; October te Emden te houden, D. V. te verschijnen. In het 2e artikel wordt voorgesteld, in de provinciale Synode eene lijst op te maken, waarin vermeld zouden worden 1° de namen van die predikanten, van wie men
1
Zie W. d. M. V., S. ï. D. ill. p. 9, waar op de acta van 31 Augustus
2
die van 8 October volgen.
3
De artikelen, waarin dit voorkomt, lateu wij voor het oogenblik buiten bespreking.
3 Deze instructiën zijn te vinden W. d. M. V.. S. Ill, D. V. p. S. vg.
128
wist, dat zij thans óf zonder plaats waren óf eenige andere betrekking hadden aanvaard, 2° de namen van hen, die quot;sonderlingequot; geschikt zouden zijn voor het bedienen van het predikambt, en die nu quot;aireede eenen inghanck haddenquot; 1 en i50 de namen van de quot;studenten ofte scholierenquot;, aangaande wie goede hope mocht worden gevoed, dat zij eenmaal als herders en leeraars de gemeente van Christus zouden kunnen dienen. Die lijst zou dan op de Emder Synode moeten worden overgelegd.
Dat de belangstelling in de te houden Synode, waarvan deze artikelen getuigenis geven, thans inderdaad ook bij de eigenlijke Keulsche gemeente aanwezig was, blijkt uit het volgende.
Zooals wij gezien hebben, hadden de Nederlandsche broeders te Keulen voor de provinciale Synode te Aken alleen Jo ha XX Es KegiüS gedeputeerd. In het opschrift nu boven de ter overweging gegeven punten vinden wij behalve dezen ook Hbxricus Vbllem als deputaat genoemd. Derhalve is het duidelijk, dat laatstgenoemde de afgevaardigde der eigenlijke Keulsche gemeente moet zijn geweest. Dit wordt nog duidelijker als wij er op letten, dat HenricüS Vellem voor rekening dier gemeente ter vergadering is gegaan. Boven - toch hebben wij gezien, hoe johannes Regius 28 daalders ontving voor de kosten van zijne reis naar Aken en voor de on-
1
Wij hebben hier te denken aan de latere quot;lieden met singuliere gaven.quot; Zie b. v. art. 8 van de Dordtsehe Kerkorde. Cf. Hooijera.w., p. 450.
s Zie p. 120.
129
kosten die gemaakt zouden worden, wanneer hij met slbbrtus Lohn naar Einden zou gaan. Hieruit volgt, dat de Nederlanders te Keulen met betrekking tot de Synode te Aken alleen de kosten droegen voor de deputatie van hun ouderling, zoodat HbnricüS Vellem niet alleen door de eigenlijke Keulsche gemeente afgevaardigd is, maar ook voor hare rekening.
Intusschen zijn deze instruetiën nog om eene andere reden belangrijk. Zij leeren ons namelijk, dat de dag der opening van de Einder Synode door de deputaten van de Bedbursche Synode was vastgesteld op 1 October 1571. Daar echter reeds vroeger hierop gewezen werd 1kunnen wij het thans niet stilzwijgen voorbijgaan.
In de genoemde vergadering, te Aken gehouden, zijn de laatste voorbereidende maatregelen in het land van Gülik c. a. genomen. Zoo zijn wij dus genaderd tot de S\\-node zelve, maar alvorens tot de beschouwing daarvan over te gaan hebben wij nog hierop te letten, dat de Gereformeerden te Keulen aan hunne deputaten een intructiebrief naar Einden hebben medegegeven. -
In dien brief komen allerlei onderwerpen ter sprake, die onder twee hoofden zijn gebracht. Eerst worden genoemd de quot;generale puncten,quot; waarop de quot;particulier punctenquot; volgen. De generale punten hebben betrekking op de Kerk in het algemeen, terwijl de particuliere meelde leden der Kerk in het bizonder betreffen. De brief telt vier en twintig artikelen, die bij eene nauwkeurige
1
Zie p. 102.
130
beschouwing ons van den brief doen getuigen, dat hij als een voorbeeld van eenen instructiebrief mag gelden.
Dergelijke instructiebrie ven zijn ook door andere gemeenten opgesteld. Dit is af te leiden uit de Acta der Emder Synode zelve, waar menig artikel een antwoord is op de vraag van deze of gene gemeente. 1 Genoemd worden b. v. behalve de Keulsche broeders, de gemeenten te Aken, Antwerpen, Emden en Gent, terwijl ook nog gesproken wordt van quot;sommige gemeenten.quot; - Duidelijk blijkt het dus, dat ook elders eene dergelijke belangstelling in de Synode bestond, als wij te Keulen opmerkten. Te betreuren is het echter dat tot nu toe de instructiën van die gemeenten niet bekend zijn Maar al ligt hier nog veel in het duister, zeker is het, dat op meer dan éene plaats die maatregelen genomen werden, die onder den zegen des Heeren het welslagen der ontworpen Synode moesten verzekeren.2 De pogingen der Gülik-sche broeders zijn in ieder geval, al is het ook niet met dien uitslag, dien zij ongetwijfeld hadden ge-
1
Zie de Quaestiones Parriculares.
2
Tot die maatregelen behoorden natuurlijk samenkomsten der consistories; wellicht ook hier en daar — ten minste waar her mogelijk was — evenals in het land van Gülik, meerdere vergaderingen. De instructiebrieven immers doen besluiten tot vergaderingen, waarin zij werden opgesteld. En het is ongetwijfeld alleen aan de droeve tijdsomstandigheden te wijten, dat van die vergaderingen niet meer dan de bloote herinnering bewaard bleef.
131
wenscht, 1 dan toch met dit gevolg bekroond geworden, dat die generale vergadering tot stand is gekomen, die van rijken zegen voor de Kerk dezer landen is geweest.
1
De gewenscbte uitslag zou geweest zijn, dat alle de Gereformeerden , of ten minste nagenoeg alle hunne deputaten naar de Synode hadden gezonden. Dat dit evenwel niet geschied is. zal in het vervolg blijken.
HOOFDSTUK III. DE SYNODE.
hooitjsstuk: HI.
DE SYNODE.
Zooals uit het tot dusverre! gezegde blijkt, is over de wordingsgeschiedenis van de Emder Synode veel licht verspreid door de in den laatsten tijd aan den dag gekomen brieven en documenten. Wat echter de Synode zelve betreft, bezitten wij zulke stukken, helaas! nog niet. Wel is hier en daar een enkele brief ontdekt, die het een of andere punt duidelijker maakt, maar van het verloop der vergadering een duidelijk beeld te ontwerpen is vooralsnog eene onmogelijkheid. Trachten wij intusschen met de weinige lichtstralen, die op te vangen zijn, zooveel mogelijk winst te doen.
1 October 1571 was de dag, dien de deputaten der Bedbursche Synode hadden bestemd voor tie opening der te houden generale vergadering. Welke redenen hen daartoe gebracht hadden, hebben wij vroeger gezien, evenals wij reeds hebben nagegaan, waarom juist Emden als de plaats der samenkomst gekozen was. Wij kunnen
136
dus volstaan met naar dat vroeger gezegde te ver-
i ♦
wijueu. 1
Tegen den vastgestelden datum bevonden zich verscheidene afgevaardigden ter aangewezen plaats. Dit blijkt uit een brief, door Gaspar van der Heyden den •lquot;1quot;1 October te Einden aan zijne gemeente te Frankenthal geschreven. - Aangaande Tappin en zichzelven zegt hij; quot;Wy sijn t\' Einden aengekomen met goeden spoede ende oncost genoech, den 1 Octobris,quot; terwijl hij eenige regels verder bericht, dat een deel der broeders van quot;Wesel, Aken, Cuelen, Emmerickquot; te gelijkertijd met hen de plaats hunner bestemming hadden bereikt. Andere deputaten kwamen later, maar waarschijnlijk nog dienzelfden dag, terwijl het mogelijk is, dat enkele der afgevaardigden reeds vóór 1 October in Emden elkander de broederhand hadden gereikt. 2
Wij mogen dus aannemen, dat den lquot;on October een aanzienlijk aantal deputaten te Emden bijeen was. Volgens den brief van Gaspar van der Heyden waren er namelijk de afgevaardigden van Aken, Emmerik, Frankenthal, Heidelberg, Keulen, Wezel en die uit
1
Zie p. 102.
2
Dit schijnt n. 1. te volgen uit hetgeen Gaspar van der Heyden in zijnen genoemden brief sehrijft aangaande de personen, die quot;wt Nerler-landt, van Gendt, Andwerpen, Brussel, wt het Westquartierquot;, ter markt waren verschenen, onder wie ongetwijfeld de deputaten uit die streken zich bevonden. Daar hij ze noemt vóór hen, die gelijk met hem Emden bereikten. is het wel waarschijnlijk, dat zij vroeger waren aangekomen.
137
Nederland en uit het Westerkwartier. 1 Voegen wij nu hierbij de afgevaardigden uit Emden zelf,2 dan komen wij ongeveer tot hetzelfde aantal als dat van hen, die de Acta hebben onderteekend.
Intusschen is de Synode toch eerst den 4den October geopend. Wat daarvan de redenen zijn, blijkt eensdeels uit den genoemden brief van Gaspar van der Heyden, anderdeels uit eenen brief van Herman Moded, den 14rte,: October 1571 te Emden aan de broeders in Engeland geschreven. 3 Laatstgenoemd schrijven doet ons zien, dat de broeders, den lquot;quot;quot; October te Emden bijeengekomen, eenige dagen hebben gewacht op de aankomst van de Engelsche deputaten. Wel twijfelden zij zeer aan hunne komst omdat zij bevreesd waren, dat de brieven niet tijdig genoeg ter bestemder plaats waren aangekomen, maar toch deed het verlangen ook de Engelsche broeders in hun midden te zien hen eenige dagen wachten, in de hoop, dat hunne vrees wellicht nog beschaamd zou worden.
Dit wachten op de Engelsche broeders kon intusschen zonder veel bezwaar plaats hebben, aangezien — om welke reden is niet duidelijk — de noodige toebereidselen niet waren getroffen, zoodat men den ls,en October aan eene opening der vergadering toch niet had kunnen
1
Onder Westerkwartier is wel West-Friesland te verstaan.
2
3 D. w. z. de afgevaardigden van de vluchtelingen, die te Emden eene schuilplaats hadden gevonden. De eigenlijke Emdensche gemeente was niet vertegenwoordigd, evenals ook de brief van de deputaten der Bedbursche Synode wel gecontrasigneerd was door gevolmachtigden der vluchtelingen, maar niet namens het Emdenschc consistorie.
3
Zie Bijlage B.
138
denken. Gaspar van der Heyden schrijft namelijk in zijn reeds meermalen aangehaalden brief, dat hij bij zijne komst in Emden quot;alle dingen so raw vondquot;, dat hij en Tafpin dadelijk de hand aan het werk moesten slaan om allerlei bezwaren uit den weg te ruimen, die aan de opening der vergadering in den weg stonden. Drie dagen lang hadden zij daarmede druk werk. Hij zelf zegt er van, dat zij quot;dese 3 voerleden daglien niet gedaen hebben dan loepen om d\'ander te beweghen.quot; Welke de juiste beteekenis dezer laatste woorden is, is niet recht duidelijk. Het kan wezen, dat de vluchtelingen te Emden, die, zooals wij vroeger gezien hebben, slechts met moeite door de deputaten der Bedbursche Synode waren overreed aan het ontworpen plan hunne goedkeuring te hechten , ter elfder ure zich nog wilden terugtrekken, \' en nu wederom met kracht van redenen moesten worden gedrongen geen hinderpaal in den weg te leggen aan het welslagen der vergadering, maar integendeel alle hunne krachten in te spannen tot bereiking van het beoogde doel, waartoe zoovelen van West en Zuid waren samengevloeid. Het kan ook zijn, dat het Emdensche Consistorie bezwaar had eenig gebouw beschikbaar te stellen voor de ontworpen vergadering, wetende, hoezeer de Graaf van Oost-Friesland bevreesd was voor den Koning van Spanje. In dat geval was het de Kerkeraad die moest worden overreed zijne weigering in te trekken en de voorgenomen bijeenkomst
1 De Nederduitsche vluchtelingen waren in de eigenlijke Emdensche gemeente opgenomen , wat hieruit is af te leiden . dat zij geen eigen kerkeraad hadden. Dit laatste blijkt n. 1. uit de acten van de vergadering van den Emdenschen kerkeraad van 1 Mei 15G7. Cf. W. d. M. V., S. I. D. II, p. 107. vg. Zie ook Dr. van Toorenen-
139
oogluikend toe te laten. 1 Evenzeer is het mogelijk, dat het bezwaar niet schuilde bij de broeders te Embden, maar bij de overheid. Wellicht zag deze er tegen op, in deze moeitevolle tijden eene vergadering als de beraamde binnen hare muren toe te laten, gedachtig aan de bedreiging, die zij nog zoo kort geleden uit den mond
bergen, Vaderlandsche Herinneringen, p. 78. aant. 13. (De Walsche bannelingen hadden eene eigene gemeente met een eigen kerke-raad, getuige b. v. de aanwezigheid van hun predikant en twee ouderlingen in de Emder Synode. Zie over die Walsche gemeente: Philipp J. Wenz. Reformations-Jubel-Rede nebst Gesehichte der Franzosisch-reTormirten Kirche in Emden.) Het is dus zeer goed mogelijk, dat de Nederduitsehe vluchtelingen van den kerkeraad te Emden een wenk hadden gekregen, dat het hun geraden zou wezen aan de beraamde Synode geen deel nemen. Zie de volgende noot.
1 Tot het maken van deze onderstelling hebben wij recht op grond van hetgeen de bovengenoemde kerkeraads-acta van 1 Mei 15(57 bevatten. Die acten deelen ons mede, hoe de vluchtelingen bij monde van isbrandus (ijsbrandus balkius , ijsbrandus Trabius [frisiüs]) drie voorstellen hebben gedaan. Het eerste was, om over te gaan tot de benoeming van eene commissie, die uit vluchtelingen zou bestaan (twee Vlaamsche, twee Brabantsche, twee Hollandsche en twee West-Friesche) en acht zou geven op de aankomende arme vreemdelingen, opdat geene huichelaars zouden worden bedeeld. Het tweede voorstel hield in, aan de diakens der Emdensche gemeente eene lijst te geven, vermeldende de namen van alle de vermogende vreemdelingen, opdat bij hen wekelijks de quot;almissenquot; konden worden ingezameld: het derde, dat er iedere weck eenmaal eene vergadering zou worden belegd van de genoemde commissie met de predikanten en twee ouderlingen der Emdensche gemeente om over den toestand der vluchtelingen te beraadslagen. De eerste twee voorstellen nu werden ••ganslick approbeert undo gepresen unde secr noedich geachtet,quot; maar het derde werd van de hand gewezen. De broeders vonden het quot;um de nam van Consistory besweerlick um
140
van Alva had gehoord, 1 en had zij daarom, vernemende, welke plannen beraamd waren, den kerkeraad te verstaan gegeven, dat zij het houden van eene kerkelijke vergadering aan Nederlanders niet wilde toestaan. In dat geval was het zaak de magistraatspersonen te bewegen hunne weigering in eene toestemming of althans in eene toelating te veranderen. Doch wat de juiste beteekenis dan ook zij van dat quot;om d\'ander te beweghen,quot; dit is zeker, dat er bezwaren uit den weg moesten worden geruimd, en dat hiervoor drie volle dagen zijn noodig geweest.
Dit is dan ook de tweede reden, waarom de vergadering, hoewel zij tegen den lsten October was uitgeschreven, dien dag niet geopend is. Doch deze aanvankelijke
unsen G-. H. willen, de de Borgunuischen doch seer vrilchteu.quot; Tntus-schen werd den vluchtelingen wel toegestaan nu en dan bijeen te komen om te spreken over den nood der armen, maar uitdrukkelijk werd er aan toegevoegd, dat zij dat niet mochten doen quot;uwt unse bevell unde authoriteyt.quot;
Uit dit alles blijkt 1° dat de Nedcrlandschc vluchtelingen stonden onder het gezag van den Emdenschen kerkeraad. en 2° dat laatstgenoemde geene toestemming wilde geven aan de Nederlanders tot het houden van eene bijeenkomst, waaraan de naam van Consistorie kon worden toegekend, omdat hun Genadige Heer (de Graaf) vrees koesterde voor de Boergondiërs. Bestond er bezwaar tegen eene vergadering als de genoemde, hoeveel te meer zal er dan bezwaar zijn geweest tegen eene Synode! Hoe zal dus ook het Consistorie zich in acht hebben genomen om ook maar eenigszins aanleiding te geven, dat iemand zeggen kon, dat de Synode gehouden werd quot;uwt haer bevell unde authoriteyt!quot;
1 Zie p. 103 vg. Die bedreiging zal natuurlijk de vrees van den Graaf (zie vorige noot) niet hebben verminderd.
141
tegenspoed, die, zooals wij zagen, van der Heyden en Taffin niet ontmoedigde, bleek van geen langen duur te zijn. Na het einde van die drie moeitevolle dagen waren de bezwaren weggeruimd, zoodat van der Heyden aan den ochtend van den 4\'\'\'° October schrijven kon; quot;doer Godes genade hebben wy \'t so wyt gebracht, dat wy heden na middagh deerste versamelinghe hebben sullen.quot;
Den 4a\'° October 1571 des namiddags werd dus de eerste bijeenkomst gehouden. Hiermede bevestigen wij wat onlangs Dr. F. L. RüTGBRS het eerst heeft aangetoond, 1 dat de Synode niet, zooals men placht aan te nemen, den 5quot;quot; October, maar reeds den 4\',\'\'° geopend is, nadat Dr. M. F. van Lennbp reeds eenige jaren vroeger de mogelijkheid daarvan had ondersteld. - Sedert de eerste uitgave van de quot;Kerckenordeninghen der Ghereformeerder Nederlantscher Kerckenquot;, 2 waarin boven de Hollandsche vertaling van de Acta Emdana de 5\'\'e October als openings-
1
W. d. M. V., S. II, D. III, p. 47, cf. p. 42 het opschrift: £iDe acta der Synode te Emden, 4—13 October 1571.quot;
2
A° 1612 bij Jan Andhiessz tot Delf. De 5e uitgave dezer quot;Kerckenordeninghenquot; is niet, zooals Dr. EüïaERS beweert, W. d. M. V., S. II,
142
dag werd genoemd, was het gewoonte geworden, dien datum als den dag der eerste zitting te beschouwen. 1Zoo o, a. nog bij iiooijeb in zijne quot;Oude Kerkordeningen,quot; -bij H. Q. JANSSEN in zijn opstel over de Synode te Emden in 1571, 2 en zelfs onlangs nog bij Prof. ReitSMA in zijne quot;Geschiedenis van de Hervorming en de Hervormde Kerk der Nederlanden.quot; \'
Dat 4 October de dag der opening is geweest blijkt behalve uit den genoemden brief van van dbr Hbyden ook uit andere getuigenissen. Zoo schrijft Simeon Ruytinck in zijne quot;Gheschiedenissen ende Handelingenquot; : quot;Den 4 Octobris (A. D. 1571) wierd t\' Emden gehouden een Nationael Synode, van al de Neerlandsche Gemeynten onder \'t Cruyce, als ooc wijds en sijds verstroyt door Duytschland, Oost-Vriesland ende elders.quot;3 Hierbij komt het opschrift van zoo menig manuscript, dat eveneens den 4dlt;lquot; October als dag der opening noemt, zoodat het vaststaat, dat de namiddag-vergadering, in den brief van
1
Intusschen bad men na het verschijnen van Heringa\'s Kerkelijke raadvrager zoo al niet het onjuiste van de traditie kunnen inzien, dan toch ten minste aan de juistheid kunnen twijfelen. In D. 11. p. 268. noot (*) zegt Prof. Heringa, dat hij een afschrift bezit van de quot;Acta Synodi, habitae Embdae. 4to die Octobris, an0 1571\'\', welk afschrift in 1575 door Jacob van Foreest was gemaakt.
2
Dit opstel is uitgegeven in quot;Voor drie Honderd jaren,quot; 3e serie, p. 37—56. Zie aldaar p. 45 en 56.
3
\' W. d. M. V.. S. Ill, D. I, p. 85.
U3
van der Hbydbn vernield, in waarheid de eerste zitting van de Synode is geweest.
Op welken dag de broeders voor de laatste maal ter onderlinge beraadslaging en tot het nemen van besluiten in eene synodale vergadering zijn samengekomen, is niet nauwkeurig te bepalen. Zeker is het, dat de Synode voor den li1*™ October is gesloten. Dit volgt nl. daaruit, dat Herman Moded dien dag in zijnen brief1 aan de gemeenten in Engeland spreken kon van de toezending van quot;tghene hyr by ons in dese tegenwordige versame-linge verhandelt ende geaccordeert is gewest.quot;
Gewoonlijk neemt men aan, dat de Synode tot den 13den October heeft geduurd, en dit is ook inderdaad het geval geweest, wanneer men n.l. het nemen van kopieën rekent onder de synodale werkzaamheden. Klaarblijkelijk toch is die liid,! October en wellicht ook reeds een groot deel van den daaraan voorafgaanden dag gebruikt voor het maken van afschriften der vastgestelde acta. Dit volgt immers uit de onderteekeningen, die de onderscheidene kopieën en vertalingen dragen. In de meeste toch staat onder de eigenlijke acta : quot;te Emden, den 12dequot; October 1571,quot;2 terwijl onder de Quaestiones Par-ticnlares hier en daar is aangeteekend: quot;te Emden den IS6\'quot; October 1571.quot;
Xu is er wel is waar eene vertaling,9 die tot ouder-
1
Zie Bijlage B.
2
Bij andere staat; quot;te Emden den 13deu October 1571.quot;
lèl
schrift draagt: quot;A Embden, Le 14 d\'Octobre 1571,quot; waarmede overeenstemt, dat de acta, die door JacOBSON zijn uitgegeven, 1 in hun opschrift te kennen geven, dat de Synode van 4 tot 11 October zou hebben geduurd, maar dit geeft geen genoegzamen grond, om aan te nemen, dat de Synode waarlijk eerst den ]-l,lel\' October zon zijn gesloten.2 Want tegenover deze twee getuigenissen staan behalve de genoemde onderteekeningen nog twee dingen, die daartegen pleiten. In de eerste plaats draagt de eigenlijke kerkorde, zooals die voorkomt in het Arnhem-sche M. S. en in het afschrift dat door jacob van forbbst in 1575 is gemaakt, tot onderschrift: quot;Bmbdae 12 Octob. an0. 71 a quarto die usque ad duodecimum,quot; en in de tweede plaats viel 14 October 1Ó71 op een Zondag, 3 eene omstandigheid, die het zeer onwaarschijnlijk maakt, dat dien dag de Synode zou zijn gesloten.
M. i. moet dus worden vastgehouden dat de sluiting plaats had op 13 October, echter met dien verstande, dat de zittingen tot het nemen van besluiten den ll\'len of denl2den voor het laatst zijn gehouden, terwijl een deel van den laatstgenoemden dag en de volgende geheel gewijd zijn geweest aan het nemen van kopieën en een enkel afschrift nog één dag later door Praeses en Scriba zal zijn gewaarmerkt.
Hoevele zittingen er in het geheel geweest zijn, en
1
Cf. a. \\v., p. 50 en 87, noot 2.
2
Wellicht op grond van hetzelfde M. S., dat Jacobson gebruikte, zegt G. Saedemasx, Geschiehte der Ersten Weseler Classe, p. 1, dat de Synode te Emden 4—14 October 1571 is gehouden.
3
Cf. W, d. M. V., S. II, D. III, p. 87, noot 2,
145
wat in iedere zitting is behandeld of besloten, ligt voor ons geheel in het duister. Alleen de acta geven van de werkzaamheden der Synode getuigenis, en daaruit is niet op te maken wat het agendum en wat het actum van iedere vergadering is geweest.
Slechts over twee punten is het mogelijk eenig licht te ontsteken. Door de Keulsche broeders was namelijk aan hunne deputaten de opdracht gegeven, terstond in de eerste quot;Sectie ofte sittinghe audientie te begheerenquot; tot het proponeren van de eerste twee artikelen van hunnen lastbrief\', wanneer hun blijken mocht, dat quot;dese 2 eerste puncten niet voorghenomen en waeren om int werck te stellen.\'quot; -
Het eerste dier beide artikelen wees op de noodzakelijkheid, om in de allereerste plaats over te gaan tot het quot;ordineren ende verkiesen\' van een president, van quot;twee, drye, ofte meer bysittersquot; en van een quot;Secretarius, die alles opschrijvewanneer namelijk het moderamen niet aireede gekozen was. Wij kunnen dus aannemen, dat, indien te dezen opzichte de noodige schikkingen niet vooraf waren getroffen, in de eerste zitting de verkiezing van een moderamen aanstonds aan de orde is gesteld.
Het tweede der genoemde artikelen zag op de indiening der instructiebrieven. Wat voorgesteld werd kwam hierop neer, dat de deputaten den derden dag na de verkiezing van het moderamen hunne quot;redenen, die sy voor te draeghen (haddenquot; in handen zouden stellen van den secretaris, opdat deze ze vooraf zou quot;oversienquot;. Het
1 Die lastbrief is tc vinden W. d. M. V.. S. ill. D. V, p. 0—17.
2 W. d. M. V., S. III. D. V. p. 10, de noot,
10
146
Joel van dezen maatregel was tweeledig: eensdeels zou daardoor worden voorkomen, dat tweemaal een voorstel van gelijke strekking zou worden ingediend, en aan den anderen kant zouden op die wijze alle deputaten in even voordeelige conditie zijn bij het indienen van hunne instructiën.1 Waarschijnlijk is in de eerste zitting in den zin van dit voorstel besloten. Bij de quaestiones particulares immers vinden wij enkele malen, dat twee of meer gemeenten bij elkander worden genoemd als hebbende éen zelfde vraag of vragen van \'gelijke strekking aan de orde gesteld. -
De namen van hen, die ter vergadering tegenwoordig zijn geweest, zijn ons bewaard gebleven. Onder de leden der Synode treffen wij zoowel deputaten van de gemeenten onder het kruis, als van de vluchtelingen-gemeenten, zoowel afgezanten van de Nederduitsche kerken als van de Walsche kerken aan. Negentien dienaren des Woords, drie toekomstige predikanten, vijf ouderlingen en twee mannen, van wie gezegd wordt, dat zij voormaals het predikambt bekleedden, de eene in Vlaanderen, de andere in Friesland, zag Emden binnen zijne muren ter Synode saamgekomen.2 Het zou hier eigenlijk de plaats wezen om over de te Emden vergaderden te handelen, maar
1
De ongelijkheid, die voortspruit uit het feit, dat de een meer gaven beeft ontvangen om te spreken dan de ander, valt weg bij
2
B. v. in vraag 13: de broeders van Aken en Keulen; in vraag 15: de broeders van Antwerpen en Gent; in vraag 14: onderscheidene gemeenten (Quaerentibus Ecelesijs).
3 Hunne namen zijn te vinden in Bijlage A.
147
van de drie voornaamsten en meest bekenden zijn belangrijke biographiën verschenen 1 en met betrekking tot de overigen is te weinig bekend.
Wanneer wij \'S Gravezande\'s quot;Twee honderd jarige Gedachtenis van het Synode te Weselquot; raadplegen, schijnt het, dat in de Synode meer mannen aanwezig zijn geweest, dan de Acta handteeke-ningen dragen. Hij zegt n. 1., dat Dathekus , db lÏYCKE, RhetiüS en wellicht ook MARNIX, die te Wezel aanwezig waren, ook in Einden de vergadering hebben bijgewoond. - Maar aangezien de lijst van onderteekenaars voldoende is gewaarborgd, 2 berust wat \'s Gravezande zegt klaarblijkelijk op eene vergissing. De namen van Dathesus, enz. komen in de Acta voor: 3 op grond hiervan schijnt \'S GRAVEZANDE geconcludeerd te hebben, dat zij ook ter vergadering aanwezig waren, wat echter geenszins met noodwendigheid daaruit volgt. 4
1
Over Gaspar van der Heyden verscheen de dissertatie van Dr. M. F. van Lennep, over Hermanus Moded het proefschrift van Dr. Gr. J. IIuutel de la Rivièuk en over Jean Taffin een zeer uitvoerig opstel van de hand van Charles Rahlenbeck in hot Bulletin de la Commission pour THistoire des Egllses Wallen new. tome deuxième, p. 177, sqq. en een van de hand van Dr. C. 8epp; in Drie Evangeliedienaren uit den tijd der Hervorming, p. 1, vgg.
