/Sj 3 Ï/22Z~ Z/
fVv-i^^W, l\\.
OPENBARE BRIEF
AAN
de Edelachtbare lleeren Leden van den Raad der Gemeente Haarlem.
HAARLEM, April 1893.
Aan
de Edelachtbare Jleeren Leden van den Raad der Gemeente Haarlem,
Sbclaclltfiaza cSeczcn!
Toen in Uwe Vergadering van 2 Maart 1893 Let voorstel: de verplichte keuring der publieke vrouwen af te schaffen, met 20 tegen 9 stemmen verworpen werd, en de onbevoegdheid der gemeente tot het verbieden der bordeelen zeer beslist was uitgesproken, waren wij niet meer begeerig naar eenige wijziging van de bestaande verordening op de bordeelen. Toch prikkelde ons de nieuwsgierigheid wel eens, te zien, hoe men de verordening dan nu wel wijzigen zou. Deze nieuwsgierigheid was niet geheel zonder belangstelling in de wijziging, want de éune wijziging heeft onze antipathie minder dan de andere. Eindelijk komt het „Ontwerp-verordeningquot; van 17 Maart 1.1. waarop wij bescheidenlijk, maar met klem eenige op- en aanmerkingen U wenschen voor te leggen.
Ze zijn de volgende:
De ontwerper is uitgegaan van de navolgende beginselen: le. „Uitsluiting van elke vrijheidsbenemingquot;. Een schoon beginsel voorwaar. Maar nu de toepassing? Een woord is altijd nog maar een woord. Volgens het aanhangige concept vervalt de keuring der publieke vrouw. (?) Goed, wij zien de werking van het beginsel. Maar, in één adem vermeldt datzelfde concept het, „Voortaan reikt de overheid eene gezondheidspas uitquot;. Waar blijft nu de „Uitsluiting
4
van elke vrijheidsbeneming?quot; Waarlijk, we zien ze niet, en ons dunkt, dat zij er niet is ook.
2e. //Zoo min mogelijk dwang!quot; Punt 2 volgt zeer natuurlijk uit n0. 1. Ge verwacht dan ook, dat de nieuwe verordening den weinig ondervonden dwang van de oude nog minder zal maken. En dat is niet gezocht. Vol hoop slaat ge het concept open, ge
leest en herleest, ge leest het nog eens, maar.......begrijpen
kunt ge het niet. Wat toch staat er? ,;Het toezicht breidt men uit, niet alleen over de publieke vrouw, neen ook over de clandestine,
ook over......ge raadt het in geen tienen, over die meiy\'es,
die wat vele malen van vrijer verwisselenquot;. Och, wees zoo goed, en lees het onder 2 genoemde beginsel nog eens na? — Kunt ge U begrijpen, dat men van dat beginsel uitgaande, voorschrijft, eene gezondheidspas, geldig voor 4 maal 24 uur, te kunnen ver-toonen, wil men de bedreigde straf misloopen? Uwe verwondering stijgt nog, als ge aan punt 4 der „beginselenquot; komt: „De overheid moet, ter wille van de hoogheid van het haar toevertrouwd gezag, zoo weinig mogelijk rechtstreeks met het toezicht op de naleving der in het belang der gezondheid op dit gebied vastgestelde maatregelen worden belastquot;. De prostitutie brengt de hoogheid der overheid in gevaar; daarom van haar geen, of zoo weinig mogelijk toezicht. De keuring verzwaren, en laten gaan over bijna alle verdachten, maar het toezicht verminderen! De overtredingen straffen, streng, ja zeer streng zelfs; maar ge moet de overtredingen
uiet streng nagaan...... dat brengt U als Overheid in gevaar.
Maar, denkt de ontwerper dan niet aan de gevolgen van zoo weinig toezicht? Zeker! Luistert; punt 5 zegt het TJ.
