-ocr page 1-
-ocr page 2-

. iGl! . 1°

- Try.

AFSCHEIDSWOORD

VAN

B. C. J. MOSSELMANS.

TOT EEN AANDENKEN GESCHONKEN AAN DE LEDEN EN BEGUNSTIGERS

DER REMONSTRANTSCHE GEMEENTE TE GRONINGEN.

1 MAART 1891.

BIBLIOTHEEK DE* RUKSUNlVERStTEfT UTRECHT.

TE GRONINGEN BIJ J. B. WOLTERS, 1891.

-ocr page 3-
-ocr page 4-

AFSCHEIDSWOORD

VAN

I. C. J. MOSSELMANS.

TOT EEN AANDENKEN GESCHONKEN AAN DE LEDEN EN BEGUNSTIGERS DER REMONSTRANTSCHE GEMEENTE TE GRONINGEN.

MAART 1891.

TE GRONINGEN Bl.l J. B. WOLTERS, 1891.

BIBLIOTHEEK DER RIJKSUNIVERSITEIT

UTRECHT.

-ocr page 5-

Stoomdrukkerij van .). B. Wolters.

-ocr page 6-

Geliefde Gemeente !

Met diepen weemoed en innige droefenis in het liart, zet ik mij neder om een afscheidswoord tot U te richten. Gelukkig, dat ik het ten minste — al is \'t dan slechts schriftelijk — nog doen kan. Al waren mijne lichaamskrachten ook voldoende geweest, zoo zou ik mij toch niet in staat gevoeld hebben, U voor het laatst, als Uw voorganger en vriend, toetespreken; wanneer ik TJ van mijn geliefkoosd spreekgestoelte in ons vriendelijk gebouw vóór mij had gezien, ik zou, dit weet ik zeker, mijne aandoeningen niet hebben kunnen beheerschen, en dat zou voor U pijnlijk en voor mij nog bovendien nadeelig zijn geweest.

De scheiding die tusschen ons plaats heeft, is daarom vooral zoo smartelijk, omdat zij niet vrijwillig geschiedt en van weerszijden niet wenschelijk wordt geacht; neen, dat zij verre! wij zouden nog zoo gaarne eenige jaren tot elkander in dezelfde betrekking zijn blijven staan, niet waar\'? maar we worden, helaas! door droevige omstandigheden gedwongen den nauwen en innigen band te verbreken; wij waren elkander — en het is te midden van al het treurige, toch heerlijk en troostrijk dat. we het kunnen getuigen — volstrekt niet moe; wij haakten niet naar verandering; wij gevoelden hoe langer hoe meer, dat wij bij elkander behoorden; daarom viel het mij niet moeilijk voor eene beroeping naar Utrecht te bedanken (1881); wij wenschten nog vele jaren op denzelfdeu voet met elkaar te blijven verkeeren. \'t Mag echter niet zoo zijn! We moeten in het onvermijdelijke berusten en ook van deze smartelijke ervaring leeren zeggen: Gods wil geschiede!

Neen, het verwondert U niet, maar gij begrijpt het ten volle, ais ik zeg, dat ik, als tegen een berg, er tegen opzie, mijn arbeid onder U te eindigen en daarmede tevens voor goed mijne betrekking als Protestantsch godsdienstleeraar neer te leggen;

-ocr page 7-

4

eene betrekking, die ik eens met geestdrift heb aanvaard, die ik met hart en ziel steeds heb liefgehad, en die ik wederom kiezen zou als ik nu van voren af aan moest beginnen. Ja, \'t zal mij zeer veel kosten mijne geliefde gemeente, in deze schoone en goede stad Groningen, te moeten verlaten, waar ik 25 gelukkige jaren heb doorgebracht en zoowel in de Hervormde, als in onze Remonstrantsche gemeente zoo onuitsprekelijk veel goeds heb ondervonden, niet alleen in mijn ambtelijk, maar evenzeer in mijn maatschappelijk en huiselijk leven.

Dat alles is nu voor altijd voorbij 1 Nimmermeer zat zulk een benijdenswaardige toestand mijn deel worden. Maar neen, ik mag en wil niet klagen over het heden, waar zooveel stof tot danken te vmden is wegens het verleden en waar nog grond bestaat om met vertrouwen en moed de toekomst tegen te gaan. Het behoort tot mijne vurigste en schoonste wenschen, TI later nu en dan nog te ontmoeten en — al is het dan niet meer als uw voorganger- — toch als uw ouden leeraar en vriend, een enkele maal tot U het woord te kunnen voeren in onze godsdienstige samenkomsten; ik weet, dat zulks ook Uwe begeerte is. O, welk een genot zal het zijn, wanneer .... maar laat ik mij verder niet in die beschouwingen over de toekomst verdiepen!

Als vrienden van elkander gaan, dan is liet hun eene behoefte den blik nog eens achterwaarts te slaan en zich te herinneren wat ze te samen hebben doorleefd, wat ze genoten en leden, wie ze voor elkaar waren en wat ze voor elkander deden. Welnu, vóór ik II het «vaarwelquot; toeroep als uw voorganger, wil ik dat verleden voor mijn geest laten voorbijgaan en tot U laten spreken; ik wil U een en ander uit mijn 34jarigen diensttijd rnededeelen en daaruit aanleiding nemen om TI te wijzen op veel en velerlei, dat ons in de rechte stemming moet brengen wanneer de moeilijke ure der scheiding daar is. Het kan niet anders of ik zal daarbij dikwijls over mijzei ven moeten spreken; maar gij kent mij genoeg om te weten, dat zulks niet geschiedt uit aanmatiging of zelfverheffing, maar omdat het bij deze gelegenheid onmogelijk te vermijden is.

Wanneer men spreekt of leest over een merkwaardig tijdperk in «Ie geschiedenis der menschheid, zooals b.v. den bloeitijd van

-ocr page 8-

5

Athene en Rome, of de eeuw der Hervorming, of de dagen van Goethe, Schiller en Lessing, dan komt de gedachte wel eens op: «ik zou toen ook wel geleefd willen hebben.quot; Zoo ging het mij ook meermalen; maar toch gevoel ik mij dankbaar, dat ik een kind der negentiende eeuw ben en een aanmerkelijk gedeelte daarvan (1830—1891) heb doorleefd. Inderdaad, men mag getuigen: ook onze eeuw behoort tot de zeer belangrijke tijdvakken der geschiedenis, er is veel interessants in voorgevallen. Denkt eens aan de verbazend groote en diep ingrijpende veranderingen, aan den buitengewonen vooruitgang op verschillend gebied, waardoor onze tijd zich heeft gekenmerkt. Tk behoef slechts te noemen het woord: ostoomquot;. Welk een omkeering heeft deze teweeggebracht! die stoom heeft een stroom van welvaart, van voorspoed, van stoffelijken en geestelijken zegen uitgestort over de wereld en ook over ons vaderland. Korten tijd vóórdat Haarlem mijn woonplaats werd, was de eerste spoorweg in Nederland, tusschen Amsterdam en Haarlem, geopend en heb ik reeds als jongen van 10 jaar daarvan genoten. En sedert dat begin in 1839, is het spoorwegnet over ons land steeds verder uitgespreid en werden ook, al was het vrij laat, onze provincie en stad er mede begiftigd. Kunnen de vorige eeuwen ééne uitvinding aanwijzen, die zulk eene omkeering in de wereld veroorzaakt, die zulk eene toenadering der volken mogelijk gemaakt heeft en voor de toekomst nog zooveel belooft, als de toepassing van den stoom ? Neen geenszins; die eer behoort aan onzen tijd. Ik noem verder, en stip slechts aan, zonder daarover nader uitteweiden: «telegraafquot; en «telefoonquot; en ieder Uwer weet en gevoelt hoeveel ook daaraan te danken is; welnu, ook zij zijn kinderen van dezen tijd, ze hebben, in vereeniging met den stoom, wonderen verricht op \'t gebied der industrie, waarvan men vroeger zelfs niet heeft kunnen droomen.

In de periode waarop ik het oog heb (1830—91) is ook de wereldkaart aanmerkelijk gewijzigd. Ons vaderland verloor de helft zijner provinciën en zag een koninkrijk België naast zich verrijzen. Eene menigte kleine staten en vorstendommen verdwenen van het wereldtooneel en losten zich op in groote rijken; zóó kwam de éénheid van Duitschland en Italië tot stand, waardoor de Paus van Rome tevens zijne wereldlijke macht verloor,

-ocr page 9-

(i

die eeuwen lang haar schadelijken invloed had uitgeoefend. Annexatie en Emancipatie, ziedaar allerbelangrijkste verschijnselen van onzen tijd.

Het heeft ook niet ontbroken aan oorlogen, die, hoe betreurenswaard op zich zelf, gewichtige en zelfs somwijlen heilzame veranderingen hebben te voorschijn geroepen. De heftige strijd tusschen de Noordelijke en Zuidelijke Staten in N. Amerika hebben ten gevolge gehad de afschaffing der schandelijke slavernij. De oorlog tusschen Rusland en Engeland waarvan de Krim vooral het tooneel was; de strijd tusschen Pruisen en Denemarken, en, om niet meer te noemen, de Fransch-Duitsche oorlog, die de meesten onzer zich nog goed herinneren, zijn dat geene gebeurtenissen, die dit tijdperk der geschiedenis als zeer »belangrijkquot; stempelen?

