-ocr page 1-

WERNERUS HELMICHIUS

DOOR

Dr, J. HANIA PZN.

Dienaar de* Woorda bij de gereformeerde Kerkte Oost erhie rum.

UTRECHT, H. HONIG.

1895.

-ocr page 2-

H. oet.

193^

-ocr page 3-

WERNERUS HELMICIIIUS.

-ocr page 4-

LEIDEN: STUUMBÜEKUUUKKERU VAN L. VAN NIFTEKIK 112,

-ocr page 5-
-ocr page 6-
-ocr page 7-

WERNERUS HËLMICHIÜS

DOOR

Dr. J. HANIA PZN.

Dienaar des Woords hij de gereformeerde Kerk te Oosterbierum.

UTRECHT, H. HONIG

1895.

SUN1VERSITEIT UTRECHT

0714 1082

-ocr page 8-
-ocr page 9-

INLEIDING.

De inhoud van dit proefschrift verplaatst ons hoofdzakelijk in dat tijdperk van de geschiedenis onzer gereformeerde kerken, dat de „Provinciale Dordtsche Synodequot; der 16quot; van de Generale Synode der 17e eeuw afscheidt, en diensvolgens door de jaren 1574 en 1618/19 kan worden begrensd. Niemand, die eenigszins met die periode der Vaderlandsche Kerkgeschiedenis bekend is, zal beweren, dat dit tijdperk voor de genoemde kerken eene periode vau rustig welvaren en ordelijk samenleven kan worden genoemd. Wel namen de kerken in die jaren moer en meer in aantal toe, doch juist daardoor kwamen zij naar buiten meer in het gedrang, doordien de Hooge Overheid ze aan steeds vaster banden wilde leggen. En wel waren naar binnen de „artikelen, den kerkedicnst betreffendequot;, in 1568 op de „samenkomstquot; te Wezel vastgesteld \'), en de besluiten, daarna op Particuliere, Provinciale en Generale Synoden genomen, van grooten invloed op het kerkelijke leven, maar die invloed

1) Werken der Marnix-Yereeniging, Serie II, Deel III, blz. 1.

-ocr page 10-

INLEIDING.

was laag niet altijd dadelijk merkbaar; nog onlangs wees de hoogleeraar Rutgers er op, hoe dc besluiten der Generale Synode van 1586 zelfs een tijdlang op den achtergrond zijn geraakt \'). Bovendien heerschte er vooral in het eerst gebrek aan predikanten; die er waren, waren lang niet allen genoegzaam voor hun\' dienst berekend; terwijl de kerkediena-ren, die van de gereformeerde beginselen afweken en aan do Libertijasche Overheden do hand reikten, de onrust en wanorde vermeerderden in plaats van verminderden. Van 1574—1618 was het voor de kerken een tijdperk van vestiging en uitbreiding, maar tegelijk van botsing met de Staatsmacht van buiten en ontsierd door velerlei afwijking van binnen. Vandaar dat er steeds zoo veel te regelen, te herstellen en te verdedigen was.

Begeorig om in onzen tijd van steeds meer ontwakend kerkelijk leven naar gorefonneerden trant, eenigszins tot in bijzonderheden te weten te komen, hoe de gereformeerden in de genoemde tijdruimte de kerkelijke huishouding in orde trachtten te brengen en te honden, wees prof. Rutgers er mij op, wat voordeel het beloofde, zoo ik het leven van een\' dier mannen bestudeerde, die tot de kerkelijke leiders uit die dagen mochten gerekend worden. Een hunner nu was Wernerus Helmichius, over wien hier en daar wel heel wat is meegedeeld, doch wiens afkomst en opleiding en eerste optreden tot nu toe goeddeels in het duister lagen; terwijl ook op velerlei bijzonderheid van zijn verdere werkzaamheid de aandacht nog niet was gevestigd. Waarbij nog dit komt, dat hij wel door vriend en vijand van de gereformeerde beginselen om strijd is geprezen; maar nu eens „Zwingliaanquot; dan weer „Calvinistquot; is genoemd; zoodat hij met betrekking tot zijn beginsel eene nog eenigszins

1) Weekblad Dc Heraut, jaarg. 1895, X0. 891.

II

-ocr page 11-

INLEIDING.

onzekere figuur kon heeten. Eene afzonderlijke monogra-phie over hem kon dus niet ondienstig, wellicht welkom wezen.

Den inhoud dezer studie heb ik in twee Hoofdstukken verdeeld. Het eert.te geeft eene beschrijving van llélmichius\' levensloop; opzettelijk zoo betiteld, omdat na vele, doch maar al te dikwijls vruchtelooze nasporingen, het leveren vau eene volledige biographic van mijn held vooralsnog ondoenlijk was. In het tweede Hoofdstuk heb ik hem van velerlei oogpunt uit bezien, en meestal aan het einde van de verschillende punten niet een enkel resumeerend woord aangeduid, in welk licht hij om den een\' of anderen arbeid komt te staan. Dat Hoofdstuk draagt daarom den naam: llélmichius\' beteekenis. Aan het slot noem of herhaal ik dan nog even veler oordeel over hem; geef ik den totaal-indruk weer, dien ik zelf van hem ontving; en wijs ik aan, waartoe zijn voorbeeld kan en moge opwekken.

De aanhaling van bronnen en de aanteekeningen vindt men wellicht soms te talrijk of ook te uitvoerig. ïoch is hier allerminst zucht tot vertooning in het spel; maar vooreerst weuschte ik llélmichius in geen onkel opzicht te sieren met een\' lauwerkrans die hem niet toekwam, en wilde ik derhalve bij een nog zoo veelszins onbekend geleerde, door annotatie der bronnen, den lezer tot spoedige controleering van mijn zeggen in staat stellen. En voorts achtte ik enkele aanteekeningen niet ongeraden, om op die manier kleine details aan de vergetelheid te ontrukken, eene gevonden fout te verbeteren, of meer licht te laten vallen op llélmichius\' tijd.

Niet weinig heeft het mij gehinderd, dat de uitgave dezer studie niet eerder plaats had. Strekke het echter ter mijner verschooniag, dat vele ambtsbezigheden mij geregelde studie dikwijls onmogelijk maakten; dat ik meer dan eens door ongesteldheid genoodzaakt was, nnjn\' arbeid aan llélmichius

Ill

-ocr page 12-

IXI.EIDIJfG.

te staken; en dat ik nog al lang heb moeten wachten, vóór ik enkele bronnen machtig kon worden.

Worde echter ook zoo de vrucht mijner studie met welwillendheid ontvangen; en moge eene der nog vele leemten in de kennis van de geschiedenis der gereformeerde kerken er door zijn aangevuld.

IV

-ocr page 13-

HOOFDSTUK T.

Helinichins\' levensloop.

§ 1. Helmiohi us\' afkomst cu opleiding. Wernerus Ilelmichius \') word in 1551 te Utrecht gebo-

1) Door verschillende schrijvers en in onderscheidene stukken is zijn naam anders geschreven. Zoo vond ik o. a.:

»Warner usquot; bij J. Wtenbogaert, Kerckelijche Historie, Rotterdam, 1647, blz. 272;

gt;) War nardusquot; in het Kerkelijk Placaatboek, door Scheltus, Dl. II, quot;s Gravenhage, 1735, blz. 91;

wWernherusquot; in de Kronijk van het Historisch Genootschap gevestigd te Utrecht, XXL jaarg., 1865, blz. 537;

))Willem Helmighquot; onder een\' brief, dien hjj in Oct. 1591 schreef aan Jan van Hout te Leiden. Zie Bijlage Zgt;;

))Helraychiusquot; in de Acta der Provinciale en Particuliere Synoden, verzameld en uitgegeven door Dr. J. Reitsraa en Dr. S. D. van Veen, Dl. I, (Groningen 1892), blzz. 327, 331;

»Hilmichiusquot; in Brieven en onuitgegeven stukken van J. Wtenbogaert, door II. C. Rogge, Eerste deel, (Utrecht, 1868), blz. 276; terwijl ds. Hendrick ten Brink uit Wils in een\' brief aan »J. Uyttenbogaertquot; hem »Weemiere helmichequot; noemt als hij schrijft: «Groet mij Weerniere hel-miche seerquot;. Dezen brief, in Oct. 1600 geschreven, heeft dr. Rogge niet opgenomen in de zooeven genoemde Brieven en onuitgegeven stukken,en ook niet den brief, dien dezelfde predikant ten Brinck in April 1601 aan Wtenbogaert schreef. Beide brieven zjjn te vinden in het Oud-Synodaal Archief der N. H. K., Xr. 78, I, A, 1. (Voortaan noem ik dit kortweg ))hcf O.-A. d. X. 11. Kquot;).

Blijkens zijne brieven noemde hij zich zelf echter, als hij zijn\' naam

1

-ocr page 14-

2

ren i). Van zijne familie is zeer weinig bekend. Zijn vader was Mr. Adriaan Hellemys van Welle, in 1562 Raad en Commissaris te Utrecht, zijne moeder heette Gijsberta van Parijs van Laehmondt2). Meerdere bijzonderheden omtrent de ouders ontbreken eehter. Voorts weten wij, dat hij minstens één broeder heeft gehad, zeer waarschijnlijk Johannes gehoeten, óéne oudere en écne jongere zuster, terwijl hij zelf iu zijne brieven nog wel van meer „propinquiquot; en „consanguineiquot; melding maakt; doch de nadere berichten die van hen kunnen gegeven worden, zijn zeer gering3).

voluit schreef, bijna altijd: Wernerus Ilelmicliius. Zie Werken dei\' Marnix-Vereeniginy, (voortaan haal ik (loze korteljjk aan als TF. d. M.-V.) S. III, Dl. IV; en Bjjlage D.

1) C. Bnrman, Trajectum cnulitum, Trajecti ad Rhenum, 1738, p. 130; G. Brandt, Daghwjzer der Geschiedenissen, (Amsterdam, 1G89) in het register der vermaarde mannen, dat achter in dit werk voorkomt. Den dag zijner geboorte heb ik nergens kunnen vinden. Wel wordt hier en daar Helmich\'s sterfdag vermeld, doch niemand geeft zijn geboortedag op.

2) De namen der ouders zijn ontleend aan een geneal. manuscript. De heer A. A. Vorsterman van Oijen te Oistenvijk was zoo vriendelijk ze mij mede te deelen. Op eene Lijst van de leden van het stedel. Bestuur te Utrecht, 1402—1698, (Archief der gemeente Utrecht, Afd. 2, n0. 107) wordt Helmich\'s vader Adriaen Jans Helmich genaamd, en het jaar opgegeven, waarin hij Raad was.

3) Over dien broeder vinden wij iets in een brief, opgenomen in de W. d. M.-V., S. II, Dl. HI. (Acta van de Hederlandsche Synoden der zestiende eeuw, verzameld en uitgegeven door F. L. Rutgers) blz. 319 vgg. De Edelen en Notabelen van Gent begeeren in dien brief, d.d. 27 Mei 1578, en aan de Synode van Dordt gericht, wernstichlickquot;, dat de Synode hun wil «helpenquot; o. a. aan Ilelmicliius, «wiens broeder (zoo vervolgen zjj dan) oyck bjj ons in saligher ghedaciitenisse isquot;. Xu wordt in het eerste en ook in het tweede Deel van het ^Ecclesiae Londino-Datavae Archivumquot; een predikant Johannes llelmichius genoemd; in het eerste Deel (in two parts) Ed. W. J. C. Moens, The Walloons and their Church at Norwich: Their History and Registers, Lymington, 1887—1888, P.I, p. 26, F. II, p. 138 and 227; in wTomus secundusquot;, inhoudende: y)Epistolae et Tractatus cum Tteformationis tuin Ecclesiae Londino-Batavae histo-riam illustrantesn Ed. J. H. Hcsscls, Cantabrig., 1889, ep. 84 et 91, die van genoemden Johannes zijn. Uit die berichten en brieven blijkt, dat Johannes Ilelmicliius «minister of the quot;Walloonsquot; at Norwich is geweest, waarschijnlijk «the first ministerquot;, en dat, blijkens br. 84, d.d. 4 Oct. 1568, de broeders uit Gent jegens hem «propensum animumquot; hadden. Op dezen, in 1568 of \'69 gestorven, hebben de broeders uit

-ocr page 15-

3

Van zijne eerste levensjaren is eveneens zeer weinig meê te doelen. Zijne oudere zuster, die 20 jaar was toen Lij geboren werd, had zich in zijne jeugd zeer verdiensteljjk jegens hem gemaakt en hem zeer lief gehad \'); doch andere bijzonderheden over de kinderjaren zijn niet bekend.

Gent in 157S in Imn schrijven aan do Synode Terinoedelijk nog gedoeld. Helmich\'s broeder heeft dan »Johannesquot; gehecten.

Over zijne oudere en jongere zuster schrijft Helmich zelf nan Aernt Cornelisse, in een brief d.d. 12 Sept. 1601. W. cl. M.-V. S III, Dl. IV, (Brieven van Helmichius aan Arnoldus Cornelii bevattende; br. CXII is niet van hem, maar de minute van een brief van A. Cornelius aan Helmichius, ook opgenomen in W. d. M-V., S. III, Dl. V, (3e stuk) blz. 358 vgg., en brief 74 is dezelfde als br. G6.) blz. 103 vg. Op aandoenljjke wijze komt in dien brief zijne toegenegenheid uit voor de oudere zuster, bij wier sterven, in don ouderdom van circa 70 jaar, hij tegenwoordig was geweest. Ook worden in dienzelfden brief (vgl. brief 73) de ))con-sanguineiquot; en »propinquiquot; genoemd; tot wie waarschijnlijk behoord heeft Henricus Helmichius (vermeld in W. d. M.-V., S. III, Dl. IV, blz. 57.) en cvenzoo, als het ten minste niet dezelfde Henricus is geweest een zekere Henricus Helmichius, die blijkens een Handschrift over Neder-landsche Predikanten door Borger, op de Biblioth. der stedel. univ. te Amsterdam aanwezig, en blijkens Reitsma en Van Veen, a. w., Dl. IV, blzz. 36, 38, 41, 51, 57, in 1593 als »dienaerquot; (schoon »ongeëxaminierdquot;) van \'s Gravenweerdt ter Partic. Synode te Arnhem was, daar eene ))pro-positiequot; heeft gedaan, die onvoldoende werd bevonden, doch niettegenstaande dat en kwade geruchten omtrent zjjn leven, tot de volgende Synode win ministeriequot; is gelaten, omdat hij beloofde «vlijtigerquot; te zullen studeeren. Die volgende Synode, in Juli 1595 te Harderwijk gehouden, besloot dat hij ontzet moest worden, omdat hij «tot den predick-ampt onduchtichquot; was, en «oock int leven onstichtelickquot;, en de Synode te Zutfen in 159G bleef bij die wwtspraeckequot;. Eindelijk bljjkt uit dien brief, dat Helmich in 1601 nog familie in Utrecht had. Toon hij 17 Au»*. 1601 in de »extraordinarisequot; kerkeraadsvergadering te Delft {kcrle-raadsnotulen van Delft, 17 Aug. 1601.) de redenen opgaf, waarom hij de roeping naar Amsterdam wilde aannemen en aan het slot o. a. zeide: «Eyndelyck dat hij naerder Utrecht sonde wesenquot; stond hem zeker ook die familie in Utrecht voor den geest. Nog merk ik hier op, dat een «kok Helmichquot; genoemd wordt in »Ilcf klooster te Windeslieim,\'gt; door dr. Acquoy, 2e deel, (Utrecht 1876), blz. SOS11; een wtouslagerquot; wllel-mychquot; vermeld wordt door dr. Ernst Friodlaender, in het door hem uitgegeven «Ostfriesisches Urkundenbuchquot;, Z\\v. B. (Einden, 1881), S. 35, 80 u. 155; welke touwslager, evenals de genoemde kok, in do 15e eeuw leefde, doch nergens ontdekte ik eenig spoor van bloedverwantschap tusschen deze 2 Helmichs en onzen Wernerus.

1) Zie den brief d.d. 12 Sept. 1001, in noot 3 genoemd.

-ocr page 16-

4

Wellicht is hij leerling geweest van de destijds voortreffelijke en bloeiende Hieronymus-school in Utreelit; waar hij dan opvoeding en onderwijs heèft gekregen onder don rector Kornclis Lauerman, die naar alle waarschijnlijkheid van 1554—1574 als Ludimagister aan het hoofd dier school stond, een goed paedagoog was en onder de geleerden en schrijvers van zijn tijd oene eervolle plaats bekleedde als philoloog en dichter van Latijnscho verzen\'). Evenwel deelt Ilelmichius zelf nergens mede, zooals bv. J. Wtenbogaert dit heeft gedaan ^), dat hij op de „schole St. leronyrausquot; is geweest3) en stukken over genoemde school, waarin de namen dor leerlingen uit dien tijd zijn opgeteekond, zijn evenmin bekend, zoodat van de plaats en wijze zijner voorbereidende opleiding niets met zekerheid kan gezegd worden.

Wel is een beslist antwoord te geven op de vraag, waar cn wanneer Ilelmichius als student is ingeschreven geworden.

In hetzelfde jaar, waarin binnen zijne geboortestad eene belangrijke gebeurtenis voorviel op kerkelijk terrein, doordat op 27 Augustus 156G de St. Jacobskcrk voor do hervormden werd ontsloten ■l), had er ook een veelbeteekenend feit plaats in het leven van Wernerus zelf. Zijn naam is toen in het album studiosorum der universiteit te Génèvo opgenomen.

li Zio H. C. Roggo, Johannes Wtenbogaert en zijn ij\'h Dl. I, fAmsterdam 1874), blz. 9 vg. met de daar genoemde bronnen.

De naam «Lndimagistorquot; wees toen den rector ann. A. Ekker, de Hieronymus-school te Utrecht, blz. 30.

2) Johannis quot;VVtenbogaert\'s Leven, Kerel-eljjch-e Bedienimjhe ende zedighe Veranttcoordingh, 1645. Voorreden.

3) In latere jaren bemoeide Helmlcb zich Avel met het ütreclitsche schoolwezen, in \'t bijzonder ook met de Hieronymus-school

S. 111, Dl. IV, blz. 57 vg.\\ doch deelt niet mede, of\'hij daar zelf onderwijs heeft ontvangen.

4) Kist en Royaards, Archief voor Kerkel. Geschiedenis, Dl. XVI, (Leiden 1845), blz. 403 vg.

-ocr page 17-

5

Dit gsschieddc 5 December 1566!).

De academie, of toen wellicht nog de Illustre school van Calvijn, was in Génève, nadat de groote hervormer hiervoor sedert 1542 met onafgebroken ijver had gearbeid, op 5 Juni 1559 ingewijd. Calvijn had de plechtigheid in do Pieterskerk met gebed geopend; do statuten waren voorgelezen ; Beza, de eerste rector, had eene openingsrede gehouden; Calvijn weer met dank aan God, de Overheid en toehoorders de gewichtige samenkomst gesloten 1).

De vader der academie was echter reeds in den JTeere ontslapen toen Helmich student werd 2). Beza leefde nog en was toon de eenige professor theologus van de theol. faculteit. Behalve dezen bekenden geleerde, die college hield over Exegese ^), waren tijdens den studententijd van Helmich, o. a. nog aan do academie verbonden, als „professores publiciquot; :

A. Chevalier als professor in \'t Hebreenwsch, van 1559— 1567; L. Bude in 1567 en B. Bertram van 1567—1572, eveneens als Hebraici; Fr. Portns als Graecus van 1561— 1582 en J. Veirac van 1568—1572 als professor in de „Konstenquot; 3).

1

Over het ontstaan van de academie te Génève en den gang van het onderwijs, vindt men eene nauwkeurige en heldere beschrijving in ))J)e opleiding tot den Dienst des Woords hij de Gerefortneerden^ \'s Gra-venhage, 1891, door dr. H. H. Kuyper, Dl. 1, blz. 154—178. Zie ook H. C. Rogge, J. Wtenbogaert enz., Dl. I, blz. 2-1 vgg.

2

Hij overleed 27 Mei 1564. Abel Lefranc, La Jeunesse du Calvin. Paris, 1888, p. 173.

3

Achter in ))Le Li ore du Recteur, Catalogue des Etudiants de VAca-

-ocr page 18-

e

Nu hoeft Ilolmicliius zich later in zijne geschriften en brieven met geen enkel woord over zijn verblijf aan Geneve\'s academie uitgelaten; noeh over de universiteit zelve, noch over zijne leermeesters of hunne voorlezingen ; evenmin over de wetenschap, waarop hij zich daar bijzonder heeft toegelegd; en zoo is het dan ook niet meer dan eene veronderstelling, wanneer ik zeg dat hij zich daar wellicht vooral heeft gewijd aan de propaedeut. studio onder leiding van de professoren dor Artisten-faculteit\'), om zijn theologisch onderwijs meer bijzonder te ontvangen aan de hoogeschool, die hij, na Geneve, nog bezocht heeft.

Nadat hij namelijk bijna vier jaar in do stad van Calvijn was geweest, is hij, in het najaar van 1570, vandaar vertrokken naar Heidelberg en heeft zich daar op 10 October in het album studiosorum laten inschrijven onder het rectoraat van Nicolaus Dobbimis, Eostochiensis, philosophiae et juris utriusque doctor ac pandectarum interpres 1).

De Heidelbergor academie, in \'t laatst der 14e eeuw gesticht 2), had in de 25 jaren aan Helmich\'s komst vooraf-

1

In de verbeterde Lijst van de Nederlanders, studenten te Heidelberg. door prof. de quot;Wal uitgegeven in de Handel, en Mededeel, van de Maatsch. der Nederl. Letter!.:., Leiden, 1886, blz. 62 (in de le uitgave van 1865 was hij, gelijk vele anderen, niet genoemd) wordt die inschrijving aldus vermeld: [1570] 834. 10 Oct. quot;Weruerus Helmicliius Ultra-jectensis. — Prof. de quot;Wal gebruikte bij het maken van deze nieuws lijst, yd)ie Matrikel der Universitat Heidelbergquot; van Gustav Toepke, ïh. I, 1884; Th. II, 1886. Th. II, S. 54 staat: 140 quot;Wernerus Helmichius, ültrajectensis, 10 Oct.

2

Zie II. II. Kuyper, «. w., blz. 40\'.

-ocr page 19-

7

gaande, veel geleden door verwikkelingen ou oneenigheden op godsdienstig terrein, doch tijdens de regeering van den bekenden keurvorst Frederik III „fidus eonfessionis refor-matae protectorquot;, die zich in 15C0 met beslistheid voor de Calvinistische beginselen uitsprak en vele bemoeienissen met de universiteit maakte \'), bloeide de hoogeschool weer op; de keur vorstelijke universiteit word oen centrum van Calvinistische geleerdheid.

Zes Januari 1561 kroeg de keurvorst op eene daarop betrekking hebbende vraag tot antwoord, dat er voor de verschillende faculteiten wel wat te doen was, maar dat de theologische voel te wenschen overliet; en nu werd spoedig verbetering in deze laatste gebracht1).

Petrus Boquinus, sedert 1557 het tweede lid van de theol. faculteit werd nu eerste lid, in plaats van Heszhu-sius, die om zijn\' twist met Klebitz in September 1560 ontslagen was. De „lectio Novi Testamentiquot; werd hem opgedragen.

Tremellius werd in 1561 aangesteld tot professor voor de „lectio Veteris Testamentiquot;.

Ursinus van 1561 af hoofd van hot „Collegium Sapien-tiaequot;, promoveerde in 1562 tot „Doctor Theologiaequot; en bezette den door Olevianus verlaten leerstoel in do Dogmatiek. Hij trad in 1568 af en kreeg als opvolger Hieronymus Zanchius, die de „Summa Theologiae e sacris litteris et patribus in locos communesquot; moest samenvoegen en onderwijzen s).

1

Zie M. A. Gooszen, Dv Heidelh. Catechismus, Textus Keceptus met toeliclitende teksten. Leiden, K. J. Brill, 1890. Inl., blz. 6.

-ocr page 20-

8

Gelukkig voor Holmioh, waren Boquinus, Tremcllius en Zanobius nog als hoogleeraren te Heidelberg werkzaam, toen hij er aankwam; en in al de jaren, welke hij er doorbracht, heeft hij van hun onderwijs kunnen genieten, om goed onderlegd te worden iu Dogmatiek en in Exegese van Oud- en N. Testament. Bovendien heeft hij te Heidelberg wellicht ook Ursiuus, Olevianus, Junius, Datheen en ïaflijn leeren kennen en voor zijne vorming ook van hen geprofiteerd \'), ilet zekerheid kan ik dit evenwel niet zeggen, omdat Helmichius over zijnen omgang, evenals over zijne opleiding te Heidelberg, altijd het stilzwijgen heeft bewaard. Ook over zijn academietijd, hier doorgebracht, heeft hij zelf nooit iets medegedeeld en anderer mededeeliugen hierover ontbreken evenzeer.

Ik vervolg daarom met te vermelden, dat hij vrij zeker

1561—\'77) en Ursinus (eveneens van 1561—\'77), M. A. Gooszen, a. /r., Inleid, blz. 6—11, waar hun levensloop in \'t kort wordt meegedeeld; en Hautz, Geschichte der üniversitat Hcidélheryquot;, 2 Bd. 1864, B. II, S. 50—52, 101. — Over Zancliins, Bihliotheca lieformatct, vol. VI, (Am-stelodami, MDCLXXXIX), dat met vol. V, een jaar te voren uitgegeven, Zanclüus\' commentaar op den brief aan die van Efeze bevat. Dr. A. H. de Hartog, onder wiens toezicht deze beide doelen werden bezorgd, schreef in de Praefatio van vol. VI. een conspectus van Zanchius\' loven en werken.

Dat Zanchius de opvolger was van Ursinus vindt men in Seisen, Geschichte der Reformation zu Ileidelhery, Heidelberg, 1846, S. 161.

1) Zie over Ursinus en Olevianus, beiden te Heidelberg werkzaam, terwijl Helmich er was, de eerste als regens collegii sapientiae, de andere als predikant, M. A. Gooszen, «. Inleiding, waar weer verwezen wordt naar het bekende werk van Südhoff over Ursinus en Olevianus en naar het reeds genoemde van Seisen. — Over Junius, Fr. quot;NV. Cuno, »Fran-oiscus Junius der Altere, Amsterdam, 1891, S. 48. — Over Datheen en Taffijn, die, evenals Junius, later dan Helmich te Heidelberg kwamen en beiden vóór hem heengingen, v. d. Aa, ))Bio(jraphisch Woorden-boekquot;, i. v.

Het wcollegium sapientiaequot;, waarvan Ursinus jaren lang regens is geweest, diende later tot model voor het Statencollege te Leiden. Rogge, J. Wtenbogaert, enz.. Dl. I, blz. 128. Vgl. H. H. Kuyper, a. w., blzz.343, 541. Het is mij nergens gebleken, dat Helmichius te Heidelberg huisvesting en onderwijs in dit college heeft genoten.

-ocr page 21-

9

na Heidelberg niet nog aan eeue derde academie heeft gestudeerd, vermits hij uiterlijk in 1574 predikant is geworden \'). In dat jaar zal hij dan wel de Heidelberger aoade-mie, na een vierjarig verblijf aldaar, hebben verlaten om den dienst des Woords in eene gereformeerde kerk te betreden.

Voor ik nu echter zijn\' levensloop als dienaar des Woords in do gereformeerde kerken naga, wil ik eerst nog een oordeel uitspreken over zijn\' aanleg en over zijne studio in de verleden jaren; daarvoor is hot hier, aan het einde der beschrijving van de academische loopbaan, zeker geen ongeschikte plaats.

Dat oordeel mag, dunkt mij, zeer gunstig luiden. Ik kan, om dit aan te toonen, niet wijzen op het een of ander lof-lijk getuigschrift, hom door do academie of eenig leermeester moegegeven ; evenmin op eene proeve zijner bekwaamheid, door het verdedigen van eene dissertatie geleverd; ook bewijst het nog niet veel voor zijn aanleg, dat hij nog slechts 15 jaar oud was, toen hij te Góuève word goïmma-triculeerd1). Ik grond mijn oordeel dan ook niet daarop, maar op een paar voorvallen uit Helmichius\' latere leven.

Allereerst merk ik op, dat, toen do Nat. lliddelburgsche Synode in 1581 4 Classcn deputeerde ,.totte ouersettinge der bibelquot;, namel. „Ghendt, Delft, brabant ende vtrechtquot; s), de Classe Utrecht ook Helmichius aanwees om een deel van dien arbeid te verrichten2), cn dat hij later door de Z.-Hol-

1

Zie II. H. Kuypor, a. tv., blz. Gl.

2

W. d. M.-V., S. II, Dl. IV, blz. 37. In Helmicli\'s brief aldaar, aan A. Cornelisz., d.d. 26 Febr. st. vet. 1583, wordt niet gezegd, dat de Classe Utrecht hem heeft benoemd naar aanleiding van de opdracht, door de Synode aan de Classe gegeven, docli wel staat er: «Impositus fuerat id oneris (sc. Bibliornm versio) jam multo ante a Classe nostra et Modeto et mihi coniunctim;quot; en met dit «multo antequot;, in 1583 geschreven, kan

-ocr page 22-

10

landschc Synode tot mede-overziener en mede-overzetter van den Bijbel is benoemd geworden ]).

Wie nu tot zoo\'u gewichtig werk wordt geroepen (en bij herhaling), mag zeker wel beoordeeld als iemand, die met goede gaven is bedeeld en als student wel toegerust is geworden. De zooeven genoemde Middelb. Synode had trouwens ook bepaald, dat de aangewezene Classen „bequamc persoonenquot;\' zouden „deputerenquot; en „elok een deel voirne-menquot; ; waarbij opmerkelijk is, dat aan Utrecht de „libros difficillimos et obscurissimos ac veluti ipsam Bibliorum medullamquot; zijn toegewezen geworden -).

Het is wel waar, tusschen Helmichius\' vertrek uit Heidelberg en zijne aanstelling tot mede-overzetter van do II. Schrift, liggen minstens 7 jaren; en in zeven jaren kan heel wat worden aangeleerd of bijgewerkt; doch die levensjaren van Helmieh waren cr niet naar om hem veel tijd te gunnen voor studie, zoodat hij zijne kundigheid niet voornamelijk in dien tijd heeft kunnen opdoen.

Voorts wijs ik nog op eene andere gebeurtenis, in 1575 voorgevallen, dus kort na Ilelmich\'s academieleven, welke gebeurtenis mij eveneens aanleiding geeft tot hot uitspreken vau een gunstig oordeel.

In genoemd jaar schrijft Joannes Taffinus een\' brief aan Arnold us Cornelius 3), waarin hij hem bericht, dat hij hem „scx florenosquot; toezendt door middel van Helmichius, die toen in Dordt bij ïaffijn was. Na de bestemming van het

zeer wel gedoeld zijn op een\' in 1581 gegeven last. Vergelijking met br. VII op blz. 10—12 neemt, dunkt mij, alle onzekerheid weg.

1) Later hoop ik dit uitvoeriger te vermelden.

2) Zie den zooeven genoemden brief in W. d. ÏU.-F., S. III, Dl. IV, blz. 37—39.

3) W. (I. M.-V., S. III, Dl. V (2e stuk) blz. 152 vg. Het jaartal 1575 ontbreekt aan het slot van den brief, doch in den brief zelf spreekt Taffijn over het vnovum conjugiumquot; van Cornelius, waarmede hij hem in Maart 1575 geluk had gewenscht (zie blz. 149), zoodat deze brief vrij zeker ook uit 1575 is.

-ocr page 23-

11

geld opgegeven te hebben, komt hij weer op Helmichius terug, zegt dat dieüs gaven aan Cornelius niet onbekend zijn\'), deelt hem mede dat Helmich, volgens eigen oordeel, meer geschikt voor de school dan voor den kerke-dienst meende te zijn on dat hij nu wel niets met hem heeft kunnen afspreken, maar hem wel op het hart heeft gebonden wat hij zijn vaderland verschuldigd was, als hij eens geroepen werd tot een professoraat „ad functionem honestam Ecclesiaeque Christi utilemquot; 1).

Afgaande op dezen brief mogen wij Helmichius wel een „jeugdig geleerdequot; noemen; nog maar 24 jaar oud, werd reeds aan hem gedacht met het oog op eene benoeming tot hoogleeraar. Voor zijne studie en zijn\' aanleg beide is dit zeker een klaar getuigenis.

Er is toen echter niet van gekomen. En evenmin een geruim aantal jaren later, toen er talrijke pogingen zijn aangewend om hem in Leidon aan de universiteit te verbinden; een evenement waarop ik bij de verdere beschrijving van zijn levensloop terug kom2) en dat nog weer eenigszins de conclusie bevestigt, welke ik uit het nu meegedeelde trek, dat God aan Helmichius een goeden aanleg heeft geschonken; dat hij in zijn academietijd ijverig heeft gestudeerd; en dat hij als een jonge man van veel kunde de hoogeschool heeft verlaten om, zooals wij nu zullen zien, den herdersstaf over de kudde Gods op te nemen.

1

Taftij u\'s zinspeling op Ilelmich\'s professoraat wordt ook vermeld door Chr. Sepp in zijn ygt;Dric Evangeliedienaren uit den tijd der Hervormingquot;, Leiden, 1879, blz. 39.

2

Zie § 4, Helmichius te Delft.

-ocr page 24-

12

§ 2. II e 1 ui i c h i u s als d.i o n a a r dos W o o r d s to F r a n k f o i\' t a d 31 a i u.

Holmichius is allereerst predikant geweest bij do Sodor-landsche vluehteliugen-genieeute te Frankfort a d Maiu. lu geen enkel werk dat bijzondor over Frankfort handelt, vond ik van zijne komst of zijn verblijf aldaar iets vermeld. Ritter, de Frankfürt. Religionshandlungen, Fresonius, Kriegk noch Dechent spreken er over1). Dr. Jung, stadt-arohiv. in Frankfurt, bij wien ik inlichtingen trachtte in te winnen, berichtte mij welwillend, dat „das Bürgerbuoh und die verschiedenen Prediger-verzeichnisse seinen Namen nicht orwiihnenquot; en hij, „weder in den Protokollen des Frankfurt. Rathes noch in don Schriften über die hiesige Niederlandi-scho Gemeindo auch nur eine Spur\'\' gevonden had van Helmieh\'s aanwezigheid in Frankfort. Ook dr. Ebrard, stadtbibliothoc. in Frankfort, aan wien ik eveneens opheldering vroeg, kon geene „andere Auskunftquot; geven, en evenmin Consistorialrath dr. Ehlors in Frankfort2).

Dr. Cuno, de reeds vroeger genoemde levensbeschrijver van Fr. Junius der Altere, meldde mij echter, dat hij bij liet doorbladeren van de oude stukken der Fransche vluch-

1

Ritter, Evangel. Dcnckmahl der Stadt Franckfurth am Maya, Franckfurth am Mayn MDCCXXVI. — FrancJcfiirtische Bcligions-handltingen, Franckfurt am Mayn MDCCXXXV, 2 Th. — Eene Neue Samuilung Handhuigen, 26 stukkeu over allerlei kerkelijke verwikkelingen te Frankfort, kwam in 1744 uit. — Kirchengeschichte con denm Beformirten in Franckfurt am Main, Franckfurt und Leipzig, 1751, met voorrede van Fresenius. — Dr. Kriegk, Geschichte von Frankfurt am Main in ausgewdhlten Darstellungcn. Frankfurt a. M., 1871. — Dr. plül. H. Dechent, Die Entwicklung des kirchUchen Lehens in Frankfurt a. M. von der Reformation his zur Gegenwart., Frankfurt a. M., 1892.

2

In die Allgemeine Deutsche Biographic^ Bd. XT, S. 702, staat dan ook eenvoudig dat Helmichius sedert 1573 predikant in Utrecht was.

-ocr page 25-

13

tolingen-gemeento to Frankfort gevonden had: „ Wern. Helmi-eliius reiset 1579 (Anfang Mai) uaeh don Jfiederlandenquot; \'), terwijl ook uit andere berichten voldoende kan bewezen worden, dat Ilclmichius in Frankfort is geweest en tevens, dat hij er predikant geweest is; ik noem b. v. maar wat in eene „Kronijk van Utrecht 1576—1591quot;1) onder 1578 staat: „24 Augusti, concionatus est ibidem Wernherus Helniiohius aliquot hebdomadas, donec rursus ad ministerium suum francfordianum rediref\'; waaraan nog kan toegevoegd, dat llelinichius in 1577 uit Frankfort een brief schreef aan Arnoldus Crusius en dat in dezen brief, welke nog overig is, zeer duidelijk uitkomt dat hij bij de gemeente aldaar diende s). Zijn verblijf in Frankfort staat dus vast.

Met niet even groote zekerheid kan uitgemaakt worden wanneer hij er gekomen is. Jlen zou kunnen denken aan 1573. In dat jaar namel. zonden de vreemdelingen-gemeenten te Frankfort deputaten naar de Synode to Heidelberg 2), die bij hunne terugkomst drie godgeleerden uit Heidelberg medebrachten, Em. Tremellius, Willi. Holbrach en Joh. Taflijn, om eenige geschillen te helpen beslechten. Dezo drie mannen stelden toen tevens 2 predikanten aan 3); en als Helmichius, die \'t laatst te Heidelberg studeerde, nu

1

W. cl. M.-V. S. III, Dl. IV, blz. 1 vg. Vgl. S. III, Dl. II (2e st.) blz. 162, waar meegedeeld wordt, dat Helmich )gt;kennisscquot; had «metten druekersquot; van Franckefoort.

2

Troisième Jubilé séculaire lt;1e la fondation de Véglise refonnée francaise de Francfort -s .U., 1854, p. 66.

Synode is hier ~ Classe. Dergelijk gebruik van het woord »Synodequot; in plaats van «Classequot; vindt men ook in TF. d. .1/.-1\', S. II, Dl, II. blz. 27. Synode is daar nClassensche Synodusquot;.

3

Fresenius, o. »c., blz. 207.

-ocr page 26-

14

een van die twee is geweest, is luj reeds in 1573 dienaar des Woords geworden. Nergens vond ik hiervoor echter ook maar een schijn van bewijs.

Zelf zegt hij in 1588 tot Elizabeth, Koningin van Engeland \'), dat hij 23 of 24 jaar oud was, toen hij predikant werd, zoodat wij zijne komst in Frankfort niet in 1573, maar in \'74 of \'75 moeten stellen, terwijl Daniel de Dieu bij dezelfde gelegenheid verklaarde, dat hij 1 lelmichins reeds in 1574 te Frankfort had gehoord. Hot meest waarschijnlijk komt mij daarom voor, dat onze Wernerus in 1574 predikant is geworden; misschien dat jaar „bij provisiequot; heeft gediend; en toen in \'75 „vaste leeraarquot; is geworden, zoodat hij zelf én van 23 én van 24 jaar kon spreken 1),

Hoe was tot dien tijd toe het verloop der dingen op het kerkelijk terrein geweest in zijne eerste standplaats? Een enkel woord daarover.

Omstreeks 1520 waren in Frankfort reeds vele aanhangers van Luther, die dezen hervormer in 1521 dan ook met blijdschap in hunne stad ontvingen; 1525 waren er reeds 2 predikanten; in 1529 vier; in 1542 acht; terwijl do gemeente, die eerst meer het „gemeinsam Evangelischequot;,

1

Do Acta van do Classe, waartoe de Nederl. zoowel als de Fransche vluclitelingen-gemeente behoorde (W. tl. M.-V., S. II, Dl. 111, blz. 59) zijn er niet meer (dr. Cuno, ft. w., S. 47). Anders zou daaruit wellicht met juistheid kunnen worden opgemaakt, wanneer Helmich tot dienaar dos Woords ))vercooreiiquot; is. Evenzoo ontbreken de notulen van den Kerkeraad der Nederl. gemeente uit dien tijd. Wel wordt in het »Bul-letin lt;le la Commission de VHistoire des Éylises millonnesquot; Tome V, La Haye, 1892, p. 415, meegedeeld, dat de oude kerkoraadsnotnlen der Frankf\'. gemeente, van 1554—\'87, teruggevonden zijn, doch dr. Ebrard antwoordde mij op eene desbetreffende vraag, dat die mededeeling op eone vergissing berustte; niet de »Actenquot; maar de wMitgliedérlistenquot; over genoemde jaren waren weer aan \'t licht gekomen. Uit die notulen kan ik dus ook niets melden omtrent het tjjdstip waarop Helmich den dienst des Woords heeft betreden. Ook is niets bekend omtrent zijn kerkelijk examen.

-ocr page 27-

15

allengs liet „gesondert Lutheriscliequot; waa toegedaan, toen reeds tien plaatsen van samenkomst had!). Enkele jaren later kwamen hier nog drie kerkformatie\'s van vluchtelingen bij.

Allereerst die der Fransche vluchtelingen in het begin van 1554. Na den dood van den godzaligen Eng. Koning Eduard in 1553, had zijne zuster Jlaria don troon beklommen en al spoedig hare vijandschap tegen do ware religie geopenbaard, zoodat de belijders der Waarheid in Engeland genoodzaakt werden het land te verlaten. Op 17 Sept. 1553 vertrokken toen Joannes a Lasco, Joannes Uitenhovius en Martinus Jlicronius, van omtrent 175 personen, meest Nederlanders en Franschen, enkele Engelschen en Schotten, vergezeld, in twee schepen naar Denemarken. Daar werden zij echter niet ontvangen. „In Hamburg was\'t ooc al\'tselve, al sochten se door vriendelicke t\'samenredinghe haer ghe-loove te belijden en te bewijsenquot;. Eindelijk vonden zjj in Emden een „bequame rust-havenquot;

Toen deze vluchtelingen vertrokken, bleven nog vele Fransche in Engeland achter; doch in \'t begin van 1554

1) Declicnt, a.iv., S. 4—10. — Dalton, Johannes a Lasco, Gotha 1881, S. 458 flg.

2) W. d. M.-V., S. I, Dl. II, blz. 1 vg.; S. Ill, Dl. I (lo st.) blz. 20 \\gg. — T. Ie Long, Kort historisch verhaal, van den eersten oorsprong der Nederlandschen Gereformeerden Kerken onder V kruis, t\'Amsterdam, 1751, blz. 56 vgg. — \'s Gravezande, Twee honderdjarige Gedachtenis van het eerste Synode der Nederlandsche kerken onder het Kruis, gehouden te Wesel den S Nov. 1568, blz. 40—52. Genoemde bronnen gebruikte ik ook voor het vervolg van het histor. overzicht van den kerkel. toestand te Frankfort a d M.; waarbij ook nog moet opgenoemd, M. F. van Lennep\'s proefschrift. Gaspar van der Heijden, 1530—158G, Amsterdam 1884, blz. 80 vgg.; en Eigen Haard, jaarg. 1878, waarin A. J. Domela Nieuwonhnis onderscheidene stukken schreef over ))Onze voorouders in don vreemdequot; en waarvan een gewijd is aan de Nederlandsch gereformeerde gemeente te Frankfort a \'M., 1554—1636. Zio blz. 134 vgg. De beide andere in don tekst genoemde kerkformatie\'s worden in dit stuk ook met een enkel woord vermeld. Helmichius\' naam komt er niet in voor.

-ocr page 28-

16

staken zij ook af, onder leiding van hun\' predikant Vale-randus Poianus, begaven zich dadelijk naar Frankfort, dienden bij den stedelijken Raad een smeekschrift in, waarin om gunstige opname en kerkedienst in de Fr. taal verzocht werd; en reeds den ISquot;™ Maart werd hun godsdienstoefening in huu eigen taal vergund en de Witte-vrouwen-kerk tot vergaderplaats afgestaan.

Kort daarop, in Juni 1554, kwamen in Frankfort ook een aantal Engelsche vluchtelingen, die eveneens verlof kregen om den dienst des Woords in hunne eigen taal te houden in de Witte-vrouwen-kerk, zoodat in dit kerkelijk gebouw beurtelings in \'t Fransch en in \'t Engelsch werd gepredikt.

In October 1555 kreeg de Eng. gemeente de Allerheiligen-kerk ten gebruike1), en toen Maria overleden was en de Protestantsche Elizabeth haar was opgevolgd, keerden deze Engelsche vluchtelingen in 1559 weer naar hun vaderland terug, nadat zij aan de stad een beker en hun ziekenhuis, thans weeshuis, geschonken hadden.

De derde kerkformatie kwam in April 1555 tot stand, doordat a Lasco uit do „Herberg der gemeente Godsquot;2) ook naar Frankfort verreisde en „vercreegh van d\'overheyd, dat aldaer een Nederduytsche Gemeente opgericht wierdt tot troost van de verstroyde broeders: den predicant, die dese Gemeente eerst bediende, was den vermaerden Petrus Dathenus,quot; nadat Marton Micron, toon predikant te Noorden bij Emden, a Lasco had geholpen bij het formeeren dei-gemeente en op 15 Sept. — ook weer in de Witte-vrouwen-kerk — de eerste predicatie in de Nederduitsche taal had gedaan.

1

Volgons lo Long-, a. iv., blz. 62, en \'s Gravozande, a. w., blz. 47, op 25 October, terwijl Fresenius, a. ir., S. 85 zegt, dat de Allerheiligenkerk bij Raadsbesluit van 29 Oct, is toegestaan.

2

Dr. B. van Meer, De Synode te Emden \'s Gravenhage, 1892, blz. 102.

-ocr page 29-

17

Door het gedurig inkomen van vervolgdon, uit andere plaatsen, nam ook deze vluchtolingou-gomeente in omvang toe. In 1572 bestond zij uit wel 1000 lidmaten. liet volgende lijstje, gemaakt uit de „Mitgliederlistenquot; van genoemd jaar, wijst dit uit:

1°. 2C6 Haushaltungen verheiratheter Mitglieder mit zu-sammen 744 Kopfen, [de nog niet „confirmirtequot; kinderen niet meegerekend |;

2°. 58 Wittwen von Mitgliedern mit 78 Kopfen;

3°. 28 Junggesellcn (sclbstiiudige) mit35 Kopfen. Ges. 857 \').

Bij deze gemeente nu, die behalve Datheen, o. a. Aegidius Becius 2), G. v. d. Heyden 3), Banoaius \'), Joh. Sen 5), Andreas Demetrius c) en Gomarus quot;) tot leeraar had, is Helmichius ook predikant geweest.

1) Dr. Ebrai\'d was zoo vriendelijk mij deze opgave, uit de reeds genoemde «Mitgliederlistenquot; opgemaakt, mede te doelen. Uit de jaren 1570—1580 was alleen deze opgave aanwezig.

Bij de opgaven zjjn de «Dienstbotenquot; meegerekend; bij do beide eerste getallen ook de kinderen, »d. li. wohl erwachsene (confirmirte) jedoch noch nnsellbstandigequot;. Ik mocht nu voor de kinderen, die nog niet »conlirmirtquot; waren, maar toch ook lidmaten der gemeente waren, schoon dan nog geene «membra completaquot;, zeker wel 143 rekenen, d. i. op ±2 gezinnen 1 kind, en daarom schreef ik in den tekst, dat er in 1572 wel 1000 lidmaten waren.

2) Van Aegidius Becius of Gillis Becius, vader van Joh. Becius (zie v. d. Aa, lt;/. «•.. in voce), predik, bij «the reformed church at Frankfurtquot; zijn drie brieven in de reeds vroeger vermelde: Epistolae cf Tractatus cum Reformationis tuin Ecclesiae Loïidino-Batavae historiatn illuatrantes, Ed. J. 11. Hessels; br. 38, aan Marten Micron, br. 56 en G3, beide aan J. (Jtenhoven geschreven; en alle drie uit Frankfort, de eerste 19 Sept. 1559, de tweede 8 Juli 15G1, de derde 5 April 15(J2.

3) Zie M. F. van Lennep, a. w., blz. 31.

•i) Banosius wordt door Helmichius genoemd in W. d. J/.-F., S. Ill, UI. IV, blz. 1.

5) Zie v. d. Aa, a. w., in voce.

6) Zie over Demetrius G. D. J. Schotel, Kerkelijk Don!recht, Dl. I, (Utrecht, 1841.) blz. 239- 247.

7) Gomarus kwam in 1587 te Frankfort volgens v. d. Aa,«./r., in voce. In 1593 werd hem de stad ontzegd, omdat hij eene vrouw «van buitenquot; had getrouwd, terwijl de gemeente toen de openbare samenkomsten moest staken. I. Ie Long, a. «•., blz. 139.

2

-ocr page 30-

18

In de jaren, die hij in haar midden doorbracht, heeft hij heel wat met haar moeten doormaken, omdat zij bij zijne komst on tijdons zijn verblijf iu Frankfort, gelijk ook daarna nog, steeds in drukkende omstandigheden verkeerde, voornamelijk gebukt gaande ouder liet kruis der Luthersche vervolging.

Do talrijke Lutherseheu haddon reeds in 1556, toen Calvijn in Frankfort is geweest\'), veel tegen de gereformeerden en wisten eindelijk iu 1561 te bewerken, dat de Raad het prediken verbood, zoowel aan de Fransche als aan de Nederl. gemeentequot;). Veel moeite is er toen gedaan om dit besluit veranderd te krijgen; de hoogeschool te Heidelberg en Marburg, keurvorst Frederik III, Philips, landgraaf van Hessen en Edmund örindal, bisschop van Londen, stelden zich voor de verdrukte broederen in de bres, doch alles te vergeefs; 6 Februari 1562 werd het Raadsbesluit van 22 Apr. 1561 geconfirmeerd1).

Ofschoon nu vole vluchtelingen dientengevolge de stad verlieten om elders veiliger en rustiger verblijfplaats te vinden, bleven de Fransche en Nederd. gereformeerde gemeente toch beide bestaan en hielden te midden van de verdrukking stand ■2).

1

Zie le Long, «. ïr., blz. 66 j Eiycti Haard, 1878, t. a. p.; en M. F. van Lennep, a. ir., blz. 32. Een brief van Grindal aan den Senaat van Frankfort vindt men in de Epistolae et ÏVacfatfttS van Hessels; aldaar br. 58. Ik schreef »22 April 156-1quot; in den tekst, omdat op dien dag hot beshiit is genomen. Op 23 April is het bekend gemaakt. Zie Fresenius, a. tv., blz. 142 vg.

2

Le Long, a.blz. 62, geeft verkeerdelijk 1555 op; Calvijn kwam er in 1556. Zie 31. F. van Lennep, a.w., blz. 33!. Ook in 1539 was Calvijn te Frankfort geweest. Zie Troisième jiihilé séculaire etc. p. 70. In 1555 ilroeg hij aan den Raad van Frankfort zijn Commenfarinn i,i Haviuonicitu cx tvihis Evdiiffelistis contexlutu op. Zie Johannis Calvini Opera quae supermnt omnia, ed. Bauni, Cunitz en Reuss, vol. XLV (Brunsvigae, 1891), Prolegomena.

-ocr page 31-

19

Tegelijk met het verbod om te prediken was natuurlijk ook de Witte-yrouwen-kerk gesloten geworden, zoodat andere vergaderplaatsen gezocht moesten worden, en hiervoor huurde n:i de JSederl. gemeente in 1562, van Peter Gaul, eenc groote schuur, waarin zij meer dan 30 jaar samenkwam !).

In die schuur heeft dus ook llelmiehius des Heeren quot;Woord der gemeente voorgedragen en toegeëigend, het Sacrament van het H. Nachtmaal uitgericht, op de prac-tijk der godzaligheid bij \'s Heeren volk aangedrongen 1) en zeker ook gedurig tot lijdzaamheid aangespoord tegen de „malignos et nequicquam sapius repetitos adversariorum cona-tusquot;2), waar nog bijkwam, dat „die van Prancfoortquot; in 1574 zeer beproefd werden, doordat zij „onder de pestequot; waren; de „staef dor „kerckequot; was toen zeer bedroefd3) en in de e. k. jaren zullen de naweeën van die bezoeking des Heeren nog wel gevoeld zijn geworden.

1

V. d. Aa, in voce, maakt melding van eene preek van llelmiehius uit 1576 over Psalm 15:1. Afgaande op den tekst dorst ik schrijven dat Helmichius in die preek op de practijk der godzaligheid zal gewezen hebben.

2

W. d. M.-V., S. III, Dl. IV, blz. 1. (Br. van Helmichius aan Arn. Crusius, d.d. 8 Oct. 1577).

3

Lo Loug, a. w.j blz. 139. In het tweede stuk van de Nene Sammluny [Franckfürt.} Handlunyen, S. 6, wordt gemeld, dat men ))in das Hausz zu grossen Aynung nnd in Peter Ganls Schener unerlaubte Privat-znsam-menkünfften nnd quot;Winokel-conventiculaquot; hield. Evenwel werden alle ))Actus Ministerialesquot; niet gehouden, wsondern nur geprediget und das heilige Abendmahl ausgetheilet.quot; Bij de Lutherschen liet men, door den drang der omstandigheden daartoe bewogen, doopen. Zie brieven van Datheen aan Calvijn d.d. 28 Apr. en 18 Sept. 4562, Calv. Opera omnia, ed. Brunsv, vol. XIX, p. 396—398 en 522—529. Vgl. De Geldigheid van de oude Kerhenordening der Nederl. Geref. kerken, door F. L. Rutgers, Amsterdam, 1890, blz. 14\' in fine. Eerst in 1787 is den gereformeerden vergunning gegeven tot het bouwen van een eigen kerkel. gebouw, terwijl in 1806 de gelijkstelling voor de wet aan alle chr. gemeenten is verleend. Eigen Haard, 1878, t. a. p.

-ocr page 32-

20

Ak Helmichius tijdens het slaan van de „roede Godaquot; reeds in de arme, verdrukte en bezochte gemeente arbeidde, zal er menig troostwoord door don herder tot de benauwde schapen en lammeren zijn gesproken; deu moede door een woord te rechter tijd een riem onder \'t hart zijn gebonden; en bovenal God almachtig en barmhartig zijn aangeroepen bij het krankbed of Hij wilde uitredden en de zielen door zijne vertroostingen wilde verkwikken.

Zoo was de kerk te Frankfort voor Helmichius vier a vijf jaren lang eene practische leerschool in bijzonderen zin en de vele ervaringen, in de strijdende en lijdende kerk aldaar opgedaan, zouden hem in zijn volgend loven in andere gemeenten zeer te pas komen. Het eerst na Frankfort in Utrecht.

§ 3. Helmichius te Utrecht.

Reeds in 1576 had Helmichius zijne eerste gemeente kunnen verlaten. Nog voor „de furie van Antwerpen , die in November van genoemd jaar plaats greep, had „de ghe-reformcerde kereke Christi binnen Antwerpenquot; hem beroepen, doch van een gaan derwaarts is niet gekomen\').

Evenmin is hij in 1577 tweede leeraar geworden te Zie-rikzee, waar men ook het oog op hem gevestigd had en hem beriep, maar ook die beroeping had geen „gevolgquot; 1).

1

\'s Gravezande, de Unie van Utrecht herdacht, Middelb. 1779, blz. 176, zegt bij eene beschrijving van Zierikzee: iiMen zag reeds in November 1377 om naa eenen tweeden Leeraar, en wel naa quot;Wer-n er us Helmichius, toen Predikant te Frankfort, \'t geen echter

-ocr page 33-

21

In het daarop volgende jaar verliet Helmichius Frankfort tijdelijk, om te Utrecht „bij leeningquot; te dienen. De Xationale Synode, van 3—18 Juni 1578 te Dordrecht gehouden, had besloten dat hij daarheen zou gaan. Bij die Synode zija namelijk brieven ingekomen uit de kerk van Antwerpen, Gent, Brussel en misschien ook wel van Utrecht waarin de drie eerstgenoemde alle aan de synodale vergadering berichtten, dat zij Helmichius tot predikant hadden beroepen, terwijl de broeders uit Antwerpen „verstaen hebbende, hoe dat D. Wernerus Helmichius affkoemen soude totten Syno-dum daer men van syne beroeping sal handelenquot;, er op aandrongen, dat de Synode daarover zoo spoedig mogelijk besliste; en dan liefst in hun voordeel, omdat zij hem „anderhalf jaer gheledenquot; ook al beroepen hadden en in Antwerpen de „nootquot; groot was. De Synode heeft toen met de beslissing wel niet tot het laatst gewacht2), maar Antwerpen kreeg haar zin niet, evenmin als Gent en Brussel, want

geen gevolg had: zijnde hij in \'t jaar 1578 te Utrecht, en naderhand te Delft en te Amsterdam in de Bedieninge geweest. Vgl. Te quot;Water, Kort verhaal der Reformatie van Zeeland, Middelb. 176G, blz. 224; en W. d. M.-V., S. III, Dl. III, blz. 3, waar duidelijk uitkomt, dat hij teZierikzee beroepen is geweest.

1) De brief uit Antwerpen van den Kerkeraad, d.d. 20 Mei 1578, is te vinden in W. d. M.-V., S. Ill, Dl. 111, blz. 2—4; die van den Kerkeraad van Gent, d.d. 13 Juni 1578, aid. blz. 46—48. Deze brief is zonder adres. Vergelijken we hem echter met den brief, door de Edelen en Notabelen van Gent, d.d. 27 Mei 1578, ook aan de Dordtsche Synode gericht (opgenomen in \\V. d. M.-F., S. II, Dl. III, blz. 318—320.), dan blijkt daaruit, dat hjj ook aan de wversamelingequot; in Dordt is geschreven, en dat de «drie kerekendienaersquot;, over wie geschreven wordt, «Dathenusquot;, «Helmichius en »arondeauxquot; waren. Dr. Rutgers vermeldt den brief dan ook in W. d. M.-V., S. II, Dl. III, blz. 320 als brief, «van den Kerkeraad aan de Synodequot;. De brief van den Kerkeraad van Brussel, d.d. 15 Juni 1578, is opgenomen in W. d. M.-V., S. II, Dl. Ill, blz. 334 vg. Hjj kwam te laat in Dordt aan. Zie volg. noot. Onder de nog overig zijnde stukken van de Dordtsche Synode van 1578 is geen brief uit Utrecht. Misschien is evenwel ook uit Utrecht aan de Synode geschreven, omdat de Synode Helmich aan Utrecht heeft toegewezen.

2) Blijkens den in de vorige aanteekening genoemden brief van den Kerkeraad van Gent heeft de Synode vóór 13 Juni een besluit genomen.

-ocr page 34-

22

Ilelmicliius is iloor do Synode „zijner vaderlicker stat toe-gheeygontquot; Omdat hij „van naturequot; Utreclit toebehoorde, moest hij naar het oordeel der Synode ook in Utrecht „kerckendienaerquot; worden, als hij Frankfort verliet.

De „ghemeynte van Franckfortquot; heeft hem toen ook, ofschoon eerst bij leening, laten gaan.

lsTu schrijft prof. Royaards -), dat Helmicbius reeds vóór het midden van 1578 te Utrecht optrad en daar eerst nog bij eene der huisgemeenten schijnt werkzaam geweest te zijn, zonder dit zeggen echter met eenig bewijs te staven. En ofschoon ik toegeef, dat Helmichius na de beslissing dei-Synode, tusschen 3—13 Juni genomen, nog wel vóór Juli in zijne geboortestad kan gekomen zijn, schijnt mij de volgende voorstelling toch beter toe\' Helmich heeft in Frankfort onderscheidene beroepingen gekregen; is door de Synode aan Utrecht toegewezen, en toen als „predikant bij lee-niugquot; daar gekomen in Augustus 1578, zooals dit laatste door Trigland s) en ook door Bor \') wordt opgegeven. Enkele weken heeft hij toen in zijne vaderstad gearbeid 1), is in \'t laatst van September of begin October door Frankfort terug-ontboden 2), kort daarop derwaarts weergekeerd3) en in de eerste helft van 1579 ten tweede male naar Utrecht gekomen om er nu als vast leeraar te blijven4), „op de gagie van

1

Kronijk van Utrecht (opgenomen in Kronjk van het Hist. Genootschap te Utrecht, XXI jaarg., 1865.) blz. 8.

2

W. d. M.- V., S. III, Dl. IV, blz. 2.

3

W (l. M.-V., S. III, Dl. IV, blz. 4 en 7.

4

Het juiste tijdstip, waarop Helmich in 1579 is teruggekomen, kan ik niet opgeven. Sedert 10 April 1579 genoot hij stadstractement (Dodt van Flensburg, Archief voor Kerkelijke en Wcreldsche Geschiedenissen, inzonderheid van Utrecht, Utrecht 1838—\'48, Dl. III, blz. 252.), zoodat

-ocr page 35-

23

f 800 sjacrsquot;, welke later klom tot f 400, plus f 50 voor huishuur \').

Voor ik nu evenwel opsom en korter of langer bespreek wat mij van Helmichius bekend is, terwijl hij als dienaar

hij in April weer in Utrecht kan gekomen zijn. Echter is een Raadsbesluit d.d. 1 Aug. 1579 bekend, waarbij hij als vast predikant is aangenomen en bepaald werd dat zijn ^gagiequot; met Pinksteren, d. w. in 1579 in \'t begin van Juni, zou ingaan. (Kist en Royaards, a.w., Dl. XYll, blz. 201, waar reeds vermeld is, dat Van Reenen, min Juist, de aanstelling tot vast predikant dagteekent van Oct. 1579; en Dl. XVlil, blz. 272.). En Pinksteren 1579 was hij in elk geval weer in Utrecht, omdat hij toen \'t Nachtmaal heeft uitgericht (Kist en Royaards, a. w.. Dl. XVIII, t. a. p.). Niet onwaarschijnlijk komt mij voor, dat hij in Mei is teruggekeerd, zooals dr. Cuno in eene oude aanteekening in Frankfort gevonden heeft en mij berichtte. Het is dan iets later geworden dan de broeders in Frankfort dachten blijkens hun\' brief, dien ik opnam in Bijlage A; daarin wordt »Paeschenquot; — en dat was in 1570 in April — als tjjd van komst genaamd; een bericht dat aansluit aan de aanhaling uit Dodt van Flensburg. quot;Welke maand, April of Mei, men echter ook nemen wil, hjj was in elk geval begin Juni in Utrecht.

1) Kist en Royaards, a. w., Dl. XVII, blz. 201. Dodt van Flensburg, a. w., Dl. III, blz. 255. In 1580 kreeg hij, behalve f 300 tractement, ook f 50 voor huishuur; in 1581 f 375 pensie en f 25 huishuur; in de volgende jaren werd hem steeds f 450 voor ))gagiequot; en »huyshuyrquot; uitbetaald. In 1581 werd hem nog «de som van 24 p.quot; uitbetaald, wende dat tot betalinghe van de montcosten van twee dienaren des quot;Woorts, uyt Vlaenderen, die, in afwesen van sommighe predicanten alhier [in Utrecht] de gemeente gedient hebben, ses weecken lanck, blyk. by ordinantie des raets, in date den 4 Sept. \'81, etc.quot;; in 1582 kreeg hij nog 325 L. 4 sc. 9 p. voor «alsulke oncosten, als er gevallen syn in \'t yerste opbouwen der evangelische kereke binnen Utrecht, inde jaren 1578 en 1579, ende by sommige particuliere burgeren verschoten syn geweest, alles breder blykende by de specificatie, by den rade belieft, den 27 Augusti anno 1582 etc.quot;; in 1588 ontving hij ))tot behouff v.d. Sanger in den Dom, de somme van 10 L., wt sake deselve in de Domkerke voor ende na de predication de psalmen opgeheven ende in \'t singen geiuto-neert heeft, den tyt van een vierendeel jaers, verschen. Nov. \'88quot;; uit welke opgave Borger in zijn reeds genoemd Handschrift over Nederl. predikanten, aanwezig op de Bibl. der stedel. univ. te Amsterdam, i. v. Helmichius, ten onrechte afleidde, dat Helmichius in den zang scheen geoefend te zijn geweest. Eindelijk werd hem in 1590 f 25 extra toegekend »voor syn portie, ter cause van den dienst, die hy in \'t voorjaer [zeker «vorige jaarquot;] te meer gehadt heeft, overmits d\'afdankingh v. d. vyfden pred, by ordon. 4 May 1590quot;. Zie voor al het in deze noot genoemde, Dodt van Flensburg, a. w., Dl. III blzz. 255 vg., 258,260—263 ; en Dl. IV, blzz. 74-76, 78—80.

-ocr page 36-

24

dos Woords in Utrecht arbeidde, sla ik eerst een terugblik op deu kerkelijken toestand aldaar, voor zoover dit noodig is om te kunnen verstaan onder welke omstandigheden Helmichius optrad.

Utrecht was in 1565 nog eene Roonisehe stad. Daar was de hoofdzetel van de Hierarchic in de Nederlanden gevestigd ; do geestelijkheid bespiedde er aller gangen; binnen Utrecht\'s muren kwam in genoemd jaar de Synode (?) der geheele Nederl. Roomsche kerk bijeen, welke belegd was tot invoering der besluiten van Trente. De hervormings-gezindon, die er toen waren, hielden zich dan ook schuil\').

In het volgende jaar kwam hierin echter verandering. De aanhangers der zuivere leer hadden door \'t Verbond der Edelen meer moed gekregen; in de nabijheid der stad hielden de bekende Jan Arentsz en Pieter Gabriel eene hagepreek, bezielden de luisterende schare en wonnen nieuwe aanhangers voor de reformatie; in Augustus brak de beeldenstorm binnen de residentie-stad van den Aartsbisschop uit en zag de stedelijke Kogeering zich genoodzaakt met de onroomschen eene regeling te treffen, waarbij hun, onder nadere goedkeuring van Oranje en de landvoogdes, de St. Jacobi-kerk in gebruik werd afgestaan .en toegezeid werd dat hun later, bij gebleken behoefte, nog een kerkelijk gebouw zou worden ingeruimd1). Margaretha weigerde echter het gemaakte accoord goed te keuren, zoodat de Jacobi-kerk weer ontruimd werd en de openlijke prediking moest gestaakt worden 2). Toen werd nog wel buiten de stad gepredikt en voor die godsdienstoefeningen aan de hervormden in November buiten de Witte-vrouwenpoort een plaats van samenkomst aangewezen 3), maar binnen de stad konden de gereformeerden

1

Kist cn Royaards, a. w., Dl. XVI, blz. 383- 391, 403 vg.

2

Kist cn Royaards, a. iv.. Dl. XVI, blz. 411 vg.

3

Kist cn Royaards, a. ir., Dl. XVI, blz. 418 vg.

-ocr page 37-

25

elkander niet anders sterken en stichten dan in geheime konventikelen. Het licht der hervorming was dus wel niet uitgebluscht, maar toch was de glans zeer verdoofd.

Onder het schrikbewind van Alva doorleefden de zoogenaamde ketters in Utrecht bange dagen ; — velen werden om het leven gebracht — en ook na Alva\'s vertrek bleef Utrecht eerst nog eeue Eoomsche stad \'). Bij de Pacificatie van Geut werd echter o. m. bepaald, dat de plakkaten, eertijds gegeven op het stuk der ketterij, gesuspendeerd zoudeu worden, en wel moest Oranje, die in 1577 weer als Stadhouder in Utrecht werd erkend eu hersteld, in de satisfactie, op 9 Oct. aan de Staten gegeven, nog uitdrukkelijk beloven, dat hij geen onroomsche godsdienstoefeningen in de stad zou toelaten, maar de bepaling omtrent de suspensie der plakkaten op het stuk der ketterij werd ook herhaald 1). Daardoor kwam een einde aan de vervolging der gereformeerden, die nu wel niet in een bepaald kerkgebouw konden samenkomen, doch wel samenkomsten in huizen konden houden en ook als huisgemeente bijeenkwamen 2). .Men vergaderde eerst o. a. in een huis in de Donkerstraat; omstreeks \'t begin van April 1578 „begosten die gereformeerde te preken in S. Niclaes kerspel, in een schuerequot;3); en toen straks die schuur te klein werd en de Minderbroeders-kerk ledig kwam, omdat de Minderbroeders, bittere vijanden der hervorming, geweigerd hadden den eed af te leggen volgons een op naam van koning Philips gegeven Plakkaat, waarbij aan geestelijken en wereldlijken onderhouding der Pacificatie van Geut en onderdanigheid aan den Prins en de Generale Staten werd

1

J. Wiarda, Huihert Duifhuis, Amsterdam, 1858, blz. 17; Kist en Royaards, a. w., Dl. XVI, blz. 443; en Geschiedenis van de Kerspel kerk can St. Jacob te Utrecht, door Jhr. Mr. Th. H. F. van Riem Sdljk, Leiden, 1882, blz. 143.

2

Kist en Royaards, «.«•., Dl. XVII, blzz. 157, 165, 191 vg.

3

Kronijk can Utrecht, blz. 7.

-ocr page 38-

26

opgelegd, en zij daarom in \'t laatst van Juni do stad uit moesten, eischten de gereformeerden liet ledige Minderbroeders-gebouw eerst voor zich óp, bij monde van Petrus Da-thenus, namen het toen in den nacht van 16 op 17 Augustus in en hoorden er 24 Augustus Wernerus Helmichius preeken\').

Gelijk ik reeds meêdeclde, is Helmich toen enkele weken in Utrecht werkzaam geweest en aldaar, na een geruime tusschenpoos, in Frankfort doorgebracht, in 1579 als vast predikant bij de gereformeerde gemeente in dienst getreden. Hij kon toen weer in hetzelfde kerkelijke gebouw, waarin hij ten vorigen jare het Woord had bediend, den dienst vervullen; had naast zich als mede-dienaar Nico laas Sopin-gius, die 10 Jan. 1579 bij Raadsbesluit tot vast leeraar was aangenomen 1); doch overigens was het geene gemakkelijke taak, predikant te worden bij de nog maar kleine gereformeerde „kereke Christiquot; binnen Utrecht, die omringd was door eene nog talrijke Roomsche geestelijkheid, die haar verre van genegen was. Hierbij kwam nog, dat in Utrecht toen nog eene andere kerkformatie bestond: de „onbeslotenequot; gemeente, bij wie Hubertus Duifhuis predikant was onder \'t schild van eene Overheid, die den Erasmiaanschen Duif-huisianen nog al toegedaan was, daarentegen den Calvinisti-schen Consistorialen min gunstig was gezind2). Die stedel. Overheid verzocht den gereformeerden zelfs in 1579 om „de Consistoriequot; na te laten, en trachtte hun den diaconalen arbeid

1

Kist en Royaards, a.ir., Dl. XVII, blz. 201\', staat; Waarom hjj [Sopingius] vroeger dan Helmichius als vast Predikant is aangesteld, blijkt niet.quot; Uit de omstandigheid, dat laatstgenoemde in 1578 naar Frankfort terugkeerde en althans niet vóór 10 April 1579 in Utrecht terugkwam, wordt dit nu voldoende verklaard.

2

Kist en Royaards, u. iv., Dl. XVII, blz. 259 vg.; en G. J. Brutel de la Rivière, Jlef leven van Hennannus Motled, Haarlem 1879, blz. 10G 109.

-ocr page 39-

27

te outuomen i). Helmichius zat dus tusschen drie vuren in. Het kwam er hier voor hem nog meer op aau dan in Frankfort. In Juli \'79 schrijft hij er o. a. van, als hij zijue tweede en eerste strijdperk vergelijkt: „Locum mutavi et aereni: sed et homines etiani (si ita loqui lioeat) mutasso videor; alia iugenia, alia studia, alios hostes invenio; itaque et arma paulo alitor applicanda, vel potius commutanda: imo, ut verius dicam augenda 1). Ita prorsus insuetam pa-laestram ingressus sum. Mirum quam incultum et tetrum diversorum, diversarumquo opiaionum chaos sit haec civitas. Id indies magis magisque persentisco. Itaque Ecclesiola nostra in hcrba etiam nunc latens, a variis monstris laces-sita, innumeris canum morsibus atiiicta, insidiosis consiliis vndique eircumsepta, fluctuare quodammodo videri possit. Sed Deus, spero, suos proteget et adversariorum conatus confundet.quot; En die verwachting is niet beschaamd. In hetzelfde jaar werden den gereformeerden nog meer plaatsen van samenkomst ingeruimd, eu 15 Januari 1581 deed Helmichius al de eerste preek in de Dom 2).

Ook zag hij hot aantal collega\'s toenemen. Eene poging, mee door hom ondernomen in 1579, om Johannes Leo uit Bommel in Utrecht te krijgen, mislukte3), doch in 1580 kwam Herman lloded 4).

In het volgend jaar werd Helmich zelf te Leiden beroepen. Hij had de beroeping zeker te danken aan de diensten, die hij der Leidsche gemeente in 1580 had bewezen, toen

1

Ik cursiveer. De brief is te vinden in IF. d. M.-V., S. III, Dl. IV, blz. 7 vgg.

2

Kronijlc van Utrecht, blz. 16. Ook in Piiquot, Memoires pour servir a VHistoire Litteraire des dix-sept Provinces des Pays-Bas. Louvain, 1768, T. 11, p. 138.

3

Reitsma en Vun Veen, «./lt;•., Dl. II, blz. 178. Vgl. TI\', d. J/.-F., S. III, Dl. II (2e st.), blz. 113 vg.

4

Brutel de la Rivière, a. w., blz. 108.

-ocr page 40-

28

liij daar, bij gelegenheid van de twist met Coolhaes, eenigen tijd had gearbeid tot herstelling van den gestoorden vrede\'), doeh zij had geen gevolg. Zelf deelt hij er van mede: „Die van Leyden sijn hier [te Utrecht] met brieven van beroep op my: macr sy sijn absolutelioken vanden magistraet ende gemeente afgeslagen: \'twelcke ick van te voren wol wiste, en hadde \'tselfde den Secretaris van Hout, die voor acht dagen hier was, genoechsaem verclaert. Mijnenthalven — zoo vervolgt hij dan — ofschoon de presentie van de Uuiversiteyt my wel oen genuechlicke ende profytelicke sake wosen soude, nu so sijn daer so veel andere saken wederom tegen te leggen, dat my die lust wel haest vergaet1). Utrecht behield hem dus, doch stond hem in quot;t laatst van 1581 nogmaals, voor hetzelfde doel als vroeger, enkele weken aan Leiden af quot;).

Kort voor die tweede leening was in Utrecht Simon Hebe-lenius als vierde predikant bij de gereformeerde kerk bevestigd en nadat deze in 1584 al weer was vertrokken 2), kreeg Hel-mieh tot mede-dienaar Johannes quot;Wtonbogaert, die in 1580, vooral op raad van Wernerus, naar Géneve was gezonden, om er, gedeeltelijk voor stadsrekening, tot den dienst dos Woords te worden opgeleid 3). Eindelijk werd in 1586, door de ver-eeniging van de kerkformatie der gereformeerden en der Duif-huisianen tot óéne gemeente, het aantal predikanten bij de gereformeerde kerk in Utrecht nog weer met twee vermeerderd 4).

1

W. d. J/.-F., S. III, Dl. IV, blz. 10 vg.

2

Kist en Royaards, a. w., Dl. XVII, blz. 276 vg.; Dl. XVIII, blz. 285. Helinich noemt hem, W. d. M.-V., S. UI, Dl. IV, blzz. 42 vg., 48. Op blz. 49 spreekt hjj over de voorziening in den dienst na Hebelenius\' vertrek. Vgl. Kist en Royaards, a. u\\, Dl. XVIII, blz. 236 vgg.

3

H. C. Rogge, J. Wtenhogaert en zijn tijd, Dl. 1, blzz. 24, 36 vgg.

4

Hermannus Elconius en Cornelis Martini Royenburch. Zie over hen. Kist en Royaards, a. w., Dl. XVII, blz. 271-73; en Dl. XVIII, bl. 232. Vgl. Greydanus, Naamlijst der Predikanten in de Classe Franeker,

-ocr page 41-

29

Met al die mede-dienaren heeft Helmichius gearbeid aan de opbouwing der gemeente op het van God gelegde fondament \'); en vriendelijk, bescheiden on gematigd optredend, had hij ongetwijfeld een\' saambindenden invloed in de gemeente en werd hij door haar en hare andere leeraars hoog geëerd En hem zelf ontbrak het evenmin aan waardeering van anderen. Wtenbogaert schatte hij hier zeer hoog ^; Sopingius, die gewoonlijk als nog al onhandelbaar 4) wordt voorgesteld, noemde hij later een „suavissimus collegaquot; 5); ook voor Moded, die in Utrecht anders wat zonderling te werk is gegaan, had hij goede sympathie en aan de vele kwade dingen, welke van den soms heftigen prediker werden uitgestrooid, hechtte hij weinig geloof0). Ik zie evenwel niet de waarheid in van

Leeuwarden, 1761., blz. 42 vg.; en Rogge, J. Wtenbogaert enz. Dl. F, blzz. 24, 43. Royenburcli heeft evenals quot;Wtenbogaert ten deele op stadskosten te Génève gestudeerd. Helmich ontving in hunne studie-jaren soms hun studie-geld om het hun uit te keeren. Dodt van Flensburg, a. tv. Dl. III, blzz. 255 vg., 258, 260.

1) De Utreehtsche kerkeraadsnotulen vóór 1590 zijn er niet meer, zoodat ik daaruit geene bijzonderheden omtrent Helmieh\'s arbeid kan meedeelen. Onjuist is echter wat in het »Archief voor Nederl. Kerk-geschy onder redactie van Acquoy en Rogge, 1)1. Ill, Afl. 2 3, (\'s-Gra-venhage, 1888.) blz. 135\', staat: dat het oudste protocol der Utr. notulen met 10 Dec. 1604 begint; want er zijn ook nog notulen van 1590—1604, ofschoon hier en daar met groote lacune\'s, zoodat bv. van 1598—1602 niets meer over is. Door zeer welwillende tusschenkomst van ds. E. F. II. Wolf te Utrecht heb ik van die vóór 1004 nog aanwezig zijnde notulen, inzage kunnen nemen.

2) Kist en Royaards, «. «?., Dl. XVII, blz. 199 vgg.; Rogge, Wten-hoy aert enz.. Dl. 1, blz. 37; en quot;Wtenbogaert, Kerch. Hist., blz. 273.

3) Rogge, J. Wtenbogaert enz., t. a. p. Vgl. Trigland, a. w. blz. 345; en W. d. M.-V., S. III, Dl. IV, blz. 71.

4) Rogge, J. Wtenbogaert enz., t. a. p. Vgl. Kist en Royaards, a. tr., Dl. XVII, blz. 278.

5) In een brief aan Abraham Muysenholius, pred. te Breda, d.d. 14 Mei IG07, meegedeeld door Crenius, Anima dv. Philolog. et Hist or., Lugd. Bat. 1697—1720, P. XVII, p. 113, en opgenomen in Bijlage D.

6) W. d. M.-V. S. III, Dl. IV, blzz. 68, 72. Vgl. Brutel de la Riviere, a.w. blz. 122\'. In het kerheraadsarchief te Delft, Afd. V. Lquot; nquot;. 33, zijn een vijftal stukken over de afdanking van Moded in 1584, (14 Dec. 1584 nam de Raad het besluit; 9 Febr. 1585 werd het Moded

-ocr page 42-

30

de heimelijke mededeeling, eens aan Wtenbogaert {gedaan, toen deze voor Moded als voor een zeer gevaarlijk persoon moest gewaarschuwd: Helmich wordt ook door Moded misbruikt als een pijp om er door te blazen \'). Zeker heeft een man als Moded invloed gehad op Helmiehius, maar daarom behoefde diens gematigdheid nog niet in onzelfstandigheid te veranderen, en wat Bor-) mededeelt: Helmich leerde „som-tijtsquot;, Moded „zeer veel en dikwijlsquot; van de predestinatie, bewijst reeds, dat dit niet is geschied. In plaats van hem een trompetter van Moded te noemen, pas ik daarom liever op hem toe, wat hij zelf in 1587 aan anderen toewenschte: dat hij

meegedeeld) en zijne later gevolgde herstelling. Tiet verloop dergeheele «Procedurequot; wordt daarin nog iets uitvoeriger en nauwkeuriger medegedeeld dan bij Kist en Royaards, «.«•., Dl. XVIII, blzz. 227, 278 vg. en bij Brutel de la Rivière, a. w. blz. 114. Er komt in uit, dat Moded zelf driemaal, op 1, 15 en 29 Maart 1585 naar den Raad is geweest om te vernemen of er klachten waren over zjjne leer of zijn leven, opdat hij zich daarvan «purgerenquot; kon. De Raad persisteerde echter bij de Acte van afdanking, doch ordineerde, dat Moded de som van »100 daelders tot een affscheydtquot; zou ontvangen. In Oct. 1585 heeft de Graaf van Nieuwenaar en Meurs, die in September tot Stadhouder van Utrecht gekozen was (Kist en Royaards, «./lt;•., Dl. XVIII, blz. 251 vg.) op verzoek van den Kerkeraad, om de kerk van Utrecht in de zaak van Moded ))in integrumquot; te stellen bij de wmagistraetquot;, uitgesproken, dat dit verzoek »wel gefondeertquot; was en geordonneerd dat de Magistraat zich voortaan wsuicke saecken niet meer absolut onderwindenquot; zou. De Kerkeraad hield die »Apostillequot; eenigen tijd onder zich; bracht ze toen in den Raad en verzocht tevens om herstelling van Moded. Daartoe besloot de Raad op 18 Januari 1586. Het juiste tijdstip van Moded\'s herstelling, in de zoo even genoemde werken niet met zekerheid opgegeven, staat dus nu vast. — Onder die stukken over de zaak-Moded is een d.d. 2ö April o. s. 1585, dat door Helmiehius, namens den Utr. Kerkeraad, is geschreven aan den Kerkeraad van Delft, om diens advies in te winnen. Voor mijn doel is het niet noodig er langer bjj stil te staan, omdat er geene per-soonl. bijzonderheden omtrent Helmiehius of persoonl. gevoelens van Helmich omtrent Moded in voorkomen. Zij alleen nog vermeld, dat in den brief duidelijk uitkomt, dat er tweeërlei strooming in den Kerkeraad was in zake het incident-Moded; eene, die Moded met kracht wilde handhaven, en eene andere, die «patiëntiequot; wilde oefenen, zonder daarom echter \'t recht der kerk te laten verkrachten.

1) Zie Brutel de la Rivière, a. blz. 122.

2) a. w., Dl. II, blz. 837.

-ocr page 43-

31

als dienaar Gods en getrouwe wachter „in \'t huys des Heerenquot; „ter bequamer tijt den hoorn [wist] te blasen na den bevele des Heeren in sijnen huysequot; \'). In 1590 kon dan ook van hem worden getuigd, dat hij der gemeente te Utrecht „veel Jaeren seer getrouwelicken gedient haddequot; 1).

Behalve in de Nederlandsche, bediende Helmich in Utrecht ook jaren lang het Woord in de Pransche taal. Daarover nu een enkel woord. Zeer waarschijnlijk in 1582, kwamen in Utrecht een aantal Walen, die hunne namen aanvankelijk in de lidmatenboeken der gereformeerde gemeente lieten opteekenen en eerst in 1586 eene eigen kerkformatie schijnen gekregen te hebben2). Echter is reeds in 1583 voor hen gepreekt in de „Waalsche sprakequot;; want niet in de St. Janskcrk, die eerst was aangevraagd, maar in de Regulier- of Weeskerk deed op 21 Januari 1583 voor hen een „sermoen in franchois Helmichius, die „verclaertquot; had „tevredenquot; te zijn, „sulox te doenquot; 3). Een tijdlang heeft hij toen alleen Waalsche beurten waargenomen ; werd vervolgens tijdelijk geholpen door ds. Chretien de la Qnewellerie uit Gent; terwijl Wtenbogaert zich, kort na zijne bevestiging in Utrecht, door „stereke aenporringe D. Werncri Helmichijquot;

1

In eono Remonstrantie aan de Hoeren Staten en Z. Excell. in den Haag, over de kerkol. troebelen te Utrecht in 1589 (genoemd in Reitsma en van Veen, a. iv., Dl. II, blz. 378, en meegedeeld in de Handell. van lt;1e vgedeputt.quot; der Synode in 1500, aanwezig in liet O.-A. d. N. II. K., Nr. 31, A), nemen de »deputatenquot; der Z. H. Synode dit op, als een getuigenis wder Kercke tot Utrechtquot;.

2

Kist en Royaards, a. iv., Dl. XVIII, blz. 273 vg., en 295—308: en »Bulletin de la Commission pour VHistoire des hglises Wallonnesquot; Tome trois. ie livr. (La Haye 1887.) p. 2—6; 2e livr. (La Haye 1888.) p. 114.

3

Helmich doelt hierop als hij in zijn brief d.d. 26 Febr. st. v. 1583 {W. d. S. Ill, Dl. IV, blz. 37—39) melding maakt van den «recens Gallicarum concionum onus.quot; quot;Wat Ersch und Grüber, Allgemeine Ency-clopadie, i. v. Helmich, zeggen, dat hij in 1579 wder erste evangelische Prediger zu Utrecht an der Wallonischen Kirche warquot;, is dus onjuist.

-ocr page 44-

32

„gebruyckcnquot; Hot om ook ilio gereform. Walen te „bedienenquot; \'). Tot :ian hunne afzetting in 1589 hebben zij toen te zamen deze Waaleclie vluchtelingen door hunne prediking geholpen.

Aldus is mede door Heltnich\'s arbeid de Waalsche gemeente allengs zelfstandig geworden; gaf hij door dien hulpdienst, zonder eenig salaris daarvoor to genieten 1), blijk van bereidwilligheid om broederen te stichten, die, in Nederland wonende, geen Nedorlandseh verstondon en leverde hij opnieuw hot bewijs „qu\'il eüt do l\'éruditionquot;.

In hot belang van die Walen werd op de Waalsche Synode in 1585 te Leiden gehouden ■\'), ook aan Helmichius opgedragen om met Monsgr. Barcon te spreken over het onderhoud vau don Waalschen leeraar, dien deze vroeg, en voorts over die zaak advies te vragen aan do kerken van Amsterdam en Leiden. In 1588 hoeft hij met den ouderling Jean Croutels do Waalsche gemeente zelfs vertegenwoordigd op de Waalsche Synode, die in dat jaar te Haarlem bijeenkwam \').

Twee jaren vroeger, in 15811 —- hetzelfde jaar, waarin hij volgons Schotel ) weer in aanmerking kwam voor een professoraat te Leiden — was Helmichius lid geweest van eene niet minder belangrijke synodale vergadering. Hij werd 2 12 Juui met Moded, door de Provinciale Synode van Utrecht gedeputeerd naar do Nat. Synode der Nederlandsche

1

]-)r. G D. J. Sebotel, Ken studenten-oproer in 1594, blz. 26. Vgl. noot op 1)1/. 95. Ik beb dit nergens elders gevonden. Ook kon ik dr. Schotel niet controleeren, omdat bjj de bron niet aangeeft, waaruit hij dit putte.

-ocr page 45-

33

gereformeerde kerken „van boyder talonquot;, dio tegen 20 Juni n. s., met autorisatie van Leycester, „binnen \'s Gravcii-IIaghequot; bijeengeroepen werd l). Ter Synode zelve heeft Helmichius liet zeer druk gehad, omdat hij tot eenig scriba2) werd gekozen en toen, van het gewicht zijner taak diop doordrongen en vervuld met de begeerte om nauwkeurig en volledig te wezen, „allo de degelicksche actenquot; opgeteekond heeft „so vele hy mot de penne heeft kunnen „achterhalenquot; 3).

Toch was hij er niet blij mede dat de vergadering, na zes zomerweken bijeen geweest te zijn, Vrijdag 1 Augustus gesloten werd op aandrang van sommige leden, die „seer urgeerden om te vertreckenquot;. Veeleer betreurde en gispte hij later dat „haestenquot;, waarvan het gevolg was geweest, dat allerlei punten niet „tijdelick gesteltquot; waren geworden; „wij dragen nu alle (zoo klaagt hij in September) de straffe en het ongeryff vande overgrote haesticheyt van sommige; nu ist mot ons; Fronte eapillata, post est occasio cal vaquot; \').

Een jaar later begon hij aan het „oversion ende geheel int nette te stellen \' van de „actenquot; der Synode en vroeg toen, „zoowel over de manier van uitwerking bij eene der hoofdzaken, als over de juiste bewoordingen van een paar bijzondere punten\' het advies van den assessor, omdat hij er van overtuigd was, dat do „acten eens Nationalen Synodi verre zagen en opdat die „te suyverderquot; mochten zijn. Tot zijne eere kon dan ook door een bevoogd beoordeelaar getuigd worden : „onder al de Nedorlandsche Synoden van de 16o eeuw is er zeker wel geene, aan wier notulen zooveel zorg besteed is, als aan de acta der Haagsche Synode van

quot;O W. d. S. II, Dl. III, blzz. 487, 514 vg1., 528. Eene opmerking;

van Helmich over afvaardiging naar kerkvergaderingen vindt men in I/ . tl. M.-V., S. III, Dl. IV, blz. 278.

-) Jacobus Kimedoncius was praeses, Arnoldus Cornelisz assessor. Zie dr. Reitsnia, Geschiedenis i\'ttn dc Jfervonniny en de if\'\'i\'t\'Ot\'»/dc blz. 1H9.

3) W. d. M.-V., S. II, Dl. III, blz. 481.

4) 11. d. M.-V., S. III. Dl. IV, blz. 53—55.

3

-ocr page 46-

34

1586quot;i). Te meer jammer is liet daarom, dat al die arbeid weinig vruchten heeft gedragen, omdat de bedoelde Acta spoedig zijn verdwenen en het tot nu toe niet gelukt is, ze weer aan don dag te brengen 2).

Overigens kwam die late uitwerking der Acta niet van Helmich\'s zuimachtighcid na de Synode, maar door gebrek aan tijd. Hij had er zich niet eerder toe kunnen „begevenquot;, „mits verscheyden ende geduerige seer beswaerlicke occupationquot;. En dat dit goene ijdele uitvlucht was, kan eenigs-zins worden opgemaakt uit hetgeen ons van die „occnpaticnquot; in het eerste jaar na de Synode bekend is, te weten: het medehplpen aan de redactie van allerlei stukken, die tor Synode niet klaar waren gekomen en toch zoo spoedig mogelijk in gereedheid gebracht moesten worden1); het mede tot stand brengen van de reformatie der „particuliere scholenquot; in do stad Utrecht, „na de voet van sekere instructie, die gedresseert (was) na de gemeeno schoolordeninge die in

1

Met do kerkenordening en eene «gemeene schoolordeningequot; was men 0. a. klaar gekomen, terwijl de onafgedane stukken, na afloop der Synode door gedeputeerden moesten gesteld worden. Eene nRemonstrantie aan Leyceater, over een aantal puntenquot;, welke door Helmichius in zijne brieven meer dan eens wordt genoemd, zal daarvan wel bet voornaamste zijn geweest. Zie voor dit alles, dr. Eutgers, «Acta van de Nederlandschn Synoden der zestiende eeuwquot;, (in W. d. M.-V., S. II, Dl. III), blzz. 483, 023, G27—643; over het gereed zijn der kerken- en schoolordeninge vóór de sluiting der Synode, bepaaldel. blz. 483 en G38 vgg. Het is niet bekend wie door do Synode zijn aangewezen, om de nog niet gestel Ie stukken in gereedheid te brengen. Toch denk ik, dat Hclmich, die scriba was geweest, er wel een van geweest zal zijn; wat bevestigd wordt door hetgeen hij schrijft: «aengaende de alimentatie van de Dienaren, daervan hebben wy een concept oft een voet geraemtquot;, en evenzoo door de correspondentie, die met hem is gevoerd over de remonstrantie aan Leycester; men schroef hem kort na de Synode «ernstich om bescheydtquot;, waarom die «artyckelenquot; aan Z. Exc. nog niet waren «overgegevenquot;. W.d.M.-V., S. III, Dl. IV, blz. 53 en 55; en S. II, Dl. III, blzz. 548, 024 en 035\'.

-ocr page 47-

35

Synodo was gesteltquot; — door welke reformatie volgens „l\'Iel-raioh „rottenestenquot; waren verstoord \') —; zijne bemoeienis voor de „schole St. leronymnsquot;, in wier belang hij zelfs in November 1586 naar Leeuwarden is geweest, teneinde Arcerius, die daar toen predikant was en vroeger reeds tot rector der Hieronymus-school was benoemd, tot overkomen op te wekken1); en eindelijk, niet het minst de pastorale werkzaamheden waaraan te meer tijd en zorg moest worden besteed, omdat de samensmelting van „de kereke St. Jacobs ende consistoriequot; nog zoo nieuw was, wijl die eerst op de Haagscho Synode definitief was gemaakt2).

Een zeer eigenaardige taak werd in 1588 mede aan Helmich opgedragen. Jlet nog twee andere predikanten word hij toen naar Engeland gezonden, om bij Koningin Elizabeth do belangen der Nederlandsehe gereformeerde kerken te behartigen en haar uit dien hoofde don vrede met Spanje, waarover toen gehandeld werd, te ontraden. In 1586 en 1587 was er al over beraadslaagd of men niet „eenigen wt den name der Kercken naar Engellandtquot; zou zenden, om H. Majesteit te danken voor het goede werk, dat God door haar in do „ Vereen ichde Provintienquot; begonnen had, en haar te verzoeken „dese landen ende Kercken Christiquot; ook voortaan „in hare be-schermingequot; te nemen 3). Helmich was niet tegen dergelijke

1

JT. d. M.-V., S. III, Dl. V (2o st.), blz. 263 vg.; Kr on ijk van Utrecht, blz. 31; en v. d. Aa, Biogr. IVoordenh., i. v. Joh. Arcerius. Reeds in Februari 158G was men in Utrecht bedacht op reformatie der »schola Hieronimiana ad normam et regulam Calvini.quot; Zie Kronijk van Utrecht, t.a.p.; en W. d. M.-V., S. III, Dl. IV, blz. 57 vg.

2

W. d. M.-V., S. II, Dl. III, blz. 606.

3

iv. (I. M.-V., S. Ill, Dl. IV, Wz. 58; en S. II, Dl. Ill, biz. G38 vgg.

-ocr page 48-

36

„sendingequot; en oordeelde, dat ook niemand dat „qunAijck nemenquot; kon, dcwijle het „mere Ecclesiasticumquot; was „ende tot conservatie vande Religie ende onse Kercken diende 1).

Toon nu in 1588 vernomen werd, dat Elizabeth den vrede-handel tusschen Spanje en Engeland, reeds in 1586 begonnen, ijveriger dreef dan ooit te voren2), waren de predikanten in Utrecht beducht, dat die vrede wel eens tot stand zou kunnen komen met krenking van de rechten der gereformeerde religie, en werd op initiatief van Utrecht s kerk eene vergadering gehouden door een aantal predikanten uit hot geheele Sticht, om te delibereeren of nu niet uit naam dei-kerken oen gezantschap naar de Koningin moest gezonden worden, ten einde Haar te verzoeken don vrede met Spanje niet te sluiten ten koste van de openbare godsdienstoefening, ook al werd de conscientie-vrijhcid gehandhaafd. Do missie werd goed en noodig gevonden. Friesland, Overijsol en Gelderland werden ook voor het plan gewonnen, en Helmi-chius met Sopingius door do drie laatstgenoemde provincie\'s en door Utrecht met de zending naar Engeland belast3). Hoewel deze „sendingequot; nu niet geheel en al „more Ecclesiasticum\'\' was, maar eenigszins een politiek karakter had, had Helmich toch geen bezwaar de opdracht te aanvaarden, omdat hij niet van gevoelen was, „dat de Predikanten in allen dingen,

«altera Esthera ad glailios a jugulis auorum fratrum removendosquot;; waarom zij dan ook bedankt werd voor de zending van Leyeester en met liet oog op de verdere hulp, die begeerd werd, in zeker opzicht toi haar werd gezegd, wat tot Paulus in oen goddelijk gezicht was gesproken: »Trajice et sueeurre nobisquot;. In l ■ \'87 is Moded naar Engeland geweest in \'t belang van kerk en Staat. Zijne credcntie-brief was mede door Helmich geteekend. Bor, «.»•., Dl. II, biz. 8C2 vg. Vgl. II\'. lt;1 M.-V., S. Ill, Dl. IV, hlz. 07 vg.

1) li\'. (1. M.-V., S. III, Dl. IV, hlz. 69.

2) R. Frnin, ytTien jaren uit den 80~jari(/en oorlof/quot;, 1588—1598, \'s-Gravenhage, -1882, blz. 4, 8 en 1G.

3) Bor, o. IC., Dl. III, blz. 251 vg. Vgl. Brandt, ^Historie der Reformatie (2e dr., Amsterdam, 1077) Dl. I, blz. 748 vg., waarom de kerken in Noord- en Z. Holland niet meededen aan de missie.

-ocr page 49-

37

oock die polityck sijn, ende \'t gemeene welvaren betreffen, dacr aun ooek de Korokc hangt, sioudo blint moeten s;ju, ende, als off sy daer niet en waren, in allen dingen altj\'t stil souden moeten sitteu ende swijgen, onder dccksel dat haer officie niet polityck is: \'t gemeene welvaren — schrijft hij verder — gaet allo borgeren te glijek aen ende \'t welvaren der Repnblyeke brengt gomeenlick mede liet welvaren vande Kcrckequot; \'). Helmich en Soping gingen 15/25 Mei op reis; begaven zich over Dordt naar Zeeland cn whisten het daar na veel bedisselen — Helmich is naar Tolen, Goes on Bergen-op-Zoom geweest om predikant of Classe voor hun doel te winnen — zoover te brengen, dat 10 Juni op de buitengewone Synode der Zeeuwsche kerken besloten werd, vanwege Zeeland nog een derden legaat aan do beide deputaten toe te voegen. Als zoodanig werd Daniel de Dieu aangewezen.

Aldus drie man sterk, stak dit kerkelijk gezantschap eenigc dagen later do zee over en kwam 21 Juni in Engeland aan. In Londen werden zij voortgeholpen door den Franschen predikant La Fontaine, die hen naar \'t Hof bracht, waar zij allereerst met den Graaf van Leycester konden spreken, hem het doel hunner reis konden bekend maken en den bijzonderen dank van Utrecht overbrengen voor zijne bevordering der religie, met name in Utrecht. Leycester prees hun voornemen. Later ontmoetten zij Wal-singam, Elizabeth\'s eersten secretaris, die ook met hun plan was ingenomen en hen met raad diende. Uit de hun meè-gegevcue instructies stelden toeu de drie gedeputeerden een kort „Vertoochquot; op, dat zij der Koningin mot eene korte toespraak wilden overhandigen.

1) ir. (I. M.~ V.. S. III, Dl. IV, blz. 68. Vgl. C. M. v. d. Kemp, nDe cerc der N. II. Kerk gehandhaafdquot;, Dl. II (Rotterdam 1830), blz 88. Later, in 1605, schreef Helmich (II\'. cl. il.-V., S. Ill, Dl. IV, blz. 261): »De Polityckheyt bederift Teele luyden, «Is die te breedtgenomen wordt: ende die is glijok een werrepoel in veele resolution ende handelingen, die anders boter afflopeu souden.,1

-ocr page 50-

38

Op 15 Juli hadden zij oven do gelegenheid het geschrift te presonteeven. Zij boden in dat adres aan H. M. allereerst den oprechten dank aan voor de weldaden, die zij aan de Nedcrlandsehe kerken had bewezen, bijzonderlijk door do zending van Leycester; ontwikkelden verder de bezwaren, die de kerken duchten in zake den vrede-handel met den Spaanschen vorst, die een vijand Gods was; en verzochten eindelijk „dat in allen gevalle, die vrije oeffening der suivre Gereformeerde Religie, in de vereenigde Nederlanden (met uitsluitinge van alle valsche oeffeninge) op generleij wijse vermindert, beschadigt, of in gevaer gestelt, maer in haer geheel bewaert wierde en bleeve, onder genoegsame versekertheden.quot;

Vijf dagen later ontving Elizabeth hen ten gehoore te Rochemont. De Dieu voerde voornamelijk het woord; Sopin-gius sprak het minst; Helmiohius antwoordde op desbetreffende vragen en opmerkingen van de Koningin: dat hij met Sopingius van Utrecht was; dat H. Majesteit vooral niet denken moest, dat de Nederlandsche gereformeerde kerken van gedachie waren, dat zij geene zorg droeg voor de religie, maar dat de kerken zich door deze missie van haren plicht meenden te kwijten, niettegenstaande zij de weldaden der Koningin jegens de kerken gaarne erkenden; en eindelijk, dat het stuk, haar aangeboden, in \'t generaal uit naam der kerken was getcekend, doch dat de deputaton wel bereid waren hunne namen er onder te zetten. Helmich moet bij die gelegenheid op de Koningin den indruk gemaakt hebben, dat hij nog al jong was. „Hoe, zeide ze o. a., is die jongeman (waarmee zij onzen bijna baardeloozen Wernerus bedoelde, die er nog al jeugdig uitzag,) ook Minister?quot; en vroeg hem tevens hoe oud hij was toen hij predikant was geworden. Het antwoord luidde: „23 of 24 jarenquot; \').

5) Dr. Rogge, J. Wtenbogacrt enz., Dl. T, blz. 37\': vermeldt dit ook. Ten onrechte zegt hij daar echter dat Wtenbogacrt {Kci\'ck. Hist. blz. 264)

-ocr page 51-

39

*

m

Een paar dagen na het onderhoud, dat zonder verdere bijzonderheden afliep, ontvingen do deputaten een schriftelijk antwoord, dat hun slechts ten deele beviel én omdat het „wat hertquot; was, én omdat de kern van hun „vertoochquot; er wel in was aangeroerd, maar niet volledig genoeg was weergegeven.

Zij overhandigden daarom aan Walsingam over dat hoofdpunt nog een apart stuk, om het ter gelegener tijd aan de Koningin aan te bieden. Voorts gaven zij hom een „dank-zegging-schriftquot; aan H. 31., voor de „goede en vriendelykequot; audientie en het „gunstige antwoordquot; over, namen afscheid van hem en Leycester, gingen weer scheep en kwamen 12 Augustus behouden in Vlissingen terug. De Dieu bleef daar, omdat hij „minister van Vlissingenquot; was; Helmich en Sopingius reisden samen verder „en zijn den 18™ tot Utrecht in goeder gesonthoyt aeiigecomenquot;\'). Aan Wten-bogaert gaf Wernerus „met groot vermaeck in \'t langequot; een mondelijk verslag van de reis, terwijl aan de kerken,

Helmichius 24 jaar oud noomt, toen hij mee naar Engeland ging, wijl daar ook, evenals in Bor, wordt meegedeeld, dat Helmich op 23 of 24 jarigen leeftijd predikant is geworden.

1) Wat ik van het wedervaren op reis en in Engeland meedeelde, is ontleend aan Bor, a. w., Dl. III, blz. 252—267. Vgl. Brandt, a. w., Dl. I, blz. 748—753. De datum van terugkomst in Utrecht wordt alleen opgegeven in het nCorf verhael vande Handelinge etide wedervaren der Gedeputeerden van ^meerderdeel can de hereken der vereeniehde Provintien, afgeveerdiclU aen hare Mi van Engellandt in den ja re 1588, volgende de insfrucfie)i. haerl. medegegevenquot; dat te vinden is in het O.-A. d. X. H. K., Cat. Nr. 1, 25. Dit verhaal is 25 bladzijden lang. Na vergelijking van die journaal met de berichten, die bij Bor voorkomen, kwam ik tot de volgende opmerkingen: Bor is soms uitvoeriger en heeft hier en daar iets, wat in \'t «cort verhaelquot; niet voorkomt; bv. wat Bor (III, 2G3) meldt over Elizabeth\'s opmerkingen omtrent Helmich\'s jeugdigheid, staat er niet in; wat Bor schrijft op blz. 265^, komt er natuurlijk ook niet in voor; de instructie, bij Bor op blz. 255—259, is er ook niet in opgenomen, maar alleen vermeld, dat de deputaten er een vertoog uit maakten; ))te voet vallenquot;, ))op knieën vallenquot;, bij Bor op blz. 260 en 262, wordt er niet in genoemd, maar eenvoudig gesproken van de «noodige reverentiequot;; het geschrift zelf, de dankzegging aan H M., de stukken van Elisabeth en Leycester, respectievelijk bij Bor op blzz. 260—262, 265«, 266 vg., staan ook niet in \'t »Cort verhaelquot;, maar zijn er als

v

(

-ocr page 52-

40

die hot gczantschap haddon afgevaardigd, eon schriftelijk rapport werd toegezonden l).

Wat de uitwerking der „sendingequot; was is moeielijk to zoggen, wijl de Spaanseho Armada al zeer dicht bij Engeland was, toen het driemanschap terugkeerde, en door do komst van die „onoverwinnclijko vlootquot; do vrede-handel dadelijk afgebroken was.

Na do reis naar Albion is Hclmichius niet zoo lang meer in Utrecht in dienst geweest. Toen hij aan quot;Wtenbogaert zijn wedervaren in Engeland had meêgedeold, zeido de laatste tot hem: „Ons hangt in defe Stadt een fwaer onweder boven quot;t hooft, hetwolck ons eerlang, immers tegen den tijdt van \'t veranderen van do Magistraet overstelpen zal,quot; en voorspelde, dat bij de e. k. „verstellingo des Magistraetsquot; eene verandering in de regeeriug zou komen, die tot groot nadeel van Utrecht\'s Nederduitsche gereformeerde kerk en predikanten strekkon zou. Dat „docht Helmichio ongelovolijokquot;, doch de uitkomst toonde de juistheid van Wtonbogaert\'s voorspelling In Oct. 1588 en \'89 werd do stedelijke llegeering beide malen veranderd in den geest der anti-Leycestersgezinden, zoodat in \'t laatst van \'89 nog maar een paar aanhangers van Leycester zitting hadden in de Magistraat3). En toen nu een deel dei-burgerij, dat zich mot de predikanten dor Nedcrduitsohe gereformeerde kerk nog steeds niet voroenigen kon, door dio

Bijlagen bij gevoegd. Daarentegen wordt in \'t slot van het »Cort ver-liaelquot; nog met oen enkel woord meegedeeld, dat aan de dopntaten gezegd was: ))Men moet in Nederland een goed vertrouwen stellen in Elizabeth.quot; Het »Cort verhaelquot; eindigt met de woorden, die bjj Bor op blz. 267a voorkomen: «sijnen sterf-dag te mogen aenschouwen.quot;

1) Wtenbogaert, Kerel:. Hint., blz. 267; en Bor, a. w., Dl. 111, blz. 266.

2) quot;Wtenbogaert, Kerck. Hist., t. a. p.

3) C. Hooijer, Oude Kerkordeningen, Zalt-Bommel, 1865, blz. 284 vg.

-ocr page 53-

41

Eaadsverandcring weer moed kreeg en de St. Jacobs-kerk terugvroeg\'), weigerden de Heeren van \'t Stadhuis wel dat verzoek, maar giugen zij henen en outslnegen do predikanten uit hun dienst. Graag zou de Magistraat gezien hebben, dat do predikanten eigener beweging waren heengegaan doch toen dat niet gebeurde, werd in November besloten, ze „voor sekeren tijtquot; af te danken; werden Oidenbarnevelt en de Prins in den arm genomen om Jeremias Bastingius uit Dordt en Gualtherus de Roy uit Leiden tijdelijk in Utrecht te krijgen 1); en nadat men verzekerd was van hunne overkomst, werd het besluit van 21 November uitgevoerd op 17 December2). „Onse wederpartijen [zoo schrijftHelmiehius nog denzelfden dag aan zijn vriend A. Cornelisz] hebben nu haren moet gecoelt ende ons op desen dach van huden alle vier te gljjek gelicentieert, straks van predicken op te houden, so dat ooek (als dit van den tweeën totten vieren namiddach geschiede) het avondtgebedt daermede ooek opgehouden worde: sondcr andere redenen te seggen, [waarop Helmich had aangehouden]3) dan dat wy hier geen vrucht en deden, ende dat mot onse personen de vereeniginge tusschen de twee gesintheyden van de kereke St. Jacobs ende Consistorie, niet en soudon kunnen in een gebracht worden, verclarende ooek dat sy degelieke, goede mannen souden

1

l^ogge, a. ie., Dl. I, blz. 49, vermoedt dat de Prins, de Staten van Holland en Oldenbarneveldt de hand er in gehad hebben. Uit de Handelt, can de w/edeputt.quot; der Z. II. Synode, in 1590 (O.-A. d. N. H. K., Xr. 31), bljjkt zeer duidelijk dat dit het geval is geweest Zie nug wat Basting betreft, M. W. L. van Alphen, Xieair Kerkel. Handboek, jaaxg. 1880, Supplem. I, blz. M.

2

Trigland, n.ir, blz. 341; en Wtenbogaert, Kerelcel. Hist., blz. 271. De afdanking bad dus plaats precies \'2 jaar, nadat Leycester afstand van zijn bewind had gedaan. V. d. Kemp, «De eere der N. II. Kerk gehandhaafd\', Dl. II, blz. 80.

3

quot;Wtenbogaert, a. w., blz. 272.

-ocr page 54-

42

gobruyokcQ. Dacr vielen voel propoosten, wy ons beklagende van het onglijck dat ons ende do Kercke geschieden. De Kcrcke, overmits sy sonder de solve te kennen, de Dienaers llcentieerden, wesende in haerl. geen wettelijcke macht, maer een geüsurpeerde. Onsluydon, overmits sy ons ongehoort op suspicion ende calumniën van onsen dienst ontsetteden. Dan het was voor een dooffmans duer geclopt.quot; De predikanten waren en bleven gelioentieerd met verlies van hun tractement en „binnen der Stad Uitrecht, of vryheyt van dienquot; mochten zij noch „in \'t heymebjk, (noch) in \'t open-bacr, racer loeren, prediken of het predikampt bedienenquot; \').

Ilelmichius is dan ook in zijne geboortestad niet weer op den predikstoel geweest. In 1591 en \'92 1) werd hij wel weer terugbegeerd door de „supplicerendequot; gemeente, doch de „Raedquot; vond dit — althans van de laatste maal is het bekend — niet goed en toen jaren later, in 1605, nogmaals „\'t voorslaohquot; werd gedaan, „of het geraden sonde syn de persoon W. Helmichij myn Heeren van de Magistraet voor te stellen om hem te versoecken tsy by leeninghe of be-roopinghc voor desc kereke, heeft de kerekenraet neffens

1

Utrechtsche kerkcrcmdsnotulen, Februari 1591; en Bor, a. w., Dl. III, blz. 746.

-ocr page 55-

43

Wtenbogaert, Matthisius fen] A. van den Borre, oondmch-telyck goet gevonden, dat men voor als noch daqr van supcr-sederen soudo, om scockere goede consideration de persoon en do dienst W. Helmichii niet naedeelich zijnde; niet tvvijfelende of by vervolch van tyd hetaelve boquamelyoken sonde konen ter weghe gebracht worden \'). Het is evenwel nimmer „ter weghe gebrachtquot;\'; Utrecht bleeft van „orna-mentumquot; beroofd 1).

§ 4. Ilelmichius te Delft.

Na zijno „afstellingquot; te Utrecht bleef Ilelmichius eerst nog met de andere predikanten in do stad. Hoewel diep gegriefd door de hun aangedane bejegening, gedroegen zij zich gelaten, kwamen onder \'t gehoor van de predikanten, die van elders gezonden waren om den dienst bij provisie waar te nemen en gingen van huis tot huis om de ontstelde lidmaten wat te kalmeeren 2).

üo Magistraat vond dat blijven minder aangenaam, maar dorst aan de gelicentieerdo dienaren toch ook geen bevel tot heengaan geven. Zij wist evenwel te bewerken, dat Prins Maurits de raadsheeren Leonard Casembroodt en Gerard van der Does naar Utrecht zond, om namens hem aan Helmichius en Wtenbogaert te verzoeken in den Haag te willen komen. Beiden voldeden daaraan 3). Üp 12 Januari

1

Voetius noemt Helmicli «patriae suae Ultrajecti ornamentumquot;; aangehaald door Burman, Traject, cnidit, i. v. Helmichius.

2

J. Wtenbogaert, Leven, KercJcelijcJce Bedieninghe enz., blz. 11. Vgl. Rogge, J. Wtenbogaert enz., Dl. I, blz. 51.

3

Utrcchtschc kerkeraadsnotulen, 2 Juni 1605. Vgl. //\'. d. lil.- V., S. III, Dl. IV, blzz. 251, 258, 281.

-ocr page 56-

44

1500 werden zij aan Z. Excellentie voorgesteld en vernamen van hem, hoe het in zijne bedoeling lag dat zij tot nader orde in \'s Gravenhage zouden blijven en daar „al te met prediken zoudenquot;. Een enkele maal ging Helmich toon in den Haag in den dienst dos Woords voor \').

Wel gaarne zou de kerk van Dordrecht hem nu tot „Dienaar van den II. Evangelioquot; gehad willen hebben, blijkens een verzoek door haar aan de Staten gericht, doch deze besloten 25 Januari, met advies van Maurits, dat hij, evenals Wtenbogaort, nog blijven zou „op de beroepinge van de Kerke van den Ilagcquot; 2). Men beriep daar echter den 14™ Maart laatstgenoemde 3); en toen dachten de Staten, welke in die beroeping gekend waren, er nog wel oven aan of men ook Helmi-chius in den Haag zou houden, doch beroepen werd hij niet4).

Lang zou hij evenwel niet meer buiten vasten dienst zijn. Op 26 Maart word de „beroepinghequot; naar Delft op hem uitgebracht5). Gewis oen aantrekkelijk beroep voor onzen Wernerus. De drie dienaren, met wie hij moest

Jilmjr. H\'oordenb.. i. v. Nug in 1007 laat Hulmichius diens ivoduwo — Sopingius is in 1502 te Breda gestorven, vrouw en zes kinderen achterlatende — groeten. Zie Brief van Helmich aan Abr. Muysenholius, d.d. 14 Mei 4607, (in Bijlage D); en Brief, bestemd voor de Z. II. Synode, d.d. 26 Oct. 1592, waarin om aanbeveling van Sopingius\' weduwe bij de Staten wordt verzocht door ds. Mylius uit Breda. O.-A. cl. N. H. K,y Nr. I, 7, blz. 26 vg.

1) quot;Wtenbogaert, Leven enz., blz. 11.

2) Kerkcl. Placaathoeh, Dl. II, blz. 91. Ook wilde de kerk van Dordt Wtenbogaert wel hebben.

3) J. Wtenbogaert, Leven enz., blz. 13. Vgl. Placaatboek, Dl. II, blz. 95; en E. Bourlier, Eqlise Wallonne de la Hai/e 1591—1891, La Ilaye 1891, p. 8\'.

