\\////r oo
WOEGSEL fiN „BETiSDAquot; i. 11. (Nov. 1896.)
Vanwege de Vereeniging tot Christelijke Verzorging van Krankzinnigen en Zenuwlijders wordt dit „Bijvaeg-
selquot; den inteekenaren van „Bethesdaquot; aangeboden.
- ■
---—----- \' . l...-
J\' \' \' \'
Bezetenheid en krankzinnig-hei
O
——
Voor enkele jaren ontbrandde in Duitschland tusschen de vereeniging van krankzinnigen artsen en de vereeniging van geestelijke verzorgers aan krankzinnigengestichten een strijd, die van beide zijden door verschillende woordvoerders niet zonder heftigheid werd gevoerd, eene episode uit den eeuwen durenden strijd tusschen onderzoekers der natuur en onderzoekers der schriftuur, tusschen geloof en wetenschap; een strijd, onwezenlijk in zooverre, als tusschen de beiderlei openbaring Gods, ons in natuur en schriftuur geboden, inderdaad geen strijdigheid kan bestaan en alleen zijn oorsprong vindende in de gesteldheid der onderzoekers, al naar gelang deze de openbaring Gods, ons in de schriftuur gegeven, als de klaarder, de zuiverste bron voor de kennis der waarheid erkennen, dan wel de Schrift als een onder de kritiek van den mensclielijken geest vallend product van dien geest beschouwen. Op een strijdvraag in dit twistgeding, rakende het wezen der krankzinnigheid, zij \'t mij vergund thans uwe aandacht te vestigen Die vraag is deze: Is de bezetenheid ten tijde van het leven des Heeren Jezus Christus op de aarde hetzelfde geweest als de krankzinnigheid van den tegenwoordigen tijd, zijn bezetenheid en krankzinnigheid identiek, ja dan neen ?
In 1894 verscheen van de hand van Georg Hafner, predikant te Elberfeld, een studie, getiteld „De demouischen van het Nieuwe Testamentquot;, waarin deze zijne beschouwingen over de bezetenheid ontwikkelt. Pastor Hafner\'s leer wensch ik u in de eerste plaats te leeren kennen.
De schrijver begint met er op te wijzen, dat omtrent de quaestie der bezetenheid nog geen voldoende helderheid bestaat, en zal trachten het zoo gewenschte licht over deze zaak te verspreiden. Weliswaar raakt die niet het wezen des geloofs en mag die veeleer onder de middelmatige dingen worden gerekend, maar toch, zonder schade kan men hierover niet voortdurend in onzekerheid blijven verkeeren.
Hij splitst zijn onderzoek in drie deelen; een historisch, waarin hij eene voorstelling tracht te verkrijgen van de verschijning der bezetenheid in het Nieuwe Testament; een theoretisch, waarin hij tracht een inzicht te verkrijgen in het wezen der bezetenheid en een praktisch, waarin liij tracht een standpunt te vinden met betrekking tot
\'204 BIJVOKGSEL VAN BETHESDA.
de gelijksoortige versclnjnselea in den tegenwoordigen tijd.
Naast blinden en lammen, dooven en melaatschen, die zich om hulp in hunne ellende tot den Heiland wenden, vinden we ook de bezetenen; daaronder zijn mannen, vrouwen en kinderen, groot is hun getal. De verschijnselen der bezetenheid zijn bij den lijder van Gadara \'t uitvoerigst beschreven. Hij woont in de eenzaamheid, tusschen de araven, is menschenschuw, wie tot hem nadert wordt op de vlucht gejaagd, niemand durft hem genaken. Een huis is hem te benauwd, zijn kleed hem tot last, naakt loopt hij rond, \'t gevoel van eerbaarheid is verloren, pijn gevoelt hij niet meer, de ongelukkige, die zich met steenen verwondt. Rusteloos zwerft hij rond, dag en nacht de lucht vervullend met zijne wanklanken, die de bergen elkaar terugkaatsen. Het was tevergeefs, dat men hem bond met koord of keten, alle boei verbrak hij met bovenmenschelijke kracht en in ongebreidelde woestheid doolt hij steeds rond.
Naar wat ons omtrent deze type van een bezetene vermeld slaat, meent Hafner, kan men zich omtrent de verschijnselen der bezetenheid in \'t algemeen eene voorstelling maken. Die verschijnselen liggen vooral, op \'t psychisch gebied; \'t denken, \'t gevoelen, \'t vormen van voorstellingen is veranderd, alles maakt den indruk van gebondenheid, van onvrijheid. Wel kunnen ook verschijnselen op somatisch gebied daarmee gepaard gaan: gevoelloosheid, krampen, stomheid, blindheid, maar steeds moet psychische alteratie bestaan, wil \'t bestaan van bezetenheid wurden aangenomen.
Wat de evangeliën ons over de bezetenen berichten staat, afgezien van eene bloote vermelding hunner genezing, die op nog vele andere plaatsen voorkomt, opgeteekend in Matth. 8 : 28 enz.. Mark. 5 : 1 enz., Lukas 8 : 27 enz., waar de geschiedenis van den Gadarener wordt medegedeeld; verder in Markus 1 vs. 23 enz., Lukas 4 : 38 enz., waar over den man met den onreinen geest in de synagoge te Kapernaum wordt gesproken; in Matth. 12 : 22, waar een, die blind en stom was, wordt beschreven; verder in Matth. 9 : 32 en Lukas 11 : 14, waar een stomme wordt genoemd en in Matth. 17 : 14- enz., Mark. 9 : 17 enz., Lukas 9 : 38 enz , waar een maanzieke wordt geschetst; ten slotte in Matth. 15 : 21 en Mark. 7 : 24, waar over het dochtertje der Kananesche vrouw wordt géhandeld.
Het aantal eenigszins uitvoerig beschreven gevallen is dus betrekkelijk gering ; maar, meent Hafner, al begeerden we ook nauwkeuriger ziektegeschiedenissen, de beschrijving is duidelijk genoeg om te besluiten: De bezetenheid ten tijde van den Heere Jezus Christus kan niet anders geweest zijn dan de krankzinnigheid van den tegenwoordigen tijd. Het gaat niet aan, meent hij, te zeggen: Toentertijd is tegenover de incarnatie van het goede principe; dat is de vlcesch-wording des woords ; eene incarnatie van het booze principe opgetreden ia de bezetenheid zooais dit voor dien of na dien nimmer voorkwam.
\'205
In dat geval zouden de tijdgenooten des Heeren en zijne discipelen verschrikt of althans verwonderd zijn geweest over de bezetenheid en zij waren slechts verwonderd over de gemakkelijkheid, waarmee de genezing der bezetenen plaate greep Indien de bezetenheid iecs anders ware geweest dan de krankzinnigheid, zou men zich moeten verwonderen, dat geen krankzinnigen tot den Heere werden gebracht om door Hem genezen te worden; want toentertijd zullen er evengoed als nu krankzinnigen zijn geweest.
De Gadarener is een lijder aan razernij; de maanzieke knaap een lijder aan vallende ziekte, door zijne krankte doof en stom van stompzinnigheid geworden; de man, die als blind en stom vermeld staat, is een lijder aan diepe zwaarmoedigheid in volslagen lijdelijkheid verzonken; het dochtertje der Kananesche vrouw, deerlijk van den duivel bezeten, is een sexueel zeer opgewekt jong meisje; bij den bezetene in de synagoge te Kapernaum, die den Heere erkent voor anderen, zien we een blijk van de aan sommige krankzinnigen eigene scherpzinnigheid. Neen, bezetenheid en krankzinnigheid zijn identiek. Het gaat niet aan te beweren, zooals dikwijls geschiedt: bezetenheid bestaat in die gevallen, waar de patiënt zelf zegt, dat hij van den duivel bezeten\' is, bij de z.g. demonomanie en in andere gevallen hebben we met eene door natuurlijke oorzaken verwekte ziekte te doen. Neen, het verschil in de meeningen en de uitingen van de lijders is niet wezenlijk genoeg om met grond een zoo diepgaand onderscheid aan ie nemen. Evenmin mag het meer of minder afschrikwekkende der verschijnselen een maatstaf zijn om een onderscheid tusschen natuurlijke en demonische krankzinnigheid te maken. Ook mag men niet zeggen: waar palpabele afwijkingen in \'tzenuwstelsel worden gevonden ia de ziekte uit natuurlijke, waar die ontbreken uit demonische invloeden te verklaren.
Waar stoornis is in \'t psychisch leven, zal wel steeds in\'t substraat der psyche iets abnorms zijn en \'t meer of minder diepgaande der verandering in het materieel substraat kan e/enmin zulk een wezenlijk verschil veroorzaken.
In het tweede deel van zijn geschrift verwerpt Hafner met beslistheid de voorstelling alsof de Heere en zijne discipelen voor bezetenheid door demonen hadden aangezien, wat inderdaad hersen- en zenuwziekten waren en alsof de denkbeelden over het demonisme uit de heidenwereld bij hen waren binnengeslopen of dat zij waren bevangen in Joodsche bijgeloovigheden.
Evenzeer wijst hij de meening terug, alsof het getuigenis des Heeren in zaken van anthropologischen of medischen aard niet beslissend zou zijn. Ook betoogt hij, dat men den Heere het grootste onrecht aandoet, wanneer men durft staande houden, dat hij om paedagogische of psychiatrische redenen zich aan de volksmeening had geaccommodeerd, hoewel Hij inderdaad te verlicht was om zelf aan
206
\'t demonisme te gelooveu. Daartegenover stelt hij, dat de Heere in \'t bijzijn zijner discipelen duidelijk heeft uitgesproken, dat de bezetenen ten prooi van eene booze geestelijke macht waren geworden. Hij zegt o. a. met betrekking tot den maanzieken knaap: Dit geslacht vaart niet uit, dan door bidden en vasten. Tegenover de bezetenen zelf heeft de Heere \'t betuigd, dat hun toestand door een booze geestelijke macht in \'t leven was geroepen, zooals tegenover den man in de synagoge te Kapernaum. Wel maakt de Heere onderscheid tusschen gewone zieken en bezetenen, maar beider toestand vat hij saam onder \'t begrip lijden ; bezetenheid, krankzinnigheid is ook voor den Heere eene ziekte. Dat de Heere de bezetenen als buitengewoon zondige mensclien beschouwde of de bezetenheid als straf voor eene bijzondere zonde, blijkt uit de Schrift niet. Tot bezetenen werden geene woorden gericht als tot den kranke van Bethesda: Zondig voortaan niet meer.
