-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-

X, /ƒ,

OPEN BRIEF

AAN DEN HEER

J. H. W. CORDES,

Oud-Inspecteur van het Boschwezen in Nederlandsch-Indië

EN

AANTEEKENINGEN

OP

HET ARTIKEL „HET BOSCHWEZE^ m N. I.quot; in de I. Gids van December 1894.

BATAVIA

G. KOLFP amp; Co. 1895.

-ocr page 4-
-ocr page 5-

OPEN BRIEF

aan den heer

J. II. W. CORD ES,

Oud-Inspecteur van het Boschicezen in Nederlandsch-Indië.

HoogEdelGestrenge Heer,

In de December-aflevering van de Indische Gids komt een opstel van Uwe hand voor, dat de strekking heeft om te waarschuwen tegen eene uitvoering van de bestaande plannen tot reorganisatië van het boschwezen in hidië, en zulks naar aanleiding van eenige door den Heer Bruinsma in datzelfde tijdschrift gepubliceerde artikelen, getiteld: „Het boschwezen in Neder-landsch-Indië.quot;

Van den inhoud van Uw opstel is door ons niet zonder pijnlijke bevreemding kennis genomen, want hoewel door U verzekerd wordt, dat het vermoeden, als zoude men wantrouwen, trachten te verwekken in het beleid van de ambtenaren, die thans met het beheer der bosschen op Java belast zijn, allen grond mist, zoo kunnen wij in Uwe critiek moeilijk iets anders zien, dan eene poging om de thans in behandeling zijnde voorstellen tot hervormig van het boschwezen, schipbreuk te doen lijden, juist nu die voorstellen, blijkens het in de Kamerzitting van 23 November jl. tusschen den Minister van Koloniën en den Heer Cremer verhandelde, kans hebben op eene gunstige ontvangst.

Het is U voorzeker even goed als ons bekend, hoe moeilijk het is hervormingen op het gebied van ons Indisch boschwezen

-ocr page 6-

_ 2 —

tot stand te brengen, en wij betreuren het daarom des te meer, tegenwerking te moeten ondervinden van eene zijde, waarvan wij die het allerminst verwacht hadden. In liet belang van den tak van dienst, waartoe wij ondergeteekenden allen sedert een reeks van jaren behooren, rekenen wij het ons ten plicht om protest aan te teekenen tegen Uw optreden en tegen de in Uw jongste Gidsartikel gegeven voorstellingen.

Vóór alles heeft het onze aandacht getrokken, dat U zich van het uitspreken van een zoo beslist oordeel over de hier aanhangig gemaakte voorstellen niet heeft laten weerhouden door de overweging, dat U reeds sedert een achttal jaren buiten alle bemoeienis met het Indisch boschbeheer staat. Immers ondergeteekenden, die allen reeds sedert verscheidene jaren als ambtenaar bij het boschwezen in dienst waren op het tijdstip, toen U Indië verliet, kunnen eenstemmig verklaren dat het boschwezen op Java sedert 1887 eene geheel nieuwe ontwik-kelings-phase is ingetreden, en dat er in alle onderdeden van den dienst een belangrijke vooruitgang valt te constateeren. Wij wenschen de oorzaken niet na te gaan, waaraan het te wijten is, dat er vóór 1887 zooveel minder werd gepresteerd, en wij willen evenmin uit het oog verliezen, dat een tak van dienst, die onder zoo moeilijke omstandigheden werkt als het boschwezen op Java, tijd noodig heeft om zich te ontwikkelen; doch het is een feit, dat de tegenwoordige toestand zeer gunstig afsteekt bij dien, welken wij ondergeteekenden allen vóór 1887 hebben gekend. En wanneer wij nu bedenken, dat ü uit eigen aanschouwing onmogelijk bekend kunt zijn met de omstandigheden, waarin het boschwezen thans op Java verkeert, evenmin als U aandeel heeft gehad aan het werk der laatsie jaren, dan gevoelen wij ons tot eenigen twijfel gerechtigd aan Uwe bevoegdheid om een oordeel uit te spreken over voorstellen, die grootendeels een natuurlijk gevolg zijn van do toestanden, zooals die zich sedert 1887 ontwikkeld hebben.

Bijna alles wat tot nu toe op het gebied van boschinrichting is tot stand gebracht, dateert van na Uw vertrek uit Indië,

-ocr page 7-

en ook eerst sedert 1887 wordt er bij de inrichting op systematische wijze en volgens bepaalde voorschriften te werk gegaan.

quot;Wel is waar werd door ü ruim dertig jaren geleden beproefd een regeling van de exploitatie der djatibosschen van de residentie Remhang tot stand te brengen, en werd er in het boschdistrict Japara gedurende de jaren 1881 t/m. 1885 op vrij uitgebreide schaal aan de inrichting der bosschen gewerkt. Doch aan de door U voorgeslagen exploitatie-regeling in Rembang is om zeer gegronde redenen nooit uitvoering gegeven; en wat het inrichtingswerk in het boschdistrict Japara betreft, dit moest, zooals U zich zeker wel herinneren zult, spoedig weder gestaakt worden in verband, zoowel met de daarbij begane technische en administratieve fouten als de onbevredigende finantieele resultaten, welke het toenmalig beheer van dat boschdistrict opleverde.