4) Rogge, a. w., Dl. I, blz. 53\'.

5) 01\' vooraf het «oordeel ofte advjjs vande Classequot;, dan wel dat «van twee ofte drie Naest-gheseten Dienarenquot; is gevraagd (zie W. d. M.-V, S. II, Dl. III, blz. 488), kan ik niet meedeelen. De Acta der Classe Delft uit dien tijd kon ik niet vinden en evenmin kon mij daaromtrent nadere aanduiding gegeven worden door dr. A. Drost Dzn., pred. te Delft, die mij overigens alle stukken uit Delft, welke ik gebruikte, met de meeste bereidvaardigheid ter hand stelde.

-ocr page 57-

45

samomvorkon, waren hem „meestendeelsquot; bekend\'), zooals in den beroepsbrief stond2); de Kerkeraad in Delft ver-

1) In \'t bjjzonder wel een der drie, A. Cornelisz, Helmieh\'s «intimus, suavissimus atq ie dilectissimns fraterquot; al sedert jaren. //\'. lt;1. M.-V., S. lil, Dl. IV, blz. 44 vg.quot; Hehnich stelde, blijkens zijne brieven, altijd groeten prijs op diens oordeel. En dat men hem in Delft als den «primus inter paresquot; beschouwde, komt o. a. uit in eene droeve gebeurtenis, die in 1505 aldaar plaats had. Helmich deelt 10 Juli in de kerkeraads-vergadering mede, dat een broeder diaken zich aan verregaande onzedelijkheid had schuldig gemaakt, hetwelk hij wel eerst ontkend, maar later erkend had. De vergadering was beschaamd en ten zeerste bedroefd. Helmich en nog een broeder moesten hem bezoeken, opdat hij voor hen schuld zou belijden. Met tranen werd de zonde beleden; de Kerkeraad moest maar met hem doen wat goed was in zijne oogen. Dadeljjk werd hij »affghesteltquot; om tegen het e. k. nachtmaal nader over hem te beslissen. In de extraord. vergadering van 13 Aug. wordt dan «rypelykquot; over den gevallen broeder gedelibereerd en besloten, dat men zijn\' naam en het bedreven kwaad aan de gemeente zal bekend maken; tevens, dat het hem leed is gevallen te zijn in zoo zware zonde en dat hij »Godteu gemeynte om vergiffenisse bidtquot;, hetwelk hij met ))Jaequot; moet bevestigen. Vooraf zal men hem ter vergadering laten komen om van hem te vernemen of hij daartoe bereid is. En dan volgt in de notulen: ))En sal Helmichius dit alles aen Arnoldo — die toen te Amsterdam was — overschryven om sijn advijs daerop tc hooren. — Delftsche kerheraads-noUilen, (10, 17, 31 Juli en 13 Aug. 1595); omtrent welke oude notulen ik kan mededeelen, dat die van 24 Aug. 1573—27 Mrt. 1581 nog aanwezig zijn, terwijl zij dan tot 14 Nov. 1504 ontbreken.

De beide andere predikanten, op wie gedoeld werd, waren Petrus Johannis en Johannes van der Mylen. Zie Bleyswijck, Bcschnjvinge der Sfadf Delft, 1667, blz. 450, ofschoon daar, evenals in Boitet\'s Beschrijving der Sfadf Delftquot;, 1720, blz. 440, het sterfjaar van Petrus Johannis verkeerd is opgegeven, wijl genoemde Petrus nog in 150*2 op de Leidsche Part. Synode is geweest, zooals later blijken zal, en dus niet in 1500 overleden is.

2) Deze beroepsbrief is nog aanwezig in hef kerkeraadsarchief te Delft, Afd. I, Cd n0. 44. Ik neem hem op in Bijlage B. Uit den datum, 20 Maart 1500, blijkt, dat ten onrechte in het reeds meer genoemde Handschriff van Borger over Nederl. predikanten, aanwezig op de Bibl. der stedel. univers. te Amsterdam, i. v. Helmichius, de beroeping naar Delft in Dec. 1580 wordt gesteld, nadat eerst tot tweemaal\'toe 1500 is opgegeven.

Hoe groot het tractement van Helmichius zou zijn wordt in den beroepsbrief niet vermeld. Echter is dit van elders vrij zeker bekend. In 1503 was het stipendium der Delftsche predikanten wvjjü\'honderd kars guldens jaerlicks ende vrye behuysingequot;, zooals meegedeeld wordt in den »Beroep-briefquot; van Jac. Rolandus, d.d. 30 Aug. st. n. 1503, o. a. ge-

-ocr page 58-

46

trouwde dat hij mot dat drietal wel zou „conuen accorderen ende ommegaenquot;, eu kon hem bovendien verzekeren, dat de gemeente nu „XVIII iarenquot; lang, „van den eersten aenvanck der Reformatiequot; af1), „in sonderlingc rust,

teekend door Helmichius [opgenomen in Bijdragen tot de Oudheidkunde en Geschiedenis, inzonderheid van Zeeuwseh- Vlaanderen^ verzameld door II. Q. Janssen en J. U. vim Dale, Dl. 5, (Middelb. 1860), blz. 294 vgg. Vgl. Catalogue de Mannscr. et d^Autogr. de Van Voorst, Amsterdam, -1859, p. 192. Naar de op p. 219 van denz. catal. genoemde eigenli. attestatie(\'s) van Helmichius heb ik te vergeefs gezocht]. Voorts is in het kerkeraads-archief te Delft (Afd. I, La II n0. 5) een stuk uit 1594, door Helmichius geschreven, waarin de predikanten aan Burgemeesters verzoeken om verbetering van het tractement, dat toen al jaren lang »V^ gs sjaers neffens vrije huysingequot; bedragen had. In 1590 is het «onderhoudtquot; dus zeker reeds zoo groot geweest en Helmich dan ook op dat tractement beroepen.

Voor «teercostenquot; in den tijd tusschen zijne ontzetting in Utrecht en zijne komst ))in ordinaris dienstquot; te Delft, kreeg Helmich /quot;150 van de Staten. Kronijk van het Hist or. Genootschap, 30e jaarg.. Utrecht, 1875, blz. 189.

1) Met dien «eersten aenvanck der Reformatiequot; voor wXVUl jarenquot; is zeker gedoeld op de opening van de Nieuwe Kerk voor wdie van de Gereformeerde Religiequot;; hetwelk 3 Aug. 1572 geschiedde. Zie Boitet, a. w., blz. 410. Vgl. over hetgeen vóór 1572 te Delft voorviel met betrekking tot de reformatie, H. H. Kuyper, «. w., blz. 271 vg.

In 1572 stelde men te Delft ))bij provisiequot; »kerk-meestersquot; en »Diaco-nenquot; aan om de »Aelmoezzenquot; in te zamelen en uit te deelen en eerst in 1573, enkele maanden na de bevestiging van ds. A. Cornelisz, zijn er ouderlingen en diakenen door de gemeente gekozen. In de kerkeraads-notulen staan daarvan de volgende bijzonderheden:

«Oct. Is besloten onder de broeders dat men met den eersten eene verkie-singhe van Ouderlinghen ende Diaconen houden sal. Doch hebben goet ghevonden dat Arnoldus ende Huich Jacobsz den burghemeesteren dit besluit der broederen aendienen sullen, niet om de vryheijt ende t\'reclit der kereke der Overicheyt te onderwerpen, maer alleen tot waerschou-winghe ende vermaeninghe dat se haer aen dese verkiesinghe als aen een nieu ende onghesien dingh niet eenichsins en stoeten, ende oock anderen naespreeckers den mondt stoppen.

novemb. 9. Hier volcht het schriftelick andtwoordt dat den broederen der Consistorie van myn Heeren ghegheven, ende oock bjj haer te boecke ghestelt is. Alsoo de Dienaers der ghereformeerde kereke in deser stede mijn Heeren den burghemeesteren aenghedient hebben dat het van uoode is wt der Grhemeijnte vercoren te worden ouderlinghen ende Diaconen tot toesicht der maniere ende wtdeelinghe der aelmissen volghende d\'in-settinghe der Apostelen ende t\' ghebruijck der oude Christelicke kereke, soo ist dat burghemeesters bij advijs van Schepenen in conformite vande

-ocr page 59-

47

Gode lof, gcdueriohlickquot; geweest was, en dat de Magistraat „een goet gevallenquot; aan hem had, zoodat hij in Delft een „vol genoegenquot; zou kunnen hebben. De beslissing viel dan

voorschreven Apostolische insettingho toeghelaeten ende gheconsenteert hebben, dat de Ghemeijnte vande Ghereformeerde Religie sal mueghen verkiesen ende stellen Ouderlinghen ende Diaconen ten fine als boven, mits dat die selve ouderlinghen ende Diaconen niet en sullen treden noch heur onderwinden in eenighe politique saecken, maer laeten die wereltlicke handt in haer gheheel, heur allejjn moeijende met het kercklicke regiment. Twelck die Dienaers der Ghemeijnte voorschreven beloven voortaen te doen, ghelijck als sij oock tot noch toe anders niet ghedaen en hebben.

Is besloten dat men Sondach naestcomende, welck is den 15 Xovembris de broeders der Ghemeijnte bijeen roepen sal voor de Consistorie, om haer voor te houden van de verkiesinghe der Ouderlinghen ende Diaconen te doen.

Ten eerste sal men verclaren hoe dat de Dienaers die duslanghe bjj provisie ghedient hebben wel overlangh begheert hebben van heuren last ontslaghen te sijn, ende andere in haere plaetse ghecoren te worden, maer dat men tot noch toe tot gheene verkiesinghe om ettelicker oor-saecken wille heeft connen comen.

Ten anderen sal men cortelicken verclaeren wat het officie des Onderlings ende Diaeckenschaps in heeft.

Ten derden sal men voorhouden wat forme van electie dat men houden sal. Dat naemelicken de broeders der Consistorie 16 personen benoemen sullen, wt welcke de broeders der Ghemeijnte t\' halfdeel, te weeten 4 Ouderlinghen ende 4 Diaconen verkiesen, die naemen derselve oordentlick op een briefken teijekenen, heur eighen naem onderaen setten (opdat men te beeter reeckenschap van de stemmen gheven mach) ende de Consistorie t\' sanderdaechs dat is den 16 Novembris overgheven sullen, Alwaer de broeders der Consistorie de stemmen ghetrouwelick vergaeren, ende der Ghemeijnte voorlesen sullen. Doch dewjjle t\' ghetal der Ouderlinghen ende Diaconen die nu vercoren worden, clein is, soo sal men de broederen voorhouden, als dat men noch een verkiesinghe van 2 ofte drie doen sal, nae dat men t\' Nachtmael des Heeren noch eens ghehouden ende wat meer verschots van broederen door Godts ghenaeden hebben sal. Hierby verstaende, dat de Dienaers die nu vercoren sullen worden, een jaer langh dienen sullen.

Ten laetsten soo protesteeren de broeders dor Consistorie, dat. hoewel men nu dese forme van verkiesinghe gebrujjekt dat een ieghelick onder der Ghemeijnte sijne stemme geeft, t7 welck nu, om datter niet veele broeders en sjjn bequaemelick gheschien mach, Nochtans wij de vrijhejjt behouden, als de Ghemeijnte door de ghenaede Godts seer ghewassen sul wesen, dit ghebruijck onderweghen te laeten, ende eene andere forme te ghebrujjcken, die inden kereken van Vranckrjjck ende elders ghe-bruijckelick is. Als dat de Consistorie seeckere mannen wt het midden

-ocr page 60-

48

ook naar don wensch der broederen uit. „By provisiequot; l) door Utrecht ontslagen en uog aau „geenige [andere] kerck verlooft ofte verbondenquot; nam Helmichius Delft aan onder dit eene voorbehoud, dat hij zich niet langer dan „voor een jaar ofte twee ten lanehstenquot; -wilde verbinden 2). Zeer spoedig 3) is hij toen zeker derwaarts verhuisd 1), driemaal der gemeente voorgesteld 5)) en in don dienst bevestigd6).

Nu is het jammer dat de kerkeraads-notulen uit Hel-mieh\'s eerste jaren te Delft niet moer aanwezig zijn, overmits, daar ook andere bronnen ontbroken, de bijzonderheden omtrent zijn\' arbeid aldaar, nu niet van den beginne aan kunnen worden medegedeeld. Evenwel is uit do nog overig zijnde notulen der laatste jaren en uit enkele andere gegevens uog wel iets op te maken over zijn

der Ghemcijnte kiest, die heur de bequaemste duncken te wesen tot Ouderlinghen ende Diaconen, ende die der Gliemeijnte voorstelt, opdat se met approbatie derselve Gliemeijnte aenghenomeii werden, soo daer gheen oppositie en valt iu 14 daeghen tjjdts.

1) quot;Wtenbogaert, Leven enz. blz. 12.

2) Dit komt voor in een\' brief uit het Delftsclie kericeraadsarchief, (Aid. I. L* CM nquot;. 43) d.d. 20 Maart 1592, door deu Kerkeraadgesehreven aan de profess. Trelcat en Beyma te Leiden, bij gelegenheid van Hel-mich\'s beroeping tot hoogleeraar. De Kerkeraad beantwoordt daarin lt;ie vraag tot hoe lang Helmichius aan Delft verbonden was en of hij niet meer nut zou doen als professor in de theologie dan als pred. te Delft.

3) Den juisten dag zjjner komst in Delft kan ik niet opgeven. Uit geen enkel stuk bleek mjj dit. Ook in een ^Register derghenen die professie vande Beligie ghedaen Jiehhenquot; te Delft, van 1580—1705, (opgenomen achter het eerste deel der kerlcernadsnofuien, Afd. I, L\'i li. nquot;. 1) waarin ook vele namen van lidmaten opgeteekend zijn, die »bjj attestatiequot; professie deden, dus van buiten ingekomen zijn. wordt de naam van Helmich en de zijnen niet genoemd.

4) Of Helmich daar dadelijk gekomen is bleek mij niet, doch hij woonde in 1594 »teghen over de oude kereke tot Delft.quot; Studiën en Bijdragen op V gebied der Historische Theologiequot;, verzameld door quot;NV. Moll en J. G. de Hoop Scheffer, Dl. IV, (Amsterdam, 1880), blz. 3G5.

5) Zoo was althans in 1G02 de «gewoontequot;. Delftsche kerkeraadsno-tulen, 22 April 1602.

6) De datum, waarop dat plaats had, zal wellicht wel opgeteekend zjjn in de kerkeraad snot uien, doch die van 1500 zjjn er niet meer, zooals ik reeds meedeelde.

-ocr page 61-

49

dieust als herder en leeraar in Delft, en over liet toenmalig kerkelijke leven aldaar in het algonicen.

Daaruit blijkt ons dan, dat hij „den tijt van twaelf iarenquot;, in Delft doorgebracht, de „leere dor salicheytquot; „onvervalseht gepredickt, oock mede grondeliek endquot; bequamelick den volke voorgedragen, ende do H. Sacramenten na d\'inatel-linge Christi trouwelick bedient hoeftquot;\').

Uit dien tijd is nog eene predicatiën-,censurequot; over, welke mede door hem is opgesteld, en waaruit dus eenigszins kan worden afgeleid, wat hij onder bediening des Woords verstond. Tot het mede-uitbrengen van die beoordeeling werd hij benoemd door eene Particuliere Synode. Do scriba der Haagsche Synode is namol. van 1590—1602 ook weer gedurig op synodale vergaderingen geweest, moest weer meer dan eens zitting nemen in het Moderamen, en werd bij hor-haling met de eene of andere opdracht belast. Zesmaal -) werd hij door de Delftsche Classe ter Partic. Synode afgevaardigd, waarvan hij niet minder dan viermaal in het Moderamen gekozen werd. Te Leiden leidde hij in 1592 als praeses de synodale vergadering en deed aan \'t einde „tot een besluyt dor gantschor actie een corte vermaninge in den synodo wt 1 Potr. 51), verhandelende vant oflitic der dienaeren ende herderen ende van de maniere der be-dieninge derselven, ende heeft de synode hom hyervan be-dauct.quot; In 1594 was hij voorzitter ter Rotterdamsche Synode; te Grorcum in 1595 assessor; en in 1598 nogmaals praeses, te

4

1

Reitsma en van Veen, a. tv., DL II, blz. 470. Soermans, a. w., blz. 241, geeft nog nader op als tekst 1 Petr. 5 :1—4. Tot het doen van zulke »corte vermaningenquot; zoowel bij het begin als aan het einde der Synode is voor \'t eerst in 1591 besloten. Reitsma en van Veen, a /r.. Dl. 11, blz. 421. Vgl. Soermans, a. iv.: blz. 240.

-ocr page 62-

50

Dordt1). Voorts werd hij in 1594 en \'95 door de Z.-Holl. Synode mede-aangewezen om te „correspondeerenquot; met de Synode van N.-Holland; in 1000 provisioneel tot „correspondentquot;\' naar de Synode van Ovorjjsel gedeputeerd2); in lbOO en 1601 „geordineertquot; tot visitator in de Classe van Delft3); terwijl hij in 1593, \'94, \'97 en \'98 1) tot de „deputaten der Synode behoorde, die namens haar verrichten moesten wat hun opgedragen werd, do loopende zaken moesten afdoen en op de e.v. Synode rapporteeren.

Deze „deputatenquot; nu gaven in 1598 2), naar aanleiding van een hun toegezonden „schrift inhouden twaelf predi-catienquot; als hun gevoelen te kennen, dat „predicationquot;, die met „stichtinge konni\' gedaen wordenquot;, minstens aan drie voorwaarden moesten voldoen; „daerinquot; moest „verklaringe van den voorgestelden textquot; gedaan worden, „leeringe daerwt getrockenquot;, en daarvan „applicatie gemaeetquot; worden 6). Mogen wij nu aannemen dat Helmich zelf op don kansel in practijk

1

Soermans, a. w., blz. 460.

2) Reitsma en van Veen, a. w, Dl. III, blzz. 24, 61, 456 (vgl. Dl. I, blz. 407); en Soermans, a.w.. blz. 244.

3) Reitsma en van Veen, «.// ., Dl. Ill, blzz. 150, 177. Vgl. blz. 4 over de tweeërlei verplichting dier visitatoren. Zij werden destijds in de Synode benoemd.

4) Soermans, a. w., blz. 229 vg.

2

0) De geheele «censurequot; luidt: »Baudarty schrift inhouden twaelf predication daennede hy bewyst dat Jesus is Messias overlesen syn. Is goe: gevonden hem schriftelyc te laten weten, dat ons niet geraden en dunct sulc schrift te laten wtgaen: gelye cock sulcke predication niet met stichtinge konnö gedaen worden, indien daerin geen verklaringe van don voorgestelden text en wort gedaen, geen leeringe daerwt getrocken noch geen applicatie gemaeet gelye in predication behoort te geschieden maor alleen tractaotswyse wort gehandelt van \'t voorgestelde point. Item dewijl daerin vele bewijsredenen wt de rabinö worde genome oii allorley tegenwerpingen dor Joodsche rabinö wederleyt. Item van don turckschon go-loove en vele impertinëte allegation dor schrifturo, allogorion, argutien etc. wtwysoïi do notulen daorop gemaeet.quot; Zie JlumUUnyen Oer synod, ïxleputatoiquot;, 8 April 4598, aanwezig in hei O.-A. d. X. H. K. Fol. 31, A.

-ocr page 63-

51

heeft gebracht, wat mede uit zijn\' naam als homiletische eisch aan een ander werd voorgehouden \'), dan ia hij blijkens de aangehaalde censuur over Baudartius\' leerredenen een prediker geweest, die bij den tekst bleef en daarover schriftuurlijk, onderwijzend en practisch preekte; bovendien door zijne kennis in staat om degelijk, door zijne godsvrucht om eenvoudig te wezen; ecu bedienaar des Woords alzoo, van wien men kreeg, wat in 1588 als het beste was aanbevolen1): „trouwe schriftverklaring, getoetst aan den regel des geloofs eu aan de klare bedoeling van Gods woord, om alzoo door praktische toepassing op het loven te geraken tot stichting der gemeente.\'\' En voegen wij hier nog aan toe, dat Helmi-chius, volgens het getuigenis van mannen van beteekenis, ook „welsprekendquot; is geweest 2), dan komt hij voor ons te staan als een leeraar, die in zijn\' tijd gewild was om den inhoud en do voordracht zijner predicaties, eu verstaan wij, dat hij in Leiden tot professor werd begeerd o. m. om de studenten te „oeft\'enen in propositionquot; 3).

Doch hij deed in Delft nog meer dan prediken. Met de andere kerkedienaars was hij „getrou en naerstichquot; „om goede opsicht op de Gemeente te nemenquot; naar eisch der kerkenorde. De veelzijdige werkzaamheid van don Kerkoraad met betrekking tot dat punt komt ten duidelijkste in de nog voorhanden handelingen uit. Op de zuiverheid en getrouwheid der lidmaten in hunne belijdenis werd nauwkeurig acht gegeven. Gedurig werd er in de kerkeraadsvergadoringen 4)

1

Door Gellius Snecanus. Zie dr. J. Hartog, Geschiedenis van de Predikkunde, enz., 2e dr., Utrecht, 1887, blz. 35.

2

Zie de getuigenissen van Trigland en quot;Wtenbogaert in Burman, Traject, erud., p. 131.

3

Reitsma en van Veen, a. w., Dl. 11, blz. 448.

4

Deze werden minstens eenmaal per week, op Maandagmiddag om

-ocr page 64-

52

gesproken over zulken, die „zondigden tegen de zuiverheid der Leerquot;; weinig tot de gemeente kwamen om Gods quot;Woord te hooren en do Sacramenten te gebruiken ; wel eens secta-risohe vergaderingen bijwoonden; soms zelfs neiging openbaarden om de „religiequot; te verlaten en zich tot de Roomschen of Dooperschen te begeven. Zulke leden ontbood do Kerke-raad dan voor zich, of hij wees een of meer broeders aan om ze te bezoeken, teneinde hen beter te onderrichten, tot standvastigheid te vermanen of tot wederkeeren te bewegen; en zag hij dan niet zelden, dat de onderwijzing, vermaning of berisping hielp, soms moest hij ook tot uitsluiting uit do gemeente voortvaren als de openlijke afwijking in en van de Leer met hardnekkigheid werd volgehouden

Ook Helmichius is toen gedurig alleen of met nog een of meer broeders benoemd om dezen of genen te bezoeken. Zoo moest hjj — om enkele voorbeelden te noemen — „somwylcn met Heyndrick franssen Joost Jacobszquot; aanspreken, „hem onderwysende in sijn dwaelinghe daerdoor hy dryft de algemeyne genaedequot;; eene vrouw vermanen, die

2 uur, iu de Nieuwe Kerk gehouden. De predikanten waren bij toerbeurt praeses. Do diakenen vergaderden in den regel apart, in de Oude Kerk. Nu en dan was er vergadering van den broeden Kerkeraad, als de diakenen wmaentreeckeningliequot; doden ol als er een predikant zou beroepen worden. In bijzondere gevallen werden ook de broeders, dio te voren in den dienst waren geweest, ter vergadering gevraagd. Delftsche herkeraadsnotulen, 4, 11 Sept., 13 Nov., 4 Dec. 1595; 12 Mrt., 2G Sept. 1596; 10 Jan., 12 Juli 1598; 17 Aug. 1601; en ^Ordonnantie in den Ker-ekenraedt te houdenquot;, aanwezig in het Tcerkeraadsarchief to Delft, Afd. I, L» O, nü. 2.

1) Onder de stukken over Coolbaes in het kerkeraad sar chief te Delft, Afd. IV, Li A, n0. 16, bevindt zich eene lijst van de )gt;grote censurenquot;, die »langs 3 trappen tot de afsnyding toequot; geoefend zijn, over de afwijking «van de Gereformeerde kerke tot scadelycke gevoelens en kwade secten van menniston, wederdopers, papisten on dergelykequot;, uit de jaren 1574—1724. In Helmich\'s tijd te Dolft werden 4 afgesneden. Gevallen van afsnijding om )gt;ergernis in \'t levenquot; worden op die lijst niet vermeld. Zij kwamen wel voor, doch de lijst geeft «alleen de exempelenquot; van tucht over de Leer aan.

-ocr page 65-

53

beschuldigd werd dat „se wt het bloedt waersegghenquot; wilde; een broeder opwekken, die „weinich in \'t gehoor des godde-licken woorta, Yeelmiu aen de taefcl des Heeren gesienquot; werd; „soeeken te sprekenquot; met de vrouw van „Arien do slotemaeckerquot;; die door haar man „van kerckequot; afgehouden werd, en haar „tot standtvasticheytquot; aanmoedigen; van een broeder vergezeld, eenquot; man en vrouw „aensprekenquot;, die zich om hun oom, „een paepquot;, van de kerk vervreemden; een broeder, die eene Eoomache vrouw had getrouwd on toen de „religiequot; had verloochend tot bekeering manen; „ondorsoeckenquot; of iemand, van wien velen dachten dat hij „wederdooper in syn hartquot; was, wel iu de kerk kwam1quot;).

Dat „toesicht op de Leerequot; kwam nog op andere wijze uit, toen enkele broeders, die zich, op den dag des Heeren, na de preek wilden oefenen in Gods Woord, en daartoe elkander vragen wilden opgeven uit den Catechismus, waarop ieder dan naar zijn vermogen moest antwoorden, m. a. w. dus een „gezelschapquot; wilden beginnen, en nu aan het „consistoriequot; vroegen of „haer dat behaegde, om er dan order op te stellen,quot; van den Kerkeraad ten antwoord kregen, dat hij „haere byeencompste toestondt midts by deselve altyt een dienaer sonde tegenwoordich wesen; en sy soude geroguleert worden nae sekere wetten by den kerekenraedt te ordonnee-ren en dit alles by provisiequot;. „Helmichioquot; werd „opgcleydt sekere wetten te bewerpenquot; voor die „exercentenquot; 2).

1

Délftsche kerkeraadsnohden, 20 Apr. 1598; 5,12 Jun. 1600; 17 Mrt. 1597; 29 Mrt., 17 Mei 1509; 19 Jun. 1600; 17 Apr. 1595, ISFebr. 1602. \'2lt;l Juli, 5 Aug. ir.96; 22, 20 Juni 1508; en 3 Apr. -1590.

2

Uit do notulen blijkt, dat de wexercitiequot; 9 Oct 1595 is aangevraagd, maar dat eerst 27 Nov. d a v. permissie is gegeven tot het houden van het gezelschap en dan in «der diaconen kaemer in oude kercke.quot; De predikanten hadden zich in dien tusschentijd goed op de hoogte moeten stellen van de bedoeling der «exercentenquot;. Vgl. over zulke gezelschappen, dr. H. H. Kuyper, a.ic., blz. 401\'. Het geval in Delft herinnert tevens aan de oude «profetiënquot;, die in de Jö11 eeuw in Londen en elders werden gehouden. Zie a. w.% blzz. 294, 309.

-ocr page 66-

54

Voorts werd, evenzeer als op de Leer, door den Kerkeraad met nauwgezetheid acht gegeven op de „vromigheid des wandelsquot;. Vernam men van oneenigheid of losbandigheid in het huisgezin, of had iemand zich in twist, burengerucht, drank, laster of anderszins verloopen, dan werd de schuldige of voor den Kerkeraad geroepen of door eene deputatie namens hem opgezocht en vermaand. Met bijna onuitputtelijk geduld werd getracht de dwalenden terecht te brengen. De Kerkeraad toonde te verstaan, dat tucht niet diende tot neder werping, maar tot opiouwing Bemerkte hij echter na vele vermaningen geen betering, maar voortdurende openlijke ergernis des levens, dan werd ten slotte de „wterste remediequot;, de afsnijding, aangewend.

Aan Ilelmichius werd zoo — om ook hiervan een paar gevallen te molden — opgelegd, eene vrouw te hooren

„teghen haer manquot;, die haar beschuldigd had van----2);

oen broeder te vermanen „om de ongesohicktheden en on-eerlyckheden in syn huis van syne kinderen bedreven3); een lidmaat aan te spreken, die „lasterdequot;, „ydel in montquot; was en „loelycke propoostenquot; had gebruikt\'); iemand aan te zeggen, dat hij zich „om der stichtinghe wilquot; zou onthouden van de tafel dos Heeren 0); hij moest den een vermanen „tot den vrede mette buerenquot;; een ander bestraffen om „dronckenschapquot; ^; nu eens leden der gemeente bezoe-

•1) 2 Cor.

2) Delftsche kerkeraudsnotnlen, 11 Apr. 1506.

3) nWevoltsche pracht, wellust en ongesoliioktlieytquot; worden opgenoemd uls do zonden der kinderen. Notulen, li», 28 Juli 1507.

4) Delftsche kerkeraadsnotulen, M Mei -1590; en 7 Febr. 1600.

5) Delftsche herheraadsnotnlen, 24 Febr., 5 Juni 1505; 14 Febr. 1600; en 26 Mrt. 1601. Vóór elk nuclitmnal werd geregeld «visitatiequot; gedaun bij hen, die tot de tafel des Hoeren waren toegelaten. Zie ».Vhntite van de antwoorde op \'t versoec vun die van Amstei\'d. in Junio 95, te vinden in het kerkeraadsarchief te Delft, Afd. 1, L;i C*5, n0. 47,

6) Delftsche kerkeraadsnotulen, 21 Febr. 1600; en 14 Jan. 1590.

-ocr page 67-

55

ken om „danssenquot;, om „faillissementquot;, of om „kwaed gerucht over schuldenquot;1); dan weer moeielijkheden uit „overspelquot; en andere „houwelycksche saeckenquot; ontstaan, mede helpen beëindigen 2).

Met den Kerkeraad zette hij dus ter dege het hart op de kudde.

Daarbij kwam nog, dat hij ter handhaving van de bevoegdheden dos Kerkeraads, ter behartiging van de belangen der gemeente, of ter bevordering van Sabbaths-heiliging enz. gedurig mee moest naar kerkmeesters en Magistraat. Zoo moest hij — ook hier vinde een enkel exempel vermelding — o. a. met nog een\' broeder de bevreemding van den Kerkeraad te kennen geven aan de kerkmeesters over hunne handelwijze, toen zij een „sieckbesoeckerquot;, die tijdens de pest was aangesteld en een „kerckelycke persoon\'\' was, over wien de Kerkeraad te zeggen had, hadden ontslagen l); bij de Magistraat er op aandringen, dat zij de beroeping van een predikant toch niet verhinderde, opdat de gemeente geene

1

Délftschc Jcerkeraadsnotulen, 31 Mei 1599; 14 Febr. 1600; en 22, 29 Jan 1590.

2

Dclftsche Kerkeraads notulen, 28 Nov. 159i; 15 Jan. 1595; en 11 Nov. 1596. De notulen van 29 Mrt. 1599 geven een\' blik in de )gt;vele desorderen die daer daeghelykse vielen inde houwelycken en houwelycksche saeckenquot; in de stad Delft. Helmichius moest dan ook met de synodale wdeputatenquot; bespreken of men niet »aen magistraetquot; verzoeken zou »eenighe ordonnantiequot; te maken, om dien «leelijeken handelquot; te verhinderen; en dan »by provisiequot;, omdat een «Placcaet der Heeren Staetenquot; over die wsaeckenquot;, wel beloofd, maar nog niet gegeven, toch nog verwacht werd.

-ocr page 68-

56

scliade leed -); met de diakenen aan de Hoeren op hot Stadhuis vragen om „loopende middelenquot;, teneinde de finan-tiëele last der kerkelijke armverzorgers verlicht werd -); bij

1) Deze predikant was Johannes Bernardi Voorburg-, in de notulen van \'iS Apr. 1597 »barendtsquot; genoemd. Hij stond toen te Overschie; is in Mei 1597 beroepen; douh, hoewel hij de roeping aannam, eerst in 1599 gekomen, omdat Overschie hom niet eerder wilde loslaten. Nqtulen 6 Mei, 15 Dec. 1597; 4 Mei, 8 Juni, 13 Juli, 30 Oct. 1598; en 29 Mrt. 1599. Vgl. Boitet, a. w., blz. 440; en W.d M.-V., S. 111, Dl. IV, blzz. 102, 167,178,180,184.

Behalve dezen Barendts kwamen nog te Delft als predikanten in de jaren van Helmichius: Daniel van der Dolegen, gekom. 1590, gest. 1605. Boitet, a.tv.y blz. 440; Jac Roelandi, — een der latere assessoren te Dordt in 161819 — gek. 1504, vertrokken naar »franckendaalquot; in 1598. Do Kerkeraad had hein gaarne willen houden, doch hij wilde weg om »syne swackheyt en toch swaere diensten,quot; zoodat hij eindelijk «op sijn vrije voetenquot; gesteld zijnde, ))om te gaen off te blijven nae syn believenquot; vertrokken is. Notulen, 15, 21 Juni, 6, 9, 12 Juli 1598. Boitet, t. a. p. Adrianus Drogius kwam in 1601 als proponent te Delft en stierf er reeds in 1602. Notulen, 26 Febr., 23, 27 April, 4, 21 Mei 1001. Boitet, t. a. p. Dat de onderlinge verhouding tusschon Helmich en do andere dienaren steeds goed was, bljjkt uit den beroepsbrief van Jac. Rolandus; (aango-haald op bladzijde 45*); uit de pogingen, die Helmich, Cornelisz en van der Dolegen in 1598 aanwendden om de wgagiequot; van br. Roelandus met »200 guldensquot; verhoogd te krijgen, wijl hij een groot gezin had, zonder dat zij voor zich zelf op »vermeerderinghequot; aandrongen {Notulen, 9 Maart 1598); en voorts hieruit, dat Helmich in 1602 van Amsterdam uit zijn wlibrum Amicorumquot; aan Cornelisz zendt met hot verzoek, dat hij en wallequot; «medebroedersquot; daarin hun «handt stellenquot;. W. d. M.-F., S. Ill, Dl. IV, blz. 106. Vgl. blz. 128. Zie ook nog ff. d. S. III, Dl. V

(3e st.), blz. 352, over do onderlinge verhouding der Delftsche predikanten.

Nog zij hier opgemerkt dat men in 1596 Theodorus van don Bergho uit Colchester in Delft beriep, nadat Helmichius informatio\'s over hom had ingewonnen bij Jacobus Regius te Londen. Van den Bergho kwam evenwel niet. If. d. M.-V., S. Ill, Dl. III. blz. 20—24.

2) Delftsche Icerkemadsnotulen, 6 Mrt. 1595; en 3 Febr. 1597. De diakenen kwamen in den regel «te kortquot;, en vroegen herhaaldelijk aan de Magistraat om middelen tot verlichting. In het kerker a a dsarch ivf te Delft (Afd. 1, La C\', nquot;. 2) is nog eene «Remonstrantie voor do Diaconie, aen myn Hoeren 1599 in Octob. overgegevenquot;, die, aan do hand te oor-doelen, door Helmichius is opgesteld. Do Magistraat hielp dan wel nu. en dan door finant. steun, doch wilde dan in de diaconale zaken ook wel eens wat moe te zeggen hebben; o a. wilde zij in 1597 allo bedelarij «op penequot; verbieden, en «acht aolmoesseniersquot; voor «Wc armen aanstellen, onder wier «ordonnantiequot; dan ook do diakenen zouden moeten staan. Do Kerkeraad was toen van oordeel, dat do diakenen op die manier in «haar ampt vereertquot; werden en verzochten aan de Magistraat, dat de

-ocr page 69-

57

oeno andere gologenlieid aan Burgemeesters verzoeken, to willen zorgen dat do Sabbatb niet ontheiligd werd door het „vercooponquot; van allerlei waar op dien dag1).

Van oen herder on leeraar, die op dergelijke, menigvuldige wijze werkzaam was in en voor do gemeente, en „oon exempel der euddoquot; was, „golijok een goet Herder toestaetquot;, moest heilrijke kracht uitgaan. Do gotuigonisson dienaangaande, uit onderscheidene jaren bekend, luiden dan ook alle gunstig.

In \'t begin van 1592 werd door don Kerkeraad van Delft geschreven: „ITelmich doet groote vrucht in deser Gemeente; syn vortreck van hier soude do kereke Christi in vele manieren seer schadelick wesonquot;s). Tegen het einde van hetzelfde jaar „pretendeerde de kereke tot Delft groot achterdeel indien hy [Helmichius] van haer quamo te vertreckenquot;; „kereko endo borgenjequot; waren „seer op hem gepastquot; Drie jaren later verklaarde de Kerkeraad, dat de „kerekequot; van Delft „D. Helmichium om vele oorsaocken niet on condo missen,quot; wijl hij daar „sonderlinge dionstelijckenquot; was4), en in 1601 verzekerde de geheole raad dor Delftscho gemeente aan Helmichius, dat „syn vortreck met veler droeff-hoyt toogaon soude,quot; terwijl do „E. Hoeren opt Stadthuysquot; „verólaordonquot; „een goet ghonoeghon to schoppen in don per-

«kereke de apostolijksohe ordonnantie om te bedienen allocn hare armenquot; honden mocht. »Mjjne Moerenquot; beloofden »de kereke by haere gerech-ticheyt te laetenquot;. Notulen, 2G en 29 Sept !597. Vg\'1 over een dergeljjk punt, Reitsma en van Veen, a. w.. Dl. I, blz. \'^01.

1) Del ff ache kcrkeraadsnofulen, \'25,28 Juni, 22 Nov 1500; en 24 Sepc. 160!.

2) Het aangehaalde komt voor in een vroeger reeds genoemden brief, d.d. 20 Mrt. 1502. Zie blz. 48\'-.

H) Het geciteerde ontleende ik aan eene vBreedere Acte van de Resolutie des Synodi partic. van Suydt-Hollandt tot Lejjden in de zake I). Werneri Helmichjj; over de beroeping op hem gedaen tot de professie in de Theologije in de Universiteyt aldaar;quot; aanwezig in het O.-A.d.N. 11. K., Nr. I, 30, 3e st.

\\) Delftache kerkermuhnotulen, 22 Apr. 1505. Vgl. Anisterdamsche kerkeraadsnotulen, 27 Apr. 1505.

-ocr page 70-

58

soon cü dieust Helmichiiquot;, omdat hij „stichtclijck ende vreedt-saemquot; was \').

Bij herhaling verzocht de Kerkeraad hem dan ook dringend, dat hij zich „voor eenighe jarenquot;, of „absolutelyckquot; aan Delft wilde verbinden en dus terug zuu komen van de bepaling bij de aanneming van het beroep naar Delft in 1590 gemaakt en later herhaald1). Eene bijzondere omstandigheid — en daaraan hebben wij ook bijna alle meêge-deelde verklaringen over zijn persoon, arbeid en „omme-ganckquot; te danken — dreef de broederen tot zoo\'n herhaald verzoek. Zij was deze: In de 12 jaren, die Helmich te Delft beeft gesleten, is meer dan eens moeite, en veel moeite gedaan, om hem tijdelijk of voor vast elders te krijgen. Volgc hier van die pogingen eene beknopte mede-deeling. Het diene tevens als overgang van Helmichius te Delft, naar Helmichius in zijne laatste gemeente.

In 1591 werd de gemeente voor de eerste maal om Helmichius verontrust, wijl hij toen benoemd werd tot „pro-fessorem in theologiaquot; te Leiden. Niet in 1590 toch, zooals B. Grlasius schrijft2), ook niet in 1592, gelijk bij van der Aa 3) en anderen 4) wordt meégedeeld, maar in 1591 c) is Helmichius tot theologisch hoogleeraar beroepen. Voor meer dan één vak werd hij begeerd. In de „Epistola Dedicatoriaquot; vóór de „Psalmorum Davidis, et Aliorum Prophetarum Analysis

1

Delft sche kerker aadsnotideH, 22 Jan. 150(5; en 12 Oct. 1507.

2

Godgeleerd Nederland, Dl. II, i. v. Helmichius.

3

Biogr. Woordenboek, i. v. Helmichius.

4

Bij II. Croese, Kerkelijk Register der Predikanten can Amsterdam, Amsterdam, z.j. blz. 35 vgg, onder Helmichius; en bij Ypeij en Der-mout, Geschiedenis der Xederlandsche Hervormde Kerk, Aanteekenin-gen. Dl. 11, (Breda, 1822), blz. 243. Vgl. blz. 59* van dit proefschrift.

(5) Zie A. C. Duker, Gisb. Voetius, blz. G4:\'; en de in den tekst nog volgende data.

-ocr page 71-

59

concinnata a Wernero Helmichio \') lczou wij, dat do curatoren vau Leidou „eius operam in explicandis publice in Acadcmia S. Literis postularunt,quot; terwijl er in andere stukken 2) nadruk op wordt gelegd, dat Jlelmicli, „inde neder-duytschc spraeoke ervarenquot;, deswege geschikt was om degenen, die tot den dienst des Woords zouden „werden ge vordertquot;, „alvorens te besoecken ende [te] ondervragenquot; en te „oeffe-nen in propositiënquot;, als „oock omme de boeckeu ende geschriften die iemant de Theologie aengaende, voortsaen in onse voorsz. Taele [zou] willen uytgeven, te doorsien ten eynde alle misverstanden, dolingen, onderseheyden, voor so veel mogelyck beset synde, de kereken in waere eenigheyt des geloofs mogen werden behouden ende alle schonringe verboet.quot;

Het geheele verloop van de benoeming is in \'t kort aldus geweest.

Prof. Trelcatius ging in 1591 naar de Burgemeesters van Leiden, om met hen te bespreken of het niet geraden was „eenige van de predicanten der omleggende steden, tot de Professien bequaem ende van de duytsche Taaie synde, gelyok voorsulex waren voorgeslagen D. Arnoldus Cornelij ende Warnerus Helmichius, bij der Dienaren des Woorts tot delft ende Johannes don Boogaart dienaer In den Ilagequot; te Leiden te benoemen 3); er was toch maar „weinigh hopequot; om Pr. Junius, die toen weer beroepen was \'), te bekomen. „Burgemeestereu

4) Zie over dit werkje Hfdst. II, § 6.

2) Aldus in den Beroepsbrief tot professor, d.d. 24 Sept. 4591, te vinden in de Besolutiën der [Leidsche] curatoren, aanwezig op de Bibl. der Leidsche univ., Dl. I, blz. 45 vg.; en evenzoo in de Acta van de Part. Synode van Leiden in 4592. Zie Reitsma en van Veen, a. u\\, Dl. 11, blz. 448. Vgl. //\'. d. M.-V., S. III, Dl. V (3e st), blz. 347. Wijl de benoeming tot hoogleeraar op die Synode is besproken, hebben Croese en anderen wellicht daaruit afgeleid, dat de beroeping ook eerst in dat jaar zou zijn uitgebracht.

3) Resolutiën der curatoren, Dl. I, blz. 44.

4) Zie over de eerste beroeping van Junius, dr. W. Geesink, Calcinisten in Holland, Rotterdam, 4887, blz. 44; over de tweede d.d. 19 Aug. 4594, Cuno, a. ic., blz. 127.

-ocr page 72-

60

met die van de gerechtequot; vonden goed, „onder \'t behagen van de Curatours,quot; Helmichiué te beroepen; de secretaris moest hun gevoelen aan de curatoren „Donsa ende Ahnondequot; in don Haag meêdeelen en met hen „daerinne vorder pro-coderenquot;. Die beiden waren met de beroeping van Helmich ook wel ingenomen, en wilden hem „ouder behagen van Burgemr3quot; 800 gl. aanbieden als jaarwedde, „boven vrije huishuerquot; en „boven de vereeringe, die zij hem voor syn opbreecken zouden toevoegen.quot; Trelcatiua spoedt zich nu naar Delft om persoonlijk met Helmicbius over de benoeming te spreken. Deze verontschuldigt zich, „achtende zich onbequaemquot;. Toch gaat do „beroepingequot; door; de beroepsbrief d.d. 24 Sept. 1591, namens „Curateurs ende Burge-meeaterenquot; door den secretaris Jan van Hout geteekend, wordt naar Delft gezonden en daarin aan don „Godvruch-tigen, WelGrelcordon, Eersamon, Wijsen, Voorsieuigen D. Warnero Helmichioquot; o.a. over zijne „verontschuldingequot; geschreven : „dat men die uyt beleeffden ende schriftmatige vernederingequot; verklaarde, hopende dat hij do beroeping (vergunt o genadige Godt dat hot ter goeder Uyre zij) niet sal afslaan.quot; Helmichius antwoordt den volgenden dag, dat hij „gants onverwachtquot; dou brief had ontvangen ; na het persoonlijk onderhoud met Trelcatius op eene beroeping niet meer had gerekend; waarom hij dan ook niet „terstont finacljjckquot;\' besliste, maar begeerde „de saecke wat naer te dencken.quot;

Op 3 Oct. schrijft hij weer aan curatoren en Burgemeesters. Hij dankt God voor de zorg, die zij droegen voor de universiteit, wijst er op dat hij vroeger, met het oog op zij no „Insufficancequot;, zijne „beswaringoquot; in deze zaak al aan Trelcatius had blootgelegd, zelfs „sanderendaechs expresselijcken in den Hagequot; naar hem toe was gegaan, om hem te bidden dat hij curatoren en Burgemeesters wilde „aensegghen, gheen wijder moeytte te doenquot;; zegt verder, dat hij eerst, „de saocke meerder insiende ende [zich] in verscheijden

-ocr page 73-

61

stuoken veel te swack kennendequot; van plan geweest was ziel.\' „plattelijck ende teenemael [te] excuserenquot;, doch op aansporen van Trelcatius en andere broederen de „saeckenquot; nog in beraad had gehouden en nu nog nadere inlichtingen begeerde over hetgeen „voornamenlijck van [hem] gedaeu soude moeten werdenquot;, wel weuschende dat hij „van dese bekommeringhequot; ontslagen ware geworden.

Na hierop gevolgde correspoudontie over het gevraagde en na persoonlijk bezoek aan Helmichius van Trelcatius en den secretaris van Hout, schrijft Ilelmioh 12 Nov. 1591 aan curatoren en Burgemeesters o. m.: „om verscheyde consideration ende merckelyck ten aensicn vande tegenwoordige gelegentheyt ende noot der Universiteyt, oock meer op ÜEE, erustigh vcrsoeckende, op quot;t oordeel ende vermauinge van verscheyde myne medebroederen lettende, meer bovenal op Godes genade ende hulpe steunende, dan mijn eijgen sin ende gevoelen volgende ende oversulx allo particuliere be-swaertheden besjjdon stollende, [heb ik] mij tot desen dienst niet wijgerigh betoenen willen soo veele mijns persoons willigheyt belangt en ben tevreden In den naem des Heeren denselven bij provisie voor een Jaer twee of drie te aen-vaorden: doch, zoo vervolgt hij later in denzelfden brief, „UEE sullen desen mijne acceptatie in dier meninge verstaen als ick myn Heere de Secretaris onder anderen verklaert hebbe te weten indiense met goeder voegen ende welgevallen deser kereke geschieden kan aen dewelcke Ick niet alleene tot naestkomende April toe verbonden ben maer die ick oock behalven ende boven die verbintenisse en derselver ïermeyn niet en behoore, gelijck ick oock niet en begeere te verlaten tenzjj datse alvoren wel en bequamelick van eenen anderen voorsieu kon worden.quot; Curatoren en Burgemeesters moesten daarom aan de Magistraat en den Kerke-raad van Delft schrijven, wijl hij zelf „syn affscheijtquot; van-dacr niet wilde „procurerenquot;.

-ocr page 74-

02

Na do ontvangst van deze beslissing committeerden curatoren en Burgemeesters mr. Rombout Hogerbeets om, met brieven van crcdoutie voorzien, naar Delft te gaau en daalde „losmaeckinge ende ontslagingequot; van den „dienst des Woorts\'\' voor Helmiehius „te versoecken ende te benaer-stigenquot;. En om te beter te slagen moest hij eerst nog vragen om „favorable brieven van recommandatie so van de Hoeren Staten als van syn exelentio,quot; zelfs „oock van „Mevrouwe de princossequot;, opdat hij die ook in Delft kon „gobrnyckonquot;\' in het belang van zijne zending \'j.

Er werd dus zeker gedacht, dat het in Delft wel eeus zou kunnen spannen, terwijl toch niets onbeproefd moest gelaten worden om den berocpene in Leiden te krijgen. En bet hoeft er gespannon. Kerkeraad noch Magistraat wilde TIelmichius laten gaan; Hogerbeets moest onverrichter zake terugkooron1). Hierbij bleef het vooreerst, zoodat Taffinus in Fobr. 1592 aan Hendrick v. d. Corput schroef: „dat schijnt \'d beroep Helmichij afgaot2). In Maart gingon echter Trolcat en Beyma, „Professenrs inde Theologie ende Rechtenquot; nog eens naar Delft3), doch ook die verkregen Helmiehiusquot; ontslag niet en toen curatoren kort daarop nog eens aan Helmiehius persoonlijk vroegen om een „catagorye ant-woort, off hy de voorschrove professie achter Meyo begeerde aen te vaerden of niet,quot; wijl hij dan los was van zijne ver-

1

Dat de Magistraat bezwaar maakte komt in de Resolution ran curatoren uit; van den Kerkeraad blijkt dit uit den brief op blz. 48quot; en57\'* genoemd.

2

Zie W. d M.-V., S. III, Dl. II (2e st.), blz. 292.

3

4quot;) Naar aanleiding van dat bezoek schreef de Kerkeraad van Doll\'t den brief, in de voorlaatste noot \'t laatst genoemd. Hij is ook te vinden in de Resolutiën der curatoren, Dl. I, blz. 160 vg.

-ocr page 75-

63

bintenis aan Delft en dus over dien tijd geheel alleen beschikken kon, antwoordde hij 10 April, dat hij, lettende op de „swarieheijtquot;, die „iu der Kercko van Delftquot; zou komen door zijn „aennernenquot;, „voor [die] tijt de beroepinge van de professie niet en romte aennernen, soo lange de Heeren Curateurs geen middel wisten om de voorschreeve swarieheijt wyt de Wecge te nemen. Curatoren namen met dat antwoord evenwel geen genoegen en lieten door een\' notaris eene „protestatiequot; opmaken, waarvan Helmichius „ verwit-tighdquot; werd \').

Zelfs liet men in Leiden na do maand Juli, waarin Fr. Junius uit Heidelberg kwam, op zijn\' doortocht naar Frankrijk Leiden aandeed toen ten male tot hoogleeraar werd benoemd op een tractement van f 1200 1), en die beroeping aannam, zoodat er weer twee professoren in de theologie waren, onzen Helmichius nog niet los. Want toon in Nov. d. a. v. de Partic. Z. Hollandsohe Synode binnen Leiden bijeen was, verschenen in de vergadering, uit naam van Burgemeesters en de andere curatoren en de professoren te Leiden, mr. Hoogerbeets Pensionaris en prof. Julius Beyma, om de Synode over do beroeping van Helmich te spreken. Zij deelden mede, dat dat punt nog steeds han-

1

Cuno, «. w. blz. 127 vg.

-ocr page 76-

G4

gende was, dat Delft hem „nyet eu wilde ontslaen van zynen dienste, hoewel hy vry ende nyet aen de kercko voorsz. verbonden en was, versoeckende dat de synode in dese sake wilde handelen ende sulckes resolveren, dat Helniiehius voor-noempt de professie zoude moegen aennemen;quot; waaraan zij nog toevoegden van hoe groot belang het zou zijn voor alle kerken en het gansche land als zoo\'n man professor was, en dat zij hoopten dat Delft eindelijk zou bewilligen in zijn heengaan \').

Het was dus „instantelicken aanhouden.quot;

De Synode heeft toon eerst den praeses, Helniiehius, gehoord, „en van hem int lange verstaen hoe dat de voorsz. beroepinge op hem gedaon ende lange onderhandelinge, mitsdien de kercke tot Delft groot achterdeel indien hij van haer te quame te vertrecken pretendeerde, dat oock de Magistraet hem niet en wilde ontslaen, over deselve voorgevallen ende zeker protest van wege zijnon persoon ghedaen was, verclarende niettemin dezelve D. Helniiehius hoewel hij zijnen Dienst der kercke tot Delft niet langer dan voor twee Jaren vast toegezeydt liadde, dat hij nochtans om der kercke gheen achterdeel te doen, hem hierover in zyn ghemoet beswaert was bevindende ende begheerde wol het advijs des Sijnodi tot zyner gerusticheyt in dese sake te hooren om niet onbedachtsaem over eene of d\'andere syde te doen ende nader te verstaen waernae dat hij sich in deselve sonde moge reguleren -). Voorts deelden „P, Johannis Dienaerquot; te Delft en een ouderling van daar, die op verzoek der Synode door den Delftschen Kerkeraad gezonden waren,

-ocr page 77-

65

om mot baar over do berooping van Hclmicb te spreken, aan de vergadering mede, „op \'t advertissement van myne E. Ileeron van Delft, in deso sake godaeu boe schadelickeu dat bet vertreok D. Helmlchij van bare Kereke zyn soude; dat myne Heeren [ook] niet en verstonden, dat D. Hclmicbius vrij ende aen de Korcke van Delft niet en soude verbonden syn;quot; dat de „Universiteyt nu —■ volgens bun oordeel — met twee professoren inde theologie wel voorsien wasquot;, en dat zij dies der Synode vroegen, te willon „oordelen ende verclarenquot; dat D. Hclmicbius in Delft blijveu moest1). De Synode beeft dat alles „rypclick in deliberatie geleydtquot; en eindelijk „raedtsaem ende goetquot; gevonden, „de gedeputeerde dos synodi, DJ). Bastingium ende Joannem Wtenbogart, specialyck te belasten om by mynbeeren van Delft ende der kereke aldaer volgende de speciale instructie, ben biervan gegeven, te sullen bandelen ende aensproken ende voirder in deese sake doen, sulex als de synode naer bevindinge der sake verboept tot een goed vuyteynde derselver te sullen gedyen, ende den last des synodi, baer gegeven, daerop D. Helmicbio te kennen geven ende aendienen. Acbteu midler-tydt do synode eenen professoren! theologie, in de Neder-duytscbe tale ervaren, in allen gevalle in do universiteyt voorsz. zeer noodicb te zyn ^).

Alle moeite is eebter vrucbteloos geweest. Delft gaf geeu ontslag en Helmicbius kwam niet in Leiden om de studecrende Jongolingscbap aan de academie „te bereyden tot bequamer bouluijdenquot; der kerk, om de H. Schrift uit te leggen en de „erronense opinion der sectenquot; te wederleggen; „pereruditus

1

Zie Brief van den Kerkeraad van Delft aan de Synode te Leiden, d.d. 23 Nov. 1592, inhoudende, dut een paar broeders namens den Kerkeraad te Leiden zullen komen om met de Synode over de beroeping te spreken. In het O.-A. d. N. II. K., Nr. I, 30.

-ocr page 78-

cc

inter Belgas theologus,quot; zooals Vootius het later uitdrukte, „Wernerus Helmichius Ultrajeotinus ox ministerio ecclesiae Delfensis ad professionem theologieam in Acad. Leydensi vocatus, statiouem suani non deserebat \').

Vijf jaren later verliet liij Delft tijdelijk om elders „bij leeninghequot; te dienen. Met „credentie aefi magistraet en korokequot; kwam „Joncker Willhem van nijveltquot; 1 Sept. 1597 in Delft „wt den naeme van E.E. Staeten van Hollandt, die goedgevonden hadden, „tot bevredinghe der kercke van

1) Voetius, Polit. Eccles-j P. II, (Amstelod. 1669) L. Ill, Tr. II, Cap. X, p. 667. Dr. Schotel deelt in zijn Ecu studenten-oproer in 15;)4, noot op blz. 95, mede, dat do curatoren van Leiden Ilelmieh meermalen aan de hoogeschool trachtten te verbinden, terwijl in de Epistola dedicatoria vóór Helmioli\'s Analysis eet. staat: «Curatores mon senielquot; ejus operam vocaruntquot;, doch uit de Resolutiën der curatoren bljjkt niet, dat men na 1592 nog weer beproefd heeft hem in Leiden te krijgen. Alleen staat daarin nog, dat Gomarus later do aandacht op hem heeft gevestigd, ter veiga-dering van de curatoren en Burgemeesters op 9 Novemb. 1602. Curatoren prefereerden toen evenwel Arminius. Resolutiën, Dl. II, (1595—1617), blz. 106. Vgl. Chr. Sepp, Het godgeleerd onderwijs in Nederland, Dl. I, blz. 102, en Rogge, J. Wtenbogaert enz.. Dl. I, blz. 208. Misschien had Helmichius, bijaldien hij benoemd was, ook nu weer bedankt, omdat hij in Nov. 16Ü2, toen er nog maar alleen sprake van was, dat hij op «nominatiequot; stond voor het professoraat, schreef: «verre is \'t van daer, dat ick daertoo bequaem sonde wesen, off oock sulcks sonde dorvcn aengaen, wanneer ick all schoon versocht ware.quot; Tl .-IA- b. III, Dl. IV, blz. 167. Ook in geen enkel ander stuk vond ik nog iets van herhaalde benoeming, zoodat het «non semelquot; en de opmerking van Schotel wel doelen zullen op de velerlei moeite, in 1591 en \'92 om Ilelmieh gedaan, wellicht ook op die, welke mogelijk in 1586 is aangewend. Zie blz. 32.

Uit al die pogingen wordt zeer duidelijk, gelijk ik reeds aan het eiiUiO van Hfdst. I, § 1, aanstipte, dat Ilelmieh destijds beschouwd werd als een man van groote bekwaamheid. In de zooeven genoemde Epistola dedicatoria lezen wij dan ook: Omnes docti in Hclgia... . insignem lui-manarum atque humaniovum soientiarum notitiam, penitissimam rcrum divinarum cognitionem, atque accuratissimam Linguarum fere omnium, ac maxime quarum in Saeris usus est, Hebraeae, Graecae, ac Latinae peritiam nunquam satis in ipso [Helmichio] admirari, ac collaudare potuerunt.quot;\'

-ocr page 79-

67

Horn , „aldaer\' eon dienaar des Woords te zenden, om „noffens de 2 andere predicanten aldaer te predickenquot; gedurende eene maand of zes weken „ten langstenquot;; en wijl mi „do persoon W. Ilelmichij daertoe gonomineert ofi dyen van Horn aengedient wasquot;, kwam van !Nijvelt vragen of men Helmichius zoolang aan Hoorn leenen wilde. „Mijne Heeren opt Stadthuys mochten sulcx wel lijdenquot; en wilden gaarne dat do Kerkeraad het ook toestond. Deze was ook bereid Helmichius af te staan, mits het „wettelyckquot; geschiedde „en op behoorlijcke wijsequot;, overwogen werd of hij daar met vrucht zou kunnen arbeiden, „indyen Cornelius Wiggers noch soude blyven continueren in syn heymelycke predicatien\', en ook gelet werd op „de bcswaringhe Helmichij selve, die hem excuseerde van weghen sijn indispositie en passie der maeghe 1). Ofschoon Hehnich zich nu \'s anderendaags „gaerne bereid verklaarde „tot Horn te gaen indijen het hem de gcsontheijt toeliet,quot; is hij eerst in October derwaarts vertrokken, omdat de kerk van Horn hem niet eerder „nao korekenordeninghe \' verzocht; en zoolang dat niet geschied was, vond hij zich, evenals de Kerkeraad te Delft, beslist „beswaert sulcken last aen te vanghenquot; ~). Nauwelijks was dit echter in Hoorn gemerkt of men noodigde hem „behoor-lycker wijse \' uit om over te komen en hij is toen onmiddellijk derwaarts vertrokken2).

^u was hij door Delft „de kereke van 11urn geconsen-teert voor de tyt van sess oft 8 wekenquot; en mocht dus zoolang uitblijven\'). En later werden die C of 8 weken

1

Delftsche kerJcei\'aadsnotulen, 1 un 7 Sept. 1597. Onder «wettelyck cït op behoorlycke wysequot; gaan, verstond de Kerkeraad, dat Helmich «niet simpelijck op do commissie der H.H. Staetenquot; naar Hoorn ging, «maer met versoeck van die van het synodus van Noorthollant, djjen deae handelinghe eii beroep, als kerckelijck, eijgentlick competeerde: en insgelijcken met versoeck, ten minsten blijckelijcke bewillinghe der Ghemeijnte tot Hornquot;.

2

lljj kwam 18 Oct. in Hoorn. W. d. M.-V., S. Ill, Dl. IV, biz. 79.

-ocr page 80-

G8

„gccontinuocrt tot sosthien toequot;, maar toon van Hoorn uit pogingen werden aangewend om dien termijn nog eens met „2 oft 3 maendenquot; verlengd te krijgen, waren de Dclftscho broeders daartoe niet te bewegen; als de zestien weken om waren moest Helmich weer thuis komen. Op 20Febr. 1598 was hij dan ook weer terug, en „heeft do korokenraedt bo-danekt van weghen de kereko vim Horn vari vrientschap efi beleeftheyt iü leeninghe syns persoons voor soo veel weken gedaenquot; \').

Juist voor het vertrek naar Hoorn had hij aan do „broedersquot; in Delft verklaard, toen zij zich zelfs over dat tijdelijk heengaan, al weer wat ongerust maakten en graag wilden dat hij zich eerst voor vast aan hen verbond, dat hij „niet vertreckens gesintquot; was; en bewijs daarvan kregen zij doordat hij voor „eene beroepinghe van franickerquot; bedankte -). Drie jaar daarna dorst hij echter zoo niet meer spreken, bij gelegenheid van een beroep naar Amsterdam. De roeping naar „d\' mater salemquot;1) had bijzonder gewicht voor onzen

1

Andere naam voor wAmstelredamquot; in de 17e eeuw. Zie F. L. liut-srers. Het Kerkverband, Amsterdam, 1882, blz. 12.

-ocr page 81-

69

Wornoms. Het was Amsterdam nu niot voor do eerste maal om hom te doen. Al voor meer dan „20 Jaerenquot; had men daar, schoon te vergeefs, „mocyte gcdaeu om hem in haere kereke te hebbenquot; 1).

Later, in 1589, toen de broeders in Amsterdam vernamen, „dat eenighe ofte alle dienaeren tot Utrecht bij den magistraat veroorloft sonden worden,quot; zonden zij dadelijk eene deputatie naar de Burgemeesters om te vragen „of daar oock swaricheyt soude syn om hehnichium voor [hunne] kereke te beroepen overmits men lancksaem tot soo oen goqualifi-ceerder persoon geraeckenquot; kon. „Burgemeostercn in \'t torentjenquot; vonden evenwel „niet geraden lielmichium ofte eymant (sic) der anderen dienarenquot; uit Utrecht, in Amsterdam te beroepen, „overmits sy gaerne in die goede correspondentie met haer nabueren wilden continueeren en oock verstonden sy dat die voorsz. dienaren haer al te veel mot die polityckse saecken bemoeyt haddon waeromme sy oock gheen derselverquot; in Amsterdam begeerden -). Do beroeping werd dus belet.

In 1595 had de kerk van Amsterdam weer het oog op hem. Ds. Cuchlinus, een harer predikanten, werd in dat jaar bij vernieuwing tot „regens collegii theologiciquot; te Leiden benoemd :i), en de Kerkeraad was, op „voorslach van burgemeesterenquot;, bereid, „Cuehlynum te ontslaen onder conditiequot; dat er „by

1

Delftsche kerkeraadsnotulen, 17 Aug. 1G01. In do Amstcrd. kerke-raaclsnotulen (Protocol I begint 24 Mei en niet 4 Mei 1578, zooals op den rug van den foliant staat) komt hiervan niets voor. In die notulen wordt Helmich voor de eerste maal genoemd onder 4 Juli 1580, naar aanleiding van eene missive «van die van Leydequot;, welke een\' predikant bjj leening vroegen. De Kerkeraad heeft toen aan Helmich in Utrecht geschreven om te weten te komen ot\' Leiden ook een verzoek aan Utrecht had gericht om hulp voor de prediking.

-ocr page 82-

70

leeningcquot; een ander dienaar kwam „ter tyt toe dat die kercke weedoronime van een gequalificeerden dienaer voorsien [zou] syn, ofte dat men by faute van sulex allertyt Cuclüinum [zou] mogen revoceeren. En men was, zoo word er dadelijk bijgevoegd, „welghesindt d0 helmichium terstondt te beroepenquot;. Burgemeesters waren er nu ook wel voor, zoodat de beroeping uitgebracht werd; en „Claas franszquot; met „philips Corneliszquot; werden aangewezen om naar Delft te gaan en daar Helmich\'s loslating te bewerken !). Aldaar aangekomen brengen zij eerst de „brieven van beroepenequot; aan den begeerden leeraar over „en stellen daerna met assistentie van den heeren Curateurs der universiteyt van leyden ende brieven van recomandatie van den ghedeputeerden raden van den Staateu van hollant ende burghemeesteren [van Amsterdam] haren versoeck om d. helmichium te hebben in den plaetse d. Cuchlini by den magistraet tot delft indt werek.quot; „By den magis-traetquot; worden zij evenwel „afgeslaghenquot; en de Kerkeraad wil den beroepene ook niet loslaten, „niettegenstaonde ver-scheydene instantienquot;. Delft wilde Amsterdam wel „helpen voorsien by leeninghequot;, maar haren geliefden herder aan die Kerk afstaan, neen, dat deed men niet-). Welnu, dan zou Amsterdam Cuchlinus toch loslaten, als men dan maar „D. Warnerum Helmichium soo lang by leeningcquot; mocht hebben, totdat men of hem of een ander „voor

1) Ainstefdamsche kerleeraadsnotulen, 29, 30 Mrt. en 6 Apr. 1595. Een brief van den Kerkeraad van Amsterdam aan dien van Delft, waarin hij meldt, dat Helmicliius beroepen is, (aanwezig in het kerTceraadsarchief te Delft, Afd. I, Igt;. (X n0. 44) nam ik op in Bijlage B.

2) Amsterdamsche kerkeraadsnotuien, 27 Apr. 1595. Volgens de Delftsche van 25 Apr. 1595, zjjn er tusschen den Kerkeraad van Delft en de Amsterd. depntaten «vele redenen gevallen ter eener efi terandor sydequot;; de Amsterdammers zeiden o. a., dat zij wsaegben, dat een iege-lijck willende was om het collegium mette monde te helpen: maar anders nietquot;; waarna de »vergaederinghequot; te Delft «van gedeputeerdenquot; «heeft begeertquot;, dat ))sy soo quaelijck van broeders niet en souden gevoelenquot;.

-ocr page 83-

71

eygonquot; had gekregen ^). Ook dat wilde Delft niet eens toestaan; zij leende wol een predikant, maar Ilelmich niet =).

In 1601 echter — porseverantia reportat victoriam — zag de kerk van Amsterdam hare jarenlang gekoesterde begeerte vervuld. In het laatst van Juni „heeftquot; ds. Plancius „aengodientquot; in de kerkeraadsvergadering, dat er hope was om „Waruerumquot; te krijgen1). Begin Juli wordt dadelijk aan de Classe gevraagd, wat zij or van dacht als men hom beriep, waarop „de broederen al tsamen ende een yeder int bc-sonderquot; verklaarden, dat zij „daer teghen niets en wistenquot; J). Arminius had hem mede aanbevolen 2); de Magistraat asti-puleerde; 10 Juli werd hij al „met gemecne stemmenquot; beroepen en ds. Plancius met den ouderling Roelof Egbertss moesten ditmaal uaar Delft om het beroep „aen te dienenquot; g). Helmich „vondt sich in do ghedaene beroepinghe seer bo-swaertquot;; hij had zo niet verwacht en dorst niet dadelijk resolveren, „overmits hy redenen ter wedersyde hadde.quot;

1

Amsterd. herkeraadsnotulen, 28 Juni 1601.

2

C. Brandt, //istoria Vitae J. Arminii, Amstel. 1724, p. 156 sq. Vgl. Praestantium ac Eruditorum virorum Epistolae, edit, sec., Amstel. 1684, Nr. LX.

-ocr page 84-

72

Aan don oenon kant was hy „niet qualijok gosintquot; om do beroeping „an te nomenquot;; do „sticlitingequot; der Amstordamsoho gemeente woog hem op het hart; en voor zijne gezondheid waa het daar misschien ook beter; maar dan dacht hij ook weer, dat er in Amsterdam „quade luchtquot; was; dat de „translatie van den bybelquot;, waaraan hij met A. Cornelisz arbeidde, wellicht „verachtertquot; zou worden als hij wegging; en dan de band aan gemeente en Kerkeraad! Hij was er schier verlegen mede, wat te moeten doen. Dagen lang bracht hij in groote spanning door. Bovendien deed Amsterdam voortdurend haar best om hem zooveel mogelijk ter wille te zijn. Nog tweemaal reisden do broeders, die hem het beroep hadden aangediend, naar hem toe, om hem tot overkomen te bewegen. Als hij er „ qualyck gesont conde woonenquot;, nu, men bond hem niet aan een bepaalden tijd; en wilde hij om de „translatiequot; graag vrij zijn van weekbeurten, — „de broederen souden soo discretelyck neffens hem handelen als het werk eischtequot;, zoo werd hem namens den Kerkeraad verzekerd. En in Delft was men intusschen niet minder ijverig in de weer om hom tot blijven over te halen. „Alle moghelijck devoirquot; werd door den Kerkeraad gedaan. Men „badquot; en „smeektequot; hem om toch niet weg te gaan, en de Magistraat liet hem weten, dat zij zeer op zijn behoud voor Delft gesteld was.

Na aldus ruim eene maand „in groote becommeriugequot; te hebben doorgebracht, deelde Helmichius eindelijk aan do „vergaderinghequot; in Delft mode, dat hij na „rvpelyck be-dencken en beraeden en naedat hy Godt ornstelyok aenge-roopon haddequot;, aan Amsterdam het „Ja woortquot; had gegeven, de broeders dringend verzoekende, dat „sy syn afifscheijdt in \'t goede wilde duijden,quot; opdat hij „met goedwillicheytquot; van hen vertrok. De Kerkeraad was „bedroeftquot; over die beslissing, maar oordeelende, „dat de wille Gods moeste geschiedenquot;, lei hij er zich bij neder. Alleen wilde hij graag, dat

-ocr page 85-

73

Helmich nog bloof totdat cr weer con vijfde dienaar was; welk punt in overleg mot de gedeputeerden uit Amsterdam zoo geregeld werd, dat Helmiclüus „tot mey oft april toe-eomeüquot; blijven zou \').

Die laatste maanden in Delft gingen voor Ilelmieh zeker spoedig voorbij, en meer dan eens zal wel in dion tijd bij de gedachte aan quot;t „scheidenquot; een smartelijk gevoel zijne ziel vervuld hebben. In \'t begin van Mei 1602 was het uur van vertrek •) aangebroken en hij ging heen, „vol treu-richeyt dos hertenquot; over het scheiden van mededicnaren in

4) Amsterd. Tcerkeraadsnotulen, 10, 11), 27 Juli; 5, 12, 28 Aug. 1601; Delftsche, 12, 13, 16 Juli on 17 Aug. 1601. Do «redononquot;, hem tot aannemen »beweghendequot;, in do Dolftscho notulen opgenomen, waren:

»1. De stichtinghe dor kereko int gemeen, nao sijn eii anderor Dienaren gevoelen;

2. het lanckduerieh aenhoudon van lt;lio van Amsterdam, die al van over 20 Jaeron mooijte gedaon hadden om hom in haore kereko te hebben;

3. de belofte dor voorsz. kereko gedaon als sij totton eollegio theolo-giae losliet D. Cuehlinum: dowoleko noch niet on was naegoeomon: maer waeren over doselve alle korekon die van kereko van Amsterdam ver-soeht waeren, wejjgerich gevallen;

4. Datter ghoono kereko in Suythollandt min sonde ontriefft wesen door het vertrock van een Dienaer als de koreke van Delft door syn vortreck: blijvende evenwel gonoeehsaem version: waervan, soijdo hij, ton waere hij in syn eonscientio versekert waere, als wel kennende de gelegentlieyt desor koreke, en sonde nojjt tot do resolutie geeomen sijn;

5. Een ander beroepinghe op hem aenstaeh, doweleke hij niet geerne on sonde aennemen: en quaelijok sonde eonnen weijgeren: om doweleke te verhoeden hij achtede, dat Godt dose gebracht luidde. Eijndeljjck, dat hij naorder Utrecht sonde wesen: en oock verhoopte tot Amsterdam beter to passe te sijn.quot;

2) Vóór hij vertrok had oen ander, in zjjno plaats beroepen, do beroeping aangenomen. Deze was Albertus ab Oosterwjjck, toen pred. te Enkhuizen. Helmiehius is daar nog mee hoen geweest, om hem to hoeren, en moest hem, toen hjj beroepen was, namens den Korkeraad schrijven. Don 4en Jan. 1602 nam ab Oosterwjjck het beroep aan en in Mei d. a. v. is hij te Delft bevestigd. Delftsche kerkcraadsHOtulen, 8, 15 Oct.; 12,17, 19 Xov.; 18 Doe. 1601; en 14 Jan. 1602. Kerkeraadsnofulen inn Enk-huizen, 27 Doe. 1601; en 10 Jan. 1602 (mij welwillend meegedeeld door dr. A. G. Boon, pred. aldaar); on Boitet, «.«•., blz. 440. Do brief van ab Oosterwjjck, waarin hij schreef dat hij de beroeping wonschte op te volgen, is nog in het kerkeraadsarchicf te Delft, Afd. I, L». C11. n0. 55.

-ocr page 86-

74

kerk en Classo, mot wie hij zoo gemakkelijk cn genocgclijk liad kunnen saamwcrkcn \'); van eeue gemeente, die hij liefhad eu die mode door hem was opgebouwd; van zoovele bijzondere vrienden on kennissen in de stad, aan wie hij zich door geestelijke- en vriondschaps-banden verbonden gevoelde. En hoezeer hij wederkeerig nog in Delft gewaardeerd en bemind word om de „bequaemheyt syns wereksquot; en de „aangenaemheyt syns persoonsquot; kwam nogmaals uit in de „soer heerlyckequot; „attestatie\'\' -), die hem door den Delftschen Kerkeraad medegegeven werd naar Amsterdam:l).

§ 5. Ilelmichius te Amsterdam.

Na ,vriendelijck wellekom gehetenquot; te zijn door de Am-sterdamsche „broedersquot; 4) bij zijne komst in de stad, waarvan Vondel zong5);

Aan d\'Amstel en aan \'t IJ, daar doet zich heerlijk ope Zij die, als Keizerin, tie kroon draagt van Europe;

en in zijne nieuwe woning, waarin „ruymte van cameren

1) Helznich zond uit Amsterdam aan A. Cornelisz, zooals ik reeds meedeelde (Iilz. 56\'), zijn »librum Amicorumquot;, opdat lt;lc ^medebroedersquot; daarin hunne «handtquot; stel[d]enquot;; Cornelisz is inTt bizonder door Helmich bedankt voor zijn )gt;vrien8cbap ende herteliekbeytquot;; en »de broeders des Classisquot; kregen later door bemiddeling van Cornelisz een «boecksken tot gedenokenissequot;. W.d.il.-V., S. III, Dl. IV, blz. 106, 128, 140.

2) Amstamp;\'d. kerkeraadsnotulen, 28 Mei 1602. Zij is opgenomen in Bijlage C. Vgl. Kist en Rnyaards, Archief enz., IH. Will, blz. 257\', waar ook eene attestatie voor een vertrekkenden leeraar is afgedrukt.

3) In 1612 sehreef K. Donteeloek, wien Hclmieh in Delft was opgevolgd, nog eens, dat laatstgenoemde in Delft »vele jaren den Dienst van de Christelioke Ghemeente met goeden lof, ende in alle getrouwieheyt heeft betreden.quot; ramflet, Cat. Muller, Ni\'. 1000.

4) tV. d. M.-V., S. III, Dl. IV, blz. 105.

5) Al de dichtwerken van Joost van Vondel, door dr. J. van Vloten, Schiedam, 1864, Dl. I, blz. 289.

-ocr page 87-

75

undo open luchtquot; was evenals „in quot;t buysquot; „tot Delftquot;, eu die hij op „bevelquot; van de „Magistraetquot; geheel naar eigen „begeertequot; mocht laten „reparerenquot;1), het meest noodzakelijke „op sijn schikquot; gebracht te hebben -), ging Ilelmichius naar den „kerekenraetquot; \'en diende „syn attestatiequot; in. Die werd mot „vruechde gehoort ende aengenomenquot; en „vooder (sic) [werd] gercsolveert dat men D. helmichium op Son-daech eersteomende der gemeyntequot; zou voorstellen „om daernaer ter behoorlyeker tijt in synen dienste bevesticht te wordenquot;2). „Verhinderingc tegen syn persoonquot; — do voorstelling geschiedde „drymaelquot; — kwam niet in, zoodat de bevestiging zoo spoedig mogelijk kon plaats hebben. Op 12 Juni 1G02 geschiedde dat dan ook „nae ordre der kerekenquot; en ving Helmich zijn\' dienst aan in zijne laatste standplaats \').

Tengevolge van een\' bijzonderen toestand in de gemeente werd die dienst zeer spoedig gewaardeerd. De Heere bezocht in 1602 „de stadt grootelijcx met de pestquot;. Maanden lang duurde de „merckelycke plagequot;. Duizenden werden ten grave gesleept; in de tweede week van Juli stierven ongeveer 500 kranken, en later klom het getal tot zelfs over de 700 in de 7 dagen3). De Kerkeraad vond het dies in Juli, toen

1

W. (I. M.-F., S. III, Dl. IV, t. a. p. Het huis in Amsterdam was «in eenige dingenquot; nog wbequamerquot; dan de woning te Delft. Mijne na-sporingen, om te weten te komen waar Helmich in Amsterdam heeft gewoond, bleven vruchteloos.

2

Amstcrdamsche kerkeraad snot uien, 23 Mei 1602.

3

In de eerste week van Juli waren »all over de 200 psonen begraven, van de sieckte en anderequot;; in de laatste week van September en in de 2 volgende werden 600 weggemaaid ; midden November werden in één week ruim 200 begraven; van 16—23 Dec. »maer 60 off 70quot;. Zie Brief van Ilelmichius aan C. Swerinckhusius te Kotter dam, d.d.

-ocr page 88-

7(5

do ziekte „storeken voortganckquot; had, „billyek dat men den heore mot vierigo geboden in do roedequot; viel, on daartoe een „bede on vastdagquot; uitsehreof. Ook de Magistraat keurde dat goed1). Einde .fnli is toen „eene vastdachquot; gehouden en —■ schrijft Holmichius — „met suleken moniehte ondo toeloop van volek, dat wol oen duysont mensohen wt do kereke sijn sien weder wtgaen, elcko reyse comendo ondo siondo dat sy geen plaotso haddon om te hoeren: ende noch wol duysent, die in \'t choor, aen do toorndouren endo rontsom saton, die niet hebben kunnen verstaenquot; 2).

Holmichius zelf bleef, ovenals de andere predikanten „go-nadeliekquot; „verschoontquot;3). En ofschoon hij er tegen was, dat men iemand, die door eene besmettelijke ziekte was aangetast, bezocht, als men er niet noodzakelijk heen moest l), zelf bezocht hij als herder dor gemeente de pestzieken, die zolfs niet ver van zijne woning „aen boyde sydenquot; waren, en hij zal er hen op gewezen hebben, dat zij „altijts in Grodts handquot; waren, en dat „des Hoeren wille moe[s]t geschieden\'quot;; hij zal met hen troostelijke gedeelten uit Gods Woord hebben gelezen; met hen en voor hen gebeden hebben of de Heore „sijne roede matigenquot; wilde; hun aangeraden hebben om zich ook zelf „met patientie jte] oeifenen in het

11 Juli 1602 (O.-A. d. N. II. K. Xr. 73; I, A), opgenomen in Bijlage /gt;; en W. ff. M.- F., S. III, Dl. IV, blzz. 126, 129, 131 vg., 135, 139 vg., 142, 148, 150, 163, 169. Vgl. over de pest, H. C. Rogge, J. Wtmhogacrf enz.. Dl. I, blz. 195.

1) Amsterd. kerkeraadsnotulen, 11 en 18 Juli 1602. De wpestequot; wordt in de notulen ween merckelyeke plage van den heerequot; genoemd. Ilebnieli noemde ze een wflagellum Deiquot;, of\' »poena Deiquot; een «roedequot; en «lieete roedequot; des Hoeren. Zie W. d. M.- F., S. 111, Dl. IV, blzz. 132, 135, 163; en Ilelmicli\'s brief in vor. noot genoemd.

2) //\'.(/..1/.-/\'., S. III, Dl. IV, blz. 135. Deze «vastdacliquot; wordt niet vermeld in NcêrlamVs Bededagen en Biddaysbrieven door N. C. Kist. Leiden, 1848 49.

3) In Delft was anders al een »geruclitequot; van zijn «overlijdenquot; verspreid. W. d. J/.-r., S. III, Dl. IV, blzz. 140; vgl. 139, 142. Zie over de andere «Dienaersquot; blz. 146; en Pniest, «c Enidit Virr. Epistolae, Nr. LV.

4) W. d. M.- F., S. III, Dl. IV, blz. 104.

-ocr page 89-

11

VVoort ende in den gobodoquot;, als zij mot „swaormoedichoytquot; werden „gequeltquot;; of ook do kinderen Gods, in het aangezicht van den dood, or nog oeus bij bepaald hobbon; Zalig zijn do dooden, die in den Hoere sterven\'). Dergelijke punten zullen zeker ook op roerende wijze -) door hom in do prediking bohandeld zijn tot bestiering, bemoediging en vertroosting van bedroefden en benauwden to midden van dozo „hoote roedequot; „van den heerequot;.

En door dien arbeid nu, op den kansel en bij do ziek- en sterfbedden, won Helmiohius zeer spoedig veler achting on liefde, zoodat Arminius in die dagen schreef: „Ilelmichius ogregie officium facit qua publico qua privatim. Talem se praebet qualem ego sane optare possim maxime. Virum bonum, candidum et syncerum, esse arbitror. Comem se et affabilem declarat omnibus, neminem prae se contemnere videtur, licet insignibus a Deo donis sit instructissimusquot;1).

Hij kreeg echter door die buitengewone gesteldheid der gemeente van meet af ook weer veel te doen, en zooals het begon is het ook gebleven. De laatste zes levensjaren, in Amsterdam doorgebracht, zijn misschien nog wel de aller-

1

Prttest. ac. Erudit. Vin\'. Epist., Nr. LV.

-ocr page 90-

78

drukste in zijn geheele leven geweest; deels door zaken die niet rechtstreeks of zeer weinig betrekking hadden op do eigen gemeente, — bv. de Bijbelvertaling, do strijd te Alkmaar, aan den naam van Venator verbonden, en zijn andere arbeid als „deputaatquot; of „correspondentquot; der IST. II. Synode\') — maar waarin hij toch betrokken werd en die hem veel tijd kostten aan vergaderingen, correspondentie en meer dan gewone studio; deels door velerlei „occupatiënquot;, die een natuurlijk gevolg waren van zijn dienst in de Amstordamsche gemeente. Deze was toen roods de „aanzienlijkste kerk [in Nederland], verreweg de grootste in ledental, en nog dagelijks wassende door den sterken toevloed van vreemdelingenquot;2); en in zoo\'n groot kerkelijk huisgezin was zeer veel werk, zouden de huisgenooten behoorlijk verzorgd worden en de huishouding in orde blijven. „So werekendaechs als Sonnendaechsquot; werd er gepredikt:t); en wel was Helmichius, ten minste tot in het begin van 1G05, vrij van „weeekpredicatiënquot;, omdat hij aan de „translatiequot; arbeidde \'j — hetgeen hem

•1) Op do Partic. Synode van N. Holland to Hoorn, 4—12 Juni 1602, werd hij dadelijk weer tot «deputatusquot; Synodi nbesteiuptquot;. Tot zijn »leot-weaenquot; sohnjft hjj. Beitsma en van Veen, a.w., Dl. 1, blzz. 324, 362; en W. d. M.-l., S. 111, Dl. IAr, blz. 137; vgl. 220. In 1603 was hjj als «correspondentquot; namens de X. H. Synode ter Synode in den Bi-iel. Beitsma en van Veen, u. w., 131. 111, blz. 199. Op de B[jbelvertaling en den strijd te Alkmaar kom ik terug.

2) F. L. Butgers, Het Kerkverhand, blz. 13. Onder de dagelijks inkomende vreemdelingen waren vele armen. Holmich schrijft er over hoe zij nonder pretext van werek te soeokenquot; naar Amsterdam gingen, »ende als sy bier sijn, zoo vervolgt hij, so en isser geen werek, offsysijnsieek, off daer valt wat anders, ende sy eleven ons aen do handen. W. d. M.-V., S. 111, Dl. IV, blz. 211. Wat Hebnich verstond onder financieelo hulp, door diakenen aan de armen te bewijzen, komt eenigszins uit op blz. 220: «De Diakenen behooren het broot te betalen, ende \'tgone tot nootsakelic-keyt des levens dientquot;, wanneer iemand «niet gestelt is om iet beson-ders te winnen.quot;

3) W\'. (1. M.-F., S. Ill, Dl. IV, blz. 135.

4) Amsterd. kerleeraadsmtnlen, 29 Apr. 1605. In de notulen van 8 Nov. quot;1607 komt uit, dat Helmichius ook weekbeurten waarnam, doch wanneer dat begonnen is wordt niet gemeld. Vgl. Butgers, liet Kerkverband, blz. 61\'.

-ocr page 91-

79

eenigo verlichting schonk, evenals de vrijstelling van hot scribaat der Classo in 1G031) — maar zoo\'n „verlichtingequot; was „so veele nietquot;, schrijft hij, als „die andere diversiën niet medequot; wat ophielden2). Welke die dan waren? Mutatis mutandis dezelfde als te Delft. Volge hier eene korte opsomming.

Allereerst behoorde daartoe de gewone „visitatiequot; in zijn eigen „quartierquot; 3). Daarvan maakte Helmichius, evenals de andere dienaren, nog al veel werk. Als hij er zich over uitlaat komt uit, dat de „huissoeckingequot; of „visitatiequot; door hem beschouwd werd als een arbeid, die tot den „dagelickschon dienstquot; behoorde, en dies veel tijd innam \'). Dan moest hij de kerkeraadsvergaderingen, die minstens eenmaal per week (maar ook vaak meer dan eenmaal) gehouden werden en

1) Acta ofte Handelingen van de Classis van Amsterdam, 4 A.u.gA603. ))Also D. Helmichius in vielen saeoken geoccupiert zijnde het ambt des soribas door zjjne mannichfuldige absentie also niet can bedienen als het behoort heeft het den broederen belieftet in zjjne plaetze naer om-gaende ordre te bestimmen Joannem Hallium.quot; De predikanten waren, aan de hand dier Acta te oordeelen — een classic, handboekje van de oude Classe Amsterdam ontbreekt, voor zoover mij bekend is — scriba voor een jaar. Xu was Helmich 18 Xov. 1602 praeses der Classe, is in Januari 1603 zeker scriba geworden en in Aug. d. a. v. door Hallius vervangen. Is het zoo toegegaan, dan heeft Helmich gedurende geheel zijn scribaat nooit classic, notulen ingeschreven; ten minste de wActa Classisquot; van 13 Jan. tot 4 Aug. 1603 ontbreken. Zoo iets is niet in hem te prijzen, doch »men kan niet meer als men canquot; zou hij misschien aan den berisper ten antwoord gegeven hebben. W. d. M.- F., S. III, Dl. IV, blz. 201. Overigens blijkt uit die Acta, dat Helmich in 1604, in 1606, — de »Handelingenquot; van 4 Apr. 1605—13 Mrt. 1606 zjjn ook niet ingeschreven — in 1607 en 1608 wel gedurig ter Classe is geweest, dat daar nu en dan eenig punt door hem ter sprake is gebracht, of een rapport is uitgebracht, en hem ook soms het een of ander is opgedragen.

2) W.d.M.-V., S. Hl, Dl. IV, blz. 219. Vgl. 201.

3) De gereformeerde gemeente was in wijkon verdeeld en elke predikant had zijn eigen wjjk of «quartierquot;. W. d. M.-V., S. III. Dl. IV? blzz. 125, 212; en Amsterd. kerkeraadsnotulen, 31 Jan. 1608. Vgl. Rutgers, Het Kerkverband, blz. 62\'.

4) If. d. M.-V., S. IH, Dl. IV, blz. 219. Vlg. blz. 204; en Rutgers, Het Kerkverband, blz. 62\'.

-ocr page 92-

so

doorgaans moer dan drie uron duurden \'), naar zijn „schuldigen plichtquot; ook bijwonen, om meè te leiden, te adviseeren en te helpen besluiten quot;); en werd dan eene gehouden bespreking beëindigd mot het nemen yan een besluit, dat door een of meer der broederen moest worden uitgevoerd, dan bezorgde dit soms aan de daarvoor aangewezenen nog weer heel wat werk na afloop der vergaderingen. En ook Ilel-mieh ontkwam aan zulke opdrachten niet. Zoo kreeg hij soms „wat arbeyts binnens buysquot; s) doordat hij brieven moest schrijven bij gelegenheid van eene beroeping 4), of eene aanbeveling moest klaar maken voor dezen of genen 5), of een formulier ter verzoening van twistenden moest helpen opstellen \'j; soms moest hij leden der gemeente bezoeken, om hen „te onderrichten en op den rechten weg te brengenquot;,

1) Rutgers, a. w., 61\'.

2) Rutgers, /r., biz. 17. V^i. biz. 73 vg. De uitdrukking «schuldige plichtquot; vond ik in de Amsterd. Tcerkeraad snot uien van 10 Jan. 1608. Ds. Plancius had zich namel. een »nierckelycken tytquot; geabsenteerd wvan de vergaderingequot;, en HelmichiuS is toen met een ouderling aangewezen om hem te verzoeken, te vermanen en te gelasten, dat hij weer ter vergadering zou komen; het was zijn «schuldige plichtquot;. Hetgeheele incident vindt men vermeld bij Rutgers, a. w., blz. 15\'.

3) W. d. M.- F., S. III, Dl. IV, blz. 258.

4) Zoo bv. bij de beroeping van Rolandus, zijn oud-collega in Delt\'t^ die al in 1G02 in Amsterdam werd begeerd, in 1603 is beroepen en na ontslagen te zjjn door de wkereke van Franckendaelquot; gekomen is. Hel-mich bracht die beroeping op de Classe ter sprake en moest later aan hem schrijven. Vóór de beroeping won men eerst nog informatiën in te Delft over de »gavenquot; van Rolandus — Helmich wilde niet, dat men alleen op zijn oordeel zou afgaan — en over diens «vreesachtigheidquot;, waaraan hij vroeger in Delft zou geleden hebben. Acta van de Classis, 18 Nov. 1002; Amsterd. kerkeraadsnotulen, 21, 28 Nov. 1602; 14 Jan., 3 Apr., 12, 26 Juni 1603; en W.d.M.-V., S. III, Dl. IV, blzz. 450 vg.,i53, 163 vg., 174, 180. Vgl. Rutgers, a.w., blz. 57. In 1607 moest Helmich eerst over, later aan ds. J. Acronius te Groningen, die in genoemd jaar te Amsterdam beroepen is, schrijven. Amsterd. kerkeraadsnotuien, 14, 30 Aug. 1607. Zie dr. S. van Veen, Uit drie eeuwen, Groningen, 1894, blz. 223.

5) Zie bv. Amsterd. kerkeraadsnotulen, 20 Mei 1608.

G) Amsterd. kerkeraadsnotulen, 20, 27 Mrt. 1008.

-ocr page 93-

81

als zij neiging naar vreemde opinion openbaarden ^), of om hen te vermanen als zij ergernis liadden gegeven door hun gedrag en wandel1). Ook moest hij wel eens meê naar de „Eersaeme H.H. Burgormeesterenquot; om iemand aan te dienen, dien de Kerkeraad beroepen wilde 2); of om hun medewerking te vragen tot het „beschermen van de kerk tegen stroomingen, die haar langzaam maar zeker ondermijnen zoudenquot;\'3); en een enkele maal meê naar de H.H. Bewindhebbers van de Oost-Indische Compagnie, „wier college natuurlijk geen kerkelijk karakter had,quot; maar die zich toch soms „veroorloofden, op hun schepen of in de koloniën predikers en ziekentroosters aan te stelleu, soms zelfs personen, die niet eens kerkelijk onderzocht waren,quot; om hen te „vermanen tot afstantquot; van zulke dingen 4). En toen de Kerkeraad in 1603 besloot, „alle crancbesoeckers dewelcke de companie van oost-indien zouden moghen aenuemenquot; vooraf te examineeren, tot handhaving van de rechten van het ambt en de kerkelijke orde tegenover die Bewindhebbers, was Helmich een der twee, die tot examinatoren worden aangewezeu5).

6

1

Amsterd. kevkeraadsnotulen, 9 Deo. löOi. Dronkenschap, hoererij, dieverij, dansen, burengerucht enz. waren niet zelden de oorzaak waaroiu leden der gemeente bezocht en vermaand werden of voor den Kerkeraad werden geroepen. In al zulke gevallen is ook Helmichius betrokken geweest. Zie bv. Amsterd. kerkeraadsnotuien, 22, 29 Aug., 14 Nov., 5, 12 Dec. 1602; 15 Jan., 19 Febr. 1604; 23 Juni, 15 Dec. 1605; 8 Febr., 15 Mrt., 1 Nov. 1607: en 27 Mrt. 1608.

2

Zie bv. Amsterd. kerkeruudsnotuien, 31 Oct. 1602.

3

Zie bv. Am ster d. kerkeraadsnottilen, 25 Mei 1606.

4

Amsterd. kerkeraadsnotulen, 1 Mrt., 12, 19 Apr. 1607. Vgl. Rutgers, «.««., blzz. 21, 62.

5

Amsterd. kerkeraadsnotulen, 6 Nov 1603; en Rutgers, «. «■., bijl../. Vgl. H. H. Kuyper, u. «■., Dl. I, blz. 411.

-ocr page 94-

82

Ook moest hij nu cn dan tegenwoordig zijn bij het examen op de scholen in Amsterdam En behalve dat alles kwamen er nog gedurig personen bij hem aan huis, wien „advisenquot; moesten worden gegeven, welke soms „lange tytquot; vereisch-ten1). Niet ten onrechte schreef Helmich dus in zijn brieven, nu eens, dat hij „meniehvuldigo gestadige diversiënquot;, dan weer, dat hij „veelvuldige distractiënquot; of „verscheyden verhinderingen endc molestatiënquot; had 2). Hij was zeer dikwijls ovcrkropt met tijdversnipperende „occupatiënquot;.

Al die arbeid kwam echter der gemeente des Heeren ten goede. Van zulk eenquot; begaafd leoraar, zulk een\' goed herder, zulk een\' vast leider, zulk eenquot; trouw on nederig arbeider in den wijngaard des lleeren i. e. w.3), moest kracht uitgaan tot opbouwing en saambinding der gemeento naar binnen en tot bewaring van het recht en de rust der kerk tegenovequot; hetgeen van buiten op haar aankwam. Zijn dienst was zoo profijtelijk dat do „kerckequot; van Amsterdam in 1607, toen de Partic. Synode, aldaar gehouden, geraden vond dat Helmich, om „in deu goeden voortganckquot; van de „oversettinge des bybelsquot; niet verhinderd te worden, in „syne lasten verlicht\'quot; werd, verklaarde, „dat sy tot stichtinge harer ge-meynte den dienst D. IIeIhiciiii niet missen en condenquot; 4).

Toch zou ze haren „weerdenquot; dienaar niet zoo heel larg meer in haar midden hebben.

Helmich schijnt niet bijzonder sterk van gestel geweest te zijn. In Delft althans had hij reeds jaren lang min of

1

2; Amsterd. kerkeraadmotulen, 3i Jan. 1008.

2

W.d. M.-V.. S. III, Dl. IV, blzz. 219, 227, 258.

3

Zie W.d.M.-V. S. III, Dl. IV, blzz. 204, 263 vg. Beide malen vor-ilerde elk «examen ende aencleven van dienquot; veertien dagen tijds.

4

Eeitsma en van Veen, «. tv., Dl. I, blz. 410.

-ocr page 95-

83

meer last van „indispositie en passie der inacghequot; \'), en vooral den allerlaatsten tijd aldaar schijnt hij niet bijzonder gezond geweest te zijn, omdat hope op herstel, gelijk ik vroeger meedeelde, een der drijfveeren was geweest om het beroep naar Amsterdam op te volgen. En metterdaad is hij ook do eerste jaren in zijne laatste gemeente tamelijk welvarend geweest. Hij was er nog niet zoo heel lang of hij kon reeds schrijven, dat hij „noch all welquot;, „ja geheel welquot; was; „tot aen mijn maech toequot;, voegt hij er bij, „die voorals noch beter is als sy, om dese tijt jaers, in tien jaren geweest is.quot; Voor 1605 heeft hij in Amsterdam „noyt de coortse gesmaecktquot; : was hij daar „ongewent sieck te wesenquot;. In genoemd jaar evenwel tastte de „Tertianaquot; hem „taine-lick hardtquot; aan, zoodat hij zijne „sterckheytquot; kwijt raakte, en pas weer wat beter, kreeg hij op nieuw de „coortsequot; ). Van dien tijd af tot zeer kort voor zijn\' dood ontbreken de bijzonderheden omtrent zijne gezondheid — trouwens alle mededeelingen van nog al bijzonderen aard, omdat zijn intimus frater A. Cornelisz, aan wien hij zeer confidentieel schreef en dan over allerlei quot;), in Juui 1005 overleden is—, doch zijn velerlei arbeid van 1005—1 GOS doet vermoeden, dat hij de drie laatste jaren nog tamelijk „wel te passequot; is geweest. In Mei 1608 kwam hij echter ouwel terug uit den Haag, van eene conferentie tusschen Gomarus en Arminius,

1) Delftsche kerkeraadsnotulen, 1 Sept. 1597. Uit een paai* andere berichten over zijne gezondheid vóór 1600 blijkt, dat hij in 1581 «morbus intestinusquot; had, in 1587 gezond was, en in 1599 ook nog al wel was. Il.ih M.-V., S. 111, Dl. IV, blzz. 21, 71, 98, 101.

2) ir.d.M.-V., S. III, Dl. IV, blzz. 135, 257 vg., 263, 274 vg.

3) Zoo o.a. over ))boterquot;, die uit Delft gekomen was; over )gt;suyckerquot; en «beulingenquot;; over een «swarte leelicke sitkistquot;; over \'t «slotquot; van een «duerquot;; over een «obligatiequot;, «daermede 32 gl. te ontfangenquot; was. Ook komen wij uit de brieven te weten, dat Helmich in Delft een »hoenderhuysquot; heeft gehad, zoodat de familie er daar kippen op na heeft gehouden. W. d. M.-V., S. 111, Dl. IV, blzz. 109 vg., 130, 154 vg., 157.

-ocr page 96-

84

waarbij hij tegenwoordig had moeten zijn !), on hij is toen zeer waarschijnlijk ziekelijk gebleven; ten minste in een brief, in Juni d. a. v. aan Bogerman geschreven -), meldt hij: „ Valetudo mea affectior et nondain plane restituta, ex quo llaga redii.quot; Toch kwam hij uog weer in Juli ter classicale vergadering1), en werkte alzoo zoolang het dag was, want do volgende maand was al zijne stoi\'fmaand. Op zijn krankbed was hij nog steeds vervuld met hetgeen hem in zijne ambtelijke loopbaan ook altijd na aan het hart had gelegen: hot welvaren van Zion. Zion bloeide nu niet; er was eene breuke in Zion; en dies was Helmich droevig. De onrust in de kerken ontstaan door de „novitates Arminianaequot; deden hem dikwijls zuchten2). Bovenal smartte het hem, dat de in zijn oog zooveel beteekenende en vroeger zoozeer door hom beminde Witenbogaert, die met hom in Utrecht had saam-gewerkt, maar sedert allengskens meer en moor was afgezakt uaar den kant der „Folitiekenquot;, zich aldus steeds verder van hem had verwijderd en in de Arminiaansche geschillen zelfs tegenover hem aan de zijde van Arminius was gaan staan, nu „quaetquot; deed aan de kerk. „Menichmaelquot; riep hij „klaechlijck\'\' uit, naar Trigland meedeelt: „O AVtenbogaert, Wtenbogaert! Als men hem vraechde, D. Helmichi, hoe roept ghy so seer over Wtenboogaert? Arminius is immers de principale oorsaeek van dit quaet, seyde hy daerop, Wat gaet my Arminius aen? Macr Joannes, Joannes Wtenboogaert, dien ick soo lief ghehadt hebbe als een Moeder haer Kint dat se onder haer herte godragen heeft, O Wtenboo-

1

Acta ran de Classis ran Amsterdam, 7 Juli 1008.

2

Voetius, Disputationes Selectac, P. 111, p. 1122.

-ocr page 97-

85

gacrt, dat die do Koroke Godcs dit verdriet doetquot;!1). Ifij vermaande dan ook de omstanders, gelijk Voetius schrijft, ,.ut constanter manerent sou starent in salutari doctrina, quam ipsos docueratquot; 2); „porseverarent ct caverent sibi ab

1; Trigland, a. \\o., blz. 3\'i5. Vgl. H. O. Rogge, J. Wtenhoyacrf enz., Dl. I, blz. 231.

2) Voetius, Disput. Select., P. III, p. 1122. Vgl. P. V, p. 410. Voetius deelt ons mede, dat lu zjjn studententijd het in den tekst genoemde «emortnale Helmichiiquot; door prof. Armimiis over den hekel was gehaald. Volgens Arminius smaakte het wat naar Rome; Helmichius had er, om zuiver te zijn, bij moeten voegen; [doctrina], «quam ex Verbo Dei docui, ant, quam certus sum cum Verbo Dei convenirequot;, aut, «quae indubitate est doctrina verbi diviniquot; of iets dergelijks. Voetius merkt er bij op, dat Arminius zoo niet had mogen hekelen, omdat uit Helmichius\' woorden, aan de gegispte uitdrukking voorafgaande, wel duideljjk bleek, dat hij daarmede geene andere bedoeling had dan Arminius wilde. «Dato, aldus Voetius, in ista una continua oratione, talem declarationem exsertis verbis non fuisse additam, de eü tamen ex ante dictis ipsius, satis con-stabat. Cum in letali morbo suo toties ingemuisset, et apud suos con-questus esset do novitatibus Arminianis astu et porfidia quorundam (inprimis N. N.) tune gliscentibus, indicaverat eas repugnare Verbo Dei et reforraatae religioni ex Verbo Dei hactenus traditae. Quid, zoo gaat lijj dan voort, si quis ex Remonstrantibus hinc discessurus suos praemo-niturus contra intentatam seductionem Muhammedismi, aut Libertino-Enthusiasmi, aut Judaismi, hortaretur ut manerent in Christiana rel igione, quam ipsos docuisset; an putarent, hac ratione praejudicari autoritati Scripturae.

Arminius stelde dus de woorden van Helmichius in een verkeerd daglicht, ongeveer in denzelfden tijd waarin hij schreef: Mi ram istic licentiam maledicendi sibi sumit quivis e vulgo etiam. Nam ne epita-phium quidem, quod infulsus quidam I). Ilelmichio p. m. composuit in-noxinm esse potuit: fuerunt etiam in eo perstringendi, quos gratis lingunt esse No va tores etc. Zie Proest, ac Enid. Virr., Nr. CXVIU, d.d. 24 Sept. 1608. Het doet onaangenaam aan, als wij Arminius\' woord over Helmichius en zijne opmerking over het epitaphium, waarin iets gezegd werd van hemzelf en zjjn aanhang, dadelijk na elkander lezen. Een gereformeerde werd na zijn dood, om een enkel woord, door Arminius op \'t college verketterd j en toen iets van zijne eigen kettersche gevoelens gezegd werd, sloeg hij dadelijk alarm. Intusschen is niet met zekerheid te zeggen op welke uitdrukking Arminius doelde in zjjn\' brief, omdat hjj geen bepaald «epitaphiumquot; citeert; misschien heeft hij het oog gehad op een «Claegh-ghedicht op het overlijden van den AVysen, Vromen ende Wel-gheleerden D. quot;Warnerus Helmichius Ghetrouwe Dienaer des Godelycken quot;Woordes in de kereke tot Amstelredam,quot; waarin, zeker met toespeling-op de waarschuwende woorden van Helmich op zijn ziekbed, over «wat

-ocr page 98-

imposturislnnovatorurrf\', zooals Festus Hommius meedeelde\'). Wegen en twintig Augustus3) eindelijk is het ziekbed in sterfbed veranderd; op dien dag is Ilolmichius\' ziele dooiden Ileere „wt deser weerelt thuys gchaeltquot; 3). „Obiit morte placidissimaquot; \'), te Amsterdam 5).

nicuw\'squot; — en hiermede zal Arrainius1 leer bedoeld zjjn — gesproken wordt. Dat «Claegh-ghedicht is afgedrukt in Bijlage E. Tevens zijn daarin opgenomen, evenmin om de groote waarde, maar volledigheidshalve, twee »Graf-dichtenquot; op het overlijden van Helmichius. Beide bevinden zich, evenals het »Claegh-ghedichtquot;, in de Biblioth. der stedel. universiteit te Amsterdam. Vgl. II. C. Rogge, Beschr jv. Catalogus der Pamfi. Verz. van de Boel\', der Ttemonstr. Tcerk te Amsterdam, St. II, Afd. I, blz. 13. Ook is een exemplaar van het »Claegh-ghedichtquot; in de Koninkl. Biblioth. in den Haag te vinden, geheel gelijk aan \'t Amsterdamsche, met uitzondering alleen van den datum van overlijden; in \'t laatstgen. exemplaar wordt XXIX Aug., in \'t Haagsche XXX Aug. als sterfdag opgegeven. Zie over dat laatste 2 noten verder.

1) In een brief, d.d. 4 Sept. 1608, aan Lubbertus geschreven. Op gezag van dr. Reitsma geef ik Hommius als schrijver van den brief op. Zie dr. J. lleitsma. Honderd Jaren uit de Geschiedenis der Hervorming en der Hervormde kerk in Friesland, Leeuwarden, 1870, blz. 3;{0\'.

2) Duker, Gish. Voetius, blz. 85quot;, noemt 30 Aug. als sterfdag, evenals het Haagsche exemplaar van het »Claegh-ghedichtquot;, 2 noten vroeger genoemd. Ik houd 29 Aug. als sterfdag vast, niet alleen omdat die datum voorkomt op het in Amsterdam aanwezige wClaegh-ghedichtquot; en op een der beide reeds genoemde »Graf-dichtenquot; — het andere heeft geen datum —, maar ook en vooral omdat Hommius in den zoo even geci-teerden brief van 4 Sept. ook »29 Aug.quot; opgeeft, en »29 Aug.quot; ook genoemd wordt in G. Brandt, Dayh wijzer der Geschiedenissen (in het register der vermaarde mannen achterin), en bij Burman, Traject. Erud. i. v. Helmichius. — H. Witte eindelijk in zijn Diariuin Biographiciuu (Tom. II, 1699), schrijft in Appendix 77: »Obiit anno 1608 10 Augusti quot;Wernervs HELMiCiiivs.quot; Dat is zeker naar »oude stijlquot; berekend, en is dus hetzelfdo als 29 Aug. «nieuwe stijlquot;.

3) »quot;VVt deser weerelt halenquot; of »thuysquot; halen, vond ik meermalen aangehaald in stukken uit die dagen. Helmichius zelf bezigde ook een paar malen dergelijke uitdrukking. W. d. M.-V., S. Ill, Dl. IV, blz. 131 vg.

4) Ontleend aan Hommius\' brief (zie 3 noten vroeger) van 4 Sept. 1608.

5) Burman haalt in Traject. Erud. i.v. Helmichius, het Diariuin Bio-graphicum van II. quot;Witte aan, als zou daarin staan: Helmich stierf te Delft. quot;Witte zegt dit echter niet letterlijk, ofschoon diens mededeeling in Appendix op Tom. I (1688) onder 1608: »Wernerus Helmichius, Bdga, Ultrajectinus, Ecclesiastes Delphensis,quot; zonder dat Amsterdam als laatste standplaats wordt genoemd, eenigszins verklaart, wat Burman nit quot;Witte\'s woorden heeft afgeleid.

-ocr page 99-

87

Het bericht van zijn\' dood bracht grootc ontsteltenis in do kerken te weeg. ..Tristissimum de obitu D. HeLmicuii nuntium eonturbavit sane omnes Ecclesias nostras et porcu-lit moerore meredibili,quot;\' wordt 5 dagen na zijnquot; dood geschreven \'). Algemeen gevoelde men het: Er was een vorst in Israël gevallen.

Hot diepst bedroefd over dat afsterven zullen zeker geweest zijn de weduwe van Holmiohius, Elisabeth van Zuy-len van de Ilaer ~), die in 1580 met hem was gehuwd en

1) Door Hommius nan Lubbertus in een brief van 4 Sept. 1608. Zie vorige biz., aant. 1.

2) Wat ik over haar vond, vinde hier eene plaats. Elisabeth van Znylen van de Haer, in de Amsferd. kerkeraadsnotulen van 2 Juni 1611 alleen manr «Elisabeth van Znylenquot; geheeten, was eene dochter van Adriaen, deken van St. Jan te Utreeht en van diens eerste vrouw Cornelia de quot;Wijs. Zij huwde 8 Mei quot;1580 mot Ilelmichina. (Mededeeliiigen, ontleend aan oen oud manuscript over genealogie, en mij zeer welwillend verstrekt door den heer A. A. Vorsterman van Oijon te Oisterwijk). In Dec. 1580 schrijft Helmichius aan Corput: «Ego cum uxore, laus Deo, valeoquot; (Brief uit het O.-A.d. AT. II. K., Nr. 39,1, opgenomen in Bijlage D); en later noemt hij haar dikwijls in zjjne brieven, als hij zijne «hertelicke groetenissequot; en die zijner «huisfrouquot; aan A. Cornelisz en diens echtge-noote of aan anderen aanbiedt, terwijl hij daarin ook meedeelt, dat Elisabetii in 1602, toen hij naar Amsterdam moest verhuizen, zijne boeken nonversiens all gepacktquot; had «in de tonnequot;, eer hij het wist en met de kinderen vooruit was gereisd naar de nieuwe woonplaats. \\l . lt;/. MI.. S. III, Dl. IV, blz. -lOSvg.; en passim aan het slot der brieven. Zeker is zij eene flinke en voortvarende vrouw geweest.

Trigland (Kerchel. Gesch. blz. 345) deelt mede, dat zij, tijdens Hebnich te Delft stond, naar don Haag is geweest om een bezoek te brengen aan Wtenbogaert, die toen ernstig ongesteld was; en bedroefd thuisgekomen, met tranen in de oogen er over sprak met A. Cornelisz, dat de «Kercke Godtsquot; quot;Wtenbogaert zou moeten missen. Arnoldus heelt haar toen aangeraden hare droefheid te matigen, omdat de kerk door het verlies van Wtenbogaert «van een groote swaricheydtquot; verlost zou worden. Dat verwonderde liaar zoo, dat zij vroeg: «Broeder Arnoldus wat seght gliy?\' waarop hij het zoo even genoemde nog eens herhaalde. Nog meer verwonderd vroeg zij toen: «Seght ghy dat mynen man Helmichius wel?quot;, en kreeg ten antwoord: «lek segghet uwen Man wel, maer hyissoomet affectie inghenomen, dat hy \'t niet ghelooven en kan.quot; Zjj kon dus ook levendige belangstelling toonen. En dat zij die ook getoond heeft in de dingen op kerkelijk gebied, toen haar man in den Armiu. strijd meê-

-ocr page 100-

8S

als oonc licfliobbcndc gado moor dan 25 jaren liof en lood mot hem had gedeeld; en Helmichius\' kinderen1), voor

streed met de gereformeerden, blijkt uit hetgeen Arminius — ofschoon Itichend — over haar schrijft: «ipsa quoque de doctrina judicium sibi sumere veile videtur.quot; Praesf. ac. Ernd. Virr. Nr. LXXVI.

Drie jaar na den dood van haar man, in 1611, is zij tot diacones bij de gereformeerde kerk te Amsterdam benoemd. Amsterd. kerkeraadsnotuloi, 2 Juni 1611. (Zie over de diaconessen in Amsterdam, in 1582 voor \'t eerst ten getale van 3 aangesteld: Croese, Kerkelijk Register, in de » Voorredenquot;.)

Eindelijk gaf zij in 1609 en 1614 toestemming tot de uitgave van een paar boekjes van haar echtgenoot en teekende zich onder de voorrede van het eene en onder de «epistola dedicatoriaquot; van het andere met de letters »E. V. Z.quot; Vgl. Hfdst. II, §6.

Een afdruk van het wapen van Elisabeth (vgl. F. Muller, Beschrijvende catalogus van 7000 Nederlandsche Portretten, Amsterd., 1853, blz. 113, Xr. 2294c) werd mij ook verstrekt door den heer A. A. Vor-sterman van Ogen te Oisterwijk, die mij tevens deze beschrjj ving daarvan toezond: «Zij voerde 1 en 4 in rood, drie zilveren zuilen (van Zuylon), 2 en 3 in zilver, drie roede ruiten (van de Haer). Helmteeken een uitkomende drakenkop met hals van hermelijn, rood getongd. Dekkleeden rechts rood en zilver, links zilver en rood.

1) Dat Helmichius kinderen heeft gehad komt in een zijner brieven uit. W. d. ü/.- F., S. III, Dl. IV, blz. 105. Die plaats is echter ook de eenigc, waar het duidelijk wordt gezegd. Een beslist antwoord op do vragen: hoeveel, hoe zij heetten, wat zij geweest zijn, en hoe het met hen is gegaan, kan daarom niet gegeven worden. Zeer waarschijnlijk was een dier kinderen:

Helmichius Jlelmichsz, geb. te Utrecht, pred. te Amboina 7 Sept. 1631; aldaar overleden 5 Sept. 1634. Zie over hem C. A. L. van Troostenburg de Bruyn, De Hervormde kerk in Nederl. Oost-Indië onder de Oost-Ind. Compagnie, 1602—1795. Arnhem, 1884, blz. 250; van denzelfde Biogr. Woordenh. van O.-Ind. predikanten, Nijmegen, 1893, i. v. Helmichius; en J. A. Grothe, Archief voor de Geschiedenis der oude Hollandsche Zending, Dl. VI (Utrecht, 1891), blzz. 12, 118, 122, 154 vg., 157,166 vgg., 190, 197, 203, 225 vg., 229, 233—\'46, 254, 257, 265, 268, 284, 301 vg.. 326, 361. Op blz. 301 vg. wordt een zeer schoon getuigenis van hem gegeven; worden hem eigenschappen toegeschreven geheel overeenkomende met die van onzen Wernerus; alleen daarop afgaande zou men haast durven besluiten, dat er nauwe verwantschap is geweest tusschen Wernerus Helmichius en Helmichius Helmichsz.

