ocr page 1
ocr page 2

L. oct.

-

ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

ALr.EiMEENE BEGINSELEN

DE LEER DER^ REGTSCELD1CHEID

VERBINDTENISSEN UIT OVEREENKOMST.

zooals zich die in het Romeinsche Keirt gevonml en later in Enropa ontwikkeld heeft,

F. B. CONINCK LIEFSTING,

Vire-Prosiileiil lgt;ij iUmi lloogen Raatl ilcr Noileilamlci

\'s-(!r.\\ V KNIIAfiK,

(1EP.I!. HELINFANTE. 1890.

ocr page 6

Godrnkt bjj Geur. Bki.inkanïi;, voorli.: A. d. Schinkf.i..

■

ocr page 7

1 N L E T 1) 1 N G.

Reeds bij mijne academische studiën trof het mij, dat ik niet alleen aan het hoofd van het derde boek in de handleiding tot het burgerlijk wetboek van den bekenden advocaat A. de Pinto, wiens kort maar helder handboek destijds in aller handen was, maar ook bij de meeste Fransche schrijvers, die wij in dien tijd raadpleegden, het oordeel uitgesproken vond, dat de leer der verbindtenissen en overeenkomsten, die wij vaij.. het Romeinsche regt hadden overgenomen, enkel uitvloeisel van de natuurlijke billijkheid en het gezond verstand, enkel geschreven rede, ratio scripta, was.

Destijds had mij de algemeene leer der verbindtenissen bijzonder aangetrokken en op het voetspoor van Savigny waren inzonderheid de Romeinsche condictiën een voorwerp mijner studie geworden. Vol bewondering voor den grooten jurist zag ik den vooruitgang, door zijn System (les Jieutigen llömischen Réchts voor de regtsbeoefening verkregen ; maar liet kon mij daarbij niet ontgaan, hoeveel er nog op onderscheiden punten van de Romeinsche ontwikkelingsgeschiedenis ontbrak en wat er nog te doen viel, om na te gaan, hoe zich de eenmaal gevormde regtsbegrippen in het latere Europesche regt onder Germaansche volken en Germaanschen invloed hebben ontwikkeld.

In de Themis van 1861 vindt men het eerste gedeelte van mijne studie over de condictiën. Bij velerlei ambtelijke werkzaamheden en de moeijelijkheid der stof vorderde het werk niet snel; maar het ging toch geregeld voort in de verschillende jaargangen van Themis. In 1871 verscheen in dat tijdschrift, als slot van het oud-Romeinsche gedeelte, het Algemeen overzigt van de onder scheid en condictiën.

ocr page 8

IV

Volgens het gemaakte plan zou in de afzonderlijke uitgaaf, die tot zoover afgedrukt was, het overzigt volgen van hetgeen van de condictiën in het latere regtsstelsel was overgegaan en hoe en met welke wijzigingen zich daaruit de algemeene beginselen van het tegenwoordig regt hadden ontwikkeld. Daaraan sluit zich een deel der leer van het bewijs, alsmede de vernietiging en nietigverklaring van overeenkomsten. Ieder, die op het gebied van historische regts-studie zijne schreden gezet heeft, weet hoeveel daarvoor ver-eischt wordt. Onze hulpbronnen zijn daarbij dikwijls nog gebrekkig. Veel onderzoek, soms op zichzelf hoogst gewigtig, brengt ons vaak voor ons bepaalde doel weinig resultaat. Werkelijk ligt het veld van onze historische regtswetenschap op sommige punten nog braak. Het is mij soms voorgekomen. alsof wij, juristen, in dat opzigt achterlijk waren in vergelijking met andere wetenschappen. Zoo staan bv. den theoloog voor zijne studie verschillende bewerkingen der /üstoria dugmatum ten dienste, die wij op het gebied onzer regtswetenschap soms benijden kunnen.

De wetenschappelijk gevormde juristen beoefenden niet alleen het hedendaagsche regt; maar legden zich ook op het Romeinsche regt toe. Velen zien daarbij eenter voorbij, dat, hoeveel invloed het Romeinsche regt ook op de tegenwoordige wetboeken moge hebben gehad, daartusschen vele eeuwen liggen, die op de regtsinstellingen en regtsbegrippen, ook zelfs op de beginselen, die uit het Romeinsche regt zijn overgenomen, een grooten invloed hebben geoefend. Met een werkelijk naïven eenvoud zien wij dikwijls in onze commentaren een beroep op allerlei Romeinsche plaatsen, zonder dat de schrijver toont eenigszins gevoel te hebben gehad van de mogelijkheid, dat het Romeinsche regt op dat punt niet of in zeer gewijzigden vorm overgenomen was, zoodat de aangehaalde plaatsen voor ons regt niet kunnen gelden en alleen dienst kunnen doen, als toelichting, hoe zich daardoor en daaruit het nieuwe regt met zijne eigenaardigheden gevormd heeft.

Ongeloofelijk groot is de verwarring en de regtsonzeker-heid, die uit dit gebrek in onze regtsbeoefening ontstaat. Ik

ocr page 9

V

hel) daiirup gewezen iu mijn in 1869 verschenen Bezitrecht fl ). Op dat gebied ondervond ik de moeijelijkheden, om bij de vele juridische getuigen omtrent regtstoestanden in vroegere tijden de tinauwkeurige onderscheiding tusschen de geheel verschillende, maar toch op verscheiden punten in de praktijk tot elkander naderende, Romeinsche en Germaausche regt-stelsels, steeds in het oog te houden. Niet minder groot zijn de bezwaren, die men ontmoet bij de leer der overeenkomsten. Omvangrijk is het onderzoek, dat moest afdalen tot vele kleine bijzonderheden, die in het algemeene stelsel, dat aan het publiek wordt aangeboden, geene plaats mogen vinden, maar niettemin met de meeste naauwkeurigheid moeten zijn nagegaan, om zich voor misgrepen te vrijwaren. Afdaling tot in tal van kleine bijzonderheden is voor den historischen jurist niet minder noodig, dan veelvuldigheid van proeven voor den natuuronderzoeker, hoewel ook deze alleen het resultaat kort mededeelt. Herhaaldelijk is twijfel over kleine bijzonderheden oorzaak van groote vertraging geweest, omdat zij met de geheele leer zamenhangen. Ambtelijke werkzaamheden hadden voor een deel meer de strekking, om mij af te trekken van —, dan te brengen tot — diepingrijpende historische studie van burgerlijk regt. Omstandigheden van gehee! persoonlijken aard waren eindelijk de hoofdoorzaak van vertraging. Waarom zou ik het verzwijgen ? Zorgen en smarten hadden mij bij herhaling zoo diep aangegrepen, dat het eindelijk scheen, dat het in vroeger jaren begonnen werk nimmer tot voltooijing zon geraken.

Dit tot verklaring, dat het boek zoolang in de maak bleef\'. Het verschijnt daardoor ook in een werkelijk minder schoonen en ietwat verouderden vorm. l)e uitgever mag ook daarin zijne verschooning vinden, in zoover hij zelf erkent, dat de uitgaaf in haren uiterlijken vorm niet voldoet aan de in de laatste jaren stmiger geworden eischen. Bovenal vindt men daarin de oplossing van het verschijnsel, dat in dit hoek is gevolgd de oude spelling, hoewel ik in mijne latere geschriften sinds

(1) Men zie daarover »le Inleiding o. a. bi. IX en X.

ocr page 10

VI

18H9 de nieuwe spelling, die wij met onze Belgische stuin-geiiüüten gemeen hebben, heb opgenomen. Bij den schrijver en het personeel der drukkerij, thans a;m andere spelregels gewend, zal men omtrent enkele afwijkingen van — en onvastheid in — de Siegenbeeksche spelling niet al te streng willen zijn.

Voor de behandelde stof heeft het uitstel der afwerking geen noemenswaardig bezwaar opgeleverd (1). Men maakt zich soms druk over den grooten vooruitgang en al de veranderingen, die daarvan het gevolg zijn. Bij oppervlakkige beschouwing van de verschijnselen der wereld treft het ieder, dat alles schier dagelijks verandert. Wanneer men echter het oog vestigt op de groote beginselen, waarnaar de beweging plaats heeft, dan ziet men in die bonte schakering eene vaste geleidelijke ontwikkeling. Geen jurist zal de moeije-iijkheid ontkennen, om den vooruitgang van het regtsstelsel tot klare bewustheid te brengen; ontelbaar zijn de afdwalingen, die in de verklaring en dientengevolge dikwijls ook in de wetgevingen voorkomen. Een stroom van geschriften, waarin soms de schrijver niet tot den kern der behandelde stof wist door te dringen, en den takt, om te zamen te vatten, het waarnemingsvermogen, miste, om in de veelheid der wisselende verschijnselen het doorgaande vaste beginsel te onder-scheiden, waarnaar zij alle werden voortgebragt, en de kracht niet bezat, om dit in eene naauwkeurige formule uit te drukken, strekte dikwijls meer, om de wetenschappelijke stof te verduisteren, dan in het licht stellen. Reeds in den ouden tijd toonde zich soms eenig gevoel van het gevaar, dat voor het klare bewustzijn van de zuivere regtsbeginselen kan ontstaan door de veelheid der verklaringen. Vandaar het verbod om zonder bijzondere vergunning commentaren aan de wetten toe te voegen (2). Waren dergelijke pogingen reeds

(1) Alleen op bl. 13 maakte de wet van 7 April 1869 Stbl. no. 55 eene kleine wijziging noodig van den voor dien tijd in Themis verschenen oorspronkelijken druk, voor zoover daar de boete van cassatie als eene nog bestaande instelling werd vermeld.

(2) Zulk een verbod werd ook na de redactie van het corpus juris door JüSTINIANüS uitgevaardigd 1. 2 § \'21 God. De Vet. Jur. enucl. (117)

ocr page 11

VII

magteloos en nutteloos in den ouden tijd, geheel ondenk-biiar zou het zijn geweest, den stroom te breidelen na de uitvinding der boekdrukkunst.

Trouwens gelijk de gewone loop der natuur in de stoffelijke wereld de overmagt der voortbrenging binnen zekere grenzen bepaalt, terwijl de zwakkere voortbrengselen in den strijd voor het bestaan bezwijken, zoo beperkt eene dergelijke wet ook den overvloed der voortbrenging in de geschriften op wetenschappelijk gebied. Ontelbaar groot is het getal der boeken, die op elk gebied van burgerlijk regt zijn verschenen iu ons land en in de ons omringende landen, welker geestelijke voortbrengselen door overeenkomst van tual en instellingen tot onze kennis kunnen komen. Toch gaat de eigenlijke vooruitgang in de regtskennis, het heldere bewustzijn der regtsbegrippen in hun oorsprong, ontwikkeling en ware beteekenis niet dan zeer langzaam voorwaarts. Zelfs komen er iu de verschillende beschaafde landen soms tijden van achteruitgang. In bijzondere gedeelten der regtsweten-schap kan zich dat zelfs vertoonen, hoewel er in de kennis van het algemeene stelsel vooruitgang is waar te nemen.

Op de veel betreden paden, waar duizenden ons zijn voorgegaan en honderden nog dagelijks arbeiden om den weg te banen, zijn velerlei dwalingen mogelijk niet alleen, maar ook voor een deel onvermijdelijk. Ten einde liet spoor niet bijster te worden, is steeds groote behoedzaamheid en fijne critiek noodig. Mannen, met diepe kennis en fijn vernuft gewapend, kunnen, waar zij in hunne opvattingen ergens faalden, geruimen tijd het volgende geslacht hunne omvattingen doen volgen. Tijdelijk wordt de regtskundige wereld in hunne afdwalingen medegesleept. Het meest vestigt zich dat, wanneer de wetgevende magt binnen haar gebied de misvatting tot wet verheft. Lang kunnen regtsdwalingen blijven gaan; maar eenmaal open-

„ . . . . omnibus similiter interdicimus, ne quis audeat hominmn, qui »sunt nunc, aut in posterum erunt, commentarios scribere harum »legumquot;. — Alleen vertaling in het Grieksch en korte aanteekeningen [laralilla, waren geoorloofd.

ocr page 12

VIII

haart zich de zwakheid van het stelsel, dat geene levenskracht bezit. Het wereldregt gaat een langzamen, maar zekeren tred. Natiën hebben daaronder dikwerf geleefd, zonder dat er in haar midden zelfs onder hare juristen heldere bewustheid bestond, dat regtsinstellingen opkwamen of wegstierven. Toch is voor het gezonde volksleven niets meer noodig, dan dat de bewustheid van het regt en de regtsinstellingen tot zoo groot mogelijke klaarheid komen. Nergens is het gevaar voor achteruitgang in zedelijkheid en het verval tot eene ordelooze anarchie, waarbij alle veerkracht van het volksleven wegkwijnt, zoo groot als bij die volken, die het besef hebben verloren van de regtsbeginselen, waarop de orde in hare maatschappij steunt.

De tegenwoordige volken van Europa hebben het onschatbare voorregt van te zijn in het bezit van regtsbeginselen en regtsinstellingen, die gedurende eeuwen beproefd en gedurende eeuwen beoefend zijn. Geen volk, of het heeft zijne overgeërfde begrippen. Die traclitlën kan men vergelijken bij de schatten, die door familiën bij wege van erfenis werden verkregen. Volgt iemand op in het bezit van landgoederen of industrieële eigendommen, dan moet hij zich met den aard dier goederen en de eischen voor rigtig beheer bekend weten te maken, opdat het verkregen bezit voor hem behoorlijk vruchten kan blijven afwerpen. Verzuimt hij dat, dan kunnen alleen door wanbeheer en verwaarljozing de geërfde schatten, bv. van fabrieken, niet alleen veel van hunne waarde verliezen, maar zelfs oorzaak van den ondergang van den erfgenaam worden.

Niet anders is het met de overgeleverde schatten van de zedelijke en verstandelijke ontwikkeling van een volk. Alleen dat heeft waarde voor den mensch, wat hij zich zelf door arbeid veroverde of, voor zoover hij het van anderen erfde, door inspanning eu arbeid als het ware tot eigen verkregen goed gemaakt heeft (O

(1) Waar «lit verzuimd is, bevatten de woorden van Mephistopheles in den Faust van Göthe de volle treurige waarheid: «Es erben sicli «Gesetz nnd Rechte wie eine ew\'ge Krank heit fort.\'\'

ocr page 13

tx

Geen ernstig man van eeuige bekwaamheid zal maatregelen, die in het maatschappelijk verkeer ingrijpen, regtregels daarover, voorschrijven, tenzij hij zicli zoowel met den be-staanden toestand en met hetgeen daaraan vooraf ging, vertrouwd hebbe gemaakt. Men kan niet met de uoodige voorzig-tigheid en kracht handelen, zonder de praecedenten te kennen. Het regtsstelsel kan niet gekend en begrepen worden, tenzij men zich rekenschap hebbe gegeven van den toestand, waaruit het ontstaan is. Men vergete nooit het woord van Hoi/rrus: //dat het regt een historisch wezen en de bestaande wet het //laatste phaemonenon is.quot;

Zwaar wordt de taak, om den draad der historie vast te houden, waar een volk er toe gekomen is, om de regtsbe-grippen van andere volken voor een deel geheel, voor een deel gewijzigd, over te nemen.

Buitengewoon groot is de moeijelijkheid, om het kluwen te ontwarren, wanneer zulk eene overneming en zamenvloeijing van verschillende regten onder den drang van omstandigheden allenskens heeft plaats gehad, zonder dat men zich bij de overneming daarvan klaar bewust was en de overgenomen beginselen en instellingen naauwkeurig kende. Dit kan men bijzonder opmerken bij de leer der verbindtenissen uit overeenkomst. Men stond tegenover een tot in kleine bijzonderheden uitgewerkt stelsel van de Romeinsche leer en boog zich met allen eerbied voor de hooge mate van ontwikkeling, die daaruit onmiskenbaar spreekt; maar het was er ver van verwijderd, dat men het geheele stelsel helder kon overzien, hoeveel uitstekende en uitvoerige commentaren en uitgewerkte systemen daarvan, door de meest uitstekende mannen bewerkt, waren verschenen.

Nadat de arbeid der glassatoren liet terrein voorbereid en Cujacujs helder licht over de verschillende onderdee-len verspreid had, zijn gekomen de uitnemende commentaren van Donet.i.us, Voet, Pothier, Savigny, Puchïa, Keller en Windsciieid; maar niettegenstaande dat, bleven nog nevelen over den regtsgrond der verbindtenissen bestaan.

ocr page 14

Nergens is in het Romeinsche regt de algemeene leer der verbindtenissen zoo naauwkeurig behandeld, als bij de coudictiën. Juist in deze leer was ook nog na Saviqny zooveel onopgehelderd gebleven. Aan klaar overzigt van het stelsel dier actiën stond welligt het meest de dwaling in den weg, dat er niet verschillende condictiones incerti geleidelijk ontstaan waren; maar dat er eene algemeene condictio incerti ingevoerd was. Van die misvatting van Savigny heeft ook de hoogleeraar J. Baron, Die condictionen in zijne Xbhandlungen Berlin 1SS1 bl. 1—364, zich niet kunnen ontslaan.

Zoowel bij de behandeling der condictiën van het Rnmeinsche regt, als bij den invloed, dien de daarbij ontwikkelde beginselen op het latere regt hebben gehad, is door mij de streng historische methode gevolgd. Alleen langs dezen weg zijn vaste resultaten te verkrijgen. Het is er ver van verwijderd, dat de regtswetenschap eene conventionele wetenschap zijn zou. Wel ontstaat en ontwikkelt zij zich, als elke menschelijke wetenschap, in de overtuiging der menschen ; maar van de willekeur van afzonderlijke personen liangt zij in haren voortgang en hare ontwikkeling even weinig af, als elke andere wetenschap, die zich ten doel stelt de wetten op te sporen, volgens welke de stoffelijke wereld zich beweegt. Men werpe niet tegen, dat de persoonlijke wil van hen, die tijdelijk met de hoogste magt bekleed zijn, meester is van het regt, in zoover deze wil tot wet wordt verheven. Bij de beoordeeling rijst de vraag ; of de ingevoerde wet met de regtsontwikkeling strookt of daarmede strijdt. Tn het eerste geval is de wetgever het orgaan, waardoor de ontwikkeling van het wereldregt wordt uitgesproken. In het tweede geval is de wet eene dwaling, die storend werken kan en juist daardoor haren ondergang voorbereidt. Is het vergrijp tegen het regtsstelsel zoo groot, dat de regtstoestand er mede verloren gaat, dan sleept de dwaling het volk in haren ondergang mede. Prikkelt de stoornis in den regtstoestand tot verzet, dan zal dit voeren tot afschaffing en verandering, waarbij de kracht van de beginselen,

ocr page 15

XI

waartegen gezondigd was, duidelijker en helderder tot het volksbewustzijn zal gaan spreken.

Blijvenden invloed op het wereldregt kan de willekeur van eenig, ook den magtigsten, mensch niet oefenen. Dat is even weinig mogelijk, als dat de vasthoudendheid aan eenige dwaling of m\'sverstand van een man van groot gezag in stoffelijke wetenschappen op den duur die wetenschap zou wijzigen of veranderen. \\ oor den wetenschappelijken jurist blijft het de hoogste taak, om zoo zuiver mogelijk den be-staanden toestand en de voortgaande beweging van het wereldregt in zich op te nemen. Hoe zuiverder het beeld daarvan in zijn spiegel is opgenomen, en hoe minder eene zucht, om persoonlijke verlangens te bevredigen, op den voorgrond treden, des te zuiverder, des te krachtiger, des te duurzamer zal de werking zijn, die op de maatschappij van hem uitgaat. Hét moge bij oppervlakkige beschouwing een der meest raadselachtige paradoxen schijnen, het is eene waarheid, dat de zedelijke kracht van den mensch afneemt naarmate zijn streven er meer op gerigt is, om zijne persoonlijke begeerten, zijn wil. te doen gelden. Zedelijke magt oefent de jurist alleen, voor zoover hij als orgaan van het regt, de daaruit voortvloeiende regels uitspreekt en doet eerbiedigen.

Meer dan door kwaad opzet worden welligt dikwijls de ware beginselen van regt verduisterd door het volgen eener verkeerde methode, die altijd dat gevaar heeft, dat zij schoonschijnende argumenten weet te verschaften aan hen, die eene afwijking van het regt om eene of andere reden begeeren. Voor de verklaring der wettelijke bepalingen is er tweederlei methode, de strenge, die zich zoo strikt mogelijk aan de woorden, den uitgedrukten wil, houdt, en die, welke uit de woorden en de regtsbegrippen, die tijdens de vaststelling golden, de gedachte van den wetgever in haren juisten omvang teruggeeft. Ue eerste moet gelden bij elke uitzondering op algemeen geldende regels, dus ook voor die bepalingen, waarbij op sommige daden en verzuimen in strijd met de nlgemeene vrijheid van handelen straf is gesteld. De

ocr page 16

XII

andere moet regel zijn bij de regelende bepalingen van het staatsregt en van het burgerlijk regt. In het strafregt is het niet voldoende te vragen, wat de wetgever bedoeld heeft te verbieden ; daarnaast komt de vraag: of hij deze bedoeling heeft uitgesproken; want niemand mag tot straf veroordeeld worden, wegens een verbod, dat in werkelijkheid niet is uitgedrukt. Door in het strafregt af te wijken van de streng grammaticale methode zou men op deze wijze zondigen tegen den ouden regel ; Nulla poena nine lege praevia.

Daarentegen vervalt men, door de methode van het strafregt op de regelende bepalingen van het staatsregt en van het burgerlijke regt toe te passen, in de meeste gevallen tot een ijdel goochelspel van vernuft, waarbij het den lucht-hartigen wetsuitlegger met een weinig scherpzinnigheid ligt gelukken zal, aan de wet precies te doen zeggen, wat op een gegeven oogenblik om eene of andere reden het meest ge-wenscht wordt. Dikwijls kan zulk een dienst, om den band der wet, die binden moet, door eene handige fijnheid te ontduiken, waardoor zij niet meer een beletsel schijnt op te leveren voor hetgeen men begeert te doen of te laten, onder bijzondere omstandigheden hoog worden gewaardeerd. De scliromelijke gevolgen voor de maatschappij, en bijzonder in de toekomst, voor hem, die op die wijze zijn wensch verkrijgt en zijn geweten sust, kunnen niet uitblijven, omdat de geregelde gang van het regt verbroken en willekeur in de plaats gesteld wordt, waar men zich door spitsvondige uitleggingen afmaakt van hetgeen de wet volgens de ware historische verklaring voorschrijft. Zoodra de zuivere methode verlaten wordt, komt men werkelijk tot de willekeur, waarop door Mr. Pijnappel in de zitting van de 1ste Kamer der Staten-Generaal van 5 December 1889 werd gewezen. H\'j keurde een stelsel af, waarbij men volgens hem bl. 114é had gezegd: «Zoodra er twee opvattingen mogelijk zijn, //kiest gij die, welke u het best bevaltquot;, volgens welke beschouwing men werkelijk zoover moest gaan van te beweren //dat de uitlegging van de grondwet is eene vraag van magts-

ocr page 17

XIII

\'/oefeningquot;\' (1). Mr. Pijnappel verklaarde deze beschouwingswijze niet te deelen «die ons op het gebied van zuivere willekeur «brengt, waarbij naar middelen gezocht wordt, om te ontkomen «aan hetgeen, indien het bestaat, voor allen een band moet zijn, quot;waaraan zij gehoorzaamheid gezworen hebbenquot;. — Ongetwijfeld zou de staatkundige toestand bedenkelijk worden, waar de wetgeving en de regering de inblazingen ging volgen van hen, die zonder zich naauwkeurig rekenschap te geven van de praecedenten, de historie van het staatsregt niet kennende of miskennende, den vrijen teugel vierende aan een geest van critique légere, er altijd iets op weten te vinden, om de bezwaren, die de grondwet in den weg legt, op eene handige wijze te ontgaan. Maar schromelijk zouden de gevolgen voor de maatschappij en voor het volksbestaan zijn, indien ooit zulk eene luchthartigheid, om met de wet en met het regt om te gaan, tot de gewone regtspraak in burgerlijke zaken oversloeg. Indien daar de historische methode, de eenige, die vastheid geeft, verlaten werd, zou de eerbied voor de wet. het vertrouwen op het regt, verminderen, en de zedelijke orde in de maatschappij schade lijden.

Hoe groot het belang is, dat voor de toepassing der groote leidende beginselen van het burgerlijk regt regtszekerheid besta en zoo helder mogelijk tot het volksbewustzijn spreke, zal door niemand worden ontkend; maar bij oppervlakkige kennisneming vermoedt menigeen zeker niet, hoeveel er nog ontbreekt, vóórdat wij dat hebben bereikt.

Tn de voorrede op het Bezitrecht bl. IX wees ik in 1869 er op, welk eene onzekerheid er voor den praktischen handelsman steeds bestond omtrent de regtsgevolgen zijner handelingen, indien hij zijn koopwaren aan een ander toevertrouwde, terwijl hij bij raadpleging van regtskundigen, hunne verschillende opvattingen hoorende, dikwijls tot geen ander

(O In de redo van Mr. van Gennep, waarop werd gedoeld, zooals deze in het Bijblad bl. quot;HO—114 voorkomt, vindt men deze woorden niet. Mag men daaruit bet gevolg trekken, dat voor zoover eene dergelijke uitlating in de mondelinge voordragt mogt zijn voorgekomen, bet altbans bij nadere overweging niet zoo bedoeld was? Eenigzins ironiscb scbijnt

ocr page 18

XIV

resultaat zou kunnen komen, dan dat men hinkte op twee gedachten.

Moge het vreemd klinken, dat het klare begrip van de eenvoudige in ons wetboek opgenomen Germaansche beginselen over het bezit van roerende goederen bij het tegenwoordige geslacht nog steeds verduisterd blijft door den schoolschen vorm der regtsstudie en door den naklank van het op dat punt niet overgenomen Romeinsche regt; niet minder verbazing zou het kunnen wekken^at na zooveel eeuwen van beoefening nog steeds voor den jurist in diepe nevelen gehuld was, waarin de regtsgrond van de verbindtenis uit overeenkomst eigenlijk bestaat. Toch is het voor ieder jurist eene bekende zaak, hoe daarover in den laatsten tijd zooveel strijd, zoovele twijfelingen ontstaan zijn, dat eindelijk velen, strijdens moede, tot de zonderling hopelooze uitspraak geraakt zijn. dat men dien eisch uit het regt maar moest laten vervallen, niet meer naar een regtsgrond vragen en bij de wet aan elke toezegging bij overeenkomst regtskracht verleenen moest. Toch is het voor de maatschappij van het grootste belang, dat daarover niet alleen voor den jurist, maar ook voor den man van zaken, den handelaar, meer zekerheid worde verkregen.

Evenals de staatsman zijne volle kracht alleen bewaren kan, waar hij al zijne vermogens uitsluitend op de bevordering van het welzijn van den staat gerigt houdt, zonder zich te laten alleiden door het kleine spel van intrigue, zoo wint de handelsman ook in magt, naarmate hij zijne krachten inspant en ontwikkelt, om werkelijk bestaande behoeften der wereld op te sporen en het vertrouwen van zijne klanten en correspondenten te wekken en te behouden, door hnn ter goeder trouw de werkelijke waarde bij de ruilingen te doen toekomen, zonder dat hij er zijn werk van maakt, door fijn gesponnen verwikkelingen anderen te verschalken en voordeel te vinden.

ilc vraag en het antwoord op bl. 110 i. I\'. voorkomende: gt;gt; Wat leert ons „de praktijk van de grondwet ? Dat men er binnen de grens van de quot;lettei alles tracht uit to halen, wat or met mogelijkheid uit te halen «is, om zijne eigene partij de handen ruim to honden en de tegenpartij gt;ulfl handen to lüniloil\'quot;.

ocr page 19

XV

door werkelijk mimlere waarde uit te keeren, dan zij billijkerwijze moesten verwachten (1).

Wel worden de verderfelijke gevolgen van het eigenbelang dat men zich zoowel op het gebied van den staat, als van den handel, ten koste van het algemeen belang en van zijne mede-menschen, tracht te verheffen en te verrijken, in de gewone wereldorde voor een groot deel bedwongen en gebreideld, doordat andere partijen en andere personen, evenzoo door eigen belang gedreven, zich tegen hen overstelien en door hun tegenstand een beletsel opleveren, om al te ver en al te openlijk tegen het algemeen belang en de billijke eischen van anderen te zondigen. Voor een deel kan dit natuurlijke herstellingsvermogen de kwade gevolgen van bekrompen eigen-zuchtigheid voorkomen.

Voor een deel worden daardoor ook de nadeelen van mindere klaarheid van het regtsbewustzijn voorkomen ; maar de handelsontwikkeling wordt gezonder en krachtiger, naarmate naast handelskennis de begrippen van regt en billijkheid helderder en krachtiger spreken.

Ue ontwikkeling op dit gebied gaat een langzamen tred. Onder de groote vertraging in de bewerking mijner stof is omtrent de resultaten van het eerste onderzoek nog geene belangrijke verandering gekomen. De vruchten van de historische wetenschappelijke regtsbeoefening zijn blijvend ; maar zij ontwikkelen zich langzaam en worden niet zonder inspanning verkregen. Dit moge tot verschooning strekken, waar ik van den lezer voor kleine schijnbaar ondergeschikte punten op menige plaats de inspanning moet vragen, om in een eenigzins diep historisch onderzoek en eene critiek van fijne schakeringen van verschil in opvatting af te dalen (2).

(1) Als voorbeelden van de meest verderfelijke misbruiken en bedriegerijen kan men wijzen op de nadeelen en schandalen van groote ver-eenigingen van goederenhandelaars en bankiers, om zich van den geheelen handelsvoorraad van eenig product, koorn, koper enz. meester te maken, ten einde zich daarna door bovenmatige prijzen te verrijken.

(2) Waar men naauwkeurige kennis zoekt, vooral bij de leer der condictiën, mogen ook de Grieksche regtsbronnen niet worden verwanr-

ocr page 20

XVI

Dat was o. a. ook uoodig bij de bekende plaatsen uit het Romeinsche ragt, 1. 25 § 4 fi\'. de Prob. (22.3) en 1.13God, de non num. pec. (4.30). Ontelbaar zijn de stelsels, die tot verklaring dezer twee wetten beproefd zijn. Daaraan heeft zich gehecht eene litteratuur over abstracte verbincltenisseu, waarbij men soms tot geen ander resultaat kwam, dan gewone gedachtenuitingen te hullen in eene terminologie, die niets tot verklaring bijdroeg en alleen strekte, om aan vroegere verklaringen een vorm te geven, die het onbeduidende van den inhoud uit het oog deed verliezen.

De hoogleeraar B. WiNnscHEiD in zijn Lehrbuch des Pan-dektenrechts § 284a noot 9 spreekt van deze wetten, als de ongelukkige plaatsen, die zooveel arbeid gekost hebben en vermoedelijk nog zooveel arbeid kosten zullen, zonder ooit een zuiver resultaat op te leveren (1). Indien het mij gelukt is, voor deze belangrijke wetten de eenvoudige juiste verklaring te geven, bovenal om in het licat te stellen, welk een overwegenden invloed zij op de beoefening en de vorming van het regt in de middeleeuwen en daarna hebben geoefend, zal men welligt kunnen billijken, dat de voor jaren aangevangen, dikwijls gestaakte, arbeid eindelijk toch in het licht kwam.

Bij de opsporing van de ware natuur van den regtsgrond der verhindtenis uit overeenkomst is het meest geleidelijk den weg te volgen, die in het Romeinsche regt tot de ontwikkeling van het begrip geleid heeft. Dit heeft zich gevormd bij de betalingen en de leveringen, waarbij de regtsvordering

loosd. De kennismaking met de Byzantijnsche juristen heeft voor ons, waar wij het groote verschil opmerken met de regtsbehandeling door Ulpianus en Papinianus dit voordeel, dat wij daar als op vreemd terrein de nadeelen kunnen leeren zien van de overneming van een vreemd regt, dat niet in het algemeen bewustzijn, in merg en bloed van het volk. is doorgedrongen, waarvan onze hedendaagsche juristen ook bij de tegenwoordig nog gebrekkige historische regtskennis menig voorbeeld zouden, kunnen aanhalen.

Scherpzinnigheid alleen kan wel tot fijne, soms spitsvondige, ondei-scheidingen leiden, maar de gebreken in de methode niet wegnemen.

(1) «Unglückseelige Stellen, die schon so viele Mühe verzehrt haben, »und voraussichtlich noch viele verzehren werden, ohne daszjemals ein »rein es Resultat erzielt werden wirdquot;.

ocr page 21

XVII

ontstond tot terugvordering van hetgeen zonder regtsgrond betaald en geleverd was, hetgeen van zelf leidde tot het begri|i, dat er voor de toezegging bij overeenkomst een zelfde regtsgrond bestaan moest, om daarin eene regtsgeldige verbindte-nis te erkennen. Om tot de bepaling van het laatstgemelde begrip te geraken, was het noodig, bij de regtsvordering wegens liet onverschuldigd betaalde stil te staan, om naauwkeurig rekenschap te geven van de wijziging, die de leer der con-diclio twlehiii in het latere regt ondergaan had. Bij mijn onderzoek omtrent de hoofdbeginselen van de leer der overeenkomsten lag het niet op mijn weg, om de regtspraak in bijzonderheden te toetsen ; maar waar de regtspraak van den Hoogen Raad deze hoofdbeginselen betrof, moest ik mij daarvan rekenschap geven. In dit deel, dat meerendeels reeds bewerkt was, toen ik zelf in dit college zitting nam, moest ik op enkele punten eenigen twijfel over de juistheid of de formuleering der uitspraak uiten. Tk deed dat destijds in het vertrouwen, thans met de wetenschap, dat elke wetenschappelijke beoordeeling, hetzij men zich na kennisneming daarmede vereenigt, hetzij men die niet gegrond acht, door mijne vroegere en tegenwoordige ambtgenooten steeds gewaardeerd is.

Hoogst eenvoudig is het eindresultaat, dat in het geheele oontractenregt als hoogste eisch is gesteld de gelijkheid in de waarde van de geleverde goederen en de bewezen diensten en daarvoor bedongen prijzen of wederdiensten. Naast deze gelijkheid, als hoogste eisch van het regt, staat een ander beginsel van niet minder gewigt, dat namelijk elk mensch, die tot jaren van onderscheid is gekomen, wordt geacht over de schatting zijner goederen en diensten en van hetgeen hij er voor bedong, op het tijdstip der overeenkomst, het best te hebben kunnen oordeelen en derhalve de eindbeslissing te hebben gegeven. Indien dit laatste uit het oog werd verloren, zou elke overeenkomst met nietigheid bedreigd en elk handelsverkeer onmogelijk gemaakt zijn.

De mensch, die behalve in buitengewone omstandigheden van dwaling, en van geweld of bedrog zich niet in staat acht, om de volle verantwoordelijkheid van de door hem

ocr page 22

xviri

■langegnne overeenkomsten te dragen, eu tegeu kortzigtigheid of oubediiclitzaamheid bijzondere bescherming mogt zoeken, zou moeten vragen onder de verzorging van een curator te worden gesteld. De eerbiediging van de magt van den meerderjarige, om zelf de grenzen en den omvang te bepalen van de verpligtingen, die hij op zich neemt en aan welke in het algemeen belang regtskracht moet verleend worden, is eene der leidende beginselen voor alle verbindtenissen uit overeenkomsten met inbegrip van die van het wisselregt en alle papier, dat aan order of toonder gesteld wordt.

Eerbied voor het oordeel van den meerderjarigen mensch in het volle bezit zijner verstandelijke vermogens naast den eisch der billijkheid, dat is, de gelijkheid tusschen dienst en wederdienst, ziedaar de grondwet voor het geheele regt der ruilingen van goederen en diensten. Het is van gewigt, dat dit ook nimmer uit het oog verloren worde bij de regeling van het regt van den arbeid. Wel kunnen op dat gebied enkele voorschriften van openbare orde gegeven worden, deels tot voorkoming van misbruiken van bedrog of geweld, deels ook om nadeelen voor algemeene gezondheid en uitputting van krachten te voorkomen, deels om te zorgen, dat de middelen tot levensonderhoud bij onvoorziene rampen en ouderdom niet ontbreken ; maar geen grooter ongeluk zou in de toekomst voor de arbeiders in het algemeen worden bereid, dan door hunne vrijheid, om zelf over hun loon in overleg met den arbeidgever te beslissen, aan banden te leggen.

Dat die vrijheid zicli soms toont in weigering van aangeboden voorwaarden en in werkstakingen, moet ons niet verschrikken. Men zou de waarheid miskennen, indien men niet erkende, dat werkstakingen soms noodig geweest zijn, om aan den werkman een billijk loon te verzekeren. Ook moet het ons niet bovenmate ontstemmen, dat soms onberedeneerde, geheel onmogelijke, eischen worden gesteld. Bij een ontwakend zelfbewustzijn, dat wij ook bij de Nederlandsche werklieden met vreugde begroeten, omdat zonder die medewerking geene algemeene maatschappelijke vooruitgang mogelijk is, zijn

ocr page 23

XTS

enkele baitensporigheden eu velerlei ovurdrijviugcn uiet anders te beschouwen, dan als de onvermijdelijke dwalingen, die zich bij het baanbreken van nieuwe beginselen steeds zullen voordoen.

Het natuurlijke en noodzakelijke van dergelijke uitspattingen moet ons tot kalmte stemmen, maar het moet ons liet oog niet doen sluiten voor de rampen en den maat-sohappelijken ondergang, die zij tengevolge hebben, wanneer zij niet worden beteugeld en het gezond verstand niet weder de overhand verkrijgt. Zij zijn meermalen oorzaak van tijdelijk ontzettend lijden bij de arbeiders, maar kunnen ook blijvend veel dieper gaand en duurzaam kwaad veroorzaken, als zij de ondernemingskracht uitdooven en den tak van industrie in het land verloren doen gaan.

Bij eiken maatregel in het maatschappelijk belang, vooral wanneer zij invloed heeft op de vrijheid van overeenkomsten, moet niet alleen op de regt«treeksche werking, maar ook op de terugwerking worden gelet. Zoo kan de allezins noodzakelijke zorg om te waken, dat door de werkcontracten geen nadeel worde toegebragt aan de instandhouding en ontwikkeling van de zedelijke en stoffelijke belangen, het gezonde leven der werklieden, de vordering van een algemeenen wekelijkschen rustdag en van een niet overmatigen duur van den gewonen arbeid, leiden tot verhooging der volkskracht; maar wanneer men bij deze regeling de juiste maat overschrijdt, dan zon de terugwerking van den maatregel, behalve dat luiheid en vadsigheid er door konden worden gevoed, de takken van industrie, waarop hij drukte, bij de natie, of bij meerdere natiën, waar dezelfde fout begaan werd, doen kwijnen en wegsterven. Deze economische wet is onverbiddelijk; maar de grenzen harer werking verplaatsen zich en zijn afhankelijk van de omstandigheden en den toestand der bevolking.

De prijs der voortbrengselen van den arbeid moet, wanneer er geene storende omstandigheden zijn, behoorlijk levensonderhoud van de werklieden dekken. Onder dit behoorlijk levensonderhoud behoort begrepen te zijn, zooals wij reeds opmerkten, de verzekering tegen ongelukken en tegen de

ocr page 24

XX

gebreken van den ouderdom. Omtrent behoorlijk levensonder-hond zijn de opvattingen verschillend, naarmate de eischen voor voeding, kleeding, woning en genoegens wijder of beperkter gesteld worden. Worden de eischen te hoog gesteld, dan loopt men gevaar, de industrie te benadeelen en den boom te ondermijnen, waarvan men de vruchten moet wachten. Worden de eischen te laag gesteld en wordt daardoor opge-oilerd, wat voor een gezond leven noodig is, dan wordt de nationale werkkracht ondermijnd. Natuurlijk hangt veel af van de wijze, waarop het verdiende loon wordt aangewend. Bij doeltreffend gebruik strekt goed en ruim loon tot verhooging van de werkkracht. Zoo is het ook met de verzekering tegen ongelukken en de gebreken van den ouderdom (1). 1 [et bewustzijn, dat daarin voorzien wordt door een deel van het loon, verhoogt de zedelijke kracht en daarmede ook de werkkracht. Wanneer het loon in het gezin verstandig besteed worde, zal goed en ruim loon goedkoopen arbeid leveren.

Bij de beoordeeling van den strijd over de loonsbepaling wordt dikwijls uit het oog verloren, dat het is een strijd over verdeeling van den prijs, die voor de voortbrengselen bedongen wordt. Uit den prijs, dien de verbruiker betaalt, moet gevonden worden de prijs van grondstoffen, van den arbeid der werklieden, maar ook van den arbeid der bestuur-

(1) Meermalen is de bedenking opgeworpen, dat de werklieden weinig gesteld konden bevonden worden, op de invoering van zulk een stelsel, omdat de kosten der verzekering uit hun loon zou moeten worden betaald.

De bedenking steunt op eene misvatting. De premie van de verzekering moet worden gevonden uit de opbrengst der voortbrengselen van den arbeid. Deze moet op den duur altijd de kosten dekken van de gebouwen, de grondstellen, het werkloon der arbeiders, het werk van de bestuurders, en van den handel, benevens het risico ; maar het is geheel onjuist, dat hetgeen in premiën van verzekering tegen ongelukken en ouderdom behoort betaald te worden, zou worden genomen uit het aandeel der werklieden. Meer aannemelijk is het, dat de verhooging der werkkracht, daardoor ontstaan, ten gevolge kan hebben, dat do premiën op den duur uit den prijs der producten kan worden gevonden.

ocr page 25

XXI

ders of administrateurs en eindelijk de prijs van het werk, dat verrigt wordt door de handelaars, die de goederen overnemen en brengen in liet bezit der verbruikers.

Het werk van de bestuurders of ondernemers, — die tegelijk het risico dragen, dat aan de inkoopen der grondstoffen verbonden is en dat voortvloeit uit de onzekerheid of de kosten werkelijk zullen worden gedekt door de verwachte prijzen der voortbrengselen, welke laatste risico zij niet dan gedeeltelijk kunnen overbrengen op de tusschenhandelaars, —is veelal moeielijk en zwaar. Daarenboven eischt het zooveel veelzijdige voorbereiding, dat bekwame ondernemers van nijverheid dikwijls dun gezaaid zijn en de voortbrengende kracht van eene natie grootelijks afhangt van de meerdere of mindere bekwaamheden, die zich daaraan wijden.

Hunne zamenwerking met de werklieden is van zulk een overwegend belang, dat al wat strekken kan, om verschil en verdeeldheid onder deze verschillende werkkrachten bij te leggen, moet worden aangewend, en dat vaste commissiën, uit verschillende kringen der maatschappij zamengesteld, om de bezwaren van wederzijden te hooren, raadgevend op te treden en het publiek voor te lichten, onder de gewigtigste instellingen van de maatschappij moeten gerekend worden. Waar de wetgeving, die zich bovenal moet wachten voor inbreuk op de redelijke vrijheid van de partijen in het be palen der waarde van goederen, arbeid en diensten, nog niet kan voorzien tegen kwaadwillige contractsverbrekingen aan de eene zijde en de in tijdelijken nood opgedrongen verplig-tingen aan de andere zijde, kan het oordeel van onzijdige achtingswaardige mannen, een groot gewigt in de schaal leggen, om grove onbillijkheden en uitspattingen te voorkomen of te verzachten.

Overal en altijd is de regeling van den arbeid een der gewigtigste vragen van de maatschappij. Het algemeen doordringende bewustzijn van hetgeen voor algemeene volksgezondheid en volkswelvaart wordt gevorderd, maakt het voor de wetgeving noodzakelijk, tegen afwijkingen van hetgeen het algemeen volksbelang gebiedend eischt te waken, zonder de vrijheid aan banden te leggen

ocr page 26

XXII

Het stellen van dergelijke regels, die als maatregelen vau upenbare orde moeten worden geëerbiedigd en verzekerd, eischt de grootst mogelijke behoedzaamheid. In dat opzigt mogen wij bij de ernstige taak, die de wetgever wacht, de toekomst met eenig vertrouwen tegemoet gaan, daar bij eene eerste schrede op dezen weg in onze wet van 5 Mei 1889, Stbl. no. 48 houdende bepalingen tot het tegengaan van overmatigen arbeid van jeugdige personen en van vrouwen, en voor zoover wij daarover thans oordeelen kunnen, bijzonder ook in de grondslagen der conferentie, door den Keizer van Duitschland laatstelijk te Berlijn bijeengeroepen en gehouden, die behoedzaamheid niet uit het oog verloren is.

Goede regeling sluit de vrijheid in zich, dat voor allen vruchtdragenden arbeid een billijk loon kan worden bedongen.

Voor goede vruchten van maatschappelijken arbeid is zamenwerking van verschillende krachten een noodzakelijk vereischte. Nederland heeft daarvan de ondervinding. Toen in het eerste tijdvak der nieuwe geschiedenis onze nationaliteit zich vormde, was de bewustheid algemeen en diep doorgedrongen van de groote magt, die gelegen is in de ver-eeniging. Dat besef voerde niet alleen op staatkundig gebied tot zamenvoeging der verschillende deelen, maar leidde ook in zijne toepassing op den volksarbeid tot de vereenigingen van handel, scheepvaart, visscherij en nijverheid, waaruit de magtige ligchamen ontstaan zijn, die de grootheid van het oude Nederland hebben bewerkt.

De tijd van dergelijke geprivilegieerde ligchamen is voorbijgegaan. Nieuwe tijden brengen nieuwe vormen. Nog is het niet uitgemaakt, welk eene kracht van zamenwerking van vrije handelsvereenigingen, stelsels van participatie en coöperatie zal kunnen uitgaan.

Door wie en onder welken vorm ook gevoerd, de administratie moet in elke onderneming met kennis en omzig-tigheid eerlijk en trouw den arbeid, den inkoop der grond-stoö\'en en den afzet der voortbrengselen regelen (1).

(1) In Frankrijk heeft men van de gebreken in deze regeling bij coöperatieve vereenigingen voor het drijven van fabrieken en andere neringen meermalen de nadeelen ondervonden.

ocr page 27

xxm

Die regeling zal zich op den duur als de beste tuouen, die de vrijheid van allen, die zamenwerken, om uit de opbrengst der voortbrengselen een billijk loon te bedingen, ook met het oog op het risico van elk deel van den arbeid, den handenarbeid, de technische leiding, het toezigt, de administratie en den handel, het best zal verzekeren.

Elke wettelijke regeling zal bepalingen moeten bevatten, volgens welke de verbindtenissen, die mogten zijn bedongen, in strijd met deze vrijheid, door den regter als nietig kunnen worden ter zijde gesteld en tevens met groote behoedzaamheid de gevallen hebben aan ts wijzen, in welke op inbreuk op de goede trouw en bedriegelijke handelingen straf moet worden gesteld.

Zoowel in de vaststelling van wettelijke voorschriften, als in de toepassing, houde men het oog gerigt op het alge-meene beginsel van het regelende regt voor alle overeenkomsten, dat zij strekken om de vrijheid tot vaststelling van billijken prijs voor de ruiling van goederen en diensten te verzekeren.

Buiten en tegen de regels, door de wetten gesteld, naar eeue vermeende gelijkheid te streven, zou voor den regter zijn het najagen van eene hersenschimmige billijkheid (1) ; in de verklaring en toepassing der wettelijke regels er steeds op te letten, dat zij van dit beginsel van billijkheid zijn uitgegaan, is een eerste pligt van den regter.

(.1) Zie o. a. blz. *248 en 342.

ocr page 28
ocr page 29

I.

Oorsprong dek condictibnquot;. Aard en\' omvang der condictio tritic aria.

De titel der pandecten De condiclione trilicaria was vau ouds eene der cruces interprelum. Noodt verklaarde onbewimpeld: //Memoria teneo omnia de hac condictione //tradita a tituli luijus interpretibus; sed expensis omnibus //diligenter, adeo nihil probare milii permisi, ut contra //saepe miratus sim, tam secure tractari actionem, cujus «nemo non modo usum, at nee nomen ad probabile expli-//cando perduxit.quot; £n waarlijk, als men de geheel uiteen-loopende gevoelens der vroegere regtsdoctoren over deze actie nagaat, dan mag deze rondborstige erkentenis van onwetendheid, door onzen ouden scherpzinnigen Romanist afgelegd, niet alleen als de eerlijkste, maar ook als de verstandigste, behandeling dezer stof gelden. Terwijl zwakkeren van geest raden naar het onbekende, grijpen naar liet onbereikbare, behoort er kracht van oordeel toe, om in te zien, dat de bekende praemissen niet voldoende zijn, om er eene conclusie op te bouwen. Aan Noodt ontbrak de sleutel, die lateren den toegang kon openen tot deze leer, nadat Niebühu zijn grooten schat te Verona had gevonden. In Gajus zijn ons zulke belangrijke aanwijzingen betreflende déze actie en haar ontstaan geschonken, dat dit gedeelte van het Eomeinsche regt, vooral na de behandeling der condictiën door Savigxy in het 5\',e deel van zijn Systeem, ons geen adylum impeneirahile meer zijn kan. De geheele leer der condictiën heeft door deze behandeling veel gewonnen en condictiën doordringen zoodanig het Koraeinscho regt, dat voor wie daar niet innig meê vertrouwd is, het Corpus juris van Justiniatois op vele plaatsen ecu gesloten boek zal blijven. Deze schrede voorwaarts heeft dus onbe-

i

ocr page 30

sclmjfelijk veel voordeel aangebragt; maar, hoeveel ook werd opgehelderd, nog blijft veel duisters over. AVat tot verklaring daarvan leiden kan, is voor goed verstand van liet Eomeinsche regt van het meeste belang. Ik wil daarom trachten eene bijdrage tot toelichting daarvan te geven. Ten einde kortheid te betrachten en noodeloozen omslag te vermijden, zal ik mij daarbij zooveel mogelijk van aanhaling van schrijvers onthouden. Dit zal, wat de oudere Romanisten betreft, die deu sleutel tot de verklaring dezer actie misten, te moer geoorloofd zijn, daar men natuurlijk aan hunne vermoedens geen gewigt kan hechten.

Voor de algemeeno leer der condictiën is het een belangrijk en zeer bestreden punt tevens, welk eene plaats en welk een omvang men aan de condictio triticaria heeft toe te kennen. Dat zij met de condictio voor bepaalde geldsommen (waarschijnlijk naar de aanvangswoorden van hetgeen daarover in het Edict voorkw am) Si cerium pelelur genoemd, naauw zamenhangt, blijkt uit de plaats van Ui.piakus , 1.1 ff. de cond. trit. (13.3). «Qui certain pccuriam numeratam petit, //ilia actione utitur Si ceriumpetelur ■. qui autem alias res, //per triticariam petet actionem.// Beide actiën worden hier , naast elkander gesteld, als alleen verschillende in het object. Van beide wordt vermeld, dat zij strekken tot opvordering van bepaalde zaken, zonder dat van eene bepaalde schuldoorzaak (zooals b. v. bij de actiones bonae fidei koop en verkoop, bewaargeving enz. en bij de condictiën zelve het indebitum of sine causa datum) eenige spraak is. Even als door de actio Si certum pelelnr elk certa pecunia credita werd geeischt, zoo strekte de condictio triticaria tot opvordering van allo andere res certae creditae, uit welke oorzaak ook het creditum was ontstaan. Dat beide deze condictiën zeer oud zijn, weten wij uit Gajvs I. IV. § 18 en 19. (1).

(1) § l. Haec am cm legis actio constituta est per le«iem Siliam et Cal-purniarn : lege qnidem Silia ceitae pecDiiiae, lege vero Calpurnia de omni re certa. § 2. Qnare autem haec actio desiderata sit, cum de eo, quod nobis dari oponet, potuerimus sacromento, aut per judicis postu-lationem agere, valde quaeritur.

ocr page 31

— 3 —

Voordat de formulae bij de lex Aebntia waren ingevoerd, bestond er reeds eene legis actio, condictio genoemd, waardoor liet creditum, id quod dan o/jortel {,r), werd geëisclit. Deze legis actio wp.s voor vaste geldsommen ingevoerd bij eene lex Silia en bij eene lex Calpurnia voor alle andere bepaalde zaken Zij kreeg den naam van condictio van den vorm der actie. De eiseher kondigde den gedaagde aan, dat liij op den 30sten dag voor het geregt moest verschijnen, om een regter te kiezen (2). Op dien dag daagden de partijen elkander dan over en weder, condicebant (3), om na twee dagen voor dezen gekozen regter te verschijnen, liet ligt in den aard der zaak, dat deze handeling voor bet geregt, waartoe de gedaagde te voren bij solemnele aankondiging, denuntiatio, was opgeroepen, niet enkel in de wederzijdsche daging voor den gekozen regter bestond, maar dat daarmede de bepaling verbonden was van het twistgeding, van

(\') In hoever creditum en quod dan oportet als synoniem moeten be-scliouwd worden, zullen wij later zien.

(2) Do partijen moesten zich over den regter verstaan. Dit zal men zoo moeten opvatten, dat er een zeer i;uim regt van rejectie was. De regter, die door geene der partijen was gewraakt (rejectus), kon geacht worden, volgens goedvinden der partijen met de beslissing te zijn belast. Van daar kon Ciceuo in waarheid zeggen, dat oudtijds zelfs over de kl cinste zaak alleen een regter kon regt spreken, omtrent wien beide partijen waren overeengekomen. Pro Clnentio c. 43; «Neminem vo-«luerunt majores nostr. . . . ne pecuniaria qnidem de re minima esse «judicem, nisi qui inter adversarios convenisset.J»

(3) Op zich zelf was liet werkwoord condicerc geen regtsterm ; het werd ook wel gebruikt voor andere afspraken, b. v. van een maaltijd. Seneca, Dial. 10, de Brev. vitae, c. 46, § 3, «Saepe illis longus vi-«detur dies, quod dum veniat condictuni tempus coenae, tarde ire horas «queruntur.» Gklmüs X, tit. ^ igt;. «Sacerdotes quoqne, cum populum «in lertium diein condicunt etc.» Het gebruik schijnt echter dat woord alleen in den passiven vorm in de dagelijksche spreektaal te hebben toegelaten. Festus, of eigenlijk het epitome van Paülus Diaconus, in v. v. verklaart de woorden condiclum est (ed. Müller, hl. 39) in liet algemeen ({uod in commune dictum est; maar condicere (bi. 04) is volgens hem dicendo denuntiare en condictio (bl. 60) verklaart hij als ffenuntiutio in ctiriani diem ejus re: de i/un atjitur.

ocr page 32

het (inHerweq), waarover de strijd zou worden gevoerd (4). Deze aanwijzing kon nu, daar de actio altijd op de schuld van eene bepaalde geldsom of andere bepaalde zaak betrekking had, zeer kort zijn. De actie kon alleen worden ingesteld, waar de eischer beweerde, dat de gedaagde aan bem verbonden was, om eene bepaalde zaak in eigendom over te dragen, hetwelk in de formula werd uitgedrukt door de woorden dare oporlere. Dat de initialen A, T. M. D. ü. Ajo te mini dark oporteub, bij Valerius Probus (D. Gothofredus Auctores linguae Latinae, bl. 1453) voorkomende, op de formula dezer legis actio zien, schijnt men veilig te kunnen aannemen. Op het proces per formulam kunnen die woorden niet slaan, gelijk door Savigny, Syst. V, bl. 578 is opgemerkt, omdat in de formula niet de partij, maar de Praetor sprak (b. v. si paret dare oportere, judex condemna). Afwijkende van Savigny, t. a. p, en Puchïa, inst. § 162 6, [I, bl. 91, brengen Bethmann-Hüu.w\'EO in eene verhandeling over het Centimviraal regt Zeitschr. Jut liechtsw. V, bl. 374 en Kelt,er, Civil Procesz, § 14, noot 209, bl. 58 (5), deze woorden tot de legis aciio per sacramentum. Daar naar mijn inzien de oude condictio met vereenvoudiging van vormen is ontstaan uit de 1. a. per

(4) In liet rormulierproces verkreeg men het/elfde door de verklaring van hetgeen men in liet geding beweerde en verlangde, ten overstaan van getuigen afgelegd, testatio, door de partijen over en weder gedaan. contestation Festüs, eigenlijk Paulus Diaconus, i- v. (ed. Müllkh bl. 65); «Contestari est, cum uterque reus dieit: testes estote.» Reus werd oudtijds zoowel van den eischer als van den eischer gezegd.

(5) Dat de woorden Ajo te mihi dare oportere de formula bevatten, waarmede de eischer bij vervolging van pecunia certa credita in de 1. a. per sacramentum het proces inleidde, is hoogstwaarschijnlijk, vooi al ook met het oog op Gajus, 1, IV, § 16, waar de handelingen in judicio voor de vindicatio zijn voorgeschreven. Deze werd aangevangen door de verklaring des eischers, terwijl hij de hand op de litigieuse zaak of, zoo het een grondstuk was, op eene zode daarvan leide: Hunc hominem (aliamve rem) ex jure Quiritium meum esse ajo. Daarmede stemt eene inleiding van de actio in personam door de verklaring: Ajo te mi hl dare oportere, geheel overeen.

ocr page 33

sacrameutuii), vallen beide gevoelens in mijn stelsel zaaien. Deze woorden , als het essentiële der actie uitdrukkende, moeten iu beide legis actiones zijn voorgekomen.

Gelijk wij boven opmerkten, werd deze legis actio ingevoerd door de leges Silia en Calpnrnia. Van welken tijd die wetten zijn, is even als van de lex Aebutia, niet met juistheid te bepalen (6). Dat zij echter deze zijn voorafgegaan, is gewis en even zeker schijnt het, dat zij van latere dagtee-kening zijn, dan de lex Pinaria (7). Althans behoort het ontstaan dezer legis actio te worden gesteld in den tijd, toen er belangrijke wijzigingen in de procesvormen gebragt werden en daar er eene groote overeenkomst moet hebben bestaan tusschen de legis actio per condictionem en het proces per formulam, is het hoogst waarschijnlijk, dat deze nieuwe legis actio eene eerste schrede is geweest tot vereenvoudiging van het geding, die door de invoering van het proces per formulam verder voortgezet en meer algemeen geworden is. De omstandigheid, door Gajus , I. IV, § 20 vermeld, dat het in zijn tijd een punt van ernstig onderzoek was (valde quaeritur), waarom deze nieuwe legis actio noodig was geweest, kan ook dat vermoeden eenig-zins wettigen. Indien deze legis actio eerst korten tijd voor de lex Aebutia was ontstaan, dan had zij, door deze wet, waarbij het proces per formulam ook voor liet creditum werd toegepast , ophoudende te bestaan, niet dan een zeer korten leeftijd. Hierdoor wordt het begrijpelijk, dat men ten tijde van Marcus Anrelius omtrent deze oude actie zoo weinig zeker onderrigt was. Gajus voegt, terwijl hij deze onzekerheid vermeldt, daar nog eene reden van twijfel bij, die voor ons van het uiterste gewigt is. Hij zegt namelijk, dat de reden voor het invoeren dezer legis actio, moeijelijk was na te

(6) Hoewel de gevoelens over den ouderdom dezer wet zeer nit elkander loopen, wordt zij echter eenstemmig in de 6de eenw geplaatst, volgens enkelen is zij van het jaar 605. Het meest waarschijnlijk komt mij voor, dat zij van het midden dier eeuw da^teekent.

(7) Deze Icxdagteekent waarschijnlijk van omstreeks 300 j. n. d stichting.

ocr page 34

gaau, omdat het object daarvan, iel qiioH dart oportel, kon worden vervolgd door do legis actio por sacramentnm en door die per jvulicis postulationem (8).

Doze plaats van Gajus is voor verschillende uitleggingen vatbaar. Zij kan zoo worden opgevat, dat een gedeelte van id quod dari oportet oudtijds behoorde tot het gebied der legis actio per sacramentum, een ander gedeelte tot dat der logis actio por judicis postulationem. l)e vordering van pecunia certa zou dan tot de 1. a. per sacramentum moeten gebragt worden, die van andere res certae tot die per judicis postulationem. De woorden van Gajus laten echter ook eenc andere verklaring toe, dat men namelijk «V7, quod dari oportet, oudtijds gedeeltelijk althans ter keuze of door de 1. a. per sacramentum of\' door die per judicis postulationem kon eischen. Dat certa pecunia debita tot het gebied der 1. a. per sacramentum en uitsluitend daartoe behoorde, kan niet worden betwijfeld. Tot dezen procesvorm moet men alle bepaalde vorderingen brengen. De onbepaalde actiën daarentegen, waarbij eene schatting door den regter of arbiter noodig was, vielen onder de legis actio per judicis postulationem. Tussohen de actiones (m personam) van bepaalde geldsommen, waarbij aan geeue schatting of taxatie kon gedacht worden, maar alleen strijd over het verschuldigd zijn der gehec\'e som of het niet schuldig zijn daarvan bestoud en de actiones incertae, houdt do actio voor andere res certae dobitae het midden. De veroordooling vereischte eene schatting en in zoover is liet verklaarbaar, dat de res certa kon gcoischt worden door de 1. a. per judicis postulationem. Op dc stellige verklaring van Gajus , dat een gedeelte van hetgeen later door de condictio, oudtijds door die legis actio geeischt werd, mogen wij dat als zeker aannemen. Dit belette echter niet, dat de verschuldigde zaak eene res certa was, al moest dan ook voor de veroordecling in eene bepaalde

(S) Zie noot I.

ocr page 35

geldsom eeue schatting voorafgaan. Diezelfde vordering viel dus ook onder de 1. a. per sacramentum.

Gesteld de eischer kwam in judicium met de bewering: Ajo te mild tritici modios centum dare oportere, en dat bij ontkenning van den gedaagde daarna de wederzijdscho uitdaging ad sacramentum plaats liad: dan liing de beslissing, wie te regt, wie te onregt tot liet sacramentum had uitgedaagd, van het al of niet bestaan eener bepaalde obligatie af, evenzeer als bij certa pecunia debita; van de vraag namelijk, of de bepaalde geëischte zaak verschuldigd was ol\' niet, an dare oporteret. liet éénige onderscheid bestond hierin, dat indien die zaak geenc som gelds was, eene waardering werd vereischt. Ecne aestimatio nu was niet vreemd aan de 1. a. per sacramentum. Doch bij die actio gold het vooral de vraag, door wien liet sacramentum te regt, door wien het te onregt gedaan was (9),

De in het ongelijkgestelde, hetzij de eischer, die geoordeeld werd, eene schuld te hebben beweerd, die werkelijk niet bestond, hetzij do gedaagde, die een werkelijk bestaande schuld had ontkend, werd beschouwd, als te hebben willen misleiden. Geheel anders was de aard der 1. a. per judicis

(9) Cicero, pro Caecina c. 33 ■Decemviri . . . sacramentum nosirum •justum judicaverunt.» Dezelfile pro Miloue c. 27, «qui non calumnia tlitium, non injustis vindiciis ac sacramentis alienos fundos . . . pete-tbat.» Dezelfde pro domo c. 29: «Si decemviri sacramentum in liber-«tatem injustum judicassent.» Zie Keller, Civil proces § 13, M. 55 (De door hem aangehaalde 1. 13 Cod. de Inoff. test. schijnt op deze zaak gcene betrekking te hebben). Niet geheel te onregt maakt Keller § 16, bl. 67 de opmerking, dat in de 1. a. per sacramentum eigenlijk geene bepaalde veroordeeling of ontzegging van eisch voorkwam. Die stelling is echter te absoluut. De uitspraak hield wel in de eerste plaats in , wie teregt, wie te onregt het sacramentum gestort of gesteld had, cujus sacramentum justum, cujus injustum esset; doch het komt mij voor, dat daarmede wel eene condemnatie zal verbonden geweest zijn. Bij certa pecunia was dan niets meer noodig; maar ook voor andere res certae, kon er alleen veroordeeling ziju , dat de gedaagde de gecischte zaak moest geven. Zoo de gedaagde niet gewillig daaraan voldeed, werd er eene aestimatio vcreischt. Men zie verder over deze aestimatio Keller t.a. p.

ocr page 36

poslulationem (10). Hoe weinig ons ook van deze actio is overgeleverd, daar de plaats der Instituten van Gajus, die daarover handelde, is verloren gegaan, dit mogen wij als zeker aannemen, dat daardoor in \'t algemeen alles geeisolit werd, wat onbepaald en voor verschillende waardering tus-schen partijen vatbaar was, wat eene vereflening van schuld behoefde. Hieronder viel dus al wat eene aestimatio ver-eischte. Onder dit laatste was de res eerla praeler nnme-ratam. quae dari oportet begrepen, want tot de veroordeeling was eene aestimatio noodig. Het was niet genoeg, dat de regter uitsprak, dat eene bepaalde zaak (uitgenomen geld) moest worden overgedragen (Numerium tritici modios centum vel fundura Fulcinianum dare ojiortere): er moest ook worden uitgemaakt, hoeveel de over te dragen zaak waard was, want eene bepaalde veroordeeling, d. i. veroor-deeling in eene bepaalde geldsom, werd vereischt. — Wij hebben de plaats van Gajus dus zoo te verstaan: qjiocl dari oportet kon oudtijds door de legis actiones per sacramentum en per judicis postulationem worden gevorderd, door de

(10) Rudorff Röm. Rechtsgeschichte, 11, § 22, hl, 81 wil deze legis actio in hel algemeen voor alle res incertae hebben toegelaten. Keller Civil Proecsz , § 7 en 8 schijnt haar te willen beperken tot hetgeen later onder het formulier-proces gebragt werd tot de arbitria, waartoe volgens Cicero pro Roscio Comoedo c. 4, behoorde het mite, mode\' rata/n, waarin het vooral op de billijkheid aankwam «Quid est inarbitrio? ■ mite, moderatum, quantum aequius et melius, id dari.i Deze opvatting schijnt echter voor de oude 1. a. per judicis postulationem te naauw. Dc actio ex stipulatu zouden daarvan alzoo zijn uitgesloten, even als de condictiones incerti. In de 1. a. per judicis postulationem werd een judex of arbiter geseven , waarschijnlijk naar dat een dier woorden in de verschillende wetsbepalingen voorwam of volgens sommigen geheel naar c.e keus van de partijen of den Praetor , doch zonder dat er tnsschen den judex en arbiter eenig wettelijk verschil was. Althans Cicero spot in de oratio pro Marena c. 12 met de juristen, omdat zij nog niet wisten , of men judex of arbiter moest zeggen «judicem an arbitrum dici oporteret.» - Deze twijfel zou niet bestaan hebben, indien er in de oude legis actio reeds een praktisch verschil had bestaan tusschen de benoeming ^an een arbiter en een judex.

ocr page 37

— u

eerste, indien het ver schuldig Je eene bepaalde geldsom, door de eersteen door de tweedeter keuze, indien het verschuldigde eene andere bepaalde zaak was. Men kon derhalve voor certa pecunia alleen de actio met het sacramentum, voor aliae res, behalve deze ook eene legis actio instellen zonder sacramentum, en deze laatste wijze van procederen was ongetwijfeld veel korter, daar de legis actio per sacramentum nog eene afzonderlijke litis aestimatio vereischte. De 1. a. per judicis postulationem was daarom welligt meer gebruikelijk en daar men alzoo meer gewoon was, res alias te vorderen sine sacramento, zou het aannemelijk zijn, dat men in de nieuwe 1. a per condictionem daarvoor ook geene sponsio eischte. Op deze wijze is het ook alleen te verklaren, dat de sponsio tertiae partis wel bij de condictio voor bepaalde geldsommen, maar niet bij die voor andere bepaalde zaken plaats had (11). Eene reden voor dat verschil bestaat in het latere regt niet; men moet dus de oorzaak daarvan in een vroegeren regtstoestand zoeken. De algemeene regel voor alle Historisch onderzoek, dat de gevolgen van beginselen en instellingen, die plaats hebben gemaakt voor nieuwe, nog blijven voortleven onder een ander stelsel, waarmede zij niet noodzakelijk, maar alleen tijdelijk en toevallig zamen-liangen, moet ook in het Romeinsch regt niet worden voorbijgezien. Hoe groot ook bij dit volk de scheppingskracht op dat gebied was , ging de hervormingsdrang met eene groote vasthoudendheid aan het bestaande gepaard. Wel vond men voor elke veranderde levensbehoefte eene wijziging

(11) Er was eenig verschil tusschcD het sponsio en het sacramentum. Het laatste verviel aan het aerarinm, de sponsio kwam ten voordeele der overwinnende partij. Daarenboven was het sacrameutum eene vaste som, 50 of 500 asses, naar mate het onderwerp van strijd beneden of boven de waarde van 1000 asses was; de sponsio daarentegen was altijd een bepaald gedeelte van de gevorderde som, gewoonlijk een derde, voor de vorderingen van nrgentarii en voor pecunia consiiinta in het algemeen de helft. Beide het sacramentum en de sponsio komen echter hierin overeen , dat beide eene poena teraere litigantimu bevatten en ook als zoodanig beschouwd werden.

ocr page 38

— lO-

in liet regtsstelsel; maar wat kon blijven bestaan, dat behield men ook. Zoo wijzigden üij hun geheelen procesvorm, daar de meerdere en veelzijdige behoeften eener meer ontwikkelde maatschappij, eene rijkere en vrijere levensuiting, zich bezwaarlijk kon buigen in het naauwe harnas van enkele vaste regtsvormen. Zoo schaften zij ook wel oude formaliteiten af, die door den loop der tijden zonder praktisch nut bleken te zijn; maar men mag aannemen, dat zij behielden, wat behouden kon worden en dat zij de groote leidende beginselen van den ouden strengen vorm in het langzamerhand ontstane vrijere processtelsel overdroegen. Zoo moet ook, waar een nieuwe vorm voor de vervolging van pecunia certa credita werd ingevoerd, uit het oude proces zijn overgenomen, wat voor overneming in den nieuwen vorm vatbaar was. De condictie verschijnt ons dan als eene eerste voortschrede op den weg der hervorming, die met de lex Pinaria was begonnen. Door deze wet was alleen voor kleinere zaken (res minoris quam mille aeris) de groote vereenvoudiging ingevoerd, dat de zaak niet door het geheele centumviraal geregt werd onderzocht, maar aan het oordeel van één regter uit de centumviri of welligt uit het album werd opgedragen (12). Overigens bleven de oude (12) Gajus J. IV, § 15. De beperking tot eene bepaalde som kon misschien doen deuken, dat deze niet alleen betrekking had op actiones in personam. Uit eene plaats van Pamp;eud. Asconius in Verrem II. § 26. ed. Orelli, bl. 164: «namque cum in rem aliquam agerent litigatores et poena

• se sacraraenti peterent, poscebant judieem , qui dabatur post trigesimum

• diem,» blijkt echter stellig, dat\'men daarbij ook aan actiones in rem moet denken. Daniel die Legisactionen und das Fortnularprocesz. der alter Romer. Schwerin 1858 , bl. 211, n0. 44, denkt hier wegens de woorden poscebant judieem aan de 1. a. per judicis po.-gt;tulationem en wil uit die plaats afleiden, dat het sacramentum niet het kenmerkend karakter der 1. a. per sacramentum was , maar dat dit ook bij de 1. a. per judicis postulationem voorkwam. Tot de vele vreemde en onhoudbare stellingen, die men in dat boek aantreft, zou ik ook deze rekenen. De naam zelf der 1. a. per sacramentum toont reeds genoeg aan , dat het sacramentum juist dat was, wat haar onderscheidde van de overige legis actiones. Ook de overige duiden in haren naam het kenmerkenl verschil aan, dat haar van anderen onderscheidt.

ocr page 39

— n -

solemuiteiteu behouden. Partijen verschenen voor het Cen-tumviraalgcregt en droegen daar limine actie voor. Voor bepaalde geldsommen moet dit geweest zijn met do -n oorden Ajo te mild 500 aeris dare oportere (l-J). De gedaagde ontkende dit. Daarna volgde de uitdaging van den eischer tot het sacrainentum, Quando tunegas, ad sacramenturn. te provuco, die door den gedaagde ook van zijne zijde met eene uitdaging werd beantwoord. Wijders werden borgen gesteld voor de voldoening van liet sacramentum (14). Eerst nadat al deze formaliteiten waren vervuld, daagden de partijen elkander, om op den 30sten dag weder voor den Praetor te verschijnen, teneinde eenregter te kiezen. Nadat dit op dien dag had plaats gehad, was er weder eene wederzijd-

(13) Zie noot 5.

(14) Gajus, J. IV. 1G. Deze plaats heeft alleen betrekking op de vin-dicatio. De inleiding van het proces door de hestellinj; aan het sacra-mentnm voor de actio in personam moet echter gelijke wijze hebben plaats gehad , uitgenomen de manus consertio en de uitspraak wie in het bezit zou blijven. In personele actiën sprak dan de eischer de woorden : Ajo le mihi dare oportere, quando negos sacramento te provoco, waarop de reus ongeveer met dezelfde woorden moet hebben geantwoord: Similiter ego sacramento te provoco, quando ais me tibi dare oportere. Men zie Keller, Civil procesz, § 13. De boven aangehaalde woorden bij Valerius Probus behooren volgens hem tot de leïjis actio per sacramentum. Daartoe wil ook Betmasx-IIolweo , über die Com-petenz des Centumviralgerichts Zeitschr. f. geseh. Rechtsv. V, bl. 374 , ze gebragt hebben. Op bl. 86 en in noot 5 bragten wij die op het voetspoor van Saviont tot de condictio. De condictio Si certum petetur strekte tot vervolging van cci ta pecunia, quae dari oportet, waartoe vroeger de 1. a. per sacramentum diende. Men verlieze daarbij niet uit het oog, dat alleen de vormen, niet het essentiële, de grond der vordering, verschilde. Naar mijn gevoelen is de condictio niets anders, dan een verkorte vorm van de 1. a. per sacramentum. Het Ajo te mihi dare oportere, waarin de geheele bewering des eischers was zamengevat, was dus gelijkelijk aan beide actiën eigen. In het formulier-proces bleef ook dezelfde kern behouden. In de formula , als door den praetor verleend, sprak alleen de partij zelve niet, maar de praetor, Si par et dare oportere, judex condemna. Volgens Gajus, J., IV , § 33, was echter de oude condictio in haar wc/en onveranderd in het formulier-proces overgegaan.

ocr page 40

schc aanzegging, om ua twee dogen voor Jeu gekozen regter te verschijnen, ten einde het geschil, waaromtrent beide partijen voor den Magistraat verklaarden, wat hunne bewering was (15), te beslissen. Op dien dag werd dan voor den regter eerst ecne korte aanwijzing van den eisch eu van de verwering en van de middelen voor beide gegeven (16), en daarop volgde de bewijsvoering en de breedere toelichting (causae peroratio).

