-ocr page 1-
-ocr page 2-

Herinneringen aan en bescliouwingen

OVER

Oost- en West-Indische toestanden

H. v. S.

ATJEH —SURINAME.

T W E E I) K 1111 IK.

HA A liM\'lM , DE ERVEN liOOSJES. 1885.

-ocr page 3-
-ocr page 4-

1.

A T J E H.

Wanneer ooit een stand van zaken. de nationale belangen nauw rakende , ernstige overweging verdient, dan is het voorzeker wel die, welke zich thans in onze overzeesche gewesten voordoet, en welks bestendiging niet alleen voor Nederland nadeelige gevolgen zal blijven na zich sleepen, maar zelfs haar bestaan als tweede Koloniale Mogendheid in gevaar kan brengen.

De verzwakking toch van ons prestige in Oost en West aan de eene zijde, het streven van onderscheidene Mogendheden naar het bezit van meerdere koloniën aan den anderen kant, zijn twee machtige factoren, welke, wanneer niet bijtijds afdoende maatregelen worden genomen, tot herstel van dat prestige en tot verbetering van den algemeenen toestand in onze Oosten Westindische koloniën, zóó zouden kunnen gaan samenwerken. dat ten laatste een val als koloniale mogendheid misschien niet meer zoude kunnen worden verhoed, niet zoude uitblijven.

Hot valt niet te ontkennen, dat in do eerste plaats aan den langdurigen Atjehkrijg, welke, behalve zoovele rnenschenlevens. den lande thans ook zeker reeds ]). m. 400 millioen heelt gekost, een groot deel van den achteruitgang van ntis overwicht in di-n Indischen

-ocr page 5-

4

Ardiipol moet wnnlcn tdi\'uvsrlnï\'Vi\'n : do niaalrogolon

ton dp/irBlo v.ui \\l joli in dol) laatsicii tiji! fionoinon . om ilt; iiailoo.lcn uit (ion tui\'slaiid ahiaaU vuurlspnii-totülc, ten iriinstc /oovooi iiiügolijk to liopoi\'kon . Iiadiion dosiiobds in \\roi\'L\'ri\'i\' jaren kunnen wordni t(iogep;ist. docll doen ons nu moor lava;id dan good, aangozien do Atjehors onze rencentratie (samentrekking) thans als eeno retraite (terugtocht) hoscltomveri en aan onn^cht toesdirijvon : oeno dcrgolijke samentrekking /.oude jaren geleden. Onmiddollijk n.i de goedgeslaagde \'i1\'1\' kxpeditie, wel niet dien indruk hohbon achter-golaten. /ij hadden toon oen Hink pak gehad , ei| wij /ouden ons daarop zelfs geheel liebhen kunnen terugtrekken. zondei dat onsrprestigc daardoor zou hebben geleden; wij hadden hun. in hel laatste geval, dos noods . do verzekering kmmon geven van li^rug te komen en /niks te herhalen als zij daartoe nogmaals aanleiding irioehton geven . wat in ieder geval minder kusthaar zoude /ijn geweest.

Wat or too evtéid moge. luibben omdat Hijk , togen don volkswil in. te willen amiexcoren, velko gowich-tige belangen i i toe noopten om bij liet /oovelo , dat wij roods in Indie he/ilten en te besturen hebben dat toeh ook niet altijd van eon ,.leiffl|;i lt;lakjequot; gaat nog meer op on/e sehoudorgt; te nemen, ik erken zulk -niet te begrijpen . want /elIs als hot gedaan ware uit bohootto aan moordere onltuui\'. dan was daarvoor en is er nog 4eeds, o. a. op hot zOD vruchtbare Java genoeg golSgen 1 leid te vinden; duav toeh ligt nog ZOCVO^ grond braak . welke op ontginning wacht en waarvan zeker wol meer vnordeel zou te trekken /ijn dan van eenige cultmir Op Al jeh. I)(M h iiK\'U wil /00 en niet

