-ocr page 1-
-ocr page 2-

Art. 5. Ieder Lid der Vereeniging of Begunstiger der Bibliotheek heett het recht om boeken ter lezing te vragen, en kan ook anderen de gelegenheid verschaffen om van deze inrichting gebruik te maken, mits de zoodanige schriftelijk bij het Bestuur aanbevelende.

Art. 6. De lezing uit de Bibliotheek is geheel kosteloos.

Art 7- Den lezers, die genegen zijn iets tot onderstand der Bibliotheek bij te dragen, wordt daartoe gelegenheid aangeboden, door de in het lokaal der Bibliotheek geplaatste bus om deze giften te ontvangen.

Art. 8. De boeken worden niet langer dan 14 dagen ter lezing gegeven ; een boek langer dan 14 dagen houdende, zal men voor iedere week 5 cent ten voordeele der Bibliotheek betalen; evenwel zal men niet langer dan 4 weken over hetzelve kunnen beschikken.

Art. 9. Aan ieder persoon wordt slechts één boek te gelijk uitgereikt.

Art. 10. Het Bestuur van de Bibliotheek heeft het recht, om wanneer de boeken gescheurd, bevlekt of door welken oorzaak ook, niet terug bezorgd worden, daarvoor vergoeding te eischen ; bij weigering daarvan, zal men van het verder gebruik derzelve verstoken zijn ; als ook wanneer men onwillig mocht zijn, zich aan de voorwaarden van Akt. 8 te onderwerpen.

STB. De gerecommandeerden zijn verplicht, bij verandering van hunne woonplaats, hiervan aan het Bestuur kennis te geven.

HET BESTUUR VOORNOEMD :

H. J. HEIJNES.

J. VISSER Czn.

J. H. DEN OUDEN Jr.

EITMCT Oil DE ËGEIEESE BEPiLINBES

-ocr page 3-

STRAATPREDIKIXG.

BIBLIOTHEEK NED. HERV. lt;£Rlt;

-ocr page 4-
-ocr page 5-
-ocr page 6-

M

-ocr page 7-

ty / / L //Lj -f

CJV

STRA A TPPiEDIKTNd

iiznn^;

J. ESSE E.-

NAGELATENE BLADZIJDEN UIT ZIJNEN EVANGELIE-ARBEID.

Ten voordeele der \'Weesinrichting te Neerbosch.

TWBEI5B DK-UK-

BIBLIOTH££K NED. HERV. KERK

_ iJ!— \' /,

4 a F 68

NIJMEGEN. P. .1. MILBORX.

SSji

I ■ ViWE» ;N0_

ffltEfWIOM

:lt;r lt; —


Bibliotheek Sociologisch Instituut\'\'\' jjKGRK en WERELDquot;

-ocr page 8-

Neerbosch. — Snelpersdrukkenj der Weesinrichting.

-ocr page 9-

VOORWOORD.

Het is mij een behoefte, dit laatste werk van de hand van wijlen den Weledelen Heer J. Esser met een enkel woord in te leiden en ik kan daarvoor niets beters geven, dan wat ik schreef in Ket Oosten van li October j. I., waarop de tijding van het henengaan van den u-aardigen strijder voor de waarheid Gods tot mij kwam.

Weder is door den dood een oud strijder voor den naam des Jleer en . een trouw dienstknecht van onzen dierbaren Heiland, van ons wcgqenomen. Het is de Weledele Heer J. Esser, oud-resident van Timor. Zondagnamiddag te ruim 3 uur ging hij na een langdurig lijden ae eemvige ruste, in; zacht en kalm was zijn einde. Hij heeft wellicht me:r gearbeid dan een onzer, en daarom misgunnen wij hem die ruste niei. Toch wordt ons oog vochtig en rolt er onwillekeurig een traan langs onze wangen, wanneer wij er aan denken, dat wij dit zoo beteekenisvol jn ernstig gelaat op aarde niet weder zullen zien.

Hij behoorde tot de oude garde van strijders voor het Evangelie. De waarheid van Gods Wo?rd ging bij hem boven alles. Een diepe ernst kenmerkte zijn leven; hij i.-as streng jegens zichzelven en anderen , maar bezat toch een hart vol liefde, zoo groot als ik maar bij weinig kinderen Gods heb gevonden. Gaarne stak hij den diepst gezonkene de reddende hand toe. Men moest hem van n ■hij kennen om hem recht te vatten in hetgeen hij menigmaal in verschUlenC.? bladen schreef. Was hij schap, zoo was de vurige begeerte tot het redden van zielen alleen de grondoorzaak van deze geestesuiting.

Hij was de eerste in deze eeuw, die als ambtenaar in Irluie, met de grootste beslistheid aan vriend en vijand het Evangelie heeft verkondigd. Hij was niet alleen een vriend der Zending, maar heeft zelf meer dan menig zendeling onder de inlanders gearbeid, en in de hooge betrekking, die hij bekleedde, heeft hij zich nooit tegenover vriend of vijand voor het Evangelie geschaamd.

In ons land teruggekeerd, droeg hij altijd den zendelingen een warm hart toe en bepleitte hunne zaak, waar hij kon; zelfs moedigde hij zijn zoon aan om naar Indie te gaan en aldaar de heidenen het Evangelie te verkondigen.

-ocr page 10-

Voor de Evangelisatie in ons Vaderland heeft hij lange jaren met onver moeiden ijver gearbeid, vooral als Bestuurder van de Neder-landsche Evangelische Protestantsche Vereeniging.

De Evangelisten vonden in hem niet alleen een vriend, maar ook een raadgever, die hen met woord en daad ter zijde stond. Hij was het, die het eerst den moed had om op de straten van\'s Gravenhage het Evangelie te verkondigen. In het begin moest hij hiervoor spot en laster van vriend en vijand verduren; met de grootste minachting werd hij in het begin diktverf door het volk bejegend, doch zijne bezadigdheid deed hem de overwinning behalen, en in den laatsten tijd had hij met zijn vriend, den evangelist Wilkens, steeds een zeer aandachtig gehoor.

Hoezeer zijn hart vervuld was met liefde voor ongelukkigen, blijkt vooral hieruit. dat hij in de laatste jaren zijns levens, zoolang zijnekrachten hem zulks toelieten, aan arme verlaten kinderen, die om lichaamskrankheid of armoede niet op school konden komen, dagelijks zelf onderwijs gaf. Hij heeft volgehouden aan deze haveloozen onderwijs te geven tot zijne krachten hem begaven.

Wij mochten hem dezen zomer nog bezoeken en hij zeide mij toen nog, dat hij gaarne, indien de Heere God hem weder mocht oprichten, de krachten , die de Heer hem nog schenken zon, wilde besteden in Zijn dienst.

Ik heb het voorrecht gehad dezen waardigen broeder jaren lang te kennen, en ik dank er mijn God voor, want ik heb veel van hem geleerd, niet alleen uit hetgeen hij mij meedeelde, maar vooral door hetgeen hij deed.

De Heere God trooste zijne geliefde vrouw en kinderen. Waar hij is heengegaan, arbeiden wij nog een korten tijd en wij volgen hem. om daar te zijn, waar de Heere Jezus ons wacht, in wiens genade mijn vriend Esser alleen roemde in leven en sterven.

Met de stille bede. dat de Heere God de lezing van dit boekje voor velen mogen ten zegen doen zijn, beveel ik de verspreiding er van ook in \'t belang van de weezen, onzen vrienden dringend aan.

Met alle hoogachting

Uw dienstw. dienaar

Neerbosch. J. VAN TLINDENHOUT.

•27 Jan. 1886.

-ocr page 11-

Aan de andere zijde van dit blad vindt de lezer een afdruk van het patent, dat de WelEdele Heer Esseu verplicht was te nemen, om vrijheid te hebben om op do kermis te \'s ITage een kraampje te mogen opslaan, en van daar uit toespraken tot het volk op straat te houden. Het is een getrouwe afdruk van het origineele, zooals hot na zijn dood onder zijne papieren is gevonden.

J. v. \'t Lindenhout.

-ocr page 12-

£ *9

I

«

5

00

-lt;

H

(/) K w

-9Ï Pm

H W

tc ps

O

O gt;-

i tu

w ^

« «

0 5

z S

w O

O lt;

O S

p5 . a

amp; S

■O

«

e 0

\\

K

%

•l

-ocr page 13-

VOORBEREIDING.

Het wks in liet najaar van 1807, dat Broeder Wilkens , evangelist te \'s Graveiihage en ik , bijzonder de noodzakelijkheid gevoelden om het Evangelie te verkondigen aan hen, die het nimmer hooren. Do geestelijke nood van vele arme verdoolden drukte ons. De kerken zijn wel het eigendom der gemeente, doch voor haar gewoonlijk gesloten. Zij mag ze onderhouden en voorts toezien, dat ze do meeste dagen dei-week gesloten zijn. Zij heeft er precies zooveel over te zeggen en te beschikken, alsof ze haar eigendom niet waren. Bovendien zijn ze meestal zoo ondoelmatig , onvriendelijk en onbehagelijk mogelijk. Niets treft iemand, die uit Indië komt, meer, dan de omstandigheid, dat hij als lid der gemeente medeëigenaar is van zulk eene kerk, maar er geen voet in mag zetten zonder vergunning van den koster en op geen stoel mag plaats nemen zonder aan een medelid der gemeente , stovenzetster of plaatsbewaarder genoemd, een dubbeltje te betalen.

Wij wisten wel, dat het niet zou gaan, de beschikking over zulk een, als met zeven sloten, gesloten gebouw te krijgen. Trouwens wij begeerden het niet en gelukkig ook, want een verzoek er om zou zeker geweigerd zijn , gelijk hierna zal blijken.

1

-ocr page 14-

9

Wij zagen daarom uit naar lokalen. In den zomer was ik eens in Scheveningen bewogen met het lot der badgasten. Ik had velerlei gedachten over. die badplaats. Daar werd zoo recht de geest onzer eeuw openbaar, namelijk de geest om van alles ten behoeve van de beurs voordeel te trekken. Men schaamt zich niet openlijk te erkennen, dat alles er op aangelegd is, om de badplaats te maken tot een bron van stoffelijke welvaart. Als de eenvoudigste zaak der wereld, kan men in het Dagblad van \'s Gravenliage gejuich of klaagtonen lezen, al naarmate de badplaats meer of minder voordeelige uitkomsten voor de beurs heeft opgeleverd. Zelfs de pret staat daarbij op den achtergrond. Maar of er lijders zijn genezen, vertroost, tot God gebracht, waartoe sommige niet-nadenkende wezens meenen. dat de badplaats door den Heer gegeven is, daarom bekommert men zich \'tallerminst.

Dat Scheveningen, Den Haag en andere plaatsen mede hielp verwilderen, niemand die het zich destijds scheen aan te trekken. Wellicht ook, omdat in de kerken destijds niet dringend gebeden werd voor de kranken, die op badplaatsen heil zoeken, zooals ik dat in Schotland hoorde.

Ik had daarom bescheidenlijk in \'t Hotel Garni op de gewone voorwaarden eene kamer te huur gevraagd. Tot mijne verbazing kon ik die niet krijgen , noch van den persoon, met de verhuring belast, noch van den Burgemeester — zoodra het bleek, dat ik die kamer voor Bijbellezingen wilde gebruiken. Een request om beschikking over een gemeenteschool buiten de schooluren werd van de hand gewezen.

Evenmin kon ik van den Burgemeester eene zaal in de stad krijgen, die hij acht dagen later aan eene schaakclub verhuurde. Ik kwam toen op de gedachte om, tegen betaling, de beschikking te vragen over een oud kerkhof op den Noord-wal , dat sedert veertig jaren niet meer gebruikt werd. De on-

-ocr page 15-

zijdigheid in zake van godsdienst liet het Bestuur niet toe, mij dat kerkhof te verhuren: —• voor een kroeg verklaarde men zich bereid het af te staan.

In die omstandigheden viel onze aandacht op eene zaal in de Lombardstraat, genaamd Terpsichore. Daarin was een ondernemer van hetgeen men noemt «publieke vermakelijkheden,quot; in den Bijbel, als te schandelijk om te noemen, goteekend. Die man was lid der Hervormde kerk , een openbare dronkaard, te lui om te werken, maar niet te lui om kwaad te doen. «Een kerel van zes voet lengte, forsch gebouwd, in de kazerne verder ontwikkeld in lichaamskrachten en — boosheid.quot; Met vergunning van edelachtbare Burgemeester en Wethouders der Residentiestad en onder bijzondere bescherming der politie, oefende hij met goeden uilslag het bedrijf van moordenaar! Men zon zeggen: dat is onmogelijk 1 Ondenkbaar, niet waar, dat de overheden deze dingen zouden weten en toelaten niet alleen, maar beschermen bovendien!

En toch is het zoo, en men kan niemand er voor verantwoordelijk houden. Zulke dingen gaan volgens de wet. Een moordenaar vraagt een patent als kroeg- en bordeelhouder. Patenten worden niet geweigerd. Maar zoodra zulk een sujet een patent heeft, achten de overheden zich verplicht hem ook vrij te laten de zaak uit te oefenen, waarvoor hij patent ontving.

Beklaagt men zich bij de overheden, dan verwijzen zij den klager naar den Minister, die over de patenten te zeggen heeft. Deze vertelt den volhardenden klager, dat hij gebonden is aan de wet op de patenten, maar dat de plaatselijke overheid te zeggen heeft over de zaak zelve. Zoo schuift de een de verantwoordelijkheid op den ander en de klager bevindt ten slotte, dat eigenlijk de wet alleen schuld heeft.

-ocr page 16-

Onze booswicht in de Lombardstraat gevoelde zich dan ook zoo vrij als een vogel, om in zijn lokaal alle mogelijke onbetamelijkheden toe te laten, mits ze geld opbrachten.

Ik zal er maar één van noemen; het noodigen van meisjes van 14 tot IC jaren tot danspartijen, waar ze dan leerden drinken en voor de ontucht verkocht werden.

Hier was alzoo een sterkte des Satans, waardig bestormd te worden. Gelukkig had de drank den waard verhinderd zijne zaken in orde de houden, zoodat hij geldgebrek had.

Hij bleek bereid te zijn zijne zaal \'s Zondagsmorgens en twee avonden in de week van acht uur tot kwart vóór negen te verhuren. Om negen uur was er do eene of andere pret of danspartij.

TERPSICHORE.

Wij huurden die zaal voor ƒ5 per avond en lieten aankondigen , dat wij er zouden spreken voor menschen, die nooit ter kerke kwamen, en verzochten uitdrukkelijk aan de geloovigen om er niet te komen. Daar het ons den eersten Zondagmorgen bleek, dat vrienden des Heeren toch kwamen , en geen gehoor gegeven werd aan ons dringend verzoek om weg te blijven , hieven wij den derden Zondag de bijeenkomsten op dezen dag op, zelfs den schijn willende vermijden van afbreuk te doen aan de godsdienstoefeningen in de kerken.

De zaal was voor ons doel zeer geschikt. Er was eene zeer in de hoogte aangebrachte plaats voor de muzikanten , waarop groote bloempotten en een paar beelden van dansgodinnen met bazuinen stonden. Van die plaats sprekende, waren wij tamelijk veiligj voor woestelingen, die

-ocr page 17-

5

wellicht met \'teen of ander voorwerp zouden willen werpen.

Wij hadden met groote letters, waar zulks gebruikelijk is, laten aanplakken, over welke onderwerpen wij zouden spreken, b. v.:

het groote Babylon de groote Hoer het roode Beest de watergolven, die groot geluid geven (de drukker had er van gemaakt: waterwolven) en dergelijke.

Den eersten avond reeds was de zaal stampvol met allerlei slecht volk. Het gebrul en gejoel was van dien aard, dat vier politie-dienaren noodig waren, om eenige orde te bewaren.

Niet zonder beklemd gemoed en met groote moeite bereikten wij onze spreekplaats. Wij hadden ernstig des Hee-ren zegen gevraagd en waren van Zijne genadige hulp wel overtuigd.

Toch waren wij al bevende, hoezeer zonder bepaalde vrees voor mislukking.

Als wij er van achteren aan denken, moeten wij erkennen, dat de Heere onze oogen gesloten hoeft voor de omstandigheid , dat wij daar menschen voor ons hadden, waaronder er waren volleerd in boosheid en terdege vijandig tegen Gods volk.

Gelukkig liep de eerste bijeenkomst tamelijk wol af en konden wij na het spreken traktaten uitdeelen. Den gehoelen winter mochten wij dit werk ongestoord voortzetten en het woord op de dringendste wijze brengen tot mènschen, waarvan de meerderheid zeker nimmer iets dergelijks had gehoord.

De donders der wet, de ontzettende bedreigingen van het profetisch woord werden evenmin verzwegen, als het dringend, vriendelijk uitlokkende Evangelie.

-ocr page 18-

6

Op een avond hadden wij niet minder dan dertig publieke vrouwen in danskleeding en de muzikanten er bij. Hoe het kwam, dat deze hoofdmacht van liet dansfeest, dat om negen uur zou beginnen, er om acht uur reeds was, weet ik niet.

Een avond was een derde van de zaal met .loden gevuld , omdat wij hadden aangekondigd, dat wij tot onderwerp zouden hebben : »Een gesprek met Joden.quot;

Voor onszelven waren deze avonden moedgevend en opwekkend. Wij kregen groote vrijmoedigheid om de dingen te noemen, zooals ze voor God en voor de menschen zijn , en mochten het ervaren, dat de waarheid is als een visch-haak, die pijn doet en tot vluchten drijft, maar ook vasthoudt en niet loslaat.

Bij onze laatste bijeenkomst wenschten wij eenigermate te weten, of er een algemeene vrucht op dezen arbeid was, ja dan neen. Wij verzochten alzoo, dat van de vergaderde 300 personen de zoodanigen zouden opstaan, die niet meer gewoon waren geweest ter kerke te gaan, dezulken namelijk , die in vele jaren geen voet in de kerk hadden gezet, anders dan om daar een kind te laten doopen of om een huwelijksinzegening bij te wonen en die nu, door onze toespraken, weder tot een ordentelijk leven en kerkgaan gebracht waren.

Wij zeiden tot driemaal toe wat wij bedoelden. Wij vroegen niet, wie door Gods genade bekeerd waren geworden, maar alleen, wie van openbaar slecht leven tot uiterlijk godsdienstige gewoonten gebracht waren.

Na oiis duidelijk te hebben uitgedrukt, dat wel niemand ons zou misverstaan hebben, stonden er ongeveer honderd op, meest mannen, gelijk ons gehoor gewoonlijk meest mannen en jongelieden telde.

Maar ook bleek, dat het Evangelie eene reuk des doods

-ocr page 19-

7

is ten doode. De waard was gewoon, wanneer wij zouden optreden, een zevental stevige borrels achter elkander te verzwelgen, om geenerlei indruk ten goede te ontvangen. Persoonlijk aangesproken , zeide hij. van harte in de verkiezing te gelooven en dat, wanneer hij uitverkoren was, hij toch terecht zou komen.

Schrikkelijk misbruik van eene waarheid, waaraan, helaas , velen in den lande zich schuldig maken.

Na den winter kwam de man bij mij aan huis en vorderde /\'GOOO schadeloosstelling. Ik had, zeide hij, zijne affaire in den grond geboord en nu moest hij die som hebben, en als hij niet een man was zachtmoedig als Johannes, zon hij mij, dien hij als een ijverenden Petrus achtte, de hersens inslaan. Ik liet hem natuurlijk niet bemerken, dat ik eigenlijk bang genoeg was , dat hij de daad bij het woord zou voegen, vermaande hem tot bekeering en voorspelde hem, dat hij op den weg, waarop hij wandelde, \'t eeuwig verderf niet zou ontgaan.

Gelukkig trok hij af, en ik zag hem in dit leven niet weder. Kort daarop werd zijn lijk in een boschje bij Loosduinen gevonden. Hij had zich de aderen geopend en alzoo zichzelf overgeleverd aan het verderf, waarvoor hij was gewaarschuwd. Ijij zijn lijk werd een zakboekje gevonden, waarin hij zijne moeder als de oorzaak zijner ellende vervloekte.

Ontzettend einde! Gelukkig dat wij, althans betrekkelijk , konden zeggen rein te zijn van zijn bloed. Ik zeg betrekkelijk , omdat het mij twijfelachtig voorkomt, of de kerk, waartoe wij behooren, bij hare volkomene verwaarloozing der tucht, niet eenige schuld heeft aan de zelfmoorden van leden. Zeker is het, dat de bloedschulden het land en de steden en dorpen van het land verontreinigen.

-ocr page 20-

8

KERMIS.

Nauwelijks was lie winter voorbij, of men zag voorbereidingen voor de kermis.

De schandelijke wijze, waarop broeders in Leeuwarden bij eene poging om liet Evangelie op de kermis te brengen, door de overheid waren behandeld. had des te meer mijne aandacht op deze volksellende gevestigd.

Wij spraken er over en besloten eene proef te nemen met eer.e bijbelkraam, waarvoor christelijke vrienden bereid bleken geld te geven.

Wij kregen eene goede plaats aan den ingang van het lange Voorhout en de boekverkooper GEnniTSEN zorgde voor een ruime kraam, met de noodige christelijke boeken, bijbels, traktaten, platen en bijbelteksten.

Onze kraam stond tusschen eene poppenkraam en eene van schilderijen, welke laatste nog niet geopend was. Wij hadden natuurlijk het recht, omv evenals ieder ander verkoo-per, onze waar openlijk te prijzen en aan te bevelen.

Zoo hadden wij kostelijke gelegenheid den inhoud des Bijbels en van onze traktaten den volke mede te deelen. De toeloop was zoo groot, dat de passage aan den ingang der kramen zeer werd belemmerd, zoodat de poppenkraam naast ons niet kon verkoopen. Zoodra ik dit bemerkt had, verzocht ik eene vermogende vriendin, den man schadeloos te stellen. Zij kocht voor /\'70 aan poppen. De man had nog nimmer op een kermis znlke goede zaken gedaan en was een onzer getrouwste hoorders.

Intusschen beklaagde zich de eigenares der nog niet geopende schilderijenkraam , dat wij door onze toespraken haren handel bedierven. De Hoofdcommissaris van politie verzocht ons

-ocr page 21-

dientengevolge vriendelijk, om zoo mogelijk minder te spreken.

ik weigerde dit beslist. De vrouw Imd nog geen penning schade kunnen lijden, daar haar kraam nog gesloten was en ik zou wel voor haar gezorgd hebben, wanneer dit noodig bleek te zijn. Maar nu moest ik op mijn recht staan. Ik stelde echter den Hoofdcommissaris voor, om ons ergens eene plaats aan te wijzen, waar wij konden spreken, in welk geval van do boekenkraam uit niet overluid gesproken zou worden. Hij nam dit aan en wees ons de open ruimte aan voor het paleis van den Prins van Oranje.

Wij lieten daar onmiddellijk een overdekten houten stoel metten met een kleine Uollandsche vlag van blik, waarop te lezen stond:

Aanheveling van de boekenkraam.

Gratis traktaat verspreiding.

Korte toespraken.

De Satan had nu zijn eigen glazen ingeworpen, daar nu het werk veel beter dan te voren kon worden voortgezet. Bij ons was meer ruimte voor hoorders en in de bijbelkraam waren twee broeders den geheelen dag bezig met gesprekken over het Evangelie en het verkoopen van bijbels en boekjes.

Wij spraken dooreen ieder twaalf malen per dag, acht dagen lang. Over het algemeen was er bij aanzienlijken en geringen veel aandacht, soms treffende belangstelling. Matig gerekend waren er bij elke toespraak een paar honderd hoorders, zoodat \'1!)000 menschen het Evangelie gehoord hebben. Misschien is dat getal grooter geweest, vermits wij ruim 30000 traktaten hebben uitgedeeld.

Reeds den eersten dag hadden wij niet vruchteloos gearbeid , daar een man getroffen werd, die met f 80 in den zak was uitgegaan met het voornemen, die op de kermis te

-ocr page 22-

10

verteren. Hij kon zijn voornemen niet uitvoeren en keerde als een ander man naar zijne geboorteplaats terug. Of het dezelfde man was, weet ik niet, maar een paar weken na de kermis, werd aan een onzer vrienden in een spoorwagen door een man een traktaatje aangeboden. Op de vraag, hoe hij tot de verspreiding van traktaatjes was gekomen, zeide hij, bij gelegenheid van de laatste Haagsche kermis met eene goede som gelds naar de stad te zijn gegaan , met het voornemen eens goed vol te houden, doch dat hij bij do bijbelkraam komende, twee heeren had hooreti spreken, geheel anders dan hij op de kermis verwachtte. Ik luisterde, zeide hij, maar vond het erg vreemd. Ik ging heen, liep eens rond, wou wat zien voor mijn geld, maar kwam weer op dezelfde plek. Die heeren spraken nog; ik bleef luisteren en moest zeggen; ze hebben gelijk. Ik kreeg minder moed en lust voor de kermis; ging weer heen en gaf haast niets uit. Toen ik weder terugkeerde en luisterde, kreeg ik het benauwd; ik zag, dat ik verloren was en ging met mijn geld naar huis , zocht den weg naar den hemel en nu ben ik zoo gelukkig, dat ik gaarne anderen door traktaatjes tracht te wijzen op hetzelfde heil.

Een ander zei: »Die kerels spreken wol (link, maar het prikt zoo.quot;

Een paar jaren later zat ik eens in een trein , waarin iemand traktaten uitdeelde. Op de vraag, hoe hij daartoe kwam, zeide hij, op de kermis te \'s Gravenhage door een der toespraken voor het- Evangelie gewonnen te zijn en sedert werkzaam te zijn geworden voor Gods Koninkrijk.

Tegen spotters bleek een zeer afdoend middel, dat er eenige dames uit den aanzienlijken stand kwamen luisteren. Daarvoor hadden ook halfdronken lieden ontzag.

Op zekeren dag kwam onder de dames ook een hofdame, die de onvoorzichtigheid of vrijmoedigheid had traktaten te

-ocr page 23-

-11

uo |

koope» en uit te deelen. De gevolgen waren voor haar in hooge kringen alles behalve aangenaam , en bewezen, dat ook in de hoogste kringen des lands de Evangeliebelijder lijden moet.

De Prins van Oranje was er niet tegen, dat voor zijn paleis het Evangelie verkondigd werd. Hij noemde mij zijn derden schildwacht (twee schildwachten staan voor het paleis). Eenmaal had ik het geluk Z. K. H. zelf een traktaat te overhandigen, getiteld: »Zijt gij wedergeboren?quot; dat met eene beleefde buiging werd aangenomen.

In de Wilte Sociëteit antwoordde Z. K. H. aan eenige heeren , die er zich vroolijk over maakten, dat onze spreekstoel voor zijn paleis stond : sAls alle menschen waren gelijk deze mannen, dan had ik geene schildwachten voor mijn paleis noodig.quot;

Mocht dat woord van onzen zeer betreurden Prins nog eenige vrucht afwerpen ten goede, zoodat onze overheden overal ruim baan laten voor het Evangelie, onder volwassenen en kinderen.

De spotters behoorden gewoonlijk tot de kleine minderheid. Ernstige pogingen om ons moeilijkheden in den weg te leggen , kwamen van jeugdige heeren. Dezen lokten een troep straatmuzikanten voor onze spreekplaats of huurden een man, die een aap rondleidde, gezeten op een hond en die nu en dan een pistool afschoot.

Zulke zaken veroorzaakten oogenblikken van gejoel en gelach, doch bezorgden ons telkens nieuwe hoorders en oogenblikken van zwijgen, waarin wij traktaten hielpen uitdeelen.

Een treilend geval sta hier tot waarschuwing voor spotters. Een viertal officieren stond den eersten dag bij de boekenkraam. Ik vertelde juist een bijzonderheid uit de geschiedenis van den zendeling Grimm te Batavia. De waardige man, vroeger voorganger bij eene kleine gemeente van Afgescheidenen , was, nadat de meeste leden dier gemeente naar

r

-ocr page 24-

1*2

Amerika waren vertrokken, iloor ds. Heldring of liever de commissie «Zendeling-Werkmannaar Java gezonden.

Hij had te Batavia eene bijbelschool voor inlandsche en Cliineesche kinderen geopend en vond , vooral na den schooltijd , zijn arbeid door huisbezoek bij de Chineezen. Nu had hij vernomen, dat de Chineezen in April een feest zouden vieren, waarbij zij hunne kinderen door het vuur laten loopen. Uit feest, of liever dit door \'t vuur laten loopen, vindt niet plaats in de stad Batavia, maar in de buurt van Tangerang. Grimm was daarover ontzet en vermaande de Chineezen om deze goddeloosheid na te laten. Zij hoorden echter niet naar hem. Integendeel hoe ernstiger hij sprak, hoe meer zij begeerden het feest te houden, om de eenvoudige reden, dat zelfs in het hart van den meest verstokten heiden, de begeerte bestaat, om althans iemand in de familie te hebben, die heilig, zonder zonde is.

De Chineezen meenen namelijk , dat, wanneer een kind door het vuur loopende zich niet brandt, dat kind zonder zonde is, en zulk een kind en het gezin , waartoe het behoort, staat bij hen in hooge eer.

Ik gis, dat deze heidensche dwaling haar oorsprong vindt in de belofte des Heeren, dat water noch vuur zijn volk schaden zullen, doch dit is slechts eene gissing en ik heb op \'t oogenblik geen lust om de geschiedenis der vuuraanbid-ding op te slaan.

Grimm ging zoo ver om aan de Chineezen te verzekeren, dat hun feest niet zou doorgaan, omdat hij den Heere om regen zou bidden. Zij lachten daarover zeggende, dat het bij dit feest nooit regende en in elk geval hun Tepekkong wel .zou zorgen voor mooi weder.

Deze zaak werd veel besproken in het zoogenaamde Cliineesche kamp , de wijk , waar de Chineezen wonen. Grimm

-ocr page 25-

13

deelde mij haar mede en hoezeer ik hem over zijne onvoorzichtigheid onderhield, daar hij immers geen bepaald bevel des Heeren bad, om in deze als een Elia op te treden, kon ik natuurlijk niet anders dan met hem en andere broeders den Heere smeeken, zijn geloof niet te beschamen.

Do feestdag brak aan en er was bij de Chineezen eene ongewone belangstelling. Bij duizenden gingen zij naar Tangerang in hunne beste klecding, de rijken in hunne schoone rijtuigen, de anderen in gewone voertuigen of te paard of te voet.

Grimm kwam in zijn bendij (sjees) langzaam aanrijden, deelde traktaten uit en vermaande de feestgangers om terug te keeren, ook omdat de Heer regen geven zou. Algemeen wekte dit een vroolijk en uitdagend gelach op, vermits niets regen deed verwachten.

Op het terrein was het, zooals bij ons op een matig vroolijke kermis. Spotten en lachen over Grimm en Jezus waren echter overvloedig en de afgod der Chineezen werd hoog verheven.

Des te levendiger werd de overtuiging bij Grimm , dat de Heer zijn Naam op dit feest zou verheerlijken. Hij bleef vermanen en het Evangelie verkondigen, totdat eindelijk alles gereed was.

Twee zeer groote hoopen houtskolen werden van onderen aangestoken en toen werd het spotten en lachen en uittarten van Grimm luidruchtig. Intusschen gleed een klein wolkje in het luchtruim over het terrein en liet eenige droppels regen vallen.

De Chineezen haastten zich om de hoopen houtskolen met matten te dekken. Een oogenblik daarna was het weder alles voorbij cn scheen de zon met haren gewonen luister.

Nu werden de matten weggenomen, het vuur werd aan-

-ocr page 26-

li

geblazen en onder het geroep: »Oiize Tepekkong heeft het gewonnen!quot; werden de kinderen voor het vuur gebracht.

Juist zou liet sein tot doorloopeu gegeven worden on — op dat beslissend oogenblik viel er plotseling zulk een geweldige regen, dat de vuren werden uitgedoofd en al de koo-pers en verkoopers en feestelingen on hunne vervoermiddelen zoo druipnat werden, als een Indische regen dat doen kan, waarvan men in Nederland geen denkbeeld heeft. De menigte riep baars ondanks: »,lezus heeft het gewonnen!quot; en keerde onverrichter zake naar huis.

Toch is door deze, voor de overtuiging der heidenen zeer wezenlijke openbaring der macht van den Heere Jezus. niemand hunner bekeerd geworden. Alleen zijn er sommigen door gebracht tot nadere kennisneming van het Evangelie en gaf deze zaak aanleiding, dat Gbimm later eenige Chi-neezen kon helpen toebrengen tot de gemeente die zalig wordt.

Ik had dit aan het slot van mijn verhaal willen zeggen, doch een van het viertal officieren viel mij in de rede, zeggende: »Wat gij daar medegedeeld hebt, is onwaar, de Chineezen laten hunne kinderen niet door \'t vuur loopen.quot;

Deze stoute logenstraffing vond bij eenigcn merkbaar bijval.

Kalm vroeg ik den officier, of hij in Indië was geweest en hoe lang? Zijn antwoord was 14 maanden. Xn betoogde ik, dat iemand, die zooals ik, 24 jaren in Indië was, meer gelegenheid heeft gehad om te weten wat daar voorvalt, dan een officier, die er slechts maanden was, doch dat overigens mijn tegenspreker niet naar Indië behoefde terug-te keeren om van deze zaak zekerheid te verkrijgen, omdat hij de gelegenheid daartoe bij het Ministerie van Koloniën kon vinden. De officieren trokken daarna spottend en lachend af. Zij huurden daarop een rijtuig, om naar Scheveningen te

-ocr page 27-

15

gaan. Ongelukkig sloeg dit bij liet dorp om , met het treurig gevolg, dat een van hen dood werd opgenomen, terwijl mijn tegenspreker een hersenschudding kreeg.

Ik bezocht hem na eenige dagen in het hospitaal en sprak hem over de groote liefde Gods , in Christus geopenbaard. Nog ernstig genoeg krank zijnde om zijne vroolijke natuur gebonden te zien, hoorde hij mij kalm aan, echter niet zoo, of hij liet nog duidelijk verstaan een ongeloovige te zijn, van het soort, dat ernstig onderzoek niet begeert.

Toen ik na eenige dagen terugkwam, excuseerde hij zich, zeggende geen tijd te hebben, omdat hij naar Groningen verplaatst was en derwaarts moest vertrekken. Een paar dagen daarna ontmoette ik hem op straat en ik heb niets van zijn vertrek naar Groningen bespeurd.

