-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-

(Ecu liisionscli-socinle sliulic.

-ocr page 4-

*

\'

fl

£81

üï:

\'f

f\'

\' . A * ■

. r-, * - \'• t . v \' A ■

X\' .

r

-ocr page 5-

E D A M-

J. M. ROLDANUS Cz

-ocr page 6-
-ocr page 7-

VOORREDE.

Eenst von wildenbtjch in zijn «ooraeêamp;imi die Haubenlerche laat een der personen, die hij ten tooneele voert, het volgende zeggen ;

„Al dat dokteren lost de sociale kwestie niet op, omdat die niet door den Staat, maar door alle menschen, ieder voor zich moet opgelost worden. Het is heel mooi, dat men voor hef lichaam der armen zorgt, dat ze geen honger en dorst lijden, maar er moet vooral voor Mm geestelijk wezen gezorgd worden; dat kan geen wet, dat kan geen staat, (geen vereeniging) dat kunnen alleen de individuen. De menschen moeten ophouden Fariseën te zijn, die wel van buitengeleerde plichten kennen, maar geen plichten gevoelen. Ze moesten de wreedaardige lafheid overwinnen, die hen doet huiveren om met de proletariërs in aanraking te komen.quot;

„Onder den titel quot;spinnewebbenquot; heb ik willen aanduiden, al de theorieën, goedgekookle en onbekookte, die eeuwen lang reeds zijn uitgedacht om den maatschappelijken toestand te verbeteren. Ik heb willen zeggen dat al deze theorieën de zaak meer ingewikkeld maken, zonder veel goeds tot stand te brengen; dat zij als spinnewebben ons omstrikken en de gedachten afleiden van eene practische oplossing der zaak. In deze brochure wil ik aantoonen dat verbetering der maatschappij, allereerst moet gezocht worden in zelf verbetering van de menschen zelve, die deze maatschappij vormen en dat alle theorieën en wetten onwerkzaam kunnen gemaakt worden, als menschen dit willen. Ik wil de hoogere standen opwekken om niet de oogen te sluiten voor uitgesproken wenschen maar de leiding dier wenschen op zich te nemen om daarioor datgene te voorkomen wat niemand bijna kan verlangen : de revolutie.

Moge deze brochure daartoe het hare bijbrengen.

de schbijver.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

quot;Wie der Vogel singt, dèr in den Zweigen wolmt, so singt, so •gt;miisiziert der Monseh aus innerer Notwendlgheit, der Ivünstler sehafft ».;us innerem Selmffensdrange, dein angebornen Mitteilungstriebe mul «Spieltriebe folgend; das knnstschafïen ist ilim Grenusz, die Mittei-quot;lung Bedürfnis.quot;

Aldus Hugo Rieman, de bekende schrijver over muziek; deze woorden overgebracht op het terrein, waarop ik mij thans ga bewegen, zijn waar, in zoover ik de pen heb opgenomen louter uit lust tot schrijven, tevens echter in do overtuiging dat in onze hoogernstige tijden het zijn bizonder nut heeft, wanneer ieder die iets meent te moeten zeggen met betrekking tot de vragen van den dag, zijne gedachten openbare, opdat zij in wisselwerking treden met die van anderen, zich met deze verbinden, nieuwe doen ontstaan en hierdoor telkens helderder licht worde verspreid omtrent de gedragslijn, die gevolgd moot worden. Aan deze overtuiging hebben de volgende regelen hun ontstaan te danken; mogen zij welwillend overdacht worden en nut afwerpen.

Tot goed begrip van hetgeen ik omtrent den hedendaagschen socialen toestand wensch mede te deelen, dienen wij het boek der boeken van liet menschelijk geslacht de geschiedenis, op te slaan want geen verschijnsel in een bepaalden tijd staat op zich zelve maar wortelt in hetgeen aan dat tijdperk voorafging. Wij gaan daarom terug tot de grijze oudheid, tot de rijken der Assyriers, Babyloniers, Perzen, Meden, en andere volken om in vogelperspectief enkele hoofdtijdvakken mot één blik te overzien.

De grondtrek dezer Oostersche Staten is een onbeperkt nriester-en vorsten gezag; despotisme en theokratie vloeien zamen in den persoon van den vorst.

In China is de keizer de zoon des hemels, in Indië zijn de koningen goden in menschengedaante, in Perzie, de vertegenwoordigers der goden, geëerd door knieval, bij de Israëliten de gezalf

den gods, in Egypte de opvolgers der goden, die zelve eerst gere-

-ocr page 10-

2

geord hadden; dit despotisme uit zich voornamelijk in uiterlijke praal. Reusachtige monumenten, prachtige paleizen, kostbare tempels vormen de zuilen die hun troon schragen en de g-edachten hunner onder-hoorigen afleiden, op wier ijdelheid zij speculeeren en wier oogen zij verblinden. Eeuwen lang bleef deze toestand bestaan, omdat door dit despotisme aan eene behoefte werd voldaan, toen ter tijde de de meest noodige, namelijk : die aan orde. Ook oefende het stationair karakter dier volken, grootendeels verre van de zee, op zijn hoogst door een enkele rivier met andere streken verbonden, zijn invloed uit om het bestaande te bestendigen. Opstanden, hoe dikwijls ondernomen, moesten mislukken, omdat zij niet uit den boezem van het volk zelve ontstonden, niet berustten op eene gevestigde volksovertuiging, maar in het leven werden geroepen door den een of ander, die zich verongelijkt meende, ten strijde trok uit persoonlijken haat, maar eveneens het despotisme in zijn banier voerde.

Een ander land was bestemd om het licht der persoonlijke en staatkundige vrijheid te doen schijnen; dat land was Griekenland. Waarom? Omdat het grenst aan Azie, door zijne koloniën de uiterste grens vormt van dat werelddeel en bovendien door zijne territoriale gesteldheid \'t meest tot de vrijheid geroepen was. Immers, de nabijheid der zee oefent op een volk eene verfrischende kracht uit; zij komt van buiten, lokt naar buiten, levert voortdurende afwisseling op; zij kweekt zelfvertrouwen en leert gevaren trotseeren. Hoe meer de zee door golven, inhammen, land- en zeeëngten zich aan \'t vasteland huwt, des te meer ontwikkelt zij, vooral in dien tijd, bij den mensch, het gevoel van achting voor zich zelf en persoonlijke waarde. Griekenland, dat een vierkante mijl kust bezit op slechts 10 vierk, mijlen binnenland, terwijl in Azie de verhouding\' is van 1 op 105, is evenals de godin aan wie liet Grieksche volk zoovele offers heeft gebracht, de Aphrodité, de uit het schuim getogene. Reeds de oudste tijden der Grieken gewagen van zeetochten als die der Argonaut en, die van Theseus en de Troyaansche oorlog. Moest de vrijheid dus daar het eerst wortelschieten, hare eenzijdige opvatting bracht de wrange vrucht van oneindige partijtwisten met zich. die, gepaard met het slavenstelsel en de verachting van andere volken, hiertoe moesten leiden, dat het Grieksche volk, steeds woelend in eigen aderen, een gemakkelijke prooi werd der Romeinen.

En wat brachten de Romeinen dat ze bij machte waren de wereldheerschappij te kunnen voeren? Het beginsel, door hen vertegenwoordigd, hooger dan dat der Grieken, was de eerbiediging der

-ocr page 11-

3

menschenwaarde in andere volken, die evengoed als de Romeinen zelve, aanspraak liadden op den titel van fives Romanus en als zoodanig ook dezelfde staatkundige en staatsburgerlijke rechten genoten. Ook de slavernij, hoewel tactisch nooit geheel afgeschaft, was toch aanmerkelijk zachter dan bij de Grieken; immers liet getal vrijgelatenen in den goeden tijd der republiek bedroeg omtreeks 1300 per jaar. Toch moest ook op hare beurt de macht der Romeinei. bukken voor het zwaard der Germanen en liet Christendom, welk laatste alle menschen als broeders omvatte, de gelijkheid van allen voor de wet erkende, als een aangeboren recht, niet als eene gunst der Romeinen. De behoefte aan inwendige eenheid werd bevredigd, niet door den uitwendigen band der politiek als een uitvloeisel van Rome\'s nuicht, maar door den godsdienst, oorspronkelijk in eenheid van kerk zijn kracht vindende met Rome als geestelijk hoofd. Vandaar dat do vorsten in de eerste tijden der middeleeuwen liet zich tot plicht rekenden de uitbreiding van het Christendom te bevorderen deels door het zwaard, deels door prediking. Getuige: Karei de Groote, Alfred de Groote in Engeland, Otto de Groote in Duitsch-land, Wladimir de Groote in Rusland, Kanud in Denemarken, Olof de Heilige in Noorwegen enz. De innerlijke band van den godsdienst is veel sterker dan die der politieke eenheid; een bewijs immers levert de tijd na Karei den Groote; toen zijn rijk uiteenspatte bleven toch de verschillende volken denzelfden godsdienst omhelzen. Wilde echter deze godsdienst aan hare verplichtingen voldoen, dan moest zij twee gebreken afleggen namelijk: haar nationaal en po-lytheistisch karakter. Vandaar dat alleen het Christendom, de godsdienst van Mahomet en liet Boedisme gescliikt zijn alle volken te omvatten, want alle drie hebben deze hoofdtrekken gemeen: quot;mijne wet is eene wet van genade voor oIIku ; evenals het licht van zon en maan over nlUu schijnt, evenzoo laat Ik de stralen mijner wijsheid over nliev nederdalenquot;. Dat echter de volken der middeleeuwen voor geene hoogere eenheid vatbaar waren dan die van den godsdienst, blijkt uit den feilen haat, verachting van Muzelmannen en Christenen onderling. Binnen den kring echter van denzelfden godsdienst ontwikkelde zich vrijheid van personen, door afschaffing der slavernij en de opkomst van den nijveren derden stand, vrijheid van algemeen verkeer door handelsverbonden, vrijheid van gedachte dooide boekdrukkunst, vrijheid van ond Tzoek door het stichten van hoogescholen, vrijheid van arbeid door de gilden, totdat eenheid van godsdienst bleek een struikelblok te zijn voor verdere

-ocr page 12-

4

ontwikkeling en de kerkhervorming Jen stoot gaf tot het beginsel, dat alle mensclien broeders zijn, onverschillig of zij tot dezen of genen godsdienst behooren of dat zij vrij zijn van eene bepaalde godsdienstige richting. Ik zeg den stoot gaf, want de kerkhervormers zelve stonden lang niet op die hoogte en waren even bekrompen als de Catholieke geestelijkheid. Godsdienstoorlogen, een tot heden ongekend verschijnsel, ontbrandden, maar de kracht en de verhevenheid van hot nieuwe beginsel zegevierden, deels geholpen door den godsdienstijver en de zucht naar roem van Zweden\'s koning Gustaaf Adolf, deels door de politiek van Richelieu, die uit naijver op \'t huis Habsburg de protestanten in Duitschland ondersteunde. Een gevolg van dezen zegepraal was de opkomst der protestantsche staten: Pruisen, Engeland en Nederland. Nu moge het waar zijn, dat zonder het veldheer\'s talent van Gustaaf Adolf, zonder de politiek van Richelieu, zonder de taaie volharding der Nederlanden, do zaken misschien heel anders waren geloopen, men vergete niet dat een beginsel, dat levensvatbaarheid bezit en aan eene behoefte beantwoordt, uit den aard der zaak de mannen met zich brengt die dat beginsel weten te verdedigen; immers groeit niet op versche bodem de krachtigste plant? Een beginsel is geen in de lucht hangend iets, maar is de gemeenschappelijke volksovertuiging; dc krachtigsten, en zij die de meest geschikte talenten bezitten, gorden zich aan om voor dat beginsel te strijden, nog meer gesterkt soms door eigenbelang en zucht naar roem. Zoo verrezen op de puinhoopen van het Catholieke geloof verscheidene protestantsche secten, die, daar zij natuurlijk elkander de pas verkregen vrijheid misgunden, elkander fel bestreden, een groot geluk overigens, omdat nu voor goed aan alle eenheid van geloof den bodem werd ingeslagen en den mensclien hier door geleerd werd dat boven alle geloof, het «inensch zijnquot; staat en als zoodanig alleen de een des anders broeder kan zijn. Een denkbeeld, dat wel langzamerhand veld wint, maar toch op verre na niet algemeen erkend is, noch erkend zal worden, zoolang de menschheid nog in godsdienstjes doet en zich niet buigt voor den eenigen, algemeenen, alles omvatten-den godsdienst die niqt nader is te omschrijven, niet is samen te dringen in dit of dat systeem, maar afhangt van ieders persoonlijke ontwikkeling: het mensch zijn.

Nadat ik aldus den gang der internationale eenheid, en internationale vrijheid besproken heb, de beginselen, -waarnaar de ge-

-ocr page 13-

heele thans quot;beschaafde menschheid zich ontwikkeld heeft, rest mij de behandeling van don staatkundigen toestand der verschillende volken en de verhouding der burgers dier afzonderlijke natiën tot hunnen staat. Ik bespreek alleen de voornaamste volken uit Europa en klim niet op tot de vroegst bekende tijden, omdat deze voor mijn onderwerp van geen gewicht zijn.

De treurige gevolgen van de ontaarding en verslapping van het leenstelsel lieten zich allerwege gevoelen; de staten waren versnipperd in een aantal kleine staatjes, die ieder op zich zelve wilden staan, elkander beoorloogden en zich niet bekommerden om hun gemeenschappelijken heer, den vorst. In de overtuiging nu dat goene nationale vrijheid mogelijk is, zonder nationale eenheid en inwendige orde en rust, beijverden de vorsten zich de leenroerige goederen een voor een onder de kroon terug te brengen; in Frankrijk sedert Lodewijk XI, in Engeland sedert Hendrik VII, in Spanje sedert Ferdinand den Catholieke, in Rusland sedert Iwan III. Een steun en bolwerk tegen den twistzieken en heerschzuchtigen adel vonden de vorsten in de burgerij, die zij door erkenning en vermeerdering harer rechten aan zich verplichtten.

Het spreekt echter van zelve dat de vorsten, die langzaam maar zeker hunne macht zagen toenemen, er naar streefden alle gezag in handen te krijgen, het encanailleerende bondgenootschap met de burgers af te schudden en zich weder aan te sluiten bij hunne oude makkers, de edelen, nu deze alle onafhankelijke macht verloren hadden. Het absolutisme werd ten troon geheven en bereikte zijne middaghoogte in liet Roomaansch-Catholieke Frankrijk, zoodat Lodewijk XIV met alle recht kon zeggen, »1 etat c\'est moiquot;. Zoo heeft de luister van den vorstelijken troon zijn ontstaan te danken aan de erkenning en verdediging van eene toenmaals gevestigde volksovertuiging en heeft de vorst zijne macht slechts kunnen verkrijgen door den steun der later zoo verachte poorters; de wil des volks was de kracht der vorsten. Ware dit zoo gebleven, veel onheil zou voorkomen zijn; \'t ligt evenwel in de onvolkomenheid der menschelijke natuur, dat liet individu in het bewustzijn zijner kracht, de plaats vergeet waar eens zijne wieg stond, indien die plaats nederig was en zooals in casu, meent van goddelijke afkomst te zijn.

Als type voor dit beweren kunnen wij Frankrijk nemen, daar dezelfde verschijnselen zich in alle rijken van Europa voordoen behalve in Engeland, waar het absolutisme door de beide revo-

-ocr page 14-

6

Inties van 1649 on 1680 in zijne ontwikkeling gestuit werd, in Zwitserland en de Republiek dor voreonigde Nederlanden, waar eerst later bij hot verval der Stadhouderlijke macht, een zweem van absolutisme bespeurd wordt.

