-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-

VACCINE - VEREERING!

MET EEN BRIEF

vax

/Jr, /f?l JTjiï

Jhr. Mr. A. F. DE SAVORNIN LOHiAN.

litiicijercit floor den Anti-A\'drchtcdimiiyhond.

\'s gr.vveniiage , C. 15 LOM ME XI) AAL. 1892.

-ocr page 4-
-ocr page 5-

VACCINE-VEREERING!

MET EEN BRIEF

VAX

Jhr, Mr. A. F. DE SAVORNIN LOHMAN.

TJityeyeveti door den Aiiti- Vaccinedwanyhoiid.

-ocr page 6-
-ocr page 7-

Mijne Heeren!

De Heer uitgever C. Blommendaal deelt mij mede, dat Gij besloten hebt eenige stukken uit te geven betreffende het vaccine-vraagstuk en verzoekt mij hem een voor die uitgave geschikten titel aan de hand te doen.

Aan dat verzoek voldoe ik gaarne, mits Gij, M. H., mij vergunt daar een goeden raad aan te doen voorafgaan; den raad nl. om u met de vaccine-quaesiie niet verder in te laten.

Niet omdat er tegen de vaccine, vooral tegen den vaccine-dwang, geen afdoende gronden zijn aan te voeren. Maar wat wilt Gij? Van onzer jonkheid af is niet alleen de vaccine ons ingeënt maar ook het vaccine-geloof. Moet nu ook dit geloof worden aangerand!

De „hartstocht der werkelijkheidquot; wordt bij ons volk in ruime mate gevonden. Zoo onstuimig is ten onzent die moderne hartstocht, dat velen den moed hebben gehad om zelfs zonder onderzoek de oudste, eerwaardigste overleveringen te betwijfelen en te verwerpen. Doch vergeet niet dat het daarbij slechts het Evangelie gold. Alles op losse schroeven te zetten gaat echter niet aan.

Men ziet immers met eigen oogen: 1°. dat de meesten onzer gevaccineerd zijn, 2°. dat zij er in den regel goed zijn afgekomen

-ocr page 8-

4

en 3°. dat de meeste monschen de pokken niet hebben gekregen. Is klaarder bewijs noodig dat de inenting voortreffelijk werkt?

Voorzeker! antwoordt Gij wellicht. Lees de stukken maar; daaruit blijkt tv el, dat gedurende korten tijd de inenting prae-ventief werkt, doch tevens, dat de vermindering der pokziekte steeds samenvalt met de invoering van andere maatregelen dan de-vaccine; zoodat die vermindering ten minste evengoed aan die andere maatregelen als aan do inenting kan worden toegeschreven; daaruit blijkt verder, dat juist meer en meer de onvoldoendheid van de beschutting door vaccine aan den dag is gekomen; dat afzondering den besten waarborg, doch vaccine een valsche gerustheid geeft; dat dan ook zeer beroemde geneesheer en na ernstig onderzoek van voor- in tegenstanders zijn veranderd.

Dat alles is zeer wel mogelijk, zal men n antwoorden; maar om zoo\'n kleinigheid, een onschuldig prikje met het lancet, zooveel leven te maken is toch waarlijk eene dwaasheid. Laat de menschen toch liever niet rust.

Maar \'t is niet onschuldig — roept Gij uit. Het is, al stopt men het hier te lande onder stoelen en banken, onwederlegbaar bewezen, dat menigeen overleden is aan dat onschuldig prikje; dat zeer velen zich er ellendige ziekten door op den hals hebben gehaald; dat wellicht de kolossale uitbreiding van klierziekten aan de vaccinatie is toe te schrijven.

Dat alles kan, zegt men, zij het ook met veel zorg, voorkomen worden.

Neen! ook dit blijkt een stellige onwaarheid te zijn; het kan ook met de beste voorzorgen niet worden voorkomen.

Gij kunt ons dat alles nu wel verzekeren, zal het publiek zoggen; maar het kan toch niet van ons gevergd worden, dat wij kennis zullen nemen van al de stukken die ons, ten bewijze uwer beweringen, worden meegedeeld. Dat doet geen mensen; dat doen zelfs de Kamerleden niet; onderzoekt eens hoeveel Kamerleden de nota, door den vorigen Minister van Binnen-landsche Zaken overgelegd, hebben doorgelezen! Ronduit gezegd: wij hebben voor deze dingen geen tijd. Wij hebben bovendien

-ocr page 9-

eerbied voor „de wetenschapquot;. Zoolang „de wetenschapquot; zich tegen u verklaart, blijven wij in ruste; verklaart zij zich vóór u, dan nemen wij haar uitspraak zonder onderzoek aan; eer niet!

Zóó is liet M. H.! Het publiek, vooral het denkend deel dei-natie, gelooft in „de wetenschapquot;, en neemt dus alles aan, wat „de priesters der wetenschapquot; het gelieven voor te zetten. En die priesters hebben meer macht dan Gij wellicht vermoedt.

Veroorloof mij, ten bewijze daarvan, U iets betreffende even-bedoelde nota mede te deelcn.

Ik was, wat mij persoonlijk aangaat, steeds rechtzinnig opliet gebied van het vaccine-geloof, doch tegenstander van inentings-dwang, tenzij bewezen kon icorden dat oningeënten voor anderen gevaarlijker zijn dan ingeënt en. Eerst dan toch schijnt staatsbemoeiing mij geoorloofd en zou ik desnoods tot inenting willen dwingen. Want, ofschoon anti-revolutionair, zie ik — het zal u wellicht ongelooflijk toeschijnen — mijne kinderen en zelfs mijne overige medemenschen niet gaarne in doodsgevaar.

Aan een der ambtenaren van het Departement van Binnen-landsche Zaken, —- voor zoover mij bekend noch tot de antirevolutionairen, noch tot de zoogenaamde fijnen behoorende, — heb ik tijdens mijn ministerschap opgedragen nauwkeurig de nieuwste, voornamelijk de officieele mededeelingen op het gebied van het vaccinatie-vraagstuk na te gaan, bepaaldelijk met het oog op de door mij gestelde vraag, of oningeënten voor hun omgeving gevaarlijker zijn dan ingeönten, en mij, onverschillig welke de uitkomsten waren, den uitslag van zijn onderzoek mee te deelen.

Dat onderzoek duurde lang, want de gegevens zijn talrijk. Van tijd tot tijd kwam de ambtenaar mij over de zaak spreken, en deelde mij telkens mede, dat hij steeds meer van de ondoelmatigheid der vaccine overtuigd werd.

Ik beken dat ik hiervan schrok. Wel had ik vroeger uwen geachten Voorzitter, den Heer Mr. Keüchenius, in de Kamer de vaccine hooren bespotten, maar als oud-geloovige vond ik, met

-ocr page 10-

6

alle ordentelijke, weldenkende en ontwikkelde Kamerleden, dit minder gepast, en achtte zijne beschouwing natuurlijk „eenzijdigquot;. Doch de straks bedoelde ambtenaar, die juist in opdracht had „alzijdigquot; te zijn, naderde steeds meer tot de conclusiën van den Heer Keuchenius. Dit gaf te denken. Nochtans herinnerde ik hem er telkens aan, dat hij vooral niets mocht verzwijgen, wat wellicht aan de conclusies, die hij meende te moeten maken, zou schaden; ja! veiligheidshalve schrapte ik in de Nota elke conclusie, ten einde op het eindoordeel van den lezer geen invloed uit te oefenen.

Zoo kwam de Nota in de wereld, nadat ik haar, alvorens haar vast te stellen, nog ter bestudeering in handen had gesteld van een medicus, voorstander van de vaccinatie.

Mij is vóór de publicatie der Nota in overweging gegeven, de Nota niet als regeeringsstuk aan de Kamer over te leggen, maar eenvoudig als een particulier advies afkomstig van haren steller. Anders toch zou de Minister wellicht aan allerlei aanvallen zich blootstellen. Doch daar dit laatste nu eenmaal het lot is van eiken Minister, weigerde ik natuurlijk dien goedgemeenden raad op te volgen.

Toen werd mij eenige dagen daarna „voorspeldquot;, dat dan toch wel gezorgd zou worden, dat die Nota werd doodgezwegen!

Ik moet eerlijk bekennen dat mij het niet wel mogelijk scheen zelfs een regeeringsstuk dood te zwijgen. De groote bladen toch nemen alle regeeringsstukken van eenig belang in extenso op. Doch mijn zegsman heeft gelijk gehad. Voor zoover ik heb kunnen nagaan is niet slechts de Nota nergens, ook niet in de medische tijdschriften, besproken of weerlegd, maar is haar inhoud zelfs niet eens in de groote bladen opgenomen. Bij de verkiezingen heeft men er zich toe bepaald de oude argumenten te herhalen, en den Minister van Binnenlandsche Zaken voor te stellen als iemand die, enkel om zijn politieke vrienden pleizier te doen, zijn best deed om „de natie over te leveren aan de pokkenquot; — doch men heeft van de Nota, althans van de daarin aangevoerde feiten, niet gerept.

-ocr page 11-

7

Gij ziet het M. H., —zoolang de „priesters der wetenschapquot; der natie niet veroorloven haar geloof vaarwel te zeggen, zwijgt de pers eerbiedig. Want dat die voorlichtster der publieke opinie om andere redenen dan uit eerbied voor de uitspraak der wetenschap zou zwijgen, is niet aannemelijk.

Handelen nu die „priestersquot; tegen beter weten in, als zij de natie blijven kluisteren aan het vaccine-geloof? Geenszins. Zij zijn „vast overtuigdquot; van de voortreflijkheid der vaccine, en wie niet zien of niet hooren wil, ziet niets en hoort niets, vooral wanneer zijn belang dit meebrengt. Nu heeft de „priesterschapquot; er zeer groot belang bij, dat het vaccine-geloof in stand blijve.

Niet een geldelijk — maar wel een moreel belang.

Dit laatste vereischt eenige toelichting.

Te dien einde moet ik beginnen met U te wijzen op de betee-kenis van een 19e eeuwsche instelling, nl. op de „officieele wetenschapquot; ; d. w. z. die wetenschap, die even als goud, zilver, maat of gewicht, van regeeringswege geijkt wordt. Op die wetenschap kan men aan; al wat daar buiten staat verdient geen vertrouwen. Die wetenschap kan alleen door Staats- en Amsterdamsche professoren worden beoefend en onderwezen; nieuwe professoren worden aangesteld op advies der oude professoren zeiven, die alwie van andere beginselen uitgaat dan zij zeiven voor „niet knapquot; verklaren. Laat b.v. een medicus het ongeluk hebben van te vervallen tot het geloof aan de heilzame werking der homoeo-pathie — dadelijk wordt hij ongeschikt niet slechts voor professor, maar ook voor de geringste medische staatsbetrekking; voor niets dat van de Regeering uitgaat kan hij meer in aanmerking komen. Zóó handhaaft die officieele wetenschap haar gezag. Wanneer een „officieel wetenschappelijk manquot; zich eens vergist, — ook dat komt voor — dan is dat toch heel wat anders, dan wanneer aan een ongeijkt mensch zoo iets overkomt; dan is dat, ofschoon men zou denken dat het publiek recht had van den eerste meer te verwachten dan van den laatste, niet erger, doch minder erg!

-ocr page 12-

8

„De Staat,quot; zoo verzekerde nog onlangs de Amsterdamsche Hoogleeraar J. W. G-unnixg, een door Stad èn Lande, dus dubbel geijkt man, „erkent alleen de wijze van genezen, die steunt op de wetenschap.quot; Is dus een patiënt op niet-officieele wijze genezen, dan blijft hij in de oogen van „den Staatquot; patiënt, \'t Is jammer, om dit ter loops op te merken, dat „de Staatquot; niet ook alleen die „wijze van stervenquot; erkent, die „op de wetenschap steuntquot;; dan konden wij wellicht allen officieel in \'t leven worden behouden.

Doch ik ga voort met mijn betoog.

Daar „de Staatquot; alleen de wijze van genezen die „op de wetenschap steuntquot;, alleen dus de officieele wijze van genezen „erkentquot;, zoo moet hij ieder die het (jeloof daaraan, eu dientengevolge den eerbied voor de wijze wetten van „den Staatquot; verzwakt, als gevaarlijk voor de maatschappij straffen. Dat nu doen de kwakzalvers, vooral zij die zieken van hunne kwalen schijnen te genezen; {echte genezing kan alleen van Staatswege geschieden). Allermeest verdienen zij straf, die de onbeschaamdheid hebben om patiënten, opgegeven door de officieele wetenschap, van plezier te laten dansen, en het domme volk alzoo in de verleiding brengen van te spotten met die officieele wetenschap. Dat mocht nog, onder den schepter van een absoluut vorst als Lodewijk XIV, een Molière doen; dat komt onder de vrijzinnige heerschappij van den Voogdij-Staat niet te pas. Daarom wordt het hoog tijd dat de rechterlijke macht te hulp kome. „De rechter toch,quot; zoover-klaart dezelfde Hoogleeraar, „mag niet eene geneeswijze aanmoedigen die buiten de wet staat.quot; De strafrechter heeft niet meer te vragen: wat zegt, duidelijk en ontwijfelbaar, artikel zooveel van de Strafwet? — maar hij heeft ook met „den geest der wetquot; te rekenen, en die geest is, altjjd volgens de verzekering van den Hoogleeraar: „bescherming van de officieele wetenschap!quot; Waar zou het heengaan met Nederland, zoo lieden, die de faculteit niet genezen kan, zich zoo maar wenden tot hen van wie zij weten dat het geen „geneesheerenquot; zijn, maar die hen desondanks van hunne kwalen bevrijden!

Nu zijn er wel ouderwetsche rechters die nog meenen, dat do

-ocr page 13-

9

strafrechter met dien veronderstelden „geestquot; der wet of met het doel dat de wetgever wellicht najaagde niets te maken heeft; maar hij den Hoogen Raad schijnt op dit speciale punt een „ruimerequot; opvatting te bestaan; althans de Redactie van het Weekblad van het Hecht geeft, zoo de quaestie voor dat college gebracht wordt, hoop op succes; en de Hoofdredacteur van dat blad is, zooals Grjj weet, tevens lid van dat Hooge Rechtscollege. Sapienti sat. (1)

En meent niet M. H.! dat die „officieele wetenschapquot;, aldus bijgestaan door de rechterlijke macht ter beteugeling van wanordelijke patiënten en de hen genezende kwakzalvers, machteloos is tegenover hen die nog gezond zijn. Gelukkig staan ook de gezonden onder de vaderlijke zorg van dc „priesters der officieele wetenschapquot;. Wij bezitten toch een geneeskundig Staatstoezicht; dit bestaat natuurlijk louter uit officieel-wetenschappelijke mannen, en is adviseur van de Regeering. De Regeering, wier macht in beginsel grenzenloos is, voert voor zoover zij over de meerderheid in de beide Kamers beschikken kan uit, wat de „officieele wetenschapquot; haar aanraadt. Wel wordt het college van toezicht samengesteld door de Koningin op voordracht der ministers die zeiven niet behooren tot de geleerde corporatie, en dus vrij zijn voor te dragen wien zij verkiezen; maar hoe zouden deze leeken iemand kunnen voordragen die door „de wetenschapquot; voor niet-wetenschappelijk wordt gehouden? Misschien durft een of ander Minister nog wel eens een enkele keer afwijken van de officieele adviezen. Maar hoe zelden is daartoe de gelegenheid, want de leden van het Staatstoezicht worden voor hun leven benoemd. Er moet dus heel wat gebeuren, voordat het college, — d. i. zijne meerderheid, — het eenmaal ingenomen standpunt verlaat of een wetenschappelijk dogma vaarwel zegt. Zulk een college is derhalve voor de „officieele wetenschapquot; een vaste burg!

Misschien stelt Gij M. H.! uwe hoop nog op de Kamer. Doch vergeet Gij dan niet, dat in de Kamer alleen naar „deskundigenquot;

(1) Hetgeen beduidt: begrepen?

-ocr page 14-

10

wordt geluisterd? Vroeger waren er ten minste nog twee deskundigen, die elkander geregeld tegenspraken; toen was er dus nog eenige kans. Nu is er echter slechts één meer; een man van leeftijd, die zich dus op zijne lange ervaring beroept. En wat beteekent nu, bid ik u, de ervaring b.v. van een man als Dr. Cory, die slechts 32.000 gevallen onderzocht, en, na eerst langen tijd het tegendeel te hebben verzekerd, tot de conclusie kwam dat op elke 100 vaccinatiën met dierlijke lymphe minstens één geval met schadelijk gevolg voorkomt, — wat beteekent die ervaring tegenover die van een man als Dr. Schrelnemacher , die niet alleen geneesheer maar tevens Kamerlid is?

Want wie is Dr. Cory? Een buitenlanIer. Ifu zijn een groot aantal zeer beroemde buitenlanders, huns ondanks en na grondig en herhaald onderzoek, tegenstanders der vaccine geworden.

Maar buitenlanders bezitten in Nederland geen gezag; immers behooren zij niet tot het corps beoefenaars van „de officieele wetenschapquot;. De wet erkent hen nu eenmaal niet; hunne titels zijn hier te lande zonder waarde; naar de wet staat Dr. Cory mot Sequah gelijk. Dit is correct; de wet, de Xederlandsche wet, reikt niet verder dan de grenzen van den Staat; een Duitsche of Eransche geleerde staat buiten de Nederlandsche wet, en wat „buiten de wetquot; staat mag, zoo hebt Gij vernomen, op geenerlei wijze „worden aangemoedigdquot;. Met buitenlanders hebben wij ons dus niet in te laten.

Na U M. H.! alzoo herinnerd te hebben aan do wetten onder welke wij leven, moet ik mij de opmerking veroorloven, dat hetprestige der officieele wetenschap volstrekt niet toelaat U gelijk te geven.

Dat prestige, dat zedelijk overwicht, heeft in de laatste tijden toch al veel moeten lijden.

Eerst kwam „de kmjpdocterquot;. Deze verrichtte wonderen, reeds voordat hij geijkt was; nadat hij zich, door de wet daartoe genoodzaakt, een „ofiicieelen titelquot; had aangeschaft, kon men niet bespeuren, dat er iets in zijne methode veranderd was. Hij was voor en na dat oogenblik dezelfde. De man, die 25 jaren ge-

-ocr page 15-

11

leden door de geleerde wereld als kwakzalver uitgekreten werd, is thans in een keizerlijken salon wagen afgehaald, om den Czar aller Russen zijn hulp te verleenen.

Ten vorige jare kwam de inenting met de Kochsche baccil en hare vereering. Gij herinnert U welk een schok het prestige van de belijders der officieele wetenschap in het buitenland door die voorbarige vergoding heeft ondergaan.

Eindelijk kwam Sequah, die van wege de officieele wetenschap vruchteloos met tractaatjes is bestreden, zoodat het noodig is geworden den wereldlijken arm tegen hem in te roepen.

Dit alles heeft natuurlijk aan „het prestigequot; geen goed gedaan. Maar dat alles zou nog niets zijn in vergelijking met den val van den vaccine-cultus.

Ziehier de reden waarom.

Ons volk is uit zijn aard godsdienstig. Het is dus niet te verwonderen dat er menschen zijn, die ook op grond van hun geloofsovertuiging bezwaar maken tegen inenting.

Hiervan nu hebben onze medici handig gebruikgemaakt. quot;Wij leven in een vrij land, waarin men gewetensvrijheid op prijs, zelfs op hoogen prijs stelt. Toch verbiedt de verlichte rede met elk gewetensbezwaar te rekenen. Men doet daarom voorzichtig met te onderscheiden, en wel tusschen eigen gewetensbezwaren en die van anderen. Deze onderscheiding is zeer zinrijk. Wil men b.v. de fundamenten eener Kerk ondermijnen en toch de voorrechten en voordeelen genieten die in die Kerk verkrijgbaar zijn, dan stelt men de gewetensvrijheid krachtig op den voorgrond. Komen daarentegen arme, onontwikkelde, eenvoudige menschen met gewetensbezwaren aan, dan gevoelt men daar niets van; dan laten die ons volkomen koud; ja, dan wordt het zelfs wenschelijk de „vooroordeelen te bestrijdenquot;; het „licht der redequot; te doen schijnen. Dan kan een weinigje dwang geen kwaad! Geen directe dwang, o neen! Wij zijn een vrij volk. Als de arme niet hooren wil, hij blijve vrij. Volkomen vrij! Slechts worde zijn kind gedoemd om op te groeien in algeheele onwetendheid. Dit vrijheid-eerbiedigende middel is des te aanbevelenswaardiger, omdat het elk yemeenscliappe-

-ocr page 16-

10

wordt geluisterd? Vroeger waren er ten minste nog twee deskundigen, die elkander geregeld tegenspraken; toen was er dus nog eenige kans. Nu is er echter slechts één meer; een man van leeftijd, die zich dus op zijne lange ervaring beroept. En wat beteekent nu, bid ik u, de ervaring b.v. van een man als Dr. Cory, die slechts 32.000 gevallen onderzocht, en, na eerst langen tijd het tegendeel te hebben verzekerd, tot de conclusie kwam dat op elke 100 vaccinatiën met dierlijke lymphe minstens één geval met schadelijk gevolg voorkomt, — wat beteekent die ervaring tegenover die van oen man als Dr. Schreinemacher , die niet alleen geneesheer maar tevens Kamerlid is?

Want wie is Ur. Cory? Eon buitenlanIer. Nu zijn een groot aantal zeer beroemde buitenlanders, huns ondanks en na grondig en herhaald onderzoek, tegenstanders der vaccine geworden.

Maar buitenlanders bezitten in Nederland geen gezag; immers behooren zij niet tot het corps beoefenaars van „de officieele wetenschapquot;. De wet erkent hen nu eenmaal niet; hunne titels zijn hier te lande zonder waarde; naar de wet staat Dr. Cory met Sequah gelijk. Dit is correct; de wet, de Nederlandsche wet, reikt niet verder dan de grenzen van den Staat; een Duitschc of Fransche geleerde staat buiten de Nederlandsche wet, en wat „buiten de wetquot; staat mag, zoo hebt Gij vernomen, op geenerlei wijze „worden aangemoedigdquot;. Met buitenlanders hebben wij ons dus niet in te laten.

Na U M. H.! alzoo herinnerd te hebben aan de wetten onder welke wjj leven, moet ik mij de opmerking veroorloven, dat het prestige der officieele wetenschap volstrekt niet toelaat U gelijk te geven.

Dat prestige, dat zedelijk overwicht, heeft in de laatste tijden toch al veel moeten lijden.

Eerst kwam „de knjjpdocterquot;. Deze verrichtte wonderen, reeds voordat hij geijkt was; nadat hij zich, door de wet daartoe genoodzaakt, een „officieelen titelquot; had aangeschaft, kon men niet bespeuren, dat er iets in zijne methode veranderd was. Hij was voor en na dat oogenblik dezelfde. De man, die 25 jaren ge-

-ocr page 17-

11

leden door de geleerde wereld als kwakzalver uitgekreten werd, is thans in een keizerlijken salon wagen afgehaald, om den Cza.v aller Russen zjjn hulp te verleenen.

Ten vorige jare kwam de inenting met de Kochsche baccil en hare vereering. Gij herinnert U welk een schok het prestige van de belijders der officieele wetenschap in het buitonland door die voorbarige vergoding heeft ondergaan.

Eindelijk kwam Sequah , die van wege de officieele wetenschap vruchteloos met tractaatjes is bestreden, zoodat het noodig is geworden den wereldlijken arm tegen hem in te roepen.

Dit alles heeft natuurlijk aan „het prestigequot; geen goed gedaan. Maar dat alles zou nog niets zijn in vergelijking met den val van den vaccine-cultus.

Ziehier de reden waarom.

Ons volk is uit zijn aard godsdienstig. Het is dus niet te verwonderen dat er nienschen zijn, die ook op grond van hun geloofsovertuiging bezwaar maken tegen inenting.

Hiervan nu hebben onze medici handig gebruik gemaakt. Wij leven in een vrij land, waarin men gewetensvrijheid op prijs, zelfs op hoogen prijs stelt. Toch verbiedt de verlichte rede met elk gewetensbezwaar te rekenen. Men doet daarom voorzichtig met te onderscheiden, en wel tusschen eigen gewetensbezwaren en die van anderen. Deze onderscheiding is zeer zinrijk. Wil men b.v. de fundamenten eener Kerk ondermijnen en toch de voorrechten en voordeden genieten die in die Kerk verkrijgbaar zijn, dan stelt men de gewetensvrijheid krachtig op den voorgrond. Komen daarentegen arme, onontwikkelde, eenvoudige menschen met gewetensbezwaren aan, dan gevoelt men daar niets van; dan laten die ons volkomen koud; ja, dan wordt het zelfs wensehelijk de „vooroordeelen te bestrijdenquot;; het „licht der redequot; te doen schijnen. Dan kan een weinigje dwang geen kwaad! Geen directe dwang, o neen! Wij zijn een vrij volk. Ais de arme niet hooren wil, hij bljjve vrij. Volkomen vrij! Slechts worde zijn kind gedoemd om op te groeien in algeheele onwetendheid. Dit vrijheid-eerbiedigende middel is des te aanbevelenswaardiger, omdat het elk yemeenschappe-

-ocr page 18-

12

lijk feitelijk verzet tegen den vacciuedwang onmogelijk maakt.

Van deze edelaardige gevoelens, die de natie in haar hoogste kringen bezielen, hebben, gelijk ik zeide, onze medici handig partij weten te trekken. Of gjj wilt of niet, de bestrijding van de inenting wordt door de medici altijd vastgeknoopt aan het gewetensbezwaar van eenige „gereformeerdenquot;, vooral van „de praedestinatiedrijversquot;. Dan is men klaar; want dan is men al vast verzekerd van den fermcn steun van al wat anti-gereformeerd, van al wat roomsch-katholiek is. Nader onderzoek wordt onnoodig. Haro sur le baudet! Anti-vaccineman = praedestinatiednjver! Ergo: anti-praedestinatiedrijver = vaccineman!

Tot dusver hield dit fraaie recept het vaccine-geloof goed op de been. Vooral bij verkiezingen, volksvergaderingen en Kamerdebatten. Of men al tegenwerpt dat „vóór of tegen de quininequot;, „vóór of tegen Holloway-pillenquot;, „vóór of tegen Haarlemmer-oliequot; evenmin iets te maken heeft met liberaliteit als „voor of tegen de vaccinequot; — het helpt niet. In Nederland is een liberaal altijd vóór inenting.

Nu heeft evenwel dit krachtig argument, dat vaccine-vereering liberaal en inzonderheid anti-gereformeerd is, — Gij zult het uit eerbied voor de wetenschap wel niet een kwakzalvers-argument willen noemen — éene keerzjjde. Valt het vaccine-geloof, dan zou het den schijn hebben alsof de voorstanders der praedesti-natieleer gelijk hadden gekregen. Immers gelooft in ons land bijkans iedereen, dat er tegen do vaccinatie enkel „gemoedsbezwarenquot; bestaan. En zouden nu de „fijnenquot;, de „dommen \', de „bijgeloovigenquot;, de „clericalenquot; gelijk krijgen tegenover de offi-cieele wetenschap en de geneeskundige Staatslichamen!

Wat zou er dan nog overblijven van het prestige der wetenschap?

Neen: liever van tijd tot tijd een slachtoffer, hoogstens één op de honderd inrjeënten, gewijd aan de vereering der wetenschap, dan tegenover zulke lieden te erkennen dat men gedwaald heeft!

Hiermede is, naar ik meen, mijn onthoudings-advies voldoende gemotiveerd.

-ocr page 19-

13

Gold liet alleen den strijd tegen de vaccine als voorbehoedmiddel, er ware kans op eerlijke, onpartijdige behandeling van het vraagstuk.

Gold het den vaccinedwang, misschien zou men ook dan eerlijk onderzoeken of voor hun omgeving ongevaccineerden gevaarlijker zijn dan gevaccineerden, en, zoo neen, erkennen dat staatsdwang dan ook niet te pas komt.

Maar het geldt iets geheel anders; liet geldt den strijd van de rede tegen het geloof; van het licht tegen de duisternis; van de officieele wetenschap tegen onbeschaamde betweterij; van het prestige van de priesters der wetenschap tegen het ondragelijk onafiiankelijkheidsgevoel der leeken.

Het geldt, dank zij onze medici, een zuivere godsdienst-quaestie!

Bindt den strijd daartegen niet aan, M. H.! Legt u liever neder bij het eenvoudige, machtige, kalme woord van onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, Mr. Tak vajj Poortvliet, dat aldus luidde: „art. 17 der wet van 4 December 1872 (Stbl. 134)quot; (het dwang-artikel) „moet als eene heilzame bepaling ter bevordering van koepokinenting blijven bestaan.quot; Ziet! daarmee heeft iedereen, zelfs heel de Kamer, genoegen genomen. Bij zulk een woord zinkt al wat de vorige Regeering, al wat in het Voorloopig Verslag der Kamer gezegd is, al wat de Xota vertelde, in het niet! En juister zich uit te drukken was, zelfs al wilde de Minister zijn eigen standpunt persiffleeren, niet mogelijk. Dat de koepokinenting heilzaam is — zie dat schijnt zelfs deze Minister niet meer te durven verklaren; maar wel: dat de bepaling heilzaam is tot bevordering daarvan. En dat is toch eigenlijk het eenige waar het, in godsdienst-quaesties als deze, op aankomt!

Staakt dus wat ik U bidden mag, M. H.! den strijd! Maar wilt Gij u bij mijn advies niet neêrleggen, wilt Gij het onmogelijke beproeven, richt dan uw wapenen tegen het hart van uw wederpartij.

-ocr page 20-

14

Bestrijdt dan niet alleen de vaccine;

bestrijdt niet alleen den vaccinedwang;

doch bestrijdt — en ziedaar den titel dien ik U aanbied, bestrijdt vooral de

V accine-V ereering.

En hiermede M. H.! heb ik de eer U de verzekering aan bieden van mijne bijzondere hoogachting.

A. F. DE SAVORNIN L0H3IAN.

\'s Haye, Januari 1892.

-ocr page 21-

INLEIDING.

Den 2rgt;en November 1.1., bij het politiek debat in de Tweede Kamer, sprak de heer vax Houten zijn blijdschap er over uit, dat deze Regeering — het Ministerie Van Tienhoven-Tak — toont «een open ooi-te hebben .... voor do klacht dat recht en vrijheid der ingezetenen geschonden worden op een gebied, waar dat recht en die vrijheid onbetwistbaar zijn.» De afgevaardigde van Groningen bedoelde ade beschikking over de lijken en de toepassing der lijk-verhrancUngv.

Het mag verwondering wekken, dat de heer van Houten, die in 1872 tegen het amendement van de heeren Godefroi c. s. op art. 17 van de wet tot voorziening tegen besmettelijke ziekten (vaccine-dwang) stemde, tot heden niet opkwam tegen het schenden van de vrije beschikking over het lichaam.

De vrije beschikking over hot levende lichaam staat — zoo zou men toch allicht denken — bij ieder en dus ook bij den afgevaardigde van Groningen hooger dan die over het lijk.

Het was althans zeer verklaarbaar, dat velen in den lande zich verheugden, toen de vorige Regeering, het Ministerie Mackat, toonde — om de woorden van den heer Van Houten te herhalen — «een open oor te hebben voor de klacht dat recht en vrijheid der ingezetenen geschonden worden op een gebied, waar dat recht en die vrijheid onbetwistbaar zijn;» doch hierbij niet het eerst dacht aan de vrije beschikking over het dootle lichaam, maar aan die over het levende lichaam : nl. afschaffing van den vaccine-dwang.

Het desbetreffend wetsontwerp van den Minister De Savornin Lohman is echter door diens opvolger Mr. Tak van Poortvliet ingetrokken; om redenen, waarnaar slechts gegist kan worden. Immers, door de hoogst belang-

-ocr page 22-

16

rijke «Memorie van beantwoording» (met de daarbij gevoegde Nota) op de bezwaren, tegen de afschaffing van den vaccine-dwang ingebracht, blijkens liet Voorloopig Verslag der Tweede Kamer, was naar veler meening de vaccine-dwang-quaestie in eeu nieuw stadium getreden. Tot heden heeft echter geen enkel voorstander van den dwang de moeite gedaan Memorie en Nota in het openbaar te bespreken of te weerleggen. Slechts in een deel van de Nederlandsche pers — de anti-revolutionaire — zijn zij besproken; maar de andere bladen, die zich over de «pokken-wet» vroolijk maakten en haar, tegelijk met den ontwerper, belachelijk trachtten te maken, bewaarden en bewaren nog een diep stilzwijgen. Van weerlegging, zelfs van bespreking, geen sprake.

Dit stilzwijgen en de verklaring van deze Eegeering, dat art. 17 van genoemde wet «heilzaam» moet worden geacht, brachten den samensteller van dit boekje tot de overtuiging, geen onnut, althans geen overbodig werk te doen, door de aandacht van de natie te vestigen op de Memorie en vooral op de Nota van den Minister De Savornin Lohman.

Een kort overzicht van de geschiedenis van genoemd art. 17 en van den tegenstand, dien dit artikel allengs bij zeer velen in den lande ondervond, werd daarbij niet onnoodig geacht.

\' s-Gravenlmje,

Februari 1892.

HET DWANG-ARTIKEL.

Toen in 1872 de Minister GtEERTSEMA het wetsontwerp «tot voorziening tegen besmettelijke ziekten» bij de Tweede Kamer indiende, kon wel niemand vermoeden, dat dit wetsontwerp tot zoo langdurige beraadslaging in de Volksvertegenwoordiging aanleiding zou geven en vooral niet, dat nog vóór de aanneming van het ontwerp veler gemoederen in onrust zouden gebracht worden — een onrust, die na de uitvoering der wet in grooten tegenzin oversloeg. Ware het wetsontwerp aangenomen, zooals het door den Minister was ingediend, hoe geheel anders zou het geloopen zijn!

