Pn.tk. j. Ij-
WAT WIJ WILLEN
1
EEN WOORD
AAN DE
Nederlandsche Politie
DOOR DE
NEDERLANDSCHE VEREENIGING TEGEN DE PROSTITUTIE.
4 «• 9 p v
WAT WIJ WILLEN.
EEN WOORD AAN DE NEDERLANDSCHE POLITIE
door de
NEDERLANDSCHE VEREENIG1NG TEGEN DE PROSTITUTIE.
Het was een goede gedachte van den heer Jac. Van Waning, Burgemeester van Ouderkerk a/d. Usel en hoofdredacteur van „De Politiegidsquot;, toen hij zijn Handboek voor de politie gaf. dat spreekt over haar rechten en plichten.
De schrijver eischt meer waardeering voor de handhavers van het gezag, maar roept daarom juist die handhavers, de Neder-landsche politie, ambtenaren en beambten, toe: „Herziet Uzelven!quot; „Hoe moeilijk dit ook zijquot;, zoo schrijft de heer Van W., ,,de mogelijkheid is lang niet buitengeslotenquot;. Geldt het „Herziet uzelvenquot; voor ieder, die aan zijn leven de hoogste beteekenis wil geven, hoeveel te meer moet dit betracht door hem, die, als vertegenwoordiger van het gezag, verplicht is op te treden tegen allen, die wet en orde schenden. De Nederlandsche Vereeni-ging tegen de Prostitutie heeft groote reden zich in dit handboek van den alleszins bevoegden schrijver te verblijden. Reeds van den aanvang van haar bestaan heeft zij gepoogd de politie ten opzichte van haar strijd op betere banen te leiden. Zegt de heer Van Waning in zijn boek: „Een goede naam kan alleen het resultaat zijn van goede beginselen en zedelijk gedragquot;, ook zij heeft dit meermalen beweerd en van harte gehoopt van de politie te kunnen getuigen, dat zij in den strijd voor de publieke eerbaarheid een goeden naam ten volle verdient
Dat er over de Nederlandsche politie veel reden tot klagen is, zouden wij niet gaarne beweren.
Let men op de handelingen der politie in het buitenland, op de velerlei knoeierijen, waardoor men, in stede van het bestrijden der misdaden, deze vaak bevordert, dan heeft men te erkennen, dat de Nederlandsche politie den dank verdient van ieder, die het wel meent met land en volk. Haar arbeid is zwaar.
2 *
vraagt veel wijsheid, takt en beleid, staat bloot aan groote gevaren en wordt bovendien nog onderworpen aan een onbillijke oritiek. Deze critiek te vermeerderen ligt niet in onze bedoeling. Veeleer is er reden, haar den dank te brengen, dien zij inderdaad verdient. En toch onderschrijven we gaarne de leus van den heer Van W.: „Omhoog moet onze politie!quot; Ieder, die daaraan meewerkt uit waarachtige belangstelling kan niet worden beschuldigd van bedil- of vitzucht, en al zijn wij geheel eens met de meening van den schrijver, dat dit „omhoog van de politiequot; door eigen kracht moet geschieden, die kracht moet ontbreken, wanneer onderricht niet gegeven wordt.
Vraagt men ons, waaraan in het algemeen de laksche houding der politie tegenover de prostitutie is toe te schrijven, dan is er slechts één antwoord.
Het overheids-systeem deugt niet.
Jaren achtereen — en in sommige gemeenten des lands helaas! nog — heeft men bordeelen voorgesteld als een noodzakelijk kwaad. „Bordeelenquot; — zoo werd beweerd — „moeten bestaan om erger te voorkomen; verbiedt ze, en uit is het met de veiligheid van onze eerbare dochters en vrouwenquot;.
„Neemt de menschen toch zooals ze zijnquot; „De ontucht is zoo oud als de wereld. Haar verbannen gaat niet en daarom beperkt ze tot den kleinst mogelijken omvangquot;.
Door de bordeelen voorkwam men — zoo het heette — toeneming van geheime ontucht. Het kwaad werd meer op één plaats gehouden en de verbreiding ervan over geheel de gemeente voorkomen. Door het verplicht geneeskundig toezicht op van ontucht levende vrouwen werden de onschuldige families en verwanten bewaard voor de besmetting met de ziekten, waaraan de in ontucht levende mannen lijdende waren.
Ziedaar in het kort het oude systeem, dat in de meeste groote gemeenten heeft bestaan, doch waarmede thans allerwege wordt gebroken, behalve daar waar men weigert kennis te nemen van de argumenten, er tegen ingebracht.
Onder dit stelsel leefde en werkte de hedendaagsche politie en ook het grootste deel van het Nederlandsche volk ging — tot voor een twintigtal jaren — daarin met de politie mede.
Wel heeft de politie kennis moeten nemen van den arbeid der Middernachtzending, wel heeft zij bemerkt, dat deze organisatie dit systeem niet huldigde, maar dat was voor haar geen reden om met de ingewortelde ideeën te breken. Die leden der Middernachtzending-Vereeniging stonden op godsdienstig standpunt, waren menschen die het wel goed meenden, maar zij wilden het onmogelijke mogelijk maken. Dat ging nu eenmaal niet. Wat goed was in den hemel kon niet op aarde worden
3
doorgevoerd. Wat de middernachtzending wilde was een ideaal, dat in botsing kwam met de feiten der praktijk.
Men moest de menschen nemen, zooals ze zijn, en daaraan paste volkomen, volgens haar, het nu verouderde stelsel, hier boven omschreven.
