-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-

DE BETEEKENIS

VAN DE NIEUWSTE BESCHOUWINGEN

§ llfflMfflll

il

Ü .1

nij

j

DIENAAR VAN HET EVANGELIE

Dr. A. J. Th JONKER.

U T E K C H T,

KEMINK amp; ZOON. 1804.

-ocr page 4-

I ■Éè

i./\'U

:\'\' 4 ■ •■i

i.

M:^z - ■ ,\' : .i-v lt;-ü- : :\' -quot; vA\' quot;

^ • -V. ?: - .

__

gt;?-U.5\'.quot;-:

\';V .

At/:

r\'Öquot;^

v.0; : ;

iiW\'.

m-

,V;f A

. ■\' ?

SfevV\'ffi\'::,

-ocr page 5-

i

/lt;w

a

flV, V(J

it

DE BET EE KEN IS

VAN DE NIEUWSTE BESCHOUWINGEN

■S ï

I

tóS-

*V,;

|»n \' u

1

I

. J

[8

nu

LiU

VOOR DEN

DIENAAR VAN HET EVANGELIE

Dr. A. J, Th. JONKER.

UTRECHT,

KEMINK amp; ZOON. 1894.

:

\'

i

4

IS

-ocr page 6-
-ocr page 7-

De beteekenis van de nieuwste beschouwingen over erfelijkheid en toerekenbaarheid voor den dienaar van het Evangelie 1).

Ingenia humana sunt ad suain cuique levandatn cnlpam nimio plu3 facuuda.

Liv. Hist. XXVIII, 25.

Vermoedelijk is er, mijne geachte Br., niemand in uw midden, die niet in meerdere of mindere mate mede lijdt onder de klimmende spanning, welke er valt waar te nemen tusschen het geloof der Gemeente eenerzijds, en aan den anderen kant de zoogenaamde wetenschappelijke stroomingen dezes tijds, waarmede wij èn als theologen èn als dienaren ; van het Evangelie rekening hebben te houden. Het rustig | besef, dat er aan de onderlinge verhouding volstrekt niets ! haperde, hebben wij allicht nooit gekend, of anders maar al te spoedig verloren. En van lieverlede hebben wij ons moeten trachten te wennen aan de drukkende gewaarwording, dat de schoone harmonie, waarvan wij misschien een enkel oogenblik droomden, in werkelijkheid voor eene fatale wanverhouding heeft plaats gemaakt. Misstanden en misverstanden bij de vleet. Van dat goedaardig stoeien tus-j schen geloof en wetenschap, hetwelk de leekedichter in een ondeugend oogenblik bij de Vermittlungs-theologen meende te ontdekken, kan eenvoudig geen sprake meer zijn. De

1

-ocr page 8-

2

1 strijd is meenens geworden. De dagen waarin een enkele blik op het in de apologetische arsenalen opgestapelde materieel de onthutste zielen vermocht gerust te stellen, liggen al tamelijk ver achter ons. Slag op slag worden wij opgeschrikt door geruchten van resultaten, door wijsgeerig denken of physiologisch onderzoeken verkregen, die lijnrecht indruischen tegen wat wij tot nu toe voor onbetwistbare waarheid hadden gehouden. En geen wonder, dat ons dan daarbij soms \'t beangstigend gevoel overvalt, alsof onze dogmatische vastigheden deerlijk beginnen te wankelen. Geen wonder ook, dat wij, in \'t besef van toch niet opgewassen te zijn tegen den stortvloed van problemen, waarmede men ons letterlijk van alle kanten overstelpt, in de verzoeking komen ons tot den practischen arbeid in de gemeente te beperken; ons zoo goed mogelijk buiten de smartelijke reli-gieuse krisis dezer dagen te plaatsen; van tijd tot tyd al zuchtend de zinsnede uit het Duitsch formuliergebed te herhalen : „dat God zelf wetenschap en kunst moge leeren Zijne wegen te gaan, en dienstbaar te doen worden aan de uitbreiding van Zijn Rijkquot;; en dan ons voorts maar te troosten met de gedachte, dat Hij, naar Zijn wijs bestel, uit het „tohoe wabohoequot;, dat het einde der eeuw ons ook in dit opzicht te aanschouwen geeft, straks wel weer een\' nieuwen kosmos, vol harmonische schoonheid, zal doen rijzen.

Gelukkig, mijne Heeren, ons fondament ligt vast; het fondament, dat gelegd is; buiten hetwelk niemand een ander leggen kan, maar dat ook door geene macht ter wereld kan worden omvergeworpen. Het geloof der Gemeente heeft het getuigenis in zich zelf. En het bewijs voor de waarheid van het Evangelie, dat wij verkondigen, behoeven wij nergens buiten dat Evangelie te gaan zoeken. Maar dit ontslaat ons niet van de roeping, wat zeg ik, het verhoogt den ernst der roeping om ook voor ons denken een\' weg te banen door den dichten nevel van phrases en abstracties, van conclu-siën en hypothesen, die er rondom ons is opgestegen, en ons te plaatsen voor de vraag: wat die belangrijke groepen van feiten, waarmede inzonderheid de natuurwetenschap

-ocr page 9-

3

opereert, en die even zeker, als met de Christelijke levensbeschouwing onvereenigbaar schijnen, ons hebben te zeggen? Misschien nopen zij ons, ik zeg niet ons geloof, maar onze geloofsbegrippen op een of ander belangrijk punt te wijzigen. Misschien zullen zij ons tot een kostelijk correctief kunnen dienen van voorstellingen, welke ons tot nu toe onverbeterlijk voorkwamen, en die toch feitelijk de ontwikkeling van ons geloofsleven en van dat der Gemeente tegenhielden. Misschien zullen zij ons kunnen bevestigen in onze overtuiging, dat dengenen, die de waarheid liefhebben, alle dingen, en inzonderheid de dingen die haar met verwoesting bedreigen, moeten medewerken om haar te vinden. Ik weet het, men kan een voortreffelijk Evangeliedienaar, ja een soort van geloofsheld zijn, zonder zich om de antithese tus-schen geloof en wetenschap veel te bekreunen, adres b. v. aan Maarten Luther, wien de ultramontaansche kritikasters, immers van hun standpunt niet geheel ten onrechte, verwijten, dat hij voor de wetenschappelijke behandeling van de theologie heel wat minder gedaan heiift dan menig scholastiek geleerde. Maar op den duur zal de Christelijke ervaring hare bewijskracht niet ten volle kunnen behouden en niet ten volle kunnen ontplooien, indien het baar aan de zekerheid ontbreekt van in overeenstemming, van althans niet onvereenigbaar te zijn met de resultaten, die het wetenschappelijk onderzoek oplevert. Daarom is ons de nood opgelegd. En indien het waar is, dat de schijnbare onverzoenlijkheid van de beide partijen, die hier tegenover elkander staan, vooral moet verklaard worden uit de gewoonte om herziening en hervorming altijd van de tegenpartij , en nooit van zichzelve te vergen, laat ons dan ten minste den moed hebben om met die gewoonte te breken!

Ik vraag thans eenige oogenblikken uwe aandacht voor het onderwerp, u in den oproepingsbrief tot deze samenkomst aangekondigd.

! Het acht geven op de overerving als algemeen verschijnsel is geenszins van recenten datum. Reeds in dequot;quot;oudheid zijn er talrijke sporen van te ontdekken. Een\' Virgilius kunnen

1*

-ocr page 10-

4

wij reeds de voortreffelijkheid hooren bezingen van het veulen, dat uit edeler bloed is gesproten, en daarom „altius ingre-ditur, et mollia crura reponitquot;. Ook de zedelijke erfelijkheid werd volstrekt niet geloochend. Ik behoef slechts de geestige versregels in het geheugen terug te roepen, waarin Goethe met de oorspronkelijkheid van zijne eigene merkwaardige constitutie den draak gestoken heeft, om u te herinneren , dat het thans onder ons aan de orde gestelde vraagstuk reeds in zekeren zin zijne geschiedenis heeft, en dat de gegevens, waaruit het is opgegroeid, niet maar op een\' goeden dag onverhoeds uit de lucht zijn komen vallen. „Vom Vaterquot;, zoo hooren wij het groote wereldkind verklaren,

( „Yom Vater hab\' Ich die Statur,

Des Lebens ernstes Führen,

Vom Mütterchen die Frohnatur

Und Lust zu fabuliren.

Uhrahnherr war der Schönsten hold,

Das spukt so bin und wieder;

Uhrahnfrau liebte Schmuck und Gold,

Das zuckt wohl durch die Glieder.

Sind nun die Elemente nicht

Aus dem Complex zu trennen.

