A/r/v
PROEFSTATION OOST-JA7A.
No. 34.
Bacteriologisch Onderzoek
\\ \\ \\ ; gt; \' ■/
VAN
RIETyAlIETEIim
-
Botanisch laboratorium
Bibliotheek Lange Nieuwstraat 106 3512 PN UTRECHT
H. VAN INGEN. — SOEKABAI.
1891.
lt;/■
if
/-j
Proefstation „Oost Java\'
) J )
Bacteriologisch Onderzoek
van
h. vax ixgen. — soerabaia. 1891.
RIETV1RIËTEITEE
BACTEEIOLOGISCH ONDEEZOEK
VAN
niETVAÏÏIËTEITEIT.
Deelde ik in niijne „BiJdratjc tol de kennis der serehsiekte\' mede, dat ik de serehsdekte beschouwdc als in laatste instantie veroorzaakt door eene verstopping der vaten, vooral in de knoo-pen, door eene gomachtige stot, nruir dat ik over den oorsprong dier stof en de oorzaken van liiiar ontstaan in het onzekere verkeerde, thans zal het wel overbodig zijn te constateeren, dat daaromtrent door de onderzoekingen van l)r Jause alle twijfel is weggenomen.
Bij een bezoek door mij gebracht aan \'s Lands Plantentuin te Builen zo rfj verklaarde Dr. Janse mij met eeue bereidwilligheid, waarvoor hot mij aangenaam is hem bier openlijk mija dank te betuigen, niet alleen de door hem gebruikte methode van onderzoek en stelde de preparaten, die bij de samenstelling zijner verhandeling „Proeve eener verklarirtf/ van sereh verschijnselenquot; gediend hadden, ter mijner beschikking, maar stelde hij mij tevens op de hoogte van de belangrijke resultaten van zijn voortgezet onderzoek, nu onlangs onder den titel „ I \'oorkomen van bacteriën in suikerrietquot; in het licht verschenen.
De bedoelde gomachtige stof is ongetwijfeld het product der levenswerkzaamheid eener bacterie, die in de gom zelve, schoon dikwijls in zeer moeilijk herkenbaren vorm, is aan te treffen.
Deze bacterie wordt gevonden zoowel in gezonde als in zieke stokken en bewoont behalve het suikerriet nog een groot aantal andere planten. In gezond riet bevindt zij zich binnen
2
in de levende parenchymcellen en komt in normale gevallen misscliien niet in do vaten voor of geeft altluuis geen aanleiding tot belangrijke verstoppingon. Bij sereliziek riet beeft zij behalve in de parencbymcellon, bair zetel in de vaten opgeslagen en wordt duar de oorzaak der bekende stremmingen in den sapstroom.
ITet is naar aanleiding der mondelinge mededeelingen van Ur, jAlfSE, dat ik besloot tot bet hieronder besebreven onderzoek» hetwelk in de eerste plaats ten doel had bij een zoo groot moge\'ijk aantal rietstokken van de meest verschillende afkomst na te gaa i of zich de waarneminge.i omtent d» aanwezigheid van bacteriën in gezond suikerriet ook in Oost-Java zouden bevestigen.
Hiertoe onderzocht ik vooreerst alle variëteiten voorkomende in den tuin van het proefstation. Deze zijn van zeer verschillende afkomst; sommige zijn dit jaar in Java geïmporteerd, andere van verschillei.de fabrieken afkomstig eu in eerste, tweede of derde generatie in den tuin gekweekt. De meeste vertoonen nu, evenmin als in de vroegere generaties, sereb-verschijnselen; bij enkele treden dit jaar sporadisch zieke planten op; bij een enkele (Borneo riet) waren in eene vroegere generatie serehverscbijnselen waargenomen, maar in de latere weer verdwenen.
Behalve deze onderzocht ik nog enkele stokken uit naburige riettuinen, o. a. uit een tuin, die, tot dusver vrij van serdh-ziekte gebleven, dit jaar voor het eerst enkele zieke plarten bevat, echter in zoo geringe mate, dat de opbrengst niet btj die van vroegere jaren achterstaat (no. 13 in de navolgende lijst); verder nog een aantal wilde rietsoorten eu eindelijk riet in den tuin van het Proefstation uit zaad gekweekt.
De methode van onderzoek was die welke op blz. 8 zijner bovenvermelde verhandeling door Dr. Jaxse wordt beschreven. De uitgesneden en gehalveerde knoopen werden gedurende
een half uur in liet iippaniat van Kucu tut 1UUU verhit eu 24 tot 48 uur later onderzoeht. Op de snijvlakte komen dan slijm-droppels voor don dag, die de bacterie bevatten. Van de onderzochte stokken werden sommige zorgvuldig van de aanklevende aarde gezuiverd en met sublimaat-oplossing gewas-schen. Daar het echter bleek, dat deze bewerking niet den minsten invloed had op het voortbrengen van het bacteriën-slijm en dat uit toevallig aanklevende aarde nooit bacteriën te voorschijn kwamen, werd zij in het vervolg achterwege gelaten. Onderzocht werden uitsluitend gezonde stokken van de volgende afkomst.
A. Uiet waarbij in deze of in vroegere geueraties sereh-zieke planten waren waiirgenoaien.
1. Cheribonriet, 19 maanden oud, van gezonde bibit.
2. Cheribonriet, tweede snit van serehpoetjoeau, waar in de eerste snit slechts weinige, iu de tweede meer sereh-zieke stoelen voorkwamen.
3. Cheribonriet, tweede snit van gezonde bibit in sereh-rietsap geweekt, de eerste snit vertoonde geene, de tweede talrijke zieke stoelen.