In Frankrijk kunnen wij bijna stap voor stap aantoonon, hoe men hot er op toelegt do revolutie in do hand te werken. Vooral sedert Lodewijk XIII wordt al hot mogelijke gedaan om den staat in den afgrond te voeren. Dools door het streng vasthouden aan feodale toestanden, waardoor allo ontwikkeling van het grootste gedeelte dor bevolking werd tegengehouden, deels dooide ongehoordste geldverspilling, waardoor een staatsbankroet dreigde en de lasten voor hen nog wel, die \'t geld met /.waren arbeid moesten verdienen, tot oene schrikbarende hoogte waren geklommen, deels door de gruwelijkste zedeloosheid en verdier-lijking, waardoor aan adel en geestelijkheid de diepste verachting bij het hetere deel der bevolking moest ten doel vallen. Al deze brandstoffen haddon zich jaren aaneen opgehoopt en slechts eene geringe aanleiding was noodig om ze vlam te doen vatten; zelfs de pogingen die werden aangewend in andere landen door Struenzee, Pombal, Aranda, Jozef II, hoewel geheel mislukt, omdat ze niet uit de volks-ovortuiging ontsproten, maar beproefd werden door enkele verlichte mannon en dus of te radicaal of niet radicaal genoeg waren, te vroeg of te laat, te overijld of te langzaam, te partieel of niet fundamenteel genoeg, deze pogingen, zeg ik, werden in Frankrijk niet eens aangewend.

Eerst toen men geen raad meer wist, toen de staatsschuld tot eeno ondenkbare hoogte geklommen was, toen de volksovertuiging zich dreigend begon uittesprekon, zoowel in de geschriften van Voltaire, Rousseau en de Encyclopedisten, als in de gewapende ondersteuning van America togen Engeland, toon eerst wendde de koning in zijn wanhoop zich weder tot het verachte volk en riep de algemoene staten bijeen, zonder welke ruim 150 jaar onwettig geregeerd was.

Deze bijeenroeping was als de daad van don arend, die de sneeuw op den top den bergen losmaakt; de bal was aan \'t rollen en groeide weldra aan tot een alles verdelgende lawine. Er zijn er die meenen dat Lodewijk XVI door verstandige maatregelen de revolutie nog had kunnen bezweren. Mijns inziens ten onrechte.

De tijden waren tot die ontwikkeling gekomen dat allo herinneringen aan middeleeuwsche instellingen en feodale rechten

-ocr page 15-

i

voor goed moesten worden weggevaagd; wat eerst nog r;iet volkomen der volks-overtuiging helder was, werd dit langzamerhand door den loop, dien de zaken namen, en de samenkrimping der partijen tot eene enkele. Te midden eener schijnbare chaodisehe verwarring on vreeselijke bloedtooneelen is toch een vaste gang te bespeuren, die tot dit ééne doel leidt: het verleden met wortel en tak uitteroeien en een fonkelnieuw gebouw der toekomst te doen verrijzen, overeenkomstig het woord van St. Juste: quot;tout ce qui n\'est pas nouveau, dans un temps de novation, est pernicieux.quot; Niet plotseling brak de revolutie in al hare kracht los, als een onbeteekenend, onberedeneerd oproer, maar langzaam, natuurlijk groeide hare macht, bestuurd door eene vaste hand: de volksovertuiging, uit do omstandigheden ontstaan en gevestigd. Tegen deze is elke macht een stroohalm, want welke middelen ter bedwinging staan den vorst ten dienste, als het geheele volk zijn eigen weg wil gaan ? Eene volks-overtuiging kent geen stand of betrekking; zij kiest hare personen waar zij die vindt, bij militairen of bij den burger en het fransche volk aangevoerd door mannen als Mirabeau, Seyes, La Fayette e. a. moest eene kracht ontwikkelen, waartegen niets bestand was. Al ware het mogelijk geweest dat de koning, in het begin, toen de loop die de beraadslagingen namen hem niet naar den zin ging, de leden der staten in de Bastille had kunnen doen opsluiten, zijne daad zou slechts de revolnlif vervroegd hebben, daargelaten dat deze handeling zeer onwettig en onzedelijk zoude geweest zijn. De koning en met hem zijn hof-clique, zijn gansche adel en geestelijkheid met middeleeuwsche begrippen, moest volledig uitgeroeid worden, omdat zij reeds twee eeuwen lang geheel buiten het volk zich geplaatst hadden en zijne behoeften en wenschen niet meer begrepen. Eene ingrijpende, afdoende hervorming kon van hen niet verwacht worden, het volk\'moest zelf de hand aan den ploeg slaan en het groote werk volbrengen, waartoe het zelf alleen in staat was. Dat deze hervorming met zooveel gruwelen gepaard moest gaan, was liet natuurlijke gevolg deels van hare uitgebreide strekking deels van don ingekankerden haat tegen adel en geestelijkheid, door dezen zeiven, als met voorliefde aangekweekt waardoor zij thans een prooi werden van het laagste gepeupel. Dat ten slotte het janhagel een oo-genblik de hoogste macht in handen kon hebben, was de schuld der hoogere standen, die steeds de oogen gesloten hadden voor de rechtmatige eischen van de kern van het volk; de vlam, die reeds een

-ocr page 16-

8

paar eeuwen smeulonde was gebleven, had in dien langen tijd zooveel voedsel gekregen, dat zij bij bet losbarsten eene alles vernielende werking moest uitoefenen. Van daar dat eerst een tijd van ontbinding moest zijn, voor die van de bevestiging der nieuwe orde van zaken en dat de macht uit de handen des konings door de kern des volks, de weldenkende burgerij heen, overgaat in het Terrorisme.

De perioden van ontbinding zijn de kortste : 1quot; die der vergadering der Algemeene Staten Maart 1789—September 1791, 2° die der Constituante Oct. 1791-—September 1792; 3° die der Nationale Conventie Sept. 1792-—Oct. 1795. Evenals in deze perioden al het bestaande wordt ontbonden; worden ook de partijen langzamerhand opgelost. De eerste periode kende drie partijen 1° de rechterzijde, de royalistische of reactionaire hofpartij, 2° \'t centrum, de ministrieele partij onder Necker ; 3° de linkerzijde, of constitutioneele volkspartij. In de tweede periode zijn de partijen tot twee geslonken, de rechterzijde der eerste periode, de adel en geestelijkheid waren verdwenen, slechts do constitutioneel-monarchale en republikeinsche partij zijn overgebleven, de laatste verdeeld in Girondijnen en Jacobijnen. De laatste periode kent slechts ééne partij, die der Jacobijnen, totdat deze zelve in eigen boezem wroeten, aldus zich zelve en de republiek den doodsteek geven. Uit de zee van bloed duikt het Directoire op, als eene eerste schrede op den weg, die bij meerdere vastheid en orde, door het Consulaire bewind heen, tot het keizerrijk voerde.

Was hiermede de republiek ten val gebracht, de nieuwe orde van zaken echter, voldoende bevestigd, bleef bestaan ; terugkeer tot feodale toestanden en heerschappij van adel of geestelijkheid was onmogelijk gemaakt en in Napoleon en de breede schaar zijner helden, vierde de dorde stand zijn schoonsten triomf. Eene constitutie, waarop vroegere regeeringen sedert 1789 hare macht gebouwd hadden, was ook de grondslag van het Keizerrijk, al werd het fransche volk een oogenblik verblind door den luister van het militair genie. De nieuwe denkbeelden, in andere landen reeds voorbereid door mannen als de gescbiedvorscher Niebuhr, de filosoof Fichte, de dichters Schiller en Goethe, werden door de fransche wapenen met kracht juist daar verwezentlijkt, waar de middeleeuwsche toestanden het diepste vastgeworteld zaten. Pruisen, Oostenrijk en het Duitsche rijk werden het felst getroffen door de slagen, die de procureurs-zoon aan hun koningen on keizers bij de gratie Gods toebracht.

-ocr page 17-

O

Opmerking verdient ook hoe, zoodra de derde stand door de revolutionaire beginselen zich kon ontwikkelen, de wetenschap eene verbazende vlucht neemt. Gedurende de tijdperken der revolutie mag Frankrijk bogen op de grootste genieën op allerlei gebied. Scheikundigen als Lavoisier ; sterrekundigen als La Place ; wiskundigen als Lagrange; beoefenaars der natuurlijke historie ais Cuvier; staathuishoudkundigen als Say; verder Anquetii de Perron, do ontdekker en vertaler der Zend Avesta en Champollion die het hiëroglyphenschrift heeft ontcijferd.

t Nu we zoovei\' gekomen zijn, is hot noodig gevolgtrekkingen

te maken uit hetgeen wij behandeld hebben.

; Voldoende meen ik te hebben aangetoond dat in de geschie

denis van het menschdom geen toeval heerscht, geen willekeur, maar een vaste logische gang; eene zekere drijving naar\'t een of ander doel bestaat en de personen zijn aanwezig om dat doel te bereiken; de keuze der middelen en de wijze waarop, hangt echter in zekeren zin van den vrijen wil dier personen af. Ton allen tijde hebben groote veranderingen ongeveer volgens denzelfden gang plaats ; treffend is deze gelijkheid o. a. bij het oude Griekenland en het nieuwe Frankrijk. Het vrije Griekenland wordt eerst door het despotische Perzie aangevallen om later, als het zijne eigen vrijheid verloren heeft, zijne denkbeelden onder de vanen van den half-Griek, den Macedonier Alexander den Groote naar Perzie over te brengen en dat rijk te doen vallen.

Het revolutionnaire Frankrijk wordt eerst door het absolute Europa aangevallen, om later, als zijn eigen vrijheid dooi\' het militair despotisme is verloren gegaan, onder de adelaars van den half-Franschman, den Corsicaan Napoleon Buonaparte, de nieuwe denkbeelden overal te verspreiden en de vermolmde tronen en feodale instellingen voor altijd in duigen te doen vallen. Het schijnt overigens dat, waar algemeen-menschelijke belangen op het spel staan, steeds vreemdelingen geroepen zijn, die belangen te doen zegepralen; van Alexander en Napoleon zagen wij dit reeds; de ziel van den opstand der Nederlanden was de Duitsche prins Willem; hot zwaard der Hervorming in Duitsch-land was de Zweed Gustaaf Adolf. Een ander feit dat de geschiedenis ons leert is dit, dat groote veranderingen 6f door een ander volk gebracht worden, dan dat in een bepaald tijdperk het machtigst is, óf in den boezem van het volk zelve plaats

J

-ocr page 18-

10

grijpen, maar dan gepaard gaan met de verschrikkelijkste too-neelen. Hot eerste zien we ten opzichte van Perzie en Griekenland, van het, op Griekschen grondslag gebouwde, Macedonische rijk en het volk der Romeinen, van Rome en de Germanen, het laatste in den tachtig- en dertigjarigen oorlog en in de fransche revolutie.

Hoe zuiverder het beginsel, hoe minder het bezwangerd is met bijoogmerken, des te geleidelijker gaat de vernieuwing haren weg, des te minder geeft zij aanleiding tot onnoodige wreedheden. De fransche revolutie in den aanvang zuiver van beginsel, uitgedrukt in den wenseh naar eene behoorlijke constitutie, gelijkheid van allen voor de wet en regeling der financien, vervolgt bezadigd den afgebakenden weg der beraadslaging en wetgeving, maar spoedig begeeft zij zich op het glibberige pad. Het beginsel wordt onzuiver en vermengt zich met haat en wraakzucht, waardoor Frankrijk moest waden door eene zee van bloed. Dat het beginsel onzuiver moest worden, was deels een gevolg van de langdurigheid van het »ancien régimequot;, deels van hex onophoudelijk, geheimzinnig wroeten en woelen der koningspartij, toen juiste leiding misschien het beginsel zuiver had kunnen houden en voeren tot nieuwe toestanden.

üp hen die de macht in handen hebben rust de grootsche taak met scherpen blik den volkswil te bespieden en het goede daarin in zich op te nemen en uit te werken tot zuivering der sociale toestanden. Dat een nieuw beginsel in zijne ontwikkeling onzuiver wordt en uitspattingen met zich brengt, is in den regel de schuld van hen die de beteekonis van dat beginsel niet kunnen of willen begrijpen en vertrouwend op hunne macht meenen, dat zij in staat zijn, eene nieuwe orde van zaken te kunnen tegenhouden. Juist daardoor echter heffen zij de anarchie ten troon en smoren in hun bloed de zegenrijke gevolgen eener, oorspronkelijk langs wettigen weg gewilde, hervorming. Moge het nu waar zijn, dat de geschiedenis bewijst dat groote beginselen niet anders hebben kunnen zegevieren dan door bloed,dit neemt niet weg dat de mogelijkheid bestaat dat voortaan revoluties kunnen voorkomen worden, indien zij uie de macht in handen hobben do overtuiging in zich opnemen dat zelfbehoud hen dwingt oen deel van hunne macht, rijkdom, aanzien op te offeren aan het algemeene welzijn en die overtuiging zoo diep doen wortel schieten, dat zij zelve de leiding van het nieuwe beginsel op zich nemen.

-ocr page 19-

11

Het komt mij voor dat dit geenszins eene utopie mag\' heeten, want ik speculeer niet op eene buitengewone edelaardigheid, die men toch niet mag verwachten; ik neoni den mensch zooals hij is niet zooals hij idealistisch zou kunnen zijn; maar ik wil dat het eigenbelang die drijfveer in deze onvolmaakte wereld, welbegrepen worde om deze menschelijke feil, dienstbaar to maken aan het geluk van allen.

Een treurig gevolg van de onstuimigheid dor fransche revolutie is dit geweest dat zij haar dool slechts ten deele heeft bereikt; wel heeft zij voor goed middoleeuwsche toestanden onmogelijk gemaakt, maar door hot onzuiver worden van haar beginsel heeft zij denkbeelden trachten to verwezenlijken, die, door don haat ingegeven, horschenschimmon bleken te zijn. Daardoor wondde hot betere deel van het volk zich van haar af ou werd do leiding gemist, die eene gezonde vernieuwing had kunnen tot stand brengen. Van daar dat zelfs de militaire dictatuur van Napoleon eene tijdelijke verademing was en na diens val het fransche volk zich weder in do armen wierp van den middelceuwsch gezinden Bourbon, wel door vreemde bajonetten ten troon geholpen, maar toch door Frankrijk niet met kracht terug gestooton.

Hetzelfde verschijnsel zien we in alle lauden van Europa; reactie en gemis aan eene krachtige, een vasten gang volgende, actie. De verschillende rogoeringon trachten overal het oude gezag terug te krijgen door allerlei dwangmiddelen, die de volksvrijheid aan banden leggen en nergens is het nieuwe licht zoo sterk doorgedrongen. dat het volk zich zijner onvergelijkelijke kracht bewust is, om de duur gekochte vrijheid te handhaven. Zij, die het al te benauwd werd, weken uit naar Amerika; het beste deel der bevolking werd door de oude wereld uitgostooten, om de nieuwe wereld spoedig in grootoren glans te doen schitteren.

Do Juli-dagen en de volksbewegingen van 1848 trachtten wel eenige lucht te verschaffen, maar zij waren te partieel en op te kleine schaal begonnen en voortgezet om goede resultaten te kunnen opleveren; ze misten degelijke leiding en droegen meer het kenmerk van oproerige ontevredenheid dan van eene gevestigde, goedgezinde, naar verbetering strevende volks-overtuiging. Het eenigo gevolg dier dagen was, dat den autokratische regeerin-gon eene siddering door de leden voor en zij geneigd waren tot hot doen van concessies. Daardoor is ook het constitutioneele

-ocr page 20-

12

stolsel nog\' steeds in zijne eerste wording gebleven en vertoont in geringer of sterker mate, eene tweeslachtige natuur, middel-eeuwsche \'begrippen vermengd met nieuwe beginselen. Nog steeds sukkelen de volken voort aan de koningen bij de gratie Gods, aan den reactionairen adel, aan de vrees voor eene nieuwe grondwet, met de gevolgen van dien: oorlogje spelen, liet bestendigen eener finantieele warboel en standenhaat. Nog steeds trekken de vorsten, met de hen omringende militair-adellijke hof-clique , aan het eene einde en de volksvertegenwoordiging, of liever het volk nevens en achter haar, aan het andere. Waar op politiek gebied hunne macht gefnuikt wordt, daar trachten zij door bureaukratie en invloed op benoemingen het verloren gebied te herwinnen. Overal wordt deze in \'t geheim woelende macht gevoeld, zelfs treedt zij soms met de meest mogelijke onbeschaamdheid op, om dikwijls tegen recht en billijkheid in, op gewichtige posten personen to plaatsen die tot de vriendjes behooron en do volksvertegenwoordiging laat zich ringeloren en met oen kluitje in quot;t riet sturen.

