-ocr page 1-
-ocr page 2-

/ . /Isa JÏF - quot;

I

■ /

t /? quot;i

y

W. BAX.

predikant te Zaandam,

en

F. DOM KL A NIEUWENHUIS,

lid der Tweede Kamer,

gehouden te

Z A.M,

DEBAT

tien 21stequot; Hei 1H00.

BOS amp; Co. Amsterdam.

-ocr page 3-
-ocr page 4-

DEB A. T

W. BAX,

predikant te Zaandam,

en

F. DOMELiV NIEUWENHUIS,

lid der Tweede Kamer,

gehouden

te

Z A. A N13 A. M,

/

--A

den 21sten Mei 1890. -• \'

m

TM\'m wJ

v ■* 7 i r

BOS amp; Co. Amsterdam.

-ocr page 5-
-ocr page 6-

W. B^lX.

Zeer geachte Vergadering!

Hoe het komt, dat ik op dit oogenblik hier sta, ten hoogste vereerd door de tegenwoordigheid van u allen, zal den meesten uwer wel bekend zijn. Voor hen met wie dat niet het geval is, diene de volgende korte mededeeling! Op den 13den April 1.1. heeft mijn geachte opponens in deze zelfde stad een toespraak gehouden over „De eischen der arbeiders.quot; Van die toespraak heb ik, op verzoek van de Redactie der „Zaanlandsche Courant,quot; in het nummer dier courant van den 16den der genoemde maand, een verslag geplaatst, aan welk verslag ik gemeend heb een korte kritiek te moeten toevoegen. Welnu, naar aanleiding van die kritiek\' is mij door een tweetal Zaansche socialisten verzocht, in aansluiting van het door mij geschrevene, met den heer Nieuwenhuis in het openbaar te debatteeren, een verzoek, waaraan ik geen oogenblik geaarzeld heb, te voldoen. En waarom heb ik in dezen niet geaarzeld? Beeldde ik mij soms in, dat ik als twistredenaar zou kunnen schitteren, of dat ik aan mijn opponens zou kunnen ontwringen een: „Overwonnen!quot; Natuurlijk is noch het een noch het ander het geval. Neen, dit is de zaak. Ik was overtuigd, gelijk ik het nog ben, dat eene kalme en ernstige, beurtelings uit twee verschillende standpunten voortvloeiende bespreking van een onderwerp, dat in min of meer nauw verband staat tot het allergewichtigste vraagstuk van onzen tijd, het sociale vraagstuk, goede vruchten moet afwerpen voor de vermeerderde en verhelderde kennis der waarheid, waarom het ons allen boven alles te doen is of ten minste te doen moet zijn. Bovendien koesterde ik het vertrouwen, dat het mij na samenspreking met den heer Nieuwenhuis wel zou gelukken, heden avond aan de orde gesteld te krijgen niet een zeer afgetrokken, maar een zeer practisch onderwerp, waarvan de behandeling nuttig moet zijn voor het volk, welks belang ook mij ter harte gaat. En in dat vertrouwen ben ik niet beschaamd gemaakt. Mijn geachte tegenpartij, buiten wiens weten ik tot een debat met hem was uitge-noodigd, heeft toch niet alleen dat debat aanvaard, maar ook mijn voorstel aangenomen, om daarin te spreken over „Het belang der arbeiders,quot; bepaaldelijk over deze stelling: „De aankweeking van het gemeenschapsgevoel en de boefening van zelfbeheersching, zelfverloochening, vlijt en eerlijkheid de beste weg tot behartiging van het wezenlijk belang der arbeiders.quot; Laat me terstond beproeven, die stelling uiteen te zetten!

-ocr page 7-

4

Een tal van mannen en vrouwen, van jongelingen en meisjes uit het volk, een tal van arbeiders en arbeidsters, een tal van proleta-riëers, of hoe ge hen anders noemen wilt, mogen het in onze dagen goed hebben, ook in weerwil misschien van eene niet altijd trouwe plichtsvolbrenging, naast hen zien we duizenden andere arbeiders, ook goede arbeiders, die het slecht hebben, uitnemend slecht. Ter staving dezer bewering heb ik zeker in eene vergadering als de tegenwoordige geen enkel woord in het midden te brengen. Inderdaad, ook zelfs onder de goede arbeiders van onzen tijd zijn er zeer velen, wien het ten eenen male ontbreekt aan voldoende voeding, aan voldoende kleeding, aan voldoende huisvesting en tevens aan iedere ontspanning, aan ieder genot, aan iedere gelegenheid tot ontwikkeling des geestes en die dus verkeeren in een allerellendigsten toestand, die te grootere afmetingen aanneemt, naarmate en dat geschiedt maar al te vaak, het gezin, waartoe ze behooren, zich opent voor allerlei rampspoed, als werkeloosheid, ziekte en wat dies meer zij. Met opzet stel ik hier op den voorgrond de goede arbeiders, niet ómdat het mij aan medelijden zou ontbreken met de slechte, (veeleer is natuurlijk het tegendeel het geval, want het lijden is te zwaarder naarmate de lijder het meer aan zichzelf te wijten heeft) maar omdat ik terstond een ieder den mond wensch te snoeren, die mij zou willen toeroepen: „De ellende der arbeiders is hun eigen werk, hun eigen schuld.quot; Zeker, er zijn arbeidersgezinnen, waarvan de leden zelf de daar heerschende ellende moedwillig hebben ingehaald. Maar er zijn ook arbeidersgezinnen, waar de ellende is binnen gekomen, in weerwil van het zeer oppassend gedrag en de eerbiedwekkendste krachtsinspanning hunner leden. quot;Welnu, die vreeselijke toestand, een van de bestand-deelen van het lijden, dat aan het sociale vraagstuk de geboorte heeft gegeven, mag niet voortduren om deze eenvoudige reden, dat hij niet behoeft voort te duren. De rijke aarde is rijk genoeg, om al hare kinderen, ook de wreed misdeelde stiefkinderen der fortuin, te voeden, te kleeden, te huisvesten en de daarvoor onmisbare arbeid is niet zoo overstelpend groot, dat het daarom eenig mensch zou moeten ontbreken aan ontspanning, aan genot en aan gelegenheid tot ontwikkeling des geestes. Geen wonder dus, dat er een tal van pogingen zijn aangewend en nog altijd worden aangewend, om voor de arbeiders, voor het volk een beteren toestand te doen aanbreken. En doet het volk ons denken aan een kranke, bij zijn ziekbed ziet onze verbeelding een menigte doctoren. Ongelukkig echter stemmen die artsen, hoe goed ze het ook met den patient meenen, niet met elkander overeen ten opzichte van de te volgene geneeswijze. Trouwens, dat kan ons volstrekt niet verwonderen, wanneer we slechts in aanmerking nemen, dat ze ook zeer in meening van elkander verschillen ten opzichte van den aard der pijnlijke en gevaarlijke kwaal van den te

-ocr page 8-

5

genezenen kranke. Vergis ik mij niet, dan treedt van de zich hier bevindende medicijnmeesters een drietal op den voorgrond, namelijk het Roomsch-Catholycisme, het rechtzinnige Protestantisme en de Sociaal-Democratie. \') En laat me dan maar terstond als mijn be-scheidene meening uitspreken, dat geen van hen drieën bij machte is, grondige, radicale genezing aan te brengen.

O, verstaat mij wel! Dat er onder de volgers van liet Roomsch-Catholycisme, om daarmee te beginnen, velen, zeer velen zijn, hetzij geestelijken, hetzij leeken, die met de daad toonen, dat ze onberekenbaar veel voor het volk over hebben, ik ben de eerste, die dat gaarne toestem. Hoe hartelijk ook ingenomen met do beginselen van het Moderne, d.i. mijns inziens het echte Protestantisme, ben ik toch gelukkig (oiipartijdig genoeg, om van ganscher harte aan het Roomsch-Catholycisme de hulde te brengen, waarop het in deze zoo rechtmatige aanspraak heeft. Maar dat neemt niet weg, dat datzeltde Roomsch-Catholycisme mij toeschijnt, niet krachtig genoeg te kunnen optreden in den strijd tegen de ellende der arbeiders in het algemeen, om deze zeer eenvoudige reden, dat het vóór alle dingen onvoorwaardelijke instemming eischt met eene leer, waaraan een groot deel der menschheid, een groot deel ook van de mindere standen der maatschappij voor goed is ontgroeid. En die meening durf ik staande houden, al geef ik gaarne toe, dat in de drie zendbrieven, die de thans regeerende Paus, naar aanleiding van het sociale vraagstuk heeft geschreven, namelijk over „De macht der vorsten en de bestuurders der staten,quot; „De Christelijke inrichting der statenquot; en „De mensclielijke vrijheidquot; niet weinig denkbeelden voorkomen, die de aandacht van de waarachtige vrienden des volks ten volle verdienen.