4. Cheribonriet, tweede snit van gezonde bibit, in de eerste snit geene. in de tweede enkele zieke stoelen.
5. Cheribonriet van Gaijcuit ingevoerd in 1887.
ö. Gestreept Cheribonriet van Gending. Derde generatie.
7. Cheribonriet van Toelangan. Drie kleur-variëteiten. Eerste generatie.
8. Riet ouder den naam Japara njamplong uit Modjokerlo geïmporteerd. Eerste generatie.
9. Zwart Banjermassinriet (Borneo). Tweede generatie.
10. Gestreept Hongkongriet.
11. Riet van Formosa, van Soekoredjo. Tweede generatie. Ook de eerste was uiet vrij van sereh.
4
12. Riut van Bau^ka. Import.
13. Cheribonnet uit een tot dusver sereh vrijen tuin (zie boven.)
14. Fidjiriet, den 2eu Juni 1890 in den tuin van het proefstation gezaaid.
15. Riet van de Pliilippijuen, van Toeluiiy-Aijuiiy. De stok vertoonde vrij sterke roodkleuring der knoopen.
IJ. Hiet, waarbij tot dasver geen typische sereh is waargenomen.
16. Riet van Batoe (boven Malang, 3000 voet) in 1889 geïmporteerd. 1)
17. Riet van den Tenger in 1888 uit Tosari geiinporteerd.
18. Gestreept Cheribonriet van Soekoredjo Derde generatie.
19. Gestreept riet van Balie. Hoewel vrij van typische serehstoelen maakt dit riet door zijn buitengewoon korte loden gepaard bij een grooten omvang een zeer vreemden indruk.
20. Teboe Mnngli, vnn Seloredjo. Derde generatie.
21. Teboe quot;Woengoe, van Maritjan. Derde generatie.
22. Teboe Woengoe, van Seloredjo. Derde generatie.
23. Teb^e Keong, van Kaliteloe. Derde generatie.
24. Teboe Keong, van Baijoeman Derde generatie.
25. Zoogenaamd teboe Japara, v:in Soekoredjo. Derde generatie.
Even ais het onder 8 genoemde Japara Njamplong heeft dit riet door den langzamen groei en de vele ait-stoeling een eenigszi is serehziek voorkomen.
26. Teboe Timor, een in Pasoeroean algemeen voorkomende variëteit, die op de passers verkocht wordt, misschien identiek met de vorige.
27. Teboe Redjoeno van Ngandjoek. Derde generatie.
28. Teboe Redjoeno van Djati. Deze variëteit is identiek
1
Zie Bladz. 7.
5
met liot zoogenaamfl Otaheite, Wost-Tmliscli en gool I\'or-neoriot.
29. Teboe Rapoh van Bayclen. Eerste generatie. 3Ü. Gestreept Loemnrriet {Borneo.) Tweede generatie.
31. Wit Baiuljcrmassinriet [Borneo.) Eerste generatie.
32. Riet van Palembang. Tweede generatie.
33. Riet van P.tdang. Tweede generatie.
34 Riet Viin Hutjan {Molukken.) Twee variëteiten. Eerste generatie.
3ö. Riet van Micassnr [Mohikken.) IVeede generatie. De onfierzoclite stok liatl talrijke roode vaatbumlels in de knoopen.
36. Geel riet van Macissar. Import.
37. Riet van Geram (Molukken.) Import. 1)
38. Riet van Mcnaiio ( Mul ukken.) Import.
39. Riet van Cochin China, van Modjoagoeng.
40. Riet van Nieuw Guinea. Import.
41. Riet van de Fidjieilanden, van Olean (Sitoehondo). Eerste generatie. Verschillende variëteiten.
42. Teboe Troeboe (Saccharum eduie) Import van Proholingo.
C. Wilde rietsoorten.
43. Saccharum spontaneum. Linn. (Glagah).
44. Saccluiruin Soltwedeli. Kobus (Glongong). f)
45. Saccharum ciiiatum. Ilacke!.
Het resultaat was, dat bij nlie onderzochte stokken, zonder
1
Zie Bladz: 7.
f) Bij oen stok van dit riot, die boordergaten vertoonde en een ziekeljjk voorkomen ha l, vond ik in eenige knoopen een gedeelte der vaten met kleurlooze en geelachtige gom gevu! I, waarin hier en tiaar de ba -terien in groepen, soms in massa, bijeen lagen. Hier schijnt dus de serehbacterie ook verschijnselen, overeenkomen.Ie met die der serehziekte te kunnen voortbrengen. In overeenstemming hiermee is een waarneming in 1888 in Cheribon door den lieer Kou us gedaan, waar hij een stok van (rlayah aantrof met ziekteverschijnselen, die sterk aan serehziekte herinnerden.
\'A
U-#.
//
amp; •
ROEFSTATION „ UOST J A YA
f
P\'
Bactoriolocfisch Onderzoek
VAN
IIITV\'IIIETIITE
H. VAN INGEN. — SOERABAIA. 1891.
BACTEEIOLOSISCH OHDEEZOEK
VAN
Deelde ik in mijne „Bijdrage lol de kennis der serehzkklequot; mede, dat ik de sereliziekte beschouwde als in laatste instantie veroorzaakt door eene verstopping der vaten, vooral in de knoo-pen, door eene gomaclitige stof, maar dat ik over den oorsprong dier stof\'en de oorzaken van haar ontstaan in het onzekere verkeerde, thans zal het wel overbodig zijn te eonstateeren, dat daaromtrent door de onderzoekingen van Dr Jaxse alle twijfel is wegrorenomen.
oo
Bij een bezoek door mij gebracht aan \'s Lands Plantentuin te Buitenzorg verklaarde Dr. Janse mij met eene bereidwilligheid, waarvoor het mij aangenaam is hem bier openlijk mijn dank te betuigen, niet alleen de door hem gebruikte methode van onderzoek en stelde de preparaten, die bij de samenstelling zijner verhandeling „Proeve eener verklaring van sereh verschijnselenquot; gediend hadden, ter mijner beschikking, niitar stelde hij mij tevens op de hoogte van de belangrijke resultaten van zijn voortgezet onderzoek, nu onlangs onder den titel „ Voorkomen van bacteriën in suikerrietquot; in het licht verschenen.