Wat was daarvan de oorzaak? Wat maakte het wetsontwerp op eens zoo gewichtig, dat de natie, anders vrij koel tegenover dergelijke regeerings-ontwerpen, er meer dan gewone aandacht aan wijdde? Het was de qnaestie, of van overheidswege de inenting zou bevorderd

-ocr page 23-

17

worden door zedelijke middelen dan wel door dwang. De Minister Geertseiu scheen niet, genegen de vaccinatie door Staats-tusschen-komst, veel minder door Staats-dwang, uit te breiden. In het desbetreffende artikel 17 van zijn ontwerp luidde het aldus:

De Gemeenteraden zijn verplicht toepassing en herhaling van inenting der koepokken te allen tijde zooveel mogelijk te bevorderen.

De Regeering sprak hier dus wél uit, dat zij inenting heilzaam aolitte; maar — bevordering daarvan liet zij aan de gemeenten over. Zij beschouwde de vaccinatie als een gemeente-zaak, niet als een onderwerp te regelen door den Staat. Ware het regeerings-artikel door de Kamer onveranderd goedgekeurd, — aan den feitelijken toestand zou het weinig of geen verandering gebracht hebben. De meeste gemeenten toch handelden reeds lang in den geest van dit artikel.

Doch wat gebeurde ? Door drie leden der Kamer — wijlen de heeren Godefroi, Idzerda en Joxckbloet — werd een amendement op art. 17 voorgesteld van den volgenden inhoud:

Onderwijzers, onderwijzeressen of leerlingen, die niet, blij kens verklaring van een geneeskundige, met goed gevolg of meer dan eens de inenting der koepokken hehhen ondergaan of aan de natuurlijke kinderpokken (variolae) hebben geleden, worden in de scholen niet toegelaten.

Hier werd dus — zij het dan indirect — dwang voorgeschreven. Immers, zoo de ouders voor hun kinderen gebruik wenschten te maken van inrichtingen voor onderwijs, zouden zij gedwongen zijn hun kinderen te laten inenten. Geen wonder dat dit amendement bestrijding uitlokte.

Reeds bij de algemeene beraadslagingen over het wetsontwerp, welke den 16en October 1872 een aanvang namen, werd door een liberaal Kamerlid, wijlen den heer Dumbae, gewaarschuwd tegen het «te veel toezien van den Staat op allen». Niemand — vervolgde de afgevaardigde van Deventer — niemand kan zich bewegen in de maatschappij of hij stoot op de eene of andere wet, op de eene of andere verordening. Baron Van Wassexaer vax Catwyck drukte den wensch uit, dat er nog uit het wetsontwerp verdwijnen zou «alle dwang op het menschelijk «lichaam uitgeoefend, alles wat daarvan nog sporen draagt, hetzij dit «in amendementen van eenige leden is neergelegd, hetzij dit in enkele «overblijfselen van het wetsontwerp nog berust. Bepaaldelijk ten opzichte «van de vaccinatie». Tegen dwang bij de vaccinatie verklaarde zich ook

2

-ocr page 24-

18

in zeer stelligen zin do Minister Geertsejia. «Van em zoodanige, heper-Tcing der inclividueele vrijheid zou,quot; zeide de Minister, mlleen dan spralce kunnen zijn, zoodra naar het oordeel van deslcundiiien ontwijfelbaar zeker was, dat door toepassing der vaccinatie op elk individu pokken of epidemie ondenkbaar zou worden.-»

Daarentegen, Kamerleden als Dr. Rombach en Mr. Sjiidt (de tegenwoordige Minister van Justitie) hadden één hoofdbezwaar tegen het wetsontwerp: er was geen algemeen verplichte vaccinatie in voorgeschreven. Want volgens hen was het eenig middel om de pokkenepidemie te voorkomen: algemeene vaccinatie.

Het was derhalve te verwachten, dat het amendement der drie genoemde Kamerleden krachtigen steun maar ook warme bestrijding zou vinden. Dit kwam dan ook uit, toen den 19en October het amendemeut op art. 17 aan de orde was. De heer Godefroi lichtte het amendement toe. De vraag of de vaccine oen middel is, waardoor de pokziekte zooveel mogelijk kan voorkomen worden, werd door den spreker in toe-stemmondon zin beantwoord. Waar do Minister Geertsema in zijn Memorie van beantwoording gezegd had: «Dwang tot hetgeen als voorbehoedsmiddel wettig is, pleegt bij ons volk weinig ingenomenheid te wekken,» — betoogde de heer Godefroi, mot een beroep op andore landen, dat de Staat gerechtigd is tot indirecten dwang. De afgevaardigden wijlen de hoeren Van Loon, Van Lynden van Sandenburg, Van Zuylen van Is ykvelt en Saaymans Vader bestreden allen een amendement, welks strekking was dwang uit te oefenen. Vooral do eerste spreker, anti-revolutionair afgevaardigde van Amersfoort, verzette zich krachtig togen den voorgesteldeu dwang. Ofschoon zelf voorstander van de vaccinatie, meende de heer Van Loon , dat «wij de gemoedsbezwaren «moeten eerbiedigen. Door het amendement zou licht een groep kunnen «gedaan worden, die verder gaat dan de heerschappij over het lichaam «van den mensch, die gaat over de ziel.» Spreker wees er nog op, dat men geheel en al verzuimt te spreken van en te letten op een andere zaak, wat evenwel door vele goneesheeren en kundige lieden wel gedaan wordt, dat er nl. sedert 80 jaren, gedurende welke de koepokinenting is verricht, andere ziekten de overhand genomen hebben, welke vroeger een veel mindere vlucht hadden en juist in die landen waar de vaccinatie in ruime mate is toegepast; dat dus, wanneer men den natuurlijken loop van de ziektestof in het monschelijk lichaam door een kunst-

-ocr page 25-

19

bewerking stoort, daardoor wel éene ziekte wordt tegeng-egaan, maar ook verscheidene andere ziekten worden bevorderd. Graaf Van Lyndex van Sandeneurg bestreed het amendement als leidende tot Staats-al vermogen. Over het lichaam heeft een ander niet te beschikken, tenzij dan de scherprechter ter uitvoering van een lichamelijke straf, (welketrouwens bij ons Strafrecht voor Xederland is afgeschaft). Baron Yan Zuylen van Nvevei/C sloot zich hierbij aan en herinnerde aan het woord van Napoleon: le domaine de la loi finit la oü commence celui de la conscience.» En Mr. Saaymans Vader wees er op, dat mannen van naam op geneeskundige gronden zich tegen de vaccinatie verklaarden en dat daarom reeds dwang 7iiet geoorloofd is. In Engeland — zeide spreker— bestaat zelfs een anti-vaccinebond, bestaande uit mannen van onderscheidene godsdienstige richting.

Intusscben — hoezeer de bestrijders zich ook inspanden, het mocht niet baten. Met 42 tegen 14 stemmen werd het amendement aangenomen. Onder de voorstemmers waren de nog levende heeren Van Kerkwijk, VlRÜLY VeRBRUGGE, TAK van poortvliet, rutgers van Rozenburg, Smidt, Crejiers, Wintgens, J. Heemskerk, Moensch Van Rees. Al de roomsch-katholieke leden stemden vóór, uitgezonderd de heeren C. van Nispen en Puls.

Tegen stemden: de heeren Van Houten, Kappeyne, Beyma tiioe King ma , Van Sypesteyn , Van der Linden, Dumbar, C. van Nispen, Puls, Mackay (vader van Lord Ray), Van Wassenaer van Cat-wyck, Van Zuy\'len van Nyevelt, Van Loon, Saaymans Vader, en Van Lynden van Sandenburg.

Zoo werd dan — tegen den wensch der toenmalige Regeering — dank zij het amendement van drie liberale Kamerleden, bij dc wet indirecte dwang op het lichaam voorgeschreven.

De voorstanders van dat amendement namen nog wel den schijn aan, alsof dwang niet in hun bedoeling lag. De heer Wintgens verklaarde zelfs de individueele vrijheid te willen eerbiedigen. Soldaten en zij, die in weldadigheidsgestichten en gevangenissen vertoefden, moesten niet gedwongen worden tot inenting. Maar ouders, die niet in staat waren huis-onderwijs te bekostigen, werden dan toch maar voor de keuze geplaatst: óf hun kroost te laten inenten óf hun kinderen zonder onderwijs groot te zien brengen.

-ocr page 26-

20

Zeker — de individueele vrijheid wordt door art. 17 geëerbiedigd,— maar dergelijke vrijheid verschilt al zeer weinig van dwang. quot;VVie toch voor zijn kinderen geen gebruik maakt van het zoogenaamde voor-behoed-middel tegen de pokziekte, kan niet profiteeren van het voordeel, hetwelk in de openbare en bijzondere inrichtingen voor onderwijs gelegen is. De deuren der scholen worden voor zijn kroost gesloten.

Art. 17 is derhalve een rf«WM/-artikel; overtreding er van wordt gestraft door de ouders te dwingen hunne kinderen te verwaarloozen, alzoo iets misdadigs te doen.

Een geneeskundig vraagstuk.

Er wordt wel eens beweerd, dat Nederland in vele opzichten achterlijk is bij andere landen.

Zonder dit geheel te onderschrijven, mag toch wel worden opgemerkt dat hier te lande vele maatregelen worden uitgevoerd of wetten tot stand komen — lang nadat andere rijken ons zijn voorgegaan. In den regel wordt in ons vaderland wel wat al te lang gewikt en gewogen. Er moeten eerst een stapel brochures van de pers komen, tal van vergaderingen gehouden en vereenigingen opgericht worden ■— alvorens er een publieke opinie is gevormd en het bij de Tweede Kamer, zonder wie de Regeering niets kan uitvoeren, tot een besluit is gekomen. Aan den anderen kant, wanneer eenmaal een overtuiging is gevestigd en een wet is uitgevaardigd, blijft men in ons goede land daar verbazend lang aan hangen en kost het oneindig veel moeite eer die wet veranderd kan worden, — óók al heeft men in het buitenland reeds lang die overtuiging laten varen.

Dit is vooral waar ten opzichte van de vaccinatie. Terwijl in vele landen reeds in de eerste helft dezer eeuw vaccine-dwang of verplichte vaccinatie was voorgeschreven, — werd Nederland, dank zij vooral liet optreden van den Israëliet Godefroi, met die «weldaad» eerst in 1872 verrast, toen de geestdrift voor Jenner\'s uitvinding in Engeland, Duitschland en andere landen bij zeer vele uitnemende deskundigen reeds aanmerkelijk bekoeld, bij velen zelfs in tegenzin veranderd was.

De vaccine-dwang bestaat hier nog geen 20 jaren. Indien het nu met de afschaffing van dien dwang zoo lang moet duren als met de

-ocr page 27-

invoering daarvan, — dan behoeven de minnaars van Jknxer\'s voorbehoedmiddel zich vooreerst nog niet ongerust te maken.

Er is nóg een reden om te vreezen, dat het «heilzame» artikel 17, zooals de Minister Tak het noemde, vooreerst niet zal worden herzien. Onder de eigenaardigheden, waardoor een zeer groot deel van het Nederlandsche volk zich onderscheidt, behoort ook deze, dat bij het verkondigen van een denkbeeld niet dadelijk in een beoordeeling van de waarde daarvan getreden, maar allereerst de vraag gesteld wordt; tvie heeft dat denkbeeld verkondigd? Dat gaat dan door voor voorzichtigheid; een voorzichtigheid evenwel, die de wijsheid bedriegt niet alleen, maar ook tot zeer zonderlinge toestanden leidt. Duidelijk wordt dit bij de bestrijding van den vaccine-dwang.

Het verzet tegen den vaccine-dwang hier te lande ging liet allereerst, althans het allermeest, uit van hen, die naar de politieke indeeling der partijen gerekend worden te behooren tot de anti-revolutionairen. Vrucht van dat verzet was het bekende volks-petitionnement tegen de invoering van dien dwang. Voor de groote menigte had het den schijn alsof alleen een godsdienstige opvatting of vooroordeel de grond was voor het verzet. Immers, terwijl de overgroote meerderheid van het Nederlandsche volk boog voor de uitspraak van de vereerders van Jennee\'s middel, toonde een groep gereformeerden, die bekend stonden als «lieden van zeer strenge godsdienstige beginselen», zich weinig genegen voor het gouden kalf te knielen. Die menschen zagen in de toepassing van dat middel een «God vooruitloopen», en hadden dientengevolge een zeer ernstig gemoedsbezwaar, hetwelk te meer beteekenis verkreeg, nu die gereformeerden, voor hoe dom zij ook werden gehouden, vernamen, dat de geneeskundigen in het buitenland het volstrekt niet over het nut en de waarde van de koepok-inenting eens waren. Bovendien, al zagen en zien nog de wetensehappelijken, althans velen onder hen en niet het minst de geneeskundigen, uit de hoogte neer op de bekrompen orthodoxen, op de gereformeerden, die voor niet veel meer dan dompers werden en worden gehouden, — dezen van hun kant zagen niet zoo hoog tegen de geneesheeren op, dat zij hen en hun geloof aan de vaccine als voorbehoedmiddel onfeilbaar achtten.

Hoe het verzet tegen den vaccine-dwang door de wetenschappelijke wereld werd opgevat, is bekend. Er werd langen tijd weinig of geen aandacht geschonken aan de bezwaren, welke tegen dien dwang en tegen de vaccine werden ijigebracht. Het verzet ging immers toch

-ocr page 28-

maar uit van lieden uit de nachtschool, van gereformeerden en van anti-revolutionairen. Reeds daarom kon ernstige weerlegging als overbodig beschouwd worden. De gezaghebbende!! meenden dan ook, zich voldoende, meer zelfs dan van hen geëischt kon worden, met dat verzet bezig gehouden te hebben door te verklaren, dat de tegenstanders van den dwang en van de vaccinatie er een yodsdienst-qimestie van gemaakt hadden, waarover zij, wetenschappelijken, zich geen oordeel aanmatigden, maar aan welke quaestie de gezondheid en het leven van de mede-menschen toch niet mocht worden opgeofferd.

Een godsdienst-quaestie. Slim verzonnen. Immers, wie van de «beschaafden», modernen of «gematigd orthodoxen» zou zich, na die uitspraak, nog aan de zijde der gemoedshezwaarden durven scharen! De vaccinatie en tegelijk de vaccine-dwang waren daarmede gered. Vanzelf konden gereformeerden niet gelijk hebben, en . . . zeer velen, die niet-gereformeerd of niet^anti-revolutionair waren, sloten zich aan bij de voorstanders van de koepok-inenting.

Zoo werd van de vraag, of vaccinatie inderdaad een voorbehoedmiddel tegen de pokken is, een godsdienst-, een politieke quaestie gemaakt. Wie niet-geloovig of niet-anti-revolutionair was, schaarde zich aan de zijde van de vereerders van Jexxer\'s uitvinding; alleen anti-revolutionairen kouden, naar het oordeel van die verlichte lieden, de vaccine en den vaccine-dwang bestrijden.

Kan het dwazer, zou men haast zeggen. En . . . schaamt men zich niet tegenover het buitenland? Daar denkt men er niet aan, van het vaccine-vraagstuk een politieke of godsdienstige quaestie te maken; daar wordt, natuurlijk, dat vraagstuk als een zuiver geneeskundige quaestie beschouwd. In Amerika, in Engeland, in Duitschland zijn mannen van allerlei richting voor- of tegenstanders van de koepokinenting. Het bekende radicale en ongeloovige Parlementslid Bradlai gh was een beslist bestrijder van de vaccinatie; Gladstone, een geloovig man, staat bekend als een voorstander van de koepok-inenting. Een sprekend contrast met wat in het land der clericale en anti-clericale leuzen op dikwijls ergerlijke wijze wordt vertoond, leverde het internationaal geneeskundig Congres, hetwelk in 1891 te Londen werd gehouden. Op dat Congres — in de sectie voor Staatshygiène — kwam ook de vaccinatie ter sprake. Van godsdienst of politiek werd niet gerept. Op zuiver geneeskundige gronden werd het voor of tegen gewikt en gewogen. Meenden de meesten der leden in dit voorbehoedmiddel

-ocr page 29-

23

tegen pokken nevens afzondering en ontsmetting de drie wapens te moeten zoeken tot afwering der ziekte, ook de woordvoerders van den in Engeland krachtigen weerstand tegen de vaccinatie ontbraken niet; zoo Dr. Briggs uit Leicester, die liever in afzondering der lijders alleen het middel zocht. Dr. Covekxton uitte een klacht over den weerstand tegen de vaccinatie in Canada, vooral te Montreal.

Doch — waartoe nog bewijzen aangehaald, dat in het buitenland de vaccine-quaestie gerekend wordt te behooren tot de geneeslcundige vraagstukken; waaromtrent onder deskundigen geen overeenstemming bestaat ; — de Nota toch van den Minister De Savorxix Lokman , als bijlage hier achter gevoegd, geeft daartoe overvloedige bewijzen.

Wanneer zal in ons land de goede, de wetenschappelijke gewoonte, welke in het buitenland reeds lang bestaat, gevolgd worden ? Wanneer zal men hier toch leeren rekening te houden uiet alleen met de personen, welke bezwaren opperen, maar in de allereerste plaats met de heteekenis van de bezwaren ? Wanneer zal hier te lande een geneesheer, zonder het «gevaar» te loopen tot de «fijnen» gerekend te\'worden, een objectief onderzoek kunnen instellen naar de uitwerking van de koepok-inenting, gelijk dit in het buitenland geschiedt? Wanneer? . . . Wij weten zeerwel, dat door de verdedigers van den dwang soms de schijn wordt aangenomen, alsof zij in hun betoog wetenschappelijk zijn, door nl. enkele statistische opgaven te geven. Maar hoe gaat dit ? Men vergelijkt de gevallen van pokziekte van vroeger met nu; van lauden, waar geen verplichte vaccinatie bestaat, met die Staten, waar Jenner\'s middel met dwang wordt bevorderd. En triomfantelijk roepen die verdedigers dan uit: »ziet, hoe heilzaam de vaccinatie toch is!» Dat de vermindering van gevallen van pokziekte aan heel andere oorzaken kan worden toegeschreven, gelijk ook de gevallen van pestziekte en cholera zeer zijn verminderd zonder een voorbehoedmiddel als dat van Jexxer , — daaraan wordt geen aandacht gewijd. En het slot van hun redeneering is dan, dat alleen de «fijnen» bezwaren tegen de vaccinatie kunnen hebben.

Niet in de eerste plaats een politieke of godsdienstige quaestie — een geneeskundig vraagstuk is de vaccine-quaestie. Op dien grond vooral heeft de strijd tegen den vaccinc-dwang in het buitenland een onge-meene beteekenis verkregen, en zal men ook in Nederland — al is het wel wat laat — tot die overtuiging moeten komen.

-ocr page 30-

24

Een nieuw artikel 17.

Zoo was allengs de vaccine-dwang-quaestie een politiek vraagstuk geworden. Alleen anti-revolutionairen konden voor afschaffing van dien dwang zijn; van geen liberaal, die prijs mocht stellen op den naam van anti-fijn of anti-clericaal, kon iets dergelijks verwacht worden. Of dan allen, die niet anti-revolutionair zijn, met den vaccine-dwang ingenomen zijn? Wij wagen het te betwijfelen; de vrees echter, dat men, bij eenig blijk van tegenzin ten opzichte van de gedwongen koepokinenting, verdacht zou worden van anti-revolutionaire of gereformeerde sympathieën te koesteren, zal van zelf belet hebben, dat die tegenzin zich ook buiten den kring van «de gemoedsbezwaarde fijnen» openbaarde.

Aan afschaffing van den dwang viel derhalve niet te denken, zoolang het Ministerie anti-clericaal was en zoolang ook de anti-revolutionaire, of laat ons liever zeggen; de zuiver objectieve beschouwingen in de Staten-Generaal geen overwegenden invloed hadden. Toen nu het Ministerie Mackay optrad en de schoolwet door den Koning was bekrachtigd, was het heel natuurlijk, dat de Minister De Savornin Lokman tegelijk met een herziening van enkele artikelen van de wet van 1872 ook kwam met een wijziging van het dwang-artikel 17.

Den 12en Juni 1890 werd deze herziening bij de Tweede Kamer ingediend; doch eerst den Sisten Januari 1891 verscheen het Voorloopig Verslag. Haast maakte men er dus niets mede. Erkend moet worden, dat de Kamer door tal van regeerings-ontwerpen, waaronder hoogst belangrijke, de handen vol had; doch bij eenigen goeden wil zou het Voorloopig Verslag toch wel tijdig genoeg kunnen vastgesteld zijn om het wetsontwerp vóór de verkiezingen van 1891 te kunnen behandelen. Aan dien goeden wil ontbrak het echter bij onze Volks-vertegenwoor-diging; waardoor de vaccine-wet bij het uiteengaan der Tweede Kamer tot het groot aantal onafgedane wetsontwerpen behoorde, die — naar het nieuwste constitutioneele beginsel, dat s/uiting sluiting is! — door het Ministerie Van Tienhoven werden ingetrokken.

Do vaccine-wet is alzoo van de baan; doch daarmede is de heteelcenis van de daad der indiening en van het wetsontwerp met de daarbij be-hoorende stukken niet verdwenen.

Wal stelde de Minister voor? Wenschte hij, dat de Eegeering zich

-ocr page 31-

in. \'t geheel niet met de vaccinatie inliet ? Integendeel. Hij plaatste zich op het standpunt, door den Minister Geertsema in 1872 ingenomen , doch waarvan deze Bewindsman zich door het bekende amende-ment-GoDEFEOi c. s. had laten af brengen.

De Minister Lohman had er, zooals het in zijn Memorie van Toelichting luidde, naar gestreefd een zoodaniye tvijzigimj voor te. dragen, dat de vrijheid van hen, die werJcelijk ernstige bezwaren tegen de koepok\' inenting hebben, volkomen wordt gewaarborgd, maar toch de aandrang tot het toepassen der inenting, die gelegen is aan het verbinden van deze aan den toegang tot de school, behouden blijve.

Art. 17 toch zou, ua de herziening van den Minister Lohman, aldus luiden:

«Onderwijzers, onderwijzeressen, kweekelingen of leerlingen worden niet in de scholen toegelaten, tenzij

a. óf, blijkens verklaring van een geneeskundige, met goed gevolg of meer dan eens de inenting der koepokken door hen is ondergaan;

h. of zij, blijkens verklaring van een geneeskundige, aan de natuurlijke kinderpokken (variolae) hebben geleden j

c. óf, wanneer het meerderjarigen betreft, door dezen zeiven en, wanneer het minderjarigen betreft, door de ouders of voogden van dezen, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, aan den burgemeester der gemeente waar de school zich bevindt waarin toelating verlangd wordt, is verklaard, dat tegen de toepassing of (zoo reeds zonder goed gevolg mocht zijn ingeënt) herhaling der koepok-inenting op hen zei ven of op de onder hunne zorg staande minderjarigen, bezwaar bestaat; van welke verklaring de burgemeester op verzoek van belanghebbenden een schriftelijk bewijs afgeeft. De vorm en de plaats en wijze van inlevering, bewaring en teruggave van de onder a en h bedoelde verklaringen en van het bewijs, bedoeld onder c, worden bij algemeenen maatregel van bestuur geregeld.

«Onder scholen verstaat dit artikel scholen van voorbereidend onderwijs, met inbegrip van kinderbewaarplaatsen; scholen van lager onderwijs; scholen van middelbaar onderwijs, met uitzondering van de Polytechnische school; en scholen van hooger onderwijs, voorbereidend tot universitair onderwijs.quot;

De Memorie van Toelichting, welke bij het wetsontwerp gevoegd was, deed duidelijk zien welke de bedoeling van dit nieuwe artikel was.

Bevordering der vaccinatie, maar geen dwang.

Waarom bevordering ? De Minister lichtte dit aldus toe:

«Daar naar de meening van deskundigeu de volksgezondheid in

-ocr page 32-

26

liet algemeen door eeue goede toepassing der vaceinatie gebaat wordt, kan bevordering der vaccinatie geacht worden op den weg der Kegeering te liggen in dien zin, dat de Regeering zooveel mogelijk, door subsidiën aan vaccinatie-parken als anderszins, de kweeking naar wetenschappelijke voorschriften van deugdelijke koepokstof en het gebruik maken daarvan in de hand werke, althans zoolang dit van deskundige zijde wordt aanbevolen. Door aan subsidiën voorwaarden te verbinden, kan de Regeering in die richting werkzaam zijn. Zij kan er toe medewerken , dat vooral gelegenheid zij gevaccineerd te worden onder de meest mogelijke waarborgen tegen schadelijke gevolgen daarvan.»

Divantj mocht in dit opzicht niet bestaan.

(i Reeds hierom niet, omdat over het nut en de goede werking dei-inenting tusschen deskundigen van naam nog steeds groot ^ erschil van gevoelen bestaat, al verklaart zich ook verreweg de meerderheid voor die kunstbewerking. De Regeering voegt het niet te bepalen welke leer voor orthodox moet worden gehouden en de ingezetenen te dwingen zich daaraan te onderwerpen. Zij gaat zeker ver genoeg, indien zij zonder aanwending van dwang de koepokinenting be\\ or-dert. Daarbij komt, dat zeer schadelijke gevolgen van de vaccinatie mogelijk zijn eu ook bij de meest zorgvuldige behandeling zijn voorgekomen. In het buitenland gaf dit reeds tot Regeeringsmaatregelen aanleiding. De beste inrichting der vaccinatie zal die schadelijke gevolgen niet altijd kunnen voorkomen. Reden te over dat hier van dwang geen sprake mag zijn, maar de keuze van al of niet gevaccineerd te worden, aan de ingezetenen zei ven onder eigen verantwoordelijkheid moet worden overgelaten.»

Geen dwang, óók al kon worden aangenomen, dat inenting een absoluut voorhehoedmkldél was.

«Aan de Regeering komt de vrije beschikking over het menschelijk lichaam niet toe, zelfs niet al is zij overtuigd dat die beschikking enkel ten bate van dat lichaam komt. Misschien ware die dwang nog verdedigbaar indien Viewezen ware, dat een niet-ingeënte .n die mate gevaarlijk was voor zijne omgeving, dat dwang tot verzekering der openbare gezondheid onvermijdelijk ware. Dit is echter nimmer op eenigszins afdoende wijze bewezen. Een oningeënte moge meer dan een ingeënte vatbaar zijn voor de pokziekte, ge\\ aai lijk woidt hij eerst, nadat hij die ziekte heeft eu ook dan slechts voor hen, die het voorbehoedmiddel niet wenschen te bezigen.»

Al deze beginselen zijn tot zekere hoogte ten onzent erkend.

«Althans heeft de wetgever zich niet de macht durven toekennen

-ocr page 33-

om personen huns ondanks in te enten en evenmin om allen op strafte van boeten te noodzaken zich te doen inenten. Maar wel heeft men den ouders en verzorgers de verplichting opgelegd om de onder hunne zorg staande schoolgaande kinderen te doen inenten. Zelfs voor kinderen, waarvan de geneesheer verklaart dat de inenting voor hen gevaarlijk is, laat de wet geen uitzondering toe. Bij niet-gehoorzaamheid komt de straf ten slotte evenwel niet neder op de ouders, doch op de kinderen, en wel doordat dezen gedwongen worden de school te verzuimen. Dit is wel het omgekeerde van het beginsel van leerplicht. Slechts de meergegoeden, die in staat zijn huisonderwijs te bekostigen, bezitten het middel om aan de straf op niet-inenting te ontsnappen.»

Deze toestand, luidde het vervolgens in de Memorie, mag niet worden bestendigd. «Tegen het bevorderen van de inenting bestaat bij de Regeering geen bezwaar, mits men zich van allen directen of indirecten dwang onthoudt.-»

Doch nu de practijk. Kon het denkeeld: bevordering zonder dwang worden uitgevoerd ? De Minister deelde in zijn Memorie mede:

«De geneeskundige inspecteurs en adjunct-inspecteurs hebben zich verklaard tegen eene wijziging van het tegenwoordige artikel 17 dei-wet in facultatieven zin, omdac dan het aantal niet-gevaccineerden, naar zij meenden, zou toenemen, hetgeen zij in het nadeel van de volksgezondheid achtten; alsmede omdat zij vreesden, dat, liet men hen die bezwaren tegen de koepok-inenting hadden, vrij, velen uit zorgeloosheid, onverschilligheid of luiheid de koepokinenting zouden verwaarloozen.»

De Minister betoogde echter, dat aan die klip door het nieuwe artikel 17 was ontzei ld:

«Aan deze laatste klip ontzeilt het voorgedragen artikel.

Wordt toegang tot de school gevraagd zonder vaccinatie of zonder aan de pokkeu te hebben geleden, dan zullen, indien het minderjarigen geldt, de ouders of voogden, of, indien het meerderjarigen geldt, deze zelve persoonlijk, mondeling of schriftelijk aan den burgemeester moeten verklaren, dat zij tegen de toepassing der koepokinenting op den persoon, wiens toelating het betreft, bezwaar maken-Het is zeer onwaarschijnlijk, dat zoodanige verklaring zou worden afgelegd ook door die personen, bij wie werkelijk geene ernstige bezwaren bestaan; zenden zij hunne kinderen zonder «pokkebriefje» naar school, dan worden zij terstond evenals thans door den onderwijzer op hunne verplichting opmerkzaam gemaakt.

Het gevolg van het herziene artikel 17 zal dus evenals van het

-ocr page 34-

28

bestaande artikel zijn eene ruime toepassing der koepokinenting,

maar tevens zal door de herziening aan hen, die ernstige bezwaren tegen de koepokinenting hebben, niet langer de toegang tot de school worden ontzegd, waaropzij krachtens de Nederlandsche wetten recht hebben.»

Ten slotte wenschte de Minister ook geen dwang bij de herinenting of re vaccinatie:

«Aan de belanghebbenden zelven of aan de ouders of voogden moet de beslissing blijven, of een persoon, bij wien de inenting naar het oordeel van den vaccinateur zonder voldoend gevolg is geweest, al dan niet aan eene tweede inenting of eene supplement-vaccinatie zal worden onderworpen. Hierbij mag evenmin als ter zake van eene eerste inenting eenige dwang van Eegeeringswege worden uitgeoefend. Daarom wordt in het voorgedragen artikel aan hen die, na reeds zonder goed gevolg te zijn ingeënt, bezwaar maken tegen herhaling der kunstbewerking, op dezelfde wijze vrijstelling verleend als aan hen, die ook tot de eerste inenting niet konden overgaan.»

Deze aanhalingen kunnen wellicht voldoende geacht worden om het standpunt van den Minister De Savornin Lokman duidelijk te doen ^

uitkomen.

Bevordering der vaccinatie van regeeringswege, daar de deskundigen haar noodig achtten voor de volksgezondheid. Doch geen dwang. Eerstens, omdat de deskundigen, met name in het buitenland, volstrekt niet eenstemmitj oordeelen over het nut van de vaccinatie, en dat voor de gezondheid schadelijke gevolgen van de inenting mogelijk zijn.

Maar bovenal, omdat der Regeering de vrije beschikking over het lichaam niet toekomt.

De ontvangst in de Kamer.

Dat de poging van den Minister De Savornin Lokman om den dwang af te schaffen steun zou vinden bij de meerderheid van de leden der Tweede Kamer, was niet te verwachten. Nu van de vaccine-quaestie een politiek vraagstuk was gemaakt, moesten al de liberalen, om zuiver in de leer te willen blijven, die poging wel bestrijden. En de rcomseh-katholieke Kamerleden, althans de meerderheid daarvan, hadden meer getoond te dezen opzichte aan de zijde van de liberalen te staan, dan dat zij voor de vrije beschikking over het lichaam iets gevoelden.

In het Voorloopig Verslag van de Tweede Kamer op het wetsont-

-ocr page 35-

werp werd dan ook medegedeeld, dat «door een minderheid van leden het voorstel der Regeering met ingenomenheid was ontvangen.» Onder die leden waren voorts nog persoonlijke voorstanders van de vaccinatie. De ingenomenheid berustte voorts niet bij ieder op dezelfde gronden; doch hoe dit zij, niet zonder talent werd door de minderheid het wetsontwerp verdedigd.

Enkele leden betoogden, dat het aanwenden van een voorbehoedmiddel tegen de pokziekte als een verzoeken van het Opperwezen moet beschouwd worden, welk bezwaar te ernstiger werd, nu tal van geneeskundigen de inenting beschouwden als «een hoogst gevaarlijke kwakzalverij.» Andere leden, zoo luidt het in het Voorloopig Verslag:

«Andere leden, die zich met het voorstel der Regeering ingenomen verklaarden, ofschoon zij schier zonder uitzondering persoonlijk voorstanders der vaccinatie waren, ja, deze zelfs een zegen noemden, wenschten ook niet op te komen voor de gemoedsbezwaren van hen, die in het aanwenden van een voorbehoedmiddel een verzoeken van het Opperwezen zagen; zulk een gemoedsbezwaar konden zij niet anders dan een wanbegrip noemen, al gaven zij niet toe, wat vaak is aangevoerd, dat het door toedoen van de agitatie van anderen zou zijn opgewekt. Wel echter had, zoo merkten zij op, een ander gemoedsbezwaar recht op eerbiediging. Het kon toch niet ontkend worden, dat aan de vaccinatie ernstige medische bezwaren verbonden waren; ouders, die op grond daarvan een gemoedsbezwaar koesterden om hunne kinderen te doen inenten, hadden recht te vorderen, dat daarmede rekening werd gehouden.»