Omtrent het wezen der demonen heeft de Heere ons geene bijzonderheden meegedeeld. De meening dat zij de zielen van gestorven goddelooze menschen zijn, of dat zij gevallen engelen zijn, is uit de Schrift niet te bewijzen. De Heere noemt de demonen onreine geesten, omdat zij in verband staan met het rijk der duisternis. Er zijn ook onreine plaatsen en onreine dieren; boos, onrein behoeft in dit verband niet als zedelijk boos of onrein te worden opgevat. De begrippen demon en satan worden in de evangeliën scherp van elkaar onderscheiden. Satan is do overste van het rijk der duisternis, de demonen worden zijn huisraad, zijn wapentuig genoemd en de vertaling van beide woorden door \'t zelfde woord duivel heeft verwarring gesticht. Eigenlijk staat ook in de grondtaal niet het woord demon maar demonion (eene enkele plaats uitgezonderd) wat beteekent iets demonisch dus feitelijk iets onpersoonlijks. Demonisch mag dus niet worden gelijkgesteld met satanisch en de demonen behoeven niet te worden beschouwd als persoonlijke wezens, zooals God, de mensch, de engel, satan. Daartegen strijdt volstrekt niet dat de demon uit den bezetene sprak; de demon bediende zich daarbij van de organen van den mensch; uit den Gadarener spraken ook niet legio stemmen, maar één stem en wel de zijne. Evenmin is hiermee in tegenspraak, dat de Heere de demonen bestraft bij ztjne uitdrijving, daar toch evenzeer de koorts en de storm, die toch geen personen zijn, bestraft worden. Het verschijnsel, dat de bezetenen den Heere erkenden voor anderen, geeft ook geen grond tot inwoning van een zelfbewusten geest te besluiten, maar moet worden opgevat als eene verscherping der zinnen van den bezetene. Buitendien, de ellende brengt het menschelijk hart tot de erkentenis des Heeren, en ook melaaischen en blinden hebben den Heere als den Zone Davids en Messias begroet.
Over de wijze, waarop de demonen op de menschen inwerkten, is noeh door dea Heere noch door de evangelisten iets naders geleerd.
BIJVOEGSEL VAN HETHESDA. 207
De bijbelvertalers hebben ter aanduiding van de wijze dier inwerking het woord „bezetenquot; gebruikt, maar hiervoor is geen grond. In den oorspronkelijken tekst staat demonizomenos; ook worden de uitdrukkingen gebezigd-: gebonden zijn door een boozen geest, gekweld zijn door een boozen geest, een boozen geest hebben, maar nergens komt eene uitdrukking voor, die duidt op eene plaatselijke inwoning van de eene persoonlijkheid in eene andere. De uitdrukking „bezetenheidquot; heeft haar oorsprong uit het Joodsche bijgeloof, maar niet uit het Nieuwe Testament; volgens de Evangeliën moet men zich de wijze der inwerking meer dynamisch dun lokaal voorstellen. Hiermee strijdt niet dat van den Heere vermeld staat, dat Hij de duivelen uitdreef en dat dezen uitvoeren, want ook van de koorts staat geschreven, dat die den patiënt had verlaten, terwijl aan den anderen kant van de bezetenen vermeld staat, dat ze genezen waren. Op grond van deze beschouwingen meent pastor Hafner eene schriftuurlijke leer der demonen als volgt te mogen ontwerpen.
Er bestaat een rijk der duisternis, \'t rijk van satan, dat op drieërlei wijze zijne werking ontvouwt. Daarin zijn booze machten, die een lichamelijk bestaan hebben, b.v. de vergiften, die stoornia verwekken in het leven van het lichaam t. w. de ziekten van het lichaam; booze machten, die een geestelijk, hoewel onpersoonlijk bestaan hebben, de demonen, die stoornis verwekken in het leven der ziel, in de spheer van \'t gevoelen, \'t vormen van voorstellingen en \'t denken, t. w. de bezetenheid of krankzinnigheid; booze machten, die een persoonlijk bestaan hebben. Satan en zijne trawanten, die stoornis verwekken in \'t leven van den geest of den persoon des menschen t. w. de zonde. De demonen bewerken dus de krankzinnigheid, daarom demonismus genoemd. Het zijn geestelijk georganiseerde wezens in het rijk der duisternis, verheven boven het slechts lichamelijk bestaan, maar niet, zooals satan en zijne engelen tot een persoonlijk bestaan gekomen. Hun leven moet in \'t rijk der duisternis op denzelfden trap staan als \'t dierlijk leven in onze wereld, dat wel boven \'t bloot lichamelijk bestaan verheven is, ook naar de ziel bestaat, maar den trap van het persoonlijke nog niet heeft bereikt Toch mag men aannemen, dat de demonen als afzonderlijke individuën bestaan. Het ontstaan van krankzinnigheid kan men zich nu voorstellen, dat op verschillende wijzen tot stand kan komen. De lichamelijke welstand kan door beleedigingen van allerlei aard worden gestoord, Bij \'t nauw verband tusschen lichaam en ziel wordt \'t ziele-leven verzwakt. Daardoor wordt een toegang geopend voor de booze geestelijke machten, die nu hun werking gaan ontvouwen. Zoo komt \'t dat verandering in de hersenen, depressie of irritatie van \'t zenuwleven, krankzinnigheid kan veroorzaken en dat versterking van \'t lichaam de ziel kan sterken, waardoor de booze geestelijke invloeden weer kunnen worden afgeweerd. Of ook de mensch wordt krank
208 BIJVOEGSEL VAN BETHESDA.
naar zijn inwendig, zijn gemoedsbestaan, verliest \'t vertrouwen op God; zware zonden, langen tijd bedreven, verwoesten \'t zieleleven; gewetenswroeging is daarvan \'t gevolg. In dit zoo ontredderd zieleleven, kunnen gemakkelijk de booze machten binnendringen. Ook de liclmmelijke welstand lijdt daarbij. Eene opbouwing van den inwendigen mensh zal dan een heilzamen invloed op de krankheid kunnen uitoefenen. Ook is \'t mogelijk dat \'t zieleleven van de geboorte af door erfelijkheid of door later ingewerkt hebbende schadelijkheden, b.v. door aangrijpende gebeurtenissen, door overspanning, verloren heeft in weerstandsvermogen. Het zal nu even vatbaar zijn voor de inwerking van booze geestelijke machten als een verzwakte lichamelijke gezondheidstoestand meer blootstelt voor den invloed van booze lichamelijke machten. Alzoo kan kalmeering van \'t zieleleven een gunstigen invloed op de krankheid uitoefenen.
In het derde deel van zijn geschrift behandelt Hafner de vraag, welk standpunt met betrekking tot het lijden en dec weg ter genezing der bezetenen moet worden ingenomen. Men behoort de krankzinnigheid volstrekt niet te beschouwen als iets bijzonder afgrijselijks, maar niet anders dan als eene longontsteking of eene typhuskoorts. Is het ijlen in de koorts, de slaapdronkenheid met hare verwarde en onzinnige voorstellingen, die ieder mensch bij ervaring kent, in wezen dan iets anders dan krankzinnigheid? Er gaat geen dag vcorbij, waarin we niet een oogenblik aan stoornis in ons zieleleven zijn blootgesteld en er is niemand, die geene abnormiteiten in zijn zieleleven heeft. Het is zeer verkeerd in de krankzinnigheid een speciaal w ik van den satan te zien. De bezetenheid heeft niets satanisch, niets akeligs. De Gadarener had met den satan niet meer te maken, dan ieder ander mensch die lichamelijk ziek geworden is. Het is echter nog veel verkeerder, wanneer men de oorzaak der krankzinnig heid in personeele schuld zoekt. Soms kan een bepaalde zonde hoofd factor in het ontstaan der ziekte zijn, maar met zekerheid is dit nooit te zeggen. Ook mag de lijder niet uitsluitend beoordeeld worden naar zijn spreken en handelen, omdat hij door zijn veranderd zieleleven geheel andere indrukken van de buitenwereld ontvangt dan de gezonde mensch. Maar al zijn de indrukken die hij ontvangt ook vervalscht, zijn willen en handelen is in overeenstemming met zijne ware persoonlijkheid, zijn ik is niet ziek of gebonden; ook in krankzinnigheid handelt de mensch uit den goeden of boozen schat zijns harten. De prikkel tot zondigen kan weliswaar door de valsche voorstellingen veel sterker werken dan bij den gezondzinnige, maar even goed zwakker. Ook kan den kranke zijne handeling geheel juist toeschijnen, terwijl die den gezonde verkeerd voorkomt. Wie kan dan de zedelijke waardij van de handeling bij een krankzinnige beoordeelen, waar de wereld, waarin de kranke leeft, voor ons is gesloten? Daarbij is de zedelijke verantwoordelijkheid niet opgeheven.
200
maar God alleen kan hier oordeelen; de mensch oordeele hier niet, en daarom is ten opzichte van den krankzinnige straf misplaatst. Het eenig gevoelen dat ons tegenover de lijdenden past is onbegrensd medelijden.
Hoe staan we tegenover de genezing der krankzinnigen of bezetenen ? De Heere Jezus Christus heeft ze genezen, allen die tot hem kwamen, alleen door zijn machtwoord: ga uit, gij onreine geest. Hoe het proces der genezing bij de bezetenen tot stand komt is niet na te gaan. De Heere is de verlosser, de hersteller van wat door de zonde verdorven is. Van Hem gaan krachten der gezondmaking uit, waardoor de booze machten in het zieleieven onschadelijk gemaakt worden. Ook de jongeren hebben bezetenen genezen; evenzeer de Farizeeën en hunne leerlingen, en ook in den apostolischen tijd waren er Joodsche duivelbezweerders, die niet in Jezus geloofden. In de eerste drie eeuwen na Christus gold de meening, dat ieder geloovig Christen macht over de demonen bezat. Sedert het midden der derde eeuw bestaat in de Kerk het ambt van exorcist; bepaalde voorschriften waren voor \'t exorcisme gegeven, die in de Roomsche Kerk nog worden gehandhaafd.
Thans is de gave om demonischen te genezen, zooals die in de eerste tijden van \'t bestaan der Kerk bestond, niet meer aanwezig. Na drie eeuwen was de zaak zoo ontaard, dat ze moest verdwijnen, zij was tot een vertooning en schouwspel misbruikt. Wel zijn er personen, die door hun natuurlijken aanleg en door oefening en ervaring een grooten invloed kunnen uitoefenen op krankzinnigen tot verzachting, wellicht ook tot genezing van hun lijden; die zullen er altijd zijn. Maar dat is niet de oude wondermacht der genezing van bezetenen. We kunnen er over klagen dat we armer zijn geworden. Te weinig bijna komt \'t ons voor, dat de Kerk en hare dienaren slechts de zielzorg der kranken ter hand kunnen nemen, dien stillen, verborgen moeitevollen arbeid, het geestelijk leven op te zoeken en aan te kweeken. Maar zouden we inderdaad de gave der oude wondermacht terug verlangen? Zouden de lijdenden en de wonderdoeners daardoor in waarheid zijn gebaat? Neen, Godlof, wij behoeven die gave niet meer, want wonderen van liefde zijn meerder dan wonderen van macht. En wonderen van liefde zijn \'t, wanneer de Kerk zich over de krankzinnigen ontfermt, ze als zieken verpleegt en op de handen draagt. Sedert de wereld door lijden is verlost, heeft \'t lyden de roeping den mensch voor te bereiden voor de eeuwigheid. Nadat de Heere den satan heeft overwonnen, moet ook de wereld der demonen hem dienen en ook de bezetenheid moet tot onze zaligheid dienstbaar zijn. Het geloofsleven kan wassen ook terwijl de lijder de meest afschuwelijke verschijnselen blijft vertoonen. Dit geloofsleven in den krankzinnige onder al de verwarring in zijne ziel op te sporen en te verzorgen, is inderdaad een heerlijk werk voor den
210
geestelijken verzorger en heeft groeten loon.
