-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-

TE 11

BEOEFENING

VAN DE

KRIJGSWETENSCHAP.

1H03 O-i.

OE LUITENANT-GENERAAL

WILLEM JAN KNOOP.

EEN lilOG IIAiMllSCH E SC IIETS

DOOR

Gkxekaal P. G. BOOMS.

1

m

!

i i

\'s Gravenhage, C. VAN DOORN EN ZOON,

HOF-BOEKHANDELAREN.

1894.

/r\'V : vX \'u/.\' JBSt } utA

• . \'.,i/

-ocr page 4-
-ocr page 5-

VEREENIGIM TER BEOEFENING VAN DE KRIJGSWETENSCHAP.

DE LUITENANT-GENERAAL

WILLEM JAN KNOOP.

Een biographische Schets.

Generaal Knoop is 24 .Januari, na lan^diirige ongesteldheid op bijna 8:5 jarigen leeftijd heengegaan, en een rijk leven, dat herdacht moet worden, is met dat heengaan afgesloten. Lang heb ik geaarzeld die taak op mij te nemen. Had ik toch het voorrecht eenigc jaren onder zijn bevelen en met hem in de gelederen te dienen (1); zijn aangenamen omgang, zijn vertrouwen en leerzame gesprekken te genieten; zijn verstandige en humane leiding, zijn trouwe plichtsbetrachting en arbeidzaamheid, zijn onbegrensde en onbaatzuchtige vaderlandsliefde tot voorbeeld en richtsnoer te hebben, en mij lange jaren te verheugen in zijn vriendschap, — er zijn later omstandigheden voorgekomen die deze verhouding eenigszins hebben bekoeld, die, zonder ons van elkander te vervreemden, toch mijnerzijds eenige terughouding te weeg brachten; en de vraag kwam daarom bij mij op, of ik, afgescheiden van bevoegdheid, wel met de vereischte onpartijdigheid over hem zon kunnen spreken. De overweging echter, dat die bekoeling mij nooit heeft weer-

(1) Als compagnies-commandai.t en als Kegiiiients-adjuilant bij het Ce regiinent, van 1856—01, enz.

1

-ocr page 6-

O

houden zijn groote verdiensten te ei-kennen, benevens een gevoel van piëteit en van dankbaarheid voor het vele goede, dat ik den oud-chef en vriend te danken heb, hadden mij reeds sterk aan het wankelen gebracht, toen de hoogstvereerende uitnoo-diging van het bestuur onzer Vereeniging «Krijgswetenschapquot;, haar oudste Eere-lid en Oud-Voorzitter te willen herdenken, mijn laatste aarzeling kwam overwinnen. En zoo wil ik trachten, na den lezer te hebben gewaarschuwd, althans een vluchtige levenschets te geven van den man, die een baanbreker was op krijgskundig gebied, een man aan wien Leger en Volk en Oranje veel verschuldigd zijn. Eene grondige studie van Knoop\'s beteekenis als geschiedschrijver moet ik aan meer bevoegden overlaten, en behoort ook meer .eigenaardig tot de taak der Koninklijke Akademie van Wetenschappen, waarvan hij lid was.

Generaal Knoop, geboren te Deventer 2 Mei 1811 en in 1829 aangesteld tot tweeden luitenant bij de C Afdeeling infanterie, waarbij hij als «volontairquot; en «cadetquot; zijne militaire opleiding genoten had, leerde ik persoonlijk kennen in 1840, toen ik als leeraar geplaatst werd aan de Kon. Militaire Akademie. Sedert 1842 was hij daarbij werkzaam als hoofd van het algemeen krijgskundig onderwijs, en leefde hij in het kalme stedeke Breda, met zijne reeds hoog bejaarde moeder en beide zusters — zijn jongere broeder was elders in garnizoen — een (resellwister-Leben waarin Frederika Bremer wellicht een ideaal zou erkend hebben. In dien eenvoudigen huiselijken kring, waar opgewekte kout en echte gezelligheid den bezoeker steeds wachtten, mocht ik nu en dan een avond doorbrengen. Buiten den Akademie kring was de toenmalige kapitein Knoop, weldra de populairste onzer militaire schrijvers, weinig bekend. Men wist dat hij nummer één was geweest van de vier gelukkige luitenants der Infanterie, die in \'38, na vergelijkend examen, bij keuze bevorderd werden tot kapitein ; en dat hij tenslotte, bij gebrek aan een ander en uit plichtbesef, den Hoogleeraar Bolhuis tot getuige had gediend bij het rampzalig tweegevecht dat dezen begaafden doch onpraktischen man, die het gewild had, het leven kostte. Eene ongezochte gelegenheid, waarbij

-ocr page 7-

3

onze nationale wapeneer in Knoop een warm en talentvol verdediger vond, bracht zijn naam eensklaps op .aller lippen. Ik bedoel de brochure, die hij in \'46 uitgaf ter wederlegging van de lasterlijke beschuldigingen door den Engelschen kapitein Si borne — een onhandig lofredenaar en vleier van Wellington - in zijne zoogenaamde geschiedenis van den veldtocht van 1815 tegen het Nederlandsche leger uitgesproken; eene wederlegging zoo afdoende dat zij den beschuldiger, wien hij ten slotte toevoegde «dat zijn boek erger dan een slecht boek, eene slechte daad wasquot;, en aan de gebeele Engelsche pers het zwijgen oplegde (1). lu Frankrijk en Duitschland met sympathie ontvangen, werd die schitterende en fiere weerlegging door het Nederlandsche volk met geestdrift begroet, en deed vooral iu bet leger en onder het jongere geslacht de vaderlandsche snaar geweldig trillen. Het leger begroette in kapitein Knoop zijn eeretribuun; zijne reputatie was op slag gevestigd, zijn roeping beslist.

Nu vaderlandsliefde eenmaal had gezegevierd over de bescheidenheid, die hem tot nu toe weerhouden had iu het openbaar op te treden, en de ontvangst aan zijn eersten arbeid ten deel gevallen eene publieke aanmoediging was, begon bij die reeks van merkwaardige opstellen over krijgs- eu geschiedkundige onderwerpen te schrijven, die wij kennen, en waartoe hij door jaren van stille en nauwgezette studie was voorbereid. Het hoofddoel dat hij beoogde was: )gt;de krijgskennis bij onze natie meer populair te maken, en door te verwijzen op de roemrijke oorlogsfeiten door onze voorouders, onder de leiding van de groote mannen uit het Huis van Oranje verricht, onzen volksgeest te verheffen, onze volkskracht te vermeerderenquot; (2).

De krijgskennis bij onze natie meer populair te maken!

(1) Knoop\'s brochure (zio D. I. zijner „Krijgs- en Grescliiedkunilige geschriftenquot;, in 8 deelen uitgegeven tc Schiedam door Roelants 18G1 —07) werd in liet Duitsch vertaftld door den Heer H. WeitI\'enbach, leeraar aan de Militaire Akadeinie, in het Fransch door mij, en zoowel aan kapitein Siborne als aan het „United Service Journal,quot; medegedeeld.

(2) Zie de voorrede van bovengenoemde uitgave, die jammer genoeg niet is voortgezet.

-ocr page 8-

4

Tvnoop liad gerust kunnen zeggen, de jammerlijke onbekendheid met en de groote onverschilligheid omtrent krijgszaken, die hij volk en vertegenwoordiging gevonden werden, te doen ophouden, en plaats te doen maken voor kennis en belangstelling. En niet alleen dat de eigenlijke krijgskunde, waarmede onze regenten van de KV\' op de IS1\' eeuw zoo vertrouwd waren, dat zij de bevelhebbers meermalen tot raadslieden konden dienen of des noods zeiven als bevelhebbers optreden, — niet alleen dat zij zelfs voor de eminentste onzer toenmalige regeeringsper-sonen een onbekend terrein was, maar ook die zoo roemrijke oorlogsfeiten van hot heldentijdvak onzer geschiedenis waren vrij algemeen niet of onvoldoende gekend en gewaardeerd (1).

Dit laatste niet enkel bij liet groote publiek, maar ook hij het leger, bij de officieren, wier wetenschappelijke bagage toen doorgaans luttel was. Zelfs aan onze Militaire Akademie werd, vóór het optreden van Knoop als leeraar, bij het krijgskundig onderwijs van dat heldentijdvak weinig of geen partij getrokken, en het algemeen historisch onderwijs voorzag in die leemte met. Onze toekomstige legeraanvoerders maakten daar kennis met den eenen of anderen veldtocht van Frederik If of van Napoleon; maar de oorlogen door Prins Willem, door Manritsen Frederik Hendrik en Willem den Derden voor de vaderlandsche zaak en op eigen bodem gevoerd, bleven zoo goed als onbesproken, de rijke lessen en de machtige hefboomen, die zij opleveren, onbenut. Die toekomstige aanvoerders vernamen daar niet hoe en met welke middelen onze groote Stadhouders het land hadden bevrijd van de Spaansche dwingelandij en gevrijwaard tegen de Fransche overheersching; welke partij zij daarbij getrokken hadden van onze nationale elementen en van de groote natuurlijke sterkte van onze lage terreinen, welke groote bezwaren onze bodemgesteldheid de tegenpartij in den weg legt; dien krachtigen bondgenoot en ons volk zelf leerden zij niet

1

Hel verdienstelijk werk van den Hoogleeraar J. Bosscha: „Nederlands Heldendaden te land van de vroegste tijden tot in onze dagenquot;, waarvan het eerste deel verscheen in 183(i werd eeist in 1856 voltooid; \'t is bovendien geen eigenlijke krijgsgeschiedenis.

-ocr page 9-

5

kennen; de landsverdediging, waartoe zij in de eerste plaats geroepen waren mede te werken, bleef voor hen een gesloten boek; ik herinner mij niet zelfs het woord landsverdediging vóór Knoop\'s optreden te Breda te hebben vernomen; en dat krijgskundig onderwijs, hoe goed overigens in algemeenen zin en voor zijn tijd, was in den betrekkelijken zin een hoogst gebrekkig, geen nationaal onderwijs.

Het spreekt van zelf dat uit dezen stand van zaken bij volk en leger gemis aan zelfkennis en zelfvertrouwen, een gevoel van zwakheid eu weerloosheid tegen over onze machtige naburen, dus groote nadeelen en gevaren voor het landsbelang voortvloeiden; dat die onbekendheid en onversehilli^heid vooral nadeelig moesten werken in een tijd toen, ten gevolge der scheiding met België in \'39, hervorming van ons krijgswezen gebiedend noodzakelijk was geworden.

\'tls de groote, de geniale verdienste van mannen als Stieltjes en Knoop dit te hebben ingezien; over ons krijgswezen een helder licht te hebben ontstoken; meer algemeene belangstelling daarvoor te hebben gewekt; de landsverdediging, vroeger het privaat eigendom van enkelen, dat deze zonder controle beheerden, tot publiek domein te hebben gemaakt; hare lier-vorming te hebben voorbereid, en vooral uit het verleden vertrouwen te hebben gekweekt in de toekomst van ons nationaal bestaan.