2
Wij kennen die lijst uit drie MSS., t. w.; het Latijnsche MS. van J. van Foiieest, het Latijnsche MS. berustende in het Provinciaal Kerkelijk Archief van Gelderland en de vertaling voorkomende in het boek van P. Cabeljau.
3
Zie de art. 3, 39, 48 en 50 en de 5(ie partic. vraag.
4
Cf. H. Q. Janssen in: Voor drie honderd jaren, 3de serie. p. öö.
10\'
148
Het praesidinni werd waargenomen door Gaspar van der Hbyden, aan wien Jean Tapfin als assessor was toegevoegd, terwijl de vergaderden het secretariaat hadden toevertrouwd aan joannes Polyander, predikant van de Waalsche gemeente te Emden. Onder de leiding van dit moderamen werd dus de vergadering gehouden, waarin de grond gelegd [werd voor de organisatie van de Neder-landsche Gereformeerde Kerk. Was dit het doel geweest van hen, die de Synode hadden voorbereid, dat dit doel bereikt is, getuigen de Acta.
Eene bespreking van die Acta vinde echter eene afzonderlijke plaats.
Alvorens daartoe over te gaan, moeten wij eerst nog op enkele punten, in verband met de Synode, de aandacht vestigen. In de eerste plaats zij vermeld, dat na de sluiting der Synode door de broeders, voordat zij van elkander zijn gegaan, betreffende een enkel punt eene beslissing is genomen. In de Acta was bepaald, dat de Classis van de Paltz de volgende generale Synode tegen de lente van 1Ö72 zou samenroepen, zoo de gemeenten in Engeland zich konden en wilden laten vertegenwoordigen. 1Waar en op welken dag die vergadering zou gehouden worden, moest echter nog worden vastgesteld. Uit den reeds meermalen genoemden brief van herman Moded van 14 October lóïl blijkt, dat die vaststelling zou plaats hebben, voor dat de deputaten Emden verlieten. Sprekende van quot;de naestvolgende Synodale versamei ingequot; zegt
1
Indien dat niet het geval was, zou de Synode tot de lente van 1573 worden uitgesteld. Zie Quaestio particularis n°. 23.
149
hij quot;van welcke tijt ende plaetse, voordat wy van hier scheiden, sullen besluyten.quot; 1
Blijkbaar was dus, toen hij dien brief opstelde, de beslissing desaangaande nog nier genomen. Maar zij schijnt spoedig te zijn gevolgd. Althans in.een postscriptum meldt Modbd, dat zij besloten hebben quot;de naeste gemeene Synodale versamelinge der Nederlanden omtrent Meij des volgenden Jaarsquot; te houden, terwijl uit wat hij verder schrijft, afgeleid moet worden, dat dag en plaats nauwkeurig waren bepaald. Hij geeft te kennen, dat zij er naar verlangden zoo spoedig mogelijk te weten, hoe de broeders in Engeland zouden handelen met betrekking tot de volgende generale Synode, opdat zij hun dan wederom quot;metten erstenquot; dag en plaats konden mede-deelen.
Vragen wij in de tweede plaats waarom van de Synode zelve zoo weinig bekend is. dan moet de reden ongetwijfeld daarin worden gezocht, dat de Kerk deels onder het kruis zat, deels in de verstrooiing was. Vroeger hebben wij gewezen op datgene, waarin MeixehS meent de oorzaak te vinden,2 t. w. de vrees voor de Spaansche regeering, en gezegd, dat dit de reden geweest kan zijn. In het algemeen is het immers waar, dat angst voor vervolging alles in de grootste stilte zal hebben doen afloopen, aangezien eene Synode van de opstandelingen in het oog der Spaansche regeering op éene lijn stond
1 Zie Bijlage B. 5 Zie pag. 7,
150
met het compromis der edelen. Wij hebben boven gezien, hoezeer de Graaf van Oost-Friesland quot;de Borgunnischen vruchtenquot;, en dit geeft ons gereedelijk aanleiding tot de onderstelling, dat de Overheid, desgevraagd, slechts noode toestemming tot het houden van eene Synode zou hebben gegeven en dan alleen nog onder voorwaarde van tie meest strikte geheimhouding, zoodat de reden door Meiners genoemd mede onder de oorzaken van de geringe bekendheid der Emder Synode zal zijn te rekenen.
Tegen die reden intusschen heeft de verdienstelijke H. Q. Janssen in zijn opstel over de Emder Synode groote bezwaren. 1 Hij hecht er te veel waarde aan, dat in de quot;Emdenschen Kerkeraads-archivenquot; slechts terloops van de Synode wordt gesproken. Het komt mij n.1. voor, dat hij niet genoeg in het oog houdt, dat de eigenlijke publieke Emdensche gemeente geen vertegenwoordiger had in de Synode. Wel wordt zij in de Acta genoemd,2wel schijnt namens haar een voorstel te zijn ingediend,3maar dit geeft ons geen recht te besluiten, dat zij een deputaat had gezonden, te meer, daar in de lijst der onderteekenaars een zoodanige niet gevonden wordt. 4Bovendien was er niet de minste grond aanwezig om de acta der vergadering in het archief te Emden te
1
In quot;Voor drie honderd jaren,quot; 3de serie, p. ii en noot 2 aldaar.
2
3 Art. 10 der eigenlijke acta. Cf. Dr. van Toorenenbergen , Vaderlandschc Herinneringen p. 78, aant. 13.
3
Quaestio particularis n0.1.
4
Cf. wat boven gezegd is over Dathexus, enz. p. 147. Bovendien Iet Janssen niet op de vrees, die waarlijk te Emden voor Spanje bestond.
151
tleponeeren. Wanneer wij in den brief van moded van 14 October 1571 lezen, Jat de besluiten genomen zijn quot;op verbeteringe des naesten synodalis versamelingequot;, zouden wij nog eer kunnen verwachten, dat aan de Classis van de Paltz de stukken der Synode zouden zijn toevertrouwd. 1
Op grond van de bepalingen der Synode zelveis het echter het waarschijnlijkst, dat de Acta en alle de stukken op de vergadering betrekking hebbende in het bezit der vluchtelingen-gemeente te Emden zijn gebleven, opdat deze ze zon zenden of brengen ter eerstvolgende generale Synode. Dit is ook inderdaad het geval geweest. Immers uit de aktestukken in zake de samenroeping der Nationale Dordtsche Synode van 1578 blijkt, dat de authentieke Acta in dat jaar nog in het bezit waren van .loaxxes Polyander, Walsch predikant te Emden, die scriba der Synode was geweest. 2 Besloten was de overzending van die stukken te verzoeken. Of aan dat verzoek gevolg is gegeven, blijkt niet. Waarschijnlijk is het evenmin, omdat Triglaxd ons bericht, dat de authentieke Acten in zijne dagen in particuliere handen waren.3 Was dit met de Acta het geval, dan is het zeker ook zoo geweest
1
Aan haar was immers opgedragen de eerstvolgende generale Synode bijeen te roepen.
2
Zie art. VII, waar wij lezen: quot;Die van Rotterdam ende Delft sullen tegen de tyt der beroepinge schrijnen aen Poliandrum tembden, dat hij Doriginael vande acten des eembdesschen Synodi sal ouerschicken tot Delft.quot; W. d. M. V., S. II. D. III, p. 284.
3
Kerckelycke Geschiedenissen, p. 162. Hij spreekt van quot;een
152
met de andere documenten, en ie het licht te bevroeden waarom zij niet meer bekend zijn.
Duidelijk is het dus, waarom te Emden te vergeefs naar die Acta wordt gezocht, ofschoon het altijd een raadsel blijft , dat slechts in het Kerkeraadsprotokol en dan nog maar terloops van de Synode wordt gesproken.
Maar mag ten slotte de vergadering te Emden gehouden den naam van Synode wel dragen ? Dit recht is haar betwist, omdat onder de onderteekenaars ook drie quot;mi-nistri futuriquot; en twee quot;ministri quondamquot; voorkomen: deze toch konden niet als gedeputeerden van gemeenten verschenen zijn. Dit bezwaar is echter niet overwegend. De aanwezigheid der aanstaande en emeriti predikanten is wel te verklaren. Waarschijnlijk waren zij, als ballingen juist te Emden tegenwoordig, of als medegekomen met de gedeputeerden, eenvoudig toegelaten.
Maar er zijn stellige bewijzen, dat de vergadering van
persoon van treffelijcke qualiteyt, maechschai) van eener die niet de minste is gheweest in die vergaderinghe.quot; Zouden wij hier niet te denken hebben aan een zoon van johannes Polyandee, den professor te Leiden (f 1646). wiens vader scriba te Eraden was?
Als eene bizonderheid teekent Teigland aan, dat die acta niet, quot;ghelijck andersins ordinaris geschiet,quot; alleen door Praeses en Scriba zijn onderteekend, maar door allen die, in de Synode zijn tegenwoordig geweest. Voor die opmerking danken wij hem, omdat zij het boven allen twijfel verheft, dat in waarheid de authentieke acta door Teigland zijn bedoeld, ofschoon wij protest moeten aanteekenen tegen dat quot;ghelijck andersins ordinaris geschiet.quot; De authentieke acta werden altijd door alle aanwezigen onderteekend.
153
1571 ongetwijfeld recht heeft op den naam quot;Synode.quot; Uit de particuliere vragen blijkt, dat de mannen, die uit naam der gemeenten gekomen waren, namens haar voorstellen hadden te doen. Zij waren dus van instructie-brieven voorzien, wat van de\' gemeente te Keulen nog op andere wijze vaststaat, aangezien haar brief van instructie bewaard en bekend is. 1
Dit nu geeft genoegzamen grond om de vergaderde predikanten en ouderlingen quot;deputatenquot; te noemen, aangezien die brieven van instructie reeds op zichzelve credentie-brieven waren. - En dat de deputaten inderdaad geaccrediteerd zijn geweest, is, m. i. voor zeker aan te nemen, daar reeds in den brief van Mabnix van 21 Maart 1570 er op werd aangedrongen, afgevaardigden quot;welcke vollen last ende commissie hebben de saecke met den gesanden van andere gemeynten te verhandelen ende gantschelijck te besluyten,quot; 2 naar de bijeenkomst te Frankfort te zenden.
Hoe de leden der Synode over de vergadering dachten en welk karaker zij er aan toekenden, zullen wij zien bij de behandeling der acta. Voorloopig zij vermeld, dat zij hunne bijeenkomst eene Synode hebben genoemd. 1 Onder dien naam werd zij ook spoedig algemeen aangeduid. Wij hebben slechts te herinneren aan de boven-
1
W. (1. M. V., S. Ill, D. V, p. 9, vgg.
2
Dr. van Too renen bergen. Mabnix, Aanhansel. p. 28.
154
genoemde akte-stukken in zake de samenroeping der Dordtsche Synode van 1578, aan de oudste uitgave van de quot;Kercken-ordeningen der Ghereformeerder Neder-landtscher Kerckenquot; in 1612, aan Triclaxd en aan meikers. Wii kunnen er het getuigenis van schoock nog aan toevoegen.1
Het is dan ook aan geen twijfel onderhevig, of de vergadering van 1571 wel eene Synode geweest is. Eene andere vraag is echter, welk karakter als Synode zij draagt. Doch ook hierover bij de bespreking der Acta zelve.
1
Schoock, De bonis vulgo Ecclesiasticis dictie, p. 441.
HOOFDSTUK IV.
DE ACTA.
HOOFDSTUK
DE ACTA.
JJoor onderscheidene schrijvers 1 is er reeds meermalen op gewezen, dat de quot;toonquot;, die in de Wezelsche artikelen heerscht, onderscheiden is van dien in de Acta Emdana. Dit is ook inderdaad het geval; in deze wordt met meer beslistheid gesproken dan in gene. Naar waarheid zegt HOOIJEB: quot;Die het niet wist, zou uit deze artikelen bijna niet opmaken, dat zij voor kerken geschreven zijn, onder het kruis gezeten.quot; quot;2 Onjuist echter is\'de reden, die hij daarvoor opgeeft: quot;maar het vaderland had zich ook van den eersten schrik bij Alva\'s komst hersteld.quot; 3 Neen, in 1571 had het land zich nog niet hersteld van den schrik, door Alva\'s komst verspreid. Wel was de wederstand aan het wassen, maar de uitkomst scheen nog verre. 4 Wel wenschte
tv.
1
O. a. door Hooijer, a. w,. p. 59.
2
Ibidem.
3
Ibidem.
4
1 Dr. VAN Tooeexenbebgen, Vaderlandse he Herinneringen, p. 76, aant. 5. Zie vooral de aldaar medegedeelde •• Vrouw bede,\'\' in 1571 gedicht.
158
men overal verandering, of hoopte men op verlossing, maar van het eerste gloren van het licht der vrijheid was nog niets te ontdekken: alles scheen even duister.
De reden voor de meerdere zeggingskracht moet dan ook elders worden gezocht, en wel hierin, dat de bijeenkomst van 1568 niet meer was dan een Convent, terwijl / de vergadering van 1571 in waarheid eene Synode was. 1 \' — De mannen, in Emden vergaderd, waren, \'ten deele althans, gekomen als deputaten hunner gemeenten. Hunne 7^ ^ lastbrieven gaven hun het recht en de macht, met gezag
te handelen. Dit hadden de broeders te Wezel niet kunnen doen, aangezien zij daar op eigen gezag, niet als deputaten waren vergaderd geweest. 3
Op dit onderscheid is niet altijd voldoende gelet, en
mÊÊÊÊi
1 Zie p. 25, 152 vgg. Op het onderscheiden karakter der twee vergaderingen is reeds gewezen door Trigland, a. w., p. 161. Den arbeid te Wezel verricht noemt hij quot;preparaten,quot; terwijl hij zegt, dat aldaar artikelen zijn opgesteld, quot;inhoudende de voornaemste saecken, op de welcke, in het stellen van eene goede kerckenordeninge, in die ge-leghenthcydt ghélet sou de moeten wordenquot;. Van de vergadering te Emden echter schrijft hij, dat aldaar eene quot;generale kereken-ordre is beraemt.quot; De verhouding tusschen beide, zooals die volgens Trigland\'s voorstelling was, wordt dus als \'t ware uitgedrukt door de woorden: quot;praeparatoir en peremptoir.quot;
3 Ook al hebben zij, zooals Prof. Reitsma zegt in zijne Geschiedenis van de Hervorming en de Hervormde Kerk der Nederlanden, p. 112, gehandeld met medeweten en na ingewonnen raad van de beste Hervormde Kerken, zij vormden toch niet eene wettige Synode. Het is dus niet juist de vergadering te Wezel gehouden, eene quot;Synodequot; te noemen, zooals b. v. Hooijer, a. w., \'s Gravezande, in zijn Tweehonderdjarige gedachtenis en A. wolters, in de Eeformationsgeschichte der Stadt Wesel doen.
159
zoo is men er meermalen toe gekomen de broeders, die te Wezel bijeen waren, te verheffen ten koste van hen, die in Emden zijn samengekomen. De eersten worden dan genoemd quot;broeders, die raden en vermanen,quot; mannen, die bezield zijn door den zachten geest van ZwiNGLl of a LaSCOquot;, terwijl van de laatsten gezegd wordt, dat zij spreken in quot;den strengen geest van Calvijn of Bezaquot; en als quot;meesters die hunne voorschriften geven zonder uitleg van redenenquot;. 1 Ten onrechte wordt dus aan het Wezeler convent eene quot;buitengewone gematigdheidquot; toegekend, als ware dit een verdienste, die deze vergadering eigen was in onderscheiding van de Einder en alle volgende Synoden:2 in Wezel kwamen de Gereformeerde beginselen evenzeer tot hun recht als te Emden. Intusschen is er bij eene vergelijking van beider acta wel in de wijze van behandeling eenig verschil op te merken; in de eene wordt somwijlen omstandig uitgewerkt, wat in de andere nauwelijks wordt aangeroerd. Zoo zijn b. v. de Acta Emdana zeer uitvoerig in de behandeling van de meerdere vergaderingen, om de quot;prophetiënquot; met stilzwijgen voorbij te gaan, terwijl de Wezelsche artikelen juist omgekeerd zeer weinig aangaande Classikale en Synodale vergaderingen bevatten en verscheidene artikelen wijden aan den dienst der quot;propheten.quot; In de Acta Emdana komt hoegenaamd niets voor over de ambten van predikant, ouderling en
1
Hooijee, a. w., p. 63.
2
• Cf. Dr. J. Eeitsjia, Geschiedenis van de Hervorming en de Hervormde Kerk der Nederlanden, p. 112.
160
diaken , terwijl in de Wezelsche artikelen deze bedieningen juist zeer uitgebreid worden behandeld: aan ieder wordt een afzonderlijk Caput gewijd. 1 In het algemeen kunnen wij zeggen, dat wat op het Kerkverband betrekking heeft 2in Einden meer op den voorgrond is getreden, terwijl omgekeerd onderscheidene wenken van practischen aard niet meer zijn gegeven. Wat van dit laatste de reden is, laat zich niet met zekerheid uitmaken. Het kan wezen, dat na eene leerschool van drie jaren zulke wenken overtollig waren geworden; maar ook is het mogelijk, dat men, zonder het uitdrukkelijk te zeggen, in dat opzicht de Wezelsche artikelen als quot;raadgeverquot; van kracht heeft gelaten. Van het eerste, het meer op den voorgrond treden van het kerkverband, isde oorzaak gemakkelijk te ontdekken. Het doel van het samenroepen van de Einder Synode was geweest: grondlegging van de uitwendige eenheid der Kerk, en dit doel kon niet bereikt worden, zonder dat op het houden van quot;meerdere vergaderingenquot; orde werd gesteld en de gemeenten onderling werden samengevoegd.
Opmerkenswaardig is het, dat in de Acta Emdana met geen enkel woord van deWezelsche artikelen wordt melding gemaakt. Intusschen mag hieruit niet worden afgeleid, dat zij ook in de vergadering zelve niet zijn genoemd. De acta immers, die wij bezitten, zijn niet een verslag
1
Cap. II handelt quot;de Ministris et Doctoribus,quot; cap. IV quot;de Senio-ribusquot; en cap. V quot;de Diaconis.quot; W. d. M. V., 8. II, D. III, p. 13, 21 en 25.
2
Tndeeling der gemeenten in Classen, de meerdere vergaderingen en de kerkelijke tucht.
Ifil
van wat is besproken, maar alleen eene geordende samenvatting van wat besloten is. Wij hebben dus geen recht aan te nemen, dat de te Emden vergaderden den arbeid van Wezel hebben geïgnoreerd en als opnieuw zijn begonnen, wat bovendien geheel onwaarschijnlijk is, aangezien zes leden der Synode op het convent tegenwoordig waren geweest. 1
Eene andere vraag is, of de Synode te Emden — gelijk nu en dan gezegd wordt - — aan haren arbeid de Fransche kerkorde van 1559 ten grondslag heeft gelegd. 2Ongetwijfeld valt er tusschen deze en de Acta Emdana eene groote overeenkomst op te merken; zelfs is er hier en daar schier woordelijke overeenstemming, maar dit geeft op zichzelf nog geen recht om te stellen, dat de laatstgenoemde niet meer zonden zijn dan eene uitwerking van de eerste. Bij beide is b.v. het eerste artikel nadrukkelijk gericht tegen eiken zweem van hiërarchie: in de Kerk mag er geen sprake wezen van een quot;primatus sen dominatio.quot; 1
11
1
T. w., Joaxnks Lippius, Joannes Woudanüs, Henkicus Michaelis (Michael), Chrisïophoecs Becanüs, Hebmannus 11e-EAXÜS (van dee Meebe) en Jaspaeus Bk;aKnus (Gaspae van ByGAEEDEN iïeuxem.exsis.
2
Deze Kerkorde is b.v. te vinden in: Th. de Bèze, Histoire eeelésiastique des Eglises réformées au Royaume de France (ed. P. Vesson,) T. I, p. 105, vgg.
1 Zie voor do Acta Ëmdaoa de Bijlage A. Het le artikel vau de Parijeche Kerkorde luidt als volgt: quot;Peemièremest. Que nnlleéglise nc pourra prétendre principauté on domination sur rautre.quot;
Doch volgt nu uit die treffende overeenstemming noodwendig, dat Emden dit artikel van Parijs heeft overgenomen? Tmmers neen. Het streven om elke hiërarchie te weren vloeide noodzakelijk uit de Gereformeerde beginselen voort en hing daar zoo innig mede samen, dat het noodzakelijk in een Kerkorde van Gereformeerden zijne uitdrukking moest vinden. 1
Toch is het zeer waarschijnlijk, dat de Kerkorde van 1559, zoo al niet in haren eersten vorm, dan toch in een harer latere vormen, 2 te Emden goede diensten heeft bewezen. 3 Wij kunnen niet anders verwachten van de mannen, die daar zijn samengekomen, aangezien het den Gereformeerden eigen was zooveel mogelijk met allen, die eens geestes met hen waren, overeenstemming te zoeken zoowel in de leer, als in de ceremoniën en de kerkregeering. Dat ook de broeders te Emden dien karak-
1
Het weren van elke hierarchie is juist iets karakteristieks voor de Gereformeerde beginselen.
2
Op volgende synoden werd de kerkorde van 1559 uitgebreid, zooals duidelijk te zien is in een M. S. waar de bepalingen van de Parijsehe en de latere Synoden (tot aan die van Parijs van 1565) onder capita zijn gerangschikt. Cf. Dr. G. V. Lechler. Geschichteder Presbyterial- und Synodalverfassung seit der Reformation, p. 75, vgg. (Aus den 40 kurz und bündig gefassten Artikeln der Kirchenordnung von 1559 wurde am Ende ein ausführliches Gesetzbuch: quot;Discipline des églises reformées de Francequot;, das in 14 Capiteln oder Abschnitten nicht weniger als 222 Artikel enthalt.)
3
Cf. Dr. Lechler, a. w., p. 119. waar hij zegt, dat de Fransche kerkorde te Emden quot;vielfach als Muster gedient zu haben scheintquot;, felijk hij p. 121 nog beslister zegt, dat de quot;organisatorischen Synodal-beschlüsse (scil. te Emden) nnverkennbar der französicheu Kirrhtn-ordnvng nachyeMldet sind.quot;
163
tertrek niet hebben verloochend, daarvan zijn de sporen te ontdekken.1
Bovendien is te Einden ongetwijfeld dezelfde stelregel gevolgd als te Wezel, zoodat men ook daar uitging van het beginsel, dat hier met nadruk was geformuleerd: quot;Quae vero altering sunt generis [i. e. quae non sunt res adiaphorae] vt vel in Dei verbo vel in Apostolorum vsn atque exemplo, vel in ecclesiarum perpetua, eaque grauibus ao necessariis rationibus subnixa consuetudine fundata sunt, in iis non temerè a communi ecclesiarum consensu ac inueterato vsn recedatur.quot; 2 Als de voornaamste bronnen, waaruit men putte, worden dus genoemd het Woord Gods en het gebruik en voorbeeld der Apostelen, waarbij dan nog kwam de op goede gronden berustende staande gewoonte der kerken. Hoe men nu bij het raadplegen van de laatste in Emden te werk ging, blijkt uit de 5de Quaestio Particularis. 3 Doordien
11*
1
T. w. in de Quaestiones Particularcs 5 et 9. In rle eerste dier twee wordt aan Petrus Dathexus en Jeax ïaffix opgedragen pogingen in het werk te stellen, om in overeenstemming met de vraag, door Keulen gedaan, een afschrift te bekomen van wat in de generale Synode te la Rochelie gehouden behandeld en besloten was, opdat zij zich konden quot;verghelijcken met den selvighen in al wat mogheUjeken zij ende ons dienen mach tot opbouwinge ende bevestinge des buys Godes in dese landen.quot; (Cf. W. d. M. V., S. 111, D. V, p. 11 met Bijlage A) In de tweede wordt als antwoord op eene vraag door Keulen gedaan verwezen naar een quot;articulus a fratribus Geneuensibus ,ea de re con-scriptus.quot; (Cf. W. d. M. V.. S. Ill, D. V, p. 13 met Bijlage A.)
2
W. d. M. V., S. II, D. III, p. 12. Op de aangehaalde woorden volgt nog: quot;Ea autem propemodnm omnia seqnentibus hiscc capitibus quam potuimus et absolutissimè et compendiosissimè complex! sumus.quot;
3
Cf. hierboven noot 1.
164
tie broeders het quot;fiatquot; hebben gehecht aan de vraag van Keulen, toonen zij die vraag goed te keuren. En hieruit volgt, dat zij de kerkorden van de andere Gereformeerden gaarne wilden raadplegen, om tot zoo groot mogelijke overeenstemming te geraken, maar toch niet verder wilden gaan dan tot een quot;sich verghelijchen 1 in al wat moghe-lijckcn zij ende dienen mach tot ophouwinge ende hevestinge des Imijs Godes in dese landenquot;
Wanneer wij ons herinneren, hoe de Gereformeerden hier te lande, o. a. door Mabnix, meermalen gewezen werden op het voorbeeld der Fransche broeders en inzonderheid op de heerlijke vruchten, die hunne Synoden en de arbeid dier Synoden afwierpen, dan ligt het voor de hand, dat onder de te Emden geraadpleegde Kerkorden de Fransche de eereplaats zal hebben ingenomen. 2 Echter valt hier niet te denken aan een bloot overnemen, zooals b.v. blijkt bij eene vergelijking van den arbeid van 1559 met dien van 1571. Om slechts dit eene te noemen : het classikaal verband, waaraan te Emden zoo groote waarde wordt gehecht, komt in de Parijsche kerkorde schier niet in aanmerking. 3 Maar, afgezien van dit verschil en nog eenige andere, is de overeenkomst
1 Verghelijcken = gelijkmaken.
2 Merkwaardig in dit opzicht is ook de inhoud van art. 2. Besloten wordt niet alleen de Nederlandsehe maar ook de Fransche Confessie te onderteekenen. Dit laatste geschiedt èn met het doel, de overeenstemming en de eenheid met de Fransche broeders uit te spreken, èn in de hoop. dat ook deze van hunne zijde overeenstemming en eenheid met de Nederlandsehe zullen betuigen door wederkeerig hunne belijdenis te onderteekenen.
3 Cf. art. H van de Parijsche met art. 13 van de Emdensche Kerk-A • /Lr, rf,-. ^ /I f/jgt; ■
165
tusschen beide zóo groot, dat hier ongetwijfeld aan eene inwerking van de eene op de andere te denken is.
Evenwel moet uit die overeenkomst ook weder niet al te veel worden afgeleid, aangezien de Fransche en de Nederlandsche Gereformeerden van dezelfde beginselen uitgingen en dus in hoofdzaak tot dezelfde resultaten komen moesten. En die resultaten waren een Presby-teriaal-Sj-nodaal kerkverband.
Presbyteriaal-Synodaal zijn de Acta Eindana. Reeds bij eene vluchtige beschouwing valt dit dadelijk in het oog, want overal worden naast de dienaren des Woords de ouderlingen en diakenen genoemd en steeds wordt met nadruk gewezen op het verband der gemeenten onderling.
Zooals wij reeds opmerkten begint de Emder kerkorde met vooropstelling van het beginsel, dat er in de Kerk
orde. — Volgens beide is de beroeping- van een dienaar des Woords het werk van den kerkeraad, behoudens voorstelling aan en goedkeuring door de gemeente. Maar, terwijl volgens de Fransche kerkorde het consistorie in /.ijne keuze vrij is, heeft het volgens de Acta Emdana te rekenen citm in did o comientns Classici aut duorum triuiuue Jfinisfroruiu ncinomm. Trouwens in de kerkorde van 1559 zijn quot;Colloquequot; en quot;Synodequot; nog synoniem (Cf. art. 2, quot;colloque ou synodequot;.) Langzamerhand echter wordt er tusschen die beide onderscheid gemaakt, zoodat colloque meer wordt tot een quot;Mit-telglied zwischen Consistorium und Provinzial Synode,quot; doch eerst in 1572 is op de nationale Synode van Nimes de beteekenis van een quot;colloque\'quot; kerkrechtelijk vastgesteld. Toen kreeg de Classis onderscheidene rechten, die vroeger het Consistorie had gehad, vooral met betrekking tot de b .\'roeping, enz. van predikanten. Zie Dr. Lechler, a. w., p. 88. vg.