Was ist denn an dem ganzen Wicht Original zu nennen?quot;

Afgezien nu van de rol, die de leer van het peccatum hereditarium in de geschiedenis der Christelijke dogmen heeft gespeeld, is evenwel eerst in den nieuweren tijd het hier bedoelde vraagstuk meer bepaald op den voorgrond getre den, en met opzet wetenschappelijk behandeld. Wij hebben dit voornamelijk aan Darwin en zijne volgelingen te danken. Wel hadden ook vóór zijn optreden de medici, vooral in Frankrijk, zich nu en dan bezig gehouden met het onderzoek naar de door hen waargenom ,\'n gevolgen van natuurlijke herediteit, en was reeds in \'t laatst van de vorige eeuw de gedachte uitgesproken, dat hetgeen bij de dieren voor blind mechanisch gehouden werd, misschien slechts het eenvoudig

-ocr page 11-

5

gevolg zijn zou vim reeds lang te voren aangenomen gewoonten, die zich van geslacht tot geslacht hadden voortgeplant. Wel had men ook vóór dien tijd reeds eene psychologie der misdadigers opgesteld. Maar door den even genoemden beroemden geleerde is toch de eigenlijke stoet gegeven aan de beweging, die maakte, dat het verschijnsel van de overerving zulk eene wijd uitgestrekte en diep ingrijpende beteekenis verkregen heeft, als thans het geval is, zóó zelfs, dat men niet geschroomd heeft het „die groszartigste aller Natur-Erscheinungenquot; te noemen. Wat men in het planten- en dierenrijk had ontdekt, werd ook in de men-schenwereld gezocht en gevonden. De mensch bleek, juist als bij uitstek geestelijk wezen, nog veel meer dan eenig ander schepsel aan de invloeden der erfelijkheid onderhevig te zijn. De ervaring leerde zoo evident mogelijk, dat er nauwelijks eene enkele psychologische eigenaardigheid bestond, die niet onder bepaalde omstandigheden van ouders op kinderen kon overgaan. En op deze lijn moest men er schier van zelf toe geraken om neigingen en gewoonten, instinct en talent, temperament en karakter, intellect en zedelijk gevoel, hartstocht en genie, aanleg tot het goede en aanleg tot het kwade, althans voor een aanmerkelijk deel op rekening van het voorgeslacht te boeken.

Hierbij kwam de invloed van de statistiek, eene van de jongste dochteren der wetenschap, aan wier jeugd het wel was te vergeven, dat zij in haar stout beloven niet altijd de noodige bescheidenheid betrachtte. Men ging aan het clas-sificeeren en catalogiseeren met een\' ijver, waarover zelfs de mieren zich niet zouden hebben behoeven te schamen. De nieuwe methode — want de statistiek is meer methode dan wetenschap — werd toegepast ook op de feiten van het zedelijk leven. En de moraal-statistiek trad op. Was het er vroeger om te doen geweest uit de regelmatigheid , waarmede men allerlei verschijnselen zag wederkeeren, af te leiden, dat er wel ter dege eene goddelijke orde heerschte in al de veranderingen, welke er in \'t menschelijk geslacht plaats grepen, weldra moesten de gegevens der statistische

-ocr page 12-

6

bureaux voornamelijk dienst doen. om de voorstanders van het psychologisch determinisme in het staven hunner meeningen te hulp te komen. Alexander v. Oettingen trachtte zijn inductief bewijs te leveren voor de wetmatigheid (vergeeft mij dit germanisme) van de zedelijke levensbeweging in het organisme der menschheid. Buckle besteedde in zijne „History of Englandquot; ongeloofelijke werkkracht en bewonderenswaardige scherpzinnigheid aan het pogen om aan te toonen, dat overal in het leven dezelfde wetten met ijzeren noodzakelijkheid zich doen gelden. Met gewone overdrijving werd de wet der causaliteit in materialistischen zin toegepast op al wat tot nu toe in geschiedenis en ervaring als daad van den menschelijken wil was beschouwd. En reeds 30 jaar geleden is er een werk verschenen, onder den titel: „Psychologie und Criminalrechtquot;, waarin o. a. met dikke letters het volgende staat te lezen: „de mensch is onvrij; men kan hem voor zijne handelwijze evenmin aansprakelijk stellen als den steen, die ons volgens de wet der zwaartekracht op het hoofd valt; de misdaad is eenvoudig het noodzakelijk gevolg van eene onverbrekelijke natuurwetquot;.

Had nu nog maar de psychologie voldoende veerkracht bezeten om pal te staan tegen den drang, van die zijde op haar uitgeoefend! Maar ook dit bleek het geval niet te zijn. De invloed van de natuurwetenschap is haar te machtig geworden. Men heeft haar den eisch gesteld , zoo niet geheel, dan toch bijna geheel met haar philosophisch verleden te breken. En de nauwkeurige kennis van het menschelijk organisme zoowel in gezonden als in zieken toestand, gevoegd bij wat het onderzoek naar den aard der maatschappelijke verhoudingen aan het licht bracht, moge dan voor de zielkunde nog zoo rijke vruchten hebben opgeleverd, ik vergis mij toch zeker niet, als ik beweer, dat zij bij dat alles gevaar loopt zich in een onderdeel der physiologic op te lossen. Het substraat van de psychische verschijnselen wordt, onder den invloed van de natuurwetenschappelijke methode, als een substraat van pbysische verschijnselen behandeld. Ik herinner er slechts aan hoe tegenwoordig zelfs de mathesis op

-ocr page 13-

7

het terrein der zielkunde wordt toegepast, wanneer men de psychische toestanden gaat meten , en ze of onderling öf met de daarmee correspondeerende physieke verschijnselen vergelijkt. Ik wijs u slechts op het bestaan van de psycho-physika, de wetenschap, die de betrekking tusschen psychische en physische verschijnselen onderzoekt, en tracht aan te wijzen eenerzijds hoe lichamelijke eigenaardigheden op de ziel werken, gewaarwordingen bijv. als de logarithmen van zenuwprikljelen moeten beschouwd worden, en aan den anderen kant, hoe het lichaam van de ziel, om iets te noe men, de spierbeweging van de wilsimpulsie afhankelijk is. En nu moogt gij een studievak als dit met nog zooveel blijdschap begroeten, eene blijdschap waarin ik gaarne deel, vergeet niet, dat Prof. Winkler in zijne straks te melden rede, aan deze psycho-physiek den naam van physiologie der hersenschors wil geven, en voor haar beslist het karakter van natuurwetenschap komt opeischen.

Onder deze omstandigheden kan het ons niet al te zeer verbazen, dat de nieuwe richting door den Turijnschen hoog-j leeraar Lombroso op het veld der anthropologische onder-! zoekingen ingeslagen, aanvankelijk met zooveel bijval werd begroet. Volgens deze opvatting is de misdaad een constant verschijnsel, en moet zij constante oorzaken hebben. Deze oorzaken moeten gezocht worden in den oorspronkelijken aanleg van de personen, die tot de hier bedoelde klasse behooren. Zij zijn in zekeren zin voorbestemd om slechte dingen te doen. Het misdadigers-type, door de criminalisten van deze school, wat moet ik zeggen ontdekt of geconstrueerd? is u allen in hoofdtrekken bekend. De moreele gebreken, die tot misdaad voeren, kuunen, zoo meent men, eenvoudig door overerving en atavisme worden verklaard. De kiemen van eene bepaalde misdadigers-natuur, welke zich door een zeker aantal abnormiteiten, zoowel van het lichamelijk als van het geestelijk organisme, kenmerkt, laten zich dikwijls reeds bij kinderen aanwijzen. De schedel is kleiner dan die van den gewonen mensch. De hersens ver-toonen eene abnormale ontwikkeling en zijn minder in ge-

-ocr page 14-

8

wicht dan die hunner niet defecte of althans minder defecte natuurgenooten. De aangeboren neurasthenie speelt in de meeste gevallen eene groote rnl. Er is, evenals bij de natuurvolken, doorgaans eene zekere liefhebberij om zich te tatoueeren, bijzondere ontvankelijkheid voor magnetische invloeden, een overwicht van de rechter op de linker hersens enz. Zoo ontstaat een complex van afwijkingen en ontaardingen, waardoor een afzonderlijk anthropologisch type wordt verkregen. En dat dit min aantrekkelijk type in hooge mate de aandacht heeft getrokken, blijkt voldoende uit de voor eenige jaren opgerichte internationale criminalistische vereeniging, die uitgaat van het beginsel, dat misdrgf en straf evenzeer van sociologisch en anthropologisch als van juristisch standpunt dienen beschouwd te worden, zij het dan ook dat zij geweigerd heeft de resultaten van de zoogenaamde positieve Italiaansche school, onder leiding van Ferri en Lombroso, in haar program op te nemen.