Dat geldt ook van een redevoering, die eenige weken geleden in de Vrije Gemeenten Amsterdam, op een harer debatavonden, over het sociale vraagstuk is gehouden door een uitnemend Nederlandsch Roomsch-Catholiek priester, den heer H. C. J. M. van Nispen tot Sevenaer. Overigens is het zeer opmerkelijk, hoewel met het oog op het straks gezegde volkomen verklaarbaar, dat die redevoering wel gewaagt van het werkelijk bestaan, de diep ingrijpende beteekenis en de hoogst gewichtige gevolgen van het sociale vraagstuk, maar geen antwoord geeft op de allerbelangrijkste vraag: „Hoe kan nu in de gegeven omstandigheden het belang van dat deel des volks, dat onder de maatschappelijke wanverhoudingen het meest lijdt, het best worden behartigd ?quot;

\') ïer voorkomiiig van inisverstand zij hier opgemerkt, dat uit de bovenstaande vermelding van het Koomscli-Catholycisme, het rechtzinnige Protestantisme eu de Sociaal-Democratie nog volstrekt niet volgt, dat* ik de hier niet genoemde richtingen en partijen, die de belangen der arbeiders trachten te behartigen, vergeleken wil zien bij onbekwame geneesheereii of kwakzalvers.

-ocr page 9-

6

Een zelfde oordeel als we in zake de genezing van het kranke volk over het Roomsch-Catholycisme meenden te moeten uitspreken, komt ons ook over de lippen ten opzichte van het rechtzinnige Protestantisme. Neen, niet gering is het aantal rechtzinnige Protestanten, aan wie een deel van het volk, ook zelfs een deel van het Roomsch-Catholieke volk zeer groote verplichtingen heeft. Het rechtzinnige Protestantisme heeft op het gebied der Inwendige Zending groote dingen gedaan en het doet dat nog tot op dezen dag toe. Maar het wordt toch ook weer in zijne het welzijn des volks heoogende werkzaamheid beperkt en belemmerd, omdat het evenals het Roomsch-Catholycisme vóór alle dingen de onvoorwaardelijke instemming eischt met eene levensbeschouwing, waaraan een groot deel der menschheid, een groot deel ook van de mindere standen der maatschappij voor goed is ontgroeid. Natuurlijk kunnen we er niet aan denken, thans te bespreken, wat het rechtzinnige Protestantisme in de verschillende landen, waar het iets beteekent, voor het volk tracht te doen en ook werkelijk doet. En dat zou ook onnoodig zijn. In hoofdzaak toch zal het rechtzinnige Protestantisme wel overal hetzelfde verrichten. Willen we het dus in zijn streven ten bate van het volk leeren kennen, dan kunnen we er ons veilig toe beperken, te onderzoeken, wat het in Nederland tracht te doen en ook werkelijk doet, bepaaldelijk door een zijner invloedrijkste vertegenwoordigers, het Nederlandsche Werklieden-Verbond Patrimonium. Welnu, neemt de Statuten en het Huishoudelijk Reglement van dat Verbond ter hand en ge weet, wat ge weten wilt. Bereidt u echter voor op een bittere teleurstelling! Wat toch lezen we op het titelblad? We lezen daar Spreuken 22:28: „Zet de oude palen niet terug, die uwe vaderen gemaakt hebben!quot; een woord, dat we ook aldus kunnen vertolken: „Weest eerlijk!quot; „Welnu,quot; zoo hoor ik hier en daar vragen, „krijgt ge dan bij het verder bladeren den indruk, dat Patrimonium oneerlijk is?quot; Volstrekt niet. Verre zij het van mij, dat ooit te beweren! Ik zou er trouwens ook niet den minsten grond voor hebben. Wat ik bedoel, is dit, dat het op het titelblad van Patrimonium\'s Statuten en Huishoudelijk Reglement prijkende fiere woord: „Weest eerlijk!quot; onwillekeurig de schoonste verwachting wekt aangaande de frischheid en uitvoerbaarheid der denkbeelden, die we daarin zullen aantreffen en dat aan die verwachting niet wordt voldaan. O zeker, het ontbreekt daar niet ten eenenmale aan flinke gedachten, waarmee zonder twijfel ook voor de arbeiders iets goed is uit te richten. Zoo worden bijv. in art. 2 der Statuten onder de middelen, waardoor Patrimonium zijn doel tracht te bereiken, ook genoemd: „Bevordering van theoretisch en practisch ambachtsonderwijs,quot; „Bevordering van de afschaffing van allen niet noodzakelijken arbeid op zondag,quot; „Uitbreiding van kiesbevoegdheidquot; enz. Maar ach, er is hier even rijke stof voor on-

-ocr page 10-

7

voldaanheid als voor dankbaarheid. Ik mis hier toch nog zooveel, wat ik hier voor geen prijs ter wereld gemist wil zien, bijv., om slechts dit ééne te noemen, leerplicht. Bovendien, wat is Patrimonium bang, bang om zich zelfs aan koud te branden, bang ook voor de aanwending van datgene, dat toch blijkens de geschiedenis ook voor het volk de heerlijkste vruchten heeft afgeworpen! Zoo lees ik in artikel 1 van zijn Huishoudelijk Reglement het volgende: „Alle leden, zoowel buitengewone als gewone en ook bijzondere leden en afdeelingen verbinden zich, zoo te zamen als ieder in het bijzonder, alle hun ten dienste staande, geoorloofde middelen aan te wenden, tot verbreiding der beginselen en tot bevordering van het doel des Verbonds en zijne afdeelingen, ten einde onder \'s Heeren onmisbaren zegen,quot; let wel, „het streven der revolutie worde tegengewerkt en het waarachtig geluk der maatschappij, gelegen in de erkenning van Gods quot;Woord en de heerschappij van zijn Christus, worde bevorderd.quot; Patrimonium staat alzoo vijandig over zelfs tegen het streven der revolutie, die, dit zal toch wel door niemand kunnen worden ontkend, in de eerste plaats voor het volk, voor de arbeiders onberekenbaar veel goeds heeft uitgewerkt. En om niet meer te noemen, Patrimonium gebruikt niet weinig woorden, die wel fraai klinken, maar toch bitter weinig beteekenen. Zoo lees ik bijv. in het eerste deel van artikel 3 van zijn Huishoudelijk Reglement o. a. het volgende: „Elke afdeeling verbindt zich, uit haar midden degenen te weren, die zich hetzij persoonlijk alleen of in verbinding met anderen, op eenigerlei wijze stellen tegen de door God gestelde ordeningen.quot; Dat klinkt prachtig. Maar, zooo durf ik vragen, is het ook wel iets meer dan klinkklank? Of hoe, kan het ooit bij een mensch met gezonde hersenen opkomen, zich op eenigerlei wijze te stellen tegen de ordeningen, door God, d. i. door den Almachtige gesteld? Wel kan natuurlijk de vraag rijzen, of God wil, dat de ordeningen, waarvan de vrome gelooft dat de vaststelling en handhaving in het bestuur van God zijn opgenomen geweest, ook onveranderd moeten blijven voortbestaan. En bij de overweging van die vraag kon het wel eens helder aan het licht komen, dat er onder die onder die ordeningen zijn, waarvan God de verdere handhaving ten strengste verbiedt, blijkens de duidelijkste uitspraken van het zedelijk gevoel.

Maar genoeg, om u rekenschap te geven van den indruk dien Patrimonium, staande tegenover het lijdende volk, op mij maakt, den indruk namelijk van een eerlijk, welmeenend en trouwhartig man; van een arts van veel praktijk, maar niet meer op de hoogte van zijn tijd en dan ook veel liever werkende met bloedzuigers, spaansche vliegen en andere pleisters dan met het versterkende of met het scherp snijdende staal; een aardig en gezellig prater, zijn patiënten bezig houdende met en opvrolijkende door allerlei mededeelingen.

-ocr page 11-

8

maar dientengevolge ook nu en dan gevaar loopende, vervelend te worden en zwaar op de hand.

