OVER DEN GEBOREN MISDADIGER.
Het is een hoogst merkwaardig verschijnsel, dat de leer van den bekenden Italiaanschen Hoogleeraar Caesarc Lnmhroso omtrent den geboren misdadiger zoo geheel verschillende beschouwingen heeft opgewekt in de wetenschappelijke wereld en zij nog altijd het middelpunt vormt van een heftigen strijd, waarin de meeningen lijnrecht tegenover elkander staan. Sommigen gaan immers zoover om in Lombroso den schepper eener nieuwe theorie te verheerlijken, waardoor de rechtspleging op geheel andere banen zal moeten worden geleid en inzonderheid de strafwetten in de toekomst gansch moeten worden omgezet. Anderen daarentegen beschouwen denzelfden geleerde als iemand, die eigenlijk niet in de wetenschappelijke wereld thuis behoort en sarkastisch bestempelt men zelfs de wijze, waarop hij wetenschappelijke vragen in onze eeuw van het extacte natuuronderzoek behandelt met den naam van atavisme. Langzamerhand begint echter de strijd der meeningen hoe langer hoe meer beslecht te worden en ofschoon hier en daar nog pogingen worden aangewend om door een modus vivendi de nieuwe leer te redden, aarzelen de meeste anthropologen niet meer^ te verklaren, dat de geheele theorie omtrent het type van den geboren misdadiger en zijn atavistischen
11
oorsprong als mislukt moet worden beschouwd. Het is mijn voornemen in de volgende bladzijden een overzicht te geven van den arbeid, waardoor Baer, om met de woorden van Nacke te spreken, den genadestoot aan deze leer heeft toegebracht en enkele opmerkingen daaraan vast te knoopen.
In drie deelen behandelt de schrijver zijn onderwerp op inderdaad meesterlijke wijze ; in het eerste deel bespreekt hij de lichamelijke hoedanigheden van den misdadiger, daarna in het tweede deel de geestelijke eigenschappen om eindelijk in het derde deel over den geboren misdadiger te handelen.
De nieuwere crimineel-anthropologische school meent in den misdadiger specifieke organische kenmerken ontdekt te hebben, die hem onderscheiden van den gewonen mensch en hem tot een type van minderen aard stempelen. De phrenologie van Gall kan men beschouwen de moeder dezer nieuwe richting geweest te zijn, daar zij reeds van de stelling uitging dat de misdaad hare oorzaak vindt in een georganiseerden aanleg der hersenen. Ook de kranioskopie van Cams leerde, dat er een onloochenbaar verband bestaat tusschen de algemeene configuratie van den schedel en bepaalde psychische eigenaardigheden. Lotnbroso ging in deze richting voort en trachtte innigen samenhang te vinden tusschen afwijking van den schedel en zedelijken achteruitgang; ook aan nog levende gevangenen werd een groot aantal waarnemingen gedaan; opmerkelijk is echter, dat de cijfers, die men vond, geenszins overeenstemming vertoonden.
Zijn er nu specifieke kenmerken voor den misdadigers-schedel? Vinden deze hun ontstaan in individueele organisatie ? Hebben zij beteekenis voor het geestelijk en zedelijk leven? Komen zij uitsluitend voor bij bepaalde misdadigers ?
Om een beslissend antwoord op deze vragen te geven, gaat Bacr verschillende maten van den schedel nauwkeurig na. De opgaven over de schedelcapaciteit komen slechts zelden met elkander overeen; opvallend is de tegenspraak, die men niet zelden kan waarnemen; in elk geval kan men er geenerlei specifieke abnormiteit in ontdekken. De horizontale schedelomvang vertoont eveneens allerlei verschillen en geen enkel overeenstemmend kenmerk, evenmin de lengte- als de dwarse doorsnede. Lombroso vond bij moordenaars meer brachycephalie en bij dieven meer dolichocephalie, maar latere onderzoekingen hebben aangetoond, dat de schedelindex ook bij misdadigers overeenkomt met dien van den volksstam, waartoe zij behooren. Bij 532 schedels vond Bacr slechts in 13.3 7o den voorsten schedelomtrek grooter dan den achtersten en dit was dan nog veroorzaakt door rachitis en hydrocephalie; bij 2.2 0/0 vond hij een sterk achterhoofd ; terwijl bij de overige 84.5 9/o c^e voorste en achterste schedelomtrek vrij wel gelijk waren. Ook in de verhouding van frontaal-, parietaal- en occipitaal-streek van den schedel kon Baer geen duidelijk verschil met den normalen schedel vinden. Over het algemeen nam men aan, dat het frontale deel minder, het parieto-occi-pitale deel sterker ontwikkeld is dan normaal, maar al ware dit zoo, dan kan men daaruit nog niet besluiten tot een beperkt verstand. Tusschen den vorm van den schedel en de ontwikkeling der hersenen bestaat geen direct verband; ook kan men nog niet met objectieve zekerheid zeggen, waar de zetel van het verstand ligt, hetzij in de frontaal-kwab of over het geheele oppervlak heen.
