(fL. ISCfCj.^lj
J!_11
EEN GEMEENTEBELANG.
BIJDRAGE, BEVATTENDE EEN BILLIJK VERZOEK AAN HET KIESCOLLEGE DER NED. HERV. GEMEENTE TE GRONINGEN OM IN DE TEGENWOORDIGE VACATURE EEN EVANGELISCH PREDIKANT TE BENOEMEN,
DOOTl
L. J. H U B E R.
1\'. NOORDHOFF. — 1899. — GRONINGEN.
ll«UOTHEEK DER \'iJKSÜNIYERSiTEIT U T K E C H Ti
VOORWOORD.
Als ik wensch aan te toonen het „goed rechtquot; der Evange-lischen, nu zij in de tegenwoordige vacature aan het kiescollege verzoeken een evangelisch predikant te benoemen, daar doe ik zulks met het vriendelijk verzoek aan de leden van het kiescollege in \'t bijzonder, en zoovelen als deze bijdrage onder de oogen mochten krijgen, dat men zich ten minste de moeite getrooste dit woord te willen lezen en behartigen. Op de meest eenvoudige en duidelijke wijze heb ik gemeend, op bijbelschen grond, dit „goed rechtquot; te kunnen aantoonen, en hoewel ik wel weet, dat men zeer gemakkelijk tegenover den eenen tekst schijnbaar een anderen kan plaatsen, zoo bedenke men, dat boven het schijnbaar verschil eene hoogere eenheid bestaat.
Waar de Heer zelf aan een ieder toeroept het ernstige en schoone woord: „onderzoekt de Schriften, die zijn het, die van Mij getuigenquot;, daar spoort Hij zelf aan tot werkzaamheid, tot nadenken, tot het vormen eener eigene overtuiging en van een persoonlijk geloof.
Verscheidenheid in vorm, in gaven, in krachten, in opvatting, in aanleg en werkkracht, in grootte en heerlijkheid, in de mate des geloofs, is overal en altijd aanwezig. Zou er dan geene verscheidenheid moeten zijn in eene groote Gemeente, ook ter voorziening in de behoeften der Evangelischen ?
Zeer zeker, ja !
Aan te toonen, dat men hier te doen heeft met een „gemeentebelangquot;, is het doel dezer regelen.
HET GOED RECHT DER EVANGELISCHEN.
EEN GEMEENTEBELANG.
Wat is eene gemeente? Deze vraag, niet voor het eerst te Groningen gedaan, kan zeer gemakkelijk op verschillende wijzen beantwoord worden. Aan het denkbeeld „gemeentequot; verbinden zich direct twee gedachten, die door hare nadere omschrijving aan dit woord eene meer bepaalde richting geven. Men kan toch spreken van eene „burgerlijke gemeentequot; en van eene „kerkelijke gemeentequot;.
Wat eene „burgerlijke gemeentequot; is? Mij dunkt, dat woord heeft zulk een burgerrecht verkregen , dat de hoofddenkbeelden, die wij allen daaromtrent bezitten, wel tamelijk met elkaar overeenstemmen.
Wat te verstaan is onder „kerkelijke gemeentequot;, daaromtrent bestaan er onderscheidene meeningen en zienswijzen.
De een spreekt van „kerkelijke gemeentequot; en bedoelt daarmee de menschen, die alle Zondagen zich in de kerk bevinden. Een ander sprekende van „kerkelijke gemeentequot; bepaalt zich meer bij hen , die hun hoofdelijken omslag al of niet betalen. Enkelen verbinden aan dat woord de gedachte, dat tot een kerkelijke gemeente allen behooren, die in die kerk zijn gedoopt, en van welke gedoopten velen door het afleggen eener geloofsbelijdenis zich persoonlijk als lidmaten aan haar hebben verbonden.
Weer anderen verklaren: „eene kerkelijke gemeentequot; is eene vereeniging van personen, die tot een zelfde gezindte of onderdeel daarvan behoorenquot;.
Eindelijk is kort en krachtig ook hiervan deze definitie gegeven : „eene gemeente is eene eenheidquot;.
Ook ten opzichte der vraag: „wat is een Christelijke gemeentequot;, is het merkwaardig de verschillende antwoorden eens te vernemen.
Geen twee menschen zijn er, die zich in dezelfde bewoordingen uitdrukken.
De een zegt: „onder een Christelijke gemeente is te verstaan de vergadering der geloovigen, waarvan Christus het hoofd isquot;.
r?!gliJOTHfctK oer
rijksuniversiteit u t r e ch n
4
Ook hebben wij deze opvatting gehoord: „eene Christelijke gemeente is eene eenheid met zeer beslist karakter. Haar uitgangspunt, haar doel en haar toekomst is Christusquot;.
En zoo zouden wij gemakkelijk kunnen doorgaan, tal van definities te geven op dezelfde vraag
Welk eene verscheidenheid!
Zonder twijfel is het luisteren naar vele en velerlei stemmen zeer nuttig en noodig voor de ontwikkeling van eigen opvatting, en het is juist voor den nadenkenden mensch goed te weten, hoe de gedachtengang is bij velen onzer medemenschen.
Toch heeft dit ook zijne gevaarlijke zijde, vooral indien de een of ander zijne opvatting op een toon van gezag uitspreekt, en na het verkondigen zijner opvatting er direct op laat volgen: „dit antwoord (mijn antwoord) is taalkundig en historisch volkomen juistquot;.
Dan maakt zulk een woord indruk bij de „goê-gemeentequot; en vindt, helaas, ja helaas! bij velen ingang.
Zonder twijfel, de ééne mensch heeft veel meer zeggens-kracht dan de ander. Maar heeft daarom de eerste volkomen recht en de andere onrecht ? Immers neen! Waarheid en recht zijn één, en hangen niet af van de meer of mindere beslistheid , waarmede eene opvatting wordt uitgesproken, al vlecht men om zijn eigen woorden een nog zoo schoonen krans. Maar hoe zal men dan tusschen al die verschillende uitspraken te weten komen, welke de ware is? Het is toch van het hoogste belang dit te weten, overtuigd als wij zijn, dat de eenmaal gekozen uitspraak zulke verreikende gevolgen kan hebben voor den persoon zelf, voor de zijnen, voor de gemeente.
