-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-

|_/ E Z I N G GEHOUDEN TE jï D A M,

DOOE

Ds. J. T. T E N T H 0 F F.

H O O E N ,

A. C. BOLDINGH.

-ocr page 4-
-ocr page 5-

j_gt;E ZING GEHOUDEN TE ^DAM,

DOOR

Ds. J. T. T E N T H 0 F F.

HOORN,

A. C. BOLDING H.

-ocr page 6-
-ocr page 7-

Geachte Hoorderessen en Hoorders!

Eene aantrekkelijke overlevering vertelt, dat toen het kind Jezus, nog gewiegd op de armen zijner moeder, in den tempel werd aangeboden bij het reinigingsoffer, een oud man, Simeon genoemd, zeide : „dit kind is gesteld tot een teeken dat wedersproken wordt; opdat uit vele harten de overleggingen openbaar worden.quot; Wat hier wordt verklaard omtrent het lot van het hooggespannen ideaal, dat velen in den persoon van Jezus belichaamd zagen , datzelfde kan met evenveel recht worden toegepast op het gedachtenbeeld van de toekomst der maatschappij, op de plannen en de verschijnselen altemaal saamgevat in het woord socialisme.

Bij de meeste menschen toch wekt dat woord — alleen reeds niets dan hartstochtelijke gemoedsbewegingen van feilen haat en hniveri-gen afschuw , of van doldriftige ingenomenheid met alles, wat onder deze vlag zeilt. De wegwijzer naar het socialisme is voor dezen een „godquot;, voor genen Beëlzebub, het hoofd der duivelen. Als der eerste soort lieden een „sozjaalquot; gewezen wordt, dan springen zij op en schudden zich, alsof zij door een slangenangel gestoken waren. En het zijn waarlijk niet de onkundige en tobbende zielen , van wie men niets anders verwachten kan dan dat zij zich door onbewuste sympathiën en antipathiën laten leiden. Ook beschaafde , zelfs anders kundige lieden, krijgen een zekere gejaagdheid over zich , als ze iets „sociaalsquot; rieken. Het is verklaarbaar. Een groot deel van het publiek heeft daarbij dadelijk een vage herinnering aan palingoproer of straatverstoppingen en hoort alree het knappend vuur der verwoesting.

Daarbij komt de nawerking van hetgeen vroeger veelvuldig voorkwam , — gelijk ik elders mocht opmerken —. Men haspelde dan het Eenianisme van Ierland, het Nihilisme van Rusland en het Anarchisme met het Socialisme dooreen , zonder op het merkwaardig verschil van oorsprong en doel dier bewegingen te letton , al mag het zijn, dat de nihilist in Rusland zich schaart onder de socialisten , zoodra hij in de Westersche rijken verkeert. Het is toch aan ieder bekend , dat Croll van de sociaal-democraten afscheid heeft genomen om een ingrijpend verschil van meening over de inrich-

-ocr page 8-

4

ting van het staatsleven; dat de anarchisten decentralisatie be-geeren in do richting van kleine vrijwillig aan elkaar gesloten groepen van menschen, zonder gemeenschappelijk gezag, terwijl juist de socialisten uitgaan naar meerder concentratie onder zulk een gezag.

Een weinig meer verstand is in deze wenschelijk. Dat het ontbreekt vorbaze niemand. Ik las laatst , dat iemand op een\' vergadering te New-York, waarschuwde: , vijf jaren moet men minstens het socialisme bestudeeren , wil men er een helder inzicht in erlangen.quot; Terecht gezegd, omdat wij vóór alles niet hebben te vergoten , dat wij moeten onderscheiden tusschen

hot wetenschappelijk staathuishoudkundig of maatschappelijk stelsel, genaamd socialisme — en ,

do beweging in de samenleving en in de staatkunde , die , bewust of onbewust bedoeld stelsel practisch wil verwezelijken en die onderscheiden kan worden in een Aristocratisch en een Democratisch socialisme.

A. Het ideaal der socialistische maatschappij.

Vóór dat wij tot de uiteenzetting van het staathuishoudkundig stelsel overgaan , is het ter voorkoming van misverstand noodig, dat ik u de beteekenis der benamingen in herinnering breng , die bij de staathuishoudkundigen in het algemeen en bij de socialisten in het bijzonder in zwang zijn Wij zullen toch telkens moeten spreken van eigendom , kapitaal, kapitalist en arbeid.

Eigendom is het recht om over eene zaak, die men onder zijn bezit heeft, naar wensch te beschikken (d e eigendom); ook beduidt het die zaak zelve (het eigendom). Zoo zeggen wij : dat huis is i n eigendom overgegaan aan dezen of dion — of: dat huis is h e t eigendom van dezen of dion. Nu zijn de dingen die in eigendom kunnen verkeeren , in twee soorten te verdoelen.

Ten eerste zulke , dio de eigenaar zelf in persoonlijk verbruik heeft, zooals ; levensmiddelen , klsederen , een horloge , meubelen , keukengereedschap, byouteriën, het huis, als de eigenaar er zelf in woont;

ton tweede dingen , waaruit of waarmede men andere zaken trekt en maakt, m. a w. die vruchten , renten en voortbrengselen (producten) opleveren.

Die laatste dingen vormen dan , wat men noemt kapitaal.

Arbeid is elke inspanning van geestes- of van lichaamskracht om uit eenigen vorm van liet kapitaal iels nieuws voort te brengen.

Tot het kapitaal kunnen natuurlijk ook behooren al de producten, die wij in verbruik hebben , zoodra zij bij den handelaar en winkelier in voorraad zijn opgestapeld, niet dus om ze persoonlijk te nuttigen of te gebruiken, maar om ze te verkoopen, dat is om van de winst te leven.

Meestal echter bedoelt de oekonomio met kapitaal alle arbeidsmiddelen. Deze zijn weder te splitsen in grondstoffen en werktuigen.

Yoor den kleedermaker bijv. is het laken, voor den lakenwever

-ocr page 9-

5

de wol, voor hot schaap mot zijn wol het gras , en voor het gras de aarde grondstof.

