-ocr page 1-
-ocr page 2-

DE GESCHIEDENIS ONZER VOORVADEREN

cierr

EEXJW,

DOOR

M. H. J. P. THOMASSEN.

u Wl?

F ..v

V.-N

/Ki /*- \'

j eisabTHEEK DER

■ ^ksuniversiteit

C i V T RECHT,

MAASTRICHT,

Stoomdrukkerij van » Le Coi rrikr de la Meuse

1S02

RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT

1897 9348

-ocr page 3-
-ocr page 4-

IlSTLZBIZDinSTGI-.

Gebeurtenissen en feiten uit lang vervlogen tijden, hoe onbeduidend deze op zich zelf ook mogen zijn, krijgen eene bijzondere aantrekkelijkheid en vermeerderen in waarde, wanneer zij door tijdgeiiooten en ooggetuigen worden verhaald. Te meer nog verdienen zij onze belangstelling, wanneer de schrijver zich als een goed waarnemer en trouw verslaggever doet kennen.

Deze overwegingen spoorden ons onlangs aan, vooreerst eenige aanteekeningen te verzamelen, bij het doorbladeren van het werk getiteld; „ El felicissmo via je d\'el muy alto y poderoso principe Don Phelippe, desde Espana a sus terrias de la baxa Alemana quot; enz. Antwerpen, Martin Nucio 1552. Wij zeggen doorbladeren, aangezien de inzage zich bepaalde, met uitzondering van enkele onder-deelen, tot een oppervlakkig kijkje in dezen foliant van ongeveer 700 bladzijden. Eene aandachtige lezing van het geheel is vooreerst tijdroovend en de inhoud hiervoor over hot algemeen te weinig belangrijk.

Dit werk werd geschreven door Juan Christobal Galvete de Estrella, die Filips op zijne reis naar de Nederlanden vergezelde.

Galvete, afkomstig uit Barcelona, was priester en zon de biechtvader van Karei V zijn geweest. Als priesters vinden wij onder \'s Prinsen gevolg slechts genoemd: Pedro de Gastro bisschop van Salamanca, doctor Gonstantino beroemd om zijne geleerdheid en welsprekendheid,

-ocr page 5-

Bernard de Fesneda overste der Franciscanen, en Sancies de Arel-liano. Verder wordt nog gesproken van vele capellanos, onder wie Galvete dus ook zou moeten gerekend worden. Galvete nield op deze reis trouw aanteekening van al de merkwaardigheden, die hem in het gevolg van Filips bij zijne bezoeken aan de verschillende steden trofien. De beschrijving der feestelijkheden en versieringen, ter eere van den Prins-troonopvolger aangebracht, neemt evenwel de voornaamste plaats in.

Vele bladzijden zijn in beslag genomen voor de aanhaling der inschriften en chronogrammen, vergezeld van eene Spaansche vertaling. De schrijver treedt op enkele plaatsen in geschiedkundige bijzonderheden of rept een woord over zeden, gebruiken of merkwaardige gebouwen en instellingen in de Nederlanden.

Galvete de Estrella schreef nog:

1) Joannis Christophori Galveti Stellae ad Alvarum Toletum Albae ducem encomium. 4° Antwerpen.

2) EjusJem munuscula ad Didacum Spinosam S. R. E. cardinalem. 4°.

3) Ei tumulo imperial, adornado de Historias y letreros y epita-phios en prosa y verso latino. Valadolid 1559, 4°.

4) Joannis Christophori Galveti Stellae de Aphrodisio expugnato, quod vulgo Aphricam vocant, commentarius Antverpiae apud Mart. Nutium 1551. Dit laatste werkje van 54 bldz. kl. 8° mochten wij inzien.

G-uicciardini heeft in zijne algemeen bekende beschrijving der Nederlanden hier en daar uit Galvete geput, zonder naar de bron te verwijzen (1).

Onze landgenoot Ortelius legt de volgende verklaring af omtrent zijn tijdgeiioot: „Joannes Galvetus Stella, Hispanus, scripsit sua „ lingua itinerarium Philippi, Hispaniarum regis, per omnes has „ regiones (Germaniae inferioris) in quo multa lectu digna, quae ad „ cognitionem harum regionum et civitatum facere videntur, inseruit quot;.

Ulloa maakte op groots schaal gebruik; van het werk in quaestie voor zijne levensbeschrijving van Karei V, waarin de reis van

(1} Pontus Heuterus een tijdgenoot, die bij de overdracht der regeering van Karei V aan Filips tegenwoordig was, verklaart ...» a quo (Galvete) non pauca I.n-dovicus Guicciardinue, stippresso anctoris nomine, in Belgica descriptione est mutu-atus quot;. (Ponti Keuteri Delfii opera historica omnia. Rerum Austriae. L. XIII p. 306).

-ocr page 6-

Filips breedvoerig wordt behandeld. Wellicht heeft geen schrijver meer dan deze Venetiaan, uit Estralla\'s verhaal overgenomen (1).

Het werk is nooit in het latijn vertaald, zooals ten onrechte werd beweerd (2).

De opdracht aan den Keizer is voorafgegaan dooi- eenige verzen van A.dolf Meetkercke uit Brugge, ter eere van den schrijver en van Karei V geschreven.

Het zeer beknopte uittreksel of onderdeel dezer reisbeschrijving, dat wij ten beste geven, heeft wel is waar geene groote geschiedkundige waarde. Toch achten wij enkele der vermelde feiten de belangstelling van den beoefenaar der Maastrichtsche geschiedenis overwaard. Wij waagden het daarom onzen gewustgenooten vooreerst dez9 aanteekeningen aan te bieden ; verder een schets van den toestand in de Nederlanden onder Alva\'s bewind en eene hoogst belangrijke bijdrage tot de kennis der zeden en gewoonten onzer voorouders beiden door Spanjaarden der i6de eeuw geteekend, in de hoop, dat een en ander voor den opbouw van een meer degelijk historisch monument, later van eenig nut mag zijn.

§ I. Reis van Filips doge de Nederlanden; zi.in bezoek te Maastricht in 1550.

Karei V wenschte zijn eemgen wettigen zoon en troonopvolger, die den leeftijd van 21 jaar had bereikt, met de Nederlanders in kennis te brengen en noodigde hem uit, zich herwaarts te begeven.

Filips wordt ons op dezen leeftijd voorgesteld, als een lichtblonde jongeling, met blauwe oogen en een fijnen, gebogen neus, wiens gelaat eenigszins werd ontsierd door den dikken onderlip en de zware onderkaak, eene eigenschap, die de leden van het Oostenrijksche huis gemeen hadden. Hij was van middelmatige lengte, slank van gestalte en goed geproportioneerd. Steeds smaakvol gekleed, vertegenwoordigde de jonge Prins met zijne statige manieren en hoogmoedige onverschilligheid het toonbeeld van den deftigen en trotschen Castiliaan,

(1) Vita del Imperator Carlo V descritta dal S. Alfonso Ulloa enz. S*10\' uitgave. In Venetia ap. V. Valgrisio 1566.

(2) Eene fransche vertaling verschijnende in 8 doeltjes schijnt door Petit bewerkt te rijn. Cf deze reeds compleet is, bleef ons onbekend.

-ocr page 7-

die zich moeielijk in de Nedeiiandsche gebruiken van dien tijd zou kunnen schikken. Brantome getuigt: „ qu\'ü estoit de fort bonne grace, beau et agreable, blond et qui s\'habüloit fort bien, comme j\'ay vu

lo den herfst van het jaar 1548 ondernam Filips de reis naar het Noorden. Hij was van een schitterend gevolg vergezeld, bestaande uit de voornaamste edellieden van het land, ten getale van ruim tweehonderd, bij wie zich vele geleerden en kunstenaars hadden aangesloten. De namen van geestelijken, rechtsgeleerden, medici, schilders, werktuigkundigen, enz. vinden wij naast die van de vele edelen uit zijn gevolg genoemd. Het beroemde zangkoor en de blind geboren organist Antonio di Cabezzon vergezelden zelfs den Prins. De reis werd te paard afgelegd. De Hertog van Alva, meer bekend door de herinneringen, welke hij eenige jaren later in onze gewesten achterliet, reed aan Filips\' zijde. Daar de Prins zich nog maar uitsluitend in het Spaansch durfde uit te drukken, beantwoordde de Hertog veelal de toespraken, tot hem gehouden (1).

De reisbeschrijving van Galvete begint met Valadolid, vanwaar hij de reis over Barcelona naar Genua onder de vlag der Doria\'s vervolgde. Don 11dcquot; December werd de tocht van hieruit naar de Nederlanden aanvaard. De weg ging over Milaan, Mantua, Trente, Insprück, München en Heidelberg.

In al deze plaatsen en te Milaan vooral, was den Prins eene schitterende ontvangst voorbereid.

In de Nederlanden viel Luxemburg, waar Peter-Ernst van Mans-feldt destijds gouverneur was, het eerst do eer van een bezoek te beurt. De opvolger van Karei V bezocht in het vtjorbijgaan Marche, Namen, Wavre, Tervueren en bereikte Brussel na eene reis van ongeveer vier maanden.

Den lsten April 1549 deed Filips zijne plechtige intrede in Brabant\'s hoofdstad, waar hij zijn vader na eene scheiding van vele jaren ontmoette. Bij den intocht was Granvolle belast met de vertaling in \'t Spaansch der aanspraken, door de Magistraten gehouden. Aan prachtige feesten was geen gebrek. Schitterende tournooien

(1) Onder de leiding van Juan Martinez Siliceo liad Filips üicli het Latijn geheel eigen gemaakt en ook Fransch en Italiaansch gestudeerd. Hij waagde het nog niet zich in deze talen te onderhouden. De wiskunde beoefende hij met voorliefde.

-ocr page 8-

en steekspelen, waaraan de voornaamste edelen des lands deelnamen, werden meermalen uitgevoerd. Ook Filips trad een paar malen in het strijdperk, eens met Gaspar de Quinones en een andere maal was van Mansfeldt zijn kampioen. Hij gedroeg zich zoo dapper, dat hem de prijs werd toegewezen, bestemd voor de langa de las damas, bestaande in een schitterenden robijn.

Andere aardigheden, in deze plaats vertoond, zullen wij met stilzwijgen voorbijgaan. Het bekende katten-orgel was onder deze niet het minst vermakelijke. Bij het vertrek uit Brussel was de stoet met een groot aantal Vlaamsche edelen vermeerderd.

De Prins bezocht daarna achtereenvolgens de voornaamste steden in de Zuid- en Noordelijke Nederlanden. Al hetgeen Galvete hij deze gelegenheid in de verschillende plaatsen waarnam, heeft hij opgetee-kend. Geen enkel opschrift, en zij waren talrijk, voorkomende op triomfbogen en gebouwen in verschillende talen, verzuimt hij te vermelden met bijvoeging eener Spaar sche vertaling.

Onder deze producten van zestiende eeuwsche dichtkunst vinden wij Nederduitsche, Fransche, Latijnsche en zelfs Hebreeuwsche verzen. Een enkel opschrift uit Gent, in Ond-Hoogduitsch of Frankisch dialect gesteld, vermelden wij als curiosum.

Thie Furist ist Gotes bilidi:

Salige sint mandt ware wanta thie besizzent erda

Sie sint so sama kuani.

Salpso thie Romani

Zi wafane snelle

So sint thie tegan alle.

Salige sint thie thar sint milthherze wanta

Sie folgent miltidum.

In alle plaatsen waren eerebogen opgericht, versieringen kwistig aangebracht. Onder de feestelijkheden namen de voorstellingen der „ rhetorykers quot; eene voorname plaats in. Te Binche, waar de Koningin van Hongarije verblijf hield, waren qe feesten vooral schitterend. Zij werden van 12 Augustus tot September voortgezet.

Galvete drukt zijne verbazing uit over de letterkundige ontwikkeling onzer voorouders. In Leuven, de stad der geleerden, sprak bijna iedereen latijn, tot in de huizen van ondergeschikten. Vele vrouwen kenden de taal van Gicero.

-ocr page 9-

Dit feit, hoe ongelooflijk ook, wordt door andere vreemde bezoekers van de Nederlanden der 16de eeuw bevestigd. Alonso Vazquez (1) onder anderen zegt, dat de vrouwen in de Nederlanden zoo bedreven waren in het schrijven, lezen en rekenen, dat weinig mannen haar hierin evenaarden. Vele, zegt hij, zijn de vier talen machtig, die in dit land vereischt worden. De mannen beoefenden, volgens dezen schrijver, de letteren met voorliefde, zoodat, zonder in den vreemde vertoefd te hebben, de meeste Nederduitsch, Duitsch, Fransch en Latijn kenden. Anderen getuigen, dat zelden iemand, zelfs onder de plattelandsbevolking, gevonden werd, die niet lezen en schrijven kon. In andere landen daarentegen waren totaal ongeletterden zelfs onder de hoogere standen niet zeldzaam. De groote neiging onzer voorouders om zich in theologische quaesties te verdiepen en hierover te redetwisten was hem ook niet ontsnapt.

Na Antwerpen bezocht te hebben, toog de Prins naar de Noordelijke Nederlanden.

In zijne beschrijving der steden van Holland en Zeeland bekent Galvete, dat alles, wat hij dienaangaande meedeelt, niet door hem persoonlijk is waargenomen. Vele bijzonderheden had hij te danken aan den omgang mat geleerden in deze gewesten, onder wie Cornells de Schepper (2) speciaal wordt vermeld. Deze was volgens hem zoo bekwaam, dat hij het gezegde van Plinius over Ariston op hem toepasselijk achtte.

Maastricht kwam op de terugreis pas aan de beurt. Het was de laatste plaats, die de Prins in de Nederlanden bezocht. Dit bezoek wenschen wij in al de bijzonderheden, door Galvete vermeld, mede te deelm.

Den 313ton Mei 1550 vertrok Filips van Brussel over Leuven. St-Truiden en Tongeren naar Maastricht, waar hij 4 Juni aankwam.

Uit de raadsnotulen blijkt, dat de noodige voorbereiding was gemaakt om den Vorst, wiens komst was aangezegd, waardig te ontvangen. Wij vinden dienaangaande de volgende besluiten:

(1) Documentos ineditos para la historia de Espana T. LXXII.

(2) Cornelius Dupliciiis dc Schepper werd geboren te Nieuwpoort. Hij was doctor in de letteren en werd meermalen door Christiaan II met zendingen naar Spanje belast. Hij i? in 15Ö5 te Antwerpen overleden en heoft vele werken nagelaten.

-ocr page 10-

„ 5 Oct. 1549. Philippus prince van Spangien zoon des Keizers van deze erffnederlande ontvangen heeft en in diverse steden gehuld is en binnen korts hier sal komen om eveneens gehuld te worden en het nooit gebeurd is, dat iemand deze steden of landen ontv. heeft tydens het leven zyns vaders en men daarom niet weet hoe men den prins zal hullen of ontvangen. Men zal schryven om inlichtingen naer de steden waer hy reeds gehuld is om de manieren en conditiën te kennen, of hy ook ballingen ingebracht, privilegiën gegeven of verleend heeft.

„16 Oct. De Prins binnen kort hier verwacht in gezelschap des Keizers, des Bisschops, der Koningin, men zal hem schenken behalve het zilverwerk, 2 ossen, 2 voeder wyn, 24 hamels en 24 malder haver — den Keyzer 2 redelijke toelast wyns, de Bisschop en Koningin ieder een toelast. Hy zal behoorlyk met schutten en ambachtslieden en goed uitgerust ingehaeld worden — de gouverneurs in eerlyk habyt aen de poort met toortsen en schilden — de schutten zullen hebben eene hulpe van vyf vendien die gemaekt zullen worden, „hebbende die colueren, geil, wit ende roetquot; van 50 gulden current ieder — namelyk vier vaendelen voor de vier gezworen gilden en het vyfde voor die van Wyk.

Den 218ten October \'49 werd „ Merün Berchmans goudsmid met ti een patroon van twee zilveren stopen of kannen, die men Zyn P. G. „ schenken zal naer Antwerpen gezonden, om die daer te koopen of te „ laten maken quot; (1).

Zilveren bekers of vazen waren de gewone geschenken, die in de meeste steden nog met gouden dukaten gevuld aangeboden werden.

In de vergadering van 29 October was verder besloten:

„ dat men den rhetorikers voerhalden sal, dat sy concipiëren seker „ congratulatie ende genoechden tegen die bycompst van onsen gene-„ digen hier den prinche ter meeste eeren ende ten minsten cost van „ der stadt ende dat men int selve hon van der stads toegen nader „ redelyckheyt te hulpe te comen sal

(1) In 1526 werd het zilverwerk, voor eene loterij bestemd, eveneens te Antwerpen vervaardigd. De oplirengst moest dienen tot herstel der Landskroon (stadhuis).

