-ocr page 1-

m/. s

\'V /

/

-ocr page 2-
-ocr page 3-

I

De Anti-Slavernu-Conferentie

! 4

K N

-v. 1/

Invoerrechten in den Cöngo-ötaaï\'

DDOR

EEN KOOPMAN.

liUT n-UiüAM ,

n. VAN «IJN amp; ZOON.

I S\', II).

quot;i?

-ocr page 4-

1403 2175

-ocr page 5-

. L\' amp;Qo \'UILÏ

De Anti-Slavbrnij-Conferentie

KN

Invoerrechten in den Congo-Staat

DOOR

EEN KOOPMAN.

ROTTERDAM,

D. VAN SUN amp; ZOON. 1890.-

-ocr page 6-
-ocr page 7-

Het vraagstuk der Invoerrechten in het Congü-gebied, en de houding der Nedeiiandsche Regeering in deze zoo belangrijke zaak, hebben in den laatsten tijd heel wat pennen in beweging gebracht. — De buitenlandsche pers, voornamelijk de Indépendance Beige en de Times, waren in hun oordeelvellingen niet zeer vriendelijk. Van Holland werd gezegd, dat het wel de groote voordeelen wil genieten, die de vestiging van den Vrijen Congo-Staat bezorgde, maar nu het er op aankomt, billijke bijdragen te geven om in de kosten te voorzien, die de Staat heeft, wil het daarvan niets weten. Door zijn inhaligheid en halsstarrigheid heeft Holland het grootsche werk der Conferentie geheel doelloos gemaakt.

Evenveel groote woorden als onjuistheden. In weinig woorden zal ik dit kunnen bewijzen.

Inde zitting van 10 Meij.1. werd door den Voorzitter van do Anti-Slavernij-Conferentie te Brussel, Baron Lambermont, een voorstel ingediend, om artikel IV der Berlijnsche Algemeene Gongo-Akte, geteekend 26 Februari 1885, te wijzigen, ten einde daardoor de vrijheid te verkrijgen, om in het Congo-bekken invoerrechten te heffen van koopwaren, in dat gebied ingevoerd.

Dat artikel 4 luidt:

„De koopwaren in dat gebied (het Congo-bekken) ingevoerd, zullen vrij blijven van inkomende rechten en van doorvoerrechten.

De Mogendheden behouden zich voor, na afloop van een termijn van twintig jaren, te beslissen of de vrijheid van inkomende rechten al dan niet zal worden gehandhaafd.

-ocr page 8-

— 4 -

Artikel 36 van diezelfde akte bepaalt:

„De Mogendheden, door wie de tegenwoordige Alge-meene Akte onderteekend is, behouden zich voor, daarin later en in gemeen overleg, de wijzigingen of verbeteringen aan te brengen, waarvan het nut door de ondervinding mocht zijn aangetoond.quot;

De voorwaarde, dat in het Congo-bekken invoer- noch doorvoerrechten mochten geheven worden, werd zoo gewichtig geacht, dat de Amerikaansche Regeering alleen met dat voorbehoud den Congo-Staat wilde erkennen. Toen dan ook in de Anti-Slavernij-Conferentie hot bedoelde voorstel gedaan werd, teekende de Amerikaansche Gezant daartegen dadelijk verzet aan. Hij verklaarde, dat deze Conferentie onbevoegd, was om de Berlijnsche Akte te wijzigen.

En toen in 1884 Z. M. Leopold II de hulp der Nieuwe Afrikaansche Handéls-Vennootschap liet inroepen, werd dadelijk daarbij verklaard: „de handel zal in onze bezittingen noch aan eenig douane-recht, noch aan eenige kwellende formaliteit onderworpen worden.quot;

Tegenover eene zoo zonder eenig voorbehoud gegeven verzekering door den Souverein van den Congo-Vrijstaat, is een voorstel tot invoering van inkomende rechten minstens onverklaarbaar te noemen. Men zou uit die verklaring zelfs hebben kunnen afleiden, dat ook nimmer uitvoerrechten zouden geheven worden. Deze werden evenwel al zeer spoedig ingevoerd, zonder dat de handel bezwaren inbracht.