Zulk een praatzieke, zulk een uiterst voorzichtige, zulk een ouderwetsche doctor moge nog altijd iu sommige kringen de gevierde man zijn, in andere kringen staat hij ver achter bij den jongen en voortvarenden geneesheer, die, voorzien van de prachtigste professorale getuigschriften, daareven de hoogeschool heeft verlaten en dus nog weinig ervaring bezit, maar toch met een zeer groot zelfvertrouwen in de maatschappij optreedt, de nieuwste ontdekkingen op genees-heel- en verloskundig gebied zonder aarzeling in toepassing brengt en niets liever schijnt te doen dan een druk gebruik te maken van de werktuigen die zijn keurige instrumentenkast in de rijkste verscheidenheid hem aanbiedt, op gevaar af van rijker te worden aan hoogst belangrijke waarnemingen dan aan dankbare herstelde patienten. Daaraan worden we ook thans herinnerd. Bij de legerstede van het kranke volk staat toch ook een doctor, zooals ik daar het laatst schetste en duizenden hangen aan zijn lippen en gelooven zoo zeker aan zijne schitterende bekwaamheid als ze gelooven aan hun eigen bestaan. Hoe is zijn naam? Sociaal-Democratie. Welnu, wat wil ze en welken weg meent ze te moeten bewandelen, ter verkrijging van hetgeen ze wil? De aldus gestelde vraag zal wel moeilijk kunnen worden beantwoord. Want tusschen het Sociaal-Democratisch streven hier en elders is niet weinig verschil. Beperken we daarom onzen gezichtskring! Letten we uitsluitend op de Sociaal-Democratie hier te lande, die ons natuurlijk de meeste belangstelling inboezemt en uit het Programma en de Statuten van den Sociaal-Democratischen Bond in Nederland kan worden gekend! En dan zal het wel geen tegenspraak wekken, wanneer ik beweer, dat haar ideaal is een staat van zaken, waarin aan de maatschappij, d. i. aan al hare leden de arbeidsmiddelen toebehooren en ook het gezamenlijk arbeidsproduct ten deele valt en wel bij algemeenen arbeidsplicht, volgens gelijk techt, voor een ieder naar zijne redelijkerwijze gevoelde behoefte. Heerlijk ideaal, dat den waarlijk humanen mensch in verrukking brengt en alleen den luiaard, den genotzuchtige, den onverbeterlijken egoïst weerzin inboezemt! Eén ding is maar jammer, namelijk, dat het een ideaal is, dat voorshands onmogelijk kan worden verwerkelijkt. De Sociaal-democratie is met haar recept een paar honderd, misschien wel een paar duizend jaar te vroeg gekomen. Of, wie onzer zou kunnen gelooven, dat zoo onder de menschheid, gelijk wij ze nu kennen, de Sociaal-Democratische heilstaat zou zijn verrezen, de groote meerderheid zich zou neerleggen bij de uitbetaling des loons naar den maatstaf der redelijkerwijze gevoelde behoefte, ten opzichte waarvan in geval van verschil van meening tusschen de overheid en den gewonen burger, de beslissing natuurlijk zou moeten verblijven aan eerstgenoemde? En

-ocr page 12-

9

wanneer de groote meerderheid zich niet neerlegt hij de uhhetaling des loons naar gezegden maatstaf\', dan moet er wel een hopelooze verwarring ontstaan, waarin de instandliouding eener goed geordende maatschappij volstrekt onmogelijk is. Ja, indien al de menschen engelen waren of indien die Sociaal-Democraten gelijk hadden, die beweren, dat de menschen uitsluitend datgene worden wat de omstandigheden van hen maken, dan zou de verwerkelijking van liet ideaal der Sociaal-Democratie reeds nu alleszins mogelijk zijn, of juister dan zou er geen Sociaal-Democratie zijn ontstaan, omdat er dan geen sociaal vraagstuk zou zijn opgerezen. Maar de menschen zijn nu eenmaal geen engelen en de zelfzucht en de slavernij der hartstochten verdwijnen nog niet, zoodra de noodzakelijkheid is opgeheven van den pijnlijken strijd om het bestaan.

„En toch,quot; zoo roepen de Sociaal-Democraten ons toe, „zal onze heilstaat komen, veel eerder komen misschien dan gij wel vermoedt en hoopt of vreest.quot; En de gedachte aan deze hunne prof\'ecy brengt als van zelf den weg tor sprake, dien de Sociaal-Democratie meent te moeten bewandelen, ter bereiking van haar doel. Op dat punt ondervraagd, antwoordt ze bij monde van velen harer volgers aldus : „De zaak is dood eenvoudig. Op de honderd menschen die er leven, vindt men niet veel meer dan twee kapitalisten. En die allerkrankzinnigste toestand, krachtens welken twee lui den baas spelen over achtennegentig, behoeft natuurlijk geen oogenblik langer te duren dan die achtennegentig zelf dat willen. Zoo ze zich slechts met elkander vereenigen, dan kost het hun niet de minste moeite, die twee kapitalisten aan den dijk te zetten en zonder hen, naar eigen goedvinden de zaken in te richten. Zoo slechts door alle arbeiders, door alle proletariëers gehoor wordt gegeven aan het reeds zoo dikwijls weerklonken hebbende wachtwoord:quot; „„Vereenigt u Iquot;quot; „zal de Sociaal-Democratische heilstaat van zelf verrijzen, gelijk uit den door de lentezon gekoesterden en door den lenteregen gedrenkten grond het iluweelen grastapijt en het bloemenmozaiek van zelf ontspruiten.quot; Aldus spreken sommigen van de volgers der Sociaal-Democratie. Maar anderen hunner spreken weer anders. Ja, het hoogste heil verwachten ook zij uitsluitend van de onderlinge vereeniging der arbeiders, der werklieden. „Maar dat heilquot;, zoo beweren ze, „zal moeten worden veroverd en die veroveringskrijg zal vreeselijk zijn.quot; Welnu, wie zouden in deze het dichtst bij de waarheid staan ? Mij dunkt, zonder twijfel de laatstgenoemden. De weerzin toch, dien de Sociaal-Demo-cratische heilstaat, krachtens zijn hersenschimmig karakter bij duizenden en duizenden moet opwekken, is zoo groot, dat hij slechts door strijd en wel door den felsten en bloedigsten strijd zou kunnen ontstaan. Laat het toch wezen, dat er slechts twee percent kapitalisten zijn, dan zijn er daarom nog geen achtennegentig percent roorstanders

-ocr page 13-

10

van de nieuwe orde van zaken. M. a. w., men behoeft nog geen kapitalist te zijn, om voor de zegeningen der Sociaal-Democratie beleefdelijk te bedanken en naar het zwaard te grijpen, wanneer men ons die zegeningen wil opdringen. Onder het Nederlandsche volk bijv., dat ook ik een weinig meen te kennen, onder het Nederlandsche volk, dat in de zestiende eeuw ter wille der ware vrijheid, d.i. die vrijheid, die door de orde gewaarborgd, wederkeerig de waarborg der orde is, alles heeft over gehad, alles gewaagd, alles geleden, ook honger en pest, zouden er zeker in de negentiende eeuw zeer velen zijn, die ter wille van de door de Sociaal-Democratie belaagde vrijheid ook voor den zwaarsten strijd niet zouden terugdeinzen; een strijd, die in een overwinning eindigende, voor de arbeiders in de eerste plaats de grootste ellende zou opleveren. Maar juist daarom te meer kunnen we niet alleen niet méégaan met die Sociaal-Democratie, snaar voelen we ons ook verplicht, haar te bestrijden met alle beschikbare geoorloofde wapenen. Zij jaagt een hersenschim na en om harentwil waagt ze een strijd, die in het belang der menschheid in het algemeen en der arbeiders in het bijzonder moet worden voorkomen. Zeker, in den vreedzamen kamp voor het wezenlijk belang der arbeiders kunnen we veel van haar leeren en zelfs veel van haar overnemen. Maar in de groote hoofdzaak ééne lijn met haar trekken, dat kunnen we nooit. Haar streven is het ondoelmatigste ea wanhopigste streven, dat we ons kunnen voorstellen. Het doet ons denken aan de gedragslijn der brandweer, die bij de ontdekking van watergebrek en bij den aanblik van het overal rondom zich grijpende vuur, ten einde raad, de spuiten vult met petroleum, om daarmee de vlammen te blusschen.

„Dus dan maar lijdelijk toegezien?quot; zoo vraagt wellicht deze of gene uwer. Neen, dat nooit! Trouwens, dat zou ons ook onmogelijk zijn, tenzij we in de zelfzucht stikken. „Alle man aan het werk!quot; zoo klinkt het op het op de golven der zee stampende vaartuig, vanwaar met doodelijken angst wordt opgezien naar de jagende wolken, die den naderenden storm profeteeren. „Alle man aan het werk!quot; zoo klinkt ook onze roepstem bij den aanblik van den donkeren gezichtseinder onzer dagen, die ons echter niet verschrikt, omdat we vast vertrouwen op een Hoogere Macht, een vertrouwen, dat ook een geestdriftvolle en krachtige werkzaamheid niet alleen niet uitsluit, maar zelfs veronderstelt en aanvuurt. En, heerlijke gedachte, alle man kan hier aan het werk, tot welke richting hij ook behooren moge! Voor het wezenlijk belang der arbeiders kan langs geleidelijken weg zoo onberekenbaar veel worden gedaan, zoo allen, Roomsch-Catholieken en Protestanten, rechtzinnigen en vrijzinnigen zich maar aan elkander aansluiten. En in dat groote leger, dat zich opmaakt tot een vreedzamen strijd, is zeer zeker ook plaats voor den Sociaal-Democraat, die niet moedeloos nederzit, al betreurt hij het diep, dat de tijd voor