Begint men bij de metalen als grondstof voor den smid en de machinefabrieken, bij hout en stoenen als grondstof voor bouwmeesters, altijd kan men teruggaan tot aan de aardo niet don dampkring als de oêr-grondstof van alle materieelo voortbrengselen.

Wat werktuigen zijn, weet ieder. Zij staan voor onzen geest in een uitgestrekte rjj van den vuursteonon krabber af, tot de ingewikkelde stoom-ploegmachine toe, van den plompen kruiwagen, de huifkar af tot do fiere locomotief en den weelderigen slaap-salonwagen, van het braakhok tot de kolossaio en veelzijdig ingerichto fabriek met allerlei werkplaatsen.

Geld is eigenlijk geen kapitaal; het is in oorsprong ruilmiddel; daarvoor kunnen wol als zoodanig grondstoffen en werktuigen worden ingeruild, die dan kapitaal zijn.

Het kapitaal is in zijne beide hoofdvormen tot nog toe het eigendom van één enkel persoon of van meerderen te zamen; met vreemde woorden uitgedrukt spreekt men in het eerste geval van privaat (bijzonder), in het tweede van communaal (gemeenschappelijk) eigendom.

In den oudsten tijd waren werktuigen , werkplaatsen en woningen bjjna uitsluitend in privaat eigendom. Communaal bezit was bijv. daar, waar onze voorouders spraken van één „gemoene muurquot; tusschon twee huizen of een „gwneene slootquot;, waarop twee of drie eigenaars ter bevaring en afwatering recht haddon.

Een andere welbekende vorm van gcmoenschappelijk eigendom zijn reeds van ouds de kloosterwoningen en landerijen — benevens allo huidige goederen in de doode hand, die gemeen goed zijn van allo leden eener kerkelijke voreenigiiig of van liefdadige instellingen ten algemeenon nutte; alle leden hebben er te zamen eigendomsrecht op en toch niemand hunner op zich zelf. In communaal bezit is o. a. iedere handelszaak en fabriek die „in compagniescha pquot; gedreven wordt.

Voor het woord communaal behoeft dus niemand zoo grootcn afkoer te gevoelen; feitelijk doen compagnons en aandeelhouders dit dan ook niet; als wij Fransch spraken zouden wij het immers telkens gebruiken wanneer wij nu in good Hollandsch zeggen r gemeenschappelijkquot;.

Nog dient te worden opgemerkt, dat kapitalist dus de naam is voor ieder die grond, oen mijn, een werkplaats in eigendom heeft, a 11 e e n of in aandeel d. i. communaal met anderen. De kapitalist kan tot den arbeid, die uit en niet zijn kapitaal iets voortbrengt in tweeërlei betrekking staan: hij kan er zelf mede arbeiden, besturende en werkende, zoodat hij dan tevens arbeider is, of hij kan alleen zonder arbeid een deel der vruchten en producten genieten, die door het gebruik dat anderen van zijn kapitaal maken verkregen zijn on die hij ontvangt in den vorm van rente, dividend of pacht. Gewoonlijk komt deze combinatie voor. Iemand is bijv. als zoutzieder kapitalist-medearbeider; maar bezit tevens land , en is dan in zooverre alleen kapitalist.

Proletarieor is in het spraakgebruik van het socialisme iodor, die op geenerlei wijze kapitaal zijn eigendom noemen kan , die niets anders bezit dan de arbeidskracht van hoofd of hand en naar den

-ocr page 10-

6

vêrscViillenden eisch der behoeften van zijn arbeidssoort of arbeidersstand, van zijn loon of salaris leven moet.

Zoo kan een ambachtskneeht, een kantoorklerk , een onderwijzer , een officier, een professor en zelfs een minister een proletarieër zijn. \'t Is bekend , niet waar ? dat voor de dochters van den geleerden en grooten staatsman Thorbecke door onze kamers een toelage werd gevoteerd, aangezien haar door haren vader geen kapitaal was nagelaten.

Na deze zeker niet onnoodige voorafspraak komt thans de vraag: wat wil het socialisme als bewust ideaal voor de maatschappij der toekomst ?

Voor de duizendste maal moet ik thans wijzen op een\' misvatting, die al weder niet slechts bij weinig gevormden maar zelfs bij zeer ontwikkelde mannen en vrouwen nog altoos ontmoet wordt. Op de zooeven gedane vraag luidt dan hun haastig en spotachtig antwoord: „o die willen den boêl verdeelen !quot; Zulke lieden meenen dus, dat de socialisten — ik bedoel de wetenschappelijke leiders en hun\' volgelingen , die weten wat zij willen — dat deze socialisten dus, alle kapitaal en alle verbruiksartikelen zouden willen splitsen en aan ieder een gelijke portie toedeelen. Geene voorstelling is zoo onwaar als deze : zij getuigt alleen van volkomen onkunde. Waarlijk voor zoo dom mogen mannen als Robert Owen en K. Marx bijv. niet worden aangezien : zulk eene uitdeeling in den gee*t van hetgeen omtrent de eerste Christenen te Jeruzalem wordt verteld zou — ook zij konden het begrijpen — weinig doel treffen. Zoo goed als ieder ander konden zij nagaan, dat het verdeelde door ongeluk of moedwil spoedig in de handen van enkelen zou kunnen terugkomen om dan weêr een\' nieuwe verdeeling te moeten toepassen. Zelf noemen de aanhangers deze voorstelling van hun begeeren ,kinderpraat ter nauwernocd der overlegging waard.quot;