Knoop, met wien wij ons hier alleen hebben bezig te houden, deed dit op tweeërlei wijze: door zijn leerstellig onderwijs aan de Militaire Akademie; door zijne opstellen over ons krijgswezen en onze krijgsgeschiedenis voor het groote publiek bestemd.

Wat zijn onderwijs was, kunnen alleen zij goed beseften, die zijne heldere, leerrijke, boeiende voordracht genoten hebben. Igt;e overigen kunnen er slechts eenigszins over oordeelen door het raadplegen van zijn cursus: »A\'ort hfi/riji der kriji/nhumt, eerste stuk: Taktick (1SJ7), tweede stuk: Strateyie (1854)quot;, twee dunne deeltjes, die op beknopte, duidelijke wijze, zonder omhaal van noodelooze geleerdheid en wijdloopige bespiegelingen, met weglating of bekorting van hetgeen voor ons land en ous

-ocr page 10-

6

leger van minder belang is, doch met rijke verwijzing naar toepasselijke voorbeelden uit de krijgsgeschiedenis en naar de bronnen, de oorlogskunst doen kennen. Dat waren, behalve beknopte leiddraden, ook bij eigen studie, die liet onderwerp niet uitputten maar veel te denken gaven, oorspronkelijke Xederlandsche leerboeken, hetgeen niet of slechts in mindere mate van voorafgegane of latere krijgskundige cursussen kan gezegd worden.

In zijne strategie besprak Knoop o. a. de oorzaken, welke de hedendaagsche oorlogen geheel verschillend maken van die der vorige eeuwen, ten gevolge waarvan ook de invloed der vestingen, vroeger zuo groot, bij de meeste der nieuwere oorlogen geheel onbeduidend was, en gaf hij de beginselen aan waarop bij de beoordeeling van een vestingstelsel moet worden gelet. Terecht oordeelende dat de studie van de strategie voornamelijk ten doel moet hebben den officier bekend te maken met de wijze waarop de oorlog gevoerd kan worden door het leger, waartoe hij behoort eu op eigen bodem, toetste hij aan die beginselen het verdedigingsstelsel van Nederland, toen nog een verouderd, schatkist en leger uitputtend barrière-stelsel, waarvan hij een beknopt overzicht gaf. Uitgaande van de sidling »dat bij een verdedigenden oorlog — zoo als het Neder-landsche leger te voeren zal hebben — het voornamelijk erop aankomt voortdurend meester te blijven van het gewichtigste deel des lands, van welks behoud of verlies de uitkomst van den oorlog afhangtquot;, moest daarom bij ons Holland, dat tevens de gunstigste kans van verdediging oplevert, met de meeste zorg worden versterkt: terwijl van de vestingen en liniën in de overige gewesten alleen die goed zijn, welke verzekerd zijn van hare gemeenschap met Holland, die dus steeds toevoer kunnen ontvangen, of waaruit strijdkrachten kunnen worden weggenomen, wanneer men cr meer voordeel in ziet ze op andere gedeelten van het oorlogstooneel te gebruiken; de overige oordeelde hij onnut voor de algemeene verdediging en schadelijk, omdat zij in vredestijd schatten aan onderhoud verslinden, in oorlogstijd onze levende strijdkrachten, de hoofdzaak, oneven-

-ocr page 11-

7

rodig verzwakken, en ten slotte met bezetting en materieel verloren gaan. Tot deze categorie rekende hij onze toenmalige vestingen: Maastricht en Venloo, Ooeverden, Bonrtange en de Langakker-Schans; van twijfelachtig nnt waren Breda en 0 rave, die hij echter elders ook als schadelijk bestreed; Bergen op Zoom was slechts goed zoolang het door de Ooster-Schelde met Holland in gemeenschap kou blijven, en slechts goed als tijdelijke bruggenhoofden waren Nijmegen en de IJselvestingen Doesburg, Zutphen, Deventer, — allen vestingen die het Comité van defensie, in 1850 opgericht, wilde behouden. Reeds in de «hcnk-bfeldm run mi oud-soldaat orrr een stmw/er en iloelmatiger zamensteUiuu ran het Nedeiiandsche lenerquot;, van 184:5 dagteeke-neude, had Stieltjes aangedrongen op een eenvoudiger en meer geconcentreerd verdedigingsstelsel, en op het verlaten en sloo-pen van verschillende vestingen, die hij niet alleen onnoodig maar schadelijk en verderfelijk oordeelde; evenzoo in zijn uitvoerig en toestemmend antwoord van \'49 op de vraag: »/« Nederland my te rerdediijen f En ook Knoop had reeds in verschillende artikels van \'48, \'411 en \'52(1) en in een advies van 3 Januari \'50 hem door den Minister v. Oorlog, Generaal van Spengler, gevraagd, zijne hierboven meegedeelde zienswijze voorgestaan en verdedigd. Deze was dus in \'54, toen zijne strategie verscheen, niet nieuw meer. Maar in een leercursus konden dergelijke ^ketterijenquot; niet worden toegelaten. Knoop\'s strategie werd daarom als cursus gesupprimeerd, hare verdere verspreiding verboden, en het strategisch onderwijs aan de Militaire Akademie beperkt tot een numenelatniir, met uitsluiting van critiek, van veldtochten en landsdefensie.

Intusschen was de stoot gegeven, en »les idees marchentquot;. Stieltjes en Knoop, beiden verkondigers van een tot aan en in verband met onze hoofdrivieren georganiseerd defensiestelsel, zijn sedert in de praktijk ver voorbijgestreefd. In hoever zij die meerdere concentratie al of niet goedkeurden, kan hier in het midden blijven. Maar zeker is het dat zij niet zouden zijn

(1) Zie D, I., II. en IV. van zijne krijgs-en geschiedkundige geschriften.

-ocr page 12-

8

meegegaan met hen, die thans ook de vesting Holland willen prijs geven om zich te bepalen hij ecne stelling Amsterdam, en die het al vast niet ontzien het vertrouwen in de Niemv-llollandsehe waterlinie op eenzijdige en betwistbare gronden te ondermijnen. Want beiden waren de mcening toegedaan, dat irj om dan oorlon te kunnen volhouden meester moeten hlij-ven van Holland, ran dat {lewichtigde deel des lands en zijne rijke hulpmiddelen : dat daarom zijne reeds zoo groote natuurlijke sterkte nog door kunstmatige middelen op permanente wijze moet worden verzekerd; dat die vesting Holland, die niet geheel kan worden ingesloten, ons leger, dat aanvankelijk en betrekkelijk steeds weinig talrijk en ervaren zal zijn, des vereischt de gelegenheid geeft bij het begin van den oorlog beslissende veldslagen te ontwijken om later met voordeel op te treden tegen den aanvaller, die noodwendig zijne macht heeft moeten verdeden, en ons daardoor het behalen van overwinningen, gemakkelijk maakt; dat iuist. het bestaan van die vesting Holland, die zelve met betrekkelijk weinig troepen tegen de grootste overmacht kan worden verdedigd, liet veldleger beschikbaar stelt om den vijand elders te bestrijden; dat die vesting Holland, in een woord, de cour waarde is tut volharding in deu strijd, en tot het voeren niet gunstige kans van eene offensieve verdediging. En waar zulke autoriteiten die leer op deugdelijke historische, economische en krijgskundige gronden hebben verkondigd, daar moeten andere autoriteiten met andere argumenten, dan ik tot nu toe leerde kennen, opstaan om mijn geloof in de noodzakelijkheid en de verdedigbaarheid van de vesting Holland te ondermijoen, en mij te bekeeren tot de leer dat wij het met de permanente bevestiging van Amsterdam kunnen stellen. J)e Roo van Alderwerelt noemde dit kortweg eene «ongerijmdheidquot;. (1)

Stieltjes noch Knoop waren daarom van meening dat ons veldleger steeds beginnen moet met zieii in die vesting Holland op te sluiten; integendeel; volgens hunnne meening dwingt

(1) „Vaandelquot; 1869 blz. 148.

-ocr page 13-

9

ons de goi\'iuge oppervlakte vim Nederland zooveel land mogelijk te verdedigen; zij wilden daarom alles verdedigen, wat verdedigd kan worden zonder ons leger aan verplettering bloot te stellen en liet hart van het land te ontblooten; maar liij hen stond het vast, dat dit hart behouden moet blijven, dat het behoud van het eigenlijke Holland de grondslag is van ons verdedigingsstelsel.

Het geval dat wij tol handhaving van onze neutraliteit zelfs buiten onze hoofdrivieren zullen moeten optreden, is natuurlijk van ganseh anderen aard; doch te dier zake herhaal ik ter loops de vraag: waar zijn de bruggenhoofden die, zoo noodig, den terugtocht van het leger achter die rivieren moeten beschermen r

Laat ik echter tot mijn onderwerp terugkeeren.

Heeft Knoop door zijn leerstellig onderwijs gedurende een tiental jaren (1842 -52) zeer groote verdiensten verworven, in ruimeren zin was hij tevens werkzaam tot zijn hoofddoel, krijgs-kennis onder liet volk te verspreiden, dit tot weerbaarheid en kloekheid te wekken, aan volk en leger vertrouwen te geven in onze natuurlijke weermiddelen, hen op eigen kracht te leeren steunen, eu samen in eenzelfde vaderlandslievend belang te doen opgaan. Hij schreef tot dat einde geen lijvige boek-deelen, die onze bedrijvige handelswereld zouden afschrikken; hij plaatste zich niet op een specifiek militair en technisch terrein, en bezigde geen geleerde en drooge kunsttaal; hij volgde geen metliodischen gang, doch naarmate de eene of andere gelegenheid, doorgaans de verschijning van eenig boekdeel, daartoe aanleiding gaf, besprak liij, voornamelijk in de beste onzer niet-militaire tijdschriften, »Gidsquot; en ^Tijdspiegelquot;, zoodanige episoden van onze krijgsgeschiedenis die de meeste belangstelling konden inboezemen en het best zijn voornemen dienen; hij besprak ze in een taal die door een ieder begrepen werd; aantrekkelijk tevens door zuivere, letterkundige, dichterlijke vormen; in een helderen, gespierden, wegsleependen stijl. En wat hij voor den vorm deed, deed hij voor het wezen dor zaak. Hij vermoeide niet met wijdloopigheid, noch ver-

-ocr page 14-

10

duisterde zijn onderwerp door tal van bijzonderheden; na dit in de beste bronnen grondig bestudeerd en de hoofdzaak van de bijzaken te hebben onderscheiden, schilderde hij die hoofdzaak in breede, sprekende trekken; maakte hij de geschiedenis aanschouwelijk; tastbaar in hare oorzaken en gevolgen, dienstbaar aan het tegenwoordige en de toekomst door vergelijking en gevolgtrekking ; deed hij onze groote mannen van den voortijd herleven en verheerlijkte deze. hetzij van vorstelijk of van burgerbloed en tot welke partij ook behoorende; verheerlijkte hij de moreele elementen: vrijheids- en vaderlandsliefde, eer-eu plichtbesef, geestdrift en geestkracht boven alle materieelc oorlogsmiddelen; gaf hij, in een woord, een populaire krijgsgeschiedkundige schets, even boeiend als leerzaam. Bemoedigend tevens door aan te toonen, dat de roemrijke oorlogsfeiten van onze voorouders niet onnavolgbaar zijn; dat wij ons het voorgeslacht niet moeten voorstellen als een ideaal van grootheid en volksdeugd, hetwelk wij onmogelijk kunnen bereiken; dat er toen ook veel zwaks, veel gebrekkigs en ellendigs geweest is, en wij daarom geenszins moeten wanhopen ons tot de hoogte van dien vroegeren tijd te kunnen verheffen; kortom, dat hetgeen toen mogelijk was, thans, zoo wij het ernstig willen, nog mogelijk is.