Gaat men nu den gang van dit proces na, dan moet het terstond de aandacht trekken, hoe onbeteekenend en nutteloos het meerendeel dertijdroovende formaliteiten was. Behalve het sacramentum was het eenige wezenlijke eu voor het proces belangrijke, dat men daardoor bereikte, dit, dat tusscheu de jjartijen door de wederzijdsche verklaringen in jure naauwkeurig bepaald was eu vaststond, welk het geschilpunt was, waarover de strijd zou loepen. Vooral bij vorderingen van bepaalde geldsommen, waarbij alleen eene bewering van schuldig en niet schuldig zijn der bepaalde som mogelijk was (uitgenomen de gewone algemeene exceptiën) moest het doellooze dier omslagtige vormen zeer in het oog vallen. Eene eerste bepaling van het punt van den strijd kon men zeer goed verkrijgen door eene denuntatio ten overstaan van getuigen, welke eene som men van de partij eischte. Bij meer verwikkelde zakeu, waar onderscheidene beweringen in ontelbaar verschillende schakeringen mogelijk waren, mogt men nog hechten aan eene zekerheid, die de verklaring van partijen op de solemnele wijze ten overstaan van den magistraat opleverde; bij de eenvoudige vordering van vaste geldsommen, waarbij tegen de

(15) In het formulier-proces bleef deze bepaling van beide beweringen, een noodzakelijk vereischte in eiken procesvorm, behouden in de litis contestatio.

(16) Causae collectio, quasi causae suae in breve coactio Gajus J. IV, 15. Bij Ps. Asconius in Verrem II, § 2G ed. Ürelli bl. 16-1 wordt dit causae conjectio genoemd.

ocr page 41

— 13 —

verklaring van verschuldigd zijn alleen het niet schuldig overstond, waren getuigen evenzeer bij magte, om liet geschilpunt met de vereischte naauwkeurigheid te vatten en kon dit derhalve door de denuntatie ten overstaan van getuigen even goed bewezen en verzekerd worden, als door de verklaring voor den magistraat. De denuntiatie bevatte (17) tevens eene oproeping, om op den dertigsten dag voor het geregt te verschijnen, tot benoeming van een regter, ad capiendum judicem. Op deze wijze was de geheele eerste verschijning voor het geregt uitgewonnen en bereikte men veel eenvoudiger hetzelfde doel.

Dat er niet een naauw verband zou bestaan hebben tus-schen het sacramentum der legis actio, eene boete ten bate •gt; der schatkist, (zooals wij die vóór de wet van 7 April 18fi9 Slb. No. 55 volgens art. 406 Rv. voor een eisch in cassatie kenden) en de sponsio tertiae partis van de condictio voor bepaalde geldsommen, zal men bezwaarlijk kunnen beweren. Waar men geen voldoenden grond erkende, dat door procesvoerende partijen, alleen omdat zij procedeerden, een otter ten voordeele van den staat werd gevorderd, lag het voor de hand, om terwijl men het sacramentum afschafte, de daarin vervatte poena temere litigantium te behouden door aan de verliezende partij de betaling eener bepaalde geldsom aan den overwinnaar op te leggen. Men verkreeg dit door eene sponsio van den eischer en eene restipulatio van den gedaagde, dat hij een derde gedeelte van de geldsom in kwestie aan de tegenpartij zou betalen, indien de regter uitsprak, dat men te onregt geprocedeerd had (18). Zoo was de condictio ex lege Silia

(17) Gajus, .f. IV. § 18. «Et haec quidem actio proprie eoiidictio vouabatur, nam actor adversario denuntiabat, ut ad judicem capitmdnm trigesimo die adesset.»

(18) Gajus, .1. IV. § 13. «eaque actio (per sacramentum) perinde upericulosa erat . . . atque hoc tempore periculosa est certae creditae i\'pecuniae propter sponsionem, qua periclitatur reus, si temere nepet quot;et restipulationem, qua periclitatur actor, si non debitum petat.w

ocr page 42

— 14 —

quot;iels anders, daii eene verkorte legis actio [)er sacrainentum waarbij ook liet sacramentum in den gewijnigden vorm eener sponsio bleef bestaan. Kon het object der beide condictien oudtijds geheel ter keuze, hetzij door de 1. a. per sacramentum. hetzij door die per judicis postulationem worden gevorderd, waar zou men dan de oorzaak zoeken, waardoor liet sacramentum voor de eene condictie (voor vaste geldsommen) gewijzigd was blijven bestaan, voor de andere (voor alle andere bepaalde zaken) was vervallen ? Keixer beweert het laatste, maar heeft geene oplossing van de oorzaak van dat verschil gegeven. Zijne gronden, dat de beide condictien uitsluitend zonden zijn ontleend uit het oude gebied der 1. a. per sacramentum, zijn daarenboven zeer zwak (19). Dat de lex Calpurnia voor actiën, die vroeger tot het gebied der 1. a. per judicis postulationem hadden behoord, een proces-vorm invoerde. waarbij het sacramentum en de sponsio tertae partis was

(10) Civil procesz §18, bl. 76 inzonderheid ook noot 247. Volgens Kel-ll\'R zou men uit de plaats van Gajus alleen kunnen opmaken, dat dooide legis actiones per sacramentum en per judicis postulationem genoequot; was gezorgd voor id. quod dari oportet, terwiji dit laatste N. Jgt;. alleen zou behoord hebben tot het gebied der 1. a. per sacramentum. Wij merken daartegen op, dat Gajus duidelijk zegt. dat men id quod dari oporiet door de 1. a. per sacramentum en door die per judicis postulationem had kunnen vervolgen. Keller schijnt ook aan deze zijne verklaring zelf niet veel te hebben gehecht, want hij voegt er bij, dat indien Gajus werkelijk mogt bedoeld hebben, dat het dare oportere, dat later tot de condic-tio behoorde, vroeger verdeeld was tusschen de beide oude legis actiones, dat men dan Gajus bezwaarlijk zou kunnen gelooven. Dezen laatsten nu za\' men niet zoo gemakkelijk alle geloot\' weigeren, althans niet zonder zee -gewigtige gronden en die geeft Keller volstrekt niet. Rudohff, Röm. Rechtsgesch. 11, § 23, bl. 83 en anderen willen, dat de condictio de I. a. per manus injectionem voor het nexum zou hebben vervangen. Dat deze oude procesvorm in do condictio is opgegaan, kan niet worden betwijfeld. Terwijl de buitengewone vorm werd afgeschaft,quot;bleef de gewone wijze van procederen over. Het kan zijn. dat de afschaffing van l et nexum eene der oorzaken van de invoering der condictio is geweest. Zoo algemeen echter, als Rudorff dit van de condictio wil hebben aangenomen, dat zi j alleen zou zijn ingevoerd, om de manus injectie te vervangen, is dat niet aannemeli jk. Hij is daarmede ook in strijd met deze plaats van Gajus.

ocr page 43

— 15 —

weggevallen, ilocli die overigens eigenlijk niets anders was, dan een verkorte vorm van het proces per sacramentum, verwondere niemand, want waarschijnlijk was er tnsselien de legis actiones per sacramentum en per judicis postulationem eene groote overeenkomst. Behrdve het sacramentum bestond het kenmerkend onderscheid hierin, dat in den laatsten proces-vorm niet het ( entumviraalgeregt, maar één gezworene, een judex of een arbiter, uitspraak deed.

Overigens is er niet de minste grond, om aan te nemen, dat er wat de vormen der inleiding van het proces betreft, eenig verschil tnsselien deze legis actiones was (20). Vooral was de overeenkomst groot bij den door de lex Pinaria ge wijzigden vorm der actio per sacramentum. AVelligt had deze wet niet anders gedaan, dan den vorm der judicis postulatio op de 1. a. per sacramentum overbrengen. Waarom zou men, terwijl men ook bij de 1. a. per sacramentum volgens die wet voor sommige gevallen een regter benoemde tot beslissing van het geschil, een anderen vorm hebben gekozen, dan reeds voor de benoeming van een gezworen regter in eene andere actio bestond?

Op deze wijze is het alleen te verklaren, dat er bij de con-dictio rei certae praeter pecuniam numeratam niet, bij de con-dictio certae jwcuniae wel eene sponsio tertiae partis plaats had. Op zich zelve was deze sponsio bij beide condictien gelijkelijk mogelijk. Tot een derde behalve het object van den eisch kon bij beide evenzeer worden veroordeeld, omdat bij beide eene veroordeeling in eene bepaalde som gelds moest volgen.

(20) Ten tijde van Gajus werd het proces voor het Centumviraal-geregt, waarin nog werd geprocedeerd volgens de onde 1. a. per sacramentum , op solemnele wijze voor den praetor door het sacramentum ingeleid, Gajüs J. IV, § 16. Voor de storting of borgstelling van dit sacramentum moest het onderwerp der actie reeds bepaald zijn. — Eene gelijke bepaling was noodig bij de benoeming van een regter in de 1. a. per postulationem. Men mag aannemen, dat de vormen voor deze bepaling van den strijd in beide actiën vrij gelijk zal geweest zijn, terwijl in de eene het sacramentum, in de andere de judicis postulatio daarmede verbonden was.

ocr page 44

- 1G

De oplossing van dat verschil moet men dus in den vroe-geren regtstoestand zoeken en de bovengegevene schijnt mij, naar hetgeen ons van den ouden proces-vorm ten opzigte van het creditum bekend is, de eenig mogelijke te zijn. Tk moet echter erkennen, dat mijne stelling niet anders is , dan eene hypothese, hoeveel ■waarschijnlijkheid daar ook voor moge bestaan (21). Voor de bepaling van den aard en den omvang der beide genoemde condictiën staan wij gelukkig op een vaster bodem van exegese.

Uit Gajus J., IV, § 18 en 19, weten wij, dat do con-dictio ex lege Rilia gerigt was op pecunia certa, die ex lege Calpurnia op res cerla, quae dari oportet. Eeide

actiën zijn dus algemeen. Uit welk contract ook de obliga-tio, het creditum, ontstaan was, steeds kon men daarvoor de condictie instellen. In zooverre bevatte het creditum alk; andere contracten in zich, zooals Ui.pianiis uitspreekt in 1. 1 fl\'. de Heb. Cred. (12.1). //Omnes contractus, quos //alieuam fidem secuti instituimus, complectitur;quot; en 1. 9 eed. nCerti condictio competit ex omni causa, ex qua cer-//tum petitur, sive ex certo contractu petatur, sive ex incerto. //Licet enim nobis ex omni contractu certum condicere, //dummodo praesens (niet afhankelijk van eene toekomstige //voorwaarde of tijdsbepaling) sit obligatioquot; (22). Indien

(20 In natuurwetenschappen is men den verbazendeu vooruitgang van den laatsten tijd voornamelijk verschuldigd aan de hypothetische methode. Op het gebied der morele wetenschappen, inzonderheid van de geschiedenis der maatschappelijke ontwikkeling is het veel moeijelijker , zich rekenschap te geven van den weg, die in het onderzoek is bewandeld, omdat elke toestand veel ingewikkelder, elk feit met een menigte andere nog veel naauwer verbonden is, dan in de stoffelijke wetenschappen. Inzonderheid echter is het meerendeel der kennis van de oudste geschiedenis, ook langs den hypothetischcn weg verkregen, hoewel met minder bewustheid der methode. Gelijk de hypothese in natuurweteuschapiien door eene veelheid van waarnemingen moet bevestigd worden, zoo moet zij cp gebied van geschiedenis hare bevestiging vinden door naauwgezet onderzoek of in al de verschillende toestanden, waarmede de gegevene feiten in verband staan , de aangenomen hypothese doorgaat.

(22) Op het voetspoor van de Glossatoren en de latere Romanisten ,

ocr page 45

— 17 —

aanvankelijk niet ouze toestemming (in welken vorm of welk soort van contract clan ook) eene zaak uit ons vermogen in dat van anderen was overgegaan, zonder dat voor dien eigendomsovergang een regtsgrond bestond, dan konden wij die zaak volgens Eomeinseh regt bij condictie terugvorderen (23). Het eenigste vereisclito daarbij was, dat die zaak een cor-tmn in den meest strikten zin was, dat is eene bepaalde geldsom, of eene andere bepaalde zaak. Eene zaak is bepaald (certa) indien zij door een bepaalden naam is aangeduid of wanneer soort of hoegrootheid bepaald is 1. 6 t!. do Rel). Cred. //certum est, cujus species vel quantitas, quae in //obligatione versatur, ant nomine suo aut ea demonstratione //quae nominis vice fungitur, qualis quantaque sit, osten-//ditur:quot; 1. 74 ff. de V. O. (45.1). //Certum est, quod ex //ipsa pronuntiatione apparet, quid, quale, quantumque sit; //ut ecee aurei decern, fundus Tusculanns, homo Stichus, //tritici Africi modii centum, vini Campani optimi amphorae //centum.quot; Blijkt soort of hoegrootheid eener zaak niet, dan is zij incerta 1. 75. pr. en § 1 ff. eod. //Ubi autem non apparet, //quid, quale, quantumque est, incertam esse stipulationem, //dicendum est. Ergo si qui fundum sine propria appellatione, //vel hominem generaliter sine proprio nomine, aut vinum //frumentnmve sine qualitate dari sibi stipuletur, iucertum //deducit in stipulationem.quot; Dergelijke onbepaalde zaken konden door geene der oude condictien worden gevorderd. Be-

vat Savignt Sysfc. V, Beil. 14, nn. 23, igt;1. 3s0 de woorden cx ir-certo contractu op, als betrekking hebbende op de contractus innominati. Door 1Ie:mbacii , Creditum bl. 84 en volg. is onwederlegbaar bewezen dat de contractus hier incertus is genoemd , als eene res incerta daarvan het onderwerp is, zoo als men ook de stipulatie) certa en incerta ondei scheidt. De twijfel van Savignt , dat dan voor de condictio incerti in het geheel geene ruimte zou overblijven, verdwijnt, als men er op let, dat de res incerta der overeenkomst, later vóór het instellen der actio een certum kon gewerden zijn. Dan is het in den regel, dat men ageert door de condictio certa, die in dat geval echter is ontstaan uit een contractus incertus.

(23) Zie 1. 1 ff. de Reb. Cred. waarover wij later zullen handelen.

ocr page 46

~ IS —

paalde zaken daarentegen, uitgezonderd geld, violen onder de condictio ex lege Calpurnia. En deze condictie is volgens Gajus bij de invoering der formulae in haar wezen onveranderd gebleven. In Inst. IV. § 33 verklaart hij uitdrukkelijk , dat er geene formula naar liet voorbeeld der oude condictien was gegeven, zoodat de formula, voor de oude legis actio per condictionem in de plaats getreden, zonder eenige verandering of lictie was overgenomen (sua vi ac po-testate eonsistit), omdat bij den eisch zoowel van vaste geldsommen als van andere bepaalde zaken de intentio luidt, dat de zaak zelve aan ons be/wort te worden overgedragen: \'/Sive enim pecuuiam sive rem aliquam certain debitam nobis /\'petamus, earn ipsam dari nobis oportere intendimns, nee //ullam adjungimus condictionis iictionem.quot; Derhalve zijn bij de invoering van het formulier-proces de condictien ex lege Silia en ex lege Calpurnia in hun wezen onveranderd in het nieuwe stelsel overgegaan, en zij kunnen, daar de intentio blijft gerigtop de zaak zelve, geene andere intentio hebben gehad, dan Si parel dare oportere. Dare beteekent overdragen inden eigendom vaneen ander 1. 75 § 10 ff.de V. O. //Haec stipulatio fundum Tuscidanum dari, ostendit //se certi esse: continetque ut dominium omnimodo efficia-tur stipulatoris quoquo modoquot; Seneca de Bcnef. V, 10, \'/dare //aliquid a se dimittere est, et quod tenueris habendum //alteri traderequot; (24). Wij mogen dus uit de plaats van

(24) Ook in de Basilica is op onderscheidene plaatsen op deze betee-kenis van het woord dare gewezen. In een scholium van Stepbakus op L. quot;23, t. I.e. 4 vinden wij dit met zoovele woorden vermeld: óage yaq ion to óéaTtóxrjv Ttoiijout\', waut darb hetcekent iemand eigc-r.aar maken. Deze wooiden zijn wel niet van Stepuaküs zeiven, maar van anderen, wier gevoelen hij aanhaalt. Het blijkt echter genoeg, dat hij met deze hunne bewering instemt. In c. 1 , § 2 van dezen zelfden titel zeszt dezelf Ie jurist van de condictio Si certain petrtur: ™Ioamp;o JV, ör* o TtaQtüv KfQvov yfvtxóq Kordixrixioq xara qivaixyv IdióvfjTU dfOrcoxduv civrtxa?.tïzao xnl ifKfVTtVTHton; f/ft rb dage. Men moet weten , dat de al(jemoene condictio cerli volgens hare eigene natuur den eigendom tf-rugoordert tn uit haren aard het darc bevat. Volgens hem was ook door TnEOrnii.cs

ocr page 47

— 19 —

(lAJus besluiten, dat er na de invoering van het proces per formulam twee algemeene condictiën hebben bestaan, waarvan de eene was gerigt op bepaalde geldsommen, de andere op alle andere bepaalde zaken en dat de formula van beide condictiën de intentio bevatte, dat eene bepaalde zaak in eigendom zou worden overgedragen (25). Van beide mogen wij wachten, dat zij in de Pandecten zullen worden teruggevonden. Over de eerste is geen verschil van gevoelen. Men vindt daar op vele plaatsen melding van gemaakt. Zij komt voor onder den naaam van Si cerium petctur. Dit is uitgesproken door Ui.riAxus in 1. 1 ft. de Cond. Trit. (13.3). //Qui certain pecuniam muneratam petit ilia actione utitur quot;Si cerlvm petelurquot; en hij voegt daar onmiddelijk bij //qui //autem alias res per tritieariam condictionem petit.quot; Deze algemeenheid der triticaria en hare vermelding naast de condictio de certa pecunia numerata, doen terstond denken, dat de triticaria de oude condictio ex lege Calpur-nia is. Men zou kunnen vermoeden, dat Ui.piaxus aan de plaats van Gajus had gedacht. Waar hij echter zegt, dat men alle andere zaken vordert door de triticaria, laat hij bij de woorden alias res de nadere bepaling van Gajus, certas, weg.

Door Savigxy is dan ook geoordeeld, dat de condictio triticaria zoowel de vordering van onbepaalde als van be-gewezen op liet verschil tusschen dare en tradere c. 9, §3 van den zelfden titel: O ayoQuotTjti of , ai r Oi Te yctg drdyxj] zbv

vtgdrjiv dfOTTOvrjv tioisTv xov tiyoQUOTijv, c:/./(: [jióvov uvxüi TQfiiïi.zeiii,v avuy/.d^(T(u tb jttrtQUy.évov, y.ttl ÏTtfQWvdoO-ab xijy :Tfol ixrmijaeoli dovjcXav: Tuvtn [xtv ovgt;, w; eijtov, 0eötfy).osö puxaQixr^. Dc koopcr kan niet mei rei/t zeggen , SI PARliT DARE. Want de verkooper behoeft den koo/ier niet eigenaar te maken, maar hij wordt alleen genoodzaakt hem het verkochte te leveren en zich te verbinden, om in geval van uitwinning het du\'/tcl van den koopprijs te betalen. Dit nuleerde, gelijk ik zeide, Theopuilcs zaliger. Op het verschil tusschen dare en tradcre steunt ook de beslissiiiü; van Celscs ia 1. 16, ff. causa data c. n. sec. Daarop heeft ook bcivek-king 1. II , § 2 , ff. de Act. Emt. et Vend.

(25) Gajcs , IV, §33, Sivc cnim pecuniam sire rem aliquam cer-tam debitam nobis jeiamne, enm ipsam dari nobis intendimns.

ocr page 48

— 20 —

paalde zaken omvat. Dit gevoelen komt mij echter onjuist voor. Hot scliijnt, dat die geleerde zelf eenigen twijfel koesterde, of zijne stelling wel waar was. Het woord res deed den sclierpzinnigen en geleerden jurist twijfelen, of Ulpianus daarmede alleen eene bepaalde zaak, die kon vallen onder do intentie si parel Hare oportere, kon bedoeld hebben; doch dio twijfel wordt gemakkelijk door hem verwijderd (26).Dit vereischtookgeenebijzondereoverweging; in het woord res kau immers geen denkbeeld ven bepaaldheid liggen. De uitdrukking res cerla doet reeds veronderstellen, dat er ook res incertae zijn moeten, al was ous dat buitendien uit de regtsbronnen niet volkomen bekend. Toch gelooven wij, dat de Coryphae der hedendaagsche Romanisten door een juist gevoel werd geleid, waar hij in de woorden van Ulpianus : alias res per trilicariam con-diclionem petit, eene aanduiding vermoedde, dat deze daarbij alleen had gedacht aan actiën, waarvan de intentio luidde: Si paret dare oportere. Doch die aanwijzing ligt niet in het woord res, maar in petet. Petere rem duidt aan, dat de actie gerigt is op eene bepaalde zaak zelve en wordt in zeer juisten en eigenlijken zin gezegd van de condictiones voor bepaalde geldsommen en andere bepaalde zaken, omdat men daarin eischt krachtens verbindtenis, dat bepaalde zaken zelve moeten worden overgedragen, om-

(26) Ststlm, V Beil. 14, n0. 39. bl. 626. .Der einzige Zweifel ge-gen die Algemeinheit des Sinnes dieser Steüe künnte etwa noch atis dem Wort res hervorgenommen werden, so da?z der Name (triticaria) dennoch auf Condictionen rait dare oportere (nur auszer dem baaren Gelde) besehtankt ware. Allein dieser Scheia versehwindet durch die ven Ulpian hinzugefügteo einzelnen Anwendnngen. Mit dieser Klage namlich soli man einen fundus einfordern können etsi vectigalis sit. Bei einer gewaltsamen dejection aus einem Grundstück kau der vorige Besitzer den fundus selUst \'condiciren , wenn er Eigenthiimer ist; ans-zerdetn aber die possessie.«

De condiciio der possessio wordt door Savjosy ie onregt als eene con-diciio triticaria aangemerkt, zon als wij later znllen zien.

ocr page 49

dut de intentio op de zaken zelve gerigt was, Gajus J. IV, § 33, //quia intendimus earn ipsam dari oportere.quot;quot; Dat kan niet gezegd worden van formulae, waarvan de intentio ook gerigt was op een facere en luidde Quid quid dare facer e oporlet, zoo als bij de condictiones incerti. Waar van een facere sprake was, kon men niet zeggen rempetimus. Petere wordt gebruikt voor opvordering van zaken, hetzij dat wij eischen, dat wij als eigenaars daarvan zullen verklaard worden en als zoodanig in het bezit daarvan zullen gesteld worden, hetzij dat wij vorderen, dat de eigenaar of houder daarvan verbonden is, om die aan ons over te dragen, om ons daarvan eigenaar te maken. In de verklaring op den titel de llebus Creditis der Basilica 23.1 teekent ook de Scholiast aan, dat dnaLTtjGig vooral in meest eigenlijken zin wordt gezegd, als wij vorderen, dat iets ons eigendom zal worden. (27) Volgens hem noemt de wetgever de condictiën overalpetiiiones («Trcar^ffé^.Aan zulk eenestellige verklaring

(27) § 3. OD.ow ovv 6 rofiod-ix7tuQadfj?.Ó)Oui,, óiq h\'Tevamp;fv xrjv oofittüxuXLav TtohfZviu ovyc 7t(Qc èxêivo)v rwv crguy/udroyv, y rijq uyo)yijq vijs (xdtxovtitjq fxfVva, ci/J.a vrfgl 7CQciy/.idro)v /117 Gvxwv rijq

y/ifTfQaq dfartorfitiq xul rijq dyoiyijq xijq y.trov/Afvrjq elq (xvxtjv rijv Tovxoiv drdnXrjGw xul dTtalvyatv, TTQoaexiamp;rj xb dTtaoxfixao. KvQiwq yaQ aTfaixTjOtq Xfytxut, oxo xo £rjxovikv ytvtaO-fu ■q/.iéxfQov: xb óf inov ^ijxyaat vtXéov yfvioamp;at, ifióv, atro.Tor. Kal xbv y.fQxov ydq xordtxxiy.i-or xwovvxeq, Ttegl ov xul 1) ÓLÓudxaXia ioxCv, ovxo) kfyoper: Ttoitiaór pe, IlexQe, deqjtóxrjv xovxov xov TtQdypaxoq ij xóao)v rotiarde dgyvQuav. De wetgever nu willende loonen , dat hij hier niet handólt over die zaken of over de regtsvorderiny [de vindicatio) waardoor men die vordert, maar over bepaalde zaken, die niet in ons eif/endum zijn, en over de regtsvorderiny, die wordt ingesteld, om deze zaken terug te vorderen, op te eischen, plaatste hier het woord aTtaureVxat. (Flet opschrift van den titel is Ttfqc TFguypdxwv \'/()eo)aroxif(,érü}v, idv iact iïijXov xal drcaixdxau xal ixdixtjatoiq uvxióv) Want aTtaixtjOtq, [opeisching, petitio) ivordt voornamelijk gezegd, als wij eischen, dat iets het onze zal worden, te eischen nu dat het mijne nog meer het mijne zal worden, is ongerijmd; want de condiclio certi, waarover hier gehandeld wordt, instellende, zeggen wij alzoo ; Petrus, maak mj eigenaar van deze zaak of van zooveel en zoodanige geldstukken.

ocr page 50

van den Dysaiitijnsclien sclioliast kan men geen gewigt ontzeggen. Daarnaar is pet\'Uio de teelinische tenn voor elke condictie, die op eene bepaalde zaak gerigt is en waardoor men eisclit, dat die zaak zal worden overgedragen, in zijn eigendom zal worden overgebragt, met de intentio Si parel dare oportere. lieden om de verklaring van den Scholiast in twijfel te trekken, is er niet. En al mogt men minder vertrouwen stellen in de kennis, die de Grieksclie geleerde ven het Latijn had, al mogt men aan zijne woordverklaring weinig hechten, dan zal men toch de gevolgtrekking niet kunnen ontgaan, dat de Bisantiju, in het Latijnsche woord eene fijnheid zoekende, die in de taal niet lag, in het woord pelere eene beteekenis wilde vinden, die hem uit andere bronnen bekend was, dat men aan dat woord bij de condictiën hechten moest. Dit zal men in allen gevalle moeten toegeven, dat hij, voor wien al de bronnen van li o-meinsch regt nog openlagen, eene condiotio, qua rempeli-mus, alleen opvatte, als eene eondictio, waardoor meneischte, dat eene zaak in het eigendom zou worden overgebragt. Daartoe moet de zaak bepaald zijn, want anders is het een facere, zoodat de uitdrukking van condiclio, qua rem pelimus eene gelijke beteekenis heeft met condiclio de re cerla. Do con-dictia triticaria, qua alias res (praeter pecuniam numera-tam) petimus, waarover Ulpianus in de reeds aangehaalde ]. I ff. de cond. trit. (28) handelt, is derhalve dezelfde, als de condiotio ex lege Calpurnia de omni certa bij Gajus J. IV, § 19. De laatste had geene betrekking op onbepaalde zaken: de eondictio triticaria der Pandecten kan even weinig dienen tot vordering van onbepaalde zaken.

Volgens Savigxy is dit laatste wel liet geval en blijkt dit stellig uit de zaken, die Ulpianus opnoemt als voorwerpen van de eondictio triticaria. Hij meent zelfs, dat de enkele inzage der genoemde 1.1 ft\', de Cond. trit. allen twijfel, die men

(28) 1)1. 2,

ocr page 51

■»$ —

volgens hem overigens uit de woorden rem pelimus kon voeden, moest doen verdwijnen. Enkele dier zaken zijn volgens Savigny stellig res incerlae (29). Ik moet liier geheel van hem in gevoelen verschillen. Met alleen toch noemt Ulpianus alleen zaken, die voor certae kunnen worden gehouden; maar hij stelt ook als regel op den voorgrond, dat die zaken bepaald moeten zijn, hetzij in gewigt, hetzij in maat: //et generaliter dioendum est, eas res per hanc actionem // peti, si quae sint praeter pecuniam muneratam, sive in npondere sive in mensura conslent (30), sive mobiles sint //sivesoli.quot; Welligt heeft Ulpianus hier gedacht aan zijne bepaling van res certae, voorkomende in 1. 74 ft\', de V. O., boven aangehaald op bl. 17. Of de zaak overigens roerend of onroerend, ligchamelijk of onligchamelijk was, deed niets ter zake, indien men in de aanduiding der ligehamelijke zaak of van het jus in re aliena, maar de soort en de hoegrootheid bepaald had. Dat erfdienstbaarheden op res certae, even als die zaken zelve tot de bepaalde zaken, res certae, gerekend worden, vindt ook zelfs bij Savigny geen bezwaar. Hier is geen twijfel mogelijk, of deze zaak wel kon vallen onder de intentio Si parel dare oportere, want men kan inuners de servitus altijd overdragen door de in jure cessio. Aan de verpligting van het dare oportere kon dus letterlijk worden voldaan, en de waardering in de condem-natio, het Quanti res est, kon ook geen bezwaar hebben. Dit laatste was moeijelijker, zelfs hoogst bezwaarlijk bij vruchtgebruik. Als de eischer echter de formula met de intentio: Si paret fundi Tusculani usumfrnctum dare oportere, verlangde, was het bezwaarlijk hem die te weigeren, want die ususfructus was eene bepaalde zaak en voor overdragt vatbaar. Werd zij verkregen, dan was daardoor de regter verpligt, indien de eischer de obligatio bewees-,

(29) Zie bi. 20, noot 2G.

(30) Hetzij dat rij hi ifwigt, hetzij dal zij in m mt bepaald zijn.

ocr page 52

— u —

te veroordeeleu en volgens de coudeuinatio Chianti ea res est de waarde daarvan te bepalen (31). Maar hoeveel moei-jelijldieid was er niet in zulk eene schatting, hoe willekeurig moest die bepaling altijd schijnen? Bij onzekerheid van de opbrengst van de volgende jaren, bij onzekerheid vooral van den duur van het vruchtgebruik , was het bijna niet mogelijk de waarde te bepalen. De schatting was dus bijna niet doenlijk. Een gemiddelde leeftijd aan te nemen, had op zich zelf veel bezwaar. Den llomein zou eene daarnaar berekende waarde van vruchtgebruik niet hebben voldaan, want men kon op die wijze de verschillende ligchaamsgcsteldlieid der vruchtgebruikers niet in aanmerking nemen, en hem zou hot niet ontgaan zijn, dat daarvan in den regel de duur van het leven afhangt. En al had men met den gemiddelden leeftijd genoegen kunnen nemen, hoe zou men tot de kennis daarvan zijn geraakt, terwijl men geene tafels van gemiddelde sterfte kende ? Hoewel dus volgens de strenge consequentie van het regt de condictio met de intentio; Si parel dare oportere, voor vruchtgebruik moest worden toegelaten, is het niet vreemd, dat daarvoor meer eene andere actie werd gebruikt, die met de condictio certa concurreerde. Daarom zal het ons niet v erwonderen , dat Ui.pianus op eene andere plaats leert, dat men gewoon was , om den ususfructus ccner bepaalde zaak als een inccrtum te beschouwen, althans te vorderen door eene actio incerta, in casu de actio ex stipulatu 1. 47 § 3 , fl\'. de V. O. // Fundi certi si quis usumfructum stiff pulatus fuerit, incertum intelligitur in obligationem // deduxisse; hoc enim jure magis utimur.quot;

(31) Zoo moest ook de reëler de waarde van eene onder voorwaarde gelegateerde zaak schatten. De maatstaf was hier de prijs, die men voor zulk eene gelegateerde zaak , terwijl de voorwaarde nog hangende was, zou besteden 1. 14, ff. de cond. furt. (Ï3.1) «Si sen-us furtivus sub

• condictione legatus fuerit, pendente ea heres condictionem hahebit . . .

• Quodsi pendente condlti\'ne judicaretur, judex aettimare debebit, quanii

• emptorem invenerit.»

ocr page 53

— 25 —

De laatste woorden scliijnen stellig aan te duiden, dut de ususfruetus ook wel als ros certa beschouwd en door eene condietio certa gevorderd kon worden. liet kan zijn, dat daarover verscliil van gevoelen bestond, en dat men aan die woorden de beteekenis moest heeliten, dat liet gevoelen , dat de ususfruetus als res incerta moest gevorderd worden, liet meest gevolgd werd. Die woorden kunnen echter ook beteekcnen, dat de ususfruetus zoowel door eene formula voor res incertae, met de intentie Qidcquid dare facere oportet kon geeischt worden, als met eene formula voor bepaalde zaken, met de intentio Si par et dare oportere; dat is met andere woorden, zoowel door eene actio incerta als door eene actio certa, en dat het eerste in de praktijk meer gebruikelijk was (hoc jure magis utimur). Voor dit laatste was dan ook de gowigtige reden , die wij boven vermeldden. Deze verklaring schijnt daarom de voorkeur te verdieneii (32). De formula met Quicquid dare facere oportet gaf aan den regter meerdere ruimte en vrijlieid. Daarnaar kon hij bevelen, dat de ususfruetus zou worden overgedragen en. dat de gedaagde zich onder het stellen van zekerheid tot de jaarlijksche uit-keering van eene bepaalde som verbinden zou of eindelijk hem in eene bepaalde geldsom veroordeelen (33) Wegens deze belangrijke practische voortleelen is\'t zeer begrijpelijk,

(32) De ususfruetus valt volgens Savigny Syst. V, Beil. 14, nool c., bl. G18 ook onder de intentio: Siparet dare oportere. Dat Ulpiancs echter voor de stipulatio ususfuctus de neiio incerta ex stipulatu toelaat, is hem niet ontgaan. Hij schrijft dit ook toe aan de moeljelijkheid, om de waarde van het vruchtgebruik te schatten. Dat hij overigens do ususfruetus als een incertum wil gevorderd hebben, en vermoedt, dat toch de intentio zou geluid hebben Si paret dare oportere, daarvan geeft hij geene oplossing. Het oude Romeinsche regt liet 7ulk eene vereeniging van de formulae der actiones certae en incertae niet toe. Ik kan hier niet anders in zien, dan eene dwaling, die het gevolg was van de onjuiste opvatting van den omvang der condictio triticaria.

(33) Officio jmlicis kon de pracstatio ecner handeling worden opgelegd en eerst bij ongehoorzaamheid van den gedaagde aan dat bevel, de ver-

ocr page 54

- 26 -

dat men algemeen verkoos , om den bij stipulatio bedongen ususfructus van bepaalde zaken niet doov de condictio triticaria, maar door do actio ex stipnlatn te vorderen. De intentio der laatste actie was: Quidquid dare faccre opor let, Gajus J. IV, § 136. Gelijk wij later zullen betoogen, concurreerden ook de condictiones incerti met de triticaria. In al die gevallen van concurrentie kon dan ook de eisclier de formula der condictio incerti met de onbepaalde intentio kiezen. Hot was dan eene actio incerta, waardoor men den ususfructus vorderde. In dien zin zeide Li. pi anus , dat het meer gebruikelijk was, den ususfructus als oen incer-tum to beschouwen. Dit alles nam echter niet weg, dat ususfructus kon worden overgedragen, dat het vruchtgebruik kon vallen onder do intentio Si paret dare oportere, dat het op zich zelf eene bepaalde zaak kon zijn, en gevorderd kon worden door de condictio triticaria. Dat overigens de ususfructus van bepaalde zaken onder de res certae gesteld worde, vindt ook bij Ravigxy geen bezwaar.

Geheel anders is zijn oordeel over den ager vectigalis. Dezen houdt hij ontwijfelbaar voor eene res incerta (34). Puchta stemt daarin zoodanig met hem in, dat hij, die de condictio triticaria alleen voor bepaalde zaken wil hebben toegelaten, het fragment van Ut.pianus voor geïnterpoleerd verklaart. In plaats van //fundum quoque, perhanc //actionem petimus etsi vectigalis sit,quot; zou Ui.pianus in de laatste woorden geschreven hebben, nisi vectigalis sit (35). Voor die verandering is echter geen andere grond, dan

f onleeïing tnt ceoe vaste geldsom worden uitgesproken 1. 55 ff. de Act. limt. et Vend. (19.1) I. 9 ff. de Praescr. Verb. (19.5). Zonder onliillijk-heid kon deze veroordeeling in dat geval door den regtcr zoo hoog worden bepaald, dat de eischer nimmer schade leed. De gedaagde werd daardoor niet benadeeld , want door overdragt van hetgeen hij schuldig was, kon hij zich van de betaling daarvan bevrijden.

(34) Zie noot 2G.

(35) Pcchta , Inst., II, § 1G5, noot hh. bl. 110.

ocr page 55

1

— 27 —

dat volgens Puchta geene andere, dan res certae, onder de eoudiotio triticaria konden vallen, en daar hij den ager vectigalis voor eone res incerta hield, moest hij de plaats van Ui.pi an us, waar stellig gezegd wordt, dat deze ook door de triticaria kon worden geëischt, voor opzettelijk veranderd of corrupt houden. Dit laatste schijnt mij niet noodig, daar de ager vectigalis werkelijk voor eeue res, en indien hij met genoegzame zekerheid is aangeduid, ook voor eene res certa moet gehouden worden. Wat het laatste betreft, zal ik kunnen volstaan, met te verwijzen naar het op bl. 17 aangevoerde , wanneer eene zaak voor bepaald moet worden gehouden. Men zal, als de ager vectigalis overigens als eene res moet worden aangemerkt, wel geene meerdere bepaling kunnen vragen, dan Quid, quale en quantum. Anders zou men in strijd zijn met Ulpiaxcs , 1. 74 ff. de V. O. Dat nu de ager vectigalis als res aangemerkt moet worden, en voorwerp van het dare zijn kan, mag worden aangenomen, omdat voor den ager vectigalis eene zakelijke actie, eene actio in rem, bestond. Hoewel in beide gevallen de eischer geen eigendom had, was echter zi jn regt op de zaak erkend en had dit regt zooveel overeenkomst met het dominium, dat even als aan den eigenaar de vindicatie open stond, zoo ook aan de genoemde regthebbenden eene zakelijke actie werd verleend, waardoor zij hun goed van eiken houder konden terugvorderen fl\'. de Agro Vect. (6.3). In de zakelijke actie over den ager vectigalis liep de strijd of het zakelijk regt bestond of niet, of de eischer den fructus van den grond had of niet, even als in de vindicatie, of eene zaak het eigendom van den eischer was of niet, of hij eene scrvitus, een ususfructus had of niet. Was de zaak, de scrvitus of de ususfructus aanvankelijk met toestemming des eischers maar zonder regtsgrond, uit het patrimonium des eischers in dat van een ander overgegaan, dan hield do vindicatio op, doch had de eischer de condictio om zijn goed terug te bekomen. Die actie strekte, dat het goed weder in zijn

ocr page 56

eigendom zou worden terug gebrngt. De condictio was go-grond op liet dare oportere. Dare beteekent iemand eigenaar maken; maar men lette wel, dat dit niet altijd is, iemand eigenaar maken van de ligchamelijke zaak, waarop zijne condictio betrekking heeft. Voor eene servitus op -— en den ususfructus van — den ager Tusculanus had het Si paret dare oportere, judex condetnnamct de beteckenis, dat de regter den gedaagde moest veroordeelen, om den eischer eigenaar te maken van den ager Tusculanus, maar alleen om hem eene servitus of den ususfructus daarvan te versahaffen, dat is , om hem dat zakelijk regt zoodanig te leveren , dat hij er eigenaar van werd. Op dezelfde wijze kon de condictio voor den ager vectigalis niet daartoe strekken, dat de eischer eigenaar van den ager zou worden gemaakt, want de regthebbendc was ook geen eigenaar geweest. Hij had niettemin een zakelijk regt op de zaak en dat kou voorwerp der condictie zijn, even als de servitus en de ususfructus (;36). Eigenaar verklaard te worden van eene erfdienstbaarheid of van het vruchtgebruik, dominium servitu-tis et ususfructus, is ook eene ongewone spreekwijze. Op dezelfde wijze kou men eigenaar verklaard worden van het zakelijk regt (de erfpacht) van den ager vectigalis, van den fructus. Hetzelfde verschil, dat er was tusschen dare en tradere servitutem vel usumfructum, bestond ook omtrent het regt van erfpacht op den ager municipii. Tradere servilu-iem was iemand stellen in het genot eener erfdienstbaarheid, (36) Het verschil tusschen tradere en dare, waarop in noot 24 is gewezen , moet ook omtrent liet regt op den a2:er vectigalis in het oog \\\\o. den gehouden. Bij koop had men eene actio, om in het bezit van dut regt gesteld te werden en dat cautio zou worden gesteld voor geval van evietie. Al bleek het, dat het municipium geen eigenaar van den grond was, toch kon het hiermede volstaan. Was er echter b. v. bij stipulatio eene ver-Lindtcnis aangegaan, om dat regt over te dragen, was er dus een dare oportere, dan kon de condictio worden ingesteld en dan moest bij gebreke van overdragt van het zakelijk regt, van de erfpacht, de waarde daarvan worden betaald. quot;NYas dus bet municipium geen eigenaar, dan was het tot dit laatste verpligt.

ocr page 57

- 29 -

maar dare servilnlem was, licm de orfiiienstbaaiheid zoodanig te leveren, dat hij er onmiddolijk eigennar van was. Evenzoo was liet met den ususfructus en ook inet het zakelijk regt op den ager vectigalis. Bij traditio moest de erfpachter alleen in het genot van den ager gesteld worden; de condictio daarentegen doelde op het regt zc\\ï.Siparel agrum vectigalemdare oj)ortere zag op de verpligting, om het regt van erfpacht aan den eischer te verschaffen. Even als bij de condictio van de servitus en den ususfructus, was ook de condictio agri vec-tigalis, namelijk van het zakelijk regt, op de onligchame-lijke zaak zelve gerigt; het earn ipsam dari ojiortere intendi-mus van Gajus kon daarvoor worden toegepast. — Dat verder de ager vectigalis als res werd aangemerkt, blijkt ook uit een fragment van Paulus, 1. 16, § 2, ff. de Act. Pig. (1:,.7) //Etiain vectigale praedium pignori dari potest. Sed et super-» flciarinm; quia hodie utiles actiones superficiariis dantur.quot; Daar dat regt als onderpand (hypotheek) kon worden gegeven, moest het eene zaak, een res zijn. Hetgeen in het laatst dezer wet voorkomt, hoewel op het supeificiariura betrekking hebbende, is hier ook van veel gewigt. Paulus zegt, dat het superficiarium als hypotheek kan gegeven worden, omdat daarvoor in zijnen tijd utiles actiones (in rem) bestonden.

Wat door eene actio in rem kon geëischt worden, is eene res, en kan als zoodanig voorwerp van pignus zijn. Waar wij dus uit liet bestaan eener actio in rem besluiten, dat het voorwerp daarvan regtens als res moet beschouwd worden en derhalve ook voorwerp van het dare oporlere zijn kan, volgden wij het voetspoor van Paulus. Do ager vectigalis valt als res onder de judicia familiae erciscundae fl\'. 1. 10 (10.2) en communi dividundo 1. 7 pr. (10.3). Zelfs kon dit regt in vruchtgebruik worden gegeven 1.1 pr. ff. Quib. mod. ususfr. am. (7.4). Vatten wij zamen: dan kon de ager vectigalis als hypotheek worden gegeven, de gewone actiën tot scheiding en deeling van goederen waren daarop van toepassing,

I

ocr page 58

men kon dien in vruchtgebruik geven, en er was eene zakelijke actie tot terugbekoming van dat regt tegen eiken houder van den grond : let men op dit alles, dan is er waarlijk geene reden, waarommen zou aannemen, dat deze niet het voorwerp zou hebben kunnen zijn van de condictio, qua rem petimus, waaronder alle zaken zoowel ligchamelijke als onligchamelijke vallen.

Al de zaken, die Ulpianus in 1. 1, li. t. noemt, als het voorwerp der actio triticaria kunnende uitmaken, moeten alzoo gebragt worden tot res certae, quas dari oportet.

In een fragment uit de schriften van denzelfden jurist, vinden wij onze stelling, dat de triticaria alleen betrekking heeft op bepaalde zaken, bevsstigd, 1. 2. h. t. // Sed et ei, qui »vi aliquem de fundo dejecit, posse fundum condici Sabi-/mus scribit. Et ita Celsus. Sed ita, si dominus sit, qui \'/dejectus condicat. Caetenun, si non sit, possessionem //eum condicere, Ceisus ait. lt;/ Ulpianus neemt hier het gevoelen van Sabinus et Celsus over, dat hij, wien een grondstuk met geweld was ontnomen, dat kan con-diceren door de condictio triticaria (Eeuc stelling, die grootelijks twijfel toeliet), doch ook alleen onder de voorwaarde, door Celsus daarvoor gesteld, dat namelijk de beroofde van dien grond eigenaar was geweest. Was hij dus geen eigenaar, maar alleen bezitter, dan kon hij deze condictio niet instellen. Hij kan dan niet fundum pelere, dat is, vorderen, dat die zaak aan hem zal worden overgedragen en is alzoo ook volgens het fragment van Ulpianns in 1. 1 h. t. quot;alias res praeter pecuniam numerata7n per hanc actionem petetquot; van deze actio uitgesloten.

De condictio, waardoor eigendom van ligchamelijke zaken of zakelijk regt wordt gevorderd, kan den possessor niet dienen. Dit zegt Ulpianus in deze lex 2 ook met zoovele woorden. Hij voegt daar verder bij, dat de beroofde echter, ook als hij geen eigenaar is, eene condictio kan instellen, om het bezit terug te erlangen // caeterum si non

ocr page 59

— SI —

/\'sit, possessionem eum coudicere, Celsus ait.quot; Caeleruni duidt eene tegenstelling aan. Reeds Biussoxitis in voce merkte op, dat dit woord synoniem is met alioquin. Dat de possessor den grond kan condiceren, fundnm condicere, wordt ontkend , maar volgens Celsus kan hij wel de possessie condiceren. Zaken, res eertae, werden gecondiceerd door de formula met de intentio Si paret dare oportere; handelingen en praestatiën , waar men daarvoor eene oon-dictio had, door condietiones incerti (37) met de formula Qui!quid dare facere oportel. Welke condictio incerti Celsns bedoelde kan niet twijfelachtig zijn. Men heeft alleen te denken aan de eondictio furtiva. Deze condictio had (odio furum) geheel bijzondere eigenschappen. Zij werd gegeven geheel tegen den regel, hoewel de eigenaar den eigendom van het hem ontstolen goed niet had verloren. Zoo wordt zij hier ook toegezegd, hoewel het geroofde goed aan den eischer niet eens in eigendom had toebehoord. Dat overigens het hier een onroerend goed geldt, heeft geen bezwaar, want de condietio furtiva werd volgens onderscheidene juristen en bepaaldelijk ook naar het gevoelen van Celsus, zoo als wij weten nit 1. 25 ff\', de furtis (47.2), niet alleen voor roerende, maar ook voor ontroofde onroerende goederen gegeven. (38) De condictio furtiva was eene condictio in-

(37) Pocht a heeft t. a. p., noot 35 er op gewezen, dat tle/e condictio possessionis de condictio iucerti is. Saviony volgende, neemi hij het bestaan van ééne algemeene condictio incerti aan. Dit is naar mijn gevoelen onjuist. Gevolg daarvan was, dat hij niet onderzocht, aan welke condictio incerti hier moest gedacht worden.

(38) Oudtijds was er ook diefstal van onroerende goederen. Later kende men dat niet meer- Sabinds echter leerde nog, dat er furtum van onroerend goed was GelliusXI, 18. § 13. «In quo (Sahini libro) id quoque scriptum est,

• quod vulgo inopinatum est: non horainum tantum neque rcrum moven-

• tium, quae auferri occulte et surripi possunt, sed fundi quoque et aediura

• fieri furtum: condemnatum quoque fnrti colonum, qui fundo, quem con-«duxerat, vendito, possessione ejus dominum intervertisset.» Ten tijde van Gajüs werd dit echter algemeen afgekeurd, J., II, 51: • cum im-«probata sit eornm sententia, qui pntaverint, fnrtivam fundam fieri

ocr page 60

certi. Ulpianus zegt alzoo, dat de possessor de actio, waardoor men den grond vordert, qua fundum petimus, waarover in dezen tite! wordt gehandeld, niet heeft, en dat wel, omdat hij geen eigenaar was. Zoo als de Romeinsche juristen veelal de gewoonte hebben, als zij eene bepaalde actie voor een gegeven geval ontzeggen, voegt hij daar onmiddellijk aan toe, dat de bezitter echter wel een ander regtsmiddel heeft, dat hij namelijk de possessio kon con-diceren. Hij stelt alzoo de condictio ineerti tegenover de condictio certa, de furtiva tegenover de tritiearia.

Even als 1. 1, bevestigt derhalve 1. 2 de stelling, dat do condictio tritiearia alleen betrekking heeft op res certae. Ook in de twee overige wetten van dezen titel wordt alleen van res certae als voorwerpen dezer actio melding gemaakt.

Dat wijders de verbindtenis tot het dare eener bepaalde zaak scherp van die tot het clare eener onbepaalde zaak of de praestatio ran een factum moet worden afgescheiden, kunnen wij ook opmaken uit de omstandigheid, dat er eene afzonderlijke formula vereischt werd voor id, quod certo loco dari oportet. 13. v. Titius heeft zich bij stipulatie verbonden om eene bepaalde hoeveelheid geld of goed op een bepaalden dag over te dragen te Ephese. Daaraan heeft hij niet voldaan. Was hier geene bepaling van jjlaats bijgevoegd, dan zou de eischer de condictio Si cerium petetur of de tritiearia zonder twijfel kunnen instellen.

Volgens 1. 1 ff. de co quod certo loco is hij daarvan

posse.»De condictio ex causa funiva werd evenwel later nog door Celsüs en zelfs door Ulpianus toegelaten. Van waar dit verpchil ? De condictio furtiva was zeker zeer oud en oudtijds omvatte zij ook res immobiles. omdat er ook was een furtum rei immobilis. Hoewel nu later, terwijl door bijzondere wetten tegen gewelddadige berooving van onroereud goed was voorzien, het furtum tot roerende goederen werd beperkt, bleef men echter aan de condictio furtiva, die geene strafactie was, maar alleen strekte tf-t terugbekomen van met geweld of door list ontroofd goed, den ouden uitgebreiden omvang toekennen.

ocr page 61

— 33 —

echter uitgesloten. Was nu de triticaria ook gerigt op res ineertae , had zij ook de inteutio Quicquid dare facere opor-tet kunnen bevatten, dan zou voor die gevallen de triticaria altijd kunnen zijn ingesteld. Dat de gedaagde tocli schuldig was, om te Ephese eene bepaalde som gelds of eene bepaalde hoeveelheid gerst over te dragen, eum Ephesi dare ojrortere, kon niet worden ontkend, en de regter was derhalve door de formula verpligt, te veroor-deeleu, quanli ea res est. Volgens genoemde 1. 1 kon echter de algemeeue condictio niet worden ingesteld, en was eene actio utilis noodig omdat de eischer, indien de schuldenaar zich nimmer begaf naar de plaats, waar hij beloofd had te zullen betalen, het licm toekomende anders op gecnerlei wijze kon vervolgen: // Quia iniquum erat, si //promissor ad eum locum, in quem daturum se promi-//sisset, nunquam accederet (quod vel data opera faceret quot;vel quia aliis locis necessario distringeretur) non posse quot; stipulatorem ad suum pervenire, ideo visum est, utilem //actionem in eam rem comparare.quot;

Op de aangewezen plaats, te Ephese, stond den eischer eene actio ten dienste, dat is de condictio Si certnm pe-lelur of de triticaria. Deze kon echter op de woonplaats des gedaagden, te Home, niet worden ingesteld, omdat er geene verbindtenis bestond, om duur te betalen en dus overeenkomstig de intentio Si parel dare oportere niet kon blijken, dat daar iets moest worden overgedragen. Toor dat geval was eene utilis actio noodig. De gewone condictio kon zeer gemakkelijk en op eene bij de Romeinen zeer gebruikelijke wijze voor het gegeven geval worden aangewend , namelijk door de fictio , dat de op de woonplaats des gedaagden te Eome gedane ciseh gelijk werd gesteld, alsof die was gedaan te Ephese. Het quanti ea res est van de condictio triticaria werd daardoor als het ware overgebragt naar Ephese, en de regter moest ver-oordeelen voor zooveel, als de verschuldigde zaak op den

3

ocr page 62

bepaaltlon tijd te Epliese waard was. Het middel was zeer eenvoudig: men behield op deze wijze geheel het karaliter en de eigenschappen der condictio tritiearia (39).

Wezenlijk verschil tussehen deze en de actio arbitraria de eo quod certo loco debetur was er niet. De toevoeging eener andere plaats was hier de eenige oorzaak, waardoor de tritiearia was uitgesloten. Onder de intentio Si paret dare opor tere kon de betaling of, om juister te spreken, de overdragt, op eene andere plaats niet vallen. Dit zou wel het geval zijn geweest, indien de tritiearia de intentio had toegelaten van Quicquicl dare facere oporlel, want de overdragt op eene vreemde plaats , een incertum, viel daaronder. !Nu is echter de actio arbitraria noodig geweest, omdat de tritiearia niet was toegelaten; daaruit volgt dat in de tritiearia eene intentio Qtdcqiüd dare facere o por let niet mogelijk Mas, dat deze condictie alleen beperkt was tot de intentio Si paret dare oportere en dat daardoor alleen res certae konden worden gevorderd.

Zoo hebben wij dan uit vergelijking van enkele plaatsen uit Gajus, door verklaring der daartoe betrekkelijke frag-

(39) De omstandigheid, dat ook bepaalde geldsommen door de actio arbitraria weiden gevorderd, kon oppervlakkig schijnen met deze opvatting in strijd te zijn. Men denke echter niet, dat de eisch van certa pecunia, op eene andeie plaats ver.-chuldigd, meer overeenkomst zou hebben met de condictio de certa pecunia. Jui.-t het verschuldigd zijn op eene andere plaats doet aan de obligatio het karakter der bepaaldheid, der liquiditeit, verliezen. De waarde van duizend nsses te Kpliesc was niet gelijk aan duizend asses te Rome. De waarde van de som , verschuldigd te Ephese, kon meer of soms ook minder zijn , gelijk Ulpianus zeer juist opmerkt in 1. 2. pr. h. t. Die waarde moest door den regter bepaald worden in geld, natuurlijk uit te betalen te Rome, dat is volgens het gestelde voorbeeld . op de woonplaats des gedaagden , waar het proces werd gevoerd. quot;Wij hebben dus eene bepaalde zaak, die verschuldigd is, die overgedragen moet worden, een dare oportere, hetgeen de condictio Si cerium peietur en de tritiearia gemeen hebben , maar eene onbepaalde condemnatie, cares est, hoewel het verschuldigde

eene bepaalde som gelds is. Dit laatste is alleen aan de tritiearia eigen.

ocr page 63

jncnton uit ele Pandecten en door toelichting daarvan uit enkele j\'l^tsen der Basilica, den aard en den omvang der condictio triticaria bepaald. Zij lieeft alle bepaalde zaken belialve geld, res certas creditas (\'10) praeter pecuniam numeratam, zoowel roerendeals onroerende, zoowel onlig-cliamelijke als ligcliamelijke, tot voorwerp en strekt daartoe, dat zij in eigendom zullen worden overgedragen. De formula daarvoor was: Su paret tiuïici modios cent mi (vel fundu1i Tdsculanuji aliamve 11e3i cebtall) dakf. opokteee, Q tl anti ea res est, judex coxdejina.

Er blijft nu nog over aan te wijzen, welke plaats deze condictio onder de overige condictien inneemt en daarmede te gelijk over te gaan tot de toelicliting van de algemeene leer der condictien.

(•10) Helmbach, Creditum bl. 14, wil de oude condictio niet alleen tot rrs creditae beperkt hebben, oradut Gajus J. IV, 19, alleen spreekt van Tvs certac. De behandeling dier vraag kan eerst laier volcren. Naur mijn gevoelen is de oudere condictio, zoowel als de nieuwe, beperkt to het creditum, maar is het begrip van beide, en van het creditum en van de condictio, later belangrijk uitgebreid.

ocr page 64

II.

Dealgemeene CONDICïIEN, si certum petetuk, tritic aria

en de actio arbitraria de eo quod certo i.oco dari opoktet.

In dc behandeling van het stelsel dei condictirn begonnen wij met de condictio triticaria, omdat dit gedeelte onzer stof de meest bestreden punten bevat en het wezen dezer actie daardoor ietwat in het duister lag. Overigens bekleedt zij niet de eerste plaats onder de condiotiën. Zoowel historisch, als niet minder wegens haar overwegend gewigt, komt die toe aan de Si certumpetetur. Hare invoering bij eene lex Silia, vóór dat de lex Aebutia eene wijziging in het proces had gebragt, is boven reeds breedvoerig behandeld. Die wet liet haar in haar wezen onaangeroerd , terwijl het proces per formnlam de verdere voortzetting was van de hervorming, reeds begonnen in de 1. a. per condicüonem. De oude condictio ex lege Silia had dezelfde strekking als de condictio Si cerium pele-iur van het formulier proces, want volgens de uitspraak van Gajus J.IV, §33, zijn, hetgeen niet genoeg kan verhaald worden, de oude condictiën in haar wezen onveranderd in het proces per formulam overgegaan. Dat deze condictio alleen werd gegeven voor pecunia credita, werd steeds door ons verondersteld on komt het meest overeen met de Homeinsche leer over deze actie. Dit is daarenboven ook uitgesproken in de i.ex IIuisria. de Galt.ia Cisai.pina, c. 21, waar die actio uitdrukkelijk voor pecunia credita wordt gegeven (*). Door Heimbacii is er, bl. 124«, bijzonder gewigt aan gehecht, dat Gajus J. IV, § 19, als voorwerp der oude condictiën alleen spreekt van pecunia certa en res certae, zonder bijvoeging van credilae. Hij maakt daaruit de gevolgtrekking, dat d e condictiones zouden hebben gediend voor alle res certae deiilae. Teonregt. Gajus behoefde hier, terwijl hij het ver-Zie dit gerieeUe der wet in root 46 bl 49.

ocr page 65

schillend object der condictiën aamvees, het creditum niet te vermelden, hoewel dit de noodzakelijke grondslag daarvoor was. Dit was te minder noodzakelijk, omdat deze condictiën de eenigste actiën waren, die eene intentio hadden op de over-gift van bepaalde zaken gerigt, si parel pecuniam vel rem cer-tam dare oporlere. Wel is Heimbach in zijn regt, waar hij ter zelfde plaatse de opvatting van Savigny, Syst. V. bl. 576 bestrijdt, dat men ouder de aangehaalde woorden van Gajus moet verstaan mutuo datae, zoodat de oude condictiën alleen betrekking zouden hebben gehad op het mutuum. Deze opvatting is te beperkt. Het creditum is een veel uitgebreider begrip, dan het mutuum: dit laatste is een onderdeel van het eerste 1. 2, § 3 ff. de Eeb. Cred. (12.1). //Creditum ergo a mutuo differt, qua genus a specie.» Heiii-bach vergeet echter, terwijl hij op de dwaling van Savigny wijst, den grens van alle gewone condictiën, dat er namelijk een creditum aan tot grondslag moet liggen. Het boek, waarmede in de Pandecten de leer over de condictiën aanvangt, opent met een titel over res credilae in het algemeen. Volgens Ui.prANTJS 1. 1 h. t. gaat dit voorde behandeling van de contracten vooraf, omdat het credere algemeen is en uit ieder contract kan ontstaan. Men kon geneigd zijn, dit zoo op te vatten, dat de Praetor, voordat hij tot de behandeling der condictiën en actiones ex contractibus bonae fidei overging, eene algemeenebehandeling, eene algemeene theorie, over het creditum liet voorafgaan. Dit zou echter weinig strooken met de methode van het Eomeinsche regt in het algemeen , waarin de algemeene theorie wordt ontwikkeld uiten aansluit aan- de verschillende actiën, maar vooral vreemd zijn aan het Edict, dat alleen over actiën en het proces kan gehandeld hebben. Ui.pianus kan dus moeijelijk anders bedoeld hebben, dan dat de Praetor de actiën uit het creditum liet voorafgaan, omdat het creditum algemeen is en de actiën om dat te vervolgen, uit elk contract, uit elkeregtshande-ling, kunnen ontstaan. Het waren niet alleen de overeenkomsten , die door overgift ecner zaak werden gesloten en de

ocr page 66

— 38 —

formele contracten, de litcrarum obligationes cu de stipulatio-nes, niet alleen do contractus nommati, maar evenzeer de consensuële en de ongenoemde reclc contracten, die in sommige gevallen grond konden opleveren voor de actiones van het creditum. Dat de Si cerlmi peielur en de trilicaria de algemeene actiën warén, om dat te vervolgen, zagen wij boven.

Van dit creditum eene juiste bepaling te geven, is wegens de algemeenheid van het begrip hoogst moeijclijk. Kenmerken daarvan zijn, dat men vrijwillig iets uit zijn vermogen heeft overgebragt in dat vaneen ander, in wien men vertrouwen stelt, ten einde daarvoor iets terug te ontvangen. Zoo heeft Ui.piamis het creditum bepaald, 1.1 II\'. de Reb. Cred. //JTam //cuicunque rei adsentiamur, alienam fidem secuii, mox re-//cepturi quid ex hoc contractu, credere dieimur.\'/ Strikt genomen bevat deze bepaling lang niet den geheelen omvang van het begrip en is daardoor het creditum, dat ontstaat uit de stipulatie en de literarum obligatio, uitgesloten. Hoewel de-eerste grondslag voor dat creditum is , dat cr iets gegeven, d.i.in\'t vermogen van oen ander overgebragt zij, kan echter ook zonder dat een creditum ontstaan. Dit is het, waarop Gajus wijst Inst. 1IE, § 124. //Pecuniam autem cre-//ditam dicimus non solum cam, quam credendi causa damns, //sed oinnem, quam tunc, cum contrahifur obligatio, certum //est debitum iri (ld).// Hoewel dit eenigzins vreemd schijnt, is het zeer gemakkelijk te verklaren. De formele contracten staan niet op zich zelf, zij hebben geen eigen zelfstandig wezen, maar volgen do natuur van bestaande contracten. Hun wezen bestaat juist daarin, dat aan bijzondere regtsvormen de regts-gevolgeu van bepaalde reële contracten worden verbonden. Zoo worden aan de solenncle woorden eener stipulatio dezelfde regtsgevolgen verbonden, die de overgift eener zaak credendi causa heeft. De condictio, die uit de laatste feitelijke overeenkomst voortvloeit, wordt verbonden aan debloote solennele

(41) Men vergelijke hierbij Cicero. Pro Roscio Coni,c. 4ct 5 passim, inzonderheid de woorden in c. 5 • Pecunia cci ta est petita .... Ilacc pecunia • necosge est, data, nul expensa lata, aut stipulata »it. •

ocr page 67

verkbring tusscheii partijen. A:iii hunne woorden wordt de kracht gegeven,om du verbindtenis van het ereditum te scheppen. Dit is het, wat Pa ui.us 1.2II. de Reb.Cred. eigenaardig uitdrukte met de woorden: //Verbis quc^ue credimus.\'/ OoTc door woorden gaat men de verhindtenis van hel ereditum aan. Men onderwierp zicli daardoor aan de actie, die voor het zakelijke ereditum was ingesteld. De eenvoudigste en zeker de meest gebruikelijke vorm van dat laatste was het mutuum, waarbij men eene zaak uit zijn vermogen overbragt in dat van een ander, inwien men vertrouwen stelde, om eene zaak van dezelfde hoedanigheid, soort en grootheid terug te ontvangen. Ook andere contracten konden het ereditum doen ontstaan, doch voor het meerendeel niet anders, dan in buitengewone omstandigheden. Zoo was bij de drie overige reële contracten het commodatum , depositum en pignus in den regel decon-dictio uitgesloten, omdat wel eene zaak in het bezit van do partij werd gesteld, maar de eigendom daarvan bleef bij den uitleencr, pandgever en in-bcwaring-gever. In dat geval bestond er geen Aw oportere, d. i. geene verpligting, om den eischer eigenaar te maken van het ter leen, tot pand of in bewaring gegeven goed, omdat deze eigennar van dat goed was gebleven. Hij kon dus onmogelijk eene vordering hebben, om daarvan eigenaar gemaakt te worden. Die eigenaar is, kan niet vorderen, om nog meer eigenaar gemaakt worden(42). Deinten-tio Si parel dare oportere, kon dus hem in gewone omstandigheden niet volgen. — Indien echter de leener of in bewaring-houder zich wcderregtelijk het hem toevertrouwde goed toe-ëigende en dat vervreemdde, of tot zijn eigen voordeel aanwendde, zoodat daardoor de eigenaar van den eigendom van zijn goed verstoken werd, dan viel deze reden van uitsluiting weg. Bij het bestaan der vrijwillige overgift en het verloren gaan van den eigendom en de door de daad des houders ontstane verpligting tot teruggave, waren al do vereischten voor

(42) Bas. 23.1. pr. §3, TO Si ipiv irAé\'ov yivtaamp;ui (fiiv,

acoTtov.Inst, do Act. (4.6), «nee rssquae jam acioris est, magis ejus fieri puiest. ■ Zie nout 24 op bl. 18.

ocr page 68

- 40 -

liot eredituin geboren, en kou teregt geïntendeerd worden, dat de gedaagde verpligt was, om den van zijn eigendom beroofde eigenaar te maken van eene zaak, gelijk aan de verlorene. Ook uit het depositum op zich zelf kan de eondietio niet ontstaan. Hier ook ontleent die actie eerst haren grond, uit de onregfc-matige daad, dat de depositarius het in be»aring gegevene vervreemdt. Dit is het, wat Paut.us leert in 1. 1:3 § 1, ff\'. Dep. (10.3). //Coinpetit etiam eondietio, depositae rei nomine: sed quot;non antequam id admissum sif. ISJon eminquemquain hoe ipso, //qnod depositum accipiat, condictione obligari, verum qnod /\'dolum malum admiserit\'X*)- Deze wet maakt alleen gewag van dolus. Daarmede kanalleen onregtmatige verduistering zijn verstaan. Andere kwade trouw, waardoor alleen de waarde verminderd, maar het goed zelf bewaard gebleven was, kon niet tot de eondietio aanleiding geven, omdat in dat geval de uitleener, de in bewaring- of tot pand-gever eigenaar was gebleven. De eondietio was dus in dat geval uitgesloten. Doch bij kwaadwillige vervreemding en verduistering kon de eondietio, zoowel als de actio deposit!, worden ingesteld. Dut beide echter geheel verschillende zaken waren, daarvoor is het getuigenis van Ui.pianus 1. 24, § 2 ff. de Heb. anct. jud. (42. 5). //Aliud est credere, aliud ileponerequot;\' wwm-welijks noodig.

Omtrent de condict o tot terugvordering van het pignns hebben wij ook de opzettelijke verklaring van Ulpianus 1. 4 § 1 fl\'. deHeb. Cred. \'/Res pignori data pecunia soluta condici //potest.quot; Wij hebben dit ook zoo op te vatten, dat de eondietio plaats vindt, indien de creditor zich liet pignns toegeëigend en dat vervreemd heeft: anders was er eeue vindicatie, omdat het pignns eigendom blijft van den debitor. Hetgeen in de wet verder voorkomt, bevestigt zoo noodig nog deze verklaring. De jurist laat er op volgen «et fructus, ex injusta causa per-cepti, condicendi sunt.quot; Even als hij hier doelt op vruchten, die de creditor zich onregtmatig heeft toegeëigend, zoo moet man hot eerste ook opvatten voorliet geval, dat de creditor {*1 Ziquot; Mjlago 111.

ocr page 69

— il —

liet pignus heeft vervreemd. Op deze wijze verklaren ziel; de woorden van Ui.piamus aan het hoofd van den titel der pandecten de Rebus creditis 1. 1 quot;sub hoc titulo Praetor et de //oommodato et de pignore edixit.quot;

Op gelijke wijze kan ook bij consensuële contracten eene condictio ontstaan. De concursus met de actiones manclati, negotiornm gestornm, en societalis\\s bepaaldelijk uitgesproken in 1. 5 ff. de Exc. rei Jud. (44.2). //Utputa si quis mandati aetu-»rus, cum ei adversarius judicio sistondi causa promisisset, //propter eamlem rem agat negotiorum gestorum, vel condicat, //de eadem reagit,quot;en in 1. 28 § t ff. de Jurej. (12.2). //Excep-//tio jurisjurandi,non tantum si ea actione quis utatur, cujus //nomine exegit jnsjnrandum. opponi debet: sed etiara si alia; //si raodo eadem quaestio in hoe judicium deducatur; forte si //ob actionem mandati, negotiorum gestorum, societatis, //cetorasque similes, jusjurandum exactum sit, deinde ex iis-fdem causis certum condicatur: quia per alteram actionem //altera quoque consumitur.quot; Zoolang het goed in natura kon worden teruggeeischt, bij den raandatarius, negotiorum gestor of socius, was de condictio onbestaanbaar; nadat echter door dezen het onder hem zich bevindende goed was vervreemd, ontstond onmiddellijk grond voor de condictio. Hetzelfde is het geval bij locatum , omtrent vruchten, die na het verstrijken van den huurtijd door den huurder zijn genoten, zie de boven aangehaalde 1. 40 § 1, ff. de Heb. Cred.

Ook bij koop en verkoop is het ontstaan eener condictio alleen bij uitzondering mogelijk. Vooreerst vinden wij op enkele plaatsen gewag gemaakt van eene condictio bij gelegenheid van koop cn verkoop, als namelijk te veel is geleverd. Zoo laat 1.35 ff. deServ. praed.urb. (8.2) in geval een met servituut bezwaard pvaediuraonbezwaard is geleverd, de condictio toe, daartoe strekkende, dat het servituut alsnog op het goed zal gelegd worden, ut servitus imponatur. Dit is do condictio incerti sine causa, die in sommige opzigten van de overige condictiën verschilt. Wij handelen daarover later. In het contract van koop cn verkoop zouden, indien de koopprijs

ocr page 70

onmiddellijk betaald of liet verkochte terstond in den eigendom des koopers overgedragen was, op zicli zelf al de vereisehten van liet credituin aanwezig zijn, indien de partij niet aan zijne verpligting voldeed. Men zie boven bl. 38. In den regel kon daaruit eeliter nimmer eene condictio ontstaan. Hot contract van koop en verkoop stond daartegen in den weg. De condictio wegens do overbrenging van eenig goed in hot eigendom eens anders diende, om do feitelijke on-regtmatigheid te herstellen , dat een ander verrijkt zou worden ten mijnen nadeelo. Bestond er voor dergelijke overbrenging van eigendom geen regtsgrond, waardoor die overbrenging als voortdurende toestand zonder eenige nog te goven vergoeding werd gerogtvaardigd, dan ontstond juist uit dio overdragt de actie, om eone dergelijke zaak weder terug te brengen in het vermogen des eischers. De condictio strekt, om den onregelmatigen toestand, waarin de een iets in eigendom bezit, dat hij zonder regtsgrond van een ander ontvangen had, to horstellen. ^Vas daarentegen de overdragt gedaan, om te voldoen aan eone bestaande ver-bindtenis, dan was or geen grond om eene actie te ver-leenen, om dergelijke zaak weder terug te geven, hetzij de vroegere verbindtonis met de overdragt van weerskanten geheel was gekweten, hetzij dat hij, die de overdragt krachtons verbindtonis deed, nog volgons diezelfde verbindtonis iets van do partij te vorderen had. Er bestond dan geone onrogelmatighoid; de eene partij, aan welke eenige zaak is overgedragen, ondervond daardoor eone vermeerdering van vermogen; doch aan do andere zijde werd zijn vermogen bezwaard door oeno verbindtonis ten voordeele van de partij. Zoo hoeft do kooper, aan wien een aan hom verkocht stuk grond onmiddellijk is overgedragen, zijn vermogen vermeerderd door den eigendom van dien grond; doch aan de andere zijde is hij bezwaard door de vorbindtenis tot betaling van den koopprijs. Zoolang hij dezen niet betaald heeft, kan de verkooper hem daarvoor aanspreken. Aan eene condictio voor den verkooper tot teruggave van den

ocr page 71

grond, in geval en zoolang de kooper den koopprijs niet heeft betaald, zooals bij do contractus hmominati, valt niet te denken, want daardoor zou de overeenkomst van koop en verkoop, cene civielrcgtelijk erkende overeenkomst, door eene eigenmagtige daad van cene der partijen vervallen. quot;De con-dictie is geeno actie tot vernietiging van civile contracten.