-ocr page 11-

— 10 —

De Raad stelde vast op 30 Mei 1550: „ dat men ter eeren onsses genedigen hiere den jongen Prince, tegen syn princelyke Genaede blyde incompste den borch in der Maezen sal stellen ende oprichten, ende eenige cleynoeten vander stadt wegen opsetten

De rederijkers hadden toezegging gedaan om stellagiën op te richten en sekere personagiën voor te stellen, waarop de Raad besloot, dat de stad hun hout en linnen zoude leveren. Na rijp beraad en overleg met den Cansslier van Brabant wordt de volgende eed in de Raadsvergadering van 3 Juni vastgesteld om aan den Prins te doen bij zijne blijde inkomst.

„ Wyr Borgemeisteren, scepenen gesworcn ende raed deser stadt „ Maestricht, voer ons ende inden name ende van wegen der gansen „ gemeynten zekeren, geloven ende sweren ter heyligen en doerluch-„ tighste hoechgeborenste ende vermogenste hiere ende prince Philips „ prince van Spangiën, van beyden Seciliën, Hierusalem etc. ertsher-„ toge van Oestenryck etc. hertoch van Bourgondiën, van Brabant „ etc. grave van Hapsburch, van Vlaenderen etc. die te hans uwen „ eedt hier gedaen hebt, gelyck een hertoch van Brabant gewoenlyck „ is van doene, dat wy Uwer princelykon genaden naer de doot van „ onsser aldergenadichsten hiere den Keyser hoult ende getrouw syn „ oude b\'.yven sullen. Uwer genaden beste voerts te stellen, ende „ archste te waernen, ende voerts te doen allet tghene dat goede „ getrouwe ende onderdanige borgeren ende ondersaten sculdich syn „ te doen. Soe help ons God ende allen syn heyligen quot;.

Don 4d\'quot;n Juni, verhaalt Galvete verder, verscheen de Prins, door een langen stoet gevolgd, voor Maastricht. Buiten de stad werd hij verwelkomd door de magistraatspersonen en an iere overheden, vergezeld van duizend gewapende en goed geoefende manschappen (1).

Met schijnt, dat de ingezetenen der Maasstad geene triomfbogen hadden opgericht. Ook maakt de verslaggever van geen enkel opschiift melding.

il) Bij der.e gelegenheid kregen de schutters vijf nieuwe vaandels. Behalve de Magistraat, do twee kapittels, de geestelijken, zoo seculieren als regulieren, waren er Ijjj tegenwoordig 30 smeden, 40 timmerlieden, 30 vleeschhouwers, 40 gewandenma-kci\'s, 10 molenaars, 30 bakkers, 40 schrijnewerkers, 12 bontwerkers, 40 schoenmakers en 6 lakenscheerders. (Stads archieven). Ook de overige hierboven aangehaalde stukken hebben wij uit de raadsnotulen der stad of uit het origineel of uit latere uittreksels. afgeschreven : van daar het verschil in de spelling.

-ocr page 12-

— 11 —

Ter opluistering van het feest hadden de burgers een schrikbaren-den reus, 24 voet groot, uit teenwerk vervaardigd en hem in Duit-sche kleederdracht gestoken. De man droeg een hoed op het hoofd en aan de rechter zijde een zak, waarin een groot en een klein kind geborgen waren. Aan zijne linkerzijde hing een ontzaglijk zwaard en in de hand hield hij een hellebaard. Door het openen en sluiten van mond en oogen kreeg het beeld iets ijzingwekkends (1).

Filips, na eenige verversching in het paleis gebruikt te hebben, trok te voet naar de kerk van St. Servaas, die in de onmiddellijke nabijheid is gelegen. De gebruikelijke eedsaflegging had hier plaats. Bij deze plechtigheid werd een der klokken gesamenlijk door den Prins, den gouverneur en den burgemeester geluid. Het touw, voorzien van drie uiteinden, was met zwarte zijde omwonden. Dit oude gebruik bestond ook in andere plaatsen onder anderen te Gent.

In een handschrift (2) bewaard in het rijks archief te Maastricht vinden wij met betrekking tot Filips\' inhuldiging en eedsaflegging te Maastricht de volgende aanteekeningen.

Op huyden den 4 dagh van Junii 1550, naedien die deurligh-tighste hoochstgeboren Prince ende Heere Philips by der gratie Godts, Prince van Spaengnien, van beyde Sicilien, van Jerusalem enz. enz. zyne blyde incompste binnen der stadt Maestricht, achtervolgende \'s Keysers ons aldergenaedigste Heere goeden wille en meyninghe gedaen hadde, om aldaer als toekomende Hertoghe van Brabant gehult en gesworen te wordene, soo comparierden voor Zyne Princelycke deurluchtigheyt voor den Hooghen oultaer van Sinte Servaes colle-giael kercke, die Burghmeesteren, Schepenen ges wore ende Raedt der voorsquot; stadt Maestricht, den welckhen Zyne Princelyke deurluchtigheyt dede den eedt in \'t latyn, soo hier nae volght: „ Ego Philip-pus Dei gratia Princeps Hispaniarnm, utriusque Siciliae, Hierusalem etc. Archidux Austriae, Dux Burgundiae, Brab.intiae etc., Comes Habspurgi, Flandriae etc. promitto ac iuro super sanctis evangeliis,

(1) Wellicht hebben wij hier te doen met eene navolging van Antwerpen waar de reus Antigoon in herinnering werd gehouden, of van den reus Valuas te Venlo.

(2) Deel VII bldz. 109 der Variorum decern volumina, waarvan het l,te en 4,ledeel ontbreken, in het Nederlandsch en Latijn geschreven door Andreas Leonard Joseph Bra)idts, j. U. L., geb. te Maastricht in 1693 en in 1738 kanunnik-Camerarius van het kapittel van St. Servaas benoemd, bev. t cene verzameling van historische bescheiden over Maastricht in \'t algemeen en St. Servaas in het bijzonder, getrokken uit de archieven van het Kapittel van Sr. Servaas te Maastricht.

-ocr page 13-

— 12 —

quod in adventu meo et successione ducatus Brabantiae nostrae ecclesiae Sancti Servatii civium atque incolarum oppidi Trajectensis jura, chartas, privilegia, consuetudines, statuta, usus, francisias atquo observationes qualitercumque illas a charissimis nostris predecessori-bus, ducibus et ducissis Brabantiae piae memoriae, habent tenent ac fruuntur, habuerunt, tenuerunt et usi sunt cum justitiis et pertinentiis praefatae nostrae civitatis, intra et ultra, sicut nostri scabini civitatis praedictae illas pro justitia et francisia observant, bene et fideliter observabimus atque frui patiemur, absque ulla in-fractione, quodque illos ab omni oppressione, injuriis ac violentiis, quae illis aliquarum personarum occasione contingere ac illos obruere possent, pro viribus nostris defendemus, protegemus et tuebimur prout bonus et fidelis Princeps tenetur et obligatur: Sic me deus adjuvet, haec sacra evangelia, omnesque sancti Ejus:quot; ende daernae wesende Syne Princelycke Hoogheyt op d\'Ocxsael der voorsn kercken van Sinte Servaes, soo deden die voorn. Burghmeesteren, geswoeren en Raedt van Maestricht, èn die vander gemeynte aldaer vergaedert; synder Princelycker Hoogheyt den eedt van getrouwigheyt soo hier nae volght. (Zie dezen eed hierboven).

„ Daer van de voorn, van Maestricht versocht hebben hen acte ge-levert te wordene, \'t welck syne Princelycke Hoogheyt hun geaccor-deert heeft ten daeghe en jaere voirschreve: (ondertekend) Philips. Met syne voorsquot; Princelycker deurlichtigheyt zigel in roeden wass daer op gedruck. En was onderschreven: par Monseigneur ]S!re Prince Gonsale Perez. Ter syde stonde aldus: Vs Viglius èn onder op de kante; La reception de Vre Alteze a Mastricht. (onderstont:) La collation faicte a l\'original et trouvé concorder de mot a mot et par moy sous rescript secretaire de la ville de Mastricht. (ondertekent;) S. Houpeaux.

Tegen den avond kwam de Keizer ook in de stad (1). Den volgenden dag. Corpus Christi, (H. Sacramentsdag) had eene solemneeie

(1) Dus^niet gelijk met dtn Prins, zooals gewoonlijk wordt vermeld. Karei V had nog op Woensdag 24 Februari 1546 zijn geboortefeest in Maastricht gevierd. Te zijner eere werd geschut gelost, vuurpannen en piktonnen gebrand en meer vreugdebedrijven vertoond. Aan de Heeren van St. Servaas was verzocht het Lof te zingen op de plaats, waar men het heiligdom toonde.

-ocr page 14-

— 13 —

processie plaats, waaraan alle overheden, de broederschappen, gilden en militairen deelnamen. Het lichaam van den B. Servatius werd bij den omgang mee rondgedragen. Deze plechtigheid trachtte men door vele spelen, bestaande in voorstellingen der rederijkers op te luisteren. Galvete laat zich over de „ rhetorykers quot;, die in alle plaatsen in Brabant werden aangetroffen, zeer gunstig \'uit. Zij vormen, zegt hij, broederschappen of gilden gelijk de andere ambachten, genieten veel voorrechten en vrijheden en zijn zeer gezien. Hunne spelen oefenen een gunstigen invloed uit op het volk. Naar gelang van het karakter der spelen kan men ze in drie categorieën verdeelen. Vooreerst worden bij feestelijke gelegenheden of bezoeken van vorstelijke personen vreugdespelen vertoond, die uitsluitend dienen om het volk te vermaken. Andere spelen, waarin het kwaad aan de kaak gesteld en de deugd geprezen wordt, hebben een meer godsdienstig karakter. Zij worden in „ de vastenquot; vertoond. Nog andere stellen het menschelijk leven voor, zooals dit bij de Atheners en de Romeinen gebruikelijk was.

In den namiddag werd een zonderlinge voorstelling op de Maas gegeven.

Galvete geeft hier eene uitvoerige en naauwkeurige beschrijving der bestorming van don Burg op de Maas. Dit spel was zeer oud en werd bij feestelijke gelegenheden, onder anderen met de zevenjarige Heiligdomsvaart of bij het bezoek van vorstelijke personen, vertoond. Het eerst vinden wij in een raadsbesluit van 8 Juli 1510 dit volksvermaak vermeld, dat toen reeds een oud gebruik werd genoemd. Wellicht had de laatste voorstelling plaats op 28 Juli 1717 bij gelegenheid van het bezoek van Peter den Grooten te Maastricht. De volgende beschrijving dienaangaande, getrokken uit het militaire archief, werd door Franquinet medegedeeld (1):

Op 2 canon schooten syn de luyden met scheepen aen gekomen, ,, van boven de Maes nae den Borg, die op een mast in de Maes „ gesteld, waerin 3 man waren die de borg defendieren souden en „ drajen; die boven waeren, hebben met granaden geworpen, die ,, met schuyten afgevaeren quaemen losten haer geweer; en waeren „ alle in hemden en witte broecken gecleet. Nae deselve haer in de

(1) Annales de la Society historique et archéologique etc. I, p. 297.

-ocr page 15-

— 14 —

„ Maes wierpen en naer de borg toe swemden. En haer daer onder „ posteerden, en by kans een hoogte van 20 a 25 voet hoog op-„ klommen om de borg in te nemon, haer aen de ladders kwaemen „ vast te houden, maer door het draeyen moesten loslaten en in de „ Maes vielen, het welk door andere weer hervat wierd; het welk „ 2 uuren duerden, eer de borg ingenomen wierd

De beschrijving van den Spanjaard, die dit schouwspel van de Maasbrug of uit een huis op de Houtmarkt den 5d£n Juni 1550 gadesloeg, is wel zoo uitvoerig en nauwkeurig. Hij zegt: „In de Maas was een soort burg van achthoekigen vorm opgericht, rustende op eene mast, die in een groote mand met vast aangevulde aarde was geplaatst. De top bestond uit een groen geverfden toren, omgeven door vier kleinere, die aan de hoeken verrezen. Rondom waren eenige beschilderde kolommetjes aangebracht waartusschen openingen of vensters.

De burg was versierd met de wapens van Bourgondië en Brabant en met de Keizerlijke Adelaren en verder beschilderd en bezet met zilveren sterren. Hij kon slechts twee of drie man bevatten. Uitwendig waren drie trappen elk van drie treden aangebracht. Door eene snelle, draaiende beweging, die men aan den burg kon geven, werd het beklimmen zeer bemoeilijkt, zoodat de bestormers zelfs wanneer zij een der trappen bereikt hadden, veelal met een plof in het water vielen.

Het publiek was langs den oever, in de huizen en op de brug geschaard om dit schouwspel gade te slaan.

Op een gegeven oogenblik kwamen vele schepen onder groot ge-druisch van trommen en trompetgeschal de Maas afzakken. Zij waren voorzien van teer- en piktonnen, die in de mast en voor op het schip in brand werden gestoken. De vloot op eenigen afstand rondom den burg geschaard, vuurde eenigen tijd met de artillerie bij wijze van spiegelgevecht.

Eindelijk verscheen in de verte een schip, waarop een paard, door een wildeman bereden, stond. Toen het vaartuig de vesting genaderd

was, kwamen eenige ontkleede mannen (1) er uit te voorschijn, die

—--—

(1) Rij gelegenheid van een bezoek van den bisschop van Luik, 11 Juni 15S8, werd door den Raad besloten, dat ieder die naar den burg in de Maas zal klimmen, een broek moet dragon of bedekt zijn, op straf van een goud gulden.

-ocr page 16-

— 15 —

in het water sprongen en tot in de nabijheid van den burg zwommen. De een op den anderen klommen zij langs de mast naar boven en trachtten vervolgens een der trappen, die uithingen, te grijpen. Op hetzelfde oogeublik begon de burg met een duizelingwekkende vaart te draaien, zoodat de aanvallers weldra genoodzaakt waren los te laten. De bestormers ploften dan met het hoofd omlaag of op den rug in het water, waaruit zij spoedig, om ongelukken te voorkomen, in de schepen opgenomen werden.

Velen gelukte het de derde trede te bereiken, waarna zi] nog tengevolge der draaiende beweging te water geraakten.

Eindelijk kwam een buitengewoon vlug jong mensch opdagen, die het mocht gelukken een spil van een der ramen te grijpen en zoo naar binnen te komen.

De prijs, bestaande in eene muts van paarlen met witte pluim en twee kronen, werd hem toegekend.quot;

Den volgenden dag, Vrijdags, is het spel op de Maas nogmaals herhaald.

Wij zullen intusschen Galvete op zijn tocht naar den St. Pietersberg volgen, die misschien ook door Filips (?) en de andere leden van zijn gevolg werd bezocht.

Dat de onderaardsche gangen, die thans nog onder de merkwaardigheden van Maastricht eene eerste plaats innemen, nauwkeurig en met belangstelling door de hooge bezoekers werden gade geslagen, blijkt uit de beschrijving die wij laten volgen. Zij is onzes inziens te merkwaardiger, daar wij geene andere van vóór het jaar 1550 hebben kunnen opsporen, en deze vermoedelijk als de oudste der in druk gegeven, mag worden beschouwd.

„ Ongeveer op een half uur afstands van Maastricht verheft zich een berg aan den voet waarvan de Maas stroomt. Op den top van deze hoogte prijkt een kasteel en iets lager in de helling ligt vreedzaam te midden eener prachtige natuur een klooster der paters van den H. Franciscus.

„ Deze grondverheffing wordt gevormd door zandsteen, die zoo week is, dat hij zich gemakkelijk laat uitkappen en bewerken.

„ Een merkwaardig natuurverschijnsel valt hier te aanschouwen. Weelderig tierende boomen en vruchtbare akkers bezaaid met veldvruchten vertoonen zich op de hoogte, niettegenstaande deze door het uithalen van groote massa\'s bouwsteenen geheel is ondermijnd.

-ocr page 17-

— 16 —

„ In de buurt van liet klooster bevindt zich eene opening, die toegang geeft tot de onderaardsche gangen, waaruit sedert de oudste tijden steenen zijn gehaald. De ingang is zoo ruim, dat een ruiter met opgeheven lans gemakkelijk toegang heeft en drie karren, die aanhoudend steenen vervoeren, naar binnen kunnen rijden. De hoofdgalerij is meer dan een uur lang; zij voert uit in het open veld.

„ Het uitdelven der steenen geschiedt met overleg en volgens bepaalde regels. Om instortingen te voorkomen blijven gedeelten shaan, die bij wijze van pilaren tot steun moeten dienen. Stoot men hier of daar op gewone losse aarde dan wordt het werk daar ter plaatse onmiddellijk gestaakt. Om te voorkomen dat anderen hier soms onvoorzichtig verder boren, wordt dit gedeelte door eeu muar afge-bloten.

„ Het noodige licht kan alleen door middel van fakkels verschaft worden. Wil men tot op zekere diepte doordringen, dan is het zaak om wegens de koelte eene warmere kleeding aan te trekken dan in de buitenlucht. De weg in dezen onderaardschen doolhof is zeer moeielijk te vinden, zoodat menschen van het land, die de gewoonte hebben er in te werken, nog kunnen verdwalen.

„ De afstand van den ingang, in de buurt van het klooster, tot de plaats waar gewerkt wordt, bedraagt meer dan een uur.