Ge leest daar: „In het belang der openbare gezondheid meet krachtig in de hand gewerkt worden, dat personen, die door eene aanstekelijke ziekte zijn aangetast, zich zoo spoedig mogelijk onder geneeskundige behandeling stellenquot;. Finantiëelen steun zal nen daartoe geven (punt 6). Maar van toezicht houden van harentwege
geen...... Lees eens punt 7, en ge vermoedt reeds terstond,
waarom het woord in de pen blijft. Daar leest ge:
„Streng en Dagelijkse]) toezicht op bordeelen en openbare huizen van ontucht is noodig. De politie moet daarin te allen tijde kunnen binnentredenquot;. Geen toezicht dus — denkt aan \'t gevaar rechts; wel toezicht — denkt aan \'t gevaar links. Maar dat
kan niet. Een gezond verstand zegt: «een van beide moetquot;. Géén toezicht — dan laisser faire. Of wel toezicht — maar dan zoo streng mogelijk.
Punt 9 zal de Politie nog al wat moeite veroorzaken.
«Het op den openbaren weg uitlokken tot het plegen van onzedelijkheid moet worden tegengegaanquot;. — Deze //beginselenquot;, zoo zegt de ontwerper, hebben ons bij het maken van het ontwerp geleid.
Mij dunkt, dat het hier de plaats is, eens na te gaan, in hoeverre de ontwerper de bedoelingen van de Hooge Regeering, neergelegd in hare aanschrijving van 24 Mei \'92, heeft geëerbiedigd. En dan vreezen wij, dat dat onderzoek niet ten gunste van den ontwerper uitvalt.
Wat wil toch de Minister? Hij wil afschaffing der verplichte keuring van de publieke vrouw, op grond van \'t beginsel sub 1 genoemd. Daarom stelde ZExc. wijziging, intrekking van artt. 15, 16 en 25 voor. Wilde ZExc. de verplichte keuring behouden, dan ware wijziging der artt. bovengenoemd onnoodig. De bedoeling des ministers is glashelder. Dit blijkt duidelijk uit het antwoord van den Haagschen Gemeenteraad, n. 1. „dat hij (de Eaad) de verantwoording voor de volksgezondheid niet aanvaardt en de Minister moet weten wat hij doet.
Duidelijk blijkt het uit de intrekking der reglementeering te Nijmegen.
En dat bij Koninklijk besluit van 21 Jan. \'93 de bepalingen betreffende de verplichte keuring van de Goudsche Verordening vernietigd zijn is tevens een bewijs, dat het den minister ernst is.
Ja, de Commissie voor Strafverordening stelt ook voor, de verplichte keuring af te schaffen, maar voert ze onder pseudoniem (gezondheidspas) weder in. Eene gezondheidspas wordt immers niet uitgereikt, dan na een streng medisch onderzoek? Mij dunkt, dat dit lijnrecht tegen de bedoeling der Hooge Eegeering gaat. Is het iets anders dan misleiding?
Maar kan het ook anders, als men een ontwerp maakt, dat moet beantwoorden aan de drie volgende stellingen:
1°. De Hooge Regeering eischt afschaffing van de keuring.
2\'\'. De Gemeente eischt vasthouding aan de keuring.
3quot;. Ieders vrijheid (persoonlijke) moet geëerbiedigd.
Aan deze cisehen mnest de ontwerper zijn ontwerp toetsen.
ö
Is het geen persoonlijke vrijheidsbeneming. Gemeenteartsen te verplichten, ieder, die een pas wil hebben of beweert ziek te zijn, kosteloos te onderzoeken? Art. 5 verplicht hen daartoe. Gebiedt art. C niet verplicht verblijf in een gasthuis? Staat dat niet gelijk met onwettige vrijheidsberooving? Ik vraag maar.
Art. 3 zegt: „Aan ieder wordt op zijn verzoek een gezondheidspas uitgereiktquot;, (om ontucht te mogen plegen).
Deze uitreiking der gezondheidspassen moet dienen, om aan den eisch van de Hooge Eegeering te voldoen. Maar deze passen kan men niet machtig worden, zonder zich aan een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen. Waarlijk, twee vliegen in één klap: aan den eisch van de Hooge Eegeering: geen verplichte keuring en aan den eisch van de gemeente: v:el verplichte keuring wordt voldaan door de omzetting van: verplichte kenring in „gezond-heidspassenquot;.