-ocr page 14-

11

de verwerkelijking van zijn ideaal nog ver, zeer ver is verwijderd. Maar wie zich ook opmaken, om het wezenlijk belang der arbeiders te behartigen, ik kan niet anders inzien dan dat het beste, wat in deze door hen kan worden gedaan, in een oorzakelijk verband staat met de aankweeking van het gemeenschapsgevoel en de beoefening van zelfbe-heersching, zelfverloochening, vlijt en eerlijkheid. Want wateischthet wezenlijk belang der arbeiders ? Wat anders dan meer stoffelijke welvaarc en meer geestelijke ontwikkeling, dan hun tot nog toe ten deel viel? Welnu, wat kan er niet veel worden verricht, dat beiden noodwendig ten goede komt, zoo slechts het gemeenschapsgevoel wordt aangekweekt en de gezegde deugden worden beoefend! Laat alle werklieden, tot één leger vereenigd en gesteund door hun gegoede medeburgers, krachtdadig optreden tegen die werkgevers, die in waarheid als uitzuigers moeten worden gekenschetst; laat alle werklieden er naar streven, om, met inachtneming van de lessen der levenswijsheid, die niet met geleerdheid raag worden verward, zich te ontworstelen aan het slavenjuk der onmatigheid en ontucht, die niet uitsluitend de gevolgen maar ook zeer dikwijls de oorzaken zijn van hun velerlei •lijden; laat alle werklieden met elkander wedijveren in eerlijkheiden vlijt, vlijt ook in het gebruik maken van de hun zoo veelvuldig gegeven gelegenheid tot vermeerdering en verheldering hunner kennis en menige bron van ellende zal trager en menige bron van genot zal milder vloeien en het pijl hunner geestelijke ontwikkeling zal rijzen. Laat alle burgers, hetzij ze kiezer zijn of niet, niet rusten voordat „Kecht voor allenquot; het beginsel wordt, dat ook bij het maken, herzien en ten uitvoer leggen der wetten bezielt en drijft, zoodat eindelijk algemeen stemrecht, leer- en algemeene dienstplicht worden ingevoerd, de belastingen meer in evenredigheid worden gebracht met het geldelijk vermogen der burgerij en de arbeid beter dan tot nu toe het geval was, wordt geregeld naar de behoeften der maatschappij en de eischen der wetenschap en voor het volk zal een betere tijd aanbreken. Ik weet het, zelfs de beste wetten kunnen niet alles verbeteren, maar veel verbeteren, dat kunnen ze wel. Laat de invloedrijke werkgevers, de groote kapitalisten, de rijken en machtigen, diep beseffende dat het heerlijkste in hun rijkdom en macht het vermogen is om wel te doen, zich door dat besef laten leiden in hun verhouding tot de minder bedeelde leden der maatschappij, die toch even goed als zijzelf lid zijn van het groote huisgezin der menschheid en menige kreet van verontwaardiging, toorn en haat zal verstommen en plaats maken voor de uiting\' van dankbare blijdschap.

Ik sprak daar van verontwaardiging, toorn en haat en ik geef gaarne toe, dat er ook in onze dagen niet weinig geschiedt, waardoor bij de volgers van allerlei richtingen een en ander wordt -opgewekt. Maar dan is er ook een reden te meer, om zelfbeheersching een

-ocr page 15-

12

plaats te geven in de rij der deugden, waarvan de beoefening zoo innig verbonden is met het wezenlijk belang der arbeiders. Want zoo die verontwaardiging niet wordt geleid in het rechte spoor en die toorn niet wordt onderdrukt en die haat niet wordt uitgeroeid, geraken wij, volgers van verschillende richtingen, hoe langer zoo verder van elkander verwijderd, ondervinden we ook in zake het gemeenschappelijk streven in het belang der arbeiders de waarheid der spreuk: „Door tweedracht wordt de grootste kracht verlamdquot; en komen we tot het uitspreken van denkbeelden en tot het volgen van gedragslijnen, die een sterke hinderpaal zijn voor de bereiking van het doel, dat we gemeenschappelijk najagen. Wij niet-Sociaal-Democraten bijv. wij meenen verplicht te zijn, de Sociaal-Democratie te bestrijden. Maar is het nu geen dwaasheid, niet te willen erkennen, dat die Sociaal-Democratie zeer zeker ook hare lichtzijden heeft, dat er onder de door haar verkondigde denkbeelden ook de zoodanigen zijn waarmee iets goeds valt uit te richten en dat ze velen uit een zelfzuchtig slaapwandelaarsleven heeft doen ontwaken en geestelijk leven gewekt in het paleis van menigen vorst, in het kabinet van menigei staatsman, in de studeerkamer van menigen scherpzinnigen denker ? Maar ook aan de andere zijden geschieden dergelijke dingen. Gij Sociaal-Democraten, gij trilt van verontwaardiging en terecht (wij doen het ook), wanneer ge hoort van een rijkaard, die misschien zelf zóó doorvoed, dat hij om honger moet bidden, er zich niet om bekommert, dat de kinderen der door hem in armoede gedompelde werklieden van honger schreien. Maar is het nu geen dwaasheid, niet te willen erkennen, dat er toch ook veel rijken zijn, wier leven wordt geadeld door waarachtige toewijding aan het algemeen belang? Gij Sociaal-Democraten hebt zeer zeker werkgevers ontmoet, die uitzuigers verdienen te heeten. Maar is het nu geen dwaasheid, alle werkgevers over éénen kam te scheren en te veroordeelen ? Gij Sociaal-Democraten hebt zonder twijfel onder uwe tegenstanders wel eens laaghartige en onder uwe geestverwanten wel eens edele mannen ontmoet. Maar is het nu geen dwaasheid, ook hier te generaliseeren, zooals bijv. een uwer schrijvers in het „Recht voor Allenquot; van eergisteren deed, die het voorstelde, alsof al de millioenen, die op den eersten Meidag dezes jaars ten gunste van den achtuurschen werkdag hebben gemanifesteerd, in den dienst staat van waarheid en recht, ridders zijn van den heiligen geest? Gij Sociaal-Democraten hebt gewis menigmaal tot uwe diepe droefheid gezien, hoe een werkman door langdurigen arbeid werd afgebeuld. Maar is het nu geen dwaasheid, reeds thans voor een ieder een achtuurschen arbeidsdag te eischen, een eisch die in den tegenwoordigen stand der zaken onmogelijk kan worden ingewilligd ?

Of meent ge werkelijk, dat door die dwaasheden, door die malle

-ocr page 16-

13

overdrijvingen de hoofden niet op hol worden gebracht ? Ik wel en ik werd daaraan nog dezer dagen op een zeer eigenaardige wijze herinnerd. Op een mijner catechisatieën de legende behandelende der in Jozua\'s dagen stilstaande zon, kreeg ik van een der leerlingen op de vraag in hoeveel tijd de aarde om haar as draait, het volgende antwoord : „Wel in acht uur, den duur van den normalen arbeidsdag, want de aarde bedankt er hartelijk voor om in het etmaal langer te werken dan hare bewoners.quot;

Maar ik mag uw geduld niet langer op de proef stellen. Ik moet mij haasten, de slotsom mijner redeneering op te maken, waartoe ik terstond overga. Ik heb er niet aan gedacht, in staat te zijn, u den weg te wijzen, die slechts zou moeten worden bewandeld, om te geraken tot de volkomene oplossing van het sociale vraagstuk. Evenmin heb ik als mijn verwachting uitgesproken, dat binnen kort de volgers van allerlei richtingen, vergetende wat hen van elkander scheidt, de handen zullen ineenslaan, om met vereende kracht het belang der arbeiders te behartigen. Maar dit heb ik getracht aan te toonen, dat voor dat belang veel meer dan van het Roomsch-Katho-lycisme, liet rechtzinnige Protestantisme of de Sociaal-Democratie kan worden verwacht van de aankweeking van het gemeenschapsgevoel en de beoefening van zelfbeheersching, zelfverloochening, vlijt en eerlijkheid onder de volgers van allerlei richtingen. Ik weet natuurlijk zeer goed welke bedenking tegen die redeneering zal worden ingebracht, namelijk deze : „Ge verwacht dus het meeste heil van de toepassing van beginselen, waarvan de prediking reeds gedurende vele eeuwen heeft weerklonken en waarvan de beoefening bitter weinig heeft uitgewerkt om den toestand des volks te verbeteren.quot; Het eerste geef ik toe, maar het laatste ontken ik. Niet de geschiedenis der Christelijke kerk in de gewone beteekenis des woords, maar wel de geschiedenis van het Christelijke leven heeft tocli op het duidelijkst geleerd, dat door de toepassing der gezegde beginselen onberekenbaar veel goeds is geschied ten gunste van de mindere standen der maatschappij. Bovendien, zoo er ooit een tijd is geweest, die gunstig kon heeten voor de werking dier beginselen, dan is het onze tijd. Allerlei oorzaken, ook de vrees voor bloedige botsingen, dat geef ik gaarne toe, hebben de openbare meening in zake de noodzakelijkheid van de verbetering van den maatschappelijken toestand der arbeiders krachtig doen spreken. En onder den drang dier openbare meening wordt reeds veel voor hen gedaan, oneindig meer dan ooit te voren, niet in het minst in die kringen, waar men met bewondering en eerbied opziet naar Jezus, den edelsten en invloedrijksten volksvriend en er op uit is, om naar zijn voorbeeld een vriend, een helper, een medestrijder te zijn, van hen, wier strijd om het bestaan zooveel zwaarder is dan de onze.