Als aanleiding tot het voorstel Lambermont werd gezegd, dat aan den Congo-Vrijstaat door de Anti-Slavernij-Conferentie zware lasten worden opgelegd, en dat daarom versterking van middelen noodig is. Tot aanbeveling werd aangevoerd, dat invoerrecht de billijkste vorm van belasting is, die op de meest redelijke en zekerste basis is toe te passen, en dat die rechten ten slotte niet door den handelaar maar door den

-ocr page 9-

inboorling gedragen worden. De importeur, zoo redeneerde men heel naief, die b.v. 10 percent recht betaalt, hoeft eenvoudig ziin verkoopsprijs met 10 percent te verhoogen, en dan betaalt zoodoende de kooper het recht.

Andere gronden om de voorgestelde heffing te verdedigen vernam men niet. Laat mij nagaan wat daarvan steekhoudend is.

Dat de Congo-Vrijstaat vermeerdering van inkomsten noodig heeft, zal ik niet tegenspreken. Zullen evenwel de voorgestelde maatregelen die vermeerdering geven? Dat is zeer twijfelachtig. Als men maar eens bedenkt, hoeveel kosten de inning van inkomend recht na zich moet slepen. Tal van ambtenaren zijn noodig, niet alleen te Banana, maar ook langs de grenzen in het Binnenland. Het Congo-bekken staat onder drie Souvereine Mogendheden: Frankrijk, Portugal en de État-Indépendant, — de laatste onder Koning Leopold. Iedere Staat zal zijne grenzen moeten bewaken; want hoewel onderworpen aan de bepalingen der Berlijnsche Alge-meene Akte, is daardoor niemand verkort in zijn recht om bepalingen en tarieven te maken naar eigen goedvinden, mits niet strijdende met genoemde Akte.

Dat recht werd ook in de Brusselsche Conferentie besproken, erkend en voorbehouden. Baron Lambermont verklaarde uitdrukkelijk, dat een algemeen en gelijk tarief niet zou worden opgelegd aan de Mogendheden, die bezittingen hebben in het Congo-bekken, en dat ieder vrij zou zijn om tarieven naar eigen goedvinden te maken, mits niet boven het gestelde maximum.

Hieruit volgt dus de mogelijkheid, dat niet iedere Mogendheid een gelijk recht zal heffen. Van de eene of andere zou het belang zelfs kunnen medebrengen in het geheel geen rechten te heffen. De Mogendheid nu, die wel of hooger recht heft, heeft dus en voor zicli zelf en voor den eerlijken handelaar,

-ocr page 10-

dien hij beschermen moet, de verplichting om tegen smokkelen te waken, en daarvoor kostbare maatregelen te nemen.

Ik kan die kosten niet onder cijfers brengen, doch wie met de toestanden in Afrika eenigermate bekend is, kan gemakkelijk nagaan, dat ze zeer belangrijk zullen zijn; grooter wellicht dan de bruto-opbrengst van het recht. Men heeft een uitgebreid en vertrouwd personeel noodig, dat niet alleen behoorlijk bezoldigd moet worden, maar ook van al het noodige voor levensonderhoud moet worden voorzien. Daarmede zijn zeer groote sommen gemoeid.

Alleen reeds op dezen grond geloof ik liet stelsel van inkomende rechten in het Congo-bekken doelloos te kunnen noemen. Het belang van den Staat, dien het toch om zuivere inkomsten te doen is, brengt dus mede, om liever naar andere bronnen te zoeken, die veel minder toezicht en perceptiekosten vorderen.