Een jaar of een paar jaren later had hij de wacht bij den ingang van het kamp te Waalsdorp, toen de evangelist Van Beheren er met een korporaal kwam, om traktaten onder de soldaten uit te deelen. Dit bemerkende , begon de ongelukkige ontzettend te vloeken en den Heere Jezus uit te schelden op zulk eene wijze, dat de militairen, ten aanhoore van wie hij dit deed, er over verontwaardigd werden. Sommigen trokken partij voor den Heiland, maar anderen stemden in met hun officier. De strijd daarover werd zoo heftig, dat de partijen handgemeen werden en de officier groote moeite had er een eind aan te maken. —

Nog in denzelfden nacht kreeg de evangelist een briefje met verontschuldigingen van dezen ongelukkige , die zijne lasteringen weet aan opgewondenheid door iiet gebruik van wijn. Hem werd daarop eenige christelijke lectuur gezonden.

Toen de oorlog mot Atjeh uitbrak, wenschte hij zich daar te onderscheiden. Zijn naam in de courant ziende, zeide ik; sHeer! die gaat zijn kogel halen wegens insubordinatie jegens

i ?

-ocr page 28-

l(i

IJ.quot; Een der eerste kogels van de Atsjineezen trof hem; zij hakten zijn lijk in stukken en wierpen liet voor de honden.

Zoo kwam , als Isebel van ouds, een spotter om het leven , die een wonder Gods, gelijksoortig aan dat, in de dagen van Klia geschied, niet geloofde.

Weinig konden wij dat, bij onze eerste kennismaking te \'s-Gravenhage op de kermis, vermoeden. v

Hoe meer het einde der kermis naderde , hoe ernstiger door ons op bekeering werd aangedrongen en hoe aandachtiger scheen geluisterd te worden. Alleen toen de Zaterdag daar was, werd de tegenstand van de zijde der Joden, vooral van Jeugdige Joden, openbaar.

Er waren er onder , die in de traktaatjes spogen en er een steen ingewikkeld hebbende ze naar ons spreekstoeltje wierpen. Des nachts daarop werd het door kwaadwilligen geheel ten onderste boven gehaald en wierp men er groote steenen en onreinheid op.

Een uur nadat dit heldenfeit verricht was, kreeg ik er bericht van. Ik liet het Zondag liggen als een stom getuige van den geest der ongeloovigen , doch \'s Maandags werd het weder bijtijds opgericht en in orde gebracht.

Onder goed en kwaad gerucht werd deze zaak ten einde gebracht en mochten wij er op terugzien met innigen dank aan God , die ons kracht en genade schonk , om deze getuigenis tegen de kermis, op de kermis, te Zijner eer af te leggen.

OP STRAAT.

Vraagt men mij, of ik het verkieslijk acht op kermissen te spreken , dan is mijn antwoord: neen ! De gemoederen van velen zijn dan te zeer vervuld met de aardsche dingen en de tongen door drank enz. tot spot en lastering te zeer bereid.

-ocr page 29-

17

Ik spreek liever na de kermis. Wilkens lieeft te Arnhem, met den evangelist Penninqs, nu hulpprediker in Indië, op de kermis gesproken. Hij deed het onk op twee kermissen zes dagen te Utrecht. Pennings te Goes. In Arnhem , waar slechts nu en dan eene toespraak van een half uur gehouden werd , was de tegenkanting, menigmalen baldadig — de spot doorgaande gemeen. Aanzienlijken trokken openlijk eene lijn met het gemeen. Een deftig grijsaard met een gouden bril kwam , schijnbaar beleefd, aan Wilkens vragen, of hij hem op een verzuim attent mocht maken? Op het toestemmend antwoord, verlaagde zich dat lid van het denkend deel der natie tot de lafheid , te zeggen: »De baker heeft indertijd verzuimd u te laten stikkenquot; — en Wilkens ontblootte zijn hoofd en dankte dezen welopgevoeden grijsaard voor dien smaad , hem om Christus\' wil aangedaan.

In Utrecht ging het veel beter, daar kon Wilkens geregeld tien maal per dag zonder stoornis het woord tot velen richten en oogstte menigen dank. Alleen was er een welgekleed heer, die zich blijkbaar ergerde aan de bijbeltent en toespraak en uitriep: »Dat behoort niet op de kermis 1quot;

Dit woord was eene sterke veroordeeling der kermis en gaf den spreker gereede aanleiding om er uit te begrijpen, dat bordeelen, kroegen , kermissen enz. , waar God en zijn woord niet geduld worden, daardoor veroordeeld zijn. —

Intusschen hadden de poppenkast, liedjeszangers en derge--lijken onze aandacht gevestigd op hetgeen er al zoo op de straten onzer steden den volke wordt geleerd. Het spreken in zalen daar tegen baat niet veel. Bovendien waren de kosten te groot. Een kroeghouder in de Houtstraat vroeg mij f 75 voor elk uur. Hij achtte dat zelfs nog weinig, omdat de verkondiging van het Evangelie in zijn lokaal, zijne affaire belangrijk zou benadeelen.

o

-ocr page 30-

18

Eenc merkwaardige getuigenis inderdaad , voor branders en slijters van sterke dranken alleszins der overweging waard.

Voor éénmaal kreeg ik eene zaal in de sociëteit Dk Ver-eenigino , in de Kazernestraat, voor ƒ 5 per uur op den middag. Ik kondigde in het Dagblad aan. dat ik zon spreken over den staatkundigen strijd onzer dagen. Het zaaltje was vol heeren. Ik pleitte daar voor de erkenning van de souvereiniteit van Jezus Christus als middel tot behoud van kerk en staat en moedigde de heeren sterk aan om hunne meening te zeggen.

Er was echter niemand, die zijn tong roerde en den anderen dag kreeg ik een briefje van het bestuur der sociëteit, dat de zaal niet voor godsdienstige zaken kon worden verhuurd.

lu deze omstandigheden ging ik naar den Hoofdcommissaris van politie en vroeg, of het geoorloofd zou zijn, om tegenover den liedjeszanger, de poppenkast en dergelijken , iets beters te stellen, b. v. op straat vertellen van vaderlandsche geschiedenis, het leven van mannen van beteekenis als Abraham enz.

Hij zeide, dat dit iedereen vrijstond en dat daarvoor geen patent noodig was, zoover hem bekend. De patentenkamer bevestigde dit laatste.

Daarop gaf ik den Burgemeester kennis van mijn voornemen, om deze zaak te beginnen. Deze meende, dat het beter was in zalen te spreken, waarop ik hem herinnerde aan al mijne vruchtelooze pogingen, om eenige localiteit van de stad te verkrijgen. Hij bood mij toen een zaaltje aan, waar Dr. Gunning bijbellezingen voor armen hield op Eleijen-burg. Daarvoor bedankte ik, als ton eenenmale ongeschikt om er die menschen te bereiken, voor wie het spreken op, straat \'t meest noodig was.

-ocr page 31-

-19

De Burgemeester waarschuwde mij toen alleen , dat ik liet zoo moest aanleggen, dat er geen volksoploopen kwamen. Nu, daar was ik even weinig op gesteld als ZEd. Achtbare.

Zonder eenige vrees voor eenig kwaad, besloten Wilkens en ik toen op straat te spreken. Wij waren verblijd van de huurkosten der zalen af te zijn en zulk een ruim arbeidsveld te hebben.

De zaak scheen ons zóó eenvoudig, zóu natuurlijk toe, dat ik er althans niet aan dacht, dat er eenig mensch iets tegen hebben kon. Geenerlei overleg, hoe en waar wij de zaak het best konden beginnen , vond bij ons plaats.

De Heer heeft alle zwarigheden en bedenkingen voor ons verborgen gehouden, zoodat wij als kinderen er mede begonnen.

Begonnen nog wel op de onverstandigste wijze, namelijk op het Slijkeinde, eene straat, waar zeer vele kinderen zijn en waar zeer vele Roomschen wonen; begonnen —• kon \'t erger? - staande tegen den muur van het krankzinnigengesticht.

Wij hadden daar een stoel gezet en ik begon, daarop staande, met luider stem de geschiedenis te vertellen van een heidenschen koning, die bij al zijn voorspoed en geluk in deze wereld, toch altijd droefgeestig was bij het uitzicht op den dood en de vergelding en ten slotte van al zijne redeneeringen moest uitroepen; ach ! was er maar een verlosser 1

Deze geschiedenis is gedrukt in een der traktaatjes van wijlen Jhr. Ascu van Wijk , in Utrecht.

De nieuwheid der zaak bracht weldra al de menschen en de kinderen der daar wonenden op de been en daarbij voegden zich de voorbijgangers in die drukke buurt, zoodat welhaast de straat duizenden bevatte. Men kon over de hoofden loopen.

De menigte begon te joelen , zoodat hooren en zien verging.

-ocr page 32-

Ik had opgehouden met spreken, daar men mij toch niet kon verstaan. Het gevolg was, dat de menigte begon te roepen: »In het dolhuis! in het dolhuis!quot; gelijk weleer te Efeze; »groot is de Diana der Efezeren.quot;

Wij zagen dit tooneel aan, niet zonder bezorgdheid. Onze kinderlijke gerustheid was geheel weg. Wij vreesden, niet ongedeerd te huis te zullen komen. Goede raad was hier duur. Het beste scheen voort te gaan.

Broeder Wilkens beklom den stoel, met zijne zeer ver hoorbare stem, kon hij, ondanks het rumoer, toch door velen verstaan worden.

Plotseling valt een zwaargebouwde Roomsche vrouw hem in de rede, gillende; sMenschen, hoort niet naar hem;\'t is de Anti-Christ! Hoor me dat eens aan, met z\'en hoed op z\'en kop spreekt hij den dierbaren naam des Heeren uit!quot; — (De Roomschen hebben namelijk het zondig gebruik van bij den naam van God niet, maar bij dien van Jezus wel te buigen of den hoed even op te lichten, eerende alzoo den Zoon boven den Vader!)

Deze goede vrouw eerde, op hare wijze, openlijk den Heere en de Heer heeft haar dat daarmede vergolden, dat zij acht gaf op hetgeen gesproken werd en dat heeft geleid tot hare bekeering. Zij was onze eerstelinge onder de vruchten der straatprediking.

Toen AVilkens zijn toespraak geëindigd had en van den stoel was afgekomen, bleef de menigte roepen: spreek, preekquot; en het rumoer werd niet minder.

Wij konden ons alleen voet voor voet bewegen langs den muur van het krankzinnigengesticht. Dit ging echter slecht. Een zeer lang man ziende, vroeg ik hem, of hij traktaten wilde uitdeelen, en op zijn bevestigend antwoord gaf ik hem er een honderdtal. Het volk drong nu op hem aan om deze te ont-

-ocr page 33-

21

vangen, waardoor wij wat meer ruimte kregen. Aan ile deur van liet krankzinnigengesticht gekomen, stond daar de directeur of lioe anders zijn titel wezen moge. Deze vroeg: «Mag ik u eens spreken, Mijnheer?quot; —Verheugd , dat ons hier wellicht een doorgang naar de deur in de Vleerstraat zou worden aangeboden, zeide ik: 5gt;Wel zeker\'quot;\' — »0!quot; zeide hij, »ik wilde u alleen maar zeggen, dat liet mij spijt, dat hier alles vol is; ik zou u anders gaarne eene plaats in dit huis hebben gegeven.quot; —

Wij gingen dien man voorbij. Intusschen was het gedrang weder toegenomen en onze verlegenheid niet minder geworden. Ik zag aan de overzijde een man op eene bank staan en hem bereikt hebbende gaf ik hem de rest mijner traktaten ter uitdeeling. De stroom volks richtte zich toen naar hem en wij kregen ruimte, waarvan wij gebruik maakten, om met snellen stap heen te gaan.

Helaas! een 50-tal jongens had meer lust ons te volgen, dan op traktaten te wachten en wij bemerkten spoedig, dat dit getal tot vele honderden was aangegroeid , die niet ophielden met het geroep: «preek, preek!quot; Daarbij bleef het niet. Er kwam een kleine regen van aardappelschillen , koolstronken en dergelijke, waarvan eenige niet malsche droppelen ons bereikten.

Zoo ging het door de Vleerstraat en de Assendcl ftstraa t naar de Varkensmarkt. Wij konden echter om onzer gezinnen wil, onmogelijk met zulk eene volksmenigte te luns komen!

Daar ondervond ik, hoe het doen van iets goeds, soms nog in deze wereld het goede voortbrengt voor hem, die het doet. Op die Varkensmarkt had de Heere mij lang te voren eene schuilplaats bereid, langs den aanbiddelijken weg zijner voorzienigheid.

-ocr page 34-

Daar woonde tijdelijk een zekere P., een Dnitscher, ge-geluiwd aan eene Engelsche uit een manufactuurwinkel. Deze Engelsehe juffrouw had mij een jaar te voren bezocht. Zij was, door het slecht gedrag van haar man , in diepe armoede geraakt. Deze dronkaard en overspeler had in R. een manufactuurwinkel gehad en was failliet geraakt. Hij had daarna, tegen den wil zijner vrouw, eene kroeg begonnen en begeerde, dat zij , schoon van aangezicht, de klanten zou bedienen. Dit was door haar volstandig geweigerd en zoo was de kroeg mislukt. De man mishandelde haar, hoezeer zij, door garen en lint aan de deuren te slijten, het gezin in \'t leven hield.

Van mij vernam zij de blijde boodschap voor het eerst in haar leven duidelijk. Uiterlijk Luthersch , was zij inderdaad met het Evangelie onbekend. In den nacht volgende op den morgen, waarin zij het Evangelie had vernomen en daardoor verbroken van hart was geworden, behaagde het den Heere zich aan hare ziel te openbaren, als haar Heiland.

Zelden zag ik bij eenig mensch zulk een snelle en geheele verandering. Nu kon zij alles met hemelsch geduld lijden van een onmensch, die haar in het aangezicht spoog cn sarde — als een rechte satan.

Met dien man was ik maanden bezig geweest, zonder iets te vorderen. Eindelijk gaf ik hem op. Eens hem in de Spuistraat ontmoetende, verzocht hij, of hij met eene kleine handelswaar bij mij mocht komen. Ik had een dikken wandelstok in de hand en zeide: «Niet alleen dat ik u niet wil zien, maar als ik mocht, zou ik u met dezen stok zóu ranselen, dat gij het tot op uw gebeente zoudt voelen en in de goot kruipen.quot; »Mijn God ,quot; zeide hij, »ben ik dan zóó slecht?quot;

))Veel slechter dan gij weet; gij hebt in uwe jeugd niet

-ocr page 35-

23

gonoeg op uwe ribben geliadlquot; Met dit woord liet ik hem staan en ging verder.

Deze vreemde wetprediking was eindelijk voor hem veiv staanbaar en bad ten gevolge, dat hij denzelfden avond den liijbel begon te lezen. Eene bloedspuwing hielp verder , om hem te verbreken, üij liet den drank varen en kwam tot zulk eene verandering, dat ik hem voor bekeerd zou gehouden hebben, ware ik niet met wantrouwen jegens hem vervuld geweest.

Deze man was nu eindelijk op de Beestenmarkt, in afwachting van zijn vertrek naar Amerika, waarheen ik hem, om zijne vrouw en kinderen , helpen zou 1).

Hij zat voor het raam; ik riep hem toe : »P., doe spoedig uw raam toe en uwe deur open!quot; In een oogwenk waren wij binnen. Ik liet de gordijnen neerlaten, doch nam door eene kier waar, wat er buiten gebeurde.

Het volk bleef voor de deur staan roepen: spreek , preek ,quot; en begon met steenen de deur te rammeien. Eindelijk daagden een paar agenten van politie op en joegen de menigte uiteen. Toen dit geschied was, liet ik die agenten roepen en vroeg, wie hen gezonden had? Zij zeiden gezonden te zijn van het hoofdbureau, omdat men daar geboodschapt had, lt;lat wij vermoord werden.

Ik sprak over de zaak als van onbeduidenden aard en verzocht vriendelijk, er geen ophef van te maken. Zij beloofden dit en trokken af.

Wij gingen daarop huiswaarts. De Heer gaf ons dadelijk de overtuiging, dat deze loup der zaak aan onze onhandigheid te wijten was. Wij hadden niet dadelijk deze buurt

1

) Hij vertrok naar Chicago, werd lid van de Holl. gemeente en zelfs ouderling en stierf in goede hope der zaligheid. Zijne begrafenis was in groote eere.

-ocr page 36-

24

moeten nemen , maar een stillere , en bij \'t eindigen onzer toespraak liet volk moeten laten gaan.

■ Een paar dagen later beproefden wij de zaak opnieuw op eene minder drukke plaats en geëindigd hebbende zeiden wij : »Nn vrienden, voor heden spreken wij niet meer.quot; Wij namen toen vóór het volk afscheid van elkander en gingen zeer langzaam de een rechts en de andere links. zonder gevolgd te worden.

Zoo hebben wij het werk voortgezet en konden, toen de zaak door het publiek besproken was en als \'t ware burgerrecht had verkregen, van lieverlede drukkere buurten bezoeken. Ten laatste hadden wij 16 standplaatsen in verschillende deelen der stad , geschikt om , zonder belemmering der passage, een goed gehoor te verzamelen.

Slechts eenmaal hadden wij weder door eigen schuld een oploop.

Wij hadden gesproken op de Schedeldoeksche haven, zonder eenige stoornis, en namen op de gewone wijze afscheid, om elkander weder te ontmoeten op de Kalvrenmarkt.

Broeder Wilkens, de Schedeldoeksche haven verlatende, werd door twee jongens gevolgd. Had hij nu met die jongens een praatje gemaakt en langzaam met hen doorgeloopen, dan zon niemands aandacht daarop gevallen zijn. Hij dacht echter, met wat sneller te stappen door drukke straten, van deze jongens ontslagen te worden.

Hollandsche jongens echter hebben rappe beenen en waar er twee hard loopen, voegen zich er anderen bij. Zoo was het ook hier en zoo zag ik broeder Wilkens op de Kalvrenmarkt komen met een 500 man achter zich , roepende spreek, preek,quot; terwijl aardappelschillen enz. in sierlijke bogen de lucht boven hem doorkliefden.

In een oogenblik was de markt zwart van menschen, die niet wisten wat er gaande was.

-ocr page 37-

25

Ik zeide: »Voor deze menigte spreek ik niet,quot; en bevond dat \\V[lkens er ook niet de minste opgewektheid toe gevoelde. Wat te doen? Nergens ontdekte ik, aan de grenzen der golvende zee, een veilige haven.

Maar daar viel mijn oog op een gewezen officier van het Luxemburgsche leger en op een gewezen militair van zes voet lengte, die eenige verplichting aan mij had. Bij hen stond de Heer Ten Boom, later agent van de Rijn-sche zending op Padang. Aan dezen stelde ik voor traktaten uit te doelen. Zij namen dit bereidwillig op zich en terwijl zij dat deden, gelukte het ons, dwars door het volk heen, te ontkomen.

Mijn broeder was bij mij gelogeerd en daar tegenwoordig en met hem wandelde ik eenige malen voorbij het politiekantoor , opdat de politie zou weten, dat ik geene aanleiding had gegeven tot het standje, dat ik verwachtte.

Daarop keerden wij naar de Kalvrenmarkt terug om den aHoop der zaak te zien.

Op de Kapelbrug gekomen zag ik eenc onafzienbare schare, voorafgegaan door den oud-officier in kaplaarzen, \'t Was een curieus gezicht en ik had recht medelijden met dezen goeden vriend, hoorende dat fatale : preek, preek I

Wij zagen geen kans hier iets ten goede te doen.

Te negen ure \'s avonds kwam onze officier den alloop mede-deelen. Hij zeide, dat liij voor \'teerst in zijn leven bang was geworden en verplicht was geweest de vlucht te nemen in het telegraafkantoor op \'t Binnenhof. Daar was hij bij een vriend gaan zitten, alsof er niets gaande was.

Tntusschen was de menigte hem gevolgd. Op het Binnenhof was een jongen gevallen en had daarbij een kleine wond aan \'t hoofd gekregen. Daarop was men gaan roepen: mioordlquot; en zoo bevond zich ten slotte een hoop volks voor

-ocr page 38-

\'26

het Ministerie van Binnenlatidsche zaken, waarvan de eene helft riep: sraoord!quot; en de andere: «preek!quot;

Eindelijk werd vanwege den secretaris-generaal om politie gezonden en deze drcet\' het volk uiteen.

Men weet deze gansche geschiedenis aan iemand, die door zijne zonderlinge houding en zwier, wel eens meer volksoploopjes achter zich had gehad.

Twee raaien per week spraken wij op straat en alleen op klaarlichten dag. A\'an lieverlede kreeg ik moed om ook alleen te gaan en welhaast vonden wij geen bezwaar, oni op de Groote markt en op de Groenmarkt te gaan en dat -niet alleen bij daglicht, maar ook des avonds.

Ten laatste werd deze arbeid zoo uitlokkend , dat ik eenige jaren achtereen vier raaien per dag op verschillende plaatsen sprak en als mijne krachten het hadden toegelaten , zou ik een geheelen dag hebben willen staan en spreken van de groote erbarming Gods over verloren zondaren.

Nog meer wellicht gevoelde Wilkens er zich toe gedrongen, doch zijn geneesheer verbood hem eens het dagelijks spreken , omdat hij zich zoo warm maakte en daardoor dikwijls kou vatte.

Deze laatste reden was de aanleiding, dat wij niet meer samengingen, maar ieder de voor hem meest geschikte plaatsen zocht, waardoor het op elkander wachten verviel.

Klein van persoon zijnde, sprak Wilkens meest van een stoel, ook wel van een pothuis, een kar of kist of waar maar eenige verhevenheid was. Eene zeer geschikte plaats vonden wij vóór de kerk. Een kind zeide daarom eens tot hare tante, met hartelijk medelijden: ))De kerk staat meest alle dagen maar leeg en die heeren motten er vóór staan preeken.quot;

In den beginne nam ik ook een stoel of zocht eene eenigszins verhevene plaats , doch dit bleek niet meer noodig, toen de

-ocr page 39-

nieuwsgierigheid voldaan was en liet gehoor belangrijk verminderde. Het varieert nu van zestig tot een paar honderd.

Eigenlijken tegenstand hebben wij nimmer ondervonden.

In den beginne trachtte wel deze of\'gene tegen te spreken , doch een beroep op de gewoonte van fatsoenlijke lieden in den Haag (met nadruk op dat fatsoenlijk) om oen spreker niet in de rede te vallen, was voldoende om daaraan een eind te maken.

In den aanvang zorgden wij steeds den rug gedekt te hebben, doch ook dit bleek later niet meer noodig.

Meer ot\' min koddige ontmoetingen hebben wij wel gehad.

Eenmaal spraken we op de zoogenaamde gedempte Sloot. Daar was een hooge schutting, voorzien van eene rij spijkers , om overklimming te beletten. Wij dachten daar tegen volkomen veilig te staan. Wilkkns sprak eerst. Daarna ik. Onder het spreken klauterden eenige jongens op de schutting ter plaatse, waar geene spijkers waren. Ik zag, dat ze daar kalm schenen te luisteren , doch niet, dat er intusschen een achter de schutting een ladder was gaan halen en die vlak achter mijn rug beklom. Juist toen ik gedaan had en mijn toespraak sloot, trachtte die oolijke jongen mijn hoed over mijne ooren te drukken. Hij miste echter zijn slag en raakte alleen mijn wang. Het volk scheen verontwaardigd; men schold den jongen uit voor al wat leelijk was , waarvan hij , vermoedelijk aan de achterzijde der schutting ontvloden, zeker niet veel gehoord heeft.

Ik bleef gelukkig heel kalm en zeide: sMenschen, vergeldt geen kwaad met kwaad.quot; Ik bracht hun onder het oog, hoe verleidelijk het voor een straatjongen moest zijn, om van eene voor hem veilige plaats een straatprediker den hoed in te slaan en dat ik het in mijne jeugd vermoedelijk ook zou beproefd hebben, niet uit boosheid, maar om eens har-

-ocr page 40-

28

/

t

telijk te lachen. Met nog een kort woord van vriendelijke vermaning, om onze kinderen goed op te voeden nam ik daarna afsclieid.

Deze zaak deed ons veel goed. Men zeide: «Als ie geslagen wordt, maakt ie zich toch niet boos en zoekt het goede voor onze jongens!quot;

Voortaan hadden wij crediet in die buurt, waar eenigo dagen vroeger een dronken kleermaker mij zijn gloeiend strijkijzer naar \'t hoofd had willen werpen.

Jongens konden anders wel eens lastig wezen.

Eenmaal ondervond ik dat van jongens van \'t gymnasium.

\'t Was op een Zaterdag na den middag. De zendeling llir.deiiixg zou met mij spreken in \'t Westeinde. Ik stelde hem voor op de stoep van \'t gymnasium , destijds in de Vleer-straat, te gaan staan. Hij vond dit goed, als er geen les was. Ik zei: «Neen, \'t is immers Zaterdagnamiddag.quot;

Wij gingen alzoo op de stoep staan. Nauwelijks echter was ik begonnen, of er kwamen twee gymnasiasten en gingen naar binnen. Ik hield even op en zei aan Hilderintg: »Ze zijn ei\' toch; houd ze daar binnen terug.quot;

Maar, helaas! zij luisterden niet naar hem en zeiden:»Wij hebben met u niets te maken; dien daarbuiten moeten we hebben!quot; En zoo drongen een zestal of meer van deze vroo-lijke gasten naar buiten en beduidden mij , dat het hun stoep was, waarop zij het spreken niet toelieten.

Ik liet ze praten en zeide in mijne toespraak aan het volk, dat er sommigen waren, die meenden , dat het spreken op \'s Heeren wegen niet paste, maar dat de Heere Jezus thans, gelijk altijd, toonde dat het Zijne wegen waren, waarop Hij Zijne knechten zond, om de gasten tot Zijne bruiloft te noodigen!

«Ja wel,quot; zeiden de jongens , »maar de stoep is van den Bur-

-ocr page 41-

29

gemeesterquot;, en toen begonnen ze allen te zamen een refrein : »IJe stoep is van den Burgemeesterquot; , waarmede liet volk, steeds lachende , instemde, zoodat het welhaast, als eene bazuin met groot geluid , door de straat klonk ; ))De stoep is van den Burgemeester.quot; Wij moesten een tijd lang zwijgen, doch kwamen overeen ons niet te laten overwinnen, omdat dit anderen zou aanmoedigen tot soortgelijke stoornis.

Toen eindelijk het geroep een weinig verflauwde, hebben wij ieder op zijn beurt, onze longen uitgezet en elk eenige minuten lang, het gejoel overschreeuwd. Stichtelijk was het niet. doch ik kon ten slotte zeggen: ))üij ziet, vrienden , dat wij ons voornemen hebben volvoerd. In den strijd tusschen liet goede en kwade, overwint zekerlijk ten slotte altijd het goede.quot;

Een andermaal was ik sprekende in de kleine Raamstraat. Er waren nog al veel mensclien, die aandachtig luisterden. Opeens drong een heer door den kring heen, ging vlak voor mij staan en riep uit: sik geloof\' niets van wat gij daar zegt en gij gelooft het zelf ook niet.quot;

Ik zeide: »Niet, Mijnheer! wat gelooft u dan?quot; Eigenlijk deed ik deze vraag uit verlegenheid, een weinig onthutst zijnde door zijn driest optreden, waardoor ik vergat, dat wij tot regel hadden, ons in geeue discussiën in te laten en alleen een beroep op het fatsoen van den tegenstander te doen.

Maar de vraag was er uit. Het antwoord volgde , waardig een lid van het denkend deel der natie. Hij zeide: »11; geloof alleen , wat ik zie !quot; Bit redde mij uit de verlegenheid.

Ik vroeg hem bescheiden, maar met nadruk: »Heb ik het wel verstaan. Mijnheer, u gelooft alleen wat u ziet?quot;

»Ja!quot; verzekerde hij, met luide stem, met al de zelfgenoegzaamheid van een pedanten weetniet.

-ocr page 42-

30

Daarop wendde ik mij tot het volk , zeggende: »Vrienden let eens goed op; dit is inderdaad merkwaardig; deze lieer gelooft alleen wat hij ziet? Zoo is \'t immers, Mijnheer?quot; — wederom weerklonk zijn )).Ia!quot;

Daarop zeide ik, langzaam, maar met nadruk ; ))Deze Mijnheer heeft niet gezien, dat hij geboren is, dus gelooft hij niet dat hij geboren is!quot;

Een schaterend gelach volgde onzen geleerde. die zich zoo snel hij kon uit de voeten maakte.

Ik kon nu ongestoord voortgaan en aantoonen , dat geen mensch leven kan zonder geloof aan veel wat hij niet ziet, en dat het inderdaad er eigenlijk niet door kan, dat verstandige menschen het Christendom verwerpen zonder er ooit in hun leven een uur ernstig over nagedacht te hebben en zonder het te kennen, of allerlei dwaasheden van den Bijbel vertellen zonder ooit met aandacht den Bijbel te hebben gelezen.

Dikwijls spraken wij in de Bagijnenstraat vóór de slechte huizen, die daar zijn of waren. Dit verveelde de drinkebroers en ontuchtigen somtijds.

Eens was ik er alleen, \'s middags te twee uren , en nauwelijks was ik begonnen te spreken, of ik werd omringd door dertien dronkaards, die nu eens ernstig besloten hadden, mij te verdrijven. Zij begonnen met een vloed van vloeken schelden en dreigementen, zoodat ik waarlijk eenigszins begon te duchten, dat het mij zou gaan als Paulus. Gelukkig echter bemerkten de publieke vrouwen, dat het ditmaal ernstig gemeend was en zij schoten toe tot ontzet. Zij zouden niet gedoogen , dat mij eenig leed werd aangedaan, want ik meende het goed.

Daarop ontstond een strijd van schelden en vloeken , zooals ik in mijn leven nog niet had gehoord. Het scheen wel, dat zij meenden , dat de overwinning moest zijn aan de zijde der

-ocr page 43-

31

hardste schreeuwers. Een leven als een oordeel, waardoor hoe langer hoe meer volk bijeenkwam.

Ik stond daar zwijgende dit tooneel aan te zien, totdat men van weerskanten vermoeid was van \'t rumoer.

Toen begon ik zoo luid mogelijk om gehoor te vragen en zeide, dat hier blijkbaar het rijk der duisternis tegen zich-zelven verdeeld was: hoeren tegen dronkaards en vloekers en omgekeerd; dat ik daar stond als strijder voor Gods koninkrijk en zij nu duidelijk konden zien, dat de lleere Jezus, die ook over de goddeloozen regeert, sterker is dan de Booze. Dat echter de groote sterkte des Heeren nu nog \'t meest openbaar werd in zijne liefde voor arme hoeren en tollenaars en ik door Hem was gezonden, om hen ten sterkste te betuigen, dat, wanneer zij tot den Heiland wilden komen, zij verlost zouden worden uit hunne ellende.

Met vele woorden vermaande ik deze onzinnige en ongelukkige menschen tot bekeering.

Toen ik geëindigd had, namen al de dronkaards hunne petten eerbiedig af en lieten mij gaan , na mij met aandacht aangehoord te hebben.

Wilkens werd eens gestoord door een jongen , die op een paard zat en daarmede \'t hem lastig maakte. Daaraan kwam ■spoedig een einde door er op te wijzen, dat die jongen, wanneer hij onbekeerd was, wel mocht willen het paard te zijn. Immers, als het paard stierf, was alleen een eind gemaakt aan een dierlijk leven, maar als de jongen stierf, zou zijn werkelijk innerlijk zijn openbaar worden en het dan blijken, dat hij, verondersteld dat hij geen deel had aan den Heere Jezus, aan den eeuwigen dood was overgeleverd.. Voor den jongen was dat te kras en hij reed weg.

Een andermaal veroorzaakte een dronken werkman stoornis , doch de stoornis hield op, doordien Wilkens hem een.

-ocr page 44-

32

uur lang tot een afschrikwekkend voorbeeld stelde, als gedoopte, als werkman, als huisvader en als zondaar, met in het oog loopenden indruk zoowel op den ongelukkige, die alles geduldig aanhoorde, als op het publiek.

Eens drong een heer, uit een der aanzienlijke buurten, door Wilkens niet lang te voren zeer ernstig vermaand, op liet oogenblik, dat hij een rendez-vous-huis wilde binnentreden , door den kring van hoorders heen en plaatste zich vlak voor den spreker.

Zijne houding was dreigend en werd hoe langer hoe meer vreesverwekkend, zoodat Wilkens moest beducht zijn, dat men hem onzacht zou verwijderen.

Eenige steenkolendragers maakten aan deze stoornis een einde, door den spreker te omringen, op een oogenblik dat het heerschap iets was achteruitgegaan.

Een ander, een sigarenkoopman , kwam er minder gelukkig af. Deze drong Wilkens gedurig op zijde, terwijl hij op het voetstuk eener pomp stond. Daar het marktdag was en de man daar dikwijls zijne waar aanbood, eindigde Wilkens wat spoediger, om den man niet te hinderen in zijnen handel. Toen hij heenging, zeide deze: »En nou zal ik jelui ereis wat laten hooren,quot; waarop een man antwoordde: sen nou zal ik jou ereis wat laten voelen,quot; terwijl hij hem zulk een geweldigen klap op hel gezicht gaf, dat het kistje met sigaren viel. De jongens waren er natuurlijk dadelijk bij om de sigaren te grabbelen en de arme stakkerd was verplicht zich uit de voeten te maken. Zulk een voorval doet ons leed, maar is in zoover verblijdend, dat het bewijst, dat de ge-meene man ongaarne ziet, dat een evangelieverkondiger gestoord wordt..

Een andermaal waren wij op de Lange Beestenmarkt bezig, liet gehoor was zeer aandachtig, tot er een dronken

-ocr page 45-

3:i

Roomsche man bij kwam staan. Deze nam broeder AVilkens nauwkeurig op en barstte toen plotseling, al vloekende uil: «Zij hadden me gezegd, dat jullie voor je spreken niet betaald werd, maar ik zie wel, dat het niet waar is. Als je geld hadt, zou je geen lap op je schoen hebben, naakte verdommeling ! want een kerel met een lap op zijn schoen, is liet om de duiten te doen.quot; De uitbarsting was zóó onverwacht en zóó geweldig, dat de spreker onthutst zweeg. Ik wenkte hem mij zijn stoei te ruimen en zeide, nadat AVilkens zijne toespraak nog voor tien minuten hervat had: sMenschen! die man spreekt eene groote waarheid uit en als hij blijft staan, zal ik hem aantoonen, dat hij meer gezegd heeft, dan hij zelf wel weetquot; (de man ging intusschen al vloekende heen).