De fout is gelegen in de onvolmaaktheid van het constitu-tioneele stelsel: het hinken op twee gedachten. Zoolang aan do regeoringen, volgens do grondwet, nog zoo groote macht wordt gegeven als thans, die aan het «ancien régimequot; horiniiert, zoolang de vorst nog aangezien wordt voor iemand die buiten en boven hot volk staat, zoolang dit denkbeeld nog wordt gevoed door hen, die groeien in don glans der vorstelijke majesteit, zoolang zal de kracht werken, die zich stelselmatig verzet, tegen de strooming die sedert do fransche revolutie zich baan zoekt te breken, de strooming van hot »self-governemcntquot; en de daarmede gepaard gaande verheffing van den vierden stand. Immers hoe meer do macht des volks aangroeit en uitgebreid wordt in steeds ruimer kring, hoe meer ieder zonder onderscheid belang zal stellen in den loop der staatsmachine en door zich te ontwikkelen zal trachten den gang der zaken te begrijpen, in de overtuiging: »mea ros agitur.quot;

Hot is m. i. ontwijfelbaar zeker dat groote veranderingen op handen zijn en dringend veroischt worcVn; hot komt mij voor hoogst noodzakelijk te zijn, dat nieuw bloed toegevoerd wordt aan de tot heden heerschendo standen. Evenals een geslacht gaat kwijnen wier lodon telkens binnen hun eigen familie huwelijken sluiten, zoo wordt ook de kracht verslapt van de standen die voortdurend onder elkander do regeering verdoelen. Is de erfelijke

-ocr page 21-

13

monarchie een overblijfsel van hot quot;ancien régime,quot; even verderfelijk werkt het gewoonte-erfrecht der heersehende standen. Verschillende feiten wijzen op verandering, wellicht ontbinding der bestaande toestanden; in de eerste plaats de woelingen dor socialisten, of liever der communisten en anarchisten, want van een rechtgeaard, wetenschappelijk-ontwikkeld socialisme hebben noch dn leiders dier partij, noch hunne volgelingen eenig begrip; vervolgens de overal uitbrekende werkstakingen, die dikwijls de sympathie wegdragen van sommigen uit de hoogero standen en meermalen kracht vinden in, tot zelfs internationale, coalities; een feit, dat tot heden eenig in de geschiedenis een bewijs levert, dat do vierde stand zich barer kracht bewust wordt en stelselmatig begint zich te ordenon voor den grooten kamp. In de derde plaats de zedelijke verslapping dor hoogste standen en het onvruchtbaar gekijf in de volksvertegenwoording, waartegen over de steeds krachtiger wordende organisatie der gematigde demokratische partij van algemeen stemrecht staat ; verder de scherp afgebakende grenzen dor drie hoofdpartijen, do reactionnairo, de liberale en volkspartij, terwijl de oud-conservatieve partij geheel verdwenen is. Van materieele zijde wijzen op ingrijpende veranderingen de steeds meer drukkende schuldenlast, de voortdurende \'tekorten en daarmede gepaard gaande hoogero belastingen en mindere inkomsten; do overdreven budgetten voor oorlog, zeer nuttig om het gepeupel de regeering in handen te spelen; de te groot c opoenhooping van kapitaal in ééne hand, dat daardoor niet of te weinig productief wordt, want de productiviteit van één persoon heeft zijne grenzen; wel is hij bij machte door do talrijke hulpmiddelen dezer eeuw veel ton zijnen genoege of tot algemeen nut productief te maken, maar te velen zijn er, die zulke groote schatten bezitten, dat tonnen gouds in do kast blijven liggen en daardoor onttrokken worden aan de algemeene welvaart of verkwist worden in vullen quot;Schwindelquot;, die hun schade berokkent en niemand nut aanbrengt.

Is de toestand aldus juist geteekend, en ik geloof niet dat er aan getwijfeld kan worden, dan doet zich de vraag voor, hoe te handelen. Ik bedoel met deze vraag, hoe moeten do thans nog heersehende klassen handelen, om, zonder revolutie, (want geen machinist erkent de noodzakelijkheid van hot springen der veiligheids-klop op zijn ketel,) eon beteren toestand in liet

-ocr page 22-

14

leven te roepen. Is men zoo dwaas die noodzakelijkheid te erkennen, te beweren dat alleen do révolutie ons kan redden, welke meening ik door mijne beschouwing der fransehe révolutie meen weerlegd te hebben, dan behoeft men niet te handelen. Men handhave zijn devies .\'laisser allerquot; en de uitbarsting komt vroeg\' genoeg.

Bij mijn pogen om deze hoogst moeielijke vraag, niet bezwaarlijk in theorie, maar wel in do praktijk, te beantwoorden, plaats ik op den voorgrond, dat niemand recht heeft op eeiie betere positie, dan do maatschappelijke toestand hem veroorlooft. Ik slnit hier mede uit allo utopieën van, door hunne rente levende, arbeiders; alle idealen van personen, die mochten meenen door hervorming der sociale toestanden, in eens rijk te zullen worden. Niet deze of gene persoon of klasse moet bevoordeeld worden ten koste der anderen, uit dit beginsel als zouden zij recht hebben op hunne beurt ook eens rijk te zijn, maar de maatschappelijke instellingen fhoeten dusdanig hervormd worden, dat zij zooveel mogelijk gezond zijn en dat door deze gezondheid de welvaart van velen verbeterd en overvloed van sappen, die bederf aanbrengt, van anderen, tot natuurlijke grenzen wordt teruggebracht. Evenmin als ik recht heb op de schatten van een Rotschild of mij nijdig behoef te maken omdat hij in eene schitterende equipage rijdt, terwijl ik mij met een rammelend aapje moet behelpen, evenmin kan een daglooner vorderen dat ik hem een deel van mijn inkomen afsta of mag hij lust gevoelen de glazen van mijn aapje stuk te werpen. Niet de klasse, allerminst de enkeling sta op den voorgrond, want dan komt men op het gebied der liefdadigheid, maar de geheele maatschappij, uit welker hervorming langs natuurlijken weg eene betere verdeeling van bezittingen moet voortvloeien.

Maar niet alleen stoffelijk, ook geestelijk (en deze zijde behandel ik hier het eerste, omdat zij in mijne oogen de gewichtigste isj moet grootere gelijkheid tusschen de verschillende standen bevorderd worden, opdat de maatschappij niet, zooals thans, een »proeIium omnium contra omnesquot;, maar eene vereeniging zij van menschen, die niettegenstaande verschil van gevoelen, elkander waardeeren. Dit is volstrekt geene illusie, immers in den zoogenaamd beschaafden stand komen zoovele wetenschappelijke of practische debatten voor waarin, behoudens enkele uitzonderingen, waar persoonlijke veten schuilen, het karakter van onderlinge waardeering behouden blijft.

-ocr page 23-

15

Wil men nu standenhaat uitroeien, dan is het noodig de intel-leetueele gelijkheid der standen to bevorderen. Op dit gebied verwacht ik weinig- heil van de bemoeiingen van den staat; veel meer goede vruchten zal particulier initiatief afwerpen. De verwijdering tusschen de verschillende standen is hoo langei hoe grooter geworden; in den tijd onzer krachtige republiek heerschte veel meer overeenstemming tusschen de leden van het zelfde gezin, onder wie ik de dienstboden ook reken; allen namen b. v. deel aan de huiselijke godsdienstoefening; met de dienstboden werd meer gesproken, zij namen meer deel aan de lotgevallen van het huisgezin waartoe zij behoorden. Dit alles had een veredelenden invloed, zoowel op de meesters als op de dienstboden. Ook nu nog zijn er enkele streken, waar dezo betrekkingen niet geheel zijn afgebroken, waar de afstand tusschen meester en knecht gering is, maar over \'t algemeen is de toestand gelieel veranderd. De maatschappij is verdeeld in twee scherp gescheiden doelen : de arbeiders-dienstboden stand en alles wat daartoe niet behoort; zelfs zij die in stand en beschaving maar eventjes boven don arbeider staan, nemen een air van voornaamheid tegenover hem aan, dat belachelijk is. Ik geloof dat de reden dezer verwijdering te zoeken is in het prijsgeven onzer republiek en het inhalen van het koningschap met zijn aanhang van hofadel en wat dies meer zij. Was adel ten tijde der republiek eene zeldzaamheid, na de invoering van het koningschap is deze stand eene behoefte geworden ; do gekroonde majesteiten dulden slechts personen van adel in hunne omgeving en waar te weinig adel voorhanden is, wordt spoedig nieuwe geschapen. De treurige gevolgen dezer handohvijze blijken uit liet verheven standpunt waarop de adel zich heeft geplaatst, die met verachting neerziet op allen die niet tot haar behooren. Hieruit spruit rechtstreeks de neiging voort bij hen, die niet van adel zijn, om zich zooveel mogelijk alsdus voor te doen; zij geven den adel in trots niets toe en trachten ook hunne zoogenaamde waardigheid op te houden, door zich eveneens op een piëdestal te plaatsen en zoo min mogelijk zich te bemoeien mot men-schen die zij, als lager staande dan zich zelve, boschouwen. Zoo is de glans van het koningschap de vloek geworden die de verbroedering dei\' leden van dezelfde maatschappij onmogelijk maakt. Een rechtstreeksch gevolg dezer, in alllo standen doorgedrongen, eigenwaan is geweest, dat de arbeidende stand hoe

-ocr page 24-

16

langer lioe meer gedaald is. Schaamde vroeger eene fatsoenlijke burgerdochter zich niet, lid van een ander gezin te worden in de betrekking van dienstbode, tegenwoordig worden deze personen geleverd door de laagste klasse, die dienen omdat zij niet anders kunnen, maar hun taak vervullen met de haat in \'t hart en met de bedoeling zooveel te bedriegen als mogelijk is en zich te verrijken ten koste hunner meesters. Onbegrijpelijk dom, is hun tevens de gelegenheid benomen door den omgang met meer ontwikkelden, eenigermate opgevoed te worden; zij blijven wie zij zijn en beschouwen zich als van nature geroepen om tegenover hunne meesters zich te plaatsen. Doordat de hoogere standen zich voortdurend binnen de grenzen van hun eigen kringetje bewegen, is de afstand zoo groot geworden, dat men elkander geheel vreemd geworden is en dat alle maatregelen tot verbetering afstuiten op onwil en hoogmoed, of, voorzoover zij met ernst ondernomen worden, verkeerd weiken doordat men elkanders wenschen en behoeften niet kent en wantrouwen de beste bedoelingen vergiftigt.

Nu spreekt het van zelf dat ik er geen heil in zie dat baron A met zijn knecht een partijtje billard bij Kras gaat spelen of arm in arm met hem naar den Schouwburg wandelt, maar ik meen dat het zeer nuttig, ja noodzakelijk is, dat genoemde meneer zijn knecht niet als een stuk vee beschouwt, dat voor wat geld zich aan hem verkocht heeft. Zijn plicht van zelfbehoud schrijft hem voor in zijn knecht een mensch te zien, een medelid der zelfde maatschappij een wezen dat met hersenen begaafd en voor ontwikkeling vatbaar is. Zijn plicht van zelfbehoud gebiedt hem het zaad van wantrouwen in de ziel zijner onderhoorigen te verstikken; de kiem der standen-haat uitteroeien door hem als een mensch te behandelen, die soms misschien, lang niet altijd, in ontwikkeling beneden hom staat, maar overigens in niets van hem verschilt. Door hem als vriend, in ruimeren zin te behandelen, wekt hij het gevoel van eigenwaarde en achting voor zich zeiven bij zijne onderhoorigen op, kweekt vertrouwen en waardeering van elkander aan en heeft daardoor zelf een prikkel om niet, als velen van zijns gelijken, in het vuil te wroeten. Want deze verbetering in veler levenswijze komt ook hunne dienstboden ten goede; dat de zoogenaamde heeren-knechten het onverdragelijkste ras ter wereld is, moet voor een groot deel geweten worden aan de behandeling, die zij van hunne meesters

-ocr page 25-

17

ondervinden en aan het voorbeeld, dat hun dagelijks door de laatsten gegeven wordt.

Meer aaneensluiting der verschillende standen, zou tevens \'Ut nut afwerpen, dat de arbeidende klasse (ik behoud hier de gewone, hoewel zeer onjuiste benaming) begon in te zien, dat hun lot niet zoo beklagenswaardig is, als zij zelve meenen; zij zouden bespeuren dat de meesten van hen, die, volgens hunne meening den, in hunne oogen, wijdsehen titel van -meneerquot; voeren, dikwijls zwoegen onder de lasten des levens, onder don strijd om het bestaan; zij zouden erkennen dat duizenden van »meneerenquot; onder tal van zorgen van allerlei aard gebukt gaan, die zij niet kennen en nauwelijks kunnen vermoeden. Zij zouden hot keurslijf van het fatsoen gevoelen, dat velen zoo knelt, dat zij ter nauwernood kunnen ademhalen, als hun stand iets voorschrijft wat met hunne beurs niet is overeen te brengen. Tevens zouden zij leeren bij het sluiten van een huwelijk meer omzichtigheid te gebruiken, als zij zagen, hoe in de hoogere standen tal van jongelui jaren lang moeten wachten, voor zij hun toekomst als echtgenooten finantieel. betrekkelijk gewaarborgd weten. Door deze kennis zou eene voorname bron van ellende en verval ophouden hare doodende dampen te verspreiden. Wellicht zouden zij tevens overtuigd worden dat de aarde geen hof van Eden, en slechts datgene kan gedijen, waarvoor in de maatschappij eene plaats voorhanden is en dat het veel onzedelijker moet zijn, hunne kinderen aan de armoede prijs te geven, dan te zorgen dat zij uiet bestaan. Van dit particulier initiatief verwacht ik veel meer hoil dan van alle geleerde ver-toogen en diepzinnige en vernuftig uitgedachte staathuishoudkun-dige theoriën met elkaar.

Ik schrijf deze stelling niet neêr, omdat ik de wetenschap gering schat; geenszins, ik stel haar integendeel zeer hoog. Naar mijne meening evenwel kan de wetenschap der staathuishoudkunde wel thenen als voorlichting, maar niet als eeu baken, waarnaar men veilig zijne koers kan richten. En waarom niet? Omdat eene positieve wetenschap in volstrekten zin alleen bestaat in wiskunde en de sociale wetenschappen speciaal niets meer zijn dan met redenen omkleede hypothesen. Het organisme der maatschappij is te ingewikkeld, factoren worden niet in rekening gebracht, die wel degelijk meêtellen, maar óf vergeten, èi\' door omstandigheden niet gekend worden; de wetenschap der

2

-ocr page 26-

18

staathuishoudkunde wordt te veel door eene bepaalde klasse beoefend, die, bij de tegenwoordige afscheiding der standen, niet volkomen doorgedrongen is in de behoeften van allen,-Daardoor wordt te veel gewicht gehecht aan de uitspraken dier wetenschap, die m. i, alleen door induceeren uit de grootst mogelijke verzameling feiten (altijd nog te weinig voor absolute zekerheid) mag opklimmen tot alge-meene begrippen, maar de uitspraak dier begrippen nooit mag vaststellen als een axioma, en uit deze, afzonderlijke feiten te duceeren, om ze, coute qui coute, in overeenstemming te brengen met hare algemeene begrippen. Welke immers was de fout der theorie van Samuel Smith ? Dat hij de factor over het hoofd had gezien, op welke wijze de vrije concurrentie de, door haar verkregen rijkdommen, onder de menschen moest verdeelen. En deze fout, wordt nu eerst, volledig ingezien, maar werd niet ontdekt door de mannen der wetenschap, maar door de lagere klassen en hunne leidslieden, die misschien op verre na niet zoo theoretisch staathuishoudkundig ontwikkeld zijn als Smith en de zijnen, maar wie de druk der genoemde fout, haar bestaan geopenbaard heeft. Toen eenmaal deze erkening geschied was, hebben ook de mannen der wetenschap de fout helder voor oogen gesteld, ontwikkeld en hare opheffing trachten tot stand te brengen. Erkenning der fout evenwel heeft veel strijd gekost en wat alleen eene verandering bracht in de beschouwing eener staathuishoudkundige theorie, door een mensch uitgedacht, werd uitgekreten als eene vloekwaardige poging om de, door G-od ingestelde orde, te verstoren. Zoo ziet men tot welke onheilen de vergoding van wetenschappelijke theorieën kan leiden. Het zelfde heeft plaats bij het maken van wetten. Niettegenstaande de wijsheden van alle leden der Staten-Generaal bij elkaar (en dat zegt heelwat) is en blijft het eene kansrekening of de nieuwe wet goed of slecht zal werken. Een voorbeeld levert de wet op het middelbaar enderwijs, die geheel anders heeft gewerkt dan men zich had voorgesteld en dien ten gevolge, zoodra de kamers eens tijd hebben tusschen twee politieke kijverijen, dringend herzien moet worden.