\'t Tegendeel is dan ook juist het heilmiddel, door het socialisme aanbevolen. Geen splitsing tegen den gang der geheele nieuwere geschiedenis in , maar met dien stroom mede willen zij g e m e e n-making van alle (productief) kapitaal doordat, hetzij de algemeene Maatschappij, hetzij de Staat, hetzij de Gemeente eigenaar worde van den bodem , de werkplaatsen en de werktuigen. Zie hier het hoofddoel; geen uitelkander halen , maar het samenbrengen der productie-middelen. Het ijvert niet tegen „het kapitaalquot; — daartegen is niet te ijveren — ook niet tegen den kapitalist, tegen de personen , die leven onder den invloed der geschiedenis van ecuwen , maar tegen het nog immer geldend stelsel van privaat eigendom der kapitaalsvormen. Let wel, niet de opheffing van het privaat eigendomsrecht op de verbruikszaken , die iemand door arbeid uit de grondstoffen of door geestesarbeid verworven heeft, is het doel dezer richting. Integendeel, door het kapitaal te maken tot eigendom van Het-Algemeen, hoopt het de groote voorwaarde in het leven te roepen, waardoor het aan ieder mogelijk wordt door nuttigen arbeid, welke ook, zich den eigendom van levensbehoeften , kleederen enz. te kunnen verzekeren. Zelfs erkent het socialisme in beginsel een verschil van meer of minder bezit van verbruiks-artikelen; immers het wil die geregeld zien naar de hce-veelheid „algemeen maatschappelijken arbeid, die in eenig werk ligt opgeslotenquot; en „naar ieders redelijker wijs gevoelde behoeften.quot; Het

-ocr page 11-

7

erkent, dat in elke dokters visite moet worden gewaardeerd al de inspanning en den tijd, die noodig was tot verkrijging van zijn kennis en zijn praetischen blik.

Het begeert, dat aan ieder, na aftrek der gemeenschappelijke onkosten, de vrucht van zijn arbeid verzekerd zij, maar \'t wil dan ook, dat ieder burger den als „algemeen geëisohten arbeidsplichtquot; vervulle. Zoo zegt Karl Marx „de socialistische staat is eene vereeniging van vrije arbeiders, die de productiemiddelen door arbeid verkregen hebben in gemeenschappelijk-; bezitquot;. Zoo getuigt ook de considerans van het algemeen geldend sociaal-democratisch program, te Genève vastgesteld. Het wil derhalve eene ^rechtvaardige verdeeling van de arbeids opbrengstquot; aan de arbeidenden. Het is alleen in dezen zin, dat de soc. het woord „verdeelenquot; gebruiken.

\'t Is voor ons, die in de huidige kapitalistische inrichting der maatschappij zijn vastgegroeid, uiterst moeielijk ons daaruit los te maken en ons geheel in die, naar een ander beginsel geworden maatschappij, met al de gevolgen er van, in te denken. Vooreerst vervalt de huidige verhouding van den voor eigen risico ondernemenden patroon en den door hem beloonden arbeider. Alle onderneming geschiedt in die maatschappij bij besluit en voor risico van de gemeenschap (communitas). Ieder tot den arbeid bekwamen burger, wordt in welke positie ook, staatsdienaar.

Verder zouden vervallen alle overdrachten van eigendom, alle staats- en geraeenteschulden — waarom zou de gemeenschap leenen als zij na wettig besluit, hare inkomsten naar tijdelijke behoeften mag regelen en van wie zou zij zonder kapitalisten kunnen leenen ? Hiermede verdwijnt tevens de effectenhandel als zijnde een handel in eigendommen en alle loterij of premie-loterij.

De waren-handel moet een anderen vorm aannemen , hij zou een uitwisseling moeten worden van artikelen , tusschen de grootere en kleinere middenpunten van leverantie, die door ambtenaren bediend en onderling door den telegraaf enz. verbonden konden zijn.

Vindt gij het stelsel bij de voornaamste meesters , voor zoover ik weet, niet zoo in zjjn geheel uitgewerkt, het volgt uit de bij hen verspreide afzonderlijke plannen. Daar hebt gij Louis-Blanc met zijn staatswerkplaatsen, Robert Owen met zijn New-Harmony, Lasalle met zijn eisch van staatshulp bij het verschaffen van arbeidsmiddelen aan de arbeiders, Marx in zijn kritiek van den huldigen maatschappelijken bouw, terwijl mag gewezen worden op Herman Schulze-Delitsch, die den arbeiders leerde door zelf-help eene productieve en eene verbruiks-coöperatie te vormen.

Bij de eerste kennismaking met deze nauw volgbaar hersenschimmige plannen, zijn wij geneigd er glimlachend minachtend op neer te zien. Laat ik u daarom tot tegenwicht het oordeel meêdeelen van zelfstandige onderzoekers, niet-socialisten, die het zelfs met gronden hebben bestreden.

Hier erkent een zoodanige, dat dit stelsel „een doortastende hervorming der bestaande verordeningen beoogt, ten gunste eener nieuwe regeling , welke aan de eischen van het algemeen welzijn en rechtsgevoel beter beantwoordt dan, de bestaande.quot;

Hochstetter vraagt met Stein: „Is dan alles , wat de communisten willen, zoo dwaas en onzinnig ? Heeft niet werkelijk de proletariër

-ocr page 12-

8

als mensch , een absoluut recht op die goederen , die naar het begrip zelf, algemeen wenscheljjk zijn? Als dit zoo is, moeten wij dan niet ten slotte het communisme gelijk het socialisme achten, in hoofdzaak, een ware verschijning te zijn?quot;

Heeft niet N. Gr. Pierson de verzuchting geslaakt „dat men om de eer der menschheid mocht willen , dat dit maatschappelijk ideaal verwezenlijkt kon worden.quot;

Van niet geringe waarde is de verklaring van Mill, reeds over Saint-Simon en Fourier afgelegd: „dat hunne plannen en vormen van socialisme wegens do diepe denkkracht, waardoor zij in menig opzicht zich onderscheiden en de breede wijsgeerige opvatting van enkele vraagstukken, die de grondslagen van maatschappij en zedelijkheid raken, terecht worden gerekend tot de merkwaardigste voortbrengselen van deze en der voorgaande eeuw.quot;

Bij zulke treffende getuigenissen verbaast het ons niet langer, dat aan een paar hoogescholen in Duitschland .opzettelijk lessen gewijd worden aan de bespreking van het socialisme.

Met deze wetenschap , acht ik het mijn plicht in naam der rechtvaardigheid er toe mede te werken , door verspreiding eener juiste kennis van zaken, dat eene nog zoo veelvuldig voorkomende, ongegronde kleinschatting en redelooze haat plaats maken voor meerdere belangstelling, waardoor het mogelijk wordt, dat zonder schokken en stooten van het ideaal zooveel mogelijk verwezenljjkt worde.