))Hij heeft gezegd: »naakte verdommeling,quot; en dat is juist; van nature zijn wij niets anders, met de gansche wereld naakt en verdoemelijk , dervende de heerlijkheid Gods. Maar nu is er toch een hemelsbreed onderscheid tusschen dien vloeker en ons. Een schoen met een klein net lapje te hebben , is nog eene weldaad Gods en gansch geene schande, de profeet Jesaja moest wel barrevoets loopen en half naakt, en hij was de eenige niet van Gods knechten in dergelijke om-standigheden. Maar het is genade te erkennen, dat wij niets hebben dan onze naaktheid en verdoemelijkheid voor God en dan zich om niet te laten bekleeden met het bruiloftskleed des Heeren, zijne gerechtigheid en heerlijkheid te ontvangen als een geschenk zijner erbarming!

En omdat wij die genade deelachtig zijn geworden , spreken wij daarvan en noodigen wij iedereen uit, om dezelfde genade ernstig te begeeren, en dat doen wij gaarne om niet en laten \'t ons zelfs wat kosten aan geld voor traktaatjes en aan het blijmoedig dragen van smaad en laster.quot;

Eens stond ik op het Spui voor de Nieuwe kerk, toen

3

-ocr page 46-

34

er een Duitsch socialist met luider stem zeiilo, dat liij niets geloofde; dat er geen hemel nocli hel is en dat ik door de rijken betaald werd, om het volk maar gedwee te houden. De man bracht vele grooto woorden voor den dag over priesterbedrog en verdrukking der armen door de rijten, doorspekt met vloeken, en eindigde zijne rede met te zeggen: »En nu wensch ik u naar de eeuwige verdoemenis 1quot;

Daarop ging hij heen; ik riep hem na om te blijven, maar zonder gevolg.

Zwijgend liad ik hem aangehoord en was verheugd, dat zijne luide stem het gehoor niet weinig had doen toenemen.

Ik vervolgde nu mijne toespraak , zeggende: «Menschen! gij hebt het gehoord ; zooals deze man spreekt, spreken de meeste internationalen en socialisten, vooral in Duitschland. Wat hij zeide, was niet veel bijzonders en niet waar. Wel verre dat wij tegen de rijken moeten zijn, behooren wij integen-fleel blij te zijn, als er vele rijken in ons land komen, want die kunnen wat laten verdienen. In den tijd van Salomo en zoolang hij niet was afgeweken van den Heer, waren er zeer vele rijken in Jeruzalem, zoodat het zilver als niets geacht werd , \'t moest alles goud zijn , en God heeft beloofd , dat, wanneer wij in zijne wegen wandelen, »de minste zal zijn gelijk aan het koninklijk huis van David en Davids huis als goden.quot;

Maar veronderstelt, dat die vloeker gelijk had , dat er geen hemel en geene hel is. Hij zelf gelooft er wel aan, want hij heeft mij al vloekende, ten slotte de eeuwige verdoemenis toegewenscht. Maar neemt nu eens aan, dat wij ons vergissen, dat er geen hemel is; wat is dan beter, het volk al vloekende allerlei onzin te vertellen , of het volk in zijn lijden te troosten met een hemel. Is er geen hemel, dan is tocli met den dood alles gedaan , en dan hoor ik in mijn leven liever liefelijke en blijde droomen vertellen , dan vloeken en schelden.quot;

-ocr page 47-

:*5

oAVat dunkt u?quot; Allen zeiden :»Wij ook.quot; ))Nuzeidc ik , ))dan zullen wij maar getroost voortgaan, over die dingen te spreken, die heusch geene droomen zijn, maar zeer wezenlijke en waarachtige dingen Gods!quot; En de arme schapen hoorden het woord met belangstelling.

Een ander maal liep eene stoornis minder gunstig af.

Ik stond in den schemeravond voor de Groote kerk. \'t Was zomer en er verzamelden zich vele menschen. Ik had omstreeks een kwartier gesproken , toen ik vier Joodsche heeren uit het Zuidhollandsche koffiehuis zag komen. Al spottende en lachende bewogen zij zich om den kring der hoorders ? tot twee van hen er tamelijk ruw door heendrongen en bij mij gingen staan. Een werkman , vlak bij mij , werd bij die gelegenheid tamelijk onbeleefd op zijde geduwd. Ik zag, dat die man daarover inwendig kookte. De wijze, waarop deze heeren zich gedroegen, had de aandacht eenigszins afgeleid , zoodat ik verplicht werd eene kleine wending in mijn spreken te brengen en er op te wijzen, dat heden ten dage de spotters vermenigvuldigden, \'t geen niemand verwonderen of mede-sleepen moest, omdat Petrus reeds profeteerde, adat er in de laatste dagen spotters zouden zijn.quot;

Hier viel een dezer Joden mij in de rede, zeggende: ))Dat is geen bewijs!quot;

De werkman, die door hem beleedigd was, antwoordde daarop: »Zwijg jij !quot; De Jood repliceerde, dat hij even goed recht had om te spreken, als ieder ander.

Bemerkende, dat deze discussie zou worden voortgezet en dat de sterke wijnlucht, die van deze Joden uitging, daarvan niet veel goeds kon doen hopen , maakte ik een einde aan mijne toespraak en ging heen.

De werkman gaf daarop den Jood een stomp en zeide: ))Dat is jou schuld ,quot; waarop eene vechtpartij ontstond . met het ge-

-ocr page 48-

ao

volg, (lat de beide heeren, met gescheurde kleeding en zonder hoeden , het koffiehuis weder bereikten, dat zij te kwader ure hadden bezocht.

Den anderen dag las men in het Dagblad van \'s Graven-hage eene opgeschroefde voorstelling van het gebeurde, met de opmerking, dat aan de straatprediking een einde moest gemaakt worden, omdat andersdenkenden zich daaraan ergerden enz.

Die andersdenkenden worden er altijd bijgehaald , wanneer het zoogenaamd niet-denkend deel der natie iets goeds tracht te doen, om dat goede, ware het mogelijk, te verhinderen.

Die dit doen, vergeten, dat de geloovigen ook tegenover de ongeloovigen , andersdenkenden zijn en volgens denzelfden regel om alles te beletten, wat andersdenkenden ergert, dan ook recht hebben te eischen, dat hetgeen bun ergert worde belet, waarmede bet laatste uurtje zou geslagen zijn voor de bordeelen, de kroegen, de witte sociëteit, de komedie, de kermis, de wedrennen, de spoortreinen en stoom-booten op Zondag, enz., enz.

Do, naar het schijnt, altijd Joodscb-of Roomschgezinde heeren van het Dagblad zeiden mij , dat zij eenen geheelen bundel brieven hadden tegen het spreken op straat en nu eindelijk toch iets hadden moeten plaatsen.

Zij waren echter eerlijk genoeg om mijne voorstelling der zaak ook in bet Dagblad te plaatsen , waaruit bleek, dal bet spreken op straat aan dit standje niet de allergeringste schuld had. —

Ik herinner mij niet, dat wij meer tegenstand hebben ondervonden.

Een enkele maal werd , in den beginne van ons optreden. met kracht een vrij groote steen door een jonkman naar Wilkens geworpen, die hem zeker zon gedood hebben, wanneer hij

-ocr page 49-

liet hoofd getroflen had. Do worp was echter mis en sloeg alleen een gat in den muur, terwijl de steen in twee stukken brak.

Eenmaal kreeg ik eene groote, weeke aardbezie juist op mijn voorhoofd, doch ik geloof niet dat iemand het bemerkt heeft. Alleen bewonderde ik den jongen, die tamelijk uit de verte zoo juist gemikt had. Een ander maal trof iets hards mijne zijde, doch ook daarvan bemerkten niet velen iets.

SPREKEN BUITEN \'s GRAVENHAGE.

In Amsterdam liep ik eenmaal meer gevaar.

Ik had er \'s morgens in de Schotsche kerk gesproken en zou er \'s avonds weder spreken. Ue hoorders hadden mij medegedeeld , dat de opkomst \'s avonds hoe langer hoe minder werd.

Ik had daaruit aanleiding genomen om de hoorders\'s morgens te verzoeken des avonds terug te komen en te trachten , een of meer hoorders mede te brengen.

Ik had er op gewezen, hoe gemakkelijk zij \'s middags wandelende traktaten konden uitdeelen en de personen, die ze aannamen, uitnoodigen om \'s avonds ter kerke te komen. Wat ik van anderen verlangde, wilde ik ook zelf doen, en zoo had ik eenige personen op straat traktaten gegeven en hen uitgenoodigd om te komen en was ook in een barbierswinkel, waar \'terg druk was, gegaan, om de klanten daar te vermanen en ter kerke te proeen.

\'s Namiddags echter dacht ik te weinig gedaan te hebben , en besloot om op straat te spreken en wel in de Spuistraat. Ik was in de stemming van iemand, die genadeloos gaat doen, wat hij plicht acht.

-ocr page 50-

38

Zoo bracht ik nijn boodschap tot ongeveer zestig hoorders. Aan het eind van mijn toespraak gekomen , vroeg mij een blijkbaar Roomsch man naar mijn mandaat. Ik had daarop niet moeten antwoorden, maar daar in eigen kracht staande , was ik onvoorzichtig genoeg te zeggen: «Mijn mandaat staat in den Bijbel, in liet woord: «predikt het Evangelie aan alle creaturen.quot;

»Wat Bijbel,quot; zei de man, »als er maar een politiedienaar hier was, zouden we je met je Bijbel in de kast laten zettenquot;; en tevens gaf\' hij mij eeu krachtigen stomp in mijn rug, die mij op gevoelige manier aan mijne afhankelijkheid van den Heer herinnerde.

sEeu mooie preeker,quot; vervolgde de stomper, »die zijn hoorders zelfs op de straat moet gaan zoeken, enz.quot;

Ik stoorde mij echter nu niet meer aan hem en sprak nog eenige vriendelijke zegenwenschende woorden, waarop ik zoo wel mogelijk vertrok , blijde zijnde , dat mij niemand volgde !

Ik geloof niet, dat, buiten de Roomsche provinciën, in eenige plaats van ons land veel tegenstand te wachten is.

In Amsterdam laat de politie het spreken niet toe , gelijk de evangelist linthout, diehet herhaaldelijk beproefde, ervaren heeft.

De politie zegt eenvoudig: »Gij moogi de passage niet belemmeren en rassemblementen zijn , volgens eene oude politieverordening, verboden.

Ik heb er nog eenmaal zonder stoornis gesproken op de Kadijk, en zou , in Amsterdam wonende, een patent nemen als liedjeszanger.

Velen meenen, dat op de plaats, waar zij wonen , het volk anders is dan in den Haag, en het daarom bij hen niet mogelijk zou zijn, zoo iets te beginnen. Ik hoorde dat ook in Zeeland. «Het is immers bewezen,quot; zoo zeide men, »dat de Zeeuwen heel anders zijn dan de Hollanders.quot;

Intusschen heb ik in Vlissingen en Middelburg zonder de

-ocr page 51-

minste stoornis gesproken, in Vlissingen vijf malen , in Middelburg twee malen.

In Vlissingen heb ik zelfs iets gewaagd, dat ik zelf, bij nadenken, afkeur. Ik wandelde er met mijn broeder en wij spraken over het spreken op straat. Juist passeerden wij eene kroeg, waarvoor een stoep was met vier of vijf treden. Ik ging er op staan en zeide: slvijk, zulk een stoep is uitmuntend voor het doel.quot; De kroeghouder kwam buiten en ik gaf hem een traktaatje en deelde die ook uit aan een paar voorbijgangers. Daarop kwamen er meer toeloopen, zoodat mijn voorraad spoedig op was. Toen zeide ik: »Menschen, ik zal u eens vertellen, hoe ongelukkig de Vlissingers dezen kroeghouder en zijn huisgezin maken,quot; en schilderde toen de gevolgen, die het kroegbezoek en de verkeerde aamensprekingen der bezoekers hebben voor de zielen van den slijter en de zijnen.

Dit gedaan hebbende, keerde ik het blaadje om en vertelde hoe ongelukkig deze kroeghouder de drinkers en hunne gezinnen maakte. Daaraan knoopte ik natuurlijk het Evangelie dei-verlossing vast.

De kroeghouder was blijkbaar getrofl\'en en groette eerbiedig, toen ik eindigde , maar \'t zou waarlijk geen wonder zijn geweest, wanneer hij ruw geweigerd had, de pillen te slikken, hem ongevraagd en onverzocht op zijn eigen stoep toegediend.

Ik vertelde dit aan een evangelist te Middelburg, als bewijs, dat de Zeeuwen waarlijk tot hooren niet ongenegen zijn. Hij zeide, dat de Middelburgers heel anders waren en hij onder hen niet op straat zou durven spreken.

Wij gingen daarop wandelen. In een klein steegje sprak ik, tegen zijn zin, tot eenige vrouwen, waarbij hij zeer noode, als tegen wil en dank, eenige woorden voegde. Wij ondervonden geen stoornis. Maar dat was zoo\'n klein steegje en voor enkel vrouwen.

-ocr page 52-

Ken weinig verder bleef ik staan op den hoek van een straat. Daar verzamelde zich een zestigtal hoorders. Een politieagent en een paar militairen waren er bij. Wij spraken ongeveer een half\' uur en werden met den meesten eerbied aangehoord. Men kon in de kerk geen aandachtiger gehoor wenschen.

Zoo heb ik het ook ervaren in Bleiswijk en in Brenkelen. In laatstgenoemde plaats liet de toenmalige burgemeester mij zeggen, dat hij het spreken op straat niet toestond en zou beletten, waarop ik hem liet antwoorden, dat nog geen volk op aarde zich had laten voorschrijven, wat het op straat al dan niet spreken mocht en dat, wat in den Haag geoorloofd was, zeker in Brenkelen ook wel kon.

ZEd. Achtbare heeft mij dan ook laten begaan.

Door eigen schuld zou ik er in moeielijkheid hebben kunnen komen. omdat ik er een ander maal sprak — juist toen de Roomsche kerk uitging en wel over het vormsel.

Ik zeide: «De meesten van u zijn gevormd of zullen gevormd worden , en bij die gelegenheid , zegt u de Bisschop : ontvangt den Heiligen Geest. De vraag is, hebt gij dien Geest waarlijk ontvangen, en zoo niet, begeert gij Hem ? Dat is eene zeer ernstige vraag. De meeste gevormden hebben alleen een indruk ontvangen, dat ze vroom moesten worden, doch die indruk is na korten tijd weder verloren. Het blijft er nochtans bij: sdie den Geest van Christus niet heeft, komt Hem niet toe.quot;

Wij moeten dit zeker weten, en die zekerheid wordt verkregen , door de vruchten , die de H. Geest in het hart voortbrengt en die in \'t leven openbaar worden.

Waar die vruchten niet zijn, is ook de H. Geest niet inwonende in het harte.quot;

Daarover uitweidende, bemerkte ik, dat velen dat niet hooren wilden, en eindigde ik daarom zoo spoedig mogelijk.

-ocr page 53-

41

Maar is er op de meeste plaatsen geen tegenstand te wachten , merkbare teekenen van bijval ontvangt men evonmin.

Bij mijne allereerste straatprediking in Indië, op de markt te Meesteh-Cornelis , was dit geheel anders. Ik was daar heengegaan met den zendeling Grim.m , die pas in Indië gekomen , eene woonplaats zocht, \'t Was juist marktdag te Meester-Cornelis en een vermogend Chinees hield er bruiloft. Daardoor waren vele duizenden menschen bijeen. Grimm\'s hart gloeide om hun het Evangelie te verkondigen, maar hij was de Maleische taal niet voldoende machtig.. Na eenig aarzelen besloot ik het woord te voeren naar aanleiding der teksten, die hij mij uit zijn Maleisch N. Testament zou opgeven.

Ik ging op een tafel staan, verzocht de muziek van den bruidegom, om een poosje stil to zijn, en begon over de woorden: ))Alzoo lief heeft God de wereld gehad, enz.quot;

Dit was inderdaad eene opwekkende ure. Vooral de inlanders toonden belangstelling. Dan zei de een : »hoor, hoor,quot; dan een ander: »goed gezegd, goed zoo; dat is waar.quot; Daarna een derde: »zeg dat nog eens, ik vat het niet.quot;

Wederom een vierde: ))he! AH, dat is voor jou!quot;

En zoo ging het voort, hoe langer boe levendiger, tot ik recht vermoeid, maar dankbaar de markt verliet.

Bij ons is men gewoon stil te luisteren; maar niet-afkee-rige hoorders zijn er altijd, zoodat het verwondering moet wekken, dat niet meer sprekers op straat het Evangelie verkondigen. Men roemt altijd zoo op Engelands straatprediking en meent, dat wij in deze eenvoudig de Eugelschen navolgen.

Dat is niet zoo. Hij ons is het spreken op straat uit de omstandigheden geboren en wij doen het veel eenvoudiger dan de Eugelschen. Dezen zingen eerst en bidden , en na het spreken zingen en danken zij. Zij behoeven minstens een zes-

-ocr page 54-

4\'i

tal personen , om hoorders , door uitdeeling van uitnoodigings-kaartjes of dergelijke , te lokken en met hen te zingen.

Ik heb in Glasgow (Schotland) met eenige Baptisten op straat gesproken. Nadat zij drie malen gezongen hadden, konden zij pas beginnen, en toen ik sprak (ik was de vierde spreker) waren er pas een veertig of zestig hoorders bijeen. De tegenstand is in enkele plaatsen soms gewelddadig.

Wij behoeven slechts eenige traktaten uit te deelen om gewillige hoorders te krijgen. In de laatste jaren begin ik gewoonlijk met het volgende vers van Ds. Huet :

ÜITNOOD1G IN G.

„Deze ontvangt de zondaars.quot;

Komt allen, bedrukten, gebrook\'nen van hart,

Komt, zielen, gepijnigd, gefolterd door smart,

Komt, ziet op uw Heiland. Daar staat Hij gereed, Met liefde in Zijn hart en met bloed aan Zijn kleed.

Komt, snoode overtreders, met misdaèn bedekt. Met harten en handen, door gruwlen bevlekt.

Bedriegers, bedroog\'nen, komt allen te zaam: Uw Heiland roept zondaars en dat is uw naam.

Komt, mannen, met lippen van last\'ring vervuld,

Komt, vrouwen, in \'t tooisel van ontucht gehuld ,

Komt, slaven van wellust, van drank en van spel, Tot Jezus, die zondaars behoudt van de hel.

Komt, zondaars, van \'tjuk van den Satan vermoeid.

-ocr page 55-

43

Gij , prooi van ilen Booze, in zijn keet\'nen geboeid, Hoe vreeslijk de macht van dien sterke ook zij. De Heer, die u noodigt, is sterker dan hij.

Ja komt, schoon der duivlen een legio-tal U rusteloos [lijnigt en spot met uw val,

O, toet\' niet, maar nadert en vreest slechts voor dit; Uien Heiland te missen, die thans nog u bidt.

Ja, komt met uw schulden, zoo talrijk en groot, Al ware daar niemand op aarde zoo snood,

In \'t hart van iiw Heer is genade genoeg,

Geen zonde zoo zwaar, die Zijn kruishout niet droeg.

Al hebben uw handen geplunderd, geroofd,

Al droegt gij het teeken van Kaïn op \'t hoofd.

Het bloed van dien Abel, hoe schuldig g\'ook zijt. Het roept niet om wraak, maar verzoent en bevrijdt.

Geen afgrond zoo diep, waar Zijn hand niet uit redt,

Geen bede om gena; waar Zijn oor niet op let,

Geen tranen zoo bitter, die Hij niet verzoet,

Geen krankheid te fel voor de kracht van Zijn bloed.

O, komt dan en haast u en wanhoopt niet meer,

Maar knielt verootmoedigd voor Jezus ter neer, Hij wascht u het hart als de sneeuwvlok zoo wit, Slechts: vreest Hém te missen, die thans u nog bidt.

/Vrij naar \'t Engelsch.J P. Huet.

-ocr page 56-

44

SPREKERS UIT ANDERE PLAATSEN.

Wij hebben twee Engelsclie straatpredikers hier geliart in 1870 (meen ik), namelijk ile broeders Gaavin Kirkham en Craiq , de eerste in Londen de Prins der straatpredikers genoemd. Zij waren verbaasd over de gemakkelijkheid , waarmede zicli hier een gehoor verzamelt. Ik heb deze broeders in den Haag en in Scheveningen laten spreken en met den heer Kloekers vertaald, wat zij zeiden. Het volk bleef even rustig luisteren.

Ook uit Boheme hebben de broeders Schubert en Ruhmers, en uit Halle de Inspector Gloöl in de.Duitsche taal gesproken , en ik voor hen vertaald, zonder eenige stoornis.

Integendeel lokte het vreemde meer hoorders en grooter aandacht.

Wonderlijk, dat leeraren er niet aan willen. Alleen Ds. Hukt, Ds. Zegers en Ds. Kuipers hebben in den Haag op straat gesproken ; de beide laatsten nadat zij , de straatprediking bijwonende, door mij vriendelijk uitgenoodigd werden een woord er aan toe voegen. De predikant, thans Professor Gunning, gaf eenmaal in een paar woorden zijne instemming met het gehoorde te kennen.

Soms heb ik op die wijze enkelen kunnen overhalen om iets ts zeggen, zooals den zendeling Alrers , den Luitenant-Kolonel Roosmale Xepveu en den heer Sanders. Het bleek hun daarbij , dat zij dat werk zeer goed konden doen , al scheen het hun te voren onoverkomelijk.

Eenmaal vroeg ik op de markt, of er niemand was, die getuigenis wilde alleggen, dat deze dingen zijn , zooals ze door ons verkondigd werden.

Op mijn herhaald aandringen kwamen er twee vrouwen, die, met zachte stem getuigden, wat de Heere aan hare

-ocr page 57-

45

zioleu gedaan had. Ik herhaalde overluid, wat wij zeiden. Daardoor werd eindelijk een man beschaamd, die vertelde, Jat hij vele jaren op zee had gevaren en al dien tijd als zonder God en in do zonde had geleefd; dat hij herhaaldelijk in gevaar was geweest en. zelfs schipbreuk had geleden, ja, dat de Heere hem eenmaal uit den mast had laten vallen, maar dat niets zijn hard gemoed had kunnen breken, totdat hij eindelijk hier op de markt, door de prediking van Gods liefde was verteederd geworden en voor het Evangelie gewonnen. Die man legde toen krachtig getuigenis af van zijn geloof in den Heiland.

Een paar malen sprak ik met den heer Brojiet , destijds evangelist of zendeling voor Israël, in de Jodenbuurt. Hij vertoonde aan eenige Joden het bekende monument, dat aan de eene zijde het portret van Lodewijk XVI en aan den anderen kant dat van Maria Antoinette te zien geeft,\'terwijl de kroonprins in een der boomen , die het monument overschaduwen , te vinden is. Deze portretten ziet men zeer duidelijk, zoodra de lijnen zijn aangewezen, doch een oppervlakkig beschouwer ziet niets dan eene graftombe. Toen dit plaatje gewezen werd, zeiden de Joden: »Wij zien niets bijzonders.quot; Er kwamen er velen, en allen waren het eens: daar was niets te zien dan een graftombe. Maar toen de portretten werden aangewezen, zag ook de minst ontwikkelde, dat ze er wel wezenlijk waren.

«Zoo,quot; zeide Bromet , «gaat het u met den Messias. Zijn beeld is geschilderd in den Bijbel, maar gij herkent hem niet, uw oogen zijn gesloten.quot;

Daarop werden duidelijk en krachtig de Messiaansche voorspellingen verkondigd en hare vervulling in den Heere Jezus aangetoond.

De eerste maal luisterden de Joden met aandacht, maar

-ocr page 58-

4(i

de tweede maal ontdekten ze, dat de spreker een gedoopte\' Jood was, en toen was het spoedig gedaan en wij moesten ons gelukkig achten, alleen cenige minder aangename woorden te hooren en voorts ongedeerd te kunnen heengaan, eenige huizon ver gevolgd door cenige scheldende kinderen. Dit was trouwens bijna de eenige maal, dat de Joden niet rustig luisterden. In den regel behooren zij onder de aandachtige hoorders.

Een van de treffendste tooneelen op straat werd gezien, toen wij een blinden belijder des Hecren , op de Kalvrenmarkt op een hooge stoep brachten, en deze, nadat Wilkens over den blinden Bar-timéüs had gesproken, met zijne krachtige stem er het volgende lied van den blinde zong:

DE BLINDE.

Al is het duister om mij henen,

Al dekken nevlen mij \'t gezicht,

Toch ben \'k van heldren gloed omschenen:

Want Jezus Christus is mijn licht.

Al zie ik nimmer \'t stargellonker,

Hij is de star, die mij bestraalt;

Al is de morgenstond mij donker,

Hij is mijn Zon, die nimmer daalt.

Mij draagt dc bloem geen fnssche verven; Mij bloeit geen lente in pronkgewaad,

Maar ook geen bloemen die versterven, Maar ook geen lente die vergaat.

-ocr page 59-

Ik voel den doorn, maar \'k zie geen rozen r Ik hoor de voglen, \'k zie er geen;

Maar \'k zie ook niet het werk der boozen , Ook niet der wereld ijdelheên.

Ach! luttel is der oogen wonde En luttel is der blindheid smart.

De ware blindheid is de zoude;

ZÜ is de blindheid van het hart.

Wat baten mij des kunst\'naars gaven, Zoo hij mij \'t licht al wedergaf, Wen nev\'len mij de ziel begraven En ik geen licht zie in het graf.

Maar eenmaal daaldet Ge uit den Hoogen En gaaft aan alle blinden \'t licht.

Ook mij. ook mij ontsloot Gij de oogen, Ook mij hergaaft Gij het gezicht; . Ik mocht in U, o Heer, gelooven, Gij naamt mijn ziel de blindheid af... . De nevel is mij weggeschoven En \'t is mij helder in het graf.

Ach! ziet gij ook in blijde kleuren. Der wereld streelend zingenot;

Toch zijt gij, ziende, te betreuren. Wanneer gij blind zijt voor nw God.

Waar \'s Heeren Geest het harte heiligt, Daar is \'t geloof der blinden oog.

Dat hier voor struik\'len hem beveiligt En \'t reinste licht hem toont omhoog.

-ocr page 60-

48

Welzalig zijn de reine harten,

Ze aanschouwen Hem, dien niemand ziet. Hun wacht een lente zonder smarten, Die onverwelkbre rozen biedt.

En wie U kent, is niet verduisterd,

En wie U ziet, hij is niet blind.

De blinde, die naar Christus luistert,

Is hier des grooten Zieners kind.

J. ije Liefde.

Zijn zang verzamelde naar gissing tusschen de 1000 of 1500 hoorders. Ik las het lied nog eens over en sprak toen over het groote voorrecht, dat eeu blinde heeft, wiens zielsoog geopend is voor bet kruis van Golgotha en wiens hart het heeft leeren verstaan, dat wij vergeving van zonden hebben in het sterven van Jezus Christus, en door zijne opstanding uit de dooden zóó gerechtvaardigd zijn, dat wij voor God staan, alsof wij nooit gezondigd hadden.

Ik zeide, h»e wij eenmaal met zulke blinden zouden staan voor Gods rechterstoel, en hoe menigeen, die thans meent te zien, doch inwendig blind is, door hen zal worden veroordeeld , die , hoezeer Jezus niet ziende , al stond hij lichamelijk voor hen. nochtans in Hem hebben geloofd en zich verheugd hebben met de onuitsprekelijke vreugde dei\' verlosten.

ZEER BIJZONDERE ZAKEN.

Een minder treffend, maar toch ook merkwaardig geval hadden wij op een zeer kouden namiddag op den hoek van eene straat. Het vroor een weinig. Wilkens had een stoel gehaald bij eene groentenverkoopster, en dien tegen den muur

-ocr page 61-

49

gesteld. Opziende zngen wij voor een raam eenige verdachte vrouwen, die ons gadesloegen. Wij hadden niet veel hoop op een groot gehoor, omdat het zoo koud was, doch dat er niemand van de voorbijgangers bleef staan, viel ons tegen. De weinigen, die voorbijgingen , namen de aangebodene traktaatjes en gingen verder.

Heeft een spreker in eene kerk of zaal een ongelukkig gevoel , wanneer hij bijna geene hoorders ziet, veel meer iemand , die zich biddend heeft voorbereid om op straat te spreken en daar staat, met den stoel voor zich, zonder iemand om toe te spreken. Wij zagen naar den stoel. Zouden wij dien eenvoudig terugbrengen en heengaan ? \'t Ware het beste. naar \'tscheen, dat wij doen konden. Maar daar bemerkten wij , dat de slechte vrouwen aan de overzijde zich met onzen toestand vermaakten. Dit besliste : — al ware het alleen voor deze ongelukkigen, die toch zeker iets van het woord zouden kunnen hooren, al bleef het raam gesloten. Wij moesten spreken.

Eindelijk verscheen er een jongen met een kruiwagen. Ik zeide: «Jongen , als gij een paar minuten blijft staan , krijgt gij een blaadje met een mooi prentje.quot;

Daar bleef hij met zijn kruiwagen staan. Toen kwam eene oude vrouw, welke ik een traktaatje gaf en mede verzocht eenige oogenblikken te blijven.

Voor deze twee begon broeder Wilkens met zijne zeer ver hoorbare stem te spreken en ziet, bet raam aan de overzijde werd opgeschoven en van lieverlede kwam er een gehoor van een paar honderd menschen. Daar kwam een lichtzinnige met een voorraad gasballonnetjes, en plaatste zich onder de menigte. Vermoedelijk voorbedachtelijk liet zij eenige der ballonnetjes los, die natuurlijk met groote snelheid opstegen, \'t Spreekt van zelf, dat dit een gejuich bij de jongens en algemeen gelach veroorzaakte. De aandacht der luisterenden was weg.

4

-ocr page 62-

ÖU

Zoodra de ballonnen genoegzaam uit liet geziclit waren, maakte Wilkens van deze zaak gebruik , om er op te wijzen, dat er eenmaal iets, dat naar boven varen zou , aller ernstige aandacht zou trekken, namelijk op den dag, waarvanPaulus spreekt, zeggende; »dat zij , die levend zullen zijn overgebleven tot den dag van Christus, Hem zullen te gemoet gaan in de lucht, om altijd met Hem te zijn.quot;

Inderdaad, dat zal ontzaglijk wezen. Die dan niet in één punt des tijds veranderd, en den Heere te gemoet worden gevoerd in de lucht, weten dan met volkomen zekerheid, dat zij niet zijn aangenomen.

Dan zal met nadruk het woord des Heeren vervuld worden : »Twee zullen aan een molen malen , de een zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden; twee zullen op één akker, twee zullen op één bed zijn — de een zal aangenomen, de ander zal verlaten worden.quot;

Verlaten, verlaten, voor eeuwig door Hem , die alleen redden kan! Dat is ontzettend !

Eens sprak ik in de Bagijnenstraat over de groote liefde Gods, door het kruis zijns Zoons geopenbaard. Hoeren en tollenaren hoorden dat met belangstelling.

Plotseling kwam eene waardin, een Roomsche, de bijzit van een Joodschen bordeelhouder, later zijne vrouw, die hare beide dochters voor de ontucht verkocht liad , een paar stappen nader en hief haar vuist tegen mij op, zeggende; »AIs ik nog gevoel in mijne ziel had, zou die kerel mij bang maken.quot; Daarop vertrok zij.

Natuurlijk gaf dit aanleiding tot de opmerking, dat, als de voorstelling van de groote liefde üods haar reeds bang maakte . het voor haar vreeselijk zou zijn, wanneer zij eens bewustheid kreeg van den toorn Gods!

Die vrouw had blijkbaar indrukken ontvangen. Immers zij

-ocr page 63-

51

zorgde voortaan, dat de kinderen barer Roomsclie zuster op de Zondagsschool kwamen en betaalde kleederen dier kinderen , opdat ze er heen konden gaan. Toen ik dit vernam. sprak ik des te meer in de buurt barer woning. Zij scheen echter noch te luisteren , noch voor bet Woord heen te gaan, als ze toevallig voor de deur stond. Ik gaf\' haar eigenlijk in mijn hart op.

Eens zag ik baar in de verte staan met eene andere even zwaarlijvige buurvrouw.

Ik zeide tot de menschen: )gt;Daar ginds staat eene vrouw. die meermalen indrukken beeft ontvangen, doch zich beeft verbard. Ik heb baar menigmalen zeer ernstig vermaand , om af te laten van haren boozen weg. Zij beeft bloedschuld op baar geweten, daar zij haar eigen kinderen voor geld aan de ontucht gewijd heeft; zij stond eenmaal voor mij, verklarende , dat zij, als ze nog gevoel bad, bang zou worden onder de verkondiging der waarheid. Zij kan nog gered worden ; wanneer zij zich nu nog, zoo als ze is, aan den Heiland overgeeft, zal Hij zich barer ontfermen en hare zonden zullen witter worden dan sneeuw. Maar ik vrees voor baar; het ligt mij op bet hart, dat zij heden voor de laatste maal het Evangelie hoort. Voor de laatste maal!quot; Daarop drukte ik zeer sterk, zeggende, dat voor ons allen eenmaal de ure slaan zal, waarin wij voor de laatste maal de blijde boodschap der verzoening vernemen!

Den anderen morgen, te half tien. kwam er een man te mijnen huize, doodsbleek en als gejaagd door de verschrikking Gods. Hij bad; »Red mij, red mijlquot; en riep uit: »die vrouw is dood, ze is dood. Mijnbeer!quot;

Ik liet hem zitten en trachtte hem tot bedaren te brengen. Niet bedenkende wat ik den vorigen dag gesproken had , vroeg ik hem, wat hij eigenlijk meende niet zijn verzoek om redding, in verband met den dood eener vrouw.

-ocr page 64-

52

Hij verhaalde mij toen, dat de vrouw in do Bagijnenstraat r van wie ik gezegd had, dat zij voor de laatste maal liet Evangelie hoorde, \'s morgens opstaande, eene beroerte had gekregen en dood was neergevallen en dat dit oordeel Gods hem had opgeschrikt, omdat hij in dezelfde straat in ontucht en dronkenschap leefde en onechte kinderen had. De vrees voor de verdoemenis dreef hem nu, om mij te vragen, hem uit dien staat te helpen.

Natuurlijk werd die arme zondaar door mij op den eenigen Helper, Jezus Christus, gewezen.

Later in de Bagijnenstraat komende, vernam ik, dat niet de vrouw, die ik bedoelde, maar die naast haar stond en soortgelijken levensloop achter zich had, gestorven was. De hoorders en bewoners der straat, die er van vernamen» meenen echter, dat ik de overledene bedoelde , en ik heb geene reden gevonden om ze beter in te lichten.