Zoo is het ook met de wetenschap. Noodig om de krachten en wetten die in de maatschappij werken, onder vormen en woorden te brengen, zij men toch hoogst voorzichtig om „jurare in verba doctrinae.quot;

Moge nu in de medische wetenschap waar zijn, dat de weten-

-ocr page 27-

19

schap van het lieden de vrucht is van de ondervinding van het verleden, omdat het menschelijk organisme wel wat zijn kracht en weerstandsvermogen betreft veranderd is, maar niet naar zijn aard, in de sociale wetenschap gaat dit beweren niet op. Immers de aard der maatschappelijke verhoudingen verandert zoozeer dat de staathuishoudkundige leer, die voor eenige jaren juist moge geweest zijn, thans een leugen geworden is.

Er ia een tijd geweest dat de geleerden zich in \'t geheel niet bemoeiden met den toestand zooals hij was, maar in hunne studeerkamers allerlei in de lucht hangende, scherpzinnig uitgedachte, maar niet aan de werkelijkheid getoetste stelsels uitdachten. Die tijd is goddank ! voorbij ; men heeft leeren inzien dat dit werken een weinig vruchtdragend geknutsel was, maar heden hecht men nog te veel gewicht aan de wetenschap, omdat de staathuishoudkundigen nog te weinig uit het werkelijke volksleven hunne theoriën opbouwen.

De menschelijke samenleving is een altijd zich voortbewegend organisme, daarom moeten de wetten waardoor zij georganiseerd wordt ook levend blijven. De waarheid van dit beginsel werd door geen volk ooit beter erkend dan door de Romeinen, die in de rechtspraak van den praeter urbanis en peregrinus, een middel gevonden hadden om door actiones utiles, de doode stijfheid en onveranderlijkheid van het jus civile te hulp te komen en de voorschriften der wet levend te houden in overeenstemming met de behoeften van het verkeer. Dit levende, hoogst nuttige, ja schier onontbeerlijke beginsel ontbreekt thans geheel,- wij leven ouderwetten van jaren her. die wel zoo nu en dan eene kleine partieele herziening ondergaan, maar wier beginselen bij de snelle wisseling van begrippen, verouderd zijn. Er is thans geen macht ter wereld in onze staatsinrichting die deze lijken kan bezielen, dan de Staten-G-eneraal; om dit lichaam echter in beweging te zetten heeft veel voeten in de aarde en wat door hen herzien wordt, leeft van dat oogenblik, om daarna weder een halve eeuw ter ruste te gaan.

Daarom komt het mij voor dat het wenschelijk is nu middelen te beramen om meer gewicht te hechten aan den arbeid van bijzondere personen, meer heil te zoeken in vereeniging der standenen de wetten, die de uitdrukking moeten zijn van den plurium consensus, levend te houden door uitbreiding van de macht der rechters ten zij een lichaam geschapen, worde dat in staat is spoedige wetten te ontwerpen en vast te stellen.

-ocr page 28-

20

De staat kan in dezen niets anders doen dan te zorgen voor goed onderwijs en kosteloos; voor mingegoeden, maar de vruchten van dit onderricht, luttel tot heden, zullen steeds gering blijven, zoolang niet van particuliere zijde alle krachten worden ingespannen om de lagere klassen voor onderwijs vatbaar te maken. De kinderen van den arbeidenden stand moeten veel te veel tijd besteden aan de eerste beginselen om in de gelegenheid te zijn in den geest en het doel van alle onderwijs door te dringen. Het onderricht op de school moet hun letterlijk alles geven en zoo oneindig veel, wat de kinderen uit de hoogere klassen al spelende in het huisgezin leeren. Hunne hersenen zijn reeds eenigennate voorbereid, de grond is reeds omgeploegd, waarin de zaden van het onderwijs kunnen ontkiemen.

Indien dus meerdere aaneensluiting der verschillende standen bevorderd werd, zou langzamerhand de laagste klasse meer ontwikkeling deelachtig worden, die op de kinderen terugwerken en door overerving een van nature meer voor het onderwijs vatbaar geslacht zou doen ontstaan,dat, in den korten tijd,beschikbaarom onderwijs te ontvangen, daarvan veel meer zou genieten dan tegenwoordig.

Op deze wijze zouden zonder kosten (en dat wil ook wat zeggen bij eene steeds te kort komende schatkist) de vruchten van het onderwijs veel grooter worden, dan door steeds te tornen aan zoogenaamde verbetering der school, die schatten verslindt en weinig uitwerken kan, omdat men steeds de geschiktheid der kinderen om het onderwijs, niet te volgen, maar te begrijpen, in zich op te nemen, te verwerken, uit het oog heeft verloren. Ontwikkeling in en door het huisgezin, omgang met beschaafde mensehen, het gevoel een waardig lid der maatschappij te zijn, zullen veel beter resultaten geven, dan het best ingerichte onderwijs alleen ooit kan opleveren.

Het kan hier niet de plaats wezen in een uitgebreid artikel de inrichting van het onderwijs te bespreken, hoe zij is en hoe zij, naar mijne meening, zou moeten zijn. Slechts enkele algemeene beginselen wensch ik aan te geven.

Vooreerst breke men met het idee van neutraal onderwijs omdat dit een abstractum is, dat allen practischen grond mist. Onderwijs kan onmogelijk neutraal zijn, wel het onderricht ia sommige vakken, als bijv.: schrijven, rekenen, inclusief wiskunde, natuurkunde tot zekere hoogte, aardrijkskunde. Deze neutraliteit echter zit niet in de wijze van doceeren, maar in den

-ocr page 29-

21

aard der vakken zelve. Dat gedeelte der wetenschap evenwel dat het meest ontwikkelt en slechts als zoodanig, niet als eene verzameling van feiten, waarde heeft, is met geene mogelijkheid neutraal te onderwijzen. De geschiedenis, geleerd als eene dorre opsomming van feiten en cijfers, wordt op deze wijze niet onderwezen maar is een bombardement op het geheugen der leerlingen, dat niets beteekent zoolang er nog geschiedboeken bestaan en het herinneringsvermogen der menschen geen vat is, dat alles vasthoudt wat men er in pompt. Zal het onderwijs in de geschiedenis, zelfs voor kinderen op de lagere school eenigszins vruchtdragend zijn, dan moet hun reeds daar gewezen worden op het onderlinge verband der feiten, opdat hunne hersenen zich gewennen om te denken en zij later, indien de gelegenheid zich aanbiedt, in staat zijn den ontwikkelingsgang der menschheid nategaan en het heden te kunnen verklaren uit het verleden. Hieruit blijkt echter voldoende, dat de geschiedenis niet neutraal onderwezen kan worden, want het in verband brengen der feiten met elkaar, de beschouwing over die feiten en de gevolgtrekking uit deze, zal hemelsbreed verschillen naargelang het standpunt dat de onderwijzer inneemt. Ja, zelfs als men elke filosofie buiten zou willen sluiten, dan bestaat er verschil van meening omtrent het bestaan van vele feiten zelve en hunne erkenning en beteekenis, hetgeen weder nauw samenhangt met de politieke of godsdienstige begrippen der onderwijzers.

Nevens de geschiedenis kan o a. ook het lezen, eveneens ontwikkelend, onmogelijk neutraal zijn, want de keuze der leesboeken en de bespreking van het gelezene richt zich weder naar de denkbeelden des onderwijzers.

Natuurkunde is neutraal zoolang de onderwijzer zich bepaalt tot zuivere mededeeling van feiten en de eerste beginselen slechts

o o

onderwezen worden, maar zoodra de leerling begint te denken, daartoe aangespoord door de op zich zelve neutrale feiten, maakt hij gevolgtrekkingen en deze leiden den een tot een lofdicht op den Schepper, die alles zoo goed heeft ingericht, terwijl de ander tot de conclusie komt, dat er voor een Schepper geene plaats is.

Hieruit volgt dat eene Neutrale /Staatsschool, waarop allen zouden kunnen ouderwezen worden en als zoodanig allen omvattend, als eene groote eenheid zou staan tegenover het exclusivisme van verschillende partijen, vrij wel een onding is. De staatsschool vertegenwoordigt wel degelijk eene richting en zoolang zij kan beschouwd worden als de wilsverklaring eener werkelijk bestaande

-ocr page 30-

■12

groote meerderheid, kan haar bestaan verdedigd worden, maar zoodra blijkt dat de meerderheid van hen die hun wil hunnen verklaren, niet overeaustemt met de meerderheid die haar wil zou moeten verklaren, dient nauwkeurig hiermede rekening gehouden te worden en zij men op zijne hoede om niet, onder den vlag der neutraliteit, eene school met integendeel sterk sprekende richting binnen te loodsen en op te dringen aan de meesten, die van haar niet gediend zijn,

Is men nu overtuigd dat de neutrale school niet kan bestaan, dan wordt de werkkring van den staat ten opzichte van het onderwijs in dier voege beperkt, dat hij daar zijne scholen vestigt waar particuliere inrichtingen van onderwijs ontbreken en, omdat hij in de examens waarborgen kan vinden voor de bekwaamheid der onderwijzers van welke inrichting ook, ondersteuning verschaft aan bestaande scholen.

De algemeene eisch die men aan deze examens mag stellen is in één woord, „onderzoek naar het verstandquot;. Uit de examens moet blijken de zelfstandig ontwikkelde denkkracht der examinandi, op den voorgrond sta niet wat zij weten, maar hoe zij \'t weten. Geen kreet van verontwaardiging moet opgaan als de examinandus een jaar of wat mistast, als hem het sterfjaar van Alexander den Groote gevraagd wordt, of wat Romeinsche koningen of keizers overslaat , maar verontwaardigd moet de examinator zijn, als hij bespeurt dat de candidaat-onderwijzer geen greintje begrip heeft van de beteekenis van den tachtigjarigen oorlog; niet weet hoe hij dien verbinden moet met den loop der andere gelijktijdige gebeurtenissen der wereldgeschiedenis. Onbeduidend is de fout als de examinandus niet weet in welk jaar Napoleon Bonaparte eerste consul is geworden, maar onvergeeflijk is het als hij niet helder de oorzaken en het verloop der fransche revolutie, haar invloed op andere landen, hare gevolgen tot op heden en de redenen harer, betrekkelijk geringe, résultaten, weet aan te toonen,

De mogelijkheid bestaat natuurlijk dat jongelieden, door het beschikken over te weinig gegevens, een oordeel uitspreken dat bezijden de waarheid is, maar dit neemt niet weg dat een, zij het ook onjuist, oordeel door studie en nadenken verkregen, oneindig hooger staat dan hersenen, waarin, als in een pakhuis, alles zijn eigen hokje heeft, dat naar believen uitgepakt wordt, maar waarin overigens grenzelooze verwarring en duisternis heerscht.

-ocr page 31-

23

Aan den examinator is dan de taak om te zeggen: „ik zie dat ge nagedacht en u rekenschap gegeven hebt van uw arbeid, maar in het vormen van uw oordeel hebt ge dit of dat gegeven vergetenquot;. Op deze wijze zou de lust tot verdere studie aangewakkerd, aan de oneindige dorheid van sommige vakken tegemoet gekomen, het zenuwachtige, geest doodende, allen ijver vernietigende inpompen van feiten en jaartallen vermeden en eene klasse van onderwijzers gevormd worden, beter in staat om de, hun toevertrouwde, jeugd te ontwikkelen.

Wat mij betreft, ik verwacht het meeste heil van de, door mij aangewezen, intellectueele verbeteringen, overeenkomstig de opgedane ondervinding, dat een arbeider zich veel gelukkiger gevoelt wanneer hij zich als mensch, als medelid derzelfde maatschappij erkend weet, dan bij het ontvangen van een gulden of wat, die hem toegesmeten worden Groote stoffelijke verbeteringen mogen gewenscht wezen, zij zijn alleen noodig, voorzoover ze noodzakelijk zijn om intellectueele opheffing mogelijk te maken. Daarom is het thans de vraag wat gedaan moet worden en baseerende op de hedendaagsche maatschappij mogelijk gemaakt kan worden, want alleen door aanvaarding van het bestaande, is eene blijvende verbetering in de toekomst mogelijk.

De leer van Samuel Smith, uitgewerkt en als een axioma ver kondigd door zijne volgelingen en door mannen als Say, Bastiat en anderen, dat tot verbetering van den toestand, onbeperkt vrije mededinging en inkrimping van staatszorg tot een minimum, liet eenige middel is, deze leer heeft vrij we] uitgediend. Men heeft leeren inzien dat de verdeeling der verkregen rijkdommen uit liet oog is verloren en dezen toestand heeft in het leven geroepen, dat de verworven schatten gevloeid zijn in de brandkast van enkele uitverkorenen. Dat de algemeene volkswelvaart niet is toegenomen, maar de kapitalen van hen, die reeds kapitaal bezaten, toen de leer der Manchester-school begon te werken, in opklimmende reeks zijn vergroot.

Tengevolge van deze overtuiging zijn door de staathuishoudkundigen eene reeks theorieën uitgedacht om deze ongelijkheid te verminderen. Veel nieuws is er niet bij. wat niet reeds eeuwen geleden verkondigd is; alleen dit is nieuw, dat de overtuiging bij de meesten gevestigd is dat de leer der Manchester-school, behoudens het goede in haar, op den duur verderfelijk heeft gewerkt.

-ocr page 32-

24.

Het bestek van dit artikel gedoogt niet de verschillende theorieen allen na te gaan; ik bepaal mij daarom hoofdzakelijk tot die van Flürscheim : Opheffing van het privaat grondbezit, laatstelijk verdedigd in „de Nieuwe Gidsquot; van 1 Febr. \'90.

Ook deze theorie is verre van nieuw, daar men ten allen tijde getracht heeft de vergrooting van improductief kapitaal (de schrijver in de Nieuwe Gids noemt dit onjuist; valsch kapitaal) te voorkomen. Daarvan getuigt onder anderen de rij leges agra-riae, frumentariae, funebres et de aere alieno , allen gericht op beperking van grondbezit, op het voorkomen van opdrijving der graanprijzen, op het bepalen van een niet te hooge rente standaard.

In Sparta bezat ieder geslacht een zeker deel der staatslande-rijen ten gebruike , de staat behield den eigendom, mon mocht deze landerijen niet verkoopen, weggeven of verdeelen en bij uitsterving van het geslacht vervielen zijne landerijen weder aan den staat. Eene reeks bepalingen waren gemaakt om het aantal geslachten en de gelijkheid der bezittingen zooveel mogelijk in stand te houden, nochtans niets baatte; tijdens Thycj\'dides en Xenophon was de rijkdom te Sparta niet minder ongelijk verdeeld dan in andere staten.