Maar is er wel van dit stelsel iets uitvoerbaar? Ziedaar de vraag!

Bij het groote publiek is, als men iets van het social, weet, de meening gangbaar , dat het, hoe voortreffelijk dan misschien als schaduwbeeld , geheel en al indruischt tegen de menschehjke natuur cn alzoo onuitvoerbaar is.

Daartegenover trekt de verklaring van kundige en bezadigde mannen onze aandacht, die zeggen „het zou voorbarig zijn te beweren , dat het ideaal der socialisten ten eenenmale onbereikbaar is.quot; En terecht, want één blik op onze tegenwoordige samenleving leert ons dat het reeds lang bezig is door den staat en den drang van den nieuwen bedrijfsvorm verwezenlijkt te worden.

Op welk ander fundament staan de duizenden maatschappijen, vennootschappen, consortiums enz. anders dan op den socialistischen grondslag van het communaal bezit? En nog vermenigvuldigen zij zich dagelijks. De aard van het stoom bedrijf vraagt om grootkapitaal-geld, dat dan uit de samenvloeiing van kleine sommen ontstaat Ieder weet, dat het bij den dag moeielijker wordt tegen die gemeenschappelijk ondernomen. vennootschappelijk bestuurde fabrieken en winkels, in de groote brandpunten onzer maatschappij gevestigd, op te werken. Door vereeniging kunnen zij de werkzaamheden over meer arbeiders verdoelen en fijner werk afleveren.

Alles heeft den naam van de „Firma A., B of C amp; Co.;quot; ieder commissionnair reist voor „Co.quot; Het kapitalistisch stelsel zelf gljjdt kennelijk in de richting naar de groofe Co, de compagnieschap van Staat of Gemeente. Dat is niet te ontkennen. Eén stap is daartoe slechts noodig, getuige ons Noordzee-kan lal. Het merkwaardigste van alle versehijnselen is zeker dit, dat ons Staatsleven voor dit geslacht reeds niet meer zonder toepassingen van het sociaal beginsel denkbaar is. Zie hier de bewijzen.

-ocr page 13-

9

Het „algemeenquot; heeft de posterij als uitsluitend zijn administratie in handen en .. . wij varen er wel bij: vlug, uitnemend en goedkoop worden wij bediend. Welk een verschil in de hoeveelheid brievenverkeer tusschen nu en ruim vijftig jaar geleden!

Verder heb ik te wijzen op Telegraphie, Telephonie, op Staatsspoorwegen (rechtstreeks van Staatswege beheerd of door den trechter eener Exploitatie-Maatschappij), op de Pakketpost, waar de Staat als groot-kruier en op de Rijkspostspaarbank, waar hij als bankier optreedt.

Zelfs heeft de Staat het terrein eener bloote administratie verlaten en zich begeven op dat van de kunst (Rijksmuseum) en van het lager onderwijs (Staatsscholen) en hoezeer hij ook theoretisch afschuw verklaart te hebben van inmenging in eenig bedrijf, heeft hij een Rijksmarinewerf en bezitten vele burgerlijke gemeenten hare eigene gasfabriek.

Dit alles — zegt gij — werd gevorderd door het „Algemeen belang.quot; Juist. Waarom zou in de toekomst, bij de vele vervalschingen der levensmiddelen — waartoe de concurrentie verlokt — de Staat in het belang van alle verbruikers niet ook kunnen optreden als vervaardiger van andere artikelen. Die mogelijkheid is verre van ondenkbaar. De voordeden zouden voor de burgers even groot kunnen zijn als op ieder ander gebied, waar Staat of Gemeente nu reeds werkt.

Hierbij wil ik niet ontkennen, dat er voor het maatschappelijk plan der socialisten, zooals het daar ligt vele bezwaren in de uitvoering moeten overblijven, althans voor zooverre wij over de men-schen der toekomst van ons standpunt kunnen oordcelen.

Zoo bljjft de moeielijke vraag over: „Hoe zullen de ambtenaren de hoeveelheid en de soort der producten naar rato der behoeften immer kunnen regelen? Nu weten wij niet anders dan dat die door afwisseling van vraag en aanbod worden geregeld. Zijn er te veel uien verbouwd dan daalt de prijs ; en daalt do prijs dan verbouwt men minder uien. Toch zou misschien door wijd vertakte correspondentie en communicatie dit bezwaar zjjn op te heffen.

Belangrijker bezwaar kan in die socialistische inrichting opleveren het aanwijzen van den arbeid aan ieder. Zal er in die nieuwe wereld van onwil geen sprake meer kunnen zijn? Ongetwijfeld ja! De vrees kan zelfs bij ons opkomen, dat alsdan de helft plus een de minderheid dwingen zal om haar het noodige te verschaffen. Wij zien dit geenszins voorbij. Even wel mag het socialisme, omdat het nog geen „détailplanquot; heeft aangeboden, noch alle denkbare bezwaren hooft opgelost, nog niet volkomen onmogelijk geacht worden. Prof. A. Pierson wees ons er onlangs op in zijne beschouwing over „het jaar 2000.quot;

De geschiedenis loert ons, dat alle ingrijpende idealen hun wo^ hebben gevonden ondanks al hare overdrijvingen en fouten, als zjj maar in den drang der gemoederen „in do volheid der tijdenquot; gegrond waren; gewoonlijk door den onvervvachten loop der gebeurtenissen in een\' andere gestalte dan die , waarin do denkers en de vurige harten zich dat ideaal hadden voorgetooverd. Ik verwijs naar het Christendom. Dwaze verschijnselen vond men in zijn eerste optreden. De koele stoicyn Marcus Aurelius erserdo zich aan het geestdriftig geloof zjjner onnoozele aanhangers. Wijsgeeren had-