En ons antwoord is, dat de H. Schrift ons het richtsnoer kan zijn, voor ons leven, voor ons denken, voor ons handelen. De Bijbel in zijne heilige mysteries, en de Bijbel met zijne ontzaglijke klaarheid geleidt de zoekende ziel tot het eeuwige licht. Dit boek in al zijne verscheidenheid verbreekt elk men-schelijk stelsel en verkondigt de heerlijke eenheid Gods, ver verheven boven iedere menschelijke opvatting.
Het heeft toch God behaagd, in dat ééne boek, aan vele
5
geslachten, Zijne openbaringen te schenken, en het is Zijn wil, dat wij leeren hieraan volkomen genoeg te hebben. Uit dit boek alleen leeren wij Hem kennen, die het koninkrijk Gods op aarde heeft gesticht, en Hij is het eenige en vaste fundament van het Godsgebouw.
De Heer heeft gesproken, en omdat Hij spreekt, wat Hij van den Vader gehoord heeft, daarom is \'t waar.
Jezus zelf beroept zich op de Heilige Schriften met zijn ernstig „er staat geschrevenquot; en handhaaft daarmede het heilig recht van Gods woord, zooals het door Godsmannen en Profeten gesproken is. En wij, „kinderen der nieuwe bedeelingquot;, danken onzen God, dat wij ook door de H. S. Hem mogen leeren kennen, die de grootste openbaring is van God zeiven.
Waar God sprak op den berg der verheerlijking: „Deze is Mijn geliefde Zoon in den welken ik Mijn welbehagen heb, hoort Hemquot;, daar is \'t de Vader, die ons allen heen wijst naar den Zoon.
En de Zoon, die ons allen tot zich roept en trekt, bevestigt het groote woord: „dit is het eerste en groote gebodquot;: „Gij zult God liefhebben met geheel uw hart, met geheel uwe ziel, met geheel uw verstand en al uwe krachten, en het tweede hieraan gelijk, gij zult uwen naaste liefhebben als u zeiven.quot; De Vader wijst ons naar den Zoon en de Zoon leidt ons allen op tot den Vader. O, heerlijke openbaring, waar gij ons van verre doet zien en verstaan het woord: „Ik en de Vader zijn één.quot; — Deze éénheid is de ideale! Deze éénheid werkte uit, een zich zeiven geheel ten offer geven. Zij wordt alleen verstaan, waar men zich geloovig zet aan de voeten van den Heer, in Hem blijft, en waar \'s levens grondtoon is de reinste liefde! Hiervoor behoef ik geen bewijzen aan te halen, want die zijn Bijbel biddende leest, zal ook dit verstaan.
Hier is sprake van volkomen geestes- en levensgemeenschap met God, van volkomen eenswillendheid met den Vader.
Waar nu Christus door ons wordt erkend als het hoofd der gemeente, zoo vloeit daaruit als van zelf voort, dat de gemeente vergeleken mag worden met het menschelijke lichaam.
6
Een hoofd zonder lichaam is niets, en een lichaam zonder hoofd eveneens. Maar in zijn geheel vormt het „een menschquot;, wonderschoon in zijn samenstel, volkomen in harmonie in al zijn onderdeelen, gelijk hij is voortgekomen uit Gods hand.
Dit beeld nu is volstrekt niet nieuw. Immers de Apostel Paulus spreekt dezelfde gedachte uit in i Cor. 12 vs. 12, waar hij zegt: „Want gelijk het lichaam één is en vele leden heeft, en alle de leden van dit ééne lichaam vele zijnde, maar één lichaam zijn, alzoo ook Christus.quot;
En dan vervolgt hij :
vs. 13: Want ook wij allen zijn door éénen geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten , hetzij vrijen; en wij zijn allen tot éénen geest gedrenkt.
vs. 14: Want ook het lichaam is niet één lid, maar vele leden.
vs. 15: Indien de voet zeide: Dewijl ik de hand niet ben, zoo ben ik van het lichaam niet, is die daarom niet van het lichaam ?
vs. 16; En indien het oor zeide: Dewijl ik het oog niet ben, zoo ben ik van het lichaam niet, is het daarom niet van het lichaam ?
vs. 17: Ware het geheele lichaam het oog, waar zoude het gehoor zijn? Ware het lichaam gehoor, waar zoude de reuk zijn?
vs. 18. Maar nu heeft God de leden gezet, elk van dezelve in het lichaam gelijk Hij gewild heeft.
vs. 19: En waren ze allen maar één lid, waar zoude het lichaam zijn?
vs. 20: Maar nu zijn er wel vele leden, doch maar één lichaam, vs. 21: En het oog kan niet zeggen tot de hand: „Ik heb u niet van noodequot;, of wederom het hoofd tot de voeten: „Ik heb u niet van noodequot;.
vs. 22: Ja veeleer, de leden die ons dunken de zwakste des lichaams te zijn , die zijn noodig.
vs. 23: En die ons dunken de minst eerlijke leden des lichaams te zijn, denzelven doen wij overvloediger eere aan, en onze onsierlijke leden hebben overvloediger versiering.
7
vs. 24: Doch onze sierlijke hebben het niet van noode; maar God heeft het ïichaam alzóó samengevoegd, gevende overvloediger eere aan hetgeen gebrek aan dezelve heeft.
vs. 25 : Opdat geen tweedracht in het lichaam zij, maar de leden voor elkander gelijke zorg zouden dragen.
vs. 26: En hetzij dat één lid lijdt, zoo lijden alle leden mede; hetzij dat één lid verheerlijkt wordt, zoo verblijden zich alle de leden mede.
vs. 27: En gijlieden zijt het lichaam van Christus, en leden in \'t bijzonder.
Waarlijk, duidelijker behoeft het dan toch niet gezegd te worden, indien men hooren wil.