Verder was de staat ingericht op eene wijze die de heeren communisten kon doen watertanden; de geheele maatschappij was een groot werkhuis, een reusachtige volksgaarkeuken en eene ontzaggelijke legerplaats.

Niettegenstaande deze heerlijke inrichting is de bloei van Sparta niet alleen verdwenen, maar heeft deze staat, in zijne volle kracht nooit dien invloed kunnen uitoefenen als het democratische, de indi-vidueele vrijheid en werkkracht zoo min mogelijk beperkende,Athene Alleen als het op vechten aankwam hadden de Spartanen iets te beteekenen, maar in de werken des vredes, in kunst, wetenschap beschaving en degelijke volksontwikkeling was Athene verrewsg de baas. Staatslieden als Perikles, beeldhouwers als Phidias, schilders als Appelles, dichters als Aeschylus, Sophocles, Euripides en Aristophanes konden slechts leven onder don Atheenschen hemel der individueele vrijheid.

Nu nog leeft het oude Atheensche volk voort in zijne kunstwerken op allerlei gebied, die de bewondering opwekken en tot voorbeeld dienen van het thans levend geslacht; van Sparta kent men nog slechts Leonidas, naast wien Athene echter, behalve zoovele anderen met volle recht Miltiades en Themistocles magplaatsen.

-ocr page 33-

25

Beide staten zijn tö gronde gegaan en niet hen geheel grieken-land ; de reden hier van heb ik reeds vroeger ontwikkeld, maar dat Athene destijds aan de spits der beschavingstonden nu nog haren invloed op het gebied der kunst doet gelden, meen ik te mogen toeschrijven aan de weinige beperking der individueele vrijheid gesteld.

De voorgestelde opheffing van privaat grondbezit en afschaffing der rente, komt vrij wel overeen met het voorstel om eene wet uit te vaardigen, die de rijken verplicht eenige van hunne gezarnent-lijke milliarden te verdeelen onder de armen. Alleen heeft deze wet dit voor, dat zij veel sneller werkt, maar beiden hebben het bezwaar dat zij onuitvoerbaar zijn. Niet onuitvoerbaar in dien zin, dat zij logisch of wiskundig tot de onmogelijkheden behooren, als het terugkomen van den dag van gister, maar onuitvoerbaar omdat men nooit langs wettelijken weg een maatregel als de opheffing van het privaat grondbezit zou gedaan krijgen en de weg van het geweld, de revolutie, slechts zou uitwerken (of trachten uitte-werken) om het grondbezit van de tegenwoordig-bezittende klassen over te brengen naar de tegenwoordig niet bezittende klassen. Zoodra deze laatsïen zich door geweld, (gesteld dat dit mogelijk ware, wat ik niet geloof; de fransche revolutie heeft het tegendeel bewezen) in het bezit van macht en fortuin gesteld hadden, zouden zij even sterk tegen opheffing van het privaat-grondbezit zich kanten, als nu de eigenaars van den tegenwoordigen tijd het zouden doen.

Onnoodig is deze maatregel omdat niet het bezit van privaat-grondbezit de fout is, maar te groote rijkdom, tegenover te groote afwezigheid van rijkdom. Een fabrikant die schatten met zijne fabriek heeft verdiend en de gelden, die hij niet aan zijne fabriek kan besteden noch zelf verteren, weder aan de industrie geeft, en dus geen valsch, maar deugdelijk kapitaal bespaart, zulk een fabrikant is toch volgens den wensch der socialisten en ook van Flürscheim c. s. veel te rijk, zijne arbeiders staan tegenover hem machteloos, tenzij krachtig door coöperatie en, al moge het waar zijn dat, als alle kapitalisten hun geld moesten beleggen in industrie, meer handen werk zouden vinden, er even goed geschreeuwd zou worden van hongerlijdende arbeiders. Want het is niet waar, dat de groote kapitalist, bij opheffing van grondbezit, zou afhangen van den arbeid. De rijk geworden fabrikant zou geen lust hebben zijne fabriek in bloei te doen toenemen, want bij de zorgen die hij heeft, zou hij er hartelijk voor bedanken zijne, dikwijls met moeite,

-ocr page 34-

26

veroverde positie, in de waagschaal te stellen, door zijn geld te steken in industrieele ondernemingen, die, door hun toenemend aantal en verscherpte, ongebreidelde concurrentie, (want over het beperken hiervan wordtin het bewuste „Nieuwe Gids-artikelquot; niet gesproken) veel kans zouden hebben met verlies te werken. Hij zou dus zijne fabriek slechts zooveel laten werken, dat hij zijn tegen-woordigen staat zou kunnen ophouden, plus een klein overschot, dat hij eenvoudig in zijne kas zou laten rusten om daarmede buitengewone uitgaven te bestrijden of het verlies van ongunstige jaren te dekken. We zouden dus bij velen de aangrijpende vertooning zien, die men. nu bij een enkele kan waarnemen, dat zij hun brandkast zouden vullen met gouden tientjes of bankjes van duizend gulden, al naar de liefhebberij was.

Schadelijk zou de opheffing van privaat-grondbezit en afschaffing der rente werken, door wegneming van den prikkel tot arbeid, namelijk het bewustzijn dat men zijn oververdiend geld kan beleggen in zekere, hoewel weinig rente gevende, eigendommen. De arbeider zou niet gebaat worden, maar integendeel schade lijden. De noodzakelijkheid om te sparen zou grooter worden door afschaffing der rente, maar dat sparen zou ontaarden in een gierig, improductief opstapelen, niet voortspruiten uit den wensch, rechtmatig en gezond, om een zeker eigendom te bezitten, dat wede-op zijn beurt anderen brood verschaft.

Opheffing van privaat-grondbezit en overbrenging van allen grondeigendom in handen der gemeenten is der geschiedenis een slag in \'t aangezicht geven en kunstmatig terugkeeren tot een vroege-ren toestand, die langs natuurlijken weg is veranderd. De gemeene weiden, de marken in Drenthe, allen zij zijn langzamerhand verdwenen, niet door révolutie, niet door den wil van enkelen, maar door natuurlijke ontwikkeling en het verouderen dier instellingen.

Daargelaten nu het feit dat de mogelijkheid bestaat, dat de gemeente niet allen grond aan particuliere exploitatie zou kunnen geven, bij te weinig aanvraag, waardoor van den grond bij gemeente-exploitatie lang niet zooveel als mogelijk zou geprofiteerd worden, daar, immers meermalen is aangetoond dat een paard der gemeentereiniging, minstens tweemaal zooveel eet als een tram-paard, zouden er ook andere bezwaren ontstaan.

A. iemand zonder eenig vermogen, meldt zich bij het gemeentebestuur aan om een stuk grond in bruikleen te ontvangen plus het noodige om het landbouw-bedrijf te beginnen. Eenig onder-

-ocr page 35-

27

zoek of A. de vereischte kennis bezit om als boer op te treden zal toch, met het oog op de belangen der gemeenschap, dienen voor aftegaan. Laat ik nu voorbijgaan de bezwaren, verbonden aan de inrichting dier examens, de keuze der examinatoren, wie veelal, bij aanvrage van vriendjes of vijanden, de onpartijdigheid moeie-lijkzal vallenen laten wij aannemen dat A. waardig gekeurd wordt een deel der gemeente-gronden te bebouwen en waarborgen gevonden zijn in ijver en bekwaamheden, dat de renteloos voorgeschoten gelden, terugbetaald zullen \'worden, dan is het vrij zeker dat hetzelfde geknoei dat zich thans voordoet in \'t begeven van postjes en menig eerlijk man doet walgen van onze verrotte bureau-kratie, zich in veel sterker mate en veel talrijker zal herhalen nu het niet om een post, maar om levensonderhoud te doen is. Het eene stuk grond in dezelfde gemeente is beter dan liet andere, oneindig zal het geknoei en gekonkel wezen om het beste machtig te worden, want al is de pacht hiervan hooger, zij staat nooit in evenredigheid tot de grootere productiviteit.

Ka veel gewurm is A. pachter geworden van een stuk gemeentegrond ; hij heeft de gelden ontvangen om zijn bedrijf aan te vangen, want de gemeente is zeker, volgens Fiürscheim\'s theorie verplicht, deze gelden renteloos voor te schieten, immers als deze geweigerd kunnen worden, anders dan wegens onbekwaamheid, heeft de onvermogende, d. i. hij voor wien de geheele theorie is uitgedacht, er niets aan. Üe tijd, gedurende welken A. pachter is geworden, hangt af van de \'willekeur van den gemeenteraad; de aspirant-pachter is aan dit lichaam overgeleverd, want andere gronden te pachten dan die van de gemeente is voor hem thans onmogelijk en de boeren, wier pachten bij de opheffing van het privaat-grond-bezit of afgeloopen zijn of spoedig zullen afloopen, zien met schrik de toekomst te gemoet en vragen zich met recht af of ze niet weldra broodeloos zullen zijn.

A. doet zijn best, maar, wat hij niet kan verhinderen, de granen dalen geducht in prijs, de koeien duur in \'t voorjaar gekocht, zijn in den herfst veel minder waard; hij kan zijn pacht moeielijk betalen en de voorgeschoten gelden in \'t geheel niet teruggeven; de gemeente-opzichter die belast is met het toezicht op de landerijen is geen vriend van A, maar zeer gezien bij den burgemeester en een groot deel van den raad ; B. de buurman van A., die zelf vermogen heeft en gaarne het land van A. zou pachten omdat dit beter is dan het zijne en hij vermoedt dat de prijzen spoedig

-ocr page 36-

\'28

weder zullen stijgen, voegt zijne pogingen bij die van den opzichter ; vele anderen staan klaar, de opzichter weet een bovenste beste, buurman B. de man is wel een neef van hem maar daarom doet hij het natuurlijk niet en onze vriend A. wordt vervallen verklaard van zijn pacht en is er Teel minder aan toe dan ooit te voren, want arm is hij gekomen en arm heengegaan, maar het vertrouwen in zich zeiven en het geloof aan de menschheid heeft hij verloren.

liet tegenovergestelde is ook mogelijk; A. doet zijn best en de tijden zijn gunstig, het gaat hem goed, hij betaalt zijne pacht en lost de voorgeschoten gelden op tijd af; wat de gemeente nu met die gelden moet aanvangen is mij een raadsel; grond aankoopen zal in de meeste gevallen niet kunnen, omdat eene andere gemeente geen redenen met mogelijkheid kan hebben, grond te verkoopen. Konden deze wel bestaan, dan is de waarschijnlijkheid niet uitgesloten dat eëne gemeente langzamerhand alle gronden inpalmde.

Verbetering van den grond is het werk van den pachter, andere pogingen tot verbetering van het landbouw-bedrijf van gemeente wege ondernomen zouden meestal blijken onpractische, veel geld verslindende proefnemingen te zijn zooals velen tot hunne schade iiebben ondervonden.

A. kan dus vooruitgaan als hij wil, maar hij zal niet willen, ten minste niet in die mate als hij zou kunnen, immers wat moet hij beginnen met de gelden die hij kan besparen, na zooveel mogelijk besteed te hebben aan zijne behoeften, die grooter zullen wezen naar mate het peil zijner ontwikkeling hooger staat. Grond aankoopen, zich voor den ouden dag een nestje bouwen door eigen vlijt en geestkracht verworven, is onmogelijk; effecten zich aanschaffen die geene rente geven? Hij denkt er niet aan. Zijne zuur verdiende penningen beleggen in industrieele ondernemingen waarvan hij geen flauw begrip heeft, ten gevolge waarvan hij gevoelt een prooi te kunnen worden van den eersten den besten zwendelaar? Geenszins.

Daarom zullen de gevolgen zijn dat A. op het land slechte, zooveel werkt dat hij zijne pacht kan voldoen, behoorlijk leven en iets overhoudt voor ongunstige jaren of om zijne kinderen ia hun huishouden te zetten. Meer is voor hem niet noodig, want renteloos kunnen zijne kinderen van de gemeente geld krijgen om op hun beurt ook landbouwer te worden. Het vooruitzicht om na een

-ocr page 37-

•2ÏI

arbeidzaaii leven zelf eigenaar te worden van een stuk grond, om dat zelf te bebouwen of te verpachten; de betrekkelijke zekerheid om in zijn ouderdom een vaste bron van inkomsten te hebben, de invloed ten goede die het bezit van eigen huis en haard op het karakter kan uitoefenen, dit. alles valt weg om van de menschheid eene vagebondeerende bende te maken.

Bij het privaat-grondbezit bestaan deze bezwaren lang niet in die mate.

Het eerste geval, zooeven genoemd, dat A. door ongunstige tijden zijne pacht niet kan betalen als hij niet zooveel eigen vermogen heeft om de kat uit den boom te kunnen zien, bestaat bij privaat grondbezit geenszins in sterker mate, daar welwillendheid van den landheer dikwijls vele wonden kan heelen. En dat is geen utopie, maar een feit dat meermalen voorkomt, want de landheer is uit welbegrepen eigenbelang niet de nachtmerrie van den boer, maar werkt met hem mede tot beider voordeel. De gemeente kan hierin niet treden; zij is verantwoording schuldig aan hare burgers, verschillende raadsleden breken een lans voor de belangen der schatkist; A. komt zijne verplichtingen niet na, dus weg met hem.

Gaan de zaken goed dan is de prikkel van den boer om het land te verbeteren veel grooter bij privaat- dan bij uitsluitend gemeente-grondbezit. Immers de theorie leert wel dat de huurboer geen belang heeft bij de verbetering van grond, omdat hij na afloop zijner huurjaren kans heeft voor een ander plaats te moeten maken, maar de praktijk logenstraft dit beweren. De landheer heeft er groot belang bij den zelfden boer zoolang mogelijk te houden; er zijn voorbeelden te over dat de huurder levenslang op zijne plaats blijft, dat de huurder een man in bonis geworden is en eene retraite zich heeft aangekocht om zijne laatste dagen in werkzame rust te slijten ; dat een kinderen zijner de plaats van den vader vervult.

Hierdoor ontstaat een zekeren band tusschen eigenaar en huurder die niet anders dan goed kan werken.

13e ondervinding lieeft geleerd dat de landen die thans in \'t bezit eener burgerlijke- of kerkelijke gemeente zijn en om de zooveel jaren of ieder jaar, zonder aanzien des persoons publiek verpacht worden, er veel erger aan toe zijn, dan die in handen van private personen zich bevinden. Zelfs al werden den huurder alle verbeteringen vergoed, door hem aan het land gedaan, trouwens eene bron van namelooze ellende en misselijk gekonkel, dan nog

-ocr page 38-

30

zou hij niet willen verbeteren, om mogelijk een ander van zijn werk te doen genieten. Want hij verbetert niet om zijne kosten vergoed te krijgen maar om zelf voordeel te genieten.

Geen landheer zal zijne landen publiek verpachten, als hij kans ziet ze onderhands te verhuren en een flinke boer huurt veel liever van den eigenaar zelveu, dan door middel van den notaris. De gemeente kan niet anders, dan publiek verpachten.

Eene uitzondering ten dezen opzichte maken de lage of zoogenaamde hooilanden, die des winters onder water staan, daardoor bemesting ontvangen en ieder voorjaar, zonder schade voor eige naars en huurder, publiek verpacht worden. Zulk soort land bezit o. a. ook de stad Deventer en daarom mag, met het oog op de voorafgaande regels, geenszins de conclusie gemaakt worden dat grondeigendom, alleen in handen der gemeenten, niet nadeelig zou werken. Evenals in Deventer, zoo worden ook elders, zulke landen bij gedeelten gepacht door kleine boertjes, koemelkers en dergelijke personen, die tot den huurder van eene, behoorlijk ingerichte, goed verzorgde, boerenplaats in verhouding staan, als de vorst van Monaco tot Duitschland\'s keizer. Daarom is het voor de gemeente van niet het geringste belang wie pachter dezer landen wordt, daar voor hen niets anders te doen is dan hunne koeien te melken en het land, dat niet beweid behoeft te worden, te hooien. Daar deze personen zich overigens weinig of niet met de gemeente zaken bemoeien en in den regel niet in aanmerking komen voor betrekkingen of gekozen worden als lid van den raad, heeft noch de eene noch de andere partij belang bij den persoon des pachters; hierdoor bestaat er thans geene aanleiding voor eenig geknoei bij de publieke verpachtingen, behalve dit, wat meer dan eens voorkomt, dat de pachters het. onderling eens zijn en niet door onderlinge concurrentie, den huurprijs op voldoende hoogte brengen.