-ocr page 6-

aiiclos. Wij blijven uo^ gt;teo(ls aaiilioiniiMi in onzt po^ingitn 01® dal lijk geheel oiuici\' dus gc/ag ti\' hréjigiMi1 /.do nu maai hilijil-- lliiikr, aidoiüKlc maali\'cg^lt\'ti genouii\'ti waren, nn tie aan wij/ingeii van oiidi\'ivinding-rijkc. on hiel ei\'ii goed dooiviclil tucgevnste Stiials-dienaren waren gevolgd . dan zonden de nilknmsien misschien beter geweest zijn , maai welke zijn die Ibans Een selial van geld hesleed. lal van merisehenlevens öpgeoJ\'roi\'d ja. hoeviien ten nirzenl liebbeii ginds geen familielid, geen vriend te betreuren —bekwame, verdien si e lij ke en beloidvollé bestnurdei\'s en aanvoerders zedelijk\' atgianaakl enz. en welke zijn onze voor-deelen geweest\'? Wal hebhen wij voor dal alles inde plaalsEen toestand als een tiental jaren geleden, verminderd mei een deel van bet prestige, dat wij toen img. tengevolge der Ü\'le Kxpeditio v bezaten!

Maar er is, belaas! ten opziebte van Atjeb eenti Staatkunde gevolgd, welke in de pi\'aklijk niet was vol te bonden; men heel\'t daarenboven in latere jaren , con steeds \\wtrtdnitinden oorlugstoestand zell\'s traebten te verbloemen, de diensten van land-en zeemaebt sedert bet jaar 1880 |kowezen. zooal niet gebeel iniskeml. dan toeb niet naar bebooren gewaardeerd en de krijgslieden zedelijk ontmoedigd, .la. ons dapper Ned.-bid. Leger, welks troepen zicb bijna eiken-dag op versrbil-lende punten niet een nioedigen. ondernenienden en liein dikwijls in getalsterkte, ver overtrellenden v ijand moesten meten, dat brave. Leger . wat zoo\\\'ele bloedige

• r-

etters aan de eer van liet Vaderland bee.tt gebraebt. en nog voortdurend brengt . de NederlandMbe zee-mafiit, de Iionvernenioiit.sinai\'ine. aan wiei moed. beleid en volbarding bet torb ook te danken is^ datMog

-ocr page 7-

4

Aroliipol moet worden tofigoschreven; do maatregelen ten opzichte van At joh in den laatsten tijd genomen, om de nadeelen uit den toestand aldaar voortspruitende, ton miiiste zooveel mogelijk te beperken . hadden desnoods in vroegere jaren kunnen worden toegepast, doch doen ons nu meer kwaad dan goed. aangezien de Atjehers onze concentratie (samentrekking) thans als eene retraite (terugtocht) beschouwen en aan onmacht toeschrijven: eene dergelijke samentrekking zoude jaren geleden, onmiddollijk na de goedgeslaagde 21\'0 Expeditie, wil niet Vlicn indruk hebben achtergelaten, zij hadden toen een Hink pak gehad, en wij zouden ons daarop zelfs geheel hebben kunnen terugtrekken, zonder dat ons prestige daardoor zon hebben geleden; wij hadden hun. in bet laatste geval, des noods. de verzekering kunnen geven van terug te komen en zulks te herhalen als zij daartoe nogmaals aanleiding mochten geven . wat in ieder geval minder kostbaar zoude zijn geweest.

Wat er toe geleid moge hebben omdat Rijk, tegen den volkswil in . te willen annexeeren, welke gewichtige belangen er toe noopten om bij het zoovele, dat wij reeds in Indië bezitten en te besturen hebben — dat toch ook niet altijd van een ,,leien dakjequot; gaal nog meer op onze schouders te nemen, ik erken zulks niet te begrijpen, want zelfs als liet gedaan ware uit behoefte aan meerdere cultuur, dan was daarvoor en is er nog steeds, o. a. op het zoo vruchtbare Java genoeg gelegenheid te vinden; daar toch ligt nog zooveel giond braak , welke op ontginning wacht en waarvan zeker wel meer voordeel zou te trekken zijn dan van eenige cultuur n|» Atjeli. Doch men wil zoo en niet

-ocr page 8-

anders. Wij blijven nog steods aanhouden in onze pogingen om dat rijk geheel onder ons gezag te brengen!

Zoo nu maar intijds lliuke. afdoende maatregelen genomen waren, en de aanwijzingen van ondervinding-rijke, en met een goed doorzicht toegeruste Staatsdienaren waren gevolgd, dan zouden de uitkomsten misschien beter geweest zijn. maar welke zijn die tbans? Een schat van geld besteed, tal van menschenlevens opgeofferd — ja, hoevelen ten onzent hebben ginds geen familielid, geen vriend te betreuren—bekwame, verdienstelijke en beleidvolle bestuurders en aanvoerders zedelijk afgemaakt enz. en wélke zijn onze vonr-deelen geweest? Wat hebben wij voor dat alles inde plaats.\' Een toestand als een tiental jaren geleden, verminderd met een deel van het prestige, dat wij toen nog, tengevolge der 2\'le Expeditie, bezaten!