Ook aan den aangezichtsschedel werden geene specifieke afwijkingen waargenomen; kortere aangezichten schijnen moer voor te komen bij misdadigers tegen het
eigendom, maar groote waarde hebben deze opgaven niet, daar het sociale medium er belangrijken invloed op uitoefent. Ook in de breedte van het aangezicht kon Bacr geene kenmerkende eigenschappen ontdekken. De breedte van de onderkaak vond men in het algemeen veel sterker dan normaal; ook de verhouding van het gewicht der onderkaak tegenover dat van den schedel vond Lomhroso toegenomen; Bacr daarentegen vond niets kenmerkends bij 986 gevangenen, die hij onderzocht; ook bij normale monschcn komen groote en zware onderkaken voor; dit hangt nauw samen met de ontwikkeling van het kauwapparaat.
De schrijver gaat vervolgens na of er ook bijzondere anomaliën aan den misdadigersschedel voorkomen. Dikwijls vindt men een asymmetrischen schedel, maar dit kan zoowel op intra- als op extra-uterine oorzaken berusten ; bij gevangenen is niet zelden vergroeiing der naden de oorzaak. Bij nauwkeurig onderzoek blijkt echter, dat nagenoeg alle schedels, ook die van niet misdadige menschen min of meer asymmetrisch zijn. Gewoonlijk heeft dit echter geen invloed op het verstand; alleen sterke ongelijkheid zonder compensatie kan psychisch defect veroorzaken, maar dit heeft dan altijd pathologische beteekenis; voor de diagnose van den misdadiger heeft asymmetrie van den schedel dus geene waarde. Sterke wenkbrauwbogen en groote voorhoofdsholten kon Bacr slechts in 3.2 0/0 van zijne gevallen waarnemen. Een vluchtend voorhoofd heeft slechts beteekenis als het in sterken graad voorkomt; overigens vindt men het ook bij normale menschen o.a. bij Beethoven; invloed op de grootte der hersenen heeft het niet altijd. Het is zeer moeilijk te bepalen of prognathisme meer bij misdadigers dan bij niet-misdadigers voorkomt. Een open blijvende frontaalnaad dient volgens Virchow tot
— 157 —
compensaüe en zou eerder superioriteit bewijzen; men vindt hem in Vio der gevallen bij normalen. Het incabeen komt zoo uiterst zelden voor, dat men er geen besluit omtrent kan nemen. De vergroeiing van den atias met het achterhoofdsbeen heeft volgens Virc/iow altijd pathologische beteekenis. Het voorkomen eener fossa occipitalis mediana wijst op sterkeren groei der vermis het komt ook niet zelden bij niet-misdadigers voor en geeft dus geen recht om tot criminaliteit te besluiten. Schedelimpressies en andere anomaliën komen wel voor-maar hebben geene karakteristieke waarde.
Uit alles blijkt nu voldoende, dat de schedel bij misdadigers geene bijzondere kenmerken vertoont. Hij vertoont wel dikwijls allerlei anomaliën, maar deze zijn meestal van pathologischen aard, ten deele aangeboren, ten deele door voedingsstoornissen ontstaan en hebben geenerlei specifieke beteekenis maar komen ook dikwijls voor bij schedels van niet-misdadigers. Om een bepaald besluit te nemen, moet men den normalen schedel beter kennen, terwijl het materiaal van den misdadigers-sche-del ook op verre na niet groot genoeg is. Het is bekend, dat men ook bij krankzinnigen geen specifieken schedel vindt; alleen bij epilepsie heeft men dikwijls asymmetrie waargenomen, maar waarschijnlijk is dit niet de oorzaak, doch het gevolg van de asymmetrie der hersenen. Bij prostituees vindt men dikwijls teekenen van physische degeneratie.
