-ocr page 1-
-ocr page 2-

UN

i\\

BE IE]

-ocr page 3-

/t.

H E T

TT T E, E! C H T.

MEDEDEELING en VOORDRACHT

VAN

28 JUNI 1890

MKT

BRIEFWISSELING OVER 1888. 1889 en JUNI 1890.

tTTRECHT - J. VAN BOEKHOVEN — 1800.

-ocr page 4-

■ - . ■ ..... \'■ -

-gt; -

quot;V...■ ., . -....z v: .. ,. ■.^/ ■

, - ■ ... • • •• \' ■ \' ... \'. •., . - \' \' • -

ÜI

ill ;

if.

?WMi\'

Sm

w [r?

: : • • •.\' quot; :...; Ï v\'quot; * \'

■ ■ -. - . ■- . . ;•\'-., .. ■ - V. .! \', •

■-: ■ • ■■■■■:■ ■ ;

\' . ; .. \'-\'.v./ - ■ ■•.\'.••

•• : • \' ■ •.• . ..\' •\'gt; \' . i \'• • ■ \' quot;quot; \'

„V.;j ,. ; ,, S .

V-. V -

• • 5:\\- •• , .

quot; msamp;p:

iPHiPlI*..

.■ : . : : - 1 t

HPW RWi W Sf!

.^^ 4 .... \' -P. - V . .

:v? v -:

\' amp;4M

\\

mÊM

• J

■■ ■■■- ■ ■■: ■:-■■■■quot;-v ■; :. ■■. ■ \' . ■ . ■

• . \' ! I \'

-■ j-. ;2

\'

. ~ \'V.-!- ; \\\\\\ ■ -

S . -

.••.■-. ■ • • :• .■; / ••. • - - • . • . ... -Vi

~ . ■; ■ \' ? \' f\' : \'

\' \' •■••■ - - •;• • •- ■

- \\. •^v-. ^ :v

\'.iv.-ci. ;■

_

\' A

-ocr page 5-

quot;Oquot; TE/ECHT.

MEDEDEELING en VOORDRACHT

van

28 JUNI 1890

met

BRIEFWISSELING OVER 1888, 1889 en JUNI 1890.

ty-quot;x

---- . (: ê

utrecht — .T. VAN BOEKHOVEN — 1890.

H E T

-ocr page 6-
-ocr page 7-

UIr echt, den 28slen Juni 1890.

Nn. 352 F.

Nadat wij aan Uwe vergadering de Mededeeling en voordracht, van 2 Februari 1888 hadden toegezonden, welke niet in hehandeling is gebracht, werd in verschillende geheime vergaderingen de gedragslijn besproken, welke, in verband met de verandering van Ministerie, in zake het Universiteitsgebouw diende te worden gevolgd.

In de geheime vergadering van 26 April 1888 werd door de leden Uwer vergadering, die het woord voerden, er op aangedrongen, dat Burgemeester en Wethouders zouden trachten de zaak op een ander standpunt te brengen , zoodat de Gemeente zich niet contractueel tot liet bouwen zoude verbinden, en in de vergadering van 24 Mei 1888 werd nader van gedachten over dit gewichtig onderwerp gewisseld. Bij die gelegenheid werd van wege ons College medegedeeld, dat eene audientie bij Z. E. den Minister van Binnenlandsche Zaken was aangevraagd en dat het in de bedoeling lag van Burgemeester en Wethouders eene poging te doen, om eene andere en nieuwe wending aan de zaken te geven.

Sedert werden de Wethouders Coblijn en Beiger den 31sten Mei ter audientie bij Z. E. den Minister van Binnenlandsche Zaken toegelaten. Van den afloop dezer audientie

Aan den Gemeenteraad.

-ocr page 8-

IV

en van den eigenaardigen loop, dion de onderliandelingen builen onze schuld in de eerslvolgende maanden namen, hadden wij de eer U den 22sten October 1888 (Bijlage A, uitsluitend gedrukt voor de leden van den Raad) kennis te geven.

Bij de audientie (Bijlage B, uitsluitend gedrukt voor de leden van den Raad), waarvan wij hel niet dienstig oordce-len hel uitgebreid verslag te publiceeren , tenzij daartoe bepaaldelijk door den Raad wordt besloten, werd o. a. getracht van Z. E. de verzekering te verkrijgen van Z. E. bereidwilligheid om een nieuw plan onzer bouwmeesters te onderzoeken en gepoogd de zekerheid te verkrijgen, dal. geen verdere tegenstand zoude zijn te wachten tegen de bekende hooldbcginselen, welke onze architecten, in overeenstemming met den wil van den Raad, bij het ontwerpen mcenen te moeten volgen. De medegebrachte schetsen werden tot nader onderzoek aan het Ministerie gelaten, en door Z. E. werd aan onze\'gecommitteerden zeer bepaald het voornemen te kennen gegeven om in een tweede onderhoud de zaak verder te behandelen.

Dat tweede onderhoud heelt evenwel niet plaats gehad, want den 23sten Juli 1888 ontvingen wij de teekeningen zonder oproeping tot eene audientie terug. Door den lieer Boer werd echter een brief ontvangen, die niet van een nummer is voorzien en die niet door den Minister van Binnenlandsche Zaken is onderteekend, maar door den lieer Mackay, en waaruit de Voorzitter van ons College den indruk verkreeg, dat op dat oogenblik geen onderhandelingen gewenschl werden.

Wegens de redenen, uiteengezet in Bijlage A, werd loon door ons besloten onze architecten opdracht te geven tot de vervaardiging van een nieuw ontwerp, waarin zoo veel mogelijk aan de van Rijkswege geuite wenschen zoude

-ocr page 9-

en

V

worden voldaan, zonder echter toe te geven aan die eischen.

n,

die ook herhaaldelijk in den Raad als onredelijk waren

■A,

gekwalificeerd.

nis

Daartoe werd den 30sten Augustus 1888 eene conlerentie met de beide bouwmeesters gehouden, en hebben zich ver

de

der de Wethouders Coblijn en Reiger — na den brief van

se-

19/20 September 1888 (Bijlage N0. 1) — den 13den October

00

daaraanvolgende naar Delft begeven om professor Gugel

a. E.

over te halen zijne taak niet neder te leggen. Toen Prof. Gugel zich, evenals de Heer Vermeijs, had bereid verklaard

srs

om de opdracht te aanvaarden, gaven wij nog denzelfden

in,

dag hiervan kennis aan Z. E. den Minister van Dinnen-

■011

landsche Zaken en voegden daarbij de mededeeling, dal

in

wij ons voorstelden de vrucht van die vernieuwde opdracht

ut

zoo spoedig mogelijk aan Z. E. ter kennisneming en goed

ile

keuring aan te bieden. (Bijlage N0. 2). Den 27sten October

-ie

1888 deelde Z. E. ons evenwel mede bereid te zijn de onder

3311

handelingen weder aan Ie knoopen, zoodra het door Z. E.\'s

Een

ambtsvoorganger den 19den December 1887 aan ons gezonden contract zoude zijn tot stand gekomen. (Bijlage N0. 3).

d,

De bezwaren daartegen werden in onze missive van 13

311

November 1888 uitvoerig uiteengezet (Bijlage N0. 4-) met

311

dat gevolg, dat Z. E. de Minister van liinnenlondsche Zaken

■111

ons bij missive van 12 December 1888 (Bijlage N0. 5) mede

nu

deelde, dat Z. E. aan de ontwerp-overeenkomst, welke

sn

door den Raad in zijne vergadering van den 14den October

«0

1887 was aangenomen, Z.E. goedkeuring hechtte.

■-

Ten gevolge van deze gunstige beschikking werden de lleeren Gugel en Vermeijs den volgenden dag door ons

=\'d

uitgenoodigd zich te belasten met de samenstelling van

sn

eene opgave van eischen.

■^0

Den 6den Maart 1889 werd door de heeren bouwmeesters

■c

aan deze opdracht voldaan (Bijlage N0. 6 en (gt;a), terwijl

-ocr page 10-

VI

zij, op ons nader verzoek (Bijlage N0. 7) om mede-deeling van het bedrag, hetwelk zoude worden vereiseht voor den bouw volgens dat toegezonden programma, antwoordden , dat de bouwkosten volgens dit programma van eischen de vroegere raming met Zquot; 15000 zouden overtreffen (Bijlage N0. 8).

In de vergadering met gesloten deuren van 19 Maart \'1889 werd door ons machtiging gevraagd en gekregen (Bijlage N0. 9), om het door de Heeren Gugel en Vermeijs opgemaakt programma van eischen aan de goedkeuring van den Minister te onderwerpen en daarover zoo noodig onderhandelingen met Z.E. te voeren, waarop wij den ^5sten Maart bovenbedoeld programma aan de goedkeuring van den Minister hebben onderworpen (Bijlage N0. \'10 en 6a).

Na eene tusschen-correspondentie van weinig belang (Bijlagen N0. 11 en 12) ontvingen wij bij missive van 1 Februari 1890 (Bijlage N0. 13) mededeeling van den uitslag der overwegingen, waartoe het door ons ingezonden programma van eischen bij Z.E. had aanleiding-gegeven.

Wij hebben ons daarop gehaast den Heer Prol\'. Gugel uit te noodigen tot het houden eener conferentie. Op deze conferentie, die den \'14.den Februari 1890 ten Stadhuize plaats had, werd o. a. de mogelijkheid besproken, om onafhankelijk van het Rijk tot de stichting van een Universiteitsgebouw over te gaan en verder den Heer Gugel de opdracht gegeven, ons schriftelijk van advies te dienen omtrent bovengemelde missive van den Minister.

Reeds den 24steD Februari werd aan deze opdracht voldaan door de toezending van een uitvoerig Rapport (Bijlage INquot;. 14), dat, evenals de brief van den Minister, ter lezing-heeft voorgelegen voor de leden van den Raad.

Na onderzoek van dit Rapport werd door ons hel verzoek

-ocr page 11-

VII

aan den Minister van Binnenlandsche Zaken gericht om een onderhoud, (er bespreking van de zaken betreffende het te stichten Universiteitsgebouw.

Nadat in Uwe vergadering van den \'13den Maart 1.1. door den Heer Templeman van der Hoeven omtrent den voorgenomen bouw eene motie (Bijlage N0. 15) was ingediend, waarvan de behandeling op voorstel van den Voorzitter tot een nader te bepalen dag werd uitgesteld, ontvingen wij van den Heer Gugel liet op 13 Maart ISOO gedateerd antwoord op de vraag omtrent den bouw onafhankelijk van het Rijk (Bijlage N0. 16) en den 5den April van den Minister het bericht, dat de gevraagde audiëntie den Heten ^prii zoude worden verleend.

Op den vastgestelden dag hebben zich daarop de Wethouders Goblijn en Reiger naar den Haag begeven om met Z. E. de zaken te bespreken.

Het besprokene gaf aanleiding tot eene conferentie met den Heer Gugel, en tot eene nadere opdracht om te onderzoeken of het mogelijk is aan het te stichten gebouw eene andere, verder van de Domkerk verwijderde plaats te geven, en om, als die vraag in toestemmenden zin konde worden beantwoord, ons te rapporteeren, welk terrein daarvoor noodig zoude zijn.

Reeds den 20s,en April ontvingen wij van Z.H.Gel. bericht, dat do ruimte genoegzaam is voor eene alleszins voldoende distributie, en den 21sten April eene plattegrondteekening, waaruit die indeeling blijkt.

De daarop gevoerde onderhandelingen met de eigenaars van de perceelen mochten echter aanvankelijk geen gun-stigen uitslag opleveren. Van dezen stand van zaken heel! de Wethouder Goblijn don 19den Mei en, bij diens ongesteldheid de Wethouder Reiger den 23sten Mei, aan den Minister van Binnenlandsche Zaken mededecling gedaan.

-ocr page 12-

Vil I

In verband mei deze besprekingen werd den 24sten Mei 1890 ons schriftelijk antwoord op den briel\' des Ministers van 1 Februari dezes jaars verzonden (Bijlage N0. 17 en \'17a), waarop ons reeds den 30sten Mei werd medegedeeld, dal Z. E. aan het met dien brief ingezonden gewijzigd programma van eischen goedkeuring hecht (Bijlage N0. 18).

Hierop slaagden wij er in liet perceel van den Heer van Burkom tot den prijs van f 16,000.— en het benoodigde terrein van de erven Wiesman voor /\' 22,000.— in handen te krijgen.

Den 9den Juni verleende de Minister op nieuw audientie aan den Wethouder Reiger, waarop dezerzijds de brief van 17 Juni 1890 (Bijlage N0. 19) verzonden werd, die door Z.E. beantwoord werd den 20 Juni. (Bijlage N0. 20).

En hiermede is deze belangrijke zaak een nieuw stadium ingetreden.

De Gemeenteraad is nu in de gelegenheid met volkomen vrijheid te kiezen tusschen den vroeger voorgenomen bouw, die bij de krachtige en jegens onze gemeente welwillende houding van den tegenwoordigen Minister, wel niet door tegenwerking zal worden vertraagd, en eene andere plaatsing-van het door ons te stichten monument.

Het heeft uit den aard der zaak geruimen tijd een onderwerp van overweging bij ons uitgemaakt, of wij aan Uwe Vergadering een voorstel zouden indienen tot wijziging van de tot dusverre te dezer zake genomen besluiten. Toen echter de Minister ons een subsidie van /\' 21,000.— in uitzicht stelde, op de voorwaarden, welke uit onze voorstellen nader blijken, oordeelden wij het raadzaam van Uwe vergadering de vereischte machtiging te vragen.

Wij mogen niet verhelen, dat daardoor aan de Gemeente, behalve de meerdere uitgaven, die een gevolg zijn van de uitbreiding dei\' eischen, en waarvan wij U reeds kennis

-ocr page 13-

IX

igt;aven (lüjlage 8) een nieuw offer van (/\'38.000/\'2660— /\' 21.000) = /\' \'19.(i(»0 wordl opgelegd. Tolt; li meonen wij liet besteden van die som te moeten aanbevelen.

liet komt ons namelijk voor, dal liet Universiteitsgebouw, op de nieuwe plaats gesticht, al zal het, op zich zelf beschouwd, niet meer aan de eischen van het schoonheidsgevoel voldoen dan het vroeger ontworpene, door de meerdere verwijdering van de hooge Domkerk, meer tol zijn recht zal komen.

Verder zal het sloopen van het Leesmuseum ten gevolge hebben, dal van het plein een beter gezicht zal worden verkregen op de Zuidzijde van de Iraaie Domkerk, terwijl de bouw van het zooveel hoogere Universiteitsgebouw op de plaats, waar Ihans het Leesmuseum staat, dat gezicht zeker nog meer dan thans zoude belemmeren.

Eindelijk stellen wij ons voor, dat van Rijkswege na enkele jaren aan den in het gezichtkomenden buitenmuur van den kloostergang wel eene met de omgeving passende bekleeding, zal worden gegeven, zoodat ook dal monument, aan welks restauratie zulke aanzienlijke sommen zijn besteed, meer tot zijn recht en meer in het gezicht zal komen.

Ten einde de uitgaven, die nog voor de gemeente zullen overblijven, te kunnen beoordeelen diene hel volgende overzicht.

Aankoop van het huis van Jhr. Dam . . f 44,\'100. — Honorarium en onkosten aan de Heeren Gugel en Vermeijs (Raadsbesluit M Jan. 1889) - 4,957.28

/■ 4-9,057.28

in ronde cijfers ... - 49,000.— Bouwkosten..........- 140,000.—

/\' \'189,000.—

Transporteeren

-ocr page 14-

X

Transport / \'180,000.—

Aankoop pen-, van üurkom on Wiosman. - 38,000.—

Onkosièn op dien koop......- 2,600.—

Belooning Architect., Opzichters, enz. . . - 9,000.—

/\' 238,660.—

/\' 25,000.—

- 48,000.—

- 21,000.—

- 04,000.— / 144,660.—

of in ronde cijfers / 145,000.—, terwijl voor de Gemeenle in 1885 was gerekend op eene uitgave van / 100,000.

Indien niel wordt overgegaan tol de uitvoering van hel nieuwe plan, dan zullen de kosten ongeveer /\' 20,000 lager zijn. In elk geval komt der Gemeenle nog ten goede de rente, welke gekweekt is van de som, die door de vrijgevigheid der ingezetenen is bijeengebracht. Bovendien kan men verwachten dal aan belooning architect enz. geen / 0000 zal worden besteed.

Tot ons leedwezen laat de beschikbare tijd niet toe aan onze toelichting die uitbreiding te geven, die wenschelijk ware in verband met het belang van het onderwerp Wij geven er evenwel de voorkeur aan, dal de verzameling gedrukte stukken U spoedig bereikt, en stellen ons te Uwer beschikking om mondeling een en ander nader uiteen te zetten. Alleen zij nog medegedeeld, dal de zekerheid niel beslaat, dal het Rijk het subsidie van f 21,000 zal verleenen. Bij den beperkten tijd bestaat beslaat niel de gelegenheid om den aankoop der perceelen afhankelijk te stellen van de goedkeuring der Wetgevende Macht, liet belang van het Rijk bij de dading omtrent de klooster-

Af bijdrage Provincie » » ingezetenen . Subsidie Rijk

-ocr page 15-

\\l

gangen is evenwel /00 grool., dal de aanneming van oene betrekkelijke wet ons niet twijfelachtig voorkomt.

Op de leeskamer van den Raad worden te Uwer inlicli-ting overgelegd de volgende teekeningen:

I Een schetsplan van Professor Gugel.

II. Een schetsplan door de bouwmeesters in Maart 188!) ingezonden bij hel program van eischen.

III. Eene situatieteekening van de omgeving van hel Munsterkerk hof met aanduiding van de grenzen der te koopen perceelen.

IV. Een plattegrond, ontvangen van het Ministerie van Binnenlandscbe Zaken bij den brief van \\ Februari 1890.

Om de aangevoerde redenen hebben wij de eer U voor Ie stellen;

I. Ons te machtigen met den Staat der Nederlanden eene dading te treffen, waarin in hoofdzaak het volgende wordt bepaald.

«De nog tusschen den Staat en de gemeente Utrecht «hangende geschilpunten over het eigendomsrecht «van twee strooken grond met daarop slaande kluizen «en bogen en van het binnenplein, een en ander deel «uitmakende van bet terrein, waarop zich de klooster-«gang bevindt, worden in der minne geëindigd op «de volgende wijze:

1. «De gemeente Utrecht ziet geheel af van elk «eigendoms- of eenig ander recht op den Vrijhof en «op de kloostergangen met bel terrein, waarop deze «zich bevinden, kadastraal bekend Gemeente Utrecht, «Sectie B, N0. 2G5ü, en erkent den Staal der Neder-

-ocr page 16-

«landen als ecnigen eigenaar van die perceelen zondei «cenige reserve hoegenaamd.

«Daarentegen verbindt zich do Staal een doorgang «voor voetgangers lang de zuidzijde van de Domkerk «open te houden, in den regel dagelijks van 1% uur «des morgens tol 10 uur des avonds, en dien Ie «onderhouden, schoon te houden en te verlichten.

2. «De gemeente Utrcchl slaal in vollen en vrijen «eigendom al\' aan den Staat der Nederlanden, die iu «eigendom aanneemt het geheele gebouw, kadastraal «bekend Gemeente Utrecht, Sectie B, N0. 2655, «waarin thans het Leesmuseum gevestigd is.

.■3. «De gemeente Utrecht verbindt zich binnen «twee jaren (na de sluiting der overeenkomst) op «hare kosten tot het tot aan den beganen grond «sloopen van het gebouw in punt 2 bedoeld, liet «zoodoende vrijkomend terrein met klinkers te be-«straten en in dier voege op te leveren, dal de «kloostergang aan die zijde geheel open als historisch «monument van het plein zichtbaar worde.

«Do opbrengst van de afbraak komt ten bate der «gemeente, welke het behoorlijk onderhoud der be-«straling van het vrijgekomen terrein nu en later ten «haren laste neemt.

4. «De Staal der Nederlanden verbindt zich ter «uilvoering van het vorenstaande aan de gemeente «Ulreclil een subsidie le verleenen van /\' 21,000, in «gedeelten uil le keeren vóór 1 Januari ISO\'i.

5. «Alle kosten op de le sluiten overeenkomst «vallende, met uitzondering van die van zegel, komen ten laste van den Staat.»

-ocr page 17-

xm

II. Te besluiten lot aankoop der perceelen, kadastraal gemeente Utrecht, Sectie 13, N0. 002, IN0. 2695 ge-deellclijk en N0. 2690 gedeeltelijk, en daartoe te nemen de volgende besluiten:

A. De Raad der gemeente Utrecht,

overwegende, dat het bij de stichting van het Universiteitsgebouw, ter verfraaiing van liet Munsterkerkhof, noodig is de beschikking te hebben over het perceel, kadastraal gemeente Utrecht, sectie 13, N0. 602, toebehoorende aan den Heer Willem van Durkom;

overwegende, dat deze zich heeft bereid verklaard, het bedoelde perceel aan de gemeente te verkoopen voor de som van zestien duizend gulden;

Besluit;

4. van den lieer W. van Burkom voor de gemeente aan te koopen het hem toebehoorend perceel aan het Munsterkerkhof, kadastraal gemeente Utrecht, Sectie B, 603, en zulks voor de som van zestien duizend gulden, onder voorwaarde dat het perceel den isten November 1890, onbezwaard en niet langer verhuurd dan tot 4 Mei 4891, aan de gemeente zal worden geleverd.