Dat er ook onder de voorstanders van het wetsontwerp nog waren, die de vaccine-quaestie als een godsdienst-quaestie beschouwden, schijnt wel uit wat in het Voorloopig Verslag te lezen stond.

«Eindelijk wezen sommige voorstanders van dit wetsontwerp er op, dat, wordt niet getracht een middel te vinden, dat tegemoet komt aan den tegenstand van een belangrijk deel der bevolking — men herinnerde aan het bekende vaccinatie-petitionnement, en sedert was de tegenstand door den opgelegden dwang zeker toegenomen — er blijvend een twistappel zou bestaan onder de bevolking, die even als de schoolstrijd heviger zal worden, naarmate men er minder mede rekening houdt. Ja zooverre ware het de ernstige aandacht van de voorstanders van vaccine-dwang waardig, om althans op de hijzondere scholen, voor zooverre de besturen zulks verlangden, de vaccinatie niet verplichtend te stellen. Andere voorstanders van het wetsontwerp merkten op, dat ten deze geen onderscheid tusschen openbare en bijzondere scholen moet worden gemaakt.»

-ocr page 36-

30

Geen algeheels afschaffing derhalve van den dwang; alleen een tegemoetkoming aan de gemoedsbezwaarden.

Scherp en hevig werd het wetsontwerp door de meerderheid der Kamerleden veroordeeld. De indiening van het wetsontwerp heette een roelte-looze daad en een dreigend gevaar voor de volJcsgezondheid; afschaffing van dwang zou de scholen maken tot «hrandpunten van besmetting».

«.Zonder eenigen twijfel zou het getal der kinderen, die ingeënt worden, er belangrijk door afnemen. Door nalatigheid en vrees voor het lancet eensdeels, door het openzetten van de deur voor eene ongebreidelde agitatie tegen de vaccinatie, vooral door geestelijke leiders anderdeels, zou het gezegende voorbehoedmiddel tegen eene der afgrijselijkste ziekten, omtrent welks deugdelijkheid de overgroote meerderheid der deskundigen dezelfde meening is toegedaan, veel minder dan thans worden gebruikt. Als gevolg daarvan zou de verspreiding der pokziekte en de sterfte ten gevolge der pokken toenemen.»

Opmerkelijk , terwijl .Tenner beweerd had, dat zijn middel ahsoluut vrijwaarde tegen de pokziekte, verklaarden deze vereerders van.Tenner zich tegen de afschaffing van den dwang, juist omdat inenting geen absoluut maar een hetreJcJcelijlc voorbehoedmiddel is.

Voor de staatsrechterlijke bezwaren tegen den dwang gevoelden de bestrijders al heel weinig.

In het Voorloopig Verslag leest men:

a De bezwaren van staatsrechterlijken aard meenden zij van het minste gewicht te moeten achten, en bet mag voorzeker, zoo merkten eenige leden op, bevreemdend voorkomen, dat aan den Staat het recht tot bemoeiing met de gezondheid der ingezetenen op jeugdigen leeftijd ontzegd wordt van eene zijde, waar men, door den alge-meenen dienstplicht, aan dien Staat terzelfder tijd de bevoegdheid wil schenken over de vrijheid van volwassenen te beschikken en deze bloot te stellen aan den dood op het oorlogsveld.»

En nog veel minder voor de godsdienstige bezwaren:

amp;Ook de gemoedsbezwaren tegen de inenting, die men bij het af-deelingsonderzoek door enkelen hoorde inbrengen, achtten de bier-bedoelde leden niet van zóó ernstigen aard, dat daaraan ten koste van het leven van een aantal personen behoorde te worden te gemoet gekomen. Bij de enquête omtrent den vaccinatietoestand in Nederland, ingesteld door de Vereeniging van koepokinrichtingen in Nederland, is gebleken, dat het aantal van hen, die ernstige bezwaren van godsdienstigen aard tegen de vaccinatie hebben, gering is, terwijl

-ocr page 37-

31

zij bovendien bijna uitsluitend voorkomen onder de zeer onontwikkelden in enkele deelen van het platteland. Wilde men ze eerbiedigen, met evenveel recht zouden zij, die om godsdienstige redenen bezwaar maken tegen het dragen van wapenen, op eerbiediging van dat bezwaar kunnen aanspraak maken. Die gemoedsbezwaren komen overigens dikwijls niet spontaan uit het gemoed voort, maar worden — en dit noemde men een hoogst betreurenswaardig verschijnsel — versterkt of althans niet bestreden van de zijde van hen, die, zelve voorstanders der vaccinatie, wegens overeenstemming in godsdienstig geloof invloed konden uitoefenen op hunne minder ontwikkelde geloof sgenooten.»

Niet onhandig, in verband met de samenstelling van het Ministerie Mackay en van de Tweede Kamer, beriepen de tegenstanders van de afschaffing zich hierbij op wijlen het roomsch-kath. kamerlid Jhr. J. A. C. A. vax Nispen van Zevenaar, die bij de behandeling van het amendement Godefeoi c. s. den 21en October 1872 bet gewicht dei-gemoedsbezwaren ontkende.

Ten slotte werd door de tegenstanders geïnsinueerd, dat «ook de Regeering harerzijds de gemoedsbezwaren niet hoog schijnt aan te slaan» ; terwijl nog op zeer oppervlakkige wijze gepoogd werd, met een beroep op de uitspraak van een paar deskundigen in het buitenland den vaccine-dwang uit een geneeskundig oogpunt te verdedigen.

Doch genoeg uit het Voorloopig Verslag aangehaald om te doen zien, dat, zoo het wetsontwerp van den Minister Lohman in openbare behandeling ware gekomen, een zeer heftige bestrijding had verwacht kunnen worden. Intusschen — de meerderheid had in het Voorloopig Verslag ééne zinsnede doen opnemen, welke niet zonder beteekenis was. Daarin werd ul. erkend, dat zoo de medische bezwaren tegen den vaccine-dwang juist mochten zijn, dit tot onthouding van inenting zoude kunnen leiden zonder eenig verhand met de specifiek godsdienstige beginselen, die men was toegedaan.

Aan den Minister De Savornin Lohman stond het nu om aan te toonen, of inderdaad de medische bezwaren van dien aard zijn, dat afschaffing van den dwang noodzakelijk moest worden geacht. Slaagde daarin de Minister — dan zouden de tegenstanders van het wetsontwerp zedelijk verplicht zijn geweest zich aan de zijde van den Minister te scharen.

-ocr page 38-

32

Waarom geen dwang?

Een (jodsdienst-quaestie is van het vaccine-vraagstuk gemaakt. En het schijnt wel, dat men vooreerst niet genegen is het goede voorbeeld van het buitenland hier te lande te volgen. Immers, wie zal durven ontkennen, dat de Memorie van Antwoord op het Vooiioopig Verslag en vooral de Nota belangrijk is, óók en vooral omdat in beide Regee-rings-stukken helder en klaar wordt aangetoond, dat het vaccine-vraagstuk niet uit een godsdimsfiff maar uit een staatxrechtplijk en veel meer nog uit een sanitair oogpunt moet worden beschouwd ? En toch schijnen de gezaghebbenden er nog niet aan te denken zich tegen den dwang te verklaren.

Aan de lezers van de Nota het oordeel overlatende, of de medische bezwaren tegen do vaccinatie, daarin ontwikkeld, van dien aard zijn, dat zij tot onthouding van inenting zouden kunnen leiden, zal het hun toch zeker verwonderen, dat de pers aan dit allergewichtigste regeerings-stuk geen aandacht heeft geschonken. Het scheen wel, alsof men het wilde «doodzwijgen», om aldus aan de vaccine-quaestie het godsdienstig of politiek karakter niet te ontnemen. Alleen enkele anti-revolu-tionaire bladen hebben de belangrijkste mededeelingen uit de Nota overgenomen. De liberale en de roomsch-katholieke bladen onth elden zich daarvan. De Nota scheen derhalve alleen uit een godsdienstig of politiek oogpunt waarde te hebben; zóó althans zal wel geoordeeld hebben de groote menigte, die van het bestaan van een Nota hoorde maar niets van den inhoud te weten kwam. Als Bijlage hierachter gevoegd, is nu de Nota een publiek stuk geworden, waardoor ieder zich kan overtuigen, dat heel de Nota met godsdienstige of politieke quaesties niets te maken heeft.

Niet alleen de Nota, ook de Memorie van beantwoording op het Voorloopig Verslag der Tweede Kamer is belangrijk om de wijze, waarop de onderscheidene punten uit het Voorloopig Verslag besproken worden. De Minister Dk Savornin Lokman geeft in die door hem onderteekende Memorie de volgende toelichting op het

Standpunt, door de Regeering ten opzichte van de vaccinatie ingenomen.

«De onderstelling, «dat het de Regeering, die voortdurend den aandrang van enkel staatkundige geestverwanten over deze aangelegenheid te verduren had, voornamelijk te doen was, om daarover eene beslissing

-ocr page 39-

uit te lokken^, en dat daaraan de «weifelende houding» der Etgeering ten aanzien van het nut der vaccinatie zou zijn toe te schrijven, is onjuist. Ware zij gegrond, de Regeering zou getoond hebben den ernst barer roeping ten eenenmale te miskennen.

«Die «weifelende houding» beeft eene andere oorzaak, namelijk de vrees om van overheidswege in een wetenschappelijk vraagstuk in de eene of de andere richting te beslissen.

«Stond de Eegeering op dit oogenblik voor de vraag, of zij al dan niet propaganda behoort te maken voor de eene of andere geneeswijze, dan zou de ondergeteekende zich zonder twijfel tegen elke directe of indirecte Staatsinmenging verklaren. Doch voor die vraag staat zij niet meer. Si/nh hijkans mie eeuw Ik hier te lande van Bfgmingwege de raccinatie zóó zeer hrvo-nlerd, dal ferufjtreMen iij/mm onmogelijk wordt, zonderden srhijn te doen ontstaan, dat de vroegere goedkeuring ran het middel plaats heef! gemaakt mor afkeuring.

«Maar dien schijn moet eeuc Regeering, die te dien opzichte volkomen neutraal wil blijven, juist omdat zij tot oordeelen onbevoegd is, vermijden.

«Vandaar dat zij de vaccinatie, voor wie er van gediend is, steunen, en te gelijker tijd de volkomen vrijheid om er al dan niet van gebruik te maken, verzekeren wil.

«Op dit standpunt wensebt de Regeering te blijven. Doch nu in het Voorloopig Verslag de meening is uitgesproken, dat slechts bij «enkele staatkundige geestverwanten» der Regeering een aandrang om den dwang op dit gebied af te schaffen bestaat, wordt in eene Nota, die bij dit Verslag wordt overgelegd, liet een en ander medegedeeld, opdat de Kamer zou kunnen nagaan, door wie en o/t welke gronden, het nut der inenting betwijfeld of bestreden wordt. Zij zal daaruit ontwaren, dat meerdere deskundigen — daarmede worden niet bedoeld de geneeskundigen in liet algemeen, maar zij, die van de quaestie eene speciale studie gemaakt hebben —- het nut der inenting betirijfelen en zelfs de inenting bestrijden, op gronden enkel aan de zaak zelve ontleend.

«Indien achtenswaardige mannen, wier oordeel onverdacht en wier bekwaamheid onbetwist is, betoogen, dat de inenting enkel voor zeer korten tijd, en zelfs dan nog op geheel onvoldoende wijze, tegen de pokken beschermt; indien de inenting zelfs under de meest mogelijke, rn den regel niet eens aanwezige waarhorgen doodelijke gevolgen kan hehhen; indien niemand met zekerheid kan beweren, dat door inenting met koepokstof de ontwikkeling van schadelijke en gevaarlijke kiemen nimmer wordt opgewekt of bevorderd; indien de vermindering van het aantal zieken of overledenen aan pokken blijkbaar ook, zoo al niet uitsluitend verband houdt met bet streng isoleeren der zieken, betere ontsmettingsmiddelen en andere verbeteringen op hygiënisch gebied; _is

-ocr page 40-

34

liet dan niet hoog\' noodig, zich ernstig de vraag te stellen, of de wetgever in eene zaak van zoo betwistbare nuttigheid dwang aan de ingezetenen mag opleggen ? Maar indien omgekeerd tal van geneeskundigen, die meenen geheel op de hoogte te zijn van het vraagstuk, warme voorstanders zijn van het voorbehoedmiddel, past het dan de Regeering, die immers onbevoegd is tot het uitoefenen van geneeskundige praktijk of het geven van geneeskundig advies, indirect het gevoelen dier geneeskundigen te veroordeelen ? Is eener Regeering, die tusschen deze twee vragen gesteld wordt, eene andere dan weifelende houding geoorloofd ?quot;

De bezwaren van Staatarerhtelijlren aard werden door de meerderheid der Kamerleden licht geteld. De Minister merkte naar aanleiding daarvan op:

«.Over de grenzen der bevoegdheid der overheid in het algemeen zal de ondergeteekende geen debat openen. De stelling, dat men niet te gelijker tijd den algemeenen dienstplicht verdedigen en de verplichte inenting bestrijden kan, zou eerst kunnen worden toegegeven, wanneer het bewijs geleverd werd, dat zoowel in het eene als in het andere geval de gemeenschap zich enkel, of ook maar beter door vereenigd handelen tegen den vijand verdedigen kan. Ten aanzien van de wijze van \'s lands verdediging staat dit bewijs vast; ten aanzien van de inenting als middel tegen de pokken in geenen deele. Men kan beweren, dat inenting een goed voorbehoedmiddel is voor hem, die er van gebruik maakt; maar men bewijst niet, dat ter zelfverdediging gemeenschappelijke inenting vereischt wordt.»

Vooral belangrijk is, wat de Minister Loh.max van «de gemoedsbezwaren » zegt:

«De gemoedsbezwaren zijn door de Regeering niet te berde gebracht, eensdeels omdat velen daarvoor weinig schijnen te gevoelen, zoodra zij zeiven daarin niet deelen, anderdeels omdat hier te lande de voorstanders van den vaccine-dwang om ze te bestrijden vaak zeiven die bezwaren in het debat brengen. Daardoor wordt de aandacht van de quaestie zelve afgeleid en wordt een groot deel van hen, die het met die bezwaren niet eens zijn, voor de zaak zelve, de verplichte inenting, gewonnen. Nu evenwel uit dat stilzwijgen de gevolgtrekking wordt afgeleid, «dat ook de Regeering die gemoedsbezwaren niet hoog schijnt aan te slaan», mag een enkel woord niet achterwege blijven.

Het gewetensbezwaar waarop gedoeld wordt, is ongetwijfeld niet voorgewend en bestaat werkelijk. Anders zou het onverklaarbaar zijn dat ouders, liever dan hunne kinderen aan de kunstbewerking te onderwerpen, zich vele onkosten getroosten niet alleen, maar ook in strijd met het gevoelen hunner eigen geneesheeren, waaraan zij

-ocr page 41-

35

toch gewoon zijn, in andere gevallen hun vertrouwen te schenken, zich zeiven en hun kinderen aan gevaar blootstellen. Dat die bezwaren zouden worden aangewakkerd door voorstanders van den vaccine-dwang zeiven of door «geestelijke leiders» wordt vaak gezegd, doch door geen enkel feit gestaafd. Evenmin kan tegen het werkelijk bestaan van gewetensbezwaren als bewijs worden aagevoerd, dat de ouders dan toch ten slotte tot de vaccinatie overgaan.

Voor hen, die de middelen niet bezitten om hunne kinderen buiten de school op te voeden, staat geen andere weg open. Zij worden niet slechts geplaatst tusscben «hun beurs en hun geweten», iets wat reeds zooveel mogelijk behoort vermeden te worden, maar ook voor de keuze: inenting of geen onderwijs; eene keuze die, hoe zij moge uitvallen, met hun geweten in strijd komt. Ouders, die vreezen God te verzoeken door het aanwenden van een voorbehoedmiddel, achten zich niet voor Hem verantwoord, indien zij hunne kinderen in totale onwetendheid laten opgroeien. De wet, waarvan thans de wijziging wordt voorgesteld, dwingt hen om óf op de eene óf op de andere wijze hun geweten te verkrachten. Voegt zich nu hierbij de overtuiging, dat de aanwending van het middel gevaarlijk kan zijn voor het kind, dan wordt de moeilijkheid nog grooter. Hoe bitter moet het zelfverwijt zijn van ouders, die tegen hun eigen overtuiging in, zijdelings door vreemden gedwongen, hun kind de inenting hebben doen ondergaan, wanneer later ten gevolge dier operatie het kind, gelijk toch meermalen is voorgekomen, sterft of, wat vaak nog erger is, zijn leven lang ziekelijk blijft.

Voorzeker kan de wetgever niet voor elk gewenscht bezwaar, al is het nog zoo ernstig, uit den weg gaan. Somtijds is dit wellicht onmogelijk. Maar in elk geval wachte hij zich, licht over gewetensbezwaren heen te stappen, niet alleen uit eerbied voor «andersdenkenden)), maar ook uit staatsmanswijsheid. Wordt telkens en telkens de menschelijke wet hooger gesteld dan de «stem des gewetens», en op deze laatste, als op een verouderd bijgeloof, weinig of geen acht geslagen ; wordt de menschelijke wet en wettelijke dwang de eenige breidel voor \'s menschen doen en laten, dan gaat de Staat zijn ondergang te gemoet. Verlangt men daarentegen, gelijk ten onzent nog steeds het geval is, de stem des gewetens te eerbiedigen, dan behoort men niet zoo vaak eigen overtuiging tot maatstaf aan eens anders consciëntie aan te leggen, of als men zijn medemensch bezwaard ziet met bedenkingen, die men zelf niet begrijpt, of waarin men niet deelt, laatdunkend te spreken van «invloeden uitgeoefend op zeer onontwikkelden».

Niemand heeft het recht zijn gevoelen als onfeilbaar aan anderen

-ocr page 42-

30

op te dringen. De bedachtzame woorden van jhr. J. A. C. A. Van Nispen tot Sevenaer, aangehaald in het Voorloopig Verslag, verdienen ongetwijfeld zeer de overweging, maar niet minder verdient de aandacht hetgeen in dezelfde zitting, door den zoon van dien staatsman, jhr. mr. C. J. C. H. Van Nispen tot Sevenaer, is gezegd toen hij, opkomende tegen rechtsbeschonwingen van zijn medelid mr. C. J. A. Heydeneuck, zeide: «ik hecht bijzonder veel aan de eerbiediging zelfs van iedere godsdienstige opinie; ofschoon ik moet bekennen, dat daaruit in onze hedendaagsche maatschappij zeer moeilijke qnaestiën kunnen ontstaan, waarbij het Staatsbelang en de godsdienstvrijheid in conflict kunnen komen, zoodat het bijna ondoenlijk wordt eene goede oplossing te vinden. Intnsschen, wanneer het niet volstrekt noodzakelijk is, wil ik zelfs de individueele godsdienstigheid niet beperken. Nu vraag ik maar: verkeeren wij in zoodanig geval van noodzakelijkheid.....

«Ik zie, dat de Regeering het volstrekt niet noodig heeft geacht, de maatregelen in de wet voor te stellen, die de geachte voorstellers bij amendement daarin gebracht wensehen te zien (het tegenwoordig artikel 17).

«Zal ik nu minder vrijzinnig zijn dan de Regeering (de Minister Geeetsema) tegenover de godsdienstige bezwaren van anderen \'i Als dat niet volstrekt noodzakelijk is, wensch ik dat zeker niet te doen; nu zie ik die volstrekte noodzakelijkheid geenszins in,» waarna de spreker aantoonde dat de overige bepalingen der wet, inzonderheid die betreffende afzondering der patiënten, voldoende waarborgen opleveren.

In het Voorloopig Verslag werd erkend, «dat er vroeger gevallen «waren voorgekomen, waarin ten gevolge van niet voldoende voorzorgen «schadelijke gevolgen waren voorgekomen». De Minister antwoordde daarop:

«Dit kan veilig ietwat worden versterkt. Het is thans tusschen de geleerden buiten quaestie, dat het gebruik van gehumaniseerde pokstof zeer gevaarlijk kan zijn en zonder eenigen twijfel zware ziekten en dood kan teweegbrengen en heeft teweeggebracht. Even zeker is het, dat vroeger de noodige waarborgen voor de zuiverheid en ongevaarlijkheid der operatie ontbraken. Vroeger derhalve was zonder eenigen twijfel de bewerking verre van onschuldig. Toch heeft men geheel deze eeuw door steeds met dezelfde argumenten als nu gebezigd worden, alle bestrijders van de koepokinenting voorgesteld als onredelijke, bijgeloovige of roekelooze lieden, met wier gevoelen geen verstandig man, allerminst de Regeering, rekening had te houden. De «deskundigen» hebben dus destijds ongetwijfeld gedwaald.

-ocr page 43-

Zon thans dwaling bij hen ondenkbaar zijn ? Zon thans dwang mogen worden opgelegd, zonder dat de noodige waarborgen voor de zuiverheid en ongevaarlijkheid der operatie aanwezig zijn?»

Dat de Minister Lohman in het vaccine-vraagstuk geen godsdienst-qnaestie zag, blijkt uit hetgeen hij in de Memorie schreef naar aanleiding van een uitgesproken wensch om vrijheid te dezen opzichte te verlemen aan de bijzondere scholen. De Minister kon zich daarmede niet vereenigen.

Er wordt gesproken van het mciken van onderscheid tmschen bijzondere en openbare scholen. Dit vond echter lt;jeen bijval, en te recht. Voor verreweg de meesten is tegenwoordig de quaes tie niet eene godsdimst-q mest ie, maar eene hggiènische en eene staatsrechtelijke quaestie. Alleen hier te lande wordt zij steeds vastgeknoopt aan godsdienstige overtuiging of belijdenis. De vrijheid om eigen lichaam naar eigen inzicht te behandelen wordt niet enkel door de voorstanders van bijzondere scholen begeerd.

Uit het bovenstaande moge blijken, niet alleen wat de Minister met zijn wetsontwerp wenschte, — maar ook wat, met het oog op de roeping der overheid, tegen vaccine-dwang is in te brengen. Zeker pleit het niet voor een breede opvatting van haar taak, dat een zoo groot deel van de pers zich onthield van een bespreking over de hoogst belangrijke staatsrechtelijke beschouwingen, welke in deze Memorie voorkomen. Het schijnt wel, dat die pers aldus geredeneerd heeft: nu de heer De Savorxix Lohman is afgetreden als Minister, is ook de vaccine-quaestie van de baan. Is inderdaad zoo geredeneerd, dan heeft dit veel van een struisvogel-politiek, waartegen ieder kloek man, ieder voorstander van verlichting en waarheid behoorde op te komen.

Laat ons hopen, dat dit geschrift, dat vooral de hier volgende Nota aanleiding zal geven tot een ernstige gedachtenwisseling tusschen hen, die tot heden als voorstanders van den vaccine-dwang bekend staan.

-ocr page 44-

NOTA BETREFPENDE DE VACCINE, d)

Korte geschiedenis van het vaccine-vraagstuk.

§ 1. Tot juist hegrip van den tegenwoordiyen stand van het vaccine-vraagstuk en van den strijd tegen vaccinatie-dwang, zooals die in verschillende landen van Europa gevoerd wordt, is het noodzakelijk om in het kort de geschiedkundige ontwikkeling daarvan na te gaan.

Jenneh\'s uitvinding der koepokinenting als voorbehoedmiddel tegen de pokken heeft, van het oogenblik af, dat zij wereldkundig werd, bestrijding uitgelokt; immers reeds kort na de toepassing van het middel deden zich feiten voor, die .Tenner\'s verklaringen omtrent de absolute zekerheid van het middel tot voorkoming van een aanval der gevreesde ziekte en de volkomen onschadelijkheid daarvan logenstraften. Had men aan de bespreking van .Tenner\'s theorie den vrijen loop gelaten, totdat de twijfelachtige punten daarin tot nadere klaarheid waren gebracht, hadden vooral de Regeeringen zich onthouden van overdreven inmenging tot bevordering van de koepokinenting, totdat eene langdurige ervaring de juistheid van .Tenner\'s uitspraken had bevestigd, dan zou het de vraag zijn of het ooit tot invoering van den vaccinedwang zou zijn gekomen.

Noch het een noch het ander is evenwel geschied.

.Tenner kwam voor den dag met eene theorie, welker steekhoudendheid hij door talrijke proefnemingen (zoogenaamde variolous tests) meende te hebben bewezen en waaruit hij de stoutste gevolgtrekkingen meende te mogen afleiden.

(1) Die gedeelten uit de Nota, waarop het hij de bestrijdhuj van den vaccine-divany vooral aankomt, zijn c ar sief yedrukt. ff ïen het aan tijd mocht ontbreken de fjeheele Nota ivoordelijk na te gaan, die kan volstaan met het fjeeursiv eer de te lesen, waardoor de strekhiny van de Nota toch in hoofdzaak volkomen zal worden begrepen.

-ocr page 45-

30

Niet alleen beweerde Jenner, dat eene enkele inenting met koepokstof den mensch voor het gansche leven vrijwaarde tegen een aanval van -pokken, en dat eene algemeene toepassing van dit voorbehoedmiddel weldra de algeheele uitroeiing der ziekte zon ten gevolge hebben, maar nok dat aan de kunstbewerking geen enkel schadelijk gevolg verbonden was.

De voorbarige en overhaaste inmenging der Regeeringen tot bevordering der koepokinenting vindt dus eenerzijds verklaring iu de grwte verwachtingen, welke men van het voorbehoedmiddel koesterde, anderdeels in het feit, dat de pokziekte destijds eene ware volksplaag was, tot bestrijding waarvan allo middelen tot nog toe vruchteloos waren gebleken.

Het gevolg hiervan was, dat op de hier en daar voorkomende gevallen, waarin de koepokinenting schadelijke gevolgen had veroorzaakt, of waarin de ingeënten door de pokken waren aangetast en aan die ziekte waren bezweken, minder acht werd geslagen, en dat die feiten, voor zoover zij niet konden worden ontkend, werden toegeschreven aan eene gebrekkige uitvoering der kunstbewerking of wel aan het gebruik van onechte of bedorven koepokstof, terwijl zij, die op grond daarvan de deugdelijkheid van Jknner\'s theorie meenden te moeten betwijfelen, van vooroordeel en bijgeloof werden beschuldigd.

Toen in 1802 de aandacht van het Britsche Parlement op het belang der koepokinenting werd gevestigd, deelde de voorzitter der commissie, met het onderzoek naar de resultaten der koepokinenting belast, aan bet Lagerhuis mede, dat de uitkomst van bet onderzoek van dien aard was, dat, indien dr. Jennek\'s ontdekking daaraan nieuwen luister kon ontleenen, dit zeker bereikt was.

De gevolgen bleven niet uit. Aan het einde van het jaar 1802 werden stappen genomen, om door middel van vrijwillige bijdragen eene vereeniging op te richten, tot uitroeiing van de pokziekte, en den 3den Februari 1803 nam Jexner voor de eerste maal plaats op den presidentszetel der u Royal Jenuerian institution.quot; Deze vereeniging opende 13 vaccinatie-stations in verschillende buurten van Londen. Achttien maanden later kon de nieuwe vereeniging mededeeleu, dat zij 12 288 inentingen had verricht, terwijl het centraal bureau 19 352 glaasjes koepokstof naar de verschillende graafschappen van Engeland en naar het buitenland had afgezonden.

Men meene echter niet, dat de vaccinatie zich geleidelijk en zonder tegenstand uitbreidde, althans den 2den Juli 1806 stelde Lord Lans-downe, na zijn leedwezen te hebben uitgedrukt over de teruggaande beweging in het heilzaam gebruik der vaccine, aan het Lagerhuis voor, om aan den Koning een verzoekschrift te richten, waarin hem zou worden verzocht, om aan het »Royal College of Physiciansquot; een onder-

-ocr page 46-

zoek op te dragen naar den toestand dei\'koepokinenting in liet koninkrijk, en hun oordeel uit te spreken over den vooruitgang, die deze kunstbewerking had gemaakt, alsmede over de oorzaken, die de algemeene aanvaarding der koepokinenting hadden vertraagd.

Negen maanden verliepen alvorens het College of Physicians zijn rapport gereed had. In den aanhef luidt het: «Overtuigd van het belang van een onderzoek, dat zoowel het leven der individuen als de publieke welvaart omvat, had het (het College namelijk) alles in het werk gesteld, om het onderwerp volledig en onbevooroordeeld te onderzoeken. Het had zich persoonlijk tot elk der gelicentiëerde leden van het College gewend om inlichtingen; het had briefwisseling gevoerd met het «College of Surgeonsquot; te Londen, Edinburgh en Dublin; het had een beroep gedaan op de medewerking van de vereenigingen tot bevordering dei-koepokinenting om mededeeliug betreffende hare praktijk, de uitbreiding daarvan en het resultaat barer ervaring. Ook had het door openbare bekendmaking particulieren nitgenoodigd om alle inlichtingen te verstrekken , betreffende hunue persoonlijke ervaring.quot;

Het rapport eindigt met de verklaring, dat het College het zijn plicht acht, om de vaccinatie krachtig aan te bevelen; de leden waren tot deze slotsom gekomen, niet ten gevolge van eene vooropgestelde meening, doch na eene onpartijdige beoordeeling der hun voorgelegde feiten. Want indien het aantal voorstanders der vaccinatie vergeleken wordt met dat der tegenstanders, en de eerbiedwaardigheid, de belangeloosheid en de uitgebreide ervaring der eerstgenoemden, met de onvolledige verklaringen der laatsten, en wanneer men overweegt, dat velen, die eenmaal tegen de vaccinatie gekant waren, door latere proefnemingen zich hebben laten overtuigen, en thans tot de warmste voorstanders der vaccinatie behooren, dan schijnt de waarheid zoo onwrikbaar te zijn vastgesteld, als de aard van dergelijke vraagstukken slechts toelaat, zoodat het College verwacht, dat het publiek redelijkerwijze met vertrouwen den tijd mag te gemoet zien, dat alle tegenstand zal ophouden, en de gemeenschappelijke samenwerking van het menschdom er eindelijk in zal slagen om een einde te maken, zoo al niet aan het bestaan der pokken, dan toch althans aan de verwoestingen door die ziekte aangericht.

Uit deze aanhalingen uit het verslag van het «College of Physiciansquot; zou men geneigd zijn af te leiden, dat de resultaten der koepokinenting gebleken waren in alle opzichten schitterend te zijn, en dat de meening overeenkomstig welke de koepokinenting nadeelige gevolgen kan hebben en bovendien niet altijd tegen een aanval der ziekte beveiligde, gebleken was van grond ontbloot te zijn.

Daarom is het van belang den uitslag van het onderzoek der «Col-ege of Surgeonsquot; te vermelden; deze is als volgt: van de\' 104 381

-ocr page 47-

41

gevaccineorden worden 50 door de pokken aangetast; dit zijn alléén gevallen, die werden medegedeeld door de chirurgijns, die den patiënt zelf hadden ingeënt. Deze gevallen moeten zijn voorgekomen betrekkelijk kort na de vaccinatie, indien men bedenkt, dat Jbnner\'s eerste geschrift over de vaccinatie in 1798 uitkwam en de enquête in ISOö werd ingesteld. Wat de gevallen betreft, waarin de vaccinatie schadelijke gevolgen teweegbracht, deze; bedroegen 9ü in het geheel, waarvan OO met huiduitslagen en 24 met ontstekingen van den arm, waaronder 2 sterfgevallen. Voorts was gebleken, dat in de meeste graafschappen, waaruit men berichten had ontvangen, de vaccinatie zich uitbreidde, doch dat zij iu de hoofdstad afnemende was. De voornaamste oorzaken dier afneming zijn: slechte vaccinatie; voorbeelden van pokkengevallen na de vaccinatie, veronderstelde nadeelige gevolgen, agitatie tegen dc vaccinatie, volksvooroordeelen. Deze feiten, medegedeeld in het verslag van het College of Surgeons, zijn echter niet in het verslag der parlementaire commissie opgenomen en werden zoodoende aan de aandacht van het Parlement onttrokken. De heer Tebb, getuige voor de Engelsche vaccinatie-commissie van 1889, heeft hierop de aandacht gevestigd; zijne mededeelingen komen voor op blz. 150 en 151 van het derde rapport der getuigen verhoeren.

De gevolgen dezer enquête zijn bekend; Jexxer werd gedoteerd en de ojennerian Institutionquot; ontving eene jaarlijksche toelage uit \'s Rijks kas van 2000 pond sterling. Er moesten echter nog bijna 50 jaren ver-loöpen, alvorens men in Engeland tot de invoering van den vaccinatie-dwaug overging.

Een soortgelijk verloop had de vaccinatie in de overige Staten van Europa, met dit onderscheid, dat men er veel spoediger tot invoering van den vaccinatie-dwang overging. Ook daar werden proefnemingen gedaan, die niet altijd het gewenschte resultaat hadden, doch, evenals in Engeland, met groote luchthartigheid werden beoordeeld. In Zweden zag men er zelfs niet tegen op, om vroedvrouwen en kosters met de uitoefening van het vaccinatiebedrijf te belasten. In Zweden dagteekent de verplichte vaccinatie van 181(!, in Beijeren van 1805, in Pruissen van 1835, terwijl de indirecte bevordering van Jexxer\'s voorbehoedmiddel reeds plaats vond onmiddellijk nadat de eerste proefnemingen daarmede genomen waren.