Tot den schedelinhoud overgaande, vond Bacr dikwijls veranderingen aan de hersenvliezen, maar zonder specifieke beteekenis; waarschijnlijk ontstaan zij door alcoholisme syphilis, trauma capitis, enz. Over de beteekenis van het gewicht der hersenen loopen de meeningen nog zeer uiteen ; in elk geval bestaat er geene eenvoudige verhouding tusschen het gewicht der hersenen en de grootte van
— 158 -
het verstand; bij misdadigers vinden sommigen het gewicht lager, anderen daarentegen hooger. Morphologisch vond Bencdikt aan de hersenen verschillende afwijkingen,
zoodat hij zelfs van eene anthropologische varieteit sprak;
later werden zijne uitspraken echter voldoende weerlegd: ^
een vier windingstype komt ook normaal voor, confluec-rende groeven zijn op verre na niet constant en verschillende andere varieteiten komen ook bij niet-misdadige menschen voor. In elk geval is het normale type nog veel te weinig bekend dan dat men reeds van atypisch kan spreken; ook geeft de vorm van het hersenoppervlak geen maatstaf voor het verstandelijk en zedelijk leven,
zoodat Lombroso zelve nu zijne hoop richt op het histo-logisch onderzoek der hersenschors. De afwijkingen, die men aan de hersenen van misdadigers vindt, zijn meestal slechts degeneratie-tcekenen.
Ook de verdere lichamelijke organisatie vertoont geene f\'
specifieke afwijkingen. De algemeene constitutie is ge- t
woonlijk gebrekkig en slecht, zooals in de klasse, waartoe de misdadiger behoort; de sterfelijkheid is in den regel zeer groot, vooral bij epidemiën. Het lichaamsgewicht en de lengte vertoonen geene bijzondere afwijkingen tegenover niet-misdadigers: de spanbreedte is over het algemeen grooter dan de lichaamslengte, zooals men verwachten kan bij menschen uit de handwerkende klasse.
De vorm van de hand hangt af van de bezigheid en de erfelijkheid; dat korte en dikke handen een kenmerk zouden zijn van misdadigers tegen den persoon en lange handen van die tegen het eigendom is niet waar. Aan den voet vond Lombroso tal van afwijkingen, die in hoofdzaak op linkschheid wijzen.
Somatische degeneratie-verschijnselen worden niet zelden aangetroffen. Misvormingen aan het oor komen veel \'\'
meer voor dan bij niet-misdadigers; verder vindt men
niet zelden afwijkingen aan de oogen, kaken, tanden, verhemelte, hals enz. Dikwijls vindt men meerdere van dergelijke degeneratie-teekenen bij één persoon; zij komen echter in nog grooter aantal voor bij krankzinnigen, epileptischen en idioten; ook vindt men ze bij overigens normale menschen. Zij vormen dus nooit een specifiek kenmerk voor krankzinnigheid of criminaliteit, maar wijzen alleen op eene zekere minderwaardigheid van den drager.
De physionomie van den misdadiger is evenmin kenmerkend. Groote sinus frontales met sterke arcus super-ciliares vond Hacr slechts weinig; ook de neus vertoont geen bijzonder tijpe. De kleur van het haar heeft niets bijzonders. Kaalhoofdigheid komt slechts zelden voor; de baard is gewoonlijk zeer dun. In den blik der oogen kan men zich gemakkelijk vergissen; in het aangezicht vindt men veel meer en veel dieper groeven dan bij niet-misdadigers. Een bepaalde misdadigers-physionomie bestaat niet; bij het verlaten der gevangenis verandert het gelaat aanstonds; ook onder gunstige omstandigheden verbetert do physionomie aanmerkelijk, zoodat zij mede door de sluwheid der misdadigers een zeer onzeker en onvertrouwbaar kenmerk vormt.
De biochemische verhouding komt overeen met die bij niet-misdadigers.
Ook de zintuigen werden meermalen aan een nauwkeurig onderzoek onderworpen. Het gezicht vond men nu eens verscherpt, dan weer verzwakt; of daltonisme meer voorkomt is zeer onzeker, maar het is wellicht te wijten aan de opvoeding en misschien aan chronisch alcoholisme. Het gehoor is over het algemeen verstompt, ook de andere zintuigen zijn verminderd in functie. Linkshandigheid kon Bacr niet meer dan anders vinden, hoewel Lombroso dacht, dat misdadigers meer met de rechter- dan met de linker hemisfeer werken.
— i6o —
De algemcene sensibiliteit vond Bacr niet minder, eer sterker dan anders; dientengevolge zijn misdadigers in den regel zeer lafhartig bij operaties en bij lichamelijke kastijding. Het tatoueeren is geen bewijs voor geringere pijngevvaarvvording. Bacr vindt, dat het getal getatou-eerden in de gevangenissen toeneemt en brengt dit in verband met de toenemende zeevaart; ook wordt het eene zekere mode in de kazernes. Onder den navel zijn alle tatouages van obscoenen aard; meestal komen zij voor op armen en borst en zijn dan handwerks-emblemen. Tatoueeren heeft echter geene bijzondere beteekenis en komt alleen zoo dikwijls voor, omdat vele misdadigers vroeger soldaat of matroos geweest zijn. Ten onrechte schrijft Lomhroso het toe aan atavisme; het verbreidt zich integendeel door sociale en individueele verhoudingen b.v. door naaperij, ledigheid en misleiding, ook uit godsdienstig oogmerk. Bij vrouwen komt het zeer zelden voor, meestal bij prostituées. Ofschoon tatouage dikwijls wijst op zedelijken achteruitgang, staat het in geen verband met atavisme en nog minder met criminaliteit; niet zelden vindt men het ook bij niet-misdadige menschen-Dat misdadigers in het algemeen onkwetsbaar zouden zijn, is een fabel, waarmede de ondervinding geheel in strijd is.