Zoo behandelde hij o. in. het belangrijkste deel van het grootendeels braak liggend veld onzer nienwere krijgsgeschiedenis hier te lande, van af de eerste scheepsstrijden onzer Watergeuzen tegen de Spanjaarden tot de verdediging der citadel van Antwerpen tegen de Franschen, en maakte dat veld voor ons vruchtbaar, terwijl hij tevens bijdragen leverde tot onze Indische k rij gsgeschi eden is.

\'t Is haast ondoenlijk en ook niet noodig al de voortbrengselen te noemen van zijne vruchtbare pen, die nagenoeg eene halve eeuw onvermoeid en bijna onverzwakt werkzaam bleef. Ik zal mij hier bij voorkeur bepalen tot eenige der voornaamste van diegene, welke op onze krijgsgeschiedenis betrekking icb-ben. Sommige daarvan verschenen in «de Nieuwe militaire Spectatorquot;, in \'46 door Stieltjes opgericht, en waarvan Knoop

-ocr page 15-

11

sedert \'40 lange jaren de redacteur was, of in shet Vaandelquot;, en werden niet alle opgenomen in de 8 deelen zijner geschriften tnsschcn \'61 en \'ti7 uitgegeven, of wel zijn van laterdag-teekcning. Tot die voornaamste reken ik, in chronologische orde: wte ecrxte sclipppnntrijden der Nederlanders tcijen Span jequot; (1) I); — veen Enyehch avonturier (Roger Williams) uit den SOjaritjen oorktij\' (I) VHF en X. Speet. lO1\'jaargang), loopende over de krijgsverrichtingen in de Nederlanden tot aan het beleg van lieiden; — veenitt (/eheurel over ons krljf/sirezen tijdens Prins (Vaandel, jaargangen \'(iH en\'(50 en DVIII): — veenirje der oortonsdaden van Frederii: //ew/y//-quot; (l(i;J5—l()82) (X. Speet. 8e, 0\'\' en Hl\' jaarg.); — »de verdediijinii van Nederland in 1620quot; (ü IV): — lt;gt;1039, eene bijdrage tof onze. oudere Irrijt/s-!/eschiedenisquot; (X. Speet. 12\'\' jaarg.); — vt/vee belei/erintien: \'.s- Bosch 1020, Maustricht 1632quot; (l) III), tafereelen even rijk in stoffeering, als seliilderachtig van voorstelling; — v/criji/s-kundif/e beschoiuriiKjen over den oorlog van 1(172—78 in de Nederlandenquot; (N. Speet. 2e. 3quot;\', 1\' en 5e jaarg.) doch slechts voortgezet tot en met het merkwaardige beleg van Grave in 1()74; — «de verdedifiing van Nederland in 1672 en \'73quot; (1) II); — ygt;Seneffe 1674quot; (D III); — ^bijdrage tot de krijgskundige studie van den Spaanschen Successie-oorlog in de Nederlandenquot; (X. Speet. 17\'\', 18e, 19quot; en 20\' jaarg.) tot en met 1705; -— * Eekeren 17 OSquot; (1) I), waarin de eer der Neder-landsche bevelhebbers in dat noodlottig gevecht tegen den onverdienden blaam van tijdgenoot en nakomeling glansrijk wordt verdedigd; — »Sim ran Gostinga, eene bijdrage tot de studie rem onze krijgsgeschiedenisquot; (Spaansche Successie-oorlog 17oii— 17O0 en 1711) (XT. Speet. W1\' jaarg. en I) VIII); — «Maastricht in 174Üquot; (1) IV); - - vKrijgskiindige beschouwingen over den veldtocht van 1700 in Noord-Holland\'quot; (X. Speet. 7e en 8° jaarg.); — nQuatre-Uras en Waterlooquot; (\\) II), benevens vCharras over ISlöquot; (I) 111) en ^Thiers over IHI-ïquot; (afzonderlijk), de eerste soms Napoleon te vijandig gezind, de laatste een onbepaald bewonderaar; — v hijdra ge tot de kennis der Belgische omwenteling van 18-30quot; (X. Speet. 12,: en 13e jaarg.);— ygt;bijdrage

-ocr page 16-

12

tn! unzr nieuwere Icriji/si/eseliierleiiis, 183lv (N. Spect. ll0 jaarg.)gt; — »1831quot; (1) TV); — »het 7quot; regiment infanteriequot; (D TV); — v Seel iff op de citadel van Antwerpenquot;, 1830--\'\'33quot; (I) V cnVJ), bewerkt naar dc clour den generaal Seeliquot;; nagelaten papieren. Van Knoop\'s opstellen betrekkelijk onze Indische krijgsgeschiedenis noem ik : Dbi/drai/f tot de kennis der Indiiarlie Irrijffszakenquot; (D F): — vhijdrdffe tof dc Nederlandsche krijffsffeschiedenisquot; (1) III), gevende o. a. beschouwingen over den .lava-oorlog; — »be-schouwinffen over onze kri^/sffese-hiedeimquot; (I) IV), waarin

de voornaamste onzer Indische oorlogen besproken worden; »de tweede Balische expeditiequot;, 1848 (1) VII). J\'en ]ias.se et des meilleurs.

Zeker, niet alles in Knoop\'s geschriften is onbetwistbaar, onvatbaar voor bedenking en wederlegging, en aan wederlegging heeft het trouwens niet ontbroken: (1) ook schat hij de moreele drijfveeren zoo al niet te hoog, althans de taktische bruikbaarheid en de materieele oorlogsmiddelen te gering, gelijk wij straks zien zullen; verheerlijkt hij enkele zijner belde i wel eens bovenmate, hoewel hij aan deti anderen kant geen lafheid of verraad, geen plichtverzuim, geen tekortkomingen er. fouten verheelt of verbloemt; zijn zijne tafereelen uit Neerland? krijgsgeschiedenis soms wat optimistisch gekleurd; is zijn stijl soms wat oratorisch, wel eens meesleepende ook waar hij niet overtuigt en waartegen men dus zijn voorzorgen te nemen heeft. Maar die welsprekendheid welt uit het hart; maar onmiskenbaar is zijn streven naar de waarheid, zijn zucht om haar op te sporen en te verbreiden, even als zijn diepe overtuiging van hetgeen liij als waarheid verkondigt. Hij is eeu eerlijk en onafhankelijk schrijver, door geen eigenbelang gedreven of ook weerhouden, verheven boven miskenning, wien het enkel om de eer, het welzijn en de grootheid van het Vaderland te doen was.

Tot de leerzaamste van zijne studiën behooren voorzeker die over de verdediging van Nederland in 1(172 en\'73 tegen Lode-

(1) O.a. Ier zake van 1799, 1815, 1831.

-ocr page 17-

wijk XTV eti zijn liondgeuooten, (l) cn die over de verdediging van Noord-Holland in 1799 tegen eene Engelsch-Rnssisclie legennaclit, omdat beide de groote natuurlijke sterkte vau het hart van ons land, cn zijne verdedigbaarheid met historische bewijzen staven. Op laatstgenoemden veldtocht, waaraan zijn vader als dragonderofficier aan onze zijde deel nam, is Knoop meermalen teruggekomen o. a. nog in het laatste opstel, dat wij van zijne hand bezitten. Van eerstgenoemde studie zij het mij vergund hier het merkwaardig slot, ook als proeve van zijn stijl, in herinnering te brengen.

«Indien wij niet te verre beneden ons onderwerp zijn gebleven; indien bet ons, bij die schets der krijgsgebenrtenisseu van 10Ti\'—1073, niet aan alle duidelijkheid ontbroken heeft, dan moeten wij onzen lezers de overtuiging hebben gegeven van de groote verdedigingskracht, die ons land bezit; — in ons oog zijn de gebeurtenissen van die jaren daarvan de ouomstootelijke bewijzen. Het is liuiteu alle waarschijnlijkheid, dat ons land ooit weêr, tegen zoo magtige vijanden en onder zulke ongunstige omstandigheden als in 1(172, een kamp zal hebben te voeren. Moeten wij, om dit aan te toonen, herinneren aan dat alles, wat toen, menschelijkerwijze gesproken, onzen wissen ondergang scheen te moeten na zich slepen ? De groote over-magt onzer vijanden, w aaronder zich de twee magtigste vorsten der Christenheid bevonden ; onze eigene zwakheid, verlaten als wij waren door hondgenooten en verscheurd door twisten en partijschappen; Frankrijk\'s legermagt, zoo geducht als toen nog ooit legermagt te velde was verschenen; geducht, minder

(1) Hiervan bezorgde ik eeue Fransche vertaling met voorrede,\'s-Boscli 1851, ten einde den schrijver en zijne studie in hot buitenland eenigszins bekend te maken. Die studie werd gunstig besproken in liet „Journal de rarmée beigequot;, gunstig in Kranscht* tijdschriften als de „Spectateur militairequot;, de „Illustrationquot; en het, „Athen aeumquot;, waar men dit met het oog* op het onderwerp minder zon verwacht hebben; minder gunstig daarentegen in het Engelse], „Athenaeumquot;, dat zich nog dien „angryquot; en „dashingquot; aanval van Knoop tegen Siborne herinnerde, dien de Britsche trots maar niet kon verduwen.

-ocr page 18-

14

noe; door liave getalsterkte, dan door de uitmuntendheid dei-troepen en door liet o-enie der aanvoerders; de zwakheid vau ons eigen leger, zoo klein in getal, zoo ordeloos, zoo slecht zamengesteld, zoo ellendig aangevoerd; de vestingen, waarop men zijn vertrouwen had gesteld, in menigte bezwijkende, bijna op het enkele gezigt van \'s vijands heirscharen; de slechte maatregelen tot verdediging van den I.Issel genomen; de Rijn, door Montbas verlaten en zonder moeite door den franschen koning overschreden; de grootste helft van het leger der republiek opgeofferd aan dat dwaze bezet houden der sterke steden aan den I.Issel; de onkunde, de lafheid of het verraad van een aantal he-el hebbers \'s vijands zegepralen gemakkelijk makende; de verdediging van Holland niet in het minste voorbereid; de wanorde en vrees, alom heerschende; het oproer de steden verscheurende en de krachten van den staat verlammende; Overijssel in openlijk verdrag tredende met den vijand; de ontbinding, de ondergang der republiek, door de meesten als onvermijdelijk gesteld.....maar, waar zouden wij ophouden,

wanneer wij dat alles wilden opnoemen, wat, in 1(172, onze vijanden begunstigde, en de verdediging van ons vaderland moegelijk en schier hopeloos maakte!