„ Op een kwartier afstands van den ingang ontmoet men eene hoogst merkwaardige fontein, waarvan het water uit het gewelf druipt op een grooten vuursteen, die zich daar toevallig op den bodem bevindt. Deze steen is door het vallende vocht op den langen weg eenigszins uitgehold. Het water is buitengewoon frisch en helder, zoodat het gezicht er van alleen reeds verkwikt.

„ De gangen loopen en kruisen elkander zoo zonderling, dat het labyrinth door Koning Psammeticus gebouwd, niet ingewikkelder kon zijn.

„ De steenen worden ingescheept op de Maas en naar alle streken vervoerd. Het inladen vooral is merkwaardig. Dit geschiedt op de volgende wijze:

„ Van de hoogte naar den Maasoever voert een min of meer uitgehold pad. Hierop ligt een soort ladder, die met 10 of 12 blokken te gelijk wordt beladen. Een lichte stoot is voldoende om de ladder in volle vaart langs het zanderige pad tot in de nabijheid der rivier te

-ocr page 18-

— 17 —

doen voortglijden. Hoogstens twee personen zijn noodig om ze verder in de schepen te Iaden.quot;

Tot zoover de beschrijving van Galvete. Vermoedelijk heeft de Prins met zijn gevolg, den volgenden dag, Zaterdag 7 Juni de stad verlaten.

Jean Vandenesse vermeldt in zijne chronijk(l):

„Le4e disner et coucher d Mast richt, oü le prince fut juré et recea, lequel sur le soir partist en poste pour aller treuver les dames d Tour-nault (Turnhout).

Le 7me de Mastricht disner et coucher d la ville impériale d\'Aix se retreuva ledict prince.quot;

Waaischijnlijk was dus volgens deze chronijk de Prins Vrijdags niet te Maastricht. Zijn gevolg is er in ieder geval lot Zaterdag gebleven.

Van Aken ging de reis verder naar Zuid-Duitschland over Gulik, Keulen, Bonn, Mainz, Worms naar Augsburg.

Na een bijna anderhalfjarig verblijf in de Nederlanden keerde Filips, zooals wij zagen, langs Duitschland terug naar Spanje. In Juli 1551 betrad hij weer den vaderlandschen bodem, die hem boven alle an-df re landen dierbaar was.

De Prins had kennis gemaakt met een nijverig, krachtig en vrijheidlievend volk en een schoon, vruchtbaar en welvarend land, waarover hij weldra het bewind zou voeren, bereisd. Aan eerebewlj-zen had het den zoon van Karei den vijfde niet ontbroken. Schitterend was hij, tot zelfs in de kleinere plaatsen, ontvangen.

Twee vragen dringen zich thans onwillekeurig aan ons op. Had Filips de sympathie van het Nederlandsche volk bij deze eerste kennismaking gewonnen ; waren de natie en hare instellingen, zeden en gebruiken in den smaak van den eenigszins terughoudenden, kouden Spanjaard gevallen ? De jongeling, die reeds aan het stille kamerleven de voorkeur gaf boven feesten en drinkgelagen, waaraan hij alleen op uitdrukkelijk verlangen van zijn vader deelnam, kon moeilijk in den smaak vallen der Vlamingen, nog gewoon aan den verkwistenden pracht en de uitspattingen van het Bourgondische hof. Filips was

(1) Journal des voyages de Charles-Quint par Jean Vandenesse, publié par Gachard, Bruxelles 1874.

-ocr page 19-

— 18 —

daarenboven uitsluitend Gastiliaan, de Keizer daarentegen sprak Ne-derlandsch, droeg de kleeding van het land en volgde de gebruiken en levenswijze van zijn Vaderland. Karei had den Spanjaarden door zijn voorliefde voor de Vlamingen mishaagd, zijn zoon wachtte de antipathie der Nederlanders. Had zij bij dit eerste bezoek reeds wortel geschoten ?

Wat ook de indruk moge geweest zijn, dien de aanstaande vorst van ons land en zijne bewoners meenam, vermoedelijk zal de gedachte nooit bij hem opgekomen zijn, dat deze gewesten meer dan dertig jaren van zijn leven zouden verbitteren en dan val van het machtige Spanje dier dagen verhaasten. De meening, dat Filips door eigen schuld ^ de Nederlanden verloren heeft, vindt algemeen ingang. Wij vragen hoe hij het had moeten aanleggen om ze te behouden?

Ruim vijftien jaren na dezen triomftocht verscheen de ijzeren Hertog andermaal in de Nederlanden, maar thans vergezeld van een machtig Spaansch leger, met strenge bevelen van Filips en onwrikbare voornemens zijner zijds om de orde te herstellen. Krachtig maar niet altijd even handig trad hij op. Het einde van den strijd mocht Filips, noch Alva beleven. Hoe noodlottig de zending van den Hertog voor de Nederlanden waj, leert ons eecigszins de volgende schets.

§ 11. De toestand in de Nederlanden onder Alva\'s bewind.

De onlusten in de Nederlanden kregen in 1566 een zoo ernstig en dreigend karakter, dat de Spaansche regeering besloot afdoende maatregelen te nemen om de orde te herstellen.

Alhoewel het buiten ons bestek ligt de baldadigheden en gruwelen in die dagen gepleegd te vermelden, wenschen wij toch een oogen-blik stil te staan bij het gebeurde te Maastricht, waar de invoering der nieuwe leer ook tot verregaande ongeregeldheden aanleiding gaf.

De predikant Johan Scheitzhabener hield eene eerste onderrichting, begin Augustus 1566, even buiten de stad ter plaatse genaamd „de Lochtquot;. Vele nieuwsgierigen uit de stad en omstreken stroomden samen om deze veldpreêk aan te hoaren. Den vierden Zondag van zijn optreden brachten hem zijne gewapende toehoorders, onder het zingen van psalmen, tot Wijk, waar de volgende Zondagen de conferenties in de open lucht werden voortgezet. Van doopen en begraven maakte

-ocr page 20-

— le

de hervormer weldra zijn werk en het volk werd er o, gewezen, dat dit alles kosteloos geschiedde. Baldadigheden, waarmede de be-keeriingen hun\' afkeer van de oude leer betuigden, bleven niet uit.

In den nacht van 29 September werden de beelden, die voor de kerken, aan het dinghuis en op publieke plaatsen stonden, verbrijzeld. Den dag van St. Michiel hebben de muiters de kerk van St. Matthijs opengebroken, de drie altaren, het kruis en de beelden omvergehaald, den tabernakel opengebroken en de geconsacreerde hostiën vertrapt. Acht dagen later werden de koorhekken van O. L. Vrouwe en van St. Severinus-kapel vernield. Den lstcn October heeft men getracht in den nacht de kerk van St. Servaas te plunderen. De bisschop van Luik verzuimde niet, de noodige maatregelen ter onderdrukking dei-gisting te nemen. De vermaningen en boetpredicatiën van pater Dio-nysius misten, zoowel als de bedreigingen der burgemeesters, bij velen de gewenschte uitwerking. Zondag, 3 November, maakten de Calvinisten zich meester van de kerk van St. Maria ad Littus, waarin zij niets spaarden en alles vernielden en ontheiligden. Dapper werd tus-schen de burgers der beide richtingen in de straten gevochten en nog ei\'gelijker schandalen stonden te wachten, ware Schwarzenberg met zijne ruiters niet in de stad gekomen. Intusschen waren reeds vele burgers, onder wie verscheidene raadsleden, de nieuwe leer toe gedaan. Voor goed werd een einde aan het bekeeringswerk gemaakt, door de komst van de Noircarmes, die, op last van Margaretha, met de noodige troepen naar Maastricht trok, om de wanordelijkheden te bedwingen. Aan de burgers werden, na eene behoorlijke huiszoeking, alle wapenen ontnomen. Vele Calvinisten werden genoodzaakt, de stad te verlaten en de voornaamste rebellen met den strop gestraft.

Noircarmes verliet de stad in 1567, met achterlating van een regiment, onder aanvoering van de Barlaymont. De uitgewekenen waagden een\' aanslag op de stad, maar werden teruggedreven door Eberstein met Spaansche versterking achtervolgd en bij Dahlem verslagen. (1) Het behoeft niet gezegd, welken pijnlijken indruk het

(1) Behalve de uitvoerige beschrijving van dezen tocht en den veldslag bij Dahlem door Mendoija en Ulloa nagelate.i, bezitten wij than?\' een derde niet minder nauwkeurig verslag van een ooggetuige, de Lodono, wiens gedenkschrift in de Leidsche bibliotheek bewaard, door Prof. Fruin in \'t Nederlands werd uitgegeven, \'s Hage, Nijhoftquot; 1892.

2

-ocr page 21-

— 20 —

bericht der verwoesting van kerken en kloosters in de Nederlanden op Filips maakte en dat hij zich voornam de opstandelingen streng te tuchtigen.

Eerst was nog maar besloten, overeenkomstig het verlangen van den Paus en van Margaretha, dat Filips in persoon met een klein gevolg zich naar de Nederlanden zou begeven. Alle toebereidselen voor deze reis werden gemaakt. In een brief van 12 Mei zegt Cas-tagna, aartsbisschop van Rossano en nuntius te Madrid, dat hij niet heeft kunnen merken, dat de koning eenig plan heeft, met geweld van wapenen de zaken in de Nederlanden te willen regelen (1). In Juni deelt de nuntius aan Filips het verlangen mede van den Paus, die hoopt, dat de Koning persoonlijk naar de Nederlanden zal vertrokken, daar van zijne aanwezigheid in deze gewesten alleen redding van den godsdienst te wachten is. In Augustus was Filips vast besloten alle moeielijkheden en de gevaren der reis in het belang der goede zaak te trotseeren. Alva zal, zoo als ten tijde van Karei V, den Koning als luitenant-generaal vergezellen.

Alva verklaarde zich in eene vergadering van de maand October voorstander van een streng, krachtdadig en snel optreden tegen de rebellen. De Koning, vooral vertoornd wegens de heiligschennis, bij de beeldstormerij gepleegd, deelde zijn gevoelen en besloot de Nederlanders met onverbiddelijke gestrengheid te straffen. Ferdinand Alvarez de Toledo, hertog van Alva, was voor hom de aangewezen persoon om dit plan, waarmede de landvoogdes Margaretha, 27 November pas in kennis werd gesteld, ten uitvoer te brengen.

De Nederlanders, Bergen en Montigny, die in Spanje vertoefden, trachtten, om den ondergang van hun land te voorkomen, den Koning te overreden, zonder leger naar de Nederlanden te trekken. In plaats van den algemeen gehaten en gevreesden Hertog stellen zij voor de Ruy Gomez te zenden, die in het land zeer bemind is en bevriend met vele grooten als Egmond, Oranje en anderen. Sommige leden van den raad, alhoewel met dit laatste voorstel ingenomen, wenschen toch. dat de Hertog voorloopig troepen in Italië verzamelt.

(1) quot;Registro di lettere di Monsignor Arcivesco di Rossano, clie fü poi papa Urbane VII, della sua nuntiatura di Spagna sotto Pic IV, V e GregorioXIIIquot;. Bibliot. nacional, Madrid, X 172. (Gaehard).

C*

-ocr page 22-

— 21 —

De Paus gaf Filips nogmaals in overweging; dat het icenschelyjk ware, naar de Nederlanden te vertrekken, niet met het vuur en het zicaard, maar vergevingsgezind, aangezien slechts door eene genadige behandeling en op geene andere manier het gelukken zal, de orde in deze gewesten te herstellen.

Filips\' plan stond vast en hiervan liet hij zich ondanks den aandrang van verschillende zijden, niet afbrengen.

Bij een onderhoud met den nuntius verklaart Alva, dat hij de zaken in de Nederlanden meent te moeten leiden op do manier als dit in Duitschland tegen de Lutheranen geschiedde. Alle schijn, dat de onderneming in het belang van den godsdienst tegen de ketters gericht is, moet vermeden worden; zij geschiedt quasi enkel uit staatsbelang tegen opstandelingen. Dit is volgens hem het geschikte middel om de Duitschers, Engelschen en anderen te weerhouden, zich in de zaak te mengen, onder voorwendsel, hun geloof te moeten verdedigen. Eene andere reden, waarom volgens Alva zijn optreden niet te veel een godsdienstig karakter mocht dragen, was, dat hij mee-rendeels van Duitsche krijgsknechten gebruik zou moeten maken, die wellicht grooter ketters waren dan hunne tegenstanders.

Alva nam in April 1567 te Aranjuez afscheid van Filips en vertrok van daar naar Carthagena, waar zijn gevolg zich reeds bevond om zich naar Genua in te schepen.

Filips verklaarde in Augustus, van zijn voorgenomen reisplan voor-loopig af te zien. Sedert de aankomst van een\' koerier, door Alva gezonden, was hij van besluit veranderd (quot;?), niettegenstaande reeds alles in gereedheid was gebracht en groote sommen voor zijne uitrusting waren besteed. (Volgens Gomez 200,000 dukaten). De Paus was over dit onverwachte besluit weinig tevreden.

In Juni aanvaardde Alva met ongeveer 12.000 uitgelezen manschappen den tocht over de Alpen. Onderweg sloten zich eenige regimenten Duitschers en Bourgondiërs hierbij aan, zoodat hij bij zijne aankomst te Diedenhoven in Luxemburg, over ongeveer 24,000 man en 6,000 paarden beschikte. Den 22sten Augustus nam Alva zijn\' intrek te Brussel, waar hij door Margaretha zeer koel werd ontvangen. De komst van den gehaten en gevreesden hertog verwekte eene algemeene ontsteltenis onder de bevolking. Vele ingezetenen hadden het land bij zijne komst reeds verlaten; enkele, als Egmond en Horne, lokte hij met eene geveinsde vriendschap in de val.

-ocr page 23-

Eerst trad hij slechts op als kapitein-generaal en spoedig na Mar-garetha\'s vertrek (1) als algemeen landvoogd, bedeeld met veel uitgebreider gezag dan zijne voorgangster. Hoe Alva zijne taak volvoerde, de rebellen strafte, den godsdienst herstelde en gewesten onderwierp, is genoegzaam bekend (2). Wij bepalen ons tot eene korte beschouwing omtrent den toestand in 1573, het tijdstip, waarop Alva ruim zes jaren in de Nederlanden aan het werk was. Als zegsman dienaangaande kozen wij een Spanjaard, van wien het schriftelijk relaas uit dien tijd tot ons gekomen is. Dat andere tijd- en partijgenooten, Grranvelle (3) onder anderen, de overdreven gestrengheid, zooniet wreedheid, van den landvoogd streng afkeurden, is van algemeene bekendheid.

Een onbekend schrijver handelt in een handschrift (4) over den be-klagenswaardigen toestand, waarin onze gewesten van 1568—1573 verkeerden en geeft tevens de middelen aan de hand om zoo mogelijk nog hierin te voorzien. Wij vinden in deze korte verhandeling het gevoelen van een\' Spanjaard en trouw katholiek uitgedrukt, omtrent het optreden van Alva, wiens naam evenwel niet wordt vermeld. Het doel van den criticus, die blijkbaar in de Nederlanden vertoefde, was, zijn geschrift door een der raadslieden te Madrid aan Filips te doen overhandigen. Hij geeft zijne afkeuring in de volgende bewoordingen te kennen.

, Men heeft van de ware middelen om de orde in deze gewesten te herstellen, geen gebruik weten te maken. Wegens de ligging van het land, het groot aantal steden en dorpen die het bevat, zijne uitgestrektheid en de macht der aangrenzende staten, zijn geweld en

(1) Uit twee brieven van Alexander Farnese van 13 en 20 September 1567 tlijkt, dat Octavio, Alexander en de kardinaal Farnese op Margaretha\'s vertrek aangedrongen hebben. Octavio heeft haar zelf te Brussel willen afhalen. (Ms. Archief te Napels, Carte Farnesiane, f. 1524).

(2) De Hertog van Alva kwam 28 Augustus 1568 met eene sterke macht te Maastricht en gaf spoedig bewijzen zijner strengheid. Hij liet iemand, die zijn eigen zoon, een\' vluchteling ter oorzake der religie, een\' nacht huisvesting had verleend, ophangen; eveneens een ander, die eene arme weduwe, wier man om de religie ter dood veroordeeld was, een weinig graan als aalmoes had gegeven ; een derde werd gehangen, omdat hij een\' zijner vrienden, die naar Engeland was geweken, eenig geld had gestuurd.

(3) In een schrijven vau 28 Augustus 1573, door Granvelle aan Don .luan gericht, keurt deze het stelsel door Alva sedert zeven jaren in de Nederlanden gevolgd, sterk af.

(4) Varios papeles de discursos enz. T. II. Bibl. nacional Madrid E, 49, van fol. 137—148.

-ocr page 24-

— 23 —

gestrengheid niet voldoende^om~de bevolking in bedwang te houden. Men vergeet, dat de gehechtheid der onderdanen aan hun\' gebieder de machtigste steun is voor den staat.