Met de uitbreiding der vaccinatie namen ook blijkbaar de gevallen in aantal toe, waarin ge vaccineerden door de pokken werden aangetast. In welke mate dit verschijnsel zich voordeed, kan echter ten gevolge van de gebrekkige inrichting der statistiek dier dagen, niet nauwkeurig worden uitgemaakt.

Zeker is het, dat de sterfte aan pokken sedert de uitvinding der

-ocr page 48-

42

vaccinatie aanmerkelijk was «edaald, zoodat liet voor de hand lag, dat algemeen een oorzakelijk verband tusschen die beide verschijnselen werd aangenomen.

Van pen verdwijnen der pokken was evenwel geen sprake. Telkens ontstonden pokkenepidemieën, die ook in landen, waar de vaccinatie ruim werd toegepast, vele slachtoffers maakten, en waarvan dan weer eene verscherping van den vaccinatie-dwang het gevolg was.

De voorspelling van Jenner , de uitroeiing der pokken door middel van de koepokinenting, was dm niet uitgekomen.

In 1870 brak in Frankrijk eene pokkenepidemie uit, die zich over geheel Europa verspreidde en zoowel in landen met als zonder vaccinatie-dwang talrijke offers eischte, en opnieuw namen de wetgevers der verschillende Staten hunne toevlucht tot de verscherping van den inentingsdwang.

De strenge bepalingen der Engelsche en Duitsche wetten hadden intus-schen een verzet uitgelokt, dat voortdurend krachtiger werd. Daarbij had de epidemie van 1870/74 feiten (hevige pokkenepidemieën in landen, waar de vaccinatie veel was toegepast, en de talrijke ziekte- en sterfgevallen onder gevaccineerden van eiken leeftijd) aan het licht gebracht, die de waarde der koepokinenting als voorbehoedmiddel tegen de pokken en als middel tot voorkoming van epidemieën ten zeerste in twijfel stelden.

Het gevolg hiervan was, dat het vaccinevraagstulc opnieuw tot een voor-werp van onderzoek werd gemaakt.

Van alle kanten en uit alle tijden werden gegevens verzameld, die over het vraagstuk licht konden werpen. Van groot gewicht voor de beoordeeling van deu invloed der vaccinatie op de verspreiding der pokken en op de sterfte aan die ziekte, is het feit, dat sedert de laatste 30 jaren in vele landen nauwkeurige aanteekening werd gehouden van den vaccinatietoestand en den leeftijd der poklijders, zoodat men thans over een uitgebreid statistisch materiaal beschikt, waaruit men den histori-schen loop der pokziekte, na het in zwang komen der vaccinatie, vrij nauwkeurig kan bepalen.

De verzameling en bestudeering der feiten heeft twee gewichtige gevolgen gehad. Vooreerst zijn, voornamelijk in het buitenland, tal van autoriteiten op medisch en statistisch gebied, voorheen ijverige voorstanders der vaccinatie , na een grondig onderzoek der feiten, even besliste tegenstanders daarvan geworden. Ten anderen zijn zelfs vele besliste voorstanders der vaccine gedwongen geworden om hunne begrippen ten aanzien van den beveiligenden invloed der vaccine en van de onschadelijkheid der kunstbewerking op menig punt te wijzigen.

De wetenschappelijke grondslagen van .Tenner\'s theorie werden opnieuw onderzocht en op menige zwakke zijde daarvan gewezen. Eveneens

-ocr page 49-

43

werd opnieuw de aandacht gevestigd op de mogelijke directe en indirecte schadelijke gevolgen der koepokinenting voor de gezondheid van hen, die van dit voorbehoedmiddel gebruik maken. Niet alleen staat het thans vast, dat sommige ziekten door middel der vaccinatie van den eenen mensch op den ander kunnen worden overgeplant, vooral wanneer gehumaniseerde lymphe gebezigd wordt, doch sedert de jongste ontdekkingen op bacteriologisch gebied, hebben reeds hypothesen het licht gezien, volgens welke de vaccine een nadeeligen invloed op het organisme zon uitoefenen en het zou voorbereiden voor de ontwikkeling van andere ziektekiemen.

In Engeland, waar de tegenstand tegen den vaccinatie-dwang, ten gevolge van het cumulatieve boetensysteem met subsidiaire gevangenisstraf, zich het krachtigst openbaart, hebben zich allengs vereenigingen gevormd tot bestrijding van den vaccinatiedwang. Uit de kas dier vereenigingen worden de kosten bestreden, die uit de overtreding der wet van 1871 voortvloeien.

De tegemvoorduje toestand is dan ook feitelijk onhoudbaar; in vele plaatsen van Engeland wordt de n-et zeifs niet meer toegepast, omdat de dwang vrachteloos is ijebleken cn de varcinatie eerder af- dan toeneemt.

Deze feiten werden aan de Engelsche Vaccination Commission van 1889 medegedeeld door den heer William Thbb, president of the London Society for the abolition of compulsory Vaccination (zie 3de rapport der getuigenverhooren).

Ook de Enijehche staatsman John Bright heeft sich herhaaldelijk ia krachtige beivoordingen tegen de toepassing van den vaccinatie-dwang verklaard. Op id adz. 114 van het derde rapport iter Engelsche Vaccination Commission komen drie brieven voor, waaruit zijn omjvnstig oordeel over de Engelsche raccimdiewetten duidelijk spreekt. Hetzelfde geldt ten aanzien van Herbert Spencer, die in een brief aan den heer Tebb schrijft, dat, indien zijne gezondheid zulks toeliet, hij zich gedwongen zon gevoelen, om in zake de vaccinatie jetuiijenis af te leggen en nog verscheidene andere overwegingen onder de aandacht der commissie te brengen, dan die, welke de heer Tebb had aangevoerd.

De Regeering heeft, niettegenstaande nog in 1883 de motie van den heer Taylor, lid van het Lagerhuis voor Leicester, tot opheffing van den vaccinedwang met 285 tegen 10 stemmen verworpen werd, zich in 1889 gedwongen gezien tot het benoemen van eene Koninklijke commissie, welke belast werd met het onderzoek der vaccinequaestie in haar géheelen omvang. Dit onderzoek heeft reeds, blijkens de rapporten der getuigenverhooren, in drie dikke deelen verschenen, belangrijke resultaten opgeleverd.

Wat nu de vragen betreft, die zich ter beoordeeling van het nut der

-ocr page 50-

44

vaccinatie en van de wenschelijkheid tot handhaving van den vaccinatie-dwang voordoen, deze zijn de volgende :

Aan welke oorzaken moet de daling der pokkensterfte, welke in den hop dezer rouw wordt waanjenomen, worden toegeschreven, en is eene altjememe toepassing der vaccinatie voldoende om jiokkenepidemieën te voorkomen ?

2quot;. Is vaccinatie of vaccinatie en revaccinatie een beveiligingsmiddel tegen de pokken?

3°. Zijn de niet-ingeënten, meer in het bijzonder de niet-imjeénte kinderen een gevaar voor de ingeënten?

4quot;. Ts vaccinatie een beveiligingsmiddel tegen het sterven aan pokken ?

5quot;. Welke zijn de schadelijke nevolijen der inenting, en knnnen deze door inachtneming van gepaste voorzorgsmaatregelen voorkomen worden?

§ 2.

Historische loop der ziekte.

Z w ede n.

Ter beantwoording van de eerste vraag dient een onderzoek te worden ingesteld naar liet verband tnsschen de sanitaire wetgevingen, meer in het bijzonder wat betreft de bepalingen, die omtrent de vaccinatie gegolden hebben en den loop der pokziekte, in de verschillende landen van Europa. Betreffende den loop der pokziekte in de 17de en 18de eeuw en de sterfte, die zij veroorzaakte, zijn de gegevens te schaarsch en missen zij vooral die mate van betrouwbaarheid, welke tot het maken van gevolgtrekkingen onmisbaar is, dan dat met eeuige zekerheid kan worden vastgesteld of die ziekte in de laatste helft der vorige eeuw eenige neiging toonde om te verminderen. Betrouwbare sterfte-en ziekte-statistieken uit die dagen zijn niet voorhanden. Zeker is het, dat de pokken in de 17de en 18de eeuw algemeen verspreid waren en eene groote sterfte veroorzaakten, doch de vraag, in welke mate, te beantwoorden is ten eenenmale onmogelijk, want de cijfers, welke de schrijvers dier dagen omtrent de pokkensterfte hebben nagelaten, steunen niet op eene waarneming der feiten, doch op berekeningen, waarbij de sterfte in de groote steden als gemiddelde werd aangenomen, ten gevolge waarvan natuurlijk steeds te hooge uitkomsten werden verkregen. Daarbij komt nog de omstandigheid, dat jarenlang, onder andere te Londen en ook in Zweden, de sterfgevallen aan andere infectieziekten, zooals mazelen en roodvonk, met die aan pokken onder dezelfde rubriek werden vermeld, zoodat hierin eene nieuwe bron van dwaling gelegen is.

-ocr page 51-

45

Rcmlplepgt men evenwel de Zweedsche pokkenstatistiek, (1) die algemem voor de meest betrouwbare wordt yehouden, dan blijkt, wanneer men het tijdperk van 177(5—1800 in öjarifje perioden verdeelt, dar de sterfte cum pokken (2), met uitzondering van de laatste periode —1800, regelmatig afneemt, niettegenstaande dit tijdperk de bloeitijd der inondatie is, en deze kumtbewerking, hoewel zij individueele bescherming verleende, toch niet weinig bijdroeg om de pokken onder het niet beschermde deel dei-bevolking te verspreiden.

Het is dus niet onmogelijk, dat reeds toen ter tijde invloeden werkzaam waren, die zich op de daling der pokkensterfte deden gevoelen, en die zich eei-st met de invoering der vaccinatie en het daarbij in onbruik raken der inoculatie, merkbaar deden gelden.

Hoe dit zij, men kan niet aannemen, dat de plotselinge daling, die in 1802 in de pokkensterfte in Zweden plaats greep, moet worden toegeschreven aan koepok-inentingen, die in den loop van het vorige jaar werden verricht; daartoe waren deze te gering in aantal.

Ook het betrekkelijk laag blijven der pokkensterfte gedurende de tien eerstvolgende jaren, kan niet uitsluitend op rekening der koepokinenting worden gesteld, indien men bedenkt, dat gedurende dat tijdperk jaarlijks gemiddeld niet meer dan der pasgeborenen werden ingeënt, terwijl het totaal aantal inentingen nimmer meer dan 25 000 \'sjaars bedroeg.

De meening, dat de plotselinge daling der pokkensterfte in 1802 moet worden toegeschreven aan de toepassing der vaccinatie, is dan ook reeds sedert ger uimen tijd opgegeven, en ook op het Medisch Congres te Eisenach in 1879 werd de onhoudbaarheid daarvan duidelijk aangetoond.

Eerst van af 1810 ontstaat de mogelijkheid, dat de inenting invloed gaat uitoefenen op de pokkensterfte. In dat jaar stelt liet Collegium Medieum den Koning voor om te bepalen, dat in het vervolg de kinderen niet op de scholen zouden worden toegelaten, geen landsbetrekking zou worden opgedragen en geen huwelijksakten zouden worden uitgereikt, dan na overlegging van een vaccinebewijs, voor zoover de belanghebbende niet de natuurlijke pokken had gehad. Tevens legde dit

(1) Db cijfers voor Zweden zijn ontleend aan de: „Beitrüge zur Benrtheilung des Nulzens der Schutzpockenimpfung, bearbeitet im Kaiserlichen Gcsundheitsamte. Berlin 1888quot;.

(2) sterfte per 100 000 inwoners, van 1776—1780 ....... 274,4

„ 1781—1785 ....... 233,3

„ 1786—1790 ....... 191,5

„ 1791—1795 ....... 160,2

„ 1796-1800 ....... 201,5

-ocr page 52-

46

college den Koning een uitgebreid inentingsreglement voor, dat weldra de koninklijke goedkeuring verkreeg en nog hetzelfde jaar in werking trad.

Dientengevolge nam het aantal inentingen toe. De pokkensterfte onderging eene geringe daling. In het jaar 1816 wordt de inentingsdwang ingevoerd.

Volgens art. 1 van het reglement wordt de inenting voor alle inwoners van het Rijk verplichtend gesteld, voor zoover zij niet de natuurlijke pokken hebben gehad. Wederspannigen en ouders of voogden van kinderen, die niet binnen de eerste twee levensjaren zijn ingeënt, worden, na voorafgaande waarschuwing en na verzuim der inenting binnen een daartoe vastgestelden termijn, met eene geldboete bedreigd. In geval van nalatigheid tijdens het heerechen eener pokkenepidemie, worden de aan de armen opgelegde geldboeten verdubbeld en bij wanbetaling door gevangenisstraf vervangen.

Hiermede was de inenting, bijzonderlijk voor kinderen beneden den tweejarigen leeftijd, verplichtend gesteld. Er heeft dan ook eene aanzienlijke uitbreiding der inentingen plaats. De sterfte aan pokken neemt tot aan het jaar 1S24 regelmatig af, zoodat die in 1823 1,4 per 100 000 bedraagt. Doch wat geschiedt in 1824? De sterfte stijgt plotseling tot 22,6, bedraagt de 3 volgende jaren respectievelijk 44,9, 22,3 en 21,2 per 100 000 inwoners, rijst na eene kortstondige daling gedurende de jaren 1828, 1829 en 1830, in 1831 weer tot 21,1 en bedraagt, achtereenvolgens 21,3 38,7, 35,2, 14,8, totdat de sterfte in 1838 tot 58,3 en in het jaar daarop tot 62,1 stijgt. Hierop volgt een tijdperk van buitengewoon lage sterfte, dat tien jaren aanhoudt, doch in 1850 breekt opnieuw eene epidemie nit, zonder dat daarvoor eene verklaring is te vinden in de vermindering der vaccinaties.

In 1850 sterven aan pokken 39,5 per 100 000 inwoners. » 1851 » » » 70,7 » » » » 1852 » » » 43,3 » » »

Sedert de invoering van den inmtingsdtvann, in 1810, derhalve in 37 jaren tijd*, hadden dus 4 epidemieën ueheerscht, die telkens een yruoter aan tal slachtoffers hadden geëischt. In de jaren:

1824, 1825, 1826, 1827, 3086 sterfgevallen.

1831, 1832, 1833, 1834, 3428 »

1838, 1839, 1840, 4389 »

1850, 1851, 1852, 5398 »

Deze laatste epidemie gaf den Rijksstanden aanleiding, om in een schrijven aan den Koning, de mndacht te vestigen op de behoefte aan strengere lieveitigingsmaatregelen, ten gevolge waarvan het collegium medirum de opdracht ontvangt om een nieuw reglement voor de koepokinenting te ontwerpen.

-ocr page 53-

47

Dit komt in 1853 tot stand. Het sluit zich in hoofdzaak aan bij het reglement van 181(!, doch stelt strengere dwangmaatregelen vast, in den vorm van hoogere geldboeten, en bepaalt bovendien in art. 2, dat niemand in de openbare scholen, inrichtingen van onderwijs of opvoedingsgestichten mag worden opgenomen, dan na het bewijs geleverd te hebben, dat hij de pokken heeft gehad of met goed gevolg ingeënt geworden is, of dat, na hoogstens 5 jaar te voren door een bevoegd persoon te zijn ingeënt, de pokpuisten niet zijn opgekomen.

Dorh ondanks dit alles steekt in 1857, vier jaren na de inwerkingtreding van het nieuwe reglement, de polcziekte het hoofd weer Oj).

Van 1857—18(gt;1 bedraagt de jaarlijksche sterfte respectievelijk weer 15,2, 34,5, 38,8, 18,3 per 100 000 inwoners, van 1804—1871, 1K,2, 32,5, 29.3, 25,3, 34,2, 35,4, 18,3 per 100 000 inwoners. In 1873 breekt opnieuw eene epidemie uit, die tot 1870 duurt en respectievelijk 20,1, 93,6 en 40,1 slachtoffers per 100 000 inwoners maakt. Er stierven in die drie jaren 7204 menschen aan pokken; nadat 59 jaren lang de verplichte inenting had bestaan, was dit de hevigste epidemie, welke in dit tijdperk was voorgekomen.

In 1875 echter komt eene wet tot stand tot voorkoming van de verspreiding van besmettelijke ziekten. Deze wet verscherpt niet de maatregelen ter hevordering van de inenting, doch stelt de afzondering der lijders verplichtend. In de steden is elk poklijder, die te huis niet afzonderlijk verpleegd kan worden, verplicht, om zich naar het hospitaal voor besmettelijke ziekten te doen transporteeren. Maatregelen roor ontsmetting worden ten koste der gemeente ten uitroer gebracht. Alle steden zijn verplicht hunne bijzondere hospitalen voor epidemische ziekten te hebben.

De kleine steden kannen volstaan met het huren van appartementen voor dit doel bestemd, mits deze aan het doel beantwoorden en afzonderlijk gelegen zijn.

In 1877 daalt de pokkensterfte tot 8,0 en blijft dalen, totdat zij in 1883 het lage cijfer van 2,7 per 100 000 inwoners bereikt. Sedert 1874 heeft zich in Zweden geen pokken-epidemie meer voorgedaan.

§ 3.

Eng-eland.

Ten aanzien van het verband tusschen de verplichte vaccinatie en het sterftecijfer der pokken, gelijk zich dit in Engeland (1) heeft vertoond, kan het volgende worden medegedeeld.

(1) Pe cijfers en beschouwingen zijn ontleend aan de mededeeliiigcii van dr. l\'re Lekort, die de officieele statistische gegevens gebruikte. Lefort is een voorstander der vaccinatie, doch een verklaard tegenstander van den dwang.

-ocr page 54-

48

Tot het jaar 1840 bepaalde de inmenging van liet Parlement zich tot het verleenen van een jaarlijksche subsidie van 2000 pond sterling aan de jgt;National Vaccine-Establishmentquot;. Van 1837—40 waren 3(5 000 menschen aan de pokken gestorven of wel eene gemiddelde jaarlijksche sterfte van 9000, waarvan 3/t kinderen beneden den 5-jarigen leeftijd, bijna alle ongevaccineerd. Tn 1840 verklaarde het Parlement, dat alle ingezetenen zich gratis konden laten vaccineeren, indien zij zich daartoe opgaven bij de burgerlijke autoriteiten in de gemeenten van Engeland of Wales, zonder dat eene dergelijke aanvrage als een bewijs van armlastigheid zou worden aangemerkt. In 1842 en 1843 werd de gelegenheid tot vaccineeren opnieuw vergemakkelijkt door de wet, getiteld: act to extend the practice of Vaccination.

Niettegenstaande de verschafte faciliteiten werd de vaccinatie toch zeer verwaarloosd, want van 1842—52 hadden de van Regeeringswege aangestelde vaccinateurs (public vaccinators) op 568 811 geboorten slechts 180 000 kinderen beneden het jaar gevaccineerd of 31 percent. Te gelijker tijd was de sterfte aan pokken aanzienlijk. In 1847 telde men 4237 sterfgevallen aan pokken.

Men achtte het daarop wenschelijk de vaccinatie verplichtend te stellen. De wet kwam in 1855 tot stand en was getiteld: »Act to extend and make compulsory the practice of Vaccinationquot;. Tn 1854 werden van 023 699 kinderen in dat jaar geboren 408 824 of 65 percent ingeënt; eene aanzienlijke uitbreiding derhalve. Doch reeds het volgende jaar doet de tegenstand tegen de wet zich gevoelen en daalt liet cijfer der ge vaccineerden tot 58 percent der geboorten.

Nadat de wet van 1855 ontoereikend was gebleken, verving het Parlement alle voorafgaande regelingen door eene nieuwe wet van 1 Januari 1856, waarbij de vaccinatie verplichtend werd gesteld, niet slechts voor kinderen, maar ook voor volwassen personen.

Die wet van 1855 kwetste nog heviger dan de vorige den onafhankelijkheidszin der burgers, omdat zij de ouders noodzaakte, niet slechts hunne kinderen, maar ook zich zeiven te laten vaccineeren. De tegenstand tegen de verplichte inenting nam toe.

In 1853 toen de vaccinatie voor volwassen personen nog facultatief was, waren er in Engeland 109 120 vaccinaties verricht van personen boven den tienjarigen leeftijd; de wet van 1855 maakte de vaccinatie verplichtend voor de volwassenen en het cijfer daalde in 1856 tot 84 165.

Den Isten December 1859 gaf de Privy Council, getroffen door de machteloosheid der wet, bevel tot een onderzoek naar den vaccinatie-toestand van 41 gemeenten, ten einde zich te overtuigen, hoe de wet werd uitgevoerd. Uit het verslag, uitgebracht door John Simon, bleek,

-ocr page 55-

49

dat men ev in vele gemeenten slechts in geslaagd was om Va, somtijds 1/4, Ve 0\' Vs der kinderen te vaccineeren.

Den öden Februari 1804 liet hot Lagerhuis een rapport drukken ever de jaarlijksche sterfte aan pokken ouder kinderen beneden den 5-jarigen leeftijd in de (!27 vaccinatie-districten. Die sterfte, berekend per 100 000 levenden, bleek te zijn als volgt: in meer dan de helft der vaccinatiedistricten een pokkensterfte, hooger dan de gemiddelde pokkensterfte in de groote steden van Frankrijk, alwaar de vaccinatie vrijwillig is; in bijna 40 dier districten, een tienmaal hoogere sterfte dan in Frankrijk; in een dier districten is de sterfte zoo hoog, dat zij, berekend naar de Parijsche bevolking, 11 000 sterfgevallen \'sjaars bij deze zou bedragen. Dit was in 1804 het resultaat der wet, tien jaar te voren aangenomen, en die de vaccinatie niet slechts verplichtend stelde voor de kinderen, maar ook voor volwassen personen.

De voorstanders van den vaccine-dwang meenden de gebrekkige uitkomsten van de wet te moeten toeschrijven aan de onvolledige inrichting der vaccinatiestations en aan eene onzorgvuldige uitvoering der kunstbewerking. In 1807 nam het Parlement eene nieuwe wet aan (de zesde) getiteld: Wet ter aanvulling en bekrachtiging der wetten betrekking hebbende op de vaccinatie. Deze wet bracht niet de minste verandering iu de beginselen van de wet van 1855, alleen vermeerderde zij het aantal vaccinatiestations en stelde dit vast op 1749, regelde den werkkring der gemeentelijke autoriteiten, de bezoldiging der vaccina tours, terwijl het Parlement eene som van ƒ.34 413 \'sjaars ter beschikking stelde van den Privy Council, welke gevoegd bij uitgaven der gemeenten bestemd was voor supplementaire belooningen der vaccinateurs. De pokken breidden hunne verwoestingen uit. Terwijl de sterfte in 1867, vóór de inwerkingtreding der nieuwe wet 2407 gevallen bedroeg, steeg die in 1870 tot 2547 gevallen. Men deed opnieuw een beroep op het Parlement. De wet van 1807 werd verbeterd, en eene 7de wet, die van 21 Augustus 1871, welke in 1872 in werking trad, onderging eene nieuwe wijziging in 1874. De vaccinatie wordt kosteloos gesteld; zij blijft verplichtend op dezelfde voorwaarden der wet van 1855.

De Local Board of Guardians, welke in elke stad de openbare armenzorg vertegenwoordigt, bepaalt het aantal en de uitgestrektheid der vaccinatiedistricten en benoemt den vaccinateur. De Board of Guardians bezit ook het recht om de wederspannigen voor den rechter te dagen. De boete is telkens ƒ 12.

In 1871 werd het vasteland van Europa door de pokkeu geteisterd. Pruisen komt niet vrij. Maar Engeland verkeerde niet in staat van oorlog; het was niet overvuld met zieken en gewonden; de zaken gingen hun geregelden gang. Afgesloten van het continent, was het 17

4

-ocr page 56-

5(1

jaren lang beschermd door de verplichte vaccinatie. Er stierven desniettemin in die twee jaren 1871 en 1872 42 084 personen, en dit niet in het Vereenigd Koninkrijk, maar in Engeland alleen. Toen de pokken in liet jaar 1871 duizenden slachtoffers maakten, gevoelde men de behoefte om toch iets te doen, en de Medische afdeeling van den Privy Council ried de plaatselijke besturen aan om, steunende op de bepalingen der Nuisances Removal acts van 1855, 18(50, 1863 en 1860 de afzondering der poklijders, de ontsmetting der huizen en van het huisraad voor te schrijven.

Te Londen, waar de vaccinatie op vrij uitgebreide schaal werd toegepast, werden nagenoeg geene voorzorgsmaatregelen tegen de verspreiding der pokken genomen.

Het Metropolitan Asylums Board ging daarom over tot de oprichting van 5 hospitalen voor besmettelijke ziekten.

Niettegenstaande de verplichte inmtiiuj, niettegenstaande deze nfzonderiny der lijders in de hospitalen, zetten de poli hen h unne verwoestingen te Londen voort. In 1884 waren 123(5, in 1885 141!) memchen aan de polken gestorven. Maar op dit tijdstip werd eene radicale wijziging tet stand gehracht in de behandeling der poklijders in de hospitalen. De Metropolitan Asylum Board koopt in 1884 3 schepen aan, de Atlas, de Endymion en de Cas-talia. Men liet op het (lelt houten paviljoens oprichten. De schepen teerden gestationeerd op 5 mijlen af stands van Londen; drie stoombooten, daartoe expresse lijk ingericht, onderhielden de gemeenschap tiisschen de stad en de hospitaal schepen.

Dit afzonderingssysteem heeft naar het oordeel van het Parlement zulke merkwaardige resultaten afgeworpen, dat het nuttig geoordeeld werd om den maatregel ook van toepassing te verklaren op de lijders, die te huis verpleegd werden.

Den \'ÜOsten Augustus: 1889 werd eene wet uitgevaardigd, getiteld: ygt;Infections diseases Notification Act». Deze wet legt, op straffe van één pond boete, aan de ingezetenen en de geneesheer en de verplichting op, tot aangifte van de gevallen, die voor overbrenging vatbaar zijn, in hunne woning of praktijk voorkomende.

De sterfgevallen aan pokken bedroegen in:

1884

1236 of 300

per

millioen

inwoners.

1885

1419

»

345

»

ygt;

1886

24

6

»

»

»

1887

9

»

2

))

»

1888

9

»

2

»

1889

1

0,2

»

-ocr page 57-

51

§ 4.

Duitschland.

Om pen oordeel te hvivten rellen over den invloed der racriiuitie in Duitschland (1), moet men niet uit het oo// verliezen, dat de vaccinatie hij de wet verplichtend is gesteld, in Beijeren sedert 1807, ia Sleeswijk-Holstein sedert 1811, in Nassau sedert 1820, in Hannover sedert 1821, in Hessen sedert 1828. Wanneer men over Pruisen spreeid, is men gewoon slechts de wet van 1874 aan te halen en schijnt men te vergeten, dat het Koninklijl; besluit van 8 Aug ast as 1835, liet u-elk ten doel had om door sanitaire maatregelen de verspreiding van besmettel jke ziekten te beperken, de strengste maatregelen voorschreef tegen de verspreiding der pokken; voorts dat de vaccinatie en revaccinatie sedert dat tijdstip, onder bepaalde omstandigheden, bij de wet verplichtend waren gesteld.

Art. 50 van het Koninklijk besluit van 8 Augustus 1835 drukt zich uit als volgt:

Het beste beveiligingsmiddel tegen de pokken is de vaccine. Aan alle onderdanen wordt de mad gegeven om zich zeiven, hunne kinderen, pupillen, ondergeschikten en werklieden te laten vaccineeren.

De ambtenaren, in het bijzonder de hoofden der provinciën, de gewestelijke geneesheeren (Kreisphysiker) en allen, die belast zijn met de sanitaire politie, moeten geeue gelegenheid laten voorbijgaan om de vaccine voor te stellen als een middel, dat geen enkel nadeel oplevert en tegen de pokken beschermt.

Art. 51. De vaccinatie staat onder oppertoezicht en controle der administratieve autoriteiten; zij kan slechts worden uitgeoefend door gediplomeerde geneesheeren. Tot hiertoe bevat de wet slechts eene aansporing tot het gebruik der vaccine, doch de volgende artikelen stellen haar verplichtend.

Art. 54. Indien kinderen, die zonder geldige reden niet zijn gevaccineerd geworden vóór den leeftijd van één jaar te hebben bereikt, de pokken krijgen, kunnen oudors en voogden politiestraffeu beloopen wegens het uitstellen der vaccinatie en wegens het gevaar van besmetting, dat zij hebben veroorzaakt.

Art. 55. Indien de ziekte in een huis uitbreekt, moet men zich on-

(1) Ook de cijfers en beschouwingen betreltende Duitschland zijn ontleend aan dr. Lefort; de cijfers komen nagenoeg geheel overeen met de opgaven van het Keizerlijk Ctesundheitsamt. De verschillen, die hier en daar bestaan, zijn onbeduidend. De artikelen van dr. Lefort zijn te vinden iu het Journal d\'llygiine van 22 en 29 Januari en 26 Februari 1891.

-ocr page 58-

52

middellijk overtuigen, dat alle bewoners gevaccineerd zijn geworden, en men moet hen aansporen, zich zoo spoedig mogelijk te laten vaccineeren. Indien de ziekte zich uitbreidt, moet men de ingezetenen onmiddellijk waarschuwen voor het gevaar, dat zij loopen, en men zal hen in bedenking geven, zich zonder uitstel te laten vaccineeren. De sanitaire politie zal onmiddellijk de noodige maatregelen nemen, en in geval van noodzakelijkheid is zij verplicht tot gedwongen vaccinatie over te gaan.

Geen leerling zal tot eene inrichting van onderwijs of opvoedingsgesticht worden toegelaten, tenzij hij het bewijs levert, dat hij in den loop der twee voorafgaande jaren gevaccineerd of gerevaccineerd is geworden.

De ordonnantie van 1835 stelde zich niet tevreden met de hei\'ordering der koepokinent iny of zelf* met het roorschrijren van dwan ginen tin gen in dringende omstandigheden, en tot het rerplichtend stelten der vaccinatie voor schoolkinderen; zij bevatte ook strenge maatregelen tot het tegengaan van de verspreiding der smetstof.

Het is van belang ze hier mede te deelen, omdat zij bij de beoordeeling van den historischen loop der pokziekte in Pruissen meestal buiten beschouwing worden gelaten.

Art. 9. De hoofden van gezinnen, eigenaren van huizen, de logementhouders en allen die de medische praktijk uitoefenen, zijn verplicht de politie kennis te geven van de gevallen van besmettelijke ziekten ( waaronder pokken) in hunne familie, hun huis of hunne praktijk voorgekomen. Het verzuim dier kennisgeving wordt gestraft met eene boete van \'2—5 Thaler of gevangenisstraf van 5 tot 8 dagen.

De personen, door eene besmettelijke ziekte aangetast, moeten zooveel mogelijk in afzonderlijke ziekteinrichtingen verpleegd worden; intusschen moet de overbrenging niet plaats hebben, indien de familie zich uitdrukkelijk daartegen verzet. Het dienstpersoneel der pokkenhospitalen moet geheel geïsoleerd gehouden worden. Indien de zieke in zijn eigen huis verpleegd wordt, moet de geneesheer, die hem behandelt, zorgen voor de uitvoering der sanitaire voorschriften ; hij blijft (de zieke namelijk) tijdens de behandeling onderworpen aan de controle der sanitaire politie.

De afsluiting behoeft zich niet in alle gevallen uit te strekken tot het geheele huis, of zelfs tot het geheele gedeelte van het huis; zijkan in de meeste gevallen beperkt worden tot een deel van dit laatste (namelijk waar de zieke verpleegd wordt). De zieke, de personen, die hem verzorgen, en de familiebetrekkingen, die hem niet willen verlaten, zullen van de overige bewoners van het huis afgezonderd gehouden worden.

Elke directe gemeenschap met de buitenwereld zal hun ten strengste verhinderd worden (art. 18).

-ocr page 59-

ÖS

Indien deze afsluiting niet cp de bovenvermelde wijze kan plaats hebben, moet de aanwezigheid van den zieke in het huis aangeduid worden door een zwart bord, waarop, oj.i eene voor allen duidelijk zichtbare wijze, de naam der ziekte vermeld staat.

Na de overbrenging van den zieke naar een hospitaal, of, indien de zieke te huis verpleegd is, na zijn dood of herstel, moeten het vertrek, het huisraad, het linnengoed en de kleedingstukken ontsmet worden, üe ontsmetting strekt zich uit tot den zieke en alle personen, die met hem in aanraking zijn geweest. Elke overtreding van dit artikel wordt gestraft met eene boete van 2 tot 10 Thaler of eene gevangenisstraf van 3 tot 14 dagen. De pokzieken worden begraven met de kleedingstukken, die zij op het tijdstip van hun overlijden aan hadden. Het lijk mag niet worden tentoongesteld en moet zoo spoedig mogelijk naar het kerkhof worden overgebracht zonder plechtigheden. De ontsmetting is verplichtend voor hen, die in aanraking geweest zijn met het lijk, en voor hen, die het naar het kerkhof hebben gedragen.

De strenge maatregelen van het Koninklijk besluit can 1835 in verhand met cle bevordering der vaccinatie, misten hun doel dan ook niet, om eene aanmerkelijke daling der pokkensterfte teweeg te brengen.

Van 54 sterfgevallen per 100 000 inwoners daalt de sterfte in 183G tot 19, in 1837 tot 14, in 1839 tot 9 en in 1855 tot 7. Derhalve bestond het onmiddellijk resultaat der maatregelen voorgeschreven bij het Koninklijk besluit van 1835 tegen de verspreiding van de besmettings-kiem hierin, dat de pokkensterfte eene vermindering van -/^ a •\'V., onderging.