Ook in ons vaderland is niet lang geleden de zaak nadrukkelijk aan de orde gesteld. Ik heb het oog op de oratie, waarmede Dr. Winkler verleden jaar het Hoogleeraarsambt aan de Stichtsche Alma mater aanvaardde, en op het inleidend woord, waarmede de Hr. Jelgersma, geneesheer aan het gesticht voor krankzinnigen te Meerenberg, zijne lessen als privaat-docent aan de Universiteit te Amsterdam heeft geopend. De eerste handelt over „De beteekenis van het onderwijs in de psychiatrie voor de geneeskundequot;. En, met voorbijgang van allerlei belangrijke beschouwingen over dit onderwerp in het midden gebracht, mag ik u toch wel even wijzen op wat in deze professorale oratie het meest de aar.-dacht van ons, als theologen en Evangeliedienaren, trekt. De mensch, zoo leert ons Prof. Winkler, is eene zich zelf reguleerende automatisch werkende machine, die bovendien bewustzijn bezit. Drijfveer tot handelen is, let wel, de streng gedetermineerde stoffelijke verandering, die in het organisme plaats heeft, en die met den veranderden bewustzijnstoestand, met de bewegingsvoorstelling, met den wil gepaard gaat. De psychiater acht dan ook de keuze van eene hande-

-ocr page 15-

9

ling of van eene voorstellingsassociatie gebonden aan den oogenblikkelijken bouw van het zenuwstelsel. En met dat zenuwstelsel schijnt het in den regel niet zoo extra fleurig gesteld te zijn. Eene normale persoonlijkheid acht de hoogleeraar eene contradictio in terminis. Niemand kan de grens aangeven, waar de gezondheid eindigt en waar het ziekteverschijnsel begint. Want de gezondheid zelve is eene fictie, een ideaal, een begrip, dat dagelijks, naarmate de kennis der levensuitingen toeneemt, aan scherpte van begrenzing verliest. In het verschil, aan het ziekbed tusschen de verschijnselen der erfelijke en niet erfelijke krankzinnigheid waargenomen, is de grondstelling der psychiatrie geschreven. En tot welke ontdekking is men nu gekomen? Dat dezelfde verschijnselen, waargenomen bij de degeneratieve phychosen m. a. w. bij de slachtoffers van erfelijke krankzinnigheid, die van gezondheid in populairen zin zoo ver mogelijk verwijderd zijn, dat dezelfde verschijnselen, zij het ook in minder aantal en in minder graad, ook voorkomen bij personen van dezelfde familie, die als volmaakt gezond beschouwd werden, \'t Zijn in den grond dezelfde kenmerken van invaliditeit en degeneratie, welke bij deze worden aangetroffen. Zoo zijn met de erkende psychosen door denzelfden heredi-tairen band der ontaarding broederlijk aaneengeketend de idioot en de imbecil, de doofstomme en de excentriek, de alcoholist, de morphinist en de suicidist, de prostituée, de geboren misdadiger, de politieke agitator en het genie. Zoo staat er tusschen gezondheid en krankzinnigheid eene groote steeds aangroeiende schare van gedesequilibreerden, van gedegenereerden , van minder waardigen, van invalide personen. Corriger l\'hérédité, ziedaar de taak, die de arts aan de hand van in de psychiatrie opgedane ervaring heeft te vervullen.

De Heer Jelgersma, reeds genoemd, slaat, wat dit punt betreft, zoo ongeveer op hetzelfde aambeeld, in zijne rede over: „De beoefening der crimineele anthropologic en gerechtelijke psychiatriequot;. Hij beklaagt zich over de tegenspraak, die men nog altoos ontmoet als men de degenera-

-ocr page 16-

10

tieve natuur van een\' misdadiger tracht aan te toonen, en wanneer men meent, dat zijn abnormaal georganiseerde geest noodwendigerwijze tot abnormale daden moet voeren. Hij komt op tegen de gewoonte, om slechtheid en psychische ziekte zoozeer als twee zaken te beschouwen, dat men ze tegenover elkaar, in plaats van naast elkander stelt. En al acht hij de hypothese van Lombroso over de atavistische natuur van den misdadiger ten eenenmale mislukt, toch aarzelt hij niet zich in beginsel en hoofdzaak bij de opvattingen van de Italiaansche school aan te sluiten. Hij stelt de vraag of de geestestoestand, dien men bij eene theoretisch geconstrueerde middelmaat van de gevangenisbewoners mag aannemen, in die mate verschilt van den gewonen eerlijken mensch, dat men met redelijken grond mag verwachten bij den gevangenisbewoner een\' afwijkenden lichaamsbouw te vinden. En deze vraag wordt door hem zonder voorbehoud toestemmend beantwoord. De Heer Jelgersma bespreekt verder de bekende hypothese van den misdadig geborene, van den delinquente nato, een van de meest karakteristieke hoofdpunten uit Lombroso\'s systeem. Volgens die hypothese heeft de misdadig geborene niet alleen eene bijzondere psychische organisatie, krachtens welke hij onherroepelijk tot misdaden gedreven wordt, maar is deze psychische organisatie ook uitwendig waarneembaar, door eene daarmeê gepaard gaande abnormale lichamelijke organisatie. En bij dit deel van Lombroso\'s theorie sluit onze redenaar zich onvoorwaardelijk aan. Hij is er ten stelligste van overtuigd, dat er naturen bestaan, die voor de misdaad voorbeschikt zijn, die, in onze tegenwoordige maatschappij levende, onder alle denkbare omstandigheden misdadigers zullen zijn en blijven. Wel zouden er gevallen kunnen gedacht werden, waarin zelfs een voor misdaad geprepareerde geest niet misdadig werd. Ook volgt uit de hypothese van den delinquente nato niet dat gezonde individuen niet besmet zouden kunnen worden. Maar toch is de verschillende uitwerking van de schadelijke omstandigheden op meer of min normalen en op voorbeschikten bodem zeer opvallend. In het eerste geval

-ocr page 17-

11

ontwikkelt zich de gelegenheids-misdacliger of de misdadiger uit hartstocht; in het tweede komt de misdadiger uit gewoonte te voorschijn, een overgangsvorm tot den delinquente nato. De misdadiger, zoo besluit de Heer Jelgersma, is geworden uit den gewonen mensch; erfelijkheid en uitwendige omstandigheden, de groote momenten dus. die de geheele organische schepping gemaakt hebben tot wat zij is, hebben ook hem doen ontstaan. Zijne verschijning is niet meer of minder noodzakelijk en natuurlijk dan die van alles wat is.

En laat mij u nu M. H. ten slotte nog mogen herinneren, dat deze beschouwingen van wetenschappelijken aard, in zekeren zin, geflankeerd worden door eene soort van letterkunde, die er krachtig toe medewerkt de zielen op het punt van schuldbesef en toerekenbaarheid deerlijk in de war te te brengen. Zij tracht op allerlei wijze datgene wat in het gewone leven den indruk maakt van eene vrije menschelijke handeling te zijn, als onvermijdelijk gevolg van heerschende natuurwetten voor te stellen. Zij stelt zich tot taak, met behulp van eene eenzijdige psychologische analyse, elk begrip van wezenlijke verantwoordelijkheid te vernietigen. Ja zij is zelfs, onaesthetisch genoeg, op den zonderlingen inval gekomen , om op de mate, waarin het zieleleven van de lichamelijke constitutie afhangt; op den invloed, dien de omstandigheden op des menschen geestelijke ontwikkeling oefenen; op de gegevens, welke de statistiek levert; op den factor der herediteit de wetten der aesthetica te willen grondvesten. Meer dan aanstippen is mij uit den aard der zaak niet mogelijk. Daar hebt gij Nietzsche, de incarnatie van den ijzeren wil tot menschheids verhooging. Het phaenomeen „menschquot; moet volgens hem monistisch worden opgevat. Lichaam en ziel zijn geen twee dingen, die gescheiden kunnen worden, niet twee in elkander geschoven dingen; de ziel is slechts eene functie van het lichaam, tot dat lichaam in verhouding staande als de werking tot de oorzaak, daarmee stijgend of vallend, veranderend zoodra in dat lichaam maar de geringste organische of cerebrale verandering plaats grijpt. Het scheppend lichaam schept den geest als eene hand van

-ocr page 18-

12

zijn\' wil. Opvoeding is oefening van bepaalde| psychische organen, en het onontwikkeld laten van de organen, die de eerste tegenwerken. Overerving: het den ouders „nach-bildenquot; van het jonge in de plastiek zijner organen, zoodat deze, als ze op gang komen, weer precies op dezelfde manier fungeeren als bij de ouders. Vader en moeder kunnen er zóó aan toe zijn, dat in hun kind de beide werelden van geerfde driften en neigingen elkander gaan bestrijden, ja vernietigen, of in de vereeniging haar oorspronkelijk karakter bijna geheel en al verliezen. Het kan echter ook gebeuren, dat er een mensch ontstaat, die \'t product blijkt te zijn van de tucht, door \'t voorgeslacht over driften en neigingen uitgeoefend, en in wien de erfdeugden, aan vader en moeder ontleend, elkander ondersteunen, bevruchten, beteugelen. In \'t laatste geval ontstaat het genie, de „Ueber-menschlichkeitquot;; al het goede is spontaan, al het goede is erfenis. En in \'t eerste geval komt men op de lijn van de decadenten, wien het aan supreme krachten ontbreekt, en die dan de prooi worden van de zwakkere krachten, d. i. van de zwakheid zelf, d. i. van het verderf. In dier voege Friedrich Nietzsche, de apocalyptisch-daemonische gigant, die met tragischen waanzin zijne ontzettende ongeloofs-theorieëu als rotsblokken onder de verschrikte kinderen van het tegenwoordig geslacht heeft neergeworpen.