Maar als men geen gezondheidspas verzoekt, wat dan? Wan wordt praetisch aan den eisch van den Minister voldaan, maar dan niet aan dien der gemeente. Handhaaft men de verordening, dan heeft het omgekeerde plaats.
Veroorloof mij nu de vraag: Is dit ontwerp-verordening uitvoerbaar?
Immers is het U niet onbekend, dat onder de strenge bestaande verordening niet één publieke vrouw zich aan de verplichte keuring onderwerpt, dan alleen zij, die in het erkende bordeel is.
Indien dit ontwerp wet wordt, zal zich dan wel iemand laten keuren, om eene gezondheidspas machtig te worden?
Hoe zal men art. 7, 8 en 9 handhaven? Door eene aan te stellen sterke zedenpolitie, die dienst moet doen tot persoonlijke vrijheidsberooving, door prostituees te dwingen, eene gezondheidspas te nemen, m. a. w. zich te laten keuren?
Wie zal bewijzen voor art. 8 bijbrengen?
De politie kan de artt. 7, 9 en 10 niet nakomen. Maar indien wel, waarom doet men het dan nu niet? De bestaande verordening geeft daartoe het recht.
Doch in welke gevallen dan wel toezicht? Eerst danquot;, zooals de inleiding van het ontwerp aangeeft, „als er klachten rijzenquot;. Dus dan, als er vele slachtoffers gevallen zijn, eerst dan zal de politie zich er mee bemoeien.
7
En wat /al deze dan gaan doen?
Men kan de bedoelden in artt. 7, 8 en 9 immers niet dwingen om zich te laten keuren? En wie zal bewijzen bijbrengen voor de feiten in deze artikelen bedoeld? De slachtoffers zelve wilier het ons Middernachtzendelingen nog wel eens bekennen; maar als ze weten ds.t ze gestraft worden, dan is het te dwaas van haar bekentenis te verwachten. En wie anders zal de schuldige aanwijzen? De mannen, die geen straf te duchten hebben, wijl artt. 7 en 9 alleen de vrouw strafbaar stelt? Niet anders dan wanneer ze grof bestolen zijn.
Hoe zal men het toezicht langs dezen weg op mannen toepassen? Begrijpt de ontwerper dan niet, dat men met art. 8 nooit een man, die zich aan datgene schuldig maakt, waarvan in het art. sprake is, vatten kan? Wie zal bewijzen, dat hij door eene aanstekelijke ziekte is aangetast, als hij buiten echt geslachtsgemeenschap uitoefent? Wie zal daar aangifte van doen? Hijzelf? — Wie dan? Wel, het strekt den ontwerpers in een zekeren zin tot eer, dat zij zon onbekend zijn met dezulken, die zich aan bedoelde laagheden schuldig maken, \'t Strekt hun tot eer, dat zij de bordeelhouders volgens de inleiding niet kennen, anders konden zij niet gelooven, dat deze uit eigenbelang de bezoekers vragen zullen naar eene gezondheidspas. Wij, Middernachtzendelingen, hebben hen zoodanig leeren kennen, dat ze uit winstbejag hun evenmensch tot een ding, een werktuig, een koopwaar, iets dierlijks gebruiken. Vleit u toch niet met de meening, dat uit een zedelijk en hygiënisch oogpunt de reglementeering bevorderlijk is. In de beste (?) verordening der reglementeering zit een giftangel, die juist de gevreesde ziekte bevordert, de zeden verderft. En het goede, dat in zulk eene verordening wordt bedoeld, is niet uit te voeren, hoe gaarne men dat ook wil. Zal men nimmer begrijpen, dat een wet, waarin men tot het plegen van ontucht verlof geeft en het tegelijk strafbaar stelt, dat zulk een wet onuitvoerbaar is? Wij moeten toch rekening houden met het feit, dat zulke wetten in toepassing gebracht moeten worden. Ook dit ontwerp is immers niet ontworpen, om de bordeelen te behouden of opdat het ontucht plegen geen schande zal zijn?