Als we nu van \'t stoffelijk gebied ons begeven naar dat des geestes, dan ontmoeten we daar niet minder wat in hooge mate onze aandacht trekt en met volle recht ons dankbaar stemt, omdat we getuigen mochten zijn van veel goeds en schoons, waarop onze tijd roemen en bogen kan. Of is de wetenschap niet met reuzenschreden op hare baan gevorderd ? Heeft zij geene ontdekkingen gedaan, wier waarde niet hoog genoeg is aan te slaan? Denkt slechts aan de weldaden, die door de verbazingwekkende vorderingen der geneeskundige en voornamelijk der heelkundige wetenschap, aan de lijdende menschheid bewezen worden; de laatste maanden hebben daarvan weder welsprekende proeven opgeleverd en zóó gaat het steeds voort! Voorwaar, we mogen het wel hoog waardeeren, dat we in zulk een interessanten tijd leven en daardoor zooveel genieten kunnen wat voor de vroegere geslachten niet was weggelegd.

Ik moet echter van andere dingen gaan gewagen, die meer in onmiddelijk verband staan met de aanleiding tot het schrijven dezer regelen. Wij zullen scheiden als leeraar en gemeente; mijn arbeid onder U had ten doel: de opwekking en ontwikkeling van ons zedelijk-godsdienstig leven. En als we nu vragen: is onze tijd, zijn de jaren die ik als predikant doorleefd heb, ook merkwaardig en gewichtig te noemen als we ons begeven op zedelijk-godsdienstig en kerkelijk terrein? Wat zal dan\'t antwoord moeten zijn? Ik aarzel geen oogenblik om te verklaren, dat in dit opzicht deze eeuw tot de meest beteekenisvolle moet gerekend worden.

-ocr page 10-

7

Ik heb hel nooit betreurd, maar integendeel er mij altijd dankbaar over verblijd, dat mijn werkzaamheid als godsdienst-prediker gevallen is in een tijd, die zich heeft gekenmerkt door beweging en beroering, door zeer heftigen en aanhoudenden strijd. Ik wil slechts enkele hoofdpunten daaruit opnemen; want moest ik in de vele bijzonderheden afdalen, dan zou ik te uitvoerig moeten worden; de rijkdom der stof is schier overstelpend. Wat ridder Ulrich von Hutten getuigde van zijne dagen, de dagen der Kerkhervorming: »de wetenschappen bloeien, de geesten worden wakker, \'t is een lust om te levenquot;, dat geldt ook van het tijdvak, waarop wij thans het oog vestigen. Aan alle zijden ontwaakte het streven naar verbetering van het bestaande, naar ontwikkeling en vooruitgang, naar verheffing en veredeling van het Godsdienstig leven en naar zuivering van kerkelijke toestanden. Maar zóó ontstond er dan ook botsing tusschen de vooruitstrevenden en de behoudsmannen, tusschen oud en nieuw, tusschen orthodoxie en liberalisme. Om maar niet te gewagen van de troebelen door de zoogenaamde «Afgescheidenenquot; onder leiding van de predikanten de Cock en Scholte, in 1834 teweeggebracht, willen we liever melding maken van het optreden der Groninger godgeleerden, die den strijd aanbonden tegen de kerkleer, om in plaats daarvan »het Evangeliequot; als grondslag en richtsnoer van het godsdienstig leven op den voorgrond te plaatsen, üat was een groote stap voorwaarts! Door ons geheele vaderland heen werd de beteekenis en de invloed dier nieuwe, vrijzinnige opvatting gevoeld. Zij deed een schok gaan door de vaderlandsche kerk en maakte een eind aan de onverschilligheid en zoete rust, die er in de gemeenten maar al te veel aangetroffen werd. De «Groninger schoolquot; of zoo als latei-de naam werd; de «Evangelische richtingquot; vond vurige aanhangers en voorvechters, maar zij had niet minder felle haters en bestrijders, die haar beschouwden en schuwden als de pest; een «Groningerquot; te zijn, dat rekende men toen het toppunt van ketterij, van ongeloof en ondeugd, en men achtte het een verdienstelijk werk dezulken te vervolgen en te smaden. Ik behoef aan U, die hier te Groningen in het middenpunt der beweging hebben geleefd, niet te herinneren hoeveel er om die «Groninger schoolquot; te doen is geweest; velen Uwer hebben dat bijgewoond

-ocr page 11-

8

en anderen hebben er van hooren vertellen door ouders, bloedverwanten en vrienden. Het was een tijd van opgewekt geestelijk leven, waaraan niemand zich geheel kon onttrekken; men moest kiezen vóór of tegen. Ik heb elders gezien, hoevelen er voor de denkbeelden, die uit het Noorden tot hen kwamen, gewonnen werden en met welk een vuur en geestdrift ze die trachten ingang te doen vinden in de gemeenten. Wanneer ergens mannen als Hofstede de Groot, Rutgers van der Loeff, Meyboom en vele anderen in de godsdienstoefeningen optraden, dan was er plaats in de kerkgebouwen te kort en verdrong men elkaar om een plekje gronds te veroveren. Voorzeker, \'t was een belangrijke tijd voor Christendom en kerk, toen de kamp gevoerd werd tusscben de rechtzinnigheid der oude kerk en de vrijzinnige beginselen, die door de Groninger theologen met zooveel kracht en ijver en volharding werden voorgestaan. Ik heb gedurende rnijne dienstjaren den bloeitijd der Groninger richting aanschouwd en daarin was iets verheffends en prikkelends, maar ik ben later ook getuige geweest van haar kwijning en verval. Deze dagteekent van de opkomst der Moderne theologie en Moderne richting, die uit Duitschland, sedert het verschijnen van »het Leven van Jezusquot; door D. F. Strauss (1840), in ons vaderland begon door te dringen en zich langzamerhand baan wist te breken. Ik leerde haar voornamelijk kennen aan de Leidsche Hoogeschool en acht het een groot geluk, dat ik aan die Academie mij heb mogen voorbereiden tot mijn ambt. Eerst genoot ik daar van de lessen der ook buiten ons vaderland beroemde Hoogleeraren Bake, Kaiser , Cobet , Dozu en de Vries van wie de drie laatstgenoemden, toen nog jonge en krachtige mannen vol talent en vernuft, ons op welsprekende en boeiende wijze de resultaten van hun wetenschappelijk onderzoek mededeelden en ons liefde en belangstelling voor hun studievak wisten in te boezemen Maar nog hooger waardeer ik het, dat ik mijne theologische studiën heb mogen beginnen en voltooien aan de hand van den man, die terecht de ygt;vader der moderne richtingquot; in ons vaderland kan genoemd worden, mijn hooggeschatten en onvergetelijken leermeester Prof. I. H. Scholten. Slechts één jaar ben ik in de gelegenheid geweest, ook nog collegie te houden bij een der voortreffelijkste vertegenwoordigers onzer richting, een man op wien ons

-ocr page 12-

9

vaderland roem mag dragen, Prof. A. Kuenen, met wien ik eerst als medestudent en daarna als hoogleeraar mocht verkeeren; toch heb ik in dat ééne jaar veel van hem geleerd en bejammerde ik het te meer, niet langer van zijn uitstekend onderwijs te kunnen profiteeren. Toen ik in 1850 student werd, was Scholten nog maar enkele jaren te Leiden werkzaam en had eerst kort te voren (in 1848) zijn beroemd werk uitgegeven: »de Leer der Hervormde Kerk in hare grondbeginselen, uit de bronnen voorgesteld en beoordeeld,quot; een boek, dat verbazenden opgang en sensatie maakte en veler hoofden en harten en pennen in beweging bracht. Welk een nieuw en verrassend licht deed Scholten opgaan over allerlei gewichtige vraagstukken, die met godsdienst, Christendom en kerk in verband staan! Een nieuwe bijbelbeschouwing, een nieuwe Godsbeschouwing, een nieuwe levens-en wereldbeschouwing, een nieuwe Jezusbeschouwing, een nieuwe zondebeschouwing enz. enz. werden aan de orde gesteld. Doch het is mijn plan niet—en \'t is ook geheel onnoodig — om voor U, mijne moderne geestverwanten, uiteen te zetten, wat de moderne richting leert en wil; gij kent haar en schat haar hoog, gij hebt bij haar bevrediging gevonden voor de behoeften van uw hoofd en hart en leven; gij zijt er dankbaar voor, dat gij niet meer staat op het standpunt des gezags, maar der volle vrijheid van overtuiging — en ik ben het met U. Maar dat wij gekomen zijn tot de hoogte waarop we ons nu bevinden is niet geschied zonder veel strijd en inspanning. Wat met de Groninger richting het geval geweest is, was ook in niet mindere mate het deel der moderne zienswijze; zij heeft vele vrienden zich verworven, maar het aantal harer vijanden was en is nog veel grooter. En geen wonder! welk een revolutie heeft zij gebracht in de wereld van het denken en gelooven! Hoeveel heeft zij afgebroken en weggeworpen wat aan menigeen zoo dierbaar was en als onomstootelijke waarheid werd beleden! Hoe heeft zij met mokerslagen de muren der kerk gebeukt, zoodat deze op hare fondamenten schudde! Voorwaar, onze tijd moet, ook van wege den strijd en den grooten ommekeer door de moderne richting op godsdienstig gebied in \'t leven geroepen, een hoogst belangrijke tijd genoemd worden. Ja, strijd en nogmaals strijd! ik heb dien strijd van den beginne af aan zien opkomen, en.