De bewering, dat inkomend recht „de billijkste vorm van belasting is, die op de meest redelijke en zekerste basis is toe te passen,quot; is niets dan een holle phrase, waarvoor ook geen enkel bewijs werd aangevoerd. Het daaraan toegevoegde, dat die rechten ten slotte niet door den handelaar maar door den inboorling gedragen worden, is ook al een argument, dat moeielijk steekhoudend te noemen is, vooral bi] de zoo eigenaardige toestanden in het Congo-bekken. Zal men, om iets te noemen, aan den neger, van wien men voedsel moet koopen, en die voor een zekere hoeveelheid kippen of eieren, bijvoorbeeld 10 zakdoeken ontvangt, kunnen zeggen, dat men aan den Staat 10 % rechten moot betalen, en hem dus nu slechts 9 zakdoeken kan geven? Zal men hetzelfde kunnen zeggen aan inlandsche hoofden, aan wie men rechten voor concessies te voldoen heeft? Aan inlandsche dragers en arbeiders, die voor den handelaar werkzaamheden verrichten ? \'vVie met de practijk in Afrika bekend is, zal moeten erkennen.

-ocr page 11-

— 7 -

dat dit niet zou kunnen geschieden, en dat dus de belasting wel degelijk ten nadeele van den handelaar blijft.

Alleen waar handelsgoederen tegen \'s lands produkten *, geruild worden, zou men kunnen trachten, verkoop- of inkoop

prijs te verhoogen of te verlagen. Dit is eene vrije daad van T handel, die men kan doen of laten. Doch hierbij moet men

vooral toch ook de noodige voorzichtigheid niet uit het oog verliezen. Legt men te veel lasten op den inlander; geeft men hem te weinig voor zijn aan te voeren produkten, dan zal de aanvoer verminderen, zoo al niet geheel ophouden. Vooral bij produkten van weinig waarde, waaruit, in gewicht , verreweg het grootste gedeelte van den uitvoer bestaat, zou men de nadeelige gevolgen al heel spoedig gevoelen.

Ik vermeen genoegzaam te hebben aangetoond, dat ten voordeele van inkomend recht geen enkele proefhoudende bewijsgrond is aangevoerd. Tegen de heffing van dat recht is naar mijn gevoelen zeer veel te zeggen.

Allereerst wordt de handelsbeweging or door belemmerd. Hierbij herinner ik nog eens, dat het Congo-bekken verdeeld ,is onder drie Mogendheden.

De handelaar, die te Banana, gelegen in het gebied van den État-Indépendant, handelsgoederen aanvoert, verzendt die verder naar zijne verschillende in het binnenland gelegen factorijen. Een gedeelte gaat bij voorbeeld naar een factorij in Poruigeesch-Congo; daar betaalt hij het inkomend recht aan Portugal. — Nu worden die goederen ontpakt. Vindt evenwel door de eene of andere oorzaak slechts een gedeelte goeden aftrek, dan wordt het overblijvende naar andere factorijen op Pransch-Congo- of État-gebied ver-^ zonden; doch nu zou hij daarvoor opnieuw inkomend recht

aan Frankrijk of aan den État-Indépendant moeten betalen. De identiteit der goederen is door de ontpakking verloren gegaan; $ van teruggave van aan Portugal betaald recht kan dus geen

-ocr page 12-

sprake zijn. De voordeelen der verplaatsing worden alzoo weggenomen, de vrije handelsbeweging wordt belemmerd. Dit is zeker niet het kleinste bezwaar tegen invoerrechten. Vrijheid van beweging is overal een levensvoorwaarde voor den handel, maar vooral in de binnenlanden van Afrika.

Ten tweede ligt een zeer ernstig bezwaar in de waardebepaling. De in het Gongo-bekken ingevoerde handelsartikelen komen voor in wellicht meer dan duizend verscheidenheden. Hoe moeielijk valt het reeds in beschaafde Staten, betrouwbare gegevens bij de aangifte te verkrijgen. Wat hoort men niet telkens en overal klachten over te lage aangiften, en hoeveel meer zal zulks in die verre gewesten voorkomen! Zijn nu die te lage aangiften nadeelig voor den Staat, nog veel meer zijn ze dat voor den eerlijken handelaar. Scherpe controle wordt daardoor dringend vereischte en allerlei fiscale bepalingen zullen dientengevolge den handelaar bemoeielijken. Zoo worden bijvoorbeeld goederen, voor den Boven-Congo bestemd, van Europa uitgezonden in kleine balen of kisten van ca 30 kilo, goed ingepakt en van stevige, aaneen geklonken ijzeren banden voorzien, ten einde beschadiging en diefstal bij het vervoer door het binnenland te voorkomen. Voor de coutróle zullen althans enkele colli geopend n\'oeten worden, en dan zal het heel wat moeite en kosten na zich slepen om die weder behoorlijk te sluiten. Daarvoor zullen de hulpmiddelen aan de kust meestal geheel onvoldoende zijn.