Bij de contraetus innominati kon dergelijke vordering plaats hebben, want daar bestond gcene overeenkomst, die de verpligting tot nakoming daarvan opleide. (-13) Uitwas geheel anders met het bepaalde civile contract van koop en verkoop. Dit behield rogtens zijne volle kracht, tot dat het op wettige wijze was ontbonden. ITet is bekend, dat de liomeinschc koop en verkoop bij niet-vervulling door eene der partijen alleen kon ontbonden worden, indien dit opzettelijk was bedongen bij het pactum commissorintn. Waar dit pactum was gemaakt, waren de partijen daardoor gebonden, en kon op grond daarvan de actio worden ingesteld tot terugbekoming van hetgeen reeds krachtens het contract van koop en verkoop was geleverd en tot terugbrenging in een toestand, alsof die overeenkomst nimmer was gesloten. De condiclio bleef echter uitgesloten. Terwijl zij zonder het pactum nimmer zou ontstaan zijn, kon zij aan het pactum haar ontstaan niet ont-(43) Het zoojrenoemde contractus innnminatns vas izeen eigenlijk con-trnct. De actio daarvoor verleend, was geene actio ex contractu, ninareeno actio in factum. Er was echter veel overeenkomst met «ie verbindtenisseu uit contract ontstaande. Terwijl volgens liet oude regt de terugvordering van het overgedragen goed het cenige middel was, om den gedaagde te noodzaken , om zijne op zich genomene verpligting te voldoen, gaf de latere actio pracscriptis verbis de vorderinir «p hetgeen beloofd was, direct. Dit was eene verbindtenis ontstaande uii de d.iad des eischers. Contract was het daarom niet, omdat de eischer de bevoegdheid had, om door do condictio het door hem o verged rage:: goed terug te vorderen. Daarmede verviel elke regtsband. Een contract kon zonder buitengewone omstandigheden nimmer eenzijdig worden verbroken. Dergelijke buitengewone omstandigheid was in enkele gevallen de dolus, waarover wij handelden bl. 39 en 40. 0.»k zelfs in die gevallen kan de erkennincf van een eigenlijk cre-litmn, als eene onrcgolniotlgheid , worden aangemerkt. Daarop komen wij later terug.

ocr page 72

— 41, —

leenen. - Ook bij vergaan der verkochte zaak kon in geval de koopprijs onmiddellijk was betaald, geene con-dictio ontstaan, want de verkochte zaak was periculo em-toris van het oogenblik van het sluiten van het contract af. En dit was niet alleen de regel\' bij emtio venditio; bij de contractus innominati gold hetzelfde. Hoewel de oudere juristen meestal het tegendeel leerden, hebben latere onderzoekingen de waarheid dezer stelling zoodanig aan het licht gesteld, dat daaromtrent geen redelijke twijfel meer bestaan kan (41). Men vindt die met zoo vele woorden in de pandecten uitgesproken 1. 10 Cod. de Cond. ob caus. dat. (4. 6) \'/Pecuniam a te datam, si hacc causa, pro qua data est, //non culpa accipientis, sed fortuito casu non est secuta, nminime repeli posse, cerium estquot; Deze wet stemt geheel overeen met 1. 5 § 1 fl\'. de Praescr. verbis (19. 5). //Si scy-//phos tibi dedi, ut Stichum mihi dares, periculo meo Sti-//chus erit; ac tu dumtaxat culpam praestare debes.quot; Vroeger heeft men steeds de uitspraak dezer wet willen beperken tot de actio praescriptis verbis, met uitsluiting van de condictio. Daarbij vergat men, dat de actio praescriptis verbis gesproten is uit — en gevormd nnar — de condictio causa data causa nou sccuta. Waar de condictio de teruggave van het overgedragene bevorderde, was de actio praescriptis verbis gerigt op de vervulling der verbindtenis, die de partij bij de overdragt op zich had genomen. De condictio werd niet vervangen door de actio praescriptis verbis, maar bleef daar naast bestaan. Beide actiën ontsproten uit dezelfde oorzaak, de overdragt eener zaak, om daarvoor de overdragt eener andere of de praestatie van een factum te erlangen. De eischer kun tusschen beide kiezen. Behalve dat het niet opgaat, om tusschen twee zoo verwante actiën, zonder eene oorzaak, die uit den verschillenden aard daarvan

(44) De eerste voorname toelichting daarvan zijn wij verschuldigd aan WaCHTER de cond. causa data causa non sec., bl. 50. Diens verklaring is overgenomen door Vakgerow, Leilf. I, § 591 nMV en F. Mommsen , lieitr. zuiii übligationcurccht I, §32. Zie over deze wet bijlage IV.

ocr page 73

voortvloeit, een geheel verschillend beginsel aan te nemen, zou het eene onnoozele beslissing geweest zijn, dat men bekers, die waren overgedragen, opdat de partij den slaaf Stichus zou overdragen, indien Stiehus buiten de schuld van die partij was overleden, niet kon terugvorderen door de actio praescriptis verbis. Deze actio diende nooit tot terugvordering van hetgeen overgedragen was, maar alleen tot verkrijging van hetgeen daarvoor was toegezegd. De opvordering van het eenmaal overgcdragene had, waar daarvoor grond bestond, plaals, door de condictio causa data causa non secuta. Met het oog op die actio is het, dat Path.us zegt, quot;pnriculo meo Stichus eritac tu duntaxat culpampraes-tare debes.quot; Aan dergelijke opvatting van gemelde plaatsen, die ook voor geene andere redelijke verklaring vatbaar zijn, staat de dikwijls besprokene 1. 16 ft\', de cond. cans. dat. caus. u. sec. niet in den weg. Over deze wet zijn bijna zooveel verschillende gevoelens, als er schrijvers zijn, die er over hebben gehandeld. Die allen na te gaan, laat het plan dezer verhandeling niet toe. Wij moeten ons dus bepalen tot eene korte toelichting.

Men moet wel in het oog houden, dat de regtskwestie, door] Cei.sus daarin opzettelijk behandeld enkel en alleen deze is, of het contract, waarbij geld is gegeven, opdat Stichns zou worden overgedragen,;^ Slichum dares, moet worden beoordeeld naar de regtsheginselen voor koop en verkoop, dat is, of het vpor koop en verkoop moet worden gehouden (pro portioneemtionis et venditionis) en of er geene andere verbindtenis bestaat, dan die van hot contractus innominatus, zoodat alleen te onderzoeken valt, of de condictio ob rem datorum in het gegeven geval kon worden verleend. Cei.sus is van oordeel, dat de verbindtenis door overdragt van geld gesloten ut rem des (niet tradas) geene emtio venditio is, doch hieromtrent schijnt, wegens de aarzeling van Cei.sus, blijkbaar uit de woorden In qnod proclivior sum, ook een ander gevoelen te hebben bestaan.

ocr page 74

— 4fi —

Daarom oordeelt hij, dat in het bepaalde geval, dat aan zijne beslissing onderworpen was, terwijl de toegezegde slaaf Stiohus was overleden, het betaalde geld kon worden teruggevorderd: \'/Uedi tibi pecuniam ut mihi Stichum da-«res, ufrum id contractus genus pro portione emtionis fvenditionis est? An nulla hie alia actio est, quam ob //rem dati re non seeuta? In quod proclivior sum. Et //ideo si jnortuus est Stichus, repetere possum; quod ideo //tibi dedi, ut mihi Stichum dares (45).quot; De vraag, die ons bezig houdt, is door Cei.sus niet opzettelijk, maar ter loops, ter gelegenheid van de beslissing cener andere regtsvraag, behandeld. Deze opmerking is van gewigt. Zij maakt, dat men zich zonder eenig bezwaar kon vereenigen met de verklaring van WaciiTEit, dat men het tijdstip van het overlijden van Stichus moet stellen na de gemaakte afspraak, waarbij de partijen elkander over en weder beloofden, de een de overdragt van Stichus de ander de overdragt eener bepaalde geldsom , maar vóór dat de geldsom was betaald. Had Ci\'.lsus do vraag, in hoever de condictio ob causam datorum met vracht kon worden ingesteld in geval van vergaan van de toegezegde zaak buiten schuld van de partij, in deze wet opzettelijk behandeld, dan zou zulk eene naauwe beperking zijner meer algemecne uitdrukking bezwaar hebben: daar zij echter daarin alleen tor loops voorkomt, bestaat daartegen gcene bedenking. Welligt bleek uit hetgeen in de geschriften van Paui.us vooraf ging, dat die jurist aan een dergelijk bijzonder geval, als WiiCHTEii stelde, had gedacht. Terwijl de compilatoren deze wet uit zijne schriften ligtten voor hunne verzameling, kan men hen, terwijl de regtskwestie die door Celsus beslist wordt, daarin met volledige duidelijkheid voorkomt , niet beschuldigen, dat eene andere stelling , die daarin alleen in het voorbijgaan wordt behandeld,

(45) Het verder in deze wet voorkomeode, heeft op ons onderwerp niet bepaald betrvikkin^.

ocr page 75

1

- 47 —

zoo als zij daar is uitgedrukt, ook voor eene geheel andere opvatting vatbaar is. Hot is opmerkelijk, dat, terwijl de beslissing van den Eomeinsohen jurist voorlatere tijden veel van haar gewigt heeft verloren, het ter loops daarin aangevoerde beginsel eene allerbelangrijkste en in later tijd herhaaldelijk besprokene en dikwijls bestredene regtsleer betrof. — Volgens de gegevene verklaring bevat do wet volstrekt gecne moeije-lijkheid meer. Indien Stichns tijdens de betaling reeds was overleden, dan bestond de zaak, die het onderwerp der ver-bindtenis van de partij uitmaakte, op iiet oogenblik van do overdragt der geldsom, niet. De partij was dus gebonden het ontvangene geld terug te geven, omdat zijne verbindte-nis tot overdragt van Stiehus op het oogenblik, dat de overeenkomst werd aangegaan, eene onmogelijkheid bevatte.

Dit alles is buiten alle moeijelijklieid, want de verbind-tenis van het contractus innominatus werd aangegaan, en kreeg alleen regtskraeht door de overdragt van hot geld, niet door de voorafgegane afspraak. In den tus-schentijd tussclien die afspraak en de overdragt van het geld bestond er volgens Romeinseh regt alleen\'eene wederzijdsehe belofte, doch volstrekt geene verbindtenis. Moest daarentegen dergelijke afspraak voor koop en verkoop worden gehouden, dan was op het oogenblik, dat die afspraak gemaakt was, de overeenkomst gesloten. liet periculum van de verkochte zaak, van Stiehus, was dan terstond geweest voor rekening des koopers en van teruggave van den koopprijs kon dus in dat geval geene spraak zijn geweest. De beslissing hing dus volgens deze verklaring af van do beantwoording der door Cei.sijs gestelde vraag. Omdat hot hier een contractus innominatus, geene koop en verkoop gold, kon het reeds betaalde geld worden terug geëischt. Dit was echter alleen het geval om de zeer bijzondere omstandigheid, dat Stiehus was gestorven tusschen het tijdstip, waarop de afspraak was gemaakt en tusschen de overdragt van het geld. Deze wet is dus niet in strijd met den regel, dat bij contractus innominatus het periculum der toege-

ocr page 76

zegde zaak is voor rekoning van liem , anu uien zij werd toegezegd, even als do verkochte zaak voor rekening des koopers is.— Uit het voorafgaande volgt dus, dat als regel vaststaat, dat ingeval van vergaan eener aan een ander toegezegde zaak bij contractus innominatus geen grond voor de coudiotio tot teruggave van het reeds betaalde kon ontstaan, even weinig als bij emtio veuditio.

Als slotsom van het verhandelde over het creditum kunnen wij eindelijk hot volgende vaststellen. Overal, waar wij eone zaak aan een ander toevertrouwen , om daarvoor iets terug te erlangen, ontstaat een creditum, zoodra het toevertrouwde in don eigendom overgaat van hem, aan wien dat is toevertrouwd. Dit heeft onmiddelijk plaats bij het mutuum en bij ovordragt eener zaak , om daarvoor de praestatio eener handeling te erlangen. Bij andere contracten, waarbij wel eeno zaak wordt toevertrouwd, uiaar de eigendom daarvan volgens dat contract blijft bij den eersten eigenaar, ontstaat de condictio eerst, nadat hij\', aau wien de zaak is toevertrouwd, zich die zaak tegen hot aangegane contract, derhalve onregtmatig, heeft toegeëigend, en die zaak onttrokken aan het eigendom van hem , die zo hem toevertrouwde. Ook bij eonsensuële contracten , bijna bij elke soort van regtshandelingen, is ter zake van overdragt van goederen het ontstaan vaneen creditum mogelijk, doch het ontstaat daarbij, even als ook bij de contracten van coramodatum, depositum, societas enz, nimmer dan bij uitzondering, ton gevolge van onregtmatigo handelingen van eeno der partijen. Bepaaldelijk bij koop en verkoop laat zich het ontstaan van oen creditum moeijelijk denken, hoewel de overeenkomst van dit contract met de verbintenis do ut des zeer groot is. Behalve dit feitelijk creditum gegrond op door handelingen aangegane verbintenissen, bestond et ook een formeel creditum, op regtsbepalingen steunende, waarbij aan solennole woorden of vormen de aetio voor het feitelijk creditum was verbonden. Dit waren de verbornm en de littorarum obligationes.

ocr page 77

— 49 —

ReeJs in het eerste gedeelte dezer verhandeling zagen wij, dat voor het creditum twee zeer naamv verwante condieticn bestonden, de Si cerium pelelur en de irilicaria de eerste indien het voorwerp van het creditum eene bepaalde geldsom is, de tweede indien het voorwerp in eene andere bepaalde zaak bestaat. Dat de Si cerium petetur alleen voor pecunia credit a kon worden ingesteld, is op bl. 36 reeds aangevoerd, inzonderheid op grond , dat de lex Eubria ook het creditum als vereischte voor die actie stelt. Bij dezs wet werden in den laatsten tijd der republiek onderscheidene actiën van het Romeinsche civilregt, voor zoover het voorwerp daarvan eene bepaalde geldsom niet overschreed, gebragt onder de regispraak van den magistraat in Gallia Cisal-pina. Men kan moeijelijk betwijfelen, of deze actiën waren precies dezelfde, die te Eome bestonden, zonder eenige de minste wijziging, liet is niet alleen niet te denken , dat men een nieuw Romeinsch civilregt voor dat land zon hebben ingevoerd: maar de wet bepaalt uitdrukkelijk, dat de vonnissen, in de municipia en andere plaatsen aldaar gewezen, zou worden gerekend, alsof zij te Bome waren gewezen volgens het bestaande civilregt.

Nu is onder die actiën ook de actio de certa pecunia credila genoemd (46). Was, zoo als Heijibach vermoedde,

(45) Lcx Rodhia de Gallia Cisalpisa , c. 21 , bij Spaxoenbebo , Monumenta kg alia, bl. 150. «A quoqnomqne pecunia certa credita , eiir-

• nata forma publioa popnli Romani, in eorrnn qno oppido, municipio,

■ colonia. praefectura, foro, vico, conciliabnlo, castellove, qnno sunt

■ eruntve, in Gallia Cisalpina , petetur, quae res non pluris scstertinm

■ quindecim mille erit.sei is earn pecuniam in jure, apud eum , qnei ibei •jure dicundo praeerit, ei. quei eam petet, aut ei, quojus nomine ab eo gt;petetnr, dare oportere, debereve se confessus erit, neque id, quod con-

• fessus erit, solvet, satisve faciei, aut se sponsione , judieioque, uteive »oportebit,non defendet, seive is ibei de ea re in jure non responderit,

■ neque de ea re sponsionem faciet, ncque judicio, utei oportebit, te ■defendet, tnm de eo , a quo ea pecunia peteita erit, deque eo, quoi earn

• pecuniam dare oportebit, siremps res, lex, jus. caussaque omnibus •omninm rerum esto, atqne mei e;se\', c- eve oporteret, cei is, qrfei

4

ocr page 78

— SU-

ilt: condictio Si cerium pelelur eene actio geweest vocn-alle certa pecunia dsbita, dan zou ongetwijfeld ook aan de regtspraak van den magistraat in Gallia Cicalpina het oordeel over alle certa pecunia dehita zijn opgedragen. Nu de lex Rubria de actio beperkt tot pecunia credita , mogen wij besluiten, dat de condictio Si eer turn peletur ook eene actio was alleen voor pecunia credita.

Terwijl men als vereisclite voor deze condictio vaststelde, dat het verschuldigde geld pecunia, credita zij, moet men niet uit het oog verliezen, hoedanig het begrip vnn dat creditum is uitgebreid. De krachtens stipulatio en literarum obligatio verschuldigde geldsom werd (zie bl. 4S) gevorderd door de actio, aan het creditum verbonden , en de uit die overeenkomst ontstaande schuld werd als een creditum beschouwd. Behalve uit deze solennele handelingen, ontstond en volgens Ui.pianl\'s, 1. 9, ff. de Reb. Cred., ook nog eene condictio cerli of Si cerium peielur, uit de lex Aquilia, waarschijnlijk volgens de veronderstelling van Savigny, Syst. V, bl. 550 alleen in buitengewone omstandigheden en vooral tot opvordering van hetgeen de adstipulator in fraudem debitoris acceptum tulerat; uit het Setum ïrebel-lianum, volgens hetwelk de heres fidei-commissarius de condictiones certi tot den boedel des overledenen behoo-rende, kon instellen; en eindelijk ook uit legaat, oudtijds alleen uit het legatum per damnationem, later volgens de constitutie van Justiniatjus uit alle legaten (47).

• ita coofessus erit, am «le ea re non respondent, aut se sponsione judlcio-*que, meioportebit, non defenderit, ejus pecuniae iei, quel earn suo no-gt;mine petierit, quoive earn dare oportebit, ex judicieis dateis, judica-»reve recte ju.sseis , jure , lege, damnatus esset, fuipset.quot;

Er kan geen twijfel zijn of die hier bedoelde actio is de condictio Si eer-tam petctur. Denaam was ontleend aan de aan vnngswoordeu van het hoofd-ituk van het edict over deze actio. De aanvangswoorden van c. 21 dezer wet A quoquomque ccria pecunia credita petetur schijnen aan te wijzen, dat men het Edict voor oogen had.

(47) Do constitutio van Justinianus , 1. 1, Cod. Comm. de leg. (6.43) vcr-l\'tcrii voor »11\': legaten onder welken vorm ook vermaakt, al de actiën

ocr page 79

Dat vonr legaten van bepaalde zaken de condictio Si eer-turn petetnr, met de intentie Si parel dare, Averd gegeven, is bij Gajus duidelijk uitgesproken, J. II, 204. //Quod quot;aulem ifa legatum est, post aditam hereditatem, etiamsi quot;pure legatum est, non ut per vindicationem legatum, con-quot;tinuo legatario acquiritur. sed nihilominus heredis est. Ideo // legatarius in personam agere debet, id est, intendere, iWe-n clem sibi dare oporterey Ook nog uit andere oorzaken kan de condictio Si cerium petetnr ontstaan. Wij zullen later zien, dat dit het geval kan zijn bij indebitum, sine causa datum, bij diefstal en in de gevallen , waar eene verbindtenis tot betaling eener vaste geldsom onmiddelijk uit de wet voortvloeide d. i., bij de condictio ex lege. Natuurlijk is liet steeds voor de condictio certi een veveischte, dat het object eene bepaalde geldsom zij. Men zou dit creditum, uit bijzondere oorzaken ontstaande, waaraan alleen door uitdrukkelijke regtsbepalingen de actio voor het creditum verbonden wordt, in tegenstelling van het eigenlijk creditum, door de overdragt eenor toevertrouwde zaak ontstaande, een oneigenlijk creditum kunnen noemen. Eene dergelijke onderscheiding is echter den Romeinen geheel onbekend. Ulptakus zegt, I. 9, ff. de Reb. Cred. //Certi condictio //competit ex omni causa, ex omni obligatione, ex qua //certum petitur,quot; zonder eenige onderscheiding te maken.

Hoe het creditum uit verschillende oorzaken en verbind-tenissen ontstaat, hebben wij gezien. Het tweede vereisehte is, dat het verschuldigde een certum in den meest strikten zin, een certa pecunia, zij. Het was echter niet

aan do verschillende vormen der legaten verbonden , (met nitzondering alleen der in rem missie voor het le^atmn sinendi rnodo). derhalve ook te gelijker tijd de vindiealioen de condictio Gajus. Dit is eene uitzondering op de regel, dat deze actiën elkander altijd uitsluiten. De stellers der instituten van Jüstiniancs hadden daar wel melding van mogen maken in §24 de Actionibus, waar zij Gajcs volgende, de afwijking van den regel vermelden, dat beide actiën odio furum wegens gestolen goed konden worden ingesteld. Over de verschillende actiën voor do verschillende soorten van legaten zie men Gajus , If. § 193 en volgende.

ocr page 80

xioodig, dat het voorwerp onmiddellijk reeds bepaald wii.». Zoo kon de schuld eener verborum obligatio aanvankelijk onbepaald zijn, en later bepaald worden. Men kon dan uit eene incerta stipulatio de actio certa, Si ceriumpetelnr, instellen. Zoo is de verbindtenis van den depositarius, mandatarius, negotiorum gestor enz., zoowel de verplig-ting om iets te doen als om iets te geven bevattende, op üich zelve incerta; toch kan in bijzondere omstandigheden daarbij grond voor eene condictio certi ontstaan, in welk geval dan ook de condictio certa ontstaat uit een contractus incerlns, zooals Heimbach bl. 91 zeer juist heeft aangemerkt. Het voorwerp van den eisch moet echter op zich zelf, uit zijne eigene natuur, bepaald zijn. De eischer kan eene onbepaalde actie niet naar willekeur bepaald maken, gelijk de scholiast op de Basilica XX1IE, c. 9 (4S) leert. Volgens dezen zou de eischer daarvoor alleen noodig hebben , om eene aestimatio der op zich onbepaalde zaak, die verschuldigd is, in zijn eisch op te nemen. Op die wijze zon hij de condictio incerti in eene condictio certi omscheppen. Onder het formulier-proces moest de onbestaanbaarheid van zulk eene stelling onmiddellijk in het oog vallen. Met de intentio Si par et dare oporlere werd het zoo streng genomen, dat de actie viel, indien bleek, dat één enkel geldstuk minder was verschuldigd (49). De intentie) BAS. XXIII. 1, 0, § 7. 2.\'iifiLxro\'1- E\'ive aQyvQid fiat ri: nhlTrfVTa, HivfZrat dfid/oiq inri x/orr, nroffórjjros ó tthqwv xovfoxrixtos, rtoüyfia étTj fregor ró xXutïiv, dvvriTat ff £ tu i o; «t\'to kuamp; iavtov o y.).a7tfls y.fnt\';)^ tot Ttaqóvxa y.irfZv KovóiKTiKi.ov ij róv tqltt.y.a()iov cli\'üizf(iw cfüt TXftoc.{}f óci\'r.t j\'. Ot\' [iovovoLv \'ha zot rtovQviftov xovdtxriKiov Ta v.ï.nJtfrzlL dirrtfiut fieamp;odét esO-ctt, d).).d dia rov TtitQÓy-TO? KoTdiKTLxiov, xfQTQV dtjloroTt. XtlOVTTO? Toil C-QyvQiov. Indim het ijfstoletie qdd is. dan kan zonder twijfel de condictie voor bepaalde geldsommen worden ingesteld} indien het rjestolene eene zaak andere was, dan kan de bestolene zelf de waarde schattende, deze condictie instellen, zoo als tk u boven aan de hand gaf. Niet alleen dus door de condictio furtioa kan ik geslolene zaken opvorderen, maar ook door deze condictie, die roer eene Ltpaalde geeischte geldsom namelijk,

(49) Cickrii yro Iloscio Cvmoedo, c. 4. «Htc si tu ampiius if. ïs.

ocr page 81

tiü moest precies sluiteu met de bestaande verbindtenis. Kené vordering van Quicquid flare facere oportet van de con-dictio incerti kou dus nooit iets gemeen hebben met de strenge intentio,/Si paret dare oporterr, nooit daaronder ge-bragt worden. Teregt merkt IIeimbaoh bl. 578 op, dat deze dwaling van den scholiast eerst kan ontstaan zijn in den tijd, toen de processen algemeen extra ordinem werden gevoerd en de formulae, hoewel steeds de grondslagen blijvende van de daarnaar gevormde actiën, hun onmiddellijk praktisch gewigt grootendeels hadden verloren. De Bisanten zag het kenmerkend onderscheid der condictiones certi en incerti hierin, dat de bij de laatste wel, bij de eerste geene aestimatio voorkwam (50). Nu brengt de aestimatio van eene onbepaalde schuld veelal niet onbelangrijke kosten mede. Om deze te vermijden, moest de eischer meermalen bedacht zijn, om onmiddellijk bij zijne vordering de onbepaalde waarde van het voorwerp zijner vordering zijnerzijds op eene vaste som te bepalen, hetgeen ook in het hedendaagsche proces wel gebruikelijk is. Indien deze bepaling niet onbillijk was en de gedaagde ook van zijna zijde het maken van nuttelooze kosten wilde voorkomen, kon hij, de gegrondheid van den eisch en het bestaan der verbindtenis bestrijdende, berusten in de door den eischer gedane schatting. Het geding liep dan werkelijk over de al of niet veroordeeling in de door den eischer bepaalde en door den gedaagde niet bestredene geldsom. In die wijze van handelen zag de scholiast verkeerdelijk eene verandering van de condictio incerti in de condictio certi.

• numrao peti.gt;ti, qnam tibi debitum est, canssara perdidisti.quot; Gajus, Inst. IV, § 68, «quo fit, ut si facta corapen-satione plus nummo uno

• intendat argentarius, causa cadat.quot;

(50) Gedurende het formulier-proces werd eeue dergelijke taxatie op^c-iiotnen in de condcranatio op deze wijze: Judex Numerium Eyidium Aalo Ag trio dumlaxat decern millia condemna t Gajds , J. IV, §51. Deze jurist onderscheidt aldaar de incertae actionem in actionos injinitae en cum iazatione.

ocr page 82

— 54 —

Eeeds is in de vorige afdeeling bi. 18 en volg. breedvoerig gehandeld over de bijzondere eigenschaj) dezer condictio, de sponsio tertiae partis. Dat deze daarbij algemeen voorkwam , weten wij uit Gajus J. IV, § 13, //eaque actio (per sa-//cramentum) perinde perioulosa erat, . .. atque hoc tempore //periculosa est actio certae pecuniae creditae, propter spon-//sionem, qua periclitatur reus, si temere neget, et restipu-//lationem, qua periclitatur actor, si non debitnm petat.quot; In de oratio pro lloscio Comoedo scliijut CicEito aan te duiden, dat deze sponsio ecno doorgaande eigenschap is van deze condictio. De tegen Roscius ingestelde actie, was de condictio de certa pecunia en dat proces was door de sponsio ingeleid, cap. 4 in. quot;Pecunia tibi debebatur //certa, quae nunc petitur per judicein: in qua legitimae //partis sponsio facta est.quot; Een weinig verder komt de redenaar nog weder op de sponsio terug. Hij dringt aan, dat werkelijk de ingestelde actio de condictio de pecunia certa is en besluit daartoe uit de omstandigheid, dat eeue sponsio tertiae partis was aangegaan. Het is volgens hem eene condictio Si cerium peletnr, want er is eene sponsio tertiae partis, c. 5 in. //Pecunia petita est certa: //cum tertia parte sponsio facta est.quot; Daaruit volgt nu wel niet onmiddellijk, dat de condictio de certa pecunia niet zonder sponsio kon worden ingesteld. Naar den vorm waarin Ciceiio dit bewijs voert, is echter aannemelijk, dat naar zijn oordeel de sponsio tertiae partis en de condictio certi onafscheidelijk waren (51).

Heimbach, bl. 58S, is echter van oordeel, dat deze sponsio niet verpligtend, maar ten keuze des eischers was. Vooral beroept hij zich daarvoor op Gajus J. IV, § 171 /•Ex quibusdam causis sponsionem faccre permitlitur, velut

(51) Was zijne raconin^ geweest, lt;Ut de sponsio tertiae partis niet hij andere actiën, wel iiij de certi condictit), doch ook da.ir alieen ter kenze des eischers en nnverpli^t voorkwam , dan zon hij dit waaischijn-wel \\ «pnaid en uitdrukkelijk hebben aangeduid.

ocr page 83

//de pecunia certa ereJita et pecunia consütuta: sed curtae fquidam creditae pecuniae, tertiae partis; constitutae vero //pecuniae partis dimidiae.quot; In het woord permittilvr ziet hij ccne stellige aanwijzing, dat het den eischer ook vrijstond, om op eene andere wijze te procsderen. dan per spon-sionem. Mijns inziens ligt in dat woord, indien men zich het imperium van den magistraat naar Roir.einsche begrippen denkt, niets anders dan dit, dat de cisclier, die •wegens pecunia certa credita wilde procederen, te dien einde door den Praetor werd loegelaten, om van zijne partij eene sponsio te vorderen. De Praetor liet hem toe, om op dia wijze zijn proces te beginnen. Hij kon dit ook nalaten; de bcteekenis van het woord permütilur brengt dat mede. Maar daaruit volgt niet, dat hij zijn eisch ook op eene andere wijze kon instellen. Het woord permiliitur is dus, zooals ik dat opvat, alleen gebruikt om aan te duiden, dat de Praetor bij een eisch voor pecunia certa credita den eischer tot eene processuale sponsio toeliet. Ann die sponsio was een hoogst crcwi^tia: retrlsirevolE\' verbonden, dat namelijk de gedaagde, indien hij weigerde de sponsio aan te gaan, onmiddellijk voor veroordeeld werd gehouden. In dien zin heeft de toelating van den eischer, om zijne tegenpartij op te roepen of uit te dagen, om zich door eene sponsio te verbinden, eene gewigtige bcteekenis. Bij onderling goedvinden konden de partijen zich ook door stipulatie verbinden, om eene bepaalde som te betalen naar gelang van den afloop van het geding. Het aanbod of voorstel daartoe kon echter zonder eenig gevaar worden afgeslagen. Alleen in enkele bijzondere gevallen had de provocatie ad sponsionem het boven aangegeven regtsgevolg. In die gevallen verleende de Praetor aan den eischer de oproeping tot de processuale sponsio, met de belangrijke daaraan verbondene regtsgevolgen. Terwijl in sommige gevallen de Praetor een bepaald gebod of verbod gaf, was hier het verleenen dezer bevoegdheid aan den eischer voldoende.

ocr page 84

— 56 —

omdat die eerste processuale handeling ten gevolge Imil, dat den gedaagde eenebepaalde verpligting werd opgelegd, onder bedreiging van eene belangrijke straf op de niet-voldoening daaraan. Het woord permiUitur is dus in de plaats van Gajds juist op zijne plaats, zonder dat men daaraan den zin behoeft te hechten, dien HEriiBACH daaraan geeft (52).

Even weinigbewijzen de twee andere door hem aangevoerde plaatsen, gelijk Hunonp op Puphta Jnst. II § 157 noot g reeds heeft ojigemerkt. In de lex Rubria c. 21 (bl. 49) worden de daar betreffende de condictio Si certum. pelelur voorkomende woorden //nisi se sponsione judicioque uteive opor-//tebit defendetquot; verkeerd door hem opgevat, alsof daarmede te kennen zon zijn gegeven, dat de eischer de keus had tussehen het proces per sponsionera en het gewone proces. Ik kan echter de opvatting van die woorden door Eüdorf, die meent, dat hier is gedoeld op ongehoorzaamheid aan den magistraat, niet deslen. De woorden duiden zeer bepaald op den gewonen procesvorm per sponsionem. Hij, die opgeroepen om zich voor den Duumvir (in liet municipium de magistraat, die defnnctiën van den Praetor waarneemt), te verdedigen, niet verschijnt of verschenen en opgekomen zijnde, zich niet behoorlijk verdedigt, en die in het judicium, dat is, voor den door den Duumvir benoemden regter niet opkomt, wordt volgens de uitspraken van den Duumvir of van den door hem benoemden regter voor regtmatig veroordeeld ge-

(52) Hdschre in de Krit. Johrb. f. deulsche Re.chlsioiTSenamp;chaft v. Richtkr n. SpHNRiOEK, [V, lb40. hl. 4ö7, geaft ftan het woord ^er/niW/ïar eetie verklaring, die door IIli.mbach leregt als te gekuusteld wordt verworpen. Hij wil in de plaats van Gajus een onmildelijk verband zien niet dé legis neiio per sacramemnm, zondpt Gajus eerst zou gesproken heb-hen van het sacraraentum als afgeschaft, waarop hij dan zou laten volgen, «lat de Praetor echter I)ij de condictio ccrtae pecuniae veroorlooft te procederen per fponsionsm. Van dezo opvolging van redeneiing blijkt niets en de fragmenten der voorafgaaode paragrafen schijnen het tegendeel aan te duiden.

ocr page 85

houden. Dour de spnusio verbond zich de gedaagde voor den magistraat, op denzelfden tijd, waarop de formula verleend werd: in het judicium werd de zaak verder voldongen en bepleit voor den benoemden regtcr. Men zou dus de woorden der wet vrij kunnen vertalen op deze wijze: //Indien iemand voor //den magistraat van liet municipiuin en voor den doorhem //benoemden regter niet verschijnt, of zich niet behoorlijk //verdedigt, zal hij volgens hunne uitspraak voor regtmatig //veroordeeld worden gehouden.quot; De llomeinsciic wetten uit den classieken tijd geven echter met meer naauwgezetheid altijd de bepaalde regtsvormen aan. Als men de groote naauw-keurigheid van de redactie dier wetten in het oog houdt, dan levert deze wet nog een schoon en sterk bewijs op, dat de sponsio tertiae partis altijd verpligtend was voor de v condictio do certa pecunia. De wet stelt c. 21 betreffende deze condictio hem, die zich door de sponsio niet verbindt, qui sponsione se non defendit, gelijk met hem, die de schuld erkend had of tot de betaling daarvan was veroordeeld, qui confessus aut jure lege damnatus est. Welk eene onnaauw-kenrigheid, indien de eischer ook kon procederen, zonder sponsio te vorderen. In dat geval kwam het niet te pas, om van een reus, qui sponsione se non defendit, te spreken , als gelijkstaan de met een veroordeelde. Men zegge niet, het spreekt van zelf, dat waar de eischer geene sponsio eischte, het niet-aangaan d ier verbiudtenis voor den gedaagde geene veroordeeling kan medebrengen, al bepaalt de wet dat niet uitdrukkelijk. Zc.o oordeelde der Romeinsche wetgever in den bloei-jenden tijd der regtsvorming niet. Hij voorzag in de onderscheidene algemeene gevallen en deed dat niet in sierlijke, maar in korte en bovenal zeer bepaalde bewoordingen. Had voor de vordering van certa pecunia credita ook eene procesvorm bestaan zonder sponsio, dan zou do Ilomeinsche wetgever, achter de woorden //ni sponsione se defendet,quot; stellig de woorden nhi fieri oportebit hebben gevoegd. In enkele andere aeliën kon meermalen door

ocr page 86

den Praetor eene sijonsio worden geëischfc, doch zonder dat die in het algemeen bij het instellen der actie als vaste procesvorm eene verpligting was. In c. 23 (*) der lex Rubria wordt gehandeld, behalve over de condictio triticaria, over allo andere actiën, waarvan de waarde 15000 sestertiën niet overtreft //quodve cum eo agetur, quaeres pluris ses-//tertium quindecim mille non erit.quot; Daar Icon soms, maar heitoef da niet altijd eene sponsio gevorderd en opgelegd te worden. De wet voorziet ook hier in het geval, dat de gedaagde zich niet door sponsio verbond, si sponsionem non faciei, maar icef- de zoo juiste bijvoeging der woorden si sponsionem fieri ownsoit. Dat die woorden in caput 21 niet worden srevonuen, toont genoeg, dat bij de condictio certi de sponsio, als vaste vorm, altijd bestond. — Dit aangevoerde bewijs schijnt mij zoo gewigtig, dat men de waarheid van het daardoor bewezene niet gemakkelijk in twijfel zou kunnen trekken. Bewijzen van eene keus tusschen sponsio en proces zonder sponsio zouden dus al zeer sterk moeten zijn, om dit in tegenspraak met de lex Rubria aan te nemen. Doch daarvoor ontbreekt alle bewijs, want deplaatsvan Gei.ixis, diemen daarvoor aanhaalt, zegt werkelijkhet tegendeel. Deze vermeldt Nodes Allicae XIV. 3, eene regtszaak, waarin hij zelf als regter zat. Het gold eene vordering van pecunia certa crcdita. Do gedaagde cischte daarin, dat de eischer zou veroordeeld worden wegens calumnia. Dat is, zoo als Heimbach beweert, onmogelijk in een proces per sponsionem. Het calumniae judicium is werkelijk te gelijk met de sponsio, die zelve eene poena temcre litigantis is, onbestaanbaar. Doch, gelijk Rudorf opPuchta Inst. II. § 129 noot g. teregt opmerkt, de sponsio staat zoodanig gelijk met het calumniae judicium, dat de eischer, bij veroordeeling in het proces per sponsionem in waarheid kon gezegd worden voor zijne calumnia te worden veroordeeld, omdat hij krachtens zijne restipulatio een derde gedeelte ( ^ Zie l)i. 6 I , noot 56.

ocr page 87

— 09 —

der door hem geeisclite som moest betalen. Ctajus zelf telt Just. IV, § 74, deze veroordeeling onder de middelen tot bedwang der calurania: //actoris quoqnc calumnia coerootur:

modo calumniae judicio; mode contrario; niodo jurejurando;

modo resliptdalione\'\'\'

Hetgeen voor de keus tusfclien twee verschillende proces-vormen werd aangevoerd, bewijst dat geenszins. Daarentegen wijst aües er op, dat er oudtijds in het formulierproces voor de vordering van certa pecunia credita geen andere vorm besfond, dan die per sponsionen.

Deze formula was hoogst eenvoudig. De iutentio en de condemnatio waren, wat het object betreft, volmaakt gelijk.

Op de intentie Si paret c. scstcriinm dare ojiorlere, kon nimmer eene andere condemnatio volgen dan in c. sesler-tium condemna. Indien een muntstuk meer in de intentio was opgenomen, dan bleek verschuldigd te zijn, dan moest de geheele actio worden ontzegd Cic. pro lloscio Com. c. 4 in.

quot;Pecunia tibi debebatur eerta, quae nunc petitur per ju-//dicem; in hoc tu si amplius II. S. nummo petisli, quam «,

//tibi debitum est, causam perdidisti.quot; Gajus, IV, § 6S:

//quo fit, ut si. facta coinpensatione, plus nummo uno in-//tecdat argentarius, causa cadat et obid rem perdat.quot; Deze gestrengheid bleef bestaan in het formulierproces en zelfs nog geruimentijd , nadat het proces extra ordinem algemeen was ingevoerd, tot dat eindelijk door de. constitutiën van Zeno en Jtjsïiniasius daarin verandering werd gebragt (53).

De formula bevatte geene demonstratie. Dit blijkt uit de oratio van Cicero, pro lloscio Comaedo. Dit proces liep over eene condictio de certa pecunia credita, eu in de formula daarvan kan geene demonstraiin bestaan hebben, want

(53) Ust. de Actionibus, § S3. ■. . . Kt. fiquiilora tempore plus fuerit •\'pciitum: quid statui oportcat, Zemmis- divae memoriae loquitur con-• stitutio. Sin anlcm quantitate vel alio modo p!us fuerit petitum , in onino,

tsi quid fone damnum ex liac causa accident, ei contra quem plus \'po\'.itiiTn fncrif, conrnissa tripli coiuk\'.nnatlone (sicn\'i mpra diximufi)

»pnniatnr. »

J,

ocr page 88

Ciceho gaat in de reeds aangehaalde capita 4 en 5 de verschillende oorzaken na, waaruit de condicliu ontstaan kan. Eene demonstratie zou die oorzaak der verbindtenis van liet creditum bepaald hebben aangewezen en dus kan er in die formula geene demonstratie geweest zijn. Die oorzaken zijn, volgens Cicero, drie in getal: of het geld moest zijn overgedragen, of er moest eene literarum, of eene verborum obligatie bestaan. Deze drie oorzaken gaat hij afzonderlijk na en komt in c. 5 tot het besluit, dat er geen pecunia credita is. //Pecunia petita est certa, cum tertia parte sponsio //facta est. Datam non esse, ïannius conütetur; expensam //latam non esse codices iPannii confirmant; stipulatam non //esse, tacitumitas testium concedit.quot; Deze plaats is beslissend. Al de latere Eomanisten hebben dan ook op grond daarvan erkend, dat de formula dezer condictio geene demonstratie had. In hoever het aannemelijk is, dat in het belang des eischers de oorzaak in eene praescriptio kon worden aangegeven, kunnen wij eerst later nagaan.

De formula was derhalve hoogst eenvoudig en de intentio en de condemnatio bepaald en geheel aan elkander gelijk, wat het object betreft. Zij kan niet anders geweest zijn dan op deze wijze: Si paket Numehium Egidiuii Pübi.io MaEVIO decem MILT.IA SESTEUÏIUM dabe OPOUTERE, JUDEX NlIMERIUJl NeOIDIUM Puiil.IO MaEVIO SESTERTIUII DF.CEM mii,lia CONDEMN\'a, St NON PAliEÏ, ABSOLVE , GaJUS, Inst. IV, § 86. Indien een procurator voor en namens een ander den eisch deed en het proces voerde, dan kwam diens naam , niet de naam van de eischende partij zelve, in de condemnatio voor, zoo als Gajus in de aangehaalde plaats leert. Op dezelfde wijze en vermoedelijk uit Gajus, deelt ook Theophi-t.us , Inst. IV, 10, § 2(54), deze formula mede. Wegens de

(54) El (puirexau iïovrtu yQ-ijrao Sit-ov tT/xa roniOfittra , xaTU^Lxtt— abv Jlgi/iov róv uVtov Trqor.ovqazoqa. etq dtxa vo/.iiO/ArtTct. Imhen blijkt, dut Se jus verbonden is, om 10 youden solicit tc geven, veroordeel dan zijn pro-turator lol 10 \'jonden solidi.

ocr page 89

gel ij kb ei J der intentio met de condemnaiio spreekt hef van zelf, dat, bij het bespreken dezer formula, het genoeg is eene daarvan te vermelden, dan is het andere lid der formula bekend. Meestal wordt in de theorie der actiën alleen gesproken van de intentio der formula, omdat deze het regtspunt bevat, Gajus, IV, § 41: //Intentio est ea pars formulae , qua //actor desiderium suum conoludit.quot; De intentio dezer con-dictio. Si paret dare oporlere, komt met het oog op bepaalde geldsommen op ontelbare plaatsen in de pandecten voor.

Naauw verwant met de Si cerium nelelur was, wij merkten het herhaaldelijk op, de reeds breedvoerig besprokene con-dictio tritiearia. Zij was aldus genoemd, zoo als de Bisan-tijnschescholiast zegt (55), omdat i» deoude formula melding werd gemaakt van tarwe. Dit kan niet anders beteekenen, dan dat in het Edict de formula word voorgeschreven en dat daarin als voorbeeld tarwe, triticum, werd genoemd. Ook deze actie is vermeld in de reeds aangehaalde lex Kubria, c. 22 (56). Daar wordt die actio aangewezen als de actio,

(55) Bas. XXIV, 8 , c. 7. quot;lavfov Jé, üq ytjfav 6 Zréspavoc; èv raïq TtaQayQuqiaZt;) ovxb) TQt-TLy.dqioq, ixetdij fv rij xurd x\'o TtaXui* 7Co).iVfv6/.ievov ipoQ/.iov?.a , tqitokv irixetro firij/A,?]. Men moet we» ten, zoo als Stepiiands in zijne korte verklaringen zegt, dat de tritiearia zoo wordt genoemd, omdat in de oude formula sprake is van triticum.

(56) Het woord petere dat aanduidt, dat eene vordering op eene 1)6-pnalde z»ak is gerigt, gebiuikelijk hij de vindicatio , en inzonderheid voor de condietien, waarbij de overdragt eener bepaalde zaak wordt pe-ëischt, zuo als op bl. 20 en \'Jl is betoogd, wordt steeds in deze wet zorgvuldig gebruikt voor de beide condictien de rebus certis. Daarentegen wordt bet betreffende alle andere actiën steeds vermeden. Dit is vooral in e. 22, zeer zigtbaar. Wat alleen op de condictio tritiearia betrekking heeft, is aangeduid met cursive letters. • A quo quid praeter

• pecuniam numcraiam, signatnm forma populi Romani, in eorum quo op-

• pido, municipio, colonia, piaefectura , foro, vieo, conciliabulo, castellove

• quaesunt, eiuntve, in Gallia cis A Ipeis , quodve cum eoagetur,

• quae res non pluris sestenium quindecim mille erit, et si ea res erit, de

• qua re omnei pecunia ibei jus de icei judiciave darei ex haclege debebit opur-

• tebit, sti is earn rem, quae ita ab eo petelur,de\\e ea re cum eo agetur , ei,

• quei cam petit, deve ea re »get, aute/, qnnjus nomine ah eo petetur,q\\iom-

• que co agelur in jure , apud euro quei ibei jure deenndo prneerit, dare,

ocr page 90

*■ qun res praeter peouniam certain creditam petitui\'quot;, oumid-deliik volgende op- en zicli op die wijze aansluitende aan-de condiotio de certa pecunia, even als in het begin van den titel der pandecten over de condictio triticaria het naauw verband tussclien deze en de Si certum petetur wordt aangeduid. Wcaens de gelijkheid met laatstsenoemdo condictio,

fa \'O c-} . . .

bevatte zeker ook de formula der triticaria geene demonstratie. Die formula werd gegeven voor alle bepaalde zaken, uitgenomen bepaalde geldsommen. Zij was bijna even eenvoudig, als die voor certa pecunia, waarmede zij groote overeenkomst heeft. Gelijk op bi, reeds is vermeld, luidde zij: Si pahet tkitici modxos centum (vel funduji tuscueanum aeiamve lie.m ceetam) daee oporteee , qdanxi ea hes est, judex condemn a, si non pahet, absoi.vb.

Uit de condictio triticaria gesproten en als het ware eene gewijzigde vorm daarvan was de actio arbitraria voor res creditae, die op eene andere plaats, dan de woonplaats des gedaagden, moesten worden gevorderd. Eene bijzondere actio was daarvoor noodig, omdat volgens het strenge formalis-mus der Romeinen, b. v. 100 mud tarwe, of 10,000 ses-tertien, die een inwoner van Home zich verbonden had te Epbeseaan een te Home of elders woneuden Romein te zul-

tfacere, praeslare, rcstitucrc oportere aut se deberc ejnsve earn rem esse «aut se earn habere eamve rem , de qua arguctur se fecisse obligatumve se t ejus rei, m xsiaeve esse confessus erit, deixseritve , neque de ea re satis utei

• oportelüt, faciet, aut sei sponsionem fierei oportebit, sponsionem non faciet, t non «-estituet neque sejudieio, utei oportebi», defendet, aut sei de earein •jure nihil respondent, neque de eare se judieio, ulei oportebit, defendet, turn

• de eo, n quo res Ha petetur , quoir.veeode ea re ita agetur deque eo, quoi •cam rem darei, fierei, restitui praestari satisve de ca re fierei oportebit,siremps

• lex, res, jus, causaque omnibus omnium reium esto, atquo utei esset

• esseve oporteret, sei is, quei ita quid enrum rcrum confessus erit, aut

• de e.i re non respondent, neque se judieio, utei oportebit, defenderit, «de ieis rebus Roraae apud Praetorem eurave quei de leis rebus Romac juri «dienndo praesset, in jure confessus esset, atque ibei de ea re nihil res-« pondissct, aut judieio ie non dofendisset.»

ocr page 91

len overdragen of betalen, te Rome door de triticaria niet kon worden geëisclit. Die tarwe of dat geld was te Eome niet verschuldigd. De regter was streng gebonden aan do formula. Was hij geroepen, om over eene dergelijke vordering te Eome regt te spreken volgens de formula der triticaria Si par et trilici modios centum dare ojoortere, eondemna, si non paret, absoloe, dan zou hij den eisch hebben moeten ontzeggen, zoodra bleek, dat de tarwe niet (e Rome, maarte Ephese, verschuldigd was. De triticaria zou, hoe onbillijk dat ook zou geweest zijn, den eischer nooit hebben kunnen baton, ten zij de reus stipulationis zich bij geval naar Ephese mogt begeven. Dit is de ware beteekenis der woorden in 1. 1 , il\'. de eo quod eerto loco: //Si promissor ad eum locum, in quem daturum se //promisisset, nunquam accederet (quod vel data opera faceret, //vel quia aliis locis necessario distringeretur) non posse //stipulatorern ad suum pervenire.quot; De onbillijkheid van zulk eene uitsluiting springt in het oog. Er was alleen verschil in den locus debendi, terwijl overigens dezelfde oorzaak voor civile verbindtenissen aanwezig was. Zoo ooit dan drong hier de analogie, om eene actie te verleenen van gelijke waarde, als de triticaria. De Romeinen hadden daarvoor een zeer gereed middel in het verleenen eener actio utilis. Waar zulk eene volledige gelijkheid van regtsgron-den bestond, stelde de Praetor liet geval gelijk met gevallen, waarvoor het civiel regt eene actio aanwees. Hij verleende de civile actio, als of de aan hem onderworpene zaak werkelijk eene zaak betrof, waarvoor die civile actie regtstreeks was bestemd. In ons gegeven geval lag de gelijkstelling zeer voor de hand. Men had eenvoudig de actio te verleenen op de plaats , waar de reus woonde en gelastte den regter regt te spreken, alsof hij regt sprak te Ephese. De regter moest daarnaar, tot bepaling van het Quanti interest, rem dalam non esse, begrooten, hoeveel de tarwe (e Ephese waard

ocr page 92

zou geweest zijn, en in liet bedrag daarvan veroordeelen. De formula moet derhalve ongeveer in de volgende woorden vervat zijn geweest: Si Numeuius IjOidius gum Aui.o AgERIO EpHESI AGERET, quod ibi ÏRITiCI modios CENTUM (SESTEKTIUM QU1NDECI51 M1LI.IA AMAMVF, rem CER-ïau) daUE OrORTERET, TUM si PARET AüHIM AgERIUM TRITICI MODIOS CENTUM, (SESTERTIUM QUINDECIM MILT-IA ALIAMVE HEM CERTiJl) DAKE ÜPOBTEKE, nlsl ARB1TRATU TUO SATISFACIAÏ QuoD TEIÏIOI MODII CENTUM EPHESI DATI NON SUNT, quanti EA 1ÏES EST, JUDEX CORDEMNA (*).

Rudouff-Hom. Rechlsgeschic/Ue, II., 143, geeft op het voetspoor van Zimmern , Kom. Civ. Proc., § 07, deze formula eeniÊCzins anders. Bij hem luidt zij : fSi par et Nm. A0, Capuae, X millia (c. medimnos trilici Afriei optimi) dare oportere , neque arhitratu iuo Nlt;quot;. Aquot;, satis faciet, quantae pecuniae alterutrius interest rem,qvae dari oportet, Capuae po-tius qiiain Romae dari, tantam pecuniam judex N\'quot;. Aquot;. condemna. Daarbij schijnt niet genoeg in het oog te zijn gehouden, dat de actio arbitraria als actio utilis was gevormd, ficta,r\\aax de condictio triticaria. Dergelijke fictio ■werd uitgedrukt op de wijze als de door mij gegevene formula is gesteld, zie Gajus Inst.IV, §34 en volg. De actio arbitraria moet men ook, volgens het in het eerste gedeelte dezer verhandeling, bl. 32 en volg., aangevoerde, met het ooquot;-op 1- 1, ff. h. i, houden voor eene utilis actio triticaria. Even als deze kon zij dus ook alleen res certas tot onderwerp hebben (57). Doch in eenopzigt schijnt zij eenwij-

(») In don Uatsieu heeft men deze aclio arbitraria algemeen voor ceoe actio in factum gehundeu. Z.o de wederlegging van dit gevoelen in bijlage V.

(57) Ia de bronnen is mij geene bepaalde aanwijzing voorgekomen , dat onbepanlde zaken van deze actio waren uitgesloten. Het zijn echter altijd bepaalde zaken, die als voorbeelden voor deze nciio voorkomen.

ocr page 93

deren omvang ie hebben, (\'au de condictio, waarnaar zij werd gevormd. De condictio kon nooit eone bepaalde geldsom tot onderwerp hebben, de arbitraria daarentegen wel. Het schijnbaar ongerijmde, dat er in ligt, dat de actio utilis een wijderen omvang in dit opzigt zou hebben verkregen, dan de actio, waarvan zij ontleend was, verdwijnt bij nader inzigt en is door Gajus opgelost in 1. 3, h. t. De geldsom verliest zijne eigenschap van bepaaldheid of van effenheid, zoo fils de Nederlandsche wet (58) het uitdrukt, door de bijvoeging van plaats; want het interest van eene betaling eener bepaalds sotn op cene bepaalde plaats wordt, wegens die laatste bijvoeging, niet meer door die som uitgedrukt, maar moet even als de waarde van andere res debitae in op de plaats der regtspraak te betalen geld door een arbitriutn worden bepaald. //Ideo //in arbitrium refertnr haec actio, quia scimus, quam //varia sint pretia rerum per singulas civitates, regiones-//qne: maxime vini, olei, frumenti, pecuniarum quoque, //licet videatur una et eadem pofestas ubique esse, tarnen //aliis locis facilius, et levibus usuris invediur.tur, aliis diffl-//cilius et gravibus usuris.//

Ten slotte moet ik nog opmerken, dat de actio arbitraria, evenals de condictio triticaria, ook geene demons!ratio zal hebben gehad, dlt;it althans deze, even ais bij de condictien Si cerium pepelur en triticaria niet verpligte.-id zal geweest zijn. Deze drie condictien (indien men du actio arbitraria , hoewel in de bronnen nimmer condictio genoemd, wegens hare gelijkheid daarmede en haren oorsprong daaruit ook onder de condictien begrijpt) zijn te zamen een volledig stelsel van algemeeno condictien/Terwijl voor de andere

(58) Art. 441 Burg. Regtsv. Beslag kan worden gelegd voor elke bepaalde schuld. Is die schuld niet verefteud, d. i., in gold uitgedrukt, dan wordt de verdere tenuitvoerlegging gestaakt, tot dat dc vereffening heeft plaats gehad.

ocr page 94

condictiëu, waarover wij later zullen handelen, steeds do vermelding van een bepaalden regtsgrond noodig was. en deze alleen uit één bepaalden regtsgrond ontstonden, konden deze algemeene condictiën uit alle contracten en handelingen ontstaan, mits daaruit een certnm creditum geboren word. De actio arbitraria had echter gewoonlijk uit haren aard haren grond in de verborum stipulatio, zooals de voorbeelden in de pandecten overvloedig aanwijzen.

ocr page 95

111.

Dli SPECIALK CONDICTJËN, CO.VDICTJOA\'ES 1NCERT1.

Ik\'halve de behandelde algeineene cnulictieii Si cerium pelelur, Irilicaria, en arhllrarla actio (hoewel voor de laatste de naam van comlictie niet voorkomt) , vermelden de Pandecten ook nog andere eondictiën. Daartoe hehooren in do eerste plaats du in bijzondere titels behandelde condictiones, iquot;. Causa data causa non secuht of ob causam dalorum, 2quot;. ob lurpem vel ivjustam cau-sam, 3°. indehili, -tquot;. sine causa 5°, fur tic a, 6 ex lege en wijders de in de rcglsbronnen voorkomende condictiones 7°. ex legato S». ex lege Aquilia 9°. ex Scio Trebelliano, waartoe wij eindelijk op het voetspoor van Sjvigny, ook nog brengen 10°. de actio er stipulalu, hoewel de regts-bronnen aan die actie nergens den naam van condictio geven.

Alvorens tot de behandeling dezer condictiën afzonderlijk over te gaan, vereischen de afwijkende namen der beide onder de condictiën gerangschikte actio arhitraria en actio ex stipulatn eenige toelichting.

De eerste werd ongetwijfeld aldus genoemd naar het daarin voorkomende arbitrium, dat den rescter de bevoegd-heid gaf, om deeene of andere verpligting, zelfs een factum, op te leggen en eerst bij niet-voldoening daaraan tot betaling eener bepaalde geldsom te vcroordeelen. Die bevoegdheid werd bij vindicationes en bij terugvorderingen eener aan het bezit van de partij toevertrouwde zaak gegeven, door in de formula de woorden Nisi restituat op te nemen (59). Voor andere actiën was dat waarschijnlijk; nisi exlibeat, nisi noxam dedal, of nisi satisjaciat, Inst, IV. G. § UI. In den bloeitijd van het Rom. regt had deze toevoeging

(59) Men zio de verdienstelijke dissertatie van II. Fkima, lt;/c AcHonc arhitraria, Groningen 1861.

ocr page 96

slclliij haar meeste praktische gewigt verloren, oindal iles-tijds de regel gold, oitinia judicia esse ahsulutoria, cu de gedaagde derhalve altijd de veroordeeling kon voorkouieu door den eischer schadeloos te stellen, Gajus, lust. IV , § 114. Voor dat die regel, waarover ten tijde van Gajus nog verschil tussohen de scholen bestond, was erkend, had de toevoeging echter groot gewigt. Vermoedelijk was het eene in het oog vallende nieuwigheid, dat zij werd ingevoerd bij eene formula voor id, qno\'l dari oportel, waaromticnt liut jus sirictum al de strenge gehoudenheid aan den vorm had behouden, als in de oude legis acliones.

Welligt was de invoering van het arbitrium judicis op dit gedeelte van het jus strictum eene zco in het oog vallende wijziging, dat men voortaan de actie naar dat arbitrium bleef noemen, terwijl men den naam van con-dictie niet durfde geven aan eene actie, die zich van de twee beslaande strenge condictiën [si cerium peletar en trilicaria) zoo ver verwijderde. Hoewel nu later de grenzen van het begrip condiclio wijder werden uitgezet, is het niet vreenul, dat men de actio de eo \'/nod cerlo loco dari o por lel, die volgens de latere opvatting stellig tot de condictiën behoorde, met deu ou.lun naam van actio arbitraria bleef bestempelen.

Hetzelfde is van toepassing op ile actio e.v stipnlalu, die alleen voor een incerlum gold. Dat deze actie reeds in den ouden tijd moet ontstaan zijn, is aannemelijk, omdat er met de bij de llomcinen zoo gebruikelijke stipulatiën reeds vroeg eene daarmede overeenstemmende actie moet bestaan hebben. Mag men aannemen, dat zij was ontstaan voor de overige condictiones incertae, dan is het op dezelfde wijze verklaarbaar, dat het onbepaalde der intentie aan deze actie in den ouden tijd den alleen voor de bepaald» strenge actiën gebruikelijken naam van condictiën deed weigeren. Tn dat geval lag het voor de hand, dat die actie werd genoemd de actio ex stipulatu.

ocr page 97

Tnt het oiitsfaaii dezer namen knn in?n niet anders dan bij hypothese besluiten , hoeveel waarschijnlijkheid zulk cene veronderstelling ook moge hebban; rlooh hot laat zich op deze wijze althans zear gemakkelijk verklaren, hoe aan twee condictiën een andere naam kan gehecht zijn. Dj naam is overigens vrij onverso!iillig ; van meer gewigt is het, den aard der actie te kennen. Daaromtrent hebben wij een zekerder grondslag. Terwijl het boven gebleken is, dat de intentio van de condictioues cerlae bij uitsluiting cn in tegenstelling van alle andere actiën op id quod daim oporlet gerigt was, behoort zeker de actio tot vervolging van id lt;juod cerlo loco daki oporlel tot deze kategorie.

Wat betreft de actio ex slipulalu, wijst de bij Gajus, Ins/. IV § 136, voorkomende formula dier actie stellig aan, dat zij behoort tot de condictiones incerli, welker kenmerkende eigenschap lag in de intentio üaicquid dare facere oporlel.

Reeds duiden de namen van al deze tien actiën aan, dat zij een geheel ander karakter hebben, dan de oude alge-meene bovenbehandelde actiën, die uit mutuum, uit stipu-latio, bij consensuële contracten en bij elke handeling konden ontstaan. Deze condictiën missen het karakter van algemeenheid der reeds behandelde condictiën en hebben alle een bijzonder en bepaald karakter, even als do onderscheiden actiën voor de verschillende consensuële contracten. Evenals bij deze contracten is het eene bijzondere regtsverhouding, die grond geeft voor de bijzondere met die regtsverhouding overeenkomende condictio. Aan sommige dier condictiën ligt tot grondslag het algemeen begrip van het credilum, hoewel datecnigzins daarbij werd uitgebreid en de actie tevens tot onbepaalde zaken werd uitgestrekt. IJij andere is het de bepaling der stellige wet, die het regt op deze actie verleent, zooals bij de condiclio ex leg a, ex legato en vermoedelijk ook de furliva. Kort zullen wij de onderscheiden regtsverhoudingen nagaan, die aan deze verschillende condictiën tot grondslag liggen, ten eiude daarna

ocr page 98

— 70 —

een\'ovcTzigt te geven, welke plaats zij in liet stelsel i!cr condictiëii eigt; m veïbmiil met cle overige acliën innemen.

1. Condicllo cau.ia (lala causa non secnla.

Vereisolite voor deze actie is, dat ceni,^ goud donr ons in liet eigfiiulom van een ander zij overgebragt, om een bepaalden j-egtsgrond (00), hetzij om daarvoor eene andere zaak of eenige

(00) liet woord ransn is in onze taal moeijelijk te vertalen. quot;Welli^t zou volgens afleiding en grondbeteckcuis ons woord oorzaak dit het best teruggeven.

liet is echter gevaarlijk, causa door oorzaak te vertalen, omdat dit woord te ligt wordt opgevat in den zin van de subjective beweegreden, o;u eenig goed over te dragen, niet van den objectiven regtsgrond, die aan de overdragt in verband met het daarmede gemaakte beding haar regtskarakter geeft. Daarom vertalen wij het woord liever door grond en waar deze grond ol\' causa eene geoorloofde en regtsgeldige is, zullen wij tot meerdere duidelijkheid het woord regtsgrond bezigen. Het woord regtsgrond kan niet algemeen voor causa gebruikt worden, omdat men ook spreekt van een schandelijken en onregtmatigen grond. Overigens houde men wel in het oog, dat ook het woord grond of regisyrond de juisle betee-kenia van het woord causp niet dan bij benadering uitdrukt. Wij hechten aan dat woord het meer abstracte begrip van \'tgeen in eene handeling het essentieel regtsbcginsel uitmaakt: de Romein dacht zich dat regtsbeginsel meer concreet met de handeling zelve. Zoo moet men opvatten liet causam dare ob cnusam futuram als de overdragt eener zaal: al» regtsgrond voor eene toehomstig terug te ontoangen zaal:, die den regtsgrond oplevert der thans gedane overdragt. Men kan dit in het Hollandsch wel omschrijven, maar niet woordelijk vertalen.

Omtrent de zaak bestaat tusschen de juristen van den latercn tijd weinig verschil. Men zie Savigxt, Si/sf.V, bl. 526, Pitchta, Pand. §340 Ir,st. § 271 VorJ. § 257 Keller, Pand. § 300 Arxdts, Pand. §340 Erxlebex , Cond. s. causa II, bl. 85—88, Windsckeid, Lehre der Vorausetzung, bl. 3, de breedvoerige behandeling bij Mr. Voigt, condic-tiones ob eau\'am , § 61—64 bl. 491—547 en de aldaar aangehaalde schrijvers.

Overigens hebben van ouds allerlei wanbegrippen over de causa bestaan. Men zie daaromtrent ook Mr. A. G. Kleijn De regtsoorzaah, waarin het begrip der causa in het algemeen wordt ontwikkeld en de dwalingen van ouden en nieuweren tijd zijn aangestipt.

Vooral de moeijelijkheid, om het woord en het begrip in de nieuwe talen uit te drukken, schijnt tot afwijking en misverstand, zelfs in den laatsten tijd, aanleiding te hebben gegeven. Men was niet altijd even gelukkig

ocr page 99

dienst Ie outvangeii, hetzij wegens een Teijfsgrond, waartoe de aiiilor niet lieeft medegewerkt en waarbij zijne regten niet gemoeid zijn. liet laatste heeft b. v. plaats, indien ik geld geef aan iemand, om daarvoor ten mijnen bate den afstand van regtsvordering vaneen derde te verkrijgen; of ook in sommige gevallen, -waar geld gegeven wordt, om uitsluitend in het belang van den uitgever van het geld eene reis te ondernemen. Een regtsgrond zonder medewerking van den ander noemen wij b. v. in de mortis causa donatioy den regtsgrond, dat men geeft, omdat men, in levensgevaar zijnde, zijn einde voorziet. Bij gebreke van dien regtsgrond ontstaat het regt tot terugvordering, de condietio, van hetgeen alleen met het uitzigt daarop in het vermogen van een ander was overgebragt. Evenzoo is het met hetgeen is overgedragen tot vervulling der voorwaarde, waaronder men tot erfgenaam is ingesteld. Vindt men later goed, de erfenis te verwerpen, dan vervalt de regtsgrond, de cansa, waarom men de overdragt deed, en ontstaat het regt, om het overgedragene terug te vorderen.

Deze voorbeelden zouden nog met andere kunnen worden vermeerderd; voor het meerendeel is het echter een tegenover de overgedragene zaak bedongen goed of bedongen dienst, die den regtsgrond der overdragt uitmaakte. Dergelijke bloote overeenkomst, men weet het, had in het oude llo-meinsche regt geen volledige kracht. Wel stond het pactum onder de uitdrukkelijke bescherming van den Praetor, maar het bewerkte alleen eene exceptie en leverde geen grond voor eene actie; uitgenomen in die gevallen waar aan de bloote overeenkomst, met naam onderscheiden, uit-

in de behandeling dier afwijkende gevoelens. Zoo kan ik niet zien, dat de overigens gunstig bekende hoogleeraar Voigt, in zijne breedvoerige en aan bronnen rijke behandeling van dit punt veel verder gekomen is. Ik zou vreezen, dat onze Duitsche naburen bij hun volhardenden arbeid zich iu den laatsten tijd wel eens te veel in wijdloopige en spitsvondige studiën verliezen , om de denkbeelden te vatten der Romeinsche juristen. die door bondigheid, bepaaldheid en helderheid hebben uitgemunt.

ocr page 100

ibukMijk eeue actie was verleend, 1. 7. il\'. de Pact. {ï, //11) «Juris gentium conveutioiies quaedam actiones jja-//ritiuf, (juaedara exceptiones ^ ]. Quae pariuut actiones, //in piio nomine non stant (worden geene jiaota genoemd), /\'jed transeunt in proprium nomen contractus, nt emtio, //locatio conduotio, societas, commodatum, depositurn et //ecteri similes contraclus.quot;

Gelijk nu bij het gewone mntuum terstond de condiotio kon -worden ingesteld, tenzij een paclum. daartegen ver-liinderiug opleverde; zoo kon ook bij de overtlragt ob cansam de opvordering van het overgedragene plaats hebben, tenzij een pactum in den weg stond. Er was niets dat liet instellen der actie verhinderde; want de grondslag was, dat goed, hetgeen men in vertrouwen op een ander aan dezen had overgedragen met het oog op eene toekomstige gebeurtenis (b. v. teu einde daarvoor iets terug te bekomen, het zij eene zaak of eeuig ander voordeel) kan teruggevorderd worden , zoo lang de beoogde gebeurtenis niet tot werkelijkheid is geworden. Deze overdragt zelve voldeed aan de vcreischten van het creditum, gelijk wij die boven op bladz. 48 hebben aangegeven, volgens de bepaling van Ui.piaxus, 1. 1 ff. de Keb. Cred. (12. 1). Zoodra dus bet overgedragene bestond in eene bepaalde geldsom , kon volgens den algemeenen regel de Si cerium peletur worden ingesteld; was het overgedragene eene andere bepaalde zaak, dan was er grond voor de trili-caria. llegtskundig was daartegen geene bedenking; maar praktisch was waarschijnlijk de eischer met eene dier strenge actiën weinig gediend. Men denke zich tot voorbeeld het geval behandeld in 1. 5 pr. h. t. Titius gaf aan Sempronius eene som gelds, om te gaan naar Capua, ten einde daar zijne belangen waar te nemen. liet doel, dat Titius zich aldaar voorstelde, vervalt. Dientengevolge Iaat hij weten aan Sempronius, die nog niet vertrokken is, dat hij zija opdragt intrekt en het geld terugverlangt. Sempro-

ocr page 101

ii:us maakt bezwaar, op grond dat hij tot voorbereiding van zijn vertrek reeds kosten gemaakt heeft overeenkomstig de gemaakte afspraak. Men kan zich deze afspraak of dit pactum op tweeledige wijze denken. Daarbij kan uitdrukkelijk aftrek van een gedeelte der ontvangen som wegens gemaakte kosten, ingeval van intrekking der opdragt, bedongen zijn; maar gewoonlijk zal dit door de partijen wel niet voorzien zijn, en in dat geval zou men op de bedoeling der partijen bij het sluiten van het pactum moeten afgaan, terwijl de regter volgens de veronderstelde bedoeling de vermindering zou moeten vaststellen. Hier hangt niet alleen veel van versoliil van opvatting en van schatting af, hetgeen de berekening van den eisjher altijd bezwaarlijk maakt; maar die moeijelijkheid is onoverkomelijk, indien men bedenkt, dat hij onbekend is met de toebereidselen en de kosten, die door zijne partij welligt kunnen gemaakt zijn. Wat baat hem in dit geval eene strenge actie, die valt, indien één enkele sestertie te veel is gevorderd ? Men gevoelt, dat hier het strenge karakter van bepaaldheid, dat de condictio certi in vele andere opzigten wegens den eenvoud van het proces zoo begeerlijk maakte, zulk een beletsel opleverde, dat die actie in de, mees)e gevallen van het oh cans am datum geheel onbruikbaar was, en dat men integendeel eene actie noodig had, welker meer onbepaalde formula aan den regter vrije magt gaf, om naar hooger of lager schatting een meer of een minder toe te wijzen. (60) Wij kozen hier een der in de pandecten voorkomende gevallen. Het spreekt echter van zelf, dat de meeste van dergelijke overeenkomsten of pacta het regtsgevolg moesten hebben, dat er op veelsoortige wijze twijfel kon zijn, of en in hoever aan het gemaakte bedrag geheel of gedeelte-telijk was voldaan, en of de voldoening geheel of ten

(61) Bij doze formula had men bet ge-aar derpZus pelitio niette vree-len. Gajus, hist. IV, § 54 «IlluJ satis apparot, in incertis formuli» \' plus peti non poaso, quia, cum certaquantitasnon petatur, eedqnicqnii -dare facore oportere P\'vct, intondatur, nciuo potest pins potorj.

ocr page 102

tli-ele ten gevolge van vergaan der beloofde zaak en van den hclover onafhankelijke omstandigliedcn onmogelijk was, en dat in alle die gevallen de exceptio paeti het instellen eener condictio cerli hoogst moeijelijk maakte.

De behoefte aan eene andere actie moest derhalve, indien men de vele gevallen in aanmerking neemt, waarin dergelijke overdragten met bijzondere pacta voorkwamen, leeds neer vroeg zijn gevoeld. Daar het nu werkelijk een credilnm gold, lag het voor de hand eene der actiiin voor het creditum daarvoor aan te wijzen, evenwel met wijziging van dat gedeelte, wat die actie voor deze regts-betrekking ongeschikt maakte. Wij spraken boven alleen van de condictie Si cerium peleiur. Eenigzins nader kwam reeds do condictio triticaria, waarbij eene schatting der gevorderde zaak voorkwam. Doch ook hier stond de stellige en bepaalde inlentio in den weg. Indien b. v. één maat tarwe te veel was geeischt of een grondstnk niet voor zijn volle waarde verschuldigd was wegens vergoeding aan de tegenpartij, dan moest de eischer ook in het ongelijk worden gesteld wegens den aard der strenge actie. De formula ; Si parel irilici modios ccnlum vel fundum Tnsculanuin dare oportere,condemna quanti ca res est, si non parel absolve, liet uit haar aard geene vermindering of wijziging van de gedane vordering toe. Deze vrijheid werd den regter gegeven, door de formula zoo te wijzigen, dat hem werd opgelegd te veroordeelen in dalgeen, wat zou blijken, aan den eischer te moeten worden overgedragen of voor hem te worden gedaan, zooals wij door het getuigenis van Gajus weten , dat de intentio van de bijzondere condictie heeft geluid. Gajus Inst. IV, § 130; //Ea scilicet formula, quot;quaiheertum petimus, cujus intentio his verbis concepta //est: Qnicquid par et, Numerium Aegidium slulo Agerio ttdare facerc oportere/.. Zoo komt ook deze intentio bij Gajus , Inst. IV, 41, waar de drie voornaamste intentiën (juris civilis) worden genoemd, terstond na die der condictio Si cerium petetur voor. Voor de condictio cx legato

ocr page 103

cm de luccrli slïpulotio hebbrn wij het gpfuigenis van dcMzelfden jurist, dat de intcntio daarvan werkelijk zoo was lust. IT, § 21;5 en TV, § 13C. Met deze intentio had men foplus pelUio, die bij de intentio Si parel dare oporiere een groot bezwaar was, niet. te vreezen. AVaar de gedaagde met grond kon aanvoeren, dat hij ten gevolge der gemaakte afspraak en overdragt van het goed, schade zou lijden, indien hij alles teruggaf, kon de rrgter daarop in zijne veroordeeiing acht slaan: want de formula mei; het Qnicijiiid dare facere oportet, liet hem geheel vrij niet alleen inliet bepalen der som, waarin hein bleek, dat niet het oog op de zaak in concreto veroordeeld moest worden; maar zij veroorloofde zelfs, om wegens bijzondere regtstoestandeu de verpligting tot eenop te leggen. (02) Dit stemt volkomen overeen met de voorbeelden dezer condictio ob rem datorum in de Pandecten, waarin duidelijk blijkt, dat de actio werkelijk eene actio ineerta moet geweest zijn. In de eerste plaats wijzen wij op de reeds behandelde 1. 5 pr., waar eene vermindering van de geiiischte som mogelijk geacht wordt. Daarenboven zie men dezelfde wet § 2 en y, waar men In plaats van de gegevene decern seslerlium een slaaf terngbekomt of zich te vreden moet stellen met eene slipulatio, dat de slaaf terug zal gegeven worden, indien de partij hem weder in zijne mngt krijgt. Dit laatste behoort bepaald onder het facere, dat in de formula der condictiones ineerti was opgenomen, maar dat ontbreekt in de algemcene condictiën voor opvordering van res ccr-tae credilae.