De oorlogen van 1864 en 1866 breken uit, het Pruisische leger en het Pruisische volk zijn gedurende die oorlogen niet meer nf niet minder gevaccineerd dan vóór de opening der vijandelijkheden. De oorlog wordt gevoerd in een landl, waar de vaccinatie verplichtend is gesteld, doch de afzonderingsmaatregelen kunnen ten gevolge van den oorlogstoestand niet worden toegepast. De pokkensterfte stijgt in 1864 (de Sleeswijksche oorlog) tot 46 per 100 000 , in 1866 (Oostenrijksch-Pruisische oorlog) tot 62 per 100 ÜOo inwoners.

Langzamerhand hervatten de zaken hun geregelden loop en de sterfte bedraagt in 1870 17 per 100 000 inwoners. Doch in Juli komt geheel Duitschland onder de wapenen, valt Frankrijk binnen en wordt door de pokken aangetast. Zieken en gewonden, naar huis teruggekeerd, worden opgenomen en verpleegd door de ingezetenen en in de particuliere ambulances. Volgens Lefoet was geen enkele maatregel van afzondering of afsluiting mogelijk, eene meening, die grootendeels bevestigd wordt door Uffelman , die in zijne bekroonde prijsvraag over een openbaren gezondheidsdienst nog in 1878 schrijft: Isolirepitaler, wie schon oben kurz ange-

-ocr page 60-

54

deutet, sind in Dentschland noch vei\'haltniszmassig selten. Bovendien verspreiden meer dan -400 000 gevangenen de smetstof onder de Duitsche bevolking.

Van, de twee prophyladkche middelen tegen d« pokzielcte blijft slechts één bestaan, namelijk de vaccinatie, maar het tweede, de ajzonderinj der pok-zieken, kan niet worden toegepast. Waren in Pruisen in 1JS70 4200 men-schen aan pokken gestorven, in 1871 stierven er 59 83!) en in 1872 77 000 menschen aan die ziekte. Mogelijkheid om de poklijders te isoleeren bestond er niet. Terwijl de pokkensterfte in Pruisen onder de burgerbevolking 233 per 100 000 inwoners bedroeg, was die in het leger slechts 31 per 100OOO.

Aan den anderen kant was de sterfte in de oude provinciën van Pruisen 207 per 100 000 inwoners, dus nog liooger dan in de geannexeerde landen (Hannover, Hessen en Nassau), waar de sterfte 104 per 100 000 bedroeg en waar de vaccinedwang bestond.

Het gebeurde in 1871 en 1872 trok natuurlijk de aandacht. Toen de vestiging van het Duitsch Keizerrijk de invoering eener algemeene wetgeving voor het geheele Rijk noodzakelijk maakte, stelde de wet van 8 April 1874 de vaccinatie verplichtend voor alle kinderen en revaccinatie voor een groot deel daarvan.

Die wet van 1874, welke dikwijls wordt voorgesteld, als hebbende eene algeheele omwenteling teweeggebracht in de sanitaire wetgeving ten aanzien van de pokziekte, doet feitelijk niets anders, dan de verplichte vaccinatie, welke in Beieren reeds sedert 1807, in Hannover, Hessen en Nassau sedert de laatste 50 jaren bestaat, toepasselijk maken op Piui-sen, Wurtemberg eu enkele kleine staatjes. Wat de overige punten betreft, verschilt zij weinig van liet Koninklijk besluit van 1835. In plaats van ingeval van pokziekte, de ouders, wier kinderen niet tijdens huneerste levensjaar gevaccineerd zijn, verantwoordelijk te stellen, maakt de wet van 1874 de vaccinatie verplichtend vóór het einde van het tweede levensjaar. Van meer gewicht is de verplichte revaccinatie van alle schoolgaande kinderen.

§ 5.

Fr ankrij k.

Wat Frankrijk betreft, kan het volgende worden medegedeeld. In Frankrijk (1) is ten gevolge van de hooge pokkensterfte eene krachtige

(1) De mededeelingen betreffende Frankrijk zijn ontleend aan Lei okt {Jomnal d?Hygiene van 22 Januari 1891); deze raadpleegde de officieele ziekte-en sterftestatistleken.

-ocr page 61-

beweging ontstaan ten gunste van de invoering van den vaccinatiedwang.

Daartoe ware het in de eerste plaats van belang te weten, welke de verhouding tusschen sterfte aan pokken en de algemeene sterfte is iu Frankrijk. Dit nu is ten eenenmale onbekend, en op het huidige oogen-blik zelfs kan niemand dit weten. Er is nimmer voor geheel Frankrijk aanteekening gehouden van de sterfgevallen, naar gelang van de ziekten, welke den dood hebben veroorzaakt. Zulke sterftelijsten worden eer.lt;t sedert 188(gt; geregeld gehouden, doch uitsluitend voor de steden, met meer dan 10 000 inwoners, en hiervan moeten nog 34 steden afgeteld worden, waarvoor de juiste gegevens ontbreken. Het eenige waaromtrent zekerheid bestaat, is, dat op eene bevolking van 8.573.574 zielen gedurende de drie jaren 1886, 1887 en 1888, gemiddeld zijn gestorven 2929 poklijders of 34 per 100 000, doch overigens weet men niets, en is het ten eenenmale onbekend, hoe vele menschen zijn gestorven aan de pokkeu onder de 29 045 329 Franschen, die in de kleine steden en op het platteland verspreid zijn. Wanneer derhalve dr. Brouardel de jaarlijksche pokkeusterfte in Frankrijk op 14 000 gevallen schat, dan moet men wel in aanmerking nemen, dat dit een zuiver hypothetisch cijfer is en vrijwel zonder waarde. Ook vergete men niet, dat ook andere besmettelijke ziekten in Frankrijk bijzonder veel slachtoffers eischen. In de jaren 1880, 1887 en 1888 stierven in de 195 steden 9820 menschen aan pokken, maar 12 705 aan roodvonk en 17 023 aan diphtheritis.

Welke is nu in Frankrijk de toestand ten aanzien van de beide pro-phylactische middelen tegen pokken, te weten: de afzonderingsmethode en de vaccinatie? Wat het eerste punt betreft is het antwoord eenvoudig: met uitzondering van Parijs bestaat er in Frankrijk niets hoegenaamd. (1) In de burgerpraktijk wordt geen enkele maatregel genomen, geen enkele desinfectie verplichtend gesteld; er bestaat in één woord eene zorgeloosheid , die tot de uiterste grenzen wordt gedreven. Het is de besmetting, die de epidemieën veroorzaakt, en de vaccinatie kan die ter nauwernood beperken.

Parijs daarentegen geeft een coorbeeld can hetgeen men kan bereiken door het enkele feit van afzondering der poklijders, die in het hospitaal worden opgenomen. Den 23sten Mei 1887 bracht het bestuur der hospitalen alle poklijders der verschillende hospitalen bijeen in een enkel gebouw met 104 bedden te Aubersvülers. De meest doeltreffende maatregelen worden genomen om de besmetting te verhinderen. Het aantal poklijders in de hospitalen opgenomen, dat ia 1887 1490 bedroeg met 215 sterfgevallen, is in 1890 tot 303 met 37 sterfgevallen gedaald. Dit is in 4 jaren tijds eene

(1) Enkele havenplaatsen, zooals Toulon, Marseille enz., maken met het oog op het gevaar voor insleeping van cholera, pest enz. wellicht hierop eene uitzondering.

-ocr page 62-

56

vermindering van 1/4 der ziekte en van 5/g der sterfgevallen. Die afzondering der poklijders, die tot de arbeidende klasse behoor en! heeft het aantal sterfgevallen niet alleen sterk doen dalen onder de arbeidende klasse zelve, maar ook onder de gansrhe Parijsche bevolking. Gedurende het tijdperk 1865 87 bedroeg de gemiddelde jaarlijksche pokkensterfte te Parijs 39,5 per 100 000 inwoners, en nadat men de opname van poklijders in de hospitalen heeft verboden, is die verhouding gedaald in 18b\'.) tot 5,7 en in 1890 tot 3,0 per 100 000 inwoners. Dit is de verhouding voor geheel Pruisen in 1881 en 1882 na eene zevenjarige toepassing van den vaainatiedwang.

§ 6.

Beieren.

Ook het voorbeeld van Beieren (1) is merkwaardig. Fn Beieren, waar sedert 1807 de vaccinatie verplichtend is gesteld en tevens uitnemende wettelijke voorschriften bestaan ten aanzien van de afzondering van poklijders , ontsmetting enz. is de pokkensterfte jaren achtereen buitengewoon laag. In het oorlogsjaar 1866 begint de sterfte te stijgen, doch beweegt zich in de 4 daaropvolgende jaren wederom in dalende richting. Terwijl iu 1866 de pokkensterfte 25 per 100 000 inwoners bedraagt, is zij in 1870 weder 7,5.

Na ajioop van den Fransch-Duitschen oorlog breekt in Beieren tijdens den terugkeer der troepen en de inkwartiering der Fransrhe gevangenen eene pokkenepidemie uit, zooals daar sedert het einde der vorige eeuw niet had geheerscht. Nagenoeg de gansche Beiersche bevolking was gevaccineerd en een groot deel daarvan gerevan ineerd, doch het afzonderingssysteem, kon destijds niet m toepassing worden gebracht. Er stierven in 1871 5070 en in 1872 2292 menschen aan pokken, en er werden in 1871 alléén 30 742 personen door pokken aangetast, waarvan 29 429 gevaccineerden.

§ 7.

O o s t e n r ij k.

In Oostenrijk (2) doet zich het merkwaardig verschijnsel voor, dat niettegenstaande de aanzienlijke uitbreiding der vaccinatie in de laatste

1

Gesundheitsamt te Berlijn.

-ocr page 63-

57

dertig jaren de sterfte aan pokken aanzienlijk is toegenomen. Terwijl de jaarlijksche sterfte gedurende liet tijdperk 1847—72 nimmer hooger is dau 47 per 100 000 inwoners, bedraagt die in 1872,1873 en 1874 respectievelijk 18!), 814 en 174 per 100 000 inwoners en daalt sedert dat tijdstip niet beneden 50 per 100 000. Vooral te Weenen is dr jaarlijksche sterfte aan pokken haife.ivjewoon hoog, nietteyenstaantle de uacrinatietoestand der bevolkinu ran die stad uitstekend man quot;■•orden yenoemd. Dit moge blijken uit het feit, dat van 18(!8—73 in het algemeene gasthuis te Weenen werden verpleegd 3554 gevaccilieerden tegen 313 niet-gevaccineerden, in het pokkengasthuis van 1872—73 5893 gevaccineerden tegen 351 niet-gevaecineerden en in het Rudolfsgasthuis aldaar van 1870—73 1053 gevaccineerden tegen 00 niet-gevaccineerden.

Aan strenge voorschriften ten aanzien van de afzondering der poklijders en de ontsmetting der voorwerpen, die met poklijders in aanraking zijn geweest, bestaat evenals in Frankrijk een volslagen gemis. Eerst sedert de laatste jaren begint men in Oostenrijk de aandacht op deze aangelegenheid te vestigen. Van daar dat men bij eene vergelijking tusschen de pokken-sterfte in Pruisen, waar wel, en in Oostenrijk, waar geen vaccinatiedwang bestaat, steeds in het oog moet honden, dat beide staten ten opzichte van den algemeenen sanitairen toestand in geheel verschillende omstandigheden ver-keeren. Het verschil in de algemeene sterfte bedraagt 4000 per mill iaën ten nadeele van Oostenrijk.

§ 8-Belg-ië.

Ook in België (1) neemt men een dergelijk verschijnsel waar. Dat de vaccinatie sedert de laatste jaren 20 jaren aanmerkelijk is uitgebreid, kan niet worden ontkend.

Het pare vaccinogène te Brussel voorziet alle geneesheeren in België van animale koepokstof, terwijl vele gemeenten de vaccinatie en re vaccinatie op de scholen hebben ingevoerd. Toch is de gemiddelde sterfte aan pokken van 1873—84 niet lager dan van 1851—70. Ook de Belgische wetgeving mist strenge voorschriften betreffende de afzondering van pokkenlijders en ontsmetting. Alleen in de groote steden wordt hiervoor voldoende zorg gedragen. Ofschoon in België, hoewel er geen inentiugs-dwang bestaat, aan de vaccinatie in de laatste jaren meer zorg besteed wordt dau vroeger, is de sterfte aan pokken daar te lande niet afgenomen.

(I) lgt;e cijfers voor België zijn outleeud aan de opgaveu van het Keizerlijke Ge-suudheitsamt te Berlijn.

-ocr page 64-

58

§ 9.

Nederlan cl.

Van den historischen loop der pokziekte in Xederluud (1) is tot op liet jaar 186(5 niets bekend. Eerst met het in werking treden der geneeskundige wetten van 1 Juni 18(!ö toch is eene eerste schrede gedaan op den weg tot het verkrijgen van eene goede sto/fostatistiek naar de doodsoorzaken. Daarbij werd namelijk aan de geneesheeren opgedragen om zoo nauwkeurig mogelijk opgave te doen van de ziekten, waaraan de in hunne praktijk overledenen gestorven waren. Doch voor het opmaken eener betrouwbare statistiek van besmettelijke ziekten waren die wetten onvoldoende, het heeft tot 1 Mei 1873 geduurd, alvorens de aangifte van gevallen van bepaalde besmettelijke ziekten aan den burgemeester der gemeente verplichtend werd gesteld.

Het eerste jaar, waarin de sterfte aan pokken in Nederland met juistheid bekend is, is 1806. Toen stierven in Nederland 1413 menschen aan pokken en heerschte die ziekte in enkele gemeenten des lands epidemisch. Doch het volgend jaar was de sterfte reeds aanzienlijk gedaald en bedroeg in 1869 slechts 50. Met het uitbreken van den Fransch-Duitschen oorlog begint de sterfte echter weer te stijgen.

In 1870 bedraagt zij 706

« 1871 « « 15 787

«1872 « « 3731

« 1873 « « 351

Hoe stond het destijds met de vaccinatie ? Het Koninklijk besluit van 18 April 1818 (Stantxhlail nquot;. 20) bevatte talrijke bepalingen, zoowel ter bevordering der koepokinenting als omtrent de kennisgeving van ziektegevallen aan de provinciale of plaatselijke geneeskundige commissie of waar deze niet bestaan aan het plaatselijk bestuur, omtrent de ontsmetting eu de afzondering der lijders, alles nader uitgewerkt bij provinciaal reglement. De vaccinatie was bij verordening evenals thans bij de wet verplichtend gesteld voor schoolgaande kinderen, terwijl het toekennen van onderstand alsmede de opname in gestichten afhankelijk was gesteld van het overleggen van een vaccinatiebewijs. Sommige dier verordeningen, o.a. die voor Groningen, bevatten strenge bepalingen omtrent de afzondering van poklijders en de ontsmetting en vernietiging van voorwerpen , die met de besmetting in aanraking waren geweest. Ter beoordeeling van de vraag, in welke mate destijds de inenting werd

(1) De cijfers voor Nederlaad zijn outleeiul aan de geneeskuudige Regeeriugsverslagen.

-ocr page 65-

59

aangewend, kan dienen liet feit, dat in het jaar 1871 van de 39 (\'190 poklijders 17 443 gevaccineerd, 472 gerevaccineerd waren, terwijl liet van 5 956 onzeker was en van 15 691 duidelijk geconstateerd kon worden, dat zij nimmer ingeënt waren geweest.

Bij de beoordeeling van de statistiek dient het volgende in aanmerking te worden genomen.

Mot het ooi/ op de wet ran 4 December 1872 maakt men raak renje-lijkinijen. tvsachen n-at róór en na dat tijdstip voorviel en brengt dan de uitkomsten met die a-et in verband. Daarbij wordt geheel uit het oog verloren, dat onder de opgaven vóór 1873 medegeteld worden de cijfers ontleend aan de algemeene pokkenepidemie van 1870/73, welke ook in goed gevaccineerde landen, zooals Beieren, Duitscldand, Zweden en Engeland, ge-heerscht heeft, terwijl, gelijk a it het bovenstaande blijkt, Nederland vóór 1873 geenszins onder de slecht gevaccineerde landen gerangschikt kan a-orden. Na 1873 kwam eene zoo algemeene epidemie nergens voor. Wil men de beide tijdperken vergelijken, dan dienen de sterftecijfers van de algemeene pokkenepidemie buiten beschouwing te blijven.

Uit de graphische voorstelling gevoegd bij het adres aan de Tweede Kamer ingediend door dr. d\'Ailly c. s. blijkt dan ook geenszins datgene wat de adressanten daaruit afleiden. Eer het tegendeel, wanneer men alleen Nederland en Pruisen, die in ongeveer gelijke hygiènische toestanden verkeeren, onderling vergelijkt. Hoewel beide landen vrijwel gevaccineerd waren, en gelijk aangetoond is, de invoering der vaccinewet in Duitschland van zeer weinig invloed kan geweest zijn, woedde de algemeene epidemie in beide landen in erge mate. In beide landen neemt na de uitwerking dier epidemie de ziekte zeer snel af, en wel in beide landen gelijkelijk, niettegenstaande in Duitschland de vaccinemaatregelen veel scherper zijn dan in Nederland, en daar bij het leger en voor de school de revaccinatie is ingevoerd, waaraan tegenwoordig, nu het geloof in de volkomen beveiliging door inenting verdwenen is, zoo groote waarde wordt toegekend. In sommige jaren blijkt de toestand in Nederland zelfs gunstiger te zijn dan in Duitschland.

Ongetwijfeld blijkt uit die graphische voorstelling, dat in Nederland en Duitschland de pokken veel minder dan in Oostenrijk voorkomen. Men kan onderstellen, dat die gunstige toestand mede te wijten is aan de werking der vaccinatie, welke, zoowel in Duitschland als Nederland, lang voor 1874 en 1873 verplichtend was. Maar men kan niet loochenen, dat de epidemie van 1870/73 met de maatregelen tegen de pokken gespot heeft, en men zou zich zeiven en anderen misleiden, zoo men aan de hand van bedoelde graphische voorstelling datgene, wat geschied is in het tijdperk 1870/73, op rekening van de niet-iuenting schrijft.

De ontzaglijke uitbreiding der epidemie in 1870/73 werd blijkens het

-ocr page 66-

60

verslag der heeren Carsten en Van Overbeek de Meijer «de pokkenepidemie in Nederland in 1870—73», geenszins uitsluitend toegeschreven aan het verzuim der vaccinatie, maar ook aan de schromelijke nalatigheid der plaatselijke besturen en der particulieren ten opzichte van het nemen van maatregelen voor ontsmetting en het afzonderen van poklijders. Wel spaarde de Regeering geen moeite om, door tusschenkomst van de Commissarissen des Konings, bij de gemeentebesturen tot het nemen van dergelijke maatregelen aan te dringen, doch deze aangelegenheid was niet wettelijk geregeld. De pogingen tot verhoeding van de ontwikkeling der epidemie, hoe ijverig ook aangevangen eu volgehouden, werden verlamd door de lauwheid en traagheid van zeer vele gemeentebesturen en door gebrek aan medewerking van zeer vele geneeskundigen, aangetaste gezinnen en van een groot deel van het overige publiek.

J)e heeren Carsten en Van Overbeek de Meijer spreken als hunne overtuiging uit, dat, ofschoon de vaccinatie schandelijk verwaarloosd was, een groot deel van het verzuim had kunnen worden ingehaald, wanneer reeds dadelijk bij het eerste alarm te Utrecht en later ook in Zeeland en in andere provinciën een krachtig begin ware gemaakt met het vaccineeren en dat, indien men daarbij de toen nog talrijke pokzieken behoorlijk afgezonderd gehouden had, het misschien gelukt zou zijn de ontwikkeling der epidemie te verhoeden.

Den éden December 1872 komt de ziektewet tot stand, waarbij de indirecte inentingsdwang wordt ingevoerd door de bepaling van art. 17, waarbij de toegang tot de scholen verboden wordt aan onderwijzers, onderwijzeressen of leerlingen, die niet blijkens verklaring van een geneeskundige met goed gevolg of meer dan eens de inenting der koepokken hebben ondergaan, terwijl een algemeene maatregel van bestuur zou regelen den vorm, de plaats, de wijze van inlevering, bewaring en teruggave der verklaringen; de overige artikelen bevatten talrijke voorschriften betreffende de aangifte van besmettelijke ziekten, de afzondering der lijders, de ontsmetting en vernietiging van voorwerpen, die met poklijders in aanraking zijn geweest, enz. enz. Na de aanneming van die wet onts:ond er eene geleidelijke daling van het sterftecijfer aan pokken.

In 1878 bedroeg de

sterfte

351

« 1874

(C

150

a 1875

C(

a

195

« 1876

«.

a

113

« 1877

C(

((

(C

26

« 1878

((

«

11

« 1879

«

«

((

8

« 1880

C(

79

-ocr page 67-

Cl

In 1881 bedroeg de

«. 1882 « «

« 1883 « «

a 1884 « «

« 1885 « lt;i.

« 1880 « «

« 1887 « «

« 1888 « «

sterfte 7 C

« 152

« 673

« G2

« 31

« 72

« 18

« 1

Ook bij de beschouwing van deze cijfers behoort men voorzichtig te zijn in het maken van conelusiën.

Vooreerst valt op te merken, dat de wet van 4 December 1872 verscheidene bepalingen op ontsmetting en afzondering bevat, waaraan de afneming der ziekte minstens even goed als aan de inenting kan worden toegeschreven.

ƒ« 1883 /m/ de helmulp epidemie te Oud-Beierland plaats. Daar ondervond de toepassiny der wettelijke roorsrhriften veel tegeniverking. Van over-hrenging der poklijders naar een ziekenhuis of naar barakken blijkt niets.

In de tweede plaats is het de vraag, of de wettelijke dwang bij art. 17 der wet opgelegd, het aantal vaccinatiën grootelijks heeft doen toenemen.

In 1886 werden in het Rijk 1Ü8 459 vaccinatiën en revaccinatiën verricht , waarvan:

beneden het jaar, van 1—3, 3—G, 6—12, boven de 12 jaren: 12 428, 38 020, 42 110, 10 115, 4 756.

In 1887 was het aantal vaccinatiën en revaccinatiën 111 471, die zich naar de genoemde leeftijdsklassen verdeelen als volgt:

12 804, 41 284, 44 023, 9 807, 1 271.

In 1888 was het totaal aantal 108 397, die zich naar de genoemde leeftijdsklassen aldus verdeelen:

33 437, 46 381, 9 805

11 366

973.

Uit deze cijfers blijkt genoegzaam, dat een zeer groot aantal vaccinatiën vóór den verplichten leeftijd, dus geheel vrijwillig geschiedde. Het is echter onmogelijk, dat aantal met cenige zekerheid te begrooten, omdat men niet weet, hoevelen hunne kinderen vóór den tijd van hun schoolgaan doen inenten met het oog op de latere verplichting daartoe.

In de derde plaats kan op den gunstigen hygienischen toestand de belangrijke icet van den Zbsten April 1884 (Staatsblad nquot;. 80) gewijzigd bij

-ocr page 68-

62

de wet van 20 Juh 1884 (Staatsblad nquot;. 1()4) zeer zeker (jroolen invloed hebben uitgeoefend.

Eindelijk behoeft men slechts de qeneesltundiye verslagen der laatste 20 jaren te raadplegen om zich te overtuigen, dat verreweg de meeste pok-lijders tot de gevaccineerden behooren.

§ 10.

Hvitsoh-Incl ië.

Niet slechts in Europa, doch ook in landen daarbuiten schijnt de toepassing der verplichte vaccinatie niet bij machte om pokkenepidemieën te voorkomen.

In het presidentschap Bombay (1) werd de vaccinatie reeds in 1802 ingevoerd, doch bleef langen tijd vrij. Eerst na eene hevige pokkenepidemie in 1872 werd de vaccinatie verplichtend gesteld voor de twee voornaamste steden van het presidentschap, namelijk voor Bombay, de hoofdstad, en voor Karachi, eene stad van 80 000 inwoners. In Seinde, een onderdeel van het presidentschap, hadden de eerste vaccinatiën plaats in 1848. Ofschoon de vaccinatie in dat gewest vrijwillig is, kan men, daar de bewoners daarvan geen tegenstanders zijn, en sedert 1803 30 vaccinateurs van dorp tot dorp trekken om de vaccinatiën te verrichten, aannemen, dat dit voorbehoedmiddel algemeen wordt toegepast. In beide genoemde steden is, althans volgens verklaring van dr. Pixkertox, getuige voor de Koninklijke Engelsche Commissie van 1889, nagenoeg iedereen gevaccineerd.

Desniettegenstaande leest men in het geneeskundig verslag van 1884 voor Bombay: «De pokken veroorzaakten 14 438 sterfgevallen of 0,88 per 1000 inwoners tegen 13 404 of 0,81 in het jaar 1883. Ondanks den doelmatigen vaccinatiedienst, welken Bombay sedert eenige jaren bezit, schijnen de pokken toe te nemen, zooals blijkt uit het feit, dat de sterfte in 1884 meer dan 4-maal zoo hoog is, als het gemiddelde der 5 voorafgaande jaren, namelijk 0,21 per 1000 inwoners.

Van het totaal aantal sterfgevallen hadden 3 723 plaats bij kinderen beneden den één-jarigen leeftijd en .5413 bij kinderen behoorende tot de leeftijdsklasse van 1-12 jaar, zoodat ongeveer sl3 der sterfgevallen onder kinderen plaats had.

Ook uit andere deelen van Britsch-Indië worden bijzonderheden ver-

(1) De cijfers voor Britsch-lndië werden ontleend aan geneeskundige verslagen voor Britseh-lndië, aangehaald in het 2de rapport der Engelsche Vaccinatie-Commissie.

-ocr page 69-

03

meld, waaruit blijkt, dat de vaccinatie daar te lande haar doel heeft gemist.

In een geneeskundig verslag (1) voor de centrale provinciën leest men: «De immuniteit der bevolking voor pokken heeft men toegeschreven aan den invloed der vaccinatie; de bevolking heeft dit voorbehoedmiddel dan ook aanvaard, doch baar vertrouwen daarin is geschokt geworden ten gevolge van het wederuitbreken der ziekte in een hevigeu vorm. De sanitaire ambtenaar verklaart, dat hij een afzonderlijk verslag over de epidemie heeft doen samenstellen, waaraan het volgende ontleend wordt. «Gedurende de eerste helft van het jaar hadden er tamelijk veel waterpokken geheerscht te Sambnlpur; toen daarna de echte pokkou uitbraken, werden zoowel de geïnoculeerden en de gevaccineerden aangetast, als zij die te voren de waterpokken hadden gehad. Er werden 301 geïnoculeerden, 577 gevaccineerden en 72!) n iet-ge vaccineerden aangetast of 1007 in het geheel.»

In het verslag der legercommissie roor Punjab van 187!) limit het atclus: «.De vaecinatie in de Punjab, (lelijk ooh elders in Indië, heeft (/een macht over den loop een er ejndemie. Zij lean eene epidemie trijziyen en het aantal sterfgevallen verminderen, doch de gansche Indische ervaring «\'ys-Z in ééne richting t namelijk dat de hevigheid een er pokken-epidemie meer in verband staat met sanitaire misstanden, die ook de intensiteit van andere epidemische ziekten vergrooten, dan gewoonlijk wordt aangenomen, en dat men de vermindering van pokken, zoowel als van cholera en van koorts, moet zoeken in de verbetering van den sanitairen toestand der steden en dorpen.»

§ 11-

is vaccinatie of vaccinatie en revaccinatie een heveiligings-rniddel tegen de pokken?

Het is bekend, dat reeds kort na Jenxer\'s ontdekking zich gevallen hebben voorgedaan, waarin gevaccineerden door de pokkeu werden aangetast, doch dat dergelijke feiten in den beginne werden toegeschreven aan het gebruik van slechte lymphe of aan eene gebrekkige uitvoering der vaccinatie. Naarmate de koepokinenting zich uitbreidde, namen dergelijke gevallen in aantal toe, zelfs bij menschen, die na onderzoek een

(1) Deze en andere soortgelijke aanhalingen werden door dr. Collins, lid der Engelsche Vaccinatie-Commissie, voorgelezen in de zitting van 9 October 1889 (2de rapport Engelsche Vaccinatie-Commissie).

-ocr page 70-

64

voldoend aantal goedgevormde vaceinatielitteekens vertoonden. Hiermede was de uitspraak van .Tenner, dat eene enkele goedgelukte vaccinatie eene absolute bescherming tegen een aanval der pokziekte verschafte, te niet gedaan. Daarop ontstond de theorie, dat de vaccine slechts relatieve beveiliging verleende, en ua verloop van 5 a 7 jaren een groot deel van hare beschermende kracht verloor, doch dat eene daarop volgende revaccinatie den meusch weer eene langdurige immuniteit verschafte.

Hoever die relatieve ieveiligingslcmcht der vctrcine zich eif/enlijk uitstreld, lean onmogelijk bepaald worden, omdat men in geen Staat ter wereld de bevolking in ingeënten en niet-ingeënten kan splitsen en nergens eene statistiek bestaat, die het aantal ingeënten en niet-ingeënten, ingedeeld naar leeftijdsklassen, zou kunnen opgeven. Voor een zeer gering aantal poklijders is dit wel eens gedaan. Zoo analyseerde Korösi 11 IS pokken-gevallen, waarvan 631 gevaccineerd waren, die gedurende het jaar 1886 in 19 Hongaarsche ziekenhuizen werden behandeld. Zijne morbiditeits-berekening (berekening van de kans om door de pokken te worden aangetast) geeft tot uitkomst, dat de vatbaarheid voor pokken bij de niet-gevaccineerden S\'/z maal gi\'ooter is dan bij gevaccineerden. De eenige bevolking, waarvan met vrij groote juistheid de verdeeling in gevaccineerden en niet-gevaccineerden bekend was, is die van Sheffield (1) tijdens de epidemie van 1887/88.

De bevolking bestond dat jaar uit 307 966 gevaccineerden en 6056 niet-gevaccineerden. Van de eerste klasse werden door de pokken aangetast 4995 of 1,62 pet., van de laatste 1028 of 15,60 pet. Overeenkomstig deze verhoudingen zou derhalve de vatbaarheid voor pokken bij de niet-gevaccineerden ongeveer 9,/2 maal grooter zijn dan bij de gevaccineerden. Hoe dit zij, de uitkomst der berekening berust natuurlijk geheel op de toevallige verhouding der gevaccineerden en niet-gevaccineerden, die onder beschouwing komen, zoodat men zich wel moet wachten uit dergelijke toevallige uitkomsten algemeenc con-clnsiën af te leiden. Körösi zelf is trouwens de eerste om hiertegen te waarschuwen. Hij zegt: «De statistiek kan eigenlijk alleen over de lethaliteit licht ontsteken, daar de gasthuizen daaromtrent rijke bouwstoffen bevatten. Intusschen zijn zoowel vóór- als tegenstanders het daarover eens, dat zij de beschouwingen, die naar aanleiding der kunstmatig bijeengebrachte bevolking der ziekenhuizen geleverd worden, voor het afleiden van algemeene conclusiën ongeschikt achten.» En verder: «De berekening van de pokken-morbiditeit bij ingeënten en niet-ingeënten is ten eenenmale ondoenlijk, omdat men in geen Staat ter wereld de

(1) De cijfers voor Sheffiiild zijn ontleend aan het verslag van Jr. Barry, waarin hij de pokken-epidemie vau 1887/88 in die stad beschrijft.

-ocr page 71-

65

bevolking in ingeënten en met-ingeënten kan splitsen en nergens eene statistiek bestaat, die ons het aantal der ingeënten en niet-ingeënten, ingedeeld volgens de leeftijdsklassen, zou kunnen opgeven.»

Ofschoon de waarheid dezer woorden niet kan worden betwist, zoo bestaan er toch statistieken, die op de prophylactische werking der vaccine een tamelijk helder licht verspreiden.

Aan het zoo even vermelde verslag betreffende de epidemie te Sheffield wordt het volgende ontleend.

Verdeelt men het aantal poklijders naar leeftijd en vaccinatietoestand, dan verkrijgt men de volgende uitkomsten:

Ziektegevallen

Leeftijdsklasse Gevaeoineerden Xiet-gevaccineenlen.

0 — 5 97 218

5—10 241 184

10—15 782 184

15—20 1 240 196

20-30 1 566 168

boven 30 1 054 77

Uit deze tabel blijkt, dat de vaccinatie in geen enkele leeftijdsklasse absolute bescherming verleent, met andere woorden: dat gevaccineerden van welke leeftijdsklasse ook, wanneer zij met besmetting in aanraking komen, kans loopen om door de ziekte te worden aangetast. Dit blijkt nog duidelijker, wanneer men de zoogenaamde Urpockenlisten van Duitschland raadpleegt. Het Keizerlijk Gesundheidsamt te Berlijn heeft de gegevens verzameld en bewerkt voor tal van plaatsen in Duitschland, waar tijdens het heerschen van pokkenepidemieën aanteekening was gehouden van de ziekte- en sterfgevallen, alsmede van den leeftijd en vaccinatietoestaud der lijders.

Uit de bij deze Nota behoorende tabel I (hierachter afgedrukt) blijkt, welk een overwegend aantal gevaccineerden en gerevaccineerden dooide pokken werden aangetast. De weinige niet-ingeënten behooren nagenoeg allen tot de leeftijdsklasse van 0—10 jaar, terwijl in de hoogere leeftijdsklassen bijna uitsluitend gevaccineerden en gerevaccineerden voorkomen. Ook uit deze tabel blijkt wederom, dat in geen enkele leeftijdsklasse, zelfs niet in die van O—10 jaar, waarin de vaccine geacht wordt de krachtigste werking uit te oefenen, de gevaccineerden absoluut beschermd zijn.