Maar er is, helaas! ten opzichte van Atjeh eene Staatkunde gevolgd, welke in de praktijk niet was vol te houden; men heeft daarenboven in latere jaren , een steeds voortdurenden oorlogstoestand zelfs trachten te verbloemen, de diensten van land-en zeemacht sedert het jaar \'1880 bewezen, zonal niet geheel miskend, dan toch niet naar behooreu gewaardeerd en de krijgslieden zedelijk ontmoedigd. Ja. ons dapper Ned.-Ind. Leger, welks troepen zich bijna eiken dag op verschillende punten met een moedigen , ondernemeiKlen en hem dikwijls in getalsterkte ver overtreffenden vijand moesten meten, dat brave Leger, wat zoovele bloedige offers aan de eer van het: Vaderland heeft gebracht , en nog voortdurend brengt. de Nederlandsche zoo-macht, de (jouvernementsmarine, aan wier moed. beleid cn volharding hel toch ook te danken is. dat nog

-ocr page 9-

0

niet hot gans die gewest, al lt;1(^ onderhoorigheden tegen ons gezag in verzet zijn gekomen; zij moesten sedert 1880 maar ..zeilVerioochening betrachtenquot;, dit was de belooning voor hot rneerendeol van hen, die ginds voor de belangen van dat Vaderland streden en arbeidden, en de eer van Neèrlands vlag omhoog hielden.

Een man als Pruijs van der Hoeven vermocht niet te slagen in zijne pogingen; andere, hoogstbekwame, kordate, eerlijke chefs hebben het daar moeten opgeven; mannen als Laging Tobias, Scniimi zijn heengegaan omdat zij hunne overtuiging niet wilden loslaten en hetgeen door hen in het belang der zaak werd voorgesteld niet werd aangenomen, omdat de middelen, welke zij als hoognoodzakelijk aanvroegen , hun werden onthouden. in één woord omdat niet naar hunnen raad, toch inderdaad toen den meest bevoogden, werd geluisterd. Wat ook de reden hiervoor moge geweest zijn, dit is echter zeker, dat wanneer dergelijke kordate en zich geheel aan de zaak toewijdende chefs aan den treurigen toestand geen einde hebben kunnen maken , zulks wel nimmer aan hunne handelingen mag worden geweten, noch aan de maatregelen welke zij. tijdens een feitelijken oorlogstoestand met beperkte middelen toegerust, genomen hebben, on welke goed beraamde maatregelen dan ook in den regel het daarmede beoogde doel bobben doen bereiken. Ja, aan hun beleid is het voorzeker nog te danken, dat er gedurende hun optreden in dat Gewest, geeno groote onheilen hebben plaats gehad.

Wel is waar werden do voorstellen door den Kolonel ScnaFER ten behoeve der krijgsmaclit op Atjeh gedaan . toen deze aanvoerder vervangen was, niet

-ocr page 10-

7

alleen aannemelijk bevonden, maar voor het meerendeel ook gaandeweg in praktijk gebradit. Doch in plaats van nu eens Hink door te tasten en met klem op te treden — waaraan natuurlijk eone aanzienlijke, doch allicht slechts tijdelijke, versterking der troepenmacht aldaar zou hebben moeten voorafgaan •—, in stede van te trachten den vijand nu voor goed ten onder te brengen ot\' te vernietigen en te behouden wat met zooveel inspanning was verkregen, moet er (ongelukkig oen lOtal jaren te spade) worden teruggetrokken of /.. g. geconcentreerd , ten gevolge waarvan de vijand natuurlijk nog overmoediger gemaakt en in het soldatenhart wederom wrevel opgewekt wordt.