2. Burgemeester en Wethouders te machtigen hierin verder het noodige te verrichten,

B. De Raad der Gemeente Utrecht,

overwegende, dat het bij de stichting van het

Universiteitsgebouw, ter verfraaiing van het Munsterkerkhof, noodig is de beschikking te hebben over de perceelen kadastraal Gemeente Utrecht, Sectie B Nu. 2695 gedeeltelijk en N0. 2090 gedeeltelijk, loe-behoorende aan de erven van den lieer .1. II. Wiesman; overwegende, dat de lieer A. C. Wiesman zich

-ocr page 18-

namens de erven heelt bereid verklaard, mits daarloe de noodige rechterlijke machtiging worde verkregen, bedoelde perceelen aan de gemeente te verkoopen voor de som van twee en twintig duizend gulden;

Besluit:

4. Van de erven van den Heer J. H. Wiesman voor de gemeente aan te koopen de hun toebehoorende perceelen aan het Munsterkerkhof, kadastraal Gemeente Utrecht, Sectie B jN\'u. 2695 gedeeltelijk en N0. 2096 gedeeltelijk, op bijgaande teekening met eene roodc kleur aangeduid, en zulks voor de som van twee en twintig duizend gulden en verder onder de volgende voorwaarden:

a. De grenzen tusschen de gedeelten der perceelen 2695 en 2696, welke aan de verkoopers verblijven of hetwelk gemeen eigendom blijft, en datgene wat aan de gemeente overgaat, worden bepaald door de volgende lijnen;

uit het zuidelijkste punt van de westelijke buitenzijde van den muur der thans bestaande werkplaats (op de teekening aangeduid met letter a.) loopt de grenslijn noordelijk in de richting van een van wege het gemeente-bestuur door den Directeur der gemeentewerken vast te stellen punt x. — tot aan het op de teekening aangeduid punt h.; dit punt x moet vallen tusschen het noordelijkste punt (gemerkt xvan gemelden muur der thans bestaande werkplaats en tusschen het noordelijk uiteinde der lijn die het verlengde uitmaakt van het beslaande, thans reeds in rechte lijn loopende gedeelte van gemelden westelijke muur der werkplaats, welk punt op de teekening is aangeduid met «2.

Op het gedeelte dezer grenslijn, zich uitstrekkende

-ocr page 19-

XV

van gemeld punt a. lot aan het punt in do lijn van den te stellen muur b.c. wordt door do gemeente op hare kosten een scheidingsmuur gesteld die tusschen haar en do verkoopers gemeen zal worden.

Van gemeld punt h. loopt de grenslijn naar het punt (l. langs de lijn h.c.

In gemelde lijn h.c. zal een muur worden gesteld op een afstand van 1.02 M., ten zuiden van den muur die thans aan do zuidzijde van perceel 269() dit perceel van perceel 2(395 scheidt; van dezen muur zal het gedeelte h.d. door do gemeente Utrecht als gemeene scheidsmuur worden gesteld, terwijl het gedeelte d.c. door de verkoopers kon gesteld worden. Gemeld punt d is gelegen in het verlengde van do lijn e /\', zijnde do westelijke buitenkant van den hestaanden muur aan de oostzijde van den thans hestaanden uitgang.

Van het punt d. loopt de grens tot het punt /. in het verlengde van de voormelde lijn e f. Ook op dit gedeelte d f. wordt door do gemeente Utrecht oen scheidingsmuur gesteld, die gemeen wordt als gezegd.

Van het punt /\'. loopt de grens in westelijke richting naar het punt y. in de lijn evenwijdig aan don muur thans tusschen de perceelen 2696 en 2695 zich bevindende (straks vermeld) en wol op een al-stand van hoogstens 80 centimeter van dezen bo-staanden muur.

Het punt g. vormt het westelijke eindpunt van de oostelijke scheiding van den nader te vermelden gangen de ligging van dat punt r/ wordl bepaald door do aan dien gang te geven breedte, nader te vermelden.

Ook op dit gedeelte / y. der grenslijn stelt de

-ocr page 20-

XVI

gemeente Utrecht een scheidingsmuur welke gemeen wordt als voormeld.

De gemelde scheidingsmuur zal aangelegd worden op een hoogte van 2.50 M. boven het hoogst thans bestaande grondvlak.

b. De scheidingsmuur tusschen de perceelen 2000 en 2097 zal voor zoover die buitenmuur wordt, door de gemeente Utrecht op hare kosten worden hekleed met een halve steen van harde steensoort.

c. Aan de oostzijde van dien aldus bekleeden muur zal een gang van minstens een Meter breedte onbebouwd blijven liggen als gemeenschappelijk eigendom van verkoopers en de gemeente Utrecht, om uitgang te geven naar het Munsterkerkhof. Deze gang is op de teekening aangeduid met de letters g h i I;.

In den grond van dezen gang zal de gemeente Utrecht, de versnijding van het aan de oostzijde door haar op te richten gebouw mogen plaatsen. De gang zal langs de lijn i k. worden afgesloten met een ijzeren hek, waarvan elk der mede-eigenaars een sleutel heeft, en dat — buiten den lijd dat bepaald van den gang gebruik wordt gemaakt — gesloten moet blijven. De gemeente Utrecht zorgt voor de bestrating van dien gang.

d. Op het zuidelijkste gedeelte van het afgestanen deel van perceel N0. 2095, op de nevensgaande situatie-teekening met stippellijn aangegeven en begrepen tusschen de letters a l m n, mogen geen gebouwen geplaatst worden, hooger dan de scheidingsmuur.

e. In het op den af te stanen grond te stichten gedeelte van hel gebouw zullen in de gevels, gericht naar de niet verkochte gedeelten van de bovengenoemde

-ocr page 21-

XVII

porceelen, geenc andere ramen mogen worden gemaakt dan welke voorzien zijn van ondoorzichtig glas. Alleen het bovengedeelte dezer ramen mag beweegbaar zijn.

f. Dr gekochte perceelen worden uiterlijk den 1K,en Mei \'1891 onbezwaard en onverlumrd geleverd.

2. Burgemeester en Wethouders te machtigen hierin verder het noodige te verrichten.

III. Goed te keuren de opgave van eischen, die den 22s,en Mei 1890 door ons aan Z. E. den Minister van Binnenlandsche Zaken is opgezonden, (Bijlage N0. 17) en die door Z. E. bij missive van den 30sten Mei 1890 (Bijlage N0. 18) is goedgekeurd.

IV. Mits de Wetgevende Macht vóór den 1sten December 1890, hare goedkeuring zal hebben gehecht aan de dading bedoeld sub 1,

ons te machtigen:

a. tot het sluiten der overeenkomst, welke de Baad zich, bij besluit van den I.4den October 1887, bereid heelt verklaard aan te gaan, met dien verstande, dat Art. 1 daarvan werde gelezen:

«Contractante ter andere, wenschende ter gelegenheid van het leest van het 250-jarig bestaan der Utrechtsche Universiteit door eene feestgave bare belangstelling in deze instelling te betoonen en te haren behoeve behoorlijke lokalen beschikbaar te stellen, verbindt zich aan het Munsterkerkhof op de terreinen, kadastraal gemeente Utrecht, Sectie B, Nos. 002, 003, 2096 gedeeltelijk en 2695 gedeeltelijk binnen 3 jaren na de goedkeuring , bedoeld in artikel 2, een aanvang te maken met de stichting van een nieuw gebouw en dit gebouw, hetwelk

2

-ocr page 22-

xvin

gemeente-eigendom blijft, aan contractant ter eenre ten behoeve der Rijks-Universiteit te Utrecht, kosteloos in bruikleening al te staan»

en dat

de 3de alinea van Art. 3 vervalt.

b. Daarna aan de Heeren Professor E. Gugel en F. J. Nieuwenhuis op te dragen de plannen en het bestek op te maken voor het Universiteitsgebouw, te slichten op de sub. IV omschreven plaats en voldoende aan de vastgestelde opgave van eischen.

V. Voor de verdere kosten van de stichting van het Universiteitsgebouw van gemeentewege beschikbaar te stellen eene som van f 95,000.

Burgemeester en Wethouders der gemeente Utrecht,

De Burgemeester,

(get.) F. H. GOBLIJN, Weth.

De Secretaris,

(get.) DE WATTEVILLE.

-ocr page 23-

Bijlage N0. 1.

-

Betreffende;

het Uuiversiteitsgeliouw.

Delft, 19 September 1888. Utrecht, quot;20 September 1888.

WelEdelAchtbare Herren!

De vertrouwelijke mededeelingen, welke ons in de vergadering van 30 Augustus j.I. over den staal der Universiteitskwestie welwillend werden verstrekt, hebben bij ons een punt van veelzijdig en nauwgezet onderzoek uitgemaakt, waarbij wij niet in gebreke bleven, naast de reeds beproefde distributies, de nog mogelijke oplossingen van het vraagstuk lot een onderwerp van studie te maken.

Wij nemen de vrijheid, de uitkomst van ons overleg in de navolgende beschouwingen en opmerkingen nederteleggen.

Kon volgens de ons gedane mededeelingen de houding van den tegenwoordigen heer Minister van Binnenlandsche zaken in het algemeen ons niet den indruk geven, dat Zijne Excellentie van een ernstig streven tot spoedige oplossing van het vraagstuk van den Universiteitsbouw wordt bezield, ook do weinige in zeer vage en weifelende aanduidingen mondeling in vooruitzicht gestelde concessies schijnen ons, door het laatste schrijven van den heer Minister, althans gedeeltelijk, wederom in twijfel gesteld ie zijn.

Aan

Bnniemeester en Wethouders der Gemeente Utrecht.

-ocr page 24-

2

Het in de ministerieele aanschrijving uitgedrukte verlangen , dat in een nieuw project voor het Universiteitsgebouw op de harmonie met de omgeving zou moeten worden gelet, kan immers in verband met de gewisselde stukken moeielijk anders worden opgevat, dan dat het ontwerp met den kruisgang en het groote auditorium in stijl hehovrl overeen te komen.

Over het vereischte aantal collegekamers en de daarvoor gewenschte afmetingen zijn geen nieuwe gegevens verstrekt, evenmin over de grootte van het kleine auditorium, een der voornaamste punten van verschil tusschen de deskundigen en adviseurs der Regeering en Uwe bouwmeesters. Er bestaat dus voor een nieuw project geen bepaald programma en het ontwerpen van een nieuw plan op grond van deze gegevens ol\' bloote vermoedens ware inderdaad niets anders dan een werken in het blinde.

Wanneer wij daarbij overwegen, dat een op zulke gebrekkige grondslagen ontworpen nieuw plan wederom aan het oordeel van den Senaat, van het Curatorium en aan de adviezen van de deskundigen des heeren Ministers zal moeten worden onderworpen, bij welke autoriteiten omtrent de eischen van het gebouw ook geen overeenstemming bestaat, en wij roepen ons het vroeger gebeurde voor den geest, dan is het inderdaad niet te verwonderen, dat ons aanvankelijk de lust ontbrak en de moed ontzonk, den reeds verlichten Sisyphus-arbeid andermaal op te vatten.

Is het noodig hierbij aan de ongehoorde aanmatigingen van den rijksbouwkundigen adviseur te herinneren, die in zijne rapporten niet eens den toon wist te treffen, die in het verkeer onder beschaafde, of zelfs alleen fatsoenlijke lieden gebruikelijk is, en die op eene ook voor leeken vatbare wijze de meest doorslaande bewijzen heeft gegeven van volslagen gemis aan oprechtheid of objectiviteit.

-ocr page 25-

En toch werd door do meerderheid van het Curatorium, zonder in acht neming van den wijzen en geijkten stelregel; «audiatur et altera pars!» met de eenzijdige betoogen en inlichtingen van deze specialiteit genoegen genomen en op grond daarvan advies uitgebracht.

Onmogelijk kunnen wij ons aan eene dergelijke bejegening-voor een tweede maal blootstellen.

Alleen aarzelend en gedreven door den goeden wil, de door Uw College opnieuw beproefde pogingen tot oplossing-der Universiteitskwestie onzerzijds tol aan de uiterste grens der mogelijkheid te steunen, kunnen wij onder deze omstandigheden onder zekere voorwaarden tot het. aanvaarden eener nieuwe opdracht besluiten.

Wat deze laatsten betreft, achten wij ons in de eerste plaats verplicht, Uw College in overweging te geven, van Zijne Excellentie den tegenwoordigen Minister van Binnen-landsche Zaken eene nadere verklaring uittelokken, of en in hoeverre Zijne Excellentie de bepalingen van het programma der vroegere regeering bindend of facultatief verklaart.

Meer bepaald zijn het de beide voornaamste punten van verschil: de kwestie over de afmetingen van het kleine auditorium en die over den stijl van het gebouw, waaromtrent nadere ophelderingen en bepaalde verklaringen zeer zeker vóór de aanvaarding onzer nieuwe taak vereischt zijn.

Naar het gevoelen van den eersten ondergeteekende falen alle planverdeelingen, waarin niet door de verplaatsing van den hoofdingang tot het groote auditorium naar de hoofdas dezer zaal voor eene behoorlijke en rechtstreeksche gemeenschap van het auditorium met het nieuwe gebouw wordt gezorgd. Op grond daarvan en om andere redenen moet het bij het projecteeren van eene nieuwe distributie van het hoogste belang worden geacht,

-ocr page 26-

4

vooraf ook volkomen ingelicht le zijn, of liet doorbreken eener hoofddeur in de hoofdas van den groolen gehoorzaal, tot gemeenschap met hel nieuwe gebouw, al of niet de goedkeuring van Zijne Excellentie kan wegdragen.

Met hel oog op nieuwe verhandelingen met het College van Curatoren, die het onmiddellijke gevolg zullen zijn van de indiening van een nieuw ontwerp, zal naar onze overtuiging eene welwillende tusschenkomst van Uw College voldoende zijn, om in het vervolg de behandeling dei-zaken op eene andere wijze te doen plaats hebben.

Hel eenvoudige betoog, dal bij het uitbrengen van een oordeel of bij het vervullen eener arbitrage in zaken als de onderhavige hel hooien van beide partijen een eisch van billijkheid en rechtvaardigheid is, zal wel voldoende zijn, om ons in het vervolg nieuwe onverdiende kren kingen te besparen.

Ten slotte achten wij ons in het belang van een goeden voortgang der zaak lol de volgende opmerkingen verplicht.

Voor het geval, dal Zijne Excellentie de heer Minister op den eisch van zijnen ambtsvoorganger blijft persisteeren en voor het kleine auditorium eene grootte van 130 M2 noodig acht, zal naar onze overtuiging de vraag over de onderdrukking of verplaatsing van den openbaren doorgang opnieuw een onderwerp van ernstige overweging behooren uiltemaken. Wordt het nieuwe Universiteitsgebouw op denzelfden afstand van den Dom geplaatst als het bestaande Leesmuseum, dan is de mogelijkheid, eenen 2 M. breeden doorgang buiten en naasl het Universiteitsgebouw — onder het traptorentje — aanteleggen niet uitgesloten.

Zoowel in het belang eener doelmatige distributie als in het belang der buitenordonnantie ware de verwijdering van den openbaren doorgang van zijne tegenwoordige plaats zeer wenschelijk.

-ocr page 27-

Ons vleiende, dal de door ons geuite wenschen en gestelde voorwaarden door Uw College als billijk en door de omstandigheden en feiten gemotiveerd zullen worden erkend, en daarom Uwe instemming zullen vinden, noemen wij ons met de meeste hoogachting

van Burgemeester en Wethouders voornoemd,

de dienslwilüje Dienaren,

(get.) E. GUGEL.

(get.) C. VERMEIJS.

-ocr page 28-
-ocr page 29-

Bijlage 2.

N9. 31.

__Utrecht, 13 October \'1888,

Gelijktijdig met de ontvangst door den Voorzitter van ons College van Uwer Excellenlie\'s missive van 23 Juli 1.1., kwamen wij in het bezit van de teekeningen en schetsen, welke Uwe Excellentie onder zich had gehouden, in afwachting van het nader onderhoud, dat dooi\' Uwe Excellentie was toegezegd aan de commissie uit ons College, welke den 31sten Mei de eer had bij Uwe Excellentie in audientie te worden toegelaten.

Aangezien ons uit deze terugzending is gebleken, dat Uwe Excellentie dat nader onderhoud niet noodig oordeelde, alvorens door ons College verdere maatregelen werden genomen, ter bevordering van de tot standbrenging van het ontwerp voor een Universiteitsgebouw, dat de goedkeuring ook van Uwe Excellentie zoude kunnen verwerven, hebben wij onze bouwmeesters uitgenoodigd tot het houden eener . conferentie ter nadere overweging der eischen, waaraan het ontwerp ter bereiking van het boven omschreven doel, zoude gerekend kunnen worden te moeten voldoen.

Eerst wegens de uitlandigheid der beide bouwmeesters, later wegens eene ongesteldheid van den Heer Professor Gugel, moest deze conferentie worden uitgesteld, zoodat zij niet eerder koude worden gehouden dan den 30sten Augustus 1.1.

Naar aanleiding van het nader advies, dat wij van de bouwmeesters mochten ontvangen, hebben wij gemeend hen te moeten handhaven in de reeds in 1880 aan hen gegeven opdracht tot het vervaardigen van bouwplannen

Aan

Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandsche Zaken

te \'s-Gravenhage.

-ocr page 30-

2

voor liet van gemeentewege aan hel Munsterkerkhof te stichten Universiteitsgebouw, de vrucht van welke vernieuwde opdracht wij ons voorstellen zoodra mogelijk aan Uwe Excellentie ter kennisneming en goedkeuring aan Ie bieden. Wij stellen er prijs op Uwe Excellentie dit ons besluit mede te deelen ten einde Uwe Excellentie eenigszins op de hoogte te houden van den stand van zaken, en vleien ons met de hoop, dat de Hoogleeraar Gugel, die van Rijkswege is belast onze aanstaande Architecten in de «Schoone Bouwkunde» op te leiden, en onze bekwame en ervaren Architect, Directeur der Gemeentewerken — rekening houdende met de beschikbare ruimte en geldmiddelen — er in zullen slagen aan het ook thans weder door ons College in hunne kunde gesteld vertrouwen bij vernieuwing te voldoen.

Ook bij dit nader overleg is ons gebleken, dat de bouwmeesters volharden in hunne meening, dat op door hen blootgelegde gronden de Gothische stijl voor het Universiteitsgebouw moet worden uitgesloten. Waar ons College zich zijne mindere kennis ten deze volkomen bewust is, heelt het uit eerbied voor het gezag van den Hoogleeraar, die, zooals hoven gezegd werd, van Rijkswege met eene zoo gewichtige roeping als de vórming onzer aanstaande bouwkundigen zich belast ziet, gemeend het gebruik van dien stijl ook thans niet te mogen voorschrijven.

Burgemeester en Wethouders der gemeente Utrecht,

De Burgemeester,

(get.) W. R. BOER.

De Secretaris, (get.) DE WATTEV1LLE.

-ocr page 31-

Bijlage N0. 3.

Ministerie van Binnenlandsche Zaken.

N0. 3139. Afdeeling O.

Bericht op schrijven van 13 Oct. \'s-Gravenhane, 27 October 1888.

1S88, n\'. 31, betreffende Universiteitsgebouw.

Met genoegen zag ik uit Uw schrijven van 2 Februari jl. aan den Gemeenteraad, waarvan kennis werd gegeven aan mijn ambtsvoorganger bij missive van 7 Februari II. n0. 38, dat liet dooi- dezen op 19 December 1887 aan U gezonden ontwerp-contract geene overwegende bezwaren bij U liad gevonden en dat de aanneming daarvan door den Gemeenteraad door U niet werd ontraden.

Met verlangen zag ik dan ook uit naar eenig bericht oi\' de Gemeenteraad zich met de bepalingen van dat conceptcontract heeft kunnen vereenigen.

Doch telkens, èn bij het bezoek van de Commissie uit Uw college op 31 Mei jl. èn nu laatstelijk bij de ontvangst van Uw nevensvermeld schrijven, zag ik mij daarin teleurgesteld Gaarne verklaar ik mij bereid om, zoodra gemeld contract zal zijn tot stand gekomen, de gedurende zoo langen tijd afgebroken onderhandelingen weder aan te knoopen en deze zaak, zooveel van mij afhangt, zoo mogelijk tot een goed einde te brengen.