Overigens werd er destijds slechts hier en daar op weinig beteekenende schaal en zonder eenheid van methode aan de boschinrichting gewerkt. De resultaten van dien arbeid zijn dan ook voor een groot deel weder verloren gegaan.

De ondervinding, welke in de laatste jaren op Java omtrent boschinrichting is opgedaan, ontbrak vóór 1887 bijna geheel, en het wekt daarom bevreemding, dat de op die ondervinding gebaseerde plannen door ü van uit Europa veroordeeld worden, en dat ü van daaruit zelfs den weg tracht aan te wijzen, dien men voortaan bij de inrichting der bosschen op Java zal hebben te volgen. Wij kunnen hier niet in bijzonderheden treden, doch wenschen slechts één voorbeeld aan te halen ten bewijze, dat U zich van de tegenwoordige toestanden bij het boschbe-heer in Indië eene geheel onjuiste voorstelling maakt. Waar-sciiuwende tegen de uitgaven, aan eene behoorlijke boschinrichting verbonden, zegt ü op blz. 1914 van üw artikel: „en dan wil hijquot; (d. i. de Heer Bruixsiia) „langs de grenzen, om de „honderd meters afstand een massief houten, steenen of aarden „grensteeken geplaatst zien, en zulks over eene lengte van vele „duizende kilometers!quot;

Welnu, sedert 1887 is uit talrijke gevallen gebleken, dat eene

-ocr page 8-

afbakening met massief houten grensteekens op de bovenbedoelde wijze niet meer kost dan gemiddeld zes gulden per kilometer. Wij gelooven niet, dat iemand, die de waarde van eene nauwkeurige en permanente vastlegging der boschgrenzen beseft deze uitgave hoog zal noemen of buiten verhouding tot het daarvan te trekken nut.

Doch niet alleen op practisch gebied, ook daar, waar het algemeene beginselen op het punt van boschinrichting geldt, verschilt Uwe opvatting aanmerkelijk van de onze. Het is ons aller overtuiging, dat eene boschinrichting, die ter wille van de goedkoopte aan juistheid, volledigheid en duurzaamheid te wen-schen overlaat, in elk opzicht onraadzaam is, en voorts dat de algemeen als juist erkende stelling, dat aanleg van wegen een der krachtigste middelen tot waarde-vermeerdering der bosschen is, even goed voor Indië als voor Europa geldt.

Zooals uit Uw artikel blijkt, worden de in Indië geraamde cijfers voor de toekomstige productie der djatibosschen door U te hoog geacht, en meent U zelfs ernstig te moeten waarschuwen tegen eene gevaarlijke opdrijving van den houtaankap. Eene dergelijke waarschuwing in den mond van een Oud-Inspec-teur van het boschwezen moet voorzeker eenigen indruk op het publiek maken. Intusschen hebben wij, Indisch boschambtenaren, ons met verwondering afgevraagd, op grond waarvan U die waarschuwing noodig kunt hebben geacht. Zooals uit de hier aanhangige voorstellen tot reorganisatie alsmede uit de reeds voltooide of nog in bewerking zijnde bedrijfsplannen ten duidelijkste blijkt, ligt het juist in de bedoeling om den aan-kap vooralsnog te regelen naar de oppervlakte en niet naar houtmassa en bijgroei. De voorstelling, dat de hier bestaande plannen erop gericht zouden zijn, om de productie tot een ongemotiveerd hoog cjjfer op te drijven zonder rekening te houden met de toekomst, is zoo onjuist mogelijk. Integendeel leveren de sedert Uw vertrek uit Indië voor een aantal boschdistricten opgemaakte kapplaunen een waarborg tegen te hooge opvoering der exploitatie op, dien men in Uw tijd niet bezat.

-ocr page 9-

De in het artikel van den Heer Bruinsma vermelde cijfers, hebben slechts betrekking op de vermoedelijke resultaten van eene op de oppervlakte gebaseerde regeling van den aankap.

Hoe globaal die cijfers ook zijn, toch kon bij de raming daarvan over een veel grooter aantal en over veel deugdelijker gegevens worden beschikt, dan vóór 1887 ten dienste stonden. Niet alleen heeft men in de laatste jaren meer en juister cijfers kunnen verzamelen omtrent de opbrengst van in exploitatie zijnde boschperceelen, maar ook de algemeene beschrijving der djatibosschen — waarmede eerst na Uw vertrek van Java een begin is gemaakt — heeft tal van gegevens opgeleverd, die men vroeger niet bezat.