Dien toestand te bestendigen gaat toch niet aan; niet alleen dat het, zonder ons eenig noemenswaard voordeel aan te brengen, op die wijze toch nog genoeg bloed en veel geld kosten zal om er ons met eere staande te houden, doch door dien, thans zoo ongelukki-gen maatregel heeft bovendien ons prestige in andere doelen van den Archipel een gevoeligen knak gekregen en wat zal de toestand voor ons nog kunnen worden, als ook elders eene groote bevolking door lanatismus gedreven en door heethoofden opgeruid, tegen ons gezag in verzet kwam

Zou bijv. onze tegenwoordige Legermacht in X. I. ten allen tijde in staat zijn om, zoo noodig, aan zóóveel m gelijk het hoofd te bieden Ik gelooi\'liet niet , want nu reeds hoort men steeds klagen over incompleet, over onvoldoende sterkte der garnizoenen op Java en de buitenbezittingen--- Atji\'h nocml dan ook sederl jaren zóóveel we^ — dat, in verband hiermede, en met het oog op al wat ook elders te bezeilen en , in on verhoopte

-ocr page 11-

8

tijden , te verdedigen zon zijn, eene uitbreiding van liet N. I. Leger, vooral wat het Enroiieescli (inzonderheid Ifollandsch) gedeelte betreft, haast niet achterwege zal kunnen blijven, wil do Regecring ten minste haar Gezag op den duur behoorlijk gehandhaafd zien.

loen indertijd de maatregel wedsr werd aangegeven om door het aanstellen van een Sultan den toestand op Atjeh, zoo niet geheel in het reine te brengen, dan toch allicht zóó te verbeteren, dat zulks ten slotte tot eene geheele bevrediging van het Gewest zoude kunnen leiden, werd deze niet gevolgd. Men wilde klaarblijkelijk op den ouden voet blijven voortgaan en den vijand tot onderwerping dwingen; doch wat geschiedt? men neemt weder halve maatregelen, stelt o. a. voor enkele gedeelten der kust eene blokkade in, welke, hoe goed ook met de bestaande middelen ten uitvoer gelegd, eenig als zij was (enkel van de zeezijde), natuurlijk weinig nut voorde algemeene zaak heelt opgeleverd

.....eensklaps moet er ingekrompen, geconcentreerd

worden en, alsof de Engelsche Regeering zulks voorzien heeft en er op voorbereid was, wordt kort daarop haar ( onsulaat op Groot-Atjeh ingetrokken. Mij dunkt wel een bewijs, dat Engeland geen vertrouwen stelt in \'1° staatkunde tot dusverre aldaar door ons gevolgd; die ongelukkige zaak van Tenom ligt dan ook nog versch in het geheugen!

Wat is mi het gevolg onzer handelingen? Dat er ons mi nog slechts twee wegen overblijven oin een einde te maken aan een loestand, welke op deze wijze bestendigd . uns Geza^ in Nederlandseb Indië meer en meer zal nnderinijnen , en len slotte voor bel Moeder-^quot;d de nadeeligstc gevolgen zoude kunnen hebben.

-ocr page 12-

O

Met andere woorden: Wij behooren thans nogmaals met alle kracht en macht tegenover den A t j ehschen vij and o[) te t reden , dat, wel is waar. wederom vele olïers zal eischen en natunrhjk veel geld zal kosten en tot eene nithreidiug van lt(!t N. 1. Leger zal noodzaken, docli wat ongetwijfeld ons prestige wederom zal verhoogen en in d». toekomst aan de schatkist ook weder ten goede zal komen. 01\'ons geheel terug te trekken, welke laatste maatregel voor het oogenblik wel de goedkoopste zoude zijn, en weder eene aanzienlijke strijdmacht beschikbaar zoude stellen om ons Gezag elders te kunnen handhaven, en de bezettingen in andere gedeelten van den Archipel te versterken, doch welken weg onze waardigheid ons echter moet weerhouden , ja ons verbiedt in te slaan zoolang wij nog in staat zijn den eerst-genoemden maatregel toe te passen.

Wordt het bovendien , nu het opdringen van andere Kuropeesehe nationaliteiten naar onze O. ]. bezittingen al meer en meer toeneemt, nu groote Mogendheden voortgaan met zich in die nabuurschap nieuwe vestigingen te verzekeren oi de reeds bestaande uitte breiden, wordt het thans, vraag ik, voor Nederland niet reeds meer dan tijd om zich krachtig in te spannen ten einde zooveel mogelijk haar overwicht in gindsche streken te-behouden ? Het is toch van algemeene bekendheid, dat Oostersehe volken in den regel zeer op macht, praal en grootheid gesteld zijn, en dus aan te, nemen , dat zij. bijv. met minder weerzin zullen onderworpen zijn en hlijven aan een groot en maehtig volk dan aan eene kleinere natie, die met zooveel geringer maehtsvertoon zooveel minder indruk op hen maakt

-ocr page 13-

10

en aan wier overheersching zij zicli. als de gelegenheid hun daartoe gunstig scheen, zeker wel zouden trachten te onttrekken.