Neemt men nu de tabel voor Berlijn van 1865—70, dan is de verhouding van de pokkengevallen bij ingeënten en niet-ingeënten met inachtneming van den leeftijd der lijders als volgt (1) :

1) Kaiserliches Gesundheitsamt te Berlijn.

-ocr page 72-

60

Leeftijds- Ingeënten Nict-ingcënt. klasse. en gerevaccin.

1 100 511

2—5 458 742

6—10 371 159

11—15 218 21

16--20 495 8

21—30 1774 15

31—40 1410 11

41—60 1278 12

61—80 174 7

81 en daarboven 1 —

onbekend 9 1

Totaal . 6288 1487

Voor Berlijn in 1871/72 ]): Leeftijds- Ingeënten Niet-ingeënt. klasse. en gerevaccin.

1 259 977

2—5 1244 1359

6—10 737 251

11—15 633 46

16—20 1891 114

21—30 5150 200

31—40 3538 165

41—60 2984 122

61—80 551 34

81 en daarboven 4 1

onbekend. 47 24

Totaal . 17038 3353

Voor Berlijn met de overige pokkenlijsten te zamen verkrijgt men het volgende resultaat 1): Leeftijds- Ingeënten Niet-ingeënt. klasse. en gerevaccin.

1 425 2029

2—5 2005 2716

6—10 1560 525

11—15 1469 90

16—20 3320 128

21—30 9297 310

31—40 6909 196

41—60 6359 101

01—80 1004 51

81 en daarboven 0 1

onbekend. 83 29

Totaal .quot;32497 6242

Pokkenepidemie te Gladbacb 18901): Ziektegevallen.

Leeftijds- Ingeënt. Gerevaccin. Niet-klasse. ingeënt.

1

5

2

1

0

3—10

6

3

11—15

2

1

16—20

10

21—30

3

15

31—40

14

14

41—50

11

9

1

51—60

13

3

61—80

8

2

onbekend

]

Totaal

58

55

15

Pokkenepidemie te Bonn 1870/722): Ziektegevallen.

Leeftijdsklasse. Ingeënt

1 —

2—5 4

6—10 4

11—15 8

16—20 8

21 —30 38

31—40 24

41—50 10

51—60 13

61—70 2

boven 70 4

Totaal . 115 2

. Niet-ingeënt. 2

Pokkenepidemie te Lubeck 1881 2) :

Leeftijdsklasse.

Ingeënt.

Niet-ingeënt.

1

1

2—5

6—10

1

11—15

16—20

1

21—30

13

31- 40

12

41—50

5

51—60

8

61—70

4

boven 70.

3

Totaal

. 47

1


1

iïedicinische Wochensch\'ift.

2

Kaiserliches Gesundheitsamt te Berlijn.

-ocr page 73-

07

Pokkenepidemie te Duisburg 1871/72 gt;):

Ziektegevallen. Leeftijds- Ingeënt. Gerevaocin. Niet-

klasse.

ingeënt.

1

10

182

2—5

90

333

C—10

173

2

90

11—15

233

8

10

10—20

283

11

0

21—30

509

29

20

31—40

445

29

7

41—60

415

39

7

00—80

53

8

1

Totaal

2217

120

002

Pokkenepidemie te Keulen

1871/73 1

):

Ziektegevallen.

Leeftijds

Ingeënt, flerevaccin.

Niet-quot;

klasse.

ingeënt.

1

15

22

2—5

20

5

0—10

50

4

2

11—15

07

11

16—20

109

27

21—30

078

40

2

31-40

478

27

41-00

530

29

3

00—80

83

3

onbekend

5

Totaal 2107

141

34


Uit deze fahellen blijkt, (Jat de vaccinatie in fjeen enkele leeftijdsklasse absolute bescherming verleent, en voorts, dat, naar gelang van den leeftijd het aantal onder de eievaccineerden toe-, onder de niet gevaccineerden afneemt. Hieruit gevolgtrekkingen af to leiden is moeilijk, zoolang men niet de verhoudingen van het aantal gevaccineerden en ongevaccineerden kent. Vermindert bijv. op verderen leeftijd het aantal oningeënten, dan spreekt het van zelf, dat ook het aantal ziektegevallen onder die oningeënten moet verminderen. Toch vinde de volgende opmerking hier eene plaats. Neemt men aan, dat in de plaatsen waarop die cijfers betrekking hebben, heel of bijna heel de bevolking, althans op verderen leeftijd, gevaccineerd is geworden, dan wekt het verwondering, dat te midden van een door en door ingeente bevolking toch de ziekte telkens uitbreekt en ondanks de herentingen op idle leeftijden vele slachtoffers maakt. Neemt men daarentegen aan, dat ook in bedoelde plaatsen een overgioot deel der bevolking onin-geënt is gebleven, dan zouden die cijfers zeer ten nadeele der inenting pleiten, vermits dan zou blijken, dat op ouderen leeftijd de vatbaarheid voor pokken veel spoediger bij ongevaccineerden dan bij gevaccineerden vermindert.

§ 12.

Het Eng\'elsche leger en de Eng-elsohe vloot. (2)

De invoering van den vaccinatie- en revaccinatiedwang in het Engelsche les\'er dagteekent van 1859. Algemeen wordt door de Engelsche autori-

1

Kaiserliches Gesundheitsamt te Berlijn.

-ocr page 74-

(58

teiten aangenomen, dat 20 jaar later, in 1879, het leger uitsluitend uit gerevaccineerden bestond.

Toch neemt men jaarlijks een stijgend aantal ziektegevallen waar. In;

1879 ..... 39 ziektegevallen.

1880 ..... 14 »

1881 ..... 38 »

1882 .....(U »

1883 ..... 120 5gt;

1884 ..... 114 »

1888 (!) ... . 140 »

Het meerendeel dezer gevallen kwam voor onder de Britsche troepen in Indië en Egypte, alwaar de pokken epidemisch zijn. Hierbij moet worden opgemerkt, dat, naar de meening van vele deskundigen, de toepassing der vaccine vaak zeer onvoldoende is.

Wat de Engelsche marine betreft, hierbij werd in 18G9 de verplichte vaccinatie ingevoerd voor allen, die zich in den zeedienst begeven, terwijl de verplichte revaccinatie van 1871 dagteekent.

Verdeelt men het tijdvak van 1801—1888 in drie perioden, dan verkrijgt men de volgende cijfers:

1801—70 .... 1800 ziektegevallen.

1871-80 .... 388 »

1881—88 .... 87 »

Eene aanzienlijke en geleidelijke daling derhalve, die samenvalt met de invoering van den vaccinatie- en revaceinatiedwang. Hierbij dient echter in aanmerking te worden genomen, dat in die laatste dertig jaren belangrijke verbeteringen teerden aangebracht in den sanitairen toestand der schepen en in het voedsel en de fjemakken der manschappen.

In 1800 toch werd bij de constructie der schepen het hout vervangen door het ijzer, hetgeen als een eerste stap in de richting van sanitaire verbetering mag worden beschouwd. Sedert nam het ijzer ook de plaats van het hout in bij den bouw van kanonneerbooten en kleinere vaartuigen. Ook werd voor betere voeding gezorgd. Sedert 1801 is de alge-meene sterfte op de vloot dan ook 50 pet. gedaald.

Dat ook revaccinatie geen afdoend middel van beveiliging tegen pokken kan worden genoemd, blijkt uit de volgende bijzonderheden. In 1879, nadat de vaccinatie- en revaceinatiedwang reeds 8 jaren op de vloot bestaan had, brak op de Boadicea, het vlaggeschip op de Westkust van Afrika, eene pokken-epidemie uit. De ziekte was ingesleept door inlanders van de Westkust, alwaar de pokken epidemisch heersch-ten, 9 inlanders en 30 Eugelschen werden aangetast; alle inlanders en 2 Engelschen stierven. Van de inlanders was geen enkele gevaccineerd; de Engelschen allen. Het marine verslag vermeldt nog, dat één matroos

(1) Moet waarschijnlijk 1885 ziju.

-ocr page 75-

69

met twee goed gevormde vaceinatielitteekens aan de haemorrhagische pokken stierf, terwijl de commandant en drie matrozen de confluente pokken hadden. In 1864 en 65 heerschte eene pokkenepidemie op de Engelsche vloot, die in de Chineesche wateren was gestatiouneerd. In 1864 werd Japan voor den Europeeschen handel opengesteld. Drie Engelsche schepen, waaronder de Conqueror gingen naar Yokohama, alwaar de pokken heerschten. Op den Conqueror alléén hadden 59 ziektegevallen plaats, terwijl op de twee andere schepen 46 gevallen voorkwamen.

Eene tweede pokkenepidemie heerschte op het marine-station te Hongkong in 1867. Op de Prinses Gharlottquot; van Hiogo in Japan komende, alwaar de pokken epidemisch heerschten, brak den 13den Februari eene pokkenepidemie uit. Twee dagen later waren er reeds 60 manschappen aangetast en den 20sten Februari, dus 7 dagen later, telde men 120 poklijders, waarvan 8 stierven. Het schip zette koers naar Hongkong, alwaar 116 poklijders aan wal werden gezet. De ziekte werd overgebracht naar de andere schepen. De Vestaalsche Maagd had eene epidemie van 22 gevallen, de Scylla van 10, de Serpent van 21.

Van de 105 gevallen in 1865 waren 65 gevaccineerd, 7 niet-gevac-cineerd, 33 onzeker. Van de 59 poklijders op den Conqueror hadden 43 goede en duidelijke vaccinatie-litteekens; bij 7 waren de vaccinatie-lit-teekens onduidelijk of onzeker, terwijl 6 de pokken voor de tweede maal hadden.

In 1864 kwamen op de oorlogsschepen, die in de Engelsche havens waren gestationneerd, 199 ziektegevallen voor: van 83 dier gevallen, waarvan bijzonderheden vermeld werden, waren 6 niet-, 77 wel gevaccineerd ; 19 gevaccineerden en 3 niet-gevaccineerden hadden de confluente pokken.

§ 13.

Zijn niet-gevaccineerden gevaarlijk voor de gevaccineerden ?

Wat nu de vraag betreft, of niet-gevaccineerden, meer bepaaldelijk niet gevaccineerde Icinderen een gevaar zijn voor de gevaccineerden, deze zal bevestigend moeten beantwoord worden, indien bewezen wordt, dat pok-kenepidemiën hun ontstaan te danken hebben aan het ziek worden van niet-gevaccineerde individuen en dat de ziekte door deze aan de gevaccineerden wordt medegedeeld. Blijkt integendeel, dat de ziekte even zoo goed bij gevaccineerden als bij ongevaccineerden aanvangt, dan komt men voor de vraag te staan, of er reden bestaat om juist de ongevaccineerden uit de samenleving te verwijderen, en of de ingeënten niet even gevaarlijk zijn voor hunne omgeving als de oningeënten. Het is toch buiten kijf, dat, eenmaal aangetast, de ingeënte even gevaarlijk is als de oningeënte en eveneens, dat, zoolang hij niet aangetast is, de

-ocr page 76-

70

oningeënte even weinig gevaarlijk is als de ingeente. Het onderzoek, bij wien van beiden, den ingeente of den oningeënte, de ziekte aanvangt, is van groot gewicht. Veel is hieromtrent nog niet bekend.

Reeds bij de heschoutvint/ van den historischen looji der pokziekte werd aangetoond, hoe ijemalckelijk de pokken zich te midden van eene bijna uitsluitend gevaccineerde bevolking verspreiden, en ook uit de medegedeelde sta* tistieken der plaatselijke epidemieën in Duitschland blijkt, dat de verspreiding der smetstof niet kan worden toegeschreven aan de tegenwoordigheid der weinige niet-gevaccineerden.

De bewering, dat pokkenepidemieën hun ontstaan te danken hebben aan eene opeenhooping van niet-gevaccineerden, wordt niet bevestigd door het volgend staatje, dat voor 13 epidemieën het aantal gevaccineerde en n iet-gevaccineerde poklijders vermeldt.

Plaatsnaam eu Ziektegevallen;

jaartal der epidemie. Gevaccineerden. Niet-gevaccineerden. Totalen.

Bonn 1870—72

113

4

117

Lubeck 1881

47

1

48

Duisburg 1871- -72

2343

662

304 (\')

Keulen 1871—73

2248

34

2361 (-)

Essen 1881—82

366

27

393

Krefeld 1871—72

125

1

126

Wezel 1870—73

512

8

520

Mühlheim 1871—72

176

7

183

Berlijn 1871—72

23608

4923

28531

Gladbach 1890

112

15

127

Lignitz 1871

482

12

494

Liegnitz 1872

394

7

401

Sheffield

4151

552

4703

In al deze epidemieën ging het gevaar voor verspreiding van de smetstof dus uit van een groot contingent gevaccineerden; en indien men den leeftijd der poklijders dezer epidemieën, hierboven medegedeeld, raadpleegt, grooten-deels van volwassen personen. Dit blijkt nog duidelijker uit den hierbij gevoegden staat tabel II (hierachter afgedrukt), waarop voor een aantal epidemieën de leeftijd en vaccinatietoestand der vier eerst aangetasten vermeld zijn. Slechts eene enkele epidemie had haar uitgangspunt in het ziek worden van 4personen, die geen van allen gevaccineerd waren. Bovendien zijn de gevallen, waarin jonge kinderen tot de eerst aangetasten behooren, hooge uitzonde ring. Ook onder de sedert 1874 in Nederland sporadisch voorgekomen pokkengevallen treft men slechts zeer weinig joncje kin-

(1) Moet waarschijnlijk 3005 zijn.

(2) Jloet waarschijnlijk 2283 zijn.

-ocr page 77-

71

deren aan. De groote meerderheid zijn volwassen gevaccineerde personen. Hiertoe raadplege men de geneeskundige verslagen der laatste jaren.

§ 14.

Invloed der vaccinatie op de sterfte aan pokken.

Om te kunnen beoordeelen, of sedert de algemeene toepassing der vaccinatie de s terf te verhouding der poklijders eene wijziging heeft ondergaan, is het van belang, na te gaan welke die sterfteverhouding was gedurende het tijdperk, dat aan de toepassing der vaccinatie voorafgaat.

Volgens de beschrijvingen, die Sydenham (1) en Van Swieten (2) van de pokziekte en van de sterfte, die zij veroorzaakte, hebben nagelaten, waren reeds in de 17de en 18de eeuw, evenals thans, drieërlei vormen van pokken bekend, namelijk de variolae discretae, confluentes en haemorrhagae.

Over de hevige pokkenepidemie, die in de jaren 1607—69 Londen teisterde, zegt Sydenham: »De pokken tastten meer menschen in Londen aan, dan ik mij kan herinneren, dat zij ooit vroeger of later gedaan hebben. Daar de ziekte gedurende dit tijdperk een normaal karakter vertoonde en van eene goedaardige soort was, maakte zij slechts weinig slachtoffers in verhouding tot het ontzaglijk groot aantal aangetasten.quot;

Klaarblijkelijk heeft men hier met variolae discretae te doen, en deze soort werd door Sydenham voor de meest algemeene gehouden, althans t. a. p. over deze epidemie te Londen sprekende, zegt hij: «dat de pokken een buitengewoon typisch karakter vertoonden en een buitengewoon regelmatig verloop hadden; daar deze soort de meest typische schijnt, moet men aan haar de ware geschiedenis der ziekte en de modus medendi ontkenen.»

Van Swieten verklaart, dat de pokken somtijds zeer goedaardig zijn, weinig stoornis in het lichaam teweegbrengen en slechts zeer weinig en dat nog wel onbeduidende uiterlijke kenteekenen vertoonen, die spoedig opdrogen en afvallen. Van de kwaadaardige pokken beweert hij, dat zij de ergste soort is, waarbij het bloed en bijna alle vochten van het lichaam in eene rotteude vloeistof veranderen, en bijna altijd doodelijk is. Vervolgens geeft Van Swieten eene opgave van 355 ziektegevallen uit hospitalen te Weenen, waarvan slechts 7 met doodelijken afloop, d. i. eene sterf te verhouding van nog geen 2 pet. Vóór het vaccinatietijdperk schijnen dus de pokken niet altijd zoo doodelijk te zijn geweest, als menigmaal wordt voorgesteld.

(1) BIdz. 66 van het derde rapport der Engelsche Vaccinatie-Commissie.

(2) Bldz. 69 van Idem.

-ocr page 78-

70

oningeënte even weinig gevaarlijk is als de ingeente. Het onderzoek, bij wien van beiden, den ingeente of den oningeënte, de ziekte aanvangt, is van groot gewicht. Veel is hieromtrent nog niet bekend.

Reeds hij de beschouwin;/ van den historischen loop der pokziekte werd aangetoond, hoe (jemalcJceljk de pokken zich te midden ran eene bijna uit-sluitend gevaccineerde bevolking verspreiden, en ook uit de medegedeelde star tistieken der plaatselijke epidemieën in Duitschland blijkt, dat de verspreiding der smetstof niet kan worden toegeschreven aan de tegenwoordigheid der weinige niet-gevaccineerden.

De bewering, dat pokkenejjidemie\'én hun ontstaan te danken hebben aan eene opeenhooping van niet-gevaccineerden, wordt niet bevestigd door het volgend staatje, dat voor 13 epidemieën het aantal gevaccineerde en niet-gevaccineerde poklijders vermeldt.

Plaatsnaam en Ziektegevallen;

jaartal der epidemie.

(jevaccineerden.

N iet-gevaccineerden.

Totalen.

Bonn 1870—72

113

4

117

Lubeck 1881

47

1

48

Duisburg 1871- -72

2343

662

304 (\')

Keulen 1871—73

IC IC

00

34

2361 n

Essen 1881—82

366

27

393

Krefeld 1871—72

125

1

126

Wezel 1870—73

512

8

520

Mühlheim 1871—72

176

7

5.83

Berlijn 1871—72

23608

4923

28531

Gladbach 1890

112

15

127

Lignitz 1871

482

12

494

Liegnitz 1872

394

7

401

Sheffield

4151

552

4703

In al deze epidemieën ging het gevaar voor verspreiding van de smetstof dus uit van een groot contingent gevaccineerden; en indien men den leeftijd der poklijders dezer epidemieën, hierboven medegedeeld, raadpleegt, grooten-deels van volwassen personen. Dit blijkt nog duidelijker uit den, hierbij gevoegden staat tabel II (hierachter afgedrukt), waarop voor een aantal epidemieën de leeftijd en vaccinatietoestand der vier eerst aangetasten vermeld zijn. Slechts eene enkele epidemie had haar uitgangspunt in het ziek worden van 4personen, die geen van allen gevaccineerd waren. Bovendien zijn de gevallen, waarin jonge kinderen tot de eerst aangetasten behooren, hooge uitzondering. Ook onder de sedert 1874 in Nederland sporadisch voorgekomen pokkengevallen treft men slechts zeer weinig jonqe kin-

(1) Moet waarschijnlijk 3005 zijn.

(2) Moet waarschijnlijk 2282 zijn.

-ocr page 79-

71

deren aan. De groote meerderheid zijn volwassen gevaccineerde personen. Hiertoe raadplege men de geneeskundige verslagen der laatste jaren.

§ 14.

Invloed der vaccinatie op de sterfte aan pokken.

Om te. kunnen broordeelen, of sedert de algemeene toepassing der vaccinatie de sterfteverhouding der poklijders eene ivijziging heeft ondergaan, is het van helanj, na te gaan welke die sterfteverhouding was gedurende het tijdperk, dat aan de toepassing der vaccinatie voorafgaat.

Volgens de beschrijvingen, die Sydenham; (1) en Van Swieten (2) van de pokziekte en van de sterfte, die zij veroorzaakte, hebben nagelaten, waren reeds in de 17de en 18de eeuw, evenals thans, drieërlei vormen van pokken bekend, namelijk de variolae discretae, confluentes en haemorrhagae.

Over de hevige pokkenepidemie, die in de jaren 16G7—6(J Londen teisterde, zegt Sydenham: »De pokken tastten meer menschen in Londen aan, dan ik mij kan herinneren, dat zij ooit vroeger of later gedaan hebben. Daar de ziekte gedurende dit tijdperk een normaal karakter vertoonde en van eene goedaardige soort was, maakte zij slechts weinig slachtoffers in verhouding tot het ontzaglijk groot aantal aangetasten.quot;

Klaarblijkelijk heeft men hier met variolae discretae te doen, en deze soort werd door Sydenham voor de meest algemeene gehouden, althans t. a. p. over deze epidemie te Londen sprekende, zegt hij: »dat de pokken een buitengewoon typisch karakter vertoonden en een buitengewoon regelmatig verloop hadden; daar deze soort de meest typische schijnt, moet men aan haar de ware geschiedenis der ziekte en de modus medendi ontleenen.»

Van Swieten verklaart, dat de pokken somtijds zeer goedaardig zijn, weinig stoornis in het lichaam teweegbrengen en slechts zeer weinig en dat nog wel onbeduidende uiterlijke kenteekenen vertoonen, die spoedig opdrogen en afvallen. Van de kwaadaardige pokken beweert hij, dat zij de ergste soort is, waarbij het bloed en bijna alle vochten van het lichaam in eene rottende vloeistof veranderen, en bijna altijd doodelijk is. Vervolgens geeft Van Swieten eene opgave van 355 ziektegevallen uit hospitalen te Weenen, waarvan slechts 7 met doodelijken afloop, d. i. eene sterfteverhouding van nog geen 2 pet. Vóór het vaccinatietijdperk schijnen dus de pokken niet altijd zoo doodelijk te zijn geweest, als menigmaal wordt voorgesteld.

(1) Bldz. 66 van het derde rapport der Eugelsclie Vaccinatie-Commissie.

(2) Bldz. 69 van Idem.

-ocr page 80-

72

Evenwel is deze lage sterfteverhouding geenszins de gewone. Als gemiddelde sterfteverhouding wordt door de schrijvers der vorige eeuw meestal 18 pet. aangegeven, en deze meening wordt bevestigd duor eene opgave van \'27 44:4 polckengevallen uit de prae-vaccinatieperiode, ontleend aan hospitaal-statistieken met olG5 sterfgevallen, hetgeen eene gemiddelde sterfteverhouding aanduidt van 18,8 pet. (1)

Wat blijkt nu omtrent de sterfteverhouding der poTdijders in het vaccinatietijdperk? Ook hier zijn de hospitaal-statistieken de beste gidsen, omdat zij de meeste waarborgen voor nauwkeurigheid geven.

De heer heelek, getuige van de Eugelsche Vaccinatie-Commissie van 1889, heeft eene reeks van hospitaalgevallen uit het Vereenigd Koninkrijk, liet vaste land van Europa en de Vereenigde Staten van Amerika verzameld en daaruit de gemiddelde sterfte berekend van ge-vaccineerden en niet-gevaccineerden door elkander genomen; de uitkomsten zijn als volgt: (2)

Ziekte- Gevac- Sterf- ,, , .. gevallen, cineerdeu. gevallen. Verhouding.

Vereenigd Koninkrijk . . 86 414 62 887 12 730 14,7 pet.

Vaste land van Europa . 34 873 15 981 4 383 12,5 »

Amerika...... 9 670 2 637 2 599 26,8 »

Totaal . . 130 957 81 505 12 712 15 pet.

Uit deze opgave blijkt dus, dat de gemiddelde sterfteverhouding van gevaccineerden en niet-gevaccineerden 15 pet. bedraagt.

Eene andere groep van Engelsche hospitaalgevallen, verzameld door dr. Gayton en opgenomen in het tweede rapport der Engelsche Vaccinatie-Commissie, bladz. 244, 10 403 in getal met 1807 sterfgevallen, geeft eene verhouding van 17,36 pet.

De gemiddelde sterfteverhouding tijdens de pokken-epidemie te Berlijn in 1871/72 bedroeg 20,9 pet.; de sterfteverhouding der gevallen, voorkomende in de Duitsche Urpockenlisten 18,9 pet. Uit deze cijfers zou blijken, dat sedert de toepassing der vaccinatie de algemeene sterfteverhouding der poklijders geeue belangrijke wijziging heeft ondergaan.

Intusschen komt men tot geheel andere resultaten, wanneer men de gevaccineerde poklijders van de niet-gevaccineerde scheidt en voor elke klasse, afzonderlijk het sterfteprocent berekent. Dan schijnt de inenting een zeer gunstigen invloed uit te oefenen op het sterftecijfer. Zoo heeft dr. Gayton aan de Engelsche Vaccinatie-Commissie eene tabel overgereikt, waarin

(1) Deze statistiek is vermeld in den appendix van het bde rapport der Engelsche Vaccinatie-Commissie 1889. bladz. 201. (Tabel J.)

(2) Deze statistieken zijn te vinden in den appendix van het 3de rapport der Engelsche Vaccinatie-Commissie 1889, bladz. 201. (Tabel K).

-ocr page 81-

73

hij 10 403 hospitaalgevallen naar den leeftijd, geslacht en vaccinatietoestand ontleedt, en waaruit hij aantoont, dat, al naarmate de poklijders een grooter aantal goedgevormde vaecinatielitteekens vertoonen, hunne sterfteverhouding afneemt.

De resultaten zijn als volgt:

Sterfteprocent der gevaccineerden met goed gevormde litteekens: (1)

Mannen. Vrouwen.

1 litteeken......4,2 pet. 4,04 pet.

2 » ......4,0 » 2,5 »

3 » ......2,3 » 2,3 »

4 of meer litteekens ... 1,9 » 1,8 »

Sterfteprocent der gevaccineerden met onvolledig gevormde litteekens:

Mannen. Vrouwen.

1 litteeken......14,7 pet. 11,9 pet.

2 » ......10,5 » 8,9 »

3 » ......7,1 » G,09 »

4 of meer litteekens . . . 3,2 » 4,8 »

Sterfteprocent der niet-gevaccineerden:

Mannen. Vrouwen.

29,4 ]x;t. 24,4 pet.

Gemiddelde sterfteverhoudinu der gevaccineerden en niet-gevaccineerden te zennea 17,3ö jid.

Ook Körösi komt tut een soortgelijk, resultaat. Van de 1113 pokkenge-oallen ia 19 Hongaarsche hospitalen gedurende het jaar 188(5 verpleegd, waren 631 gevaccineerd, 4(58 niet; van de eersten stierven 42 of 6,6 pcf., van de laat sten 231 of 49,68 pet.

Toch moet ook hier op enkele omstandigheden worden gewezen, wil men het voorbarig trekken van conclusiën voorkomen.

In de eerste plaats valt op te merken, dat van de 10 403 gevallen door Dr. Gayton geanalyseerd, 6929 gevaccineerd waren. Hiervan hadden slechts 2075 goed gevormde vaccinatielitteekens en van deze slechts 389 een viertal. Hieruit kan men afleiden, hoe weinig gevaccineerden inderdaad zoodanig zijn ingeënt, dat zij goed beveiligd mogen heeten tegen een doodelijken afloop der pokziekte. In de tweede plaats, en dit geldt ook ten aanzien van Körösi\'s gevallen, trekt het de aandacht, dat het sterfteprocent der niet-gevaccineerden belangrijk veel hooger is dan in het prae-vaccinatietijdperk.

Zooals hierna zal worden aangetoond, schijnt er in den aard der ziekte

(1) Deze statistiek is te vinden in het 2de rapport der Engelsuhe Vaccinal ie-Com-missie, blz. 244.

-ocr page 82-

74

niet de geringste wijziging te zijn gekomen, zoodat het hooger sterfte-procent niet aan grootere gevaarlijkheid der ziekte kan worden toegc-schreven. Alzoo rijst de vraag, of wellicht het verschil zijn oorzaak vindt in do eigenschappen van dc klassen, waartoe de aangetasten meerendeels behooren. Ter beantwoording van die vraag lette men o. a. hierop, dat tusschen de gevaccineerden en uiet-gevaccineerden ten opzichte van de lethaliteit in het algemeen reeds een aanmerkelijk verschil bestaat; Körösi berekent dit op G5 pet. ten nadeele van de niet-gevaccineerden.

Bovendien mag men aannemen, dat sedert de algemeene toepassing der vaccinatie de klasse der niet-gevaccineerden voor een niet onaanzienlijk gedeelte samengesteld is 1quot;. uit zeer jonge kinderen, die nog niet den leeftijd hebben bereikt, waarop de vaccinatie verplichtend is gesteld, en die reeds uit hoofde van hun leeftijd een zeer gering weerstandsvermogen bezitten; 2quot;. uit kinderen, bij wie de vaccinatie wegens hun gebrekkigen gezondheidstoestand is uitgesteld moeten worden; ook deze hebben bij een aanval der pokkeu minder kans op herstel; 3°. uit de vagabondeerende en laagste elementen der maatschappij, die, hetzij ten gevolge van hun zwervend leven, hetzij ten gevolge van nalatigheid en onverschilligheid, nimmer noch voor zich zeiven noch voor hunne kinderen van de vaccinatie hebben gebruik gemaakt. Dat ook deze individuen ten gevolge van allerlei oorzaken, slechte voeding, onzindelijkheid, gebrekkige woning, enz. enz., minder weerstandsvermogen bezitten, ligt voor de hand.

Overwmjt men het bovenstaande, dan zal men de vraag, of de (jrootere mortaliteit onder de niet-gevdJÈeineerdm enkel en zelfs voornamelijk met de inenting m oorzakelijk verband staat, niet licht onvoorwaardelijk- bevestigend beantwoorden.

Ook betreffende de vraag, of de vaccinatie een beveiligingsmiddel is tegen een aanval van confluente en haemorrhagae pokken en tegen een doodelijken afloop der ziekte in beide genoemde vormen, bevatten de hospitaalstatistieken gewichtige gegevens. Op blz. 207 van het derde rapport der Engelsche Vaccinatie-Commissie komt eene tabel voor, welke een overzicht geeft van de sterfteverhouding van 12 445 poklijders in 5 Engelsche ziekenhuizen, met inachtneming van den vaccinatietoestand, en gerangschikt naar de verschillende vormen der ziekte. De resultaten dezer ontleding zijn de volgende:

Variolae discretae. Conjluentes. Haemorrhagae.

Ziekte-gev.

Sterfgev.

Ziekte-gev.

Sterfgev.

Ziekte-gev.

Sterfgev.

Niet-gevaccineerden

490

35 of 7 pel.

3515

1509 of 42 pet.

181

164 of 90 pet.

Vermoedelijk „

374

3 „ 1 „

654

144„ 22 „

57

47 „ 82 „

Twijfelachtige gev.

115

4 „ 3 „

173

^ ji

11

9 r, 81. „

Ünvoll. vacc.-litteek.

2028

6 * 0,3 „

1486

254„ 17 „

87

73 „ 84 „

Goede „

2031

9 „ 0,4 „

1403

116„ 8 „

40

34 „ 85 „

-ocr page 83-

75

Uit deze statistiek hlijkf dus in de eerste plaats, dat, onverscluUin de hoedanigheid der rareiiutfie-liiteekem, de j/evacwieerdm vatbaar zijn voor de pokzielde in al haar vormen; 2quot;. dat ran 3474 (joed (jevaccineerden 1403 of 43,2 pd. door con ftuente pokken verden aamjetast, waarvan Spet. sterven, terwijl 40 of 1,1 pd. de haemorrhacjische pokken hadden, waarvan 34 of 85 pet. sterven; 3quot;. dat van de 8259 (jevaccineerden slechts 3474 of ruim 42 pet. goed zijn gevaccineerd, tera ijl hij 4785 of nam 57 pet. de vaccinatie te wenschen overlaat; bij deze klasse bedraagt de gemiddelde sterfteverhouding aan conjtueate pokken 21,1 pet. en met gelijk de gevacci-neerden sub 2quot;. genoemd 8 pet.

§ 15.

Welke zijn de schadelijke gevolgen der koepokinenting, en kunnen deze door inachtneming van gepaste voorzorgsmaatregelen voorkomen worden ?

Bij de behandeling van de schadelijke gevolgen, die door de koepokinenting kunnen veroorzaakt worden, verdient liet aanbeveling eeue onderscheiding te maken tusschen de directe eu indirecte schadelijke gevolgen. Onder de eersten worden dan verstaan, die, waarvan de vaccinatie als onmiddellijke oorzaak van de ziekte kan worden aangewezen, hetzij dat door middel van de vaccinatie syphilis, scroplmlose en tuberculose van den eenen mensch op den anderen wordt overgeplant, hetzij dat ten gevolge van de vaccinatie huidziekten als erysipelas, impetigo, enz. ontstaan, die aan geen andere oorzaak kunnen worden toegeschreven.

Onder de indirecte schadelijke gevolgen verstaat men die, waarvan de vaccinatie wel niet als directe oorzaak kan worden aangetoond, doch die hun ontstaan te danken hadden aan de omstandigheid, dat het men-schelijk organisme ten gevolge van de inwerking der vaccine tot eenen geschikten bodem werd gemaakt voor de opname en ontwikkeling van andere ziektekiemen of waarin ten gevolge van de inwerking der vaccine sluimerende ziekten werden opgewekt.

Directe schadelijke gevolgen.