Vooraf willen we gaarne verklaren, dat, wat de middernacht-zending aan de overheid steeds heeft gevraagd, door ons volkomen wordt onderschreven. Nog sterker: indien de middernachtzending met argumenten het omschreven stelsel bestrijdt, dan heeft zij deze grootendeels ontvangen van de Nederlandsche Vereeniging tegen de Prostitutie. Toch staat deze vereeniging niet op chris-telijken grondslag, is ze geheel neutraal, mannen van allerlei politieke richting en godsdienstige overtuiging zijn er lid van. Daarom heeft juist deze vereeniging gemeend, zich tot de Nederlandsche politie in dit geschrift te moeten wenden. Van haalkan niet worden gezegd, dat een bijzondere godsdienstige overtuiging de drijfveer is in haar strijd. Vaji haar weet ieder, of kan althans ieder weten, dat zij haar argumenten put uit zuiver wetenschappelijken bron en haar werk berust op begrippen van zedelijkheid, recht en gezondheid. Juist omdat zij zoo geheel instemt met wat de heer Van Waning zegt, en zoo graag zou zien, dat de Nederlandsche politie „een keurkorps werd, waarbij het een eer is te dienen,quot; brengt zij haar opvatting omtrent de prostitutie tot dit korps, niet tot enkelen, niet alleen tot den politieagent, den politiebeamte, maar ook tot de hoogeren in rang, tot de ambtenaren.
„Zoo heer, zoo knecht,quot; zegt de heer Van Waning het spreekwoord na. „Rusteloos moet gewerkt worden aan het gehalte van het personeel en dit van bovenaf; hoe zal de beambte een goed begrip hebben van zijn taak, als dit begrip zoek raakt bij de ambtenaren ?quot; Zoo vraagt de door ons meermalen geciteerde schrijver, en wij zijn het weder met hem eens. Rusteloos moet er gewerkt worden om der politie betere en zuiverder opvatting te geven ook van haar taak inzake de prostitutie.
Die betere opvatting moet allereerst ontstaan bij de superieuren, zal ze ook doorwerken tot de inferieuren. Daarom richten we dit woord tot allen. „Wat zijn wetten zonder zedenquot; zeide Hobatius reeds. Met betere wetten zijn we niet klaar; die wetten moeten leven bij geheel het volk, en wel allereerst bij de handhavers der wet, de politie in het algemeen.
Al ziet de Nederlandsche Vereeniging haar beginselen bij de overheid van menige stad in ons vaderland zegepralen, daarmede is zij niet tevreden. Wel heeft zij menigmaal bemerkt, dat wetten en verordeningen tot verhooging van het zedelijk peil des volks door de politie nauwgezet werden uicgevoerd, al mochten deze niet op haar sympathie rekenen, wel merkt zij daarin op het sterk sprekend rechtsgevoel der politie, maar liever zag zij, dat de overtuiging, die in gemeenteraad na ge-
4
meenteraad ontstaat, ten opzichte van het prostitutievraagstuk, ook doordrong tot geheel het politiewezen.
Het gezag van de politie zal daardoor toenemen, men zal haar leeren waardeeren als men bemerkt, dat haar arbeid niet machinaal maar uit een waarachtig beginsel geschiedt. Dan alleen kan de politie den titel verwerven, waarop zij reeds gedeeltelijk aanspraak heeft: van een keurkorps, waarbij het een eer is te dienen.
Waarom bestrijdt de Nederlandsche Vereeniging tegen de Prostitutie het oude stelsel ten opzichte van de bordeelen en de keuring ?
Wel allereerst, omdat door dit stelsel het gezag van de overheid omlaag wordt gehaald. Mr. J. Gr. L. Nolst Teenite, advocaat te Eotterdam, zegt: „De bordeelhouder ,is een misdadiger. De overheid,\' die een bordeel tolereert (toelaat), verheft den bordeelhouder en verlaagt zichzelve.quot; Naast deze uitspraak verklaart Mr. H. P. de Wilde, advocaat, te Arnhem: „Het beroep van den bordeelhouder is dat van iemand, die ten eigen bate de prostitutie bevordert en de vrouwen exploiteert (ongeoorloofd voordeel van haar trekt). Houdt de gemeente het in stand (staat men het houden van bordeelen toe), dan bestendigt zij tevens een klasse der allerergste paria\'s (alom geschuw-den). Dat is in strijd met alle begrippen van recht en moraal en er zijn geen overwegingen van praktischen aard, die dat kunnen verdedigen.quot;
Ziedaar twee uitspraken van twee rechtsgeleerden, die, op het gebied van godsdienst, geenszins tot de geprononceerden be-hooren. Dit standpunt wordt geheel door de Nederlandsche Vereeniging tegen de Prostitutie ingenomen. De bordeelhoudei is een misdadiger en bovendien een dief. Dit laatste _ woord drukken we cursief. Het woord „dief is voor de politie als het „voorwaarts-marschquot; voor den soldaat. Nauwelijksch heeft ze het gehoord, of ze trekt er op uit (en we zijn haar daarvoor dankbaar) om rusteloos te zoeken, totdat ze hem vindt, op wien het van toepassing is.
De bordeelhouder toch is een dief, erger misschien dan de man, die zich door het wegnemen van een kleinigheid schuldig maakt aan het misdrijf van diefstal.
Onlangs lazen we in de pers een bericht, dat in een provinciestad een bordeelbezoeker voor /quot;60 was bestolen. De politie doorzocht het huis van ontucht en rustte niet, voordat ze den dief — eveneens een bezoeker — kon arresteeren. Dat is één, zoo dachten we, waarom nu ook niet dien tweede,, den bordeelhouder, medegevoerd? We weten, dat kon niet. Volgens de wet was hij geen dief, maar in de practijk was hij schuldiger dan de gearresteerde. Vraag het den vader, die zipi arme verloren
ö
dochter daar binnen het bordeel ziet, wat hij van den bordeelhouder denkt. Vraag eens de bedroefde moeder, die haar kind weet het slachtoffer te zijn van zoo\'n gewetenloozen schurk, hoe zij hem noemt. Beiden zullen u vaak onder tranen beduiden, dat hij is de dief van hun vleesch en bloed, de moordenaar van hun arm kind. Wij weten, die vrouwen daarbinnen in het huis van ontucht, ze zgn niet braaf. Gerust, we willen niet overdreven gevoelig doen en verklaren gaarne, dat vele bordeelvrouwen niet andera willen dan het leven, dat zij leiden. We willen zelfs niet de uitzonderingen in rekening brengen en wel aannemen, dat de meeste dier vrouwen toch in ontucht zouden leven, ook al was de bordeelhouder er niet.