Moge het voor het welzijn van Nederland nimmer bewaarheid worden, wat eens door een welbekend geniaal schrijver ten opzichte onzer heerschappij in het verre Oosten is beweerd , namelijk: dat de oorlog-met Afjeh het „begin van het eindequot; zoude zijn. Moge en Regeering en Volk steeds alles in het werk stellen om een dergelijke ramp te voorkomen!

-ocr page 14-

II.

SURINAME.

Van Oost juilu\' West is een wijde stap, doch persoonlijk bekend als ik ook ben met Suriname, Neêi1-lands prachtige bezitting aan gindscho zijde van den Oceaan, aarzel ik niet dien in gedachte te doen en wensch met een enkel woord ook den algeraeenen toestand aldaar eens te bespreken.

Hoe is die toestand ? Laat die ook niet veel te wen-schen over en zijn de vooruitzichten van Suriname, weleer „de hen met de gouden eierenquot; voor het Moederland , niet duister ? Getuigt alles daar niet van een steeds tocnemenden achteruitgang, en behoort ei\'onzerzijds niet alles in liet werk te worden gestold om de trouwe Surinaamsche bevolking voor materiëelen ondergang te behoeden en de zoo vruchtbare kolonie in bloeionden staat terug te brengen en voor Nederland te behouden .\'

Toen in hel jaar i 803 . zonder voorafgaande geleidelijken overgang, de. vrijverklaring der slaven plaats had, scheen men echter niet ernstig bedacht op de gevolgen, welke die maatregel voor het welzijn der

-ocr page 15-

planters en indirect ook voor do wolvaart dei\'Kolonie zoude opleveren. De inonschelijkhold togonover de aldaar vei\'blijtlioudcnde Europoanen on de vrije creolen werd toen wel wat teveel uit het oog verloren. Hoewol «Ie voormalige slavenhouders wel is waar voor iederon vi\'Ügetnaakten slaal van do Regeering cene zekere som gelds ontvingen, dat voor sommigen zelfs een vrij aanzienlijk bedrag uitmaakte, zoo woog de rente dier schadevergoeding bij lange na niet op tegen het geldelijk voordeel, dat zij van den arbeid hunner slaven, en waarvoor zij natuurlijk nimmer hadden behoeven te betalen, sedert jaren genoten hadden; dit was dus voor hen reeds een begin van achteruitgang. Kwam die plotseling groote ommekeer in hunnen maatschap-polijken toestand ook in zekeren zin don vrijgomaakten niet ten goede, doordat zij nog zeer onheschaatd waren en voo)\' bot meeremleel aan het „vrij zijnquot; de betee-kenis van .niets doenquot; beebtten , aan den anderen kant tnoesten ook vele planters daarvan de nadeolige gevolgen ondervinden aangezien, vooral op de meer van de stad I \'a ramarihi) n tgolegt)n plantages, er reeds spoedig gebrek ontstond aan de boog noodige werkkrachten (handenarbeid). Vele geëtnaneipeorden verlieten die ondernemingen en begaven zich stadwaarts, aangetrokken door het vooruitzicht op genietingen, welke zij hun gansche leven hadden moeten missen: voorts berokkende hun de onwil om te ,,werkenquot; , welke door hef niisphiatsj gevoel van vrijheid bij de moeste vrij-gemaaktcn nog gesterkt word , ook veel schade; laatst-gonoemdon die. znoals men wed . v;in h(!t jaar 1803 tot lS7l{ onder Sta;i(stoeziehl stonden, kenmerkten zich op enlode uitzonderingen na, door hunne luiheid

-ocr page 16-

13

en onverschilligheid. Voor enkele! centen, welke inde stad al spoedig verdiend waren, zich voldoende kunnende voeden, brachten zij hnn overigen tijd liever in ledigheid of ongebondenheid door, zich ..polka Irecquot; noemende, naar aanleiding van bedoeld toezicht waarom zij zich trouwens niet veel bekommerden.