Tegenover de thans hier aanwezige cijfers kunt U slechts de herinnering stellen aan de meer of minder juiste indrukken, welke door U vele jaren geleden van de djatibosschen op Java zijn opgedaan. En dat die herinnering U hier in den steek laat, blijkt op in het oog vallende wijze, wanneer men de toekomstige opbrengst der djatibosschen op Java berekent volgens de gegevens van de door U opgemaakte en herhaaldelijk in Uw artikel aangehaalde exploitatie-regeling voor de djatibosschen der residentie Rembang. Op grond van Uwe eigene gegevens komt men toch tot eene aanzienlijk hoog ere opbrengst, dan 225.000 kub meters, het door den Heer Bruins ma vermelde cijfer, waartegen U met zooveel nadruk meent te moeten waarschuwen !

Omtrent hetgeen aan het slot van Uw artikel gezegd wordt, over het voortaan te volgen sijsteem van exploitatie, zij het ons vergund het volgende op te merken. Tot nog toe was het niet bekend, dat ü een zóó beslist voorstander van staatsexploitatie waart, als thans uit Uw opstel blijkt. Zeer zeker was zulks niet op te maken uit hetgeen men vermeld vind, op de bladzijden 310—318 van Uw boek: „de Djatibosschen op Java.quot; Uwe warme verdediging van het stelsel van staatsexploitatie maakt dan ook een eigenaardigen indruk op een oogenblik, dat de door de vigeerende bepalingen voorgeschreven exploitatie door tusschenkomst van particulieren een omvang heeft verkre-

-ocr page 10-

gen, Teel grooter dan zij -vroeger ooit heeft bezeten. Wij zijn het geheel met U eens, dat staatsbosehexploitatie te verkiezen is boven exploitatie door tusschenkomst van particulieren, maar tevens zijn wij er ten volle van overtuigd, dat het tijdstip, om eerstbedoelden vorm van exploitatie algemeen intevoeren, nog niet gekomen is, zoodat, wordt er toe besloten, om het thans gevolgde sijsteem van exploitatie te laten varen, de overgang langzaam en geleidelijk zal behoor en plaats te hebben, op de wijze als in de hier aanhangige voorstellen is uiteengezet.

In elk geval ligt het voor de hand, dat eene invoering van staatsbosehexploitatie gepaard zal moeten gaan met eene belangrijke uitbreiding van het thans in dienst zijnde boschpersoneel en tevens met eene meer gedetailleerde bedrijfsregeling, dan bij het thans gevolgde sijsteem van exploitatie noodig is. Het is ons dan ook onverklaarbaar, lioe ü zoo sterk kunt aandringen op staatsexploitatie, terwijl U tegelijker tijd waarschuwt tegen het nemen van de voorbereidende maatregelen, die eene invoering van dat stelsel van exploitatie mogelijk moeten maken.

Met alle verschuldigde hoogachting hebben wij de eer te zijn.

HoogEdelQestrenge Heer,

Uwe dw. dienaren.

J.

C. vox Hertling, houtvester

jste

ld.

A.

K. L. M. Seübert,

»

n

A.

E. J. Bruinsma,

n

n

n

0.

w.

J.

A. W. Sueie,

V

n

V

J.

W. J. van Dijk,

2(le

V

0.

w.

X.

J. Kollewux,

V

n

V

E.

van de Roemer,

V

v

V

E.

Tobi,

yt

r)

V

ra.

V.

J.

C. van Schavendijk,

V

v

-ocr page 11-

AAÏÏTEEKEKIKGEÏÏ

OP

het artikel van den heer CORDES

IX DE

I. Gids van December 1894 over het Boschwezen in N.-I.

Het maakt voorzeker een zonderlingen indruk, dat een Oud-Inspecteur van het boschwezen, over zijn vak schrijvende, ons geen andere lectuur biedt, dan een betoog, dat er niets of althans zoo weinig mogelijk behoort te worden gedaan.

Dat een technicus zich geroepen voelt om, wanneer hij van meening is, dat er gevaar bestaat, dat te groote of verkeerde ijver naar gevaarlijke paden zou voeren, zijn stem waarschuwend te verheffen, is verklaarbaar. Maar niet dat hij meent met dit negatieve betoog te kunnen volstaan en het niet minstens even urgent acht aantetoonen: wat dan wel moet worden gedaan.

Wij weten nu, dat de heer Cordes het afbakenen der boschgrenzen te duur, het indeelen door sleuven onuitvoerbaar het aanleggen van wegen en paden overbodig, het samenstellen van doelmatige bedrijfsplannen onmogelijk en een uitbreiding van het personeel bedenkelijk zou achten. Maar, wat hij dan wel wil, zegt hij nergens.