De gemeente, vergeleken met het lichaam in zijne groote verscheidenheid, is het bijbelse he antwoord op de vraag, wat wij onder gemeente verstaan moeten.
Christus het hoofd en wij allen, de leden, gevormd en geheiligd door Zijnen geest, te zamen die eenheid vormend, waarvan de Heilige Schrift telkens getuigt.
En gelijk het bloed het gansche lichaam doorstroomt, onderhoudt en voedt, zoo is het de liefde, die dit geheiligde lichaam doorstroomen moet, opdat \'t worde, zooals een Apostel het uitdrukte: „God alles in allen, allen één in liefde, want God is liefdequot;.
De Gemeente, het lichaam van Christus.
Dit bijbelsche antwoord, wordt helaas door velen, die den Bijbel Gods woord noemen, metterdaad bestreden. En waarom?
Indien men de verscheidenheid van leden wilde erkennen, zou men moeten toegeven, dat het lichaam niet alleen bestaat uit één lid; dat het niet onderhouden kan worden door één soort van voedsel; dat een dogmatiek, hoe kunstmatig ook toebereid, onmogelijk aan de behoeften van al de leden kan voldoen.
En dat wil men nu eenmaal niet erkennen.
8
Menig lid, gevoelt zich soms zoo gewichtig in eigen opvatting, zoo alles beheerschend oppermachtig, dat het alles naar zich toe trekken wil en de andere ledematen of miskent, èf door gebrek aan voeding wil laten afsterven.
Een droevige wanverhouding ontstaat dan door deze heersch-zucht. De gevolgen kunnen niet uitblijven, en een lijdend en zuchtend en vragend lichaam is het noodzakelijk gevolg.
Is de Ned. Hervormde gemeente van Groningen niet zulk een droevig beeld van deze allertreurigste eenzijdigheid? Welk een groot aantal jaren zijn daar thans alleen predikanten werkzaam, allen van één hoofdrichting.
Het bovendeel des lichaams (wij zullen die heeren de eereplaats geven) vond zich zelf veel belangrijker dan de onderste deelen des lichaams. Ja dat bovendeel, daar vond men toch eigenlijk de kracht, daar waren belangrijke organen, daar zetelde de kiem van het leven — en dat bovendeel moest nu alleen verzorgd worden. Immers deze ledematen waren het dichtst geplaatst bij het „hoofdquot; en dat was toch het voornaamste.
Nu zou het lichaam eens tot vollen wasdom komen, zoo dacht men.
En — de werkelijkheid?
Ja — de vergelijking in dit bijbelsche beeld doorgetrokken, brengt zij niet met sarcastische klaarheid de scherpsnijdende waarheid aan het licht?
De onderste leden van het lichaam, zij kwijnden, zij verzwakten , hunne kracht werd grootendeels gebroken en zij leven in zeer bescheiden mate slechts voort. Maar ziet — ook het bovendeel des lichaams — wat is het bedrogen uitgekomen.
Hoe meende het te loopen, zonder de voeten; hoe heeft het zich zelf veroordeeld om staande te blijven, omdat het stelselmatig zich alles toeeigende en aan de andere ledematen onthield, wat ze behoefden.
Hoe is die stilstand achteruitgang geworden, terwijl al de behoeften toenamen. Hoe klaagt en steent het, dat het aan de gestelde eischen niet kan beantwoorden. Wat moet het harde verwijten hooren, die dikwijls volkomen te rechtvaardigen zijn,
9
en het geenszins tot eere strekken. Zijn gedwongen stilstand, hoe is het feitelijk achteruitgang geworden.
Of kan er sprake zijn van bloei, als een gemeente in het ledental verdubbelde, terwijl het getal der leeraars \'t zelfde bleef?
Negen predikanten , toen Groningen 30 duizend inwoners telde, en nu nog negen predikanten, nu er ruim 60 duizend I zijn. En over eenige tientallen jaren, als Groningen 80 a 100
duizend inwoners zal hebben, zullen wij dan nog altijd ons negental bezitten ? Maar is dit niet een allerdroevigste stilstand, is \'t geen achteruitgang? Weet men wel, dat Rome hier 12 priesters heeft! En is het aan onze gemeenteleden wel bekend, dat in den tegenwoordigen tijd nog iedere drie maanden 10 of 12 of meerdere personen van de Hervormde kerk overgaan tot de Remonstrantsche gemeente te dezer stede Dit is een jaar-lijksche achteruitgang van 50 personen of gezinnen, en alleen veroorzaakt door de gruwelijke eenzijdigheid. De enorme schade, in stoffelijke en geestelijke opzichten, welke de Orthodoxie alhier aan de Herv. Kerk te Groningen hierdoor toebrengt, is niet onder woorden te brengen.
Hoe lang zal men deze afbrekings methode handhaven? En zal men de Evangelischen er straks ook willen uitdrijven, hetgeen men zeer gemakkelijk kan doen, door opnieuw aan ons onze billijke eischen te ontzeggen.
Is het geen erkende onzin een gemeente te willen opbouwen, door hare leden er uit te drijven.
Men zegge niet, dat de collecten in de laatste jaren iets vooruitgaande zijn — dat is mij wel bekend , en daarin verheug ik mij ook.
Maar de tegenwoordige fout in deze gemeente zit hierin, dat het gemeenschapsleven ontbreekt.
Het huisbezoek kan in de verste verte niet overzien worden.
De armenverzorging is allerdroevigst.
Men verwondert zich over de ongodsdienstigheid en men onthoudt het voedsel, waarnaar zoovelen hongeren. Wil men dan door deze eenzijdigheid komen tot samenwerking met andersdenkenden? Wil men de menschen tot kerksche menschen
lO
maken (in den goeden zin van het woord) door hen niet in de kerk te laten vinden , wat zij er begeeren, waarnaar hunne ziel dorst?
O, gemeente — het lichaam des Heeren heeft het zoo bitter noodig, dat al de lidmaten worden gevoed en gelaafd door Zijn Woord en Zijn Geest, elk naar zijn eigenaardige behoeften. De zucht tot gelijkheid der prediking is een onding, daar een ieder op zijn eigenaardige wijze zich blijft uitdrukken overeenkomstig zijn denken en gevoelen. En evenals hierin groote verscheidenheid is, zijn er ook in eene groote gemeente natuurlijk tal van behoeften. Die naar volkomen gelijkheid streeft, streeft naar den dood; waar leven is, is verscheidenheid.