-ocr page 13-

10

ik mag liet gerust getuigen, gedurende mijne dienstjaren altijd in de vooi-ste gelederen der stijdgenooten mijn plaats ingenomen. Het is aan den invloed van Scholten te danken, dat ik van ganscher harte en met vurige ingenomenheid de beginselen der moderne richting in mij opgenomen en voor hunne handhaving en verspreiding mei onverllauwden moed geijverd heb. Met groot genot denk ik steeds terug aan de heerlijke uren, die ik op Scholten\'s lessen heb doorgebracht! Met welk een vuur en overtuiging sprak hij zijne gedachten over de belangrijkste quaesties uit! hoe wist hij door zijne bezielde en bezielende voordracht onze liefde voor de heilige zaak te doen ontbranden en den hoogen ernst te doen besellën, die daarbij ons moest vervullen. Vooral zijne voordrachten over de «dogmatiekquot; en over de «geschiedenis der godsdienst en wijsbegeertequot; boeiden ons door de helderheid en tevens door den gloed, waarmede de diepzinnigste onderwerpen werden behandeld; geen wonder, dat niet alleen theologanten, maar ook vele studenten van andere faculteiten met graagte en belangstelling onder zijne hoorders zich schaarden. Groot is de invloed geweest door dezen buitengewonen man op de Academieburgers uitgeoefend. Busken Huèt heeft verklaard, zooals we in zijne uitgegeven brieven lezen, dat hij aan twee mannen het meest voor zijne vorming heeft te danken gehad, ui. aan Scholten en Potgieter; ik neem die woorden ten volle over wat Scholten betreft; ik gevoel aan hem eene onbetaalbare verplichting, en \'t is mij behoefte, nu ik aan het einde sta mijner ambtelijke loopbaan en terugzie op den afgelegden weg, mijne erkentelijkheid nogmaals uittespreken en ook op die wijze zijne nagedachtenis nog te eeren.

Toen ik predikant werd in 1856 bevond zich de moderne richting in hare eerste periode, die niet beter kan aangeduid worden dan door den naam van de critische of de afbrekende; zij hanteerde dapper het snoeimes der critiek om alles weg te snijden wat verouderd, vermolmd, versleten en stervende was; niets werd gespaard, zelfs «het allercritiekstequot; werd aan vernieuwd onderzoek onderworpen: alles ging in den smeltkroes, opdat het zuivere goud voor den dag zou komen. Het wondergeloof met al den aankleve van dien, het autoriteitsgeloof in al jdjne nuances, werden in hunne onredelijkheid en onhoudbaarheid

-ocr page 14-

11

tentoongesteld en zoo ging liet niet alles wat als de geestelijke nalatenschap van \'t voorgeslacht ons was overgeleverd. Dat velen, vooral onder de onontwikkelde, weinig denkende menigte zich hieraan ergerden en alle krachten aanwendden om wat zij hadden, te behouden en tegen de aanvallen van den machtigen vijand te beschermen, laat zich gemakkelijk begrijpen. De orthodoxen aan de ééne zijde en de Groningers aan den anderen kam grepen naar het zwaard om zoo mogelijk den booze te verslaan. Ta, ook de Groningers! Zij schrokken als \'t ware terng voor de consequentie van hun eigen beginselen; zij wilden de moderne richting niet erkennen voor hun wettig kind, \'t geen zij toch werkelijk was; zij hadden wel A gezegd, maar de R wilde hun niet over de lippen komen. Veel verwoeder en hartstochtelijker dan de rechtzinnigen gingen deze liberalen tegen de modernen te keer; door prediking en tal van geschriften werden de geloovigen gewaarschuwd voor de verderfelijke leeringen der Godloochenende en Christusverguizende modernen. De verketterden van gisteren, werden nu de ketterjagers van heden. Maar niettegenstaande al die verdachtmaking en al die bangmakerij werden toch door duizenden in ons vaderland, en daaronder de meest ontwikkelden en beschaafden, met blijdschap en dankbaarheid de nieuwe opvattingen en inzichten begroet en omhelsd; wat velen reeds lang in stilte hadden gedacht en gevoeld, werd nu openbaar en durfde men voor ieder uitspreken en verdedigen; zóó won de moderne beschouwing meer en meer veld, trots de profetiën die de tegenpartij gedurig deed hooren, dat deze «nieuwe leerquot; wel spoedig den dood zou sterven, omdat ze geen levenskracht in zich zelve bezat en onmogelijk voldoen kon aan de godsdienstige behoeften des menschen; maar zie, nog immer leeft zij krachtig en zet haren hervormen den en le venwek kenden arbeid voort!

Wat de »Evangelischenquot; verwacht en voorspeld hebben omtrent de moderne richting, dat is integendeel het lot geworden hunner eigene partij; ze hebben hun roem overleefd; een groot deel is later overgekomen tot de modernen; een ander is teruggekeerd naar het oude standpunt en heeft zich geworpen in de armen eener meer of minder gematigde orthodoxie, terwijl slechts een kleine groep aan het vroegere vaandel geheel getrouw is gebleven; en hier in Groningen — o, grillig spel van \'t lot! — hier, waar

-ocr page 15-

12

de wieg eens stond en de bakermat was van de Groningsche richting, bemerkt men zoo goed als niets meer van haar bestaan; hier, kan men zeggen, heeft zij ook haar graf gevonden.

Wanneer ik mijn predikantsleven overzie, dan heb ik rijke stof tot dank aan God voor oneindig veel voorspoed die mijn deel was. Ik mocht mijne echtgenoote, die gedurende ruim 34 jaren mij dapper ter zijde stond, mij onder den vaak drukken en moeilijken arbeid opwekte en bij de ondervinding van tegenstand en onaangename bejegening altijd bemoedigde, tot heden toe behouden. En wat mijn ambtelijke loopbaan betreft, ook daarin ondervond ik veel geluk en zegen. Toen ik de Academie verliet, was het aantal candidaten zeer groot en moest menigeen langen tijd wachten op een beroep; ik mocht dus wel bijzonder blijde en tevreden zijn, toen ik reeds vier maanden na mijn proponentsexamen tot leeraar gekozen werd in de kleine, lief gelegene gemeente te Harwene.n in den Bommelerwaard (1856). In 1859 vertrok ik van daar naar het groote dorp Assendelft in Noord-Holland en reeds in 1861 begeerde de gemeente te \'s Hertogenbosch mij als haar predikant, aan welke roepstem ik, hoe aangenaam mijn werkkring te Assendelft ook ware, meende gehoor te moeten geven; na aldaar 5 jaren te hebben gearbeid, verwisselde ik \'s Hertogenbosch met Groningen (Mei 1866) 1). Ik heb in de drie eerstgenoemde plaatsen met groot genoegen mijn taak verricht en, naar ik hoop, niet zonder vrucht vooral te Assendelft en \'s Hertogeribos;\'h, gearbeid. Ik reken het een groot voordeel dat ik in deze drie gemeenten de eerste was, die de Moderne denkbeelden aan de gemeente verkondigde; met groote belangstelling nam men daarvan kennis; het frissche der nieuwheid trok de aandacht en het kerkelijk leven werd daardoor krachtig opgewekt; ja, de geesten werden wakker, men beredeneerde en beoordeelde met vuur en opgewondenheid wat omtrent de nieuwe richting door mij in de kerk en bij voorlezingen en vergaderingen werd uitgesproken. Maar, zooals natuurlijk is, strijd en botsing konden niet uitblijven; de klove was zoo diep die het oude en nieuwe geloof van elkander scheidde; de menschelijke

\') Weinige weken daarna brak de Cholera hier hevig uit, zoodat ik reeds spoedig op treurige wijze met vele huisgezinnen kennis maakte.

-ocr page 16-

13

hartstochten kwamen daardoor in woeling en nitten zicli menigmaal op eene wijze, die niet bevorderlijk was aan de verdraagzaamheid en den ouderlingen vrede; doch dit kan nu eenmaal niet anders en de strijd moest dus aanvaard en volstreden worden. Tegenover groote sympathie, die mijn werk te \'s Hertogenhoscli genoot, stond hardnekkig en boosaardig verzet. De Roomsche geestelijkheid waarschuwde hare kudde voor de verderfelijke kettersche leer die thans gepredikt werd en strooide den leugen uil, dat die nieuwe Protestantsche leeraar ten doel had de Moeder Gods te belee-digen en de Roomsche kerk met alle machtrte bestrijden; daarom heb ik groote moeite gehad om eene zaal te huren waar ik voordrachten wenschte te houden over de Moderne Theologie; eindelijk durfde één koffiehuishouder, ofschoon Catholiek, het wagen een vertrek af te staan; maar de politie, bevreesd voor beroeringen, hield op de leesavonden een oog in \'t zijl. De rechtzinnige partij, die met leede oogen zag hoe de nieuwe opvatttng bij velen ingang vond, maar die te \'s Bosch niet groot en sterk genoeg was om alléén den kamp te voeren, riep hulp van elders in, ten einde den vijand te weerstaan en zoo mogelijk te verslaan. Zoo ontstond, wat de dagbladen toen noemden: »de Bossche bewegingquot;. Welsprekende en talentvolle mannen, zooals Ghantepie de j a Saussaye, J. H. Gunning, J. A. Schuurman en anderen traden des woensdagsavonds in de Waalsche kerk op, om de dwaalleer te bestrijden en voor de zuivere rechtzinnigheid in de bres te springen. Ik bevond mij ook telkens ouder hun gehoor en behandelde den daarop volgenden zondag voor de gemeente hetzelfde onderwerp dat die Heeren hadden besproken, doch — op mijn manier. Ik treed hierover verder in geen bijzonderheden; in de voorrede voor een «tiental leerredenenquot;, die ik in die dagen (1864) in \'t licht zond, is van deze zaak een nauwkeurig verslag gegeven; gij kunt U voorstellen, hoe deze dingen de voorstanders dei-nieuwe richting nog te meer aanvuurden en prikkelden om hun standpunt te verdedigen en mij krachtig te steunen op mijn post. Vele bewijzen van medewerking, waardeering en vriendschap vielen in die jaren in Brabants hoofdstad mij ten deel, zoodat het mij aan \'t hart ging eene gemeente, waarin ik zooveel ondervonden had te verlaten en naar het koudere Noorden te trekken, waar ik echter later niet minder warmte voor waarheid

-ocr page 17-

14

en licht ontdekte, dan in het zachtere Zuiden. Hier te Groningen behoefde ik niet den eersten stoot te geven; dank de werzaamheid van mijn vriend Jorissen, was de moderne richting hier niet nieuw meer. Het was mij een groot genot, hier weer te vinden wat ik in \'t laatste jaar slechts, te \'s Bosch had gekend: een ambtgenoot die tevens een geestverwant was, en wel zulk een! Hoe jammer, dat ons samenwerken als collega zoo kort lieeft geduurd, daar Jorissen reeds in 1868 zijne betrekking neerlegde en weinige jaren later stad en vaderland verliet, waardoor ook de vriendschappelijke en vertrouwelijke dagelijksche omgang, die steeds tusschen ons bleet\' bestaan, werd afgebroken; ik denk aan dien aaiigenamen tijd terug met innigen weemoed.