Naast hem dient Zola te worden genoemd. Na in zijn „Madeleine Fératquot; eene stulie over de fataliteit van den overgeerfden aanleg te hebben geleverd, is hij hetzelfde thema uitvoeriger gaan behandelen in den bekenden romancyclus „Les Rougon-Macquartquot;, door hem zeiven aangeduid als de psychologisch-sociale geschiedenis van eene familie onder het tweede keizerrijk. Van de 20 banden, waaruit deze serie zou bestaan is, ik weet niet de hoeveelste, immers dezer dagen verschenen of op \'t punt van te verschijnen. Oplagen van 300,000 exemplaren te gelijk! Oorverdoovend applaus! Een woest gedans rondom „La béte humainequot;! De viezigheid op den troon van de aesthetica! Emile orkestdirecteur van \'t naturalisme! Beantwoord de vraag naar den

-ocr page 19-

13

invloed van de omgeving, beantwoord ook de vraag naar den invloed van liet overgenomen temperament, en op grond daarvan met mathematische nauwkeurigheid aangewezen, dat de mensch, in den vreeselijksten zin, niet leeft maar geleefd wordt.

Eindelijk Ibsen. Reeds in „De medestanders naar de kroonquot; had hij den twijfel aan eigen kunnen geteekend, zooals het in botsing komt met het zelfbewustzijn. Brand, met zijn\' hartstochtelijken reuzenwil voor het absolute, had hij ons voorgesteld als beangstigd door het vraagstuk der overerving, dat zijn ideaal, den vrijen wil, poogde te overwinnen. In de rol van de raadselachtige Gerd had hij, als ter loops, laten zien hoe de kinderen boeten voor de zonden der ouders. Doch in zijn familiedrama\'s werd dit onderwerp opzettelijk aan de orde gesteld. In Rosmersholm, dat men het drama van dezen tijd van overgang heeft genoemd, schetste hij ons den strijd tusschen willen en kunnen, tus-schen vrijheid en fataliteit. En in „Spokenquot; zien wij, hoe op Oswald Alving het atavisme als een noodlot rust en deze jonge man, als een slachtoffer van zijns vaders zonden, bezwijkt op het altaar, opgericht voor den modernen god: de onverbiddelijke natuur. Het leven van vrouw Alving, de moeder, is ééne marteling. Haar man, een gewezen luitenant, lijdt aan eene onoverwinnelijke behoefte aan zinnelijke uitspattingen. Maar, gehoorzaam aan de stem van de conven-tioneele moraal, komt zij terug op het plan om hem te verlaten en maakt allerlei gemeene brasserijen met hem door, en ze moet zorgen dat de ziekte, waardoor dat walgelijk sujet is aangetast, zich niet voortplant; ze houdt bovendien al die onbeschrijfelijke ellende tusschen de vier muren verborgen, zoodat haar huwelijk voor zeer gelukkig doorgaat. Om haar kind aan de pestlucht van die besmette woning te onttrekken, heeft zij hem reeds op zijn zevende jaar naar een pensionaat gezonden, later naar Parijs, waar Oswald schilder is geworden — en nog iets anders. Straks sterft de vader. Vrouw Alving stelt zich voor, dat er nu voor haar en haar zoon nog een gelukkig bestaan zal aanbreken. Maar

-ocr page 20-

14

hoe krijgt ze haar kind terug? Eeue verdorde, levensmoede ziel in een kwijnend lichaam. Evenals zijn vader, lijdt Oswald aan de niatelooze behoefte aan matelooze levensvreugde. Een cynisch dokter in Parijs heeft hem het gruwelijke geheim verklapt; „waarschijnlijk ten gevolge van de uitspattingen van een\' zijner voorvaderenquot;, zoo heeft hij hem verteld, „is hij tot in de beenderen verrot, vermouluquot;. En Oswald weet zelf dat redding tot de onmogelijkheden behoort. Hij vertelt aan zijne moeder hoe krank hij is, hoe zijn ruggemerg geheel wordt uitgevreten, hoe zijne hersens verwecken en hij in een\' staat van geestelijke verdooving en dierlijke razernij vervallen moet. Zij moet hem als moeder dezen laatsten dienst bewijzen: als de eerste kenteekenen van die afschuwelijke ontknooping zich zullen vertoonen, dan moet ze hem de poeiertjes ingeven, die hij lang vooruit klaar heeft laten maken, en die hem van zijne folteringen zullen verlossen.

Wij komen thans tot de vraag naar de houding, die wij als dienaren van het Evangelie hebben aan te nemen tegenover de voorstellingen, welke ik u uit den aard der zaak niet anders dan hoogst, volledig heb kunnen schetsen. Ook het antwoord op de nu gestelde vraag zal, even als wat voorafging, aan al te groote onvolledigheid lijden. Gij wilt er u wel op voorbereid houden. En gij zult mij toch zeker ook niet vruchteloos een beroep laten doen op uwe broederlijke welwillendheid, als ik het waag een paar opmerkingen in het midden te brengen, die misschien tot eenige gedachtenwisseling aanleiding kunnen geven.

En dan wilt gij mij zeker wel veroorloven, dat ik begin met de opwekking om niet te vergeten, dat, afgezien nu van de groote zedelijke gevaren daaraan verbonden, er toch ook stof tot blijdschap gelegen is in het feit, dat het vraagstuk der erfelijkheid in de laatste jaren met zooveel ernst aan de orde is gesteld en bestudeerd. Wij mogen wel zorgen dat de schrik, die door beschouwingen als deze onwillekeurig wordt ingeboezemd, ons niet verleidt tot eene onbillijke beoordeeling, eene onbillijke beoordeeling, waarvan het ongepaste nog zou verhoogd worden door de omstandig-

-ocr page 21-

15

heid dat wij, als theologen, niet kunnen geacht worden in de wetenschappelijke diepte der quaestie te zijn doorgedrongen, en die zeker ook niemand onzer, naar het voorbeeld van zeker laat mij zeggen criminalistisch doctrinarisme, enkel op rekening van zijne lichamelijke constitutie zou willen schrijven. Het is een kenmerk van het Christelijk geloof, dat het evenmin schroomt het goede goed te noemen, als het kwade kwaad. En waarom zouden wij dan aarzelen dit te doen met betrekking tot het verschijnsel, dat thans onze aandacht bezig houdt? Dat het allerlei practisch nut afgeworpen heeft, en nog in ruimer niate afwerpen zal, behoeft, naar het mij voorkomt, geen oogenblik in twijfel getrokken te worden. Als ik mij niet vergis behoeven we zelfs niet zoo heel ver te loopen, om reeds iets van die vrucht onder de oogen te krijgen. Al blijft het geheim van de hersen-architectuur, dat de psychiatrie in hare laboratoria aan de natuur ontwrongen heeft, voor ons leeken-verstand een soort van mirakel, dat wij met ongehuichelde verbazing aanstaren, al kunnen wij ons geen flauw begrip vormen van dat nieuwe zoogenaamde intellectueele orgaan, dat in zoo bijzonder nauw verband met het menschelijk bewustzijn heet te staan, dit verhindert ons niet met dankbare blijdschap te erkennen, dat wij van de op dit gebied met zooveel ijver ondernomen en voortgezette onderzoekingen, zoowel voor de krankzinni-gen-verpleging als voor de ontwikkeling van het strafrecht veel goeds hebben te wachten. Welk een ruime zegen vloeit er niet reeds voort uit de erkenning, dat een kranke van zinnen werkelijk krank is, en er dus aanspraak op heeft niet als een\' misdadiger, maar als een\' kranke behandeld te worden! Men denke aan de folteringen, waardoor niet zelden het lijden van de arme slachtoffers der psychose jammerlijk werd verhoogd. Men herinnere zich b. v. de wijze, waarop Luther zich uitsprak omtrent een twaalfjarig idioten-kind in Dessau, dat zeer onaangename eigenschappen bezat, en dat men van den duivel bezeten waande. Men moest den stakker, zoo klonk des hervormers advies, doodeenvoudig in het water gooien, „denn solche Wechselbalge sind nur

-ocr page 22-

16

ein Stück Fleisch, eine massa carnis, da keine Seele innen ist, und der Teufel ist darin als ihre Seelequot;. Voor dergelijke meedoogenlooze beschouwingen zal er, dank zij mede de beoefening der psychiatrische wetenschap, geene plaats meer kunnen overblijven. Zij leert de grenslijn bepalen tus-schen hen, die werkelijk krankzinnig zijn en hen, die gevaar loopen van ten onrechte als zoodanig te worden beschouwd en bejegend. Zij heeft een\' dam opgeworpen tegen die eenzijdig spiritualistische richting, die den oorsprong van deze krankheid schier uitsluitend in geestelijke en moreele afwijkingen meende te kunnen vinden. Zij neemt den lijder in bescherming tegen onheusche behandeling. Zij zint op middelen om de ellende van het kranke individu te verlichten, door bestrijding van de physische oorzaken, die daaraan ten grondslag liggen. En ook den strafrechter weet zij uitnemende diensten te bewijzen. Er zijn inderdaad gevallen, waarin het gepleegde misdrijf voor een goed deel het gevolg is van aanleg en constitutie en hereditairen invloed; aan haar de taak om deze gevallen aan te wijzen, den omvang van diergelijke invloeden te bepalen, en zoo den rechter het materieel te leveren, dat tot het verkrijgen van eene billijke beoordeeüng kan medewerken. Ten opzichte van het vraagstuk der recidive heeft zij een ernstig woord in het midden te brengen. Voor den eisch om hen, die in gevangenissen en verbeteringsgestichten worden opgenomen, niet allen zoo maar over één kam te scheren, maar\' de verpleegden meer te specialiseeren en naar den graad en de oorzaak van hunne degeneratie te behandelen, voor dien eisch heeft zij een krachtig pleidooi te voeren. Ik behoef niet meer te noemen. Reeds genoeg om het uitspreken van onze warme ingenomenheid met het opleven van de psychiatrische sxudiën te rechtvaardigen. Men heeft wel eens het verlangen naar eene bepaald „christelijkequot; psychiatrie uitgesproken. De wijze, waarop dit epitheton niet zelden wordt misbruikt, doet ons echter aarzelen ons bij dezen wensch aan te sluiten. En wij kunnen ons trouwens troosten met de gedachte, dat al wat wezenlijk goed is den naam vaa Christelijk, ten

-ocr page 23-

17

minste niet dien van onchristelijk of anti-christelijk verdient te dragen.