In de inleiding is er sprake van een ruime omschrijving van art. 10 en dit is ten volle waar. Art. 10 heeft geen grenzen!
Als dit ontwerp wet wordt, dan kan iemand op grond van art. 10 aanvrage doen tot het oprichten van een huis om daarin de zonde te plegen, waartegen de Doode Zee nog tot een getuige is. Als art. 10 aangenomen wordt, dan zal de Eaad moeten beslissen voor het oprichten van zulke huizen. Gaarne gelooven wij, dat de Commissie niet aan zulke huizen gedacht heeft, maar gezocht is het niet. Waar den bordeelen recht van bestaan verleend wordt, is het te verwachten, dat zulk een aanzoek kan gedaan worden, want — een bordeel is niet zelden de plaats, waar de ontucht in de schandelijkste vormen bedreven wordt.
Overigens omschrijft dit art. en art. 11 niets meer dan de arlt. 2 en 4 van de bestaande verordening.
Volgens deze artt. mag geen rendez-vous of soortgelijke inrichting zonder vergunning van den burgemeester bestaan. Toch laat men ze ongemoeid. Ja zelfs, als de bewijzen van het plegen van ontucht geleverd zijn, ja ook, als de overtreedsters gestraft zijn, dan nog krijgt men op de vraag: „Kan dat huis nu ook verboden worden, wijl de houder geene vergunning heeft?quot; ten antwoord van de Overheid: „Neen, want zij zeggen, dat zij het niet meer doenquot;-Eerst dan, als ze herhaalde malen gestraft zijn, dan zou men er toe kunnen overgaan. Enkelen uwer weten, met welk eene moeite en beleid we eenige bewijzen machtig kunnen worden. Hoe moeilijk we de meisjes kunnen bewegen, ons tot getuigen te dienen, zonder wier getuigenis wij geheel machteloos staan tegenover genoemde huizen. Waar nu de overheid zich volgens de inleiding van \'t ontwerp nog meer zal gaan terugtrekken, dan bij de bestaande verordening, wat wil men dan toch met: „De aan den burgemeester en aan de politie tegenover deze inrichtingen gegeven bevoegdheden zullen hen in staat stellen, daarop eene strenge controle te houden en alle misbruiken krachtig tegen te gaan.quot;? Of weerspreekt deze aanhaling niet ten duidelijkste de volgende: ;,Ook het toezic\'it hebben van gezondheidspassen zal in de meeste gevallen, niet rechtstreeks door haar worden gehouden.quot;? Immers alleen de gezondheidspassen kunnen, volgens het nieuwe ontwerp, door de overheid gebruikt worden, om haren invloed op de bordeelen te laten gelden. Hoe zal de politie daarmede de artt. 23, 25 en 26 handhaven? Door bedoelde huizen geregeld met een politiepost te bezetten?
9
Om niet te uitgebreid te worden zal ik de overige artt. laten rusten. Vergunt mij U nog te wijzen op het volgende;
Wij verzoeken U beleefd doch dringend: „Laat u niet vervoeren door de begeerte, spoedig van dit onderwerp af te zijn, om dit ontwerp tot wet te maken. Gelooft ons: er is aan de reglementeering zooveel ellende verbonden. Bedenkt wel, dat de regleraenteering de steun is van den handel in blanke slavinnen.