De bedoelde gomachtige stof is ongetwijfeld het product der levenswerkzaamheid eener bacterie, die in de gom zelve, schoon dikwijls in zeer moeilijk herkenbaren vorm, is aan te treffen.
Deze bacterie wordt gevonden zoowel in gezonde als in zieke stokken en bewoont behalve het suikerriet nog een groot aantal andere planten. lu gezond riet bevindt zij zich binnen
2
in de levende parenchymcellen en komt in normale gevallen misschien niet in de vaten voor of geeft altlians geen aanleiding tot belangrijke verstoppingen. Bij sereliziek riet heeft zij behalve in de parenchymcellen, hair zetel in de vaten opgeslagen en wordt daar de oorzaak der bekende stremmingen in den sapstroom.
Het is naar aanleiding der mondelinge mededeelingen van ür. Janse, dat ik besloot tot het hieronder be-chreven onderzoek» hetwelk in de eerste plaats ten doel had bij een zoo groot moge\'ijk aantal rietstokken van de meest verschillende afkomst na te gaa i of zich de waarnemingen omtent d^ aanwezigheid van bacteriën in gezond suikerriet ook in Oost-Java zouden bevestigen.
Hiertoe onderzocht ik vooreerst alle variëteiten voorkomende in den tuin van het proefstation. Deze zijn van zeer verschillende afkomst; sommige zijn dit jaar in Java geïmporteerd, andere van verschillei.de fabrieken afkomstig en in eerste, tweede of derde generatie in den tuin gekweekt. De meeste vertoonen nu, evenmin als in de vroegere generaties, sereh-verschijnselen; bij enkele treden dit jaar sporadisch zieke planten op; bij een enkele (Borneo riet) waren in eene vroegere generatie sereh verschijnselen waargenomen, maar in de latere weer verdwenen.
Behalve deze onderzocht ik nog enkele stokken uit naburige riettuinen, o. a. uit een tuin, die, tot dusver vrij van sereh -ziekte gebleven, dit jaar voor het eerst enkele zieke planten bevat, echter in zoo geringe mate, dat de opbrengst niet bij die van vroegere jaren achterstaat (no. 13 in de navolgende lijst); verder nog een aantal wilde rietsoorten en eindelijk riet in den tuin van het Proefstation uit zaad gekweekt.
De methode van onderzoek was die welke op blz. 8 zijner bovenvermelde verhandeling door Dr. Janse wordt beschreven. De uitgesneden en gehalveerde knoopen werden gedurende
3
een halt\' uui- in liet iipparaat van Koen tot 10üu verhit en 24 tot 48 uur later onderzoekt. Op rle snijvlakte komen dan sljjm-droppela voor den dag, die de bacterie bevatten. Van de onderzochte stokken werden sommige zorgvuldig van de aanklevende aarde gezuiverd en met sublimaat-oplossing gewas-schen. Baar het echter bleek, dat deze bewerking niet den minsten invloed bad op bet voortbrengen van het bacteriën-slijm en dat uit toevallig aanklevende aarde nooit bacteriën te voorschijn kwamen, werd zij in het vervolg achterwege gelaten. Onderzocht werden uitsluitend gezonde stokken van de volgende afkomst.
A. Kiet waarbij iu deze of in vroegere geueraties sereh-zieke planten waren waargenomen.
1. Cheribonriet, 19 maanden oud, van gezonde bibit.
2. Cheribonriet, tweede snit van serebpoetjoean, waar in de eerste snit slechts weinige, in de tweede meer sereh-zieke stoelen voorkwamen.
3. Cheribonriet, tweede snit van gezonde bibit in sereh-rietsap geweekt, de eerste snit vertoonde geene, de tweede talrijke zieke stoelen.
4. Cheribonriet, tweede snit van gezonde bibit, in de eerste snit geene, in de tweede enkele zieke stoelen.
5. Cheribonriet van Gaijain ingevoerd in 1887.
6. Gestreept Cheribonriet van Gending. Derde generatie.
7. Cheribonriet van Toelangan. Diie kleur-variëteiten. Eerste generatie.
8. Riet onder den naam Japara njatnplong uit Modjolcerlo geïmporteerd. Eerste generatie.
9. Zwart Banjermassinriet (Borneo). Tweede generatie.
10. Gestreept Hongkongriet.
11. Riet van Formosa, van Soekoredjo. Tweede generatic. Ook de eerste was niet vrij van sereh.
4
12. Riet van Bangka. Import.
13. Cheribonriet uit een tot dusverserehvrijen tuin (zie boven.)
14. Fidjiriet, den 2en Juni 1890 in den tuin van het proefstation gezaaid.
15. Riet van de Philippijnen, van Toelony-Ayong. De stok vertoonde vrij sterke roodkieuring der knoopen.
B. Riet, waarbij tot dusver geen typische sereh is waargenomen.
16. Riet van Batoe (boven Malang, 3000 voet) in 1889 geïmporteerd. *)
17. Riet van den Tenger in 1888 uit Tosari geimporteerd.
18. Gestreept Cheribonriet van Soekoredjo Derde generatie.
19. Gestreept riet van Balie. Hoewel vrij van typische serehstoelen maakt dit riet door zjjn buitengewoon korte leden gepaard bij een grooten omvang een zeer vreemden indruk.