Ten derde verhoogt het inkomend recht niet alleen den kostprijs der goederen, die voor den werkelijken handel moeten dienen, maar ook van die, waarmede levensonderhoud, werkloon enz. betaald moeten worden. Alle nieuwe vestigingen vorderen groote uitgaven in handelsgoederen, nog voor dat eenige handel kan gedreven worden. Menige proef wordt genomen, die geen vruchten afwerpt. Door nu die kosten te verhoogen, wordt waarlijk het werk der beschaving niet ondersteund, maar verzwaard.

-ocr page 13-

- 9 -

En vergeten wij hierbij vooral niet het belang van zendelingen ; van reizigers met uitsluitend wetenschappelijke bedoelingen, aan wie in Art. 6 der Berlijnsche Akte zelfs bijzondere bescherming werd toegezegd. Om aan die belofte gevolg te geven, zal de Staat verplicht zijn verschillende vrijstellingen toe te staan. Dan ontstaat een nieuwe bron van moeielijkheden. Ook die zendelingen en reizigers hebben handelsgoederen noodig ter betaling van voedsel en werkloon. Gedeeltelijk voeren zij die zelf uit Europa aan, maar voor een groot deel moeten zij zich bij handelaren voorzien, en dit deel wordt dan toch in elk geval duurder.

En hoe wil men ontdekken, of niet nu en dan eens een zendeling of reiziger slechts een masker heeft aangenomen, en in stilte handel drijft?

Er zou nog veel meer tegen het heffen van inkomend recht zijn aan te voeren, doch ik geloof, dat het voorgaande reeds meer dan voldoende is, om de wijziging van-Art. 4 der Berlijnsche Akte te ontraden.

Maar, zal men zeggen, de Staat heeft toch vermeerdering van inkomsten noodig, vooral door de verplichtingen, die hij op zich nam bij de onderteekening der Anti-Slavernij-Akte. Eerst wil ik daarop even zeggen, dat wie een verplichting op zich neemt, vooraf moet berekenen, of hij die zal kunnen nakomen. Het gaat niet aan, om eerst een taak te aanvaarden , en dan later de lasten op anderer schouders te laden.

Maar laat ons eens toegeven, dat de handel wat meer in de schatkist moet brengen, dan is mijn raad; „laat men de nu reeds bestaande uitgaande rechten verhoogen, en ook uitgaande rechten heffen van het Ivoor uit den Boven-Congo, dat tot nog toe vrij was.quot; De inning van dat recht is hoogst eenvoudig. Door verhooging van het tarief zijn geen nieuwe maatregelen, is geen vermeerdering van uitgaven voor den Staat noodig.

-ocr page 14-

- 10 -

Ik stipte reeds aan, dat tot aanbeveling van invoerrecht werd beweerd, dat dit niet door den handelaar maar door den inboorling gedragen wordt. Als dit een argument tot aanbeveling is, kan het even goede diensten bij uitgaand recht bewijzen. Het uitvoerrecht verhaalt de handelaar dan op den inboorling door hem minder prijs, dat is minder handelsgoederen, voor zijn produkten te geven.