De ineerta intentio bragt van zelve mede, dat op het interest van den gedaagde gelet moest worden, zonder dat de exceptio pacti noodzakelijk was; want er moest alleen veroordeeling volgen tot datgeen, wat de gedaagde zou blijken in verband met de geheele handeling cn de daarbij

(r,2} Zie noot 53 op M. 2ö.

ocr page 104

gemaakte afspraak te moeten overdr^eu, of iloen. Ook di\'t wordt ten overvloede uitdrukkelijk bevestigd door dermis aangehaalde 1. 5 pr. Ulpiaxus verklaart daarbij, dat op liet interest van hem, die het geld had ontvangen, en daarna kosten had gemaakt, om aan het daarbij gemaakte beding te voldoen, moet worden gelet, zonder dat in dit fragment cenige spraak is van eene exceptio.

Het spreekt van zelf, dat van dat beding, dat met de overdragt van het goed één geheel uitmaakt, inde formula melding moet gemaakt zijn. Dit kan niet anders hebben plaats gehad, dan in het eerste gedeelte der formula , waarin men den feitelijken grondslag voor dealgemeene regtsverplig-ting der intentio gewoon was op te nemen. Men noemde zulk een korte aanwijzing praescriptio [praescripta verba) of de-monstratio, welk laatste woord meer algemeen gebruikelijk was. Zoo noemt Gajus Inst. IV, § 39 en 40 dit gedeelte der formula bij zijne algemeene beschouwingen over de formulae alleen met dien naam, en gewoonlijk wordt ook deze aanwijzing, waar van eene bijzondere formula spraak is, in de regtsbronnen demonstratio genoemd. Alleen ééne actie maakt daarop eene uitzondering, de actio wegens overdragt van goed, om daarvoor iets te ontvangen, strekkende tot vordering van \'t geen bedongen is. In de formula dezer actie wordt de korte aanwijzing van de geheele handeling der overdragt met het gemaakte beding praescripta veria of praescriptio genoemd, terwijl de actie zelve meestal met den naam van actio pracscriptis verbis wordt aangeduid. Lehalve in deze actio komt ook nog eenmaal in de Pandecten 1. 19, § 2 de Pree. (63) de vermelding ecner condictio met praescripta verba voor. Dut overigens de praescript.o en de demonstratio verschillende namen zijn voor dezelfde zaak, blijkt uit den aard der zaak,

C62) Zie dc verklaring dezer wet en dc handhaving der gewone lezing, beneden op bl. 102, waar in de volgende bladzijden de praescriptio nog breeder is toegelicht.

ocr page 105

tmvijl wij weten, dat de praeseripta verba in de nclin praescriptis verbis op dezelfde wijze de korte aanwijzing der feiten bevatten , als b. v. de demonstratie in deJortrmla in jus concepla voor bet depositum, voorkomende bij Gajus Inst. IV, § 47. Wij hebben daaromtrent echter ook een onmiddelijk getuigenis in de belangrijke aanteekening van den Bysantijnschen scholiast op 1. 7. pr., ff. de Pactis (64), die daarbij uitdrukkelijk zegt, dat de nactio praescriptis «verbis de zaak (dat zijn de feiten) aanwijst als in eene (Jemonstratio.quot; Daarvoor bestaat daarenboven een niet minder gewigtig getuige in Gajus, die zegt, dat de actio ex slipu-latn eeue praescriptio bevatte, en dat deze praescriptio in die formula was opgenomen in de plaats der demonstratio, Inst. IV, § 136,//Item admonendi sumus, si cum ipso aga-//mus, qui incertum promiserit, ita nobis formulam esse //propositam, ut praescriptio inserta sit formulae loco demon-/\'strationis, hoc modo: Judex esto, Quod Aldus Agerius //de jS\'umerio Negidio incertum slipulatus est, modo cvjus urei dies fui/-, quicquidob earn rem Numerium Negidiv.m n Aulo Agerio dare facere oporlet et rel-quar Leggen wij deze praescriptio der actio ex stipulatu naast de demonstratio der actio depositi in § 47: //Quod Aulus Agerius //apud Numerium Negidium mensam argenteam deposuit,quot; dan is waarlijk tusschen deze korte aanwijzingen der feiten geen verschil in den vorm op te merken. (65) De naam doet weinig ter zake, doch dat de aanwijzing der feiten

(64) Basilika , XI, t. i c. 7 § l (cd. Ileimbach, I, bl. 560 boven) namp;ido)^ xrjv lyy.fQvur, TOVTfOrtv, rfjv TtQUfOx^iTCvn; fifQfitg, ó\'i\'tjyeZrai\' /.tèv ojq iv de/AOvövQUTwn zó TtQÜyfiu, iievtQ/evui\' cTi eï-; iriemóva lyxffjruv. Ik geef de onbepaalde actie, dat is, die welke in eene praescriptie, even als in eene demonstratie, den feitelijken grondslag vermeldt en daarna overgaat in eene onbepaalde intentio,

(C5) Er is ook niet de minste grond om aan te nemen, dat de aanwijzing in de praeseripta verba uitvoeriger zou geweest z\\jn, dan in do demonstratio, gelijk door sommigen is beweerd, onder andere door Van • gekcw Lei ff. Ill, § 539, Keller, Röm. Ch\'. proc, § 42.

ocr page 106

in de coudictiijii praoscriptio geiiocnid word, daarop komen wij nog later temg.

Op deze aamvij\'/.ing der feiten of/)rae,vc/ j/j/a verha sloeg de iutentio terug door de woorden oh earn rem, gelijk uit de bovenstaande formula dur actio ex stipulatu blijkt.

Wat deze feiten betreft, moet in de eerste plaats op den voorgrond staan, dat eenig gned aan een ander is overgedragen. Overdrngt van bepaalde zaken in het vermogen van een ander was de gemeenschappelijke e\'genschap der alge-mee«ie reeds in den ouden tijd ontstane eondictiün, tot opvordering van res certaecreditae. Kon men verwachten, dat men, terwijl voor de condiclio causa (lala causa non secula moest worden afgeweken van de algemeene formula, in zoover de behoefte der praktijk dat gebiedend eischte, de grenspalen der actie zoodanig zou verplaatsen,dat hel algemeen karakter van de condictio geheel en al verloren ging? Latere regtsopvat-ting moge de bewezen dienst , hel faclum, voor zooveel de waarde betreft, hebben gelijk gesteld met de overdragt van goed,aan de meer strenge opvatting der condictiën was die beschouwing met het oog op de oorspronkelijke condictiën vreemd. Men vindt dan ook geen enkel spoor in de Pandecten, dat ook de dienst of het factum, bij gebreke van vervulling van datgeen, waarom de dienst verleend was, kon teruggevorderd worden. Al de voorbeelden, die in dezen titel voorkomen, zijn alle overdragten van goed: evenmin vindt men in een der volgende titels over de andere condictiën eenig spoor, dat een Jaclum grondslag van eene dier condictiën zijn kon. In het geheele corpus Juris is mij ook geen enkele plaats bekend, waarin dat voorkomt.

Op dit punt moeb ik dus geheel verschillen van mijn geleerden vriend Mr. J. A. I\'kuijt, die in eene zeer verdienstelijke verhandeling over de ontbindende voorwaarde van art. 1303 van ons burgerlijk wetboek, voorkomende in The mis 1857 bi, 861, het gevoelen voorstaat, dat bij verdere ontwikkeling van het beginsel, zoowel de praes-

ocr page 107

tiitio als de coutra-praestatio van den ander niet uitsluitend lot een dare beperkt was, maar dat zij ook in een doen, fa-cere, bestaan kon. Eene dergelijke ontwikkeling, waarbij de formula, oorspronkelijk tot een dare bepaald, zoude zijn uitgebreid, zoodat ook een factum grondslag der condictio kou uitmaken, is met den gang der Eoraeinsohe ontwikkeling in strijd. Wel werd allengs te gemoet gekomen aan eene ruimere regtsopvatting en voorzien in gelijksoortige gevallen, die buiten de bekende formula vielen; doch dat had niet plaats door verandering der oude formula, maar door naast de oude, die onveranderd bleef bestaan, een nieuwe voor vroeger niet voorziene gevallen in het leven to roepen. Dat is de oorsprong der tallooze actiones utiles en in factum. De hoogleeraar is dan ook op dit punt reeds bestreden door Mr J. Kappe-ïne van de Coppei.i.o , in denzelfden jaargang van Themis bl. 537 en 538. Door dezen met het Romeinsche regt zoo goed vertrouwden jurist werd opgemerkt, dat het gevoelen van Mr. Fruin met den aard van het condictieregt in strijd was. De vaste beginselen der welgevestigde theorie wil Mr. Kappeyxe niet prijs geven wegens de enkele wet, door Mr. Fkx\'I.v aangehaald, als voornaamsten grond tot staving van zijn gevoelen. Hij betwijfelt, of men wel van de condictio indehiti, waarop die wet betrekking heeft, mag besluiten tot de condictio causa data causa non secnta, en of de uitspraak van Ulpianüs, voor het bijzondere in de wet behandelde geval, niet als eene uitzondering op den regel moet beschouwd worden.

Die wet, waarop de hoogleeraar zich beroept, is 1. 20 § 12 fl\'. de Cond. hul. (12.6) (66). Daarin wordt gehan-

(66) Deze belangrijke wet luidt: quot;Libertus, cmn se putaret operas •patrono dehere, solvit. Condicere eum non posse, quamvis putans te -obligatimi, solvit. Julianus libro 10 Digestoruin scripsit. Katura eiiim ■ operas patrono libertus debet. Sed etsi non operae patrouo Simt solutae, -cd, cum officium ab co desidcrarctur, cum patrouo decidit pccuniu, ct

ocr page 108

— so -

ilelJ over dj terugvordering van werk, dat door een vrijgelaten slaaf onverschuldigd is geleverd. Nadat twijfel daarover van oudere juristen is vermeld, besluit Ui.pianus, dat dit onverscluildigd geleverde werk grond oplevert voor de coudiclio indeb\'Ui. Volgens de trgenwoordige begrippen zou nu met betrekking tot deze, plaats het gevoelen van Mr. Pruin, dat ook een faclum grondslag van de con-diotio kan opleveren, voldingend bewezen zijn: en hoewel wij Mr. Kappkyne gaarne toestemmen, dat daarmede nog niet stellig bewezen was, dat hetgeen voor de condiclio indchiliaangenomen was, ook zou gelden voor de \'condiclio causa data causa non secuta, zou daaruit toch een belangrijk vermoeden voor zijne leer kunnen ontstaan.

Maar juist deze wet kan tot voorbeeld strekken, hoe gevaarlijk het zijn kan, gevoelens en uitspraken van oude schrijvers naar onze hedcndaagsche begrippen af te meten. Naar onze begrippen van den tegenwoordigen tijd kan het geleverde werk en de bewezen dienst van den vrijgelatene niet anders dan als een factum beschouwd worden; maar naar de Romeinsche opvatting waren de liberlorum operae zaken,

quot;Solvit, rcpctcrc non potest. — Sed si operas patrono exlubuit, non -officiales sed fabrjjas, veluti pietorias, vel alias, duin putat se debere, quot;videndun^^ifffpossit eondicere? Et Celsus libro 6 Digestornm putat, quot;Canvtsse causam operarum,* ut non sint eaedem, neque ejusdem homi-quot;nis, -- neque eidem exhibentur: nam plerumque robur hominis, aetas quot;temporis, opportunitasque naturalis mutat causam opcrarum. Et ideo nee /-robur quis reddere potest. Sed hae, inquit, operae recipiunt aestimati-quot;onem. Et interdum licet aliud praestemus (inquit) aüud condicimus : Ut quot;puta fundum indebitum dedi, et fructas condico; vel hominem indebitum, et quot;hunc sine fraude modico distraxisti/nempe hoc solum refundere debes, quod quot;ex pretio habes, vel meis sumtibus pretiosiorem hominem feci, nonne quot;aestimari haec debent. Sic in prpposito ait, posse condici, quanti operas quot;Cssem conducturus. Sed si delegatus sit a patrono officiales operas, apud Mar-/\'cellum libro 20 Digestornm quaeritur. Et dicit Marcellus, non teneri quot;Cum: nisi forte in artificio sint. hae enim, jubente patrono, et alii edeudae «sunt. Sed si solvent officiales delegatus, non potest condicere neque ei, quot;cui solvit, creditori; cui alterius comtemplationc solutum est, quiquo quot;Simm recipit: neque patrono, quia natura ei debentur.quot;\'

ocr page 109

die voor overdragt vatbaar waren. Dit klinkt vreemd: het is ook in zeker opzigt eene anomalie, maar eene anomalie, die uit den tweeslagtigen toestand van den libertus voortvloeide, in zoover hij als vrijgelatene regtspersoon-lijkheid had en niettemin iets van den ouden regtstoestand, waarin hij als slaaf eene zaak was, in zijne verpligting tot slavenarbeid op hem bleef kleeven. Terwijl alle andere voordee-len die men door middel vau zijn slaaf bekomen kon, buiten dat zakelijk regt vielen, maakten de operae uitsluitend den fractus (67) van den slaaf uit. Deze fructus was een zakelijk regt en derhalve in regtskundigen zin eene zaak. Dat zakelijk regt was voor overdragt vatbaar evenals alle andere zaken. Waarom zouden deze operae niet het voorwerp hebben kunnen zijn van de stipulation, waarbij de

(07) Fructus heette oudtijds het regt op de opbrengst van het goed, hetgeen wij door vruchtgenot zouden kunnen vertalen, indien men daarbij maar niet denkt aan de beperkte beteekenis van dat woord ia ons B. W. Dit regt staat naast — en wordt in tegenstelling genoemd met — den usus. Zoo was b. v. het regt van den staat op do tienden, dubbele tienden of andere opbrengsten van den ager puhlicus de fructusterwijl het regt van den gebruiker, de possessio, oudtijds usus genoemd werd , FestüS i. v. Possessio ed. Muller, bl. 233, \'/Possessio est, ut definit Gallus quot; Aelins, ususquidem agri, aut aedificü.quot; In dergelijken zin is het woord als zakelijk regt in het llomeinsche regt gebleven, hoewel het in den lateren tijd niet meer op het regt van do gebruikers der agri vectiyales werd toegepast.

De fructus van den staat werd met bepaling van een bepaald getal jaren, als zakelijk regt verkocht, zooals de naauwkeurige Festus dat aanwijst i. v. venditio, bl. 376; quot;Venditiones dicebantur olim censorum quot;locationes: quod velut fructus publicorum bonorum venibant.quot; Vandaar de uitdrukking in het Romeinsche regt of de^e of gene zaak in fructu is, dat is, of zij onder het zakelijk regt van den fructus begrepen is, 1. 28 § 1 , ff. de Usur. (20. 1) 1. 68 ff. de Usuf, (7, 1) en Cicero, dc Finibus ,1,4.

\\ an daar ook het woord ususfructus, dat volgens de juiste opmerking van Niebühr, JRöm. Gesch. II, bl. 156 dc zamenvoeging dezer beide zakelijke regten beteekent. Over het afzonderlijk bestaan dier beide zakelijke regten zie men 1. 13, § 3 ff. dc Accept. (46.4) 1. 5 § 2, ff. Usuf. quemam, (7,9) en 1. 14, § 1, de Usu (7, 8).

6

ocr page 110

eigenaar zich verbond, die (e zullen overdragen, evenals de melk en de wol zijner schapen en den wijn en het koren van zijn grond? Deze bevoegdheid nu tot overdragt der vruchten van den sianf, dat is zijn werk, was het, waarvan gebruik werd gemaakt, om de verpligting van den slaaf tot levering van werk te vestigen bij zijne vrijlating. Men verklaarde ten overstaan van den Praetor den slaaf vrij te laten onder voorwaarde, dat hij onmiddellijk na de vrijlating zich door cede verbinden zou, om zijne operae gedeeltelijk over te dragen aan zijn vorigen meester. De eed moest, om geldig te zijn, worden afgelegd na de vrijlating 1. 7, fl\'. de Op. Lib. (:38.1) //Ut jurisjurandi obligatio //contrahatur, libertum esse oportet, qui juret ctlibertatis //causa jurare.quot; Hetzelfde kon zoowel door een eed als door eene stipulatio verkregen worden , gelijk uit onderscheiden wetten van den aangehaalden titel blijkt. Bij stipulatio of bij eede verbond zich dc vrijgelatene onmiddelijk na zijne vrijlating, operas se dalurum, namelijk dat hij het nader hij de stipulatie of bij den eed insoprtof gelal dagen omschreven werk zou overdragen. Met deze bij stipulatie of bij eed opgenomen verpligting stemde natuurlijk eene vordering overeen met eene intentio, Si parei 20 dierum Arn; o/wtov;, eene intentio waarbij alleen

het lepanlde van de verschuldigde zaak ontbrak, om die lot ceno condiclio trilicaria te maken. Hoewel nu wegens de onbepaaldheid der zaak het vereischte van de condiclio de omni re cerla ontbrak, mag men toch aannemen, dat het dare in deze intentio de technische beteekonis moest hebben gehad van in eigendom overdragen, die in regts-kundigen zin, bijzonder in de formulae, aan dat woord werd gehecht, zooals wij zagen bladz. IS. Dat het woord ook hier werkelijk die beteekenis had, blijkt ook daaruit, dat voor deze actie ook het woord pelilio gebruikt wordt, men zie don titel ff. de Op. Lib. passim , bepaaldelijk 1. •Ifi en 51. Behalve in de zakelijke actiün, waarbij meu

ocr page 111

vonleH, dal du rugter eene zaak aan ons als eigenaar zal toewijzen, is de technische beteekenis van petilio, en van pelere, dat men vordert, dat eene zaak in ons eigendom zal worden overgedragen (6S). De uitdrukking operas dare oporlere in het strenge jus civile en in de formulae derhalve te vertalen door levering van werk of bewijzen van diensten is eene onnaauwkenrigheid, waardoor men aan de strenge beteekenis vati regtstermen geen regtlaat wedervaren. Men mag daar niet anders onder verstaan, dan verpligting tot onerdrar/l van den fructus, de vruchten van den slaaf, dat is, ■tien slavenarbeid, wanneer die na de vrijlating bleef bestaan. Het is eene anomalie, dat de vrije man zich verbond , om zijn werk over te dragen als slavenarbeid , die eigenlijk verviel door zijne vrijlating; maar dit was de onregelmatigheid aan den nog half gebonden toestand van den vrijgelatene verbonden. De vrijgelatene met zijne verpligting tot operae was een vrij man, maar op wien nog een deel der vorige slavernij kleefde. Houdt men dit in het oog, dan is de overigens belangrijke wet niet moeije-lijk en de redenering van Ui.pianus, in verband met de gevoelens van andere juristen, die hij weerlegt, zeer geleidelijk. In die wet wordt de vraag behandeld, of een vrijgelatene, die, meenende dat hij arbeid of diensten schuldig was, onverschuldigd arbeid verrigt of diensten bewezen heeft, de condictio iudebiti daarvoor kan instellen. Uuianus vermeldt het gevoelen van Julianus, dat hij tot de condictio niet geregtigd is, op grond, dat er eene natuurlijke verbindtenis voor den vrijgelatene bestaat tot levering van werk en diensten aan zijn patroon. Met dit gevoelen vereenigt hij zich ; evenwel met beperking tot de persoonlijke diensten ten behoeve van den patroon (operae officiales) (69), omdat voor den arbeid

(68) Men zie bladz. 21 en volg.

(09) De operae officiales behoorden tot den usus, lust. II, 5 § 3.

quot; Item is, ad quem scrviusiispcrtinct, ipse tantum operis atque ministerio

ocr page 112

van tcclmischen aard, opirae fahriles, picloriae, nXsook mimicae enz. , de natuurlijke verbinJti\'iiis van den vrijgelatene niet was aangenomen. Wat nu deze operae betreft, overweegt hij de gronden, waarop Cei,sus de condictio had geweigerd. Deze jurist had de condictio indebiti niet willen toelaten, omdat volgens hem eens geleverde arbeid voor geene teruggave vatbaar was, vermits de eene arbeid nouit precies aan den anderen gelijk was. Cursus hechtte aan het oorspronkelijk begrip der oude condictio, dat de zaak, waarvan men de overdragt eisehte, geheel en al gelijk moest zijn aan de zaak, die oorspronkelijk was overgedragen en welker overdragt den grond voor de actie opleverde (71). l)eze bedenking wordt wederlegd door Ui.pia-iois, op grond, dat het meer voorkwam, dat het voorwerp van den eisch der condictio in iets anders bestond, dan in de vroeger overgedragen zaak, b. v. in vruchten van land, in koopprijs van een verkochten slaaf, terwijl alleen het land en do slaaf vroeger waren overgedragen (73). Hij wijst er op, hoe wegens gemaakte kosten gedane uitgaven soms moeten worden begroot en in rekening gebragt, b. v. indien de vroeger overgedragen zaak ten gevolge van daaraan te koste gelegde uitgaven grooter waarde heeft bekomen; en eindelijk besluit hij, dat op diezelfde wijze de genoten vrnch-

quot;ejus uti potest; ad alium vero nullo modojus suum transferre eicon-quot;ccssum est.quot; De operae fahriles waren als courante waar en gemakke-kelijk waardeerbaar goed voor overdragt zeer vatbaar, 1. 6 ff. de Op. Lib. (38.1) quot;Fahriles operae, caeteraeque, quae quasi in pecuniae praestatione «eonBistunt; 1. 9 § 1 eod.quot; «Fabriles autem aliaeque ejus generis sunt, ut quot;a quoeunque cuicunque solvi possint.quot;

(71) Het gevoelen van CELSüSwerd ook nog gedeeld door Makciakus. Men zie 1. 25 ff., de Praes. Verb.

(72) Men zie daarover ook Paulus inl. C5, § 5, G, 7 en 8 de Cond. ind. Volgens de oude formula der oude condictiën was dit niet mogelijk. Uit de formula der eondietio ineerti, waar het interest gerigt was niet uitsluitend op de overdragt van eene bepaalde zaak, maar op liet quicquid dare fa-cere oportet der intentie, vloeide daarentegen die verandering van het oorspronkelijk voorwerp der verbindtenis van zelf voort.

ocr page 113

ton waarin de ovcrgetlragon zaak bestaat, dal is in deze het werk van den vrijgelatene, het voorwerp der condic\'ie kunnen uitmaken, omdat in plaats van het werk, dat niet weder overgedragen kan worden, de prijs van dat werk [quanli operas essem conducturus] moet worden geleverd {7o). Tn deze redenering van Ui.ptANUs is het vraagstuk of het werk van den vrijgelatene het voorwerp der condiotio imlebiti kan uitmaken, waarlijk grondig en met het oog op de ontwikkeling van het begrip bij de oude juristen uitvoerig behandeld, terwijl men aan elk duhium tegen de toelating der condictie voor de operae behoorlijk regt liet wedervaren, liij dat alles is er geen zweem van eene waarlijk tocb wel diep ingrijpende wijziging van vroegere begrippen te bespeuren, dat men met afwijking vau de oude leer thans de palen der condiclio zoo ver zou hebben verzet, dat niet alleen een onverschuldigd in eigendom overgedragen zaak, maar elke bewezen dienst, grond daartoe opleverde, zooals men volgens Mr. Euuin (73*) zou moeten aannemen.

Bij die geheele opvatting werd de fout begaan, dat men,zich de zaak voorstellende naar onze hedendaagsche begrippen, aan de woorden operas dare eene oneigenlijke beteekeuis toeschreef, wat aan de llomeinsche juristen van den classiken tijd vreemd was en in den strengen vorm van de oude formulae en stipulationes niet geoorloofd is. Had de slaaf gezworen of zich bij stipulatie verbonden, dat hij iets in eigendom zou overdragen, dan was het voorwerp der overdragt naar de llomeinsche begrippen eene zaak, en bestond zijne verpligting in de overdragt dier zaak, al moge dit met onze begrippen van den tegenwoordigen tijd niet zijn overeen (e brengen. (74) Nu moge men hierin iets vreemds zien, dat

(73) Wat in de wet verder volgt, en betrekking heeft op de onderscheiding van operae J abri les en officiales staat met ons ondenverp in geen verhaml.

(73*) ilet gevoelen van dezen wordt ook door anderen gedeeld, bij voorbeeld door Arndts, Pand. §343 Keller, Pcwt/. § 299 en volg., hoewel dezen de zaak meer ter loops behandelen.

(74) De gebmikelijke Latijnsche uitdrukking van operas dare uit het dagelijkseh leven, voor het zioh toeleggen op iets, moet meu hesehouwea

ocr page 114

werk van een vrij mar. in strijd met den gewcnen regi-1, niet als een praestatie van dienst, maar als eene zaak wordt aangemerkt; maar die afwijking van den regel was gelegen in den aard der zaak. Deze lag in den vreeimlsoortigen twecslag-tigen toestand van den vrijgelaten slaaf, die door zijne vrijlating in de regten van den vrijen man deelde en regtens als persoon optrad, maar op wien niettemin als overblijfsel der slavernij de last werd gelegd, om een deel van de oude vruchten der slavernij, dat is een deel van zijn werk, in het eigendom over te brengen van zijn patroon, die in dat opzigt nog een gedeelte van zijn oude regt op zijn vrijgelaten slaaf behield. Het vreemde verklaart zich door den tweeslngtigen toestand, dien de met operae bezwaarde vrijgelatene in de Romeinsche maatschappij innam.

Dat trouwens de bewezen dienst met beding om daarvoor de overdragt eener zaak te ontvangen, het faclnm ob causam, geene eondictie opleverde, is ook duidelijk uit den twijfel en den strijd, die nog zoolang onder de llomeinsche juristen gevoerd is over de vraag, of het factum grond kou opleveren voor de actio praescriptis veriis. Hoewel die actie in de Pandecten ook met deze uitbreiding is opgenomen, vinden wij toch daarin nog de duidelijke sporen, dat de

als cene oorspronkelijke regtsterm,die in oncigenlijken zin ook opvrijen arbeid werd overgedragen. Die overgang van tccbnisclie regtstermen in het dagelijkscli leven is niet vreemd bij een juridisch volk, zooals de liomeinen. Men denke aan de uitdrukking dumtaxat. Indien de eischer zijne uit den aard der zaak onbepaalde vordering op cene bepaalde som begrootte, b. v. op 10,000 sestertien, werd dit in de formula kort uitgedrukt dooide voorden dam taxat X mi Ui a scstertium toe te voegen aan de con-demnatio, die derhalve luidde: Judex Numerium JVegidium Aulo Arjerio duin taxat sestertium X mi li a condemn a. De toevoeging dezer taxatie had het gewigtige regtsgevolg, dat de liegter niet hooger dan 10,000 Sestertiën veroordeclen mogt. Vrij opgevat, had dus deze condemnatio de beteeke-nis, dat de Regter tot betaling zou veroordeelen van eene som, 10,000 Sestertiën niet te bovengaande. In die beteckenis is de uitdrukking dumtaxat in de dagelijksche spreektaal overgegaan, zonder dat daarbij meer aan eene werkelijke taxatie werd gedacht. Men zie over dezen regtsterm Ga jus Jnst. IV. § 51.

ocr page 115

— 87 —

strijd ten tijde van Ui.ïianus en Paui.us nog niet was beslist. Uit achteloosheid heeft men nog eene plaats van den laatsten jurist opgenomen, waar de actio praescriptis verbis bij de handeling fado ut des uitdrukkelijk wordt ontzegd 1. 5 § 3 ff. de Praes. Verb. (i9. 5) quot;Quod si faciam, ut des, //et posteaquam feci, cessas dare: nulla erit civilis actio, nel idco de dolo dabitur.// Men weet dat de actio de dolo bij bestaan van dolus, alleen werd verleend, indien er geen ander regtsmiddel bestond. De wet bevat dus de meest stellige ontkenning, dat in dit geval de actio praescrijitis verbis kon verleend worden. (75).

Nu hebben wel sinds eeuwen onderscheiden juristen beproefd, deze plaats in overeenstemmig te brengen met andere wetten, waar voor dergelijke gevallen van facio zit des A\\a actie stellig wordt toegezegd, zooals in eene plaats van Ui.ïianus, 1. 15 fl\'. de Praes. Verb, cn in het Rescript 1. ö Cod. de Transact. (2. lt;)•); maar zulke klaarblijkelijke tegenspraak is met geene redeneringen goed te maken (7ö). Voor deze strenge leer van Paui.us was nu waarlijk geene reden denkbaar, indien voor dat geval reeds de condictie was toegelaten. De actio praescriptis verbis heeft zich gevormd naar de condictie ob rem datorum, en als later ontstaan, had zij eene ruimere strekking. Het is dus begrijpelijk, dat enkele juristen kunnen geaarzeld hebben, om eene uitbreiding te geven, die met de eoiulictio, waarnaar de actie gevormd werd, in strijd was; maar niet aannemelijk, dat men eene beperking, die aan die condictie niet eigen en

(75) ScniLLiso Lchrb. f. Inst. § 325 wil uit deze plaats afleklcn, dat I\'auixs benevens de aetio prnesciiptis verbis bij uitzondering ook nog de actio doli zou hebben toegelaten. Indien men echter let op de woorden Tan het ediet: Quae dolo malo facto esse dicentar, si de lus rchus alia actio nou erit, et justa causa esse videbitur, judicium düho, dan is er voorwaar niet veel grond voor zulk eene uitzondering.

(75) Deze klaarblijkelijke tegenspraak wordt ook zonder aarzeling erkend door Savignt, Syst. J. § 45 noot \'j.

ocr page 116

met een vrijer nctieslelael in strijd was, mn de nieuwe actie zou hebben willen opdringen.

Wat derhalve van de condictio indebiti reeds te onregt uit 1. 26, § 12 h. t. werd afgeleid, kan van de condictio ob causam datorum nog veel minder gelden wegens den zamenhang met de actio praeseriptis verbis.

Daarenboven duidt de naam condictio oh rem dalorum, die in het corpus juris voorkomt, onder andere in het opschrift van den titel in den Codex daarover (t.O), aan, dat de actie strekte tot opvordering van in eigendom overgedragen goed. Dare kan toch met betrekking tot de eondictiën, gelijk wij boven zagen, geene andere beteekenis hebben, dan in eigendom overdragen.

Er moest alzoo streng eeae overdragt van goed in liet vermogen van een ander voorafgaan. Daarvan vindt men nergens, wat deze condictio betreft, eenige de minste uitzondering. En dat het bewijzen van een dienst of het verrigten van werk (door een vrij man) ook nimmer grond tot eenige andere condictio (77) kon opleveren, mag men ook daaruit veilig besluiten, dat dit nergens voorkomt. (78) Alleen merke men hierbij op, dat de bevrijding van een geboekte schuld met de overdragt van eene gelijke geldsom is gelijkgesteld volgens den algemeenen regel in 1. 115, tl\', de Keg. Jur. /\'Si quis obligatione liberatus est, potest videri cepisse.w Men zie 1. 4 en 10, fl\'. h. t. Dit geldt ook voor do andere in dit en het volgende boek der Pandecten (l i cn 13) behandelde en in het algemeen voor alle condictien.

Het tweede vereischte is, dat de overdragt van de zaak hebbe plaats gehad wegens eena toekomstige gebeurtenis ,

(77) De vraag of het factum aan de condictio tot grondslag kon liggen is, omdat zij in het algemeen op al de condictiones incertae van het 12de eu 13de boek der Pandecten betrekking heeft, terstond uitvoerig en met het oog op deze alle behandeld.

(78} Als uitzondering bespreken wij later, dat de stipulatio (niet een factum in het algemeen) grond kon opleveren voor de condictio sine causa.

ocr page 117

die derhalve de oorzaak der overdragt was. Had de over-dragt plaats om een andere reden, bv. op grond van legaat of omdat men verkeerdelijk meende, regtens tot de overdragt verbonden te zijn, dan l-on er ook wei grond voor eene condictie bestaan, doch dan was dit niet de condictio causa data causa non secuta. De oorzaak moest eene toekomstige gebeurtenis zijn, want anders viel de overdragt in den term van schenking 1. 52 tf. h. t.; tenzij zij als betaling of als grond cener andere condictie kon worden aangemerkt. Deze toekomstige gebeurtenis nu kon van zooveel verscheiden aard zijn, als er handelingen en overeenkomsten in het men-schelijk verkeer mogelijk zijn. Zij kon even goed in een Jactum als in een dare bestaan. Dat maakte omtrent het voorwerp van het bij de overdragt gemaakte beding volstrekt geen verschil. Maar er is eene andere gewigtige onderscheiding omtrent de toekomstige gebeurtenis, die het voorwerp van het beding uitmaakte, niet uit het oog te verliezen, omdat de regtsgevolgen naar gelang daarvan verschillen. Die toekomstige gebeurtenis kan bestaan in eene gebeurtenis, van den wil cn de werkzaamheid van do parfij geheel onafhankelijk, zooals b. v. de dood van hem, die het goed overdraagt, in de mortis causa donatio. Hiermede staat regtens de handeling gelijk , die de partij tegenover het genot van het overgedragen goed ten mijnen bate zou verrigten, in geval de gelicele handeling in mijn belang zou plaats hebben, zoodat de partij door degeheele verbreking van de afspraak cn dientengevolge teruggave van het overgedragen goed niet zou benadeeld worden (79). In beide deze gevallen is mijn wil voldoende, om dege-lieele afspraak te doen ophouden, evenals bij eenzijdige contracten, zooals mandatum en commodalum, ook mijn wil voldoende is, om liet contract te doen eindigen, Ik kan

(79) Dit is onder andere liet geval , als aan de overdragt is verbonden mandaat, dat in den regel in het belang van den lastgever en zonder belooning gevoerd wordt 1. 1, § 4 ff. Mand. (17.1).

ocr page 118

dus, 700(5ra het mij berouwt, de geheele overeenkomst afbreken, en het reeds overgedragen goed terugvorderen, evenals ik het uitgeleende buiteu het geval van tegenstrijdig beding elk oogenblik kau terugvragen. quot;Voorbeelden zijn, dat ik u geld heb overgedragen om eene erfenis, die onder de bezwarende voorwaarde dier uitkeering was vermaakt, te aanvaarden; om uwen slaaf Stiehus vrij te laten; of om voor mij naar Capua te gaan. Men zie 1. 5 , § 1 en 1. 7 ff. do Praes. Verb. 1. 1, § 1.1. 3, § 2 en 3, en 1. 5, pr. en § 1 en 2 fl\'. de Coad, caus. dat. Vooral de laatste wet pr. is hoogst gewigtig. Zij luidt; //Si pecuniam ideo aceoperis, ut Capuam eas, quot;deinde parato tibi ad profieiseendnm conditio temporis vel //valetudinis impedimento fuerit, quominus proflciscereris: .•/an condici possit, videndum ? Et cum per te non steterit , //potest diei condictionem cessare. Sed cum liceat poenitere //ei, qui dedit, proeul dubio repeletur id,quod datum est; //nisi forte tna intersit, nou aoeepisse te ob hanc causam //pccuniam. Nam si ita res se habeat,ut licet nondum pro-//fectus sis, ifa tarnen rem composuoris, ut neccsse habeas //prolicisei; velsumptus, qui neeessarii fuerunt ad profec-//tionem, jure fecisti, ut manifostum sit te plus forle, //quam accepisti, crogssse, condictio cessabit: sed si minus //erogatum sit, condictio locum habebit, ita tamen ut in-//demnitas tibi praestetur ejus, quod expendisti.//

In deze wet is bijzonder dit opmerkelijk, dat voor de eenzijdige verbreking der geheele afspraak als voorwaarde gesteld wordt, dat het belang der partij daar niet mede gemoeid zij. Zou de verbreking hem schade kunnen veroorzaken , omdat hij reeds kosten voor de reis had gemaakt, of omdat hij waarneming van eigen zaken met het oog op de voorgenomen reis had verzuimd, waarvoor hij naar Capua gaande nog zorgen kon, dan wordt de eenvoudige verbreking van mijne zijde niet toegelaten, omdat do handeling in haar geheel ten gevolge dier verbreking aan de partij schade zou veroorzaken. Dergelijke schade wordt altijd aangenomen.

ocr page 119

— i)J -

7,00ilra de liandcling wa? aangegaan tot wederzijJscli voordeel, dat is, in al die gevallen, waarin eene soort van ruiling, hetzij van goederen, hetzij van dienst plaats had, bv. overdragt van geld of goed aan iemand onder beding, dat hij een grafteeken zal oprigteii of dat hij een gedeelte van een te bouwen huis aan mij zal overdragen enz. Tn al die gevallen is dus eenzijdige verbreking der geheele handeling even weinig geoorloofd, als bij de wederzijd-sehe contracten, wegens denzelfden hoogeren regtsgrond, dat ik door mijne handelingen u in uw regtstoestand niet mag benadeelen (SOj.

Deze onderscheiding heeft praktisch groot gewigt. In het eerste geval stond het middel der condictio van het ei-rste oogenblik der overdragt, zoolang de toekomstige gebeurtenis, met het oog waarop zij was gedaan, open tot zoolang de gebeurtenis werkelijk had plaats gehad. Zoodra ik dus berouw kreeg over die handeling, kon ik de condictie instellen. Dit berust op denzelfden grond, waaruit ik een mandaat of een depositum en elke eenzijdige verbindtenis van mijne zijde onmiddclijk kon doen eindigen (81). Tn

(80) Velen quot;willen het jus poemtendi bij elk dare ob causam hebben toegelaten. Zoo onder anderen met de meeste Romanisten Vangerow, Lcitf., III, § 599. Keller, Pand. § 352, en Arxdts, Lehrbuch, § 235. limine leer wordt echter door geene enkele plaats van het Corpns juris gestaafd. Dat de door hem aangehaalde 11. 1, 4, 5 en 7 Cod. de Her. perm. (4.C4) voor dexe stelling geen bewijs leveren, heeft Vaxgerow zelf gevoeld. Ook bewijst de plaats der Basilika XI, 1 e. 7 niets. Aldaar wordt in het algemeen van het jus poeniterdi melding gemaakt, doch volstrekt niet gezegd, dat dit ouder alle omstandigheden terstond na de overdragt bestaat.

Vele der lateren zijn echter ook van het tegengestelde gevoelen.J Men zie de volgende noot.

(81) Erxleben (door Arndts te onregt aangehaald als zijn gevoelen toegedaan) condictiones sine, causa II bl. 221 wil, evenals Schilling Lehrh. f. Inst. § 325 de poenitentia alleen hebben toegelaten voor gevallen, die overeenkomst hebben met het mandaat en wordt daarin eenigermate althans gevolgd door Mor. Voigt Condictiones oh causam § 79, die echter ook andere gevallen vermeldt. Pc beperking van van Erxleren is kennelijk

ocr page 120

het tweede geval kon de eomlictio niet terstond worden ingesteld, omdat dit in strijd met het gemiinkte beding uwe belangen zou benadeelen. Het bij de overdragt gemaakte beding kon eene uitdrukkelijke tijdsbepaling bevatten, dut bv. binnen driejaren het grafteeken opgerigt of het gedeelte van het te bouwen huis aan mij overgedragen moest worden. De uitdrukkelijke vermelding is echter onnoodig. De tijdsbepaling kon evenzeer uit den aard der zaak voort-vloeijen en uit de bedoeling der partijen worden afgeleid. Zoolang de partij nog kan voldoen aan het gemaakte beding, is er geen grond voor eene condietie. Doch zoodra zij in gebreke blijft, kan die actie worden ingesteld.

Deze leer is in harmonie met het algemeen regtstelsel en bepaald met de leer van het pactum, dat door de Ro-meinsche juristen zoo fijn is uitgesponnen. Hoewel het Eomeinsche regt aan deze bloote overeenkomsten, zonder een vasten vorm, de regtskracht van een contract weigerde, had de bloote overeenkomst toch de kracht, om zich tegen het instellen eener actie te verdedigen. Daarbij werd ook

ook tc naauw. Bij overdragt ten einde te voldoen aan de voonvaarde eener erfstelling en bij zoovele andere gevallen , waarin de poeniteutia regtens zou plaats hebben, is schijn noch schaduw van mandaat. De grond waarom de poenitentia gevolg kan hebben , ligt ook niet in het bijzonder karakter van het mandaat, maar in de meer algemeene eigenschap, die ook bij het mandaat bestaat, dat de eenzijdige verbreking geene schade aan den regtstoestand der partij veroorzaakt.

MiiiiLENBRDCH, Doctr. Pand. 344, en Püchta, Pand. § 308, laten roorzigtiger de poenitentia toe in alle gevallen, waarin dit met den aard der handeling overeenkomt. Ook Savigxy schijnt Syst. IV, § 175 en V, Beil. 14 nquot;. 26, de poenitentia alleen voor sommige innominaat-contracten toe te laten.

Niet altijd was de behandeling van het jus poenitendi vrij van een nevelachtig duister. Daardoor zijn welligt vreemde stellingen ontstaan. Zoo vindt men in het overigens belangrijke werk van F. Mommsen, Beit, zum ObligationsrecJit I, § 32 noot 18 de zonderlinge leer, dat er eene bijzondere coudictio propter pocnitentiam bestond, die onderscheiden was van de gewone condictio causa data causa non secuta. Dat de regtsbronnen zulk eene bijzondere condietie zouden aanwijzen, bewijst hij echter niet.

ocr page 121

alleen op de bedoeling gelet; al bevatte dus het pactum de non pelendu niet uitdrukkelijk du bepaling, dat de actie niet mogt worden ingesteld, het was genoeg dat bleek, dat dit de bedoeling der partijen was geweest. In dat geval gold de overeenkomst tegen de overigens bestaande aolie in den vorm éener elt;ceptie.

Bij de condictio causa data causa non secuta hebben wij dezelfde regtsgronden. Eene exceptie was echter niet noo-dig, omdat de regter door de formula zelve er op gewezen werd, om op het bij de overdragt gemaakte beding te letten. Die aanwijzing moet in de formula opgenomen zijn geweest, omdat er anders niets was, wat de verschillende condictiën met eene intentio incerta van elkander onderscheidde. De intentio toch was voor alle gelijkluidend ; Quicquid dare facere oportet (S3) , hetgeen het kenmerkend karakter van alle condictiones incerti uitmaakte. Zulk eene korte aanwijzing in het gedeelte der formula, dat aan de intentio voorafging, was in het Komeinschc formulier-proces gebruikelijk. Terwijl de formula van alle in jus conceptae actiones in personam ex bona tide dezelfde intentie hadden ; //Quicquid paret ob earn rem //dare facere oportere ex bona fide// en de condemnatio ook voor alle deze actiën gelijkluidend was , werd het verschil der formulae voor koop, huur, ter leengeving en inbe-waargeving alleen aangeduid in eene korte omschrijving in het eerste gedeelte {83J dor formula, dat in deze actiën demon-siratio genoemd werd.

Dergelijke aanwijzing kwam , gelijk wij boven bladz. 59 reeds hebben gezien, in de formula der algemeene con-dictie niet als een noodzakelijk vereisebte voor.

Er bestaat echter niet de minste grond, waarom het niet geoorloofd zou geweest zijn,zulk eene praescriptio aan de formula toe te voegen, gelijk dat gebruikelijk was ten verzoeke des eischers. Gajus, Inst. IV, § 130 en volgende. Dat het werkelijk

(82) Zie bladz. 74.

(SS) Zie boren blz. 76.

ocr page 122

plaatshad, scliijnt duidelijk te blijken uit Gajus Insl. IV, § 55; //Item palam est, si quis aliud pro alio intenderit, »nihil eum periclitavi, eumque ex intcgro agere posse, //quia cum re etiam antiqua actio remanet, veluli si is,qui ho-//minem Stichum peters dcberet, Erotem petierit, aut si quis //ex tcstamento dari sibi oportere intenderit, cui ex stipu-//latu debebatur.//. Ook bij de vindicatio was zulk eene aanwijzing niet een noodzakelijk gedeelte der formula. Werd die aanwijzing echter weggelaten, dan was daaraan het gevaar verbonden, dat b. v. bij de vindicalio, niet alleen over een bepaalden grond van eigendom, waarop de cischer bijzonder het oog had, uitspraak werd gedaan, maar dat bij ontzegging van den eisch als res judicata tegenover de partij vaststond, dat de eischer geen eigenaar was. Had men daarentegen zijn eisch beperkt tot het geval, dat men vroeger krachtens stipulatie [of koop of erfrcgt] bezitter of eigenaar geworden was, dan bevatte het jadicatum niet anders, dan dat de eischer b. v. volgens zijn beweerde stipulatie den eigendom niet had verkregen en kon hij wegens koop, erfregt of verjaring op nieuw eene andere vindicatie instellen (81). Men zie daarover inzonderheid Paci.üs in 1. 14 if. de exc. rei jud. (-112), waar men in § \'2 leest: /\'At cum in rem ago non expressa causa, ex qua rem meam esse dico: omnes causae una apprehonduntur// (85).

Met deze wet is de plaats van Ui.pianhs in 1. 11 van dien zelfden titel volstrekt niet in strijd. (86). Wel is

(84) quot;Waarschijnlijk -werd in dc formula, in plaats der exceptie (pro rco) nisi dc cadem rc cgit opgenomen de praescriptio (pro actore) si de eadem re alio modo eg it Cic. de Fin. V, 29 «ut in aclionibus praescribi Belet, de eadem re egit alio modo,quot; en ad fan. XIII, 27. «Licet saepius quot;tibi Imjus generis litteras mittain, .... tarnen non parcam operae, et ut -/vos soietis in formulis, sic ego inepistolis: dc cadem re alio modo.quot;

Men zie over deze plaatsen Sav. Syst. Vl.Beil. 17 ook Mr. J. E. Goudsmit in de Nieuwe Bijdragen, Deel II bl. 179, ter wederlegging van Mr. M, pes Amoiub van der Hoeven.

(85) Men leze vooral de wet in haar geheel.

(8G) Zie inzonderheid Savigny, Syst. VI. Beil 17, bl. 514 — 535 Keller, Litis contestatio, §35, Vangerow Leilf. I. §173, wier gevoelen ook wordt gevolgd door Iiiluunc. Jahrb. t. Cekber, u. Iiierung II. bl. 160.

ocr page 123

het, omler anderen door PucnTA (87), betwijfeld, of het voor de vernieuwde instelling eener vindicatio niet een vereischte was, dat de oorzaak, waarom men devindicatio op nieuw instelde, was ontstaan na de instelling der vroegere vindicatie, dat het eene mwu «oü» was. Volgens hem staat de exceplio rei ju\'Ucalae altijd in den weg, omdat het hetzelfde eigendom, hetzelfde zakelijk regt is, dat men vordert, al vraagt men dat op een anderen regtsgrond, en kan men zelfs wegens een later ontstanen regtsgrond, causa nova, niet weder de vindicatio instellen, dan door eene in integrum restitutio. Dit zou volgens hem door Ulpiaïius in 1.11 zijnaangeduid, terwijl de plaats van Paui.us in 1.14 § 3 zou doelen, niet op eene gewoonte, om ook wel de eausa pelitionis in de formula dezer vindicatio op te nemen, maar op het kenmerkend karakter dier formula, dat de causa daarin nooit voortkwam. De woorden Al cum in rem ago non erpressa cansa verklaart hij derhalve als te beteekenen: Indien ih eene zakelijke actie instel, waarbij de regtsgrond nimtner wordt uil-gedrukl, in strijd met de gewone opvatting, volgens welke men deze zinsnede teruggeeft door de woorden: Indien ik de zakelijke actie instel zonder daarbij den regtsgrond te vermelden. Hoewel ik niet ontken, dat deze wet volgens gram-matikale verklaring ook in den zin van Püchta zou kunnen worden uitgelegd, terwijl de plaats van TJi.pianüs, die de zaak opzettelijk behandelt, stellig op eene causa nova betrekking heeft, heb ik echter vooral op interne gronden togen zijn gevoelen bezwaar (SS). Waarom zou eene be-

(87) TJeber die expressa causa in het quot;Ehein. Mus.,quot; II. bl. 251 en UI bl. 4G7, waarbij men vergelijke zijne Instituten II, § 175 en 167.

{S8) In strijd met tie verklaring van Pcciita wordt de gewone opvatting ook bevestigd door de vertaling van 1. 14 § 2 in de BasiUha 51. 20. 12 , sJkkpoqo. tuv TCQodoy.rty.iov xai rijq fxtfWorajy? ra ïcJW èyoyyijq idvu xal avvT]. or* iav ix TToAAtSv dinuv /geoWvijq /tot TT^ay/ta, xorÓtv-ix /uciq, oix ava.qü ra? 6 tfè iïid rf/q ra VcTta ixdtxovcftjq

aymyijq ixiïbxiav xal ny ttjv aïriav ixtpowóiv, i}; ijq dvrov fOnvró

rtnayfcu, Ttdouq zdq (iZviuq 7teQiku/.ofidv(igt;. Een onderscheid der persoon-

ocr page 124

perking van den eisch volgens het verlangen van deneisclier niet worden toegelaten ? Ean verbod daartegen is niet bekend en mét den aard van het Romeinsclie regt is dat geenszins in strijd. Integendeel dergelijke restrictiën waren in het llomeinsche regt zeer gebruikelijk. Gajus heeft daarover in het 4de boek zijner Instituten opzettelijk gehandeld, waar hij in § 130 aanvangt met de woorden: quot;Videamus etiam de prae-/»scriptionibus, quae receptae suut pro actore.» Deze prae-scriptiones ontleenden haren naam aan de plaats, die zij in de formula innamen § 132; //Praescriptiones autcm appellatas //esse ab eo, quod ante formulas praescribuntur, plus quam //manifestum est.quot;

Dat ook bij de algemeene condictiën eene beperking tot eéne bepaalde oorzaak mogelijk was, is om dezelfde reden meer dan waarschijnlijk. Hier vooral moet de behoefte daaraan veel grooter zijn geweest, dan bij de vindieatio; omdat het uit den aard der zaak in het gewone verkeer dikwijls moet zijn voorgekomen, dat eene condictio certi wegens stipulatie of mutuura werd ingesteld, terwijl ook een andere schuld van eene bepaalde geldsom krachtens eene andere oorzaak bleef bestaan. Men moet dus reeds vroeg er op bedacht zijn geweest, om bij het instellen der algemeene condictie de vernietiging te voorkomen van alle dehi-ium civile, zoods plaats had, indien daarvoor geene reserve gemaakt was. Zoo kon in de zaak van Eoscius, waarin Ciceeü pleitte, do vordering van 700,000 sestertiën op geene wijze later worden ingesteld, omdat de algemeen ingestelde condictio alle mogelijke contracten, als oorzaak daarvan, bevatte; gelijk door Cicero, als advokaat van den gedaagde, dan ook de ver-

lijke actiën en van de zakelijke actie is ook dit: dal ik, indien gij op onderscheiden rerjtsyrondcn iets aan mij verschuldigd zijt, eene actie op een dier gronden instellende, de overige regtsgronden daardoor niet ophef, maar dat hij die zijn goed met eene zakelijke actie opvordert, en den regis-grond waarom de gevorderde zaak hem toebehoort, niet uitdrukkelijk vermeldt, al de regtsgronden in zijn eisch omvat.

ocr page 125

schillende contracten, overdragt van het geld (bij mu-tuum of met eenig ander beding), schrift (expensilatio)en slipulatio, worden behandeld. Men zie boven bladz. 60 De tegenpartij van Ilosctus kon dus, al had hij aanvankelijk het oog gehad op eene bepaalde verbindtenis krachtens stipulatio, later nooit weder eene dergelijke vordering eener schuld van 700,000 sestertiën (tenzij die later mogt ontstaan) tegen Roscius instellen, al bleek ook zonneklaar, dat hem die som krachtens een vroeger aangegaan mutuum verschuldigd was. Tegen zulk een regtsgevolg moest voorziening mogelijk zijn. Hoe zou men dit anders hebben gevonden, dan door de gebruikelijke prae-scriptio. Alles was voorgekomen, indien men b. v. zich op stipulatie alleen wilde beroepen, door eenvoudig in de formula de volgende woorden op te nemen; //Ea res agatur, \'/quod scptingenta Sestertium darc Eoscius stipulatioue //promisit.f

Uit den aard der zaak moeten dergelijke praescriptiëa voor de algemeene condictiën gebruikelijk zijn geweest en ^ 135 alsook de daaraan voorafgaande, slechts gedeeltelijk bewaard gebleven, paragraaf van het 4de boek der Inst, van Gajus schijnen bepaald op dergelijke praescriptiën voor de algemeene condictiën te wijzen. De jurist schijnt aldaar, betreJlende condictiën in het algemeen, te hebben gehandeld over de vermelding van den persoon, die in de stipulatie de belofte ontvangen had, b. v. de slaaf voor zijn heer en de lasthebber voor zijn laslgever. Uit de behouden gebleven woorden blijkt genoeg, dat die aanwijzing door eene praescriptio plaats had, en dat dit althans ook op de algemeene condictiën (waarvan het kenmerk lag in de uitsluitende verpligting tot overdragt van eigendom) betrekking had, blijkt uit zijne woorden cui dari oporlet, die alleen op de formula van de con-dictio certi en de tritiearia van toepassing kunnen zijn (89).

(89) Men zie over deze paragraaf Husciikx in het Zeits.f. Gez. Rechtsw. XIII. bl. 326, die teregt aanmerkt, dat de praescriptio, waarop hier

ocr page 126

— gs —

Waar nu de vermelding van een bepaald persoDn, die in de stipulatie voor mij gestipuleerd had, in de formula door eene praesoriptio werd opgenomen; daar moet de vermelding der stipulatie als grond vnor de condictie door eene prae-seriptie mogelijk zijn geweest.

Was dit reeds gebruikelijk voor de algemeene condictiën, dan kan het ons niet bevreemden, dat in speciale condictiën, die alleen voor een bijzonder geval golden, dat bijzondere geval of die bijzondere regtsoorzaak op dezelfde wijze in de formula vermeld werd. Dat was ook noodwendig, want de regter moest beoordeelen, of dat bijzondere geval, die bijzondere regtsoorzaak, regt gaf op de bijzondere condictio, aan welker formula hij gebonden was. Voor de actio ex stipulatu hebben wij daaromtrent de stellige uitspraak van Gajus. De stipulatie, waarop deze actie steunde, werd vermeld in de praescriptio. Gajus geeft drie zulke praescrip-ticn voor verschillende gevallen. Het bijzondere dier drie gevallen weglatende, houden wij als algemeene praescriptie voor alle gewone gevallen over de woorden: //Quod Aulus //Agerius de Lucio Titio incertum stipulatus est,\'/ die wij dus als de vaste praescriptio voor de actio ex stipulatu kunnen beschouwen.

Het is naauwelijks denkbaar, dat de aanwijzing van den feitelijken grondslag, die voor de verschillende condictio-nes incerti gevorderd werd, voor die onderscheiden speciale condictiën op eene andere wijze plaats had, dan voor de actio ex stipulatu.

Dat overigens de onderscheidene speciale condictiën, die ons onder den naam van condictiones ex legato, ex lege, causa

gedoeld wordt, ongeveer moet geluid hebben; Eamp; res ar/atur, quod Sli-chus Auli Ayerü servus de Numerio Negidio stipulatus est, en dat zij onder andere ook de strekking had, om te voorkomen, dat ook hetgeen de eiseher voor zich zelf persoonlijk kon bedongen hebben onder de in-teutio begrepen en in de litiscontestatie geabsorbeerd werd.

ocr page 127

data causa nonsecutu, indebiti enz, bekend zijn, werkelijk verschillende en afzonderlijke actiën waren , komt mij, niettegenstaande de juist omtrent de leer der condictiën zoo verdienstelijke Savigny van een ander gevoelen is, ontwijfelbaar voor. Volgens hem zou er eene condictio incerti hebben bestaan, waarvan de bovengemelde met name genoemde condictiën de verschillende vormen waren of de aanwendingen der eene algeineene condictie op onderscheiden bijzondere gevallen.

Volgens die opvatting zouden de verschillende bovengenoemde condictiën derhalve eigenlijk de onderscheiden af-deelingen zijn, zooals die theoretisch werden onderscheiden, doch in werkelijkheid tot ééne enkele Eomeinsche actie en formula behoorden. Door deze veronderstelling wordt, mijns inziens, gezondigd tegen de ons bekende methode en den gang van ontwikkeling van het Romeinsche regt. Men verlieze niet uit het oog, dat de verschillende actiën, zooals zij in de formulae waren uitgedrukt, het uitgangspunt waren, waaraan zich de theorie der juristen vasthechtte en waaruit hun juridisch stelsel ontstond. Het edict van den Praetor was het middelpunt, waarom zich de wetenschap bewoog der Ilomeinsche juristen, die een volledig regtstelsel bouwden, maar niet anders dan in den vorm eener breedvoerige actieleer.

Hunne belangrijkste geschriften waren commentaren op het edict, waarin zij dat Praetoriaansche actiënstelsel op den voet volgden. Waarschijnlijk waren het deze schriften, welker volgorde weder gevolgd werd door de compilatores der pandecten. Gelijk nu de theoretiscKe behandeling der juristen zich had gevormd als commentaar op de onderscheiden actiën eu dientengevolge de onderscheiden actiën de indecling dier geschriften moesten besturen, zoo moest ook weder de hoofdindeeling naar de verschillende actiën de indeeling van de pandecten regelen. Wij zien dit in de titels der pandecten, die voor een groot deel elk afzonder-

ocr page 128

lijk een der omlevscheidon in het edict vermelde actiën tot onderwerp hebben. Zoo vinden wij in het tweede gedeelte der pandecten (boek 5—11) de onderscheiden zakelijke actiën, die de indeeling der titels beheerschen.

Op dezelfde wijze volgen in het derde gedeelte de meeste der personele actiën, eerst de actiones stricti juris en daarna de actioncs bonae fidei, waar even als bij de zakelijke actiën de indeeling der pandecten aan de verschillende actiën van het edict schijnt te beantwoorden (90). Indien dit voor al de indeelingen doorgaat, waarom zon dan eene uitzondering voor de condictio incerti alleen gemaakt zijn en deze niet in haar geheel zijn behandeld, zooals een commentaar op de algemeene condictio, indien zij werkelijk bestaan had, die ééne algemeene condictie had moeten behandelen. Daarbij komt, dat zulk eene indeeling, als de pandecten ons in de titels over de verschillende condictiones incerti opleveren, nimmer door de Komeinsche juristen kon gemaakt zijn, omdat zij, als één geheel genomen, de grofste fouten in de wijze der indeeling zou bevatten. Wel is de tijd voorbij, waarin men aan de oude Romeinsche juristen bijkans onfeilbaarheid toeschreef; maar mannen als Papiniantjs, Ui.piasus cn Paui.üs waren toch waarlijk logiich genoeg gevormd, om zulke grove fouten in indeeling niet te kunnen voorbijzien, dat b. v. de condictio indebiti de condictio ob turpem vel injustam causam omvat volgens den gewonen

(90) Bepaald in het 12(le boek is dat streng in het oog gehouden. In den eersten titel is gehandeld over do condictio si cerium petetur en nan die behandeling sluit zich het ondenverp van den tweeden en derden titel aan, die handelen over proces-vorracn, in den oorsprong aan deze condictio bijzonder eigen. Men zie Rudorff li. Rechtgesch. II, G/.

Do overige titels bevatten alle tot onderwerp, eene bijzondere condictio, even als dequot;vier eerste titels van het 13de boek, waaronder ook de tri-ticaria, die door Savigxt als afzonderlijke condictie vermeld wordt.

Daarna volgen de verschillende actiones bonae fidei, in welker behandeling ook weder elke actie het ondenveif van een afzonderlijken titel uitmaakt.

ocr page 129

Rmncinscheii regstregel, dat de onzedelijke bedingen worden gelijk gesteld met onmogelijke en, evenals deze, als niet bestaande worden aangemerkt •, dat de condictio ob turpem vel injustam causam in de condictio indebiti zou zijn be-begrepen, terwijl eindelijk de condictio sine causa, zoowel de eerste als de laatste, alsmede de condictio causa data causa non seeuta (91), in zich zou besluiten. Zulk eene indeeling in de theorie der juristen betreffende eene algemeene condictio aan te nemen, is werkelijk onmogelijk; terwijl die indeeling in de pandecten verklaarbaar wordt, indien men aanneemt, dat verschillende op onderscheiden tijden ontstane actiën, die met elkander concurreren konden, daaraan tot grondslag liggen.

Een afdoend bewijs is echter, dat in enkele fragmenten door de ilomeinsche juristen de vraag behandeld is, of één der bepaalde speciale condictiën of eene andere voor een bijzonder geval kan worden gegeven. Zoo besluit Papintanus, dat in de door hem in 1. 5 h. t. behandelde gevallen de con-diclio oh turpem causam niet kan worden ingesteld, maar wel de condictio sine causa (92).

Bij onze veronderstelling, gelijk wij die boven reeds hebben toegelicht en gestaafd, dat voor de speciale condictiën de aanwijzing van den feitelijken grondslag in eene prae-scriptio werd opgenomen, wekke het geene bevreemding, dat van de praescriptio in de betrekkelijke titels der pandecten geene melding gemaakt wordt. Uit de pandecten is do vermelding der formulae met reden en voorbedachlelijk verdwenen, omdat zij tijdens het bijeenbrengen van het corpus juris niet meer in gebruik waren. Wel vindt men nog op menige plaats melding van de intentio, maar dit was niet te vermijden, omdat deze in de redeneringen der juristen zoo

(91) 1. 4 ff. de concl. sine causa: refcrt, utrumne ab initio sine causa quid datum sit, an causa, propter quain datum sit, secutanou sit.quot;

(92) Ook 1. 1, pr. cn I. 4 schijnen duidelijk op concursus van de twee ouderscheiden condictiën betrekking te hebben.

ocr page 130

was ingeweven, dat de afscheiding niet mogelijk was. Van de deraonstratio of daarmede overeenkomstige praescriptio is weinig spoor. Van de formula in haar geheel hadden wij nooit een begrip kunnen krijgen, ware niet eindelijk in Gajus een bron ontdekt, waaruit zij in haar volle licht te voorschijn trad. Door dat licht is het thans mogelijk , nog enkele achtergebleven sporen in de pandecten op te delven.

Zoo vinden wij werkelijk eene aanwijzing van de praescriptio van een der in het 3de boek behandelde speciale condiotiën in een geheel anderen titel, namelijk 1. 19 § 2: //Cum /\'quid precario rogatum est, non solum interdicto uti pos-\'■sumus, sed et incerti condictione, id est praescriptis verbis.\'/ Op welke condictie hier kon gedoeld zijn, schijnt niet twijfelachtig. Het kan niet anders zijn, dan de condiclio furiiva, die ontstaat onmiddelijk bij de cont reet alio fraurhi-losa van het ter bedeafgegeven goed. De algeraeene condictiën zijn overigens uitgesloten, omdat de eigenaar, niettegenstaande zijn afgeven ter bode, eigenaar blijft, hetgeen alle denkbeeld van condictiën uitsluit. Dit is van geene toepassing op de condictio furliua, waardoor men ook het bezit van zijn eigen goed terug kon vorderen, zooals wij hebben gezien (93).

Deze plaats levert een afdoend bewijs tegen het stelsel van Savigny, datalle speciale condiotiën niet afzonderlijke actiën, maar onderscheiden vormen der ééne algemeene condictio incerti zouden zijn. Daarom wilde deze juist dit fragment dan ook als corrupt hebben beschouwd , Syst. V. § 217 noot. o. In plaats van incerti condictione wil hij lezen incerti actione, zoodat in verband met de daarop volgende woorden id est praescriptis verlis, de gewone actie van dien naam werd aangeduid. Omtrent die emendatie merken wij op, dat zij op zich zelve werkelijk niets heeft

(93) Zie bladz. 31 en betreflende de toepasselijkheid vau de condictio fuitivft voor onroerende goederen, noot 33 aldaar.

ocr page 131

wat liaar aanbeveelt. Terwijl de handschriften volstrekt geene aanleiding geven om corruptie dezer plaats aannemelijk te maken, is het eene zeer roekelooze greep, omdat de plaats zelve volgens de gewone lezing geene de minste moeijelijk-heid oplevert. Dat toch hij, die eene zaak ter bede heeft afgestaan, de possessio daarvan weder kan terugvorderen door de condiciio furliva, zoodra de bezitter ter bede zich de toevertrouwde zaak arglistig heeft toegeëigend (fraudu-lose contrectaverit), is aan geen twijfel onderhevig. Dat nu in de formula dezer condietio furtiva eene korte aanwijzing der feiten voorkwam, hebben wij aangetoond. Doch ook aan Savigny had dat niet vreemd kunnen voorkomen, indien hij er op bedacht geweest ware, dat de formula der actio ex stipulate, die hij zelf tot de condictiën rekende, zulk eene praescriptio had. Waarom zou de condictio furtiva niet even goed eene praescriptie hebben, als de actio ex stipulatu, terwijl beide het karakter van condictio incerti te zijn gemeen hebben ? De emendatie van Savigny strekt dan ook niet, om eene plaats, die de sporen van corruptie in zich draagt, te verbeteren, maar om de plaats in harmonie te brengen met zijn stelsel.

Dezelfde grond bestond voor Puchta, die het stelsel van Savigny volgende, ook eene condictio praescriptis verbis voor eene onmogelijkheid hield. Hij zag echter de zwakheid en het onhoudbare der emendatie van Savigny, terwijl hij wel begreep, dat er hier volgens den inhoud van het fragment van eene incerti condictio spraak moest zijn. Daarom beproeft hij de moeijelijkheid weg te nemen door eene andere emendatie. Volgens hem Inst. II. § 163 Nootiii, zijn de woorden incerti condictione juist; maar daarentegen verklaart hij de woorden id est praescriptis verbis, die Savigny behouden wil, voor onecht. Julianus zou werkelijk geschreven hebben; //Cum quid precario rogatum est,non solum «interdicto uti possumus, sed et incerti condictione.// De woorden id est praescriptis verbis zouden door de compila-

ocr page 132

— 101 —

(ores aan de plaats zijn toegevoegd, daar zij het oog hadden op 1. 2 § 2 h. t., een fragment van Ulpianus, waar op den concursus van het interdict met de actio praescriptis verbis wordt gewezen: \'/Itaque cmn quid preoario rogatum quot;est, non solum hoc interdicto uti possumns: Sed etiarn //praescriptis verbis actione, quae ex bona fide oritur.// (94) Deze vergelijking der beide plaatsen is scherpzinnig; mnar de juistheid der bewering kan men niet toegeven. Die compilatoren mogen de schuld hebben, dat een gedeelte van de oorspronkelijke kern van de schriften der oude juristen voor ons verloren is gegaan; het moge hun op enkele plaatsen ontsnapt zijn, dat in de fragmenten die zij opnamen, regts-gronden voorkwamen in strijd met het stelsel, dat zij hadden aangenomen; maar men moet toch niet te laag op hen neerzien. Zij waren de meest uitstekende juristen van hun tijd: voor hen lagen al de bronnen van het llomeinsche regt nog open; en zouden zij dan het onderscheid tussclien de condiciio en de gewone actio praescriptis verlis hebben voorbijgezien? Zouden zij, indien bij de incerti condictio werkelijk geen spraak kon zijn van eene praescriptio en de praescripta verba alleen konden voorkomen bij de daarnaar genoemde actie, het kenmerkend deel dier actie hebben overgedragen op eene andere, waarbij dit niet te pas kwam ? Zooveel nalatigheid en zooveel onkunde zal men bezwaarlijk bij hen kunnen onderstellen.

De emendatie van Puohta heeft dus naar mij voorkomt, geen anderen grond, dan die van Savicn\\, namelijk dat men de wet, die met zijn stelsel in strijd is, en in welker verklaring men derhalve schipbreuk lijdt, voor corrupt verklaart.

Geen dezer emendatiën vindt steun bij de codices. Hoewel volgens Saviony de Bononiensis en nog enkele andere codices in plaats van condictione het woord actione bevatten,

(94) Dit is de gewone actio praescriptis verbis, waarover wordt gehandeld in den 5den titel van het 19de boek der Pandecten.

ocr page 133

wcmlt de lezing der vnhjala ton deze geslaafd door de FIo-rentina.

En de overeenstemmende lezing dezer beide codices wordt nog bevestigd Aoox Av Ualoanflrina, die alleen daarin van de vulgala verschilt, dat zij de woordjes id est niet bevat en men alzoo leest incerli conrHciW7ie praes riplis verlis. Hoewel dus eene\'geringe afwijking bestaat, is echter de zin dezelfde. Wat bewijst eene enkele afwijking bij zulk eene groote overeenstemming der moest vertrouwde handschriften? Puchta heeft het gevoeld, dat de handschriften tegen de emendatie waren; maar zijn hulpmiddel is niet beter. Zoowel bij hem, als bij Savign\'y, moet het stelsel tegen de plaats bewijzen. Onzes inziens bewijst integendeel de plaats tegen hun stelsel.

Hetgeen op andere gronden reeds aannemelijk was, dat namelijk al de verschillende met onderscheiden namen genoemde condictiën werkelijk verschillende actiën waren met eene voor allen gelijke intentie, doch met eene verschillende praescriptio, wordt derhalve voor de condictio furtiva door deze wet bewezen, gelijk dat uit Gajus, Insl. IV,§ 13t, bekend was betroffondo de actio ex stipulatu.

Men houde daarbij in het oog, dat er voor het bestaan oener algomoene condictio inccrti, zooals door Savigny en op zijn voetspoor door de latere Romanisten bijna algemeen (95) wordt beweerd, niet hot minste bewijs bestaat. De verschillende titels, die over do condiotioncs incerti handelen,hebben altijd betrokking op eene bijzondere binnen zekere grenzen naauwkeurig bepaalde actie. — Nergens is melding gemaakt van eene algerncene condictio incerti, zooals de alge-meone condictiones certae vermeld en in twee, of mot inbegrip der ook daartoe bohoorende actio arbitraria , in drie af-

(95) Men zie de bekende 14de bijlage, in het 5de deel van het Sys-teem, passim, en wijders Puchta, Inst., III, § 272 en Keller, Civ. j)roc. § 40. Vele der lateien laten zich niet opzette\'ijk over deze vraag uit, doch vermelden de onderscheidene speciale condictiën , ieder op zich. zelf, zonder nadere toelichting.

ocr page 134

— 100 —

zmiderlijke titels behandeld zijn (96). Wel waagde Sa-vigsï het trouwens door niets geregivaardigde vermoeden, dat door de lex Aebutia, als uitbreiding der condictiones cer-tae, eene algemeene condictio inccrta zou zijn in het leven geroepen; maar van zulk eene gewigtige uitbreiding en vim zulk eene algemeene condictie vinden wij niets in Gajus, die overigens op het gebied der condictiën, vrij volledig tot ons gekomen is. Wel maakt hij melding van de formulae van enkele speciale condictiën, onder anderen van die ex legato, Inst. II, 211., en van de actio ex stipulatu, IV, § 136.

Brengt men nu hierbij nog hot waarlijk toch niet te verwerpen getuigenis der Bisantijnsche scholiasten, die in hunne aanteekeningen op de plaatsen over condictiën bijkans op elke bladzijde de speciale condictiën, als op zich zelf staande actiën vermelden (97), dan gelooven wij, dat men in trouwe geen grond meer heeft, om te twijfelen, of al de in de pandecten vermelde speciale condictiën zijn ook werkelijk afzonderlijke actiën en niet de verschillende vormen van eene algemeene actie.

Eene algemeene condictio incerti, waarvan men even weinig het bestaan als den oorsprong kan bewijzen, is dus niet aan tc nemen. Wel wordt in de pandecten meermalen melding gemaakt van eene condictio incerti zonder nadere aanwijzing, welke condictio daarmede bedoeld wordt. Dit

(06) Men zie boven bl. 60—65.

(97) Men zie onder anderen Bas. XXIV, 8. C. 7: orro?

(o Y.ovdiy.Twioi) tovsö\' xovdwrixiovs, r\'ov re ofl xovoTTfn inoioxa/* ttavanfi y.al róv tpox-Qxtfiov\' öamp;ev xuc tra xovtwv y.ivüv xaAag ave* fivrov xbv xQixmaqiov ógC^fxat xor^f/.Tixtov. Deze condictie bevat de vier genoemde speciale condictiën en die ob turpem vel ivjust am causam , alsmede de furtiva in zich; zoodat men in plaats van een dezer condictiën ook de condictio triticaria kan instellen.

Terwijl hier spraak is, dat de triticaria (voor zoover het voorwerp der condictio eene bepaalde zaak is) concurreert met de bijzonder aangewezen speciale condictie, is het afzonderlijk bestaan dier speciale condictiën toch wel ondersteld. Men zie ook de belangrijke scholie van Stepiunus. Bas., XXIII, 1.4, q. 4.

ocr page 135

is onder andere het go vul in !. !t fl\'. de Cond. sine causa (12.7), 1. 1 pr. fi\'. ut in i)oss. leg. (36.-1), 1. 12 flquot;. deNov.

(46.2), 1. 5 II\'. de Act. Emt. (19.1), 1. 46 pr. dejure dot.

(23.3), 1. 16 § 2 fi\'. de Min. (4.4), 1. 5, § 1 ff. deUsufr. ear. rer. (7.5), I. 22 en 40 § 1, if. de Cond. ind. (12.6) en 1. 35 il\'. de Serv. Praed. urb. (8.2). In al deze wetten wordt echter gedoeld op eene bepaalde der speciale con-dictiën, in de zes eerste dezer wetten op de condictio sine causa, in de vijf laatste op de condictio indebiti. Hoewel nu de llomeinsche juristen de actie, die men kan instellen, gewoonlijk naauwkeurig met name aanwijzen, is het niet onverklaarbaar, dat zij, sprekende over eene der verschillende condictiën, alleen dat aanduiden, wat in al de speciale condictiën het meest onderscheidende en tevens aan alle gemeene kenmerk dier actiën was, waardoor zij alle evenzeer van de algemeene condictiën verschilden. Gelijk deze laatste altijd dienden tot vervolging van res certae, zoo was bij de speciale condictie de intentio gerigt op een incertum.