-ocr page 14-

10

den hetzelfde op te merken over zijne wonderen als de moderne critici van dezen tijd; het kruis mocht sommigen een dwaasheid, aiiclercn een ergernis zijn; men mocht de Christenen , gelijk de Joden , bespotten omdat z|j „geen God hadden van marmer en ivoor , doch slechts de ijle lucht en de wolken aanbadenquot;, toch heeft datzelfde Christendom stap voor stap de oude wereld overwonnen, totdat na slechts drie eeuwen strijds een machtig Keizer, Constantjjn, gevoelde, dat hjj slechts „in ditquot; teeken — het lichtend kruis — zou kunnen „overwinnen.quot;

Zeker, toen het overwon, was het christendom niet het eenvoudig Evangelie van Jezus, maar eene samensmelting van de verlossende gedachte, neergelegd in den Christus van Paulus, mot denJoodsch-Christelijken en Heidenschen eeredienst. Evenzeer acht ik het, met de teekenen dezer tijden voor oogen, mogelijk dat ook het socialisme, in practischen vorm gegoten, langzamerhand zich in Maatschappijen Staat bij de stoffelijke betrekkingen der wenschen zal verwezenlijken.

Indien wij ons aan de zooeven geuite meening wagen en het socialistisch beginsel waardeeren, dan geschiedt dit niet alleen, omdat het zich voörtbeweegt in de richting der nieuwe staathuishoudkundige associatie\'s. Ook dan nog misschien kon men het toeschrijven aan brutalen moedwil of er niets anders in zien dan een toer van dorre verstandsgymnastiek. Noch het een. noch het ander is waar. Het heeft vóór alles een zedelijken grondslag. De aanvoerders der socialistische pogingen hadden en hebben een open oog voor al het lijden en de geestelijke onmacht, die nog altoos de menschheid ontsieren en voor duizenden de zon des levens verdonkeren.

Wat professor Quack zegt in zijne „sociale rechtvaardigheidquot; van de armeren, , hoe namelijk bij hen het gevoel leeft, dat de Jlaatschappij niet rechtvaardig is ingerichtquot;, datzelfde moet ock gezegd worden van de niet arme leermeesters van het soc. door datzelfde gevoel werden zjj gedreven tot „het opsporen van den redelijken, zedelijken en daarom blijvenden grondslag van den eigendom.quot; Eerst in onze eeuw werd door de staathuishoudkundigen een ernstig onderzoek ingesteld naar den oorsprong van het privaat kapitaal-eigendom; „voor dien tijd, was het hun, alsof over de rechtmatigheid, doelmatigheid en noodzakelijkheid van dat verschijnsel geen verschil van gevoelen kon bestaan.quot; Wel hebben wjjsgeeren en godsdienstige mannen , vooral even vóór de Hervorming zich met do sociale verhoudingen bemoeid gelijk de Hernhutters, Geert Groote en ook Luther, maai- de oeconomie is eerst in den laatsten tijd gaan heseffen, dat over deze questie een nieuw hoofdstuk ui de zedeleer moet geschreven worden.

Daarom lees ik: „alleen de lage trap, waarop de beoefening der zedeleer staat, verklaart veel van de tekortkomingen in onze Maatschappij.quot; Daarom zegt ook Steinthal: .Nog is er tegenwoordig een ander belang bij de beoefening der zedeleer: het ligt daarin, dat wij allen eenen grooten radicalen ommekeer van de eigendoms- en loonsverhoudingen met zekerheid voorzien.quot;

Dat een gezet onderzoek naar den oorsprong van het eigendoms-

-ocr page 15-

11

recht vroeger of later moest opkomen, is begrijpelijk, wanneer wij bedenken dat dit recht reeds veelvoudig beperkt is geworden. Eens werd het niet meer dan natuurlijk geacht, dat iemand een men.scli in eigendom had; toch hebben de beschaafde Staten de slavernij afgeschaft; in het algemeen belang onteigent de Staat than.^ volgens het nieuwste recht den wettigen eigenaar. Hoe zou het Algemeen Belang andere eigendomsvormen niet evenzeer onnoodig of ze\'fs voor het welzijn zjjner burgers schadelijk kunnen houden?

Van een recht op zaken, in dezen zin ..heilig,quot; dat de omvang er van voor alle eeuwen zou vastgesteld zijn, is blijkens de opvattingen van vroeger en later tijd dus eigenlijk geen sprake. Wel loopt door de zedelijke waardeering van den eigendom deze draad , dat arbeid de voorwaarde is, waardoor de mensch iets zijn „eigenquot; noemen mag. Naar dienzelfden nifiatstaf oordeelen wij , wanneer wij den arbeidzamen vogel eigenaar achten te zijn van het graankorreltje, dat hij zoekend en vliegend van de aarde , tot zijn voedsel heeft opgeraapt, of van het nest, dat door zijne verworven inspanning daarboven is gebouwd Van de veronderstelling, dat alle kapitaal door persoonlijk verrichten arbeid, het eigendom is geworden van zijn bezitter, gaan dan ook altijd geleerden en on-geleerden uit, zoo dikwijls zij het heilig d. i.: in alle deelen onaantastbaar karakter van den k a p i t a a 1-eigendom verdedigen. „Ieder persoon — zoo luidt de verklaring — heeft recht op zijn persoon en zijne krachten... Moet hij het nu ook niet hebben, van de vrucht der inspanning van die krachten ? Moet hij geen recht hebben op datgene, wat hij door zijn arbeid verworven heeft ? Weinigen die hierop ontkennend antwoorden.quot; Zeker dat zullen weinigen zijn. ATerminst onikent dit het socialisme, zelfs niet de sociaal-democratie in hare overdachte pennevruchten; alleen maar heeft deze nieuwe richting gevraagd: laten wij eens zien , ot het privaat-eigendom op grondstoffen en arbeidsmiddelen, of vooral de jongste kapitaal-vorming door het groot machine-bedrijf en door den geldhandel werkelijk ontstaan is , door den heiligen arbeid van zijnen bezitter ?

Allereerst heeft het dat onderzoek ingesteld, betrekkelijk den grond-eigendom en het kwam tot het besluit, dat men wel door arbeid de vruchten uit den bodem verkrijgen kan of den bodem van een beletsel (opstaand water of hout) ontdoen kan , maar niet den bodem de aardkorst zelve kan voortbrengen.