Dat iedere Orthodoxe, die nog een drager en voorstander is der oude dogmatische opvattingen , zich de moeite eens wilde geven, zijne eigene vleeschelijke hand te beschouwen, en daarbij denke aan het bijbelsche beeld, waarbij de „gemeentequot; wordt vergeleken met het lichaam. Hij zal komen tot de erkenning der waarheid, welke Rückert zoo goed zegt:
„Gelijkheid vindt men zelfs niet bij de vingers van één hand.quot; „Verschillend is hun dienst, hun grootte en hun stand.quot;
Onthoud het der gemeente niet langer, wat haar toekomt, wat zij behoeft.
Genoemde stilstand is zoo noodlottig en de achteruitgang, welke hiervan een noodzakelijk gevolg is, heeft reeds zoo lang geduurd.
Als wij thans vragen om een Evangelisch predikant, dan is dit voor een niet te verachten deel der Gemeente een belangrijke voorwaarde, om zich nauwer aan onze gemeente aan te sluiten.
Wij hebben daar behoefte aan, en deze behoefte kunt gij niet ontkennen en gij hebt geenszins het recht ons hare vervulling te ontzeggen, omdat gij u verzadigd gevoelt aan uwen vollen disch.
En niet alleen wij hebben er behoefte aan, maar ook gij.
Het boven aangehaalde woord uit i Cor. 12 vs. 26 is zoo
waar; „hetzij dat één lid lijdt, zoo \'lijden alle de leden mede.quot; Ja, ons lijden is ook uw lijden ; onze onthouding van voedsel is uw stilstand.
Ook uit dit oogpunt bezien — indien gij zegt uwe gemeente lief te hebben — is het thans goed en noodig een Evangelisch predikant te beroepen. Daar zijn krachten genoeg nog aanwezig, die tot heil der gemeente mede willen arbeiden, indien aan deze slechts de gelegenheid wordt geschonken zich te doen gelden.
Men bewere niet, dat deze niet noodig zijn. De ellendige toestand dezer gemeente zegt in de eerste plaats genoeg. En zoo dit nog niet duidelijk genoeg spreekt; het treffende beeld, van het lichaam in al zijn verscheidenheid, spreekt toch luid genoeg van verschillende behoeften.
De gemeente is het lichaam van Christus. Hij is ons hoofd.
Rom. 12 vs. 3.
Want door de genade, die mij gegeven is, zeg ik een iegelijk, die onder u is, dat hij niet wijs zij boven hetgene men behoort wijs te zijn, maar dat hij wijs zij tot matigheid, gelijk als God een iegelijk de mate des geloofs gedeeld heeft.
vs. 4. Want gelijk wij in één lichaam vele leden hebben en de leden niet alle dezelfde werking hebben.
vs. 5. Alzoo zijn wij velen één lichaam in Christus, maar elkeen zijn wij elkanders leden.
vs. 6. Hebbende nu verscheiden gaven naar de genade, die ons gegeven is.
vs. Ta. Zoo laat ons die gaven besteden.
In deze tweede aanhaling uit de Heilige Schriften treedt opnieuw Paulus\' bedoeling helder en klaar aan het licht. De apostel Paulus, gansch doordrongen van de liefde Gods, welke zich zoo krachtig en op zoo menigerlei wijze openbaart, erkent de verschillende gaven, uitgedeeld door denzelfden geest. Wie zijn bijbel leest, eenvoudig, kinderlijk, zal steeds tot erkenning dezer groote verscheidenheid komen. Indien wij de woorden
12
lezen, waarmede Jezus op verschillende plaatsen, op verschillende tijden, verschillende menschen van zich laat gaan, dan weten wij, dat Hij, die ons beter kent, dan wij ons zelf kennen, juist aan die ziel dat woord mede gaf, wat voor hem een levenswoord zou worden. Die verscheidenheid van gaven, van behoeften , van talenten , van in- en uitwendige aangelegenheden, hoe omringt zij ons aan alle zijden en — men wil ze niet erkennen! ?
Velen houden liever met hand en tand vast aan menschelijke leerstelling, dan dit te erkennen in de Heilige Schriften.
Maar dit is toch tegennatuurlijk!
Het is tegen de ordeningen Gods, die ons eiken dag en ieder uur wijst, zelfs in ons eigen lichaam, op de grootste verscheidenheid. En toch —
Ja, het „en tochquot; des geloofs blijft zeggen, gij zult eens tot de erkenning moeten komen, dat er behoeften bestaan, welke gij niet hebt vermoed.
Dat er in de gemeente stoffelijke en geestelijke nooden zijn, die gij hebt miskend en verwaarloosd.
Dat de gemeente, d. i. het lichaam, bestaat uit vele leden, die niet afgesneden kunnen en mogen worden.
Het „en tochquot; des geloofs handhaaft het vertrouwen op den Heer. Op zijn tijd zal het onnatuurlijke keurslijf worden weggeworpen en de koninklijke wet der liefde zal de gemeente leiden.
Of meent gij niet en gevoelt gij niet, de groote bitterheid, die er ontstaat, en die alleen getemperd kan worden door het vertrouwen op het Godsbestuur, nu men zijne kinderen niet kan geven, hetgeen men als het hoogste en heiligste voor hen acht. O, dat verschrikkelijke tyrannieke van de helft plus één stem (de meerderheid) over de helft min één stem (de minderheid).
De menschelijke instelling, „de meerderheid van stemmen beslistquot;, toegepast in zijn consequentie\'s, is zoo hard en wreed, indien de geest van Christus dit gebruik niet heiligt. De minderheden hebben ook hun kinderen, die zij liefhebben. Hun
l3
streven en zoeken en bidden voor die kinderen gaat ook uit tot het verlangen, om hun het beste te geven, wat hun ouders kennen.