Maar toch valt daarmede niet weg, wat een scherpzinnig rechtsgeleerde in den arnhemschen gemeenteraad zei: „De bordeelhouder is gelijk de strandvonder. Wat de laatste doet op de kust der zeeën, doet de bordeelhouder op de zee des levens. Hij zoekt met speurdersoogen overal naar verongelukten. Heeft hij ze gevonden, zoo brengt hij ze samen om ze ten algemee-nen nadeele en uitsluitend voor eigen financieel voordeel te exploiteeren.quot;
De bordeelhouder weet te profiteeren van de ellende der arme vrouw. Is zij verleid, heeft zij voor een kind te zorgen, raakt zij zonder arbeid, hij heeft zijn mooie woorden klaar om haar te beduiden, dat een leven iu zijn omgeving nog niet zoo te versmaden is. Kan hij het zelf niet af, welnu, zijn handlangers, de zoogenaamde placeurs of placeuses (handelaars in menschen) staan klaar om de prooi te bemachtigen. Is de arme vrouw eenmaal in zijn strikken, hij weet haar wel te houden; geen middel blijft onbeproefd, totdat zij van verleide wordt eeii verleidster en ieder ten slotte van haar zegt — ook de politie — „ze wil niet anders.quot;
Terwijl we dit schrijven brengt ons de „Gelderlander,quot; een te Nijmegen verschijnend dagblad, weder zoo\'n in-droef verhaal, dat ons bij onderzoek is gebleken waar te zijn.
Een meisje woonde te Amsterdam. Zij was werkeloos en zocht naar arbeid. Toen ze een buurvrouw haar nood klaagde, wist deze raad. In de Nes had de buurvrouw een vriendin, daar dus heên. Die vriendin zou wel werk voor haar weten. Toen het meisje er kwam, werd ze gemonsterd en waardig (?) bevonden buffetjuffrouw, lees prostituée, te worden. Een heer (?) en dame(?) arriveerden juist op dit oogenblik. Aan het meisje werden wat kleeren verkocht, die zij later wel kon betalen. De trein bracht het drietal des avonds te Nijmegen. Hier werd een rijtuig besteld en de val, het bordeel, — ditmaal een geheim bordeel — stond voor haar open. Toen ze er eenmaal in was, werd haar verteld, hoe ze met de heeren had te handelen, Dat deed het kind walgen, dat wilde ze niet. Ze smeekte om weêr vrij te mogen zijn. Liever in een vreemde stad zonder geld
6
alleen, dan in zulk een omgeving. Haar pogen was echter te vergeefs. Gelukkig was een bezoeker wat barmhartiger gestemd dan de waard. De politie werd gewaarschuwd en de arme slavin uit haar ellende verlost.
Dit geval staat niet alleen en niet altijd gelukt het de meisjes, voor zij reeds bedorven zijn, zich te verlossen uit haar slavernij ; want slavernij is het, waarin de slachtoffers verkeeren. Wel stelt artikel 282 van het wetboek van strafrecht het opzettelijk en wederrechtelijk van vrijheid berooven strafbaar; wel is door artikel 284 van datzelfde boek strafbaar ieder, die een ander door geweld of bedreiging daarmeê dwingt iets te doen, niet te doen of te dulden; wel is volgens ariikel 246 strafbaar het met geweld dwingen tot ontucht plegen en volgens artikel 247 het plegen van ontucht of het verleiden daartoe van iemand beneden den leeftijd van 16 Jaren, wel mag er in een huis, waar gelegenheid wordt gegeven tot het plegen van ontucht, geen sterke drank in het klein worden verkocht (zie artikel 8 sub 13° der drankwet) maar de bordeelhouder weet wel door de mazen van de wet te glippen. Anders zouden in de bordeelen niet vaak zooveel vrouwen tegen haar wil worden gedwongen zich over te geven aan de walgelijkste ontucht en tegennatuurlijke geslachtsgemeenschap. Anders was het traliehek, aangebracht voor de verblijfplaatsen der vrouwen, om haar het vluchten te beletten, in een der grootste Nederlandsche bordeelen, niet noodig geweest, en had de bordeelhouder de sloten op de ramen der kamers van vrouwen, in weêr een ander bordeel, achterwege kunnen laten.
Inderdaad, Mr. Nolst Trenité zeide niets te veel, toen hij den bordeelhouder een misdadiger noemde, en wij gevoelen ons niet schuldig aan overdrijving, wanneer we er in \'t bijzonder aan toevoegen: Hij is ook een dief.
Zelfs de kinderen van politie-ambtenaren en beambten zijn voor hem niet veilig.
Op het Nationaal Congres tegen de prostitutie, gehouden in 1889 te Amsterdam, werd dit reeds aangetoond door den heer J. 0. Van Schermbeek;, in leven hoofdcommissaris van politie te \'s-Gravenhage en lid van het hoofdbestuurder Nederlandsche Vereeniging tegen de Prostitutie. Na meegedeeld te hebben, hoe hij een uit het buitenland ingevoerde vrouw na veel moeite verloste uit een bordeel in den Haag, verhaalt hij, hoe de schoone negentienjarige G., dochter van een braaf man, toenmaals nachtwacht bij de politie in den Haag, naar het buitenland werd gevoerd, om daar zich over te geven aan ontucht. Al de pogingen, die hij deed het meisje den ouders weêr te geven, mislukten; zelfs de politie in Brussel werkte hem tegen.