166
geen sprake mag wezen van hiërarchie. Eene groote gemeente heeft evenmin den voorrang boven eene kleinere, als eene hulpbehoevende gemeente overheerscht mag worden door een rijkere, ook al ontvangt zij daarvan ondersteuning. De vraag is deze, of zich de gemeente als zoodanig heeft geïnstitueerd, en in dat geval is zij te beschouwen als een lid van een lichaam, waarin alle leden gelijke rechten hebben. Mag dus geene enkele quot;Ecclesiaquot; zich quot;primatum seu dominationemquot; trachten te verwerven over eene andere, evenzoo is het gesteld met de ambtsdragers der kerk. Van eene opklimming in macht kan bij hen geen sprake wezen, maar ook evenmin kunnen er betrekkingen zijn, die hen, die ze bekleeden, persoonlijk gezag zouden geven over anderen. Dit beginsel was reeds uitgesproken in de Neder-landsche Geloofsbelijdenis, 1 had reeds uitdrukking gevonden in de Wezelsche artikelen2 en werd hier
1
Art. 31. Oorspronkelijk luidde de bedoelde plaats: quot;et quant aux Ministres de la Parole en quelque lieu qu\'ils s\'oyent, lis ont vne mes-me puissance et authorité, estans tons Ministres de Iesüs Christ seul Euesque vniuersel et seul chef de l\'Eglise: et pourtant mille Eglise n\'a aucune authorité ny domination sur l\'autre pour y seigneurier.quot; (Zie Dr. van Toorenenbergen, Eene bladzijde uit de Geschiedenis der Nederlandsche Geloofsbelijdenis. Oorspronkelijke stukken, p. XXXIX.) Later zijn de laatste woorden (et pourtant , etc.) weggevallen — in de uitgaaf der Belijdenis van 1566 komen zij niet meer voor — omdat zij in 1564 eene andere plaats hadden gekregen, t. w. in de kerkorde van de Synode a la Vigne van 1 Mei. (Zij vormen daar het 2® artikel, cf. Hoouer, a. w., p. 14; Nederlandsch Archief voor Kerkelijke Geschiedenis, D. lX,p. 141.) Zie Dr. van Toorenenbergen, De Symbolische Schriften, p. 50, noot 2.
2
Cap. VIII, art. 20, cf. art. 14, waar onder de quot;crimina quae in
voorop gesteld (in aansluiting aan de Fransche kerkorde van 1559) om daardoor te kennen te geven welk beginsel in de Kerk heerschen moet 1 en te gelijkertijd protest aan te teekenen tegen allen, die dat beginsel verzaakten. 2Bij alle hunne besluiten hebben de broeders dit beginsel dan ook consequent doorgevoerd en met nauwgezetheid er voor gewaakt, dat elke hiërarchie uit de Kerk zou zijn geweerd. Van permanente commissies is geen spoor te ontdekken. Voor elke vergadering, quot;meerderquot; dan de Kerkeraad moesten de leden telkens op nieuw quot;ad hoequot; worden gedeputeerd. 3 Hekleed met het mandaat der gemeenten 4 hadden zij de macht en het
1
Dit beginsel vloeit voort uit het woord van Jezus, quot;Eén is uw Meester, namelijk Christus, en gij zijt allen broeders.quot; Matth. 28 :8.
2
Dit beginsel werd niet alleen verzaakt in de Roomsche Kerk, ook in de Engelsehe Staatskerk bestond eene zekere hiërarchie (Episcopaat). Ook was het hebben van een Superintendent (zooals in Oost-Friesland) of van een Oppêrkerkeraad (zooals in de Paltz) eene verloochening van dat beginsel. Zelfs de Gereformeerden in Engeland hadden onder Eduard VI eenen superintendent gehad; maar door Elizabeth waren zij gebracht onder de dioeese van den bisschop van Londen.
3
Art. 5 van het Caput quot;de Classicis Conventibus.quot;
4
Dit geldt direct van de Classikale vergaderingen, indirect van de Provinciale en Generale Synoden. Voor de eerstgenoemde werden de leden rechtstreeks door de gemeenten gedeputeerd; voor de beide laatste respective door de Classici en Provinciales conventus. Maar aangezien de leden der Classikale vergaderingen ook gedeputeerd waren voor de
168
recht te beslissen in zaken, die in mindere vergaderingen niet konden worden afgedaan of die den kring der gemeenten, waaruit députaten samenkwamen, in zijn geheel betroffen, doch die macht en dat recht bezaten zij niet personeel, slechts als leden der vergadering tijdens de zittingen. Met den quot;conuentiisquot; eindigt dan ook hun mandaat, gelijk van den President uitdrukkelijk gezegd wordt, dat zijn quot;officium cum actione finiturquot;.1 Bovendien droegen die vergaderingen niet het karakter van besturende colleges: zij waren als de organen, waarvan de Kerk zich bediende en waardoor zij sprak, opdat alles zou besloten worden quot;omnium consensu.quot; In den grond der zaak had dus de quot;regeermachtquot; in de Kerk een dienend karakter, en feitelijk berustte dan ook het gezag der meerdere vergaderingen alleen op het mandaat der gemeenten, gelijk het daaraan verbonden was.
Dienend van aard zijn evenzeer de ambten in de Kerk, in overeenstemming met het woord van CHRISTUS: quot;Die
1
Art. 5, al. 2 van het caput quot;de Provincialibus Synodis.quot; Als een bewijs van de vrees voor quot;hiërarchiequot; kan ook dit dienen, dat de meerdere vergaderingen niet altijd in éene zelfde plaats mochten worden gehouden. Blijkbaar toch werd dit besluit genomen uit vrees, dat anders zulk eene gemeente zichzelve allicht eenigen voorrang boven andere zoude toekennen. Bovendien mocht de gemeente, aan wie het was opgedragen de provinciale Synode of de generale Synode saam te roepen, den tijd en plaats niet vaststellen dan quot;cum aliorum Classis suae Ministrorum iudicio.quot; Zie het caput quot;de Provincialibus Synodis.quot;
169
voorganger is, zij als een die dient.quot; 1 De gemeente is feitelijk de bezitster van de kerkelijke macht; zij kan die echter niet zelve uitoefenen, maar heeft daartoe quot;organenquot; noodig, en die organen zijn de kerkelijke ambten. In-tusschen moet zij toch in zaken van gewicht worden gekend, terwijl haar bovendien het recht toekomt, hetzij door quot;stilzwijgenquot; hare goedkeuring te kennen te geven, hetzij door het indienen van bezwaren van hare afkeuring te doen blijken. Zoo kunnen b. v. beroepen predikanten en gekozen ouderlingen en diakenen niet eer in hun ambt worden bevestigd, dan nadat hunne namen dei-gemeente zijn bekend gemaakt en deze quot;tacitis suffragijsquot; heeft toegestemd. - Evenmin kan tot quot;excummunicatioquot; worden overgegaan, voordat drie malen quot;e suggestuquot; eene quot;admonitioquot; heeft plaats gehad, 2 terwijl bovendien aan de gemeente het recht blijft gewaarborgd kritiek te oefenen op de handelingen van het consistorie. 1 Dit recht straalt ook daar door, waar bepaald wordt, dat de helft der ouderlingen en diakenen jaarlijks moet aftreden. 3 Klaarblijkelijk zijn er de ambten dus alleen om de Kerk, en dit juist maakt, dat zij niet hiërarchisch van aard kunnen of mogen zijn.
Het consistorie is in waarheid quot;de raad der gemeente,quot; die minstens éénmaal per week heeft samen te komen, 11
1
gt; LUKAS 22: 2«.
2
Art. 31.
3
Art. lö. Mot het oog op de moeitevolle tijdrn werd den \'quot;Kerken
170
om te spreken over alles, wat de gemeente betreft. Wat nu in het Inzoiuler de plichten zijn van ile predikanten, ouderlingen en diakenen, wordt in de Acta niet genoemd. Wellicht hebben de broeders te Emden in dat opzicht zich aangesloten aan de bepalingen te Wezel gemaakt. Trouwens, het is zeer goed mogelijk, dat door de practijk de onderscheidene verplichtingen scherp genoeg waren afgebakend en duidelijk genoeg werden gekend, zoodat eene beschrijving niet meer noodig was. Evenwel wordt ei-telkens op gewezen, dat bij elke consistoriale handeling de predikanten met de ouderlingen en diakenen hebben samen te werken, gelijk ook bij de afvaardiging voor de meerdere vergaderingen een zelfde aantal ouderlingen of diakenen als predikanten moet worden gekozen 1 en in die vergaderingen zelve de ouderlingen of diakenen even goed als de dienaren des Woords het recht hebben om te stemmen. 3 In zooverre worden allen dus als op éene lijn gesteld, maar dit neemt niet weg, dat toch ook rekening is gehouden met het eigenaardige karakter van het dienaarsambt in onderscheiding van de beide andere. Dit blijkt namelijk zoowel bij de verkiezing als bij de toepassing van de censuur. In beide gevallen heeft, wanneer er sprake is van ouderlingen en diakenen, het consistorie niet te rekenen met het oordeel der Classis of van naburige predikanten, wat echter, waar het dienaren des Woords geldt, wel het geval is. Ja, met betrekking tot de laatsten komt somwijlen het oordeel alleen aan den
1
Art. 6 van het caput: quot;de Classicis couuentibus.quot;
171
quot;Classicus Conuentusquot; toe, 1 wat natuurlijk hiermede samenhangt, dat het ambt van ouderling en diaken slechts plaatselijk is, een dienaar des Woords echter een ambt bekleedt, dat niet aan éene plaats is gebonden. Toch mag ook deze niet ongeroepen zich ergens indringen, quot;vbi ministerium iam constitutum est;quot; evenmin in eene andere gemeente dan de zijne gaan prediken zonder toestemming van den predikant o£ van het consistorie dier gemeente. -
Groote nadruk wordt er verder gelegd op de quot;disci-plina Ecclesiastica.quot; 2. In iedere gemeente moet daaraan streng de hand worden gehouden, waarom dun ook de dienaren des Woords met de ouderlingen geroepen zijn een iegelijk aan zijn plicht te herinneren. Bij de toepassing iler tucht moet onderscheid worden gemaakt tusschen quot;peccata occultaquot; en quot;peccata publicaquot;,3 terwijl in het algemeen de regel, dien Christus in Matth. 18 heeft voorgeschreven, moet worden in acht genomen. Wat nu de quot;reconciliatioquot; betreft, is het bij quot;peccata occulta\'* genoeg, wanneer de quot;peccator,quot; privatim vermaand zijnde, berouw toont; bij de quot;publicaquot; echter moet zij in het openbaar plaats hebben, en wel naar het oordeel van het gansche Consistorie. Blijft degene, die zich misdragen heeft, echter doof voor de vermaningen van het Consistorie, dan moet hem eerst de toegang tot het Avondmaal worden ontzegd, en zoo dit nog niet baat,
1
Zie »ie artt. 13, 33 en 43.
2
Zie de artt. 25—34.
3
1 Eene zonde is óf uiteraard openbaar, of zij wordt dit door verachting van de kerkelijke vermaningen.
172
kan men tot de quot;Excommunicatióquot; overgaan, echter niet dan nadat de quot;hartneckighe sondaerquot; driemalen in het openbaar van den predikstoel is vermaand en de gemeente quot;tacitis suffragijsquot; daarin heeft toegestemd. \'
Wanneer op de dienaren des Woords de tucht moet worden toegepast wegens publieke zonden, die der gemeente tot smaad en schande zijn of strafbaar voor de overheid, kan de Kerkeraad terstond tot schorsing overgaan; de bevoegdheid echter om ze af te zetten komt niet hem, maai\' het Classikale convent toe. Zoo heeft ook dit laatste te beslissen, of zij, na betoond berouw, weder beroepen mogen worden. Komen echter ouderlingen of diakenen aan zulke zonden schuldig te staan, dan heeft het consistorie de macht den quot;peccatorquot; uit zijn ambt te ontzetten en straks, na gebleken berouw, hem opnieuw verkiesbaar te verklaren.
Terwijl aldus voor elke afzonderlijke gemeente zorg werd gedragen, werd niet minder gelet op het verband der gemeenten onderling. In de eerste plaats blijkt dit reeds duidelijk uit artikelen als 44, waar bepaald wordt, dat aan van elders ingekomen armen alleen onderstand mag worden verleend, wanneer zij voorzien zijn van een attestatie, afgegeven namens de gemeente, waaruitzij vertrokken;1als 42, waar den dienaren en ouderlingen in de Classen onder het kruis de verplichting wordt opgelegd, in alle
1
bij de derde worden gezegd, dat men tot den quot;banquot; zal moeten overgaan, zoo de zondaar hardnekkig blijft.
steden en dorpen hunner Classes te trachten naar het verzamelen van quot;Ecclesiae ant saltern initia Ecclesiarnm1 en vooral als 43, waar er op gewezen wordt, dat het voor de gemeenten allernuttigst zoude zijn, indien er onder haar zulk eene quot;couiunctioquot; bestond, dat zij met elkander correspondeerden over alles wat al den gemeenten in het algemeen of enkelen in het bizonder dienstig zou wezen tot haar behoud of tot hare uitbreiding. Maar inzonderheid blijkt dit uit de Synodale inrichting van het geheel. Behalve de consistoriën toch zouden er wezen classikale en Synodale vergaderingen, welke laatste óf provinciaal óf generaal van aard zouden zijn. Iedere drie of zes maanden zouden enkele genabuurde gemeenten in eene vergadering samenkomen; 2 ieder jaar de gemeenten van eene provincie 3 en elke twee jaar alle de Nederlandsche gemeenten. \'•
Met het oog hierop werden de gemeenten in grootere en kleinere kringen samengevoegd. Alle de gemeenten, die door Duitschland en Oost-Friesland verstrooid waren, zonden eene provincie vormen; die van Engeland eene tweede en die onder het kruis zaten de derde. 4 Deze provincies werden verder in classes verdeeld. De eerste en de derde provincie kregen er ieder vier, a terwijl
1
Zie ook art. 41.
2
Art. 7.
3
Art. S.
4
G Zie de artt. 10 en 11. üe gemeenten in Duitsehlaud en in Oost-Friesland werden gebracht onder de Classen, lquot;. van de Paltz, 2°. van
het land van G lil ik, 3°, van het land van Cleef en 4°. van Emden.
174
met betrekking tot Engeland werd bepaald, dat de broeders aldaar zouden vermaand worden, zoo spoedig mogelijk hunne gemeenten in classes te verdeelen.1
Wat nu de vergaderingen zelve betrof, werden uitvoerige bepalingen gemaakt in afzonderlijke capita. Kenmerkend is, dat in iedere meerdere vergadering slechts mag behandeld worden, wat in eene mindere niet kan worden afgedaan, en dat, zooals wij boven reeds opmerkten, in den grond der zaak elke vergadering haar mandaat ontleent aan de gemeenten. Dit laatste is dan ook de reden, waarom de besluiten bindend gezag hebben voor die gemeenten, die tot de vergadering hetzij direct, hetzij indirect deputaten hebben gezonden. Wel wordt er een quot;beroepquot; toegestaan, van de Classikale vergadering op de provinciale Synode, en van deze wederom op de generale, maar wanneer deze éénmaal heeft beslist, moet ten slotte bij die beslissing, als bij de beslissing der gansche Kerk, het hoofd worden neder-gelegd. Zoo was dus, alles samenvattende, iedere ge-gemeente wel zelfstandig, maar slecht als deel van een organisch geheel. Alle de Nederlandsche gemeenten vormden samen éene eenheid en die eenheid naar het uitwendige te institueeren, was het doel geweest van het samenroepen van de Emder Synode. Dat dit doel bereikt is, zal uit het bovengezegde genoegzaam gebleken zijn.
De quot;kerken onder het kruisquot; (cl. i. in de Nederlanden) werden ingedeeld in deze 4 Classen: 1quot;. die van Brabant, 2°. die van Oost- en West-Vlaanderen, S0. die van Walseh Nederland en 4°. die van Holland, Overijsel en West-Friesland.
gt; Art. 12.
.1.75
Wij hebben getracht de hoofdgedachten, waardoor de broeders te Emden bij het opstellen hunner kerkorde werden geleid, te doen kennen en daarbij aan te toonen, hoe zij daarin tot uitdrukking zijn gekomen. Er zijn echter nog enkele bepalingen, waarbij wij even in het bizonder hebben stil te staan. In de eerste plaats vraagt onze aandacht het tweede artikel. Besloten werd niet alleen de Nederlandsche maar ook de Fransche Confessie te onderteekenen, in het vertrouwen, dat ook de Fransche predikanten de Nederlandsche zouden onderschrijven. 1Wanneer wij zien, dat dit geschiedt quot;ad testandum mutuum cunsenswn et conhmctionemdan blijkt hier duidelijk, hoe groote waarde er gehecht werd aan aaneensluiting van allen, die de Gereformeerde religie beleden. Boven het verschil van landaard en taal stond de eenheid in belijdenis. De belijdenis is als het ware het parool, waaraan de broeders elkander herkennen; vandaar, dat ook besloten werd, dat zoowel de Nederlandsche predikanten, die niet te Einden ter vergadering aanwezig waren als zij, die later tot het predikambt zouden worden geroepen, de Belijdenis des geloofs zouden onderteekenen.
Opmerking verdient ook dat, hoewel er bepaald werd, dat de Walsche gemeenten tien Geneefschen Catechismus
1
Petrus Dathenüs en Jea\\ Taffin zouden van dat besluit de Fransche broeders op hunne eerstvolgende Synode in kennis stellen om dan \'\'ter naester t\' samencoomste van de Nederlandsche gemeenten rapport van hunne commissie te brengen. Zie art. 3. Aan het verzoek der Nederlanders is door de Franschen eerst op hunne Synode te Vitry, den 25quot;en Mei 1583 voldaan. Zie W. te Water. Tweede Eeuw-Getijde van de Geloofsbelijdenisse der Gereformeerde Kerken van Nederlant, p. 88.
176
zonden gebruiken en de Nederduitsehe gemeenten den Heidelbergschen, toch de vrijheid gelaten werd oin zich van eenen anderen te bedienen, mits deze in overeenstemming was met het Woord van God. 1 Merkwaardig is verder nog het besluit, dat men den Heer van St. Aldegonde zon verzoeken, eene historie te schrijven van wat in de laatste jaren in Nederland was geschied. Alle do predikanten en andere bevoegde mannen werden aangespoord zooveel mogelijk stof daartoe te verzamelen, terwijl hun verzocht werd hunne mededeelingen te zenden aan enkele niet name genoemde mannen, opdat deze ze vervolgens aan den Heer van St. Aldegonde zouden doen toekomen.2 Of deze aan dit werk de hand heeft geslagen, blijkt niet, hoewel het mogelijk is, dat de voorbereidende maatregelen genomen zijn. Zeker is het, dat eene geschiedenis van zijne hand nooit het licht heeft gezien.
Vragen wij thans welk karakter aan de vergadering in 1571 te Emden gehouden volgens hare eigene Acta moet worden toegekend. Boven hebben wij gezien, 3 dat zij ongetwijfeld eene Synode moet worden genoemd. liet daar gezegde wordt bevestigd door den inhoud van het 53quot;\' artikel. Immers, wanneer het in dat artikel heet, dat de genomen besluiten wel veranderd mogen en moeten
1
Zie Art. 5. Aan de Acta Emdana wordt verweten, dat zij zooveel strenger zijn dan de Wezelsche artikelen, en juist deze lieten de genoemde vrijheid niet. Zie het eaput quot;de Catechismo,quot; art. 2. W. d. M. V., S. II, D. III, p. 20.
2
Zie de artt. 48—50.
3
a Zie p. 152 vgg.
177
worden, wanneer het belang der Kerk dat eischt, doch dat die verandering niet staat in de macht van eene enkele gemeente, maar alleen in de macht van eene Synode, dan wordt daardoor aan de gemaakte bepalingen de kracht van Synodale besluiten toegekend en derhalve aan de vergadering zelve het karakter eener Synode. Trouwens, indien zij dat niet ware geweest, zou de toon, die in hare Acta heerscht, onverklaarbaar zijn.
Dat zij eene Synode was in den waren zin van het woord staat dus ontwijfelbaar vast. Doch hiermede is haar karakter nog niet geheel beschreven. Wij hebben namelijk te onderzoeken of zij provinciaal was, nationaal ofwel generaal. Aan eene provinciale Synode hebben wij voorzeker niet te denken, aangezien te Emden over de indeeling der gansche Kerk is beslist. Dat de gemeenten in Engeland niet in Classen zijn ingedeeld, bewijst daartegen niets, daar de oorzaak van dit niet-indeelen alleen hierin te zoeken is, dat de Engelsche broeders niet ter vergadering aanwezig waren. Bovendien werd immers bepaald, dat alle de gemeenten van Engeland éene Provincie zouden vormen, en deze vermaand zouden worden zoo spoedig mogelijk tot eene indeeling in Classen over te gaan.
Het is dus de vraag, of zij eene nationale dan wel eene generale Synode was. Vooraf moet echter worden vastgesteld, wat onder elk van die beide is te verstaan. In den eigenlijken zin genomen is eene Synode nationaal, wanneer al de gemeenten van éene belijdenis uit een land daar vertegenwoordigd zijn, terwijl zij generaal is te noemen, wanneer alle de gemeenten van éene belijdenis, waar ter wereld ook, hare deputaten daar hebben
12
178
doen samenkomen. Zulk eens generale Synode moet liet ideaal der Gereformeerden zijn geweest, „omdat men aanvankelijk de kerkelijke eenigheid, in eenig land tot stand gekomen, geenszins beschouwde als liet eindpunt der Reformatie, veel meer als een stadium in de Reformatie, die eerst dan volkomen zoude zijn, indien alle Kerken der wereld tot eene eenheid waren geworden.quot; 1 Maar toen men meer en meer het onbereikbare van dit ideaal begon in te zien, werd het van lieverlede gewoonte, om, wanneer men van eene generale Synode sprak, de beteekenis van dat generaal te beperken, zoodat feitelijk ten slotte nationaal en generaal promiscue werden gebruikt. 2 Reeds in de dagen van de Emder Synode werd generaal in den meer beperkten zin genomen, zooals uit de Acta blijken kan. Uit art. 9 immers in verband met de Capita over de meerdere vergaderingen, inzonderheid met dat quot;de generalibus Synodis,quot; volgt, dat volgens de broeders, te Emden aanwezig, eene generale Synode was een quot;Gonuentus omnium Ecclesiarum Belgicarum.quot; Nemen wij nu generaal in den eigenlijken zin van het woord, 3 dan is de Emder Synode dit zeer zeker niet
] Zie hierover Br. H. G. Kleyn . Algemcene Kerk en Plaatselijke LTcmeente, p. 33,
? Zoo wordt b. v. de nationale Synode, a0 1586 te \'s Gravenhage gehouden, in de acta van de N.-Hollandselie provinciale Synode van Mei 1587 als eene quot;generalequot; genoemd. Zie Dr. Reitsma en Dr. van Veex , Acta der Provinciale en Particuliere Synoden, D. I, p. 140. Zie ook het slotartikel van de Acta van de nationale Middelburgsehe Synode van 1581, waar blijkbaar generaal en nationaal als synoniem worden gebruikt (Cf. art. 27). W. d. M. V., S. II, D. III, p. 401.
3 ïn den eigenlijken zin van het woord is wellicht de Synode in
179
geweest, aangezien alleen Nederlandsche gemeenten, hoewel quot;van beider spraeckequot;, daar vergaderd waren. Generaal in den meer beperkten zin of wel nationaal is zij echter ongetwijfeld geweest.
Het kan aan bedenking onderhevig schijnen, of dit wel gezegd is in den zin der broeders te Emden vergaderd. Meermalen toch vinden wij, dat zij eene quaestie onbeslist laten, totdat daarover door eene generale Synode, hetzij voor het eerst, hetzij anders zal worden beslist. \' Uit zulke bepalingen nu zou af te leiden zijn, dat zij aan hunne bijeenkomst, hoewel dan ook het karakter van eene Synode, toch niet dat van eene generale Synode meenden te kunnen toekennen, waarmede nog schijnt over een te stemmen, dat, terwijl men besloot om de twee jaren eene generale Synode te houden, nochtans bepaald werd, dat, zoo mogelijk, de eerstvolgende zou worden saamgeroepen tegen de lente van 1572. Maar aan deze beide momenten moet niet te veel gewicht worden gehecht en dit, omdat de Gereformeerde vluchtelingen uit Engeland niet in de vergadering vertegenwoordigd waren geweest. Die afwezigheid was te Emden zeer betreurd en is hoogstwaarschijnlijk de aanleiding geweest voor het besluit
1G18 en 1(519 te Dordrecht gehouden de eenige, die den naam van generaal verdient, en dit nog alleen met betrekking tot die zittingen, waarin over de leer gehandeld werd, daar de buitenlandsehe godgeleerden de vergadering voor goed hadden verlaten, toen de kerkordening ter tafel kwam (cf. Hooueb, a. w., p. 429). De namen der buitenlandsehe godgeleerden komen voor in de Sess. 3, 34, 37 en G2. Er waren afgezanten van Engeland, de Paltz, Hessen, Zwitserland, Genève, Bremen, Emden en Nassau.
1 Zie b. v. de artt. 13, 19 en 20 en de 3(l0 Quaestio Partieularis.
12*
180
betreffende het houden van eene algemeene Synode in 1572.1Die afwezigheid der Engelsche deputaten was verder oorzaak, dat de broeders te Emden hunne vergadering meer als eene voorloopige beschouwden, zooals blijkt uit den brief van Moded van 1-1 October 1571.2 En deze beschouwing bracht met zich, dat zij huiverig waren hunne bijeenkomst eene generale Synode te noemen. Intusschen, het oorspronkelijk plan was geweest zulk eene Synode, en zulk eene alleen, samen te roepen. Uit de beschouwing der voorbereidende maatregelen is genoeg gebleken, dat het met dit voornemen waarlijk ernst was en geene moeite is gespaard geworden, om dat voornemen te verwezenlijken. Verder moeten wij in het oog houden, dat de Synode later, ook door hare leden zelve, als quot;Generael of Nationaelquot; werd beschouwd,3 en ten slotte getuigen
1
Dit blijkt hieruit, dat besloten wordt de Synode te houden in de lente van 1572, indien de gemeenten in Engeland gezanten hunnen en willen zenden, maar zoo niet, dan haar uit te stellen tot het volgende voorjaar. Cf. de 23ste Quaestio Particularis.