Een geschrift als \'t besprokene, nog wel opgedragen aan de ver-eeniging van Duitsche krankzinnigen-artsen, kon niet onbesproken blijven en weldra verscheen dan ook van Dr. Laehr, een lid dier vereeniging een werkje, denzelfden titel dragend als pastor Hafner\'s brochure. Dr. Laehr volgt Past. Hafner op den voet en deelt zijn geschrift op dezelfde wijze in. In het le \'t historisch gedeelte begint hij aanstonds toe te geven dat de evangelisten onder den naam van demonischen ook krankzinnigen schetsen, die door Christus werden genezen. Wel acht hij dit niet voor alle gevallen bewezen, maar ook naar zijn gevoelen was de man van Gadara en de man in de synagoge te Kapernaum krankzinnig Toch gaat het niet aan, meent hij, om naar wat ons van den Gadarener wordt bericht, te besluiten, dat alle demonischen analoge verschijnselen als deze hebben vertoond. Dr. Laehr gaat in zijne beschouwingen hiervan uit, dat van de bezetenen vermeld staat, dat ze genezen werden, waaruit blijkt dat hun toestand als een ziekte werd beschouwd. Weliswaar wordt eenig onderscheid gemaakt tusschen gewone ziekten en de bezetenheid, en ook de 72 discipelen verheugen er zich bijzonder over, dat hun zelfs de demonen onderworpen waren. Als iets buitengewoons werd dus de bezetenheid zeker beschouwd.
Bij al die gevallen nu, waar een ziekte werd waargenomen, die op \'t eerste gezicht iets bijzonders, vreemds, onverklaarbaars, huiveringwekkends had, die daarom aan eene inwerking van bovennatuurlijke krachten werd toegeschreven, nam men het bestaan van bezetenheid aan, meent Dr. Laehr. Hiertoe zullen krankzinnigheidsvormen zijn gerekend en ook de vallende ziekte. Waarom de personen, die als stom en stom en blind zijn vermeld en \'t dochtertje der Kana-nesche vrouw demonisch worden genoemd, is niet uit de Schrift op te maken en Hafner\'s verklaring daarover is eer een inleggen, dan een uitleggen. De vraag hoe de Heere Jezus Christus zelf over de demonischen dacht, meent Laehr, is hiermee opgelost, dat Hij geen onderscheid maakt tusschen demonischen en andere zieken. Wel degelijk is Hij de beschouwingen van de lijders en \'t volk tegemoet gekomen in zijn bevel: „gij onreine geest, ga uit van den mensch.quot; Diezelfde accommodatie ziet Laehr in \'t maken van slijk en \'t leggen daarvan op de oogen en in \'t laten aanraken van den zoom des kleeds. Do Heere Christus had gewichtiger dingen te doen, dan de volksmeening te corrigeeren. Indien de Heere geen nieuw woord maken wilde ter benaming der ziekte, en zich op eene verstaanbare wijze wilde uitdrukken, kon Hij niet anders doen dan dezen term gebruiken. Uit zijne beschouwingen trekt Laehr de conclusie, dat bezetenheid en krankzinnigheid niet identiek zijn en dat de Heere Jezus geen uitspraak doet over \'t wezen van bezetenheid en krankzinnigheid. In het 2e deel zijner brochure houdt Dr. Laehr pastor ILiner voor,
61JV0ËGSËL VAN BETTTESBA. 211
dat de moderne bacteriëatheorie hem parten heeft gespeeld en spottend vraagt hij; is i it dan niet \'t bacterium demonie tun Hafneri, dat georganiseerde wezen, zoo ongeveer op den trap van het dierenrijk staande, onpersoonlijk, maar toch in afzonderlijke exemplaren bestaande, dat, van eene bijzondere geaardheid, eene bijzondere ziekte verwekt, maar niet bij ieder mensch, doch slechts bij hen die verzwakt zijn, wier weerstandsvermogen is verminderd? Daarop bestrijdt hij Hafner\'s beschouwing over \'t woord demonion, ontkent dat dit woord als adjectief en niet als substantief zou bedoeld zijn en wijst op \'t veelvuldig voorkomen van neutrale substantiva in de Evangeliën, in analogie met \'t woord demonion. Er is dus geen grond om de demonen, zooals ze in de Evangeliën worden beschreven, te beschouwen als onpersoonlijk. Integendeel alles wijst er op, dat ze als persoonlijkheden werden gedacht. Hoe zou men anders gekomen zijn aan uitdrukkingen als: de demon vaart uit, hij grijpt hem, hij scheurt hem enz.; ook sprak de demon uit den lijder. De volksmee-ning, zooals die door de evangelisten wordt weergegeven, was geene andere, dan dat de demonen persoonlijke wezens waren, evenzeer als satan zelf en de engelen. Op één verhaal in de Evangeliën moet nog worden teruggekomen en wel op de genezing van den Gadarener. Indien hier eenvoudig de genezing van een krankzinnige plaats heeft, hoe moet dan \'t invaren der demonen in de zwijnen worden verklaard ? Wel, meent Laehr, dit is bij Mattheus de eenige uitvoerig beschrevene genezing van bezetenheid, die plaats had voor zijne roeping tot apostel, die hij dus- zelf niet bijgewoond heeft, en van hooren zeggen heeft. Er kan dus lichtelijk wat ingeslopen zijn in \'t verhaal en Mattheus heelt dit geboekt, zooals hij \'t gehoord had, gelijk dit ook bij den meest consciëntieusen geschiedschrijver kan gebeuren, bij dingen, die hij niet uit de eerste hand heeft. Hoe wordt nu de uitspraak van Christus verklaard; dit geslacht vaart niet uit, dan door bidden en vasten? Eenvoudig hiermee, dat Christus bedoelde, dat tot \'t doen van wonderen niet alleen geloof, maar ook gebed noodig is, terwijl Hij uit accommodatie aan de Joodsche gew oonten daarbij ook\'t vasten voegt. In zijn derde gedeelte wijsr, Laehr op de gelukkige inconsequentie, waarmee pastor Hafner conclusies trekt in zijn praktisch gedeelte, die men niet zou verwachten na kennisneming van zijn historisch en theoretisch gedeelte, en uit hij de vrees, dat anderen, logischer dan pastor Hafner, tot gevolgtrekkingen zullen komen, die niet anders dan verderfelijk voor de krankzinnigen kunnen zijn. Wanneer men aanneemt dat in krankzinnigheid de persoon des men-schen, zijn ik niet ziek of gebonden is, dan volgt daaruit logisch dat de krankzinnige ook moet gestraft worden voor datgene wat hij verkeerd deed, zonder het te moeten doen, en dat men hoogstens bij sterken prikkel tot zondigen verzachtende omstandigheden kan aannemen. Indien bezetenheid, dat is krankzinnigheid, door Christus
21\'2 BIJVOEGSEL VAN BETTTESDA.
en zijne jongeren, door anderen, die niet in den Heiland geloofden zelfs en door de Christenen der eerste drie eeuwen door exorcismo is genezen, waarom geschiedt dit dan thans niet meer? Pastor Hafner moge zelf beweren: die wondermacht is thans niet meer aanwezig, maar waarom kan niet straks een leerling opstaan, logischer dan de meester, die meent wel degelijk de gave van genezing der demonischen te bezitten? De Roomsche Kerk heeft immers tot nn toe haar ritus voor \'t exorcisme, volgens welke in de zuidelijke landen uog voortdurend gewerkt wordt. Ook in Duitschhmd zijn in de laatste jaren zojwel van Roomsche als van Protestantsche zijde pogingen tot exorcisme aangewend, van welke eene uiterst droevig in hare gevolgen was. De theorie van pastor Hafner kan niet anders dan dergelijke praktijken in de hand werken. Weliswaar zegt Hafner ; „Gode zij dank, dat wij de gaven missen, want wonderen van liefde zijn meer dan wonderen van machtquot;, maar zullen de betrekkingen der lijdenden, de lijdenden zelf, die kennis kregen van deze theorie, instemmen met dit woord?
Na u hiermede bekend te hebben gemaakt met de in menig opzicht tegen elkaar strijdige gevoelens van pastor Hafner en Dr. Laehr, willen wij trachten u onze beschouwingen over bezetenheid en krankzinnigheid te ontwikkelen. Voor ons, die uitgaan van het on voor-waarlijk gezag van het Woord Gods, naar de verklaring der Gereformeerde Belijdenisschriften, staat het vast, dat de dood Is door de zonde en dat alle krankheid, in haar ongestoorden voortgang leidende tot den dood, evenzeer een uitvloeisel der zonde moet zijn; staat evenzeer vast dat onze zonde zijn oorsprong vindt In het vallen In zonde van satan. Is satan, hebbende het geweld des doode, alzoo de laatste oorzaak van dood en lijden, dan ligt het voor de hand, dat tusschen het lijden en den satan verband moet bestaan. Van het oogenblik af aan, dat de mensch door het hooren naar de verlokkingen des satans den Innerlljken vrede der ziel verloor en de eerste ziekmakende invloed van den kant van zijn psychisch bestaan onderging in den vorm van vrees, moet deze menschenmoorder van den beginne zijne verdervende werking ook als eene ziekmakende hebben ontvouwd. Dat de gemoedstoestand van het eerste menschen-paar na den val een staat van vreeze was staat uitdrukkelijk vermeld. Op de vraag des Heeren: Adam waar zljt gij ? antwoordde deze: Ik hoorde Uwe stem In den hof en ik vreesde. Van de verschillende emoties, die het menschelljk gemoed kan ondergaan nu, is \'t juist de vrees, die In \'t bijzonder verschijnselen van zlekelljken aard kan verwekken en tot onderscheidene krankheid van lichaam en geest en den dood kan lelden. Machtig, overweldigend moet inderdaad die vreeze, die \'t In zonde gevallen menschenpaar aangreep, waar \'t in aanraking kwam met den heiligen toorn Gods, wiens gebod was overtreden, op ziel en lichaam hebben gewerkt. Door Uwen
213
toorn vergaan wy, zegt immers ook de psalmist. Niet te veel is het ondersteld, dat die staat van vreeze, waarin satans toedoen den mensch plotseling van uit zijn volkomen gelukstaat wierp, aanstonds een geweldige verstoring in het menschelijk organisme heeft teweeggebracht.