Zoodra evenwel alle grondeigendom in handen der gemeenten overgaat, en de groote boerenplaatsen door haar verhuurd worden verandert de toestand geheel. Niet alleen dat de stand der koemelkers zou verarmen door concurrentie met do groote boeren, die bij hun goed land, allicht wat hooiland zouden kunnen gebruiken en dan daarvoor zooveel zouden willen geven dat er geen verdienste inzit, wat hun niet schaadt, maar ook, in aanmerking genomen het feit dat deze groote gemeente-pachters, meermalen zooals thans ook geschiedt, als lid van den gemeenteraad zouden gekozen wor

-ocr page 39-

31

den, de partijen in de gemeente zouden groot belang hebben bij de politieke richting der pachters en daar nu de ondervinding heeft geleerd dat do politiek het oordeel verduistert, zou de ellende niet te overzien zijn en meestal niet de beste pachter, maar de candidaat der bovendrijvende partij, huurder worden. Vele variaties zijn natuurlijk op dit thema denkbaar, allerlei verrassingen zouden plaats hebben vooral bij wisseling der partijen of gemeente-opzichters, maar de slotsom van alles zou zijn, vermeerdering van geknoei, in nog veel sterker mate dan thans bij staatseigendommen, verwaarloozing van het land, verarming der pachters en de grootste ontevredenheid.

Aan de hand der feiten die ons leeren, dat we ons leelijk, duur Rijksmuseum, dat te zwak gebouwd is om aan de tevoren gestelde eisch te voldoen, namelijk om een doorrid te verschaffen aan de, daarachter gelegen, terreinen, te danken hebben aan geknoei; feiten, die aantoonen dat ook ons onpractisch, kostbaar en leelijk Centraalstation, het aanschijn verkregen heeft door een dergelijk geknoei; feiten, die ons doen zien dat o. a. bij den bouw van forten, tras wordt afgekeurd, die veel beter is dan de zoogenaamd goedgekeurde, deels omdat de genie van deze zaken te weinig verstand heeft, deels omdat zij zich laat omkoopen; aan de hand dezer feiten, die met ontelbare vermeerderd zouden kunnen worden, komt het mij voor dat genieenten eigendom van allen grond, niet anders dan verderfelijk voor onze volkswelvaart zou kunnen worden. Ik stem toe dat in een republiek, bij een goed geordend zelf-gourernement meermalen ongeregeldheden plaats grijpen, maar deze zijn van anderen aard, meer beweging makend, maar tevens meer onschuldig. In een republiek kan bv. heftig gestreden worden over de keuze van een president, zooals dit in Amerika meermalen geschiedt; ook zullen de midden die gebezigd worden om de overwinning te verkrijgen niet altijd eerlijk zijn, maar twee zaken zullen meestal vast staan, vooreerst dat beide candidaten, gesteld dat er twee zijn, bekwaamheid bezitten, vervolgens dat de strijd over beginselen loopt, niet over personen en deze twee omstandigheden, gevoegd bij de vereischte publiciteit, zijn van groot gewicht. Want het verderfelijkste in een staat is een onbeduidend, dikwijls zedeloos, hoofd en eene wanzedelijke, alle recht in het aangezicht slaande, vriendjes bevoordeelende bureaukratie.

Komt het mij voor dat gemeenten-eigendom van allen grond zeer schadelijk zou werken, een groote zegen acht ik het integen-

-ocr page 40-

32

deel als het grond-eigendom over zoo velen mogelijk verdeeld wordt. Want niets werkt meer veredelend dan het bezit van eigen huis en haard, üe grootste ontevredenheid, de meeste ruwheid heerscht juist bij hen, die nu hier en dan daar heen zwerven, die aan niets zich hechten, niets te verliezen hebben en juist hierdoor steeds trachten woelingen in het leven te roepen op hoop van iets te winnen.

Om dit doel te bereiken, wordt samenwerking van allen vereischt, de wil om uit welbegrepen eigenbelang goed te ziju, zonder welken wil geen wet en geen macht ter wereld iets goeds kan uitrichten. De finantieele toestand van den arbeider moet verbeterd worden, maar langs den goeden weg. Deze weg leidt vooreerst, zooals ik reeds aanwees, langs verbroedering der standen; vervolgens wordt die toestand verbeterd door minder werkuren, bij het zelfde of zoo mogelijk hooger loon. De uren niet aan den dage lijkschen arbeid gewijd, moeten besteed worden aan nuttige bezig, heid en ontwikkeling en tot het verkrijgen hiervan moeten de hoogere standen de behulpzame hand bieden. Men zij echter omzichtig in dezen. Zoo heeft men getracht door allerlei vereeuigin-geu de arbeiders-ontwikkeling te bevorderen, door voorlezingen enz. Men ging van de, overigens juiste, meening uit dat het beter was den arbeider onder een kopje kofie of chocolade iets Iser-zaams mede te deelen, dan hem aan zijn lot over te laten en aan den jenever. Maar wat heeft de ondervinding geleerd, dit, dat na afloop der voorlezingen de meeste arbeiders toch naar de kroeg trokken en hun huiselijk geluk evengoed te gronde ging. Xeen men moet trachten den arbeider aan zijn huis te boeien, hem daar werk verschaffen waartoe meer bekwaamheid noodig is dan tot het dagelijksche sleur-werk ; hem lectuur geven, hem vertrouwen in boezemen, hem voorlichten, hem helpen zijn huis tot eene plaats te maken waar hij het liefst vertoeft. Tot bereiking van dit laatste is zeer gewenscht de mogelijkheid dat de arbeider dat huis tot zijn eigendom kan maken. Hier voor wordt de hulp vereischt van heeren kapitalisten en zij zullen een nuttiger werk verrichten de duizenden die zij anders opstapelen te besteden tot dit grootsche doel. Maatschappijen moeten gevormd worden, die voor en door de arbeiders frische huizen bouwen met een lapje grond daarbij, die door hen voor lage prijzen gehuurd of zoo mogelijk langzamerhand gekocht kunnen worden, maar in ieder geval zoo-verhuurd, dat de huur bij nakoming van het contract niet opge-

-ocr page 41-

33

zegd kan worden door den verhuurder. Door dezen maatregel wordt voorkomen dat de arbeider weerloos wordt overgeleverd aan huisjesmelkers; hierdoor wordt een premie gesteld op goed gedrag, zindelijkheid en wat dies meer zij en tevens met een geduchte straf bedreigd tegen onhuiselijkheid, dronkenschap, luiheid, enz. Hierdoor zal de arbeider zijn net huisje lief krijgen, het willen verfraaien en zijn haard sieren met de lieflijke bloem des vredes. Door eene dergelijke handelwijze zou zeer spoedig de domme, verdierlijkte massa verdwijnen, behalve natuurlijk wat betreft het uitschot der menschheid, dat altijd zal blijven. Het spreekt vanzelf, dat de rijke Nederlander, hoewel behoorende tot de „handeldrijvende natiequot;, een deeltje van zijn zucht naar winst moet opofferen, om eindelijk met zijn geld ook eens iets goeds te doen, duizendmaal beter dan het weggooien bij duizenden aan zoogenaamde liefdadigheid, nadat die duizenden eerst bij tienduizenden, dikwijls op oneerlijke wijze, verdiend zijn, want waar is, wat in der tijd een lid der Oostenrijksche haute finance zeide : „men verkrijgt in onzen tijd de millioenen niet, zonder dat de elleboog langs het tuchthuis strijktquot; ; ik zou er willen bijvoegen „vroeger evenminquot; want al moge het waar zijn dat de deugden onzer voorvaderen, hun spaarzaamheid, hun zin voor regel en orde, dikwijls in eene stijfheid ontaardend, grooter dan die hunner halskragen, hun rijkdom bezorgden, aan de verworven schatten kleefde het bloed van millioenen inwoners van Insulinde, schatten, verkregen door roof, afpersing, overheersching en allerlei dwang- en kunstmiddelen. Door eigenbelang genoopt moet de „haute financequot; een beetje handelsgeest laten varen om een deel van het overgewonnene te besteden aan volkB-ontwikkeling in den goeden zin, aan kunst, enz. Er is in ons geheele land geen enkele onderneming aan de kunst gewijd, die behoorlijk kan bestaan, terwijl in het kleine Belgie, toch weinig grooter dan Nederland, de opera te Brussel 500.000 frs. subsidie ontvangt. Nu begrijp ik volkomen, dat er noodiger uitgaven zijn dan voor kunst, hoewel ik beweer, dat kunst wel degelijk een volksbehoefte is, maar als men niet zoo roekeloos met de finan-cieën omsprong, niet tonnen gouds verknoeide, om werken, die misschien overigens noodig en nuttig zijn, te weelderig in te richten, dan zou er voor kunst nog heel wat overschieten. Een klein bewijs voor dit beweren levert o. a. het nieuwe Merwedekanaal; men beschouwe eens de afsluithekken ten gevolge van het graven noodig geworden, hoe grootscheeps die vervaardigd zijn.

3

-ocr page 42-

34

Had men al die tallooze hekken, doelmatig maar eenvoudiger ingericht, een zeer groote som zou bespaard zijn. En deze som vertegenwoordigt nog maar een zeer klein gedeelte van al de duizenden, die verknoeid werden en worden aan onze verdediging; het eene fort wordt gebouwd om een paar jaar later te verzakken en afgebroken te worden; aan een ander wordt altijd door gewerkt omdat de fundamenten slecht gelegd zijn enz enz. Zoolang nu de staat, de provincie en gemeenten niet hunne finantieën zoo regelen dat de uitgaven de inkomsten niet overtreffen en niet telkens naar het verderfelijke middel van leenen en opdrijven dei-belastingen gegrepen moet worden, is er van deze zijde weinig heil voor de volks ontwikkeling te verwachten en daarom moeten particulieren deze zorg ter hand nemen en als zij dit goed doen, kunnen zij meer uitwerken dan een officieel lichaam.

Om op het art\'kel in de „Nieuwe Gridsquot;\' terug te komen ; juist is de bewering dat de grondrente bij de vorige eeuw is gestegen, maar de schrijver vergeet er bij te voegen, dat zij sedert 1879 aanmerkelijk gedaald is. Alleen zij die veel kapitaal bezitten en voor hun geld een zektra belegging wenschen, kunnen zich de weelde veroorloven grond aan te koopen; als zij 3 pCt maken is \'t al heel mooi Personen die voor 1879 circa f 10000 uit hunne landen trokken, moeten zich tegenwoordig met f 6000 te vreden stellen. En wat heeft de ondervinding geleerd? Dat de toestand der arbeiders in de landbouwstreken, toen de prijzen der landbouwproducten hoog waren, toen de grondrente op zijn toppunt stond, veel beter was dan tegenwoordig. De reden ligt voor de hand. Zijn de landbouwproducten hoog in prijs, dan stijgen wel de pachten, maar met in die mate als de pachter meer verdient. Stijgt de pacht van een boerenplaats met duizend gulden, dan kan men verzekerd zijn dat de pachter twee a drieduizend gulden per jaar meer verdient. Een gevolg hiervan is dat hij zijne arbeiders meer laat verdienen, want een boer ziet graag dat het zijne arbeiders goed gaat, omdat stoffelijke vooruitgang in den regel ook hun zedelijk peil verhoogt. Tast de pachter uit een ruime beurs dan ziet hij niet op een gulden of wat en zoekt ia den winter dikwijls werk voor den arbeider. Bij welgesteldheid van den boer kan de arbeider hooger loon bedingen, omdat wat de een niet geven wil, hij allicht van den ander kan gedaan krijgen, omdat die geven lean. Het loon stijgt meer dan de enkele centen die de arbeider meer voor het brood moet betalen, om de eenvoudige

-ocr page 43-

35

reden dat de boer in \'t groot ontvangt, wat door allen, arbeider of i;iet arbeider gezaraentlijk wordt opgebracht In den tijd, toen de landbouwproducten hoog in prijs waren, was de landeigenaar te vredec, de boer was te vreden en de arbeider was het ook, de winkels in de steden bloeiden. Als toen een der socialisten-hoofden in die streken met zijne praatjes verschenen was, zou hij spoedig de plaat hebben moeten poetsen. Sedert dien tijd is de armoede in die streken toegenomen,de ontevredenheid (dikwijlste recht) begonnen en is de stemming bij ieder gedrukt. Een gevolg is natuurlijk dat de landeigenaar zoo min mogelijk uitgeeft en daardoor het loon van den handwerksman verlaagt; dat de boer zijne pacht, reeds aanmerkelijk verminderd, niet uit een zeer ruime beurs kan opbrengen en een slechte oogst menigeen te gronde richt; dat hij daarom den landbouw-arbeider zooveel mogelijk beknibbelt en niet meer laat werken dan strikt noodig is. Menige winkel is te niet gegaan of sleept een armzalig bestaan voort, omdat zijne klanten niet meer kunnen uitgeven dan noodig is voor levensonderhoud. Toch mag men niet vergeten dat de toestand van den arbeider beter is dan in de 18de eeuw; hij heeft zich vele zaken kunnen aanschaffen, die hem thans een levensbehoefte zijn geworden, waaraan vroeger slechts weinige bevoorrechten konden denken. Men vergete ook vooral niet dat duizende monden meer dan in de vorige eeuw, brood vragen.

Een vermakelijk staaltje om de stijging der grondrente te bewijzen levert de schrijver in de „Nieuwe Gidsquot; als hij beweert dat iemand voor 2700 Thaler een landgoed kocht en dat later weer voor 6 millioen Thaler verkocht, maar als.....bouwterrein. Dat noemt de goede man, steiging der grondrente.

Onder meer worden hier ook eenige families opgenoemd, wier vermogens ontzettend zijn toegenomen en wordt tevens aangetoond dat Amerika thans verscheidene miliionairs bezit. Dit kan juist zijn, maar de conclusie dat deze gelden weder aan den arbeider onttrokken zijn, door hem werden opgebracht en hij daardoor verarmd zou zijn, is geheel bezijden de waarheid. De schrijver vergeet dat die vermogens meestal door groote gelukkige speculaties bijeen gebracht worden en dat tegenover deze enkelen die rijk werden er duizenden staan, geene arbeiders, die door diezelfde speculaties doodarm zijn geworden.

Dat in de Vereenigde Staten thans meer vagebonden en bedelaars te zier zijn, dan jaren geleden is waarachtig geen wonder. Daargelaten de ontzettende vruchtbaarheid van den werkman,

-ocr page 44-

36

die geen zelfbeperking kent, is dit verschijnsel ia Amerika goed te begrijpen. Oorspronkelijk was de bevolkng der Vereeiiigde Staten tezamengesteld uit, wat er edel in Europa gevonden werd.Groo-te geesten, ondernemende industrieelen, personen van wetenschap en kunst, die het onder het ijzeren juk der absolutistische dwingelandij, niet konden uithouden, brachten hun frisch, vrijzinnig stroomend, bloed naar de nieuwe wereld over. Onder de kinderen en kinds-kinde • ren dier uitgewekenen die nooit verdrukt waren geweest en den prikkel tot werken en denken niet gevoelden als hunne ouders, kwamen er allicht die den verkeerden weg opgingen en \'t gaat hiermede als met het ongedierte, is er eenmaal een paar bij elkander, dan gaat de teling snel voort. Voeg hier nu bij, dat in de latere jaren allerhande schuim naar Amerika vluchtte, dan is het gemakkelijk te begrijpen dat het getal bedelaars en vagebonden schrikbarend is toegenomen. En om nu dit feit op rekening te kunnen stellen van het toenemen van het getal millionairs, is het bewijs noodig dat die bedelaars, niet anders kunnen zijn dan bedelaars, dat deze niet te lui en te dom zijn om te werken en dat, indien het werkelijk \'t geval is dat zij bekwaam zijn voor den arbeid, gemis aan werk \'t gevolg ia van het vermeerderen van groote kapitalisten, \'t is heel gemakkelijk om mee te schreeuwen in \'t koor van hen die het ongelukkig lot van den arbeider bezingen ; heel gemakkelijk eenige familien op te noemen die rijker zijn dan vroeger; heel gemaklielijk te vergeten eene menigte, eertijds rijke, hoogeplaatste families, die te gronde zijn gegaan ; heel gemakkelijk te beweren, dat de vergrooting der kapitalen, den arbeider wordt afgeperst, maar het bewijs daarvoor ontbreekt gewoonlijk. Het komt mij voor dat \'t dan vrij wat beter is, dergelijke gevaarlijke redeneeringen voor zich te houden, daar zij slechts ontevredenheid kweeken en door gebrek aan grond niets uitwerken dan dat de ontwikkelde, die werkelijk den toestand juist inziet en zou \'willen medewerken tot verbetering, zich onwillig afwendt.

