-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-

1897. No. 10.

VERORDENING

OP DE

IN VO HI3K K L NCx

VAN DEN

HOOFDELIJKEN OMSLAG

IX DE

gemeente \'s-GRAVENHAGE.

-ocr page 4-
-ocr page 5-

.\\ H).

De Ul\'liUKM EESTKK on WKTHOrDiMJS van \\-(lrdvenhmji\' doen te weten, dal door den Raad dier (ïeiueente, in zijne vergadering van den

........ .Juli isyV, is vastgesteld de vnluende \\ ena--

dening:

k n o n i) e \\ i \\ in

op de invordering van den Itoof-d e 1 ij lv e n 0 m s 1 a g in de gemeente \'s-Uraven!iiiquot;e.

Art. 1.

De invordering van den hoofdelijken omsle.u,\'geschiedt door den lt;Tenieenteontvanger, overeenkomst iu: de at t\'i. 258 tot en ir.et 2(»2 der wet van den 2^steii .Timi is.jj S/m/.Ji/ncl nquot;. 85 . zooaisdie zijn gewijzigd bij de wet van den 7\'irquot; -luli 1 Sö5 (iS/anl^blad nquot;. 79).

Art. 2.

Ieder, die vermoed wordt belastingschuldig te zijn, ontvangt jaarlijks vóór den ;!1lt;ICquot; Januari van den (Jemeeuteontvanger een beschrijvings-biljet.

De nitreiking van latere beschi\'ijvingsbiijetten, ten gevolge van de opga,ven in de oorspronkelijke

Is\'.»?.

-ocr page 6-
-ocr page 7-

N0. 10.

De BURGEMEESTER en WETHOUDERS van \'s-Gravenhage doen te weten, dat door den Raad dier Gemeente, in zijne vergadering van den 2den Juli 1897, is vastgesteld de volgende Verordening :

V E R O K D E N IN G

op de invordering van den Hoofde 1 ij k e n Omslag in de gemeente \'s-Gravenhage.

Art. 1.

De invordering van den hoofdelijken omslag geschiedt door den Gemeenteontvanger, overeenkomstig de artt. 258 tot en met 262 der wet van den 29sten Juni 1851 {Staatsblad n0. 85), zooals die zijn gewijzigd bij de wet van den 7den Juli 1865 {Staatsblad n0. 79).

Art. 2.

Ieder, die vermoed wordt belastingschuldig te zijn, ontvangt jaarlijks vóór den 31sten Januari van den Gemeenteontvanger een beschrijvingsbiljet.

De uitreiking van latere beschrijvingsbiljetten, ten gevolge van de opgaven in de oorspronkelij ke

1897.

-ocr page 8-

N0. 10.

vervat, of van latere vestiging van belastingschuldigen in de Gemeente, geschiedt zoo spoedig doenlijk.

üe beschrijvingsbiljetten bevatten eene beknopte opgave van de voornaamste bepalingen der verordening op het bedrag en de grondslagen van den hoofdelijken omslag en van die op de invordering, en voorts de noodige rubrieken en vragen ter invulling en beantwoording door de belastingschuldigen.

Art. 3.

De belastingschuldigen, die op l Februari geen beschrijvingsbiljet hebben ontvangen, zijn verplicht zich binnen 8 dagen daarna tot het verkrijgen daarvan ten kantore van den Gemeenteontvanger aan te melden, terwijl zij, die zich in den loop van het jaar in de Gemeente komen vestigen, of\' aldaar komen verblijven, of uit anderen hoofde belastingschuldig of aan het aanvullingsrecht onderworpen worden, zich binnen ééne maand na hunne aankomst in de Gemeente, of nadat zij belastingschuldig of aan het aanvullingsrecht onderworpen zijn geworden, daartoe moeten aanmelden.

De beschrijvingsbiljetten worden zooveel mogelijk acht dagen na de bezorging of afgifte teruggehaald en op verzoek een bewijs van ontvangst daarvoor afgegeven.

Art. 4.

Ieder, aan wien een beschrijvingsbiljet is uitge-

1897.

-ocr page 9-

N0. 10.

1897.

3

reikt, is verplicht al de daarop gestelde vragen duideliik, volledig en zonder eenig voorbehoud te beantwoorden en die antwoorden met zijne gewone handteekening te bekrachtigen.

Zoo hij niet kan schrijven, geschiedt, desgevraagd, de invulling in zijnen naam kosteloos door den gemachtigde van den Ontvanger, met het doen der beschrijving belast, met de vermelding van de reden waarom, de aangifte wordt alsdan door dezen, ua voorafgaande voorlezing, in tegenwoordigheid van een\' derden persoon met dezen geteekend.

Hij ten wiens aanzien de beschrijving aan meer dan een door hem gebruikt perceel of perceelsgedeelte plaats heeft, moet ze alle opgeven in het biljet aan zijn hoofdverblijf uitgereikt en in de biljetten aan de overige perceelen of perceelsgedeelten afgegeven, verwijzen naar zijne aangifte op eerstgenoemd biljet.

De opgaaf betreffende aanslagen buiten deze Gemeente moet, desgevorderd, gestaafd worden door overlegging van het aanslagbiljet of van een duplicaat daarvan.

Art. 5.