Niettegenstaande Jorissen\'s vijfjarigen arbeid was, bij mijne komst alhier, toch de kring van modernen betrekkelijk klein. Hoe voortrell\'elijk zijne prediking ook ware, ze was te ingewikkeld en te wijsgeerig, om door de groote schare te worden geschat in hare waarde en beteekenis; in dubbelen zin werd hij niet goed verstaan, daar ook zijne stem niet sterk genoeg was om de groote kerkgebouwen voldoende te vullen. Jorissen was er niet de man voor, (ook omdat hij zich niet veel in de gemeente als predikant bewoog), om de moderne richting te populariseeren; maar wél had hij een kleinen kring, meest uit de ontwikkeldste leden der gemeente, rondom zich gevormd, die hem getrouw volgden en terecht hem zeer hoogschatten en vereerden. Ik moest dus trachten aantevullen wat ontbrak en de nieuwe richting-ingang te doen vinden bij het groote publiek. Ik heb er mij altijd het best bij bevonden — en er nooit berouw over gehad, dat ik zoo deed — om terstond, wanneer ik in mijne nieuwe gemeente kwam, ronduit en onomwonden mijne overtuiging uit te spreken, somwijlen zelfs kras en scherp; dit veroorzaakte natuurlijk meermalen ergernis en toorn, maar het maakte levens, dat de gemeente en ik van den beginne af goed wisten wat we aan elkaar hadden ; zóó alleen werd de verhouding gezond en zuiver, \'t Is noodig, dat de mensch nu en dan eens geschokt en geërgerd wordt; de hardhoorende en slaperige — en zoo zijn er velen — wordt daardoor pas goed wakker en aan \'t denken en onderzoeken gebracht en dat kan niet anders dan op den duur in zijn voordeel zijn; hij leert nu inzien en gevoelen wat zonder dien schok en die ergenis

-ocr page 18-

15

voor hem verborgen zou zijn gebleven. Ik heb mij nooit laten leiden door die valsche voorzichtigheid, die ons déze overweging intluistert: ))de tijd en de menschen zijn nog niet rijp en geschikt om die waarheid te vatten en die nieuwe denkbeelden in zich op te nemen;quot; ik beaam ten volle wat Macaulay reeds heeft gezegd: »met de bewering, de tijd is er nog niet rijp voor, kan men elke gewenschte hervorming verhinderen en tegenhouden.quot; Wij moeten, als we heilig overtuigd zijn van de waarheid onzer opvatting en van de noodzakelijkheid om anderen tot inzicht dier waarheid te brengen, hen rijp en vatbaar er voor maken door open en rond, zonder eenige achterhoudendheid, zonder eenigszins te plooien en te schipperen, hun te zeggen wat we denken en gelooven en willen. Volgens die methode heb ik ook hier te Groningen aan mijn taak gearbeid; en wanneer gij herleest wat ik in mijne intreerede over dit punt heb gezegd, dan zult gij, geloof ik, moeten erkennen, dat ik aan die methode trouw ben gebleven. Gedurende de 12 jaren die ik als predikant bij de Hervormde gemeente alhier heb doorgebracht, deed ik menige ervaring op, die ten bewijze strekte, dat zeer velen met blijde ingenomenheid de moderne beschouwingen nader leerden kennen en waardeeren en met hun gansche hart de nieuwe richting volgden. Met innige dankbaarheid mag ik het erkennen, dat een zeer groote schare mijne prediking heeft gevolgd niet alleen bij de gewone godsdienstoefening, maar vooral ook toen ik in de eerste jaren van mijn verblijf alhier des zondags om de 14 dagen in eene avondbeurt onder den naam van «bijbellezingquot; achtereenvolgens de belangrijkste onderwerpen op het gebied van godsdienst, Christendom en kerk ter sprake bracht, of toen ik in het Concerthuis des winters geregeld populaire voorlezingen hield over onze moderne beginselen en opvattingen en hunne groote waarde, wanneer wij die in toepassing brengen op ons teven en streven. Dat die onverminderde belangstelling voor mij een prikkel was tot telkens hernieuwde krachtsinspanning en eene hoogst aangename aanmoediging bij mijn arbeid, behoef ik U niet te verzekeren; geen wonder, dat van weêrszijden de band, die door geestverwantschap tusschen U en mij was gelegd, hechter en sterker werd en nu ook door nadere kennismaking en de daaruit ontstane vriendschappelijke gezindheid jegens elkander,

-ocr page 19-

\\6

gedurig nauwer werd toegehaald. Maar ook hier kwamen naast de lusten de lasten, moeilijkheden en onaangenaamheden voor den dag. Menige onvriendelijke en smadelijke bejegening viel mij, zell\'s in \'t openbaar op de straat , ten deel; laster en leugen hebben nu en dan getracht mijn invloed tegen te gaan en mij verdacht te maken in anderer oog; naast een aantal schriftelijke betuigingen van instemming met mijn streven en werken en van opwekking en aanmoediging om te volharden, zou ik IJ kunnen wijzen op een niet minder groot aantal geteekende, maar meestal anonyme brieven, die van een zeer vijandigen, boozen geest getuigden en waarin mij zelfs de ergste beschuldigingen, niet van ongeloof of ketterij (dat deerde mij niet en was te verklaren) maar van onzedelijkheid en wangedrag naar \'t hoofd werden geslingerd. De tegenstand, die van een ander en beter gehalte was, dan de zoo even genoemde — ook al waren de wapenen niet altijd geestelijk en de middelen die men ter hand nam niet alle even edel en gepast — kwam van twee zijden; men zou ook in dit geval kunnen spreken van een «monsterverbondquot;, want de »orthodoxequot; partij en de «Evangelischequot;, overigens geen vrienden van elkaar, vereenigden zich waar het gold den algemeenen vijand: de modernen; ik moet tot mijn spijt verklaren — doch \'t is de volle waarheid, die ik met bewijzen zou kunnen staven, als men mij niet op mijn woord wilde gelooven — de scherpste, de vinnigste, de hatelijkste bestrijding kwam meer van den kant der Groninger partij dan der orthodoxe geloovigen; sommigen mijner ambtgenooten zelfs hebben meermalen zich over mij en mijne zienswijze, in \'t openbaar bij hunne prediking en in gesprekken met anderen uitgelaten op eene manier, die men wél van onontwikkelde, onbeschaafde menschen kon verwachten, maar niet van geletterde mannen, die bovendien met den naam van ^broeder collegaquot; mij, evenals elkaar, betitelden. Genoeg over deze onaangename herinneringen.

Toen Jorissen was afgetreden, stond ik als modern leeraar in de Herv. gemeente alléén tegenover acht anderen en in dien toestand kon natuurlijk ook geen verandering komen al kreeg ik in van Gilse , predikant bij de Doopsgezinden, een geestverwant en vriend in Groningen meer (1870). Doch in den kerkeraad bleven gelukkig nog verscheidene moderne leden onder de ouderlingen

-ocr page 20-

17

en diakenen over. Ook hierin kwam echter weldra verandering. Na de invoering van meer uitgebreid stemrecht en de daaruit voortgevloeide oprichting van een kiescoilegle, waartoe ik zelf heb medegewerkt, krachtens mijn modern beginsel, ging langzamerhand de kerkeraad om; de schuld daarvan is te wijten aan de Evangelischen. Wat toch is geschied? Toen de rechtzinnigen eene kiesvereeniging »de goede belijdenisquot; genaamd en de moderne eene onder de leus: «gelijk recht voor allenquot; hadden opgericht tot het stellen en stemmen van candidaten voor het kiescoilegle, toen hebben de Groningsche liberalen zich niet vereenigd met de modernen om te samen de overmacht der orthodoxen te breken en te zorgen, dat de verschillende richtingen behoorlijk vertegenwoordigd konden worden in den kerkeraad; neen, zij stelden de verwachting der modernen te leur; zij richtten ook eene kiesvereeniging op, getiteld »het Evangeliequot; en weldra bleek het, dat zij samengingen met de orthodoxe partij, waar het er op aankwam, om de modernen uit kiescollegie en kerkeraad te weeren En daardoor is het geschied, dat na weinige jaren alle modernen uit deze kerkelijke betrekkingen gebannen waren; maar »de Evangelischenquot; hebben niet lang genot gehad van hunne overwinning ; waarlijk \'t is vreemd, dat zij niet hebben ingezien, en zóó weinig de orthodoxe partij kenden, dat ook hun vonnis geteekend was. Toen de Hoogleeraar Hofstede de Groot mij eens zeide, dat naar zijne overtuiging, de modernen geen recht hadden om in de Herv. kerk te blijven, maar als eerlijke menschen haar moesten verlaten, antwoordde ik hem, dat zij, Evangelischen, volgens de overtuiging der orthodoxen, er evenmin in tehuis behoorden als wij en ik voorspelde hem toen — één van de weinige voorspellingen waaraan ik mij in mijn leven gewaagd heb — dat hij en de zijnen hun beurt ook wel zouden krijgen en evenals wij zouden worden uitgeworpen; \'tgeen de Hoogleeraar echter niet kon gelooven. \'t Is evenwel alzoo gebeurd. De orthodoxe partij heeft niet gerust voor dat ook de laatste der Groninger richting uit den kerkeraad was verdwenen, zoodat zij van dat oogenblik af aan de alleenheerschappij uitoefende in de kerkelijke collegiën; er was dan ook geen sprake van om, in de plaats van vertrokken of overleden predikanten, een modernen of Evangelischen voorganger te beroepen ten behoeve van het belangrijk