20. Teboe Mangli, van Seloredjo. Derde generatie.
21. Teboe Woengoe, van Maritjan. Derde generatie.
22. Teboe Woengoe, van Seloredjo. Derde generatie.
23. Teboe Keong, van Kaliteloe. Derde generatie.
24. Teboe Keong, van Baijoeman Derde generatie.
25. Zoogenaamd teboe Japara, van Soekoredjo. Derde generatie.
Even als het onder 8 genoemde Japara Njnmplong heeft dit riet door den langzamen groei en de vele uit-stoeling een eenigszins serehziek voorkomen.
26. Teboe Timor, een in Pasoeroean algemeen voorkomende variëteit, die op de passers verkocht wordt, misschien identiek met de vorige.
27. Teboe Redjoeno van Ngandjoek. Derde generatie.
28. Teboe Redjoeno van Djati. Deze variëteit is identiek
♦) Zie Bladz. 7.
5
met het zoogenaamd Otaheite, West-Indisch en geel Bor-neoriot.
29. Teboe Rapoh van Bagelen. Eerste generatie.
30. Gestreept Loemarriet (Borneo.) Tweede generatie.
31. Wit Bamljennassinriet [Borneo.) Eerste generatie.
32. Riet van Palembang. Tweede generatie.
33. Riet van Padang. Tweede generatie.
34 Riet van Batjan (Molukken.) Twee variëteiten. Eerste generatie.
35. Riet van Macassar [Molukken.) Tvveede generatie. De onderzochte stok had talrijke roode vaatbundels in de knoopen.
36. Geel riet van Macissar. Import. 1)
37. Riet van Ceram {Molukken.) Import. *)
38. Riet van Menado (Molukken.) Import.
39. Riet van Cochin China, van Modjoagoeng.
40. Riet van Nieuw Guinea. Import.
41. Riet van de Fidjieilanden, van Olean (Sitoebondo). Eerste generatie. Yerschillende variëteiten.
42. Teboe Troeboe (Saccharum edule) Import van Proholingo.
C. Wilde rietsoorten.
43. Saccharum spontaneum. Linn. (Glagah).
44. Saccharum Soltwedeli. Kobus (Glungong). -j-)
45. Saccharum ciliatum. Ilackel.
Het resultaat was, dat bij alle onderzochte stokken, zonder
1
Zie Bladz: 7.
f) Bij oen stok van dit riet, die boordergaten vertoonde en een ziekelijk voorkomen iia.1, vond ik in eenige knoopen eon gedeelte der vaten met kleurlooze en geelachtige gom gevul l, waarin hier en daar de ba.terien in groepen, soms in massa, bijeen lagen. Hier schijnt dus de serehbacterie ook verschijnselen, overeenkomende met die der serehziekte te kunnen voortbrengen, in overeenstemming hiermee is een waarneming in 1888 in Cheribon door den lieer Küjjus gedaan, waar hij een stok van Glagah aantrof niet ziekteverschijnselen, die sterk aan serehziekte herinnerden.
G
een enkele uitzondering en bijna zonder uitzondering in alle knoopen, de Bacillus Sacchari gevonden werd. Enkele malen was na 48 uur nog geen slijm verschenen, de knoopen werden dan op nieuw een kwartier in den toestel van Koen geplaatst, waarna het slijm altijd voor den dag kwam. Behalve in de snelheid van het ontstaan kwamen er ook in de massa van het voortgebrachte slijm bij verschillende stokken verschillen voor, maar het was mij niet mogelijk hierin eenige regelmaat te bespeuren, het zij in verband met den ouderdom of de afkomst van den stok of met het aantal der in de knoopen voorkomende roode vaatbundels.
De tweede doorDr. Janse beschreven bacterie waaraan hy den naam Bacillus Glagae gaf, die door da dubbele dikte en talrijke eigenaardigheden in de kuituren van de eerste onderscheiden is, vond ik in de groote meerderheid [70 percent] der onderzochte stokken.
Alleen bij de nommers 1 —17—18—20—23—24—27—28 29—30—40—43 en 45 scheen zij te ontbreken. Daar ik van vele dezer slechts één stok onderzocht en het enkele malen bleek, dat één stok eener variëteit de groote soort bezat, terwijl zij bij een anderen ontbrak, kan over de verspreiding der grootere soort uit deze gegevens nog geen vast oordeel worden geveld.
Reeds bij haar eerste optreden onderscheidt deze soort zich duidelijk van de eerste, dnar zij bijna altijd als dikke taaie melkwitte droppels verschijnt, en slechts zelden als kleurloos slijm. Een enkele maal (bij Woengoerietj zag ik haar midden uit den knoop voor den dag komen, meestal zeer nabij den rand of uit de afgescheurde of afgesneden bladscheeden. Hoe vroeger men de knoopen onderzoekt, des te gemakkelijker is zij te onderscheiden. Inter wordt zij dikwijls geheel onder de zich veel sneller uitbreidende B. Sacchari als het ware bedolven.
Van andere graminëen onderzocht ik volgens dezelfde methode
7
slechts de rijstplant en vond ook daarin den Bacillus Sacchari.