Vermoedelijk was ook een zoon van Wernerus:

Gerardus Helmichius, pred. te Veenendaal, aldaar gest. 1636.

In een oud kerkelijk notulenboek van Veenendaal komt voor, dat hij in 1610 als predikant uit Houten naar Veenendaal is gekomen, volgens een schrijven van ds. G. Nijhuis, pred. te Veenendaal. De secretaris van

-ocr page 101-

89

zooveel die met hunne moeder hot zalig afsterven hebben beleefd van haar man en hun vader; van hem, van wien men, ouder een van zijne beeltenissen1), leest:

Veenondaal, de heer R. M, vjin den Borg van Saparoea, schreef mij editor, dat lijj in registers, bij oude Veenendalers aanwezig, gevonden had, dat ds. Ger. Ilolmicliius uit Hontenisso was gekomen, terwijl van Rhenen (verbeterd door A. quot;NV. K. Voet), Naamlijst van Predikanten in (h\' Provincie Utrecht, Utrecht, 4724, blz. 102 schrijft: ))Gerardus Hel-michius, geloofflyk Wernernszoon: beroepen lü.... wordt vermeit als een lit van de Synode 1G18, gestorven 1036.quot; Alleen het sterljaar schijnt dus vast te staan. Vgl. nog Brandt, Historie der Reformatie, Dl. IV, blz. 319; en Dodt van Flensburg, Archief voor Kerkel. en Wer. geschiedenissent Dl. III, blz. 280. Namen van nog andere Helmichii, die misschien tot het gezin van Wernerus hebben behoord, heb ik niet gevonden. Want in het Album Studiosorum Acad. Lwjd. Bat., 1575—1875, Leiden, 1875, p. 74, wordt wel een «Adrianus Melmichiiquot; genoemd, die in 1604 te Leiden als student is ingeschreven, doch achter diens naam staat ))Gel-drusquot;. En behalve dien )gt;Adrianusquot; worden in genoemd Album nog 5 llelmichii genoemd, die later, in verschillende jaren ingeschreven zijn, t. w.:

1644. 28 Sept.: Andraeas Helmichius, Stetino-Pomeranus, 30 j.;

1684. 10 Oct.: Henricus Helmich, Gorensis, 22 j.;

1840. 16 Sept: Arnoldus Michael Helmich, Zwollanus, 20 j.;

1844. 27 Sept.: Guilielmus Michaelis Helmich, Zwollanus, 20 j.;

1845. 7 Oct.: Henricus Alardus Helmich, Zwollanus, 20 j.;

(p. 353, 671, 1323, 1336 en 1330 van gen. Album), maar of die tot de nakomelingschap van onzen Wernerus moeten gerekend worden, heb ik niet kunnen ontdekken. Zjj waren in elk geval zijne zonen niet. De naam Helmich komt ook nu nog hier en daar in Nederland voor.

1) Voor zoover mjj bekend is, bestaan er eigenlijk drie portretten van Helmichius. Het kleinste, — 54 m.M. breed, 78 m.M. hoog - is een borstbeeld rechts in ovaal, waaronder met kleine letters staat: «Wernerus Helmichius Vltraject. pal\'tor eccl. Amfteldamiquot;. Het is het eigendom en in bezit van den heer A. J. Xijland, schoolopziener te Utrecht. Ik vond het nergens vermeld. Het achterhoofd steekt iets meer uit, doch overigens gelijkt het zeer op de twee andere.

Een dier andere, in grootte op het kleinste volgende, — 104 m.M. breed, 150 m.M. hoog — is een borstbeeld links in ovaal, 4quot;, met hetzelfde onderschrift, dat onder het kleinste staat, doch in kapitale letters. Het wordt vermeld in F. Mailer\'s Beschrijvende catalogus van 7000 Neder-landsche Portretten, blz. 113, Nr. 22946*. [Over het daarbij vermelde wapen van Helmichius\' echtgenoote zie men 2 noten vroeger]; in ))Les vrays Pourtraits de les célèbres et plus renommés Professeurs do Leide, s. d., (vgl. van Someren, Beschr. cat al. van portretten run Nederlanders, Dl. 11, 1800, blz. 318, Nr. 2380a): en komt ook voor in mijn exemplaar van Helmichius\' Analysis Psalmorum etc. Zie Hfdst. II, i; 6. Ook staat er wel eens onder: ))W. H. Bibliorum Interpresquot;, (zie Muller, a./t-..

-ocr page 102-

90

Die met een onvermoeide geeft,

Grods knecht in \'t leven is geweeft. En yverig fijn gaeven deelden,

Als liy Gods acker vruchtbaer teelden. Hoe wel fijn ziel bij Grode woond,

Soo werd fijn weefen liier getoond. Syn hoge geeft van Grod gegeven.

Doet door fijn fchrift hem eeuwic leven.

C. K.

Nr. 2295(Z, hetzelfde als bij van Someren, a. w., Nr. 23806), doch het portret is hetzelfde. En toen Soermans in zijn Academisch Register 1575-1704, Leiden, 1704, blz. Hl, schreef: «Wegens fijn geleertheyt, en andere bequaamheden, is [Helmichius] mede geftelt onder de gedrukte Af-beeltfelen der Profefforen van Leyden, met defen Eeren-tytul Thco-logusquot;, doelde hjj zeker ook op dit portret, omdat er in de portretverzamelingen van Leidsche professoren geen portret van Helmichius is, «lat den nsuim Theoloyus draagt. Soermans heeft dan in plaats van ))Bi-bliorum interpresquot;, «Theologusquot; geschreven.

Eene reproductie van dit portret, doch met weglating van het genoemde, niet volledige onderschrift, is vóór dit proefschritt geplaatst.

liet derde en allergrootste portret — 137 m.M. breed en 220 m.M. hoog —, waarvan ook een latere druk bestaat, is een borstbeeld rechts, in ov., kl. fol., met het randschrift: WERNERXJS HELMICHIUS GEBOREN TOT WTRECHT Aquot; 1551. GESTORVEN TOT AMSTERDAM Aquot; 1608 DEN 29 AVGUSTI, en met het 8 regelig onderschrift, dat in den tekst volgt. Muller noemt dit portret in a. w., Nr. 2202« en 22936, terwijl de latere druk (Nr. 22936) ook vermeld wordt in den Catalogus der BïbliotheeTc van J. Thysius, Leiden, 1870, blz. 295.

Naar de portretten te oordeelen is Helmichius geen zwaargebouwd man geweest. Het gelaat teekent ernst en bescheidenheid.

-ocr page 103-

HOOFDSTUK 11.

Helmichius\' beteekeuis.

§ 1. Inleiding.

In het eerste Hoofdstuk beschreef ik, eenigszins tot in bijzonderheden, den levensloop van Wernerus Helmichius. Zijne geboorte en opleiding besprak ik in § 1, uit gebrek aan uitvoeriger bescheiden, vrij kort, en vatte daarin samen, wat hier en daar over zijne eerste drie of vierentwintig levensjaren te vinden was. In eene 21-\' paragraaf vroeg ik iets langer de aandacht voor hem, als dienaar des Woords, achtereenvolgens te Frankfort a d Main ; te Utrecht; te Delft; en \'t laatst te Amsterdam; afgewisseld door „dienst bij leeningquot;\' in een paar andere gemeenten van zijn vaderland. Daarbij kwam uit, dat hij, als een instrument dos lleeren, de sleutelen des Hemelrijks naar de vereischten van zijn\' dienst, op don kansel, aan de huizen van de lidmaten der gemeente, en in de vergaderingen van Kerke-raad, Classe en Synode, over het geheel genomen, zooveel mogelijk getrouw bediende en door woord en daad toonde dat hij, als een getrouw herder achter Christus, de zielen en zaken en zorgen der gemeente op zijn hart droeg, meer

-ocr page 104-

02

dan dertig jaren lang, totdat hij zelf gedragen werd in het Vaderhuis hierboven, om daar te ruston van zijn\' arbeid. Eindelijk loerden we hem in boido paragraven ook kennen als een man van groote geleerdheid, die herhaaldelijk voor een theol. professoraat te Leiden in aanmerking kwam, daar ook tot hoogleeraar benoemd is geweest en toen zeer begeerd werd, doch aan de dringende roepstemmen geen gehoor heeft gegeven.

In een tweede en laatste Hoofdstuk wil ik nu nog enkele §§ wijden aan Helmich\'s beteekenis.

Vooraf zij het mij echter vergund een paar opmerkingen te maken.

Allereerst, dat het nu en dan noodig zal zijn, met een enkel woord te herhalen of ook uit te breiden, wat ik in Hoofdstuk I, bij de beschrijving van Helmichius\' levensloop, reeds meende te moeten aanstippen. Verder wijs ik er op, dat het soms don schijn kan krijgen, alsof Helmichius bij de eono of andere gebeurtenis moer op den voorgrond komt to staan, dan recht is, doch men houde dan in het oog, dat niet de soms moeielijk te weerhouden begeerte om zijn held geflatteerd te doen uitkomen, mij daartoe gedreven heeft, maar dat dit zijne natuurlijke verklaring hierin vindt, dat Helmichius in den regel met anderen heeft gearbeid tot volbrenging van eene voorgenomonc of opgedra-gene taak, terwijl ik in dit geschrift bijzonder op hem alleen heb te wijzen. Het meeste licht moet ik daarom ook op hom laten vallen, en wie dan moer in de schaduw op den achtergrond blijft, is deswege niet van minder beteekenis, maar alleen in deze monographie minder duidelijk te zien. Eindelijk maak ik nog de opmerking, dat hot mij niet mogelijk was de verschillende paragraven door oono zeer scherpe indeeling van elkander te scheidon, omdat het eono stuk van Helmich\'s bemoeienissen vaak zeer nauw aan het andere was verbonden, ja er soms als doorheen ge-

-ocr page 105-

93

wevon was. Vinde het daarom verschoon ing als de grenzen soms wat flauw en onduidelijk mogen wezen. Wijl indeelen evenwel toch noodig is, om zooveel mogelijk verwarring to voorkomen, meen ik het beste te doen, ter kenschetsing van Holmich\'s beteekenis achtereenvolgens aan te wijzen, hoo hij dacht over of wat hij deed voor:

1de eenheid van het gereformeerde kerkverband;

2°. den vrede en de orde in de gereformeerde kerken;

3°. de zuiverheid der Leer;

4°. de vertaling van den Bijbel.

Daarna bespreek ik dan kortelijk, in g 0, zijne schriftelijke nalatenschap en de beteekenis, die hij deswege heeft, en besluit den geheelen arbeid met een kort slotwoord.

§ 2. rielmichius in zake de eenheid van het gereformeerde kerkverband.

Het eerst sta ik nu stil bij Helmichius\' werkzaamheid in zake de eenheid van het gereformeerde kerkverband, omdat hij, na zijne komst in de Nederlanden, daarmede het eerst te maken heeft gehad.

Omstreeks 1574 werd Jlubertus Duifhuis te Utrecht pastoor van „de halve portiequot; van St. Jacob. Eerst trouw aan zijne belofte, bij zijne komst van hem geöischt, dat hij de „oude Roomsch-Katholyke religie [zou] voorstaan en leeren,quot; begon hij allengs meer en meer in onroomschen geest te prediken en constitueerde zijne parochie in 1578 tot eene soort gereformeerde kerk \'). Eigenlijk was die kerk-formatio niet veel meer dan eene vereeniging tot hot hou-

1) Zie J. Wiarda, Huibert Duifhuis, blz. 18.

-ocr page 106-

94

den van godsdienstige redevoeringen, omdat geeno ouderlingen en diakenen worden gekozen, maar de oude Kerk- en Potmeesters daarvoor dienst bleven doen; omdat geeue „kerkelijke censuurquot; werd geoefend, geene vragen aan do ouders werden gedaan bij hot laten doopen hunner kinderen, en geeue openlijke belijdenis des geloofs werd afgelegd door hen, die voor de eerste maal tot hot nachtmaal wilden komen \').

Do Magistraat van Utrecht, onder wier toezicht Duifhuis met deze „onbesloteiiequot; gemeente in alles wilde staan, liet hem aanvankelijk begaan en toonde hem aldus hare toege-negeuhoid 5). Later, toen Duifhuis, om spanning tussehen hem en de geestelijkheid, welke zijn streven niet kou goedkeuren, Utrecht had verlaten, en een tijdlang in Rotterdam heeft vertoefd, verzocht Utrecht\'s Raad hem om terug te komen in zijne pastorie en het Woord Gods te prediken, zooals hij dat uit de H. Schrift kon bevestigen s). En in 1579 gaf do stedelijke Regeering nogmaals blijk van welwillende gezindheid jegens hem, doordat zij hem bij de Buurkerk wilde aanstellen. Ilelmich noemt hem zelfs in den brief, waarin hij dat voornemen der Magistraat vermeldt, „columen Ma-gistratusquot;quot;\'); zeker wel omdat de Overheid de hoop koesterde, iu hem den man te hebbeu, die door zijne eigen-aardig-reformatorische gevoelens, welke hij op welsprekende en bezadigde wijze verkondigde en bepleitte, den Roomschen

1) quot;Wiarda, «. w., blz. 42 vg., 94 vgg.; en Trigland, o.blz 320. Vgl. Helmich\'s brieven, d.d. 10 en 17 Oct. 1578, in lfr. //. M.- F., S. lil. Dl. IV, blz. 4—6. Daaruit blijkt ook, dat Duifhuis de »stolaquot; reeds in Oct. \'78 afgelegd had. (Vgl. quot;Wiarda, a.w., blz. 40 ). In April 1579 werd hem beslist verboden ))eeiie consistorie op te rigtenquot; tenzij de Raad het beval. Kist en Royaards, «. »•., Dl. XVII, blz. 261

2) quot;Wiarda, a. u\\, blzz. 18, 22, 40. Over «onbeslotenequot; in tegenstelling met »beslotenequot; gereformeerde gemeente, zie A. L. G. Bosboom-Toussaint, Leicester in Nederland, \'s Gravenhage, z. J., Dl. II, blz. 3. Vgl. Trigland, «. 10., blz. 320.

3) quot;Wiarda, a. n\\, blz. 39.

4) W.d.M.-V., S. III, Dl. IV, blz. 8 vg.

-ocr page 107-

95

niet te veel aanstoot zou geven en do „hoop der anderen dunnen en hunne streng door splitsing zwakkenquot; zou \').

Mot die „anderenquot;, de gereformeerden, „ghenaemt die van de Consistorie: omdat se hadden eenen Kereken-raet, bostaende uyt Predikanten, ende Ouderlinghen, ooek Diaec-kenen die d\'arme van hare Gemeente bedienden: hadden eeno besloten Ghemeente, van ghelovighen dio belydenisse hadden gedaen hares geloofs, ende haer hadden ghegheven onder de oeffeninge vande discipline,quot; liet Duifhuis zich in \'t geheel niet in, maar bleef, onder het schild der Overheid, geheel op zich zelf staan en deed alles, „glijck als op sijns selfs hantquot; ■).

Do moer Erasmiaanscho Parochianen on do gereformeerde Consistorialen waren dus gescheiden en hadden ieder eene eigen kerkformatie 1).

Do laatsten waren evenwel met dat gedeeld kerkelijke leven in een zelfde plaats niet ingenomen, en van meet af bezorgd, dat daardoor „oneenicheyt in der stadtquot; onder do burgers zou komen \'). Zij konden er niet tegen zijn, dat in ééne plaats twee kerkelijke kringen waren, die, ofschoon in belijdenis overeenstemmende, toch ieder eene eigene organisatie hadden, een eigen Kerkeraad enz., wanneer er verschil in taal bestond. Dan moest men wel kerkelijk gescheiden optreden. Afzonderlijke organisatie was dan behoafte, gelijk dit dan ook in onderscheidene redactiën van de oude kerkenordening is uitgedrukt \'). En Helmichius heeft in Utrecht,

1

Kist en Royaards, a. w., Dl. XVII, blz. 259.

-ocr page 108-

96

door zjjnc bcmnoicnissen vooi\' do Walen, wel getoond, dat hij dat ook zoo verstond. Dat verschil in taal bestond editor tussehen do Consistorialen en de Duifiiuisianen niet.

Omgekeerd kou aan kerkelijke „eenigheytquot; niet gedacht worden, als bij do gesohcidon kerkformatie\'s van eenerlci taal de écne onmisbare voorwaarde voor kerkelijk samenleven, do overeenstemming „in geloofsovertuigingquot; of ,.gc-mccnschappelijke onderworpingquot; aan dezelfde belijdenis, ontbrak. Eenheid van kerkverband kon, naar gereformeerde beginselen niet tot stand komen of bestaan, zonder eenparigheid in do leer!). Was die overeenstemming er echter wel en dus de noodzakelijke grondslag van kerkgemeenschap aanwezig, dan behoorde men zich ook uitwendig met elkander te vereenigen tot „profijtquot; „voor do Religie ende Rcpu-blijckequot; 1). Duifhuis nu, had in Rotterdam aan de gerefor-meerdo predikanten verklaard, dat hij met de leer „accordeerdequot; ; alleen „hot stuk van de Predestinatie so diep en hogequot; niet opvatte als zij, en „met Beza niet konde ver-staen, dat men do Ketters doden mochtequot;, terwijl hij zich voorts „gewillig en bereytquot; had verklaard, om in Utrecht met de gereformeerden te vereenigen. De Utreehtsche Ker-keraad werd hiervan door den Rotterdamschen predikant Petrus do Bert per brief verwittigd, en vernam zelf in Utrecht omtrent den „Pastoor van S. Jacobquot;, dat hij de „belijdenisse des geloofs ende leeringequot; der gereformeerden „wel in als |alles]quot; zeide „aen te nemen, maer belangende de ceremoniën ende rogeringe der kereken daer maekt(e) hij eenige swaricheyt inhare kerkenorde wilde hij nog niet „gebruyekenquot; 2). Eigenlijk was hot echter den Kerke-

1

W.d.M.-V., S. II, Dl. Ill, blz. 606.

2

Bor, a. w., Dl. 11, blz. 831 vg.; en W.d.M.-V., S. III, Dl. IV, blz.5. Vffl. Trieland. a. w.. blz. 320.

-ocr page 109-

97

raad niet rccbt duidelijk, wat Duifhuis nu precies wilde. En om nu toch goed te weten te komen, wat hij aan hem had, begeerde hij „eens ende vooral mit hem rontwt te handelen,quot; en daartoe op 23 October 1578 eene conferentie te hebben. „Opdat hetselfde met vasticheyt, ende aensien, ende oock discretelick geschiedenquot; zou, werden „etlickc dienaers wt de omliggende plaetsen verschreven, tegen den 22 (Jctobris, om \'s anderendaechs te handelen.quot; Helmichius interesseerde zich zeer voor deze aangelegenheid. In een particulier schrijven aan A. Cornelisz., die daarin van alles op de hoogte werd gebracht, en in een\' officieelen brief, waaruit ik reeds citeerde, „wt de naem der Consistoriënquot; van Utrecht aau don Kerkeraad van Delft gericht, vroeg hij dringend om de overkomst van Cornelisz., opdat men „sijnes raets ende bystants genietenquot; mocht bij dat onderhoud. Ja, zooveel was hem aan die zaak gelegen, dat hij zelfs zijn\' terugkeer naar Frankfort uitstelde, tegen zijne verwachting, plan en belofte in \').

Als Bor5) nu meedeelt, dat Duifhuis in Oct. 1578 is aangesproken door Helmichius „met eenige andere diena-ren \', „om hem tot eenigheyt des kerkendienst te brengenquot;, doelt hij daarmede zeker op dezelfde conferentie, waarover Helmich in zijne twee genoemde brieven schrijft. Ilubertus verklaarde dan bij dat onderhoud „in \'t grosquot; aan de andere predikanten, „dat hij met hun eens was in de leere, maer dat het noch te vroeg was in sjjne Parochie sulke kerkelijke ordre in te stollen als sy veraochten.quot;

De vereeniging kwam dus niets verder.

Later, doch ook nog in 1578, zijn — volgens Bor1) —

1

Bor, t. a. p. Vgl. Kist en Royaards, a. w., Dl. IX, blz. 36ü vg.

-ocr page 110-

98

Helmichius, Sopingius cn Cornolisz. uit Dolft, mot Duifhuis in gesprok goweost ou hobbon zij mot hom gehandeld over ziju gevoolou omtrent den doop, wolken eeno vroedvrouw bediend en Duifhuis goedgekeurd had. Tevens hebben zij toen, naar aanleiding van Boza\'s boekje over hot kettordooden, de macht dor Overheid in dat stuk besproken. Een der predikanten verdedigde bij die gelegenheid, dat do Overheid daartoe bevoegd was, doch Duifhuis kon zich daarmede niet vereonigon en zei eindelijk: „is dat uwe moninge so moet mijn ziele uyt uwen rade blijven, en be-gere met sulke geen gemeenschap te houdenquot;, waarna hij opstond, zonder hen verder te willen hooren.

Door dit gesprek ontstond dus eerder verwijdering dan toenadering. De kansen voor de eenheid van het gereformeerde kerkverband stonden niet zoo gunstig.

Aan latere pogingen tot volle vereeniging, die in Februari en April 1579 werden aangewend, doch geen gunstiger resultaat opleverden, nam Helmichius, wegens afwezigheid naar Frankfort, geen deel\'), doch kort na zijne terugkomst, heeft hij zelf weer een privaat onderhoud met Duifhuis gehad -). Hij ging toen naar Duifhuis toe om hem te vermanen, wijl laatstgenoemde het nachtmaal (synaxis) afzonderlijk en op eene andere wijze dan de gereformeerden wilde vieren. Ziekte heeft hem toen belet, dat plan uit te voeren, doch Helmich begreep zeer goed, dat de scheiding eerder nog weer grooter dan kleiner zou geworden zijn, als het doorgegaan was, waarom hij het, „juxta illud: Principiis obsta, etc.quot;, noodig had geacht. Duifhuis daarover vooraf aan te spreken. Bij die gelegenheid zijn toen ook nog andere punten ter sprake gekomen. Zij hebben o. a. van gedachten gewisseld over de roeping (vocatio):i) der „dienarenquot; en over

1) Bor, t. a. p.; cn quot;Wiarda, a. w., blzz. 45, 40.

2) S. Ill, Dl. IV, blz. G-9. Vgl. blz. 4.

3) Ook in Rotterdam had Duifhuis daarover gesproken met de gerefor-

-ocr page 111-

99

do kerkelijke tucht; en ovoi\' dat laatste punt hoorde IIol-mich zonderlinge gevoelens van Duifhuis. Zoo doelde het „in tequot;, in Matth. 18 : 15 voorkomende, [Als een broeder tegen u gezondigd heeft], volgens Duif huis, op „lites civilesquot; ; zeg het der „gemeentequot; [t. a. p. vers 17] beteekende, zeg hot „aan meer anderenquot;; „dat gij met zoodanig eeneu ook niet zult etenquot;, uit 1 Cor. 5 [: 11] beduidde, volgens hem, „Eet niet van de spijze, waarvan hij eet, namelijk van de zonde; heb geene gemeenschap aan zijne zondenquot;; en op gelijke wijze ontweek hij de klem van den tekst: „Geeft het heilige den honden nietquot; [Matth. 7:6], Voorts waren er, naar Duifhuis meende, ten tijde der Apostelen ouderlingen geweest, omdat er toen nog geene dienaren des Woords, alleen maar Apostelen waren; en toen Helmich hem dit beter uitlegde, zoodat hij vastraakte, zei hij, zonder nader bewijs bij te brengen, dat de christelijke Magistraat de tucht moest oefenen, en verklaarde op dat punt niet vorder te kunnen ingaan „isto locoquot;, niettegenstaande Helmich maar alleen bij hem was. Aan \'t slot van hot gesprek eindelijk, recommandeerde Duifhuis aan Helmichius ten zeerste „Cas-talioquot; aan, bizonder over het punt der „Praedestinatioquot;. Alsof Helmichius nog geene onaangename en verontrustende dingen genoeg had gehoord! Hij noemde Duifhuis\' antwoorden „pleraque absurdaquot; en oordeelde, dat hij een „hypocri-ticum ingeniumquot; had.

Zoolang „Pastor Hubertusquot; zulke wonderlijke beschouwingen had, was „eenicheytquot; met hem moeielijk tot stand

meerde predikanten. quot;Wiarda, a. /r., blz. 40. Vgl. quot;Wtenbogaert, Kerckeh llisf., blz. 221. Helmich was volgons den in de vor. aanteekcning genoemden brief destijds nog niet volkomen op de hoogte van den «status quaestio-nisquot; in dit punt. Later heeft hij er echter een klein boekje over geschreven onder den titel «Grondich Bericht van de wettelijcke beroe-pinghe der Predicanten ofte Kercken-dienarenquot;. Drie jaar na zijn dood, in 1G11 dus, is liet uitgegeven. In llfdst. II, § 6, bespreek ik dit geschriftje uitvoeriger.

-ocr page 112-

100

to brengen. In 1579 kwam ze er dan ook niet; de St. Ja-cobs-gemoente, door de Overheid en do aanzienlijken, en do gereformeerde kerk, meer door hot volk gesteund, bleven naast, haast tegenover elkander, voortleven ; Utrecht\'s kerk leed voortdurend aan „morbus schismatisquot;\'), tot groote smart van Helmichius.

Na het overlijden van Duifhuis die reeds in 1570 ziekelijk was en daarom oen\' helper kroeg in Erasmus Backer; in \'t begin van \'80 aan de Overheid ontslag vroeg, doch in dienst moest blijven ; eindelijk in April\'81 stierf—•\'1) en de aanstelling van zijn\' opvolger Herman Elconius in Juli daaraanvolgende, werden do onderhandelingen over do kerkelijke vereeniging weer aangeknoopt. De Kerkeraad der gereformeerde kerk had de hulp van den Prins van Oranje ingeroepen, tot wegneming van de gedeeldheid2), en door diens invloed is de Magistraat van Utrecht er zeker toe gebracht om de gereformeerden, die zij in 1579 nooit had willen hooren \'), nu op het stadhuis te ontvangen. Op 4 Aug. kwamen Helmichius en Moded namens de gereformeerde kerk, en Backer met Elconius uit naam van de Duifhuis-ge-meente, bijoen, ten einde in tegenwoordigheid van eenige

1

IF. d. M.-F,, S. Ill, Dl. IV, blz. 8; en quot;Wiarda, a. w., blz. 50 vg.

2

quot;Wtenbogaert, Ke rekel Jlisf., blz. 222. Vgl. W.d.M.-V., S. Ill, Dl. V (2e st.), blz. 195 vg. De kerk van Utrecht vroeg ook om raad aan de Middelburgsche Synode van 1581. Deze benoemde 2 deputaten om er met Z. Exc. over te spreken. II7. (/. M.-V., S. II, Dl. III, blzz. 369 vg.,429.

-ocr page 113-

101

gecommitteerden der Overheid, over hunne onderlinge geschillen tc handelen. Er is toon alleen maar gesproken over de hoofdstukken der christelijke roligio\'), en daarover werd men het zoo wat eens -). In eene tweede conferentie, in December van hetzelfde jaar, weer coram Magistratu gehouden, liep het gesprek over de kerkelijke tucht; welke „dis-ceptatiunculaquot; volgens Helraich, weinig waarde had „quoad populi conciliationem,quot; maar wier beteekenis hierin gelegen was, dat de zaaksgorechtigheid der gereformeerden toen was uitgekomen, en aan de Magistraat zoowel do „ignorantiaquot; en „iniquitasquot; der Duifhuisianen, als de beginselen der gereformeerde kerkregeering duidelijk waren geworden :!). Voorts meende Hclmichius, dat men uu jegens de Magistraat, die uit vreeze voor oproer haar gezag niet scheen te durven gebruiken, jegens het onwillige deel dos volks en jogeus El-conius, dien men nu voor zich gewonnen hoopte te hebben \'), andere middelen moest aanwenden. Daarmede had hij hoogst waarschijnlijk weer den invloed van den Prins op het oog; ten minste do gereformeerden zijn hem nogmaals „leiachtigquot;

1) Door hot beleid der Overheid is de «kerkeljjke tuchtquot; in deze conferentie onaangeroerd gebleven en zijn alleen maar de hoofdstukken dei-leer besproken. Natuurljjk om de gescheidenen zoo dicht mogelijk l»ij elkaar te doen komen. Bor, a. w., Dl. 11, blz. 837; en Kist en Koyaards, a. iv., Dl. XVII, blz. 278 vg.

2) Kist en Koyaards, t. a. p. De Overheid maakte eene acte op, waarin vermeld werd, dat allen de hoofdstukken der religie, in den catechismus begrepen, goedkeurden. Ilelinich en Moded merkten hierop later aan, dat Elconius den catechismus wel goedkeurde, doch Backer niet. Dit eerste onderhoud wordt ook aangeroerd in W.d.M.-V., S. 111,1)1.11 (2e st.), blz. 168.

3) Bor, u. /«*., Ül. II, blz. 837, geeft November op en zegt, dat overdo kerkenorde is gesproken; Helmich, dien ik hier volgde, noemt I «gin December en deelt mede, dat over de wdisciplinaquot;, dus over een deel der kerkenorde, is gedisputeerd. W. d. M.-V., S. Ill, Dl. IV, blzz. 21,24.

4) In deze conferentie was duidelijk uitgekomen, dat er tusschen Backer en Elconius bepaald verschil was; de laatste was het eens met de confessie en de gereformeerde kerkenorde, de eerste kon zich niet vereenigen met de geloofsbelijdenis en was een vjjand van de discipline. Zie noot 2: en U\'. d. M.- V., S. III, Dl. IV, blz. 21.

-ocr page 114-

102

gevallen. In hun belang hoeft do Prins dan ook weer geschreven aan Utrecht\'s stedelijken Raad, dio, lang niet malscfa, antwoordde, dat hij zich niet oen kerkelijk juk wilde laten opleggen, dat in zijn oog niet minder zwaar was dan hot papistischo, en hem vriendelijk verzocht, do gereformeerden in Utrecht tot rust te vermanen en „den Magistraat met die van S. Jacobs-kerke te laten bcgaenquot; \'). De door Ilelmich gewenschte eenheid was alzoo nog verre van nabij. Zoo hij als zijne collega\'s en do gemeente verkeerden in hachelijke positie.

In 1583 werd de toestand nog moeielijker. De St. Jacobs-gemeentc, zoo schreef Helmich aan Joannes Taffinus in Antwerpen, drong er toen op aan, dat de „S. Nicolaiquot;-kerk aan de gereformeerden zou worden ontnomen, en haar ten gebruike zou worden gegeven; de kerkelijke tucht kwam meer on meer in minachting; terwijl in de dorpen, waar de reformatie ter hand zou worden genomen, dienaren zouden worden aangesteld, die door de „Jacobaeaniquot; zouden worden onderzocht en goedgekeurd; zoodat, zijns inziens, de tusschenkomst van don Prins dringend noodig was, om zulke pogingen te verijdelen en eeno zeer verderfelijke uitbarsting te voorkomen -). Helaas, in plaats van helpend tusschen-beide te komen, bevestigde Z. Excellentie in Utrecht eene

1) Bor, a. w., Dl. II, blz. 837, schrijft, dat de Utr. Magistraat in Aug. 1582 aan den Prins antwoordde, terwijl Wtenbogaert (Kcrckcl. Hist., blz. 222) zegt, dat dadelijk na de le conferentie in Aug. 1581, is geantwoord. Dit laatste is volgens prof. Koyaards (Kist en Royaards, a. u\\, Dl. XVII, blz. 280\') meer overeenkomstig met den loop der dingen. Toch is zeker ook in Aug. 1582 aan den Prins geschreven, en ook in den geest, zooals Bor mededeelt, gelijk afgeleid kan worden uit het naschrift van een brief van J. Taffinus, d d. 24 Sept. 1582, aim A. Cor-nelisz. geschreven. [U\'.d- M.~V., S. III, Dl. V (2e st.), blz. 206.] Mogelijk is, dat de Prins ook in 1581 een brief van Utr.\'s Baad ontving, [vgl. W. d. M.-V., S. III, Dl. V (2e st.), blz. 196]. Is hem echter maar eenmaal bericht gezonden, dan stel ik dat liefst met Bor in 1582.

2) W.d.M.-V., S. Ill, Dl. V (2e st.), blz. 214. Vgl. S. III, Dl. IV, blz. 43, waar de ))S. Xicolaiquot; uitdrukkelijk wordt genoemd.

-ocr page 115-

103

Regeering, die, naar Helmioh\'s oordeel, zoo vijandig was aan de gereformeerde kerk, en het in die mate op haren druk en hare verstoring had gemunt, dat alleen echte papisten nog feller konden zijn. Bij den aanvang van \'84 was het daarom op kerkelijk terrein al zeer droevig gesteld. Helmich moest aanschouwen dat de eenheid der kerken uitbleef; do verwijdering veeleer steeds toenam; de Overheid hun togen, dor St. Jacohs-gcmeento genegen was, — zijne ziel droop bijna weg van treurigheid en klagen\').

Toch gaven de gereformeerdon den moed nog niet op. In Mei zond de Classe Utrecht een\'smeekschrift aan den Prins, waarin gevraagd werd om gedeputeerden, opdat het mee door hunne bemiddeling tot eene „goede vereeningequot; in de stad komen mocht. Tweemaal schreef llelmichius aan Cor-nelisz. om hot wenschelijke van de overkomst dier gedeputeerden te betoogen, er te meer op aandringende, omdat de „meeste part des Raetsquot; toen wol tot vereeniging gezind was, en „seer vriendelijk biddendequot;, dat Cornelisz. er over sprak met da. Knibius of Villerius 1), opdat die laatsten dan natuurlijk weer een goed woord voor Utrecht bij den Prins zouden doen. Of die deputaten ook gekomen zijn, is niet bekend, maar wel weten wij, dat de tweeheid in Utrecht het volgende jaar nog niet was weggenomen en Helmich er nog gewag van maakt als van „een lopende fonteijne van allerleij geduevige swaricheijdcn, die ons gcstadcl. de vaeck wt d\' oogen koeren (so men gemoenl. seyt)quot; 2).

Eene soort eenheid is er in 1586 tot stand gekomen door

1

U\'.iLM.-V., S. III, Dl. IV, blz. 47—49.

2

Dit komt voor in het reeds vroeger genoemde stuk, dat Helmich 26 April 0.3. 1585, namens den Utr. Kerkeraad aan den Kerkeraad van Delft schreef. KerkeraadsarcMef te Delft, Afd. V, L». nquot;. 33. Vgl. blz. 20 .

-ocr page 116-

104

den invloed van Leycestor !). Deze, door Koningin Elizabeth van Engeland in 1585 naar Nederland gezonden, tot hulp van den wankelenden staat, en door de Algemeene Staten tot landvoogd benoemd, kwam ook, 22 Maart o. s. 1586, in Utrecht, waar hij in het huis der Duitsche orde ontvangen werd en resideerde De Kerkeraad der gereformeerde kerk wist hot toen door bemiddeling van den Graaf van Meurs, sedert 9 Sept. 1585 Stadhouder van Utrecht, zoover te brengen, dat Leycestor spoedig eonige predikanten van do beide gedeelde kerken bij zich ontbood en bij hen op kerkelijke vereeniging aandrong. De predikanten van St. Jacob en enkele Raadsleden waren hier tegen, doch Leycester zette zijn\' wil door. Reeds 25 April werd eene acte van ineen-smelting, uit 18 artikelen bestaande, geteekend, door de vier predikanten dor gereformeerde kerk, door twee van do St. Jacobs-gemoente, benevens door Petrus Berk, predikant aan de Vaart1), en den volgenden dag door de Magistraat \'). De gemaakte bepalingen zouden onderhouden worden tot aan de e. k. Generale Synode quot;). Een paar maanden later kwam die Synode in den Haag bijeen en daar deelden de Utrechtsche afgevaardigden, Helmich en Moded, mede, dat in de hoofdstad van het Sticht aan de „ tweedrachticheit ende scheuringequot; op kerkelijk terrein een einde was geko-

1

Zie over 25 April in plaats van 26, TT7, d. M.- T., S. II, DL III, blz. 005\'. Taco Sybrandts weigerde te teekenen, omdat hjj bezwaar had tegen du» confessie, in art. 5 der overeenkomst genoemd, speciaal tegen de predestinatie. Bor, «./r. Dl. II, blz. 838. Zie over de gemaakte bepalingen. Kist en Royaards, a. tv., Dl. XVIII, blz. 261—\'67.

-ocr page 117-

105

men, on vroegen hoe de Utrechtsche kerk zich nu verder „te dragenquot; had mot betrekking tot de provisioneel vastgestelde „ai\'tjjckelenquot;. Do Synode was „seor vorblijtquot; met de „goddelioke vereeningequot; en bepaalde, dat de vereenigde gemeente voortaan, evenals allo andere kerken dor „geü-nieerden Prouinciënquot;, lovon zou bij do „algemoone kerekon-ordeningo,quot; „bij den Synode oversion ende gestelt ende al roode bij zijne Excoll. geapproboort,quot; „cesserende ende ophoudende hiermede de artijckelenquot; van het in April gemaakte aceoord, „voor soo vele als die vando voorss. kerekenordeninge soudou mogen verschillen ofte daerraede niet accorderenquot; \'). En zoo was dan eindelijk de eenheid van het gereformeerde kerkverband in Utrecht zolf en met de andere gereformeerde kerken tot stand gebracht, ongetwijfeld tot groote vreugde voor Helmichius.

Bijzonder één en eens was men hei ovonwol in Utrecht nog niet dadelijk en werd men hot ook niet. Er was nu, weliswaar éón Kerkeraad; do predikanten preekten om en om in alle kerkelijke gebouwen; do lidmaten van de vroegere St. Jacobs-gomeento mochten in de Domkerk ton avondmaal komen; do gereformeerde kerkenorde was kerkelijke leefregel voor allen; er was eenheid van kerkverband; doch daarmede was de tegenzin cu tegenstand togen de oud-Consistorialon bij de oud-Parochianen nog niet weggenomen. Als Helmichius in 1587 schrijft, dat het goed ging met do kerk, maar veel boter zou gaan als Leycester mot gezag terug koorde, wordt daarin wel iets van do kerkelijke spanning in Utrecht verraden -). Do eenheid was moer gedwongen en geforceerd, dan gewild en begeerd. Toon Loycoster

1) W.d. M.-V., S. II, Dl. Ill, l)Iz. 606 vg. Onjuist is het dus, zooals in Kist en Iloyaards, a. ir., Dl. XVIII, blz. 256, is meegedeeld, dat het Accoord uit April, door lt;le Haagsclio Synode goedgekeurd, de Utr. kerkorde werd.

2) W.d.M.-V., S. III, Dl. IV, blz. 71.

-ocr page 118-

106

dan ook in \'t laatst van laatstgenoemd jaar voor goed was heengegaan, en in 1588 en 1589 bij do gewone jaarlijksche Raadsverandering in Utrecht, do oud-Consistorialcn weer werden vervangen door oud-Duifhuisianen, staken die van de vroegere St. Jacobs-kerk het hoofd weer op en vroegen op \'t Stadhuis weer afzonderlijke godsdienstoefening aan, zooals zij die vóór 1586 hadden gehad. Dat dorst de Magistraat hun niet toestaan, gelijk ik vroeger reeds meêdeeldc, maar zij besloot, ten einde hun toch „contentomentquot; te geven, alle predikanten te licentieeren, en andoren, die — „vreet-saemquot; waren, in hunne plaats te stellen. Zooals wij ook reeds weten, is in December \'89 dat besluit uitgevoerd en daardoor ook Helmich, die steeds voor cle eenheid in Utrecht had gearbeid, afgedankt als iemand, die aan do vereeniging in den weg stond en niet „vreotsaemquot; was.

Na zijn afzetting bleef hij evenwel in de Utrechtsche verwikkelingen, voor zoover hij zich daarmede nog bemoeide, getrouw aan zijn beginsel en wilde het gereformeerde kerkverband weer gehandhaafd zien. Uit een paar gegevens kan dit worden toegelicht. Gelijk te verwachten was, hadden vele loden der Utrechtsche gemeente er geen\' vrede meê, dat hunne predikanten zoo maar „lichtelijk en onverhoordquot; waren ontslagen door do stedelijke Regenten, en anderen waren aangesteld; dat de Heeren Staten van \'t Sticht zelf maar een kerkorde maakten en oplegden; dat in Mei 1590 onk de gereformeerde Kerkeraad werd afgedankt; aldus schoon schip was gemaakt; de rechten der kerk ten zeerste waren geschonden en de eenheid van het kerkverband met andere kerken was verbroken, zoodat de Utrechtsche gemeente van de andere kerken „afgesoudert en gesepareertquot; was. Zij weigerden dan ook ds. Bastingius en de Roy, die met goedvinden van don Prins en de Staten van Holland voor twee maanden bij leening in Utrecht kwamen, te hooren; erkenden

-ocr page 119-

107

evenmin de latei\' voor vast aangestelde predikanten Henri-cus Caesarius, Gerardus Blockhoven, Johannes Andelius en Johannes Grerobulus als hunne wettige leeraars, en hielden afzonderlijke bijeenkomsten in huizon, op weiden en in boomgaarden, ja zelfs in „den Dooienquot; werden Psalmen gezongen \'). En toon nu de Magistraat daartegen in \'t laatst van Mei 1590 oen plakkaat uitvaardigde, waarbij die conventi-culen verboden werden, heeft Helmichius waarschijnlijk -), ofschoon anoniem, eene verantwoording tegen dat plakkaat opgesteld. Hij laat daarin duidelijk uitkomen, hoe jammerlijk het was, dat in Utrecht, door machts-usurpatie van de stedelijke Regenten, de eendracht was verbroken en nieuwe twist en op nieuw scheuring was verwekt. Hij wijst or op, dat door het wederrechtelijk ingrijpen van de Magistraat in do kerkelijke zaken, de Utrechtsche kerk „van allen anderen Gereformeerde Kerkendionaers, niet alleen van dese Nederlanders: maer ook van Duytsland, Vrankrijk, Engeland, ja der gantscher Christenheyt afgesondort en gesepareert wasquot;. Hij beschuldigt do ingedrongen predikanten, omdat zij do geestelijke zaken niet mot het zwaard des Geestes, maar met behulp van „Brachium secularequot; verdedigden, en is

1) Rogge, J. Wfenbogaert enz., Dl. I, blz. 112—115; Ilooijcr,

blz. 287; en Bor, a. w., Dl. II, blz. 843. Zie over de vier voor vast benoemde predikanten, Naamlijst der Predikanten in Utrecht, achter in de Orde der Feest- en Lijdens-tekstcn voor de Nederd. Herv. gemeente te Utrecht, Utrecht, 1848; en Reitsma en van Veen, a.w., i. v. Over Caesarius bovendien. Jan van Venray door dr. Acquoy, 1873, blz. 6-. 9:; en Archief voor Nederl. Kerhujesch., L)l. IV, Afl. 2 (\'s Gravenhage, 1893), blz. 193—195. Van Gerobulus vond ik eene korte autobiographic tot 1596, in de Voorrede van De CL Psalmen Davids, en der ander er Pro-pheten, in vijf Boecken, met paraplirasen van Beza en gebeden van Petr. Martyr, vertaald door Gerobulus, Leyden, 1596. V. d. Aa, a. w., noemt dat boek niet bij de bronnen over Gerobulus. Over Blockhoven vindt men bizonderheden in W.d.M.-V., S. III, Dl. 11 (2e st.), blzz. 167, 170 vg.; en S. III, Dl. III, blz. 64.

2) Volgens Brandt, Historie der Reformatie, Dl. I, blz. 763, staat het vast. Bij Bor, a. u\\ Dl. II, blz. 843—\'46, waar aan meer opstellers wordt «redacht, wordt de inhoud der verantwoording meegedeeld.

-ocr page 120-

108

van oordeel, dat de „rechte schaepkens Christiquot; de opgedrongen dienaren uiet inoehtcn liooren en het „onwettig mi-nisteriumquot; niet mochten approberen, zonder zich zelf ook schuldig te maken aan scheuring en confusie. Helmichius keurde dus handelingen, die in strijd waren met de beginselen van het gereformeerde kerkverband, ten zeerste af en kwam daardoor juist voor dat kerkverband op.

Later kwam dit ook nog weer uit in zijne adviezen aan do bezwaarde en verdrukte Utrechtsche broederen. Wtenbo-gaert en hij bleven hun, na de afzetting, een tijdlang gemeenschappelijk met raad dienen en spoorden hen aanvankelijk tot volhouden in de „aflbndcringquot; aan \'). Zeer waarschijnlijk hebben Johannes en Wernerus in dien tijd ook de onderlinge afspraak gemaakt, waarover Ilelmieh later schrijft met deze woorden: „dat degene, die van ons bey-den eerst behoorlick versoeht sonde worden, te predicken aldaer, quot;tselve niet aennemen soude, sondcr eonige voor-gaende reparatie van onse endc der Kercken eere in quot;t gemeen, daerinne wy so groffelick geledeert waren: doch sender eenige taxatie van de Magistraet, maer met eenige beleeffde termen van excusen, volgends sekere formulier, by ons by provisie ontworpen, ende als \'t noot ware wijders in deliberatie te leggen, ende na de gelegonheyt, die voorvallen soude, te accommoderen.quot; Wtenbogaert veranderde later evenwel van oordeel, gaf raad van andere strekking en ging in 1G05, ook het „advysquot;, tusschen hem en Helmich „eer-tijts genomen,quot; „te buten;quot; doch Wernerus bleef aan de zijde der verongelijkte broederen staan 1), nam het voor hen op, evenals de ifollandsche Synoden, waar die Utrechtsche geschillen werden behandeld:i), gaf hun afzonderlijk advies

1

k2) U\\ (l. S. III, Dl. IV. blzz. 248,250. Wtenbogaert,«. w., t. a. p.

-ocr page 121-

109

cn schroef in 1005 nog, lioo aangenaam liet hom zon zijn, als in Utrecht „rodressoment van d\'ordro,quot; „ia conformiteyt met do nabuerkerokonquot; tot stand kwam, tot „ooro van God ende sijno Korckequot; \').

Vóór en na 1589 hozioldo hom dus, in de ütrechtscho korkgoschillon, eonzolfde beginsel, naar golang van de vor-achillende omstandigheden op onderscheidene wijze door hem uitgesproken, verdedigd en aanbevolen.

Voor de eenheid van hot gereformeerde kerkverband is Ilelmichius ook werkzaam geweest in 1598, als „deputaatquot; dor Zuid-Hollandsche Synode.

De Graaf van Hohenlo2), in 1595 gehuwd met Maria „princesse van Orangienquot;, dochter van Prins Willem I en Anna, gravin van Buren en Leerdam, wilde, al sedert ge-ruimen tijd, niet toestaan, dat de predikanten in do stad en in de „heorlyckhoytquot; Buren, waarvan hij namens Prins Maurits „administratorquot; was, „op de Classe van Gorcum kwamenquot;. Eigenmachtig stelde hij in „die graofschap Buorcquot; dienaren aan, beweerde ovonzoor do macht te hebben ze to „cesserenquot;, als hij dat noodig oordeelde, en wilde niet, dat de „Classis van Gorinchem eenich seggen zoude hebbcquot; in zijn gebied s).

449—\'51. In het O.-A. d. N. II. K. Nr. 31, on Nr. 35, T, 21, vindt men de Handelingen van de wgedoputt.quot; dor Z.-Holl. Synodo met do 11.11. Staten, over hot geschil in Utrecht in 1590. Daaruit blijkt, dat de Staten aan de zijde van do Utr. Magistraat stonden. Rogge,./. Wtenboyacrt enz., Dl. I, blz. 118, wijst ook op die bomooionisson der »gedoputoordon\'\'. Do verklaring, daar in noot 2 gegeven, van don naam Casp. Arnoldus is mijns inziens onjuist; Casp. Arnoldus is, naar mij voorkomt, niet llenr. Arnold, van dor Linde, maar wijst \'2 «doputatenquot; aan, t. w., Caspar Swerinchusius en Arnoldus Cornelii, welke beide mannon mot Fraxinus naar de 11.11. Staton zijn gewoost, blijkens do Acta YKlepntf.quot; uit 1500.

4) r. (J. M.-V., S. Ill, Dl. IV, blzz. 251, 259, 26-1.

2) Zie over hem v. d. Aa, Bioyr. Woorderib. i. v.

3) Door Rogge, in J. Wtenhoyaert enz., Dl. I, blz. 104, wordt dit punt

-ocr page 122-

110

De Classo was van oordeel, dat zoo\'n toestand tot „nadeel der kercke Christiquot; strekte en daardoor „confusie oval in die kercken ondquot; Buerc gelegcquot;, kon ontstaan, zoodat er „hooch noodiohquot; in voorzien moest worden. Aldus schreef zij aan de „deputatenquot; der Zuid-Hollandsche Synode in \'t begin van 1597, toen Harmannus Pretorius door do „auto-riteytquot; van den Graaf van Ilohenloquot; „tot Tricht by Bueronquot; in den dienst was gesteld en op vermaan der Classe, dat hij stil zou staan totdat hij kerkelijk examen had gedaan, eerst naar dat schrijven had geluisterd, doch later weer was voortgegaan met prediken. Het „broedquot; lijcko begeercquot; der Classe aan do „depntaten\'\' was daarom, vermits die beter kennis aan „syn Genadequot; hadden dan de dienaren in de Classe, en „haer Genade een lidtmaet der kercke tot Dclffquot; was, „haere eii sijn Genade van d\' ordeninge der kercke te ondquot; rechten, waer in dieselve best[ond] en hoe noodich sij [was], mede sijn Genade te bidden, dat syn Genade belie[fdcj, dieselve in sijn gebied te maintenercquot; \')• De „deputatenquot; hebben toen eerst geschreven, dat de Classo „opsichtquot; moest nemen op Pretorius\' gedrag; en kort daarop, dat zij den Graaf van Hohenlo moest onderrichten dat de „ordre der kerckenquot; met betrekking tot de Classe niet strekte tot „nadeelequot; van de politieke „Jurisdictiequot;. Later, in de maand Juli, wezen ze „by lootingequot; twee aan, die naar de Classe Gorcum moesten gaan, om haar aan te zeggen dat Pretorius „011-wettelyckquot; was ingedrongen en niet mocht worden geduld, en om Pretorius, — door de Classe te ontbieden — te gelasten, dat hij „afstantquot; deed van zijne „onordentlyckhoytquot;. Liet hij zich gezeggen, dan mochten die deputaten met de Classe

ook even aangeroerd en dan de hoop uitgesproken, dat het elders nader door hem zou worden toegelicht. In een zeer vriendelijk schrijven berichtte hij mij echter, dat aan dat voornemen geen gevolg was gegeven.

1) De brief, waaraan ik dit verloop ontleende, is in het O.-A. d. N. II. K., Nr. 35, I, blz. 495—\'97. Jodocus Geysteranus schreef hem namens de Classe aan de Synod. »deputateuquot; op 24 Jan. 1597.

-ocr page 123-

Ill

„tot het examen oomenquot;, maar hij moest dan niet „lichte-lyckenquot; woi\'den toegelaten; en gebeurde dat al, dan moest hij „met schultbekentenissoquot; worden bevestigd en was hot beter dat hij „getransfereertquot; werd naar eene andere plaats, dan dat hij in Tricht ging dienen. Weigerde hij echter to gehoorzamen, dan moesten de broederen hem vermanen en de zaak ter eerst komende Synode brengen \').

Van Pretorius lezen we dan niet meer, maar wol is bekend, dat de houding van den Graaf van Hohenlo besproken is op de Particuliere Synode te Schoonhoven, in September 1597, en dat toen aan de „doputatenquot; der Synode is opgedragen om den Graaf te „onderrechten, dat de repartitie der dassen ende tonderhouden van dien gantsch niet medebrenght eenige vercortinghe van politycque jurisdictiequot; -).

Ter voldoening aan die opdracht hebben „deputatenquot; in hunne vergadering van 24 Februari 1598 besloten, eene deputatie naar den Graaf van Hohenlo te zenden, ten einde met hem te spreken over „de verschyninge der predikaten in syn heerlyckheyt op de Classequot;; en Helmichius was een der twee, die aangewezen werden om dat bezoek „naer Paeschenquot; aan den Graaf te brengen.

Met ds. Fraxinus, destijds predikant in den Haag, is hij 16 Juli d. a. v. bij den Graaf geweest. Van de gevoerde gesprekken heeft bij een rapport opgemaakt, waarin hij „continuequot; de redenen opgeeft, die aan „S. Genadequot;, door diens „tusschensprekenquot;, „altemetquot; waren voorgehouden, om hem te overtuigen van hoeveel belang het was, dat de predikanten in zijne heerlijkheid ter Classe kwamen. De minute van dat rapport is nog aanwezig1), en wijl het eerste ge-

1

In het O.-A. d. N. II. K., Nr. 31, A. (vgl. Reitsma en van Veen, a. w., Dl. Ill, blz. 110 vg.). Helmich\'s naam staat er wel niet onder, doch de minute is kennelijk met zijne band geschreven.

-ocr page 124-

112

doelte daarvan, waarin die redenen vermeld worden, voor mijn doel en op zich zelf het belangrijkst is, doel ik dat letterlijk mede. Heltnichius rapporteerde dan: „Den 10 Jul. hebben wij S. G. do Grave van Ilohenlo tot Buren aenge-dient van de vschijninghe des Dien. vau Buren op de Classe van Gorkum, by S. Gen opgehouden; S. G. vsocckeu dat hij in sodanige coparitie geen swarieheijt maken wilde maer laten de gewoenelicko oordeiiinghe hare gang hebben, als tot noch toe geschiet was also de vgaderinghe des Classis diende tot onderhoudinghe van goede eenicheyt iü leere en alle goede regeringhe der kereken en niet tot eenighe ver-cortinghe van de Politijoke jurisdictie, authoriteijt offte hoocheijt. Voer redenen allegeren, Dat vaut beginssel der reformatie aen de Dienaer van Buren hem altijt vervoecht hadde bij de vgaderinghe der Predik, in de naest gelegene plaetse van Hollandt, bij tijde vau mij Hcere den Prince van üraengien, hogher memor. die daerin geen belet gedaen haddo: Dat oock S. Ex.c t\' anderen tijden eenighe achter-dencken int lioofft gebracht sijnde in comparitie van Dienaren van Iselstein en Bensschop bij de naestgelegen Dienaren, maer gehoort hebben d\' ordre eü redenen van dien onder sy handt gecosenteert eü geordnneert hadde dat de voorsz. Dienaren sich voegen souden: Datter in den begrijpo vant Classis va Gorcum wel vijft\' off ses heerlickheijden waren, weleker Dienaren alsamen eeudrachtel- in een ver-gaderinghe bijeenquamen, souder dat daerdoor de voorss. pticuliere heerlickheyden eenige prejudicie of vercortinge loden: off derselver Heerschappen swarieheijt maeckten; Dat men in dese byeencomste buerten onderhielt also dat de Predikanten van Gorcum en andere plaetsen van Hollandt en andere heerlickheijden also wel tot Buren ea hare dorpen quamen als die van Buren tot Gorkum en elders: en glijck da Hollandt in hare politijcke hoochcijt niet gepreju-cieert is waneer de Dienaars van Hollandt tot Buren komen

-ocr page 125-

113

iri vgaderinghe dat also do Grraeffolickheyt van Buren niet goprejucicei\'t is waneer liaro Dienaren comen tot Gorkum : Ja dat mon so wel de voorss Classis sonde moghen iutitu-leren do Classis va Buron, als vn Gorkum: Datter oook brooder oli generaier vorgaderinghon gehouden wierdon door do Predikanten van andere Provinciën, als ITolF, ZooF, Golderlant, Vrieslant, eu andere tsamoncomen, om oonicheyt to onderhouden eii nochtans en waren daer do Provinciën respeetiovolick in hare Jurisdictiën int alderminate niot bij goprejudicieert off vorcortet. Eijndel- Dat S. Geü gelieven wilde te cusidereron, dat het wtblijven van sijno Dienaer wt de classo oorsaeck geven sal tot oneonicheijt int Landt: en andere Heerlickhoyden schor niet sulcke redenen liobberi ais S. G. de voet geven om glijcke scheydinghe te willen maken en also cofusie te voroorsaken. Bidden derhalven S. G. dat hom gelieven wilde sijnen Dien- va Buron toe to laten in Classo [to| vschijnen als voorhenen te geschieden plach, en geen veranderinghe in de kerekenregeringhe te maken.quot;

Alle redeneering was echter vruchteloos. De Graaf antwoordde, dat hij slechts „administratorquot; was, geen volmacht van den Prins had om do predikanten uit Burenquot;s „Graeff-schapquot; naar de Classo van Gorcum te laten gaan on dat hij liet „syn Dienaer van Burenquot; ook niot toestond. „Hij mocht wel lijden, begeerdet oock wel, dat de Dionaers v;i Gorkum tot Buren quamen, maer dat sjjn Dienaer van Buren, oft\' andere wt de Graeffs. Buren tot Gorkum souden verschreven worden, geenssins: de groote steden wilden doch altijts de meester maken over de cleijnequot;: ja, ook al geboden do Staten hot, hij zou hot niet toelaten, maar dan vertrekken. Kennelijk dacht hij dus, dat er door het toestaan van het gevraagde kerkverband een „imperium in imperioquot; komen zou.

De deputaten hebben na dat antwoord nog wol herhaaldelijk hun best gedaan om er den Graaf van te overtuigen, dat „sy achterdencken gansch vergeetfschquot; was; „datter

-ocr page 126-

114

gansch geen pjudicie voor do Politic en wasquot;; dat de Staten het hem ook nimmer zouden bevelen, „Wiit de sake en was van suleker nature nietquot;; en zij „badenquot; hem op het kerkverband te willen letten, wijl anders „Godts woordt hierbij vercort werd, ter oorsake van de oneenicheijt die daer wt sonde mogen rjjsen, en quade consequentie ete, doch Z. Genade herhaalde toen „meermaelsquot; „lek bitt, die Heeren wollen iiiicli verschonen lek bitt daerumm: Was ick sonst voor de classe oder voor de Heeren int pticulier vermach, wil ick alzeit geerne doen, en alle dienst va vrundtschap bewysen etc.; en zei ten slotte nog, dat de predikanten van Buren ter Classe mochten komen, als zij gehouden werd „in eeniglie syner heerlyckhedenquot;, en dat hij wel een aparte Classe wilde maken „van de Dienaren der stadt Buren en dorpen daer-onder gehooreiiquot;. Op dat laatste zijn Helmich en Fraxinus echter niet ingegaan; alleen wezen zij er don Graaf op, dat, om te weten „off syn üienaers haer wel ott\' qual. draegen, op haer!quot; opsicht genomen most worden, en sulcke opsicht en cost niet syn sonder eendrachtige byeencomste.quot;

De pogingen om aansluiting bij het gereformeerde kerkverband tot stand te brengen bleven dus vruchteloos. Het liep ook hier weer anders dan Helmichius zoo gaarne had gezien. Toch verstond Inj ook, dat geene andere dan geestelijke en zedelijke middelen mochten worden aangewend om hier tut het beoogde doel te komen. Do zaak was „ven suleker naturequot; niet, dat daarbij uitwendige dwang — door middel van do tusschenkomst der H.H. Staten — te baat genomen mocht worden \').

I) Na 1508 is door de Synod, mleputatonquot; nog wel weer beproefd de «1 ionaren uit liet Graafschap Buren enz. op de Classe van Gorinchem te krijgen, doch niets heeft geholpen. De predikanten in de ))Graefschappon en Ileerliekhoden van Bujjren, leerdam, Iselsteyn en jjaersveltquot; moesten zelfs in IGOii, op bevel van den Graaf van liohenlo, als aparte Classe vergaderen en mochten zich met geene andere kerkol. vergadering inlaten. Na diens dood, in 1G0G, kwamen er echter nit de Classe Buren

-ocr page 127-

115

Nogmaals zien wo Holmichius voor do oenhoid van het gereformeerde kerkverband in de bres treden in het jaar 1002. Nu niet door op aansluiting bij dat kerkverband aan te dringen, maar door op te komen tegon losmaking van dat kerkverband.

Het geval, waarbij dit uitkomt, had in de provincie Utrecht plaats.

Door de kerkorde, welke do E. Hoeren Staten van Utrecht in 1590 hadden gemaakt en gearresteerd en aan de kerken in die provincie hadden opgelegd, en waardoor die kerken tamelijk wel geheel aan de provinciale Overheid vastgebonden en onderling ontbonden waren 1), was do welstand on bloei of ook het getal der gemeenten niet bijzonder toegenomen. Veeleer valt na 1590 klacht op klacht te beluisteren over de „desolatiequot;, vooral „van \'t platte landtquot;. Zoo schreef de kerk van Amersfoort2) in 1591 aan de Znid-Hollandsche Synode over „de groote disordre, die aldaer omtrent meer ende meer was inbrekendequot; 3). Vijf jaar later klaagt ds. Conchardus uit Utrecht aan C. Swerinchusius, prod, in Rotterdam: „De reformatie van de platte lande

afgevaardigden ter Prov. Synode. Alles wat op dit punt na 1598 betrekking heeft, wordt meegedeeld in Roitsma en van Veen, a. ir., Dl. III, blzz. 127, 142, 161, 185, 201, 218, 230, 242; en in de Bapportoi der synod. »deputatenquot; van 1601 — IG0G; welke rapporten deels te vinden zijn in den foliant van Tilmannus Cupns, die aanwezig is in do Blbliothcjite de Bourgogne te Brussel, (Zie 11. Q. Janssen, de Keyhhervorminy in Vlaanderen^ Arnhem, 4868, Dl. I, blz. 1 vg. en blz. \'14, n0. 42—44.) en mij door welwillende bemiddeling van mr. W. 13. S. Boeles uit Leeuwarden, te Leeuwarden ter inzage werd verstrekt; en deels in het O.-A. iL N. II. iv.. Nr. 31, A. Ook vond ik in dat Archief, in Nr. 37, nog een brief van Jod. Greisteranus d.d. 20 Febr. 4603, over dat punt. Vgl. nog Baoliiene, Kerkelijke Geographie, St. II, blz. 148 vgg.; en Rogge, «7. Wtm-hogaert enz. Dl. I, blz. 102a.

4) Vgl. Hooijer, a. /r., blz. *289, waar eene scherpe critiek op die Staatswet van 4500 wordt gegeven.

2) In § 3 B deel ik mede wat Helmich in 4581 te Amersfoort deed bij gelegenheid van het kerkrumoer aldaar.

3) Hooijer, d. ir., blz. 376.

-ocr page 128-

116

wort alsnoch (Grodt botert) to rugge gehouden: daer door liet goschiot dattet buyten vast alles int wilt loopt gelyek anders niet te verwachten is van degenen die geenen regel ordro oft discipline onderworpen zijn. Wij hebben don 29 novemb. wederom nae de resolutie des Kerckonraets by den Staeton ernstelyck aongehoudon in de nootwendieheyt van de eonformitet (sic) to platte lande efi reformatie van die geremonstreert: maer tis altyt t\' oude liedeken: dat is: men set ons met goeden woorden af en sprcykt: moyn Hoeren zullen daerop letten. Ende aldus blyft het voer eü voer nu so veel Jarenquot;1). Geen beter getuigenis legt in 1601 „hen-ricus Johiinis minister ecclesiae Amersfortianaequot; af, wanneer hij meedeelt -), dat „allo dinghen in een arme bedroeffde staet gecomen syn sulx dat de meeste Dienaers off in Leere off in leven ja sommige in beyde ongosont sijnquot; in de dorpen „omtrentquot; Amersfoort. En diezelfde Henricus Johannes schrijft in 1602 ^), aan de synodale „deputatenquot; van Noorden Zuid-Holland, dat ds. Gerobulus uit Utrecht l), volgons zijn eigen zeggen, „een remonstrantie |aan do H.H. Staten van Utrecht] wt de name der kercken van Utregt ghemaackt

1

Dezen brief d.d. 2 Deo. 159ö, vond ik in het O-A. lt;1.N. II. K., Nr. 73, I. A. 1.

-ocr page 129-

117

hnddc daerinno by dc bedroefde staut der kercken vau Sticht verthoonde sulx te wesen dat door hare authoriteit dacr inne behoorde voorsien te werden, ton cyude dat eenigb quaet en smaetspreeekers over de regeeringc dor kercken in Sticht mochtc de mot gestopt wordenquot;; ja, Gorobulus had nog meer gedaan, want „hy liaddo een schriftelyck project vau cc korckenordenïge geraempt cu aan hare E. overgegeven.quot; Henricus deelt dan verder dat concept vau kerkenorde, „ho veel — hij met zijne drie collega\'s — wt het voorleesen had kounen onthoudenquot;, mede!), en omdat liet

1) De tocdracht der zaak is deze. Do beide predikanten van Amersfoort hadden aan de synod, wdeputt.1\' van N.- en Z.-Holland gevraagd wlioe tglieen vervallen was weder ghebetertquot; kon worden, en tot antwoord gekregen, dat zij zich, met de dienaren van «Renenquot; en ))^Vijck,,, moesten aansluiten bij de predikanten van Utrecht, die over de kerkeljjke wanorde in \'t Sticht eene remonstrantie aan de Stichtsche Staten zouden overgeven. Zjj waren daarop met hun vieren naar Utrecht gegaan, hadden daar met de predikanten vergadering gehad en bij die gelegenheid was hun door Gerobulus meegedeeld, wat ik in den tekst noemde, en was hun \'tconcept van Gerobulus voorgelezen; doch maar ten deele, omdat het laatste stuk te veel wbecladdetquot; was. Gerobulus weigerde hun eene copie te geven van zijn project, omdat men die, als hij ze gaf, wel in Holland onder de oogen zou krijgen en er mee zou «spiegel vegtenquot;. De belang-rjjke brief, waaruit ik dit meedeel, is in het O-A. cl. X. If. A\'., Nr. 73, I, A. 1, d.d. 28 Mei o. s. 1602, en is onmisbaar om Helmich\'s brieven in W. (1. M.-V., S. Ill, Dl. IV, biz. 111—121 goed te kunnen verstaan. Helniich noemt hem op blz. 112. Ook wordt daaruit duidelijk, dat in den brief, door Rogge uitgegeven in de Brieven en onuitgegeven stukken van J. quot;Wtenbogaert, Dl. I, blz. 60 vg., met ))d .... paroquot; Casparus Swerinck-husius uit Rotterdam is bedoeld en de wvoorsz. remonstr.quot; niet uitnaam van den TJtr. Kerkeraad is overgegeven. Voorts sta hier nog de oproer-king, dat, blijkens eene mededeeling van Helmichius uit 1599, ds. Gerobulus de kerkenorde, waarbij de Holl. kerken leefden, vergeleek bij »crusto panaceo, butyro bene largiter oblito (vernacule: een goede vette brey, wel vet met boter gesmeert) et soli exposito, a quo sol paulatim butyram ablingitquot; (zie W. d. M.-F., S. III, Dl. IV, blz. 102). En eindeljjk vinde het concept-Gerobulus, voorkomende in den brief van Henr. Johannes, voor zoover het is voorgelezen, en tot nog toe, naar ik meen, niet openbaar gemaakt, hier eene plaats. Het luidt aldus:

«Dat aengaende de beroepingen van Dienaerf def AVoortf lullen geordo-neert worden two ut de magiftraat en twe ut de kerekenraet die tfaiuen fullen macht hebben om na een Dienaer om te fien en de magiftraet voor te ftellen om daerna beroepen te worden. Om Dienaerf ten platten lande

-ocr page 130-

ns

nu wel mogelijk was, dat zij met hun vieren door de H.TT. Staten „verschreven worden om het project to visitecren

te beroopen (uilen goftclt worden van ftaton two ut de ftaten met two predikanten om na boquaiue Dienaerf om te fion, die daer na tullen in Statencamer voor Staten prefentie geexamineert worden en in derfelver prefentie een predicatic doen en alfo met der Staten voorfehrift gefonden worden op oen plaetfe daert luier believen fal.

Dat onder de Dienaerf fal gelyckmatioheyt gehouden worden in loun-dienft en arbeit ten ware dat eenige om gaven en onderdoms wille voorgetrocken worden.

Dat men def Sonnondaechf niet anderf fal predleken dan gewonelijek if, inde weeck fal men fynen text moghen volgen. Ten platten lande fal men niet anderf mogen predicken dun do Sonnondnechfche Evagolien.

Dat men twe Clafficale byeencoemfte def jaerf fal hebben de eene in de May binnen Wtrecht daer verschyiië fallen montfoort de Dienaerf onder het Maarfolialk ambt van Abcoude ende de dorpen in de elaye [kleiquot;), het andere in September tot Amerffoort. daer ooraen foude Renen met de dorpen over berch gelegen met Zontlant weloke Clafficale byeencoemfte fullen gehouden worden na do ordre die by do Staten daer op ghemaockt fal worden.

Aengaende het verlcicfen van kerekenraet fal de gliemeynte (,\'en dub-beltgetal verkiefen daer de magiftraet fal moghen utuemen dient liaer belieft, defe in de earner daer de kerekenraet gewoon if to vergaderen bcveftieht worden, ende alfo dienen een jaer lanek.

Wat angaet de veranderinghe der Dienaren van eene plaetfe in de andere fal ftaen aen de vier benoemde perfonen die hier in fullen handelen met kenniffe van heeren Staten.

Aengaende de kerckelijcke difcipiine fal de openbaer fondaer aenge-fproocken en vermaent worden eerft van ghene die fyn fonde bekent if, daer na fal men hem een onderlinck bijvoegen. Daerna noch een Dienaer. Daer na in de earner voor de kerekenraet ontbooden fijude fal wel fcherpelijck vermaent worden ende indien hij hertneckich blijft 10 fel mét daer bij blijven laten fonder verder te gaen.

Aengaende (ie bedlenige def Doopfelf fal men op predickdagen bedienen. En alf in den Dorpen mar eene preeckdach en if falmen eene feeckerê dach ftellen in do weeck om de kinderen te doopen na inhout vant formulier in den Catechifmü geftelt.

Belangende het gebruick def nachtmaelf fal dreemaal def jaerf in de ftoden gebonden worden te weten — np paefdaeh Carfdach en pinxter-dach Te platte lande alleenlyck twemael \'fjaerf te weten op Carfdach ende op paefchdach.

De cómunioanten boven de achtien jaren fullen bare aencoemfte oenen van Dienaren ofte ouderlingen aenfeggen, fonder dat men haer meerder fal mogen onder vragen ofte hare namen op fchrjjvi\'.

Die beneden de achttien jaren fjjn fallen voor de predickant gebracht worden ende ut den catechifmü ondervraecht en geexamineert worden.quot;

-ocr page 131-

119

ondc to beterenquot;, vraagt lijj in hot slot van don brief om advies over „drie dingenquot;, welke hem on zjjuo drie mededienaren „drucktenquot;: „Ton eersten (zou zegt hij) dat \\vy niet cn beghcren ons te sopareeren van algemoyne kereko: ten 2 — so men hen niet on wil wat toogovon, is to Uo-sorgon, dat se hooi sulleu te rugge loopen. Ton Derdon oftmon int toegeven van ordro by de Synode gostolt sullon mogen wat afwijeken ondo hoe verre.quot;

Dat belangrijk schnjvon van de dienaren uit „Amersfort, Renen ondo Wijokquot; is ook onder do oogon van Holmiohius geweest. A. Cornolisz. heeft het hom meegedeeld, zoodat hij „historiam factiquot; grondig hooft kunnen lezen\'), en hoeft hem, omdat hij zoo goed bekend was met do ütroehtsche toestanden op kerkelijk gebied, zeer waarschijnlijk om „ad-vysquot; gevraagd. En wat is nu zijn oordcel over het „Gcro-bulissehe formulierquot;? Hij kan „sodauighc kerekenooMo-ningoquot; „niet anders en achten dan een falsificatie ondo vervalachinge vande rechte kerckonregieringlic endc Discipline : ia eenc brugge om de Discipline t\' eenemael t\' abo-lereu aen d\' eene sijde, ende aen d\' ander sijde een polityck Pausdom aen te rechten, ende meu kan daerinuo sien hoe dese autheur t\' eenemael de conscientie wttreckt, ende factus sorvus hominum jam pridem, strenue illis operam suam magis magisque locare decreuit.quot; Zijn advies op de drie vragen is dan ook, den broederen van Amersfoort enz. te raden, „dat sy haar van de allgemeone kereken in do naest-leggcnde Provinciën niet en separeren, noch veranderinghe

1) W.d.M.-y., S. Ill, Dl. IV, Iilzz. 112, 11G. A. Comelisz. huil den brief zeker weer van C. Swerinckhusen gekregen. Wtonbogaevt heeft er ook over geschreven aan Helmichius, (zie «. /»., blz. 111), doch dien brie! vond ik nergens. (Trouwens, de geheeie correspondentie tusschon Helmich en quot;Wtenbogaert schijnt verloren te zijn. Zie Uricren en onuitgegeven stukken van J. quot;Wtenbogaert, door Rogge, Dl. I, blz. 12\'). Eu C. Swerinckhusen uit Rotterdam heeft Helmioh ook van dit punt op de hoogte gebracht. (Zie 3 noten verder.)

-ocr page 132-

120

in de kerekenoorden toelaten off toostacn: by deso reden, om dattct ten oorsten uiet geoorloofft on is oen particuliere Provincie to veranderen \'tgoouc by allen oons gostolt is, endo ten andoren dat het oen grote confusie maken sal, dat olcke Provincie een oordening hebbe iu \'t besonder; daarom is „niet raodtsaem, dat sy in oonighc particuliere handolinghe treden van oen nieuw formulierquot;; zij mocton dat nieuwe „jock der ongerechtichoyt mot do oloynste vinger niet aonrooren.quot; En „als nu de broeders van Amersfort etc. by dit eerste propoost blijven, so vallen die 2 andere punten van hare vragen: want blyvende by d\'allgemeyne kerckenoordening, so en kunnen sy niet toegeven; endo wederom, geven sy toe in eenigo punten van veranderinghe (die voorseker niet van de slcolitste en souden wesen) so blijven sy by de allgomoyne korckon niet: onde sy separeren liaer ipso facto, dat sy oen ander formulier in een particuliere Provincie helpen maken.quot; Kon men „vercrijgon de regieringhe dor korckon ende bijccn-comste na do gemeone kerokenordo dor gouabuorde Provinciën, dat ware wel een sake de moeyte weerdtquot;, maar „bij-eencomstenquot; „nao quot;t ontwerp Grerobuliquot; zouden „gobreydelt ende bepaeltquot; zijn door de „ordinantie van do Statenquot;; classicaio vergaderingen zouden dan „geen vrije vergaderingen sijn om met gemeenon advyse wottolick de korckon te regieron. Predikanten te beroepen, te stellen, te censureren, te abdiceren etc., maer quot;t [zou] moeten gaen ad normam, by de Staten gestelt, die ick (zegt Ilelmichius) praesupponere niet gaet, maer Gerobulice.quot; Hij dacht dan ook zeer stellig, dat „het platte landquot; met „sulcken nieuwen oordeningquot; niet geholpen was, en de kerken van Amersfoort enz. deden, zijns inziens, zoolang zij niet konden bijeenkomen met do andere kerken in Utrecht op den grondslag der algemeone kerkenorde, hot beste, dat zij „mit hun driën t\'samen goede correspondentiequot; hielden, „belangende den standt ende regieringhe barer korckon; dat zij de „Dionaers van Vtrechtquot;

-ocr page 133-

I2i

maar lieten „ vadero ut vadunt suo ninduquot;; dat zij remon-streerden aan do 11.11. Staten als er wat „gi\'offs ton platten landequot; voorviel, en dat zij voorts den toestand Gode bevalen „verwachtende beter gelegenheytquot;\'). Grohcol in denzelfden geest als dit advies was, hebben do synodale „depntatenquot; van Noord- en Zuid-Holland geadviseerd aan de bezwaarde broederen in Amersfoort, Rhenen en Wijk; ja zelfs in die mate mot Helmich\'s oordeel over deze aangelegenheid gerekend, dat zij in hun\' brief van 4 Juli 1602-), waarin hun advies voorkomt, moor dan óeno uitdrukking of zinsnede . uit Helmich\'s brief aan A. Cornclisz. d.d. 27 Juni 1602, letterlijk hebben overgenomen.

Uit die oritiek op Gerobulus\' formulier en het daarbij gegeven advies blijkt wel zoor duidelijk, dat Ilolmichius van do „stoutichoyt Gorobuliquot;, die „sulcke slimme wogenquot; :!) bewandelde, zoor afkeerig was. Hij zag er niet anders in dan den toeleg van Gorobulus om do Generale Synode to voorkomen of haar samenkomen te bemoeiolijken, en bij „particuliere korekonordeningequot;, op bevel der 11.11. Staten gemaakt en door hen goedgekeurd, alles in de provincie te regelen; en daardoor zou dan de separatie der Utrechtsche kerken van de algemeone teweeggebracht en een provinciaal-„polityck Pausdomquot; opgericht zijn1). Daartegen nu kwam hij mot klom en nadruk op, on hij ijverde daarentegen mot allo kracht voor de handhaving van de algemeone kerkenorde; m. a. w., hij kwam op voor hot gereformeerde kerk-

1

W.d.M.-V., S. III, Dl. 1^, blzz. 116, 121, 177.

-ocr page 134-

122

verband in zijn nationaal karakter, togonovor kerkelijk provincialisme, waarbij do toeleg was in Utrecht ééne kerk te hebben en die kerk geheel onderworpen aan hare eigene Hooge Overheid \'). En vergelijken we nu dit streven met hetgeen elders was gedaan door de gereformeerde kerken 1) die zich „bysondere Kerken-ordeningenquot;, „door authoriteyt van de Staten van haare Provinciën bekragtigtquot;, hadden laten welgevallen, dan schijnt Helmichius wel wat kras voor het kerkverband opgekomen te zijn 2), doch er moet wel in aanmerking genomen worden, dat het concept van Gerobn-lus de hoofdzaken der kerkelijke regeling aantastte; en als hoofdzaken werden aangeroerd, waardoor beginselen geschonden zouden worden, die in de confessie waren neergeschre-vcn, — zooals bij de Hollandsche Staatswetten in den aanvang der 17\'\' eeuw — lieten de gereformeerde kerken zich niet tot onderwerping brengen *), en kon ook Helmichius daartoe in geenen deele adviseeren.

Het laatste punt, waarop ik bij Helmichius\' arbeid voor de eenheid van het gereformeerde kerkverband te wijzen heb, sluit zich aan het voorgaande geleidelijk aan. Wij zien

1

Zie Rutgers, De Geldigheid der oude Jcerkenordeniny, blz. 86—00. Vgl. tf\'.d. M.-y., S. III, Dl. IV, blz. 118.

2

i\\) Minder beslist was Helmich in 1603, toen het punt van de kerkenorde in \'t Stieiit, dat eenigen hjd achij ut gerust te hebben, weer aan de orde zou worden gesteld door de Utr. Staten. De broeders van Amersfoort wisten toen niet welke gedragslijn zij moesten volgen; of «alles te laten in \'t wilde lopenquot;, dan wel «een kerekenordeninge [mede] te beramen, so na als mogelick de gemeene, ende dat met expresse protestatie by provisiequot;. Die «provisiequot; vond Helmicli mlangereuxquot;; zij werd dikwijls »wetquot;; toch raadt hij nu niet dadelijk om alles maar te laten loopen, maar vraagt «metten eerstenquot; om advies aan A. Cornelisz. Blijkbaar was Helmich nu minder vast overtuigd, wat gedaan moest worden; wat misschien hieruit te verklaren is, dat hij hoopte op spoedige samenkomst van eene Gener. Synode, waarover hjj in denzelfden brief schrijft, en die de dingen dan wel in het rechte spoor zou trachten te leiden. W.d.M.-V., S. Ill, Dl. IV, blz. 177 vg.

-ocr page 135-

123

hom dan nogmaals ingaan togen hot zoo cvon gonoemde kerkelijk provincialisme en nog eens weer voor hot nationaal karakter van het kerkverband opkomen. In dit laatste geval doet hij dat door mede te werken tot do bovordering van eene Nationale Synode der Nederlandschc gereformeerde kerken. Gelijk ik al aanstipte, werd mot hot kerkelijk provincialisme, naar het ideaal der machthebbers in Utrocht — en zoo was het ook in Holland — bedoeld, dat in ééne provincie eigenlijk maar óéne provinciale kerk zou zijn, onderworpen aan de provinciale Regeering. En daarmede hing dan weer nauw samen, dat er, naar de bedoeling der Overheid, tusschon do kerken uit do onderscheidene provinciën eigenlijk ook geen verband of althans zeer weinig moest bestaan. Met dat ideaal waren de gereformeordo kerken „in deze Nederlandenquot; echter volstrekt niet eons. Die dachten geheel anders over liet kerkverband. Zij hadden „haren bandt oude eenicheyt onder malkanderen gehadt, oock doen se noch onder \'t kruys waren suchtendequot; en die band kon noch mocht losgemaakt worden\'). Daarom begonnen die kerken dan ook tusschon 1590 en 1600, toon de Generale Synode, welke in 1589 had moeten samenkomen, in dat jaar en de eerstvolgende uitbleef, op hare Particuliere Synoden de kerkelijke correspondentie mot de „genabuurde Synodenquot; op vasteren voet te regelen, ten einde daardoor de „eenicheytquot; en den „handtquot; onder elkander te bewaren 1).

1

Do correspondentie tusschon do beide Synoden der provincie Hol-land is in 1503 op do Synode in don Uriel beter geregeld geworden. Fraxinus en Agricola werden daar benoemd om op de e. v. X.-IIoll. Synode het «advysquot;, te Brielle opgesteld, mede te deelcn. Dat is toen in 1504 geschied. De N.-Holl. Synode vond het goed; waarna, namens beide Synoden, een verzoek is gericht aan do 11.11. Staten om consentquot; voor beter correspondentie. Dat is ook gegeven. Zie lloitsma en van Veen, a. ir., Dl. Ill, blz. 10; en Dl. I, blz. 18G. In het O.-A. d. X. II. A\'., Nr. 31, A, is een apart blad, waarop de nadere regeling der correspondentie vermeld wordt, terwijl Xr. 35, I, 42, het consent der II. 11. Staten bevat.

-ocr page 136-

124

Evenwel bracht die correspondentie do kerken niet af van hunne begeerte, om ook in Nationale of Generale Synode samen te komen. Integendeel, do tegenstand tegen \'t provincialisme, dat door die correspondentie eenigszins gebroken word, hielden zij ook krachtig vol, doordat zij in de laatste jaren der 16° en vooral in \'t begin der 17° eeuw, onophoudelijk op eene Nationale Synode aandrongen!). En aan dien afmat-tenden arbeid nu heeft ook Helmichius in zijne laatste drie levensjaren deelgenomen. Predikant bij de kerk, welke door de laatst gehoudene Generale Synode in 1586, tot synodale kerk was aangewezen, daarom bijzonder geroepen was de Nationale Synode te bevorderen en daarop sedert 1605 dan ook reer dringend heeft aangehouden werd hij mede aangewezen door den Kerkeraad, om „naer don haghe te reysen ende de houdinghe des Sinodi nationaels te bevorderenquot; bij do Staten-Generaal, die de Synode moesten uitschrijven. De eerste reis deed hij in \'t laatst van 1605, toen door de s gedeputeerdenquot; der beide llollandsche Synoden aan de synodale kerk van Amsterdam gevraagd werd om een paar predikanten naar den Haag te zenden, opdat zij met hen zouden beraadslagen over de bevordering der Nationale Synode3). De Staten-Generaal hadden namelijk aan die „depu-

Vgl. voorts over ncorrespondentiequot;, Kcitsma on van Veen, a.Hl. I, II on 111, i. v. Reeds vermeldde ik in Hfdst. I, ij 4 en 5, dat Helmich ook een paar malen tot «correspondentquot; is aangewezen.

1) Zie Reitsma en van Veen, ii:., i. v. Synode (Nationale of Generale). De Z.-Holl. Synoden drongen, blijkens die Acta, over het geheel nog sterker op eene Genei*. Synode aan, dan de N.-Hollandsohe. Vgl. over het uitblijven der Synode in het begin der 17e eeuw, Rogge,./. Wtenbogaerl enz., Dl. I, blz.\'269—270; en 11\'. tl. M.- F., S. Ill, Dl. IV, blzz. 208, 213,282.

2) Reeds in 1595 had Amsterdam er meermalen om «versocht by den heeren Statenquot;. Reitsma en van Veen, a. w., Dl. T, blz. 204. Zie voor hetgeen Amsterdam sinds 1605 deed, Rutgers, llrf Kerkcerband, blz. 26-.

3) Amstenl. kerlcentadsnotulen, 24 Nov. 1605; en 15 Febr. 1006. Ds. Plan-cius vergezelde Helmieh in den regel naar den Haag, op last van den Kerkeraad. Kens is ds. Halsberglus meê geweest. Amsteril. kerleamp;aads-HOlalen, 24 Aug. 1G0G. De reden, waarom de ndeputatenquot; der beide

-ocr page 137-

tatenquot; to konnon gogoven, dat allo provincios consontocrdon in hot houdon van eono Generale Synodo, met uitzondering van eono, welke eene restrictie had gemaakt over de „re-sumptio dor Noderlandscho Belijdenisso dos Geloofsquot;, en vroegen nu of „de korckon to vreden souden sijii dat haer do Acte van Consent met sodanighe restrictie gegeven wiordoquot; \'). Natuurlijk moest over dat gewichtige punt beraadslaagd worden, en Holtnich was nu 30 November in don Haag, om daarover mede te dolibereeren -). Er is toon eene „remonstrantiequot; aan de H.H. Staten opgesteld, waarin het bijeenkomen van de Nationale Synode wordt beschreven „als eon nootwendige remedie na Gods Woordt on gebruijck der Christelicko kerckeu t\' allen tijdon om to adviseren op do eendrachtige ondorhoudinghe on bewaornisse dor suijvor-dor Locre en goede oordeninghoquot;, en waarin dan verder om de acte van consent wordt gevraagd mot weglating van bovengenoemde restrictie, tegen welke men bezwaar had 3). Wijl echter door persoonlijk samenspreken met don advocaat Oldenbamevolt en de andere Hoeren wel gemerkt was, dat het consent zonder „clausulequot; niet zou worden gegeven, besloten de kerkelijke deputaten met elkander, om „met eenquot; maar, als „tweede versoeckquot;, aan het eerste toe te voegen: „Doch indien hare E. E. M. de voorss. eonsideratien tegenwoordel. geen plaetse en kunnen geven, willen de voorss. Gedepquot; haer genoegen laten in desen, dat se Haren E. E. JI. hunne beswaernisse geopent hebben, versoeckeü niettemin

lloll. Synoden zich met de zaak van de samenkomst der Genei\'. Synode bemoeiden, lag hierin, dat Amsterdam hun dit had verzocht, /ie o. a. Reitsma en van Veen, a.w., Dl. 1, hlzz. 280, \'289; Dl. III, blz, 23; Acta wlepiittquot;. Synodi in 1005, 21 Oct., 4 en 20 Nnv., aanwezig in het \'i. N.Ii. h\'. Nr. 31, A.; en Rutgers, Hel Kerkverhaitd, blz. 20-,

1) Acta )n/ej)utf\\ 26 Nov. 1005.

2) Acta ^ilepntt\'\'. 30 Nov. 1005. 1\'lancius was er ook.

3) De geheelo remonstrantie is in do Acta wlcputtquot;, onder 30 Nov. 1005, opgenomen en ook door Triglaml, a. «•., blz. 349 vg. Vgl. Rogge, J. irtenbogaert, enz., ül. I, blz, k277 vg.

-ocr page 138-

126

dat Ilaro E. E. gelieve hun de Acte van de bijeencomste des Synodi nationael datel. te verleenen suleks als die bij Haer E. E. M. is geresolveert.quot; Beide verzoeken werden door Ilelmiehius opgesteld en tevens werd hem opgedragen om ze „mondelinghquot;, „in substantiequot;, aan do Staten-Generaal voor te stellen. Aan die opdracht voldeed hij. Der Staten besluit was, de „acte met de clausulequot; te verleenen \').

Nu laat ik die clausule hier onbesproken-), wijl het thans alleen om de bijeenkomlng der Synode is te doen, eu vermeld, dat do acte van consent eerst 15 Maart 1606 aan ds. Lansbergius is „bchandigtquot; en door tusschenkomst vau Pestus Horamius dadelijk aan Ilelmiehius in Amsterdam is toegezonden3). De „deputatenquot; der beide Hollandsche Synoden zijn toen 12 April daaraanvolgende in Amsterdam geweest, om met den Kerkeraad te beraadslagen wat nu verder moest worden gedaan om de Synode te doen samenkomen. Er werd besloten, dat aan de kerken der onderscheidene provincies de acte zou worden toegezonden, benevens eenige andere stukken, die op de zaak der Synode betrekking hadden, en een brief, door Helmichius en Hommius op te stellen, waarin „cortelijck en naecktelijck de gclegen-heyt dor saecke aengewesen werde en de Kercken vermaent geen swaricheyt te willen maken omme verschreven sijnde bijeen te comen en in tijts na bcquame mannen om te sien en alles te prepareerenquot; \'). Voorts nam Amsterdam op zich

•1) Jcla yxleputtquot;, t. a, p.

2) In § 4 kom ik cr op terug.

3) Aau ds. Lansbergius was opgedragen de «Acte to vervoorderenquot;. «Verschcydene reysenquot; is hij or om naar den Haag geweest. Add mlepnl/quot;, 30 Nov. -1605; en\'l, 8 en quot;ID Maart •lOOIi.

4) Jnisterd. Kerlceratidsnotuleii, \'12 April IOOG. In do Jr/n flifejtnttquot; wordt 13 April genoemd. Zio nog Tijdschrift voor Geref. \'I\'lieoloi/ii\', onder redactie van ds. ÏT. A. do Gaay Fortman, enz. jaarg. 11, Afl. 6, (Amsterdam 1803) Wz. 172 vg., waar een brief van Helmieh en Halsbergen en nog een partio. schrijven van Helmieh genoemd worden, die op dit punt betrokking hebben. Do brieven zijn niet meer aanwezig, zooals

-ocr page 139-

127

om van nu voortaan „bij do Hoeren Staten Genae! te ver-voorderen dat de uytschryvinge mette eersten moghte go-daen wordenquot; \'). Eu dientengevolge is Helmiehius in 100G, 1G07 en 1608 nog weer enkele nialeu naar de Staten gezonden om op die uitschrijving aan te dringen -).

Aan de bevordering van do Nationale Synode heeft hij aldus ijverig meegewerkt. En dat hij dit niet alleen ambtshalve deed, in gehoorzaamheid aan den Amsterdamsehen Kerke-raad, maar daarbij ook door hartelijke belangstelling werd gedreven, kan hieruit blijken, dat juist hij, na 12 April 1606, in de kerkeraadsvergaderingen herhaaldelijk voorstelde „ofte het niet geraden en was dat men wederom vervorder(d)e liet houden des nationaleu sinodiquot;3). Ue eenheid vau hot gereformeerde kerkverband in zijn generaal karakter, zoo schoon uitkomende in een Synode van alle Nederlandsche gereformeerde kerken, ging hem dus ook nu zeer ter harte. En hoewel hij in dat opzicht tegen het invloedrijkste deel der Staten-Generaal over stond, hebben die Staten hem toch nog al gerespecteerd. Ten minste, niet Plaucius, maar Ilel-mich is door hen uitgenoodigd om 22 Mei 1607 in den Haag te komen, en daar met anderen over „tyt plaetse ende

ds. de Oaay Fortman mij berichtte. Voorts is nog met betrekking tot dit pnnt op de Synode te Haarlem, 80 Mei 4606 begonnen, besloten, dat de respectieve dassen binnen eene maand hunne resolntie\'s »over het nationaal synodum genomenquot;, moesten toezenden aan de kerk van Amsterdam en de synod, mleputatenquot;, en dat die dan weer schrjjven moesten aan de Classcn »welcke de meeste stemmen in desenquot; waren. (Keitsma en van Veen, a. ir., Dl. I, blz. 390 vg.) Amsterdam heeft juni die opdracht voldaan, ten minste er is nog een brief d.d. 14 Aug. 1006, aan de predikk. in de Classe wEnchnysenquot;, naar aanleiding van de aan Amsterdam te Haarlem gegeven opdracht. Hij is onderteekend door llclmichius en Holandns. Den brief vindt men in hef O.-A. d. X. II. K., Nr. 0, 1, 10 volgens dei. catalogus, doch 0 in den foliant zelf.

1) Acta ndepnttquot;, 13 April 1606.

2) Amsterd. kerheraadsnotalen, 1 Sept., 30 Nov. 160G; 15 Febr., IT» Mrt., 10 Juli 1607; en 1 Mei 1608.

3) AiHsferdaiHschc kerkeraadanotulen, Aug., 23 Nov. 1606; 1 Febr. 1607; en 5 Febr. 1608.

-ocr page 140-

12S

maniro vant houden des nationael synodusquot; te handelen \'). Zoodoende ia hij lid gowoest van het bekende „convcntns praeparatoriusquot;, dat hem tot assessor benoemde2). En nogmaals, in Mei 1C08 3), is Ilelmichius „van de E. E. heeren Staten generael verschreven om hem te laten vinden in Sgravenhage op den eersten Donderdaeh na Pinxter om aldaer der E. E. heeren Staten naerder meeninge te vernemen en te verstaenquot; op het stuk der Nationale Synode.

Hiermede ben ik aan het einde van deze § gekomen. Do slotsom er van in een paar trekken samenvattende, krijgen we dit resultaat:

1°. dat Ilelmichius, met betrekking tot do eenheid van het gereformeerde kerkverband, betrokken is geweest in vier gevallen, respectievelijk van plaatseljjken, classicalen, provincialen en gencralen aard;

en 2°. dat hij bij al die gevallen, uit volle overtuiging, met ijver en beleid voor de handhaving of toepassing der gereformeerde beginselen is opgekomen.

§ 3. 11 e 1 m i c h i u s in zake vrede en orde in do kerken.

Na geschetst te hebben, wat Ilelmichius deed voor de eenheid van het gereformeerde kerkverband, ga ik er nu toe over om te bespreken wat hij gedaan heeft tot bevordering van vrede en orde in de Nederlandsche gereformeerde kerken.

Die vrede en orde zijn ook in Helmich\'s dagen door

4) Amsterd. l\'erhcraadsnotulen, 10 Moi 1007. Vgl. Triglaml, lt;i.

iilz. 355 vg.

2) Triglam!, a. »•., t. a. ]k

3) Amsterd. kerTceraudsnotnlen, 9\'2 Mei 1008.

-ocr page 141-

129

velerlei omstandigheden, voornamelijk door individueele afwijkingen in de leer, welke in den boezem der kerken opkwamen: door onchristelijkeii wandel; door gebrek aan kennis van kerkrechtelijke beginselen en tengevolge daarvan weer door eigenwillige praetijken, gedurig hier en daar verstoord geworden. Op de kerkelijke samenkomsten moest dan ook over onvrede en onorde herhaaldelijk worden gesproken, zoodat een niet gering deel van den tijd der kerkeraads-en breedere kerkelijke vergaderingen aan do behandeling daarvan is gewijd. Niet zelden hebben ook de synodale „depntatenquot;, welke bij voorvallende zwarigheden aan de Classen de hand moesten bieden, veel te doen gehad met het aanbrengen van vrede en orde. En ook gebeurde het wel eens, wanneer nijd en twist en ongerechtigheid zich in eene gemeente verkloekten, dat een bekwaam en vast, maar ook gematigd en voorzichtig dienaar uit eene andere kerk, tijdelijk derwaarts ging, om te arbeiden tot orde en vrede, soms wel en soms niet, nu eens meer, dan weer minder begunstigd door de Overheid.

Ook Helmichius is — behalve in hetgeen wij daarvan van hem reeds weten uit de eigen kerken, aan welke hij direct verbonden was — in dergelijke moeielijkheden menigmaal betrokken geweest; in Kerkeraad; ter Classe; op Synoden ; als „gedeputeerdequot; der Synode; ook een paar malen doordat hij tijdelijk als bemiddelaar in eene andere gemeente werkzaam is geweest. De belangrijkste van die gevallen zal ik nu kortelijk beschrijven Ik verbind ze aan do namen van personen, voor zoover zo niet speciaal van localon aard waren; aan plaatsnamen, voor zoover dit wel meer bizonder \'tgeval was; sta bij de laatstgenoemde reeks \'teerst stil: en behandel beide seriën in chronologische volgorde.

1) Een paai\' gevallen, waarin Helmicli\'s aandeel zeer gering was, zal ik in eene nuot aanstippen.

9

-ocr page 142-

130

A. Helmiclims in sake Leiden.

Binnen Leiden brandde in 1579 een hevig twistvuur. Kerkeraad en Magistraat waren in geschil. Hoofdoorzaak daarvan was de poging der Leidsche Regeering om ook als Overheid in do kerk, als „domiuus Consistoriiquot; \') erkend tc worden. Zij was bereid, op \'t voorhouden der predikanten Caspar Coolhaes -) en i\'ieter Cornelisz.3), aan drie mannen, die dan voortdurend ouderling zouden zijn, een jaarlijksch inkomen te geven, maar wilde dan ook, dat jaarlijks, bij do verkiezing van ouderlingen en diakenen, een dubbel getal aan haar zou worden aangeboden, opdat zij daaruit het halve deel zou kiezen, en dat daarna op gebruikelijke wijze bevestigd zou worden; en zij besloot verder, dat zij zich op alle kerkeraadsvergaderingen zou laten vertegenwoordigen door 2 leden, die belijdenis deden van de gereformeerde religie om „van weghen der Overheyt, in den kereken-raet te presideren ende opsicht te hebben, opdat alle saken met meerder insicht ende authoriteyt mochten verhandelt worden.quot; Die beide gedeputeerden moesten het verhandelde echter geheim houden en „niemanden ontdeckenquot; \').

O vei\'0 deze bepalingen ontstond spanning in den Kerkeraad. P. Cornelisz met allo ouderlingen op één na en alle diakenen waren er tegen, omdat do kerk daardoor in haar viij-heid verkort werd en do Dordtsche Synode van 1578 anders

1) W.d.M-F., s. III. m. IV, blz. 15.

2 Zie over hom De Navorscher, 1860, blz. 279 vg-w Caspar Jumzoon Coolhues, ,h voorlooper ran Arminiu* en der Be,nomtmnUn, UoorHX. Uo-T, 2 .loeien, Amst. 1856/58. [vgl. ter beoordeelmg van dit werk (Dl. I) .lo critiek daarop van C. M. van dor Kemp m de Boekzaal vom September 1856, (Amsterdam), en die van R. van der Aa in de Gnh

\'quot;quot;■t) zie1quot;\'over hom CooVuies door II. C. Rogge, Dl. I, blz. 55quot;. Vgl.

3) Zie over Dl. II, blz. 238.

4) Triglan.1, «. «•., blz. 173

-ocr page 143-

131

had bepaald; Coolhaos on één ouderling schaarden zich aan den kant van den Raad en vonden eene dergelijke inmenging van de burgerlijke macht in de kerkelijke zaken wel goed. De hoofdquaestie waa dus: wie heeft de macht in do kerk? De wereldlijke Overheid, omdat de kerk in de stad is, of Christus door middel van zijne kerkelijke ambtenaren? Coolhaos en do Gemeenteraad stonden het eerste voor; Cornelisz met den Kerkeraad was van het laatste gevoelen. Do laatsten verzochten daarom mondeling en schriftelijk aan den Raad, do gemaakte bepalingen te willen intrekken, en riepen, toon hun dat geweigerd werd, don raad van de Noord-IIollandsche Classen in; de Leidscho Magistraat, met Coolhaos op haar hand, benoemde straks een\' nieuwen Kerkeraad en beriep Johannes Hallius tot predikant\'). Daarop wendde de oude Kerkeraad zich tot don Prins en die zich weer tot do Staten, welke evenals Z. Exc. hun bost deden om de Magistraat in Leiden van haar ongelijk te overtuigen -1). Do „Magistratus inferiorquot; luisterde ochtor niet naar de „Magistratus superiorquot; on ging zelfs zoover, dat zij Cornelisz — die door niet-aanboveling van do collecten voor de armen en door wegblijven uit don Kerkeraad toonde, dat hij geene gemeenschap wilde hebben aan de zonde der Leidsche Rogoering — afzette, en Ijiicas Ilospe in zijne plaats liet verkiezen \'). Ter wegneming van de steeds toenemende gedeoldheid beschreven de Staten toen eene vergadering van

1

V. d. Kemp, De eere der Ned. Here. Kerk gehandhaafd, Dl. II, blz. 120. Vgl. Coolhaes, door IT. C. Rogge, Dl. I, blzz. 57, 107. Op blz. 50—58 en 88 vgg. komt uit, dat er sedert Kerstmis 1578 in Leiden al wat broeide en Coolhaes en Cornelisz vroeger ook al niet te best met elkander over weg konden.

-ocr page 144-

192

afgevaardigden uit allo Classen in Holland — uit elke Llasso één predikant —, voor welke Coolhaes en Cornelisz beiden ontboden werden. In Mei kwamen allen in den Haag bijeen, benevens afgevaardigden van de Staten en s Prinsen hofprediker J. Taffinns \'). Die vergadering diende, na gehouden bespreking, aan Cornelisz eene vermaning toe, omdat hij in sommige dingen onbedachtzaam had gehandeld; on wist er Coolhaes toe te bewegen, dat hij zijn beat zou doen om de Leidsche Magistraat tot andere gedachten te brengen, dat hij zelf op den preekstoel zou erkennen onbehoorlijk gehandeld te hebben, door de Magistraat in „bet voortzetten van hare maatregelen te stijven \', en dat hij zijn dienst zou verlaten, als de Magistraat op haar stuk bleof ataau -). Vóór de onderteekening van een hiervan opgemaakt stuk plaats had, vertrok Coolhaes echter, en de Leidsche Overheid verbood hem, na zijne thuiskomst, naar deu Haag terug te koeren, bleef bij haar eenmaal ingenomen standpunt en gaf eene justificatie van hare handelingen uitquot;). De Staten besloten toen wel aan Coolhaes bet prediken eeu tijd lang ti. verbieden, doch deze stoorde zich niet aan dat besluit \'). Zoo ging 1579 om, zonder dat er verzoening was gekomen; en de gemeente, die meerendeels aau de zijde van Cornelisz stond -), was door de troebelen geheel verscheurd en verdeeld, en ging „buyten op de dorpen met groote hoopen ter Predikatiequot; 1).

In 1580 geraakte Coolhaes ook nog in geschil met Lucas

1

li) Trigland, «. «■., blz. 170.

-ocr page 145-

133

Hespc, zoodat de onvrede nog grooter werd \'). De Staten en do Prins, ook hierin gemengd, besloten, dat Coolhacs ou Ilespo beide stil zouden staan tot de c. k. Synode, doch de Leidsehe Magistraat luisterde weer uiet naar dat bovol\'), en van Coolhaes\' hand verschonen in dat jaar 2 apolügiën, waarvan do eerste o. m. diende om zijne houding in hot eerste geschil, do andere om zijne positie tegenover llospo te verdedigen 1).

Intusscheu begon de Leidsehe Overheid wel in te zien dat er toch iets gedaan moest worden om aan don „ou-vredequot; en de „onordeningequot; oen einde te maken, en riep daartoe eerst do bemiddeling in van ds. Tilius uit Antwerpen en daarna die van diens collega Ysbrand Balck, omdat Tilius niet moer mocht en er ook geen zin in had weer naar Leidon te komen ovenals in 1579 \'). lialek is or geweest 2) en heeft het zoover weten te krijgen, dat van beide partijen twee predikanten en nog twee andore mannon tot „segsluydenquot; of arbiters zouden worden gekozen, die, zoo mogelijk, het geschil uit don weg zouden ruimen, zoowol tusschen do Magistraat en don ouden Kerkeraad, als tus-schen den laatste en Coolhaes, on daartoe vooraf in Leiden zitting zouden houden, om aan beide partijen do gelegenheid te geven haar beklag schriftelijk bij hen in te dienon. En een dier acht arbiters nu is Ilolmichius geweest3).

1

Rogge, a. w., Dl. I, blz. 137—166 en 183. Vgl. 11\'. d. M.- F., S. III, Dl. IV, blz. 16 vg.

2

Trlgland, a.w., blz. 177; en W.d.M.-V., S. Ill, Dl. II (2e st.), blz. 116 en 110.

3

De zeven anderen waren: «Jacobns Regiusquot;, pred.te Gent; »Joannes migrodinsquot;, pred. te »Veerquot;; «Bartholomens Grypsinsquot;, pensionaris van CJo-rinchem; «Cornelius miropiusquot;, rentmeester; «Petrus Taurinus*\', pred. te Schiedam; «Justus Lipsiusquot;, rector der univers. te Leiden; ))Foij van Brouckhovenquot;, Dijkgraaf en Baljuw van Rijnland. De vier eersten werden ontboden van den kant van Coolhaes c. s.; de drie anderen met Helmi-

-ocr page 146-

134

Hij had weinig lust om naar Leiden te gaan, doch is op aanraden van don Prins en aandrang van don Utrechtschen Kerkoraad op 5 Octobor derwaarts vertrokken, toen de behandeling der zaak al drie weken gaande was\'). Vele klachten en beschuldigingen werden van weerszijden ingebracht, schrijft Helmich; aan weerskanten was schuld; en do commissie, inziende, dat kij dooi\' eene preciese rechterlijke uitspraak het geschil niet zou kunnen beëindigen, leidde het daarheen, dat beide partijen genoegen namen met eene „formula Coneordiaequot;, waarin bepaald werd: dat men vergeten zou wat achter was, nadat en Cornelisz met de zijnen én Coolhaes -) openlijk schuldbelijdenis hadden gedaan

chius «van wege de aenclagorsquot;. Ik vond duzo namen in do stukken over Coolhaes in het O.-.A tl. N. II. K., Nr. 39, 1. Rogge, a. w., Dl. 1, blz. 184, deelt maar twee mede.

1) Kogge, a. IV., Dl. 1, blz. 184, zegt, dat de oommissie van acht hare zittingen op 19 Juni begon; Trigland, o.tr., blz. 177, bericht, dat 19 Aug. «submissie is ghemaeckt onder vier Pulitjjeke ende vier Predicanten . Als dit laatste beteekent dat in Aug. besloten is 8 personen als scheidsrechters aan te stollen, dan sluit hieraan wat Helmioh schrijft: «Duravit negotij traotatio a 15 Septembrisquot; (zie zijn\' reeds meer genoemden hrief quot;van 31 Deo. -1580, aan Corput; in Bijlage D). Uit dien brief blijkt ook, dat hij 5 Oct. in Leiden is gekomen, en daaraan is ook ontleend hetgeen in den tekst wordt meegedeeld over liet wedervaren en den arbeid der commissie in Leiden. Vgl. Trigland, t. a. p.

2) Kogge, (i. li\'.. Dl. I, blz. 185\' is van oordeel, dat Cornelisz alleen schuld heeft moeten belijden, en dat Bor, Brandt, Wtenbogaert en Trigland ten onrechte mcêdeelen, dat heiden schuldbelijdenis moesten doen. Ik kan dit niet toegeven, lettende op Helmich\'s brief (vor. noot), volgens welken ook Coolhaes schuld moest erkennen en waardoor de berichten van Uor enz. bevestigd worden. quot;Wel merkt Rogge op, dat Coolhaes zelf in zijn verbaal der gebeurtenissen nergens spreekt van zijne schuldbekentenis, doch daartegenover wijs ik cv op, dat Helmichins in een brief uit 1601\'schrijft, dat bij Coolhaes op hot verzwijgen »van sjjn eijgon schult-bekentenissoquot; in een ongeveer in dien tijd door hem uitgegeven «boecks-kenquot; (vgl. Roggo, «. «•., Dl. I, blz. 53\'quot;; en Dl. II, Bijl. J) gewezen heeft; en blijkens hetgeen in dien brief voorafgaat, had Helmich daarbij het oog op hot gebeurde in 1580. Genoemden brief van Helmioh vond ik m lii^l O.-A. d.N.lI.K., Nr. I, 7. (vgl. over den inhoud van dien foliant hetgeen dr. Rutgers schrijft in W.d.M.-V., S. II, Dl. Ill, blz. 589\'). Het is opmerkelijk, dat dr. Rogge niet aan dozen brief van Helmich heeft gedacht, want dat hij hem gelezen heeft, mag ik hieruit afleiden, dat hij

-ocr page 147-

135

op do wijze, die bun voorgeschreven werd; dat Coolhaes zijne geschriften aan het oordeel van Classe cn Synode zou onderwerpen; dat do verkiezing van ouderlingen cn diakenen weer door den Kcrkeraad zou geschieden, mot dien verstande, dat hij altijd een dorde meer dan hot benoodigde aantal aan do Overheid moest presentoeren, opdat die er een derde afdeed naar haar welgevallen; dat do Overheid voortaan naar elke kerkeraadsvorgadering twee harer leden mocht zenden, doch dat die tevens leden der gemeente moesten zijn, geen stem mochten uitbrengen, niet bevelen of prosideeren mochten en het verhandelde niet mochten meêdeelen; en eindelijk, dat Cornelisz in den dienst hersteld, Hallius in den dienst geapprobeerd zou worden. Dor Overheid werd geene schuldbelijdenis opgelegd, omdat zij daartoe niet bereid was en de tegenpartij dat ook niet vorderde, als Gaspar het maar deed, en als Cornelisz maar „hersteldquot; werd, wijl daarin eene stilzwijgende schuldbekentenis van de Overheid lag opgesloten; doch voornamelijk liet men haar vrij, omdat de meeste Ilaadsleden niet aan de kerkelijke tucht onderworpen waren. Aldus werd 29 October bepaald. In beginsel werd dus door dat „compromisquot; \') aan de Overheid en Coolhaes ongelijk gegeven 2); de „verkiezingquot; kwam immers grootendeels weer aan don Kerkeraad, Cornelisz zou don dienst weer betreden en ook Coolhaes moest schuld belijden.

Ilolmichius heeft toon nog wel vier weken in Leiden

oen\' anderen brief van Helmieh, in denzelfden foliant voorkomende, lieeft geplaatst in De Navorscher, 1874, blz. 143 vg. en dien, blijkens do bjj-gevoegde medodeeling, vroeger, al gevonden had. Doch tusschen 185Ü, waarin Coolhaes Dl. 1 verscheen, en 1874, liggen nog al wat jaren in. Hoe dit dan ook zij, het staat, dunkt mij, nu historisch vast, dat Coolhaes in 1580 ook schuld moest belijden. De beide brieven \\an Helmieh nam ik op in Bijlage D.

1) W. (/. 31.-F., S. III, Dl. II (2c st.), blz. 136.

2) Vgl. v. d. Kemp, a.w., Dl. 11, blz. 1-25; en De Gids, 1859. Rogge\'s conclusie in \'t a. ie., Dl. I. blz. 185\', acht ik dan ook onjuist te zijn.

-ocr page 148-

136

mooton vci\'tocvou, omdat Coi\'iiclisz in Middelburg was en const ua dicus terugkomst do openlijke verzoening voor de gemeente kon plaats hebben. Dat geschiedde eindelijk op 26 November voor Magistraat cn arbiters, op 27 November \'), in de „Sinto Pieters kerekequot;2), voor do gemeente. Helmich trad bij dio gelegenheid voor haar op; hoeft eerst zeker hot woord des vredos gesproken tot eene grootc en luisterende schare; las daarop onder ademlooze stilte do artikelen dor transactie en do schuldbelijdenis der beide partijen voor 5 verzocht toen allo loden, zoowel van den ouden als van den nieuwen Kcrkeraad op te staan, on van die allen meldt hij dan : „intra septa, populo inspoctante, ami-cissime se öes mutuo complexi sunt in vorao poonitentiae, reconciliationis atque cocordiae symbolumquot; 3). Vrede on orde waren zoo weer, althans voor \'t uitwendige, in de Loidsche gemeente hersteld en Helmich kon, na dat gewenschte einde, mot blijdschap huiswaarts koeren.

Een goed jaar later ging bij nogmaals naar Leiden. Er was weer gedeeldheid ontstaan. Bij do transactie in 1580 was bepaald, dat Coolhaes zijne geschriften aan \'t oordeel dor meerdere vergaderingen onderwerpen zou, en vele kerken brachten dat punt dan ook ter Middelburgsche Synode in 1581 4). Dio Synode was alzoo in haar volle recht, toen zij daarover ging handelen. Zij ontbood Coolhaes, die „go-compareortquot; is, hooft „mot hom veel handelinge gehad ouer syne boockon, do welcke verworpen syn, endo by tot schult-bekonninge etc. gewosen,quot; blijkens do Acta, doch hij heeft

•1) Zie Helmicli\'s brief op blz. 134\' genoemd. Roggo\'s opgave in «. w., Dl. T, blz. 185 is dus loutiet\'.

2) Blijkens Een cort warachtiy verhael enz. van Coolhaes. De geheele titel is afgedrukt bij Rogge, a. w., Dl. II, blz. 137 .

3) Zie Helmicli\'s brief in noot 1 vermeld.

4) r. d. U.-V., S. II, Dl. Ill, blz. 420\'.

-ocr page 149-

137

„nyot goohtonipci\'cortquot;\') cn de Loidschc gemeente door zijne hardnekkige houding en „stijfsinnichcytquot; -) weer geheel cn al in verwarring gebracht. Cornolisz cn llallius klaagden over zijn gedrag tegenover de Synode bij Kerkeraad cn Magistraat, en toen hun dit niets gaf, weigerden zij langer met hem te arbeiden en leiden hun ambt neder:i). Toen hebben dc Staten van Holland, die door de Synode op dc hoogte waren gebracht van \'t verhandelde met cn \'t beslotcne omtrent Coolhaes, zich er mede bemoeid \')• Op hun autoriteit kwamen 28 November 4 hunner commissarissen1), 6 predikanten r\'), 5 gedeputeerden van Leidcns Raad, en Coolhaes, wicn 2 predikanten, een ouderling cn één diaken als pleitbezorgers waren toegevoegd, in den Haag bijeen, om ccne samenspreking te hebben over de hangende kwestie \')• Na de onderhandeling met Coolhaes keurden zelfs de afgevaardigden der Leidschc Overheid het oordeel der Middelburgscho Synode goed 2), terwijl de Staten op 3 December d. a. v., gehoord het rapport hunner commissie, van oordeel waren, dat de kerken verder tegen Coolhaes mochten procedceren, dat Coolhaes niet meer mocht prediken en gocn boeken meer mocht uitgeven, en dat de uitgegevene gesupprimeerd moesten

1

Rogge, t. a. p.