In hare volgende bladzijden spreekt ons de Schrift van een rechtstreeks ziekmakenden invloed, van den satan en zijne engelen uitgaande, op sommige plaateen uitdrukkelijk. De Schrift leert ons volstrekt niet, dat elke ziekte op zichzelf aan den invloeit van den duivel of booze geesten moet worden toegeschreven; die leer is heidensch, maar wel dat gezondheid en krankheid ons van Gods vaderlijke hand toekomen. Duidelijk worden ziekten, die ontstaan naar dsn eenmaal natuurlijk geworden loop der dingen, onderscheiden van die, bij welke booze geestelijke machten in \'t spel zijn. Een voorbeeld van eene lichamelijke klankheid, waarachter satan schuilt, levert ons het lijden van Job. Een ander voorbeeld is de vrouw in Lukas 10 beschreven als eene die een geest der krankheid achttien jaren lang gehad had en samengebogen was en zich ganschelijk niet kon oprichten en van wie Jezus zelf verklaarde, dat de satan haar achttien jaar gebonden had. Panlus meldt, hoe hem -een scherpe doorn in \'t vleesch was gegeven, n.1. een engel des satans, die hem met vuisten zou slaan. Een voorbeeld van een lijden van psychischen aard, waarvan evenzeer de oorzaak in de werking van een boozen geest moet worden gezocht, levert ons het lijden van Israels eersten koning, waar we wat uitvoeriger bij stil wenschen te staan. Saul, de zoon van Kis, door God uit \'t volk verhoogd, door Samuel den profeet tot een koning over het uitverkoren volk gezalfd, maar om zijne ongehoorzaamheid aan des Heeron gebod verworpen, dat hij geen koning meer over Israël zoude zijn, komt, nadat de geest des Heeren van hem geweken is, onder den invloed van een boozen geest van den Heere. De uitdrukking booze geest Gods, die op deze plaats voorkomt, wordt op weinig andere plaatsen in de Schrift gevonden. Calvijn zegt hiervan in zijne Institutie: „En wat belanght den strijd en twist, die wy seggen dat de Duyvel voert teghen Godt, dat moeten wy alsoo verstaen, dat wy ondertusschen vasthouden, dat hy sonder Godes wil en toestemminghe niet met allen en kan verrichten. Want wy lesen in \'t boeck Jobs, dat hy sich stelt voor Godt, om gheboden t\' ontfangen en dat hy niet en durft voorttreden om eenigh feyt te volbrengen, voor en aleer hy daertoe macht heeft verkreghen..... Hierom is \'t oock, dat die gheest die Saul tormenteerde, genoemt wort eenen boosen Gheest des Heeren, om dat door dien als door een gheesel de sonden des Godtloosen koninghs ghestraft wierden.quot;
Delitzsch geeft van de uitdrukking „booze geest Godsquot; eene andere verklaring. Hij meent, dat hiermee is bedoeld een geesteswerkzaam-
2-14
heid van God, die de duistere en brandende macht van den godde-lijken toorn, dien Saul door zijne zonde heeft opgewekt, in Saul openbaart. Hij houdt \'t er dus voor, dat hier niet van eene demonische werking sprake is. Ook Dr. De Visser in zijne „de demono-logie van het Oude Testamentquot; wil hier niet aan een demon gedacht zien, maar meent, dat een van God uitgaande geesteswerkzaamheid met de uitdrukking „booze geest Godsquot; is bedoeld. Kinderen van Calvijn, achten wij ons \'t veiligst in zijn gezelschap. De invloed van dien boozen geest wordt ons beschreven als een verschrikken, als een zijn op hem, een zijn over hem, een vaardig worden om hem.
De kantteekening zegt er van: „dit was een dolheid of beroering van zinnen, welke de satan in Saul verwekte door Gods toelating en regeering, waarmede hij Saul rechtvaardiglijk strafte.quot; De kantteekening spreekt dus niet van een bezeten zijn door den boozen geest; immers de geest was ook niet in Saul, voer niet nu en dan uit hem om weer in hem in te keeren, maar zegt duidelijk dat door diens werking een ziektetoestand ontstond. Ter verklaring der wijze, waarop die geest zijne werking deed gevoelen, leert ons hec meest de ultdiukking „verschrikken.quot; Dit verschrikken had zeker niet plaats daardoor, dat de geest buiten Saul de omgeving werkelijk alzoo veranderde, dat die een schrikaanjagenden invloed op Saul\'s bewustzijn uitoefende, maar nnar we ons voorstellen aldus, dat de booze geest direct zijne verschrikkende werking op den geest van Saul deed uitgaan. De booze geest, rechtstreeks op geestelijke wijze werkend op Sauls geest, zal hem bepaald hebben bij zijn veronachtzamen van Gods gebod en de daarover uitgesproken straf, zal allerlei sombere voorstellingen van toekomstige vernedering, verwerping, belaging hebben voorgespiegeld en alzoo den koning hebben verschrikt. Saul, door den overweldigenden last zijner gedachten gefolterd, ver toonde toen duidelijk de verschijnselen van droefheid, angst en benauwdheid. Hij kon zijn gemoedstoestand niet verbergen, hij moest dien uiten, zoodat zijne hovelingen hem met bezorgdheid aanzagen en naar een gepast geneesmiddel voor hun beangstigden vorst zochten. Deernis spreekt uit hun woord: „Onze heer zegge toch tot uwe knechten, die voor uw aangezicht staan, dat zij eenen man zoeken, die op de harp spelen kan, en het zal geschieden als de booze geest Gods op u is, dat hij met zijne hand spele, dat het beter\'met u worde.quot; Zou in deze woorden geen aanwijzing zijn, dat Saul\'s knechten, bij \'t open oog dat zij hadden voor de oorzaak der zielsaandoening, hun koning als een lijdende en zieke hebben beschouwd? Ligt diezelfde gedachte niet in wat ons verhaalt wordt als het gevolg van Davids snarenspel: „dat was voor Saul eene verademing en het werd beter met hem en de booze geest week van hem.quot; Week van hem wel maar voor een tijd slechts. Immers \'t vervolg der geschiedenis leert ons hoe op zekeren dag de booze geest vaardig werd
BIJVOEGSEL VAN BETHESDA. 215
over Saul, zoodat hij midden in het huis profeteerde, dat is, naar de kantteekening, in verrukking van zinnen viel en vreemde gebaren maakte en in dien toestand een moordaanslag op \'t leven van zijn harpspeler pleegde. Een andermaal zit de achterdochtig geworden koning weer met de spies in de hand in zijn huis en tracht andermaal David te dooden. De mislukking van dezen aanslag brengt hem er toe boden te zenden, die het huis van David bewaren zuilen om hem te dooden; hij noemt hem thans zijn vijand tegenover zijne dochter. Hoe vreemd moet \'t ons later klinken, wanneer Saul de plaats van David aan zijn disch ledig ziende, verwonderd vraagt aan Jonathan: „ waarom ia de zoon van Isaï noch gisteren noch heden tot de spijze gekomen?quot; Dat Saul hier geen verwondering veinst, blijkt uit wat voorafgaat, waar wordt medegedeeld dut Saul bij zichzelf, niet openlijk ten aanhoore van anderen dus, zegt: „hem is wat voorgevallen, dat hii niet rein isquot;, om zich Davids wegblijven te verkla-verklaren. Saul wist toch dat \'t David niet was ontgaan, hoe hii hem nu driemaal naar \'t leven had gestaan. Zou het gedrag van Saul niet hierdoor zijn te verklaren, dat hij, zich bewust van de vlagen van woede, waaraan hij onderhevig was, vertrouwde dat David hem niet toerekenbaar achtte voor zijne aanslagen in een toestand, waarin hij zichzelf niet was, bedreven? Dat Saul zich zijne vlagen niet herinnerde is al zeer onwaarschijnlijk; \'t vervolg van zijne, historie leert duidelijk, dat zijne geesteskrankte niet zooverre was voortgeschreden. Hoezeer de toornige ontstemdheid van \'t gemoed bij den lijder toeneemt, blijkt ons verder daaruit, dat hij de spies zelfs opheft tegen zijn eigen zoon. Eigenaardig,, dat Saul ons steeds geteekend wordt met de spies als in de hand. Zit hij te luisteren naar \'t harpspel of is hij aangezeten aan den disch, zijn wapen dat hij daarbij toch zeker niet behoefde, is binnen zijn bereik; wel een bewijs voor de ziekelijke achterdocht, die overal vijanden ziet en immer bedacht is op verweer, Wel is David in zijne schatting zijn hoofdvijand, maar zelf spreekt hij \'t later uit: „Allen hebt gij u tegen mij verbonden, niemand openbaart voor mijn oor, dat mijn zoon een verbond gemaakt heeft met den zoon van Isaï; en niemand is onder ulieden, die het wee doet van mijnentwege en die het voor mijn oor openbaart; want mijn zoon heeft mijn knecht tegen mij opgewekt tot een lagenlegger, gelijk het te dezen dage is.quot; Hier treedt Saul ten duidelijkste als de vervolgde vervolger op; hij waant dat David hem lagen legt en legt David zelf lagen. Zoover gaat zelfs zijn wantrouwen, dat hij de eerlijke en ronde verklaring van den priester Abimelech niet gelooft, hem met de gansche priester-schare in \'t gewaande complot tegen hem betrekt en niet schroomt \'t bevel tot vermoording van de priesters des Heeren te geven; zelfs doof voor de weigering zijner knechten hunne handen aan de gezalfden Gods te slaan, den Edomiet Doeg gelast hen te dooden; ja,
216 BIJVOEGSEL VAN BETHESDA.
daarmede nog niet tevreden, de stad der priesters, Nob, slaat met de scherpte des zwaards, van den man tot de vrouw, van de kinderen tot de zogelingen, zelfs de ossen en ezels en de schapen.
De vervolging van David wordt voortgezet. Tweemaal is de vervolger in de hand des vervolgden, die, een held des geloofs, zijn hand niet slaat aan den koning. Het is alsof de vorst door de sterke bewijzen van Davids goede gezindheid jegens hem een oogen-blik overtuigd wordt van het verkeerde zijner denkbeelden; eens zelfs heft hij zijne stem op en weent en bekent hij duidelijk ziine schuld. Of deze overtuiging blijvend is geweest, blijkt uit \'t verder verhaal niet; Saul\'s leven spoedt ten einde. Door de Pilistiinen benauwd, wordt hij bevreesd, zijn hart beeft zeer, in waarzeggerij zoekt hij heil. Samuel\'s woord breekt de kracht die nog in hem overig is, zoodat hij languit ter aarde valt. In den terstond daarop gevolgden strijd is hij niet meer de dappere held van voorheen; hij vlucht voor het aangezicht zijner vijanden en eindigt in zelfmoord. Al is ons met \'t leven van Saul niet eene in bijzonderheden uitgewerkte ziektegeschiedenis gegeven in de Schrift, toch zijn duidelijke verschijnselen van melancholie met raptusaanvallen en vervolgingsdenkbeelden bij hem beschreven. Saul\'s historie levert ons een beschrijving van een geval van krankzinnigheid, wel onder invloed van eene booze geestelijke macht ontstaan, en waarin die booze macht zich herhaaldelijk weer werkzaam vertoont, maar de Schrift geeft ons geen geuoegzamen grond den beschreven toestand i^et den naam van bezetenheid te bestempelen.