Laat ons, geachte Br., ook niet verzuimen voor onzen pastoralen arbeid gebruik te maken van het licht, door pas bedoelde studiën ontstoken. Als dienaren der gemeente komen wij telkens in aanraking met gemoedsbezwaarden, die volkomen machteloos schijnen te staan tegenover den geheimzinnigen invloed, waardoor hun levensgeluk wordt ondermijnd; met melancholici, voor den troost van het Evangelie ten eenenmale onvatbaar; met bedorven naturen, aan wier zedelijke verbetering wij onwillekeurig gaan wanhopen. En nu worden wij, dunkt mij, door wat ons nu en dan van de ontdekkingen der psychiaters ter oore komt, toch wel opgewekt om met meer ernst dan tot nu toe de vraag te stellen, of wij in dergelijke gevallen niet allereerst met afwijkingen van somatischen aard te doen hebben. Ook wij moeten, met betrekking tot de ons opgedragen zielzorg, evengoed als de medici, leeren individualiseeren. Ook wij hebben bij de beoordeeling van de karakters onzer gemeenteleden rekening te houden met den stamboom van de familie, waartoe zij behooren, en bij het onderzoek naar hun\' geestelijken toestand met de mogelijke nawerking van erfelijke anomaliën, misschien veel, veel meer aanwezig dan wij kunnen nagaan. En wij moeten niet meenen, dat de slachtoöers van dwangvoorstellingen en hallucinaties louter door religieuze invloeden zijn te genezen. „Medicus optimus dignus est gehennaquot;, zoo moet er ergens in het een of ander tractaat van de Mischna te lezen staan. En nu vergeet ik niet, dat de houding, welke de artsen tegenover ons aannemen, soms van dien aard is, dat zij maar bitter weinig van eene be-leediging verschilt; dat geneesheeren, zooals Goethe er ons in zijn „Wilhelm Meisterquot; een teekent, een man wien het tot een hartstocht is geworden dorpspastoriën te bezoeken, tot de zeldzaamheden gaan behooren; dat de oorzaak van deze gelukkig nog niet algemeene wanverhouding ook voor een deel hierin ligt, dat dikwerf in de personen van geneesheer en Evangelieprediker twee wereldbeschouwingen, die

2

-ocr page 24-

18

van het natuur-wetenschappelijk denken en die van eene godsdienstig-zedelijke levensopvatting vierkant tegenover elkander komen te staan. Maar dit mag ons toch niet verleiden om den arts van het ziekbed te willen verdringen (denkt aan den in Duitschland ontstanen strijd over de vraag: of bij de krankzinnigen-verpleging de voorrang aan de kerk dan wel aan de wetenschap toekomt, een strijd, die, als ik mij niet bedrieg, voor een goed deel op misverstand berust) of met minachting neer te zien op de anthropologische inlichtingen, welke ons van dien kant worden aangeboden, en die ons in onzen pastoralen arbeid — voor een deel ook een soort van kliniek — uitnemende diensten kunnen bewijzen. Een weinig meer practische zin kan zeker geen kwaad. Kingsley gaat een\' van zijne zieken bezoeken met eene centerboor in de hand, ten einde daarmede in den houten wand van \'t bedompte vertrekje een flink gat te boren en zoo den patient allereerst wat frissche lucht te bezorgen. Geene miskenning van het geestelijk karakter onzer bediening! Dilettantisme evenmin! Maar zonder ons in allerlei finesses te verdiepen, en ons over de beteekenis van de genetische en de statistische en de mathematische en de ex-perimenteele en wie weet wat voor methoden in de psychologie een oordeel aan te matigen, zou een weinig zielkunde ons in onzen pastoralen omgang toch wel goede diensten kunnen bewijzen. Luthardt heeft in zijn werkje: „Zur Einführung in das Akademische Leben und Studium des Theologenquot; er bij de studenten ernstig op aangedrongen, om de gelegenheid tot het bijwonen van lessen in de psychologie toch vooral niet te verwaarloozen. Prof. Winkler heeft er in zijne oratie met nadruk op gewezen, dat onze pastorale arbeid, dien wij als practische psychologen hebben te verrichten, door een weinig psychiatrisch weten niet zal worden geschaad. Het komt mij voor, dat wij niet wijs zouden doen, met op deze wenken geen acht te geven.

Ik moet thans wijzen op het gevaar, dat er ligt in de beschouwingen, daareven vermeld. Dat gevaar is alles behalve denkbeeldig te achten. Al gaat, gelijk gewoonlijk.

-ocr page 25-

19

ook in dit opzicht de practijk aan de theorie vooraf, het behoeft geen betoog dat voorstellingen, volgens welke de mensch eenvoudig het product zou zijn van omstandigheden en erfelijke invloeden, op het levendig houden van het gevoel van persoonlijke verantwoordelijkheid allernadeeligst moeten werken. Lign bij u de drijfveer tot handelen louter in stoffelijke verandering, is die verandering op hare beurt streng gedetermineerd, dan kan men u voor die handeling zelve natuurlijk niet langer in ernst aansprakelijk stellen. Is misdaad enkel de openbaring eener functioneele stoornis, die haar uitgangspunt heeft in den toestand van het organisme, dan volgt daaruit van zelf, dat wij die misdaad eenvoudig hebben te beschouwen als eenen zekeren onaangenamen maar volstrekt noodzakelijken vorm van het leven, de doornen, die wij bij de rozen op den koop toe moeten nemen. Maakt de wetenschap uit dat ik, zwoegende onder den vloek van hereditaire anomalie en onder de noodlottige afwijkingen, die in de samenstelling mijner hersens voorkomen, onmogelijk anders zijn kan dan ik ben, evenals het, om met Taine te spreken, onmogelijk is, dat uit een\' ajuin op een\' goeden dag eene hyacint te voorschijn komt, dan blijft er slechts dit voor mij over, dat ik mij aan die noodzakelijkheid als aan een onverbiddelijk fatum zoo gedwee mogelijk onderwerp, en mij voorts zie te troosten met de trooste-looze gedachte, dat de wanhoop, die uit dat onvruchtbaar streven naar berusting voortvloeit, even streng gedetermineerd is als dat streven zelf. Ook een soort van decretum horribile! En dat men niet schroomt dergelijke conclusies te trekken, behoef ik U, M. H., niet te herinneren. Het begint onder de kindereu van dezen tijd al haast gewoonte te worden zedelijken onwil met een beroep op zedelijke onmacht, en deze weer met een beroep op physieke onmacht te verontschuldigeu. De mensch eene automatisch werkende machine! Deugd een product, even als suiker en vitriool! De menschelijke persoonlijkheid een uurwerk, dat opgetrokken wordt eu dat zegt: „tik takquot;, terwijl dan anderen er bij komen eu zeggen: dat tik-tak is de vrijheid. Hei schuld-

2*

-ocr page 26-

20

gevoel, ik gebruik woorden van Nietzsche, niet meer dan een stuk dierpsychologie, dat kan voortkomen uit eene ziekte van den nervus sympathicus, of uit eene overmatige galafscheiding, of uit gebrek van het bloed aan zwavel- en

phosphorzure kali of uit onderlijfskwalen..... Gij vergunt

mij over dit droevig spel der gewetenloosheid niet verder uit te weiden. Zeker heb ik uwerzijds geene tegenspraak te wachten, als ik verklaar, dat wij op den ernst van het gevaar, dat ons in deze beschouwingen bedreigt, niet zorgvuldig genoeg bedacht kunnen zijn. De Berlijnsche krankzinnigen-arts Prof. Mendel heeft onlangs in het openbaar nerveuze menschen zeer dringend gewaarschuwd tegen het aanschouwen van tooneelstukken, zooals die van Ibsen, welke te diep in zekere medische vraagstukken indringen, en op hypochondrische of prikkelbare naturen zeer nadeelig kunnen werken. Maar wie zal zeggen hoe vele vele zielen, onder den invloed van literatuur als deze, heimelijk het slachtoffer van lichtzinnigheid en dus het slachtoffer van wanhoop zijn geworden? Wij behoeven het ous bovendien niet te ontveinzen: met de realiteit van het schuldgevoel staat en valt de realiteit van den Christus, en dus de realiteit van het Christendom. Nietzsche leert, dat door het nederdalen van den God der Christenen, als van den maximaal god ook het maximum van het in zijne oogen zoo verfoeilijke schuldgevoel is te voorschijn geroepen, en dat atheïsme en onschuld bij elkander behooren. Wij aanvaarden die tegenstelling. Met godloochening staat de loochening van het schuldgevoel in het allernauwste verband. Is het schuldbesef weg, dan is het Christendom ook weg.