Om in het gebrek aan arbeiders te vooi\'zien, wendde de Regeering zich tot Engeland; de overeenkomsten oi\' contracten dienaangaande gesloten , bleken ook al niet in het voordeel onzer planters te zijn opgemaakt daar de dunr van het verplicht verblijl\'daarin voor de emigranten betrekkelijk te kort is gesteld om van hunnen arbeid veel voordeel te trekken, en hot bekomen van nieuwe arbeiders telkens ook weder met groote onkosten gepaard ging welke elkeen niet gelegen kwamen. Daarbij verplicht eene zorgzame verpleging van zieke emigranten den planters meermalen tot aanzienlijke uitgaven en als zij zich dan nog bovendien tengevolge van het, in de laatste jaren vooral, meermalen ongeregeld doorkomen en heerschen der saizoenen in hunne verwachtingen omtrent den oogst bedrogen zagen, was het wel niet te verwonderen dat, bij het ondervinden van zoovele teleurstellingen . velen onder hen mismoedigd werden en de ondernemingsgeest bij hen werd uitgedoofd.

Ook heeft de noodlottige suikercrisis, waarvan de gevolgen zich natnuiiijk ook in Suriname hebben doen gevoelen en dan ook reeds dn ondergang van menige suikerplantage hebben na zich geslorpt . lot den verderen aelileruilgang der kolonie niet weinig medegewerkt .

Zonder de noodige linanlieële middelen om betere

-ocr page 17-

14

tijden h; kunnen atwachten, zunder steun, in hunne lasten niet verlicht doch integemleel zolfs verzwaard, konden de ondernetners ze niet gaande houden en de eertijds zoo bloeiende suikercultuur wordt nu al meer en meer opgegeven. Jammer genoeg, wi.nt, naar het gevoelen van deskundigen, bestaat er alle kans, dat do rietsuiker weder tot haar volle recht zal komen.

Welk een verschil, de toestand in Suriname met dien welke iu de daarnaast gelegen Engelsche Koloniën (Berbice. Demerara), heerscht, daar getuigt alles van welvaart, van vooruitgang, van toenemend vertier. In onze schoone bezitting, heiaas! meer en meer achteruitgang, bijna overal doodsche stilte en weiuig vertier, wat te pijnli jker aandoet daar het toch zoo geheel anders zoude kunnen ziju.

Ju, Suriname zou ook nog, als vroeger, iu een bloeienden staat kunnen verkeeren, indien ten zijnen opzichte de zuinigheid de wijsheid niet had bedrogen.

Engeland toch, er op bedacht, dat de emancipatie dor slaven in hare \\V. I. Koloniën, in de toekomst voor ile planters, voor die Koloniën zelve en indirect ook voor het Moederland, ?iadeelige rnaterieele gevolgen zoude kunnen opleveren . nam , om dat zooveel mogelijk te voorkomen, llinke maatregelen. De Engelsche Re-geering zag niet op tegen groote geldelijke uitgaven van tijdelijkrii aard, om die schoone bezitlingen tot den hoogst en bloei te brengen, waarvan de vruchten een-tnaal zonden wordi\'ii «icplukten waardoor het prestige, van liet Moederland ook iu dir streken zoude worden verhoogd. Kn is zij nu iu hare verwachtingen bedrogen geworden.\' Voorzeker niel.

-ocr page 18-

15

Het is wel oenigzms to veroiHlerstolleu, dat oene wedtiropkomst van Snchiame, misscliion uadeelig voor hunnen handel, door onze Eiigolsclic naburen niet met ingenomeniieid zoude; worden begroet en Engeland ons dus daarin zal trachten tegen te werken — zooals dan ook reeds ondervonden is — door ons den aanvoer van emigranten uit Voor- en Achter-Indiö bezwaarlijk te maken. Doch nu vraag ik: kunnen wij dan niet elders terecht om geschikte arbeiders te verkrijgen .\' Zouden er, behalve in China, bijv. onder de zoo uiteenloopende bevolkingen onzer O. 1. bezittingen niel genoeg lieden kunnen gevonden worden die. met het vooruitzicht op eene lotsverbetering voor hen en de hunnen in het zoo vruchtbare Suriname, lust zouden gevoelen, zich daarheen te begeven ! Is dit wel ernstig genoeg onderzocht want bet zoude toch zoo wenschelijk en in elk geval voor ons veel waard zijn, zoo wij zei ven in die werkkrachten konden voorzien . en de hulp — waarop bovendien niet ten allen tijde gerekend kauworden— van eene andere Koloniale Mogendheid konden ontberen!