\'t Is waar, er is besloten in uwe vergadering van 2 Maart \'92, om de bestaande verordening te wijzigen met behoud der verplichte keuring. Doch waar Ge nu van regeeringswege verzocht zijt de verplichte keuring op te heffen of zoodanig te wijzigen, dat elke persoonlijke dwang desbetreffende uitgesloten worde, kan dit ontwerp althans niet dienen, zonder den Minister van Binnenl. zaken te misleiden. En bovendien kan men, naar aanleiding van de ministeriëele aanschrijving, op het genoemde genomen besluit van 2 Maart \'92 terug komen. En waar in \'t vorig ontwerp van 20 Nov. \'91 het navolgende voorkomt: «Naar onze meening weegt het nut, dat de bestaande verordening met hare verplichte keuring mag opleveren voor de openbare gezondheid, niet op tegen bet nadeel, dat zij aan de openbare zedelijkheid toebrengtquot;, èn — om dit nog eens te zeggen — de verplichte keuring van Hooger Hand verboden is, èn daar de Gemeenteraad van oordeel is dat het toestaan tot het houden van bordeelen zonder verplichte keuring gevaarlijk voor de gezondheid is, kan o. i. de Gemeenteraad om deze redenen niet anders dan de reglementeering der ontucht opheffen en de bordeelen verbieden. Dit zou de heer Mr. Rethaan Macaré op uwe vergadering van 20 Nov. \'91 hebben voorgesteld, indien hij zich niet had gestooten aan de artt. 250 en 452, wetboek van strafrecht, en art. 188, gemeentewet, en art. 34 der wet van 28 Juni 1881 Staatsblad No. 97, inhoudende, in welke gevallen de daarin bedoelden strafbaar zullen zijn. Omdat de algemeene Eijkswetgever in genoemde artikelen de woorden „bordeelhouderquot;, „bordeelquot; en „bedrijfquot; gebruikt heeft, geeft hem dit den grond, waarop ZEd. gelooft, dat bordeelhouden als een bedrijf door den Staat wordt erkend, en de gemeenteraad daardoor onbevoegd is, de bordeelen te doen sluiten.
Maar indien dit het geval was, zou dan het Wetboek van strafrecht met het oog op art. 241 niet met zich zelf in strijd zijn?
10
Indien de regeering het doen plegen van ontucht uit winstbejag door een\' derde als een bedrijf erkende, moest iemand, die een bordeel wil houden, dan niet, in plaats van een vergunning van den Burgemeester te verzoeken, een patent aanvragen? Maar aan niets minder dan daaraan denkt de Hooge Regeering.
Indien het waar is, dat de algeraeene Rijkswetgever 7,ich heeft vergist, door de woorden „bordeelhouderquot; en ,,bedrijfquot; te gebruiken, zooals Ds. H. Pierson ze domme fouten noemt en zegt: „want in de wet mag niet staan: „oplichters, dieven of moordenaars worden gestraft met, enz. Men schrijft: „hij die een diefstal, die een moord pleegt.quot; „De Staat kent zulke beroepen niet eens en hij mag ze dus nog veel minder erkennen;quot; zoo is het dan een fout, dat de Rijks wetgever het woord „bordeelhouderquot; en die andere heeft gebruikt. Doch dan heeft de Hooge Regeering deze fouten erkend, door Venlo, Utrecht en anderen in het verbieden der bor-deelen te laten begaan en te bestendigen. Doch die zich stoot aan deze artikelen, houde de bordeelen niet staande, maar make de Hooge Eegeering daarop opmerkzaam, opdat we spoedig verlost worden van bedoelde hinderlijke fonten. Doch, nu behoeven de bedoelde artt. ZEd. niet meer hinderlijk te zijn, want hij staat nu toch voor een dilemma. Met dit ontwerp wordt hij toch in elk geval een overtreder der wet.
Laat u daarom, geachte vertegenwoordigers van Haarlem\'s burgerij, door bedoelde vergissingen niet terug houden de bordeelen te verbieden, maar volgt Nijmegen, waar kort geleden, 10 Dec. 1892, dit heeft plaats gehad.