Of men invoer- dan wel uitvoerrecht in het Congo-bekken heft, de betalende partij is altijd dezelfde: het is altijd de handelaar. Maar bij uitvoerrecht heeft hij tenminste nog dit voordeel, dat hij pas betaalt, als hij reeds zaken heeft gedaan; als hij de door hem ingevoerde handelsgoederen in Afri-kaansche produkten heeft omgezet. Hij behoeft dus geen grootere kapitalen in zijn onderneming vast te leggen. Van vrijstellingen behoeft bij den Staat dan ook geen sprake te zijn. Immers zendelingen, geleerden, onderzoekers drijven geen handel, voeren dus geen produkten uit. Mochten daaronder vermomde handelaars schuilen, welnu, dan treft de Staat hen toch bij den uitvoer der door hen gekochte produkten.

In de te Brussel gehouden Conferentie werd een voorstel in dien geest ingediend. Daarop heeft men alleen geantwoord, dat de Staat reeds de bevoegdheid daartoe bezat. Ligt in dit antwoord opgesloten, dat men wellicht beide middelen te gelijker tijd wil toepassen? Is dan de veronderstelling wel gewaagd, dat de Staat den handelaar wil treffen op eene wijze, waarvan het overdrevene den oningewijde niet zoo dadelijk in het oog valt? Dat is werkelijk te vreezen. Maar laat men niet uit het oog verliezen, dat in het Congo-gebied, waar uitsluitend ruilhandel wordt gedreven, importeur en exporteur altijd dezelfde persoon is. Legt men hem al te zware lasten op, dan moet hij er onder bezwijken. Do handelaar op Afrika heeft toch al jaarlijks zeer groote

-ocr page 15-

- 11 -

vaste kosten aan salarissen en levensonderhoud van zijn kust-personeel. Is het den État-Indépendant ernst om den handel te bevorderen, onverschillig tot welke natie de handelaar behoort, laat hij dan vooral niet al te veel van diens krachten vergen. De Heer Van Maldeghem heeft in zijne rede, den 2den Juni j.1. gehouden, gezegd, dat het er niet om te doen was om hulpmiddelen te scheppen uit vreemde kapitalen. Laat de État die woorden door daden bevestigen.

De houding, door den État-Indépendant in den laatsten tijd aangenomen, doet echter wel degelijk het opleggen van al te zware lasten vreezen. De Staats-uitgaven worden op ongeveer 8 millioen francs per jaar berekend, en inkomsten zijn alleen van de handelaars te verkrijgen. Eenteniers, die hun levensdagen op buitenplaatsen in het Congo-gebied wenschen te slijten, dus ook eenige belasting kunnen opbrengen, zijn, geloof ik, nog niet voorgekomen. Om nu den handelaar zwaar te kunnen belasten, stelt men het voor, alsof sedert de vestiging van den État-Indépendant de handel sterk is toegenomen, en de winsten in gelijke verhouding zijn vermeerderd. Wie evenwel zelf zaken in die gewesten drijft, bemerkt daarvan niet veel. Tengevolge van goed geslaagde oogsten kunnen wel de uitvoeren soms grooter zijn, maar ik meen te mogen betwijfelen, of de État daarop eenigen invloed kan uitoefenen. Tot nog toe zal hij nog wel geen middelen hebben uitgevonden om b. v. regen te gelegener tijd te doen vallen.

Wat de toename van handel na de vestiging van den État betreft, ik zeide het reeds: wie op den Congo handel drijft, bemerkt daarvan niet veel. Eer zou het tegendeel te bewijzen zijn. Zoo waren bijvoorbeeld in de jaren 1879, 80, 81, 88, 84 de uitvoeren grooter dan in eenig jaar na 1885, het jaar waarin de État-Indépendant gevestigd werd. Het is waar, dat sedert 1885 de aanvoeren van ivoor uit het gebied van den État toenamen, maar dat is voor een deel het gevolg van

-ocr page 16-

- 12 -

verplaatsing van den handel naar den Boven-Congo. waardoor ivoor nu ook niet meer in zoo groote hoeveelheid door den neger naar den Beneden-Congo wordt gebracht.

En wat beteekent nu nog de geheele Congo-handel ? Kan er voorloopig wel ernstig sprake van zijn, om op den handelaar te verhalen de 3 millioen uitgaven, die de Staat heeft?