-ocr page 17-

14

F. DOMELA. NTEUWEISTHUIS.

Na het hooren van den heer Bax werd ik onwillekeurig herinnerd aan het debat, dat ik eenige jaren geleden voerde met Ds. West-hoff te Amsterdam. Wat ik hem toeriep, nadat hij vele koncessies aan onze beginselen had gedaan, dat ben ik geneigd ook nu den heer Bax toe te voegen, waar deze hedenavond in hoofdzaak onze stellingen heeft geprezen, te weten: waarde vriend, gij zijt niet verre van het koninkrijk Gods.

Gij hebt het socialisme genoemd een prachtig ideaal. Welnu, met die erkenning kunnen wij tevreden zijn. Immers wat kan men beter doen dan te werken aan een ideaal, waarvan zelfs de zoogenaamde tegenstander moet erkennen dat het prachtig is? Maar het is onbereikbaar. Laat ons voorzichtig zijn met dergelijke uitdrukkingen. Zooveel wat in den eenen tijd onbereikbaar, onmogelijk heette, werd in een anderen wel degelijk bereikt. Ook werkt het streven naar een hoog ideaal, zelfs al twijfelt men aan het bereiken, eer veredelend dan nadeelig.

Echter ik vrees dat de heer Bax zich meer door zijn gevoel dan door het gezond verstand heeft laten leiden en dat beschouw ik als de ooi-zaak, waarom hij zoo lang heeft stilgestaan bij de methode, door de verschillende doctoren toegepast op den patient en waarom hij dientengevolge zijn eigenlijk onderwerp stiefmoederlijk heeft behandeld. In elk geval ben ik hem dankbaar voor de erkenning, dat de maatschappij een patient, een zieke is die onder behandeling van den geneesheer moet worden gesteld, ofschoon het de vraag kan wezen of wij niet het best deden de natuur als de beste heelmeesteres te laten werken.

Ik stel mij voor om den heer Bax te volgen in hetgeen hij zei en dus om eenige kantteekeningen te maken op zijn rede. Wanneer ik dientengevolge ook niet veel zeg over het eigenlijke onderwerp, dan wijt men dit niet aan mij, die antwoorden moet, maar aan den heer Bax, die er zoo weinig van zeide.

De heer Bax maakt een onderscheid tusschen goede en slechte arbeiders, maar hij erkent dat tal van proletariërs ondanks trouwe plichtsbetrachting gebrek heeft aan voeding, kleeding en woning, en buitengesloten is van alle genot, ontspanning en ontwikkeling des geestes. Voeg hierbij dat ziekte en werkeloosheid hun intrek nemen in menige woning en men zal beseffen hoe hard het lot is, dat velen te dragen hebben. Anderen zijn er, die hun toestand te danken hebben aan eigen schuld. Ik vraag of de kwestie zoo wel zuiver gesteld wordt. Onder de rubriek „eigen schuldquot; komt zooveel voor, wat toch eigentlijk daaronder niet mag worden gebracht. Of zijn geboorte en omgeving niet bepalende oorzaken, die iemand levenslang als een blok

-ocr page 18-

15

aan het been achterna slepen? Maar hoe belangrijk op zichzelf, Iaat ons daarbij niet lang stilstaan. Ik meen echter dat door die onderscheiding de zaak niet in den hartader wordt aangetast. Wij moeten de oorzaak daarvan opzoeken en onszelven de vraag voorleggen of het tegenwoordige maatschappelijke verbond wel goed is, of dit niet de gevolgen zijn van het kapitalistische stelsel. Wie is de schuldige? Het kapitalisme of de arbeider? De heer Bax geeft eigentlijk ook de schuld aan het kapitalisme, want hij zegt dat de aarde genoeg oplevert, om allen een behoorlijk bestaan te verzekeren. Dus niemand behoeft aan het noodige gebrek te lijden en geschiedt dit dus, dan is het de schuld van de gebrekkige en slechte inrichting der maatschappij, die toelaat dat enkelen zich het leeuwenaandeel toeëigenen, maar ten koste van de menigte, die daardoor gebrek moet lijden.

De slechte verdeeling van het arbeidsprodukt is dus de oorzaak der maatschappelijke wanverhouding. Wij zijn dit met elkander eens. Het grootste deel van dat produkt werd bemachtigd door de sterksten en slimsten, die zichzelven opwierpen tot de regeerende, wetten makende klasse. En toen zij genoeg hadden gestolen, vaardigden zij wetten uit, waarbij in \'t vervolg elk in de gevangenis werd gestopt, die zich vergreep van hun eigendom, dat N. door diefstal verkregen was.

Ook volgens den heer Bax is de maatschappij ziek, doodziek. Hij laat nu verschillende doktoren aan het ziekbed verschijnen en wel drie te weten: het roomsch-katholicisme, het rechtzinnig protestantisme en de sociaaldemokratie. Ik begrijp niet, waarom hij den vierden er niet bij genoemd heeft n. 1. het echte, het moderne protestantisme dat hij zelf voorstaat. Ik mag toch niet aannemen dat dit volgens den heer Bax niet tot de doktoren, maar tot de kwakzalvers behoort ! Hij beweert dat zij het allen goed met de patiente meenen. Ik neem dat zoo grif niet aan, want uit de daden moet dit blijken en daarin spiegelt zich weinig goedgezindheid af. Zeker er wordt tegenwoordig veel voor het volk gedaan, als men geloof raag schenken aan de bezit-tenden, maar wat beteekent het alles? Wordt er minder doorgeleden? Is de armoede de wereld uit te krijgen langs den weg der filantropie? Gebeurt al wat men doet, uit waarachtig medelijden dan wel uit vrees? Neen, wij kunnen geen vrede hebben met dergelijk liefdadigheids betoon, daar wij niet vragen om genade, maar om recht. Men dempt de klove niet, die gaapt tusschen bezittenden en niet-bezittenden, wanneer de eersten na zich vooraf verrijkt te hebben ten koste der tweeden uit hun overvloed een klein gedeelte afstaan aan de niet-bezit-tenden! Er is hier strijd van belangen, want de oorzaak van den overvloed van den een is de ellende vau de anderen. En zoolang deze niet is opgeheven, zal er geen beterschap komen.

Ik ben het met den heer Bax eens dat de beide eerste doktoren geen heil zullen brengen. Het volk is aan hen ontgroeid. Van mij

-ocr page 19-

16

zal men niet verwachten dat ik het voor hen opneem, maar toch zal het den voorstanders van Patrimonium hard vallen zich op zoodanige wijze te hebben hooren aanvallen op een vergadering, waar hun de gelegenheid niet verschaft wordt zich te verdedigen. Alleen dit wil ik er van zeggen. Als de heer Bax Patrimonium beschrijft als een aardigen praatvaar, dan meen ik dut te mogen betwijfelen, althans in mijn oogen is hij wel een praatvaar maar een alles behalve aardige, integendeel een zeer vervelende, die zwaar op de hand is.

De derde dokter komt er waarlijk niet het slechtste af. Hij wordt genoemd een jonge arts, die toegerust met akademische kennis en de prachtigste professorale getuigschriften op doortastende wijze het zieke lichaam wil bevrijden van zijn kwalen. Dat is inderdaad zoo. Wij trachten door te dringen tot de oorzaak van de ziekte, tot de wortel van het kwaad en zoolang deze niet is weggenomen, zoolang zal er geen beterschap mogelijk zijn. Sprekende over de sociaaldemokraten beweert de heer Bax dat de massa der 98% niet-bezittenden geen vrede zal hebben met het toekennen van een levenslot naar „redelijkerwijze gevoelde behoeftenquot;, omdat dit in strijd zou zijn met ons vrijheidsgevoel. Maar vrat praat men over vrijheid? Welke vrijheid is aan de meerderheid gegund behalve de vrijheid om van honger om te komen? Slaven van het kapitaal zijn de arbeiders, zoowel zij die met de hand als die met het hoofd werken, zoowel de mannen der wetenschap die hun verstand verkoopen voor een goed bestaan op voorwaarde van als slavendrijvers der massa dienst te doen zooals: ingenieurs, scheikundigen, hoogleeraren, enz. als zij die van de hand in den tand leven. Want dat is de reden waardoor het aan 2% mogelijk is om oppermachtig den baas te spelen over 98%. De opper-tiran, het groot-kapitaal, schept zich ondertirannen, aan wie hij een deel zijner macht afstaat op voorwaarde dat zij hem erkennen als opper-tiran. Deze doen op hun beurt hetzelfde en zoo vormen zij een piramide van handlangers, die allen de tirannie van de enkelen steunen. Zeer geestig is dit reeds uitgewerkt door een bekenden schrijver La Boëtie, die in de IGde eeuw schreef over: Een tegen allen.