2

Rogge, t. a. p. In do stukken over Coolhaes, voorkomende in den zooeven gen. foliant uit hef 0,-A. d. N. H. A., lezen wij, dat de Leidsche «Magistraet selve Caspars ongelijek passim genoech bekendequot;.

-ocr page 150-

138

worden \'). En voorts waren zij het geheel eens met de geduchte, die in de Haagsche vergadering was uitgesproken, dat het van groot belaug zou zijn, als men Ilelmiehius een tjjd lang in Leiden kon krijgen tot herstel van vrede en orde 1) „al soude men wt eenighe Ilollantsehe Kercken, der Kercken van Wtrecht wederom dienen ende berievenquot; 2). Zelfs beloofden zij daarvoor hun best te zullcii doen, en schreven er reeds op 8 December over „aen Helmichium t\' Wtrecht ende aen de kercke aldaer \').

Geschikter persoon was in do bestaande omstandigheden zeker ook moeieljjk aan te wijzen, llelmich kende dc Leidsche gemeente eenigszins door vroegere tegenwoordigheid; was „binnen Leideu leer aangenaamquot;3); was waarschijnlijk ter Jliddelburgsche Synode geweest4), en dies ook bekend met hetgeen daar met Coolhaes was verhandeld; was voorts vredelievend van aard, en scheen ten vorigenjare in Leiden getoond te hebben, dat hij den noodigen tact bezat om in zoo\'n verwarden toestand met vastheid en beleid op te treden.

Hoe hij nu zelf dacht over die tweede leening is niet bekend, maar wel weten wij, dat Utrecht hem ditmaal maar 2 of 3 weken wilde afstaan, omdat hij in Leiden toch niet anders mocht doen dan preeken, — wat volgons den Utrechtschen Kerkeraad oen ander ook wel kon doen — en omdat zijne

1

lioggc, a. ie.. Dl. I, hlz. 217.

2

Blijkens het vCort eenuoudich ende waerachtich verhael, ivaeronnnc

CASPAR COOLHAES____den XXV\'quot; Martii Anno M.D.LXXXIIhi/den

Synode Prouinciael van Hollandt, van der Kercke Christi is yheex-coniiniinkeert.^ Dordrecht, 1582, blz. 70. De geheele titel staat in Kogge, a. ie.. Dl. I, blz. 242. Henric. Corputius stelde het op. W. d. M.-V., S. II, Dl. III, blz. 353 vg. Vgl. blzz. 220, 230, 353, 421.

3

KerJcel. Placaatb., Dl. II, blz. 3G. Vgl. Rogge, a.w.. Dl. II, blz. 243.

4

W. d. M.-V., S. III, Dl. IV, blz. 16. Blijkens S. III, Dl. II {2e st.), blz. 168 verzocht Helmich in Sept. quot;81 «van alle de stucken in Caspari saeck copie.quot;

-ocr page 151-

139

tegenwoordigheid in Utrecht zelf zeer noodig was Blijkens zijne brieven is hij er dan ook niet veel langer dau drie weken geweest1), ofschoon hij in dien korten tijd nog wel wat meer heeft gedaan dan alleen het werk op den preekstoel. In hoofdzaak komt dat, volgens de genoemde correspondentie2), hierop neer: 1°. dat hij mot de Burgemeesters van Leiden, die hem graag langer hadden willen houden, — zij vonden hem „gratieus en dienlickquot; \') — en hem zelfs eens tor maaltijd vroegen, gesproken heeft over den benarden toestand in Leiden; 2°. dat hij Burgemeester Pieter Adriaensz, die hem beleed, dat de Magistraat beducht was voor vermindering van haar gezag door de llollandschc predikanten, tot andere gedachten heeft gebracht en hem er op gewezen heeft, hoe onvoorzichtig de Magistraat handelde door dc handeling der Synode tegen Coolhaes, voorzoover aan haar stond, te beletten ; 3quot;. dat hij aangedrongen heeft op het beroepen van geschikte predikanten, die konden meewerken tot herstelling van de kerkelijke orde in Leiden, met verwijdering van de „xtx\'/.tciquot; ; en 4°. dat hij Coolhaes, die de Magistraat zeer naar de oogon zag, — „vnde vides quo nitatur fundamento miser istequot; schrijft Helmichius woordelijk — een paar maal heeft bezocht om hem tot schuldbekentenis te bewegen.

1

Ilelmicli schreef van Leiden uit 3 brieven aan A. Cornelisz, d.d. 23 Dec., 30 Doc. 4581; en 10 Jan. 1582 (W. d. M.-V., S. III, Dl. IV, blz. 20—30). Cornelisz heeft zijn best gedaan om hem nog eene week of 6 a 7 in Leiden te houden, en daarover persoonljjk een\' brief geschreven aan den Utr. Kerkeraad, d.d. 28 Dec. 1581. De brief wordt bewaard in het kcrkeraadsarchief te Delft bij de stukken over Coolhaes, Aid. IV, La A, n0. 1G.

2

Dit is de eenige bron, waaruit ik putten kon. De Leidsche kerke-raadsnotulen uit dien tjjd zijn niet meer aanwezig, zooals ds. W. Briët

l J.Pzn., pred. aldaar, mij meedeelde.

-ocr page 152-

140

Bovendien zal hij nog wel meerdere leden der gemeente aangesproken hebben. Zijne woorden zijn dan zeker, evenals zijne prediking, niet als olie, maar als water in hot twistvuur geweest, zoodat de ontstelde gemoederen daardoor eenigszins nedergezet werden en hij daarvan, gelijk van zijn onderhoud met Pieter Adriaensz, eenige vrucht zag. Maar dat weinige was dan ook alles, ten minste voor zoover hem bekend werd ; want do gesprekken met Coolhaes waren vruchteloos, en Kerkcraad en Magistraat hielden hem onkundig van hunne plannen. Wellicht speet hot hem niet, dat hij in quot;t midden van Januari 1582 „sine moraquot; \') naar zijn eigen gemeente teruggeroepen werd, wegens ziekte zijner collega\'s.

B. Helmichius in zuhc Amersfoort.

In Amersfoort is in 1581, op den eersten Zondag in de maand September, „commotiequot; geweest -). Twee jaar te voren, in 1579, was daar „de Kerke van Beelden gofuivertquot; en waren twee gereformeerde predikanten beroepen, van wie Rutgerus Topander \') de eene was. Die beide kerke-dienaren hadden het niet gemakkelijk, omdat de Libertijnen in Amersfoort hun zeer vijandig waren en het meerendeel

•1) W. (L M.-V., S. III, Dl. IV, hl/.. \'26, Op 17 Jan. ging hij naar Utrecht terug.

l2) Zie //\'. \'/. .1/.- 1\', S. III, Dl. IV, blz. 11 vg., waar Helmich op 7 Sept. schrijft, dat er «voorleden Somlachquot; rumoer was geweest; en S. UI, Dl. H (2e st.), blz. 170, waar Corput op 17 Sept. bericht dat het 14 dagen was geleden.

3) Bor,1)1. II, blz. 70. Vgl. Kist en Royaards,«. /r.. Dl. XVII, blz. 214.

4) Zie Nuemlijsl der Prei\'kun feu in de provincie Ut recht, door A. W. K. Voet, 1724, blz. 59. Vgl. Ypojj en Derinout, Geselt, der Xed. Jferr. Kerk, Dl. 11, blz. 78. Hij is zoor waarschijnlijk dozolfdo dio in Ilelmicli\'s briovon »Rntgorus Toxandorquot; wordt gonoomd on van wion gezogd wordt »oor-tjjts tot Amorsfort gostaon hobbondoquot;, »goon onbequaem ])orsoonquot;, »wcl goloert ondo suyvor van grondt in alles: endo wol bogaefftquot;. tl\', d. M.- V., S. III, Dl. IV, blzz. 23, 174, 17(3. De volledige naam van dt:ii andoren

predikant is mjj onbekend. Voet, t. a. p., noemt alleen wHormannus.....

beroepen 1579.quot;

-ocr page 153-

141

van do Magistraat hun evenmin genogen was. Ilelnücliius schrijft er in \'t laatst van 1580 over, uit Utrecht, dat toen op kerkelijk gebied aan scheurziekte leed en ook met veel tegenheid te kampen had: „Amorsfordionsis Ecclesia paulo meliore est loco, quii nostra: queruntur graviter Ministri se ab Libertinis valde infestari, et plerosque ex Magistratu, spreto omni ordine Ecclesiastico, ad nostri schismatici oxem-plum aspirarequot; \'). Ook hier wilden de Heeren up het stadhuis „dominus Consistoriiquot; zijn, daartoe aangemoedigd door de Leidsche Overheid „una cum Casparo suoquot; 1). 1 let kerk-rumoer van 1581 stond daarmede dan ook in verband. Ds. Hieronymus Flortensius2) uit den Haag, een geestverwant en partijgenoot van Coolhaes, en Coolhaes zelf hadden aan den Burgemeester van Amersfoort gerecommandeerd als een\' goed predikant, een zekeren „.Miclüel Andriessenquot;, die „Libertijnquot; was eu „vyant der Disciplynequot;, met wien men in de Zuid-Hollandsehe kerken al zooveel moeite had gehad, dat de „synode particulier, gehouden bynnen Rotterdam, begonnen den XXV™ Aprilis 1581quot;, besloten had, dat hij „geheelick afstaenquot; moest van den dienst, en dien niet weer mocht „betreden, ten ware hy namaols van syno ongehoor-saemheyt hem gebetert hadde ende alsdan totten dienst be-quaem bevonden soude moge wordenquot;\' \'). Hortensius eu

1

W. lt;1. M.-r, S. III. 1)1 IV, blz. 1;..

2

Zoon van Lambrrtus Hortensius. Zie inr. O. Mees Az. LamhertHx llorteimius nm Moutfooyl nis Gwhiedsctirijrcr, Utreclit, MDCCCXX XVI, blz. 28—30; Keitsma en van Veen, 1)1. 11, i. v.; en V. tl. M1 ., S. Ill, 1)1. II (2e St.), en S. Ill, Dl. IV, i. v. In \'t laatst van 1581 stookte l\'Ü de Amersf. Magistraat zoo op tegen predikant en Kerkeraad aldaar, dat die Overheid eene aanklacht bij de Utr. Staten tegen hen heeft ingediend, naar aanleiding waarvan de Staten de kerkeraadsvergaderingen in alle Utr. steden hebben verboden, a. ir., S. Ill, Dl. IV, blz. 23 vg.

-ocr page 154-

142

Coolhaes wildon hem nu dus weer aan oono gnmcente hol-pon buiten de gemeente om. De Burgemeester, die juist een man van de gevoelens van Andriessen begeerde, ontbood hem, liet tegen den volgenden Zondag „den predikstoelquot; aan de wettige predikanten verbieden, en wilde zijn\' gunsteling daar op brengen •). Daartegen kwam verzet, zoodat er tumult ontstond, waarbij het nog al rumoerig toeging; „het was geschapen binnen Amersfort een grote moort te geschieden onder de burgers, dan, de Heere heb lof, daer is noch geen bloet gestort al waerender veel rappieren wt op de marektquot;, meldt Helmich, die in deze zaak betrokken is geworden, enkele dagen later. Op verzoek van den Schout is hij er namelijk heengegaan om mede te bewerkstelligen, dat door voorzichtig optreden grootere verwarring nog tijdig voorkomen werd. Uit naam van den Kerkeraad van Amersfoort zocht hij met eenige broeders Michiel op, om met hem te spreken over zijne roeping, belijdenis en getuigschriften. Michiel toonde toen alleen eene aanbeveling van Hortensius, beriep zich op de Amersfoortsche Magistraat, en antwoordde verder zeer vaag en dubbelzinnig; Helmich en die bij hem waren kwamen alleen nog van hem te weten, dat hij niet bepaald Luthersch was, en dat zij omtrent zijn gevoelen over de kerkelijke tucht zonder zorge moesten wezen. Daarop volgde een maaltijd bij den Schout, waar Helmich, Andriessen en de Burgemeester mede aanzaten, en na afloop daarvan was Michiel — hij had overlegd mot den Burgemeester ■— zooveel veranderd, dat hij verklaarde in alles met de gereformeerde kerk overeen te stemmen aangaande de leer, en zich in zake de tucht evenals de andere predikanten te willen gedragen;

zoodat do Clussc Rotterdam hom suspendeerde, en waarop zijne afzetting in \'1581 vu!i,\'dt\'. Zie over hein Reitsma en van Veen, ».»•., Dl. II i. v.; en W. (/. M.-V., S. Ill, Dl. II (2e st.), en S. III, Dl. IV, i. v.

1) r. (?. M.-V., S. Ill, Dl. II (2e st.), blz. 170; en S. 111, Dl. IV, blz. 11.

-ocr page 155-

143

terwijl Schout on Burgemeester uitspraken, dat liet hun nooit om scheuring te doen was geweest.

De Kerkeraad werd met die verklaring van Andriossen in kennis gesteld en kroeg toen van Helmioh den raad om hom dan maar eenmaal den kansel af te staan \'). Dat advies gaf hij niet, omdat hij op de hand van don Burgemeester en diens vrienden was 1). Ook hield do permissie om Andriossen eens te laten spreken, volgens Helmich, volstrekt niet in, dat men hem nu aannam tot predikant:i). En zeer waarschijnlijk zou Helmichins don Kerkeraad ook nog niet eens geraden hebben iliohiel voor één keer te laten optreden, als hij geweten had van do „depositie Michaëlisquot;, doch hij was daarvan geheel onkundig2), had alleen maar vreemde geruchten omtrent hem vernomen, en nu daarentegen duidelijke en besliste verklaringen uit zijn\' eigen mond gehoord. Zijn doel met het gegeven advies was niets anders en niets meer dan aan den eenen kant eenigszins ter wille te ziji) aan den Burgemeester, wien het „alleenlick daerom te doenquot; „scheenquot; te zijn, „dat hy niet de schande wilde hebben dat hy den predikant, die hy ontboden had, soude laten gaen sender gepredikt te hebbenen aan de andere zijde toch de „vrijheyt der kerekequot; te handhaven, en tumulten van nog ernstiger en langduriger aard te voorkomen 3).

De Kerkeraad heeft Helmich\'s dringenden raad opgevolgd en Andriessen op den preekstoel laten gaan. Hij beviel echter volstrekt niet aan het volk, en stelde zijne beschermers

1

W.d. M.-V., S. 111, Dl. IV, blz. 15.

2

Toen liij liet vernam uit een schrijven van A. Cornelisz, sohreet\'hjj er over aan de Amersf. kerk. Ook werkte er later aan mede, dat er »eeu goede manquot; naar Amersfoort gezonden werd »0111 beproeft ende gehoortquot; te worden. Wellicht was dat Peter Obercamp. W. lt;/. M- F., S. III, Dl. IV (2e st.), blz. 182; en S. III, Dl. IV, blz. 19.

3

W. (L M.-V., S. III, Dl. IV, blz. 10. Vgl; blz. 14.

-ocr page 156-

144

zoodanig in hunne verwachting te leur, dat llolmich niet twijfelde, of zij zouden hem ook wel weer wegzenden. „Sic niniirum,quot; aldus schrijft hij, „solet Deus eludere consilia malornmquot; gt;). Aan God werd do eere gegeven. Naast God kwam hem zeker dank toe voor zijn voorzichtig en bemiddelend optreden tot herstel van vrede eu orde 2).

C. Jlelinicliius in sake Hooymtde.

Te Hoogmade of Homade, in 1587 bjj do splitsing der Classe Leiden door de Delftsche Synode, bij „Leege Rhijn-landtquot; ingedeeld s), trad in Sept. 1593 Petrus Hyperphrag-mus of Pieter Overdhage, anders gezegd Pieter de Zuttere lt;) als predikant op. Hij was echter, evenmin als zijn voorganger Franco Willems 5), langs wettigen weg in dienst gekomen, maar eenig en alleen door do beschikking vau den toenmaligen ambachtsheer aldaar, Gerrit van PoelgeestG), die zich daar alle gezag in kerkelijke zaken aanmatigde.

Met terzijdestelling van alle kerkelijke bepaling was alzoo gehandeld. Hierover sprak eene commissie uit do synodale „deputatenquot; van Zuid-Holland den heer van Poelgeest aan, en kreeg ten antwoord, dat „hij wel tevreden was,quot; dat „Petrus Overd\'haghe bij do classe geexamineert

-I) II. lt;1. M.-V., S. Ill, Dl. IV, blz. 14.

2) Einde December 1581 is er weer woimiedt opgestaonquot;, docli lïeliuicli is daarin niet betrokken geworden. 11\'. lt;1. M.-V., S. lil, l\'l. II (2e st.l, blz. 182: en S. III, Dl. TV,quot; blz. 25 vg.

3) Ileitsnia en van Veen, a. w., Dl. II, blz. 30G. Vgl. Dl. III, blz. 08.

4) Zie over hein: Clir. Sepp, Drie Evanyclicdienaren uit (Jen tijd der Hervorming, Leiden, 1879, blz. 81—122; en de nog betere monographie van II. Q. Janssen, in Studiën en Bijdragen op \'/ gebied der Jlistor. Theologie, verzameld door W. Mull en J. Gr. de Hoop Schelf«jr. Dl. IV. (Amsterdam, 1880), blz. 321-369. (vgl. W.d.M.-V., S. II, Dl. III, blzz. 169, 429.) quot;NVijl ik daarheen verwijzen kan, kan ik bjj de beschrijving van «llelmichins in zake Hoogmadequot; zeer kort zijn.

5) Zie de genoemde Studiën en Bijdragen, Dl. IV, blz. 322 vgg.; en Reitsma en van Veen, a. w., Dl. II in voce.

0) Studiën en Bijdragen, Dl. IV, blz. 324—329.

-ocr page 157-

145

werde om sy bequaomhoijt to onderaoeckon.quot; Dicntongovolge droegen „deputatonquot; 17 Jan. 1594 hun\'scriba Ilolmiehius\') op, aan de Leidsohe of Hooge Rijnlandsehe Classo to sclinj-ven, dat zij Petrus ondorzoohton en verder naar kerkenorde niet hem handelden. Hem werd evenwel 1 Maart torugbo-richt, dat Hoogmade tot de „Leechrynssehe classoquot; behoorde, en „also buten de limitenquot; van Leiden lag. „Dopu-tatenquot; wendden zich toen 12 Maart mot hun verzoek tot die Leech- of .N\'eder-Hhynsche Classe en kregen op 12 April ten antwoord, dat Hoogmade wel onder die Classe ressorteerde, maar dat Petrus slechts eens ter Classis was geweest, omdat van Poelgeest hem verboden had verder te cöpareren;quot; dat die zaak toen op de Synode was gebracht en door hare „gedeputeerdenquot; was behandeld buiten de Classe om; en dat de Synode of hare „deputatenquot; zich nu ook maar met Hoogmade redden moesten. Blijkens de Handelingen der „gedeputeerdenquot;, d.d. 12 Juli 1594, hebben Helmich en nog een „deputaatquot; toen over dat punt nog gehandeld met Pr. Pythius, dienaar te Alfen; en het door diens bemiddeling zoover gekregen, dat de Ned. Rijnsche Classe zich bereid verklaarde Hyperphragmus te examineeren, mits er twee synodale „deputatenquot; bij tegenwoordig waren. Togen den lO\'l™ Mei is Pieter daarom te Alfen ontboden en ook verschenen, maar „heeft gheensins tot examen willen verstaen, noch met den Classo aldaer te doen hebben, voor-wondende do authoriteyt van mynheere van Poolgheest, die

1) Jlet hem waren toen Theodoma Petri, Libertus Fraxinus en Fran-ciscns Laiisbevgius «deputaten-1. Keitsma en van Veen, a. ir., Dl. III, blz. 12. Dat Helmicliius tuen scriba was, leid ik at\' uit do HatuléUnyeu ihr synod. Vffedepufeerdcnquot; over 1593—\'95, loopende van Synode tot Synode. Het staat er wel niet uitdrukkelijk bij, zooals dat er bv. in\'1005 en 1000 bij vernield is doeb blijkens de hand zijn alle Tfandelingen van Aug. 1593—Aug. 1595 door liem geschreven. Deze Handelingen, waaraan ik het een en ander bij dit pnnt ontleende, zijn in hef O.-A. (f. N. JI. K., Kr. 31, A.

\'10

-ocr page 158-

146

hem sulcx soudo belast liebben; niettemin onder anderen te kennen gevende van ecne inwendige beroepinge die hy was drijvende ende zeggende dat hy de leere der gemeyne kercken wel toestondt, maer niet in allo poincten, hem refererende voorder tot een seeckerc generale bekentenisse die hy DD. Bastingio hadde gegevenquot; \'). Zijne houding was dus zonderling. Bovendien kreeg Helmich op eene vraag aan de broeders in Rotterdam om nadere informaties over hem, wijl hij daar in 1573 eens op den predikstoel was geweest, zeer ongunstige getuigenissen. Men noemde hem daar destijds — zeker om zijn\' onrustigen, woelzieken aard — „Springt over de hagequot;; en hij was volgens het getuigenis van den llotterdamschen predikant ds. Lansbergen, door ds. Caspar Swerinchusius op 19 Mei aan Helmichius meegedeeld, een „sohadelieke pest der kereke 2).

Drie maanden later kwam de Particuliere Synode van Zuid-Holland te Rotterdam bijeen, waar ook de moeielijk-heid van Hoogmade ter tafel kwam. Er werd verslag gedaan vau de handelingen met Petrus en meegedeeld, dat hij onzuiver in de leer was en een onrustig en ongeregeld man. De Synode resolveerde „dat alsulek eenen in den ministerie niet getole-reert noch tot examen om tot den ministerium te common behoort toegelaten te worden.quot; En om hem nu uit den dienst te weren werd aan Helmich en de andere „gedeputeerdenquot; opgedragen, den heer van Poelgeest hierover aan te spreken, eu bijaldien deze daarvan niet weten wilde, de zaak met den advocaat te overleggen en zich te wenden tot do Staten. Eindelijk werd nog besloten aan de kerk van Leiden — waar Petrus zich vroeger ook een tijd lang haa opgehouden — te schrijven, „om getuyehnissequot; aangaande

•1) Studiën en Bijdragen, Dl. IV, blzz. 330, 348; on Roitsma en van Veen, a. iv., Dl. III, blz. 85.

\'■i) Studiën 01 Bijlt;l)\'(tgc)i, Dl. IV, blz. 382 en 3G4 \\g.

-ocr page 159-

147

zijn\' „conversatie ofte wandelquot; \'). Ook van daar is een zeer ongunstig antwoord gezonden. Hij was met „doolingenquot; behept, een onrustige geest, een verstoorder van den kerke-lijken vrede, hield ergerlijke en lasterlijke gesprekken, was onordelijk in het waarnemen van zijn dienst enz., zoo luidde het zwart register van zijne zonden in den brief, dien Hel-miohius ontving -). In Mei 1595 is hij dan ook door van Poelgeest ontslagen, zeker op aanhouden van de synodale „deputatenquot; s).

Hoogmade was dus weer openbaar vacant en is ook nog jaren vacant gebleven. Vandaar dat Helmichius, die in Aug. \'95 als „gedeputeerdequot; aftrad, doch twee jaar later weer benoemd werd, zich ook weer met Hoogmade heeft moeten bcinoeien. De Synode van Schoonhoven, in Sept. \'97 gehouden, droeg namelijk aan de „gedeputeerdenquot; op, „den heere van Poelgheest, die tot noch toe niet veel ghehoors [had] ghegeven, nochmaels aeu te spreken ende te versoecken do handt te houden, dat syne ondersaten met een goed dieuaer versorght mogh[t]en wordenhielp dat niet, dan moesten zij de Staten daarvan kennis geven 1). En de „deputatenquot; hebben toen 4 Maart \'98 2) Helmichius met nog iemand aangewezen, om den synodalen last ten opzichte van Hoogmade uit te voeren. Het bezoek aan den ambachtsheer schijnt

1

Keitsma en van Veen, a. w., Dl. III, blz. 80.

2

Handelingen der Dgedeputeerdenquot;.

-ocr page 160-

148

eclitoi- geen good gevolg te hebben gehad, omdat niet op wettige wijze in de vacature is voorzien. Aan de volgende Synode kon alleen worden meegedeeld, dat van Poelgeest den dienaar van Woubrngge „bewillichtquot; had Hoogmade „by provisie voor een jaer te bedienenquot;1). Hoe het daarna is gegaan 2), kan hier onvermeld blijven, wijl Helmiehius niet verder geroepen werd om daar orde op de kerkelijke zaken te stollen en dnurzamon vrede in die gemeente aan te brengen.

D. Helmiehius in zalee Hoorn.

Wernerus kwam Zondag IS Oct. 1597 te Hoorn aan, om der gemeente aldaar eenigen tijd bij leening te dienen:i). Do aanleiding daartoe was deze. In 1590 was Cornells Wig-gerts in Hoorn predikant geworden, de man, die later „mag-norum in ecclesiis Hollandicis tnmultnum author \') is genoemd, en die ook metterdaad, voornamelijk om zijne ongereformeerde gevoelens op het stuk der leer 3), heel wat beroering heeft teweeg gebracht. Verscheidene jaren achtereen hebben de Particuliere Synoden in Noord-Holland zich met hem moeten bezighouden. Reeds in 1592 begon die bemoeienis, wegens Wiggerts\' willekeurig omspringen met de liturgische schriften — dat eigenlijk voortsproot uit zijne dolingen in de leer, ~ doch toen is do zaak tot een bevredigend einde gebracht. In \'93 is hij door de Synode van Alkmaar geschorst, omdat hij ecu lasterlijk geschrift had uitgegeven en onzuiver was in de prediking, en werd

1

Rcitsma en van Veen, a. tv., Dl. Hf, blz. 101,

2

\'•T) Vermeld in Studiën cn Bijdragen, Dl. IV, blz. 327 vg.

3

De 0 fundament, leerstukken, waarin hij dwaalde, vindt men o.a. bij Uaudartius, Menionjen, Dl. I. (Arnliem, 4624), blz. 2.

-ocr page 161-

149

er eene deputatie benoemd, die van het beslotene keunis muest geven aan de Magistraat van Hoorn. Die laatste toonde echter op de hand van Wiggerts te zijn en liet den geschorste voortpreeken. De Haarlemsche Synode van \'04, die niets verder met hem komen kon, wendde zich eindelijk tot de Staten om hulp tot handhaving van waarheid en vrede. Deze riepen weer de hulp in van predikanten en hoogleeraren cn kregen het, met goedvinden van de stedelijke Overheid in Hoorn, zoo ver, dat Wiggerts er in 1596 toegebracht word oni zich vooreerst van den publieken dienst des Woords te onthouden ]).

Met dat al had hij „door dele zijne valfche leeringen de Gemcynte Gods tot Hoorn (die van te vooren vreedtsaem ende in goeden standt was) ghestclt in eenen schadelijckê twist, en groote verwerringe, tot ergherniffe van do fwaeke Christenen, eii droeffeniffe van allen vromenquot; -) En die verwarring en gedeeldheid werd nog erger, toon hij na liet „desisteren vanden publijcken Keroken-diensf\'1), „aff\'ge-sonderde versamelyngequot;2) hield en daardoor scheuring in de gemeente maakte. Dadelijk is toen Wtenbogaert in Hoorn gekomen eu hoeft er enkele weken den kerkedienst waargenomen 3), doch aangezien allo pogingen om Wiggerts het houden van zjjne konventikelen to beletten, schipbreuk leden 0),

1

Trigland, a. iv., blz. 259.

2

Heitsma en van Veen, a. w., Dl. I, blz. 248. Op blz. 277 blijkt, dat «een huus gecoeht ende gepraepareertquot; was, waarin hjj zijne wconventi-clenquot; kon continueeren.

3

Trigland, t. a. p.; en Rogge, J. Wtenbogaert enz., Dl. I, blz. 72.

-ocr page 162-

150

vonden de gecommitteerden uit do Staten van Holland in 117 noodig „dat tot voorderinge van de kereke tot Hoorn ende afbreek van don aenhanck van Corn. Wiggortsz, een be-quaem goleert vreedsaem ende godtvruebtich persoon, als een derde Predicant, tot Hoorn geroupen oude gesteltquot; werd, mits met consent van de Magistraat; en dat, om dadelijk in den nood te voorzien, „bij wissel ende leeninge oen expert geleort ende vreedsaem persoon, don voorsz. Magistraten aengenaem, voor twee ofte drije maenden, in de plaetse van Cornolis Meinertsz tot Hoorn in dienste gebruiokt zou wordenquot;; Meinertsz moest dan zoolang de plaats van den geleenden dienaar vervullen. Raadsheer Cromhout ging namens do Staten in Juli naar Hoorn, om dat plan met de Overheid te bespreken. Zij wilde Meinertsz echter niet missen, omdat die alleen de kranken moesten bezoeken, wijl Clement Mar-tensz dat om zijn\' hoogen leeftijd niet zoo best meer kon doen. Wol wilde zij dat Arminius uit Amsterdam 2 of 3 maanden kwam, doch Cromhout dacht, dat zij dien „qualick souden connen becomen.\'\' Wtenbogaert zou zij ook wel in Hoorn willen bebben, doch dien zou de „partyequot; van Wiggerts niet willen hooren, omdat hij vroeger reeds in die „saeckequot; gebruikt was. „Tot Warnerum Helmichiumquot; uit Delft was men echter ook „wel gesintquot; l), en zoo komt dan door bemiddeling der Staten, onze Helmich — reeds 1 Sept. quot;97 gevraagd en ook afgestaan door den Delftscben Kerke-raad, doch eerst eene maand later op reis gegaan, nadat hij „nae kerkenordeninghequot; was verzocht, zooals ik vroeger reeds meêdeelde — in October to Hoorn.

gehandeld. Tevens is daar, en ter Synode te Edam in 1598, omtrent zijne excommunicatie besloten. Beitsma en van \\ een, a. «s Dl I blz. .44 249 en 255-257. Vgl. W. d. M.-V., S. III, Dl. IV, blzz. 96 vgg., waai Helmich over die excommunicatie schrijft.

1) Het besluit der gecommitteerden van de Staten en de reis van U\'om-hont naar Hoorn worden meegedeeld in do stu\'ikcn uvor Corn. AV\'gger s, die in het herkermdsmxhief te Delft aanwezig zijn, Afd. IY, L\'. A, n . 17.

-ocr page 163-

151

Ilij was persoonlijk roods oonigszins mot do Iloorusclie too-stiiudeu bekend geworden, toon hij als „deputaatquot; van Zuid-Ilolland tegenwoordig was op do Noord-Hollandsclie Synode te Amsterdam iu 1595\'), waar over de drie predikanten van Hoorn gesproken was geworden; en nog meer, toen hij een jaar later, in dezelfde qualiteit, present was op do Particuliere Synode, die — het trof goed — „achtervolgens omgaende ordrequot; in Hoorn zelf is gehouden ■), en waar met allo drie predikanten vau Hoorn gehandeld is geworden. Eu hoe liet nu met den kerkelijkou toestand gesteld was bij zijne aankomst, hoe hij het daar gehad hoeft en wat hij er verrichtte, kan eenigermate opgemaakt worden uit de brieven, welke in dien tijd door en aan hem geschreven zijn 1). Omtrent de „vroet-Ichapquot; in Hoorn blijkt ons daaruit, dat zij, met uitzondering van een paar leden J), geheel „ptijdieh tegen de kerekequot;\' was, de kerk overhoorde en de hand boven het hoofd van Wig-gerts hield, „dien fij achten groot onglijck te gefchieden, als niet overtuijcht fijnde vau dwalingo, en derhalve alleen bij provifie opgefchort, en niet att\'gel\'et vau den Dienst.

1

Er zijn mij 13 brieven bekend, welke Helmich uit Hoorn geschreven heeft. Elf daarvan zijn opgenomen in W. lt;1. M.-V., S. III, 1)1. IV, bz. 70—98 ; twee vond ik in de reeds genoemde stukken over Wiggerts te Delft en nam ik op in Bijlage D. Een brief aan Helmich in Hoorn is opgenomen in W. (I. M.-V., S. TIT, Dl. V (3e st.), blz. 349 vg. Eenig licht over zijn verblijf aldaar ontsteken ook de Delftsche kerkeraadsnotulen van 10 Jan. 1508. Het kerkdijk Archief van Hoorn is in 1840 verbrand. Brieven en onuityey. stukken van J. Wtenbogaert, door Rogge, Dl. I, blz. 32:lt;.

-ocr page 164-

152

Ilelmich beschouwde die vroedschap vuor een goed deel als de „fons et fomcsquot; van hot kwaad iu Hoorn!).

Van Wiggerts komt in die brieven uit, dat hij met een aantal leden, die „van tlichaemquot; der gemeente waren afgescheurd, „een nieuwe gemeente, nieuwe pdicatie. Sacramenten en kerekenraet gemaeokf\' had, en op die manier der gemeente schade deed, zonder dat het hem evenwel door Staten of Magistraat verboden werd die „gevaarlijkequot; kon-

ventikelen te houden s).

Met de betrekking tot de beide andere predikanten, Clc-meut Martensz en Cornells Meynertsz Spruyt1), die aan de stedelijke Overheid onderworpen waren, wordt gemeld, dat zij niet „vastquot; stonden; „halffquot; mot do kerk eens waren en „halffquot; met Wiggerts, „immers in cenige punten hem noch toel\'taendequot;, welke zij dan „altemet met halvon monde altemet oock rondt wt up den l\'toelquot; brachten, zoodat zij „do gefonde Leere in eenige punten niet dan met halven mondequot; predikten of haar verzwegen of „dubbelde en twijflelachtige termenquot; gebruikten. Zij hadden dan ook weinig vertrouwen en waren nog minder bemind bij het meerdeideel dei gemeente en der kerkeraadsleden2).

Die kerkeraadsleden zelf, de ouderlingen en diakenen, waren over \'t geheel flinke mannen, gezond in de leer; met name noemt Helmich de ouderlingen „vroom en ijverig in hnu dienstquot; 3). Gewis een lichtpunt midden in do duisternis!

De gemeente eindelijk was „ten meeaten deele geiont int

1

Zij stonden eerst geheel aan den kant van quot;Wiggerts, doch zjjn in 1596 weer met de kerken verzoend. Reitsma en van Veen, /*./r., Dl. I, blzz. 201 vg., 216, 226 vgg. Vgl. Kogge, Coolhues, Dl. II, blz. 221\'\'.

2

é) Brieven van Helmich d.d. 1 Dcc. 1597; en 21 Jan. \'98.

3

Brieven van Helmich d.d. 22 ïsov. 1597; en 21 Jan. 98.

-ocr page 165-

153

govoeleuquot;, zoodat vcleu het goboor vau Martensz cn Spruyt eu de „gemeenlchap dos Avotmaelsquot; schuwden; enkele ledou waren „noch tulTchen beijden en in twijffel, van te voren verwart geinaeckt lijudc, en nocli niet all geruft, fo lang do faken dusquot; bleven, omdat zij niet recht wisten in wolken toestand zij zich bevonden; terwijl ook eenigen, „maer de woijuiehftcquot;, het „venenuin Wiggorianumquot; met vollo teugen haddon ingedronken en met Wiggerts aan do scheurmakerij meêdeden \').

Ue „staetquot; van hot geheel was dus „bedroeffdquot; -), en Hel-mich was zeer in het godrang. De „arbeijtquot; was zoo „grootquot; niet, „maer do forgho en bekommertheijt [was] hot meefte. Er moest, zegt hij, met bijzonder veel tact en overleg bij alles worden gehandeld, om niemand te kwetsen of daarvan verdacht te worden, en toch God eu der waarheid getrouw to zijn. Binnen het uur moest hot eene of andere voornemen soms weev worden veranderd. „Deo ducequot; trachtte hij evenwel tusschen do klippon door te zeiion 1).

Hij zal ongetwijfeld zijn best hebben gedaan om in zijne prediking het „voorbeeld der gezonde woordenquot; aan de gemeente voor te houden, wel met wijsheid en voorzichtigheid, doch ook mot vastheid en onversaagdheid, zonder daarom te prikkelen of twistgierig te schijnen2). En de Heere wrocht mede, zoodat hij spoedig vrucht zag. De go-moederen kwamen tot bedaren; in November richtte hij het nachtmaal uit en, naar de omstandigheden gerekend, zaten eon tamelijk goed aantal aan den disch des Hoeren aan; in December kwam een „schoone hope volcksquot; ter kerk; er

1

Brieven van Helmich d.d. 14 Nov., 3, 7 en 17 Deo. 1597.

2

Brieven van Helmich d.d. 14 Nov., 1 Dec. 1597; eu 21 Jan. \'98.

-ocr page 166-

154

was „gehoor, vrede cu stiltequot;quot;1). Vorder achtte hij het, evenals de gecommitteerden van de Staten, voor de rust en den vrede der gemeente van groot belang, dat oen derde predikant beroepen werd en drong daarom op beroepen aan 2). Tedercon kon dat, volgens hem, niet wezen. Do kerk was verloren, wanneer er nog zoo een in Hoorn kwam als er nu twee waren. Er was behoefte aan eenquot; standvastig en moedig man, die beslist in de leer was en toch vooi-zichtig en bescheiden (sttisixSc) optrad; wien het niet om twisten maar om opbouwen te doen was. En zoo iemand te vinden, die dan tevens bij Magistraat en gemeente gewild was, was geen werk van één dag, of ééne maand; Ilelini-chius kende ton minste niemand, dien hij zou durven aanbevelen 3).

Bijna do gohoele Raad wilde echter in November nog niets van een\' derden dienaar weten en sloeg het „confcnt tot de beroepingequot; af, „feggöde fommighe, fij hadden den derden in dor ftadt, te weten Cornel. Wiggerffsquot;4). Zoodoende was er nog niet in voorzien, toen de tijd van Hel-mich\'s uitleoning ten einde liep. En hoewel hij toen wol graag weer naar huis had willen gaan, ééne „woeck in Hoorn hem oen „maentquot; dacht te zijn \'), en hij daar ook niet goed gezond was5), was hij toch zoo bezorgd over don toestand van do kerk aldaar, dat hij toestemming gaf om aan don Delftschen Korkoraad verlenging te vragen van den toegostanon termijn; ja zelf oen\' brief naar Dolft schreef, waarin hij betoogde, dat het van belang zou zijn, als hij

1

Brieven van Helmich d.d. 14, 22 Nov. en 1 Deo. 1507.

2

Brlerm van Helmich d.d. 22 Nov., 1 Doe. 1597; en i Jan. 98.

3

Brief van Helmich d.d. 21 Jan. 1597. Met «J.A.quot;, zooals Helmich hem aanduidt in den brief van 7 Dec. 1597, is zeker Jacobus Armmms bedoeld.

4

Brieven van Helmich d.d. 22 Nov. en 1 Doe. 1597.

5

W. (I. M.-F., S. UI, Dl. V (3e st.), blz. 350.

-ocr page 167-

155

mig wat in Hoorn bleef1)- En tot zijne verbazing werden de eerste acht weken met nog acht verlengd 2).

In dien tijd arbeidde hij tocu moedig voort aan do versterking dor gemeente „in de gefondc Loerquot; en aan hot winnen van de „fwackcquot; 3), en merkte tot zijne blijdschap, dat do ilagistraat — gewis door zijn\' invloed en dien van Burgemeester JJeinersz —• wat beter gezind werd, nog tijdens zijn verblijf aldaar aan alle twist en tweedracht een einde wildo maken, en predikanten en ouderlingen tot vrede maandeOmdat hij aldus „vele vruchten dode en die magistraat en kereke syn dienst aengenaem wasquot;quot;), trachtten de Staten van Holland, door bemiddeling van den raadsheer Cromhout en ds. WtenbogaertG), die 10 Januari\'98 in Hoorn zijn geweest om naar den toestand te vernemen, Helmich\'s dienst in Hoorn nog weer met 2 of 3 maanden verlengd te krijgen, en de ouderlingen in Hoorn zouden zicli bijzonder verheugd hebben, als Delft nogmaals geconsenteerd had in do continuatie4). Ditmaal weigerde de Delftschc Kerkeraad echter om de „lastenquot; in hun eigen gemeente on do „swackheytquot; der dienaren, en ook omdat „een kereke de noot van alge-

1

Deze brief is? van 1 Dec. 1597. Daarin komt uit, dat ile ouderlingen in Hoorn er zeer op hebben aangedrongen, dat Tlelinich nog langer in Hoorn bleef. Zij hebben dan ook buiten den llaad om verlenging aangevraagd. Burgem. Meinersz wilde het ook gaarne en heeft in het verzoeken door de ouderlingen toegestemd. De beide andere predikanten en bijna de geheele Raad schijnen er minder op gesteld te zijn geweest. Brieven van Helmich, d.d. 3, 7, 29 Dec. 1597; en 21 Jan. \'98.

2

Brief van Helmich d.d. 17 Dec. 1597; en Delftschc kerkeraads-notuleuy 16 Jan. 1598.

3

Brief van Helmich d.d. 1 Deo. 1597.

4

Drieven van Helmich, d.d. 21, 24 en 28 Jan. 1598.

-ocr page 168-

156

ineync kerckenquot; niet alleen dragen kon \'). llelmichius zeil had er ook geen\' lust in nog langer te blijven, of liet moest een dag of acht zijn, om de komst van een ander af te wachten, ofschoon hij er ook geen gevaar in zag als er niet dadelijk een opvolger in Hoorn kwam; als het maar geschiedde, kon liet over enkele weken ook wel1). Vier Februari, toen zijn tijd om was, is hij dan ook vertrokken3). Velen, en onder hen vooral de ouderlingen, zagen hem zeker met smart heengaan; en hem zelf zal het scheiden ook nog wel leed gedaan hebben als hij er aan dacht, dat de breuke Zions in Hoorn nog niet volkomen geheeld was. Maar dit bemoedigde en verblijdde weer, dat de Magistraat, die verdere leening niet wilde toelaten, toestemming had gegeven tot de beroeping van een predikant *); dat de gemeente zelf op dat oogenblik in tamelijk vredigeu toestand verkeerde, en dat de hope op verderen voorspoed in zjjn hart leefde. Vrede en orde op kerkelijk terrein waren alzoo door zijn\'arbeid eenigs-zins wedergekeerd in Hoorn.

E. Hdmkhius in salcc Loenen a/tl Vecht.

Twaalf Maart 1606 moest ds. Joannes Sylvius van Sloten in Noord-Holland 2). eene vacature-beurt vervullen te Loe-

1

Brief van Ilelmicli d.d. 4 Febr. 1598.

2

Keitsma en van Veen, Dl. 1, blzz. 366, 382.

-ocr page 169-

157

non a d Vecht, dat destijds nndei1 do Classo Amsterdam ressorteerde!). Daar aangekomen, wilde hij op den preekstoel gaan, maar werd door „Jonckheer van Cronenburchquot; — Loenen behoorde als „vrije Heerlykheidquot; aan het slot Kronenburg 2) — met vuisten van den trap gestooten, zijn hoed werd in het kerkelijk gebouw rondgegooid, en toen hij daarop in het „gestoeltequot; vóór den preekstoel ging en las, maakte oen zekere Villerius, dat hij op den kansel kwam en deed hij een gebed. Onvrede en onorde groeiden daar dus als het kruid. Genoemde Villerius was, blijkens de „Actaquot;3) van de Classe Amsterdam, een „halve paapquot;, een „monickquot;, een „Neophitusquot;, die „wt het pausdom gecomenquot; was, en zich nu, daar de Classo hem niet „conde aennemenquot;, onder begunstiging van Jonkheer van Cronenburch „onwettichquot; had ingedrongen in den kerkedienst te Loenen en voor „predicantquot; gehouden werd. De Amsterdamscho Classo, die 13 Maart vergaderde en van Sylvius\' wedervaren hoorde, verbood aan Villerius hot „predickambtquot;; Jonkheer van Cronenburch verbood aan de predikanten in de Classe in hot kerkelijk gebouw te Loenen te komen. Daarom besloot de Classe Helmichius en nog een\' harer predikanten naar den Haag te zendon, ten einde zich bij de Staten te beklagen over de bejegening in Loenen ondervonden, en om hare hulp te vragen; doch tevens om de verklaring af te leggen, „dat de Classis do kerkolieke sake hebben anghevanghen endo mee-nen die oock door godes genade na behooren te volbronghon terwijl zij 24 April d. a. v. nog bepaalde, dat Helmichius voor do Staten eene „deductiequot; van do zaak-Loenen moest

1

AV. A. Bachienc, Kcrhelijke Geographie, St. II, blz. 210. Vgl. blz. 219.

2

Bachiennc, t. a. p.

3

Acta ofte Handvlhiyen van tJo. Chissitt nm Amsterdatn, 12 Mei 1G0G. Voorts nuidpleegde ik over lt;lit punt die classic. Acta d.d. 13 Mrt, 3, 24 Apr., 3 Juli, 7 Aug., 4 Sept., 2 Oct. 1600; en d.d. 1-1 Mei en 5 Juni 1G07.

-ocr page 170-

158

opstellen en alle predikanten, die er iets van wisten, dat binnen enkele dagen aan hom moesten molden. Do Amster-damsclio predikanten moesten liet geschrift „visiterenquot; als het gereed was.

De Staten hoorden Helmiehius en zijn\' modegedeputeerde aan, on gaven huu daarna te kennen, dat de Amsterdamsche Classo ultimo Mei maar weer eeno deputatie moest zenden, om zich dan, tegelijk met Jonkheer van Cronenburch en Villerius, die ook ontboden zouden worden, to verantwoorden. Weer werd Helmiehius mede aangewezen om 31 Mei in den Haag te verschijnen en aan die tweede deputatie werd in opdracht gegeven, desgevraagd aan de Staten to kennen te geven, dat de Classe nu nog minder dan vroeger „ver-staenquot; kon tot het „examinerenquot; van Villerius. Of er op den bepaalden dag conferentie in den Haag is gehouden en wat daar dan is voorgevallen, is mij niet gebleken; wel lezen wij in de classicale Acta van eene klacht uit Loenen, die 3 Juli ter Classe is besproken, inhoudende dat de „kuddequot; aldaar niet verzorgd werd en alles in wanorde was; naar aanleiding waarvan besloten werd, dat Helmiehius nog eens naar do Staten moest gaan, om hun voor te houden, hoe do gemeente te Loenen lijden zou, als zij geen „bequaem en naerstichquot; herder kreeg. Wellicht hebben de Ed. Mog. Hoeren bij die gelegenheid gezegd, dat de Classe in don dienst moest voorzien en Villerius onder hot gehoor moest komen; althans uit de classicale Acta van Augustus blijkt, dat Jonkheer van Cronenburch in het eerste heeft bewilligd, terwijl op het laatste later zeer waarschijnlijk wordt gezinspeeld \'). Hel-mich en nog een dienaar moesten in diezelfde maand ook aan de Staten „versoeckenquot; „dat Jonckheer van Cronenburch [nu ook] aan do Classis het stipendium des predikantsquot; uitkeerde, van den tijd af dat Loenen „ledichquot; stond en door

1) Acta van de Classis van Amsterdam, 2 Oct. 160G.

-ocr page 171-

159

de Classe werd betlieiul; op welk verzoek ten deele tot genoegen van tie Classe is beschikt.

Overigens waren van Cronenburoh en Villerius vooreerst nog niet zoo wel gezind ; ten bewijze waarvan in de „Actaquot; van de Classe wordt vermeld, dat, toen in Sopt. 1606 een „vast- en biddaglr\' word gehouden in het niet ver van Loenen gelegen Vreeland, Villerius dien dag met de kinderen van den Jonkheer uitging om te visschen met de hengelroede; terwijl uit diezelfde classicale Handelingen mag worden afgeleid, dat van Cronenburoh in het volgende jaar nog altijd van gedachte was, dat Villerius predikant te Loenen moest zijn ; weswege de Classe zich genoodzaakt zag Helmichius naar den advocaat Barnevelt te zenden, om hem uit haar naam mede te deelen, dat zij Villerius niet kon „admitterenquot; i), en zij in Juni 1607 besloot, beslist te blijven staan op haar ingenomen standpunt tegenover den Jonkheer en zijn\' gunsteling.

Sedert schijnt Helmichius niet rechtstreeks meer betrokken geweest te zijn in het geschil mot Loenen, dat in 1608 nog niet beëindigd was.

„öeen resultaatquot; mag wel het resultaat genoemd worden van zijne bemoeienis om vrede eu orde in Loenen te doen wonen.

Meer gevallen van plaatselijken aard, door mij aan plaatsnamen verbonden, bespreek ik niet. Wel heeft Helmichius zich in 1586 nog even gemengd in de onrust van de kerk te Schiedam, die, na hetgeen dienaangaande op de Leycesterscho Synode was behandeld, nog „niet geheel in rustequot; was (zie

1) Ada van df- Classis van Amsterdatn, 5 Juni IfiOT.

-ocr page 172-

100

TT\'. r7. M.-F., S. Ill, Dl. IV, biz. 51 vg.; en S. II, Dl. Ill, l,lz. 594—\'97); en heeft hij zich in 1593 en \'94 als „depu-taatquot; tier Z. H. Synode moeten inlaten niet de kerkelijke geschillen te Woerden, (waarover, hehalve in de bekende werken van Brandt, Wagenaar, en Ypeij en Dermout, belangrijke bijzonderheden voorkomen in J. G. H. Rendier, Geschiedenis van Joh. Pistorius, en der Ev. lAith. Gemeente te Woerden, Utr. 1841; en in het O.-A.d. K H. K, Nr. 38. Vgl. W. d. M.-V., S. II, Dl. Ill en S. III, DL IV, i. v. Woerden; R. Frnin, Tien Jaren enz., blz. 261 vg.; en Rogge, J. Wtenhogaert enz., Dl. I, blz. 180—\'84); doch zijn aandeel in die gevallen bepaalde zich tot het geven van een persoonlijk advies, het mede delibereeren met en het schrijven van eenquot; brief namens „deputatenquot;, zoodat ik daarbij niet opzettelijk stilsta. Ik ga nu over tot de behandeling van do gevallen, aan persoonsnamen verbonden.

a. Hehnichius in sake Ad bert Jtiusss. \').

Allereerst wijs ik op Helmichius in zake Albertus Johannes, die zich in „grouwelycke ongeregelthedenquot; en „groote onordeningequot; „verloopenquot; heeft. Zijne bemoeienissen met hem begonnen in 1593. Tot recht verstand daarvan deel ik eerst mede, wat mij bekend is vau hetgeen er vóór dien tijd met Janssz. voorviel.

1) Dc naam wordt op velerlei wijze gespeld; o. a. Aelbert Janssz, Albert Jansz, Albert Janssoon, Aalbregt Jansz, Albertus Johannes of Joannes, Albertus Johannls Scliageus en Aelbert Janssz Scbagen. Wat ■k hiei om hem mededeel, ontleende ik aan Dt- Navorscher, 1889, blz. 133-138, aan het Kerkel. Placaalh., Dl. 11, blz. 55 (vgl. II. Q. Janssen, ƒgt; Kerk-hervorm. m VhamUreu, 01. I, blz. H\'); aan de .IW,, van ,lr. Keitsma en van Veen, ül. II on 111 i. v.; aan een groot aantal brieven en stukken over Janssz, te vinden in hel O.-A. lt;!. X, II. A\', Nr. 39, II (alles ,s ,n quot;roote wanorde bijeengebonden); en ium de Ihnulelimjc,, lt;ler symcl vdemttafenquot; van Z. Holland, uit de jaren 1593- -1598, aanwezig in het O.-A.d.N.H.K., Nr. 31. en ten deele in den reeds meer genoemden foliant van Tilmannus Cupus.

-ocr page 173-

161

Geboren in 1531 — in 1597 zeiile hij „oud van sees ende seestych jaerquot; te zijn — \'), beweerde hij later in Einden geëxamineerd te zijn voor den kerkedienst1). Beverwijk in de Classe Haarlem was zijne eerste standplaats. Daar is hij vóór 1580, misschien ook nog in dat jaar zelf werkzaam geweest. Van 15S0—\'84 was hij predikant te Ooltgensplaat. In laatstgenoemd jaar wilde hij, evenals in 1583, vandaar vertrokken, maar werd door de Classe „van zijnen dienst afghesteltquot;, omdat hij zich vergrepen had „in tarmengeltquot; en nog andere slechte finantiëele handelingen had gepleegd. quot;Wel toonde hij boetvaardigheid „met tranen ende knievalquot;, doch „attestatie ende afscheijtquot; bleef geweigerd. Toen ging hij zonder die getuigenissen weg, naar Ouderkerk a/d. IJssel, waar hij do Overheid in den arm nam en togen de Kerk opzette, en zichzelf trachtte in te dringen. De gemeente had echter niet met hem op en wilde graag, dat „alsulcken Wolffquot; geweerd werd; en de Classe Gouda bepaalde, na ingewonnen informatie bij die van den Briel, dat Jansz binnen drie weken attestatie van de Classe Brielle en de kerk van Ooltgensplaat moest toonen, wilde hij in den dienst gesteld worden; anders zou hij „geheel daerva gepriveert ende gedestitneert synquot;. Na nog heel wat drukte besloten de H.H. Staten in Nov. 1585, dat Jansz niet in Ouderkerk mocht blijven, en Thomas Brunscherns, die inmiddels was aangesteld, werd er gehandhaafd2). Tn 1580 is Jansz toen eerst even in Ondewater geweest en vandaar naar Rotterdam getrokken, waar hij weer allerlei moeite veroorzaakte door zijne lichtvaardigheid, en zijne beweringen, dat een wedergeborene het nachtmaal niet noodig

11

1

Foliant van Cupus.

2

Kerkel. Placaatb., Dl. II, blz. 55; van Alplien Sr., Nieuir Kerkel. liandh., jaarg. 1889, Supplement, blz. 71 vg.; en Acta van de Classe Gouda d.d. 15 Juni i595, in het O.-A. d. N. 11. A\'., Nr. 39, II.

-ocr page 174-

102

had, een kind Gods alleen maar met zijne gcdacliten zondigde, en do catechismus eene menseheljjke leer was.

Van 1587—quot;91 hebben de Particuliere Synoden over hem gehandeld, zonder dat men echter aan liet einde kwam en zonder dat hij er veel om gaf; want toon de gedurige vermaningen in Rotterdam hem wat te hinderlijk werden, begaf hij zich naar Vianen on verwekte daar weer twist. De Leidsche Synode van 1592 sprak dan ook uit, dat hij „incapabel des ministeriiquot; en „gedestituoert was; gelastte aan de kerk en de Classe van den Bricl kerkelijk met hem te „procederenquot;; aan de Classe, waarin hij zich ophield, hem te vermanen ; en aan de kerk van Rotterdam „thaerequot; te doen „tot wechneminge dor schandalenquot;. •! ansz stoorde zich evenwel niet aan synodale besluiten. Springende als oen ekster, die altijd huppelt, om een beeld van Trigland \') voor zulke mannon te gebruiken, ging hij van Vianen naar Leerdam, en drong zich daar weer in zonder „willenn unnd furwotennquot; der Classe Grorinchom. Ernstig vermaande deze hom en oen oogenblik scheen dit te zullen helpen, omdat hij voor haar schuld boloed en op zulke wijze, dat zij aan Rotterdam, waarheen hij ook beloofde te zullen gaan om „syn delictquot; te bekennen, het verzoek richtte, met Jansz niet „summo jure the procedirenquot;, doch spoedig was hij weer de oude man, en preekte maar voort in Leerdam on omliggende plaatsen, tegen den wil der Classe in. De Brielsche Synode van 1593 besloot daarom, bij hare „Genade vau Oragniënquot;, Maria van Nassau, in wier bezit het graafschap Leerdam was1), over Janszon\'s „fauteuquot; en „onordeningequot; te klagen en haar te verzoeken daarin „dadelyckquot; te willen voorzien; „oude sooverrequot; zij dat niet kon doen, moest „tselvequot; aan de Staten worden „geromonstreertquot;, met de

1

Bachiene, a. w., St. II, blz. 148.

-ocr page 175-

163

noodigo inlichtingen over Jansz er bij \'). Hare Grenade beval 2 Oct. d. a. v. aan de Magistraat van Leerdam, dat zij hein moest destitueeren, als hij zich niet binnen 14 dagen of uiterlijk eeno maand met de Classe vereenigde. .Nu wordt hij bevreesd. Op 10 Oct. hoeft hij reeds schuld beleden iu Rotterdam, waar hij weer „in liefdequot; aangenomen werd; 11 Oct. is hij reeds in den Briel om geld te betalen en vergitt\'euis af te smeeken van do Classe, die hem 1 Nov. ook alles vergeeft; en 5 dagen later schrijft hij aan de synodale „deputatenquot; van Z.-Holland, die om eene „goede attestatiequot; van Gorcum\'s Classe hadden gevraagd, dat hij ze nog niet overleggen kon, omdat de Classe nog niet vergaderd had, docli dat hij ze spoedig hoopte te toonen en dat hij graag met hen „cöparerenquot; wilde „tot welkome opnemingquot;. Nu vernamen do „deputatenquot; met blijdschap dat de verzoening tussclien Jausz en Rotterdam en „glijcke versooningequot; tus-schen hein en de Classe Brielle had plaats gehad, maar zij hoorden ook, dat hij nog maar altijd preekte en „noch noyt still gestaenquot; had; en deswege werd nu aan Helmichius opgedragen, om eens te informeeren bij den „Raedt van haer Gen. van Orangiënquot;, „ott\' hare Ed (ook) bevolen hadde, dat hij ophouden soude de facto tot de vsoeninge toe: otft nietquot;; eerst daarna zou men op zijn verzoek finalitcr resol-veeren. Het antwoord, dat Helmich kreeg, bevatte niets anders dan hetgeen namens hare Genade in Oct. aan Leerdam was geschreven, en „deputatenquot; besloten toen op 18 Nov., dat men Jansz vooralsnog niet in den kerkedienst zou opnemen, maar aan de Classe van Gorcum zou berichten, dat hij „geheel stillquot; moest staan tot aan e. k, Partic. Synode, die dan verder beslissen kon. Blijkens de door Helmich op 19 Nqv. \'93 gestelde minute ■), kwamen zij tot dat besluit op de volgende gronden :

1) Roitsma cn van Veen, «.»«., Dl. Ill, blz. 8.

2) In het O.-A.d.N.H.K., Nr. 39, II. Vgl. Acta mJeputt.quot; in Nr. 31.

-ocr page 176-

104

lo. dat liuimo macht niet zoover ging, dat zij iemand in dienst konden stellen, die door do Synode „inhabielquot; was verklaard;

2°. dat eerst nog met Jansz over de leer moest worden gesproken;

3°. dat Jansz, togen het schrijven van hare Genade in, maar was blijven preeken ter plaatse, waar hij zich had ingedrongen;

4°. dat hij door dwang tot verzoening was gebracht, nadat hij eerst zijn best had gedaan om den dienst te behouden buiten de Classe om;

5t). dat hij daarna nog niet had stilgestaan; en

6°. dat het eene kwade zaak was om personen, die 8 of meer jaren de kerk „gcblamertquot; hadden en in don uitersten nood schuld bekenden, dadelijk maar weer „den dienst te laten betreden.quot;

Van deze resolutie werd kennis gegeven aan do Classe Gorcum, die ze weer meèdeclde aan Leerdam\'s Magistraat, opdat die er Jansz weer de weet van zou doen. Zoo\'n resolutie was echter niet naar zijn zin en hij stoorde er zich dan ook niet aan. In Jan. \'94 hoort Helmichius, dat hij tot in ?t laatst van December des vorigon jaars zijn\' gang is gegaan ; en als „deputatenquot; daarom nog eens aan de Classe Gorcum vragen „off (Jansz) stilstaet, dan off hij evenwel voortvaert in sy predicken wordt hun 8 Februari geantwoord, dat hij, op aanhouden der Classe bij de Magistraat van Leerdam, van laatstgenoemde bepaalde „interdictiequot; van dienst had gekregen, maar toen te „Huekelomquot; en „Schoon-rewoertquot; was begonnen te spreken; en eene week later schrijft hij zelf driestweg aan de „deputatenquot;, dat men hem weer in Leerdam moest laten optreden, omdat hij daar gewild was en er anders wel eens oproer kon komen. De Classe van Gorcum dacht er echter anders over en wilde, evenals de Magistraat van Leerdam, gaarne, dat daar een ander in den dienst werd gesteld 5 Helmichius kwam ter oore dat men wel

-ocr page 177-

165

zin had in Everardus Bommelius. Namens „deputatonquot; schreef hij haar toon, iu quot;t begin van Maart, dat al het mogelijke moest worden gedaan, om Jansz uit Ileukelom en Schooner-woert te weren, eu dat bjj „deputatenquot; iu \'t allerminst geen bezwaar was tegen vervulling van de vacature te Leerdam, maar dat zij togen Bommelius waren, éu „om de gagiequot; \') én „ten aensiene van eenige sijns psoons gclegenheijtquot;1). Welnu, de Classe was ook wel tevreden, wanneer er een ander kwam; als er maar een kwam. Herhaaldelijk kreeg Helmiehiua brieven van haar, iu Maart, in April en Mei, waarin zij voortdurend aandrong op een predikant iu Leerdam, omdat zij zelf „so weitt en breet verstroytquot; was en te Leerdam zoo weinig kou doen, terwijl de Raad aldaar wel blij was, dat er \'s Zondags gepredikt word, doch ook zoo graag zou zien, dat er in de week een herder was. Overtuigd van het groote belang van de vervulling dei-vacature, heeft Ilelinich toen zijn best gedaan om een\' leeraar iu Leerdam te krijgen; en tot zijne blijdschap kon hij iu Juli aan de andere „deputatenquot; meêdeelen, dat de beroeping van Matthys Schals uit Edam 2) „te wege gebrachtquot; was, „met vermeerdering van gagie tot f 40 toequot;\', en tevens, dat „Albert Janssquot; nu „van sellfs desisteerdequot;.

De oude haren waren er echter nog niet uit. Ter llottor-damsche Synode, in Aug. 1594 ouder presidium vau onzen Helmichius gehoudeu, moest door de synodale „deputatenquot; gerapporteerd worden, dat Jansz naar „ïuyl by Bommelquot; was getogen, en daar „door eenen edelmanquot; weer „in den dienste der Kerckequot; „ingedrongenquot; was. Do vergadering vond „raedtsaemquot; hem ernstig te vermanen, dat hij zich

1

Zie over Bommelius de noot aan het slot van dit punt.

2

Hij is zeker dezelfde, die door Helmicli genoemd wordt in W. cl. M.-F., S. Ill, Dl. IV, blz. 114, ofschoon daar Schats staat. Vgl. Reitsma en van Veen, a. ie., Dl. I, i. v.

-ocr page 178-

166

„des kerckendienstsquot; onthouden zou, „om twelcke to beter te effectueren uyt (de) synode acn den amptman tot Bommel ende Bommelre ende Tielreweerdt etc.quot; zou worden geschreven; en droeg voorts aan eeno oommissie van vier predikanten\') op, Jansz zelf ook nog eens te vermanen, terwijl de „classe van Gorchum vorder tegen hem nu kereke-lycke ordre procederenquot; moest, bijaldien hij die vermaning verachtte.

Daags na do sluiting der Synode ging die commissie naar hem toe, hoorde en zag hem, na hare vermaning, schuld belijden „met traenenquot; in de oogen, en eene maand latei-gaf zij hom permissie „tot den predickdienstquot;, mits zijne schuldbekentenis te Leerdam, Vianen en Tuil werd voorgelezen, en hij zich aan het oordeel der e. v. Synode onderwierp. Die hoeft hem, evenals de Synode van Delft in 1596, laten examineeren, waarvan de afloop geweest is, dat hij, de eerste maal bij provisie aangenomen, in April 1597 go-last werd nooit moer te prediken en zich bezig te houden met „kinderen te leren offt yet andersquot;. Doch Jansz was doof voor die vermaning en voor een dergelijk besluit van de Synode, in hetzelfde jaar te Schoonhoven gehouden, en trok tegen quot;t einde des jaars of begin 1598 naar „Haefte , omdat hij, volgens zijn eigen schrijven1), in „Tuylquot; geene betaling kroeg. Daarom heeft de Claase Gorcum, in overleg met de synodale „deputatenquot;, tot wie ook Helmich weer behoorde sedert 1597, hem oen „laetsten vormaenbrief\' tor hand gesteld door ds. Johannes Leo uit Bommel, en bovendien aan Leo opgedragen, „dat hij, indien Albertus voorsz. ongc-hoorsaem blijven wilde, \'tsynent soodanige verclaringe van prodicstoel (voorlas), gelyck int Synodo besloten was , en

1

ï) In het O.-A. d. N. U. K-, d.d. 18 Fobr. 1598.

-ocr page 179-

167

dat hij daarvan kemus moest geven aan de pretlikanten van Gorcum, opdat die ook de verklaring bekend maakten.

Door dat „laatste woordquot; is Jansz de schrik nog eens om liet hart geslagen. Op 2 Mei \'98 kwam hij bij Hclmich in Delft met 2 brieven — een van Leo uit Bommel voor de predikanten te Gorinchem, en een, aan Helmichius, van Casp. Swerinckhusius uit Rotterdam, bij wien Jansz eerst was geweest, — waarin zeker zijn verzoek gesteund werd, dat „menquot; met de „proclamatie die tegens hom gcdecreteert\'\' was „suporsederonquot; „soudequot; „tot op den naesten Synodumquot;, onder belofte, dat hij „middelcrtijtquot; geheel zou „stil stae(n)quot;; vonden de synodale „deputatonquot; dat goed, dan moesten „die van Groreuniquot; daarvan vóór Zondag 8 Mei nog bericht hebben, opdat zij de „verklaringquot; achterwege lieten.

Blijkens zijn\' brief aan ds. Fraxinus in den Haag !), destijds ook „deputatusquot; Synodi, was Helmich voor inwilliging van Albcrtus\' bede, mits hij zich dan ook beslist van allen kerkedienst onthield; om dat laatste was het der Synode toch te doen geweest, en kwam hij dat nu na, dan hield dc „procedurequot; op en kon „de restequot; op de volgende Synode worden behandeld. Dat „advys D. helmichyquot; keurde Fraxinus en evenzoo Spranckhujjscn, ook synod, „deputaatquot;, goed, „allecnlick darby doende: So verre Aelbrecht Janss dese syne belofte niet naer en eopt dat do classe sonder naerder advys te verwachten, voortvaert ghelyck se begimen hoeft . Met die nadere restrictie er op den rand bijgeschreven en waarmede hij zich „gausschol.quot; conformeerde, kroeg Helmich zijn\' brief terug eu zond hem toen, met nog een klein briefje van hem zelf en met do 2 brieven door Jansz meegebracht, aan den 4quot;» „deputaatquot;, Joh. Becius in Dordt, opdat die zc alle lezen en het eindoordeel omtrent Jansz „acn de

i) Aanwezig in het O.-A. d. N. II. K.: Nr. 39, II, evenals een even later te noemen briefje. Zij zijn d.d. 2 en -i Mei 1598. Zie Bijlage D.

-ocr page 180-

168

broeders van Gorkum seudenquot; zou. Bccius hoeft zich met het sparend govoolen van Helmich on do 2 anderen vor-eenigd, zoodat do genoemde „verklaringquot; over Jansz niet is afgelezen. En Jansz zelf hoeft ditmaal woord gehouden, blijkens het rapport dat over hem is uitgebracht ter Synode van Dordt in 1598 \').

Dat gunstig rapport brengt ons tevens aan het einde van Helmich\'s bemooing in deze langdurige en weinig verkwikkelijke geschiedenis ?). In vereeniging met vele anderen had hij geduld geoefend in deze zaak, maar was toch ook met kalme vastberadenheid tc werk gegaan, ten einde vrede en orde in de kerken tc bewaren :l).

1) Rcitsma on van Voon, \'t. ir., Dl. IIT, blz. 102.

2) Na Sept. 1598 komt Jmisz\' naam niet meer voor in do aangehaalde bronnen.

3) In de stukken over Jansz, welke in het O.-A.d. N. Jf. K. zijn, wordt ook herhaaldelijk melding gemaakt van een zekeren Gillis van Cou-wenberch, eertijds ouderl. te Mechelen, later ingedrongen predikant, eerst te Werkendam in 1588, toon te Eten of Etten in de Classe Breda, daarna te »Zulicom in de Bommelerweyrtquot;. Zelfs zijn in genoemden foliant een aantal bescheiden, die op hem alleen betrekking hebben, terwijl hij ook genoemd wordt in de bronnen, die ik in de eerste noot bij Albert Jansz opgaf en voorts nog in Nr. 7 uit het O.-A. d. N. H. K., en in do Acta vdeputt.quot; uit 1599 (welke in den catalogus van het O.-A. lt;/. N. 11. K. niet vermeld zijn, doch waarvan iets te vinden is in foliant 38 uit dat Archief, onder de stukken over quot;Woerden). Met dien van Couwenberch heeft Helmichius zich ook moeten inlaten, maar zoo weinig, dat ik er niet opzettelijk bij stilsta.

Hetzelfde geldt van Helmichius in zake Jan of Johannes Amp-sinek, die volgens S. Ampzing, Beschrijvinge van llaerlein, 1628, blz. 141^ uit «Oetmarzenquot; kwam; in 1582 predikant te Haarlem was;in 1592 weertyts dienaar des woortsquot; te Haarlem wordt genoemd (Rcitsma en van Veen, «. tc., Dl. 1, blzz. 131, 166) — men had hem blijkens de Utr. Tcerkeraadsnotulen in April 1591 wel in de Domstad willen beroepen, doch hoorde dat hij naar »Duytslant was vertogenquot; —; in 1595 «velt-predicatquot; was, en zich later, naar men zei, in Londen uitgaf voor «doctor iiï medicynenquot;. In de bronnen, waaruit ik putte over Alb. Jansz en Gill. v. Couwenberch, wordt ook Ampsinck gedurig genoemd. Zie ook nog Moll en de Hoop Schelfer, Studiën en Bijdragen, Dl. IV, blz-359. Zij hier alleen vermeld, dat, blijkens de Acta van Rcitsma en van Yeen, Dl. I, blz. 201, art. 16, in Juni 1595 door de Partic. Synode van

-ocr page 181-

169

b. Helnuchius in zake Abraham Jansze l).

De Particuliere Synode van Leiden in 1600, waar Tlelmi-chius als afgevaardigde dor Classe Delft tegenwoordig was, benoemde hem met nog twee dienaren om een onderzoek in

Amsterdam aan Ampsing een brief is geschreven; on van dien brief de minute d.d. 2G Jnn. st. n., nog overig is in het O.-A.d. X.JI. A\'., Nr. 39, 11, onder do stukken over Ampsing; zonder onderteekening, doch aan de hand te oordeelen, kennelijk geschreven door Helmich, die als «eor-respondentquot; van Z.-Holland op die Amsterd. Synode tegenwoordig was. De Synode heeft dus zeker Helmich verzocht dien vermaanbrief voor Ampsing te willen opstellen. Ik nam de minute op in Bijlage D. En eveneens een briefje, d.d. 8 Aug. 1595, ook aanwezig in het O.-A.d. N. H. K., onder de bescheiden over Ampsing, en zeer waarschijnlijk ook door Helmich geschreven, ofschoon ook Wtenbogaerts naam er onder staat. Er komt in uit, dat die beide predikanten in Aug. 1595 naar Haarlem zijn gereisd om nog eens met Ampsing te spreken (vgl. lleitsma en van Veen, a.w.. Dl. I, blz. 201, art. 17), doch hem niet in zijne »slaepstedequot; vonden, en toen dat briefje voor hem achterlieten, waarin zij hem verzochten ter Partic. Synode te willen komen, die 15 Aug. en volg. dagen te Gorinchem zou worden gehouden.

Eindelijk geldt geheel hetzelfde ten aanzien van Helmichius in zake Everardus Bommelius, die in 1577 als pred. te Abbenbroek kwam, in 1579 te Gouda, in \'81 (tjjdelijk) te Leiden diende, in \'92 te Voorschoten pred. werd, in \'96 te Noordwolde, later tot\'99 in Benschop arbeidde, en \'t laatst in IJsselstein, waar hij in 1608 nog predikte, doch later door den Heere «met een accident besochtquot; werd, dat hem noodzaakte den dienst te verlaten. Terwijl hij in Voorschoten stond, maakte hij zich schuldig aan dronkenschap, oneerbaarheid en oneerlijkheid, en is in 1595 voor de ))deputatenquot; der Z.-H. Synode, tot wie Helmich toen behoorde, geweest, heeft voor hen sommige zonden erkend, maar andere ontkend, zoodat hij «gesuspendeertquot; bleef. In 1597 is hij weer geheel met de kerken verzoend en tot den dienst toegelaten. Daarna is het echter nog weer noodig geweest hem te vermanen om lichtvaardigheid en dronkenschap. H. Q. Janssen, De Kerkhervovminy in Vlaanderen, Dl. I, blz.380—384; Reitsma en van Veen, a.iv., Dl. Ill, i. v.; W. d. J/.-F., S. 111, Dl. IV, blz. 87; Acta ran de Classe Leiden, 9 Dcc. 1597; Kerkeraadsarehief te Delft, Afd. 11 La. A, n0. 10; O.-A.d.N.TL K., Nr. I, 7 en Nr. 39, II; en een Pamflet uit 1617 (cat. Muller 1292).

1) Aldus wordt zijn naam opgegeven in De Narorscher, 1892, blz. 541—\'48. In de Jet a van Reitsma en van Veen, Dl. 11 en III, wordt hij Jansz, Jansoon of Jan(s)sen genoemd. YiinJXïieeiiQu, Naainlyst der predikanten in Utrecht, blz. 25 schrijft alleen «Janszquot;.

-ocr page 182-

170

to stollen naar het gedrag van Abraham Jansze. Deze was in 1579 predikant te Vlaardingen, waar hij twist kroeg met de gemeente en do Classo. On verzoend is hij in 1580 van daar vertrokken uaar Pynacker, on heeft daar drie jaren doorgebracht, doch nooit „avontmael gehoudenquot;, was dikwijls ,indo horberghe opte biorbanckequot;, en leidde een ergerlijk lovou. Do Classe Delft, waartoe Pynackor behoorde, besloot in Pebr. 1583 dan ook „eendrachtelyokquot;, dat hij „onbo-quaemquot; was om de gemeente langer to bedienen. In Juni d. a. v. is op de Partic. Synode in den Haag over hem gesproken, omdat hij te Oudewatcr „op den predickstoelquot; was geweest, ofschoon hij geene attestatie had j en werd bepaald, dat Jansze eerst met de Classe Delft verzoend moest zijn, alvorens hij weer tot den dienst kon worden toegelaten. Kort daarop liet do Classo Gouda hem in Polsbroek prediken, en vroeg Polsbroek s Magistraat, op advies der Goudsche Classe, aan de Classe Delft om eene „goede attestatiequot; voor Abraham. AVijl echter de verzoening tusschen Delft en Jansze nog niet had plaats gehad, oordeelde de Dolftscho Classe, dat „de goede kerckelicke ordonnantie ende het synodael besluijtquot; door eene handeling als die van de Classo Gouda, niet „behoorlick onderhouden\' was en op die manier „de glicest des vredes\'quot; niet „recht ghosocht werd. Eene attestatie wilde zij dan ook niet geven \'). In 1586 werd hij predikant te Montfoort en in \'87 vertrok hij naar Do Lier in de Classe Dolft, die hem mode afvaardigde naar de Partic. Synode, ia datzelfde Jaar te Delft gehouden 2). In 1591 kwam hij te Delfshaven, drie jaar later te Usselmonde, en in 1595

■1) Het tot hiüi\'toe meêgodeelde outluonilc ilc aan een vijftal stnkkin over Jansze, welke zich bevinden in hd kerkeraadsurchii-f te Delft, Afd. II, L». B, nquot;. 8; en aan Keitsma en van Veen, a.in., Dl. II, blzz. •120, 240. Vgl. van Rlieenen, t. a. p., waar abusievelijk is vermeld, dat Jansz eerst te Pynacker en toen te Vlaardingen is geweest.

2) Van Rheenen, t. a. p.; en Keitsma en van Veen, a. w., Dl. II, blz. 288.

-ocr page 183-

171

to Goeroe \'), waar hij hot volgondo jaar zooveel moeite mot do Classo kroeg, dat hij eerst uaar \'t Stadhuis ging um „sijuen diastquot; op te zoggen on toon eene „claohtoquot; tegen de Classe indiende bij de Staten in den Haag -). Do Classo Brie! werd cchtor niet hang en liet in \'t hegiu van 1597 aan de synodale „deputatenquot; weten, dat Jausze bij zijne aanklacht to kennon had gegeven, dat hij wel door hen wilde gehoord Worden, cn er nu hij haar in \'t minst geen bezwaar was om „deputatenquot; te ontvangen. Die oordeelden evenwel beter, dat eerst nog eens oonigo genabuurde Classen hun best dedon om het geschil te vereffenen, en kregen later bericht, dat de Classe Brielle eerst \'t hare doen zou en dan naburige Classen zou vragen s). Zij heeft Jansze toen gesehorst, omdat hij zijn\' dienst op het Stadhuis had opgezeid, beschuldigd werd van grooto „familiariteytquot; met eon meisje, zoogenaamde betooverden genas, twist stookte, en vooral, omdat hij eone „ordinantie van de Hoeren Statenquot; „in 3 piaetson verandert oft vervalstquot; had. Hiermede niet tevreden, verzocht hij, dat zijne zaak door eenigo naastgelegen Classen „afgehandeltquot; zou worden, gelijk ook geschied is. Eenigo broeders uit de Classen Delft, Rotterdam en don Haag kwamen daartoe samen en adviseerden na rijp beraad, met \'t oog op den wensoh van Kcrkeraad en Magistraat in Goedereode, Jansze weer te admitteeren, mits na schuldbekentenis en up conditie, dat hij „terstont van do oeffoninge sijnnes dinstquot; zou stilstaan, bijaldien iemand hem „de apparonte valscheijtquot; in de ordonnantie der Staten te laste wilde leggen, en dat hij dan niet weer preeken zon, vóór dat punt in orde was. Even later is hij daarom weer in zijn\' dienst hersteld 4).

•1) Van Rheenon, t. a. p.; en De Navorscher, 1892, t. a. p.

2) De Navorscltcr, 1802, t. a. p.

8) II\'ihiI\' U. dei\' fvan de Z.-U. Synode, 27 Febr. 1597 in den

foliant van Cupus (vgl. Janssen, De Kei khere. in Vlaanderen, Dl. I, blz. 12).

4) De Xavorseher, 1892, t. a. p.

-ocr page 184-

172

In het volgende jaar wilde hij vertrekken en evenzoo in 1509, nadat hij eerst ter Classe „excusequot; had gemaakt over nalatigheid in zijn\' dienst. De Classe weigerde echter eeno attestatie te geven en Jansze ging toon, begin 1600, weg zonder het begeerde stuk, en beklaagde zich in Aug. d. a. v. bij de Part. Synode te Leiden over de Classe van den Briel, „van woghen der weijgheringhe van zijn versochte attestatie tot zijnen mercklicken achterdeel, alsoo hij daer-door verhindert was tot quot;Weerder (Waarder), daer hij beroepen (was), zjjneii dienst te doenquot;, overmits do Classe Woerden, waarin Waarder lag, hem niet zonder vertoon van „behoirlijeke attestatiequot; wilde laten prediken. Daarover gehoord, verklaarden die van de Classe Briel, dat aan Jansze de attestatie geweigerd was, omdat hij dronk, „vuijlc propoostenquot; gebruikte, „schampere brievenquot; had geschreven enz., en dat de Classe aan de „ghecommitteerdc radenquot;, wier tusschenkomst door Jansze was ingeroepen, geantwoord had, dat zij hem geene attestatie geven kou en zijne „saeckequot; op de e. k. Synode zou worden gebracht. De Synode heeft toen, na rijp overleg, bepaald, dat llclmichius en nog 2 andoren „niet don allereersten tot Gooree (zouden) trecken om nae dc waerheijt van alles naerder ende broeder te vernoemen ende certificacien ofte acte authentijck tot verzekertheijt te verwerven, daert hen doenlick (zou) zijn. Ook moest „spccialick — aldus vervolgen de Acta Sy-jU)(li — ende met namen vernomen ende ondersocht worden, hotgheue in do wtsprake van de drije dassen over de suspensie (was) open blijven staen noopende zekere ordonnaneie der heeren Staten ende andere dinghen, welcke doemaels niet en konden heweesen worden.quot; Eindelijk moest de commissie van drie „haer wedervaren aan de ghedeputeerden dos synodi overschrijven \', die belast werden naar bevind van zaken met Jansze te handelen, „alsoo zij wtwijsende haere conscientien tot eere van

-ocr page 185-

173

don dienst ciide tot stiolitingc der kcrckequot; nondig achtten \').

Trelinichius met de twee andere predikanten liebbon aan hunne opdracht voldaan. Zij zijn naar Goedereede geweest om een onderzoek in te stellen, en moesten als resultaat een rapport van zeer bedroevenden inhoud aan dc „depu-tatenquot; Synodi overgeven. Hun was gebleken, dat Jauszo metterdaad schuldig stond aan dronkenschap, aan nalatigheid in het prediken, aan hot voeden van don zin voor tooverij en superstitie bij de mensohen, en ook aan de verandering van de ordonnantie der Staten, zoodat hij grooto wanorde en onrust had veroorzaakt.

De „gedeputeerdenquot; hebben toon eerst lang met hem gesproken en hom twoo maanden tijd gegeven „om sich te purgerenquot;; doch hebben hem later, ia overleg met de „de-putatenquot; van N. Holland, tot op de e. k. Part. Synode gesuspendeerd Welke Synode, 28 Aug.—1 Sopt. 1601 te Gouda gehouden, onder presidium van Helmichius, besloot, dat Jansz, hoewel hij verdiend had geheel en al gedesti-tueert te worden, zich nog 6 maanden ..van allen kereken-dienstoquot; moest onthouden ; gedroeg hij zich in dien tijd dan zoo, dat de Classe, waarin hij zich ophield, „beterschapquot; bij hem bemerkte, dan moesten de „deputatenquot; Synodi van Z. Holland, in overleg met die van N. Holland, hem „nao gelegentheijt van saeckonquot; attestatie geven, opdat hij nog hier of daar zou kunnen dienen, „wel versteende dat hij eerst syne schultbokontenisse (deed) ende deselve tot Goedereede van den predickstoel afgecondigetquot; werd; bespeurde men daarentegen weinig of geen beterschap dan moesten de „gedeputeerdenquot; hem nog langer don dienst ontzeggen of geheel „destituorenquot; s).

1) De Navorscher, 180*2, t. a, p.; en Reitsma en van Veen, /r., Dl. Ill, blz. 148 vg.

2) liapport van de vdepntatoiquot; Synodi, vermeld bij Jjinssen,/V AVW.*-Jierv. in ] \'laanderen, 1)1. 1. blz, 12, n0. 3*2.

3) Reitsma en van Veen, a. w., Dl. 111, blz. 465 vgg.

-ocr page 186-

174

Xiot lang daarna was de „sake van Abraham Janss aff-gedaen, doordien hij tot Schiedam gestorven isquot;\'1).

Heeft die dood Melniiehius misschien leed gedaan, Inj is zeker blij geweest, dat hij nu niet meer in deze aangelegenheid behoefde te arbeiden tot vrede en orde, niettegenstaande liet weinige, dat hij in dezen gedaan had.

e. Ilelmichius in zake Petrus Aemilius.

Petrus Aemilius trachtte omstreeks het begin van 1601 in do Classe Edam „in te borenquot;3). Hij preekte te Broek in Waterland, tot genoemde Classe behoorende, zonder weten van de Classe, van de gedeputeerden der Classe of van eenige naastbij zijnde predikanten, en werd er ook beroepen. De Classe wilde dat beroep nu niet approbeeren, dan nadat hij goede attestatie had getoond. Zonder die echter in te leveren,

trad hij maar in dienst; waarom do Classe, wetende, dat Aemilius zich vroeger op een paar plaatsen in Oost-friesland ook ingedrongen had, dat hij zich daar als een aanhanger van de Augsb. confessie had voorgedaan, dat Menso Alting hom geene attestatie wilde geven, en dat hij eenig bezwaar liad tegen art. 16 der belijdenis, hem niet als „Lidtquot; der Classe wilde toelaten en hem van den dienst suspendeerde3).

Aemilius, benevens Kerkeraad en Magistraat van Broek,

beriepen zich toen op de Part. Synode van Amsterdam, in Juni 1601. Wat zou die doen? Het was moeielijk Aemilius „toe te latenquot;\', en even bezwaarlijk „hem gansch af te slaenquot;\', nu hij er eenmaal was. Zij besloot eindelijk, dat hij „by provisie voor den tyt van een jaer tot Broeck in

1_) Blijkens liet Rapport fier vGedepj)quot; des Synodi van Suytliollant de anno 1602, Art. 19. (zie H. Q. Janssen, a. ir., Dl. 1, blz. 14, nquot;. 43.)

2) Trigland, a. w., blz. 857.

3) Trigland, a. w., blz. 858 vg. Vgl. E. Meiners, Oostvrieschlandts kerkelijke Geschiedenisse, Dl. 11 (Gron. quot;1739), blz. 295 vg-.; en Rüuiein, Naamlijst der Predikanten in Friesland, Dl. 1, blz. 156. «r

-ocr page 187-

175

den dienst ghoeontinueordtquot; zon worden \'). Omdat in dat jaar echter heel wat „swaricheden, trubbelen ende onrusti-cheytquot; in Broek en omliggende plaatsen kwamen, moest de Synode van Hoorn in 1002 zich met bijzondere aandacht aan dit punt wijden, en resolveerde zij ten slotte, dat Aemi-lins „ter eerster beroepinghe ende ten lanxten binnen den tyt van een jaer wt het classe van Eedamquot; moest weggaan ~).

Aemilius bleef echter, arbeidde met voorspoed in de gemeente en op de volgende Synode, te Enkhnizen vergaderd, werd de continuatie van Aemilius te Broek in Waterland tor tafel gebracht. Broek wilde hem houden tegen don wil dor Classe, vroeg om approbatie van eene nieuwe beroeping, en verzocht tevens „in die naeste classe getrans-fereertquot; te mogen worden, omdat de Classe Edam liet haar zoo lastig maakte. De Classe Edam daarentegen wilde, dat hij vertrekken zou, omdat hot toegestane jaar reeds om was en de nu op Aemilius uitgebrachte beroeping gedaan was door menschen, van wie „een groot deel buiten die ge-meintequot; waren. Ook was, volgens het zeggen der Classe, de kerk van Broek in „ellendygen staetquot;. De Synode moest nu delibereeren en resolveeren. Eerst liet zij „die van die classe van Edam nth staenquot;; deelde hun even later, toen zij al ten tweeden male waren „uthgegaenquot;, bij monde van liel-michius — die als „deputaat der N. 11. Synode present was —, en een lid der Synode mede, dat zij buiten moesten blijven, totdat do zaak van Broek was afgedaan ; en besloot toen: Aemilius\' beroep „sal vast ende goet blyven ende van werden gehouden wordenquot;, en hij zal „in synen dienstquot; „christelyeken continueerenquot;, aangezien hij confessie en catechismus onderteekend had, gezond was in leer en leven en „seer grote stiehtingequot; te Broek deed.

1) Reitsma cn van Veen, «.«•., Dl. I, Hz. 290-29S.

2) Keitsma en van Veen, «. ir., Dl. I. blz. 316—319.

-ocr page 188-

17G

Gelijk to verwachten was, proteatcordo de Classc van Edam tegen dat besluit, en beriep zich op de (xenerale Synode, doch werd tot „vroede endo eenicheitquot; met Aemilius vermaand, terwijl ook de kerk en Magistraat van Broek tot vrede en rust werden aangespoord; en evenzoo Aemilius, wiens predieatie\'s over een deel der Openbaring, aan de Classe „vertoontquot;, ter examinatie werden gegeven aan Ilel-michius en diens mede-„deputaatquot; !).

In den loop van het daarop volgende synodale jaar zijn Helmich en zijn mede-„gedeputeerdequot; zelf naar Edam en Broek geweest, ten einde door hunne tusschenkomst den twist, die nog bleef voortduren, weg te nemen; doch zonder goed gevolg, zoodat het geschil in 1004 ter Edamsche Synode weer besproken moest worden. Helmichius bracht daar rapport uit van het wedervaren der „gedeputeerdenquot; te Broek en Edam; Broek had een „requestequot; „overgeleijtquot;, waarin zij doleerde over moeite, die haar door „eenige kerckelijcke vergaderinge ende personenquot; zou zijn aangedaan, en verzocht „tot den dassen van Amsterdam overge-voert te mogen wordenquot;; waarna de Synode „tot bevredinge van partijen ende wechneminge van alle moeijte ende onrustquot;, „een zeecker middel van accordquot; heeft opgesteld „om te vorderen [(wast) mogelijck] een seeckere versoeninge endo gestadige vrede aen wedersijdenquot;. „D\'executie daarvan werd opgedragen aan do „gedeputeerdenquot; der Synode en nog drie anderen, van wie Helmichius een was1). Hoewel hij pas te voren „zijns trouwen dienstsquot; als „deputaatquot; der Synode bedankt was, scheen de vergadering er dus prijs op te stellen, dat hij nogmaals zijn best deed om het schadelijke geschil mede te helpen beëindigen. Hij was trouwens van alles op de hoogte.

Met de andere broeders heeft hij dan ook spoedig de

1

Reitsma en van Veen, a. tv., Dl. 1, blz. 362 vg.

-ocr page 189-

177

zaak ter ham! genomen, „lange ende swaro handelyngequot; gehad, maar toch, togen het einde van Juli 1604, tusscheu de Classe Edam aan de eeno en de kerk van Broek met Acmi-lius aan de andere zijde, „versoeningequot; teweeg gebracht, welke „tot meerder bevredingequot;, „der gemeynte tot Broeckquot; „met opentlycke vermaning bekent gemaeckt [zou] wordenquot;. Jammer dat dit laatste afstuitte op de hardnekkigheid van „eenige mannenquot; in Aemilius\' woonplaats, ten gevolge waarvan de Alkmaarsehe Synode in 1605 zich genoodzaakt zag enkele broeders te benoemen, die de weerbarstige mannen in Broek nog eens moesten vermanen tot „afstant harer hardicheytquot;, en met de oude commissie, waartoe Helmichius behoorde, ook de „vroetachapquot; aldaar moesten aanspreken, en verzoeken, dat zij ook haar „devoirquot; deed tot wegneming van do zwarigheid en den twist\').

Gewis tot groote vreugde van Helmich kon op de volgende Synode gerapporteerd worden, dat „do saeke (te Broek) deur de genade dos Ileeren tot een volcomen bevredinge gebrachtquot; was1). Zijn arbeid was dus niet ijdel geweest.

d. Helmichius in eaJce Adólphus Venator.

„Helmichius non adest, Alcmariam profectus ob difficul-tates ibi exortasquot;, zoo schrijft Arminius 26 April 1G03 uit Amsterdam, aan zijn amicissimus J. Wtenbogaert2).

Welke moeielijkheden waren dat?

De gereformeerde kerk van Alkmaar had in 1597 drie predikanten. De oudste was Pieter Cornelisz, al sedert 1572

12

1

Roitsma en van Veon. a. ir„ Dl. I, blz. 385.

2

P ra est. ac Erndlt. Virr. Epp., Nr. LXU.

-ocr page 190-

178

aldaai\' in den dienst1); „in den beginne dos Jaers 1596quot; kwam uit „Ilillegers-bergequot; Cornelis van l[il en weidde mot Cornelisü de gemeento „in vrede en eenioheytquot;2); en als derden dienaar kroeg de gereformeerde kerk in \'t najaar van 1597 Adolf do Jaglior of Venator.

Tusschon de beide laatsten ontstonden spoedig kleine oneenigheden, zoodat zij elkander niet recht vredehjk meer koudon toespreken; er broeide wats). Daarbij kwam later wantrouwen jegens Venator om zijne prediking, waarin bij minder kras was „in \'t aentasten der Sectenquot; dan de andere predikanten, en waarin hij ook gozogd had, bij do verklaring van Efeze 2:8, dat do uitdrukking „het is Gods gavequot;\' niet op \'t geloof kon slaan, omdat in den grondtekst „tolitc,

1) Dr. J. Hartog, Geloof ru Vrijheid, 18e Jaarg., 4o aH., Rott., 1884. I)lz. 331.

2) Cortr p.nde ir/ierachfif/ft Verantwoordinyhe onz. (vollodigo titel Igt;jj Muller, liihl. r. jiain/lettnquot;. 887. Vgl. uquot;. 922), blz. 80, door llille-nius zeilquot; geschreven. Vgl. Kogge, ./. Wtenboyaert enz., Dl. I, blz. 319\', Ik neem hier bovendien over, wat C. W. Bruinvis uit Alkmaar in Hef Alktnuaruche Kerkgeschil op H ergst, Alkmaar, 1894, (niet in den handel), op blz. 3\' van Cornelis van liille mededeelt: »Geboren in 1508 te Norwich, waar zijne ouders als uitgewekenen verbleven, werd achtereenvolgens predikant te Uitgeest en Akersloot, Hillegersberg en in 1590 te Alkmaar, waar hij den 30 April 1G0lt;gt; huwde met Baelken de Conynks, wonende ten huize van JJarfholonieus v. d. Corput, in de S. Jacobstrnat. II ij was een geleerd man en nam onder de contra-remonstranten eene voorname plaats in, deelnemende aan de vergaderingen te \'s Gravenhage in 1612, te Amsterdam in 1615, aldaar als scriba in 1616 en vervolgens, als algevaardigde van Groningen, aan de synode te Dordrecht. De friesche stadhouder Willem Lodeirjk achtte hem hoog en belastte hem met het oppertoezicht der kerkelijke zaken in Drenthe.quot; Op blz. 2\'van dat boekje komt eene korte biographic voor van Venator; op blzz. 3\', 16\' en 33 van Pieter Cornelisz.

3) De vrouwen hadden «wat verschilsquot;, Venator liep, tot ergernis van llillenius, en niet zonder verwaandheid, met een Hebr. bijbel zonder punten, terwijl van Hille, volgens Venator, heerschzuchtig was en verstoord, omdat laatstgenoemde het hem te lastig maakte met disputeeren. Zie 1\'rovisioiiele ontdeckinge eenUjer misslayhen, de wclcke Adidphits Venator enz., door C. llillenius, 1G11. (catal. Muller, n0. 925); en Noot\' iremligh Historisch Verhael enz., door A. Venator, 1611, (catal. Muller, np. 923).

-ocr page 191-

179

dat, ncutrael, oil T/V;r, gheloof, feminijnquot; was; znodat hij eigenlijk wilde leeren, dat het geloof geen „bysonder gave Godsquot; was\'). Xog meer gespannen word de toestand in het begin van 1002, toen Corn. Wiggerts uit Hoorn ergens in Alkmaar zou spreken, llillenius wilde toon, dat de Magistraat dat beletten zou, terwijl Vonator o. a. „te bedenckenquot; gaf, „oft al stichtelijck soudo weson, terstonts als eenige per-sooni\' misschien maer eenige conferentie oft t\' samensprekinge houdè, die in de Predestinatie eenig andor vorstandt hebbenquot; hun mot behulp van de Overheid, „don mondt toe te bindenquot;. En nog heftiger werd het geschil, toen Venator eerst aan oen paar collega\'s uit de Classo en enkele andere personen les gaf in Latijn, rhetoriek en dialectiek; later jongens in den kost nam, die hij „in die Latynssche talequot; onderwees; en op 21 Febr. 1603 do „heidonscho comoedia uth Terentio, Andria genoemtquot;, spelen liet, in tegenwoordigheid van „mans, vrouwen, jonge gesellon endo doehteronquot;, zonder consent van Magistraat en Korkoraad. Do vijanden der Waarheid vonden daarin aanleiding om don Naam des Ileeron te lasteren, en vele lidmaten der gemeente werden er door ge-ergerd en ontsticht. Cornolisz en van ITille spraken Venator dan (jok aan over hetgeen hij bestaan had, en de meerderheid van den Kerkeraad, die de zaak moor dan eens behandelde, veroordeelde evenzeer zijn doen, en verlangde, dat hij liet schoolhouden zou nalaten en voor de gemeente schuld zou belijden over hetgeen er was voorgevallen. Tot schulderkentenis was Vonator evenwel niet genegen, zoodat besloten werd „de sake tot het Classis to brenghenquot;. Daar werd het gebeurde ook „verscheiden reisenquot; besproken, en Venator eindelijk, 4 Apr. 1003, nogmaals tot „schuldbekenninghquot; veroordeeld, doch hij weigerde ook nu daaraan to voldoen. Do oneonig-

1) Noofwendigh ITlxtor. Verhael enz., blz. 45; on Provis. ontdeclchige enz., blz. 82 vlt;rlt;r.

-ocr page 192-

180

liekl duurde dus vooi\'t; do gemeente kwam al meer en moor in verwarring; hot nachtmaal werd niet moor gehouden1).

Toen hebben de „gedeputeerdenquot; der Synode, die wol eenigo „advertentiequot; van den onvrede in Alkmaar zullen gekregen hehbon, zich in do „swarichoytquot; gemengd. Een hunner was onze Helmichius. Op 21 April 1603 ging hij quot;s morgens vroeg „mot Gods hulpo naar Alkmaar en bloef or met zijn\' mede-„deputaatquot;, Joh. Matthiaius uit Haarlem, bijna eeno goheole week „om te besorghen, wat tot vrede der Ghomoynte mocht dienenquot; 2). Eerst zochten zij Cornelisz op, om van hem te weten te komen, wat er gaande was. Daarop gingen zij naar Venator, om ook van hem den „standi; des verschilsquot; to vernomen. En na aldus van weerskanten op de hoogte gebracht te zijn, bezochten zij nog enkele ouderlingen, die hun meêdeeldon, dat er eenigo ontevredenheid in de gemeente was over Venator\'s leer. Daarover hebben zij toen eerst met lioni nog weer „conferentiequot; gehad, waarin — hij zegt het zelf — uitkwam, dat hij „gheheel suyverquot; was, en daarna hebben zij cene kerkeraadsvergadering bijgewoond om met de broederen te beraadslagen. Vermoedelijk deden zij daar het bemiddelend voorstel — of hebben hun invloed aangewend om het aangenomen te krijgen, — dat Adol-phus alleen voor den Kerkeraad „over syn Comedi-spelen int heymelyck sijne schuldt sonde bekennen; ende ten aensien synes Schoolhoudens, dat sy geen veerder handelingen tegen hem soude acnnemen, indien hij \'t getal syner Clereken tot

1

Rcitsma en van Veen, a. iv.. Dl. I, blz. 338—\'40; en Nootir. Jlisf. Verhacl enz., blz. 50—56.

2

W. (1. M,-1\'., S. Ill, 131. IV, blzz. 181,183; en Noofir. Hisf. Verhacl, enz., blz. 56. In eeu brief van Helmich en ds. Matthisius aan de synod. ))dej)utatenquot; van Z.-llolland, d.d. 23 April 1003 st.n. (bewaard in hrt O.-A. d. N. II. K., Nr. 7, blz. 87 vg.), wordt meegedeeld, dat de beide N.-Holl. »deputatenquot; van oordeel waren, dat men in Alkmaar «belioor-lycke tytquot; moest doen, als «yetwat vruchtbaersquot; zou worden gedaan. En zij hebben den tijd er voor genomen.

-ocr page 193-

ISl

vior of vijf Jongors wilde vcrminderoa.quot; Venator wilde zich echter in dit voorstel niet laten vinden \').

Don volgenden dag was hot Classo, en Helmichius mot Matthisius zorgden er voor, dat zij daar ook tegenwoordig waren om mode te deliberocron over hetgeen tot den vrede diende. Niet onwaarschijnlijk hebben zij in die breedere Kerkvergadering nogmaals besproken, wat reeds in den Kerkeraad was behandeld, ofschoon ik dienaangaande niets zekers kan berichten, omdat de classic. Acta van Alkmaar uit dien tijd, evenals do kerkeraadsnotulen, zijn verdwenen -), en ik daaromtrent ook elders niet, ook niot in llelmich\'s brieven, iets naders vond. Wel is bokend, dat de „tusschen-handelingequot; der „gedeputeerdenquot; niets geholpen heeft, hoe „noerstychquot; zij ook hadden „gearboidetquot;. Alle pogingen tot vrede on verzoening stuitten af op Venator\'s „moetwillicheyt ende hartneckicheytquot;quot;); en toon dc Part. Synode van N.-Ilolland in Juni 16Ü3 te Enkhuizen saamkwam, kon haar worden bekend gemaakt, wat Kerkeraad en Classe hadden gedaan, en konden Helmichius en zijn medc-„depiitaatquot; rapport uitbrengen van „haer wedervarenquot;, doch „de swa-richeijt tot Alckmaer met Adolpho Venatorequot; was nog niet weggenomen.

„Verstaende in hoedanijgen staet die saeken te Alckmaerquot; waren, vond do Synode good, uit elke Classe „oenen te bestemmen neffens den gedeputeerden des synodi, die sament-lyken na Alckmaer reisen [inooston] om haer vollenkome-lijkon van doese sacke te infonneoron ende, genoechsame informatie hebbende,quot; na bevind van zaken met „vollon-konieue commissiequot; handelen moesten. Wilde Venator hun geen „gehoor geveuquot;, dan moesten zij do Magistraat „hares

1) Nootw. Hist. Vcrhacl enz., blz. 56 vg.; en Car te ende waeracht. Verantiv. enz., blz. 86.

2) Kogge, ./. Wtenbogaert en/... Dl. I, blz. 320^

3) W. d. M.- F., S. UI, Dl. IV, blz. 202.

-ocr page 194-

182

amptsquot; vermanen. Acht Juli eindelijk moesten zij „hare actie beginnenquot; \'j.

Op den bepaalden tijd zijn de vijf predikanten uit de Classen -) met de „gedeputeerdenquot; dor Synode in Alkmaar samengekomen ^), en hebben met hun zevenen gedaan wat zij konden, om eenc „vredelijokc versoeningequot; tot stand te brengen, doch Venator verklaarde, dat hij hunne „moderatiequot;, op 12 Juli gemaakt en door Kerkeraad en Classe aangenomen, „in der eeuwicheytquot; niet zou accepteeron\'); en bevestigde kort daarop, dat hij de brcuke volstrekt niet genezen wilde, omdat hij twee boekjes uitgaf, „Redenvreucht oft Democri-tusquot;, welks „materiequot; „onstichtelijckquot; was, en een „Bruijlofts-gedichtquot;, waarin „de gemeijne eerbaorheydtquot; werd gekwetst,

1) Roitsma en van Veen, a. w., Dl. I, blz. 839 vg.

2) Er waren toen 6 Classen, doch uit de Classe Alkmaar werd niemand benoemd, omdat die zelf partij was in \'t geschil.

3) Hillenius en Venator spreken in de door hen uitgegeven pamfletten alleen van »zevenquot; gecommitteerden. Deze waren dus de 5 predi kk. uit de Classen (opgenoemd in Reitsma en van Veen, d. ic.. Dl. I, blz. 340), benevens Helmichius en Matthisius.

4) Corfc emle waeracht. Verantw. enz., blz. 86. De bedoelde «moderatiequot; is zeker de »sentontiequot;, door Janssen vermeld in Dc KerkJicrv. in Vlaanderen, Dl. I, blz. 11, nö. 27. Ik heb ze in den foliant van Cu pus nagelezen. Er blijkt uit, dat de deputaten de geheele zaak nog eens weer in Alkmaar hebben overwogen; bijzaken ter zijde hebben gelaten; alleen gelet hebben op de »gront-saecke eiï occasie der oneenichquot;quot;; en van oordeel waren, dat Venator wschuldiohquot; was, omdat hij in hot schoolhouden verder was gegaan dan Kerkeraad en Classe nstichtelyckquot; oordeelden, en omdat hij de keuren van Alkmaar op het punt van schoolhouden niet was nagekomen; terwijl hjj ergernis had gegeven door hetcomedie-spelen. En nu was comedie-spelen misschien een »middelniatich dinckquot;, ofschoon de Synode er anders over dacht, maar het kwam in geen geval overeen met de wstemmicht eïï weerdicht des Predickamptsquot; en evenmin »met den schuldige plicht eens getrouwen Herders, die oock in middel-matiche saecken sender ergernisse behoor(de) te wandelenquot;. Eindconclusie was daarom, dat Venator zich voortaan moest houden aan de besluiten der Synode en voor den Kerkeraad schuld moest beljjden over zijne daden. De sententie is zonder datum, onderteekend door Joannes Bogaert en Johannes Rogge, als wpraesesquot; en «scribaquot;; die geteekend zullen hebben als praeses en scriba der 7 deputaten, ofschoon zjj ook praeses en scriba waren van de Enkhuizer Synode in 1603.

-ocr page 195-

1S3

terwijl hij later nog aan allo N.-TIoll. Classcn een „ 1 i bel fameusquot; „van 209 artijckolenquot; toezond, waarin liij o. a. allerlei leoljjke dingen zei van sommige kerkelijke vergaderingen en predikanten \').

Eindelijk begon o(»k do Vroedschap van Alkmaar zieh met hot geschil tc bemoeien. Zij vermaande eerst, in Nov. 1603, alle drie predikanten tot „ruste ende vredequot;1), en stelde in Febr. 1604. „na verhoor des kerekenraetsquot; oon formulier van „schultbekentenissequot; voor Venator op, van dezen inhoud: „AU hoewel ick, Adolphus, in mijn gemoet onde conscientie niet en gevoele misdaen te hebben mettet spelen van do comedie Tercntii, Andriae genaemt, ende het schoolhouden, nochtans dewijle ick bemereko dat veele, so wel binnen als buten de gemeynte, daerinne geërgert sijn, so is my leodt dat ick sulx gedaen liobbe ende belove goone Comediön moor to doen ageren offto Discipnlen te houden in meerder getale als do Magistraet ende Korckon raet sullen goot vindonquot;. „Endo is mede verstaon, dat do Kerckonraedt daormodo sal nomen contentemont, onde hun voorts ton wodersijden sullen reguleren, volgende de resolutie van don XV Novombris lestledenquot;. Helmich, aan wien dat formulier spoedig is toegezonden, en die het eerste gedeelte er van in zijn\' brief van 4 Maart 1604 opnam 2), laat er op volgen : „Hierover hebben die van den Kerckenraot haor beraot genomen : maer wat by hun is eyntelick gedaen, weet ick niet: de lesto advertentie, die ick hebbe, is van den 20 Febr. Adolphus hoott\'t wat woorden gemaockt by Borgomoestoron, so ick lioore, maer schijnt dat hy hom daoraon houdt, als ick wol gelove; want het is niet oon exhomologesis occlosias-

1

Nootw. Hist. 1 erhacl enz-, blz. 61.

2

W.ft.M.-V., S. 111, Dl. IV, blz. 201 vg. Het is geheel, ook lt;lc laatste alinea, opgenomen in Nootiv. Hist. I \'erhael enz., blz. 62.

-ocr page 196-

184

tica, maar s^o^oxiy^Tic x^oXo-y/irr/M ct plane xvs^oiioKcyyTog. \'Twelck do kerekenraet oock wel sict.quot; In April d. a. v. is ochtcr op die verklaring van Adolphus do verzoening tus-sehon de broeders getroffen 1).

Natuurlijk alleen mot betrekking tot het eomedie-spolen en schoolhouden, want overigens was de vrede nog niet gesloten. De „vroetschapquot;, zoo schrijft Helmich later zeer terecht, had de „sake van Alckmaerquot; „macr ten halven gemaecktquot; s). Er moest ook nog met Venator worden afgehandeld over zijne uitgegeven geschriften. En ziet, — dat is een leelijke trek in zjjn karakter — hij beloofde, dat hij, willende gehoorzamen aan eeno resolutie van de Classo, op 7 Mei met algomeene stemmen genomen, zijne schuld over zijne 2 eerste boekjes openlijk voor do gemeente zou belijdens), maar hij deed 16 Mei juist het tegendeel, pleitte zich zelf vrij en beschuldigde den Kcrkoraad, ja stookte eene week later in zijne predikatie de gemeente tegen don Kerke-raad op2). „De sake van Alckmaerquot;, aldus bericht Helmich 2 Juni 1604 aan Aernt Cornelias., „was op goede voet, maer is wedoromme heel in \'t wilde: so dat sy op den Synodum gebracht sal wordenquot; °).

Met dio Synode werd de Edammer bedoeld, welke in dezelfde maand gehouden is 0), en twee „volle wekenquot; duurde, „daervan de eene gohool gogaen is acn de sake van Alckmaerquot;. Helmich, die er zelf ook was en deze bijzonderheid

1

Noutw. Ilist. Verhael enz., blz. 03.

2

Cortc ende waeracht. Ver an twoord i nyhe, blz. 87; Ueitsma en van Veen, a. w., Dl. I, blz. 358; en Provia. ontdeckinge enz., blz. 03, waar meegedeeld wordt, dat Venator op 23 Mei mm de gemeente had meegedeeld, dat sommigen in den Kerkeraad do gemeente oen «rasont beestquot; hadden genoemd.

-ocr page 197-

185

mededeelt, schrijft dan nog vorder, dat men wel tot ccn einde was gekomen, „maer niet na wenssche: want mei. liever gesien luidde dat de argernisse door beteringe dos achuldigen t\'oenemael wecligenomen hadde geweest. Men heefft de dachten ten wedersijden in quot;t langhc gehoort ter presentie van 2 wt de vroetsehap van Alckmaer, by ons expressehjck daertoe versoeht, om te sien ende te hooren. Adolphus groffolick schuldich bevonden sijnde, heefft niet kunnen tot eonige schultbekentenisse gebroeht worden, oock niet do aldorminste: maer heefft hem solvcn altijt in alles oock met bosehimpinge cnde beschuldiginge des Synodi willen iustificeren. Oorsaock waerdoor men eygentlick tot sententie heefft moeten comen, by dewelcke sijne fouten specifieo wtgedruckt worden, ende hy gecondemneert is tot opentlicke schultbckcntcnissc van deselve, eensdeels in dc Synode, oli\'te by hare Gedep., eensdeels in dc kercke van Alckmaer, na versehcyden gelegentheyt der saken: ende by gebreke van dien, gesuspendeert datelick van don Avondt-malo: ende na don tijt van 2 maondcn, indien hy hart-neckich blijfft van sjjncn Dienst: sijnde oock op alles ordre gestclt hoe met hom gehandolt sal worden \'tsjj dat hy eeniger tijt hom eoint te bedeneken tot schultbekentenisse, offte dat hy doorgaens hartneckich blijfft.quot;

Eindelijk spreekt Ilolmich, met terugblik op do geheelo quaestio met Venator, deze overtuiging uit, die gedeeltelijk in den vorm van overreding is ingekleed: „Geloofft, lieve broeder, dat het grotelicks te bedroeven is dat sulrke personen insluypen tot den hcyligen Dienst, die in oenen dach mot hare hoochmoodicheyt meer breken dan sy in oen heel iaor souden bouwen: ende dat de heole vergaderingo [Synode van Edam] don man in alles so gevonden heefft, dat die genen, die te voren oenichsins wat goot gevoelen van hem gehadt hebben, nu t\'oenemael overtuycht ende versekert sijn dat hy een moeyelick ende argerlick persoon

-ocr page 198-

186

sij, hebbende anders gceu onbequame gauon, dowelcke wel eude behoorlick gebruyekt sijnde, grote stichtinge doen sou-den. Het acliijnt dat hy is gesiut den Dienst te verlaten t\'eenemael eude wat anders ter handen te treekeu: dan eer hy der noch wt scheyden sal, vrese iek dat hy noch ecu donderslach geven sal, als wt spijt: do Ilecre sal sijnc Kcrekc bewarenquot; \').

Dat oordeel is tevens het laatste van Helmichius\' aandeel in dezen vruchteloozen arbeid om vrede en orde te doen wederkeereu iu liet Alktnaarsche Jeruzalem1), lioe onpartijdig cu verzoenend hij ook geweest was, voorzoover was na te gaan, en hoe bekwaam en geschikt hij ook was om bij gcschillcu als bemiddelaar op te treden.

Ook zijn hiermede do gevallen afgedaan, waarin hij gemoeid is geweest iu quot;t belang van vrede cu orde iu de kerken, en waarbij hij — als we het geheel in ecu paar woorden samenvatten — wijsheid, voorzichtigheid cu kloekmoedigheid heeft geopenbaard, ten einde den vrede te bevorderen met behoud van de waarheid, en orde aan te brengen zonder den indruk te geven dat hij wilde heerschen. Hij wist te geven en te nemen, en toonde, bij de voorvallende moeiten cu zwarigheden, iu geen geringe mate bedrevenheid om kerkelijke kluwens te ontwarren.

Wat hij gedaan heeft tot handhaving van de zuivere leer moet ons uu in eene volgende paragraaf bezighouden.

1

Kort djuirop kwum echter do verzoening in Alkmaar tot stand. Do Magistraat bewoog Venator ten laatste toe te geven, ten einde groote beroeringen te voorkomen. Corte ende ivaerachf. Verantwoordiïiyhc enz., blz. 87. Vgl. Kogge, J. Wtenboyaert enz.. Dl. i, blz. 322.

-ocr page 199-

187

§ 4. H e 1 m i c h i u s in zake d c „ s u ij v e r c leer equot;.

Deze paragraaf is gcvvijil aan hotgoon llelmichius gedaan hoeft tot handhaving van de zuivere of gereformeerde leer tegenover afwijkende gevoelens, welke in zijn\' tijd sporadisch in de kerken voorkwamen en door minder of moor bekende personen, door predikanten en door Arminius — eerst ook predikant, later hooglooraar — werden voorgestaan en gedreven. Do gereformeerde kerken, uit beginsel wars van leervrijheid, beseften toen, dat zij van \'s Hoeren wogo geroepen waren zulke afwijkingen te koer to gaan, opdat ze niet voortaten als de kanker; en liebbon ook Holmiehius meermalen aangewezen om namens haar den strijd voor do „suijvore leerequot; mede te strijden; terwijl hij ook wel, zooals b. v. in de Arminiaanscho troebelen ton dooie het geval was, eigener beweging optrad in den kamp voor de „leere dor Waor-hoitquot;!). In \'t geheel zijn er vijf gevallen, waarop ik do aandacht vestig; ook nu weer naar tijdsorde; zoodat wij achtereenvolgens krijgen: llelmichius\'arbeid voor de zuiverheid der leer in zake Horman Herberts, Caspar Coolhaes, Casper van Bygaerden, Adamus l?illichius, on Jacobus Arminius

Vooraf bespreek ik echter met enkele woorden do vraag, ol\' Helmichius zelf wel altijd zuiver in do loer is geweest.