Waar nu het lot van vele arbeiders treurig is, (want dat ^ arbeider\', qua talis ongelukkig en arm moet zijn, is een lengen) daar is veelal de oorzaak dat het hun aan bekwaamheid ontbreekt. Het is werkelijk1 ontmoedigend om te zien hoe weinig doorzicht en denkkracht de gewone arbeider kan ontwikkelen; alles gaat inde sleur en wordt gemaakt zooals dit in de streek waar hij werkt gewoonte is; maar zoodra iets voorvalt wat hem vroeger niet is voorgekomen, staan hem de handen verkeerd. Slechts zeer, zeer

-ocr page 45-

37

enkele arbeiders vertoonen eenige gave van vinding, slechts zeer weinigen zijn kunstenaars in hun vak en die weinigen worden dan ook werkelijk met goud beloond. Er is gebrek aan ontwikkelde arbeiders en zoolang de arbeider veel eene machine gelijkt is het waarlijk geen wonder dat zijn loon niet hooger is. Bekwaamheid is door alle eeuwen heen beter betaald dan ruwe kracht en dat zal wel altijd zoo blijven. Ik vergeet niet de ambachtsscholen die op vorschillende plaatsen gesticht zijn. Zij werken betrekkelijk weinig uit, vooreerst omdat de meeste arbeiders niet van dit onderwijs willen genieten, omdat ze niet begrijpen dat ontwikke. ling hun noodig is ; ten tweede omdat het gewone wantrouwen in de hoogere standen, den arbeider van die scholen afkeerig doet zijn; ten derde omdat zij niet veel van het onderwijs kunnen genieten omdat ze te weinig fonds in zich zelve hebben om op het ontvangen onderwijs voort te bouwen, door welke omstandigheid ook het lager onderwijs zoo weinig vruchten draagt; ten vierde omdat het huisgezin van den arbeider eischt dat de jongen zoo spoedig mogelijk iets zal verdienen en daarom naar den baas wordt gezonden. Den arbeider, bij wien de geldzaak op den voorgrond staat) ontbreekt de lust tot ontwikkeling en hij begrijpt niet dat zijn zoon de enkele centen, die hij moet ontberen, honderdvoudig eens zal verdienen, als hij uitsteekt boven zijn vakge-nooten. Daarom kom ik terug op wat ik reeds meer zeide, ontwikkeling van den arbeider langs den goeden weg, voornamelijk door aaneensluiting der standen, dat is het middel dat hoofdzakelijk den toestand moet verbeteren; al het andere, wat te wenschen overblijft, volgt hieruit

Een bewijs hoeveel kracht aaneensluiting der standen, zorg voor de arbeiders door de patroons, samenwerking tot één doel, geeft, levert de Parijsche parfumeriefabriek Pinaud. Tijdens de Commune, toen alle werkplaatsen leeg liepen, kon deze firma rustig doorwerken ; de werklieden, gehecht aan de onderneming, gehecht aan hun patroon en door dezen geacht, bleven op hun post Zelfs de winkels der firma te Parijs behoefden geen enkelen dag gesloten te worden. En toch is de inrichting dezer firma nog maar het begin eener goede regeling en beantwoordt geenszins aan het ideaal. Mij dunkt de lezer kan beseften welk een enorme uitwerking het zou hebben als de geheele maatschappij eens met hart en ziel begon te werken voor dit doel. Door den arbeider op te nemen onder de leden eener zelfde maatschappij, wordt hij

-ocr page 46-

38

gewaardeerd en zijn recht op vrijheid erkend. Politieke en zedelijke vrijheid zijn de hefboomen die het krachtigst werken tot ontwikkeling. Er is meer dan eens beweerd dat algemeen stemrecht in beginsel juist is, maar dat het niet aangaat dit thans te geven aan de onontwikkelde massa. Deze bewering gaat m. i. niet op.

Vooreerst mag er van „gevenquot; geen sprake zijn ; de bevoegdheid om eenigen invloed uit te oefenen op den gang van zaken, waaronder men gedwongen is te leven, mag geen gunst, maar moet een recht wezen. Dat duizenden in den eersten tijd na toekenning van het stemrecht rare dingen zouden doen, valt niet te betwijfelen, maar men vergeet dat die duizenden thans niet onbekwaam zouden zijn, als zij niet door de inrichting van het staatsbestuur zooals zij geregeld is door de hoogere standen, reeds eeuwen onbekwaam gemaakt waren. Men vergeet dat de mensch nooit hooger stijgt, als hij voortdurend in een toestand van onderworpenheid blijft; dat Rousseau zeer terecht heeft gezegd : dat de slaven door hunne slavernij zelfs de lust verliezen om van hunne boeien bevrijd te worden.

De geheele bewering van hen die tegen invoering van „algemeen stemrechtquot; zijn, komt hierop neer dat do zaken bij toekenning van dit recht, anders zouden gaan als zij wel zouden wen-schen en dat is zeer juist, In waarheid is dit bezwaar niet gering te achten, omdat wellicht een toestand van anarchie en revolutie zoude geboren worden, die niet tot het gewenschte doel zou kunnen leiden. Daarom is het even noodig, bij erkenning van de noodzakelijkheid van algemeen stemrecht den arbeider werkelijk tot een broeder te maken van hen die zich nu de hoogere standen noemen; noodig, hem eene positie in de maatschappij te verschaffen, waardoor hij een daadwerkelijk en gezond belang heeft bij een ordelijk en wijs regeeringsbeleid; noodig, hem huis en haard te bezorgen, waardoor hij verliezen kan lijden als de maatschappij in \'t honderd loopt; noodig, hem door aaneensluiting, door vertrouwen in te boezemen, door gesprekken, door onderwijs, inden omgang te ontwikkelen, zoodat hij niet het slachtoffer wordt van den eersten den besten fabrikant van schoon klinkende theorieën; noodig, hem niet te overbluffen door leugen, zijn gemoed niet te verhitten door zoogenaamde vaderlandsliefde, hem riet op te zweepen tot walgelijke vorsten-vergpding, voor wie hij geen hart kan hebben, zoolang de vorsten steeds soldaatje willen spelenj

-ocr page 47-

overal rondtrekken als Zigeuners, op elkanders welzijn drinken en vergeten het heil des volks te bevorderen, daargelaten dat veien van hen in zedelijkheid tienmaal lager staan dan een arbeider die iederen Maandag een borreltje of wat te veel drinkt.

Een enkel woord ter loops over het bij herhaling besproken misbruik maken van sterken drank.

In der tijd schreef „Recht voor allenquot; dat ellende het werkvolk naar de kroeg drijft, waartegen „de Werkmansbode\'\' opmerkte, dat integendeel tijdelijke overvloed van geld, veel meer dan gebrek, de reden van drankmisbruik is. Het komt mij voor dat de opmerking der „Werkmansbodequot;geenszinsde meening van „Recht voor allenquot; ontzenuwt; immers indien het waar is dat ellende den arbeider in de kroeg voert, is het zeer goed te begrijpen dat, bv. op Zaterdag als de arbeider zijn weekloon krijgt, hij dit geld gedeeltelijk voor drank misbruikt, om een oogenblik het leed over zijne ellende te vergeten, die hij meent dat toch niet door goed gebruik van zijn karig loon kan gelenigd worden.

Wat „de Werkmansbodequot; overigens opmerkt omtrent het feit dat werklieden des Vrijdags nachts doorwerkten om des Maandags vrijer te kunnen drinken, slaat natuurlijk alleen op hen, die reeds aan den drank verslaafd zijn, want zij die dien prikkel niet kennen, zullen geen nachtrust opofferen voor een nog problematisch genot.

Daarom moet er een andere oorzaak zijn, waardoor de arbeider aan den drank verslaafd raakt, een oorzaak die buiten den werkman ligt, zijn wil overheerscht en hem weerloos aan den jenever overlevert, want ik kan mij met geen mogelijkheid iemand voorstellen, die er zich toe zet om een dronkaard te worden.

Om deze reden op te sporen, dient gevraagd te worden: wanneer is de trek naar een bittertje het grootst, of liever wanneer alleen bestaat bij den mensch den zin aan spiritualia ? Alleen dan als de maag iets opwekkends vordert. Men heeft om de een of andere reden wat weinig geluncht; de keukenmeid is van daag bizonder laat met het middagmaal; men heeft lang geloopen of buitengewone andere lichaamsoefeningen gemaakt; in deze gevallen, onder meer, is een bittertje, een glas port of een likeur een ware uitkomst. Wanneer smaken spiritualia in het geheel niet ? la den loop van den avond; een glaasje bitter dan gebruikt smaakt afschuwelijk, omdat de maag, goed en krachtig gevuld, den prikkel van den drank weigert.

Welnu dit is m. i. de eenige reden waarom het drankmis-

-ocr page 48-

40

bruik zich zoo uitgebreid openbaart onder de arbeiders, speciaal bier in Nederland. De arbeider ontvangt te weinig voeding naar evenredigheid van de lichaamskracht die hij verbruikt en dat te weinige tracht hij aan te vullen door den jenever en juist door dezen drank omdat die het goedkoopst is en het krachtigst den maag kan bedriegen. Voeg hierbij de geringe ontwikkeling des arbeiders, die geen grooter genoegen kan kennen dan met zijn makkers te zitten zwetsen, dan is het waarlijk geen wonder dat de drank hem spoedig gegrepen heeft. Van daar dat al die af-schaffings-bonden, die achter mooie glaasjes opgehangen spreuken, die plaatjes, die afschrik moeten inboezemen, niets helpen. Neem de oorzaak weg die den arbeider met geweld naar de kroeg drijft en de gevolgen zullen spoedig merkbaar worden.

Hoewel ik nu niet wil beweren dat spiritualia direct noodig zijn voor de gezondheid, valt het niet te ontkennen dat de behoefte daaraan bijna bij ieder mensch bestaat en dat het quantum wat hij dagelijks gebruikt aan morgendrank, bier, wijn en groc, vrij groot is.

Daarom is het eenige middel tegen drankmisbruik alweder, volks-ontwikkeling door aaneensluiting der standen, het mogelijk maken van huiselijkheid en krachtige voeding.

Keeren wij tot het voorgaande terug.

Vrijheid ! dat zij onze leuze.

De arbeider worde door ontwikkeling vrijgemaakt van zijne politieke afhankelijkheid, vrij van zijne slaafschheid in zedelijken 7,in. Hoe noodzakelijk de vrijheid voor den mensch is, vindt zijn bewijs in een vergelijking tusschen Zuid- en Noord-Amerika-Het Noord-Amerikaansche grondgebied is door kolonisatiehewoWit, onmetelijke velden werden de Indianen afgekocht, met spade en houweel ontgonnen, bezaaid met honderde steden die de namen dragen der grootste vrijheidshelden uit den ouden en nieuwen tijd

Zuid-Amerika is door verovering aan de R. Cath. naties \'n handen gevallen door bekrachtiging van pauselijke bullen, door de inquisitie ontvolkt, gekneld in de banden de\'* middeleeuwsche aris-tokratie en hiërarchie, door zwermen Jezuïten overstroomd, wier geest ook in de steden-namen spreekt aan den heiligen-kalender ontleend.

De Noord-Amerikaansche kolonisten verlieten hun vaderland om in \'t vreemde land de vrijheid deelachtig te worden; de Spanjaarden verlieten hun land om in Z.-Amerika de bewoners

-ocr page 49-

41

hun vrijheid te ontrooven, door slavenarbeid en geloofsdwang.

En welke zijn de gevolgen geweest?

Dat Noord-Amerika zich ontwikkeld heeft tot een bloeienden staat die in vele opzichten aan de spits der beschaving zich heeft geplaatst; het land waar de stoomkracht werdt ondekt, waar Franklin leefde, waar de beste geschiedschrijvers schreven, waaide nieuwere theologische wereldbeschouwing hare bakermat vond» waar Steinway and Sons de wereld verbaasd doet staan over haren piano-bouw. waar vrede heerscht en geen schuldenlast de burgers drukt.

En Zuid-Amerika ? aanhoudend beroerd door eindelooze woelingen, vertrapt door tal van despootjes, zuchtend onder militaire dictaturen, is dat land, een toonbeeld van ellende, diep gezonken, vastgekneld in de boeien der onvrijheid op politiek en zedelijk gebied, een prooi voor fortuinzoekers en woelgeesten.

Wanneer men slechts deze beide landen in oogenschouw neemt dan blinkt ons de waarheid tegen van het gulden woord van Thucydides : „het grootste geluk is de vrijheid en de vrijheid is de adel der ziel.quot;

Vrijheid in den ruimsten zin brengt alle krachten des volks in werking, brengt frischheid en gezond leven in alle standen der maatschappij. Zij worde alleen daar beperkt, waar de vrijheid van het individu in botsing komt met liet algemeen belang ; is dit het geval dan moet de organisatie der maatschappij, de staat, optreden om dat belang te beschermen.

Een voorbeeld maakt mijne meening duidelijk.

Eenige jaren geleden hadden de maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen en de Nederlandsche Rijnspoorwegmaatschappij hooggaande twist. Een gevolg was dat de treinen der eerstgenoemde maatschappij te Utrecht niet meer gezien werden aan het Station van den Rijnspoorweg. De passagiers die met den Rijnspoorweg aankwamen, moesten maar zien hoe ze verder zich redden als ze de Staatsspoor moesten gebruiken. De staat scheen onmachtig te zijn de twistende kemphanen, in naam van het algemeen belang, te gelasten hun plicht te doen. Het publiek heeft last mogen ondervinden totdat het den heeren beliefde het geschil bij te leggen. Men is even bang om ingeslopen vrijheden te kortwieken als om rechtmatige vrijheid te erkennen.

Heeft men leeren inzien dat onbeperkte vrijheid der concurrentie onheil aanbrengt, velen zijn hiervan niet overtuigd als het inter-

-ocr page 50-

42

nationale concurrentie betreft. Zij, die de nationale concurrentie zouden willen breidelen, terwille van eene goede regeling omtrent de verdeeling der verworven rijkdommen, zien verderf in het tegengaan der internationale concurrentie door beschermende rechten. Het opmerkelijkst evenwel is dat zij die a tort et a travers vrijen handel willen, toch gaarne zouden zien dat bij werken voor den staat, de provinciën, gemeenten en andere publieke lichamen, de architecten wettelijk, en bij werken voor particulieren, zij zedelijk verplicht zouden zijn het gebruik van inlandsche steen, inlandsch gemalen tras enz. en het aanwenden vanbinnenlandsche arbeidskrachten, voor te schrijven. Alsof dit voorschrift niet een andere vorm van bescherming is, dat veel verlammender op de industrie zou werken dan gematigde beschermende rechten.

Wat is er m. i. van de zaak.