Is ook Nederland nu reeds te arm om de. planters in Suriname te hulp te komen Zou dan de Regeering niet verstandig doen mei in de eerste plaats , ten minste tijdelijk, hunne lasten zooveel mogelijk te verminderen en, nu linantieële hulp van particuliere zijde daartoe niet voldoende blijkt, bijv. door aan diegenen onder hen , die als personen van solied karakter bekend staan en veel ondernemingsgeest betoonen. een eventueel aangezochten geldelijken steun te verleenen, onder verplichting van rentebetalingen des noodsgewaarborgd door eene eerste hypotheek op hunne ondernemingen en andere eigendomnuu ï Mij dnnkl . dil ware toch,

-ocr page 19-

10

zij hot flan nok maar op kleine schaal , te beproeven.

In Imliè /ijn vroeger lijd uiidenietneiule pliuiters ook duor de llegeering gelinlpen en zelfs wei mot rentelooze voorschotten, dus onder, voor de staatskas, tijdelijk zeer nadeolige vom-waarden; de meerdere welvaart, welke dientengevolge vooral op Java ontstond, is aan het Moederland later weder ten goede gekomen . en als wij bedenken, dat er o. a. voor het nog steeds betwist bezit van Aljeli reeds honderde inillioencn zijn uitgegeven . waarvoor nog geen noemenswaard materieel voordeel in de plaats is verkregen . dan mogen wi j aan den andoren kant niet zoo stiefmoederlijk. zoo ondankbaar blijven bandelen tegenover Suriname, een zooveel meer belovend gewest, en tegenover hen, die daar zoo gaarne vooruit willen, maar niet kunnen.

Hoe het ook zij. gehandeld zid er op de eene of andere wijze moeten worden, wil men die selioone bezitting voor vorderen achteniitgang bewaren. Doch zonder ruimeren f inant ieelen stenn en zonder vrijgeviger contracten of betere maatregelen ten opzichte der aan te voeren werkkrachten, zal liet wel niet mogelijk zijn.

Zij , die met Suriname hekend zijn weten, of kunnen ten minste weten, dat de jaren (1804—4810) onder Kngelseh hestmir doorgebracht, door de mindere bevolking nog bij overlevering , met een dankbaar gevoel worden herdacht ; zij spreekt er van als van den „goeden tijd \' en in dat kort tijdsverloop schijnen de Engelscben zich dan ook inderdaad aldaiir van zeer gunstige zijde te hebben laten kennen; vele hnnnerafstammelingen n iik nog in de Kolonie. Die mindere bevolking weet ........... als de hoogere standen in welken bloeien-

-ocr page 20-

17

den stiinl do naastgologoii Enf?olsclin Kolonion vcrkeorc.n. Dill men dorlialvo nicl di\'ale mci lid ticiiumi van aiddiindc niaatrcgciliMi, daar d(^ bovolking van Siirinanir hue gclicclil uok aan Nt\'dct land , inaai\'tDtwaidioopgcbniclit, t(!ii laatste gaarne liot oogmdjlik Z(iiid(! verheiden, waarop zij, onder een ander J?estinir , bcsfdiermd door eeno andere vlag, eene zooveel lietei\'e toekomst te gemoet ging!

En wanneer wij nu eens plotseling in een oorlog gewikkeld werden en de eone oi\' andere inogendlieid eens df! handen uitstak naar dat vrucht hare, veelbelovende en zoo dicht hij Europa gelegen gewest, zouden wij die dan kunnen weren, — al waren wij dan ook nog van de goerle gezindheid der bevolking ten volle verzekerd— ? ]s de stad Paramaribo bijv. ten allen tijde tegen een conp de main beveiligd Zijn er in Suriname voldoende strijdkrachten en verweermiddelen aanwezig om daaromtrent gerust te kunnen zijn Ik vermeen zulks te mogen hetwij-felen . want indien hi jv, de kanonnen van de Fori res ..Amsterdamquot; aan een vijandelijk smaldeel het op-stoonien der Surinamerivier eens niet vermochten te beletten en het den vijand gebikte, dat Fort tepasseeren. dan ligt de toegang tot de reede van Paramaribo voor hem open. en in zijn opkomen tot vóór de stad zon hij door het geschut van een oud en voor zoovele indrukken vatbaar Fort als ..Zeelandiaquot;. en van den mogelijk ter reede gestationeerden. (\'énigen en kleinen oorlogsbodem, toch wel niet kunnen worden tegengehouden.