In het tweede deel gaat de schrijver in het bijzonder de geestelijke eigenschappen van den misdadiger na en vond, dat zij over het algemeen overeenkomen met die der volksklasse, waaruit deze voortkomt; hier en daar treden echter enkele uitspattingen op den voorgrond; niet zelden vindt men ook de neiging om eigenaardigheden van bekende misdadigers als typisch te beschouwen en ook aan anderen toe te schrijven.
— 161 —
Het verstand is over het algemeen minder ontwikkeld; dikwijls openbaren zij groote list maar aan den anderen kant weinig overleg, zoodat zij de eenvoudigste voorzorgsmaatregelen verzuimen. Analphabeten vindt men in grooten getale; vooral jeugdige misdadigers hebben niet zelden slechts gebrekkig verstand, begrip en oordeel en een slecht geheugen; hierdoor verklaart zich de zwakte van wil en karakter, waardoor zij de speelbal der omstandigheden worden en zich gemakkelijk laten verleiden: in de gevangenis gaat het best met hen, daarbuiten slecht. Gewoonlijk zijn zij stomp en onverschillig van gemoed; de liefde tot de familie blijft nog het sterkste behouden; tegenover hunne medemenschen zijn zij wantrouwend; vriendschap en trouw kunnen slechts zelden de proef doorstaan; het hoofddoel van hun bestaan is de bevrediging van dierlijke en grove lusten; de meesten zijn lafhartig van aard en volstrekt niet onverschillig voor den dood. Indien zij nog godsdienst belijden is het slechts zeer oppervlakkig, gewoonlijk spotten zij met alles of zijn bijzonder bijgeloovig. Plichtgevoel ontbreekt gewoonlijk volkomen; van de waarheid hebben zij zoo\'n afkeer dat zij zelfs onbewust liegen. Medelijden kennen zij alleen met de hoop op wedervergelding. Recht en gerechtigheid erkennen zij niet, omdat dit in strijd is met hunne begeerten.
Hoewel nauwkeurige en betrouwbare cijfers nog geheel ontbreken, blijkt toch, dat geestelijk defecten en krankzinnigen veel meer onder misdadigers voorkomen dan anders. Velerlei oorzaken bestaan hiervoor: dikwijls heeft men zware erfelijke belasting, trauma capitis en alcoholisme, ook ontbreekt niet zelden eene goede opvoeding. Het meest breekt krankzinnigheid uit na misdaad bedreven in affect; eene nauwkeurige verhouding tusschen stoornis van den geest en misdaad ontbreekt echter nog
ten cenenmale. Iets specifieks kon men niet ontdekken bij krankzinnige misdadigers; het meest vindt men nog paranoia, dementie en epilepsie, betrekkelijk zelden paralyse. Niet zelden geeft cellulaire gevangenis gehoors-hallucinaties, die echter bij doelmatige behandeling goedaardig verloopen. — Talrijk komen bij misdadigers voor erfelijk belasten, minderwaardigen en gedegenereerden: zij staan in het midden tusschen krankzinnigen en normalen ; men kan de volgende groepen onderscheiden: a. de zwakzinnigen: deze volgen slechts den indruk van het oogenblik, hunne daden en woorden zijn voortdurend met elkander in tegenspraak; onder gunstige omstandigheden begaan zij nimmer eene misdaad ; gewoonlijk bedrijven zij echter delicten tegen het eigendom of de zeden, niet zelden worden zij ook als vagebonden gestraft, h. de impulsief gewelddadigen worden geheel door hun hartstocht beheerscht, bij de minste aanleiding stuiven zr op in blinde woede; dikwijls staat dit in verband met hun karakter, gewoonlijk vindt men het bij gevangenen met zware erfelijke belasting; c. insania moralis. Dikwijls vraagt men of men te doen heeft met een krankzinnige met zieke hersenen of met een misdadiger met een defect ethisch karakter. Er gaan talrijke stemmen op om de insania moralis als ziektevorm te schrappen; want evenmin als voor het verstand heeft men voor de moraliteit een afzonderlijk centrum: bij aandoening van het ziele-leven lijdt de moreele zin zeker in de eerste plaats; insania moralis is daarom alleen een verschijnsel, dat kan voorkomen bij geestelijke ziekte of defect; is er geene psychische afwijking, dan heeft men niet met een krankzinnige maar met een misdadiger te doen. Niet zelden heeft men bij gewoonte-misdadigers zoo wel als bij krankzinnigen zware erfelijke belasting met vele degeneratic-teekenen; er is dan ook een grensgebied tusschen mis-