En dit is te meer betreurenswaardig, daar ook de kinderen vau politiedienaren in het buitenland voor den afschuwelijken vrouwenhandel niet veilig zijn. Te Antwerpen werd, nu ongeveer een ruim Jaar geleden, — zoo meldden ons toen de couranten —
7
opgelicht een 15-jarig meisje, dochtertje van een oud-politie-inspecteur. Dit kind werd vervoerd naar Londen en kwam terecht in een bordeel. Na veel wederwaardigheden gelukte het haar te ontvluchten en deelde zij haar diepbedroefden vader haar lotgevallen meö. G-een wonder, dat deze politieman, in zijn leven voor geen grocter diefstal geplaatst, niet rustte vóór hij de dieven van zijn dochter gevonden had. Met behulp van zijn Londensche collega\'s drong hij het bordeel binnen en wist hij de misdadigers over te leveren aan de handhavers der gerechtigheid.
Niet elk meisje, dat in handen van een bordeelhouder valt, heeft een oud-politie-inspecteur tot vader. Ware dit zoo, wie weet hoeveel misdaden aan het licht zouden komen.
Inmiddels schreven wij niets te veel, toen wij den bordeelhouder noemden een dief.
En met zulk een individu moeten de burgemeester en de poli-tie-commissaris, in plaatsen waar men bordeelen toestaat, samenwerken. Letterlijk samenwerken, want niet alleen behoort de bordeelhouder krachtens plaatselijke verordening telkens zijn opwachting te maken bij burgemeester en politie-commissaris, maar bovendien heeft hij, volgens artikel 452 van het wetboek van strafrecht, de taak op het bureau van den burgemeester of van den politie-commissaris iederen keer, wanneer een nieuw slachtoffer in zijn bordeel komt, haar in de taal, die zij spreekt, aan te zeggen het doel, waarvoor zij gekomen is.
Oogenschijnlijk lijkt dit in het belang van de vrouw, heeft het er iets van, dat het geschiedt om misleiding te voorkomen. In werkelijkheid weet ieder, wat dit aanzeggen beteekent. Tal van misleide meisjes, op het politie-bureau aangezegd het bedrijf waaraan zij zich gingen overgeven, verklaarden, wanneer redding daagde, dat zij onder vreemde papieren in het bordeel waren gesmokkeld, dat zij, vóór zij op het politie-bureau verschenen, door den bordeelhouder of diens trawanten waren bedreigd met over de grenzen gezet te zullen worden en vele andere voor haar minder aangename ondervindingen, als gevangenisstraf enzoovoort. Öie geheele aanzegging beteekent vaak niet veel meer dan een schijnvertooning en daar komt dan bij, dat door dit stelsel de politieambtenaren en -beambten met bordeelhouders, die elk fatsoenlijk mensch de hand weigert, in zekeren vertrouwelijken omgang geraken.
We hebben in een plaats, waar men de bordeelen indertijd toeliet, een politie-autoriteit gekend, die in de bordeelen de leverantie van wijn en bier vroeg en kreeg voor zijn zoon, een handelaar daarin. We hebben in gelijksoortige plaats een hoofdagent gekend, die den bordeelhouder hielp in de administratie. We weten van een andere politie-autoriteit, dat hij de bordeelslavinnen, die snakten naar vrijheid en vluchtten over het dak van het bordeel, terugbracht naar haar slavinnen-bestaan.
Men noemde de bordeelen een noodzakelijk kwaad. Kwaad is
8
nooit uoodzalcolijk, maar dit kwaad, bedreven door zulke indivi-
duën, heeft geen enkele verschooning. s
Tot heden spraken we alleen nog over de vrouw, die in het bordeel tot slavernij wordt gedoemd.
Maar voor hoevele jonge mannen, en ook ouderen van dagen, was liet bordeel een school, waarin zij allen eerbied voor de vrouw hebben verloren en zeiven slavenwerden van hunne hartstochten. Het aantal jonge mannen, dat zedelijk en materieel door ( de bordeelen ten gronde ging, is niet te tellen.
De bordeelhouder steelt niet alleen, voor zijn diepellendig bedrijf, onze dochters, maar hij doet hetzelfde met onze zonen.
HU heeft de vrouw noodig om zijn andere slachtoffers, de mannen, te lokken. Hij steelt de kinderen van beiderlei kunne van de ouders en de mannen van hunne,vrouwen en kinderen.
En dit alles doet hij om zich te verrijken met wat... geld.
Artikel 241, van het wetboek van strafrecht, stelt op klachte overspel strafbaar, en toch moest het Tweede-Kamerlid, Dr.
Blooker, na een ernstig onderzoek,, verklaren dat bordeelen hoofdzakelijk door gehuwde mannen worden bezocht, zoodat ze niet alleen mochten heeten „huizen van ontucht,quot; maar veeleer nog „huizen van overspel,quot; plaatsen dus, waarin elk oogenblik van den dag en den nacht ook in dit opzicht strafbare feiten werden gepleegd. I
Laat men ons niet wijsmaken, dat bordeelen de eerbare vrouwen beveiligen; die dat zegt liegt.
In het bordeel leert denman de vrouw beschouwen als J
speelgoed, buiten het bordeel brengt hij dit in praktijk. Hoe menig meisje werd door mooi gepraat van den man, den bordeelbezoeker, het slachtoffer, dat, eenmaal gevallen, weder een gemakkelijke prooi werd voorden bordeelwaard. Het bordeel is een gevaar voor de vrouw en ook voor de eerbare vrouw.
Dat de ontucht oud is en wel nimmer zal verdwijnen, is een noodlottig feit, dat ook wij hebben te erkennen. Wil men echter 1
dit kwaad tegengaan, de ontucht beperken, dan moet de over- i
heid het houden van bordeelen strafbaar stellen, en dit doen in de eerste plaats met de sympathie van de politie.
Men zegt, dat uitbreiding van\' de geheime ontucht en gemis \'
aan controle het gevolg zijn van het verbod van bordeelen en meent, dat daarom het toestaan van bordeelen te verdedigen valt. Ook dit behoort tot de leer der fabelen.