Op bladzijde 1910 van boven genoemd tijdschrift zegt de heer C, dat mijne gissing, dat men wantrouwen in liet beleid van het tegenwoordig beheer der bosschen op Java tracht te verwekken allen grond mist. Intusschen valt deze ontkenning moeilijk te rijmen met hetgeen ZHEGstr. op bladzijde 1033 van de Indische Gids van 1892 schreef en wat juist de aan-

-ocr page 12-

— 8 —

leiding tot mijne door hem besproken artikels was. De door mij bedoelde, in den aanhef van mijn eerste artikel aangehaalde, passage, die ik thans genoopt bennog eens afteschnjven luidt toch :

„In de „Indisch Tolkquot; van 24 Mei jl. gaf reeds het kamerlid „Kielstra zijne bevreemding te kennen over de ook in het „jongste koloniaal verslag (van 1891) tot tweemalen toe voortkomende uitdrukking, dat sedert het laatst van 1887 een „meer intensief beheer op de djatibosschen wordt toegepast, „waarvan toch nergens in het verslag eenige opheldering wordt „gegeven.

„Ook uit de finantiëele resultaten volgens de koloniale verslagen „blijkt dat volstrekt niet

„Integendeel, zooals de heer Kielstra terecht opmerkt, zijn „met die hooggeroemde verbetering de inkomsten er niet op „vooruitgegaan. Van 1878 tot 188G toch bedroegen de baten „van het boschwezen gemiddeld meer dan 7 ton \'sjaar; in „1887 f 478.000, in 1888 f 78.000, in 1889 f 244.000 en in „1890 f 492.000. Het blijft dus een raadsel wat met dat „herhaalde meerquot; intensief beheer wordt bedoeldquot;. (1)

Het komt mij voor, dat de heer C. zich niet had mogen bepalen tot de bloote ontkenning — bladzijde 1911 —van de juistheid mijner voorstelling, dat men eerst in later tijd tot het inzicht is gekomen „dat de exploitatie niet behoorde te „worden geregeld door de houtprijzen en de verhouding tus-„schen vraag en aanbodquot;. Immers dat die verkeerde opvatting wel degelijk bestond, heb ik op bladzijde 855 (I. Gr. 1894) bewezen door verschillende aanhalingen uit de koloniale verslagen waarbij ééne uit hetzelfde jaar waarin het vigeerende boschreglement tot stand is gekomen. En op dezelfde bladzijde

(1) Aanmerking-. Zij die mijne artikelen hebben gelezen weten reeds, dat i v aangetoond heb, dat de geheele klacht allen grond mist — vide Mei-aflevering van de I Gids over 1894 —.En toch waren toen ik dat artikel schreef, mij de geldelijke resultaten van den dienst over 1893 en 1894 nog niet bekend. Thans is gebleken, dat die alle vorige jaren in den schaduw stellen daar de overschotten van de inkomsten boven de uitgaven resp : f 1028387 en ruim 1199493 hebben bedragen.

-ocr page 13-

— 9 —

vestigde ik de aandacht op de verbazende fluctuaties in de opbrengst der geregelde exploitatie in vroeger jaren. Van „c.a. 73001) il3 in „1879 (daalde zij) tot 53000 M3 in 1880 nadat zij van 53464 M3. „in 1876 plotseling was gestegen tot 66300 M3 in 1877; van „1883 op 1884 was het verschil eveneens volle 20000 M3 Indien er,quot; zoo schreef ik en herhaal ik thans „een behoorlijke „regeling had bestaan, dan zouden dergelijke verschillen nooit „hebben kunnen voorkomenquot;

De heer C, is van gevoelen, bladzijde 1912 dat de artikelen 3 en 5 van het boschreglement, benevens artikel 61 sub 1 beknopte, maar toch voldoende bepalingen behelzen omtrent de regeling der boschinrichting. Daar hij echter, behalve de opmerking, dat de bespreking der „boschindeelingquot; in eene ordonnantie als die waarbij het boschreglement is vastgesteld, onnoodig \\s, geen poging doet om te weerleggen: wat ik op de bladzijden 872 en volgende schreef, ten bewijze, dat de boschinrichting tegenwoordig op geheel onvoldoende wijze is geregeld; meen ik thans met een verwijzing naar het door mij geschrevene te mogen volstaan. Te eerder nu ik tegenover de autoriteit van den heer C, het eenstemmig gevoelen kan stellen van alle oudere houtvesters, wier meening ik ter zake mocht inwinnen. En de opmerking, dat in de ordonnantie van 1874 No. 110 voorschriften, omtrent de boschindeeling overbodig waren, meen ik te mogen beantwoorden met de vraag: waarom in het boschreglement dan wel bepalingen voorkomen omtrent verschillende andere technische en administratieve details van geheel ondergeschikt belang ? Tot dusver heeft dan ook niemand kunnen weten,daf: het bij de samenstelling van het reglement van 1874, waarbij zelfs modellen voor allerlei staatjes en periodieken zijn voorgeschreven, de bedoeling was alleen de leidende beginselen en hoofdzaken te regelen.