Het onderzoek bevestiggt;le dus volledig de waarnemingen van Dr. Jansr omtrent liet univei\'seele voorkomen der suikerriet-bacterie in gezond suikerriet en andere gramineen. Het moest zich echter bepalen tot riet dat, van boe verschillende üfkomst ook, toch in een betrekkelijk kleine ruimte, den tuin van het proefstation en eenige nabijliggende fabrieken, gegroeid was. Door middel van het microskopisch onderzoek kon ik echter nog eenige uitbreiding aan de verkregen resultaten geven. In riet van Macassar onmiddelijk aangevoerd had ik reeds vroeger bacteriën gevonden, het gelukte mjj nu ook ze aan te treffen in versch aangevoerd riet van Batoe (3000 voet) en van Ceram, waarvan ik eenige stukken in alcohol bewaard had. Belangrijker nog schijnt het mij, dat ik ze ook aantrof in riet uit een streek waar tot duiver de serehziekte geheel onbekend schijnt te ziju n 1. uit Engelsch-Indie, waar het den Heer Kobus niet gelukte zelfs bij een enkele plant serehver-schijnselen waar te nemen.
In een klein stukje eener rietplant, eigenaardig door een ziekelijk wegrotten van het binnenste parenchym der kort blijvende leden, door den Heer Kobus in Beheea verzameld en in spiritus bewaard, vond ik de vaatbundels in de nabijheid der afgestorven weefsels en in de knoopen met gekleurde en ongekleurde gom en bacteriënresten (korrelmassa\'s) gevuld en gelukte het mij ook bacteriën, in grootte gelijk aan de hier voorkomende, aan te treffen. Aan de identiteit dezer bacterie met B. Sacchari valt, geloof ik, niet te twijfelen, vooral met het oog op de ook aanwezige gom, zoodat deze enkele waarneming ook weer op een zeer uitgebreid voorkomen der suikerrietbacterie schijnt te wijzen.
Wat de overige waarnemingen van Dr. Janse betreft, ook mij gelukte het de aanwezigheid van bacteriën in ongedeerde
8
parencliymcellen, herhnaldeljjk bij gekookte en enkele malen ook bij versche stokken vast te stellen, liet laatste o. a. bij een stok van Redjoenoriet. Ook maakte ik de opmerking, die op de aanwezigheid dei\' bacterie in de groeitoppen zelf schijnt te duiden, dat uit jonge planten eti knoppen vlak onder den groeitop doorgesneden, na koking altijd slijm te voorschijn komt.
Dit voorkomen van bacteriën in de levende cellen verklaart voor een groot deel bet vroeger door mij meegedeelde (Bijdrage tot de kennis der serehziekte p. 29) omtrent de vorming van zoogenaamde wondgom en tevens het feit, dat deze zich hoewel spaarzaam ook daar vormt, waar de wondvlakte door een desinfecteerende stof is afgesloten. De gemaakte wond toch geeft naar alle waarsehijnlijklieid, door hot dooden van een aantal cellen aan de in de cellen aanwezige bacteriën een voedingsbodem waarop zij zich krachtiger kunnen ontwikkelen.
Ook kunnen zij bij het aanbrengen der verwonding gemakkelijk in de vaten geraken, of wanneer zij zich in de wondholte verzamelen van daar uit zelf in de vaten doordringen.
Een eigenaardig verschijnsel, dat ook aan de werking der suikerriet-bacterie moet worden toegeschreven, [zijn de gele vlekken die Dr. Janse (t. a. p. blz. 44) in de leden van vele riet-stokken aantrof.
Op het voorkomen daarvan onderzocht ik een aantal stokken Cheribonriet, zoowel zieke als gezonde, zonder resultaat, hoewel ik de stokken geheel in splinters sneed. Ik besloot daarom verschillende variëteiten uit den tuin te onderzoeken om te weten of zjj als een algemeen voorkomend ziekteverschijnsel dan wel als een eigenaardigheid van bepaalde variëteiten moesten worden opgelat. Inde eerste plaats onderzucht ik een stok Redjoenoriet van Djati [oo. 28 der lijst], die na verwij-
(lering der bibit nog vier meter lang wa? en 40 loden tolde. Ik vond hier in alle leden de typische gele vlekken, nu eens geïsoleerd dan weer tot lange reeksen versmolten in een of meer rijen het geheele merg der leden doorloopen. Ieder afzonderlijke vlek bestaat uit een wit stipje omgeven door een hard geelgekleurd weefsel, dat bij het snijden weerstand biedt aan het mes, zoodat als dit ni it al te scherp is de cellen zich er togen opgeven. Er is bij het snijden eenige overeenkomst met het vleesch eener steenachtige peer te bespeuren.
Wanneer men den geheelen stok in de lengte doorsnijdt en de helften eenigen tijd aan de lucht laat droogen, kan men zich zeer gemakkelijk over de plaatsing der vlekken oriënteeren. Het weefsel van het lid zinkt nl. door uitdrooging in, terwijl bet weefsel der gele vlekken door de hardheid der celvvanden weerstand biedt en zich nu voordoet als, zelden geïsoleerde,
7 O 7
meest tot lange rijen vereenigie hou vols, die in of nabij het centrale gedeelte van het lid geplaatst zijn.
Bij microskopisch onderzoek blijkt het witte vlekje te bestaan uit met korrelige massa gevulde cellen [t. a. p. p. 44] meestal omgeven door een aant.il dunwandige cellen, terwijl het geelachtige weefsel door min of meer verdikte parenchyin-cellen [zoogenaainde steence\'.len] gevormd wordt.
Bij pas beginnende vlekken zijn soms slechts een of twee korrelcellen aanwezig en is het parenchym slechts zeer weinig verdikt; bij oudere neemt meestal het aantal, voornamelijk in de lengterichting, toe en kunnen de wanden der omgevende cellen eene aanzienlijke dikte bereiken; ook worden deze dan vaak gedeeltelijke donkerbruin en soms heeft er een gedeeltelijke verwoesting der binnenste cellen plaats, zoodat er in het midden der vlek een holte ontstaat. In de dunwandige cellen, zoowel binnen als buiten de steencellen laag, vond ik somtijds bacteriën (duidelijke staafjes). Bij koken van een lidstuk met gele vlekken was 24 uur na het koken het aantal bacteriën in de
10
cellen soms aanzienlijk vermoerderd, terwijl in de korrelige massa\'s geen verandering was waar te nemen.