Een tweede geval van krankzinnigheid, waarover de Heilige Schrift ons spreekt, is de waanzin van koning Nebucadnezar. Deze Ooster-sche despoot, hoewel te voren door een droom en de uitlegging daarvan gewaarschuwd, door Daniël vermaand zijne zonden af te breken door gerechtigheid en zijne ongerechtigheden door genade te bewijzen aan de ellendigen, slaat in zijne verblinding den wijzen raad in den wind. Staande op de tinne van zijn paleis en den blik latende weiden over de heerlijke stad aan zijne voeten, roemt de vorst zich met zelfverheffenden trots als de bouwheer van \'t groote Babel, door de sterkte zijner macht en tot eere zijner heerlijkheid gegrond. Dit woord nog zijnde in des konings mond, wordt hem met hoorbare stem uit den hemel zijn oordeel aangezegd, dat aanstonds aan hem wordt voltrokken, zoodat hij uit de menschen verstoeten werd en gras at als de ossen; en zijn lichaam werd van den dauw des hemels natgemaakt, totdat zijn haar wies als dei-arenden vederen en zijne nagelen als der vogelen klaauwen. quot;Waarschijnlijk koesterde de vorst het waandenkbeeld dat hij in een dier was veranderd en gedroeg hij zich geheel overeenkomstig die gedachte. Eigenaardig plotseling als \'t ontstaan was, was ook \'t verdwijnen der ziekte. Zij werd van hem genomen toen de tijd was
217
vervuld. In de beschrijving van dit geval van krankzinnigheid ia niets dat ons grond geeft voor de meening dat Nebucadnezar door een boozen geest was bezeten. De krankzinnigheids vorm vertoont een bekend ziektebeeld en wel zijn de omstandigheden, waaronder de ziekte ontstaat, zeer bijzonder voor den tijd waarin wij leven, maar geheel in overeenstemming met de wijze waarop \'t God beliefde zich in dien tijd te openbaren. Een geval van gesimuleerde krankzinnigheid vinden we beschreven in de geschiedenis van David by koning Achis. David vluchtende voor het aangezicht van Saul, komt bij den vorst der Filistijnen, maar deze wordt er opmerkzaam op gemaakt, dat die vluchteling, die schuilnlaats bij hem zoekt, zijn aartsvijand is. David, \'t ergste vreezende veranderde zijn gelaat voor hunne oogen en hij maakte zichzelven gek onder hunne handen en hij bekrabbelde de deuren der poorten en liet zijn zeever in zijn baard afloopen. De list gelukte; Achis, verwonderd en verontwaardigd, dat men een krankzinnige bij hem brengt, roept uit: „Ziet, gij ziet, dat de man razende is, heb ik aan razenden gebrek, dat gij dezen gebracht hebt om voor mij te lazen?quot; en stuurt David weg. Dit korte verhaal is geenszins van gewicht ontbloot. Immers, daaruit blijkt duidelijk, dat de vorm van krankzinnigheid, dien David simuleerde, door hem eerst moet zijn waargenomen, dat dus die vorm toentertijd onder het Israëlietische volk voorkwam. En al zouden we lt;3e vraag van Achis „heb ik aan razenden gebrek?quot; nu juist niet zoo willen opvatten, alsof de vorst zeggen wilde, er zijn hier onder mijn volk al genoeg krankzinnigen, waarom haalt ge dien krankzinnigen Israëliet er nog bij; toch blijkt uit zijne woorden wel, dat hij den toestand terstond beschouwt als krankzinnigheid, zijne knechten voorhoudt dat zij dit zelf ook zeer wel kunnen zien, zoodat dus die toestand vroeger door hen moest zijn waargenomen. Maar naar \'t ons voorkomt blijkt uit \'t verhaal ook, dat David de krankzinnigheid niet als bezetenheid beschouwde, en dat in zijn tijd de volks-meening niet bestond, dat krankzinnigheid bezetenheid door een boozen geest was. Het is zondig dat David door gebrek aan geloofsvertrouwen eene ziekte veinsde, die hij niet had, maar hoe, wanneer hij zich had aangesteld, als ware hij door een boozen geest bezeten? En gesteld al dat David, door den grooten nood geprangd, tot zoo gruwelijke zonde vervallen ware, zou dan de 34e psalm van David, als hij zijn gelaat veranderd had voor het aangezicht van Achimelech, die hem wegjoeg, dat hij doorging, niet een psalm van boete en berouw in plaats van een loflied zijn geweest? Het strikte bewijs dat de door David gesimuleerde krankzinnigheidsvorm, de stompzinnigheid, en door hem en door de tijdgenooten van zijn volk en zijne omgeving als eene ziekte en niet als bezetenheid werd aangemerkt, moge niet te leveren zijn, hoogst waarschijnlijk is dit toch zeker. Hiermede hebben wij kennis gemaakt met drie vormen van krank-
\'218
zinnigheid, die hetzelfde beeld vertoonen als ziektevormen van den tegenwoordigen tijd, die daarmede identiek mogen worden verklaard. Uit \'t voorafgaande meenen we de gevolgtrekking te mogen maken, dat de Heilige Schrift ons niet leert, dat de krankzinnigheid als een bezeten zijn door een boozen geest moet worden aangemerkt.
Gaan we thans over tot de beschouwing der bezetenheid, zooals ons die in de Evangeliën en \'t boek der Handelingen der Apostelen is beschreven. Zonder twijfel was de eerste bezetene, die door den Heere Jezus Christus werd verlost, de man in de synagoge te Kaper-naüm. Zijne bevrijding heeft plaats terstond bij het optreden in \'t openbaar van den Heiland, zooals uit Markus 1 en Lukas 4 duidelijk blijkt. Een mensch met een onreinen geest noemt Markus hem; een mensch hebbende een geest eens onreinen duivels, Lukas. Beide Evangelisten stemmen volkomen overeen in de beschrijving van \'t feit. „Laat af, wat hebben wij met u te doen, gij Jezus, Nazarener! zijt gij gekomen om ons te verderven. Ik ken u wie gij zijt, namelijk de heilige Godsquot;, roept de demon uit den mond van den bezetene. Dit is \'t eenige, wat ons als spontane uiting van den man wordt vermeld. Daaruit blijkt ten duidelijkste, dat de man, in wien de booze geest was, een kennis omtrent den nieuwen leeraar uitsprak, menschelijk begrip verre te boven gaande. Verschi]nselen, waaruit eene ziekelijke afwijking van lichaam of geest zou kunnen blijken, staan ons niet opgeteekend. Terstond spreekt de Heiland zijn machtwoord: „Zwijg stil en ga uit van hemquot; en de demon, hem scheurende, roepende met een groote stem, of hem in het midden geworpen hebbende, voer uit hem zonder hem iets te beschadigen. Het uitvaren van den demon had dus plaats onder waarneembare verschijnselen, welke wij zeker zullen mogen opvatten als krampachtige samentrekkingen van verschillende spieren, in aansluiting aan de kantteekening, die van de uitdrukking „scheurenquot; zegt: herwaarts en derwaarts trekken. Zeer kort en alleen in Matth. 12 : 22 staat beschreven: „Toen werd tot Hem gebracht een van den duivel bezeten, die blind en stom was; en Hij genas hem, alzoo dat de blinde en stomme beide sprak en zag.quot; Blindheid en stomheid ziin de hier geconstateerde verschijnselen, waarin de bezetenheid zich openbaart. Dat daarmee andere verschijnselen gepaard gingen is mogelijk, maar in ieder geval, vermeld staan ze niet. Hoe hier de toestand was erkend, is evenmin opgeteekend; blindheid noch stomheid worden op zichzelf als bezetenheid beschouwd. Van dezen bezetene staat echter niet opgeteekend, dat hij zichzelf als zoodanig beschouwde, of dat zijne omgeving bogreep dat hij in dien toestand verkeerde en het is mogelijk, dat eerst uit het optreden van Jezus werd verstaan, dat hier inderdaad eene geestelijke macht achter het lichamelijk liiden schuilde. Dit valt echter evenmin te bewijzen. quot;Wat in elk geval uit de beschrijving niet is af te leiden is, dat deze
BIJVOEGSEL VAN BETHESDA. 219
blinde en stomme als\'een krankzinnige dient te worden aangemerkt. Even kort is de beschrijving in Matth. 10 : 32 en Lukas 11 : 14 van den stomme: „Zij brachten tot Hem een mensch, die stom en van den duivel bezeten was. En als de duivel uitgeworpen was, sprak de stomme\'\', zegt Mattheüs, en Lukas nog korter: „En Hij wierp een duivel uit en die was stom. En het geschiedde als de duivel uitgevaren was, dat de stomme sprak.quot; Stomheid is \'t eenig beschreven verschijnsel, geen enkele afwijking, die ons noopt in dezen bezetene een krankzinnige te zien, wordt genoemd. In beide gevallen wordt \'t stilzwijgen bewaard over de verschijnselen, die zich tijdens de uitdrijving voordeden In Matth. 15 : 22 en Markus 7 : 24 wordt de geschiedenis van \'t dochtertje der Kananésche vrouw beschreven. De moeder, des Heilands hulp voor hare dochter inroepende, zegt van haar: „Mijne dochter is deerlijk van den duivel bezeten.quot; Jezus, haar eerst afwijzende, vervult dan hare bede met de woorden: „U geschiede gelijk gij wilt.quot; En hare dochter werd gezond van diezelve ure. Dat do bezetenheid hier niet slechts door de moeder werd vermoed, maar werkelijkheid was, blijkt uit de uitbreiding, die Lukas aan de geschiedenis geeft. Deze Evangelist deelt als historisch mee, dat een vrouw, welker dochtertje een onreinen geest had, des Heilands hulp inriep en dat de Heiland zelf haar liet heengaan met de verzekering: de duivol is uit uwe dochter uitgevaren, en hij voegt er nog aan toe: en als zij in haar huis kwam, vond zij dat, de duivel uitgevaren was en de dochter liggende op het bed. Met geen enkel woord staat ons hier vermeld, waarin de bezetenheid zich openbaarde, en de krankzinnigheid dezer bezetene valt uit niets te bewijzen. Een uitvoeriger beschrijving van een geval van bezetenheid vinden we bij drie Evangelisten, n.1. Matth. 17 : 14, Markus 9 : 17 en Lukas 9 : 38. Mattheüs zegt hiervan, waar hij den vader van den jongeling den toestand laat beschrijven: „hij is maanziek en is in zwaar lyden; want menigmaal valt hij in het vuur en menigmaal in het water.quot; Op \'s Heilands bevel „brengt hem mij hierquot;, komt de jongeling, En Jezus bestrafte hem en de duivel ging van hem uit en het kind werd gezond van die ure af. Markus deelt ons meer bijzonderheden mee. De vader geeft daar de volgende beschrijving van den zoon, die een stomme geest heeft. „En waar hij hem ook aangrijpt, zoo scheurt hij hem en schuimt en knerst met zijne tanden en verdort.quot; Zoodra de jongeling bij Jezus werd gebracht, scheurde hem terstond de geest; en hij, vallende op de aarde, wentelde zich al schuimende. Op de vraag om verdere inlichtingen over dezen toestand, deelt de vader nog mede, dat hem dit overkomen is van zijne kindsheid af en dat hij hem ook menigmaal in het vuur en in het water heeft geworpen om hem te verderven. De uitdrijving heeft plaats, doordat Jezus den onreinen geest bestrafte, zeggende tot hem: „gij stomme en doove geest, ik beveel u ga uit van hem en