Aan

Burgemeester en Wethouders van Utrecht.

rkhof Ie ke ver-quot;lijk aan aan le dit ons enigszins ^en, en quot;cl, die «i in de •kwame ■ven — i geld-weder ■en hij

1)011 w-r lien Eversi-ollege ist is, Eeraar, eene aande n van

=?cA,f,

-ocr page 32-

2

Waar in Uw laalste schrijven gezegd wordt, dal. Uw College meent de door U gekozen bouwmeesters te moeten handhaven in de opdracht tot het vervaardigen van bouwplannen , meen ik te mogen opmerken, dat noch door mijn ambtsvoorganger, noch door mij er op is aangedrongen of als voorwaarde gesteld, dat die bouwmeesters door U zouden worden losgelaten. Ook trof bet mij in dat schrijven, dat tot tweemaal toe en met nadruk er op gewezen wordt, dat de heer Gugel door de Regeering is benoemd tot, hoogleeraar in de schoone bouwkunde; ik zal hieruit toch niet moeten opmaken, dat het Uwe meening zou zijn, dat hij door zijne benoeming tot, hoogleeraar onfeilbaar is geworden of dat aan U of mij kritiek op zijne bouwplannen niet veroorloofd zou zijn?

De Minister van Binnenlandsche Zaken,

(get.) MACKAY.

-ocr page 33-

Bijlage N0. 4-.

N0. 03.

Ulrecht, dm 13den November \'188S.

Bij Uw Excellentie\'s missive van 27 October 1.1., n0. SISO Afdeeling O. wertl ons medegedeeld, dat Uwe Excellentie zicli bereid verklaarde om de gedurende /oo langen tijd afgebroken onderliandelingen omtrent het alhier te stichten Universiteitsgebouw weder aan te knoopen, zoodra het contract, dat door Uw Excellentie\'s ambtsvoorganger op 19 December 4887 aan ons gezonden is, zal zijn tot stand gekomen, en werd ons de teleurstelling van Uwe Excellentie kenbaar gemaakt over het ontbreken van eenig bericht of de Gemeenteraad zich met de bepalingen van dat conceptcontract heeft kunnen vereenigen.

Naar aanleiding van het thans door Uwe Excellentie uilgesproken verlangen, dat de zaak van het contract tot een einde worde gebracht, hebben wij de eer de volgende beschouwingen aan de welwillende overweging van Uwe Excellentie te onderwerpen.

Toen de dezerzijds aangewende pogingen, om den Ambtsvoorganger van Uwe Excellentie te doen terugkomen van de gestelde eischen omtrent de contractueele verbintenis tot stichting van het Universiteitsgebouw niet mochten worden bekroond met den te dezer stede zoozeer gewenschten uitslag, en Zijne Excellentie vasthield aan het concept van

Aan

Zijne Excellentie den Minister van Binnen landsche Zaken

te \'s-Gravenhage.

-ocr page 34-

2

don 19den Deecmbcr 1887, werd door ons College den 2\'lcn Februari 1888 aan den Raad kennis gegeven van den stand van zaken.

Bij deze kennisgeving werd door ons College niet voorgesteld om te voldoen aan het verlangen van den toen-maligen Minister van Binnenlandsche Zaken.

Ook na den S*1611 Februari meende ons College zoodanig voorstel niet te mogen doen en werd dientengevolge onze mededeeling van 2 Februari 1888 niel door den Voorzitter bij den Raad in behandeling gebracht.

De redenen van dat uitstel zijn de volgende.

Van don aanvang af heeft er bij ons College bezwaar tegen bestaan om in de overeenkomst van bruikleening bepalingen op te nemen, waarbij de Gemeente — die niet door contractueele bepalingen verzekerd is van den even aanzienlijken als gewaardeerden geldelijken steun der Provincie en der Ingezetenen — zich tot de stichting van hel Universiteitsgebouw contractueel zonde verbinden.

Toen echter gebleken was, dat Uw Excellentie\'s Ambtsvoorganger de opname van de verplichting tot stichting bleef verlangen, is dooi- ons, onder mededeeling van al de missive dos Ministers, een ontwerp-contract, dat in enkele opzichten afweek van het concept van Z.E., aan de goedkeuring van don Raad onderworpen.

In de vergadering van den i4fden October 1887, mocht het ons gelukken de goedkeuring van den Raad voor ons ontwerp te verwerven, liij die gelegenheid is ons gebleken, dat de leden van den Raad niet dan noode onze voordracht hebben goedgekeurd, omdat de contractueele verplichting tot stichting door niemand wenschelijk werd geacht. In de overtuiging, dat do Raad niet verder zal gaan dan het besluit van den i 4den October 1887, dat hij daarvan niet in hoofdzaken zal afwijken en bij de wetenschap, dat het

-ocr page 35-

door den ambtsvoorganger van Uwe Excellentie ingenomen slandpunt bij de behandeling in de Staten-Generaal geen verdedigers vond, mochten wij in den aanvang van dit jaar de behandeling der zaak door den Raad niet overhaasten. Bij de toenmaals bestaande onzekerheid omtrent de Regeering, welke geroepen zoude zijn om verder in deze zaak te beslissen, was de hoop niet uitgesloten, dat de door de Gemeente geheel vrijwillig voorgenomen bouw tot stand zoude komen, zonder dat zij daartoe door een contract zoude worde verplicht.

Bij de audiëntie, welke den 31ston Mei door Uwe Excellentie aan twee leden van ons College werd verleend, werd dan ook op de door Uwe Excellentie gedane vraag, ol\' na de correspondentie van December 1887 nog eenig besluit door den Raad was genomen, in ontkennenden zin geantwoord, en werd aan Uwe Excellentie medegedeeld, dat ons College de verwachting heelt, dat de Raad van zijn besluit omtrent het contract in hoofdzaak niet zal afwijken. Verder werd bij die gelegenheid eene poging aangewend om langs een anderen weg het beoogde doel te bereiken en daartoe aan Uwe Excellentie het verzoek gericht om kennis te willen nemen van nieuwe plannen, welke door onze bouwmeesters zoude worden ingezonden en waarbij zooveel mogelijk zoude worden voldaan aan de wenschen der Regeering met betrekking tot de inwendige inrichting van het gebouw.

Aangezien noch bij bovenvermelde audiëntie noch in den brief van den 23sten Juli 1887 aan den Burgemeester onzer Gemeente door Uwe Excellentie het verlangen werd kenbaar gemaakt, dat eene beslissing zoude worden genomen over het concept-contract van \'19 December 1887, werd dezerzijds de hoop opgevat, dat Uwe Excellentie er in moebt toestemmen nieuwe plannen te onderzoeken en

-ocr page 36-

4

den bouw te bevorderen zonder dat, eerst een contract tot stichting werd gesloten.

Mocht het ons eerst gelukken, aan Uwe Excellentie plannen aan te bieden, die de goedkeuring van Uwe Excellentie wegdragen, dan zouden wij daarna het oogen-blik gekomen aciiten voor cene poging om Uwe Excellentie\'s instemming te verwerven met een ontwerp-contract van van bruikleening.

Met het oog op de over de bruikleening vroeger gevoerde correspondentie vertrouwden wij, dat de bepalingen daaromtrent weinig aanleiding lot verschil meer zouden geven.

Mocht Uwe Excellentie alsnog kunnen goedvinden toe te stemmen in deze wijze van behandeling der zaken, dan zoude daardoor worden voldaan aan een te dezer stede algemeen gekoesterden wensch.

Indien evenwel Uwe Excellentie meent thans niet te moeten afwijken van den door Uwe Excellentie\'s ambtsvoorganger gestelden eiscli, dat de gemeente zich bij een contract tot de stichting verbinden moet, dan zal door ons College daarin worden berust. De Raad heeft door zijn besluit van den 1 Aden October 1887 getoond, dat hij, ter wille van de zaak, bereid was zijn tegenstand tegen dien eisch te laten varen en zal, vertrouwen wij, indien Uwe Excellentie eisch, dat de gemeente zich bij contract tot de stichting verbindt, op dat besluit niet terugkomen.

Wordt in dit geval door Uwe Excellentie alsnog genoegen genomen met het door den Raad aangenomen conceptcontract van den 1 A.dequot; October 1887, dan zullen wij ons beijveren de opgave van eischen, welke aan de overeenkomst zal worden gehecht, zoo spoedig mogelijk aan de goedkeuring van Uwe Excellentie te onderwerpen.

Mochten echter de bezwaren van den ambtsvoorganger van Uwe Excellentie tegen bovengenoemd concept ook bij

-ocr page 37-

Uwe Excellentie beslaan, dan gevoelen wij ons toch verplicht tot Uwe Excellentie\'s het verzoek fe richten, alsnog\' Uw Excellentie\'s goedkeuring te willen verleenen aan één der twee voorstellen, welke in liet slot van onze missive van den 25sten November 1887 aan den toenmaligen Minister zijn gedaan.

Mocht Uwe Excellentie echter volstrekt blijven vasthouden aan het ons den \']9dequot; December \'1887 toegezonden concept-contract; mocht de aanneming daarvan door den Raad onzer Gemeente de stellige eisch zijn, waaraan moet worden voldaan, dan zal de Voorzitter van ons College de behandeling van dat concept spoedig bij den Raad aanhangig maken.

Wij hadden die behandeling gaarne vermeden met het oog op de verwachting, dat bij den Raad tegen dat concept dezelfde bezwaren zullen bestaan, welke aanleiding hebben gegeven lot het besluit van den 14den October 1887 omtrent de nagenoeg gelijkluidende overeenkomsten, welke door den toenmaligen Minister van Binnenlandsche Zaken was voorgesteld, bij missive van 25 Juli 1887, N0. I9Ü0, Aid. 0.

Het was ons overigens zeer aangenaam aan het slot van Uw Excellentie\'s bovengenoemde missive te mogen vernemen, dat er bij Uwe Excellentie geen bezwaar bestaat legen ons besluit tot handhaving onzer bouwmeesters.

Door ons was dan ook nimmer beweerd of verwacht, dal de Minister van Binnenlandsche Zaken als voorwaarde zoude stellen, dat onze Gemeente hare bouwmeesters, die haar volle vertrouwen blijven genieten, zoude loslaten.

Volkomen terecht wordt door Uwe Excellentie verondersteld, dal door ons bij het nemen van dat besluil noch is gedacht aan hunne onfeilbaarheid, noch aan beperking van Uw Excellentie\'s of onze bevoegdheid tol vrije beoordeeling der door hen in te zenden plannen.

3

-ocr page 38-

6

Dal besluit is genomen naar aanleiding van hun door ons gemold nader advies en stond alleen in verband met onze mededeeling, dat wij bij dezen bouw, op grond van het door de bouwmeesters aangevoerde, aan de uilsluiting van den Gothischen stijl meenen te moeten blijven vasthouden. Wat wij omtrent, do personen \'dor bouwmeesters daarbij opmerkten strekte alleen ten betooge, hoe dezerzijds hot mogelijke is gedaan om de beste waarborgen te verkrijgen voor de deugdelijkheid van hol Ie slichten monument.

Burgemeester en Weihouders der gemeente Utrecht,

De Burgemeester, (gel.) Dl-: MURALT, Weth.

De Secretaris,

(gel.) DE WATTEVILLE

; ST0.

Bm

-ocr page 39-

Bijlage N0.

Ministerie van Binnenlandsche Zaken.

!0. 3699, Afdeeling 0.

Boriclit op schrijven van 13 4 ^ov. j.1. Nquot;. 63, betreffende U u i versiteitsgebo uw.

\'s-Gravenhage, quot;12 December 4888.

liet langdurig overleg betreffende de verhouding lussdien Rijk en Gemeente bij den te ondernemen bouw en de verklaarbare wensch van allen, die bij de stichting van de nieuwe lokalen ten behoeve van liet hooger onderwijs belang hebben, dat die zaak tot een goed einde worde gebracht, nopen mij eene uitvoerige beschouwing van de motieven door Uw College gebezigd tot verklaring van zijn stilzwijgen na de mededeeling van 2 Februari dezes jaars, achterwege te laten.

Ik bepaal mij tot de opmerking dat, nu het blijkt, dat Uw College het niet wenschelijk acht verder gevolg te geven aan het bij gemeld schrijven aan den Raad gedaan verzoek om ten deze te beslissen, mijnerzijds zal worden getracht naar spoedige verwezenlijking van de voornemens van het Bestuur en van de ingezetenen der provincie en der gemeente Utrecht.

Aan

Burgemeester en Weihouders van Utrecht.

-ocr page 40-

Met mijn Ambtsvoorganger l)en ik van oordeel, dat het in liet belang, zoowel van liet Hijlv als van de Gemeente is, dat, eer lot de technische uitvoering worde overgegaan, de verhouding tusschen beide bij eene overeenkomst worde geregeld.

Maar ik ben (evens bereid aan Uwe bezwaren tegen de door mijn ambtsvoorganger gestelde voorwaarden tegemoet te komen, en beebt mitsdien aan de ontwerp-overeenkomst, welke de Gemeenteraad bij zijn besluit van 14 October 1887 zicb bereid verklaard heelt met bet Rijk te sluiten, en waaraan hij alstoen zijne goedkeuring heelt gehecht, ook mijne goedkeuring

Ik verklaar mij derhalve bereid eerlang hel noodige overleg met U te plegen over de opgaven van eischen, in Art. \'1 van voormelde ontwerp overeenkomst bedoeld.

De Minister nm Binnenlandsche Zaken, (get.) MAGKAY.

-ocr page 41-

Bijlage iN0. 6.

Betreffende: Universiteitsgebouw.

Met een conoept-programma cn eene calque-teekening als bijlagen.

Delft , Utheciit ,

(i Maarl 1889.

Aan

Burgemeester cn Wethouders der jemeente Utrecht.

Naar aanleiding van Uw geëerd schrijven, dd. 13 December 1888, hebben wij ons onmiddellijk met do samenstelling van een ontwerp-programma voor het Universiteitsgebouw bezig gehouden. Reeds sedert geruimen tijd met dezen arbeid gereed, hebben wij echter met de aanbieding daarvan aan Uw College tot nog toe gewacht, omdat wij, misschien tengevolge eener verkeerde opvatting, in genoemd schrijven eene uitnoodiging lot directe indiening van ons elaboraat. niet meenden te mogen zien.

Ter voldoening aan een ons te kennen gegeven wensch haasten wij ons nu, aan UWelEdelAchlbaren het door ons ontworpen concept-programma hiernevens aan te bieden en daaraan dc volgende toelichting bij te voegen.

Tot grondslag voor ons ontwerp namen wij het programma der regeering, toegevoegd aan het schrijven van den Minister van lünnenlandsche Zaken dd. 31 Augustus 1887. Aan dit stuk hebben wij ons, wat inhoud en volgorde betreft, zooveel mogelijk aangesloten, met weglating evenwel van

-ocr page 42-

2

de voorwaarden betreflende den slijl van hel gebouw en van die bepalingen omtrent de uitvoering, welke zoowel door het Gemeentebestuur cn den Gemeenteraad, als door ons voor onaannemelijk worden beschouwd.

Ons concept-programma baseert voorts op eene dooi- ons ontworpen nieuwe planverdeeling, waarin naai\' wij ons vleien, aan alle eischen is voldaan, die door de betrokken autoriteiten tot nu toe werden gesteld, ja zell\'s meer aanbiedt dan gevraagd is.

Behalve eene wachtkamer voor de examinandi op de bovenverdieping, welk vertrek, waarschijnlijk abusivelijk, op het programma van den Minister niet voorkomt, bevat ons plan namelijk op de benedenverdieping eene wachtkamer voor de studenten, groot ± 43 M2. Beide deze lokalen zijn door ons ook in het programma opgenomen.

Inderdaad zou het ontbreken eener stookbare wachtkamer voor de studenten, die bij dergelijke inrichtingen altoos wordt aangetroffen, naderhand als een groote misstand worden erkend. In het regeeringsprogramma voor een Universiteitsgebouw te Leiden was zell\'s eene groote recreatiezaal geëischt.

Eene vijl\'de collegekamer, die onze nieuwe plattegrond eveneens bevat, meenden wij evenwel vooralsnog niet in het programma te moeten opnemen, uitgaande van de overweging dat van regeeringswege, zooals lot nu steeds geschiedde, in eene of.de andere richting eene opdrijving-der eischen zal te wachten slaan, waaraan denkelijk door het nog beschikbare lokaal voor eene vijlde collegekamer dan zal kunnen worden voldaan.

Terwijl wij de vrijheid nemen, eene doortrekteekening der planverdeeling, waarop ons concept-programma berust, aan Uw College hierbij over te leggen, kunnen wij hel niet raadzaam achten, daarvan nu al aan den heer Minister

-ocr page 43-

medcdceling Ie doen. Integendeel schijnt ons geheimhouding-van het bestaan van dit plan gewenscht.

Met de meeste hoogachting hebben wij de eer te zijn

van Burgemeester en Wethouders voornoemd, de dienstw. Dienaren,

(get.) E. GUGEL.

(get.) C. VERMEL!S.

-ocr page 44-
-ocr page 45-

Dijlage N0. 6a.

PROGRAMMA VAN EISCHEN

VOOR DEN

BOÜW VAN EEK NIEüf ÜNIVERSITEITSGEBOÜW

te UTRECHT.

Het gebouw wordt opgericht ter plaatse waar zich thans het Leesmuseum bevindt en met gebruikmaking van het terrein, vrijkomende door. liet afbreken van liet pand, vroeger bewoond door .Ihr. Ram en voor zooverre noodig met gebruikmaking van den daarbij behoorenden tuin. Het moet zich onmiddellijk aansluiten bij de westelijke en zuidelijke kruisgangen van de Domkerk, door welke men het groote Auditorium bereikt, en voorts in verbinding gebracht worden met de groep gebouwen, welke het Auditorium, de Senaatskamer en de lokalen in het voormalig politiegebouw omvatten.

In het nieuwe gebouw behoeft op eene Concierge-woning niel gerekend te worden, omdat den pedel-concierge eene woning in de lokalen van het voormalig politiegebouw wordt aangewezen.

-ocr page 46-

2

a.Benoodigde llcl gebouw moei bevatten:

lokaleu.

A. Gelijkslmalft.

10. Yicr collegezalen, als:

één groot ongeveer 120 M drie » minstens 42 M2.

minslens twee dezer collegezalen behooren aan den tuin gelegen te zijn. De vorm dezer zalen behoort vierhoekig te zijn.

2°. Eene spreek- of wachtkamer voor de professoren, groot minstens 25 M2.

3°. Eene pedelskamer, groot ongeveer 15 M2.

4-0. Een jassenbergplaats, groot minstens 12 M2.

5°. Eene wachtkamer voor de studenten, groot ongeveer 42 M2.

De spreekkamer wordt in de nabijheid van den ingang, de pedelskamer ongeveer in het midden van het gebouw geplaatst en evenzoo de jassenkamer.

6°. Eene van tochtdeuren voorziene vestibule van matige afmetingen.

7°. Voorts zal op de benedenverdieping een door deuren al te sluiten doorgang naar het Vrijhof aangelegd worden, onafhankelijk van de communicatie door de vestibule.

B. Op de eerste verdieping.

1°. Vijf faculteitszalen, als:

één groot ongeveer 70 M2.

één » » 55 »

twee » » AC) »

één » » 42 »

2°. Eene collegezaal ongeveer groot o5 AI2.

-ocr page 47-

3

3°. Ecne wachlkamer voor de examinandi, grool ongeveer 35 M2.

4°. Een vertrekje voor den pedel minstens groot 5 M2. 5°. Een jassenbergplaats minstens groot 10 M2.

Voor de ligging dezer beide laatste lokalen geldt wat van die vertrekken in de benedenverdieping is gezegd.

De trappen moeten van steen zijn. Behalve de hoofdtrap, die zooveel mogelijk in \'t midden van het gebouw is aan te leggen, is nog eene tweede ol\' diensttrap van mindere breedte noodig, meer nabij de pedelswoning gelegen en waar langs men de zolderverdieping kan bereiken.

3. ïrappeu, privaten en wal er-plaatsen.

Twee privaten en waterplaatsen, aan de buitenluclit uitkomende en door voorportalen van de corridors gescheiden, moeten zoowel op de beneden- als op de bovenverdieping-worden aangelegd.

4. Licht. Alle lokalen ontvangen zijlicht, dat in de laculteits- en collegezalen links van de toehoorders moet intreden. Zoo in corridors als trappen en gangen moet het licht in ruime mate toetreden.

G. Vloeren. De vloeren van gangen, corridors, privaten en waterplaatsen, ook op de eerste verdieping, moeten van steen zijn. Om gehoorigheid te voorkomen wordt in de laculteits- en collegezalen hetzij van dubbele vloeren hetzij van troggewelven onder de vloeren partij getrokken.

Alle lokalen, corridors, privaten en waterplaatsen worden van gas- en waterleidingen met toebehooren voorzien. De waterleiding wordt ook voor brandblussching en voor het schoonmaken van het gebouw ingericht. De noodige elec-trische schellen worden in do lokalen aangelegd.

-ocr page 48-

De vereischte bergplaatsen voor brandstoffen en gereedschappen worden in den tuin geplaatst, waarmede in verband een gemakkelijke toegang van bet gebouw naar den tuin wordt aangelegd.

liet maken van een kelder in het gebouw, uitkomende op de straat wordt wenschelijk geacht.