Voorshands behoeven wij ons nog niet bezorgd te maken. Ik mag u toch wel even doen opmerken, dat de wetenschappelijke vastheid van de praemissen, die tot de straks genoemde ergerlijke gevolgtrekkingen leiden, evenals de logische juistheid van die gevolgtrekkingen zelve, nog al iets te wenschen overlaten. Natuurlijk komt geen oogenblik de gedachte bij mij op, om met de beoefenaren der psychiatrie in discussie te treden over dingen, waarvan ik niet weet.

-ocr page 27-

21

Maar dat wij ons niet al te zeer behoeven te haasten met het bouwen van zedelijke slotsommen op de door hen ver-kregene resultaten, blijkt toch ongetwijfeld uit de betrekkelijke ongewisheid, die nog op dit terrein heerscht. De omvang van de terra incognita is nog groot genoeg, om ons desnoods daarop terug te kunnen trekken. De heeren staan nog pas aan \'t begin van den weg. Niemand weet waarheen de weg leidt. En laten we ons dus niet al te veel angst laten aanjagen door het vooruitzicht, dat hij wel eens op vernietiging van ons allerheiligst geloof zou kunnen uitloopcn. Wilt gij een bijna vermakelijk staaltje van de manier, waarop het ook hier geldt: „wat ons de wijzen als waarheid verkonden, straks

komt een wijzer, die \'t wegredeneertquot;.....let dan eens op

de eenstemmigheid, waarmede Lombroso, dien heros op het terrein der crimineele anthropologic, wordt toegeroepen: „der Mohr hat seine Schuldigkeit gethan, der Mohr kann gehen!quot; Zijn misdadigers-type is gevallen, verklaart Prof. Winkler; men zou haast den lust niet kunnen weerstaan om te vragen, of het dan wel ooit goed had gestaan. „De manquot;, zoo klinkt het uit den mond van een? anderen deskundige, „de man, die de baan brak en de reclame maakte voor de zaak, is al lang overtroffen, en zal spoedig verouderd. vergeten zijn, even als de curieuse stellingen van Gall met zijn „muziek-knobbelquot; en „la botte de l\'espritquot;. Lombroso is een wetenschappelijk kwakzalver, zoo moet het van de lippen van een\' vaderlandschen hooggeleerde geklonken hebben. Lombroso\'s opvatting van de verwantschap van het genie met den waanzin heet bij een ander kortweg: eene „Scbwindel- und fin de siècle-theoriequot;. En nog dezer dagen verklaarde de rector-magnificus der Utrechtsche hoogeschool in eene rede, bij de viering van haar 358-jarig bestaan, over het strafrecht gehouden (althans volgens het verslag van :lie rede in de Nieuwe Rotterdamsche Courant): „zijne rechtsgeleerde kennis is nul; zijne opvatting van den misdadiger fictief; zijne conclusiën zijn onbetrouwbaar en meestal niet gerechtvaardigdquot;. De man kan het er voorloopig mee doen. En aan beschouwingen als deze mogen wij toch voorloopig wel het recht ontleenen,

-ocr page 28-

22

om, in de schaduw van de autoriteit van coryphaeën, die zich aldus durven uitlaten, nog niet alles wat door psychiatrie en anthropologic ter markt wordt gebracht, voor goede munt aan te nemen. Bovendien ligt, gelijk ik reeds aanstipte, nog zooveel in het duister. Het menschelijk bewustzijn — de heeren aarzelen trouwens niet het te erkennen — is tot nu toe een mysterie gebleven, en zal, huns erachtens, ook wel altijd een mysterie blijven. De vraag naar de wijze waarop het centrale zenuwstelsel op dat bewustzijn werkt, heeft nog geen voldoend antwoord gevonden. Het is der psychiatrie nog niet gelukt eene behoorlijke definitie te geven van het begrip krankzinnigheid, voortdurend door haar gebruikt. Men stuit telkens op feiten, die twijfel wekken aan de juistheid der gestelde hypothesen; terwijl b. v. volgens Lombroso het ontbreken van den baardgroei als een teeken van eerlijkheid mag gelden, verklaart Prof. Thiry, op grond van een onderzoek door hem in de gevangenissen ingesteld, dat juist de gauwdieven met het cultiveeren van dat sieraad des mans gewoonlijk bijzonder veel moeite hebben. En nu moge men er nog zoo ten volle gerust op zijn, dat uit al die nevelen het heldere licht der waarheid eenmaal zeker zal rijzen, op zich zelf is het toch niet onmogelijk, dat die zonsopgang ad calendas Graecas op zich laat wachten, en tot zoolang kan men het toch ook van ons billijkerwijze niet vergen, dat wij als uitgemaakt aanvaarden, wat nog bij lange na niet uitgemaakt is.

Maar de resultaten, die er dan wel zijn .... \'t is er toch verre van daan, dat zij ons nopen onze overtuigingen op het punt van toerekenbaarheid en strafwaardigheid prijs te geven. In een enkel opzicht komen zij integendeel die overtuigingen meer dan zijdelings bevestigen. Ik heb natuurlijk het oog op het „in zonde ontvangen en geborenquot;, dat de gemeente met diepe schaamte belijdt, en dat, onder den indruk van wat de nieuwste onderzoekingen omtrent de ontzettende macht der erfelijkheid, ook op de ziel des menschen, aan het licht hebben gebracht, wel met verhoogden ernst mag worden herhaald. Wanneer wij door iemand als Ludwig

-ocr page 29-

23

Büchner gewezen worden op de analogie tusschen de kerkelijke leer der erfzonde, en hetgeen een van de donkerste kapittels uit de geschiedenis der menschheid omtrent den overgang van allerlei lichamelijke en geestelijke afwijkingen van het eene geslacht op \'t andere leert, dan moge ons het „timeo Danaosquot; onwillekeurig van de lippen glijden, het verschijnsel is toch te merkwaardig om er niet, zij het dan ook met zekere huivering, acte van te nemen. De Pelagi-aansche voorstelling: „omne malum non nobiscum oritur, sed agitur a nobisquot;, wordt inderdaad door de waarneming der psychiaters op nieuw in hare schromelijke oppervlakkigheid ten toon gesteld. En met het oog op wat van die zijde wetenschappelijk wordt vastgesteld omtrent de kiemen van degeneratie, die wij allen in meerdere of mindere mate bij onze geboorte mee brengen, gaat het toch niet aan op Ritschl\'eaansche manier aan een simpel van meet af „hinein-gestelltquot; zijn in zekeren samenhang met het booze, als verklaring van onzen zondigen toestand, boven het „geneigd tot alle kwaadquot; van onzen ouden Heidelberger de voorkeur te geven. Alleenlijk, wij wenschen dit niet slechts op den delinquente nato als een afzonderlijk type, maar op ieder individu zonder onderscheid toe te passen. Uit de erkenning van gradueel verschil volgt niet, dat niet aller bestaan in zekere mate van nature abnormaal en disharmonieus wezen zou door de zonde. En er is immers niemand onder ons, die weigert het Gods Barmhartigheid alleen dank te weten, wanneer wij in iets minder vreeselijken zin dan sommigen onzer natuurgenooten, het slachtoffer der algemeene degeneratie zyn geworden.