Toch is ons vaderland, toen, behouden gebleven; toch heeft liet toen, zonder daardoor afbreuk te lijden, dien storm doorgestaan , die het een wissen ondergang scheen aan te brengen; de woedende golven hielden soms het staatsvaartuig geheel overdekt en schenen het te heblien verzwolgen; maar de krachtige hand des bekwamen stuiirmans wist dat vaartuig ongedeerd in de veilige haven te brengen.

Hebben wij dan niet het regt, — wij, die alle waarschijnlijkheid voor ons hebben, dat bij latere oorlogen de kansen voor ons nooit zóó ongunstig zullen zijn als in ](i72, — hebben wij dan niet het regt om te hopen, dat die oorlogen ons niet ten ondergang zullen brengen, daar fellere aanvallen, vroeger, ons niet hebben doen bezwijken ? en rust dan op ons niet de pligt, om, doordrongen van die overtuiging van de sterkte onzes lands, de toekomst rustig te gemoet te gaan, en een oorlog, dien wij

-ocr page 19-

15

niet knnnen verinijdeu, onbevreesd aan te vaneen en vol te honden, vertrouwende op de natnnrlijke sterkte van ons land, o]gt; onze eigene krachtsinspanning, en bovenal op de beschermende hand van het Opperwezen.

Kn niemand duide het euvel, dat wij hier op hoogere magt verwijzen, om ons vertrouwen op de toekomst van Nederland te regtvaardigen. Wij weten het, van zulk eene verwijzing is dikwijls misbruik, het ergerlijkste, schandelijkste misbruik gemaakt door hen, die den naam van het Opperwezen bezigden, om daardoor onwettige, misdadige handelingen een vernis van heiligheid te geven; door die huichelaars, die, naar Yondel\'s uitdrukking;

„Ooilt voeren in den mout, de valsehheit in \'tgemoedt.quot;

Te dikwijls heeft de heerschzucht der vorsten, de bekrompene dweepzucht der volkeren, het Opperwezen aangeroepen, zelfs bij de wederregtelijkste handelingen, zelfs bij de onregtvaar-digste oorlogen, en den schijn aangenomen, of in den waan verkeerd, dat zij daarbij op de hul]» des Hemels hadden te rekenen. Te dikwijls is, ook bij ons, de uitdrukking: de »God van Nederlandquot; gebezigd, in dien zin, alsof wij, even als het vroegere Israël, een uitverkoren volk waren, dat meer dan anderen op deugd en heiligheid kon bogen, dat meer dan anderen op de Voorzienigheid kon vertrouwen, dat meer dan anderen op al zijne handelingen den zegen des Hemels kon verwachten ! Dat zijn denkbeelden, die wij niet deelen, die wij ver van ons werpen: wij gelooven niet aan die regtstreeksche inmenging der Hemelscbe Oppermagt in alle onbeduidende en nietige inenschelijke handelingen\', wij gelooven niet, dat men hetregt heeft om, bij eiken oorlog, op de goddelijke bescherming te rekenen. Maar dat staat bij ons vast, dat het Opperwezen alles wat op aarde rechtvaardig en goed is, bijstaat en schraagt; en dat het volk, dat trouw en eerlijk en rein van zeden is, dat geen onregt pleegt, geene onderdrukking uitoefent, geene 011-regtvaardige oorlogen voert, maar zich mannelijk weet te verdedigen tegen willekeur en dwingelandij, — dat zulk een volk,

-ocr page 20-

16

wanneer het alles heeft aangewend, wat inenschelijk beleid en menschelijke krachten verinogen, gerustelijk, bij het voeren van een oorlog, op de bescherming des Hemels mag rekenen, en gerustelijk er op mag vertrouwen, dat de woorden dier zinspreuk : »God zij met ons,quot; geen ijdele woorden zijn. Bekrompen, armzalig bijgeloof is hec, om. terwijl men zelf niets doet en met de armen over elkander gekruist, werkeloos blijft, alles af te wachten van de werking van het Opperwezen; maar verstandige, verlichte godsdienstzin is het, wanneer een volk, in eene eerlijke, regtvaardige zaak, op de hulp des Hemels vertrouwt, wanneer het eerst zelf alles gedaan heeft, wat men billijkerwijze kan vorderen, om die zaak te doen triomferen.

Het verhaal der gebeurtenissen van 1672 en 167:} leert ons, hoe groot de sterkte van ons vaderland is; dat verhaal leert ons ook. wat liet voorbeeld, de werking, de leiding van een groot man vermag op den loop der gebeurtenissen.

In 1672 heeft Nederland zijn behoud te danken gehad aan Willem III, zonder hem, zon het, door schrik verlamd, aan geen tegenstand denkende, geene mogelijkheid ziende om \'s vijands wapenmagt tegen te houden, eene weerlooze prooi des fn.n-schen konings zijn geweest; het zou verdwenen zijn uit de rij der onafhankelijke staten. Willem III wist den moed zijner landgenooten te doen herleven, hunne geestdrift op te wekken, hen bekend te maken met de krachten, die in hen sluimerden; zijn beleid was het, dat van Holland eene onneembare vesting maakte, eene sterke burcht en veilige wijkplaats, eene vaste rots, waarop de woedende golven der vreemde dwingelandij zich zonder vrucht kwamen breken. Hij was het zwaard en de beukelaar van het nederlandsche volk ; hij hield do heirmagten des vijands tegen; en zijn genie was het, dat dien vijand dwong, het grondgebied der republiek geheel te ontruimen en het reeds buitgemaakte weder prijs te geven.

Wat vooral bewondering verdient in den grootenstadhouder, is zijne onbepaalde toewijding aan de zaak des vaderlands. Hij, die aan het hoofd van een volk wil staan, moet zich die groot-sche bestemming waardig betoonen, door elk kleingeestig eigen-

-ocr page 21-

17

belang ter zijde te stellen, en aan niets anders te denken dan aan het belang van het algemeen; de zorg voor hetalgemeene welzijn moet de drijfveer zijner handelingen zijn; hij moet zich geheel en al vereenzelvigen met het volk, dat hij regeert; den bloei, de grootheid, den roem van dat volk moet hij als de zijne beschouwen; de rampen en wederwaardigheden, die het treffen, mogen hem nooit kond en onbewogen laten; eene be-leediging, een hoon, dat volk aangedaan, moet hij even levendig en smartelijk gevoelen, alsof zij hem persoonlijk golden.

is het, dat een heerscher een geheel volk met den sterken band van achting cn genegenheid aan zich verbindt; zóó is Napoleon\'s naam, in Frankrijk, groot en gevierd geworden en gebleven. Want, hoe verschillend men ook moge oordeelen over dien franschen keizer; hoe strenge berisping men ook moge uitspreken over vele zijner daden; toch is het onmogelijk niet eerbied te gevoelen voor den man, die, hij al zijne handelingen, steeds het belang, de eer en de grootheid van zijn land voor oogen had, en daaraan alle zelfzucht, alle eigenbelang opofferde; toch is het onmogelijk niet met bewondering getroffen te worden door de majesteit, waarmede hij wist te spreken als de vertegenwoordiger en kampvechter van een groot volk. Zie hem onder anderen, in dat jaar 1814, toen de heirscharen van het verbondene Europa, Frankrijk\'s bodem overstroomden, en de val van den keizerlijken troon zoo goed als zeker was; nóg willen de vijanden van Napoleon dien troon overeind laten; nóg willen zij hem als gebieder van Frankrijk erkennen, mits hij toestemme in een vredesverdrag, dat aan Frankrijk verschillende gewesten ontneemt. Met verontwaardiging weigert Napoleon dit: idioe!quot; roept hij met drift uit tegen hen, die hem het aannemen van dien vrede aanraden, «wilt gij, dat ik zulk een «verdrag onderteekeneu en mijn eed met voeten trappen zal ? quot;Ongehoorde tegenspoeden hebben mij de belofte kunnen ont-»wringen afstand te doen van mijne veroveringen; maar ook «die weg te geven, die vóór mij gemaakt zijn; het erfgoed te ssmaldeelen, dat mij niet zooveel vertrouwen is ter bewaring «gegeven; tot loon van zooveel opofferingen, van zooveel bloed.

-ocr page 22-

18

iivan zooveel zegepralen, Frankrijk kleiner te maken, dan ik quot;het gevonden hel), — dat nooit! dat ware lafheid of verraad !... «Wat zou ik voor de Franschen zijn, als ik hunne vernedering quot;had onderteekend r . . . liever wil ik mij aan de wreedste ram-v.pen des oorlogs blootstellen.quot;

Waarom halen wij hier die grootsche verhevene woorden des franschen keizers aan ? Waarom anders, dan om daaraan te herinneren, dat wij in onze vroegere geschiedenis bijna dezelfde woorden, schier dezelfde handeling kunnen aanwijzen. Onze jaarboeken hebben het opgeteekend, dat, toen in 1072 Xeérlands ondergang zoo goed als zeker scheen en onze vijanden Willem III groote persoonlijke voordeden aanboden, wilde hij maar zijne zaak afscheiden van de zaak van Nederland, do stadhouder dit voorstel met verontwaardiging van zich afwees; en ieder onzer kent die verhevene belofte, toen door den held gedaan, van zijn lot onverbrekelijk te verbinden aan het lot des vaderlands, en, moest dit vallen, dien val niet te overleven, maar in de laatste verschansing, vechtende den dood te vinden. De naam van Willem III heeft bij ons dezelfde aanspraak op populariteit en bewondering, als die van Napoleon in Frankrijk; hij ook heeft geen oogenblik geaarzeld, toen er gekozen moest worden tnsschen eigenbelang en algemeen welzijn ; hij ook heeft zijn bijzonder voordeel opgeofferd aan het heil van het vaderland (1).

En hij is niet de eenige man geweest van zijn doorluchtig stamhuis, die zoo doordrongen was van het gevoel der vaderlandsliefde, dat dit alle andere gedachten en gevoelens be-heerschte en tot zwijgen bragt: er is er zelfs een, bij u ien zich dat gevoel, indien mogelijk, nog op verhevener, zielroerender

(1) Onder de nagelaten papieren van Gen. Knoop bevindt zich een manuscript tot titel voerende: „krijgs- en gescliiedknndige beschouwingen over Willem 111quot;, dagteekenende van 1881, in 3 deelen, behandelende het eerste deel het tijdvak 1G72—73, het tweede dat van 1674—1688, het derde de jaren 1688—1697. Het voornemen bestaat die zeker hoogst belangrijke studie nit te geven, ten voordeele van het fonds tot oudersten-ning van weduwen en weezen van vrijwillig dienende militairen beneden den rang van otileier.