Voor mij echter was er deze leering in: 1° dat God mij gebruikte en gaf te spreken, wat ik niet wist; 2o dat bevinding bedriegelijk is of door ons kan misverstaan worden ; 3° dat ik mij niet moest inbeelden iets te kunnen voorzeggen.

Een andermaal stonden wij in eene straat, genaamd: de Geest, omstreeks half zeven, \'t Was tamelijk donker en regenachtig weder. Er was evenwel een aandachtig gehoor. Plotseling viel een dronkaard mij met schelden en vloeken, in de rede.

Ik vermaande hem ernstig om naar huis te gaan en zeide , dat bij misschien nog in dienzelfden nacht voor Gods rechterstoel zou staan. Met grooten nadruk verkondigde ik hem de zekerheid van Gods gerichten, maar ook de gewisheid Zijner erbarming over den zondaar, die zich bekeert.

\'s Nachts om half één stierf die man, al vloekende, gelijk hij geleefd had.

Algemeen werd dit in de straat erkend als een oordeel

-ocr page 65-

Gods. Ik sprak er den anderen dag weder voor zeer vele menschen en zeide : ^Algemeen is men van meening , dat deze ongelukkige verdoemd is. Nu, dat zal tenjongsten dage blijken. Niemand is echter bevoegd om dat nu te bepalen, niemand weet, wat er in de laatste minuut tusschen zijne ziel en God is voorgevallen, en één blik op het kruis, met een verbroken en geloovig hart, is voldoende tot zaligheid.

Dat bewijst de moordenaar aan het kruis , ter rechter zijde des Hoeren!quot;

Dit gaf gereede aanleiding tot ruime evangelieverkondiging, maar ook om er op te wijzen, dat de Heer ons kennelijk gebruikte , om zondaren te waarschuwen , opdat ze hooren , eer het te laat is. Wilkens ondervond dit eenmaal, toen hij op een Zaterdagavond sprekende, door een 19-jarig meisje, \'t welk zich niet liet gezeggen, gruwelijk bespot werd. Den-zelfden nacht stierf zij aan cholerine. Hoe, is ons onbekend.

Eenmaal stond hij met mij in de Van-der-Duynstraat, tegen den muur van een der zoogenaamde commissiehuisjes.

Hij sprak er over, dat menigeen op zijn sterfbed uitroept: »Te laat voor mij, te laat Iquot;

Daarop zeide een der hoorders: sAchter den muur, waartegen u staat, ligt het lijk van een man, die gisterenavond met die woorden gestorven is.quot;

Er ging eene rilling door de menigte, die dit hoorde, en wij gevoelden, dat het woord, naar aanleiding daarvan ge1 sproken, indruk maakte.

Eens kreeg ik eene boodschap van eene dame, die mij liet mededeelen, dat haar echtgenoot gestorven was, met verzoek om haar zoo mogelijk te bezoeken. Bij haar komende, deelde zij mij mede, dat haar echtgenoot mij in het St. Anna-straatje had hooren spreken en te huis komende tot haar gezegd had: »AVij moeten vroom worden.quot; Hij had daarop

-ocr page 66-

54

bij een boekverkooper twee exemplaren van Zschokke: ))Uren aan de godsdienst gewijdquot;, gekocht, één voor zich en één voor haar. Veertien dagen daarna was hij overleden. Zij wilde nu, dat ik hem zalig zou spreken. Ik antwoordde, dat ik de dooden moest overlaten aan Hem , die de Barmhartige is, en ik over dit geval volstrekt niets zeggen kon, daar ik den overledene zeer weinig en alleen als een vloeker gekend had.

De arme vrouw wist niet, dat vloeken zonde was, ging nooit ter kerke, zond hare kinderen niet naar eene catechisatie, noch naar eene Christelijke school. Zij kende van den Bijbel alleen Lukas II. Hoe kon dat? Wel, zij was geheel in do wereld grootgebracht, zonder eenige godsdienst. Achttien jaren geworden, wilde zij toch aangenomen worden , en eene harer bloedverwanten had dat zaakje met een predikant geschikt. Deze stond de aanneming toe, mits zij Lukas II van buiten leerde, dan zou zij alleen daaruit vragen te beantwoorden hebben.

Men ziet: \'t Is Rome niet alleen, dat schikkingen treft met de zielen.

Eenmaal zal \'t blijken, welk een zee van ellende het aannemen van hen, die geene Christenen zijn, heeft veroorzaakt.

EEN PAAR COMISCHE GEVALLEN.

Op het Spui sprekende, \'s middags om een uur of twee, vroeg mij een heer uit Rotterdam, of hij het volk ook eens mocht toespreken. Ik antwoordde : ))Zeer gaarne zal ik uhooren, wanneer ik gedaan heb.quot; Of \'t een vriend of vijand was, wist ik niet. Alleen had hij gezegd uit Rotterdam te zijn en voor het eerst een straatprediker te hebben gehoord.

-ocr page 67-

F 68

55

Toen ik gesproken had, gaf ik hem het woord. Hij scheen van zijn zaak en van zijn talent om het volk toe te spreken volkomen zeker, zoodat ik iets bijzonders verwachtte. Hij begon : «Menschen , gij moet niet alles gelooven , wat in den Bijbel staat, h. v. dat God de wereld in ies dagen geschapen heeft.quot; «Is uwé daarbij geweest?quot; klonk de heldere stem van een armen jongen van veertien jaren. — Zwijg jongen, laat mij spreken.— Neen! zei de jongen, ik doe een ordentelijke vraag, is uwé daarbij geweest? — Brutale jongen, wil je zwijgen? — Xeen, zei het volk, de jongen is niet brutaal; ieder mag hier spreken , — en daar hoorde men een koor instemmen : ))is uwé daar bij geweest?quot;

De hals werd bang en verwijderde zich zoo snel mogelijk , onder een klein hoera\'tje van het volk.

Ik gaf den armen jongen een klein geschenk, en prees hem, omdat hij een zeer verstandige vraag bad gedaan. Dit voorval heeft meer dan eens stof opgeleverd , om de armoede der bijbelbestrijders in het licht te stellen.

Op een avond had ik een zeer aandachtig gelioer bij de groote lantaarn op de Groentemarkt. Ik had overliet om niet ontvangen der zaligheid gesproken. Toen ik eindigde drong een heer naar voren, een man op gevorderden leeftijd, met een portefeuille onder den arm. Hij vroeg mij, of ik vrije genade verkondigde.

Op deze, na zulk een toespraak zeer vreemde vraag, dacht ik met iemand te doen te hebben, die niet al te wel bij het hoofd was. Eigenlijk niet recht wetende wat te doen , vroeg ik hem, of hij gave tot spreken had.

Hij zeide, dat het wel zou gaan , waarop ik hem mijne plaats ruimde, zeggende: »Ik meen niet anders te doen dan zonde en genade te bespreken , doch laat het gaarne aan n over.quot; Daarop verwijderde ik mij. Den anderen dag vernam ik, dat hij begonnen

* i?

-ocr page 68-

50

was_.te zeggen: »Mensclien, de pastoors weten liet niet, de predikanten weten liet niet en deze straatprediker ook niet!quot;

Daarop was liet antwoord uit de menigte: «Hij weet liet alleen!quot; Groot gelach en koor: sliij weet het alleen ; hij weet het alleen !quot; Mijn arme onbekende was daardoor onthutst geworden en heengegaan, gevolgd door eene vroolijke menigte met het refrein: »hij weet het alleen!quot; zoodat hij blij was in een winkel in de Veenestraat te kunnen vluchten.

De man was, zeide men, Irvingiaan geweest te E. en hier Darbist geworden. Déze en bovengenoemde Rotterdammer gaven een voorbeeld , hoe men niet moet beginnen , wanneer men op straat wil spreken.

Een ongeloovige moest eens, zijns ondanks aan de waarheid getuigenis geven. Op de Groote markt sprekende, zag ik een Indisch hoofdambtenaar, met verlof hier te lande. Ik had hem in de Oost gekend als iemand, wiens wandel niet uitstekend was, en hem menigmalen vermaand, doch zonder eenigen indruk op zijne lichtzinnige natuur te maken. Biddend sprak ik , hoog ernstig , in de hoop, dat ik ditmaal gelukkiger zou zijn. Ten slotte betoogde ik, dat het geloof onmisbaar is, zelfs om in dit leven anderen tot zegen te zijn. «Daar ginds,quot; zeide ik, xstaat een ambtenaar uit de Oost, die op dit gebied ervaring heeft. Niet waar, Mijnheer? üngeloovigen in de Oost zijn er niet tot zegen voor anderen , maar geloovigen wel.quot; Zijn antwoord was met luider stem: »Ja! u heeft volkomen gelijk!quot;

Den anderen dag kwam ik hem tegen en vroeg hem : ))Zijt gij veranderd?quot; «Neenzeide hij, vmaar als men zoo overvallen wordt, moei men wel de waarheid zeggen.quot; — »Dus heb ik de waarheid gezegd?quot; — „Ja.quot;— «Maar, mijn vriend, gelooft gij dan b.v. dat de Heere Jezus waarlijk uit den dooden is opgestaan?quot;—

Op die vraag kreeg ik het zeer curieuse antwoord van dezen hoofdambtenaar: »Mei symboliek heb ik mij nooit ingelaten.quot;

-ocr page 69-

fe *4. «K «. #

VRUCHTEN VAN HET SPREKEN OP STRAAT.

Deze bleven verre beneden mijne hoop en verwachting. Ook bij dezen arbeid bleek de waarheid van het woord des Heeren : »Breed is de weg ten verderve , velen zijn er, die er op wandelen; nauw is de weg ten leven, weinigen zijn er die dien vinden.quot;

Eene meer algemeene vrucht is deze, dat, terwijl er vroeger bij gelegenheid van de kermis tien politiedienaren in de Bagijnenstraat noodig waren, er sedert slechts één noodig is. Zoo verzekerde mij althans, jaren geleden, de in die straat geplaatste politieagent.

Op de vraag, hem gedaan, ot\' er geene mogelijkheid zou zijn, om al de slechte huizen en kroegen dier straat op te ruimen, was het antwoord: »\\Vel zeker, als de groote heeren zeiven deze dingen maar niet wilden.quot; Of de man hiermede de waarheid huldigde?

De Burgemeester, eenmaal gevraagd zijnde, wat hij over het spreken op straat dacht, moet geantwoord hebben, dat elke straatprediker hem tien politiedienaren waard was.

Zeker is het, dat wij steeds het voorbeeld gaven, van eiken wenk der politie onmiddellijk te volgen, en verkondigden, dat ook de minste politiedienaar zijn ambt door Gods genade bekleedt, en dienaar is van den Souverein Jezus Christus. Twee malen veranderde Wilkens op verzoek der politie van standplaats , omdat de passage belemmerd werd. Eens wist ik, dat dit verzoek der politie de vrucht was van den afkeer, dien een onbekeerd, zich voor orthodox uitgevend, heer van het spreken op straat heeft. Dat heerschap heb ik ernstig de waarheid gezegd, naar ik vrees, helaas, zonder vrucht 1 Slechts eenmaal aarzelde ik in onmiddellijke gehoorzaamheid aan

F 68

i

1

-ocr page 70-

de politie, toen namelijk een pas aangesteld agent, in zijn dienstijver, mij hot spreken verbood, mijn naam vroeg, en mij wilde medenemen naar het commissariaat van politie. Of ik den man al vriendelijk trachtte te beduiden, dat hij zich vergiste, hij wilde van niets hooren, ik moest mee! Gelukkig kwam daar een ander agent, dien ik wenkte en die mijnen al te ijverigen vriend tot zich riep. Ik was natuurlijk minder gaarne opgebracht met eene hoop nieuwsgierigen tot begeleiding.

Een andermaal waren het twee veldwachters, die, mij over Atjeb hoorende spreken, kwamen beduiden, dat ik wel over godsdienst, maar niet over staatkunde spreken mocht. Gelukkig lieten zij hot bij het opschrijven van mijn naam, en vernam ik er niets meer van.

Over het algemeen waren de politiedienaren ons genegen en hielpen storende dronkaards verwijderen. Zij luisterden dikwijls en wij zorgden een paar malen, dat er christelijke lectuur in hunne wachtkamers was.

Ook is als de vrucht van onze straatprediking aan te merken , dat sommigen, zooals de zendeling-onderwijzer hildering , de zendeling A leers, de evangelist Van Beijeren ook nu en dan op straat gesproken hebben. Do evangelisten Taanman, Geel, Roos en Rieke , benevens de heeren Van\'t Lindenuout, Gerdes en Ten Boom , thans to Padang, Dr. .1.1\'. Esser, thans op Java , Vink en anderen \'t hebben beproefd , die or vermoedelijk aan vrijmoedigheid in hot spreken door gewonnen hebben , al zagen enkelen ook spoedig, dat ilit hun werk niot was.

Zeer stijve rechtzinnigen, die aanvankelijk meenden, dat het Evangelie door het spreken op straat werd ontheiligd en voor die meening aanvoerden, dat men het heilige den honden niet moot voorwerpen , noch zijne paarlen voor de zwijnen , kwamen er van terug, ziende den indruk , dien het woord op

-ocr page 71-

•MIM «■ -f

59

sommigen maakte , en bedenkende, dal de Heere Jezus zelf en de Apostelen en Profeten op straat gesproken hebben, en de Opperste wijsheid , in liet boek der Spreuken, als sprekende op straat, in de poorten en op de woeligste plaatsen der stad wordt voorgesteld.

Zelfs de meening van een geleerde, dat straatprediking een lagere soort van godsdienst was, vergeleken bij de hoogere op den predikstoel, vond geen bijval.

Een leeraar, die van den kansel de straatpredikers meende te moeten bespotten en er tegen waarschuwde, kwam er van terug en prees , na eenige jaren , hun werk als goed en noodig, van denzelfden kansel.

Menige verkeerde opvatting van bijbelplaatsen werd er door verbeterd. Bij voorbeeld werden aanvankelijk de sprekers uitgemaakt voor Farizeërs, die op de hoeken der straten stonden te bidden, alsof dit op zichzelve kwaad ware. Nu, wij baden nooit op do straat zóó, dat anderen het bemerken konden, al was ons hart biddende, maar konden er toch op wijzen, dat het bidden op straat alleen dan afkeuring verdient, wanneer men het zou doen, om van de meuschen gezien te worden. Dat daarom het bidden in de gesloten binnenkamer wordt aanbevolen, omdat men daar die verzoeking afsluit.

Menig voorganger in de kerk bidt om van de menschen gehoord te worden; hij zou geheel anders bidden in eene andere gemeente; gebruikt termen en woorden, die hij voor zich niet zou bezigen , maar die hij huichelachtig, om der menschen wil, gebruikt.

Menig orthodoxe doet dat ook op gezelschap en zelfs in huis, en dat is Godc geenszins welgevallig.

Menigmalen bleek het spreken op straat als apologie (verdediging) van het Christendom te dienen, namelijk in

mal

1

§

i

i: \'is i

i

i

J

-ocr page 72-

00

zoover er de waarheid van liet woord des Heeren door bewezen wordt, dat Hij zijne knechten zou uitzenden op de straten , om de menschen te dwingen tot de bruiloft in te gaan.

Ook Kooraschen werden van hunne meening, dat men den naam van den Heere Jezus niet mag uitspreken zonder te buigen ot\' den hoed af te nemen, teruggebracht, vernemende dat men alzoo den Zoon meer eert dan den Vader, daar zij bij liet uitspreken van Gods naam niet buigen, noch den hoed afnemen.

Wanneer het Evangelie onder Mahomedanen of Heidenen verkondigd wordt, dan neemt men onveranderlijk waar, dat, zoodra het bij sommigen ingang vindt, de anderen hun eere-dienst des te ijveriger waarnemen. Dergelijke werking had ook het woord in den Haag; sommige brave Hendrikken werden alleszins godsdienstig; sommige Roomschen getrouwer in de waarneming hunner plichten, en de Joden zagen zich gedrongen, de plaats, waarin zij gewoon zijn in hun Jargon te hooren preeken, zeer aanmerkelijk te vergrooten.

Dit vernemende, zeide ik tot een Israeliet, die het weten kon: ))Dat is eene vrucht der straatprediking, gij gevoelt het: wij worden Christenen, wanneer wij niet weder goed Joodsch worden.quot; Zijn antwoord was: — ))Ik zeg niet ja, en niet neen !quot; Een tweede antwoordde met volkomen dezelfde woorden en een derde ook.

Ik leidde daaruit af, dat het werkelijk zoo is.

Wonderlijk zou liet niet zijn. omdat zeer vele Joden de waarheid gehoord hebben en gaarne luisteren. Wat wellicht nimmer in Nederland is gebeurd, is mij ten deele gevallen, namelijk dat ik eenmaal een gehoor had, waaronder het getal Joden en Jodinnen, dat der Christenen overtrof. Het was op een loofhuttenfeest, dat God mij vrijmoedigheid gaf, om op het Spui staande met luider stem te zeggen:

-ocr page 73-

61

«Heden zal ik den Christenen de waarheid zeggen in tegenwoordigheid der Joden.quot; Ik hing toen eene vrij donkere schilderij op van de zonden der gedoopten in den Haag. Vele Joden en Jodinnen waren nieuwsgierig om te weten, wat er al zoo op de Christenen te zeggen valt. Blijkbaar erkenden zij de waarheid van hetgeen gedurende drie vierde van een uur zonder eenige overdrijving gezegd werd, en helaas, gezegd kan worden van hen, die zich naar den Messias noemen.

Maar toen keerde ik het blaadje om , zeggende, dat het recht was, nu ook op de zonden der Joden te wijzen , in tegenwoordigheid der Christenen, en daarop deelde ik gedurende andermaal drie vierde van een uur mede, wat God , de Alwetende, Onpartijdige en Rechtvaardige, van de Joden zegt, van de Joden, altijd tegen Hem in opstand, altijd ongehoorzaam en tegensprekende, die zich er op beroemen kinderen Abrahams te zijn, maar wier vader de Heer noemt een bedorven Syriër en van wiens kinderen Hij getuigt; »Uw vader was een Hethiet en uwe moeder eene Amorietische.quot;

Deze schilderij viel zeer donker uit en werd zwart op Golgotha, met het opschrift: »Zijn bloed kome over ons en onze kinderen.quot; Ik vermaande deze Joden zeer dringend tot bekeering, en eindigde met de woorden van Stefanus: «Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en ooren , gelijk uwe vaders, zoo ook gij.quot;

Toen ik heenging groette mij deze schare, met den ernst van ile overtuiging: het is zooals gij gezegd hebt.

Wat wij betreurden was , dat sommigen , bij wie het woord indruk maakte, spoedig daarna dien indruk verloren. Zoo vertelde mij een aanzienlijk heer (conservatief), dat zijn zoon, advokaat te A., eenmaal het spreken op straat had aangehoord en daardoor zulk een indruk had ontvangen, dat hij

-ocr page 74-

drie dagen zijne kamer had gehouden, lezende in den Bijbel, doch dat die indruk weder scheen voorbij te gaan.

Konden zulke bewogenen tot gebod verzameld, en onderwezen worden, dan ware veel gewonnen. Wat zouden wij daartoe doen ? Eene kerk vragen ? Maar bij de zoogenaamde Groote kerk in Den Haag behoefden wij daarmede niet aan te komen.

Immers ik had eens aan een kerkvoogd gezegd, dat het voor onzen arbeid zeer nuttig zou zijn, wanneer ons, die zoo menigmalen voor het hek der Nieuwe kerk spraken, vergund werd het volk binnen het hek, op het ruime plein voor de kerk te verzamelen, en dat wij bereid zouden zijn den koster voor het openen en sluiten van het hek te betalen. De kerkvoogd trok een bedenkelijk gezicht. Hij voor zich wilde het wel, maar zou er over spreken. Eenige dagen later kreeg ik een briefje, dat ik schriftelijk aanvraag kon doen, doch dat hij mij dit niet kon aanraden, omdat het verzoek waarschijnlijk zou geweigerd worden.

Ik antwoordde daarop, dat, wanneer de kerkvoogdij ons als gunst vroeg, of wij het kerkplein zouden willen gebruiken , wij voorzeker, in het belang der kerk, bereid zouden bevonden worden dat te doen. Sedert vernam ik er niets van.

Bij zulk eene zonderlinge stemming der kerkvoogdij viel er op de kerk niet te hopen.

Daarom beproefden wij het ongebruikte kerkgebouw van wijlen Ds. Yelt.man, in de Wagenstraat, te krijgen, en dat werd ons zeer welwillend twee avonden in de week afgestaan. Nu konden wij aan het volk zeggen, dat zoekende zielen daar konden komen tot verdere terechtwijzing en gemeenschappelijk gebed.

Wij hebben in die kerk dankbaar bidstonden gehouden, totdat er weder een predikant beroepen werd en ons het gebruik er van moest worden opgezegd.

-ocr page 75-

(53

Tot dusver hadden wij slechts een paar malen per week gesproken en gingen altijd te zamen. Wij wisselden elkander elk kwartier of half uur af, zoodat wij van één tot twee uur spraken. Dit had dit vóór, dat wij meer volk verzamelden. Soms was er, vooral op de Groote markt, eene schare, voor mijne stem te groot, naar gissing tusschen 1000 en 1500 menschen.

Maar dit had tegen zich, dat er bij zulk eene menigte minder stilte en minder aandacht is, terwijl wij ook verplicht waren op elkander te wachten en altijd weder elkander te hooren. Ook maakt een spreker zich lichtelijk warm en, moet hij dan wachten tot een ander gesproken heeft. dan is het gevaar van kouvatten niet gering.

Reeds had ik, als broeder Wilkens niet kon, meermalen alleen gesproken en gezien, dat dit ging. In den aanvang van ons optreden op. straat was het zeer nuttig, iemand te hebben, die tegensprekers of spotters ter zijde nam, doch van lieverlede was dit geheel onnoodig geworden.

Daarom besloten wij ieder afzonderlijk te gaan, en waar wij aanvankelijk alleen bij daglicht spraken, kregen wij vrijmoedigheid om het \'s avonds bij gaslicht te doen, wat ons het beste bleek te zijn.

Zoolang mijne krachten toelieten , heb ik, gedurende de zomermaanden, vier malen eiken werkdag gesproken, eerst op verschillende plaatsen, maar in den laatsten tijd vooral op de Groote markt en de Groentemarkt.

Van lieverlede echter verminderden mijn krachten, zoodat ik thans al blij ben, wanneer ik het bij mooi weder eiken avond eenmaal doen kan.

De overige arbeid van br. Wilkens veroorloofde hem niet, zoo dikwijls het woord te voeren , waarom hij het, natuurlijk bij goed weder, des zomers vier maal per week, telkens een

-ocr page 76-

uur lang doet, na de nitdeeling van een honderdtal traktaatjes. Doch, wat de zaak op ziclizelve betreft, zouden wij wel den geheelen dag, het geheele jaar door de bazuin van het Evangelie willen blazen. Het is mij wel gebeurd, wanneer het koud was, zoodat niemand bleef staan, dat ik in nauwe stegen gegaan ben en er de blijde boodschap heb gebracht, terwijl de menschen bij hun kachels bleven zitten. Ze hoorden mij dan redelijk wel, en ik stelde dit zoowat gelijk met huisbezoek bij eenige gezinnen te gelijk.

\'t Kwam eens voor, dat wij, voor een slecht huis staande , hoorden hoe de arme vrouwen, die er in waren, erbarmelijk door den waard werden geslagen en naar achteren gedreven , opdat zij het woord maar niet zouden hooren. Bij die gelegenheid riep Wilkens het volk toe: »Hoort dien slavenhouder die meiden eens mishandelen! Maar ze zijn gewillige slavinnen. Ze kunnen er uit, wanneer zij willen, doch doen het niet en bekomen tot loon van hun trouwen dienst, den Satan bewezen, de eeuwige verdoemenis.quot;

Wilkens kon dit met grond beweren, omdat, wanneer de politie in een bordeel komt, om te controleeren, altijd gevraagd wordt, of er reclames zijn en de ongelukkige, die het bordeel verlaten wil, ook al heeft ze er schulden, nooit vruchteloos de hulp der politie zal inroepen.

Mijne ervaring is anders. Ook bij de meeste bereidheid der politie, om zulke slavinnen te helpen vrijmaken, zullen zij zelden de politie inroepen , omdat ze ten eerste niet altijd weten , dat er bereidheid bestaat en ten tweede de waard ze schrikkelijk bang maakt voor politie-bemoeiïng en asylen, en ook omdat , als ze geldschuld hebben , wat bijna altijd het geval is , een zeker eerlijkheidsgevoel deze arme zondaressen nog bindt.

Zal de politie waarlijk afdoend helpen, dan moet zij aan deze slavinnen, hoofd voor hoofd , den duren plicht om het bor_

-ocr page 77-

65

9 p 6a

deel te verlaten , voorhouden, en ze krachtig tot deze plichtver-vervulling kunnen bijstaan.

Met allerlei volkszonden en -ellenden werden wij door het spreken op straat bekend, omdat allerlei ongelukkigen er aanleiding en vrijmoedigheid in vonden om ons op te zoeken.

De lezer make uit een en ander de vrucht op, die de straat-prediking voor ons zeiven had; behalve dat wij voor al deze dingen de bijzondere hulpe Gods moesten zoeken, leerden wij er ook telkens beter spreken door, waarover hierna meer.

Dat zielen gered werden, die door de gewone prediking in kerkgebouwen niet zouden zijn bereikt , was ons reeds gebleken in de bekeering der Roomsche vrouw , op onze eerste tamelijk mislukte proeve.

De tweede bekeering was van een man, die in negen jaren geene kerk had bezocht. Hij behoorde oorspronkelijk totde Waal-sche gemeente, was gehuwd en den weg der zonde opgegaan.

Wij hadden juist eene bijzonder groote vergadering, toen deze ongelukkige, met een verdacht uiterlijk, tusschen twee dansmeiden uit eene kroeg kwam aanspringen en door zijne luidruchtigheid onze hoorders niet weinig hinderde. Daarbij begon een liedjeszanger, die het destijds veel gezongen liedje aanhief: »Jij zal het zien en ondervinden.quot;

Wilkens viel toen met sterke stem in: »Ja, ja! gij zult het wel terdege zien en ondervinden, dat wij u de waarheid verkondigd hebben , wanneer God u , uit deze wereld van schijn , overbrengt in de wereld, waar de naakte werkelijkheid voor den dag komt. Deze wereld gelijkt een groot maskeradebal, waarop de mensch zich anders vertoont dan hij is; hij is afkeerig van zelfkennis, onwaar tegenover zichzelven ; vermaakt zich met eene andere kleeding, dan hem voegt. Maar wee! wee! eenmaal moet dat pakje worden uitgetrokken en hij in zijn ware gedaante voor den rechterstoel van Christus

-ocr page 78-

(iü

verschijnen. Dan is het te laat om de gerechtigheid van Christus, waarmede de zondaar alleen voor God verschijnen kan, nog aan te doen.

Ik voegde daar nog een ernstig woord bij en, hoewel de man meer dan half dronken was, luisterde hij toch. Eerst liet hij de eene meid los, toen de tweede en eindelijk volgde hij ons, toen wij geëindigd hadden met spreken. Hij wilde nog meer hooren en vertelde, dat hij zijn woning had verlaten na eenig huisraad stukgeslagen te hebben, waarbij zijne handen verwond en vol bloed waren geraakt. Hij had het voornemen gehad, nimmer bij zijne vrouw en kinderen terug te komen en was naar de kroeg gegaan, waar hij hall\' dronken deze meiden had opgeloopen.

Geheel zijne erbarmelijke geschiedenis moesten wij hooren en hij bad ons, de hand tot redding naar liem uit te steken.

Met dien man heeft Wilkens zich meer dan vijfjaren gedurig moeten bemoeien; hij is herhaaldelijk weder tot dronkenschap vervallen, doch eindelijk, voor altijd gered. Hij is nu een man, die in zijn gezin mag nagegaan worden, zelfs vele jaren lang en door strenge beoordeelaars.

Zijne Roorasche vrouw, willende weten wat haar kind op de Zondagsschool van Wilkens leerde , is daar gedurig teruggekomen en zij mag zich nu ook verblijden in de kennis der waarheid.

Daarop volgde de Roomsche vrouw van een winkelier. Ook deze had een zwaren strijd te strijden , vooral in hare Roomsche familie. Zij is eindelijk door Ds. Hazebroek in Amsterdam aangenomen en voor vele van hare verwanten tot een zegen geworden.

Een ongeloovige uit den rijken burgerstand werd, zooals men zegt, toevallig staande gehouden, omdat hij mij hoorde zeggen: «Vrienden, ik zal u eens het onderscheid aantoonen

-ocr page 79-

67

tusschen een geloovige en een ongeloovige. Dat onderscheid is dit: wanneer gij een geloovige \'s nachts opklopt en zegt: »geef rekenschap van uw geloof,quot; dan is hij dadelijk in staat en bereid om dat te doen; maar een ongeloovige zal op de vraag in den nacht, welke redelijke gronden hij voor zijn ongeloof heeft, u antwoorden, dat hij dat niet zeo dadelijk zoggen kan, maar eerst zijn boeken moet raadplegen I

]jij den een is de zaak in het hart, bij den ander is \'t geen h artezaak.quot;

Nu was juist deze burger-ongeloovige een man, wiens ongeloof in zijne boeken stak. Hij bleef luisteren, toen ik de geschiedenis mededeelde van Nelson en diens boek over het ongeloof, een man, die , redelijke bewijzen willende opschrijven voor zijn ongeloof, bevond, dat Voltaire, Volney, Buckingham en de geheele bent ongeloovigen allemaal leugenaars en Schriftverdraaiers zijn en die ten slotte, zoodanige bewijzen willende leveren , door eigen Bijbelbestrijding bekeerd werd, zoodra hij ernstig den Bijbel las.

Onze burger kwam vier of vijf avonden achtereen terug om het Woord te hooren en werd toen zoo krachtig door Gods Geest aangegrepen, dat hij dag noch nacht rust had, zijn arbeid niet kon verrichten en radeloos, soms in den nacht, bij een broeder kwam met het verzoek om voor hem te bidden. Hij zou een eind aan zijn leven gemaakt hebben, als de Heer zich niet over hem had ontfermd. Eindelijk vond hij vrede in het bloed des kruises, zoo beleed hij. Het zaad bleek echter later in steenachtigen bodem te zijn gevallen. Het had geen diepte van aarde. — De man is sedert teruggekeerd tot de wereld, als de gewasschen zeug tot het slijk.

Een meisje uit R. kwam hier dienen, om pret te zoeken. De eerste avond , waarop zij mocht uitgaan, bracht haar onder het gehoor op de markt, uit nieuwsgierigheid. Zij werd in

-ocr page 80-

68

\'t hart gegrepen en plotseling veranderd in eene levende Christin. Ik wist daarvan natuurlijk niels, maar haar huisheer , die tegen de straatprediking gekant was, liet mij weten , dat hij op dit stuk veranderd was, omdat zijne dienstmaagd r een ruw, vloekend schepsel, was omgezet in een lam. Daarop hezocht\' ik haar en zij deelde mij met groote blijdschap hare verandering mede. Tot lieden in hare geboorteplaats teruggekeerd , is zij steeds dezelfde vroolijke, vriendelijke, zachte Christin.

Eene andere werd op eene wijze aangegrepen, die bij hare huisgenooten veel opzien baarde. Op de markt was de groote liefde des Heilands voorgesteld en de vraag gedaan: zoudt gij iemand, die hier stond en hare eigene moeder op het hart getrapt had, nadat zij al de zorgen, al de liefde dier moeder rijkelijk had ervaren, niet als een monster beschouwen? Gewis , niemand uwer, die \'t niet zou doen. En toch trappen wij den Heiland op het harte, wanneer wij Hem smaden, den Heiland, die meer liefde heeft dan alle moeders te zamen.

Dit hoorde een dienstbode , die werkelijk hare eigene moeder op het hart getrapt had. Zij ging in de grootste ontroering heen en was der wanhoop ten prooi, brullende van angst.

Ik heb er niet verder van vernomen , dan dat zij ontroostbaar was.

Op een avond werden drie werklieden gewonnen. Ik had op zeer eenvoudige wijze aan mijn gehoor gezegd : vermoedelijk zijn er onder n zelfs werklieden, die niet gelooven, mogelijk wel twijfelen, of er een God is. Nu is dat toch wel voor den mensch belangrijk genoeg om te trachten het niet zekerheid te weten. Dat kunt gij. Gij hebt gehoord , dat de Heere Jezus gezegd heeft: »Bidt om den Heiligen Geest en gij zult Hem ontvangen.quot; Welnu, knielt van avond neer en zegt, zoo eenvoudig als gij het tot uwen aardschen vader zeggen zoudt,

-ocr page 81-

6!)

Jat wanneer God bestaat, gij in den naam van den Heere Jezii$ vraagt om den Heiligen Geest. Wanneer gij dat oprecht en eerlijk meent, zult gij verhooring vinden.

Drie mannen hebben dat ervaren. Eén er van op merkwaardige wijze. Hij kwam vijf maanden na dien avond bij mij en vroeg mij, of ik mij herinnerde, dat ik liet bovenstaande gezegd had? Op mijn bevestigend antwoord verhaalde hij mij, dat hij met zijne vrouw en moeder woonde en van de markt thuis gekomen, onder den indruk van het gehoorde , gewacht had tot deze beiden naar bed waren; dat hij daarop bij de tafel was nedergeknield en eenvoudig gevraagd had om den Heiligen Geest; dat hij daarop was gaan slapen en \'s nachts om drie uur wakker was geworden met de zeer blijde verzekering in zijn hart, dat hij vergeving zijner zonden had ontvangen en door den Heere was aangenomen.

Hij had vijf maanden gewacht , voordat Hij mij dit mededeelde , om zeker te zijn , dat hij niet met inbeelding te doen had; maar nu zeker zijnde van liet werk Gods in zich, kwam hij mij \'t zeggen, om den Heere groot temaken. Lij huisbezoek van een Evangelist kwam deze met de beide andere bovenbedoelde werklieden in aanraking, waarbij zij mededeelden, hoe Gods genade ook op hun gebed om den Heiligen Geest aan hen bewezen was.

Tredend was de redding van een der ergste vloekers en dronkaards. Deze kwam tamelijk beschonken onder het gehoor en werd plotseling aangegrepen dooi\' een overweldigenden angst voor het oordeel Gods. Als een voortgedrevene liep hij naar huis, viel op zijne knieën en bleef er, smeekende om erbarming, tot hij geheel nuchter was en den Heiland had gevonden. Sedert was hij een geheel vernieuwd man.