Indien er van calori teres voor de verwarming van gangen ol\' lokalen wordt partij getrokken, worden deze in den kelder geplaatst.

liet gebouw wordt van deugdzame materialen opgetrokken met vermijding van surrogaten. De in het gezichtkomende daksvlakken worden met leien algedekt.

De over te leggen teekeningen van liet gebouw moeten bevatten:

«. de plattegronden van de fundeering en de kelders, van de verdiepingen en liet dak.

b. de noodige doorsneden.

c. de opstandsteekeningen van de verschillende gevels, al deze teekeningen uitgevoerd op de schaal van 1 : 100.—.

8. Bergplaatsen.

(J. Verwarming.

10. Uit-voerincr.

11. Tecke-ningen.

Met deze teekeningen wordt overgelegd eene raming van kosten met omschrijving der aan te wenden materialen.

behoort bij het schrijven der beeren Gügel en Vermeijs van 2/4 Maart 1889.

-ocr page 49-

Bijlage N0. 7.

N0. 237 F.

Ulrechl, l/t Mmirl 1889.

Wij hadden de eer te ontvangen\' Uwe missive, dd. 0 Maart 1.1., waarbij ons naar aanleiding van het verzoek U gedaan, bij ons schrijven van 43 December \'1888, een concept-programma van eischen voor den bouw van een nieuw Universiteitsgebouw, alsmede eene daartoe betrekkelijke calque-teekening werden toegezonden.

Alvorens het bedoeld programma van eischen aan den Minister van Binnenlandsche Zaken ter goedkeuring aan te bieden, achten wij het wenschelijk te weten welk bedrag voor den aanbouw van het Universiteitsgebouw volgens dat programma ongeveer zou worden vereischt.

Daar wij het zeer geraden achten, dat de opzending van het programma spoedig plaats vinde, nemen wij de vrijheid U te verzoeken de gewenschte opgave van kosten ons zoo spoedig mogelijk uiterlijk vóór den 20 Maart e. k. te verstrekken.

Burgemeester en Wethouders der Gemeente Ulrechl,

De Burgemeester,

(get.) W. R. BOER.

De Secretaris,

(get.) DE WATTEVILLE.

Aan

lieer en E. Guyel en C. Vermeijs te Delft,

Vermeijs en E. Gugel le Utrecht.

-ocr page 50-
-ocr page 51-

Bijlage N0. 8

N0. 237 F. betreffende; Uiiiversitcitssrebomv.

Delft, 17 , «oun - .0 Maart 1889.

IjTriECIIT, \'o

Aan

Bunjemeesler en Wethouders der f/ememte Utrecht.

In antwoord op Uw schrijven, d.d. 44Maart, N0. 237 F, hebben wij de eer te berichten, dat de kosten voor den aanbouw van het te stichten Universiteitsgebouw volgens het door ons overgelegde programma ongeveer /\' 15,000 meer zouden bedragen dan destijds plan A door ons is begroot.

Terwijl volgens het programma alleen de vestibule geen uitbreiding, maar veeleer eene inkrimping van afmetingen ondervindt, zouden ter bevrediging der allengs hooger geklommen eischen der Regeering, nagenoeg alle lokalen eene meer of minder aanmerkelijke uitbreiding ondergaan.

Zoo bedroeg de vlakke inhoud der grootste faculteitskamer volgens plan A 57 M2, terwijl in het regeerings-programma 75 M2 zijn gevraagd.

En terwijl het kleine auditorium èn in plan A èn in het eerste programma van den rijksbouwkundige slechts eene oppervlakte besloeg van 75 M2, werden naderhand i het regeerings-programma deze afmetingen zelfs tot ± 130 M2. dus nagenoeg den dubbelen omvang opgedreven!

-ocr page 52-

De aanmerkelijke uitbreiding van dit lokaal eisclit tevens eene verhooging der benedenverdieping van het te stichten gebouw.

Eindelijk maakt de door den Minister gewenschte vermijding van alle bovenlichten den aanleg\' van eene binnenplaats noodzakelijk, wat ook wederom eene niet onbelangrijke uitbreiding van den plattegrond van het (e stichten gebouw tengevolge moet hebben.

Nog voegen wij er bij, dat onze globale begrooting van het vermeerderde kostenbedrag op het schetsplan is gebaseerd, dal wij de eer hadden aan ons programma als bijlage loc te voegen.

Met de meeste hoogachting hebben wij de eer Ie zijn

van linrgemeoster en Wethouders voornoemd,

de dienstw. dienaren,

(get.) E. GUGEL.

(get.) C. VERME1JS.

-ocr page 53-

1 Bijlage N0. 9.

j. 243 F.

Utrecht, 19 Maart 1889.

Bij ons sclirijvcn van 13 December 11. deden wij U mede-deeling van de missive van den Minister van Binnenlandsche Zaken, dd. 12 December 1888, n0. 3099, afdeeling O., waarbij ons werd te kennen gegeven, dat hij bereid was zijne goedkeuring te hechten, aan de ontwerp-overeenkomst, die de gemeenteraad bij zijn besluit van 14 October 1887, zich bereid verklaard heeft met het Bijk te sluiten en waaraan deze toen zijne goedkeuring heeft gehecht; bij diezelfde missive verklaarde de Minister zich bereid eerlang met ons het noodig overleg te plegen, voor de opgave van eiscben in art. 2 der voormelde ontwerp-overeenkomst bedoeld.

Naar aanleiding van dit schrijven zijn de Heeren Gugel en Vermeijs, de door U aangewezen bouwmeesters van hel te slichten Universiteitsgebouw, door ons uilgenoodigd, zich met de samenstelling van de door den Minister bedoelde opgave van eischen te belasten.

Genoemde Heeren hebben bij schrijven van G Maart 11. aan onze uitnoodiging voldaan en het programma van eischen ingediend, dat wij U hiernevens in afschrift ter kennisneming aanbieden.

•dit tevens te sticlilen

schte ver-e binnen-onbelang-e stichten

oegTootinquot;-ictspliin is amrna als

Ie zijn

noemd.

.S.

Uit eene nader ons door de bouwkundigen verstrekte inlichting, bij hun schrijven van 12/18 Maart 11., bleek ons evenwel, dat de bouwkosten van het Universiteitsgebouw, volgens dit programma van eischen de vroegere raming met /\'15,000 zouden overtreffen; de redenen.

Aan den Gemeenteraad.

-ocr page 54-

4

De aanmerkelijke uitbreiding van dit lokaal eischt tevens eene verhooging der benedenverdieping van het te stichten gebouw.

Eindelijk maakt de door den Minister gewenschte vermijding van alle bovenlichten don aanlog van eene binnenplaats noodzakelijk, wat ook wederom oeno niet onbolang-rijke uitbreiding van den plattegrond van het te stichten gebouw tengevolge moet hebben.

Nog voegen wij er bij, dat onze globale begrooting van het vermeerderde kostenbedrag op hot schotsplan is gebaseerd, dat wij do eer haddon aan ons programma als bijlage loo te voegen.

Met de meeste hoogachting hebben wij de oer Ie zijn

van Hnrgemoester en Wethouders voornoemd, de dienstw. dienaren.

(get.) E. OUGEL. (get.) C. V EU ME IJS.

-ocr page 55-

Bijlage N0. 9.

0. 243 F.

Utrecht, 19 Maart 1889.

Bij ons schrijven van 13 December II. deden wij U mede-deeling\' van de missive van den Minister van Binnenlandsche Zaken, dd. 12 December 1888, n0. 3ü99, afdeeling 0., waarbij ons werd le kennen gegeven, dal hij bereid was zijne goedkeuring le hechten, aan de ontwerp-overeenkomst, die de gemeenteraad bij zijn besluit van 14 October 1887, zich bereid verklaard heeft met het Bijk te sluiten en waaraan deze toen zijne goedkeuring heeft gehecht; bij diezelfde missive verklaarde de Minister zich bereid eerlang met ons het noodig overleg te plegen, voor de opgave van eischen in art. 2 der voormelde ontwerp-overeenkomst bedoeld.

Naar aanleiding van dit schrijven zijn de Ileeren Gugel en Vermeijs, de door U aangewezen bouwmeesters van hel te slichten Universiteitsgebouw, door ons uitgenoodigd, zich met de samenstelling van de door den Minister bedoelde opgave van eischen te belasten.

Genoemde Ileeren hebben bij schrijven van 6 Maart 11. aan onze uitnoodiging voldaan en hel programma van eischen ingediend, dat wij U hiernevens in afschrift ter kennisneming aanbieden.

Uit eene nader ons door de bouwkundigen verstrekte inlichting, bij hun schrijven van 12/18 Maart 11.. bleek ons evenwel, dat de bouwkosten van het Universiteitsgebouw, volgens dit programma van eischen de vroegere raming met /\'15,000 zouden overtreffen; de redenen,

Aan den Gemeenteraad.

-ocr page 56-

2

die daartoe aanleiding geven, zijn ontwikkeld in het schrijven der heeren bouwkundigen.

Met het oog op de wenschelijkheid om deze zaak tot een goed einde \'te brengen en het tot stand komen van het Universiteitsgebouw te bevorderen, meenen wij U te mogen machtiging vragen om het thans overgelegd programma van eischcn aan de goedkeuring van den Minister te onderwerpen en daarover zoo noodig onderhandelingen met hem te voeren.

De Burgemeester en Wethouders der gemeente Utrecht.

De Burgemeester. (get.) W. R. BOER.

De Secretaris, (get.) DE WATTEVILLE

-ocr page 57-

Bijlage N0. 10

-277 F.

Utrecht, 25 Maart i 889.

Bij Uwe missive van \'12 December 1888, N0. 3099, Afdeeling 0., mochten wij de mededeeling ontvangen, dal Uwe Excellentie bereid is, de ontwerp-overeenkomsl goed te keuren, die de Baad dezer gemeente bij besluit van October 1887, zich geneigd verklaard heeft met het Bijiv te sluiten en waaraan hij toen zijne goedkeuring heeft gehecht; tevens verklaarde Uwe Excellentie zich daarbij bereid eerlang met ons het noodig overleg te plegen, over de opgave van eischen in art. 2 dier overeenkomst bedoeld.

Na ontvangst dezer Uwe missive hebben wij dadelijk onze bouwmeesters uitgenoodigd zich met de samenstelling van de gewenschte opgave van eischen te belasten.

Eene langdurige ernstige ongesteldheid van een der bouwmeesters gaf aanleiding tot eene vertraging in de voldoening aan onze opdracht; tot ons groot leedwezen toch, mochten wij eerst in den aanvang dezer maand hunne opgaven ontvangen.

Met het door hen opgemaakt programma van eischen hebben wij ons in allen deele kunnen vereenigen.

Wij geven ons thans de eer hetzelve aan Uwe Excellentie

Aan

ie Excellentie den Minister van Binnen!andsche Zaken

te \\s-Gravenhage.

-ocr page 58-

2

aan te bieden en durven de hoop uit te spreken, dat het Uwe goedkeuring zal mogen verwerven.

Ofschoon de kosten van aanbouw, volgens dit programma, de oorspronkelijk geraamde som aanmerkelijk zullen overschrijden, houden wij ons overtuigd, dat de Raad dezer gemeente de noodige middelen wel zal willen beschikbaarstellen , daar hij het evenals de Ingezetenen dezer gemeente op prijs zal stellen, dat de tot standkoming van het nieuw Universiteitsgebouw worde verzekerd.

Burgenteesler en Weihouders der gemeente Utrecht.

De Burgemeester,

(get.) W. R. BOER.

De Secretaris,

(get.) DE WATTEV1LLE.

-ocr page 59-

Bijlage N0. 11.

dat het

Ministerie van Binnenlandsche Zaken.

N0. 15812. Afdeeling 0.

ramma, m over-d dezer iiikbaar-Bmeente van het

\'s-Gravenhage, 6 Juni 1889.

Bericht op schrijven van 25 Maart 1889 n0. 277 F, betreffende

nienw Universiteitsgebouw te : Utrecht

Terwijl ik mij voorstel U eerlang- in kennis te stellen met mijne zienswijze betreffende het nieuwe programma van eischen, zal ik vooraf gaarne vernemen of in dat stuk wellicht eenig punt overgeslagen of bij het overschrijven daaruit is weggelaten. Immers na IV Licht volgt VI Vloeren. Het kon ook wezen dat de nummers fout zijn.

De Minister van Binnenlandsche Zaken, (get.) MACKAY.

Aan

Burgemeester en Wethouders van Utrecht.

Ulrech I.

-ocr page 60-
-ocr page 61-

Bijlage N0. 12.

N0. 24-3 F.

Utrechl, 7 Juni 1889.

Ter beantwoording Uwer missive van 0 .luni 1889, nquot;. 1581, afdeeling 0, liobl)en wij de eer Uwe Excellentie mede te deelen, dat ons is gebleken, dat in liet programma van eischen van liet Universiteitsgebouw aan Uwe Excellentie toegezonden bij ons schrijven van 25 Maart 1.1. n0. 277 F. werkelijk een tout in de nummering der verschillende punten is begaan, daar op n0. IV volgt n0. VI.

Met leedwezen erkennen wij deze fout; bij vergelijking der verschillende punten in dat programma voorkomende, met die, vermeld in hel programma gevoegd geweest bij de missive van Uwe Excellentie van 31 Augustus 1887, n0. 26(M, afdeeling 0, zal uwe Excellentie evenwel bemerken, dat alle daarin vermelde onderwerpen mede zijn behandeld.

Burjemeester en Wethouders der (jemeente Utrecht.

De Durrjemeesler, (get.) W. R. BOER.

De Secretaris, (get.) DE WATTEVILLE.

Aan

Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandsche Zaken te \'s-Gravenhage.

-ocr page 62-
-ocr page 63-

Bijlage N0. 13.

Ministerie van Binnenlandsche Zaken.

La A. Afdeeling O.

Bericht op schrijven van 7 Juni j.1. N0. 243 F., betreffende

Universiteitsgebouw Utrecht. S-GrüV6nhci(fe, 4 Fcbt\'ucwi i890.

Omtrent het mij door U toegezonden ontwerp van een programma van eischen voor den bouw van een nieuw gebouw ten behoeve der Rijks Universiteit te Utrecht, zijn door mij verschillende adviezen gevraagd, waarvan de beantwoording tijdroovend is geweest, terwijl ik laatstelijk door vele en dringende ambtsbezigheden verhinderd ben geworden de talrijke te dezer zake ontvangen bescheiden te overwegen met de zorg, welke deze belangrijke aangelegenheid vereischt. Een en ander verklaart de vertraging der behandeling eener zaak, waarvan ik de beëindiging gaarne wensch te bevorderen.

Ik heb thans de eer U den uitslag mede te deelen van de overwegingen, waartoe de gewisselde stukken mij aanleiding geven.

In het ontwerp-programma wordt sub 1° het terrein omschreven, waarover de bouwmeesters te beschikken

Aan

Burgemeester en Wethouders van Utrecht.

-ocr page 64-

2

hebben en aansluiting- van het nieuwe bouwwerk met de beslaande gebouwen, welke bij de Rijks Universiteit in gebruik zijn, gevraagd. Het is noodig en in het belang der bouwmeesters zelven levens te vermelden, dat het in de bedoeling\' ligt de van Rijkswege te beglazen kruisgangen te bestemmen tot «Salie des pas perdus,» en dat deze derhalve met het nieuwe bouwwerk in onmiddellijke gemeenschap moeten worden gebracht.

In verband hiermede kan do eisch sub § 2 van een wachtkamer groot ongeveer 42 M - voor de studenten gelijkvloers te ontwerpen, vervallen en opgemerkt worden dat de kruisgangen tevens als vestibule en verbindingsgang kunnen bestemd worden.

Immers zullen de kruisgangen, welke des winters verwarmd zullen worden, en die eene oppervlakte van 268 M2 bieden, ruimschoots in de behoefte voldoen, en de ondervinding leert dat studenten liever zich bewegen in een ruimen gang dan zich opbonden in een naar verhouding-beperkt vertrek. Ook in buitenlandsche Universiteiten worden gangen, zooals de Utrechtsche kruisgangen, met gelijke bestemming aangetroffen.

Met de aanduiding der sub § 2 gewenscbte lokalen kan ik mij overigens wel vereenigen. Wat de afmetingen aangaat, is het beter overal waar «minstens» staat, «ongeveer» te lezen en ten aanzien van de eerstgenoemde collegezaal 80 a 120 M2 te vragen in plaats van «ongeveer \'120 M\'1

Ten aanzien der verlichting (§ 4) dient aan de bouwmeesters gezegd te worden, dat vallichten moeten vermeden worden. De ondervinding leert, dat bij sneeuwval zulke lichtopeningen verduisterd worden, dat zij vaak aanleiding geven tot lekken en het afdruipen van condensatiewater, en veel onderhoud vcreischen.

Betreffende de verwarming (§ 9) is te bepalen dat voor

-ocr page 65-

3

dc gangen, trappen enz., ealoriféres in de kelders zijn aan te leggen, doch dat dc college- en l\'aculteitskamcrs met haarden of kachels verwarmd moeten worden, en dat de rookkanalen alsdan tegenover de werkmuren moeten geplaatst worden.

Ter beoordeeling van do over te leggen tee keningen (§ TI) moeten ook teekeningen ingezonden worden, aanduidende de constructie der balklagen en der kappen, alsmede verschillende detailteekeningen.

Tot verzekering eener goede uitvoeringen het voorkomen van latere uitgaven voor onderhoud en verving der gebouwen, dient de aandacht der bouwmeesters in § 10 er op gevestigd te worden, dat geen bepleistering van buitenmuren, noch nabootsingen van het eene materieel in het andere mogen voorkomen. Het veelvuldig aanwenden van zulke bepleisteringen en nabootsingen maakt zoodanige bepaling alleszins noodig.

Omtrent een hoofdpunt, den stijl van het nieuwe bouwwerk, wordt niets gemeld.

Toch is het onmisbaar dat dc Bouwmeesters weten wat op dit punt van hen verlangd wordt.

In het Program door mijn Ambtsvoorganger den 3isten Augustus 1887 opgezonden, was gezegd: «dat de stijl van het gebouw in overeenstemming moet zijn met dien van de kruisgangen en van het Groot Auditorium, waarmede het een geheel zal vormen.»

Daarentegen lees ik in Uwe blieven van 43 October 1888 N0. 31 en van 13 November 1888 N0. 03, dat Uw College den stijl der bovengenoemde monumenten hier zou wen-schen uit te sluiten, en wel op grond van dc meening Uwer beide bouwmeesters. Indien de meening van Prof. Gugel en van den nu overleden Stads-Architect Vermeijs als juist erkend ware, zou in het Program moeten geschre-

-ocr page 66-

4

ven worden, welke stijl Ie volgen is, of althans bepaaldelijk dat de stijl van kruisgangen. Groot Auditorium, Domkerk en Domtoren uitgesloten is.

Met het oog hierop heb ik zonder vooringenomenheid — evenals ik verwacht dat door U gedaan zal worden — hetgeen omtrent deze quaestie verhandeld is, nagegaan.

Het punt van uitgang is het besluit van den Gemeenteraad van Utrecht van 21 November 1885, waarbij besloten werd tot de stichting van een Universiteitsgebouw dal de thans voor het Universitair onderwijs nog ontbrekende lokaliteiten zal bevatten, dat gevestigd zal worden aan het Munsterkerkhof, en met de tegenwoordige Senaatskamer, Groot Auditorium en verdere lokaliteiten in verband gebracht en tot een geheel gevormd zal ivorden.

In het schrijven van Uw College aan Curatoren van 10 December 1885 wordt nog gezegd:

ndat, het te stichten Academiegebouw slechts aanvulling van al het reeds bestaande beoogt, dat men bovenal bedoeld heeft het erlangen van eenige geschikte faculteitskamers en collegequot;ertrekken.» In overeenstemming hiermede werd blijkens Uw schrijven aan Curatoren van 15 Juli 1880 aan de Heeren Gugel en Vermeijs «de bepaalde opdracht» gedaan tot het ontwerpen van een gebouw;

dat de thans voor het Universitair onderwijs nog ontbrekende lokaliteiten zal bevatten en met de tegenwoordige Senaatskamer, Groot-Auditorium en de verder daar aanwezige lokaliteiten in verband gebracht en tot een geheel zal worden.

Met zoovele woorden werd derhalve het bepaalde voornemen te kennen gegeven om den nieuwen bouw met de oude lokalen in een zoo innig verband te brengen, dat zij te zamen één geheel zouden vormen, en het ligt voor de hand dat om de eenheid te verkrijgen, de lokaliteiten van

-ocr page 67-

het oude gebouw, welke bij de lot stand te brengen uitbreiding een gepaste bestemming konden erlangen, met het nieuwe bouwwerk in innig verband en in gemeenschap moesten gebracht worden, en dat de toepassing der vormen aangenomen bij de stichting van die oude gebouwen, welke een monumentaal karakter dragen (Groot-Auditorium en kruisgangen) ook volgehouden moest worden bij den bouw der nieuwe lokalen, m. a. w. dat de uitbreiding en aanbouw moesten geschieden in den stijl van hel monumentale Auditorium en van de monumentale kruisgangen. De zeer juiste wensch om de stichting van ontbrekende lokaliteiten te doen strekken tot het bekomen van een Universiteitsgebouw, dat een geheel zou vormen, vordert, zal de eenheid zichtbaar zijn, het handhaven van den monumentalen stijl van de te behouden gebouwen.