-ocr page 23-

19

wijze heeft gonit. T)e kogel, door een sluipmoordenaar afgeschoten, heeft den Vader des Vaderlands, den grooten grondlegger van onzen Staat, getroffen; Willem T is doodelijk gewond in de armen der zijnen neêrgevallen ; zijn leven stroomt met zijn bloed weg; zijne aardsche loopbaan is haren eindpaal nabij. In die plegtige, geduchte oogenblikken, waarin ziel en ligehaam scheiden, en de eeuwigheid hare geheimzinnige poorten ontsluit, denkt de Zwijger nog altijd aan zijn geliefd Nederland; zijne laatste gedachten, zijne laatste beden, zijn aan dat vaderland gewijd; en terwijl de schaduwen des doods zieh reeds voor zijne oogen uitspreiden, beveelt hij nog met stervende stem het verweesde volk aan de hoede van het Oppenvezen aan : »Moii Dien ! »mon Dien! ayez pitié de moi et de ton pauvre penple !quot;

Aldus dat merkwaardig slot.

Maar, zal men mogelijk zeggen, indien al de veldtocht van I(i72 7:! de verdedigbaarheid van Nederland bewijst, is die van 1795, die de Fransehe legers meester maakte van onze Republiek, geen bewijs van het tegendeel ? Neen, want zoo als Knoop terecht zegt: (l) «Van bondgenooten verlaten, door talrijke, zegevierende legers aangevallen, zagen wij daarenboven door een buitengewonen strengen winter onze voornaamste verdedigingsmiddelen vruchteloos gemaakt. Het bestuur was zonder veerkracht of bekwaamheid, het leger bijna ontbonden, het volk gedeeltelijk ongezind de wapens op te vatten voor de verdediging des lands, gedeeltelijk zelfs den vreemden vijand op alle mogelijke wijze helpende en begunstigende; de voorhoede van dien vijand bestond uit Hollanders, die, door partijzucht verblind, de wapens voerden tegen hun geboortegrond, en in hunne hartstochtelijke verbijstering niet begrepen dat zij hunnen landgenooten slavernij iu stede van vrijheid brachten. Vereenig weer al deze nadeelen, dan zal de uitkomst weer even noodlottig kunnen zijn; - want wat beduidt de sterkste burgt, wanneer hij geen verdedigers heeft of wanneer het verraad den

(1) T). I. blz. 131—32.

-ocr page 24-

•20

vijand de poorten opent? Maar is het niet onredelijk te onderstellen dat die zamenloop van buitengewone, noodlottige omstandigheden voor een tweede maal zich zal opdoen; en vooral mag men niet van het gezond verstand, zoo al niet van de vaderlandsliefde onzer landgenooten verwachten dat, hoezeer zij ook naar vrijheid en staatkundigen vooruitgang streven, zij toch nooit weer zoo verblind zullen zijn om daartoe den vreemdeling in het land te roepen.quot; Het raadplegen van het verleden leerde hem dan ook niets dat ons bekommering en vrees voor de toekomst moet inboezemen; integendeel; want sedert zijn, zoo als hij in \'48 aantoonde, de verdedigingsmiddelen van Holland niet verminderd, — maar belangrijk verbeterd, kunnen wij er thans bijvoegen.

Zoo arbeidde Knoop onvermoeid aan hetgeen hij zich tot levenstaak had gesteld : het verspreiden van krijgskennis onder het volk; het wekken van zijn belangstelling en vertrouwen in onze weerbaarheid; het leeren steunen opeigen kracht, en niet te rekenen op bondgenooten, die vaak te laat komen, oi\' geheel wegblijven, of zich als meesters doen gelden. Zoo arbeidde hij te midden van de drukke amhstbetrekkingen waartoe hij achtereenvolgens geroepen werd, en die hij met nauwgezetheid vervulde, de betrekkingen van bataljons- en regiments-commandant, van militair bevelhebber en divisie-commandant; zoo arbeidde hij in het garnizoen, in het kan-tonnement, zelfs onder de legertent, geholpen, waar de boeken faalden, door zijne zeldzame belezenheid en zijn ijzervast geheugen ; het tengere lichaam tevens hardende en den geest frisch houdende door eene uiterst matige levenswijze, door dage-lijksche beweging in de vrije lucht en onder de menschen ; opgeruimd en tevreden, het leven beschouwende als «een weldaadquot;; steeds toegankelijk en aanmoedigend voor jongere krijgsmakkers, belangstellend voor zijne vele vrienden, met wie hij eene uitgebreide correspondentie onderhield, en voor de algemeene zaak. Zelden of nooit ontmoette ik iemand die zoo met den tijd wist te woekeren, en met zulk een gemak werkte dat het hem geen moeite scheen te kosten terstond den goeden weg en den juisten

-ocr page 25-

21

vorm te vinden voor de behandeling van de omvattendste onderwerpen van staats- of krijgsgeschiedenis. Zijne opstellen schreef hij als in één adem, met eene vlugge hollandsche letter, en slechts zelden vertoonen zijne manuscripten sporen van cor-rectiën. Meermalen heeft dan ook zijne werkkracht mijne verbazing gewekt; en die werkkracht bleef hem hijna onverzwakt bij tot dat, omstreeks den hocgen leeftijd van 8U jaren, herhaalde aanvallen van beroerte ze kwamen verlammen, getuige zijne studie over Daendels in den «Tijdspiegelquot; van IH\'.II, waarin hij den veldtocht van 1700 in Noord-Holland andermaal uitvoerig besprak; die werkkracht was zijn toevlucht gedurende de vele jaren die hij, na alle zijne naaste betrekkingen door den dood te hebben verloren, eenzaam moest doorbrengen. Hij maakte zich bovendien verdienstelijk jegens quot;liet Roode Kruis,quot; waarvan hij eerelid was; als hestnurslid van den »anti-dieiist-vervangings-bondquot;; en wat hij geweest is voor onze vereeni-ging »Krijgswetenschapquot;, wier werkzaamheden hij als voorzitter gedurende een tiental jaren leidde, dat heeft Generaal Xetscher, die thans op zoo waardige en beleidvolle wijze den presidents-hamer voert, in de vergadering van 26 Januari met warme woorden herdacht. Kortom, generaal Knoop arbeidde, zoolang hij leefde. Repos ailleurs, scheen ook zijn devies te zijn.

In het voorafgaande hebben wij hoofdzakelijk den man van het woord eenigszins leeren kennen, zien wij thans nog den man van de praktijk en de daad.

Als ik zeg: den man van de praktijk, dan denk ik daarbij slechts zeer indirect aan de wijze, waarop generaal Knoop de verschillende commando\'s, die hem werden opgedragen, gevoerd heeft. Voor zooveel ik het niet reeds te kennen gaf en er over kan oordeelen , getuig ik dat hij die commando\'s met de meeste toewijding heeft waargenomen; dat hij bij humane behandeling en vaderlijke zorg voor zijn ondergeschikten, de krijgstucht wist te handhaven; de oefeningen, vooral de wetenschappelijke vorming van de officieren oordeelkundig behartigde, zich zelf aller-

-ocr page 26-

minst spaarde, steeds liet goede voorbeeld gaf, en zeker een van de beste chefs was waarop bet leger zieb kou beroemen, een cbef die aebting en eerbied inboezemde, onder wiens bevelen men met vrnebt en genoegen diende en met vertrouwen te velde zou gegaan zijn. Met den miiu van de praktijk doel illt; meer op zijne toepassing van de krijgskundige beginselen en eischen, die bij in zijne gesel i rif ten voor ons krijgswezen stelde.

Een eiseli, dien bij steeds stelde was: «zorg vooral dat leger en vloot goed zijn, dat zij aan bekwame bauden worden toevertrouwd, dat zij met geestdrift bezield zijnquot;; terwijl stellingen als deze: »bet zijn de sterke en goede legers die in den oorlog de beslissing aanbrengenquot;, en »bet komt minder aan op de getalsterkte, dan wel op liet gehalte van het leger, op de bekwaamheid der aanvoerders en op di\'n geest, die allen bezieltquot;, herhaaldelijk bij hem voorkomen. Dergelijke stellingen nu zullen wel geen gegronde tegenspraak vinden; doeli Knoop zelf zou erkennen, dat dit van die algemeenbeden zijn, waar men nog weinig aan heeft, zoolang men het niet eens is omtrent de juiste beteekenis van de woorden die men gebruikt.

Hoe verstond hij nu b.v. de goede oefening, die niet de aanvoering en de geestdrift de deugdelijkheid van het leger bepaalt? Hoewel hij beweerde »dat wij geen volk zijn dat gemakkelijk en in een oogenblik de hoedanigheden verkrijgt die het kenmerk van een goed soldaat uitmaken dat het bij onsen tijd èn moeite èn zorg kost om den burger tot krijgsman te Vormen, en België, Duitsehland, Frankrijk vooral ons in dat opzicht overtreffenquot; (1) beweerde bij tevens nog in \'(i4, ))in vollen ernst . . . dat drie maanden voor de oefening van den loteling (der infanterie) niUloeinle zijnquot;. (2) De eerste oefenings-tijd bedroeg destijds vijf maanden, en ik meende hem bij het fi\'\' Regiment meermalen met de cijfers en op het terrein te hebben aangetoond, dat velen onzer miliciens uit de minst ontwikkelde volksklasse afkomstig, waarvan toen Hr l,squot;/n lezen

(1) „1831quot; (L). IV).

(2) Momleling vernomen, en noot redactie N. Speet. (14, Mz, 473.

-ocr page 27-

noch schrijven konden, na vijf maanden now onvoldoende geoefend waren als schutter, als tirailleur of hij den velddienst, huiten het gelid nog niet op eigen beenen konden staan. Tegen sprekende cijfers en levende bewijzen was niet veel in te brengen ; maar mijn chef, die eenc niet zeer groote geschiktheid had om zich te aten overtuigen, meende dat liet ontbrekende in den oorlog wel terecht zou komen, dat één vijandelijke geweerkogel die straft, de krijgsregels beter leert dan tien oefeningen in vredestijd. Ja, zich dekken, misschien al te goed; doch leert die vijandelijke kogel ook raken en oordeelkundig handelen, en zal het voor ons niet te laat zijn indien de elementaire krijgsregels door oorlogsschade moeten worden ingeprent? Elders heette het dat «een diensttijd van zes maanden zeer goed voldoende is om van den militien een goed infanterist te vormen, en dat men hem in dien tijd eeue oefening kan geven die hem bijblijft, zoodat men later bij de schutterij in hem een bruikbaar soldaat heeft (1); of wel quot;dat zes maanden stellig meer dan genoeg zijnquot; (2). En toen de regeering, ingevolge een voorstel van den Inspecteur (IJ), gemeend had den eersten oefeningstijd op tien maanden te moeten brengen — voor ons land, mits herhaling van oefening, een goede termijn — bleef generaal Knoop steeds vasthouden aan de meening dat 5 a (gt; maanden voldoende zijn, hoewel deeischen der opleiding omvattender zijn dan vroeger, en terwijl België, Duitschland en Frankrijk, waar de burger, volgens zijn mee-ning, gemakkelijker de hoedanigheid van een goed soldaat verkrijgt, daartoe zooveel meer tijd noodig oordeelen. Ik kan bij dit onderwerp, dat nog voor wenige jaren in «Krijgswetenschapquot; breedvoerig gedebatteerd werd, hier niet langer stilstaan; de noodige tijd tot eerste oefening laat zich ook niet met een goudschaaltje afwegen; zeer veel hangt af van de lichamelijke

(1) „Gidsquot;, Juli \'7M.