Waar blijft dan onze verantwoordelijkheid? Mijne Heeren, het is niet allereerst de vraag waar zij blijft, maar of ze blijft. En mij aangaande, ik aarzel niet op deze vraag een beslist bevestigend antwoord te geven. In de reeds genoemde oratie van Prof. Pols is, nog slechts een paar weken geleden, met nadruk betoogd, dat er wel ter dege zedelijke aansprakelijkheid blijft bestaan, dat de wil eene keuze doet, en dat op het feit der keuze de toerekenbaarheid der han-

-ocr page 30-

24

deling rust, een pleidooi, dat toch niet enkel door de beoefenaren van het strafrecht maar ook door ons, theologen en Evangeliedienaren, met blijdschap mag worden begroet. De keuze van eene handeling of van eene voorstellings-associatie moge gebonden zijn aan den oogenblikkelijken bouw van het zenuwstelsel, hiermede is niet bewezen, dat wij die keuze louter als het noodzakelijk product van dat stelsel zouden hebben te beschouwen. De stoffelijke verandering, die de drijfveer tot handelen uitmaakt, moge nog zoo streng gedetermineerd wezen, hieruit volgt niet, dat de veranderde bewustheidstoestand , welke met die stoffelijke wijziging gepaard gaat, van allen invloed op die determinatie zou zijn uitgesloten. Prof. Winkler verklaart uitdrukkelijk, dat de psychiater in physiologischen zin geene toerekenbaarheid kent. Ik begrijp niet recht wat met die uitdrukking: „ia physiologischen zinquot; is bedoeld. Ik wil toestemmen, dat de leer van het geheel der verschijnselen, die de organismen kenmerken, alle recht heeft de quaestie der toerekenbaarheid geheel en al buiten beschouwing te laten. Maar ik beweer, dat, al moge, gelijk de Hoogleeraar op die verklaring laat volgen, de persoon door den psychiater zoomin voor zijne organisatie, als voor de omstandigheden, waarin hij kwam, toerekenbaar geacht worden, die persoon toch wel ter dege verantwoordelijk blijft voor wat hij met deze gegevens doet, voor de houding, die hij tegenover zijne organisatie aanneemt, en voor de wijze, waarop hij zich met betrekking tot die omstandigheden gedraagt. Zedelijk verantwoordelijk, wel te verstaan. Het begrip van sociale verantwoordelijkheid, op grond waarvan de maatschappij gerechtigd, zou zijn ieder individu rekenschap te vragen van de door hem verrichte daden, zonder eenigszins met zijne zedelijke schuld te rekenen, schijnt mij niet veel meer dan eene poging te zijn om voor het strafrecht eene basis te construeeren, die voor ons bekrompen leekenverstand metterdaad toch wel wat op rechtsverkrachting gelijkt. Is iemand persoonlijk niet verantwoordelijk , dan houdt hij tevens op ook in gezonden zin sociaal verantwoordelijk te zijn. En juist om die persoon-

-ocr page 31-

25

lijke verantwoordelijkheid van den mensch als zedelijk wezen is het ons te doen. In sommige gevallen, het zij onbewimpeld erkend, valt zij ten eenenmale weg. Er zijn omstandigheden, waarin de menschelijke wil door invloeden, geheel van hem onafhankelijk, gebogen, ja ganschelijk vernietigd wordt. Ik denk aan psycho-pathische toestanden, waarin fouten en gebreken, hartstochten en misdrijven klaarblijkelijk als ziekteverschijnselen openbaar worden. Ik denk b. v. aan eene figuur als die van Guiteau, den moordenaar van Garfield , ons door Lombroso geteekend, als een overspannen slachtoffer van de dwangvoorstelling, dat God hem geroepen heeft om den President te dooden, even bepaald als Hij Abraham had opgedragen zijn\' zoon ten offer te brengen. Maar, afgezien nu nog van de mogelijkheid, dat er zelfs bij zulke ongelukkigen een minimum van vriie wils-bepaling is overgebleven, dat de psychiaters hebben op te sporen, blijven dergelijke gevallen van absolute gebondenheid , welke gebondenheid trouwens de vrucht van eigen zonde wezen kan, tot de uitzonderingen behooren. Zelfs volgens de anders op dit punt nog al strenge kerkleer, heeft de gevallen mensch nog het vermogen overgehouden om zeker soort van gerechtigheid te betrachten, en de kleine overblijfselen der uitnemende gaven, welke hij van God ontvangen had, zijn genoegzaam om hem alle onschuld, groot genoeg om hem alle ongehoudenheid tot verantwoording te ontnemen. Niet zelden zou het eenvoudig bespottelijk worden dit voorbij te zien. Büchner verhaalt van een braaf dienstmeisje, dat zoo praatziek was, dat, wanneer het geene luisterende ooren van menschen kon vinden, met dieren, met levenlooze voorwerpen, of anders met zich zelf ging keuvelen. Zij werd wegens dit gebrek uit haren dienst gejaagd, en riep met tranen in de oogen; „ach, ik kan er niets tegen doen; mijn vader praat en mijne moeder praat, en mijn oom praat en mijne tante praat en mijne heele familie praatquot;, \'t Is heusch om met het schepseltje medelijden te krijgen. En \'t is tevens jammer, dat zij geen gelegenheid gehad heeft om zich aan te melden bij den een\' of anderen

-ocr page 32-

26

psychiater, die zich streng stoffelijk gedetermineerd achtte haar in dienst te nemen, en even streng stoffelijk gedetermineerd om dat oorverdoovend hereditair gebabbel met gelatenheid aan te hooren. Uit Parijs kwam dezer dagen het bericht, dat zekere mijnheer Jules Lévy zich op 48-jarigen leeftijd door een pistoolschot van het leven had beroofd. Hij was bekend als een der grootste pretmakers, het erkende hoofd en de ziel van de „Incoherentsquot;, — op \'t woord afgaande zou men vermoeden: eene club, die het toelegt op \'t verbreken van samenhang. Ondanks zijne goede wetenschappelijke positie pleegde hij zelfmoord, omdat hij, zooals hij in een nagelaten schrijven verklaarde, leed aan ongeneeslijke verveling. Nu kunnen wij ons toch kwalijk diets laten maken, dat deze mijnheer Lévy onmogelijk in staat is geweest wat meer cohaerentie in zijn leven te brengen, zijn\' lust tot pretmakerij te beteugelen, en, in plaats van langs de boulevards te slenteren, te gaan werken en zoo aan den vloek der verveling te ontkomen. Waar moet het op die wijze heen? Men beschouwt het leven als een soort van dobbelspel, in plaats van als een daad. Men existeert er op los. Men weigert zich flink aan te pakken, en kloek op te trekken tegen dat heirleger van schadelijke invloeden, waardoor een mensch in deze wereld van binnen en van buiten wordt bedreigd. „Ich binquot;, zoo laat men in sommige kringen wel eens een\' kleinen dikzak van een\' jongen spreken:

Ich bin ein kleiner Pumpernickel,

Ich bin ein kleiner Bar;

Und wie mich Gott geschaffen hat,

So bumm\'le Ich daher.

Ik durf beweren dat er volwassen menschen in legio zijn, wier levensinrichting er deze variatie op maakt:

Ich bin ein groszer Pumpernickel,

Ich bin ein groszer Bar;

Und wie \'s der Laune nur gefallt,

So bumm\'le Ich daher.

-ocr page 33-

27

Juist in dat planlooze en willooze bumm\'len, in dat gemis aan zelfbeheerscbing, in dat zich op sleeptouw laten nemen door lusten en omstandigheden ligt bij de meesten de eigenlijke kiem der ellende. En wie niet wil, maakt natuurlijk ten slotte dat hij niet meer kan. Tegen de methode om dat noodlottige niet meer kunnen op rekening van de constitutie, of op rekening van het voorgeslacht, of desnoods op rekening van den goeden God te schrijven, daartegen blijft echter het geweten krachtig en ondubbelzinnig protesteeren. Ik ontken niet, dat de verantwoordelijkheid van de gelukkig geconstitueerde menschen niet heel wat grooter wezen zou, dan die van hen, welke men „furchtbar belastquot; pleegt te noemen. Er zit een alwetend en rechtvaardig Rechter op den troon van het heelal. God zal niet maaien, waar Hij niet gezaaid heeft. Maar dit beweer ik, ook met een beroep op uwe eigene ervaring, dat, exeptis exipiendis, de mensch zich er van bewust kan worden, dat het slechte, door hem verricht, niet slechts „lotquot; is, maar ook, maar allereerst „daadquot;. In hoeverre lot, en in hoeverre daad, dat doet hier niet ter zake. Malum oritur et agitur. De grens tusschen het „oriturquot; en het „agiturquot; moge niet duidelijk kunnen worden aangewezen, hieruit volgt niet dat zij niet bestaat, evenals rondom een\' brandenden fakkel des avonds in het open veld niemand eene lijn trekken kan zeggende: hier eindigt het licht, en hier begint de duisternis, en toch ook niemand in het hoofd krijgen zal, het onderscheid tusschen licht en donker in den omtrek te loochenen. Wij hebben hier te doen met het moeilijk probleem, door \'t menschelijk schuldbewustzijn gesteld: hoe namelijk de werkingen van invloeden, van ons onafhankelijk, met de werkingen van onz\' eigen wil zijn samengeweven. Doch het geweten behoeft niet op de oplossing van dit probleem te wachten, om te zeggen: „gij liegtquot;, wanneer het gezond verstand de menschen wil vleien met den troost, dat zij de zonde krijgen op dezelfde manier waarop ze de tering of de pokken krijgen. Het laat zich niet weg-anatomiseeren, Het laat zich niet wegredeneeren. De meest krasse voor-

-ocr page 34-

28

stellingen van \'s menschen volstrekte onmacht onder den invloed van het „peccatum hereditariumquot; hebben het niet kunnen vernietigen. De meest logische gevolgtrekkingen, uit de meest gewisse waarnemingen der psychiatrie afgeleid, zullen het evenmin vermogen. Duizendmaal gedood, staat het duizendmaal weer op uit zijn graf, zeggende: zie, of ik leef! Het is geen product van abstract nadenken over anthropologische waarnemingen, aan de wezenlijkheid waarvan men naar welgevallen kan twijfelen. Het is eenvoudig eene realiteit, laat het zijn eene onwetenschappelijke, maar toch eene realiteit. Als het hier, uit het labyrinth der borst, weg kon raken, dan was het al lang weg geweest. En wanneer het zich in zijne volle kracht laat gelden, dan kunnen wij niet nalaten te lachen met de profetie, dat het binnen niet al te langen tijd spoorloos zal verdwijnen; dan zouden wij er desnoods toe kunnen komen om tegenover hen, die het in naam der wetenschap het zwijgen willen opleggen , te handelen met de schoone vermetelheid, waarmede de inwoners van zeker dorp in Hongarije, onlangs, toen zij bij gelegenheid van de aankomst van Kossuth\'s lijk de klokken waren beginnen te luiden, hun\' bisschop, die per telegram dit eerbetoon aan den protestantschen patriot had verboden, spottende met zijne autoriteit, terug telegrafeerden: „bemoei u met uw eigen zakenquot;.