2
Zie Bijlage B. Nadat Moded gezegd heeft dat zij eenige dagen op dé komst der Engelschen hadden gewacht, deelt hij mede, hoe quot;het de versamelinge niet goet heft gedocht, in sulk een christlick ende nodich werek, met so grote moeijte ende costen gedan, ledich, sonder enige vrucht te scheyden, maer veele mer een inganck ende voorbe-reydinge te done, tot dese ghemene sake der Nederlantscher Kercken belangende.quot; En zoo wordt den Engelschen broeders afschrift gezonden van wat in de gehouden vergadering quot;scer luefclick ende broderlick, op verbeteringe des naesten Synodalis versamelinge, verhandelt ende geaccordeert is gewest.quot;
3
Cf. den brief van Gaspar van der Heyden, den 20st«n September 1577 uit Middelburg geschreven, bij Dr. M. f. van Lennep, Gaspar van der heyden, p. 236,vgg. De bedoelde passage is aldaar te vinden
181
de acta zelve, dat wij hier met zulk eene nationale of generale Synode te doen hebben. Wij herinnerden er reeds aan, hoe de Synode de gansche Kerk in drie groote Provinciën verdeelde en twee dezer wederom in Classes; wij kunnen hier nog aan toevoegen — wat de inhoud is van het é*16 artikel — dat het besluit , genomen aangaande de onderteekening van de Belijdenis des geloofs, ook bindend was voor alle Nederlandsche predikanten , die niet ter vergadering aanwezig waren en voor hen, die eenmaal tot den dienst des Woords zouden worden geroepen.
p. 237. Er was sprake van bet houden van eene provinciale Synode. Daarover was aan van der He yd en geschreven en nu geeft deze den raad liever eene generale te beleggen: quot;nv moest men niet alleen beroepen die by ons woonen in Brabant of Vlaenderen, maer oock die in Vries-landt, Gelderlandt, omtrent der Mase of elders woonen, ende also soude de versamelinge niet Prouinciael, maer schier Generael of Nationael, ofte immers so groot syn als die men tquot; Embden gehouden heeft.quot; Zoo wordt de Synode te Emden in de quot;Kercken-Ordeninghen der Gherefor-meerder Nederlandtscher Kerckenquot; klaarblijkelijk gerekend onder de nationale Synoden. Generaal wordt zij genoemd in de acta van den Kerkeraad der Gereformeerde vluchtelingen te Keulen van 6 en 10 December 1571. (W. d. M. V., S. I, D. III, p. 13, 15.) en in de Handelingen van de Keulsche Classe van 2 November 1572 (W. d. M. V., S. II, D. II, p. 23.)
HOOFDSTUK V.
DE IsT AW EE KIN Gr DER SYNODE.
hoofdstuk; V.
DE NAWERKING DEK SYNODE.
Wij hebben boven gezien, dat in cle Synode verscheidene afschriften der acta zijn gemaakt, die deels door de ter vergadering aanwezigen zijn medegenomen, deels aan de gemeenten, die niet vertegenwoordigd waren geweest, zijn toegezonden, opdat allen, wier medewerking was gevraagd, ook van de genomen besluiten kennis konden nemen. Hoe die besluiten ontvangen zijn, hebben wij thans te onderzoeken.
Wenden wij in de eerste plaats het oog naar Engeland. De broeders aldaar hadden, zooals boven is aangetoond, wegens gebrek aan tijd, geene gelegenheid gehad afgevaardigden te zenden, ja zelfs was de tijdruimte te kort geweest, om schriftelijk van hunne meening aangaande het al of niet wensehelijke eener Synode te doen blijken. Hoe dus de broeders in Engeland over de ontworpen Synode dachten, was den te Emden vergaderden onbekend geweest.
Daarom werd hun terstond na afloop een brief toegezonden met een afschrift van datgene wat besloten was. Die brief is het schrijven van Moded van 14 October 1571,
186
waarvan ■wij reeds met een enkel woord melding maakten. 1Het opschrift luidt: quot;An de Ministers, ouderlingen ende Diakenen der Nederduijtscher ghementen tot Londen,quot; terwijl de brief onderteekend is: quot;In Enden, den 14 Ootobris 1571. Bij ons u alle goetwillige broders ende mededinars Hermannus Moded , wt den name ende bij laste van de gehele versamelinge, der Nederlantsche Duijtsche ende Walsohe Kercken ende Ministers, so binen, so buijten de Nederlanden herwart ouer verstroyet.quot;
Die brief was dus gericht aan de Nederduitsche gemeente te Londen, maar niet alleen deze, ook de andere gemeenten in Engeland moesten weten, wat er te Einden besloten was. Aan het slot van zijn schrijven toch vraagt Moded uit naam der Synode aan de gemeente te Londen, of zij zoo spoedig mogelijk zoowel van de acta als van zijnen brief kopie wilde zenden aan alle andere Neder-landsche gemeenten in Engeland, en bovendien den broeders te Sandwich en Norwich - inzage verleenen van de origineele stukken. Werd voor de Nederduitsche gemeenten alzoo gezorgd, ook de Walsohe werden niet vergeten. Bij besluit der Synode werd aan Jean Tappin opgedragen aan die gemeenten eenen brief te zenden met eene kopie van de acta. 2
Uit deze besluiten der te Einden vergaderde broeders
1
Zie p. 137, 148, vg. De brief is afgedrukt in Bijlage B.
2
Zie het slot van den brief van Mooed.
187
blijkt, hoeveel waarde er door hen aan gehecht werd, dat alle Gereformeerden eenstemmig zonden zijn in alle punten, de leer, de kerkregeering en den welstand der gemeenten betreffende. Met het oog op die eenstemmigheid was de Synode bijeengeroepen. Daar nu niet alle de broeders vertegenwoordigd waren, kan het niet verwonderen, dat op hetgeen besloten was, de goedkeuring der afwezigen gevraagd werd. Dit was dan ook het doel zoowel van het schrijven van Moded , als van den brief, dien Tapfin naar de Walsohe gemeenten in Engeland te zenden had.
Moded begint zijnen brief met aan te toonen, hoe den christenen bevolen is, den heiligen en zuiveren godsdienst te bewaren ter eere Gods en tot eenheid en stichting zijner gemeente, en hoe dienovereenkomstig de apostel gebiedt, dat alle dingen eerlijk en met orde zullen geschieden. Hiervan doordrongen hadden reeds in vroeger dagen onderscheidene vrome dienaren des Woords in Engeland innig verlangd naar eene generale Synode, welke begeerte ook levendig was geworden bij de quot;vromequot; predikanten en in de gemeenten der Nederlanders, die in Duitschland eene toevlucht hadden gevonden. Na deze inleiding gaat hij verder met in herinnering te brengen, hoe dit verlangen geleid had tot de vergadering, die den l5\'6» October te Emden zou zijn geopend. Dien dag waren dan ook verscheidene deputaten aanwezig geweest; evenwel was de vergadering toen nog niet begonnen, omdat men hoopte, dat de broeders uit Engeland, die nog niet verschenen waren, alsnog zouden komen, hoewel aan die komst grootelijks getwijfeld werd. Toen echter de eene dag na den andere verliep
188
en de broeders uit Engeland nog steeds op zich lieten wachten, was de vergadering geopend, omdat men meende niet onverrichter zake te mogen terugkeeren. Eenerzijds drong het noodzakelijke van den te verrichten arbeid, andererzijds de genomen moeite en de gemaakte onkosten, om de hand aan den ploeg te slaan en, zoo al niet het gewenschte resultaat te bereiken was, dan ten minste quot;een inganck ende voorbereydinge te done, tot dese ghemene sake der Nederlantscher Kercken belangende.quot; 1
Wat in die vergadering besloten was en vastgesteld quot;op verbeteringe der naesten Synodalis versamelingequot;, 1 werd den broeders in Engeland toegezonden, opdat zij er kennis van konden nemen. Zij moesten echter niet meenen, dat de te Emden vergaderden hunne besluiten hadden genomen quot;tot enege praeiudiciequot; van henlieden of van eenige andere gemeente. Integendeel was het slechts hunne bedoeling door de toezending van de acta de broeders in Engeland te verlevendigen in hunnen ijver voor quot;dese algemene noodige sake,quot; en hen aan te sporen, met hunne gewone vlijt en hunne bekende getrouwheid, in samenwerking met de andere broeders ernstig te beraadslagen over die stukken, die den Nederlanden en den Nederlandschen Kerken quot;stichtelick ende prof j\'tlickquot; waren, doordien zij den „welstandt ende eenic-heytquot; zouden bevorderen. Hun verzoek was derhalve, dat de broeders in Engeland ter volgende generale
1
Volgens de aangehaalde woorden schijnt de Synode zich zelve meer als eene voorloopige Synode, en haar besluiten als voorloopige besluiten te hebben beschouwd.
189
Synode hun gevoelen over de nu genomen besluiten tei\' tafel zouden brengen, terwijl gezegd werd, dat aan de inwilliging van dat verzoek niet werd getwijfeld. Zoodra er antwoord ontvangen was — welk antwoord te Emden zoo spoedig mogelijk werd tegemoet gezien — 1 zou den broeders in Engeland worden bericht, waar en ojj welken dag de Synode zou worden gehouden.
Voorts sprak Moded nog den wensch der broeders uit, dat de genomen besluiten den Gereformeerden in Engeland zouden behagen, zoo al niet in vorm, dan toch in hoofdzaak en met betrekking tot de substantieele stukken aangezien het hier ging om de eenheid van alle Gereformeerden en de quot;stichtinge der Keroken.quot; Daarom hoopte de vergadering zeer, dat er tusschen de broeders in Engeland, in Nederland en in de verstrooiing mocht blijken te bestaan eenheid in leer, gelijkheid der Dienaren en overeenstemming in de onderhouding van dassen, in het waarnemen van ceremoniën , in de oefening der tucht en in andere dingen van dien aard.
De brief eindigt met het verzoek om de acta en den brief zeiven in kopie naar de andere Nederrtuitsche gemeenten te zenden, en met het bericht, dat JEAN TAPPIN aan de Walsche gemeenten schrijven zoude,2 terwijl ten slotte nog het reeds besproken postscriptum volgt. 3
1
Moded schrijft dat het antwoord moet worden gezonden aan quot;de broders hyr tEmden geseten ende hyr onder getekent.quot; In de kopie van den brief, mij goedgunstig bezorgd, komen die onderteekeningen echter niet voor.
2
Zie pag. 184.
3
Zie pag. 149.
190
Behalve dezen brief, die quot;den 13 December 1571 in consistorie ontfanghenquot; werd, 1 is te Londen ook nog aangekomen een brief van petrus Dathbnus. 2
Te Emden was besloten, de broeders in Engeland te vermanen, dat zij voortaan classikale vergaderingen zouden houden, en hun tevens op het hart te drukken, dat zij, wanneer eene generale Synode was uitgeschreven, daarheen hunne deputaten zouden zenden. De uitvoering van dit besluit was opgedragen aan de classis van de Paltz, en uit naam van deze schreef petrus Dathenus aan de broeders in Engeland. Wanneer deze brief is geschreven, weten wij niet; evenmin is het ons bekend, wanneer hij in Engeland is aangekomen.3 Maar zeker is het, dat deze brief in vereeniging met het schrijven van Moded de Gereformeerden te Londen er toe gebracht heeft, aan het verlangen der Synode gehoor te geven. Afschriften van de acta en van de brieven zijn aan alle Nederduitsche gemeenten in Engeland verzonden, en dit met het vriendelijk verzoek, te willen berichten, wat haar gevoelen was aangaande eene verdeeling der gemeenten in Classes en wat naar haar oordeel geantwoord moest worden met betrekking tot de Synode,
1
Niet alleen is hij te Londen gelezen, maar waarschijnlijk ook te Norwich, want onder de in den tekst aangehaalde woorden staat nog met eene andere hand quot;Norwycsquot; geschreven.
2
S. in, D. T, p. 85.
3
Simeon Ruytinck, aan wien deze bizonderheden zijn ontleend,
191
die men in cle lente van het volgende jaar hoopte te houden. 1 Deze bemoeiingen der gemeente te Londen
1 Deze en cle volgende bizonderheden zijn meerendeels ontleend aan eenen brief, dien de Nederduitsehe Gereformeerden den 14den Maart 1572 hebben geschreven. Deze brief is uitgegeven in Archivum, N0. 110, p. 391—393.
Volgens het opschrift is hij gericht aan de gemeente te Emden. maar de Heer Hessels twijfelt er aan, of dit opschrift wel juist is en of wij hier niet te denken hebben aan een brief, gericht aan Petrus Dathenus en Jean Taffin of aan de Classis van de Paltz. Voor het laatste spreekt namelijk, dat in een brief, den 2den Juni 1572 aan Petrus Dathenus, als representant van die Classis, door de gemeente te Londen geschreven, van dien brief van 14 Maart 1672 melding wordt gemaakt als van een schrijven, dat naar de Paltz was verzonden. Intusschen, zoo eindigt de Heer Hessels zijne opmerkingen, waar alle zekerheid ontbreekt, kunnen wij het opschrift boven den brief laten zooals het is, omdat het niet onmogelijk is, dat de generale Synode te Emden even goed als Petrus Dathenus aan de vluchtelingen in Engeland heeft geschreven ter zake van eene tweede generale Synode. Deze onderstelling van den Heer Hessels is later bevestigd door de ontdekking van den brief van Moded van 14 October 1571. Waar nu èn deze brief èn het schrijven van Petrus Dathenus hetzelfde onderwerp behandelen, is het m. i. zeer waarschijnlijk, dat de brief van 14 Maart 1572 door de broeders in Engeland geschreven, zoowel naar de Paltz — met name naar Petrus Dathenus — als naar Emden is verzonden. (Dat de Heer Hessels hier bij den naam van Petrus Dathenus ook dien van Jean ïaffin voegt, is klaarblijkelijk eene vergissing. Hij verwijst naar Meiners 1, p. 428, waar zeer zeker Petrus Dathenus en Jean Taffin in éen adem worden genoemd, doch de taak, aan die beiden opgedragen, is niet om te correspondecren met de broeders in Engeland, maar om in de eerstvolgende Synode in Frankrijk kennis te geven van wat in Art. 2 van de Emder Acta besloten is, en daarna in de eerstvolgende Synode der Neder-landsche broeders te rapporteeren, welke beslissing door de Fransche
192
hadden ten gevolge, dat den lOquot;\'1quot; Maart 1572 van de meeste der Nederduitsohe gemeenten in Engeland depu-taten te Londen samenkwamen, teneinde over die twee punten onderling te beraadslagen en te beslissen.
Op deze provinciale Synode, zooals die vergadering — in kerkelijken zin — veilig kan worden genoemd, had eene indeeling der gemeenten in Classes de meerderheid der stemmen voor zich, maar tot zulk een indeeling over te gaan durfde men niet, alvorens de Koninklijke Commissarissen voor kerkelijke zaken waren geraadpleegd. Diensvolgens werd besloten een quot;libellus supplexquot; op te stellen en daarin de bevoegde autoriteit te verzoeken, den Gereformeerden in Engeland de vrijheid te verleenen, naar mate het welzijn der kerken het eischte, samen te komen in classikale of generale bijeenkomsten. Staande de vergadering werd dit stuk in gereedheid gebracht.
In de tweede plaats werd in die bijeenkomst besloten te antwoorden op het verzoek, dat namens de Emder Synode was ingekomen, en ook aan dit besluit werd aanstonds uitvoering gegeven. Den 14dlil1 Maart 1572 werd een brief geschreven, waarin werd medegedeeld, hoe de Engelsche broeders stonden tegenover de twee punten, die hun ter behartiging waren voorgesteld. 1
De brief begint met eene betuiging van dankbaarheid voor de beleefdheid hun betoond, door het houden van eene tweede algemeene Synode afhankelijk te stellen
1
Zie over dien brief de vorige noot.
193
van het al of niet kómen van deputaten van alle of van enkele gemeenten in Engeland, terwijl de zegen Gods wordt afgesmeekt over de pogingen van de broeders op het vasteland, opdat die in waarheid met heerlijke vruchten mogen worden gekroond ter verheerlijking Gods. Nadat vervolgens in \'t kort is medegedeeld, hoe aan het verzoek der Synode te Emden gevolg was gegeven, en door die bemoeiingen vier dagen geleden van de meeste gemeenten deputaten waren samengekomen, wordt bericht welke besluiten in die vergadering genomen zijn.
Wat de indeeling der gemeenten in classes aangaat, konden zij vooreerst nog niet schrijven, in hoeverre zij aan de aansporing der Synode gevolg zouden kunnen geven. Wel hadden zij stappen in die richting gedaan door het indienen van hun quot;libellus supplex,quot; maar het antwoord — dat wel spoedig komen zou — diende eerst te worden afgewacht, aangezien zij zonder toestemming der Commissarissen het niet mochten en tegen hun zin niet konden doen.
Wat het tweede punt, de afvaardiging naar de generale Synode, betrof, konden zij geene hoop geven, dat deputaten van hunnentwege die vergadering zouden bijwonen. Verscheidene oorzaken werkten daartoe samen. In de eerste plaats verboden het de wetten des lands, en inde tweede plaats waren zij niet vrij, maar ook in dezen geheel afhankelijk van de Commissarissen en Superintendenten, aan wier zorg zij door de Koningin waren toevertrouwd. Ten derde zouden in deze moeitevolle tijden de te zenden deputaten aan de grootste gevaren blootstaan, en zou het licht kunnen gebeuren, dat door het onderscheppen
13
194
van de brieven de gemaakte plannen uitlekten of ook geheel en al werden verijdeld, terwijl als vierde reden werd opgegeven, dat, al zonden de gemeenten in Engeland deputaten, zij dan nog geenszins zich altijd zouden kunnen onderwerpen aan de genomen besluiten, omdat haar van hooger hand bepalingen waren voorgeschreven, waaraan zij zich te houden hadden.
De brief eindigt met het verzoek, de genoemde redenen, waaraan zij nog andere zouden kunnen toevoegen, niet in hun nadeel te willen uitleggen, terwijl de verzekering gegeven werd, dat alle de Gereformeerden in Engeland, hoewel zij aan de Synoden van het vasteland niet zonden kunnen deelnemen, toch beschouwd moesten worden als zoodanigen die, voor zooveel het hun mogelijk was, gaarne getuigenis gaven, dat zij met de andere broederen in leer, tucht en kerkregeering volkomen overeenstemden, met die broeders in oprechte vriendschap wenschten te leven, zooals zij daartoe verplicht waren door hun gemeenschappelijk vaderland en het belijden van den zelfden CHRISTUS, en dat zij bovendien de pogingen dei-broeders naar vermogen wilden aanwakkeren en ondersteunen.
Uit dezen brief blijkt voldoende, hoezeer de bemoeiingen der Gereformeerden op het vasteland de sympathie der broeders in Engeland wegdroegen, en hoe het alleen te wijten was aan de bizondere omstandigheden, waaronder zij verkeerden, dat zij die instemming niet konden doen blijken door het zenden van deputaten.
Ook de indeeling der gemeenten in Classen is niet tot stand gekomen. De indiening van den quot;libellus supplexquot;
195
te dezer zake toont, hoezeer zij gewenscht hadden althans in dezen de Einder voorschriften na te leven, maar de Commissarissen, tot wie zij zich hadden te wenden, oordeelden dat de gevraagde indeeling streed met de wetten des lands en dat die wetten niet gedoogden Classikale bijeenkomsten te honden, naar andere vergaderingen afgevaardigden te zenden, of de besluiten van die vergaderingen te onderteekenen. En zoo werd op den quot;libellus supplexquot; eene weigering ontvangen, zóo beslist, dat de broeders in Engeland elke hoop moesten opgeven, in die beslissing eenige verandering te zien aangebracht. 1
Terwijl dit alles in Engeland plaats had, zag men in de Paltz steeds verlangend uit naar antwoord van de broeders in Engeland, daar het van dat antwoord zou afhangen, of de algemeene Synode in de lente van 1572 zou worden gehouden. - Aangezien nu maand na maand verliep, zonder antwoord uit Engeland te brengen, en het op die wijze reeds lente was geworden, werd in de Paltz op de Classikale vergadering van Ki en 17 April 1572 besloten, liet houden van de Synode een jaar uit te stellen, in overeenstemming met de te Emden gemaakte bepalingen, terwijl eenige dagen later, den 20stquot;1 April, een brief naar Engeland werd gezonden om van dat besluit kennis te geven. De brief is geschreven door Petrus Dathenus quot;ex mandato Classis Palatinae.quot; Hij begint met de mededeeling, dat de
1
Zie W. d. M. V., S. Ill, D. I, p. 83.
19G
broeders in de Paltz, niet twijfelende of de stukken op de Emder Synode betrekking hebbende waren in goede orde in Engeland ontvangen, met verlangen hadden uitgezien en nog steeds uitzagen naar het antwoord van de broeders aldaar op de vraag, of ook zij bereid waren, zoowel de Fransche als de Nederlandsche belijdenis des geloofs te onderteekenen, ter bevordering en onderhouding van onderlinge overeenstemming. De tijding, die men in de Paltz had vernomen, dat de broeders in Engeland in de maand Maart waren samengekomen, had de hoop gewekt, dat men nu ten minste spoedig eenig antwoord zou ontvangen. Maar tot nog toe was die hoop niet vervuld. \' En aangezien men daardoor nog steeds in het onzekere verkeerde over de houding, die de Engel-sche broeders zouden aannemen, was in de onlangs gehouden Classikale vergadering besloten de generale Synode uit te stellen tot de lente van het jaar 1573. Van dit besluit werd kennis gegeven met de verzekering, dat, naar alle waarschijnlijkheid, de mededeeling van tijd en plaats in bizonderheden na afloop van de aanstaande Frankforter mis kon worden tegemoet gezien. Du brief eindigt met hot verzoek, er voor te zorgen, 1° dat alle Nederduitsche gemeenten in Engeland van deu inhoud werden in kennis gesteld, opdat zij zich voor de Synode konden voorbereiden, en 2° dat, zoo er nog geene vergadering gehouden was om over de voorgestelde punten te beraadslagen, die vergadering zoo spoedig mogelijk zou worden belegd, opdat zoowel de
1 Blijkbaar was dus de brief van 14 Maart 1572 den 20stcn April nog niet in de Paltz aangekomen.
197
Nederlandsohe als de Franscho gemeenten van hunne instemming verzekerd mochten zijn.
Dit schrijven is den 20quot;™ Mei 1572 door het consistorie der Nederduitsche Gereformeerde gemeente te Londen — waaraan het gericht was — ontvangen, terwijl het den 2\'\'en Juni d. a. v. is beantwoord door de quot;Ministri pere-grinarum Ecclesiarum qn[a]e sunt Londinj.quot; 1 Het antwoord is gericht aan Petrus Dathenus en begint met hem te melden, dat zijn brief van 20 April in goede orde is ontvangen. Uit dat schrijven was hun gebleken, dat de missive van 14 Maart toen nog niet was ontvangen, waarom zij nu eene kopie insloten, opdat, wanneer het origineele stuk nog niet mocht zijn bezorgd, uit die kopie blijken mocht, hoe de zaken den l-lden Maart stonden, hoe zij alles gedaan hadden, wat in hun vermogen was, om mede te werken tot den bloei der Kerk en hoe zij naar behooren hadden geantwoord.
Zij konden thans daaraan toevoegen, dat hun door de Commissarissen van Hare Majesteit de Koningin voor kerkelijke zaken was aangezegd, dat het den vreemdelingen in Engeland niet vergund zou worden, Clas-sikale vergaderingen te houden, naar Synoden, buiten Engeland saamgeroepen, zich te begeven, of ook de besluiten van zoodanige Synoden te onderteekenen. De genoemde Commissarissen hadden daarbij duidelijk te
\' Deze brief ia te vinden in Arehivara, N0. 117, p. 110, vg. Hij is onderteekend door Jean Cousin namens de ..Ecclesia Londino-gallica,quot; door George Wybo (Geohgiüs Wybotius of Silvanüs) namens de quot;Ecclesia Londinogermanicaquot; en door Godfried van Wingen als dienaar des Woords van de quot;Ecclesia belgiogermanica.quot;
198
verstaan gegeven hoezeer het hun mishaagde, dat de vreemdelingen, zooals hun was medegedeeld, eene vergadering hadden belegd, om de artikelen eener overzeesche Synode te onderschrijven. Zoo iets toch was in lijnrechten strijd met de wetten en instellingen van Engeland, en eene dusdanige handeling kon den vreemdelingen allicht duur te staan komen. Daarom werden zij gewaarschuwd voor het doen van pogingen tot verkrijging van meerdere vrijheid dan hun door de Koninklijke gunst en de welwillendheid der Magistraten was verleend, aangezien ontevredenheid allicht kon uitloopen op eene inkorting der vrijheid.
Op grond van dit alles was het duidelijk, dat, hoe gaarne zij ook wilden, zij toch niets konden doen met het oog op eene generale Synode, daar elke poging in die richting hen gevaar deed loopen in ongenade te vallen, wat natuurlijk voor de gemeenten tot groot nadeel zou zijn. Zij verzochten derhalve de kerken op het vasteland hen in waarheid te beschouwen als mannen, die niets zoozeer begeerden als naar vermogen met de broeders over zee samen te werken, waarom zij eindigden met het uitspreken van de hoop, dat zij met Gods hulp van dag tot dag betere getuigenissen van hunne begeerte zouden kunnen geven, en met de bede, dat het Gode behagen mocht ten allen tijde met zijnen Geest den arbeiders in zijnen oogst nabij te wezen, en de heilige pogingen en onafgebroken werkzaamheid van de broeders op het vasteland te doen gelukken tot verheerlijking van zijnen Naam.
Onderwijl deze correspondentie tusschen de Gereformeerden in Londen en petrus Dathenus gevoerd werd, hadden ook de broeders te Einden eene opwekking naar
199
Engeland gezonden, om toch vooral mede te helpen tot bevordering van het werk, dat op de gehouden Synode begonnen was. Den gSquot;™ Mei 1572 namelijk ontving Herman Moded, die toen predikant te Norwich was, onder andere brieven een zoodanig schrijven, waarin hem tevens verzocht werd te berichten, wat in Engeland met het oog op de saam te roepen generale Synode was gedaan en besloten, en dat bericht óf dadelijk naar Heidelberg te zenden, of ter verdere opzending aan de gemeente van Emden te doen toekomen. 1
Moded raadpleegde terstond na ontvangst van dezen brief de gemeente te Londen, - gaf haar van den inhoud kennis en drukte zijn verlangen uit, dat de broeders in Engeland zoo spoedig mogelijk zouden samenkomen, opdat door hen eendrachtelijk iets gedaan of besloten zou worden in het belang van de te houden generale Synode. Verder zou hij gaarne met hen confereeren over quot;dinersche stucken,quot; die zich beter lieten bespreken dan beschrijven. Hij zag namelijk duidelijk, dat er allerlei quot;onordentlicheyt begoost wert int begeren ende wtsenden der Dienarenquot; in het Vaderland, wat hem groot leed deed, aangezien het schadelijk was voor de zuiverheid van den godsdienst en het welzijn der Nederlanden. Zijne begeerte was derhalve, dat weldra in eene vergadering zulke maatregelen zouden beraamd worden, waardoor quot;met
1
Dit blijkt uit eenen blief den 29stel1 Mei 1572 te Norwich door Moded gesclireven. Het deel van den brief, dat op het in den tekst gezegde betrekking heeft, is mij welwillend door den Heer ■). H.
200
eendrachtich accort ende autoriteit het welvaren der Kercken ende onses vaderlants geholpenquot; kon worden.
Wat na het ontvangen van dezen brief door het Londensche consistorie is gedaan, weten wij niet. Zeker is het evenwel, dat hij ten opzichte van de te houden Synode niets zal hebben uitgewerkt. Men denke slechts aan den brief van 2 Juni 1572.
Vatten wij thans samen, wat wij bij het beluisteren van de broeders in Engeland hebben opgevangen, dan blijkt, dat zij de besluiten van Einden gaarne hadden onderteekend, indien het hun mogelijk ware geweest, en dat zij inderdaad verlangend waren om deel te nemen aan de overzeesche Synode, maar door het verbod der Commissarissen aan dat verlangen niet konden voldoen. 1 Intusschen schijnt het, dat zij in latere jaren meerdere vrijheid hebben verkregen. Althans in de Nationale Synode, 3—18 Juni 1578 te Dordrecht gehouden, had usbrandtjs TrabiüS zitting als gedeputeerde van de quot;Kerken in Engelandquot; 2 en in de Nationale Synode, 30 Mei—21 Juni 1581 te Middelburg gehouden, waren onderscheidene deputaten van tie gemeenten in Engeland aanwezig. 3 Wanneer en op welke wijze zij die
1
Zoo werd ook op de Provinciale Dordtsche Synode verklaard:
2
■\'Die van Enghelandt hebben haer beste ghedaen, aengaende t\' gheno dat inden achten artikel des Embdtschen Sijnodi besloten is, dan sijn vanden Bisschoppen verhindert.quot; W. d. M. V., S. II, d. Ill, p. 135.
3
Zie W. d. M. V., S, TT, D. TTI, p. 315 en p. 262, dc brief met de uitnoodiging om aan deze Synode deel te nemen, door de Dienaren van de Gemeenten van Zuid- en Noord-Holland en Walcheren naar Engeland gezonden, is te vinden Archivum, N0. Itiö, p. 611—61-1.