Wij, Evangelischen, wenschen onze kinderen door Evangelische predikanten godsdienstonderwijs te doen geven. Wij achten dat, naar onze heilige overtuiging, als het beste voor hen. En wij ontzeggen aan iedereen het recht, ons hierin te tyranniseeren. Deze vrijheid — volkomen gerechtvaardigd — wenschen wij een ieder toe, maar eischen haar ook voor ons zelf.
Zegt niet — „wij hebben uwe kinderen ook lief.quot; Best mogelijk!
Maar wilt gij , vreemde, de moederliefde vervangen; of wilt gij datgene verbeteren, wat een vader, onder heilig opzien tot zijn God, meent het beste te zijn voor zijn kind.
Immers, neen — hier moet het eerlijk gemoed in den waren Christen tot erkenning komen, dat aan dat billijk verlangen der ouders onder de Evangelischen moet voldaan worden. Daarmee zal ook worden voorkomen, dat ouders onder ons hun kinderen zenden naar de cathechisatiën van Remonstranten of Doopsgezinden.
Welnu dan, gij, die dit erkent, geef ons dan nu een Evangelisch predikant!
O, had men dit bedacht, vóór dat men de anderen zoo hard had uitgestooten1 Had men gevoeld de nooden der gemeenschap! Had men willen luisteren naar de teedere vragen van zoekenden! Had men erkend de groote waarheid: „verscheidenheid van gavenquot;, „verscheidenheid van behoeftenquot;, in het lichaam van Christus, d.i. in Zijne gemeente; hoe anders zou men hebben gehandeld!
Nu langen tijd geleden, toen uit het starre confessionalisme, door de groote beweging van Prof. Hofstede de Groot Sr., c.s. Jezus Christus als het middelpunt der Evangelieprediking werd gepredikt en aanbevolen, en het beginsel der vrijheid in Christus meer erkend werd, konden velen zich daarmede niet vereenigen.
De tijd brak daarna weder aan, dat de Orthodoxen het heft in handen kregen, en hoe hardhandig betoonden ze zich. Ge-
14
holpen door de Evangelischen , verstieten zij deze onmeedoogend, toen zij het wel zonder hen meenden te kunnen stellen. Het „wij alles, en gijlieden nietsquot; heeft van toen af geregeerd, en daarmede nam en behield zij alle predikants-plaatsen in hun bezit. Zij ontkende op .haar beurt weer anderer behoeften, vroeg minder naar bekwaamheid en geschiktheid, dan naar zuiverheid in de leer en eischte eene onderwerping aan hunne inzichten.
Men bedacht niet, en helaas nog veel te weinig, de eenvoudige waarheid, dat degene, die op \'t kussen worden geplaatst, ook op \'t kussen willen blijven, daarbij vergetende en miskennende het vele goede, dat te vinden is bij andersdenkenden.
Hierin is een merkwaardig onderscheid tusschen de Orthodoxen en Evangelischen, dat de Orthodoxen gewoonlijk eerst vragen naar rechtzinnigheid en dan naar bekwaamheid (getuige de tegenwoordige samenstelling van \'t kiescollege, bijzondere en algemeene kerkeraad en diaconie, waarin enkel de Orthodoxie zitting heeft, behoudens een enkel evangelisch lid), terwijl de Evangelischen al de goede krachten, die in de gemeente liggen , pogen dienstbaar te maken aan de kerk in geheel haren omvang.
Heeft de Orthodoxie zelfs, in heftige tijden, niet de volgers der dogmatische richting met weinig ontwikkeling verkozen boven mannen met uitnemend verstand en hartelijke liefde voor hunne kerk?
Ja, die tijden zijn er helaas .... geweest!? Maar Gode zij lof — de tijden en gelegenheden zijn in Zijne hand. Ruin twintig jaren hebben honderden hier thans dit juk gedragen; wat hun werd opgedrongen, wenschten velen niet — en \'t geen zij vroegen, gaf men hun niet.
Waar dit alles uit voorkomt? Naar mijn bescheiden meening (en ik geef haar gaarne voor beter) ontbreekt nog al te zeer het hooge ideaal, hetgeen gelegen is in de woorden des Heeren: „het koninkrijk Gods is midden onder ulieden.quot; De goede bedoelingen van andersdenkenden worden helaas dikwijls zoo weinig erkend en verstaan en zoo hard gecritiseerd. Ieder
ÏS
meent „de waarheidquot; te hebben, zich daarbij beroepende op het woord der H. Schrift, „dat de Heilige Geest u zal leiden in al de waarheidquot; — vergetende echter, dat deze woorden aan al de discipelen gezegd zijn en niet tot één persoon. Dit ongelukkige, onbijbelsche standpunt: „ik heb de waarheidquot; — is volkomen in strijd met het woord der schrift. Paulus getuigt in Cor. 13 vs. 9, „wij kennen ten deele, en wij profeteren ten deele,quot; en toont hiermede aan onze zwakheid en kleinheid in alle opzichten, ook in ons kennen en weten. Deze gedachte spreekt hij nogmaals uit in het 12 vs. van hetzelfde hoofdstuk, waar hij zegt: „nu ken ik ten deele.quot;
Het is toch hierdoor duidelijk, dat de mensch, die meent „de waarheidquot; te bezitten, zich zeiven bedriegt en op een dwaalspoor begeeft, waaruit veel droevigs kan en moet voortkomen.
Och, dat wij toch allen overtuigd mochten worden, dat al ons werk maar stukwerk is. Dat ons weten zoo bedroefd weinig is, ons geloof zoo zwak, dat er een oneindige liefde en barmhartigheid noodig is, om dat onwillige, wederstrevende menschenkind vatbaar te maken voor \'t bezit en \'t genot der hemelsche vreugde.
Indien wij hiervan overtuigd waren of worden, dan houdt op datzelfde oogenblik op de overheerschende gedachte: „ik weet het beter dan gij,quot; \'t geen het droevig gevolg is van het dwaalbegrip: „ik heb de waarheidquot;.