Is er dus geene reden om het geweten op het altaar van de eene of andere theorie ten offer te brengen — eene ceremonie, die ons toch niet zou baten, omdat het offer toch niet zou worden verteerd — wij hebben wel reden om, met het oog op wat de studie der erfelijkheid aan het licht brengt, vernieuwden nadruk te leggen, zoowel op de solidariteit der zonde, als op het verderfelijk karakter; dat zij openbaart. Ibsen en Zola laten het zien aan ieder, die zien wil; de zonde is geene negatie, geene fictie, geen sporadisch verschijnsel, geene onschuldige phase in den ontwikkelingsgang van ons geslacht, geen fantastisch spooksel in het brein van rechtzinnige theologen, maar eene vreeselijke, vreeselijke, vreeselijke macht, die heel den mensch en de

-ocr page 35-

29

menschbeid ten verderve dreigt te voeren. Als wij dat zeggen, gelooft men ons niet. Misschien kunnen die andere predikers meer indruk maken. Ons past het in elk geval de nieuwe klaarheid, die er door de onderzoekingen van den laatsten tijd op deze waarheid valt, niet onopgemerkt te laten. Wij mogen ook daaraan het recht ontleenen tot het verwerpen van die atomistische beschouwing, die aan den samenhang van bet individu met de gemeenschap, en dus aan de verantwoordelijkheid van dat individu tegenover de gemeenschap, geen recht laat wedervaren, en vergeet dat iedereen aan het groote defect, dat de ontwikkeling der menschbeid te aanschouwen geeft, eveneens zijn deel toebrengt, als hij er zijn deel van ontvangt. „Ik hoop u te kunnen aantoonen, dat de misdadiger niet is als een monstrum , midden in de hem vreemde maatschappij, geïsoleerd, als een met electriciteit geladen voorwerp op een glazen tafel, maar ik hoop u te bewijzen, dat alle motieven die hem tot handelen voeren, da. alles wat hij gevoelt en denkt, in meerdere of mindere mate hetzelfde is als wat ons allen drijft.quot; Aldus Jelgersma in zijn aangehaalde redevoering. Ik zou er willen bijvoegen; dat wij dus in meerdere of mindere mate deel hebben aan het verkeerde, dat in des misdadigers handelwijze tot openbaring komt. Dat heeft de gereformeerde gemeente te Londen reeds in de hervormingseeuw begrepen, toen zij besloot om, als eene ongehuwde vrouw een onecht kind ten doop bracht, het der gemeente duidelijk aan te zeggen, dat in deze zonde aller zonde uitkwam, en dat aan haar misdrijf dus allen schuldig stonden. En dat besef van solidariteit mag ook onder ons wel wat aangewakkerd worden. Bovendien blijkt uit de kennis der erfelijke invloeden zoo ontzettend duidelijk, dat elke zonde een „Verbrechenquot; is, een breken, een helpen breken van de harmonie der zedelijke wereld, van onberekenbare schade zoowel voor de anderen als voor ons zeiven. Onze daden zijn zaden. Elke zonde brengt haren vloek meê, ook al wordt zij vergeven. En terwijl niemand sterft zonder de consequentie van zijn leven mede

-ocr page 36-

30

te nemen naar de eeuwigheid, is het onmogelijk te leven, zonder dat dit leven hier eene nawerking achterlaat, ten zegen of ten vloek.

En laat mij U, M. B., ten slotte dan nog mogen herinneren, hoe de nieuwste beschouwingen over erfelijkheid en toerekenbaarheid, waarover wij samen nadachten, ons een krachtig pleidooi voor de noodzakelijkheid der verlossing leveren. Met verbetering komen wij er niet. Met beschaving komen wij er niet. Met wetenschap komen wij er niet. Met godsdienst komen wij er niet. Met spanning van eigen wilskracht komen wij er niet. Alle deze dingen vermogen ons niet op te heffen uit den toestand, waarin wij ons van nature bevinden, niet vrij te maken van de „dira necessitas non posse non peccandiquot;. En het overblijfsel van vrijheid, waarop ik reeds wees, en dat wij met hand en tand blijven vasthouden, is in zich zelf toch niet krachtig genoeg, om ons met behulp daarvan aan den vloek des verderfs te kunnen ontworstelen. Daarom is er verlossing noodig. Het wordt ook eiken dag duidelijker, dat humaniteit zonder diviniteit eindigt met in bestialiteit te verzinken. Wij behoeven geen pessimist te zijn om te kunnen begrijpen, hoe een optimist als Goethe kon klagen: „als iemand goed in de ellende der wereld in komt, krijgt hij \'t gevoel, alsof zij rijpt voor den jongsten dag; want het is niet genoeg dat wij onder de zonden onzer vaderen lijden, maar wij leveren ook deze geërfde gebreken, met onze eigene vermeerderd , aan \'t nageslacht overquot;. En gij moet maar eens lezen hoe Prof. Winkler, in zijne telkens genoemde rede, over de onrustbarende toeneming van de degeneratie van ons geslacht spreekt, om u den lust tot het meezingen van dat zoete liedeken van den vooruitgang te voelen ontzinkeu. Nog eens , er is verlossing noodig. De wereld gaat in werkelijkheid te gronde, als er geene hoogere kracht over haar komt, in staat om haar terug te houden en op te heffen. „Wer sollte wohlquot; — zoo kunt gij von Baader, den bliksem-philosoof, hooren spreken, wiens woorden ik u onvertaald teruggeef, opdat gij er de volle schoonheid van kunt ge-

-ocr page 37-

31

nieten, „wer sollte wohl auf jenem Strome der Zeit dem Strome selbst dadurch entgegen arbeiten, sein Schifflein zurückhalten wollen, dasz er sein Seil versuchte an die Wellen zu knüpfen oder an irgend ein anderes Schifflein, welches nicht weniger von dem Strome fortgerissen würde? (Luk. 6 : 39). An irgend einen festen Punkt auszer dem Strome wird er jeues Seil zu knüpfen suchen müssen! — „Gieb mir den Punkt!quot; — 1st nicht all unser Ringen und Streben ein Aehnliches: Gieb mir den Punkt? — Wir suchen ein Mittel, das uns aus dieser niedern Wassersphare der Sinnlichkeit und aus dem eiteln Dienste der Kreatur in die höhere, freie Lichtregion emporzöge oder an dem wir uns hinaufarbeiten mochten. Wir suchen ein Mittel, — kein physiches, mechanisch wirkendes Mittel, indem wir ja mit und an ihm eben aus der physischen, mechanischen Region uns erheben sollen, Ueberwindung des physischen Fatalismus suchen — also einen Mittler: ein denkendes, wollendes, freithatiges und allmachtiges Mittel!quot;

God lof! het middel is er; de Middelaar is er; en dat is de inhoud van de oude en altijd nieuwe boodschap, die wij aan de in schier elk opzicht verzwakte kinderen dezes tijds met verhoogden ernst hebben te brengen. Onze veel-geprezene energie loopt ten slotte op bittere teleurstelling uit, maar — Qsoc sttu o syspyüv sv Iiijav kx) to öéhsiv kx) to èvepysïv ünsp rijg suloxixq. Er is in deze arme wereld eene kracht, die niet van de wereld is, eene kracht Gods, de reëelste van alle kracht, de kracht Gods tot behoudenis voor een iegelijk die gelooft. O, laat ons die boodschap uitroepen met nieuwe geestdrift! Het komt er nu voor het Christendom op aan zijne groote, zijne misschien beslissende „Kraftprobequot; te leveren. Kan het dat niet, dan moge het breken! Dan zal het breken ook. En dan breekt de wereld meteen. Doch nietwaar? wij vreezen deze katastrophe niet. Wij willen arbeiden als menschen, die in den wijngaard „uitgestootenquot; zijn, en zich, in meer dan een\' zin, uitgestootenen gevoelen. Wij willen toonen dat hij, dien de Zoon vrijmaakt, vrij is, zedelijk vrij, innerlijk vrij ook

-ocr page 38-

32

van den vloek der herediteit. En, met de hand op het Evangelie der genade Gods, staan wij ongeschokt in het geloof dat het laatste woord der wereldgeschiedenis niet „degeneratiequot; maar „regeneratiequot; zal zijn.

-ocr page 39-