Ik wil hier de statistiek laten antwoorden, die de État Indépendant zelf uitgeeft in het Bulletin Ofpciél, Februari 1890, No. 2.

Vooraf de opmerking, dat onder „Transitoquot; verstaan moet worden alles wat te Banana wordt aangebracht uit de Portu-geesche Provincie Angola, die niet tot het Congo-bekken behoort.

Er werd uitgevoerd uit het Congo-bekken in 1889, afkomstig uit:

Transito....... 3,262,065 Kilo, waarde fr. 2,582,311.89

Portugeesch Congo . 1,858,193 „ „ „ 1,436,601.95

Fransch „ . 255,093 „ „ „ 256,061.50

Etat-Indépendant . . 6,207,140 „ „ „ 4,297,543.85

Totale uitvoer ----

inclusive Transito . 11,082,491 Kilo, waarde fr. 8,572,519.19

De werkelijke uitvoer uit het État-gebied was dus in 1889: 6,207,140 Kilo ter waarde van fr. 4,297,543.85 en hiervan was:

Uit Boven-Congo:

Ivoor...... 96,466 Kilo ter waarde van fr. 1,929,320.—

Gom-Elastiek. . . 14,277 „ „ „ 49,969.50

110,743 Kilo ter waarde van fr. 1,979,289.50

Uit Beneden-Congo:

Diversen. . . . 6,096,397 „ „ „ „ „ 2,318,254.35

Totaal..... 6,207,140 Kilo ter waarde van fr. 4,297,543.85

Deze cijfers, aan een onwraakbare bron ontleend, spreken duidelijk genoeg om aan te toonen, dat van den handel, voor-

-ocr page 17-

- 13 -

loopig althans, geen genoegzame bijdragen te wachten zijn om de uitgaven van den État-Indépendant te dekken. Men kan toch geen 75 percent recht heffen! De handel betaalt nu reeds, niet alleen 5 % uitgaand recht over handelsgoederen, maar ook enkele andere belastingen, o. a. voor het samenstellen van karavanen van af Matadi. Bovendien wordt dooide Anti-Slavernij-Akte een recht ingesteld op spiritualiën, ten bedrage van fr. 15.— per hectoliter. Daartegen heeft de handel zich niet verzet, en zelf heeft die het voorstel gedaan om bovengenoemd uitgaand recht te verdubbelen, en op 10 percent te brengen, en dan nog uitvoerrecht te gaan heffen op ivoor van den Boven-Congo, dat tot nog toe vrij was.

Het gaat dus niet aan om te willen volhouden, dat de handel niets of bijna niets betaalt.

Sedert eenigen tijd tracht men nu met statistieken te bewijzen, dat de handel in het gebied van den État-Indépendant toeneemt. Zie hier, hoe men daarmede te werk gaat.

Van af 1 Juli 1886 werden de statistieke opgaven dooiden État opgemaakt op den volgenden grondslag van waarde:

Palmolie Fr. 45 p. 100 K.G. Palmpitten „ 20 „ „ „ Ivoor ,, 20 ,, Kilogr.

Grondnoten Fr. 28 p. 100 K.G.

Koffie „ 150 „ „ „

Gom Elastiek ,, 350 „ „ „

De driemaandelijksche statistiek over het eerste trimester 1890, tijdens de zitting der Anti-Slavernij-Conferentie uitgegeven, is evenwel uitgerekend als volgt;

Palmolie Fr. 50 p. 100 K-G. Palmpitten „ 27 „ „ „ Ivoor „ 28 „ Kilogr.

Grondnoten Fr. 30 p. 100 K.G.

Koffie „ 190 „ „ „

Gom Elastiek „ 450 „ „ „

De totale uitvoer uit het Congo-bekken, transito inbegrepen, bedraagt daardoor 4,229,089 Kilo ter waarde van fr. 4,258,044.83, doch zou op den ouden grondslag zijn geweest fr. 3,268,569.37.