— 163 -
dadigers en krankzinnigen, waarvan het moeilijk valt te bepalen tct welke van beiden een bepaald geval behoort; nooit mag men echter misdaad als een vorm van krankzinnigheid beschouwen. — Epilepsie komt veel meer voor bij misdadigers dan anders, ofschoon men nog geeno juiste cijfers kan noemen; niet zelden grijpt ook simulatie plaats. Traumatische epilepsie praedisponeert meer tot misdaad dan idiopathische; gewoonlijk is de misdaad meer handeling tegen den persoon dan tegen het eigendom bij epilepsie. Meestal wordt de epilepsie bij misdadigers geërfd; zij ontstaat echter ook door dronkenschap, trauma capitis, syphilis, onanie enz. — Ook zelfmoord komt meer voor bij gevangenen, vooral na eene lichte misdaad en tegen de 30 jaar. Lombroso schrijft dit toe aan analgesic, maar Baer zoekt de oorzaak in de sociale verhoudingen, omdat het vooral bij een korten straftijd en in het begin voorkomt. Nadat de straffen milder geworden zijn, neemt ook het aantal zelfmoorden af, terwijl zij in de maat-sclmppij nog steeds toenemen. Zelfmoord komt veel meer voor bij eenzame dan bij gemeenschappelijke opsluiting. Soms wordt op zeer lichtzinnige wijze zelfmoord gepleegd; ook wordt het wel eens niet ernstig gemeend. Niet zelden schijnt een voorbeeld van zelfmoord anderen te prikkelen en komt het epidemisch voor. Neiging tot moord en tot zelfmoord vormen in den regel geen bepaald antagonisme. Het voorkomen van zelfmoord wijst op eene minderwaardige organisatie, die zich zelf prijs geeft in den strijd om het bestaan.
A
len slotte behandelt de schrijver in het derde deel de leer van den geboren misdadiger. Bestaat er nu een organische aanleg voor de individualiteit van den misda-
4
- - 164 —
digcr? is de misdaad de uitwendige projectie van eene inwendige eigenschap?
De voornaamste anthropologen hebben zich sterk verzet tegen het aannemen van een misdadigers-type. Het zou ook slechts bij 25 0/0 der misdadigers worden aangetroffen; de groote meerderheid bezit het dus niet. lopinard noemt dit type een kunstmatig samenraapsel van afwijkingen, die ook bij niet-misdadige menschen voorkomen; Lonibroso spreekt in dit laatste geval van latente criminaliteit. Ook een internationaal type bestaat niet, al vindt men soms eenige oppervlakkige gelijkenis. Alleen in enkele groote steden vindt men sommige mis-dadigersfamilies met een bepaald type, dat echter hoe langer hoe meer uitsterft. De misdadiger heeft dus het type van zijn eigen volksstam en wel in het bijzonder uit de laagste klasse. Een bepaald misdadigers type bestaat niet en in geen geval kan men bepaalde typen onderscheiden voor de verschillende soorten van misdaden
Lovibroso en anderen zochten de oorzaak voor de physische afwijkingen in atavisme, zoodat de misdadiger eigenlijk als een anachronisme moet worden beschouwd, als een wilde in een beschaafd land. Toch heeft men niet het recht op grond van eenige oppervlakkige gelijkenis van atavisme te spreken, ten onrechte verwarde Lonibroso pathologie met atavisme; de moordenaarsschedel vertoont het inferieure type van het eigen ras. Ook psychisch atavisme kan men niet aannemen; dikwijls vindt men overeenkomst met lagere volksklassen, maar al is er eenige gelijkenis, daarom is het nog niet identisch. Ook kunnen niet zelden wilde volken aan beschaafden tot voorbeeld strekken, terwijl hoogst beschaafden nog heftige hartstochten kunnen verbergen.