Deze vraag dient gestold naar aanleiding van wat Ypejj

1) ir.M.-V., S. II, Dl. III, Wz. 621. Vgl. blz. 543.

-) AVat Holmiehius dood met betrekking tot afwijking van do loer bij de lidmaten dor gomeonton, bij wie bij achtoreonvolgons diende, ligt op dezelfde Ijjn als hetgeen ik in deze § vermeld; doch omdat ik daarvan reeds het een en ander meedeelde bjj de schetsing van zijn* levensloop en die gevallen geene opzettelijke bespreking vercischen wegens onbeduidendheid, laat ik die hier rusten.

-ocr page 200-

188

cn Dcrmout in hunne „Geschiedenis dor Nedei-kindsclie Ilervonnde Kerkquot; van liom zeggen. Zij noemen ITelmichius oen Zwingliaan, evenals volgens hen b. v. Coolhaes, Herberts en Wiggerts dat „oorspronkelijkquot; ook waren; iemand, die als Zwingliaan „schijntquot; beroepen te zijn tot hoogleeraar te Leiden in 1592 (lees 1591), eu als Zwingliaan aan de gemeente van Amsterdam is aangeprezen in 1602 (lees 1GÜ1); die in Amsterdam evenwel door ds. Plancius en anderen in het gedrang is gebracht, tengevolge waarvan hij eenigszins van gevoelens veranderd scheen te wezen, maar tot zijn doud toe „altijd meer don aanhang van Arminius, dan dien van Gomarus toegedaanquot; bleef; „ten minste oen gematigd tlioo-logantquot; was, „die tusschen hen beide stond, maar voor den eerste niet rond durfde uitkomenquot; \'). Volgens hen is llcl-mich dus nooit een Calvinist geweest, die met warmte de gereformeerde beginselen in leer en kerkregeering heeft aangehangen; maar een man, die eigenlijk eenigszins tegenover die beginselen stond, aan den kant van hare vijanden; die wilde, dat men in zake kerkregeering afhankelijk zou zijn van de burgerlijke Overheid; die in de leer niet geheel homogeen was mot de belijdenis der gereformeerde kerken, bijzonderlijk niet ten aanzien van de predestinatie; en die zich toen enkele jaren voor zijn dood, in den drang der omstandigheden, als beslist gereformeerd zou hebben voorgedaan, maar toch wezenlijk altijd nog meer van de Remonstranten dan van de Contra-remonstranten zou gehouden hebben.

Tegenover die teekening van Ilolmich\'s beginselen, niet door bewijzen gestaafd, staan getuigenissen ten dienste, om aan te toonen, dat zij niet juist is. Daargelaten nu de niet

1) Zie Ypcjj cn Dcrmout, Geschied, der Nederl. Ilerv. Kerk, Aanfrc-kenimjen, Dl. II, biz. G7 on 242 vgg. Vgl. v. d. Kemp, de eere der Ned. Ilerv. Kerk gehandhaafd, Dl. II, blzz. 102, 183, 274 vg; en P. Zeiler, Theol. Handwürterb., li. 1, 1891, i. v. llelmichius.

-ocr page 201-

189

wol houdbare beschouwing van gonoemdo geloerd on, in hunne aangehaalde „Geschiedenisquot; verdedigd i), als zouden in do IC\'\' eeuw 2 stroomingen in de Nederlamlsche gereformeerde kerken zijn geweest, eene Calvinistische en eene Zwingliaansche, blijkt ons uit Helmieh\'s arbeid in zake de eenheid van het gereformeerde kerkverband, dat bij, met betrekking tot de kerkregoering, met de zoogenaamde Zwingliaansche beginselen niet ingenomen was Rn wat de leer aangaat, wijs ik er op:

1°. dat in liet „Klaer ende grondich Teghenvertooghquot; enz.3), uit 1G17, gezegd wordt, dat I lelmich reeds als predikant te Utrecht „opentlyckquot; „de suijvere leerequot; leerde: zoodat liij dan ook opgenoemd wordt in de wolke van gereformeerde getuigen, die in genoemd pamflet worden aangehaald4);

2quot;. dat Helmich in 15SC lid was van de Haagsche Synode, waar eene vroeger gemaakte bepaling, dat „de Belij-denisse des Ghelooffs der Nederlandtseher Kerckenquot; o. a. ook door de „Dienaers des Woortsquot; moest worden onderteekend, is bevestigd en vernieuwd, en van eenig verzet van Helmich hiertegen niets bekend isquot;\');

3°. dat hij bij zijne komst te Amsterdam in 1002 de confessie onderschreven heeftc);

4°. dat bij in hot begin van 1G0S de prachtige verklaring aflegde: „Door Gods genade ben ik t\'éénenmaal gerust en hope te blijven in den Catechismus en Confessie der

-1) Zie Dl. [I, blz. 102—164; en Aant., Dl. II, biz. G7 vgg.

2) Zie § 2 van dit Hoofdstuk.

3) Zie BihUoth. van Nederl. T\'aw/I., door Tielc, Dl. I, n». 1255.

4) Zio blz. TA. Ygl. blz. 3S. In don brief, door ouderlingen en diakenen der Nederl. gemeente te Frankfort, in 1578 over Helmich geschreven, aan de kerk van Utrecht (zie Bijlage .-l), komt ook geen enkel woord voor, dat ook maar eenig vermoeden van z.g. Zwinglianisme bij Helmich zon kunnen wekken.

5) W.d.M.-V., S. II. Dl. Ill, blz. «18. Vgl. W. te Water, TVcwfera/H-getyde vnn ile gcloofx-hehjtlenisue enz., Jliddelb. 1702. blz. 79.

0) Rutgers, Ih! Kerhverhand, blzz. 17, 31.

-ocr page 202-

190

Nedorl. kerken, als mot den Woordo Gnds goheol overeenkomende; ik heb dezelve ook voor zulks onderteekend, en in de gemeente dos Heeren nu zoo lunge jaren met goeder conscientie geleerd en uit Gods Woord verdedigd; en ik ben alsnog bereid, neffens alle mijne lieve Mededienaars in don lande, die voor te staan, tor tijd toe iemand klaarlijk uit den Woordo Gods bewezen zal hebben, dat zij lowers in mot hetzelve niet overeenkomenquot; \');

en 5quot;. dat Ilolmiehius op zijn sterfbed nog voor de Ar-miniaansehe nieuwigheden waarschuwde 1).

Ik ontken niet, dat Plancius in Amsterdam invloed op Ilelmichius hooft uitgeoefend; maar niet in dien zin, dat hij Ilelmichius tot moer gereformeerde gevoelens heeft go-bracht, wijl dat overbodig was; Ilelmichius hhis gereformeerd; Plancius heeft hem hoogstens in don strijd dier dagen aangevuurd.

En wat Arminius eens schreef: „|Ego Calvinum] laudi-bus majoiibus extollo, quam ipse Ilelmichius, quod mihi fassus est, unquam fecitquot;2), iiooft mijns inziens geen bijzonder groote waarde, als wij weten — en hiervoor kan een getuigenis van Ilelmichius worden aangehaald *) — op welke dubbelzinnige wijze Arminius den Genoefschou hor-vormer prees; en ook weten, dat nergens elders iets te vinden is van llelmich\'s mindere hoogachting voor Calvijn; daarentegen wol uit oen paar plaatsen, waar hij over Calvijns beginsel en methode in zake de predestinatie spreekt, zijne sympathie voor den grooten hervormer kan worden opgemaakt •\'); al moge het waar geweest zijn, doch dat behoeft dan in

1

Zie llfdst. i, § 5.

2

Pmesf. Erudit. \\ irr. Epp. Ni*. Cl.

-ocr page 203-

191

Ilelmichius zeker niot gewraakt, dat, naar zijn oordeel, do Iloiliga Geest met Calvijn „zijn verlichtend werkquot; nog niet besloten had1); evenmin als hij dat hot goval achtte, sedert do gerofon/leerde belijdenis door do gereformeerde kerken in do Nedorlandon als aceoovd van kerkelijke gemeenschap was aanvaard -).

Hot resultaat van mijn onderzoek komt dus, blijkens do aangevoerde dingtalen, hier op neor, dat Ilelmichius zelf altijd zuiver in do leer is geweest, naar don maatstaf van catechismus en confossio.

Dat zal ook nog weer aan \'t licht komon, als wij do gevallen in zake do loer, waarin hij betrokken is geweest, nagaan. Daartoe ga ik dan nu over.

A. Helmicldus in snier Hermin Herherts.

Onze Ilelmichius heeft een goed aandeel gehad in do moeitevollo en langdurige handelingen, die de Z.-Holl. kerken gehad hebben met Herman Herberts om diens onzuiverheid in do leer. Geboren in 1540 2), uit Roomscheouders; later in een klooster opgenomen waar hij ook reformatorische geschriften te lozen kreeg, tengevolge waarvan hij in 15CC het verblijf voor monniken verliet, werd Herberts eerst leeraar te Winterswijk; en kort daarop predikant bij de go-reformeerde gemeente te Neder-Wezel, vanwaar hij in 1577 naar Dordrecht beroepen werd en vertrok Daar zijn do moeielijkheden met hem begonnen.

É

1

Institutie van Calvjjn, od. A. Kuyper, Doesburg, ISSfl. Inleid., § 0.

2

h\'alender voor de Protesfauten in Nederland, 1858, blz. 142. Brandt, o. n:.. Hl. II, blz. GO geeft \'1544 op.

-ocr page 204-

192

Aanvankelijk liot hij eono onkolo maal in zjjno locn\'eilo-nen en gesprekken merken, dat liy „wat wanckelbaer stont in eenigo punten dor loerequot; \'), zonder daarom echter nog door zijno mede-dienaren van onrechtzinnigheid verdacht te worden. Erger werd het eveuwol, toon hij in 1582 eerst, geheel op eigon gezag, do catechismus-prediking nu en dan naliet on in die beurten ook vrije stoffen behandelde; kort daarop in oeno preek over Philippi 4 ; 13, zijne onzuivere loer ,op don prodioftoolquot; begon to openbaren, wijl hij bij die gelegenheid, in strijd met Zondag 44 uit den catechismus, verklaarde, dat do Christen in dit loven tot „volmaaktheidquot; komen kon; terwijl hij straks ook nog de „be-iijdeuis-predikatiequot; vóór het nachtmaal achterwege liet, omdat hij een vrijen tekst „duyfentmael beterquot;\' vond. Terecht werd hij over die eigenmachtige dingen vermaand, en daarop volgde, op verzoek van den Kerkeraad, eene broederlijke samenspreking tusschen Herberts en zijne collega\'s, in tegenwoordigheid van de andere kerkeraadsleden en een dienaar uit de Classe, „over tgene in lijn fermoenen gemerekt eü gehoort wasquot;; doch in plaats van tot eenstemmigheid te komen, werd de verwijdering nog grooter, daar Herberts niet alleen de volkomenheid der geloovigon in dit loven staande hield, maar ook de wezenlijke inwoning van Christus in do kinderen Gods leerde, en geen onderscheid maakte tusschen hot eeuwige Woord Gods on het gepredikte Woord, zoodat hij niet ten onrechte van David-Jorisme werd beschuldigd -\').

ampt (jhesuspendeert oft opgheschorst heeft. In \'s Gravenhage, 1592, blz. 0. Jk noem dit voortaan alleen Kort eiuV xruerachl. Verluid. Vgl. Kalender enz., 1858, blz. 101; en lleitsma en van Veen, u.w., Dl. II, blz. 418.

1) Kort emV waeracht. Ver Ju tel, t. a. p.

2) Kalender enz., 1858, blz. 148 vg.; Trigland, blz. 213. Vgl. over het David-Jorisme van Herberts, Trigland, «.//•., blz. 215; Bijdragen tol de Oudheidkunde en Geschiedenis, inzonderheid van Zeeuwsch- Vlaanderen, verzameld doer II. Q. Janssen en J. II. van Dale, Dl. lil, blz. 24 vg.; en Reitsma en van Veen, a.w., Dl. II, blz. 244.

-ocr page 205-

193

De Kerkoraad verbood Herberts dien avond den preekstoel en gaf van het voorgevalleue kennis aan de Regeering. Niet lang daarna door de Magistraat ontslagen, omdat hij „bevonden (was) in eenige punten des geloofs van ander gevoelen te (zijn) dan de leorequot; der gereformeerde kerken\'), trad hij, tegen allo kerkelijke orde in, te Gouda in den dienst, waar hij vroeger reeds eenigen tijd had gearbeid en nu weer met open armen ontvangen werd -).

Nu wist do kundige en voorzichtige raadsheer van Prins Willem, Adriaan van der Mijle, in Aug. 1582 tusschen Herberts en de beide andere Dordtsche predikanten eene verzoening tot stand te brengen, waarvan eene „acte van vereeninghe werd opgemaakt; maar na de onderteekening van dit accoord deed Herberts eene onvoldoende schuldbekentenis voor de gemeente, strooide met zijne aauhangers uit, dat de gemaakte acte diende om hem te verontschuldigen en de andere predikanten te beschuldigen, en trachtte weer tot liet avondmaal te worden toegelaten. De Kerke-raad weigerde dien toegang echter op advies van de Classe, die Herberts\' zaak verder refereerde aan de e. k. Partic. Synode, welke in Juni 1583 te \'s Gravenhage zou worden gehouden 3). De moeielijkheid kwam aldus in steeds wijder kring.

Die Haagsehe Synode vond het \'t best om zelf maar eens met hem te spreken, waarom zij hem „ verscheydenquot; malen ontbood, doch toen na een kleine veertien dagen wachtens nog geen Herberts verschonen was — hij verschool zich achter het verbod van de Magistraat \') — werden vier

1) Kort end\' waeracht. I\'erhael, blz. 17.

2) IV. (I. M.-V.. S. II, Dl. Ill, blz. 325 \\gg.; S. III, Dl. II (2e st.), bh. 205 vgg.; on Kalender enz., 1858, blz. 154.

3) Schotel, a.w.. Dl. !, blz 134 vg.; Roitsmn en van Veen,«. w., Dl. II, blz. 254—258; Kort encT waeracht. Verhael, blz. 20—31; en Kalender enz., 1858, blz. 15G.

4} Kort end1 waeracht. Verhael, blz. 32 vg.

13

-ocr page 206-

194

deputaten benoemd, die namens do Synode kennis moesten nemen van het geschil, en het „ten beate van den kercken van dor Gronde ende Dordrechtquot; moesten afhandelen \'). Gehoorzaam aan die opdracht, ging de commissie van vier naar Gouda, ontbood de predikanten uit Dordt en een\' dienaar uit de Dordtsche Classe, doch die weigerden te komen, omdat Herberts van hen gezegd had, dat zij „hey-densch en onchristelickquot; met hem gehandeld hadden. Er kon dus niets worden uitgericht, zoodat de commissie uit de Synode, na Herberts tot „vrede eü eenicheytquot; vermaand te hebben, heenging, en de zaak aan den Prins bekend maakte met verzoek om hulp -)■

In plaats van tot „vrede en eenicheytquot;\' te arbeiden, maakte Herberts de moeielijkheid in het volgende jaar nog grooter. Openlijk kwam hij met zijne afwijkende gevoelens voor den dag in een „boeckquot; over Rom. 2 : 28, waarin hij bovendien nog meer onrechtzinnige leerstellingen had neergeschreven, en tegen zijne vroegere mede-dienaren uitvoer:l). Door dit werkje uit te geven, nam hij alzoo beslist positie als een voorstander van leervrijheid; en dat binnen de grenzen der gereformeerde kerken, die eenzelfde belijdenis hadden, zoodat hij, zonder onoprecht te wezen, daarin niet meer kon blijven dienen. Verzot tegen hem uit den boezem dier kerken moest dan ook wel volgen. Verscheidene tegenschriften verschenen in het licht; zelfs zijne vrienden en aanhangers gaven hem hunne ontevredenheid te kennen 1). En dat alles heeft hem waarschijnlijk bewogen om aan een\' zijner oude kennissen, Reinier Donteclock, destijds predikant in den Briel,

1

Schotel, u.ül. 1, blz. 137.

-ocr page 207-

195

die hom ook over zijn boek vermaand had, te berichten, dat hij wol bereid was tot eene conferentie met vier predikanten, om het vorkeorde in zijne stellingen aan te hoo-ren, en te horroepen, als hem werd aangetoond, dat het onzuiver was \').

Een dier vier was onze Helmichius 1).

In \'t begin van 1585 was vermoedelijk aan hom reeds do opdracht gedaan, om eene weerlegging van Herman\'s boek te schrijven;2) en nu kwam hij, in 1586, op Dinsdag na Pinksteren met drie andere predikanten in Gouda, ten einde Herberts, zoo mogelijk, weer terecht te brengen. Het onderhoud liep voornamelijk over de reehtvaardigma-king — Herberts kon zich met de leer van de toegerekende gerechtigheid van Christus niet vereenigen \'), —■ doch werd den volgenden dag, op last van do stedelijke Overheid, gestaakt, en droeg daarom weinig vrucht3).

In Juni d. a. v. vergaderde de Partic. Z.-H. Synode te Rotterdam, doch daar werd hot geschil evenmin vereffend ; zelfs niet besproken met den persoon in quaestio, wijl die, wel ontboden, weer niet verschoon li).

De Generale Synode, nog in dezelfde maand in den Haag begonnen, heeft zich toen met de zaak bemoeid. Na herhaalde correspondentie mot do Goudsche Overheid, dio

1

De drie anderen waren: Prof. Saravia uit Leiden, Jeremias Bas-tingius, pred. te Dordt en ds. Reynerus Donteclock uit Delft. Reitsma en van Yeen, a. w., Dl. H, blz. 267.

2

JV. d. M.-V.j S. III, Dl. V (2e st.), blz. 259, waar raet den enkelen naam «Wernerusquot; waarschijnlijk onze held is bedoeld; ten minste een ander, met denzelfden naam, bob ik in dien tijd niet gevonden. Wie hem dan de weerlegging opgedragen hebben, kan ik echter niet meêdeelen: nergens vond ik daaromtrent eenige nadere aanwijzing.

3

Kort etuV waerachtig Verhael, blz. 30 vg. Vgl. Reitsma en van Veen, «. w., Dl. II, blz. 267.

-ocr page 208-

1901

Herberts eerst niet wilde laten gaan, zag zij hem eindelijk in quot;t laatst van Juli in haar midden verschijnen, vorgezel-schapt van gecommitteerden uit Kerkeraad en Magistraat. In dier presentie is namens de Synode met Herberts over enkele punten der leer gesproken, en van elk punt eene bijzondere schriftelijke bekentenis ontworpen, welke door Herberts geteekend werd. Bovendien onderschreef hij eene algemeene acte van schuldbekentenis en verklaring — met zijn goedvinden door de Synode opgemaakt, — waarin o. m. uitkwam, dat hij bij de zoo even genoemde schriftelijke bekentenissen persisteerde; dat hij bereid was de Nederl. confessie te onderteekenen met eene kleine restrictie bij art. 16; dat hij den Heidelb. catechismus goedkeurde, nadat antw. 114 nader omschreven was; en dat hij over sommige punten in zijn boek, die „impertinentelick ende duysterquot; gesteld waren, eene brcedere verklaring zou uitgeven, met voorweten en oordeel van do academie van Leiden en nog drie andere mannen \'). Hierop werd hij weer voor zuiver in de leer gehouden.

Helmichius was een dier drie, welke de breedere verklaring mede moesten nazien -).

Niet minder dan drie jaren verliepen evenwel, voordat dit onderzoek beginnen kon; Herberts had allerlei excusen 1).

1

Kort end\'\' waerachtich Verhael, blz. 5G; en Reitsma en van Veen, a. ir., Dl. II, blzz. 300, 318—\'20.

-ocr page 209-

197

Eerst half Oct. 1589 kon to Leiden mot tie onderzoeking oen aanvang worden gemaakt, na afloop waarvan, helaas! eenstemmig moest worden verklaard, „dat dese Yerclaringe geen rechte verclaringequot; verstrekte, „end\' derhalve in soo-daniger forme niet bohoor(de) gedruct te werdenquot;.

Men was dus nog weinig of niets verder dan in 1586.

Van die censuur werd bericht gezonden aan Herberts — welke later in een schriftelijk antwoord genoegzaam liet uitkomen, dat hij ze niet aanvaardde, — en rapport uitgebracht op de e. v. Particuliere Synode, die in Aug. 1590 te Dordt geopend werd \'). Tweemaal ontbood die hem weer, doch al weer te vergeefs, en sprak daarna als haar oordeel uit, dat Herberts\' boek „seer schadelyckquot; was, omdat er „vele dwalingen, onschriftmatighe redenen, duysterheden, strydige dinghen, verkeerde allegation der Schrift ende vele andere impertinentiënquot; in stonden. Toch wilde de Synode ook nog eene poging aanwenden om Herberts te recht te brengen, en wees 5 predikanten aan, dio te Rotterdam, waar hij wilde komen, of elders met hem moesten confe-reeren; „over synen bocck theses stellen of andersins handelen tot beternisse van d\'ergernisse, met den bocck gegeven, soo syt allerbequaeinste (zouden) vindenquot;; nam hij „d\'on-derwysinghequot; aan en wilde hij „retracteren wat tegen de gesonde leere in synen boecken (streed) na der gedeputeerden goetvindenquot;, dan mocht „de saecke geremedieertquot; worden; verwierp hij ze, dan moesten dc vijf gedeputeerden „yet tegen syn voorsz. bocck laten uytgaen, hctwelcke sy oock met andere predicantenquot; mochten „communicerenquot;, en moesten zij „met advys van de synodale classe voorder (met hem) procederen naer kerckelycke discipline tot een-

1) Kort emV waerachtich Verhael, blzz. 75—79. Vgl. Reitsma on van Veen, a.w., Dl. II, blz. 381 vg.; on H. C. Koggo, C. J. Coolhaes, Dl. II, blz. 158—161.

-ocr page 210-

198

sure, suspensie vau synen clieust eude van deu avundtmael ende eyndelyck tut excommunicatie exclusive, welcke gere-fereert (zou) worden tot do naestc synode particulier oil gcneraelquot; \')•

Bij die vijf gedeputeerden was ook weer onze Hclmichius. Hij treedt ditmaal zelfs eenigszins op den voorgrond.

In October ontboden ze Herberts naar Rotterdam, doch kregen, als naar gewoonte, weer een weigerachtig antwoord. Nogmaals verzocht, kwam hij, doch wilde alleen maar met een paar hunner „int particulierquot; spreken; wat hem werd toegestaan. In die „private communicatiequot; kwam men echter niets verder met hein, en evenmin den volgenden dag, toen alle gedeputeerden met hom spraken. Helmichius keerde onverrichter zake naar Delft terug 1).

Maar ziet, bijna een jaar later was Herberts te bewogen, om nog eens in Rotterdam te komen, mits hij dan alleen met Helmichius onderhandelen mocht. Ook dat is geschied, alleen met deze exceptie, dat het gesprek op deu bepaalden dag in presentie van 2 Rotterd. predikanten is begonnen. Het werd voornamelijk gewijd aan „het artijckel vade H. Schrifturequot;. Al debatteerende dwong Helmichius hem, enkele punten toe te geven, doch het verslag van de conferentie maakt den indruk, dat Herberts ten slotte nog weinig veranderd was. In het „Kort end\' waerachtich Verhaclquot; :!) staat er van: Hermannus wilde staende houden, dat de seker-heyt der conscieutien inde rechte leere moest comen wt do Geest, en dat sonder de Schrift: wel verstaende dat daerna de H. Schrift een mede-tuyge is. Daer tegen hem bewesen worde, dat dese sekerheyt des Geests inden menschë niet

1

Kort end2 waerachtich Verhacl, blz. 122—\'24. Ook in de Handc-lingen der synod, vdepiitateiiquot; uit 1590 wordt hiervan melding gemaakt. O-A. d. N. 11. K., Nr. 31, A.

2

Eeitsma en van Veen, a.iv., Dl. II, blz. 381 vg.

-ocr page 211-

199

vast en was, sonder do Schrift: Wat datter oock ccn seker-hcyt dos Goostes en ecuen gewissen ijver inden dwalenden menschc conde wesen: Dat daeromme de geesten wt do Schrift gcoordoelt moesten worde, of sy wt God dan wt den menschen waren, etc. Daer na hem voorgelesen zijnde het eerste punt vande censure, belangende de Schrifture (te weten, dat hy seyt, dat de H. Schrift niet en is het waer-achtige en eygentlicke woort Gods selve) seyde hy, noyt soo gevoelt te hebben, en sijn meeninge aldaer niet recht verhaclt te wesen: wat dat het woort leueHcle wt gelaten was. AVaer op hem worde geantwoort, Dat men siek ge-droeeh aen sijn declaratie, en dat het in allen gevalle even vele was, tquot; ware dat het woort lenende daer by stout, of niet: Want hot waerachtige eygentlicke woort Gods is levêdich, Hebr. 4. 12 etc. In summa: Na veel redenê end\' debateren, worden eyndelick van hem bekent endquot; tooge-staen dese punten. Ten eersten. Dat niet de lettere a, b, e, Gods woort zijn: maer de meeninge en verstat t\' welck die letteren end\' woorden medebrengen, ofte de sin des H. Geests in die woorden vervatet, dat sy Gods woort. Ten ij0quot;. Dat Gods woort evenwel Gods woort is, al en wort hot niet aengenomen: Welcke twee punten Hermannus den twee Predicanten onlancx te voren in Augusto bekent hadde: daeromme het vreemt was, dat hy nu van nieus wederom soo vele daer over disputeerde. Maer sulcke ongestadicheyt heeft më altijt by hem gevonden. Ton iijel1, bekende hy oock nu. Dat het oordeel der geesten (te weten, of de geest die den mensche van eenieb gevoeli\' getuycht, wt God is, of niet) door de H. Schrift moet geschieden. Int debateren seyde hy, onder anderen: Hoe hy de sake meer nadocht, hoe dat hy meer in sijn gevoelen gestorekt worde, dat hij \'t wel voor hadde, en daerentegen, datter dwalingen waren in de censuren: Waerop als hem geantwoort worde, en onder anderen geseyt, datter twee dingen waren te doe: Ten

-ocr page 212-

200

eerste, do argcniisso vau sjju boeck wech te ncmeu, efï dcr Kercke kennelick te make, dat het niet vour goet gehouden worde: Ten ij™, sijn persoon te bokeoren, en tot het rechte gevoelen te brengen; en dat om het tweede te doen, de conferentie boquaem eü noodich was: Soo liet hy hom nochtans duncken, dat de condemnatie des boecx gegaen zijnde, de conferentie nu te vergeefs was, want doch t\' gene eens gedecreteert was by den Synode, niet en soude geretracteert werdc. Hy berispte oock de voorsz Vergaderinge, als of se het boeck gecondemneert hebbende, nu quame disputerë, oft te recht of t\' onrecht was. Waer op hem geseyt worde, dat goede kennisse voor henen van sijn boeck genome was tot verscheyden reysen; verscheyden conferentien mot hem door verseheydè personen gehouden waren: eii dat de condemnatie indë Synodo eerst gegaen was, na dat de censuren met sijne declaratie oft breeder Verclaringo geconfereert waren. Eü voorts, indien de Gedeputeerde inde conferentie souden gewaer worden datter eenieh misverstat ware, eü hy bewijsen conde sijn meeninge anders te wesen, of dat syluyden andersins eenieh beter bericht van hem vernamen, sy luyden den Synodo daer van rapport doende, de resolutie daer na wederomme conde gerichtet worden: Maer hy ver-claerde tegen t\' advijs des Magistraets niet te begeeren by de Gredeputeerde te comen, daer by voegende dese reden, dat hy gesuspendeert wesende, afstas soude, en hem niet tot twist gebruyekê soude laten, eü voor hadde da evenwel tor Gronde te blijvê woonen eü eenige handelinge te doê, daeriime hy dan hare E. gunste van doene sonde hebben etc.quot; Hot „eyndelicke afscheyt, belangende de voordere pro-cedurenquot; was, dat de gedeputeerden „vrijquot; te Gouda konden komen om verder met hem te spreken.

Ook daarin zijn ze hem in de volgende maand, Sept. 1591, ter wille geweest. Met hun vijven hebben ze hem bezocht. Een hunner, misschien Helmiehius weer, heeft nog

-ocr page 213-

201

eens 2 uur mot liew over do II. Schrift gediscussieerd, doch den volgenden dag kwam er weer soortgelijk bericht van het Stadhuis als 5 jaar geleden, t. w. dat verdere onderhandeling met Herberts verboden werd en dat hij — zoo werd er nu bij geboodschapt — van stadswege onderhouden zou worden, als het tot suspensie of ook excommunicatie kwam. Schriftelijk werd daarop door do gedeputeerden geantwoord, waarna ze Herberts nogmaals vermaanden en heengingen, bedroefd zijnde dat de dingen zoo\'n verloop hadden \').

De Particuliere Synode van den Haag, in Oct. d.a. v. gehouden, zag zich dus ook weer voor de zaak geplaatst. Zij ontbood Herberts, die mot taai geduld behandeld werd, „ten diverscho reijsen\'quot;, doch hij bleef, evenals vroeger, weer weg; alleen liet hij o. a. weten, dat hij „soveel hij met goede conacientie vermochte, een bekenteuisse van verscheijde poincton wilde laten wtgaen, doselvo eerst in communicatie met Wernero Helmichio ende Lansbergio geleydt hebbendo, waermee hij wilde zijnen boeck gecorrigeert hebben tot voldoeninge der acte synodi nationalis anno 86.quot; Door deze ,presentatiequot; liet de vergadering zich evenwel niet ophouden, en suspendeerde hem na rijp beraad, met alle stemmen op een na 1), „niet alleen vant gobruyek des avondt-maels des Heeren, om tselvo door sijn onboetveerdichcydt niet to ontheyligen, maor oock vande bedieninge des woordts Godts en sijner h. sacramenten, ten eynde hy niet langer uytg(ing) voor oen predicant der Gereformeerde kereke, noch vorder onder desen titel yemanden bcdr[o]ge, daor hy doch den grondt ende de loere der kereke (begrepen inden Catechismus) niet toe en [stond], maer veel meer berechtende [was]quot;. En voorts droeg zij aan „haere gedeputeerde

1

Kort end\' wuerachtich Verhael, blz. 158.

-ocr page 214-

202

iu dese sakequot;quot; op, om eeu „historiael verhaclquot; in \'t licht tc geven vau „do handelingoquot;, met Herberts „gelioudeuquot;, zijne dwalingen daarin aan te wijzen en te wederleggen, en vorder tegen hem te procederen tot excommunicatie toe, als hij hardnekkig bleef1).

Werkelijk is het in 1592, nadat Herberts eerst nog eens particulier2) en ook nogmaals door de „gedeputeerdenquot;quot;s) was vermaand, bijna tot volledige toepassing van de „ wtorste remediequot; gekomen; de eerste en tweede voorstelling, dooide kerkenorde voorgeschreven, zijn reeds gedaan te Dordrecht, Rotterdam en Schoonhoven, op 7 en 21 Juni; doch toen draaide Herberts wat bij, en schreef aan de „gedeputeerdenquot;\' een\' brief, waarin hij verklaarde het geschil te willen onderwerpen aan de e. k. Generale Synode, aan de kerk van Zurich of aan 4 predikanten. Zeer uitvoerig is hem daarop later geantwoord3). Eu misschien had de excommunicatie kort daarop plaats gehad, ware niet iets tusschenbeide gekomen, dat eene geheel andere wending aan de dingen gaf. Wat toch was het geval? De Magistraat van Gouda had eene copie van Herberts brief aan de „gedeputeerden aan do Heeren Staten toegezonden, die er zich toen mede bemoeid hebben en zooveel gewicht in de schaal leiden, dat Helmichius met zijne mede-gedeputeerden wel naar den

1

Reitsma en van Veen, a. w., Dl. II, blz. 409—\'11 en 413 21, waar in den breede wordt meegedeeld wat op deze Synode in de zaak van Herberts gebeurde. Copie van de geheele acte is toegezonden aan Heroerts, aan de kerk, Classe en Magistraat van Gouda. Ook lichtten de synod, «deputatenquot; o. a. «met advijs Werueri Helmichijquot;, op 19 Nov. Ic91 de H.H. Staten in, blijkens de stukken over Herberts in het Delftsche herheraadsarchief, Afd. IV, L*. A, nquot;. 15. Vgl. C. M. v. d. Kemp, a. tv., DL II, blz. 186.

2

Door Thomas Bruschenus, pred. te Ouderkerk, die hem in begin van 1592 twee brieven schreef. Zie de stukken in het Dclftschc ko\'kc-raad sar chief.

3

H. C. Rogge, a. w., t. a. p. . en O. M. v. d. Kemp, a. w., Dl. II, blz. 190—\'97. (Vgl. Bor, a. iv., Dl. II, blz. 813—822).

-ocr page 215-

203

Haag geweest zijn, om hun inliolitingen te geven umt/ent het geschil met Herberts, en hun te verzoeken dat zij Je „kerke in haer werk en offitie wilden handhoudenquot; \'), maar zich hebben moeten schikken in eene conferentie van Herberts met Wtenbogaert en Lansbergen2), waarin het zoover gebracht is, dat op de Leidsche Synode, in 1592, eene aanvankelijke verzoening tusschen Herberts en de kerken tot stand kou komen 3), mits hij eene soort „confessiequot; van hem, ter Synode aangeboden, en eene door haar opgestelde „schultbekeutenissequot; onderschreef; die beide stukken in druk werden gegeven; en de „reste van zyne boeckenquot; „opgehoudenquot; werd; terwijl in 1593 door de synod, „deputatenquot; in de zaak Herberts, in den Haag eene vergadering van predikanten is belegd — uit elke Classe een, — mede bijgewoond door afgevaardigden namens Z. Exc. en de H.H. Staten, die er de deputaten en predikanten toe bewogen hebben, om nu „met Hermanno tevreden [te] synquot; en eene „actequot; van Herberts\' „vereeningequot; met de kerken op testellen. Op 22 Aug. is die „actequot; te Gouda, Dordrecht, Rotterdam en Schoonhoven van den „predickstoel alfgelesenquot;, terwijl op de Synode in den Briel, die spoedig daarop samenkwam, de handelingen met Herberts sedert do Leidsche Synode, na eene enkele opmerking goedgekeurd werden \').

Eigenlijk was echter het geschil met Herberts ovor do loer meer gesmoord dan vereffend, en later is dan ook, zooals Baudartius het uitdrukt, „den ouden suyr-dcech weder opghebrokenquot; ^). Herberts liet o. a., in strijd met zijne be-

4) Bor, «. w., Dl. II, blz. 826 vgg.

\'2) H. C. Rogge, Dl. II, blz. 165. ITolmichius heeft quot;Wtenbogaert

later weer op dit geval gewezen. Zie M. C. Kogge, J. Wtenbogaert enz., Dl. I, blz. ïHG.

3) Reitsma en van Veen, «.«•., Dl. II, blz. 441-\'46 en 470—\'7-2.

4) Reitsma en van Veen, a. tv., Dl. Ill, blz. G.

5) Baudartius, Menionjen enz., Dl. I, blz. 2.

h

-ocr page 216-

204

lufte bij do verzoening met de kerken afgelegd, de cate-chismus-prediking, niet minder dan vroeger, weer na •), en gaf daardoor, gelijk later gezegd word, „geen oleyne oorsake van achterdonoken, dat hy van ousnyverht van der leere noch niet gebctert eu (was)quot; 1).

Dientengevolge hebben de kerken zich na 159!i, op hare Synoden of door middel van hare „deputatenquot;, nog gedurig weer mot Gouda moeten bemooieu, en ook Helmichius is niet buiten die vernieuwde eu ouaangenanie verwikkelingen gebleven 2).

Eerst heeft hij, niet lang na de Brielsche Synode, met zijne mede-Bdoputatenquot; Herberts vermaand, „tot bevorde-ringe vaü suyvere leer eu meerdere gemeenschap te houden met de Vlaemsche broeders (in Gouda)3), dewyle deselve oock syno schapen warenquot;; en hem voorgehouden, dat hij

1

Handelingen der wjedeputeerdenquot; d.d w26 Aug. 1597. (Janssen, a, tv., Dl. I, blz. 12, k.).

2

Over Gouda is gesproken in 1594 op de Synode te Rotterdam- in 1595 te Gorinchem; in 1596 te Delft; in 1597 te Schoonhoven; in 1598 te Dordt; in 1599 te \'s Gravenhage : in 1000 te Leiden; in 1601 te Gouda; in 1602 te Schiedam. Reitsma en van Veen, a.w., Dl. III, blzz. 34 vg., 6*2, 70 vg., 84 vgg., 104 vgg., 126, 141, 161, 184. Vgl. voorts de Handeling en der ^gedeputeerden^ van 1593—\'99, aanwezig in het O.-A. d. N. H. K., Nr. 31, A, of in den reeds dikwijls genoemden foliant vanTilm. Cupus.

3

Die Vlaamsche broeders worden in de ylc/rt meer dan eens genoemd. Zij waren sterke voorstanders van catechismus-prediking en werden daarom door Herberts en do Goudsche Magistraat met minachting bejegend. Zie Rapport der ^gedeputeerdenquot; uit het synod, jaar 1593—\'94 (Janssen, a.w., Dl. 1, blz. 10, n0. 26); en d.d. 31 Aug. 1598 (Janssen, a. w.. Dl. I, blz. 13, n\'. 39). Over die »Vlaeiusche mannenquot; wordt ook gesproken in de ))Naerder verklaringhe over XXXII artic. door II. Herbertsquot; enz., [1592J. Zie Beschr. Cat. der Paniflett. verzamel. van de Remonstr. kerk te Amsterdam, door H. C. Kogge, St. I, Afd. I, le ged., blz. 17,

-ocr page 217-

205

geen andere predikanten in Gouda zou brengen dan die „suyver en reyn waren in den geloovequot;.

Later, in Aug. 1597, toen hij anders geen „deputatusquot; Synodi was, werd hij, met nog oen paar predikanten, gevraagd, om met de synodale „deputatenquot; te delibereoren over don toestand van de kerk te Gouda; en werd mede op zijn advies besloten, aan de Synode, die weldra te Schoonhoven zou beginnen, voor te stellen, dat Herberts mot nadruk zou worden herinnerd aan zijn\' schuldigen plicht om den catechismus te leeren, en dat hem tevens aangezegd zou worden, dat hij zich niet langer ,verexcuserenquot; zou mot de Magistraat „alsoo hij een Dienaer Christi en niet der menschenquot; was\').

Daarna, in April 1598, ging Hclmich — nu weer als ,gedeputeerdequot; der Synode — met nog twee „deputatenquot; naar Gouda, om met de Magistraat zelve te spreken „aen-gaen het leeren des catechismusquot;, wijl Herberts zich maar altijd achter haar bleef verschuilen. Zij overlegden eerst mot den Goudschen Kerkeraad hoe zij het bij „myn Hoerenquot; moesten aanleggen en meldden zich toen 16 Apr. „opt Stadt-huysquot; aan. Binnengelaten, verzochten zij vriendelijk en dringend, dat de „Hoerenquot; het loeren van don catechismus toch niet langer wildon verhinderen, er op wijzende:

1°. dat do Magistraat bodenken moest, dat do „gedeputeerdenquot; der Z.-H. Synode dit verzochten, en het verzoek dus uit naam van alle dienaren en lidmaten van alle gereformeerde kerken in Z.-Holland tot hen kwam;

2°. dat de beslissing over dat punt der Magistraat ook niet toekwam, omdat God hot „Politike en korckel. amptquot; onderscheiden had; waarbij Luc. 20 : 25 werd aangehaald; en 3°. dat de Magistraat de vrijheid „van bedioningo dor go-

1) Handeling, der ngedeputf.quot; d.il. 2(» Aug. irtOT. {Janssen, «./r., Dl. I, blz. 12, k.).

-ocr page 218-

200

reformeerde kcrekenquot; niet moest belemmeren; te minder, omdat do secten geheele vrijheid hadden.

Na eene lange discussie, die hierop volgde, kwam er „confusie van woorden en disputenquot;, en de „deputatenquot; gingen ton slotte heen, zonder dat hun verzoek was ingewilligd. Zij hadden op rotsen geploegd •).

Eindelijk heeft Helmich in December d. a. v., op last der Synode, met zijne mede-„deputatenquot; nogmaals „instantelypkquot; bij den „eersamen magistraet van der Goudequot; aangedrongen op het toestaan van catechismus-prediking, doch met denzelfden treurigen afloop als acht maanden geleden ^). De Magistraat wilde den catechismus niet. En Herberts evenmin; nooit heeft hij, schrijft Trigland, „wat instantien men oock daertoe gcdaen heeft, den Catechismum, dat is. de hooftpoincten der Christeiijcker Religie, soo die in den Catechism o begrepen syn, willen Predicken, ofte der Gemeynte uyt den woorde Gods, voordragen, verklaren ende bevestigenquot;1).

Hoewel formeel mot de kerken vereen igd, scheen het toch altijd, alsof Herberts in zijn hart niet vereenigd was met de gezonde leer.

Helmich heeft dan ook van al zijn getob in deze zaak bitter weinig goede resultaten gezien; en hot laat zich verklaren als hij later, toen hij reeds enkele jaren in Amsterdam was geweest, nog altijd met tegenzin heeft teruggedacht aan den hoimelijken verwerper van den Heidelberger-, maar den zeer waarsohijnlijken schrijver van den Goudschen ca-

1

Trigland, a. tv., blz. 233.

-ocr page 219-

207

techismus\'), aan Herberts, dien bij in 1605 met den min liefelijken naam van ,,pIompaertquot; betitelde 1).

2. Helmichius in zake Caspar Coolhaes.

Ilelmicbius heeft ook met Coolbaes te doen gehad om diens afwijkende gevoelens in de her. Zooals ik in de vorige paragraaf, bij Helmichius in zake Leiden, reeds meèdeelde, is Coolhaes in 1581 ter Middelburgsohe Synode veroordeeld tot „schuldbekenninge etc.quot;, nadat men zijne boeken verworpen had; en is aan „vyer omliggende classon ende eynteliek der prouincie van Suythollant beuolen te procederen tot excommunicatie gradatimquot;, als hij volhardde in zijne ongehoorzaamheid. Eenigen tijd na de Synode is toen het plan gevormd, om met Coolhaes een colloquium te hebben en in den breede met hem over zijne gevoelens te spreken; wat Helmichius, blijkens zijn\' brief aan Cornelisz te Delft, d.d. 23 Sept. 1581, zeer toelachte, omdat daardoor aan Coolhaes alle voorwendsel van verontschuldiging en laster, hem in zeker opzicht gegeven doordat de Synode zijn laatste geschrift geweigerd had, benomen werd 2); doch van de disputatie schijnt niets gekomen te zijn, en kort daarop, den 3«n Dee., hebben de Staten van Holland, gehoord het rapport hunner gecommitteerden van eene vergadering, in Nov. en Dec. in den Haag gehouden, over en met Coolhaes, besloten, dat de kerken met de procedure tegen hem konden voortgaan ^3). Vier dagen later gingen A. Cornelisz uit Delft en Hendrik

1

W. d. M.-V., S. III, Dl. IV, blz. 261.

2

W.d.M.-V., S. III, Dl. IV, blz. 15 vgg., waar Helmich ook nog stilstaat bij hetgeen Coolhaes ter Middelburgschc Synode had gezegd on bij diens «Apologiaquot;.

3

H. C. Rogge, J. Wtenbogaert enz., Dl. I, blzz. 268, 356. Door dat boekje was volgens Helmich, woninis vis mascula doctrinae Evangelicnequot; weggenomen. Zie zijn brieven d.d. 26 Oct. en 3 Deo. 1607, waarin hij over dien catechismus schrijft; opgenomen in Bijlage D.

-ocr page 220-

208

v. d. Corput uit Dordt, die na afloop der Haagschc vergadering nog in den Haag gebleven waren, dan ook naar hem toe, „om met hem te spreecken ende hem te vermanenquot;, doch hij liet hun door da. Hackius \') zeggen, dat hij hen niet ontvangen kon Zij droegen toen aan Hackius op om hunue vermaning aan Coolhaes over te brengen, en gingen heen.

In het begin van het volgende jaar is toen het verloop der procedure definitief geregeld. De afgevaardigden uit de vier Classen, Delft, Leiden, Haarlem en den Haag, door de Synode aangewezen, kwamen bijeen, en besloten „dat die vooras. C. Coolhaesius voor ende aleer die wterste remedie tegen hem gebruijet werde, tot driemael door aekere personen, van haerlieden daertoe geoömitteert, aengesproken ende tot behoorlicke schultbekenninge vmaent sou worden; . . . ende door deae gecömitteerde personen sal den vooras. C. Coolhaaius in alle drie vmaningen van wegen deser vgaderingo afgevraget worden: Alsoe hie genoechsaem in den Sijnode van Middelburch vmaent ende onderricht ia geweest van sijn fauten in aijn utgegeven boecken ende van der ergernisse bij hem der kereke Gods gegeven, Gelyck oeck onlangs in Sgravenhage hem voer den heeren Com-misaarien is voorgehouden, ende bewesen, off hie hem bedacht heeft ende willich is hem met die Gemeente Gods te reconcilieeren, oeck dare beneffens wel ernstelick vmanen, wat hie als een Dienaer d. Gemeente geweest, nae Gods 11. Woort in desen was te doen schuldich is, sonder in eenige verdere Dispute met hem te treden. Doch soe den voorss C. Coolhasius eenige bredere private onderrichtmge

1) Dus niet door van Brakel, zooals Kogge, C. J. Coolhaes, Dl. I, blz. 220\' vermoedt. Ik ontleende deze bijzonderheid aan de stukken over Coolhaes in het O.-A. i/. -V. If. A\'., Nr. 39. I.

2) Hierop zinspeelt Ilelmichius zeker in zijn hyief van 23 Dec. 1581, in W.d.M.-r., S. III, Dl. IV, blz. 23.

-ocr page 221-

209

der sake vsoehte, wordt haei\'lieden sulcx to doon vrij gelaten, al« se dat stiehtelick vinden sullenquot; \'). Helmichius en Andreas Hagius moesten de tweede vermaning doen op 24 Januari, doch zijn niet eens in Leiden geweest, omdat de Leidsche Mugistraat 14 dagen te voren, toen A. Corne-11 sz en Jan Hejjmanss, ouderling te „Naaldwickquot;, de eerste vermaning zouden geven, uit vrees voor oproer, alle verdere bezoeken aan Coolhaes had verboden2). Gelijk ook in den Haag reeds vastgesteld was, werd toen 4 Febr. d. a. v. de eerste „voorstellinghequot; van Coolhaes te Delft en Haarlem gedaan3); 18 Febr. de tweede; 4 Maart do derde 4); elf dagen later kwam eene Provinciale Synode te Haarlem bijeen, welko, na eeno vruchtolooze poging om Coolhaes „tot beteringequot; te bewegen, tot geheele afsnijding besloot5); on 25 Maart heeft dopraeses ds. Lydius in laatstgenoemde plaats, na eene predicatie. waarin „in generequot; over excommunicatie gehandeld werd, „opentlick voir het volck Casp.vrum Koolir aes in den name des synodiquot;\' geëxcommuniceort6). „Qui sordescit, sordescat

•1) O.-A.d. N. II K., Nr. 39, I. Vgl. Rogge, a.Dl. I, bk. 220—223, waiir tevens vermeld wordt, dat de afgevaardigden der Leidsche Classe niet meewerkten tot dit besluit.

2) Rogge, a.w., Dl. I, Mz. 223; en W.d.M.-V., S .III, Dl. IV, blz. 27.

3) Xiet te Leiden en \'s Hage, wjjl men het daar niet wilde doen. Rogge, a.iv., t. a. p.; en //\'. d. M.-F., t. a. p.

4) Reitsma en van Veen, a. w., Dl. I, Voorbericht, blz. xvn.

5) Reitsma en van Veen, a. w., Dl. I, blz. 106—113: Rogge, a. w.. Dl. I, blz. 223—29. Vgl. W.d.M.-V., 8. III, Dl. II (2e st.), blz. ISi— 195. Door de kerk van Leiden is over die daad der Prov. Synode een langdurige kerkrechtelijke strijd tegen haar gevoerd, en de Haagsche Synode van 1580 heeft de eerstgenoemde grootendeels in het gelijk gesteld, omdat de Prov. Synode uit \'t oog verloren had, dat er met «gemeen accoordquot; had moeten gehandeld worden, terwijl zij buiten Leiden om was doorgegaan. Helmich is ook nog even in dien strijd gewikkeld geweest, zonder dat echter nadere bijzonderheden bekend zjjn. Zie W. d. M.-V., S. II, Dl. III, blzz. 343, 5G2—589.

6) Reitsma en van Veen, a. ic., Dl. I, blz. 113. Coolhaes\' afsnijding is ook te Delft afgelezen, blijkens de stukken over hem in het kerke raad s-archief te Delft, Afd. IV. L11. A, Nr. 16.

14

-ocr page 222-

210

adhucquot;; ot: „Proco(l[a]t in peius,quot; pasto Helmich oveu later op hem toe \').

lu 1586 is hij echter weer ton deele in zijne eere hersteld. De Leyeestersche Synode, die uitvoerig mot hem heeft gehandeld, besloot eindelijk, dat hij weer als „lidtmaotquot; dei-gemeente zou worden „ontfangonquot;, mits zijne vroeger uitgegeven boeken zouden worden gesupprimeerd en te niet gedaau, eu hjj de confessie erkende als conform met do H. Schrift; alleen bij art. 16 zou hij mot eene nadere verklaring, waarin de leer der verwerping verzwegen werd, kunnen volstaan. Aldus is geschied -).

Die erkenning als lidmaat hield evenwel niet in, dat hij ook weer als dienaar des Woords was geadmitteerd, zooals Coolhaes zelf het later voorstelde 1); waarom hij dan ook in 1587, toen hij in Warmond den kansel beklom en preekte, zonder goedkeuring van Kerkeraad of Classe, door hot Leidscho Consistorie vermaand werd en van het nachtmaal werd afgehouden \'). Coolhaes onthield zich sedert van alle prediken en verhuisde naar Amsterdamquot;), waar hij een winkel opende eu verder zijn brood verdiende met handenarbeid 0); doch ook nog zondigde tegen de zuivere leer en boekjes schreef, waarin hij do gereformeerde kerken aanviel.

1

1V. d. M.- S. II, Dl. III, blz. 560; Reitsma eu van Veen, Dl. II, blz. 305.

-ocr page 223-

211

zooilat die nogmaals togen hem te volde moesten trokken 1),

Ook riolinich is daarin nog weer even betrokken geweest.

Do Z. Holl. Synode, in 1601 te Gouda gehouden, besloot, „om hem Caspako de mate vol te meten, dat D. Wernerüs Helmichius endo D. Caspaeus Grevinckhovius hun eerst-daoehs tot Amsterdam zullen laten vinden om met een dienaer des woorts wt de Kercke van Amsterdam met hem in togouwoordicheijt van alles te handelen ende te spreken ende voornemelijck sijn laest wtgegovon lasterbouexken tegens de gomeene kereken, oft mogelyek ware dat hij hem noch door goede vermaninghen ten besten liet raden, hem van horten bekeerde onde syne lasterschriften ende dwaliughen revocoerdebleef hij „hertueckichquot;, dan wilde de Synode gaarne dat hij te Amsterdam geëxcommuniceerd werd, wijl hij daar vele jaren had gewoond -). Gehoorzaam aan die opdracht, hebben Swerinckhusius en de Amsterdamsche predikant Arminius samen op 26 October met hem gesproken, „alsoo Ü. Helmichius, onweders halven t\'Enkhuijsen, niet en quamquot;; hem bepaald bij zijn gedrag sedert 1586 en go-tracht met hem te handelen „van loerequot;; doch zij kwamen niets verder2). Even later kwam Helmich in Amsterdam en die heeft hom, na overleg met Arminius en Planeius, ook nog eens opgezocht. Blijkens eenquot; zijner brieven heeft Helmichius „wel 2 ueren voor in sijn winckel in psentie van sijn huijsfr. met hem gesprokenquot;; „lek vhaeldo hem — schrijft hij — dat hij onrecht besloot en rondt wt achreeff dat P. 0. [Pieter Cornelisz uit Leiden] met de sijnen autheurs van scheuringhe verclaert waren: twelck hare schuitbeken-

1

Reitsma en van Veen, u. w., Dl. 11, blzz. 827, 399; Dl. III, blzz. 128 vg., 143, 153, 168; en Dl. I, blz. 308. Vgl. W.d.M.-y., S.III, Dl. IV, blzz. 132 vg., 170.

2

Reitsma en van Veen, «. ?r.. Dl. 111, blz. 168 vg.

-ocr page 224-

212

ninghe niot mode en brengt: item, dat hij aijn eijgpn sehult-bnkentonisse voi\'sweoch: met eenighe andere ciroumstantien. Item ick versoehte met hem een halff uertgen wat te Cn-municeren en eenige puntgens aen te wijsen vriendtlicker wijse in sijn leste boecksken, opdat hij daerdoor sijn eijgen fauten wat beter sonde mercken (ende ick hadde eenighe van grooffste op een memorie bij mij genomen i maer hij sloech dat soetgens van handt, seggeu het was onnodich. Doch ick hielt hem evenwel een off twee voor, vau claerste: maer hij wilde evenwel, hoe claer dat de fauten waren, deselve houden staende. So dat eijndol. niot met hem en hebbe wtgerechtquot; \').

Na zijne komst in Amsterdam als predikant hebben de synod, „deputatenquot; van Z. Holland Helmich verzocht, Coolhaes nogmaals te willen aanspreken over zijne afwijkende gevoelens doch hij heeft daarvoor bedankt, omdat hij niet meer in Z. Holland was; was hij gevraagd, „noch tot Delff syndequot;, hij had zich „laten gebruijcken: nu soudet sijn buten propoostquot;, berichtte hij aan „deputatenquot; in Juli 1602 s). In dezelfde maand droeg do Kerkeraad evenwel aan hem en l\'lancius op, om oen boekje van Coolhaes door te lezen en het antwoord dat Wijnant Kras „daartegens voorgenomen |hadj te antwoordenquot;. Zij oordeelden „dat de vermaninge van Coolhaes seer vol bitterheyts was\'\', maar dat het antwoord van Kras toch niet „soodanichquot; was, „dat ment in druck soude ut laten gaonquot; \').

1) Zie Helmich\'s brief van 13 Nov. 1001, in Bjjlage IJ.

2) Dit blijkt uit het zooovon genoemd Rapport der si/twd. »depittatm\'\\ waarin tevens uitkomt, dat de «puntgensquot; en »fautenquot;, in llelmichius\' brief genoemd (zie vorige noot), ook bepaaldelijk op Coolhaes\' «dolingenquot; betrekking hadden.

3) Brief van Helmichins, d.d. 41 Juli IG02, aanwezig in het O.-A.d. N.1L A\'., Nr. 73, J, A. Zie Bijlage D.

4) Amsterd. kerkeraadsnotulen, 1 Aug. 1G02. Vgl. Rutgers, Het Kerk-verhand, blz. 35 vg.; Kogge, a.., Dl. II, blz. 95 vg.; en vooral //\'. d. M.- V.t S. 111, Dl. IV, blz. 132 vg., waar Helmich ook nog een ander »boeckskenquot; van Coolhaes bespreekt.

-ocr page 225-

213

Zou moest hij zich dus toch nog weer meer rechtstreeks met Coolhaes iulatou. Maar dene keer was dan ook do laatste; waut toen hij later namens de synodale „deputatenquot; van Z. Holland aan den Kcrkeraad meedeelde, dat een zijner leden moest worden gedeputeerd om met Coolhaes te „handelen\'\', kwam hij vrij en werd Arminius aangewezen \'); en hij bleef ook verder verschoond van meer directe beinoeienisson met den man, van wicn hij in 1582 al geschreven had; Met hem handelen is laterem lavare; en over wien hij zich twintig jaar later aldus uitliet: „Het schijnt dat desen man hem met opset wil gaen stellen tegen de kereke: na den aert der afvalligen, die een gebrantteyekende conscientie hebbenquot;-). Coolhaes is niet gewonnen voor de zuivere loer1).

3. Helmichius in sake Casperus van Bygaerden.

Op de Particuliere Synoden van Z. Holland, in de jaren 1591 — quot;97, is ook telkens gesproken en besloten geworden over zekeren Casperua van Bygaerden; en ook onze Helmichius heeft zich in die jaren nu en dan met hem moeten inlaten.

1

0|gt; de Partic. Z. H. Synoden van Gouda, Schiedam en Brielle in 1601, 1002 en 1603 is besloten, met de excommunicatie van Coolhaes voort te varen. Te Amsterdam moest dat dan geschieden. In 1004 en 1605 zjjn zelfs de synod. »deputatenquot; van Z. Holland in Amsterdam geweest om te verzoeken, dat men de afsnijding o]) zich «soude willen nemenquot;. Amsterdam had daartegen bezwaar, evenals de N. Holl. Synoden. Beide oordeelden dat Z. Holland het moest doen; men kon wel een kerkeljjk gebouw in Arasterdam krjjgen om ze uit te voeren. Zoo is het blijven zitten, want in 1605 besloot de llotterdamsche Synode: «datmen de zake zal laten berusten tot op den synodum nationalemquot;, welke echter vóór Coolhaes\' dood, in 1615, niet is saanigekomen. Reitsma en van Veen, a.iv., Dl. III, blzz. 168, 188, 202, 214, 231; Dl. I, blzz. 363 vg., 376; Amsterd. kerkeraadsnotulen, 1, 10 Juni 1604; 28, \'20 Apr. 1605; Rapport can dc ^gedeputeerden\'\'\'\' der Z. lloll. Synode van \'t geen hun in 1603 ter Brielsche Synode was gelast. (Janssen, De Kerkherv. in Vlaanderen, Dl. I, blz. 14, n\'. 44); en Rogge, a. w, Dl. II, blz. 151.

-ocr page 226-

214

liet geschil dat hij mot do kerken had, liep hoofdzakelijk over zijne leer, om welke hij roods in 1583 werd gewantrouwd1). Hij had een boekje goschrevcu, „gheintulert: „7)t Lichtende morghesterre des prophetisschen wooris off\'t dat aff-schynende licht der kennisse der [H]eerlijckheyt des Soons Godtsquot;, waarvan de hoofdstrekking was, „Dut God nooycnt den mensch voor den valle, noch na den valle Moeff\'t hcefft in sijn wett der yhéboden het toecomende eewighe leven, doch alleeyilych uyt louter ghenade in Christo Jesu, synen Sonequot; 2).

De Haagsche Synode van 1591 kroog inzage van een „qnaterne van twee bladerenquot; uit dit boekje, omdat het andere nog niet in \'t net was geschreven3); hoorde tevens een rapport over een paar preeken, die Bygaorden in den

Uit brieven en stukken over en van hem in het O.-A. d.N.II. K., Nr. 39, II; uit hetgeen over hem wordt meegedeeld of gegist door IE. Q. Janssen in De Kerkherv. in Vlaanderen, Dl. I, blz. 326 vg.; en uit de berichten over hem in De Navorscher, 1891, blz, 370 en 475 vg. bljjkt, dat hjj omstreeks 1530 te Brussel is geboren; in 1563 te Zwijndrecht heeft gesproken; in 1566 voor ))het hoftquot; van Burchondie te Brusselquot; als een ketter is veroordeeld, doch met achterlating van vrouw en kinderen is ontvlucht; dat zjjn naam voorkomt onder de Acta van het convent te quot;Wezel in 1568, en van de Synode te Emden in 1571. En verder, dat hij in 1580 op een drietal stond te Weele, bij Saaftinge Czie over Weele, Janssen, a. tv., Dl. 1, blz. 437 vg.); in 1582 op do Vlaamsche Synode, te Brugge gehouden, een geschikt persoon voor St. Nicolaas werd geacht; in hetzelfde jaar te Brouwershaven is beroepen en in dienst is gekomen, doch daar, volgens zjjne eigene verklaring, in 1583 niet recht werd vertrouwd om zijne leer. In 1587 was hij werkzaam te Bommenede, doch werd daar door de Classe geweerd, terwijl hjj, blijkens zijn eigen mede-deelingen, in 1588 door eene Classe uit den dienst is ontslagen. quot;Waar hjj geweest is van 1588—\'91, in welk jaar zjjne zaak voor \'t eerst ter Synode kwam, bleek mij nergens; misschien te Delft, wier kerk in 1591 de opdracht kreeg om op hem toe te zien. Waarschijnlijk is hjj in 1598 gestorven. Zijn naam is op velerlei wijze geschreven, o. a.: Jaspaert van den Bygaerde; Gaspar van Bygaerde Bruxellensis; Jasparus Bigardus; Casparus Bygaerde, Gasperus van Bigaerden en Casperus van Bygaerden.

2) Den titel geeft hjj zelf op in een stuk uit 1592; de hoofdgedachte in een schrjjven uit 1595. Vgl. voor het laatste, Reitsma en van Veen, a. iv., Dl. III, blz. 54.

3) quot;Wel was een schoolmeester er mee bezig, blijkens een stuk van Casper uit 1593.

-ocr page 227-

215

Haag had voorgedragen iu tegenwoordigheid vau gecommitteerden der Synode; on besloot toen, dat hij geen boekjes meer moest sehrijven, maar goede schrijvcrs moest gaan lezen ; dat hij zijne proeken moest opschrijven; ea dat hij onder toezioht van den Kerkeraad van Delft zou staan, die hem dan later — „hem bequaem vindendequot; — met advies van do „gedeputeerdenquot; dor Synode „totten dienste vorderenquot; kon \'). In 1592 kwam hij echter ter Leidsche Synode weer met zijn boekje, dat nu geheel overgeschreven was en ter „visiequot; werd aangeboden. Permissie om het te laten drukken kreeg hij evenwel niet; hij moest zich maar oefenen, zooals hem op de vorige Synode was gezegd, in plaats van boeken te „scryvonquot;, en de Classe van Delft moest goed op hem toezien 1). Blijkbaar nam hij dat besluit niet goed op; ten minste hij beklaagde zich bij de Synode van den Briel in 1593, dat men zijn boek had veroordeeld, hem „suspect van valsche leere en schryvenquot; had gemaakt, en hem maar steeds uit den dienst hield; waarom hij dringend verzocht zich te mogen verantwoorden over zijn papieren kind, en er op aandrong, dat de Synode den hom aangedanen smaad zoude wegnemen. Hem is toon eerst geantwoord, dat zijn boek niet „als kettersquot; veroordeeld was, maar dat enkel geene toestemming tot den druk was gegeven; doch, omdat hij daarmede niet voldaan was, is zijn geschrift nog eens onderzocht, en bleek het „verscheyden impertinentien, duyster-lieden ende ongenjmthedenquot;\' te bevatten, waarvan „eonigo genoechsaem tot dwalinge streck[t]enquot;, zoodat hot „niet stichtelick en condo in den druck gegeven wordenquot;. Een paar broeders hebben over die censuur met hem gesproken en By gaerden liet zich ..ondorrichtonquot;; aanvaardde zelfs de stelling: „Wij ghelooven dat Godt den mensche in syn wett

1

Reitsma en van Veen, a. tv., Dl. II, blz. 467.

-ocr page 228-

216

beloofft hoofït het toghcnwoordiglio cade toecomende levenquot;; beloofde voor de gehecle yergaderiug, dat hij zijn boekje niet zou uitgeven, en „de bekentenisse der Gereformeerde kereken, in den Catechismo ende de 37 artickelen begrepen, te [zullen] ondersenjven ende hein niet alleen in de substantie der leere maer ooek in de maniere van spreken anderen dienaren des woorts Godes conform te [zullen] dragen.quot; Omgekeerd beloofde de Synode hem, dat hij dan tot den dienst zou worden bevorderd \').

Doch wat gebeurt nu ? Na de Synode was Casper „zeer ontrustquot;, „doerdyen hy meer toegegeven hadde dan zyn gemoet conde verdraegenquot;1), terwijl hij later nog vernam, dat men, zooals hij zei, „een rughschrifftsche actequot; over hem had gemaakt, die zeer in zijn uadeel was. Dat laatste alleen was voor hem een voldoende reden om in Aug. 1594 bij de Rotterdamsche Synode over do „sinistre handelingenquot; jegens hem te klagen, en te eischen, dat de Synode „syn schrift soude apostilleren ende ordiueren die de saecke des synodi tegen hem voor mynheeren Staten souden verandtwoordenquot;. Nu, de Synode zag er niet tegen op om voor de Staten te verschijnen, doch vond het beter eerst nog eens met Bygaerden zelf te spreken, ten einde hem „in syn ongelyck te onderwysenquot;. Aanvankelijk weigerde hij alle onderhoud; later was hij wel weer tot samen-spreking bereid; doch toen het wezen zou, was hij weer onwillig en gaf op 4 Augustus „een cleyn geschriftequot; over, waarin hij zijne eischen had neergeschreven. De synodale vergadering gaf de zaak toen in handen van hare „gedeputeerdenquot;, die „finalyckenquot; met hem moesten afhandelen volgens eene acte, .,daertoo expresselyck gesteltquot;, en waarvan

1

Reltsma en van Teen, a. w., Dl. 111, blz. 54.

-ocr page 229-

217

zij hom „copicquot; moesteu gcvon als „ecu generale andtwoorde up allo syn versoeckquot;, indien hij zich niet gezeggen liet; zijn ouderdum alleen dreef de broederen zooveel geduld met hem te hebben \'). Een dier „doputatenquot; nu was Helmichius, die Bygaerden i\'eeds in Delft had leoren kennen, waar hij ziuh vermoedelijk sedert 1591 ophield, en die ook als praeses van de Partic. Synoden iu 1592 en \'94 bij de behandeling van zijne zaak tegenwoordig was.

Met do drie andere „deputatenquot; ving hij 31 Augustus de onderhandeling met Casper aan. Zij stelden hem den volgenden dag „tot synder saken afhandelinghequot; voor, dat hij het volgende onderteekenen zou ; „lek Caspar van bygaerden, bekenne ende betuijghe mits desen dat iek, volghende de goede meeninghe des Zuijthollantsehen Synodi gehouden in Rotterdam op huyden date doses met de gedeputeerde desselven in vriendolicke cümunicatie getreden ben over de beswaeringhen die- iek in den laetston Synodo geproponeert hadde, waervan iek mij houde vgenoecht. Ende om alle suspicie die over mynen psono gevallen is, of soude moghen vallen wech te nemen, so verelare iek rondeliek dat mync meeninghe muit (sic) geweest is, noch oock alsnoch is, om iet te spreken of te schryven dat daer eenichsins soude stryden teghen do suvere Evangelissche leere der gereformeerde kercJcen ende sommierlick in den oatechismo derselve kereken, ende inde bekentenisse des gelooffs in XXXV! 1 articulon vervatet. Want iek veel meer altijt geneijcht bon geweest, ende noch ben, deselve leere voor te staen ende te verantwoorden, overmits iek met herte ende monde oprechtelick mij daertoe bekenne, ende hope door Grodts genaode, daerby ton eynde myns levens hestendich te blijven, ondo my in ruste ende eenicheyt, met de voorseyde kereke ende Dienaers dersolvo te draoghen. Bogeeronde oock van allen

1) Keitsma ou vau Veen, a. w., Dl. 111, blz. 31—34.

-ocr page 230-

218

myne lieve metbroederen tlat sy gheen ander gevoelen van injj hebben, ende so daer iemaut in mijne pceduren voor de Synoden gedaen moehte geergert wesen dat sy mij tsdfdc willen ton besten afnemen. Ende des toorconden hebbe iok dese tegenwourdighe, met my eyghen handt onderschreven, den l™ Septenibris 1594. In Graevenhaeghe.quot; Als hij die acte teekende, zou hij van de „deputatenquot; een schriftelijk stuk van dezen inhoud ontvangen: „Wij onderschreven als gedeputeerde der Synodi, gesien hebbende de verclaeringhe ende bokentenisse van Casparus van bigaerdeu Predicant des II. Evaugelii, daer van hier boven de copie staet, houden ons inden naeme des Synodi synent halven geconeenteert ende benueclit ende beloven tot weehneminghe aller suspicien hiervan an den naestanstaenden Syuodo (met Godts huJpe) ende au allo dassen ouses Synodi goot rapport ende kennisse te doen. Ende in ansien dat de voorseyde Caspar tot ouderdom gekom-men is, so sullen wij mot den eersten so veel ons mogelick is onse devoir doen, om hem van de Heeren Staten slandts van llolknt vermeerderinghe van alimentatie te verkrygheu, daerop hy hom eerlick in syn ouderdom moghe bedraeghen.

T\'oorconde van dewelcke wy in den name des Synodi dese hebbeu onderteekent den 1™ Septembris 94. In s Gra-venhaoghequot; \').

Casper weigerde volstandig de eerstgemelde acte te tee-konen, zoodat do tweede hem niet kon overgegeven worden en hij ten slotte een stuk kreeg, dat reeds tor laatste Synode was vastgesteld, een kort overzicht bevatte van hetgeen met hem was verhandeld, en aldus eindigde: „dat hy hem voort-acn van alle Kerckelycke diensten sal onthouden [terwijl] den gedeputeerden belast [wordt] den heeren Staten alles te verthoonen, opdat hy van syne ongefondeerde blamatien ophoude ende geen verstooringe in de Kercke come aen te

1) Beide acteu zijn in het O.-A. d. N. 11. K., Nr. 39, II.

-ocr page 231-

210

richtenquot;1). Drie maanden later word hom in Delft, nadat Ilolmichius, op last van den Korkeraad, daarover eerst met do andoro „doputatenquot; had gesproken, ook het nachtmaal ontzegd, omdat hij „in oneenicheyt stondquot; met de Synode2); in oneeniglieid, omdat hij zich door de synodale „doputatenquot; niet in het zuivere spoor had willen laten leiden, en omdat hij, kort na de bijeenkomst in den Haag, eene uitvoerige missive aan do Staten van Holland had gezonden, waarin hij de zijns inziens slechte bejegening, van de Synode ondervonden, afschilderde; den hoofdinhoud van zijn boek en wat daarover met hem besproken was, weergaf; beweerde, dat de vroeger door hom in den Briel aanvaarde stelling, „den voet, fundament, voetsol ja met eenen het hoofftstuck aller dwalinghenquot; was; en waarin hij eindelijk aan de Staten vroeg of sij nu wilden zorgen dat zijn „persoonquot; niet langer „vordrucktquot; werd, maar „inde eere syns dinstes gheresti-tuertquot; werd3). Dat request gaven de Staten weer aan de „gedeputeerdenquot; der Synode, die er niet op antwoordden, zoodat Casper van zijn heele missive niets meer hoorde.

„Doch loff hebbe God Casperus kont des Satans nucken wel,quot; zoo schrijft hij aan de Synode te Grorcum in 1595, aan wie hij tevens „eenen broederen anatomen oflft otbloo-tinghequot; over het leergoschil met hem toezond, en daarin niet minder dan „39 absurditeytenquot; opsomde, die, volgens hem, noodwendig moesten volgen uit de stelling, welke hij in

1

Ik nam deze acte niet geheel op, omdat ze afgedrukt is bjj Reitsma en van Veen, a. w., Dl. III, blz. 32—84. Zjj is zeer quot;waarscliijnljjk door Heliniclilus ontworpen; in het O.-A. d. N. II. K. is althans eene minute, met Helmich\'s hand geschreven; hier en daar met doorhalingen en veranderingen, welke er zeker ter Synode in gemaakt zijn. Bovendien is in genoemd Archief eene wcopiequot;, met eene andere hand geschreven, voorzien van een hoofd, en onderteekend door Ilolmichius en door v. d. Corput uit Dordt; van welke copie wel een exemplaar aan Bygaerden en de Heeren Staten zal gegeven zjjn.

2

Delftsche Jcerkcvaadsnotulcn, 5, 1-2. 23 Dec. 1594.

3

Het O.-A. d. N. II. K., t. a. p.

-ocr page 232-

220

ilen Briiil had guteokend; terwijl hij tcu slotte vroeg om schriftelijk antwoord, en om herstelling\' van „eere, uaem oude faemquot;. Ook die Synode hoeft nog eens niet hom gesproken, en het, na een debat van meer dan twee dagen „in volle ver-gadcringhequot;, zoover weten te krijgen, dat hij bereid was eene „bekenttenissequot; te teekenen, waarin hij zijn vergrijp tegen de Synoden beleed, beloofde zijn „particulier ghevoelenquot; stil te zullen houden, en „rondelyckquot; verklaarde, dat hij nooit bedoeld had iets te spreken of te schrijven „tegen do leere der Grhe-reformeerder kereken . . ., soo die sommierlyek in den Cate-chismo ende in de Nederlantschc Bekentenisse des geloofts, in sevenendertich artioulen vervaetet, begrepen [was]quot; ; waarna bepaald werd, dat hij om zijn ouderdom niet in den dienst zou worden gebruikt — hij begeerde dat volgens zijn eigeu\'c verklaring nu ook niet, — maar bij de Staten „tot alimentatiequot; zou worden gerecommandeerd \'). Alles was dus in orde, en toen Helmichius, die in Gorcum assessor was, hem aan t slot nog vriendelijk -) vroeg, of hij ook nog „iets van de broederen begeerdequot;, verklaarde hij geheel voldaan te zijn en ging heen.

Daarna heeft Uelmich nog eenmaal de opdracht gekregen om zich met hem te bemoeien; en de e.k. Synoden moesten ook weer over hem handelen. Bygaerden toch heeft zich, na de Synode van 1595, eerst bij de synodale „deputatenquot; beklaagd, dat hij geen dienst had; heeft zich daarna met het verzoek om eene standplaats te mogen hebben, tot do Z. H. Synode van 159G gewend, die hem evenmin admitteerde, maar vermaande, dat hij zich tevreden zou stollen met de /\' 200, hom door do Staten „jaerlycxquot; „toegeleydtquot;: en heeft zich later weer bij de „deputatenquot; aangemeld met boeken,

1) Het gelieele stuk, in het O.-A.d. N.H. A\'. aanwezig, is 15 bladzijden lang-. Vgl. Keitsma en van Veen, a. w., Dl. III, blz. 53—55, 8i.

2) »Met soeten woordenquot; schreef Casper aan de Synode te Schoonhoven iu 1597. Zie het O.-A. cl. N. II. A\'., t. a, p.

-ocr page 233-

221

„willende sijn oen commentarie op don Sentbrief van Pauli aeii Romoynenquot;, waarin hij, evenals in zijn vroeger werkje, weer „veele absurde dingenquot; noergeschroven had, zoodut do ..godeputeerdenquot; besloten, dat zij liem dien commentaar zouden teruggeven, als hij er weer om vroeg, cn er dan bij zouden zeggen, dat zij „daerinne niet cn con[d]on doen en hij zich maar „aen synode sellfs addresseronquot; moest. Met zoo\'n bescheid was hij echter niet tevreden, en toon vonden de „gedeputeerdenquot; het maar het beste, dat een paar van do Delftscho predikanten, Hélmichius en Arent Cornclisz, nog oens met hem over zijne „Bouckenquot; spraken, en als hij zich niet liet gezeggen, dat punt in 1597 op de Synode te Schoonhoven brachten \'j. Of aan die opdracht door Hélmichius en zijn mede-dienaar is voldaan, kan ik niet zeker meèdeelen, wijl ik het nergens vermeld vond. Mag echter aangenomen, dat het wel is geschied, en ook aangenomen, dat Bygaorden sedert het punt van de boeken hoeft laten rusten, omdat daarover ter volgende Synode niet gesproken is; hij was daarom nog niet van zijne dwalingen bekeerd, aangezien de Synode van Schoonhoven nog wel weer gehandeld heeft over zijne onzuiverheid in do leer, waarover hij weer geschreven had, en hom met nadruk heeft gelast, zich voortaan stil te houden, wijl hij anders zijn onderhoud wel eens kwijt kon raken; ging hij toch voort „onrust te macckenquot;, dan moest de kerk van Delft verder naar kerkenorde met hem handelen 1).

Na dien tijd komt zijn naam in dc synodale Acta niet meer voor, terwijl hot laatste dat van hem bewaard is gebleven, voor zoover mij bekend is, een brief is uit 1598 2), door hem aan Wtonbogaert geschreven, alweer over zijne

1

Roitsma en van Veen, a. ir., blz. 80 vg.

2

Aanwezig in het O.-A. d. iS\'. 11. K., t. a. p.

-ocr page 234-

220

don Uriel had geteekend; terwijl hij tun slotte vroeg om schriftelijk antwoord, en om herstelling van „euro, naem ende f\'aemquot;. üok die Synode heeft nog eens met hem gesproken, en het, na een debat van meer dan twee dagen „iu volle ver-gaderinghequot;, zoover weten te krijgen, dat hij bereid was eene „bekenttenissequot; te teekenen, waarin hij zijn vergrijp togen de Synoden beleed, beloofde zijn „particulier ghevoelenquot; stil te zullen houden, en „rondelyckquot; verklaarde, dat hij nooit bedoeld had iets te spreken of te schrijven „tegen do leere der Ghe-reformeerder keroken . . ., soo die sommierlyck in den Cate-chismo ende iu de Nederlantsche Bekentenisse des geloolfs, iu scvenendertich articulen vervaetet, begrepen [was] 1; waarna bepaald werd, dat hij om zijn ouderdom niet in deu dienst zou worden gebruikt — hij begeerde dat volgens zijn eigene verklaring nu ook niet, — maar bij de Staten „tot alimentatiequot; zou worden gerecommandeerd \'). Alles was lus in orde, en toen Helmichius, die in Gorcum assessor was, hem aan \'t slot nog vriendelijk -) vroeg, of hij ook nog „iets van de broederen begeerdequot;, verklaarde hij geheel voldaan te zijn en ging heên.

Daarna heeft Ilelmich nog eenmaal de opdracht gekregen om zich met hem te bemoeien; en de e.k. Synoden moesten ook weer over hem handelen. Bygaerden toch heeft zich, na de Syuodo van 1595, eerst bij de synodale „deputatenquot; beklaagd, dat hij geen dienst had; heeft zich daarna met het verzoek om eene standplaats te mogeu hebben, tot de Z. II. Synode van 1596 gewend, die hem evenmin admitteerde, maar vermaande, dat hij zich tevreden zou stellen met de /\' 200, hem door de Staten „jaerlycxquot; „toegeleydtquot; ; en heeft zich later weer bij de „deputatenquot; aangemeld met boeken,

•l) Het geheele stuk, in het O.-A. d. N. II. K. aanwezig, is 15 bladzijden langquot;. Vgl. Reitsma en van Veen, u. u:.. Dl. III, blz. 53—55, 81.

2) «Met soeten woordenquot; schreef Casper aan de Synode te Sclioonhoven iu 1597. Zie het O.-A. d. N. II. iiT., t. a, p.

-ocr page 235-

221

„■willende sijn oon commentarie op don Sentbrief van Pauli aen Eomeynenquot;, waarin hij, evenals in zijn vroeger werkje, weor „veele absurde dingenquot; neergeschreven iiad, zoodat do „gedeputeerden\'quot; besloten, dat zij hom dien commentaar zoudon teruggeven, als hij er weer om vroeg, en er dan bij zouden zeggen, dat zij „daerinne niet en con[d]en doen en hij zich maar „aen synode sellfs addrosserenquot; moest. Met zoo\'u bescheid was hij echter niet tevreden, en toon vonden do „gedeputeerdenquot; het maar het beste, dat oon paar van de Delftsche predikanten, Helmichius en Arent Cornelisz, nog eens met hem over zijne „Bouckenquot; spraken, en als hij zich niet liet gezeggen, dat punt in 1597 op de Synode te Schoonhoven brachten \'). Of aan die opdracht door Helmichius en zijn mede-dienaar is voldaan, kan ik niet zeker meêdeelen, wijl ik hot nergens vermeld vond. Mag echter aangenomen, dat hot wel is geschied, en ook aangenomen, dat Bygaorden sedert het punt van de boeken hooft laten ruston, omdat daarover ter volgende Synode niet gesproken is; hij was daarom nog niet van zijno dwalingen bekeerd, aangezien de Synode van Schoonhoven nog wel weer gehandeld hoeft over zijne onzuiverheid in de leer, waarover hij weer geschreven had, en hom met nadruk heeft gelast, zich voortaan stil te houden, wijl hij anders zijn onderhoud wel eens kwijt kon raken; ging hij toch voort „onrust te maeckenquot;, dan moest de kerk van Delft verder naar kerkenorde met hem handelen

Na dion tijd komt zijn naam in de synodale Acta niet meer voor, terwijl het laatste dat van hem bewaard is gebleven, voor zoover mij bekend is, een brief is uit 1598 s), door hem aan Wtenbogaert geschreven, alweer over zijne

1) Reitsma en van Veen, a.w.. Dl. lil, biz. G9; en 11. Q.Janssen, ff. «•., Dl. I, 327\'.

2) Reitsma en van Veen, a. »•., blz. SC vg.

3) Aanwezig in het 0.~A. tl. A*. 11. A., t. a. p.

-ocr page 236-

222

leerstellingen. ^Misschien is hij spoedig daarna, vóór de e. v. Synode, in Sept. \'98 gehouden, overleden. Hoe dat echter ook zij, zoover wij weten, heeft Helmiehius van zijne, ofschoon dan ook weinig omvangrijke pogingen, om dezen tegenstander der gereformeerde leer terecht te brengen, weinig verblijdende vrnehten mogen aanschouwen. Ook nu was het weer „laterem lavarequot; \').

4. Hdmichius in scthc Adamus Billicliius.

In Maart 1597 is „met consent ende ter presentie van commissarissen van den Hovequot; van Holland1) een mondeling onderhoud gehouden tusschen do ,gedeputeerdenquot; der Synode van Suyt en noorthollantquot; en Adamus Billicliius s), die — in de „voorpoorte in den Haghequot; gevangen zat. Hoe was die daar gekomen? Wat voor man was dat dan toch wel? Het antwoord vinden wij in de brieven en stukken van en over hem.

Daarin komt uit, dat hij vroeger predikant is geweest; eerst te „sGravesandequot;, waar hij in 1592, na veertienjarigen dienst, ergernis gaf door zijn\' omgang met zeker meisje, zoodat hij, o. a. in overleg met Helmiehius, door de Classo is geschorst, en dan eerst eene attestatie van haar kon

1

Reitsma en van Veen, a. zc., Dl. 111, blz. 70.

\'6) Eens wordt zijn naam opgegeven als Adamus Pillicliius (zie (t. u\\, Dl. I, blz. 90), terwijl hij in De Navorncher, 1873, blz. 489—\'94 o. a. »Adam Henricxquot; wordt genoemd, en ook — welke naam het meest voorkomt — Adamus Billicliius. Behalve de aangehaalde Acta van Reitsma en van Veen, Dl. 1, II en lil, en De Navorscher, 1873, raadpleegde ik voornamelijk over hem de Handelingen der vyedeputeerdenquot; van Z. Holland uit 1597 en 1598 (in het O.-A. d. X. H. K., Nr. 31), den foliant van ïilm. Cupus, en een 50tal brieven en stukken van en over hem, welke nog aanwezig zijn in liet O-A. d. N. H. K., Nr. 39, II, en niet enkel, zooals in den catalogus staat, uit 1600 zijn, maar uit de jaren 1596—-1605; de G eerste stukken zijn alle uit 1600, en daardoor komt het misschien dat 1600 alleen in den catalogus is opgegeven.

-ocr page 237-

223

krijgen als hij zijne schuld beleed voor de gemeente; daarna te „quot;Wyringhenquot;; en „lestmael tot montfortquot; 1). In de laatstgenoemde plaats is hij van zijn dienst „gepriveertquot; om onzuivere gevoelens, in door hem uitgegeven geschriften voorkomende, en is daarna, op bevel der Overheid, in Woerden opgelicht, in „iserenquot; geboeid — zooals hij zelf meldt — naar den Haag gevoerd, en „in gevankenissequot; geworpen, omdat hij „conspiratiequot; in de religie had gemaakt met een\' zekeren Caspar Ulenbergius - . Voorts hebben „mynheeren van den Hove van Hollandtquot; aan de synod, „deputatenquot; van Z. Holland „seeckere schriften Adami Billichiiquot; ter band gesteld, waarin hij „quade saeckenquot; van de kerkelijke vergaderingen en kerkedienaren had meègedeeld, vooral „de reyne leer der Waerheytquot; wedersprak, en zich een „Voorstander van Leere des Pausdomsquot; toonde2). En daarop volgde toen de in het begin genoemde conferentie. Billich verklaarde, dat bij zijne klachten over Synoden enz. bij geruchte had gehoord, beleed schuld over zijne lasteringen van de leer, veroordeelde nu zelf zijne „bouekenquot;, en herriep wat hij geschreven had. Er viel dus wel met hem te spreken; en dat gesprek had dan ook ten gevolge, dat hij, na een gevangenschap

1

In 1578 te \'s Gravezande gekomen, was bij daar nog in 1593. Zie A. W. IC. Voet van Oudbeusden, Historische Beschnjvlnye van Culemhory, Utrecbt, 1753, Dl. I, blz. 464; Reitsma en van Veen, u. w., Dl. 1, blz. 90 en Dl. 11. blz. 385; en De Navorschor, 1873, t. a. p. In 1593 is hij zeer waarscbijnlijk naar quot;Wielingen vertrokken, en later naar Montfoort. Dit laatste wordt niet vernield door van Rbeenen in Naenihjst der Predikanten in Utrecht, blz. 25, doch wel in een stuk uit het O.-A. d. X. 11. K., t. a. p., d.d. 12 Sept. 1597; en in Reitsma en van Veen, a. ir., Dl. III, blz. 83, welke plaats mij, evenals de uitdrukking in den tekst aangehaald, doet gelooven, dat hij niet te Asperen is geweest, gelijk door Reitsma en van Veen in het Register van personen achter Dl. II, bij het woord «Adainusquot; als waarschijnlijk is opgegeven.

2

Reitsma en van Veen, a. w.. Dl. III, blz. 70; en een stuk uit het O.-A. d. N. II. K., t.a. p., d.d. 1 Mrt. 1596.

-ocr page 238-

224

van „aclit maondonquot;, weer losgelaten werd door het „Hof van Hollandquot;, doch met deze restrictie, dat hij „inhabil tot eenige dieastenquot; werd verklaard, cn „ton Landen hin wtquot; gobannen werd; wat blijkens een stuk over hem, uit 1600, botee-kende, dat hij Holland, Zeeland en Utrecht voor goed moest verlaten\').

Hij vertrok toon naar Gelderland en trachtte te ..Ingenquot;, in de Class© Tiel, in den kerkedienst in te dringen; waarom de kerk van Tiel inlichtingen omtrent hom vroeg aan de Particuliere Z. Holl. Synode, die 27 Augustus 159G te Delft begon. Zij kreeg afschrift van de over hem uitgesproken sententie. Daarna heeft hij enkele maanden te Arnhem gewoond en zich zoo goed gedragen, dat ds. Fontanus en ds. Phrygius, predikanten aldaar -), in April 1597 aan do Z. Holl. „deputatenquot; schrijven konden: „is siju hartquot; als zijne „woordequot;, dan kan Billich weer in den dienst; terwijl hij zelf aan die „deputatenquot; een „oonfessio fideiquot; in \'t Latijn toezond — waarin hij refuteerde wat hij vroeger had geschreven, — later nog gevolgd door eene schuldbekentenis voor de e. v. Synode. En nadat hij toen van Z. Exc. den Prins toestemming verworven had om in 1597 in eigen persoon op de Particuliere Synode te Schoonhoven te verschijnen, is hij ter vergadering gekomen; heeft hij nogmaals, diepbewogen, schuld beleden en „beternis van allesquot; beloofd; en is weer „opghenomenquot;, mits bij zijne confessie — „met kennisse ende hulpe der ghodeputeerde des synodiquot; hier en daar verbeterd en „corter ende claerderquot; gesteld tegen \'t pausdom en de dwalingen in zijne vroegere geschriften, — „int IMerduytschoquot; uitgaf en daarbij eene „opontlicke schultbekentenissequot; voegde,

1) Brief van Billich, (Ld. 25 Sopt. 1596; en Reitsma cn van Veen, (uw., Dl. 111, blz. 70. Vgl. blz. 141.

2) Zie Mr. J. quot;NV. Staata Evers, Johannes Fontanus en zijn tijd, Arnhem, 1882, blz. 97.

-ocr page 239-

225

welko in do gemeenten, bij wie hij gediend had, bekend gemaakt moest worden \').

Ilelmiehius, te Schoonhoven weer voor 2 jaar tot „gedeputeerdequot; der Synode aangewezen, was een van hen, aan wie de opdracht werd gegeven, om die verbeterde, verkorte en verduidelijkte confessie van Billioh te „oversienquot;\' en daarop aanteekeningon te maken -). Blijkens de bescheiden, die daarop betrekking hebben en nog overig zijn, schijnt hij ze zelfs eerst of ook alleen te hebben gerevideerd; ten minste de verbeteringen op de confessie zijn door hem geschreven en dragen tot opschrift: „Memorie op de cofess. üillichjj den 10 en 11 Martij 98 tot Delttquot;; welke memorie hij dus zeker thuis op zijne studeerkamer hoeft opgesteld1). Hij geeft daarin te kennen, dat Billich\'s confessie „in genere nimis prolixaquot; was, terwijl er voorts korte aanteekeniugen op de orde, het aantal en den inhoud der capita in opgenomen zijn, en er aan herinnerd wordt, dat „een prefatie met schultbekentenisse te stellen [was] int beginssel voor de artijckelen van cof\'essiequot; \'). Het duurde evenwel nog ge-

15

1

Ook kan het zjjn dat de ))deputatenquot; eerst met elkander gesproken hebben en dat Helmichius daarna de memorie heeft (gesteld. In elk geval heeft hij ze geschreven.

-ocr page 240-

226

ruimen tijd eer hij en de andere „deputatenquot;, die de „memoriequot; zeker nagezien en goedgekeurd hebben, in de gelegenheid kwamen om met Billich zelf over die revisie te spreken. Laatstgenoemde toch is kort na de Synode te Schoonhoven te „Iiigenquot; in den dienst getreden, zonder dat zijne schuldbekentenis was gedrukt en in de kerken, bij wie

7 Do Libero Arbitrio.

8 Do Jesu Christo Modiatoro, dividatur in duo: ut,

() I De persona Mediatoris.

quot;\' I De officio triplici Mediatoris.

10. De Justificatione: hoc ordine; quid justifieatur; quis justifecit: propter quern; quomodo; hie exprimatur fide, non operibus; finis et effecta.

11. De Sanctificatione; et quatenus differat a Justlficat.

12. De Poenitentia: ubi de contrit., confess, et satisfact. Pontificia; et de Indulgentiis.

13. De Bonis operibus: ubi agendum, non de iis, quae non justificent, nisi forti paucis...., sed proprie de finibus, quid fiet et quorsum.

14. De Invocat. Sanctorum: brevius tractetur; sic ut de cognitione bea-torum brevius agatur, et aliquot loca script, refutötur quib. abutUtur Pötificii.

15. De Purgatorio.

1G. De Ecclesia; deque ejus notis: et authoritate.

17. De Sacramentis.

18. De Sacramento Baptismi.

10. De Sacramento Eucharistiae.

20. De Vocatione ad Ministerium.

21. De Conjugio Ministrorum Ecclesiae.

Ordo Ada mi hic est: Ordo melior:

1.

De Deo.

1.

De Deo.

o.

De primo homine, ad imag. et

2.

De primo homine etc.

similit. Dei creato.

3.

De Christo Mediatore etc.

3.

De Jesu Christo, vero et unico

4.

De Justificatione.

Mediatore.

5.

De Bonis Operibus.

4.

De Ecclesia.

6.

De Invocat. Sanctorum.

5.

De Sacramentis.

7.

De Purgatorio.

6.

De Sacram. Baptismi.

8.

De Ecclesia.

7.

De Sacram. Eucharistiae.

9.

De Sacramentis.

8.

De Justificatione.

10.

De Sacram. Baptismi.

9.

De Bonis operibus.

11.

Do Sacram. Eucharistiae.

10.

De Purgatorio.

12. De Vocat. ad Ministerium.

11.

De Conjugio Ministrorum.

13.

De Conjugio Ministrorum.

12.

De Invocatione Sanctorum.

13.

De Vocatione ad Ministerium.

-ocr page 241-

227

hij vroogor gediond had, was vonrgelozon. Over dio vor-keerde handelwijze stapte de Geldersche Synode zoo wat heen, doch is hij van Z. Holland uit vermaand, en later is hem een „gheleydtquot; van den Prins toegezonden — dat hem do vrijheid gaf om in Holland te komen — benevens het bericht, dat hij 8 April in Dordt werd verwacht, opdat de „depu-tatenquot; met hem spreken konden on zijne zaak zoo mogelijk „ten goeden eyndequot; komen kor: Maar wie daar kwam, Billich niet. Vier dagen lang liet hij de „deputatenquot; te vergeefs op zich wachten, en schreef hun later moor dan eens, dat hij van eene „gedrucktequot; schuldbekentenis niets wilde weten, dat daarvan ook geen sprake was geweest op de Synode, en dat het nu wel in de Acta stond, die men aan Pontanus in Arnhem had gezonden, doch een „claddequot; in die Acta was, welke er uit moest -).

Dientengevolge is weer over Billich gehandeld op de Particuliere Synode te Dordt in Sept. \'98, welke besloot, dat dc „deputatenquot;\' Synodi hem te „Culenburghquot; of in eene andere plaats, waar hij „vryelyckquot; komen mocht, ontbieden moesten, ten einde met hem te handelen, zooals ter vorige Synode was bepaald; dat men, als hij weigerachtig bleef om zijne schuldbekentenis in druk te geven, „alle andere ghe-meentenquot; „syner wederspannicheydt onde onboetveerdicheyts halven waerschouwenquot; zou; en eindelijk, dat hij gecne „kerckelycko attestatiequot; mocht hebben „voor ende aleer

1) Reitsma en van Veen, a.iv.. Dl. IV, blz. 72. (vgl. 68 vj^.); en Handelingen der vgedepiUeerdenquot;, d.d. 10 Deo. 1597; en 4 Mrt. 1598.

2) Brief van «deputatenquot; aan Fontanus, zonder datum en ondertee-kening [zeker eene minute], waarin zij meedeelden, dat Billich niet te Dordt was gekomen; en brieven van Billich aan Wtenbogaert, d.d. 26 Mei, 23 Aug. en 12 Sept. 1598. Ds. Fontanus, aim wien de «deputatenquot; euk schreven, hoe verkeerd het was, dat Billich te Ingen in den dienst was, en wien zjj de Acta Synodi toezonden, was nog al voor hem, en ried in een schrijven van 20 Mrt 1598 aan »deputatenquot; aan, dat zij de zaak stil zouden laten «afdrivëquot;, omdat alle «nabuirêquot; van Billich getuigden, dat hij »hem wel droechquot;.

-ocr page 242-

228

hy belooft onde ghestipuleert [had], dat hy lioin ton ghoonon tyde [zou] vervoorderon. om oeniglion kercken-dicnst in de provintien, daer de schandalen by hem gho-vallen [waren], aen te nemen, latende voorts dat synodus cnde die kercken met hem geworden, die hom naderhandt soudon moghen beroepenquot; \'). Kort daarop te Kuilenburg ontboden, was hij eerst weer langen tijd beslist onwillig om te komen; schroef in Maart \'99 aan Wtenbogaort dat hij naar „Coelenquot; zou gaan, waar hij wol loven kon; doch hij bsdacht zich naderhand woor en is in Mei d. a. v. mot Ifel-miohius en zijne modo-„doputatenquot; ter bestemder plaatse in onderhandeling getreden. Hij maakte goonorloi bezwaar tegon veranderingen in zijno confessie; en overwegende, „dat thien ofte twintich ooghen meer sien als tweequot; gaf hij nu toe, (lat te Schoonhoven tot drukken van zijne schuldbekentenis besloten was, doch hij verzocht dringend hem daarvan toch „to bovrijon onde to verlossenquot; \'). Do „deputatenquot; haddon echter goone bevoegdheid om die vrijstelling te verleonen, on brachten daarom zijn verzoek op do e. v. Synode in den Haag, aan wie hij ook zelf schreef, doch dio het niet toestond, en bovendien besloot, dat men aan de Geldersclie Synode zou „vorsoockenquot; hom niot langer in den dienst te tolereeron. Daar had hij echter reeds, namens de Classo Nijmegen, de Harder wij ksche Synode bijgewoond, en was daar als „minister verbi in Ingenquot; ten volle erkend s).

Hij gedroeg zich te Ingen dan ook zeer goed ; zelfs zoo uitnemend, dat men ook in Holland gunstig jegens hem word gestemd. Op hare synodale bijeenkomsten in 1600 en do twee

1) Reitsma en van Vcon, a. w., Dl. Ill, Mz. 102 vgg.

2i Brieven en stukken, (i.d. i Oct., 8 Dec. 1598; en 2,27 Mrt., 30,31 Juli 1590. Ook de brief van Helmich, in It . ij. .1/.-1\'., S. III, Dl. IV, blz. 79, d.d. 6 Octb., doch zonder jaartal, waarin over de onderhandeling met lïillich to Kuilenburg geschreven wordt, zul wel uit 1598 zijn.

3) Koitsma en van Veen, a. ie.. Dl. Ill, blz. i25vg.; eu Dl. IV, blz. 74.

-ocr page 243-

229

vulgoudo jaren besloten de Z. Holl. kerken daarom, dat men het zou laten blijven bij do schuldbekentenis, acliter zijne confessie geschreven, mits die „voorgedragen\'quot; werd in de kerken, bij wie hij vroeger dienaar was geweest; terwijl op de Z. Holl. Syiode van den Briel, in 1603, hot nog zachtere besluit genomen werd, dat die schuldbekentenis nog wel zou worden afgelezen, doch alzoo gematigd, dat zo zoowel diende „om het goede loffquot;, dat hem toen gegeven werd, bekend te maken, „opdat de ghemeonte heur daerover mogen verblijden, als om de gegeven argernisse wech te nemenquot; \').

Helmichius, die het vorige jaar Zuid Holland verlaten had om in Amsterdam te gaan dienen, zal zich niet de kerken verheugd hebben, bijaldien hij het schoone einde vernomen heeft van do bemoeienissen met Billichius, die nog mee door zijnquot; arbeid in hot spoor der zuivere leer was geleid.

1) Reitsma on van Veen, a. Dl. TTT, blz. 141, 161,184, 200 (vgl. Dl. IV, blz. 121 vg.). Op blz. 200 wordt er nog bjjgevoegd, dut do «deputatcnquot; Synodi, vóór do uitvoering- van bet besluit dor Synode in 1603, eerst nog een goed getuigenis over Billiob van de Classe »Nimwegenquot; moesten zien. Dat hebben zjj gekregen. Bljjkens het ïgt;Rapport van de ^gedeputeerden^ der Z. Holl. Synode van hetgeen hun in den Briel was belastquot; (Fol. van T. Cupus, blz. 345 recto vgg. Vgl. H. Q. Janssen, De Kerk\' hervorm, in Vlaanderen, Dl, I, blz. 14, nquot;. 44) ontvingen wdeputatenquot; ween loffelycke getuichenissequot;; waarna de «actequot; van schuldbekentenis is opgesteld in termen wsoo sacht als immermeer mogelyckquot;; te \'sGra-vesande is gepubliceerd; naar Hillenius te Alkmaar is gezonden, opdat die ze te Wieringen zou »afflesenquot;; en eveneens naar Montfoort is gestuurd, om ook daar «affgekondicht en der Gemeente voorgelesenquot; te worden.

Van Billichius zelf kan nog meegedeeld worden, dat hij te Ingen is gebleven, totdat hjj in 1606, na het vorige jaar te vergeefs te Rhenen begeerd te zijn, omdat de synod, wdeputaten\'\' er tegen waren dat hjj Ingen verliet, naar Kuilenburg is vertrokken, en daar in 1624 overleden is. Zie Voet van Oudheusden, a. w., blz. 464. Vlg. Reitsma en van Veen, «.«•., Dl. 111, blz. 253, 269 (Harmannus, daar genoemd, is volgens Voet van Oudheusden, t. a. p., Hermann ui Bergens) en 281; en Dl. IV, blzz. 143, 155,166, over hetgeen er bjj het beroep naar Kuilenburg is voorgevallen. In het O.-A. (l. N. H. K., Nr. 31, is nog een brief van Billich uit het jaar 1619.

-ocr page 244-

230

5. Helmichius in zalic Jacobus Arminius.

In hot begin der 17e eeuw concentreerde zich de afwijkende richting in de leer in den wolbekendon Arminius. Betrekkelijk was dit niet zoo vreemd. Arminius was van Roomsche afkomst, verloor spoedig zijn\' vader, en kwam toen tot zijn 15° jaar onder leiding van een Roomsch priester. Daarna studeerde en verkeerde hij te Leiden vooral mot zijn\' lateren lijkredenaar Bertius, die nooit een trouwe aanhanger van de gereformeerde leer is geweest, terwijl later, toen Jacobus als voedsterling van het Amsterdamsche Kra-mersgild zijne studie in Geneve voortzette, de omgang met Jezuïeten in Italië, werwaarts hij een reisje maakte, hem ook geen goed schijnt gedaan te hebben \'). Op velerlei wijze alzoo hebben schadelijke gevoelens invloed op hem gehad en hem besmot.

Na zijn optreden in 1588, eerst als proponent en sedert Augustus als predikant te Amsterdam, kwamen zijne onzuivere gevoelens, zoo dan al niet dadelijk, toch reeds spoedig aan het licht. De verklaring van den zendbrief aan de Romeinen, dien hij achtereenvolgens voor de gemeente behandelde, en waarbij hij o. m. alles aan de o/nvedergebore-nen toeschreef wat de Apostel van de wedergeborenen zegt, maakte ze openbaar, en lokte zooveel tegenspraak uit, dat do Kerkeraad besloot eene samenkomst met hem te houden, waarin hij zich verantwoorden moest over zijne kettersche opvattingen; en dat hij in gebreke bleef Coornherts dwaalleer over de predestinatie, alsook hot bock van Dontcclock en Cornelisz uit Delft, waarin het infralapsarismo verdedigd werd tegenover het supralapsarisme van Beza en Calvijn, te

1) Zie v. d. Aa, Bioyr. Woordenboek, i. v. Arminius cn Petrus Bertius Jr.; en Trigland, a. w., blz. 282, Vgl. Stolker, Gedachtenis van Arminius hij de 200e verjaring van zijn dood. Leiden, MDCCCIX, blz. 81 vgg.

-ocr page 245-

231

weerleggen, zooals hem opgedragen was \'), kon — evenals zijne latere traagheid en nalatigheid in het schrijven tegen de Wederdoopers1) — geene gunstige gedachten wekken omtrent de zuiverheid vau zijne leer. In Amsterdam werd hij echter nog veelszins in toom gehouden door den Kerkeraad, zoodat hij als predikant bij eene gemeente nog minder gevaarlijk was, dan wanneer hij eens als hoogleeraar optrad aan eene academie „alwaer meerder vryheyt van leeren pleeght gebruyet te worden dan in eenige andere particuliere kerekenquot; 2). Vandaar dan ook, dat er van gereformeerde zijde hevig verzot kwam, toen Arminius, na den dood van professor Junius, die 13 Oct. 1602 aan de pest overleed3), als diens opvolger in aanmerking kwam. Er werd gevoeld, en vooral in Amsterdam, dat het er op toegelegd werd, eerst op de universiteit eene ongezonde leer te doen leeren; zoo student en predikant van het Calvinisme af te trekken; en dan de kerk op te doen houden belijdeniskcrk te zijn en haar te doen ontaarden in eene „draagsterquot; vau wisselende opiniën 4).

In de beweging, die daarom op touw is gezet, eerst, om Arminius uit Leiden te weren, en daarna, om tegenover hem, voor de zuivere leer te waken, is ook ITelmich betrokken geweest. Hij is deswege beticht als iemand, die vóór Arminius\' optreden in Leiden, eene min edele rol heeft gespeeld, en later eene enkele maal eene weifelende houding in deu strijd heeft aangenomen 5). Wat hij gedaan

1

Zie De Zuid-Hollandschc Kerkbode van 2 Dec. 1893, waarin ds. S(ikkcl) dit punt bespreekt en ook de bronnen opgeeft. Vgl. Trigland, a.w., blz. 300; en 11. C. Rogge, J. Wtcnboyaert enz.. Dl. I, blz. 25S.

2

Voorrede van de Acta ofte Handelinghen des Nationalen Synodi, 1618/19. Dordrecht, 1621.

3

Geesink, a. iv., blz. 84 vgg.; en C. Brandt, Vita J. Arminii, Amsterdam, 17*24, blz. 39—45.

4

Dr. A. Knyper, Revisie der Revisie-legende, Amsterdam, 1879, blzz. 106 vg., 114, 117.

5

Rogge, J. Wtenbogaert enz., Dl. I, blz. 209; en Geesink, a. w., blz. 101.

-ocr page 246-

232

heeft, zal ik nu als laatste punt van deze paragraaf behandelen ; dau blijke tevens of de genoemde beschuldiging geheel, ten deele of in quot;t geheel niet waar is. Vooraf maak ik echter de opmerking, dat ik, beknoptheidshalve, onbesproken laat, wat niet onmiddelijk met ITelmichius samenhangt; tenzij het noodig is er op te wijzen tot recht verstand der dingen.

Zoodra er sprake van kwam, dat Arminius wel eens tot hoogleeraar te Leiden kon worden benoemd in de vacature-Junius, was Ilelmiehius dadelijk met vreeze vervuld. De academie zou, zijns inziens, aan een groot gevaar worden blootgesteld als dat doorging; hij zou zoo gaarne Piscator uit Herborn \'), of Perkins, tegen wien Arminius geschreven had 1), zien optreden; och, benoemden curatoren maar een van hen, die Junius op zijn sterfbed had genoemd, zoo schrijft hij vol bekommernis aan zijn intimus frater Arent Cornelisz in Nov. 1602s). Als „deputaatquot; der Synode — waartoe hij, gelijk bekend is, tot zijn „leetwesenquot; in Juni j.1. ter N. 11. Synode was aangewezen — achtte hij het dan ook plicht om te doen, wat te doen was, ten einde Arminius\' beroeping te verhinderen; mot zijne mede „gedeputeerdenquot; moest hij waken voor de „ruste ende vrede der Kerckenquot; 2).

Nu hadden die synodale „deputatenquot; geen rechtstreek-schen invloed op de benoeming der theologische professoren; zeer tot smart van Ilelmiehius, die daarover in dezen tijd gedurig bitter klaagde, en aan de Staten een\' voorslag wilde doen tot verkrijging van een besluit „ne posthac Professores Theol. in Academiam vocarentur inaudita Ecclesiaquot;quot;). De

1

Trigland, «. w., blz. 289.

2

Trigland, «. w., blz. 285.

-ocr page 247-

233

curatoren wilden evenwel van dien invloed niet weten; ja aclitton dat in strijd te zijn met de statuten der universiteit, en deden hun\' eigen zin \'). Helmichius en den anderen „deputatenquot; restte dus niets anders dan het geven van „seriae admonitionesquot; aan hen, wier oordeel of stem waarde had in deze aangelegenheid; en hij wilde die dan ook geven om getrouw te wezen in zijn\' dienst en tot ontlasting der conseientiei!). Zoo gezind, en bovendien wellicht nog aangezet door zijn\' collega Plancius uit Amsterdam, die zich krachtig tegen Arminius heeft verzet1), heeft hij waarschijnlijk — en wat verkeerds deed hij daaraan? — reeds vóór 9 Nov., den dag, waarop de curatoren te Leiden vergaderden over de benoeming van Junius\' opvolger, Gomarus aangespoord om het beroepen van Arminius aan curatoren te ontraden \'); en het deed hem goed uit een\' brief van Cor-nclisz te mogen vernomen, dat curatoren de zaak tot aan Febr. 1603 hadden uitgesteld, ten einde zich nog langer te kunnen beraden a). Helaas, die voor Helmichius eenigszins

1

Geesinlc, a. w., blz. 88 vg.

-ocr page 248-

234

kalmeerende nicdedeoling was onjuist; curatoren hadden na do zoo even genoemde vergadering, waarin Gromarus toegelaten was geworden om zijn gevoelen over de beroeping van een\' hoogleeraar te zeggen, en te waarschuwen tegen Arminius\'), met Oldenbarneveld -) geraadpleegd, en met Wtenbogaert — die zeer voor Arminius was, hem bijzonder geschikt vond en hem reeds vroeger met warmte had aanbevolen 1) — en begingen toen, als in overhaasting, volgens dr. Sepp de „groote foutquot; ■\'), dat zij Arminius dadelijk benoemden. Toen Helmieh 21 Nov. uit de kerkeraadsvergade-ring naar huis ging, stelde de benoemde er hem mee in kennis; en twee dagen later was de curator mr. Cornelis van de Nieuwstadt reeds met den Leidschen pensionaris van Zeyst in Amsterdam geweest, om aan Burgemeesteren te verzoeken of zij Arminius wilden ontslaan2). Dat verzoek werd van de hand gewezen; zelfs met den Kerkeraad niet eens over hot ontslag gesproken, zoodat Helmieh met de kerke-lijken weer eenige verademing kreeg; of, zoo al geene verademing, wijl hij wist dat de gecommitteerden namens de curatoren gezegd hadden, dat men in de weigering niet berusten zou 3), dan toch weer eenigen tijd om met zijne medestanders te beraadslagen, en verder te arbeiden tot verhindering van den gevreesden en voor do kerken zoo noodlottigen slag.

Daartoe kwamen hij en de andere synodale „gedeputeerdenquot; eerst samen in den Haag, en trachtten Wtenbogaert, die met nog enkele anderen ook bij die vergadering genoo-

1

C. Brandt, a. tv., blzz. 131 vgg., 139—\'45; en Fracst. ac Erud. Virr. Epistolae, Nr. LV1. Vgl. Rogge, a. iv.. Dl. I, blzz. 205 vg., 210; en Ur.d. M.-V., S. Ill, Dl. V (lie st.), blz. 355.

2

W. cl M.-F., S. 111, Dl. IV, blz. 165 vg.; en Rogge, a. w., Dl. I, blzz. 204 vg., 209 vg.

3

Rogge, «. iü.. Dl. I, blz. 212; en W. d. M - F., S. III, Dl. IV, blz. 165 vg.

-ocr page 249-

235

(ligd was, in hunne oppositie te betrekken. Echter te vergeefs. Wtenbogaert nam het voor Arminius op en verliet toen de vergadering \'), welke dit resultaat opleverde, dat de synodale „deputatenquot;, die vroeger de Heeren Staten al voor Arminius hadden gewaarschuwd, nu aan de curatoren verzochten „de Kerken niet in gevaar tc brengen, [en] liever na een ander [dan Arminius] om te zien, die niet verdagt wasquot;. Het algemeene antwoord, dat curatoren op de zaak letten zouden, kon maar weinig bevredigen 1). Kort daarna, in Febr. 1603, ging er daarom weer eene deputatie opuit; nu naar Oldenbarneveld, die vroeger ook reeds van „depu-tatenquot; de bezwaren tegen Arminius had gehoord, en nu verzocht werd zijn\' invloed tot wering van Arminius bij curatoren te willen aanwenden.

Helmichius, die er nu ook weer bij was, moet bij die gelegenheid de aandacht van den advocaat gevestigd hebben op de woorden van Arminius, bij de verklaring van Üpenb. 2 uitgesproken : „dat Godt de Roomsche kerck noch geen scheydtbrief en hadde gegevenquot; 2). Die zinsnede was ietwat dubbelzinnig. Moest zij zoo opgevat, dat men, na de reformatie, in Rome\'s kerk nog de wettige voortzetting van het geopenbaarde lichaam van Christus had te zien, dan mocht Helmichius er zeker wel op wijzen als op eene zeer precaire uitdrukking; werd daarentegen bedoeld, zooals Wtenbogaert verklaarde aan den advocaat Bar-neveld, wien geheimhouding van de genoemde woorden was verzocht, maar die den hofprediker om nadere inlichting vroeg en ze kreeg, dat nog niet alle „vestigia Christiani-tatis\'\' uit Rome waren verdwenen3), dan behoefde Arminius

1

-) Trigland, a. tv., blz. 285; C. Brandt, blz. 146—151; en Loy-dekker, Ecre van de Nut. Synode van Dordregt, Dl. I, blz. 5.

2

AVtenbogaert, Kcrekel. Historie, blz. 3j8vg.; C. Brandt, a.iv.t blz. 154 vgg.

3

C. Brandt, a. w., t. a. p.

-ocr page 250-

236

om zijii gezegde niet als eon crypto-papist te worden voorgesteld. Beter ware dau ook zeker geweest, dat Helmich liet genoemde, als te onduidelijk, niet had aangehaald; ofschoon zich vorklaren laat, dat de gereformeerde „depu-taatquot; in die dagen, met terugblik op hetgeen vroeger al met Arminius was voorgevallen, diens duistere woorden niet te best vertrouwde; en dat hij — in zake de aanstelling van een\' hoogloeraar niets meer kunnende dan „soliicitus esse, monere et optarequot;\'), en toch Arminius\' vertrek naar Leiden in de toekomst zoo\'n ramp achtende voor universiteit en kerk — in de hitte van den strijd niet altijd oven keurig was in het kiezen van het wapen. En voorts, er is wel voor gezorgd dat er zout op die slak is gestrooid; Helmichius is over zijne handelwijze onder handen genomen. Na het bezoek bij Oldenbarneveld kwam hij spoedig meer dan eens bjj Wtenbogaert. Den eenen keer werd gehandeld over de predestinatie en sprak Helmich o. m. uit, dat de politieken Calvijns leer op dat punt wilden veroordeelen om zoo de kerk onder de knie te krijgen, en dat zoowel de „verwerping\'\' als de „verkiezingquot; de leer der kerk was; terwijl Wtcnbogaert oordeelde, dat dit laatste geen kerkleer was, maar hot bijzonder gevoelen van eenige kerkeljjken. Een ander maal sprak men over Wtenbogacrts aanzien bij Oldenbarneveld. Volgens TIelmichius was dat zoo groot, dat Wtcnbogaert, door don advocaat alles, wat de kerk deed, omver wist te stooten, als liet hem tegen do borst was; waarop Wtenbo-gaert natuurlijk liet antwoord niet schuldig bleef. Ook liet Helmich in die samensprekingen nog uitkomen, dat er in Amsterdam waren, die dingen van nog al eenig gewicht tegen Arminius zouden inbrengen, als het beroep naar Leiden werd doorgedreven; en Wtcnbogaert liet nog merken, dat hij wist wat Helmichius den advocaat uit Arminiusquot; preek

1) IV (I. M.-V., S. 111, Dl. IV, blz. 165.