-ocr page 21-

18

gedeelte der gemeente, dat deze richtingen was toegedaan; en zóó is het gebleven tot op den huidigen dag! gebleven in het overigens zoo liberale Groningen! Na dit zuiveringsproces, zooals het door de tegenpartij natuurlijk werd beschouwd, bleef ik geheel alleen in den kerkeraad als moderne staan; dat ik dus niets had in te brengen en elk voorste! tot eenige wijziging ol verbetering in kerkelijke zaken, dat ik ter tafel bracht, eenvoudig werd afgestemd, maakte mijne positie alles behalve aangenaam en benijdenswaardig. En zoo was het nog in 1878. Er waren echter, behalve dat, nog andere redenen \'), die mij tot het besluit brachten — niet dan na rijp en ernstig beraad — de Herv. kerkte verlaten; doch, vóór ik een anderen werkkring ging zoeken ten einde in mijn levensonderhoud te voorzien, wilde ik nog trachten eene nieuwe gemeente op te richten, opdat ik mij zou kunnen blijven wijden aan een arbeid, die mij boven eiken anderen aantrok en waarvan ik zoo noode afstand deed. Enkele bijzonderheden daarover vindt gij vermeld in de hierachter geplaatste «korte geschiedenis van ile stichting en ontwikkeling der Remonstrantsche gemeente alhier.quot; Mijn pogen is met bijzonder gunstigen uitslag\' boven verwachting geslaagd. En dat heb ik aan U te danken mijne vrienden! Gij hebt mij niet alleen willen laten heengaan; gij hebt verklaard: «wij gaan met U, gij kunt op ons rekenen! wij zeggen de Herv. kerk vaarwel, wij willen U als onzen voorganger en den onderwijzer onzer kinderen behouden!quot; Bijna 13 jaren zijn we nu als leden der Rem. gem. met elkaar verbonden; gij noch ik hebben ooit een oogenblik spijt gehad over den gedanen stap, integendeel, ik zegen nog steeds het uur, waarin ik mijn besluit nam. Wij verheugen ons in onze groote vrijheid en onafhankelijkheid; de uitkomst heeft bewezen, dat we geen dwaas werk hebben verricht, want dat de gemeente groote levensvatbaarheid bezit en nog steeds in bloei toeneemt; wij zijn verlost van al dat geharrewar en al dat gehaspel over de leer en de vormen; van verkettering kan onder ons geen sprake zijn; een kerkelijk belijdenisschrift bezitten we niet; vrijheid en verdraagzaamheid zijn de kostelijke schatten, die in onze gemeente bewaard worden. Onze éénheid bestaat in éénheid van streven: de bevordering

\') Zie: bladz. 27.

-ocr page 22-

10

van zedelijk-godsdienstig leven. En wanneer ik nu al die jaren. die ik elders en hier heb doorgebracht overzie en als gij voor den geest ü stelt, wat en hoeveel er gedurende dat tijdperk is voorgevallen in de godsdienstige en kerkelijke wereld, zullen wij allen dan niet moeten verklaren: \'t is een hoogst belangrijk tafereel dat zich voor ons oog ontrolt, onze eeuw is rijk aan gewichtige gebeurtenissen, niet alleen op staatkundig, maatschappelijk en wetenschappelijk, maar niet minder ook op zedelijk-godsdienstig gebied? Ja, zonder twijfel; wij zegenen onzen tijd!

Wat mede onze aandacht verdient als een belangrijk verschijnsel in de jaren waarop we het oog vestigden, is de geboorte van een groot aantal «Bondenquot;, die allen ten doel hadden, godsdienstige en zedelijke belangen te behartigen; men kan onze eeuw wel de eeuw der Bonden noemen, ik vermeld slechts: den Nederl. Protestantenbond, \'t Schoolverbond, den Volksbond, den Vredebond; deze laatste is, even als meer andere, reeds na een kort bestaan overleden. Wat al genootschappen, vereenigingen, instellingen van philanthropischen aard zijn er in de laatste 25 jaren naast de reeds bestaande, verrezen! men heeft weer op andere wijze zich het lot aangetrokken van armen, weezen, ouden, onmatigen , ontuchtigen, zieken, gekwetsten, gevangenen, enz. enz. En hetzelfde verschijnsel nemen we waar op \'t gebied van handel, nijverheid, scheepvaart, landbouw, wetenschap en kunst; ook daar: maatschappijen in menigte tot bevordering van al deze gewichtige dingen. Voorzeker, onze tijd moge in menig opzicht veel te wenschen overlaten, hij heeft toch ook een grooten rijkdom van goede en heerlijke vruchten opgeleverd.

Ik heb U geschetst, in groote hoofdtrekken slechts, wat ik en velen uwer met mij, heb doorleefd en in welk eene verhouding wij tot elkaar hebben gestaan; en dan is onder de verschillende gedachten en gewaarwordingen die door die herinneringen gewekt worden, eene der eerste: een diep gevoel van dankbaarheid, dat ik eigenlijk niet genoeg onder woorden kan brengen. Hoeveel zijt gij voor mij geweest! hoeveel hebt gij voor mij gedaan! Ze zijn niet te tellen al de bewijzen van belangstelling in en waardeering van mijn arbeid, van medewerking, steun, aanmoediging, vriendschap, mij betoond en van welwillendheid en vriendelijke toegenegenheid aan mijne vrouw geschonken. Tot het laatst toe

2*

-ocr page 23-

20

hebt gij door zeer getrouwe opkomst van uwe instemming en ingenomenlieid met mijne prediking getuigenis gegeven; en welk spreker zou dat niet op lioogen prijs stellen? hoeveel te meer moest het mij dan goeddoen en bij mijn werk sterken, nu gij 25 jaar lang U zeiven daarin gelijk zijt gebleven en dus niet meer en niet maar ter wille der nieuwheid naar mijne toespraken kwaamt luisteren. Neen waarlijk, \'t waren niet alleen woorden en betuigingen van sympathie en gehechtheid; op velerlei wijze hebt gij door daden gesproken. Toen ik, nadat Jorissen een anderen werkkring had gekozen, al de zorg voor de geestelijke belangen der moderne gemeenteleden geheel alleen voor mijne rekening kreeg en dus mijn werk belangrijk werd verzwaard, schier te veel voor één paar schouders, toen zijt gij tot mij gekomen met de verzekering: «wij zullen zooveel wij kunnen, U ter zijde staan en trachten Uw moeilijke taak te verlichten en veraangenamenquot;, en bij die bemoedigende woorden voegdet gij krachtige daden; uitgaande van de stelling; »meer arbeid verdient ook meer loonquot; , hebt gij gezorgd, dat mijne geldelijke inkomsten vermeerderd werden om zoo op klinkende wijze te loonen, dat liet U ernst was met uwe opwekkende verzekeringen van trouw en sympathie. Toen ik het geluk had, mijn zilveren huwelijksfeest te vieren (Juni 1884) toen zijt gij het wederom geweest die, in vereeniging ook met anderen, die geen leden mijner gemeente waren, uwe hartelijke gelukwenschen deed gepaard gaan met een aanzienlijk geschenk, waardoor wij in de gelegenheid werden gesteld om geruimen tijd in het bekoorlijke Zwitserland door te brengen, opdat ik verfrischt en versterkt mijn werk zou kunnen hervatten. Toen ik in de laatste 2 a 3 jaren met ziekelijkheid en zwakte had te kampen, hoe oneindig veel, nooit genoeg te waardeerea deelneming, tegemoetkoming, hartelijke vriendschap is toen van Uwentwege mijn deel geweest! onder allerlei vorm uitte zich uw medelijdend vriendenhart, \'t is om nimmer te vergeten! En nu onlangs weder, nadat ik het besluit had moeten nemen om mijn emeritaat tegen i Maart aan te vragen, hoe is toen uitgekomen uwe warme toegenegenheid jegens mij en uw oprechte droefheid over den stap, dien ik helaas! doen moest en dien gij volkomen billijktet; maar meer; door met algemeene stemmen goed te keuren een voorstel namens ons bestuur U gedaan om mij

-ocr page 24-

21

een pensioen te verzekeren, waardoor ik zonder zorg aan de toekomst kon denken, hebt gij op de meest onbekrompene wijze getoond mijn levenspad te willen verhelderen en met bloemen bestrooien en zóó gedeeltelijk te vergoeden wat ik voortaan zou moeten missen; ook door deze daad hebt gij \'t mij onmogelijk gemaakt U ooit te kunnen vergeten; gij hebt een onvergankelijke gedenkzuil in mijn hart voor U opgericht. Verwondert het U, dat ik vol ben van hartelijke, innige erkentelijkheid? Ik hel) en ken geen ander woord om dat gevoel uit te spreken, dan het woord: dank, mijne vrienden! nogmaals dank, duizendmaal dank, levenslang mijn dank voor al uwe goedheid en liefde! \'t is haast om er gedrukt en benauwd onder te geraken! Neemt allen dien dank welwillend aan! ja, dat doet gij zeker.