Van liet genoemde Redjoenoriet onderzocht ik drie stokken, verder een stok Redjoenorieb van Ngandjoek (no. 27) alle met hetzelfde resultait. Hetzelfde verschijnsel met vorscliillende wijzigingen vond ik verder bij gestreept Borneoriet (soerat Hongkong en soerat Loeniar no. 10 en 31), bij wit Ilongkongriet en bij twee stokken van zwart Handjermassinriet (no. 9). bij geel Macassarriet (no. 36), bij riet van Bali (no. 19) bij teboe Mangli (no. 20) bij teboe Rapoh (no. 29) bij riet van Batoe (no. 1G), bij quot;Woetigoe riet (no. 22) bij Ceramriet (no. 37) bij vele stokken van Japara- en ïimorriet (no. 25 en 26) en bij drie van 4 stokken Nieuw Guineariet (40).
De bedoelde wijzigingen waren ten eerste het voorkomen der vlekken niet in het merg, maar kringvormig er om toe, daarbij dikwijls alleen in het bovenste van het lid vlak onder den knoop, terwijl het onderste van het lid zoo goed a\'s vrij was of geïsoleerde vlekken vertoonde. Verder ziet men dikwij s in plaats van vlekken, streepen van vele centimeters lengte, die dezelfde samenstelling hebben. Eindelijk vond ik somtijds de genoemde korrelcellen in het merg verspreid, bij geheele afwezigheid van dikwindige cellen (Fidji-riet).
Geheel te vergeefs zocht ik de vlekken in verschillende st «k-ken van zoogen. Keongriet (23, 24) bij riet van Padar.g (33) en Palembang (32), bij rood riet van Macassar, bij wit riet van Ban-djermassin en wit riet van Pa)idaan, bij twee stokken zaalriet, bij geel en gestreept Bankariet (12) bij Cheribonriet van Gaijam, (5) bij Cheribonriet van Toelangan (7) (4 stokken van 3 variëteiten), bjj talrijke stokken Cheribonriet uit den tuin van het Proefstation.
Zeer spaarzaam, dat wil zeggen bij het versplinteren van den geheelen stok een enkel of een paar vlekjes, vond ik ze bij eenige stokken Cheribonriet uit den tuin en bij een keong-achtige rietvariëteit van Batjan (no. 34.)
11
Het ia dus, vooral met liet oog op de waarnemingen bij liet Cheribonriet, alleszins waarsebijnlijk, dat de gele vlekken lij geenc enkele rietvanëteit geheel zullen ontbreken; maar toeb ^(■ll iicii bovenstaande wnarnemingen er op te duiden, dat zij iia:i bepaalde variëteiten in het bijzonder eigen zijn en daar noch op het uiterlijk voorkomen der stokken, nocb op den opbrengst, getuige het gestreept Borneoriet, eenigon merkbaren invloed uitoefenen.
Een bijzonder verschijnsel zag ik eenmaal in een stok van Borneo soerat.
Hier was een lid tusschen twee volkomen uitgegroeide in, dat niet de halve lengte der overige bereikt had. Bij het doorsnijden bleek, dat zich in het midden een holte van ruim een centimeter lang en bijna even breed bevond, terwijl het lid van buiten geheel gaaf was. De omtrek der holte was geheel door steencellen afgesloten. Uit de afwijkingen in het verloop der vaatbundels, waardoor ook de vorm van de knoopiloorsnede geheel gewijzigd was kan men afleiden, dat de weefselvefwoesting in liet jonge lid begonnen was, hoogst waarschijnlijk uit een gele vlek. Ook hier bleek door het weerslandsvermogen der rietcellen de schade tot een kleinen omvang beperkt te zijn. Ook bij de vlekken, die ik in Cheribonriet vond, was somtijds in het midden der vlek een door afsterven en verscheuring der cellen ontstane holte aanwezig en hier zag ik dikwijls ook in de intercellulaire ruimten de korrelmassa\'s en gom niet bacterien-achtige lichaampjes.
De kweekmetbode van Dr. Janse werd verder nog door mij gebezigd om te weten te komen of desinfectie van de bibit eenige uitwerking kan hebben op de bacteriën, die zich in den stek of in de zich ontwikkelende oogen bevinden. Scboon ik toen nog niet bekend was met de aanwezigheid van bacteriën in de jonge parenchymcellen, scheen dit van
12
te voren beschouwd oawaarschijnlijk. Nogthans scliijnen een aantal met slappe oplossing van kopersulfaat (\'/100%) genomen desinfectie-proeven op eene eenigermate vermeerderd opbrengst uit serehzieke bibit te wijzen 1), en voor zoover mij bekend staan hier tegenover nog geen proeven met hetzelfde desinfectie-middel genomen, die een negatieven uitslag opleverden, f)
Ik behandelde daarom een tiental gezonde stekken van twee oogen op de gewone wijze (,G uur weeken na 24 uur droogen) met kopersulfaat van \'/100% 0,1 evenveel met ll500/0 en onderzocht daarna de knoopen volgens de bekende methode. Het resultaat was volmaakt hetzelfde als bij niet gedesinfecteerde stekken, uit alle knoopen kwam het heldere sljjm der suikerrietbacterie te Voorschijn. Een aantal andere stekken liet ik in de oplossing liggen tot de oogen waren uitgeloopen en vulde naarmate de vloeistof verminderde met dezelide oplossing aan. De uitgeloopen oogen onderzocht ik bacteriologisch na een dag, een, twee en zes weken. Uk alle ontwikkelde zich bet bacteriënslijm. De sporen der bacteriën ontbraken dus ook nu niet in de oogen. Het duidelijkst blijkt het groote weerstandsvermogen der in de knoopen aanwezige sporen uit de volgende proef\'.