-ocr page 251-

237

mot betrekking tot Romo had voorgehouden; daaraan zijne afkeuring over zoo\'n manier van doen toevoegende, te meer omdat Helmich er niet eerst met Arminius zelf over gesproken had; en er zich tevens over verwonderende, dat ÏIol-mieh, die nog maar zoo kort in Amsterdam was, zich zoo „diepquot; in dat „geheele werkquot; met Arminius „instakquot; en zoo vijandig togen den laatste optrad \'). Met zoo\'n afrekening kon Helmich het doen. Jammer voor den afstraffor, dat hij zich zelf ook nog al diep in de zaak van Arminius instak, en zich later zelf achterhoudend jegens Ilelmichius gedroeg, terwijl die van hom hoopte, dat hij, „wtgesteken hot stuck der Praedestinatiequot;, Arminius niet in alles zou toegeven -). Bovendien siert het Ilelmichius, dat hij er zich later bij Wtenbogaert ovor verontschuldigd heeft, hem iets uit Arminius\' preek te hebben meêgedeeld, alvorens hij er met den prediker zelf over gesproken had; als reden opgevende, dat hij daartoe, vóór zijn vertrek naar den Haag, den tijd niet meer had gehad 1).

En hij heeft ook nog met Arminius zelf oen gesprek gehad over dien „scheidbrief aan Romequot;. In een zijner brieven aan Wtenbogaert, die hem van hot gebeurde bij den advocaat op de hoogte had gebracht, bericht Arminius dat \'). Ilelmichius had hem opgezocht om te vragen, wanneer hij eens golegenen tijd had voor een onderhoud. Zij waren bij dio gelegenheid echter al aan \'t redeneeren geraakt en hadden wel 2 uur samen gesproken. Eerst had Helmichius hom gevraagd, of hij ijverig werkte aan zijn boek tot weerlegging der Anabaptisten, hem door de Synode opgedragen; waarop Arminius had gerepliceerd, dat hij die opdracht der

1

Wtenbogaert, Leven enz., blz. 60.

-ocr page 252-

238

Synode daarom vooral met blijdschap had aanvaard, omdat hij daaruit besloot, dat hij zelf in \'t geheel niet van dwaling verdacht werd, doch dat hij nu uit do handelingen der „gedeputeerdenquot; ten opzichte van hem wat anders meende te moeten afleiden. Helmichius nam het van zelf voor, Armi-nius bij voortduring tegen hen op. Dan hadden zij gesproken over don strijd tusschen vleesch en geest, waarbij Arminius aan Helmichius gevraagd had, of er om zijne daarover gegeven verklaring suspicie van onzuiverheid jegens hem was. Naar zijn eigen oordeel kon dat niet zoo zijn; en hij was bovendien bereid met allen, ook met Helmichius, uitvoeriger over dat punt te discutiëeren. Ook was toen nog het punt van den „scheidbriefquot; aangeroerd geworden \'), en had Helmichius eindelijk aan Arminius verklaard, dat er tusschen hen in dat stuk geen geschil was, doch dat Arminius, zijns inziens, dien zin niet meer moest gebruiken, om geen ergernis te geven aan de zwakken. Arminius dacht daar anders over, maar wilde daarin toch bewilligen, als hem bleek dat die uitdrukking aanleiding gaf tot laster en verkeerde opvatting. „Videre mihi videor,quot; zoo vervolgt hij dan, „bonum illum virum, et plerosque alios, non serio satis de isto arguniento cogitasse;quot; en voegt er dadelijk ironisch — of is het sarcastisch? — aan toe, „nisi forte parcat fortissimis argumen-tis in solcmniorem collationem, ne ego praecognitis et prae-visis telis repellendis mature umbonom quaeram et inveniam.quot;\' Die laatste opmerkingen kunnen m. i. in zooverre waar geweest zijn, dat Helmich niet dadelijk al zijn kruit verschoten heeft; want dat hij het punt in kwestie niet voldoende overwogen had, komt mij niet zoo aannemelijk voor, omdat Helmichius in

1) Wat Arminius bij deze gelegenheid over «Romequot; gezegd heeft, deelt hij in den brief niet mede. Later heeft hij nog moer dan eens over dit punt geschreven en ontzettende uitdrukkingen over den Paus gedaan. Ook heeft hij met Helmichius nog weer over dat punt geredeneerd. Zie Proest, ac Erudit. Virr. EpisL, Nr. LX, CXVIII en CXX.III.

-ocr page 253-

280

\'t algemeen voor goleerd werd gehouden, en omdat zijn boekje tegen den Jesuïet Frans Coster toen al geschreven was \'); waaruit toch zeker wel mot eenig recht de conclusie mag worden getrokken, dat hij, met name de controvers met Rome, had ingedacht; „serioquot; en „satisquot; beide.

Middelerwijl hadden do curatoren van Leiden niet stilgezeten. Zij hadden hun verzoek om Arminius\' loslating, in November 1602 geweigerd, in Februari 1G03 herhaald, doch weer oen weigerend antwoord gekregen. Daarbij lieten zij het evenwel nog niet blijven. Van Prins Maurits wisten zij gedaan te krijgen, dat hij Wtenbogaert meê naar Amsterdam zou zenden, om in zijn\' naam nogmaals op Arminius\' ontslag aan te dringen 1). Het zou dus in Amsterdam spannen, op 2 April, den dag na Wtenbogaert\'s aankomst, schreef Ilel-mich: „lek hoor hy is gelogeert in \'t Hotf van Hollandt, by eenige andere Gredep. Ergo etc. Wy sullen sterek besprongen worden: ende ik vreese voor moeyte ende onlust: doch de tijt sal ons leerenquot;2). Metterdaad is de Kerkeraad besprongen. Arminius toch, die vroeger graag in Amsterdam wilde blijven, was nu geheel anders gezind; was nu „gantschelijck tot die beroepinghe gheinclineertquot;; verklaarde, nu niet meer in Amsterdam te kunnen blijven; en ging zelfs naar enkele collega\'s toe, „om syne dimissie te solliciterenquot; en hen gerust te stellen omtrent zijne opiniën 3). De Leidsche beeren en de Haagsche hofprediker, die 8 April in de kerkeraadsvergadering verschenen om Arminius\' ont-

1

Rogge, a. Dl. I, blz. 212 vg. en 220.

2

If.d.M.-V., S. UI, Dl. IV, blz. 179.

3

Bogge, d.ic., Dl. I, blz. 2H vg.; Trigland, u. w., 2S6 vg. Tgl. H. U. Kuyper, «. «■., blz. 40G. De door Trigland meegedeelde getuigenissen der Amsterdamsche predikanten vindt men ook in hel O.-A. d. N. II. K., Nr. 6, I, 1.

-ocr page 254-

240

slag te verzoeken, kwamen vijf dagon later terug ; verzochten, dat men toch eindelijk „gheliefde te resolveren tot loslat inglu! D. Arminiiquot;; en voogden er bij, dat laatstgenoemde — en hij wilde dat ook om Ilelmichius — vóór ziju optreden in Leiden wel een onderhoud over zijne gevoelens wilde hebben met Gomarus \'). Burgemeesteren eindelijk stonden, nadat Wtcnbogaert en de zijnen in de eerste week van April met enkelen hadden gesproken, ook niet stijf meer op het stuk van weigering, blijkens do rapporten, welke Ilelmichius en enkele andore korkeraadaloden, die van 8—-14 April herhaaldelijk naar hen werden afgevaardigd, in don Kerkeraad uitbrachten

Aldus zeer in het gedrang gekomen, liet de Kerkeraad, die Arminius eerst niet wilde ontslaan, uit vreezo „dat hy, in do Professie zijnde, achter uytslaenquot;\' zou, hom op 14 April los, en wees Holmich mode aan om do kerkoraadsrosolutie aan te dienen bij Burgemeesters, die zich met dat besluit conformeerden 1).

Het zal onzen Wernerus niet aangenaam geweest zijn, dat bericht namens den Kerkeraad te moeten overbrengen.

In dat besluit — ïrigland vermeldt het in zijn geheel — was evenwel, in aansluiting aan hetgeen op 13 April genoemd was, opgenomen, dat Arminius naar Leiden zou gaan „om aldaer met dominus gomarus professoor in de Theologie ten byweesen eenigher gedeputeerde dos sinodi van oonigo puncten int vrundelycken [te] confrerenquot;; en Hel-mich schreef nu spoedig aan A. Cornolisz, alzoo een der K-Holl. „doputatonquot; aan een der Z.-Hollandsche, hoe h j

1

Voorrede van de Acta der Nat. Synode 1618/19; en Trigland, a. w., blz. 287 vg.

-ocr page 255-

241

dacht over do manier, waarop dio conferentie zou kunnen gehouden worden. „Ick achtequot;, zoo laat hij zich in oen\' brief van 19 April uit, „dat niet voel personen behoeven godeputeert to worden: twee ten hooohsten van uwer sijde.\'\' Goone „polityckequot;\' mannen dus, maar „kerkelijkequot;, die „nomine Eeclesiarnmquot; kwamen, wilde hij bij de conferentie hebben. Dat was Arminius ook „wel te wilquot;; „plaetse, tegenwoor-dicheyt endo getal van personenquot; waren hem onverschillig, wijl hij de „gedeputeerdenquot; niet als „accusatoresquot;, maalais „broedersquot; wilde „aensienquot;; „wol vorstaendo dat hy daor oock een persoon off twee by nemen sonde; van dowelcko oen soudo wesen Joh. Wtenb.quot;; en bovendien „behaechdequot; het hem „seer wolquot; als de curatoren ook vertegenwoordigd waren. Hij wilde er dus liefst ook niet-„ker-kelijkequot; mannen bij hebben.

De curatoren zelf waren echter met die „kerkelijkequot; de-putaten in \'t geheel niet ingenomen. Zij beschouwden dat, zooals Arminius aan Helmich „verhaoldequot;, „als oen accn-satiequot;, en wilden „voorsien dat sulx in toekomende tijden niet meer geschiod[d]e: namelick dat men iuyst sonde moete confereren met dengenen die syquot; beriepen; en „waren oock met malkanderen bedacht, dat sy oenige van harent wogen daerby begeerdenquot;, wellicht „Wtenbog. ende Iloogerbeetsquot;. Aan dat „verkeert oordeelquot; wilde Helmichius zich niet storen; „intrepide pergentes in officioquot; moest de leuze zijn. Hij was wol van gevoelen, dat het plan der curatoren „niet was na de nature van een vrindelicke conferentie: oock niet na de Acte van resolutie, tot Amsterdam genomenquot;; doch, zoo vervolgt hij, „alsser niomant anders bykomen sonde dan die 2 boven genomineerde, dat waer een cloyne sake: want in allen gevalle begeer[de] hy [d. i. Arminius] doch Juh. Wtenbog. daerby.quot; Inschikkelijk genoeg, was Helmichius dus bereid die concessie aan do Leidscho hoeren te doen; op 6 Mei moest de bijeenkomst dan maar gehou-

16

-ocr page 256-

242

(leu worden, met gecommitteerden namens curatoren er bij \').

Doch do curatoren waren hiermede nog niet voldaan. Do conferentie moest ook van hen uitgaan en niet van de „kerkdijkenquot;. Zij moest „bij haer authoriteytquot; worden gehouden ; „anders sonde haer authoriteyt te cort geschiedenquot;. Zij maakten zich daarom meester van de zaak, bepaalden plaats, dag en personen, en gaven daarvan o. a. kennis aan H. H. Burgemeesters van Amsterdam, die Helmich weer „de weetquot; deden van dat besluit. „Siet wat formaliteyten, siet wat eeu roock; num risum contines ad hanc supercili-osam stultitiam schrijft onze quot;Wernerus aan Cornelisz 1).

Do synodale „deputatenquot; hebben zich echter ook daarin geschikt, en op 6 en 7 Mei heeft het onderhoud plaats gehad; niet in Leiden, maar in den Haag, ten huize van curator van dor Does; bijgewoond door Helmich en Cornelisz namens de kerken van ST.- en Z.-Holland, en ook door vertegenwoordigers van de universiteit. Hoofdzakelijk is gehandeld over Romeinen VII en over een vroeger gesprek van Junius en Arminius8); laatstgenoemde heeft toon zoo gesproken, dat hij aan Gromarus, Helmichius en Cornelisz — ofschoon maar eenigszins *) — heeft voldaan; en heeft be-

1

W. (I. M.-V., S. III, Dl, IV, blz. 180.

-ocr page 257-

243

loofd „van niet singuliers te [zullen] drijven publice, maer met sijn collega\'s [te zullen] conforereuquot; !). Van die satisfactie is eene schriftelijke verklaring opgesteld, welke mede door Ilelmich is getoekend, en daarna zat men met elkander aan „een eerlycken maeltytquot; aan 2).

Arminius was er dus door, en trad in September d. a. v. als hoogleeraar op 3).

Ofschoon hij Amsterdam met Leiden had verwisseld, verloor llelmichius hem toch uiet uit liet oog. En dat was ook wel geraden, want de nieuwe professor had in September, uit Leiden, iets aan Wtenbogaert geschreven, waaruit wel af te leiden was, dat hij met zijne bijzondere gevoelens wel voor den dag zou komen4). In Febr. 1604 gebeurde dat dan ook reeds, bij gelegenheid dat Arminius over de bekende „Theses de Praedestinationequot; disputeeren lietb). Aau llelmichius mishaagde die „novatioquot;, en hij heeft er, precies wanneer is niet bekend, doch althans, vóór Augustus, met hem ook over gesproken. Arminius wees hem, om zich te redden, op „eenige dingen in Sohnio ende Amando Polauo die hy gevolchtquot; had 6).

)gt;voldaenquot; had; wat Holmichius to ver ging, blijkens zjjne brieven. IIjj heeft er dan ook met Arminius zelf over gesproken. d. M.-V., S. III, Dl. IV, blz. 222 vg. en 225.

1) W. d. M.-V., S. Ill, Dl. IV, blz. 200. Arminius zei later dat dit wconfererenquot; alleen sloeg op Rom. VII; de «deputatenquot;: »De omnibus istam eonditionem intellectam fuisse.quot; W.d. M.-V., S. Ill, Dl. IV, blz. 238.

2) Schotel, De Academie te Leiden in de 16e, 17e en. 18e eeuw, Haarlem, 1875, blz. 76 vg.

3) Greesink, a. w., bl. 90.

4) Arminius schreef: »Utiuam ego tam libere apud alios publice dicere audeam ilia ipsa, quae aliquaiido privatim apud te deposui! Sed audebo.quot; Praest. ac Erud. Virr. Epp., Nr. LXIII.

5) Wtenbogaert, Kerch. Historie, blz. 328; en G. Brandt, a. w., Dl. II, blz. 53.

G) W.d.M.-V., S. III, Dl. IV, blz. 200, 223. Ook Helmichius eu Plan-cius hebben vóór Aug. 1604 een gesprek met Arminius gehad, naar aanleiding waarvan de laatste schrijft: «Arbitror de Ilelmichlo,nunquam illi satisfactum iri. Qui possit? quum longe aliis fundamentis nitantur

-ocr page 258-

244

Van eon later gehoord gerucht, „dat Arm. hom so verre bloot [gaf] dat hy in materia Praedestinat. opentliek tegen Gromarum leer[de], sijn argumenten ex professo refuterendequot;, zoodat er „dissensie in Academiaquot; was, bleek Helmichius bij een bezoek aan Leiden in de zoo even genoemde maand niets; „dan in disputationib. [was] wel eenige diversitas judiciorum et sententiarumquot; uitgekomen ; Arminius had oen aantal „paradoxaquot; verkondigd. Daarover heeft Helmichius toen ook weer met hem gehandeld \').

Nog in dezelfde maand, en evenzoo in September en November, vernam hij wederom, dat Arminius „verscheyden dingen vast saey[de] in sijn lessen, die de ionghe luyden vast inn[a]inenquot;\'■:!). De studenten — Wernerus zag zoogoed in, waar het heenging — werden op die manier „besmetquot;, „affgeleydtquot; en „gecorrumpcortquot;; en door hen at de „can-ckerquot; weer voort in de kerken; o, hij was zoo bedroefd en „becommertquot;, als hij dacht aan het gevaar, waarin de kerk zich bevond, aan het „verschil ende verdeylinghequot; onder de studenten, aan de „contentie ende scheuringequot;, „die in de Academie te vresenquot;\' stond; „wat sal hier eyn-dolick wt werden, in dien \'t so gaen salquot;, roept hij in Slachtmaand 1604 uit; zelf geen „deputaatquot; meer, kon hij toch „niet latenquot; aan Cornelisz te schrijven, dat de synodale „gedeputeerdenquot; bedenken moesten, wat „raedt best gepleecht [zou] mogen wordenquot;3).

conoeptus ipsius, quae ipso non exponit ut dijudicari possint. Proest, ac Enid. Virr. Epp., Xr. LXIX. Arminius verklaarde dns zelf—zooveel had hij dan ten minste wel van Helmichius begrepen — dat Helmichius en hij rteens anderen geestesquot; waren. Over Sohnius zie men Trigland, a. u., blz. 290 vg. En Polanus zal door Arminius wel op even kreupele wijze ))gevolchtquot; zijn. Zie over Polanus, Herzog, Real-Encyklopiidie, erst. AulV, Th. XI, i. v.

1) W. d. M.-V., S. Ill, Dl. IV, blzz. 222, 224 vg. Vgl. blzz. 229, 231 vg., 238 vg. 245; en Proest, ac Erud. Virr. Epp., Nr. LXX vg.

2) W. d. M.-V., S. 111, Ül. IV, blzz. 226, 228, 231.

3) W. d. M.-V., S. III, Dl. IV, blzz. 226, 228, 231 vg., 242, 268 (vgl. 273, 282; en Trigland, a.tc., blz. 296) 276.

-ocr page 259-

245

En zelf bleef hij ook in het belang van kerk en academie aan het werk, tot wering van Arminius\' schadelijken invloed. In Jan. 1605 trok hij weer naar Leiden. Do brief, dien hij over dat bezoek geschreven heeft\'), meldt ons in hoofdzaak hot volgende:

1°. dat Helmichius eene „lectioquot; van Arminius heeft bijgewoond, en daarna daarover „in quot;t breedequot; met hem heeft gesproken;

2°. dat volgens de bewering van Arminius do confessie „ineptequot; was geschreven, en haar opsteller de zaak niet goed had begrepen;

3U. dat Armijn een nieuw gevoelen had over den „Descensus ad inferosquot;, waaronder hij niet meer verstond „extreme humiliatum fuissequot;; en in strijd met vr. 114 uit den catechismus beweerde, dat de mensch in dit leven do wet volkomen vervullen kon, ofschoon echter niemand het deed; zoodat hij in twee punten beslist afweek van de leer, in den catechismus vervat, niettegenstaande hij er den mond vol van had — „plenis buccis semper detonatquot; — dat hij zich binnen de grenzen van den Heidolberger hield; en

4Ü. dat Helmich na de discussie met Arminius over do predestinatie, waarbij de vroeger genoemde paradoxen ook weer waren aangeroerd, als diens eenigste doel moest opgeven: de methode van Calvijn en Beza in zake dat punt omver te werpen, en zoo zich zelf eon weg te banen voor eigen leering; waarvan dan do omkeering van andere „capita doctrinaequot; het gevolg zou wezen.

Het kon niet anders of Helmich moest Arminius vermanen, dat hij met geene nieuwigheden voor den dag moest komen, en eerst eens met zijne collega\'s moest gaan spreken over zijne bijzondere gevoelens, als hij die had; hij moest er hem wel op wijzen, dat de „questiequot; niet „all van Am-

1) W.d.M.-V., S. III, Dl. IV, blz. 237—241.

-ocr page 260-

246

sterdamquot; kwam, zooals Arminius beweerde. De laatste gaf\' ten antwoord dat hij ook niets nieuws leerde, dat het spreken met de andere hoogleeraren toch niets zou geven, on dat de „questiequot; wel uit Amsterdam kwam. Bovendien „dissi-muleerdequot; hij nu en dan, schrijft Helmich, zoodat de Am-sterdamsehc predikant onvoldaan was na het onderhoud met den Leidschen professor \'j.

Bij die gelegenheid heeft hij, blijkens denzelfden brief, ook met Gomarus gesproken, van wien hij vernam dat er „geen swarieheyt van eontentie, off partijschap\'\' iu Leiden was, maar dat Arminius „al te mets dingen voortbr[acht], die togen de gemeene leere [waren]quot; — het sub 2 en misschien ook wel het onder 3 meegedeelde, heeft Gomarus hem genoemd, doch heeft hij bij deze gelegenheid niet meer met Arminius besproken —; en van Gomarus hoorde hij ook de klacht, dat Arminius was opgehouden met do „lectioquot; over het Oude Testament, welke hem was toegewezen, en mot het Nieuwe Testament was begonnen; alzoo de sikkel in Gomarus\' oogstveld had geslagen. Hem, en evenzoo prof. Trel-catius, spoorde Helmiehius aan, om eens „privatimquot; met zijn collega te gaan spreken, terwijl hij ook den regent van het Staten-collegie, Cuchlinus2), tot waakzaamheid vermaande.

De vroegere „deputaatquot; dor Synode bleef dus ook nu nog ijverig in de weer.

Twee maanden later toonde hij dat bij vernieuwing, doordat hij — ditmaal in Amsterdam — nogmaals eene samen-spreking met den onzuivoren professor had ; nu over punten, die zij „t\' anderen tijdenquot; nog niet besproken hadden. Zij hebben toen gedisputeerd over de vervulling der wet door

■I) W.d.M.-V., S. III, Dl. IV, blz. 254.

\'2) Dat deze later ))sijn ure in \'tcollegiequot; veranderde, «op de urequot; als Arminius las, doch spoedig zjjn «innovatiequot; moest nalaten, meldt Helmich in zjjn brief van den «lesten April 1605quot;. W.d.M-V., S. III, Dl. IV, blz. 282.

-ocr page 261-

247

do wedergeborenen, over de nederdaling ter hel, en over de woorden uit Matth. 18: 17 „zeg hot der gemeentequot;; en in dit onderhoud kwam uit, dat Arminius dogmatisch niet zuiver liep, ofschoon hij volhield orthodox te wezen, en dat hij kerkrechtelijk neigingen openbaarde naar \'t Erastianiame; waarom Helmiehius hem dan ook wederstond en nogmaals op eene collatie met zijne medehooglceraren aandrong i). Eu waarom, voegde hij er aan toe, geeft gij uwe „Synopsisquot; dan niet uit, die, naai ik hoor, klaar is; als daaruit blijkt, dat gij U in alles houdt aan de „analogia fideiquot;, dan zal alle suspicie jegens U ook ophouden; doch Arminius was tot die uitgave nog niet bereid -). Het was weer dissimulatie! Arminius prees Calvijn zeer; volgens zijn eigen zeggen meer dan Helmiehius deed 1); hij was wel niet in alles met Calvijn eens, maar overigens - er was sedert de dagen der Apostelen nog nooit zoo\'u exegeet geweest; hij was onnavolgbaar; en vorder wenschte Arminius zich steeds te houden aan confessie en catechismus \'), —• maar toch merkte men wel aan zijne uitlatingen in de gesprekken, en aan de onrust in Leiden, dat er veel aan zijne zuiverheid haperde; Helmiehius, die ook van Arminius gaarne het beste wilde oordeelon, kon hem niet voor geheel „sincorusquot; hou-

1

Praest. ac Er ad. Virr. Epp., Nr. Cl.

4. W. d. 3f.-F., S. III, Dl. IV, blzz. 239, 255; en G. Brandt, a. io., Dl. II, blz. 82 vg.

-ocr page 262-

248

ilen; hij cu Wtenbogaert on wio or moor achter zaten, gin-gen „subdolequot; en „teetequot; te werk! \')

Doch hoe zou men recht vat op hem krijgen! Met do private colloquia kwam men niet verder1); or moest ,be-wijslicke stotfequot; zijn :i). Ds. Daniol Doleghius uit Delft, die in 1603 aan Arminius oen\' brief had geschreven, „die hem niet in alles wol behaechtquot; had2), en in 1004 tot „gedeputeerdequot; der Z.- H. Synode was benoemd3), vond het van belang, dat een aantal predikanten bijeenkwamen om met elkander te overleggen en oene gemeenscbappelijke gedragslijn vast te stellen, ten einde Arminius te „wederstaenquot; c). Holraichius vond dit evenwel „wat to vroech om so broedt te nemen; \'t soude qualick verholen blijven; men soudo suspiciëren; die suspiciën souden geen goot woreken; ende waor \'t niet nu ter gelegener tijt, soudo verwijt endo schade daerwt volgen4). Dan dat eenige, drie off vier, van v luyden,

1

W.d.M.-V., S. Ill, Dl. IV, blz. 256.

2

W.d.M.-V., S. III, Dl. IV, blz. 187.

3

Reitsma en van Veen, a. w., Dl. 111, blz. 227

4

ir.d.M.-V., S. Ill, Dl. IV, blz. 265 vg. Ds. Adrianus van den Borre, die in 1604 uit Schoonhoven in Leiden gekomen was en in 1605 op den preekstoel o. a. zei, dat de Heidenen zonder kennis van Christus konden zalig worden — wat door Arminius «versachtquot; werd — en later op de kamer van een student, »op de gesontheyt ende lang levenquot; van Arminius dronk; alzoo een ijverig voorstander en een beschermeling van Arminius was, »van wien [Helmich] bijna soude seggen dat hy een nest vol quade opinion in sjjn hoofftquot; had, klaagde in Febr. 1605 reeds aan Festus Ilommius, «datter conventiculen gehouden w[e]rden om te delibereren hoe men Arm. wederstaenquot; zou. Zie u. iv., blzz. 156, 462, 243 vg., 268, 274, 282 vg. Vgl. Proest, ac Erud. Virr. -Epp., Nr. 69, 76—78, 80, 82 eu 88.

-ocr page 263-

249

naost by oen goseten, eens te samen spreken voor quot;t eerste ende de sake eens overleggen eude overwegen ende een forme van advys ramen: ende dat wy, van suleks geadverteert, onder ons oock eenige weynige allhier eens spreken ende hetselve advys overleggen offte wat anders daerby voegen: ende also in stillicheyt eenige preparatie maken, om in de toecomeude Synodis daervan iet te handelen, dat vinde ick \'t bestequot;, bericht hij verder; „ende — zoo vervolgt hij — dat soude oock all na Paessohen moeten geschieden; want onse Synodus comt vroech. L)aer sal wel te overleggen wesen, wat men voor bewijslicke stolle heefft, die men in Synodo soude mogen voortbrengen: want men moet dencken dat men andere sal moeten doen geloven datter noot is, ende waermede dan met blijckelicke redenen?quot;

Men merkt, het verzet tegen Arminius komt nu in cene andere phase; Helmichius wil de zaak ter Synode brengen.

Zijn raad is opgevolgd. Veertien dagen later kwamen enkele predikanten1) in Delft bijeen — Ilelmich was om het a. s. nachtmaal verhinderd tegenwoordig te zijn — om te delibereeren. Na „lang debatquot; vond men, evenals Wer-nerus, voor allo dingen noodig, dat men „ontwijffelicke sekerheitquot; kreeg „van \'t gene D. A. [Arminius] oudeA.B. [Borreus]2) dreven. Up Arminius en ook op de kerken had men dus het oog. En om nu tot de gewenschte zekerheid te geraken, wilde men door bemiddeling van Gomarus „sekere goede getrouwe Studenten of anderequot; zien te vinden,

1

W.d. M.-]\'.. S. III, Dl. IV, l)lz. 209—272;(vgl. S. II],J)I. v,l)lz. :i58). »l). Ü.quot; op blz. 269 is zeker lt;ls. Dan. Dolegius uit Delft; ))J. B.quot; is zeker ds. J. Bernurdus uit Delft, dezelfde, aan wien Bertius eens schreef, «Te wenschen te zjjn, dat Jacobs [Arminius] schalckheyt tot Amsterdam ware gebleven (Trigland, «.«•., blz. \'297.); »0. S.quot; is zeker Caspar Swerinck-husius nit Rotterdam {a. tv., S. III, Dl. IV, blz. 280 »0. Sweerquot; genoemd); »S. F.quot; (L. P.) is mij onbekend (misschien Lib. Fraxinus uit den Haag); de vijfde was A. Cornelisz.

2

Zie noot 7 op de vorige bladzijde.

-ocr page 264-

250

die moesten „opteockenenquot; wat Arminius op zijne „lessenquot;, Borre iu zijne „sennoeuenquot; leerde, „emle kennisse dacrvan [moesten] houden om ter noodt sekere getuygeuisse te geven.quot; Voorts moesten zij do privatissima van Arminius, waarop hij zich „naerder openbaer[de]quot;quot; bijwonen, en ook eens naar hem toegaan, om hem „rondelickquot; na syn gevoelen te vragen; hij antwoordde „geernequot; en zou dan zijne gedachten wel bloot leggen. Ook zou Gomarus zelf\' „wt de conferentiequot; niet Arminius, en uit diens „scriptum in cap. 7 Rom.quot;, „sijnen sin in sommige artioulen wel connen verstaen.quot;

Ziedaar wat men wilde met betrekking tot de tegenstanders der gezonde leer in Leiden.

En om de „kerekenquot; te bewaren, wilde men, dat do studenten, die „van nieus tot den Dienst werden aangenomenquot;, behalve de gewone onderteekening van confessie en catechismus, nog eene nadere verklaring zouden teekenen van dezen inhoud; „dat sy haer selven [zouden] houden datelick van den Dienst gedeporteert, ende [beloofden] afstant daer aff te doenquot;, bijaldien zij tegen de leer disputeerden of leerden „in \'t bijsonder off openbaerlickquot;; zelfs vonden onkelen wel goed, dat men hen eenige bepaalde punten onderteekenen liet. Zoo iets moest echter ter Synode worden vastgesteld; en omdat nu te Amsterdam al „een nieu gevoelenquot; bij enkele studenten aan het licht was gekomen, moest in N.-Holland dienaangaande een gravamen ter Synode worden ingediend; was daar dan wat „gestatueertquot; dan konden de iVoorrf-Holl. „gedeputeerdenquot; dat op de Zuid-Holl. Synode brengen. Resumeorende krijgen we dus — ik haal hier Ilelnüch\'s woorden, welke nu wel te verstaan zijn, aan i) —: „4 punten: 1quot;. Ontwijffelieke sekerheyt tc enjgen; 2quot;. Onderschnjvinghe in de Classen : 3°. Naerder concept van eenige punten, tot onderschnjvinglie; 4°. Gravamen aan den

1) W.d.M.-V., S. 111, Dl. IV, blz. 275.

-ocr page 265-

251

Synodum. | Middelen] „daartoequot; „(1) getuychnissen ex audito-rib. lectionum et ooncionum : (2) ex privat. exercitiis: (3) ex consultovibus: (4) ex ipso D. D. Gom. per colloq. cum A.quot;

Hoe oordeelde Helmiohius over deze plannen der Zuid-Hollaudsche broeders ?

De middelen — uit gebrek aan boter in de bestaande verlegenheid wel te verklaren, doch overigens niet boven alle verdenking verheven \') — vond hij „goetquot;; maar togen een paar „puntenquot; en de „executiequot; daarvan had hij, na rijp beraad, nog al bedenkingen 1). Het eerste punt was goed; het tweede ook wel, „nameliek voor de kerekenquot;, doch zijn bezwaar daarbij was, dat „het stuck van de Vnivers. daermede niet gebetortquot; werd; het derde beviel hem nog minder „want dat behoor[de] eygentliek aen den Synod. Generaelquot;; het vierde, „om een gravamen op den Synodum te stellen, in generequot; vond hij „allerbestquot;\', maer daer [vielen] veele consideration in de manierequot;. Of het in Noord- dan wel in Zuid-Ilol-land werd ingediend, deed er niet toe, als men maar goede gronden had om het „te verclaren ende [te] demonstreren in den Synodoquot;; daarop kwam het aan; die „stoffequot; mocht wel „dubbeldquot; zijn: „1. Claer ende bewijslich, ende onlooch-baer; 2. Wichtich ende claer tegen den grondt ende fondamenten des Catechism, offte Confessiequot;. Zijn „voorslachquot; was daarom, dat eerst „in alle manierenquot; werd gearbeid „om stoffequot;; dat daarna de professoren of Gomarus alleen met Arminius gingen spreken, opdat men „haer getuyehonisse, oordeel ende verclaringhequot; gebruiken kon; en dat de „gedeputeerdenquot; der Synode dan met die 2 punteu ter Synode kwamen2). Door zoo te doen zou men „veel tijts winnen,

1

W.d.M.-V., S. Ill, Dl. IV, blzz. 273, 275—281.

2

Helmichius begreep wel, dut men zou kunnen vragen of die zaken niet eerst op de mindere vergaderingou gebracht moesten worden, en of de synod. »deputatenquot; daarmede wel dadelijk ter Synode konden komen.

-ocr page 266-

252

endo voel stocnelippeu wijt voorby scylen, daer inon anders aen periolitercn soudequot;. Aldus schroef hij 26 April 1605; welk schrijven even later gevolgd werd door het bericht, dat het al te laat was om nog een gravamen bij de N. llollandsche Synode in te dienon; dat zijne collega\'s, met wie hij „de sake van Leydenquot; besproken had, ook beter vonden, dat nog gewacht werd op „breeder stoffe wt 2 disputationquot;, die „cortsquot; aan de academie gehouden zouden worden; en dat „de sakequot; dan eerst op de Z. Hoilandsche Synode word gebracht door do „gedeputeerdenquot;, die vooraf nog, na „genomen informatiequot; van de „stoffe van puntenquot;, on „na gehouden communicatiequot; met de andere professoren, Arminius zelf moesten „aensprekeu endo hem versoecken by geschriffte sulcko punten als hy meyn[de] noch gerorjui-reert te worden onde verbeteringhe to behoeven in [de] Kercke, om deselve ter examen te stellen in den Synodo, onde dat alles mot ordre en stichtingho [mocht] geschiedenquot;. „Endo dat sy dan sulck haor doen, endo het antwoordt D. Arm. sulcks als het [viel], tsij dat hy \'tschritftquot; gaf of niet, „off dat hy het wtstel[de] op don Gener. Synod., off dat hy dissimuleer[de] iet te hebben: offte hoe dat het soude mogen vallen, tselvo pleynlick den Synodo aondien-[d]en met allo nodige circumstantiën, om daerop gedaon endo gerosolveert te worden. Deze procedure duuckt ons de bostequot; \'), zoo eindigt Ilelmich, dio, blijkens het meègedeelde.

Daarom laat hjj in zijn\' brief volgen (blz. \'279 vg.): »Dit (t. w. dat men dadelijk de punten ter Synode brengt door middel van de wdeputatenquot;) heefft ooch ende fondement: want i. De sake is generael, nietclassicael, moer generael aen alle kereken: ende daeromme noch eer voor een Nation. Synod, directe, als voor een particulier: doch een particul. Synod, is de naeste, by gebreck van een ander. 2. D\'instructie der Gedep. houdt, ende is nu onlangs door authorit. der Staten ende beyder Synod, solemnelick bevesticht, dat sy in tijts acht nemen sullen op de r jjsende swaricheyden etc. Ergo ex officio: oock te beschuldigen midorhandt indien sy het niet en doen.quot; Vgl. Reitsma en van Veen, a. w., Dl. I, blz. 350; Dl. III, blz. 232.

1) W.d.M.-V., S. III, Dl. IV, blz. 283 vg.

-ocr page 267-

253

met boleid en met de nootligo voorzichtigheid to werk ging, om de geschilpunten ovor de leer ter Synode to krijgen, en daar geen fiasco te maken.

Gelijk bekend is, de „gedeputeerdenquot; van Z. en N. Holland hebben Arminius 30 Juni 1C05 bezocht1), doch zijn in hunne qualiteit als „gedeputeerdenquot; door hem niet ontvangen ; de curatoren, „onder welke hy stondtquot;, „souden hem \'t solve qualyck afnemenquot;. Wilden zij als „private predikantenquot; met hem ovor de loer spreken, daartegen had hü geen bezwaar, mits zij dan maar geen rapport bij do Synode indienden 2).

Onverrichter zake gingen zij dus weer heen.

Niettemin kwam de „sake van Leydenquot;, geheel naar den wensch van Ilelmieh, wel op de Rotterdamsche Synode, in Aug. 1605 begonnen, doordat de „deputatenquot; daar verslag deden van hun wedervaren bij Arminius \'\'), en de Classe Dordt, naar aanleiding van de geschillen te Leiden, daar een gravamen \') indiende. Die Synode besloot, dat hare „gedeputeerdenquot; — en die van N. Holland zouden verzocht worden meê te doen — een onderzoek naar de leerverschillen in Leiden moesten instellen, en aan curatoren of H.H. Staten moesten verzoeken, dat door hunne tusschenkomst de theol. profes-

1

Trigland, a.w., blz. 299 on 316. Vgl. Rogt«?c, a. w., Dl. I, blz. 257 vg. Of zij zich ook van die vroeger genoemde middelen hadden bediend om achter Arminius\' gevoelen te komen, bleek mij nergens, ofschoon in de gesprekken wel gewezen is op de geruchten, door studenten en anderen verspreid. Met Trelcatius en Gomarus is gesproken na het bezoek bij Arminius. Trigland, a. w., blz. 299 vg. Vgl. G. Brandt, a. »•., Dl. II, blz. 58 vg.

2

Even te voren had Arminius nog eene wcollatioquot; aan Helmich aangeboden, {Pra est. ac Erud. Virr. Epj)., Nr. LXXVII), doch dat aanbod kon hij gemakkelijk doen, omdat Helmich toen geen «deputaatquot; was.

-ocr page 268-

254

soron in Leiden er toe gebracht worden, om hun gevoelen „rondelyckquot; te „verclaronquot;, opdat die „verclaringequot; aan de Classen kon worden toegezonden, en op die manier alle „suspi-cienquot; werden geweerd en de „kereken in rustequot; werden gesteld; weigerden de professoren, dan moest uit elke Clasae één lid aan „deputatenquot; worden toegevoegd, en door hen gemeenschappelijk worden gedaan wat zij in de gegeven omstandigheden het beste vonden, aangezien „door het onseker verwachten des synodi nationalis de zake niet dien[de] opgehouden te worden, uijt vreese van meerder swarichedenquot; i).

Aan het eerste deel van dien syuodalen last werd in Nov. d. a. v. voldaan -), doch curatoren waren „deputatenquot; al voor geweest en konden hun een stuk tooneu, waarin de theol. professoren verklaarden, dat er in de fnndamenteele stukken der leer tusschen hen geen verschil was 1).

De „deputatenquot; liepen dus „met het hoolft tegen de muerquot; 2). En wel begrijpende, dat eene commissie, „die de feitelijke macht tot bevelen en het oefenen van contrainte miste,quot; niets gaf, lieten zij de formeering daarvan maar achterwege, en begonnen weer op de acte van consent tot het bijeenroepen der Generale Synode aan te dringen. Daarheen hadden de curatoren ook verwezen3); en daar moest de „sakequot; die „generael wasquot;, eigenlijk ook beslist worden 3). Dat consent nu konden „deputatenquot; in No-

1

Schotel, ü. w., blz. 78. Vgl. H. H. Kuyper, a. w., blz. 500.

2

W.d.M.-V., S. Ill, Dl. IV, blz. 279. quot;

3

W.d.M.-V., S. III, Dl. IV, blz. 279. Vgl. A. Kuyper, a. w., blz. 3G.

-ocr page 269-

255

vember krijgen, zooals ik vroeger reeds meudeelde \'), maar onder dit beding, zei Oldenbarneveld er namens de Staten bij, dat do confessie moest worden „geresumeerdquot; 1). Ook wees ik er reeds op, dat „deputatenquot; toen dadelijk naar Amsterdam schreven om gecommitteerden, ten einde met hen te overleggen of men het consent met de clausule zou aannemen; dat Hclmichius —• dien ik tot recht verstand van het verloop een oogenblik uit het oog scheen te verliezen — met I\'lancius naar den Haag is geweest, daar een stuk heeft gesteld, waarin men aan de Staten vroeg de clausule weg te willen laten, doch er bijvoegde, dat men or zich, nood gedwongen, onder protest, in schikken zou, als de „actequot; dan maar dadelijk gegeven werd; en dat Hel-michius dit verzoek „mondelingquot; in de Statenvergadering heeft gedaan. Het verzet tegen dit Arminiaansche resumtie-plan baatte echter niet; en 15 Maart 1606 werd de beloofde acte gegeven, waarin nu zelfs, tot nog meerder smart van Helmichius en zijne mede-standers, het woord „resumtiequot; veranderd was in „revisiequot;, en was ingelascht, dat ook de catechismus moest worden gerevideerd2). Helmich ontving de acte spoedig en bracht ze in don Kerkeraad, die ze weer aan de kerken toezond, maar er in eeno begeloidonde missive, door Helmichius als praeses en ds. Halsbergius als scriba van don Kerkeraad geteekend, op wees, dat do in de „actequot; genoemde „revisiequot; door hem niet was gc-approbeerd \'). In verscheidene provincies was men „niet weynich door deso clausule gcorgertquot; »); cn in het volgende

1

Over de beteekenis van het woord wesumeerenquot; en het later te noemen «revideerenquot;, in den stjjl dier dagen, zie men A. Kuyper, Revisie Oer Revisie-legende, blz. 108.

2

A. Kuyper, a. w., blz. 109.

-ocr page 270-

256

jaar is dan ook, mode door Helmich, nogmaals eene poging gewaagd, om er af te komen en zoo do Arminiaansche plannen te verijdelen.

Do Staten hadden namelijk in de acte van consent ook opgenomen, dat zij eenigo kerkedienaren zouden „beschrijvenquot; om hun oen praeadvies te geven over het houden der Synode \'). Met die beschrijving word echter getalmd, zoodat Helmich meer dan eens met Plancius naar den Haag is geweest, om er op aan te dringen. Eindelijk in April 1607 werden de Prov. Staten der verschillende provinciën uitge-noodigd, om tegen 22 Mei een tweetal predikanten naar

blz. 68. Vgl. Reitsma en van Veen, a. v., Dl. I, blz. 398. Groningen schreef\' er zelfs een belangrijk stuk over aan de kerk van Amsterdam, waarvan later gebruik is gemaakt door de Amsterd. Classe bij liet opstellen van hare redenen tegen de «clausulequot;. Acta der Classe Amsterdam, 14 Mei 4607. Die «Redenenquot; zijn nog aanwezig in het O.-A. d. N. II. K., Nr. 31, B, 44. Ook hebben de syn. wdeputatenquot; van Z. Holland in 1606 aan Amsterdam\'s Kerkeraad verzocht, om nog eens aan Groningen te schrijven, wijl daar beslist bezwaar was tegen het komen ter Synode, zoolang de gehate restrictie werd gehandhaafd. Acta vdeputt.quot; 1606, in het O.-A. d. N. H. K., Nr. 31, A. Voor Z. Holland verwijs ik naar Trigland, a. iv., blz. 351 vg. Vgl. A. Kuyper, a. w., blz. 109. In N. Holland waren vooral de Amsterd. Kerk en Classe sterk tegen de revisie der Formulieren van Eenigheid. Trigland, a. w., blz. 351; en Acta der Classe, 14 Mei 1607. Hoe de N. H. Synode dacht vindt men bjj Gr. Brandt, a. rr.. Dl. II, blz. 66. Vgl. Reitsma en van Veen, a. Dl. I, blz. 1190. Daar duidde men dus, om het met woorden van Trigland («. w., blz. 352) te zeggen: «alles nae den aert der liefden ten bestenquot;. In Zeeland is zeker ook bezwaar tegen de clausule geweest; ten minste men wilde daar geene verandering in de leer. Zie Helmich\'s brief van *2 Mei 1607 (opgenomen in Bijlage /)), waarin tevens uitkomt, dat hij zelf nog al gunstig dacht over het voornemen der Staten met de clausule. Zelfs gaat hij wel wat heel ver, als hij de Staten in elk opzicht van verkeerde plannen tracht vrij te pleiten; want — het zij nogmaals met Triglands woorden (t. a. p.) gezegd — «\'t en is niet te twjjffelen, of vele Heeren aldaer present hebben \'t alsoo oprechtelijck gemeentquot; [d. w. z. dat zij niet naar eenige «novatiequot; of »veranderingequot; in leer of religie stonden], maar dat de advocaat en nog enkelen anders dachten, «heeft de droevighe erva-rentheyt daer nae wel gheleertquot;.

1) Trigland, a.w., blz. 351. Vgl. Rogge. a. w., Dl. I, blz. 274 vg.

-ocr page 271-

257

den TIaag to zenden; Ilollaud en Friesland mochten ook wel professoren afvaardigen \').

In Gelderland en Overijsel hadden do aangeschreven predikanten bezwaar, omdat de keuze der afgevaardigden van de Staten en niet van de kerken uitging. En het zou zeker, — zoo schrijft Helmich, die zelf ook gevraagd is om in don Haag te verschijnen, — beter geweest zijn, dat de Staten het kiezen van de dienaren aan de vrijheid der kerken, wier recht het was, hadden overgelaten. Gemakkelijk, dus vervolgt hij, was het te begrijpen van hoe groot gewicht het was en wat gevolgen het hebben kon, als de Overheid naar eigen goeddunken, buiten de kerken om, dezen of genen koos, om over kerkelijke zaken te beraadslagen. De N.-H. Synode had dan ook ten vorigon jare maatregelen genomen tot handhaving van de vrijheid der kerken. En de predikanten in de Amsterdamsche Classe wilden wel niet, dat zij, die door do Staten geconvoceerd werden, weigerden, opdat de voortgang der Synode niet belet werd, doch hadden tevens bepaald, dat die personen niet naar den Haag zouden gaan zonder oene instructie van hunne Classe of ten minste van hunne kerk, waarin ook moest voorkomen dat deze manier van doen alleen voor ditmaal werd toegelaten.

Ook zag Helmich er niet veel heil in, dat er professoren voor die vergadering waren benoemd. Op zichzelf leverde dat geen bezwaar op, maar hot scheen dat dit om opzettelijke redenen zoo bepaald was; en waarop het nitloopen zou zou de toekomst loeren. Er was al gezegd, dat er eenigen van beide partijen benoemd werden, opdat de verkozenen niet „unins partisquot; zonden zijn. Lot wel! — zegt Helmich — de Staten van Holland erkennen, dat er partijen onder de dienaren zijn: derhalve willen zjj dat er van elke richting

17

-ocr page 272-

258

worden benoemd. Als dat waar is, en do bijeenkomst op die wijze met opzet gemengd zal zijn, dan zal daaruit slechts groo-ter verwarring en moeilijkheid bij het beraadslagen ontstaan i).

Hij was dus niet zonder zorge en vreeze toen hij, met bekomen instructie van de Classe 1), in Mei 1(107 naar\'s Gra-venhage ging; en die vreeze en zorge zijn er zeker niet op verminderd, toen hij daar Arminius en Wtenbogaert aantrof. Zijne voorspelling over moeiclijkheid en verwarring zou in vervulling gaan.

Aan de vergadering van zeventien, hot bekende „oonven-tus praeparatorinsquot;, dat Helmichius tot assessor benoemde — ds. Fontanus uit Arnhem presideerde, Becius pred. te Dordt was scriba — werden door de Staten acht vragen ter beantwoording voorgelegd ■\'). Op vijf kreeg men een eenstemmig antwoord 2), doch bij de drie laatste kwam en bleef er „na seer vele en lange debattenquot; quot;j verschil. De zesde vraag luidde: „Off de gedeputeerde ter voorschreven vergaderinge [d. i. Genor. Synode] niet en behoor[d]en verplicht te worden vrymoedich hare meyninge te verclaren sonder hen anders als aen Gods woort verbonden te houdenm. a. w. of men ter Synode niet zitting moest hebben, zonder aan confessie of catechismus gebonden te zijn. Neen, zeiden Helmichius en nog twaalf; ja, meenden Arminius en Wtenbogaert met de geconvoceerden uit het Sticht, die voor liet „Remonstrantschequot; beginsel opkwamen quot;j. Helmichius schreef later over dit punt: Als men niet anders oordoelen kan dan

1

Reitsma en van Veen, a.w., Dl. 1, blz. 411; en Acta van de Classis van Amsterdam, 14 Mei 1607.

2

Helmich\'s brief van 2 Mei 1G07. Zie Bijlage IJ.

-ocr page 273-

259

los van do subscriptie on mout eens lang over eone zaak denken, zoodat men in do vergadering niet klaar komt, dan zou men buiten de Synode ook nog vrij zijn van de onder-teekening; maar als men die vrijheid zoover niet wilde uitstrekken, en men kou buiten de Synode wel over een punt oordoelon, terwijl men aan do subscriptie gebonden was, dan kon men dat ter Synode zelve ook wel. Hij noemde liet gevoelen der tegenstanders daarom absurd1).

In vraag zeven werd gevraagd : „ Of men sal mogen reces nemen, indien eenige saecken voorvallen, daeriune de gedeputeerde [ter Synode] haer beswaert souden mogen vindenquot;. Ja, oordeelde men eerst gemeenschappelijk, zonder meer; maar do dertien „Contra-Remonstrantenquot; merkten bij het debat, dat Arminius en Wtenbogaert de uitspraken der Synode eigenlijk niet voor „bindend en beslissend\'\'2) wildon houden, en onder Synode eigenlijk verstaan wilden, niet alleen de gedeputeerden, maar ook do deputeerenden, „tot dewelcke reces [zouj mogen genomen wordenquot;3). Op dio manier zou de deliberatie op een „lietjen souder eyndequot; uitloopen; waarom de dertien gereformeerden dan ook, niet tegen alle „recessenquot; zijnde, bij het „simpelyck jaquot; nog dit voegden, dat de Synode oordeelen zou „waerop, boo ende wanneer het reces genomen [zou] wordenquot;

Do laatste vraag eindelijk was van dezen inhoud: „Wat voorder tot de beschryvinge van de voorschreven vergade-ringe [(rener. Synode] dicnstelyck is om de vruchten van dien tot welstant der kereken te mogen genietenquot;. Hierbij

1

ITelmioli\'s brief aan Lubbertufi, lt;1.(1. I Oct. st. n. 1607. Zie Bjjlage 7gt;. Wat hij schrijft is zakelijk hetzelfde als hetgeen genoenul wordt in A. Kuyper\'s a. u\\, blz. 159 vg., derde en vierde ))tegenredenquot; en »Ant-wnortquot;.

2

A. Kuyper, a. w., blz. 113.

3

A. Kuyper, a. i\'quot;., blz. 154.

-ocr page 274-

260

kwamen o. a. Helmichius on de broeders uit Friesland i) met hunne instructie togen de „revisiequot; voor den dag, en waren do bekende „dertienquot; van oordeel, dat aan de Staten verzocht moest worden om weglating van de clausule over revisie van confessie en catechismus „inde uytschry-vinge des nationalen synodiquot;. Zij beweerden niet, dat er nooit revisie mocht zijn, maar waren tegen „vaste revisie , tegen een „altijd moetenquot;, dat de vier anderen wilden doordrijven, bewerende „dat hem niemant en behoor[de] te beswaren over de clausule van revisie des catechismi, ende der belidinge, dewyl revisie alsoo wel confirmatie als correctie veroorsaecktquot; 1).

Werd men het dus eens over vijf vragen en nog restee-rende kleinighedens), op drie vragen luidde het eindaiit-woord verschillend. Wol hebben de dertien strijders voor de gereformeerde beginselen bij die drie laatste punten hun best gedaan om „so vele [hun] conscientie halvon mogelyc wasquot; \'), hunne „medebroederenquot; „te gemoete te gaenquot;, doch zij konden hen niet „contenteivquot;. Dies werd „eyndelyc goctgevonden dat de verschillen advysr ncvr malkanderc souden gestelt werden, en also den E. Hecrë Staten souden ovcrgelevert wordenquot;; waartoe vier benoemd werden, die 1 Juni hunne opdracht uitvoerden 2).

Waarom de groote meerderheid van de leden der „voorbereidende samenkomstquot; op de drie genoemde hoofdpunten van do „Remonstrantschequot; minderheid bleef verschillen, hoeft

1

Reitsma on van Veen, «.«*., Dl. 1, biz. 443; en A. Kuyper, a. w., blzz. 108, 411, 154, 404.

2

Zie het »verbaelquot;, dat ik reeds noemde; en Rogge, a. iv., Dl. I, blz. 290.

-ocr page 275-

261

zij, behalve in hetgeen in haar antwoord aan do Staten was uitgedrukt, later nog in oene breede justificatie toegelicht.

De aanleiding daartoe was deze.

Holmichius vernam, niet zoo lang na die Ilaagsche vergadering-, vau Wtenbogaert, dat Arrainius en hij, „cum suisquot;, het voornemen hadden, „hare redenen, dienende tot bevestiginge van hare adviscn, den heere advocaet Barne-veltquot; over te geven; zij waren „daertoequot; niet „versochtquot;, maar „sulx was [hun] geradenquot; \'). Aan dat voornemen hebben zij op 6 Sept. ook gevolg gegeven ■). Barneveld heeft dat stuk echter niet voorgelezen in de Staten-vergadering, maar het slechts verzegeld laten zien, terwijl het bewaard zou blijven totdat ook de gereformeerden hunne „redenenquot; hadden ingezonden, zoo als Hclmich aan Lubbertus schreefs). Daarom is toen enkele dagen later eene vergadering in Delft gehouden, waar Gomarus, Becius, de synodale „deputatenquot; van ÏL en Z. Holland, en Ilelmichius, op wiens initiatief zij wellicht is belegd, tegenwoordig waren. Die hebben daar met elkander „eenige redenen geconfereert, die ten deele by de broeders van Groeningen waren gestelt eude gecom-municeertquot; \'), en ten deele door Becius; goed gevonden, dat men „van deselve een beworpquot; zou maken, en dat do dertien, die in den Haag „eenstemmichquot; geweest waren, „voor den winterquot; nog eens bijeen zouden komen, om „met gemeene toestemmingequot; de „redenenquot; vast te stellen en te teekenen, en te overleggen of men ze ook, „sonder daertoe

1) Kist on Royaui\'ds, Archief voor Kcrkel. Gcsch.,1)1.\'S.\\,h\\x.ïah—\'48. Vgl. Rogge, d.tr., Dl. I, blz. 305; eu Ilelmichius\' brief in noot 8.

2) W tenbogaert, Kerch. Historie, blz. 362.

3) Brief van 4 Oct. st. n. 1607. Zie Bijlage D. Vgl. Rogge, a. w.. Dl. 1, blz. 308.

4) Het stuk der Groninger broeders is zeker — blijkens hun brief d.d. 22 Sept. 1607, aan Helmich toegezonden, en waarin naar vroegere aan «Amsterdamquot; toegezondene redenen verwezen wordt, — hetzelfde, dat ik reeds noemde in noot 5 op blz. 255 vg. Helmich heeft dat stuk dan zeker meegenomen naar de vergadering te Delft.

-ocr page 276-

202

vorsoclit to synquot; overgeven zou. De dag van samenkomst werd ook reeds bepaald; men zou de dertien broeders vragen, tegen Dinsdagavond 10 Oct. in Amsterdam te willen komen, ten huize van Holmichius, die hen allen outvangeu zou, en die mot Gerardi eu Becius op zich nam de andere broederen uit te noodigen en hen van het dool der conferentie op de hoogte te brengen. Don volgenden dag zou men dan delibereeren \'j.

In dien tusschentijd heeft Becius reeds een „beworpquot; 1) in gereedheid gebracht en ter lezing en beoordeeling toegezonden aan Helmichius. Deze zag het in en schreef „op een besonder pampierquot; zijne „meyningequot;, welke hij te gelijk met diens eigen stuk weer aan Becius toezond. In die „meyningequot; bood hij aan Becius allereerst „een cort Prefatiequot; aan, die, naar hom dacht, aan het stuk moest voorafgaan; verder maakte hij eenige wijziging in de volgorde, door Becius voorgesteld; deed er nog „eenige meerder tegenwerpingenquot; bij, welke in het concept van Arminius e. s. „claerl. wtgedrucktquot; stonden; en was van oordeel, dat er „een conclusie cortel. aengemaeckt [moest] worden, om de II.JI. wat te bewogen, ad relinquend- aliquö simul in animo legentisquot;2). Wenken, welke het „beworpquot; boter maakten.

En toon nu do bestemde dag was aangebroken, kwamen acht \') van do dertien broeders in Amsterdam bijeen, en hob-

1

Dit is zeer waarschijnlijk het stuk, «lat Tri^land meêdcolt in a. ir., blz. 365 vg. Er komt veel uit het reeds meer genoemde Groninger stuk in voor, terwijl het andere er dan door Becius .zelf is bijgevoegd; ol\' juister nog, Becius heeft zijn geheele «beworpquot; zeker opgesteld gt;ia en naar aanleiding van en uit het verhandelde op de vergadering te Delft. De minute, door Becius geschreven, is in het O.-A. d. N. 11. K., Nr. 6, I, 18.

2

Brief van Helmich aan Becius, d.d. 28 Sept. 1607. Bijlage D.

-ocr page 277-

263

bon uit do „meyningequot; vau Helmich, uit het „ be worpquot; van Beeius, en uit stukken van enkele anderen \') oen definitief concept gemaakt, dat daarna in \'t net is geselireven, bij al de broeders ter teekening is rondgezonden ^), en na eenige

October is gehouden, zijn in het O.-A. d. N. II. K., Nr. 6, I, 19. Omtrent het uitnoodigen en komen der broeders kan ik nog het volgende melden. Beoius zou de Zeelanders, ds. Faukelius en ds. Brandius uitnoodigen; Gerardi zou aan de Friezen en Groningers, Lubbertus, Bogerman, J. Acronius en Joh. Xieacius schrijven; Helmich zou Gosuinus uit Kampen en Fontanus uit Arnhem inviteeren. Zie Helmicli\'s brief aan Becius, d.d. 28 Sept. 1607; en Kist en lloyaards, u.v\\, t. a. p. Gomarus was te Delft ter vergadering en behoefde niet meer uitgenoodigd te worden. Of Joh. Leo uit Bommel genoodigd is, weet ik niet. Hij was in \'t laatst van Sept. ernstig ziek, zooals uit een\' brief van zijn\' zoon Henricus aan Becius, d.d. \\ Nov. 1607, bljjkt fO.-A. d. N. II. /v., Nr. 31, B); misschien is hij deswege niet gevraagd, in elk geval deswege zeker niet in Amsterdam geweest. Dat de Groningers niet kwamen, blijkt ook uit hun reeds genoemden brief van 22 Sept. 1607, waarin zij o. m. meedeelden, dat de Staten in de provincie Groningen besloten hadden niets meer te doen »in sake des nationalen Synodiquot;, »voor en aleerquot; de resolutie der Delftsche Synode over het houden van een wcöventus provincialisquot; in Holland, «geeffectueertquot; was. (vgl. Reitsma en van Veen, a. w,, Dl. lil, blz. 261 vg.). Hun is daarop geantwoord, namens de broeders die in Amsterdam bijeenkwamen, dat het besluit der Groninger Staten werd betreurd, want, zoo luidt het o. a., »te beduchten is, indien uwe provincie met geene andere conditie begeert te consenteré, inthouden des nationalen Synodi, dan mits voorgaen convëtu provincial*! efi de Heerë Staten van Hollant niet en willen verstaen tot het houden desselvë covëtus alwaer de gesuspecteerde mochten geconstringeert worden authoritate publica, Dat daerdeur sal geschieden, dat noch nationalis synodus no provincialis ille covötus sullen gehouden worden, en dat also de swa-richeyt niet alleen in de kereken deser provincie sal bljjven en toenemen, maer ooc in d\' andere provinciën voortcruypen eïï sich verbreydë, gelyc aireede ten deele geschiet is, en ongetwyfelt noch meer sal geschieden, ten sij dat wij, die de sorge bevolen is overde cudde des Ileerë, malcanderë de hant bieden, om met al ons vermogen eendrachtelick de verwoestinge vant erfdeel des Heeren te wederstaen.quot; (Do brief is gedateerd 20 Oct. 1607, en door Becius geschreven. O.-A. d. N. II. K., Nr. 31, B, 45). Waarom Faukelius niet in Amsterdam kwam, is mij niet bekend. Over Lubbertus zie men Rogge, a. ic., Dl. I, blz. 308.

4) O. a. van Lubbertus en de Groningers, blijkens het in de vorige noot genoemde antwoord aan de Groningers. Vgl. met betrekking tot Lubbertus, Helmicli\'s brief aan hem, d.d. 8 Dec. 1Ó07. Bjjlago D.

2) Trigland a. ft\'., blz. 364. Joh. Leo, die, blijkens Helmicli\'s brief aan

-ocr page 278-

2C4

veranderingen liet stuk is geworden, waarvan nu nog ceno copie overig is, dat tot opschrift draagt: „Verclaring der redenen van de advysen der meeste stemmen in de vergadering, gehouden in \'sGravenhage in Jley 1607 over zekere poincten bij de H.H. Staten-Generaal overgegeven, om een voorbereiding te maken tot de aanstaande Synodus-

Lubbertus d.d. 15 Jan. 1608 (Bijlage 7gt;), toon al ovorloden was, hooft het stuk nog gelezen en geteekend. Zijn zoon Honrieus schrijft aan Becius in den reeds ajingehaalden brief van 1 Xov. 1607, dat zijn vader dien dag do Aoten geteekend had, «niet alleen gewillichlich en gheerne, maer oock mot sulcken verandoringe van verheuginge synes gemoets, over het oloeck en voorsichtich antwoordt der broederen dat (zijne huisgonooten) in hot minste so danige alteratie aen hem niet vernomen [hadden] in den tyt van vyff weken herwa erts, inde wOloko hem do Hoere so bosoeht [had] dat hy by nao sondor ruste, sender spy ze, dien tyt toegebracht [had], sittende nach en dach in synen stoel sender eenige ofte ominers soor weinige verandoringe van plaetse ofte legoringequot;. Bijna stervende wonschte de oude Leo dan ook, dat de broeders in hun «christolickon iover en arbeyt onvordrietelyckquot; voortgingen, en bad van don Hoere, dat hij togen de a. s. «poriculen der kercken veel moer getrouwe instrumenten synor oorequot; wilde verwekken. Do zoon sloot zich bij die bode en wenschen aan.

Met betrokking tot die ondertoekoning, en tot beter vorstand van sommige brieven van Holmich, kan ook nog- medegedeeld worden, dat Lubbertus bezwaar had tegen do ondertoekoning, en de «redenenquot;, zonder zijn naam er onder, aan Holmich terugzond. De «redenenquot; waren niet naar don zin van Lubbertus; er moesten enkele punten veranderd worden; ja, zijns inziens, moest het geheelo geschrift weer overgeschreven worden. Holmich hooft toen heel wat drukte met hem gehad eer hij toekende. IIjj gaf hem, in overleg mot Gomarus en Becius, hier en daar wat toe, waarom ik in den tekst volgen laat, dat het concept noy eenige verm-dering onderging; hij was hem in dezen tijd zelfs zoo tor wille, dat liij voor hem de Acta van hot conv. praeparat. overschreef; en kreeg het ten slotte zoo ver, dat ook Lubbertus toekende. Daarop is het stuk doorgezonden naar Bogorman en de Groningers (Helmich\'s brieven; aan Becius, d.d. 28 Dec. 1607, en aan Lubbertus, d.d. 3 Dec. 1607 en 15 Jan. 1608. Bjjlago /gt;). Gosuinus uit Kampen hoeft wellicht het allertaatst geteekend (A. Kuyper, a. w., blz. 168). En nadat het »packjen eym.olick allo Provinciën doorwandeltquot; had, zond Wernerus het aan Becius terug mot een\' brief, dien hij met het oog op het lange wegblijven van het teruggezonden stuk, aanvangt: «Die noch comt, die comt all, hoewel hij langsaom comtquot;; en waarin hij dan verder nog de aandacht vestigt op enkele fouten in het «grote schrifftquot;, en nog een paar wenken en mede-deolingon schrijft. (Helmich\'s brief aan Becius d.d. 19 Fobr. 1608. Bijlage D).

-ocr page 279-

265

Nationaal, ondertoekcnt in Amsteldam 17 Oct. 1607\'!), en waarin de gereformeerde leden vau de „voorbereidende vergadering \' „him verzet tegen |de| Remonstrantsche onhoudbaarheden in den breede hebben bepleitquot; 1).

De overhandiging van dat stuk aau de Staten, casu quo mede door Helmichius te doen2), is achterwege gebleven

Behalve aan dit verweerschrift, heeft Helmichius ook meegewerkt aan nog een ander, dat ook nog betrekking heeft op de „voorbereidende samenkomstquot; en hare gevolgen, en hier ook met een enkel woord moet worden besproken.

Na afloop van het praeparatoor convent brachten Helmichius en ds. Grerardi uit Enkhuizen, in Juni 1607, op de Particuliere Synode van X. Holland rapport uit van hot verhandelde in den Haag, en moesten daarin natuurlijk ook laten uitkomen, dat daar tweeërlei beginselen waren uitgesproken over enkele cardinale punten, waarbij het „dertienquot; tegen „vierquot; had gestaan3). Wtenbogaert hoorde daarvan en haastte zich nu met Arminius, om aan de N. Holl. Classen een\' langen brief te schrijven, waarin zij zich beklaagden over \'t uitge-

1

A. Kuyper, a. iv., blz. 113. In dat strijdschrift van oen mijner geliefde leermeesters is de beteekenis van den strijd, waarin Helmichius

c. s. destijds gewikkeld waren, en van de positie, «lie zij iunamen, zoo helder en boeiend voorgesteld, dat het mij veel beter toescheen, hier op dat pleidooi te wijzen, dan dat ik zelf eene breede beschrijving van die positie en beteekenis gat. Trouwens mijn doel is ook eenigszins anders.

2

Trigland, a. tt\\, blz. 364.

3

Reitsma en van Veen, a. w., Dl. I, blz. 411—\'14. Vgl. Trigland, a. w., blz. 397.

-ocr page 280-

266

brachto „rapportquot; en over „quot;t quaedt bcdcnckcnquot; tegen hen. Bovendien kwam er een woord in voor over Helmichius alleen \').

Tegen het rapport zelf hadden zij tweeërlei klacht:

1°. De rapporteurs hadden, naar Arminius en Wtenbo-gaert tor oore was gekomen, gezegd, „dat oenige [sc. Arminius c. s.] onder degene, die in den Hage vergadert waren, d\' ontbindinge ende ontslagingo dor onderteyekeninge dei-confessie niet alleen hi ipso (ictu judicicili sustiueeiden plaetse te hebben, \'t welok men deselve wel wilde toestaen ; maer oock soo langhe poochdou te extendeeren, totdat alles by ghemeene stemmen (\'twelck in \'t vorder rapport.... genomen wort voor eenstemmelyck) soude beslecht zijn.quot; Waartegen zij nu opmerkten, dat zij niet verder op „ont-slaginghequot; hadden aangedrongen dan „pro actu judiciali , en dat men hun dat niet had willen toestaan; en

2°. Ter Synode was gerapporteerd „dat — naar het oordeel van Wtenbogacrt c. s. — de Recessen soo langhe sou-den moeten ghenomen worden, totdat alles mot eenstemmig-heyt sonde afgehandolt zijnquot;. Dat was een „glosequot;, schreven Arminius en AVtenbogaert, want zij hadden in hun advies gezet: „dat men sieh, in alle saecken de Leere ende Ker-cken-ordeninghe aengaende, don oordeel des Synodi sal onderwerpen, ende dat al quot;t ghene alsoo besloten wordt voor een eyndelycke endo definitive sententie sal ghehouden wordenquot;. Wel was waar, dat zij ouder „Synodequot; niet alleen „Ghedeputeerdequot;, maar ook „Doputoerende Predikantenquot; verstonden, maar zij hielden het toch ook „voor een ongho-rijmde saeckequot; dat men niet eerder eene „decisiequot; mocht nemen, dan wanneer alle predikanten „van eeuen sin waren, „ende overeenstem|d|euquot;.

1) Trigland, u.ii:., Wz. 398-401. Vgl. blz. 402, en Rogge, a. w., Dl. I, blz. 298. Triglaad doelt don gehoolen brief\' mede.

-ocr page 281-

267

Ziedaar hun tweeërlei bezwaar.

Wat zij verder over Helmioh alleen in li anquot; brief schreven, hield in, dat zij wel graag gewild hadden, dat die maar ter conventie gezegd had, wat hij ter Synode luid uitgesproken, t. w. „dat nu teghemvoordelyck de gheleghent-heydt der Kercke sulcx was, dat de liesunitie, of Revisie van de Confessie soude moeten geschiedenquot;. Want, zeiden Wtenbogaert en Arminius, ofschoon zij volhielden dat revisie op elke Uationale Synode moest geschieden, zij zouden zich toch in den Haag met die uitspraak „seer wel hebben laten glienoeghcn\'quot;; en als de invloedrijke Helmich de andere broeders tot dat gevoelen kon overhalen, dan was „de saecke gheholpenquot;.

Eindelijk trachtten zij zich in het laatste deel van hun schrijven te zuiveren van kwade geruchten, die van hen verspreid zouden zijn, en lieten o. a. uitkomen, dat zij zicli bij de 7quot; vraag der Staten, handelende over liet „recesquot;, aan het simpel „jaquot; gehouden hadden, maar dat de anderen in hunne afwezigheid daar bijgevoegd hadden : „ Maer hoe, waerop, ende wanneer, wordt ghestclt ten oordeel des Synodi JTationaelquot;.

Op die missive aan de Classen bleven llelmichius en Gcrardi het antwoord niet schuldig. liet bleef wel eenigen tijd uit; zoolang zelfs, dat de tegenstander al dacht: Zij zijn „beschaemtquot; en kunnen niet antwoorden; doch zoodra de drukte, aan de vergadering van 17 Oct. verbonden, achter den rug was, stelden de beschuldigde rapporteurs een contra-brief op, die ook aan do N. Holl. Classen gezonden werd, en waarin zij de „vleckequot; uitwisehten, die hun „achter op den mantel [was] aengesprenghtquot; \'). Zij volgden daartoe het protest van Arminius en Wtenbogaert op den voet en weerlegden liet. Arminius en Wtenbogaert beweren, zoo laten de kloeke apologeten zich hooren, dat zij geen verder „ont-

1) Door Trigland, «. tr., blz. 401—40S, wordt hot ))uiit\\vooi,tquot; meegedeeld.

-ocr page 282-

268

slagingoquot; gewild hebben „dan pro actu judicialiquot;; „sonder deselve te extendereu, totdat alles by eeustemmiobeyt afgo-handelt soude zijn, ende dat men bun evenwel \'t solve niet beeft willen toe-staenquot;. Nu, op zoo n wijze hebben wij niet van „eensteminicbeyt\' gesproken. Hadden wij dat gedaan, dan waren wij nog niet mis geweest, want Arminius c. s. wilden ter conventie, in het advies aan de Staten, de woorden „met de meeste stemmenquot; niet opgenomen hebben, waaruit volgde dat zij „de eenstemmicheydt hebben wil[d]enquot;. Klacht over het rapport bad dus in dat geval nog niet kunnen gemaakt worden. Maar wat wij wel hebben gezeid, en volhouden, is dit, dat onze tegenstanders met „ontslag van de onderteekeningquot; niet alleen de broederen, die ter Generale Synode bijeen zouden zijn, op het oog hadden, omdat zij onder „Synode\'\'niet alleen de „gedeputeerdenquot; verstonden, maar ook de „doputeereudenquot;, tot wie het „onder-soeck ende oordeelquot; ook teruggebracht moest worden.

Dat was de verklaring, die Helmiohius en Gerardi „be-langhende de eenstemmicheydtquot; gaven.

Men gevoelt, het verschil zat in de opvatting van bet woord „Synodequot;. Hield men aan de aloude beteekenis vast, dan zouden alleen de „gedeputeerdenquot; ontslagen worden, bij aldien ontslag „pro ipso actu judiciali aangenomen was; doch zou men naar de nieuwe verklaring van Arminius c. s. te werk gaan, dan lag in dat ontslag „pro ipso actu judicialiquot; in, dat de „ontslagingequot; zich uitstrekte „tot deu Synoden provinciael ende particulier, tot de classen ende kerkeraden ende alomme waer predikanten oft professoren [waren], tot dewelcke [het] ondersoeck ende oordeel gerefereeit ende gebracht moe[s]t worden, als mede de Synodus nationael synde naer bet advys der verschillende [d. i. dissentieerende] broederenquot; \'). Wijselijk hebben de „dertienquot; dan ook in hun

1) A. Kuypor, «. «gt;., Uz. 159 vg.

-ocr page 283-

209

advies aan de Staten „do meldiughe Actus judicial}* uyt-ghelatenquot;.

Wat aan Helmichius en Grerardi in de tweede klacht te laste werd gelegd, als zouden zij gerapporteerd hebben, dat Arminius o. s. de „recessen soo langhequot; wilden nemen, „totdat alles mot eenstemmicheydt\'\' afgehandeld was, noemden zij ook onjuist. Gresteld, zjj haddon zich zoo uitgedrukt, dan behoefden hunno tegenstanders daarover nog niet verstoord te wezen, omdat die toch zoo dachten. Vandaar hunne weigerachtigheid om de woorden „in \'t ghomoen of by do meeste stemmen beslotenquot; in het advies op te nemen. En als Arminius c. s. die eenstemmigheid van alle predikanten in den zin van hunne opvatting van het woord „Synodequot;, nu, van achteren gezien, ook ongerijmd achtten, dan deed dit Helmichius en Gerardi genoegen, maar had dit gezegd moeten zijn in den Haag, waar de „woorden onde schriftenquot; der klagers anders haddon geluid. Niettemin hadden de kerken dan toch nog niet in een eenvoudig „jaquot; op vraag zeven kunnen berusten, omdat de gelegenheid tot „recesquot; dan toch nog gedurig te baat had kunnen worden genomen, en „op allerley voorwendtselquot; do „Synodus onvruchtbaerquot; had kunnen worden gemaakt. Daarom had men het „waerop, hoe ende wanneerquot; reces zal genomen worden maakt do Synode uit, er bijgevoegd; woorden, het was zoo, waartoe de dertien gereformeerden in absentie van de vier anders-gezindon „by provisiequot; hadden besloten, maar die ze toch daarna aan de vier dissentieerende broederen in de vergadering hadden „voorgehoudenquot;, en eerst hadden ingevoegd, nadat ze hot gevoelen hunner antagonisten op het punt van recessen „naerderquot; hadden verstaan; en woorden, dio eigenlijk — het zij er hier dadelijk uit hot laatste stuk van don contra-brief aan toegevoegd — ook slechts „veran-deringhoquot; konden hoeten in den zin van „vermeerderinghequot; of „vorklaringhoquot;.

-ocr page 284-

270

In hot tweede gedeelte van liunne apologie stonden Ilel-micliius en Gerardi niet stil bij de klachten, omtrent Ar-minius c. s. verspreid en in hun\' brief genoemd, wijl die met hot rapport niet te maken hadden; doch bespraken daarin, behalve hot reeds genoemde, enkele zaken, tor conventie voorgevallen en door Arminius c. s. in hun schrijven ook aangeroerd; o. a. maakten zij melding van eene „nieuwe ende vreemde saeckequot;, door hunne tegenstanders voorgestaan, t. w. „dat in alle Synoden Nationael, de Confessie des gho-loofs, in deselve Natie eens rijpolyck aeugenomen, elcke reyse wederom, uyt derselvor eygen beweginge, sonder voorgevallen tegenspraecko, oversien moe[s]t worden, als wesende sulcks een wesentlijck ende nootwendich punct van oen Synodus Nationael, sonder \'t welcke quot;t solve Synodus niet behoorlyck gehouden soude wordenquot;.

En wat was Helmichius\' wederwoord op hetgeen speciaal aan zijn adres gericht was? Ik was zoo vrij dit tor, het laatst te bewaren.

Helmichius zou ter Amsterdamsehc Synode gezegd hebben, „de ghelegentheydt der koreken sulcks te wezen, dat do Revisie van de Confessie soude moeten geschiedenquot;. Hierop antwoordde hij, dat de aanbrenger van zijne woorden ze wel „eenichfinsquot; overgebracht mocht hebben, „maer niet den rechten sin daer vanquot;. „Mijn meeninge is — ipsius verba refero — ghepresupponeert ende ghemerekt, dat men vermoedt in desen tijdt enighe te zijn, die over langhe haer bereydt, ende op don Synodum Gcnerael ghewacht hebben, om verscheyden pnncten, tot verbeteringhe1) des Catochismi ende der Confessie (soo sy mcynen) quot;t sy in \'t geheel, of ten deele, voor te stellen; welcker voorstellinghen ende opposition, indien se te voorschijn komen, sullen moeten gehoort ende ondersocht worden (als in een vryen Synodo)

1

Ik cursiveer.

-ocr page 285-

271

dat daeromme, ende by sulcke voorvallende oorsaooke, de voorschreven Schriften sullen moeten in dese tijdt besien, ende op elck punt, daer \'t valt, overghelesen worden, tot oordeelquot;. Tegen zoo\'n „overlesinghequot; zou, zijns inziens, niemand zijner medestanders bezwaar hebben. En dergelijke revisie was heel wat anders dan het „revideren ende over-lesen der voorschreven Schriften, als een nootwendieh ende wesentljjck punct van alle Synoden Xationael, ende sonder welcke gheen Synodus Nationael ghehonden k[o]u worden, uijt eyghener ende vrywiUigher resolutie der KercJcen selfs, sonder voorguende teghen-partye, of eenich inghehracht Gravamen, om te hesien, of daer oock waerheydi in [«\'«.s] ende of de wacrhegdl daer inne oock Schriftuurlijcl; iiyt-ghesproo-clcen [werd]quot; \'). Daar was hij beslist tegen, en „rondelijckquot; bekende hij „niet toe te kunnen staen, dat de Kereken van te voren besl[o]ten, dat Revisie seeekerljjck geschiedenquot; moest.

Ilelmichius was dus eenerzijds tegen „vaste revisiequot;; tegen een „voortdurend moetenquot; in zake revisie; maar hij was andererzijds, met de gereformeerde vaderen, ook tegen „ cry stall isatie der beiijdenis en afsnijding van ontwikkelingquot; ; de belijdenis mocht herzien worden, als zij verbeterd kon ; zooals Ursinus vóór hem geschreven had „dat wat verbetering van doen had verbeterd moest wordenquot; -).

Hiermede waren de beide rapporteurs-apologeten, inzonderheid Helmichius, aan het einde van hun tegenschrift gekomen 8j, waarop Arminius en Wtenbogaert niet meer hebben geantwoord. Tevens kwam Helmichius biermede

1) Vgl, Rogge, «.»•., PI. I, blz. 382.

2) A. Knyper, a. blz. 59, waar nog meer getuigen worden genoemd. Vgl. wat llulmieh schreef in Juli. 1Ü05. W. lt;!■ M.-V. S. 111, Dl. IV, blz. 242 vg.

3) ïer Synode te Hoorn in 1608 is er nog over gesproken. Reitsma en van Veen, u.w., Dl. I, blz. 428. Vgl. Trigland, «. w., blz. 415; en Kogge, «. w., Dl. I, blz. 298.

-ocr page 286-

aan het einde van den arbeid, die aan do „voorbereidende vergaderingquot; en hare gevolgen verbonden was, en die de verhindering van do doorwerking en van de zegepraal der Arrainiaansche dwalingen in de gereformeerde kerken, ten koste van de zuivere leer, beoogde. Do resultaten van al die moeite en bezigheid waren gering, als men er op let dat de Generale Synode, waar Ilelmich, naar zijn jarenlang gekoesterde begeerte, het geschil met Arminius e. s. zoo graag beslist wilde hebben, niet, kort daarop, gehouden is; maar die jongste jaren van strijd voor de gezonde leer zijn verre van nutteloos geweest, als men bedenkt dat de strijdige beginselen daardoor duidelijker aan quot;t lieht zijn gebracht.

Evenwel was Helmichius\' arbeid in zake de Arminiaansche geschillen nog niet geheel en al af. Twee punten heb ik nog te vermelden.

Eerst dit, dat hij omstreeks dozen tijd, d. i. in de eerste maanden van 1608, met zijnquot; collega Plaucins naar do Burgemeesters van Amsterdam is geweest, om over Arminius te spreken. Plancius had zijne grieven tegen den Leidschen professor op papier gebracht en deelde die mede, waarna hij Helmichius aanspoorde om „het sijne daertoe te seggen En toen moet de laatste, volgens Brandt\'), verklaard hebben, dat Arminius zich van „omtrent twee derden deel van den geheelen hoopquot; „dwaelingen of ketterijenquot;, die Plancius had opgesomd, „ten vollen hadt gesuivertquot; ; en moet hij „van de restquot; met meer gematigdheid dan Plancius gesproken hebben.

quot;Wat zal ik hiervan zeggen? Helmichius was zeker gematigder dan Plancius; misschien soms ook ietwat schroomvallig; maar dat hij er Plancius zoo in heeft laten loo-

1) G. Brandt, n. Dl. II, blz. 88. Vgl. Geesink, a. w., lilz. 10U vg., en blz. 104, waar het geval veel vroeger wordt gesteld dan Brandt doet. Ik houd mij hier aan den laatste.

-• ■- ; • .•.

-ocr page 287-

273

pen, en zich zon slap over Arminius heeft uitgelaten, als Brandt meodeelt, — neen, dat kan ik haast niet van hem denkon. Als de oor- on ooggetuige, uit wiens aanteokenin-gon Brandt putto, Helmichiua oven slecht hoeft begrepen als de verslaggever van het rapport, dat ten yorigen jare op de X. H. Synode was uitgebracht, dan zou hij wel vrij te pleiten zijn van kleinmoedigheid, doch hier staat mij geen contra-brief, geen enkel stuk ten dienste, waaruit ik dit bewijzen kan. Misschien is, om Arminius te verschoonen, en Plancius eens good af te schilderen als eeu geweldig ketterjager, llelmichiusquot; minder besliste houding wat te sterk gekleurd. Hoe anders haast te verklaren, dat hij in Mei 1608 in de volle vergadering van de Hollandsche Staten het getuigenis mee ailegdo: „dissensum esse1) non tantum in articulo Praedestinationis (quod videri volebat illo [sc. Arminius] (jui nobis totuin hoe negotium et molestias con-fecit) sod in plerisquo aliis fundamentalib. doctrinao christ. capitibus: neque etiam pcipue in artic. de Praedestinat.quot; -).

Die aanhaling brengt ons reeds bij het tweede punt, waarin llelmichius nog betrokken is geweest.

Toen in Z.-Holland, na den ongunstigen afloop van het conventus praeparatorius, do hope op eene Ueuerale Synode als „soer onseker werd geacht2), word in Aug. 1007 op de Particuliere Synode te Delft, — waar Wtenbogaert geen verslag wilde uitbrengen van de „voorbereidende samenkomstquot;3) — besloten, aan de H.H. Staten consent te vragen tot hot houden van een „Conventus provincialisquot; ■\'), saamgesteld uit

18

1

Er wordt gedoeld op liet gescliil tusschen Gomal\'us en Arminius.

2

iJ) Voorrede van i/e Acta der Dordtsche Synode in 1618/19.

3

Loydekker, a. Dl. I, blz. 9. Vgl. Helmioh\'s brief aan Lultbertus, d.d. 4 Oct. 1007. Bijlage D.

-ocr page 288-

274

gecommitteerden van allo N,- on Z.-II. Classen, opdat Go-marus en Arminius c. s. daar hunne opinion zouden uitspreken on aan hot oordeel der vergadering onderwerpen \'). De Staten hebben de toestemming tot die bijeenkomst evenwol geweigerd -).

Daarop gaf Arminius, die uit de aanvrage om die provinciale vergadering wol merkte, dat do kerken aanhioldou om de leorverschilleu door de kerken to doen behandelen 1), in \'t laatst van April 1C08 2) aan de Staten te kennen, hoe al de moeite, die men hem aandeed, hem verdroot; en dat hij wel bereid was, mits „onder [/mn] helei/dlquot;, tot eene conferentie met zijne medebroederen quot;). Hij stelde zich dus niet in handen der kerken, maar in die dor Staten. Zeker een handige, doch daarom nog geen geoorloofde zet van Arminius, om do kerkelijke „vierschaer [te] ontwijckenquot;quot;). En de Staten maakten daarvan oven handig gebruik, ten einde het aangevraagde „Conventus provincialisquot; voor goed in den doofpot te laton, weer op eigen autoriteit tegenover de kerken te kunnen optreden, — zooals zij ook in 1(307 en zooals de curatoren der Lcidsche Academie in 1603 hadden go-daan, — en dan toch nug den indruk te geven, dat do geschil-

1

3; Voorrede van de Acta der Dordtsche Synode in 1618 19.

2

In \'t begin dezer maand bad hij zicli met Wtenbogaert bij de Staten beklaagd. quot;VVtenbogaert, Kerch. Historie, blz. 425; en Rogge, a. w., Dl. 1, blz. 356.

-ocr page 289-

275

Ion in do kerk hun zoor tor harto gingon. Zij bopaalcleu daarom, dat op Donderdag na Pinksteren, d. w. 30 Mei, in den Haag „voor den Hove van den Hoogen Raadquot; een dispuut zou vvorden gehouden tusschon Gromarus en Arminius, ton einde te onderzoeken of er tusschon die beide hooglooraren verschil was in de leer, en dat geschil, „als men hot bevond\'\', zoo mogelijk weg te nemen, met behulp van vier predikanten, die ook door hen zouden worden aangeschreven om ter conferentie tegenwoordig te zijn \').

Een van dat viertal is onze Holmichius geweest.

Op den bestemden tijd is hij ook naar den Haag gegaan en hoeft or zeker oen paar onaangename dagen doorgebracht. Bij het begin van het colloquium toch, werd heel wat tijd verspild met hakketeeren over de „ordre van handelenquot; Daarop zijn enkele voorname hoofdpunten dor loer besproken 1); o. a. het stuk van do rechtvaardigmaking des zondaars voor God, door Arminius in een zijner geschriften aldus verklaard, dat niet de gerechtigheid van Christus „den ge-loovighon tot gorechticheidtquot; wordt toogorekond, maar de daad des geloofs, „ra crederequot; \'). En eindelijk word goedgevonden, dat Gomarus en Arminius bolden hun gevoelen over de voornaamste hoofdpunten der leer op schrift zouden stellen en elkander ter beoordeeling zouden overhandigen2).

Men kwam dus op dit „Conventus Ilagensis\'\' zoo goed als niets verder. Trouwens, er was ook, zooals Holmichius even later schreef, geen „Judex competensquot; aanwezig; hem

1

Helmioh\'s brief aan Lubbertus d.d. 24 Juni; en aan Bogerman van 29 Juni 1608. Bijlage D.

2

Rogge, a. w., Dl. I, Mz. 3G2. Voorrede van de Acta der Dordt. S ij node in 1618 19.

-ocr page 290-

270

was wcor gebleken, dat eon Synode zeer noodig was

Wat werd nu echter door de raadsheeren aan de Staten gerapporteerd, in presentie der beide professoren en der vier predikanten ? Dat, naar liun voorkwam, „de versehillö tusschea [de] twee Professoren geresen, van geen grooten ghewichte en waren, onde dat se voornemelicken bestonden over sommige subtijle disputatien van do Predestinatie, die ofte naer-gelatd, ofte door onderlinge verdraeghsaëheyt souden connen oversien wordenquot;1). Was dat onkunde bij de raadsheeren of sloten ze do oogen voor do groote klove, die meer en meer gevestigd werd tussolien Gromarus en Arminius ? Hoe dit ook zij, de Staten vernamen hot rapport met blijdschap, zooals Barneveld namens hen verklaarde; er bijvoegende, dat de professoren nu verder zwijgen moesten over de geschillen, en dat er wel spoedig eene Synode zou bijeenkomen om ze te vereffenen2).. Gomarus en do vier predikanten waren er echter niet moe ingenomen, dat men over de gewichtigste dingen zoo luchtig heen liep. Hij verklaarde daarom, naar Helmichius onder geheimhouding aan lioger-man schreef), „dat hij met Arminius\' gevoelen niet voor den rechterstoel van Christus dorst verschijnen, en dat te vreezen stond, tenzij er spoedig verandering kwam, dat do cone provincie tegen de andere, do eene kerk tegen de andere, de eene stad tegen de andere en de burgers tegen elkaar zouden opstaan, en ook do academie in gevaar kwam; \' terwijl de vier predikanten, die ter conferentie gezwegen hadden 3), uitspraken, wat ik reeds meedeelde, t. w. dat er tusschon Gomarus en Arminius niet enkel verschil was in

1

Voorrede wn (U Acta der Dordt. Synode. Vgl. Trigland, «. »•., bl/.. 313 vg.

2

O. Brandt, a. w., Dl. II, blz. 83.

3

Rogge, a. w., Dl. 1, blz. 362.

-ocr page 291-

277

liet punt dei\' predestinatie, nmar ook in ile meeste andere fundamonteele hoofdstukken der christelijke loer1).

Met oen hart, vol droefheid over de breuko Zions, om weldra in hot Vaderhuis met hemelsohe vreugde vervuld te wezen, is Helmiohius zeker naar zijn aardsche huis teruggekeerd. Hij had reeds sedert 1602 vreeze gehad voor den schadelijken invloed van Arminius\' leeringen; hij had zich tegen diens benoeming tot hoogleeraar verzot, niet uit jalousie do metier, maar omdat Arminius ongezond was in de leer; hij had daarna in persoonlijke gesprekken met den hoogleeraar, in vergaderingen van predikanten en deputaten, op convent en in geschrift zijn best gedaan om do gereformeerde beginselen mede te helpen verdedigen en handhaven; hij had ijverig meegewerkt om de geschillen ter wettige Synode te krijgen en daar te doen beoordeelen; — wat zal er veel in hem zijn omgegaan als hij dat alles nu nog eens heeft overdacht, en onderwijl aanschouwen moest, dat de „kanckerquot; nog voort-kroop in de kerken! „O tempora, in quae incidimus, quando ipsissima etiam Christianae Religionis fundamenta convel-luntur passim,quot; schreef hij, vul weemoed, aan Lubbertus, in Juni 1608 ^); twee maanden voor hij op zijn sterfbed lag, waarop hij ook nog van verzet tegen de onzuivere, en van liefde voor de zuivere loer getuigenis gaf.

Moge bij Helmichius — aan hot einde van dit punt mogen mij deze opmerkingen nog veroorloofd zijn — in de Armi-niaansche geschillen een enkele maal verkeerde bedeesdheid geweest zijn, ik geef gaarne toe, dat die nooit goed is te keuren ; maar die mag toch nimmer op den voorgrond worden geplaatst of geoutreerd worden, ton einde Helmichius ook maar eenigszins van halfheid in den Arminiaanschen strijd

1quot;) Brief van Helmicli aan Bogerman, d.d. 20 Juni 1608. Bjjlago 7).

2) Brief van *24 Juni 1608. Bijlage D.

-ocr page 292-

278

te kunueu bescliuldigou. Was hij in dien strijd uict altijd oven kloek, hij kan daarom niet eeu ontrouw of verdachte getuige van de „suijvere leerequot; worden genoemd. Juist om zijn\' ijver voor die zuivere leer in de laatste zes levensjaren moet hij niet het minst onder do gereformeerde mannen van beteokenis worden gorangsehikt.

§ 5. Helmichius in zake do „translatiequot; van den B ij bel.

Vroeger roerde ik reeds oven aan \'), dat Helmichius ook zijn deel hoeft gehad iu de langdurige worsteling „tot het verkrijgen van het uitnemend werkstuk, dat in 16\'57 in het licht verscheenquot;1); hier sta ik er nu afzonderlijk en meer uitvoerig bij stil.

Evenals reeds in 1571 op de Synode te Emden, on in 1574 en \'78 op de Synoden te Dordt2), werd ook in 1581 ter Middelburgsche Synode de „oversettinge des Bibels\'quot; ter sprake gebracht; en de bewerking daarvan opgedragen aan de Classen Gent, Delft, Brabant en Utrecht. Zij moesten eene vertaling maken „vut de n yen we oversettinge treinelUi\'),

1

J. J. van Toorenenbergon, I\'liilips vun Marnix mu St. Aldcgonde, Godsd. en Kerkel. Geschriften, Dl. 11, \'s Graveuhage, 1873, Inleiding, blz. xxxii.

2

Van Toorenenbergen, a. w., Dl. II, Inl., blzz. XXXII, XXXIX vg. In 1571 vangt de historie der «oversettingequot; aan, en ook Helmioliius heeft ze later «sommierlyck verliaeltquot; »van aquot; 71 aft*quot;. Reitsma en van Veen, (i.Dl. I, blz. 405. Zie over de Bijbeluitgaven vóór 1571, dr. J. D. de Lind van Wijngaarden, Antonius iValacus, Leiden, 1891, blz 81 vgg.

-ocr page 293-

279

ondo vut dc francoysequot; die mon te Geneve onder handen had; daartoe „elck een deel voirnemenquot;; en „bequame per-soonenquot; aanwijzen om het toegewezen deel af te werken

Helmichiua is toen, met iloded, door de Classe Utrecht benoemd1). Zij kregen voor hun part de „allermoeielijkstequot; en „allerduisterstequot; boeken; „ipsam Bibliorum medullam\'\', zooals Werner us schrijft2). Dat verwonderde hem wel, maar hij vond het „voorwaer wol hoochnodiehquot;a), dat de Bijbel vertaald werd; en om nu geen moeite tusschen de broederen te weeg te brengen, berustten Moded en hij in de gemaakte verdeeling, eu kwamen onderling overeen, dat eerstgenoemde mot de Psalmen en hij mot Job zou beginuenc). Er is evenwel niet voel voortgang gemaakt. In Februari 1583 had Helmich nog geen vers vertaald 3), en een goed jaar later schroef hij; „Ego .... Jobum incepi et quantum per occu-pationes licebit, prosequar paulatimquot;s). Die „aanhoudendequot; eu „noodzakelijkequot; bezigheden van anderen aard4) waren dus eene der oorzaken, waarom hij zeer weinig aan de Bijbelvertaling kon werken. Waar bijkwam, dat Helmichins

1

Zie vorige noot.

2

In 158S rtwtgegaenquot;. Reitsnui cn van Veen, a. tr.. Dl. II, blz 324.

3

W.d.M.-V., S. III, Dl. IV, blz. 38.

4

Jf\'. d. M.-V., S. m. Dl. IV, blz. 38.

-ocr page 294-

280

ook, om hot gewichtige van ilen arbeid, tegeu allo overhaasting was. Vooral achtte hij hot zeer gevaarlijk, dat men ten believen van de boekdrukkers overijld te werk zou gaan. Hij zou aan den typograaf geen blad in handen willen geven, voordat men het geheele werk niet alleen geheel af had, maar ook op zijn gemak nauwkeurig en behoorlijk gelezen en herlezen, verbeterd en nogmaals verbeterd en nagezien had; „SrfSSf /JpaSÉa?quot; moest hier de leuze zijn; want het ging om het voordeel van kerk en conscientio, niet van de beurs der drukkers. Eu als men dan gereed was, moest men, zijns inziens, — het synodaal besluit van 1581 scheen hem op dit oogenblik niet zoo helder voorden geest te staan — met de uitgave nog wachten, totdat de Fransche vertaling, waaraan te Grenève gearbeid werd en die met „annotation vutgaenquot; zou\'), was verschenen, omdat daarin, volgens zijne verwachting, veel zou voorkomen, dat door hen niet opgemerkt en dies in hunne vertaling niet opgenomen was, doch de weglating waarvan hun later toch zou spijten. Ook om de „versioquot; was het van belang dien |Geueefschon] Bijbel in te zien, waut de vertaling van Tro-mellius ontstak ongetwijfeld veel licht en verdiende grooten lof, gelijk hij dagelijks bespeurde, maar er kwam toch ook niet weinig in voor, dat hij zonder onderscheid niet goedkeuren en volgen wilde. Een paar jaren oponthoud was daarom niets. Hij wilde liever, dat de lt;ppovTll\\£]e,

quae solent esse voQuTspxiquot;, aan de uitgave vooraf gingen, dan er op volgden; „hic enim iilud valet,quot; zoo schrijft hij verder in den belangrijken brief, waarin zijn begeerte om voorzichtig en nauwkeurig te wezen bij de Bijbelvertaling, en zijn diep besef van hare verreikende strekking ten duidelijkste uitkomt, „Nonumque prematur in annumquot; 1).

1

ir. d. Af.-F., S III, Dl. IV, blz, 37 vgg.

-ocr page 295-

281

In Utrecht vorderde men alzoo langzaam.

En nemen we vorder nug in aanmerking, dat in Gent en Antwerpen ook weinig of niets van de opgedragen taak is volbracht — zwarigheden drukten daar do kerken \') — dan is uit dit alles gemakkelijk te begrijpen, dat er van het Middelburgsche plan zoo goed als niets te recht is gekomen.

Op do Generale Synode van den Haag, in 1586, is de zaak dan ook opnieuw en anders aangevat2). Daar werd besloten het geheele werk aan één persoon op te dragen, en daarvoor Philips van Marnix van St. Aldegondc te verzoeken. Holniichius werd dus „kerkelijkquot; vertaler af. Toen Marnix de hem toegedachte taak evenwel van de hand wees, zooals hij schreef, uit gebrek aan tijd, benoemde de Particuliere Z. Iloll. Synode van Delft, in 1587, vier predikanten om den Bijbel te vertalen, en tot die vier behoorde weer onze Holniichius 3).

Deze nieuwe commissie heeft ook weinig gedaan. Wel werd in do Particuliere Z. Iloll. Synoden enkele jaren achter elkander het besluit van 1587 vernieuwd4), doch do uitvoering bleef achterwege. De ongunst der tijden was te

■1) N. irinlopen, Ifisfnnc van dc Nedei\'luntlsche oi\'cyzef/inffc des Byhcls, Leiden, MDCCLXXVII, IjIz. 15. Vgl. Reitsma en van Veen, «./0., Dl. II, Mz. 220.

2) Vun Toorenenbergen, «.»■., Dl. II. Inl., blz. XLVivg. Vgl. J/.-T , S. II, Dl. III. Iilz. 611. De brief, aan jMarnix geschreven, waarin hem het werk der Bijbelvertaling opgedragen word, is ook door Helmich, als «Notarisquot; der Ilaagsche Synode, geteekend. Zijn naam staat alleen onder het syn. besluit, ook in 1586 genomen, over de kerkelijke invoering van Marnix\' Psalmberijming, (van Toorenenbergen, u. Dl. III, Inl., biz. XLVI vg.). Over laatstgenoemden arbeid schreef Helmich in 15S2: ))De Aldegondii versione Psal. indicium suspendimns: sicut insunt qnae displicent in eius rhythmis, ita possunt etiam ineidere in prosa,quot; W. d. M.-V., S, III, Dl. IV, blz, 32,

3) Reitsma en van Veen, a. w., Dl, II, blz, 291 vg,

4) Van Toorenenbergen, «.«•., Dl, II, Inl., blz. XLVii; en Reitsma en van Veen, «. «■., Dl. II, blzz. 323 vg., 348, 382, 406.

-ocr page 296-

282

groot. Om de algemeene onrust in hot laud kon mcu zich niet rustig aan zoo\'u reuzeuwerk wijden. En do oorlog met Spanje kostte zeer veel geld, zoodat „de beswaerde staet\' van \'s lands geldmiddelen, in die kommervolle tijden niet toeliet, do kosten te dragen, welke voor liet werk begeerd ^ en benoodigd 1) waren; terwijl hot ook meer stagnatie dan bespoediging van den arbeid te weeg bracht, dat de Stateu-Generaal eigenlijk eenquot; anderen weg wilden inslaan dan de kerken, blijkens hun besluit in 1591, inhoudende, dat drie predikanten „elck int besonder do gcheele bybel [t. w. de Lat. overzetting van Junius en Tremellius] voornemen endo daerna to samen haer worek byeenbrengenquot; zouden2); oen besluit, dat misschien door de Staten genomen is onderdon invloed dor kerkelijke onoenighoden, tengevolge waarvan de mannen, die de Kerk benoemde, Oldonbarnovcld min aangenaam waren. Het is echter niet geëffectueerd. Do Kerken gingen in 1592 ter Loidsohe Synode weer in op de plannen van 1586 on \'87; de Staten namen in 1593, met terzijdestelling van huil eigen plan, eene resolutie „ge-noechsaom overoeneommonde met het bosluydt dos synode gouerael a0 158C, namelyck dat oen alleen in de overset-tinge des bybels [zou] aorboyden, woleko ovorsettingo oiider-tusschen by den kerekendienaron, daortoe te deputeren, go-oxamineert |moest] worden\' ; en eenige maanden later benoemde do Synode in don Briol Marnix bij vernieuwing tot vertaler \').

Helmichius word dus nogmaals „oversottor\' af, maar in plaats daarvan door dezelfde Synode tot mede-revisor van

1

Van Toorenenbergen, «.«•., Dl. II, t. a. p.

2

Reitsma en van Veen, a. w., Dl. I, blz. 405; van ïoorenenbergen, a. iv., Dl. II, t. a. p.; en Hinlópen, a. u\\, blz. 49.

-ocr page 297-

283

Maruix\' work gekozen, on medo-aangewezen om niet „dou h. van S. Ar.DEuoNDE\'\' „te spreken van don voot, die men in dit werck [zou] mogen nemenquot; \'). In Mei 1595 hooft hij, met nog drie anderen, laatstgenoemden laat uitgevoerd 1), en in het volgende jaar ontving hij roeds eeno copie van Genesis, door Marnix bewerkt, ten einde die te „visiterenquot; s); terwijl de Staten, op verzoek van hom en Planoius, aan de revisoren eene zekere sojnme golds verstrekten om „reis- en teerkostenquot; te betalen, en om boeken te koopen, dio zij bij het „resumoeren van de oversettingo van den Bybelquot; wilden gebruiken 2). Meer dan Genesis ontving Helmichius evenwel van den geleerden „Uijbeltolkquot; niet. Gelijk niet onbekend is, heeft dr. J. J. van Tooreueubergen 3) niet welversneden pen beschreven, dat Marnix „niet verder dan Moses eerste boek heeft kunnen komen\'quot; en dat diens „eigen Uittochtquot; naar de hemelsche „rustquot; plaats liad, voordat hij begonnen was met de vertaling van het Bijbelboek,

1

Zie over hetgeen met Marnix besproken is omtrent liet gebruik van (2«, van Jchuva, en over het uitgeven van ecu boekje, waarin de redenen voor het veranderen van «sommige woorden in den bybelquot; opgegeven zouden worden enz., behalve van Toorenenbergen, a. w., Dl. II, Inl., blz. lviii, Reitsma en van Veen, a. w., Dl. III, blzz. 46,67. Vgl. Dl. I, blz. 220.

2

Ivei\'Jccl. L\'lcicaafhoeJc, 1)1. II, blz. 1*20; eu 122 vg., waai* eeue ))Lystequot; van de beuoodigde boekeu te viudeu is.

3

«. iv., Dl. II, Inl., blz. LXin vg.

-ocr page 298-

284

dat, naar Israëls uittocht, den naam vau Exodus draagt.

Xa dcu dood van Marnix, in Dcc. 1598, lieten de kerken de zaak dor Bijbelvertaling echter niet varen. Van een ander gevoelen dau Arrainius en quot;VVtenbogaert, die het werk nu zoo gaarne zouden zien opdragen aan prof. Drusius uit Prancker\'), vond de Z. lloll. Synode in 1599 goed, „Au-noldum Counei.ii ende Werserum IIelmichiumquot; „voor te slacnquot;, met toevoeging van Joannes Hoggins uit Hoorn 1), „in de Hebreeschor spraecke wel ervaren syndoquot;, teneinde eerstgenoemden desnoods in hun dienst, on in elk geval „iiit werek der oversettinge te helpenquot;3). X. Holland, van dat voornomen verwittigd, keurde hot goed, aangezien ook in haar oog Helmichius en Cornelisz „door gheleertheijt ende goede conscientiequot; wel „gequalifleeertquot; waren voor den verlangden arbeid2). Bjj Gelderland, Over|jsel en Groningen, aan wie de voorslag ook was meêgedeold, bestond evenmin bezwaar; en het „stilswygheuquot; van Friesland, Utrecht on Zeeland, die cvonoons mot hot plan in konnis waren gestold, werd „voor bewillighenquot; gehouden, gelijk hun geschreven was 3). In 1C01 wees toon de Synode van Gouda de beide broeders definitief tot opvolgors van Marnix aan, en verzocht hun „sonder voorder vertreck hot werek der translatie aon te vangenquot; ^).

1

Reitsma en van Veen, a. tv., Dl. III, blz. 133. Vgl. van Toorenen-bergen, a. w.. Aanhangsel, blz. 229. Gomarns werd voor de revisie aangewezen.

2

Van Tooroiienbergeu, u. w., Dl. 11, lui., blz. lx vi^. Vgl. lllnlópen, a. iv., blz. 59 vgg. In 1602 was men in Gelderland Drusius ook nog al genogen. De Nuvorschcr, 1877, blz. 296.

3

Reitsma en van Veen, a. w.. Dl. I, blz. 290; en Dl. Ill, blz. 144, 163.

-ocr page 299-

285

Helmich was alzoo ten derden male en ditmaal als in naam van alle kerken in de „Ghenmeerdo Provintienquot; tot mede-yertaler aangesteld \').

Cornelisz en hij verdeelden do taak aldus: „HELMicrnus zou de overzettinge van don Bybel ontwerpen, en hetgene by hem overgezet was, van tijd tot tijd aen Cohxei.ii toezenden ; Cornelii zou dezelve naeuwkeurig overwegen, zyne bedenkingen daerop naerstig aenteekenen, verder kantteeke-ningen, zoo tot leeringe als ook andere, daerby voegen, en die dan aen Helmichius terugge zenden: wiens werk het dan wezen zoude, alles noch eens nauwkeurig nategaen, in orde te schikken, en eindlijk daervan een net afschrift te maken, en dat, in gevolge de besluiten van de voorgaende Synoden, en gemaeckt overleg met de overzieners, aen de laetste too te zenden\'\'1). Beiden waren dus diep doordrongen van het gewichtvolle van hun werk, en wilden daarom de uiterste voorzichtigheid in acht nemen en alle zorg aan hun\' arbeid besteden. En een paar mededeelingen in Helmich\'s brieven bewijzen oonigszins, dat het genoemde plan gevolgd is. Uit0 Dec. 1602 schrijft hij: „lek dencke nu met desen nieuwen iaer te beginnen, in den name des Hoerenquot;\' 2). En dat die gedachte daad is geworden; Helmichius in 1603 begonnen is met het „overzettenquot; van Genesis, of, wat nog juister zal zijn, met het „herzienquot; van Marnixquot; vertaling

1

Hinlopon, a. ir., blz. 37 vg.

2

H \\ S. III, Dl. IV, blz. 171. Mij dunkt, dat de aangehaalde zin niet doelt op het ))drukkenquot;, waaraan de uitgevers van dezen brief, blijkens de boven den brief voorkomende korte inhoudsopgave, gedacht hebben, maar op het aanvang maken met »vertalenquot;. Wat dan bij Keitsma en van Veen, a. w., Dl. III. blz. 187, genoemd wordt, t. w. dat Helmich en Cornelisz in Aug. 1602 al wat »begonnenquot; hadden, doelt dan op voorbereidenden arbeid, op taakverdeeling, nanschaffen van boeken enz. In 1602 heelt de pest in Amsterdam ITelmich vooral opgehouden. Vgl, Hinlópen, a. «•., blz. 36.

-ocr page 300-

286

van hot cerate Rijbclboek\'), kan hieruit opgemaakt worden, dat hij in Jan. Ifi04 zoo wat gekomen was tot Grenesis 6 a 7; althans in genoemde maand zond hij „twee CapitelGnquot; naar Delft met de opmerking er bij: „Men sal moeten denoken off men niet eenige figure van de Aroke ende beschrijvinge vandien hierby voegen sal. My dunckt het soude wol voegen : glijck oock voorhenen van het paradijs ende de rivieren daerdoor vloeyendequot; -).

Een Bijbel met platen was hem dus niet ongevallig.

Meerdere hoofdstukken waren toen bijna gereed, wijl in quot;t laatst van Februari weer „eenigequot; naar Cornolisz worden verzonden. In Sept. d. a. v. waren hoofdst. XI, XII en XIII, en „\'t beginssel van quot;t XIIII1\'quot;\' reeds door Cornelisz „overwogenquot; en diens daarbij behoorende „annotationes ende observatio-nosquot; in Amsterdam terug gekomen, terwijl „de reste van het 24 Capit.\'quot; den „lesten April 1605quot;\' naar Delft werd gestuurd2). Zeer waarschijnlijk de „leste\'quot; bezending, omdat Cornelisz 5 Juni d. a. v. ontslapen is.

Wordt door die bijzonderheden uit de correspondentie der beide vertalers, de door Hinlópon meegedeelde taakverdeeling, gelijk ik reeds opmerkte, eenigermate bekrachtigd, er blijkt ook uit, dat hot werk zeer langzaam vorderde; in twee jaar tijds was do helft van Genesis nog niet eens geheel voltooid. En vooral aan de „sijdequot; van Helmich „schootquot; het niet „voortquot; l), zoodat Cornelisz kan wel eens aangespoord schijnt te hebben om toch meer te doen gelijk de Particuliere Synoden in Holland herhaalde malen bij beiden op avanceeren aan-

1

Van Toorenenbergen, a.Dl. II, Inl. Mz. XXXV.

2

W.d.M.-V., S. Ill, Dl. IV, lilzz. 197, 200 vg., 227, 2S2. Hfdst. XXII werd in Jun. 1605, kap. XXIII in Febr. d. a. v. verzonden, a. ir.. blz. 243 vg.

-ocr page 301-

drongen1). En nu laat liet zich uit de methode, volgens welke gewerkt werd, wol verklaren, dat men tal van jaren noodig zou hebben om gereed te komen, doch er zijn ook nog wel andere oorzaken voor het kruipen der „translatiequot; on te noemen. Niet, gebrek aan lust bij Helmichius tot don opge-legden arbeid. Zelf verklaarde hij; „Tck en heb in geen werek meer lust ende geneuohto dan in dit onse werek, daerom en ontbreeckt het aen mijn wil ende lust niet: glijck het my oock wol leedt ende verdrietich is dattot niet beter voortgaet.quot; Iets verder in denzelfden brief roept hij als uit: „ Waer liever oen halftquot; iaor in huys gebannen om aen den Bjjbel te wereken, dan een veertien daeeh tot Vtrocht te wesenquot; — waar toen, in 1005, do kerkelijke troebelen nog altijd voortduurden —; en wederom: „ waer my niets lievers dan dat ick voor oenen tijt daertoe alleen ende geheel mocht varen.quot; Al zijn tijd, die hom overschoot van de „kerckelicke occupationquot;, besteedde hij aan do translatie; „besonder voor-middaechsquot;quot;; elk „uertgen off andorhalffquot;, dat hij kon uit-woekeren, werd er aan gewijd Maar de oorzaken van vertraging waren voornamelijk, evenals een goede twintig jaar vroeger, de vele andere bezigheden, die hij te verrichten had in „de[n| dagelicksche[n| dienstquot;, „als in de visitatiën ende andere wereken die een herder toec[wa]menquot;, en waarin hij betrokken werd als deputaat van Kerkeraad, Classe of Synode \'\'). Wel was hij een tijdlang vrijgesteld van „weekbeurtenquot;, zooals bij de beroeping naar Amsterdam was besproken ), en waarop de synodale „deputatenquot; bij den Kerke-

■1) Kcitsmu on van Veen, a. te., Dl. T, blz. 313; en Dl III, blzz. 1S7. 201,218.

2) 11\'. lt;/. .I/.-!\'., S. 111, Dl. IV, lilzz. 219, 258 vg., 2(U. Vgl. den brief van opdraclit vóór Hehnich\'s Analysis Psalmoruin Davidis etc. (Zie volg. §•)

3) W. (]. M.- V., S. III, Dl. IV, blz. 219. Vgl. blzz. 201,227,258,263 vg.; Reitsma en van Veen, a. Dl. I, blz. 406vg.; en Awstenh h\'erke-raadsnotnlen 31 Jan. 1608.

4) Amsterrf. kerkcraadsnofnlen 27 Jul., 5, 12 Aug. 1601.

-ocr page 302-

288

raad hadden aangedrongen, ten einde de Bijbelvertaling te bespoedigen \'), doch, zegt Helmichius, „ick ben verschoont in \'t een, maer andere dingen comeu in de plaetse, die dat voordeel wederomme te niet makenquot;; en anders geene „verliohtingequot; te hebben „dan de weeckpredicatiequot; — hij schrijft er van: het „hjckt wat, maer is so veele niet, als die andere diversion niet mede cesseren, off immers ten meesten deelequot; 2). En die andere diversiën cesseerden niet; het waarnemen van de weekbeurten kwam er later zelfs weer bij 3).

Hadden de Staten toen maar gold toegestaan om een\' plaatsvervanger voor hem te kunnen aanstellen, dan had hij zich geheel aan zijn\' gelief koosden arbeid kunnen wijden; doch die waren zeker niet bijzonder ingenomen met Cornelisz en Helmichius als Bijbelvertalers, ten minste geld gaven zij niet1); en de kerken zelf hebben er ook niet voor gezorgd dat het er kwam. Ook dat gebrek aan geld was dus oorzaak van de langzaamheid.

Dan weten wij, dat Helmich een niet sterk gestel had, dat ook zijn\' invloed gelden liet en belemmerend werkte.