3 W. d. M. V., S. IT, D. III, p. 360. Merkwaardig is ten opzichte
201
meerdere vrijheid hebben gekregen, is niet met zekerheid te zeggen. 1 Zeer waarschijnlijk is het echter, dat de laatste maanden van 1574 of de eerste van 1575 hun het verlangde hebben gebracht. In het begin van dit jaar toch schreef het Consistorie van de Nederduitsche Gemeente te Londen aan de Classis van Walcheren,2 dat, indien noo-
1
Mogelijk is, dat in later tijd meer dan vroeger gelet werd op het groote voordeel dat de vluchtelingen Engeland aanbrachten. Bij een bezoek althans door Koningin Elizabeth in 1578 aan Norwich gebracht, heeft zij den Magistraat dier plaats gelast „de arme vremdelingen vrindelijck te zijn ende niet te beswaren.quot; W. d. M. V., S. HI, D. I, p. 135, vg.
2
Zie de voorlaatste noot. Sept. 1574 moest het Consistorie afwijzend
203
dig, deputaten naar de algemeene synode zouden worden gezonden, terwijl verder den 15\'icn Maart het eerste colloquium van de Nederlandsche gemeenten te Londen werd gehouden. 1 Raadplegen wij nu de acta dier samenkomst, dan vinden wij daar melding gemaakt van de twee vragen quot;der broederen van over See (d. i. van de Synode te Emden) te weten van de afdeelynghe der Classen onser ghemeenten binnen desen rij cke ende van die verwillynghe totten Synode generale.quot; quot;2 Aangaande de eerste wordt besloten in quot;die bedeelynghe der Kercken in classesquot; toe te stemmen en met betrekking tot de tweede is quot;ver-willighetquot;, dat er enkelen zouden worden gedeputeerd quot;tot den generalen synodumquot;, wanneer de Classis van de Paltz haar zou hebben samengeroepen. 3 Kennelijk hebben de broeders in Engeland dus, zoo spoedig hun dit mogelijk was, zich geschikt naar de besluiten van de Einder Synode en door daden die sympathie getoond, waarvan zij vroeger blijk gaven in woorden. Op het Colloquium van 13 Mei 1578 , dat met het oog op de Nationale Synode in dat jaar te Dordrecht te houden belegd was,4
1
Zie W. d. M. V., S. II, D. I (Acten van de Colloquia der Nederlandsche Gemeenten in Engeland), p. 3.
2
A. w., p. 4, vg.
3
A. w., p. 5, vg.
4
Volgens besluit van het Colloquium van 18 Mei 1577 te Colchester gehouden, zou dat van 1578 den 28ston Mei te Londen zijn geopend (a. w., p. 37). Tengevolge echter van den brief van de quot;Classis der Itercken van Znydt- ende Noordt-JSollandt ende van Walcheren, van
2015
zijn dan ook, na de verkiezing der deputaten, de acta van de Synode te Emden en die van de Provinciale Synode van Dordrecht voorgelezen , om naar aanleiding van beider acta en particuliere vragen op de te houden Synode voorstellen te doen. \' Wanneer wij die nagaan, dan blijkt ons dat de broeders in Engeland in hoofdzaak volkomen instemden met de besluiten te Emden genomen en alleen in bijzaken eenige veranderingen noodig oordeelden. - Die instemming bleek in later tijd nog duidelijker. Op het Colloquium, den 285quot;quot; Augustus 1599 te Londen gehouden, was de vraag geopperd: quot;oft daer is een kerckenordeninghe, daernae haer de Nederduytsche kercken in desen coninckr. regulerenquot;, waarop geantwoord was: quot;jae, nam. de Neder-landsche kerckordeninghe, die men volgen sal so veel moghelick is.quot; 1. Op die vraag en dat antwoord kwamen de broeders in het volgende colloquium (den 12d\'n Juli 1609 te Londen begonnen) terug. In aanmerking werd genomen, dat het quot;behoirlyckquot; was, dat men quot;sich schickte naer de kerckordeninghe van de overseesche Ghetcn, zo verre het moghelick wasquot;, aangezien deputaten de Synoden van 1578 en 1581 hadden bijgewoond. En op grond van deze overweging werd met algemeene stemmen besloten,
1
A. w., p. 99.
204
quot;ut de voorghemekle Synoden ende ut onse voorgaende Colloquia een corpus disciplinae te trecken, dat van de Ghe\'*quot; eensamentlick 1 moght aenghenomen ende onder-teeckent worden om in elcker consistorie te berusten ende onse ghemeenschap daerdoor te versegelen.quot; - Aan den President en den Scriba2 werd opgedragen aan dit besluit uitvoering te geven. 3 De vrucht van hunnen arbeid is ons nog bewaard, 4 en daaruit blijkt, dat onder de stukken, die voor de samenstelling van het quot;corpus disciplinaequot; zijn gebruikt de Acta Emdana niet zijn vergeten.
Slaan wij thans het oog op de Gereformeerden, die in Duitschland in ballingschap en verstrooiing leefden. Uit den brief van Petbus Dathbnüs, dien wij hierboven vermeldden,0 blijkt dat in de Paltz de Acta van de Einder Synode met instemming zijn ontvangen. Genoemde brief immers is een duidelijk bewijs, dat de Classis, uit wier naam hij geschreven werd, de besluiten te Emden genomen wilde naleven en verlangend was om op den daar ingeslagen weg voort te gaan. Intusschen mogen wij niet vergeten, dat alle de besluiten niet konden worden opgevolgd, aangezien de wil van den
1
Eensamentlick = gemeenschappelijk.
2
President was Jonas Proost , predikant te Coleliestcr; scriba Simeon Ruytink, predikant te Londen. Cf. a. w., p. 102.
3
A. w., p. 105.
4
A. \\v., p. 135—152.
205
Keurvorst ook in kerkelijke zaken als wet gold, en deze in zijn gebied quot;eine presbyteriale Gemeindeordnung in Verbindung mit landesherrlich consistorialem Kirchen-regimentquot; had ingevoerd. 1
Dat ook te Emden het verlangen levendig was aan de Acta Emdana de hand te houden volgt uit de aansporing, die door de broeders aldaar naar Engeland is gezonden, en, zooals wij gezien hebben, den 28s,en Mei 1572 door Herman Moded werd ontvangen. -.
In meer bizonderheden is het ons echter bekend, hoe de besluiten van de Einder Synode in de Keulsche Classis en vooral in Keulen zelf zijn begroet. 2 Hierbij sta terstond op den voorgrond, dat de aldaar gevestigde Nederlanders, gelijk zij krachtig hebben geijverd voor het tot stand komen van de Synode, zoo ook alle krachten hebben ingespannen, opdat hare besluiten waarlijk in praktijk zouden worden gebracht. Al dadelijk blijkt dit, wanneer de Acta Emdana in het consistorie der Nederlanders te Keulen voor de eerste maal ter sprake komen. Den 15\'\'quot;\' November 1571 werd namelijk besloten, dat de Keulsche gemeente zou worden vermaand te bewilligen in hetgeen te Emden was vastgesteld, waartoe Pieter van den Eynde en Adriaan van Coninxloo werden aangewezen. Klaarblijkelijk heeft dus de Keulsche gemeente zich niet willen onderwerpen aan de besluiten der Emder Synode,
1
Dr. l.Ecm.EK. a. \\v., p. 115. Cf. ook p. 113, vg.
2
Wij hebben dit te danken aan de uitgave van de handelingen van den Kerkeraad der Nederlandsche gemeente te Keulen en van de andere stukken vervat in den foliant, waarin die aeta voorkomen, in de W. d. M. v., S. I, D. Ill, S. II, D. 11 en S. Ill, D. V.
SfHi
en hebben de Nederlanders, gelijk zij vroeger niet gerust hadden, voordat de Kenlsche gemeente had toegestaan, dat slbertus i.onx ter Synode zou worden gedeputeerd, thans op die onderwerping aangedrongen. Of deze bemoeiingen met even gunstigen uitslag zijn bekroond is echter twijfelachtig. Althans quot;den 21\'quot;° Januari zien wij het consistorie der Nederlanders wederom besluiten quot;de broeders der Inheymscher kercken binnen Cuelen te vermanen tot aenneminge der dinghen, die hun in het laeste Synodus tot Embden ghehouden opgeleyt zijn etc.quot;, tot het doen van welke vermaning Corxelis Walhaven 1en johannes Regius werden gekozen. Of nu aan dit besluit door de omstandigheden geene uitvoering kon worden gegeven, dan wel of deze vermaning vruchteloos bleek te zijn, weten wij niet, maar zooveel is zeker, dat den ].quot;c° Februari d. a. v. de broeders in het consistorie op nieuw besloten de Keulsche gemeente aan hare verplichtingen te herinneren. Cornelis Walraven en Adriaan van coninxloo zouden in het begin van de volgende week tot haar gaan, om krachtig bij haar aan te dringen op het nakomen van de Emdensche artikelen, inzonderheid voor zooverre zij betrekking hadden op de Gereformeerden te Keulen, en wanneer het blijken mocht, dat de Keulsche broeders niet van plan waren zich aan die Acta te onderwerpen of definitief zich uit te spreken over de houding, die zij wilden aannemen, dan zouden de beide deputaten namens het Consistorie protest aanteekenen en verklaren,
1
Cornelis Walraven was wegens de gevangenschap van Hexri-cds Velleji tijdelijk als predikant aan de broeders te Keulen geleend. Zie W. d. M. V,, S. I. D. Ill, p. 18—21, S. Ill, D. V, p. 40, vgg.
207
dat het zijn plicht getrouwelijk was nagekomen. Later zou dan in de eerstvolgende generale Synode quot;voor allen kerckenquot; de verontschuldiging kunnen volgen, dat het hunne schuld niet was dat door Keulen niet was gedaan, wat het krachtens de Einder artikelen had moeten doen.
Intusschen bleef het bij deze bemoeiingen niet. Den OJen Februari 1572 werd een quot;getuychnis ende affscheyts-briefquot; gezonden aan henkictjs Vellem, die eenigen tijd in de gevangenis had doorgebracht, van welke gelegenheid gebruik werd gemaakt, om dezen gewezen predikant van Keulen te verzoeken, de Keulsche gemeente en inzonderheid haar Consistorie aanhoudend te vermanen, de voorschriften der Emdensche Synode na te komen en de zorg voor de Keulsche Classis niet te veronachtzamen. 1 De vruchten van deze pogingen waren echter gering.
De beide deputaten volbrachten nauwgezet, wat hun was opgedragen. Den 6lt;lcn en 7d\'m Februari hadden zij met onderscheidene leden der Keulsche gemeente conferenties, terwijl met een, dien zij niet persoonlijk konden spreken, werd gecorrespondeerd. Het gevolg van dit alles was, dat Cobnblis Walraven verzocht werd den O1\'quot;1 Februari in het Consistorie der Keulsche gemeente te verschijnen, opdat hem het antwoord kon worden medegedeeld. En dit antwoord was verre van gunstig. De Keulschen zouden naar Aken schrijven , of die gemeente voor de eerste maal wilde doen, wat door de Synode te Emden aan Keulen was opgedragen. Voor het overige waren zij echter niet van plan de minste verklaring te geven aan-
1
Zie dezen brief in de W. d. M. V,. S. tit, D. V, p. 34—38.
208
gaande de houding, die zij daarna ten opzichte van de Acta Emdana zouden aannemen.
In de vergadering van het Nederlandsche Consistorie van 10 Februari werd door de deputaten van hunne bevindingen rapport uitgebracht, welk rapport te boek werd gesteld, nadat quot;men van desen dingen met eernstiger vermaningen van de voors. Cuelssche broederen geprotesteert heeft.quot; En ook dat protest werd aangeteekend, opdat het consistorie der Nederlanders altijd en voor iedereen zou kunnen verklaren, zijnen schuldigen plicht te hebben gedaan.\'
Uit het verloop der gevoerde onderhandelingen blijkt genoegzaam, hoezeer de Nederlanders te Keulen verlangden, dat aan de Acta Emdana de hand zou worden gehouden. Die begeerte hebben zij ook uog op andere wijze duidelijk doen blijken.
Aan de gemeente van Keulen was te Emden opgedragen in hare Classis de Classikale vergadering saam te roepen. De Nederlanders wilden aan die opdracht gaarne gevolg geven, maar door den benarden toestand, waarin de gemeente op dat oogenblik verkeerde , was het hun onmogelijk. - Zij besloten derhalve de hulp van den kerkeraad
1 Dg Kculsche gemeente heeft nog geruimen tijd geweigerd de Em-denscïie artikelen te onderteekenen. Zie de acta van de vergaderingen der Keulselie Classis van 7 Juli 1572 en 2 November 1572 in W. d. M. V., S. II, ü. II, p. 17, p. 23.
- Door een verrader was den quot;ghewalt richterquot; aangebracht, dat cr den 10aen November eene bijeenkomst van Gereformeerden werd gehouden. Die vergadering was overvallen en de predikant HenricüsVellem met de andere broeders gevangen genomen. Cf, den brief van de
209
te Aken in te roepen, opdat deze in hunne plaats quot;het classicum conventum beroepenquot; zon. Doch eerst zou aan de Keulsche gemeente gevraagd worden de noodige stappen daartoe bij de broeders te Aken te doen. 1
Blijkbaar heeft het Consistorie der Keulsche broeders geweigerd zich met die taak te belasten, want de Nederlanders hebben zelve de hand aan den ploeg geslagen. Den 7l1-quot; December 1571 werd een brief geschreven aan den kerkeraad te Aken, waarin op grond van de rampen, die de Gereformeerden in Keulen hadden getroffen, de voorbede van de broeders te Aken gevraagd en hun verzocht werd de gemeenten der Keulsche Classis ter vergadering op te roepen. 2
Volgens besluit van het consistorie van 24 November zou Johannes Regius naar Aken reizen, 3 om dien brief te overhandigen en met de broeders, inzonderheid met slbertus Lohx, die zich te dien tijde aldaar bevond, verder over quot;de versamelinge der classenquot; te spreken. 3 Van deze reis is echter niets gekomen, en
14
1
Cf. de acta der Consistorie-vergadering van 24 November 1571. W. d. M. V., S. I, D. Ill, p. 12, vg.
2
Eigenaardig is, dat er in de Consistorie-vergadering van 10 Deo. besloten wordt, dat. quot;men Jan de Uoye sal betaelen 3 daelders om de 2 reysen tot Aeeken te doene om de broeders aldaer tot de versame-lingbe te vermanen.quot; W. d. M. V., S. I, IJ. 111, p. 14.
3
Zie de acta van de Consistorie-vergadering van 13 December 1571. W. d. M. V., S. I, D. III, p. 15, vg.
210
ook de brief is aan den kerkeraad te Aken niet overhandigd, aangezien deze reeds de zorg voor de samenroeping der Classikale vergadering op zich genomen en haar tegen den l?\'quot;\' December 1571 te Bierkensdorp in het land van Gülik belegd had. 1 Daarom werd dan ook den 13d™ December de quot;voers. reyse van Aken gescorstquot; en besloten dat SlBERTUS Lohn of Ahasuerus Pil met johannes regius de Classikale vergadering zonde bezoeken. - Voor de beide deputaten werd vervolgens den 15dcl1 December een credentiebrief in gereedheid gebracht,2 terwijl dien zelfden dag bovendien eene quot;Instructie ofte memoriequot; werd opgesteld van de artikelen, die zij op de Classikale vergadering moesten voordragen.3In het Isquot; artikel werd voorgesteld in de te houden bijeenkomst de Acta Emdana voor te lezen, opdat niemand quot;ignorantiequot; zou kunnen quot;praetenderenquot;, en voorts allen, die onder de Classis ressorteerden, te vermanen, quot;dat sy de selve met aider vliet onderhondenquot; zouden. In het 2\'\'1 en 3de artikel werd er op aangedrongen, dat namens de Classis door eenige predikanten de eigenlijke Keulsche Gemeente zon worden aangespoord zich aan de quot;orde-ninge des Synodnms voors. te onderwerpen.quot;
Naleving van de te Emden gemaakte bepalingen was dus wat de vluchtelingen te Keulen niet alleen zich zeiven
1
Ibidem.
2
Die credentiebrief is te vinden in W. d. M. V., S. Ill, D. V, p. 30, vg. Als deputaten worden daarin genoemd Sibertus LoHNen Jande Roye. Eigenaardig is, dat deze geloofsbrief is geschreven op de achterzijde van den (niet verzonden) brief van 7 December.
3
» Zie w. d. M. v., S. UT, D. v, p. 31, vgg.
211
ten doel stelden, maar ook van allen, die tot hunne Classis behoorden, verlangden.\' Van deze belangstelling vinden wij nog een bewijs in de acta van de Kerkeraadsverga-dering van 10 December, waar staat aangeteekend, dat Johannes Regius twee daalders ontving voor enkele door hem verrichte bezigheden, waaronder de quot;translatie vande acten des Synodus van Embden.quot; quot;1
Eene dergelijke belangstelling vinden wij ook bij andere gemeenten in de Kenlsche Classis, o. a., bij die van NüYS, aan wie op haar verzoek werd toegestaan quot;die Acten des Synodums van Emden te laeten copiëren op haeren onkost.quot;2 Trouwens reeds uit het geregeld houden van Classicale vergaderingen blijkt, hoe de gemeenten de Kmder bepalingen wilden nakomen,3 gelijk ook menig besluit, in die bijeenkomsten genomen, daarvan getuigt. 4
Van de nawerking der Einder Synode in het land van Giilik kunnen wij niet spreken, zonder het oog te slaan op het naburige Hertogdom Berg. De Gereformeerde gemeenten aldaar hadden aanvankelijk, voor een deel ten minste, in verbinding gestaan met de Synode van het
14*
1
W. d. M. V., S. 1, D, 111, p. 14.
2
W. d. M. V., S. 11, D. II, p. 12.
3
1 In de Classikale vergadering, den 17dquot;,: December 1571 te Bier-keusdorp gehouden, werd besloten, quot;dat men de Olassice tsaemeu kompste (so veel der classe of den quartiere van Cuelen belangt) drymael int jaer houdenquot; zou, n.1. in het begin van Maart, in de eerste dagen van Juli en in het begin van November. Zie W. d. M. V., S. II, D. II, p. 9, vg.
4
Zie W. d. M. V., S. IT, D. 11. passim.
land van Gülik, maar door de werkzaamheid van joannes Badius, predikant te Keulen, werden zij tot eene afzonderlijke quot;provincie.quot; Onder zijn praesidium werd den 21s,cn Juli 158!) de eerste provinciale Synode te Keviges gehoaden, waar zes predikanten en twee ouderlingen uit vijf gemeenten aanwezig waren. Op die vergadering werden de Emdensche artikelen als kerkorde aangenomen. Langzamerhand begaven ook andere gemeenten uit dat gebied zich onder de Synode, terwijl de predikanten door onderteekening van de acta van hunne instemming getuigenis gaven. Achtereenvolgens ging men dan ook alom over tot het benoemen van ouderlingen en het invoeren van de kerkelijke tucht, zoodat feitelijk ook in het land van Berg de Acta Emdana hebben gegolden, 1
Ook in de Wezelsche Classis2 is aan de besluiten van Emden uitvoering gegeven. Den 295ten Juli 1572 kwam de eerste Classikale vergadering samen onder het praesidium van Charles de Nielles (Carolus Nielliüs), en daarna werden dergelijke bijeenkomsten geregeld tweemaal per jaar gehouden tot in 1586. Toen werd het echter onmogelijk ten gevolge van uitwendige verdrukking en vervolging. 3 Eerst in 1592 kon er weder aan gedacht
1
Zie Dr. Keafft, a. w., p. 2(1, Tgg. on Dr. Lechlee, a. w., p. 123.
2
3 Zie over den omvang der Classis, O. Sardemann, Gescliichte der ersten Weseler Classe, p. 2.
3
Hertog Willem (t 1592) leed gedurende de laatste zesentwintig jaren van zijn leven aan zwakheid van geestvermogens. Tengevolge daarvan kwam liet land van Cleef onder de macht van raadslieden, die onder Spaansehen invloed alles deden wat zij vermochten, om de Protes-
213
worden eene Classikale vergadering te beleggen, maar aangezien tal van predikanten gedood of verdreven waren en vele gemeenten met geweld teruggevoerd in den schoot der Roomsche Kerk, werden de bijeenkomsten slechts door weinigen bezocht. \' Intusschen mogen wij niet vergeten, dat de gemeenten langzamerhand haar Neder-lundsch karakter verloren hadden en in hoofdzaak alleen uit Diütschers bestonden. Meestal was die verandering geleidelijk geschied, in Wezel echter had zij plotselijk
tantsche Kerk in het gebied van den Hertog uit te roeien. Reeds in 1566 had zij van dit streven de treurige gevolgen ondervonden, doch allengs waren de verdrukkingen zoozeer toegenomen, dat alleen Wezel nog den moed had tegen de genomen maatregelen te protesteeren. Aan eene bescherming der kleinere gemeenten kon die stad echter niet denken. Begrijpelijk is het derhalve, dat toen in 1585 van hooger hand bevel werd gegeven, dat alle predikanten het land moesten ruimen en daarentegen Roomsche geestelijken werden quot;ingevoerd,quot; er voorloopig niet meer van het houden van Classikale vergaderingen sprake kon wezen. Hierbij kwam, dat in dien tijd liet land van Cleef veel te lijden had van doortrekkende legers. In vier jaren tij ils, 1584—1588, kwam Ruhrort b. v. achtereenvolgens in de macht van drie verschillende veroveraars, die ieder op zijne beurt de plaats hebben gebrandschat. Wel was het land neutraal, maar die neutraliteit was geen waarborg voor geldafpersingen als van den Spaanschen Generaal Franciscus de Mendoza, die onder het voorwendsel van beschermheer te zullen zijn, verscheidene plaatsen bezet had. Het land werd dan ook gedurig armer en de lasten steeds zwaarder, zoodat vele vluchtelingen hun toevluchtsoord verlieten om elders eene wijkplaats te zoeken. Zie G. Sardemann, al w., p. 7, vgg. en p. 15, vgg. A. Wolters, Reformationsgeschichte der Stadt Wesel, p. 327, vgg.
1 Den 6t,ei1 Januari 1592 stierf Hertog Willem. Hij werd opgevolgd door zijnen zoon Johan Willem, die eene streng Roomsche opvoeding had genoten. Aanvankelijk was hij voor den geestelijken
214
plaats gehad. 1 De Gereformeerde beginselen van kerk-regeering waren evenwel bewaard gebleven, zoodat, toen in 1610, een jaar nadat het land gekomen was onder den Keurvorst van Brandenburg, de gemeenten werden losgemaakt van de Nederlandsche Kerken en hare eerste zelfstandige generale Synode hielden,2 de presbyteriaal-synodale kerkregeering bleef bestaan. 3 Deze Synode
stand bestemd geweest, maar na den dood van zijn ouderen broeder Kabel Frederik had hij dien verlaten en was in 1585 in het huwelijk getreden. Bovendien leed hij evenals zijn vader aan gekrenktheid dei-geestvermogens. Ook van hem hadden de Gereformeerden dus niet veel heil te wachten. Toch trachtten enkele gemeenten den 2den Juli 1592 door het indienen van een verzoekschrift vrijheid van godsdienstoefening te verkrijgen. Het antwoord was afwijzend, maar toch kwamen de gemeenten dat jaar wederom in hunne deputaten bijeen. Intusschen mag hieruit niet worden afgeleid, dat de druk was weggenomen. Deze bleef bestaan, totdat met den dood van Hertog Joh an Willem (1609) het land kwam onder den schepter van den Keurvorst van Brandenburg. Zie G. Sarbemann, a. w., p. 11 en p. 13, vg.
1 Zie hierover A. Wolters, a. w., p. 328, vgg. De geleidelijke verandering is te verklaren uit de vervolging, waaraan die gemeenten blootstonden en die de Hollandsche vluchtelingen een andere schuilplaats zoeken deed. Dat Wezel in dit opzicht eene uitzondering maakte had hierin zijn grond , dat de Magistraat den moed ende macht had zich tegen de bevelen van hooger hand te verzetten en de Gereformeerde burgers te beschermen: de Hollanders waren daar veilig. Toen echter de Pacificiitie van Gent gesloten (8 Nov. 1576) en bekrachtigd was door het Eeuwig Edikt (17 Febr. 1577), verliet een groot aantal bannelingen de stad om naar het vaderland terug te keeren.
2 Deze Synode werd te Duisburg gehouden onder het praesidium van Ds. Stephani, predikant te Wezel; de predikant van Elberfeld, Peter KÜrten, was assessor. Zie Dr. Krapft, a. w., p. 28.
3 Cf. A. Wolters, a. w., p. 332. Zie ook hierboven p. 82 noot 2.
215
bestond echter niet alleen uit deputaten van de Weze-ler Classis; er waren afgezanten tegenwoordig uit het gansche land van Gülik, Berg en Cleef. 1 Uit de daar gemaakte bepalingen, die den grondslag der kerkorde zouden vormen,9 blijkt hoe men in hoofdzaak getrouw bleef aan de beginselen, die te Emden zoo schoone uitdrukking hadden gevonden. In enkele punten slechts werd van de daar getrokken lijnen afgeweken. Zoo werd o. a. bepaald, dat door iedere provinciale Synode vier predikanten en twee ouderlingen 2 ter generale Synode zouden worden gedeputeerd en dat aan het hoofd van iedere Classis een quot;Inspektorquot; zoude staan. 3 Maar dit neemt niet weg, dat de kerkregeering op Emdensche leest was geschoeid. En dit bleef zij tot in het begin van deze eeuw. ^
Slaan wij thans het oog op ons eigen vaderland, dan kunnen wij reeds a priori vaststellen, dat voor deze landen de Emder besluiten niet te vergeefs zijn genomen. Om voor de Nederlandsche kerken eene kerkorde op te
1
Zie Dr. K. Keafft, a. w.f p. 28. In 1G11 voegde zich het graafschap Mark bij de drie genoemde landen.
2
In tegenstelling met Art. 6 van het caput \'\'de Classieis Conuen-tibusquot; van de Acta Emdana. De daar gemaakte bepaling was immers ook van kracht bij de keuze van deputaten voor de generale Synode.
3
Zulk eene bepaling was in eenigen strijd met art. 1 van de Acta Emdana.
216
stellen was de Synode samengeroepen ; deputaten van Nederlandsche gemeenten hadden haar onderteekend; dus kon het niet anders, of de Emder bepalingen moesten hier te lande als van bindende kracht wordqn beschouwd. Inderdaad is dit ook zoo geweest, gelijk met duidelijkheid blijkt uit het feit — waarop o. a. door Dr. rutgers met grooten nadruk is gewezen — 1 dat in den grond der zaak de kerkorde, waaronder onze Kerk in de dagen der Republiek heeft geleefd, geene andere was dan die, welke in Emden was opgesteld. Want wel zijn er ook op de volgende Synoden besluiten genomen van kerk-rechtelijken aard, maar aan het opstellen van eene nieuwe kerkorde werd daar geenszins gedacht. Naar waarheid zegt Dr. Rutgers, - quot;wat er telkens plaats had, was slechts dit, dat het een of ander punt nader werd uitgewerkt, of wel dat eenige regeling met de veranderde omstandigheden in overeenstemming werd gebracht, of wel dat ter wille van de Overheid en om politieke approbatie te verkrijgen sommige bepalingen uit de Kerkenordening naar de andere Acta werden overgebracht en nieuwe bepalingen werden bijgevoegd, of wel dat bijzonder gelet werd op de formuleering of de rangschikking van een
1
Dr. F. L. Rutgers, quot;De Geldigheid van de oude Kerkenordening der Nederlandsche Gereformeerde Kerken,quot; p. 10, vgg. Cf. Dr. Reitsma, a. w., p. 187. Sprekende over den strijd, dien de Gereformeerden met betrekking tot hunne kerkorde te voeren hadden, zegt hij: \'\'De kerk zelf was terstond nagenoeg geheel klaar met een regeling, waarvan de grondslag reeds was gelegd in de artikelen van tie Eradensclie synode. De Hollandsehe provinciale synode van 1571 maakte daarin slechts eenige wijzigingen zonder van het beginsel af te wijken.quot;
= Dr. Rutgers, 1. 1.