Ik heb op bladzijde 721 van mijn derde artikel de meening uitgesproken, dat tijdens de invoering van het reglement van 1874, afgezien van een paar vrij wel als mislukt te beschouwen pogingen in de residentie Rembang en in Kendal, nergens van eene bedrijfsregeling sprake was. Het doet mij leed die

-ocr page 14-

— 10 —

woorden niet te kunnen intrekken. Immers die regelingen kunnen niet anders dan als mislukt worden beschouwd, daar zij nooit zijn ingevoerd en men voortdurend heeft gehandeld alsof zij niet bestonden. Waarom aan de Kendalsche regeling, die eerst in 1873 tot stand kwam, niet de hand is gehouden, wordt niet gezegd, terwijl als reden van de Rembangsche regeling de overgang van het systeem van staatsexploitatie tot het tegenwoordige stelsel wordt opgegeven.

Ik ben echter van oordeel, dat eene doelmatige bedrijfsregeling niet door verandering van sijsteem van exploitatie kan worden te niet gedaan. Ware de Rembamgsche regeling slechts eenigszins doelmatig geweest, dan zou men toch zeker niet hebben nagelaten te beproeven, om, na haar in verband met het tegenwoordige sijsteem van exploitatie te hebben gewijzigd, haar in praktijk te brengen. En waarom is dan aan de Kendalsche regeling, die tot stand kwam nadat het tegenwoordige exploitatie-systeem reeds jaren lang in zwang was, nóóit uitvoering gegeven? De voornaamste reden waarom de Rembangsche regeling ongeschikt voor uitvoering werd geoordeeld, moge in het kort worden aangestipt.

In het geheel zijn i. d. t. in Rembang door den heer Cordes slechts 81 proefvlakten met een gezamenlijke oppervlakte van ongevoer 60 H. A. opgenomen, wat daar de Bemhangsche djatibosschen rond 286.000 H. A. groot zijn c.a. ^ o/0 van het areaal, uitmaakt waarop zij betrekking hebben.

In Europa is het zooals de heer Cordes in zijn boek „De djatibosschen op Javaquot; op bladzijde 300 zegt gebruikelijk, dat van 2 tot 5 0/o van do geheele boschoppervlakte als proefvlak wordt genomen. Dat dus voor de ongeregelde djatibosschen

0/o veel te weinig is, behoeft geen betoog.

Ter bepaling van de aanwezige houtmassa zijn 81, en ter berekening van den bijgroei nog 77 modelboomen geveld en bewerkt. Dat de onderzoekingen aan deze modelboomen nauwkeurig zijn geweest, wordt niet ontkend, maar dat zij volstrekt ontoereikend waren ter bereiking van het doel: de

-ocr page 15-

berekening van den houtvoorraad en den bijgroei in de gezamenlijke Kembangsche bosschen is onbetwistbaar. De resultaten der bedoelde onderzoekingen werden dan ook door de commissie tot herziening van het boschreglement niet geschikt geacht: om als grondslag te dienen voor de berekening \\an het kapcijfer over geheel Java. Zooals later zal worden aangetoond, ware men dan onvermijdelijk tot een veel te hoog cijfer gekomen.

Het voornaamste bezwaar, bladzijde 1914, dat de heer Cordes tegen eene inrichting der bosschen heeft, zooals die door mij in overeenstemming met de voorstellen der commissie tot herziening van het boschreglement wordt wenschelijk geacht, (vide bladzijde 872 en volgende) zijn de hooge kosten.

Ik heb echter geenszins dit alles beheerschende punt over het hoofd gezien of te licht geteld; daarover handelen de laatste 9 bladzijden van mijn artikel (bladzijde 1038 en volgende). Op bladzijde 1040 komt eene recapitulatie voor van de finan-tieele resultaten van het boschbeheer gedurende de jaren 1890 t/m. 1892; op bladzijde 1043 staat een overzicht van de vermoedelijke resultaten na reorganisatie en uitbreiding van het tegenwoordige personeel en na opvoering der exploitatie tot een jaarljjksch kapcijfer van 225.000 M3, doch met behoud van eene indeeling in boschdistricten, terwijl op de bladzijden 1045 en 1046 eene gedetailleerde raming van de te verwachten inkomsten en uitgaven eener zoogenaamde definitief ingerichte houtvesterij van 8000 H. A. voorkomt.

Ik geloof dat ik met billijkheid van den heer Cordes eenige meerdere aandacht voor de op de aangehaalde bladzijden vermelde cijfers had mogen verlangen, dan de enkele woorden, die hij daaraan op bladzijde 1915, wijdt. Het achterwege laten van elke poging om de onjuistheid of mindere vertrouwbaarheid mijner, trouwens voor het meerendeel aan de ervaring ontleende, cijfers, aantetoonen neemt voor mij elke aanleiding weg om integaan op de algemeenheden waarmede beproefd wordt van de invoering eener sijstematische boschinrichting afteschrikken. Alleen een paar opmerkingen.