En eindelijk lag het langzaam opschieten met Genesis, zooals hij zelf meedeelt, in de omstandigheid, dat „alle dingen hare meeste swaricheyt hebben in \'t beginselquot;; doch, voegde bij er vol hope bij, „ick houde het daervoor, Genesin eens ge-

1) Kcitsma en van Veen, a. w., 1)1. T, blz. 827. Vgl. Tgt;lz^. 290, 313; 1)1. III, Wz. I(i4; en W.d.M.-V., S. III, Dl. IV, blz. 171. In 1605 verzochten de xdeputatenquot; zelfs, liem van allo diensten te ontslaan. Amsterd. kerTceyaadsnotHlen, \'28 Apr. 1005. Vgl. lioitsiua en van Voon, «.«*., 1)1.1, blz. 309.

2) W.d.M.-V., S. UI, Dl. IV, blzz. 201, 219.

3) Procios wannoor, blijkt uit de korkoraadsnotulen niet. Daarin komt alleen uit, dat hjj or in Apr. 1005 nog vrij van was, dooh in \'t laatst van Nov. 1007 ze weer waarnam.

4) Hinlópon, a. w., blzz. 30, 03. Vgl. Ypeij en Dermout, a. »•., Aaiit.. Dl. II, blz. 240 vgg.; Kist en Moll, Kerhhist. Archief, Dl. 11, blz. 73 vg.; en Iloitsma en van Veen, a. il\'.. Dl. Ill, blz. 187.

t

_

-ocr page 303-

289

absolveert ondo accurate (voor so veele de gelegentlieyt draecht) gedaen hebbende, dat het dan met de navolgende reste beter voortschieten sal\'\'

Om al het genoemde vorderde dus de Bijbelvertaling zeer weinig; en hot werd er nog niet beter op toen na den dood van Cornelisz geen ander in diens plaats werd benoemd, en Helmich er alleen voor zitten bleef1).

Wien dit alles ook smartte, hem zeker niet \'t minst.

En dan gebeurde er nog iets in zake de „translatiequot;, wat zijne smart zeer verzwaarde.

Het „lange vertrock der oversettingequot; ■\') bewoog seer waar-scMjnlijk ds. Plancius uit Amsterdam om de gebruikelijke vertaling van den Bijbel — met eenigo veranderingen, hier en daar aangebracht, — in 1602 nog eens te laten drukken2); en bewoog o. m. ongetwijfeld de Geldersche Synode, in Juni 1605 te Zutfon gehouden, om ds. Baudartius, pred. aldaar, vergunning te geven, „uijt Ilooghduyts d\'oversettinge des bijbels D. Joannis Piscatoeisquot; over te zetten. Eerst zou men hierover echter nog het advies van de Hullandsche en andere Synoden inwinnenJ). De Hollandsche Synoden waren er beslist tegen, wijl de „oversettinge des bybelsquot; „een zakequot; was, „die alle Neerlantsche kereken int gemeijnquot; aanging,

19

1

Reitsmu en van Veen, a. w.. Dl. 111, blzz. 232, 245. Vgl. Dl, I, blzz. 360, 400 vg.

2

Plancius is daarover onderhouden namens de N. II. Synode. Reltama en van Veen, a. Dl. 1, l)lz. 327 vg. De brief, deswege aan hem geschreven, is nog aanwezig in het O.-A.d. N. H. K., Nr. 7, en afgedrukt in de Kron. van het Hist. Genootsch. te Utrecht, 1868, blz. 49Ï) vg. Plancius\' Hijbel is in 1604 uitgekomen (Hinlópen, a.w., blz. 39), en werd gedrukt zooals Helmichius schrijft, «met Privilegie voor 8 iarenquot;. W.d.M.-V., S. Ill Dl. IV, blz. 171.

-ocr page 304-

200

en niet op „last eens particulieren synodiquot; mocht gescliie-den \'). Bij dat oordeel wilde men zich in Gelderland evenwel niet neerleggen. De Synode van Nijmegen in 1600 achtte het door Baudartins ondernomen werk „seer goet endc noodichquot; en droeg aan haar depntaat naar do e. k. Z. II. Synode op, om daar toestemming te vragen voor dien arbeid; terwijl Baudartins zelf in hetzelfde jaar, tot verdediging van zijn gedrag en dat der Geldersche kerken, een hoekje uitgaf onder den titel; „Wechbereyder op de verheteringe van den Nederlantschen bybelquot;, waarin hij, tot „taxatie van de kercken van Hollandtquot;, en van de „persoonenquot;, tot de overzetting „bestemt ende geordineertquot; en „in Hollandt residerendequot;, verhaalde, dat daar geen „grooten yverquot; werd betoond, en waarin hij zich beklaagde, dat „daer, Godt betert, noch niets aan den dach ghecomen wasquot; s).

De inhoud van dat stekelige boekske berokkende Holmi-chius nieuw leed bij het oude. Hij deed wat hij kon voor de translatie, maar hij kon toch niet meer dan hij kon, zooals hij vroeger reeds aan Cornelisz had gescheven \'); de Holl. Synoden spraken ook geregeld over de translatie; en ziet, nu werden de kerken in Holland, „de persoon D. Arnoldi zaligerquot; en hij, over den hekel gehaald, als deden zij allen met elkander zoo wat niets! — neen, dat was zijns inziens, geeno betamelijke bejegening. Aanvankelijk dacht hij or dan ook over om een „tegenbericht tot verdedinge van de voor-seyde kercken ende persoenenquot; op te stellen, doch hij kwam daarvan terug om de „stellicheyt ende ruste der Kerckenquot; ■\').

•1) Roitsma en van Veen, «.«?., Dl. I, blzz. 385,406; en Dl. Ill, blz. 232. Vgl. Wz. 245.

2) De Navorscher, 1877, blz. 298; en Keitsma en ran Veen, a.m., Dl. IV, blzz. 142. Vgl. blz. 155 vg.

3) Reitsma en van Veen, a.w., Dl. I, blz. 404; vgl. blzz. 398, 409 vg.; en van Toorenenbergen, a. (/■., Dl. 11, Inl., blz. XXXV*.

4) W.d.M-V., S. Ill, Di. IV, blz. 201. »llen kan niet meer als men ean.quot;

5) Reitsma en van Veen, a.Dl. I, blz. 404 vg.

-ocr page 305-

291

Maai\' hij ontlastte zijn gomood wol op de e. v. Partit. Synode in N.Holland, die in Juni 1007 te Amsterdam bijeenkwam. Daar gaf eerst ds. Johannes Wallosius „van wegen de synodus in Groningenquot; zijne „droefheyt ende groot misnoegen over het boeokskenquot; van Baudartius te kennen, en wenschte die „correspondentquot; don broederen in Holland, welke aan do „nieuwe oversettingequot; arbeidden, „des Heeren segenquot; toe !); straks verscheen Helmiehius in de vergadering, om haar aan te spreken over Baudart\'s geschrift en over de „translatiequot;.

Eerst doelde hij mede, dat hij zich tot de Synode wendde, omdat hetgeen hij zeggen wilde, haar en der /. Holl. Synode aanging. Toen sprak hij uit, hoe „indiscretelyckquot; Baudartius, door zijn boekje, gehandeld had tegen de Hollandsohe kerken, die, terwijl andere kerken ,.stil satenquot;, sedert 1586 „doorgaens jaerlicxquot; hot „stuck vau oversettingequot; hadden behartigd en dat tot op den „huydichen dachquot; nog behartigden, zoodat do „lancksame voortganckquot; niet „aen gebreck des yvors, maer aen andere oorsaeckenquot; „was gelegen geweestquot;, tot aller kerken en vromen leedwezen. En daarop hield hij der Synode „vierquot; „pointenquot; voor:

„Eerstquot;quot; verhaalde hij „sommierlyckquot; de geheele historie der overzetting van 1571 af, om „dese twee eynden: Lom aen to wysen den voet van oversettinge, die na velejarige disputen eendrachtelyck soo by alle kereken int gemeyn met uytsluytingo van andere middelen goetgevonden ende by de Ed. Mog. heeren Staten Generael geapprobeert, be-vesticht, als voorts by deselve kereken int werek gebi\'acht ende gevolcht [was]. Darom dat oock die oude disputen niet wederom op de bane gebracht, noch de voorseyde voet by eenigen synodo particulier door hare particuliere resolutie behoor[de] te buijten gegaen te worden, gelyck oock niet geacht [werd], dat de Geldrische synodus van soodaniger

1) Roitsma on van Veen, a. u\\, Dl. I, blz. 398 vg.

-ocr page 306-

292

meyninge syn snude ondo dat voel min door het geduerieli acnhoudcn ende dryven van een persoon particulier tegen de expresse verclaringe, hem in den Hollantschen synodo tweemael godaon, behoor[de] gebrooclcen te worden. Ten 2™ opdat sonde mogen blyeken, waer ende bij wien den yver ende arbeyt int stuck van de oversettinge geduerich-lyck [was] gobruijekt geweest ende dat hot darom gantsch onbetamelyek [was], dat een persoon alleen, eenen nieuwen ende voortyts by de kereken afgestemden voet van oversettinge voornemende, andore korekon olf persoonon by gebreck van yver openbaerlyck [kwam] berispen.quot;\'

„Ton andorenquot; deelde hij, tot „ontlastingoquot; van wijlen Cornelisz on van zich zelf, in hoofdzaak do roods door mij genoemde „rechtveerdige oorsaeckenquot; mode, waardoor zij belet waren meer te doen; gaf een middel aan, waardoor de vertraging in do toekomst kou worden voorkomen, en hot „stuck van oversettingequot; voortaan „tot meerder voort-ganck gestiert sonde connen wordenquot;; en verklaarde uitdrukkelijk, dat Cornelisz en hij zich „hiertoe noyt ingedrongen haddonquot;, en dat hij „voor syn persoon (D. Arsoldus Cornelii nu gestorven synde) geernequot; van dien arbeid ontslagen wildo zijn, „soot do vergadoringo soo verstondenquot;, „ende andoren persoonon plaotse gevenquot;.

„Ten derdonquot; gaf hij — mot het oog op hetgeen Baudar-tius in zijn boekje schreef, over de wijze van vertaling, „met wederleggingo van den voet der oversettinge, die by de kereken ende der E.E. Mo. hoeren Staten [was] geordi-neert oude aireede in troyn gebrachtquot;, — in overweging, of hot wel geraden was en stichtelijk zou zijn tweeërlei overzetting te hebben in een zelfde land, onder belijders van een zelfde geloof. Uitvoerig sprak hij daarbij over do drie „middelen van oversettingequot; door Baudartius genoemd, t. w. „een geheel nieuwequot;, eene „stuckswyzequot; nieuwe, of eene overzetting van „eens anders worekquot;; en toonde aan hoe

r

1

-ocr page 307-

293

„onbedachtelyokquot; Baudartius de eerste en derde manier van bearbeiding „tegen malcander\'\' bad gestold „als vcrseliey-denequot;, wijl men, als bv. Piscators werk vertaald werd, nauwelijks één vers van de oude overzetting zou overhouden. Baudartius, zoo wilde Ilelmichius kennelijk zeggen, stelde de zaken niet juist voor, wanneer hij de niemce overzetting, in Holland begonnen, achterstelde bij de vertaling van eens anders werk, gelijk in Grelderlaud ondernomen werd. Verder lichtte hij toe, in wolken zin „de aengevangen oversettinge nieu ende nochtans niet teenemael nieu ende veel inin geheel nieuquot; wezen zou; en woderlegde „sesquot; redenen, die door den predikant van Zutfen tegen don in Holland begonnen „voef van vertaling ingebracht waren, en die, als zij steek hielden, even goed tegen den aanvaller konden worden ingebracht. Dan betoogde hij, waarom de kerken niet gediend zouden zijn met een „stuckwyzequot; nieuwe overzetting; eu wees er ten slotte op, dat het overzetten van eene Fransche of Iloog-duitsche vertaling, hoewel prijzenswaard, in de gegeven omstandigheden toch niet het „beste noch bcquacmstequot; en ook niet het „spoedichstequot; middel was, om eene goede Bijbelvertaling te krijgen.

Dit derde punt van verweer kwam dus hier op neer, dat Helmichius de methode van Baudartius afkeurde, eene „gedeeltelijkquot;\' nieuwe vertaling evenmin goedvond, en, in het belang van de gereformeerde kerken, alleen de wijze van doen, na jaren overleg in Holland toegepast, approbeerde.

„Eyndelyck ende voor het vierde pointquot; gaf hij in overweging, of men over het boekje van Baudart ook schrijven zou aan de „E. M. hoeren Staten Generaelquot;, „aan eenige andere collogien van magistratenquot; — wien de „Wechboroyderquot; ook was toegezonden, — en aan de Synoden ; bijzonderlijk aan de Gelderschc, wier naam en authoriteit in het „boecksken\'quot; genoemd was, ten einde haar te verzoeken er voor te willen waken, dat andere kerken en personen niet verdacht werden

-ocr page 308-

294

gemaakt door „yemants particuliere werekquot; of door eeuig geschrift, uit Gelderland afkomstig, en er aan meê te willen werken, dat de „geraoene resolution aller kerekonquot;, ja zelfs hare eigene „voorgaende oude resolutiequot; niet verbroken word \').

Ziedaar den korten inhoud van het belangrijk betoog, waarin Helmichius het, met het oog op de Bijbelvertaling, opnam voor de kerken en Synoden in Holland, voor den ijver in Holland, voor den „voetquot; van overzetting in Holland, voor een reeds overleden en voor den nog levenden Bijbeltolk in Holland, tegenover de lang niet malsche critiek, in Gelderland op alles en allen in Holland, met betrekking tot de translatie, gemaakt. En do Hollandsche Synode nam het, behalve voor zich zelf, woderkeerig ook voor hem op, door te besluiten, dat men aan alle Synoden bericht zou zenden van de oorzaken „des langen vertreeksquot; der overzetting, „tot ontschuldingo der kereken ende der persoouonquot;,\' die „daerinquot; hadden „geaerbeytquot;, en dat men bovendien nog aan Gelderland zou verzoeken om de nog overig zijnde „copienquot; van den „Wechboreyderquot; in te houden en te vernietigen, en de „uytgestroydequot; zooveel mogelijk op te koopon, opdat zij „uyt de handen der luydenquot; kwamen -). Gelderland was Holland in dat verzoek niet geheel en al ter wille; alleen vond men daar, ter Synode te Bommel in 1607, goed, aan Baudartius te verzoeken, om bij de uitdeeling der nog aanwezige exemplaren toe te zien, dat „swacke ende quaet-willighe menschenquot; ze niet in handen kregen, terwijl diezelfde Synode tevens oordeelde, dat de overzetting van

1) Reltama en van Veen, a.w.. Dl. I, blz. 404,—409. liet «lang geschriftquot; dat in 1007 duoi\' de synod, ndepntatenquot; van X. Holland, aan de Z. H. Synode te Delft »behandiohtquot; werd en over de oorzaken van vertraging in liet stuk der «overaettingequot; enz. handelde, zal wel eene oopie van Helmich\'s betoog- zijn geweest. Reitsma en van Veen, a. w., Dl. 111, blz. i73. En eveneens het ascriftelijckquot; »verhacllquot; aan de Geld. Synode te Bommel in 1607 «overgelevertquot;. «.«■., Dl. IV, blz. 155.

2) lieitsma en van Veen, a.w., Dl. I, blz. 409 vg.

-ocr page 309-

295

Piscatoi\'s Bijbel moest gestaakt1). Helmiehius zag lus tocli eeuige, niet onbelangrijke, vrucht van zijne toespraak in do N. H. Synode; en in Gelderland werd Baudartius\' teleurstelling eenigszins vergoed, doordat hij, evenals in 1G00, tot revisor dor Bijbelvertaling voor Gelderland werd benoemd -).

Intusschen had dit voor Helmiehius en Holland onaangename incident met den lateren schrijver der „ Memory en\', toch dit ten gevolge, dat het „stuck der oversettinge in Holland nog wel weer iets meer behartigd werd. Baudartiusquot; „Wechhereyderquot; was als een knuppel geweest, die, onder de Hollandsche kippen geworpen, ze had opgejaagd. Helmiehius legde op de genoemde Amsterdamsche Synode, zooals enkele jaren vroeger reeds beloofd was2), tot eene „proevequot; van Bijbelvertaling, „het boeek Genesisquot; over „tot op de vier laetste capittelen toe, dewelcke hy buyten syn voornemen eude uytterste vlyt niet [had] connen vol-maecken,quot; aangezien hij eenige weken was opgehouden door „nootwendige kerckolycke saecken soo buyten als binnen der stadtquot;; en die Synode besloot, dat die „proevequot; al vast maar toegezonden zou worden aan de revisores in de verschillende provinciën. Gaarne wilde zij ook de ledige plaats van Cornelisz aanvullen, opdat de „resterende oversettinge beter gespoytquot; mocht worden, doch „soodanigequot; aanvulling moest mode door de andere Synoden worden gedaan; waarom dit punt „tot den aenstaenden synodum nationalemquot;, op wier spoedige komst men toen nog hope had, werd gerefereerd.

1

lleitsma en van Veen, u. tv.. Dl. IV, blz. 155 vgg. Vgl. Dc Navor-scher, 1877, blz. 301.

2

Reitsma en van Veen, a.w., Dl. III, blzz. 201, 218 (vgl. blz. 232); en Dl. I, blz. 347. Vgl. W.d.il.-V., S. Ill, Dl. IV, blz. 218.

-ocr page 310-

296

Middolcrwijl moest Helmichius maar alleen en ijverig voort-arbeiden en op de eene of andere wijze „in syne lasten verlicht\' worden. Do kerk van Amsterdam verklaarde evenwol zijn\' „dienstquot; niet te kunnen missen\'). Doch, nadat in ^November d. a. v. do „deputatonquot; van Z. Holland nog eens weer bij den Kerkeraad op „verlichtingequot; van zijn\' last aangedrongen hadden, en Helmich zelf voorgeslagen had, dat de Classis-broeders zijne weekbeurten, de ouderlingen zijne „visitatiequot; waarnamen, en hij „van andere commissionquot; verschoond word, werd hem 31 Jan. 1608 toch dit toegestaan, dat hij, mits in de „wekelycke predicatienquot; continueerende, zes maanden vrij zou zijn van alle commissies; dat „de broederen syn quartier voor eens besoeckenquot; zouden; dat hij „na gelegentheytquot; „een ure twee ofte dryquot; later in do gewone vergaderingen van den Kerkeraad mocht komen; en dat hij allen, die bij hem kwamen om „advisenquot;, „die lange tytquot; eischten, naar de andere predikanten mocht verwijzen

Bijna geheel kon hij zich dus oen half jaar lai g alleen wijden aan de bediening des Woords en de vertaling des Woords. Voor Helmichius gewis een schoone tijd; tevens, zooals wij weten, de avond zijns levens; want eene maand na het einde van den toegestanen termijn, was het einde van al zijn arbeid op aarde daar. Wellicht was hij bezig aan de vertaling van Israëls tocht door de woestijn, toen de eigen woestijnreize eindigde. — quot;Wellicht zeg ik, want nergens vond ik iets, waaruit ik besluiten kon, hoeveel kapittels hij nog, na de Synode van 1G07, heeft vertaald; ofschoon met eenigen grond gegist mag worden, dat de „vier laetstequot; van Genesis wel „volmaecktquot; zullen zijn, en een aantal van Exodus bovendien.

1) Rcitsma en van Veen, a.tc., Dl. I, blz. 409 vg.

2) Amsterd. kerkeraadsnotulen S Nov. IG07; en 31 Jan. 1G0S.

-ocr page 311-

297

Eon good jaar na zijn dood, in Oct. 1608, besloot dc Z. I lollandsclie Synode teDordt, dat do „godeputoei\'denquot; zouden „aerbeiden om by een te versaraelen al tgene yauquot; Cornelisz cu Holmichius „soude mogen naegclateu syn, [het] hooch-nodich werck [der trauslatie] aengaendequot;\'); uit welk besluit blijkt, dat op de fragmenten van Holmichius\' Bijbelvertaling prijs word gesteld. De in 1018 tc Dordt benoemde Bijbelvertalers hebben ze dan ook gebruikt3). Hoe het later echter met die fragmenten gegaan is, kan ik niet melden. Ook is het mij niet gelukt er zelfs maar een klein gedeelte van te vinden.

Kortelijk den hoofdinhoud van deze paragraaf resumco-rende, krijgen we deze slotsom:

lu. dat Holmichius in don tijd van 20 jaren driemaal mede-aangewezen is om den Bijbel to vertalen;

2°. dat hij zelf dit werk zeer noodig vond, diep doordrongen was van de groote beteckenis eener goede Bijbelvertaling voor den bloei en de eenheid der kerken, en grooteu lust had om er aan te arbeiden; en

3J. dat hij echter niet veel heeft afgewerkt, omdat hij bijna altijd de handen te vol had met allerlei andere werkzaamheden, die hem in onvoldoende mate werden afge-noinen; en ook, omdat bij do door hem gevolgde methode,— die volkomen te verklaren is uit hot diep besef, dat een

^ 1) Koitsma en vim Veen, n. w., Dl. UI, blz. 282. Du Pai\'tio. N. II. Synode van Hoorn in Oot.-Nov. 1608, maakte een besluit over do «restitutie vim de oncostenquot;. Men zou daarop bij de Staten aanhouden, en anders moest elke Synode een «quote tot 25 gl.quot; betalen. Do Staten hebben op dut verzoek eene gunstige resolutie genomen. Reitsma en van Veen, a. w.j Dl. 1, blz. 438; en Dc Navorscher, 1873, blz. 121.

2) Hiulópen, a. tv., blz. 101. Vgl. v. Toorenbergen, a.w., Dl. II, Inl., blz. XXXV.

-ocr page 312-

298

geheel bijzouder werk werd verricht, — toch te weinig rekening is gehouden met den omvang van dc taak, bijaldien die door een paar personen moest worden volbracht.

Zullen we eindelijk in een paar woorden Helmichius\' boteekcnis, met \'t oog op de „translatiequot; van den Bijbel, weergeven, dan moet gezegd worden, dat die niet zeer groot is te noemen. De wil was bij dit punt altijd zeer groot, de daad is — ofschoon in menig opzicht buiten zijne schuld — gering geweest.

§ 6. Helmichius als s c h r ij v e r.

„Sijn hoge geeft, van God gegeven,

Uoot door fijn fchrift hem eewic levenquot;.

Zoo luiden dc twee laatste regelen van het reeds vroeger meêgedeelde *) versje, dat onder een van Helmichius\' portretten voorkomt. Daarop afgaande zou men niet eenigs-/.ins gespannen verwachting de lezing van deze paragraaf kunnen aanvangen. Wie echter in die stemming begint, zal teleurgesteld worden ; want het bibliographisch menu, dat van Helmich\'a geschriften kan worden aangeboden, is niet groot en evenmin bijzonder belangrijk. Veeleer moet zijne schriftelijke nalatenschap klein worden genoemd; en waren die enkele geschriftjes dan maar eene soort kleinodiën van eclatante waarde, dan zou zijn naam daarom misschien nog kunnen voortleven tot in verre geslachten of zelfs tot in het laatste nageslacht, doch ook dat is niet het geval. Zijne werkjes zijn wel van eenige beteekenis; hij was niet een man, die veel bladen vol maakte zonder nog iets gezegd te hebben;

1) Ilfdst. I, § 5 aan liet slot.

-ocr page 313-

299

cu vau een zijner gesclmften is in de 17u eeuw zeker uog al eenigo kracht uitgegaan; maar daarom is do diohterlijke lof, dat „sijn hoge geestquot; hom, door „sijn schriftquot;, „eewie levenquot; doet, nog niet waar; en zeker ook niet in den geest van oazen nedorigeu held.

Laat ik de geschriften noemen en, voor zoover dit mogelijk is, kortelijk bespreken; dan kan de lezer zelf ook oordoelen.

Behalve 140 brieven van hem alleen — waarvan reeds meer dan 110 zijn uitgegeven i), en een klein aantal hiei\' achter in Bijlage T) volgt -), — over hot geheel genomen in menig opzicht zeer belangrijk, om hemzelf en zijn\' tijd te loeren kennen; en behalve enkele reeds genoemde missiven, waarvan eene zeker en eeno andere misschien door hem is gesteld3), doch die geen van alle aan hem alleen kunnen

1) In de W. (1. M.-V., S. III, Dl. IV (zie hiervoren blz. 2:t); in De Navorscher, 1874, blz. 143 vg. (zie Bijlage JJ); terwijl ook een brief van Helmichius voorkomt bjj Crenius, Aniniadvera. Philoloyic. et Historie. !*• XVII, p. 113. V. d. Au, i. v. Helmich zegt: «sommigen maken gewagquot; van een\' brief aan Muysonliolius, terwijl ook de plaats in Crenius wordt opgegeven, waar de brief is afgedrukt. Die bron is dus waarschijnlijk niet ingezien. Helmich\'s brief is gedateerd 1-i Mei 1G07, en handelt over de wNovatioquot; in Leiden en het wconventus praeparatoriusquot;. (Zie J3ijlage D.) Mnysenholius is in 1601 uit «den pfaltzquot; gekomen, en in het volgende jaar predikant geworden te Breda, bij welke gemeente hij 26 jaar heeft gediend. Hij was een beslist contra-remonstrant en zeer bevriend met Gomarus. Zie over hem, Soermans, Kerkel. Register, blz. lö-t; Foliant van Tilm. Cupus, blz. 342; Gomarus, Opera theol. omnia ed. 16-44, p. 447 vg.; en Praest. ac Erud. Virr. Epp. Xr. CCLIX. Vgl. Kist en Eoyaards, a.w., enz.. Dl. V, blz. 417; en Dl. VII, blz. 15.

2) Daar is ook aangeduid, waar ik die brieven vond. Een groot aantal brieven van Helmich heb ik niet terug kunnen vinden.

3) De eerste missive deelde ik ten deele mede in § *2 van dit Hoofdstuk [het rapport van de bemoeienissen met den Graaf van Hohenlo]; over de beide andere zie men § *2 van dit Hoofdstuk (blz. 1071), en § 5 (blz. 267\'). [De laatste is eerst door Helmichiusgeteekend en eene daarin voorkomende beeldspraak, als ))de vlecke, ons achter op den mantel.... aengesprenghtquot;, zooals dergelijke gedurig voorkomen ineen van Helmich\'s boekjes, zou het vermoeden kunnen wekken, dat Helmich ze misschien stelde, doch te oordeelen naar de hand van de minute, die aanwezig is in het O.-A, d. N. 11. iC, Nr. 6, I, lü (15) is Helmichius de steller niet.]

-ocr page 314-

300

worden toogoschrevon, cn denkelijk, evenmin als zijne brieven, tot „sijn schriftquot; zullen gerekend zijn, zijn er eeu viertal werkjes van Helmichius in \'t licht gekomen; alle eerst na zijn dood, en in verschillende jaren \'). Een daarvan heeft hij stellig iu Frankfort geschreven, ook een in Utrecht, en twee in Delft. Naar die volgorde geef ik ze op.

(1) Trcffelijcke predikatie op 7 lste vers van den XVpsalm DAVIDS gepredickt door den seer waerden ende gods. d. W. Helmichius sal. ghed., den 23 Jan. aquot; 1576 binnen Pranckfoort. t\'Amsterdam voor M. J. Brandt. 1628. 16°. [Zij eindigt met: „Dixi in sen. eccl. 23 Jan. aquot; 1576 Frane-fortiquot;.]

Aldus wordt ze opgegeven in Beschr. Ca tal. der Pamfl. Vers. van de Boek. der Remonstr. Kerk te Amsterdam, St. II, Afd. I, blz. 13. (vgl. Hfdst. I, § 2, blz. 19- van dit proefschrift, waar ik zo ook reeds noemde.) Ik heb deze „trcffelijcke predicatiequot; echter niet kunnen vinden; en dr. Rogge, de opsteller van den aangehaalden catalogus, meldde mij, dat hij ook niet wist waar ze nu was. Het gemis is te meer jammer, omdat ook geen andere leerredenen van Helmich overig zijn.

(2) Grondich Bericht van de loettelijclce heroepinghe der Predicanten ofte Kerekendienaren. Eertijdts bel\'chreven door den godtl\'alighen ende hooch-gheleerden Weksekum Hel-miciuum, ton tijde 1\'yner bedieninghe der Kercke Chrilti binnen Vtrecht. Nu ter tijdt wtghegheven door ecnen die van herten wenl\'cht ende bidt dat alles inden Huyfe

1) Witte, Diarium Biographic., Tom. .-ieo., Append. II, maakt ook nug* gewag van een boekje van Helmich: »Classis Dordracoiaquot;, ad versus 01 i-verum llattemum (over wien zie v. d. Aa, a. ic., i. v.), doch nergens vond ik eenige nadere aan wijzing van dit boekje; ook niet hiervan, dat Helmich het geschreven heeft; zelfs het jaar, waarin het uitgegeven is, geeft Witte niet op. Intusschen, is het gedrukt en uitgekomen, dan hebben wij 5 boekjes van Helmich.

-ocr page 315-

301

Godes met orden ende na ftichtighe wetten mach toegaen. Hier is bygheyoeeht een bewijs van de nootwendioheyt des Kercken-raedts. Tot dei.f, By Jan Andriesz/ woonende aent Marctvelt iut verguit ABC. Axxo m.d.c.xi. (40 blzz. 4quot;). Zrgt;o luidt de titel van mijn exemplaar\'). Ik noemde het roeds in § 2 van dit Hoofdstuk, op blz. 99. Het is een „Trac-taetkenquot; van kerkrechtelijken aard, in populairen trant opgesteld. lilijkens den meêgedeelden titel heeft Helmichius het tijdens zijne bediening in Utrecht geschreven. Hij had duar, gelijk men zich herinneren zal in 1579, oen gesprek niet Duifhuis over do „vocatio Ministrorumquot;. En destijds vDor zichzelf nog niet geheel tot helder inzicht in dit pnnt gekomen, begon hij er uitvoeriger over na te denken en vroeg hij ook zijn\' Delftschon vriend Cornelisz om inlichtingen. Bovendien moest het stuk van do „wettelijcke beroepinghe der Predicantenquot; on van de „nootwendicheyt des Kercken-raedtsquot; voor hem wel oen punt van gedurige overdenking zijn, omdat hij de bemoeiing van de stedelijke Overheid in dc kerkelijke zaken te Utrecht, bijzonder in zake do Duifhuis-gemeente, herhaaldelijk ondervond en gedurig aanschouwen moest; on omdat hij wist, hoe dc predikanten bij de St. Jacobs-kerk iu dienst traden, hoe de „Jacobaeaniquot; de predikanten in de dorpen examineerden on aanstelden, en hoe Pastor Hubertus dacht over de aanstelling van ouderlingen en diakenen 2). Terwijl eindelijk de inmenging van de Overheid in het Sticht in de kerkelijke aangelegenheden, bijzonderlijk ook

4) Vgl. Biblioth. van Ptnnfl. van Muller, fluor Tiele, Dl. ï, Xi\'s, 97S, 979. Het wordt ook genoemd iu de voorrede van een pamflet van ds. R. Donteclock uit 1G12 (Cat. Muller, Nr. 1000), en in eene ^Schriftmatige en zedenkundige Verhandeling over de Kerkelijke Machtquot; door Gysb. Voctius; uit het Latijn vertaald en op nieuw uitgegeven in 1756; blz. 113. Daar quot;wordt gevraagd wot\' den Magistraet het Recht, van Kerkendienaeren, Ouderlingen etc. te verkiesen, toekomt?quot; en dan, ter staving van het ontkennend antwoord op de vraag, ook Helmich\'s wtractaetkenquot; aangehaald.

2) Zie § 2 van dit Hoofdstuk.

-ocr page 316-

302

bij het optreden van predikanten men denke bv. aan het kerkrumoer te Amersfoort in 1SS1 —• rle inmeneinar

/ O O

van de stedelijke Règeering in de zalfcn der kerk te Leiden in 1580 en \'81, waarin Helmich betrokken is geweest\'); en een boekje van prof. Danaeus, yvaarin „hot Ampt dor Overheydt inde regeeringhe der Kerpkenquot; onz was behandeld, en dat Helmich gelezen en besproken heeft1), hem ook telkens bij hot punt van de „wettelijke beroepinghequot; deden stilstaan. Niet onwaarschijnlijk is ^ls vrucht van die gedurige overwegingen zijn eigen boekje ontstaan.

Met het oog op de St. Jacobs-begiiiselen schreef hij daarin dan zeker, dat de beroeping en onderzoefcing van eenquot; predikant niet aan „eenen oft tweequot; dienaren toekwam ; en dat de niet-aanstelling van ouderlingen en diakenen af te keuren was, wijl het hebben van die dienaren niet slechts „voor oen zekeren tijt ghobodenquot; was. Eu doeloude op de handelingen van de Overheid in kerkelijke zaken, oordeelde hij „dat de Overheydt niet eyghene macht en |hadj inde boioepinghe der Predicanten onde volghens [om] }ii andere Kerckehjcko zaken te disponeren ende te ghebied(gt;n, ghelijc sewol[deed| in haer politicquot;. Volgens Helmichius kwam, op grond dor Schrift, de beroeping aan de „gantsche Christelijcke en reohtgheloovigho Ghemeynto [bestaaiido uit „Overichcydt, Korcken-dienaers ende het Volokquot;] ta ghehjekequot; tce; en dan wol zoo, dat de predikanten on ouderlingen „ghesainenthjckquot; een\' aankomenden leeraar moesten e^amineeron; dat zij hom daarna aan de gemeente moesten voorstellen, opdat hij, door haar ook „aenghonaem bevonden zijndequot;, „wt beyder name ghelijcquot; der Overheid werd gepresenteerd — welko presentatie

1

W.d.M.-V., S. III, Dl. IVquot;, blzz. 2G, 31 vg., en i. v. Danaous. TIcl-mich was niet in elk opzicht met Danaeiisi2 boekje ingenomen; o. o. dorst hij zoover niet gaan in het toekennen \\n\\n macht aan de Overheid in kerkelijke vergaderingen.

2

Zie § 3 van dit Hoofdstuk, A on B.

-ocr page 317-

303

echter ook wel aan do voorstelling aan de gemeente kon voorafgaan —; en dat hij dan, als ook de Overheid approbatie had gegeven, „in syn dienst (by maniere van spreken) gehult ende ingheleytquot; werd.

Aangaande de ouderlingen en diakenen leerde Grods Woord, dat er ouderlingen in do gemeente moesten zijn ..tot verlichtinghe ende hulpe der Predieanten in het leste deel haers amptsquot; — d. i. bij huis- en krankenbezoek en in het acht geven op de gemeente —; dat er diakenen moesten wezen om de „aelmoessenquot; te verzamelen en uit te deelen, en do armen desnoods „te troosten ende te vermanenquot;; dat de „ordeninghequot; met betrekking tot die tweeërlei dienaren niet nagelaten mocht worden, alsof ze vroeger alleen maar gegolden had; en dat ook geen „andere bequame reghel ofte orde-ninghequot; — dit is zeker togen de kerk- en potmeesters van Duifhuis gericht — kon worden „ghevonden ofte ghebruyekt inde stede van dese, die van den H. Gheest eerst gheghe-venquot; was, ook al had men eene „Christolijcke Overicheydtquot;.

Ziedaar de hoofdgedachte van het boekje, dat op vele vragen, die met de punten in quaestie samenhangen, niet ingaat, of ze niet „grondigquot; genoeg behandelt; hetgeen trouwens wel oenigszina te verklaren is, omdat die vragen, in TIelmich\'s tijd te Utrecht, nog lang niet in die mate aan de orde waren, als een aantal jaren later. En al moge er nu, in het licht van de meer ontwikkelde gereformeerde beginselen, groote bedenking zijn tegen Helmich\'s beschouwing over het recht der Overheid bij de beroeping van een predikant, toch kan ook gezegd worden, dat de enkele stippels, door hem neergezet, niet nitloopen op de lijn, waarop Wtenbogaert zich later bij dit kerkrechtelijk geding bewoog, maar op het spoor, dat naderhand door de welbekende Acro-niussen c. s. is geteekend.

(3) Psalmorum Davidis et aliormn prophetarum Analysis,

-ocr page 318-

304

conciniiata a Werxero Helmichio Ultrajoctino, Ecclesiae Ainstelodamonsis Pastore. Amstclodami. Excudebat Henricus Laurenti. Anno cioiocxxi (710 pgg. 4quot;)

Dit zeer zeldzaam geworden geschrift, waarvan ik na lang zoeken nog een exemplaar vond in de Bodleian Library te Oxford, heeft Helmichius, blijkens de „Epistola dedica-toriaquot; voorin, omstreeks 1594 in Delft opgesteld, doch niet uitgegeven; „ejus animus modestissimus atquo ab omni ambitione remotissimusquot; hield hem daarvan terug. Xa zijn\' dood is het onder zijne papieren gevonden, door „viri doetiquot; der uitgave waardig gekeurd, en namens do weduwe van Helmichius aan de „Consulesquot; en „Senatoresquot; van Amsterdam opgedragen, als een bewijs van erkentelijkheid voor de bijzondere gunst, die aan haar man bij zijn leven bewezen was, en aan haar nog werd betoond. Die toewijdingsbrief is gedateerd „Kal. Aprilibus Anni cio.io.cxivquot;; wat, bij vergelijking met het jaartal 1021 op het titelblad, het vermoeden wekt, dat in 1014 reeds eene eerste uitgave is verschenen, terwijl dan in de tweede, van 1C21 1), dezelfde brief is afgedrukt. Voorts vermelden Burman2) en van der Aa3) eene uitgave van 1641, zoodat de „analysisquot; zelfs een\'derden druk schijnt beleefd te hebben 4).

Met het oog op de woorden uit den titel „aliorum pro-phetarumquot; merk ik op, dat daarmede de „amanuensesquot; zijn bedoeld, die de Heilige Geest gebruikt heeft om de Psalmen

1

Le Long, Biblioth. Sacra, Tom. II (Parijs, 1723), p. 7G9, noemt deze uitgave. Op p. 1100 wordt Holmich genoemd bij de scriptores in omnes Psalmos.

2

Traject, erndit., i. v. Helmichius.

3

«.?«., i. v. Helmichius.

4

Eunij ander bewijs dan de genoemde jaartallen kan ik hiervoor echter niet aanvoeren.

-ocr page 319-

305

to vervaardigen, welke niet van David zijn; hctgoen hieruit blijkt, dat alleen maar do Psalmen door Ilelmiehius geanalyseerd zijn. I )(■ uitdrukking „analysisquot;, \'t eerste woord van den titel, — boven de Psalmen zelf staat „methodus sive analysisquot; — geeft juist weer wat wij, daarop afgaande, van den inhoud van het boekje verwachten kunnen; het is namel. geen commentaar, maar enkel eene korte ontleding van de Psalmen. Uier en daar zijn soms tamelijk groote lacune\'s, zoodat maar brokstukken zijn meegedeeld; wat hieraan toegeschreven kan worden, dat do „ultima limaquot; van Helmichius er niet over heen is gegaan om do onvolkomenheden weg te nemen; ofschoon het ook een gevolg kan zijn van de onleesbaarheid, want ik heb het handschrift van do „analysisquot; niet gezien, maar uit sommige brieven van Helmichius weet ik wel, dat hij soms niet zou duidelijk schreef. Als geheel genomen is het boekje niet van bijzondere beteekenis. Toch krijgen we hier en daar door een paar gedachten, als korte inhoud boven een Psalm geplaatst, een samenvattend overzicht over den geheelen inhoud1), — wat ten bewijze strekt, dat Helmichius inden gedachtengang van den dichter wel ingedrongen was — terwijl de voorstelling van do ontleding zelve holder en bevattelijk is.

Als een voorbeeld van „analysisquot; laat ik Psalm I hier geheel volgen; voorafgegaan door den brief van opdracht, waarin het een en ander over Helmichius wordt meegedeeld, en dien ik reeds een paar maal geciteerd heb -).

20

1

Zoo staat bv. boven Psalm 2: «Didasoalicus, de hostibus Ecclesiae et Regno Christiquot;; en boven den 22-\'quot;\' Psalm: »Petitorius, pro sumnio afflicto. Eucliaristicus, pro liberatione impetrata. Propheticus, de Cbristi humiliatione et gloria.quot;

-ocr page 320-

300

EPISTOLA. DEDICATORIA.

Magnificis, Amplissimis, ct Pmdentissimis Dominis, ü. Consulibus et

Senatoribus

inclytae et florentissiniao Civitatis Amstelodamensis.

Adroirabilis illc rerum omnium opifex rgt;?JUS, qui nou dxxTx^ixc, seel ordinis omnis autor est, uti omnia quae-cunque ab ipso producta sunt, accuratissimo ordine, in coelis ct in terra, sapientissimo disposuit, ita etiam verba sua, quibus aeternam et salutarem sapientiam consignavit, ordine eonvenientissimo amanuensibus suis Qsottvs-jttoi: qnin dicta-verit nequaquam est ambigendum. Quamvis cnim Spiritus S. Logicorum aut Rhetorum praeceptis in dictando Saeras Literas se non allig-avcrit, apparet tarnen ubique in illis ordinatissima et divitia quaedam Jlethodus, (|uae et Maiestati divinae convoniens, atquo in formandis hominum mentibus quam maxime est icionea. Propbetae et Apostoli quamvis non scripserint secundum artem, sed secundum gratiam, quae supra artem ost, ipsi tarnen artifices in scriptis corum artem inveniunt et venerantur. Sacrae Litcrae ordinem eon-vcnientissimum babent, scd non ostentant. liune ordinem necessc est ut accurate observcnt omnes, quicunque in S. Scripturarum penitiorcm et reetam cognitionem penetrare, neque temere a Spiritus S. meute et scopo aberrare volent. Eundem etiam sequï debent, quicunque cum fructu at(iuo aedifieatione populum erudire, et genuinum S. Litcrarum sensum proponcre student. Inter caeteras enim dotes, quae in fideli et perito vcibi divini praecone requiruntur, hand postrema est ut noverit to-j }.iyoy rij: opOoropsTv.

Vcrum non est eni vinvis hoe accutate isic) praestare. Qui feliciter in co versabitur, necesse est ut non tantum in scientiis humanioribus, ac potissimum in illac apyxvoiy-y,, in qua Distributionis ao Metbodi legitimae leges praescribuntur.

-ocr page 321-

307

insigniter sit vorsatus, sed imprimis ut liabcat rx a/Jvr-jpix -/syufivxa-fiéi/si in S. Seripturis. Quae cum rarac sint dotes, praeclaram Ecclesiae 7)7*77 operam navant, (jui dotibus illis instructi, ordinem hnnc in S. Seripturis a se observatum aliis quoque viva voce et scriptis commonstrant, ut hao quasi clave Scripturarum eognitionem aliis adaperiant, et quasi hae face accensa rndiores in Scripturarum adyta perducant. Hac in parte Ecclesiae DEI etiam prodesse studuit Reve-rendus et Doctissimus vir D. Wekneeus IIelmichius piao memoriae, Ecclesiae vestrae, dum vixit, non tantum Pastor fidelissiinus, sed etiam singulare ornamentum. Quam fuerit ab his donis instructissimus noverunt omnes docti in Belgia, qui insignem humanarum atque humaniorum scientiarum notitiam, penitissimam rerum divinarum eognitionem, atque accuratissimam Linguarum fere omnium, ac maxime quarum in Sacris usus est, Hebraeae, Graecae ao Latinae peritiam nunquam satis in ipso admirari, ac collaudarc potuerunt. Ipsi Nobilissimi atque Amplissimi Curatores Academiae Lugdunensis non semel eius operam in explicandis publico in Academia S. Literis postularunt, cui provinciae susti-nendae etsi quam maxime par csset, non permisit tarnen innata ipsi modestia, ut eam unquam susciperet. Cum nobi-lissimus D. Pu. Maunixius, aeternum illud lïclgicae decus, translationem Bibliomm in lingnam Bclgicam petitionibus Ecclesiarum Belgicarum ipsi impositam fato praeventus vix inohoaro potuisset, unanimis earundem Eccles. votis et suf-fragiis itum fuit ad D. Helmichium, ut oneri huic ferendo maxime parem, qui laborem hunc non recusavit, sed feliciter inchoati et desideratissimi oporis perfectionem mors eius pracmatura Ecclesiis Belgicis invidit. Vos etiam, Viri Ampliss. donorum et virtutum optimi aestimatores, singularem viri huius eruditionem, pictatem, atque eloquentiam vencrati, non destitistis, donec eum ex Ecclesia Delphensi ad vestram urbem atque Ecclesiam pertraxeritis. Quanta cum dicendi

-ocr page 322-

308

vi ct dexteritate, quanto cum ardore et zelo verbi divini mysteria publioe proponere atque explioaro solcrot, Eoclo-siam Ultrajectinam, Delphensem, Vestram, et vos iupri-mis, Viri Ainplissimi, testes liabet locupletissimos. Ne([ue ovibus atcjue auditoribus suis tantum viva voce, sed ct pos-teritati scriptis prodesse cura ipsi fuit. Tamctsi euini modes-tissimus eius, atquc ab omui arabitiono remotissimus animus induci nunquam potuerit, ut ipse, cum adbuc in vivis esset, quidqaam publico daret, iudicamnt tamen viri docti non-nulla cius scripta, quae inter scliedas eius post obitum reperta sunt, licet ultima autoris lima adhuc deesset, Eccle-siis non penitus invidenda esse, aut supprimenda. Ex quibus, eorum consilium et indicium sccuti, in lucem publico bono, atcjue aodifiuationi servituras damus hasce in Psalmos analyses, ante viginti circitor annos, ut ipse annotaverat, con-cinnatas. Posthumum hunc mariti laborem vidua sub Am-plissimi nominis vestri auspiciis prodire in lucem, et V. A. consccratum voluit, ut oxtaret publicum gratitudinis suae testimonium, pro singular! V. A. favorc, quo maritum vi-ventcm, atque ipsam etiam nunc prosequi benigne dignatae fuerunt. Atque unice a V. A. summa cum animi submissione contendit, uti cuius vivas ac vividas conciones olim liben-tissimis animis audire soletis, cius etiam scripta haec V. A. accepta sint, atque bilari fronte excipiantur.

DEUS OI\'T. 31 AX. Ecclesiam ct Eempublicam Vestram omni spiritualium et temporalium benedictioauni cumulo magis magisque locuplctet, atque A. Vestras, Viri Magnifici, quam diutissime incolunies et floreutes conservet. A MS1 LOT)AMI in nrbe vestra, totius terrarum orbis Emporio florentissimo. Kal. Aprilibus Anni CIO.IO.CXIV, nomine Magnificis A. A. V.

addictissiniac E. V. Z.

Viduae D. Weeneri IIelmicuii.

-ocr page 323-

309

En volpro nu Psalm I.

Didascalicus dc felicitate ut infelicitate.

descki i\'Tio fclicitatis piorum ot infclicitatis impiorum, adjunota ratione.

Piorum, j cavcrc | v. 1.

quid dcbcaut j faccrc j v. 2.

assidua eösolatio sou gratia divina,

vers. 3. Pructificatio, sanctificatio, J stabilitas, aut perpotuitas,

vers. 4. Universalis vel omnige-na benodictio, vers. 4.

felicitatis piorü, por

similit., v. 3. 4. \') aperte, vers. 4.

I. Descriptio

II. Dc \'.scriptio infelicitatis impiorum: per similit, v. 5. aperte, v. 6.

momentanca et instabilis folici-tas, subitus et violentus inte-ritus.

Pinalis perditio, damnatio et re-probatio.

v. o. et 6.


1) Hclmicli heeft in plaats van het eene versS uit onzen Bijbel 2 verzen; vers 3, «want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbekenquot;; terwijl het overige van het vers dan vers 4 is. Tengevolge van dio splitsing hebben wij bij hem 7 verzen in den gebeden Psalm.

-ocr page 324-

310

stabilis fclix

, pi\'otuc- , ,

111. Ratio i \\ f \\ Status,

tio.

utriusquo, | Dei oJium \'1quot;1C P01\'1quot;quot;

vers. 7. 1 j , \\ j tio ot

amor ct

ct re-

jcotio.

inte-ritus.

Hot laatste geschrift van Helmich draagt dezon titel: (4) Goliats Smeert ende Uiedt-stoclc. van Pater Pkans Cos-ter lesuwijt. Dat is, Antwoordt op eenen Send-brief Pkan-cisci Costeui, Pater vande lesuvvijten tot Brussel, glic-schrcven aon de E. E. Heeron Staten van Hollandt Zcelandt, etc. Waer iune claerlich vertoont wert dat de lesuwijten met hare oygen redenen hare eygen Kcligio ende Kerckc afbreecken, ende in \'t strijden togen do ware Christelicke lloligle met cnckel craneke leughonon omgaon. Ghcstelt door Wekneevs Helmichivs, in zijn lovon Dionaor des God-lickou Woorts tot A mstki.dam. tot Leyden, 15y Andrics Clouck, Boockvercooper in den gocroondon Engel. 1609. (432 blzz. 12»).

De aanleiding tot do opstelling van dit strijdschrift tegen Koine en bijzonderlijk tegen de Jezuïeten is bekend. Zij is uit hetgeen op het titelblad voorkomt wel oenigszins op te maken, on wordt in de „voorrodequot; \') uitvoeriger meègedeeld.

Pranciscus Costerus (gob. 1531, gest. 1019, sedert 1552 Jezuïet)2), een geweldig en rusteloos bekamper van de gereformeerde loer en do gereformeerde belijders, door Poppens

1

Doze is niet van Helmioh zelf, maar draagt den naam van zijne weduwe.

2

Foppens, Biblioth. liclgica, Brux. 1739, Dl. I, p. 289 sq., waar eenige bijzonderheden over hem en vele zijner geschriften worden genoemd. Vgl. voor de laatste Catalog. Meulman, 1)1. 1, blz. 147, 2sr. 989.

-ocr page 325-

311

„Malleus Haereticorum [Calvinianorum]quot; genoci.ul, volgens to Water\') oen man, die in don strijd „do leugen- on iaster-vlaggo in topquot; voerde, oen „grol-sohryverquot; was, dio zioli jegens do Calvinisten „meesterlijkquot; kweet „in die doemwaerdige lasterkunstquot;, schroef oon brief aan do „Staten Generael dor ver-eonichdo Nederlandenquot;, d.d. 30 April 1598 1), ten einde hen „te beweghou de ware, gereformeerde, Christelicke Religie .... te verlaten en af te gaon, ondo wederom te oomc tot hot wtspousol dor l\'ausclicko Afgodorie onde Superstitionquot;. Nu was die brief „geenssins bequaomquot; „om verstandige wijse Hoeren, die geoeffendesinnen in Gods II. Woordtquot; haddon, „tot voranderinghe van Religiequot; te brengen 2), maar toch lieten „onder de gemeyne man vele eenvoudige men-schenquot; zich „door sodanige beuselingenquot;, als daarin voorkwamen, „menichmael bedriegc ende verloyden tot eewighe schade barer siclenquot;; waarom wel iets tot „waerschouwingequot; van de eenvoudigon voor Costers epistel noodig was\'). En do Zuid-Hollandsehe kerken, die in 1595 en drie volgende jaren op hare Synoden telkens weer bespraken, wat tegen andere lasteringen van Costerus moest worden gedaan 3), en in September van laatstgenoemd jaar, tor Dordtscho Synode, ook over dezen „sendtbrieff Cosïeriquot; handelden, belastten „do ghodeputoerdoquot; „don h. advocaet in bedincken te gheven, oft niet nut ondo noodioh ware, dat de h. Staten donselifden beantwoordedenquot; c).

Vóór dit besluit genomen werd, had Helmichius echter

1

Hij is geheel opgenomen in Helmich\'s boekje.

2

Helmicli schrijft op blz. 24, dat andere boeken tegen de gereformeerden »al bequamer met hoecken versien [varen] om cabbeliau te vanghen.quot;

3

Reitsma en van Yecn, a. w., Dl. III, blzz. 44 vg., 67, 90, 108 vg.

-ocr page 326-

312

roods oon antwoord op den zendbrief goseh roven. Want „ter-stontquot;\' nadat hij „wtgeoomenquot; was, heeft Wernema „do ponne inde handtquot; genomen en eeu „schriftquot; „daertegen gestoltquot;, onder don pikanten titel „Goliats Sweert onde Riodt-stockquot;; waarmede waarschijnlijk bedoeld is, dat Helmichius i?i den Jezuïet eeu soort Goliath zag, dien hij nu „met zijne eygeno wapenenquot; bestreed, en dat Goliaths zwaard toch ook eigenlijk maar eeu riotstok was, omdat hij niet anders dan „eenige voddige cartebolleuquot; tegen do „Gereformeerde Religiequot; had ingebracht1).

Het boekje bestaat uit 2 stukken, waarvan hot eerste gewijd is aan hot wederleggen en retorquoeren van Costers argumenten, die in 22 punten zijn saamgevat, en waarvan het tweede do „leugonenquot; — niet minder dan 61 worden opgesomd 2) — tegenspreekt, die Pater Coster had „gestuf-feertquot;. Het geheel dient om aan te toonen, „dattet so verre van daer is, dat door deao redenen [van Costerus | de Room-sche Religie voor de ware soude bewosen worden, dat recht daertegen de solve redenen dienen om de selve hare Ueligie om te stoten ende te wederlegghcn, onde als men de redenen voortgebracht tegen de Gereformeerde Religie aen de toetsteen der waerheyt beproeft, dat men bevindt dat se anders niet en zijn dan enckol crancke leugonenquot; 3); terwijl hot „besluytquot;, na een laatste woord van vermaan aan Cos-ter, met deze bede eindigt: „Onse Salichmaker JesusChristus, dio de wech, de waerheyt ende het loven is, wille u. Pator Costor, de genade doon dat ghi goede keimisse der waerheyt moget crijgo, en deselve met goeder conscientie gebruyeken, tot uwes selfs ende anderor mensch^ beteringe ende eewige salicheyt: wille oock onsen gemecnen Vader-

1

Vijl. titel en voorrede.

2

Do 22 argumenten en 01 leugens worden opgenoemd in de inlionds opgave, die onmiddelijk op de voorrede volgt.

3

Aan de voorrede ontleend.

-ocr page 327-

313

lant gcnadclick vergunnê dat het rechte oude Catholijcke Evangelische ende Apostolijcke gheloof daer inne meei1 ende meer bekent ende verbreyt, daerentegen alle superstition, dwalingen, ende ketteryeu meer endo meer ontdeckt en verworpen inog(; worden, ter eeren zijns heyligen naems, ver-meerderinge zijns rijcx, en dor inwoonderen tijtlicko eudo eewighe welvaert. Amen, Amen.quot;

Met betrekking tot taal en stijl van hot boekje merk ik op, dat hot, in populairen trant geschreven, soms onmatig scherp \') en hier en daar nog al wijdlooplg is, maar daarom niet bepaald saai en wansmakelijk is te noemen; eigenaardige beeldspraak treft den lezer gedurig weer2). En wat den materieelen inhoud aangaat, komt o. a. duidelijk uit, dat Helmichius nog al bekend was met de geschriften van Calvijn 3), goene geringe kennis had van de kerkvaders, de kerkgeschiedenis en do Roomsche schrijvers4), en tegen Pater Coster wel opgewassen was. Voetius zegt er dan ook van 3), met betrekking tot het laatste, dat Helmichius „[Cos-tori | axiomata et praejudicia |„in epistola ad 111. Ordd. Foedorati lielgiiquot;] subtiliter et scite admodum in Papatum et Costerum retorsitquot;. Eéne proeve er uit vinde hier eeno plaats.

Coster beweerde, dat het primaatschap van den Paus reeds

1

Zie bv. Iilzz. :t8, 377 vg., Erscli uiul Griibor, Alhjcm. Encyclop. i. v. Holinicliius, iioomon liet noine der bitterston uml schormngslosestcii Streit-soliriften, die gogen den Jesuit Coster goriclitot war.quot;

2

Hlz. 26 stjnit bv. )gt;Lieve Costere, hoo dapper vat gby u selven by do nousquot;; biz. 33 «Costoro, dit is uwen rechten hertstoock, ia nwon doot-steock over u selvenquot;; blz. 38, »dose vuyst oomt roolit op u eygon ooone aen, Costerequot;; blz. 39, »soo laot iekt nu cock toglien u solvon goot zjjn, om u mot u eygbon stook op do neus te eloppenquot;; blz. 40, ndosen bal govo ie u immers so lusticb wederom Costerequot;; blz. 180vg., «bier stoot ghy n selvor seer iammerlick de beydo soheonen onstuekon\'\'.

3

Zie blz. 323.

4

Zie bv. blzz. 80 vg., 220 vg., 228 vg., 244, 355—\'(10.

-ocr page 328-

314

dateerde van de dagen dor Apostelen, en een stuk was van het „oudt geloofquot; der „voorvaderen , waarvan de „luyden door de Reformatie waren „berooftquot;. Daarop antwoordde Helmicliius nu1): „Waer was den Paus die nu de Alder-heylichste Vader ende Ileere heet endc die nu alles allee vermach ende doet: waer was hy wanneer Paulus de drie Apostelë/ 2) Jacobum/ Ccpham endc Johannein/ als colum-nen in eeuc graedt Itelt onder inalcanderen/ ende hein lel-ven met hunlieden ooek in oenen graet. Ja wanneer fy inalcanderen de hant der gemcenfohap gevende den lalt van de Predicatie des Evaugeliums tfamen deylde/ Paulo de Heidenen/ hun drien de Joden toevoegende? Doe3) Paulus Petro int aenficht wederftondt omdat hy te befchuldigen was/ en hem veynfdc/ endc dc voetc niet recht en droech na dc wacrheit des Evangelij ? wat4) Paus was Petrus doe niet hy; als het hooft eeniger Apostelë/ en font na Sama-rien maer de Apostelë al tlamr in cö authoriteyt gcltelt fonde heno Petrum met Johanne/ als haer aller ende Jo-hannis mitfgefel. Vry Coftere toont ons hier eens oenen Paus indien ghy kunt/ waer acn kent ghy hem hier? waer mede stack hy doen wt gelijck hy nu doet? ende voorts waer vernam men een Paus doen in het Concilie vanJeru-falem? niet Petrus als of hy alleen geweeft ware Prefident/0) maer Jacobus het bolluit macoktc \' ende hy het propooft Petri verhalrde/ van hom niet en seyt Sanctilï. D. N. Papa Petrus heeft vertelt/ maer Simeon heeft vertelt eii de relolu-tiebricf don naem droech van don Apoltclen int gemeyn, tonder dat Petrus voor uyt ftack mot den tijtel Petrus Cat hol i-cae Ecclefiae Epifcopus, als fedort van do Paus eude

1

blz. 35 vg.

2

Op den rand staat: «Act 15:13, 14, 23.quot;

3

Op den rand staat: ))Cral.72:11.quot;

4

Op den rand staat: «Act. 8:14.quot;

-ocr page 329-

315

int Concilie, var. Trcnten is gel\'chiet Doen i) l\'ot.-us hom felven niet anders on fohreef/ dan Petrus of Simoon Petrus eon Aopl\'tel (sic) Jelu Chrilti ondo niet als nu; Clemens fervus i\'orvorum Dei, Clomons öü knecht dor knechten Gods: of Clemens Catho 1 icao Ecciofiae Epifcopua eenBil-leiiop van do Catholjjcke Kercko. Was dan oock do Paus al inde wordt geboren dunckt u Costero\' nu geleden over do 1550 iaron? ick douck wel nee. Gholij\'ck oock ton tijdo van het Concilium te Niconen ontrent 300. iaron daor na do Paus niet gemaockt noch gokont en was nu geledo verre over 1200 iaron. En noch en schaomt ghy u niet te loggen Itouteliok dat het boginfel uwes ouden gheloofs nieuwers te vinden en is dan indor Apoftolon tijdon.quot;

Hoewel Helmiohius hot ontwerp van dit antwoord op Costers brief in 1598 reeds klaar had, hooft hij het toch niet uitgegeven. „Also hy oen boven maten nedrieh man was, heeft hotsolvo by hem gehoudö, ondo laten legghon, sender dat hy dat yemant vertoonen, mededeelë, ofte door den druck heeft willen gemeyn makenquot; -). Eerst na zijn overlijden is het, evenals bv. zijne „Analysisquot;, onder zijne papieren gevonden, en in 1609 1) uitgegeven; voorzien, zooals ik reeds aanteekendo, van eene voorrede, die onderteekend is door zijne weduwe, welke zich „verstouttequot; het „toe te eygenenquot; aan de „Hoeren Staten Genorael der voroenichdo Nederlandenquot;, aan wie Coster zijn\' brief ook had geschreven. Do voorrode is gedateerd 6 Juli 1009. Acht en twintig Juli d. a. v. hebben do Staten-Goneraal aan do weduwe „do somme van Hondort vyfftich ponden van xi. gr: \'t stuck

1

Glasius, Bioijr. Woordenboek, Dl. II, i. v. Ilelmicliius, geeft abusievelijk 1002 op. In de Bihlioth. der stedel. univers. te Amsterdam is een exemplaar vau de uitgave van 1609, doch zonder portret. In mijn exemplaar, ook van 1G09, is dat wel.

-ocr page 330-

316

toogclceght tot ocnc verceringequot; voor hot hun goprcson-teerde boekje \'). Negentien jaar na de eerste uitgave, toon de strijd tegen Rome en de Jezuïeten nog ijverig werd voortgezet 1)) verscheen een tweede druk3). Ook dat is zeker een bewijs, dat „Goliats Sweert endo Riedt-stock niet tot de onbeduidende strijdschriften uit die jaren behoeft gerekend te worden.

Toch meen ik aan het einde van het vernielden en beschrijven van Helmichius\' geschriften, terug te moeten keeren tot de opmerking, die ik bij het begiu van deze § reeds maakte, en nu aldus weergeef: Helmichius kan om de van hem ultgegovene pennevruchten, welke van homilotischon, kerkrechtelijken, exegetischen en polemischen aard zijn, niet een man van eenigszins groote beteekenis heeten; en de lof, hem toegezwaaid in poëzie, om het weinige proza dat van hem in \'t licht is gekomen, moet overdreven worden genoemd.

BESLUI ï.

Ofschoon Helmichius den dienst van predikant niet met het ambt van professor heeft verwisseld — hoezeer daartoe ook aangezocht —, is hij toch geen dienaar des Woords geweest, die heel zijn leven in alle stilte heeft gearbeid, en van wien anders niet dan naam en standplaats is bewaard

1

Zie Aanhangsel en Vercohj op hel Naamregister nf Versaatneling cun Nederdiii/tsehe Boeten enz., opgestelt en in order gebragt door Johannes van Abkoude. Leiden, 1745, blz. 91. Van deze tweede uitgave heb ik echter geen exemplaar gezien.

-ocr page 331-

317

gebleven. Hoewel hij het niet zocht, is hij als predikant nog al op don voorgrond gekomen.

Rn aldus is hij eene eenigazins eigenaardige figuur geweest.

Want in onze eeuw vloeiden uit do pen der talentvolle schrijfster van „Leycester in Nederlandquot; de in menig opzicht lofrijke woorden: „lint ware kenmerk van oen echten Christen, liefde, en hot zekere bewijs van een helder verstand, klaarheid en gematigdheid, waren karaktertrekken van llel-michiusquot;1); en andere, niet minder beduidende beoordeelingen, uit de laatste 50 jaren 2), bevatten, in eenvoudiger proza, soortgelijke loftuiting op Helmichins; doch wat hem tot eene bijzondere verschijning maakt is dit, dat hij in de fel bewogen 17« eeuw, toen Remonstranten en contra-Remonstranten scherp tegenover elkander stonden, door mannen van beide partijen als om strijd geprezen is. Niemand minder dan do groote Voetius noemde hem: „patriae suae Ultrajecti ornamen-tumquot;; en, zelfs tweemaal: „Lumen Ecclesiarum Belgicarumquot;. Trigland getuigde van hem, dat hij een „Geleerde, Godt-vruchtige, Wel-spreeckendo, Vriendelijcke endo aangename Predikantquot; was. Brandt roomde hem als „een man van ge-leerdtheit en achting quot;. In de voorrede voor Wtenbogaerts Leven enz. wordt hij geprezen als „een van de geleertste, treffebjexste, Godsalighste ende welsprekendste mannen van \'t gantsche Landtquot;. In zijne „Kerckelijcke Historiequot; getuigde Wtenbogaert, dat Helmichins „een geleert, Godsalich, ende wel begaeft Predicantquot; was, en Anninius schreef in 1G02: „Helmichins egregio officium facit, qua publico qua privatim. Talom se praebet qualem ego sane optare possim maximo. Virum bonum, candidum et syncerum esse arbitror. Comem

1

Leicester in Nederland door A. L. G. Bosboom-ïoussaint, \'s Gra-venhage, z. j.. Dl. II, blz. 75. Helmichlus wordt iu dat werk dikwijls geroemd.

2

Zie Glasius en van der Aa, a.mc.-, en II. C. Kogge, J. Wtenbogaert en zijn tijd, Dl. i, blz. 37.

-ocr page 332-

31S

so ot affabilem doclavat omnibus, nominom prae se oontom-nere vidctur, licet insignibus a Doo donis sit instructissimus. Ego sano magnopere Ecclesiae nostrae gratulor, quod illum nacta sitquot; \'). Van weerszijden is hij dus zeer geroemd. En die lof is niet overdreven. Helmichius is metterdaad een man geweest, die van den Heere schoone gaven voor hoofd en hart had ontvangen. Hij was vriendelijk, godvreezend, stichtelijk, vreedzaam en teeder1); met ootmoedigheid bekleed, zoodat hij oen ander zoo gaarne uitnemender achtte dan zich zolven 2); doorgaans vol ernst, doch soms was die afgezet met een\' gullen lach ■■), of wel met een spotlach om het verkeerde van hen, wier doen hij afkeurde 3). Wel was hij soms wat verlegen en bedeesd \'\'), doch in den regel was hij cordaat en vrijmoedig op gematigde wijze. Werd hij scherp, dan was zijn woord vaak vlijmend, soms eenigs-zins ruw 4).

Begaafdheid en geleerdheid waren in rijke mate zijn deel5), ofschoon hij daarvan door zijne pennevruchten geene doorslaande bewijzen heeft geleverd, maar zijne talenten veelszins in stichtelijken en kerkolijk-practischen arbeid heeft ten toon gespreid, en door zijne bedrevenheid in kerkelijke aangelegenheden zijne kennis on wijsheid hoeft geopenbaard.

1

Ik wijs hiervoor alleen maar op Helmiclfs attestatie ui: 1GÜ2 (Bijlage C), op hetgeen ik van hem noemde bij gelegenheid va7i do pest te Amsterdam in datzelfde jaar (Hfdst. I, 55 5), en op IF. cl. lil.-F,, S. Ill, Dl. IV, blz. 103.

2

Ik herinner slechts aan hetgeen ons van hom bekend word bjj zijne benoeming tot hoogleeraar in 1591, en omtrent het niot-uitgevon van oen paar zij nor boekjes.

3

W.d.M.-V., S. 111, Dl. IV, blzz. 102, 189.

4

In zijn «Cfoliats Sweortquot; komt dit uit.

5

Zie 0. a. do «Epistola Dedicatoriaquot; vóór Helmichius\' »Analysisquot;; 011 Hfdst. I, § 1.

-ocr page 333-

319

Dat gunstig oordeel is evenwel niet over Htlmichius uit-gesproken, omdat hij een man van woifelaelitigt beginselen was. Wie zou hem dan zoo geprezen hebben? In lateren tijd is hij wel eens voorgesteld als iemand, die eigenlijk altijd wat onbeslist en onoprecht in beginsel is geweest, en zich allengs meer bij de gereformeerden hooft aangesloten, hoewel hij eigenlijk niet uit volle overtuiging bij hen behoorde. In § 4 van Hfdst. II heb ik echter reeds duidelijk gemaakt, dat die bewering onjuist is. Helmichius is geen „flauwhartigquot; weifelaar geweest, maar iemand, die de gert-formeerde beginselen, naar de opvatting zijner dagen, liefhad, en daarvoor heeft geleden en gestredenquot; Zijn karakter was er evenwol niet naar om bij voorkeur de scherpe lijnen te trekken. En uit die beide kenmerken laat zich genoegzaam verklaren, dat do tegenstander wel gaarne met hom te doen wilde hebben, en hom een\' wolkomen bemiddelaar achtte bij kerkelijke geschillen, en dat toch ook hot eenvoudige gereformeerde volk hem, ovenals zijne andere voormannen, volkomen bloof vertrouwen, en dat do gereformeerde leiders zelf or niet aan twijfelden, of hij wol een echte broeder was. Helmichius is, om zoo te zoggen, oene lamp geweest van flink middelbare grootte, die schier altijd helder licht verspreidde, door haar warmen gloed verkwikte en aantrok, on wier lichtglans steeds helderder werd zonder daarom ooit oene verzengende warmte te verspreiden — naarmate de donkerheid in loer en kerkregeering toenam en dien glans wilde doen tanen. Kortom, hij was geen forsche en machtige, maar oen minzame en toch ook trouwe Calvinist.

En moest ik in ééne gedachte weergeven, wat hem, door Gods genade, bij alles dreef, en waardoor hij zich dan ook heeft laten leiden, dan noemde ik; „Den yver sterek tot

1) Ygl. A. L. G. Bosboom-Toussaint. a.ir.. Dl. II. hlz. 75 \\g.

-ocr page 334-

320

Goden Kerekc dierquot; \'). Dien ijver lieoft bij getoond in do eigen gemeenten, bij wie hij heeft gediend; die ijver is uitgekomen in zijn\' arbeid voor de eenheid van het gereformeerd kerkverband; door dien ijver aangespoord, heeft hij zicli veel moeite getroost om vrede en orde in de kerken aan te brengen; die ijver heeft hem bezield in den strijd voor de zuiverheid der leer; heeft hem vervuld bij het werk dor Bijbelvertaling; komt doorgaand in zijne brieven uit; en heeft hem tot het schrijven van zijne boekjes aangedreven.

Zoo is hij in zijnquot; tijd, waarin op kerkelijk terrein zooveel was te doen, een goede en getrouwe dienstknecht zijns Heeren geweest; oen van hen, die door hun geheele optreden ook nu nog aansporen, om de zaak van de kerk des Heeren, als het door God zelf gegeven eu daarom zoo uitnemend instrument om Zijn Koninkrijk te doen komen, toch wel op hot hart te dragen.

I) Ontleend aan het ))CIaegh-g]ietlichtquot; oj) Ilelmicliius\' overlijden (Bijlage E).

-ocr page 335-

BIJLAGEN.

-ocr page 336-

( é

-ocr page 337-

BIJLAGE A.

Brief van den Kerkeraad der Nederlandsche gereformeerde kerk te Frankfort ajd. Main, aan de stedelijke Overheid van Utrecht, d.d. 24 Nov. 1578. Berustende in het Archief der gemeente Utrecht. Afd. II, Nr. 238.

(Hiervoren aangehaald op blz. 23 en 189.)

Wyse, seer discrete ende voorsienigho heeren, onsen onderda-nighen ende gantsohwillighen dienst te vooren. Wij hebben met grooter blijtsehap ende dancksegghinghe tot God verstaen die heerlicke ghenade daarmede die almoghende Heer uwer Wyse stadt versocht heeft, naineliok, dat het reyne Woordt Gods mit aller vryheyt aldaar gheprediokt mach werden; ghelyok wy oock mit sonderlinghe vruechde ghehoort hebben de sorghe, die U Wyse selfs aennemen, volghende de behoirlicke plicht haer van God opghelej^t, om haere stadt met goede ende ghetrauwe predicanten te versiene: verhopende, dat die Ileere, die crachteliok tot noch toe ghewrooht hoeft, van daghe te daghe zyn werek sal laten wasfen ende toenemen tot prys ende loiï zyns hoghen naems ende tot verbreydinghe des rycx zyns gheliefden Soons Jesu Christi. Ende so wy aenghemerckt hebben, dat nu aldaer by ü Wyse oprechte leeraers grotelicx van doene syn, om die wassende kereke Christi op te bouwen ende waor te nemen, ende wy ons altyts schuldig kennen dieselfde mit alle onze vennoghen te helpen vorderen: so en hebben wy Uwer Wyse billick versouck op dese tijt niet konnen afsegghen ofte weygheren, maer hebben ter Uwer Wyse begheerten onsen dienaer Wemerum Helmichium ontslaghen van die verbintenisse die wy aen hem hadden, om in Uwer Wyse stadt als zyn vaderlant een dienst des Evangelij te gaen bedienen. Also nochtans, dat ü Wyse voor goet willen

-ocr page 338-

bijlage a.

nemen, dat hij nu stracx niet volghen en kan, want overmidts dat den minister, die \\vy in zyn plaetse beroepen ende ver-cooren hebben, sekere affairen ende een verre reyse te doene heeft (die hy niettemin tusfchen dit en Paesfchen te verrichten belooft heeft), ende wij dien tijt geduerende niet onvoorsien ofte zonder predicatie wesen en kunnen, so ist van noode, dat Hel-miohius bij ons blijve ter tyt toe, dat die voorseyde syne toe-eomende nasaet wedergheeomen ende ons by te wonen bereyt zij. Sulex dat met Godes hulpe Helmichius te Paesfchen naest-volghende tot ü Wyse afkomen sal om zyn beroepinghe te aen-veerden, twelok \\vy God den Almachtighen van herten bidden, dat het tot syns naems eere ende syner Christelicker gliemeente in Uwe Wyse stadt gheluckighe opbouwinghe ghesohieden mach, Amen.

Achtbare, Wyse heeren, onse Heere Jesus Christus wil G Wyse in syne goddelicke bewaringhe nemen ende met synen heylighen gheest altijt regieren, tot üwer Wyse ondersaten welvaren ende der Kercken Christi voorderinghe, Amen. Datum tot Francfort den 24cn Novembris 1578.

üwer Wyse gantschwillighe dienaors wat wy vermoghen, ouderlinghen ende diakenen der Nederlantscher gliemeente binnen Franckfort.

Pieter de Bisschop.

Mathis de Meerre.

Hector Schelkens.

MaTTHYS ScitATZ.

Het adres van den brief is1);

De Achtbare, Wyse ende seer discrete heeren, Schout, Burghe-

moesteren ende Schepenen,

regierders der Stadt van Vtrecht tot

Vtrecht.

iv

Jah Matruyt. Gillis Dieryck. Haks Croon. Jaco? Bataille.

1

De adressen buiten op de brieven in deze Bijliigcn voork(

ik alle onderaan geschreven.

-ocr page 339-

BIJLAGE B.

Heruepsbrief van Hehnichius naar Delft, d.d. 26 Maart 1590. Berustende in het kerkeraadsarchief te Delft, Afd. I, La. C, Nr. 44.

(Hiervoren aangehaald op blz. 45.)

Genade ende vrede door J. Cliristum.

Eersame vrome voorsienige lieve weerde broeder in den Heere, Wernere Helmiclü. Alsoo de Gemeente Christi alhier neiïens hare drij ordinaris dienaers des goddelicken woorts noch eenen vierden in de plaetse des genen die nu afgaet grootelix van nooden heeft, waer over wij, volgens ons oplegge» ampt, beraetslagende gedacht hebben aen v. 1. persone die van den Heere is begaeft om met grooter vrucht te arbeiden in zijnen oogst, ende die wij verstaen hemselven als noch aen geenige kerck verleeft ofte verbonden te hebben. Soo ist dat wij v. 1. persone genomineert hebbende onsen magistraet ende vernomen dat deselve aen v 1. een goet gevallen heeft, eendraehtelick met aenroepinge des gotldelickquot; naems noodich bevonden ende besloten hebben sonder vertoef aen v. 1. af te veerdigen onse brieven van beroepinge: Twelck wij nu doen mits desen begeerende ende versoeckende aen v. 1. gants vriendelick geene swaricheit te willen maecken om den dienst deser Gemeente aen te nemen op denselven voet ende met gelijcke lasten als deselve van D. dengenen die nu afgaet bedient is geweest ende van d\'andere drij dienaren gecontinueert sal werden int administreren van Godes Woort ende van zijne H. Sacramenten na de instellinge ons Heeren J. Christi. Met welcken drij dienaren die v. 1. meestendeels bekent zijn, wij vertrouwen dat v. 1. soo wel

-ocr page 340-

ULILAÜE U.

sal connen accorderen ende ommegaen (als oock met der Gemeente, die alle desen tijt van XVIII iaren, van den eersten aanvauck der Reformatie in sonderlinge rust, Gode lof, geduerichlick is geweest). Dat v. 1. een vol genoegen daer an sal hebben, gelijck wij ons oock versekert houden van v. 1. vreedtsamicheit ende vriendelicken ommeganck: Sulx dat door v. 1. goede gaven ende neerstigen arbeit, neffens do bedieninge van v. 1. getrouwe medehulperen, den ijver der Gemeente ende borgerije hier tor plaetse door \'s Heeren genade wackeren ende de Kerk eenen nieuwen aanwas nemen sal, tot Gods glorie, voorderinge des Rijx Christi ende tot onser sonderlingen lust, ende vertroostinge van v. 1. persone. Bidden v. 1. ons hier op te willen laten motten eeiston toecomen een gewunschte antwoorde: alsoo wij mede, wat aengaet v. 1. onderhoudt niet en twijfelen, met desolve sulx gehandelt sal worden, dat zij haer dies niet sal hebben te beclagen. Alwaer desen eindigende

Eersame.... wij v. 1. bevolen willen hebben in de trouwe huede ende hoede Gods, mitsgaders oock dose saecke in v. 1. vierige gebeden. Dat Delf in ons kerkelicke vergaderinge onder \'t signet der kercke desen 26 Martij 1590.

v. 1. dienstwillige broeders de Dienaren dos Woorts Ouderlingen ende Diaconon der Gemeente Christi binnen Delf.

Superscriptie.

Eersame godsalige voorsienige Wernero Ilel-michio getrouwen Dienaere des goddelicken Woorts onsen lieven ende weerden medebroeder in don Heero.

Achterop staat;

Beroopingho W. Helmichij 1590.

VI

-ocr page 341-

BIJLAGE B.

Brief van den Kerkeraad van Amsterdam aan dien van Delft, d.d. 30 Maart 1595, waarin hij meldt dat hij Helmichius heeft beroepen. Berustende in het kerkeraadsarchief te Delft, Afd. 1, Lquot;. Cf, Nr. 44.

(Eiervoren aangehaald op blz. 70.)

Die Glicnaede Goods in Chro Jsu door werckinghe des H. Ghees-tes wenschen wij den Broederen altesamen. Amen.

Eersaeme seer waerde eïi voorsienige broederen in do Heere, Alsoot den E.E. Heeren Staten metten Curatuers der Vniversiteit binnen Leydon belieft Heeft, het vervallene Collegium Theologiae aldaer wederom opterechten, daer voor wij voor teerste God, eïi oook den selvigen weleker harten en ghemoet die Heere daer toe gheroert hoeft, grootelix hebben te bedancken. Maer alsoo die E.E. Heeren Staten metten Curatuers voornoemt tot opsicht en rege-ringe des selven Collegij hebben wtgesien, en daer toe beroepen onsen seer lieven en beminden broeder D. Johannem Kuohlinum, soo ist dat wij over deese saeeke seer beoommert en beducht sijnde, hebben overgeleit wat schade en nadeel onse Kercke Hier door hadde te verwachten, overmits sinen Dienste ons niet alleen hooclmodich is, maer dat wij al over lange last ghehadt hebben van dë E. Magistraet alhier, ten aensien onses hooehdringenden noots, boven tgetal der tegenwoordige Dienaeren noch anderen tot onse verlichtinge te beroepen. Nochtans dit alles overgesien, om te verclaren eïï metter daet te betoonen, hoe seer ons die noot-wendich dieser ghemeener saeeke daer aen dat allen kereken soo veolo gheleegon is, tor harten gaet, sijn wij bereit om voornoemde D. Kuchlinü tot Leijden te laten gaen, soo haeft wij met eenen ander sullen version sijn. Vertrouwende en nietemin ons vastelick versoeckerende, dat dit onse doen bij eenen yegelicken alsoo sal ingesien eïi behartiget werden, dat wij in onse versoeck en groote noot, die selfs spreeckt, niet en sullen verlaten werden. Omme dan te coomen tot onsen voornemen om gheholpen te werden, soo hebben wij met goeden eïï rijpen deliberatie bedacht eïï overgeleit waer wij troost en hulpe souden versoecken, en hebben gheenen beteren raet noch middel cunnen vinden dan onsen toevlucht te nemen tot onsen seer lieven eïï beminden meedebroede-

vn

-ocr page 342-

BIJLAGE 15.

reu don Opsienders tier GUeiueyute Cliri binnen Delff, met voor-gaentle aenroepinge van Groodes H. Natno met voorweeten en goet believen onses E. Magistraets, als oook mot goede bewillinge der Ghedoputoerden onses Classis, om te versoeoken, ghelijck wij oeck mits deeson versoeoken en beroepen onsen seer lieven en beminden meedebroeder uwen tegenwoordigen Dienaer in den woordo des Heeren D. Wernerum Holmicliium, niet twijfelende wij sullen in Deesen niet alleen om redenon verhaelt, maer oock om veel meer anderen, die met waerheit eii goeden fondamente bij onsen Ghedeputeerden sullen mooghen verhaelt werden, sulokon gunste en ghehoor bij don broederen vinden, dat se ons dit billiok versoeok sullen verhooron, ende D. Wornerü voorsz. laten volgen, ten ejTnde het Collegium metten eersten ghevordert, en wij in onse groote noot ontsettet mooghen werden.

Eersame seer waerde eii beminde, hiermede den Heore en don Woorde siner ghenaeden bevolen die uwe E. in deesen wil stieren met sinen H. Gheest tot loff sines H. naems eïï stiohtinge siner kercke. Amen.

Aldus ghedaen in onse vergadoringo anno 1595 dê 30 Martij en bij ons wt naome van allen onderteekent Johannes Aubrosius, Dienaer des H.

Evangelij binnen Amsterdam.

Symon Middelgeest, Ouderlinck.

Achterop staat:

Beroep van Ds. Helmiehius naar Amsterdam 1595. Keoepta den 25 April 1595.

Aen den Eorsamen vroomen ende seer voorsienighen die Dienaren ende Ouderlingen der Ghemeinte Christi binnen Delff.

vm

-ocr page 343-

B IJ L A G E C.

Altestatie dour den Kerkeruad can Delft aan Hehnichius yeyeven bij zijn vertrek naar Amsterdam in 1G02. Berustende in het kerkeraadsarchief te Delft, Afd. I, Lquot;. O\', xVr. 44.

(Hiervoren aangehaald op blz. 49, 74 en 318).

\\yij Predikanten Ouderlingen ende Diaeonen der Gemeente Christi binnen Delft, attesteren mits desen voor de gerechte waor-heit, dat onse seer lieve ende seer waerde broeder in den Heere Wernerus Helinichius, na voorgaende wettige beroepinge tot den dienst onser Oemeente voorss. denselven dienst alsoo betreden heeft den tijt van twaelt iaren die hij bij ons geweest is, dat hij de leere der salicheit in de Prophetisehe end\' Apostolische schriften nagelaten, ende cortelick vervatet in de Bekentenisse end\' Cateehismo der Nederlantschen keroken, onvervalscht gepredickt, oock mede grondelick end\' bequamelick den volke voorgedragen, ende de H. Sacramenten na d\' instellinge Christi trouwelick bedient heeft: Dat hij oock, volgende de Kerckenordeninge, getrou end\' naerstieh is geweest om goede opsicht op de Gemeente te nemen, ende deselve in tucht end\' vrede te helpen regeren: Heeft mede zijn leven end\' conversatie godsaliclilick vromeliok end\' vreedtsamelick aengestelt tot een exempel der ondde, gelijck een goet Herder toestaet: Om welcker oorsaken wille, ende om de groote vrucht die hij door des Heeren genade met zijne ge-wunsehte gaven vlijticheit end\' vromicheit in onser Gemeente ende Stede gedaan heeft, wij wel gewilt hadden dat hij bij ons gebleven ware, ende dat wij zijns getrouwen dienstes end\' lieffe-

-ocr page 344-

EIJLAGE C.

licken ommeganoks langer hadden mogen genieten; Dooli aenge-zien het don Heere anders belieft, endo onsen broeder goet gedocht hooft de vrijhoit die hij hadde te gebruycken, om zijn ponden elder te woreke te leggen, ende der Gemeente van Amsterdam, van weloke hij geroepen is, zijnen dienst toe te seggen, ahvaer hij hem nu gaet tor neder stellen: Soo willen wij onse lieve broeders de Predicanten ende Opzlenders der voorss. Gemeente versooht hebben mits desen den voorseiden onsen beminden ende weerden Broeder voor soodanioh als gemelt is te kennen, aen te nemen ende te ontfangen, hem in suloke weerde te houden ende sich also tegens hem te dragen, gelijck zij weten dat na des Heeren Woort behoorliok is; opdat hij met lust end\' vrouchde zijn dienst mach doen. Eyndeliok is onse wunsch end\' bede van den Almogenden Godt end\' Vader ons Heeren Christi dat do Gemeente van Amsterdam voorss. van desen haren Dienaer veel vruchts mach treoken tot grootmakinge des naems Godts voorderinge des Conincrijx Christi, afbrekinge des Rijx des Antichrists ende veler menschen eeuwige salicheit.

Actum in onze kerckenraetsvergaderinge onder ons gewooulick signet, desen VIs,l:ü in lleijo XVIr ende II.

In aller naem ende ter ordonnantie der vergaderinge,

ABEXT CORNELISZ.

Achterop staat:

Jlinuite van attestatie die de kercke alhier D. Helmichio heeft gegeven. 1002.

X

-ocr page 345-

BIJLAGE D.

Brief can Hehmchius aan Henrick de Corput te Dordrechi. d.d. 31 Dec. 1580. Berustende in het Oud-Archief d. N. H. K., Nr. 39, 1 (onder de stukken over C. Coolhaes.).

(Hiervoren aangehaald op blz. 87, 100, ISi on 141).

Gratia, pax et salus a Deo Patre per Dominü nostrum, Jesum Christum, Amen.

Ad singula literarum tuarum capita, obsorvando frater, quantum

temporis an.......\') patietur, rospodebo. Ego cum uxore

optime, laus Deo, valeo: Ecclesia ve . . . :l) bono quoque est in statu, solo excepto schismatis morbo, cui remedium nodum adhi-bitum est, neque otiam a quibus oportuit, paratur. Confirmatur author ipse magis magisque in suo proposito, nee decressit sec-tatorum numerus. Nuper D. Villerio, quum Delfis essem, senten-tiam mea seiseitanti, respond! me post legitima omnia tentata media minora, nullam tutiorem eommodioremque atque firmiorem necnö et Apostolicis exemplis ac veteris Ecclesiae praxi conve-nientiorem rationein videre, quam si ab Ordinib. Belgii impetrari possit, ut legitima, ipsorü autlioritate et jussu, convocata Synodo Belgica, do Ecolesiarum reformatarum administratione et eeremo-nijs juxta cartas formulas verbo Dei conformes, atque Ecclesiarum aedificationi accommodatas, psentibus atque inspeetantlbus auscul-tantibusque Ordinü delegatis, statuatur: atque tum noster hic, tum similis farinae alii, supremi Magistratus authoritate co ovo-cati, coram Ordinü delegatis, suae novitatis rationem raddere co-

1) Het papier is gosohonden.

-ocr page 346-

BULAGE D.

gantur, placide audiantur, doceantur, convincantur: si errorem et hypoorisin convioti doponat, confirmeatur humaniter: si pcrtinaces Verbo Dei resistere pergant, tanq coütentiosi ot schismatici abdi-centur: tuin deniü maaifestum fore, errorene an malitia poccont: atque si quid monstri alatur a (juibusdam, ot ista Ecclesiae poli-tiao accusatio velamen modo ptexatur majoribus intus haerontib. ulceribus, turn demum aporto dotectum iri: atque ut etiani res minime ex voto succodat, id tarnen inde fructus consecuturum, ut in apertum ot quasi iu areniï protracti fucati isti homines clarius agnoscantur, et imperitia, pertinacia, superbiaque quidë illorum, nostra autquot; lides, moderatio, integritas, ac doctrinae sanitas veritas-que omnibus innotoscat. Laudabat quidem consilium Villerius, sed de executione propter Ordinü diversa studia diversosque in Eeligionem animos, desperabat. Ego vero, nisi id obtineri possit, Dei providentiae rem omnem committo donee is vel morte, vel conversione Authoris, vel, qnod omnium tutissimü, populi ipsius illuminatione remedium alTorat. Dabat autquot; Villerius spem Synodi, imo jam constitutam affirmabat in Majum, sed de loco et die ad-huo deliberandum; nee putabat fieri posse ut (quod ego summo-pere urgendu censebam, alioqui in fucü [?j abitura omnia) Ordinü, saltem aliquorü jussu convocatio fieret, ipsisque, hoe est legatis ipsorum, psentibus, celebraretur. Vide quid tu hac in re possis, et ubi rescribes, sententiam tna significa. Amersfordiensis Ecclesia paulo meliore est loco, qua nostra: queruntur graviter ilinistri se a Libertinis valde infestari, et plerosque ex Magistratu, spreto omni ordine Ecclesiastico, ad nostri schismatici exemplum aspi-rare. Sed avertat hoe, ut spero, Dominus, psertim si illustriss. Principi prudentiam in renovado Magistratu suggerat. De cura pauperum in eadem vobiscü sumus navi, Magistratus do ea vel plane nihil, vel ad modü parum est sollicitus: nos, ubi eleemo-synae quotidianae no suffleiunt, collectam instituere cogirn\'. Bona Eccles. in hunc usum ex bona parte legata, per nefandum saeri-legium vel inanib. ventribus abligurienda permittuntur, vel alio disipiatr. Nunc modo, ante aliquot septimanas, Canonicis certa pecuniae summa :\'mposita fuit, ad Ministeriorum Ecclesiast. susten-tationem.

De causa Leydensi si oia soribere vellem nee tempus suppe-

XII

-ocr page 347-

lii.Tr.AGE n.

xni

teret, neo caperet epistola. Duravit negotij traetatio a 15 Sep-tombris, usque ad Ootobris ultiraum, quodeiuii articuli pacis utrinïj signati fuerunt: qui postea 27° demü NovoinLris publico in Templo piecti fuerunt. Ego post longa tergiversationem, Uteris illustriss. Principis atque ët cfisilio ac suasu Ecclesiae nostrae extrusus, ad quintum Octobr. Leydam veni. Actio fuit initio plane judioiaria et politica, ut facile ex temporis intervallo colligis: ideq magno et molestissimo nostro taedio, psertim quotquot ab Ecclesiis nostris aberamus Ecclesiastici, et temporis ptiosissimi magnam jacturam facisbaraus. Magnae erant utrinque querimoniao, magnae criminationes: delicta etiam utrinque deprehendebamus. Quü aüt diuturnae pacis parva spem animadverteremus, si stricto jure et ad vivum resecando omnia, juxta compromissi formulam, sententiam pronütiaremus, transactionis et amieae compositionis vias omnes qsivimus, doneo tandem ad certam Concordiae formulam partes adduximus; cujus haec est summa. Primo, ut solet, statuitur aiivstTix \'■ sic tarnen ut culpae indefinita agnitio utrinque intercedat, hoc est, turn a Gaspari parte, turn a Petri parte cü suis: ac Petrus quidem cum suis fatetur se inconsiderate zelo libertatis Ecclesiae abreptum qdam imprudenter egisse, atque limites 5t debitae in Magistratum observantiae nonnihil excessisse: Casparus vero veniam petit eorum in quibus deliquit: scripta vcro sua, ut publica, Synodorü vel Classium legitime judicio subjicit. Deinde, Ecclesiae administrationi in priorem statum res-titutae, duo adjiciuntur exceptiones, primum de electione, deinde de Magistratus psentia in Senat. Eccl. Ac electio quidem, proximo renovationis tempore, ab utroque Presbyterio, psenti videl. et olim abdicate, liet, parem utrinque numerum nominaturo: nume-rum aut-, tertia parte majorem, sicq primum Magistratui proponëdu-ad eum tertia parte per modum approbatlonis sine infamiae nota diminuendum, exinde vero Ecclesiae universae ad eum ita dimi-nuatü, silentio suo (ut fieri cösueverat) comprobandum. Sequentib. deinde annis, a Presbyterio quod turn perit, simili ratione electio peragetur. Praesentia vero duorü legatoram Magistratus (sic tame ut membra Ecclesiae sint) in orani consessu Ecclesiast. libero arbitrio Magistratus relinquitur, sine tamon suffragii Jure aut jubendi psidendive potestate, et sub fide silontij. Tertio, restitui-

-ocr page 348-

BIJLAGE 11.

XIV

tur Potrus in integrii. Quarto, Hallius conflrmatiir. Habes summa: exsoripserein exemplar, si vacasset, sed potes id facile petere a vicino tuo Taurino. Multae sunt et graves rationes our in hasoe conditiones itum est, ij nö possnnt mandari Uteris. De Gasparo amovëdo multum laboratum est por translationem voiuntariam atque sine ignomia; sed quo ....1) stimidum caloitrabatur. Ubi aut- de Petri restitutione, mane ....1) mentio injoota fuit, statim moüescere animi partium et in .... diae forniulana quasi ruere ooopere: ita uni parti piacebat abdioa ....1) restitutio, alteri vero, aoousati sive rei oonfirmatio. Nee suooessisset vero hoe consilium, approbantib. partibus, neque ct expedisset, nisi de utriusque Mi-nistri animo propenso erga se invicem, deelaratio certa constitisset. Coacti fuimus Taurinus ot ego, per aliquot septimanas missionem Petri ab Eccl. Middelburgensi expectare, magna certe cu diffioul-tate extortam; hino factum est ut quod ultimo Octobris signatum fuit, 27° denul Novembris promulgat- fuerit apud populum. Recöciliatio partium die p promulgationem poodebat, eoram 31a-gistratu et arbitris, cum arnica dextrarum junctione peracta fuerat: sed et ad majorem aedificationem Ecclesiae, postridie, plectis a me e suggestu Concordiae articulis, atque in his confossione delicti ab utraque parte, monitu meo excitati assurrexerunt omnes tam veteris qua novi consistorij fratres, atque intra septa, populo inspectante, amicissime se öês mutui complexi sunt in verae poenitontiae, reconciliationis atque oöcordiae symbolum. Ne aut mireris cur Magistratui quoque nulla culpae agnitio imposita fuerit, notabis, ubi ad concordiae cousiliü ventum esset, omissa pro-nütiatione sententiae, et senatum id omnino detreotasse, et adver-sam partem, pacis cupidam, honoris causa id mi postulasse, contentam modo Gaspari cöfessione, itemque restitutione Petri, qua tacitae cujusda confessionis loco in Jlagistratu ducebat: psertim ct cum Senatus maxima pars Eccles. Disciplinae subjecta nö esset. Haec ego, quat- et tempus et epistola tulit, recensui; si tuü de hac transactione judicium perscripsoris, gratissimum facies.

De Steenwijcko hoe habemus tantum certi, aliqnid pulveris

1

Hot papier is gcscliondon.

-ocr page 349-

bijlag e d.

torraentarij in oppidu illatum esse: De obsidionis autquot; solutione, ut rumor fuit, nihil certi. ITostri ët ad oppugnationem arcis Hat-temiensis pulveris aliquot vasoula miserunt. Dom. Viilaeus cum suis prope looum qui dioitur Swarte-sluijs, pcssime exceptus fuit a uostris ac magna cu militquot; jaotura in fuga 7ersus, qua Hatte-miensib. proditorib. subsidio properaret. Dicuntar et hostes in agrum Batavieü, proprie sio dietum, advëtare. Apud nos detectae fuerüt hisoe dieb. insidiae huio urbi et vioinis locis si gelu du-rasset, structae: at nescio qua turpissima et crudeliss. clemötia, impune conseii et oonsciae iterum dimissi sunt. Fuit et postridie

Natalis, in precib. vespertinis,.....oüpositum a quibusda nebu-

lonib. tumultus excitatus in Templo, clamiltibus Brandt, brandt. Heer, Weert U nu: Paruin abfuit res a magna caede, exacerbatis önium animis, et tota civitate jam sub obsoura noetü ad vexilla militaria et arma furiosissime conversa. Haee celeriter, 31 Decembr. Ultrajeoti 1580.

Als post-scriptum staat t. W. helincirrus.

onderaan links nog;

Leydenses superiore septimana nücium Geneva ablegarunt ad vocandum Danaeum.

Den Eersamen en disereten Henrick de Corput, Die...

des Goddelicken Woorts tot Dordrecht.

xv

-ocr page 350-

bijlage i).

Brief van Helmichius aan Jan van Hout te Leiden, als yevol-machtujde van de curatoren der Leidsche academie en van de Burgemeesters van Leiden, d.d. 20 Sept. 1591. Berustende in de Bill, der univers. te Leiden, „Tweede register raeckende de universiteijt hitmen Leyclenquot;, fol. 50, en „Register vayi de Resolution der curatoren,\\ hl. I, hlz. 40. Deze copie is aan het „Tweede register\'\'\' ontleend.

(Hiervoren aangehaald op biz. GO eu 02).

Eersaemen Disoreete Zeer Goede Vrundt,

Gants onverwacht is mijn op huyden een Brief van mijn Heoren Curateurs behandicht alsoo lok meynde D. Treloatio mijn meeninge ende oock beswaernisse genoechsaem ontdeckt te hebben, welcke soo groot is dat ik mij verplex vinde. Sal derhalve u. B. gelieven mijn Heeren te kennen Te geven dat zij niet voor ongoedt nemen dat iok niet terstont finaelyck en antwoorde maer dat ick de saeoke wat naer te denoken begeeren ende mij te beraeden om niet lichtvaerdelijok te accepteren ofte te weijgeren tgeene aon mij versocht wordt, ende desen tot geenen anderen eynde dienende wil Ick DE. den almachtighen bevelen, mit haest uytt Delft desen XX1-\'quot;!) Septembris 91.

Onderstondt: u.E. dienstwillighe W. Helmiciiids.

De superscriptie was:

xvi

Eersaemen Discrete ende voorsienighe Jan van Hout secretaris der steede van Leyden.

1

Dit is üt\' oude stijl — zoodat het gelijk is ann 30 Sept. n. at. — omdat Helniioh\'s beroepsbrief d.d. 24 Sept. is — wat dan nieuwe stijl moet wezen; öt\' er is bv. een V weggelaten, zoodut Ilelmioh 25 Sept. heeft geantwoord. Het laatste kwam mij \'t meest aannemelijk voor en schreef ik dan ook in den tekst (zie blz. 60), omdat bij de verdere correspondentie tussohen curatoren en Ilelmicliius van weerszijden steeds dezelfde stijl is gebruikt.

-ocr page 351-

BIJLAGE H.

Bric.f van Hehnichitis aan de curatoren der univers. en aan de Burcjemeesters der stad Leiden, d.d. 3 Oct. 1591. Berustende in de Sibl. der univ. te Leiden, „Tweede register raeckende de universiteyt binnen Leydenquot; fol. 54, en „Register van de Resolution der curatoren \\ Dl. I, hlz. 49 vg. Deze copie is aan het „Tweede register\'\' ontleend.

(Hiervoren aangehaald op hlz. 2, GO, 01 en 02).

Edele Ernfeste /.eer geloerde Aehtbaero Wljse zeer Voorsienigo Ueeren.

lok danoko Godt voor de Christelijeke Sorchvuldicheijt die U.E.E. jnt herte gestuyrt heeft om de Unyversiteyt van Leyden mot gesehiete professooren jnder Tlieologien te voorsien oude besonder neffens anderen met eenen van onse nederlantsche taele, ten eynde alsoo de Studentten ofte proponentten te bequaemer tot predicant gefatsoenneert moohtten worden waeraen hoeveel gelegen zij, en kunnen niet alleen alle verstandighen wel be-raereken maer den hoogen noot des Lants der religie halven roept sulx overluydt, maer aengaende de üijtkiesinge van persoon en hadde jok noyt gedacht dat U.E.E. advys ende sin soo gevallen souden hebben als jek bevinde ende besonder afterdien jok D. Treloatio van U.E.E. aen mij gesonden mijn beswaringe aengaende mijn Insuffieance geopent ende daermede de saeoke genoechsaem geheel van mijn geset hadde ten welcken eynde jek ook noch-maels sanderendaeohs expresselijoken in den Haege tot hem qnam biddende dat hy U.E. soude willen aensegghen gheen wijder moeytte te doen, naerdemael mijn sinnen tot sulx niet seer en strecken, soo en hadde jok niet gemeijndt off verwacht dat ü. E.E. bovendien met de beroepingo noch voort gevaeren souden hebben: naer ontfangh van dewelcke De saecke meerder Insiende ende mij jn verschoijden stucken veel te swack kennende was jek opt punt plattelijek Ende my teenemael excuseren dan door de vermaninge ende aenporringe des voorschreeve Trelcatij, mit eenighe andere mijne raeedebroederen naerderhant tot mij geooomen heb jek my soo verre van mijn voornemen lasten beweegen dat jek niet jegenstaende mijne voorsehreve beswaringhe, de saecke noch jn beraeden gehouden hebben, ter tijt toe jek van alle gelegent-

xvn

-ocr page 352-

BIJLAGE D.

heijt ende Laste vau de professie, ende wat roornamelijck van mijn gedaen soude moeten werden, Daerom hot U.E.E. prineypalyck te doen is, wijder endo particulierder bericht ontfangen souden moogen hebben, om tselve als naerder overleydt alsdan te beeter een eijntelijck besluyt te maeolcen: Ü.E.E. verseeckerende dat geen ander dingh mij hier jn meer ophoudt dan mijn self kennisse tegens des Ampts verre siende wichticheyt gostelt die mij be-schroempt maeckt een ongewoone saeoko aen te veerden, ende twijffelachtich off jok die behoorlijok ende tot contontement soude cunnen uijtvoeren, als jok meede wel gewenscht hadde, dat jck van dese bekommeringhe ontslaegen ende andere bequaemer waeren versooht geweest, alle twelck gelijok jok niet anders dan [uit] mij eenvoedicheijt, ende uyt waeraohtighe oprechtte meeninghe mijns hortten sproeoke, soo hebbe jok oook goedt gevonden U.E.E. te kennen te geven opdat U.E.E. weten souden waer aen het ontbreeckt dat jck niet terstondt fynalyok op Ü.E.E. sohrijvens en antwoorde daer en tussohen Godt biddende, dat hij mij den alderdienste-licsten Kaet jngeven ende verlenen ende U.E.E.

Edele Ernfeste seer geleerde Aotbaere (sic) wijser voorsienighe Heeren ju Zyne Heijlighe bescherminge nemen jn goeder gesont-heyt Lange spaeren wille uyt Delft Desen 3 Octobris 1591.

U.E. Gantwillige (sio) dienaer Werjïerus Helmichius.

xvra

Edele Ernfeste Zeer Geleerde Aohtbaere Wijse seer Voorsienighe hoeren de Curateurs van de ünyversiteyt endo Burgemeesteren der Stadt Loyden.

Brief van Helmichius aan Jan van Hout te Leiden, als gevolmachtigde van de curatoren der universiteit en van de Burgemeesters der stad Leiden, d.d. 17 Oct. 1591. Berustende in de Bibl. der univers. te Leiden, „Register van de Resolution der curatoren,quot; Dl. I, Uz. 58 vg., en „Tweede register

-ocr page 353-

BIJLAGE I).

raeckende de universileijl binnen Lei/denquot;, fol. G1 vg. Deze eopie is ontleend aan de „ ResoliUü:n\'\\

(Hiervoren aangehaald op blz. 1 en G2.)

D\' Seoretari, Jok hebbe het schrijven van mijn E. Heeren de Curateurs ontfangen, ende so mijn dunokt, hebbe haer E. mijne meyninge niet te recht verstaen, de wolcke was niet simpel bericht te sijn vande lasten der professie, die inde üniversiteyten verscheydelyok ende ongelyck bedient werden, maer also ick mij tot allen partyen oft stncken desselffven (?) ampts niet sterck ge-noegh en kende, dat ick begeerde naerder te weten welcke de voornaemste particuliere pointen derselver professie mochten zijn, die men van mijn begeeren sonde boven al voldaen te worden, ende met dewelcke ick sonde volstaen, alwaert dat Ick alle andere parttijen teffens so wel niet mede en voldeede, opdat Ick daer-naer mijn gemoet te beter sonde gerust stellen, de wijle Ick boven het schrijven van mijn Heeren, bij eenige personen seer ernstelijck vermaent worde dose beroepinge niet afte slaen, in welcke also ick door D. Trelcatium particulier berecht ontfangen hebbe, seyde ick hem dat ick dies aengaende ter redelyker wysen gecontenteert was, ende nu mijn sinnen breder tot de voors. professie inclineerde, die Ick te voren dacrtoe gants niet en koste begeven, maer hadde eenen schromen daervoor, dat ick dan nu mijn naerder daerop bedencken ende schrijven soude, \'t welck ick eer gedaen soude hebben, hadde Ick niet so buyten als binnen der stadt door de occupatiën deser kercken verhindert geweest, rypelyk op deselve te letten, ende bysonder hadde ick niet halff bedacht geweest, dese weeeke sellfs eens over te komen, maer so nu dat niet mogelyek en is geweest, soo laet Ick Ü.E. om mijn Heeren de Curateu|rjs niet moeyelyck te vallen, by desen weeten, dat ick meer door anderer luyden oordeel ende gevalleger de redenen ten dealen oock inder Heeren Curateurs brieven ge-mentioneert, dan door myns selffs gevoelen beweecht, om naer dese beroepinge eenighsints te luijsteren, soo gaerne van \'t geene Ick mit D. Trelcat. gesproocken hebbe, als van eenige andere dingen die mij wat inde weegh sijn, ende ophouden, ende do Curateurs moeten weten, met Ü.E. of Jmant anders van Hooge

xrx

-ocr page 354-

ri.tlage i).

E.D. wegen soude begeeren mondelijk te ooiceren (sie), ende ben derhalven van meninge tot dien eynde \'t mijner eerster gelegent-hej\'t (want mits het avontmael ende d\' absentie van eene mijner medebrooderen die oock de toekomende weecke juyst valt, en kan lek tegenwoordigh. noch de toekomende weecke niet van huys treoken) eens selve bij U.E.E. tot Leyden te komen, \'t weick Ü.E. bij occasie de voors. Heeren suit gelieven aen te dienen; ende desen voorts tot geenen anderen eynde dienende, wil ick Ü.E. den Almachtigen Oodt beveelen, die Ü.E. in een. gelncksaligh langh leven laten willen, Amen. nijt Delft, desen 17 Octobs vijftien-hondert eenent negentigh, U.E. dienstwillige D. Willem Helmigii.

Eersamen, Discreeten, ende voors Jan van Hout Secretaris der steede van Leijde.

Brief van Helmichius aan de curatoren der universiteit en aan de Burgemeesters der stad Leiden, d.d. 12 Nov. 1591. Berustende in de Bibl. der univ. te Leiden, „Register van de Resolutiën der curatorenquot;, Dl. I, hlz. 64 vgg., en „Ticeede register raeckende de universiteyt binnen Leyden,quot; fol. 67 vg. Deze copie is ontleend aan de „Resolutiënquot;.

(Hiervoren aangehaald op blz. Cl en 02.)

Edele, ernfeste seer geleerde achtbaere wijse ende seer voor-sieninge Heeren.

Also ick onlanghs van U.E.E. wegen op eenige mijne voorgestelde pointen bericht ontfangen ende mij daer naar wijders op alles bedacht hebben, soo en hebbe ick niet konnen laten U.E.E. van mijne eijntdelijcken Eesolutien te verwittigen welck is desen, alhoewel ick mij om de versochte professie volkomelijck te bedienen veel te swack vinden ende niet dan met beschroomder herten daer in treden sal, nochtans dewijle ick mij schuldigh kenne mijn selve ende al wat mij Godt gegeven heeft hem ende sijner kercken ten dienste te gebruijcken bysonder wanneer occasie van meerder vrucht gegeven souden mogen werden, so ist \'dat ick om verscheijde consideration ende merckelijck ten aensien

xx

-ocr page 355-

BIJLAGE D.

XXI

vande tegenwoordige gelegentheijt ende noot der üniversiteijt oock meer op U.E.E. ernstigh versoeckende op \'t oordeel ende verraaninge van verscheyde mijne medebroederen lettende meer boven al op Godes genade ende luilpe steunende dan mijn eijgen sin ende gevoelen volgende ende oversulx alle particuliere be-swaertheden besijden stellende mij tot desen dienst niet en hebbe wijgerigh betoenen willen, soo veele mijns persoons willioheyt belangt en ben tevreden In den naem des Heeren den selven bij provisie voor een Jaar twee of dris te aenvaerden om na expiratie van de selve twee ofte drie Jaren mij verders te Reguleren naer dat middeler tijt bevonden sal worden mijnen arrebeijt der üniversiteijt ende den gemeenen kercke vorderlijok [ofte] niet vor-derlijck te wesen, ofte ick oock mijn selven tot de lasten sterck genoegen ofte cranck sal gevoelen; het heeft mijn oock niet wijnigh beweeght dat Ick uijt mijn Heer de Secretaris verstaen hebbe Ü.B.E. geheelder meninge te wesen noch eenen derden professooren te beroepen want gelijck sulcx tot vorderinge der studenten seer nodigh is, so isset den professors onder malkanderen seer dienlijck om tot volkomen voorstant der Religie ende der gemeenen kercken de lasten daar toe gehoorigh malkanderen naden verscheijden maten der gaven dio Crodt nijtgedeijlt te beter te helpen dragen ende uijtvoeren. dan U.E.E. sullen desen mijne acceptatie in dier meninge [hebben] te verstaen als ick mijn Heere de Secretaris onder anderen verklacrt hebbe, te weten indiense mot goeder voegen ende welgevallen deser kercke geschieden kan aen dewelcke Ick niet alleene tot naestkomende April toe verbonden ben maer die ick oock behalven ende boven die verbiiitenissc en dcrselver Termeyn niet en behoore gelijck ick oock niet en begeere te verlaten ten zij datse alvoren wel ende bequamolick van eenen anderen voorsien kan worden, te meer aengemorekt hacren tegenwoordigcn staet, datse namentlijck tsedert een haMf Jaar van haren vierden dienaar (mot sieckten besocht) geenen dienst genoten hebbende, noch onseecker blijft wanneerse van donselven weer bedient sal konnen werden ende daeromme den derden niet en sal mogen missen also se seer beswaarlijck ende veel wijniger met tween gedoen kan; sal daeromme van noden zijn dat U.E.E. soo aen mijn E.E. Heeren van de Magistraat als aen

-ocr page 356-

1u.jla0e i-l.

de kerclce ten fijne als boven schrijven ende met deselve handelen want naerdemaal lok do goede gestaltenisso Regieringe ende be-dieninge deser kercke als meede haare goede genegentlieijt t\'uwaerts sulx bevonden hebbe dat lok in goeder Conoientie geen oorsaecke hebbe alsnoch uijt mijn selven van plaatse te veranderen ende daeromme sender dese van U.E.B. voorgevallen beroepinge van geener meninge was \'t selve te doen, soo en wil mijn niet passen mijn aft\'soheijt van hier sellï\'s te prooureren maar begeore mij te voegen naar \'tgeene daer inne men oordeelen sal den meesten noot geholpen ende den Rijoke Jesns Christus den meesten dienst met mijne geringen gaven gedaen te sullen werden; eijndelijok vertrouwende op U.E.E. goede discretie dat de selve ingevalle als boven mij \'t mijndor aencomste aldaar wat Respijts van tijt vergunnen sullen om mij tot het nieuwe werck een wijnigh te prepareren \'t welck ick onder de menigvuldighe dagolyckso occupation des kerckendienstes niet doen en kan, wil Ick desen sluijten mits Ü.E.E. in de bescherminghe des alderhoogsten bevoelende. Tot Delft desen XII1M1 November. 1591.

U.E.E. Gantswilligo Dienaer Wakxerus Helmichius.

Eedelen Ernfeste zeer Geleerde Achtbaere ende Zeer Voorsieninge Heeren Mijne Heeren Curateurs ende Burgemeesteren der Stadt Leijdon.

Brief van Helmichius, namens „flejMtateiiquot; der Z. II. Synode geschreven aan Henricus Corputius te Dordrecht, d.d. 20 Sept. 1503. Berustende in het Oud-Archief d. N. H. K., Nr. I, 7. Vgl. De Navorscher, 1874, blz. 143 vg. (Hiervoren aangehaald op blz. 135 en 290.)

Eersame, discrete ende seer lieve broeders.

Ons is te voren gekomen, dat hier alomme door \'t land loopt eenen sekeren bedrieger, die mot sohoono woorden den kercken

xxu

-ocr page 357-

BIJLAGE n.

xxm

ende goethertige predikanten ket golt afftroggelt, misbniijckenue daartoe den naein van andere predikanten, die hij te voren ange-sproken heeft, als oft hy sonderlinge kennisse aen deselve hadde. Ende nademael dat wij bevinden dat hy dit continueert te doen (byna sedert een jaer herwaerts) op deen plaetse voor ende d\'an-der naer, in steden ende in dorpen (als nog onlangs geschiet) so hebben wy goet gevonden de dassen alomme hiervan advertentie te doen, opdat iegelick een toesie, ende oft hem sulck een ver-schone, niet alleen hem geen gelooff en geve, maar ook den officier, ist mogelick, aenbrongo, ten eynde hy gestrafft sijnde, den armen op sulcker wyse niet meer en ontstele. Ende opdat de broeders te sekerder hem mogen kennen, dit is syne gelegent-heyt: het is een man van middelbaren stature, vol van aensicht, dickachtioh van lichaem ende leden, blondachtich van baert, lictl\'e-lick van sprake-, hebbende een goet ende eerlick opsien (dat wonder is in sulcken boeve). Hy geeft\'t hem wt voor een ooop-man van Cuelen (oock meldt hem syn spraeck des oorts geboor-tich te syn) en segt dat hy is gevangen ende ollgeset geweest, nu hier ende dan daer. Hij gaet oock int bloote wambes, sender mantel. Hy weet te verhalen alle gelegenheyt van de heimelicke gemeenten tot Cuelen, Aken, Goeh, Gennep, Emmerick, Rees ende andere, so wol de gelegenheyt der predikanten aengaende, als den standt der kereken, geefft hem wt voor een swager als nu van sulcken predikant als dan van sulcken. Somwylen vryt hy oock der predikanten doehteren, hem wtgevende voor een ryck coopmans gesel, die met wynen omgaet, ende weet te noemen de voornaemste predikanten in Hollandt ende Zeelandt. Hy geefft syn selven verscheyden namen, dan heet hij Bartel Verbeeck, dan Bartelmeus van Ha, dan Balthasar Bariens; schryft somtyts een brieffken aen den predikant (dien hy bedriegen wil) quanssuys wt schaemte, ende dat so wel in Latyn als in Duytsch; want sulcke brieven syn voorhanden. Het ware te lang om schryven alle die parten, die hy, so in Hollandt (ende merckelick tot Amsterdam) als oock in Zeelandt ende int Sticht voorgestelt heefft. Wy hebben ooek sekere verclaringe van goeder handt, dat hy tot Cuelen is wtgegeesselt, om syne quade feyten willen. De broeders sal gelieven dit voor oen waorschuwinge te nemen, all ist wat

-ocr page 358-

bijl au e u.

lato; men meynde hj\' was lang wech. Maer oorts heeft hjT liet noch iewers geopenbaert met syn luegonen. Tware goet dat hy eens betrapt mochte worden.