217
aantal artikelen. Al wat niet veranderd was, bleef eenvoudig gelden.quot; Dat in iedere volgende Synode geene nieuwe kerkorde werd opgesteld, was ook de beschouwing van de tijdgenooten en van ben, die aan de regelingen deel namen. Merkwaardig is in dit opzicht, wat Hendrik de Corput, predikant te Dordrecht, niet lang na ile Haagsche Nationale Synode in zijn brief van ló Augustus 1587 aan arnoldus Corxelii schreef: udaer henevens en is de gestelde ordeninge niet nyeuw, maer geils eert onder \'tcruys ende van aenvang aen, ende geconfirmeert met veel Synoden.\'quot; 1 Wij kunnen er aan toevoegen, dat in den oproepingsbrief voor de Nationale Dordtsehe Synode van 1578 aan de gemeenten verzocht was in hare Classikale vergaderingen samen te komen om zich quot;met malcandren ouer die ghestelde Emdische artikelen ende oock Dordrechtsche te bespreken, ende wat haer daerin mishaechde ende veranderens noodich bedochte, aen te teeckenen.quot;\'-
Om op een enkel voorbeeld te wijzen,2 willen wij nog nagaan, hoe het 13\'le artikel van de Acta Emdana in de volgende Synoden bewaard bleef. In 1574 werd bepaald, dat de beroeping van de dienaren des Woords zou plaats hebben door het Consistorie met advies van de Classikale vergadering en met eene daarop volgende voor-
1
W. d. M. V., S. Ill, D. II, p. 281. Cf. Dr. Rutgers, 1. 1.
2
Cf. over dc verhouding van do besluiten met betrekking tot do kerkorde dooi- de onderscheidene Synoden genomen. Dr. Reitsma a. w., p. 117, vg., 121, 137 en 139. IIooiJEK, a. w., p DO, UO, 196. 259 en 435, vg.
218
stelling aan de gemeente, juist zooals te Emden was bepaald. De quot;verkiesinghe des ghemeijnen volx,quot; die daar nog was toegelaten, werd nu evenwel uitgesloten, quot;om die confusie ende verwerringhe te vermijden,quot; die er zoo licht uit voortkomt. 1 In 1578 werden met betrekking tot dit onderwerp wederom dezelfde lijnen gevolgd;2 wel is het uitvoeriger behandeld, maar dit was een gevolg van de gewijzigde omstandigheden. Raadplegen wij de Acta van de Nationale Middelburgsehe Synode dan moeten wij met betrekking tot de beroeping van predikanten hetzelfde getuigen. 3 In de Haagsohe Synode is dit artikel schier letterlijk overgenomen,4 terwijl het te Dordrecht in 1G18/19 eveneens slechts eenige kleine wijzigingen onderging. 5
Intusschen schijnt het, dat niet alle besluiten, te Emden genomen, zijn uitgevoerd. Althans van eene samenvoeging der Noord-Nederlandsche gemeenten tot eene Classe, zooals daar was aangewezen, is nimmer iets gekomen. Wanneer wij de broeders voor het eerst in eene (provinciale) Synode zien samenkomen, wordt tot eene gansch andere quot;deijlinghequot; overgegaan. 6 Dit bezwaar valt echter weg, wanneer wij bedenken, welk eene verandering door het jaar 1572 was gebracht. De gemeenten hadden zich dientengevolge vaster geconstitueerd en waren zoo in aantal
1
W. lt;1. M. v., S. n, D. III, p. 136.
2
Cf. a. w., p. 235.
3
Cf. a. w., p. 377.
4
Cf. a. w., p. 487, vg.
5
Cf. Hooijer, a. w., p. 449.
6
Cf. W. cl. M. V., S. II, D. III, p. 135.
219
toegenomen, Jat reeds in 1571 er niet meer aan gedacht kon worden alle de Noord-Nederlandsche gemeenten in éene Classis samen te voegen. En, toen de gemeenten vier jaar later in hare depntaten samenkwamen, zou het eenvoudig ongerijmd zijn geweest te spreken van de Classis van Noord-Nederland. Wat dus hier te lande geschiedde was in den grond der zaak hetzelfde als hetgeen in het Güliksche en het Cleefsche plaats had; door de uitbreiding der gemeenten werd de Classis tot Provincie en de provinciale Synode tot nationale, waarbij wat vroeger Classis was thans zelf in Classes werd verdeeld. Het geleidelijke van den overgang is hier echter niet zoo gemakkelijk te ontdekken, omdat eene vergadering van eene Classis van Noord-Nederland niet gehouden is. Reeds een paar jaar na de Synode te Einden vinden wij, nog voor de provinciale Synode van Dordrecht, vergaderingen van de Classis van Dordrecht, van die van Voorne, Putten en Overflakkee en van die van Zierikzee.
Een tweede besluit , dat schijnbaar niet is uitgevoerd, is dat omtrent de samenroeping van eene generale Synode door de Classis van de Paltz, aangezien de oproeping tot de eerste Nationale Synode van Dordrecht is uitgegaan van ons vaderland. Dit bezwaar is des te gewichtiger, daar de Classis van Keulen tegen deze daad protest heeft aange-teekend. In een brief schrijft zij o. a.: quot;Bidden der-haluen, die broeders en willen niet voornemen daerdoor de Embdische artikelen eenighe aft\'breuck gheschiede, by den welcken wy ons ghedencken te halden, ter tyt toe dat door een ordentlick Prouinciael ofte Generael Synodum eenighe veranderinghe daerin gheschiet sy, opdat wy schuwen allen erchwaen, als off wy die ghemelde Emb-
dische constitutien omatooten ofte vercleyneren wouden.quot; 1Maar al dadelijk zij hier tegenover geplaatst, dat in 1574 te Dordrecht bepaald was, dat de broeders in de Paltz de generale Synode zouden quot;beroepenquot;, zoo spoedig als het naar hun oordeel quot;nut ende noodichquot; zoude wezen en quot;bequamellekquot; zou kunnen geschieden, quot;ouermidts hun desen last opgheleijt was vanden Emhdischen Sij-nodo.quot; Dat zij het tot nu toe niet hadden gedaan, werd daar gebillijkt op grond van de quot;veranderingheu,quot; die in Holland en Zeeland waren quot;gheschiet.quot; 2 In 1578 zijn de Nederlanders er dan ook niet toe overgegaan de Nationale Synode samen te roepen, voordat zij de Classis van de Paltz kennis hadden gegeven van hun voornemen met uiteenzetting van de redenen, waarom zij gemeend hadden de beschrijving van de Nationale Synode, quot;die der palschissche Classe opyeleeght was Tccmhden anno LXXI, te beroepen, sich aen te nemen.quot; Tegelijk daarmede hadden zij als \'t ware goedkeuring op die daad gevraagd en te kennen gegeven, dat zij niet twijfelden of quot;dese beroepinge sal hen behagen ende ten goeden verstaen werden.quot;3 In den grond der zaak hebben wij hier dus een dergelijk geval, als wij in de Keulsche Classis opmerkten. Toen de kerk van Keulen de Classikale vergadering niet kon samenroepen, heeft die van Aken dat gedaan.3
Houden wij verder in het oog, dat in de Synode
1
W. d. M. V., s. 11. D. III, p. 312.
2
A. w., p. 284.
3
1 Zie p. 208 vgg.
221
van 1574 de Errulensche artikelen zijn voorgelezen 1 en bepaald werd, dat in elk Consistorie of minstens in elke Classis een afschrift daarvan zou worden bewaard,2 en herinneren wij ons, dat onder de voorbereidende maatregelen voor de Dordtsche Synode van 1578 ook behoorde het schrijven naar Polyaxder te Einden om toezending van quot;Doriginael van de acten des eembdesschen Synodi,quot;8 dan is het boven allen twijfel verheven, of aan die artikelen wel groote waarde werd toegekend. Zij vormden den grondslag voor alle volgende besluiten, wat niet te verwonderen is, aangezien de daarin uitgesproken beginselen onmisbaar zijn voor het welwezen der Gerefor-meerde Kerk.
W. d. M. V., S. ii, D. iii, p. 134.
Ibidem.
A. w., p. 284.
BIJLAGEN.
Bijlage a.
IVa de keurige uitgave van de Acta Emdana door Dr. Rutgers bezorgd kan het wellicht overbodig schijnen, dat zjj hier nogmaals worden afgedrukt. Ik zou dan ook niet den moed gehad hebben hiertoe over te gaan, indien ik niets anders had kunnen geven dan eene woordelijke kopie van den arbeid van Z. H. G. Maar bij mijne studiën had ik het voorrecht bekend te worden met enkele MSS., die, te oordeelen naar de opgave die Dr. Rutgers van de door hem gebruikte stukken geeft, hem onbekend zijn geweest of althans door hem niet zjjn geraadpleegd. En deze MSS. gaven mjj aanleiding op meerdere plaatsen eene andere lezing aan te bieden, zooals uit liet vervolg blijken kan.
In de eerste plaats werd ik er door de Inleiding van II. Q. Janssen\'s Kerkhervorming in Vlaanderen op gewezen, dat zich in de Biblio-thèque Royale te Brussel (Section des Manuscrits) een foliant bevindt, waarin de Acta Emdana voorkomen. Bjj onderzoek bleek hij mjj te bevatten: 1°. eene schier letterljjke vertaling van de artikelen, de quaestiones particulares en de capita over de. meerdere vergaderingen, 2°. eene Latjjnsche kopie van de quaestiones particulares en de genoemde capita. De vertaling wjjkt geheel af van die, welke in de uitgaven der quot;Kercken-ordeninghenquot; (A0. 1612, enz.) voorkomt en draagt blijkbaar een zelfstandig karakter; zjj heeft dit eigenaardige, dat het Hollandsch ter wille van de woordelijke vertolking is veronachtzaamd, wat evenwel dit voordeel geeft, dat zij voor de oorspronkelijke Latjjnsche lezing van meer waarde is dan de traditioneele vertaling. (Do foliant bevat tal van
15
226
stukken, die door Ds. Tilmannus Cüpus, deels eigenhandig zijn geschreven, deels zijn verzameld met het oog op de kerkelijke historie van Nederland, die hij van plan was te schrijven. Zie H. Q. Janssen, a. w., p. 1, vgg. Dr. Reitsma en Dr. van Veen, Acta der Provinciale en Particuliere Synoden, p. 379, art. 25, p. 385, art. 9).
Te Brussel vond ik verder nog eene Latijnsche kopie van de artikelen, voorkomende in een bundel MSS., gemerkt: II, 54. Deze kopie draagt een onderschrift, dat den oorsprong te kennen geeft. Het luidt aldus :
Haec Acta ex Archivis Sittardiensium excerpta descripsi 5 en 6 7bris 1647.
Sittardiae Mppria.
S. D. S. Gr. A.
Rudolphus Landtmesser, L. p. t. Ecclesiastes.
Met eene andere hand staat nog op eene volgende bladzijde vermeld: Abrahamüs Henricüs Stumphius, me justo titulo possidet, Aquot;. 1657.
Ter zijde hiervan is wederom met eene andere hand aangeteekend : (V. D. M. Borgharensis?)
Door de zeer gewaardeerde welwillendheid van den Heer Mr. W. J. Royaards van den Ham kon ik in de derde plaats kennis nemen van eene uitnemende Latijnsche kopie, voorkomende in den vroeger vermelden bundel MSS. (p. 35 noot 2.)
Bovendien heb ik geraadpleegd eene Hollandsche vertaling in MS., berustende in het Archief van de Doopsgezinde Gemeente te Amsterdam. Ook deze vertaling verschilt van de gewone; kenmerkend is b. v. dat Classis gewoonlijk wordt weergegeven door quot;quartier.quot; Het stuk is afkomstig van den Doopsgezinden vermaner Hans Ries, die in het begin der 17de eeuw leefde.
Om bij het vermelden der verschillende lezingen het citeeren der
227
onderscheidene MSS. gemakkelijk te maken, zullen wij ze kortheidshalve met eene enkele letter noemen:
Het afschrift berustende in het provinciaal Kerkelijk Archief van Gelderland (zie W. d. M. V., S. IT, D. III, p. 43) met eene A; liet afschrift van Jacob van Foreest, dat in 1575 is gemaakt (zie W. d. M. V., S. II, D. III, p. 45 en Heringa, Kerkelijke Raadvrager en Raadgever, D. II, p. 2G3) met eene F; het afschrift uit den foliant van Mr. Royaards van den Ham met eene H; het afschrift uit Sittard met eene S; de afschriften uit den foliant van Tilmannus Cupus met eene T; het afschrift uit het Archief der Doopsgezinde Gemeente met eene D, terwijl wij de lezing van Dr. Rutgers met eene R. zullen teekenen.
Thans heb ik nog rekenschap te geven van de door mij gekozen volgorde. Tot dusverre placht men steeds op de artikelen eerst de quaestiones particulares en daarna de capita over de meerdere vergaderingen te laten volgen. Ik meende echter de capita over de meerdere vergaderingen aan de quaestiones particulares te moeten laten voorafgaan. Door Dr. Rutgers is reeds aangetoond, dat er wel eenige grond is voor het vermoeden, dat de 23ste particuliere vraag in liet authentieke stuk het laatste artikel is geweest.1 Dit vermoeden bevat m. i. volkomen zekerheid. In de eerste plaats hebben wij de getuigenissen van 3 MSS. Zoowel in het Livre Synodal 2 als in F en D vinden wij de voorgestelde volgorde. Ten tweede pleit er voor, dat op eene enkele uitzondering na in geen enkel afschrift onder de capita over de meerdere vergaderingen eene onderteekening voorkomt, terwijl daarentegen de quaestiones particulares geregeld een onderschrift dragen, dat de namen van den praeses en den scriba te kennen geeft. Het is immers onverklaarbaar, dat midden in de artikelen eene onderteekening zou zjjn voorgekomen en deze
1
W. d. M. V., S. II, D. III, p. 104, noot 2.
2
Ibidem, waar ook F. genoemd wordt.
228
aan het slot zou hebben ontbroken. Wij moeten hier dus aan eene verplaatsing denken, die haren grond hierin hebben kan, dat de quaestiones particulares meer gebruikt werden dan de capita over de meerdere vergaderingen: De eerste toch bevatten wenken, die bijna iederen dag noodig waren. Bovendien kunnen wij voor de voorgestelde volgorde nog een bewijs ontleenen aan liet 4de artikel van het caput quot;de Provincialibus Synodisquot;, waar aan de quot;facta particulariaquot; de laatste plaats wordt toegekend. quot;Wanneer nu die volgorde in Emden werd aanbevolen, zou zjj dan niet evenzeer voor de eigen Acta zijn gebruikt?
Wat ten slotte de cijfers voor de artikelen betreft: hoogst waarschijnlijk zijn deze van later tijd, maar voor het gemak van het citeeren heb ik ze volgens de beste MSS. behouden.
De opschriften boven de artikelen heb ik echter weggelaten. In dit opzicht zijn de MSS. zeer willekeurig. Enkele hebben niets; andere hebben eene korte inhoudsopgave aan den rand. Sommige hebben in den tekst gebracht, wat andere als opschrift boven de artikelen hebben. Klaarblijkelijk zijn het dus toevoegselen van later tijd: reden genoeg om ze niet op te nomen.
Acta Synodi Ecclesiarum Belgicarum, quae
sub cruce sunt, et per germaniam et
Phrisiam 1 Orientalem dispersab,
HABITAE EMBDAE 4°. DIE OCTOBRIS ANNO 1571.
1. Nulla Ecclesia in alias, nullus Minister in Ministros, Senior2 in Seniores, Diaconus in Diaconos primatum seu dominationem obtinebit, seel potius ab omni et3suspicione et occasione 4 sibi 5 canebit.
2. Ad testandum in doctrina inter Ecclesias Belgicas consensum visum est fratribus confessioni Ecclesiarum Belgicarum subscribers, Et ad testandum harum Ecclesiarum6 cum Ecclesijs Regni Galliae consensum et coniunctionem, confessioni fidei Ecclesiarum illius Regni similiter subscribere, certa7 fiducia earum Ecclesiarum Ministros confessioni fidei Ecclesiarum
1
PI. heeft hier en geregeld overal Phrigiam.
2
A, F, H en zoo ook R hebben nullus vóór senior. In S ontbreekt het. Daar het nergens voor Diaconus staat, moet het waarschijnlijk ook vóór Senior wegvallen,
3
Et ontbreekt in S. Het moet er blijkbaar staan ter wille van den nadruk.
4
Achter occasione leest S talis.
5
Sihi ontbreekt in A, F, H en bij R. Met S heb ik het ingevoegd, omdat ook elders in de Acta sihi cauere voorkomt en alle MSS. het daar hebben.
6
Harv/ni Ecclesiarum ontbreekt in F.
7
F heeft recta, blijkbaar eene vergissing.
230
Belgicarum vioissim \' ad mutuum testandum consen-sum subsoripturos.
3. Delecti sunt Petrus Dathbnus et Joannes ïaf-finus, qui id ad proximam Synodum Galliae Minis-tris significent, responsumque in1 proximo fratrum conuentu 2 referant.
4. Admonebuntur qnoque Ministri Belgici,3 qui ab hoe coetu absunt, vt in eandem subscriptionem oonsen-tiaut. Idem et ab alijs omnibus praestabitur, qui in posterum ad ministerium verbi vocabuntur, antequam ministerium exercere incipiant.
5. Cateehismi formulam4 in Eeelesijs quidem5 Galli-canis Geneuensem, in Teutonicis vero Heydelber-gensem sequendam duxerunt fratres, sic tarnen, vt si quae Ecclesiae alia Cateehismi formula verbo Dei consentanea vtantur, necessitate0 illius mutandaenon astringantur.
(i. In singulis Eeelesijs Consessus erunt sen Consistoria Ministrorum, Seniorum et Diaconorum, quae6 singulis ad 7 minimum hebdomadibus habebuntnr, loco
1
3 A, F, H en ook R hebben proximo comentui, S daarentegen in proximo conuentu, wat ongetwijfeld het goede is, daar verreweg de meeste Hollandsehe vertalingen lezen: quot;ter naester t\'samencoomste inbrengen sullen.quot;
2
A heeft diuisim.
3
S en R hebben Belgici, A heeft Belgici vel Belgi, terwijl F en H Belgij lezen. De Hollandsehe vertalingen hebben quot;Nederlantsche.quot;
4
F leest for mam.
5
In F ontbreekt quidem.
6
F leest qui.
7
A, F, H en R lezen vt, maar S heeft ad, wat wel het juiste zal zijn, daar quot;ten minstequot; in het Latijn wordt uitgedrukt door minimum of ad minimum.
231
et tempore, quae singulis Ecclesijs1 commodissima videbuntur,
7. Praeter hos consessus erunt Classici tertio vel sexto quoque mense vicinarum aliquot Ecclesiarum conuen-tus pro earum commoditate et necessitate.
8. Singulis praeterea annis habebuntur conuentus omnium quae per Germaniam et Phrisiam Orientalem dispersae sunt Ecclesiarum inter se, Anglicarum 2inter se, et earum quae sub cruce sunt inter se.
9. Secundo denique quoque anno Conuentus omnium simul Ecclesiarum Belgicarum habebitur. 3
10.4 Classicum conuentum constituent5 vtraque Ecclesia Francofurtensis,6 Schonouiensis,7 Gallica Heydel-bergensis, Franckenthalensis8 et S. Lambertana.9Alium vtraque Coloniensis, vtraque Aquisgranensis, Traiectensis, Limburgensis, 10 Nouesiensis et quae 11in Juliacensi sunt ditione. Alium Vesaliensis, ^2
1
In F ontbreekt Ecclesijs.
2
3 Met F en S (Engeland = Anglia); A, H en R lezen Anglicanarum,
3
A en H, zoo ook R, hebben habebitur, F heeft Jiabebuntnr, terwijl het woord in S ontbreekt.
4
In A, F en H draagt dit artikel een opsehrift, dat in R in het artikel zelf is opgenomen: quot;Classes Ecclesiarum Belgicarum per Germaniam et Phrisiam Orientalem (met F; in A en H ontbreekt dit woord) dispersarum (F leest dispersae).quot;
5
A heeft constituerit.
6
Met S (Frankfort = Francofurtum). — F heeft Francufordensls, A en H, zoo ook R, lezen Francfortensis.
7
Met F. — A, H en S hebben Schonhoniensis.
8
Met A. — F, H en S hebben Franckendalemis.
9
S leest Lamhritana.
10
H leest Traiectensis limburgensis.
11
H heeft qui.
13 S leest Vesalensis, de andere Wesaliensis, maar daar Wezel = Vesalia is, is Vesaliensis het goede.
232
Embrioensis, Gooliensis,1 Ressensis,2 Gennepensis et si quae aliae sunt in Cliuensi ditione. Alium Emb-dana cum peregrinis Ministris et Senioribus Braban-tiae, Hollandiae et Phrisiae Occiduae.
II.3 Classicnm conuentum constituent4 Ecclesia vtraque Antuerpiensis, 5 Buscoducensis, Bredana, Bruxellensis et si quae aliae sunt in Brabantia. Alium Gandauensis,6Ronsensis,7 Aldenardensis, 8 Werwicensis,9 Oomi-nensis 10 et caeterae quae in vtraque Flandria sunt. 11Alium Tornacensis, Insulensis,,-2 Atrebatensis,12 Dua-
1
Met H en S, — A heeft Gochgensis, F Guggensis.
2
Met H (Rees = Resse.) S heeft liiesensis, A en F, ook R. lezen Resensis.
3
A, F en H hebben een opschrift boven het artikel, dat in R in het artikel is opgenomen. A, H en R lezen: quot;Classes Eeclesiarum sub erucequot;, F leest: \'\'Classes earum quae sub eruce sunt.quot;
4
A heeft constituent.
5
A en F, zoo ook R, lezen Antmcrpiana, H en S echter Antuerpiemis.
6
fi A, H en S, zoo ook R lezen Gandensis. — F heeft Gandavensis
(Gend = Gandavum of Ganda).
7
A en R lezen Roncensis.
8
S leest Andernacensis.
9
A en R lezen Verwicensis, H heeft Werwicensis, S heeft Wer-mecensis en F Wei\'lMcensis.
10
A leest Rominensis, maar bedoeld is Comene (Comineum).
11
De volgorde van de hier genoemde plaatsen is in de onderscheidene MSS. verschillend. Bovendien komt in A nog eene zesde gemeente
12
Met Insulensis is volgens de vertalingen bedoeld de gemeente van Rijssel. Blijkbaar heeft er dus bij de broeders eene aardige vergissing plaats gehad. Rijssel is in de landstaal Lille. Dit quot;Lillequot; is nu wellicht opgevat als L\'ile (Insula). De Latijnsche naam voor Rijssel (Lille) is Ella.
13 Met A leest R Atrahatensis. maar de andere hebben Atrebatensis (F bij vergissing Awebatensis), wat ongetwijfeld het goede is, daar Atrecht = Atrebatae (— tes, — tum) is.
2153
censis, Armenteriensis 1 et Valenolnencis 2 et caeterae icliomatis Gallici. Alium Amsterodamensis, \' Del-phensis 3 et caeterao Hollandicae, 4 Transisulanae quot; et Phrisiae Occiduae.
12. Admonebuntur qui in Anglia sunt, vt suas Ecclesias per 5 Classes distribnant.
13. Ministri eligentur a Consistorio cum judioio conuentus Classici, aiit duorum triumue Ministrorum vicinorum. Electi autem sistentur coram Ecclesia, vt vel tacitis sufiEragijs comprobentur, vel si quid sit cur in elec-tionem minus 6 consentire velit 8 Ecclesia, intra dies plus minus quindecim obijciatur. Si quae tamen Ecclesiae consuetudinem electionis popularis, quae apud eas est, mutandam non esse7 censerent, feren-tur, donee aliter 8 Synodo generali sit quot; constitutum.
14. Eadem ratio in Electione Seniorum et Diaconorum seruabitur, nisi quod Classici conuentus aut vicinorum Ministrorum indicium9 non est10 expectandum.13
1
Met A leest R Armentiriensis, maar Fen H hebben Arinenteriensis
2
(S heeft Armaturiensis). Armentiers = Armentariae of Armenteria.
3
Met F. — A en S lezen Dclffensis. H heeft Dclfcnsis.
4
Met A. — F, H en S hebben Ilollandiaé, maar Hollandicae is ongetwijfeld het goede, daar ook de beide volgende woorden de kracht van adjeetiva schijnen te hebben.
5
\' Met F, H en S. — A heeft in, zoo ook R.
6
In plaats van minus consentire velit heeft F quot;consentire nolit.quot;
7
F leest esse non in plaats van non esse.
8
A heeft aliter tusschen sit en constitutum.
9
F heeft indicium aan het eind van den zin.
10
Met S. — A en H hebben wit. F heeft sit.
234
15. Singulis annis dimidia pars turn Seniorum turn Dia-conorum mutabitur, ascitis in eorum locum alijs, qui itidem biennium inseruiant, relicta tamen Ecclesijs, praeaertim sub cruce constitutis, vel longioris vel breuioris temporis libertate, pro earum commoditate et necessitate.
16. Examinabuntur Ministri ab ijs a quibus eliguntur, si probetur eorum doctrina et vita, confirmabuntur cum solemnibus precibus1 et impositione manuum absque superstitione tamen2 et necessitate.
17. Nulli Ministro in aliena Ecclesia concionari absque illius Ecclesiae Ministri et Consistorij, aut Ministro absente absque Consistorij consensu licebit.
18. Qui se in Ministerium ijs locis insinuant, vbi ministerium iam constitutum est, vt abstineant a Consistorio admonebuntur; si nihilominus pertinaciter prosequantur, conuocatis statim tribus quatuorne3aut etiam pluribus, si fieri potest, Ministri vicinis ex classe cuius est ilia Ecclesia, Schismaticus ibidem declarabitur. Quod vero ad auditores attinet, si con-temptis pertinaciter admonitionibus audire schisma-ticum ilium iam4 declaratum pergent, Consistorium ex praescripto disciplinae Ecclesiasticae aget.
19.5Vnica vel trina tinctioli pro Adiaphora censetur, proinde Ecclesijs liberum vsum apud ipsas receptum6
1
liet. H en S. R leest met A en F praecihus,
2
3 In F ontbreekt tamen.
3
S heeft Ministris achter quatuorue.
4
In S ontbreekt iam.
5
S heeft tot opschrift: quot;De Adiaphoris in baptismo et coena;quot; A en H hebben: quot;üc Adiaphoris in Baptismo,quot; terwijl F die zelfde woorden in margine heeft.
6
In S ontbreekt receptum.
235
relinquimus, clonec aliter in proxima 1 Synodo generali statuatur.
20. Testes adhibere vel non adhibere ad Baptismnm rem 2adiaphoram - arbitramtir, proinde vsus receptus in Ecelesijs 3 seruabitur pro sua ouiusque libertate, donec aliter in Synodo generali statuatur.
21.4 In Ecelesijs, quarum instituendarum nobis libertas datnr, pane communi seu cibario vtendum eumque frangendum esse in Sacrae Coenae administratione censemus. Eundo autem, stando vel sedeudo Sacrae Coenae communicare indifl\'erens iudicamus. Idcirco ratione vtentur Ecclesiae, quae ipsis commodissima videbitur. Cantare psalmos aut Sacras literas legere, duin sacra coena administratur, liberum Ecelesijs relinquitur, quemadmodum et verbis Christi vel Pauli vti in exhibendo pane et vino: qua in re cauebitur, ne verborum pronnnciatio in consecrationis5 speciem vel opinionem tandemu trahatur.
22.6 Nemo qui sub parentum potestate est, aut eorum qui parentum locum obtinent, sine eorum consensu matrimonium contrahere debet, et fides matrimonij sine eorum consensu data nullius est momenti.7Si qui tarnen ita se iniquos hac in re praestarent \'J
1
In F ontbreekt proxima.
2
7 S heeft cum adiaphoruvi.
3
1 F heeft Ecclesia,
4
A en H hebben tot opschrift: quot;In Coena,quot; terwijl F in margine heeft: quot;De indifferentibus Cenae.quot;
5
F heeft conservationis.