Deze natuurlijke redeneering ligt dan ook ten grondslag aan de beschouwingen vervat in het advies van Curatoren van 17 Februari 1887, waarin zij zeggen: «dat het niet twijfelachtig kan zijn, welke stijl moet gekozen worden, wanneer men den blik vestigt op Auditorium en Kloostergang» , en mijn ambtsvoorganger meende zich zoowel daarnaar te gedragen, als naar de duidelijke termen van het Gemeentei\'aadsbesluit van 21 November 1885, toen hij in het programma voor den bouw schreef, dat het nieuwe bouwwerk zich onmiddellijk moest aansluiten bij de kruisgangen, dat van deze ruime en fraaie van Rijkswege op onbekrompen w ijze gerestaureerde gaanderijen gebruik moest gemaakt worden en «dat de stijl van het gebouw in overeenstemming moest zijn met dien van de kruisgangen en van het Groot-Auditorium, waarmede hel een geheel zal vormen.» Ik heb mij in gemoede afgevraagd of tegen dezen logischen gedachtengang argumenten van wezenlijke waarde zijn ingebracht.

-ocr page 68-

6

De heeren Gugel en Vermeijs wensclilen den stijl van Grool-Audiloriuin en kruisgangen uitgesloten te zien, en het treft mij dat zij tot bevrediging van dien wensch niet aarzelen tegen liet bepaalde en verstandige voornemen van den Gemeenteraad lot uitbreiding der bestaande gebouwen om P(\'n cjchecl Ie vevkvijgen, op ie komen. Immers in hunne nota van 14/15 Juni 1887 verklaren zij dat voor het te stichten gebouw de Renaissance-stijl aangewezen is; en wel verre van te overwegen wat ten aanzien van den stijl het mandaat, om van het bestaande en het nieuwe bouwwerk één geheel te vormen, medebrengt, willen zij dat het nieuwe bouwwerk «zooveel eenigszins mogelijk een eigenaardig geheel, en op zich zelf staand monument vorme.» en adviseeren zij «tot eene nog scherpere afscheiding van kloostergang en Universiteit veeleer dan lot eene ineensmelting van beiden.» liet is ook uit de overige stukken duidelijk dat de heeren Gugel en Vermeijs bij hunne adviezen steeds uitgegaan zijn van de meening, dat het nieuwe bouwwerk behoorde te vormen niet een geheel met het beslaande, maar een afzonderlijk ook in zijne uiterlijke vormen afgescheiden gebouw, dal slechts mei een paar deuren gemeenschap zou verkrijgen mei de tegenwoordige monumentale Universiteitsgebouwen; dat derhalve het denkbeeld van den Gemeenteraad uitgesproken in de zitting van 21 November 1885, beaamd door Curatoren, gehandhaafd door mijn Ambtsvoorganger, moest losgelaten worden.

De voor die zienswijze aangevoerde argumenten komen mij niet afdoende voor. De bewering «dat de herleving der klassieke oudheid op taalkundig en wetenschappelijk gebied en daarmede de ontwikkeling en de bloei der Universiteiten, met de gelijktijdige hervorming op hel gebied der beeldende kunsten zoo nauw in verband staan, dat de keuze van den Renaissance-stijl als van zelve aangewezen is»

-ocr page 69-

13

7

tijl van mag als een machtspreuk beschouwd worden, waarvoor

en, en elk bewijs ontbreekt. Het bewijs zou overigens bezwaarlijk

ich niet te leveren zijn, dat de bloei van talrijke Universiteiten

len van welke reeds in de Xlli\'16 en XIVde eeuw beroemd waren,

bouwen samenvalt met het tijdperk der Renaissance op kunstgebied,

mers in i\\Tog bezwaarlijker is het bewijs, dal dit samentreffen, zoo

/oor het het erkend werd, er toe noodzaakt in het. vervolg alle

1 is; en Universiteiten in Renaissance-stijl te bouwen. De feiten 11 cn stijl zouden deze bewering logenstraffen en zij moeten de uit-

2 bouw- spraak der heeren Gngel en Vermeijs doen verwerpen, i zij dat waar zij beweren dat: «de stichting van een Universiteits-.ijk een gebouw der XIXde eeuw in gothieken stijl nauwelijks een ■vorme.D mindere anomalie zou zijn als de oprichting van een ing van gothischen schouwburg». Daargelaten dal in 1881 hel

3 ineen- ontwerp voor een gothischen schouwburg van den architect stukken J. H, Zun bekroond werd, dat gothische schouwburgen nne ad- te Ohio (Cincinnati) te Kansac City (Missoury) en te i nieuwe Stratford on Avon, en een romaansche schouwburg te :met het Worms kunnen aangewezen worden, zijn alleen in de uiterlijke laatste 6 jaren lal van uitgebreide Universiteits- en hooger sen paar onderwijs gebouwen in Engeland, in Duitschland, in voordige Amerika, in Britsch-Indië, in Australië, in gothischen stijl iet denk- gebouwd, zooals:

Iting van de Glasgow-University, door Scott;

andhaafd de Universiteit van Wales te Abcryswyth door Borcham;

rden. het Pembroke College te Cambridge, door Scott;

n komen het Lincoln College te Oxford door Graham Jackson;

aerleving het University-College te Nottingham;

happelijk het College of Medicine der Universiteit van Durham te

der Uni- Newcastle on Tyne (aangevangen 3 November 1887);

st gebied het Owens College te Manchester door Waterhouse;

n, dal de de Universiteit te Hartford (Connecticut) door Keiler;

■vezen is» de Northwestern University te Evanston (Illinois) 1887;

-ocr page 70-

8

de Universiteit te Palo Allo (Californië) 1888; het Academisch Gymnasium te Weenen door Schmidt; de Leibnitz Realschule te Hannover door Droste en Wilsdorff;

het Gymnasium Andreanum te Hildesheim doorHase, enz. In het licht van deze feiten, die U vermoedelijk onbekend waren, kan niet volgehouden worden, dal de gothische stijl eene anomalie zou zijn voor een Universiteitsgebouw, en allerminst, waar liet gelijk hier geldt, aansluiting te verkrijgen aan- en eenheid met monumentale gebouwen in dien stijl gesticht en waarin de Utrechtsche Universiteit sinds 2\'/2 eeuw gevestigd is en een eervollen naam heelt welen te verwerven.

Waar de heeren Gugel en Vermeijs adviseerden den golhischen stijl uil te sluiten wegens de nabijheid van Domkerk en Domtoren, en een beroep deden op den alge-meenen geest en de heerschende kunstrichting van onzen tijd, zijn zij inderdaad evenzeer in tegenspraak met de feilen, en eerstgenoemde buitendien met zich zeiven. Het is toch niet tegen te spreken dal men tegenwoordig er zich allerwege juist op toelegt om tot het bekomen van harmonie den stijl der naaste en soms zelfs der verdere omgeving bij nieuwe bouwwerken te volgen. Zoo werd de golhiek gekozen door Blom field, toen hij hel Selwijn College aan de Universiteit te Cambridge toevoegde, door Champneys, toen hij het Magdalen College te Oxford uitbreidde, door Barry toen hij het Parlement te Londen bouwde, door Dollinger toen hij gebouwen bij het Munster te Ulm ontwierp, door de besturen van land, gewest en stad bij den bouw van het station en andere gebouwen te Nürnberg, van scholen, postkantoren enz. te Hildesheim, van het station en het Gouvernementsgebouw te Brugge. Het is bekend dat de Directeur der Duitsche posterijen

-ocr page 71-

Steplian, dezen regel ten aanzien van de posl- en telegraafkantoren in Duitschland handhaaft, en het is treffend, dat juist de heer Gugel met lof gewag maakt «van deze talrijke en aanzienlijke gebouwen, die zich door bijzonder degelijke en monumenteele uitvoering onderscheiden.» In zijne geschiedenis der Bouwstijlen zegt hij dienaangaande: «Verre van zich aan een olficieelen bouwtrant te binden, heeft men en wat stijl en wai bouwstoffen betreft, zeer te recht getracht met de plaatselijke omstandigheden en in de eerste plaats met het architectonische karakter der um-yeving rekening te houden.))

Dit gezonde beginsel wordt vooral daar nageleefd, waar men niet slechts de omgeving in het oog te houden heeft, maar gelijk hier tot uitbreiding van bestaande monumen-leele gebouwen nieuwe daaraan heeft toe te voegen en daarmede te verbinden.

Evenmin als men er aan gedacht heeft den gothischen stijl te kiezen toen men in 48M het stadhuis te Parijs, of toen men het Louvre en de ïuileriën in hoe ruime male ook uitbreidde, of toen men te Brussel de Ministeriën en Staatsgebouwen in de «Rue de la loi» vergrootte, wijl deze bouwwerken in een anderen stijl opgetrokken waren; evenmin aarzelde men in gothischen stijl te werken toen het gold de toevoeging van nieuwe gebouwen aan de Musea te Nürnberg en te Hildesheim, aan het Westminster paleis te Londen (schoon de aangebouwde lokalen 8 malen meer oppervlakte beslaan dan de oude, welke behouden bleven en als uitgangspunt dienden) en onlangs toen men hel Paleis van Justitie te Rouaan vergrootte.

Waren Groot-Auditorium en kruisgangen Renaissance-monumenten, op den gothischen stijl zou voor hunne uil-breiding niet aangedrongen worden; docli nu deze gebouwen gothische monumenten zijn, en monumenten van den len

-ocr page 72-

\'10

rang, nu buitendien de naasle omgeving beslaat uit de voornaamste gothische monumenten van ons land, liggen het voortbouwen en voltooien der Universiteit tot een passend geheel in denzelfden gothischen stijl voor de hand. Een blik op bijgaanden platten grond toonl dit ten overvloede duidelijk aan. De overweging van het te dezer zake verhandelde leert overigens dat het volgen van dit beginsel ook praktische voordeelen biedt. Uit de vroeger aangeboden ontwerpen namelijk is op te maken dat het stelsel om tot het rechtvaardigen van de keuze van een anderen stijl, zoo min mogelijk met de bestaande lokaliteiten rekening te houden, verschillende nadeelen dreigt teweeg\' te brengen, zoowel ten aanzien van de gemeenschap met het Groot-Auditorium als van die met de kruisgangen, en dat van deze laatste niet zooveel partij gelrokken wordt als mogelijk en in alle opzichten wenscbelijk te achten is: hel is toch duidelijk, dat wanneer deze ruime gangen tot een integreerend beslanddeel van het tot één geheel te vormen Universiteitsgebouw worden gemaakt, op de ruimte anders voor vestibule, corridors en wachtkamers te bestemmen veel uitgespaard kan worden.

Alles pleit derhalve voor de keus van den stijl van kruisgang en Auditorium. Alleen daardoor zal een organische eenbcid, een harmonisch geheel verkregen worden, waarbij de door het Rijk gerestaureerde gangen en de in eere herstelde gehoorzaal, die sinds 250 jaren het centrum der Universiteit vormt, hunne volle historische en artistieke beteekenis zullen behouden, en oud en nieuw zich zullen verbinden tot, een monument der lloogeschool waardig.

De Minister van Binnenlandsche Zaken, (gel.) MACKAY.

-ocr page 73-

lirJLAGE N0. \\h.

Hel schrijven van Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandsche Zaken, dd. \'s-Gravenhage \'1 Februari 1890, la A, Afdeeling 0, betreffende hel Universiteitsgebouw — waarvan mij onder dagleekening van 1 h Februari een afschrift werd ter hand gesteld, is door mij zoowel met dezelfde zorg, als mei dezelfde resignatie als alle vroeger gewisselde stukken gelezen en overwogen. Ik heb de eer, de resultaten van mijn onderzoek in de navolgende beschouwingen en beloogen te Uwer kennisse te brengen.

De inhoud van den brief van Zijne Excellentie is gc-splitsl in twee onderdeden, waarvan het eerste hel eigenlijke programma en hel technische gedeelte van de kwestie behandelt, terwijl hel tweede gedeelte op de vraag over den stijl van hel te stichten monument betrekking heeft.

Het onderwerp der valiichlen is door Uwe bouwmeesters reeds in hunnen brief van \'14/15 Juni 1887, en wel in verband met zekere rijksgebouwen, besproken, waarbij alleen nog het paleis van Juslilie te \'s-Gravenbage onvermeld is gebleven.

ISij vallichten met liggende ramen kan door sneeuwval verduistering veroorzaakt worden.

Bij toepassing van lantaarns met staande ramen, zooals ze voornamelijk bij verschillende musea te München, Dresden, enz, reeds voor 50 jaren werden toegepast, kan dit en kunnen alle andere bezwaren, al is hel ook met eenigszins belangrijke kosten, geheel worden weggenomen.

-ocr page 74-

2

Overigens is hol vraagstuk der vallichten nu vermoedelijk eone biool llieorelische kwestie geworden, aangezien de uitbreiding der afmetingen van bijna alle lokalen ook eene uitbreiding van hel le bebouwen terrein tengevolge zal hebben, waardoor de ontwerper ten opzichte van de verlichting in eene veel gunstiger positie zal geplaatst zijn.

Wat de verwarming betreft, zoo kwam het Uwen bouwmeesters voor, dal de in het Concept-programma der Regeering voorkomende bepaling omtrent de plaatsing der schoorsteenen tegenover de werkmuren geen redelijken zin heelt, en daarom niet, in hel programma behoorde opgenomen le worden. De plaatsing der schoorsteenen tegenover de werkmuren kan immers alleen doelmatig geacht worden voor collegekamers, die langer of breeder dan diep zijn — bij de zoogenaamde «hangklassen» der Duitschers — terwijl bij vierkante zalen, en bij de zoogenaamde «tiefklassen,» die meer diepte dan breedte langs de frontmuren hebben, zoowel uit een oogpunt van economie als doelmatigheid, de achtermuur voor de plaatsing der schoorsteenen de voorkeur verdient. Eindelijk kan men in sommige gevallen bij alle grondvormen van schoolvertrekken met de plaatsing der schoorsteenen, in de hoeken zijn voordeel doen.

Niemand, die goed ingerichte moderne schoolgebouwen heeft gezien, zal de waarheid dezer zienswijze ontkennen. Om deze redenen behoorde volgens de zienswijze Uwer bouwmeesters, met vermijding van dergelijke generalisee-rende bepalingen, den ontwerper de vrijheid gelaten te worden, in deze naar omstandigheden te handelen.

Wat de aanwending van surrogaten en meer bepaaldelijk van bepleisteringen van buitenmuren — lees: in de buiten-ordonnanciën of gevels — aangaat , zoo zijn de door den Gemeenteraad aangewezen middelen voldoende voor eene

-ocr page 75-

in alle opzichten nioiiumenlale uitvoering van hel gebouw; ook zonder dat er gevaar beslaat, de bouwsom niet hel enkelvoudige of dubbele bedrag der raming overschreden te zien. Met het oog op het onderhoud dienen ook in de binnenordonnantie muurschilderingen op pleister zooveel mogelijk vermeden te worden.

Aangaande de over te leggen teekeningen, eindelijk, kan de ondergeteekende voor zijn persoon alleen de verklaring- herhalen, die hij vroeger met zijn nu overleden Collega Vermeijs heeft afgelegd. Nooit en nimmer zal hij bereid gevonden worden, meer dan de gewone bestekteeke-ningen ter beoordeeling of goedkeuring over te leggen.

Bijzonder uitvoerig is in hel schrijven van Z E. den Minister van Binnenlandsche Zaken het vraagstuk betreffende den stijl van het te stichten gebouw behandeld, dat als het hoofdpunt van het programma wordt beschouwd.

Het is voornamelijk de inhoud der door Uwe bouwmeesters nu bijna driejaren geleden — 14/15 Juni 1887 — ingediende Nota betreffende den stijl van het te stichten «Universiteitsgebouw,» die aan eene kritiek wordt onderworpen.

De voor onze zienswijze in dat stuk aangevoerde argumenten , welke Zijner Excellentie niet afdoende voorkomen, worden op velerlei gronden bestreden, die volgens mijne bescheiden opvatting in hooge mate voor tegenspraak vatbaar zijn.

Het zij mij vergund, met gepasten eerbied, maar tevens met de vrijmoedigheid, die de belangrijkheid der zaak en mijne plichten tegenover U mij opleggen, mijn standpunt nogmaals te verdedigen — al geef ik mij ten opzichte van de slechts academische waarde mijner beschouwingen en betoogen aan geenerlei illusies over.

-ocr page 76-

2

Overigens is het vraagstuk der vallichlen nu vermoedelijk eene blool iheoretische kwestie geworden, aangezien de uitbreiding der afmetingen van bijna alle lokalen ook eene uitbreiding van liet le bebouwen terrein tengevolge zal hebben, waardoor de ontwerper ten opzichte van de verlichting in eene veel gunstiger positie zal geplaatst zijn.

Wat de verwarming betreft, zoo kwam het Uwen bouwmeesters voor, dat de in het Concept-programma der Regeering voorkomende bepaling omtrent de plaatsing der schoorsteenen tegenover de werkmuren geen redelijken zin heeft , en daarom niet in hel programma behoorde opgenomen te worden. De plaatsing der schoorsteenen tegenover de werkmuren kan immers alleen doelmatig geacht worden voor collegekamers, die langer of breeder dan diep zijn — bij de zoogenaamde «hangklassen» der Duitschers — terwijl bij vierkante zalen, en bij de zoogenaamde «tiefklassen,» die meer diepte dan breedte langs de frontmuren hebben, zoowel uit een oogpunt van economie als doelmatigheid, de achtermuur voor de plaatsing der schoorsteenen de voorkeur verdient. Eindelijk kan men in sommige gevallen bij alle grondvormen van schoolverlrekken met de plaatsing der schoorsteenen, in de hoeken zijn voordeel doen.

Niemand, die goed ingerichte moderne schoolgebouwen heeft gezien, zal de waarheid dezer zienswijze ontkennen. Om deze redenen behoorde volgens de zienswijze Uwer bouwmeesters, met vermijding van dergelijke generaliseeren d(i bepalingen, den ontwerper de vrijheid gelaten te worden, in deze naar omstandigheden te handelen.

Wal de aanwending van surrogaten en meer bepaaldelijk van bepleisteringen van buitenmuren — lees: in de buiten-ordonnanciën of gevels — aangaat, zoo zijn de door den Gemeenteraad aangewezen middelen voldoende voor eene

-ocr page 77-

in alle opzichten monumentale uitvoering van hel gebouw; ook zonder dat er gevaar beslaat, de bouwsom mei bel enkelvoudige oi\' dubbele bedrag der raming overschreden te zien. Met het oog op hel onderhoud dienen ook in de binnenordonnantie muurschilderingen op pleister zooveel mogelijk vermeden te worden.

Aangaande de over te leggen teekeningen, eindelijk, kan de ondergeteekende voor zijn persoon alleen de verklaring herbalen, die hij vroeger met zijn nu overleden Collega Vermeijs heeft afgelegd. Nooit en nimmer zal hij bereid gevonden worden, meer dan de gewone bestekteeke-ningen ter beoordeeling of goedkeuring over te leggen.

Bijzonder uitvoerig is in het schrijven van Z.E. den Minister van Binnenlandsche Zaken het vraagstuk betreffende den stijl van het te stichten gebouw behandeld, dat als het hoofdpunt van het programma wordt beschouwd.

liet is voornamelijk de inhoud der door Uwe bouwmeesters nu bijna driejaren geleden — 1-4/15 Juni 1887 — ingediende Nota betreffende den stijl van het te stichten «Universiteitsgebouw,» die aan eene kritiek wordt onderworpen.

De voor onze zienswijze in dat stuk aangevoelde argumenten , welke Zijner Excellentie niet afdoende voorkomen, worden op velerlei gronden bestreden, die volgens mijne bescheiden opvatting in hooge mate voor tegenspraak vatbaar zijn.

liet zij mij vergund, met gepasten eerbied, maai\' tevens met de vrijmoedigheid, die de belangrijkheid der zaak en mijne plichten tegenover U mij opleggen, mijn standpunt nogmaals te verdedigen — al geef ik mij ten opzichte van de slechts academische waarde mijner beschouwingen en betoogen aan geenerlei illusies over.