Laat U daartoe niet terug houden door onnoodige bezorgdheid, als zou het strafbaar stellen van het ontucht plegen uit winstbejag door een derde schadelijk zijn voor de volksgezondheid.
l)r. Berends heeft 10 Dec. \'92 in den Nijmeegschen gemeenteraad onder meer het volgende meegedeeld:
„In 1845 werd in Berlijn geklaagd over de schromelijke gevolgen der opheffing van de bordeelen.quot; „Maar,quot; zoo vraagt Dr. Berends: //Waarom heeft men dan die inrichtingen in 1856 ten derde male opgeheven en toen voorgoed?quot; En zijn antwoord is: „Men deed dat alleen om den voortgang, welke de venerische ziekten maakten, niet om de moraliteit.quot;
u
Dr. Berends wijst op statistieken, die aantoonen, dat op 100 onderzochte publieke vrouwen buiten bordeelen 24 besmetten waren en op 100 in een bordeel 1 besmette en vraagt dan;
«Maar wat was er gebeurd om een dergelijke statistiek te verkrijgen? Men had 100 prostituees van de straat onderzocht en daarvan 24 besmet gevonden, en — 4 bordeeldeernen te zamen quot;100 maal onderzocht, en 1 besmet gevonden. Nu zou ieder meenen, dat 1 van 4 eigenlijk 25 per honderd uitmaakt. Zoo niet onze statistiekraakers? De cijfers 34 van 100 straatprostituées en 1 van 100 uit bordeelen werden eenvoudig op alle prostitutie bij multiplicatie overgebracht en zoo kwam men dan aan die tot het belachelijke toe dwaze cijfers, die nog overal naschrijvers vinden.
Over den verschrikkelijken toestand in Engeland na de afschaffing van het onderzoek in de bordeelen, is jarenlang veel geredeneerd, men mag wel zeggen geschetterd door Dr. üooremalen e. a., maar Engelsche geneeskundigen, o. a. Prof. James Stuart e.a., zijn zelf tegen die beschouwingen opgekomen. Ook hier waren onjuiste statistieken in het spel. Men stelde b. v. een onderzoek in op 5 verschillende plaatsen, en had bij de berekening van de mannelijke bevolking eenvoudig vier duizend jongens van matrozen-instituten medegeteld. Toen die weggelaten werden, verkreeg de balans een geheel ander aanzienquot;.
Ten slotte zij nog opgemerkt dat de Inspecteur van Geneeskundig Staatstoezicht voor Gelderland en Utrecht een briefje aan den Nijmeegschen Burgemeester had geschreven. Dr. Berends zegt: „In dat briefje was meegedeeld, dat na de opheffing der bordeelen te Utrecht de geheime prostitutie schrikbarend was toegenomen, en werden de namen genoemd van nieuwe geheime huizen van ontucht aldaar. Het antwoord van de bevoegde macht te Utrecht op de vraag; wat van die mededeeling waar was, luidde echter, dat de als nieuw opgegeven Jmizen reeds van te voren lestonden.
Dezelfde Inspecteur meldde dat de Burgemeester van Harderwijk had verklaard: ««dat reeds écn half jaar na de invoering der verordening waarbij de openbare huizen van ontucht zijn verboden, de geheime ontucht aldaar met hare gevaarlijke gevolgen duidelijk merkbaar isquot;quot;. «Op een gestelde vraag naar de waarheid
12
van die kennisgeving, is ons eerst een telegraphisch antwoord geworden, met hel kort bericht: Onwaar, en wel van iemand, die van de toestanden te Harderwijk beter kan ingelicht zijn dan de Inspecteur en van onverdachte waarheidsliefde.
Dit kort bericht werd door een later, breedvoeriger, bevestigd en reeds was toen in het Veluwsch Weekblad een stuk van Ds. Ten Kate verschenen, dat het gesprokene van den burgemeester van Harderwijk had weerlegdquot;.
Mij dunkt genoeg om U van genoemde vrees te ontdoen en het voorbeeld van Venlo te volgen, waar bewijzen geleverd zijn, dat tegen de geheime huizen van ontucht wel degelijk maatregelen mogelijk zijn.
Hooggeachte Gemeenteraadsleden, ziet op Colmar en volgt haar voorbeeld en ge hebt een weldaad aan Haarlem bewezen.
Met de meeste hoogachting
Uw Dw. Br.
K. TAEKEMA.