De uitvoer, afkomstig uit het gebied van den État-Indépendant

-ocr page 18-

- 14 -

afzonderlijk genomen 3,472,258 Kilo ter waarde vanfr. 2,462,766.74, zou op ouden grondslag geweest zijn fr. 1,857.376.26.

Een aldus samengestelde statistiek kan echter niet tot bewijs voor toename van handel strekken. Slechts oninge-wijden zouden daaruit onjuiste gevolgtrekkingen kunnen afleiden. Een koopman, die in 1888 uitvoerde 100 Balen van zeker artikel, toen ter waarde van fr. 2000.— en in 1889 weder 100 Balen van datzelfde artikel, maar nu, door markt-verbetering in Europa, ter waarde van fr. 2800.— zal niet kunnen volhouden, dat hij zijne zaken heeft weten uit te breiden.

Liever dan mooie statistieken, ziet de handelaar goede resultaten van zijne onderneming in zijne boeken. Nu beweren de Belgische bladen, en de „Timesquot; praat dit na, dat de winsten, die de handel behaalde sedert de vestiging van den Etat-Indépendant, belangrijk zijn toegenomen. Of dit bij particuliere Engelsche, Fransche of Portugeesche handelaars op den Congo het geval is, kan door mij noch worden tegengesproken, noch bevestigd. Raadpleegt men evenwel de dividenden van de Nieuwe Afrikaansche Handelsvennootschap te Rotterdam, dan vindt men daarin de bevestiging niet van het beweren der genoemde bladen. Zij deelde uit over:

1879/80 28 %

1881 17 %

1882 7i %

1883 121 %

1884 5 %

1885 niets

1887 9 %

1888 5 %

1889 13 %

Met die cijfers is intusschen noch voordeel, noch nadeel van de vestiging van den État te bewijzen. Goede oogsten van grond-noten en andere produkten oefenen grooten invloed uit op de winst- en verliesrekening, en om dus de oorzaken van nadeelige of voordeelige resultaten na te gaan, moet men alle gegevens kennen, die daartoe hebben medegewerkt.

-ocr page 19-

- 15 -

De Nederlaudsche Regeering heeft naar mijne meening wijs gehandeld door tegen te houden, dat een zoo gewichtig vraagstuk ais de wijziging van art. 4 der Berlijnsche Akte onvoorbereid tot oplossing gebracht werd in eene Conferentie, die niet met dat doel was opgeroepen; in eene Conferentie, wier zittingen geheim waren en waarin de handel zijne bezwaren niet kon laten hooren. Zij hield haar standpunt vol, een standpunt,-dat ook aanvankelijk door Amerika werd ingenomen. Dat Nederland een klein land is, heeft met de zaak niets te maken. Maar in den Congo-handel mag Nederland wel een enkel woord meêspreken. Immers, van den totalen uitvoer uit het Congo-gebied in 1889 bedragende:

11,082,491 Kilo ter waarde van fr. 8,572,519.19,

ging naar Nederland: (1)

6,438,312 Kilo, ter waarde van fr. 6,127,551.79.

Ik geloof dat ieder, die de zaak goed onder de oogen ziet, de Nederlaudsche Regeering dank zal weten voor haar ferme houding. Niet alleen de Nederlanders, maar ieder, van welke natie ook, die bij den Congo-handel belang heeft. Reeds bleek het, dat ook de Kamer van Koophandel te Liverpool geheel hetzelfde wil, en zeer zeker zullen nog wel anderen in gelijken geest zich tot hunne Regeeringen wenden.

Men heeft getracht, de meening ingang te doen vinden, dat door de houding der Nederlaudsche Regeering de Anti-Slavernij-Conferentie doelloos werd. Maar ook die voorstelling is onjuist. Nederland heeft daarvoor alle maatregelen helpen goedkeuren, ook die, waarbij een recht op Spiritualiën werd vastgesteld. Men heeft evenwel niet willen toelaten, dat Nederland de Anti-slavernij-Akte afzonderliik zou teekenen.

1

Zie Bulletin Ofliciel, Febr. 1890.