\'t Is mij behoefte nog afzonderlijk een woord te richten tot de leden van ons bestuur met wie ik natuurlijk meer in aanraking ben geweest dan met de overige leden der gemeente. Van den beginne af tot op heden toe, heeft de uitmuntendste verstandhouding tusschen de elkaar opvolgende besturen en mij, hun voorzitter, bestaan. Wij gingen met elkander om niet op stijve, officieele wijze — daarvan waren wij allen afkeerig — maar als vrienden; geen sprake was er van pauselijkheid aan mijne zijde of van opzettelijke oppositie aan uwen kant; we bespraken en overlegden vertrouwelijk, maar tegelijk ernstig en nauwgezet, alles wat in het belang der gemeente moest en kon gedaan worden. Bij verschil van meening en inzicht wTerd nooit de goede verhouding gestoord, omdat ieders overtuiging geëerbiedigd en gewaardeerd werd. Wat mij betreft, \'t waren steeds aangename uren die ik in onze vergaderingen doorbracht en waaraan ik altijd met groot genoegen zal terugdenken. Wat zal ik, zoowel tot U, vroegere leden, als tot U, die nog zitting hebt, anders kunnen zeggen dan wederom datzelfde woord: dank, nogmaals dank? Ja, dank voor de voorkomendheid, hulpvaardigheid, ondersteuning, mij onder en bij alles beloond en waardoor gij mij de taak als voorzitter zoo gemakkelijk hebt gemaakt. Vooral in den laatsten tijd, toen mijne gezondheid zoo begon te wankelen, hebt gij alles gedaan wat in Uwe macht stond om mij van zorg en kommer te ontheffen, mij van mijn werk zooveel mogelijk te ontlasten en op andere wijze daarin te voorzien, opdat de

-ocr page 25-

22

gemeente zoo min mogelijk schade zou lijden door de rust die ik nemen moest. En wat van U allen geldt, dat is nog meer van toepassing op den secretaris en den penningmeester: hoe veel moeite heeft de eerste zich niet gegeven, wat al geschrijf heeft hij zich moeten getroosten om steeds te voorzien in de predikbeurten die moesten vervuld worden; en met hoeveel zorg en nauwgezetheid heeft de laatste de geldelijke belangen der gemeente behartigd! Dit alles is wederom voor mij rijke stof tot dank!

Onze gemeente bestaal nu bijna 13 jaar; wij mogen getuigen — en dat zegt meer — zij bloeit. Toen zij werd opgericht waren er nog velen, die volstrekt niet ingenomen waren met die nieuwe stichting en die dan ook niet wilden toetreden; zij meenden: ))die gemeente heeft geen toekomst, zij zal niet lang in stand blijven.quot; Gelukkig is die sombere voorspelling niet uitgekomen; bet is gebleken, dat de Reinonstrantsche gemeente aan bestaande behoeften voldeed; van jaar tot jaar nam het getal leden aanmerkelijk toe en kwamen ook velen tot haar over, die eerst alles behalve ingenomen waren met de zaak; en ofschoon er nog sommigen zijn die haar blijven afkeuren en anderen die om verschillende redenen niet kunnen toetreden, zoo is het toch onwedersprekelijk, dat onze gemeente thans zóó vast staat, dat er voor »te niet gaanquot; geen de minste vrees kan overblijven; zij rust op zulke hechte grondslagen, dat haar leven goed verzekerd is. Dat is niet alleen mijn werk, neen, voor het grootste deel uw werk, mijne vrienden! ik heb slechts geplant, gij hebt den akker geploegd en verzorgd, de plant verder gekweekt en tot bloei gebracht; ik heb het fondament slechts gelegd, gij, hebt krachtig daarop voortgebouwd en den arbeid voltooid, \'t Is onmogelijk geworden, dat met mijn persoon — zooals meermalen beweerd is — deze gemeente zou vallen; deze onderstelling is beleedigend voor U en voor mij.

Dat er nog slechts zeer weinige jaren noodig zijn om het vaste fonds op die hoogte te brengen, dat uit de rente van dit kapitaal het tractement van den predikant kan betaald worden en dus aan ééne der eerste voorwaarden is voldaan voor het blijvend bestaan der gemeente, dat is liw werk leden en begunstigers! Als er ééne gemeente is, die om hare offervaardigheid geprezen moet worden, dan is het de onze.

Dat daar het gebouw voor onze samenkomsten staat, zoo een-

-ocr page 26-

23

voudig, maar vriendelijk en gezellig ingericht, waarover elk spreker die hier optreedt, zoo ten hoogste voldaan zich betoont, wederom, dat is voor het belangrijkste deel uw werk; dat orgelspel en zangkoor kunnen medewerken om de stichting bij onze godsdienstoefening te verhoogen, ook dat is Uw werk; gij hebt gezorgd en blijft door milde geldelijke bijdragen zorgen, dal al deze dingen tot stand gebracht en in stand gehouden konden worden.

Dat er gegronde verwachting bestaat om binnen een kort tijdsbestek een, voor den voortdurenden bloei onzer gemeente zoo noodig, gasthuis te zien verrijzen, dat is wederom Uw werk; uwe sympathie, uwe onverflauwde mildheid hebben de moedige ondernemers in staat gesteld hun schoon en edel plan te kunnen verwezenlijken en ik ben er van overtuigd: gij zult niet ophouden uwe gaven hun te doen toekomen, vóór het doel volkomen is bereikt! Welnu, voor dit alles en nog veel meer komt U toe warme, oprechte dank!

O, wanneer ik al deze dingen mij voor den geest breng, als ik naga wat gij, geliefde gemeente, voor mij geweest zijt en gedaan hebt — want wat gij in \'t belang der gemeente deedt, reken ik ook aan mij gedaan — dan schiet mijn gemoed vol en dan springen de tranen in mijne oogen; tranen van diep gevoelde dankbaarheid, ja, maar ook tranen van innige droefenis dat ik van zulk eene gemeente, van zulke ware vrienden voor goed moet scheiden. O, wat gaat het mij aan \'t hart U te moeten vaarwel zeggen! Gelukkig, benijdenswaardig gelukkig noem ik den man, die na mij als voorganger van zulk eene gemeente en als voozitter van zulk een bestuur, hier zal werkzaam zijn! Hoe zal het mij verblijden, wanneer ik later mag bemerken, dat mijn opvolger in U en Gij in hem zult gevonden hebben, wat noodig is om zijn arbeid vruchtbaar en uwe verhouding tot elkaar zoo gelukkig en aangenaam mogelijk te doen zijn!

Nevens het gevoel van dankbaarheid wordt, bij het scheiden van U, toch nog eene andere gewaarwording in mij opgewekt, nl. een gevoel van onvoldaanheid-, niet over TJ, maar over mij zeiven. Ik besef zoo levendig, dat ik meer voor U had moeten zijn en doen dan het geval is geweest. Vooral in één opzicht ben ik veel te kort gekomen en \'t heeft mij dikwijls zoo gehinderd, dat ik te weinig aan mijne verplichting kon voldoen; ik

£

-ocr page 27-

24

bedoel daarmede: het bezoeken der leden in hunne woningen, dat toch van zooveel belang is en zoo nuttig kan zijn voor de ontwikkeling en den vooruitgang der gemeente en niet minder leerzaam en vruchtbaar voor den predikant; hoe beter zij elkaar leeren kennen, hoe meer zij deelen in eikaars lief en leed en in eikaars omstandigheden zich verplaalsen, des te gezegender kan de werkzaamheid van den leeraar voor de gemeente wezen. En als ik in gedachte de huizen waai- leden wonen rondga, dan zijn er vele gezinnen die ik slechts zelden, verscheidene zelfs die ik nooit ontmoette. Dat spijt mij meer dan ik zeggen kan; ik deed zooveel ik kon, maar veel minder dan ik zelf wenschte. Ik bid U, neem mijne verontschuldiging deswegens aan en breng als verzachtende omstandigheden in rekening: de voortdurende uitbreiding der gemeente; het groot aantal uren dat elke week aan anderen arbeid en wél voornamelijk aan het onderwijs van mijne 400 leerlingen moest gewijd worden; en mijne dikwijls gestoorde gezondheid waardoor ik vaak werd verhinderd aan mijne beste voornemens en plannen uitvoering te geven.

Hoe meer ik er over denk, dat weldra de betrekking waarin we tot elkander staan, zal worden verbroken, dat ik afscheid van U moet nemen, dat ik ook mijne geliefde leerlingen, van wie de meesten mij stof gaven tot tevredenheid en in wier midden ik mij zoo gaarne bevond, moet vaarwel zeggen, des te dieper gevoel ik door welke sterke banden ik met U vereenigd ben. Maar ik mag aan die smartelijke aandoening niet te veel toegeven. Neen, we willen liever elkaar opwekken om goeden moed te houden en het beste van de toekomst te hopen. Wij willen scheiden met de aangename herinnering van \'t geen we te samen hebben genoten en gewerkt. Met het oog op U, geliefde gemeente! mag ik zeggen wat Paulus eens getuigde: «Gij zi;t mijne blijdschap en kroon,quot; en dat andere woord: »ik heb veel roem over U!quot;

Maar valt er dan over niets te klagen? is er alleen stof tot prijzen en roemen\'? Gij zoudt mij te recht van onwaarheid en latfe vleierij beschuldigen, indien ik toestemmend antwoordde. Eene volmaakte gemeente, »eene gemeente zonder vlek of rimpelquot; zooals de Bijbel het uitdrukt, is op aarde niet te vinden. Als ik denk aan het verleden, dan komt mij ook veel voor