Op de intentio werd bijzonder en sinds het in onbruik geraken der formulae bijna uitsluitend gelet. In de pandecten vinden wij gewoonlijk alleen dit gedeelte der formula aangehaald. Dat gedeelte nu der formula was, gelijk wij reeds opmerkten, voor al de condictiones incerti, hetzelfde, Quicquid dare Jacere oportel. Daarop doelende, was het genoeg te wijzen op de toelaatbaarheid eener condictio incerti in het algemeen, zonder verdere aanwijzing welke condictie dat was.

Na het voorafgaande is het niet moeijelijk, de vereisch-ten voor de condictio causa data causa non secuta zamen-vattende, de formula daarvan vast te stellen. De vereisch-ten zijn, dat eenig goed, bepaald of onbepaald, door ons zij overgedragen, met het oog op eene toekomstige gebeurtenis, waarom de overdragt door ons gedaan wordt, en dat deze gebeurtenis niet heeft plaats gehad. Van be-

ocr page 136

— los —

lang is het daarbij, of de toekomstige gebeurtenis van u afhangt en de geheele handeling ook in uw belang heeft plaats gehad, en of zij van mij alleen afhangt en de geheele handeling alleen in mijn belang heeft plaats gehad, zoodat door mijne eenzijdige verbreking uwe belangen niet gekrenkt worden. Voor beide kategoriën zullen wij een voorbeeld stellen. Hierbij merke men op, dat bij de eerste kategorie, gelijk wij aantoonden, wel inzonderheid op de mora moet gelet worden; doch dat dit geheel behoort tot het officium judicia, die behalve op dit gewigtige punt, op zoovele andere regtsgronden had te letten, waarvan in de formula geene melding gemaakt werd. Dat lag in den aard der zaak. Welke gewigtige regtsgevolgen deze gemaakte onderscheiding ook heeft, voor beide kategoriën was de formula vrij gelijk. Zij moet ongeveer aldus hebben geluid:

Ea kes agatur, Qitod Numerius Egidio centum

sestehtium (aLIAMYE rem) dedit, ob eaj1 cau-sam, ut insula3i communem kepiceret, keque kefecit (vei, ut a lite desisteret, neque des-titit),

Quicquid ob eam rem dare facere oeoetet,

Judex Egidium Numeric condemn a.

In deze beide gevallen moet natuurlijk worden gelet op de mora. Mogt in het laatste geval de tijd gewoonlijk korter zijn; de partij moest toch behoorlijk tijd hebben, om den aan zijn procurator gegeven last in te trekken.

Voor de tweede kategorie kau men de volgende prae-scriptio stellen:

Ea hes agatur, quod numerius Egidio centum sestertium (ai.iamve rem vel omnia bona) dedit mortis causa neque mors secuta est vel ob eam causam, ut ipse hereditatem titii testatoris defurcti secundum conditionem

ocr page 137

— 109 —

institltioxis adie.et, keque adiit, Vel ob kam causaji , vt capuam 1iieï , keque erofectcs est Quicquid etc.

2. Be Coniliclio ob turpen vel injustam oausam.

Gelijk bij de condictio ob causam datorum is het ook voor deze condictio een vereischte, dat goed door mij aan eeu ander in eigendom zij overgedragen. Daarvoor spreekt, niet alleen de overeenkomst dezer condictie met de vorige; maar wij hebben daaromtrent ook stellige aanwijzingen in de regtsbronnen.

De in de pandecten en overige regtsbronnen voorkomende plaatsen wijzen uitsluitend op eene overdragt, dalio. In het Grieksch vertaalde men deze condictie als de opvordering van hetgeen op een schandelijken grond was overgedragen (98). Die overdragt zonder meer is echter niet voldoende: zij moet ook op een bepaalden grond, die tusschen de handelende partijen bij de overdragt als de regtsgrond daarvoor beschouwd werd , hebben plaats gehad, en voor deze condictie is het een bepaald vereischte, dat die subjective regtsgrond met het objective begrip van regt in strijd is. Dat is met andere woorden , dat de grondslag, waarop de overdragt plaats had, met de wet of de goede zeden in strijd is. Tot deze feiten is deze condictie beperkt. Ik zeg deze condictie, in strijd met het gevoelen van hen, die meenen, dat er twee condictiën waren, eene oi turpem en een tweede ob injustam causam.

Dat is echter in strijd met de pandecten, vermits niet alleen het opschrift van den 5den titel van het twaalfde boek slechts eéne condictie voor beide deze gevallen aangeeft, maar ook omdat de inhoud van den titel daarmede

(98) Zie noot 100.

ocr page 138

— 110 —

overeenstemt. Nu heeft men in den Codex een bewijs willen zoeken, dat er ééne coiulictio oh lurpem en eene andere oh in jus tam causam bestond, omdat beide in een verschillenden titel zijn behandeld. Vanoerow Leilf. § 624 hecht daaraan zooveel, dat hij de zaak ontwijfelbaar oordeelt. Schijnbaar is het ook eene zaak van beteekenis, dat de condictio ob tnrpem causam afzonderlijk wordt behandeld in den 7den titel van het 4de boek van den codex, terwijl de condictio ex injusta causa met die ex lege wordt behandeld in den 9den titel van dat boek.

Alle grond van bewijs valt echter weg, zoodra men ontwaart, dat onder dezelfden naam in den codex eene andere zaak is behandeld. In de pandecten is de injusta causa synoniem van iurpis causa; in den codex daarentegen is de condictio ex injusta causa niet dan eene andere benaming voor de condictio sine causa, Dit is duidelijk uit het bovenschrift zelf, hetgeen luidt: De condictione ex lege et sine causa vel injusta causa. Hier zijn alleen twee condictiën genoemd, waarvan de laatste als die sine causa of injusta causa wordt aangeduid. Was de bewering van Vanokuow waar, dan moest er staan ex lege, sine causa et injusta causa (99).

Dit wordt ook weder bevestigd door de Basilika, waar in den Ssten titel van het 21ste boek de beide genoemde condictiën ook bijeen worden behandeld in denzelfden titel, terwijl ook de tnticaria daarbij is gevoegd (100).

(99) Voigt, Qond. s. causd, bl. G26, neemt ook nog eene afzonderlijke condictio ex injusta causa, en zelfs daarbij nog eene condictio causa Jinita, bl. G93. Dit Bchijnt alleen te berusten op zijne eigene woorden en zijne indeeling van de vitia der causa, bl. 538—614, zonder dat de regtsbroimen eenigen grond voor het afzonderlijk bestaan dier condictiën geven.

Ook Puchta, Pand. § 311. Müiilexbuii Pand. § 381. Brinz, Pand. § 99. Arndts, Lehrh. § 344 en Keller, Pand., § 303, nemen de afzonderlijke condictio ex injusta causa aan. Do laatste zag echter het groote verband met de condictio sine causa in.

(100) Het opschrift luidt: IltQt, nurafllfiamp;evtos wóq uhiag,

ocr page 139

Tn dit dubbel gebruik van de woorden injusla causa ligt ook niets vreemds. Het woord injusius heeft werkelijk twee verschillende beteekeuissen. Het kan de bloote ontkenning van jtistus te kennen geven, zoodat injusla cau/ta gelijk staat met de ontkenning eener justa causa, in welke beteekenis condicüo oh injuslam causam precies hetzelfde beteekent als condicüo sine causa. Injustus kan echter ook worden opgevat, als in strijd met het regt en in dien zin is het een synoniem van iurpis, dat ook een strijd met zedelijkheid cn regt aanduidt. Tn den laatsten zin komt het in genoemden 5den titel der pandecten voor. In dien zin zegt Gajus 1. 6 ll\'. de Don. inter vir. et ux. (24.1): //Quia quod //ex non concessa donatione retinetur, id aut sine causa, aut //ex injusta causa retineri intelligitur: ex quibus causis //condictio nasci solet.// Dat was in sommige gevallen, waar gt; het regt de donatio niet als geldig erkende, zooals bij giften tusschen echtgenooten de condictio sine causa, omdat er geen ware regtsgrond voor de overdragt bestaan had. Stelde daarentegen de aanneming van het geld eene overtreding der wet daar, waarin werkelijk eene schandelijke of onzedelijke daad lag opgesloten, zooals het meer geld van een cliënt aannemen dan de wet aan den causarum palro-nus toekende, dan kon de condictio ob injustam vel tur-pera causam worden ingesteld 1. 1 § 10 ff. de extr. Cogn. (50.13).

Het is van belang, dit niet uit het oog te verliezen.

iteql è.rC(UT7jlt;lfO)i; ix ró/xov MQKt/itvijq y.ara rtccvroq ftodyprtroq, xtti TTfQc dTtairyaeox; Itavzoyv twv öracT^a» ij fiirQ agt; vrtofiaXXo/.iérwv.

Over *1 geen zonder regtsgrond betaald is en over de condictio uit de luet, uitgestrekt tot alle zaken, en over de opvordering van alle verschuldigde zaken y die aan gewigt en maat onderworpen zijn,

Datwijders de condictio ob turpem vel injustam causam, éene condictie was, wordt ook oevestigd door het opschrift van den zesden titel van het 24ste boek favBasilika, waarin die condictie ook werden genoemd: dTtuLxva^ Ttqdyiiaxos istl (uo/gü) t} èdixco dtdofAtvov. De opvordering van hetgeen voor iets schandelijks of onregtvaardigs overgedragen is%

ocr page 140

— 11:2 —

Hoeveel overeenkomst de condictio sine causa en de condictio ob turpem vel nijustam causam ook mogen hebben, tusschen beide bestaat (ook waar liet de terugvordering eencr overgedragen zaak (101) betreft), een fijn, maar gewigtig, verschil. \'Waar de grond, waarop de overdragt plaats had, alleen in zoover ivjustus was, dat het regt dien niet als regtsgrond erkende (102), daar kon terstond na de overdragt de condictio sine causa worden ingesteld. Waar het echter een grond van overdragt gold, die eene stellige wetsovertreding of een vergrijp tegen de zedelijkheid opleverde (102); daar was het niet genoeg, dat vaststond, dat de grond der overdragt een vergrijp tegen de wet of tegen de zeden opleverde, want het regt weigerde zijne bescherming aan hem, die door inbreuk op de wet of vergrijp tegen de zedelijkheid schandelijk had gehandeld. Dan verklaarde de wet den toestand, wat deze overdragt betrof, als regte-

(101) De condictio sine causa strekte ook tot vernietiging van stipu-latiën.

(102) In die beteekenis komt het woord, behalve in het opschrift van den 7den titel van het 4de boek van den Codex, voor in de bekende uitdrukking injustum testamentum, wijders injusta appellatio 1. 2 ff. Quando app. (49.4i en ia injusta causa absentiac, 1. 28 § 5 de fideicomm. lib. (40.51; gewoonlijk heeft het echter de sterkere beteekenis van overtreding van gebod en inbreuk op het regt. In dien zin wordt gewelddadig en heimelijk bezit possessio ex injusta causa genoemd; zoo wordt het door een der echtgenootcn aan den ander ontstolen goed, genoemd als bezit ex injusta causa 1. G tF. Ker. am. (25.2) en in diezelfde beteekenis komt het voor in 1. 4, § 1 de Reb. Cred. (12.1), waar de condictio ex injusta causa wordt toegezegd, tegen hem, die het pand niet afgeeft na betaling der schuld. Verstaat men daaronder toecigening, hetgeen in dergelijke zaken zeer voor de hand ligt, dan was er in Romeinschen zin diefstal, derhalve groote inbreuk op het regt, want de frauduleuse contrectatio was Jure Romano voldoende voor diefstal. Hetzelfde geldt omtrent de toecigening van vruchten door den colonus, nadat zijn regt op het gebruik van den grond had opgehouden. Ik kan mij dus niet vereenigen met Keller, Pand. § o03, die deze plaats aanhaalt, als bewijs, dat .n-justus alleen de niet-erkenning der regtsgeldigheid bevatte. quot;Waar men dat wilde uitdrukken. zcide men op het gebied der condictio no7i justa causa, 1. 1 § 3 ff. de Cond. s. causa. (12.7).

ocr page 141

loos: dan gold het bloot feitelijke : quot;Si et dantiset aocipien-tis turpis causa sit, possessorem potiorem esse 1. 8 h. t. (13.5) (103). Hoe naauwkeurig hierop gelet werd, blijkt uit 1. 4 § 3 h. t, waarin Ui.pianos het gevoelen van Labeo en Marcei.i.us vermeldt, dat hij, die geld betaald heeft aan eene publieke vrouw, dat niet kon terugvorderen, gelijk uit deu zamenhang blijkt, omdat in de overdragt van dat geld van beide zijden eene schandelijke daad lag. Terwijl Ui.piAXUs de uitspraak der oude juristen deelt, keurt hij echter den grond voor hun gevoelen af en zegt, dat de condictio niet kan worden gegeven, omdat de aanneming van het geld door de publieke vrouw geen schandelijke daad was; waarvan hij deze reden geeft, dat deze vrouw wel schandelijk handelt, doordat zij eene publieke vrouw is, maar dat het geen schandelijke daad is voor haar, dat zij geld ontvangt, terwijl zij eene publieke vrouw is. Men zie wijders 1. 1 pr. ,1. 3 en 1. 4 h. t. Bij de behandeling der condictio sine causa zal het gewigt dezer onderscheiding nog helderder in het licht komen. De voorbeelden die in de regtsbronnen voorkomen, hebben meest betrekking op vergrijpen tegen de zedelijkheid. Daaronder brenge men het aannemen van geld, als voorwaarde om in bewaring gegeven goederen of titels terug te geven 1. 2, § 1 en 1. 5 if de Tut. (27.3); het geven van geld wegens ontucht 1.4 pr., of door een dief, om niet verraden te worden § 1, of om de schuilplaats van een ontvlugten niet aan te wijzen, of om een door een slaaf beganen diefstal niet te openbaren 1. 5, wijders het ontvangen van geld krachtens eene door geweld afgedwongen stipulatie 1. 7, of om iets af te geven, dat men ter leen ontvangen of hetgeen men volgens stipulatie of tes-

(103) Hiervan gaat ook het rescript van Antomnus uit I. 2 Cod. de Cotid. ob turp. caus, (4.7) quot;Cum te propter turpem causam, contra disci-quot;plinam temporum meorum, domum advcrsariac dedisse profitearis; quot;fnistra earn tibi restitui dcsiderey,. cum in pari causa possessorit conditio ■melior habealur,quot;

ocr page 142

— 114 —

tament betalen moest 1. 9 h. het ontvangen van geld , om gestolen vee weder aan te wijzen 1. 7. Cod. de cond. ob turp. cans, of om iemand, gelijk men voorwendt, van de militaire dienst te bevrijden. Bas. XXIV, 2. c. 11 (104).

Men vergelijke met deze wet 1. 3 Cod. de cond. ex lege (4. 9). Het geldt aldaar een geval, aan dat in deze wet behandeld gelij k. De condictie, waarop gedoeld wordt, is de condictio furtiva wegens de mala tides. Zoo is de wet ook verklaard door de twee Bisantijnsche scholiasten op den tekst van den Codex, Bas. 24.3 C. 3.

Met de bovenstaande voorbeelden is het doen van iets , wat bij de wet verboden is en dat daardoor als eene wettelijk ongeoorloofde en schandelijke daad wordt gekenmerkt, naauw verwant. Hiertoe moet gebragt worden het geven van geld , om zich te bevrijden van het examen of proefstuk , dat moest worden gedaan , om te worden toegelaten tot de uitoefening van een beroep, omdat zulk eene knevelarij op straf bij de wet verboden was, 1. 3 God. de cond. ob tnrp. caus. (4.7); hetgeen aan een advocaat boven het tarief was betaald , omdat de wet hem verbood meer dan 40 aurei voor een proces te rekenen 1. 1,§ 10 fl\'. de Extr. Cogn. (50.13) cn daarenboven de voorbeelden in 1 2 pr., h. t., datgeld is gegeven, opdat men geen moord, geene heiligschennis of geen diefstal begaan zou (105). Het moet daarbij worden opgemerkt, dat terwijl de overige voorbeelden alle de ver-pligting tot een positief feit bevatten, de grond der over-

(104) \'O fté\'AAcov aTQaTtvfaO-ru ttaZ yrQ^uara dedoyxóx; litl rZi fxrj orQdreveoO-atj örteq óióoMfv, dyaXa/ifidva. A ó*artatxrjGaq u-vrbv ciq Ircl dtaoeiOfiü ).afio)v ti\'/io)Q(Ztki\'. Hij die in krijgsdienst moetende dienen, goederen heeft overgedragen om van die dienst bevrijd té blijven, bekomt terug, hetgeen hij overgedragen heeft; en hij die dit goed daarvoor zal afgevraagd hebben, wordt gestraft omdat hij het bijwijze van knevelarij ontvangen heeft,

(105) Tcnvijl Voigt onder injusta causa, ook met het oog op deze condictie, de bloote niet-erkenning van regtsgeldiglieid verstaat, brengt h\\j § 72 tot deze condictie nog onderscheiden andere in het corpus juris voorkomende gevallen, waar in het algemeen eene condictio (indebiti of «ine cauia), maar niet deze condictio, wordt toegezegd.

ocr page 143

— 113 —

dragt in de laatstgenoemdo wet bestaat in het nalaten van een feit, dat bij de wet op straf verboden is. Betaling te ontvangen, om een onzedelijke daad na te laten, is gelijkgesteld met zich laten betalen, om iets onzedelijks te doen. Dat ligt in den aard der zaak; want er werd bepaald gelet op de onzedelijkheid in het ontvangen, en het is zeker hoogst onzedelijk, zich te laten betalen, opdat men zich van misdaden onthouden zal. Indien op zulk een grond overdragt van goed had plaats gehad, dan was de grond dier overdragt een niet geoorloofde grond (106).

(106) Hetzelfde beginsel geldt in onze wetgeving. Eene dergelijke overeenkomst zou niet regtsgeldig zijn , omdat zij geen geoorloofden grond of geoorloofde oorzaak had, zooals bij art. 1356 wordt gevorderd. Indien krachtens zulk eene overeenkomst betaling had plaats gehad, zou men het betaalde terug kunnen vorderen, omdat het onverschuldigd betaald werd.

Het onzedelijk beding zal gewoonlijk in den vorm eener voorwaarde voorkomen. De redactie van art. 1290 B. W. kan doen gelooven, dat alleen de voorwaarde, om iets onzedelijks te doen, en niet om eene onzedelijke daad na te laten, nietig zou zijn, gelijk door Schüller, Ver-kede, alsmede door Diepiiuis VI n». 143, is beweerd. Daarbij is er echter niet op gelet, dat art. 1290 in het algemeen zoowel op ontbindende, als op opschortende voorwaarden ziet, en dat men de opschortende voorwaarde, om iets niet te doen steeds kan omzetten in eene ontbindende voorwaarde, om iets te doen, en omgekeerd de opschortende in eene ontbindende.

B. v.: Ik beding van A., dat hij mij f 1000 die ik hem ter hand stel, zal terug geven, indien hij B. zal mishandeld hebben. Dat is eene voorwaarde , om iets onzedelijks te doen. Ging nu bovengenoemde leer op, dan zou men deze voorwaarde alleen hebben over te gieten in een ont-kennenden vorm, b. v.: Ik geef aan A f 1000 ter leen zonder intrest, met beding, dat hij die zal behouden, ingeval hij B. niet zal mishandelen. Deze negative vorm zou alzoo de op zich zelf onzedelijke voorwaarde regtsgeldig doen zijn. — Met voorschriften van openbare orde mag men zoo ligt vaardig niet omgaan.

Ook bij de Fransche schrijvers is verschil van meening, doch het go-voelen van Zacharle, I, § 302, en Dcraxton, X, n0. 34, met dat van Diephuis overeenkomende, is echter vrij algemeen verworpen, onder anderen door Toüllibb, VII, n0. 122 en n0. 481, Marcade op dit art. en Dal-loz, N. Rêp., i. v. Obligation n0. 1142. Te veel schijnt men zich te hebben bepaald tot de verklaring van het Traité des obligations van Potuibb, hoewel deze op dit punt I No. 204 niettegenstaande eenigo

ocr page 144

— 110 —

Dat hetgeen tegen het verbod der wet was overgedragen, door deze condictie werd teruggevorderd, was buiten twijfel. Ui.ïianus zegt in 1. 6 h. t., dat dit reeds door de oude juristen vóór Augustus (veteres) was uitgesproken://Per-petuo Sabinus probavit veterum opiuionem existimantium, quot;id quod ex injusta causa aptul aliquem est, posse condlA. /\'In qua sententia etiam Celsus est.\'/ Trouwens er is geene vaste lijn van afscheiding te trekken tusschen \'t geen onredelijk en \'t geen door de wet verboden is. Dit blijkt uit de behandeling van het betalen van geld door eene der partijen tan den regter, ten einde van hem een gunstig oordeel te verkrijgen.

De behandeling van dat onderwerp was in het Komein-sche regt nog niet geheel tot volkomenheid gebragt. Men maakte onderscheid, of geld was betaald door eene partij, die eenc regtvaardige zaak had, om daarin de werkelijk regt-vaardige uitspraak te verkrijgen, en of het geld betaald was, ten einde eene werkelijk oiircglvaardige uitspraak in zijn voordeel te bedingen. Ui.pianus geeft in 1. 2 § 2 te kennen, dat men in het eerste geval het gevoelen had voorgestaan, dat er aan de zijde van hem die het geld gaf, geen onzedelijke daad bestond, omdat men het geld betaald had, om een regtvaardig vonnis te verkrijgen, liet schijnt, dat dit ook het gevoelen is geweest van Paui.us in 1. 3, waar hij de onzedelijkheid aan beide zijden schijnt te beperken tot het geval, dat het geld gegeven was, om in eene slechte zaak een onregtvaardig vonnis te verkrijgen. Dat de regter slecht handelde door zich te laten omkoopen, kon wel

onbepaaldheid en onvolledigheid niet onjuist is, en niet genoeg te hebben bedacht, dat de gronden van beslissing uit den aard van het aangenomen regtstelsel moeten worden ontwikkeld.

Veel hooger staat ook voor het tegenwoordige regt de behandeling by Savigky, Sxjst. III, § 122. Ik zou echter vreezen, dat door dezon niet genoeg gelet is op afwijkende gevoelens van andere Romeinsche juristen, wier gevoelen niet strookt met de recepta sententia. — Eene opzettelijke behandeling van het onderwerp zou niet overbodig zijn.

ocr page 145

Tiooit aan twijfel onderhevig zijn; maar het is eenigzins vreemd, dat men kon voorbijzien, dat de partij, die daartoe de aanleiding gaf door haar aanbod , ook hoogst onzedelijk handelde, terwijl zij op die wijze eene der afschuwelijkste misdaden van den bedorven keizerstijd begunstigde. Daartoe kan misschien hebben medegewerkt, dat men in het verleenen der condiotie tegen den omgekochte een middel kon zien, om die schandelijke daad gemakkelijker aan bet licht te brengen.

De meer juiste beslissing trad echter bij Ulpianus op den voorgrond, zoodat hij het op die wijze geven van geld bragt tolia causa injusta, als door de wet verboden, niet alleen omdat de Regter wegens de omkooping viel onder het straf-regt, maar ook omdat bij keizerlijke constitutie op het op die wijze geven van geld de straf was gesteld, dat men zonder meer zijn proces verloor.

Natuurlijk volgde uit die beslissing, dat het geven van geld wegens het verbod der wet als een onzedelijk en schandelijk bedrijf moest worden aangemerkt. De woorden turpis causa en injusla causa waren dan ook werkelijk met het oog op deze condlctie synoniemen, verschillende uitdrukkingen voor eéne en dezelfde zaak.

Volgens het vorenstaande kan de formula dezer condictie worden vastgesteld, als volgt:

Ea res agatüe, quod Numekhis Eoidio centum

sesïeetium (ai.iamve rem) dedit , quae Egidius accepit (107) ob ïuf.pem vel in\'justam causam, ut hes depositas ïraderet [vel ut tyrooinio bum mberaret Vel ne eum occideret.)

quicquid ob ea31 reu dare pa ce re oportet.

Judex, Numerium Egidio condeiina.

(107) Hoewel het niet met volkomen zekerheid bekend is, komt liet mij* echter waarschijnlijk voor, dat in de formula de aamvijzing moet gelegen hebben, dat de turpitudo moest zijn aan de zijde van hem, diy ontving.

ocr page 146

3. Da condictio indebili.

Dat ook voor deze de overdragt van goed een eersfe vereischte is, blijkt uit de talrijke voorbeelden, die in den titel over deze condietie (12,6) en in de regtsbronnen in het algemeen voorkomen. Het éénig argument, dat men ten bewijze, dat ook de praestatie van een factum ten grondslag dezer actie liggen kon, poogde te trekken uit 1. 26 § 12 h.t. (108) berustte, gelijk wij boven hebben gezien, bl. 78, op eene misvatting.

Een tweede vereischte is, dat de overdragt hebbe plaats gehad om te betalen, en wel terwijl men werkelijk niet schuldig was, maar in de dwaling verkeerde, dat men betalen moest.

Dat de overdragt soluendi animo moet hebben plaats gehad, wordt betwijfeld door Voioi § 47 bl. 636. Behalve echter dat de door hem aangehaalde plaatsen, die gedeeltelijk niet op de condictio indebiti, maar op de condi llo sine causa betrekking hebben (109), dat niet bewijzen, is die bewering vooreerst in strijd met den naam zelf van deze condictie. Onder condictio indebiti wordt soluti verstaan. Zoo luidt het opschrift van den Sslen titel van het 24ste boek der Basilika: Over hetgeen betaald is zonder grond (110). Ook Gajus spreekt in zijne Inst. III. § 91 van deze condictie als uitsluitend dienende voor hem, die

(108) Op grond dezer wet wil ook Keller, Pand. § 299, de condictio indebiti voor praestatio van een factum hebben toegelaten.Zie wijders noot 73*.

(109) Hiertoe beliooren de door hem in § 53 aangehaalde 1. 5 § 1 ff. de Usufr. ear. rer. (7.5) 1. 35 ff. de serv. Praed. Urb. (S.2). Ook 1. ?3 pr. en 65 § I, h. t. bewijzen niets voor deze stelling. De betaling wegens eene vermeende, doch niet bestaande, transactie werd als een indebitum solutum beschouwd, zonder verder onderzoek of de schuld, waarover de vermeende transactie zou geloopen hebben, werkelijk bestond. Dit lag voor de hand, want de betaling had plaats gehad niet als erkenning der oude schuld, maar wegens de dwaling, waarin men verkeerde, dat er eene dading gesloten was. Dat is de eenvoudige beteekenis der woorden in 1. 23 pr. «ex falsa eiüm causa datum est.quot;

(HOj TlfQt xuTufilrjamp;évroc; TWOS uiriu? KT)..

ocr page 147

- 113 —

uit dwaling onverschuldigd betaald heeft. Dit wordt oot gestaafd door den geheeleu titel der pandecten over deze condictie, aanvangende met de woorden van Ui.pianus «Nunc videndura de soluto indebito.» liet is daarenboven in het algemeen uitgesproken in het fragment van Modes-tixus 1. 49: ffHis solis pecunia condicitur, quihus quoquo nmodo soluta est, non quibus proficit.quot;

In gemelde plaats van Gajus maakt deze jurist daarenboven de opmerking, dat deze condictie verschilt van de gewone condictiën, waarin het goed wordt overgedragen, om de partij aan zich te verbinden (111), terwijl hij die geld geeft om te betalen, eerder eene verbindtenis wil ontbinden dan aangaan; //Is quoque, qui non debitum accepit //ab eo, qui per errorem solvit, re obligatur; nam proinde //ei condici potest si parel eum dare oporlere, ac si mu-»tuum accepisset. Unde quidam putant, pupillum aut mulie-//rem, cui sine tutoris auctoritate non debitum per errorem //solutum est, non teneri condictione, non magis quam mu-//lui datione. Sed haee species ohligalionis non videlur ee rrrontractu consisle e, quia is, qui soluendi animo dat, ma-ngis distralere negotium vult, quam contrahere.»

Hieruit volgt do noodzakelijkheid, dat bij eene afzonderlijke formula het regt op de condictio voor onverschuldigde betiling erkend werd, daar zonder dat het regt op die actie uit den aard der algemeene condictie niet zou voortvloeijen. Dat overigens niet alleen res certae mnar ook ineertae onderwerp dezer condictie uitmaken, blijkt genoeg uit vele der in dezen titel der pandecten behandelde gevallen. Wel was in de meeste gevallen hst betaalde of het overgedragen goed eene res certa, maar er kon dikwijls eenede-ductio plaats hebben, of een geheel andere zaak voor de gegevene in de plaats treden, zooals b. v. de prijs voor het ter goeder trouw vervreemde goed, 1. 65 ,1.26 § 12 ,1 7 h. t.: //Quod indebitum per errorem solv tur , aut ip-uin , aut //tantuudem repetiturquot;.

(111) JTen /.ie do licpaling van het crolitum, hlmlz SS.

ocr page 148

- 120 —

De betaling moest heliben plaats gcliad uit dwaling, inceiiende dat men verschuldigd was te betalen, (112) 1.1. § l li. t.: //Et quidem, si quis indebitum ignonrans solvit, per hanc actionem condicere potest, sed si sciens se non debere, cessat repetitio.// Het is niet alleen vrij onverschillig, wanneer deze dwaling ontdekt wordt; maar het doet ook niet ter zake, of de omstandigheden, die maken, dat het betaalde werkelijk niet verschuldigd was, reeds bekend waren en bestonden op het tijdstip der betaling, indien b. v. schuld eener erfenis was betaald door een heres, terwijl later een kind wordt geboren, op hetwelk de erfenis moest vallen 1. 3 pr. h. t. //Idem est, et //si solutis legatis nova et inopinata causa haereditatem //abstulit: veluti nato posthumo, quem haeres in utero fuisse //ignorabat; vel etiam ab hostibus reverso filio, quem pa-//ter obiisse falso praesumserat.// Ook was het onverschillig, welke de oorzaak was, waarom niet verschuldigd was, hetzij dat was omdat de schuld in het geheel niet bestond, hetzij die wel bestond doch niet verschuldigd was door hem die betaalde, b. v. door iemand, die te onregt meende erfgenaam of bonorum possessor te zijn 1.19 § 1 Ir t., hetzij betaald was aan een ander dan den werkelijken schuldenaar 1. 65 § 8, hetzij men uit dwaling eindelijk eene bepaalde zaak gegeven had, terwijl men alleen alternatief tot uitkeering of van eene andere of van de in betaling gegevene verpligt was

(112; Door tien hoogleeraar Mr. C. W. Opzoomer is ontkend, dat do error een noodzakelijk vereischte voor deze condictie was. Men zie zijne nanteekening op art. 1395 B. quot;W. Zijne bewijsvoering berust echter minder op getuigenis van Romeinsehe juristen of liet eigenaardig karakter der condietiën, dan op algemeene regtsgronden. Daarom geloof ik hier to kunnen volstaan met de opmerking, dat de hoogleeraar in dat gevoelen dat met de aangehaalde plaatsen in strijd is, alleen staat, terwijl de Romanisten algemeen het tegendeel leeren. Jure Romano is de hoogleeraar mijns inziens teregt bestreden en wederlegd door Mr. J. R. A. Engelenberg in de Nieuwe Bijdragen voor Regtsgeleerdheid 1864, bl. 486 en volg.— Of het gevoelen van Mr. Opzoomer voor het nieuwe regt kan opgaan, kunnen vij eerst later behandelen.

ocr page 149

1. 19 § 3. Het was ook onverschillig, of men tot de betaling der schuld ouverpligt was, omdat deze in het geheel niet bestond, of omdat men zich tegen eene werkelijk bestaande actie door eene zakelijke of peremtoire exceptie kon verdedigen L 40 pr. h. t. //Qui exceptionem perpetuam //habet, solutum per errorem repetero potest,// 1. 20 § 3 //h. t. //Indebitum autem solutum accipimus, non solum si //omnino non debeatur, sed et si per aliquam exceptionem /\'perpetuam peti non poterat, quare peti hoe quoque pote-//rit: nisi sciens se tutum exceptione solvent.\'/ Dit is ook van toepassing op de excepiio ex lege Cincia en uit andere wetten, waarbij het aannemen van geschenken in sommige omstandigheden verboden was Fragm. Fal. § 266 en 1. 3 en 21 § 1 fi\'. de Don. (39.5).

Wat den aard der dwaling op zich zelve betreft, daaromtrent is niets bepaald. Men lette daarbij op de tegenstelling, dat hij die desbewust iets betaalt, wat hij niet schuldig is, het bedrag daarvan ten geschenke geeft: 1. 53 ff dePieg. Jur.: //Cujus per errorem dati repetitio est, ejus consulto //dati donatio est.// Dat iemand zich bewust is, wat hij doet, is de regelmatige toestand: hij die beweert, uit dwaling te hebben gehandeld, moet dat bewijzen, 1. 25 pr. ff. de Prob. (22.3); //Qui enim solvit, nunquam ita resupinu» //est, ut facile suas pecunias jactet, et indebitas efl\'undat: //et maxime si ipse, qui indebitas dedisset, homo diligens //est, et studiosus paterfamilias, cujus personam incredibile //est in aliquo facile errasse. Et ideo eum, qui dicit indebi-/\'tas solvisse, compelli ad probationes, quod per dolum //accipientis, vel aliquam justam ignorantiae causam inde-//bitum ab eo solutum, et nisi hoc ostenderit, nullam eum //repetitionem habere.//

In zoover kan men zeggen, dat de error moet zijn habills. De eischer moet feiten kunnen aanvoeren, die bij den Kegtcr het gegronde vermoeden doen ontstaan, dat door den eischer in de betaling, waartoe hij niet verpligt

ocr page 150

— 122 —

was, werd gehandeld zonder volkomen bewustheid van den waren toestand.

Hiermede hangt de beschouwing zamen over de oude strijdvraag: of alleen de dwaling omtrent feiten, met uitsluiting der dwaling over het regt, grond oplevert voor de eondittio. Van eene uitsluiting der dwaling omtrent het regt bl jkt in de bronnen niets en diiarvoor pleiten ook geene interne gronden. Men verlieze echter niet uit het oog, dat onwetendheid van het regt met betrekking tot eene bepaalde handeling, als een geheel internen toestand betreffende die van de omstandigheden van den uiterlijken toestand gewoonlijk niet afhankelijk is, deor uiterlijke bewijsmiddelen zeer moeijelijk, ja in de meeste gevallen onmogelijk ten overstaan van den regtcr te bewijzen zal zijn , terwijl bij gebreke van onwraakbare bewijzen van het tegendeel toch steeds de regel moet gelden, dat handelende personen den regtstoestand kennen. Vooral bij een volk, als het Ilomeinsche, waar do regtswetenschap zonder overneming van vreemd regt uit eigen regtsbewustzijn gesproten en ontwikkeld was, liet zich dit bezwaarlijk veronderstellen (11\'i). Labeo wilde daarom in het algemeen Aa juris ignoraniia niet dan in uit den aard der zaak hoogst zeldzame gevallen ten voordeele van iemand laten komen 1. 9 § 3 ff. de jur. et facti ign. (22.6). Paui.us vermeldt in deze wet (1. 9 pr.) als vasten regtsregel: //Juris quidem igno-quot;rantiam cuique noeere, facti vero ignorantiam non nocerew

(113) Wij kunnen ons zulk een levendig volksbewustzijn moeijelijk voorstellen, terwijl bij ons de noodzakelijke wettelijke veronderstelling dat ieder het regt kent, materieel eene belagehelijke onwaarheid behelst. Bij onze natie, die meermalen vreemde regten heeft overgenomen, is het na-tnurlijk regtsb3wustzijn zeer verduisterd en onze geleerde juristen hebben niet altijd veel gedaan, om dit bewustzijn levendig te houden.

Het is de taak van onzen tijd, om dit bewustzijn weder op te wekken, toe te lichten, wat met de nationale ontwikkeling overeenstemt, en af te ycheiden, wat daarmede strijdt. Op die wijze kan de jurist krachtig medewerken tot algcmcene volksontwikkeling.

ocr page 151

— 123 —

en dat deze regel reeds oud was, blijkt uit gemelde paragraaf 3, ■svairin Paulus de uitlegging daarvan door Labeo vermeldt. Men denke zich dien regel, als een dier korte rogtsregels, waarin de Romeinsche regtswetenschap de gevestigde theorie c\'er juristen wist zamen te vatten. Het is niet een regel op geschreven regt of op de woorden der formula steunende. Daarom kon ook de vrije verklaring van Labeo geen aanstoot vinden; waar hij zegt dat deze regel moest beperkt worden tot die gevallen, waarin de persoon, die er zich op beroept, niet in de gelegenheid was, een jurist te raadplegen, en zelf in de kennis van het regt niet bi^ioorlijk ervaren was 1. 9 § 3. //Sed juris ignoran-//tiam non prodesse, Labeo ita accipiendum existimat, si //jurisconsulti copiam hab:;ret, vel sua prudentia instruc-//tus sit.quot; Gewone voorzigtigheid bragt in het laatste geval mede, een raadsman te raadplegen. Die gewone voor-zigti^heid moest steeds verondersteld worden. De in de wet hierop volgende gevolgtrekking: //ut, cui facile sit scire, //ei detrimento sit juris ignorantia\'/ schijnt mij te zijn het gevoelen van Pallus zelf. En gaarne zal men wel de woorden van dezen jurist over de aannemelijkheid der juris ignorantia onderschrijven aan het slot der paragraaf: //Quod raro accipiendum est.//

Wat het oordeel betrof, of de persoon do bewustheid van den regtstoestand uit eigen wetenschap had kunnen putten, daarin hing natuurlijk steeds veel af van de gesteldlieid en van den stand van dezen. Dat de ignoranlia juris bij onverschuldigde betaling cene vrouw ten bate komen konde. zien wij uit 1. 9 God. de Scto. Veil. (4.29)://Quamvis //mulier pro alio solvere possit: tamen, si praecedente obli-//gatione, quam senatusconsultum de intercessionibus eflica-//cem esse non sinit, solutionem focerit, ejus senatusconsulti //bcnelicio numitam se ignorans; locum habet repetiti\'o.// Eene dergelijke toegevendheid omtrent de ignorantia juris van een krijgsman vindt men in 1. 1 Cod. de jur. et facti

ocr page 152

ign. (1.18). liet is echter niet zeker, of in deze laatste ivet wel sprake is van eene condictio (114).

In het algemeen is het aannemelijk, dat vooral bij de juris ignorantia bijzonder in het oog werd gehouden, hetgeen in het algemeen van groot gewigt was bij de beoordeeling of de betaling werkelijk uit dwaling had plaats gehad, dat namelijk de onkunde eerder werd aangenomen bij minderjarigen, vrouwen, krijgslieden, landbouwers enz. 1. 25 § 1 de Prob. (22.3): //Sin autera is, qui indebitum //queritur vel pupillus, vel minor sit, vel muiier; vel forte «vit quidem perfectae aetatis, sed miles, vel agricultor, et fo-«rensium rerum expers, vel alias simplicitate gaudeus, et //desidiae deditus; tune eum, qui accepit pecunias, ostendere //bene eas aeeepisse, et debitas ei esse solutas; et si non //ostenderit, eas redhibere.// Ik zou denken, dat men het met deze omkeering van den bewijslast niet al te streng moet nemen (115); maar zeker werd zeer ügt aangenomen, dat hij die met de bovengemelde personen gehandeld had, misbruik had gemaakt van hunne onbekendheid met zaken. De jurist vermeldt in de tweede paragraaf den algemeenen regel, quae eos qui opponendas esse excepLiones ad firmant, vel solvisse indebila contenduni, fiaec ostendere exigit. In dien bewijslast lag opgesloten, dat zij eene in regten aannemelijke dwaling moesten aanvoeren. Dat is de justus error of de jusla ignorantiae causa, waarvan in de regtsbronnen meermalen melding wordt gemaakt (115*).

(114) In 1. 1, Cod. Si Adv. Sol. (4.33) wordt de condictio ook toegestaan wegens facti ignorantia van den minderjarige. Daarbij wordt echter tevens melding gemaakt van den tempus in integrum restitutionis, zoodat men hier meer aan de in integrum restitutio heeft te denken.

(115) In dezelfde wet § 3 wordt er door den jurist op gewezen, dat de partij altijd aan hare tegenpartij den eed kan opdragen.

(115*) In het algemeen is dit gevoelen ook aangenomen in de bestrijding van het bovenaangeliaalde stuk van Mr. Engelenberg door Mr. A. B. van Marle , Eene enkele Opmerking aanyaande de Cond. Ind., Zwolle 1865, mij onder het afdrukken geworden.

In de theorie zou ik echter de verdeeling jxistus en culpahilis error niet

ocr page 153

Gewigtig is het op te merken, dat indien er ecue natuurlijke verbindtenis bestond, hoewel het stellig rcgt daaraan geene actie had verbonden, echter wegens den eerbied voor het natuurlijk regt geene terugvordering plaats had 1. 4-9 ff. de Sol. (49.y). Wat tot voldoening dier natuurlijke verbind-tenis gegeven was, kon niet worden teruggevorderd, hoewel men tot de betaling daarvan niet had kuunen genoodzaakt worden; want hetgeen men betaalde, was toch verschuldigd.

Zelfs de strenge bepaling van het Sctum Macedonianum dat in het belang der maatschappij, als voorschrift van openbare orde, alle regtsvervolging uitsloot van geld, dat aan filiifamilias geleend was, niet alleen tegen den lilius familias zelf, maar ook tegen zijne borgen, nam de kracht der natuurlijke verbindtenis niet weg; zoodat de zoon of de borg, hetgeen hij tot betaling der schuld van den filiusfa-milias betaald had, niet kon terugvorderen 1.9 § 4 en 5 en 1. 10 ff. de Scto. Mac. (14.6). Ook zelfs de regterlijke uitspraak hief de natuurlijke verbindtenis niet op, zoodat hij, die na van schuld te zijn vrijgelaten die schuld voldeed, de betaling niet kon terugvorderen,tenzij hij kon bewijzen, dat er ook zelfs geene natuurlijke verbindtenis bestaan had 1. 28 en 60 h. t. (116).

gaarne op den voorgrond stellen. De error moet bexcijsbaar zijn; dat i* het hoofdbeginsel.

(HG) Aanvankelijk schijnt dit niet te hebben gegolden voor de personele actiën, die strictijuris waren, waarbij de verbindtenis door de litis-contestatie werd opgeheven, waarschijnlijk, omdat daarbij eene werkelijke processuale novatie plaats had. Gajus, Inst. IV, § 10G.

Na de aigemeene invoering van het zoogenoemde extraordinaire proces, waarbij de uitspraak door een gezworene met de formula en de eigenlijke litis contestatio wegviel, moest ook deze uitzondering van de stricta judicia verdwijnen. quot;Welligt vindt men daarvan echter nog de sporen in 1. 43 h. f

«Si quis jurasset,se dare non oportere, ab omni contentione discedetnr «atque ita solutam pecuniam repeti possr-, dieendum est\'/. Savignt, Obli-gatiouenrccht I, § 11 , en anderen schrijven deze uitsluiting der naturalis obligatio alleen toe aan de bijzondere kracht van den eed, die majortm habet auctorilatem quant res judicata, 1. 2 ft\', de jurejnrando (IJ .2). Do

ocr page 154

— 126 —

Over de vraag of de wetenschap, dat men tot betaling niet verpligt was, volkomen zijn moest en of de twijfel voldoende was, bestond oudtijds verschil van gevoelen, hetgeen bij een rescript van Jusïinianus 1. 11 Cod. h. t. (IS) in den laatsten zin beslist is; tercgt, naar ons voorkomt, omdat een voorzigtig man dikwijls zelfs in twijfel liever zal betalen, dan het gevaar van een proces te beloopen. Waarom zou hem, indien later zekerheid van onverschuldigd-heid ontstaat, zijne voorzigtigheid tot nadeel moeten strekken?

Eindelijk moeten wij nog eene voor velen geheel onverklaarbare uitzondering op de terugvordering van het ou-versehuldigd betaalde vermelden.

Z\'j is de regel vervat in 1. 42 h. t. //Poenae non «solent repeti, cum depensae sumquot;. Keller, Pand. § 299 noemt deze plaats zeer moeijelijk en bestreden. Het is mijne taak niet, al de bijzondere regtsvrageu die met de condictio indebiti in verband staan, naauwkeurig na te gaan en te verklaren, terwijl die actie alleen hier wordt behandeld, om haar met betrekking tot het systeem

reden der uitsluiting kan echter evenzeer liggen in den aard der condictio, waarop de plaats wegens de woorden dare oportcre betrekking heeft; in dat strictum judicium kon volgens de aangehaalde plaats van Gajus in het fonnulier-proces gecne obligatio naturalis blijven bestaan, omdet de novatio de geheele obligatio had opgeheven.

Even weinig is daarentegen Vangerow Leitf I, § 172 geregtigd, om uit deze plaats en uit 1. 13 ff. Quib. mod. pign. solv. (20.6) de gevolgtrekking te maken, dat er (zelfs bij obligationes die niet zijn stricti juris na de regter-lijke uitspraak geene obligatio naturalis meer overblijft. Deze beide plaatsen bewijzen voor die bekende strijdvraag niets. — Het gevoelen van Vangerow en de meeste andere juristen is echter in strijd met 1. 60 pr. en 28 ff. de Cond. Ind., waarop Savigxy zich met regt beroept. Doch door den laatsten schijnt mij het gewigt der aangehaalde plaats van Gajus te zijn voorbijgezien. — Het behoeft nnauwelijks vermelding, dat de regel van 1. 60 pr., door Savigny aan het licht gesteld, voor het latere Romeinsche regt moet gelden, omdat de grond der geheele opheffing van de obligatio stricti Juris met de afschaffing van het formulier-proces verdwenen Is.

ocr page 155

der condictien toe te lichten. De behandeling van dezen regel heeft dus alleen in zoover gewigt, dat moet worden beoordeeld, of die regel uit den aard en het karakter der condictie voortvloeit. Algemeen kon men dien regel daarmede moeijelijk overeenbrengen. quot;Van daar dat men steeds poogde, de daarop betrekking hebbende plaatsen zoo te verklaren, dat de regel eigenlijk niet besfond. Men behielp er zich mede, voor zoover men zich niet vergenoegde, dien zonder toelichting mede te deelen, die plaatsen zoo te verklaren, dat op het oogenblik der betaling werkelijk poena verschuldigd was geweest en dat de strafschuldigheid op later tijd door eene of andere omstandigheid zou vervallen zijn. Zoo Vaxgerow, Leitf. ITT, § 625. Aanm. I, Gi.ück, XITI,§ 831. Smai.i.enburg in SrhuUingii noiae ad Pand. op 1. 42 h. t. Voet, ad h. t. n». 18 (117) en anderen.

ïegen zulk eene wegcijfering van den regel verzet zich echter de duidelijke en stellige bewoording der bovengenoemde wet, die wij even stellig vinden in 1. 46 ff. de Beg. Juris: //Quod a quoquo poenae nomine exactum est, id //cidem restituere nemo cogitur //, en in 1. 74 ff. deSol. (46.3) //Id, quod poenae nomine a debitore exactum est, //lucro debet cedere creditoris «, terwijl 1. 10 pr. If. h. t.,

(117) Noodt ad h. t. heeft op dit punt eene grove vergissing begaan. Hij zegt dat de terugvordering niet kan plaats hebben, omdat er eene natuurlijke verbindtenis overblijft en haalt ten bewijze I. 19 pr. h. t. aan, welke wet dat echter volstrekt niet bevat. Zij behandelt het geval, dat A eene schuldvordering tegen B. hebbende, hem daarvan bevrijdde, ^rkeerdelijk meenendc, dat hij poenae nomine als privaatstraf een dergelijk bedrag moest betalen aan B., en dat deze na de ontdekking der dwaling, zijne schuld voldeed. De regtsvraag was nu deze, of B. het betaalde als indebitum kon terugvorderen, volgens den regel, dat hetgeen voor privaatstraf betaald en afgedaan was, ook in geval van dwaling, geldig bleof. Het antwoord van den jurist is: Neen, want B. bleef toch naturaliter schuldig aan A. Do oude contractuele schuld bleef naturaliter bestaan, omdat de bevrijding daarvan alleen was gegeven in de dwaling, waaiin de schulcleischer verkeerde, dat hij aan zijn schuldenaar poenae nomine verbonden was.

ocr page 156

22 pr. ff. de Pignor. (13.7) de toepassing daarvan be-vatfen.

Dat hetgeen als privaatstraf was betaald, niet mogt worden teruggevorderd, staat dus vast en liet bevreemdt mij, dat men daarin zooveel moeijelijkheid hoeft gevonden.

Mij dunkt, als men let op liet bijzonder karakter dezer straf, dan ligt de verklaring voor de hand.

Wat was de privaatstraf anders dan de compositie, het einde van den strijd tussehen den beleedigde en hem, die inbreuk maakte op zijn regt ? Niet alleen bij de Germanen, maar in den aanvang van elke maatschappij, moet het moeite gekost hebben, den strijd te overwinnen, die altijd ontstond over de vergoeding van een of ander misdrijf, door den eenen burger tegen den anderen gepleegd. Van daar wettelijke regeling van den compositie-prijs zoowel in het Komeinsche, als in het Germaansche regt; van daar bij de volken van Germaanschen oorsprong tallooze wetsbepalingen tot instandhouding van den openbaren vrede; en kan het dan bevreemding wekken, dat in het llomeinsche regt eene werkelijk zeer doeltreffende bepaling voorkomt, dat als eenmaal de zaak der private straf is afgedaan door compositie, daarop door geen der partijen kan worden teruggekomen ? Dit stemt ook overeen met de algemeene leer omtrent de dwaling in eene transactie. Al kan men bewijzen dat men gedwaald had in het aannemen van regten der tegenpartij, dit ontneemt aan de transactie hare kracht niet cn wat krachtens dergelijke transactie betaald is, kan niet worden terug gevorderd, 1, 65 § 1 tl\', h. t. «Et quidem //quod transactionis nomine datur, licet res nulla media «fuerit, non repetitur: nam si lis fuit, hoc ipsum quod »a lite disceditur, causa videtur esse.\'/ Hier gold hetzelfde beginsel. De transactie maakt een eind aan de bestaande geschillen: men liet niet toe, daarop terug te komen.

Bij de transactie werd dit beginsel echter niet zoo streng doorgevoerd; men liet de coudictie toe, indien betaald was

ocr page 157

krachlens eene transactie, die op onbehoorlijke wijze door de tegenpartij verkregen was. Men zie ]. 63 § 1 flquot;. h. t. waar op de boven aangehaalde woorden volgt; //Sin autem //evidens calumnia detegitur, et transactio imperfecta est, //repetitio dabitur,// en inzonderheid 1. 12 Cod. de Trans. {2.4) //Praeses provinciae examinabit, utrum de dubia //lile transactio inter te et civitatis tuae administrafores //facta sit: an ambitiose id, quod indubitate deberi posset, //remissum sit: nam priore casu ratam raanere transactionem //jubebit: posteriore vero casu, nocere civitati gratiam n n //sinet.\'/ ]iij compositie moest men dat uit den aard der zaak althans aanvankelijk strenger nemen en kon het regt niet toelaten, dat de eenmaal geeindigde strijd , om welke reden ook, weder hervat werd.

Men zou welligt de opmerking kunnen maken , dat deze beschouwing alleen kon gelden in den nog onontwikkelden toestand van het oude Komeinsche regt; daartegen bedenke men echter, dat de privaatstraffen in het Romeinsche regt, ook in zijn meest ontwikkelden toestand, eenegroote plaats bleven bekleeden en dat het daarenboven niet doorgaat, dat een eenmaal bestaande regtsregel wordt opgeheven, zoodra de toestand niet meer bestaat, waardoor die regel ontstond. Dat de regel trouwens in het latere regt nog bestond, blijkt uit 1. 4Cod. deCond. ind. (4.5). //Ea quae //per infitiationem in lite crescunt, ab ignorante etiam in-//debit a soluta repeti non posse, certissimi juris est.\'/ Het is waar, hier is melding gemaakt, van acliones, quae injitiando crescunt; maar al deze actiën bevatten de bedreiging eener privaat-straf. Daarom is de terugvordering uitgesloten. Dat bij deze actiën de indebiti repetitio was uitgesloten, vindt men ook in § 7 (118) Inst. de Oblig. quasi ex contr. (LIL 28).

(118) Ecnc in deze paragraaf vermelde, door Justixianus ingevoerde, uitzondering -u-as alleen eene begunstiging van de legata piae causae en behoeft hier dus niet opzettelijk te worden vermeld.

ocr page 158

— 130 -

Volgens de eigenschappen en de algemeene vereischten van deze condictie, moet de formula daarvan ongeveer hebben geluid:

Ea hes aoatu r, Quod Aulus Agerio mi\'.l.e sester-tium (atjIamve hem), errore putans se solvere debere, dedit,

ql\'icquid db eam rem dare face re oportlt, jl\'dex condemna.

ocr page 159

I-. De coudiclio sine causa.

Verwant aan de condietio indebiii, maar door geheel eigenaardige eigenschappen daarvan ook zeer verschillend, volgt de condictio sine causa. In vele opzigten merkwaardig, belangrijk inzonderheid om haar veel wijderen omvang, in zeker opzigt zelfs van wijder omvang dan de algemeene condic-tiën, werd zij echter in de Pandecten niet dan kort behandeld. Waaraan die uittermate kortheid in vergelijking met de andere condictiën moge zijn toe te schrijven, zeker niet aan het minder belang dezer actie, die daarenboven op een zeer gewig-tig gedeelte zonder eenigen concursus van andere actiën als éénigst regtsmiddel aan den regtzoekende ten dienst stond. Welligt is deze condictie van later dagteekening (119) als de overige concurrerende condictiën en is daaraan toe te schrijven , dat zij minder behandeld is, omdat omtrent de overige bij Let ontstaan van deze reeds eene vaste theorie was gevormd. Het kan ook zijn, dat de voorliefde der Romeinen in den bloeitijd van het regt voor actiën voor een meer

(119) Als aanvulling voor onderscheiden gevallen, waarin de overige speciale condictién te kort schieten, is deze condictio ook beschouwd in eene verhandeling van luESSELBAfn in Jahrb. f. Dogin. v. Gebbeü u. Iherüng 1861 bl. 1. De mee* aangehaalde hoogleeraar Mr. Voigt, condictiones oh causam onderscheidt nog verschillende andere soorten van condictiones , als causa Jinita, quasi inidebiti, nevens de condictio sine causa, zonder dat evenwel door hem het bewijs is geleverd, dat de regtsbronnen dergelijke afzonderlijk bestaande condictiën aanwijzen. Integendeel worden dergelijke gevallen b. v. van causa finita door de Romeinsche juristen in hunne redenering herleid tot het niet-bestaan eener causa.

Onder de voorbeelden door hem (even als ook bij die door Vangerow Leitf. § 628) aangehaald uit het corpus juris, komen er vele voor, die tot de daarmede concurrerende algemeene condictiën moeten gebragt worden.

Keller, Pand. § 303 wil behalve de condictio sine causa nog eene condictio ex injusta causa hebben aangenomen, die hij als een anderen vorm wil beschouwd hebben De bronnen geven echter geen regt op die veronderstelling

ocr page 160

— 132 —

bepaaldfiii rcgtstoestand deze meer algemeene actie van wijder omvang minder tot ontwikkeling bragt; gelijk in dezelfde periode de actio praescriptis verbis , die volgens haar aard zich tot alle reële contracten had kunnen uitstrekken, in de praktijk bijna ongebruikt bleef, behalve voor het contractus aestimatorius (het venters-contract) en de ruiling.

Even als bij de andere condictiën kon de overdragt van goed in het vermogen eens anders, het dure , regt geven op deze actie, gelijk uit 1. 2, 4 en 5 if. h. t. (12.7) blijkt. Het ver-«iischte daarbij is , dat de overdragt hebbe plaats gehad sine causa , dat is, zonder regtsgeldigen grond. Voorbeelden zijn, dat de werkman goed, hem ter bewerking gegeven, verloren achtende, de waarde daarvan vergoedt, en later het goed terugvindende en terugbezorgende, het tot vergoeding betaalde terugvordert, 1. 3, ff. h, t.; na afbetaling der schuld vordert men terug de akte, zonder regtsgrond in handen der schuldeischers gebleven, 1. 2, Cod. deCond. ex lege et s. caus. (4. 9); de bezitter ter kwader trouw van onroerend goed, dat hem door ons of onze voorgangers was overgedragen, wordt aangesproken voor de vruchten, die hij zonder regtsgrond genoten heeft 1. 3 ; er zijn goederen overgedragen als huwelijksgift voor een huwelijk, dat wegens verboden graad van bloedverwantschap niet kon plaats hebben; deze goederen worden teruggevorderd, als zonder regtsgrond gegeven , omdat er geen huwelijk mogelijk was , 1 a ff. h. t.

Bij deze condictie is bijzonder opmerkelijk, dat het niet alleen de overdragt van goed is , die grond daarvoor geeft, maar ook de verbindtenis om iets te geven, bij stipulatie aangegaan (120). Dit blijkt uit l. 1 en 3 ff. h. i, alsmede uit

(120) Het is zeer vreemd, dat op deze opmerkelijke eigenschap door de meeste Romanisten zoo weinig gelet is. Mülekbruch , § 383 , vermeldt die alleen ter loops. Brinz, Pand. § 99. Kei-ler, Pand. § 303. Arhdts, § 2, alsook Püchta , Pand. en Vangerow , Leitf., spreken er in het geheel niet van. liet verschil in dit opzigt, tegenover de condictio indebiti was echter reeds aangegeven door de glossarii op 1. I h. t.

ocr page 161

— 133 —

I.I i)r. fl\'. LTt in poss. leg. (30.4),!. 12 ff. He Nov. (46. 2) i. a. ff. de Act. Eint. (19. 1), 1.46, pr. de jur. dot. (23. 3), I. 10, § 2 ff. de Min. (4. 4), Hoogstinerkwaardig is deze uitbreiding. Het is eenegroote afwijking van het oude begrip der condictiën, terwijl de verwante condictiën, gelijk wij boven zagen uitsluitend eene dare tot grondslag moesten hebben.

Zeker was dit alweder eene groote voortschrede op den weg , die er reeds toe geleid had, om naast de oude condic-tiones de omni re certa, ook condiciiones incertae in te voeren. Overigens was het wel de drang der omstandigheden , de aard van het regt zelf, die in dezen regtstoe-stand noodzakelijk leidde tot de invoering dezer nieuwe actie, waardoor men de vernietiging eener stipulatie eischte. Volgens Romeinsche begrippen was het alleen de vorm der stipulatie, die de verbindtenis en de actie tot vordering van het gestipuleerde medebragt. Die bij stipulatie beloofd had, moest betalen ; dat was de regel. Buiten de gevallen , waarin de promissor wegens geweld of kwade trouw buitengewone regtsmiddelen had , werd niets meer gevraagd. Men lette niet op een materiëlen grond voor de verbindtenis, omdat deze alleen uit de verba solemnia voortsproot.

Let men nu op den regtstoestand na invoering der con-dictiones oh cavsam. datorwn, oh lurpem vel injustam causam en indehiii, dan zou zonder de condictio sine causa de toestand van hem die om een dier gronden , welker bestaan voldoende was om reeds overgedragen goed terug te vorderen , zich bij stipulatie tot de overdragt had verbonden, ongunstiger zijn, dan van hem die het goed reeds overgedragen had. Gesteld b. v. dat ïrnus en Skmpronius beide er in geslaagd waren, om door omkooping vrijstelling van militaire dienst te verkrijgen, en dat Trnus de bedongen som dadelijk betaald had , terwijl Sejipiionius geen geld hebbende, zich bij stipulatie had verbonden, een zelfde bedrag te zullen betalen ; dan zou Trnus het bewijs leverende van de omkooping, het gegeven sfeld hebben kunnen terurr

^ o

ocr page 162

— 1S4. —

eischen , en Seitpuonius zich met een zelfde bewijs niet hebben kunnen ontslaan van te voldoen aan de stipulatie. Dat ware natuurlijk de ongerijmdheid zelve geweest, want het gold hier niet enkele uitgezonderde, maar dagelijks en dikwijls voorkomende gevallen. Waar b. v. iemand zich bij stipulatie verbonden had om eene som gelds op een bepaalden termijn te zullen betalen, in de dwaling verkeerende dat hij dat verschuldigd was, zou hij dat zelfde onverschuldigd betaald hebbende het reeds betaalde hebben kunnen terugvorderen door de condictio indebiti, terwijl het regt hem geen middel gaf, om zich van eene geheel onverschuldigd en zonder regtsgrond gedane belofte bij stipulatie te ontslaan. Hetzelfde gold bij de promissio ob causam, causa non seouta.

Het sprak van zelf, dat de Romeinen met hun regt-seheppend vermogen zulk eene groote leemte niet hebben kunnen laten beslaan. Wat lag meer voor de hand, dan eene nieuwe condictie te scheppen, waardoor men niet alleen overgedragen goed, maar ook de verbindtenis om goed over te dragen condiceerde, gelijk Ui.pianus het zeer eigenaardig uitdrukt 1. I ju. ff. h. t.: quot;Qui autem promisit sine \'/causa, condicere non potest ipsam quantitatem , quam «non dedit; sed ipsam obligationem.quot;

Weinig Romeinsch zou het zijn, indien men zich voorstelde, dat zij nu de formulae voor de condictio ob causam datorum, ob turpem vel injustam. causam. en indehilt zouden hebben veranderd , om er den wijderen omvang aan te geven , dat deze condictiën ook zouden strekken tot terugvordering of vernietiging van eene solemnele verbindtenis. Neen, de Praetor liet de oude actiën onveranderd bestaan. Hij plaatste daarnaast alleen de nieuwe, om te voorzien in de nieuw gevoelde behoefte. Het was daarbij natuurlijk , dat men de overeenkomst, die de theorie reeds moest hebben doen kennen tusschen de onderscheiden condictiën tot opvordering van \'t geen ob causam vel praeteritam vel

ocr page 163

futuram gegeveu was, niet uit het oog verloor, en dat men, erkennende dat het overgedragen goed altijd kon teruggevorderd worden, indien zulk een regtsgrond of niet in werkelijkheid bestaan had, of later niet ontstond, in de nieuwe formula dit eenvoudig zamenvatte door de eenvoudige uitdrukking van solennele belofte zonder regtsgrond, promissio sine causa. Door die algemeene uitdrukking werd de nieuwe actie het noodzakelijk complement van de overige condictiones, waarbij men ook iets, wat onverschuldigd betaald was (in uitgebreiden zin), terugvorderde. Naast de terugvordering of vernietiging der verbindtenis werd te gelijk in deze alzoo veel meer algemeene condictie ook de terugvordering opgenomen van \'t geen sine causa overgedragen was 1. 1 § 3, ft\', h. t. \'/Constat id demum posse «condici alicui, quod vel non ex justa causa ad eum per-«venit, vel redit ad non justam causam.// In den alge-meenen regel zijn deze twee objecten van deze condictie naast elkander geplaatst in 1. 1 pr. fl\', h. t. quot;Est et haec wspecies condictionis, si quis sine causa promiserit, vel si //solverit quis indebitum.//

Dat dit woord indebitum hier in den meest uitgebreiden zin moet worden genomen, blijkt uit het volgende in § 3, waar dit nader wordt toegelicht, als te bestaan in betgeen iemand ontvangen heeft wegens een niet-regtmatigen grond, ol\' hetgeen , hoewel aanvankelijk gegeven wegens een regtmatigen grond , later door het wegvallen daarvan , gelijkstaat met hetgeen aanvankelijk zonder regtsgrond was overgedragen. Van dit laatste hebben wij een voorbeeld in 1. 2 h. t., waar Ui.pianüs juist voor dit geval de gewone condictio inde-bili ontzegt, maar de condictio sine causa toelaat, alsmede in 1. 2 en 4 Cod. de Cond. ex lege et s. caus. vel inj. cans, i !)). Volgens liet eerste fragment betaalde een volder de waarde van bij hein verloren gegaue kleederen. Later vond hij die kleedingstukken weder en bezorgde die terug aan den eigenaar, dien hij reeds schadeloos gesteld had. Tot die

ocr page 164

— 136 —

schadeloosstelling was hij ivgtens verpligt. Derhalve oordeelt Ut.pianüs de condictio indebiti niet toelaatbaar. Nu komt de condictio sine causa bijzonder te pas, omdat de meer speciale condictie voor het onverschuldigd betaalde was uitgesloten. — De twee volgende wetten van den Codex hebben betrekking, de eerste op de terugvordering eener schriftelijke schuldbekentenis na afdoening der schuld; de tweede, nadat verloopen is de termijn voor de werkelijke uitbetaling eener som. waarvoor reeds eene schuldbekentenis was was afgegeven. In beide gevallen kan men ook alleen en uitsluitend aan de condictio sine causa denken.

Wat de laatste wet 1. 4, Cod. h. t. betreft, denke men aan de bepaling van 1. 14, § 2, Cod. de exc. non nutn. pee. (4. 30), dat 30 dagen na de opmaking der schuldbekentenis nog de exceptio , dat de uitbetaling werkelijk niet heeft plaats gehad , kan worden tegengeworpen- Met liet oog daarop wordt bij gebreke van betaling op den laatsten dag de condictio sine causa toegelaten.

Het indebitum als vereischte voor deze actie moet dus, in strijd met de beteekenis in de condictio indebiti, algemeen worden opgevat. Dat blijkt inzonderheid ook uit 1. h. t., ftj waar Ai\'ricanus zegt, dat het er niets toedoet, ofeenig goed van het begin af zonder regtsgrond is overgedragen, en of de grond , waarom eenig goed werd overgedragen, later niet volgde. Het laatste behoorde bijzonder tot het gebied der condictio causa data causa non secuta. Uit deze wet blijkt dus, dat het indebitum in de condictio sine causa in zulk een algemeene beteekenis werd opgevat, dat deze condictie daardoor ook met de condictio causa data causa non secuta concurreerde.

Het was dus niet alleen in geval de overdragt geheel zonder eenigen grond , bloot toevallig , had plaats gehad, maar ingeval de grond later niet volgde, later wegviel, of in hel algemeen niet regtsgeldig was 1. § 3h.t., dat de condictio sine causa kon worden ingesteld. Deze condictie trad dus

ocr page 165

- 187 -

op het gebied der overige condictiiin, waarbij een indehitum in meer speciale gevallen was overgedragen , en zij wordt dus teregt door Stephanus in de Basilika de meest algemeens condictie voor het indehitum genoemd (121).

Deze condictie had derhalve, indien zij reeds vroeger bestaan had, de overige condictiones ob causam datorum en indebiti overbodig gemaakt. Voor deze laatste condictiën en het geven eener bijzondere formula daarvoor was derhalve geene reden geweest; zoodat men noodwendig moet aannemen , dat deze meer beperkte condictiën reeds bestonden, toen de meer algemeene formula der condictio sine causa in het Romeinsche regt werd opgenomen. Dat de meer beperkte condictiën bleven bestaan, niettegenstaande de nieuwe haar in hare algemeenheid omvatte, verklaart zich gemakkelijk uit de omstandigheid, dat de leer van het ob causam datum en van het indehitum errnre solutum zich reeds had ontwikkeld naar aanleiding van deze meer beperkte condictiën. Waar het karakter derhalve niet twijfelachtig scheen , daar zocht de eischer natuurlijk zijn voordeel te doen met hetgeen de regtswetenschap reeds had vastgesteld ep was men dus geneigd, de oude meer beperkte formulae te verleenen. Alleen waar de toelaatbaarheid der oude condictiën aan twijfel onderhevig was, daar was de condictio sine cav.sa raadzaam, gelijk in de gevallen behandeld in 1. 2 en 5 h. t.

De laatste wet verdient bijzondere overweging.

Het geldt daar de betrekking der condictio ob turpem r.el injustam causam tot de condictio sine causa. —Op zich zelf schijnt deze laatste condictie ook de eerstgemelde te omvatten. Overdragt wegens eene causa turpis staat uit den aard der zaak gelijk met overdragt zonder eetiige causa, op

(121) Bas. XXIII, I c. 4, §2, waar Stephasüs naast tie condictiones indebiti, causa data causa non sccuta en o!) turpem vel injustam causam , ook deze condictie vermeldt onder deze omschrijving: tov ytvLtvvatov tov Ivdfpirov, Ityio róv aivf xuvOa xordixrextov. Dc alqemeerisle condictie voor hel iudebitwn, dnt is, de condictio sine causa.

ocr page 166

- 138 —

dezelfde wijze als de causa tinita en non secuta ook herleid wordt tot hetzelfde geval, als dat er bij de overdragt in het geheel geene causa bestaan heeft. De gemelde 1.5 doet echter twijfel ontstaan , of de bijzondere aard der condictio ob lurpem vel injustam causam den concursus met de condictio sine causa wel toeliet. Papinianus behandelt daarin de gevallen, dat eene schoondochter aan haar schoonvader of eene stiefmoeder aan haar stiefzoon, wegens voor genomen huwelijk tnsschen hen, een huwelijksgift had gegeven. Eerst maakt hij de opmerking. dat de condictio oh iurpem vel injustam causam de vrouw hier niet kon baten; terwijl het voorgenomen huwelijk als bloedschendig wel tot de causae turpes moest gerekend worden , doch deze condictie toch niet kon gegeven worden , omdat de onzedelijkheid hier aan weerskanten bestond ; zoowel van den man, die de huwelijksgift had aangenomen, als van de vrouw, die haar gegeven had. In dien toestand gold de regel possessorem esse potiorem, gelijk wij reeds hebben gezien, bl. 113.

T)e condictio ob iurpem vel injustam. causam was dus voor deze gevallen ter zijde gesteld ; maar nu overweegt de jurist, dat er in deze gevallen eigenlijk niet een onzedelijke grond voor de overdragt geweest was ; want dat de huwelijksgift niet was gegeven wegens ontucht tnsschen de betrokken personen (hetgeen ongetwijfeld eene causa turpis zou zijn), maar wegens een huwelijk, dat om den naauwen graad van verwantschap tnsschen deze personen onmogelijk en onbestaanbaar was. Dit maakte derhalve, dat de overdragt van het goed met het oog op het voorgenomen huwelijk gelijkftond met eene overdragt zonder eenigen regtsgrond. Daarom besluit de jurist, dat de condictio sine causa moet worden ingesteld. Dat het in de praktijk algemeen zoo werd opgevat, daarvoor bestond ook deze aanleiding : dat er in de condictio ob lurpem causam vel injustam niet alleen moest gelet worden op de objective

ocr page 167

onzedelijkheid van den grond der overdragt, maar ook op de omstandigheid , dat in die overdregt alleen iets onzedelijks lag aan de zijde van hem, die ontving, en niet aan de zijde van hein, die overgedragen had: terwijl het wezen der condictio sine causa en de daarmede overeenkomstige formula op de laatstgemelde omstandigheid geen gewigt legt, vermits de onzedelijke grond als zoodanig regtens altijd onbestaanbaar is. Het laat zich daarom naauwelijks denken, dat de Praetor oudtijds bij terugvordering wegens een on-zedelijken grond der overdragt, eene andere zou hebben toegewezen, dan de daarvoor opzettelijk gestelde formula, die den regter de leiding gaf, waarop hij bijzonder had te letten. Men verlieze echter niet uit het oog, dat de plaats van Pawnianus de condictio sine causa voor de gevallen der overdragt wegens onzedelijken grond niet bepaald uitsluit en dat er ook geen enkele aanwijzing is, dat de formula der condictio sine causa hare aanwending in dat geval zou hebben verhinderd.

Het spreekt echter van zelf, dat, waar deze formula moest zijn aangewend , de regels voor de condictio ob tur-pem vel injustam causam ook bij de condictio sine causa moesten worden toegepast, zoodat in dat geval even streng moest worden onderscheiden tusschen de verschillende beteekenissen der injusta causa, waarop boven (bl. 111) reeds is gewezen.

[n geval er alleen eene ontkenning , een niet-bestaan van een regtmatigen grond aanwezig is, geeft de overdragt regl op de condictie , zonder dat er iets verder te onderzoeken valt: maar indien er strijd is met zedelijkheid of overtreding van bepaalde wettelijke voorschriften, dan is het bloote feit van het bestaan daarvan niet genoeg, maar moet tevens worden uitgemaakt, dat hij die de actie instelt, niet onzedelijk handelde, terwijl hij de overdragt deed. Onder die voorwaarde kan men aannemen , dat de condictio sine causa concurreerde met de condictio oh turpem vel iujustum causam.

ocr page 168

— 140 -

hoewel de regtsbronuen den conoiirsus niet uitdrukkelijk vermelden (122). Het stilzwijgen over deze concurrentie verklaart zich, omdat men, waar de laatstgemelde con-dictie kon worden gegeven, geene reden had, om tot de eerste over te gaan , tenzij misschien in enkele zeldzame gevallen van geheel buitengewonen aard.