-ocr page 16-

— 12 —

Op bladzijde 1914 waarschuwt de heer Cordes tegen een „slaafschequot; navolging van de Europeesche wijze van bosch-beheer. Deze waarschuwing houdt implicite de beschuldiging in, dat ik een voorstander van zoodanige navolging zou zijn.

Mij dunkt echter, dit kon de heer Cordes wel beter weten.

En mijne artikelen die in hoofdzaak in overeenstemming zijn met de algemeen erkende practische richting van het tegenwoordige boschbewind geven tot een dergelijke veronderstelling 4 zeker ook geen aanleiding. Waartoe dus dat valsch alarm!

Voorts wordt op dezelfde bladzijde het maken van sleuven quot;

wegen en paden in de bosschen ontraden, o.a. omdat aan „voet en paardenpaden om zich in alle richtingen te kunnen „verplaatsen geen gebrek zou zijnquot; Dit advies moet zeer zeker bevreemding wekken, omdat de heer Cordes zich vroeger altijd een groot voorstander van wegen in de bosschen heeft getoond. Zoo haalt hij op bladzijde 315 van zijn vorenbedoeld boek. „De djatibosschen op Javaquot; de woorden aan van den „bekenden boschbouwkundige Clavequot; luidende: „Iedere weg,

„die men in de bosschen, welke nog geene wegen hebben „opent, vergroot de markt en veroorzaakt gewoonlijk zulk een „stijging der prijzen, dat de gemaakte onkosten in weinige „jaren gedekt zijn.quot; Eu dat in de djatibosschen reeds overvloedig paden aanwezig zouden zijn, is niet in overeenstemming met hetgeen men op bladzijde 303 van genoemd werk leest,

waar wordt betoogd, dat de voetpaden bij voorkeur „lage „ vlakke ruggen volgen, dus op plaatsen waar het beste geboomte „staatquot; en dit alzoo „allicht leidt tot een te hooge schatting „van de gesteldheid der waarde van het bosch.quot;

Op bladzijde 1915 wordt gezegd, dat ik „den tijd, die nog „voor het inrichtingswerk noodig zal zijn, wanneer daarmede *

„op de thans gevolgde wijze zonder indienstelling van afzon-„derlijk persooneel wordt voortgegaan, op minstens 30 jaren „schat.quot; Ik moet den heer Cordes uitdrukkelijk onder het oog brengen, dat ik een dergelijke onjuistheid nergens gezegd i

-ocr page 17-

— 13 —

heb. Op bladzijde 879 van mijn artikel staat „Ik geloof niet, „dat men ooit meer dan jaarlijks 15 a 20.000 H. A. zou „kunnen afwerken; onder de gunstigste omstandigheden zullen „er minstens 30 jaar verloopen eer al de djatibosschen tot „houtvesterijen zijn samengevoegd.quot; Onder de gunstigste om-vstandigheden,, d. i. alzoo; wanneer het op bladzijde 1037 nader omschreven afzonderlijke opnemings- en inrichtings-4 personeel wordt aangesteld. Wordt geen afzonderlijk perso

neel aangesteld, zoowel voor de opneming als de eigenlijke inrichting dan komt men in afzienbaren tijd nooit gereed.

(9

De heer Cordes zal mij ten goede houden, dat ik de redeneering aan den voet van bladzijde 1915 ontwikkeld niet kan volgen. Immers de in Indie nooit geheel te vermijden, hoewel dan ook, wat het houtvesters-corps betreft, tot een minimum gereduceerde mutaties, zijn een reden te meer om te trachten, het boschbeheer onafhankelijk te maken van de wisselende inzichten der elkaar opvolgende houtvesters, door: de na grondig onderzoek en rijpe overweging samengestelde bedrijfsplannen zoowel tot grondslag van het geheele boschbedrijf als tot leiddraad voor de beheerders te doen strekken. Dat het in die plannen vastgestelde daarom nog geen wet der Me-diers en Perzen behoeft te zijn, spreekt van zelf. Trouwens de tienjarige revisies geven gelegenheid om, rekening houdende met de veranderende omstandigheden, te wijzigen wat noodig is.

Als een schrikbeeld wordt op bladzijde 1919 den lezer voor oogen gehouden, dat volgens mijn artikel te eeniger tijd op Java 65 houtvesters noodig zouden kunnen zijn. Op de bladzijden 878 en 879 heb ik uiteen gezet, wat alles verricht moet worden, eer tot de vorming van een houtvesterij kan worden 1 overgegaan en dat alzoo tientallen van jaren moeten verloopen

eer al de tegenwoordige boschdistricten in houtvesterijen kunnen zijn omgezet. Maar buitendien, wanneer maar geen nieuwe houtvesterij wordt ingericht dan, nadat het bewijs is geleverd k dat dit in het directe en indirecte belang van den lande wen-

-ocr page 18-

schelijk is, bestaat waarlijk geen reden om voor het eventueel benoodigde aantal ambtenaren terug te schrikken. Mijns inziens het tegendeel.