De arbeider is feitelijk loonslaaf, in materieelen zin er nog slechter aan toe dan de slaven der oudheid. Nu hebben de Socialisten nooit de hulp afgewezen, die hun door anderen werd aangeboden, maar zij hechten er niet veel aan, daar op het kritieke punt al die helpers den arbeiders den rug keeren. De heer Bax hecht wel veel aan den steun der goedgezinde burgers, maar begrijpt hij dan niet, dat deze als individu machteloos staat om iets ingrijpends te doen? Onder de bestaande verhoudingen kan de werkgever niet anders wezen dan een uitzuiger, een dief in ekonomischen zin, daar hij zijn winsten opzuigt uit den arbeid van anderen. Vandaar dat hij die beschikt over het grootste aantal werkkrachten, ook de meeste kansen heeft om zich te

-ocr page 20-

17

verrijken. Op eiken arbeider verdient hij en dus hoe meer arbeiders hoe grooter verdiensten! Men neme b.v. den fabrikant Stork, het „geachtequot; eerstekamerlid en een armen arbeider die bij en met hem begon. Beiden willen wij onderstellen dat gearbeid hebben en het einde is dat de oude heer Stork, arm begonnen, leeft op een villa en behoort tot de hoogstaangeslagenen in den lande, terwijl de ander, die minstens even hard heeft gewerkt, op zijn ouden dag blij mag zijn het genadebrood te eten in een oudenmannenhuis. Hoe komt dat? Omdat de oen de arbeidskracht van anderen heeft weten op te zuigen.

„Er zijn maar drie manieren om rijk te worden, nl.: hedelen, stelen en erven. De laatste vorm valt eigenlijk onder den tweeden, daar geërfd kapitaal het produkt vertegenwoordigt van den arbeid van anderen, gestolen door de voorvaderen. Rijk worden door eigen arbeid, dat behoort tot de sprookjes, zelfs al werkt men 1G uur daags. Eko-nomische verbeteringen komen niet tot stand door zedekundige redeneeringen. Eerst de eetvraag en pas daarna de ethische vragen. Een anderen weg te bewandelen, is gelijk aan het spannen der paarden achter den ploeg. Onmatigheid en prostitutie zullen niet verdwijnen door preeken en stichtelijke blaadjes. Meer loon zal krachtiger daartegen strijden. En eerlijkheid, vlijt en goede trouw kunnen pas burgerrecht verkrijgen in de maatschappij, wanneer de bestaansvoorwaarden zoodanig zijn, dat een elk in ruil voor zijn arbeid in staat is een menschwaardig bestaan te leiden. Men klaagt over de prostitutie, maar zij is een aanhangsel van het loon, gelijk Ducpétiaux het zeer juist uitdrukte. De moderne nijverheid is de groote kweekplaats der prostitutie en hoe bloeiender zij is, hoe algemeener de prostitutie. In groote konfektie-magazijnen is het loon van naaisters f 1.80 tot ƒ 3 per week te Breslau en ƒ 3.80 tot ƒ 4.80 te Berlijn. In het noorden van Frankrijk vindt men de nevenverdiensten door de prostitutie voor de fabrieksmeisjes zoo natuurlijk, dat men, als een meisje wat vroeger weggaat, de uitdrukking bezigt: zij gaat haar 5de schoft werk doen! Zelfs is aangetoond dat bij het rijzen der loonen de prostitutie afnam. Zoozeer hangen die zaken te zamen.

Verder verklaarde de heer Bax in te stemmen met verschillende punten van het program der Sociaal-Democraten, zooals: leerplicht, dienstplicht, algemeen stemrecht, belastingen overeenkomstig de draagkracht, arbeidswetgeving op veel ruimer schaal dan nu in het laatste wetje. Maar wij willen dit niet alleen voor, maar ook door het volk. Alle hervormingen toch zijn niet van bovenaf geschonken, maar van onderop afgedwongen. Het volk heeft geen vertrouwen in het modernisme, dat de heer Bax als het echte protestantisme binnenleidt, alsof niet alle richtingen datzelfde beweren omtrent haar leer. Wat het modernisme is op kerkelijk gebied, dat is het liberalisme op politiek. En de liberale bourgeoisie, harteloos als elke bourgeoisie, voegt daar bo-

-ocr page 21-

18

vendien bij de huichelarij, zich tooiende met een mantel der liefde voor de arbeiders. En toch wat deed zij voor het volk ? Zij kwam niet verder dan de leer van het laat maar waaien, laat maar gaan, waardoor de meedogenlooze strijd om het bestaan in zijn schrilste vormen optrad en onder bet geroep van vrijheid werd nu de uitzuiging in \'t groot toegestaan. Het eerste geloofsartikel van den liberaal zoowel als van den klericaal — in dit opzicht gaan beiden broederlijk te zamen — is dit: de arbeider moet er onder worden gehouden. Vandaar dat ook alle pogingen om recht en vrijheid te verkrijgen, verstikt werden in bloed. y

Het was de liberale bourgeoisie, die — in vereeniging met de kleri-kalen overigens — in 1871 dat ontzettende bloedbad onder de arbeidersbevolking van Parijs aanrichtte, waarbij minstens 30.000 menschen meedogenloos werden vermoord. In vergelijking daarvan was de zoo beruchte Bartholomeusnacht slechts kinderspel. En toen de bourgeoisie het haar dreigend gevaar bezworen had, toen klonk het Te Deum in de kerken voor het behoud van de macht van het kapitaal en geheel de kamer betuigde haren dank aan de Versaillaansche moordenaars, die zich verdienstelijk hadden gemaakt jegens het vaderland.

Het was de liberale bourgeoisie, die zich niet ontzag ten jare 1887 te Chicago vijf onschuldigen te doen ophangen, omdat^ zij het waren die met talent en kracht aandrongen op lotsverbetering van het volk. Zulke dingen hebben wij moeten beleven in een tijd, die zich noemt de eeuw van humaniteit en beschaving! Neen, wat zij doet voor de arbeiders — en daarop laat zij zich veel voorstaan, want zij laat het overal uitbazuinen — dat gelijkt veel op het kluilje dat men den knorrenden hond toewerpt om hem stil te maken, ten einde zelf rustig en ongestoord het vleesch voor zich te kunnen behouden. En waar het aankomt op liefdebetoon, daar mag het echte, het moderne protestantisme nog wel eens in de leer gaan bij het katholicisme en het rechtzinnig protestantisme.

In zijn kritiek op mijn rede in de Zaanlandsche Courant beweerde de heer Bax, dat de toestand van de arbeiders aan de Zaan niet geleek op het beeld, dat ik gegeven had van het lot der arbeiders in het algemeen, maar door Zaandam loopende zag ik hier als elders villa\'s en groote huizen naast krotten en hutten en wie bewoonde de eersten? De heeren fabrikanten. En wie de anderen? De arbeiders. En dus hier is het als elders. De achterbuurten bevolkt door de nijvere arbeiders, die afgescheept worden met een loon, waarbij zij hoogstens het bestaan wat kunnen rekken, terwijl de fabrikanten een goed leven ervan nemen en dan nog kunnen sparen ook. Geen wonder! want hier als elders is de arbeider vervreemd van de arbeidsmiddelen en van het arbeidsprodukt, hier als elders berust de grondstof om te bewerken in handen van anderen. Die toestand zal zoo

-ocr page 22-

19

blijven, zoolang het kapitalistisch stelsel heerscht en het socialisme zal niét rusten, voordat het zoover is gekomen, dat allen die mensch zijn in de gelegenheid worden gesteld om in ruil voor hun arbeid een menschwaardig bestaan te leiden. Verzoening tusschen kapitaal en arbeid, waarover men o zoo lief weet te praten, is slechts mogelijk op één voorwaarde, n.1. dat het kapitaal, het kind van den arbeid, terugkeere in de handen van zijn rechtmatigen eigenaar, den arbeid. En zoolang dit niet geschiedt, zoolang beteekenen al de mooie woorden van zedelijkheid, beschaving, humaniteit en ontwikkeling niets. Met woorden zal men de arbeiders op den duur niet paaien en wij zullen het onze doen, om hun de oogen te openen voor de wanverhoudingen, te midden waarvan zij verkeeren, om hun te zeggen dat dit niet hoeft en dezen ook niet langer zullen voortduren, wanneer de arbeiders de handen ineenslaan, om het onderdrukkend en uitzuigend kapitalisme toe te roepen: nu is het genoeg! Door het socialisme alleen kan en zal het belang van den arbeider bevorderd worden en niets zal in staat zijn dit te belemmeren in zijn gang.