Dat was ook het geval met de condictio causa data causa non secuta eu indebiti (123). Waar werkelijk goed overgedragen was, bleef men deze condictiën instellen , maar waar op een dier gronden overdragt van goed alleen bij stipulatie beloofd was , daar moest men gebruik maken van de condictio sine causa, omdat de ontbinding der stipulatie niet viel onder die meer beperkte condictiën. Men zie daaromtrent , hetgeen wij over die condictiën hebben aangevoerd. Alleen zouden eenigen twijfel kunnen geven 1. 31 fl\'. de Cond. Tnd. en 1. 9, § 1 if. de Oond. causa data c. non secuta. De eerstgemelde wet luidende : //Is, qui plus, quam //hereditaria portio efficit, per errorem creditori caverit, //indebiti promissi habet condictionem,// spreekt duidelijk van de herroeping of vernietiging van eene cautie, bij stipulatie gesteld door een erfgenaam tot betaling eener eener schuld tegen den boedel, voor zoover namelijk deze cautie het aandeel des erfgenaams overtreft. De erfgenaam , die slechts een betrekkelijk klein aandeel in de erfenis bezat, had , in de dwaling verkeerende, dat hij voor het geheel of althans voor een grooter gedeelte erfgenaam was,

(122) In de glosse haalde meu deze wet van • Papimancs aan ten be-wijze van coucursus met de condictio ob turpem causam.

(I2S) L. 9, § 1 ff. de cond. caus. dat. : quot;Si quis indebitam pecnniam, per errorem, jussumulieris, sponso ejus promisisset, et nuptiae secutae quot;fuissent, doli mali actione uti non potest. Maritns enira suum negotium quot;gerit: et nihil dolo facit, neque decipiendus est; quod fit, si cogatur quot;indotatam uxorem habere Itaqne ad versus mnlierem condictio ei quot;Competit: ut ant repetat ab ca. quod marito dedit, aut ut liberetur, ••si nondum solvent. Sed si, soluto matrimdnio, maritus peteret, in • oo dumtaxat exceprionem obstare, quod mulier receptura esset.quot;

ocr page 169

— 141 —

zich tot de uitbetaliug van eene soliuldvordering voor eeu te groot aandeel verbonden. Die verbindtenis, bij stipulatie aangegegaan , voor zooveel zij het werkelijk aandeel overschreed, had geen anderen grond dan deze dwaling, en was dus een proraissum sine causa Daarvoor had hij volgens 1.1 pr. h. t. de condiclio sine causa.

Men verlieze ook niet uit het oog , dat niets aanduidt, dat de bedoelde condictie de condictio indebiti is. Kwamen er vele dergelijke wetten in den titel der condictio indebiti voor, dan zou dit althans eenig vermoeden kunnen leveren , dat de compilatores dergelijke condictiën. strekkende tot vernietiging van stipulation ook tot de condictio indebiti hadden gebragt. Eene enkele wet levert daarvoor geen bewijs.

Bij meer andere onderwerpen komen de voorbeelden meer voor, dat eene wet in een verkeerden titel is opgenomen. Inzonderheid kan dat niet bevreemden bij de condictiën, terwijl voor het onderscheid der verschillende speciale condictiën ten tijde van Jdstinianiis het praktisch verschil verdwenen was. Ook de tweede der gemelde wetten levert het onmiskenbaar blijk van zulk eene misplaatsing. Opgenomen in den titel de condictione causa data causa non xecula, handelt zij zonder twijfel niet over de condi tio ob causam datorum. De wet handelt over den man, die in de dwaling verkeereude, dat hij eene som gelds schuldig is aan eene vrouw, zich bij stipulatie verbonden heeft om dat geld te betalen aan den man , met wien de vrouw in het huwelijk treedt en aan wien zij die vordering als huwelijksgift heeft gegeven. De jurist zegt, dat de vermeende schuldenaar, nadat hij volgens zijne stipulatie aan den man betaald heefr, het betaalde van de vrouw kan terugvorderen, en dat hij, zoo de betaling nog niet heeft plaatsgehad, van de vrouw kan eischen, dat zij hem bevrijde van de schuld , die hij uit dwaling heeft aangegaan. Daarbij is geen spraak van \'■enige verbindtenis of overdragt met het oog op eene toe-

ocr page 170

142 —

komstige gebeurtenis, maar alleen van dwaling, die grondslag is van die verbindtenis (123). Aan de stipulatie lag dwaling tot grondslag. Er was dus geen rechtsgrond voor de stipulatie: de verborum ob lig alio was sine causa. Derhalve was er grond voor de condictio sine causa, die in dit geval kon gerigt worden niet tegen den echtgenoot, omdat deze door de stipulatie en ook zelfs daarop gevolgde betaling had verkregen , wat hem toekwam , namelijk als huwelijksgift, maartegen de vrouw, die in deze handeling het voordeel van de dwaling had genoten.

Geen dezer wetten geeft dus zelfs de minste aanleiding om aan te nemen , dat daarin spraak was van eene andere condictie, dan de condictio sine causa, waarin de vernietiging der stipulatie op den voorgrond stond. Dit was de eeuigste der condictien , waardoor men behalve terugvordering van goed, ook vernietiging eener stipulatie kon vragen. — Een gewigtige stap was door deze uitbreiding der condictie gedaan. Wel bleef het oud-Romeinsche beginsel onaangeroerd, dat in de stipulatie alleen de vorm de verbindtenis schiep. Daarnaast drong zich echter nu ook in de regtsopvatting het denkbeeld , dat de vorm alleen niet voldoende was , maar dat er ook een regtsgrond, eene jnsta causa, voor de verbindtenis bestaan moest. Ontbrak deze, dan baatte de stipulatie niet, omdat men door de condictie de bevrijding daarvan verkrijgen kon. Wel waren er behalve de condictie ook nog regtsmiddelen voor sommige gevallen, waarin iemand zonder regtsgrond iets bij stipulatie beloofd had , namelijk de in integrum restitutio, ingeval de verbindtenis door geweld was verkregen en de belofte derhalve uit vrees was gegeven. Behalve deze had men ook nog de exceptio doli, die waarschijnlijk later althans in de meeste der overige gevallen,

(l U3) Misschien zou men hier kunnen denken aan de condictio indebiti, voor zoover werkelijk reeds betaald was , hoewel tegen de toelating rlaarvaii gewigtige bezwaren zijn in te brengen.

ocr page 171

waarin aan de verborum obligatio de regtsgrond ontbrak , hare toepassing kon vinden, fn de condiclio sine causa werd echter het beginsel in zijne bepaaldheid, maar ook in zijn vollen omvang, geheel uitgedrukt.

Lag in deze uitbreiding reeds eene zeer groote afwijking van het oorspronkelijk begrip der condictie; willekeurig mogen wij bij gebreke van stellige getuigenissen de actie niet verder uitzetten. Behalve het promissum moeten wij dus aannemen , dat ook deze condictie overigens tot het (lare beperkt zal zijn geweest zijn , omdat de bronnen nergens van een bloot factum als grondslag daarvan gewagen (124).

De bronnen wijzen steeds op vrijwillige overdragt of op verbindtenis daartoe. Alleen ééne enkele wet schijnt daarop eenige uitzondering te maken, niet met betrekking tot het voorwerp, maar in de niet-vrijwillige afgifte daarvan. Het is een rescript onder Droci.ETiANUsen Maxuhnianos, opgenomen in den titel van den Codex over deze condictie (4.9), van den volgenden inhoud : //Mala fide possidens, de pro-//prietate victus, de extantibus fructibus vindicatione, de //consumtis vero condictione conventus, eorum restitutioni quot;parere compellitm.//

Als bewijs, dat de condiclio sine causa ook zonder voorafgaande vrijwillige overdragt zou kunnen worden ingesteld, zou deze wet op zich zelve moeijelijk kunnen strekken , omdat in hel fragment zelf alleen eene condictie in het algemeen, niet bepaald de cundictio sine causa wordt toegezegd. Welke condictie dat is. kan niet twijfelachtig zijn. Bij het uitgestrekte begrip , dat de Romein van furtum had, maakte hij die zich iets vaneen ander, dat hij in zijn feitelijk bezit had, ten kwader trouw toeeigende, schuldig aan diefstal. Hij dus, die genoten vruchten van het goed, dat hij

(1241 Hier geldt ook het bewijs uit Je vergelijking met de actio praesciptis verbis, in her algemeen voor de speciale condiciën behandeld op hl. s6

ocr page 172

— 144 —

ter kwader trouw beüat, wederregtelijk terughield, stelde zich daardoor bloot aan de condictio furlioa (125). Dit is ook niet ontsnapt aan den Bysantijnschen scholiast, die de uitspraak aannemende, gelijk de compilatores dat door de plaatsing dezer wet in dezen titel hadden aangegeven, dat er in dit geval eene condictio sine can.ta wa?,daaraan de opmerking toevoegde , dat er behalve deze actie voor dit geval ook nog de condictio furtiva kon gegeven worden (126). Het is zeer wel mogelijk , dat in het rescript, waarvan in deze wet alleen een klein gedeelte, als het algemeen juridisch deel daarvan , is medegedeeld, de woorden ex injusta causa ergens voorkwamen en dat dit de compilatores kan verleid hebben , om het fragment onder de gevallen der condictio sine causa vel ex injusta causa op te nemen. In allen gevalle ontbreken de voorbeelden niet, dat ook enkele andere fragmenten, inzonderheid op het gebied der condictiën in een verkeerden titel werden ingelascht, gelijk wij boven hebben gezien. Deze wet kan dus geen gewigt hebben tegenover al de plaatsen van den titel der pandecten over dit onderwerp, waar steeds van een sine causa datum of promissum sprake is.

De formula moet volgens \'t geen omtrent deze condictio gebleken is, inzonderheid met het oog op 1. J fl\'. h. t., ongeveer aldus hebben geluid :

Ka kes agatür , qdod Aul.us ageuio mille sesteu-tidm (aliamve rem) dabe puomisit vel dedit sine causa, Quicquid op. kam rem dare faokiie ofoktet.

Judex condemn a.

5. Condictio Jurtiva.

Tegenover al de vorige condictiën , die gegrond zijn op

(195) Deze condictie werd niet alleen tegen den dief zelf gegeven, maar ook tegen anderen , iti zoover zij er iets van ontvangen en verteerd hadden, 1. 13 ff. de Reb Cred. (12. 1): quot;Si fur tibi credendi animo dedit, \'■aecipientis non facit, sed consumtis iis naseitur condictio.quot;

(126} P«AS, XXIV, 3. 2. n \'. 2, KnTf/eTiu x«i yoi\'nf\'fji\'.i Y.orrhxrt*\'cj-

ocr page 173

- 145 —

handelingen van het gewoon verkeer, (127) staat de condietio furtiva, die zijn éénigsten grondslag vindt in het misdrijf van diefstal. Dit was werkelijk eene afwijking. Het was eene oude uitzondering, waarop door Gajus InH. IV § 4, en wijders op onderscheiden andere plaatsen in het Corpus Juris, de aandacht gevestigd is.

Niettegenstaande de eigenaar den eigendom van het hem ontstolen goed regtens behield en hij dus daarvoor de vindicatie kon instellen, werd hem de condictio daarvoor toegestaan. welke actie naar vorm en inhoud eigenlijk strekte, om verloren eigendom terug te erlangen. Die afwijking werd veroorzaakt door sterken afkeer van den diefstal, als het gevaarlijkste misdrijf voor de rust der maatschappij. Daardoor werd ook tot misdrijf uitgestrekt de actie, die naar zijn oorspronkelijk karakter diende, om den eigendom terug te bekomen van goed, dat in het burgerlijk verkeer hetzij volgens overeenkomsten (pacta), hetzij door handelingen , die beschouwd werden, daarmede eenige overeenkomst te hebben, aan anderen was overgedragen (128). Het mis-

(127) In dit opzigt is cok Keller van hetzelfde gevoelen . terwijl hij de condietiën, waarbij de overdragt van goed en de daaruit voortspruitende pligt tot teruggaaf niet berust op eenige overeenkomst of gemeenschappelijke handeling (auf cuntractischen Willen), zooals hij de condictio furtiva en ex lege, onregelmatige of anomalische condietiën noemt. Pand. § 304.

(128) Wij maakten vroeger opmerkzaam op de plaats van Gajds Inst. III § 91 , waar deze zegt, dat betaling van iets wat men niet schuldig is , geene handeling is om te verbinden , maar veeleer om to ontbinden.

Die beschouwing moet er toe geleid hebben. om de noodzrkelijkheid eener afzonderlijke formula meer te doen gevoelen. In het stelsel der condietiën bleef men echter in die betaling eene handeling zien, waaruit verbindtenis kon ontstaan, even als uit overeenkomsten van het gewoon verkeer. Zoo beschouwde men de daaruit ontstaande obligatio, als eene obligatio quasi ex contractu Inst. Ill 27, § 6: -Item is, cui pererrorem quot; non debitum solvit, quasi ex contractu debere videtur.»

Men beschouwde in allen gevalle de verbindtenissen, die aan de condietiën volgens haar aard tot grondslag lagen, als ontstaan uit vrijwillige handelingen van gemeenschappelijk overleg. He Romeinen drukten dat uit door de woorden : /-Negotium contractum est.quot; L. 33 ff. de fond. Ind,

ocr page 174

— 14B —

drijf, waarvoorde condictie gegeven werd, was uitsluitend diefstal. Maar het begrip van diefstal was in het Romeinsche zoo uitgestrekt, dat werkelijk alle onregtmatige toeëigening van eens anders goed daaronder viel. Het was de arglistige toeëigening van eenig goed, om zich met dat goed zelf of met het gebruik of het bezit daarvan te verrijken (129).

Aldus was er niet alleen diefstal van goed, dat aan het feitelijk bozit van anderen onttrokken werd,maar ook van het goed dat men in bewaring ter leen of als lasthebber van den eigenaar ontvangen had , zoodra men het aldus aanvankelijk ter goeder trouw overgereikt goed arglistig aanraakte, om het voor zich te nemen. Er was diefstal van gestolen goed, al had men dat ter goeder trouw opgenomen, zoodra men de afgifte aan den terugvorderenden eigenaar weigerde; 1. 44 ff. de Acq. rer. dom, (41.1) //tamen cum reposcenti non reddit, //supprimere et intercipere videtur, quare et furti et ad exhi-//bendum teneri eum arbitror//(130).Evenzookon ook hetgeen door overstrooming op eens anders erf was aangespoeld, onder diefstal vallen, gelijk door Ui.ïianus inl. 4 §2 ff. de Reb.Cred. is aangewezen: //Ea, quae vi liuminum importatasunt, condici possunt.\'/ Het ter kwader trouw aannemen van geld, dat een ander uit dwaling betaalt, maar \'tgeen men zelf wel wist, dat niet verschuldigd was, werd als diefstal aangemerkt 1. 43 pr. ff. (47. 2): //Falsus creditor, hoc est is, //qui se simulat creditorem, si quid acceperit, furtum facit, /\'nec nummi ejus fient.// Ook 1. IS ff. de Cond. furt. verklaart voor furtum, //qunm quis indebitos nummos sciens //acceperit.// Ja zelfs werden dergelijke feiten als diefstal

(129) Men zie over deze definitie van den Romeinschen diefstal, waaromtrent bij de meeste Romanisten ten gevolge der fontive lezing in de Instituten van Jostisiakus, eenige misvatting bestaat, mijne verhandeling over het Begrip van diefstal, Themis, Ï366 bl. 263.

(130) Ten einde zich voor de actio furtivate vrijwaren, bestond reeds bij de Romeinen de gewoonte, om eene openlijke bekendmaking te laten uitgaan , dat men het goed gevonden had en bereid was, het aan den eigenaar af te geven 1 -^3, § GT. de Furt. (47. 2).

ocr page 175

aangemerkt, als iemand eene schuldbekentenis vernietigde, om zich van de betaling te bevrijden 1. 27, 28, 31 en 32 fl\'. de furt. \'/Si quis servo meo persuaserit, ut nomen suum //ex instrumento (puta) emtionis tolleret et Mei.a scripsit //et ego puto, furti agendum.// Het was dus volkomen juist, dat oudtijds reeds door Sabinus als algemeene regel (131) gesteld werd , dat hij die eens anders goed aanraakt, terwijl hij moet weten, dat hij dat doet tegen den wil des eigenaars , schuldig is aan diefstal, welke regel is overgenomen in de Instituten van Gajus III, § 195: »Fur tuin //autem üt non solum , cum quis intercipiendi causa rem //alienam amovet, sed generaliter cum quis rem alienam invito //domino contrectat.//

Neemt men hierbij in aanmerking , dat men in de toelating der condictio furtiva zeer ruim was, zoodat men die toeliet ook in die gevallen, waar althans volgens het latere regt geen diefstal bestond, namelijk bij heimelijk of gewelddadig toegeëigend onroerend goed (132) 1. 25 ft\', de furt. (47. 2), en waar het latere regt eene andere bijzondere actie, zoo als bij rapina, had toegelaten 1. 10 § 1 b. t.; dan kan men veilig tot het resultaat komen, dat de condictio furtiva was toegelaten in het algemeen tot terugvor-

(131) Aülüs Gellics, Noct., Att. XI. 18.20. Dezelfde regel komt voor bij PiDLrs, Eec. Sent. II, 31 § I.De bepaling Inde Inst. IV, I§ 1 heeft dezelfde strekking. Zie over de juiste bepaling van diefstal mijne boven aangehaalde verhandeling.

(132) In dit geval was de actio furti uitgesloten. Het aangehaalde fragment uit Ulpianus luidt; quot;Verum est quod plerique probant, «fundi furti non agi posse, unde quaeritur. si quis de fundo vi -■\'dejectus sit, au condici ei possit, qui dejeeit ? Labeo negat, sed quot;Celsus putat posse condici possessionem: qnemadmodum potest re quot;inobili subrepta.quot; Men nam het dus nipt de condictio ex causa Jurtiva niet zoo streng in de opvatting van het furtum als met de actio poenalis.

De actio vi bonorutn raptorum sloot de actiones voor het furtum niet uit, Inst. IV. 2. pr.

Zie over het furtum rei immobilia bl. 31.

10

ocr page 176

dering van het goed , dat iemand door eenigerlei onregt-matige daad in zijn vermogen had overgebragt, gelijk Puchta, Pand. § 311, het zeer juist heeft uitgedrukt (133).

Let men er overigens op, dat de condictio furtiva als gewone condictie wordt aangemerkt, terwijl dit alleen de groote afwijking oplevert, dat zij niet wordt gegeven voor een werkelijk bestaand creditum en tot terugvordering van eigendom (dat regtens door den diefstal niet verloren wordt) maar wegens diefstal, of zooals de Romeinen het uitdrukken, ex causa furtiva ,• dan kan er geene aanleiding bestaan, om de actie voor iets anders te houden, dan voor eene gewone burgerregtelijke actie, strekkende om in het vermogen terug te brengen, wat te onregt daaruit is verwijderd. Daarmede verdwijnt alle twijfel, die onder de oude juristen bestond, of de condictio furtiva ook als actio poenalis moest beschouwd worden, gelijk Cujaoiüs Obs. 7. 37 onder anderen beweerde. — Dat deze condictio dat niet is, blijkt daarenboven voldoende uit 1. 5 en 9 0\'. h. t., waar als aigemeene regel zonder uitzondering gezegd wordt, dat deze actie ook tegen den erfgenaam wordt gegeven. In de laatste wet is daar zelfs uitdrukkelijk bijgevoegd, dat dit niet is zooals in strafactiën, voor zoover de erfgenaam bevoordeeld is, in iel, lt;juod pervenit, maar in solidum. Daarenboven is aan deze actio ook niet de infamie verbonden, even als aan de actio furti 1. 36. fCessat ignominia in condictionibus, quamvis ex famosis //causis pendeant\'/ (134).

Overigens heeft de afkeer van den diefstal ook enkele

(133| Men zie over de uitgestrekte opvatting van het fnrtura inzonderheid ook Vangerow, Leitf. § 679.

(134) Door Savigsy Syst. V, Beil. 14, Nquot;. 15 bl. 551, is ook aangewezen , dat deze actie geene actio poenalis is. In zijn betoog is echter de misstelling opgenomen, dat zij eene condictio sine causn is. In zijne theorie werd door Savignv voorbijgezien , dat de condictio sine causa, in tegenstelling met deze condictio, gegrond was op handelingen van burgerlijk verkeer van contractuëlen aard.

ocr page 177

andere bijzonderheden bij deze eondictie ten gevolge gehad. De hoogste waarde, die het gestolene sinds den diefstal gehad had, moest steeds vergoed worden, zoodra de zaak niet in natura kon geleverd worden 1. 8 § h. t. (135).

Dit werd natuurlijk ten strengste genomen, omdat de dief altijd in mora was. Van daar had hij ook geen regt op vergoeding der kosten, tot behoud of verbetering gemaakt, 1. 13 h. t. De gedaagde moest daarenboven ook al de schade vergoeden, die de eigenaar door het gemis geleden had, ook zelfs de meest toevallige schade, b. v. veroorzaakt door dat de eigenaar de erfenis gemist had , die overigens o;gt; zijn inmiddels overleden slaaf gevallen, door diens overlijden wegviel 1. 3 h. t.

Uit het bovenstaande blijkt, dat de condictio furtiva niet alleen strekte tot terugvordering van bepaalde gestolene goederen, waarvoor de intentio der algemeene condictiën, si parel dare oportere, voldoende was; maar dat behalve dat ook nog de geheel onbepaalde schadevergoeding het voorwerp der actie zijn kon. Dit moest natuurlijk worden ge-bragt tot een facere, omdat het dare in de intentio, gelijk wij vroeger gezien hebben, altijd sloeg op bepaalde zaken, pecunia aut om.nis res certa, Gajus IV § 33. Hoewel nu de bestolene, zoo hij verkoos , eenvoudig de actie kon instellen met de intentio si parel dare oportere, geilst) Dit was onder andere het geval, indien het ontvreemde door spccificatio of accessio tot een andere stof was overgegaan. Zoodra iemand dat te kwader trouw had gedaan , was er werkelijk diefstal en grond voor de condictio furtiva. Waar geen kwade trouw bestond, maar b. v. de erfgenaam van den pandhouder of in-bewaring-houder het goed van een ander op die wijze had gebezigd, daar kon de algemeene condictie worden ingesteld, zooals wij vroeger, op blz. 39 en 40, ontwikkeld hebben. Inst. II, I § 26 : «Si alienam purpuram vestimento suo quis quot;intexuit, accessionis vice cedit vestimento et qui dominus fuit purpurae, quot;adversus cum qui subripuit habet furti actionem et condictionem, sive quot;ipse sit, qui vestimenta fecit, sive alius. Nam exstinctae res a furibus «et quibusdam aliis possessoribus condici possunt. -

ocr page 178

lijk Gajus I. IV, § 3 uitdrukkelijk zegt, dat is decondictio si certum peteiur, indien het gestolene in geld, de triti-caria, indien het in andere bepaalde zaken bestond (136), moet daar naast ook eene intentio incerta gestaan hebben, omdat anders de onbepaalde schadevergoeding niet kon worden toegewezen. Ook de bronnen zelve wijzen op eene condiclio incerta. Men zie 1. 12 § 2 h. t., waar den pandhouder de condictie wordt toegezegd tot terugvordering zijner possessie (137).

Er moet dus ook eene intentio quicquiddare Jacere opor-let voor deze actie bestaan hebben. Terwijl het dare daarin evenzeer begrepen was en de formula met de intentio incerti, bepaald in deze condictie, wegens de mora van den dief en het odium furum, bijzondere voordeelen beloofde, kunnen wij de incerta formula als de doorgaandeen de eigenlijke formula beschouwen van deze condictie, die derhalve aan die der overige speciale condictiën vrij gelijk was. Zij moet aldus hebben geluid:

QÜOD ADLÜS AGERII MILLE 3estertium (VEL BOVEM ALIAMVE REir) FKADDÜLOSE LUCRI FACIUNDI cadsa CON-TU15CTAVIT,

QdICQUID ob kam rem dare paceke oportet,

J cdex condemna.

Hier moet ook nog met een enkel woord vermeld worden de actio rerum arnotarum, strekkende tot terugvordering van goed, dat de gehuwde vrouw aan haren echtgenoot arglistig ontvreemd heeft. Het Romeinsche regt wilde daarin geen diefstal gezien hebben wegens de naanwe betrekking

(136) Vroeger hebben wij, op blz. 96, gezien, dat het echter ook vrijstond daarbij iu eene praescriptio den feitelijken grondslag, dat is hier den diefstal , aan te wijzen.

(137) Men weet, dat de pandhouder de possessio civilis had van het pand. In het algemeen zullen de possessores civiles regt op deze con-dictio hebben gehad. — De actio fxkrti werd ook aan den huurder, den iu-leen-houder enz. gegeven.

ocr page 179

tusschen manen vrouw. Misschien ook was\'teen overblijfsel van het oude Romeinsche huwelijksregt, waarin de vrouw (in manum mariti convents), even als de kinderen (filiae loco), geen eigen goed bezat en regtens aan den man geheel onderworpen was. Men had daarom eene bijzondere actie gegeven voor dergelijke ontvreemdingen, door de huisvrouw vóór de echtscheiding begaan. — Het was alzoo niet in waarheid, maar alleen in naam, dat bij deze actie niet van diefstal spraak was. Zij ontsproot in werkelijkheid uit diefstal. Van daar dat, indien bleek, dat de vermeende vrouw niet wettige huisvrouw, maar coiicubina was geweest, b. v. indien door eene of andere omstandigheid het feitelijke huwelijk regtens nietig was, dezelfde handelingen, die anders grond opleverden van de actio rerum amolarum, als diefstal werden beschouwd 1.17 pr. de act. rer. am. (25. 2). Ui.pianus redeneert daarenboven, terwijl hij over deze actie spreekt, uit het algemeen begrip van diefstal 1. 2) § 6 h. t. (138). Hij voegt er in de voorgaande paragraaf bij, dat deze actie, hoewel uit delict ontstaande, is rei yersccutoria, precies evenzoo als de condictio furtiva. Wat zou/rnen bijna nog meer willen, om te betoogen, dat hier alleen verschil in naam is? — Er is echter nog meer. Gajus gaat nog een stap verder en zegt, dat deze actie eene condictio is 1. 26 ft. h. t. quot;Rerum amotarum actio condictio est.« Dezelfde jurist heeft er, in hetzelfde geschrift ad Edictum Praetoris, de reden der naamsverandering bijgevoegd met de woorden voorkomende in 1. 2 h. t. «Nam in honorem matrimonii «turpis actio adversus uxorem denegatur.\'/

Na dit getuigenis kunnen wij veilig aannemen, dat de actio rerum amotarum de condictio ex causa furtiva is, terwijl men daaraan alleen uit eerbied voor het huwelijk een anderen naam gegeven heeft.

(1.3S) Hij zegt, dat het den man of de vrouw niet baat \'om een zachter Tonnis te krijgen) dat zij niet bij magte zou zijn, om te betalen ; want dit hangt zamen met diefstal. Men zie hierbij 1. 53 üquot;. de Re Jud. (42. I).

ocr page 180

Deze actie, oorspronkelijk alleen tegen ontvreemding door de vrouw gerigt 1. 1 h. t., werd later ook aan de vrouw gegeven tegen den man, 1. 7,11 en 14 h. t. De praes-criptio moet dus met eene kleine wijziging der furtiva, ongeveer aldus hebben geluid :

Quod Sempronia Agïïrh üxor (vel Agèrids Sempuonue

VIlO ANTE UIVORTIDM MILLE SESTHHTIUM (ALIAMVE 1!EM) ERAUUÜLOSE DOMO AMOVIT.

6. Conclictio ex lege.

Gelijk de condictio furtiva een afwijking was, door het volksbewustzijn odio furum, verlangd en door het regt toegelaten; zoo deed hier het positive regt, de stellige wetsbepaling, nog dieper greep in het jus civile door de actie, oorspronkelijk alleen voor het creditum gegeven, uit te breiden tot die vorderingen, waaraan volstrekt geene burgerlijke handeling, geene regtsbetrekking, ontstaan door handelingen van privaatpersonen, tot grondslag lag. De eenigste grond was hier de wil des wetgevers (139).

Het is natuurlijk een gebied, waar de wetgever uittermate omzigtig behoort te zijn. Met deze regtscheppende magt bekleed, kan de wetgever zich zoo ligt laten verleiden, om schroomelijk misbruik te maken van deze ontzettende magt, waarvoor de grenzen hoogst moeijelijk te bepalen zijn. Het is echter niet te miskennen , dat deze magt voor den Staat onmisbaar is. Even als in elk zedelijk ligchaam het ligchaam zelf, door het bestuur vertegenwoordigd, reg-ten heeft tegenover de leden, zoo zal ook de Staat zijne eigenaardige regten tegenover de burgers moeten oefenen. Het spreekt van zelf, dat aan de wetten, waardoor die ver-pligtingen geregeld worden , algemeene beginselen van regt

1391 Zie Mr. Kappeyne vah de Coppelio in Themis, IS.1)7. bl. 140—542.

ocr page 181

tot grondslag moeten liggen en dat de wetgever zich alleen daar binnen bewegen mag; maar als naaste grond voor die verpligtingen geldt, althans volgens Romeinsche regtsbe-schouwing , de wil des wetgevers. Deze is de causa obliga-tionis. Terwijl alzoo de wetgever eene verbindtenis schept en in het leven doet treden, is het ook noodzakelijk, dat de wetgever de wijze regelt, hoe die verbindtenis kan en moet worden uitgevoerd, indien de burger mogt weigeren, daaraan te voldoen.

Het kan ons dus niet bevreemden, zoo het Romeinsche regt, de formula aanwees , die voor de verbindtenissen ex lege moest gevolgd worden. Dit had plaats. Men wees daarvoor de formula der condictio aan. Die aanwijzing werd eens voor altijd gedaan voor elke verbindtenis, die door eenige nieuwe wet zou worden ingevoerd; voor zoover r.amelijk die latere wet geene bijzondere afwijkende formula of procesvorm zou aanwijzen. //Si obligatie lege nova introducta sit, nee //cautum eadem lege, quo genere actionis experiamur, ex //lege agendum est,quot; zoo luidt de eenigste wet (een fragment van Paui.us) van den titel over deze condictie in de pandecten. Wanneer deze procesvorm van de obligatione* ex lege in het algemeen is aangewezen, wordt niet vermeld ; maar bezwaarlijk zou men dit in eene andere periode kunnen stellen, dan in een tijd, waarin het procesregt in het algemeen geregeld werd , gelijk dat plaats had bij de lex Aebutia.

Een merkwaardig voorbeeld van zulk eene obligatio ex lege geeft ons de lex Julia municipalis, in de tabula Hera-cleensis al. 17 en volgende, alwaar eene actio popularis wordt gegeven, de strekking hebbende om voor elk mud tarwe vijf honderd sestertiën te geven aan het volk (van het municipium), tegen ieder die bij uitdeelingen van koren,daarvan zou hebben uitgedeeld aan anderen, dan aan hen,wier namen door den magistraat openlijk waren bekend gemaakt. Dat dit geld werkelijk moest worden gevorderd door de con-

ocr page 182

— 154 -

dictio, blijkt uit de woorden dare damnas esto (140) terwijl ook het woord pelitio op de condictio betrekking heeft, gelijk wij vroeger hebben gezien. Dergelijke strafactiën, als actiones popnlares, komen ook voor in de wet van het municipitim. Malacitamm, als boete, in caput 58 tegen de verhindering der Comilia\\ in C. 61 tegen deopdragt van het municipium aan een patronus, anders dan volgens besluit van de meerderheid der Decuriones; in C. 62 tegen de overtreding van het verbod om gebouwen binnen de stad af te breken; en in C. 67 tegen de nalatigheid van ambtenaren, om gelden of geldswaarden van het municipium van de houders binnen den bepaalden termijn te innen. In alle deze gevallen bevat de wet overeenkomstig de formula der condictie de woorden dare damnas esto. Deze actiones waren popnlares.

De wet voor het municipium van Salpensa bevat op gelijke wijze in C. 26, eene boete tegen de ambtenaren, die hun ambt aanvaarden zonder den eed van trouw aan deze wet te hebben afgelegd.

In de iex Julia Municipalis komt al. 40 en volgende nog weder eene belangrijke obligatio ex lege voor. In de muni-cipia werd, even als te Rome het geval was, aan elk aanliggend eigenaar de verpligting opgelegd, om de straat langs zijne woning tot op de helft te onderhouden. Bleef hij daarin in gebreke, dan besteedde de Aedilis de herbtel-ling van de straat voor de woning openlijk uit, met aanzegging, dat hij de aannemings-som moest betalen. Volgde die betaling niet binnen 30 dagen , dan verklaarde de wet hem schuldig, om de aannemingssom aan den aannemer te betalen en kon de condictio, als voor certa pecunia credita,

(140) Dc plaats luidt: quot;Qui adversus ea eorurn quei iarn een van heu, -wier namen niet door den Consul Praetor, of Volkstribuun, op de lijst -waren gebragt) frumentum dederit, is in tritici modiura unum sestertios -quingentos populo dare damnas ento, ejusqne pecuniae . ei qui volet, -petitio esto.quot;

ocr page 183

tegen hem worden ingesteld, zoo als de wet er hier uitdrukkelijk bijvoegt (141).

De Codex van Justinfanus levert ons in 1. 1 h. t. (4.9), de eenigste wet van dien titel, die over de condictio ex lege handelt, een voorbeeld van grof misbruik van de magt des wetgevers, om obligationes te scheppen. Daarbij is aan den fiscus een schandelijk privilegium gegeven. Eene constitutie der keizers Dioci.etianus en Maximianus verpligt namelijk den schuldenaar op termijn van iemand , die zelf niet bij magte is, om zijne schuld aan den fiscus te betalen, tot voldoening dier nog niet vervalleu schuld vóór den vervaltijd, alleen //ut fisco, cujus ob necessitates publicas cau-//sam potiorem esse oportet, debita pecunia exsolvatur.// Het spreekt van zelf, dat deze vordering, die alle gezonde regtsbeginselen onderste boven wierp, zijn eenigaten grond vond in de constitutie, die als wet gold.

Door Keller § 306, worden nog twee andere gevallen aangevoerd. In 1. 8 fi\'. de Scto Sil. (29. 5) wordt vermeld de bepaling van het Senaluscnnsullum Pisoniantm, waarbij aan den verkooper van een slaaf, die overtuigd en gestraft wordt wegens medepligtigheid aan moord van zijn eigen meester of van dien van zijn medepligtige de verpligting wordt opgelegd, om den ontvangen koopprijs aan den kooper terug te geven.

Bij de beschuldiging van a/Wtorów schreef de lex Julia voor, dat de slaven van den beschuldiger en van den beschuldigde, die aan het onderzoek der pijniging werden onderworpen , in het openbaar moesten worden verkocht, ten einde hen meer onbeschroomd te doen spreken. De waarde, waarop zij werden getaxeerd, moest den eigenaar worden vergoed

(141) quot;Si is, qui attributus erit, earn pecuniam diebus triginta //proxumis, quibns ipse aut procurator ejus sciet, attributionem factani quot;esse, ei, cui attributus erit, non solvent, nequesatisfecerit, is,quantac \'pecuniae attributus erit, tantam pecuniam et ejus dimidium ei. cui \'-attributus erit, dare debeto, inque earn rem is, quacunque de ea re \'aditum erit, judicem judiciumque ita dato, ut de pecunia credita -judicem judiciumque dari oportebit.

ocr page 184

— 156 -

door den aanklager (142). De actie daarvoor was de con-dictio ex lege, gelijk Marcianus uitdrukkelijk zegt 1. 28 ff. ad 1. Jul. de ad. (48. 5) : //Quod ex his causis debetur, //per condictionem , quae ex lege descendit, petitur.//

In vele gevallen zal het gevorderde een bepaalde geldsom, en derhalve een certum zijn geweest; in het laatste geval echter was het verschuldigde een incertum, namelijk zooveel als waarop de waarde zou geschat worden. De intentio moet dus eene incerta zijn geweest. Derhalve moet de formula ongeveer aldus hebben geluid :

Qüod Aclds ex l. Julia münicipali Agerio qui viae

juxta ejus insüi.am sternen dam kedemit , jussu akdilis attributus est in ootingentos sestertios , v«i ex l.

Julia de adulteriis ooörckndis de Titio , Sempronue

UXOBIS SekVO , quaestionem HAIiülT ET SemPRONIA abso-LUTA est ,

Quicquid ob eam rem dake fackbe oportet (14S) Judex Condemna.

7. Condictio ex legato.

De condictio ex legato of ex causa legati sluit zich aan de condictio ex lege. Zij had denzelfden grondslag, namelijk den wil des wetgevers , waarop het geheele testamenten-regt der Romeinen rustte Het is bekend, dat in den ouden tijd de beschikking over goederen na doode in pleg-tigen vorm werd vastgesteld door eene wet, die het volk in de volksvergadering ter behandeling van sacra vaststelde. Daaraan sloot zich het testament in het leger, waaraan ook weder het Romeinsche volk, in slagorde geschaard, deelnam, Gajus, Inst. II §101 117. In plaats daarvan kwam later de opmaking van het testament ./«re civili onder (142) Deze vordering was in siraplum, doch waar de slaaf van mede-pligtigheid beschuldigd werd, in duplum, 1. 27 § en 16 If. ad. 1. Jul. de ad.

(143; In het laatste geval met by voeging der woorden ex judicum arbitratu 1. 28 § 16 ff. 1. Jul. de ad.

ocr page 185

— 157 —

vijf getuigen, die het Romeinsche volk vertegenwoordigden, terwijl het getal van vijf wanrschijnlijk was genomen naar de vijf classes, waarin het volk volgens de regeling van SERVtus Tui.i.nis was ingedeeld (144).

Waarschijnlijk was het reeds eene gewoonte geworden, dat de erflater, de paterfamilias, zelf de beschikkingen maakte, die hij wilde, en dat het volk door een besluit in de vergadering daaraan alleen vormshalve kracht van wet gaf, toen de lex XII tahularum de bepaling maakte, dat de wil van den vader als wet zou gelden. Uti legassit super pecunia tutelane suae rei jus esto, was alzoo de grondslag voor het Romeinsche testamenten-regt. Zoo naauwgezet wordt dit opgenomen, dat de bewoordingen van den erflater in den meest strengen zin het regt van den legatarius regelden.

Wat geschreven stond, was wet, gelijk ten duidelijkste blijkt uit de behandeling der legaten bij Gajus Inst. II, 193—222. Had de erflater in zijn testament gezegd, dat hij zijn huis gaf of legateerde aan Titius, dan had Titius onmiddellijk den eigendom van het huis en kon hij dit dus bij vindicatie eischen. Had de erflater geschreven, dat zijn erfgenaam moest toelaten, dat Titius het huis of den slaaf voor zich nam, dan was er voor den erfgenaam geene verbindtenis tot afgifte, maar moest hij alleen toelaten, dat Titius het huis of den slaaf tot zich nam. Stond er geschreven , dat Titius den slaaf Stichus vooruit zou nemen, dan kon dat alleen gelden, voor zoo ver de ingestelde legataris een der erfgenamen was: was hij dat niet, dan was het legaat nietig. Indien eindelijk de erflater had geschreven, dat zijn erfge-

(1441 Pacliis Diaconds i. v (Festüs cd. Muller, bi. 56). -Classici quot;testes dicebantnr, qui signandis testamentis adhibebantur./-

Het woord classici kan hier bezwaarlijk uitsluitend de burgers der eerste klasse aanduiden, welke bcteekenis volgens Gellius, Noet. Att. VII, 13, daaraan moest worden gehecht in eene oratie van M. Cato.

Men zie behalve IIuschke, scm\'ks Tuil ins, bl. 271, inzonderheid II. Bodemeter, Die Zahlen dei Ram, Rechts, Gottingen. IÖ55, bl, 53.

ocr page 186

_ 158 _

naam veroordeeld werd, om den slaaf Stichus over te dragen aan Titius, dan ontstond daaruit voor den erfgenaam de verbindtenis om den slaaf aan dezen over te dragen, jr Gajus, Inst. W § 204 heeft er uitdrukkelijk bijgevoegd, met welke intentio, dat is, met welke formula, dat in het bovengemelde geval plaats had. De legatarius moest de personele actie instellen met de intentio, heredem sibi dare omorlere, dat is de intentio der condictio. üit stemt overeen met de reeds aangehaalde 1. 9 flquot;. de Reb. Cred. (12. 1), waar Ulpianus zegt, dat de algemeene condictio ook werd gegeven ex causa legati. Het ligt overigens voor de hand , dat terwijl legaten niet alleen in overdragt van bepaalde goederen , maar ook van onbepaalde zaken en in handelingen kunnen bestaan, de intentio ook tot het facere moet zijn uitgestrekt. Men denke aan het legaat van het huisraad, de gouden versierselen, de kleederen, de standbeelden en van zooveel andere onbepaalde zaken.

Deze condictio bleef tot het legatum per damnationem beperkt, tot dat eindelijk, onder Constantinus en meer consequent onder Jusïinianus, het verschil tusschen de onderscheiden legaten volgens de verschillende bewoordingen in het testament wegvielen (143) en voortaan aan alle legaten verbonden werden de verschillende actiën, vroeger eigen aan elk der onderscheiden soorten van legaat, dat zijn de condictio en de vindicatio (144), en benevens deze nog volgens de con-stitutio van Justinianus de actio hypotheearia, Inst. IT, 20 § 2, en inzonderheid 1 1 Cod. Comm. de leg. (6. 43).

Terwijl deze condictio derhalve ook onbepaalde zaken tot onderwerp had, moet de formula ook de incerta intentio hebben toegelaten (145) en ongeveer hebben geluid :

(143) Tot welke spitsvondigheden dit aanleiding had gegeven, zie men op de aangehaalde plaats bij GajosII, § 193—222).

(144) Hier was dus dezelfde afwijking van den regel, als bij de condictio furtiva , waarop wij reeds hebben gewezen in noot 47 opbl. 50.

(145) T\'at ook de intentio certa si paret dart oportere }lotï gegeven worden , hebben wij reeds gezien.

ocr page 187

Qüod Aülus defunctus testamento ueredem Titiom damnavit, ut fünduïm tuscülanum (vel totum suppkllec-TILt) AgEKIO daret, vel ut AgERIO iksula1i aedipicaret ,

ql\'icquid ex testamento dare facere oportet,

Judex Titium Agbrio condemna.

8. Condiotio ex lege Aquilia.

Tn al. 9 § 1 ff. de Eeb. Cred. (12. 1) wordt ook melding gemaakt van eene condictio ex lege Aquilia : //Com-«petit haec actio etiam ex legati causa et ex lege Aquilia.u

Dat hier wordt gesproken over de algemeens condictio si certumpelelur, is duidelijk. Die algemeene condictio kon echter uit haar eigen aard niet worden gegeven: er was dus even als bij het legaat en de condictio ex lege eene bijzondere wetsbepaling noodig, om voor de bijzondere gevallen, voorzien bij de lex Aquilia, te kunnen worden toegepast. Waarin die wetsbepaling heeft bestaan en in welke gevallen de condictio dus kon gegeven worden, heeft groote moeijelijk-heid, omdat ons daaromtrent de bronnen ontbreken. Dat echter het voorwerp der gewone actio de damno injuria dato geen voorwerp der condictio zijn kan, weten wij met zekerheid; die* actio ex lege Aquilia was eene actio poenalis (146). Die laatste actio werd ook gegeven , indien eene schuldbekentenis was vernietigd 1. 40 en 42 ff. de 1. Aq. (9. 2). Nu kon volgens het oordeel van Savigny Syst., Beil. 14, bl. 550 in dat geval ook eene condictio ex lege Aquilia voor de verschuldigde som zelve worden ingesteld. Dat in die gevallen eene »ondictio kan worden ingesteld, is ontwijfelbaar; maar dat was niet eene bijzondere condictio ex lege Aquilia, maar de gewone condictio furtiva, gelijk wij op blz. 726 gezien hebben.

Er blijft dus voor de condictio ex lege Aquilia geene

(146) Men moest het beschadigde vergoeden volgens de hoogste waarde, die dat goed in het laatste jaar of in andere gevallen in de laatste 30 dagen gehad had. Dit was voorzien in het eerste en in het derde hoofdstuk der wet, Gajus IV, § 214 en 218.

ocr page 188

— 160

andere ruimte over, dan het tweede hoofdstuk der wet, waarop ook t. a. p. door Savignï is gewezen. In dat hoofdstuk, dat weldra in onbruik geraakt is, werd gehandeld over misbruiken van de adstipulatores t dat zijn, depatroni, die door hunne cliënten waren geroepen, om toe te treden tot de stipulatie, waarin zij zich eene belofte tot betaling lieten geven; opdat de patroon zelf, indien aan de stipulatie niet voldaan werd, uit eigen hoofde tot de inning hunner pretentie in regten zou kunnen optreden. Gaf nu deze adstipulator ter verkorting van de regten vau zijn cliënt op eenigerlei wijze eene bevrijding van de verborum obligatio, dan verleende de lex Aquilia den cliënt eene actie , tot vergoeding der schade, hem door zijn patroon berokkend. De cliënt kreeg daardoor terug , wat hij verloren had en het is daarom zeer aannemelijk, dat deze actio ex lege Aquilia als condictio behandeld werd, en onder dien naam in de lex Aquilia is voorgekomen. Volgens Gajüs, Inst. IV, § 215, werd deze actie verleend voor geld, waarvoor door den adstipulator in iravdem stipulatoris bevrijding was gegeven. De jurist zegt echter, dat de actie strekte quanti ea res est. De condictio moet *dus hebben gestrekt niet bloot tot teruggaaf van het goed, maar tot vergoeding der schade in het algemeen, waaronder waarschijnlijk ook de opheffing der bevrijding in sommige gevallen kan begrepen zijn geweest, hetgeen een Jacere was. De formula moet dus die eener condictio incerti geweest zijn.

Qüod Aülus mille sesiertium, qdae skmpronios ,

Agerio kt sibi adstil\'ulatori dare pkomis1t , in fraudem stipulatoris accepta tuut,

quicquid ob eam kkm dare facere opoktet,

Judex condemna.

Terwijl overigens in de Instituten van Gajus reeds is aangeduid , dat het tweede hoofdstuk der wet weinig praktische waarde had , omdat men voor dergelijke zaken de actio mandati had , en de Instituten van Justinianus IV, 3 § 12, de opgaaf bevatten , dat dit hoofdstuk geheel in

ocr page 189

onbruik geraakt was, is het niet te verwonderen, dat van deze condictie in de pandecten geene sporen meer voorkomen ; behalve ter loops in eene plaats van Ui.piANirs, waar deze de onderscheiden gevallen opnoemt, waarin de condictio si certum petetur kon voorkomen, de reeds aangehaalde 1. 9 § 1 fl\'. de Reb. Creditis.

9. Condictio ex Senatusconsulto Trehelliano.

In de reeds meermalen vermelde 1. 9 ff. de Reb. Cred. (12. 1) wordt ook gesproken van de condictio ex Senatusconsulto, dat is Trehelliano. Bij dit Sctum was bepaald, dat de verschillende actiën, zoowel actief als passief, in geval van fideicommissen, niet tegen den bezwaarden erfgenaam (hetgeen tot vele kostbare en tijdroovende cautiën aanleiding gaf), maar onmiddellijk tegen den fidei-commis-sarius zouden gelden. Dientengevolge werden de condictiën wegens verbindtenissen bij stipulatie aangegaan ten behoeve des erflaters , die volgens het gewone regt op den heres overgingen, volgens het senatusconsultum ingesteld tegen den fideicommissarius, 1. 1 § 2 flquot; de Set. Treb. (36.1).

In zoover ontstond ook hier de condictio uit het positive regt en had zij denzelfden grond, als de condictiones ex lege. Het was echter alleen eene overbrenging van de actie van den een op den ander, hetgeen de condictiën in dit geval met al de overige actiën gemeen hadden. In zoover zou men met regt kunnen beweren, dat dit eigenlijk geene afzonderlijke soort van condictio was. Natuurlijk gold die overbrenging voor alle condictiën, zoowel voor de algemeene als voor de speciale, zoowel voor de condictio certi, als voor de condictiones incerti. Eene algemeene formula kan dus voor deze condictio niet bestaan hebben. Vermoedelijk werd in de prae-scriptio van de schuld des gedaagden aan den erflater melding gemaakt, zoowel als van de hereditas tidicommis-

ocr page 190

— 162 —

saria, en sloot zich daaraan de intentio Si ex Scto Trebel-liano dare opurlet of Quicquid ex Scto dare facere oporlel.

10. Actio ex Stipulatu.

Eindelijk volgt eene der gewigtigste vau al de speciale condictiën, waartoe wij deze actie vroeger reeds hebben gebragt, bl. 68 (147). Men mag dit aannemen op de navolgende gronden. De stipulatio schept eene verbindte-nis, waarvoor de condictio gegeven wordt. Is het voorwerp een certnm, dan wordt daarvoor uitsluitend de gewone algemeene condictie gegeven, 1. 24 ff. de Reb. Cred. (lü. 1). //Si quis cerium stipulatus fuerit, ex stipulatu «actionem non habet: sed ilia condictitia actione id per-//sequi debet, per quam certum petitur.» De condictitiae actiones, waarop hier gedoeld wordt, waren de algemeene condictiën, si certum petetur, en de triticaria, alsmede de actio arbitraria. Het certum der stipulatio kon bestaan zoowel in andere bepaalde zaken, als in geld (148): omtrent beide kon de bepaling zijn opgenomen, dat het op eene bepaalde plaats zou worden voldaan.

Wat de eigenlijke grondslag was dezer actie, hebben wij met een enkel woord reeds besproken, op bl. 38 en 39 Daar zagen wij , dat aan de bijzondere regtsvormen der stipulatie hetzelfde regtsgevolg verbonden werd, dat volgens den aard van het Eomeinsche regt eigen was aan de over-dragt van goed in het vermogen van een ander, credendi causa gedaan.

Dat was ook het geval met de condictio ex lege en ex legato.

(147) Het bestek van mijne verhandeling, waarin deze actie alleen voorkomt wegens haar verband in het algemeen stelsel der condictiën, laat niet toe, in al de bijzonderheden der verborum obligatio te treden.

Men zie over deze actie Hüschke, Das Nexum, F. Liebe, Die Stipulation, H. R. Gneist, Formelle Vertriiye, en Wilhelm Girt anker, Die Stipulation, Kiel, 1859.

(148) Zie op bl. 17.

ocr page 191

— 16 :^ _

T)anr steunde dit echter uitsluitfim! op de stellige wetsbepaling, zoodat de wil des wiitgcvers het «migste vhiculuuL juris was. Bij de verhurum slipulatio daarentegen vloeide dit voort uit den oorspronkelijken vorm der stipulatio. De oude Romeiiisehe formula kennen wij uit Gajus List. IIT § 93 (149). Daarbij deed de sohuldeischer eene vraag tnet deze woorden: «Dari spondes?// Waarop de schuldenaar antwoordde: \'/spondeo*. Sponderehcteekcwt verllaren [\\§Ü). De schuldenaar verklaarde dus, dat aan hem werd overgedragen, b. v. eene som van 10,00(1 sestertiën. Deze verklaring gold regtons voor waarheid. Van daar dat tegen hem de gewone actie voor terugvordering van overgedragen goed werd gegeven (151).

(149/ quot;Sed haec quidem verborum obligatie Hari Sp- ndes? Spundeo, quot;propria civium Romanorum est: ceterae vero juris gentium sunt, itaqne quot;inter omnes homines, sive cives Romanos sive peregrinos, valent.

(150) Vakro dc lingua Latino, VI §69 (ed. Miiller bl. 99) quot;Spondere «est dicere. Spondeo a sponte, nam id valet a voluntate. Itaque qui ad quot;id, quod rogatur non dicit, non respondet.« Dezelfde verklaring van dit woord vinden wij bij Festus bl. 329 (ed. Müller\'; «Sponderc quot;Verrius putat dictum, quod sponte, id est, voluntate, promittatui*quot; en bl. 343 quot; Spondere antea ponebatur pro dicere, unde et respondere quot;adhuc manet, sed postea usurpari coeptum est de promissu ex interro-quot;gatione alteiius.« Of werkelijk het woord spondere met het woord sponte in verband staat, is moeijelijk uit te maken. Het oordeel der oude Gramatici daarover kan men niet altijd vertrouwen. Maar Vakro was wel in staat, om te oordeelen over de beteekenis van het woord in zijn tijd — Waarschijnlijk is, dat spondere in verband staat met het Grieksche azivóav (aTtóvdfj) plengen en overdraw tel ijk eene overeenkomst sluiten, omdat de Grieken gewoon waren, plegtige overeenkomsten met offerhanden en plengingen van wijn te verbinden. Op deze afleiding is ook gewezen door Festus in het vervolg op de aangehaalde woorden, althans met betrekking tot het woord sponsus in de beteekenis van verlooJde.

(151) Men zie over de beteekenis van de vormen der oude stipulatio F. Liebe, die Stipulation bl. 1 —19, P. C. Husciike, DasNexum, passim, bijzonder bl. 5 en volg. en 100 en volg. en inzonderheid W. Girt anner, Die Stipulation bl. 8!—149. De bestrijding van het gevoelen van Daxz, Sacrale Schutz cap. TI bl. 102. dat de sponsio in de stipulatio met het

11

ocr page 192

- 164 —

Oudtijds was men gewoon, bij die solennele woorden ook den vorm eener denkbeeldige overdragt te voegen, door ten overstaan van een schaalweger, libripens, een muntstuk aan den schuldenaar ter hand te stellen. Dat gebruik van aes et libra bij het aangaan van de oud-Romeinsche schuld kan men zich op geene andere wijze verklaren. Het gebruik daarvan heeft Üajus naauvvkeurig beschreven in zijne Instituten lil, § 174 (152), waar hij handelt over de solen-

Godsdienstwezen der Romeinen zou zamenhangen, door Girtanner bl. i—85, verdient ook bijzondere vermelding. De vermoedelijke zamen-hang van het woord spondere met het Grieksche ajrêvdftv (Zie de vorige noot) kou daarvoor eenige aanwijzing kunnen leveren, inzonderheid met het getuigenis van Dionysius Halicarnassensis (Ant. Rom. I. 401, dat de gewigtigste overeenkomsten te Rome oudtijds werden gesloten bij het altaar van Hercules. Daar staat echter tegenover, dat de Romeinen, blijkens het boven aangehaalde uit Varro en Festüs , althans spoedig bet bewustzijn van deze beteekcnis van het woord spondere hehben verloren , en het is ook zeer wel mogelijk, dat men bij het aangaan van verbindtenissen op het altaar van Hercules de gewone burgerregtelijke woorden gebruikt heeft. Het etynologisch bewijs zegt daarenboven weinig, omdat men niet kan aanwijzen, dat ook de Romeinen het woord spondere in den zin van plengen gekend hebben. — Met het gevoelen van Danz , ook gedeeld door Iherüng, Geist. des R, Rechts, 11 bl. 585, is in strijd, dat de aes et libra in het algemeen het symbool zou zijn van het burgerlijk of privaatregtelijk verkeer. Zoo stond de coëmtio als burgerlijke sluiting van het huwelijk tegen den gewijden vorm der confarreatio.

Algemeen neemt men aan eene denkbeeldige overdragt bij de man-cipatio en in het algemeen bij de contracten, per aes et libram gesloten. Men zie Dr. B. w. Leist, Die Mancipation, Jena, 1865 bl. 1—24. Ook iherfko t. a. p. bl. 245 en volg. deelt deze opvatting. De juiste opvatting der woorden van de oude stipulatie is hem echter ontsnapt, vermits hij die bl. \'-gt;84 opvat als dare spondes in plaats van dari spondes. Door die kleine afwijking zag hij voorbij, dat deze woorden oorspronkelijk sloegen op de overdragt van het muntstuk, als vertegenwoordigende de som, die men verklaarde te ontvangen.

(152) quot; Adhibentur autem non minus quam quinque testes et libripens: quot;deinde is qui liberatur, ita oportet loquatur : Quod ego tibi tot millibus quot;eo nomiuc.. . . damn as sum, solvo liberoque hoc aere aeneaque libra primam i\'postremamque. Deinde asse percutit libram, cumque dat ei, a quo quot;liberatur, velut solvendi causa.quot; Hoewel het nog niet gelukt is,

ocr page 193

ncle bevrijding van sdiuld , acceptilatio. Terwijl do ?plint-detiaar verklaarde, (lal, /uj de schuld afdeed met d\'U koper en deze schaal, tikle hij te gelijk met liet muntstuk op de schaal en gaf hij dat aan den schukK-i.-chei:, als het ware, tot betaling

Deze plegtige bevrijding per aes el lïbram was volgens Gajus Inst. Til, § 173 (15;5) gebruikelijk bij schulden, die nok per aes et libram, dat is, door ee io denkbeeldige overdragt, waren aangegaan Indien Aulus b. v., ten overslaan van een libripens met zijne schaal, terwijl hem een muntstuk werd overgedragen, verklaard had, dat hem door Agerius 10,000 sestertiën «aren overgedragen , voor welke som deze laatste derhalve eene condietie tegen hem had; dan sloeg daarop eigenaardig eene plegtige bevrijding van die schuld terug, waarbij Agerius weder onder gelijke vormen verklaarde, dat hem 10,000 sestertiën weder naren overgedragen.

Dat bij het aangaan der oud-Kouieinsche schuld (nexum) werkelijk zulk eene denkbeeldige overdragt of toeweging plaats had, weten wij uit Festus, die (bl. 165 ed. Müller) deze bepaling van het nexum geeft: \'-Nexura est, ut ait quot;Gallus Aelius, quodcunque per aes et libram geritur, \'/idque necti dicitur.v Dezelfde aanwijzing vindt men in Cicejio de. oralote o.\'lO: //Nexum est, quod per aes et //libram agitur.quot;

Alle regtshandelingen, waarbij eene denkbeeldige foewe-

tieze plaats, waaruit wij eenige volgens het Ms. twijfelachtige woorden hebben weggelaten, op voldoende wijze gohee! te herstellen, levert toch het fragment zelfs in dezen gebrekkigen vorm voldoende bewijs, dat er voor den vorm eene denkbeeldige bctaiing, imaginaria solutio, bij de formele acceptilatio plaats had, en dot dit geschiedde met overgift van een muntstuk.

\'153, *J£st ctiam alia species imaginariae solutionis, per aes et libram ; \'Huod et ipsum genus eertis in causis receptum est, veluti si quid eo ^nomine debeatur, quod per aes et libram gestnm sit, sive quid ex quot;Judieati Ci.usa debitum sit.

ocr page 194

— 166 -

ging en overdragt plaats had , waren, als gegrond op bepaald Romeinsche vormen, uitsluitend geldig tusschen Romeinen. Zoo was het ook met de stipulatio (lö^) in den ouden vorm dari spondes (155), die zich onmiddellijk aansloot aan het

(154/ De afleiding van het woord stipulatio van stips, een geldstuk, ligt het meest voor de hand. Festds leidt het daarvan af, bl. 297 ed. Müllerj quot;Stipem esse nuramum signatum, testirnonio est de eo, quod datur quot;Stipendium militi, et cum spondetur pecunia, quod stipularidicitur « en bl. 313 «Stipem dicebant pecuniam signatam, quod stiparetur. Ideo «stipulari dicitur is, qui interrogat alterum, spondeatne stipem, id est aes.»

De afleiding van het woord stips zal wel weinig geloof verdienen; doch dat het werkelijk een muntstuk aanduidde, weten wij ook uit latere bronnen. Het woord kan misschien hebben zamengehangen met stipula, halm. Vóór dat gemunt geld als rudmiddel algemeen in gebruik was, kon de halm, als vertegenwoordiger van het koren, als ruilmiddel zijn overgereikt. Het stipendium der soldaten, insgelijks afgeleid van stips, werd oudtijds ook betaald in koren. Met de verandering, waarbij het koren nis ruilmiddel werd vervangen door geld , kan de stips of stipula geld zijn geworden.

Men zie Huschke, Das Nexum, bl. 100, die echter te onregt ook nog wijst op het breken van den halm, als vermoedelijk symbool bij dit contract volgens Isidorüs Origems 4. 24. Die verklaring is, als kennelijk ontleend aan Germaansche vormen, reeds wederlegd door Savioxy Gesch. d. R. R. im Mittelalter II bl. 242 noot k en Syst. V bl. 538. Weinig geloof verdient de afleiding van Paulus Ree. Sent. V. 7 § 1, ook overgenomen in de Instituten pr. de Verb. Obl. (3. \'6), aldus luidende: quot;Stipulationes, quod per eas firmitas obligationum constringitur. quot;Stipulam enim veteres lirmum appellavemnt.// Men zal daaraan wel even weinig hechten als aan zoo vele andere afleidingen der oude juristen, niettegenstaande W. Girtakner bl. 229 daar nog eenig gewigt aan schijnt toe te schrijven. Ook Ifierung Gesch. d. R. R. heeft gepoogd, die oude afleiding te verdedigen door nieuwe etymologische gronden, die wij voor zijne verantwoording laten. — Gewigtig is hier het getuigenis van den ouden Varuo. Deze leidt ook stipulatio af van slips, muntstuk. In zijne lingua Lat inn V § 182 bl. 71, ed. Müller, lezen wij: quot;Ctiam nunc cum Düs quot;cum thesauris asses dant, stipem dicunt. et qui pecuniam alligat, stipu-quot;lari et restipulari.quot; — Zijne verklaring is ook aangenomen door Saviony , t. a. p. bl. 241.

(155) Gajus lust. 3 § 93: quot;At illa verborum obligatio dari spondes? quot;Spondeo. adeo propria civium TComanorum est, ut nequidem in Graecum quot;sermonem per interpretationem proprie transferri possit, quamvis dientur

\'U Graeca vote figurata esse. \' Zie ook noot 149.

ocr page 195

feitelijk creditum. Hiervoor werd dus weirrns den aard der regtshandelingen bij de stipulatie dezellde actie gegeven.

Dit regtsgevolg bleef\' behouden. niettegenstaande latei-de vorm der overgift van een muntstuk eu de schaal zelve werd weggelaten (156). Dit was op zich zelf eene kleine uitbreiding; want de hoofdzaak, dat is de erkenning, dat de geldsom of in het algemeen het goed was overgedragen, bleef bestaan. Het was deze erkenning, die grond opleverde voor de actie, dat is de condictie, tot verkrijging van het-geen men bij stipulatie beloofd had; hetgeen dus gevraagd werd, als terugvordering van hetgeen vroeger was overgegeven of overgedragen.

Grootcr, maar even geleidelijk, was de uitbreiding, dat men hetgeen, afgescheiden van den uitsluitend Homemschen vorm, essentieel was in de stipulatio, in het gewoon verkeer ook met vreemdelingen overhragt eu dat men ook voor de gevallen, waarin men zich zonder de solennele woorden tot overdragt van goed had verhouden, de condictie verleende. tiet was eene natuurlijke ontwikkeling, dat men aan de belofte, zonder plegtigen vorm gedaan, heizelfde regtsgevolg vethond, als aan de belofle, die met de oude vormen eener denkbeeldige overdragt vergezeld ging. Reeds ten tijde van Gajus waren de woorden, waarmede vraag en antwoord gedaan werd, onverschillig, indien slechts bleek van de verbindtenis,die de schuldenaar tegenover den schuldeiseher op zich nam (157). Zoo verdween langzamerhand

(156j Zoo had ook de accepiilatio zonder nes et libra dezelfde kracht als de acceptilatio met deze formaliteit. Men zie Gajus lust. III § 169.

(157) De onderscheiden bedingen bv. omtrent de teruggaaf der som, die schijnbaar was overgedragen en de overige nadere bepalingen van die obligatie moeten uit den aard der zaak altijd regtsgeldig zijn geweest. Door de bepaling dat de woorden de verbindteuis schiepen, zoodat op het werkelijk toegewogen gewigt of op het getal der werkelijk overgegeven muntstukken niet gelet werd, maar alleen op de rerklariug van den promissor, dat hem een bepaald gewigt of eene bepaalde som weid gegeven , was de schaal en de feitelijke overdragt tot een blooten vorm geworden. Dit was reeds vastgesteld door de lex XII tab., volgens welke

ocr page 196

— 16S

de oude vorm. Alleen bleef nog lang bestaan, dat van de overeenstemming der partijen moest blijken door eene vraag en daarmede overeenkomstig antwoord, gelijk dat dan ook wordt gevonden in da Instituten van Justiniamus pr. de V. O. (3.15), even als in die van Gajus in de bovenaangehaalde plaats. Indien echter van de vraag niet bleek, dan werd zij verondersteld, 1. 1 Cod. de Contr. et Comm. Stip. (8.38) 1. 30, 138 en 134 § 2 ff. de V. 0.(45.1) Paui.us Ree. Sent. 5, 7 § 2.

Nadat eindelijk de gewoonte was ontstaan (misschien door den invloed der Grieksche wereld), om de verborum obligatio in schrift te brengen, waarvan wij de voorbeelden vinden in 1. 40 ff. de Reb. Cred. (12.1) en 1. 126 § 2, ff. de V. O. v45.1), begon allengs het schrift de overige vormen te vervangen (158). Men schreef gewoonlijk in deze schuldbeken dtenissen (cautiones), dat de partijen tegenwoordig geweest waren en vraag en antwoord hadden gedaan (159); maar dat dit dikwijls toch in werkelijkheid zoo niet plaats had , blijkt uit eene belangrijke constitutie van .Iustinianus 1. 14, Cod. de Contr. et Comm. Stip. (8.38). Men begon meer uitsluitend te zien op de bekentenis van schuld, in de onderteekende schriftelijke akte vervat, en hechtte weinig

voor de oude stipulatie de regel gold, dal regt tons, zooals met den mond was fjesproken. Men zie Festüs i. v. nuncupaia pecunia ed. Müller, bl. 17.\'5: quot;Cum nexum faeiet mancipiumque|, uti lingua nuncupassit, jus esto.quot; Daarin lag het beginsel opgesloten, dat het contract door de formele woorden in vraag en antwoord der partijen werd aangegaan, gelijk Paulus dat in 1. 2 ff\', de Reb. Cred. (12.1; eigenaardig uitdrukt door de woorden «Verbis quot;quoqne crcdimus.quot;

(158) Zie inzonderheid Oneist, Form. Ver trage, hl.233—318 en Keller, Pandecten, § 222.

(159) Oudtijds was de tegenwoordigheid der partijen uit den aard dei-zaak strikt noodzakelijk. Hoewel ten tijde van Paulus schiiftelijke akten vooral ten bewijze der stipulatie, zeker reeds algemeen gebruikelijk waren, werd aan dit vereischte later nog streng door hem vastgehouden, Ree. Sent. 5. 7 § 2 quot;Verborum obligatio inter praesentes, non etiam inter - absontos coutrahitur.-

ocr page 197

- 169 —

meer aan de oude vormen. Het regl moest het vaste gebruik, dat zich daaraan niet meer stoorde, eindelijk wel volgen. Zoo bepaalde dan ook Justin us, dat in de stipulationes uitsluitend en alleen op de bedoeling zou gelet worden 1. 10 ed : //Omnes stipulationes, etiamsi non solennibus, vel directis, quot;sed quibuscunque verbis consensu contrahentium composi-wtae sunt, vel legibus cognitae, suam habeant firmitatem.\'/ Eindelijk werden in degemeldel. 14eod. van Jüstiniamis de captiën wegens het gemis van de formaliteiten der sti-pulatiën afgesneden, zoodat men zelfs tegen eene schriftelijke akte niet meer zou kunnen aanvoeren, dat de partijen (zoo als daarin algemeen werd opgenomen) werkelijk niet tegenwoordig geweest waren, tenzij eene der partijen op reis en ver van de plaats mogt geweest zijn (160).

Men verlieze echter niet uit het oog, dat de schriftelijke akte, hoewel naar de werkelijke opvolging vnn de vormen der stipulatie geen onderzoek werd toegelaten, niettemin bleef gelden, als bewijsmiddel voor het contract, door stipulatie gesloten (161). Daarom werd krachtens eene dergelijke

(160) quot;C um itaqne satis utile sit in contractibus, et servos adhiberi, «et praesentes esse personas adscribi (forte propter personas digitate ex-«celsas, vel mulieres, quas naturalis pudor non omnibus perperam sese \'inanifestare concedit) sancimus tales scriptuvas omnifariam esse creden-/■das .... Et si inter praesentes partes res acta esse dicitur, et hoc esse quot;Credendura: si tamen in eadera civitate utraque persona in eo die \'comraanet, in quo hujusrnodi instrumentum conscriptum est: nisi is, «qui \'dicit sese, Vél adversarium abfuisse, Hqmdis ac manifestissimis quot;probationibus, et melius quidem si per scripturam, vel saltem per testes /undique idoneos, et omni exceptione majores ostenderit, sese, vel ad-quot;versarium eo die civitate abfuisse: sed hujusrnodi scripturas propter quot;Utilitatem contrahentium esse credendas.quot;

In deze constitutie is het verval der regts weten schap opmerkelijk. Men gevoelde de behoefte, om van den ouden regel af te wijken, en kon zich toch niet ontslaan van het gezag van het oude regtsbeginsel. Daarom behield men den ouden regel, dat (le stip.ilatio alleen werd gesloten inter praesentes; maar vatte die tegenwoordigheid zoo ruim op, dat die regel niets meer beteekende en geen gezonden zin meer had.

(161) Met» verwarre vooral deze cautiones niet met de oude nomina,

ocr page 198

— 170 —

oorkonde, de condictie volgens den gewonen regel toegelaten.

Niet alle schriftelijke akten vermeldden eene stipulatie. Er waren ook andere, b. v. tot bewijs van een der gewone consensuële contracten, van eene dading of ook van het beding, bij overdragt vun goed of levering van werk gemaakt (162). Deze laatste bevatten aldus een pactum. Vol-waarvan het formele schrift oudtijds de causa ohligationis was, even als thans nog de wissel.

l)it schijnt eenigzins te zijn voorbijgezien door Cropp, Liter arum obligatio, cautio indiscreta und pecunia non nunierata, in Heise und Cropp, Juristische Ahhandlungen, bl. 324—386.

(\'62) Naauwkeurig worden deze twee soorten van cautiones onderscheiden door Theophilus in den tit. de Lit. Oblig. (3. 21), waar deze betoogt, dat na het verdwijnen der oude literarum obligationes, nog eene nieuwe obligatio uit het schrift eener schuldbekentenis kon ontstaan, indien namelijk de schuldbekentenis was afgegeven, zonder dat de daarin vermelde ter-leen-geving werkelijk had plaats gehad en de tijd voor de excejAio non numeratae pecuniae was verstreken.

De plaats luidt aldus: Et yaQ ruq, ftovXóiityos amp;avfioaoamp;ao tthq è/tnv, (ha).eyamp;f] fiat, ttfql tovtov, iyo) iïf ittftofipa avzóv Ttoiijono fioi YQapiiaxfZov, xal naO- iavrov oi\' tcuqóvtoc; i/iov tó yQa/i/iuxelov f.Toirjafv, iv to eiTCfv oto iJ\'arfoad/.iijv iyoj xura xov OrjfieQov rjiciqav Xaqd Tovfif, nfil ravca ixêqutfjccq de ovh iveréamp;f],

ijyovv nul ivvfamp;fZaa a/QrjOroq ?;r, «ftd tó yeytvijoamp;ui\' xó tolovtot OXffifióXauov ov TtaQÓvvoq xov daviioavzaq. EvxavO-a yQÓrov TtuQaÖQu/ióvxoq TCöXXov ^fjvfZxau, el duvaxóv érdyeoO-fU xov xó (tQfj/xiror èxamp;éfievov yyufi/taxfJor, %al Af\'yojiify, oxo ovdè d-ro xijq Qf duvaxóv tv(t/amp;ijr(u xo tcuqov TtQÓaoiTtov, ov yótQ yiyovfr iTtnQiamp;fifjOkq y oi\'óif drco xijq fifgfltq, iltflór] /.irj tcmqovxmv xöiv iïvo) fifQMr yryovfv srtfQ(üxf]Ot.q, ij avx\'o xovxo ovamp;è ykyovev rj iTCfqüxriOiq. Xfi7tfxaigt; ovv dno /i6vo)v xüv yQHUfidxiov (\'royov uiixóv yérfaamp;uo.

[ndien iemand, van mij willende leenen, mij daarover heeft gesproken en ik hem heb opgedragen , mij eene schuIdbèkentcnis te malcen , en hij op zich zelf buiten mijne tegenwoordigheid de schuldbekentenis heeft gemaakt, in welke hij zeide, op heden tr. hebben geleend van mij, en dat geleende -jeld schddig te zijn, maar indien in dat schrift geene vraag werd vermeld, of indien die vermelding nietig was, omdat het geschrift icas gemaakt buiten tegenwoordigheid van den uitleen er: nadat nu veel tijd is vcrloojjen, wordt gevraagd, of het mogelijk is, dat tegen hem, die de schuldbekentenis heeft afgegeven, eene regtsvordering kan worden ingesteld: en wij zeggen, dat het niet mogelijk is, dat die tegen hem wordt ingesteld wegels eene oblt:;(\'fio re coniracla, want er heeft geene uitbetaling plaats gehad, en ook niet wegens

ocr page 199

— 171 —

gens den Romeinschen rpgel had dit pactum geene regts-kracht (om er eene actie op in te stellen), tenzij het was aangegaan hij overdragt van goed of levering van werk wegens een regtmatigen grond. Zou dus de schriftelijke acte in dit geval eenige beteekenis hebben, dan moest ten bewijze, dat het niet was een nndnm pactum, die overdragt of de levering en de regtsgrond, waarop die had plaats gehad, in de akte worden vermeld. Zonder die bijvoeging vermeldde de schriftelijke akte niets dan eenebloofe belof\'e^lieregtens^ok in den lateren Keizerstijd,geene verbindtenis opleverde (1(5:5).

Op dezen dubbelen vorm der sclniftelijke schuldbekentenissen is gewezen in de Inst, van Jcstinianus de lit. obl. {3.21), waar melding gemaakt wordt van de obligatio, die uit het schrift eener schuldbekentenis kon ontstaan , ingeval namelijk de beloofde geldsom niet werkelijk was ter hand gesteld en de termijn van fwee jaren voor het instellen der exceptio non numeratae pecuniae reeds was verloopen Volgens de Keizerlijke constitutiën mnest men in dat geval krachtens de schuldbekentenis betalen, hetgeen men werkelijk ontvangen had. Als grond dier verbindtenis vermelden nu de Instituten het schrift der schuldbekentenis (161\').

etm obligatio verbis contracta, omdat de vraag of heeft plaats gehad zonder dat beide partijen tegenwoordig waren , of in hel geheel niet heeft plaats gehad. Er blijft das alleen over, dat hij verbonden is door het schrift.