(2) Brief aan mij van 5 Jan. \'6(i.

(:-!) In \'lili gedaan. Een deel lichting werd na om beurten tot blijvend gedeelte bestemd, en zoo kregen allen 10 maanden eerste oefening zonder grootere uitgaven.

-ocr page 28-

24

eti de intellectneele ontwikkeling van den militien bij zijn in-diensttreden, en van de methode van oefening; doch de graad van geoefendheid waarmede Generaal Knoop zich tevreden stelde was, mijns inziens, niet voldoende. Ook de waarde van de toegepaste en gecombineerde oefeningen schatte hij te gering. Hij \\ jeweerde dat betgeen men bij de vredesoefeningen kan leeren «wel iets, maar toch niet veel beduidtquot;, en achtte mijne zienswijze, dat zij, als in Pruisen b.v., methodisch en oordeelkundig doorgevoerd, de eischen van den oorlog nabij kunnen komen »een gevaarlijk dwaalbegripquot; (1). Zoo beweerde hij ook dat men met reizen niets leert. C\'est selon!

En nu de aanvoering quot;die alles afdoetquot;? Zeker is het dat meer dan één hoofdofficier, die zijne bevordering aan hem te danken had, toonde geen bekwaam aanvoerder te zijn, en daarom zelfs vrij spoedig moest worden vervangen. In zijne beoor-deeling van personen was generaal Knoop doorgaans te gemakkelijk, te toegevend. Hij schatte de menschen over het algemeen te hoog; hij verwachtte dat ernstige omstandigheden de tragen en onnadenkenden wel zonden wakker maken, de intelligentie openen en bezielen, hoewel menige ervaring van de jaren 1830—\'32 het tegendeel geleerd had (2).

Over het algemeen rekende hij wat te veel op de moreele drijfveeren, telde hij de taktische vorming te gering: evenzoo de materieele oorlogsmiddelen, gelijk wij straks zien zullen.

Zij, die wisten hoe weinig streng zijne taktische eischen in de praktijk waren; die wisten dat hij zich met halfheden en middelmatigheden te vrede stelde; die zich herinnerden dat hij in \'4S — het jaar der grondwetsherziening, toen er voor verbetering in de toekomst gezorgd moest worden - ons toenmalig leger, zelfs niettegenstaande de schadelijke vestingen, èn wat sterkte én wat militaire waarde betrofquot; volkomen in staat

(1) N. Speet. 1871. „Es ist ja grad wie beim Manüvorquot;, zeitien de Pruisische soldaten op het. slagveld van Sadowa: mededeeling van generaal F ra n.seek i aan den heer Lod. Mulder, tot staving van het groote nul der v red esoe Ie n i n ge n.

(2) In 1830 was Knoop te Brugge en \'s Bosch, in welke vesting hij r.u vele jaren garnizoen hield.

-ocr page 29-

25

rekende, zoowel bij een aanvallenden als verdedigenden oorlog, aan zijne verplichting te voldoen, onze wapeneer te handhaven en onze onafhankelijkheid te beschermenquot;, (1) —- zij, die generaal Knoop kenden, hadden geen groote verwachtingen, voor het leger althans, toen het bekend werd, dat Thorbecke hem in den aanvang van quot;t\')2 de portefeuille van oorlog had aangeboden. Knoop paste in een ministerie Thorbecke, wiens politieke geestverwant hij was. Maar hij bedankte. Hoewel een beslist historisch aanhanger van het Stamhuis (2); die de groote Oranjevorsten uit de Hie en IT1\' eeuw steeds verheerlijkte; die den held van Quatre-Bras en Waterloo lauweren vlocht; die, weinig bemiddeld, menig bankbiljet ten beste gaf om \'s Konings jaardag bij het korps onder zijn bevel feestelijk te doen vieren, — Knoop was bij Koning Willem UI geen persona grata, en wist dit. Hij was geen hoveling, maar een vriend van de waarheid, die ook laakte waar hij meende te moeten laken; hij had geen krijgshaftig, zelfs geen militair voorkomen, was geen inspectie-of exercitie-held, en hoewel niet van de Militaire Akademie afkomstig, was hij een wetenschappelijk man en . .. »een schrijverquot;, die ook wel oppositie maakte — eene loyale, onbaatzuchtige zooals wij weten. Knoop voorzag van een optreden als minister van oorlog slechts onvrnchtbaren strijd, en meende buiten het ministerie nuttiger werkzaam te kunnen zijn. Velen deelden die zienswijze niet en veroordeelden Knoop. Hij had zich niet mogen onthouden; hij behoorde niet aan zich zelf maar aan het land; ook Thorbecke was geen persona grata; met zijn prestige en Thorbecke aan het hoofd zou Knoop toch veel tot stand hebben kunnen brengen: zoo redeneerden die velen. Anderen meenden dat bij er tegen op zag, de denkbeelden die hij meermalen verkondigd had, in toepassing te brengen, en herinnerden aan de waarheid, die Schiller zijn Piccolomini in den mond legt;

„Slels ist lt;lie Sprache kccker als die That.quot; (3)

(1) D. I. blz. 142—43.

(2) Zie ten overvloede zijne belijdenis dienaangaande T). I. blz. 143—44

(3) ^quot;Wallensteinquot;.

-ocr page 30-

Ik geloof dat een en ander beuevens zijn burgerlijke zin, wars van tie ofticieele wereld, tot zijne weigering hebben saamgewerkt; dat hij afkeerig was van den persoonlijken strijd die liem wachtte, eu opzag tegen doortastende hervormingen, want bij zou ons in elk geval minstens hebben moeten verlossen van de schadelijke vestingen, eu ecue betere schutterij-wet hebben moeten geven, over wier samenstelling hij reeds in \'48 goede algcuieene denkbeelden verkondigd had (1). Knoop was meer een man van bespiegeling dan een man van de daad, en een praktisch man. Zijne latere houding als volksvertegenwoordiger en geschriften kniinen daaromtrent nader inlichten. Intusschen leed Knoop\'s prestige eenigszins door zijn bedanken, en kwam nu o homogeniteit! de portefeuille van oorlog in het Tweede ministerie Thorbecke (1S62- 66) aan generaal Blanken, een heslist voorstander van het oude vesting-stelsel eu anti-liberaal, wieus bestunr ik elders geschetst heb (2).

Meer leed Knoop\'s prestige door zijn wijze van optreden in de Tweede Kamer, waarheen Alkmaar hem in \'60 afvaardigde. Dat hij bij vorige gelegenheden o. a. nog in December \'64 de leer verkondigd had: «zelfs zoo als ons land thans is, met dat onvolledig krijgswezen, met die gebrekkige georganiseerde schutterij, met die marine, die niet weet wat zij zijn moet, met die kustverdediging, waaraan nog zooveel ontbreekt, met die ounutte sterkten en iiniën, zelfs met Maastricht en Venluo als vestingen — wanneer zullen w ij eenmaal daarvan verlost zijn ! — zelfs met al die bezwaren en uadeelen is ons land nog zeer goed te verdedigen, is er maar wijsheid bij de hoofden, zelfvertrouwen en geestdrift bij het volkquot; (3), — die leer kan men nog daaruit verklaren dat hij steeds uiterst beducht was ontmoediging te veroorzaken, hoewel tijdig en gepast waarschuwen, waar

(1) D. I. blz. 202 en volg.

(2) Feestrede van 0 Oct. \'90.

(3) N. Speel. l.S(i5 blz. 409—10, waarnaast ik stel mijn schets van ons toenmalig krijgswezen en mijne adstruutie ter zake van 18G7, toen de Lnxemburgsehe qiuestie dreigde, te vinden in bovengenoemde Feestrede, benevens de ervaring opgedaan bij de mobilisatie van \'70 toen de voornaamste schadelijke vestingen reeds waren prijs gegeven.

-ocr page 31-

noodig, plichtmatig is, en zelfvertrouwen minder kon verwueht worden liij een leger en een volk, die nisten of vernamen dat linn krijgswezen zo(jveei te wensehen overliet; en in afwachting van de geestdrift, bestond zeker de beste wijsheid daarin, dat krijgswezen zoo goed mogelijk in orde te brengen. Daartoe was generaal Knoop tiians ook gemandateerd. Zien wij dus hoe hij optrad tot het wegnemen van de gewichtige leemten en gebreken. die wij hem zoo even hoorden opsommen.

Vooraf moet ik echter het volgende in herinnering brengen. Generaal van den Bosch, de opvolger van Uen. Blanken als minister van Oorlog (lydiW lis), een middenterm van defensie voorstaande, had achtereenvolgens de meest schadelijke vestingen, buiten verband met het binnen de groote rivieren gelegen centrum van ons land, Maastricht, Veiiloo, Bergen op Zoom, (irave en Coevorden prijs gegeven; Breda, Nijmegen en de Uselvestingen zouden slechts als tijdelijke vestingen of bruggenhoofden dienen ; Zeeland, waar alleen Terneuzen en Elle-woutsdijk behouden bleven, zou niet rechtstreeks verdedigd worden. Doch zijne voornemens tot versterking van de levende strijdkrachten met 15000 man militie, ten einde het veldleger los te maken van de schutterij, zoo ais door de deskundigen nagenoeg algemeen noodzakelijk werd geoordeeld, benevens tot eene betere schutterij-wet, had hij zien mislukken; en hij was toen opgevolgd door Generaal van Muiken (18()8—71), nadat Thorbecke mijne voorwaarden voor de portefeuille van oorlog tot verhooging van het militie-contingent en afschalting van de plaatsvervanging, die hij ruim twee jaar later aannam, «onaannemelijkquot; had verklaard.