220 BIJVOEfiSEL VAN BETHESDA.
kom niet meer in hem.quot; En hij, roepende en hem zeer scheurende, ging uit; en het kind werd als dood. En Jezus, hem bii de hand griipende, richtte hem op, en hij stond op. Lukas is weer eenigszins beknopter in de mededeeling. De vader zegt: „een geest neemt hem en van stonde aan roept hij en hij scheurt hem, dat hij schuimt, en wijkt nauwelijks van hem en verplettert hem.quot; En verder, wanneer de jongeling tot den Heiland komt, scheurde de duivel hem, en verscheurde hem; maar Jezus bestrafte den onreinen geest en maakte het kind gezond. Vatten we saam, wat de drie Evangelisten ons melden, dan blijkt daaruit \'t volgende. De jongeling is sedert zijne kindsheid onderhevig aan \'t periodiek optreden van eene reeks ernstige verschijnselen, door de macht van den boozen geest te voorschijn geroepen. Die verschijnselen zijn: roepen, stomheid, doofheid, schuimen, knersetanden, verscheurd worden, zich wentelen, verdorren, vallen in \'t water, vallen in \'t vuur. Deze verschijnselenreeks past geheel bij het epileptisch toeval, waarbij de lijder meestal plotseling, na \'t uiten van een schreeuw, het bewustzijn verliest, dus doof en stom wordt, neervalt en na een kort oogenblik van stijfkramp, de heftigste, schokkende krampen van verschillende spiergroepen vertoont, waarbg de tanden tegen elkaar klapperen, schuim op den mond komt, \'t lichaam wentelt over den grond, waarna een periode van spier-slapheid, verlamdheid optreedt. Door het plotseling verliezen van \'t bewustzijn op een oogenblik, dat de lijder \'t toeval niet voelt opkomen, valt de ongelukkige soms in water of vuur. Het komt ons dus voor, dat deze bezetene in de periodiek optredende vlagen, waarin hij aan de macht van den boozen geest onderworpen was, de verschijnselen, eigen aan het epileptisch toeval, heeft vertoond. Dat hij in de vrije tusschenruimten iets abnormaals aanbood, is niet vermeld. Wel worden doofheid en stomheid onder de verschijnselen genoemd en wordt de geest een doove en stomme, m. a. w. een doof- en stom makenden geest genoemd, maar er staat tevens vermeld, dat de geest hem nu en dan aangrijpt en op dien grond komt \'t ons voor, dat deze twee verschijnselen als behoorende bij \'t enkele toeval moeten gerekend worden en dat de bezetene niet in een voortdurenden toestand van doofheid en stomheid verkeerde. De Heiland voegt hier bij de uitdrijving aan zijn bevel „ga uit hemquot; de woorden toe „en kom niet weer in hemquot;, eene bijvoeging die nergens elders wordt gevonden. Ook deze uitdrukking wijst ons op eene periodieke en niet continueele bezetenheid. Van een voortdurenden toestand van krankzinnigheid van dezen bezetene blijkt dus ook niets. Het uitvoerigst beschreven is de geschiedenis van den Gadarener in Matth. 8 : 28, Markus 5 : 1, Lukas 8 : 28. Mattheüs spreekt van twee personen, komende uit de graven, zeer wreed, alzoo dat niemand door dien weg kon voorbijgaan, die den Heiland ontmoeten. Markus spreekt slechts van één mensch met een onreinen geest, of, volgens
R1JV0ËGSEL VAN BETHESDA. 224
de kantteekening, omdat deze de ellendigste was, of het meest het woord gevoerd en met Christus gesproken heeft, en beschrijft dezen verder aldus: niemand kon hem binden, ook zelfs niet met ketenen. Want hij was menigmaal met boeien en ketenen gebonden geweest en de ketenen waren van hem in stukken getrokken en de boeien verbrijzeld en niemand was machtig om hem te temmen en hij was altijd dag en nacht op de bergen en in de graven, roepende en slaande zichzelven met steenen. Lukas deelt nog mede, dat de man van over langen tijd met duivelen was bezeten geweest en met geen kleederen gekleed was. Terstond geven zij bliik Christus te kennen. „Jezus, gij Zone Gods, wat hebben wij met TJ te doen, zijt gij hier gekomen om ons te pijnigen voor den tijd?quot; roepen zij Hem toe. De Heiland vraagt daarop naar hun aantal, dat zij opgeven als legio, en laat de duivelen op hun verzoek toe, in eene kudde veler zwijnen, aldaar weidende, te varen, waarop de duivelen, uitvarende van den mensch, in de zwijnen voeren, en de kudde stortte van de steilte in de zee en versmoorde. Het vf.lt niet te ontkennen dat van dezen bezeten Gadarener verschijnselen staan vermeld, die bij een bepaalden vorm van krankzinnigheid, n.1. de mania, dolheid of razernij, worden waargenomen, vooral, de groote drang tot beweging, de onrust, het schreeuwen. Wat ons aanstonds reeds moet bevreemden is echter de opmerking: hij is met boeien en ketenen gebonden geweest en de ketenen waren van hem in stukken getrokken en de boeien verbrijzeld en niemand was machtig om hem te temmen.
De bezetene beschikte dus ontegenzeggelijk over eene inderdaad bovennatuurlijke kracht. Dit nu kan van den lijder aan mania niet worden gezegd. De geschiedenis der krankzinnigen-verpleging, beter gezegd, der krankzinnigen mishandeling, heeft wel geleerd, dat dergelijke lijders wel degelijk met keten en boei vast te klinken en te temmen zijn en in dezen tijd, waarin met \'t systeem van mechanische dwangmiddelen voor goed is afgerekend, blijkt van bovennatuurlijke krachtsontwikkeling niets. De buitengewone sterkte der krankzinnigen is eenvoudig verzinsel en wat daarvoor imponeert komt alleen tot stand onder den machtigen invloed van den toestand van affect, waarin de lijder zich bevindt. Een soortgelijke krachtsontwikkeling betoont evenzeer de onwillige door alcohol benevelde arrestant, die door politiedienaren zal worden weggeleid, betoont om een aangenamer voorbeeld te nemen, de soldaat in den krijg, waar hij wonderen van dapperheid verricht, of om een liefelijker beeld te gebruiken, de moeder wier kind uit gevaar moet gered.
Een tweede verschijnsel van gansch bijzonderen aard is \'t zelfde, dat we reeds opmerkten bij den man in de synagoge te Kapernaüm. Deze woestaard, uit de menschelijke samenleving verbannen, die met niemand in aanraking kwam, openbaart een kennis van den Messias, die hij niet langs uatuui\'lijken weg kan hebben verkregen. Een
222 PJJVÓËGSF.i. VAN BETHKSÈA.
verschijnsel, dat hiermee zou kunnen worden vergeleken, komt bij de lyders aan manie niet voor. Het derde geheel eenige verschijnsel is de aanschouwelijk gemaakte uitvaring der demonen, waarvan elke analogie bij den krankzinnige ontbreekt. Eensdeels vertoont de Gadarener dus eenige verschijnselen, gelijk die bij den lijder aan manie worden waargenomen, maar anderdeels komt daar een reeks van verschijnselen bij, die bi] dit ziektebeeld niet bebooren en wij hebben dus niet het recht beide toestanden voor identiek te verklaren. Behalve de eenigszins breedere beschrijving van afzonderlijke gevallen vinden we op meerdere plaatsen in de Evangeliën nog melding gemaakt van de verlossing van bezetenen. In Matth. 4 : 24 bijv. staat vermeld: Zij brachten tot Hem allen die kwalijk gesteld waren, mot verscheidene ziekten en pijnen bevangen zijnde, en van den duivel bezeten en maanzieken en geraakten. Hier worden dus de maanzieken en de van den duivel bezetenen van elkander onderscheiden. In Matth. 1 : 34: Hij wierp vele duivelen uit en liet de duivelen niet toe te spreken, omdat zij Hem kenden. Markus 3:11: En de onreine geesten, als zij Hem zagen, vielen voor Hem neder en riepen, zeggende: Gij zijt de Zone Gods, en Hij gebood hun scherpelijk, dat ze Hem niet zouden openbaar maken. Lukaa 5 : 40: En er voeren ook duivelen uit van velen, roepende en zeggende: Gij zijt de Christus, de Zone Gods. En hen bestraffende, liet Hij die niet spreken, omdat zij wisten, dat Hij de Christus was. Ook in de Handelingen der Apostelen wordt in hoofdstuk 3 melding gemaakt van personen, die met onreine geesten gekweld waren, die tot Petrus werden gebracht. In hoofdstuk 7 vinden we: Van velen, die onreine geesten hadden, gingen dezelve uit, roepende met groote stem. In hoofdstuk 16 wordt ons verhaald van eene dienstmaagd, die een waarzeggenden geest had, en die Paulus en de zijnen dag op dag naliep, roepende: deze menschen zijn dienstknechten Gods des Aller-hoogsten, die ons den weg der zaligheid verkondigen, waarop Paulus dien geest in den naam van Jezus Christus gebood uit te gaan, waarop hij uitging terzelfder ure. Nog wordt ons in Handel. 19 verhaald, hoe de zonen van Sceva, die zich onderwonden den naam van den Heere Jezus te noemen over degenen die booze geesten hadden, ten antwoord kregen: Jezus ken ik, en Paulus weet ik, maar gijlieden, wie zijt gij ? waarop de mensch, in welken de booze geest was, hen aanviel en op de vlucht joeg. Wat wij omtrent al deze gevallen vermeld vinden, wijst volstrekt niet op bestaan van krankzinnigheid bij de verschillende bezetenen. Wel is \'t verschijnsel, dat we regelmatig van hen zien opgeteekend, dat van bovennatuurlijke kennis van den Messias en zijn werk, waarvan bij krankzinnigen geen analogie is te vinden. In de volgende boeken des Bijbels wordt over de bezetenheid niet meer gesproken. Wel wordt herhaaldelijk door de Apostelen in hunne brieven gehandeld over den satan en
BIJVOEGSEL VAN BETHESDA. 223
zijne engelen en hunne heillooze werkingen, daartegen wordt gewaarschuwd, wordt vermaand tot wederstaan, maar de wijze van werking zooals die zich in de bezetenen openbaart, komt niet ter sprake. Moge hieruit ook niet met zekerheid af te leiden zijn, dat die toestand in de eerste Christengemeenten niet voorkwam, waarschijnlijk is dit toch wel en het tegendeel is niet zeker te bewijzen.
Bij nauwkeurige beschouwing van de medegedeelde gevallen van bezetenheid blijkt ons dus, dat wij Hafner\'s meening, dat de bezetenheid ten tijde van het leven des Heeren Jezus Christus op de aarde niet anders kan geweest zijn, dan de krankzinnigheid van onzen tijd, niet bewezen hebben gevonden. Dat de Gadarener als type mag gelden en dat de andere bezetenen soortgelijke verschijnselen hebben aangeboden, is eene tastbare onjuistheid.