Knoopen op de gewone wijze uitgesneden werden gedurende 10 minuten gekookt in kopersulfaat-oplossingen van a \'/200%) ^ \'iico %gt; c \'/40 %i ^ \'/20% 611 daarna in gesteriliseerde doo-zen bewaard. Hoewel langzamer dan gewoonlijk (eerst na drie dagen) ontwikkelden zich bij a op alle, bij b op twee van de vier stukken (}e B. Sacchari, bij h bovendien de B. Glagae. Bij c cn d had geene ontwikkeling plaats ; toch waren ook daalde sporen niet gedood, want nadat ik ze eenige dagen later
1
Zie o. a. Resultaten van desinfectie proeven. Uitgaven Proefstation O. J. no. 24
t) De negatieve resultaten door Dk. Benecke vernield in zijne „Proefneming ter bestrijding der serehziektequot; kunnen m. i. niet als zoodanig gelden, daar hier van eene oplossing van Vioo\'Vo kopersulfaat niet gesproken wordt.
13
een kwartier lung in gedustillecnl water hiul gekookt, kwam het slijm op de gewone wijze te voorschijn.
Dat de desinfectie dor stekken dus zonder invloed is op d\'j aanwezigheid van bacteriën in het riet, is hierdoor voldoende bewezen. Daarmede is echter nog volstrekt niet het vonnis over de desinfectie uitgesproken. Dit kan alleen gebeuren door cultuurproeven met doorgaand negatief resultaat.
Alleen zal, indien de proeven op den duur een positief resultaat mochten blijken op te leveren, naar eene andere verklaring dan het dooden der bacterie moeten worden gezocht.
Bij de genomene proeven bleken ondertusschcn niet alleen de bacttriëu maar ook de cellen van het riet een groot weerstandsvermogen tegen kopersulfaat, te bezitten.
Zoo waren bij de in kopersulfaat-oplossing uitgeloopen en zes weken lang daarin gegroeide oogende bibits inwendig minder rood gekleurd en was het weefsel minder verteerd, dan bij andere, die ik even lang in water liet, en waren de jonge planten bij de eerste vooral niet zwakker dan bij de laatste» ofschoon zij veel langzamer waren uitgeloopen.
Daar nu de scheikundige analyse van bibit een betrekkelijk aanzienlijk kopergehaHe aanwijst, en het dus bewezen is, dat de wortels het koper uit den grond opnemen evenals de andere minerale voedings-bestanddeelen, schijnt het van te voren niet ondenkbaar, dat men door bemesting met kopersulfaat het kopergehalte van het riet zoodanig zon kunnen verhoogen, dat de groei der bacteriën daardoor meer belemmerd werd dan die van het riet zelf (Zie ook Janse t. a. p. blz. 49.)
Om derhalve een meer nauwkeurig denkbeeld te hebben van het weerstandsvermogen der bacteriën, bepaalde ik in de eerste pbiats de sterkte, die eene kopersulfaatoplossing moet hebben om dcsinfecteerend te werken, m. a. w. om de bacteriën en hunne sporeu te dooden, in de tweede plaats bij welke sterkte de gr ei der bacteriën belemmerd of onmogelijk gemaakt wordt.
14
T. Eeu aantal kolfjes bevatteade 50 cc. van een afkooksel van rietbladeren niet een weinig suiker (renctie zwak zuur) werd met B. Saccliari geïnfecteerd. Drie dagen later toen de ge-beele vloeistof troebel geworden was en zicli aan de oppervlakte een fijn vlies begon te vormen, werd in de kolfjes zooveel kopersulfaat gebracht cn door omschudden bij zachte verwarming daarin opgelost dat dc vloeistoffen eene concentratie verkregen respectievelijk van \'/s ) \'/2 i ^ i 2, 5, 10, 25, en 35% kopersulfaat (de laatste was dus ongeveer geconcentreerd).
Ommiddelijk hierna werd uit elk der kolfjes met een lus-vormig omgebogen platinadraadje een klein droppeltje vloeistof genomen en op een gestolde agargelatinebouillon-oppervlakte uitgestreken (zoogenaamde streepkultuur) en dit na een half uur, eeu uur en 24 uur herhnald.
Indien na eenige dagen van deze streepculturen eenige niet meer opkwamen, clan mocht men hieruit afleiden, dat de bac-terien of gedood of althans in hunne ontkieming\'verhinderd waren; bij die welke wel opkwamen was hetzij de sterkte der oplossing of de duur der inwerking daartoe onvoldoende geweest. Het laatste bleek bij alle culturen het geval te zijn. Drie dagen later werd van de geconcentreerde oplossing nog eens een streepcultuur gemaakt, ook deze kwam op.
Daar het niet onmogelijk was dat de in de vloeistof aanwezige organische stof de inwerking van het koper op de sporen belemmerde werd de proef nog op de volgende wijze herhaald.
In wijde reageerbuizen werd ongeveer 10 cc eener kopersulfaat oplossing gebracht van de volgende sterkte: 5 °/0, \' 0%, 25 0/0 en verzadigd. Hierop werd met den top van een plati-nanaald een kleine hoeveelheid sporen uit een oude cultuur in de verschillende oplossingen gebracht en daariu zoo goed mogelijk gemengd. Na verschillende intervallen werden weder met een platina-oogje streepculturen van dit mengsel gemaakt,
15
dat uu slechts minimale hoeveelheden organische stof bevatten kon. Ook nu kwamen alle strcepculturen, ook die van drie dagen, op. Eon geconcentreerde kopersulfaat oplossing is dus ook bij een inwerking van drie dagen niet in staat de sporen der bacterieu te dooden.