Men kon dan ook in den oudsten tijd zijn recht als bezitter op de aarde slechts laten gelden door in zijne redeneering een onlogischen sprong te maken van liet ééne gebied op het ander.

Daar komt een nomaden-troep zich nederzetten in eene vruchtbare streek. Men gaat over tot een landbouwend leven, leder gezin kiest zich een stuk grond. Uit boomstammen en klei wordt een huis gezet. Dat hu s is rechtens het eigendom van het gezin, want door houtkappen , ha\'en enz. hebben zij het zich verschaft. Deze houten krabber of vuursteenen bijl is, tot arbeidsmiddel door hen gemaakt, hun eigendom. Het gezin gaat zaaien, straks wieden; deze tijdelijke bewerking geeft hun reeds aanstonds een natuurlijk recht op de ge-wenschte vruchten. Zij gaan b ij- , op- dien grond zitten: ziedaar de beteekenis van „be- zit.quot; De oogsttijd komt; de man is moreel meester van de producten. Dadelijk ploegt hij; het werk herhaalt zich van

-ocr page 16-

12

jaar tot jaar. Voorspoed cn spaarzaamheid brengen den bouwer in hot voldoend bezit van levensmiddelen en andere verbruiks-artikelen voor den lateren leeftijd. Hij houdt op met werken en zegt met don rijken boer uit de gelijkenis: „Mijn ziel! gij hebt vele goederen opgelegd voor vele jaren; neem rust, eet, drink en wees vroolijk!quot; Zelfs geen zoon kan onder goedkeuring van den kleinen staat, die zich gevormd heeft het vroeger reeds meêgemaaktc werk voortzetten, omdat hij misschien onderwijzer geworden is. Welke natuurlijke rechtstoestand volgt nu? Wel, dat deze oude bouwer eigenaar is van de v r u e h t e n zijns jarenlangen arbeids. Maar daaruit volgt bij ordelijke redeneering nog volstrekt niet dat die man voor zich en na zijn dood voor zijn kinderen als eigenaar vrijelijk beschikken kan over het kapitaal dat is: het stuk grond , dat hij wel eens bewerkte, maar immers niet heeft doen ontstaan. Toch is bij stilzwijgende afspraak, die eerst usantie , en later wet werd , deze weg gevolgd : de boer heeft niemand op, wat hij nu noemde zijn land, toegelaten, om het te bebouwen om evenals hij van de vruchten van eigen arbeid te kunnen leven , dan nadat deze beloofd had aan den ouden bouwer een deel der voortbrengselen af te staan m. a. w. „pacht te betalen.quot; Ueze eisch van den zich noemenden eigenaar verliet echter het terrein van den zedelijken grondslag des eigendoms, en heeft daarvoor in de plaats gesteld de mr.cht van den persoonlijk sterkeren of van de onderlinge afspraak. De wet van den stam of staat, die tot behoud des vredes aan ieder moet verzekeren het recht op den persoonlijk verworven eigendom , begon nu — gelijk Mill er op wijst-„de bezitters te waarborgen, dat zij gehandhaafd zouden worden in hetgeen niet als vrucht van hunne persoonlijke inspanning kon gelden.quot; Niemand kan ontkennen, dat in deze historische herinnering eene ernstige waarheid ligt opgesloten; en dat dus reeds vroeg de zelfzucht den eigendom ontheiligde. Door den bedoelden sprong der redeneering van de eerste grondbewerkers werd al aanstonds onnoodig een rij armeren in het loven geroepen ; immers de tweede bewerker genoot niet meer al do vruchten van zijnen arbeid, maar moest een deel daarvan overgeven aan ecnen , die toch zelf erkend had , dat hij naar zijn eigen eisch voldoende leven kon.

De socia\'ist wil door gemeenmaking, niet van de levensbehoeften , maar van don bodem , het besef van de heiligheid des eigendoms doen herleven. Hij denkt daarbij terug aan de Marken in ons land en Duitschland, aan de Allmeindcn of gemecnteljjko weiden in Zwitserland en het Folkland in Brittanniö; alte-inaal vormen van onverdeeld grondeigendom.

Verder heeft deze oeconomische richting het ontstaan van het klein en groot kapitaal der bedrijven onder het ontleedmes genomen , en het ontstaan van meer-waarde op den arbeid der werklieden trachten aan te toonen ; een onderwerp , waarbij hunne waarde-loer in verband tot het loonstelsel eeno breedere bespreking vordert dan nu kan worden gehouden. Hoeveel ook mede door Prof. Cort van der Linden tegen de waarde-leer van Marx zij ingebracht, toch erkent hij, dat „de critiek, waaraan de socialisten do tegenwoordige maatschappelijke verhouding onderwerpen , dikwijls even juist als scherp isquot;, en noemt dan van hen Marx opzetteljjk. Wat echter , sedert het midden dezer eeuw , het meest do aandacht heeft leoren vestigen op

-ocr page 17-

13

de socialistische plannen; wat zoo menigeen de snijdende waarheid hunner aanvallen togen verscheidene kapitaalformatiën heeft doen gevoelen, is de mogelijkheid — door spoorwegen, stoombooten, stoomfabrieken met hun naamlooze aandeelen in verspreide handen vergemakkelijkt — om zonder bij die ondernemingen eenigen arbeid te verrichten , zijn bestaan te vinden door de proeenten en dividenden. In vroeger tijden werkte de kapitalist als meester-bakker , scheepsbouwmeester , molenaar , houtzager altoos zelf mede , thans ligt het in de ontwikkeling van alle vakken, dat de vennooten, die meestal zonder kennis van de zaak slechts geld gestort hebben, gescheiden zijn van de feitelijke ondernemers: de directeuren, ingenieurs en werklieden. Ieder die over deze kolossale verandering een oogenblik ernstig heeft nagedacht , ziet dadelijk in , dat hier de werkers met hoofd of met handen , veel meer rechten moeten kunnen doen gelden, op de verhouding tusschen loon en winst, dan thans in den regel het geval is.