-ocr page 28-

25

den geest, dat afkeuring verdient, al moet ik verklaren dat er in U als gemeente in haar geheel beschouwd, meer te prijzen viel dan te laken. Zal ik opnoemen wat het is? Maar neen, ik wil bij het scheiden alles vermijden, wat eenigzins het liefelijk beeld dat mij voor oogen staat, zou ontluisteren en doen verflauwen. Bovendien ik ben mij berust, dat ik nooit geschroomd heb met ernst en vrijmoedigheid U te wijzen op verkeerdheden, fouten, zonden, die onder U aangetroffen werden en U steeds met den sterksten aandrang heb opgewekt te strijden tegen alle onverschilligheid en traagheid, tegen alles wat niet waar, niet recht, niet schoon, niet edel, niet humaan was. De moderne richting bevindt zich sedert de laatste jaren in hare tweede periode; moesten we de eerste bestempelen met den naam van de cri-tische en afbrekende, de tweede kunnen we noemen de ethische en opbouwende. Doch neen, dat is niet volkomen juist; de eerste was afbrekend maar tegelijk ook opbouwend; \'tis winst als men bevrijd wordt van iets dat onzedelijk en ongerijmd is; \'t is opbouwen, als de dwaling weggenomen en het duistere verjaagd wordt voor het licht. Critisch zullen we altijd moeten blijven. Maar willen we de tweede periode, de ethische en opbouwende noemen, dan doen we dit in dezen zin, dat het afbreken zich niet meer alleen richt op leerstelsels of begrippen en dogma\'s en vormen; dat het niet meer voornamelijk te doen is om het hoojd te zuiveren van allerlei dwaze, onhoudbare, ongerijmde voorstellingen , maar dat men meer werk maakt van de reiniging des harten en des levens; dat de rechten des gemoeds vooral in aanmerking worden genomen; dat men critiseert de beginselen die zich openbaren in de wereld, allerlei verschijnselen dieopzedelijk-godsdienstig gebied voor den dag treden; dat men tot oplossing van allerlei gewichtige quaesties die zich op verschillend levensgebied voordoen — want onze tijd is ook merkwaardig als een tijd van quaesties, denkt o a. aan de schoolquaestie en vooral de sociale quaestie — tracht te geraken en daardoor de hoogste belangen der menschheid wil behartigen. Wie onzer denkt en bekreunt zich nog om de wonderen en de godheid van Christus en de verzoening en zoovele andere leerstukken meer? Ze zijn voor ons uitgemaakt en hebben voor ons afgedaan; ze worden alleen als historische antiquiteiten beschouwd en gewaardeerd, er zijn betere dingen die onze krachten

-ocr page 29-

26

en harten vragen. Er is een belangrijker strijd te voeren dan tegen de kerkelijke orthodoxie. Den verkeerden tijdgeest, die zich openbaart in overmatig zingenot, in verfijnd zedenbederf, in grof egoïsme, in eene platte, nuchtere, prozaïsche levensbeschouwing, te bekampen; materialisme en pessimisse te doen wijken voor idealisme en algemeene menschenliefde, zooals het Christendom eischt, ziedaar de schoone taak waaraan de moderne richting hare liefde en toewijding schenken moet. Welaan, gaat ook gij, mijne vrienden! meer en meer dien weg op; zijt daarin anderen ten voorbeeld, dan zal onze gemeente tot een zegen zijn voor huisgezin en maatschappij, dan beantwoordt zij eerst aan hare verhevene roeping, dan zal haar toekomst nog veel schooner zijn dan haar heden en verleden!

Ik roep U thans mijn vaarwel! toe; gij zijt nu niet meer mijne gemeente in den vollen zin des woords; maar toch blijft gij de mijne; de nauwe betrekking en de oprechte vriendschap zullen niet vergaan. Neen, wij zullen elkaar nimmer vergeten! Wees er van verzekerd, dat mijne gedachten en gesprekken gedurig over U zullen gaan; een schat van dierbare herinneringen nemen mijne vrouw en ik mede naar onze aanstaande woonplaats; geen zondag zal er aanbreken, of ik zal in den geest mij in Uw midden verplaatsen en met U opgaan naar het gebouw, waar ik zelf zoo menigmaal tot TJ mijn woord mocht spreken. Gij zijt als \'t ware mijn hind, dat ik lief heb als den appel mijner oogen; zon ik TT dan ooit kunnen vergeten? Neen, de liefde blijft, wat ook wissele en keere, wie ook kome of ga! Vaarwel, geliefde gemeente! vaartwel, mijne vrienden! blijft ons gedenken! vaartwel, en ik voeg er hoopvol bij: tot wederziens!

Het ga U en de Uwen goed in ieder opzicht, maar vooral wat Uw geestelijk leven betreft. God zij en blijve met U en de Uwen, onder vreugd en smart, in leven en sterven! Zoo kome meer en meer ook in en door deze gemeente zijn heerlijk Koninkrijk!

-ocr page 30-

KORTE GES C H 1 E D E iN ] S

VAN BE

STICHTING EN ONTWIKKELING DER REMONSTRANTSCH-GEREFOMEERDE GEMEENTE

TE GRONINGEN. 1878 1891.

Vooral ten behoeve van de jongere leden onzer gemeente die niet, zooals de oudere, den overgang hebben medegemaakt uit de Hervormde kerk tot de Remonstrantsche Broederschap en die dus niet zóó bekend zijn met den loop der zaken in die dagen; ook met het oog op allen, die later tot onze gemeente zullen behooren wil ik een en ander vermelden wat op het ontstaan en de verdere lotgevallen dier gemeente betrekking heeft.

Toen ik het besluit genomen had om de Herv. kerk uitte-treden, en mijn ambt, dat ik in haar bekleedde, neêr te leggen, niet zoozeer om de minder aangename positie waarin ik hier te Groningen op kerkelijk terrein mij bevond, maar vooral omdat reeds sedert geruimen tijd de geheele toestand der Nederl. Herv. kerk mij tegen de borst stuitte en ik mij daarin niet op mijn plaats gevoelde, kwam het plan tot rijpheid om te trachten eene nieuwe gemeente op te richten. Ik wendde mij tot verschillende flinke, invloedrijke geestverwanten alhier, aan wie ik mijn voornemen openbaarde, met de uitnoodiging om zich met mij te vereenigen en gezamenlijk de zaak aan te vatten. Doch ik werd in mijne goede verwachting bitter teleurgesteld en stootte overal het hoofd. De een ontraadde mij tot dien stap over te gaan, omdat hij meende, dat de onderneming niet slagen zou en het dan voor mij dubbel onaangenaam zou wezen. Een ander hoopte, dat weldra de toestand in de Herv. kerk wel verbeteren zou, zoodat voor de Modernen een gunstiger toekomst te wachten was. Een derde achtte onzen tijd niet geschikt, wegens de vele onverschilligheid op godsdienstig en kerkelijk gebied, om tot nieuwe gemeentevorming over te gaan; hij twijfelde aan de offervaardigheid der modernen, om zóóveel over te hebben voor

-ocr page 31-

28

dit belang. Een vierde had er bezwaar in, zich mede aan het hoofd te stellen dezer beweging en achtte zich daarvoor (te geschikte persoon niet. Genoeg, er werden zóóvele bedenkingen geopperd, dat ik van niemand de toezegging kon verkrijgen met mij lt;le zaak op \'tgetouw te zetten. Ik achtte echter al die bezwaren niet overwegend en meende wel zóó goed de kaart van Groningen te kennen, dat ik mij vooreerst niet wilde laten afschrikken, maar bleef hopen op verwezenlijking van mijn geliefd plan.

Zelf moest ik dns geheel alleen het initiatief nemen. Tegen G April 1878 riep ik de manslidmaten, die tevens leden waren der moderne kiesvereeniging «Gelijk recht voor allenquot; tot eene vergadering op in het Concerthuis. Een groot aantal verscheen. Daar zette ik mijne denkbeelden en plannen uitvoerig uiteen en gaf daarna gelegenheid tot discussie, waarvan door sommigen gebruik werd gemaakt. Bij de vraag of men zich zou aansluiten bij de Remonstrantsche Broederschap, dan wel eene «vrije gemeentequot;, in den geest van de Amsterdamsche, wenschte op te richten, werd door de groote meerderheid om verschillende redenen de voorkeur gegeven aan de stichting eener Remonstrantsche gemeente. Het resultaat dezer samenkomst was, dat vóór het eindigen der vergadering, zich 60 personen bereid verklaarden mede te werken tot bereiking van het voorgestelde doel. Aan de Heeren G. van Milligen, L. Doornbos, H. J. Steohgers Jhz. werd opgedragen in eene volgende vergadering een grostal aan te bieden om daaruit eene commissie te benoemen die verder de stichting der nienwe gemeente zou voorbereiden. Den 14equot; April had die samenkomst plaats, die door ruim 200 personen werd bijgewoond, onder praesidium van den Heer van Milligen. Tot leden dier commissie werden gekozen de Heeren van Milligen (die echter beleefdelijk bedankte) Mr. W. de Sitter , L. Doornbos, H. J. Steghgers Jhz. , Joh. Rroese , H. Hommes , Mr. A. W. Hoeth , G. Kraus, F. Lieftinck Jr., J. H. Nuiver , Mr. J. Offerhaus, Dr. A. H. Swaagman en B. C. J. Mosselmans.

Nadat ik op 45 April andermaal mijne denkbeelden had uitgesproken en toegelicht voor eene groote schare vrouwen, werden door de benoemde commissie tot haai- voorzitter, vice voorzitter, secretaris en penningmeester benoemd de H.H. de Sitter , Swaagman, Steghgers en Hommes. Verder werd besloten, dat

-ocr page 32-

29

de commissie op 18, 19 en 20 April iti liet Goucerthuis zitting zou houden tot het inschrijven van allen, die zich zouden aanmelden als leden en begunstigers der op te richten gemeente (waartoe zij in de dagbladen onzer stad werden opgeroepen) en tevens te verklaren hoeveel zij geldelijk wilden bijdragen. En zie, de uitkomst was verrassend en boven verwachting gunstig! Op de bepaalde dagen hadden zich 453 personen (mannen en vrouwen) als leden en 276 als begunstigers aangegeven, die te zamen hadden geteekend voor eene sorn van / 3433 als jaarlijksche bijdragen en voor / 764 ten behoeve van het «vaste fonds.quot;

Dit schoone begin verhoogde den moed en den ijver en deed de vrees voor mislukking voor goed verdwijnen. De hoop is niet beschaamd geworden! Steeds groeide het getal leden aan en werd daardoor ook de financieele zijde der zaak gunstiger. Thans telt de gemeente ongeveer 1100 leden en ruim 300 begunstigers en is het «vaste fondsquot; gestegen tot een kapitaal van ruim /50000; nog / 10000 is er noodig, en — het doel waarmede dit fonds werd gesticht, is bereikt. Ik behoef geen woorden bij deze cijfers te voegen; zij zijn welsprekend in zich zelve!