6
A, H en S hebben als oji.schrif\'t: quot;Do Matrimonio,quot; welke woorden F in margine heeft.
7
F heeft rigoris.
236
ac 1 (lifficiles,2 vt consentire nullo moclo vellent (quod interdum religionis oclio et alijs de causis accidit), an tam sancti3 instituti impediendi4 insta sit causa, consistorij erit 5 iudicare.
23. Sponsalia legitime contracta ne vtrinsque quidam6partis consensu dissolui poterunt, quin et7 operae pretium erit ijs contrahendis interesse vel Ministrum vel Seniorem Ecclesiae, vt, antequam reciproca üat8promissio, intelligatur, an puram religionem amplec-tatur vterque, an consentiant parentes et, si alterutra aut9 vtraque pars ante matrimonio iuncta fuerit, an de morte priorum coniugum legitimo9 testimonio constet.
24. Matrimonio copulandorum nomina ternis diebus domiuicis aut alioqui per tres vices iustis interuallis pro 10 concione 11 edentur.
25. ,2Ecclesiasticam disciplinam in singulis Ecclesijs obser-uandam esse censemus. Ministrorum itaque partes erunt, non solum publice docere, liortari, arguere, sed et priuatim vnumquemque otficij sui admonere, qua in re et Seniores operam suam impendere oportet.
20. Siue autem quis in doctrinae puritate errauerit.
1
S heeft aut, F heeft et.
2
S heeft vel.
3
F heeft stricti.
4
S heeft im/pedimenti.
5
S heeft est, F heeft erat.
6
Tn F ontbreekt quidem.
7
In F ontbreekt et.
8
F heeft Jit, S fierit.
9
S heeft lègitimanio.
10
In F ontbreekt pro concione.
237
siue in morum sanctitate peccarit, si id occultum est, et a scandalo publico remotum, obseruabitur regula, qnam diserte praescribit Christus MaïTH. 18.1
27. Peccata igitur occulta, quorum peccatorem priuatim vel ab vno vel duobus tribusue testibus adhibitis admonitum poenituerit, non sunt ad Consistorium deferenda; occulta tarnen vel Reipublicae vel Ecclesiae grauem perniciem adferentia, vt suut proditiones vel animarum seductiones, Ministro significabuntur, vt ex eins2 consilio quid ea in re agendum sit dispiciatur.
28. Si quis in oecultis duos 3 tresue admonentes 4 non audierit, aut publicum peccatum perpetrarit, ad Consistorium deferetur.
29. Peccatorum natura5 sua publicorum, aut propter contemptum admonitionum Ecclesiae publicatorum, publica tiet reconciliatio, non ex vnius aut alterius, sed totius consistorij arbitrio, eoque modo et forma, quae ad aedificationem cuiuslibet Ecclesiae commo-dissima videbitur.6
30. Qiii pertinaciter Consistorij admonitiones reiecerit, a coenae communione suspendetur, quod si ita suspensus post iteratas admonitiones nullum poenitentiae 7 signum dederit, hinc8 erit ad excommunicationem9progressus.
1
S heeft 18 cap.
2
3 S heeft illius.
3
F heeft di/a-f, zoo ook R.
4
F en A. zoo ook R, hebben admonitiones, H en S echter admonentes. (Dat dit het goede is, blijkt o. a. ook daaruit dat A nog heeft.)
5
F heeft antem voor natura.
6
A en H, zoo ook R, hebben iudicaMtur, F eu S echter videbitur.
7
S heeft poenitentis.
8
S heeft hinc. A, F en H, ook R hebben hic.
9
A heeft communicationem.
238
31. Publioe e 1 suggestn 1 peccatorem obstinatum admonebit Minister, peccatum exponet,2 officia in eo reprehen-dendo, a coena suspendendo posteaqne diligenter adhortando, pracstita declarabit; Ecclesiam, vt pro hoe peccatore impoenitente sedulo oret, monebit, anteqnam ad vltimum remedium 3 descendere Ecclesia cogatur. Einsmodi tres fient admonitiones. In prima non nominabitur peccator, vt aliquo modo ei parcatnr: in secunda nomen edetur; ^ in tertia Ecclesiae signi-ficabitur,4 nisi resipiscat, excommunicandum esse, vt si pertinax fuerit, tacitise Ecclesiae suffragijs excommnnicetnr. Intervalla admonitionum in con-sistorij arbitrio erunt. Si ne liis5 quidem officijs ad resipiscentiam possit adduci, promulgabitur coram Ecclesia einsmodi pertinacis peccatoris a corpore Ecclesiae Excommunicatio et Abscissio. Vsum et finem excommunicationis fuse6 exponet Minister admonebitque fideles, ne familiarem et non neces-sariam cum excommunicato consuetudinem 7 habeant, sed eius consortium vitent hoe praecipue consilio, vt pudore sufifusus excommunicatus de resipiscentia serio cogitet.
32. Qui grauia. Ecclesiae probrosa, vel,n Magistratus
1
F heeft et suggest urn.
2
F heeft Ecclesiae vóór exponet.
3
A, ook R, heeft excommunicationis tussehen vltimum en remedium.
4
F heeft tantis.
5
1 S heeft eis.
6
S heeft prolixe.
7
S heeft necessitudinem.
239
auctoritate pleetenda peccata perpetrarint, etiamsi 1verbis poeniteutiam testentur, a coenae tamen com-munione suspendentur; quotautem vicibus in arbitrio consistorij erit.
33. Si Ministri, Seniores ant 2 Diaconi peccatnm publicum, Ecclesiae probrosnm, vel anctoritate Magistratus plectendnm perpetrarint, Seniores quidem et Diaconi statim auctoritate Consistorij munere abdicabuntur, Ministri aiitem suspendentur.3 An vero abdicandi sint ministerio, ^ Classici conuentus erit iudicare, cuius sententiae si non acquieuerint ad Synodum proiiincialem prouocabunt.
34. An vero Ministri, Seniores et 4 Diaconi iam c abdieati, postquam poenitentia Ecclesiae satisfecerint, si denuo eligantur, admitti debeant; quod ad Seniores et Dia-conos attinet, Consistorij, quod vero ad Ministros spectat. Classici conuentus erit iudicare. 5
35. Ministri Belgio 6 oriundi, 8 qui exteris Ecclesijs operani addixerunt, si ab Ecclesijs Belgicis reuocentur, dabunt operam vt vocationi obtemperent, constitute Ecclesijs suis7 legitimo tempore, quo sibi de alijs Ministris prospiciant. Quod si exterae illae Ecclesiae eos 8
1
F heeft etsi.
2
A en F, ook R, hebben et, H en S aut. Met het laatste stemt overeen, dat de Hollandsche vertaling quot;ofquot; heeft.
3
R heeft met A suspendentur a functione. F, H en S hebben echter alleen suspendentur.
4
S heeft vel. A, F en H hebben et, de Hollandsche vertalingen en.
5
S heeft judicium.
6
S heeft Bélgici.
7
In F ontbreekt suis.
8
H en S hebben eos, A en F. ook R, illos.
240
dimittere nolint, 1 ad alias non suspectas erit prouo-catio. Admonebuntur autem ij, qui nondum operam suam cuiquam addixerunt, vt libertatem obtemperandi vocationi retineant. -30. 3 Admonebuntur etiam membra Ecclesiarum quae Mi-nistri alicuius opera libertatis tempore vsae sunt, vt de alimentis ei, si 4 egeat, prospiciant.
:!7. Qui ex5 hac dispersione in aliqua ciuitate collecti sunt, studiosos aliquot0 alent, quos sibi deuinctos7 habeant, quorum opera si qui aluerunt carere possint 8 et patiantur, vt alia quaepiam Ecclesia plane sibi addictos9 habeat, snmptus factos repetere poterunt; 10 secus vero, si ad tempus tantumquot; concedant.12 38. Conscriptus est Catalogus Ministrorum nunc 13 minis-terio destitutorum et aliorum ad verbi ministerium aptorum. Delecti 14 sunt singuli singularum Classium Ministri, qui hie sunt, qui Classis suae Ministros huius Synodi nomine hortentur, vt diligenter inqui-rant num quae sint in suis Classibus Ecclesiae Ministris 16 destitutae, eas hortentur,16 vt Ministnun
1
F heeft nolunt.
2 F heeft detineant.
3 In F ontbreekt dit geheele artikel.
4 In H ontbreekt si.
5 F heeft in, A, H en S hebben ex.
6 S heeft dliquos.
7 A heeft deiunctos.
8 A heeft possunt.
9 II heeft addictum.
10 F heeft possunt.
241
vocent, aliquos ex Catalogo proponant,1 vt mutuo consilio aliquis - vocetur. 2
;i9. Delecti sunt Ernbdae dominicus julius, cornelius Rhetiüs,3 Joannes Arxoldi , Vesaliae Joannes Lippius, Petrus Rickiüs, 4 Michael Jordanüs,5 vt Ecclesiae Belgicogermanicae Ministris6 destitutae seiant0 ad hos viros scribendum, vt Miuistros in ijs aut vicinis locis degentes indicent.
40. Si tanta egestate vlla 1 laboret7 Ecclesia, vt Ministrum quem vocat alere non possit, Classis dispiciet 8 an9 primo plures Ecclesiae vicinae coniungi possint. 9 Praeterea Ministri Ecclesiarum dispersarum admone-buntur, vt Ecclesiae membra hortentur ad opem ferendam; praesertim autem eos monebunt, qui ex ea erunt prouincia, in qua est illa Ecclesia. Ipsi quoque Ministri hac in parte alijs exemplo erunt.
41. Ministri Classis ijs locis, in quibus ministerium verbi constitui non poterit, lectores, Seniores et Diaconos constituent, vt sic colligantur Ecclesiae.
42. Ministri et Seniores Classium, quae sub 10 cruce sunt,,0 in omnibus ciuitatibus et .pagis Classium suarum et vicinis diligenter inquirent eos, qui propensi sunt ad puram religionem vt eos ad officium hortentur. Itaque Ecclesias aut saltern Ecclesiarum initia colli-
1 F heeft proponent.
2 F heeft aliqui vocentur.
3 A heeft Rctius.
4 A heeft Rikius; F en H hebben Richius.
5 Deze namen komen in S slechts gedeeltelijk voor. 0 S heeft si ministris sint.
7 a en h, ook R, hebben lahoret vlla, F en S vlla lahoret.
8 S heeft dispiciat.
9 Met 8. — A, F en H, ook R. hebben ac.....pot erunt.
11 Met S. — A, F en TT. ook R. hebben sunt sub cruce.
1G
242
gere studebunt, quod vt melius exeoutioni 1 mandetur, partientur2 Classes hae inter se Cinitates et pagos vicinos, ne quid negligatur. Eandem euram gerent3Ecclesiae dispersae ciuitatum et aliorum locorum sibi 4vicinorum, praesertim a Classibus procul dissitorum; fideles dispersi illos Classium sub cruee Ministros hac in re iuuabunt, indicando circumspecte nomina eorum, quos cognouerint ad religionem esse propen-sos in ijs locis vnde vel 5 eiecti vel digressi sunt.
43. Vtilissimum est earn ease Ecclesiarum coniunctionem, vt mutuis inter se Uteris crebro significent, quae ad Ecclesiarum in genere vel aliquarum priuatim conser-uationem et incrementum pertinere videbuntur, et nominatim haereticos, scbismaticos, mercenarios, cur-sores et alios eius generis homines exitiosos designent , vt Ecclesiae, sibi ab illis caueant.
44. Vt grauibus0 Ecclesiarum oneribus occurratur, quae indies augentur eorum leuitate, qui nimis facile sedes mutant, et aliorum, qui praetextu paupertatis et reli-gionis eleemosynas domesticis fidei necessarias et debitas praeripiunt, consultum esse iudicauimus, vt in singulis Ecclesijs publicetur eos, qui inde migra-bunt, non esse in posterum vt domesticos fidei iuuan-dos in alijs Ecclesijs, nisi testimonium ante actae in Ecclesia, vnde proflciscuntur, vitae et doctrinae habeant.
45. Dabunt autem operam Ministri, vt quicunque testi-
1
F heeft exercitioni.
2
S heeft partiantur.
3
In S ontbreekt gerent.
4
S heeft sihi. H heeft sine. A en H, ook R, hebben noch het een, noch het ander.
5
F en H hebben vel] S heeft et, A geen van beide.
ö H heeft grauioribus.
24a
monium postulabunt eos, qua de causa migrare velint, interrogent negentque praecise \' testimonium, si non satis iustam profectionis esse causam deprehenderint, cauebuntque1 Ministri et Diaconi ne procliues et fa-ciles sint in exonerandis Ecclesijs suis pauperibus, quibus alias nulla necessitate grauent. Quibus testimonium 2 dandum 3 esse censebunt, in eo 3 nomina et cognomina eorum, vnde oriundi sint, quod sit eorum opificium, quae causa migrationis, quamdiu in ea Ecclesia egerint, quomodo se gesserint, quo tempore inde proficiscantur, quo se recipere statuerint, et alia eiusmodi ascribent.
5Dabitur autem profecturis, quantum vsque ad proxi-mam Ecclesiam, qua4 transituri sunt, satis esse vide-bitur; quantum vero id sit, in testimonij 5 Uteris annotabitur. Idem praestabunt aliae, per quas rtans-ibunt. Ecclesiae pro sua quaeque facilitate, vt exhi-bito testimonio si legitimum sit caeteraque8 proben-tur, tantum largiantur, quantum opus esse ad proximam vsque9 Ecclesiam iudicabunt, idque testimonij Uteris ascribent, et quo die inde discedant, notabunt. Ita se et aliae gerent Ecclesiae, donee ad designatum pertigerint quot; locum, vbi testimonium exhibitum lace-rabitur.
1
F heeft cauehunt.
2
S heeft testimonia danda.
S heeft ijs.
S heeft als opschrift Be Viatico.
3
S heeft quam.
F heeft testimonialihns.
H heeft caetera.
In F ontbreekt vsque.
4
F heeft pertingerunt.
5
S heeft praecisum.
244
47. Qui post mensem proximnm Nouembris sine vllo testimonio aut aliquo, seel non ad liane normam conscripto, ab Ecclesijs migrabunt, non habebuntur pro fidei domesticis, quibns maxime benefaciendum esse docet Panlus : si qui tamen ex Ecclesijs, quae sub cruce sunt vel ijs locis, vbi nullum est ministe-rium constitutnm, venerint, examinari eos operae pretium est, an sciant precari, et possint rationem fidei raddere, qua de causa migrarint, et de alijs eiusmodi. 1 Diaconorum autem 2 erit prudentiae, qua-tenus istiusmodi sint iuuandi, dispicere. 3
48. Rogabitnr D. S. Aldegondius 4 huius Synodi nomine, vt rerum in Belgio 5 gestarum abhine aliquot annos0 conscribat historiam,, ac praecipue earum, quae ad instaurationem Ecolesiarnm, persecutiones earum, idolorum deiectionem et restitutionem, martyrum constantiam, borrenda Dei in persecutores indicia,6mutationes politiarum etc. pertinent.
49. Dabunt autem7 operam singularum Ecclesiarum Mi-nistri et alij omnes, qui opera sua hoc institutum iuuare poterunt, vt quae eo spectabunt, diligenter soiscitentur et inquirant, et alicui ex his, qui ad hoc electi sunt, consignata mittant, quae postea ad S. Aldegondium 8 fideliter perferenda curent.
1
H heeft vinscemodi, F huinsmodi.
2
In F ontbreekt ant em.
3
S heeft prospicere.
4
8 heeft D. S. Aldegondm; H heeft Sant Aldegnndins; A heeft
I). Aldigondins en F Sant Allcgundhis.
5
S lieeft Religione.
6
In F ontbreekt indicia.
7
In F ontbreekt autem.
8
Met S. — A heeft D. Aldigondinm; F Sanctum AUegundium;
H. sant Aldegundium.
245
50. Delecti sunt Embdae Chkistophorus BecanüS et1Cornelius Rhetius, Vesaliae Petrus Rickius et Carolus Nibllius, Coloniae Adrianus Co-nixcxloo et Joannes Regius , Aquisgrani Joannes Christianus et Joannes Hueckelom, Franoofurti Dominus de Bailleul et Sebastianus Matthaei, Heydelbergae Petrus Dathenus et Joannes ïaf-finus, Franckentalij Caspar Heydanus et Petrus AnthoniüS, Schonouiae FranciscüS junius, S. Lamberti Nicolaus Schoubrouck. 2
51. Nemo librum a se aut alio compositum, in quo ile religione agatur imprimendum vel 3 alioqui euulgan-dum curabit aut patietur, nisi a Ministris Classis 1 aut publicis Theologiae professoribus nostrae confes-sionis examinatum et probatum.
52. In Ecclesijs freqnentioribus operae pretium erit pro-positiones priuatas habere, quibus ij concionando exeroeantur, de quibus spes bona est posse aliquando Ecclesiae inseruire, atqne ad ordinem eeruandum 4praesidebit actioni Minister aliquis.
53. cArticuli hi ad legitimum Ecclesiae ordinem spec-
tantes ita mutuo consensu sunt constitnti, vt si vtilitas Ecclesiarum aliuil postulet nvutari, augeri et minui possint ac debeant. Non erit tamen alicuius priuatae Ecclesiae id facere, sed dabunt omnes operam vt illos obseruent, donec Synodo5 aliter constitnatur.
1
In S en H ontbreekt et, dat echter in A en F voorkomt.
2
De lezingen der namen zijn zeer versehillende in de onilerscheidene
MSS. Ik heb nit alle diegene genomen, die mij de beste voorkwamen.
3
S heeft aut.
4
A heeft seniandam.
5
A heeft a synodo.
246
Embdae 12 die Ootobris Anno 1571 a quarto die usque ad duodecimum. 1
De Classicis2 Conubntibus.
1. In Classicis3 conuentibus3 Ministrorum vnus con-cionem in4 Ecclesia4 habebit. De ea caeteri Collegae vna collect! iudicabunt, et si quid corrigendum sit indicabunt. Idem caeteri suo 5 quisque ordine praesta-bnnt0 in proximis Classicis conuentibus.
2. Postea Praeses communibus collegarum suflragijs electus post conceptas praeces 6 singulos rogabit, mini habeantur consessus consistoriales in eorum Ecclesijs, an disciplina Ecclesiastica vigeat, an certamen habeant7cum haereticis, an dubitationis quid habeant in aliquo doctrinae capite,8 an pauperum et scholarum cura geratur, 9 an ad gubernationem Ecclesiae egeant collegarum 10 consilio et opera, et pleraque huius ge-nevis alia.
3. Siquid in aliqua 11 Classis Ecclesia acciderit, quod in illius Consistorio componi non possit12 in conuentu
1
Met F. — A heeft dezelfde woorden en daaronder quot;Casparus Heijdanus, Praeses manu propria subscripsit, Joannes Polyander, scriba.quot; — S heeft niets anders dan: quot;Embdae 12 Octobris 1571quot; en H draagt tot onderschrift: Embde 12 die Octobris 1571.quot;
2
In F ontbreekt Classicis.
3
In plaats van Classicis conuentibus heeft F classiJnis.
4
In T ontbreekt in Ecclesia.
5
In H ontbreekt suo.
6
In H ontbreekt praeces.
7
9 In F ontbreekt hdheant.
8
F heeft genera.
9
in T heeft hoheatur.
10
T heeft aliorum in plaats van collegarum.
11
A heeft alia.
12
A heeft posset.
247
Classico dispicietur \' et1 iudicabitur,2 a quo ad Prouincialem 2 erit appellatio. Caeterum in conuen-tibus Classicis, quae ad Classis illins Ecclesias per-tiuebunt, tractabuntur.
4. His peractis proponet Praeses vnam aut alteram 1 quaestionein de Capitibus in religione controuersis inter nos, Papistas 3 et alios,0 qua ratione se1 mutno erudiant et ad studia excitent. 4
5. In eo conuentu Classico, qui proxime Prouincialem5praecedit,6 deligentur qui ad Prouincialem7 Classis 8illius nomine ablegentur. 9
G. Mittentur autem ex singulis Classibus duo Ministri cum totidem Senioribus aut Diaconis, aut saltem vnus cum Seniore vno 10 vel Diacono. 11
7. Antequam capita conscribantur in Synodo prouin-ciali proponenda, consultum est vt legantur accurate praecedentium Synodorum acta seu 1(i constitutiones, ne in Synodis prouincialibus, ac praecipue generalibus, quae ante tractata et definita communi consensu
1
3 In H ontbreekt et ivdirahitur.
2
T leest Prouincialem Synodum,
3
Achter alios heeft H nog etc.
4
T heeft exuscitent.
5
T heeft Prouincialem Synodum.
6
H heeft prooedat.
7
1\' T heeft Prouincialem Synodum.
8
In T ontbreekt Classis.
9
T heeft mittantur.
10
In F ontbreekt vno.
11
T heeft vno etc, achter Diacono.
248
fuerunt demio proponantur, nisi noua dubitandi de eo qxiod ante 1 decisum fuerit2 causa subsit. 8. Postremo locus et tempus proximi conuentus desig-nabitur, gratiaeque Deo agentur quas concipiet Praeses.
De Prouincialibus Synod is.
1. Qui ad conuentum Prouincialem3 mittentur literas dimissionis et caiiita proponenda scriptis 4 consignata4 afferent; Neque alia conscribentur quam quae in5Consistorijs et conuentibus Classicis definiri non potuerunt, vel ad Ecclesias omnes illius Provinciae pertinebunt, ne conuentus Prouincialis quaestionibus non necessarijs protrahatur.
2. Cum conuenerint^ loci Minister aut, si nullus sit, is 6 qui superiori oonuentui praefuit praeces concipiet ad Praesidis, Assessoris et Scribae elect!onem. Praeses electns praeces habebit ad totam actionem accom-modatas, postea nomina eornm qui aderunt conscribi, absentium notari, vt absentiae causam reddant, curabit.
3. Literas dimissionis seu testimoniales7 postulabit, vt legantur instructionesque 8 seu mandata singulorum 9scriptis consignata, quorum singula ordine proponet.
1
In A ontbreekt ante.
2
F heeft fuit.
3
:i T heeft prouincialem Synod urn.
4
1 F heeft Uteris conscripta.
5
[n F ontbreekt in,
6
\' In T ontbreekt U.
7
F heeft testimamp;nii.
8
R heeft met A instructianes. — F, H en T hebben instructionesnue
9
H heeft singidarum.
249
totius 1 coetns indicium, exquiret, suffragia colligot, quae maioris et sanioris partis erit sententia exponet; earn scriba excipiet, exceptam cliserte leget, vt omnium caleulis probetur.
4. Quae ad doctrinam primum, deinde2 quae ad disci-plinam Ecclesiasticam pertinebunt et legentur et soriptis distincte consignabuntur, deinde 2 facta parti-cularia.
5. Officium Praesidis est3 inhere vt vnusquisque ordiue suo loquatur, silentium acrioribus et contentiosis im-perare, nisi taceant, vt egrediantnr ex coetu praeci-pere, vt ex fratru m iudicio censura digna4 repreheu-dantur. Praesidis officium cum actione finitur, libe-rum autem erit proximo conuentui Prouinciali vel eundem vel alium 5 eligere.
0. Seniores aut Diaconi qui ad hos conuentus mittentur 6suffragium habebunt in omnibus sessionibus vna cum suarum Ecclesiarum Ministris. Ex Senioribus autem loci, in quo conuenerint, duorum dumtaxat senten-tiae 7 sufL\'ragij vim 8 obtinebunt, quantumuis caeteris n quoque Senioribus interesse et sententiam dicere liceat.9
7. Omnes sessiones inchoabit Praeses a praecibus, claudet
1
T hocft et totius.
2
A heeft dein,
3
In F ontbreekt est.
4
1 R beeft digni, maar A. F, lï en T hebben digna en de Hol-landsebe vertalingen deels belworende of Whoorlijek, deels nadat :ij verdient hebben.
5
FT heeft alium locum.
6
T heeft mittuntur.
7
In T ontbreekt sententiae.
8
T heeft vnum.
9
T heeft licet.
250
autem gratiarum actione. Articuli omnes constituti scriptisfiue consignati denuo legentnr, vt ab omnibus et\' probentur et subscribantur. 1 Vnusquisque autem eorum exemplar referet, a Praeside et Scriba sub-scriptum, vt in Consistorijs singularum Ecclesiarum legantur. 2
8. Totius conuentus Prouincialis consensu 3 eligetur Ecclesia, cui cum aliorum Classis suae\'* Ministrorum uulicio constituendi locum et tempus proximi conuentus Prouincialis et ius et cura4 delegabitur. 5
9. Ad hanc Ecclesiam quaecunque in alijs occurrent1 difficiliora, quaeue in Consistorijs et6 Classicis con-uentibus8 definiri non potuerunt, aut quae grauiora ad vniuersam Prouinciam7 pertinebunt diligenter et mature mittentur. 8
10. Haec Ecclesia locum et tempus Prouincialis conuentus proximi constitutam caeteris Ecclesijs trimestri9 ante significabit, exemplarque eadem opera illorum omnium capitum seu artlculorum, qui ad eam missi fuerint, transmittet, de quibus mature vnaquaeque Ecclesia eogitet iudiciumque suum in conuentu Classico pro-ferat,10 vt qui illius Classis nomine ablegabuntur iam
1
T heeft mhscribantur et prohentur.
2
■ H heeft legatur.
3
In F ontbreekt consensu.
4
T heeft jura.
5
* A heeft délegabit, T elegabitur.
6
In F ontbreekt et Classicis conuentibus.
7
In A ontbreekt prouinciam.
8
ï0 T heeft mittantur.
9
Met H. — A, F, T en R hebben trimestre.
10
T heeft prof er et. — F heeft in plaats van qui ad earn etc.... prof er at slechts dit: qui adventu classico proferat.
251
jiraemeditata et ab omnibus illius Classis Ecclesijs discussa\' proferant. 1
11. Ne tarnen Ecclesia, cui cura designandi loei et temporis ad conuocandam proximam Synodum pronincialem mandata est, scribendis ad siugulas omnium2 illius Prouinciae Classium Ecclesias Uteris plus aequo3grauetur, in vnaquaque Classe 4 eligetur Ecclesia 5 ad quam scribet, vt ilia quae acceperit cum suae Classis Ministris communicet.
12. Communibus vniuscuiusque Classis sumptibus in-tererunt Synodo, qui ad eam ablegabuntur.
Hi. Absolutis Synodi negotijs oelebrabitur sacra coena inter Ministros et Seniores, qui ad Synodum con-uenerunt,5 et Ecclesiam loci, in quo collecta est, si loei ratio id feret. 6
l-l. Ecclesiae in qua Synodus habetur cura incumbet, 7 vt ad proximam Synodum acta seu constitutiones illius Synodi vel afferat vel mittat.
De Gbnbralibus Synodis.
Eadem in Synodis generalibus seruabuntur quibns8intererunt non a Classibus sed a 9 Prouincijs delegati Ministri et Seniores cum Uteris testimonialibus et mandatis ad doctrinam, disciplinam et facta particu-
1
3 In F ontbreekt proferant.
2
In F ontbreekt omnium.
3
T heeft aeqxie.
4
T heeft Ecclesia eligetur Classis.
5
H heeft conuenerint.
6
T heeft ferat.
7
T heeft incumbit.
8
T en H lezen Cui, met welk woord een nieuwe zin begint.
9
Met T. — A, F en H hebben het niet.
252
laria spectantibus, quae in conuentibus Prouincia-libus definiri non potuerunt, aut ad omnes Ecclesias spectant.1
Acta Particularia Seü
Particulares Quaestiones. 2
1. Audita expostulatione et petitioue vtriusque Ecclesiae Embdanae promiserunt fratres Synodi se, cum primum reuersi domum3 erunt,4 curaturos 5 vt significetur Ecclesijs suarum Classium, Ecclesiae Embdanae Dia-conos ijs, qui legitimum Ecclesiarum vnde proficis-cuntur vitae fideliter et pie 6 anteactae7 testimonium exhibebunt, vt domesticis8 fidei opem laturos, aliarum Ecclesiarum per quas transeunt exemplo,9 sed quae 10in muitos dies aut menses aliquot, vt interdum fit, consistentibus, dum ventum secundum expectant quo in Angliam traijciant, opus essent in posterum sup-
1
A heeft speet ent. T spectabunt etc. suhscripta a Caspar o Ileidano Praende Johanne Poly and ro Scriba. (Zoo heeft ook de Hollandsche T: quot;zijn geweest Casparus Heydanus Praeses, Johaxnis Polyander Scribaquot;). — A draagt hier bovendien deze onderteekening (in A is dit artikel het laatste): subseriptum est Casparus Heidanus Praeses, Joes Polijander Scriba.