Nog is het de omvangrijke windhandel in effecten, in aandeelen van zaken, die in de werkelijkheid niet bestonden ; de handige maar gewetenlooze zwendelarij van mensclien, die het er op gezet hadden, in oogen blikken van verwarring, misbruik te maken van anderer onkunde; het is de dikwijls voorkomende gouddorst en de plutocratie, die den weerzin tegen het bijzonder-eigendom en de vraag naar zijn oorsprong hooft opgewekt. Dichters en nieuwere profeten hebben zich in do naast voorgaande jaren dan ook niet onbetuigd gelaten. Waarljjk! de tempel van Plutus, den god van het privaat-kapitaal , behoefde niet meer door anderen te worden onteerd; een groot getal zijner eigen priesters zeiven heeft dien ontwijd. Geschiedde dit niet, toen in 1882 één dor Rothschilds in Oostenrijk van het bepaalde invoerrecht op geraffineerde petroleum gebruik of liever misbruik maakte, om uit] den Kaukasus petroleum in te voeren, met 5 procent toer vermengd , om op die wijze een smokkelwinst te innen ; zoodat in de kamer van afgevaardigden een lid kon voorrekenen, dat hij op die wijze jaarlijks 2,/ï millioen gulden aan do Staatskas onttrok ? Groote vermogens zijn vaak door nog iets anders geworden dan door inspanning en spaarzaamheid. Als iemand door dag en nacht te werken ruimschoots zijn loon en zijn winst vindt, dan is gewis dat doel van zijn welvaart heilig; maar wanneer hij dan daarbij in stilte den impost beknibbelt en toch zijn waar voor den geldenden prijs verkoopt — hierin steekt de aardigheid van sluiken — om een extraatje te verdienen, dan vindt mijn zedelijk gevoel in dat „extraatjequot; niet veel rechtvaardigs. En wanneer hij dan van dat extraatje voor f75 per bunder land koopt, om er in gunstige tijden, die niet van hem afhingen, 4 a 5 duizend gulden per bunder voor te maken, zoodat een winst per bunder van f4000 hem door vrouw Fortuna in den schoot werd geworpen, dan moge in dat laatste geen persoonlijke schuld steken, toch zal een fijn geweten een inrichting der maatschappij, waarbij zulke onverdiende gelukjes mogelijk zijn, niet onvoorwaardelijk goed durven noemen.

Uit al het gesprokene blijkt voldoende, dat ook hierin het socialisme onze achting verdient, dat het de banier van den arbeid, zoowel der kennis als der lichaamskracht, kloek omhoog heft. En

-ocr page 18-

14

dat was in onzen tijd hoog noodig. Daar heeft een geest gewaaid, die gaarne veel genoot en weinig verrichtte. Over het algemeen schaamden en schamen nog velen zich, onder grooten en kleinen, dat zij menschen zijn, die alleen bestaan van en door hun geregeld werk of vast ambt. „Binnen 10 jaren zal ik zorgen vrij te zijn van allen arbeid, was de snoevende leus van velen. Hier ontmoet gij iemand. die haastig zich verontschuldigende, u laat gevoelen, dat het werk door zijne bedienden geschiedt. Ginds legt een juffrouw, wier familie geldelijk is teruggegaan, mij met onnoodige lange redeneering uit, dat het toch eigenlijk wel goed is, dat zij nu als onderwijzeres of iets anders haar eigen onderhoud verdient. Zij laat u echter duidelijk bemerken, dat zij bezig is . zich-zelve van die waarheid te overtuigen. Tegenover deze gemakzuchtige en genotzieke neigingen stelt de socialist den eisch, maar verdedigt daarmede ook het eervolle van den algemeenen arbeidsplicht.

Ligt er iets onbillijks in, dat het socialisme dooreen hechter brug te leggen tusschen den arbeider en de vruchten zijns werks, de waarheid van een algemeen gezegde voor de toekomst onmogelijk wil maken: „Van werken alleen kan het niet komen.quot; Dit streven verlangt daarom reeds gehoor, omdat zooveel zoons van mannen die in vroeger tijd oeconomisch-zelfstandige lieden zouden geworden zijn met eigen molen of winkel of handel, thans almoer in dienst moeten treden bij het ondernemend kapitaal.

Gij bemerkt dus M. H. dat er noch in het stelsel, noch in de gronden van het socialisme iets afschuwwekkends is. Ik heb daarom nooit recht begrepen, waarom men op het hooren van het woord slechts, zich zoo opgewonden verontwaardigd kan toonen, tenzij iemand bij al wat het in het midden brengt, een schoen past, die bijzonder klemt.

B. de practische pogingen ter uitvoering van hel stelsel.

Zooals wij opmerkten, treedt het practisch op in twee vormen. Van boven af en van onder op. Dat eerste streven volgde bijv. Bismarck onvermengd, in zijn binnenlandsche staatkunde, bij het regelen der pensioenen voor werklieden, bij vergoeding na ongelukken enz.; dienzelfden weg wil schijnbaar de Keizer van Rusland thans volgen. De jonge Keizer van Duitschland, schoon volbloed aristoctraat, wil aan de democrato-socialisten meerdere vrijheid van beweging gunnen, omdat het blijkt, dat het aristocrato-socialisme bij de proletarieërs weinig gewild is.

Bij het groote publiek, vooral ten onzent, is het stelsel en de sociale beweging eigenlijk eerst door de sociaal-democratie onder de aandacht gevallen. Over alle beschaafde landen verspreid, is zij in den grond der zaak overal hetzelfde en heeft een algemeen programma. De aanhef daarvan, is de uitdrukking van het ideaal, zooals wij het hebben leeren kennen. Om daartoe te geraken vordert de partij , als grondslag van den staat: „algemeen kies- en stemrecht,quot; directe wetgeving door het volk, algemeene weerplicht, volkomen vrije uiting van meeningen, kostelooze rechtspleging door jury\'s, verplicht vrij kosteloos onderwijs, scheiding tusschen kerk en staat, wettelijke gelijkheid voor de vrouw met den man; verder een normalen

-ocr page 19-

15

arbeidsdag, een verplichten rustdag, geen kinder- en beperkten vrouwen-arbeid, waakzaamheid over werkplaatsen enz., één enkele progressieve inkomstenbelasting en niet het minst eene progressieve successiebelasting. Gij begrijpt thans, dat in dien laamp;tsten eisch, het programma meer rechtstreeks afgaat, op het einddoel namelijk de opheffing van het privaat-kapitaal-eigendom. Overigens is er veel in, dat reeds in andere landen wettelijk is ingevoerd. Ook zal niemand ontkennen, dat menig punt, door de menschelijkheid ter verwezenlijking wordt aangeboden.