Het kind lijdt in zijn natuurlijken aanleg aan insania moralis; elk mensch komt dus in de wereld met den
— 165 —
kiem eener misdadigersnatuur. Toch zijn er ook kinderen, die niet liegen of stelen; tal van anomaliën komen bij kinderen voor, die geene waarde hebben maar later weer verdwijnen. Het kind bevindt zich nog op den weg der ontwikkeling, die de misdadiger reeds lang doorloopen heeft; de misdadiger gelijkt dan ook in enkele dingen op het kind, maar het kind in niets op den misdadiger. In onze dagen zijn vele jeugdige misdadigers in zekeren zin pathologische verschijningen; het blijven echter altijd uitzonderingen en excessen. Aan alle kinderen misdadige neigingen toe te schrijven is even excentrisch als in alle misdadigers onschuldige kinderen te zien. Aangaande het zedelijk karakter van den geboren misdadiger valt het volgende op te merken: schaamrood worden komt slechts zelden voor bij mannelijke misdadigers, toch vindt men soms andere teekenen van schaamte; in elk geval ontbreekt in de lagere volksklassen het schaamrood worden dikwijls eveneens. Oprecht berouw komt niet voor bij gewoonte-misdadigers; alleen bij misdaad uit hartstocht kan men het nog aantreffen. Bekentenis is niet altijd een teeken van berouw; ook sluit het weigeren van bekennen niet altijd in dat er geen berouw is. De gevaarlijkste misdadigers zijn dikwijls uit berekening nog de beste gevangenen. Ook bij de lagere volksklassen is oprecht berouw een hoogst zeldzaam verschijnsel. Gewetenswroeging komt niet zeer dikwijls voor, het meest nog bij doodslagers uit hartstocht; jonge moordenaars komen dikwijls eerst later tot inzicht, niet zelden treedt dan geestesstoornis en zelfmoord op. Moordenaars lijden het meest aan slapeloosheid en verschrikkelijke droomen. Over het algemeen kan men echter zeggen, dat bij misdadigers het geweten in verschillende trappen zich vertoont, zooals men ook onder de gewone bevolking aantreft.
Lombroso zegt, dat de geboren misdadiger en de lijder aan insania moralis geheel aan elkander gelijk zijn. Maar insania moralis is geen afzonderlijk ziektebeeld, louter een verschijnsel bij verschillende ziektevormen. Alleen door eene misdaad wordt men nog niet krankzinnig, er moeten ook andere verschijnselen eener psychose zijn. Monsterachtige, jeugdige misdadigers vertoonen meestal ook teekenen van zwakzinnigheid; het zijn daarom meer geboren krankzinnigen dan geboren misdadigers. Heeft men geene gebrekkige psychische organisatie, dan mag men niet van een krankzinnige, maar moet men van een misdadiger spreken. Evenmin als er een insania moralis bestaat, evenmin is er een geboren misdadiger.
Lombroso beschouwt aangeboren misdadigheid en insania moralis als niet anders dan varianten van epilepsie, op grond van de groote psychische prikkelbaarheid. Men wil aldus het eene onbekende, de misdaad, verklaren door het andere onbekende, de epilepsie. Epilepsie is het product van een pathologischen toestand: van misdaad kan men dit niet beweren; beiden ontstaan echter op degeneratieve basis en komen promiscue voor, maar kunnen daarom niet identisch worden genoemd.
Vele misdadigers hebben geenerlei geestelijke of lichamelijke anomaliën, terwijl vele menschen met duidelijke anonialiën nooit misdaden bedrijven. Is er eene gebrekkige organisatie, dan heeft men niet met een misdadiger, maar met een krankzinnige te doen. Degeneratie-teekenen en geestelijke inferioriteit hangen beiden van de sociale omstandigheden af. De atavistische degeneratie-teekenen zijn deels teratologisch, deels pathologisch door rachitische dyskrasie en volstrekt niet specifiek voor misdadigers. Inzonderheid de schedelvorm is niet alleen afhankelijk van de afstamming, maar ook van tal van uitwendige omstandigheden, zoodat men daaruit niet tot de psychische
en allerminst tot de moreele waarde van den lijder kan besluiten. Eveneens is rachitis de oorzaak van tal van schedel-anomaliën, ook indirect door het rachitische bekken der moeder.
Ten slotte komt Baer tot de conclusie dat er niet de minste samenhang bestaat tusschen schedelhoedanigheid en criminaliteit; is er verband dan heeft men niet met een misdadiger maar met een krankzinnige te doen. De misdaad is geen individueel maar een sociaal verschijnsel; de waarde van den mensch wordt geheel bepaald door de sociale verhoudingen; ofschoon men tal van degene-ratie-teekenen bij hem aantreft, is de misdadiger daarom nog geen bijzonder type. Om de misdaad te bestrijden moet men de sociale verhoudingen verbeteren, waarin de misdaad wortelt en woekert.