Toen dus Generaal Knoop in de Tweede Kamer optrad, was aan zijn wensehen, wat de doode weermiddelen betreft, in hoofdzaak voldaan. Ter zake van de levende strijdkrachten, verkondigde hij in de zitting van 17 December hoofdzakelijk het volgende programma. De marine liet hij over aan meer bevoegden. Het leger zoo als het was, was voldoende sterk om het land te verdedigen, - - waaruit volgde dat verhooging van het militie-contingent niet noodig was, hoewel op de schutterij voor het leger te velde niet te rekenen viel en tot ons per-

-ocr page 32-

28

manent-verdedigingsstelsel toen nog behoorden de stellingen Groningen—Delfzijl, de stelling \'s Bosch, en de zuidelijke waterlinie van St. Andries tot Geertrnidenberg, die toeli ook niet geheel aan de schutterij konden worden toevertrouwd. Tot verbetering van het gehalte van het leger moest de plaatsvervanging zooveel mogelijk worden beperkt; geheele afschaffing, hoezeer wenschelijk, achtte hij toen nog onmogelijk. Zooveel doenbaar zou het goed zijn de liciitingen ieder jaar eenigen tijd te oefenen, — een goede doch vrome wensch, en eenigszins in strijd met zijne vroegere bewering »dat zes maanden zeer goed voldoende zijn om van den militien een goed infanterist te vormen, en hem eene oefening te geven, die hem bijblijft, zoodat men later bij de Schutterij in hein een bruikbaar soldaat heeft,quot; strijdig vooral nu de eerste oefeningstijd voor allen tien maanden bedroeg. Wenschelijk zou het zijn de Schutterij in te deelen bij de verschillende regimenten van het leger, en de wet op de schutterij zoo in te richten dat van de oefening bij het leger verkregen, zooveel mogelijk partij werd getrokken bij de schutterij. Eenige verbinding moest plaats hebben van het leger hier te lande met dat in indië, ten einde van do krijgservaring in Indië \'opgedaan partij te kunnen trekken. Eindelijk moest eene legerorganisatie bij de wet ons vastheid en bestendigheid geven.

Generaal van Muiken had toen eene vestingwet toegezegd, maar wilde geen legerwet; later beloofde hij ook eene legerwet, doch na het tot stand komen van de vestingwet. Generaal Knoop meende, en terecht geloof ik, dat de legerwet niet behoefde te wachten op eene vestingwet, daarvan niet zoo af han-kelijk was als sonnnigen beweerden, en vond eene vestingwet zelfs niet wenschelijk. In een Gids-artikel van April \'69, had hij die meening verkondigd en toegelicht, en ter zake van ons vestingstelsel o. a. gezegd : »thans in dezen tijd van overgang en van gedurige veranderingen in krijgszaken, zal onze regeering verstandig doen met zich ten aanzien van ons vestingstelsel te onthouden van elke handeling die onherroepelijk is, of die tot groote geldelijke uitgaven leidt; neem ons vestingstelsel zoo als het thans is; trek daarvan zooveel mogelijk partij, met de minst

-ocr page 33-

mogelijke onkosten; breek liet nog bestaande niet verder af zonder noodzakelijkheid; en vooral geef niet toe aan de bouwwoede die sommigen bezielt, en die er toe zou leiden om inil-lioenen nit te geven aan werken van zeer twijfelachtig nut.quot; Eene leer dus van weinig of niets doen, van wachten met verbetering tot dat de veranderingen in krijgszaken zouden opiumden of een uitstel ad calendas graecas: koren op den molen van velen in den lande, die meenden dat boe minder geld aan krijgszaken hoe beter. Niemand kon het overigens tegenspreken dat liet bestaande, zonder noodzakelijkheid, niet verder moest worden afgebroken, en dat geen millioenen moesten worden besteed aan werken van zeer twijfelachtig nut. I)at zijn echter weer van die algemeenheden, waaraan men weinig beeft zoolang men het niet eens is omtrent de juiste beteekenis. En die beteekenis kon alleen blijken bij een bepaald voorstel, eene vestingwet, grondig te debatteereu in en buiten de kamer, eene wet die ons ook in dit opzicht gelijke «vastheid en bestendigheidquot; moest geven, en een einde maken aan de wisselende ministeriëele inzichten en incideuteele kamer-amendementen.

Dat overigens generaal Knoop, nu aan zijn jarenlangen strijd tegen de schadelijke vestingen in hoofdzaak voldaan was, ijverde voor het behoud van bet nog bestaande tegen hen, die verder wilden conceutreereu, laat zich nog begrijpen. Ook bet ontwerp vestingwet door generaal van Muiken ingediend beoogde dit; maar rekening houdende o. a. met de krachtiger middelen van aanval, getrokken gesehnt en pantserscbepen, wilde het tevens dat bestaande in een toestand brengen, die eenigszins aan de eischen van den tijd beantwoordde, en raamde daarvoor in1/., millioen, — eene som die vrij algemeen reeds dadelijk te gering werd geacht. Generaal Knoop echter meende dat onze liniën en vestingen in haar toenmaligen toestand — die zeer veel te wenscben overliet — vatbaar waren voor eene zeer goede verdediging, mits de bevelhebber maar berekend was voor zijne taak en de troep zijn plicht deed, — een eisch zonder welken zelfs de sterkste vesting niets beteekent; doch moet men daarom de noodige vestingen willens en wetens maar gebrekkig laten.

-ocr page 34-

30

T)e slotsom van dc afzonderlijke nota, die Knoop indiende bij de vestingwet (1), waarover hij met Thorbecke, de Roo, van Honten en Storm van \'sOravesande rapporteur was, luidde; «dat de verbetering van ons vestingstelsel, in stede van de uitgave van 10.400 000 gulden, hoogstens de uitgave van een paar millioen noodig maakte.quot; Zij redeneerde weg de voorgestelde verbeteringen van de versterkingsmiddelen der Nienw-llollandsche waterlinie, die voor de rednit-stelling Amsterdam, voor de stelling Over-Betuwe en Nijmegen, voor de zuidelijke waterlinie St. Andries- Geertrnidenbei\'g, voor de stelling W\'il-lemstad, en gi\'ootendeels die voor de stelling den Helder; zoodat alleen overbleven de gevraagde gelden tot verbetering der imin-datie-middelen van de Niemv-Hollandsehe waterlinie, die tot verbetering van de IJsellinie, van de stelling in het land van Voorne, en de stelling Oroningen—Delfzijl, echter niet zonder eenige bedenkingen. Ik heb hier niet te treden in beschouwingen over de strategische waarde van het vestingstelsel v;ui Mnlken, doch wie het daarmede in hoofdzaak eens was als generaal Knoop, moest dnnkt me, dat stelsel ook taktisch en technisch goed willen.

Maar Knoop wilde zelfs voor «die kustverdediging waaraan iidg zooveel ontbrakquot; niet eens het noodige zware geschut. Bij de begrooting van \'09 stelde hij voor, de gevraagde twee ton voor meer kustgeschut van 24 cM. te doen vervallen (2); aan de aanwezige 10 stukken hadden wij genoeg, en dan kon het gebeuren dat de pantsering der schepen alweer zwaarder werd, waartegen dat geschut misschien geen uitwerking zou hebben; of het kon ook gebeuren dat na verloop van tijo de denkbeelden omtrent het nut der pantsering veranderden. — Het eerste was ininder waarschijnlijk omdat de grens derpant-serzwaarte bereikt scheen; en moesten, in afwachting van het afschaffen der pantserschepen, met wier aanbouw het buitenland intusschen steeds voortging, onze zeegaten en de waterwegen uit zee naar het hart van het land dan daartegen weerloos

(1) Bijlagen 1869—70, II. blz. 2110.

(*2) Handelingen 1869—70, II. blz. 780.

-ocr page 35-

31

blijven? Konden aronnienten, nis generaal Knoop ook hier weer bezigde, opgaan, dan zonden wij ook ocen pantserscbepen, geen rammen en monitors, geen torpedo\'s en versperringen hebben moeten aanschaffen, en in afwachting maar hebben moeten blijven bij het onde bonten materieel, en zulks te eerder omdat de marine nog meer dan liet krijgswezen to land in »een tijd van overgang en gedurige veranderingenquot; verkeerde. Alle deskundigen in de Kamer keurden Knoop\'s voorstel dan ook zeer af: de eene vernam het met «groot leedwezenquot;, de andere met «verbazingquot;, een derde met quot;de grootste verbazingquot;, en slechts 12 leden, meest anti-militairisten, gingen met dat voorstel mede.

Een bevoegd en zeer bezadigd kamerlid, mede-rapporteur over de vestingwet, schreef mij korten tijd daarna: s\'tis mij gebleken dat men aan den generaal zeer weinig heeft hij dergelijke zaken; de Roo en Stieltjes zullen n hetzelfde zeggen ; Thorbecke zelf scheen er over verbaasd; trouwens hij is ook in de Tweede Kamer algemeen zeer tegengevallenquot;. Hij bleef daarin slechts kort. Ten gevolge der politieke gebeurtenissen van \'7u legde hij zijn mandaat neder, en trad bij de mobilisatie op als Divisie-Commandant (1). De technische verbetering van ons defensie-wezen hield hij daarom niet tegen, omdat zelfs onverschilligen met zijne leer van afwachten en uitstel niet konden instemmen.

Dat generaal Knoop legeren vloot, de aanvoering en de geestdrift, de levende kracht in een woord steeds verheerlijkte als de hoofdzaak, was uitstekend goed : thans meer dan ooit zijn het «de mennekesquot; en de zedelijke factoren die in den oorlog de beslissing-geven. Vooral het laatste kan niet genoeg worden herhaald in onzen tijd van positivisme en analyse, wiens invloed ook reeds op krijgskundig gebied valt waar te nemen. Al dat positivisme en die ontleedkunde zijn goed op het gebied der exacte wetenschap; maar overgebracht en toegepast op het gebied waar het moreele

(1) In 1872 werd Generaal Knoop gepensiouneerdquot; onder dankbetuiging voor de vel»* en hoogst gewichtige diensten gedurende zijne langdurige militaire loopbaan aan het Leger en den Lande bewezen.quot;

-ocr page 36-

32

element heersehende is — en dat is vooral liet geval op krijgskundig- gebied —; hier al de materiëele gegevens microscopisch te gaan onderzoeken en alle bezwaren en gevaren breed uit te meten, terwijl men de moreele elementen, de hoofdzaak, de ziel verwaarloost, — dat is wei de slechtste methode die zich denken laat. Wat zon er wel van onze geschiedenis zijn geworden, indien de Zwijger volgens die methode de mogelijkheid onderzocht had van een opstand tegen Spanje; of de AVict en de Ruyter die van den tocht naar Chatham; of quot;Willem Til de mogelijkheid van het voortzetten der verdediging van Nederland in UmL\', die bij zijn optreden aan het hoofd der Republiek zoo goed als hopeloos stond!\' Igt;at generaal Knoop dus de lovende kracht ver lieer-lijk te — ik herhaal dit — was uitstekend goed. Maar in zijn ijveren tegen fortificatie-middelen, die vooral een klein land als het onze tot zekere hoogte niet kan ontberen, en tegen de materiëele oorlogsmiddelen in het algemeen, was hij niet vrij van eenzijdigheid, ging hij soms te ver. Die eenzijdigheid is waarschijnlijk daaruit te verklaren, dat hij in een tijdvak optrad waarin de hoofdzaak geheel werd opgeofferd aan de bijzaak ; waarin de doode weermiddelen — en welke? — grootendeels ten koste van het leger en ten nadeele van \'s lands belang de schatkist uitputten, en een weinig overdrijving kon daarom niet schaden. Maar hij ging, mijns inziens, te ver met de materiëele oorlogsmiddelen vergelijkenderwijze »maar kinderspelquot; (1) te noemen, en dienovereenkomstig te handelen.