-ocr page 20-

- 16 -

Men wilde die akte niet losmaken van de akte der Invoerrechten op koopwaren.

Is de Conferentie nu doelloos geworden, dan ligt de schuld niet aan Nederland, maar aan hen, die de twee akten bijéén wilden houden.

Ik hoop, dat mijne beschouwingen er toe zullen bijdragen, dat men zoowel in het Binnenland als in het Buitenland, de houding der Nederlandsche Regeering zal waardeeren; dat van wijziging der Berlijnsche Algemeene Congo-Akte vooreerst geen sprake meer zal zijn; maar tevens, dat voor den État-Indépendant andere hulpmiddelen zullen gevonden worden, om in zijne behoeften te voorzien, al moeten die dan ook voor een deel door den handel worden opgebracht.

Gebeurt dit alles, dan is het doel van mijn schrijven bereikt.

EEN KOOPMAN.

Juli, 1890.

-ocr page 21-
-ocr page 22-

- I

1

fe--

rvH--?

/ s \'j:-\\\',r_\' . ■ \'■\'\' ... _ , ,, _ . .,

J?-rês? W\' ^Si

kffm-

jf4

.■■■•gt;\' ■■r

^ -

i ■-■-\'■■-• ,, \'-vquot;-; •- .-,; ;\'^|

i- ■\' \' ; - •... v..\'- quot;:.-. - : ;.--.T«■ »? \'

^gt;0:€

.4 C ■. A . ? \\ ---^\':t: -5^;?

:;;;■ : \\ v-v

i ; .; lt;-i, _ • \'•lt;gt; ^ ••* - • . . \'--\'— - -quot;-\'■ \'*-\\ -.5

^r,v

M

©

\'I-t

• ;

- -

\'V v:ï

quot;..■ •#;

Lri:-;-

yfe

3 ^ :

r--\'- -. ; ■amp;

v...-; . ■;

.v

s

.-5gt;:

l0:%^ryylt;

.lt;

y\'^v-»; -.v:

amp;f.

ir , ■ -

.

1

r ;

:v-

■-V

t

*\'■

■ y -^^*. vquot;\'- \'•,-1 jr-7\' vv~

\'■quot;J- - ■ m ■

V

: 1

;v;x;;

•\'T-iJ^

H

•- ,

^ ■/ ■quot;.

?•»amp;

■■

M

m

v:ySx*?§--

:jéamp;.

- :*i/-

r^^-. ^::r/i :.\'

v.T-:\'-:U:;\'

-■■^..

■ c ■ -

.

m

ste

^ quot;\';-i\'

-■;lt;■-

\' V, -K.-v

?; \';

-V

1\'- : - ^ ,

\'iVi-\'S-*;

■Wéé*

Tgt; \'quot;- -Vgt;%

^vr-

v^,

iyfc;

■iv~-.

- .\' gt;\'

„r\'r\'quot;.* gt;,!v?;

-Ê..

■... ■ ■

iiil ,-x-; ^ •; ^ .■

yJ:%amp;

quot; m

-.te\'^

. :\'-•

,V^

■•-

\': -

i

^ 1

\' / - V;

w*-

■*famp;

Oc t-

■y.\'Si

\'1-\'

^V^r- \'-\'■r./\'\\S \'■\'. r ••-f\'

gt;^V4 j ■quot;- \'-, \' •■ i-

::m^i

quot;WÊ

■amp;:\'js0x

■vlt;-gt;--V

;s

.. : . _ -

.-• ■- r^quot; \'

:;h

7yy?$£

\' V-;r- ,\',■_ :-v;\'\'v - \'quot;

VV^i

-a.

A T- r --

:• gt;gt;■ quot;•■

:■:amp; :amp;£*

■.v-

. • ■••■\'

.\'A* i ■\'...:*

éèÊ

m

M.

^jiX?4

■ramp;é:

—•■ii\'- r..- ../lt;

mi

vtv^cufe;:

.%■

-ocr page 23-
-ocr page 24-