Het is niet te miskennen, dat deze uitnemende arbeid van Baer, waarvan slechts een kort overzicht kon worden gegeven, zeer grooten invloed heeft uitgeoefend; wanneer men zich geheel op de hoogte van de nieuwere beschouwingen omtrent den misdadiger wenscht te stellen, kan de lezing van dit voortreffelijk boek niet genoeg worden aanbevolen. Lonibroso heeft dan ook, mede ten gevolge van de bedenkingen, die ook van andere zijde werden ingebracht, langzamerhand aanmerkelijke veranderingen in zijne leer aangebracht. Terwijl hij vroeger geenerlei onderscheid maakte tusschen de verschillende soorten van misdadigers, maar bij allen in hoofdzaak naar anatomische afwijkingen zocht en ten slotte tot het resultaat kwam, dat er een misdadigerstype bestaat, dat aangeboren is en zijn oorsprong dankt aan atavisme, heeft hij later dit exclusief standpunt verlaten en stelde hij naast het type van den geboren misdadiger nog
— 168 —
andere typen, die door gelegenheid of hartstocht of door pathologische afwijkingen misdadig worden. Alleen de kern der misdadigers, naar schatting ongeveer 40 0/0 van de bevolking der gevangenissen, vormt eene variëteit van het menschelijk geslacht, een bepaald type, waarvan de lichamelijke en geestelijke eigenschappen door atavisme bepaald worden. Maar heeft Lonibroso het recht om hier te spreken van een type? Topinard beschouwde het als een kunstmatig samenraapsel van allerlei heterogene afwijkingen, die men ook bij niet veroordeelde menschen aantreft. Ook door anderen werd het bestaan van dergelijk type ernstig bestreden, het mist alle eigenschappen, die men in anthropologischen zin aan het bestaan van een type mag stellen. Om deze reden beweren Bleider en anderen, dat Lonibroso het woord type in een anderen zin heeft opgevat; hij wil er alleen mede zeggen, dat misdadigers meer lichamelijke en geestelijke afwijkingen vertoonen dan niet veroordeelden en waarschijnlijk ook meer dan krankzinnigen. Maar toch kan men geene groote waarde toekennen aan een type, dat geene scherpe grenzen aanbiedt tegenover niet veroordeelde menschen en nog veel minder tégenover pathologische gevallen en bovendien niet eens bij de helft der veroordeelde misdadigers voorkomt. Algemeen is men dan ook van oordeel, dat in elk geval de anatomische waarde van dit type ten zeerste te betwijfelen valt: Bleulcr gaat zelfs zoo ver om aan de somatische dege-neratie-teekenen slechts secundaire beteekenis toe te kennen en de primaire beteekenis te zoeken in het psychisch defect; hij neemt aan, dat er een psychologisch type voorkomt, dat geheel overeenkomt met wat door andere schrijvers met den naam van insania moralis wordt bestempeld en waarvan het hoofdverschijnsel is het defect aan moreele gewaarwordingen. In werkelijk-
— i6g —
held vindt men dit beeld echter slechts bij imbecillen, epileptici en alcoholisten, die natuurlijk geheel buiten het bereik der gewone misdadigers vallen en tot de psychisch gestoorden moeten worden gerekend.
Ten einde de hypothese van Lombroso te redden heeft men daarom nog naar eene andere beteekenis van het woord type gezocht en het de waarde toegekend van het gemiddelde, dat men uit de statistiek van een bepaald aantal gevallen berekende. Maar ook in dezen zin verliest zoodanig type elke objectieve waarde en practische beteekenis. Want als de statistiek ons leert, dat de mensch gemiddeld een leeftijd van 32 a .33 jaar bereikt, dan heeft dit voor ons immers niet de minste waarde om in een concreet geval den levensduur te bepalen!
Bovendien gaat het vaststellen van een bepaald type zoo bezwaarlijk omdat men moeilijk een normaal mensch als vast punt van vergelijking kan aanwijzen. Want al onderzoekt men een groot aantal niet veroordeelde menschen, ja zelfs al neemt men uitgezochte soldaten, dan heeft men toch eigenlijk niet den minsten waarborg dat er geen kaf onder het koorn schuilt en er niet hier en daar menschen onder voorkomen met zoogenaamde latente criminaliteit. Lombroso vond het dan ook nagenoeg onmogelijk om eene verzameling van deugdzame menschen te vinden, waarmede hij zijne misdadigers kon vergelijken: de ware deugd hield hij reeds voor eene groote anomalie in deze wereld en zelfs de heiligheid, het toppunt der deugd kon hij dikwijls niet anders beschouwen dan als een verschijnsel van hysterie of folie morale.