II. A. In een aantal kolfjes, eene oplossing van suiker met de noodige zouten bevattende, waarbij bovendien nog eenige wijnsteen gevoegd was om het koper in oplossing te houden, werd kopersulfait gebracht in de volgende verhoudingen: \'/sou» \'^ou! /100) 75\' isu/o daarna de kolfjes met B. Sacchari geïnfecteerd.
In een controle-kolfje, dat geen koper bevatte, was den volgenden dag de vloeistof troebel en bedekte ssich na eenige dagen met een dik roomachtig vlies, dat zich met een naald in draden liet uittrekken. In geen der kolfjes die kopersulfaat bevatten had een spoor van troebeling of van ontwikkeling der bacterie plaats. De proef werd eenige malen met hetzelfde resultfint herhaald, In een der proeven was een klein stukje marmer op den bodem der kolfjes gpplaatst om de optredende zuren te binden. Hier had in de drie eerste kolfjes eenige ontwikkeling p\'aats, hetgeen natuurlijke verklaarbaar is doordien een deel van het koper door het marmer werd gebonden.
B. Cultuur in vloeistof bevattem e 2% suiker, 2% pepton en \'/2% vleeschextract. Kopersulfaat als bij a.
In de kopervrije, sterke troebeling en langzame vorming van een dik vlies op de oppervlakte. Bij llsoo 0/0 hetzelfde. In de kolfjes met il200 tot il7s 0/o kopersulfaat geen troebeling maar veel snellere vorming van het dikke vlies op de oppervlakte. Bij %0% geen ontwikkeling meer.
C. Dezelfde vloeistof, maar met slechts l°/0 pepton.
De kopervrije en die van\'/soo % oli\':w\'^{e\'clen onSeveeiquot; als bij B., bij % en meer had geen ontwikkeling meer
plaats.
16
Proef\' eeuigc malen herhaald.
1). Gelatine-agar-sniker-bladdecoet niet kopersulfaat in verhouding van 7500, 7250, 7ioo, \'/75 cn 75U %. In de buisjes, die deze voedingsstof bevatten, werden, terwijl deze nog warm en vloeibaar was met de punt van een naald bacteriën-sporen gebracht en zoogoed mogelijk gemengd. Dairna werd de vloeistof uitgegoten op een glazen plaat, waar zij spoedig stolt (zoogeu. meng- of plaatkultuur). Inde gestolde vloeistof vormt elke spoor, daar waar hij gedurende het stollen zich bevindt, een kolonietje, dat, wanneer het niet al te ver van de oppervlakte ligt, daar als een klein slijmdroppeltje voor den dag komt. Van hieruit breiden de bacterien zich over de geheele oppervlakte uit, ilie zij met een dof gnjsaclitig vlies overtrekken. Bij de cultuur met quot;500 0/0 kopersu\'faat was het resultaat ongeveer hetzelfde, hoewel er een duidelijke vertraging in het opkomen der kolonies en in de vorming van het vlies plaats had. Bij \'l-2so0/o was deze vertraging aanmerkelijk en ontbrak in een geval het vlies geheel. Bij \'/inn 0/o bleven de kolonies afgezonderd en klein, bij \'/75 % kwamen zjj niet meer op.
Er werden nu nog mengkulturen gemnakt met de onder A. B. en C. genoemde vloeistoffen. Bij A. ontbrak evenals bij de vloeistofkuituur bij \'/sno % spoor van ontwikkeling. Bij B. daarentegen bal evenals daar ook bij \'/75 nog vorming van kolonies plaats, die eerst twee dagen later een vlies op de oppervlakte vormden.
Bij C. was het resultnat ongeveer gelijk aan dat bij I). verkregen.
Het afwijkende resultaat der proeven B laat zich waarschijnlijk hierdoor verklaren, dat een deel van bet kopersulfaat door de pepton gebonden wordt en daardoor zijn scliadelijke inwerking op de bacteriën verliest, terwijl de vloeistof ouder A genoemd minder gunstig voor eene krachtige ontwikkeling schijnt te zijn, waardoor verklaarbaar wordt, dat reeds zeer
17
geringe lioeveellieden kopersulfaat zeer kraolicig \\verkeu. Uic de overige proeven, die vrij wel onderling overeenstemmen, mag men afleiden, dat een aanwezigheid van kopersulfaat in den voedingsbodem, in een Verhouding van \'/200% vertragend op den groei der bacteriën werkt, dat \'(\',00% dezen belangrijk belemmert, terwijl bij een verhouding nwschen \')100 en \'/75% groei der bacteriën geheel onmogelijk wordt.
Nu zal het wel buiten het bereik der mogelijkheid liggen een rietplant te kweeken, waarvan hef celvocht eene hoeveelheid kopersulfaat bevat in oen verhouding van \'ll0l) rot maar indien het mogelijk was zonder schade voor het riet eene concentratie te verkrijgen van ij20u of misschien zelfs van \'/500%) \'n aanmerking nemende, dat het celvocht der levende cellen toch al geen uitstekenden voedingsbodem voor de bacteriën oplevert, dan was misschien juist de grens bereikt, waar de bacterie meer in de snelheid van den groei wordt belemmerd dan het riet, waardoor na elke celdeeling het aantal bacteriën, dat een cel bevat, moet zijn afgeuomeu.
Th. VALETON.