Laat ons toch in liefde elkaar dragen helpen en steunen en laat toch deze erkenning tot een ieder onzer persoonlijk doordringen — dat er behoeften en nooden zijn buiten mij, die ik niet ken of vermoed. De erkenning dezer waarheid spore ons aan tot liefderijke hulp. Mijn hooggewaardeerde leermeester heeft het zoo uitnemend gezegd in deze woorden : „Niet heer-schen, maar dienen, niet twisten, maar Christus volgen, niet uitsluiten, maar noodigen, is de taak der gemeente.quot;
De Orthodoxie heeft eiken Zondag in deze gemeente, wat zij begeert, zij onthoude het dan den Evangelischen niet langer, ook een predikant te hebben naar hunne behoefte. Bedenkt
i6
het toch; de volkomen billijkheid dezer vraag komt het sterkst uit in de liefde en zorg voor onze eigene kinderen.
Gij zoekt het beste uit voor uw kind; — dat wenschen wij, onder biddend opzien, ook te doen voor de onzen en daarom vragen wij een Evangelisch predikant. —
En thans, Gode zij dank, de erkenning der verscheidenheid is doorgedrongen tot onzen tegenwoordigen bijzonderen ker-keraad.
Met eene groote meerderheid van stemmen is Vrijdag 2 December 1898 aangenomen (wel tot wederopzegging toe) , dat aan de Evangelischen, op hun verzoek, toestemming verleend werd, om voor \'t vervolg de Godsdienstoefeningen der Evangelische predikanten geregeld mede te mogen annonceeren op \'t kerkbriefje onder de gewone morgendiensten der Hervormde predikanten.
Dit besluit is met groote blijdschap begroet, en dankbaarheid vervulde ons hart. Hierin heeft men dus ons goed recht toegestemd en gevoele men dan nu ook de groote inconsequentie, die men begaan zou, door ons Evangelischen thans een predikant te weigeren.
Hoe zou de gezindheid en het gevoel tegenover de Hervormde kerk weder bij honderden geheel veranderen, als men aan den billijken eisch gehoor wilde geven en eindelijk eens een Evangelisch predikant ging beroepen.
Wat zouden er weer velen in de kerk komen en hun kinderen ter kathechisatie zenden, wie men nu — helaas zeer onrechtvaardig en zeer onbillijk — hun onkerkelijkheid verwijt.
Wat zou bij menigeen de oude liefde voor het gemeenschappelijk gezang en gebed weer ontwaken in die oude, zoo goed bekende gebouwen.
VVat zou de groote waarheid, dat wij allen elkaar noodig hebben en dienen moeten en mogen, hier een gezegende verandering kunnen brengen.
Gij, leden van het kiescollege, die thans geroepen zijt, een viertal weder te gaan formeeren, en daarna een predikant te
i7
benoemen, mogen thans de wenschen der Evangelischen u werkelijk ter harte gaan.
Gedenkt, dat wij allen dragers zijn van een „gedeelte der waarheid.quot; Gedenkt, dat wij Evangelischen voor een groot bedrag mede dragen de lasten en de verplichtingen der kerk, en dat het daarom ook rechtvaardig is in de voorrechten te mogen deelen.
Gedenkt, dat wij ook tot de gemeente behooren, dat Christus door ons allen erkend wordt als ons aller hoofd. Laat geen tweedracht ons verscheuren, maar laat liefde, liefde werken
Gij, voorgangers der gemeente en leden van \'t kiescollege en die ons allen thans vertegenwoordigt, weest navolgers van Christus en gij zult liefde oogsten
Zegent — en veroordeelt niet.
Werkt thans mede, om een Evangelisch predikant te benoemen ; wij hebben u noodig, en ■gij hebt ons noodig; wij zijn elkanders leden.
Daarom is het een „gemeentebelangquot; thans, in de rijke betee-kenis van dat woord, dat er een Evangelisch predikant worde benoemd.
Dat schenke ons onze God, van VVien onze hulpe is.
Tot hiertoe heb ik in hoofdzaak meer behandeld „het goed-recht der Evangelischenquot; en dit gegrond op het bijbelsche standpunt der eenheid in de gemeente, die zich openbaart in de verscheidenheid, evenals het lichaam één is, en zich openbaart in de groote verscheidenheid der leden onderling. Ten tweede was deze eisch gegrond op een ander „bijbelwoordquot;, waarop wij Evangelischen staan, n.tn.: dat wij erkennen en belijden , dragers te mogen zijn van een „gedeelte der waarheidquot; en daarom tegelijk erkennen, dat een ander door Gods goedheid geleid, langs zeer andere wegen, ook kan komen tot inzichten der waarheid, die wij niet zien.
Deze gedachten liggen in de schoone woorden „Geloof en Vrijheidquot; en daarom kunnen en mogen wij, Evangelischen, op zijn tijd ook volgaarne orthodoxe predikanten benoemen.
i8
Thans ga ik meer speciaal behandelen en aantoonen, dat het een „gemeentebelangquot; is, dat nu een Evangelisch predikant worde benoemd.
Ja, dat het in het belang der Orthodoxie is, wanneer aan den wensch der Evangelischen wordt voldaan.
Dit mag oogenschijnlijk vreemd klinken. Toch is \'t waar. En waarom? In de eerste plaats antwoord ik, opdat de Evangelischen in de gemeente zullen blijven en zij , \'t zij in massa of in kleiner of grooter getale, niet gedwongen worden haar te verlaten.
Een onzer geachte Evangelische medeleden heeft zich de moeite getroost, om na te gaan, hoeveel de Evangelischen en leden, die zich bij ons hebben aangesloten, jaarlijks mede bijdragen in den hoofdelijken omslag. Het resultaat van dit onderzoek is \'t navolgende :
Er is betaald van den Kerkelijkerr Hoofdelijken Omslag over 1897 de som van /6970,13. Hierin is begrepen, wat op „Aanmaningquot; k 5 ct. betaald is. Van genoemde som is door de leden, begunstigers en begunstigsters der Evangelische Kiesver-eeniging betaald /2429,47. Derhalve (buiten enkelen, die zich niet aansloten) ruim /100.— meer dan één derde.