-ocr page 78-

4

IIcl is geen machlspreuk, maar wel de uiting eener gevestigde overtuiging, die ook nu nog niet aan het wankelen is gebracht, wanneer ik de keuze van den Renaissancestijl , wiens opkomst met de herleving der klassieke oudheid en de ontwikkeling en bloei der Universiteiten zoo nauw in verband staat, voor dit te stichten Universiteitsgebouw als van zelf aangewezen beschouw. Wanneer ik in deze mijne zienswijze faal, en mijne opvatting «dat de stichting van een Universiteitsgebouw der XIXe eeuw in gothischen stijl als eene anomalie moet worden beschouwd» niet de juiste is, dan faal ik met de overgroote meerderheid mijner vakgenooten, die, zooals de monu menten bewijzen, mijne zienswijze deelden en nog deelen. Zeker is er geen regel zonder uitzondering en het feit, dat er ook eenige Universiteiten in Engeland en Amerika in gothischen stijl zijn uitgevoerd, is niet in slaat, mijne zienswijze te wijzigen.

Ook de omstandigheid , dat er onder de duizenden schouwburgen , die in onzen tijd bestaan, in Engeland en Amerika twee of drie in gothischen trant worden aangetroffen, die door de technische adviseurs der Regeering worden opgenoemd , pleit volgens mijne bescheiden meening meer voor, dan tegen de juistheid mijner zienswijze, volgens welke ik de oprichting van gothische schouwburgen als nog grooter anomalie blijf beschouwen. Zulke uitzonderingen spreken beter dan de meest uitvoerige betoogen voor den regel.

Dat mij het bestaan van gothische Universiteitsgebouwen niet onbekend was, blijkt uit mijne «Geschiedenis der Bouwstijlen» hoofdstuk XIX0 eeuw, waaruit ik mij veroorloof, de volgende zinsneden aan te halen;

«In geen land van Europa wordt de gothische bouwstijl meer en met meer gevolg beoefend dan in Engeland.

-ocr page 79-

«Zooals de verhouding nu staat, vindl deze stijl niel alleen bij kerken en scholen en bij alle andere stichtingen, waarop de geestelijkheid invloed heelt, geheel uitsluitend toepassing — maar ook bij openbare gebouwen van wereldlijke strekking voor Universiteiten, stadhuizen, beurs- en bankgebouwen, hospitalen enz., en voornamelijk ook voor buitenhuizen wordt hij even veelvuldig aangewend als de Renaissance .. .

«De in Engeland gebruikelijke bouwtrant vindl navolging-in Amerika en in de Engelsche koloniën, voornamelijk in Indië en Australië.»

Daarmede in overeenstemming betreffen de door de raadslieden van de Regeering opgenoemde Universiteitsgebouwen uitsluitend Engeland en Amerika.

In Engeland steunde de opkomst en ontwikkeling der Universiteiten op de medewerking der bisschoppen, domkapittels en andere kerkelijke autoriteiten, en het waren prelaten, aan wie de invloed der kerk en de leiding dei-school was toevertrouwd.

Oxford en Cambridge bestaan nog heden uit eene reeks van Collegiën met kerkelijke verplichtingen en inrichtingen, die uit middeneeuwsche legaten en privilegiën zijn voortgekomen, waaruit aan vele studenten kosteloos verblijf, verpleging en onderwijs worden verstrekt, terwijl een aantal geleerden zeer ruime beurzen genieten.

Van eene sympathie voor de gothiek, gelijk ze in Engeland wordt aangetroffen, waar die stijl inderdaad in den nieuwsten tijd hoe langer zoo meer populair schijnt te worden, is op het continent vooralsnog niets te bespeuren.

Evenmin van eene propaganda voor kerkelijke kunst en den gothischen stijl van de zijde onzer Universiteiten, zooals in Engeland plaats heeft. Immers, is het toch eene Universiteit (Cambridge), waaraan de vereeniging voor

-ocr page 80-

6

kerkelijke kunst — «Ecclesiological Society» — hayr ontstaan dankt, een genootschap, dat tot de tegenwoordige herleving der gothische knnst, in Engeland oneindig veel en meer dan eenig ander lichaam heeft bijgedragen.

Dat, meer bepaaldelijk in Nederland, in \'t algemeen meer afkeer van, dan sympathie voor den gothischen stijl bestaat — een verschijnsel, waarvoor de verklaring in de geschiedenis van land en volk voor iedereen open en bloot ligt — zal wel geen tegenspraak ondervinden. Wij zullen geen uilen naar Athene brengen.

Aan de twee duitsche gymnasia in gothischen stijl, die tot bestrijding onzer nota in den brief van Zijne Excellentie worden vermeld, kan onmogelijk grootere bewijskracht worden toegekend dan aan de drie gothische schouwburgen.

Ondanks dat in de middeneeuwen reeds kloosterscholen bestonden, evenals er in de XIIIe en XIVc eeuw reeds Universiteiten waren, is de gothische bouwtrant voor humanistische gymnasia ook hier te lande — wij verwijzen slechts naar de nieuw verrezen gymnasia te Amsterdam, Rotterdam en Nijmegen - alles behalve gebruikelijk. De architecten Hase en Schmidt bouwden hunne gymnasia in gothischen trant, eenvoudig omdat zij als gothici gewoon waren al hunne bouwwerken in gothischen, althans mid-deneeuwschen, stijl uit te voeren.

Wie Ilase\'s Andreaneum te Hildesheim en Schmidts academisch gymnasium te Weenen gezien heeft, zal overigens moeten bekennen, dat beide bouwmeesters zich — volgens de opvatting der regeeringsadviseurs — aan eene erge ketterij hebben schuldig gemaakt, door op de harmonie van den stijl met de naaste en verdere omgeving niet in het minst te hebben gelet.

De schrikbarend sombere en kille baksteenbouw van Hase in den trant van het «oude» Hannover en Luneburg

-ocr page 81-

is uit dat oogpunt te Hildesheim evenzeer rnisplaatsl, als het gothische gymnasium van Schmidt in de omgeving van den modernen Kolowrat-ring met zijn Renaissancepaleizen te Weenen.

Wanneer ik in het schrijven van den Heer Minister verder lees: «Het is toch niet tegen te spreken, dat men tegenwoordig zich allerwege er op toelegt, tot het hekomen van harmonie, den stijl der naaste en soms zelfs der verdere omgeving hij nieuwe bouwwerken te volgen,» dan doet het mij oprecht leed, zulks ondanks ingespannen en onbevooroordeeld nadenken, als eerlijk man niet te kunnen heamen. Kn het komt mij voor, dat tegenover de weinige, door de adviseurs van Zijne Excellentie aangevoerde voorbeelden eene overstelpende meerderheid van voorbeelden, die het tegendeel bewijzen, kan gesteld worden.

Wanneer ik in de eerste plaats mijne aandacht vestig op de in den laatsten tijd hier tc lande verrezen staatsgebouwen, zooals het paleis van justitie, het postkantoor en het zoo in het oog vallende gebouwtje aan den hoek tusschen Tweede Kamer en Stadhouderlijk kwartier-vleugel Buitenhof te \'s-Hage, op het Centraalstation en het Rijksmuseum te Amsterdam, op de nieuwe Universiteitsgebouwen te Leiden en Groningen, het nieuwe postkantoor te Arnhem en zoo vele andere stichtingen van Staatswege, zoo komt het mij voor, dat de betreffende bouwmeesters van den toeleg op harmonie met de nadere of verdere omgeving weinig blijken hebben gegeven.

En wanneer ik naga, weikon invloed meer bepaaldelijk de kerkelijke monumenten op den stijl der nadere en verdere omgeving hebben uitgeoefend of nog uitoefenen — wat voor het onderhavige vraagstuk juist het kwestieuse punt uitmaakt — dan kom ik, ronduit gezegd, tot de conclusie, dat deze invloed is = nul.

-ocr page 82-

s

Wanneer ik mij de entourage voor den goesl roep van zon veie voorname en zeer beroemd\'\', kathedralen op ons Continent, zooals de omgeving van Notre-Dame te Parijs, van de kathedraal te Metz, de Munsterkerken van Straats-burg, Freiburg en Ulm, de domkerken van Keulen, Frankfort, Maagdenburg, Halberstadt, Müncben, Landshut, Florence, Milaan, Antwerpen, Brussel, Mechelen, Utrecht, de gothische hooldkerken van Amsterdam, Rotterdam, Haarlem, Dordrecht, Groningen, Delft, enz. enz., dan zou ik mij ten zeerste moeten bedriegen, of van dien invloed is niets te bespeuren. Ook \'s-llertogenbosch maakt, wanneer men van bet quasi-gotbische aartsbisschoppelijk paleis al\'ziet — sit venia verbo — geen uitzondering.

liet minst heeft men zich nog te Parijs, nog in de laatste jaren bij de herhaalde verbouwingen van hel domplein, beijverd deze leer van architectonische harmonie op te volgen.

Dit plein is aan de ééne zijde dooi\' Notre-Dame en daartegenover door het Paleis van politie, aan de derde zijde door bet Hulel-üieu en daartegenover door de Seine begrensd.

Wel verre van bij den bouw van bet nieuwe Ilótel-Dieu (1868—78) en bij den wederopbouw van de Pré-fecture de police, terwille van de harmonie, den gotbischen stijl der verheven kathedraal van Notre-Dame te volgen, heeft men aan beide gebouwen geheel moderne XIX eeuw-sche buitenordonnantien gegeven. En dat te Parijs, de eerste kunststad der wereld, de hoofdstad van land en gewest, waar de gothische stijl is ontloken en waar de meesterstukken van dezen bouwtrant worden aangetroffen.

Terwijl te Weenen onder de oude buizen, die bet grootsche Stefanusplein omringen, waartoe ook het aartsbisschoppelijk paleis behoort, geen enkel gotbisch gebouw wordt gezien.

-ocr page 83-

9

looiieii ook (h; nieuwe woonpaleizen, die in den laalslen lijd de oude gebouwen hoe langer zoo meer verdiingen, den modernen stijl eener XIX eeuwsche Renaissance.

ïe Keulen heeft er veeleer eene reactie tegen de beweerde richting van onzen tijd plaats gegrepen. Terwijl in de omgeving van den Dom uit het midden onzer eeuw twee gothische gebouwen worden aangetroffen; het kleine aartsbisschoppelijke museum op het domplein zeil, en een winkelhuis, gelijk men die toen meer heelt gebouwd, in eene zijstraat, werd bij de zeer aanzienlijke gebouwen, die later verrezen, — paleis Deichmann, Domhotel enz.— die stijl niet meer gevolgd.

De ondergeteekende meent dus niet in tegenspraak te zijn met de feiten, wanneer hij, ondanks de nabijheid van Domkerk en Domtoren, goedgevonden heeft, om niet voor den gothischen stijl te adviseeren. Hij vleit zich te hebben aangetoond, dat bij nader onderzoek van den toeleg van onze architecten lot het verkrijgen van deze soort van harmonie met de omgeving weinig of niets blijkt.

Hoe men, ten bewijze, dal mijne zienswijze in tegenspraak is met de feilen, zich kan beroepen op een project tot bebouwing van het Munsterplein te Uim, waaraan feitelijk nooit gevolg is gegeven, verklaar ik niet te begrijpen.

Ook deze zonderlinge bouwgeschiedenis pleit veeleer voor mijne zienswijze. Zij verdient hier kortelijk te worden medegedeeld.

Op eene prijsvraag, ongeveer 30 jaren geleden uitgeschreven tot het verkrijgen van plannen lot bebouwing van het Domplein te Ulm, dal door de afbraak van de oude «Barfiisserkirche,» van het oude Gymnasium en vele kleinere gebouwen was uitgebreid geworden, waren vele plannen ingekomen, waaronder ook het vermelde, zeer

-ocr page 84-

10

eentonige en vervelende Ontwerp van Dollinger in zuiver golhischen stijl. Ivmi noordduitsche bouwmeester zond alleen een brief in, zonder leekeningen, waarin hij aan de Jury te kennen gaf, dat het hem het beste voorkwam, in het geheel niet te bouwen en het plein te laten zooals het was. De Jury vereenirjde zich volkomen mei dit advies en de golhische plannen van den heer Dollinger werden met alle andere eenvoudig ter zijde gelegd! De oude «Münstergasse» en de oude «llolzmarktstrasse» begrenzen ook heden nog het domplein.

Dat, nu ongeveer 40 jaren geleden, het spoorwegstation Ie Neurenberg in golhischen slijl werd gebouwd, laai zich op goede gronden verdedigen, liet was het eenigsle gothische onder de zeer talrijke stationsgebouwen, die door den opperbouwraad Rieber, onder wien ik van 1857—1850 de eer had te werken, zijn uitgevoerd.

Maar het wereldberoemde Neurenberg met zijn midoen-eeuwsche burcht, met zijn middeneeuwsche stadsomwalling, zijn gothische kerk- en kloostergebouwen, zijn openbare gebouwen, burgerwoonhuizen, fonteinen en andere monumenten in denzelfden stijl is ook eenig, en Utrecht mag, wat het middeneeuwsche karakter zijner burgerlijke architectuur betreft, met Neurenberg niet in één adem worden genoemd.

Te Keulen, onder alle Duitsche steden die, welke naasl Neurenberg de meeste middeneeuwsche monumenten beeft aan te wijzen, heeft het spoorwegbestuur niet goedgevonden, hiermede rekening te houden. Het vlak bij den Dom , als het ware aan den voet der kathedraal gelegen Centraalstation is een zeer moderne Renaissance-bouw.

Den lof, door den ondergeteekende in zijne «Geschiedenis der Rouwslijlen» aan den Directeur der Duitsche posterijen toegezwaaid, wcnscht hij in vollen omvang te handhaven.

-ocr page 85-

44

en liij is van oordeel, daardoor niel in \'t minst met zicli zelf in tegenspraak te komen.

Zoomin evenwel te Parijs, Metz, Straatsburg\', Antwerpen, Keulen, Weenen, enz. enz., van een invloed der kerkelijke monumen\'en op de niet-kerkelijke gebouwen iets te bespeuren vall, is bij de vele degelijke en monumentale werken, die de Duitscbe Generaal-postmeester beefl laten uitvoeren, voor zooverre ik weet, een dergelijke invloed merkbaar. Hel archilectonische karakter der omgeving, waarmede hij wel pleegt rekening te houden, wordt bepaald door den trant der burgerlijke houwkunst. Het is deze, die hem inspireert, en, waarmede liij buitendien rekening houdt, zijn kuns!overlevering, bouwstoffen en techniek die natuurlijk naar den volksaard en de natuurlijke gesteldheid van land ol\' gewest in het geheele rijk aanmerkelijk velschillen.

Door aldus te handelen en door eiken bureaucratischen invloed op vrije kunstuiting te weren, wordt, gelijk uit mijn boek zeer juist is aangehaald, een officieele bouwtrant vermeden.

Ten einde in dit laatste opzicht nog zekerder te gaan en het publiek niet met steeds dezelfde geijkte genre\'s van kunstproducten van dezelfde meesters te overladen, worden bij de talrijke scheppingen van zijn departement het liefsl ter plaatse inheemsche, particuliere bouwmeesters mei ontwerp en uitvoering belast.

Mijne opvatting, dat hel te stichten «Universiteitsgebouw» zooveel mogelijk een eigenaardig geheel en op zich zolf-staand monument dient te vormen en, als kind der XIX® eeuw, «in overeenstemming met den algemeenen geest dezer eeuw in den stijl der heerschende kunstrichting dient opgetrokken Ie worden,» is ook door de overige daartegen aangevoerde bezwaren niet aan het wankelen gebracht.

-ocr page 86-

12

Deze argumenten komen mij veeleer even twijfelachtig voor, als de leer van de harmonie der omgeving, die door mij hierboven aan de feilen getoetst is. Het zij mij vergund, mi ik breedvoerig wordt bestreden, mij ook hierover eenigszins uitvoeriger dan in de vroegere korte nota\'s uit te laten.

Alle monumenten, wier bouw zich over verschillende kunstlijdperken, of nog wel over verschillende eeuwen uil-strekte, missen, uit den aard der zaak organische eenheid en harmonie van stijl. En juist daaraan danken deze gehouwen de volle Imlorische en artistieke beteekenis, waarop aan het slot van hel ministerieele schrijven zooveel nadruk wordt (jelegd. Elk dezer monumenten levert verschillende bladzijden uil de geschiedenis van het leven en de kunst van hel volk, dal ze deed ontstaan; het zijn «de zichtbare en voor iedereen toegankelijke archieven van hel land.»

Wel verre dat het gebrek aan eenheid van stijl aan hunne kunstwaarde te kort doet, ontleenen de meeste juist daaraan eene bekoorlijkheid, een artistiek karakter en een zeker schilderachtig cachet, waardoor iedereen wordt aangetrokken.

Of wordt de indruk der kathedralen te Straatsburg, Parijs, Freiburg of Weenen en hare kunstwaarde verminderd door het feit, dal deze gedenkleekenen niet zuiver gothisch, maar nog gedeeltelijk romaanscb zijn? of kan dat gezegd worden van St. Pierre te Caen, omdat het overigens gothische godshuis met een prachtig koor in Renaissance stijl is voltooid?

Valt het uit een oogpunt van kunst, piëteit of historie Ie betreuren, dal de binnenordonnantie van de kathedraal te \'s-IIertogenbosch de architectonische eenheid mist, omdat het orgelkoor, de preekstoel en een gedeelte van het koorhek meesterstukken zijn der Renaissance? Of misstaat het koorgestoelte van Terwen in de binnenordonnantie van het gothische gebouw?

-ocr page 87-

48

Evenals Louvre en Tuileriën missen de Fiansehe residentiën en kasleelen Fontainebleau, Ghantilly, lilois, enz. enz. en de Duitsche vorslelijke paleizen Ie Miinclien, Dresden, Berlijn, enz. enz., en ir den Haag het Binnenliol\' in- en uUwenclifi de architectonische eenheid, omdat ieder tijdperk, ieder geslacht, in plaats van het beslaande na te waken, in zijn eigen trant voorthomvde, evenals bij de bovenvermelde godsbnizen het geval was. En men kan de paleizen van Lonvre en Tuileriën evenals die van München, Dresden en I?erlijn alleen dan Renaissance-paleizen noemen, wanneer men al wat niet romaanscb olquot; gothiscb is, «Renaissance» geliel\'l te noemen. En toch wijzen niel alleen de vormen en verhoudingen, maar ook de keuze en behandeling der bouwstoffen in de buiten- en binnenordonnantien en de stoffeering der laalsle de treffenste tegenstellingen en radicale verschillen aan.

Als een bijzonder barbaarsch gebouw uit het oogpunt van eenheid en harmonie moet o.a. hel Dogenpaleis te Venetië worden beschouwd met zijn statige gothische fronten, de beroemde Porta de la Carta, eveneens een prachtwerk der Gothiek, dat den hoofdingang vormt lol de «trap der Reuzen» en het schilderachtige binnenplein met zijn verschillende tijpen der vroeg-renaissance.

Evenzeer beantwoorden niet aan dezen eiscb de beroemde stadhuizen te Lübeck, Dantzig, Lüncburg, Keulen, Munster, Bremen, enz., die, wat hunne buiten- of binnenordonnantien betreft, gedeeltelijk gothische, gedeeltelijk renaissance-gebouwen zijn.

Dat de gothische beffroi van bet oude stadhuis te Delft, Hendrik de Keijser niet beeft weerhouden, hel tegenwoordige gebouw met behoud van den toren, in den heer-schenden renaissance-stijl te doen verrijzen, werd door Uwe bouwmeesters reeds vroeger tol. staving hunner zienswijze aangevoerd.

-ocr page 88-

14

Wat mi de gebouwen betreft, die door do deskundigen der Regeering lot toelichting en verdediging hunner opvatting zijn aangehaald, zij bet volgende opgemerkt.

In de allereerste plaats beslaat tusscben al de vermelde voorbeelden en de bouwkwestie in Utrecht het eenvoudige waar kapitale verschil, dat bet daar betrof de uitbreiding of vererootina\' van bestnnnde buitenordonnantiën — of

tj O

geheele complexen er van — terwijl te Utrecht dit bel geval niet is.

Noch bet groot auditorium, noch de kruisgangen hebben buitenordonnantiën of zijn van de straat af zichtbaar. En de buitenordonnantie van het gedeelte der tegenwoordige Universiteitsgebouwen, dat uitkomt op «Achter den Dom,» kan onmogelijk gothisch genoemd worden.

liet stadhuis te Parijs werd in de jaren 1837—4-6 volgens de plannen van den architect Godde, in den stijl der XIXe eeuw uitgebreid.

liet museum te Hildesheim is, of was althans eenige jaren geleden, in eene middeneeuwsche kerk, de oude Martiniekerk gehuisvest en wanneer dit gebouw in midden-eeuwschen stijl is uitgebreid, bestond daartoe ook nog eene tweede aanleiding. Terwijl namelijk het museum voornamelijk middeneeuwsche oudheden uit Hildesheim en omstreken bevat, heeft men zoodoende de buitenordonnantie in overeenstemming gebracht met de bestemming en den inhoud van het gebouw — hetgeen, door het beslaan van enkele uitzonderingen, wel is waar niet van alle musea kan ffezeüd worden.

liet beroemde museum te Neurenberg is gevestigd in een middeneeuwsch kloostergebouw en bevat germaansche oudheden, waaraan het den naam Germaansch Museum ontleent. Het werd door Freiherr von Truchsess — niet zonder palriottische of politieke inspiraties gesticht in een

-ocr page 89-

14

15

tijd, loen, althans in Duitschland, «gothisch» en «ger-maansch» nog synoniemen waren, terwij ook de gotliische stijl toen nog als eene duitsche vinding ol\' schepping werd beschouwd.