Toen indertijd door de iNederlandsche Vereeniging tegen de Prostitutie werd gevraagd een rijkswet, die straf stelt op het houden van bordeelen, kon men onder de honderden ver-eenigingen, die dit ^verzoek bij H.M. de Koningin steunden, ook {
tellen een adres van de politie-vereeniging „Helpt elkanderquot; te Arnhem.
Jammer, dat alleen die vereeniging van politiemannen deed,
wat door geheel de politie behoorde gedaan te worden. Toch is
I
9
dit adres merkwaardig, daar het kwam uit een gemeente, waar vroeger de bordeelen recht van bestaan hadden en waar men ze thans heeft verboden. Die politiemannen vroegen een wet voor geheel het land, zooals er daar ter plaatse een verordening bestaat. Zij achtten hoogere straf op de overtreding gewenscht, waarin alleen een rijkswet kan voorzien. Hoe het kwam, dat die vereeniging zich voor deze zaak spande, is duidelijk.
Ten eerste hadden de politie agenten in de bordeelen misdadige instellingen leeren zien. Zij hadden begrepen, dat de bordeelhouder een parasiet is, die leeft ten koste van het lichamelijk en zedelijk welzijn van anderen. Meer dan vroeger werd gevoeld, dat de politie, evenals zij waakt tegen verduistering, diefstal, oplichting, mishandeling en velerlei ander kwaad, had tegen te gaan de publieke zedeloosheid.
Mogelijk waren allen daar niet van doordrongen, maar dan toch stellig geldt dit voor de meerderheid.
Een dergelijke daad van de politie staat heel wat hooger dan het feit, dat ons onlangs ter oore kwam. In een plaats, waaide bordeelen door de overheid nog zijn toegelaten, werden in het bijzijn van twee politiemannen op den publieken weg door een man en een vrouw onzedelijke handelingen gepleegd. Toen hun aandacht hierop gevestigd werd, volgde het antwoord: „Dat valt elk oogenblik van den avond voorquot;. „Maar doet gij daar dan niets tegenquot;, zoo werd gevraagd, waarop men kortweg zei: „Weineen, wat zullen we er tegen doen? Onze superieuren weten het even goed als wij, maar denken stellig: die dat niet zien wil, komt hier niet.quot; Arm artikel 239 wetboek van strafrecht, dat straf stelt op openbare schennis der eerbaarheid.
Volgens de opvatting van deze beambten en superieuren hebben degenen, die prijs stellen op een zedelijk volksleven, weg te blijven uit een buurt, die nu eenmaal gemonopoliseerd wordt voor doeleinden in strijd met de wet.
Zoover heeft het stelsel van heulen met de ontucht de politie reeds omlaag gehaald. En dat kon wel niet anders.
Zoolang de politie ziet, dat aan den eenen kant de ontucht door de overheid wordt beschermd, door het verleenen van verlof tot het houden van bordeelen, en aan den anderen kant de wet verplicht de publieke eerbaarheid krachtig te handhaven, is de toestand hopeloos.
Tot den politieman wordt gezegd: „Ziet gij iemand, die steelt, inbreekt, oplicht, breng hem bij den rechter; is er iemand dronken, berg hem op.quot; Maar indien hij vraagt: „Wat moet ik doen met den bordeelhouder, die de schandelijkste tirannie toelaat, die slavernij bestendigt en die voor de walgelijkste zedeloosheid zijn huis openstelt voor het publiek?quot; dan krijgt hij tot antwoord: „Dien laat gij met rustquot;.
Daardoor komt het dat het bordeel door de politie als een
10
geoorloofde inrichting, ja bijna als een instelling van algemeen welzijn wordt beschouwd en vergeet zij, dat binnen de muren van dat huis vaak misdrijven als bedoeld in de artikelen 246, 247, 282 en 284 wetboek van strafrecht, worden gepleegd.
Dat er onder zulk systeem aan vermindering van prostitutie niet te denken valt, staat wel vast. De politie leeft nog te veel onder de kracht van de oude gewoonte, ze zit nog vast aan haar oud stelsel.
Eerst als zij daarmede breekt, als zij kennis neemt van de betere maatregelen om de ontucht tegen te gaan, zal zij komen te staan op het standpunt, waarop de Arnhemsche politie-vereeniging zich reeds stelde.
*
* *
Nog twee argumenten willen we onder de oogen zien. De voorstanders van het behoud van bordeelen zeggen: „We slaan twee vliegen in één klap; we houden de geheime ontucht tegen en bewaren de onschuldige vrouwen en kinderen voor besmetting met de ziekten, door mannen en vaders opgedaan!quot;
Tegen het eerste voeren we, naast hetgeen we reeds daarover schreven, nog het volgende aan.
Toen te Arnhem het houden van bordeelen werd verboden, waren er volgens bericht der politie 4 bordeelen met 21 vrouwen, die als zoodanig bij de overheid bekend stonden; 6 huizen met 17 vrouwen, waar men in het geheim, dus zonder vergunning van de overheid, ontucht pleegde; 7 inrichtingen, waar men gelegenheid tot samenkomst aan mannen en vrouwen gaf tot het plegen van ontucht, en 48 vrouwen, die de straat onveilig maakten.
Twee jaar daarna, nadat de bordeelen waren verboden en de politie krachtig was. opgetreden voor de publieke eerbaarheid, waren er nog 8 café\'s met 12 vrouwen van verdacht allooi en S straatprostituées.
Ook dit laatste feit werd door de politie verzekerd. De huizen van ontucht waren dus verminderd van 17 tot 8, de inwonende vrouwen van 37 tot 12 en de straatprostituées van 48 tot 8.
Voorwaar een schitterende verbetering, die alleen te danken is aan het feit, dat de overheid het houden van bordeelen had strafbaar gesteld en de politie die bepaling krachtig heeft uitgevoerd.