Wat betreft het openbaar optreden der sociaal-democratie, zoo geschiedt dit niet overal op dezelfde wijze. Welk een verschil tus-schen hier en in Engeland bijv. \'t Is niet te ontkennen, dat er onder onze sociaal-democraten veel wordt geschermd met telkens terugkeerende uitdrukkingen en vaste spreekwijzen. Behalve dat, ontmoet ik zooveel walgelijke laai in hun bekend orgaan. En vooral vraagt gij, waarom de kundigen onder hen toch in de quaest e zoovele dingen gemengd hebben , die met het eigenlijk oeconoraisch doel, waardoor onverdiende ellende kon opgeheven worden, in geen daadzakelijk verband staan.

Toen ik het geruchtmakende artikel in R. v. A. las, dat sprak over de gelogen liefde van ons volk voor het huis van Oranjequot;, moest ik het hoofd schudden en vroeg mij af, waartoe deze aantijging, dor natie in het geheel in het aangezicht geworpen? Bij al het eigenaardige conservatisme, heeft ons volk ook de deugd, dat het elke herinnering aan zijne opofferende weldoeners historisch waardeert. Bovendien wijzen de soc.-democratische woordvoerders zelf er op, dat onder de republieken hetzelfde kapitalistisch stelsel geldt als in de koninkrijken.

Let daartegenover op John. Burns, den arbeider, den sociaaldemocraat in Engeland, thans lid van den gemeenteraad van Londen, met wien een kardinaal en de lord-mayor gaarne confereerden. Door onderrichting gedurende jaren en practische kalme volharding, wist hij de dokwerkers in de groote werkstaking tot overwinning , maar meest tot de macht der zelfbeheersching en der solidariteit te voeren.

Nu kunt gij misschien zulk een werkstaking atkeuren en \'t is niet te ontkennen, dat deze uitingen van den wil der arbeiders hare grove en gevaarlijke zijden hebben. Edoch het burgerlijk recht op eene werkstaking wordt feitelijk nergens meer ontkend. Vergeten wij niet dat elke handel op de markt of beurs een gestadige afwisseling is van werken èn werkstaking. Als de verkooper niet genoeg geboden krijgt, staakt hij den handel, waarvoor hij toch gekomen was — tot nader orde, en de kooper doet desgelijks. Zoolang de arbeidskracht van den arbeider als ieder ander artikel aan de markt komt, en dus koopwaar is, zoolang blijft de verhouding een handel tusschen het kapitaal en den drager der arbeidskracht. Maar de ondernemer — patroon of aandeelhouders te zamen gevat — en de loontrekkenden zijn iets meer, veel meer dan kapitalisten en proletariërs , zij zijn menschen, soms even kundig, dikwijls even redelijk, zeker altijd even gevoelig van aanleg; daarom is het een betreurenswaardige verhouding , als zij — niet met moedwil maar naar een eeuwenoud stelsel van oeconomische samenleving naast elkaar en niet met elkaar denken, werken en voortbrengen ; wanneer zij elkander — soms

-ocr page 20-

16

zeer vriendelijk — doch daarom toch altijd behandelen als een handelsartikel, zoodat men wederkeerig van elkaar zooveel mogelijk profijt tracht to halen. Als van dien toestand het gevolg, is elke werkstaking een treurig verschijnsel.

Vele hoogst belangrijke punten heb ik — dit spreekt van zelf — slechts mot de vingertoppen kunnen aanwijzen. Vooral betreft dit het laatste gedeelte. Toch moet ik hier mijn taak nederleggen. Vooraf doe ik nog eens uitkomen, dat het doel van deze voordracht is de hoofden te verhelderen en daartoe de gemoederen vooral dergenen , die gezag kunnen uitoefenen, maar ook van alle anderen , in evenwicht te brengen , opdat door begrijpelijke tegeningenomen-heid, bij zulk een gewichtig verschijnsel der eeuw , het bereikbaar goede niet onnoodig worde tegengehouden. Hebt een kijk op de teekenen der tijden! Die opwekking worde vooral door het jonger geslacht ter harte genomen. Laten wij niet traag zijn. Wachten, zoolang en zoo rustig, totdat het tot een werkstaking komt, waarna dan maatschappijen of patroons toegeven , wat eerst heette niet te kunnen , is dom , is meer dan dat, het is harteloos. Wanneer begonnen de partijen elkander eerst ernstig en met gevoel verwijten te doen, dat de belastingwetten, de grondwet enz. enz. nog niet herzien waren? Wij weien het immers: eerst nadat in een demonstratie voor algemeen stemrecht een bijl, een phrygische muts en een roode vlag geparadeerd hadden. Dat leert de onkundige menigte — en onkundig is zij — dwaasheden doen. Daar is aan alle zijden noodig kennis en oordeel. Ook de handenarbeiders mogen geen dwaasheden doen! — Maar daar is nog iets meer een vereischte. Het diep gevoeld besef namelijk, dat wij ook staathuishoudkundig Socii moeten zijn. De Romeinen kenden Necessarii en Socii; met den eersten naam bedoelden zij menschen, die door de omstandigheden los naast elkander gezet waren, lieden in een wagen, roeiers op een schip; Socii waren door zedelijke belangen verbonden. Het socialisme noemt zich zoo, vergeten wij het niet, omdat het eene individualistische maatschappij zoo gaarne zag omgezet tot eene van samen-arbeidende en geestelijk, zoowel als stoffelijk genietende bondgenooten.

Ik heb gezegd.

-ocr page 21-
-ocr page 22-