Nog sneller was de bekeering vaneen jong milicien uit H. , zoon van een vromen vader.

-ocr page 82-

70

Ik sprak in den tuin tier militairen-vereeniging, voor de militairen die er waren en eenige hurgers die buiten stonden , volgender wijze:

Mijne vrienden, gij hebt allen het stadhuis wel gezien, niet waar? Maar hebt gij er ooit over nagedacht, wat God u er door leeren wil ? Duizenden zijn er, die er in- en uitgaan, zonder er ooit over te denken ? Zoo waar is liet woord des Heeren , ook met betrekking tot de zichtbare dingen ; ))Een os kent zijn bezitter en een ezel de kribbe zijns Heeren , maar mijn volk verstaat niet.quot;

Laat ons eens nagaan, wat er al zoo uit dat stadhuis te leeren valt.

Vooreerst is het het middelpunt, vanwaar uit het maatschappelijk leven der burgers, voor zoover het met de stadsoverheid van doen heeft, geregeerd wordt. Van dat middelpunt gaat de beweging uit tot het bewaren van orde , openbare eerbaarheid enz.

Daarmede wil de Heer er ons op wijzen, dat wanneer zulk een middelpunt van beweging ten goede en bescherming tegen en afkeering van het kwade, in ecne stad onmisbaar is, er noodzakelijk ook een middelpunt van dien aard noodig is voor \'t gansch heelal, een middelpunt boven alles; machtig over allen en vanwaar de beweging van het schepsel bestuurd wordt.

Dat is zeer aannemelijk. Over dat middelpunt boven allen spreek ik mi echter niet.

I.aat ons thans liever eens het stadhuis binnengaan.

Het eerste dat wij daar ontmoeten is gewoonlijk een bode. Ueze herinnert ons aan de waarheid , dat wij allen boden zijn op aarde. Ieder onzer brengt zijne boodschap, maar de meesten weten het niet eens. Zij bevestigen het woord Gods: »Wie is blind als mijn knecht en doof als de bode, dien Ik zend?quot;

Gij hebt heden eene boodschap aan uw naaste gebracht,

-ocr page 83-

al hebt ge geen woord gesproken. De jeneverdrinker, zegt onwillekeurig: «Jenever kan geen kwaad; jenever is goed.quot; De speler zegt: »Het spel Is goed.quot; Een huisvader, die zijn tijd doorbrengt in de kroeg of in de Witte sociëteit, zegt daarmede tot zijne stadgenooten , dat daarin niets verkeerds is enz., om nu van erger dingen niet te spreken. Met één woord: allen die het schepsel liever hebben dan den Schepper, zeggen daarmede, dat het eerste en groote gebod geen waarde heeft en zij daaraan niet gehouden zijn.

Welke boodschap hebt gij gebracht, of zult gij nog brengen aan de menschen.

Boden zijt gij, of gij wilt of niet. Boden des Satans of boden van den levenden God. Wat kiest gij te zijn?

Zalig de boden des Heeren, gelijk geschreven staat: «Hoe liefelijk zijn de voeten desgenen, die het goede boodschapt!quot; Zoovelen gij gedoopt zijt, heeft de Heer u bij uw voornaam geroepen om boodschappers te zijn van zijn heil. Schrikkelijk is het, wanneer gij aan die roeping niet voldoet en niet voldoen kunt, omdat gij zelf weigert het heil, dat u verkondigd is, aan te nemen. Zie, wanneer daar een bode van den Burgemeester tot u komt, zult gij hem ontvangen en met opmerkzaamheid aanhooren, maar hoe hebt gij gedaan met de boden Gods, met hen , die u het Evangelie — de blijde boodschap — brachten ?

Ik laat dat nu echter daar, maar geef u in overweging, eens te denken aan een woord des Heeren, dat zijn uitverkorene gemeente gekit: sGelijkerwijs mij de Vader gezonden heeft in de wereld , zoo zend Ik u in de wereld.quot; Gezant van den allerhoogsten Koning te zijn en te doen , alsof u dat niets aanging, — gij gevoelt, dat gaat niet: — de verantwoording zou u in den dag des gerichts te zwaar vallen.

Wij laten ons echter nu door den bode van het stadhuis

1 i

11 ,K ^

\'m i

I

-ocr page 84-

72

in de verschillende vertrekken brengen. Ilij leidt onsineene kamer, waar aangifte wordt gedaan van kinderen, die in de stad geboren zijn. Daar is juist iemand , die een geboorte aangeeft-Hij heeft twee getuigen voor zijne aangift. Zonder die getuigen wordt het kind niet in het geboorteregister ingeschreven.

Nu, zoo zeker als hier op aarde zulk een geboorteregister is , zoo zeker is er een in den hemel. «Verheugt u daarover zegt de Heere Jezus tot de zijnen, adat uwe namen geschreven zijn in het bock des levens.quot;

Kunt gij op goede, bijbelsche gronden u daarvan verzekerd houden? Dat kunt ge niet, tenzij twee getuigen voor uwe geboorte van boven getuigen , namelijk: Gods Woord en Gods Geest.

Er zijn er velen, die één getuige meenen te hebben en zich daarmede geruststellen. Zij zeggen bij voorbeeld: )gt;Er staat in den Bijbel, dat de Heere Jezus voor alle raenschen gestorven is en dat zijn bloed van alle zonde reinigt, dus is Hij ook voor mij gestorven en kom ik in den hemel.quot; Deze lieden vergoten , dat er ook in dien Bijbel staat, dat Gods Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn. Van die getuigenis hebben ze nooit iets bespeurd.

Anderen daarentegen troosten zich met een gezicht, een visioen, eene sterke, geestelijke aandoening, een droom, dien zij gehad hebben, of eene inwendige stem , die zij vernamen , ja, met eene bevinding van twintig of dertig jaren geleden, en stellen zich daarmede gerust, al zegt hun geweten zeer duidelijk , dat Gods Woord ieyen en niet vóór hen getuigt.

Deze beide soorten van menschen komen bedrogen uit. Het blijft er bij : wij zijn niet geschreven in het boek des levens, zonder deze dubbele getuigenis van het Woord en den Geest Gods.

Maar daar komt juist iemand aangifte van overlijden doen. Wij denken daarbij aan de aansprekers, die zullen rondgaan

-ocr page 85-

9 P 68

7;j

om overal te zeggen; «overleden N. N.quot; Menigeen van de kennissen zal er wellicht op antwoorden : Och ! is die overleden ? Nu, hij heeft veel geleden en is nu over het lijden heen Dit maakt menigeen van het woord ïoverlijden wellicht omdat men op de openbare school neutraal moet zijn en daarom over de beteekenis van sommige woorden moet heenglijden.

Dat overlijden beteekent; overgaan in eene andere plaats — der eeuwige ellenden of der eeuwige vreugde, — daar willen althans vele openbare onderwijzers niets meer van hoeren, boe dwaas het ook zij, niet te willen hoeren van de plaats. waar men heengaat. Een verstandig mensch informeert eerst en als de plaats hem niet aanstaat, keert hij bijtijds om. Dat begrijpen de geloovigen, al acht men hen het »nict-denkend deel der natie.quot;

Doch laat ons liever naar eene andere kamer gaan, waar zeer velen gaarne den voet gezet hebben; ik bedeel de trouwkamer. Vrienden, houdt het huwelijk in eere; \'t is eene heilige instelling Gods, niet door menschen gemaakt, alsof het een burgerlijk contract ware! Daarover ware veel te zeggen, maar dat laat ik nu rusten. Gij hebt allen waarschijnlijk wel eens op het stadhuis zien trouwen. Wat wordt dan aan den bruidegom gevraagd? Immers niets anders, dan of hij deze zijn bruid tot vrouw wil hebben? quot;U\'il hij, dan is zijn antwoord: ja 1

En aan de bruid wordt gevraagd, of zij dezen haren bruidegom tot man wil hebben, en zij moet antwoorden: ja!

Nu is het huwelijk een beeld van de vereeniging van den bemelschen bruidegom Jezus Christus en Zijne gemeente. Hij vraagt haar in het Evangelie; Wilt gij de Mijne zijn.\' En daarop antwoordt zij , al is het met vreeze en beving en soms onder vele tranen , voor God en zijne heilige engelen ; Ja, Heerel

Maar wat nu te denken van een bruid op het stadhuis.

-ocr page 86-

7-i

die op de vraag van den ambtenaar van den Burgerlijken stand: wilt gij dezen uw bruidegom tot echtgenoot hebben ? niet zou durven zeggen : ja !

Toch kunnen er vele overleggingen in het hart van zulk eene bruid zijn. Zij kent zichzelve wel eenigszins, als te onheilig voor een heilige instelling Gods als het huwelijk. Zij acht zich wellicht veel te onbehagelijk , te ongeschikt, te arm en ellendig voor den bruidegom.

Zal zij nu dat alles zeggen en op dien grond weigeren het ))jaquot; uit te spreken?

Maar dan komt immers van het huwelijk niets!

Zal zij zeggen: o Mijnheer! ik heb zoovele jaren dezen man begeerd; ik heb er zooveel voor gedaan om zoover te komen; zooveel er om geweend ?

Wat zal \'t haar baten, als zij niet »jaquot; zegt? Zij weet, het helpt alles niets. Maar wanneer zij ja zegt en daarbij blijft, wordt zij des bruidegoms; zij verliest dan het huis van vader en moeder en zelfs haar naam, en komt in een geheelen nieuwen toestand , waarin hare roeping is, voor haren man te zijn wat ze zijn moet. Al het zijne is dan het hare.

Nu, niet anders is het geestelijk niet den hemelschen Bruidegom. Duizenden zielen zeggen niet eenvoudig »ja,quot; wanneer de Heere hen roept en voordat ze met het hart ja gezegd hebben, voordat hun wil overgebogen is, om de zijnen te zijn, blijven ze wat ze waren. Zeker er moet veel aan een ziel of liever aan eens menschen geest, ziel en lichaam gebeuren, voordat de mensch het beeld van den hemelschen Bruidegom draagt, maar zonder het »jaquot; der besliste overgave kan dit niet geschieden.

Mocht de trouwkamer velen daarover doen nadenken.

Wij gaan verder in het stadhuis en zien daar op de deur van een vertrek het woord: Duinwaterleiding. Men

-ocr page 87-

kan daar water, helder frisch water verkrijgen en in elk vertrek zijner woning laten leiden, maar \'t kost geld. Dat water komt van eene hoogere plaats en gaat van daar door onderaardsche buizen heen.

\'t Is alsof de Heere daardoor de geheele stad herinneren wil aan zijne woorden : «Die dorst heeft kome en die wil neme het water des levens om niet. En die in Mij gelooft, stroomen des levenden waters zullen uit zijn binnenste vloeien.quot;

Het aardsche water is voor ieder mensch volstrekt onmisbaar; \'t is in overvloed voorhanden op aarde, omdat niets verschrikkelijker is dan dorst zonder de mogelijkheid om dien te lesschen.

Nu, zoo is het ook gelegen met het levende water, den Heiligen Geest. Die Geest is uitgezonden, zegt de Schrift, in alle landen , als de zeven Geesten Gods; leeft en werkt in de gemeente, stort zich uit in stroomen van dank en lof, aanbidding en verkondiging van het Woord door de geloovigen.

Van boven afdalende, in de aardsche vaten der discipelen van Jezus gedragen, wordt die Geest door hen gebracht in het woord des levens, dat zij spreken in de kerken, op de straten, op do Christelijke scholen en bij huisbezoek, tot in de zolderkamertjes — overal waar dorstigen zijn.

Waaraan ligt het, dat nochtans zoo weinigen dat water des levens ontvangen? Aan vele oorzaken:

1. Zij dorsten naar andere dingen, naar de genietingen der zonde, niet naar het water des levens.

2. Zij willen niet. Men zoekt thans alles in verstand, in wetenschap of in gevoel voor kunst en dergelijke, maar de wil is de groote kracht des menschen. Het it)(7vermogen wordt ten eenenmalo veronachtzaamd en de nieuwerwetsche beschavers der menschen zouden wel door neutraal (dat is onzijdig) onderwijs den wil geheel onzijdig willen maken. Op dien weg worden wij ten laatste willelooze slaven vnn

-ocr page 88-

76

ileii Antichrist. De Heer daarentegen wil, dat wij krachtig willen ; Hij werkt liet willen en volbrengen, en wat Hij doet is volmaakt. Zoo gij niet wilt, vraagt Hem uwen wil te veranderen.

3. Er zijn er, die nog eenigszins schijnen te dorsten en ook te willen, maar om niet het water des levens te nemen. dat begeeren ze niet. Ze zijn te hoogmoedig om als een aalmoes het allerkostelijkste te ontvangen; uit de genade van den Gever.

Zie, dut is het kenmerk der waarachtige godsdienst. Daar wordt alles gegeven en ontvangen, volstrekt om niet.

liet heeft den Heere zijn Zoon gekost. Hij heeft het grootste offer er voor gebracht, dat Hij brengen kon. Zoo groot is zijne liefde. Maar nu dat offer gebracht is, vallen ons al de vruchten er van om niet ten deel.

De zondaar wil dat niet. Hij wil óf zijne tranen óf zijne geboden óf zijne plichtsbetrachting, óf zijne goede hoedanigheden óf zijn aanleg óf zijne heiligmaking óf althans de zekerheid zijner eeuwige verkiezing meebrengen, voordat hij het water des levens neemt. Maar volstrekt om niet, dat is te vernederend, dat is te gemakkelijk, dat kan, naar zijn gevoelen , niet waar zijn! Toch blijft het er bij: om niet.

Maar laat ons naar gindsche kamer in het stadhuis gaan , waar velen schijnen te betalen! \'t Is de kamer van den gemeenteontvanger. Wij zien er niet velen, die met blijdschap belasting betalen.

Maar de bruid des Heeren weet, dat de overheid is Gods dienares, haar ten goede. Zou zij de dienstmaagd van haren Bruidegom niet hoogachten en haar niet gaarne geven , wat haar toekomt? Gewis.

Doch zij leert ook, bij deze kamer stilstaande, dat, zoo zeker als hier een ontvanger is, ook in den hemel een Ont-

-ocr page 89-

77

vanger op haar wacht. Zij is dien grooten Ontvanger schuldig al wat zij heeft, en naar boven opziende, ziet ze in den geest, dat Hem worden gebracht eere , heerlijkheid, dankzegging, aanbidding. Zij hoort het lied der triomfeerende gemeente en der oiulsten en der cherubijnen en engelen, die den hemelschen troon omringen, zeggende: »Gij zijt waardig dat alles te ontvangen.quot;

Zijn wij bereid en in staat Hem te geven , wat Hem toekomt ? Van nature geenszins. Menigeen zegt: «Ik geef een ieder het zijne,quot; maar vergeet Gode het Zijne te geven, al de dagen zijns levens.

Zulk een mensch mocht wel eens met ons de kamer bezoeken , waar wij nu binnengaan; \'t is die van de bevolkingsregisters. Daar worden de verhuisbiljetten ontvangen en uitgereikt.

Nu, ieder onzer draagt bij \'t verlaten van dezen aard-schen tabernakel zijn verhuisbiljet mede. Het beeld, dat hij draagt, geeft hem toegang tot den hemel of de hel.

Draagt hij het beeld des Heeren, is hij een leesbare brief Christi geworden, dan behoeft hij niet te vreezen. Draagt hij echter \'tbeeld van den ouden Adam, is het handschrift zijner schuld niet verscheurd — dan gaat hij naar zijne plaats.

Die niet geloofd heeft, hoopt vruchteloos op een beter leven.

In dien geest sprak ik en het behaagde den Heer, toen ik over de trouwkamer sprak, het hart van een jeugdig militair te bewegen, zoodat hij ja! zeide tot den Heer, die zeker reeds lang aan zijn hart gewerkt had.

Van dien dag at was die man een ander en zoo beslist en zoo onberispelijk in zijn wandel, dat hij, ondanks zijne vrijmoedige belijdenis van den Christus, in de kazerne hooge achting genoot. — Men zeide van hem: «Die meent het!quot;

-ocr page 90-

78

Wilken\'S had het voorrecht drie mannen in de laatste maanden huns levens te bezoeken, die in hetzelfde jaar, in de hope des eeuwigen levens stierven en op hun sterfbed betuigden, dat zij den eersten stoot om den goeden weg op te gaan door zijn toespraken op straat ontvangen hadden. ■

Twee Roomsche vrouwen betuigden hetzelfde. De eene vergat meer dan eens, op weg naar hare kerk , den geheelen dienst en ging, in plaats van naar de kerk, naar huis, om over het gehoorde na te denken.

MOORDENAARS.

Eenmaal stond bij de straatprediking eene gewezen dienstbode van zeer beperkte geestvermogens. Ik sprak toen over de gebeurtenis, die geheel ons land ontroerd had, den moord, door zekeren J. op eene dame en hare dienstmaagd gepleegd.

A ele dagen lang gaf die moordgeschiedenis aanleiding om er op te wijzen, dat des menschen natuur, door de zonde bedorven en wedergeboorte tot redding onontbeerlijk is.

De bovengenoemde dienstmaagd luisterde aandachtig en kwam den anderen dag bij mij met de mededeeling, dat zij aan J. in do gevangenis te Leeuwarden had geschreven en zijn antwoord liet ze mij zien. Zij had er niet veel tegen, dat ik dat antwoord liet drukken.

Daaruit is veel schrijvens voortgevloeid.

\\oor geheel Nederland is er uit gebleken, dat niemand op de vraag: hoe kan een zondaar weder een waar mensch worden ? een beter antwoord weet te geven , dan dat, hetwelk de Heere Jezus heeft gegeven in zijn woord: »Ik ben de weg, de waarheid en het leven.quot;

\\ an allerlei richtingen kwamen antwoorden in, die dat buiten

-ocr page 91-

79

twijfel stelden. Alleen de Joden hebben niet geantwoord, maar mondeling gezegd: voor moordenaars weet de Synagoge geen raad.

De zoogenaamde Vrijdenkers scholden mij, en één hunner gaf den raad, dat J. zich moest ophangen. Vooral Multatuli openbaarde bij deze gelegenheid de ontzettende laagheid, waartoe Wj, helaas, verzonken is en zijne walgelijk onreine natuur !

Een Roomscb werkman stemde toe , dat J. alleen te helpen was, wanneer hij zijn toevlucht tot den gekruisten Heiland nam, maar openbaarde toch bij die gelegenheid, dat Rome zelfs daaraan nog niet genoeg meent te hebben en er nog meer bij noodig heeft.

De conservatieve Rotterdamsche Courant ontkende , dat wij dezelfde natuur hebben als J., en openbaarde tegenover dezen diep gevallene den Farizeër, die God dankt, niet gelijk te staan met roovers, dieven en tollenaars. De redacteur dier courant achtte zelfs den hemel niet gesloten voor brave •loden en deïsten, die den Christus verwerpen.

Een moderne wist J. geen anderen raad te geven, dan dat hij zich moest verbeteren, juist wat alle brave menschen aan niet brave menschen zeggen, zonder dat zij antwoorden kunnen op de vraag; wat moet een zondaar doen, om gered, om braaf te worden?

Zij zeggen tot zulk een kranke : gij moet gezond worden, doch van den geneesheer, die alleen gezond maken kan, zwijgen zij.

Ik heb al deze verschillende antwoorden in de Standaard kortelijk vermeld, ten bewijze dat noch materialisten, noch modernen , noch liberalen , noch Roomschen, nocli Joden of wie anders ook een weg tot behoud eens zondaars weten aan te wijzen buiten Hein, die alleen de weg is.

Een anderen naam is er onder den hemel niet gegeven tot redding.

-ocr page 92-

80

Het schijnt echter wel, tlat ons volk, en vooral de residentiestad \'s Gravenhage, ook door de schrikkelijkste dingen niet wakker wordt.

De moordaanslag met vergif\', dooi\' den gepensioneerden Luitenant-Generaal .... Adjudant des Konings in buitengowonen dienst, eenige jaren geleden op meer dan zeventigjarigen ouderdom gepleegd, in verband met zonden van ontucht, was een sterke donderslag geweest voor de aanzienlijken en vooral voor de oude zondaars onder hen.

Het geval van J. en zijne vrouw, pas-gehuwden, die, na den. moord, hun huwelijk in de Kloosterkerk hadden laten inzegenen , was als een sterke donderslag voor de kleine burgerij.

Beide gevallen werden gedurig op straat door mij herin-derd, als geschikt om ook de doofsten wakker te maken, doch de uitwerking was gering.

Te recht wees de evangelist Wilkens er in een toespraak op, hoe zoovelen een gelijkenis hebben met jongelieden en jongedochters, die den slaap beminnen.

De vader roept ze \'s morgens op. Hij roept ze duidelijk , doch vindt geen gehoor. Hij roept ze bij name; hij roept met krachtige stem. Geen gehoor. Eindelijk schudt hij ze. Ha! dat schijnt te helpen. De slapende opent de oogen en schijnt naar de vermaning om dan toch eindelijk wakker te worden te hooren. Maar ja wel! een oogenblik later en hij is weder door den slaap overmeesterd, \'t Is om alle geduld te verliezen. De vader komt nogmaals; wordt toornig; roept en schudt andermaal; zet den slapende overeind in bed. Nu komt er eindelijk een aanvankelijk ontwaken en de ontwaakte zegt, half droomende: ja , Vader , ik zal opstaan ! Dat is echter slechts het woord der lippen. De vader meent nu, dat werkelijk opstaan zal volgen. Maar \'t is wederom te veel gehoopt. Na een half uur vindt hij den slapende weder in diepe rust.

-ocr page 93-

81

9 P 68 i

I\'

I ,

Is \'t niet om te gloeien van toorn, over zulke van nature krachtige jongelieden , die hun besten tijd verslapen ?

In zulke gevallen baat alleen een flink bad. Hierop liet Wilkens de toepassing volgen en toonde aan. dat velen blijven slapen , zoodat zij droomen te waken, maar eenmaal zullen ontwaken in een toestand, die hen zal doen zien, dat zij zich voor den hemel hebben verslapen.

Hetzelfde betoogde ik menigmaal, zeggende: Zij stoppen hunne ooren , al zijn ze bij name geroepen in den Doop. Schuddingen van allerlei aard, donderslagen en bliksemen, worden door den Heere beproefd in veepest, aardappelziekte, spoorwegongelukken , branden, oorlogen en geruchten van oorlogen , tegenspoed op tegenspoed. Zij blijven onbewogen en slapen voort.

Zonder het bad der wedergeboorte zijn ze niet te helpen. Uat getuigen Schrift en ervaring beide.

Als een donderslag klonk, na de geschiedenis van .1. , de mare over het land van de schrikkelijke vermoording van het knaapje 13.

Dat was dan nog erger; het ergste wat in de laatste jaren was vernomen. Een donderslag, die de glazen tot in de kinderkamers deed rinkelen.

Die moordenaar was nu eerst een booswicht van buitengewonen aard; een onmensch; een monster. Men veroordeelde hem reeds, vóórdat zijne schuld nog bewezen was.

Avond aan avond stond eene groote menigte voor het politiekantoor, om inlichtingen op te vangen.

Daar was eene schoone gelegenheid om het net uit te werpen, waar zoovele visschen bijeen waren, om iets, wat dan ook, voor hun honger naar spijze te verkrijgen.

Honger was er, maar, helaas, valsche honger; geen honger naar het brood des levens, maar honger om iets te ontvan-

6

J 1

I

i

-ocr page 94-

8\'i

gen wat dienen kon, om zich zeiven te rechtvaardigen, zich zeiven als bijna zonder smet te verheffen boven dezen ellendeling, dezen zwarten misdadiger, die om geld een arm knaapje, een weerloos, lief jongetje, afgrijselijk vermoordde.

Daar stonden de brave Hendrikken en de brave Maria\'s van \'tNut van \'t Algemeen ; daar stonden de modernen in hun huraaniteitskleed, de vrijmetselaars met hunne idealen van deugd en vrijheid; de Joden met hunne wet: »doe dat en gij zult levenquot;; de Roomschen met hunne goede werken en de verdiensten der heiligen; de alleszins godsdienstige vrome kerkgangers, die een ieder het zijne geven — duizenden zonder Jezus, braveerende op iets in den mensch, door den mensch, voor den mensch, altijd iets, hoe gering dan ook, al ware het niets meer, dan dat ze toch , Gode zij dank , geene ellendige moordenaars waren, als deze overlaat.

Ik ontken, dat er bijzondere moed toe noodig is op straat te spreken en beweer, dat een weinig eenvoudigheid voldoende is, maar in dit geval had ik soms wel wat meer moed noodig, dan ik bezit, om aan die verontwaardigde menigte te zeggen, wat Nathan tot David zeide; «Gij zijt die man!\' Toch heb ik het door Gods genade mogen doen.

Wat was de zonde van den moordenaar van het knaapje B. ? Eenvoudig: begeerte naar geld. Wie is er vrij van?

Jlie zelfde zonde leidt in de steden en dorpen van ons land tot allerlei kwaad, tot liegen en bedriegen, tot ver-valsching van allerlei waren, tot het gebruiken van vergif in behangsels en kleedingstofl\'on, in eet- en drinkwaren: tot het houden van kroeg en bordeel, en zoo vermoorden de menschen elkander.

En is de moord, aan een weerloos knaapje gepleegd, afschuwelijk, hoe veel verschrikkelijker is het, dat zoovele kin-

-ocr page 95-

83

deren in liet land vermoord worden door onkunde, traagheid , slordigheid enz. van ouders en verzorgers ; hoeveel ontzettender, dat zoovele kinderen tot eeuwige rampzaligheid verzinken , ook omdat ten eenenmale verwaarloosd werd, hen als Christenkinderen op te voeden, terwijl zij daarentegen . soms bij eigen ouders , zagen en hoorden , wat hen tot zonde verleiden moest.

Maar er waren er die zeiden: »Er is geen God; als er een God ware en Hij alles ziet en weet en almachtig is, dan zon Hij het woerlooze knaapje bewaard hebben.quot; Aan de zoodanigen vroeg ik, of zij niet lichtvaardig oordeelden.

Ik herinnerde aan den zoon van Jerobeam , die vroeg moest sterven, omdat hij de eenige was in dat geslacht, waarin iets goeds gevonden werd voor den Heere.

Bovendien kon ik uit ervaring eene moordgeschiedenis mededeelen , die zeer heerlijke gevolgen gehad heeft.

Lange jaren geleden woonde (zoo vertelde men) in Indie een ongoloovig geneesheer, die onder anderen twee dochters had, schoon van aanzien. Een dezer dochters viel door de schuld van haren zwager. Om hare schande voor de men-schen te bedekken , werd iemand gezocht en gevonden , bereid om haar te huwen. Daar het meisje rijk was, viel dat niet moeielijk.

Dit alzoo samengekomen paar leefde vele jaren in weelde op een landgoed, zonder kinderen.

Daar de man echter door geldzucht tot dit. huwelijk was gekomen, was de huwelijksliefde bij dit paar niet groot, daarentegen de liefde tot het geld bij hem des te grooter.

In den tijd dat ik te Buitenzorg op Java was , kwamen daar twee jongelieden., één uit Utrecht, om hun fortuin te zoeken, en zij huurden van den bedoelden landheer eene suikerfabriek , voor eene som ver boven de huurwaarde. Na-

-ocr page 96-

84

tuurlijk ging de zaak slecht. Zij waren echter op goeden voet met den eigenaar der fabriek. Vooral het jongmensch uit U. kwam er dikwijls, te dikwijls voor hem.

Spoedig was hij op al te goeden voet met Mevrouw •—-eene meer dan veertigjarige , maar van de zwakheid harer jeugd niet genezen zondares.

Zij besloten te zamen den man te vergeven. Tot twee malen toe deed zij vergif in zijne aardappelen, docli beide malen at hij er niet van, hoezeer herhaaldelijk door haar er toe aangezocht.

Daarop huurden zij een inlander, om hem dood te schieten. De jonge man gaf zijn jachtgeweer en laadde het met twee kogels. De inlander plaatste zich, terwijl de heer bezig was biljart te spelen, vlak achter hem en schoot bijna a bout por-tant. Toch bestuurde de Heer het zóó, dat het schot over den arm van den man heenging en de beide kogels zijnen medespeler troffen.

De justitie vond natuurlijk spoedig den draad dezer geschiedenis, die het publiek aanvankelijk bij de inlanders zocht.

In dien tijd mocht geen Europeaan zonder pas reizen, en de scheepskapitein, die iemand zonder pas aan boord nam, verviel in een boete van /10000. Dit maakte ontsnapping voor de schuldigen zeer moeielijk. Toch was de beleedigde echtgenoot blijde zijne vrouw voor /\'30000 naar Engeland te kunnen verwijderen — voor zijne geldzucht een zware slag. Hij bracht evenwel dat offer, om de eer der familie.

De schuldige jonkman werd gevangengenomen en veroordeeld tot de straf naast den dood , destijds twaalf jaren gevangenis en tepronkstelling c.a. — Van dit laatste kreeg hij gratie.

Intusschen was de verwonde naar Buitenzorg gebracht. De kogels hadden hem erg genoeg, maar niet doodelijk getroffen.

-ocr page 97-

Ik was destijds, wat men noemt, een zoekende ziel, doeli had reeds lang in wanhoop liet vinden opgegeven en, ten einde raad, besloten eenvoudig te doen. wat de Heer in het oordeel over de volken tot zijne schapen ter rechterhand zal zeggen , dat ze gedaan hebben. Ik wist wel, dat daarmede de hemel niet te verdienen viel, doch \'t was toch nog een stroohalm.

In die stemming bezocht ik den verwonde en gaf hem den raad, den Bijbel te lezen.

Veel ingang vond dat niet.

Later naar Batavia verplaatst, besloot ik de kranken in het hospitaal en de gevangenen te bezoeken. Zeer schuchter van aard zijnde, kostte het mij een vreeselijken strijd, eer ik daartoe komen kon.

Maar ik ging toch naar de gevangenis en wel het eerst naar den jeugdigen moordenaar, die er zijne twaalf jaren moest doorbrengen.

Met een kloppend hart zag ik de zware deur zijner kamer openen en \'t werd mij bang, toen die achter mij gesloten werd. Daar stond ik tegenover een bleek jongmensch , met zwaren baard. Ik begon stamelend: »Gij zijt een moordenaar.quot; — sLeelijkerd was het antwoord, «dat hoef je me niet te komen zeggen; dat weet ik wel.quot;

Met een hoogroode kleur zeide ik weer: «Zoo meen ik het niet; ik wilde u komen zeggen, dat u nog wel kunt zalig worden.quot; — )gt;Zoo,quot; antwoordde hij, »ga dan zitten, wil je een bittertje hebben?quot; \')

Ik bedankte daarvoor, afschaffer van sterken drank zijnde, doch zeide dat ik hem iets wilde voorlezen. Ik las toen uit

1) In dien tijd was het gebruik van sterken drank voor gevangenen, die \'t lietalen konden, nog niet verboden.

-ocr page 98-

86

het Nienwe-Testament, wat met den moordenaar aan het kruis geschied was en zeide: )gt;Mij duukt, dat wanneer gij het nu zoo aanlegt, ook gij nog zult behouden worden.quot; Daarop ging ik zeer verlegen weder heen en verliet de gevangenis. Zonderlinger bezoek zal wel zelden bij een moordenaar zijn gebracht.

Toen ik het huis van den cipier verliet, om door de schaduwrijke laan naar mijn bureau terug te keeren, was een pak van mijn hart gevallen. De eerste schrede tot bezoek van gevangenen was gedaan!

En nu zou ik ervaren, dat de Heere mij daar gebracht had. In die laan hield Hij mij staande en liet mij zien; gij zijt die moordenaar; voor uzelven is dit de weg tot zaligheid: gratie, volkomene gratie, om niet te ontvangen , om Jezus\' wil! Daar zag ik het kruis des Heeren bij het licht des Geestes: de plaatsvervanging, de reiniging in zijn bloed, de volkomen vergiflenis en verzoening met God.

Op hetzelfde oogenblik werd het mij gegeven dit alles kinderlijk geloovig aan te nemen , en bevende van een voorsmaak der eeuwige vreugde , bereikte ik, als een ander man , mijn kantoor.

Xu deed ik dezelfde werken, maar geheel anders, niet meer als plicht, als gebod, maar mijn hart was er in, uit dankbaarheid voor de verkregen verlossing en drang om anderen hetzelfde heil te zien deelachtig worden.

Voortaan was ik twee malen per week in het hospitaal en in de gevangenis — voor velen plaatsen der verschrikking, voor een kind Gods plaatsen, waar hij zich soms\'t liefst bevindt!

Intusschen was de overspelige vrouw in Huil; de man reizende in Europa; de verwonde, mede tot herstel van gezondheid , naar Nederland.

Xa eenige maanden, in het tweede jaar, kwam er een lange brief van de vrouw in de gevangenis, van haar krankbed geschreven. Zij schreef daarin dat zij door de sterke hand des Hee-

-ocr page 99-

87

9 F 68 a

ren op het krankbed was geworpen en daar door eene Christin was bezocht, die haar met het Evangelie had bekend gemaakt. Zij had door Gods genade , na zwaren strijd, vrede gevonden in het bloed des kruises. Nu had zij aan haren zeer beleedigden echtgenoot alzoo hare schuld beleden en ook hem vergiflenis gevraagd, beleed ook nu, dat zij de schuldige was tegenover haren medegenoot in de zonde; verzocht ook hem vergeving en raadde hem aan vergiflenis te zoeken door het Lam Gods. Korten tijd daarna is zij heengegaan naar de groote vergadering van eenmaal verlorene, dour den goeden Herder gezochte schapen.

De gevangene deelde mij den korten inhoud van dien brief mede. Hij scheen niet bijzonder getroffen te zijn, toch was het merkbaar, dat er verandering bij hem plaatsvond.

Daarna kwam de verwonde hersteld te Batavia, in Europa getrouwd met eene Roomsche vrouw, een lief mensch. Ik schreef hem, dat de schuldige vrouw zalig was gestorven en de overspeler goed op weg was baar te volgen, doch dat ik bekommerd was over hem, die nog steeds in de wereld scheen te verkeeren als een wereldling; dat hij wèl zou doen hier eens over na te denken, vermits de rekening voor hem toch zeer nadeelig zou uitkomen, wanneer hij zoo stierf als hij was. Dat de beide anderen de genieting der zonde, hoe Jammerlijk dan ook, gehad hadden en nu de eeuwige zaligheid, terwijl hij alleen de pijn der wonden en veel ellende van deze gansche geschiedenis had gehad en nu (fe eeuwige rampzaligheid bovendien , wanneer hij zich niet bekeerde.