Een man als de Gadarener kan toch zeker niet in de synagoge te Kapernaüm hebben verkeerd en de stomme kan moeilijk dag en nacht geschreeuwd hebben. Hoe Hafner er toe komt in \'t dochterje der Kananésche vrouw een sexueel opgewekt jong meisje te zien of een zwaarmoedige in den man, die blind en stom is, is duister en de stompzinnigheid van den jeugdigen maanzieke is ook niet te bewijzen. De bovennatuurlijke kennis van het Messiasschap van Jezus als eene aan sommige krankzinnigen eigene scherpzinnigheid op te vatten, gaat zeker niet aan, Die scherpzinnigheid bestaat niet, al moge ook Lombroso, wiens dwaalleer u het vorige jaar door Dr. Schermers werd uiteengezet, dit beweren. Nacke laat zich over die zaak aldus uit, waar hij een artikel van Pierracini refereert: „Maar wanneer Pierracini gelooft, dat in zulke gevallen het intellect kan vermeerderd zijn, dan houdt de referent dit voor beslist onjuist en slechts schijnbaar. Zeker kan een analphabeet, een onbeholpen mensch zich in een toestand van manie be wegel ijker voordoen en combinaties voor den dag brengen, waarvan anders bij hem geen sprake is; maar in de eerste plaats is dit volstrekt niet vreemd, daar bij opgewektheid de associatieprocessen versneld zijn en in de tweede plaats bijna nooit een geniale gedachte of een bepaald geestige zet voor den dag komt. Sommige denkbeelden of gezegden kunnen weliswaar frappeeren, maar bij nader inzien blijken ze toch oppervlakkig. Daarom hebben Lombroso en anderen beslist ongelijk, wanneer zij van een krankzinnige soms nog iets geniaals verwachten. Nog geen enkele heeft ooit iets geniaals tot stand gebracht of bedacht en Lornbroso\'s bewijzen zijn niet steekhoudend en oppervlakkig. Wanneer een groot man krankzinnig was of werd, dan heeft hij zeker in de periode van waanzin niets geniaals geleverd, maar op zijn hoogst producten die den naglans van de oorspronkelijke schittering van vernuft vertoonden.quot; En Scholz de bekende Bremer psychiater zegt, waar hij spreekt van de waanzinnigen, aan wier uitingen men evenals aan die der narren van Shakespeare gaarne een dieperen zin toeschreef; Gij weet hoe
224 BIJVOEGSEL VAN BETHESP A.
ledig integendeel de ziel van de meesten dier ongelukkigen is en dat men bij hen geen wijsheid kan halen. Dat de verschijnselen der bezetenheid voornl. op psychisch gebied liggen, beweert Hafner ten onrechte; integendeel, bijna uitsluitend op lichamelijk gebied gelegen symptomen staan opgeteekend en geen waandenkbeelden, zinsverbeeldingen of begoochelingen worden beschreven. Waar Pastor Hafner meent, dat men \'t recht mist te zeggen: toentertijd is tegenover de vleeschwording des Woords een incarnatie van het booze principe opgetreden zooals voor- of nadien nimmer voorkwam, meenen wij integendeel het volgende te mogen aanvoeren. In het Oude Testament wordt van satan en booze geesten weinig melding gemaakt en de bezetenheid wordt daarin in \'t geheel niet genoemd. Dit kan niet toevallig zijn en wij meenen uit \'t niet vermeld vinden van den toestand van bezetenheid te mogen besluiten, dat die toenmaals ook niet voorkwam. Zoodra. is echter niet de Christus opgetreden of wij zien den satan zich tegenover Hem stellen. Hij verzoekt Hem in de woestijn en verlaat Hem na de verzoeking slechts voor een tijd Satan voert zijne trawanten in grooten getale met zich mee en tegen de lichaam en ziel reddende werkzaamheid des Heilands stellen zich de lichaam en ziel verdervende werkingen der satansengelen. Naar onze meening heeft dus \'t demonisme, de bezetenheid, zich \'t eerst geopenbaard in het tijdperk niet lang na Christus komst in het vleesch. De satan moet, stellen we ons voor, ook de geboorte des Heilands hebben geweten, moet de menigte des hemel-schen heirlegers haar vrede op aarde en in menschen een welbehagen hebben hooren jubelen. De menschenmoorder heeft zich toen tot buitengewone krachtsopenbaring op bijzondere wijze aangegord. Hij, dien Luther de aap van Christus noemt, heeft zijne demonen in de menschen doen varen in een onheilige nabootsing van de vleeschwording des Woords. Wat hem zege moest brengen, naar zijne voorstelling, bracht echter den Machtigere dan hij glorie, waar de Heiland alleen door zijn machtwoord, overal waar Hij optrad, de booze geesten uitwierp, zoodat de verwonderde schare uitroepen moest: „er is nooit desgelijks in Israël gezien; is niet deze de zoon van David ?quot; Ja, de Christus zelf ontleent aan zijne duiveluitwerping dit woord: „Indien Ik door den vinger Gods de duivelen uitwerp, zoo is dan het Koninkrijk Gods tot u gekomen.quot; De bedenking van Pastor Hafner: wanneer de bezetenen geen krankzinnigen zijn geweest, hoe komt \'t dan, dat ons nergens iets van genezingen van krankzinnigen vermeld staat, waren die er dan toenmaals niet ? is zeker niet zonder gewicht. Maar daartegenover kan worden aangemerkt, dat \'t aantal dier lijders toentertijd zeker aanmerkelijk geringer was dan tegenwoordig en dat zij zeer wel kunnen begrepen zijn in de a.lgemeene vermelding der velen, die met allerlei ziekten en kwalen, niet met name genuemd, gekweld waren en door des Heilands
BIJVOEGSEL VAN BETtTESDA. 225
wondermacht werden genezen.
Kunnen we dus met Pastor Hafner niet meegaan, evenmin kunnen we ons vinden in Dr. Laehr\'s beschouwing. Ten onrechte geeft hij toe, dat als bezetenen ook krankzinnigen zijn beschreven. ZijLe geheele beschouwing laat hii verder rusten op de onderstelling dat de bezetenheid als eene ziekte werd beschouwd en dat alle lijden, dat als iets buitengewoons imponeerde, als bezetenheid werd aangemerkt, terwijl hij den Heiland zich in zijn optreden aan de verkeerde volksmeening laat accommodeeren. Hoe schoonschijnend Dr. Laehr hierover ook moge spreken, tegen zulk een gevoelen protesteeren wij ernstig. De bezetenheid wordt overal als een geheel eigenaardige toestand van alle ander lijden onderscheiden; voorbeeld na voorbeeld hiervan lis:t voor \'t grijpen, bijv. Matth. lu : 1 waar de Heiland zijne twaalf discipelen tot zich geroepen hebbende, hun macht heeft gegeven (ten eerste) over de onreine geesten om dezelve uit te werpen en (ten tweede) om alle ziekten en alle kwalen te genezen. Het duidelijkst komt dit uit in \'t woord van den Heere Jezus Christus zelf in Lukas 13 : 32, waar de Heiland zijn arbeid aldus beschrijft; Zie, Ik werp duivelen uit en maak gezond.
In zijne verklaring der Nederlandsche geloofsbelijdenis, Zions roem en sterkte, maakt Rotterdam ook een scherp onderscheid tusschen bezetenheid en ziekten. Op de vraag: worden door die benamingen (d. w. z. der duivelen) in Grods Woord niet verstaan ziektens, quaade humeuren, inbeeldingen van booze menschen ofte iets anders? antwoordt hij: Neen, want die benamingen geven bij alle Taalkundigen te kennen booze geestelijke Selfstandigheden, terwijl zulke ziektens van de Duivelen duidelijk onderscheiden worden. En verder, waar hij bewijst dat de duivelen op lichamen, ja in de menschen ten kwade kunnen werken: Uit de Exempelen der bezetenen van den duivel, die ons in het Evangelium worden voorgestelt, welke geene ziektens, Dolligheid, phantazijen of kwade humeuren waren, maar duivelen of booze geestelijke Selfstandigheden.
Wanneer we nu, ons aansluitende aan de indeeling van pastor Hafner, overgaan tot \'t theoretisch gedeelte onzer beschouwing, willen wij beginnen met onze instemming te betuigen met Hafner, waar hij met beslistheid de accornmodatie-theorie verwerpt.
Wij kunnen echter volstrekt niet met hem meegaan in zijne beschouwing over het rijk der duisternis. Uitgaande van de leer der trichotomie, die het bestaan des menschen uit lichaam en ziel en geest aanneemt, tegenover welke wij de leer der dichotomie, dat is \'t bestaan van den mensch uit een stoffelijk en een onsterfelijk deel, belijden, deelt hij het rijk der duisternis ook trichatomisch in. Hij onderscheidt le booze machten, die een bloot lichamelijk bestaan hebben, bijv. de vergiften, die een stoornis verwekken in het leven van het lichaam. De vergiften nu worden zoowel in het delfstoffen-.
226
ala in het planten-, als in het dierenrijk aangetroffen, bijv. het rattekruid, het opium, het dollehondsgif. Deze doode stoffen kunnen in zichzelf toch kwalijk boos worden genoemd; wat alleen boos is, is de toediening dier stoffen met boos opzet. De boosheid zit dan echter niet in de toegediende materie, maar in den toeleg van hem, die ze toedient. Diezelfde vergiften, met goede bedoeling toegediend, kunnen, met name het rattekruid en het opium, van zeer heilzamen invloed zijn. Hot gaat dus zeker niet aan deze stoffen tot het rijk des satans te verwijzen. Ten tweede onderscheidt hij de demonen, dit zijn machten, die een geestelijk, hoewel onpersoonlijk bestaan hebben en de bezetenheid of krankzinnigheid bewerken. Zij staan in het rijk der duisternis op denzelfden trap als de dieren in onze wereld. Naar onze . meening leert de Heilige Schrift van deze beschouwing niets en met ür. Laehr\'s tegenwerpingen kunnen we zeer goed meegaan. De demonen worden overal onreine geesten genoemd. Geest, in den hierbedoelden zin, kan niet iets onpersoonlijks zijn, en dat de demonen zelfbewuste wezens zijn, blijkt o. i. uit de beschrijving der demonen ten duidelijkste. Dat we Dr. Laehr volstrekt niet volgen kunnen in zijne wonderlijke beschouwing over de mededeeling van het varen der duivelen in de zwiinen, ligt voor de hand. Dit verhaal wordt door de drie Evangelisten eensluidend gedaan en is naar onze Gereformeerde opvatting van de Schrift een onweersprekelijk feit.
Maar wanneer nu krankzinnigheid niet is bezetenheid en bezetenheid niet is krankzinnigheid, wat is dan krankzinnigheid en wat is dan bezetenheid ? Over de beantwoording der eerste vraag werd door het Bestuurslid dezer Vereeniging Dr. Hermanides, den 29 ^pril 1896 een schoon referaat gehouden en ik meen niet beter te kunnen doen, dan u de bestudeering daarvan aan te bevelen. Ook uit \'t voorgaande zult gij u reeds eenigermate een denkbeeld omtrent dezen toestand hebben kunnen vormen. Een bevredigende definitie van \'t begrip krankzinnigheid te geven vermag ik niet; de volgende omschrijving zal u dien toestand toch eenigszins duidelijker maken.
Bij krankzinnigheid bestaat zoodanige ziekte van het orgaan der ziel, als hoedanig wij de grijze hersenschors opvatten, hetzij die ziekte door geestelijk werkende, hetzij door lichamelijk werkende oorzaken is ontstaan, als zich openbaart in eene verandering van de persoonlijkheid des menschen, zoowel in zijn inwendig bestaan als in zijne uitwendige verschijning, speciaal als stoornis in zijn denken en willen. De mensch zelf is dus een veranderde, een andere geworden, neemt zichzelf inwendig waar als veranderd en wordt, waar hij zich in spreken en handelen openbaart, als een veranderde waargenomen. Hij heeft \'t vermogen verloren zichzelf te besturen, te beheerschen, of bestuurt zichzelf wel, maar niet overeenkomstig de werkelijkheid, doch in overeenstemming met zijne valsche voorstel-
BIJVOEGSEL VAN BETÖESDA.
lingen. Hij is als een opengebroken stad zonder muur. Dat de toestand van krankzinnigheid dus eeue zoodanige is, waarin de ziel meer dan in den toestand van gezondzinnigheid aan den invloed van booze geestelijke machten blootstaat, ligt wel voor de hand. Is de gezondzinnige te vergelijken met \'t schip, dat met den ervaren stuurman aan \'t roer, al gaat de zee ook hoog en al zweept de stormwind \'t voort, toch de woede der elementen trotseert, de krankzinnige gelijkt op \'t schip, dat beroofd van roer en stuurman, ten speelbal is van wind en golven. De werking, die deze booze machten op de ziel uitoefenen kunnen, bestaat in een geestelijke inwerking op de verschillende faculteiten van den geest, bijv. op het voorstellingsvermogen, de fantasie, door voortooveren van zondige beelden of op \'t denkvermogen, door inwerping van verkeerde gedachten. De toestand van krankzinnigheid maakt den mensuh meer weerloos tegen deze invloeden, vermindert zijn weerstandsvermogen daartegen. Een analogie hiervan biedt ons de alcoholroes of dronkenschap. Het is ontegenzeggelijk dat veel misdaad en zonde bedreven wordt in een toestand, waarin de ziel onder den invloed van alcoholisch vocht verkeert, die buiten alcohol-invloed niet zou zijn bedreven. Dat zouden u bijv. de machtig vele gedooden door de vreemde vrouw, die met hare redenen vleit, getuigen kunnen. In de alcohol als stof zit natuurlijk de zonde niet, en de verklaring van dit verschijnsel kan alleen hierin liggen, dat deze stof door zijne werking op de hersencellen, het materieel substraat der ziel, de gewone natuurlijke remming opheft, waardoor de ziel meer verleid-baar wordt, zoodat nu het losgelaten zondig ik den teugel viert, of thans ten prooi wordt aan andere geestelijke machten. Evenmin echter als op den dronkene een speciflek demonische invloed werkt, werkt naar onze meening een speciflek demonische invloed op den krankzinnige. De intensiteit der werking moge verschillen van die der werking op den gezondzinnige, de uitwerking daarvan moge in dien meer weerlooze intensiver zijn, er bestaat geen qualitatief verschil van den aard der werking.