Bü het onderzoek, dat de heer Cord es op bladzijde 1917 van zijn artikel op het oog heeft, is de residentie Rembang in vijf boschafdeelingen gesplitst, en volgens dat onderzoek zou in:

Boschafdeelingj

OMVATTENDE DE DISTRICTEN.

Jaarlijks be-hoorcn te worden gekapt een beslagen timmerhout-massa van

I

Tinair oen, Djepon, Panolan en Bandoehlatong.

45000 M3.

II

Ngawen en Karanrjdjati.......

27800 „

III

Soelang, Pamottan en Sedan......

14000 „

IV

Djatirogo, Singahan, Bantjar en Bengel. .

20300 „

V

Padangan, Ngoempah, Temaijang, Pelem en

Bowerno ............

26100 „

Samen ....

133200 M3.

Volgens het koloniale verslag over 1890 bevat de residentie Rembang 286518 HA djatibosch, terwyl die oppervlakte volgens het verslag van 1891 voor geheel Java 651420 H A bedraagt.

Wanneer men mocht aannemen dat de gesteldheid der Rem-bangsche bosschen ongeveer gelijk die van de rest van Java is, zou dus de jaarlijksche aankap moeten bedragen.

6^1420 -

X 133200 = 303700 M3.

286518 _

Nu kan niet worden ontkend dat de Rembangsche bosschen over het algemeen beter zijn dan die van het overige Java, doch daartegenover staat het volgende.

In de eerste plaats dient in aanmerking te worden genomen, dat niet alle Rembangsche bosschen in de door den heer Coed es

-ocr page 19-

— 15 —

bedoelde exploitatie-regeling zijn opgenomen, maar daarvan bleven uitgesloten, (behalve eenige duizende Hectaren bosch van mindere qualiteit hoofdzakelijk in de districten Djenoe, Rembes en Bengel waarvan 1.1.1. de uitgestrektheid niet bekend was) een oppervlakte van 48380 H. A., die voor de bevolking werden gereserveerd, doch die wat hunne gesteldheid betrof, slechts weinig bij de wel in de regeling opgenomen bosschen achter stonden. In de tweede plaats mag niet over het hoofd worden gezien, dat uit de rapporten blijkt, dat de berekeningen van den heer Corües uitsluitend betrekking hebben op rechthoekig beslagen houtwerken van meer dan 3 meter ja zelfs voor 80 a 90 °/0 op hout van minstens 4 en 5 Meter lengte, terwijl door mij onder timmerhout ook dwarsleggers en over het algemeen kleine houtwerken van minder dan drie meter zoowel als dolken wordt verstaan. Had men met die sortimenten ook bij de Rembangsche regeling rekening gehouden dan ware men ongetwijfeld tot een nog veel hooger cijfer geraakt. Immers het is een feit, dat juist deze mindere sortimenten steeds een aanzienlijk percentage van de geheele houtmassa, soms tot 60, en bijna nooit minder dan 20 a 25 0/0 en gemiddeld zeker 35 % uitmaken.

En eindelijk bedoelde ik toen ik schreef, dat jaarlijks 225000 M3 behoorde te worden gekapt, daarmede ook het hout, dat door de opruiming van de doode omgevallen en omvallende boomen wordt en bij voorduring kan worden gewonnen, terwijl de door den heer Cordes berekende massa uitsluitend betrekking beeft, op het hout, dat door leeg kappen wordt verkregen.

Door den heer Cordes wordt aan zijn onderzoek (zie bladzijde 1912) groote waarde toegekend. Ik ben echter van oordeel, dat dit ons, hoofdzakelijk wegens het veel te kleine getal zoowel der proefvlakten als der modelboomen, omtrent de geoorloofde jaarlijksche kapmassa weinig of niets kan leeren. Doch gesteld, dat het zich in dit opzicht wel tot eenige gevolgtrekking leende, dan is de eenige mogelijk consequentie, dat het door mij aangenomen exploitatie-cijfer van 225000 M3 beslist te

-ocr page 20-

— 16 —

weinig is, en minstens 100 a 150000 M* meer behoorde te zijn.