Het is bekend, dat Jenner en de meesten zijner tijdgenooten de inenting met koepokstof voor eene hoogst onschuldige kunstbewerking hielden. In Pruissen en Zweden zag de Regeering er zelfs geen bezwaar in, om de uitoefening van het bedrijf aan kosters en vroedvrouwen toe te staan. Toch wist reeds in 1808 het College of Surgeons, naar aanleiding van de parlementaire enquête omtrent de resultaten der koepokinenting in Engeland, 90 gevallen mede te deelen, waarin de vaccinatie

-ocr page 84-

76

schadelijke gevolgen had teweeggebracht en twee sterfgevallen had veroorzaakt, en ook in Pruissen en Zweden zag men zich weldra genoodzaakt om do verrichting der koepokinenting uitsluitend toe te staan aan artsen eu geneesheeren. Hieruit blijkt, dat de nadeelif/e gevolr/en der vctcci-natie reeds van den aanvang niet zeldzaam waren, en dat ter voorkoming daarvan meer kunde en zorg vereischt werd dan Jexxer heeft doen voorkomen. Toch heeft men langen tijd de schadelijke gevolgen der vaccinatie toegeschreven aan het gebruik van onechte koepokstof en aan de nalatigheid van den vaccinateur, derhalve aan oorzaken die met eenige zorg konden vermeden worden.

Directe schadelijke gevolgen.

Syphilis.

Wat nu het gevaar voor overplanting van syphilis door middel van de vaccinatie betreft, heeft het langen tijd geduurd, alvorens zich bij de medische autoriteiten de overtuiging vestigde, dat de vaccine medium kan zijn tot het verspreiden van syphilis.

Ofschoon reeds bij Jenner\'s leven Moseley en Willis verklaard hadden, dat syphilis door vaccine van arm op arm verspreid werd, antwoordde de Fransche geleerde Ricord nog in 1856 op de vraag van John Simon of hij eenige reden had om te vermoeden, dat de lymphe eener echte Jennersche pokpuist ooit syphilitische of scrophuleuze infecties had veroorzaakt, beslist ontkennend.

Zes jaren later, in 1862, werd Ricord\'s aandacht gevestigd op feiten, die hem aan het aarzelen brachten. In eene voordracht naar aanleiding daarvan in het Hotel Dieu gehouden, gaf hij te kennen, dat de verklaring der feiten niet dan met de grootste omzichtigheid moest aanvaard worden, te meer, omdat, indien ooit de overdracht der ziekte door middel van vaccinelymphe werd bewezen, van de vaccinatie geheel en al moest worden afgezien, daar de wetenschap geen criterium aan de hand deed, dat den geneesheer in staat stelt om in gcmoede te verklaren, dat de lymphe, waarmede hij inent, volkomen vrij is van een bijmengsel van besmet bloed. Doch in 186!) uitte Ricord zijne meening omtrent dit punt in de volgende woorden: «.Aanvankelijk heh ik het denkbeeld verworpen, dat syphilis door vaccinatie kan worden overgeplant. Nadat de herhaling der feiten de waarschijnlijkheid daarvan hoe langer hoe meer scheen te bevestigen, heb ik de mogelijkheid dezer wijze van overplanting, ik mag zeggen met voorbehoud en zelfs met weerzin, aanvaard: doch thans aarzel ik niet langer de werkelijkheid daarvan openlijk idt te spreken-». Professor Ricord meende intusschen, dat de overdracht van syphilis veroorzaakt werd door de aanwezigheid van besmette bloedlichaampjes

-ocr page 85-

in de lymplie, en dr. Viennois te Lyon, die eveneens een uitgestrekt onderzoek instelde naar de overdracht van syphilis door middel van de vaccinatie, kwam tot dezelfde overtuiging. ,

Het lean niet betwijfeld irorden, dnt, wanneer hexmef Hoed met de lymphe vermengd is, deze om.ifandif/heid voldoende is om dnor vaccinatie syphilis over te Irenfjen. Daar nu de lymphe, die voor de inenting gebruikt wordt, zooals later zal blijken, zeer dikwijls bloedlichaampjes bevat en een nauwkeurig microscopisch onderzoek vereischt wordt om de aanwezigheid daarvan te constateeren, levert de vaccinatie reeds op dien grond gevaar voor syphilitiseering op. Doch de onderzoekingen van Ballard en Hut-chixsox maken het in hooge mate waarschijnlijk, dat de lymphe zelve syphilitisch virus kan bevatten.

In 18C8 zag dr. Ballard\'s beantwoording van eene prijsvraag over vaccinatie het licht.

Hierin bespreekt hij de overplanting van ziekten door middel van de vaccinatie en komt hij ten aanzien van de syphilis tot de volgende conclusiën:

1°. talrijke voorheelden bewijzen, dat het vaccinale virus en hef syphi-litische virus op dezelfde plaats en met dezelfde insnijding of steek ran het lancet hunnen u-orden aangebracht.

2quot;. verscheidene deugdelijk geconstateerde gevallen laten geen twijfel meer toe, dat het vaccinale virus en het syphilitische virus te gelijker tijd met hetzelfde instrument van dezelfde pokpuist kunnen irorden afgenomen.

3°. de pokpuist, die zoowel syphilitisch als vaccinaal virus bevat, kan, alvorens te zijn geopend, alle normale en volledig ontwikkelde eigenschappen van de echte Jennersche pokpuist vertoonen.

Dr. Ballard deelt in zijn opstel over vaccinatie 5 reeksen van vaccine-syphilitische infecties mede.

In het eerste geval werden van één kind vijftig andere kinderen en twintig volwassen personen besmet.

In het tweede geval 34 kinderen en verscheidene volwassen personen.

In het derde geval 6 kinderen benevens nog enkele anderen.

In het vierde geval G1 kinderen.

De besmetting werd medegedeeld aan moeders en minnen door het zoogen der kinderen en op deze wijze werd syphilis overgeplant van kinderen op moeders en van deze op hare echtgenooten.

Hutchinson maakte behalve een geval, waarin de overbrenging van syphilis kan worden toegeschreven aan de aanwezigheid van bloedlichaampjes in de lymphe, twee reeksen van besmettingen bekend, waarbij na een nauwkeurig onderzoek der gebruikte lymphe niet was gebleken, dat zij bloedlichaampjes bevatte.

-ocr page 86-

78

Hutchinson meent daaruit te mogen afleiden, dat de pokpuist tege-lijker tijd zoowel syphilitisch als vaceinaal virus kan bevatten, en dat derhalve door inenting met dergelijke lymphe beiderlei soort van virus in het lichaam wordt gebracht.

Ook dc Fransche geleerde, professor Fournier, heeft het vraagstuk betreffende de overbrenging van syphilis door vaccinatie tot een punt van onderzoek gemaakt en zijne ervaring medegedeeld in een boekje, getiteld; sLegons sur la syphilis vaccinalequot;. Hij stelt daarin de volgende vragen: Is het absoluut bewezen, niettegenstaande alle ontkenningen, dat syphilis door vaccinatie kan worden overgebracht ? Is het in één woord definitief vastgesteld, dat een gezond mensch syphilis kan krijgen door middel van vaccinelymphe, afkomstig van eene syphilitische bron ? En deze vragen beantwoordt hij met een beslist ja, en gaat voort met dit feit te bewijzen. Na het geval van dr. Millard\'s patient, die ge-syphiliseerd werd met lymphe, afgegeven door de Académie de Médecine, en dat van dr. Corv te hebben geanalyseerd, komt hij tot de volgende slotsom: »Uit het voorafyaandp voh/f filmhelder, dat in het alyemeen de vaccinatie een irezenVjk en ermtiy (jevaac oplevert. En dit gevaar mirt om tal van redenen onze hezorydheid op, trant:

1quot;. Is cih individu gedoemd om eens of meermalen in zijn leren de l;oe-polcinenting te ondergaan; dientengevolge loopt een ieder eens of meermalen de leans om door syphilis te irorden hesmet.

2quot;. De groote en steeds toenemende verspreiding der syphilis in onze hedendaagsche maatschappij zed slechts de hans voor dit gevaar doen toenemen.

3quot;. De syphilis, die den mensch op zeer jeugdigen leeftijd aantast, d.iv.z. de syphilis, die in het menschelijk oryanisme wordt opyenomen op een leeftijd, waarop de vaccinatie yewoonlijk irordt toegepast, is hvitenyeu-oon gevaarlijk, dikwijls gevaarlijk genoeg om in vele gevallen een doodelijken afloop te veroorzaken.quot;

Betreffende het al of niet veelviddig voorkomen van vaccinale syphilis zegt Fournter het volgende: vEr bestaan zeker veel meer gevallen van vaccinale syphilis dan vit de kolommen onzer wetenschappelijke bladen blijkt. Persoonlijk had ik tnt op den hiddiyen dag geen enkel van de talrijke gevallen van deze soort bekend gemaakt, die ik in mijne private praktijk of in de hospitalen heb ontmoet. Doch hoevele mijner collega!s zouden niet dezelfde verklaring kunnen afleggen! Deze terughoudendheid heeft somtijds belangrijke gevallen verborgen gehouden. Mij zijn persoonlijk twee epidemiën van vaccinale syphilis bekend, die geheim zijn gehouden, en waaromtrent ik slechts onvolledige inlichtingen heb kunnen bekomen, doordat de zaak in den doofpot werd gedaan.quot; Over het uiterlijk en de ontwikkeling van de pokpuist, die tevens syphilitisch virus bevat, zegt hij : »De ontwik-

-ocr page 87-

79

keling van de pokpuist volgt haar normaal verloop. Zij vertoont niet de geringste onregelmatigheid of eenig kenteeken, dat eenig vermoeden zon kunnen doen ontstaan omtrent hetgeen later te voorschijn zal treden. In één woord: zij is wat zij behoort te zijn en wel in die mate, dat men herhaaldelijk zonder den minsten argwaan lymphe van de pokpuist heeft afgenomen. Zou men aldus gehandeld hebben, indien de puist cenige buitengewone kenteekenen had vertoond ?quot;

Ook FoüRNIER is overhtüjd, dat het overbrenyen van syphiïiH in vele gevallen onvermijdelijk is. Men mee me echter niet, dat deze (/evallen tot de zeld-zaamheden behooren of althans in den tegemcoordiyen tijd niet meer voorkomen.

Lotz uit Bazel vermeldt 750 gevallen, Lancereaux 2ö8 en ook professor Vax Ovehbeek de Meijer gaf in zijn verslag van het hygiënisch Congres te Turijn eene talrijke opgave. Van de laatst voorgekomen gevallen in Frankrijk en Duitschland verdienen de volgende bijzonder de aandacht, omdat daaruit blijkt, dat zij niet kunnen worden toegeschreven aan de nalatigheid van hen, die met de uitvoering der vaccinatie waren belast.

Ik de eerste plaats (1) ö gevallen van vaccinale syphilis, veroorzaakt door inenting met lymphe, die geleverd was door de Académie de Mé-decine te Parijs. Deze gevallen werden uitvoerig beschreven door den heer Hervieux en medegedeeld aan de Académie de Médecine in de zitting van G Augustus 1889. Van de 53 kinderen, die den lldcnMei 1889 werden ingeënt, werden 5 syphilitisch, twee kinderen stierven aan diarhoea en stuipen. De heer Hervieux, die de inentingen zelf had verricht, gebruikte alle mogelijke voorzorgsmaatregelen, doch het kind, waarvan de lymphe genomen was, had latente syphilis, hoewel uiterlijk volmaakt gezond.

Het tweede geval betreft (1) 37 besmettingen bij gelegenheid van de inentingen, die in het najaar van 1889 te Motteaux Bois in de buurt van Lille werden verricht. Van de 38 kinderen vertoonden 37 na de inenting verschijnselen, die dr. De Coxvelaere, den behandelenden geneesheer, deden denken aan syphilis.

Hierover correspondeerende met de Académie de Médecine gaf professor Fournier zijnen twijfel te kennen, of men hier met syphilis te doen had.

De inentingswondjes vertoonden weldra groote confiueute verzweringen, dikwijls ter grootte van een frankstuk. Het kind, waarvan de lymphe was afgenomen, die voor de inenting gebruikt was, vertoonde na onderzoek geen bijzondere verschijnselen behalve sganglionsquot;.

Een ander geval (1) had plaats in het jaar 18GG in de Morbihau, een

(1) Eene omstandige beschrijving dier gevallen komt voor in het 3de rapport der Engelsehe Vaccinatie-commissie van 1889.

-ocr page 88-

80

der westelijke departementen van Frankrijk. De ygt;Lancetquot; van 15 December 1860 beschrijft de ramp aldus: »Meer dan 30 kinderen waren alle gevaccineerd geworden met zes prikken op eiken arm met lymphe afkomstig van een meisje, dat zelf weer gevaccineerd was geworden met lymphe, die bewaard was geworden tusschen twee glasplaatjes en die geleverd was door de overheid. Deze ramp veroorzaakte zulk eene opschudding, dat de Académie de Médeciue te Parijs twee leden naar de plaats des onheils zond om de zaak te onderzoeken. De beide heeren, Henry Koger en Depaul, brachten een verslag uit, dat met de volgende conclusiën besloten wordt:

«1quot;. Verscheidene kinderen, die wij bezocht hebben, waren zonder eenigen twijfel lijdende aan secundaire syphilis.

«2°. Wij kunnen deze besmetting niet anders verklaren, dan door de vaccinatie, en wij zijn er van overtuigd, dat de gevallen, die wij gezien hebben, werkelijk syphilis waren, veroorzaakt door de vaccinatie.

Wat den oorsprong van het virus betreft is het zeer waarschijnlijk, dat het vergift afkomstig is van de lymphe, die tusschen de glasplaatjes bewaard werd en door de autoriteiten werd toegezonden. Daar ook verschijnselen van primaire syphilis waren waargenomen, verzocht prof. Ricord de beide commissarissen dit feit in hun verslag op te nemen, aan welk verzoek deze voldeden.

Een vierde geval (1) betreft de noodlottige gebeurtenis, c\'ie in 1880 te Algiers plaats greep. Den 3 Os ten December 1880 werden de recruten van het garnizoen te Algiers, die nog niet gevaccineerd waren geworden, uaar het hospitaal gevoerd om overeenkomstig de militaire voorschriften de kunstbewerking te ondergaan.

De vaccinatie werd verricht door 2 militaire artsen, terwijl de lymphe afkomstig was van twee kinderen, nog geen twee maanden oud, schijnbaar volkomen gezond en waarvan de lymphe volkomen normaal en van de echte soort bleek te zijn. Zij, die met de lymphe van het eene kind waren gevaccineerd, vertoonden geen bijzondere verschijnselen, doch bij de 58 soldaten, die met de lymphe van het Spaansche kind waren ingeënt, nam men weldra verschijnselen waar, die geen twijfel omtrent den aard der infectie overlieten; allen waren door syphilis aangetast. Zij lier-stelden op één na. Uit een ingesteld onderzoek bleek, dat ook in dit geval de geneesheer geen schuld had. Het kind, dat de vaccine had geleverd, zag er buitengewoon gezond uit. Later overleed het aan syphilis.

Het volgende zij ten slotte nog ontleend aan het rapport van Lotz, over de gevaren verhonden aan de inenting met gehumaniseerde lymphe.

(1) Uitvoerig beschreven in liet 3de rapport der Engelsche Vaccinatie-Commissie.

-ocr page 89-

81

dat als bijlage werd toegevoegd aan het officiëele verslag der Dnitsche Keizerlijke vaecinecommissie van 1884, betrekking hebbende op de noodzakelijkheid tot invoering van de vaccinatie met animale lymphe.

Loïz in een voorstander ran den vaccinatiediruiiy en een autoriteit, die in Dvitschland en in het buitenland hoon staat aangeschreven. vErnstiye nadeel en», zegt hij, «.zijn zoovel róur als na de invoermt/der vacrinafieu et-ten van de vaccinatie het (jevoly yeweest.

De latere belrendmalrinyen vermelden een yroot aantal yevallen, waarin overplantinej van besmettelijke ziekten heeft plaats (jehad. Zoo zijn tot o]) het jaar 1880^ 50//evallen bekend yeworden, nviarin syphilis door middel van de vaccinatie werd overyebracht, ten nevolye a-aar van 7öo menschen teerden besmet. Enkele sporadische yei\'aïlen van overbrenyiny van syphilis door vaccinatie rnoyen wellicht als onzeker worden beschoawd, doch aan den anderen kant iraien er ook i/evallen, die niet openbaar werden yemaakt, zoodtd de bovenyenoemde cijfers aviarschj/tljk layer zijn dan het aantal yevallen, die in de werkelijkheid hebben plaats yehad.

»/gt; overplantiny can syphilis z/d steeds yevreesd moeten irorden, hefyeen ook het voornaamste wapen is in de handen der teyenstanders van de vaccinatie. Zeker is het aanyetoond yeworden, dat alle yevallen van vaccinate syphilis kannen toeyeschreven a-orden aan de nalatiyheid der vaccinatevrs, ea dat, met yepaste inachtneminy van alle roorzorysmaatreyelen, vaccinale syphilis kan vermeden a-orden. Aan den anderen kant moet men niet ver-yeten, dat al naar yelany der omstandiyheden de kenmerken van syphilis bij kinderen naaireljks a-aar neembaar zijn en, bij drukke bezigheid, maar al te yemakkelijk aan de aandacht van den yeneesheer kannen ontyaan.

»Iii dit verband is het geval, dat in 187(! to Lebns plaats had, waarbij lö gerevaccineerde schoolmeisjes door syphilis werden besmet, zoo kenmerkend, dat het noodig schijnt om de aandacht te vestigen op de omstandigheden, waaronder het plaats had, ten einde het op zijne juiste waarde te kunnen schatten. De lymphe was afkomstig van een kind van 7 maanden, dat er op het tijdstip der vaccinatie volmaakt gezond uitzag en eveneens bevonden werd gezond te zijn, bij gelegenheid van een later herhaaldelijk ingesteld onderzoek.

«Het eenige, wat mogelijk de aandacht van den geneesheer had kunnen trekken, was, dat het kind eenigen tijd te voren aan «zwerenquot; had geleden. De moeder van het kind werd gezegd, eens ontijdig te zijn bevallen en een andere maal een dood kind ter wereld te hebben gebracht. Zij had bovendien een kind aan pemphigus (vesiculaire koorts) verloren.

«Evenwel is het de vraag, of de geneesheer met deze feiten bekend was.

«Later bleek de moeder na een gerechtelijk onderzoek vrij van syphilis te zijn.

«Bovendien werd geconstateerd, dat dc vaccine-puisten van het kind

6

-ocr page 90-

op den dag der inspectie (den zevenden dag- na de inenting;) er volkomen normaal uitzagen. Een buitengewoon voorzichtig geneesheer zou zeker geen lymphe hebben genomen van een kind, dat voorheen behandeld was geworden voor «zwerenquot;, doch men bedenke dat niet alle geneesheeren de omstandigheid, dat een kind aan «zwerenquot; heeft geleden een overwegend bezwaar achten voor het afnemen van lymphe; te meer, i ndien zij op dat oogenblik geen andere bron te hunner beschikking hebben.

»Dit gezichtspunt is dan ook aangenomen door de gerechtelijke deskundigen en de administratieve autoriteiten, die hun advies moesten uitbrengen, met het gevolg, dat de geneesheer, die de vaccinatiën had verricht, van rechtsvolgiug werd ontslagenquot;. Loxz komt tot de conclusie, dat dergelijke gevaren, zelfs met inachtneming van de strengste voorzorgsmaatregelen, niet altijd kunnen vermeden worden. Hij zegt; De uitoefening der vaccinatie zal nimmer de absolute volmaaktheid bereiken, en gevallen als dat, hetwelk te Lebus plaats had, zullen ook in de toekomst plaats hebben, omdat onder het uitgebreid vaccineerend personeel steeds enkelen zullen worden aangetroffen, die bij de keuze hunner vac-cinifers zullen nalaten de uiterste omzichtigheid te gebruiken, die ter vermijding van syphilitische lymphe is aanbevolen.

§ 16.

Directe schadelijke yevolgen der vaccinatie, met uitzondering

van syphilis.

Omtrent (te overige directe schadelijke gevolgen, die door de vaccinatie hunnen veroorzaakt irorden, schrijft Lotz in hetzelfde stak het volgende: »Nog (/rootere gevaren dan die, icelke verbonden zijn aan de vaccinate sijphilis, icorden ledreigd door de vaccinate erysipelas, die, zooats thans erkend wordt, verre van zeldzaam is. Het is waar, dat erysipelas in vele gevallen niet geheel en al mag worden toegeschreven aan Je vaccinatie, vooral in het geval dat de ziekte afzonderlijk voorkomt. Evenwel zijn een aantal gevallen bekend, waarin de ziekte, onmiddellijk na de vaccinatie, massa\'sgewijze optrad, en die, overeenkomstig de laatste ervaringen omtrent de aetiologie der erysipelas, geeue andere verklaring toelaten, dan dat zij onmiddellijk door de vaccinatie werden veroorzaakt.

»Ook andere ziekten zijn door de vaccinatie overgeplant geworden, of althans de mogelijkheid eener dergelijke overplanting is erkend geworden. Zoo is het mogelijk, dat septische ziekteprocessen, behoorende tot de klasse der wondinfectieziekten, door vaccinatie kunnen veroorzaakt worden, zooals bewezen is door het feit, dat de te Grabuist ingeente personen massa\'sgewijze ziek werden. Sommige waarnemingen betreffende den oor-

-ocr page 91-

SS

sprong van verzweringen en onf.ttelrin(/en ran de cellulaire weefsels der hnid, na de inenting met lymphe, die in een staat van ontbinding verkeerde, moeten ook onder deze groep van schadelijke gevolgen worden opgenomen. De overhrenuinu van srrophlila en fnherrntnxe (hor de vtcci-nafie is non vel niet met eenitje zekerheid yecomfateerd, noch zal het hooyst-vaarschijnlijk mogelijk zijn, dit in de toekoniHt op omrederleghare wijze aan te tonnen, omdat de voorwaarden voor de ontwikkeling der ziekten buitengemeen talrijk zijn en omdat de eerste symptomen dezer ziekten zich te laat na de infectie vertoonen, dan dat een onmiskenbaar verband tnsschen de infectie en de zichtbare verschijnselen der ziekte kan worden aangetoond, doch aan don anderen kant kan de mogelijkheid van de overplanting van tuberculose en scrophula niet worden betwist, wanneer men in aanmerking neemt, dat overeenkomstig de resultaten der laatste onderzoekingen op dat gebied, het tuberkelgif, vooral bij kinderen, dikwijls in het bloed wordt aangetroffen; dat het bovendien onmogelijk is de vaccinelymphe geheel vrij te houden van een bijmengsel der samenstellende deelen van het Moed, en dat ten slotte tuberculeuse en scrophnleuse ziekten zoo veelvuldig ouder kinderen voorkomen.

«Vooral in groote steden zal het onmogelijk zijn, een voldoend aantal kinderen te vinden, waarvan tot voortzetting van de vaccinatie lymphe moet genomen worden, die geheel vrij zijn van scrophnleuse aandoeningen. Albu vond hij voorbeeld, dat van 500 gevaccineerde kinderen te Berlijn, 21)2 lijdende waren aan scrophulose.quot;

Met het oog op deze ervaringen kan de vaccinatie onmogelijk langer voorgesteld worden, zooals geschiedde tijdens de behandeling der vacci-newet van 1S74, als zijnde geheel vrij van gevaar voor de gezondheid der ge vaccineerden.

Pfeiffer, een Duitsch statisticus, vermeldt, dat in Pruisen in de eerste 5 jaren na de inwerkingtreding van de wet van S April 1874 ten gevolge van de overhaaste uitbreiding der inenting, 200 gevallen van vaccinale erysipelas voorkwamen, waaronder 50 sterfgevallen.

Te Gainshoro (1) in Engeland vertoonde in het jaar 1876 de vaccinale erysipelas zich massa\'sgewijze en maakte vele slachtoffers onder de kindereu.

Ook de ziekte- en sterfgevallen aan vaccinale erysipelas onder het garnizoen te Dordrecht in 1883 zijn te goed bekend, dan dat hierover nader behoeft te worden uitgeweid (2).

(1) Rapport Eugelsche Vaccinatie-Commissie 1889; de beschrijving der afschuwelijke ziektegevallen is te vinden in de Vaccination Tracts.

(2) Zie daarover ook het 3de Rapport der Engelsche Vaccinatie-Commissie, bladz. 110 en volg.

De heer TEni\'. kwam persoonlijk naar Holland over, om zich op de hoogte te stellen van het voorgevallene.

-ocr page 92-

84

Geen vonder, dat tie Regeering zoowel in Engeland als in Duitschland overging tot eene krachtige bevordering der inenting met animale lymphe, welke ook zooveel mogelijk ten onzent geschiedt, ofschoon het niet gemakkelijk schijnt, altijd animale Igmphe in voorraad te hebben.

Het gebruik van die lymphe voorkomt het gevaar voor overbrenging van syphilis. Doch volgens de verklaring van vele medici wordt daardoor toch geenszins alle gevaar voor schadelijke gerolyen vermeden.

Ziehier hetgeen dienaangaande gezegd wordt door dr. Cory, directeur van het »Animal Vaccine Stationquot; te Londen.

Pr. Cory verrichtte persoonlijk van 1881 tot 1S8!) 32 (gt;02 (1) inen-tingen met animale lymphe en hield aanteekening van alle gevallen, waarin de patiënt, wegens onregelmatig verloop van het vaccinatie-proces, naar het vaccine-station werd teruggebracht.

Gedurende de eerste, drie jaren werden door hem geen nadeelige gevolgen waargenomen. Doch gedurende de volgende jaren was de verhouding der schadelijke gevolgen tot het aantal verrichte inentingen als volgt:

Jaartal. Vaccinatiën. Schadelijke gevolgen.

1884—85 2901 22 of 0,7;quot;) percent.

1885—80 4054 37 » 0,91 »

188f:—87 5591 04 » 1,1 »

1887—88 0151 80 » 1,3 »

1888—«9 7087 00 » 0,98 »

April 1889—October 1889 4330 00 » 1,4 »

Van de 32 000 ingeënten met animale koepokstof ondervonden derhalve 323 of 1.009 percent schadelijke gevolgen.

Dr. Cory verdeelt die gevallen in 4 groepen: Zeere armen, erupties, erysipelas en axilah\'e abcessen.

De 323 gevallen verdeden zich als volgt:

200 zeere armen, waaronder dr. Cory verstaat armen, die na de inenting niet wilden genezen; hij merkt ten aanzien van deze gevallen op, dat veelal de toestand verergert, somtijds veroorzaakt door het ap-pliceeren van smeersels of pleisters. In vele gevallen word eene verharding van den arm waargenomen.

Voorts 88 erupties van allerlei aard, meerendeels slichenquot; en «eczemaquot;; daarbij deed zich eene bijzondere soort van huiduitslag voor, die het midden hield tnsschen urticaria en eczema; drie kinderen hadden dit in zeer hevigen graad, terwijl deze uitslag somtijds bij het tandenkrijgen terug kwam. Ten slotte 10 gevallen van erysipelas en 9 van axilaire abcessen.

Er werden 8 sterfgevallen aangegeven, die door de inenting zonden veroorzaakt zijn.

(1) Deze cijfers werden persoonlijk door dr. Conv medegedeeld liij zijn verhoor door tie Engelsche Vaccinat ie Com missie van 1889.

-ocr page 93-

Van die 8 sterfgevallen kon volgens den lieer Cory slechts bij 2 de vaccinatie als onmiddellijke doodsoorzaak worden aangetoond; het eene kind stierf aan cellulitis, het andere aan erysipelas.

Voorts zij hier een uittreksel (1) medegedeeld van het jaarverslag van het Keizerlijke Gesundheitsamt te Berlijn voor de jaren 1880 en 1887, betreffende de resultaten der koepokinenting in Duitschlaud en de schadelijke gevolgen, gedurende die beide jaren waargenomen.

In 1886 werden met gehnmaniserde lymphe 570 744 vaccinatiën en 004 040 revaccinatiën, met animale lymphe daarentegen 090 112 vaccinatiën en 013 144 revaccinatiën verricht. In 1887 bedroegen deze cijfers : gehumaniceerde lymphe: vaccinatiën 39!) 134 en revaccinatiën 375 040; animale lympe: vaccinatiën 877 577, revaccinatiën 802 5!)7.

Betreffende den gezondsheidstoestand der kinderen wordt vermeld, dat in Pruisen in den regel scrophuleuse en rhachitische kinderen worden ingeënt, terwijl in Beieren in dergelijke gevallen van de inenting werd afgezien. In Saksen geschiedde dit slechts, indien de scrophnlose met huiduitslagen gepaard ging. Tuberculose en syphilis hebben meestal, doch niet altijd, tot uitstel der inenting geleid. Enkele dezer kindereu werden aan het einde van den inentingstermijn gevaccineerd.

De schadelijke gevolgen der inenting worden onder de volgende hoofden behandeld.

a. Hevige huidontsteking werd hier en daar dikwijls waargenomen, terwijl slechts in enkele vaccinatie-districten (Eiderstedt en Minden), geheele reeksen van dergelijke ontstekingen voorkwamen. De nieening wordt overigens nu reeds verkondigd, dat de animale lymphe eerder hevige huidontsteking veroorzaakt dan gehumaniseerde.

h. Opzwelling en ontsteking der omliggende klierweefsels kwamen veelvnldiger voor en moeten ook twee sterfgevallen ten gevolge hebben gehad.

c. Ontsteking en verettering van het onderlmidsche celweefsel kwam zeldzaam voor; de ziektegevallen hadden alle een gunstig verloop.

d. Erysipelas kwam veelvnldiger voor en veroorzaakte 8 sterfgevallen.

c. Verzwering en branderigheid der pokpuisten veroorzaakten 2 sterfgevallen.

/\'. Bloedvergiftiging ten gevolge van dc inenting kwam niet voor.

(j. Syphilis evenmin.

h. Acute en chronische huiduitslagen, meestal als exanthemen (ma-culeus, papuleus, mazelachtig) beschreven, deels als eczema, prurigo, herpes, impetigo enz. kwamen tamelijk veelvuldig voor. Bekend is het epidemisch heerschen van impetigo contagiosa, na de inenting met animale lymphe

(1) Dit uittreksel is overgenomen uit bet „Meclicinische H\'oc/ienschnftquot;.

-ocr page 94-

86

van dr. Protze in het jaar 1887, waarbij acht sterfgevallen vermeld zijn.

Vervolgens wordt eene opsomming gegeven van de sterfgevallen, na de inenting, waarvan echter niet met zekerheid kan bewezen worden, dat zij door de vaccinatie veroorzaakt waren.

Pruisen 1886. Te Dantzig bleek, na onderzoek, dat de dood van een gevaccineerde uiet heeft kunnen plaats hebben ten gevolge van de inenting.

Te Nordhausen bleek, na de sectie van een persoon, waarvan als doodsoorzaak de vaccinatie was opgegeven, dat de dood veroorzaakt was door de ruptuur van een lever-echinococcus.

Te Berlijn stierven 4 kinderen na de inenting aan krampen, zonder dat de invloed der inenting daarbij kan worden geconstateerd. Te Torgan 3 aan cholerine, te Halle één aan miliair tuberculose. In Wurtemberg konden bij 11 sterfgevallen na de inenting i maal cholerine, ;-5 maal catarrhale longontsteking, ■gt; maaleklampsie, een maal bronchitis, 1 maal tuberculeuze meningitis als doodsoorzaak worden vastgesteld.

In 1887 2 kinderen te Beeskow aan cholerine, 2 kinderen in de Kreis Kammin aan eene niet nader geconstateerde ziekte, 1 aan tuberculeuse hersenvliesontsteking te Apenrade; één aan hersenontsteking te Alten-kirchen, één in de Kreis Osterholz aan eene onbekende om zaah\', allen echter zonder dat de samenhang met de vaccinatie kon worden aangetoond. In Beieren waren meerdere gevallen door bronchitis, \'2 door eklampsie, 1 door meningitis veroorzaakt. In Hessen 1 kind aan cholerine, ten gevolge van krampen.

In Brunswijk 3 sterfgevallen, waarbij eveiimhi de samenhang met de daaraan voorafgegane inenting kan geconstateerd worden.

Dat zelfs de strengste wettelijke voorschriften ten aanzien van de ait-voering der vaccinatie, de kweeking en hereiding der lymjihe, het gebruik en de ontsmetting der instrumenten en de meest nauwheurim naleving dier voorschriften, niet in staat zijn, om schadelijke gevolgen te voorkomen , blijkt uit de tiree volgende gevallen.

In Juni 1885 brak hij de op het schiereiland Wittow (1) ingeënte kinderen een huiduitslag uit, die weldra besmettelijk bleek te zijn en aan talrijke niet ingeënte kinderen, alsmede aan verscheidene volwassen personen werd medegedeeld. De Regeerings- en Medicinalrath KöH UiR, die zich inmiddels in de helft van September ter plaatse had hegeven, constateerde, dat 34*2 personen, deels herstellende, deels nog lijdende, dooide ziekte waren aangetast. De meeste gevallen hadden plaats hij zuigelin-(jen en jonge kinderen. Onder de volwassenen bevonden zich 17 aangetasten. De ziekte was in hooge mate besmettelijk. De oorsprong der ziekte

(1) Zie Veröft\'eiiüicliungen Jes Kaiserlkheu üesuudheitsaintes 1885.

-ocr page 95-

87

kon dr. Köhler met zekerheid aan de vaccinatie toeschrijven, hoewel de samenhamj daarmede onopyehelderd bleef.