Misslagen zijn niet met rnenschlievendheid gestraft, trouwe diensten niet met mildheid beloond. Het pardon-generaal droeg slechts weinig vruchten, wijl het te laat was toegestaan en te veel uitzonderingen bevatte. Nuttige en wijze raadgevingen der ministers en raadsleden, aan den Koning trouw gebleven, zijn in den wind geslagen.

Belangrijke wijzigingen werden aangebracht, in het regeeringstelsel, dat met de zeden en gewoonten van het land overeenstemde en geeër-biedigd werd door vroegere prinsen en ministers, wier streven steeds was, zich de gehechtheid hunner onderdanen te verzekeren, als de beste waarborg voor het land, omringd door vijanden der Spaanscho Monarchie. De wijze instellingen van voorheen voerden de Nederlanden ten bloei; door hunnen handel werden zij de rijkste Staat van Europa.

Alles is thans veranderd. De Koning heeft intusschen vele trouwe onderdanen verloren en groote sommen gelds verspild. De afschaffing der instellingen van vroeger dagen, de inkrimping der voorrechten en vrijheden van den handel en het verbod van vereenigingen en uitspanningen voor het volk hebben veel kwaad bloed gezet.

De prinsen van voorhoen riepen in alle plaatsen gilden in het leven, bestemd tot de verdediging des lands en tot bewaking der velden, rivieren en wegen. Hierdoor nam de bevolking toe in aantal en de nationale rijkdom vermeerderde. Men heeft gemeend, al deze gebruiken te moeten afschaffen en in plaats vau vrijheid, geweld en dwing-landij gesteld.

Sedert 1568 treedt men op met buitengewone strengheid tegenover de schuldigen. Binnen drie jaar zijn ruim 4000 personen ter dood gebracht en meer dan 9000 verbannen, ongerekend de ingezetenen, die, op geene genade kunnende rekenen, naar andere landen zijn gevlucht. Deze, door armoede en wanhoop gedreven, hebben de wapenen opgevat om den vijand te steunen en maken zich te water en te land aan roof schuldig.

De gevolgen der minder goede verhouding met Engeland berokkenden de onderdanen des Konings onberekenbare nadeelen.

De uitvoerhandel op Engeland werd gestaakt, waardoor de armoede

-ocr page 25-

schrikbarend toenam. Vele lieden zonder werk en zonder middelen van bestaan besloten uit wanhoop, tot het kamp der bannelingen en ketters over te loopen. In plundering zochten zij hun heil. Aan enkele personen werden slechts vrijheden toegestaan, waaruit deze hun voordeel trokken. De Engelschen voerden toch het laken, de wol en het tin gemakkelijk uit en haalden het geld uit andere landen.

De verandering in den koers der munt mag als eene andere bron van achteruitgang worden beschouwd, waaruit slechts enkelen, die in de gelegenheid waren, voordeel trokken.

De ongekende, zoo verafschuwde en schandelijke Raad van Beroerten heeft eene algemeene ontevredenheid verwekt. Wij wijzen slechts op de vertraging in de toepassing van het recht, gevorderd door belanghebbenden, zoowel rijken en adellijken als armen, weduwen, weezen, kerken en kloosters. Men kan geene uitspraak krijgen dan na langdurige en kostbare pogingen te hebben aangewend en bewijzen zonder einde te hebben aangevoerd. Het gevolg van deze handelwijze is, dat vele belanghebbenden van hunne vorderingen afzien. Volgt eindelijk na opoffering van veel tijd en geld een vonnis, dan is het veelal te laat, wijl de goederen, waarover het geding liep, tot dekking der kosten moeten blijven, terwijl in andere gevallen de ontvangers beweren last te hebben, de uitbetaling te verdagen. De algemeene klacht en de ontevredenheid vermeerderen nog door de ruwe en willekeurige behandeling, waaraan het publiek van den kant van Ju an de Vargas is blootgesteld. Wie met hem te doen heeft, wordt door daden en woorden mishandeld en tot wanhoop gedreven. De wanorde is zoo groot, dat op dit oogenblik meer dan 15,000 processen voor den Raad aanhangig zijn.

Bij dit alles komen nog de onbeschoftheden, de afpersingen en bet geweld van de zijde der krijgslieden, die de ingezetenen des lands, zoowel geestelijken als burgers, zonder aanzien des persoons, behandelen, alsof liet een pas veroverd gewest gold. De aanvoerders trachten nooit deze geweldenarijen te beletten. Terwijl de vreemde soldaten groote sommen gelds van het land verslinden, worden de inheemsche troepen, die menigvuldige bewijzen van trouw leverden en in 1568 veel er toe bijdroegen om den Prins van Oranje uit het land te verjagen, niet uitbetaald.

De zware lasten, den burgers door dwang afgeperst en niet langs

-ocr page 26-

— 25 —

den gewonen weg met goedvinden der Staten opgelegd, verwekten algemeene ontevredenheid. Nadat de 10Gste penning was verkregen, werd de 10do en 20,t9 penning tegen den wil der Staten geëischt. Hoeveel tegenkanting dit belastingstelsel ook mocht ondervinden, Alva liet zich niet afbrengen van zijn voorgenomen plan, dat door hem als gemakkelijk uitvoerbaar en nuttig in Spanje was voorgesteld. De tegenwerpingen van invloedrijke personen mochten niet batcp. De Staten boden twee millioen gedurende zes jaar om aan deze drukkende belasting te ontsnappen, maar hun aanbod werd van de hand gewezen. Het gevolg was, dat de handel naar nabnrige landen werd overgebracht.

Veel droeg onder het volk nog bij tot verhooging van het misnoegen het besef van den slechten dunk, die aan het hof in Spanje en te Rome omtrent de Nederlanders heerschte. Allen worden als ketters en vijanden des Konings beschouwd, die zich tegenover God en den wettigen Vorst aan maiesteitsschennis hadden schuldig gemaakt. Niemand werd geacht den Koning getrouw te zijn en het land diende bij gevolg als een pas veroverd gewest behandeld te worden.

Het volk beklaagt zich, dat de oude privilegiën en rechten niet worden gehandhaafd en het land op Spaansche wijze wordt geregeerd. Algemeen heerscht de overtuiging, dat na de herovering van verloren plaatsen door de Spanjaarden, de inwoners tot slavernij gebracht zullen worden. Het gevolg hiervan is, dat zelfs de voorname ingezetenen, die meerendeels nog goed katholiek zijn, niet raar het einde van den strijd verlangen in de hoop, dat de tijd eene uitkomst op redding zal verschaffen. Zij zijn wanhopig, daar noch in Spanje, noch te Brussel op hunne klachten acht wordt geslagen. Eenige officieren en staatsdienaren hebben zich, onder medeweten van den gouverneur, met goed en bloed der ingezetenen vetgemest.

Het herstel der dijken in Holland, Zeeland en Brabant is geheel verwaarloosd; op het verzoek om in dit onderhoud te voorzien is geantwoord „ dat men ze liever moest doorsteken om het gespuis te laten verzuipen quot;.

Al deze grieven, waaronder de heffing van den lüden en 20!,ten penning bovenaan staan, hebben de gemoederen zoodanig in beweging gebracht, dat de toestand formeel op een algemeenen opstand gelijkt.

Laat men niet zeggen, dat de ketterij de voorname bron der on-

-ocr page 27-

— 26 —

lustori is; onder de muiters telt men vele oprechte kat1; olieken. De heiligschending en de geweldenarij, in kerken en kloosters gepleegd, was het werk van Hugenooten, vreemden en misleiden. De wandaden werden gepleegd om het volk alle hoop op verzoening met zijn\' vorst te ontnemen. Opmerking verdient, dat het land in vrede door Mar-garetha aan haar\' opvolger werd overgedragen; dat niettegenstaande onder dezen zoo veel bloed vergoten en door de soldaten geweld gepleegd is, alles rustig bleef; zelfs in de streken, waar de Prins van Oranje met een machtig leger doortrok, bleef het volk kalm.

De afpersing van den 10den penning bracht een\' ommekeer in de zaken. Sedert leefden heele provinciën in goede verstandhouding met den vijand en weldra vielen vele steden als, den Briel, Vlissingen, Valenciennes, Bergen, Dordrecht, Enkhuizen in zijne handen..

Dit zijn, kort saamgevat, de voornaamste oorzaken der vele ellenden, die door het gebruik van gepaste middelen, in plaats van overdreven gestrengheid tegenover de misleiden en de verleiders, te voorkomen waren geweest.

De gevolgen van een en ander zijn; dat vooreerst vele zielen reeds verloren zijn, behalve degene, die nog gevaar loopen, wanneer zij in handen der vijanden vallen; ons dapper leger is zoo geslonken, dat van 75 compagnieën Spanjaarden slechts 3500 man overblijven ; schatten zijn verslonden zonder eenig resultaat, integendeel, de zaken staan slechter en de bevolking is vijandiger gezind, dan ooit. Niemand slaat meer geloof aan beloften. Het vertrouwen is zelfs bij personen, die nog getrouw bleven, geschokt, daar ieder op zijne beurt zich bedrogen vond. Zooals de zaken thans staan, is alleen nog heil van een wonder Gods te verwachten; zoo ver is het kwaad gevorderd en zoo moeilijk zijn thans nog de middelen te vinden om zich er uit te redden.

De Prins van Oranje heeft, zonder hulp der Franschen, Duitschers of Engelschen, zich van vele steden meester gemaakt, alleen met bannelingen, uitgewekenen en landloopers eu het staat te vreezen, dat hij nog verder zal gaan. Hiertegen zullen andere middelen dan wapengeweld, dat tot hiertoe vruchteloos bleek, gezocht moeten worden.quot;

De schrijver stelt voor :

dat de Koning ten bewijze, dat zijn doel niet is, zich van de

-ocr page 28-

— 27 —

bezittingen zijner onderdanen meester te maken, maar alleen de eere Gods beoogt, de opbrengst der verbeurd verklaarde goederen voor herstel der verwoeste kloosters, kerken en beelden bestede;

dat aan ieder, die het verlangen te kennen geeft, zich met de Kerk te willen verzoenen, vergiffenis geschonken worde;

dat de besluiten van het Concilie van Trente in toepassing worden gebracht;

dat de bisschoppen aangezocht worden de maatregelen, volgens gemeld concilie voor de oprichting van seminariën genomen, bekend te maken;

dat aan het schandelijk leven van vele kanunniken en andere geestelijken een einde gemaakt en orde gebracht worde in de verdeeling der beneficiën, door hen genoten;

dat de schandalen in de kloosters, zoowel door oversten als monniken gepleegd, onderdrukt worden;

dat de pastoors op de dorpen op Zon- en feestdagen preeken en het evangelie uitleggen ;

dat de Koning een onderzoek zal laten instellen naar den raad en de magistraat der steden, aangezien volgens de publieke opinie vele ketters onder hen worden aangetroffen;

dat openbare z inden, waaronder vooral de woeker, onder strenge straffen verboden worden.

Men zal in de steden goede scholen stichten tot opleiding der kinderen in het ware geloof en in de vreeze Gods;

bekwame en vrome predikanten en biechtvaders zullen overal rondtrekken ;

den Paus zal men verzoeken, een\' nuntius inde Nederlanden af to vaardigen, die toeziet, dat de bisschoppen aan een en ander de hand houden.

Ten opzichte der Staatszaken wordt voorgesteld:

- dat een beminnenswaardig en gezaghebbend persoon in naam des Konings naar de Nederlanden gezonden worde, die in het leed zijner onderdanen deelneemt en trachten zal dit te verzachten ; iemand, die zijne onderdanen als een vader en toegevend gebieder behandelt en nooit eenige andere bedoeling had.

De publieke opinie, die het volk als ketters en ontrouwe onderdanen brandmerkt, zal men trachten te wijzigen en het publiek over-

-ocr page 29-

— 28 —

tuigen, dat de Koning niet den godsdienst als oorzaak voor den opstand houdt, maar ontevredenheid en verleiding en verder wanhoop en vrees.

Het regeeringstelsel, sedert eenige jaren gevolgd, dient gewijzigd te worden en teruggebracht tot de grondslagen, in zwang ten tijde des Keizers en der Koningin Maria.

De oude privilegiën en rechten zal men handhaven en de nieuwe verordeningen, meer uit praalzucht dan uit noodzakelijkheid uitge vaardigd, herroepen ; de benoeming der raadslieden en magistraten zal zonder gunst geschieden ; het getal gouverneurs, die tot last der steden zijn, zal tot het streng noodzakelijke teruggebracht worden ; recht zal met spoed en nauwgezetheid verschaft en de handel beschermd worden.

De Raad van Beroerten, zoo verafschuwd wegens gepleegde om-echt-vaardigheden en traagheid in de toepassing van het rechf, dient afgeschaft te worden, als ook de belasting in den vorm van den 1 (jden en 20sten penning.

De plundering, mishandeling, de plagerijen en onbeschoftheden der krijgslieden moeten worden belet en degenen, van wie gezegd wordt, dat zij onrechtvaardigheden pleegden, of zich aan roof schuldig maakten, aangehouden en vervolgd worden.

Men zal een pardon-generaal afkondigen, waarvan de hoofden des opstands alleen uitgezonderd zullen zijn.

Het beste middel, om een einde aan den benarden toestand te maken, is, dat de Koning in pers)on naar de Nederlanden komt. Mochten zijne gezondheid of andere moeielij kheden hem dit beletten, dan dient een persoon, die vertrouwen inboezemt, herwaarts te komen om de orde zoo spoedig mogelijk te herstellen.

Aan het slot is de moeilijke kwestie behandeld: wat met den Prins van Oranje te doen? Vooreerst zijne aanhangers uitnoodigen en aansporen, hem te verlaten onder belofte van algemeene kwiitsche!-ding en aan de steden en personen van beteekenis, die hem aanhangen, teruggave der verloren goederen te verzekeren, onder voorwaarde, dat zij zich met de kerk verzoenen en aan den Koning onderwerpen. Een ander middel zou zijn het zaaien van tweedracht onder de opstandelingen en hun vrees aanjagen. Eindelijk een prijs uitloven voor degenen, die den Prins van Oranje en eenige der meest geduchte

-ocr page 30-

— 29 —

opstandelingen onschadelijk maken. (... o matardn el Oranje y d algunos de los rebeldes mas principales y sediciosos ...)quot;

Ofschoon wij enkele punten in deze beschouwing vermeld, niet zonder voorbehoud zouden willen onderschrijven, komt het ons voor, dat de schrijver tijd en omstandigheden in aanmerking genomen, veelal een juistquot; en onpartijdig oordeel velt, en op menige plaats den vinger op de wonde plek zet.

Trouwens andere berichten uit dien tijd over het bewind van Alva luiden niet gunstiger. De Hertog van Medina-Celi beklaagt zich in zijne brieven bitter over Alva. Frederik Perenot, heer van Cham-pagney, broeder van den kardinaal Granvelle, overhandigde aan Medina-Celi een scherp betoog tegen Alva, waarin hij wijst op de onderdrukking der bevolking en de onraenschelijkheden, door den Raad van beroerten gepleegd. (1)

Estaban Praats, secretaris van den Raad van Beroerten,\' schreef in April 1573 aan Filips, (2) dat het krijgsvolk straffeloos de ingezetenen kwelde en plunderde, dat vele ingezetenen, hetzij verbannen of ter dood veroordeeld, met ongekende gestrengheid gestraft waren; dat de handel geheel ter neer lag, waardoor de welvaart sterk achteruit ging en vele huizen van vluchtelingen onbewoond of voor geringen prijs verhuurd waren. De bisschoppen van Arras en Yperen en de theologische faculteit der hoogeschool te Leuven beklaagden zich eveneens in Mei 1573 aan Filips over den onhoudbaren toestand, waarin de Nederlanden door Alva waren gebracht. (2) en (3). De leden der faculteit hadden elkander onder ede beloofd, het stilzwijgen omtrent dezen stap tot na het vertrek van Alva te bewaren.

Hopperus veroordeelt insgelijks in eene Memorie, in Maart 1573 den Koning aangeboden, het regeeringsstelsel en het beleid van Alva. Dezelfde grieven vinden wij herhaald in een vervolg van zijn „Recueilquot;, waarvan wij de uitgave aan Prof. Fruin te danken hebben. (4) Hopper wijst hierin op Alva\'s noodelooze strengheid, zijne inbreuken op de gewoonten en rechten des volks, zijne minachting van de Nederlandsche

(1) Mémoires de Champagney : Sur l\'Estat des Pays-Bas et son redressement.

(2) Corresp. de Philippe, T II, p. 351 et 357.

(3) Bulletins de l\'Académie royale de Bolgique. T. XXII. Publié par le chanoine de Rum en latin, le toxte original et signé par 12 professenrs.

(4) Bijdragen en medodeelingen van het historisch genootschap quot;evestigd te Utrecht, 13° deel 1892.

-ocr page 31-

— 30 —

regeeringspersonen en raden, zijne schraapzucht, zijne confiscatiën en ongehoorde belastingen. Dit alles, zegt hij, heeft nog meer dan te voren misnoegen gewekt en verzet uitgelokt, waarvan de Prins van Oranje partij heeft getrokken om den burgeroorlog te doen ontbranden.