Misschien was die zichtbare vermindering van prostitutie voor de Arnhemsche politievereeniging wel de reden, waarom zij zich per adres tot de Koningin wendde, om bij de wet voor geheel het land te bepalen, wat te Arnhem bij verordening reeds bepaald was. Zij had toch, beter dan iemand anders, bemerkt hoe naast verminderingquot;van prostitutie het zedelijk peil bij de
11
politie stijgt, wanneer dat corps niet behoeft om te gaan met bordeelhouders en andere bevorderaars der ontucht.
Tegenover dezen verbeterden toestand in een stad waar de bordeelen met kracht worden bestreden, staat b. v. wat men te Rotterdam kon waarnemen.
Daar geeft men permissie tot het houden van bordeelen en blijft men met een hardnekkig conservatisme vasthouden aan de idee, dat die inrichtingen noodzakelijk zijn.
Vraagt men nu daar, hoeveel bordeelen bij de politie ottlci-eel bekend zijn, dan antwoordt men: vijf met ongeveer dertig inwonende vrouwen.
Bij onderzoek bleek, dat in slechts 10 straten in het midden der stad 200 huizen van ontucht met 280 a 290 van ontucht levende vrouwen kunnen geteld worden. Die laatste cijfers geven echter voor geen tiende deel den werkelijken omvang der prostitutie aan. Stelt men zich nu op het standpunt, zooals sommigen te Rotterdam dit doen, dat in een stad met veel handel en verkeer, met veel zeelieden, huizen van ontucht behoorente zijn, dan heeft men reden om zich te verblijden in de enorme uitbreiding er van.
Dezulken zouden we echter willen verwijzen naar wat nu ongeveer 14 jaar geleden in den Helder geschiedde. Daar wilde men ook de bordeelen beschermen met een beroep op de marine, waarvoor ze zoo noodzakelijk waren. Nauwelijks was dit argument gehoord of een adres geteekend door honderden matrozen bereikte den Raad. In dit adres werd kort en goed verteld, dat de weldenkende zeelieden de overheid adviseerden het houden van bordeelen maar strafbaar te stellen, want dat die instellingen door de matrozen niet werden begeerd.
Stelt men zich op het standpunt: de overheid heeft de publieke eerbaarheid te bevorderen en de ontucht te bestrijden, dan leeren de te Arnhem en te Rotterdam waargenomen feiten, dat de ontucht afneemt daar, waar men op het houden van bordeelen straf stelt en zich uitbreidt daar waar de overheid het houden van bordeelen vergunt.
Dat zou nog steeds meer blijken, indien men goede gegevens had verzameld omtrent den omvangder prostitutie in gemeenten van het oude en van het nieuwe systeem. Dit deed men nergens dan alleen te Arnhem, daar heeft men cijfers van vroeger en nu. Men beroept zich gewoonlijk op een toeneming van geheime ontucht in plaatsen, waar de bordeelen verboden zijn, zonder te weten, hoe groot de omvang der ontucht was ten tijde, dat de overheid het houden van bordeelen vergunde. Anders is het te Arnhem. Indien daar wordt beweerd; de huizen van ontucht of de van ontucht levende vrouwen zijn in aantal toegenomen na verbod van bordeelen; dan kan men met cijfers deze bewering onwaar maken.
Het ware te wenschen, dat men overal had gehandeld en
12
handelde als te Arnhem. Dan zou het praatje van toeneming der ontucht na verbod van bordeelen spoedig de wereld uit zijn. We geven toe, dat een wettelijke bepaling zonder meer niet voldoende is. Zoo\'n bepaling moet krachtig door de politie worden gehandhaafd. Toen de politie te Utrecht onder leiding van den Hoofdcommissaris, den heer Vermeijs, de daar bestaande verordening met nauwgezetheid handhaafde, waren er slechts enkele geheime huizen van ontucht. Nu de politie daar ter plaatse minder actief optreedt, vindt men in één straat, waarin vroeger de bordeelen zoo goed als ontiuimd waren, 4 huizen van ontucht met een bevolking van 20 tot 30 vrouwen. Dit minder actief optreden schijnt verband te houden met een leemte in de bestaande verordening, die evenwel gemakkelijk weg te nemen valt.
Het is in dit opzicht met de politie als met de gemeentereiniging. Bepalingen alleen geven niets, wanneer ze niet worden uitgevoerd. Als de overheid een reglement voor den reinigingsdienst maakt, maar directeur en werklieden voeren het niet uit, dan zal het vuil op de straten toenemen en de atmosfeer zoo ondragelijk worden, dat epidemiën en dood het gevolg zullen zijn.
Zoo ook is het met een verordening tot verbod van bordeelen. Een stuk bedrukt papier op zich zelf geeft niets, maar met dat stuk papier, met de verordening in handen, kan de politie de ontucht zeer doen verminderen en het volk beschermen tegen de gevolgen: ziekten en dood.
Het vuil rjeheel en voor goed te verdrijven is geen enkelen reinigingsdienst, hoe goed ook ingericht, mogelijk.
Zoolang er stofwisseling en slijtage is, zal men zich gelukkig rekenen, wanneer als loon op voortdurenden arbeid wordt bereikt: de beperking van het vuil tot zoo gering mogelijken omvang.
Dat zelfde geldt ook voor de ontucht.
Haar geheel en voorgoed uit te roeien, ligt niet binnen het bereik van de overheid. Wel kan de overheid dit kwaad bij de wet tegengaan en kan de politie met taaie volharding in haar arbeid de ontucht beperken.
Doet zij dat, dan heeft zij recht op den dank van geheel de burgerij.
En nu nog iets over het vei-plicht geneeskundig toezicht op van ontucht levende vrouwen.
Men heeft in gemeenten, waar men het houden van bordeelen van overheidswege toestond, de vrouwen geneeskundig doen onderzoeken, om daardoor de onschuldige familieverwanten van bordeelbezoekers te bewaren voor besmetting met de ziekten, die met buitenechtelijke geslachtsgemeenschap gewoonlijk samengaan.