Men heeft zoowol met het architectonische karakter der stad als met do voorname beteekenis en bestemming van inrichting rekening gehouden, toen men het gebouw herhaaldelijk in midtleneeuwschen stijl uitbreidde.

Wanneer liet te Utrecht te stichten gebouw tol Museum van Christelijke oudheden moest dienen, zou de onderge-teekende waarschijnlijk ook voor eene gothischen buitenordonnantie geadviseerd hebben.

Ook het grootsche Cornervatoire des arts el métiers Ie Parijs is in eene voormalige Bcnedidijnen Abdij, «St. Martin des Champs» gevestigd. Noch bij de eerste uitbreiding op het eind der vorige eeuw, noch bij do kolossale vergroo-ling der inrichting in de tweede helft van onze eeuw, heeft men den stijl van hot klooster gevolgd. Wel heeft do architect Vandoijer, sedert 187(i met de uitbreiding der gebouwen belast, het oude Refectorium — nu bibliotheek — en do van de Rue St. Martin zichtbare oude kloosterkerk — nu machinengalerij — en haar portaal met piëteit in den stijl der XIIle en XIVe eeuw gerestaureerd, maar wat hij er aan toevoegde, is volslagen modern van stijl.

Hetgeen aan het einde van de ministerieele aanschrijving omtrent de practische bezwaren en nadoelen van den door Uwe bouwmeesters gekozen stijl is gezegd, kan mijnerzijds niet zonder tegenspraak blijven.

«Uit de vroeger aangeboden ontwerpen» — zoo lees ik —

«is op te maken, dat het stelsel om tot het rechtvaardigen van de keuze van een anderen stijl, zoo min mogelijk met de beslaande lokaliteiten rekening te houden, verschillende nadeelen dreigt te weeg Ie brengen, zoowel ten aanzien

ü

-ocr page 90-

10

van de gemeenschap mei het. groot auditorium, als met die met de kruisgangen en dat van deze laatste niet zooveel partij getrokken wordt als mogelijk en in alle opzichten wenschelijk te achten is; het is toch duidelijk, dat, wanneer deze ruime gangen tot een integreerend bestanddeel van liet lot één geheel te vormen Universiteitsgebouw worden gemaakt, op de ruimte, anders voor vestibulen, corridors en wachtkamers te bestemmen, veel uitgespaard kan worden.»

Wat in de eerste plaats de rjemeenschap betreft, van het nieuwe gebouw met het groot auditorium, zoo was deze in de ontwerpen Uwer bouwmeesters zoowel runner alt behoorlijker en behoorlijker dan in liet gothische ontwerp, door de rijksbouwkundigen gepresenteerd. In ons schrijven van 14/15 Juni 1887 hebben wij ons hieromtrent uitvoerig uitgelaten.

Wij meenden ook aan het auditorium, behalve dc bestaande gemeenschap met de Senaatskamer, eene directe verbinding met het nieuwe gebouw te moeten geven. In de middeneeuwen, toen de kruisgang moest dienen tot verbinding der kapittelzaal met de kerk, was natuurlijk de gemeenschap tusschen kruisgangen en kapittelzaal hoofdzaak en onmisbaar. Nu het verband met de kerk door dat met de Universiteit wordt vervangen, schijnt ook eene behoorlijke gemeenschap met het collegegebouw hoofdzaak en onmisbaar.

Dat de beslaande verbinding over het smalle gangetje tusschen de voormalige kapittelzaal en senaatskamer bekrompen en leelijk is, zal wel niemand ontkennen. Overigens bestaat er hoegenaamd geen practisch bezwaar, om buitendien de gemeenschap tusschen de toekomstige «Salie des pas perdus» en het groot auditorium te behouden. In welke opzichten van de kruisgangen na nog anders partij

-ocr page 91-

17

kan worden getrokken voor de rjemeenschap, is mij mei volkomen duidelijk.

Wal de nadeelen aangaat, die de stijl len opzichte van de gemeenschap van het nieu we gebouw met de kruisgangen dreigt mede te brengen, is het voldoende Ie wijzen op liet feit, dat deze verbinding zoowel in liet gepresenteerde re-geeringsontwerp als in de ontwerpen Uwer bouwmeesters gevormd wordt door ééne deur van de vestibule naar de kruisgangen !

Het is mij een raadsel, hoe men zulke feiten ignoreeren kan. Ook met betrekking tol de grootte der vestibule, der corridors en het al ol\' niet aanleggen van eene wachtkamer voor de studenten kan aan den stijl van het nieuwe gebouw per se geen invloed worden toegekend.

[lat eene gemeente, die uit eigen middelen een gebouw wil stichten en dit aan eene rijkfinrichting wil aanbieden, niet bevoegd zou worden geacht, haren bouwmeesters vrijheid te laten ten aanzien van de afmetingen der corridors enz. is een feit, waarmede ik — ik kan het zonder schande bekennen — niet heb rekening gehouden. Ondanks langjarige en veelzijdige praktijk in staals- en hofdienst had ik met dergelijke feiten nooit te rekenen.

Ten slotte neem ik de vrijheid tot hel maken van de volgende opmerkingen:

Het is voor mij onbegrijpelijk, hoe dooi\' de keuze van den gothischen stijl het te stichten Universiteitsgebouw in vereeniging met de kruisgangen, auditorium, senaatskamer en het overige gedeelte der bestaande gebouwen eene organische eenheid en harmonisch geheel kan vormen.

Evenmin hoe daardoor de middeneeuwsche kruisgang en de kapittelzaal hunne volle historische en artistieke beteekenii zullen behouden of deze veeleer daaraan zal kunnen worden teruggegeven!

-ocr page 92-

18

Wat zeker te verwachten staat, is, dat men door het Collegegebouw in den stijl van kapittelzaal en kruisgangen op te trekken, daaraan een kerkelijk karakter zal verleenen en tevens aan liet Universiteitsgebouw het karakter zijner hestemminfj en zijne historische beteekenis zal ontrooven.

Een organisch geheel van het nieuwe gebouw mei de her/,-, wat wel verkregen zal worden, kan toch met het oog op zijn bestemming, noch bedoeld, noch gewenscht zijn.

Zonder allen twijfel kan het niemee Universiteitsgebouw imlr/ens de oorspronkelijke bedoelinq van Burgemeester en Wethouders met de bestaande lokaliteiten, en als aanvulling daarvan, één geheel vormen, dat, zonder gothisch te zijn, aan alle eischen der kunst voldoet en tevens aan de gevoelens van piëteit en historische waarheid werkelijk en in alle opzichten beantwoordt..

Ik eindig mijn advies met de verklaring te herhalen die ik reeds vroeger en nog onlangs tegenover Uw College persoonlijk heb algelegd:

Wanneer mijn persoon en mijne, nu uitvoerig gemotiveerde artistieke opvatting de verwezenlijking van hel bouwplan der gemeente in den weg staan, of de wapens aan de hand geven, om do onvruchtbare en hopelooze onderhandelingen met de Regeering in het eindelooze te rekken, dan ben ik ieder oogenblik bereid, mijn mandaat in Uwe handen terug te geven.

Een bouwproject in den stijl der kloostergangen kan van mij nooit worden verwacht.

Delft, 24. Februari 1890.

(get.) E. GUGEL.

-ocr page 93-

Bijlage Nn. 15.

OiidergetcekciLcle lieeft de eer ouderstaaude motie iu 1-e dienen, te verzoeken, dat zij zal worden gedrukt en aan de leden toegezonden en dat zij in de eerstvolgende vergadering een punt van beraadslaging zal uitmaken.

Utrecht, 13 Maart ISÜO.

P. ÏEMPLEMAN VAN UEll HOEVEN.

MOTIE.

I»e GEMEENTERAAD van UTRECHT,

kennis genomen hebbende

v.sn de missiven, gedagteekend lü December 1887, 27 October en 12 December 1888 en 12 Februari 1890, van de Ministers van Binnenlandsche Zaken ter zake van het te stichten Academiegebouw;

Overwegende,

dal de onderhandelingen over den bouw schijnen te worden vertraagd uil motieven, die geenszins betrekking hebben op de ruimte en de inrichting der, met het oog op de eischen van het onderwijs, gewensebte lokalen, maar louter op den stijl van het gebouw in zekere richting der kunst, in strijd met het herhaaldelijk uitgesproken verlangen van dezen Raad; Overwegende,

dat deze motieven blijkbaar moeten worden toegeschreven aan de betrokken Raadslieden der Regeering, naardien zij onder liet bewind van Ministers van verschillend staalkundig inzicht telkens op nieuw meer ol\' minder duidelijk werden aangevoerd;

Overwegende,

dat er geen redelijke grond bestaat voor de hoop, dat onder hel bewind van den thans opgetreden Minister

-ocr page 94-

2

van Binnenlandsche Zaken, meer dan onder diens belde Ambtsvoorgangers, een gunstig oor zal worden geleend aan de rechtmatige wenschen van dezen Raad;

Overwegende,

dat mitsdien van een op nieuw plegen van onderhandelingen met het Departement van Binnenlandsche Zaken voor het tot stand komen der verlangde overeenstemming niets te verwachten is;

Overwegende,

dat zoowel het belang als de waardigheid dezer gemeente niet gedoogen, dat nog langer geaarzeld worde ten aanzien van de stichting van het Academiegebouw, waartoe reeds vier jaren geleden besloten werd en waartoe de milde bijdragen van de ingezetenen van Utrecht en van het gewestelijk Bestuur in staat stellen;

Overwegende,

dal hij het in hem gesteld vertrouwen der burgerij niet mag beschamen, noch het geduld der schenkers langer mag op de proef stellen;

BESLUIT

aan Burgemeester en Wethouders op te dragen:

^0. ten spoedigste het advies in Ie winnen van de heeren Bouwmeesters omtrent de vraag: op welke wijze het Academiegebouw zal kunnen worden gesticht op do daarvoor door de gemeente bestemde terreinen, zonder aanraking met of aansluiting aan de bestaande Bijksgebouwen;

2quot;. van dit advies zoo spoedig mogelijk mededeeling te doen aan dezen Baad.

-ocr page 95-

Bijlage N0. 1G.

Delft, 13 Maarl 181)0.

Betreffende Universiteitsgebouw.

Aan

Burgemeester en Weihouders der gemeente Utrecht.

In de vergadering van Uw College, die ik onder dag-teekening van i-4 Februari bij te wonen de eer had, werd mij door den hoer Voorzitter van het Gemeentebestuur o. a. de vraag gesteld, of de mogelijkheid bestond, het geprojecteerde Universiteitsgebouw zonder verdere medewerking ol\' goedkeuring der Regeering uit te voeren op de terreinen, welke eigendom zijn der Gemeente, en zondor in contact te komen met de gebouwen, die aan den Slaat be-hooren, ol\' aan de Regeering in vruchtgebruik zijn afgestaan.

Ik heb deze vraag toen — zonder nog den inhoud te kennen van het schrijven van den Minister van \'1 Februari jl. — in ontkennenden zin beantwoord, hoofdzakelijk met het oog op den toegang tot, den calorifère-kelder van het groote Auditorium, die zich achter den zuidelijken kruisgang bevindt.

Bij nader onderzoek van dit vraagstuk is mij nu echter gebleken, dat deze vraag in bevestigenden zin kan worden beantwoord.

-ocr page 96-

2

De vooralsnog geheim gehouden plattegrondteekening, die door uwe bouwmeesters met het concept-programma bij Uw College is ingediend, en, wat de lokalen betreft, aan alle eischen voldoet en, voor zooverre, ook door den Minister is goedgekeurd, is uitvoerbaar op het beschikbare terrein.

Waar nu de toegang lot de calorifère zich bevindt, is in dezen plattegrond eene door den Minister niet gewenschte wachtkamer geprojecteerd en daar naast eene binnenplaats tegens wiens uitvoering geen bezwaar beslaat.

Alle gevraagde College- en Faculteitskamers en alle bijkomende vertrekken, zelfs de verbindingsgang met de bestaande gebouwen, kunnen worden daargesteld zonder in aanraking te komen met de gedeelten, waarover de Regeering nu beschikt.

Vallichten zijn vermeden en de eenige verbouwing, die aan de kruisgangen moesl worden verricht, ware de verplaatsing van den doorgang in den westelijken kruisgang, die voor zoo verre ik weet het onbestreden eigendom is der gemeente.

Eene ongesteldheid, die mij sedert \\A dagen liet waarnemen mijner plichten beletle, is de oorzaak eener vertraging dezer mededeeling en verklaring, welke door mij wordt betreurd.

Met de meeste hoogachting heb ik de eer te zijn

van het College van Burgemeester en Wethouders voornoemd,

de dienstw. Dienaar (get.) E. GUGEL.

-ocr page 97-

Bijlage N0. 17.

no-1Jo \'

ima

eft,

den

are

Nquot;. 242 F.

s in

Hcriclit op sohrijvcn van hct

hte

:partement vaa Bimieulandselu;

lats

kei van 1 Februari 1890, La. A, Ulredd, 24 Mei \\ 890. \'d. 0, betreffende den bouw ,n het Universiteitsgebouw te IrecW.

be-in

2 Bijlagen.

ee-

die

er-

Bij missive van 4 Februari 4890, La. A., Afdeeling 0,

lev

ontvingen wij van Uw Excellentie\'s ambtsvoorganger mede-deeling van den uitslag der overwegingen, waartoe hel

n-

door ons den 25sten Maart 4889 ingezonden programma

;r-

van eischen voor den bouw van het Universiteitsgebouw

nij

bij Zijne Excellentie aanleiding heeft gegeven.

Onmiddellijk na de ontvangst dezer missive hebben wij haar in handen gesteld van den Hoogleeraar Gugel, met opdracht om ons te dier zake van advies te dienen.

Nadat aan die opdracht was voldaan, werden twee leden

i.

van ons college op ons verzoek den 14den April 11. door Uwe Excellentie in de gelegenheid gesteld om mondeling onze meening te ontwikkelen over eenige onderdeelen van liet program van eischen, die nog niet de instemming van Uw Excellentie\'s ambtsvoorganger hadden verworven, terwijl verder do tijdelijke voorzitter van ons college den

Aan

Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandsche Zaken te \'s-Gravenhage.

-ocr page 98-

2

19den Mei jl. aan Uwe Excellentie mededeeling heelï gedaan van den uitslag- der onderiiandelingen, welke dezerzijds gevoerd zijn mei liet, oog op het denkbeeld om voor den bouw een ander terrein aan te wijzen.

De onzekerheid omtrent den evenlueelen verkoop van den grond, welke thans door hot Leesmuseum wordt ingenomen, de hooge eischen, welke voor afstand van hel benoodigd terrein door de eigenaars worden gesteld en de uilersl beperkte termijn, binnen welken zij eene beslissing-vorderen , hebben ons doen besluiten, in elk geval thans bij den Raad geen voorstel in te dienen tot wijziging van het besluit omtrent het voor den bouw aangewezen terrein.

Wij zullen ons er dus thans toe moeten bepalen om, in aansluiting aan hetgeen reeds bij de audiëntie van den 1\'lden April jl. besproken werd, kortelijk onze meening te ontwikkelen omtrent de opmerkingen, waartoe het door ons aangeboden programma van eischen aanleiding beei\'t gegeven.

Terrein. Bij ons college bestaat bezwaar om in het program van eischen te vermelden «dat het in de bedoeling ligt de van Rijkswege te beglazen kruisgangen te bestemmen tot «salie des pas perdus» en dat deze derhalve met het nieuwe bouwwerk in onmiddellijke gemeenschap moeten worden gebracht.»

Wij merken hieromtrent op, dat Burgemeester en Wethouders van Utrecht reeds den \'12den Juli \'1883 aan den toenmaligen Minister van Rinnenlandsche Zaken hebben medegedeeld, dat de gemeente Utrecht, bij notarieele akle van 7 October 1828, van kerkvoogden der Nederduitsche Hervormde Gemeente den oostelijken en westelijken kruisgang heeft gekocht, en dat hun verzoek om verbeteringvan de kadastrale tenaamstelling den 15don Augustus 1883 door Z.Ex. beantwoord is met de mededeeling-, dat daarover nader zoude worden bericht. Tot dusverre mochten wij

-ocr page 99-

17

3

het toegezegd bericiit nog niet ontvangen, maar wel werd ons, bij missive van 16 Mei 1887, medegedeeld, dat Z.Ex.

bezwaar moest maken bet eigendomsrecht op den westelijken en oostelijken kloostergang en don Vrijhof te regelen en lot beslissing te brengen in bet contrakt omtrent de bruikleening van het Universiteitsgebouw. Zoolang de erkenning van de eigendomsrechten der Gemeente op de kruisgangen niet is geschied, achten wij het niet wel mogelijk in bet programma van eischen bepalingen op te nemen omtrent werkzaamheden als de beglazing, welke daaraan van Rijkswege zouden worden verricht. Bovendien kunnen de kruisgangen eene wachtkamer op de benedenverdieping bezwaarlijk vervangen. Koude in de wintermaanden en gebrekkige toetreding van licht — om van andere redenen niet te spreken — maken de kruisgangen, naar het oordeel van bevoegde personen, voor een eenigszins langdurig verblijf van studenten ongeschikt.

fcuoodigde In verband met hetgeen wij sub 1 opmerkten, achten lokalen. wjj |)(}l ij()mven van eene wachtkamer voor de studenten gelijkvloers zeer aanbevelenswaard, reden waarom wij Uwe Excellentie verzoeken niet op bet weglaten daarvan aan te dringen.

Wij zijn echter bereid overal, waar van de afmetingen der lokalen sprake is, het woord «minstens» door «ongeveer» te vervangen, en voor de eerstgenoemde college-zaal te vorderen eene groote van «80 a 120 M2» in plaats van: «ongeveer 120 M »

Licht. liet komt ons niet raadzaam voor te bepalen «dal val

lichten moeten vermeden worden.»

Waarschijnlijk zal van vallichten geen of slechts een zeer beperkt gebruik worden gemaakt. Wij moeten echter bezwaar maken de toepassing daarvan bepaald te verbieden. Vallichten worden zoo veelvuldig aangewend, dat wij niet

-ocr page 100-

4

gelooven, dal daartegen in liel Universiteitsgebouw te Utrecht overwegende bezwaren beslaan.

Verwarming. Wij zijn bereid aan de eerste opmerking, door wijziging der redactie, gevolg te geven, maar moeten bezwaar maken legen opname der aangegeven bepaling omtrent de plaatsing-der rookkanalen.

Naar onze opvatting zullen de belangen van het Universitair onderwijs niet worden geschaad, als een enkel rookkanaal niet tegenover den werkmuur zal zijn aangebracht. Wij vertrouwen daarom, dat Uwe Excellentie goed zal vindon niet verder op liet opnemen van dien eisch aan te dringen en even als wij in dit onderdeel eenige vrijheid aan onze architecten zal willen laten.

ïeekeniugcu. Tot overlegging van andere dan de gewone bestekteeke-ningen zullen onze bouwmeesters stellig niet bereid worden bevonden. Ook wij achten die overlegging niet noodig.

De Hoogleeraar Gugel en de Directeur onzer Gemeentewerken, de heer F. J. Nieuwenhuis, zijn genoeg berekend voor hunne taak. om eene deugdelijke constructie van balklagen en kappen te ontwerpen en de Gemeenteraad van Utreclil heelt met betrekking tot het Uooger Onderwijs steeds zoodanige houding aangenomen, dal mingepaste zuinigheid van die zijde niet behoeft te worden geducht.

Wij verzoeken daarom Uwe Excellentie dringend met de door ons voorgestelde redactie genoegen Ie nemen.

Uitvoering. De bepaling, dat het gebouw van deugdzame mateiialen wordt opgetrokken mei vermijding van surrogaten komt ons duidelijk genoeg voor. Waar een algemeene regel wordt gesteld, achten wij het niet doeltrefl\'end omtrent enkele onderdeden nog bijzondere voorscliril\'len te geven.

Ue stijl. Zooals Uw Excellentie\'s ambtsvoorganger te recht van ons verwachtte, hebben wij op nieuw zonder vooringenomenheid de vraag van den stijl van het te stichten

-ocr page 101-

5

Universiteitsgebouw overwogen. Betrekkelijk de argumenlen, die pleiten voor den Renaissance stijl, hebben wij de eer Uwe Kxcellentie te verwijzen naar hel advies van den iloog-leeraar Gugel, dat in afschrift hiernevens wordt overgelegd.

Na al hetgeen hieromtrent reeds is verhandeld aciiten wij hel weinig doeltreffend opnieuw omtrent den stijl in uitvoerige beschouwingen te treden.

Alleen is het noodig Uwe Excellentie alsnog de stellige verzekering te geven, dat hetgeen in den brief van I Februari 1890 wordt aangevoerd om Ie bewijzen, dat het Gemeentebestuur als hel ware zelf van den beginne af gewild heeft, dat in den stijl van het Auditorium zoude worden gebouwd, op eene misvatting berust.