Als waardig tegenhanger van dit vluchtig beeld der geweldenarijen, door de Spanjaarden in de eerste jaren van den SOjarigen oorlog gepleegd, zouden wij van de strooptochten, brandstichtingen en moordaanslagen hunner tegenstanders kunnen gewagen. quot;Wie zal het zeggen, naar welken bant du weegschaal zou overhellen, indien de gruwelen en misdaden der beide partijen tegen elkander opgewogen werden. De benden onder aanvoering van Dolhain, Sonoye, Lumey koelden hunne wraak niet alleen op de Spaansche verdrukkers, maar kozen veelal weerlooze burgers tot slachtoflers. Het eigendomsrecht had daarenboven in hun oog geen waarde.

De troepen, die van Duitsche en Fransche zijde het land binnenrukten, toonden zich niet minder bloeddorstig en roofziek dan hunne bondgenooten, getuigen de legertochten van 1568 en 1574 en de inneming en plundering van Roermond in 1572.

De eenvoudige burger en de vreedzame landman, eerst door den verdrukker uitgezogen en daarna door den bevrijder geplunderd, waren de meest beklagenswaardige slachtoffers der onlusten, verwekt door geestdrijvers en eerzuchtigen, die tot volvoering hunner plannen zich van eerlooze gelukzoekers en huurlingen bedienden.

Den 18den December 1573 verliet de Hertog van Alva de Nederlanden, waar zijn naam door duizenden werd gevloekt en de zaak des Konings in den treurigsten toestand verkeerde.

Zijn opvolger, Lodewijk de Requesens, aanvaardde het bewind onder ongunstige omstandigheden. Terwijl de reactie tegen het regee-ringstelsel van wreedheid en geweld zijns voorgangers voortduurde, prijkten op zijn programma de woorden „ vrede en toegevendheid quot; bovenaan.

§ III. Zeden en gewoonten deb Zuid-Nederlanders in de

laatste helft der 16d* eeuw.

Ieder van ons verneemt met belangstelling den indruk van vreemde bezoekers, omtrent onze hedendaagsche zeden en gebruiken. Werken

-ocr page 32-

— 31 —

als die van Havard, de Amicis en anderen bevatten voor ons zelfs menige onthulling. Zij hebben uit onze omgeving zaken opgemerkt, die aan het oog van wien ze dagelijks gadeslaat als het ware ontsnappen. Hunne opmerkingen en vergelijkingen leeren ons tevens, hoe het in menig opzicht in hun vaderland is gesteld.

Hoeveel te meer voelen wij ons aangetrokken, kennis te maken met hetgeen een vieemdeling, die vele jaren in de Zuidelijke Nederlanden vertoefde, aangaande het karakter en de levenswijze onzer voorouders der 16de eeuw heeft opgeteekend. Onder de weinige schrijvers uit genoemd tijdvak, die zich in dit opzicht verdienstelijk maakten, behoort de Spaansche kapitein Alonso Vazquez.

Eene beknopte beschrijving der Nederlanden, der zeden en gebruiken hunner bewoners laat hij als inleiding vooratgaan aan zijne zeer uitvoerige mededeelingen omtrent de krijgsbedrijven in deze gewesten onder Alexander Farnese (1578 — 1598) (1).

Uit deze karakterteekening namen wij de belangrijkste gegevens over. Naast enkele slechte vinden wij hierin vele goede eigenschappen onzer voorvaderen vermeld, die de schrijver gedurende zijn langdurig verblijf op het land en in de steden der Zuidelijke Nederlanden heeft meenen te ontdekken. Mocht de waarnemer in sommige op-zich!en dwalen, zelfs enkele malen met zich zelf in tegenspraak zijn, hiertegenover staat, dat hij dikwerf de bewijzen geeft, onpartijdig en niet vooringenomen geoordeeld te hebben.

De beschrijving van elke provincie in het bijzonder gaat vooraf.

Brabant noemt hij een der welvarendste streken der Nederlanden, werwaarts de handel en het verkeer uit Vlaanderen van vroeger dagen waren overgeplaatst. Die vooruitgang had het vooral aan het verblijf der regeering te danken.

De luchtstreek in deze provincie is gematigd en gezond en de bodem zeer vruchtbaar en meestal vlak. Men vindt er veel houtgewas en in sommige bosschen uitspanningsoorden of buitenplaatsen, bestaande in sierlijke en goed gebouwde huizen. Deze zijn alle omgeven door water, waarin prachtige zwanen rondzwemmen, en verder door groote en smaakvol aangelegde tuinen, voorzien van statig

(1) Documentos ineditos para la Historia de Espana T. LXXII en twee volgende. Zie nadere bijzonderheden Publications historiques du Limbourg etc., T. XXVII.

-ocr page 33-

— 32 —

opgaande boomen met weelderige kruinen, waaronder op vele plaatsen tafels en banken zijn aangebracht. In den zomer beschutten zij tegen de zonnestralen en dienen dan om zich er onder te onderhouden of iets te gebruiken. In deze uitspanningsoorden wordt nu en dan muziek gemaakt, men geeft er gastmalen, danspartijen en andere vermakelijkheden hebben er plaats.

Vele voorname buitenplaatsen van deftige familiën worden in Brabant aangetroffen. De provincie telt 44 versterkte en 18 open steden, waarnaast meer dan 700 dorpen. Zij bevat het hertogdom Aerschot, het markiezaat van Be.rg, de graafschappen van Hoogstraten en Megen, de heerlijkheden Breda en Ravenstein, het land van Maastricht met 19 baronieën, het hertogdom Limburg, het land van Valkenburg en het graafschap Daelhem, die ook onder de kanselarij van Brabant behooren.

De bewoners zijn scherpzinnig, zelfs arglistig (astuces), krachtig gebouwd, meestal blond van haar en blank van huid, oorlogszuchtig en zeer geschikt voor den handel. Dit gedeelte der Nederlanden is ook zeer rijk aan vee en levert groote en krachtige paarden, maar weinig en niet zeer smakelijke vruchten. Het gewone voedsel voor het volk bestaat uit gezouten vleesch, kaas, boter en melk. Tal van prachtige gebouwen, kerken en oude abdijen, waarin zich veel rijkdom bevindt, kan men hier ontmoeten. Vele zijn evenwel tengevolge der aanhoudende onlusten vervallen en sommige zelfs door het vuur verwoest.

Omtrent de Nederlanden in het algemeen luidt het oordeel van Vazquez als volgt:

De Nederlanden zijn zeer rijk en vormen een machtigen staat. De temperatuur is in deze gewesten gematigd, de lucht vochtig, zwaar en gezond. Het land bezit rijke kudden, die eene ongelooflijke hoeveelheid melk, eene voorname bron van inkomsten, opleveren. In Holland en Friesland vooral is het vee zeer zwaar, zoodat ossen van twee tot drie duizend pond (van 16 ons) worden aangetroffen, die zeer smakelijk vleesch afleggen. In genoemde provinciën en in Brabant zijn de paarden groot en krachtig en tegen de vermoeienis van den oorlog bestand, maar niet zoo regelmatig gebouwd als die in andere streken. Het graafschap Vlaanderen levert het lichtste en vlugste slag van paarden. Ingevoerde paarden gedijen hier, ter wille van het voer en het water, beter dan in andere streken.

-ocr page 34-

— 33 —

Onder de beste vruchten van het land worden gerekend, zwarte kersen, peren, sommige appelsoorten en witte en gekleurde kool. Een andere soort, bloemkool genaamd, wordt vooral in Namen verbouwd. De knollen van uitgestrekte akkers dienen als veevoeder. Mangel- en suikerwortels, die er in overvloed groeien, leveren met vleesch gekookt een smakelijk voedsel.

De varkens zijn talrijk en groot. In Brabant en Friesland vooral zijn deze dieren zoo boosaardig, dat zij meermalen kinderen verslonden. De wolven zijn in deze streken zelfs gevaarlijker voor den mensch, dan in andere landen. De wol is van minder kwaliteit dan die der Spaansche schapen.

Wijnbergen vindt men slechts weinige in Luxemburg, Luik, Leuven en Namen. De druiven worden er niet behoorlijk rijp, zoodat de wijn, dien zij leveren, wrang en onaangenaam van smaak is. Perziken, vijgen, pruimen, meloenen en tal van andere vruchtensoorten worden hier gemist. Eveneens ontbreken de vele sierplanten, die in Spanje worden geteeld en daar gedeeltelijk in het wild voorkomen. Daarentegen groeien in de Nederlanden prachtige, hooge beuken, zware eiken en andere boomen, waarvan aan buitenplaatsen, kloobters en andere gebouwen heerliike lanen zijn aangelegd.

Meekrap, dienende voor de bereiding van kleurstof en vlas wordt op groote schaal verbouwd.

De vischhandel levert eene voorname bron van inkomsten. Zeevisch wordt veel naar andere landen en vooral naar Duitschland uitgevoerd. Men zegt, dat de zalmvisscherij onder anderen jaarlijks twaalfhonderd duizend en de sardines en haringen een millioen vijfhonderd duizend ducaten opleveren.

De Nederlanders zijn groot en krachtig en meestal van regelmati. gen lichaamsbouw. De letteren beoefenen zij met voorliefde en zonder ooit van huis geweest te zijn, kennen de meesten vier talen, Neder-landsch, Hoogduitsch, Fransch en Latijn. Zij zijn koud van aard en handelen gewoonlijk met bedaardheid en overleg, zonder zich op te winden of boos te worden. De Nederlander is noch trotsch, noch eerzuchtig en zoo waarheidlievend, dat hij liever sterft dan liegt. Meermalen zag men gidsen, liever dan iels te verraden waaruit nadeel voor de hunnen kon voortvloeien, aan de galg sterven. Hunne trouw is gewoonte en natuur. Zij zijn tuk op nieuws en begeerig

-ocr page 35-

— 34 —

naar bezittingen. Allen verlangen naar rijkdom, en spaarzaamheid, grenzende aan gierigheid, vindt men bij geen ander volk in die mate als bij hen. Wegens hunne verregaande lichtgeloovigheid zijn zij gemakkelijk te misleiden. Naastenliefde beoefenen zij maar weinig, zoodat men voor eene nietigheid elkander haat en bestrijdt. Deze lieden zijn zoo wraakzuchtig als dapper en volhardend in den strijd tegen moeinlijkheden, zoodat zij, mocht het leven er mede gemoeid zijn, nooit terugdeinzen. Zelfs aan den voet van het schavot begeeft de moed hun niet. Nooit zag men iemand bij dergelijke gelegenheid den dood vreezen, noch zelfs verbleeken. Plet uur van elven tot twaalven, waarin den veroordeelden vóór de executie eene zekere vrijheid wordt gelaten, brengen deze door met den beker in de hand, drinkende op. de gezondheid van den beul en van de toeschouwers en eindigende mot de groeten aan afwezige bloedverwanden en vrienden te bestellen. Klokslag twaalf zwijgen zij, leggen zich den strop met eigen hand cm den hals en springen met eene ongelooflijke koelbloedigheid van de trap. De Walen vooral onderscheiden zich in dit opzicht.

Ondankbaarheid is hun in hooge mate eigen. Nooit zijn zij erkentelijk voor bewezen diensten en in plaats van dankbaar te zijn, zullen zij de minste aanleiding te baat nemen om dengene, die hun eene weldaad bewees, te beleedigen en zelfs te mishandelen. De ervaring heeft dit maar al te dikwijls geleerd, vooral bij opstanden, wanneer na de onderwerping hun vergiffenis was geschonken. Afgezien van de gebeurtenissen der jaren 1303, 1306, 1382, 1404 en 1490, wijzen wij vooral op hetgeen onder Karei V en Filips 11 gebeurde. Niet alleen heeft men thans in de Nederlanden de achting voor den Koning, maar ook voor God en zijne heiligen verloren, zoodat de reliquieën verbrand en de kerken beroofd worden.

Drankmisbruik. Verslaafdheid aan den drank is de oorzaak voor dit diepe verval en, ofschoon zich hiervan bewust, blijft dit volk in het kwaad volharden. Reeds in de prille jeugd, terwijl de kinderen met de moedermelk nog worden gevoed, geeft men hun tevens wijn of bier in eene houten flesch, waaraan zij als aan de natuurlijke borst zuigen, totdat zij gespeend worden. Het groote nadeel van deze slechte gewoonte kan niet uitblijven.

Als voorwendsel voor dit ingekankerde kwaad geldt, vooreerst dat het gebruik van groote hoeveelheden drank in deze koude en vochtige

-ocr page 36-

streken noodzakelij k is om het bloed te verwarmen; dat hunne voorouders, de eerste bewoners van het land, de noodzakelijkheid van dit verwarmingsmiddel re^ds begrepen en dat het zelfs door de geneesheeren wordt aangeprezen. In den winter bij felle koude schijnt het geneesmiddel vooral noodzakelijk te zijn, zoodat in dit jaargetijde dag in dag uit gedronken wordt.

Hoewel het nadeel van deze slechte gewoonte, die zij met de melk hebben ingezogen, wordt ingezien, laten zij ze toch niet varen. Sommigen verdrinken in éénen dag de spaarpenningen van een heel jaar en leven met hunne familie van brood, bereid uit roggemeel, gemengd met boekweit (semilla llamada buca), dat zwart ziet en een\' on-aangenamen en bitteren smaak heeft. Hierop wordt gezouten en gebraden (?) vet van koeien, boter genaamd, (van het latijn butyrum) gesmeerd. Van de melk gebruikt men verder het serum, (butermeleca) genaamd, hetgeen in onze taal wil zeggen, (leche sacada la manteca) melk gescheiden van het vet. Hiernaast is kleinbier, uit zemelen bereid, de volksdrank.

God schonk hun groote bosschen, waaruit zij het hout voor het afkappen en halen hebben en aan doelmatige stookplaatsen en glasruiten om zich tegen de koude te beschutten ontbreekt het hun niet. Dit alles is evenwel niet voldoende; aan het drinken geeft men de voorkeur. In sommige streken van Brabant, Gelderland en Friesland bevindt zich eene lichte en sponsachtige aardsoort, die in stukken in den vorm van baksteenen uitgestoken en daarna aan groote hoopen in de zon wordt gedroogd. Deze stof, turf genaamd, wordt gebruikt in plaats van hout tot verwarming en tot koken. In andere provinciën als Luik, Henegouwen en Namen gebruikt men steenen, houille genaamd, die op de Maas in schepen ook naar andere streken worden vervoerd. Zij geven een fel vuur, dat door water aangewakkerd en in tegenstelling met andere vuren door blazen en overgieten met olie uitgedoofd wordt.

Kermis. (1) Velen gaan het heele jaar gekleed met gelapte broek

(1) In onüe gewesten werden jaarlijks twee kermissen gehoude i. Eene » de theoplio-ria quot; in het voorjaar bij gelegenheid der groote processie en de andere » patronagium quot; op den Zondag na het feest van den patroon der kerk. Bij besluit der Sraten-Generaal van 7 Mei 1770 werden deze feestelijkheden afgeschaft, omdat zij aanleiding gaven tot drinken (» teeren en smeeren quot;) en vechtpartijen. Voortaan zou slechts óéhe kermis, op den Zondag na 11 November gehouden worden. In sommige dorpen van Zuid-Limburg draagt deze nog den naam van Hollandsche kermis. De éérste twee worden thans in de meeste plaatsen gevierd.

-ocr page 37-

— Se

en buis van geitenhaar, die eene eeuw duren kunnen en doorleven duizend andere ellenden om in één\' dag soms twee- tot driehonderd kroonen te verteren aan eten en drinken. Niet tevreden met de ge-noodigden, roepen zij bij deze gelegenheid ook nog de voorbijgangers aan en vieren feest, totdat de beenen hunnen dienst weigeren. Gewoonlijk blijft men 3 — 4 dagen aan tafel. De een windt zich op onder de bedrijven en de ander wordt treurig gestemd, want de wijn verwekt ook soms droevige zinnen. Meestal zijn de gasten vroo-lijk en twisten bijna nooit. Ontstaat er oneenigheid, dan loopt deze over het drinken en hiertoe geeft dikwerf aanleiding, dat iemand bij een gezondheidsdronk geen bescheid heeft gedaan, waarvoor het besef hun soms ontbreekt. Degene, die kalm blijft, wordt voor een vijand of verrader van het vaderland gehouden, die om zijne booze plannen te verbergen niet durft drinken, waardoor hij het verstand zou kunnen verliezen en zich in een onbewaakt oogenbhk bloot geven.

Telkens dient eenig nieuw voorwendsel om aan deze schandelijke drift te voldoen. Wordt een kind geboren of gedoopt, dan geeft men aan zijne vreugde lucht door een feest aan te richten en te drinken. Bij een sterfgeval wordt op dezelfde manier gebrast en heel onschuldig beweert men, dat door zich in dit tranendal te bedrinken, aan de ziel in het andere leven rust wordt verschaft.

Wanneer eenige vrienden, beschonken en van hun verstand beroofd, de herberg verlaten, trekken zij gearmd, waggelend langs de straten, vallen tegen elkander, maar weten met dit alles het evenwicht zoo te bewaren, dat zij zelden van de been geraken. Onder deze potsierlijke vertooning brengt de een den anderen te huis.