De belastingschuldige, die de vereischte aangifte niet binnen den bepaalden tijd heeft gedaan, wordt niettemin door Burgemeester en Wethouders aangeslagen, naar de grondslagen en op den voet, vermeld in de Verordening op deze belasting.

Bij de beoordeeling der terugontvangen beschrijvingsbiljetten worden de aangiften, die onjuist zijn

-ocr page 10-

N°. 10.

4

1897.

bevonden, verbeterd, in overeenstemming met de aanslagen der Rijkskobieren der personeele belasting of van de nader ontvangen bewijsstukken, en worden de aanslagen in den boofdelijken omslag dienovereenkomstig berekend.

Art. 6.

Ieder, die een perceel of perceelsgedeelte bewoont of gebruikt, waarvan de aanslag aan schatting onderworpen is, is verplicht aan de schatters, op vertoon, desgevorderd, hunner akte van aanstelling, op de werkdagen van des morgens 8 uur tot zonsondergang, den vrijen toegang te verieenen tot dit perceel en al de daartoe behoorende gedeelten en hun de noodige aanwijzing te doen.

De kosten van schatting zijn ten laste der Gemeente.

Art. 7.

De schattiüg geschiedt steeds door twee personen gezamenlijk.

Ingeval de twee schatters in gevoelen verschillen, wordt een derde door Burgemeester en Wethouders aan te wijzen schatter gezamenlijk met hen met de schatting belast.

Indien deze drie schatters alsdan nog niet bij meerderheid beslissen, geldt de schatting, welke noch de hoogste noch de laagste is.

-ocr page 11-

N0. 10.

1897.

5

Art. 8.

Zoo spoedig mogelijk worden door Burgemeester en Wethouders de kohieren dezer belasting opgemaakt en den Gemeenteraad ter vaststelling aangeboden. Na die vaststelling worden de kohieren door Burgemeester en Wethouders aan de Gedeputeerde Staten ter goedkeuring opgezonden.

Art. 9.

Na goedkeuring der kohieren door Gedeputeerde Staten worden zij door Burgemeester en Wethouders ter invordering aan den Gemeenteontvanger verzonden.

Art. 10.

De belastingschuldigen, die door eenige nalatigheid, verzuim of andere redenen niet, of niet voor het geheele bedrag op de primitieve kohieren zijn gebracht, alsmede zij, die na het opmaken der kohieren belastingschuldig zijn geworden, worden op de suppletoire kohieren gebracht en wordt daarmede gehandeld als in de artt. 8 en 9 is vermeld.

Art. 11.

Behalve hetgeen is voorgeschreven bij de eerste zinsnede van art. 265 der wet van 29 Juni 1851 {Staatsblad n0. 85), gewijzigd bij de wet van 28 Juni 1881 {Staatsblad n0. 102), behelst het aanslag-

-ocr page 12-

N0. 10.

1897.

6

biljet de plaats van betaling, de dagen en uren waarop ter ontvangst wordt gevaceerd, en eindelijk nitnoodiging aan den belastingschuldige tot betaling zijner termijnen op de in art. 12 vermelde verschijndagen.

Art. 12.

De aanslagen voor het volle jaar zijn invorderbaar in vyf gelijke termijnen.

De eerste termijn verschijnt den 30sten April, de tweede den SO8\'*11 Juni, de derde den 15den Augustus, de vierde den 15den October en de vijfde den 15den December.

De aanslagen naar tijdsgelang zijn invorderbaar in zooveel gelijke termijnen als er, na de maand, waarin het kohier is afgekondigd, nog maanden van het belastingjaar overblijven. Op den laat sten dag van elk dier maanden vervalt een termyn. Is het kohier later dan in de voorlaatste maand van het belastingjaar afgekondigd, dan is de aanslag dadelijk in zijn geheel invorderbaar.

De belastingschuldige kan zijnen aanslag in eens of in meer dan een termijn tegelijk voldoen.

Art. 13.

De belasting is dadelijk en in eens invorderbaar:

a. wanneer de belastingschuldige de Gemeente met der woon wil verlaten, met wegvoering zijner meubelen;

b. zoo hij in staat van faillissement is verklaard, gelijk mede in geval van inbeslagneming van roe-

-ocr page 13-

No. 10.

rende en onroerende goederen vanwege de Gemeente of van verkoop daarvan, tengevolge van eene inbeslagneming namens derden.

Art. 14.

De verplichting tot betaling wordt niet geschorst door de indiening van bezwaarschriften tegen den aanslag, noch door verkrijging van surséance van betaling.

Art. 15.

De betaling dezer belasting geschiedt ten kantore van den Gemeenteontvanger, tegen op het aanslagbiljet te stellen quitantie.

Art. 16.

De voor deze belasting benoemde en beëedigde schatters en de ambtenaren, door Burgemeester en Wethouders aangewezen tot het doen der be-teekening van stukken, betreffende de vervolging ter invordering van plaatselijke belastingen, zijn bevoegd en verplicht van de overtredingen der bepalingen dezer Verordening proces-verbaal op te maken.

Aldus vastgesteld in de openbare Eaadsverga-dering van den 2den Juli 1897.

De Voorzitter, P. 0. H. GEVAERTS VAN SIMONSHAVEN.

De Secretaris,

E. EVERS.

1897.

-ocr page 14-
-ocr page 15-
-ocr page 16-