De voornaamste oorzaak, waardoor Lombroso zijne leer hoe langer hoe meer algemeen ziet verwerpen, is wel hierin gelegen, dat hij zich in zijn onderzoek bijna uitsluitend tot den misdadiger zeiven beperkte, eerst tot zijne lichamelijke later ook meer tot zijne geestelijke hoeda-
12
— i70 —
nigheden, terwijl hij de omstandigheden, waaronder de misdadiger leeft, nagenoeg geheel buiten beschouwing liet. Het is toch duidelijk, dat men op twee factoren moet letten, wanneer men de daden van den mensch recht wenscht te beoordeelen: in heeft men de aandacht te vestigen op den mensch zeiven zoowel naar lichaam als naar geest en 2quot; op de uitwendige omstandigheden, waaronder deze mensch leeft. Uit den aard der zaak is het hierbij van het grootste belang hoe men over den natuurlijken aard van den mensch denkt. Wanneer men leert, dat de mensch op weg is naar de zedelijke volmaking en de zonde en misdaad slechts overblijfselen zijn van het dierlijke in ons, dan laat zich denken, dat de leer van Lombroso oppervlakkig veel waarschijnlijks heeft. Maar wanneer men van Gereformeerd standpunt uitgaat en belijdt dat de mensch van nature een verdorven aanleg heeft, onbekwaam tot eenig wezenlijk goed en geneigd tot alle kwaad, dan heeft de leer van Lombroso aanstonds principieele bezwaren en kan het ons niet verbazen, dat ook het natuurwetenschappelijk onderzoek hoe langer hoe meer aantoont, dat Lombroso eene dwaalleer heeft verkondigd.
Wanneer men den persoon van den misdadiger onderzoekt, dan blijkt, dat hij niet zelden onder allerlei pathologische invloeden verkeert. De erfelijkheid bewijst ons de waarheid van Gods woord, dat Hij de zonden der vaderen zal bezoeken aan de kinderen tot in het derde en vierde gelid. Onder den invloed van krankzinnigheid worden herhaalde malen misdaden bedreven. Rachitis belemmert dikwijls den groei van den schedel en hersenen en is daardoor de oorzaak van allerlei verstandelijke en zedelijke defecten. Niet zelden vindt men ook epilepsie of alcoholisme bij hen, die zich aan eene misdaad schuldig maakten. Het is duidelijk, dat men in dergelijke
— i7i —
gevallen lichamelijke en geestelijke anomaliën kan waarnemen, maar Lomhroso had niet het recht om hier van een bepaald type te spreken. In elk geval blijft het noodrakelijk, om in zoodanige gevallen een nauwkeurig onderzoek te doen instellen, ten einde na te gaan in hoeverre men hier de oorzaak voor de misdaad met eene ziekelijke afwijking in verband kan brengen en aldus te bepalen of de lijder in een krankzinnigengesticht of in de gevangenis thuis behoort. In den laatsten tijd heeft men ook nog afzonderlijke prisons-asiles op willen richten, maar dit komt mij bij doelmatige inrichting van gevangenis en krankzinnigen-gesticht vrij wel overbodig voor.
Op den tweeden factor, de uitwendige omstandigheden, waaronder de mensch leeft, wordt door sommigen o. a. door Baer veel te sterk de nadruk gelegd, terwijl anderen zooals Lombroso vooral in het begin van zijn optreden deze maar al te zeer uit het oog verloren. In elk geval speelt deze factor in het algemeen een veel belangrijker rol dan de voorgaande. Een verwaarloosde opvoeding moet ten slotte verderfelijke gevolgen na zich slepen. Het neutrale schoolonderwijs, dat alleen ten doel heeft het verstand te ontwikkelen en eene eigenlijke opvoeding buitensluit heeft niet minder nadeeligen invloed. De algemeen heerschende sociale nood is dikwijls de oorzaak, dat een nijvere en eerlijke werkman ten slotte in de armen der misdaad valt. En zoo zien wij tal van sociale factoren o. a. ook de sterke toename der bevolking in de groote steden, die nadeeligen invloed op den mensch kunnen uitoefenen en indirect tot misdaad aanleiding geven.
Ten slotte blijkt dus, dat men nimmer met Lombroso en de positieve school in de lichamelijke organisatie een maatstaf kan vinden, die recht geeft om te besluiten tot een misdadigen aanleg. Maar evenmin mag men met
— 17- —
Bacr en de Fransche school den mensch geheel afhankelijk maken van de uitwendige omstandigheden, waaronder hij leeft. Om tot eene rechte kennis van den misdadiger te komen, heeft men beide factoren, zoowel anthropo-logische als sociale aan een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen.
Dr. SCHERMERS.
LOOSDUINEN.