Omstreeks middernacht gaat de vrouw dikwijls, na hare bezigheden in het huishouden verricht te hebben, met een lantaarn in de hand den man in de herberg opzoeken. Aan de hand of onder den arm voert zij hare dierbare wederhelft huiswaarts teneinde te voorkomen, dat deze, door het bier of den wijn bedwelmd, op straat valt.

Bij het huwelijk vooral worden groote gastmalen en drinkgelagen aangericht. Wanneer personen 40 jaar in den echt vereenigd zijn, gaat de familie eerst gezamenlijk naar de kerk en na de Mis begint de pret. Er wordt feest gevierd als op den dag van het huwelijk, dat op nieuw heet bevestigd. Alle soorten van toasten worden aan tafel uitgebracht. Men drinkt op familie en vrienden, daarna op de overheden, zoowel wereldlijke als geestelijke van alle secten en deze

-ocr page 38-

~ 37 —

zijn talrijk. Zelfs wanneer iemand weduwnaar of weduwe wordt, neemt men de gelegenheid te baat om te drinken.

Overeenkomsten bij koop of verkoop sluit men gewoonlijk in de kroeg. Niets van dien aard heeft plaats, geen contract wordt aangegaan zonder de keel te bevochtigen.

Bij testamentaire beschikking bepaalt de erflater meestal de hoeveelheid dranks, die na zijnen dood ten beste zal worden gegeven. De uitvoering van dit verlangen wordt meer dan eenige andere zaak den erfgenamen aanbevolen.

Alvorens een belangrijk pleit te beslechten of een vonnis uit te spreken, ledigen de rechters in één\' teug een glas witten wijn. Dit zal het verstand scherpen en een juister oordeel doen vellen.

Na uit devotie of uit plichtbesef het H. Sacrament ontvangen te hebben, wordt de wassching niet op dezelfde plaats als de Communie gebruikt. Bij de kerkdeur staan op eene tafel groote kannen (welkoms) van glas, tin of zilver, met wijn gevuld. Hiervan wordt gedronken en daarna op eene schaal eene aalmoes naar goeddunken geofferd. Ook deze ceremonie dient maar al te dikwijls als voorwendsel om te drinken en meermalen maken personen, vooral behoeftige soldaten, hiervan gebruik zonder gecommuniceerd te hebben.

In sommige streken legt men ter gedachtenis der instelling van het H. Sacrament in den nacht van Witten Donderdag een drinkgelag aan met besten witten wijn, zoo bereid, dat hij op bloed gelijkt. De buren, vrienden en familieleden vereenigen zich en drinken met smaak, zoogenaamd uit devotie.

Den vooravond van St. Maarten en den dag zelf wordt in elk huis ontzaglijk gedronken.

Driekoningen avond heeft in elke familie de keuze van een koning plaats, die als zoodanig gehoorzaamd en bediend weidt. Het lot beschikt in dezen. Deze dag wordt ook Bertienavond genoemd, omdat van Kerstmis tot dan dertien dagen verloopen. Ter gedachtenis hieraan ontsteekt men in elk huis dertien kaarsen, die op eene rij voor de vensters worden geplaatst. Bij dit alles wordt feest gevierd en het noodige aan Bacchus geofferd.

Is iemand overleden, dan spreidt men stroo van het sterfhuis tot de kerkdeur op den weg, waarlangs de doode moet worden vervoerd. Vóór de begrafenis wordt gedurende drie dagen tot lafenis der ziel gedronken. Is de afgestorvene ter aarde besteld, dan volgt de stoet

-ocr page 39-

het spoor van het stroo tot in het sterfhuis, waar een laatste dronk aan den ontslapene wordt gewijd, een gebruik, dat de naastbestaan-den van den overledene als het grootste eereblijk beschouwen.

Dat ik over deze misbruiken, zegt Vazquez, uitweid, is niet louter uit genoegen om kwaad van dit volk te schrijven, maar alleen om zijne levenswijze in het ware licht te stellen.

Bier. Van bier wordt zooveel als van wijn gebruik gemaakt. Het wordt bereid uit de bloem eener plant, hop genaamd, die in sommige streken op groote schaal wordt verbouwd (1). Gedroogd is zij zeer gezond en kan als purgeermiddel dienen. De hop wordt in groote ijzeren ketels met rogge, gerst, haver, tarwe of zemelen gekookt en naar gelang van het gebruikte materiaal krijgt men sterkere of slappere biersoorten.

Bier, uit tarwe bereid, ziet licht bruin en schuimt heel sterk bij het aftappen of uitschenken in de bekers. Het gaat zoo snel naar \'t hoofd als de krachtigste wijn. Gerstebier is gezonder, maakt niet zoo spoedig dronken en is daarbij goedkooper. Men heeft nog betere en mindere soorten, uit haver en rogge bereid, die zeer verschillend van kleur, kracht en prijs zijn.

Zemelenbier is het goedkoopst. Het heelt hoegenaamd geene kracht en wordt door de Vlamingen „ Duabir quot; en door de Walen „ petite bière quot; genoemd.

Engelsch bier is het beste en in de Nederlanden rekent men onder de betere soorten het bier van Antwerpen, Hoegaerden, Mcnin en Leuven. In het land van Luik is het bier meer prikkelend, geurig en aangenaam van smaak, eene eigenschap, die door bijvoeging van eene soort kruid naast de hop wordt verkregen.

In dit land vindt men kooplieden in hop, die meer dan honderdduizend dukaten fortuin bezitten. De voorraad wordt gelijk de wol in zakken bewaard, die meermalen in bressen bi) bestormingen met succes werden gebruikt.

Nog rijker zijn de brouwers en huidenkoopers. De laatsten hande-

(1) Het gebruik van hop voor het brouwen van bier dagteekent bij ons te lande waarschijnlijk uit do XIVdc eeuw. Wij vinden hoppenbrouwers (hraxatores hoppa-rum) vermeld in tegenstelling van de gewone moutbrouwers. Te Maastricht woonde in 1377 op den Steenwech (supra lapidcam mam) „ Lambertus de Winhelheim brassator hoppe; in de Muntstraat Johannes de Leicis brassalor hopparum en te Wijk Johannes dichts Hans de Westvalia brassator hoppe. ^Oorkonden en bescheiden van \'t kapittel van O. L. Vrouwe kerk, uitgegeven door G. D. Franquinet).

-ocr page 40-

— 39 —

len vooral in runderhuiden, die naar Antwerpen en andere groote plaatsen worden vervoerd in karren met honden bespannen. Deze dieren zijn zco afgericht, dat zij zonder geleide naar de looierij trekken en daarna weer alleen naar huis terugkeeren.

Wijn. Slechts enkele streken als Luik, Namen, Luxemburg en Leuven leveren wijn, die wrang en onaangenaam is van smaak, doordat de druiven er niet behoorlijk rijp worden (1).

Behalve de vele specerijen en de vruchten die uit Spanje worden ingevoerd, gaan de olie en de wijn van geheel Andalusië per schip naar Vlaanderen. De wijnen van Xeres, Alanis, Cazalla, Constantina en Pe iro Ximenes van Malaga en andere soorten te San Lucar of Sevilla ingeladen, worden in het Noorden, na door de koude gezuiverd te zijn, beter dan op de plaats van herkomst. Frankrijk levert ook goede wijnen en de Duitsche soorten, die langs den Rijn groeien, zijn uitstekend. De vracht en de belasting maken de wijnen hier duur. Men behoeft volstrekt geen rijkaard te zijn om bij een gastmaal voor vijftig tot tachtig dukaten, alsof het slechts twee maravedis gold, aan wijn te verschenken.

De vrouwen. — De vrouwen zijn over het algemeen vrij en beleefd, krachtig, blond en blank van huid, niet zeer zindelijk op het eten, in hare kleeding daarentegen zeer elegant en tevens zindelijk. Allen redetwisten gaarne als een theoloog over godsdienst-kwesties. Vele boeken staan haar ter beschikking, waaronder zij den Bijbel reeds in de prille jeugd lezen en onthouden. Door het lezen van boeken uit naburige landen ingevoerd, waarvan de inhoud minder gepast is, vervallen zij dikwijls in grove dwalingen. In het schrijven, lezen en rekenen zijn zij zoo bedreven, dat weinig mannen haar hierin evenaren. Vele zijn zelfs de vier talen, die in dit land vereischt worden, machtig.

Ofschoon de vrouwen ook drinken, gaan deze zich nooit zoover te buiten, dat zij van haar verstand beroofd raken. Zij zijn veel matiger

(1) In de omstreken van Maastricht en verder in Zuid-Limburg werd ook veel wijn verbouwd. Hierop wijzen vooreerst plaatsnamen als wijngaardsberg, wijngaardshof enz. De raadsnotulen van 25 Augustus 1556 vermelden onder anderen: » Daar de » wijngaarders bij de stad te klagen hebben over de schade hun veroorzaakt doordien •gt; nadat de wijngaarden gelezen zijn, \'t volk hot loof van de wijngaarden zich veroor-i) looft quot; te reupen en te hroyen quot; waardoor de jonge ranken gekwetst worden — voor-„ taan zullen diegene die niet willen veroorloven dan in hun wijngaarden gecrouyt of „ gemept wordt verplicht zijn hun wijngaard met een wess te vreden als men \'t land ii gewoon is te vryen, die dan overtreedt op 3 goud gulden quot;.

-ocr page 41-

dan de mannen en op haar berust de heele zorg van het huishouden en veelal der zaken. Werken gaat haar zoo goed als de mannen van de hand. In den handel en In het beheer der zaken slaan zij hun steeds ter zijde. Sommige zijn zelfs barbier en snijden zeer behendig en met smaak baard en haren, alsof dit baantje voor haar was uitgevonden. In het besturen van een schip zijn zij ook zeer bedreven en hanteeren met veel vaardigheid het roer.

De vrouw in de Nederlanden is zeer dapper, zoodat bij de verdediging van steden en bij andere gelegenheden het zwakke geslacht soms met meer moed dan do mannen gewerkt en gevochten heeft. Getuigen twee zusters, die zich bij de belegering van het kasteel te Antwerpen onderscheidden en vele andere bij dergelijke gelegenheden.

De moeders nemen de opvoeding der kinderen zeer ter harte en besteden hieraan veel zorg.

Zoo verslaafd als de mannen zijn aan den drank, zoo verzot zijn de vrouwen op het dansen. Bij groote feesten wordt niet op geld gezien en onder anderen voor eenige violen gezorgd, die dertig tot veertig kroonen voor een of twee nachten kosten. Met het grootste genoegen dansen de dames twee tot drie dagen. Ontbreekt de muziek, dan bootsen zij deze na met den mond en zingen minneliedjes, op de maat waarvan, zij zich vermaken en den slaap uit de oogen houden. De vrouwen kunnen onder deze bedrijven zoo verrukt en opgewonden zijn, alsof zij door de tarantula gebeten waren (atarantadas).

In zijne liefdesbetrekkingen is het schoone geslacht zoowel in daden als in woorden hoogst eenvoudig. Den beminde wordt de hand gegeven en hij wordt gekust zonder de minste passie, als of het een doodvreemde gold. Zij zijn zoo koud, dat, na tien of twaalf jaren met een vrijer verkeerd te hebben, op hare eer en haren goeden naam niet het geringste te zeggen valt. Degene, die zij uitverkoren hebben om haar man te worden, wordt meer aangehaald en te huis ontvangen. In het bijzijn der ouders omhelzen de verloofden elkander zonder de minste kwade bedoeling, alleen omdat het zoo hoort en gebruikelijk is.

De liefde wordt veelal als eene handelszaak beschouwd ; die het meeste biedt, krijgt de voorkeur. Men let meer op geld dan op schoonheid, verstand, moed of goede inborst.

Ook vindt men vrouwen, die jarenlang eenige vrijers er op nahouden zonder ernstige bedoeling. Wie het eerst gekomen is, onderhoudt

-ocr page 42-

— 41 —

zich geknield met de dulcinea in het bijzijn der overige galanten. Na zijn vertrek komt een volgende, wien het gelukt is de verlaten plaats in te nemen, aan de beurt om zijne liefde uit te storten. De aangebedene weet ze behendig met een kluitje in het riet te sturen. Is eenmaal hare keuze op iemand gevallen, dan weet zij dien anders te behandelen.

Om het karakter van hun aanstaanden schoonzoon te leeren kennen, maken sommige Vlamingen van de volgende krijgslist gebruik.

Het jonge mensch verzoeken zij aan huis en maken hem drenken.

Is hij daarna vroolijk, droevig of slaperig, dan heeft hij den schoonvader voor zich ingenomen en de dochter is zijn. Toont hij zich daarentegen kwaadaardig of ongeduldig, zoo springt het huwelijk veelal af.

De vrouwen genieten in deze landen en inzonderheid in Brabant vele voorrechten. Is de vrouw van een zoon bevallen, dan mag de justitie haar huis niet binnengaan voor de uitvoering eener executie. Bij de geboorte eener dochter strekken de privilegiën zich nog verder uit. De woning is dan als geheiligd, zoodat zelfs geen delinquent, die zich er in verscholen mocht hebben, mng worden aangehouden. Het huis blijft onschendbaar tot don dag, dat de vrouw haren kerkgang doet.

De woning der kraamvrouw wordt op de volgende manier voor ieder kenbaar gemaakt. Na de geboorte van een zoon is aan den klopper der deur eene lap Hollandsch laken, met stikwerk versierd, bevestigd. Voor eene dochter is de stof sierlijker bewerkt en de klopper geheel overtrokken. Uit Mechelen en andere plaatsen trekken vele vrouwen kort vóór hare bevalling naar Brabant om de kinderen van de groote privilegieën en vrijheden van dit gewest te doen genieten.

In sommige streken wordt de vrouw, die den man de baas speelt, op de volgende manier gestraft. Opgesloten in eene kooi, die op eene lange staak bevestigd is, wordt zij naar eene rivier of een waterpoel gevoerd en tot viermaal toe ondergedompeld. Het gezegde „ a la mujer hrava regalia quot; is hiervan afkomstig. De man, getooid met eene muts, rok en andere vrouwenkleederen, is gedwongen bij de kastijding zijner dierbare tegenwoordig te zijn en het schouwspel gade te slaan. Hij dient tot voorbeeld voor andere mannen, die aanleg mochten hebben zich door de vrouw te laten regeeren.

-ocr page 43-

— 42 —

Omtrent het zedebederf in de groote steden hangt de schrijver een somber tafereel op. Vooreerst wordt gezegd, dat de publieke huizen in verschillende klassen zijn verdeeld, waarvan de minste onder streng toezicht staan, opdat bepaalde perken niet worden overschreden.

De eigenaars van enkele gelegenheden zijn in het bezit van de portretten der vrouwen van verdachte zeden uit de plaats. Deze teekeningen, gerangschikt in eene zaal, worden aan de vreemde bezoekers getoond. Deze doen eene keuze, waarna op hun verlangen het origineel • wordt ontboden. De kennismaking wordt door het drinken van veel wijn of bier bevestigd. Vermelding verdient, dat de man deze dame later op straat ontmoetende, zich gedraagt, alsof hij haar niet kent en nooit ontmoet heeft, zelfs dan nog, wanneer de vrouw het tegendeel beweert.

Enkel uit geldzucht ontzien zich sommige vrouwen niet. God te beleedigen, zich zelf te verlagen en de achting, aan echtgenoot en kinderen verschuldigd te vergeten. Men treft ook mannen, die uit winstbejag, zonder weerzin kunnen zien, dat hunne vrouwen met vreemdelingen schandelijke betrekkingen aanknoopeu. Sommige zouden hiermede zich zelfs vereerd gevoelen.

Meisjes op jeugdigen leeftijd trekken uit Holland en andere streken naar Vlaanderen om in publieke huizen den huwelijkspenning to verdienen, dien zij later den wettigen echtgenoot in de plaats der verloren eer aanbieden.

De vrouwen zijn zeer weetgierig en lezen veel boeken, waaronder vele, uit het buitenland ingevoerd, haar gratis worden verstrekt. Deze werken verdedigen valsche leerstellingen en doen degenen, die ze lezen, in ketterijen vervallen. Nonnen en bagijnen vooral worden door hun invloed de valsche leer toegedaan.

De bewoners van Artois en Henegouwen zijn nog het meeat godsdienstig en zij alleen maken bij het bidden nog gebruik van den rozenkrans. In andere provinciën bedient men zich voor het gebed uitsluitend van oude of nieuwe niet goedgekeurde boeken. De laatste dragen niet weinig bij tot verspreiding der ketterij.

Het bijgeloof. De Nederlanders zijn in vele zaken zonder grond of reden bijgeloovig. Zoo worden van de twaalf apostelen alleen degene vereerd, die op sommige afbeeldingen rechts van Christus staan.

In Brabant, Gelderland, Luik en het aartsbisdom Keulen zijn ve\'e bewoners in het bezit van vrouwelijke en mannelijke mandragoren.