Naar mijn inzien mocht de rekening zoo noodlottig niet sluiten, weshalve ik hem dringend aanraadde, met zijne vrouw den Bijbel te lezen.

Dit werkte eenigszins. De zaak was te duidelijk om er de oogen voor te sluiten.

-ocr page 100-

88

Niet lang daarna stierf do veroordeelde. De cipier zeide mij , dat hij den dag vóór zijn dood , naar \'t scheen in ijlende koorts, vijf uren achtereen, om genade voor zijne ziel liad gesmeekt ; dat hij nooit iemand zoo had hooren bidden. Ik zag alleen zijn lijk in de snijkamer. Daar was geen vreeze op dat gelaat.

Ik heb geen woord van hem gehoord , dat mij de zekerheid van zijn behoud geeft; doch te denken, dat hij verloren is gegaan, terwijl hij om genade bad, verbiedt mij de Schrift.

Intusschen waren er drie Duitsche zendeling-werklieden aangekomen, door ons geherbergd te kampong Makassar. Zij oefenden zich daar in de Maleische taal, doch kwamen slecht vooruit.

De herstelde verwonde was in dien tijd teKrawang geplaatst, weder krank geworden, thans zenuwkrank en op het punt andermaal niet verlof naar Nederland te gaan. Daar ontving ik een brief van hem, inhoudende dat hij op de verkooping van zijn inboedel aan zijn bediende had gevraagd om een glas wijn en dat deze hem bij vergissing een glas kopervitriool had ingeschonken. Dat glas had hij in een teug geleegd. De geneesheer, op de verkooping aanwezig, had hem dadelijk gezegd : «Gij zijt een kind des doods; drink klappermëlk , totdat gij braakt — maar \'t zal niet baten : gij hebt te veel binnen.quot; Hij had die molk gedronken, en gebraakt, en drie dagen met den dood geworsteld , en in die benauwdheid zijn hart aan den Heere Jezus gegeven en — ziet, door Gods genade was hij niet alleen in \'t leven gebleven, maar van zijne zenuwkrankheid verlost, zoodat de geneesheer zijn vertrek naar Europa niet meer noodig keurde. Hij was daarna op wachtgeld gesteld en verzocht mij om goeden raad , omdat hij van dat wachtgeld niet kon leven.

Ik bood hem toen aan op kampong Makassar te komen

-ocr page 101-

S!)

■wonen en daar den Duitschers Maleisch te leeren en tevens eene school te beginnen.

Dit gelukte: hij is er een jaar gebleven, juist lang genoeg om de school aan een der Duitschers te kunnen overgeven, liet verblijf aldaar was voor zijn geestelijk leven zeer nuttig; zijne vrouw werd ook voor den Heer gewonnen en juicht nu reeds voor den troon , en de geheele familie : moeder , broeders en zusters zijn sedert des Heeren geworden.

Na veel strijd met de Regeering over de zending en school op kampong Makassar 1), moest ik zelf, voor de gezondheid mijner vrouw, naar Nederland.

Te Utrecht bezocht ik op haar verzoek de moeder van lt;len veroordeelde, een achtbare weduwe, en alleszins godsdienstig. Zij bedankte mij voor het bezoeken van haren zoon in de gevangenis en deelde mij mede, dat de schrikkelijke dood van dezen jongen man de oogen van zijn vader had geopend, zoodat deze den Heere had gezocht en gevonden, zoodat hij op zijn sterfbed op de knieën God had gedankt, dat Hij deze ontzettende geschiedenis had toegelaten en tot zegen zijner ziel had bestuurd!

Ik maakte van deze gelegenheid gebruik, om aan de moeder nog eenvoudig en duidelijk den weg der zaligheid voor te stellen! Toen zij stierf, liet zij mij een legaat na van /\'1000, juist de som, die ik te kort kwam voor de kosten van den druk en de verzending van tien duizend exemplaren Maleische Bijhelsche geschiedenissen, waarvoor ze dan ook door Kf.mink óc Zoon te Utrecht zijn ontvangen.

De Maleische Bijhelsche geschiedenissen beleven reeds den

\') Wonderlijk, dat niet alle Regeeringen altijd en overal het goede vrijlaten ! 3Ien zou oppervlakkig meenen, dat ze alleen van het kwade last en moeite hebben!

-ocr page 102-

90

vierden druk en vonden hun weg tot op Timor en Rotti, ja zelfs tot onder de pelgrims naar Mekka en onder de Battaks van Sumatra.

Er bleef nog één ziel te redden over in deze geschiedenis, en wel van den beleedigden man. Ik schreef hem en ontving tot antwoord, dat hij bij den predikant Blumhardt te Bad Boll was geweest en daar had leeren verstaan, wat christelijke liefde is.

Na eenige jaren stierf hij, en ik kwam , niet lang geleden, up de plaats, waar hij overleden was en geruimen tijd had gewoond , een landelijk dorp. Ik vroeg er aan een arbeider, of hij den overledene had gekend. «Gekend?quot; was het antwoord, «grooter weldoener was er niet; zie daar ginds, al die arbeiderswoningen heeft hij er laten bouwen!quot;

»De nagedachtenis des rechtvaardigen zal in zegening zijn ,quot; dacht ik en ging verder, bij mij zelven overleggende, welke wonderbare dingen de Heere uit eene moordgeschiedenis kan doen voortvloeien. Ik heb er eenmaal in Amsterdam in de Schotsche kerk over gesproken, maar toen dringend verzocht, deze wonderen Gods nog niet te laten drukken , omdat destijds nog van de familie in leven waren. Desniettemin zijn ze gedrukt in «Burger en Boer,quot; maar als eene Amerikaansche gebeurtenis.

Nu kon ik er vrijmoedig op straat over spreken, omdat al de naast-betrokkenen niet meer op aarde zijn.

quot;Wat zou de Almachtige verhinderen om ook uit de schrikkelijke vermoording van een onnoozel knaapje de gezegendste gevolgen te doen voortkomen ? Wat is geschikter om ons de boosheid van ons hart te openbaren, dan zulk eene uitbarsting van zonde ? Velen meenen, dat zij beter zijn dan deze moordenaar, doch vergeten, dat liij een hart heeft van gelijke bewegingen als wij.

Als gij eenmaal met een tijger kennis gemaakt hebt, dan

-ocr page 103-

91

weet gij dat alle tijgers bloeddorstig zijn; de een moge wat minder woest en wreed zijn dan de ander, maar geen, die honger heeft en uw kind kan verscheuren, laat het. Waarom oordeelt gij anders ten aanzien van den gevallen raensch, van wien gij op uwe scholen en kinderen leert, dat zij tot het dierenrijk behooren?

Gij laat u zeggen, dat uwe moeder een zoogdier is en uwe familie van de apen afstamt, en gij meent toch boven het dier verheven te zijn, al gaan er velen van u door bestialiteit verloren.

Ontkenden de geloovigen nog het booze van \'s menschen natuur, dat had nog een schijn van waarheid, omdat zij leeren, dat de mensch niet behoort tot het dierenrijk, maar tot Gods rijk, en van Gods geslachte is. Maar de geloovigen houden het verderf des menschen staande en zeggen , dat zij alleen door Gods genade tot het Godsrijk behooren. Zij belijden, dat de Bijbel waarheid spreekt, wanneer hij van de menschen zegt: sHunne voeten zijn snel om bloed te vergieten.quot;

Dat is nu weder gebleken. Al weder een bloedschuld rustende op deze stad. Van het bloed van Abel af, tot het bloed van den Heere Jezus en allen, die na zijne verschijning op aarde onschuldig gedood zijn, is des menschen schuld opgehoopt en roept tot den rechtvaardigen God.

Ook deze stad heeft daarin haar deel , inderdaad geen gering deel, en als gij meent daarvoor niet mede verantwoordelijk te zijn, dwaalt gij. Zelfs onder de natiën der aarde is het menschelijk recht, dat wanneer wij b. v. Engelands Koningin beleedigen, een Engelschman onschuldig dooden, het Ëngelsche volk van onzen Koning en zijn volk , als geheel , als medeverantwoordelijk, herstel van onrecht vraagt en desnoodig met het zwaard eischt.

Zou God anders handelen, terwijl Hij in zijn Woord uit-

-ocr page 104-

02

drukkelijk ile verantwoordelijkheid van gezinnen, van steden . van volken handhaaft ?

Maar laat ons zien, of wij met de zonde van dezen moordenaar niets te maken hebben ? Wat was zijne zonde ? Immers geldzucht. Waarlijk uit bloeddorst beging hij den moord niet, maar alleen om zijne begeerte naar geld te voldoen. Zonder het linaapje op te offeren, kon hij zijn doel niet bereiken, daarom moest de daad volbracht worden, gelijk de Schrift zegt: )gt;De begeerlijkheid baart zonde, en de zonde, volbracht zijnde, den dood!quot; Hier dubbel: den dood van het knaapje en den ergeren , den zedelijken dood van den misdadiger.

Maar hij is geen vreemdeling in den Haag. Hij is mede gevormd in de koffiehuizen dezer stad en door het openbare leven. En wat zoekt men dan over het algemeen in den Haag ? Immers de genietingen des vleesches en daarom ook geld en geld vooral.

Eenmaal was ik op de Ammunitiehaven omringd door een paar honderd kinderen. Ik vroeg hun: »Kinderen, wat zoeken de groote menschen hier in de stad ?quot; Het antwoord was, als van een koor van kinderstemmen: !gt;Geld , Meneer!quot; ))En gij kinderen, wat zoekt gij?quot; »Geld, Meneer!quot; En dat werd niet gezegd onder lichtzinnig gelach, maar met een ernst, aan den kinderlijken leeftijd vreemd, zoodat ik er akelig van werd.

Is het wonder, dat eene stad van geld zoekenden ervaren moet, dat de begeerte naar geld de wortel is van alle kwaad , gelijk de Schrift zegt?

Niet alle menschen sterven zoo, dat er aanleiding is om er op straat over te spreken. Maar toch gaf het sterven van .sommigen daartoe bijzondere stof.

-ocr page 105-

03

DOOD EN.

Onder de doorluchtige dooden, over wie wij gesproken liebben, behoorden Hare Majesteit de Koningin Sophia van wurïemberg ;

Z. K. H. Prins Hendrik ;

H. K. H. de Prinsen van Oranje ;

Z. K. H. Prins Frederik.

Het is onze taak niet aan in hoogheid levenden de blijde boodschap des heils te brengen. Wel hebben wij eenmaal in het Noordeinde, naast de Fransche kerk, \'s middags het woord tot de voorbijgangers gericht, waaronder Ministers en andere aanzielijken waren. Ik vernam echter , dat dit minder goed was opgenomen in kringen, vanwaar uit, zonder veel moeite, het spreken op straat zon kunnen worden bemoeilijkt. Daarom lieten wij dat voortaan na, schoon vele aanzienlijken vrij wat minder hart toonen voor de blijde boodschap dan armen, en scherpe prediking der wet voor velen van de grooten der aarde hoog noodig is.

Wij konden dit des te eerder nalaten , omdat wij toch niet uitsluitend de armenbuurten opzochten, \'t geen iemand, die op straat spreekt niet moet doen, opdat men geen voedsel geve aan de beschuldiging der socialisten, internationalen en ongeloovigen, dat wij de godsdienst gebruiken als middel van politie.

Maar spraken wij dan niet tot in hoogheid levenden, — over de dooden, die bij hun leven in hoogheid waren, was het spreken tot het volk zeer gepast.

Onze geëerbiedigde Koningin Sophia van Würtemburg was heengegaan. Over hare vele voortrefl\'elijke hoedanigheden behoefde ik niet te spreken. De Hagenaars kenden die wel.

-ocr page 106-

Zij liad, blijkbaar niet zonder vrucht, de geschiedenis van liet huis van Oranje bestudeerd, en zich de deugden der edelsten uit dat huis, zooveel in haar was, ten voorbeeld gesteld. Maar al hare deugden en goede werken konden haar niet baten, toen het op sterven aankwam. Met den Bijbel was zij wel bekend, bet Evangelie had zij gehoord. ernstig, dringend was liet haar verkondigd. Zij had de veranderende en vernieuwende kracht van het Evangelie van zeer nabij gezien.

Natuurlijk was de vraag bij menigeen: hoe is zij heengegaan naar de wereld der geesten?

Daarop kon ik overluid, met volkomen zekerheid antwoorden: deze Koningin, in scherp verstand en kennis boven velen uitmuntende, heeft zich op haar sterfbed laten voorlezen de gelijkenis van den Tollenaar.

Zij heeft de bede van den Tollenaar: »o God! wees mij zondaar genadig,quot; tot de hare gemaakt.

En die dat doet, gaat gerechtvaardigd heen , zegt de Heer.

Op den dag van de begrafenis der Koningin waren er vele vreemdelingen in de stad. Natuurlijk was dit mede het geval bij de begrafenis der Prinsen van Oranje en van Prins Fre-derik. Wilkens sprak op die dagen voor groote scharen . \'s morgens, \'s middags en \'savonds, telkens een uur lang , en verspreidde duizenden traktaten.

Kon de Koningin alleen behouden worden als een arme, in zich zelve verloren zondares, dan ook de Prinsen, hoe hoog ook geplaatst en hoe uitmuntende door weldadigheid of andere deugden.

Met betrekking tot den Prins van Oranje , zeide ik , dat ik niet gewoon was over dooden te oordeelen en alleen altijd veel hoopte en verwachtte van Gods barmhartigheid.

Hier echter is iets zeer treffends op te merken. Wij hebben

-ocr page 107-

daar een Prins zien begraven van hot edelste koninklijk huis misschien, dat er, naast het koninklijk huis van David is; stellig een huis, naast dat van David, van de grootste be-teekenis voor liet Rijk van God , en waarvan het Hoofd . Prins Willem I, een vast verbond had gemaakt met. den Koning der koningen.

Een eerstgeboren kroonprins , geroepen om eenmaal koning te zijn; begaafd met al de gaven , die een kroonprins noodig hoeft; er voor geboren; opgevoed, gevormd; iemand, die bepaald én van Gods wege én van de rnenschen, recht had op den troon. Niemand op de gansche aarde, zoo nabij den troon van Oranje als hij; de wettige erfgenaam van dien troon.—

Eu toch is hij er niet op gekomen. Zijn levensdraad is afgesneden, en in plaats van op den troon, is hij gestorvei i in een vreemd land; ver van zijn vaderlijk huis, nedergedaald in de groeve. —

Deze Prins is het beeld van velen. Zoovelen gij gedoopt zijt, heeft God almachtig u in het midden der gemeente omringd door eene wolke van getuigen, zijn heilig volk in den hemel, op plechtige wijze bezegeld en betuigd, dat Hij een eeuwig verbond der genade met u heeft opgericht, het verbond zijner eerstgeborenen, die de belofte hebben van den Heere Jezus, uit den hemel gegeven: «Die overwint, Ik zal hem geven te zitten op mijn troon, gelijk Ik overwonnen heb en gezeten ben met mijnen Vader op zijnen troon.quot;

Gij zijt geboren uit Christenouders. Christen beteekent: gezalfde koning; geboren in de koninklijke omtuining van het Christendom ; in de gemeente die de zalving heeft. Wat gij zijt, zijt gij bij de gratie Gods. Van der jeugd af heeft God u laten onderwijzen, vormen voor uwe heerlijke bestemming.

Ware Christenen zijn wettige erfgenamen van God en

-ocr page 108-

ne

Christus. Al de gaven en krachten, noodig om koningen eu priesters te vormen, zijn der gemeente geschonken.

Gij zijt leden van die gemeente, ranken aan den wijnstok.

Xiemand onder al de millioenen heidenen, zoo nabij den troon als gij.

Dat is de waarheid, de eenvoudige , zuivere waarheid, die u verkondigd is en wordt en gedurig wordt herinnerd. En er is niets wat God heeft nagelaten, om u tot bewustheid dezer dingen te brengen. Hij zond zijne gezanten, zijn eigen Zoon, om u er van te overtuigen. Hij formeerde reeds in moeders lichaam een bijzonder gezant voor u, zijn Paulus, om u op de dringendste wijze toe te roepen: «Grijp naar het eeuwige leven.quot;

En toch, de meesten van u leven in hunne zonden en sterven in hunne zonden, ver van \'s Vaders huis, in ballingschap, als veroordeelde misdadigers, en welhaast zal het van u heeten: »Gewogen en te licht bevonden bijna op den troon , den hoogsten troon — en nedergedaald in den diepsten afgrond der eeuwige ellende.

Daar komt eene stem uit de graftombe te Delft, die als een bazuin u aan deze dingen herinnert en u toeroept; «Ontwaakt , gij die slaapt, en staat op uit de dooden en Christus zal over u lichten!quot;

Later vernam ik, dat één mijner hoorders, een snugger heer te Woudrichem, in een courantje geschreven heeft, dat ik had gezegd, dat de Prins van Oran.ie verdoemd is, en dat dit in Woudrichem en omstreken groote verontwaardiging heeft verwekt. Eene dame kon er niet van zwijgen en besprak de vraag ernstiglijk: wie dan kon zalig worden, als zelfs prinsen konden verloren gaan!

Al had ik eenig oordeel over den toestand des harten van den ireëerbieditrden en door velen eeliefden Prins. — dien ik dc

-ocr page 109-

eer niet heb gehad, anders dan van aanzien te kennen — dan zou het natuurlijk niet te pas komen daarover te spreken.

Maar die van Woudrichem zouden wijzer doen geen kwaad te spreken, en liever liet gebed te leeren , waarmede Prins Willem I stierf: »0 God! heb deernis met mij en mijn arm volk.\'\' Daar ligt de overtuiging in: ik en mijn huis en mijn volk zijn verloren, tenzij God zich onzer erbarme.

En Prins Willem I was een denker, grooter wellicht dan iemand der bedillaars in Woudrichem.

Maar, dat er kwaad gesproken wordt van sprekers op straat is niet vreemd.

LASTER.

Men gaat ook op straat door goed en kwaad gerucht.

De menschen kunnen maar hoogst moeilijk tot de overtuiging komen, dat iemand iets belangloos doet. Zij beginnen met te veronderstellen, dat er iets achter zit, en aangezien nu bij hen meest de geldkwestie hoofdzaak is, zoo beginnen ze met te zeggen: hij wordt er voor betaald.

Dat was natuurlijk al dadelijk uitgemaakt. Sommigen wisten te zeggen, dat ik veertig gulden en Wilkens twintig per week van den heer Groen tan Prinsterer ontving. Eens, bewogen met het lot van eenige armen, die aan mijn deur kwamen gaf ik eenige soepkaartjes, en den dag daarna kwam er eene geheele menigte. waarvan er één, toen ik weigerde, onbeschaamd zeide: »Beest! je krijgt het immers van de Koningin !quot;

Eens verzekerde men elkander onder de straatprediking • dat wij, voor geld van de Koningin, voor de armen ontvangen , ons elk een nieuwe jas hadden laten maken. Velen vertelden , dat wij na het spreken met een bakje rondgingen

-ocr page 110-

98

om geld op te halen. Een der hoorders geloofde dat zóó vast,

dar hij eerst overtuigd werd, toen hij zag dat het niet zoo was, zoodat hij met blijdschap er Wilkens kennis van gaf.

Dit stond vast, dat wij door de rijken betaald werden om de godsdienst als middel te gebruiken , ten einde het volk in bedwang te houden.

Sommigen zeiden overluid, dat zij verwonderd waren, dat deze sprekers er niet uitzagen als arme lui, en dat \'t verwonderlijk was, daar toch alleen arme lieden , voor geld, zoo iets zouden doen!

Anderen bleven er bij : ze worden er voor betaald , zoodat Wilkens zich eens verplicht achtte te zeggen: «Indien ik het spreken op straat voor goed staak, verlies ik er hoegenaamd niets bij , o ja! toch wel iets, namelijk: eene menigte scheld- *

namen, en dat verlies gun ik u allen.quot;

Wij zouden ze echter niet gaarne verliezen, die scheldnamen van blikken dominee enz. — omdat de Heer gezegd heeft, dat wij ons over smaad, die ons om Zijnentwil overkomt, verheugen zullen.

Maar minder gemakkelijk valt het, door zeer beschaafde lieden , met een medelijdend glimlachje, uit de hoogte te worden aangezien als rijp voor Meerenberg.

Van verschillende zijden, ook waar men het volstrekt niet van verwacht zou hebben, werd tegen de straatprediking gewaarschuwd.

Een overigens welwillend heer schreef mij een brief, waaruit bleek, dat hij mijn spreken niet vrij achtte van alle gevaar voor den Staat.

De heer Douwes Dekker , meer algemeen bekend als Mui-tatuli, besteedde zijn heerlijk talent aan het booze werk, ons spreken zóó voor te stellen, dat ieder, die nog eenig gevoel voor het heilige had, zich er wel van afkeeren moest.

-ocr page 111-

99

quot;ij liet, in een uitvoerig opstel Wilkens op straat liet »Onze Vailerquot; behandelen en elke bede afwisselen door het verzoek eener vrouw, om een stuiver voor een van haar ge-liuurden stoel en door liet lasterlijkst vloeken van beschonken soldaten. Natuurlijk is van zijne gelieele voorstelling niets hoegenaamd «aar, dan dat W. bij die gelegenheid, op een stoel staande, voor zeer aandachtige hoorders sprak over de be-teekenis van het ^allervolmaakste gebed.quot; —

In de Asmodée ontbrak liet niet aan tentoonstelling van Wilkens als iemand met ongewasschen hals, vodden tot kleeding en onzedelijk gedrag. Asmodée vond het zelfs onrechtvaardig, dat de politie den ouden liedjeszanger Meyer belemmerde en Wilkens vrij liet.

Dat wij door sommigen als bijzondere vrienden van hoeren en tollenaren werden voorgesteld, was geen wonder. Van den Meester werd het ook gezegd , dat Hij een vraat was en wijnzuiper , een vriend van slecht gezelschap.

Eenmaal wilde iemand volstrekt hebben , dat ik mij verdedigen zou tegen een man. die plechtig betuigd had , dat hij mij op een avond in een koffiehuis had gezien, verterende aan wijn on dergelijke niet minder dan f 7,00, natuurlijk voor een warm afschaffer wel wat heel veel.

Ik beriep mij alleen op het oude woord:

»AI is de leugen nog zoo snel,

De waarheid achterhaalt haar wel.quot;

Aan beleedigende brieven ontbrak het niet. Die er den geest van kennen wil, leze het Padangsche Handelsblad van 1870 No. 10\'!, waarin een oud-afgevaardigde van het Nederl. lüjbelgenootschap zijn gal eens uitspuwde bijzonder tegen mij, in negen kolommen, waarin de woorden «waanzin , dwepery, bedriegerij,quot; onder de zachtste behooren.

-ocr page 112-

100

Ik zal er eenige volzinnen uit overnemen , om te doen zien , tot welk een zinneloozen laster sommigen zich verlagen.

De schrijver zegt het volgende:

Rechtzinnig geloof verblindt de geloofegenooten. Vandaar dat een man als de heer Keuchenius , een Esser kan blijven bewonderen, ofschoon hij weet, dat Esser nu en dan aan vlagen van waanzin lijdt.

Van dezen waanzin een vermakelijk staaltje. Eenige jaren geleden kwam een ontslagen ambtenaar van de rechterlijke macht zich te Amsterdam vestigen. De man kwam zonder middelen in \'t brave Nederland en was genoodzaakt op een kamer te wonen. waarvoor hij zeven gulden \'s maands aan huur betaalde. De heilige Esser had hem te Batavia gekend en kwam hem weldra opzoeken met het plan hem te bekeeren, want als iemand in nood verkeert, is hij, zegt Esser , zeer ontvankelijk voor de ware leer. Het bekeeren viel niet mee en gelukte slechts gedeeltelijk.

Vóór dat echter de geest der bekeering had afgewerkt. kwam Esser bij den armen drommel met een voorstel, dat ons volkomen duidelijk maakt, hoe een dweper soms, in \'t belang van de Leer, tot wandaden vervalt. Esser had namelijk gehoord, dat zijn slachtoffer met zijn moeder overhoop lag en haar had uitgescholden , en dacht nu eene goede gelegenheid gevonden te hebben, den man eens goed onder handen te nemen.

Hij kwam hem bezoeken mot een revolver, dien hij telleen uit den winkel van een godvreezenden geweermaker had medegenomen en zeide: ))Er staat geschreven: »eert uwen vader en uwe moeder, opdat uwe dagen worden verlengd.quot;

Doe mij het genoegen , door middel van dezen revolver een einde aan uw léven te maken, want anders wordt ge te oud. Zijt gij eenmaal dood — wat u niet rouwen zal, want

-ocr page 113-

101

door vrijwillig te sterven geeft ge aan \'t Oude-Testaraent een prachtig waarmerk en zult ge de eeuwige zaligheid genieten — dan schrijf ik een traktaatje over uwe onaangename verhouding tot uwe moeder en hoe uw dood \'t noodzakelijk gevolg geweest is van het zondigen tegen \'s Heeren gebod.quot;

Het slachtoffer weigerde aan het verzoek van den dilettant-zendoling gevolg te geven en werd tot zijn straf door hem in de Heraut voor een atheïst uitgemaakt.quot;

Een ander staaltje uit hetzelfde blad.

«Wie op de Haagsche kermis geweest is , kent den grooten Esser , dilettant-zendeling en makelaar in Christelijk-gerefor-meerde bravigheden. Daar stond hij, met den hoed in den nek gezakt, het geachte publiek te wijzen op platen, voorstellende een maag, door jenever aangetast.

Wat geleek hij volmaakt op een martelaar, die den hemel geopend ziet, om er met zijn teêre ziel in te stappen. Die hoed in den nek gaf de blikken der toeschouwers een ruim gezicht op dat, van groene zeep blinkend voorhoofd , waarop ))de Heerquot; een heiligen stempel heeft gezet. Maar waarlijk verheven is hij, wanneer hij \'t geachte publiek onthaalt op een donderende en breedvoerige beschrijving van de hel, die ik gaarne zou willen wedergeven, als mij de genade, den heiligen Esser beschoren, maar geworden was. De woorden: angstig gegil van eeuwig verdoemden, eeuwig geknars der tanden, gerammel van ketens, pestwalm der zonde, grijnzend en hoonend gelach van den Aartsvijand, rechtvaardige straf des Barmhartigen!!, noodlottige vrucht der erfzonde — trollen mijn oor.quot; —

Bedriegers zijn, volgens dezen lasteraar, alle niet-Roomsche zendelingen, die hij bij name noemt, terwijl hij er bijvoegt: .«Zoolang de zendingsvrienden zich niet schamen voor een Esser , een W. van uer Jagt , een Van Eck , een Klinkert enz., moet

-ocr page 114-

10\'i

men hen houden voor snoode bedriegers en zal men ile zending in deze gewesten moeten noemen: vroom bedrog.quot;

Gelukkig kan ik, sedert zeer vele jaren aan laster, zelfs van geloovige zijde , gewoon , zulke dingen lezen, zonder iets anders te gevoelen dan deernis met de lasteraars. Welk een smart der ziele zullen ze er eenmaal over gevoelen en gevoelen ze reeds nu, in oogenblikken van eenzaamheid, wanneer ze voor deze laagheden eenigszins een oog krijgen.

Ik denk, dit schrijvende, aan een tooneel op de Groote markt, waar ik op een avond tot een vrij groot gehoor sprak. Daar kwam een waggelende dronkaard door het volk heendringen en plaatste zich vlak voor mij. Door het licht van de lantaarn, dat juist op hem viel, was hij in al zijn walgelijkheid te zien. Hij kon nauwelijks staan, zoodat velen lachten.

Ik vatte dien man bij zijne schouders, en riep met een sterke stem: «Sta!quot; en hem blijvende vasthouden, zeide ik tot de menigte: »Gij lacht om dezen armen zondaar, maar zonder reden. Gij ziet, hij is een dronkaard; hij is, sedert vele jaren , gebonden met een sterke keten, een keten , die hem ten verderve sleept en waaraan niets begeerlijks is, dan het zilver aan het eind, waaraan gindsclie kroeghouder dezen ongelukkige vasthoudt.

Zoolang daar nog eenig zilver van te halen is, laat die kroeghouder hem niet los. Waarom lacht gij nu? Om dien rampzaligen kroeghouder of over dezen ongelukkigen man, met zijn keten, in Schiedam gemaakt?

Laat ons liever weenen , weenen over ons zeiven. Wie weet hoevelen onzer nog met zeven ketenen gebonden zijn , ketenen van geldzucht, hoogmoed, wellust enz. enz.

Niemand onzer, die geheel vrij is, al zien wij soms niets van ons gebonden zijn aan de eene of andere zonde.quot;

Zoo is het, en daarom zeg ik ook van lasteraars geen

-ocr page 115-

103

kwaad woord , biddende , dat de Heer ons allen van alle zonden vrijmake , en Hij kan ook den laster daartoe gebruiken , wanneer Hij er ons de oogen door opent voor dingen, die de vijanden niet zien, maar in het harte en verborgene leven der belijders schuilen.

WIJZE VAN SPREKEN.

Van den aanvang af hebben wij , zooveel immer mogelijk, den preektoon vermeden. Wij hebben gesproken, zooals gewone menschen spreken, een ieder naar de gave hem geschonken. Al wat naar godsdienstoefening kon gelijken, is door ons vermeden; geen gebed noch plechtige zegenwensch, geen Schriftverklaring enz., maar alleen een woord uit het hart, naar aanleiding van het nieuws van den dag, of van \'t geen ons overal omringt, of van een Schriftwoord of gehoorde prediking. Hoe onmogelijk sommiger zalvende preektoon op straat zou zijn , bleek mij eenmaal, toen er een oefenaar uit Amsterdam bij mij kwam, die evangelist wilde worden. De kapitale witte das waarmee hij verscheen , deed mij vermoeden , dat hij van indruk maken door het uitwendige, niet afkeerig was. Ik stelde hem voor op straat te spreken. Hij nam het aan. Ik sprak toen in de Lage Nieuwstraat bij een hofje en liet hem na mij spreken, terwijl ik mij ongemerkt, op een afstand, onder het volk mengde. De man zette een vervaarlijke keel op en ontlastte zich in een stortvloed van orthodoxe woorden , al zwaaiende met zijne lange armen, terwijl de aderen van zijn hoofd haast schenen te barsten van inspanning.

Het duurde niet lang, of hij begon te pruttelen. Ik hoorde jonge meiden zeggen ; »Wat akelige preeker heeft Mr. Esser

-ocr page 116-

•104

daar gebracht.quot; Weldra begon men hem na te doen en hoorde men van meer dan één kant het galmen van den armen broeder spottend herhalen.

Ik gaf hem natuurlijk een wenk om te eindigen.

Al wandelende, zeide ik hem: «Waarom spreekt gij nu niet zóó als straks en waarom zwaait ge nu niet met uwe armen?quot; — Hij zeide: »Nu is het niet noodig; u verstaat mij immers wel.quot; Ik vroeg hem, of hij waarlijk geloofde, dat het volk hem niet zou hebben verstaan, wanneer hij gesproken had, zooals hij in zijii éigen huis of op de Zondagsschool gewoon was te doen ?

Dat kon hij niet ontkennen. Op eene andere plaats liet ik hem weder spreken, maar onder beding, dat ik hem in de rede zou vallen, zoodra hij onnatuurlijk sprak. Nu bleek het, dat de man eene gave van eenvoudig en natuurlijk spreken had, om jaloersch op te worden, en dat hij met groote belangstelling werd aangehoord.

Tot verontschuldiging zeide hij, dat men in Amsterdam, in zijn kring, het spreken zóó wilde, als hij de eerste maal had gedaan, natuurlijk eene dwaling, hoezeer wellicht onder vele oefenaars overgeërfde dwaling.

Toch moet ieder spreker , als hij een eenigszins groot gehoor heeft, zeer oppassen, zal hij niet meer of min in preektoon vervallen, waarop zeer zeker de straf volgt, dat de straatjongens , hem ontmoetende, denzelfden toon aanslaan.

Zooveel mogelijk te vertellen, eu wel belangrijke geschiedenissen , \'t zij uit den Bijbel of de gebeurtenissen van den dag, met de noodige toepassing, is onze gewoonte.

Wanneer ik des Zondags eene preek gehoord heb, die mij getroffen heeft, vertel ik den inhoud den anderen dag en soms verscheidene dagen achtereen met den naam van den prediker er bij.

-ocr page 117-

405

séJpv \'

t \\V are goed, ais dit gebruikelijk werd over de geheeie wereld. Een deel der Joodsche Rabbijnen in Rusland , en wel het meest ernstige deel, heeft des Zaterdags in de Synagoge twintig jongelieden, die verplicht zijn goed acht te geven op de prediking, en die na den dienst den inhoud moeten mededeelen aan hen, die wegens krankheid en om andere redenen te huis zijn gebleven.

Mochten onze leeraars voor hetzelfde nuttige werk jongelieden werven , en eenigen er van de geboorde preek op straat vertellen.

Overigens spreken wij over alles wat de oogen zien en de ooren hooren, omdat de gansclie aarde vol is van de heerlijkheid des Heeren en men die in alles kan opmerken, terwijl alles tot behoud van Gods kinderen is ingericht.

Als van zeil komen de onderwerpen voor den geest, zoodat geene al te lange voorbereiding noodig is. Toch kost het nadenken om b. v. over de winkels en ambachten, zonder gezochtheid, te spreken in verband met Gods Rijk. Maar deze dingen boeien de aandacht en verbannen den spot.

Ik zal een paar voorbeelden er van aanhalen;

Vrienden! sommigen van u komen door straten, waar vele sterk verlichte winkels zijn. Welke prachtige dingen zijn daar te zien, niet waar? Gindsche banketwinkel doet menigeen watertanden. Heerlijk en lekker ziet het er uit, wat daar voor de ramen is uitgestald!

Ik denk daarbij altijd aan iemand, die, als hij met jongens ging wandelen, ze voor zulk een banketwinkel staande hield en zeide; » Heerlijk en lekker , jongens, gij moogt u verblijden dat anderen daarvan zullen smullen, maar krijgt er niets van: vooruit, marsch!quot;

Schijnbaar wreed, niet waar? Maai\'toch deze jongens hadden het goed genoeg en zij en wij moeten leeren — willen wij

-ocr page 118-

106

■gelukkig zijn — ons oprecht te verblijden in den zegen, dien God aan anderen geeft. Die dat geleerd heeft, heeft een zeer blijmoedig leven. De groole fout van onze eeuw is, dat zij meent, dat geluk gevonden wordt op den weg van vele behoeften te hebben en die te kunnen bevredigen. De oude Grieken en Romeinen wisten \'t beter; zij zochten de kunst om veel te kunnen ontberen, zoo weinig mogelijk behoeften te hebben.