Na waarschuwing bleef onbetaald /1756,87, waarvan kan aangetoond worden , dat bijna 80 0/0 komt ten laste der Orthodoxen.
Welnu dan — ziedaar de nuchtere en harde waarheid, en ik vraag, is de tegenwoordige toestand dan niet een oorzaak van groote ergernis?
Een beroep dan op allen in de gemeente, die gevoel hebben voor recht en billijkheid. Het goed recht der Evangelischen moet erkend worden en gehandhaafd.
Men zie dus toe, wat men gaat doen, door tegen ons, Evan-lischen, de massa op te zetten en onrechtvaardig onze billijke eischen te blijven weigeren.
In de tweede plaats is het in het belang der armverzorging. De groote tegenstelling der opbrengst in de jaarlijksche winter-collecte tusschen een stad als Leeuwarden (met Evangelische meerderheid) en Groningen (met Orthodoxe meerderheid). Al-
19
daar werd in de laatst gehouden wintercollecte wederom /3985,80 gecollecteerd, terwijl de Groninger wintercollecte slechts ƒ 1197,50 opbracht. Bovendien ontvangt de Diaconie aldaar zeer dikwijls extra-giften in de kerkcollectes, zooals dat kerkebriefje onder dankbetuiging kan vermelden. En dan wete men nog dit, dat reeds vele jaren een extra jaarlijlcsche gift van ƒ 1000.— inkomt. Zie, dat zijn de vruchten der gemeenschap, van het handhaven van het goed recht, van het waardeeren van het goede ook in anders denkenden. Het zijn de natuurlijke vruchten van de toepasssing van het apostolisch woord, „dat men den ander uitnemender achtte dan zich zelvequot;, welke gedachte verschil in gaven en denkwijze erkent en weet te waardeeren.
In de derde plaats spreek ik het onomwonden uit, dat het thans mede een orthodox belang is, een Evangelisch predikant te beroepen — zullen „de gematigde Orthodoxenquot;, nl. deethischen, zelf in de kerk blijven. En ik wil u leiden naar Leiden, waar het confessionalisme (zooals wij hier in Groningen zeggen de Kohlbruggianen, het heft in handen heeft gekregen, en nu onmeedoogend, in hare eigengerechtigheid en met hare incon-sequentie\'s de alleenheerschappij wil voeren en de gematigde Orthodoxie op hare beurt er zal uitdrijven.
Men moest de klachten eens vernemen der tegenwoordige gematigd Orthodoxe predikanten aldaar!
Gij hebt het gehoord, Orthodoxie, uit den mond van een uwer eigen leeraars : „Beginselen zijn tyranniekquot;, en waar het confessionalisme ook in hare verblinding de absolute waarheid meent te bezitten, daar duldt zij U niet naast zich. Men zie dus toe, gij gematigde, ethisch Orthodoxen , die nog de meerderheid hebt; het is in uw belang, dat wij Evangelischen in de kerk blijven, want zoo gij er ons thans wilt uitstooten, gij levert u zeiven over aan dat Kohlbrugianisme.
Welnu dan, waar deze dingen zoo zijn, waar zij zoo eenvoudig en klaar voor ons liggen, laten wij de waarheid toch aanvaarden, en er ons niet afmaken, met de betuiging: „och \'tis zoo erg niet, en \'t zal zoo\'n vaart niet nemen.quot;
Voor hen, die zien willen, is \'t toch zoo, en daarom.
20
wij vorderen U op, en wij vragen van U, die de meerderheid hebt, dat gij, Orthodoxen, thans met ons een Evangelisch predikant gaat benoemen.
Wij doen een beroep op U, in de eerste plaats, hooggeleerde Heeren Professoren, die in de Orthodoxe kringen het meest bekend zijn en wier namen ik niet behoef te noemen. Gij mannen, met uwe uitgebreide kennis, met uwe groote welsprekendheid, met uwe warme harten voor de belangen der gemeente, gij zijt het, die door uw grooten invloed ons een Evangelisch predikant kunt bezorgen.
Gij hebt nog met de uwen de meerderheid — gij kunt — indien gij wilt
En dan een beroep op U, Predikanten en kerkeraadsleden en mede-diakenen, wien het te doen is, om den bloei der gemeente, die gij liefhebt en niet alleen om de macht of heerschappij.
Met belangstelling zullen velen vernomen hebben , het groote cijfer, dat wij jaarlijks bijdragen tot instandhouding van den eeredienst. Wij deelen de lasten, onthoudt ons niet langer onze rechten.
De vraag van ons, Evangelischen, is goed en rechtvaardig.
En dan eindelijk een beroep op U, gemeenteleden, die, \'t zij lid van \'t kiescollege, \'t zij daarbuiten staande, beseft het billijke van ons verzoek.
Zeker, wij hebben de minderheid in getal, maar zijn daarom nog niet de minderheid in kracht en liefde tot onze kerk.
Het zal nu weder blijken en duidelijk aan het licht treden, welke hoofdbeginselen hier de Orthodoxe meerderheid bezielt. Aan hare zijde is de tegenwoordige meerderheid in \'t kiescollege en daarvan zal het op den duur wederom afhangen, wat vele ouders met hunne kinderen zullen doen.
Ik ben er zeker van, dat velen liever hunne kinderen ter catechisatie zullen zenden, alwaar geleerd wordt „de liefde, zonder leerrechtzinnigheidquot;, dan ze te laten onderwijzen in een Christendom, dat de verdraagzaamheid en dus den geest van zijnen stichter verloochent.
Hiervoor beware de Hemel onze kerk, die haar protestantsch karakter zeker zou verliezen. Neen — daar zijn nog mannen in ons midden, die door een gansch ander beginsel bezield worden, en hunne krachten inspannen om de belangen der protestantsche volksgenooten onderling opnieuw te verbinden en te bevorderen.