-ocr page 44-

— 43 —

Vooral in de huizen van voorname lieden worden deze met veel zorg bewaard om hen tegen tooverij en andere slechte invloeden te beschutten. In het land van Luik vooral wordt verondersteld, dat veel heksen voorkomen, die ziekten aan het vee bezorgen en zelfs aan menschen veel kwaad berokkenen, en zoodoende aan persoonlijken haat, soms om nietige redenen, lucht geven (1). Volgens het volksgeloof worden deze mandragoren (alruin-mannetjes) onder den grond op eene eigenaardige manier geboren. De bewoners van deze streek beweren zelfs, dat zij bij het uitgraven een gil als dien van een mensch laten hooren en daarna sterven. Gedroogd behouden zij in alle opzichten de menschengedaante. Men heeft groote en kleine mannetjes, waai van geene in lengte den afstand van den elleboog tot aan de hand overtreffen.

Anderen beschouwen ze eenvoudig als den wortel eener plantensoort, waarvan men eene mannelijke en vrouwelijke onderscheidt (2). De vruchten en de bast van den wortel der mandragora verwekken slaap. De plant is in het burgerlijk recht (derecho civil) onder de vergiften gerekend. Bij operaties, vooral voor het afzetten van ledematen, dient deze plant als bedwelmingsmiddel om den patiënt gevoelloos te maken.

Bedriegers snijden nu uit den wortel van het gewone riet of der bryonia figuurtjes van menschengedaante, waarmede zij de lichtge-loovigen beet nemen. In het hoofd van deze poppetjes worden enkele graankorrels gebracht en daarna alles onder den grond gestopt. De korrels schieten weldra wortels, die hoofd- en baardharen nabootsen. Na eenige dagen wordt het kunstgewrocht voor den dag gehaald en veelal voor ongelooflijke sommen aan domme lieden verkocht. Deze verbeelden zich, iets bovennatuurlijks te bezitten, dat vooreerst als middel tegen tooverij kan dienen en verder voor vrouwen een onfeilbaar middel is om de vruchtbaarheid te bevorderen.

(1) Tegen het algemeen verspreide bijgeloof werd door de hoogere geestelijken te velde getrokken. Na de synode van 1570 gaf Lindanus, bisschop van Roermond, bevel nauwkeurig te onderzoeken, of soms onwetende geloovigen of ook kortzxhtige geestelijken gebruik maakten van ongeoorloofde geneesmiddelen, zooals windels, amuletten, briefjes, inschriften, insnijdingen van letters, of ook gewijde zaken en heilige woorden misbruikten, met het doel om de zieken te heelen, koortsen te verdrijven, het vee te genezen enz. Deze bedriegers moesten op voorbeeldige wijze worden gestraft. (Jos. Habets, Geschiedenis bisdom Roermond II,le deel.)

(2) Mandragora of alruin van M. officinarum en M autumnalis. Zie Keyzler „ Antiquitates selectae quot; met afbeeldingen.

-ocr page 45-

— 44 —

Het ijsvermaak. In den winter leveren de wateren te Brussel en ia andere plaatsen een merkwaardig schouwspel op. Menschen uit alle standen, getooid met mutsen van verschillende vormen, vermaken zich op het ijs. Zij glijden voort in snelle vaart met hunne vrouwen en leggen afstanden af van twee, drie tot vier uren zonder ooit te vallen. Om te wenden, beschrijft men door de beenen te kruisen een halven cirkel.

De adel en andere personen van aanzien glijden met hunne beminden, vrouwen en dochters in sleden, bespannen met prachtige en vlugge paarden, die door de gladde straten berg op en af draven, zonder te vallen of het voertuig om te werpen. Deze sleden, niet grooter dan kinderwagens, zijn sierlijk afgewerkt en verguld. Slechts twee personen kunnen er plaats in nemen. Men heeft eene andere soort, rustende op vier palen, die vijf tot zes personen kan bevatten.

De paarden zijn met harde puntige ijsnagels beslagen, waardoor het. uitglijden voorkomen wordt. In snelle vaart trekt men met dit vervoermiddel in den winter van de eene plaats naar de andere.

Verder wordt nog gebruik gemaakt van kleine wagentjes zonder raderen, ijswagens genaamd, waarin slechts één persoon kan zitten met de beenen teruggetrokken en de voeten op een dwarshout geplaatst. Door middel van een stok, voorzien van eene ijzeren punt, bewegen zij zich voort en glijden zoodoende snel over het ijs. Dit alles vergt zooveel inspanning, dat de liefhebbers niettegenstaande de felle koude, er een zweetje bij halen.

Openbare instellingen. Bij vele publieke zaken bestaat in de Nederlanden in het belang van het publiek en van den Staat de beste orde en regeling.

Wij wenschen in de eerste plaats te handelen over een gebruik, dat hier van oudsher is ingevoerd en in andere landen, vooral in .Spanje, navolging verdient.

De Schuttersgilden. Men vindt in alle steden en dorpen broederschappen en gilden, die onder de bescherming van heiligen staan. Behalve vrome bedoelingen, als de oprichting van weezen- en armen-gestichten, waarvoor zij de verzamelde gelden besteden, vroeger meer dan thans, hebben sommige nog een ander doel.

Doze dienen om de burgers in de hanteering der wapenen te oefenen en hen in staat te stellen, den vijand weerstand te kunnen bieden en oproeren in hun eigen land te bedwingen. Voorzien van wapenen.

-ocr page 46-

— 45 —

die voor de onzen niet onderdoen, ja zelfs soms beter onderhouden zijn, worden de leden der schuttersgilden tot flinke en bedreven soldaten opgeleid, in staat om het vaderland te verdedigen. Niet alleen de piek, den koning der wapenen, de haakbus en het muskec, maar zelfs den boog, handboog en stootdegen weten zij met vaardigheid te gebruiken. Deze vereenigingen komen niet ten laste van den Staat. Aan het hoofd staan vaandeldragers, onderofficieren, kapiteins en oversten, allen ondergeschikt aan den burgemeester. Elke schutterij heeft haren koning, die op den dag van St. Jan. 24 Juni, gekozen wordt (1). Op dien dag vergaderen de schatters in het huis van den vaandrig, van waaruit zij in het gelid, met het vaandel aan \'t hoofd door fluit en tiommel begeleid, naar het exercitieveld trekken. Onder weg worden eenige salvo\'s gelost.

Voor de bijeenkomst is een open stuk land bestemd, waarop een hooge stam zich verheft. Aan den top is deze van eene ijzeren punt voorzien, waarop een beschilderde houten vogel wordt geplaatst.

Het hoofd der gemeente doet in naam des Konings het eerste schot. Men geeft hem hiervoor eene haakbus, geladen met een matten kogel (bala rasa).

De gelukkige, die den vogel afschiet, wordt onder gejubel en toejuichingen door de plaats gedragen en tot koning uitgeroepen. Dit alles wordt gewoonlijk door een gastmaal en een drinkgelag gevolgd, waarbij op kosten der vereeniging wordt geteerd. Wie drie achtereenvolgende jaren den vogel afschiet, wordt tot keizer benoemd. Aan deze betrekking zijn vele voorrechten en vrijdom van lasten verbonden.

Oefeningen worden eiken Zon- en feestdag in een speciaal daarvoor ingerichten tuin gehouden. Zoowel met den boog, als met de haakbus en het musket wordt geschoten en verder met de piek en den hellebaard gewerkt. De winst bij deze wedstrijden gemaakt, blijftjvoor het bekostigen van een feestmaal.

De koning der schutterij heeft twee stemmen in den raad en de beste zitplaats in de vergadering. De keizer geniet nog meer voorrechten, is vrij van elke belasting en neemt kosteloos aan alle bijeen-

(1) In vele Zuid-Limbnrgsche dorpen bestaat nog de gewoonte van het zoogenaamde koning-schieten op den dag van St. Jan.

-ocr page 47-

— 46 —

komsten deel (1). Hij wordt met een onderscheidingsteeken, eene soort gulden vlies, vereerd, bestaande uit een vogel van groote waarde, bezet met steenen en émail.

In de processies, „ humegang quot; genoemd, met kermis en andere feestelijke gelegenheden trekt de schutterij gewapend uit, met het vaandel aan \'t hoofd en door de kapiteins aangevoerd (2).

Een teeken met de kerkklok is voldoende om hen onmiddellijk gewapend, kant en klaar te doen bijeenkomen.

Behalve genoemde militaire oefeningen, dienen als uitspanning in deze streken, gastmalen en drinkgelagen, die de stierengevechten, het ringsteken, stokkenspd en andere vermakelijkheden uit Spanje vervangen. Men is zoo overtuigd van de schadelijke gevolgen van het drankmisbruik, dat alleen geschreven stukken, vóór den middag opgesteld, geldig zijn. Er wordt verondersteld, dat de schrijver van dat tijdstip tot den volgenden morgen niet wel bij het hoofd kan zijn geweest.

De brandweer en publieke veiligheid. De goede regeling ten opzichte van het brandwezen draagt veel bij tot verfraaiing en uitbreiding dei-steden. De meeste huizen zijn ia hout en zonder spijkers zoo getimmerd en in elkander gewerkt, dat men ze gemakkelijk kan opbouwen on weer afbreken. Het brandgevaar is dientengevolge zeer groot. Met het oog hierop vindt men in het portaal der huizen lederen emmers en ladders, die aan elkander bevestigd kunnen worden om zoodoende spoedig den top der hoogste huizen te bereiken. Bij brand is men met deze emmers, die gevuld met water naar boven van hand tot hand worden overgegeven, het vuur spoedig meesier. De buien zijn in den nood elkander zeer behulpzaam (3).

(1) In enkele gemeenten, onder anderen te Gronsfeld, was de keizer voor weinige jaren nog vrijgesteld van sommige gemeentelasten, als het onderhoud der wegen (botten) enz.

(2) In vele Limburgsche dorpen trekt de schutterij nog uit met de processie. De koning der schutterij is behangen met zilveren platen en vogels, waarvan sommige zeer oud zijn. Bij decreet van 23 September 1652 wenschte bisschop Creusen te Roermond een einde te maken aan de misbruiken, waartoe de tegenwoordigheid der schutterij bij de processie aanleiding gaf, zijnde dronkenschap, twist en ergernis. (Knippen-bergh. Hist. eed.).

(3) In de 16\'le eeuw bestonden reeds in de Nederlanden bepaalde brandreglementen. Zoolezen wij in de Maastrichtsche raadsnotulen van 1527 : gt;. Als brand isgae ieder op zijne waelplaats met zijn harnas. Niemand gae naer den brand dan geestelijken, naburen, naeste vrienden en magen en de geordineerde uit de ambachten der smeden, timmerlieden. stroodekkers en steenmetsers. Allo periculeuze schoorsteenen zal men doen reformeeren. Brandgereedschap dient men weer te bestellen. De kerspelen zullen zich van ladders voorzien en de paymeesters van emmers en haken quot;. Men zal de geordi-neerden bij den brand voorzien met gepikte » beokkennelkensquot; om des werpens ongevals wille op \'t heut (1532). — Ieder die geen put heeft zal een kuip water voor de deur zetten (1533).

-ocr page 48-

Met het oog op brand wordt in elke parochie een man „ haniquenne quot; genaamd, door de ingezetenen bezoldigd om in den nacht met een hellebaard en een lantaarn in de hand en een\' hond aan zijne zijde door de straten de rondte te doen. Hij verkondigt van negen uur \'s avonds tot aan den dageraad met luider stemme het uur, geeft last, op tijd de lichten uit te dooven en let vooral op brand.

Deze nachtwa,kers zijn meestal beleefde menschen en grappenmakers, die een geestig woord voor de voorbijgangers ten beste hebben. Hun toezicht geeft eene zekere geruststelling aan de burgers, die overtuigd zijn, dat iemand over hen waakt. De klepperman krijgt behalve ern vast traktement, met nieuwjaar van eiken ingezetene eene fooi. Hiervoor schuift hij onder de deur eene prent, waarop hij met hond, lantaarn en hellebaard, zooals hij \'s nachts de rondte doet, is afgebeeld.

Van dieven heeft men in de Nederlanden niet veel last. Wordt er een gesnapt, dan staat hem eene zware straf te wachten. Het leven is er mee gemoeid en veelal worden misdadigers zonder medelijden levend verbrand. Voor deze en andere misdrijven gaat men met meer gestrengheid te werk dan voor ketterijen, waarvoor ik niemand zag bestraffen.

Rechtspleging. Vele beulen zijn in deze gewesten door de regeering aangesteld. Alvorens benoemd te worden moeten deze eene zekere bekwaamheid in het vak verkregen hebben. Na de noodige bedrevenheid in het onthoofden op poppen uit aardewerk vervaardigd, zich te hebben eigen gemaakt, onderwerpen deze menschen zich aan een examen. Er wordt vereischt, dat de veroordeelde met den éérsten slag onthoofd zij. Mislukt dit, dan wordt de beul aan het volk overgeleverd, dat naar willekeur met hem mag handelen. Neemt niemand zijne verdediging op, dan sleurt hem het grauw langs de straten. Meestal weten deze lieden met een groot mes, in één slag het hoofd van den romp te scheiden (1).

(!) Omtrent liet salaris en de werkzaamheden van den beul destijds, leeren ons de raadsnotulen (15 Febr. 1534) van Maastricht, dat meester .Torien tot scherprechter wordt aangenomen en dat hij zal hebben alle » peynen quot; één brab. gld., daarbij huiïing en bed met de bijvallen van de eieren en hetgeen hem verder toekomt. Op eene andere plaats wordt gezegd (1531j, dat de scherprechter bij de heiligdomsvaart van genoemd jaar geen schaakspel, wit en zwart, noch eenig ander spel zal houden. Men zal hem van stadswege drie gulden geven. Eene destijde heerschende ziekte was de oorzaak

-ocr page 49-

— 48 —

Armenverzorging. De armen worden met veel zorg onderhouden en ondersteund, zoodat men op straat, met uitzondering van enkele verminkten, die het den voorbijgangers geducht lastig maken, geen bedelaars ontmoet. De kinderen in de steden worden in gestichten opgenomen en daar onderwezen, tot zij in eigen onderhoud kunnen voorzien. Voor den kost moeten zij zelf zorgen. Tusschen elf en twaalf doen de kinderen met hunne mandjes de rondte in de parochie, waar het gesticht gelegen is en iedereen hen kent en ontvangen het noo-dige om in hun onderhoud te voorzien. Is dit uur verstreken, dan keeren zij terug naar hun werk. Vrouwen worden op algemeene kosten onderhouden, opdat zij nooit behoeven te bedelen en den burgers lastig te vallen.

Spijshuizen en logementen. Alle groote steden en vele kleinere plaatsen zijn in het bezit van uitstekende spijshuizen. In deze restauraties kan de vreemdeling voor weinig geld zeer smakelijk en zindelijk eten. Maar niet alleen de vreemden, ook de ingezetenen van de plaats zelve maken van deze gelegenheden dikwijls gebruik. Met hunne gasten kunnen zij, na vooraf met den hofmeester omtrent het aantal porties afspraak te hebben gemaakt, goedkooper te recht dan in hun eigen huis en worden daarbij uitstekend bediend.

In het algemeen houden de autoriteiten zich nauwkeurig op de hoogte omtrent de vreemdelingen, die in de plaats overnachten. Logementhouders en andere personen, die vreemdelingen herbergen, stellen zich bloot aan eene zware straf, indien zij verzuimen, eiken avond bij de justitie aangifte te doen der vreemden, die bij hen overnachten. Den naam, het beroep en meer andere bijzonderheden omtrent de gasten dienen zij te vermelden. Van het vertrek wordt eveneens kennis gegeven om ze van de lijst der vreemdelingen te doen schrappen. Aan dit alles wordt streng de hand gehouden. De bevoegde personen blijven zoodoende op de hoogte van alle indringers, waarvoor men zich te wachten heeft. Aan verdachte personen wordt het verblijf ontzegd en men noodzaakt hen de stad te verlaten.

Wanneer een vreemdeling binnen komt, geeft de wacht aan de

voor dit verbod. De beul was ook belast met het opvangen van rondloopende varkens en honden. Men zal de honden doodslaan, zoo luidde het bevel, die ongeteehcnd op straat loopen. Voor elk dier, dat de beul opdreef, was hem 2 stuiver brab. toegezegd en van iederen nacht, dien hij dit moest houden, nog 2 stuiv. brab (1554).

-ocr page 50-

- 49 —

poorten hiervan onmiddellijk kennis aan den officier. De commandant onderzoekt en ondervraagt den reiziger omtrent het logement,\']waar deze wil afstappen, onderzoekt, of hij vroeger reeds in de plaats was en waarheen de reis verder gaat. Van een en ander wordt aantee-kening gehouden. Deze gegevens moeten tevens als controle van den logementhouder dienen. Een soldaat van de wacht vergezelt den vreemde veelal tot in het logement.

Voor Spanjaarden en Italianen, die men van niets kwaads behoeft te verdenken, wordt in dezen uitzondering gemaakt.