13
Om de nietswaardigheid van dit onderzoek aan te toonen laten we slechts een van de vele doktoren spreken. Het is een man, die er verstand van heeft, een onpartijdig man en zijn uitspraak wordt door honderden geneesheeren, vooral door degenen die in het bijzonder geslachtsziekten behandelen, onderschreven.
Dr. L. Maillette\' de Buij Wennigeh, die dagelijks met vele slachtoffers der ontucht in de gemeentelijke polikliniek voor huid- en geslachtsziekten te Rotterdam in aanraking komt, een man dus beter dan een gewoon geneesheer op de hoogte, zegt;
„Een geneeskundige controle (onderzoek) die waarborg geeft tegen besmetting is een absurditeit (dwaasheid). Mijn meening is, dat zelfs de scherpste controle, b. v. tweemaal per dag, van iedere prostituée (van ontucht levende vrouw) tegen besmetting hoegenaamd geen waarborg geeft.
Dat is slechts één uit de vele uitspraken van mannen, alleszins tot oordeelen bevoegd.
We zouden ons nog kunnen beroepen op vele andere geneesheeren.
Wanneer op een gegeven dag — zeg heden — een vrouw in het bordeel wordt besmet, dan kan eerst een geruimen tijd later dit door den keurenden geneesheer worden geconstateerd. Maar op den dag, dat die geneesheer de besmetting waarneemt, is het vrij zeker, dat die vrouw reeds verscheiden mannen heeft besmet. Menigmaal wordt een vrouw, door den geneesheer, niet ziek bevonden, of zooals men ten onrechte zegt, gezond bevonden, terwijl zij toch ziek is en besmetting zal veroorzaken.
Toch wordt haar een bewijs afgegeven, dat door de bordeelbezoekers als een waarborg tegen ziekten wordt beschouwd. Een valsche waarborg! De keuring wekt te groot vertrouwen en doet ook daardoor kwaad.
Wanneer men dus zegt; „We vangen twee vliegen in één klap, door tot het houden van bordeelen vergunning te geven,quot; dan zegt men twee onwaarheden; want ten eerste neemt de ontucht toe, juist daar, waar men de bordeelen van overheidswege laat voortbestaan en ten tweede spreekt men een onwaarheid uit, die noodlottig voor velen kan zijn, namelijk, dat de kans van besmetting minder zou wezen.
Wat de heer Van Waning zegt; „Een goede naam is het gevolg van goede beginselen,quot; dat zeggen wij ook tot de overheid.
Daar, waar men met de ontucht heult, is het overheids-beginsel slecht ; daar, waar men de ontucht. bestrijdt, is het beginsel goed. De overheid heeft het kwade te straffen en het goede te bevorderen.
Gelukkig heeft men dit reeds in de meeste groote steden des lands ingezien en predikt men daar van overheidswege „reinheid van zeden.quot;
14
Dat beginsel moet ook wortelschieten bij de politie, bij den ambtenaar zoowel als bij den beambte.
Is de politie daarvan doordrongen, dan zal zij met kracht al wat de goede zeden ondermijnt tegengaan en de publieke eerbaarheid handhaven.
Een politie, die dit doet, moet in achting stijgen bij het publiek, gaat zelf zedelijk omhoog.
„Omhoog moet onze politie en dat door eigen kracht.quot; Het moet een keurkorps worden, waarbij het een eer is te dienen.
Dit was het streven van den heer Van Waning, toen hij zijn handboek gaf. Dit is het doel van de Nederlandsche Vereeniging tegen de Prostitutie, nu zij haar bescheiden geschriftje der politie aanbiedt.
Ten slotte. Herhalen is meestal af te keuren. Toch meenden we dit geschriftje niet te mogen sluiten zonder saam te vatten, wat we reeds schreven en daardoor op een paar punten van bijzonder belang de aandacht te vestigen.
Ten le: Het bleek, dat de Nederlandsche Vereeniging tegen de Prostitutie haar strijd voert op gronden van zedelijkheid, recht en gezondheid.
De zedelijkheid voorop.
Goede zeden bevorderen het geluk voor den mensch, vormen het cement van de samenleving en zijn als een bolwerk tegen ziekten.
Ten 2e: De Nederlandsche Vereeniging tegen de Prostitutie is geen gezelschap van dwepers, die het onbereikbare willen.
Zij telt onder haar leden mannen van elke godsdienstige overtuiging en politieke richting. Haar beginsel kan door lieden van elke staatkundige partij worden onderschreven; en dat dit geschiedt, bewijzen de vele gemeenteraden, die zich hebben gesteld op haar standpunt, met medewerking van raadsleden, behooren-de tot de verschillende politieke groepen.
Ten 3e: De strijd van bovengenoemde Vereeniging gaat, onder meer, tegen het van overheidswege toelaten der huizen van ontucht en het verplicht geneeskundig toezicht op de van ontucht levende vrouwen.
Ten 4e: Daarom vraagt zij aan de overheid van land en gemeenten het houden van bordeelen strafbaar te stellen. Niet, omdat zij meent de ontucht te zullen uitroeien, daar, volgens haar overtuiging, dit niet te bereiken valt. Maar wél, omdat zij meent de ontucht te kunnen beperken, mits de politie haar plicht doe.
Ten 5e: Zij ontkent, dat bij aanvaarding van haar beginsel, de geheime ontucht zal toenemen. Allen, die dat beweren, missen daartoe de gegevens. Misschien zijn deze aanwezig, maar in dat geval werden ze toch niet bekend. Om te kunnen bewijzen, dat de geheime ontucht na verbod van bordeelen zou zijn toegenomen, heeft men noodig cijfers van vroeger, onder het oude
15
systeem, en nu, onder het nieuwe stelsel. Die cijfers ontbreken in al de gemeenten, waar men het oude deed plaats maken voor het nieuwe. Dit met uitzondering van Arnhem, waar de cijfers aantoonen, dat de geheime ontucht niet is toe-, maar in stede daarvan is afgenomen.