Blijlït den Hoero bevolen. Wt Delft\' desen 20 Septombr. 93.

De Oedepquot; der Suytholl. Synode ende wt aller name W. IIelmichius.

Eersamen, discreten ende godsaligen D. Henrico Corputio, die-naer des goddelicken woorts tot Dordrecht, om te cömuniceren den dienaren des geheelen Classis van Dordrecht.

Buitenop staat nog, met Helmich\'s hand geschreven:

Brieft\' van waorschuwinge voor den bedrieger Balthasar Ver-beeck 29 Septebr.93;

en met eene andere hand:

pampieren Helm — an de gedeputeerde des Synodi over te leveren.

Brief van de Particuliere Synode van Amsterdam in 1505, aan J. Ampsing. Door Helmichius opgesteld. Berustende in het Oud-Archief d. N. H. K., Nr. 39, II.

(Hiervoren aangehaald op biz. 1G9.)

Meve broeder Ampsingi, wij hebben uwe antwoordt op do vrraaninge van Gedepquot; des Snijdt en Noortholl. Synodi ontfangen, maer vinden deselve so onhebboliok en onbctamelick dat se moer een Lasterschrifït, so wel tegen God en sijne waerheijt als tegen uwe broeders, wt rasender toornicheyt, dan een Antwoordt wt redelick verstant geschreven, verstrecken mach, willen wij se tegenwoordich laten berusten, hopen dat ghij u wat bedaren suit om den gheenen die u eere en salicheyt soeken, op een ander tijt christelicker te bejeghenen. Daerentusschen, so wotet, dat ghij u grotelicks abuseert, en moest all vecht tegen uwe schaduwo. Van tsluijten van uwe schappraeij (so ghij het noemt) hobt ghij

xxiv

-ocr page 359-

BIJLAGE D.

XXV

u niet hier, raaei\' aen do E.E. Heeren, Rade van State te addres-soren, die door liet bescheijdt haer so wel van elders als van onse Gedeputeerde voorgekomen, en om redenen hacr moveren, suloke resolutie genomen hebben als hare E.E. goet gedocht heefït: hare mildioheijt die bij haer staet, en wert u bij ons niet misgunt. Van sententie en executie (als die geene en sijn) hebt ghij niet te clagen: veel weijniger van ongehoort te sijn, want wat daertoe behoort off resteert en ontbreeckt nergens dan aen u selve. Door de vmaninge vaïï gedepquot; des Synodi, die sij, weten dat gij geweijgert hadt te verschijnen bij de gheene dien ghij meer respects seliuldicli waert dan hunl., u goet gevonden hebben te seijnden, in plaetse van u te ontbieden (twelck zij vreesden te vergeeffs soude hebben geweest) en is u niet verhindert den wech noch aen my E.E. Heeren voorss. die hare E.E. selve u door hare sclirijvens geopent hadden, noch aeii voorss. Gedeputeerde die u door hare sehrijvens tot cöferentie en vantwoordinge (so ghij die soudt willen aengaen\') hebben willen oorsaeck geven, noch eijndel. aan den Synodum van Snijdt hollandt, de welcke ghij immers voor partijdieh (so ghij ons tonrechte doet) niet en kunt verwerpen. Dese wegen staen u altijt noch open, eiï sonder prejudicie: en indien de oorsaken u tot noch toe gegeven om deselve in te gaen u niet genoech en sijn, het sal wel kunnen geschieden, datter u daertoe noch moer gegeven worden. Bedenckt u doch wel, eii en gaet met vleijsch en bloet niet te rade, maer neemt een christelick ootmoedich hert aen, en overlegt wat stich-telick, eerlick en u beroep betamelick is, so sal der sake haest geholpen sijn. Daertoe wij van herten wenfchen dat deAlmagtige God uwe herte beroeren wille, u in sijne bewaringe mits desen bevelen. Wt onse vergaderinge binnen Amsterdam desen 20 Junij stylo novo 1595 \').

1) Uelmich\'s naam staat niet onder dezou brief, omdat hij hem voor du Syuodo opstelde. Achterop schreef eeue andere hand nog; wAmsaingquot;.

-ocr page 360-

bijlage 1).

Brief van Helmichius en Wtenboyaert, dour eerstgenoemde geschreven, aan J. .Jinpsiny, d.d. 8 Atti/. 1595. Berustende in het Oud-Archief d. N. H. K., Nr. 39, II.

(Hiervoren aaugehaakl op biz. 169.)

Eersame, lieve broeder, wij wareu wt last en vsoeck vaii Gedepquot; beijder Synoden va Snijdt en noortholl. alhier gekomen om mot u. I. te comunieeren vaii vermaningo aen u. 1. bij desolve gedaeu over tgeene in u. I. argorlick gehouden werdt en u. 1. int gheen haer abnseren mochte, onderriohtinge te doen, mits naerder wt u. 1. mondt aenhoorende tgheene waerin u. 1. haor soude hebben te beklagen: llaer also ons van de luydeu uwer slaepstede werdt gosegt dat u. 1. naer Amsterdam gereijst sijnde, van daor mogelick wijders na Swoll soude gaen, hebben wij van hier niet willen soheijden sonder u. 1. bij desen te laten kennisse van onse comsto en meeninge van dien; u. 1. versoecken en vermanen, nadien wij met u. 1. niet hebben kunnen spreken, dat u. 1. haer op de ver-gaderinge des Suijdtholl. Synodi, die van den 15 ang. aen tot het eijndt der weke toe binnen Gorkum gehouden sal worden, wille laten vinden, om aldaer in tgeene u. 1. ofte opt aengeven van broederen van Noortholl. ofte op de vermaninge van Gedepquot; beijder Synoden aen u. 1. gedaen soude hebben te seggen, mon-delick gehoort te worden: en dat voorts de sake ist doenl., eijn-delick in do vrese des Hoeren affgehandelt soude mogen worden.

En desen tot gheenen andren eijnde dienen, willen wij u. 1. den Heere bevelen. — In Haerlem desen 8 Aug. 95.

u. 1. dienstwillighe, Weknerüs Helmioh.

Johannes Wtenbooaekt.

Onderaan links staat nog:

Indient u. 1. belielft, wederö thuijs gekeert sijnde, eens bij ons tot Delft oft in Haghe over te comen, suit weldoen.

Achterop staat:

Brielïken aen Arassing, den 8 augusti 95, tot Haerlem geschreven, by Wtenbog. en Holmich.

xxvi

-ocr page 361-

BIJLAGE 1).

Brief van Helmichius aan de dienaren des Woords en onder-lingen te Delft, d.d. 1 Dec. 1507. Berustende in het ker-keraadsarchief te Delft, Afd. IV, Lquot;. A, Nr. 17.

(Hiervoren aangehaald op blz. 3, CS, 151, 152, 153 en 154.)

Eersame, feer difcrete, weerde lieve broeders. Also den tijt mijnes Dienstes van u. 1. defer kercken vergunt, nu begint te eijndigen eü ick derhalven soude beginnen te spreken van my vertreck (want ick don tijd nam opt cortfto, van G weken) fo is aen mij versoeok gedaen, eerft van den oudften Borgem\'1 tegen-woordich in den Haglie fijnde, en daernae van den kerckenraedt, urn mij tijt wat te verlenghen: waerop also ick antwoordde, sulcks bij mij niet te ftaen, ben ick wederom verfocht en met redenen beweeclit, toe te Laten en te cöfenteren mijnenthalve, dat de kercke alhier fuloks aen u. 1. foude mogen verfoecken.

Waerin ick mij dan hebbe laten geseggen, en mij onderworpen alfulcke refolutie als fij van u. L. fouden mogen verwerven: mijn ptioulier affectie en begeerte te buten gaende (die ick niet lievers en faghe dan weder wt defe bekommerniffe ontflagen en te huijs bij u. 1. en de mijne wederom te fijn) eü alleen fiende en lettende op de gfelegenheijt defer kercken, die gewiffelick in eenen be-droetfden ftaet is: fulcks dat mij het herte wee doet als ick daerom dencke; fiende fo fchoone hope volcks nu ter kercken coraen, en die nochtans niet na behooren verfien fijn van tgeene daer fij meest na ijveren. U. 1. mach bedenken hoe het gelegen is daert aldus ftaet: De Vroetfchap (2 off 3 wtgenomen) fjj ptij-dich tegen de kercke, fulks dat fij voorleden weke affgeflagen hebben confent tot de beroepinge van eenen derden Dienaer feggede fommighe, fij hadden den derden inder ftadt, te weten Cornel. Wiggerffs, dien fij achten groot onglijck te gefchieden, als niet overtuijcht fijnde van dwalinge, en derhalven alleen bij provifie opgefchort en niet affgefet van den Dienst; De 2 ander Dienaers ftaen niet vaft, halff met hem eens en halff met de kercke, immers in eenige punten hem noch toestaende: de welcke fij altemet met halven monde, altemet oock rondt wt op den ftoel voortbrengen: en derhalven de gefonde Leere in eenige punten niet dan met halven monde predicken, off verfwijgende, off dub-

xzvn

-ocr page 362-

BLTLAGE P.

xx vm

belde eii twijffelachtige termen gebruijckendo: Do gemeente hier-entuffohen ten meeften deele (twelok is hier de behondeniffe van do kercke en Leere) gefont int gevoelen, is in defe bedieninglie feer verdrietioh: fo dat oock veele noch het gehoor van dese Dienaers, en veel meer, de gemeenfchap des Avötmaels noch schuwen: eenige fijn noch tuffchenbeijden en in twijffel, van te voren verwart gemaeckt fijnde, en noch niet all geruft, fo lang do faken dus blijven ftaen, niet weten hoe fij het hebben: eenige (inaer de weijnichfte) fijn alTgefohuert (sic) van tlichaem, eiï hebben met Cor. Wig. een nieuwe gemeente, nieuwe pdicatie, Sacramenten eiï kerckenraet gemaeckt: aldus is tlichaem gefteit. Het vertrouwen tuffchen dë kerckenraedt en meefte lidtmaten ter eenre, en do 2 Dienaren ter andere fijde is cleijn, en de lieffde noch cleijnder. So langhe nu een derden onpartijdigen hier is, fo ift tamelick wel, immers daer is gehoor, vrede eiï stilte. Valt do plaetfe wederom ledich, fo vermindert terftondt het gehoor: en door cleijne oorfaeck kan de vrede lichtel. verftoort worden, wanneer in de pdicatien iet anders voortcomt dant behoort. Wt allen defen, lieve weerde broeders, kan u. 1. alfmeten den droevigen ftandt defer kercken. Eu hierbij comt noch dit, wanneer ick bij den Borgem1\' en Broeders gedreven hebbe dat fij in tijts na een ander psoon wtfien fouden om in mij plaetfe te comen, fo crijch ick voor Antwoordt, dat fulcks niet gefchieden foude kunnen fonder confent der Vroetfchap, dewelcke wel geconfentoert heell\'t in de leeninghe van een pfoon voor etlicke maenden, maar in gheen veele pfonen noch wiffelinghe van verscheijden: en daer-omme fulck vfoock in perijckel ftaen foudo affgeflagen te werden als tvoorgacn van don ordinaris derden Dienaer: ei» daerö te wenf-fchen ware dat de psoon die met hun cöfent gecomen is, noch wat blijven mochte. Vragen, wat vrucht dan fij te verwachten wt mij blijven voor eenen cleijnen moerderen tijt, geven fij voer antwoordt dat de gemeente te meerder gesterekt werdt in de gcfonde Leer en veele fwacke nocli gewonnen worden die anders fouden verbijsteren: en oock dat fij hierentuffchen nieuwe middelen befoecken willen, en verwachten mot feghen den Heere gelieven fal te geven. Siet, lieve broeders defen ftaet heb ick u. 1. willen voorftelleu, opdat u. 1. verftaen kunnen wat mij (tegen

-ocr page 363-

bijiage p.

mij ptiouliere afTootio) boweeoht te cöfenteren dat ftj om verlet-gen van tijt mogen aenliouden: mij anderffins gedragen teenemaei aen u. 1. refolntie, om terftondt na den termij van de 8 weken nu bijnaest ten eijnde fijnde wederom van hier te gaen (alfo iek wel wete dat mijne medebroeders den Dienst lastieli vait) oll\'to, noch voorder hier te blijven, indien u. 1. wt ijver eïï liolïde tot den noot defer kcreke fuleks goot vinden fal te cöfentoren.

Hier mede

Eerfame, feer difcrete, weerde lieve broeders wil ick u. 1. don almogenden God bevelen, die u. 1. allo en elck bij fonder met fijnen heijligen Geest verftercko, eïi lang in goeder ge-fontheijt beware, tot Hoorn defen 1. Decemb. 97.

ü. 1. dienstwilligho Wernerus HELMICHrüS.

Allo voorder gelegenheijt fal n. 1.

kunnen pticulierlicker verftaen %vt den Ouderling brenger deses.

Eerfame, welgeleerde feer difcrete cii godfalighe Dienaren des Ooddelickon Woorts on Ouderlingen der koreke tot Dol 11\'.

Behalve het adres staat buitenop ook nog, met eene andere hand geschreven:

Brief van \\V. Helmichius de lc decemb 1597. aangaende de onrufte der kereke tot Hoorn door Cornells Wiggerts en de dienst door fijn verblijf bij leeninge aldaor nog voor oon tijd.

14.

Brief van Helmichius aan Daniel Dooleghen te Delft, il.d. 17 Dec. 1597. Berustende in het kerkeraadsarchief te Delft, Jfd. IV, Lquot;. A, No. 17.

(Hiervoren aangehaald op blz. 2, G8, 151, 153, 154 en 155.)

Eerfame, weerde lieve broeder. Ick hebbe u. 1. fchrijven van wegen dos korekonraots ontfangon, wat later om de vorst wille,

xxix

-ocr page 364-

m.TLAOE n.

maer met verlangen: dewijle iok het mondeliok aenclionen van Beernt J. van fo veel verlenginge. des tijts geen gelooff geven en wilde: want lek, all had de iok mij gelaten geftelt, niet en hadde gemeent dat onfe broeders de patientie en het ongemack fo langhe fouden hebben begeeren te dragen door mij abfentie: eii haddo bij mijfelven giiïlnghe gemaeokt tot int eerft vant nieuwe iaer. Maer nu de broeders getrooft fijn het ongerieft fo lang aen te gaen wt den ijver tot defe kercke fo wil iok mij oook der moeijte eiï der forghe fo langhe getroosten: en dencken, een weeck drie offt vier fullen mede haefc omkomen. Dun de broeders mogen wol geruft fijn, dat ick niet meer en fal eöfenteren om onfe kercke voorder te moeijen (glijck ick vermercke dat fij wel lich-teliek doen fouden) want mij voortaen fo feer verlangt, dat mij fchier alle weeck een maent dunckt te wefen: Don arbeijt en is fo groot niet: maer de forghe en bekommertheijt is het meefto. En hoewel ick lichtel. kan bemercken het perijckel welck te vrefen is wanneer door mij vtreck de plaetfe wederö open is, en de fwaricheijt die de wiffelinghe van quot;pfonen verhindert, nochtans en kan een kercke noch een \'pfoon, niet alles doen. Ick fal met den Borgem1\' Simon Meijn. tfijner wedercomfto fpreken: kan hij dan tegens der tijt bij de vroetschap alhier geen andere middelen te wege brengen, en dat het dan namaels qualick gaet, fo mogen fij het hunfelven wijten. Hier mede, lieve weerde broeder, fijt den Heere bevolen, en met u. 1. huifïr. hertel, gegroet. Eu groetet alle de broeders. Wt Hoorn, defen 17. Decöbr. 97.

ü. 1. dienftwillighe mededienaer WERNEKUS HELMICHITJS.

Prudenter fecisti et oportime, q ab ampliore Ecclef. hums defcriptione abstinueris: ut possquot; liberius Ministris liberas vestras plegere: qiiod proximo conventu (recens enim eas mie accepi) facturus fum fi opus fit. Illi fane (crediderim) abefse me quam adcfse malint. Juvate me veftris precibus. In omnê putem me oircumfpioiendnm eft: fermo omnis nö publicus modo sed privatns ct qnafi ad trutina exigendus: et diversum, aequü juxta atq-

XXX

-ocr page 365-

i

nr.TLAGE n. xxxi

iniquü subeundum de illo indicium. A. faotionib. huiusraodi libera nos, Domine.

Eerfatnen, welgeleerden en feer difcreten, Daniel Dooleghen Dienaer des Goddelicken Woorts tot DellT.

JFet eene andere hand is er nog achterop gezet:

brief van Ds. Helmichius in 1597.

Brief van Helmichius aan L. Fraxinus in dm Haag, d.d. 2 Mei 1598. Berustende in het Oud-Archief d. N. H. K., Nr. 39, II.

(Hiervoren aangehaald op biz. 1G7.)

Eersame, weerde Lieve broeder, Desen daoh voor een ner oil\' twee is bij mij geweest Aelbert .Tanss medebrengen en mij vertonen dese twee ingeleijde brieü\'kens: deweloke n. 1. sal moghen doorleson. Im somma, sijn vsoeck is, dat men sonde met de proclamatie die tegens hem gedeoreteert is en daervan die van Groroum aen Leonem geschreven hebben, supersederen tot op don naesten Synodum: mits dat hij middelertijt stil stae en hem noch tot Haeffte noch elders eeniges Dienstes onderwinde: twelck ick hem expresselick verelaert hebbe dat soude moeten wesen, oil\' anders soude sijn sake in Synodo dubbelt erger wesen: en heelft sulcks belooli\'t. En so wij dit toestonden soude men voor toeoomen Sondach (te weten morghen over 8 daech) die van Gorcum moeten adverteren. Om hierover te vergaderen, dunckt mij de costen niet weerdioh: ten ware u. 1. goet docht dat wij toecomen weke Woensdach olï Donderdach bij een quamen hier of!\' tot Rotterdam, om dan met eenen van de sake Adami Billichij oock te resolveren. Waertoe ick noch wel so seer inclinere: dan wil tselve geern stellen tot u. 1. discretie. Düekt u. 1. niet goot, over dese saken een vgaderinge te leggen, so is mij advijs, in Aelb. J. sake, dat men de supersedatie cósentere, mits de voorss. beloffto doende; want de Synodus eigontl. op sijn affstaen van

-ocr page 366-

BLir.AGE n.

Jen dienst gelet heefft: dat sijnde, so houdt do procedure op: on inaeli de reste wel aenstaen tot op den Synodura: u. 1. soude nu meede haer advijs neffens tmijne aen D. Thomas schrijven, die mij dan tsijne met het uwe terstont liet weten, so soude ickt voorts aen Becius senden en die soude dan do resolutie (sulcks als die waer) tot Gorcura oversenden. llaer vindt u. 1. de bijeon-comsto best, so adverteert mij morgen metten eersten opdat ik Becius verschrijve, tegens Woensdach: en verschrijfft ghij Thomas. Den Heero bevolen, tot Delll\' desen 2 Jleij 98.

u. 1. dienstwillighe W. Helmiciiids.

Dwars op don rand van den brief staat eerst, met de hand van den onderteekenaar; „lek coformêre my met het advys D. helmichij in alles alleenlich darby doende: So verre Aelbrecht Janss dese syne belofte niet naer en cöpt dat de classe sonder naerder advys te verwachten, voortvaert ghelyck se begönen heeft.

Libertus fraxlyüs;quot;

en dan nog, ook door den ondertcekenaar zelf geschreven: „lek confonuere my met de advyse fratris mei D. fraxini.

Thomas Sprauckhuïsen.quot; Achterop is nog, met eene andere hand dan die der drie genoemde onderteekenaars, geschreven: „Albert Janss.quot;

Eersamen, seer discreten en welgeleerden Liberto Fraxino, Dienaer des Goddelicken Woorts in den Ilaghe.

Brief van Helmichius aan J. Becius te Dordrecht, d.d. 4 Mei 1Ö98. Berustende in het Oud-Archief d. N. 11. K., Nr. 39, ü. (Hiervoren aangehaald op blz. 107.)

Eersame, weerde broeder, lek heb u. 1. huden morghon door mij nichte gosonden de brieven belangeïi de sake van Adamus. Nu stracks komt mij bescheijdt van Aelbert Janss van Leydê. u. 1. sal allo dese stucken doorsien en beginnen van mijnen brieff

xxxn

-ocr page 367-

bijlage d.

aon frasinura, so sal u. 1, stracks de meijninghe sien. Eii wilt clan mot den oorsten ons advijs, gelijek frax. en Thomas adviseren (daer ick mij ganssoliol. mede cöformere) aen de broeders van Q-orkum senden en de andere brieven voorts alle onder u. 1. behouden. Hiermede den Heere bevolen. Met haest, wt Delff desen 4 iley 98.

u. L dienstwillighe W. Helmich.

Eersamen, disoreten en welgeleerden D. Johanni Beoio, Dienaer des Oodde-liokon Woorts tot Dordrecht.

Den bode syn Loon.

Achterop staat nog, met eene andere hand geschreven:

Albert Janss.

Brief van Helmichius, namens de „deputateri\' der Partic. Z. II. Synode geschreven, aan den Rector Magnificus en den Senaat der academie te Leiden, d.d. 22 Aug. 1598. Berustende in het Oud-Archief d. N. H. K., Nr. 85, I, 40.

(Hiervoren aangehaald op blz. 2 en 233.)

Ampliss. viri, sermones multorum tum tenuioris tum etiam mediocris fortunae eivium exporientia ipsa confirmati 1 f) ad syno-dnm relati simt, conquerentium, quamq neque sibi voluntas neque ingenium suis desit, se tarnen rei familiaris angustia vel liberorum multitudine, difficillimis hisce tomporib. impediri quominus filios suos literarum studiis consecrare queant, imo saepe invitos cogi ut e medio studiorum cursu etiam post haud poenitendum [?] in iis progressum ad meroatorias aut meohanicas artes [?] subito avellat. Quod cum dolore auditum Synodum perpulit ad - •{-) ineun-

xxxin

23

1

Drie Inatste woorden staan op den rand;

f duidt aan waar ze ingelaseht moeten worden.

-ocr page 368-

BIJLAGE I).

dam serio aliquain rationem, qua tam justis querimoniis ocourri commode possit. Minimo eninv e rc publica vel Ecclesiae esse arbitratur, bonoru parentum honestos conatus, miiltaqne liberalia et pstantia ingenia per solam egestatem quasi diffluere et usui publico subtrahi, Cogitatum itaque fuit, num in hac nostra com-muni Academia, ad exemplum aliarum, certus quida mensarum sive (ut vocant) bursarum, ordo, sublevandae huiusmodi inopiae nonstitui possit. Quae quidë res quü ad vos quoque, viri ampliss., pertineat, ideoque nihil in ea vobis inconsultis tentandum sibi esse Synodus judicaverit, auxiliumque vestrum ad illam facilius impe-trandam plurimü conferre posse credat, negocium nobis dedit hoe cösilium vobiscü cömunicandi sententiam vestram super eo cog-noscendi, et operam expetendi. Hoe igr vos summopere Synodi nomine rogatos volumus, ut cümunieato inter vos negocio, quonii modo comodissime hujusmodi bursas cöstitui, quoque ordine ad illas obtinendas optime allaborari posse censeatis, ad synodum futuram (quae Cal. Septembr. Dordraci inchoabitur) perseribere, aut saltern alieui nostrum indicandü curare, sed et studium, operam atque authoritatem vestram promovêdo apud nobiliss. et ampliss. D.D. Ordd. aliosque ubi et opus erit et expediet, tam atili ac laudabili institute, cum Synode conjungere nö gravemini, confidi-mus enim vobis no minus ac nobis id summe in votis esse, ut Academia quidem honesto adolescentiü optimorum psertim indi-genorum confluxu tlorentem, Eccles. vero et Remp. copioso ido-neorum hominü ad necessaria munera delectu instructam habe-amus. Qua quidem fiducia moti collegae nostri et libentins et majori cum spe hoe suü votu eü vestro ampliss. et digniss. cou-sessu eömunicandum statuerunt. Ampl. viri. Deus O. M. vobis adsit, vestramque dignitatem et pia studia modis omnib. bono publico tueatur. Dellis 22 Aug. 98.

Wijl hot blad vol was, staat, onderaan dwars op den rand, eerst;

Superscriptio:

Magnifico D. Rectori et Senatui Academico

Lugduni Batavorum;

XXXIV

-ocr page 369-

bijlage i).

on dan nog:

Dolecti Synodi particnlaris Australis et reliquorum noraino ac voluntate

Wkrnerus Helmichius.

Achterop schreef Helmichius:

Ad Senatum Acii.

do Bursis

22 aug. 1598.

Brief van Helmichius aan C. Swerinckhusius te Rotterdam, d.d. 13 Nov. 1G01. Berustende, in hel Oud-Archief d. N. H. K., Nr. I, 7.

(Hiervoron aangehaald op biz. 134, 135, 210 en 212.)

Eersame, discrete, lieve broeder. Also ick tot Amsterdam komende, u. 1. niet en vondt, eu \\vt D. Arminio verstondt wat bij uluijden in sake was gedaen, efi oook wedervaren, so heb ick mot D. Arminio en D. Plancio in deliberatie geleijt, off ick Coolhas — evenwel noch alleen aenspreken sonde, insonderheijt dewijle ick hem op eenigho dinghen van twist van Leijden wat naerder sonde kunnen antwoorden, so iok daer over als arbiter mede gegaan hadde: oock hadde iok in sijn leste booksken bemerckt eenighe merckelicke punten die ick hem sonde moghen voorhouden om te beter te bemouwen. ïwelck bij hunl. niet dan goot gevonden sijnde in allen gevalle, heb ick mij bij hem laten vinden, en wel 2 neren voor in sijn winckel in psentie van sijn hnijsfr. met hom gesproken: Ick quot;vhaelde hem dat hij onrecht besloot eii rondt wt schreed\' dat l\'. C. met de sijnen autheurs vaii scheu-rlnghe verclaert waren: twelok hare schultbekenninghe niet mede en brengt: item, dat hij sijn eijgen schultbckentenisse versweech: met eenighe andere circumstantien. Item ick versochte met hem een halff uertgen wat te comuniceren en eenigo puntgens aen te wijsen vrientlickor wijse in sijn leste boeksken, op dat hij daer-door sijn eijgen fauten wat beter sonde mereken (ende ick hadde

xxxv

-ocr page 370-

bijlage d.

eeniglie van grooffste op een memorie bij mij genomen) maer hij sloech dat soetgens van handt, séggen het was onnodich. Doch iok hielt hem evenwel een off twee voor, vaiï claerste: maer hij wilde evenwel, hoe claer dat de fanten waren, deselve houden staende. So dat eijndel. niet met hem en hebbe wtgereeht, hij blijven bij de antwoordt die hij uluijden gegeven hadde. Ick heb hem oock niet kunnen beweghen om is keroke te komen. Heb hom oock geremonstreert de cleijne oorsake die hij over eenighe jaren genomen heefft gehadt tot Leijden door de suspensie vant naohtmael, hem tot censure opgeleijt, om daeröme teenemael van Avötmale eii kereke te vervreemden, wat hij hadde diequot;qstie oordentl. behooren atï te leggen. Dit is mij wedervaren. De broeders gedepquot; in haer naeste bijeencöste mogen bedencken wat voorders iïi sake te doen sal wesen. Gedenokt nochmael aen do Acta dos Synodi 1600 tot Leijden, die onse olassi toehooren en iok ter Gouda gelaten hadde: om die weder te senden. Hier mede, seer lieve en weerde broeder, sijt deu Heere bevolen: dien iok bidde dat hij de tegenwoordighe belegeringhe van Shertogen-bosch also wille seghenen, dat u. 1. eens weder moget aldaer helpen de vervallen mueren opbouwen. Isser wat hoope, u. 1. kennel-, maeckt ons deelachtich. Delff desen 13 Novebr. 10U1.

U. 1. dienstwillighe W. Helmiciuus.

Eersamen, Welgeleerden en seer discreten, D. Casparo Swerinckhusio,

Dienaer des Goddelicken Woorts tot Rotterdam

in den Noppert.

Den bode sljn Loon.

xxxvi

-ocr page 371-

BIJLAGE I).

Brief van Helmichius aan C. Swetdnckhusius te Rotterdam, d.d. 11 Juli 1G02. Herastende in hel Oud-Archief d. iV. H. K., Nr. 73, I, A.

(Hiervoren aangehaald op biz. 75, 121 en 212.)

Eersame, discrete lieve broeder, lok hebbe u. I. brieff van 4 Julij, met de bijgaeri stucken wel ontfangon en bodancke u. 1. seer van alle vrientschap; en speoial dat u. I. gelieltt heelït mij do gehoelo gelegontheijt van sake van Utr. tussohen u. I. ende brooders van Amorsfort, te laten weten, lok en kan noch niet beters bedencken als ick lestmael overgesohroven hebbe, en gelijck ick sio dat de broeders de Gedepquot; mede gevoelen. Het is voorsoker, so lange als Gerob. suleke slimme wegen wandelen sal als hij nu naest een wijle tijts gedaen heefft, en sal niets goets wtgerecht kunnen worden: psupponerende dat de voornaemste van dwers-drijvers onder de regeeringhe aldaer, na hem luijsteren, gelijck sij tot noch toe in suleke saken gedaen hebben, als een oolff na haer handt. Daeromme kan ick niet goot vinden, dat die andere goede eenvoudige broeders, met hem en de sijnen aenspan: want sij souden doch door hem int net gebrocht worden als (?) sij toesagen: en in regieringe sijnde met hem, soudon sij moeten ordinario off tegens hom suchten, off met hom twisten.

Wanneer de Gedepquot; eens alle to samen bijeen vergadert sullen wesen, mogen de sake noch eens rijpel. overwegen en [bo]sluijton wat dienstliokst is. Ick sende u. 1. met onsen broeder, brenger deses. Hans Morcijs, alle de stucken wederom. Wat belangt Cool-haes, daerinne sta ick nu still: de cömissie vant Synodus is door mij nagecomen: de cömissie en versoek vaii Gedepquot; aen mij, is nu over [gebleven?]: hadde se gedaen geweest ter bequamer tijt, mij noch tot Deliï sijnde, ick hadt mij laten gebruijeken: nu soudet sijn buten propoost. Sulcks dat ick mij die cömissie nu teenemael ontsla, en stellen deselve aeïi broeders de Gedepquot; des Synodi van Suijtholl, om deselve te effectueren onder haerl so als sij goet vinden sullen op den voet van resolutie des Synodi. Ick dochte datter wat vallen sal, dat dese Eercke mogel. oorsaeck hebben sal om met hom wt andere oorsaken noch te handelen. Wij hebben wel grote oorsaeck God to bidden viericlil., dat dese

XXXVII

-ocr page 372-

BIJLAGE D.

tocht van S. Exu geluokel. vergaen macli, want sij is sonder twijffel sorcheliok. Het oomt wel te passé dat de grote verraderije in Vranekrijok wtgekomen is, ick achte dat het voor onse sake groot voordeel sal sijn: maer het is wel een schrickelieke diüj-velsohe vermetelheyt van dat Paepsohe gespuijs haere eijgen Coninck die haer so grote eere en goet doet, so sohondel. te tractoren en haer eijgen vaderlandt te verraden. De Heere waeckt voor ons dat hij sulcke raoordadige aenslagen aen den dach laot coraen. lok dencke do verraders hadden de sake mode gemunt op S. Exquot; in desen tocht. Onse Heere besoeckt ons hier hertelick met sijne heete roede, hoewel niet so swaer als de roep wel gaet. In de voorleden weke waren all over 200 psonen begraven, van de sieckte en andere. En so ick hoore, gaen bij uluijden oock woijnieh plaetsen vrij. Tot Swoll is oock insglijcken seer grote sterftte. De Heere staet te bidden dat hij sijnen toorn raatighe: den weickeu ick u. 1. bevele met u. 1. huysfr.: netfens onser beijder hertel, groetenisse aen u. 1. beijde.

Groet oock P. Bisschop en D. Lansb.[orgen] en Colonius.

Amsterdam, 11 .Tulij 1G02.

u. 1. dienstwillighe W. Helmichius.

Onderaan links staat nog:

Laat ons voor malkander bidden.

Eersamen, welgeleerden en seer discreten, D. Casparo Swerinckhusio, Dienaer des God-delicken Woorts tot Rotterdam.

Door vriendt.

Brief van Helmichius aan J. Bogerman in Leeuwarden, d.d. 2 Mei 1007. Berustende in de Bihlioth. van het Fr. Genootschap te Leeuwarden.

(Hiervoren aangehaald op blz. 256, 257 en 258.)

S.P. Gratissimae fuerunt tuae literae, frater integerrime, et oportune monuisti de üs, quae in concessu Ordd. Gennquot;\' vestris Delegatis acciderimt. do quo habeo gratias. Sed accipe narrationis

xxxvm

-ocr page 373-

BIJLAGE II.

XXXIX

illius tuae mra}.}.x.yij,x. Quum delecti Zeelandi plane idem de sua et Ecclesiarum suarum sententia in colleg. Ordd. G. propo-nerent, quod vestros seribis proposuisse, vid. se nullam in doo-trina, ne minima quidem, mutationem permissuros, exhibitis êt Ordd. Zeel. Uteris, q-iae hoc ipsum diserte testabantur, satis pro-lixum hao de re sermonem inter deiectos pdictos et D. Advooa-tum habitum fuisse, cnjus hie fuit exitus, qd D. Advocatus prolixe tum Zeelandis tum toti êt collegio sancte et serio afflrmavit, ne id agi, ut sine conventu isto quot;pparatorio, sine ipsa Synodo Gener., ulla mutatio in ulla doctrinae parte inducatur. Quam ista conoi-liabis cnm illo tuo, Ja! daerom ist te doen. ilonuit tamen et de eo me amicus, qui authorem habet ooiirvixoov, aeque ao tu. Fortasse sic conoilianda liaec diversitas, ut tuus ille sermo loquatur non de Ordd. consilio et mente, sed de quorundam Novatorum conatu; alter aüt ille, de Ordd. ipsorum sententia, qui mutationê nullo mode speotent. Accipe alind; Geldri et Transisulani fi-atres hao agendi ratione plurimü turbantur: et sunt qui testati sunt se non ausuros missionê illam ad conventum illum ex authoritate Politica suorutn Ordinum absque speciali vel madato vel approbatione Synodi suae particularis profectam, in se suscipere. Et praestitisset sane, Ordines cujusvis Provinciae hanc electioaem ministrorum mittendorü Ecclesiis reliquisse, quarum ea propria est de jure. Facile est intelligere, quanti id sit momenti et quid tandem inde consequi possit, si magistratui licebit pro suo arbitrio hos vel illos eligere, quos deliberationibus Ecelesiasticis pflciat, absque liberis Eecles. suffragiis. Si quidem eligant bonos, nü ët alii? Et qui nu bonos, an somper? Actum certe fuit ea de re superiore anno in Synodo nestra et promiserunt Politici qui nomine Ordd1quot; intererant, se id acturos apud Ordd. ut bae in parte libertas mit-tendi Ecclesiis relinquatur: quid egerint aut elTecerint nescimus: nondu enim intelligere potuimus Ordd3. Holland, quemque elegisse: sed et nee ad Synodi Deiectos aut alios ullos hac de re quic-quain soripsisse rescivimus. Nostri certe collegae omnes in hac nostra classe etsi nolint, eos qui forte in nostra Hollandia evoca-bantur ab Ordd8 ad hunc conventum, vocationem recusare, ne Synodi progressus impediatur, tamë illos non nisi praemonita sua classe, si id fieri possit, et saltern Ecclesia sua et ab illaacceptis

-ocr page 374-

BIJLAGE D.

XL

mandatis, Hagas ituros statuerunt; in collibus mandatis et illud erit, olassom vel Eoolesiam non posse sane agendi ratiouem nova probare, et hac tantum vice permittere suis ut banc vooationem sequantur, ea lege ne id fiat amplius posthao: se enim hac per • missiono nullum Ecclesiae libertati pjudicium afferri velle in poste-rum. Quod Professores ét vocantur ad huno conventum, etsi in se nihil liabet difficultatis, tamon oonsilio non vano institutum esse videtur: et quorsum id tendit, docebit exitus: si conjecturas proferre liceret, fortasse rem aou tangerem. Sed oontinebo illas dum partus in lucem edatur. Nos, quod potuimus, hortati sumus nostros, qui couventui ordinario Ordd. Holl. intersunt, in quantum fieri possit, libertatis Ecclesiae rationem habeant: audita vox ista fuit a quodam: Putant (inquiebat) consultum esse, ut aliqui ex utraque parte vocentur, ne delecti omnes tantum sint unius partis. Attende: ergo agnosount Ordd. Holl. partes esse inter ministros; ergo mix-tim vocati volunt: quid hine boni? Si tamen hoc firmum est, quod ille proferebat. Ad quod nostrum unus regerebat, si conventus hoc modo raiscendus erit de industria, non nisi major perturbatio et in deliberando difficultas inde oriri poterit. Valde me haec res sollicitum habet: miris enim artibus solent quidam nostrum res sanctas et Bcciesiasticas tractare, ut voti sui, vel per ambages, compotes fiant. Et hoc vocatur Politicum esse: Trohiri^siv nempe. Caeterum recte me facturum judicavi si tecum communicarem scriptum quoddam, quod ab amicis mihi missum, apud me retinere non debeo; ut alii etiam sciant quid inter novatores illos agitetur; conscriptum est a nonnullis qui iisdem disputationibus aliquando implicati, eos postea, ad saniorem mentem reversi, deceruerunt: et est certissimum talia disceptari. Vide bis etiam quid deSynodi convocatione sentiant illi: attende et si forte ea de re agendum sit in conventu illo pparatorio, (quod futurum puto) para te, ut crassis illis sophismatibus quibus illi Ordds seducunt, commode resistas: quid enim hoc est, dim Imperatores vocabant Episcopos ad concilia, ergo nunc Magistratus eligent pro arbitrio hos vel illos ministros, absque Ecclesiis suffragiis? Et hinc etiam tu col-lige quid ista vocandi ratione ad liunc conventum pparatorium quaeratur: nempe, sicuti ad istum nunc pparatorium conventum certi evocantur ab Ordinibus, ita etiam ad futuram Synodura ipsam

-ocr page 375-

UIJLiOE I).

certos evooandos esse ab Ordinibus et non suffragiis Ecolosiarum mittendos. Do hisoo, mi frater, hac vice to monondum duxi r plura additurus quando tu hue veneris, transiturus forte hao quum ibis Hagam, Licebit hoo scriptum etiain exhibere aliis ubi expedite et tutum esse judioabis: sed ea lege, ut et parcas meo nomini, et desoribas prius aut describendum cures; meamque manum tibi serves; idque oertis do oausis; quod tuao prudentiae omitto, Pos-tremo quid de libris soripsisti ad fratrem nostrum Paulum Pauli, probe curatum jam ex parte et posthac etiam recte curandum scito: ... undecira .,. jam dedi compingendu: reliquos ex Nundi [nis| Frankfurtensib. expectamus, proxima septimana: de quibus tamen est quod quaeram. ürsini opus in Catechesin, ex rooogni-tiono Paraei, petitur in duobus voluminibus, quae sane est pul-elira editio: sed nisi oonsilio et diserte petatur ab illo viro ob certas causas. Hoo moneo, hanc editionem, quae est anni XCV. oonsecutam postea aliam editionem anni XCVIII omnium post-remam, ex postrema recognitione Paraei, quae est etiam (meo judioio) aliquando accuratior. Hoc etiam interest, quod ilia prior habet characterem typographicam grandiorem et pulchriorem: testimonia etiam omnia S. Scripturae singulis quaestionibus ascripta ex ipso; et praefationes singulis partibus praeflxas: posterior autem typos habet quidem etiam bonos et luculentos sed minutiores; testimonia vero nude absque textu addita, et explicationem cate-cheseos continuam (eamque accuratiorem et concisiorem) rejectis omnibus praefationibus et traotaculis in partem unam seorsim, oui titulus datur. Miscellanea eatechetica: haee si cognita sunt ei qui petit illam editionem priorem, bene habet, curabo illara: sed moneo ego, si forte nesciat. De Bibliis Tremellianis certum est, nulla amplius exemplaria Londinensia prostare: itaque alia erit quaerenda editio et posterior. Vale, frater optime: Deus laboribus tuis benedicat: salutem a me et mea cum tua: D. D. oollegas tuos, etsi mihi de feoie ignotos, saluta.

Amsteldami 2 Maij 1G07. Tuns ex animo

Werner Helmch.

Doctrina et pietate praostanti viro D. Johamii Bogermanno, fidoli Evatigelii ministro, Leowardiae.

XLI

-ocr page 376-

bijlage i).

Brief van Helmichius aan Jhrakamus Muijsenholius te Breda, d.d. 14 Mei 1607. Voorkomende in Thomas Crenius\' „Ani-tnadversiones philologicae et historieaequot;, Lugd.-Bat. 1097— 1720. P. XVII, p. 113.

(Hiervorcu aangehaald op blz. 2, 29, 44 en 299.)

Ohariss. in Christo frater. En, libero fitlem meam: raitto scrip-tuin, quod quasdatn theses continet, quae inter stndiosos quosdam Leydae agitantur, tanquam fundamenta praccipua Kbvationis istius, quam quidam illic parturiunt. Ex ungue leonem. Facile colligis novam nobis expectandam theologiam, si hae via insistendum ent. Et sane haec, credo, initia duntaxat; plura suspicor latere, quae prodet tempus. In 22 llaji indictus est conrentus praepa-ratorius ad Synodum Generalem, ad quera singularum Provin-ciarum Ordines raittunt duos Ministros Ecclesiae: Hollandi etiam Professores duos Leydenses D.D. Gomarum et D.D. Arminium.

Frankera adfuturus est Sibrandus Lubbertus. Saluta meis verbis D. Boxhornium: sed et ürsulam viduam D. Sopingii, collegae quondam mei suavissimi. Celeritur 14 Maji 1C07. Tuus ex animo

Weiqjerus Helmichius.

Inscr. Eersamen, seer geleerden, en seer discreten D. Abrahamo lluysenholius, dienaer des Goddelickcn Woords tot Breeda.

Brief van Helmichius aan J. Becius te Dordrecht, d.d. 28 Sept.

1U07. Berustende in het Oud-Archief d. N. II K., Nr. 31, A.

(Hiervoren aangehaald op blz. 262 en 263.)

Eersame, discrete seer lieve broeder u. 1. sal mogelick verwondert sijn dat dese stucken so lange achter blijven: maer ick heb dese weke so veele interruption gehadt gestadel., so vaii kercke wegen, als ter oorsake van dese kermisfeest die mij door de visitatie van deen en dander veel tijts ontstolen heellt, dat ick niet eer en heb kunnen gereedt worden: sonder dat ick noch daerop so gelet hebbe als iok wel gewenscht hadde; Hebbe der-

xui

-ocr page 377-

BIJIiAGE I).

Xt.III

halven op een besonder pampier mij raeyninge gostelt, gesamentl. nelïens het uwe, aanwijzende de veranderingen die ick na mij advijs maken soude: In den eersten, so heb ick een cort Prefatie gestelt, die mij dunckt datter behoorde voor te gaen: daernae heb iek de oordeninge int eerste point wat verandert: eerst stellende het reoht gevoelen van het ondersoheijdt der Sehrifften, t. w. Goddel. en menschel: na het voorschritït dat D. fankelius in con ven tu nostro gemaeckt hadde van twelok ick meijne dat u. 1. de copije heefft: hoewel ick tselve hier en daer oock in eenige woorden wat verstelt hebbe: eïï daerna com ick tot de swario-heijden in het advijs va onse wederpartij gelegen: en hebbe de plaetsen daer ick mij referere tot u. 1. Script., getekent met de letter B, en tot onderscheijdt om de plaetsen te vinden ge-reedt (?), heb ick de letterckens alphabet daerbij gevoecht in een circkel (x) en deselve oock in u. 1. script, mede so aengetekent. Daerna so heb ick bijgedaen eenige meerder tegenwerpingen die in haerlieder concept (dat sy besonder gestelt hadden) claerl. wtgedruckt staen en daermede sy haer gevoelen wat schijns geven. Van de reste sal u. 1. mij advijs aengetekët vinden: u. 1. sal gelieven tselve te confereren en te stellen soo het best dient, altijt bekortende so veel mogel. is: hoewel necessaria dicenda sunt, et ita dicenda ut persuadeantur, quam fieri possit. Haer Schrifft verstaen wij dat oock een groot packet maeckt. En eijndel. sal daer oock een conclusie cortel. aengemaeckt moeten worden om de H.H. wat te bewegen ad relinquendquot; aliquö simul in animo legentis. Ick sende u. 1. oock nelïens het script. Groenin-ganum, oock D. Sibrandi wederom, niet wetende off u. 1. noch een copie hebt behouden te weten van Sibrandi schnit\'t, indien ja, so seijndt mij dese stracks wederö want ick soude die geern gebruyeken int stellen van onse antwoordt op den brieff van D. Arminij: indien niet, so houdt se totdat u. 1. die genoech ge-besicht heeft. Ick heb geschreven an onsen broeder tot Campen, aengaen onse bijeencomste op den 16 octobr. 1607. en hebbe D. fontanum hier gehadt dese weke, die ick het mondelick geseijt hebbe: hoewel hij evenwel versoeckt dat ick een brieff an hem daervan schrijve om oorsaken: gelijck ick doen sal: en hij sal eöpareren.

-ocr page 378-

liMLAQE U.

My onthoudt is tint u. 1. na Zeel[and] an fauckel[ius] en Brandt schrijven sal: glijok D. Gei\'ar[di] an Vriosl. en Grooning. Hebick in den dach gemist (wat iek twijffél liallf) off iet anders, so adverteert mij. Hier mede den Heero bevolen; met hertel, groetenisse an u. 1. en u. 1. huijsfr.

Met haest \\vt Amsterdam desen 28. Septembr. 1007.

U. L. dienstwillighe W. Helmicuiüs.

Eersamen en welgeleerden D. Johanui Beeio,

Dienaer dos Goddel. Woorts tot Dordrecht.

Urief van Helmichius aan S. Lubbertus in Franeker, d.d. -1

Oct. st. n. 1007. Berustende in de Biblioth. van het Fr.

Genootschap te Leeuwarden

(Hiervoren aangehaald op blz. 2, 259, 201 en 273.)

Quod D. Secretarius nuper nullas tibi a me attulit, in causa est quia turn aberam: nunc reversus respondeo. Primum ago gratias pro judicio tuo, qnod ad praecipua capita literarum Armin. annotasti. Omisisti tamen, nura aliqua ratio tibi videatur esse conciliandae ipsorum sententiae (uti hisce Uteris eam declarare volunt) cum nostra. Illi putant, se totam sententiae suae absur-ditatom plene excusare eo, quod statuunt, pendente lite, sive oxt[r|a conventus sjquot;nodales et classicalos, nemini licere quicquam docere, quod cum confessione pugnet et liberationem illam a subscriptione concludi conventus cujusque limitibus. Sed (inquam ego) quid si quis in conventu synodali vel alio neget se ita posse ex tempore de re proposita judicare et spacium amplius apud se cum otio rem expendendi et postea judicium suum meditate for-matum edendi petat? Quid si idem plures petant? Nonne tune actus iste inquisitorius et judicialis tamdiu durabit, quamdiu isti rem controversam domi examinant et judicium meditantur quod postea odant? et nonne isti omncs tamdiu a subscriptione liberi

xliv

-ocr page 379-

BIJLAGE P.

XLV

manebunt? durante mmimin examine, et judicio nondain lato? Si ajuni illi, tnm eerte uos verum retulimus, videlicet liberatio-notn istain ultra Synodum ïTationalom, ubi sit judicium do doe-trina, et ultra et extra alios oonventus synodales extendi, duin omnes Ministri de re oontroversa oognoverint. Si negent, tuin se ipsos jugnlabunt; nam si quis privatim apud se caput aliquod controversum, absque liberatione a subsoriptione examinare et dijudieari potest, our no etiam in conventu quovis, ubi examen fit do judicio? Sed do ea latins coram brevi, ut spero. In Synodo Hollandiae Anstralis impedita vel potius negata fuit relatio rei in conventu praeparatorio suffragiis frustra utrumque postulantibus classibus: tantum valuit contradictio D. Uitenbogard. cum suis, ac nude tantum praetextum fuit scriptum nostrum Ü.D. Ordinibus Generalib. oblatum. Cognitio autem Synodi de nostris responsis ditt\'ertur, donee nos omnes obtulerimus D.D. Ordinibus nostras rationes et Synodus eas viderit: certo hand dubie consilio factum fuit a nostris Antagonistis, quum antea in Synodo nostra Boreali, quidam ex nostris rationes extorserint magno studio, enr nos in sententiam D. Ditenbog. non descendissemus. Jlota quoque fuit controversia de quibusdam capitibus doctrinae falsae, quae per Provincias sparguntur, maxime proponontibus et responsum urgentibus Deputatis Groninganis; hio audio maximam fuisse contentionem motam a D. Uitenbog. cum paucis sociis. Lachrymas multis Jlinistris, ex dolore scandali Ecclesiis imminentis, excus-sas: consensum tamen tandem, in Conventum quem vooant jam conferentialem, ad quem ex tota Hollandia (i. singularum classium totius Hollandiae Deputatis) contlatum, D, Arminius cum suis, ad reddendam suae doctrinae rationem, sive ad exponenda ilia quae in Confessione et Catechismo correctione egere judicat, vocaretur: ut auditis capitibus controversis, statuatur quod e re Ecclesiae futurum oensebitur. Superiore Synodo injunctum fuorat omnibus Classibus Suyd-Hollandiae examen Cateohismi et Confessionis utque suas observationes quisque ad hanc Synodum referrent: jam ex omnibus classibus relatum est, neminem esse qui quicquam liaboat, quod contra ilia scripta proferat et nullas in ulla classe Animad-versiones propositas fuisse, paucis exceptis in quibusdam classibus, qui adhuc in inquisitione versare se dicerent, et quando

-ocr page 380-

BIJLAGE n.

XLVI

parati ossont, turn so oportuno looo ot tempore prolaturos quae observassent. Vides rpiid liic intor .nonnullos foveatur. Cum Pro-fossoribns aliis etiam raonitus anno superiore fuerat D. Arminius de praelegenclo Catecliesi et Confessione. Nunc autem rolatum est ejus nomine examinasse jam se soripta supradicta et amplius praeterea examinaturum: deinceps observationes vero suas idoneo tempore et loco editurum. Interea quatuor illi fratres nostri a nobis dissidentes, oonsilio oapto, rationes suas, qua re a nobis in tribus capitibus dissentire ooaoti sint, D.D. Ordinibus ultro obtu-lerunt, non expectato D.D. Ordinum mandate: D. Uitenbogardus a me hac de interrogatus, quid illos moveret, nihil aliud respon-dit, quam id consilii ipsis datum fuisse. Sed Bootius Trajectensis postea a me rogatus praetextum at falsum, milii retnlit. Intelli-gimus tarnen scriptam illorum in consessu Ordinum Generalium non fuisse lectum; sed obsignatum esse et ita clausum servari, donee nostrae rationes conjungantur, atque id ita obsignatum D. Barneveldius concilio Ordinum dieitur ostendisse. Hinc ortum est istud consilium nostrum de convooando coetu nostro (i. omnium eorum qui pluribus suft\'ragiis consentimus) in diem xvi octobr. stylo novo vel veteri vi oot. hie Amsterdami ut dispiciamus pru-denter et communi consilio inter nos quid facto opus sit, prae-sertim cum in omnem eventum necesse sit, nos scriptum nostrum quo sententiae nostrae reddamus rationem, paratum habere: quod etiam non temere conscribendum est, aut unius aut alterius inditio niti debet, sed ab omnibus examinari, judicari et decerni, sed et signari, aliorum exemplo, debet. Spero igitur te non detrectaturum banc molestiam cum D. Bogermanno, ut ad diem praescriptum accures: quod et caeteros facturos confldo, ut honori et conscien-tiae nostrae in re tanta consulamus, qua de re te jam ante aliquot dies a D. Hermanno, nostro nomine adraonitum esse credo. Qnae-rcrem ex te quid sibi volint ista, quae scribis de Arianis in Polonia, quorsum apud illos spectarit et quid effecerit liberatio a subscriptione confessionis: item quo spectent obtestationes tales, quales in Uteris Armin. legantur, exemplo Socini, Servati et aliorum: sed male id servare colloquio nostro coram. D. Treicatii obitum, hoc praesertim tempore, merito omnes dolent. De surro-gando alio professore jam agetur: ab illis, qui censentur facere

-ocr page 381-

nutAGE n.

oum Anninio, diountur proponi Thijsius et Vorstius. Doputati Syaodici monuerunt Curatores etiam atquo etiam videant ne rjuem-quam ad Profossionom vocent, qui sit obnoxius suspicionibus do dootrina ant minus gratus Eoclesiis, et apud illos mentionem fecerunt Molinaei, Martinii, Keckermanni et aliovum non exterorum modo, sed etiam indigenarum. Relatum mihi est a amico, Curatores non constituisse supplere locum D. Trelcatii, ante habitum illum conveatum llollandieum Provinoialem, de quo supra, de quo llollandiae Ordines interpellati ante xv dies, responderunt se de hac re deliberaturos postea, nimirum politiois gravissimis negotiis distineri. Quaeris ex me de Pace? Ego rerum istarum omnium plane ignarus sum et variis et dissentientibus rumoribus ac ho-minum oijinionibus ad sttsx*1\'\'\' adactus sum: audio, video, oro, expeoto: interea spero et metuo: gravissimae ea de re habentur deliberationes: quidam putant Regem Hispaniarum satisfacturum abunde omnibus postulatis nostris: alii desperant et novum animo volvunt bellum. Brevi aliquid certi constabit. De Fratre illo vobis vicino, de quo ad te scripseram miratus sum tale perferri testimonium, quale postremae tuae continent, expallui legens, addo praeter expeotationem id accidit: honoroficentissimum alii reddunt de eo testimonium. Haeremus. Illius vero alterius, nobis vioini, qui nuper ad te attulit oommendatitias, eausam egi apud nostros, quantum id debite et ex ordine Ecclesiae licuit. Sed despero: probitate, doctrina et judicio satisfaceret facile, sed non aeque placet concionandi done, ut sunt hominum judicia diversa. Est tarnen meliore loco dignus, quem hand dubie tandem assequetur, etsi forte non istic. En quam prolixis Uteris, forte eo molestiori-bus pensavi tarditatem. Verum ignosce: conatus fui tibi satisfa-cere de omnibus. Si quid super est coram. Vale clarissime vir. D. Dens omnipotens studiis tuis benedicat. Resalutant te collegae mei amanter. Celeriter iv octobr. styl. nov. cioiocvu Amsteldami.

Tui observantiss. tuique ad omnia paratiss.

Werserüs Hemuciiius.

quot;. gt; i i ibrando Lübberto. S. Pr.

xlvii

-ocr page 382-

BIJLAGE D.

Brief van HelmicJiius aan S. Luhhertm in Franeker, d.rl 2G Oct. 1G07. Berustende in de Biblioth. van het Fr. Genootschap te Leeuwarden.

(Hiervoren aangehaald op blz, 2 on 207.)

CL. D. D. KTudius — tortius respondi ad tuas postromas quantum opus orat. Hodio mo oompollarunt duo studiosi tuo nomine, quorum summopero aliquid literamm ad te urgebat. Oportune. Nam coce novi aliquid quod tecum oommunicare avebam. Vidos Catechismum novum, specimen scil. Catechismi, qui ad incudem novorum Reformatorum fabricandus est, ut multi opinantur. Per-loge et judioa, anno castratum probe putes, adempta omni vi mascula doctrinae Evangelicae: nimirum hoe est reformare con-fessionem, quae omnibus Ecclesiis reformatis i. e. ab Ecclesia Romana docedentibus quibuscunquo, convenire ox aequo possit; rejectis nimirum omnibus capitibus controversis quae contentionis et dissidii oaussam dare possint: excusationis tamen praetoxtum in promptu habont; Pueris duntaxat haeo praescribi, imo ABC dariis, ut apparet in limine ABC dario, et alios similes libellos editos anteliac esse ab aliis.

Dbi videris et expenderis tuin hunc Catechismum, tum ea quae a D. Hermaoto et Bogeidianko communicabuntur, expocto tuum judicium: quo me plurimum juvari et confirmari fatoor.

Vale CL. D. D. Deus sanctis laboribus tuis praesideat et bene-dicat cumulate. Celeriter Amsteldami xxvi Oct. cioiocvn.

WeRNERUS HELMIClirCS SlBHAKIlO LuniiERTO.

Brief van Hehnichius aan S. Lubbertus\') in Franeker, d.d.

3 Dec. 1G07. Berustende in de Biblioth. van het Fr. Genootschap te Leeuwarden.

(Hiervoren aangehaald op blz. 207, 203 en 204.)

xLvru

CL. D. D. Citissime, ut petis, respondissem, si licuisset. Pote-

1) Lubbertus* naam wordt niet genoemd in Gubbema\'s Codex apoyra-

-ocr page 383-

bijlage igt;.

xt.tx

bas nimiram tria oxomplaiia Catochoseos Gowlanao, qnae non hic oxtabant plura. Sorl quotidie expectabantur: oa igitur oxpootamus. Petebas etiam ciarum exomplam Actorum. Hagensium, quae con-quereris te habere valde male descripta: atqui Amanuensis fidolis ad manum non erat et ego meo carere non poteram et describere mihi non ita statim vacabar: quod tarnen nunc in mediis occu-pationibus feci, lubens, oblato aliquo commode temporis spaciolo, \\it tibi gratifioarer et ne tuis utilissimis laboribus remora ulla injicerctur, id nunc mitto: expectaturus et Catechismos ac missurus quam primum appulerint. Annotationes tuas in istum Catechismum statim D. Homjiio transmisi Leydam communicandas cum D. Gomaro et deinde mittendas ad Beoiuji et illinc denuo ad me. Petiisti tuo nomine, ut suum singuli judicium pcrscribercnt. Nemo eorum adhuc quicquam respondit. non memini e Zelandis audire quod tu scribis de approbata publico decreto ab illorum Ordinibus con-fessione nostra: scripsi ad D. Faukeliüh, si id verum est et exemplum ejus haberi posset, ut mittat. Iliud do erroribus notatis ab Heydelberg in scripta tou isivx, apud me erit in tuto, nisi quod illis qui me monuerunt significabo in genere non vanum esse rumorem. A tuo seripto non recedimus quoad substantiam in nostro, imo quaedam transcripsimus e tuo; ipse videbis brevi: nunc jam circumfertur per Provincias por idoneum, ut ab omnibus signetur: brevi etiam ad tuas manus perventurum; tunc ipse judicabis, quid inter tuum et nostrum intorsit. Vidi literas D. D. Reüteri Magniflci Heydelberg ad D. Fojjtaxcm, quibus ostendit dolorem et suum ot aliorum doctorum virorum collegarum suorum de audacia quorundam oritioorum liane Catcchesin ot Confessionem sugillantium. Conqueritur autem ipsos illic in oadem navi versari: ante tres annos enim quosdam illic quaedam in praedecossorum suorum scriptis eoepisse carpere et nominatim quaestiones in Catecliesi de fruotu S. Nativitatis Christi, de manducatione Christi, quae nil sit nisi credere et non uniri cum Cbristo. Sod Elector

ph(/.-■, waaraan de brief is ontleend. Hij volgt daar echter op Helmichius\' brief aan Lubhertuis, J.d. 4 Oet. 1007, zoodat ))eiigt;emquot;, dat boven den brief is geschreven door den afschrijver, Lubbertus aanduidt. Bij de beide eerstvolg. brieven is het evenzoo.

24

-ocr page 384-

bijlage d.

ro intolloofa, oonvocatis aliquot thcologis ot ministris ne illi aliquid novi moliantur et hujusraodi Disputationos porpotuo silontio obrui mandavit; nolle enim se quicquam ab Avi sui Confessione et Catechesi dimoveri. Ita quies quidem est, sed etiam foventur opi-niones. En, mi frater, quomodo Diabolus passim nobis insidiatur ot concordiam sanctam, quia hactenus Lutheranis, in faotiones divisis maluimus, nobis invidet, et eripere conatur. Addit de ou-jusdam N. et scolastica Thoologia, qui monitus a Comit.

Nasov. (jussu Electoris) genoralitor rcspondit, si quid falsi doceret, id a suis collegis notatum iri et alia quae scrupuluin non eximunt sed augent. Addit denique, se et oollegas judicare satius esse ista tegi, quia evanitura sperant: alioqui si scriptura edant, fore ut Novatores inde oocasionem oapiant sua somnia palam defendendi. Haco volui te quoquo scire, nisi forte jam ante et hoc et phira alia inde intellexisti. Nam iste N. cujus fit mentio propter hspodicixtrx. idem ille sit de quo ego nuper ex aliorum relatu ad te soripsi et tu modo respondisti, ambigo. Suspioor eundem esse. Vale cl. D. Doctor, Deus O. M. tuis sanctis laboribus benedicat. Hoc pene exciderat de illo Gretseri libro. Vidi in offieina, non legi: con-questus etiam de eo mihi est Dominicus Baudius Leydens. Professor. Videtur iste maledious Jesuita, una fidelia multas parietes simul dealbare voluisse, ut nuper farinae ejusdem homo fecit\'), itidem virulentissime in suo Amphitheatro Honoris tx. trpxr-rouuiv liujusmodi homines, quando ita malodicunt. Nuper quidam i. e. Baudius amicus iste Gretseri libruin vocavit horribilem: quid mirum si horribilia convitia eructent istae horribiles putei horri-biles locustae. Iterum vale. Amsterdami celeriter m Decembr. cioioovu. Commodum ante discessum tabellarii hodie v Decembr. appulerunt Catechismi. Ecoe ergo tibi.

Tui observantiss.

l

Werxer HELMicmrs.

1) Hier staat op don rand bijgoscUrovon; Claras Bonarscius. Carolus soribauius intolligitur.

-ocr page 385-

BIJLAGE D.

Brief van Helmichius aan J. fter.ius te Dordrecht, d.d. 2S Dec.

1G07. Berustende in hel Oud-Archief d. N. H. K., Nr .31, A.

(Hiervoren aangehaald op biz. 2G4 en 265.)

LI

Eersame, disc.vete, lieve broeder, lok liebbe sedert mij leste schrijven vaïï 12 deser, u 1. packet op den 17 ontfangen, en sal daermede doen na behooren; nu laet lek u. 1. weten dat iok op gisteren ontfangen hebbe ons groot packet va onse Eedenen te rugge wt Vrieslandt van D.D. Sibrando en tselve siende was iok verblijdt als hope» dattot nu getekent sijnde, haest gereodt soude wesen: maer geopent hebben D. Sibrandi brieff daerbij gaende wierd ik bedroefft: omdat iok daenvt bevondt de langsaemicheyt onser sake dat ons Sohrillt so langsaera gereedt wordt, en vreese dat wij in schaemto mogen comen by de E.E. Staten off se ons onse Redenen alfeijschten, en wij noch ongereodt waren. En ick en durff niet porren om te gaen sollioeteren ifi Haech tot het Synode gener. eer iok ons Schrifft gereedt sie: wat daar sullen mijns bedunckens woorden van vallen: en metsohaemte indin(sic) wij dan belovende noch lang sonde verbeijden: D. Sibrand. annoteert eenige punten die hij begeert verandert te hebben, en hij acht se so hooch, dat hij meent men behoort het geheele schrifft te herschrijven: en dat soude geweldich noch lage tijt nomen, en dan de onderschrijvinge op nieus te prooureren. En mij en duncken sijn punten van suloke gewichte niet. Ick heb se alle cortel. gedebateert en getoont met hoe weijnich woorden door deselve handt die te helpen sijn, indin men dit beteren wil: en voorts heb ick mij advijs metter haest int corte vervatet en huijden aen D. Gomar. gesonden, met D. Sibr. brieff, versoecten hij wille het terstondt oversien en sijn advijs aen u. 1. terstondt oversenden, all waertmet een expressen bode en u. 1. tselve alles hebben sal gelieven terstondt te doen om te concipieren cortelick\') tgeene onse drie advijsen meest wtbrengen: en dat gedan hebben, mij de stucken terstondt wederö senden, om D. Sibrand. terstondt wederö te adviseren en tot ondertekeninge te vermanen. Daerö schrijve

1) De vier laatste woorden staan op den rand.

-ocr page 386-

BIJLAGE D.

iok dese waorschuwinge voorwt opdat u. 1. haer gereedt honde: ten is niet lang werck. Maor olf die vii Groeningen dan oook wat hadden te seggen I Dit is de vrucllt va haerlieder absentie. Wij hebben daervan geseoiit [?] dat wij het oversenden va het SchrifTt tot ondertekeninge niet begost hadden an Sibrand. en Grooningen

omdat sij niet tegenwoordieh sijn geweest. Den Heere bevolen,

P]

met grote haest, wt Amsterdam desen 28 Decebr. 1G07.

u. L dienstwill.

W. Helmichitjs.

Onderaan links staat nog:

Wat sohadet off eenige woorden in ons schrifft .... verandert sijn, off met deselve handt op de oantgestelt!

Eersamen, welgeleerden en seer disoreten D. Johanni Becio, Dienaer dos Goddel. Woordts, tot Dordrecht.

Den bode Loon.

Brief van Hehnichius aan S. Lubbertus in Franeker, d.d.

15 Jan. 1608. Berustende in de Bihlioth. van het Fr.

Genootschap te Leeuwarden.

(Hiervoren aangehaald op blz. 2, 2G3 en 2G4.)

Keverende D.D. Aceepi fasciculum oum tuo judioio. Gaudebam cnm primum viderem manibus meis restitutum, jam, ut conjioio-bam, consignatum: sed perleotis tuis Uteris, gaudium meum oon-versum fnit in dolorem, propter moram injeetam subsoriptioni, non exigua existimationis nostrae jactura, nisi et causae. Nam nos oerte de Synod. General, apud Ordd. General, instare non audenms, nisi parato hoe nostro scripto, cjuod expectamus futurum ut postuletur. Quis autem turn pudor nobis, si nondum fuerit paratum et ad manum? Communicavi tamen consilium cum D. Gomaro et Becio. Totum soriptum mutari et ad judicium tuum, totum describi jam non potest, quod ejus rei legitimam noccssi-

LTl

-ocr page 387-

bijlage u.

tatem non videmus: turn etiam. quia uimis longam moram seoum trahit tuin descriptio tum nova subsoriptio: neque haec suprema sine periculo oiïensionis apud alios fratres, qui euni subscripse-runt: denique subsoriptio amplius liaberi nequit, quutn interoa decosserit D. Leo. IIoo igitur statuto, oorreotiones tuas expendimus et licet causae nostrae nullum periculum inesse credamua relicto scripto uti est, absque ulla mutatione, tarnen quum etiain oorreotiones tuae quaedam neque absurdae neque mutiles essent et facile adhiberi sine scripti nostri non renovati commaoulatione singulari, possent, voluimus libenter hoe tibi tribuere, ut eas adderemus quatenus commode id fieri potuit. Aecipe ergo et vide quid factum pag. i, lin. xxiv, pro hij de Synode: licet nullum dis-erimen videamus in gratiam tuam posuimus door de.

Pag. m, lin. iv, collata oum pag. i, lin. xx, ubi tu putas esse contradictionem in, alle tsaemen, postea, die beschreeven sullen worden, eam nos non videmus: nam alle intelligendum est non simul eodem tempore, sod successive, primum in Gener. Synodo, deinde in Provincialb. etc. quisque suo tempore et ordine: tamen ut tibi satisfaceremus et ansam calumniandi praecideremus dele-vimus haec verba, alle tsamen, etc.

Pag. vin, linea penult., Door welke toy anders, ubi vis nos magis asseveranter et serio loqui; quanquam putamus, id modestiae causa studiose ita scriptum, tamen in tuam gratiam mutavimus ita, \'t rcelck voorwaar niet anders verstaen en kan worden.

Pag. xi, lin. xxx, soo en kunnen wy uyt haare woorden anders niet, etc. de isto judicamus, imo nobis constat, ut in praecedenti nota: et tamen eodem modo mutavimus, ut videbis.

De libertate debite oppugnandi Cateohismum, putavimus quidem satis id jam expressum esse in Formula judicii nostri Ordinibus oblati..

Deinde pag. xm, xxxix, et pag. sequenti lin. iv, in verbis, et vi illorum, aen de selve refereren, et pag. v, lin. xxm, etc., tum pag, vii, lin. I, etc.: tamen in gratiam tuam addidimus aliquid, loco opportuno: pag. xm, lin. xxxlx, ut videbis. Quod autem scribis, nos eos quasi liberasse ab obligatione subscriptionis, non convenit, ut ex pag vi. et vn. liquet, nam ubi non est talis obligatie, ab hujusmodi etiam non est solutie.

liii

-ocr page 388-

UIJLAOE U.

Quotl scribis do convocatione Synodi facta ut novae ooutrover-siae moverentur (sub finem literarum tuarum), id etsi dubitomus num solide et extra oavilli periculum dioi possit, tarnen etiam addidimus, sed in altero scripto, contra clausulam Revisionis in indictione Synodi, ubi istud collocavimus, pro rations vi. ut videbis.

Atque liaeo quidem sunt quae mutavimus et sine difficultate mutare potuimus. Reliqua quia nisi desoripto toto scripto, addi non poterant, omisimus: quod te etiam non aegre laturum con-iïdimus. Quaestionum ordo a te praescriptus, etsi ratione sua non caret, tarnen non tantum a nostro ordine discrepat, ut propter ilium, molestiani et periculum integrae descriptionis suscipiendum censeremus: praesertim quum nos in his quaestionibus formandis secuti simus verba formalia Fratrum dissentientium ut et quaestionum ab Ordinibus propositarum, quod est longe certins et tutius. Maxime in prima quaestione, nos plane nullam differentiam agnos-cimus ut plane miremur sententiam tuam: aut certe non capimus. Exaggeratio a te desiderata satis certe clare videtur nobis expressa, pag. xn, lin. xxm. De exaggeratione majore responsi nostri ad illa verba, op geen ding als alleen op Gods Woord, judicamus idem, quod supra de ordine quaestionum. Distinctio tertiae quaes-tionis a secunda, etsi non est incommoda et ad majorem perspi-cuitatem aliquid faciat et ita etiam formari posset si res esset Integra, tarnen non putamus adeo necessariam esse, quum utrumque membrum satis aperte tractetur. Et coineidunt, vel duae quaes-tiones, vel unius quaestionis duo membra distincta. De quarta quaestione respondemus eam non recte a te formari; neque enim controversia est inter nos de clausula indictionis simpliciter et in forma: nam illius clausulae de Revisiom, omissionem in indictione Synodi, nobis condonant Fratres dissentientes; ut infirmioribus scilicet: sed controvertitur de necessitate Revisionis in Syn. nationali tanquam ea sit essentialis Pars Synodi Synodi (sic) nationalis. Nostra autem quaestio m complectitur utrumque dis-tincte et quidem eo modo quo Dissentientes loquuntur.

Habes, mi D.D., sententiam nostram cum rationibus. Tu cogita si omnia ilia pro juditio tuo mutassemus an etiam aliis omnibus Fratribus, turn illis qui subscripserunt, turn qui adhuc subscripturi sunt, placitura fuerint.

LIV

-ocr page 389-

bijlage d.

Jam te obnixe rogamus, Reveremlao (sic) Domine, ut nuKa amplius mora, quam citissime huno fascioulum, post signatum a te, soriptum soriptum (sic) porro ad D. BoüERMAXxm transmittas oum mandato ut aooeleret. Profeoto enim periclitamur do existi-matione. Et credo vehementor mirari Groeningonses, quod istud nondum viderint. Tuas observationes iu Catechesin Goudanam, intra paucos dias remittam cum juditio D. Oomaiui et D. Becii, atque etiam meo. Occupationum moles non permisit illas nunc una mitti: Tabellarii oportunitas nunc fuit observanda et fasciculus iste majorem postulat accelerationem. Vale cl. D. Doctor. Deus laboribus tuis benedicat et zelum sanctum tibi adaugeat.

Amsteldami xv janu. ccaocvvin.

T. R. Addictissimus, Wekxerüs Helmicuius.

Brief vun Helmiclüus aan J. Btcius te Dordrecht, d.d. 19 Febr. 1608. Berustende in het Oud-Archief d. N. H. K., Nr. 31, A.

(Hiervoren aangehaald op blz. 264.)

Eersame, discrete, lieve broeder. Die noch comt, die comt all, hoewel hij langsaem comt. Dit packjen heefft eijndelick alle Provinciën doorwandelt, en comt nu tuwent wederö thuijs. Wil nu voorts besorgen wat va node is opdat men gereedt sij alst noot is. 1). Plancius heefft de voorleden weke den advoc. Barnevelt aengesproken opt stuck des Synodi nationael, dan de antwoordt was, dat do H.H. nu so geoccupeert waren met de sake va de peijs, dat men tot die materie nu niet verstaen konde: dan meende dat men halff maert daarvan soude mogen handelen. Wij sullen op die tijt letten. lok hadde lestmael geschreven va eenige fauten die iok aengemerckt hadde in het grote Schrifft: en datsijndese. Ten eerste fol. 2, verso, int artijckel 8 is een xyavTXTroSoTov: iok kan niet sion watter aen ontbreeckt: wat daer staet, niet alleen alle synodale en classicale en alle kerckeraden: hierop past dat comen soude xksSoïi; maer oock off dierglijoke: maer dat en

lv

-ocr page 390-

liUlAUE Ü.

voloht uiot: ick vermoede dat liet wesen moet, maer oock alle kerckeraden: dan vloeijt het wel: u. 1. sal daerop mogen letten. Fol. 3, verso, de alderleste woorden opt eijnde, Maer is tot-, die twee leste partionlen is tot staen so doncker dat men nauwelioks sion kan wat het is. fol. 7, pag. a, linea 9\'\' a fine, qui incipit Eyndelick, hoc est hiernae volgen quod melius dici[tur] Hier wt. Aengaen het ander Sohrifft: va de Eedenen tegen de Revisie dat moet nootsackelick nu wtgeschreven worden int net om de eene ondertekeningo wille: \'twelok u. 1. sal gelieven te versorgen. lok sende u. 1. oook hierbij de twee oopijen daervan mentie gemaeckt wordt in ons Schrifft: te weten va de Palsgraeff en van die va Oroeningen. Deselve hebben onlanx eenen brietl\' geschreven aen onse keroke, gevoecht bij het Packet va de ondertekeninge dat sij expresselick niet begeeren toe te staen een Synode met clausule va Revisie en op anderen voet als onse Advijsen in Ilaghe medebrenghen: oö\'te protesteren expresselick daertegen indient anders valt: dus waersohuwende dat wy geen andere Acte aen en nemen.

Den Heere bevolen, met onse groetenisse.

Tot Amsterdam,

desen 19 Febr. 1G0S. u. 1. dienstwillighe

\\V. HELincnius.

Onderaan links staat nog:

lek bidde u. 1. dese 2 ingeleijde brieven te bestellen aen liesfeit en mij behoude neetï.

Eersamen, welgeleerden e» seer discreten, D. Johanni Beoio, Dio-naer des Goddelicken Woorts, tot Dordrecht.

Den brenger loon.

LVI

met een......\')

I) Een paar onleesbare woorden liet ik weg.

-ocr page 391-

hijlage i).

Brief van Hdmichius aan S. Lubbertus in Franeker, d.d. 24 Juni 1608. Berustende in de Biblioth. van het Fr. Genootschap te Leeuwarden.

(Hiervoren aangehaald op blz. 275 on 277.)

Cl. D. Doctok. Fasciculum librorum ox Anglia allatorum, una cum meis litoris ad XIX hujus mensis datis fidelitcr jam ad to perlatum esse confido. Non est ergo quod de eventu conventus nostri Hagani ad te nunc scribam. Hoc tantum nunc interrogas, an D. Gom. mentionem feoerit omnium dogmatum: soito, minime. Aliquorum tantum de quibus justa erat suspioio; ita tamen, ut testatus sit se nolle praejudicium faccro aliis sive lliuistris verbi sive quibusris aliis, qui aliquid contra Armin. proferre tempore Synodi possint et velint: imo ne sibi ipsi quidem, si forte post hac quaedam certius rescisceret vel aniraadverteret. De Synodo praesertim Provincial! promiscrunt D. D. Ordines, ore D. Barneveldii, omnem operam suam: quando illis vehementer illud inculcatum fuit, Synodum prorsus esse necessariam, ut unicum et componendi dissidium romedium, nisi Hollaudiam propediem imo Ecclesias in partes scindi volint. Mitto autem tibi legondum Zarnouvrecium contra Socinum, qui tibi nihil quod in mea potestate est, recusare unquam velim: lectus tamen quam primum remittas, quia etsi tumultuarie ob ingens meum lectionis desiderium compactum per-legere tamen totum nondum licuit: percupio tarnen attente per-logere, quia mihi haec controversia Socini nova est. Cujus vel rationes vel librum nullum antehac videre contigit. Utinam noster iste, plane sit ab hoc ore blasphemo alienus. O! tempora in quae incidimus! quando ipsissima etiam Christianae Religionis funda-menta convelluntur passim. Libellum tuum nondum vidi: credo adhuc esse penes D. Fesiüji aut D. Gomartoi. D. D. Ariun. üitenbog. et Borrius Leydensis Minister, hie una fuerunt in hac urbe: quo oonsilio ipsi viderint: dicuntur spargere nihil admodum esse oontroversiae: nihil esse quod non facile componi possit: itaque de nullis turbis metuendum esse. Sed alia puto illos loqui inter suos, quibus secrotiora committere solent.

lvu

-ocr page 392-

BIJLAGE D.

Valo, Keverende D. D. Deus tuis laboribus benedicat. Celeriter Arasteldami. xxiv. Juuii cioiocvni.

Tui observantiss.

Wekker. Helmghius.

Brief van Helmichius aan J. Boyerman in Leeuwarden, d.d. 29 Jun. 1608. Berustende in de Bihlioth. van het Fr. Genootschap te Leeuwarden.

(Hiervoren aangehaald op blz. 84, 273, 275, 27G en 277.)

Observande, idemque integerrime frater, jam cogitabain de literis ad te pro amioitiae nostrae jure dandis, et quia de oonventu Hagano sollicitum fore credebani; quum ecce tuae mihi traduntur, datae vn Jun. stylo vestro. Valetudo autem mea affeotior et uon-dum plane restituta, ex quo Haga redii, moram mihi in soriben-dis ad amicos literis injeoit. Quod D. Sibr. te monuit, nos esse bono animo, et felicem sperare eventum, bene et vere monuit. Collatio inter D. Gom. et Arm. amice habita fuit, de aliqiiot praeoipuis ehristianae dootrinae oapitibus: inventus fuit inter illos dissensus: talis etiam ut necessario Synodum requirat judicem: Provincialem quidem, si id fieri possit, vel certe nationalem quando in hoc conventu Judex competens non aderat, et ipsi D. D. Ordd. testati erant ab initio conventum istum eo non speotare ut judicium de dootrina in illo ferretur: sed tantum ad inquirendum, essetne dissensio in dootrina, et quanta: et an oonoiliari possit. Quod autem ista conciliatio necessario requireret judicium de rebus gravibus rejectum fuit negotium in Synodi indictionem: intermedio tempore dum Synod, indicitur, Professorib. injunctum fuit ut se intra limites Cat, et Conf. oontineant.

Capita doctrinae quaenam sint, voluerunt Ordines silentio con-tineri certas ob causas. Sed hoc tamon in plano Ordinum Holland, consessu dictum fuit a nobis, dissensum esse non tantum in ar-ticulo Praedestinationis (quod videri volebat ille qui nobis totum hoc negotium et molestias confecit) sed in plerisque aliis funda-

Lvm

-ocr page 393-

BIJLAGE D.

mentalib. doctrinao christ. capitibus: nequo etiam jïoipue in artic. de Praedestinat. Addo et hoc (sed cave id a me inteilexisse pro-fitearis, est enim in Ordinum consessu (non in nostro oolloquio) gestum, et propterea jam percrebuit) Dm Gomarm deolarasse, se cum fide D. Arminii eori Jesu Christo comparero non audere. Deinde libere et serie Ordines monuit, ut videat nequid Ecclesiae capiat detriment!: nisi enim hisce dissidiis mature obviam eatur jore ut tandem Ecclesia contra Ecclesiam, Minister contra Minis-trum, Classis contra Classem, denique Synodus contra Synodum et urbs contra urbem insurgat: periclitari ët Academiam ipsam: quod paratus sit idoneo tempore et loco demonstrare. Ego puto initia jacta ejusmodi, ut posthac haec causa utiliter pro defen-sione incorruptae doctrinae tractari possit. Exemplum decreti Synodi Suydholl. babes hie inclusum quod ego miror quo inodo Utenbogardus asserere audeat nullo respectu Arminium cum suis attingere: imo gravamen illud quod huic decreto occasionem dedit, ut est ex negotie Arm., et decretum ipsum proprie totam ipsius causa in ipso et omnibus ejus assectis, respicit. Uti ex verbis Decreti facile intelliges: in genere quidem Professores nominantur: sed pacis causa, quum tamen de altero Professore nulla mala exstet suspicio\').

Vale. Deus benedicat tuis studiis. Amsteldami. 30 Jun. styL no. 1G08.

Tui amantiss.

Werneh Helmiciuus.

Eersamen, Welgeleerden en seer discreten, D. Johanni Bogermano, Dienaar des Ooddelicken Woords tot Leewarden.

1) Dezo zin is door Helmiohius naast den vooraigaanduu op den rand geschreven.

2) Eén woord onleesbaar.

-ocr page 394-

B IJ L A G E E.

(Hiervoren aangehaald op blz. 85, 8U eu 32U.)

Claegh-ghedicht op het overlijden van den

Wyssen, Vromen ende Welgheleerden D. WARNERUS HELMICHIDS Ghetrouwe Diender des Godelycken Woordes in de Keroke tot Amstelredara.

Ontslapen in den Heere den xxix Augusti cioiocvin.

\'t Amstelredam,

Bij Cornells Claefz opt Water int Sohryf-boeck bij d\'oude Brugghe/ Anno 1608.

Aen de Ghemeente tot Amsterdam.

Cond\' lek u Warnerum gheven,

Dit Dicht soud\' lok gheven niet; Maer nu hy is uyt dit leven,

Jlyne tranen iok u bie\'t.

Aen de

Studenten in de Heylighe Godheyd. Als ghy siet soo vele Helden

UDt God\'s Keroke wegh ghehaelt; Och! wilt Wijsheyds loop versnelden, Dat ghy dese schae betaelt.

-ocr page 395-

bijlage k.

Claegh-ghedicht op het overlijden van den

Wysen, Vromen ende Wel-gheleerden WARNERÜS HELMICHIÜS Ghetromve Dienaer des Godelioken Woords in de Kercke tot Amsterdam:

Ontslapen in den Heere den xxdc Augusti cioncvni. [Can ghesongen worden op do wyse van den XVI Psalm.]

I.

De vrome sterft en niemant neemt het acht/

Dat hy voor \'t quaed van ons word wegh-ghenomen

De boose/ ach! in syn boos herte lacht:

Vast sal God\'s straf op hem in \'t eynde comen.

O! God beghint van syn huys eerst zyn plaghen:

Maer in het eynd den boosen gheeft voel slaghen.

II.

Och! feght het niet! dat sioh niet en verblyd De Vyand van Gods Kercke: wilt niet claghen! En voedet niet de vreught van \'t volck vol nyd,/ Dat gheenen roem sy op ons schade draghen: Sy sullen wel in haer boos herte segghen:

Wie ons we\'erstaet, men in de aerd siet legghen!

III.

Des niet te min/ Warneri, ghy en suit Dus onbeweent het Graf niet gaen bewaren: Wy willen ü betalen onse schuit/

En schryven Dicht op des ghedencks Altaren:

Dat \'s al den loon die wy u connen schinken/

Dat om ü doodt wy soute tranen drinckon.

LVI

-ocr page 396-

BIJLAGE E.

IV.

Den yver sterok tot Godes Kercke dier

|Die als het Goudt nu word in \'t vyer boproevet1

Die heeft u hert vorteeret als een vj-er/

En d\' uyt n lyf n Heyl\'ghe ziel ghoschroevet;

Ghy waert te goed, om in \'t boos dal te blyven:

Ohy waert te sacht/ om met straf volek te kyven.

V.

Sal dan u Licht soo uyt-geblusschot zyn?

En sullen \\vy u stemme niet meer hooren? Hoe? sullen wy niet meer sien u aenschyn? Soo moeten wy in ons ghetraen versmooren!

Berst/ o myn hert/ om den ghemeenen rouwe! Dit segh ick: maer hoort eens diens Man ghetrouwe.

VI.

De Heere sal zyn Kerck versorghen wel/

En \'t\'zyner tyd haer vele Herders gheven/

Die in het spyt van Doodt/ van Satan/ Hel/ De sehaepkens trouw\' behoeden voor het beven. Aen my en is de Kercke niet ghebonden:

Gae ick van hier/ een ander word ghesonden!

VII.

Dees woorden maar diep in u herte schryft! Dat naer wat nieuw \'s uw\' ooren niet en juoken: Maer bij de Leer/ die ik u leerde/ blyft;

Vernieuwen licht sagh ik noyt wel ghêlucken. Och! dat sy al te schanden moghten comen Die nieuwe Leer licht leeren voor den vromen.

vm.

De wereld is verouwert als een cleedt:

De Godes vrucht is naer de Lucht ghevloghen: De Liefde/ 0 die en is niet meer heet:

Van dese eeuw\' niet goeds wy wachten moghen. Wee/ wee/ op die/ die \'t swacke hert beroeren/ End\' in GocCs Kercke nieuw\' Leere willen voeren!

i.xn

-ocr page 397-

BIJLAGE E.

IX.

Tok sterve op de Loere suiver reyn

Die in dit Land gheleert is vele jaren/

Christ hebb\' ick U gheprediokt: dien alleyn

Moet van de sond\' ons vryden en bewaren:

Des mensshen craclit glieef ick niet dan de sonden;

Daer word niet reyns in d\' arme mensch ghevonden!

X.

Daer op comm\' ick/ (\'gt; hooghste God, tot dy:

Daer op gheef ick myn ziele in IJ handen!

O wat sie ick hier eene stede bly!

Foey \'t acrdsche dal, vol sonden en vol schanden! \'T is hier al vreught/ die niet en can verdwynen! Door Christi doodt/ ontvlieden wy doods pynen!

XI.

B e s 1 n yt.

Laet dan in Vreed\' hem rusten/ o myn Dicht:

Laet hem den loon van al zyn Sweet ghenieten: Bedouwet ghy met tranen U ghesicht/

Om dat de doodt comt sulcke Mannen schieten/ Den eenen voor en d\' ander naer gaet henen: Do sterren syn in groot ghetal verdwenen.

XII.

Maer ghy/ o die hebt met u dierbaar bloedt U Kerck betaelt/ wilt onsen Herder wesen:

Want soo van U wy worden niet ghevoedt Met hemelsch Broodt/ wy sterven droef bogresen; In uwen Oeghst D goedtheyd Herders feynde:

Blyft bj- U Kerck, 0 Heere, tot het Eynde.

LXIII

-ocr page 398-

ni.n.a.ne e.

(Hiorvoren aangeliaald op bin. 80.)

Graf- diclit op het Christelick overly den van den

Godvruchtighen; Vromen ende Hooghgeloerden/ Warner us Helmichius,

Ghetrouwe Dienaer des Godelioken Woordes in de Eeroke tot Amstelredam;

ontslapen in den Heere den xxix Augusti a.nncrai.

DE doodt heeft in den oeghst des Heeren groot behaghen, Dat sy soo allen dagh haer seyssen daer in sendt:

Hier light WARNERüS wys; in \'t Graf is hy gheslaghen: Och! nu wy hem zijn quyt, is hy eerst recht ghekent!

Soo langh als men besit de Mannen wys op eerden,

Zyn sy slyck, zj-n sy dreck, gheachtet min dan niet:

llaer als sy zyn in \'t Graf, dan zyn sy groot van weerden De Deught wy loopen naer, wanneer sy van ons vliet.

Dees schade leere ons de Wyse in haer leven Te achten, dat wy niet en leeren met haer doodt:

Want als sy eens om hoogh van ons zyn op ghelievon, Wy blyven in den druck, en sy in Abrams schoot.

De doodt doet LEVEN.

(Hiervoren aangehaald op blz. 80.)

Een ander Graf-ghedicht.

Hier word hot Aerden vat van dien Warner bewaert: Do ziel\' als schoone Ster nu in den Hemel claert: Al wat vorganghlick is, dat blyvet in dit leven: Al wat vast blyvigh is, dat word omhoogh gheheven!

lxtt

-ocr page 399-

bijlage e.

De Vrome als hy leefd, word liy gheachtet cleyn: De Vrome als hy sterft, word hy gheeert alleyn: Daeromme comt de doodt de Vrome Lieden slachten: Want als sy sterven niet, wy haer niet willen achten!

Warneri, ach! ghy moest, om ons\' ondancfcbaerhoyd Hier in dit duyster huys der Wormen zyn gheleyd; En wy om onse sond hier in het doncker sworven: Ghy light: maer ö wy gaen, al tastend, ende sterven!

De doodt doet LEVEN.

lx\'

25

-ocr page 400-
-ocr page 401-

REGISTER VAN PERSOONSNAMEN.

-ocr page 402-
-ocr page 403-

REGISTER VAN PERSOONSNAMEN.

Biz.

Aa, van der, 8, 17, 19, 35, 42, 43, 58, 107, 109, 230, 299,

300, 304 en 317

Aa, R. van der,.....130

Abkonde, Johannes van, . . 316

Acijuny, dr.,......107

Acquoy en liogge, .... 29 Acronius, ds. J., 80, 263 on 303 Adriaensz., 1\'ieter, . 139 en 140 Aemilius, Petrus, 174,175,176

en 177

Agricola,.......123

Al monde,.......60

Alplien, M. W. L., . 41 en 161

Alting, Menso,.....174

Alva,.........25

Ambrosius, Johannes, ... 71 Ampsinck, J., (Ampsing), 168 en 169

Ampzing, S.,......168

Andelius, Johannes, . 107 en 166 Andriessen, Jliohiel, 141, 142

en 143

Andriesz, Jan,......301

Anna, Gravin van Buren, . 109

Biz.

Areerius, Joh.,.....35

Arentsz, Jan,......24

Arien,........53

Arminius, 66, 71, 77, 83, 84, 85, 88, 150, 154, 177, 187, 188, 190, 191,211,213,230, 231, 232, 233, 234, 235,236, 237, 238, 239, 240, 241,242, 243, 244, 245, 246, 247,248, 249, 252, 253, 254, 258,259, 265, 266, 267, 268,269, 270, 271,272, 273,274, 275,276,

284, 317 en 318

Baehiene, . . 115, 157 en 162

Backer, Erasmus,. . 100 en 101

Balek, IJsbrand,.....103

Banosras,.......17

Barcon, Monsgr.,.....22

Barendts, Johannes,.... 56 Bastingius, Jeremias, 41, 65,

106, 146, 195 en 196 Baudartius, 50, 51, 84, 148, 203, 289, 290, 291, 292,293,

294 en 295


-ocr page 404-

IAX

Biz.

Biuim, Cunitz en Heuss. . . 18

Becins, Aegidius,.....17

Becius, Joh., 17, 50,1G7, 1()8,

258, 261, 262, 26S, 264 en 265 Berg. li. M. van den Berg van

Saparoea.......89

Bergerus,.......116

Berglie, Theodoras van den, . 56

Berk, Petrus,......104

Bernardus, J.,......249

Bert, Petrus de,.....96

Bertius,..... 230 en 249

Bertram,.......5 en 6

Beyma, .... 48, 62 en 63 Beza,. . 5, 96, 98, 230 en 245 Billichius, Adamus, 187, 222, 223, 224, 225, 226, 227,228,

en 229

Bleyswyck,.......45

Bloekhoven, (rerardus, . . . 107 Boeles, mr. W. B. S., . . . 115 Bogerman, 84, 263, 264, 273,

275, 276 en 277 Boitet, .... 45, 46 en 73 Bommelius, Everardus, 165 en 169 Boogaert, Joannes .... 182

Boon, dr. A. Gr.,.....73

Boquinus, Petrus, . . . 7 en 8 Bor Cz., P., 9, 14, 22, 30, 36, 39, 40, 41, 42, 62, 63, 96,

97, 98, 101 en 102

Borger,......3, 23, 45

Borre, A. van den, 43, 248,

249 en 250 Bosboom-Toussaint, A. L. G.,

94, 317 en 319 Bourlier, E........44

Bk.

Brakel, van,......208

Brandius,.......263

Brandt, C., 71, 231,234,235,

237 en 240 Brandt, üs, 2, 36, 39, 86, 89, 107,134, 160, 191,237,243, 247, 253,255, 256, 272,273,

276 en 317

Brandt, M. J.,.....300

Brin(e)k, ds. Hendriek ten, . 1 Brouekhoven, Foij van, . . 133

Bruinvis, C. W.,.....178

Brunscherus, Thomas, 161 en 202 Brutel de la Rivière, Gr. J.,

26, 27, 29 en 30 Bruyn, C. A. L. van Troosten-

burg de,.......88

Bude, L.,......5 en 6

Burman, C., 2, 43, 51, 86, 304

en 318

Bygaerden, Casper van, 187, 213,214,215, 216,217,218,

219, 220 en 221. Caesarius, Henricus, .... 107 Calvijn, 5, 8,19, 230, 236, 245,

247 en 313 C\'asembroodt, Leonard, ... 43

Castalio,........99

Chevalier, A., ... . 5 en 6

Clonck, Andlies,.....310

Conehardus,......115

Conynks, Baieken de, . . .178 Coolhaes, Caspar, 28, 130, 131, 132, 133, 134,135,136, 137, 138,139,140,141,142,187, 188, 207, 208, 209, 210, 211,

212 en 213


-ocr page 405-

LXXI

Coornhert,.......

Cornelisse, Aernt, (A. Cornelius, A. Cornelii, Am. Crusiua, A. Cornelisz) 3, 7, 9, 10, 11,13, 19, 33, 41, 45, 46, 56, 59, 71, 72, 83, 87, 97, 98, 102, 103, 119, 121,122, 137, 139, 143, 184, 196, 207, 209, 221, 230, 232 en

Cornelisz, Philips.....

Cornelisz, Pieter, 130, 131,132, 134, 135, 136 en Cornelisz, Pieter C. (van Alkmaar), 137, 177, 178, 179 en

Corput, Bartholomeus v. d. . —, Hendrik v. d., 62, 87, 100, 134,137,138, 140.141,156, 208 en

Coster, Frans, 239, 310, 311, 311, 312, 313, 314 en Conwenberch, Gillis van, . .

Crenius.....29 en

Croese, H., . 58, 59, 71 en Cromhout, .... 150 en Cronenburcli, Jonkheer van, 157, 158 en

Croutels, Jean......

Cuclilinus, 7, 69, 70,73, 137 en Cuno, Fr. W., 8, 12, 13, 14.

23, 59, 63 en Cupns, Tilmannus, 111, 115, 147,160,161,171,182, 204, 222, 229 en

Dalton........

Dammius, Joannes, . . . . Danaeus,.......

Biz. 230

233 70

137

180 178

219

315 168 299 88 155

159 32

246

247

299 15 137 302

Biz.

Datheen, . 8, 16, 17, 19, 21 26

Debora........35

Dechent.....12 en 15

Demetrius, Andreas,.... 17 Oermout, Ypeij en, (zie Ypeij).

Dieu, Daniel de, 14, 37, 38,

39 en 283

Dobbinus, Nicolaus, .... 6 Dodt van Flensburg 22,23,29 en 89 Does, trerard van der, 43 en 242 Dolegen, Daniel van der, 56,

248 en 249 Donteclock, 1{., 74, 194, 195,

230 en 301

Dousa,........60

Drogius, Adrianus, .... 56 Drost Dz., dr. A., .... 44 Drusius, prof., . . . 283 en 284 Duifhuis, Hubertus, 26, 93, 94, 95, 96, 97, 98, 99, 100, 301,

en 303

Duker, A. C., 43, 58, 69, 86 en 254 Ebrard, dr.,. . . 12, 14 en 17

Eduard, Koning,.....15

Egbertss, Roelof,.....71

Ehlers, dr.,.......12

Ekker, A.,.......4

Elconius, Hermannus, 28, 100

en 101

Elizabeth, Koningin, 14, 16,

35, 36, 37, 39, 40 en 104 Ersch und Griiber. . 31 en 313

Esther........36

Evers, mr. J. W. Staats, . . 224 Faukelius ..\'.... 263

Fontaine, ds. La,.....37

Fontanus, . 224, 227, 258 en 263


-ocr page 406-

LXXLL

Bk.

Blz.

Hailius, Joannes, 79, 131, 135,

Fortman, ds. N. A. de Gaay,

137 en

242

126 en

127

Halsbcrgins, . . . 124 en

255

Franssen, Heyndrick, . . .

52

Hartog, dr. A. H. de, . . .

8

Fransz, Claas,......

70

Hartog, dr. J., . . 51 en

178

Fraxinus, Lib., 50, 111, 114,

Hattemus, Oliverus, . . . .

300

123, 145, 167, 196 en

249

Hantz,........

8

Frederik 111, Keurvorst, 7 en

18

Hebelenius, Simon, . . . .

«8

Fresenius . . 12, 13, 16 en

18

Hellemys van Welle, Mr.

Friedlaender, Dr. Ernst, . .

3

2

Fruin, R., .... 36 en

160

Helmich........

3

Gabbema,.......

84

— Arnoldus Michael,

89

Gabriel, Pieter,.....

24

— Guilielmus Micbaelis,

89

Gaal, Peter,......

19

— Henricus, ....

89

Geesink, dr. W., 59, 63, 149,

— Henrieus Alardus,

89

231, 233, 234, 243, 272 en

278

Helmichii, Adrianus, . . .

89

Gerardi, 262, 263, 265, 267,

Helmichius, Andraeas, .

89

268, 269 en

270

— Gerardus, 88 en

89

Gerobulus, Johannes, 107, 116,

— Helinichsz.,

88

117, 120, 121 en

122

— Henricus, . . .

3

Geysteranus, Jodocus, 110 en

115

— Johannes, . . 2 en 3

Glasius,. . 58, 315, 317 en

318

— Wernerus, passim.

Gomarns, 17, 66, 83,188, 233,

Helmych,.......

3

234, 240, 242, 244, 246,

Henricus, Johannes, . 116 en

117

249, 250, 251, 253, 261,

Herberts, Herman, 187, 188,

261, 263, 273, 274, 275,

191,192, 193,194,195,196,

276, 284 en

299

197, 198, 199, 201. 202, 203,

Gooszen, M. A., . . . 7 en 8

204,205,206 en

207

Gosuinus. . . 262, 263 en

264

Herberts, ïheodorus, . . .

206

\'s Gravezande,. . 15, 16 en

20

Henna nnus .....

140

Grevinckhovins, Casparus . .

211

llespe, Lucas, . . . 131 en

133

Greydanns.......

28

Hessels, J. H.,. . 2, 17 en

18

Grindal, Edmund, ....

18

Heszhusius,.......

7

Grothe, J. A.,......

88

Heyden, G. V. d., . . . .

17

Grypsius, Bartholomeus, . .

133

Heijmanss, Jan,.....

209

Hackius,........

208

Hillenius (van Hil), Cornells.

Hagius, Andreas, . 196 en

209

178, 179, 182 en

229

-ocr page 407-

m

gt;

i

Blz.

Hinlópen, N., 281, 282, 283,

284, 285, 286, 288, 289 en 297 Hohenlo, Graaf van, 109,110,

111, 112, 113, 114 en 299

Holbrach, Willi.......13

Hommius, Festua, 86, 87,126,

248 en 274 Huogerbeets, Rombout, 62, 63

en 241

Hooijer, C., . . 40, 107 en 115 Hortensme, Hieronymus, 141 en 142 — Lambertus. . . 141 Hout, Jan van, 1, 28, 60 eu 61

Jacobsz, Huieh,.....46

Jacobsz, Joost,......52

Janssen, H. C^., 144,160,169, 171,173,174,182,204,205, 206, 211,213,214,221,221

en 229

Janssen, H. U., en J. H. van

Dale,.....46 en 192

Janssz, Aelbert, 160,161,162,

163, 164, 165, 166, 107 en 168 Jansze, Abraham, 169, 170,

171, 172, 173 en 174 Johannis, Petrus, . . . 45 en 64

Jung, Jr.,.......12

Junius, Fr., 8, 59, 63, 231,

232, 233, 242 en 282 Kemp, C. M. van der, 37, 41, 130,131, 132, 135,138,188,

190, 202 en 210, Kimedoncius, Jacobus, ... 33

Kist, N. C.,......76

Kist en Moll . . . 242 en 288 \'5 Kist en Royaards, 4, 22, 23,

24, 25, 26, 27, 28, 29, 30,

LXX1I1

Blz.

31, 74, 94, 95, 97,101, 102, 104, 105,140, 261, 262, 263

en 299

Klebitz,........7

Knibius,........103

Knuttel, dr. W. P. C.,. . . 316

Kras, Wijnant,.....212

Kriegk,........12

Kuyper, dr. A., 191,231, 254, 255, 256, 258, 259, 260,264,

265, 268, 271 en 275 Kuyper, dr. H. H., 5, 6, 8, 9, 46, 53, 81, 232, 233, 239,

242, 248, 251 en 254 Lansbergius, 126, 145, 146,

201 en 203 Lasco, Joannes a,. . . 15 en 16 Lauerman, Kornelis,. ... 4 Laurenti, Henricus, .... 304

Lefranc, Abel,......5

Lennep, M. F. van, 15, 17 en 18 Leo, Henricus,. . . 263 en 264 Leo, Johannes, 27, 166, 167,

263 en 264 Leycester, 33, 34, 36, 37, 38,

39, 40, 41 on 104 Leydekker, J., 84, 235, 273 en 275

Lindenius,.......284

Lipsius, Justus,.....133

Lodewijk, Willem, .... 178 Long, I. Ie, 15, 16, 17, 18,

19 en 304

Lubbertus, 86, 87, 259, 261, 263, 264, 273, 274, 275 en 277

Lydius........209

Margaretlia, 24

Maria, Koningin,... 15 en 16


-ocr page 408-

LXXIV

Bh. |

Maria, Prinses van Oranje,

109 eu 162 Marnix van St. Aldegonde, 281,

282, 283 en 307 Jlartensz, Clement, 150, 152 en 153 Matthisius, . 43, 180, 181 en 182 Manrits, Prins, . 43, 44 en 239 Meer, dr. B. van, .... 16

Mees Azn., tr.,.....141

Meiners, E.,......174

Meinersz, Simon, . . 151 en 155

Meteren, E. van,.....42

Meulman,.......310

Meurs, Graaf\' van, .... 104 Micronius, Martinus, 15, 16 en 17 Migrodius, Johannes, . . . 133 Miropins, Cornelius,.... 133 Moded, 9, 27, 29, 30, 32, 36,

100, 101, 104 en 279 Moens, W. J. C., . . . . 2 Moll, W., en J. Gr. de Hoop

Scheffer, .... 48 en 168 Muller, F.,. . 88, 89, 90 en 178 Muysenholius, Abraham, 29,

44 en 299

Mijle, Adriaan van der, . . 193 Mylius, ds. Joh., . . . 44 en 45

Ificasius, Joh.,......263

Kieuwenhuis, A. J. Domela, . 15 Nieuwstadt, mr. Cornells van de, 234

Nijhuis, (j.,.......88

Nijland, A. J.,.....89

Nijvelt, Willhem van, . 66 en 67

Obercamp, Peter,.....143

Oldenbarneveld, 41, 125,159, 234, 235,236, 255, 261,276

en 282

Blz.

Olevianns,......7 en 8

Oosterwijek, Albertus ab, . . 73 Üverdhage, Pieter, (Hyper-pliragmus: de Zuttere), 144,

145, 146 en 147 Parijs, (jijsberta van Parijs van

Lachmondt,......2

Pauli, Valerius,.....137

Perkins,........232

Petri, Theodorus,.....145

Philips, Koning,.....25

Philips, Landgraaf .... 18

Phrygius,.......224

Piscator, . 232, 289, 293 en 295 Plancius, ds., 71, 80, 124, 125, 127,188,190,211,212,233, 243, 255,256, 272, 273,283

en 289

Poelgeest, (jerrit van, 144,

145, 146, 147 en 148

Polanus, Amandus, . 243 en 244 Polanus, Valerandus, ... 16

Portus, Fr.,.....5 en 6

Pretorius, Harmannus, 100 en 111

Pythius, Fr.,......145

Quewellerie, ds. Chretien de la, 31 Baven, mr. J. W. L., . . . 13

R(h)eenen, van,.....23

Regius, Jacobus, . . 56 en 133

Reitsma, dr. J., 11, 33, 86,

284 en 295 Reitsma, dr. J., en dr. S. D. van Veen, 1, 3, 27, 31, j 34, 42, 49, 50, 51, 57, 59, 64, 65, 78, 82, 107, 108, 111,115,123,124, 125,127, j 141,142,144,145,146,147,


-ocr page 409-

LXXV

Biz.

148, 140, 150, 151, 152,15(5, 160, 163, 165, 166, 168,169, 170, 173, 175, 176, 177,180, 182, 183, 184, 102, 103,194, 195, 196, 197,108, 202,203, 204, 206, 209, 210, 211,213, 214, 215, 216, 217, 210,220, 221,222,223, 224, 225,227, 228, 229, 248, 252, 253,254, 256, 257, 258, 260, 263,265, 271,274, 278, 270, 281,282, 283,284, 285, 287, 288,280, 290, 291, 294, 205, 206, 297

en 311

Rendier, J. Gr. H., .... 160 Riemsdijk, Jlir. Mr. Th. H. F., 25

Ritter........12

Rogge, dr. H. C., 1, 4, 5, 8, 28, 20, 38, 41, 43, 44, 66, 69, 76, 85, 86, 107, 109, 115, 116, 117, 124, 125,130, 131, 132,133, 134, 135,136, 137, 138,148, 149,151,152, 160,178,181, 183,186,190, 197, 202, 203, 204, 207, 208, 209, 210, 212, 213, 223,231, 232, 233, 234, 237, 239,240, 242, 253, 254, 256, 257,258, 260, 261,262, 263, 265,266, 271, 274, 275, 276, 300 en 317. Rogge, Johannes,. . 182 en 284 Rolandus, Jac., 45, 56, 80 en 127 Romein, T. A., . . 148 en 174 Roy, Gualtherns de,. 41 en 106 Royaards, Kist] en, (zie Kist). Royenburch, Cornelis Martini,

28, 29 en 43

Blz.

Rutgers, dr. F. L., u, 2, 10, 21, 34, 68, 75, 78, 79, 80, 81, 82, 96, 122, 124, 125,

134, 189 en 212

Saravia,.....195 ea 196

Schals, Matthys,.....165

Scheller, W. Moll en J. (j. de

Hoop,......zie Moll

Seheltus,........1

Schotel, (j. D. J., 17, 32, 66, 156, 191, 193, 194, 243 en 254

Seisen,........8

Sepp, Chr., . 11, 66, 144 en 234 Seu, Jan, .... 13 en 17 Snecanus, (iellius, . . . . 51 Soermans, M., 49, 50, 00 en 200

Sohnius,..... 243 en 244

Someren, van,... 89 en 90

Soop, Cornelis,.....151

Sopingins, Xicolaas, 26, 29, 36,

37, 38, 39, 43, 44 en 98 Spranckhuyzen, ïhom., 50 en 167 Spruyt, Cornelis Meynertsz,

150, 152 en 153

Stolker,........230

Sttdhoff........8

Swerinckhnsius, C., 75, 109, 115, 117, 110, 119, 121, 146,

167,211 en 240

Sybrandts.......104

Sylvius, Joannes,. . 156 en 157 Taffijn, 8, 10, 11, 13, 62, 77,

102 en 132

Taurinus, Petrus,.....133

Thysins, J.,......00

Tiele,......180 en 301

Tilius,........133


-ocr page 410-

LXXVl

Biz.

Toorcnenbergen, J. J. van, 278, 281, 282, 283, 284, 286, 290

en 297

Toepke, (juatav,.....6

Topauder, Kutgerus, . . . 140 Trelcatius, 48, 59, GO, 61, 62,

246 en 253 Tremellins 7, 8, 13, 278, 280 en 282 Trigland, 22, 29,41, 51, 84, 85, 87, 94, 95, 96, 104, 125, 128, 130,131, 132, 133, 134, 149, 162, 174, 177, 190, 192, 206, 230, 231, 232, 235, 239, 240, 242, 249, 253, 255, 256, 258, 259, 262, 263, 265, 266, 267,

271,274,265,276 en 317

Tnnk, H. v. d.,.....26C

Uitenliovius, Joannes, 15 en 17 Ulenbergius, Caspar,.... 223

Ursinus,.....7, 8 en 271

Veen, dr. S. D. van, ... 80 Veen, dr. S. D. van en dr. J. Reitsma. Zie Keitsma.

Veirac, J.,.....5 en 6

Venator, Adolphus, 177, 178, 179, 180, 181, 182,183,184,

185 en 186

Venneeool.......42

Villerius, ds.,......103

Villerins, . . 157, 158 en 159 Vloten, dr. J. van, .... 74 Voet, A. W. K., 89,140, 223 en 229 Voetius, 43, 66, 85, 301, 313 en 317

Vondel,........74

Voorst, van,......46

Vorsterman van Oijen, A. A.,

2, 87 en 88

Gk.

Vos, dr. G. J.,.....71

Vrendenberg Cz., ds. H., . . 68

Wagenaar,.......160

Wal, prof, de,.....5 en 6

Wallesins, Johannes, . . . 291 Walsingam,.... 37 en 39

Water, to, . . .21, 189 en 311 Wiarda, J., 25, 93, 94, 95, 98

99 en 100 Wiggerts, Cornells, 67, 68,148, 149,150, 151, 152,153, 154,

179 en 188

Willem I, Prins, . . 109 en 193

Willems, Franco,.....144

Witte, H., .... 86 en 300 Wolf, ds. E. F. H.,.... 29

Wtenbogaert, J., 1,4,22,28,29, 30,31,32, 38, 39, 40,41,43, 44, 48, 51, 59, 65, 84, 87, 95, 99, 100, 102,108,116, 119, 134, 149, 150, 155, 156,177, 203, 221, 227, 228, 234, 235, 236, 237, 239, 240, 241, 242, 243, 258, 259, 261, 265, 266, 267, 271, 273, 274, 284, 303

en 317

Wyngaerden, dr. J. ü. de Lind

van,........278

Wijs, Cornelia de, .... 87 Ypeij en Dermout, 58, 140,

148, 160, 187, 188 en 287 Zanchius, Hieronymns, . . 7 en 8

Zeiler, P.,.......188

Zeyst, van,.......234

Ztiylen, Adriaen van, ... 87 Znylen, Elisabeth van Zuylen van de Haer . . . 77 en 88


-ocr page 411-

INHOUDSOPGAVE.

Bladz.

Inleiding........ ................x—iv

HOOFDSTUK I.

Helmiehius\' levensloop.

§ 1. Helmicliius\' afkomst en opleiding................1—11

§ 2. Helmicliius als dienaar des Woords te Frankfort a\'d. Main 12—20

§ 3. Helmicliius te Utrecht...........20—43

§ 4. Helmicliius te Delft............43—74

§ 5. Helmicbius te Amsterdam..........74—90

HOOFDSTUK II.

Helmiehius\' beteekenis.

§ 1. Inleiding...............91—93

§ 2. Helmicliius in zake de eenheid van het gereformeerde

kerkverband..............93—128

§ 3. Helmicbius in zake vrede en orde in de kerken . . 128—18G Plaatsen: A. Leiden. B. Amersfoort. C. Hoogmade.

D. Hoorn. i?. Loenen a/d. Vecht.

Personen: a. Aelbert Janssz. b. Abraham Jansze.

c. Petrus Aemilius. d. Adolphus Venator.

§ 4. Helmicliius in zake de wsuijvere leerequot;............187—278

A. Herman Herberts. li. Caspar Coolhaes. C\'. Caspa-rus van Bygaerden. D. Adamus Billichius. E. Jacobus Arminius.

§ 5. Helmicliius in zake de «translatiequot; van den Bijbel . . 278—298

§ 6. Helmicbius als schrijver......................298—31G

Besluit.................316—320

-ocr page 412-

BIJLAGEN.

A. Brief van den Kerkeraad der Nederlandsche gereformeerde kerk te Frankfort a/d. Main aan de stedelijke Overheid van Utrecht.................I—iv

B. Beroepsbrief van Helmichius naar Delft, en brief van den Kerkeraad van Amsterdam aan dien van Delft, waarin hij bericht dat hij Helmichius heeft beroepen......v—vin

C. Attestatie in 1602 aan Helmichius gegeven.....ix—x

D. Zes en twintig brieven, waarvan 22 van Helmichius alleen zijn, 2 door hem mede namens anderen zijn geschreven, een door hem en quot;Wtenbogaert is geteekend, en oen door hem

is geconcipieerd voor de Partic. N. H. Synode van 1595 . xi—lix

i?. Een wClaegh-ghedichtquot; en twee graf-dichten op het overlijden

van Helmichius..............lx—lxv

lxix—lxxvi

Register van Persoonsnamen

-ocr page 413-
-ocr page 414-
-ocr page 415-
-ocr page 416-

• ■ 1

.lt;■ - e.^