Dat is wijs, de hoogste wijsheid voor den Christen is: voor zichzelven in deze wereld niets anders te begeeren dan :het kruis; zijn leven te willen verliezen.

Die daartoe komt, kan geheel voor den Heer en zijn naaste leven. Die rijk is, bedenke , dat God hem den rijkdom gaf om dien naar Gods wil. ten nutte der gemeente en van Israel en der wereld , allermeest ten nutte van weduw en wees te besteden.

De gansche natuur predikt: zichzelf geven. De zon, maan en sterren boven ons; de hoornen en bloemen des velds, de dieren en vogelen, zij doen niets anders dan ons menschen dienen met bun licht en glans, hun vrucht en geur, hun arbeidskracht en leven en zang; — al wat ons omringt, geeft zich aan ons.

Zoo betaamt het ons den Heer en al wat ons omringt te dienen met onze macht, met dankbare, blijde liefde en naarmate wij dat meer doen in het geloof in Jezus Christus, zullen stroomen des levenden waters uit ons binnenste vloeien.

Ziet, tot welke gedachten een winkel leiden kan. Maar er is meer. Wij zien daar ginds, wat heerlijk en lekker is. Eenmaal zal er nog geheel iets anders te zien zijn, volgens den ouden Bijbel, dien zoovelen verwerpen zonder te weten wat er in staat. Die Bijbel spreekt ook van vooruitgang tot het groote Babyion toe, eene wereldstad, zooals er nooit geweest is , waar al wat heerlijk en lekker is, zal verzameld zijn.

-ocr page 119-

lU7

Dat zal een stad zijn naar het hart der wereld , en weet gij -waarom vooral? Omdat er volstrekt geen godsdienst zijn zal. Geen neutrale stad, zouals men thans wil, maar eene geheel gewijd aan het vleesch , zonder iets dat naar godsdienst gelijkt. Daar zal alleen de Mensch der zonde verheerlijkt worden.

Ik denk, dien weg willen wij niet op, vooral niet, omdat het einde van Babylon is: verbranding.

Toch moeten wij kiezen tusschen Babylon en \'t Nieuwe Jeruzalem, de stad van Gods volk.

De nauwe weg leidt naar Jeruzalem, de breede naar Babyion. Welken weg zullen wij kiezen? Om de waarheid te zeggen: er is eigenlijk niemand, als zijn kind vraagt: Vader, welken weg raadt gij mij aan? die niet zeggen zal; den nauwen weg.

Maar wat wij voor onze kinderen \'t beste achten, is ook voor ons het beste. Daarom, laten wij den Heere onzen God aanloopen, opdat wij door zijne genade den broeden weg verlaten en van heden af den smallen weg kiezen.

Een ander voorbeeld.

Mijne vrienden, wij staan hier bij een gaslantaarn er: kunnen daaruit veel leeren.

Er is een groot verschil tusschen een Chineesche lantaarn van papier en deze gaslantaarn. Het grootste verschil is wel dit, dat een Chineesche lantaarn van onderen donker is , en dus haar licht alleen geeft in de verte.

Daarom noemen de Chineezen iemand, die zijn eigen huisgezin verwaarloost, terwijl hij druk werkt voor de belangen van anderen: een papieren lantaarn.

Nu zulke lantaarns willen wij niet zijn , maar liever trachten licht te hebben van binnen en een licht te zijn zoowel in ons huis, als daar buiten. Dat is onze, roeping; immers zegt de Heer aan de zijnen: ))Gij zijt het licht der wereld.quot;

-ocr page 120-

108

Als de zaken verkeerd gaan in ons land en in onze koloniën; in staat, in kerk, in school, dan ligt het daaraan, óf dat Gods volk geen licht geeft óf dat ons volk zich van dat licht afkeert, weigert er in te wandelen.

Dit is voor een ieder duidelijk, dat, waar geen licht of geen goed licht is, geen volk arbeiden kan zooals het behoort.

Maar er is verschillend licht. Deze gaslantaarn heeft een geelachtig wit licht; er is rood licht; er is groen licht enz.

Bij geel licht zien wij alles geel; bij groen licht alles groen; bij rood alles rood. Kinderen hebben daar groot genoegen in en vinden rood licht meestal heel mooi.

De internationalen, socialisten, nihilisten en hoe zij verder heeten mogen, zijn zulke kinderen. Zij zien alles in het licht der bloedroode vlag, de vlag van het roode Beest, in de Openbaring van Johannes geteekend, waarvan de verschijning nabij is.

Maar dat zijn nog uitzonderingen bij ons volk. Be meerderheid van ons volk is, helaas, met kleurenblindheid geslagen. Die meerderheid kent volstrekt geen onderscheid meer tusschen licht en licht; zij laat zich door ongeloovige courantenschrijvers en dergelijken leiden, en ziet bij het licht, dat de eerste leidsman de beste haar voorhoudt, als het maar de mode van den dag is.

Nu, mijne vrienden, het komt er wel terdege op aan, bij welk licht een mensch ziet, en nu is er maar één licht, waarbij allen, die ziende oogen hebben, overal en altijd goed kunnen zien en dat is het licht der zon. Gelijk er een zon is aan den natuurlijken hemel, zoo is er ook een aan den volkerenhemel, en die zon is Jezus Christus, gelijk Hij gezegd heeft: »Ik ben het licht der wereld.quot;

Bij dat licht alleen zien wij alle dingen zoo, als God wil dat wij ze zien.

-ocr page 121-

109

Daarover kon nu verder natuurlijk veel gezegd worden.

Eens terwijl Wilkens sprak , ontstond er brand, waardoor zijn gehoor wegliep. Het duurde echter niet lang, of de brand was gebluscht. Daarop begon W. te roepenbrand! brand !quot; terwijl hij zijne toespraak zóó inrichtte, dat hij gedurig «brand, brand!quot; herhalen kon. Natuurlijk kreeg hij op deze wijze een zeer groot gehoor en kon, hetgeen er gewoonlijk bij brand gebeurt of te vreezen is, op velerlei wijze toepassen.

Met een gezond verstand kan men voor het volk boeiend genoeg over den wolkenhemel en zijne lichten spreken, maar ook over het dieren- en plantenrijk , over de lieden die voorbijgaan : krijgslieden, politie-agenten, brievenbestellers, lantaarnopstekers , of over een huis , eene deur, een venster, een stoel, een pomp, eene lantaarn enz.

Op een verjaardag der Koningin zou er een prachtige illuminatie zijn in het Bosch. Wilkens had zich voorgenomen, dien avond te spreken over «het Licht der wereldquot; ; maar van de honderden voorbijgangers bleef niemand staan. De stroom ging naar het Bosch. Eindelijk kwam er een man met een groot bord, waarop met groote letters stond; »koml en zietquot; en voorts, dat er ergens een bazaar van porcelein, blik- en aardewerk enz. was geopend , alles beneden fabrieksprijs. Wilkens verzocht dien man, natuurlijk tegen eene belooning, te blijven staan en las nu en dan met luide stem , wat op dat bord stond. Dat verzamelde een zeer groot gehoor en gaf ruime gelegenheid om de menschen er op te wijzen, dat ook in den Bijbel de woorden: «Kom en ziequot; staan en wat de Heere te zien en om niet te koopen geeft; hoe daar in Gods Huis vaten zijn ter eere en ter oneere, hoe de Heer toch ten minste de macht heeft van den pottenbakker, om te doen wat .Tesaja er van zegt enz.

-ocr page 122-

110

Ernstig werd er bij die gelegenheid op gewezen, dat de geheele stad , de kennisgeving gelooft, die op liet groote bord wordt gedaan, zonder een oogenblik de geloofwaardigheid1 van den koopman in twijfel te trekken , en hoe diezelfde stad , in hare meerderheid van zoogenaamd denkende lieden, zoo geheel anders liandelt ten aanzien van de woorden Gods, zijne heilige Wet, met Gods vinger geschreven , en zijn heerlijk Evangelie.

Meer dan eens sprak broeder Wilkens over de opschriften boven de verschillende kroegen, slijterijen en tapperijen in de stad, als daar zijn: yiHet groote Glas,quot; Dde Morgenster,quot; vdt\' rijzende Zon,quot; »Werkmans welvaren,quot; » Vooruit is de weg,quot; Dde Vriendsehap,quot; — uithangborden, die in al hun leugenachtigheid werden voorgesteld.

Geen wonder dat meer dan één wijze in eigen oog, zooals een liberaal lid der Tweede Kamer, deze dingen voortreflelijk vond voor het volk! De Heer zal zulke menschen mogelijk eenmaal vragen, of zij dan niet behooren tot het volk en een ander soort van ziel hadden, omdat ze naar de Witte sociëteit gingen ?

Ook sprak Wilkens menigmalen over hetgeen op muren stond aangeplakt, over platen en prenten in boekwinkels te zien enz.

Daaruit nam ik aanleiding om te zeggen , dat vóór elk huis eigenlijk een opschrift staat, maar onzichtbaar, leesbaar alleen voor hen, die bij geestelijk licht zien en daar schrikkelijke dingen in die opschriften zijn te lezen, soms waar men heel wat anders zou verwachten.

Het beste opschrift is wel: Hier woont een arme tollenaar, die, op de borst slaande, uitroept; O God! wees mij, zondaar , genadig!

Maar wanneer wij zoo eens in de stad rondgaan, dan.

-ocr page 123-

m

vinden wij groote gebouwen en ontdekken met verbazing, dat er opschriften staan , als deze: Weg met Koning Jezus; of: liier voor iedereen entree , maar Jezus van Nazareth blijve hier buiten, en dergelijke.

Voor alle openbare scholen staat dit opschrift: De Heere Jezus blijve van dit neutraal terrein af.

Dat is door onze zonden zoover gekomen en \'t moet en kan weder anders worden, door terugkeer tot den Heer en zijn genadeverbond.

Wij mogen niet rusten, vóórdat van elk gebouw en elke woning in ons vaderland, geestelijk te lezen is: Jezus Christus is onze Souverein, geen neutraal terrein meer; Hij moet als koning heerschen op elk gebied des levens.

Dat zal Hij, wanneer wij maar niet wijzer willen zijn dan Hij. Zelfs ongeloovigen geven toe , dat nimmer wijzer mensch op aarde verscheen. En toch luistert men naar allerlei men-schen; alleen naar Hem niet, van wien God van den hemel heeft gezegd : «Deze is mijn geliefde Zoon , hoort hem !quot; Dat is dwaas. Zijne gedachten zijn zooveel hooger dan de onze, als de hemel hooger is dan de aarde.

Denkt maar eens na : de meeste menschen hier in de stad denken, dat, als zij maar braaf zijn, een ieder het zijne geven en vooral als ze godsdienstig zijn bovendien, dat dan alles wel zal terechtkomen. De heidenen denken precies zoo. Ook zij zeggen: een mensch kan niet meer dan zijn best doen, en voor het overige moet hij \'t aan God overlaten.

Dat is eene dwaling. De Heere Jezus zegt niet: doe uw best maar, wees braaf, wees vroom; maar hij zegt: »gij hebt geen leven in uzelven en mijn vleesch is waarlijk spijs, mijn bloed is waarlijk drank; die Mij eet, heeft het leven.quot;

Dat is geheel iets anders dan braaf zijn. Men zegt dat de geleerde, maar ongeloovige hoogleeraar Molescuot beweerd

-ocr page 124-

heeft; »Een mensch is, -wat hij eet,quot; en daarmede heeft hij de waarheid van den Bijbel bevestigd. De vloek der slang is , dat zij stof zal eten; dat is haar wezen. Onze eeuw is reeds zoover als Nebncadnezar, die in zijn waanzin gras at, d. i. zijne spijze, het leven zijner ziel zocht in de aardsche dingen , in natuurdienst. Menig hoogleeraar bij ons doet dat, en wij kunnen en zullen, als God het niet verhindert, nog dieper vallen, in de dagen van den Antichrist, die leven zal van het lasteren van het bovennatuurlijke.

Wat ons waarlijk tot verstandige, verlichte menschen maakt, is het eten van het brood dat uit den hemel is nedergedaald. Zonder God ernstig te vragen, of dit waarlijk zoo is, verwerpt menig naam-Christen dat, gelijk de Jood het verwerpt.

WELKE WOORDEN DEN MEESTEN INDRUK MAKEN

ÜP DE RUWSTE EN ONGELOOVIGSTE MENSCHEN.

Natuurlijk is het zeer moeielijk te weten, of het spreken op een gegeven oogenbiik al dan niet indruk maakt. Tranen uit te lokken is niet moeielijk, wanneer men op het gevoel weet te werken, doch tranen bewijzen alleen eene oogen-blikkelijke aandoening.

Evenwel kan men uit de toenemende stilte en aandacht, uit het veranderen van lichtzinnige en spottende gelaatsuitdrukking , in die van diepen ernst, en over \'t algemeen uit hetgeen op het gelaat als \'t ware staat te lezen, wel iets aHeiden.

Eenmaal zag ik eenige spotters uit Israel. Hun spot was dadelijk gedaan, toen ik in mijne toespraak zeide: God almachtig heeft een onzettenden eed gezworen, die aller aan-

-ocr page 125-

113

dacht waardig is, namelijk dezen eed r »Zoo waarachtig Ik leef, zegt de Heere, al ware het zaad der kinderen Israels als het zand aan den oever der zee, slechts een overblijfsel zal behouden worden.quot; Spotters tot het einde toe behooren zeker niet tot dat overblijfsel.

Gij weet, mijne vrienden, dit overblijfsel wordt behouden naar de verkiezing der genade, en wanneer God aIzoo handelt met Israel, is het niet redelijk te meenen, dat Hij ten aanzien der Nederlanders, die hem met allerlei goddeloosheid tergen en dagelijks zeggen, dat zij wenschen dat Hij verdoemen zal, anders zal handelen.

Maar wanneer gij nu en te recht bekommerd wordt, of gij wel tot dat overblijfsel behoort, dan tracht ik niet uwe bekommering weg te nemen. Integendeel hoop ik, dat ze zal toenemen ; en toenemen zal zij , wanneer gij bedenkt, dat de Heiland gezegd heeft; «Gelijk de Vader de dooden opwekt en levend maakt, alzoo maakt ook de Zoon levend, die Hij tuii.quot;

Van zijn souvereinen wil hangt ons eeuwig leven af. Hij besluit daarover naar zijn welbehagen.

Kon ik u van den ontzaglijken ernst dezer dingen overtuigen. Ons doopsformulier zegt, dat heel ons leven niet anders is dan een gedurig sterven, en\'t is zoo. De korte geschiedenis des menschdoms is; dat God almachtig haar leidt ten doode. Daar is geen ontkomen aan. Zijn machtige arm voert alle menschen in den dood, al die millioenen, sedert zoovele eeuwen. Ziet gij in den geest die ontelbare schare ? Zij wordt geleid als aan een kruis om te sterven. De Heere Jezus is in het midden. En het onderscheid tusschen die stervende menigte is, dat het eene deel ter rechterzijde des Heeren sterft. het andere ter linker.

De ongeloovigen in de parlementen spreken het zelf uit: zij noemen zich de mannen der linkerzijde. Sterven ze daar , dan

-ocr page 126-

114

zien ze niet uit naar den gekruisten Heiland en gaan verloren.

Alleen de Almachtige kan ons overbrengen naar de rechterzijde. Hij zweert, dat Hij dat van Israel slechts aan een overblijfsel zal doen.

Dat mag evenwel geen bekommerde werkeloos maken. Tegenover dien eed staat een andere eed: ))dat God geen lust heeft in den dood des zondaars, maar daarin dat hij zich bekeere en leve.quot;

Het woord des Heeren, dat Hij levend maakt wie Hij wil, is alleszins geschikt om u tot Hem uit te drijven.

Wanneer ik zeide ; ik heb hier eenige weinige diamanten in mijne handen en geef die aan wie ik wil, dan zoudt gij allen op mij aandringen en allen roepen : geef ze mij, geet ze mij.

Welnu , doe zoo ten aanzien van de parel van groote waarde, Jezus Christus, Hij openbaart de kennisse Gods aan wie Hij wil. Dring op Hem aan; laat Hem geen rust, dag noch nacht, totdat gij Hem hebt, want Hij is waarlijk uw leven.

Staande voor het Paleis van justitie en het Evangelie verkondigende, ging mij een man voorbij, ventende het blad: sRecht voor allen.quot; Een heer zeide daarop luide: »Dat is beter, dan wat deze spreker zegt.quot; Ik nam natuurlijk daaruit aanleiding om te spreken over de zekerheid , dat God aan alle menschen recht doen zal, doch dat velen dat niet gelooven, hoezeer zij zelf door hun ongeloof de waarheid Gods bevestigen. Ik zeide : «Laat een ongeloovige hier gaan staan en ik zal u uit zijn mond laten hooren, dat de Bijbel waarheid zegt. Ik zal hem vragen; wat dunkt u, ongeloovige, zijn er niet maar zeer weinige waarlijk vrome menschen in de stad.\' Hij zal dadelijk antwoorden: ja! Op de vraag: wat dunkt u van de fijnen , de nieuwlichters, de orthodoxen of hoe hij ze noemen moge, zal hij zeggen: dat zijn altemaal huichelaars.

Maar, ongeloovige, als dat zoo is, waar moot ik dan de

-ocr page 127-

godzalige menschen zoeken? In de komedie? Hij zal zeggen ; neen! In de sociëteit, in de koffiehuizen, in de kroegen ? Hij zal zeggen: neen! Maar dan mogelijk in de kazerne, in de Witte sociëteit, in de huizen van hen die naar concerten en hals gaan? Ook daar niet? Maar waar dan? Dan blijkt het, dat er zóó weinige zijn, dat de ongeloovige ze niet eens kan vinden. Juist, zooals de Bijbel zegt; «Nauw is de weg, die tot het leven leidt, en weinigen zijn er, die denzelven vinden; breed is de weg, die tot het verderf leidt, velen zijn er, die er op wandelen.quot;

Een ongeloovige is juist zooals de Bijbel hem teekent, zóó blind, dat hij niet eens den weg ten leven en Gods volk, dat or op wandelt, zien kan. Maar hij is dwaas ook. Dat zal ik u bewijzen.

Hier staat een arme jongen. Wanneer de Heer uit den hemel hem persoonlijk bij zijn voornaam noemde en hem beloofde: «Wanneer gij overwint, zult gij zitten op Mijn troonquot; , zoudt gij niet zeggen: O jongen! welk een voorecht, welk een eer is u geschied? Zoudt gij niet zeggen, dat die jongen onzinnig was, erger dan een idioot, wanneer hij niet alle dagen aan die belofte dacht, niet alle dagen met al zijne krachten en gaven streefde naar de overwinning? Denk er om: deze arme jongen op den hoogsten troon, dien God geven kan ; boven de aartsengelen verheven , den troon der hoogste heerlijkheid, heiligheid, waarheid, liefde , macht en majesteit!

Gij zoudt het onuitsprekelijk dwaas vinden, wanneer die jongen daarop geen acht gaf; er niets om gaf; er niet aan geloofde en, gelijk Ezau, deze heerlijkheid opofferde, om de voorbijgaande dingen dezer wereld!

Maar dat doet waarlijk de gedoopte ongeloovige. God riep hem in den doop bij zijn voornaam tot deze heerlijkheid, maar hij wil er niets van weten.

-ocr page 128-

116

Mijne vrienden, wat liebt gij, wat hebben wij gedaan, met deze heerlijke belofte des Heeren ?

Voorwaar, in den dag des gerichts zal het ondragelijk zijn voor hen, die dezen troon missen, te ontdekken: het is mijn eigen schnld; ik heb niet gewild!

Maar ook de geloovigen allen te zamen zullen ontroerd zijn bij de gedachte, dat Gods ontferming hen toch nog gered heeft, niettegenstaande zij zoo zeer weinig beleden en getoond hebben , zulke heerlijke beloften op prijs te stellen en niet alle dagen tot levensdoel te hebben gehad : het zitten op den troon van den Emmanuel.

De onde Fliedner stierf met dit woord, dat hij, wuivende met zijn hand , drie malen uitsprak : overwinning, overwinning, overwinning!

Mijne ervaring, dat de woorden van den Heiland uit de Openbaring en het evangelie van Johannes, de kruiswoorden, de voorstelling zijner groote liefde en erbarming in Gethsemané en aan het kruis bewezen, en zijne hoogheerlijke beloften nimmer zonder indruk blijven.

Wordt de hoorder tegenover dat kruis geplaatst en hem tevens duidelijk gemaakt, dat hij lid is der heilige gemeente van Jezus Christus, met dezelfde roeping en dezelfde hoogheilige bestemming als de geloovige; dat van Gods zijde het mogelijke is en wordt gedaan om hem te overtuigen, dan kan men dikwijls sterke gemoedsbeweging waarnemen.

Maar deze dingen moeten in gewone taal , op gewonen spreektrant gezegd worden.

Ongeloovigen heli ik — vooral wanneer ik Joden zag — menigmalen trachten te overtuigen, door de getuigenis van. den Heere Jezus omtrent ziclizelven.

-ocr page 129-

117

t)E GETUIGENIS VAN DEN HEERE JEZUS OMTRENT ZICH ZELVEN.

In de vorige eeuw leefde te Zeist een vroom leeraar der Hernhutters Samuel Lieberkuhn. Deze man had een zeer zeldzame eigenschap, namelijk deze : dat hij tie Joden aantrok. Zij noemden hem: Rabbi Samuel. Toch was hij niet uit Israel maar hij had de Joden lief en was hun zijn gansche leven dankbaar, omdat het heil is uit de Joden en ook omdat ze hem, als jongen van negen jaren, toen hij een arm had gebroken, liefderijk hadden verpleegd.

Liefde wekt wederliefde. Geen wonder, dat de Joden hem liefhadden en dat er dikwijls Joden uit Amsterdam naar Zeist kwamen om hem over hunne belangen te spreken. Natuurlijk verzweeg Samuel dan voor hen het eene noodige niet en hoe afkeerig de Joden ook over het algemeen zijn van den naam van Jezus, toch laat die naam velen niet met rust.

Tegenover al hunne bedenkingen bleef Samuel er bij, dat Jezus de Zoon van God is, omdat hij het zelf heeft gezegd.

De Joden meenden, dat iedereen dat wel zeggen kon , doch zagen toch spoedig in, dat het eigenlijk gansch niet gemakkelijk is, vooral niet voor een Jood, om voor de heilige rechtbank van Israel, onder voorzitterschap van den Hoogepriester, op eene onder eedc gedane vraag, van dezen aard, bevestigend te antwoorden.

Zij vroegen echter of Lieuerkuhn bewijs kon geven, dat deze verklaring van den Heiland waar is. — O ja! was zijn antwoord, dat bewijs ligt in het feit, dat Hij is opgestaan uit de dooden. De Schrift acht, dat daardoor krachtiglijk bewezen is, dat Hij is: de Zoon van God.

Daarmede waren de vragers niet voldaan, want immers

-ocr page 130-

118

Samuel bad tie opstanding niet met eigen oogen gezien.

Lieiierkuiin wees hun dan daarop, dat Mozes alleen was, toen hij de tafelen met Gods vinger beschreven, op den berg ontving, en toch geloofden de Joden enkel op de \'getuigenis van dezen mensch, een zondaar als zij. Daartegen was niets in te brengen.

Lieberkuhn had in zijn lang leven overvloedig gelegenheid, om de ontzaglijke kracht van de zelf-getuigenis van den Heere Jezus op te merken.

Inderdaad die getuigenis is zeer gewichtig. Meent men , dat de Heere die niet zoo heeft afgelegd, maar dat zijne discipelen en de Joodsche Raad hem verkeerd hebben verstaan ; dat Hij bij voorbeeld eenvoudig meende te zijn, de Zoon van God , zooals alle andere menschen, dan komt men in de niet minder groote moeilijkheid van te verklaren, hoe de vrienden en vijanden des Heeren aan die verkeerde opvatting gekomen zijn en zóó sterk daarvan overtuigd waren, dat de Joodsche Raad hem wegens godslastering veroordeelde?

In de Joodsche overleveringen was het toch volstrekt geen vreemde zaak, te spreken van God als Vader; van kinderen des Allerhoogsten, zonen en dochteren van den God Israels.

Hoe dan te verklaren den haat der Joden tegen den naam van Jezus, lang vóór de kerkelijke vaststelling van het leerstuk der drieëenheid en tot den dag van heden voortdurende.

Wel bezien, schijnt liet volkomen ;,eker, dat de getuigenissen van den Heere Jezus omtrent zich zei ven, de groote aanleiding en het voorwendsel zijn geweest, om Hem als godslasteraar te dooden.

Die eenvoudig en vrij van theologische begrippen, de zaak overdenkt, moet tot hot besluit komen: Kajafas had, voor het toenmalig Joodsche recht, gelijk in het eischen van den

-ocr page 131-

119

ilooil des Heilands, óf de getuigenis van den Heere Jezus omtrent zichzelven is waar.

Een derde is er niet. Iemand, die openlijk op zichzelven wijst, als de )gt;Ik ben;quot; «het licht der wereld »de weg , de waarheid en het leven;quot; «de eenige, die het leven heeft;quot; »het brood des levens;quot; ))de opstanding en het leven;quot; de eenige door wien de raenschen tot God komen; die het leven geeft aan wien hij wil, als het evenbeeld Gods, zoodat Hij getuigt: »die mij ziet, ziet den Vaderquot; —• zoo iemand, niet krankzinnig zijnde van hoogmoed, is, wat hij zegt, óf is een godslasteraar.

Er zijn in ons land, wellicht zelfs onder de Joden, geen menschen , die zoover durven gaan, van zich te vereenigen met de meening van den Joodschen Raad, en er is nog wel niemand, die meent te kunnen aantoonen, dat wij hier te doen hebben met de taal eens krankzinnigen.

Men moet dus wel zeggen, dat de discipelen den Heer van lieverlede zulke uitdrukkingen in den mond hebben gelegd. Dat is gemakkelijk genoeg gedaan , doch daarmede is dc houding der vijanden niet verklaard; en die eenigszins heeft kunnen nagaan, hoe vele eeuwen strijd het gekost heeft, om te komen tot het leerstuk van de onfeilbaarheid van den paus , niet als persoon , maar als hoofd der Roomsche kerk, in zijn ambt, ziet in , dat het waarlijk zulk een doodeenvoudige zaak niet heeft kunnen zijn, in een paar eeuwen, zooals men dan veronderstelt dat geschied zou zijn, een aan het kruis genagelden Joodschen Rabbijn woorden als de bovenbedoelde in den mond te leggen en die te doen aannemen door de edelsten van het Joodsche volk en uit de Heidenen.

Maar wanneer mij te goeder trouw niets anders overblijft, dan aan te nemen, dat werkelijk hij, die voor den zoon van Jozef doorging, van zichzelven niets minder heeft getuigd,

-ocr page 132-

120

dan lt;lat lüj eenswezens is met God; hij zich zeiven de eigenschappen en krachten Gods heeft toegeschreven, dan kan hij mij, verondersteld dat zijne getuigenis onwaar is, onmogelijk tot een voorbeeld zijn.

Hij is dan noch zondeloos, noch een wijze. noch een braaf man, maar een dweper van de hoogmoedigste soort, die ooit geleefd heeft.

Hem mij voor te stellen als een voorbeeld ter navolging, wordt dan al te ongerijmd; in zijn naam iemand te doopen, dwaas; op hem eene gemeente te bouwen, naai\' hem genoemd , goddeloos.

Het Nederlandsche volk heeft volkomen recht, wanneer het van zijne leiders, van de mannen dei1 wetenschap, in deze ernstige zaak zekerheid verlangt.

Liberalen en modernen hebben in twijfel gebracht of bestreden, dat deze Jezus is de Zoon van God. Zij kunnen daarbij niet blijven staan. De gevolgen moeten duidelijk worden uitgesproken en manlijk aanvaard.

Is de getuigenis, die de Heere Jezus omtrent zich zeiven geeft, onwaar, dan eerlijk het geheele Christendom, dat op die getuigenis gebouwd is, verworpen, en omgezien naar een andere godsdienst.

En wij komen niet tot een andere godsdienst, tenzij de oude overleveringen omtrent dezen Jezus geheel worden verlaten.

Professor Rauwenhoff had daarin volkomen gelijk , toen hij eenige jaren geleden tegen de verspreiding des Bijbels opkwam. De Bijbel stelt ons telkens weder voor de vraag: »Wat dunkt u van den Christus, wiens Zoon is hij?quot;

Maar voordat iemand met het Christendom breekt, schijnt het toch geraden , eens ernstig stil te staan bij dit eenige feit in de geschiedenis der menschen, dat er een mensch is

-ocr page 133-

•geweest, die van zichzelven heeft gezegd; »Indien gij niet gelooft, dat ik i;en , zult gij in uw zonde stervenen ))die Mij ziet, ziet den Vader.quot;

Dat is de ontzaglijk.ste gebeurtenis, die ooit op aarde is vernomen. Een mensch, die zich God gelijk maakt en last geeft om aan alle creaturen op aarde dit te verkondigen.

En die mensch was van bijzondere beteekenis, want aan zijne lastgeving wordt meer en meer voldaan. Welhaast zullen alle creaturen van hem gehoord hebben. De volken, die hem niet geloofd hebben, zooals de Joden, Romeinen, Grieken , hebben da jammerlijke gevolgen er van ondervonden , en het oude Jeruzalem is, naar zijne voorspelling, vergaan.

Meermalen zeiden mij de lichtzinnigste menschen : »Ja, als deze dingen zóó zijn, spelen wij een zeer gewaagd spel, met er geen acht op te geven.quot;

Waarlijk het is zoo. Niet nadenkenden alleen kunnen zóó roekeloos en dwaas zijn. De Schrift waarschuwt hen met den ontzaglijken eenvoud en ernst der waarheid.

STRIJD MET OXGELOOVIGEX.

Er zal wel geen Christen zijn, die niet in strijd is geweest met ongeloovigen of zulk een strijd niet heeft bijgewoond. Zulke gevallen, uit het leven genomen naar aanleiding van de eene of andere gebeurtenis uit de Schrift, worden door het volk, wanneer ze eenigszins levendig worden voorgedragen, met groote belangstelling aangehoord.

Zoo vond ik steeds veel aandacht voor liet volgende:

Eenige jaren geleden bevond ik mij op een stoomboot op de Maas. \'t Was zomer en er waren ruim 200 passagiers.

Ik deelde eerst in de eerste kajuit traktaatjes uit en ging

-ocr page 134-

J O 2

vervolgens naar voren waar een tachtigtal veekoopers uit de streken van Brabant waren.

Ook deze namen de blaadjes aan, maar een zeer ruwe kerel weigerde, zeggende: «Bij ons zijn er ook die van die prullen uitdeelen; houd ze maar; ik mot er niks van hè.quot; (Zeeuwsche spreekmanier.)

Ik antwoordde: »Prullen? Gij hebt het blaadje niet eens» gelezen en weet al dat het een prul is?quot;

»0 !quot; zeide hij, »ze zijn allemaal hetzelfde, over hemel en hel, en daaraan geloof ik niet.quot;

!iZó(i, zóó, mijn vriend, ik bemerk dat ik met een ontwikkeld man te doen heb, zoo een, die goed onderwezen is. \'t lloet wel, daar gij al weet, wat er op een stuk papier gedrukt staat, zelfs zonder het opschrift gezien te hebben. Nu ik heb graag met knappe kerels te doen. Gij wilt zeker wel eene weddenschap aangaan ? Ja , ja! wedden is wel eens aardig; wij hebben hier toch den tijd; ik wed ook graag , maar om des keizers baard, niet om geld.

N\'u willen wij eens wedden : gij zult bewijzen, dat er geen hemel en geene hel is, en ik zal bewijzen van wel, en deze veekoopers zullen beslissen , wie \'t wint.quot;

»Topquot;, zei hij , «dat doe ik.quot; Ik verzocht hem nu te beginnen, maar daar wilde hij niet aan. Ik moest beginnen. Hoe ik hem ook aanporde, beginnen moest ik.

Ik vroeg hem toen; » Waarom is er zout in de zee?quot; — «Nouquot;, zeide hij, »wat het dat er mee te maken ? Voor de visschen !quot;

»Vriend, nou val je me bitter tegen, hoor; ik dacht dat je zoo\'n knappe kerel waart, zoo\'n veelweter, die zelfs weet, dat er noch hemel, noch hel is, en nou blijkt het, dat je eigenlijk geen antwoord kunt geven op zoo\'n eenvqjidige vraag: waarom er zout in de zee is? Voor de visschen, dat weet je zelf wel beter, want die zijn er in de Maas ook.

-ocr page 135-

\\i

123

Ik ben maar een domoor, die nog gelooft aan hemel en hel en ik kan je althans een heel goede reden opgeven, waarom er zout in de zee is. Gij weet, dat de rivieren vele krengen en rotte of voor verrotting vatbare dingen in de zee voeren. De haaien en andere visschen vreten veel op, maar toch niet genoeg. Er is zout noodig om het water voor bederf te bwaren. Was er geen zout in de zee, dan kwamen er allerlei schadelijke dampen uit en gij zoudt rotkoorts krijgen, waarvoor vooral jeneverdrinkers en zulk volk zeer vatbaar zijn. Door de liefdevolle zorg van den Schepper, werkt het zout in de zee de verrotting tegen. Begrepen ?quot;

»Nou,quot; zeide hij, »dat zal wel zoo zijn.quot;

»Goed, nu gaan wij verder, met vragen. Is er nergens verrotting te sterk voor het zont ? verrotting, die een sterker middel noodig heeft dan zout?quot;

«Hoe meent u dat,quot; vroeg hij. Ik zeide: »Gij weet toch al heel weinig. Men moet u bij de eenvoudigste zaken helpen als een kind. Gij hebt wel eens van gasthuizen gehoord, niet waar? Ook wel dat daarin teringlijders, pok- en kankerlijders, pestzieken en melaatschen verpleegd worden ? Wel nu, dan weet gij ook wel, dat de geneesheer niet zegt: dat laken , waar die melaatsche of pestpoklijders op gestorven is, moet je maar met wat zout water of met loog wasschen, maar dat hij , als hij alle besmetting wil voorkomen , het boeltje van dien lijder laat verbranden.

Dat deed men van onds in Israel; men gebruikte vuur als afdoend reinigingsmiddel voor sommige zaken, die bijzonder onrein waren.