Ten 6e ; Zij bestrijdt de meening, dat het strafbaar stellen van bordeelen toch niets baat, omdat de ontucht niet valt uit te roeien. Dat zelfde geldt b.v. voor diefstal. Eiken dag wordt er gestolen en toch straft men de dieven. Wil men diefstal beperken dan moet men dien strafbaar stellen, wil men hetzelfde met de ontucht doen, dan heeft men ook haar met straf te bedreigen. „De gelegenheid maakt den dief,quot; zegt het spreekwoord. Dat geldt evengoed voor de ontucht. Indien de overheid de bordeelen toelaat, schept zij de gelegenheid, die de genegenheid tot de ontucht bevordert. Stel de gelegenheid strafbaar en de genegenheid moet verminderen.
Ten 7e: Het ligt niet in het beginsel der Vereeniging opgesloten de persoonlijke vrijheid aan te randen, zooals door tegenstanders wel wordt beweerd. De Vereeniging beweegt zich niet op het terrein van het privé-leven, maar wel op dat van het publieke leven. Daarom vraagt zij de overheid niet het plegen van ontucht, als gevolg van persoonlijke overeenkomst, binnenshuis, strafbaar te stellen, maar wel straf te stellen op het gelegenheid bieden tot het plegen van ontucht.
Ten 8e: Zij wil juist in het belang der persoonlijke vrijheid het voortbestaan van bordeelen zooveel mogelijk door wettelijke middelen tegengaan.
Door het in stand houden van bordeelen is men medeplichtig aan het bevorderen van den handel in blanke slavinnen en predikt men de dubbele moraal, dat den man geoorloofd is, wat de vrouw heeft na te laten. Daarom komt de Vereeniging op voor de belangen der vrouwen en ontzegt zij den man het recht haar persoonlijke vrijheid te krenken, door haar voor eenig geld van een tusschenpersoon tijdelijk te huren tot bevrediging van zijn dierlijke neigingen.
Ten 9e: De vereeniging wil uit een oogpunt van volksgezondheid het geneeskundig toezicht van overheidswege op de van ontucht levende vrouwen tegengaan.
Dit wijl de vrouw door dat toezicht wordt vernederd, de ontucht er door wordt bevorderd en door de vermeerdering van ontucht de kans op besmetting van onschuldigen, die met de ontuchtplegenden in aanraking komen, wordt vergroot.
En ten 10e: De vereeniging vraagt de overheid, naast krachtige bestrijding der publieke ontucht, de middelen, die van medische zijde worden aangewend om de geslachtsziekten tegen te gaan, te steunen, zoo noodig door het bieden van kostelooze geneeskundige hulp.
Ziedaar een kort overzicht van wat we reeds in het breede beschreven,
16
Ons werd gevraagd, welk standpunt de ambtenaar of beambte van politie, die de beginselen der Nederlandsche Vereeniging tegen de Prostitutie onderschrijft, heeft in te nemen in gemeenten waar de overheid het houden van bordeelen toestaat.
Men vreest, dat een dergelijke toestand hem in tweestrijd zal brengen met wat zijn geweten hem zegt en de verordening hem voorschrijft.
Gelukkig zijn die gemeenten in aantal, op dit oogenblik, nog gering en hebben betrekkelijk weinigen met die moeilijkheid te kampen. Grooter is het aantal politie-ambtenaren en -beambten, die de bordeelen en de keuring op de van ontucht levende vrouwen noodzakelijk achten in gemeenten, waar de overheid het met de beginselen der Vereeniging eens is.
Voor deze allereerst geldt dit geschriftje, dat naar wij hopen een wijziging in hun meening zal brengen, zoodat voor hen de uitvoering der bestaande verordening tegen de bordeelen overeenkomt met hun innerlijke gevoelens. Indien dit doel wordt bereikt zijn we reeds ten hoogste voldaan.
Maar ook andere politie-bedienaren, die onder het oude stelsel hebben te werken, behoeven niet in strijd te handelen met hun overtuiging.
Zij toch maken geen verordeningen, maar hebben alleen de taak toe te zien, dat de wetten des lands en de gemeentelijke verordeningen worden nageleefd.
Klein is het aantal politiemannen, die belast zijn met de inschrijving der van ontucht levende vrouwen en de met die inschrijving verbandhoudende controle op de bordeelen.
De weinigen, die deze taak hebben te verrichten, kunnen dat betreuren, maar zijn er toch niet voor aansprakelijk, daar zij er niet de ontwerpers van zijn.
Tegenover die minder aangename plicht hebben zij de schoone taak te waken voor de publieke eerbaarheid. Feiten, die het wetboek van strafrecht als misdrijven of overtredingen kenmerkt, gelden voor geheel het land.
Overal, dus ook in de gemeenten, waar men de bordeelen toelaat, is de politie belast met het opsporen van strafbare feiten. De vraag is niet waar die gebeuren, maar of zij gebeuren. Het bordeel is de plaats, waar men den spot drijft met menige wettelijke bepaling. Daar pleegt men wederrechtelijke vrijheids-berooving, dwingt men tot ontucht, bevordert men het plegen van ontucht met minderjarigen en wordt de drankwet voortdurend overtreden. Dit te constateeren is de taak der politie, en doet zij dat, naar plicht en geweten, dan kan ook dat medewerken om de overheid te overtuigen, dat zij het kwade heeft na te laten en het goede heeft te bevorderen: wat in dit geval zegt, dat zij het houden van bordeelen heeft strafbaar te stellen en het geneeskundig toezicht op van ontucht levende vrouwen heeft af te schaffen.
V \'
\'Mamp;
mm
■
|
p |
g; | |
|
m |
m | |
üi^^i fx\'^.V
-\'.\'Iequot;