W. BAX.

Zeer zeker heb ik het ideaal der Sociaal-Democratie een prachtig ideaal genoemd. En zoo sprekende, heb ik mij even goed door mijn verstand als door mijn gevoel laten leiden. Maar is het nu inconsequent, dat ik toch weiger meê te werken aan de verwezenlijking van dat ideaal, omdat ik daarvoor den tijd nog niet gekomen acht ? Mij dunkt, volstrekt niet. Waarom zou ik niet een of ander denkbeeld van harte kunnen toejuichen en tegelijkertijd zijne dadelijke verwerkelijking onraadzaam kunnen vinden ? Die twee sluiten elkander in geenen deele uit. Ja, wanneer mijn opponeus bij machte is, te bewijzen, dat de Sociaal-Democratische heilsstaat reeds nu kan ontstaan en stand houden, dan moet ik op straffe van schromelijk inconsequent te zijn, aan zijne zijde mij scharen. Maar hij heeft dat niet bewezen, hij heeft dat zelfs niet eens beproefd. Dat is wel jammer en heeft ons evenzeer teleurgesteld als bevreemd. Reeds het streven naar zulk een bewijsvoering zou mij en al den hier aanwezigen zeker aangenamer zijn geweest dan zijne mededeelingen omtrent de communemannen van Parijs en de zoogenaamde martelaars van Chicago, hoe belangrijk die mededeelingen ook mochten zijn.

Ook geef ik gaarne gewonnen, dat ik hoogst belangrijke punten van het programma van den Sociaal-Democratischen Bond in Nederland heb overgenomen. En waarom zou ik dat ook niet? De gedragslijn volgens welke men het goede ook in de denkbeelden van den

-ocr page 23-

20

tegenstander waardeert en overneemt, schijnt me nog zoo kwaad niet toe. Ik heb ze ten minste ditmaal gevolgd, gelijk ik ze altijd hoop te volgen.

Mijn tegenpartij heeft heweerd, dat de Socialisten nooit de hulp hebben afgewezen, die hun door anderen werd aangeboden, maar er niet veel aan hebben gehecht, daar al die helpers op het kritieke punt den arbeiders den rug toekeeren. Ik neem de vrijheid, hier op te merken, dat het waarlijk geen wonder is, dat de niet-Socialisten nu en dan in een gemoedstemming geraken, waarin hun voor goed de lust vergaat, den Socialisten de behulpzame hand te bieden. In de laatste weken heb ik het twijfelachtig genot gesmaakt, „Eecht voor Allenquot; te lezen, een courant, waarin ik onder de opgaven van ingekomen giften mededeelingen heb aangetroffen als deze : „Van A. vijf cent voor een strop voor van der Zee,quot; „van B. tien cent voor de voor v. Tien, Jol. en St. bestemde gevangenisquot; enz. En dat komt voor in een courant, waarop zich de leden van den Sociaal-Democra-tischen Bond in Nederland, volgens artikel vier van de Statuten van dien Bond moeten abonneeren, indien ze het maar eenigzins kunnen betalen. Welnu, is het wonder, dat men zich voelt afgestooten door een partij, die in haar orgaan een geschrijf als het daar in herinnering gebrachte opneemt? Overigens wil ik ook hier onpartijdig zijn en quot;dus toegeven, dat „Recht voor Allenquot; nu en dan niet alleen walging wekt, maar ook hilariteit. Denkt, wat dat laatste betreft, aan de plaat van het feestnummer dier courant van den lsten Mei 1.1,! Daar staat op de plecht van het vaartuig, waarin de zich met elkander vereenigd hebbende arbeiders worden gezien, de Nemesis en reeds bij haar aanblik doet niet alleen de keizer van Duitschland maar ook de paus van Rome kopje onder. Welk een dwaasheid! Eeeds bij het zien der vereenigde en naar wraak dorstende arbeiders zou de paus terugdeinzen en zich gewonnen geven, die machtige potentaat, die zelfs een Bismark onder de knie heeft gekregen en nog altijd door millioenen Roomsch-Catholieken als koning wordt geëerd en onvoorwaardelijk gehoorzaamd! Geloove die het gelooven kan! Wij gelooven het niet.

Over de bewering van mijn opponens, volgens welke het volk geen vertrouwen heeft in het Modernisme, zal ik niet spreken. Maar wel zij het mij vergund, er nog eens aan te herinneren, dat de volgers van dat Modernisme ook bij het streven ten bate van het volk een vertrouwen koesteren op een Hoogere Macht, dat eigen werkzaamheid niet alleen niet uitsluit, maar zelfs veronderstelt en aanvuurt! Trouwens die twee, vertrouwen op God en eigen werkzaamheid behooren bij elkander en staan tot elkander in dezelfde verhouding als twee stroomen, die in elkander vloeien of twee vlammen die in elkander grijpen. Bij de uitnemendsten van ons geslacht, bij een Luther, een Paulus, een

-ocr page 24-

21

Jezus zien we dan ook vertrouwen en krachtige werkzaamheid op

het innigst en het schoonst vereenigd. Iets dergelijks toont ons ook niet zelden de geschiedenis der volken. De Nederlandsche natie der 16de eeuw, gewikkeld in den strijd met het machtige Spanje, zat niet stil, wachtte niet op wonderen, integendeel ze deed wat ze kon, maar hiervan was ze overtuigd, dat al haar werken en worstelen niet baatte, indien het niet door God werd gezegend en in dat vertrouwen schuilde de grootste kracht van dat kleine volk.

En eindelijk zij ook dit nog herinnerd, dat er onder de predikers van het Modernisme, die allen van Sociaal-Democratische zijde worden voorgesteld als te staan in den dienst van het kapitaal, niet weinigen zijn, die dien hlaam niet verdienen! Velen hunner, hoewel moetende leven van een sober tractement, dat veel kleiner is dan dat van een lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal in Nederland, hebben den moed, de waarheid, ook de meest beschamende waarheid te zeggen zoowel tegenover den rijkaard als tegenover den man uit het volk.

Ten slotte zij een woord van dank gebracht aan u allen, die mij met uwe aandacht hebt vereerd, in de eerste plaats aan den heer Nieuwenhuis, die ons wel heeft teleurgesteld, maar die zoo gaarne door ons wordt gehoord over het onderwerp als het heden avond aan de orde gestelde en met wien het mij een eer en genoegen zal zijn, in den aanstaanden winter andermaal te debatteeren, bijv. over de stelling; „Eigendom is diefstal!quot;

F. DOMEL A. NIEU WENHUIS.

Allereerst wensch ik de vriendelijke uituoodiging aan te nemen van den heer Bax, om den volgenden winter nog eens te komen debatteeren en wel over het woord: Eigendom is diefstal. Om de waarheid te zeggen ik doe dat veel liever omdat het onderwerp mij meer aantrekt als aktueel en scherp afgebakend dan het nu behandelde, dat misschien een best onderwerp is voor een preek maar door de vage omschrijving te veel aanleiding geeft tot algemeenheden.

De heer Bax heeft gezegd, dat hij voor een goed deel meegaat met de Socialisten, ja wat meer zegt, hij neemt ons geheel overgangsprogram over, want dit bestaat uit: 1°. algemeen kies- en stemrecht; 2°. leerplicht; 3°. weerplicht; 4°. progressieve inkomstenbelasting en 5°. arbeidswetten ter bescherming van de mannelijke zoowel als van de vrouwelijke arbeiders. Alleen met het doel kan hij niet meegaan, toch noemt hij het een schoon ideaal dat alleen een eeuw of wat te vroeg komt om voor verwezenlijking vatbaar te zijn. Maar dan zal het toch eenmaal komen en het is schoon daar dan den weg voor te bereiden. Intusschen moet ik opmerken dat de geheele maatschappij zich reeds beweegt in onze richting en dus het socialiseeren der

-ocr page 25-

22

arbeidsmiddelen zoo heel ver niet meer af kan zijn. Het groot-kapitaal zuigt alles op en is ome wegbereider, en ztj-n eigen doodgraver, want heeft het zijn hoogtepunt bereikt, dan valt de onrechtvaardigheid te veel in het oog, dat alle winsten door den arbeid behaald vloeien in de zakken van enkelen en dan heeft men slechts de verdeeling van het arbeidsprodnkt naar een rechtvaardigen maatstaf te regelen en we zijn klaar.