Anderszijds hebben wij gezien, dat hij ook de taktische vorming te licht telde of daaraan te geringe eischen stelde; dat hij te veel rekende op de moreele drijfveeren om hare leemten en gebreken te vergoeden. Ter zake van die moreele drijfveeren wordt o. a. soms gewezen op het contrast van het Pruisische leger van 18(Ki, dat hoewel enkel bestaande uit oud-gedienden en volkomen gedrild toch in weinige weken uit elkander werd geslagen, met het Pruisische volksleger van 1813, dat ten slotte de overwinning bevocht, hoewel voor het grootste deel saam-

(1 I Zie het slot vau zijn artikel in „ile Gids\'\' van April \'Ci), en zijn rede in de Tweede Kamer van 21 Dec. \'69,

-ocr page 37-

gesteld uit lichtingen van slechts enkele maaiidéh of zelfs wekeu oefening. Maar bij dat voorbeeld dient men toch ook niet uit het oog te verliezen, dat in het Pruisische leger van IMUG, gerecmteerd uit de laagste volksklasse of uit vreemdelingen, door den stok gedisciplineerd, geminacht en ellendig aangevoerd, alle moreele elementen ontbraken: en wat isi;} betreft, dat ook Napoleon toen niet meer beschikte over zijn soldaten van Austerlitz en Jena, doch slechts over zeer vermoeide of zeer jeugdige legioenen, dat zijn prestige en zedelijke kracht door den Kussischen veldtocht van 1812 geknakt waren, dat hij in vijandelijk land allerwege door afval en verraad was omgeven en de geallieerden verreweg de numerieke meerderheid hadden. Zeker, diensttijd en geoefendheid zijn lang niet alles, de moreele dvijfveeren vermogen zeer veel, en uit het voorafgaande kan het ten overvloede gebleken zijn, dat ik allerminst geneigd ben hare beteekenis te miskennen. Haar thans meer dan ooit moeten vorming en bezieling zich op krijgskundig gebied steunen cn aanvullen, en, nogmaals, in afwachting van de geestdrift zorge men voor eene degelijke taktische bruikbaarheid (1).

(!) 3Ie;i versla mij wel. Ik vraag voor onze militiens geen verblijf onder de wapens, dat hen voor langdurigen tijd aan hunné gewone beroepsbezigheden en studiën onttrekt en hunne inaatschappelijke positie schaadt. Welke termijn als eerste oefening in de gelederen mij voor onze landsverdediging als een geschikte voorkomt, heb ik reeds gezegd, onder bijvoeging dat die niet zoo juist is af te passen, en zeer veel afhangt van de ontwik-keling, lichamelijke en intellectueele, van den militien bij zijn in dienst treden, en van de methode van oefening. Kan nu die termijn door vrijwillige oefeningen vóór het in dienst treden nog met enkele maanden worden verkort, zooveel te beter, ook voor onze finantiën, die insgelijks oorlogsmiddelen zijn. Ik ben dan ook een voorstander van het veorbeieidend militair onderwijs waartoe de laatste jaren de gelegenheid is opengesteld. Dit moge vooreerst nog geen bijzonder gunstige resultaten hebben opgeleverd, er is toch verbetering te bespeuren, en bij meer algemeene bekendheid en aanmoediging en beter regeling is meer deelneming en beter resultaat te verwachten. Voorbereidend onderwijs in het schieten zou vooral, met het oog op de volksweerbaarheid, doeltrettend zijn en goed werken.

Zeer ben ik ingenomen niet het Kon. besl. van *29 Sept. \'93 betreffende de opleiding van Reserve-kader voor leger en schutterij, en verheugt mij de groote instemming, die deze maatregel gevonden heeft bij het onderwijzend personeel en de voornaamste organen van de pers. Ik hoop en ver-

3

-ocr page 38-

:U

In zijne krijgs- en gesoliiedknudige studiën had Generaal Knoop zich wellicht te veel vereenzelvigd met de groote veld-heeren, die door hunne persoonlijkheid veel gebrekkigs van de voorbereiding wisten te vergoeden; en werd hij wellicht te sterk getroffen door de waarheid, dat het zelfvertrouwen en de geestdrift, die zij wisten te wekken, meer nog dan een goed geoefend leger en een goed georganiseerd vestingstelsel de overwinning verschaften: te veel en te sterk om aan die voorbereiding eu onze strijdvaardigheid het vereischte gewicht te hechten, daarin door te dringen, en aan liet technisch gedeelte van ons defensiewezen veel aandacht te wijden. Maar men mag er niet op rekenen op het gegeven oogenblik groote mannen onder de hand te vinden; en toch, ook de groote leger«fl««w7v/«v?, een Maurits, een Frederik II, een Napoleon, waren in de eerste plaats leger-formeenlers en organisateurs, lieten zoo weinig mogelijk aan het toeval over, en stelden aan de taktische bruikbaarheid strenge eischen.

Maar was generaal Knoop in de praktijk te gemakkelijk, te optimistisch wat personen en zaken betreft, het blijft zijn onschatbare verdienste : aan het krijgskundig ouderwijs een nationaal karakter te hebben gegeven : ons krijgswezen tot publiek domein se hebben gemaakt; de populaire eu bezielende geschiedschrijver te zijn geweest der voornaamste episoden van onzen roemrijken

trouw dat het leger zijnemjils can amore zal medewerken om dien maatregel de beste vruchteii te doen dragen, en zich daarbij niet enkel op het specifiek militair maar ook op het hooger standpunt van het volks- en landsbelang zal weten te plaats-.n. Die maatregel toch kan niet alleen dienen om ons het onmisbare reserve-kader van ontwikkelde elementen te geven, maar tevens om de plaatsvervanging, waartegen wij al nagenoeg -Jö jaar te vergeefs storm loopen, geleidelijk en feitelijk te doen vervallen en den persoonlijken dienst vrijwillig te doen aanvaarden door de zonen der gegoede klasse in afwachting dat de wet hem oplegt; die maatregel zal het leger langzamerhand beter doen kennen en waardeeren, verheffen tot de groote nationale volksschool van orde en tucht, van kloekheid en werkdadige vaderlandsliefde, en de landsverdediging tot de zaak van het geheele volk, zoo als het behoort te wezen; die maatregel kan, in een woord, voer onze toekomst de heilzaamste gevolgen hebben. De toepassing daarvan is aan de beste handen toevertrouwd, die van Luit. Kolonel van Dam van Isselt; en ik houd mij overtuigd dat onze gevierde generaal Knoop hem, met mij, zou hebben toegejuicht.

-ocr page 39-

van strijd voor vrijheid en stuatknndii;\' evenwicht: die ons de lessen van dat verleden als een leerzainen spiegel heeft voorgehouden en zijne helden ten voorbeeld; die de groote natuurlijke sterkte van ons land tastbaar maakte, ons zelfvertrouwen en vertrouwen op de toekomst wist in te boezemen: die de voorvechter was voor het moreele element tegenover het niaterieele, voorde levende kracht tegenover het doode weermiddel; die, met Stieltjes, de man is geweest van een reveil en hervorming op krijgskundig gebied. Bovendien een wakkere schildwacht en kampioen voor onze nationale wapeneer; een groot hart, een ruime en edele geest van wien licht en kracht zijn uitgegaan; een warm vaderlander van groote beteekenis, aan wien — ik herhaal dit — Leger en Volk en Stamhuis veel te danken hebben.

Zijn verlies laat eene groote leegte na, is onherstelbaar. Moge zijn streven en zijn voorbeeld minstens velen blijven wekken; de jongeren aansporen tot volharding in den strijd waar onverschilligheid, vooroordeel of partijbelang een krachtig nationaal krijgswezen nog in den weg staan, en de kleinmoedigen een hart onder den riem steken !

»Ah! ce n\'est pas la mort que je crains, e\'est la vie! A voir de quels tonrments la vieiilesse est suivie, Je tremble, mes amis, de descendre au tombeau, Lentement, membre a membre, et lambeau par lambeau, Ne vous laissaut de moi, comme image suprème,

Qu\'une caricature a ff reu se de moi-mème.quot;

Deze ontboezeming van Legouvé in zijn :»Fruits et fleurs d\'hiverquot; kwam mij in de gedachte bij een bezoek aan generaal Knoop tegen liet einde van liet vorige jaar. Ik vond hem werkelijk een ruïne van hetgeen hij geweest was : ineengedoken in een leuningstoel, zich slechts met moeite in sterk gebogen houding kunnende oprichten, zeer hardhooreud. nu en dan afdwalende of zijne vrienden niet meer herkennende. Hij sprak mij toe aanvankelijk minder verstaanbaar of onsamenhangend, doch langzamerhand was het of hij herleefde; en toen ik hem nu wees op het boek, dat hij geopend voor zich had, zei de hij

-ocr page 40-

met luider stem : «Ja, Molière ! de grootste dichter van Frankrijk-ziju comedies zijn beter dan die van Shakespeare, en de Misau-thrope quot;s wellicht zijn beste.quot; Na eene pauze: «maar mijn geheugen wordt slecht.quot; Nu volgde blijkbaar eene sterke inspanning, want de rechterhelft van zijn gelaat werd vuurrood, eu zijn blik richtte zich naar boven; zich met de eene hand steunende om zooveel hij kon op te staan, en den anderen arm uitstrekkende, begon hij nu eensklaps met climax tereciteeren uit dat indrukwekkende vers van Hugo »Napoléon 11quot;, le roi de Rome, wiens geboorte Napoleons toekomst scheen te verzekeren. doch door den verpletterenden veldtocht van 1812 op den voet gevolgd werd:

»Quand il eut bien fait voir rhéritier de ses trónes Aux vieilles nations comme aux vieilies couronnes,

Eperdu, l\'oeil fixé sur quiconque était roi,

Comme un aigle arrivé sur une haute cime,

II cria tont jcjeux avec un air sublime:

Ti a\\ enir ! lavenir! i\'avenir est ii moi!quot;

De inspanning ziende, die hem dit kostte en hem het woord willende afnemen, viel ik hier in met de repliek van deu dichter :

JiNon, I\'avenir n\'est ii personne,

Sire! I\'avenir est a Dien!quot;

En trachtte hem te doen gaan zitten, doch te vergeefs; en met bezielden blik en welsprekend gebaar riep hij nu uit: «Juist! en de wetenschap is niet alles!quot; — Neen, dat is ze zeer zeker niet. — »En ik was het niet altijd eens met M....quot; - Ik vroeg niet, waarin? - En wij waren het ook niet altijd eens, maar jij hadt dikwijls gelijk!quot; waarop hij uitgeput in zijn stoel terugzonk. Ik bleef nog eenige oogenblikken zwijgend naast hem zitten totdat ik aan zijn gelaatskleur kon zien dat hy weer tot kalmte was gekomen, en ging toen stil heen, een diepen indruk van dat bezoek meenemende.

Het was de laatste maal dat ik deu oud-chef en vriend de hand mocht drukken.

5 Februari 1894. p_ G_ Room

-ocr page 41-