Slechts van zeven twintigste der Rembangsche bosschen is de gesteldheid voldoende, meer dan twee derde der bosschen is of geheel gedevasteerd of geeft althans weinig hoop voor de toekomst, zegt de heer Cordes op bladzijde 1913; en op bladzijde 1917 Iaat hij erop volgen dat hij die bosschen beter dan iemand leerde kennen. Het zij mij echter vergund op te merken; dat de houtvesters, die de laatste 25 jaar de Rembangsche bosschen hebben beheerd, herhaaldelijk de ondervinding hebben opgedaan, dat de door ZHEGstr. opgemaakte bosehbeschrij vingen zich niet door bijzondere betrouwbaarheid onderscheiden; wat trouwens in verband met de reusachtige oppervlakten (soms tot 20000 HA) die in ééne beschrijving werden samengevat niet verwonderlijk is. Sommige bosschen, o. a. de onderafdeelingen 15 en 7 van boschafdeeling I, die als schraal en uitgekapt worden beschreven, leveren niet alleen groote sommen aan dood hout, maar bevatten buitendien uitgestrekte perceelen met zware opgaande stammen wier exploitatie nog gedurende vele jaren een ruime bron van inkomsten zal zijn. Vertrouwende cp zijne vroegere bekendheid heeft de heer Cordes, na 1870, da Rembangsche bosschen zeer weinig bezocht en zoo zou hij thans verbaasd staan wanneer hij zag hoe sommige boschgedeelten door hem als geheel hopeloos afgeschilderd, zich hebben ontwikkeld.

Hetzelfde zou trouwens het geval zijn met vele djatibos-schen in andere residenties, bepaaldelijk in Semarang, Soerabaja en Pasoeroean wier gesteldheid op bladzijde 1913 met zeer zwarte kleuren wordt afgeschilderd, en die toch tegenwoordig aanzienlijke baten afwerpen en — volgens de goedgekeurde bedrijfsplannen — ook voortdurend zullen blijven afwerpen.

De opmerking op bladzijde 1917: omtrent de houtmassa, die de laatste dertig jaar is gekapt, zou bij oningewijden licht den verkeerden indruk kunnen te weeg brengen, alsof de heer Cordes, heeft willen zeggen, dat door dien aankap de voorraad hout in de bosschen is verminderd. Ik haast mij dus opmerkzaam te maken, dat dit natuurlijk niet de bedoeling geweest

-ocr page 21-

— 17 —

kan zijn. De heer Cordes, die in zijne meer besproken Rem-bangache taxatie-rapporten een bijgroei cijfer van vele millioenen M3 berekent, weet immers te goed, dat die bijgroei veel meer bedraagt dan hetgeen gekapt is.

Omtrent de wordings-geschiedenis van het tegenwoordige sijsteem van exploitatie, door tusschenkomst der particuliere industrie heb ik in het geheel geene historische bijzonderheden vermeld. Ten onrechte wordt mij derhalve op bladzijde 1920 verweten, dat ik mij in dit opzicht aan onjuistheden zou hebben schuldig gemaakt. Wat het wezen der kwestie betreft, blijf ik er echter bij, dat het tegenwoordige stelsel indertijd recht van bestaan had en, tot op zekere hoogte, zelfs nu nog heeft.

De in de slotwoorden — bladzijde 1923 — van den heer Cordes opgesloten raad komt mij eenigszins bedenkelijk voor Wanneer, zoowel houtvesters als inspecteur, voortdurend moeten streven naar de invoering van een ander stelsel van exploitatie: dan zal dit vrees ik, zoolang het tegenwoordige nog bestaat den lande niet ten goede komen. Volgens mijne opvatting van den dienst behoort het streven van alle ambtenaren in de eerste plaats te zijn, om het door de Eegeering ingevoerde en gesanctioneerde sijsteem, zoo goed mogelijk uittevoeren. Elk stelsel heeft zijn voor- en nadeelen en ten slotte komt het toch nog het meest op de toepassing aan.

A. E. J. Brüinsma.

-ocr page 22-
-ocr page 23-
-ocr page 24-

^ ^■■■ ■\':■.•: •\'. ■. V ^\' - ■\'-

-^;gt;v-,--•-: : - • ■: -

-■: ■ - :. . •

1\' \' X\'^ - i\' •\'

;,: -/v,?

gfev V-\'-\'-: V\'-quot; ,\' -■ - -v^ w

- ■■

•-- -t.: .--r: :■■• •• V\'-t ■-■■- -\'■• \' - -•■- ■ •

BT;,-\'.- - • ■■■ ...\'\'\'-r ■ v quot;,y ?:--k

fe;\'■■ 1 . ■ ■\'■•■■ ■-.■ \' \'\' \' ■ l\'f ^ ■ :f ^ ■•■: ■ ■\' \'

■- quot; - - ■ . \' ■•-■ - :■ : msr ■■■\'. - - ■ : . ■■ ■ -■ . i- • ■ \'■■

K;.-Vr-\': s ■ .■•\'■quot;\'■■

». VWCF-P^Ï^S^»

^ ^ ^ quot; -r-\' V-v ■-% /■■v1 : ^ :. •quot;* ^ / .jv ■-■^

: i tllt; ^r\'

WïêÊ


-ocr page 25-
-ocr page 26-