Echter dit sluit niet uit, dat de heer Bax voorloopig kan meewerken aan de verwezenlijking van die zaken, die hij met ons wenscht. quot;Wanneer ik te Amsterdam zijnde naar Alkmaar moet en de heer Bax naar Zaandam, dan gaan wij in denzelfden trein en de heer Bax stapt er te Zaandam uit, terwijl ik voortreis. Zoo kan hij ook hiermede doen. Hij is voor algemeen kies- en stemrecht, welnu hij beginne dan lid te worden van de vereeniging, die dat tot doel heeft, hij werke het volgende jaar mede om den afgevaardige voor het distrikt Zaandam, die tegen algemeen kiesrecht en tegen verschillende andere, door den heer Bax gewenschtc zaken is, te doen vervangen door een ander, die zich een voorstander betoont. Verder heb ik gehoord dat de heer Bax geen tegenstander is van de revolutie, integendeel hij getuigde van de Fransche revolutie der vorige eeuw dat zij in de eerste plaats voor het volk, voor de arbeiders onberekenbaar veel goeds heeft gedaan. Ik deel die meening niet eens, want juist den arbeiders bracht zij het minste, het was een bourgeois-revolutie, die veel vruchten heeft afgeworpen om de gegoede burgerij tot heerschappij te brengen. Ik zeg niet dat zij meer had kunnen brengen dan zij gedaan heeft — de onderstelling is reeds dwaas — maar het gaat niet aan om het voor te stellen alsof de arbeiders hun revolutie \'reeds gehad hebben en nu bezig zijn de zegeningen daarvan te genieten. Intusschen het beginsel der revolutie vindt in den heer Bax volgens eigen verklaring geen tegenstander en dus te dien opzichte staan wij tezamen op denzelfden, te weten op den revolutionairen bodem. Over de sociale revolutie heb ik niet in het bizonder gesproken, omdat deze riet een integreerend deel van ons program uitmaakt. Noemen wij ons revolutionair, dan bedoelen wij daarmede dat wij meenen dat alleen langs revolutionairen weg beterschap zal kunnen komen ten gevolge van den onwil der regeerende, bezittende klasse die stelselmatig elke hervorming weigert. Al deinzen wij dus geenszins voor de revolutie terug, men zou dwaas doen te onderstellen dat wij haar zoeken of wenschen zouden. Het hangt overigens niet van ons maar van de tegenpartij af, welke strijdmiddelen te zijner tijd zullen moeten worden aangewend.

De heer Bax schijnt ernstige grieven te hebben tegen Recht voor Allen, maar in plaats van dezen te berde te brengen, beriep hij zich op een paar motto\'s in den strijdpenning. Maar weet hij dan niet dat

-ocr page 26-

23

de strijdpenning bulten verantwoordelijkheid der redaktie staat ? Duide-delijk is dat erboven vermeld. Verder wees hij op de feestplaat in het nummer van 1 Mei, die bij hem hilariteit heeft verwekt. Nu dan heeft zij hem althans een plezierig oogenblik bezorgd en dat kan men niet van alle bladen getuigen. Maar wat is dan zoo belachelijk in die plaat? Wel dat op het zien van het vereenigd proletariaat machtige potentaten als de keizer van Duitschland en zelfs de paus kopje onder gaan. Neen, zoo wrak staat Rome althans niet, dat zelfs een Bismarck onder de knie heeft weten te krijgen. Hoe rijmt de heer Bax dit nu met zijn straks geuite meening, dat het grootste gedeelte uit het Koomsch-Catholicisme is uitgeroeid? Nu wij den paus teekenen op onze plaat, gelijk de heer Bax zich hem voorstelde volgens zijn eerste verklaring, nu is het ook al niet goed en om ons te bestrijden, spreekt hij zichzelven tegen. Neen, de macht van Rome is niet onverwinnelijk en zelfs geen macht zal stand kunnen houden tegen het socialisme. Heeft niet nu reeds de ijzeren rijkskanselier moeten zwichte voor den steeds wassenden stroom der socialistische beweging? Wat Rome niet vermocht, dat volbracht het socialisme. Maar onze plaat stelt den paus voor als de type niet van Rome alleen, maar van de kerk in het algemeen. Waren we kompleet geweest, we zouden ook de moderne dominees, de vertegenwoordigers van het echte en ware Protestantisme, een plaatsje hebben gegeven, want dezen zullen evenzeer kopje onder gaan. Troon noch altaar noch beurs zullen het op den duur kunnen uithouden tegen het socialisme en daarom men lache vrij over de door ons gegeven voorstelling, eenmaal zal dat lachen ophouden, wanneer de werkelijkheid leert dat het inderdaad zoo gaat.

Dat de modernen nog vertrouwen op een Hoogere macht, maar dat dit geloof eigen werkzaamheid niet uitsluit, integendeel veronderstelt, dat behoort tot een der vele inkonsekwenties waaraan zij zich schuldig maken. Een van tweeën toch: of die Hoogere macht heeft alles in handen en zal de zaken wel alleen afkunnen zonder behulp der menschen of wel zij heeft den bijstaud der menschen noodig maar dan krijgt men geen hoogen dunk van die macht. En beroept men zich op de geloovigen, die dat vertrouwen ten innigste verbonden aan een krachtige zelfwerkzaamheid, dan wijs ik er op hoe dit juist bewees hoe zij het niet aandurfden met vertrouwen alleen. Een Cromwell zei: bidt maar houdt uw kruit droog en voor het laatste zorgde hij het meest. Op onze kanongieterij te \'s Gravenhage staan de woorden: vigilate Deo confidentes (waakt en vertrouwt op God). Ik vind dat een merkwaardig vertrouwen. Ja, als men goede kanonnen en droog kruit heeft, dan kan men gerust wat afwachten, maar bij het rechte vertrouwen hecht men daar niet aan, want die Hoogere macht zal het wel afkunnen ook zonder droog kruit en zonder kanonnen.

-ocr page 27-

24

Ik lieb altijd het idé, dat dat vertrouwen er bij wordt gehaald voor den pronk!

De heer Bax duidt het mij ten kwade, dat ik heb voorgesteld alsof de moderne dominees allen in dienst staan van het kapitaal, maar kan hij dan ontkennen dat velen hunner — en ik zou ze bij naam kunnen noemen — de ijverigste verkiezingsagenten waren voor de liberalen ? En het liberalisme op staatkundig gebied is vrij wel hetzelfde als het modernisme op kerkelijk en godsdienstig. Als zoodanig staat het even vijandig tegenover ons. En mogen er nu enkelen gevonden worden onder hen, die het werkelijk goed bedoelen met de arbeiders, ik durf gerust verklaren dat het uitzonderingen zijn. Waar verkeeren de dominees over het algemeen? Vindt meu hen meer in de krotten der armen, waar zij niets krijgen dan jammerklachten of wel in de salons der bezittenden, die hen aan hun tafel onthalen of met hen een glas wijn drinken ? Zijn zij het die tegenover de harteloosheid der uitzuigers en de onmenschelijke behandeling der arbeiders een bestraffend en gestreng woord durven uitspreken of staan zij niet aan de zijde der werkgevers ? Nog onlangs hebben wij gezien, hoe de geestelijken zich gemengd hebben in de werkstaking te Enschede en aldaar is toch de heele boel onder den invloed van een sluwen geestelijke geheel in de war gestuurd. De arbeiders beginnen meer en meer in te zien, dat zij van die zijde niets te verwachten hebben en daarom wenden zij zich af van de kerk als een hun vijandige macht, onverschillig of zij roomsch-katholiek, rechtzinnig-protestantsch of modern heet.

Ik eindig onder dankzegging aan den heer Bax voor de welwillende wijze, waarop hij sprak in het debat en mocht het zijn, dat het ideaal, door ons hoog gehouden, te prachtig is voor de thans levende menschheid, wij zullen dan trachten haar peil zoodanig te ver-hoogen dat zij er vatbaar voor wordt en wat ik in het debat met den heer Cohen Stuart zei, dat herhaal ik ook hier: „en wanneer ten slotte onze pogingen en voorstellingen voor de toekomende maatschappij mochten blijken onbereikbaar te zijn, welnu dan hebben wij het volle bewustzijn, dat wij gedwaald hebben — elk mensch kan trouwens dwalen, wij zijn allen feilbaar — maar dan hebben wij gedwaald omdat wij gerekend hebben, dat de natuur van den mensch hooger was en niet lager ; maar dan weten wij tevens dat wij geenszins gespeku-leerd hebben op de lagere hartstochten. Wij hebben dan gedwaald omdat wij te hooge voorstelling hadden van den mensch, omdat wij meenden recht, vrede en ivelvaart te kunnen verkrijgen VOOR ALLEN. En in zulke dwalingen zullen wij ons gelukkig gevoelen, al blijkt het ook dat wij gedwaald hebben.quot;

-ocr page 28-
-ocr page 29-

Bij iltn iililjfiiiT (Itas gt;ijn nrtdt wrlirijgbaar: SÏENOüHAFISCH VERSLAG.

Openbare diskussie tussclien de II.H. Ds. A. J. WLSTHOI\' F en F. DOM KL A NI EU AV ENHU IS......Prijs 10 cent.

Mija afscheid Yamp;n de heffee

Twee toespraken van F. DOMELA NIEUWENHUIS Prijs 10 cent.

dii\'istiis in liet Vatikaan.

Vrij naar het Fransch van VICTOR HUGO . . Prijs 10 cent.j

K. A. SPECHT.

Ontwikkelings-fijeseliiedenis van liet Heelal . . . Prijs 30 cent[

Theologie en Wetenschap

oi\' Onde en Nieuwe Wereldbeschouwingen door K. A. SPECHT. Ingenaaid ... ƒ \'2.—.

1

Halflinnenband . „ 2.40.

Volksboekhandel van Iv. A. Bos, Rozengracht 137, Amsterdam.

-ocr page 30-

i -v

en nt.

gt;nt.

lnt.

ent,

-ocr page 31-