Aan belangstelling voor Suriname heeft het in liet .Moederland in den laatsten tijd wel niet ontbroken.

-ocr page 21-

18

doch dat zij meer en meer moge toenemen en er toe moge leiden, om die door de natuur zoo rijk bedeelde kolonie, die „sclioone parel aan Neêrlands kroonquot;, uit haren kwijnenden toestand op te heffen en haar de schitterende toekomst te verzekeren, welke zij zoozeer verdient!

Worden voor liet blijvend welzijn van liet Neder-landsche volk eene grondwetsherziening, de invoering eener inkomstenb»\'lasting en van den algemeenen dienst-pliciit van het hoogste belang, ja onontbeerlijk geacht, ook ile algenioene toestand onzet overzeesdie bezittingen eisclit dringend verbetering, willen wij te dien opzichte niet eenmaal eene harde les krijgen.

Wat zonde er in den vreemde toch wel van ons moeien gedacht worden onze couranten vloeien over van bericliten over wedstrijden op allerlei gebied; tentoonstellingen , teestolijkheden zijn aan de orde van den dag. dus vooruitgang en levenslust genoeg.... maar het lot onzer prachtige Koloniën , wier voor-en tegen-spoed toch voor het Nederlandsche volk, voor onzen wereldhandel, eene zaak van het grootste gewicht be-hooren te zijn , laat ons tamelijk koud en onverschillig; zoude men het er ten slotte niet voor moeten gaan houden, dat wij te dien opzichte ..ziende blindquot; en „hoorende dooiquot; zijn en als wij eens als reden van verontschuldiging zouden aanvoeren , dat wij te arm, te onmachtig zijn om de toestand in onze overzeesdie (imvesten te verbeteren. zou dat niet terecht betwijfeld worden wanneer men ons in onzo bedrijven hier te lande gadeslaat, en de pracht onzer steden , de steeds toenemende weelde ten onzent aanschouwt .\'

Aan het Nederliindsdie \\Hik , aau de vroede mannen

-ocr page 22-

•19

in ons Vaderland, zij de beslissing wat de toekomst van Nederland als Koloniale mogend!icid wezen zal. Wil men flink handelen. wil ons Vaderland haar préstipi; als Koloniale mogendheid, ook in de verre toekomst, bolionden, dan mag er niet langer getalmd worden met het nemen van daartoe strekkende maatregelen . want stilstaan is in dit geval.... hard acliteruilgaan.

Haarlem, Augustus 1885.

-ocr page 23-

Atjeii. Do berichten in den laatster) tyd ingekomen omtrent den toestand op Groot-Atjeh, staven mijne beweringen.

Suriname. Do aandacht wordt gevestigd op de wijze maatregelen door do Braziliaansche Regeering ten op/igto van de iifschafïing der slavernij in het Keizerrijk Brazilië genomen on onlangs in de bladen bekend gemaakt.

Ook wordt gewezen op do omstandigheid dat, terwijl in Suriname eene plantage (Eendracht) met ongeveer 300 ton Suiker te velde, voor f \'1-400 wordt verkocht, aan don anderen kant door Kngelsche Kapitalisten een reusachtig plan schijnt te zijn gevormd tot de ontginning van gronden in het district Coronie aldaar. Zouden de vermogende, weleer zoo ondernemende, praktische Nederlanders zich nu wederom in hunne eigene Kolonie, door vreemden laten voorbij streven? Noen, ik kan /.niks nog niet gelooven.

Zijn or onder mijne landgenooten, dieniet genoegzaam bokond met de gesteldheid enz. vau den zoo vruchtbaren Suri-naamschen bodem, daaromtrent meer wonsclien te weten, dat zij alsdan hot nitmuntend werk van Jlir. A. van Sypesteijn getiteld ..Besdirijving van SurinSmequot; eilz. enz. ter hand nemen; hot is in hot jaar 1854 te s\'Gravonhage bij de Gebroeders van Cleef in uitgaaf verschenen.

De St\'iiri.ivEU.

October 1885.

-ocr page 24-