Dit, dat wat als beginsel deugdelijk is, door omstandigheden buiten dat beginsel in de gevolgen heilloos kan worden. Vrije handel, internationale concurrentie, opruiming van den vuilen rommel der douane, is zeer aan te bevelen. Daar het echter voor Nederland niet mogelijk is dit beginsel over de geheele wereld te handhaven, maar alle landen daarentegen ons als met een ijzeren gordel omringen, is het de vraag of het platgedrukt worden niet slechts een kwestie van tijd is. Het is toch vrij eenvoudig in te zien dat, als wij onze producten niet dan tegen hooge inkomende rechten in andere landen kunnen invoeren en diezelfde producten uit andere landen in Nederland vrij worden ter markt gebracht, concurrentie vrij wel onmogelijk is en dat door overvloed van invoer de prijzen zeer gedrukt zijn. waardoor de nederlandsuhe landbouwer of met zijn vruchten blijft zitten of ze tegen zulk een geringen prijs van de hand ino^t doen, dat hij niet eens zijne onkosten kan vergoeden. Een gevolg hiervan is verarming van den boerenstand, daling der grondrente, ellende onder de arbeiders, algemeene ontevredenheid Op deze wijze is reeds eenige jaren de volkswelvaart op gevoelige wijze geschokt en men behoeft slechts een kijkje te nemen in de streken waar de landbouw de eenigste bron van inkomsten is, om te bespeuren hoe heerlijk doordrijving van een, overigens juist, beginsel gewerkt heeft.

Intellectueele ontwikkeling is niet denkbaar zonder stoffelijke welvaart, evenals bevordering dier welvaart uitsluitend, in de meeste gevallen, volstrekt geen zegen brengt.

Vrijheid, zooveel mogelijk de gelegenheid verschaffen voor een

-ocr page 51-

43

ieder om zich vrij te ontwikkelen, dat is de taak van het staatsbestuur, dat is de plicht van ieder weldenkend mensch.

Er bestaat eene verschrikkelijke ziekte, die de beste krachten der maatschappij sloopt; deze ziekte heet: „credietquot; zij schuilt het meeste onder den hoogsten stand. Mij zijn voorbeelden bekend van schatrijke heeren, die hun leveranciers jaren lang op hun geld laten wachten , ja die hun oppasser de gelden voor boodschappen, doen voorschieten en weken lang verzuimen om hem dit geld terug te geven. Deze vorm van crediet is een vloek geworden, die ontzettend zwaar drukt.

Een trasfabrikant bv. betrekt zijne steenen uit Duitschland, moet bij de uitlading de vracht voldoen en is verplicht binnen drie maanden te betalen. Zijne fabriek bloeit, en de eigenaar heeft veel in zijn boek staan. Tegen den tijd, dat de steenen betaald moeten worden, verwacht hij zooveel ontvangen te hebben, dat hij deze schuld ruimschoots kan voldoen. Maar hij heeft buiten den waard gerekend. Metselaar A. kan hem niet betalen, want de meneer op de Keizergracht, voor wien hij werkt, heeft hem al in geen paar jaar voldaan. Aannemer B. kan zijne rekening niet vereffenen, want meneer B. op de Heerengracht laat niets van zich hooren en hij durft niet te manen, want dan weet hij dat zijn vonnis geveld is. De fabrikant is daardoor verplicht een bedrijfskapitaal te gebruiken te groot naai- evenredigheid van de verdiensten die de fabriek afwerpt. De welvaart van den fabrikant wordt in dit geval gedrukt door misbruik van macht bij den kapitalist en de arbeider moet ook voor een deel de gevolgen dragen. Tegen dit misbruik helpt geen wet, helpt niets dan de wil om goed te zijn; de werkgever moet inzien, dat zijne handeling een misdaad is, omdat hij op wederrechtelijke wijze den werknemer de gelden onthoudt, die hij hem verschuldigd is, om dat teruggehouden geld te besteden tot vergrooting van eigen kapitaal. Zulk een diefstal is veel zwaarder misdrijf, dan dat van den half verhongerden arme, die een broodje wegneemt; zulk een meneer staat zedelijk veel lager dan een Maandag-houder. Wat tegen dergelijke schandelijke praktijken te doen is, verklaar ik niet te weten ; er is geen ander middel dan de wil der misdadigers zelve. Eene algemeene conditie van werknemers, omniet anders te werken, dan tegen een crediet van hoogstens zes maanden, is niet denkbaar, want de verraders zouden zeer talrijk zijn.

Dit voorbeeld is slechts een uit velen; de samenhang van de verschil-

-ocr page 52-

44

lende deelen van iedere maatschappij, onverschillig hoe de politieke of sociale toestand is, brengt altijd perse met zich dat sommigen meer macht hebben dan anderen, eene macht die zoodnnig met de maatschappij zelve is samengeweven dat zij niet te funiken is.

Daarom herhaal ik met nadruk, tot verbetering van den socialen toestand is noodig: bet inzicht dat verbetering dringend ver-eischt wordt, dat het eigenbelang van wien ook dit vordert; dat geene staathuishoudkundige theorieën veel kunnen uitwerken, maar dat de ware wes leidt langs het leven en dat ieder zich helder

O O

bewust moet zijn van de taak die hij in dat leven als lid der maatschappij tegenover haar heeft te vervullen. Zoolang ieder, alleen zich dit doel voor oogen stelt, om het zelf goed te hebben en als hij het goed heeft, nog weelderiger te kunnen leven; zoolang ieder zich in zijn eigen cóterietje afsluit; zoolang de maatschappij bestaat uit een ontwikkeld en een veel grooter onontwikkeld deel, zoolang zal elke vooruitgang illusoor blijven, welke heilzame wetten ook gemaakt worden en zal de maatschappij, niet krachtig levend, maar dood zich woelend, voortsukkelen aan het arbeiders vraagstuk, zooals de oude wereld kwijnde aan zijne slaven, totdat ongetwijfeld de vreeselijkste revolutie de aarde met bloed overdekt, om daarna een nog rampzaliger toestand achter te laten.

Behalve algemeene omhoogheffing van den zoogenaamden arbeidenden stand is dus noodig.

Verbroedering der standen, door zoo groot mogelijke gelijkheid en verdwijning van den adel ; geen andere standen dan die door het maatschappelijke leven natuurlijk ontstaan, geen kunstmatige aankweeking van een boven allen zich stellende, heerschzuchtige clique.

Zuinigheid in \'t beheer der financiën, om de uitgaven te öepalen tot de strikt noodige en de vereischte werken uit te voeren met doelmatige eenvoudigheid.

Geen kunstmatige ophitsing der nationaale eigenliefde en daarmede gepaard gaande militaire liefhebberijen, maar verbetering van het gehalte des legers door algemeene dienstplicht, alleen gericht op noodzakelijke zelfverdediging.

Uitbreiding van de macht der volksvertegenwoordiging, aanvulling van dit lichaam door frische krachten, door mannen van karakter en moed ; scherpe controle van de handelingen der regeering, strenge burgrechterlijke en strafrechterlijke verantwoordelijk-

-ocr page 53-

45

heid der ministers; ingrijpende veranderingen in den rommel die op de bureaux in den Haag huist en waarvan menig goedgezind ambtenaar in particulier gesprek, gaarne wil verklaren, dat het getal personen aan die bureaux werkzaam (?) gemakkelijk tot op de helft kon verminderd worden en daarmede gepaard gaande fnuiking der bureaukratie, waarvan een lid van het hoogste staatscollege mij verklaarde, dat niemand van bekwaamheid er aan behoeft te denken vooruit te komen als hij uiet door kuipen en kruipen een vriendje der bureaukraten wordt.

Verbetering van het gehalte der politie, die vooral in de groote steden veel te wenschen overlaat en meermalen door hunne superieuren als beesten behandeld worden.

Een streven naar zooveel mogelijk billijke verdeeling der belastingen en naar vermindering dier heffingen.

Maar voor alles moeten de hoogere standen (en van deze moeten alle verbeteringen uitgaan, want zij zijn in de gelegenheid om te kunnen weten, waar de selioen wringt) lot het besef komen dat de maatschappelijke toestand veel te wenschen overlaat en dat hun eigenbelang vordert, dien toestand te verbeteren. Zij moeten leeren inzien dat slechts eenheid in de maatschappij, het gedragen worden daar een leidend beginsel, duurzame verbeteringen mogelijk maakt en dat deze eenheid alleen verkregen kan worden door eenheid, als leidend beginsel in het huisgezin. De band die de leden van het zelfde huisgezin bindt is de grondslag waarop de eenheid der vereeniging van huisgezinnen, de maatschappij, steunt en waar deze band bestaat daar zal in dat huisgezin een neiging bestaan, tot een tweede natuur geworden, om zich met anderen te verbinden en anderen tot zich te trekken.

Waar echter deze band niet bestaat, waar de leden van hetzelfde huisgezin op zich zelve leven, daar woekert het onkruid van laag egoisme weeldrig voort en ieder, zich niet beschouwend als lid van een groot geheel, waarin zijne rechten en verplichtingen beperkt of uitgebreid worden door de rechten en verplichtingen van anderen, streeft er naar zich zelf het leven zoo aangenaam mogelijk te maken en zooveel mogelijk zich te bevoordeelen, zij het ook dikwijls ten koste van zijn medemensch en altijd tot verlaging van zijn eigen zedelijk peil.

Het zieleleven tusscheu ouders en kinders is in de meeste gezinnen, vooral in de steden tot nul gedaald; de strijd om het bestaan in deze eeuw met telkens scherper en veelal giftiger wa-

-ocr page 54-

46

pens gestreden, heeft menig huisvader zoo overweldigd dat hij meent nog te moeien strijden, als het eenvoudig om nog rijker worden te doen is. Velen die een zaak hebben, uit wier inkomsten zij ruimschoots zouden kunnen leven, zwoegen en draven den geheelen dag, reizen Europa in alle richtingen door, om maar te zorgen dat hunne zaak even groot wordt als die van een concurrent of zoo mogelijk nog grooter. Zij hebben geen zaak, maar de zaak heeft hen.

Wat er van zulke huisgezinnen te recht komt is licht te begrijpen. De man is een vreemdeling in zijn huis. hij begrijpt zijn vrouw niet verstaat zijne kinderen evenmin ; de vrouw zorgt voor de lichamelijke behoeften der kleinen,spoedig gaan deze hun eigen weg en loopen weldra met hunne kornuitjes de drempels der restauraties af. Het eenigste genoegen wat de ouders hunne kinderen kunnen aandoen is, zoo nu en dan met hen te gaan naar schouwburg, paardenspel of kinderbal, omdat de ouders te weinig het zielele-ven hunner kinderen verstaan om ze, aan den huiselijken haard, die opvoedende genoegens te verschaffen, waardoor ouders en kinderen zoo liefelijk omslingerd worden door den band van eerbied en toegenegenheid, waardoor de kinderen iets krijgen waarop zij kunnen voortbouwen, genoegens die hen nooit blasé maken.

Het is werkelijk geen wonder, dat mannen van karakter zoo dun gezaaid zijn en dat, waar zij optreden, men hen niet begrijpt, hun zquot;delijken moed, gekwetste eigenliefde of spijt noemt en hun vertooglt;in in den doofpot stopt, getuige Tindal.

Het is werkelijk geen wonder, dat de talrijke koffiehuizen in de hoofdstad een, tot heden, ongekenden glans ten toon spreiden; zij worden gevoed door de sappen die het huisgezin onttrokken worden. Het is onjuist te meenen dat de restauraties de vloek der maatschappij zijn, de vloek is de opheffing van den band in het huisgezin en de bloei der met rook bezwangerde restauraties, met hare buitensporig hooge prijzen, is slechts het gevolg.

Een schadelijk gevolg ook van het uiteen spatten des huisge-zins is dat de kinderen niet den minsten eerbied meer voor hunne ouders koesteren, omdat zij niet bespeuren dat deze veel in ontwikkeling boven hen staan en zij dikwijls met den besten wil geen daad kunnen uitdenken, waardoor hunne ouders aanspraak kunnen maken op achting en liefde. Zij leeren daardoor reeds vroeg voor niemand en voor niets eerbied te hebben en door de lust die hen bezielt om ook eens meê te praten, snuffelen zij

-ocr page 55-

47

steeds rond of er hier en daar niet wat op deze of gene is aan te merken. Allerhande persjoodjes tuk op berehtjes, ontzien zich niet, dikwijls geheel particuliere zaken, op hunne wijze voorgesteld, aan vuile blaadjes te zenden, die leven van schandaal Van daar dat personen van naam, van studie, van erkende bekwaamheden, zoodra zij iets schrijven, dat werkelijk de toets der critiek niet volkomen kan doorstaan (en wie overkomt dit niet eens) oogenblikkelijk door den een of ander, die nog niets gepresteerd heeft, gehavend worden en uitgekleed alsof zij de eerste de beste kwajongen waren. Een dergelijke handelwijze is zeer vuil en teekent den waren geest om zonder veel studie en inspanning, zich den schijn te geven alsof men zeer bekwaam was en zich te verbeelden heel wat te zijn, omdat men heeft kunnen aantoonen dat een overigens groot man, niet volmaakt is.

Niet alleen personen worden de slachtoffers van elk gemis aan achting, ook nuttige ondernemingen lijden schade door de schrijf-hebbelijkheid van een betweter. Men kan verzekerd zijn dat die nieuw opgerichte vereeniging, waarbij een goed doel wordt beoogd, met de beste bedoelingen belangeloos wordt geleid, die bij voldoenden steun nuttig kan werken, oogenblikkelijk wordt aan de kaak gesteld, omdat de aanvaller een foutje in de inrichting der vereeniging kan aantoonen en dit breed gaat uitmeten. Hij heeft geen achting voor de moeiten die men zich getroost heeft om de vereeniging tot stand te brengen; hij vergeet dat iets nieuws niet dadelijk in zijn volle kracht kan werken; hij ziet al het goede voorbij ; hij wil niet begrijpen dat slechts samenwerking het doel kan bereiken, maar hij zuigt als een bloedzuiger aan eene zwakke plek, totdat hij eene wonde heeft veroorzaakt en wrijft zich de handen rood van pret dat hij die groote meneeren eens flink heeft durven aanpakken. Bah 1

Daarom is voor alle dingen noodig zelfreiniging der hoogere standen en versterking van den verslapten band, die de leden van hetzelfde huisgezin moet binden.

Ik ben aan het einde van mijn betoog.

Ik heb uit de geschiedenis trachten aan te toonen dat de gang van het menschdom, de gang naar vrijheid is; dat vorstenmacht aristokratie en hierachie hoe langer hoe meer zijn teruggeweken; dat gelijk de achttiende eeuw gewerkt heeft aan de emancipatie van den derden stand, deze eeuw werkt aan die van den vierden, aan die van het geheele volk. Uit mijne korte beschouwing der

-ocr page 56-

48

fransche revolutie meen ik te hebben aangetoond, hoe een ernstige volkswil eene macht is grooter dan elk andere, hoe dwaas iet is zich daartegen te verzetten, hoe noodig deze te leiden in

en rechten baan. Ten slotte heb ik getracht den weg te wijzen waarlangs de maatschappij zich moet ontwikkelen en aan te too-nen llat ieders eigenbelang vordert dien weg te bewandelen. Samenwerking, verbroedering, pogingen om de lagere standen te ontwikkelen en in dat pogen zijn eigen zedelijk peil te verhoo-en dat zij de godsdienst der toekomst; want godsdienst is niet quot;het aanhangen van den een of anderen ritus, maar godsdienst is leven t leven der liefde, menschenmin.

Zoo komen wij geleidelijk tot de gezonde demokratische republiek, terwijl anders licht eene ochlokratie geboren kan worden, waarin het laagste gepeupel, voor een tijd het orgel trapt.

Vrije ontwikkeling van allen en ontwikkelende vrijheid deze beiden behooren de wachtwoorden dezer eeuw te zijn en de wil om goed te doen, omslingert hen en voegt ze te saam tot een bron waaruit krachtig genezend water omhoog springt, waaraan ue maatschappij zich laaft tot een nieuw, gezond leven.

-ocr page 57-