Zijn op 31 Augustus \'98 niet voor duizenden uitgesproken en met warme sympathie begroet, deze woorden:
„Laat ons het gemeenteleven versterken door de gemeente-„lijke instellingen te steunen, onze armenzorg, ons godsdienst-„onderwijs, onze Bijbelverspreiding en ook in ons maatschappelijk „verkeer aan onze geloofsgenooten gedachtig zijn. In de 16de „eeuw begon de victorie van Alkmaar, Feestgenooten, laat „nu de victorie van Groningen uitgaan. Bindt het gemeente-„leven aan!quot;
Welnu dan, de theorie is goed, de practijk is beter.
Grooter victorie voor de Orthodoxie is nauwlijks denkbaar dan deze, dat een Orthodoxe meerderheid gelegenheid geeft tot de benoeming van een Evangelisch predikant. Zou zij deze rechtvaardige zaak aandurven ! ?
Hoewel wij het antwoord natuurlijk niet volkomen met zekerheid kunnen zeggen, gelooven wij toch van „jaquot;.
Het komt er slechts op aan , dat zij begrijpen wil het goed recht der Evangelischen.
„Wat willen die Evangelischen tochquot;, zoo heeft reeds menigeen gevraagd, en zou het antwoord helaas niet al te vaak bezijden de waarheid zijn geweest?
Het is daarom goed in dit betoog ons nog eens duidelijk uit te spreken, opdat zij, die willens of onwillens tegenstand bieden, zullen kunnen weten, wat zij doen.
Wij erkennen in de eerste plaats het goed recht der Orthodoxie. Zij heeft in de hervormde kerk haar historischen grondslag en haar levensgeschiedenis. In het groote kader van het protestantisme is zij op haar plaats, en zal zij haar invloed doen gelden. In elke groote gemeente heeft zij recht op predikantszetels enz., en dit goed recht moet erkend worden. Tegen-
over deze erkenning van het recht der Orthodoxie staat volkomen gelijk het recht der Evangelischen. Ook dit heeft zijn histori-schen grondslag, zijn levensgeschiedenis, hoewel, dit erkennen wij, van veel jongeren datum. In het groote kader van het protestantisme, dat het beginsel der geloofsvrijheid is, is het op zijn plaats en hoewel nog kleiner in aantal aanhangers, zal het zijn invloed eveneens steeds doen gelden.
Waar wij als Evangelischen alzoo een deel uitmaken onzer Hervormde kerk in Groningen, en welk een belangrijk deel, zooals uit vorenstaande cijfers is bewezen, daar heeft dat deel der gemeente ook volkomen recht op predikantsplaatsen in deze gemeente.
Daarom spreken wij het onverholen uit, tot een ieder, die het hooren wil of niet: „het goed recht in dezen strijd om een predikantsplaats is aan onze zijdequot;. En dit bewustzijn, maakt ons sterk. De zaak, die wij voor hebben, is rechtvaardig, is goed. Wij protesteeren tegen de Orthodoxie, indien zij alles voor zich blijft houden en geen predikantsze^els voor ons Evangelischen open laat. Dit gevoel voor rechtvaardigheid is de groote motor der beweging voor ons Evangelischen. Wij worden bestreden; o zeer zeker, op allerlei opene en verborgen wijze. Men beschuldigt ons van heel veel leelijke zaken, en allerlei verhalen doen soms de ronde, maar wat hindert dat voor het eigen bewustzijn, indien men slechts voor zich zeiven de volkomen zekerheid heeft, dat de eisch, die men stelt, voor zich, voor zijne kinderen, rechtvaardig is.
Hoe dikwijls hebben wij niet getuigen moeten zijn, dat men zelfs op den kansel, onder de heerlijke evangelie prediking zich niet ontzag, om allerlei lage bedoelingen, toe te schrijven en scheeve voorstellingen van ons, Evangelischen te geven. Wat heeft de Heer ook in dit opzicht weder een waar, ons bemoedigend woord uitgesproken, toen Hij zeide: „Mijne kracht wordt in zwakheid volbrachtquot;.
En dit woord van den Heer heeft reeds menig moeilijk oogen-blik ons gesteund en geholpen, waar wij de kleinheid van den spreker zagen in zijne onwaarheid.
23
Het geloof in onzen God, die de rechtvaardigheid lief heeft — de volkomen zekerheid, dat het goed recht is aan onze zijde, zal ons moedig voorwaarts doen gaan, zoolang wij geroepen worden in deze gemeente te arbeiden.
Wat kan er dan toch tegen zijn, dat aan het goed recht der Evangelischen voldaan wordt? Overtuigd als ik ben, dat er onder de tegenwoordige kiezers nog genoeg zijn, die een hart en een oog hebben voor dat goed recht, gaan wij bemoedigd de toekomst tegen. Op den duur zal het recht zegevieren, en die op zijn\' God vertrouwt, komt nimmer bedrogen uit. Welnu, wij wagen het met Hem!
„Hebt lief! Het leven vliedt, terwijl het nimmer keert,
„Te kort is \'t om te haten,
„Als nauwlijks de eerste les der liefde werd geleerd „Moet de Aardsche school verlatenquot;.
Onder al den strijd en bij het verschil van inzichten waar-deeren wij hierom de Hervormde kerk zoo zeer, omdat, krachtens haar protestantsch beginsel, zij zooveel verscheidenheid van denkwijze kan bevatten. Indien wij slechts mogen leeren, dat de inzichten in vele dingen altijd verscheidenheid met zich meebrengen. Elk geloof toch is niet groot, om de kracht, waarmede men gelooft, maar om de waarheid die men gelooft.
Wij, Evangelischen, bestrijden niet de Orthodoxie, maar ons bedoelen is om vele Hervormden, die tot onze kerk behooren en nu daar buiten voortleven, daarin terug te brengen.
Ons streven heeft alzoo de bedoeling van toe te brengen en onze gemeente op te bouwen.
Want wij spreken het vrijmoedig uit, dat wij liever de men-schen in onze kerken zien, dan te ervaren, dat ze deze nimmer bezoeken. Hoe dikwijls is aldaar niet een zegen ontvangen! Wij hebben behoefte aan Evangelische predikanten tot bloei der gemeente en tot een rijken zegen van velen, voor hen zelven, en hunne kinderen.