Nadat alzoo de eerste grondslagen der gemeente gelegd waren, werd de zaak ter kennis gebracht van de «Commissie tot de zaken der Remonstrantsche Broederschap,quot; met verzoek de nieuwe gemeente te Groningen als eene der hare te erkennen. Op den 4«quot; Juni 1878 werd door de Algeineene Vergadering te Amsterdam met veel ingenomenheid de gemeente te Groningen in de Broederschap opgenomen en als nieuwe gemeente hartelijk begroet, terwijl den 24en Juni \'s lands regeering de gemeente erkende. Het eerste wat nu te doen stond, was de keuze van een kerkeraad, zooals toen de benaming nog luidde. De leden der gemeente, vrouwen zoowel als mannen, werden tot eene algeineene vergadering opgeroepen (22 Juni) waarin de commissie die tot nu toe de zaken geleid had, onder hartelijke dankbetuiging voor hare vele bewezene diensten, ontslagen werd en tot leden van den eersten kerkeraad gekozen werden de Heeren:

Dr. A. H. Swaagman, H. J. Steghgers Jhz., Mr. A. W. Hoeth, Jkhr. Mr. M. A. de Savornin Lokman , Mr. J. Offerhaus, G. van Milligen, Prof. H. E. Moltzer, Jkhr. Mr. W. J. Qüintus, J. van Hettinga Tromp, G. Kraus, J. Ph. Nuiver en P. Wiersema.

i

-ocr page 33-

30

In de plaats der H.H. Moltzer en van Milligen, die bedankten en van den Heer Lohman , die eenigen tijd daarna wegens voortdurende ongesteldheid zijn ontslag moest nemen, werden later benoemd: de H.H. Th. Niemeijer, L. Doornbos en H. Smith; de kerkeraad koos uit zijn midden, naast den predikant, die als zoodanig voorzitter is, tot secretaris den Heer Steghgers en tot penningmeester den Heer Oeferhaus (van deze zijn overleden de H.H. Swaagman , Lohman en Nuiver en uit de voorbereidende commissie de H.H. de Sitter en Rroese). Den 28en Juni werd ik in eene vergadering der leden met algemeene stemmen tot predikant der gemeente beroepen, op een tractement van / 3000, (iaaronder begrepen de rijkstoelage, die later op / 600 werd vastgesteld, welke benoeming dankbaar door mi] aangenomen en kort daarna door de Broederschap goedgekeurd werd. Zoo was dan nu de gemeente gevestigd en georganiseerd, en moest zij alleen nog ingewijd en door mij de intreerede gehouden worden, eer alles geheel zijn beslag had verkregen. Deze plechtigheid had plaats op Zondag, 28 Juli 4878 in het Luthersche kerkgebouw dat met de meeste welwillendheid en vrijgevigheid ons was afgestaan. Prof. C. P. Tiele, die met Dr. J. W. Bok dooi\' de Broederschap was afgevaardigd, hield de inwijdingsrede, waarna ik mijn werk als predikant der nieuwe gemeente aanvaardde (beide toespraken zijn in \'t licht gegeven).

Thans moest de gelegenheid worden gezocht om onze godsdienstoefeningen te kunnen houden, zoolang we nog niet in \'t bezit waren van een eigen gebouw. Voorloopig behielpen we ons met de groote zaal in het Goncerthuis, totdat we, na langdurige onderhandelingen, de beide gasthuiskerken van de voogdijen tegen eene jaarlijksche huur van / 500 voor elk, in gebruik ontvingen en in September daarheen uit het Concerthuis verhuisden. Voor de inleiding van nieuwe leden werd telkens de Luthersche en voor de bediening van het Avondmaal op Goeden Vrijdag, de Doopsgezinde kerk voor ons bereidvaardig opengesteld, terwijl de doopsbediening éénmaal in de maand in de gasthuizen plaats vond, eerst vóór, maar later na atloop der godsdienstoefening. Intusschen was er ook een collegie van Gollectanten benoemd, dat met de meeste bereidwilligheid voor de inzameling der giften zorgde. Al meer en meer deed zich de behoefte ge-

-ocr page 34-

31

voelen aan een eigen gebouw, de gasthuiskerken voldeden in menig opzicht niet aan de wenschen der gemeenteleden, zoodat al spoedig allerlei pogingen in \'1 werk werden gesteld om eene betere gelegenheid te vinden. Eerst in September 1882 gelukte het een geschikt terrein aan den Zuiderbinnensingel te koopen, waarna zoo spoedig mogelijk tot de aanbesteding werd overgegaan. In eene 4 pets. geldleening werd door leden, begunstigers en anderen deelgenomen tot een bedrag van / 66000; onze hoop om / 75000 te kunnen bekomen, werd teleurgesteld, zoodat het gebouw eenigszins kleiner moest uitvallen, dan op het oorspronkelijke plan was aangegeven. Door den aannemer ü. Edzards, onder toezicht van den Heer Raammaker werd de bouw ondernomen en naar wensch voltooid. De inwijding van het gebouw had plaats op den 11 on Nov. 1883. Bij die gelegenheid deed zich voor het eerst het zangkoor hooren, dat eenigen tijd te voren door de bemoeiingen van het Collectantengezelschap was opgericht, onder leiding van den Heer J. H. Bekker. Tevens werd op dien dag de liederenbundel, door den Protestantenbond uitgegeven, in gebruik genomen, en het rythmisch zingen door de gemeente, voorgegaan en gesteund door het koor, ingesteld. Nu ontbrak nog een orgel. Maar ook dit liet niet lang meer op zich wachten. Reeds den 1™ Juni 1885 deed het zich voor de eerste maal hooren en strekte den vervaardigers (de H.H. van Oekelen) tot eer. Het werd bij die gelegenheid bij afwisseling bespeeld door Jkhr. Mr. S. W. Trip, die gedurende 8 jaren geheel belangeloos in de gasthuizen het gezang onzer gemeente met orgelspel had begeleid, en door den tot organist benoemden Heer J. H. van Denderen, die van dien dag af op uitnemende wijze die betrekking vervult. Over het door H.H. Collectanten opgevatte plan tot stichting van een gasthuis, gelieve men te zien wat op bladz. 22 vermeld staat.

Nog ééne bijzonderheid blijft ter mededeeling over. In het jaar 1879 werd door de groote vergadering der Broederschap, het Algemeen Reglement aan eene belangrijke Herziening onderworpen, die ook werkelijk dringend noodig was. Behalve vele kleine wijzigingen, b.v. dat voor de benaming »Kerkeraadquot; in de plaats gesteld werd het woord ^Bestuurquot; kwamen er zeer belangrijke veranderingen tot stand; eene der gewichtigste was

-ocr page 35-

32

deze, dat, behoudens onderwerping aan enkele, voor alle gemeenten geldende bepalingen, meest van administratie ven en fmancieelen aard, elke gemeente voor zelfstandig werd verklaard, zoodat zij hare belangen kan behartigen en hare zaken kan regelen geheel naar eigen goedvinden. Dit echt liberale beginsel is geheel in overeenstemming met den Remonstrantschen geest en kan niet anders dan gunstig werken. Ik heb, zoodra ik de gelegenheid geschikt rekende om die verleende zelfstandigheid in toepassing te brengen, daarvan gebruik gemaakt. In overleg met het bestuur wenschte ik aan de gemeente voortestellen den Doop en het Avondmaal niet meer te doen plaats hebben. Ten einde de leden in staat te stellen over dit voorstel ernstig hunne gedachten te laten gaan, gaf ik hun kennis, dat ik op twee achtereenvolgende zondagen toespraken zou houden over de redenen die mij bewogen voortestellen de bediening van Doop en Avondmaal op te helTen. Op den 12en en ifM October 4884 gaf ik daaraan gevolg en zette voor eene groote schare mijne gedachten en overtuigingen over deze verouderde en met onze moderne opvatting strijdige vormen uiteen. Den 6en Nov. daaropvolgende werd dit punt in eene Algemeene Vergadering der leden, namens het bestuur aan de orde gesteld en aan ieder gelegenheid gegeven zijne bezwaren in te brengen. Slechts enkelen maakten daarvan gebruik en werden door mij en anderen beantwoord. Toen de zaak genoegzaam besproken was, ging men tot stemming over en werd het voorstel met groote meerderheid aangenomen, nl. 214 vóór en 15 tegen. Er zijn na dien tijd nimmer eenige klachten of bezwaren van wege dit besluit vernomen en de gemeente heeft volkomen vrede met den genomen maatregel, die, zoover ik weet, nog in geene andere Remonstr. gemeente wat Üoop en Avondmaal beide betreft, is gevolgd.

Zietdaar enkele voorvallen en bijzonderheden uit het leven dei-jeugdige gemeente. Moge dat leven zich zoo gezond en voorspoedig blijven ontwikkelen tot heil van velen! Mogen alle leden medewerken om de gemeente voor achteruitgang, verslapping en kwijning te bewaren! Zij worde zeer oud, maar blijve jong, frisch en krachtig van geest! Voorwaarts! steeds hooger! dat zij immer de leuze der Remonstrantsche gemeente te Groningen.

M.

-ocr page 36-