2
F leest quot;facta particularia sen particulares quaestiones;quot; A quot;Acta particularia aut quaestiones particulares;quot; H heeft alleen quot;Particulares Quaestiones,quot; terwijl T heeft quot;Quaestiones particulares in Synodo Emb-dana tractatae Anno 1571.quot;
3
F heeft dn mi.
4
T heeft fuerint.
5
6 F heeft curatoren.
6
fi A en H hebben piae.
7
F heeft actae
8
H heeft domesticos, A. F en T hebben domesticis.
9
T leest extemplo.
10
,0 T heeft qui.
253
peditare non posse, ne quis vana fiduoia confisus sedes leuiter rcuitet.
2. Primae Coloniensium quaestioni, An 1 omnia serip-turis sacris sint confirmanda,1 responderunt Fratres, quae conscientiae sunt verbo Dei probanda, quae vero ad ordinem spectant aut indifferentia sunt ad earn neeessitatem non esse redigenda.2
3. Ad alteram quaestionem de Bibliorum correcta trans-latione Flandrica,3 earn ad Synodum generalem reij-ciendam censuerunt fratres.
4. Tertiae quaestioni et quartae responsum est in Arti-culis 51, Nemo librum, et 52, In Ecclesijs.
5. Quintae quaestioni de Aotis Synodi Rupellensis4 in Gallijs vt satisfiat, D.5 petko Dathkxo et joanxi Tafpino mandarunt fratres.
ü. Sextae quaestioni respondet articulus 38 de vocatione Ministrorum, Conscriptus 0 est6 Catalogus.7
7. Ad septimam sic responsum est, quod testes adhibere et audire in consistorio licet, ijs autem deficientibus iuramentum in re graui exigere seu deferre,8 nou tarnen imperando, quod solius Magistratus est, sed monendo et hortando; et quamuis liceret9 forma solemni et apud Magistratum consueta vti, expedit
1
In A en F ontbreken de woorden ^1«.... confirmanda. H en T hebben ze echter beide.
2
T heeft reduoenda.
3
R met A heeft quod attinet cam.
4
H heeft ItocheUcnsis, F Russell ens is, maar A en T hebben I/u-pellensis (la Rochelle = Rupella).
5
In H ontbreekt D.
6
In F ontbreekt est, H heeft in de plaats daarvan etc.
7
Catalogus ontbreekt in F en H.
8
T heeft dejicere.
9
T heeft liceat.
254
tarnen abatinere, propositaque 1 seria2 Dei in periu-ros vindicta, vt veritatem quis agnoscat, obtestari; consultissimum autem est quam rarissime et testes adhibere et iuramentum exigere.
8. Ad Coloniensium qnaestionem de marito, quem vxor sequi non vult, responsmn est proclamationes anc-toritate Magistratus esse necessarias; proinde ad4 eam eiuitatem se recipere poterit 5 maritns,4 vbi Magistratus operam et auctoritatem suam interponere velit.
9. Ad decimam0 fratrum7 Coloniensium quaestionem, an liceat Papistae alicuins infantem baptizare qui testatnr Baptismi formam in Ecelesijs reformatis re-ceptam sibi puriorem videri quam earn,8 quae in9 papatu vsurpatur,8 respondetur,10 qui sibi satisfieri cupiunt exemplar sumant articuli a fratribus Geneuen-sibus ea de re oonscripti. 2
10. Ad vndecimam 12Coloniensium quaestionem, an possint 13 susceptores \'* admitti, qui etiamsi 15 religionem
1
F heeft proposita,
2 Met T. — A. F, H en R hebben serio.
3 T heeft attestari.
4 T heeft ad eam jn cinitatcn dbducenda sic eripiut maritns.
5 F heeft potest.
6 F heeft nonam. T heeft niets.
7 In T ontbreekt fratrum.
8 F heeft cnin, quem papatus vsvrpat.
9 In T ontbreekt in.
10 In A, F en H ontbreekt respondetur.
2
Xu A volgt het Geneefsehe artikel in Hollandsehe vertaling. Daar het is afgedrukt W. d. M. V., S. II, D. III, p. 93, vg., zal ik het hier niet overnemen.
13 F en T hebben decimam.
13 A heeft possent.
14 A heeft suspectores.
16 T heeft etsi.
255
pnram amplectantur 1 sese tarnen 2 Ecclesiae nolint 3adiungere, sic responsum est: quia visum est fratribus susceptorum 4 in Baptismo vsum libernm relinquere, quibus in Ecclesijs adhibebuntur vt testes duntaxat sint Baptismi collati, ij Je quibus agitur admittentur,5sed vbi adhibentur 0 sic vt curam quoque instituendi infantis suscipiant, eos Ecclesiae membra esse oportet.6
11. Quaesiuerunt Aquisgranenses et Colonienses fratres, an impie viuens frater post multas admonitiones frustra adhibitas excommunicandus sit, an 7 vero ad tempus diffierenda excommunicatie,8 quando Ecclesiae dissipationem minatur. Responsum est: qui excommunicandus alioqui secundum Dei verbum est excommnnicabitur, quamuis Ecclesiae dissipationem minitetur;8 quia tamen tempora admonitionum publico faciendarum et exoommunicationis pronunciandae in iudicio 9 et arbitrio Consistoriorum relicta sunt, ad-monitionum 10 et excommunicationis tempora differri poterunt sic vt et conseruationis Ecclesiae ratio habeatur et excommunicatio necessaria non negligatur.
12. Ad propositionem fratrum Antuerpiensium de ijs Ministris 11 qui otiosi et alio vocati parere recusant.
1
T heeft complectantur.
2
In F ontbreekt tamen.
3
* F en H hebben nolunt,
4
1 A heeft suspcctorum,
5
T heeft admittantnr.
6
T heeft adhibiti.
7
De woorden an,,., excommunicatio ontbreken in F en H.
8
T heeft minetur,
9
T heeft medio.
10
F heeft admonitionis.
11
In F ontbreekt ministris.
256
sic responsutn est: Ministri qui ministerio destituuii-tur, si\' ab aliqua vocentnr1 Kcclesia et obtem-perare recusent,:! an vrgendi sint judicabit Classicus conuentus.
lii. Ad eorundem propositionem, an liceat mulieri fideli infideli 2 marito coniunctae, illo 3 inuito 5 infantem suum Ecclesiae baptizandum ofïerre, responsum est; licere quidem et debere, sed quia forsitan non semper expediret pro Ecclesiarum conditione operae pretium erit, vt ea in diffleultate Consistorij consilium requirat0, cuius prudentiae erit nee timidioribus frena laxare, nee rigore nimio conscientias grauare.
14. Quaerentibus Ecclesijs, an fratribus 4 liceat exercere mercaturam cum aliorum Principum monetis, easdem fundere, vel vt fundantur et in peiores redigantur curare aut occasionem praebere, responsum est, pecu-niam 5 colligere 6 vt in deteriorem fundatur et alioqui cudere vel cudi curare vnde aliquid Reipublicae detri-menti affieratur,7 etiam dissimulante 8 id loci 9 ma-
1
T heeft vocati, A en F hebben vocantur, H heeft vocentur.
2
A, F en H hebben et infideli, ï heeft alleen hifideli,
3
\'\'\' T heeft invito marito.
4
F en H hebben fratri, A en T fratribus.
5
T heeft vóór peouniam de woorden quot;Quod mercaturam eserceri liceat,quot; die in de andere MSS- ontbreken, — Slechts eene enkele Holland-sche vertaling heeft de woorden van T. — De Hollandsohc T heeft ze, maar in D ontbreken ze. Zie verder W, d, M. V., S. 11, D, lil, p, 98, noot 2.
6
T heeft aut vóór colligere.
7
T heeft ajficiatur. 1
8
ï heeft jn dissimulante.
9
P heeft eius loei.
257
gistratu, institiae et oharitati contrarium esse et ijs, qui puram religionem profitentnr, indignum. lquot;). Propositioni fratrnm Gantlauensium et Antnerpiensium responsum est: pro grauitate peceati, ofiEendiculi 1magnitudine, frequenti 2 lapsus iteratione et ratione locorum aliarumque 3 cireumstantiarum dispiciet4 et maturo cousilio iudicabit Consistorium, an quis arcen-dus sit non solum a coena, sed etiam a coetu in Ecolesijs sub cruce ; si quid amplius requiritur, 5 ad Classicum conuentum referetur.
lü. Rogauit frater Gandauensis, an haec peccata publiea censenda sint, an vero occulta, nempe in secreto indulgentias accipere, matrimonium inter papistas contrahere, infantem0 baptizare 6 inter priuatos parie-tes, coram consule vel aliquo ex magistratu Christum abnegare, per sanctos iurare. Haec1 quaestio quia varie disputabatur in alium Coetum est 6 reiecta.!) 17. Aquisgranensium quaestionem de luuene et Ancilla reijciunt fratres ad diligens omnium circumstantiarum totius negotij examen a7 Consistorio faciendum et postea Classico conuentni referendum. 8IS. Antuerpiensis9 Ecclesiae Gallicae quaestioni, quid
17
1
A heeft et ojfendiculi.
2
F liceft ft frcquenti.
3
F heeft et aliarum.
4
H heeft dispiciat, T desjpicict.
5
Met A heeft IJ infantem a saorifico curare haptkarl in plaats van infantem baptizare,
6
In T ontbreekt, at.
7
■ T heeft ac.
8
T heeft commrmcanda.
9
T heeft AntwerpienHum.
258
agendum sit mulieri alleganti maritnra in bello mor-tnum abhinc quatnor qninqueue annos, mortem tamen certo1 testimonio probare nequeunti, responsum est, vtendum esse proolamationmn auctoritate Magistratns remedio; quod2 si obtinere non possit, petet3 a Ma-gistratu vt * quantum temporis sit ei4 expectandnm 5statnat 6; si neutrum obtinere queat consuletur ei,7vt in earn ciuitatem se reeipiat, vbi Magistratns ope-ram 8 et auctoritatem9 suam interponere velit.
19. Alteri eiusdem Ecclesiae quaestioni de viduis muli-eribus mense vno aut altero a ,0 mariti obitu nubere volentibus 10 responsum est, Consistorium nec 11 posse nec 12 debere definire tempus, cum Paulus permittat viduis nubere sine temporis definitione, tamen hones-tatem postulare ne ad secundas transeant nuptias ante quatuor quinqueue menses, et si grauidae u essent 13ad 14 menses circiter duos a partu.15
20. Tertiae eiusdem Ecclesiae quaestioni, de eo qui sus-pensus a coena ob graue peccatum vxorem ducere
1
F heeft certisslmo.
2
T heeft quum.
3
T heeft yctat,
4
tum sihi temporis exsjtectandvw statnat.
5
In H ontbreekt ei.
6 F heeft exj)etendum.
6
* In plaats van de woorden vt qvantum .... statuut heeft T qvan-
7
T heeft cae,
8
T heeft eae vóór operam.
9
In T ontbreekt et auctoritatem.
10
T heeft quae velint in plaats van volentibus.
11
13 H heeft non.
12
In T ontbreekt nec.
13
T heeft gravida fuerit.
14
In plaats van de woorden ad... partu heeft F ad quatuor quinqueue lu\'hdomudas a partu, ad menses circiter duos a partu.
259
vnlt in 1 Ecclesia,1 non agnito prius 2 publice peccato, resijonsum est, censuris Ecclesiasticis agendum esse3 in eum, si resipiscat admittendum; sin minus, admo-nendam mulierem ne oontrahat matrimonium cum viro , graui aut publico peccato contaminato, Ecclesiae contemptore et ab 3 ea 4 suspense et excommunicato.
21. Quaesitum est quoto4 gradu afHnitatis et consangui-nitatis prohibitum sit* matrimonium. Responsum5est,c consuitissimum esse praesertim vbi Magistratus est infidelis, loei leges et constitutiones\'\' obseruare, quandoquidem id sine Dei6 ofïensa fieri potest, ne matrimonium contra eas contraetum a Magistratu declaretur nullum, liberique illegitimi, haereditas alio deuoluatur7 aliaque8 eiusmodiquot; mala9 contingant.
22. Quaestioni de Ministro vxorem habente 10 haereticam ab Aquisgranensibus jiropositae responsum est: quo-niam iam in ministerio est constitutus, diligens a Consistorio fiat inquisitio, quantum studium et operam adhibnerit tum 11 sancta conuersatione tum assiduis ex verbo Dei admonitionibus, vt vxorem Christo lucrifaceret; quod si negligentior 12 in hoc officio fuisse
17*
1
In F ontbreekt in Ecclesia.
2
In F ontbreekt esse.
3
In plaats van ab ca heeft A a Conui.
4
6 T heeft quanto,
5
G A en H hebben respondetur.
6
In A ontbreekt Dei.
7
A heeft deferatur vel deuoluatur.
8
ln A heeft alioqui.
9
In F ontbreekt mala.
10
T heeft habenti.
11
F heeft cum.
12
F en T hebben negligcntcr.
260
et esse deprehenditur, iudicio et auctoritate Consistorij cumClasse aministerio suspendetur; et si Consistoi\'igt;im remissius se gerat aliquorum fratrura Ecclesiae iudicio, a 1 Consistorij vel negligentia vel sententia ad Classem prouocare poterunt.
23. Conuocabitnr Synodus generalis ad proximum ver, si modo declarent Anglicae Ecclesiae se aliquos ad earn ablegare veile et2 posse, etiamsi non omnes in hoc consentirent; sin minus reijcietur Synodus generalis 3 in 4 alterum ver anni 73.
Delecta est Classis Palatinatus ad conuocandam Synodum generalem.
Delectae 5 sunt hae c in singulis Classibus Ecclesiae ad quas scribendum erit Embdana, Vesaliensis, Coloniensis, Heydelbergensis, Antuerpiensis, Ganda-uensis, Tornacensis et Alcmariensis in Hollandia.
Embdae 13 Octobris 1571.6
[Interfuerunt huic coetui atque subsignaverunt. 7] Jasparus HeydenüS, minister Franckendalensis Ecclesiae.
Joannes Tafpinus, Heydelbergensis Ecclesiae gallicae minister.
1
A heeft tuin illi voor a.
2
F heeft vel.
3
In A en R ontbreekt generalis.
4
F heeft ad.
5
In H ontbreekt hae.
6
Met F. — Deze woorden ontbreken in T. — A heeft Embdae 13 Oe-tuhris Anno 72. Soli Deo Gloria. — II heeft Einhdae 13 Oetohris 1571 Suhsceipio ct Ale ma er at hoe (lees: Subscriptio et aliena mann erathaec) Gd sparus Heydanus Praeses Joannes Polyander Scriba.
7
F leest achter deze woorden nog hi ministri. — A heeft boven de naamlijst de woorden: quot;Onderteickeninghe tot Emden, Anno 1571,quot; die eveneens in het boek van Cabeljau voorkomen, zie Hooijee a. w.,
201
polyandeii, Embdanae Ecclesiae gallioae minister. Hermansüs Modet.
CaroIjUS Nibllius, Vesaliensis Ecclesiae gallicae minister.
SybbrtüS Los, Coloniensis Ecclesiae minister. Joannes Hueckelom, Aquisgranensis Ecclesiae minister. Joannes Lippius, minister Vesaliensis.
Henricus Holtenus, Ecclesiae Embricensis minister. Joannes Woüdanüs, Antuerpiensis Ecclesiae minister. Valerius Paüli Tophusanus, Ganilauensis minister. Franciscus Pauli, in Elandria minister.
Joannes Arnoldi, Arasterodamensis minister.
Petrus Gabriel, Amsterodamensis Ecclesiae minister. Gisbertus Zythopaeus, Schaganae Ecclesiae minister. Andreas Cornelij, Brielensis Ecclesiae minister. Clemens Martini, Hornanae Ecclesiae minister. Andreas Theodoricus Castricomius, Frisiae Occi-dentalis minister.
Cornelius Ioannis, Twiscanus minister.
Cornelius Christiani, futnrus minister.
Henricus Michaelis, futurus minister.
Jasparus Bigardus, futurus minister.
Joannes Cocus in Elandria minister quondam. joannes IlstanuS in Frisia minister quondam. Seniores.
Carolus de Noude, ) Seniores Ecclesiae Emb-Christophorus Becanus, \\ danae Gallicae. Joannes le Roy, Coloniensis.
Hermannus Mbranus, Vesaliensis.
Gabriel , Antuerpianus.
p. 64. W. d. M. V., s. II, D. T1T, p. 119, noot 1. — Dc varianten in de spelling der namen zijn niet belangrijk genoeg om ze op te nemen. Zie overigens W. d. M. V., 1.1.
BIJLAGE B.
HERMAN M O D ED
AAN HET CONSISTORIE VAX DE NEDERDUITSCHE GEMEENTE TE LONDEN, i Emden, 14 October 1571.
Alle de Nederdnijtsche ghementen int Coninok-ryckc van Engelandt, genade ende vrede van God den Vader, door onsen enigen Saliohmacker Christum onsen Heere.
Eerwerdige ende seer geliefde broders, also ons voor allen, ende opt hooehste, de bewaringe des heyligen ende suijueren godsdiensts, met tghene dar an cleeft, tot gods glorie, enicheyt ende stichtinge synder ghementen beuolen is: ende de Heilige Apostel te dien eijnde ghebiedt dat alle dingen inder ghementen Godes ordentliek ende eerlick oft welbetaemliok sullen geschieden, opdat de gelickfor-micheyt ende gesontheyt beyde in de leere, christlicke regeringe, orderinge ende welstandt der seiner bewaret worden, om het welcke diuersche vrome Ministers in Engelandt voor lange, eenen eyuer ende begherte, namlick tot een ghemene Synodale versamelinge, getont hebben, also ock tselue grotelix ten herten genomen hebben de vrome Ministers ende Nederlantsche ghementen in Duijts-lant residerende Hyr dan by gecomen synde de begherte
1 Deze brief is mij in kopie welwillend verstrekt door den Heer J. H. Hessels.
2C3
van syn Excellentie door seekere scriften, hebben cle voorseyden (anseeude den nut ende profyt des seinen) den tj\'t beghert te gewinnen; ende hyr van met de verstrooj-de ghementen hernart oner geraetslaget synde, is eyndelick eenen seckeren dach ende plaetse vl. in I Engelant alderbest gelegen, tot Emden in Oostvrieslant angestelt. quot;Van alle dese is ock u lieder auijs, raet ende vorderinge beghert gewest, also tselne blieken mach by ^ de scriften an vl. deses angande gesonden omtrent den
2/wtganckVjuly lestleden. De Ministers wt cracht ende sending^ haerder ende andere ghementen tot gestelder plaetsen ende tyt, te weten den 1. Octobris anno 71 gecomen synde, ende somige dagen na vl. coomste ver-bijdende, grotelix ock an de seine twinelende, dar om \' dat heyr van vorcht voorgecomen is, de seine breuen tnwen handen niet gecomen te syne, heft het de versa-melinge niet goet gedocht, in snick een christlick ende nodich werck, met so grote moeijte ende costen gedan, ledich sonder enige vrucht te scheyden, maer veele mer een inganck ende voorbereydinge te done, tot dese ghe- f mene sake der Nederlantscher Kercken belangende.
Hijr van seer geliefde broders (twelcke niet dan te behoorlick is) senden wy vl. tghene hyr by ons in dese tegenwordige versamelinge (godlof) seer luefelick ende broderlick, op verbeteringe des naesten Synodalis versamelinge, verhandelt ende geaccordeert is gewest, vl. biddende tselne niet te willen nemen van ons gedan te wesen, tot enege preiudicie van n lieden aldaer, ofte enige andere Kercken, maer veele mer om den eyuer ende last van dese algemene nodige sake te verwecken, om tot vorderinge van dien uwen gewonlicken vlyt ende ge-trouheyt dair in te be wij sen, ende met ons nerstich ende ryplick onerleggen ende beraden, van alle de dingen ende stucken, die vl. beuinden sullen, de Nederlanden ende
264
Nederlantsche Kercken als nu, tot een welstandt entle enicheyt, Btichtelick ende profytlick te wesen, om tselue in de naestvolgende Synodale versamelinge in te brengen, also wy ons ganslick voovseen dat vl. doen sullen, van welcke tijt ende plaetse, voordat wy van hyr scheiden, sullen besluijten ende tselue uwe ghemente, om diuersche oorsaken, ouergeuen, vl. ende anderen der van tijtlick taduerteren, also volchen wij van vl. antwoordt ende bescheydt hebben, ende bidden seer broderlick sulckes ter erster gelegenthej\'t te willen doen an de broders hyr tEmden geseten, ende hyr onder getekent.
Beghert ock seer vrendtlick de versamelinge, dat onse accort op correctie, als geseyt, gedan, vl. broderlick wil geuallen, ist niet in forma allenthaluen, ijmmers dat tselue\' gesellede, tot onser aller enicheyt ende stiehtinge der Kercken inder substantien ende substantiale stucken, als dat de enicheyt ende purheyt der leere, gelickheyt der Denaren, delinge ende exercitie oft onderhoudinge der dassen, ceremonien, discipline, ende wat desgelicken nier belanget, broderlijk bewesen worde.
Bidt ende beghert bonen dien dese tegenwordige versamelinge, dat de Nederduijtsche ghemente tot Londen, van alle dese stucken copie als ock van desen brif, an alle andere Nederduijtsche Kercken in Engelant nietten ersten ende getrowlick als door getrowe lieden, wil ouersenden, ende ist moghelick dat de van Sandwyck ende Noorwyck dese origenalen mogen sien ende lesen. Ins gelicken is ock opgeleyr by dese versamelinge tselue ouer te senden ende te scriuen ande Walsche ghementen in Engelant , onsen Henen broder ]Mr. Jan Tafïyn, also vl. wt hen Ij\'den verstaen mogen.
In Enden, den 14 Octobris 1571.
26quot;)
Bj- ons u alle goetwillige broilers ende mede-dinars Hermannes Moded, wt den name ende bij laste van de gehele versamelinge, der Nederlantsche Diiijtsche ende Walsche Kercken ende Ministers, so binen so buijten de Nederlanden herwart oner verstroj-et.
So het de ghementen ofte ghemente in Engelant voor goot inseen, so is de naeste gemene Synodale versamelinge der Nederlanden by ons besloten, omtrent Meij des volgenden Jaars, begeren der hahien metten ersten of int gemeen, oft in particuler hyr op vl. mennnge opdat wy vl. metten ersten vande plaetse ende sacken dach mogen aduerteren, vl. ende tie in Duijslant bequam.
Het adres luidt:
An de Ministers, ouderlingen ende Diakenen der Nederduijtscher ghementen tot Londen.
Londen.
Op den mg staat:
Ontfanghen in Consistorie den 13 Decern bris 1571.
en met een andere hand geschreven-,
Norwycs.
BIJLAGE C.
HERMAN MODED
AAN HET CONSISTORIE VAN DE NEDERDU1TSCHE GEMEENTE TE LONDEN, i Norwich, 29 Mei 1572.
[Het eevste gedeelte van den brief handelt over zekeren Capitein Middeleb. — Daarop volgt:]
Voorts beminde broders hebbe lok als ghesteren den 28 seckere brenen ontfangen van Embden, ende onder andere stucken inhoudende met hertlick begeren, dat het angeuangen werck tot Embden gedan al hyr soude mogen geuordert worden, ende dat men de van Heydelberch enich antwordt ende bescheidt wilde scriuen, wat dat ouer de sake al hyr gedan is ende noch gedan wort, ofte ymmers an de van Embden om voorts te senden. Onder correctie lek wilde wel dat hyr in by ons een-drachtich wat gedan ende besloten werde, te mer beminde broders, dat ick oogenscijntlick sie, de onordentlicheyt de airede begoost wert int begeren ende wtsenden der Denaren in onse vaderlant, als de puerheyt der religion Gods, ende de sake seinen van onse vaderlandt scadelick van welcke particulariteyten ick met vlieden soude lieuer mon-delick spreken ende tselue vertogen, dan daervan vele
1 Hot Mer gegeven deel van den brief is mii In kopie welwillend verstrekt door den Heer J. H. Heösels.
207
te Bcriuen. Diuersche stncken airede gesien doen my dit met bedroofthyt myns herten soriuen. Daerom... ick bidde seer hertlick om Christi wille ende het welvaren zynder kercken, wilt dese sake behertigen, dat wij metten allerersten mogen te samen comen ende vant ghene dat nodich, stichtlick, ende der kercken Christi profyt-lick is, broderlick te sprecken ende te handelen, opdat alle confuse ende onraet moge geweret worden, ende met eendrachtich accort ende autoriteit het weluaren der Kercken ende onses vaderlants geholpen worden. Dus
vere myn ende niet der broederen scriuen...... Met
haest in Norwis den 29eu Meij 1572.
Den al uwen goetwilligen dinaer ende medehulper de u van herten bemindt Hermann us Moded.
Het adres luidde:
De Eerwerde, wijse ende discrete.
Ministers ende regerders tier Xeduijt-scher (sic) Kercken tot Londen.
OOTID.
Inleiding....................................pag ^
HOOFDSTUK I.
Aanleidende Oorzaken........................ 21
HOOFDSTUK II.
Voorbereidende Maatregelen................ 79
HOOFDSTUK III.
De Synode..................................... ^33
HOOFDSTUK IV.
DE Acta....................................... 155
HOOFDSTUK V.
De Nawerking der Synode.................... 133
Bijlagen. tl 2*^3
n •. , . ^ c s!
■ rCeï:gt;,v\'- \'v- \'
:^-- • \' \' \' - \'
f C-ltL %. \' ; \'-.•
; - .,rquot;•
■■ ^^-vv^v A\'-
. j ^ lt;•
-,■-quot; Vlt; :_- J; \':\' -\'l ? quot; 7--_\'\'- quot; f f
\' •■K .
• . • -•rj■■■\'quot;quot;*■ ■ i -—. :
, V-\' ^- quot; c ^- ■ . .
- ■ -\' ^ -- «•■,
--\' ,-- •iquot;quot;
L - ^- \' yamp;r- .Aquot; : \'r~t ^ , - ■ -. , , t. ■
. \'■ \'-\'-gt;) f 1 quot;■ ■ f\' quot; - \'quot; \' \'■ -i !
. ■
\'gt;» \'v. T\' -: lt;
. : 1 \\,y \'
-! :rT.\' ^ \'
\' -/
■^•C r-ri
- *:quot;
-Té \'-\' .. fk .
Vr
■\'■■r
,-- •
vgt;--v
;.i
\\e:
C\'
gt;■; y /\'
- . ;. .c
\' .c ^
•r \'r
A J
\'
quot; \'\' quot;quot; \' - -J \'■■■-. ■»- ^ l \' ojS-r ■ \' - •■ ■
C
:X;^:,:
^ ^ ■r:: ^-v
Jr *-%
\'-, -B-
^ N ( :
- ■ quot;
.
• . ?c
• - ■\'gt; •- V
:gt;V.:
i r ?\'
^ ;-ir-
55 .
^ ^ quot; /:gt;■ ■
■■£.-, - \\ ■ \'\'
--quot; -■ •? \' v- 1
:,v\'-;- ---
v.:quot; ■ -. s ,
s~ \' %
•-V:
•HL.\'-. ■
lt;5
M
\'C-:. v-
f .-\'V
•. • -:^
lt;
V
y,;
lt;,\'
■gt;J / •
-..-■ gt; \' . -- - ■.Squot;J\' V
cr~.\' c-\'
~t
■- ...-*quot;• ■ lt;: _ 0
:-J .. quot; \' %
h -LT -- f •■/ , quot; \'
■quot;, irv •\' I\'S ■ \' •,,•
-x-\'. (k
mm
I