Wat is bezetenheid? Wanneer we saamvatten, wat we bij de verschillende nagegane gevallen waarnamen, dan vinden we het volgende. Wezens uit het rijk der duisternis, demonen, gevallen engelen, zijn er in geslaagd in sommige menschen in te dringen; in enkelen is één demon, in andere zijn meerderen, bijv. in Maria Magdalena zeven, in den man van Gadara legio gevaren. Hunne werking kan niet worden opgevat als een van buiten uit influenceeren op den persoon, op wien zij die werking uitoefenen, maar behoort te worden beschouwd als eene in den mensch zelf zich ontvouwende en wel op veelvuldige wijze. Nu eens hebben zij het spraakorgaan gebonden, dan \'t gezichtsorgaan, dan werken zij periodiek prikkelend op de zenuwen, die verschillende spiergroepen beheerschen, dan
228
werken zLj blyv.end storend in op de hoogste centra der hersenen, de werkplaats voor de geestelijke verrichtingen.- Zij bedienen zich, met verdringing van de heerschappij, die de mensch over zijne organen bezit, eigenmachtig van die organen, spreken bijv. met zijne spraakwerktuigen. Zij brengen daarbij in woorden een kennis van den Christus, hun als demonen eigen, vreemd aan den geest van den persoon van wiens organen zij zich bedienen.
De ziel der bezetenen is daarbij dus niet bezeten; maar naast dit in den niet bezeten mensch eenig onstoffelijk principe, wonen in het lichaam van den wel bezetene meerdere onstoffelijke principen, de demonen, die buiten den menschelijken geest om de leden des lichaams, wapenen van dien geest, thans vermogen te stellen tot hunne wapenen. Tot hoeverre de heerschappij der demonen daarbij reikt is niet met juistheid aan te geven. Al is hun macht ook zeer groot, volstrekte heerschappij hebben zij zeker niet. De Gadarener toch komt tot Jezus; zijn geest blijkt dus machtig genoeg, zijn lichaam de schreden te doen richten tot den Verlosser; want als hij Jezus van verre zag liep hij toe, zeker tegen den wil der demonen in. Als hij voor Jezus neervalt is \'t echter niet de mensch, maar een der demonen die smeekt, van de pijniging verschoond te mogen blijven en verlgf vraagt in de zwijnen te mogen varen. In een zeer kort tijdsbestek zien we dus den eigen geest des menschen en den vreemden inwonenden geest zich beurtelings van zijne organen bedienen. De menschelijke geest en de demon worstelen blijkbaar met elkaar om de heerschappij over de leden des lichaams. Huist alzoo de demon niet in den geest, maar in \'t lichaam, evenmin verdringt de demon den menschelyken geest. De menschelijke geest blijft bij den bezetene inwonen ook daar, waar die de uitoefening zijner heerschappij over het lichaam derft. Indien toch de menschelijke geest door den demon verdrongen ware, zou de bezetene een geïncarneerde demon, een gevleeschde duivel zijn en zou bij het uitvaren van den demon een dood lichaam overblijven en niet een levend mensch. Dat ter benaming van dezen toestand het woord bezetenheid dooide Bijbelvertalers is gebezigd, komt ons alleszins verklaarbaar voor, ons is althans geen woord bekend dat beter het wezen van dien toestand uitdrukt. Wij hopen u hiermede eenigermate duidelijk te hebben gemaakt dat, hoewel in de krankzinnigheid zich de werking eener booze geestelijke macht kan openbaren, de bezetenheid van krankzinnigheid inderdaad specifiek verschilt, dat de bezetenheid ten tijde van het leven des Heeren Jezus Christus op de aarde niet hetzelfde is geweest als de krankzinnigheid van den tegenwoordigen tijd, dat bezetenheid en krankzinnigheid niet identiek zijn.
Ons rest nog de bespreking van het praktisch deel van Hafners brochure. Heeft in de voorgaande gedeelten menige beschouwing onze bevreemding gewekt, met verbazing zien we hoe H. in \'t derde
m.IVOËGSEt, VAN BETIIESDA. 22Ö
deel ons nu voorhoudt dat we krankzinnigheid, dat is bezetenheid, moeten beschouwen als op gelijke lijn staande met een longontsteking of een typhusziekte. De slaapdronkenheid is in zijn wezen niets anders dan krankzinnigheid; iedereen openbaart dagelijks abnormaliteiten in zijn zieleleven. Dat wil dus dit zeggen, dat ieder in meerdere of mindere mate gedurende een langer of korter tijdsbestek bezeten is; dat is dus niets minder dan de verkondiging van een waar pande-monisme; dat is dus de leer dat de geheele menschheid een groote schare bezetenen is. Dat wij deze meening beslist verwerpen, is uit \'t voorgaande duidelijk genoeg. Geheel eens zijn we \'t met de meening, dat de krankzinnige niet als een buitengewone zondaar mag worden beschouwd. Waar evenwel H. meent, dat de persoon des menschen zijn ik niet ziek of gebonden is, en dat ook de krankzinnige handelt uit den goeden of boozen schat zijns harten, kunnen we volstrekt niet met hem meegaan. Onze meening toch is, dat bij krankzinnigheid de geheele persoonlijkheid ziek is en dat, om met Dr. Hermanides te spreken, in den krankzinnige de zonde gedaan wordt, maar de zondaar ze zelf doet. Met Dr. Laehr moeten wij H. van eene, zij \'t ook gelukkige, inconsequentie beschuldigen, waar hjj niettegenstaande deze beschouwing toch geen straf op den krankzinnige toepassen wil, zooals logisch uit zyne denkbeelden zou volgen. Ook ons komt zijne meening hoogst bedenkelijk voor om \'t niet geringe gevaar dat \'t denkbeeld van \'t toepassen van straf op een krankzinnige, met zooveel moeite en na zoo langen en bitter droeven strijd overwonnen, opnieuw zijn invloed op de krankzinnigenverpleging zou doen gevoelen tot onberekenbare schade voor de ongelukkige kranken. Wij zijn \'t natuurlijk met H. eens, waar hij \'t feit releveert, dat de bezetenen door den Heere Jezus Christus, door zijne jongeren, ja door de Farizeeën zijn genezen, dit leert ons de Schrift. Of die gave tot drie eeuwen na Christus heeft bestaan, m. a. w. of de bezetenheid tot zoolang na den apostolischen tijd is voorgekomen, is een vraag, waarop we thans niet ingaan, daar \'t alleen onze bedoeling was de bezetenheid, zooals de Heilige Schrift ons die teekent, te behandelen en \'t niet ons doel was de bezetenheid of wat als zoodanig gold in dn verdere historie te vervolgen. Evenmin wenschen we te spreken over de vruchten dier leer, dat krankzinnigen van den duivel bezeien zijn, gelijk die in de geschiedenis der krankzinnigenverpleging, openbaar zijn geworden in duivelbannerij en heksenproces, vruchten zoo kwaad, dat zij getuigen tegen den boom die ze droeg. Een enkele opmerking slechts, om te toonen hoezeer \'t beeld, dat men omtrent den foestanl van bezetenheid in laiereü tijd vormde, verschilt van \'t beeld zooals de Heilige Schrift dit teekent. In een in 1841 uitgegeven werk van een Roomsch geestelijke worden de volgende kenteekenen van bezetenheid opgenoemd: 1. Het opgenomen worden van den bezetene in de lucht, waar hij een tijdlang blijft zweven,
230 BiJVÓËGSET, VAN RETHESÖA.
2. het spreken van vreemde talen zonder ze geleerd te hebben, 3. het openbaren van voorvallen, die terzelfdertijd op ver verwijderde plaatsen geschieden, 4. het ontdekken van verborgen dingen, die niet op natuurlijke wijze geweten kunnen worden. De criteria 1, 2 en 8 vinden we bij de bezetenen der Schrift niet vermeld, alleen \'t 4e. En dat geen dier vier verschijnselen bij de krankzinnigen worden waargenomen, behoeft geen breed betoog.
Waar wij de identiteit van krankzinnigheid en bezetenheid niet aannemen, kunnen we des te hartelijker instemmen met \'t slot van Hafner\'s betoog, waar hij wijst op de heerlijke roeping eener Christelijke, geestelijke verzorging van de lijdenden. Want de krankzinnigheid den persoon des mencchen aantastende, spaart ook zijn geloofsleven niet, al woont ook soms in de meest verwarde en met waanzinnige voorstellingen vervulde hoofden \'i levendig bewustzijn van het onvervreemdbaar kindschap Gods.
Wij verwerpen dus met beslistheid alles wat op exorcisme gelijkt; geen krankzinnige wordt genezen door een gebod, dat een booze geest van hem uitvare. Maar wat de krankzinnige behoeft, is eene Christelijke verpleging in den moest uitgebreiden zin. Christelijk in de somatische verzorging, Christelyk in de psychische behandeling, Christelijk in de zielzorg. De hooge eere, de banier van den Christus Consolator te mogen planten op dit terrein der menschelijke ellende, werd als eene gunste Gods aan onze vereeniging geschonken. Moge zij steeds toenemen in wijsheid en genade om tot heil der lijdenden, tot eere des Heeren in dezen dienst der barmhartigheid te blijven arbeiden. Mogen allen die geroepen worden in dezen dienst bezig te zijn \'t woord verstaan van den apostel Paulus aan die van Efeze gericht: Doet aan de geheele wapenrusting Gods, opdat gij kunt staan tegen de listige omleiding des duivels. Staat dan, uwe lenden omgord hebbende met de waarheid en aangedaan hebbende het borstwapen der gerechtigheid; en de voeten geschoeid hebbende met bereidheid van het Evangelie des vredes; bovenal aangenomen heb-bende\'het schild des geloofs, met hetwelk gij al de vurige pijlen des boozen zult kunnen uitblusschen.
J. H. A. VAN DALE.