(163) Zie een rescript van Diocletianus et Maximianvs, in 1. 5 Cod. de Contr. et Comm. Stip. (8.38) quot;Nuda pollicitatione, secnndum quot;Ca, quae saepe rescripta sunt, ad pracstanda ea, quae promiserat, quot;Urgeri quemquam, non semper jura permittunt.quot;

(164) In zeker opzigt zou men hiertegen kunnen aanvoeren, dat de latere schriftelijke akte nooit als causa , maar alleen als bewijs eener verbindtenis, was beschouwd, en dat er dus geene litterarum obligatio door ontstaan kon, even als bv. door de oude nomina en door de woorden der stipulatie: maar alleen eene praesumtio juris, waartegen geen bewijs werd toegelaten. — Daartegen kan men echter aanvoeren. dat de hoogere regtsgrond voor de aanneming van eene litterarum obligatio hij de oude nomina (en bij de tegenwoordige wissels) ook ligt in het regtsvennoeden, dat hij, die zich door het schrift als schuldenaar toonde en bekende, ook werkelijk wel schuldig zijn zon.

ocr page 200

- 172 —

Er wordt echter bijgevoegd, dat dit alleen het geval is , indien er volgens de schuldbekentenis geene verborum obligalio bestond, dat is, indien er geene stipulatie in de schuldbekentenis vermeld werd: //Sic lit, ut et hodie, dum queri //non potest (pecuniam non esse numerataui) , scriptura //obligatur; et ex ea nascitur condictio, cessante scilicet //verborum obligatione.//

Het is van belang het verschil tusschen deze twee vormen van schuldbekentenissen wel inliet oog te houden. De verwarring daarvan heeft veel twijfel en veel strijd doen ontstaan , omtrent de regtsgevolgen van de niet-vermelding van den regtsgrond der verbindtenis, causa obligationis.

Wij hebben gezien, dat de stipulatie door haaroorspron-kelijken vorm den grond voor de condictio opleverde. Derhalve was het genoeg, dat regtens bleek, dat door stipulatie beloofd was, om wegens de stipulatie tot betaling te ver-oordeelen. Meer werd niet gevorderd. Deihalve moest hij, die zich er op beroepen wilde, dat deze stipulatie niet op een regtmatigen grond steunde, dat bewijzen, om zich tegen veroordeeling te vrijwaren. De verdediging, dat de stipulatie was sine causa, was dus eene exceptie.

Dit is ook door de bronnen ontwijfelbaar aangewezen. In de eerste plaats lezen wij bij Gajus Inst. IV, § llti; //Comparatae sunt antem exceptiones defendendorum eorum //gratia, cum quibus agitur. Saepe enim accidit, ut quis \'/jure civili teneatur, sed iniquuui sit, euin judicio con-//deinnari. Velut si stipulatus sim a te pecuniam tanqua® //credendi gratia numeraturus, nee numeraverim : nam earn /•pecuniam a te te peti posse certum est; dare enim te //oportet, cuin ex stipulatu teneris (165); sed quia iniquum

(165) De zin der woorden quot;pecuniam a te peti posse certum est ; dare • enim oportet, cum ex stipulatu tenerisquot; wordt op eigenaardige wijze teruggegeven door Quikctiliakus lust. Or. 4. 2. 6: quot;Satis est dixisse, quot;certain pecuniam peto ex stipulatioue; legutum peto ex testamento. «lüversae partis cxpoamp;itio est, cur non debeantur.«

ocr page 201

//est, te eo nomine condemnari, placet per exceptionem doli //mali te defendi debere.quot;

De exceptio doli was in dit geval niets anders dan de exceptie, dat de stipulatio was sine causa. Dit blijkt ook uit vergelijking met een fragment uit Ui.pianusI. 2, §\'i ff. de doli exc. (44.4): //Circa primam speciem, quibus ex \'/causis exceptio haec locum habeat, haec sunt, quae tractari //possunt. Si quis sine causa ab aliquo fuerit stipulatus, «deinde ex ea stipulatione experiatur, exceptio utique doli //mali ei noeebit. Licet enim eo tempore quo stipulatus //est, nihil dolo malo admisorit: tarnen dicendum est, eum, //cum litem contestatur, dolo facere, cum perseveret ex ea //stipulatione patere. Et si, cnm interponeretur, juslarn //causam habuit; tamen nunc nullam idoneam causam habere //videtur. Proindeet si credilurns pecuniam stipulatus est, //nee credidit: et si eerta fuit causa slipulationis, quae //tamen aut non est secuta , aut finita est: dicendum ei nnocere exceptionem..quot;

Tn de volgende paragraaf 5 zegt Ui.pianüs dat de exceptio doli overal gegeven wordt, waar eenige bijzondere exceptio met betrekking tot de handeling zelve bestaat, quia dolo Jacil, quicunque id, quod qnaqna exveplione elidipotest, petit.

Tn deze plaats is dus met zoo vele woorden gezegd, dat hij die beweert, dat eene tegen hem aangevoerde stipulatie zonder regtsgrond is, de exceptio daartegen moet aanwenden. Duidelijker en meer bewijs kan men niet verlangen (166).

De eischer kan dus volstaan met het bewijs der stipu-lalio. Daaruit volgt, dat eene schriftelijke akte icautio), waarbij eene stipulatie zonder meer is vermeld, voor hem voldoende is, en dat de gedaagde, zoo hij zich op het niet bestaan van een regtsgrond wil beroepen, dit moet bewijzen.

Dit bewijs kon in vele gevallen geleverd worden. Men zie niet voorbij, dat het bewijs, dat een stipulatie zonder

(166; Men zie daarenlioveii nog 1. 5 § 1, 1. 25 fïquot;. de Stip. Serv. (45.3; en 1. 7 § 7 ir. de Set. Mac. (14. 6).

ocr page 202

— 174

regfsgroncl was, dikwijls en bijzonder volgens de Romein-sche opvatting een positief bewijs w^s. Men moest namelijk bewijzen, dat de grond voor de stipulatie op eene dwaling berust had, of onzedelijk en in strijd met de wet was geweest, of dat de handeling, die tut grondslag had gelegen en later volgen moest, werkelijk niet had plaats gehad. Wij maakten er reeds vroeger opmerkzaam op, bij de behandeling der condictio sine causa, dat dit eeno zamen-vatting was van onderscheiden bijzondere gevallen, dat namelijk de causa was geweest in strijd met het regt, of dat zij bestaan had in een beding, waaraan later niet voldaan was, of dat daaromtrent dwaling bestaan had. Het niet voldoen aan het beding, de dwaling en het bestaan van onregtmatigheid der causa, was een feit, voor bewijs vatbaar. Op dergelijke gevallen b. v. op de causa finita of non secuta wordt ook uitdrukkelijk gewezen door TJlpianus in de aangehaalde 1. 2, § 3 ftquot;, de doli exc. (44.4). Zoc is het ook met het voorbeeld, behandeld bij de condictio ob turpem vel injustam causam, bl. 133. Hij die werd aangesproken wegens eene stipulatie, waarbij hij beweerde zich tot betaling van 1000 sestertiën te hebben verbonden, ten einde van den verpligten krijgsdienst te worden vrijgesteld, moest het bewijs dezer bewering leveren , omdat daarin een ongeoorloofde daad. de omkooping van den ambtenaar, lag opgesloten.

Door H. R. Gneisï, Formelle Vertrage, bl. 212 en volg., is dii voorbijgezien, terwijl hij aanvoert, dat deze bewijslast op den eischer moest rusten, omdat het een negatief feit geldt. Hij vestigde te veel uitsluitend het oog op de exceptio non numeratiie pecuniae. Deze exceptie behoorde ook tot de exceptiën, dat de stipulatio was sine causa: naar zij was daarvan alleen één vorm, waaromtrent in den Keizerstijd onderscheiden bijzondere bepalingen «aren gemaakt.

Daarenboven zal stellig bij deze exceptio, voor zoover zij gerigt werd tegen eene stipulatio , het bewijs van den

ocr page 203

gedaagde zijn gevorderd, dat de betaling niet terstond bij de stipulatie en liet opmaken der schriftuur daarvan had plaats gemaakt. Dk bewijs leverde in zijn voordeel het vermoeden, dat de overdragt niet had plaats gehad na de over-gift der akte, voor zoover de eischer geen bewijs voor die latere overdragt kon geven.

Het voorname bewijs van Gneisï ligt in 1. 25 § 4 fl\'. de Prob. (22.3), eene wet, die de Romanisten steeds in groote verlegenheid gebragt heeft. Zij is te gewigtig, om haar hier niet opzettelijk te behandelen Het is een fragment uit de schriften van Paüi.us, aldus luidende :

//Sed \'naec, ubi de solutione indebiti quaestio est; sin autem quot;Cautio indebite exposita esse dicatur, et indiscrete loquitur : quot;tuuc eum, in quem cautio exposita est, compelli debitum «esse ostendere, quod in cautionem deduxit, uisi ipse specia-quot;liter, qui cautionem exposuit, oausas explanavit, pro quibus //eandem exposuit. Tunc enim stare oportet suae confession!: \'/nisi evidentissimis probationibus in scriptis habitis osten-quot;dere paratus sit, sese haec indebite promississe.//

Indien men deze wet opvat, gelijk door Gneist is gedaan, dat zij namelijk betrekking heeft op de schriftelijke akte eener stipulatie, dan bevat zij juist het tegendeel van hetgeen wij bij (iajus Inst. IV. 116 en in het fragment van Ui.pian\'i\'s 1 2 § 3 fi\'. de doli exc. hebben gezien.

Het meerendeel der nieuweren heeft daarom deze wet voor onecht en voor geïnterpoleerd verklaard, onder anderen Baehk Dii Auerkeunuug bl. 141, W. Girïanner, Die Stipulation bl. 299 en Windscheid, Lehre der Vorausseztung bl. 198 (167). Door Gneist is echter voldoende aangetoond, dat de uit-

(107) Men kan hier ook bijvoegen Rldorfk, noot d op Puciita. Inst. 3 § 271. — Onder de ouderen is op de onechtheid gewezen door OejACiL\'S, Olf. 21. 26 (Op. 3 bl. 023 en 6241. ScHULTIXG, Jus Civ. Ante.!, in de aanteekening op Julii Pauli vita bl. -190 en anderen bij Gxeist, bl. 205 aangehaald. — Noodt, Comm. ad Dig. 22.6 en Bunkers-hoek, Obs. 7 cap. 16 en 8 c. 25 § 12 bestrijden de gegrondheid der aanmerkingen tegen de echtheid. Men verheze niet uit het oog, dat

ocr page 204

— 176 —

drukkingen, waarin men eenige aanwijzing van interpolatie meende te vinden, in het geheel niet wijzen op vermoedelijke omwerking in den lateren Keizerstijd en bepaald niet op overeenkomst met het rescript van Justinianus 1. 13 God. de exc non num. pec (4.30), waaruit deze wet van Paui.us zou zijn geïnterpoleerd (168). Hetgeen er toe bragt, om de onechtheid aan te nemen, lag dan ook hierin, dat de wet met andere stellige uitspraken in strijd scheen. Dit werd veroorzaakt, doordat men voorbij zag, dat er geen enkel spoor is, dat de wet op eene stipulatie betrekking heeft en dat zelfs daarin eenige aanwijzing ligt, dat zij daarop geene betrekking heeft. Yerstaat men onder cautio eene schriftelijke schuldbekentenis zonder stipulatie, dan is er in de plaats geen bezwaar van eenig belang. Men vertale die aldus: quot;Zoover over hetgeen onverschuldigd betaald is. Indien mogt //beweerd worden, dat een schriftelijke schuldbekentenis onver-//schuidigd is algegeven en indien deze schriftelijke akte «zonder onderscheiding spreekt; dan staat het vast, dat hij, quot;tegen wien de schriftelijke belofte (tot betaling der schuld) //gerigt is, wordt genoodzaakt te bewijzen, dat werkelijk

deze vooral gerigt zijn tegen de voorafgaande paragrafen, handelende over de condiclio indebiti.

Savigny, Obligationenrecht II bl. 265 en 26G, de echtheid ook van § 4 betwijfelend, spreekt geen beslist gevoelen uit, maar wijst er op, dat de vraag geen praktisch gewigt zou hebben. — Daarin heeft hij m. i. gedwaald. De praktische vraag, die hier op het spel staat, is deze: of men eene schriftelijke schuldbekentenis, zonder dat de grond voor die schuld daarbij is aangegeven, als bewijs van schuld aannemen of verwerpen moet.

(468) Zie deze wet in noot 169. Dat het laatste gedeelte van 1. 25 § 4 de Prob. niet uit dit rescript kan zijn overgenomen, heeft reeds Gneist bl. 204 voldoende bewezen. Wel is de inhoud dezelfde (hetgeen echter Gneist bl. 208 ten onregte ontkent); maar de vorm verschilt geheel en al van dien van het rescript. De uitdrukkingen van 1. 25, zelfs de minder gewone, zooals in quem cautio exposita est, indebite cxposita esse dicatur enz. dragen niet bijzonder het kenmerk van het Latijn van den lateren Keizerstijd, en zijn daarentegen aan het Latijn der oude classieken niet vreemd. Men zie Cic. Ep. ad Att. 5. 4.

ocr page 205

«verschutdigd is, hetgeen hij in de schuldbekentenis heeft //nedergelegd; tenzij hij, die de schriftelijke belofte tot be-//taling deed, de regtsgronden daarbij heeft uitgedrukt, //voor welke hij de schuldbekentenis schreef. Want dan moet /\'hij blijven bij zijne bekentenis: tenzij hij bereid zij door //de meest stellige schriftelijke bewijzen aan te toonen, dat //hij deze schriftelijke belofte onverschuldigd had afgegeven.//

Zoo opgevat, is de plaats in volkomene overeenstemming met hetgeen wij reeds boven hebben leeren kennen, als gevorderd door den aard van het Romeinsche regt. De bloote belofte dat men zal betalen, of de verklaring dat men zich daartoe verbindt, beteekent regtens niets. Alleen de bijvoeging van een regfsgrond, waarop die verklaring steunt, kan daaraan eenige beteekenis geven. Was de aangevoerde regtsgrond werkelijk voldoende, dan leverde de schriftelijke akte het bewijs van eene regtsgeldige verbimltenis op, b. v. van een contractus innominatus facio ut des, indien namelijk de schuldenaar verklaard had, dat hij aannam om duizend sestertiën te geven , opdat de schiildeischer (voor die 1000 sestertiën) voor hem naar Capua zou gaan, om aldaar zijne zaken waar te nemen, en indien deze daaraan voldaan had. (169)

(169) De belofte van 1000 sestertiën te zullen betalen (of de bloote bekentenis dat men die schuldig was) verkreeg alleen regtskracht door het feit, dat zij gedaan was wegens de voorafgaande causa.

Op zulk eene causa antecedens heeft ook betrekking het rescript van Justinijs 1. 13 Cod. de non num pee. (4. 30) quot;Generaliter sanciraus: quot;Ut si quid scriptis cautum fuerit, pro quibuscumque perenniis ex ante-\'cedente causa descendentibus, eamque causam specialiter promissor edixerit, quot;uon jam ei licentia sit, causae probationem stipulalorem exigere, cum quot;suis confessionibus acquiescere debeat: nisi certe ipse e contrario per quot;apertissima rerurn argument» scriptis inserta, religionem judicis possit quot;instruere, quod in alium quemquam modum, et non in eum, in quem quot;Cautio perhibet, negotium subsecutum sit. Nimis indignum enim esse quot;judicamus, quod sua voce quisque dilucide protestatus est, id in eum quot;Casum infirmare, testimonioque proprio resistere.quot;

Pe inhoud van dit rescript is zoo gelijk aan het laatste gedeelte van

ocr page 206

— 178

Was nu deze opgaaf niet de ware, maar eene verdichte opgaaf van den eigenlijken grond der handeling; dan sprak het wel van zelf, dat de schuldenaar de krachtigste bewijzen moest bijbrengen, om tegen zijne eigene verklaring en erkentenis in de schuldbekentenis te worden geloofd.

Er blijft nu alleen nog over te bewijzen, dat het fragment werkelijk betrekking heeft op eene bloote schuld-bekeulenis zonder stipulatie.

In de eerste plaats is er volstrekt geen spraak van stipulatie in deze wet. Dit geeft reeds grond tot het vermoeden, dat Paui.us daaraan niet dacht; temeer, omdat het onverklaarbaar is, waarom de jurist de termen van de stipulatie niet zou gebruikt hebben in plaats van eene in die veronderstelling noodelooze en omslagtige omschrijving. Ha l hij aan stipulatie gedacht, dan zou hij bij voorbeeld de om-

het fragment van Fallus, dat het zeer aannemelijk is, dat het rescript op deze plaats steunde. Er was werkelijk niet het minste bezwaar, om hetgeen Paulls had gezegd van de eenvoudige schuldbekentenis over te brengen op de schriftelijke akte eener stipulatie, waarop het rescript betrekking heeft. quot;Wat Paulus had gezegd, dat men tegen de eigen schriftelijke bekentenis niet mogt opkomen, tenzij men daartegen de meest gewigtige bescheiden kon aanvoeren, geldt a fortiori van de schriftelijke akte, waarbij een formeel contract met opgave der causa is vermeld , gelijk dit de gewoonte was.

Dat men trouwens de regels voor de eenvoudige schuldbekentenissen op de oorkonden der stipulatie ging toepassen, was ten tijde van Justinus vooral niet vreemd, omdat in dezen lateren Keizerstijd de vormen der stipulatie op den achtergrond geraakten en men reeds vrij ver was gevorderd in den overgang, waarin de stipulatie plaats maakte voor do schriftelijke akte.

Het rescript, steunende op deze plaats van Paulus, berustte op een stevigen grondslag, hoewel men daar ten overvloede, volgens liet pan-dectenregt, nog had kunnen bijvoegen dat de oorkonde, omdat zij eene formele stipulatie inhield, regt zou hebben gegeven op de actie, al was de causa obligationis daarin niet vermeld. jMaar daardoor zou het rescript zijn getreden buiten de zaak, waartoe het betrekking had. Dat behoorde niet, en bovendien zou men het welligt niet raadzaam gevonden hebben, om te wijzen op de beteekenis der stipulatie, die haar gewigt begon te verliezen.

ocr page 207

— 179 -

slagtige omschrijving eum gt;n qnem cavtio erposito esl mei hebben gebezigd vnor het woord slipulalorem, daf duidelijker en korter hetzelfde uitdrukte.

Een jurist als Padi.us gebruikte geen noodeloozen omhaal, om daardoor onduidelijker te worden. Zon had hij ook, indien hij werkelijk aan stipulatie gedacht had, in plaats der woorden ipse qui cautionem ex posuil, korter promissor kunnen zeggen. Dat woord behoort wel niet tot de technische termen der stipulatie, maar het kwam toch vooral voor, waar van stipulatie sprake was. Waarschijnlijk heeft Paut.us, waar hij de casus positio stelde en aan geene stipulatie wilde doen denken, dit woord daarom vermeden, hoewel hij in het laatst der wet het woord pro-misisse als algemeen woord voor elke toezegging gebruikt, terwijl dat woord aldaar geen misverstand kon te weeg brengen.

De bewijsgrond, door Gneist bl. 200 aangehaald ten betooge, dat deze plaats wel op eene stipulatie zou betrekking hebben, is zeer onbeduidend. Hij zegt: hoe zou Pauuis, terwijl hij het indebitvm behandelde en van het inclehite datum op het indebite promissum zeer geleidelijk was overgegaan, vervolgens zijn gekomen op eene onverschuldigd afgegevene schriftelijke schuldbekentenis?

Niets is geleidelijker. Gxeist is zelf van oordeel dat voor stipulatiën ten tijde van Paui.us gewoonlijk schuldbekentenissen werden opgemaakt. Ik vraag wat was geleidelijker, dan dat de jurist van de schriftelijke akten, die eene stipulatie vermeldden, overging tot de akten, die eene schuldbekentenis inhielden zonder stipulatie? Het was toch van belang op dit verschil te wijzen.

Hoewel het niet aannemelijk schijnt, dat deze wet belangrijk zou zijn geïnterpoleerd, zoo is er toch eenige aanwij-wijzing , dat er aan deze paragraaf iets anders moet zijn voorafgegaan, dan hetgeen in § 3 staat vermeld. In deze paragraaf spreekt de jurist op de gewone wijze in den

12

ocr page 208

- 180

indicativus, terwijl hij in § 4 onverwacht en geheel zonder reden tot den iufinitivus overgaat. Daarom zou ik gelooven dat de compilatores hier een kle:n gedeelte hebben weggelaten, waarin een zinsnede voorkwam, die den infinitivus regeerde. Welligt zul daarin zijn gehandeld over het in-debite promissum bij eene stipulatie en de cautio, waarin zulk eene stipulatie vermeld werd.

De compilatores hadden in dat geval bepaalde aanleiding, om dit gedeelte weg te lateu, omdat het ten tijde van Justinianus, die de bijzondere vormen der stipulatie zooveel mogelijk uitwischte en het bijzondf-r karakter der schriftelijke stipulatie in dat van gewone schriftelijke akten deed opgaan. niet voegde op het groote verschil te wijzen, dat de oude jurist moet hebben aangewezen tusschen de in schrift gebragte stipulatie en de gewone schuldbekentenis.

Door deze aanneming verdwijnt ook de zwarigheid, dat achter het voegwoord zonder reden eerst de conjcncti-vus (Vcatur en daarna de indicativus indiscrete loquitur is geplaatst. (170)

Let men op de vereischten der oorkonde van eene stipulatie, dan moest daarin afzonderlijk en afgescheiden de vraag van den schuldeischer of althans de tegenwoordigheid van dezen en het antwoord van den schuldenaar vermeld worden, gelijk men in de aangehaalde voorbeelden 1. 40 ff. de R. C. en 1. 126 § 2 ff. V. O. kan zien. (171)

(170) Dc woorden quot;Sin autem stipulatio indebite exposita esse dicatur« moeten tot het eerste gedeelte over de stipulatie behoord hebben, terwijl het tweede gedeelte ongeveer zou hebben moeten aanvangen met dc woorden quot;Si vero sine stipulatione cautio indebite exposita est et indis-quot;crete loquitur.quot;

(171) He vermelding van vraag en antwoord was oudtijds noodzakelijk, terwijl moest blijken van de volkomen overeenkomst van beide.

Toen het later met die woordelijke overeenkomst niet zoo streng meer werd genomen, kon zelfs een akte als bewijs gelden, waarin vermeld werd . dat de jirnm/\'ssor den schuldeischer, wiens tegen woo idigheid ver-

ocr page 209

Sprak lie akte, zonder dit behoorlijk le oiiderscheiden, van eene overeenkomst van partijen, dan bevatte de akte niets dan een pactum, dat op zich zeil\' geen regtskracht bezat en de aanwijzing van een regtsgrond noodig had, om regtens geldig te zijn.

Indien dus de akte niet met onderscheiding sprak (si indiscrete loquitur), dan gold zij volgens Paui.us als gewoon schriftelijk bewijs, dat in zoover het eene bekentenis van verbindtenis bevatte (zonder met stipulatie iets gemeens te hebben) alleen een buitengeregtelijke bekentenis opleverde, voor zoover namelijk de op zich zelf staande verbindtenis of belofte tot betaling op een regtmatigen grond, jusla causa, steunde.

Vat men de woorden indiscrete loquitur op in dezen zin, dan is er niets tegen die uitdrukking aan te voeren, terwijl de opvatting van indiscrete in den zin, dat de akte geen vermelding der causa zou bevatten en derhalve geen onderscheid tusschen de causa justa en injusta zou maken, zeer gedwongen is (172).

Volgens de bovenstaande verklaring is deze wet niet in

meld werd, had geantwoord, bv. dat hij hem 1000 sestertiën zou overdragen. Dit is uitgesproken door Paulüs , Ree. Sent. 5. 7 § 2 «Verborum quot;obligatio inter praesentes, non etiam inter absentes eontrahitur. Quodsi quot;Scriptam fuerit instrumento, promisisse aliquem, perinde habetur. ac quot;si interrogatione praecedente responsum sit.quot;

(172} Meent men, dat aan deze laatste opvatting der woorden indiscrete loquitur de voorkeur moet gegeven worden, dan blijft niet te min de bovenstaande verklaring der wet in haar geheel. —De inhoud der wet, zooals wij die verklaren, staat vast uit vergelijking met de volgende plaats der pandecten. Dat hij , die zich tegen eene aangevoerde stipulatie wilde verweren, door de verwering, dat deze stipulatie zonder regtsgrond was, dat doen zou door eene exceptie, weten wij, dat het gevoelen van Paulus was. Wij vinden dit in een fragment van dezen 1. 5 § 1 de Act. emti (19. 1): «Sed si falso existimans se damnatum vendere, \'vendiderit, dicendum est, agi cum eo ex empto non posse; quoniam quot;doli mali exceptione summoveri potest; qnemadmodum si falso existimans se damnatum dare, promisisset, agentem doli mali exceptione summo-

ocr page 210

strijd met hetgeen wij als vaste leer hebben leeren kennen, dat de stipnlatio haar regtskracht heeft uit zich zelve door de overeenkomst, op formele wijze tusschen de partijen gesloten. En te gelijk staat vast, dat de verwering van een gedaagde, dat de stipulatie was gesloten zonder regtmatigen grond of liever op een grond die niet regtmatig was, eeue exceptie is, door den eicipiënt te bewijzen.

Wij mogen derhalve als zeker aannemen , dat het was de vorm der stipulatie, die de verbindtenis, het vinculum juris, schiep. Historisch lag daaraan tot grondslag , dat de vormen der 4ipulatio het beeld eener werkelijke overdragt waren en dat aan de bloote vormen dezelfde regtskracht was toegeschreven, als aan de werkelijke overdragt. Het was echter een interne en blijvende grond, die dezelfde kracbt aan dat formele contract verzekerde, lang nadar, de oorspronkelijke vormen waren weggesleten en verdwenen. Deze grond lag nergens anders in, dan in het groote regts-beginsel, dat ieder trouw moet bewaren, wat hij betreffende vermogensregten met anderen is overeengekomen. Het Romeinsche regt behield nog altijd het vereischte, dat van die overeenkomst, ten einde de ernstige toestemming van bloote en ondoordachte bespreking te onderscheiden, moest blijken in stellige, hoewel in het latere regt weinig beperkte, vormen. Daar lag echter evenzeer het beginsel aan tot grondslag, dat ernstige overeenkomsten verbindend zijn, even als in het nieuwere regt, dat voor de overeenkomsten in het algemeen in het geheel geen vorm meer eischt. Handhaving der Jides was de grondslag van het stipulatie-regt.

liet regt kon echter niet anders erkennen , dan overeenkomsten (in den bindenden vorm der stipulatie), die be-

veret: quot;Pomponius etiam iucerti condicere eum posse, ut liberetur.quot;

Dat in het laatste geval de excipient zijne dwaling moest bewijzen, evenals Wijde condictio iudehiü of sine causa, schijnt aan weinig twijfel onderhevig.

ocr page 211

— 188 ~

rusten op een restmatigen grondslag. Hd oudere regt moge dat niet terstond hebben onderscheiden; bij de latere ontwikkeling, inzonderheid der aequilas, kon men niet dulden, dat elke onredeLjke en regtens onbestaanbare handeling en overeenkomst regtskraclit zou verkrijgen, alleen door haar te kleeden in den vorm eener stipulatie. Daarom liet men de condictie toe, om de bestaande verbindtenis terug te vorderen op grond, dat zij eeu onregtmatigen grond had. Op dezelfde wijze gaf men in dezelfde gevallen de exceptio ook tegen de actie, die op grond dier werkelijk bestaande verbindtenis was ingesteld.

Dezelfde beginselen gelden bij de latere stipulatie-vormen, evenzeer voor de toezegging van eene res incerta en in het algemeen van een factum , als voor de toezegging eener bepaalde geldsom. Hoewol dus eene stipulatie aanvankelijk, terwijl de actiën voor hetcreditum, dat zijn de condictien, beperkt waren tot res certae credilae, dan alleen een creditum opleverde, indien zij de verpligtiug tot overdragt eener res certa bevatten, gelijk Heimbach, Lehre von dem Credilum, bl. 299 toregt beweert (173): zoo was echter de grond voor die uitsluiting verdwenen,

(173j Heimbach t. a. p. bl. 58 sluit ook nop hetgeen onder voorwaarde bij stipulatie beloofd is, van het creditum uit.

Teregt is daartegen door Girtanner t. a. p. aangevoerd, dat dit alleen opgaat, zoolang de voorwaarde nog niet vervuld is. ! an is het werkelijk onzeker ot\' er verschuldigd zijn zal. Ten bewijze zijner stelling vees Girtanner op 1. 57 ff. de don. inter vir. et ux. (24. 1), vaar onder voorwaarde bij stipulatie toegezegd geld pecunia credita genoemd wordt.

Heimbach heeft echter ook gedwaald in de opvatting der plaats uit Gajus Inst. 111 § 124, waarop zijne bewering vooral gebouwd is. De woorden quot;pecuniam autern creditam dicimus non solum earn, quam \'credendi causa damns , sed omnem, quam tunc, cum contrahitur obiigatio, quot;certum est, debitum iri, id est, quae sine ulla condicione deducitur in quot;obligationem moeten niet worden opgevat als algemeeuen regel voor het creditum. Zij hebben uitsluitend betrekking op tie lex Cornelia, die bepaalde, dat een fidejussor, sponsor of fidepromissor bij denzelfden schuldcischer voor denzelfden schuldenaar in hetzelfde jaar niet voor een

ocr page 212

- 184 _

nadnt ook het begrip der condictie door de invoering der onderscheiden condictiones incerti was uitgebreid, zoodat ook res incerlae als voorwerp der condictiones incerti tot het creditum konden behooren (174). Door den vorm van de inlentio (si paket dare ovoeteue) der oude con-dictiën uitgesloten, kon het incertum der stipulatie onmiddellijk tot liet creditum worden gerekend, zoodra naast de oude inteniio ook eene intentio Quicquid dare facere oportet voor condictiën was opgenomen. Door die toelating was het begrip van creditum uitgebreid tot res incertae, gelijk reeds is betoogd op bl. 36 en volgende (175).

Voor de actio ex stipuktu dus was de causa obligationis precies dezelfde, als voor de algemeene condictiën ex sti-pulatu. Er was alleen verschil in het voorwerp der verbindte-nis , dat voor de wrstgemelde actie etm incertum zijn moest. Terwijl dus het certurn der stipulatie werd vervolgd door eene condiclio certa, is het aannemelijk, dat het incertum der stipulatie werd vervolgd door eene cnndictio incerti (176). Dit wordt tot zekerheid gebrast door de formula, bij Ga.ius, Inst. ÏV § 186 medegedeeld, waaruit blijkt, dat de intentio daarvan luidde Qnicquid dare facere oportet, dat is, gelijk

grooter som van pecunia credila, dan 20,000 sestertiën, borg kon blijven. Nu zegt Gajus, wat volgens deze wet tot pecunia credita gerekend wordt. Daaronder wordt volgens hem niet alleen geld, maar worden ook andere zaken naar hare waarde berekend. Het geld, dat alleen onder voorwaarde is toegezegd, komt bij die berekening niet in aanmerking, omdat men niet weet of het wel verschuldigd zal worden.

(171; Bas, XXIII, I , 2 § 15, *Ax\'o yaQ vijq iTttQonrjOtwq óv\'o rixrovrai, aywyui. ft /xèv (pavfqór tl iTtcqiaxrjamp;n Ttyay/irt, o néQroq norduiTvxvoc, ei (ff dtpavéq , rj ft OctTTovXarov.

Want uit de stipulatie ontstaan twee actiën; indien het hedonqene eene bepaalde zaak is, de condiclio certa, en indien heVjeen bedonyen werd, onbepaald is, de actio ex stipulatie.

(175) oajvs, Insi. IV § 5 leert ons. dat de actiones quot;quibus dan\' fierive Intendimus,quot; condictiones zijn. De intentio der actiones bonae tidei daarentegen luidde : Qnicquid ex bona jidc darr facere. nportef.

(176; clrtanxer, Die Stipulation, bl. 203.

ocr page 213

— 185

wij op blz. 71 reeds hebben opgemerkt, de algemeene intentie der condictiones incerti (177). Hoewel dus de naam niet voorkomt, blijkt uit het wezen der actio ex stipnlatu ontwijfelbaar, dat zij eene condictio incerti was (178).

Ken opmerkelijk verschijnsel is het bij deze speciale condictie, dat de bepaaldheid van het voorwerp, die bij de overige condictiëu den cononrsus toeliet met de algerneene condictiën, de uitsluiting der speciale condictie ten gevolge had. Dit kan zijne verklaring vinden, indien men aanneemt, dat deze condictie waarschijnlijk zeer oud is en uit den tijd, toen men het oorspronkelijk karakter der condictie , van beperkt te zijn tot res cerlae, nog streng vasthield. De zaak zelve is buiten twijfel niet alleen door de bovenaangehaalde 1. 34 fl\'. de Reb. Cred., maar ook door de mededeeling der formula bij Gajus, Inst. IV, § 136, aldus luidende:

Ka KKa» AGA TLiU • QUOLgt; A LI LU S AGi.RIUo DE U .\\i itIK lO E(iIl»IO INCEKTUM O\'. C. UT INSlILAM KKPlCERET) ST1PULATUS EST (179) ,

QÜICQÜID OB KAM KKM NÜMKBTUM KGIDIUM AULO AGHUO

DARE FACERE OPORTKT.

JUDEX CONDEMNA.

(177) Op hl. 68 maakten wij reeds de opmerking, dat de actio ex stij)ulaln waarschijnlijk moet ontstaan zijn, voordat de formulae voor de cohdictiones incerti door den Praetor waren opgenomen. omdat men anders ook aan deze actie den naam van condictio zou hebben gegeven.

(178) Hoe verklaarbaar het is, dat voar deze actie, even als voor de actio arbitraria de naam van condictie niet gebezigd werd , hebben wij op blz. BS reeds gezien Hat dit daarenboven niet zoo ongewoon was , dat eene condictio niet met dien naam werd genoemd, blijkt ook uit de actio rerum amotarum, die toch werkelijk volgens Gaji s eene condictio was, hoewel zij gewoonlijk niet onder dien naam voorkwam Zie blz. 151.

(170) In de formula bij Gajps komen hier ook nog voor de woorden cnjus rei dies luit. Daarin is eene exceptie vervat, die derhalve niet als noodzakelijk bestanddeel dezer formula kan beschouwd worden

ocr page 214

18Ö

Be aan de condictiën naauw verwante actio praescriptis verbis.

Ten einde het overzigt over het stelsel der condictiën en den zamenhang met de overige actiën gemakkelijk te maken , laten wij hier enkele opmerkingen over deze met de condictiën in het algemeen, vooral met de condictio causa data causa nou secuta, naauwzamenhangende actie volgen.

Deze actie, gewoonlijk actio praescriptis verbis genoemd, komt ook voor onder den naam van actio in factum 1. 1 h. t. (19. 5). Zoo noemde men in het algemeen de actiën, aangewezen voor bijzondere feiten, die veel overeenkomst hadden met de feiten , waarvoor eene bepaalde actie was gegeven, maar die toch niet onder die actie konden vallen. In vele zulke gevallen had de Praetor, omdat er een zelfde regtsgrond bestond , eene actio in factum gegeven, die zich aan de oude actie naauw aansloot. Men zie 1.1 l,h. t., waar tot voorbeeld de actio in factum genoemd wordt, die zich naar de actio ex lege Aquilia vormde. Zoo vond men ook dezelfde overeenkomst tusschen de actiones praescriptis verbis en onderscheiden actiones bonae fidei, vooral emti venditi, en locationis conductionis, 1. 1 h. t. en noemde daarom ook deze actiën actiones in factum (ISO). Daarmede is echter niet gezegd , dat deze actie eene intentio in factum had, en dat zij dus eene actio in factum was, zoo als b. v. de formula in factum van het depositum, voorkomende bij Gajus IV, §47. De intentio dezer formula daarentegen was ongetwijfeld in jus concepla (181). Ulpianus zegt uitdrukkelijk in 1. 7 § 2. dat er voor liet geval, dat de slaaf Stichus

(180) Puchta schrijft den uaam van actio in factum voor de actio praescriptis verbis daaraan toe . dat in deze actie voor het feitelijke niet kon verwezen worden naar een bepaald contract b. v. Quod meiisam vendidif, ileposuit of commodavit, maar dat eene omschrijving van het factum noodig was, Inst. TI. § 165, blz 32.

(181} .Men zie ook Rudorpp, Köm. Kechtsg. 11, § 5ü.

ocr page 215

187 -

was overgedragen , opdat Pampliilus zou worden vrijge-laten , (dat is, het contractus innominatus do nt Jacias) eene civilis ineerti actio was , dat is de actio praescripiis verbis. Dit wordt bevestigd door eene plaats van denzelfden jurist 1. 15 li\' h. t. , waar hij deze actie noemt actio civilis, ld est, praescripiis verbis en door een fragment uit Papinianus 1 1 § 1 en 2 h t., waarin deze die actie aanduidt door de woorden in factum civilis actio. De actio civilis had eene intentio ex jure civili, dat is jus concepta, hetgeen voor deze actie bevestigd wordt door Nërathis I. 1 Ti. t., waar de jurist, van deze actie sprekende, zegt, égt; dat men moet procederen met de civilis intentie incerta. Omtrent dit punt is er dan ook overeenstemming tusschen ile meeste Romanisten van den laatsten tijd (J82).

Over eene andere vraag is gruot verschil. Terwijl namelijk Kki.i.er, even als Savigny, Syst. V, bl. 485, deze actie houdt voor eene actio bonae lidei , wordt dit stellig ontkend door Pu cut a en Rudorfp, die haar als eene actio stricti juris aanmerken, met uitzondering alleen van de aeslimatoria[\\K$) en de permntatio/ie. Het eeistgevnelilc gevoelen schijnt mij zonder eenigen twijfel het ware te zijn. Rudorff en Puchta kunnen geene behoorlijke reden opgeven, waarom volgens hun stelsel de bovengemelde actiën voor ruiling en voor het venters-contract zich van den algemeenen regel zouden hebben verwijderd. Beweert men,dat dit was wegens de groote overeenkomst van deze actiën met de actie voor koop en verkoop; voor de overige gevallen, waarin de actio praescriptis verbis gegeven werd, kan hetzelfde worden gezegd, b. v. wegens overeenkomst met huur en verhuur of met mandaat.

(182) Men zie Pcchta . Inst. II, § 166, bl. 132, Kei.lkk, Civilprocei, § en Lil, Cont. bl. 352. Rudorff, Rum. liechtsyesch,, 11, § 50.

(183) T)c aestimatoria is lt;Ie actie voor het contract tusschen den koopman en ilen venter of verkooper in het klein, waarbij Ue laatste goederen tegen taxatie ter verkoop ontvangt, niet bepaling, dat hij die goe leren h nafitra of de waarde daarvan volgens vooraf gemaakte taxatie ais koopprijs moet opleveren.

ocr page 216

Op alle deze vormen kan worden toegepast, wat over de aestimatoria gezegd wordt 1. 1 pr. fl\'.de Aest. (19. 3) //est //enim negotium civile gestnm et quidem bona fide.quot; Die uitdrukking is van gelijke strekking als de woorden, //actio //quae ex bona fide oritur.//

Het is daarenboven uitdrukkelijk uitgesproken,dat deactio praescriptis verbis in het algemeen eene actio bonae fidei is. In 1. 2 § 2 ft. de Pree {43. 26) lezen wij : //Itaque cum quid //precario rogatum est, non solum hoc interdicto uti pos-«sumus, sed etiaui praescriptis verbis actione, quae ex nhona fide or Uurr Wel is doorPucHTA, Tnst. II, § 165 noot kkk, aangemerkt, dat uit deze woorden nog niet bepaald volgt, dat deze actie eene actio bonae fidei is; ik weet echter niet, wat die woorden anders zouden beteekenea. De actiones bonae fidei in het algemeen hebben dat karakter, omdat zij hun grond vinden in hetgeen ter goeder trouw wordt overeengekomen. Omdat de verschillende verplig-tingen, die tot die actiën aanleiding geven , uit de goede trouw ontstaan en moeten beoordeeld worden, legt de formula aan den regter op, om op goede trouw te letten.

De plaats uit de Instituten § 28 de Act. (4. 6) waarop men zich beroept, kan daartegen niets afdoen. Aldaar worden de actiones bonae fidei opgenoemd : //Bonae fidei sunt //hae: ex empto vendito, locato conducto, negotiorum //gestorum , mandati, depositi, pro socio, tutelae, com-//inodati, pigneraticia , familiae erciscundae , commu\'ii //dividundo, praescriptis verbis, quae de aestirnato propo-/-nitur et ea quae ex permutatione com petit, et heruditatis \'/petitio, quamvis enim usque adhuc incertum erat, sive //inter bonae fidei judicia connuineranda sit, sive non, //nostra tarnen constitutio aperte earn esse bonae fidei //disposuit.\'/ Reeds is door Saviony opgemerkt, dat de aestimatoria en de permutatione hier alleen als voorbeelden van deactio praescriptis verbis zijn aangehaald, om ld ilit hoewel niet de eenigste, toch de meest gebruikelijke

ocr page 217

gevallen waren, waarvoor de actio praescriptis verbis gegeven werd. Werkelijk zou de plaats zóó kunnen worden opgevat volgens den text der instituten, dat de praescrip-tis verbis , aestimatoria, en ea (actio) quae ex permutatione competit, de opnoeming van drie onderscheiden actiën bevatte, waarvan de actio, quae ex permutatione competit, als de laatste der rij werd verbonden met de copula et. In dien zin zou zich de toevoeging van nog één lid , weder met de copula et verbonden , in de woorden et hererlilahs petitio hieruit verklaren, dat de schrijver deze actie van de overige rij der actiones bonae üdei had willen onderscheiden, door die als een afzonderlijk aanhangsel achter de gesloten rij der actiones bonae fidei te doen volgen, terwijl hij daaraan eene verklaring toevoegde, die alleen op dit laatste toegevoegde lid betrekking had. Men zou derhalve de gemelde woorden aldus moeten vertalen: de actio praescrip-tis verbis, de actio aestimatoria en de actio qnae ex permutatione competit, alsmede de hereditatis petitio, want ofschoon daarover vroeger twijfel bestond, heeft onze Constitutie bepaald, dat ook deze actie bonae Jidei was.

Zoo is de plaats echter niet opgevat in de Griekschc vertaling, waarin alleen de aestimatoria en de actio de permutatione vermeld zijn (184). Duidelijk is hier de vertaler uitgegaan van het denkbeeld , dat deze twee actiën de eenig-ste gebruikelijke vormen der actio praescriptis verbis waren. Dat zij als afzonderlijke actiën beschouwd werden , blijkt ook genoeg uit de zamenstelling der pandecten, waarin aan elke dezer actiën een afzonderlijke titel is aangewezen en nog wel voorafgaande aan de algemeene actio praescriptis verbis gewijd is, titel 3 cn 4 van het inde boek. Terwijl vermoedelijk ten tijde van Jusïinianus de algemeene

(184) Haar stnat aldus; \'praescriptis verbis, ktyoafvr]^ aestimatoria /(oqh rft avtrj fffit xrA . . . \'aai ij irtQa praescriptis verbis 17 rt; douó^ti\' i.ti cijq .ffftuuvctiLiiovos,

ocr page 218

— TOO _

actio praescriptis verbis weinig in gebruik was, is het zeer verklaarbaar, dat men die niet in het eerste handboek voor eerstbeginnenden opnam.

Tn ieder geval zie men niet voorbij, dat in de plaats volstrekt niet staat, wat men er in wil leze», dat de algemeene actio praescriptis niet bonae iidei is. Tn tegendeel, de meest gebruikelijke vormen daarvan worden uitdrukkelijk als actionis bonae fidei vermeld. Waarom zouden de minder gebruikelijke vormen derzelfde actie een ander karakter hebben gehad ?

Deze actie was genoemd naar de praescripta verba of de praescriptio, waarin de feitelijke grondslag kort werd vermeld , reeds bekend uit de formulae voor de condictiën, zoo als wij op blz. 76 en 94 hebben gezien. Daarop volgde de intentio. T)t:ze was niet alleen in jus concepta, maar ook eene intentio incerta. Zij bevatte dus zoowel het facere ala het dare en moet uit den aard der zaak wegens het geheel onbepaalde van de onderscheiden mogeli jke bedingen de woorden Quicquid dare facerc nportet bevat hebben. Dat was op zich zelve eene intentio incerta en wel, zooals wij boven hebben gezien, de intentio bijzonder eigen aan de condic-tiones incerti. Uit Gajus, Tnst. TV § 5, blijkt echter nog meer; namelijk dat dit uitsluitend de intentio der condic-tiones incerti was, want hij zegt aldaar, «appellantur in frem quidam actiones vindicationes , in personam vero acti-quot;oncs, quibus dari fierive intendimns, condictiones.// De actiën derhalve , die (zonder eenige toevoeging) de woorden Quicquid dare facere oporlel bevatten, zijn volgens de bepaling van Gajus condictiën (TS5). De actio praescriptis

(185) UetzellUe schijnt tot grondslag te liggen auu tie plaats van I\'l-PiANiis in 1. quot;25 igt;r. ff. tie Obl. et Aft {4 4.7 j: quot; Actionnm genera sunt tine, quot;in rem, tpiae dicitnr vindicatio; et in personam (iuae condictio appel-■latnr. In personam actio est, tjim cum eo agimtis, qui obligatus est quot;nobis ad faciendum aliquid vel dandum.»

I LriAM:s schijnt ook hier alleen gedoeld te hebben op de nt-tiones \'■iricti juris, die uier op de bona fides waren gebouwd.

ocr page 219

— 191 —

verbis is gtene condictie, dus kan zij niet bloot deze woorden tot intentio hebben gehad.

Volgens het boven aangevoerde had zij ook de toevoeging der woorden, tie de actiones bonae fidei onderscheiden. De woorden ex bona fide, aan de intentio toegevoegd, onderscheidden alzoo de formula der actio praescriptis verbis van de condictio causa data causa non secuta, terwijl uitgenomen die toevoeging, de praescriptio, de intentio en de condemnatio van deze condictie aan die van de actio praescriptis verbis voor hetzelfde geval, wat de essentiële bestanddeelen betreft, volkomen gelijk moet geweest zijn.

Wij kunnen derhalve de formula voorde actio praescriptis verbis (vnor hetzelfde geval als voor de condictio ob causam datornm op blz. 108) aldus vaststellen:

Ea nt\'s agatüu, qdod Ndmektus köidio chntum sks-

TKRTIÜM (ALIAMVE REJl) DEDIT OB KAIL CAUSAM, UT 1NSUI.AM COMMUNES! REFICERET.

QüICQUID Olï EAM ItEM EX BONA FIDE ÜAUE DARE FACKRE OPORTET .

Judex Nusieriijm Egidio condkmna

Door vergelijking dezer formula met die voor de condictio ob causam datorum loopt het onderscheid tusschen deze actie en de condictie in het oog. Deze actie is gegrond op de bona fides, dat is , op de uitvoering van het beding, dat bij de overdragt gemaakt werd. Dat is hetgeen Ut.pianus in de reeds aangehaalde 1. 2 § 2 ff. de Pree. 43. 26) uitdrukt door de woorden //actio praescriptis verbis , quae ex //bona fide oritur.// Natuurlijk is zij dus ook beperkt tot de gevallen, waarin een dergelijk beding bestaat. Zij concurreert dus niet met de condictio ob causam datorum in de gevallen, waarin overdragt plaats had wegens eene toekomstige gebeurtenis, liggende buiten de magt van de partij, die het overgedragen goed ontving, waarover wij hebben gehandeld op blz. 89 en volgende. Do actie tot volvoering

ocr page 220

— 192 —

vnn li ei seo ti trr goeder trouw was bedongen, is hier onmogelijk, omdat, er geen beding tot volvoering van iets gemaakt is.

üe actio praescriptis verbis, volgens baar aard de tegenhanger van de condictio ob causam datorum, is derhalve uit den aavd der zaak zelve in dit opzigt van beperkter omvang , dan de actie, waarnaar zij zich gevormd heeft. In een ander opzigt is zij van wijderen omvang, in zoover de leer van Ulpianus en anderen tegenover Paulus en de strengere school de overhand behouden heeft, dat namelijk deze actie niet alleen werd toegelaten voor de over-dragt van goed, dare, maar ook voor levering van arbeid of diensten, facere, gelijk wij reeds hebben opgemerkt, bl. 86. Terwijl de condictio volgens haar oorspronkelijk karakter strekte tot terugvordering van het eigendom van aan anderen overgedragen goed, hetgeen ook door den naam , condictio oh causam datorum , in den codex voorkomende, wordt aangeduid, en eene uitbreiding tot terugvordering van bewezen diensten met het oude begrip der condictie in strijd zou geweest zijn; bestond er geen waarlijk gegronde reden, om de actie tot volvoering van een beding niet evenzeer toe te laten op grond van den daarbij bewezen dienst, als voor de gedane overdragt van goed. De aard dezer op de goede trouw steunende actie vorderde dus niet, zooals Paui.us hier, uit overdreven conservativisme, op het voetspoor der condictio ob causam datorum bleef aannemen , ook eene overdragt, een dare, als grondslag voor toelaatbaarheid dezer actie. Integendeel de bona fides, die men in dergelijke zaken als regtsgrond erkende, eischte voor beide kategoriën, zoowel voor bewijzen van diensten, als voor overdragt van zaken, eene gelijke behandeling en eene gelijke actie. Daarom schijnt het niet twijfelachtig, of de leer van Ui.pianus verdiende de voorkeur boven die van Pali.us, die ouk werkelijk in het corpus juris niet is opgenomen, terwijl het fragment van Paui.us 1. 5

ocr page 221

— 195 —

^ 3 ti\'. h. t. alleen door achteloosheid der enmpilalores onveranderd in het corpus juris geplaatst is.

Tn het algemeen vindt men in de pandecten nog hier en daar de sporen der oppositie tegen de opneming dezer algemeene actio praescriptis verbis, die ook werkelijk zulk een algemeen karakter had, dat zij volgens haar aard het meeren-deel der actiones bonae fidei voor de bijzondere contracten had kunnen vervangen. Eigenlijk was er, bij de algemeene toelating der actio praescriptis verbis, geen onderscheid tus-schen de formula dier actie en de formulae voor de onderscheiden contractus nominati. Welk onderscheid zou men b. v. vinden tusschen de formula in jus foncepta voor het depositum, bij Gajus , Inst. TV § 47 voorkomende, en de boven medegedeelde formula praescriptis verbis ? Intenlio en condemnatio zijn gelijk ; in plaats der demonstratio van de formula voor het depositum hebben wij in deze actie de praescripta verba, die kort den zakelijken grondslag vermelden. Was derhalve de theorie der actio praescriptis verbis tot hare geheele ontwikkeling gekomen , dan had deze actie welligt hel meerendeel der reeds bestaande actiones bonae fldei, als onderdeelen of bijzondere gevallen kunnen opnemen. Zoowel het conservatief karakter van het Ro-meinsche regt, als ook de geest van particularismus op het gebied der actiën, verzetten zich daartegen Dit deed veeleer de verschillende vormen der actio praescriptis verbis, zoover zij in gebruik kwamen, beschouwen als actiones in factum , gevormd naar de bestaande actie voor een bepaald contract, waarmede de contractuele handeling, die aanleiding tot die actie gaf, het meest overeenkwam; zoo als er b. v. eene actio in factum was gevormd naar de actio ex lege Aquilia, tot vergoeding van schade door on-regtmatige daden , die eigenlijk vielen buiten het gebied der lex Aquilia 1. 4 ff. h. t. Dergelijke actiones in factum steunden , als analogische uitbreiding van het jus civile door den Praetor, op het imperium vun dezen en ston-

ocr page 222

— 194. -

den, wnl dien oorsprone Iietrpfl. derhalve tegenover de actiones ex jure civili. Hoe over deze actie in dien zin onder de oude juristen werd getwist, zien wij nu nog uit 1. 7 § 2 ff. de Pactis (186). Ui.ptanus, van wien deze wet is, vermeldt daarin, hoe Jui.iantts deze actie had gehouden voor eene actio in factum., dat is, gevormd naar de formula van het contract, waarbij de handeling het naast kwam, zoo als b. v. de permutatie bij koop en verkoop, maar dat Mauri-tianus had geoordeeld , dat hier eene actio civilis bestond, namelijk de actio praescriptis verbis, die hij derhalve als eene actio ex jure civili oversfelt tegen de actio praetoria in factum. Ui.pianus, die het gevoelen van MAUMTiANtis is toegedaan. beroept zich ook op gezag van Cet.sus en Akisto, en voert als grond voor dat gevoelen aan, dat hier werkelijk eene obligatio civilis bestaat, die derhalve den buitengewonen bijstand van het Jus praetorium overbodig maakl. Niettegenstaande deze plaats van Ui.pianüs schijnt het tegengestelde gevoelen de bovenhand te hebben gehouden en in het corpus juris te zijn opgenomen, waarin de actio praescriptis verbis in denzelfden titel is behandeld met de actiones in factum in het algemeen, hoewel in dien titel (19. 5) van de overige actiones in factum bijkans geene melding is gemaakt. Deze actiones in factum werden ook wel met betrekking tot de actio directa, waarvan zij afgeleid waren, actiones utiles genoemd (187). Deze naam

{186} quot;Sed et si in alium contractum res non transeat, subsit tarnen quot;Causa ; eleganter Amisto Celso respondit, esse obligationem : ut pnta quot;dedi tibi rem ut mihi aliam dares, dedi ut aliquid facias, hoc oavvdXXuyiiu, id est, contractum esse, ethiuc nasci civilem obligationem. - Kt ideo puto, recte .fulianum a Mauriciano reprehensum in hoc; dedi quot;tibi Stichum , ut Pamphilam mnnumittas, manumisisti, evictus est quot;Stichus: Julianus scribit in factum actionem a I\'raetore dandam: /\'ille ait, civilem incerti actionem, id est. praescriptis verbis snfficere: /-esse enim contractum, quod Amisto ovralkuyixa dicit, unde haec actio quot;nascitur.quot;

(187) Men zie Keller,Civ. Proc. §89, en Phchta , Inst. II, § 165 bl 125 en 126. (Telijk wij vroeger opmerkten omtrent de uitdrukking

ocr page 223

— 195 —

korat dan ook werkelijk voor de actio praescriptis verbis voor in 1. 6 Cod. de Trans. (2. 6). Het geldt daar eene transactie, die door eene vrouw was aangegaan bij eenvoudig pactum zonder stipulatie, waarbij zij zich had verbonden, om afstand te doen van de querela inofficiosi testamenti, die zij reeds had ingesteld. Terwijl de tegenpartij na haar afstand in gebreke blijft, aan de verpligting tot uitkeering van een deel van den boedel te voldoen, komt aan de vrouw de actio praescriptis verbis toe , volgens den vorm faciout des.

In zijn rescript zegt de Keizer haar die toe en duidt daarbij deze actie aan met de woorden nulilis actio, quae praescriptis verbis rem ges!am demoustral.n Dat men daarbij heeft te denken aan de gewone actio praescriptis verlis, en niet aan eene afzonderlijke utilis actio, naar de actio praescriptis verbis gevormd, zoo als Mr. J. Kaipeyne van de CoppEi.i.o (1S8) wil, (omdat volgens hem de Keizer, de strenge leer van Paüi.us toegedaan, de actio praescriptis verbis directa niet toeliet voor een factum, dat is, de intrekking der querela inofficiosi), blijkt voldoende uit 1. 26, §3 ff. de Pact. dot. (23. 4), waar Papinianus op gelijke wijze de utilis actio praescriptis verbis toezegt

actio in factum, heeft ook de mtdrnkking actio utilis tweederlei beteekenis. .In wijder omvang beteekenen die woorden elke afgeleide actio, in tegenstelling met de oorspronkelijke actie, actio directa. In engeren zin genomen , sluit zij alle actiones, naar directae gevormd, maar met eene intentio in factum, uit, gelijk b. v. in de Inst, van Justikiakus de 1. Aqu. (IV, 4 § 16), waarde actio in factum, afgeleid van de actio ex lege Aquilia wordt onderscheiden van de insgelijks daarvan afgeleide actio utilis. Ue oudste vorm der utilis actio was vermoedelijk de actio fictitia.

Men zie Gajcs , Inst. IV, §34 — 38. Betreffende de actio tegen den capite deminutus zegt hij in de laatste paragraaf: quot;introducta est actio -utilis, in quae fingitur capite deminutus non esse.quot;

(IS8) Themis, 1857 bl. 539. — Het woord utilis heeft in 1. 2 ff. de Aest. (19. 3). «Hacc actio utilis est ct si merces in ter ven it,quot; kennelijk de beteekenis van de gewone spreektaal. Daarmede is niet aangeduid , dat die actio in technischen zin utilis was, gelijk ook is opgemerkt door Buinz, Krit, Blatter, I p. 7.

ocr page 224

— 196 —

voor een geval, dat niet voldaan werd aan het beding, gemaakt bij de overdragt van de dos. In die wet wordt het geval behandeld, dat de man, als centurio dienende in eeno provincie, niet voldoet aan het beding, door zijne vrouw bij de overdragt der huwelijksgift gemaakt, dat hij haar een rijtuig zal verschaffen om hem overal te volgen, waarheen hij zich begeven moet. Nu heeft de vrouw de actio praes-criptis verbis tot nakoming van het beding, bij die overdragt gemaakt, zelfs volgens de strenge leer van Paulos, die misschien ook werd gedeeld door Papinianus, welke jurist, althans volgens 1.1 fl\'. h. t., de actio praescriptis verbis hield voor eene actio in factum, dat is, eeneactio utilis. In dien zin wordt ook de actio praescriptis verbis in dit fragment eene actio utilis of in factum genoemd. Dat was naar het gevoelen van hen, die de verschillende vormen dezer actie beschouwen als utiles acliones van de actiën voor de contractus nominati, waarbij zij het naast kwamen, b. v. lastgeving, koop of huur. Dat de compilatores van het Corpus Juris althans eenigzins onder den invloed c\'ier leer zijn geweest, kan men opmaken uit de plaats, aan deze actie in de pandecten gegeven. Eerst komen de vormen dezer actie voor het contractus aestimatorius (het venters-contract) en de ruiling, (de meest gebruikelijk vormen waarvan de Instituten met voorbijgang der algemeene actio praescriptis verbis melding maken), als aanhangsel der actiones uit koop en huur, als utiles actiones emti et venditi, waaraan zich dan eindelijk de algemeene actio praescriptis verbis aansluit in den laatsten titel van het 19de boek, met welks inhoud de algemeene actio praescriptis verbis overigens niets gemeen heeft.

De algemeene actio praescriptis verbis behoort geheel en al bij de condictio ob causam datorum en is als heï ware het complement van die condictie, in zoo ver deze steunde op eene overdragt vau goed, waartegen van de partij eene overdragt van ander goed of eene handeling was bedongen.

ocr page 225

Terwijl voor do comlictie het overgedragen e;oed op den voorgrond stond en deze actie strekte tot terugvordering daarvan ; zoo stond voor de actio praescriptis verbis op den voorgrond het beding (pactum), dat door overdragt van goed was bezegeld en strekte deze actie tot vervulling ter goeder trouw van hetgeen door de tegenpartij bedongen was. Wij zagen , dat voor deze actie het bloote beding niet alleen door overdragt van goed, maar ook door levering van werk en van elke handeling in het algemeen bezegeld kon worden. Hoewel Paulus blijkens 1.5 §3, ff. h.t. dit laatste nog ontkende, heeft het tegenovergestelde gevoelen de overhand behouden en dit is ook in het Corpus Juris opgenomen, gelijk wij op blz. 86 reeds hebben gezien.

Derhalve moet zoowel het factum in het algemeen als het dare in de praescripta verba zijn toegelaten. In het algemeen kan derhalve de formula gesteld worden aldus:

Ka iies agatüie quod nümerius egidio ckntüm serster-

TIÜM (aLIaMVB rem) DEDIT, Vel A querela INGFFICIOSl destitit, vel ex MANDATO egidii RES egit, OBEAM CAU3AM ,: r insülam C0MMÜNE3I reficeret, vel ÜT FtJNDUM tuscü-i-anl\'.m daret,

(on eam rem dark facef.e opobtet EX bonafide,

Judex condemna.

ocr page 226

— 198 —

IV.

Al.GEMEEN OVERZIGT VAN DE ONDEBSCHEIDEN OONDIOTIEN.

BESTRIJDING VAN HET OEVOEl.EN, DAT AAN DE VER-SCHIUjENDE GONDICTIONES INCEETI ÉÉN AI,GEMEEN LEIDEND BEGINSEL TOT GRONDSLAG ZOÜ HEBBEN GELEGEN. HISTORISCHE VERKLARING VAN HAAR ONTSTAAN.

Nadat al de onderscheiden (189) condictiën afzonderlijk zijn behandeld, blijft thans nog over, een algemeen overzigt daarvan te geven en te bepalen, welke algemeene beteekenisquot; aan de rij dezer actiën en aan het begrip van condictiën in het Romeinsche regt kan en moet gehecht worden.

Eeeds iji den aanvang merkten wij op, dat condictiën het geheele gebied van het Romeinsche regt doordrongen. Men vindt die actie zoowel op het gebied van het privaat-regt, als op dat van het strafregt. Men vindt haar in den regel, als antithese van de actio in re/» (190), zoodat de eene de andere uitsluit; maar toch ook, zoowel op het gebied van burger-

(189) Een tal van condictiën werd door dc oude Romanisten onderscheiden. Zij steun ion op misvattingen van een of ander fragment, tenvijl men in eene daarin vermelde condictie cene lt;ler bekende conr.ictien niet herkennen konde. Hiertoe behoort de (naar Juvektics Celsüs genoemde) Condictio .Tuoentiana, berustende op misverstat.d van een fragment uit de geschriften van dezen juiist in 1. 32 ff. de R. C. (12. 1). Savigky, System, III. bl. 271, heeft er reeds op gewezen, dat hier de condictio oh causavi datorum door Celsüs bedoeld was.

Men zie wijders over deze condictio Glück, Ausf. Erlauterung, Xll. bl. 25 en XIII. bl. 200 , die op de eerstgemelde de verschillende gevoelens over deze actie mededeelt, en in de laatstgemelde plaats als zijn gevoelen opgeeft, dat het eene condictio sine causa is.

(190) Dat is uitgesproken door Ulpiakds in I. 25 pr. ff. de Obl. et Act. (44. 7); \'Actionum genera sunt duo: in rem quae dicitur vindicatie, in personam, quae condictio appellatur. In rem actio est, per quam rem nostram, quae ab alio possidetur, petimus: et semper adversus cum est.

ocr page 227

lijk, als op dat van strafregi, (zip nnot 47) bij uitzondering daarmede verbonden. Men vindt haar als de actie voor de streng formele contracten, die gcene wijziging van de letterlijke formele verbindtenis met het oog op bedoeling en goede trouw toelaten; doch men ziet haar ook weder oprijzen ten gevolge van tie erkende contractus bonae fdei en van alle burger-regtelijke hmidelingen zonder onderscheid. Haar voorwerp heet bepaald te zijn opvordering van eigendom, maar zij strekt o ik tot vordering van verloren bezit en van alle onbepaalde zaken en handelingen. Zoo scheen zij meermalen een ware Proteus. Voor hem, die een algemeen karakter voor de condictie in het algemeen wilde vaststellen, scheen zij dikwijls eensklaps een geheel anderen vorm aan te nemen, om daaronder aan zijn zamenvattenden blik te ontglippen.

Zoo heeft men gemeend, het algemeen karakter der con-dictiën te hebben gevonden in de eenzijdigheid der regts-betrekkingen, waaruit zij ontstaan (190a). Maar zag daarbij voorbij, dat dit kenmerk geheel en al faalt bij de condictiën , die ontstaan uit stipulationes en uit de contractus inno-inati, die meest alle tegenover eene overdragt van goed eene tegenpraestatie onderstellen. Stipulationes en contractus innuiniiiati zijn in het latere Romeinsche regt blijkens de vele voorbeelden in de pandecten zoodanig de voornaamste bron der condictiën, dat een regel, die voor daaruit ontstaande condictiën faalt, niet als regel voor condictiën in het algemeen, maar als uitzondering zou gelden,

qoi rem possMet. In personam actio est, qna cum eo agimns, qui obligatua est nobis, ad faciendum aliquid vel dandum; et semper ad versus eundem locum habet.quot;

Het is duidelijk, dat Ulpianus hier alleen van de strenge burgerregtelijke actiën, stricta judicia, spreekt. Men behoeft hier met Saviosy, Syst. V, bl. 593, geene verandering door de compilatores juris te vermoeden. Terwijl Ulpiands zegt, dat alle de actiën ad faciendum et dandum (zonder toevoeging der woorden ex bonafide) condictiën zijn, sprak hij zuiver de taal der Romeinsche formulae» De formulae toch met de intentio; si pa ret dare oportere, en quicquid paret dare facere oportere waren condictiën, zooals wij boven zagen.

(190a) Zie Heimbach in Zeits. f. Civil Recht und Proc. 1849, blz. 6ö.

34

ocr page 228

Dasrenboven zag men ook nog voorbij, dat men de eenzijdigheid ook daarom niet als kenmerken l karakter der condictien kan laten gelden; omdat men die eenzijdigheid der regtsbetrekking evenzeer aantreft in de grondslagen van sommige aeliones bonae fidei, b. v. het depositum, het com-modatum en het mandatum.

Eene andere meening, — dat het algemeen karakter dezer actiën zou liggen in de geheel beperkte magt des regters, die in deze stricta judicia, waar het handelingen en overeenkomsten gold van weinig ingewikkelden aard, streng was gebonden aan de formulae en eene bepaalde veroordeel ing moest uitspreken of vrijspreken, terwijl integendeel de wederkeerige verpligtingen bij de regtsbetrekkingen, die aan de actiones bonae fidei tot grondslag lagen, een wijden kring voor des regters magt noodzakelijk maakte, — faalt evenzeer voor het. algemeene stelsel der condictien. De regtsmagt (het officium judicis) is in al de incerlae condictiones zeer uitgebreid.

De woorden der intentio: uQuicquid dare facere oporleln duiden reeds aan, dat de Regter er op gewezen werd, om te veroordeelen, hetzij tot betaling eener door hem te bepalen som, hetzij tot eenige door hem op te leggen handeling. Praktisch was dan ook tusschen den omvang dezer regtsmagt en die in de aeliones honae fulci nagenoeg geen verschil, daar werkelijk geene grootere vrijheid in de regt-spraak volgens des regters wetenschap en reg^gevoel kon gegeven worden.

Ook kan men voor het latere regt geen gewigt hechten aan het getuigenis van CrcERo, De Officii», lil. 17 (191), dat de roeping des Regters in de honae fidei judicia eene hoogere en eene veel zwaardere taak was, dan in de stricta judicia. Men denke slechts aan de fijne regtsvragen, die zich voordeden bij de condictio oh causam datorum, b. v. in zoover moest gelet worden op hetgeen de gedaagde reeds had geleverd van hetgeen hij op zich genomen, in zooverre

(191) quot;Quinlus quklem Scaevola, pontifex maxinuis, summam vim • ilicchat esse in omnibus iis aibitriie, in qnibus adderetur ex fide bona: -fideique bonae nciuen existimabut manare lalissime, idque verjarl in tutelis

ocr page 229

— 201 —

zijne reeds gemaakte kosten moesten vergoed worden: men bedenke, dat de Regter moest oordeelen over de mora, en over de culpa. Let men op de fijne regtsvragen en de feitelijke verwikkelingen, die de Regter in de condiclio sine causa (ook in hare toepassing op de vernietiging van slipn-laliones) zal hebben te ontwarren gehad, dan zal men wel niet geneigd zijn, bij die actiën de taak des Regters ligter te stellen, dan bij eenig ander proces. Het schijnt, dat de hoogleeraar Mr. J. B. Goudsmet (191«), terwijl hij vooral daaruit het algemeen karakter der condictiën verklaren wil, wat veel gewigt aan die plaats toeschrijft. Indien men bedenkt, hoe nog heden ten dage de processen , die eene bepaalde som tot voorwerp hebben, als voortspruitende uit formele ver-bindtenissen, b.v. de wisselverbindtenissen, niet minder naauw-keurige regtskennis en fijn en geoefend oordeel vereischen dan de processen, waarin de bepaling der veroordeelingssom geheel aan \'s Regters oordeel is overgelaten; dan zal men wel eenige bedenking hebben, om de actiën, die in de oude llomeinsche maatschappij b. v. uit de stipulatie ontstonden, van gemakkelijker beslissing te houden, dan de processen over eene ter leen of in bewaring gegeven zaak, waarin hij had te veroordeelen in quanlum aequius et melius.

Niettemin ligt eenige waarheid in deze laatstgemelde opvatting, indien men die namelijk beperkt tot de oudste, dat zijn de algemeene condictiën. Deze hadden werkelijk, gelijk wij hebben gezien, altijd eene bepaalde cnndemnatie, die wat de triticaria en de arbiiraria betreft, de overigens bepaalde veroordeeling alleen aan den Regter in geld te veranderen overliet, en wat de si cerium pelelur betreft, in eene bepaalde geldsom was uitgedrukt. Het is dikwijls in het maatschappelijk verkeer een voordeel, ja zelfs eene noodzakelijk-

quot;societatibus, fidaciis, mandatis , rebus emptis, venditis, conductis , locatis \'qnibus vitae societas continctur; in his magni esse judicis, statuere (praeser-quot;tim cum in plerisque essent judicia contraria), quid quemque cuique quot;pracstare oporterct.quot;

(191a) Themis, 1865, bl. 393—396. De schrijver erkent zelf, daterge-wigtige bezwaren zijn tegen zijne opvatting, die hij ook alleen wil hebben nangeraerkt als eene hypothese tegenover de verschillende stelsels tot ver--

ocr page 230

— 202 —

ilat partijm een ingewikkelde rekening-courant inei r(, clkamler l)ij oiulciling goedvinden afsluiten en hetgeen aan

eene der parLijen volgens de door beide goedgekeurde reke- !{r

Jiing als slot van de lekening-conrant toekomt, als cene ()(. bepaalde schuld, in eenen of anderen vorm van contract op-nemeiK Thans geeft men daarvoor eene schuldbekentenis,

acceptatie of wissel. In de oud-Roineinsche maatschappij ver-

bond men /.ich op die wijze of bij literarum obligatio, of j,,

(later bijna uitsluitend^ bij stipulatie, den vorm Tan con- [,c tract, die aan Home en Italië bijzonder eigen was. Moest

nu later de wederpartij de betaling van de aldus iu sti- jM

jmlatie opgenomen slotsom der rekening-courant door pro- nj

cesmiddelen vervolgen, dau was dat proces zeer vereen- „j

voudigd, doordien de Kegter in den regel alleen over het va bestaan der stipulatie en niet meer over de ingewikkelde

Tekening-courant had te oordeelen. Inzonderheid was \'a Regters cc

taak in de cerla slipulalio veel eenvoudiger en gemak- in

keiijker. „Het menigvuldig gebruik, dat wij in het Romein- Jn

sche regt van de stipulatie gemaakt vinden, als processuaal m middel door den Praetor, ea als formeel contract, bijzonder gebiuikelijk bij de argeutarii, en eindelijk de gewoonte, om

op die wijze novatie van schuld te verkrijgen, op zoo- zj

\\ele plaatsen in de pandecten vermeld, kunnen het besluit 0j

wettigen, dat op die wijze vele schuldvorderingen verefiend jje

tn vele processen vereenvoudigd werden. Met het oog daarop (]c

kan men werkelijk het door Scaevoi.a volgens Cicero ol;

uilgesproken oordeel over het karakter der ccnidictiones n{ tegenover de actiones bonae iidei eenigzins deelen. Met het oog

op het stelsel der coudictiëu en de opvatting daarvan in het q latere Rorneinscheregt moet men daaraan alle waarde ontzeggen.

Bij een jurist van den ouden stempel, zooala Scaevoi.a,

moest het oude begrip der condictio, als eene strenge ^i

bepaalde actie, nog op den voorgrond staan. Al mag men v,

aannemen, dat destijds het meerendeel der speciale condictiën w

klaring van het karakter der condictiën. Het verheugt mij, in hom een

bondgenoot te zien in de beetrijiljng dier slelpele. Dat van Saviony noemt ^

hij te gekunsteld. ^

ocr page 231

reeds in het loven geroeprn w;gt;s; tocli was men zicli ver-moetlelijk de gr on te wijziging, die daardoor in het algemeen knrakter der condictioiies gebragt werd , nog niet zoo volkomen bewust, dat men het oude begrip, dat oorspronkelijk aan de, condictie geheeht was, had laten varen. Ook was het begrip, lt;1at men tegen elke formele schuldverbindtenis de exceptie kon aanvoeren, dat deze verbindtenis sine causa was, vermoedelijk ten tijde van Scakvoi.i nog niet, tot volkomen bewustheid gekomen. (192).

In het onderzoek der causa moest de llegter nalunrlijk in allerlei waardering van handelingen en beJoeling treden, niel minder dan in de aetiones bonae fidei. Dit was waarlijk niet minder ook het geval bij al de ingewikkelde, soms van de gewone en geijkte handelingen van het gewoon verkeer afwijkende, betrekkingen tusschen de partijen in de condictio ob causam datorum. Op welke lijne schakeringen in de levensopvatting bij de condictioiies ab turpem vel injustam causam en bij de condictio sine ransa al niet moest gelet worden, daarvan dragen de titels der pandecten daarover, gelijk wij te voren hebben gezien, overvloedig bewijs.