De mogelijkheid erkennende, dat de redactie van een besluit daartoe aanleiding heeft kunnen geven, verklaren wij thans ten stelligste, dal zoodanig voornemen nooit heefl bestaan.

hi de allereerste conferentie, welke ons college met den heer Gugel heeft gehouden, is reeds door Z.ll.Gel. op gronden, die wij ook thans nog deugdelijk achten, betoogd, dat de Golhiek moest worden uitgesloten.

Wij vertrouwen evenwel, dat Uwe Excellentie de meening van den Raad onzer Gemeente zal deelen, dat de stijl niet in verband slaat met de eischen, welke met betrekking tol zijne bestemming aan het gebouw moeien worden gesteld en hopen, dat Uwe Excellentie de keus van den sliji, bij welke geen rijksbelang betrokken is, aan de eindbeslissing van den Gemeenteraad zal willen overlaten.

In verband met deze overwegingen hebben wij de eer Uwe Excellenlie een gewijzigd program van eischen aan ie bieden,? dat, naar wij hopen en vertrouwen, de goedkeuring] van Uwe Excellenlie zal mogen verwerven.

-ocr page 102-

6

Eindelijk achten wij ons nog verplicht er de aandacht van Uwe Excellentie op te vestigen, dat op den, bij den brief van 1 Februari 1890, ons toegezonden plattegrond de oostelijke en de westelijke kruisgang, de Vrijhof benevens fle gebouwen en terreinen, welke het liijk van de Gemeente in huur heeft, abusivelijk zijn aangeduid als; Rijkseigen-dommen.

De liuiyemeesler en Weihouders der cjemeenle Ulrechl,

De Burgemeester,

(get) F. II. COBLIJN, Weth.

De Secrelaris, (gel.) DK VVATTEVILLF.

-ocr page 103-

Bijlage N0. Mn.

PROGRAMMA VAN EISCHEN

VOOR DEN

BOUW VAN EEN NIEUW ÜNIVERSITiTSGEBOÜW

te UTRECHT.

Terrein. |[el gebouw wordt opgericht ter plaatse waar zich thans het Leesmuseum bevindt en met gebruikmaking van het terrein, vrijkomende dooi- het afbreken van liet pand, vroeger bewoond door Jhr. Ram en voor zooverre noodig met gebruikmaking van den daarbij behoorenden tuin. Het moet zich onmiddellijk aansluiten bij de westelijke en zuidelijke kruisgangen van de Domkerk, door welke men het groote Auditorium bereikt, en voorts in verbinding gebracht worden met de groep gebouwen, welke het Auditorium, de Senaatskamer en do lokalen in het voormalig

7 C

pol i tiegebouw om val ten.

In het nieuwe gebouw behoell op eene Concierge-woning niet gerekend te worden, omdat den pedel-concierge eene woning in de lokalen van liet voormalig politiegebouw wordt aangewezen.

-ocr page 104-

2

2-Bonoodigde Hot. gebouw mooi bevatten;

lokalen.

A. GcUjhslmnla.

1°. Vier collegezalen, als:

één groot 80 a i 20 .\\1 drie » ongeveer -42 M2.

minstens twee dezer collegezalen behooren aan den liiin gelegen Ie zijn. De vorm dezer zalen behoort vierhoekig Ie zijn.

2°. Eene spreek- of wachtkamer voor de professoren, groot ongeveer 2rgt; M2.

Eene pedelskamer, groot ongeveer 15 M2.

/lt;•quot;. Een jassenbergplaats, groot ongeveer 12 M2.

5°. Eene wachtkamer voor de studenten, groot ongeveer 4-2 M2.

De spreekkamer wordt in de nabijheid van den ingang, de pedelskamer ongeveer in het midden van het gebouw geplaatst en evenzoo de jassenkamer.

0°. Kene van tochtdeuren voorziene vestibule van matige afmetingen.

7quot;. Voorts zal op de benedenverdieping een door deuren af te sluiten doorgang naar het Vrijhof aangelegd worden, onafhankelijk van de communicatie door de vestibule.

R. Op de cers-tc verdieping.

Iquot;. Vijf faculteitszalen, als:

één groot ongeveer 70 M2.

één » » 55 »

twee » » 46 » één » » 4-2 »

2°. Eene collegezaal ongeveer groot 35 .M2.

-ocr page 105-

3

17a

3°. Ecne wachtkamer voor de examinandi, groot ongeveer 35 AI2.

A0. Een vertrekje voor den pedel ongeveer groot 5 M-. 5°. Een jassenbergplaats ongeveer groot 10 M

Voor de ligging dezer beide laatste lokalen geldt wat van die vertrekken in de benedenverdieping is gezegd.

De trappen moeten van steen zijn. Behalve de hoofdtrap, die zooveel mogelijk in \'1 midden van het gebouw is aan Ie leggen, is nog eene tweede ol\' diensttrap van mindere breedte noodig, meer nabij de pedelswoning gelegen en waar langs men de zolderverdieping kan bereiken.

3. Trappen, privaten en waterplaatsen.

Twee privaten en waterplaatsen, aan de builenlncht uitkomende en door voorportalen van de corridors gescheiden, moeten zoowel op de beneden- als op de bovenverdieping worden aangelegd.

4. Licht. Alle lokalen ontvangen zijlicht, dat in de faculteits- en collegezalen links van de toehoorders moet in! reden. Zoo in corridors als trappen en gangen moet het licht in ruime mate toetreden.

De vloeren van gangen, corridors, privaten en waterplaatsen, ook op de eerste verdieping, moeten van steen zijn. Om gehoorigheid te voorkomen wordt in de faculteits- en collegezalen hetzij van dubbele vloeren hetzij van troggewelven onder de vloeren partij getrokken.

Alle lokalen, corridors, privaten en waterplaatsen worden van gas- en waterleidingen met toebehooren voorzien. De waterleiding wordt ook voor brandblussching en voor het schoonmaken van het gebouw ingericht. De noodige electrische schellen worden in de lokalen aangelegd.

Vloereu.

G. Gas-, water- en sclielleidinff.

-ocr page 106-

!

De vereischte bergplaatsen voor brandstoffen en gereedschappen worden in den tuin geplaatst, waarmede in verband een gemakkelijke toegang van het gebouw naar den tuin wordt aangelegd.

Het maken van een kelder in het gebouw, uitkomende op de straat wordt wenschelijk geacht.

Voor de verwarming van gangen, trappen enz. worden calorifères in de kelders geplaatst. De college- en l\'aculteits-kamers worden ingericht om met haarden ol\' kachels te worden verwarmd.

7. Bergplaatseri.

Verwar-mine.

Het gebouw wordt van deugdzame materialen opgetrokken met vermijding

daksvlakken worden met leien afgedekt.

De over te leggen teekeningen van het gebouw moeten bevatten:

a. de plattegronden van de l\'undeering en de kelders. van de verdiepingen en het dak.

I). de noodige doorsneden.

c. de opstandsteekeningen van de verschillende gevels, al deze teekeningen uitgevoerd op de schaal van 1 : 100.

Met deze teekeningen wordt overgelegd eene raming van kosten met omschrijving der aan te wenden materialen.

9. Uitvoering.

De in het gezichtkomende

van surrogaten.

10. Tceke-uiii^eu.

Di

-ocr page 107-

Bijlage Nquot;. 18,

Ministerie van Binnenlandsche Zaken.

Nu. SOSl, Al\'deeling 0.

Boriclit op schrijven van 24 Mei 1890, N0. 242 F. betreffende Uuiversiteitsgebouw Utrecht.

\'s-Gravenhaye, 30 Mei 1890.

Na ontvangst van uw nevenverraeld schrijven heb ik de punten, welke door mij met U reeds waren besproken, nader overwogen. Alhoewel ik blijf betreuren dat men zich uwerzijds tot dusver niet heeft vereenigd met mijn gevoelen aangaande den stijl, waarin het nieuwe gebouw zal worden opgetrokken, ben ik\' evenwel bereid, zoowel te dien aanzien als met betrekking tot de onderdeelen van het programma van eischen, aan de door U medegedeelde wenschen toe te geven, met dien verstande evenwel, dat de bestemming, te geven aan de kruisgangen, blijve voorbehouden.

liet gewijzigd program van eischen wordt mitsdien door mij goedgekeurd.

De Minister van Binnenlandsche Zaken, (get.) DE SAVORNIN LOBMAN.

Aan

Burgemeester en Wethouders van Utrecht.

-ocr page 108-
-ocr page 109-

Bijlage N0. 19.

N0. 320 F.

2 teekeningen.

Bericht op schrijven van het Departement van Bmnenlandscho Zaken van 30 Mei 1890, n0. 2081, ifd. O, betreffende Universiteitsgebouw te Utrecht.

Ulrecht, den 17den Juni 1890.

liet was ons aangenaam uit Uw Excellentie\'s missive van 30 Mei 1.1., n0. 2081, afdeeling 0, te mogen vernemen, dat het gewijzigd program van eisclien voor den bouw van het Universiteitsgebouw door Uwe Excellentie is goedgekeurd, zoodat in verband met de goedkeuring, die bij missive van 12 December 1888, n0. 3699, afdeeling O, reeds is gehecht aan de ontwerp-overeenkomst, welke de Gemeenteraad, bij zijn besluit van 14 October 1887 zich bereid heelt verklaard met het Rijk te sluiten, thans geen bezwaren aan de verdere verwezenlijking van de voornemens van provincie, ingezetenen en gemeente in den weg staan.

Indien er niets anders tusschen beiden gekomen ware, zouden wij ons dan ook hebben gehaast om de noodige machtiging te verkrijgen, ten einde aan Uwe Excellentie bovenvermelde overeenkomst met het afschrift der opgave van eischen ter teekening aan te bieden. Thans is echter eene andere oplossing dan de tot dusverre bedoelde mogelijk geworden.

Aan

Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandsche Zaken

te \'s-Gravenhage.

-ocr page 110-

2

Naai- aanleiding toch van de besprekingen, in de laatsle weken door Uwe Excellentie met leden van ons College gehouden, hebben wij in ernstige overweging genomen, ol\' bij de stichting van het Universiteitsgebouw kan worden voorkomen, dat de kloostergang, aan welker restauratie van Rijkswege aanmerkelijke sommen zijn ten koste gelegd, aan de westzijde op nieuw door een gebouw aan het oog zoude worden onttrokken.

Dientengevolge hebben wij thans de eer Uwe Excellentie mede te deelen, dat wij er in geslaagd zijn de perceelen, kadastraal gemeente Utrecht, sectie B, nos. 602, 2696 en 2695 gedeeltelijk, aangeduid op de hierbij gevoegde teeke-ning A met rooden omtrek, voor de gemeente te kunnen aankoopen voor de totale som van f 38.000.— te verhoogen met de kosten.

Wij zijn bereid den Raad een voorstel te doen tot aankoop van die perceelen, ten einde die ten deele te bestemmen tot bouwterrein voor het te stichten Universiteitsgebouw, indien het ons alvorens mag gelukken van Uwe Excellentie instemming te verwerven met de voorwaarden eener dading omtrent den eigendom der kloostergangen.

Wij hebben daarom de eer het volgende, als hoofdinhoud van bedoelde dading, aan de goedkeuring van Uwe Excellentie te onderwerpen.

«De nog tusschen den Staat en de gemeente Utrecht «hangende geschilpunten over het eigendomsrecht van «twee strooken grond met daarop staande kluizen en «bogen en van het binnenplein, een en ander deel «uitmakende van het terrein, waarop zich de klooster-«gang bevindt, worden in der minne geëindigd op de «volgende wijze:

1. «De gemeente Utrecht ziet geheel af van elk eigendoms-«of ander recht op dat terrein of eenig deel daarvan

-ocr page 111-

3

19

«en erkent den Staat der Nederlanden als eenig eigenaar «van dat geheele terrein.

«Daarentegen verbindt zich de Slaat den doorgang «voor voetgangers langs de zuidzijde van de Domkerk «open te houden, in den regel dagelijks van 7\'/^ uur «des morgens lot \'10 uur des avonds, en dien te «onderhouden, schoon te houden en te verlichten.

II. «De Staat der Nederlanden koopt van de gemeente «het geheele gebouw met den grond, waarop het staat, «haar toebehoorende, waarin thans het Leesmuseum «gevestigd is, en wel voor de som van eenentwintig «duizend gulden, te betalen in drie gelijke jaarlijksche «termijnen in de jaren 1891, 1892 en 1893.

III. «De Staat verbindt zich dit gebouw tot aan den be-«ganen grond te sloopen, welke slooping zal geschieden «door en op kosten van de gemeente Utrecht, die «over de afbraak naar welgevallen mag beschikken, «en het emplacement in dier voege zal opleveren, dal «de kloostergang aan die zijde geheel open als historisch «monument van het plein zichtbaar worde.

IV. «De gemeente verbindt zich den gemeenen muur tus-«schen den kloostergang en het Leesmuseum ruw «afgebikt en van de aanwezige witkalk bevrijd op Ie «leveren, het emplacement te bestraten met klinkers «en deze bestrating te onderhouden.

V. «Alle kosten op de te sluiten overeenkomst vallende, «met uitzondering van die van zegel, komen ten laste «van den Staat.»

In verband hiermede zoude dan:

A. Art. \'1 der overeenkomst, waarop betrekking heelt de missive van Uw Excellenlie\'s ambtsvoorganger van 12 December 1888, n0. 3699, aid. 0, moeten worden gelezen:

-ocr page 112-

«Contraclanle Ier andere, wenschende ter gelegen-«lieid van liet feest van hel 250-jarig\' bestaan der «Utrechtsche Universiteit door ecne feestgave hare be-«langstelling in deze instelling te betoonen en (en Iiaren «behoeve behoorlijke lokalen beschikbaar te stellen, «verbindt zich aan het Munsterkerkhof op de terreinen «kadastraal gemeenie Utrecht, sectie B,nos. 002, 003, «2090 gedeeltelijk en 2695 gedeeltelijk, binnen drie «jaren na de goedkeuring, bedoeld in artikel 2, een «aanvang te maken met de stichting van een nieuw ge-«bouw en dit gebouw, hetwelk gemeente-eigendom blijft, «aan Contractant ter eenre ten behoeve der liijks-Univer-«siteit te Utrecht kosteloos in bruikleening af te staan;» en

B. de 3de alinea van artikel 3 kunnen vervallen.

Het zal ons zeer aangenaam zijn van Uwe Excellentie te mogen vernemen of deze hoofdpunten door Uwe Excellentie kunnen worden aangenomen, en zoo neen, welke wijzigingen Uwe Excellentie daarin verlangt.

Indien Uwe Excellentie zich wel niet deze ^rondslagen

g ~

vereenigt, dan zouden wij bovendien gaarne vernemen, of de overeenkomst in haar geheel of ten deele aan de goedkeuring der Wetgevende Macht moet worden onderworpen. Mocht eene regeling mogelijk zijn zonder tusschenkomst van de Wetgevende Macht, dan zoude ons dat bijzonder aangenaam zijn.

Immers willen de eigenaars der aan te koopen perceelen hun aanbod niet gestand doen gedurende zoo langen tijd als vereischt wordt voor het tot stand komen van eene wet, terwijl wij vreezen, dat de Raad zal opzien tegen het besteden van den aanzienlijken koopprijs zonder zekerheid te hebben, dat de regeling doorgaat.

-ocr page 113-

Indien Uwe Excellentie nadere bespreking van deze regeling nog noodig acht, dan zal een der leden van ons College zich op Uw Excellentie\'s bericht gaarne onmiddellijk op het door Uwe Excellentie te bepalen uur naar \'s-IIage begeven.

Verder nemen wij de vrijheid Uwe Excellentie te verzoeken ons te willen mededeelen ot\', en zoo ja, op welke voorwaarden hel stukje Rijksgrond, begrensd door het perceel kadastraal gemeente Utrecht, sectie B, n0. 60.quot;3, den zuidelijken muur van den kloostergang en den westelijken muur van het groot Auditorium, op bijgaande teekening B met eene roode tint aangegeven, aan de gemeente zoude kunnen worden afgestaan.

Aangezien de goede uitvoering van alle tot dusverre ontworpen bouwplannen door dezen eventueelen afstand zeer zoude worden bevorderd, achten wij het niet raadzaam eene daaromtrent te sluiten overeenkomst te verbinden aan de dading over den eigendom van den kloostergang.

In afwachting van Uw Excellentie\'s beslissing over deze voorstellen, mogen wij deze niet besluiten, zonder Uwe Excellentie onzen welgemeenden dank te betuigen voor de spoedige door Utrecht\'s burgerij zoo zeer gewenschte afdoening der zaken betrekkelijk het Universiteitsgebouw, welke wij tot dusverre de eer hadden met Uwe Excellentie te behandelen.

Burgemeester en Wethouders der gemeente Utrecht, De Burgemeester,

(get.) F. II. COBLIJN, Wethouder.

Be Secretaris,

(get.) DE WATTEVILLE.

-ocr page 114-
-ocr page 115-

Bijlage N0. 20.

Ministerie van Binnenlandsche Zaken.

N0. 8quot;). AlVleeling Kabiucl.

Bcriclitop schrijven van 17 Juui \'s-Gmvcnkane, 26 JlUli 189(1.

IS\'JO, uquot;. 320 F., betreffende

Universiteitsgebouw te Utrecht.

-

Gelijk U reeds uit mijn telegrammen van 20 en 21 Juni gebleken is, kan ik mij in hool\'dzaak wel vereenigen met de in nevengemeld schrijven voorgestelde dading.

Evenwel vereischt de redactie de volgende wijzigingen: Punt 1. liet is noodig behalve het terrein ook de daarop staande gebouwen te noemen; al. 1 kan dan luiden als volgt: «De gemeenle Utrecht ziet geheel al\' van elk eigendoms-of eenig ander recht op den Vrijhof en op de Kloostergangen met het terrein waarop deze zich bevinden, kadastraal bekend enz., ol\' op eenig deel daarvan, en erkent den Slaat der Nederlanden als eenigen eigenaar van die perceelen zonder eenige reserve hoegenaamd.»

In de 2de alinea ware te lezen: «een doorgang» in plaats van «den doorgang» omdat het onzeker is ol\' bij den nieuwen toestand de doorgang zal blijven uitmonden ter plaatse waar dit thans geschiedt en het denkbaar is dal die uitgang verplaatst worde.

Punt II. Ten einde het karakter van dading beter te

Ann

Rurgcmeesler en Weihouders van Utrecht.

-ocr page 116-

2

doen uitkomen, behoort niel van koop gesproken te worden. De redactie luide als volgt:

«De gemeente Utrecht staal in vollen en vrijen eigendom af aan den Staat der Nederlanden, die in eigendom aanneemt het geheele gebouw, kadastraal enz., waarin thans het Leesmuseum gevestigd is», liet overige vervalt om in een afzonderlijk art. IV behandeld te worden.

Punt III. De redactie is te vereenvoudigen, en behoort in termijnsbepaling te omvatten:

«De gemeente Utrecht verbindt zicli binnen twee jaren (na de sluiting der overeenkomst) op hare kosten tot hel tot aan den beganen grond sloopen van liet gebouw in punt II bedoeld; het zoodoende vrijkomend terrein met klinkers te bestraten en in diervoege opteleveren dat de kloostergang aan die zijde geheel open als historisch monument van hel plein zichtbaar worde».

«De opbrengst van de afbraak komt ten bate der gemeente, welke het behoorlijk onderhoud der bestrating van het vrijgekomen terrein nu en later ten haren laste neemt.»

Punt IV vervalt dan en worde vervangen door bet volgende:

«De Staat der Nederlanden verbindt zich ter uitvoering van het vorenstaande aan de gemeente Utrecht een subsidie te verleenen van f 21000.— in gedeelten uittekeeren vóór 1 Januari 1894».

Punt V blijft.

De in verband hiermede door U voorgestelde wijzigingen in de overeenkomst betreffende de stichting van een nieuw gebouw ontmoeten geen bedenking.

Gelijk ik U reeds berichtte ben ik voornemens eerlang een wetsontwerp tot verhooging van hoofdstuk V der Staats-begrooting intedienen, waarin de eerste termijn van de Rijksbijdrage ter zake der bedoelde dading zal worden opgenomen.

-ocr page 117-

20

3

De behandeling\' der vraag omtrent eventueelen afstand van het gebouwtje waarin zich de diensttrappen bevinden,

is niet urgent; het zal toch van de inrichting der plannen voor het nieuwe gebouw afhangen, of voor deze aan dit gebouwtje behoefte bestaat.

Gaarne zal ik thans een nader ontwerp der te sluiten dading overeenkomstig deze voorstellen van U ontvangen,

hetwelk ik spoedig tegemoet zie, in verband met de indiening van bovenbedoeld ontwerp van wet.

De Minister van Binnenlandsche Zaken,

(get.) DE SAVORNIN LOHMAN.

-ocr page 118-
-ocr page 119-
-ocr page 120-
-ocr page 121-
-ocr page 122-