Warme baden. Te Antwerpen, Brussel, Brugge, Gent\'en in meer andere plaatsen bestaan publieke gelegenheden voor het gebruik van warme baden, die alhoewel niet direct bevorderlijk voor de gezondheid, in sommige jaargetijden voor de reiniging des lichaams bepaald noodzakelijk zijn. Op alle uren van den dag trekken mannen en vrouwen naar deze inrichting om te baden. Het verdient vermelding dat vrouwelijke bedienden heel ontkleed en enkel van eene soort zwembroek voorzien, met de mannen alleen blijven om hen te bedienen, nadat deze gebaad en zich gereinigd hebben. Dit geschiedt zonder de minste scrupule of slechte bedoeling. Zij weten hunne kwade neigingen zoo te bedwingen, dat nooit eenige\'^oneerlijkheid plaats vindt.

Slechts enkele dezer gelegenheden hebben een minder goeden naam (1).

Abdijen. Op het land zoowel als in de steden bestaan vele en rijke kloosters. Te Bergen, Ni veile, Maubeuge en andere plaatsen (2) vindt

(1) Reeds in de XIV,le eeuw bestonden te Maastricht twee .. stoven quot; in de nabijheid der kool — later badpoort. Deïe inrichtingen voor warme baden hadden eene slechte reputatie en dienden als plaats van bijeenkomst voor publieke vrouwen. In de raads-verslagen van Maastricht lezen wij : ..Des moendaghes des XXI daghes January 1381 so wart vytghedraglien overmits die meister gesworen ende gemeynen \'raet, ende ter vinsteren vyt openbeirlic gheroepen ende gheboden, dat egheyne gemeyne\' wyf, die sich bruiken laten om ghelt, in egheyne ander stove iioch bordeil binnen der vr\'iheit van der stat sitten en solen anderswo dan inden twen stoven achter onser L. Vrouwen op die pyne eyn joer die stat te verliesen ende 1 pond swart int forfuit also decke men sy dar uit bevint of vertughen kan quot;.

Jan van den Dale schreef in de 15de eeuw een gedicht genaamd gt;. de stovequot; waarin hij het gesprek van twee vrouwen in het bad, door een tusschenschot afgeluisterd, verhaalt.

(2) Dergelijke abdijen bestonden tot het einde der vorige eeuw, onder anderen te Thorn en te Munsterbilsen. De laatste was reeds in de 7lle eeuw gesticht. Eerst volo--den de kloostervrouwen den regel der Bentdictijnen ; later werd het kapittel quot;-esecu-lariseerd en het gebruik ingevoerd slechts adellijke jonkvrouwen aan te nemen, die 16 kwartieren konden bewijzen. Het kapittel bestond uit 24 kanonikessen met eene abdis aan het hoofd.

-ocr page 51-

— Somen abdijen van kanonikessen. Deze vrouwen behooren allen tot voorname farailiën en leiden eigenlijk een seculier leven, houden er zelfs bedienden op na en faan, onder gewone omstandigheden, rijk gekleed en dragen juweelen. Het geestelijk gewaad nemen zij alleen aan op bepaalde tijden voor den kerkdienst en leggen dit na de plechtigheid weer af. De omgang met mannen is haar geoorloofd. Zij beschikken over groote inkomsten, die naar gelang van haren rang worden verdeeld. Wanneer eene der kloosterdames in het huwelijk treedt, moet zij het klooster verlaten en eene andere wordt in de plaats aangenomen. In de buurt van Bergen, to St. G-hislain, bevindt zich de rijke abdij der Benedictijnen, waar het lichaam der H. Leo-cadia, patrones van Toledo, gedurende eeuwen werd bewaard (1).

Merkwaardigheden. Onder de merkwaardigheden in de Zuidelijke Nederlanden worden genoemd, de toren van Hoogstraten wegens zijne hoogte ; het sacramentshuis te Roosendaal in steen (marmer ?), uit één stuk, sierlijk bewerkt en zoo hoog, dat de top tot aan het gewelf van het middenschip reikt. Het klokkenspel van Kamerijk, vooral merkwaardig wegens eene voorstelling der passie, die telkens, wanneer een kwartier of het uur speelt, zich vertoont. Het orgel van \'s Hertogenbosch, beroemd vooral om zijn zachten en aange-namen toon.

Tusschen Luik en Namen ligt de fontein van Spa, waarvan het water, gedronken of als baden gebruikt, de meeste kwalen doet genezen. Het is meer troebel en eenigszins scherper van smaak dan het water van Almagro in Spanje. Uit alle landen van Europa komen zieken naar deze plaats om herstel te vinden.

Tot de rijkste steden behooren Ryssel, Yperen, Brugge, Gent, Antwerpen en Brussel, die alle in het bezit zijn van prachtige gebouwen. Te Brussel is de kerk van St. Gudula vooral merkwaardig en in de omstreken het paleis, door Karei V gebouwd, waaraan een tuin, voorzien van wilde dieren, verbonden is,

(1) Ket lichaam dezer heilige werd in 1080 door Alphonsus VI aan Boudewijn, graaf van Vlaanderen, geschonken en van Oviedo naar St. Ghislain overgebracht. De kapitein Pedro de Gastro, vernomen hebbende, dat de overblijfselen der patrones zijner geboorteplaats in het klooster der Benedictijnen bewaard werd, verzocht in 1585 aan Parma de teruggave te eischen. Na overleg met Filips en den bisschop van Kamerijk, gelastte deze den pator der S J., Miguel Hernandez, het lichaam op te eischen. De overgave geschiedde tegen den zin der monniken in tegenwoordigheid van vele Spaansche veldheeren. Den 10,len Februari is het lichaam voorloopig in het klooster der Jesuiten te Doornik gebracht.

-ocr page 52-

— 51 —

De Prins van Oranje bezit in deze plaats eene prachtige woning in de buurt waarvan de volgende merkwaardigheid op te merken valt. Aan den ingang der straat ligt een zware, ronde steen, aan een ketting bevestigd. Men zegt, dat deze steen uit ds lucnt viel op het oogenblik dat Willem van Oranje werd geboren en terecht kwam in de buurt der plek, waar hij het levenslicht aanschouwde (!). Door dit wonder wilde God de ongevoeligheid zijns harten, d^t harder is dan steen, aantoonen; zijne vervolging der Kerk, waarin hij door niemand overtroffen werd, heeft zulks maar al te zeer bevestigd.

Deze korte beschouwing kan voorzeker geene aanspraak maken op den naam eener volledige cultuur-historie der XVI\'16 eeuw.

Toch bevat zij menige bijzonderheid, waarnaar men vergeefs in meer complete werken zou zoeken en die ontegenzeglijk historische waarde hebben. Wij leveren slechts losse bouwsteenen, die te gelegener plaatse dienst kunnen doen. Enkele aanteekeningen meenden wij ter verduidelijking of ter aanvulling te moeten toevoegen.

Voor vvien het mocht voorkomen, dat de schrijver noisbiuiken met al te schrille kleuren geteekend heeft of dat vele aanmerkingen op het Limburg uit die dagen niet toepasselijk zijn en alleen voor bepaalde stroken gelden, vermelden wij ten slotte eene aanhaling uit het verslag van een zeer bevoegd persoon, waarin uitsluitend Lim-burgscho toestanden behandeld worden. Wij bedoelen een rapport gericht aan den Stadhouder van hut Overkwartier, door den vicarius-generaal Gherinx, die na Lindanus van 1588 — 1596 aan het hoofd van het diocees Roermond stond. Een bijna gelijkluidend schrijven werd aan Paus Clemens VIII (1) en aan Filips gezonden.

De herder beklaagt zich over het zedebederf zijner kudde als volgt:

„ Pas geboren kinderen blijven veelal weken, soms maanden on-„ gedoopt, en enkele ontvangen dit sacrament zelfs nooit. Kraam-„ vrouwen houden haren kerkgang niet. Zelfs op de dorpen leven velen „ als man en vrou w, zonder vooraf aan de geboden der kerk te hebben „ voldaan. Ten gevolge van dit verzuim werd menig braaf meisje onge-

4

-ocr page 53-

— Somen abdijen van kanonikessen. Deze vrouwen behooren allen tot voorname familiën en leiden eigenlijk een seculier leven, houden er zelfs bedienden op na en j aan onder gewone omstandigheden, rijk gekleed en dragen juweelen. Het geestelijk gewaad nemen zij alleen aan op bepaalde tijden voor den kerkdienst en leggen dit na de plechtigheid weer af. De omgang met mannen is haar geoorloofd. Zij beschikken over groote inkomsten, die naar gelang van haren rang worden verdeeld. Wanneer eene der kloosterdames in het huwelijk treedt, moet zij het klooster verlaten en eene andere wordt in de plaats aangenomen. In de buurt van Bergen, te St. Ghislain, bevindt zich de rijke abdij der Benedictijnen, waar het lichaam der H. Leo-cadia, patrones van Toledo, gedurende eeuwen werd bewaard (1).

Merkwaardigheden. Onder de merkwaardigheden in de Zuidelijke Nederlanden worden genoemd, de toren van Hoogstraten wegens zijne hoogte; het sacramentshuis te Roosendaal in steen (marmer ?), uit één stuk, sierlijk bewerkt en zoo hoog, dat de top tot aan het gewelf van het middenschip reikt. Het klokkenspel van Kamerijk, vooral merkwaardig wegens eene voorstelling der passie, die telkens, wanneer een kwartier of het uur speelt, zich vertoont. Het orgel van \'s Hertogenbosch, beroemd vooral om zijn zachten en aange-namen toon.

Tusschen Luik en Namen ligt de fontein van Spa, waarvan het water, gedronken of als baden gebruikt, de meeste kwalen doet genezen. Het is meer troebel en eenigszins scherper van smaak dan het water van Almagro in Spanje. Uit alle landen van Europa komen zieken naar deze plaats om herstel te vinden.

Tot de rijkste steden behooren Ryssel, Yperen, Brugge, Gent, Antwerpen en Brussel, die alle in het bezit zijn van prachtige gebouwen. Te Brussel is de kerk van St. Gudula vooral merkwaardig en in de omstreken het paleis, door Karei V gebouwd, waaraan een tuin, voorzien van wilde dieren, verbonden is.

(1) Het lichaam dezer heilige werd in 1080 door Alphonsus VI aan Boudowijn, graaf van Vlaanderen, geschonken en van Oviedo naar St. Ghislain overgebracht. De kapitein Pedro de Castro, vernomen hebbende, dat de overblijfselen der patrones zijnor geboorteplaats in het klooster der Benedictijnen bewaard werd, verzocht in 1585 aan Panna de teruggave te eischen. Na overleg met Filips en den bisschop van Kamerijk, gelastte deze den pater der S J., Miguel Hernandez, het lichaam op te eischen. De overgave geschiedde tegen den zin der monniken in tegenwoordigheid van vele Spaansche veldheeren. Den 10,lel1 Februari is het lichaam voorloopig in het klooster der Jesuiten te Doornik gebracht.

-ocr page 54-

— 51 —

De Prins van Oranje bezit in deze plaats eene prachtige woning in de buurt waarvan de volgende merkwaardigheid op te meiken valt. Aan den ingang der straat ligt een zware, ronde steen, aan een ketting bevestigd. Men zegt, dat dezo steen uit ds lucht viel op het oogenblik dat Willem van Oranje werd geboren en terecht kwam in de buurt der plek, waar hij het levenslicht aanschouwde (!). Door dit wonder wilde God de ongevoeligheid zijns harten, d^t harder is dan steen, aantoonen; zijne vervolging der Kerk, waarin hij doorniemand overtroffen werd, heeft zulks maar al te zeer bevestigd.

Deze korte beschouwing kan voorzeker geene aanspraak maken op den naam eener volledige cultuur-historie der XVI1\'6 eeuw.

Toch bevat zij menige bijzonderheid, waarnaar men vergeefs in meer complete werken zou zoeken en die ontegenzeglijk historische waarde hebben. Wij leveren slechts losse bouwsteenen, die te gelegener plaatse dienst kunnen doen. Enkele aanteekeningen meenden wij ter verduidelijking of ter aanvulling te moeten toevoegen.

Voor vvien het. mocht voorkomen, dat de schrijver roisbiuiken met al te schrille kleuren geteekend heeft of dat vele aanmerkingen op het Limburg uit die dagen niet toepasselijk zijn en alleen voor bepaalde stroken gelden, vermelden wij ten slotte eene aanhaling uit het verslag van een zeer bevoegd persoon, waarin uitsluitend Lim-burgsche toestanden behandeld worden. Wij bedoelen een rapport gericht aan den Stadhouder van hut Overkwartier, door den vicarius-generaal Gherinx, die na Lindanus van 1588—1596 aan het hoofd van het diocees Roermond stond. Een bijna gelijkluidend schrijven werd aan Paus Clemens VIII (1) en aan Filips gezonden.

De herder beklaagt zich over het zedebederf zijner kudde als volgt:

„Pas geboren kinderen blijven veelal weken, soms maanden on-„ gedoopt, en enkele ontvangen dit sacrament zelfs nooit. Kraam-„ vrouwen houden haren kerkgang niet. Zelfs op de dorpen leven velen „ als man en vrouw, zonder vooraf aan de geboden der kerk te hebben „ voldaan. Ten gevolge van dit verzuim werd menig braaf meisje onge-

4

1

Minu\' ;s. üiploinatmn Bel^icorum nova co\'.u-otio T. IV p 470. Kpistola ad

-ocr page 55-

„ lukkig gemaakt. Vele bezoeken nooit de kerk, hetgeen door hunne kin-„ deren en dienstboden wordt nagevolgd. Andere gaan wel ter kerke maar „ weigeren de H. Mis bij te wonen. In plaats van de Zon- en feestdagen te „ vieren, houdt men zich op deze dagen bezig met zaken, handel, brood-„ bakken, brouwen, vervoeren van bier met kar en wagen, het beakkeren „ der landerijen, zaaien, maaien, spinnen, enz. Uit dit alles maakt men „ zich geen gewetensbezwaar. Jongelieden, meisjes zoowel als iongens, „ gaan onder de godsdienstoefeningen naar de herbergen, waar zij ge-„ woonlijk tot 10 ure \'s avonds samen blijven en met dansen, zingen, „ drinken en springen den tijd doorbrengen. Menig meisje wordt bij het „ naar huis gaan in het verderf gestort. Oudere lieden brengen den Zondag „ ook meer in de herberg onder het drinken van wijn, bier en brandewijn, „ dan in de kerk door. Anderen houden zich onder de diensten bezig met „ balspel quot; of gaan op de markt of op het kerkhof wandelen, zonder in de ,, kerk te komen, zoodat de pastoor geen toehoorders om zich verzameld „ ziet. Niet éénmaal in \'t jaar wordt de pastoor geroepen om het H. Oliesel ,, toe te dienen of in andere gevallen, wanneer het te laat is. Niet zelden „ worden dooden als vee, zonder ceremoniën en zonder geestelijke, be-„ graven quot;.

Geene vermaningen konden dit kwaad verheelen, zoodat de Vicarius meende de tusschenkomst der wereldlijke macht te moeten inroepen.

Onverschillighrdd, zoo niet godsdienstloosheid, met al hare onvermijdelijke en schrikbarende gevolgen, waren in do éérste helft der XVId0 eeuw, tot lie klassen der maatschappij doorgedrongen. In de laatste helft dezer eeuw plukte men de wrange vruchten van het algemeen zedebederf, dat voortsproot uit het verregaande plichtverzuim, waaraan zij, die met-woord en daad het volk moeten voorgaan, zich hadden schuldig gemaakt.

Scharn, 31 Dec. \'91.

M, H. J. P. Thomassen.

-ocr page 56-

msriEaiOTJix

——---

Bldz.

Inleiding.....................^

§ I. Reis van Filips door de Nederlanden. Zijn bezoek te Maastricht in 1550..................5

Vertrek uit Spanje en tocht door Italië naar het Noorden ... 6

Intocht en feestelijkheden te Brussel...........6

Feestelijkheden in andere plaatsen............7

Bezoek te Maastricht.................8

De eedsaflegging van Filips en van den Magistraat.....11

Processie van St. Servaas...............13

De rederijkers...................13

Bestorming van den burg op de Maas..........14

Beschrijving van den St. Pietersberg...........15

Vertrek van Filips naar Duitschland...........17

Nabeschouwing...................17

§ II. De toestand der Nederlanden onder Alva\'s bewind .... 18

De beeldstormerij te Maastricht in 1566....................18

Plannen ter onderdrukking der woelingen, te Madrid beraamd . 19

Alva\'s vertrek met eene strijdmacht naar de Nederlanden ... 21

Zijne aankomst te Brussel...............21

Kritiek van Spaansche zijde over Alva\'s bewind......22

Voorstellen ter verbetering van den toestand........26

Oordeel van andere tijdgenooten............29

Nabeschouwing...................30

Vertrek van Alva uit de Nederlanden..........30

§ III. Zeden en gewoonten der Nederlanders in de laatste helft

der XVF6 eeuw................30

Beschrijving de provincie Brabant............31

„ der Nederlanden ; hunne producten.......32

-ocr page 57-

mmmsm