Gij begrijpt wel, dat het verstandiger is een besmettend voorwerp aan het vuur over te geven, dan de geheele stad in gevaar van besmetting te brengen.quot;

D.Ja ,quot; zeide hij , »dat geloof ik ook.quot; ))Nu, mijn vriend,\'\' zeide

-ocr page 136-

124

ik , »zijt gij de weddenschap kwijt. Let nu maar eens goed op. De Bijbel vergelijkt de volken bij een zee en bij rivieren. Te zamen maken zij een zee uit en elk volk is als eene rivier.

Al die rivieren loopeu uit in de groote volkerenzee en ze brengen, wat ze hebben , en daaronder is veel verderf. Denk maar eens aan de Schie, waarop zooveel jenever wordt afgevoerd en een stroom van vloeken en vuiligheden van de jeneverbroers meê.

Nu zegt de Heer Jezus van zijn volk , van zijne discipelen , dat zij het zout zijn, dat de wereld voor bederf bewaart. Was dat zout niet in de volkerenzee, dan zou er algemeene verrotting zijn.

Iedereen kan dat w^el waarnemen. Wanneer in slecht gezelschap er een paar zijn, die God vreezen, dan worden de anderen daardoor altijd meer of min in toom gehouden en de grootste vloekers houden zich stil, als ze Christendames zien of een predikant of een vroom pastoor.

Maar die nu zoo goddeloos zijn, dat zij zich door het zout van Gods volk niet laten verbeteren, die dwingen toch God, als :t ware, om een sterker middel aan te wenden.

Zij kunnen toch wel niet verwachten , dat God zal toelaten , dat ze na hun dood komen b. v. bij vroeggestorven kindertjes, die nog nooit hebben kunnen vloeken of vuile taal spreken.

Wat is er aan zulke besmettelijke voorwerpen te doen.

Vele jaren van toepassing van het zout hebben niet gebaat, dam moet immers wel vuur aangewend worden, en daarom spreekt de Bijbel van onuitbluschbaar vuur, waarvoor de Heere Jezus, die nooit iemand bedrogen heeft, in Markus IX , drie malen zeer ernstig waarschuwt.

Nu dat vuur is in de hel. Gij zegt: er is geen hel. Maar Jaat ons daarover eens nadenken.

Bij wien en waar gaan de vloekers en zuipers op aarde

-ocr page 137-

125

Gaan ze liij de vromen ? Wel neen, overal liever, dan bij dat soort van menschen. Zij gaan bij hnn soort; die vinden ze gewoonlijk in de kroeg. Daar behooren ze te huis. Soort zoekt soort. Maar kom nu in zulk een gezelschap, dan zult gij altijd één vinden, die uitsteekt in boosheid; dat is de Piet. Hij gaat de anderen vóór en beheerscht ze.

Nu, na den dood is \'t precies zóó. De in hun zonden gestorven zielen zoeken elkander; zij gaan daar, waar zij behooren en onder die allen is er één de Baas. De Schrift noemt dien machtigen baas, den Duivel. Weet ge een anderen en beteren naam voor hem en voor de hel, daar is niets tegen , maar onder de goddeloozen is er één de allergoddelooste, dat spreekt van zelf, en de goddeloozen willen niet zijn , waaide vromen zijn. Zij gaan naar hunne plaats, die de vromen de hel noemen, en daar is velerlei vuur, b. v. van toorn, van twist, van schaamte, behalve nog het onuitbluschbaar vuur.

En als er nu scheiding is, en zelfs door de goddeloozen gewild wordt, tusschcn hen en de vromen, dan moet er ook eene plaats zijn, waar de vromen zijn, en deze noemen zij hemel.

Nu is \'t uwe beurt om te bewijzen, dat ik het mis heb.quot; Zijn antwoord was , dat hij maar zwijgen zon , en zijne kameraden zeiden, dat hij \'t glad verloren had.

Op deze wijze heb ik ongeloovigen trachten te bestrijden. Die er meer van wil leeren, leze No. 5—10 . 13—16. 21 —36, en 41—48 der Christelijke Volksblaadjes, tweeden jaargang bij Höveker ik Zoon, door mij geschreven, waarvan er hier een, meermalen op straat behandeld, volgt, over:

-ocr page 138-

120

DE HEERLIJKHEID.

Er is heden ten dage veel verschil van gevoelen over liet onderwijs. Velen achten ook enkel onderwijs niet voldoende en willen ten minste eenige opvoeding, opleiding tot christelijke deugden, tot zedelijkheid en braafheid.

Er zijn er, die meenen, dat opleiden tot zedelijkheid genoeg is, en te goeder trouw achten, dat men kinderen niet met godsdienst moet lastig vallen. Als ze volwassen zijn , denken ze, dan kunnen de kinderen daarover denken en zelf kiezen, of ze heiden , Jood of Christen willen zijn.

Dat is alleszins redelijk, als het waar is, wat sommigen leeren, dat de kinderen niet aan de ouders, veel minder aan den staat of de kerk, maar aan zichzelven toebehooren.

Alleen is het moeielijk te vatten, vanwaar ouders, wanneer de kinderen hun niet toebehooren , niet door God aan hen zijn geschonken en toevertrouwd, het recht hebben, om hunne kinderen tot leeren te dwingen, te laten inenten enz., en waarom zij verplicht zouden zijn voor hen te zorgen.

Gelukkig, dat deze modernste der moderne dwaasheden, volgens welke de kinderen zichzelven toebehooren, bij weinigen ingang vindt. Het leven verzet er zich te veel tegen.

De meesten willen nog op de school christelijke deugden en zelfs eene zekere godsdienstigheid, mits ze niet ontaarde in dweperij.

Wij nemen nu eens aan , dat dit de wensch van de meerderheid onzes volks is : — alzoo opleiding tot christelijke deugden.

Maar nu leeren christenkinderen te huis en op eene goede catechisatie, dat alles wat de mensch doet, buiten het geloof, zonde is, en christelijke deugd eene vrucht is van het leven

-ocr page 139-

127

Mtl

van Cliristup in den geloovige. Daarmee komt het onderwijs in deugd en zedelijkheid, als iets dat de raenseh uit ziclizel-ven kan voortbrengen , niet overeen.

Te huis en op de catechisatie leert het kind, dat het van nature verloren is en onmachtig tot eenig goed ; dat het dooide zonde ten eenenmale afschuwelijk en verwerpelijk is geworden voor God en onwaardig de geringste Zijner weldaden; dat al de gerechtigheid van een mensch en een kind, (dat zijn : zedelijkheid , deugd , braafheid enz.) voor God is als een wegwerpelijh kleed. Het leert, dat de Heer echter verlossing uit dezen toestand van ellende heeft teweeggebracht en dat de zondaar nu alle reden heeft, om voor zulk cene verlossingen al de weldaden , die hij dagelijks, geheel onverdiend, daardoor is deelachtig geworden, dankbaar te zijn, dat is, de christelijke deugd van dankbaarheid te beoefenen.

De onderwijzer evenwel, dezen wortel der dankbaarheid niet aanroerende, laat het geheele verlossingswerk ter zijde en plaatst het kind, in het allergunstigst geval, op het standpunt van den hoofdman Cornelius, vóórdat deze iets van den Christus had gehoord, of der heidensche Atheners, die den onbekenden God dankbaar waren.

En zoo gaat het met alle deugden, terwijl eene zeer voorname deugd, waardeering en eeren van weldoeners , op school niet kan worden behandeld, omdat van den grooten weldoener Jezus Christus, die ons alle weldoeners gaf en door hen ons beweldadigde, moet worden gezwegen.

Dat gaat niet. Op deze wijze worden de kinderen joodsch of heidensch gemaakt. Doch er is meer.

Het doel van het zoogenaamd maatschappelijk onderwijs is eigenlijk, de kinderlijke natuur zóó te ontwikkelen, dat het de heerlijkheid dezer aarde recht leert kennen en benuttigen en zich daarmede als \'t ware bekleeden. De heer-

9 P 68

-ocr page 140-

130

(Hen de fatsocnelijke wereld, ook in liet volksonderwijs, bewandelt.

Is \'t zeker, dat de Bijbel ongelijk heeftWie kunnen dat liet best weten? Immers zij, die er in te huis zijn?

Laten wij oprecht zijn. Wat weten de ongeloovigcn te zeggen van een plan Gods; van de heerlijkheid des Heeren; van de eerste opstanding uit het midden der dooden; van den tweeden dood ?

Ik noem maar eenige weinige zaken. Vraag wat de bijbelbestrijders er van weten, en het antwoord zal niet tegenvallen. Waarlijk het soliijnt het veiligst zich aan den Bijbel te houden.

Is er één geleerde, die durft zeggen: ^Komt herwaarts tot mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal uruste geven?quot; Daar is er niet één.

De Heere Jezus heeft dat gedaan en zeer velen hebben de waarheid van dit zijn woord ervaren. Hij heeft gebeden:

AVader! ik wil, dat waar ik ben, ook die bij mij zijn , die ftij mij gegeven hebt, opdat zij mijne heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij mij gegeven hebt, want Gij hebt mij liefgehad, vóór de grondlegging der wereld.quot;

Die weet, door den Vader aan den Heiland gegeven te zijn, vindt een nameiooze rust in de verwachting dezer heerlijkheid. Velen van hen , die ontslapen zijn , zagen er iets van vóór hun dood en juichten bij hun henengaan.

Dit deed nog nimmer een ongeloovige. En zoudt gij niet bedenken, dat God u, in den doop bij uw voornaam heeft geroepen tot deze heerlijkheid ?

Gij hebt er niet om gevraagd, wanneer gij als kind gedoopt zijt. God heeft het zoo gewild!

-ocr page 141-

131

9 ïquot; 68

EENE GEWONE VERONTSCHULDIGING DER ONGELOOVIGEN.

Deze is, dat er onder de vromen zoovele huichelaars zijn en dat er op den wandel der geloovigen zooveel is aan te merken.

Nu, de huichelaars behooren bij de kinderen der wereld, zooilat wij ons dat niet behoeven aan te trekken. Zij bewijzen niets tegen de vromen, maar voor de vromen. Zij bewijzen, dat de familie van Gods kinderen zoo achtenswaardig is en het zoo goed heeft, dat er ougeloovigen, wereldlingen zijn, die er niet tegen opzien huichelaars te worden, mits ze maar bij de vromen mogen zijn.

Zij bewijzen mede, dat ougeloovigen elke rol kunnen spelen, als ze er maar voordeel in zien.

Maar tegen de tweede verontschuldiging bedien ik mij gewoonlijk van twee vergelijkingen.

EERSTE VERGELIJKING.

Mijne vrienden , ik heb hier een wandelstok. Wij willen dien eens in de hand nemen, als een voorstelling van den weg tusschen hemel en hel. Hier is de linkerzijde, de negatieve zal ik deze noemen, dat is, de zijde die ontkent, die neen zegt; hier is de rechterzijde , de positieve , de geest, die niet ontkent, maar bevestigt, die ja zegt.

Hier is het middelpunt, het punt waar rechter- en linkerzijde elkander ontmoeten.

In de natuur, zeggen de geleerden, gaat alles naar onveranderlijke wetten , schoon velen ter zelfder tijd de leer van Darwin aannemen , eene leer, die verwonderlijke veranderin-

\\i

-ocr page 142-

i;i\'2

gen in die wetten mogelijk acht, zoodat zij zelfs apen laat veranderen in menschen, al zit zij met den staart bitter verlegen. Maar in alle geval is dat geen onveranderlijke wet, anders moesten nog heden ten dage apen menschen worden , \'t geen niemand beweert, die zijn vader eert.

Tusschen twee haakjes wil ik u iets aardigs vertellen, wat mij gebeurd is in bet zoogenaamde apenboscli in de Residentie Passaroean, op Java.

Ik was daar met den Directeur der cultures, Schiff , en onderscheidene ambtenaren en inlandsche hoofden. Ook was er in de Inspecteur der cultures G. Als naar gewoonte kwamen de apen, over de takken der boomen klauterende, naar eene open plek, waar wij, na op een boom te hebben laten kloppen , pisangs hadden neergeworpen.

De apen leven onder het stelsel van vrijheid, gelijkheid en broederschap, maar zij gunnen elkander al heel weinig, en er is er altijd één, die den baas speelt. Zij zijn\'t alleen eens, wanneer zij tegen een gemeenschappelijken vijand zicli moeten verdedigen.

Socialisten en communisten kunnen , als ze willen , veel van de apen leeren. Ik zal maar één ding noemen: de zwakken moeten maar zien dat ze wat krijgen en loopen dikwijls met afgebeten staart. Zij sterven voor hun tijd. Darwin mag zijn denkbeeld van een strijd om het bestaan , waarbij de sterken overblijven, wel van de apen geleerd hebben. Van de menschen niet, want de Zigeuners en de Joden hebben sedert eeuwen de sterkste volken overleefd.

Dit echter daargelaten, zeker is het, dat, als de apen ge-zamelijk op bevel der overheid moesten werken, zij hun stelsel van gelijkheid zouden moeten opgeven, want bij gelijk werk en gelijk eten gaan de zwakken dood, en dan moeten de sterken des te harder werken, zal de oogst des velds

-ocr page 143-

9 F 68 M

133

bimineukomen; en van hard werken houdt een aap al even wenig als een socialist of communist.

Nu, wij zagen het doen der apen in het bosch van Passa-roean een geruimen tijd aan. Een sterke, oude aap kwam voorop; de anderen bleven eerbiedig achter hem , en niet één, die den moed had, een poot uit te strekken naar een pisang, voordat de oude, sterke aap zijn maal gedaan had. Zoodra hij echter verzadigd was, vlogen de anderen op den voorraad aan en ieder haalde, wat hij rooven kon. Niet lang duurde het, ot\' er volgde een strijd tusschen hen, die nog meer begeerden en de zwakken, waarbij nu en dan de oude toesprong en gevoelig tuchtigde.

Toen wij lang genoeg dat spel hadden aangezien, vroeg mij de Inspecteur, of ik wel wist, dat, volgens de nieuwste ontdekkingen, de mensch uit het apengeslacht is voortgekomen en zeide, dat hij dat zoo mooi vond, omdat het nu eerst bleek, hoe ver de mensch het reeds gebracht had. En wie kon zeggen, hoe ver hij liet nog brengen zou ?

Ik zeide, dat ik het nooit had kunnen gelooven, maar heden van overtuiging was veranderd. Hij vroeg: hoe zoo.\' Ik zeide , dooi- dien ouden aap, dien wij gezien hebben. Ik vind zulk een frappante gelijkenis tusschen u en hem, dat ik niet twijfel, of hij is uw grootvader.

Daarop werd hij geweldig boos en sprak van beleediging enz. Ik bleef echter doodkalm bij de verzekering , dat ik hem hoogelijk eerde, want hoe ver had hij het dan niet gebracht van aap, in twee geslachten, tot Inspecteur der cultures op Java!

De man bleet\' den geheelen dag onaangenaam gestemd! Hij vond de vromen altijd hatelijk. Maar is dat recht, iemand hatelijk te vinden , wanneer hij tracht mij de oogen te openen voor de gevolgen van mijn beginsel

-ocr page 144-

134

Docli Iaat ons tot onzen stok en de vaste natuurwetten terugkeeren.

Dit is een vaste wet, flat, wanneer een bal b. v. geworpen wordt in de richting links, dat voorwerp, wanneer liet door niets wordt tegengehouden, eeuwig in die richting zal voortrollen. Uit zichzelven kan het niet terugkeeren; neemt iemand echter dien bal op en werpt hem in de richting rechts, clan zal hij ook in die richting voortrollen.

Nu zegt de Schrift, dat de weg, waarop het menschdom zich bevindt, een weg is , die twèe einden heeft, het eene in den afgrond en het andere in het Vaderhuis in den hemel. De weg gaat dus naar boven of naar beneden.

De Schrift zegt ook , dat alle menschen in de richting links gaan en omgekeerd moeten worden , om door het middelpunt heen, waar rechts eu links elkander ontmoeten, rechts naar boven te kunnen gaan.

Wij kunnen dat zelf\' wel waarnemen en hebben\'t menigmaal waargenomen, dat een mensch hoe langer hoe dieper vallen kan, en ook, dat er menschen zijn, die geheel veranderd, omgekeerd zijn, van het slechte naar het goede.

Nu zullen wij zulk een omgekeerd mensch eens bezien. Hij was een dronkaard, vloeker, wellusteling, een vijand van God en Zijn dienst; vlood de vromen en zocht de come-die enz.

Zulk een mensch was diep gevallen. Hij was bijna aan \'t einde van den weg links, hier door mijn stok voorgesteld.

Er is een zeer groot verschil tusschen dien zondaar en een braven Hendrik. Die brave Hendrik staat vlak bij het punt, waar de weg rechts begint. Hij is bijna op den weg rechts; nog één stap en hij zou er zijn. Maar — en hierop komt liet aan — hij staat met den rug naar den weg rechts;

-ocr page 145-

I \'4^

135 I

I

die weg gaat naar boven en daaraan, heeft hij nog geën lust.

Links is gemakkelijker, dat gaat berg afwaarts.

Let nu eens goed op. Dooi- Gods genade wordt de arme dronkaard, die bijna aan het eind van den weg links gekomen was, bekeerd. De machtige hand Gods keert hem om en geeft hem genade en kracht om op te klimmen naai den weg rechts. Die man is nog zeer .verre op den weg links,

maar hij is omgekeerd ; hij daalt niet verder af, maar klimt op.

Hij begint te roemen in Gods genade. Hij is van een vijand , een vriend Gods geworden.

Hij, die zeer nabij den weg rechts is , de brave Hendrik ,

hoort er van en ziet, hoe die arme gewezen dronkaard zeer verre, veel verder dan hij, is gedwaald langs den weg links.

Hij ziet hem in liet volle licht, ziet hem in het aangezicht,

dat er nog wel wat uitziet als van een verloopen dronkaard.

De brave Hendrik spot er mede. Mooie bekeering, allemaal huichelarij; zoo zijn de vromen , zie me dien man eens aan,

die roemt in Gods genade en hij is veel verder \\an den rechten weg, dan ik ooit geweest ben.

Xu, mijne vrienden, die brave Hendrik zegt niets te \\eel van de zonden en gebreken van den gewezen dronkaard. Hij ziet maar één ding voorbij , namelijk dat de man is omgekeerd.

Zie nu die beiden na eenige jaren, dan is de brave Hendrik gebleven wat hij was, weinig of veel meer gevorderd op den wég links, maar de ander is hem voorbij geraakt. Die ander is het middelpunt over; daar heeft hij geheel den weg links verlaten, dat is, hij is volkomen gestorven, dood voor alle zonde en is op den weg rechts, waarvan hij niet weder terug-keeren kan, omdat Gods macht hem trekt en in zijn wezen de beweging rechts heeft ingeplant.

9 P 68

-ocr page 146-

136

tweede vergelijkixg.

Daar ginds woont de Notaris Van der Bergii. Veronderstel wij zijn twee broeders, beiden even arm, ofik nog veel armer dan gij.

Daar komt de blijde tijding, dat voor ons arme stakkers een erfenis bij den Notaris is van /\'1000000! — Onze namen staan in het testament van den erflater.

Ik geloof de blijde boodschap en kom bij u en zeg: Ik ben erfgenaam geworden van eene groote som; ik ben nu een vermogend man. Bij mij te huis zijn ze erg blij en wij zullen van middag feest vieren, maar ik kom u nog eens mededeelen, dat de som groot genoeg is voor ons beiden.

Crij lacht mij uit en gelooft de blijde tijding niet. Gij zegt: t Mocht wat, als dat waar was, zou de Notaris wel bij mij gekomen zijn, om het mij te zeggen.

Ik betuig u, dat het toch zoo is en dat de Notaris mij heeft opgedragen u de blijde tijding mede te deelen. Gij blijft ongeloovig. Ik laat u een afschrift van het testament zien, maar gij hebt noch tijd noch geduld om het te lezen.

Gij zegt: Hoor eens! gij zijt armer dan ik; uwe kleeding bewijst het; gij hebt geen cent op zak.

Ik betuig u: Dat is zoo; ik heb nog niets in handen; niets meer dan gisteren en eergisteren, maar de zekerheid der zaak maakt mij blij en ik kan ook al wat op afrekening krijgen, als ik bij den Notaris kom.

Nu wordt gij boos en begint mij uit te maken voor een bedrieger enz. W aarom ? Eenvoudig, omdat ik , nog geen rijkdom in handen hebbende, toch met vreugde verklaar rijk te zijn.

Is het niet dwaas?

Nu, zoo gaat het inderdaad in het Christendom. God heeft allen, die gedoopt zijn, in den doop bezegeld , en betuigd, dat

-ocr page 147-

137

die in Christus zijn, vergeving van zonden, de aanneming tot kinderen , en de erfenis des eeuwigen levens hebben , met al wat er aan verbonden is.

Zijn kinderen gelooven Hem, dies belijden zij rijk te zijn in Christus en zij verblijden zich over \'t geen ze eenmaal zijn zullen en nu in hope hebben.

Gij gelooft het niet en weet nu niet beter te doen, dan de vromen uit te maken voor bedriegers en huichelaars of dwepers en bedrogenen.

Maar uw jammer zal groot zijn, wanneer gij eenmaal ontdekt, dat deze schoone erfenis, door nvv eigen schuld voor ii is verloren gegaan.

HOE HET GEWETEN SPREEKT.

Dit bleek eenmaal, toen ik op een namiddag op het Spui sprekende, zeide :

ïVrienden! in de vorige eeuw is er iets merkwaardigs voorgevallen in de groote stad Parijs. Daar is eene groote Roomsche kerk, Notre Dame, waarin op een Zondag een beroemd pastoor zou spreken. In die kerk kunnen 5000 menschen zitten, en zij was geheel gevuld met menschen, begeerig om dien begaafden redenaar te hooren. Hij was een zeer ernstig man, die gevoel schijnt gehad te hebben van verantwoordelijkheid voor de zielen zijner hoorders. Ik zal u vertellen , wat hij sprak , zoover ik mij herinner uit een stukje, dat ik las, zeer vele jaren geleden. Hij zeide : Mijne vrienden , gij weet dat de Heer ons eenmaal voor zijn rechterstoel zal dagen en dat wij dan zullen verdeeld zijn in rechter- en linkerzijde, in schapen en bokken. De schapen worden behouden: de bokken zijn verloren.

Nu is het voor ons van het uiterste gewicht, uit te maken ,

0\'

-ocr page 148-

138

waar in dien dag onze plaats zal zijn, aan de rechter- of aan de linkerzijde des Heeren.

Ons leven gaat spoedig voorbij en , als God niet tusschenbeide-komt, zullen wij sterven, zooals wij lieden hier zijn; onze omstandigheden mogen wat veranderen, maar wat ons hart betreft, ons inwendig zijn , onze hoop op de zaligheid , zullen wij sterven, zooals wij nu zijn, tenzij het God behage, zich over ons te ontfermen.

gt; Welnu, laat ons nu onszelven als voor den Rechterstoel des Heeren plaatsen en met zijn Woord in de hand, uitmaken, waar onze plaats zou zijn : onder de schapen of onder de bokken.

Het woord des Heeren zal ons ten uiterste dage oordeelen.

Laat ons dat woord raadplegen. Vooreerst vinden wij daarin geschreven, het deel van den leugenaar is in den poel, die van vuur en sulfer brandt.

Neem alle leugenaars uit deze vergadering en breng ze naaide linkerzijde. Zij zullen verontschuldigingen willen inbrengen , maar het zal niet baten. Het blijft er bij; aan het woord des Heeren is niets te veranderen.

De meerderheid gaat links.

Wie nog meer naar de linkerzijde ?

Allen, die de werken des vleesches doen: menschen , die leven in overspel, hoererij , onreinigheid, ontuchtigheid, afgoderij , venijngeving, vijandschappen, twisten , afgunstigheden , toorn , gekijf, tweedracht, ketterijen, nijd, moord, dronkenschap, brasserijen en dergelijke. Paulus zegt, dat die zulke dingen doen, het koninkrijk Gods niet zullen beërven.

Neem al die menschen hier uit, naar de linkerzijde. Gij zult u beroepen op uw doop, op uw Christendom , op uw best doen , \'t zal niets baten. Paulus schreef dit aan de gemeente van Gala-tië, aan gedoopte menschen. Naar de linkerzijde met die allen !

-ocr page 149-

139

Wie nog meer; er blijven er niet veel meer over.

Wie nog meer aan de linkerzijde ? Degenen, waarvan Paulus zegt, dat zij anders wandelen dan hij; wier God is de buik; wier heerlijkheid is in hunne schande; die aardsche dingen bedenken, waarvan Paulus weenende zegt, dat ze vijanden des kruises van Christus zijn.

Wie nog meer?

Die geld begeeren, gierigaards zijn, waarvan staat, dat de begeerte naar geld de wortel is van alle kwaad en die rijk willen worden, storten zichzelven in verderf en ondergang. Aan de linkerzijde! Er blijven er nog maar weinigen over I

Wie nog meer?

Die niet geboren zijn uit water en geest; die den Geest van Christus niet hebben. De Heer zegt het, dat de zooda-nigen het koninkrijk Gods niet zullen zien, en Paulus, dat ze Hem niet toekomen.

Wie nog meer ?

Die naar het vleesch wandelen, niet geleid worden door Gods Geest.

Die zijn broeder haat, waarvan staat, dat hij het eeuwige leven niet heeft, in zich blijvende (1 .lob.)

Die zijn tong niet in toom houdt en alzoo , volgens Jakobus, een ijdele godsdienst heeft; die niet geloofd heeft in den Christus Gods.

Deze allen zijn verloren menschen. Wie nog meer? Ach! er blijven er zoo weinigen over!

Wie nog? Die God niet kennen en het Evangelie ongehoorzaam zijn, waarvan geschreven staat, dat de Heere Jezus zelf met vlammend vuur over hen zal wraak oefenen.

Toen de prediker zóó alle bokken had aangewezen, barstte hij in tranen uit en het aangezicht bedekkende met zijne

-ocr page 150-

140

handen, riep hij in diepe smart: »o God, waar zijn uwe schapen , uwe uitverkorenen! o God ! wat blijft er over van uw deel?quot;

Én de gansche vergadering werd ontzet en slaakte een kreet van vreeze, gevoelende: wij zijn verloren.

■ Toen ik dit gezegd had, riep een man uit het volk, met sterke stem: »Als dat waar is, komt er niemand in den hemel!quot; — Dat zeide zijn geweten en het geweten van hen , die het hoorden, bevestigde deze verklaring.

Ik zeide: «Mijne vrienden, het is waarlijk zoo, wij zijn allen verloren. De Heere Jezus heeft het zeer uitdrukkelijk gezegd; «Indien gij u niet bekeert, zult ge allen desgelijks vergaan,quot; en het blijft er bij: «Zonder heiligmaking zal niemand den Heere zien!quot;

Wij kunnen ons zeiven diets maken, dat deze dingen niet zoo zijn en toch: ze zijn zoo.

Eer zou al wat leeft en ooit geleefd heeft, vergaan, dan dat God zou ophouden een heilig en rechtvaardig God te zijn of zou allaten van zijn eisch : «Wees heilig, want Ik ben heilig.quot;

Er zijn er, die denken, dat God medelijden zal hebben, ook al weigeren zij geheiligd te worden. Maar do zoodanigen mochten wel bedenken, dat de Heere Jeruzalem niet gespaard heeft en zijn tempel heeft laten verbranden, en dat die tempel \'t beeld is van het lichaam van den Heere Jezus , \'t welk is de gemeente. Zij mochten wel bedenken, dat God het aanziet, dat niet lang geloden b. v. in Britsch-Indië en in China meer dan vier of vijf millioen menschen van honger zijn gestorven; dat God in den oorlog namelooze ellende en smarten zendt; dat .Hij eenmaal de geheele wereld in den zondvloed liet omkomen; dat ten allerlaatste de volken der aarde tegen Hem zullen opkomen, als zand aan den oever

-ocr page 151-

143

belijden! De christelijke vrienden slapen voor \'t meerendeel, en van de overigen zijn velen nauwelijks wakker. Zie slechts, waarmede zij hun kostelijken tijd doorbrengen. Kj kunnen allerlei nietswaardige dingen najagen, uren verpraten zelfs romans lezen, terwijl zij wel weten , dat duisternis lt;1. aarde bedekt en donkerheid de volken. De afval rondom hen ontzet hen niet, de dreigende wolken aan den volkerenhe-mel bekommeren hen niet en ze blijven dood kalm, al zijn eigen kinderen en bloedverwanten onbekeerd 1

Hoe vele belijders leven inderdaad meer voor zichzelven, voor hunne zaken dan voor den Heer! Doode ranken van den wijnstok gelijk, wacht hun verbranding, zonder dat zc\\ er zelfs aan denken !

Herleving van hen, die het, Evangelie verkondigen. Sommige leeraars, evangelisten, catechiseermeesters, zendelingen , onderwijzers, oefenaars, ouderlingen en armverzorgers hebben volstrekt niet die geestdrift, die vurigheid van geest, waartoe Gods Woord hen vermaant.

Welk eene vreeselijke verantwoordelijkheid, menschen te moeten en te kunnen waarschuwen, vermanen, bidden en smeeken, opdat zij zich met God laten verzoenen , en het niet te doen!

Gij man, die van God een tong hebt ontvangen, om de menschen aan te zeggen te vlieden um huns levens wil, te vlieden van den toekomenden toorn , welk een hart is liet uwe, dat gij aan mooie woorden kunt denken, aankleeding en voorkomen, de critiek der hoorders en ik weet niet wat meer!

Hoe zal het u zijn, als gij voor den rechterstoel van God zult staan en het blijkt , dat gij de menschen hebt verveeld en doodgepreekt en afgeleid van het eene noodige ?

Hoe zullen u de zielen der verdoemden omringen, om u te verwijten, dat uw ellendig zoeken van uw eigene belan-

-ocr page 152-

IU

gen, uw zelfbehagen, uw gebrek aan heilige, biddende overgave des harten, uw traagheid om te worstelen met God ♦ot behoudenis uwer hoorders, uwe menschenvrees en eere zoeken bij menschen en wat niet al het geweest is, dat u verhinderd heeft, om de zielen met uw gansche hart het gewicht der eeuwige dingen voor te dragen.

Gij mannen, die het Evangelie verkondigt, behoordet gij het niet te prediken, ais hoordet gij gedurig het geween en gekners der tanden yah de millioenen, die verloren zijn, als zaagt gij den afgrond voor uwe voeten, waarin de millioenen die volgen, zullen nederstorten, terwijl al de engelen Gods en, al de verlosten daarbovferi, u omringen, om u aan te spqren, om de bazuin te Jjlazen, als ware het de laatste bazuin ?

. God almachtig geve u eenen verterenden ijver, alsof de redding van allen, die behouden worden , alleen aan uwe trouw, aan het vuur uwer overtuiging en de warmte van uw hart hing.

De hemel boven ons is ernstig; de Vader, Zoon en Heilige Geest waren ernstig tot het bloed van Gethsémané en Golgotha toe, om den Booze zijne prooi te ontwringen; de Satan en de zijnen zijn bloedig ernstig ten verderve; de zonde en de dood zijn onbeschrijfelijk ernstig, —- alles heeft ééne stem: «Vliedt den toekomenden toorn

Herleving hebben wij noodig, zal de kerk niet sterven uit louter gebrek aan levende geloovigen. Hoe schaarsch zijn de bekeeringen en hoevele geloovigen gaan In de ruste. Tegen tien, die henengaan, misschien één, die bekeerd wordt.

Ziet gij niet die gedunde rijen ? Kunt ge vele duizenden adressen door het geheele land krijgen van menschen, die bekend staan als vrienden van Gods Rijk, als levende Christenen? En van die duizenden , hoe weinigen , die waarlijk ijverig God dienen in liefde?

-ocr page 153-

145

En daarentegen hoevelen, die geheel zonder God in de wereld leven!

Gij vrienden en vriendinnen des Heeren, hoevele duizenden zijn reeds in de eeuwige verdoemenis, die nooit een woord van u gehoord hebben! Gij kunt ze niet terughalen , al uw berouw over uw verzuim baat geen enkele verlorene ziel !

Maar die duizenden worden gevolgd door andere duizenden. Daar gaan ze heen. Ziet ge ze niet? Vorsten en Prinsen des volks; grooten der aarde; helden bij het leger en de vloot; geleerden en kunstenaars; handelaars en nijverheidsmannen ; winkeliers en ambachtslieden; ambtenaren en bedienden ; boeren en arbeiders; duizenden bij duizenden, een onafzienbare rei, gelijk hunne vaders, zoo ook zij, pratende of vloekende, wandelende of dansende, hoe ook , zij gaan voort, voort f Nog weinige stappen en gij ziet ze niet weder, anders dan in het onuitbluschbaar vuur, waar de worm niet sterft!

Uwe ouders, kinders of bloedverwanten zijn wellicht in de rij — gij weet het, en wie uwer werpt zich in den weg dier menigte, en bidt en smeekt, als een Paul us, vermaant en roept en omarmt ze met de armen des geloofs, opdat ze omkeeren van den breeden weg des verderfs!

Barmhartigheid! barmhartigheid! 0, gij geloovigen , barmhartigheid voor ons volk en onze koloniën!

Ontwaakt en leert liefhebben met de liefde van Hem , die het verlorene zoekt en die gezworen heeft bij zijn heiligen Naam , dat Hij geen lust heeft in den dood des zondaars, maar daarin, dat de zondaar zich bekeere en leve!

-ocr page 154-

-ocr page 155-

I IST EE O XJ 13.

Bladz..

Voorbereiding ... .............. 1

Terpsichore...................4

Kermis................ ... 8

Op straat...................16

Spreken buiten \'s Gravenhage............37

Uitnoodiging..................42

Sprekers uit andere plaatsen............44

De blinde...................46

Zeer bijzondere zaken...............48

Een paar comische gevallen.............54

Vruchten van het spreken op straat..........57

Moordenaars..................78

Dooden....................93

L aster....................97

Wijze van spreken................103

Welke woorden den meesten indruk maktfn op de ruwste en

ongeloovigste menschen..............112

De getuigenis van den Heere Jezus omtrent zjjjh zeiven . . 117

Strijd met ongeloovigen...................121

De heerlijkheid.................126

Eene gewone verontschuldiging der ongeloovigen.....131

Hoe het geweten spreekt..............137

-ocr page 156-
-ocr page 157-
-ocr page 158-
-ocr page 159-

W -■ - ^

®\'BüoTHgEic

KERK,

-ocr page 160-