Met het oo(j op een vollediijer onderzoek, werd door de Reyeering eene desk undine commissie benoemd, die een (jrondifi onderzoek instelde naar den aard der ziekte en haren eventueelen samentumy met de inenting. Ook ten opzichte van de herkomst en de hoedanigheid der gebruikte Igmphe werd door de Regeering een nauwkeurig onderzoek ingesteld. Uit de verslagen, waarin de uitkomst dezer onderzoekingen is vervat, blijkt, dat de vac-cinatiën en revaccinatiën waren verricht door dr. Eberts in een helder verlicht, ruim schoollokaal, en dat alle hij de wet voorgeschreven voorzorgsmaatregelen daarbij in acht waren genomen; ook betreffende de weersgesteldheid waren geen bijzonderheden te vermelden, de hitte was niet drukkend geweest. Evenmin heerschte destijds op het schiereiland Rügen pokken, mazelen of roodvonk. Op den dag der inenting vertoonde geen enkel kind eenig uiterlijk teeken van ongesteldheid, scrophulose of hereditaire syphilis. Ook verklaarde de commissie, dat zij over het algemeen in die streken frissche, goed gevoede kinderen had aangetroffen. De gevolgde inentingsmethode was die door prikken, waarbij de noodige antiseptische voorzorgsmaatregelen waren in acht genomen. Tot verbinding der wondjes was zuivere olie en carhol-olie aanbevolen. Nergens waren prikkelende zalfjes of boter toegepast geworden.

De Igmphe, waarmede dr. Eberts de later zie}: geworden kinderen had ingeënt, was afkomstig van het vaccine-instituut te Stettin. Het werd hij gelegenheid van een in September van dat jaar gehouden inspectie, zoowel ten opzichte van de inrichting en de hoedanigheid van het materiaal, als vau de wijze van bewaring der lymphe volkomen in orde bevonden. De lymphe, uit deze inrichting, den 7deu Juni aan dr. Eberts toegezonden, was afkomstig van 2 kinderen, was den löden Mei afgenomen, onmiddellijk na de afneming met een thymol-oplossing verdund en in 27 haarbuisjes opgezameld, waarvan dr. Eberts er twee ontving. Beide kinderen waren, volgens de verklaring van dr. Goden, den directeur der inrichting, zoowel tijdens de inenting als bij de afneming der lymphe volkomen gezond.

De pokpuisten zagen er volkomen normaal uit, de afgenomen lymphe was helder en onvermengd met bloed. Bij eeu hernieuwd onderzoek naar den gezondheidstoestand der kinderen op 14 en 17 September werden beiden evenals vroeger volkomen gezond en voor hun leeftijd buitengewoon ontwikkeld bevonden.

Zij droegen geen sporen van vroegere huiduitslagen en hadden overeenkomstig de verklaring der ouders, die eveneens gezond waren, nimmer aan huiduitslagen, zweren, zwelling der klieren of dergelijke geleden. De van beide kinderen afgenomen lymphe is, voor zoover zij niet aan

-ocr page 96-

88

dr. Eberts verzonden werd, in 25 haarbuisjes onder 13 geneesheeren in de provincie Pommeren verdeeld geworden. Zeven daarvan zonden bericht, dat zij de lymphe met liet beste gevolg hadden toegepast, en dat nergens nadeelige gevolgen door de inenting veroorzaakt waren of hun ter kennis waren gekomen. Daarentegen hebben 5 geneesheeren berichten ingezonden over onregelmatige ontwikkeling der pokpuisten en over ziekelijke nevenverschijnselen.

De door dr. Eberts gebruikte lymphe zou volgens verklaring van dien geneesheer uiterlijk niets abnormaals vertoond hebben. Er was geen bijmengsel van bloed of vaste bestanddeelen daarin te bespeuren, en ook van troebelheid was geen sprake. Te gelijker tijd en te zelfder plaatse vaccineerde hij een groot aantal kinderen, deels met animale, deels met gehumaniseerde stof uit andere bronnen afkomstig; al deze kinderen waren van den uitslag bevrijd gebleven, terwijl van de 79 kinderen met de lymphe uit Stettin ingeënt 75 uitslag kregen.

Wat de ontwikkeling der pokpuisten betreft, deze was slechts in enkele gevallen normaal, zoodat slechts van 2 kinderen lymphe kon worden afgenomen tot verrichting van de revaccinatie der schoolkinderen. Deze beide kinderen, evenals de van hen gerevaccineerden, bleven gezond. In de meeste gevallen kwamen de pokpuisten niet behoorlijk tot ontwikkeling, zoodat ook de vorming der litteekens gebrekkig was. Tijdens de inspectie, acbt dagen na de inenting, hadden zich nog geen nadeelige verschijnselen vertoond. Deze traden eerst tusschen den 8sten en 18deii dag na de inenting te voorschijn. In die periode ontstonden iu de omgeving der pokpuisten geïsoleerde blaasjes, die weldra tot de grootte van eene erwt of boon aangroeiden, hier en daar ineenvloeiden, deels met etter gevuld waren en ten slotte met een korst bedekt werden. Na het afvallen daarvan vertoonde zich eene roodachtige plek. Deze plekken verbleekten langzamerhand en verdwenen gewoonlijk na eenige weken zonder eenig spoor na te laten. Enkele malen bevonden zich onder de korsten verzweringen, die prof. Eichstedt aan andere invloeden toeschrijft.

In een geval vertoonden zich diepe zweren aan den benedenschenkel. De uitslag verspreidde zich nu eens van den bovenarm af over den be-nedenarm, den rug der band en de vingertoppen, en veroorzaakte in 5 gevallen eene verzwering van den nagelbodem en dientengevolge het verlies der nagels, dan weer verspreidde zij zich over den hals, den rug en bij voorkeur over de lendenen, alsmede in de omgeving van denbe-nedenwang en bij drie vrouwen over de borsten. In ongeveer acht gevallen vertoonde de uitslag zich op het behaarde gedeelte van liet hoofd. Bij een derde gedeelte nam dr. Moslek den uitslag ook op de beenen waar. Wanneer de uitslag zich in het aangezicht vertoonde, en dit geschiedde meestal bij kinderen, ging deze gepaard met eene opzwelling

-ocr page 97-

89

der halsklieren, die daarbij pijnlijk werden aangedaan. Slechts in één geval trad verettering der klieren in.

Over de diagnose der hier beschreven ziekte konden de leden der commissie het niet eens worden. Terwijl dr. Moslek haar voor eene soort ekzeem aanziet, welke zich echter door hare besmettelijkheid door onmiddellijke aanraking van andere ekzeemsoorten onderscheidt, houdt prof. Eichstedt het echter daarvoor, dat men hier met impetigo contagiosa te doen lieeft. Ten opzichte van de volgende punten heerschte in den boezem der commissie algeheele overeenstemming.

1quot;. Verklaarde zij nitdruikelyk, dat syphilis en gcrophtüose met volkomen zekerheid vit te sluiten waren. Reeds op dezen grond konden deze ziekten niet in aanmerking komen, omdat eene algemeene zwelling der klieren zich in geen enkel geval had voorgedaan en het gestel der kinderen zelfs na den langen duur der ziekte niet ia het minst geleden had.

2quot;. 1st de commissie eenparig van oordeel, dat het uitbreken der ziekte in oorzakelijk verhand heeft gestaan met de vaccinatie. Zij houdt zich voor ten volle verzekerd, dat door de vaccinatie eene smetstof werd overgebracht, ten gevolge waarvan de ziekte eerst bij een aantal eerstelingen werd te voorschijn geroepen; vervolgens op anderen werd overgedragen. Waarin de gebrekkige hoedanigheid der Igmphe bestaan heeft, daaromtrent heeft de commissie niets kunnen vaststellen. Tegen de opvatting, als zoude bij het inenten eene toevallige verontreiniging hebben plaats gehad, verzet zich de omstandigheid, dat de inenting geschiedde met inachtneming van antiseptische voorzorgsmaatregelen. En daar de kinderen, waarvan de gebruikte Igmphe afkomstig was, volkomen gezond waren, en ook daarna gebleven zijn , kan men moeilijk aannemen, dat de smetstof van hen afkomstig tras ; en werd de ghjeerine, die tot aanlenging der Igmphe werd gebruikt, zuiver geprepareerd, dan kan ook deze geenszins draagster der smetstof geweest, zijn, omdat de zoogenaamde ghjeerinum purissimum reukloos is en geen ziektestof meer bevatten kan.

De oorzaak der ziekte ligt dus tot op heden volkomen in het duister.

Een soortgelijk ongeval had 2 jaar leder in 1887 (1) in Rijn-Prinsen plaats, ten gevolge van inentingen, ditmaal met animale Igmphe afkomstig van het pare vaccinogene te Dusseldorf, onder leiding van dr. Protze. Het aantal ziektegevallen tras veel grooier dan te Willow, en er waren ook sterfgevallen te bet ren ren. De diagnose luidde: «Impetigo contagiosa». Het kalf, dat de Igmphe geleverd had, waardoor de ziekte veroorzaakt was, bleek na de autopsie volkomen gezond te zijn geweest. Alle wettelijke voorschriften betreffende het reinhouden der stallen, de voeding der dieren, de

(1) Uitvoerig beschreven in ile üeciie d\'Hyyiène van 20 November 1888 door dr. Pourquikr, die naar aanleiding van het waarnemen van soortgelijke gevolgen der inenting in zijn eigen praktijk met dr. Pkutze in briefwisseling trad.

-ocr page 98-

00

kweehing der lymphe, de bereiding daarvan enz. enz. bleken, na onderzoek door eene commissie van Regeeriagswege aangesteld, nauwkeurig te zijn opgevolgd. Niettegenstaande de ijverigste nasporingen heeft men de ware oorzaak der ramp niet kunnen vinden.

Ook in Frankrijk hebben Brouaruel en Poukquike soortgelijke huidziekten ten gevolge der inenting waargenomen, die, voor zoover uit de beschrijving der verschijnselen kon worden opgemaakt, geheel overeenstemmen met de epidemieën te Wittow en in Rijn-Pruisen.

Door veie geneeskundigen wordt tegenwoordig een microscopisch onderzoek van de h/mphe noodig geacht. Ten aanzien van dit onderzoek wordt het volgende medegedeeld.

In Engeland wordt sedert 1871 een aanzienlijk deel der lymphe, welke tot voortzetting der ofticieele vaccinatiën moet dienen, aan een voorafgaand microscopisch onderzoek onderworpen.

De heer Brydoes Faun, (1) met dit onderzoek belast, heeft aan de Engelsche Vaccinatie-Commissie van 1889 belangrijke mededeelingen gedaan omtrent de door hem verkregen resultaten.

Elk buisje wordt kort na ontvangst onder den microscoop gebracht en dit wordt vóór de terugzending herhaald. De lymphe, die reeds op het bloote oog troebel blijkt te zijn of bloed bevat, of indien het buisje niet hermetisch gesloten is, wordt onmiddellijk ter zijde gesteld en na drie maanden vernietigd.

Het microscopisch onderzoek der buisjes, die voor het bloote oog niets bijzonders vertoonen, betreft de aanwezigheid van bloedlichaampjes, en andere voorwerpen, die gevaar zouden kunnen doen ontstaan.

De bloedlichaampjes kunnen tamelijk gemakkelijk worden onderscheiden, doch of de lymphe microörganismen bevat, kan door deze wijze van onderzoek niet worden uitgemaakt.

De heer Bkyd^es Farx vermeldt, dat van de verschillende bezen-dingen buisjes, die hem ter onderzoeking werden toegezonden, nu eens van quot;2—S pet., dan weer van (iü- 70 pet. moeten worden ter zijde gesteld.

Wegens de aanwezigheid van bloedlichaampjes in de gehamaniseerde lymphe alléén, verwierp hij gemiddeld 2 pet. der buisjes, terwijl hij gemiddeld 20—25 pet. der buisjes afkeurde, wegens de troebele gesteldheid der lymphe.

De animale lymphe bevatte meestentijds bloed, zelfs in die mate, dat de lymphe daardoor een bijzondere tint verkreeg. Doch deze omstandigheid wordt door de geneeskundigen niet geacht eenig bezwaar tegen het gebruik daarvan op te leveren.

(1) Zie de persoonlijke mededeelingen van Brydges Faun aan de Engelsche Vaccinatie-Commissie van 1889, 2de rapport.

-ocr page 99-

91

§ 17.

Indirecte schadelijke je volg en der koepokinenting.

Zoolang de werking der vaccine in het mcnschelijk organisme onbekend is, is liet ook onmogelijk aan te toonen, dat ziekten, o. a. kanker, en tuberculose, daarvan het gevolg zijn. Maar het omgekeerde evenmin.

Intusschen is in den laatsten tijd door dr. Peurox uit Bordeaux (1) eene hypothese opgeworpen, waarvan de vermelding in dit verslag niet schijnt te mogen ontbreken.

Volgens hem zou de vaccine, terwijl zij het menschelijk organisme immuun maakt tegen het pokkengif, dit tevens receptief maken voor den tuberkel bacil. Dr. Perkon\'s bewijsvoering steunt op de laatste ontdekkingen op bacteriologisch gebied en op de hypothesen, welke professor Bouchard omtrent den bacteriedoodenden toestand op het laatste medische Congres te Berlijn heeft uiteengezet. Volgens Bouchard is de bacteriedoodende toestand van het organisme het gevolg van eene bijzondere wijziging der vochten en kan van nature bestaan of wel kunstmatig verkregen worden door de vaccinatie. Door de vaccinatie wordt het organisme doortrokken met eene zelfstandigheid, die de gesteldheid der cellen en vau de vochten, door deze cellen afgescheiden, wijzigt.

Zelfs na de verwijdering der vaccine blijft deze toestand zich handhaven en vormt de immuniteit d. w. z. het duurzame weerstandsvermogen tegen ziekte-verwekkende microben. Dit zijn, in het kort weergegeven, de laatste voorstellen omtrent de werking der vaccine.

Nu meent dr. Perron, dat, behalve op de nuttige viticerlnng ran het bacteriedoodende terrein, ten aanzien van de microbe of microben, die het in staat is te bestrijden, ook de aandacht moet worden gevestigd op eene zaak van niet minder gewield, te weten: het vraagstuk der receptiviteit, waaraan, wat de vaccinatie betreft, tot nu toe te weinig zorg is besteed.

Dr. Perron gaat uit van den regel, dat indien een vaccinaal terrein (waarmede hij bedoelde een organisme, dat aan de werking der vaccine is blootgesteld geweest en dientengevolge wijzigingen heeft ondergaan) schadelijk is voor zekere soorten van micro-organismen, het, overeenkomstig de wet der reciprociteit, gunstig moet ziju voor de ontwikkeling van andere ziekte verwekkende microbensoorten. Hij neemt derhalve het bestaan aan, van bacteriedoodende en bacterievoedende terreinen, die beide van natura kunnen bestaan of kunstmatig in het leven kunnen worden geroepen.

Hieruit meent dr. Pkrrox de gewichtige gevolgtrekking te kunnen maken,

(1) Journal d\'Hygiene 110. 742.

-ocr page 100-

dat, indien men door de vmyimtie er in slaa/jt een terrein te scheppen, dat ongunstiy is voor de inplanting ran ééne ziekte, men gevaar loopt, het organisme tevens in een toestand van receptiviteit te hebben gebracht voor de onttviklreling van andere ziekten.

Na te hebben opgemerkt, dat de koe als natmuiijke voortbrengster der vaccine, tevens bet tubercnleuse dier bij uitnemendheid is, zoodat haar lichaam steeds bet natuurlijk terrein vormt, gunstig voor de spontane ontwikkeling, zoowel van de vaccine als van de tuberculose, eene omstandigheid, waaruit het treffend verband tusschen die beide ziekten blijkt, meent hij, dat door de inenting met koepokstof het menschelijk organisme in een toestand van immuniteit wordt gebracht, ten opzichte van de pokkenmicroben, doch tevens daardoor in een terrein wordt herschapen, gunstig voor de ontwikkeling van den tuberkelbacil. De eetste en gewichtigste gevolgtrekking, die uit deze hypothese voortvloeit, is derhalve deze, dat de vaccinatie, naast de voordeden ivelke zij aanbiedt ter bestrijding van de variola, het gevaar doet ontstaan, van den weg voor te bereiden voor de intrede der tuberculose.

Dr. Peuiion meent een steun voor zijne opvatting te vinden in de

feiten.

Indien men, zegt hij, nagaat, wat ongeveer sedert eene eeuw heeft plaats gehad, dan kan men gedurende dit tijdperk eene voortdurende uitbreiding van de tuberculose waarnemen, die men tot nu toe niet op voldoende wijze heeft kunnen verklaren.

Vroeger kwam die ziekte slechts bij wijze van uitzondering voor, doch tegenwoordig vertoont zij de neiging om, niettegenstaande den vooruitgang der private en publieke hygiène en de verbeteringen van het materieele leven, eene ware plaag te worden. Het verdient de aandacht dat deze ziekte bij voorkeur jeugdige individuen aantast, d. w. z. hen die op een leeftijd zijn, waarop het weerstandsvermogen het grootst is. Derhalve moest eene ziekte, die voortspruit uit uitputting, pbysiologische armoede, eerder heerschen ouder oude en afgeleefde menschen. Men moet dus aannemen, dat jonge menschen ten gevolge van eene geheel bijzondere oorzaak een gunstig terrein vormen voor de inplanting van den Koch\'scben bacil.

Naast die toenemende uitbreiding van de tuberculose ziet men tegelijker tijd de toepassing der vaccinatie toenemen.

Het is derhalve geoorloofd de vraag te stellen, of er geen verborgen verband bestemt tusschen die samengaande verschijnselen.

Indien de tuberculose, niettegenstaande alle sanitaire voorzorgsmaatregelen, steeds veld heeft gewonnen, dan is dit, beweert dr. Pbkuon, omdat de vaccinatie haar een i/unstig terrein is komen voorbereiden. Dit zou niet slechts de steeds grootere uitbreiding der ziekte in alle beschaafde landen

-ocr page 101-

van Europa verklaren, maar bovendien haar bij zonderen invloed op jonge individuen, die korter of langer tijd geleden gerevaccineerd zijn en derhalve meer dan anderen ontvankelijk zouden zijn voor den bacil.

In alle Europeesche legers is de vaccinatie aan de orde van den dag. Bij hunne indiensttreding worden de jonge soldaten zorgvuldig gerevaccineerd. Doch tevens toonen de militaire statistieken van alle landen eene ontzaglijk groote verhouding aan van do verschillende vormen van tuberculose bij de soldaten, vooral gedurende het eerste en tweede dienstjaar. Tot verklaring dezer feiten heeft men op verschillende oorzaken gewezen. Vooreerst de moreele depressie, veroorzaakt door de afwezigheid van huis. Dit was vroeger mogelijk, doch thans, nu de talrijke verkeersmiddelen de jonge militairen in staat stellen om de betrekkingen met hunne geboorteplaats te onderhouden, is dit niet langer waarschijnlijk. Overigens merkt men bij de marine, die in dit opzicht minder bevoorrecht is, niet meerdere gevallen van tuberculose op dan bij het territoriale leger. Evenmin kan men eene gebrekkige hygiène of slechte voeding als oorzaak aanvoeren, want de Europeesche Staten streven er naar om hunne soldaten de best mogelijke materieele voorwaarden te verschaffen, en hierin zijn zij dan ook zeer voldoende geslaagd. Ook kan er geen sprake zijn van overdreven arbeid, want de krachtsinspanning, die in vredestijd de dienst vereischt, gaat, behoudens buitengewone omstandigheden, de grenzen eener dagelijksche gezonde lichaamsoefening niet te buiten.

Eindelijk genieten de jonge soldaten en het leger materieele voorwaarden van bestaan, die voor een groot deel hunner verreweg te verkiezen zijn boven die hunner vroegere omgeving. Het verblijf in de groote steden, hoewel dat zonder twijfel een nadeeligen invloed heeft, kan toch op zich zelve niet de talrijke gevallen van tuberculose verklaren, waarvan hier sprake is, want de kazernes zijn in den regel gezond gelegen en worden ingericht overeenkomstig de regels der gezondheidsleer.

Vanwaar dan lt;Jir plot nel in ge en reelruldiue aanvallen ran iiihernilose hij menschen, die de keuringscommissie nog korten tijd te voren met reden voor den dienst (/eschikt verklaarde\'} Tuberculose van de long, de organen, de gewrichten, de beenderen, al die noodlottige ziekten vertoonen zich met eene wanhopige veelvuldigheid in de garnizoenen van alle landen.

Dr. Perron gelooft, dat die feiten eenvoudig moeten worden toegeschreven aan de revaccinatie, waarmede de reenden hij hunne indiensttreding ontvangen worden en die hen onmiddellijk tot een vruchtbaar terrein vormt voor de kiemen der tuberculose, waarvan het in de bevolkingscentra wemelt. De revaccinatie onmiddellijk na de indeeling bij het korps is des te nadeeliger, omdat het jonge meusch, plotseling losgerukt van zijne familie en zijne woonplaats en brekende met do levenswijze, waaraan hij gewend

-ocr page 102-

94

was geraakt, op dat oogenblik zonder geleidelijken overgang eene alge-heele wijziging ondergaat, ten gevolge waarvan hij minder weerstandsvermogen bezit.

Na erkend te hebben, dat de vaccinatie eene weldadige rol beeft vervuld en duizenden menscben van den dood beeft gered, meent dr. Perrox, dat thans niet den vooruitgang der microbiologie bet tijdstip is aangebroken om zicli af te vragen, of zich niet geheel nieuwe overwegingen voordoen, die er toe leiden om de vaccinatie niet dan onder het noodige voorbehoud te aanvaarden. Hij erkent, dat tot staving zijner theorie uitgebreidere waarneming en veelvuldige proefnemingen worden vereisebt, doch herinnert er tevens aan, dat het gansche vraagstuk beheersebt wordt door de omstandigheid, dat indien een organisme, hetzij van nature, betzij kunstmatig door vaccinatie in een bacterie-doodenden toestand wordt gebracht ten aanzien van enkele microbesoorten, het daardoor in een geschikt terrein kan worden herschapen voor de ontwikkeling van andere microbesoorten, waarna hij tot de navolgende conclnsien komt:

1quot;. Het oifiatüsmc Iran zich, hetzij ran nature, h ft zij kvmtmatifj, door middel ran de rarrine in een bacterie-doodenden toestand herinden.

2quot;. Het organisme, dat door de vaccinatie in een bacteriedoodenden toestand vordt fiebracht ten opzichte van de eene soort van microben, vormt dientengevolge een gunstigen bodem voor de ontirikkeling van andere soorten.

3°. l)i\' natuurlijke aanleg der hoe en der herkauwers in het algemeen, zooirel voor de tuberculose als voor de vaccinale ziekte, veroorlooft de onderstelling, dat de vaccinate bodem, a-elke vijandig is aan de variolae, gunstig is voor de otdankkeling van den KocKschen bacil.

Ten slotte zij nog vermeld, dat verscheidene medici, die zich met de wetenschappelijke zijde van het vraagstuk hebben bezig gehouden, de zwakke zijde van Jkxner\'s theorie hebben aangetoond. Zoo stelde onder andere dr. Creiohtox, leeraar in de anatomie en sedert 1882 ook in do epidemiologie, een onderzoek in naar den wetenschappelijken grondslag van .Tenner\'s theorie. Daarbij raadpleegde hij de geheele literatuur, die over dat onderwerp gedurende de eerste jaren na de uitvinding dei-koepokinenting is verschenen. Uit dat onderzoek blijkt, dat Jenxer de oorspronkelijke koepok slechts in zeer algemeene en vage termen heeft beschreven, en dat de ziekte in haar begin nimmer door een wetenschappelijk persoon, bevoegd om de ziekteverschijnselen der eerste perioden te beschrijven, was waargenomen, (\'ekly, een autorieit op liet gebied der vaccinatie, schrijft in 1802, dat bij nimmer lymphe heeft kunnen krijgen van een ongeschonden koepok. Voorts toont hij aan dat de natuurlijke infectie met koepokstof geheel andere verschijnselen vertoonde, dikwerf verzweringen veroorzaakte; hetzelfde resultaat verkreeg Jexxer door inenting met stof, ontleend aan de zweren op de handen der melkers.

-ocr page 103-

zoodat hij deze bron na korten tijd moest prijsgeven. De lymphe van Woodville gaf betere uitkomsten; zij was ontleend aan pokpuisten op de uiers van koeien, die nog in een vroeg stadium verkeerden. Betreffende de proefentingen, zoogenaamde «variolous tests» deelt dr. Creighton mede, dat Jenner\'s methode op de ineutingsstof na eene navolging is van die van den bekenden inoculator Sutton. Deze stelde zich ten doel. om door inenting met stof uit de door inoculatie verkregen pokpuist, eene enkele plaatselijke pok te voorschijn te roepen en zoodoende eene algemeene eruptie te voorkomen. Dit gelukte hem niet altijd, doch in de meeste gevallen. Verder toont Creighton uit de geschriften van Jexxkr en zijne tijdgenooten aan, dat de proefenting steeds verschijnselen teweegbracht, die, hoe schijnbaar onbeduidend zij somtijds ook waren, niet hadden mogen verwaarloosd worden. Dikwijls ontstond ten gevolge der proefenting eene plaatselijke puist, zooals blijkt uit de mede-deelingen van Forbes van Oamberwell, die herhaaldelijk proefentingen verrichtte. Die verschijnselen werden echter veronachtzaamd, omdat het gestel niet werd aangetast en geene algemeene eruptie volgde. Daaruit zou dus volgen, dat de voorafgaande inenting met vaccine de werking van het daarna geïnoculeerde variola-gif wel mitigeerde, doch niet geheel en al te niet deed.

Neemt men daarbij in aanmerking, dat reeds Sutton door inenting met variolae-gif meestal eene enkele plaatselijke puist verkreeg, en voorts dat de proefentingen steeds korten tijd na de vaccinatie werden verricht, op een tijdstip derhalve, waarop de vaccine nog hare volle werking uitoefent, dan is het onverklaarbaar dat Jenner en zijn tijdgenooten aan de verschijnselen, door de proefenting veroorzaakt, geen waarde hebben gehecht. Dr. Creighton kent daarom aan die «variolous tests» geene wetenschappelijke bewijskracht toe.

-ocr page 104-

TABEL I.

Verdeeling der door de pokken aangetaste person

L E E F T IJ D

n-

(18 nu

2

11

115

18

14 14

Plaats. Aantal gevallen.

1.

2.

3- 5.

6—10.

Calbe

Totaal ziektegevallen . . .

23

7

9

20

1843—1871

Ingeënt en gerevaccineerd

2

1

1

(\')44 gevallen.

Xiet ingeënt........

20

7

1

4

Homburg

Totaal ziektegevallen . . .

1

2

1871-1872

Ingeënt en gerevaccineerd

127 gevallen.

Niet ingeënt........

Rchoenebeck

Totaal ziektegevallen . . .

21

13

4

10

1834—1872

Ingeënt en gerevaccineerd

507 gevallen.

Niet ingeënt........

4

Erfurfc

Totaal ziektegevallen . . .

150

32-

45

49

1833—1872

Ingeënt en gerevaccineerd

12

U

34

48

2223 gevallen.

Niet ingeënt........

136

21

11

1

Essen

Totaal ziektegevallen . . .

37

19

22

44

1881- 1882

Ingeënt en gerevaccineerd

3

3

17

41

436 gevallen.

Niet ingeënt........

33

16

5

3

Gerresheim

Totaal ziektegevallen . . .

16

8

12

24

1865 - 1872

Ingeënt en gerevaccineerd

5

3

i

21

332 gevallen.

Niet ingeënt........

11

0

5

lt; :

3

Hüls

Totaal ziektegevallen . . .

4

1

4

1871—1872

Ingeënt en gerevaccineerd

291 gevallen.

Niet ingeënt........

3

Kaiserwertli

Totaal ziektegevallen . . .

3

2

2

8

1865—1874

Ingeënt en gerevaccineerd

2

_

7

216 gevallen.

Niet ingeënt........

1

1

1

Krefeld (stad)

Totaal ziektegevallen . . .

5

3

4

2

1865—1867

Ingeënt en gerevaccineerd

1

3

2

286 gevallen.

Niet ingeënt........

4

3

1

Krefeld (land)

Totaal ziektegevallen . . .

1

1

1871—1872

Ingeënt en gerevaccineerd

1

118 gevallen.

Niet ingeënt........

1

Nensz

Totaal ziektegevallen . . .

4

1

8

1865—1873

Ingeënt en gerevaccineerd

4

1

8

248 gevallen.

Niet ingeënt........

Wezel

Totaal ziektegevallen . . .

6

3

6

20

1870—1873

Ingeënt en gerevaccineerd

2

5

20

523 gevallen.

Niet ingeënt........

4

3

1

Keulen

Totaal ziektegevallen . . .

77

21

63

139

1849—1873

Ingeënt en gerevaccineerd

15

6

22

60

4721 gevallen.

Niet ingeënt........

26

1

5

3

Mühlheim

Totaal ziektegevallen . . .

12

1 —

6

1871 -1872

Ingeënt en gerevaccineerd

5

6

183 gevallen.

Niet ingeënt. .......

1 7

1 —

23;quot;! 87

-ocr page 105-

ersoii

volgens de leeftijdsklassen en inentingstoestand.

J D f

K T,

\\ S S F,

N.

Gevallen waarin gegevens ontbreken.

a. Leeftijd.

b. Vaccinatietoestand.

n—

16—20.

21—30.

31—40.

41—60.

61—80.

81 en daarboven.

45

97 1

163 5

118

110

7

9

1

42

595

11

7

21

21

33

7

24

127

iquot;J

66

109

87

90

20

58

503

i.\') 74

175 174

503 497 6

488 485 2

595 590 4

107 102 1

4

6

(IS fill

2

29 29

66 66

86 83 1

52 50

10

8 2

3

3

~ 18 18

25 24 1

56 56

73 73

69 66

25 20 2

6

7

1 1

24

2

80

44

81 2

19 1

31

281

~ la

15

26 24 1

61

60 1

37

35

50 49

12

8

11

18 18

63 58 1

78 78

43 42

59 56 1

3 3

8

11

3 2

10 10

24 24

23 23

45 44

11 11

1

14 14

24 24

55 55

52

53

76 76

12 12

1

22 22

63 63

97 97

101 101

167 167

34 34

1 1

3

1

quot;235 H7 1

552 221

1420 772 2

971

573 1

939 606 6

118

93

1

185

2191

8 8

13 13

53 53

44 44

42 42

4 4

1 1

-

-ocr page 106-

TABEL II.

TABEL betreffende den leeftijd en den vaccinatietoestand van die personen, welke bij plaatselijke epidemieën als het eerst aangetast zijn vermeld.

Datum

De

V.

2e.?/\'eu4,

van

den

7 7

werd aan-

Inentingstoestand van

PLAATS.

o-etast in het

aanvang

St(

levens

der

jaar.

1

2

3

4

epidemie.

1

9 quot;

3

4

\' 1

2

3

4

Liegnitz. . . .

19

7

1865

6

7

7

5

p

p

p

p

9

11

1866 26

33

?

2

p

p

p

p

3

4

1869

V

60 39

14

p

?

p

p

29

9

1870

21

59

4

8

p

p

p

P

Homburg . . .

28

8

1871

?

27

36

44

p

p

p

P

Neuhaltensleben .

4

2

1871

1

25

58

28

gev.

p

p

?

Schönebeck. . .

19

12

1870

?

14

2

6

p

p

niet gev.

?

Zörbig . . . .

11

4

1871

29

47

18

14

gev.

gev.

ger.

ger.

Erfurt . . . .

9

12

1870

43

48

18

28

gev.

gev.

gev.

gev.

Nordhausen . .

p

12

1870

29

35

33

5

p

p

p

p

Duisburg . . .

?

1

1871

31

66

25

1

gev.

gev.

gev.

niet gev.

?

12

1873

51

30

1

2

gev.

ger.

gev.

niet gev.

?

3

1882

35

P

11

14

ger.

ger.

gev.

niet gev.

Essen . . . .

7

2

1881

11

1

8 30

niet gev.

gev.

ger.

ger.

Gerresheim. . .

21

12

1870

42

33

36 21

ger.

gev.

gev.

gev.

St. Hubert. . .

20

3

1871

65

39

22 28

gev.

gev.

gev.

gev.

Kaiserswertli . .

15

1

1871

37

22

14 57

gev.

gev.

gev.

gev.

Krefeld (stad). .

25

3

1865

24

21

1747

gev.

gev.

gev.

gev.

Krefeld (land)

13

2

1871

32

48

43 47

gev.

gev.

gev.

gev.

Neusz . . . .

13

1

1871

55

31

24 19

gev.

gev.

ger.

gev.

25

12

1872

31 22

23

41

ger.

ger.

gev.

ger.

Stoppenberg . .

?

1

1881

25\'29

1

p

gev.

gev.

gev.

?

1

1882

13120

6

6

ger.

ger.

gev.

gev.

Wezel . . . .

24 12

1870

68,19

33

49

gev.

gev.

gev

gev.

16

3

1876

231 1

26 56

gev.

niet gev.

gev.

gev.

Bonn.....

7

2

1867

24137

30

51

ger.

gev.

gev.

gev.

8 11

1870

?

49

4

41

p

gev.

gev.

ger.

Keulen . . . .

? 10

1849

21

4

41

P

p

p

r

9

?

12

1855

46 11

p

25

p

p

\'i

P

?

12

1858

39 18

12

26

p

p

P

P

?

12

1864

p

27

43

59

p

p

p

9

Mublheim . . .

4

1

1871

34^22

18

24

gev.

gev.

ger.

ger.

10

8

1882

37 17

19

13

n iet gev.

niet gev.

niet gev.

Correnzig . . .

?

1

1871

25

3

24

24

p

p

p

p

?

5

1872

47

8

30

3

p

p

p

p

Muntjoie . . .

y

2

1849

20 19

44

27

p

p

p

p

-ocr page 107-
-ocr page 108-
-ocr page 109-
-ocr page 110-

! plichte Vaccinatiequot; . . . . . Prijs 30 .Cent#.

-ocr page 111-