Het kan zijn, dat het oordeel van Scaevoi.a reeds voor zijn tijd wat antiquarisch was, omdat, gel-jk wij reeds opmerkten, bij wijziging in onde regtsiiisteJlingen, de groote beteekenis daarvan gewoonlijk nog wordt voorbijgezien door de tijdgenooteu, die nog te veel doordrongen zijn van het oude begrip. Voor zoover men dit niet mogt kunnen aannemen, zou in de plaats van Cicnno het bewijs liggen, dat de speciale coiidictiën eerst na Scaf.voi.a ontstaan zijn. Onmogelijk kan men dit laatste voor de condictien wegens gebrek aau een regtsgrond niet achten. De revolutionaire tijd in het laatst der Romeinsche republiek was een tijd van gisting, waarin de grondslag eener nieuwe vorming van de groote liomeinsche maatschappij werd gelegd. Alles werkte daartoe mede. Het opkomen der Grieksche beschu-

(192) Niettemin bevatte het oude Romeinsche regt het a]gemecn« middel daartegen in de actio cn de exceptio de dolo, waaruit zich het begrip over het gebrek der causa heeft ontwikkeld. Men zie h\\. 173.

ocr page 232

ving en der Grieksche wijsbegeerte, de aanraking met de Oostersche volken: dat alles bragt zulk eene diepe wijziging in de oude Romeinsche Godsdienstige en maatschappelijke begrippen en deed de grondslagen der geheele maatschappij zoodanig schudden, dat de grootste inspanning voor het denkend deel der Romeinsche wereld noodig was, ora haar bestaan te redden. Ook de regtswetenschap, in Rome nooit afgescheiden van de politiek, deelde in hooge mate in de groote ontwikkeling, die het gevolg was van de krachtige inspanning van deze gewigtige periode, waarin zich eene nieuwe wereldorde vestigde. Nog bezitten wij, als een blijvend erfdeel, in de overblijfsels der Romeinsche juristen, de vruchten van den arbeid der groote mannen uit dat tijdperk van worsteling; vooral van Labeo, die misschien evenveel, zoo niet meer, voor de duurzame heerschappij van Rome en voor de ontwikkeling van het wereld-regt en de wereldheerschappij heeft gedaan, dau de groote Julius Caesar, wiens gevierde naam tot een blijveiulen titel voor de volgende alleenheerschers van het Romeinsche rijk is geworden.

De opkoming van actiën, die tot in de fijnste schakeringen van het maatschappelijk leven en van het zedelijk gevoel doordrongen, zooals de speciale condictiën, kan men zich zeker zeer goed voorstellen in zulk een tijd van verhoogde scheppingskracht. Ook schijnt de rijkdom der scheppende kracht, die hier als het ware al hare verschillende vormen voor één zelfde voorbrengend beginsel naast elkander plaatste, op snel opeenvolgende vorming van een gedeelte der speciale condictiën te wijzen.

Bij de behandeling van elk dier afzonderlijke condictiën kan het reeds de aandacht hebben getrokken, dat van deze condictiën meermalen de eene treedt op het gebied der andere. Zij staan niet naast elkander, als een stelsel van onderscheiden actiën, naar een vast systeem ingedeeld. De ééne condictie, die naast de andere geplaatst is, omvat dikwijls een deel van gebied der andere. In vele gevallen kan men dus meer dan ééne condictie instellen.

Zoo kan men in alle gevallen, waar het voorwerp eener

ocr page 233

vordering, die ouk onder eene di:r speciale condictiën kan valli\'ii, de gewone algemeene condictie instellen. Dat men algemeene condictie, dat is de sl csrtun peletur, voor eene bepaalde geldsom of de trlticarla voor eene andere bepaalde res credila, kan instellen, hebben wij op bl. 72 gezien. In den regel sluiten de formulae der speciale condictiën eene res eer la, als object, geenszins uit. Waar men bv. 1000 sestertiën gegeven had aan een redemtor operarum, opdat hij een bepaal.Ie herstelling aan een gebouw zon bewerkstelligen; daar kon men bij gebreke van voldoening aan deze verpligtin^ de condictio ob causam datorum instellen en men verkreeg dan volgens de intentio tjHicquid parel dare oportere zijne 1000 sestertiën terug. Hetzelfde verkreeg men ook door de algemeene condictio Si cerium pelelur, volgens de intentie Si parel 1000 seslerlium dare oporlere. Wij zagen op bl. 73, dat deze laatste actie in de meeste gevallen wegens de gevaren der plus pelilio niet te verkiezen was. Waar dit gevaar door bijzondere omstandigheden niet bestond, kon het als een groot voordeel beschouwd worden, dut men de gelegenheid tot eene taxatie door den Ilcgter (of tot een beroep daarop van de zijde der tegenpartij) waartoe de condemnatio der condictio obrem datorum aanleiding gaf, reeds terstond had afgesneden. Bij andere condictiën, zooals bij het indebitum solutum, was het object dikwijls zoo bepaald, dat het gevaar der plus petitio daar minder te vreezen was. Zoo kon dit ook het geval zijn met de condictio ob Inrpem causam. en sine causa.

Dat de condictio si cerium pelelar kon worden ingesteld voor het indebitum solutum, vinden wij uitgesproken door Gajus, Inst. III, § 91, op bl. 119 aangehaald.

Zelfs vinden wij bij Gajus, lnst.IV, 4, dat de algemeene condictio Si cerium petetur of de Irilicaria in plaats van de condictio furtina kon worden ingesteld. //Plane odio furum ,\'/ zoo lezen wij aldaar, wquo magis pluribus actionibus tenean-tur, effectum est, ut extra poenam dupli aut quadrupli rei recipiendae nomine fures ctiam hac actione teneantur: Si paret eos dare oportere.quot; Dat deze laatste intentio alleen en uitsluitend bij de algemeene condictio voorkwam], hebben wij gezien. Aan de formule der actio avbitraria kan hier nietgedaclit worden.

ocr page 234

— 206 —

,, Ali\'us hlijvcn alleen Je coudictioues Si cerium pet. et ar en Iritl-caria over, als concurrerende actiën met de condiclio furliva.

De concursus der actio triticaria, als aljjejneene condictio, met de speciale coudictiën is in het algemeen ook uitge-sproken door den Bjzantijnschen Scholiast, op Bas. 34, 8 1. 7, De Scholiast zegt, dat volgens Stephanus de triticaria concurreert met vier der speciale condictiën, te weten , ob causam datorum, indehiti, sine causa en ex lege, en daarenboven met de condictio furlioa, en ob lurpem. causam. (193)

Hoewel men in het algeineen met de theorie der Byzan-tijnsclie juristen omtrent de fijnere ouderscheidingen in het Romeinsche regt altijd eeuigzins voorzigtig zijn moet, inzonderheid ook op het gebied der condictiën: zoo mag men op dit punt hunne verklaring ten volle gelooven, omdat hunne opgaaf overeenkomt met de zuivere theorie van het llomeinsche regt en door de verklaringen van G-uns op enkele punten worden bevestigd.

Van Stephanus, op wion de zoo even genoemde scholiast zich beroept, vinden wij in zijne uitvoerige scholiën op Bas, XXIII, 1. 4, eene zelfde verklaring omirent den concursus der algemeene condictiën met de speciale condictiën. Hij aegt, dat de algemeene condictie (d. i. de triticaria,} de condic-tiones indebili , causa data causa non seaula, ob lurpem vel injustam causam, sine causa en furlioa omvat (l!H).

(193) amp;è oVToq Tovq amp;, y.ovdty.Tirxiovq, xbv xe oft turpern vel injustam causam, xóv (povqxitftov. quot;Oamp;ev y.al i\'vu cavco)v xtrióv y.aXioq drx\' uvxov xbv xqovwa.qwv 6qL^(xuigt; xovdtxxiy.tov. Deze ccndictio (d. i, de triticaria) omvat deze vier condictiën en de condictio ah lurpem vel injustam causam en de furtiva. Waarom men, eene dier condictiën iustelquot; lende, in plaats daaraan zeer goed de triticaria Iran gebruiken.

(194) yén.y.óq yamp;Q ^}v ó rtaqmv y.ovamp;txcixi.oq y.al TtfQofyo)v xb ivódfttxov, kuI xovq vxb xov lv^éfti,xov dvayo^ivovi, yxot xbv xnvöa ddxu xuvöaróv aotovxa, xbv bft xorQJcèfi ircovocufi xnvaafi, y.al Ttqoq xovxoui xul xbv ycvixóixaxov xov ivdefticov, Xtyoi df xbv oLvf xavoa xovdixcLx^ov, xal xbv yovqxvftov. Want daar deze condictie {de triticaria) algemeen is en de condictio indebiti omvat, alsmede de condictiën, die ouder het indebit ion gebragt worden, de condictio causa data causa non secuta, ob turpem vel injustam causam, en behalve deze de algemeenste der condictiën, namelijk de condictio sine causa, alsmede dc furtiva.

ocr page 235

Omtrent den eoncursus der condictio sine causa met de rondietio furliva hebben wij de uitdrukkelijke verklaring van den scholiast op Basilica XXIV, 3. 3, alwaar deze zegt, dat men de ter kwader trouw genoten vruchten van goed, dat de partij volgens vonnis moet afgeven, kan opvorderen door de condictio sine causa of de furtiva ter zijner keuze (195.)

Ook in de pandecten gaat men van de toelaatbaarheid der verschillende speciale condictiën voor dezelfde gevallen uit. Indien de juristen namelijk om eene of andere bijkomende reden de toelaatbaarheid van acne dier condictiën ontkenuun of betwijfelen, gaan zij dikwijls tot eene andere over en beslissen, dat heb heler is, deze condictie in te stellen. Vooral de titel over de condictio sine causa draagt daarvan de sporen. Voor zoover zij slechts dient tot terugvordering van hetgeen reeds in het verinogen eens anders is over-gebragt, verschijnt zij altijd steeds als aanvulling van de overige condictiën; in 1. 2 om te worden aangewend, waar de condictio indebiti; in 1. 5, waar de condictio ob turpem causam te kort zou kunnen schieten.

Op den regel, dat de algeineene condictiën altijd met de speciale concurreren, voor zoover het voorwerp bepaald is, bestaat maar éene uitzondering, namelijk bij de actio ex stipulalu. Deze actie strekt, gelijk wij op blz. 185 gezien hebben, alleen tot opvordering van onbepaalde zaken, waartoe de partij zich bij stipulatie verbonden had; terwijl voor bepaalde zaken, die men gestipuleerd had, steeds eene der algemeene condictiën voor res cert.ie creditae moest worden ingesteld. De oorzaak lag, gelijk wij zagen, in de praescriptio der actio ex stipulatu, die res certae uitsloot.

Terwijl die verschillende condictiën zoodanig op elkanders terrein treden, de algemeene op dat van de speciale, de speciale onderling op dat van elkander, kon men natuurlijk

(195) Kaxi/fxuy x«i qtovqxifiw xovducrixia, xuTf/frui- dè xal tw aCvt xuvau, ov intXHirjxa* 6 irdyon. Hij is gehouden tot teruggave door de condictio furtiva, maar ook daartoe gehouden door de condictio sine causa, naar gelang de eischer de eene of dz andere zal verkiezen.

ocr page 236

niet denken aan eene gelijktijdige vorming van die actiën volgens een beredeneerd stelsel, waartegen trouwens ook de uitwendige gegevens zich verzetten. Nog veel minder grond is er voor de stelling van Saviqjiy, dat er eene algemeene cundictio incerti zou bestaan hebben. In die veronderstelling hebben de verschillende afdeelingen dier condictio incerti volgens de onderscheiden titels der pandecten volstrekt geene reden van bestaan. Hoe zou het ooit in het hoofd van eenig jurist, laat staan bij eenige school, hebben kunnen opkomen, om zulk eene indeeling der verschillende gevallen dier algemeene condictio te maken, dat als onderscheidene soorten naast de turpis causa en de solutio crrore facta werd geplaatst de overgifte van goed, zonder dat er een regtsgrond voor bestond. Aan ieder eerstbeginnende moest het toch in het oog vallen, dat deze laatste soort niet naast de twee overige kon gesteld worden, omdat zij die beide in zich bevatte. Hoe kon men het zich in dat stelsel verklaren, dat de juristen die verdeeling, indien zij overigens al bestaanbaar was, alleen zouden hebben gemaakt bij de condictio incerta en niet bij de condictiones certae ?

De rij der speciale condictiën blijft werkelijk geheel onverklaarbaar , indien men die niet historisch verklaart; dat zij namelijk, als kinderen der gevoelde behoefte, in het maat-schappelijk verkeer op verschillende tijden zijn verrezen. In dat geval heeft het geen bezwaar, dat eene later gevormde actie voor een gedeelte treedt op het gebied der eerste. Hoewel bij het ontstaan der nieuwe de oude condictie soms gemist zou kunnen zijn, lag het niet in den geest der ontwikkeling van het Komeinsche regt en was het met het staatsbeleid van het oude Rome in lijnregten strijd, in dat geval de oude bestaande regtsinstelling af te schaffen. Nu die eens bestond, liet men haar haren tijd uitleven: men brak niet af, tenzij de oude instelling met de nieuwe onbestaanbaar ware. Bij oude actiën, die gedurende lange jaren in het edict der Praetoren tot staande actiën geworden waren, is de afschaffing, tenzij een tegenstrijdig staatsbelang de intrekking bij eene afzonderlijke wet gebiedend vorderde, bijkans

ocr page 237

ondenkbiiar. Ware het overigens mogelijk geweest, het zon dan altijil bedenking hebben gevonden wegens de belangrijke plaats, die eene oudere actie eenmaal in de Romcinsclie theorie besloeg. Men weet, de geheele Romeinsche regtswetenschap heeft zich vastgeknoopt aan de actiën. De juristen schreven hunne voornaamste commentaren, als verklaringen van he edict. Oiik de verzamelingen van regtsgeleerde adviezen, rcs-ponsa, waren toelichtingen der actiën, welligt naar de gewone volgorde der actiën in het edict ingerigt. Terwijl men de nieuwe actie, als aanvulling, naast de oude plaatste, bli ef al wat de regtsgeleerde theorie had ontwikkeld, in zijne volle waarde voortbestaan. De regtswetenschap had dus allei-n het nieuwe regtsmiddel toetelichten. Dezen weg zien wij in de pandecten bewandeld. Duidelijk is de condictio sine causa uiterst weinig behandeld in vergelijking met de condictio indebiti, niettegenstaande deze laatste condictie van veel beperkter omvang was en geheel en al in de algemeene condictio sine causa begrepen was. Alleen in de gevallen, waar de juristen aanvoerden, dat de condictio indebili en ob turpem causam bezwaar had, zien wij hunne toelichting, dat men zijne toevlugt kon nemen tot de condictio sine causa, die dus duidelijk als aanvulling der overige condic-tiën verschijnt.

Mogen wij dus aannemen, dat de verschillende condictiën op onderscheiden tijden zijn ontstaan, dan rijst natuurlijk de vraag, in welk een tijd wij de geboorte der onderscheiden condictiën moeten stellen. De uitwendige berigten zijn hier hoogst spaarzaam. Alleen omtrent de Si cerium pelelur en de Irilicaria zijn wij stellig onderrigt. Wij hebben dus een vasten grondslag voor de twee oudste condictiën. Voor de overige ontbreekt ons elke uitwendige aanwijzing. Zouden wij daarom elk onderzoek moeten opgeven? Zou het onmogelijk zijn uit den aard dier regtsmiddelen gevolg te trekken omtrent de periode van hun ontstaan? Zeker moet men hier met behoedzaamheid te werk gaan; maar deze methode schijnt op dit gebied der historische wetenschappen dat niet minder te wettigen, dan in de natuurkundige wetenschappen,

ocr page 238

— 210 —

vraar b. v. de geoloog uit de samenstelling der aardltigen besluit tot het tijdvak van hare wording.

Eene opmerking op den voorgrond. De oude legis aclione* van het oudste Romeinsche regt worden onderscheiden naar de verschillende uiterlijke vormen dier regtsmiddelen. Zoo heeft de leg is actio per sacramenlum, waarbij de partijen zich bij verlies van het proces bij eede verbonden tot betaling eener boete,—alsook de legis ;ict:ones per jydlcis poslulalionem, per manus injectionem en per pignortg capionem, die alle konden dienen voor onderscheiden regtsvorderiugen , uit geheel verschillende regtsgronden ontstaande, — geen bijzonder karakter, dat bepaald wordt door den materiëlen grondslag der regtsvordering. Zoo strekte de legis actio per sacra-inentum ongetwijfeld zoowel voor zakelijke actiën, als voor onderscheiden personele regtsvorderiugen.

In de latere regtsvordering per formulas, door de lex Aebutia ingevoerd, stond, als kenmerkend verschijnsel van de Romeinsche aclieleer, de aanwijzing van eene bijzondere actie voor eiken bijzonderen regtsgrond op den voorgrond. Op dien weg ging het Romeinsche regt voort. Indien bij de invoering der nieuwe procesorde eene bijzondere categorie nog niet tot bewustheid van het volk gekomen was; dan ontstond later, zoodra de behoefte aan eene nieuwe categorie of aan de aanvulling eener te beperkt opgevatte en geformuleerde categorie gevoeld werd, eene geheel nieuwe of eene meer uitgebreide categorie naast de oude. Indien op die wijze twee gelijksoortige actiën naast, elkander staan, waarvan de eene in den wijderen omvang der tweede vervat is, kan men de laatste veilig als de nieuwste beschouwen. De engere actie zou geene reden van bestaan hebben gehad, indien zij niet aan de actie van wijder omvang was voorafgegaan.

Letten wij op de condictiën, dan zien wij de drie alge-meene condictiën het algemeen karakter der overige legis actio-nes deelen. Zij zijn niet aangewezen voor eene categorie van vorderingen, voortspruitende uit één bepaalden regtsgrond alle mogelijke verbindtenissen, zoowel uit overeenkomst als uit misdrijven voortkomnde, kunnen daartoe aanleiding geven.

ocr page 239

— 211 —

gelijk wij gezien hebben. Dit is bijzonder liet geval met de Si cerium pelelur en de trilicaria. Hoewel de actio arhitraria voor het meerendeel ontstond uit de stipulatie, deelt zij echterde algemeene natuur der twee eerstgenoemde condictiën en onderscheidt zich daardoor geheel van de overige speciale condictiën.

Men had alzoo verschillende actiën naar gelang van da vormen der actie, afhankelijk van het voorwerp der vordering; terwijl men voor vorderingen, die op één zelfden regts-grond steunden, naar gelang van het voorwerp soms verschillende actiën moest instellen. Zoo moest men op grond eener stipulatie, de condictio Si cerium pelelur instellen, indien het voorwerp eene bepaalde geldsom waa; de trilicaria, indien het voorwerp eene andere bepaalde zaak was; de aclio arbilraria, indien de bepaalde geldsom of andere bepaalde zaak op eene andere plaats moest betaald worden, en eindelijk de aclio ex siipulalu, indien het voorwerp eene onbepaalde zaak was.

Het spreekt van zelf, dat de drie algemeene condictiën tot het tijdvak der vorming van de algemeene legis actiones moeten behooren. Van twee weten wij dat zeker: van de laatste, de actio arbilraria, zullen wij het bij gebreke van stellige berigten omtrent hare wording op de bovenstaande gronden mogen aannemen. Het kan zijn, dat er vóór de lex Aebutia eene gewoonte opgekomen was, om de oude condictiën ook toe te passen voor hetgeen op een locus csrtus verschuldigd was en dat men bij de in het Komeinsche regt zoo gewone transactie, om het proces af te doen, gewoon geworden was, volgens berekening of arbitrage het verschil in plaats le doen gelden en dat de lex Aebutia deze billijke gewoonte eerst tot wet verhief. Deze veronderstelling heeft eenige waarde, voor zoover er moeijelijkheid is om aantenemen, dat er nog eene derde bijzondere wet over de actio arhitraria^ evenals voor elk der andere algemeene condictiën , was gemaakt, zonder dat Gajus cok van deze wet melding zou hebben gemaakt (196).

(196) De plaats, waar Gajes van deze twee wetten melding maakt, Inst. IV. 18—20, is in haar geheel tot ons gekomen.

ocr page 240

- 212 —

Onder de speciale condictiën, die uit de periode der vorming van liet formulierproces moeten zijn, heeft men gewigtige gronden om Aefurliva en de actio e v slipulatu voor de oudste te houden. Met betrekking tot de laatste ligt in de omstandigheid, dat een actie voor de in het oude Italië zoo gebruikelijke stipulaliën, tot eene der eerste regtsmiddelen moet behoord hebben, die tot de bewustheid van het Ro-ineinsche volk kwamen, daarvoor reeds eene krachtige aanwijzing. Deze aanwijzing wordt bevestigd door den vorm der praescripd\'o, die de actie alleen en uitsluitend verleende voor het incertum der stipulatio. Dit schijnt, gelijk wij op bl. 68 en 185 opmerkten, aan te wijzen, dat deze formula ontstaan is \\66t elke andere formula van eene incerti con-dictio. De reden, waarom men het certum van deze actie uitsloot, kan bezwaarlijk eene andere geweest zijn, dan dat men aanvankelijk zoozeer hechtte aan het begrip der bepaaldheid van het voorwerp der condictie, dat men eene vereeniging van bepaalde en onbepaalde voorwerpen in eene condictie eene onmogelijkheid achtte, en daarom naast de condictiën tot vordering van een bepaald voorwerp, bij stipulatie toegezegd, eene andere actie voor de onbepaalde, bij stipulatie toegezegde , zaken vormde. Daarin vindt men geleidelijk de verklaring, waarom de actio ex slipulatu op dit punt eene uitzondering opleverde met al de overige actiën, die eene gelijke intentio hadden , dat zijn de condiotiones incertae. Tegelijk is het duidelijk geworden, waarom aan de actio ei-slipulatu de naam van condictio geweigerd werd , hoewel zij dat volgens haren aard in werkelijkheid is, gelijk wij gezien hebben (196a). De actio ex stipulatu, en de actio arhitraria, misschien eerst door de lex Aebutia tot den vasten vorm van het formulier-proces gebragt, moeten zijn uit den tijd, toen eene condictio voor eene onbepaalde zaak onmogelijk geacht werd en dus het begrip der incerti condictiones nog niet tot heldere bewustheid was gekomen.

(196a) Dat eene actio, die volgens liaren aard conc condictio wns, niet altijd zoo genoemd werd, daarvan vinden vij ook het voorbeeld in de actio rerum amnlnrum. Zie b!z. 151.

ocr page 241

— 213 —

Van oude dagteekening moet ook , gelijk wij op blz. 31 aangaven, de condiclio furliva zijn; omdat zij moet on\'staan zijn, tijdens men nog diefstal van onroerende goederen aannam. Ten tijde van Gajus was dat beginsel verworpen Aui.us Gei.lius deelt het mede als eene antiquiteit uit. de boeken van Sabinus. Vermoedelijk was het ten tijde van dezen reeds een verouderd gevoelen. Tn de condictie bleef men daaraan vasthouden, omdat het eenmaal bestond, gelijk wij op blz. 147 hebben gezien. Dat was overeenkomstig de Romeinsche gewoonte, om bestaande instellingen niet af te schaffen, maar haar tijd te laten uitleven; het beginsel kan zich echter in de condictie niet zoo vast gevestigd hebben, dan in een tijd, toen het begrip van diefstal van onroerende goederen nog in volle kracht was.

Hi t is niet onwaarschijnlijk, dat de beide interdicta de vi zijn opgekomen, toen men het bezwaarlijke der actio furti wegens onroerende goederen was gaan voelen en ter vervanging daarvan andere middelen behoefde (19?).

Het inlerdictum de vi armata, waarschijnlijk in Cicero\'s tijd niet van zeer jonge dagteekening, daar wij anders vermoedelijk de aanleiding tot de invoering naauwkeurig zouden kennen, moet zeker van aanmerkelijk latere dagteekening zijn, dan het inferdictum de vi cottidiana, waarvan het de aanvulling was. Niets lag inderdaad minder in den geest der Romeinsche methode, dan snelle verandering en wijziging van hetgeen eenmaal was vastgesteld. Men veranderde gewoonlijk niet, en voegde zelfs aan het bestaande niet toe, tenzij het onvoldoende daarvan door lange ondervinding onwederspreke-lijk gebleken was. Zoo voert ons deze aanwijzing, dat de condictio lurtiva ook betrekking had op onroerende goederen, tot Rome\'s ouden tijd terug.

Tot den ouden tijd behoort ook zeker de condictio ex lege Aquilia, vermoedelijk door die wet ingevoerd. Dat tijdstip

(197) Oudtijds behoorde onder het furtum, evenals nog onder onzen diefstal, ook de wegneming door geweld, waarvoor later de actio vi bonorum raptorum was toegelaten, liet spreekt van zelf, dat bij het oude furtum rei immobilia, uit den aard van het goed, voornamelijk aan gewelddadige wegneming moest gedacht worden.

ocr page 242

— 2M- —

is onzeker. Waarschijnlijk zal het niet veel verschillen Villi de lex Silia en Calpurnia, vermoedelijk echler iets later vallen ; omdat eene vroegere condiclio ex lege Aquilia niet zou zijn overeentebrengen met de opgaaf van Gajus, dat de con-dictiën werden ingevoerd door de lex Silia en Calpurnia.

Hoe onzeker het tijdstip der lex Aquilia ook zijn moge, het schijnt in allen gevalle te zijn vóór de lex Aehutia, waarbij het formulier-proces werd ingevoerd.

De condictio ex lege, waarbij eene condictie werd verleend voor elke vordering, uit een nieuwe wet, als regts-grond (I9S), voortvloeiende, voor zoover namelijk de nienwe wet geene vormen had voorgeschreven , kan moeijelijk anders ontstaan zijn, dan bij eene algemeene regeling van het pro-cesregt. Het is dus het meest aannemelijk, dat deze condictie haar oorsprong heeft uit de lex Aebulia zelve, die waarschijnlijk, zooals wij op blz. 5, noot 6, opmerkten, dagteekent van het midden der 6de eeuw na de stichting.

Uit dezelfde wet kan afkomstig zijn de condictio ex legato, waardoor volkomen regt werd gedaan op de oude bepaling der lex XII tabularum, Uli pater legassit, jus eslo. Het dare oporlere had zijn regtsgrond ook hier in de wet. Het testament was oudtijds eene wet. De lex XII tabularum verklaarde

(198) De condiclio ex lege moet vooral niot verward worden met de verbindtenis uit de wet volgens de terminologie van ons burgerlijk wetboek, overgenomen uit den Code. Gelijk bekend is, beeft onze wetgever in den Ssten titel van het derde boek onder verbindtenissen uit de wet ook opgenomen de verbindtenissen, die baar regtsgrond vinden in eene regtma-tige of on regt matige handeling van den persoon, die verbonden wordt, en aan de andere zrjde ook aan zich verbindt, zooals bij de negotiorum gestio. Art. 1388 Burgerlijk Wetboek (art. 1370 C. C.) onderscheidt deze verbindtenissen, als verbindtenissen uit de wet, door \'s menschen toedoen ontstaan. Het valt in het oog, dat de wet hier even weinig als de regtsgrond der verbindtenis kan worden aangemerkt, als bij alle andere verbindtenissen, die uit overeenkomst voortvloeijen. De wet doet hier niets anders , dan hare dwingende kracht verleenen aan de verbindtenis, die haren regtsgrond vindt in handelingen van de betrokken personen. Voorbeeld van eene ware verbindtenis uit de wet is de verbindtenis der wees- en momboir-kamers om rekening en verantwoording en afgifte te doen van de boedels die zij onder zich hebben, aan de commissie van liquidatie, volgens de wet van 5 Maart 1852, Staatsblad, nquot;. 45.

ocr page 243

alilus «éns voor al, wat ouiltijds voor elk testament afzonderlijk door de wet was vastgesteld.

iiieiraede staat, zooals wij reeds opmerkten, ook in ver-bntid de coiulictio ex Scto Trebelliano, waarvan insgelijks het positief regt de regtsgrond was. Dat hier de regts-bron door de wijziging van het praktische staatsregt een Sclum en niet eene wet was, doet natuurlijk voor het privaat regt niets af. Het Sctum Trebellianum was van het jaar 81 ó na de stichting, 62 na Christus.

De overige condiotiën, oh cans ma dalorum, oh tnrpem cansam . indehiti en sine causa, zouden insgelijks door de wet kunnen zijn ingevoerd; het komt mij echter aannemelijk voor, dat zij uit de regtspraktijk gesproten en door het edict ingevoerd zijn. Daartegen kan niet worden aangevoerd, dat zij in dat geval niet als actiones juris civilis, maar als actiones Fraetoriae zouden zijn aangemerkt. Werkelijk zou men zich het ontstaan van eene nieuwe intentio van het strenge jus civile door het imperium van den Praetor moeijelijk kunnen denken: doch dat de Praetor, den weg, door het jus civile gewezen, volgende, aan de bestaande inten\'io der verschillende condictiones incerti, verschillend door de daarvoor ingevoerde praescriptio, eene nieuwe prae-scriptio toevoegde, schijnt zelfs in deze judicia stricta nift vreemd.

Tn de intentio lag het juridisch element. Bijzonder op het gebied der condictiën was het gebruik der praescriptio vrij, zoodat het zelfs, gelijk wij gezien hebben, aan de partijen lag, om in de formulae der algemeene condictiën eene praescriptio (die wij in het latere procesregt eene reserve zouden kunnen noemen) toetevoegen. Wat belette den Praetor op het gebied der speciale condictiones incerti in te voeren, hetgeen door het gebruik bij Aestxengecondictionescertige\\\\e[i\\gA was ?

Dat de laatstgemelde condictiones op deze wijze door het Praetoriaansche edict zijn in liet leven geroepen , is het meest aannemelijk. Wij zouden vermoedelijk anders de wetten kennen, waarbij zij, althans de laatste daarvan, waren ingevoerd.

Volgens interne gronden zal men aan de condictio oh turpem

15

ocr page 244

— 210 —

causam een hooger ouderdom moeten toeschrijven, dan aan de twee overige.

Onder de verscliillende categoriën van gevallen, waarin men waarde in het vermogen van een ander bad overge-bragt, zonder dat daarvoor een reglsgrond bestond, moet natuurlijk het regtsgevoel het eerst wakker zijn geworden voor die gevallen, die met het regt of de zedelijkheid in stelligen strijd waren. Het spreekt van zelf, dat dit krachtiger tot het bewustzijn spreekt, dan de bloote ontstentenis van een voldoenden regtsgrond, zooals bij de con-dictio sine causa, en zelfs ook veel sterker dan de dwaling, waarop de condictio indebiti berust. De laatste vormt als het ware het midden, den overgang tusschen de condictio ob turpem causam en de condictio sine cansa. Eerst komt men tot het bewustzijn, dat een schandelijke grond voor overdragt regtens niet gelden mag; daartia dat men ook op de overdragt, door dwaling gedaan, moet kunnen terugkomen. Eindelijk komt men, — in de praktijk gezien hebbende, dat men soms met deze beide actiën te kort kon schieten en dat zij een zelfden hoogeren grond hebben, dat men namelijk op elke overdragt moet kunnen terugkomen, indien voor die overdragt geen regtsgrond bestaat. — tot de meest algemeene opvatting, dat terug moet gegeven worden, al wat zonder regtsgrond in eens anders vermogen is overgebragt, Zoo komt ten laatste de condictio sine causa als aanvulling, waar de overige condictiën in gebreke blijven.

Zoo verschijnt werkelijk ook deze condictie, voor zoover zij strekt tot terugvordering van overgedragen goed, in de fragmenten der oude juristen. In 1. 2 h.t. bespreekt Ui.pianus eerst, in hoever voor het daar behandelde geval de condictio indebiti kon worden ingesteld. Hij zegt, dat er toijfel was over de toelaatbaarheid en besluit eindelijk, dat men in allen gevalle de condictio sine causa kan instellen. In 1. 5 bespreekt Papinianus twee gevallen, waar hij de toelaatbaarheid der condictio ob turpem causam aan twijfel onderhevig acht, en eindigt met de condictio sine causa aantebevelen.

ocr page 245

In 1. 1 en 4 eindelijk wordt gehandeld over deze condictie als concurrerende met de condictio ob causam datoram.

Al de wetten, in dezen titel voorkomende, zijn van Ui.pianos. Julianus, Afkioanus of Papinianus. Er is geen enkele aanwijzing, dal een der oudere juristen over deze condictie gehandeld heeft. Van Labeo, die overigens een der voornaamste autoriteiter. op het gebied der speciale condictiën was en van wien de fragmenten der overige titels op vele plaatsen melding maken, wordt daarin met geen enkel woord gewag gemaakt. Kan men aannemen, dat de groote jurist, die de fijne regtsvragen over de causa met bijzondere voorliefde behandelde, die aan de nieuwe actie, die zich aan de condictie aansloot, d. i. de actio praeseriptis verbis, zooveel liet gelegen liggen, over deze meest algemeene en zich ver uitstrekkende condictie zich niet zou hebben uitgelaten, indien zij ten zijnen tijde reeds bestaan had ? Zou men kunnen aannemen, dat de oude juristen, die zijne gevoelens over de verwante condictiën steeds met zorg mededeelen en bespreken, zouden hebben verzuimd, zijne uitspraken over deze gewigtige condictie aan te halen?

Het is op al deze gronden zeer aannemelijk, dat deze condictie eerst in den lateren tijd ontstaan is. Daaruit verklaart zich dan ook geleidelijk, dat deze uiterst gewigtige condictie in vergelijking met de andere, in welker plaats zij kon treden, zoo uiterst schraal behandeld is, gelijk wij op blz. 131 reeds opmerkten.

Alles wijst er dus op, dat de condictio sine causa het laatst en laat ontstaan is. Dit verklaart ook, dat de leer der causa in het Romeinsche regt niet met die klaarheid en scherpe bepaaldheid is afgehandeld, die anders aan de Romeinsche theorie zoo bijzonder eigen en voor de behoeften van het leven zoo noodzakelijk is.

Daarmede staat welligt ook in verband de onbepaaldheid, het eenigzins zwevende, dat wij in de Romeinsche regtsontwikkeling opmerken in de leer betreflende het bestaan der verpligting in tweezijdige overeenkomsten , omtrent

ocr page 246

de voldoening zijner verbiiultems, voordat men die van zijne tegenpartij vorderen kan, waarop wij nog later terngkomen.

Het spreekt van zelf, dat men in het aangevoerde omtrent den ouderdom der onderscheiden speciale condictiën geene naauw-keurige tijdsbepaling zoeken moet. Het eenige, dat wij daarmede bereikten, was dit: dat het bewijs geleverd werd, dat in onze opvatting van het stelsel der speciale condictiën, ook met betrekking harer geleidelijke vorming, niets ongerijmds gelegen is, en dat onze veronderstelling omtrent het ontstaan dezer condictiën integendeel in volkomen harmonie is met de methode der Romeinsche regtsvormingen en met hetgeen ons in don bestaanden vorm van het Komeinsche regt is overgeleverd.

Alleen in haar geheel heeft de theorie omtrent de wording der condictiën waarde. In de opvatting omtrent den ouderdom van elke afzonderlijke condictie of omtrent de bron, waaruit zij voortsproot, kan verschil bestaan, zonder dat dit op het algemeen stelsel en de gevolgen, daaruit voortvloeiende, eenigen invloed oefent.

ocr page 247

— 219 —

V.

De verdwijnixg van het onderscheidend karakter der

ALGEMEENE OONDICTIEN, At.S AFZONDERl.IJKE ACTIËN.

Wij hebben gezien, dat de oude algerneene condictiën het voortbrengsel zijn der periode van de ley Is acliones, het tijdvak, waarin de actiën niet werden afgedeeld naar den verschillenden aard van den regtsgrond, wnaruil zij waren ontsproten, maar naar den aard van het voorwerj) der regts-vervolging. Dat karakter bleven zij behouden gedurende het geheele tijdperk van het bestaan van het Romeinsche rijk. Voor zoover men daarbij alleen denkt aan de algemeene condictiën, bleef altijd gelden, hetgeen wij boven zagen, dat volgens Cicero door Scaevot,a daaromtrent was opgemerkt: dat zij namelijk in tegenstelling met de bonae. fi\'lei actionem altijd eene bepaalde zaak tot voorwerp hebben. Behalve deze eigenschap hadden deze oude condictiën ook nog de bijzondere eigenschap, dat zij de strekking hadden, om aan den eischer den eigendom over te dragen. Wij zagen, hoe niet alleen dit karakter van bepaaldheid, maar ook dat van overdragt van eigendom, in de latere vorming der contlicliones incerli verloren gaat. Niettemin bleef men in de Romeinsche theorie aan deze eigenschappen van het begrip der condictio in zijn eerste meest beperkte karakter ook na de belangrijke uitbreiding van dit begrip in de condictiones hechten. Wij vinden daarvan bijzonder het bewijs in de scholiën der Byzantynsche juristen, die het in het algemeen aan geleerdheid niet ontbrak, hoewel de krachtige oud-Uomeinsche geest, om aan eiken nieuwen tosstand zijn regt te doen wedervaren en nieuwe bepalingen daarvoor in verband met het oude regt-stelsel in het leven te roepen, geheel en al verloren was gegaan. In de scholien op Basilica XXIII, tit. 1 en bepaald in die van Stephanus op 1. 4 en op l. 8, vinden wij daarvan telkens melding gemaakt. Trouwens in de Romeinsche leer der condictiën was altijd iets antiquarisch,

ocr page 248

— 220 —

waarvoor ook ten bewijze strekt, dat men eene oondictio wegens diefstal van onroerende goederen steeds bleef toela- . ten, niettegenstaande men overigens geen diefstal van onroerend goed meer erkende. — In de aangehaalde plaats van Stephanus is dan ook de opmerking gemaakt, dat het oude karakter der condictiën in de nieuwere speciale condictiën niet bewaard was; maar dat doze laatste zich integendeel veel verder uitstrekten.

Overigens blijkt het, dat deze antiquarische strekking der Romeinsche theorie niet gebaat heeft. Het oude begrip der condietie, als de algemeene actie voor alle bepaalde zaken, die den eischer in eigendom moesten worden overgedragen , heeft nog wel eeuwen lang in het Romeinsche regt voortbestaan; maar devormings- en ontwikkelingskracht was verloren, die voor elke instelling van het maatschappelijk leven noodig is, om met het voortgaande ontwikkelingsproces een aaneensluitend geheel te vormen.

Blijkbaar had het oude denkbeeld der algemeene condictie, als algemeene actie voor alle bepaalde zaken veel van ha.ir gewigt verloren bij de zaraenstelling der pandecten. Dat is echter niet in gelijke mate het geval met de drie verschillende vormen van algemeene condictiën.

De triiicaria is het meest op den achtergrond gekomen.

Indien men de schrale bewerking van die actie in den daaraan gewijden derden titel van het 24e boek de pandecten nagaat, dan ziet men terstond, dat men niet te doen heeft met eene der gewigtigste actiën van het Romeinsche regt, waarvan gewoonlijk de fragmenten over de verschillende voorgekomen gevallen elkander verdrongen. Een klein fragment uit Gajus en drie niet groote fragmenten uit de schriften van Ulïianus vormen den geheele inhoud van den titel over dit onderwerp. In de Basilica is men nog verder gegaan en heeft men de conlictio triticaria met de condictio sine causa in één titel vereenigd. Dat kan niet zijn wegens de bijzondere verwantschap dezer twee actiën, terwijl de laatstgemelde condictie met de triticaria niet meer overeenkomst heeft, dan eene der overige speciale condictiën. Het

ocr page 249

ligt dus voor de hand, dat deze Ijeide condictiëu in één titel te zamen werden vereenigd, omdat beide in de praktijk van weinig gewigt waren. Er was trouwens ook niets vo\'jr, om de condictio triticaria, die met al de speciale condictiëu concurreerde, bnven deze te verkiezen. Hetzij men de formule voor de algemeene condictie, hetzij men die van eene der con-dictiones incerti koos, altijd was eene schatting noodig. Eene praescriptie was altijd verkieslijk, om het geding le beperken lot de bijzondere reglsbetrekking, waarop men zijne vordering grondde. Zelfs al stelde men de triticaria in, dan nog was de toevoeging eener praescriptie aan te raden. In dat opzigt was er dus niets tegen de speciale condictie, waarin de praescriptie verpligtend was. In een ander opzigt was de formula der condictio incerti altijd als voorzigtigheids-maatregel aan te raden, omdat de triticaria was gebonden aan de uitkeering van de bepaalde gevorderde zaak, niets meer en niets minder; terwijl daarentegen de formula der condictio incerti eene berekening wegens bijkomende omstandigheden toeliet. In enkele gevallen kon dat van gewigt zijn, gelijk wij op bl. 73 hebben gezien. In de meeste opzigten was er echter geen merkbaar verschil, of men bij de verbind-tenis om eene zaak over te dragen, eene formula verkreeg,waarin alleen melding werd gemaakt van rem dare of een jormula incerta, waarbij melding werd gemaakt van dare Jacere. Voor zoover toch de verpligting alleen in het dare bestond, bleef bij de intentio dare jacere het jacere rusten. Praktisch was er geen verschil, omdat zoo wel van de res certa, als van de res incerta, bij gebreke van voldoening, eene taxatie en eene veroordeeling in eene bepaalde geldsom moest plaats hebben.

Wel hebben deRomeinsche juristen den takt voor het maken der fijnste onderscheidingen, waar dit van invloed was op de praktijk; maar waar de praktijk er niet mede gemoeid was, kon de behandeling van twistvragen op den Romein-schen bodem gewoonlijk weinig tieren. Zoo zien wij dan ook wel op onderscheiden plaatsen scherp onderscheiden tusschen de condictio si certum petetur en de actio ex stipulatu, in zoover er kwestie kon zijn, of liet voorwerp der stipulatio

ocr page 250

— 222 —

in pecunia certa, d. i. het cerium in den meest strikten zin, i f in eene res incerta bestond. Onder de talrijke pandecten-plaatsen, die over stipulatio ook van res certae praeterpecuniam numeralam handelen, is mij geene enkele wet bekend, waar uitdrukkelijk gehandeld wordt over de vraag, welke formula men voor eene gestipuleerde zaak moest vragen, die der condiclio tri-iicaria of der actio ex slipulalu. Alleen ééne der rnij bekende plaatsen schijnt mij toe, op verschil van gevoelen daaromtrent eenigzins betrekking te hebben Dat is 1. 47 § 3 ff.de V. O., op bl. 24 aangehaald. U i.panus zegt aldaar, dat men bij stipulatie van vrachtgebruik dit voorwerp der stipulatie als een incertum beschouwde, zoadat men daarvoor de actio ex slipu-latu instelde. Hij voegde er aan toe, dat dit in de re^tspraktijk meestal zoo verstaan werd: //hoc jureutimur.\'/Hij geeft daarmede ingewikkeld te kennen, dat het ook wel, hoezeer gewoonlijk niet, anders beschouwd was. Op bl, 23 betoogden wij, dat men volgens de Bomeinsche theorie het vruchtgebruik ook als eene res certa heeft moeten kunnen beschouwen, zoodat men daarvoor ook de actio triticaria had. Ik stel mij voor, dat er onder de oude juristen versoliil zal geweest zijn, of men dat vruchtgebruik ook niet als res incerta kon aanmerken, en dat dit aanleiding kan hebben gegeven, dat soms een enkel Praetor bij vordering van vruchtgebruik krachtens stipulatie de actio ex stipulatu weigerde, terwijl anderen die gewoonlijk toelieten. Hoewel nu de intentio der laatste actie, als condictio incerti, naar de strenge regels van het oude proces meerdere ruimte aan den Regter liet, gelijk wij op bl. 25 hebben gezien, zoo moest toch in beide, zoo de gedaagde in gebreke bleef het vruchtgebruik te leveren, eene veroordeeling in eene bepaalde geldsom plaats hebben, waaraan altijd eenigermate eene waardering ten grondslag lag. Daar de Praetor in liet Bomeinsche regt do actie aanwees , werd voor de verleening der formula door hem uitgemaakt, of de gevorderde zaak als res certa of res incerta zou worden aangemerkt. Waar het geene som geld betrof, voerde de condictio certa ongeveer tot hetzelfde resultaat, als de intentio incerta. Nu moge in sommige gevallen.

ocr page 251

zooats wij te voren zagen, de condictio certa mocije!ijVheden voor de regterlijke magt hebben opgeleverd, de eischende partij kwam, zoo zij triomfeerde, Inngs beide wegen (ot een zelfde resultaat, veroordeeling tot eene geldsom, btnvkend naar de waarde. De eischer had er dus geen groot belang bij, wi-lke actie de Praetor verleende. Het zal in Home ook wel eenigermate geweest zijn, zooals thans, dat de partijen zioh met haar formele der uitspraak weinig het hoofd breken, indien 7.ij maar tot haar doel geraken. Daardoor kunnen wij ons voorstellen, dat de vraag of de gestipuleerde zaal; , als een certum, alleen onder de tritiearia kon vallen en of men het ook, als een incerlum, kon brengen onder de actio ex stipu-latu, met weinig ijver behandeld heeft; doch het schijnt dat de strekking bestond, om het gebied van de actio ex slipulalu, meerder ruimte en vrijheid latende bij de uitspraak, zooveel als mogelijk uit te breiden.

Nadat de vroegere buitengewone wijze van regtspraak, volgens welke de magistraatspersoon niet meer bij de benoeming van een gezworen regter eene formula tot rigtsnoer van diens onderzoek verleende, maar zelf regt sprak, zoodat de formula niet meer verleend werd, dc gewone procesorde geworden was, moest het formele verschil tusschen de actio cx stipulatu en de condictio trificaria nog meer op den achtergrond geraken. liet is niettegenstaande het behoudend karakter van het Komein-sche regt zeer aannemelijk, dat men het met de verplig-ting des eischers om zijne actie aan te wijzen, destijds niet zoo streng nam, dat, indien de eischer had aangegeven, de actio ex stipulatu voor honderd mud tarwe te willen instellen, deze aanwijzing als voldoende beschouwd werd en ilat men alras tusschen de actio ex stipulatu in den vorm der condictio tritiearia, en de eigenlijke actio ex stipulatu, oorspronkelijk alleen voor het incertum der stipulatie aangewezen, geen verschil meer maakte. Althans van eene tegenstelling der condictio tritiearia tegen de actio ex stipulatu vinden wij in de talrijke fragmenten over stipulatie nergens uitdrukkelijk melding gemaakt. Evenmin vinden wij in de pandecten naast de speciale condictiën den concursus der condictio tritiearia vermeld.

ocr page 252

— 224 —

Op onderscheiden plaatsen echter wordt de condictio Si cerium peletur tegenover de condicliones incerli gesteld (198). Hier was ook het groote en gewigtige verschil, dat de veroordeelingssom in de algemeene condictie volkomen moest overeenstemmen met de som , in de condictio opgenomen , zonder dat eenige taxatie noodig en een ge wijziging of vermindering mogelijk was.

Opmerkelijk is, dat in den naam dezer condictie het certum een veel naauwere beteekenis had, dan die, waarin wij dat woord in de theorie der algemeene condictiën leerden kennen. «Certum est, quod ex ipsa pronuntiatione apparet, quid quale quantum sit,w gelijk wij op bl. 17 hebben gezien. //Tncertum,» zagen wij daar, werd genoemd, //ubi non apparet, quid quale quantum sit.w

Het certum kon dus bestaan in allerlei andere roerende en onroerende zaken, even goed als in geld. In de condictio Si certum peletur ziet daarentegen het certum uitsluitend op bepaling in geld. Deze actie strekte alleen en uitsluitend tot opvordering van bepaalde geldsommen.

Door deze dubbele beteekenis van het certum kon dus ook de uitdrukking van certi condictio eene dubbele beteekenis hebben: zij beteekent in de eerste plaats de condictio, d. i. eene der algemeene condictiën, tot opvordering van het certum, dat zijn bepaalde zaken, hetzij geld, hetzij andere goederen. In dien zin omvat zij zoowel de condictio si certum peletur, als de triticaria, en zelfs de actio arbitraria, in zoover de bepaalde verschuldigde goederen op eene bepaalde plaats moeten geleverd worden. Doch in zoover men het certum in den meest bepaalden zin opvat, kan de uitdrukking certi condictio alleen de condictie voor bepaalde geldsommen bedoelen.

Dat cerli condielio volgens de Eomeinsche terminologie, bepaald in overeenstemming met de onderscheiding van het cerium en incertum in de stipulatie, in den eerstgereelde ruimere beteekenis voorkomt in de Instituten van Justini-~ aniüs, pr. de V. O. (3, 16), schijnt aan geen twijfel onder-

(195) Zie onder andere 1. 12 ff. de Xov. (46, 2) en 1. 17 § 2 ff. Iter. Am* (25. 2).

ocr page 253

lievig. Aldaar wordt gezegd, dat er voor de stlpulatio twee actiën waren, namelijk de condictio certi vour de stipulatio certa, en de actio ex stipulatu voor de slipulalio in eer la. Dat de condictio triticaria, evenals de si cerium pelelur voor bepaalde geldsommen, voor alle andere bepaalde bij stipulatie beloofde zaten was toegelaten, hebben wij breedvoerig aangetoond en schijnt aan geen twijfel onderhevig.

Dit neemt echter niet weg, dat terwijl het generieke woord werd gebruikt, daarbij gewoonlijk bijzonder kan gedacht zijn aan het soort, de condictio -si cerium petelur. Indien werkelijk, zooals wij vermoeden, de condictio triticaria later op den achtergrund geraakt was, is het zeer natuurlijk, dat uien allengs onder certi condictio meestal alleen dacht aan die algeineene condietie, die steeds ook in de regtsgevolgen haar bijzonder gewigt behouden had. Blijkbaar heeft men onder die woorden bijzonder gedacht aan de condictie Si eerr lum petetur, waar men de condictio certi tegenoverstelde aan de condictio ineerli; omdat iu het latere proces tusschen de twee vormen der algemeene en speciale condictiën alleen merkbaar verschil was, met Xwi 00° fa Si certum petelur tegenover de speciale condictiones incerti.

Deze opvatting stemt overeen met de verklaring van den scholiast op Basilica XXIIf lel, (199), die op het fragment van Ui.pianus in 1. 1. ff. de Rer. Cred. betreffende de condictio Si ccrtum petetur aanteekent, dat men onder het cerium meestal geld verslaat; maar, — als wilde hij de onjuiste gevolgtrekking voorkomen , dat er gcene andere condictie voor vervolging van het certiw» in zijne oorspronkelijke beteekenis bestond, — er terstond op laat volgen : dat men voor andere zaken, die een eertum als voorwerp der verbindtenis uitmaken, eene andere condictie heeft, namelijk de triticaria.

(199) Ktqrov tfi w? fTtl xo 7l).fZavov q-rfil xa aqyvqm. \'O fifyxot xQixt-xaQtoq xordt-xxixLoc;, Tteql ov ókahtfitïv fTTKyy*AAérrtt 6 trixbi; rixlog y, xov fikfiXLov, /uoav Ivsi Ttavxbq f/ft ctQayfiaxoc;, Ttkiji

aqyvQiw. Certdm beteckent meestal geteld geld. De condictio triticaria echter, waarover de geheele titel 3 van het volgende boek aankondigt te zullen handelen, heeft plaats voor elke zaak, behalve voor geld.

ocr page 254

— 226 —

Terwijl de actio atbitraria, hoewel ook eene algetneene condictie, vooral bij het verdwijnen der oude literarum ohligalio, in werkelijkheid alleen uit stipulatie tot levering of betaling op eene bepaalde plaats ontstond, was alzoo van van de oude algetneene condictiën in het latere Romeiusche regt alleen de si certnm petetur in volle kracht gebleven. Zij staat nog daar als eenig, hoewel dan ook gewijzigd, overblijfsel der oude legis acüones. Zeker zal men de oude Romeiusche wereld niet beschuldigen , dat zij in dat opzigt haar behoudend karakter heeft verloochend; daar zij een ouden regtsvorm, uit den oudsten tijd afkomstig, en afwijkend van het regtsstelsel der formula, waaronder het Romeinsche regt zijn blijvenden vorm verkreeg en tot wereldregt opgroeide, gedurende het gansche tijdperk der forcnulae. trouw heeft bewaard en nog in den ouden vorm aan de nakomelingschap heeft overgeleverd.

Daarmede was voor deze oude condictie ook al het moge- . lijke gedaan. Levenskracht bezat de actie niet meer. Bij het voortbestaan van het Romeinsche regt in enkele zuidelijke streken en de herleving daarvan in het overige Europa is dan ook deze actie spoorloos verdwenen. De algemeene condictiën konden zich in het stelsel niet verder uitbreiden en met maatschappelijke instellingen gaat het als met den men-schelijken geest; wanneer de verdere ontwikkeling ophoudt, kwijnen zij langzaam weg.

De sporen van het wegsterven daarvan zien wij trouwens reeds in het Byzantijnsche regt. Aan alle zijden ingesloten door de speciale condictiën, waarmede zij concurreerden, ea waaraan zij door de gewoonte van ook praescriptiën in hare formula op te nemen, in het oude procesregt reeds zeer gelijk geworden waren, wijken zij in de praktijk terug. Wel bewaarde de Byzantijnsche school in hare zuiver antiquarische rigting het oude begrip der condictiën, zooals men dat in de schriften der Romeinsche juristen ontwikkeld gevonden had en wij dat uit de Byzantijnsche scholiën het best kennen; maar van resultaat voor de praktijk vinden van deze oprakeling van dat oud Romeiusclie element geen enkel teuken. lutegen-

ocr page 255

deel waar zich de Ryzantijnsclie scholiast op het terrein van de praktische toepassing der condictie si cerlnm peletur waagt, is zijne eerste schrede terstond een misgreep, in openbaren strijd met het oude classieke regt.

Wij merkten op bl. 52 op, dat Stephanus, een der voornaamste Byzantijnsche juristen, leerde, dat de eischer op het gebied der condictién in plaats van eene onbepaalde vordering altijd de condictio si cerium peletur kon instellen, indien hij, teneinde taxatiën te voorkomen, eene bepaalde som geld vorderde.

Het onjuiste dier bewering viel niet moeijelijk te wederleggen. Met het juiste begrip der condictie was dit zeker in strijd; maar Stephanus drukte waarschijnlijk de opvatting uit, die men zich in de Grieksche wereld van de condictie voor cerla pecunia tegenover de condictio incerli \'gevormd had, en die misschien in de regtspraak was doorgedrongen.

Nog hebben wij in het tegenwoordige proces bepaalde en onbepaalde zaken, als voorwerp van vorderingen. Bepaalde vorderingen verstaan wij ook nog in tweederlei zin, namelijk bepaald in eene geldsom of in andore zaken, die bepaald zijn in hoedanigheid, soort en hoeveelheid, waarbij in geval van veroordeeling de vereffening (zie blz. 65) moet plaats hebben door waardering van de toegewezen goederen in geld. Ook nu bestaat in de praktijk nog wel de gewoonte, waarop de Byzantijnsche scholiast doelde, dat de eischer, indien geen verschil over de waardering van gevorderde zaken (ook wel van uit haren aard onbepaalde zaken) te voorzien is, daarvoor in zijne conclusie van eisch eene vaste som stelt, waartegen de gedaagde, geene bedenking maakt, terwijl hij zich alleen bepaalt tot bestrijding van den grond der vordering. Hoeveel invloed nu ook het bepaald of niet bepaald zijn van het voorwerp van vordering op het proces hebben moge, dat betreft in het latere procesregt alleen een onderscheidend karakter van het voorwerp in verschillende actiën: nooit heeft men er in het latere proces aan gedacht, om eene afzonderlijke actie voor de opvorderingen van in geld (of ook in goederen) bepaalde schulden te vormen, znoals de oude condictio si cerium

ocr page 256

— 22S —

petelur was Aan eene afzonderlijk actie voor alle hquot;paalrle vorderingen, uit welken regtsgrond ook ontsproten, is door geen enkel jurist in het latere Europesclie reg( en door geen enkel later wetgever ooit gedacht.

Evenzoo is ook elk begrip verdwenen van eene afzonderlijke algemeene actie voor bepaalde goederen, die op eene andere plaats in eigendom moeten worden overgedragen. Men vordert die op dezelfde wijze met de actie; voortspruitende uit den bepaalden regtsgrond, d. i. de overeenkomst of handeling, waarop het vorderingsregt berust; evenals men te Rome de ter bepaalde plaats bedongen levering van het gekochte goed krachtens het gewone koopcontract invorderde door de actio emü.

In den lateren tijd van het Romeinsche regt hebben de drie algemeene condictiën derhalve langzamerhand aan ge-wigt voor de praktijk verloren en met de herleving van het Romeinsche regt in het latere Europesche procesregt zijn zij geheel weggestorven of, zoo men wil, niet weder opgestaan. In het Romeinsche regt waren zij verdrongen door de speciale condictiën. Daar waar het Romeinsche regr, geene afzonderlijke speciale condictio naast de algemeene condictiën geplaatst had , zooals niet plaats had bij de certi slipulatio voor het muluum, bleven zij alleen over als actiën voor den bepaald aangewezen regtsgrond, maar zonder dat meer onderscheid gemaakt werd tusscheu de verpligting tot overdragt van geld of andere zaken, gelijk het oude Romeinsche vorderde. Het eigenaardige verdween hier ook geheel en al, om plaats te maken voor het algemeene regt voor alle overeenkomsten. De terugvordering van ter leen gegeven zaken krachtens overeenkomst van verbruikleening ouderscheidt zich in den procesvorm volstrekt niet meer van de vorderingen ter voldoening aan andere overeenkomsten.

ocr page 257

— 229 —

VI.

Wat in het latere kf.üt is overgebleven van de

SPECIALE CONDICTIEN EX LEGE AdUlLIA, EX ScïO TREBELLIANO , EX LEGS EN FUBTIVA.

De speciale eondictiën zijn voor het groote meerendeel in het Romeinsche regt tot in den laatsten tijd van het Rijk, ook in het Oosten, in volle kracht gebleven. Enkele zijn reeds vroeg verdwenen, zooals de condictio ex lege Aquilia, waarvan in de pandecten slechts ter loops, en vermoedelijk uit verzuim, melding is gemaakt. Gelijk wij op blz. 160 opmerkten, was het belang daaraan reeds ten tijde van Gajus voorbijgegaan.

De condictio ex Scto Trebelliano,— die er in voorzag, dat de condictio van en tegen den erflater regtstreeks tegen den fideicommarissarius, en niet als vroeger alleen formeel door en tegen den bezwaarden erfgenaam werd ingesteld, — als behoorende tot het overgangstijdperk, waarin men de fideicommisaire instellingen regtens regelde, is in zoover alras verdwenen, dat men het resultaat in het latere regt als uitvloeisel van het gewone erfregt aannam.

De condictio ex legato bleef bestaan in hare volle kracht, als gewone actie tot opvordering van legaten. In het latere Europesche regt bleef zij voortbestaan met en naast de vindicatie van het legaat, ter keuze des eischers.

In het tegenwoordige Nederlandsche regt is de laatstge-melde actie weggevallen, gelijk de hoogleeraar Mr. J. E. Goudsmiï uitnemend heeft aangetoond in Themis 1861, bl. 363—378. Dat deze weglating der zakelijke actie niet alleen lag in het stelsel des wetgevers, maar dat ook onze wetgever deze wijziging met volkomen bewustheid heeft gemaakt, blijkt uit eene redevoering van den minister van Maanen, waarop door mij is gewezen in Themls 1864, bl. 1—8.

Er zijn later wel eenige bedenkingen tegen die leer inge-bragt ter verdediging van het arrest van den Hoogen Baad van 19 April 1861, Weekblad v, h. Recht, n0. 2268,

ocr page 258

(lat door Mr. Goudsmit was bestreden; onder andere door Mr. Gr. A. Kt.eyn, in een afzonderlijk stukje, verschenen te Breda (55 bladz.), door Mr. F. A. R. A. baron van-Ittf.rstjM, in de Not. Nieuwsbode, 1864, bi. ] 32, en door Mr. W. Modderman, Hel eigenclomsregt van den legataris, in Themis ISOJ-, bl. 201—289 en bl. 337—346. De laatst-gemelde bladzijden dienen tot bestrijding van mijn boven aangehaalde stukje. De schrijver komt er tegen op, dat aan eene verklaring van den minister van justitie van Maanen zooveel gewigt wordt gehecht, alsof hij de wetgever was geweest. Ik stem gereedelijk toe, dat men aan de verklaringen van den Minister en van de overige organen van de wetgevende magt dikwijls een te groot gewigt toeschrijft. Daaromtrent herinner ik aan het vroeger [Nieuwe Bijdragen 1857 bl. 288) door mij uitgesproken beginsel, dat de regtsdwaling van den wetgever niet in het positief regt overgaat, tenzij zij in de wet zelve zij opgenomen. Waar echter bewezen is, dat de bedoeling des wetgevers volgens het systeem der wet, op dit punt blijkbaar overgenomen uit het ontwerp van 1820, geen ander heeft kunnen zijn; daar is zeker de uitspraak van het orgaan der Regering, dat de wetgeving indiende eu verdedigde, niet zonder gewigt. Naar mijne overtuiging zette de aanhaling der woorden van den minister van Maanen: «dat //de making alleen grond tot eene personele actie oplevert //jegens den erfgenaam...; zonder dat immer de legataris eenig //regt op de zaak (jus in re) kan beweren te hebben,// zonder dat deze uitlating in de wetgevende magt werd tegengesproken, de kroon op het betoog van Mr. Goüdsjiiï, dat de wetgever dat moet bedoeld hebben.

In zijn eerstgemeld stuk heeft de schrijver uitvoerig den aard van het Oud-Hollandsch regt in den overgang van eigendom op den legataris door het openbaar testament behandeld; maar hij is mijns inziens te kort geschoten in zijne bewijsvoering, dat onze wetgeving dat beginsel znu hebben behouden. Bepaald heeft onder andere Mr. G. A. Ki.eyn aangevoerd, dat men door de opneming van het door ons

ocr page 259

verdedigde gevoelen den legataris van een kostelijk middel beroofde. Dit bestaat echter alleen in naam.

Heeds in het Roraeinsohe regt noemde men het regt van den legataris op de condictie zijn beste regt. De personele actie was werkelijk het krachtigste regtsmiddel. Ook thans is de legataris, gewapend met de personele actie, op de authentieke akte berustende, waarlijk uiet zonder krachtige middelen, indien de praktizijn die weet aan te wenden.

Krachtens zijne grosse van het testament, afgegeven iu exe-cutorialen vorm (art. 486 Rr.), kan hij beslag doen leggen op het bepaalde gelegateerde goed, zelfs op des erfgenaams goederen, om hem tot de uitkeering van het legaat te dwingen. Krachtens diezelfde grosse kan hij, waar het executoriaal beslag moeijelijkheid zou ondervinden, van den voorzitter der Regtbank vergunning erlangen tot conservatoir arrest op de goederen der nalatenschap des erfgenaams. Krachtens die grosse eindelijk kan hij verzegeling van de goederen der nalatenschap en afscheiding van den boedel des erfgenaams vragen.

Het begrip der condktio ex lege, als actie voor deverbindtenis, die zijn regtsgrond vond inde wet, even als het contract zijn regtsgrond had in de overeenstemming der partijen, is in het latere regt overgegaan. De erkenning van dergelijke ver-bindtenissen uit de wet alleen is, uit art. 1370 van den C. C., overgenomen in art. 1388 van ons burgerlijk wetboek, luidende: «De verbindtenissen, die uit kracht der wet geboren worden, spruiten voort bf uit de wet alleen, of uit de wet ten gevolge van \'s menschen toedoen.//

Men heeft in het eerste gedeelte dus de obligationes ex lege erkend. Vreemd genoeg verduisterde men daarna het begrip, door daarnaast ook als obligationes ex lege te erkennen de verbindtenissen, die ja door de wet erkend en geregeld worden, maar die hun regtsgrond vinden in handelingen der betrokken personen, door \'s menschen toedoen, zooals ons artikel het uitdrukt.Dewet treedt hier echter niet anders op, dan bij overeenkomsten en zakelijke regten in het algemeen , waar de betrekking tusschen personen onderling, of tus-schen personen en zaken, den grondslag van het regt vormt; ter-

16

ocr page 260

— 22S —

petetur was Aan eene afzonderlijk actie voor alle bepaalde vorderingen, uit welken regtsgrond ook ontsproten, is door geen enkel jurist in het latere Europesclie regt en door geen enkel later wetgever ooit gedacht.

Evenzoo is ook elk begrip verdwenen van eene afzonderlijke algemeene actie voor bepaalde goederen, die op eene andere plaats in eigendom moeten worden overgedragen. Men vordert die op dezelfde wijze met de actie; voortspruitende uit den bepaalden regtsgrond, d. i. de overeenkomst of handeling, waarop het vorderingsregt berust; evenals men te Rome de ter bepaalde plaats bedongen levering van het gekochte goed krachtens het gewone koopcontract invorderde door de actio emti.

In den lateren tijd van het Romeinsche regt hebben de drie algemeene condictiëu derhalve langzamerhand aan ge-wigt voor de praktijk verloren en met de herleving van het Romeinsche regt in het latere Europesche procesregt zijn zij geheel weggestorven of, zoo men wil, niet weder opgestaan. In het Romeinsche regt waren zij verdrongen door de speciale condictiën. Daar waar het Romeinsche regt geene afzonderlijke speciale condictio naast de algemeene condfctiën geplaatst had , zooals niet plaats had bij de certi slipulalio voor het muluum, bleven zij alleen over als actiën voor den bepaald aangewezen regtsgrond, maar zonder dat meer onderscheid gemaakt werd tnsschen de verpligting tot overdragt van geld of andere zaken, gelijk het oude Romeinsche vorderde. Het eigenaardige verdween hier ook geheel en al, om plaats te maken voor het algemeene regt voor alle overeenkomsten. De terugvordering van ter leen gegeven zaken krachtens overeenkomst van verbruikleening ouderscheidt zich in den procesvorm volstrekt niet meer van de vorderingen ter voldoening aan andere overeenkomsten.

ocr page 261

— 229 —

VI.

Wat in het latere kegt is overgebleven van de

speciale condictien ex lege Aquilia, ex SctO Trebelliano , ex lege en ïhktiva.

De speciale concictiën zijn voor het groote meerendeel in het Romeinsche regt tot in den laatsten tijd van het Rijk, ook in het Oosten, in volle kracht gebleven. Enkele zijn reeds vroeg verdwenen, zooals de condictio ex lege Aquilia, waarvan in de pandecten slechts ter loops, en vermoedelijk uit verzuim, melding is gemaakt. Gelijk wij op blz. 160 opmerkten, was het belang daaraan reeds ten tijde van Gajus voorbijgegaan.

De condictio ex Scto Trebelliano, — die er in voorzag, dat de condictio van en tegen den erflater regtstreeks tegen den fideicommarissarins, en niet als vroeger alleen formeel door en tegen den bezwaarden erfgenaam werd ingesteld, — als behoorende tot het overgangstijdperk, waarin men de fideicommisaire instellingen regtens regelde, is in zoover alras verdwenen, dat men het resultaat in het latere regt als uitvloeisel van het gewone erfregt aannam.

De condictio ex legato bleef bestaan in hare volle kracht, als gewone actie tot opvordering van legaten. In het latere Europesche regt bleef zij voortbestaan met en naast de vindicatie van het legaat, ter keuze des eischers.

In het tegenwoordige Nederlandsche regt is de laatstge-melde actie weggevallen, gelijk de hoogleeraar Mr. J. E. Qoudsmiï uitnemend heeft aangetoond in Themis 1861, bl. 363—378. Dat deze weglating der zakelijke actie niet alleen lag in het stelsel des wetgevers, maar dat ook onze wetgever deze wijziging met volkomen bewustheid heeft gemaakt, blijkt uit eene redevoering van den minister van Maanen, waarop door mij is gewezen in Themis 1864, bl. 1—8.

Er zijn later wel eenige bedenkingen tegen die leer inge-bragt ter verdediging van het arrest van den Hoogen Baad van 19 April 1861, Weekblad v. h. Recht, n0. 2268,

ocr page 262

(lat door Mr. Goudsmit was bestreden; ouder andere door Mr. G. A. Ki.eyn, in een afzonderlijk stukje, verschenen te Breda (55 bladz.), door Mr. F. A. R. A. baron vax Ittf.rsuh, in de Nol. Nieuwsbode, 1864, bl. 132, en door Mr. W. Mordtrman, Tiet eigenclumsregt van den legataris, in Themis bl. 201—289 en bl. 337—346. De laatst-

gemelde bladzijden dienen tot bestrijding van mijn boven aangehaalde stukje. De schrijver komt er tegen op, dat aan eene verklaring van den minister van justitie van Maanex zooveel gewigt wordt gehecht, alsof hij de wetgever was geweest. Ik stem gereedelijk toe, dat men aan de verklaringen van den Minister en van de overige organen van de wetgevende magt dikwijls een te groot gewigt toeschrijft. Daaromtrent herinner ik aan het vroeger {Nieuwe Bijdragen 1857 bl. 288) door mij uitgesproken beginsel, dat de regtsdwaling van den wetgever niet in het positief regt overgaat, tenzij zij in de wet zelve zij opgenomen. ■Waar echter bewezen is, dat de bedoeling des wetgevers volgeus hut systeem der wet, op dit punt blijkbaar overgenomen uit het ontwerp van 1820, geen ander heeft kunnen zijn; daar is zeker de uitspraak van het orgaan der Uegering, dat de wetgeving indiende en verdedigde, niet zonder gewigt. Naar mijne overtuiging zette de aanhaling der woorden van den minister van Maaneïj: quot;dat //de making alleen grond tot eene personele actie oplevert «jegens den erfgenaam...; zonder dat immer de legataris eenig //regt op de zaak (jus iu re) kan beweren te hebben,// zonder dat deze uitlating in de wetgevende magt werd tegengesproken, de kroon op het betoog van Mr. Goüdsjut, dat de wetgever dat moet bedoeld hebben.

In zijn eerstgemeld stuk heeft de schrijver uitvoerig den aard van het Oud-Hollandsch regt in den overgang van eigendom op den legataris door het openbaar testament behandeld; maar hij is mijns inziens te kort geschoten in zijne bewijsvoering, dat onze wetgeving dat beginsel zou hebben behouden. Bepaald heeft onder andere Mr. G. A. Ki.eyn aangevoerd, dat men door de opneming van het door ons

ocr page 263

verdedigde gevoelen den legataris van een kostelijk middel beroofde. Dit bestaat echter alleen in naam.

Reeds in het Eomeinsche regt noemde men het regt van den legataris op de condictie zijn beste regt. De personele actie was werkslijk het krachtigste regtsmiddel. Ook thans is de legataris, gewapend met de personele actie, op de authentieke akte berustende, waarlijk niet zonder krachtige middelen, indien de praktizijn die weet aan te wenden.

Krachtens zijne grosse van het testament, afgegeven in exe-cutorialen vorm (art. 486 Rr.), kan hij beslag doen leggen op het bepaalde gelegateerde goed, zelfs op des erfgenaams goederen, om hem tot de uitkeering van het legaat te dwingen. Krachtens diezelfde grosse kan hij, waar het executoriaal beslag moeijelijkheid zou ondervinden, van den voorzitter der Regtbank vergunning erlangen tot conservatoir arrest op de goederen der nalatenschap des erfgenaams. Krachtens die grosse eindelijk kan hij verzegeling van de goederen der nalatenschap en afscheiding van den boedel des erfgenaams vragen.

Het begrip der condictio ex lege, als actie voor de verbindtenis, die zijn regtsgrond vond inde wet, even als het contract zijn regtsgrond had in de overeenstemming der partijen, is in het latere regt overgegaan. De erkenning van dergelijke ver-bindtenissen uit de wet alleen is, uit art. 1370 van den U. C., overgenomen in art. 1388 van ons burgerlijk wetboek, luidende: «De verbindtenissen, die uit kracht der wet geboren worden, spruiten voort bf uit de wet alleen, hf uit de wet ten gevolge van \'s menschen toedoen.//

Men heeft in het eerste gedeelte dus de obligationes ex lege erkend. Vreemd genoeg verduisterde men daarna het begrip, door daarnaast ook als obligationes ex lege te erkennen de verbindtenissen, die ja door de wet erkend en geregeld worden, maar die hun regtsgrond vinden in handelingen der betrokken personen, door \'s menschen toedoen, zooals ons artikel het uitdrukt.Dewet treedt hier echter niet anders op, dan bij overeenkomsten en zakelijke regten in het algemeen , waar de betrekking tusschen personen onderling, of tus-schen personen en zaken, den grondslag van het vegt vormt; ter-

16

ocr page 264

— 382 —

wijl de wet dat regt niet schept, maar blootelijk het als bestaande erkent. Zoo rust b. v. de verbindtenis van den persoon, wiens zaak is waargenomen, tegenover den zaakwaarnemer (ne-gotiorum gestor) op de betrekking, die er feitelijk tusschen hen bestaat, doordat de zaakwaarnemer handelingen deed, waaromtrent hij volgens de gewone regels van het verkeer de stilzwijgende goedkeuring van den afwezigen belanghebbende moest veronderstellen. De regtsgrond komt hier zeer nabij aan die der overeenkomst van lastgeving. Evenzoo is het met de verpligting tot vergoeding der schade wegens onregtmatige daden. Ook deze verbindtenis steunt op het regtsbeginsel, dat ieder de schade vergoeden moet, door zijn inbreuk op eens anders regt veroorzaakt. Ue wet treedt hier ook alleen regelend op, om enkele algemeene regels te geven, wat al onder de verantwoordelijkheid wegens onregtmatige daden door den Reuter moet gebragt worden. In de oude volksregten was het, even als ook in zekere mate in het oude Kiomeinsche regt, de taak des wetgevers om de vergoeding wegens schade, toegebragt door misdrijven, op vaste sommen te bepalen. Het tegenwoordige regt laat de waardering aan den Regter over en neemt daarbij alleen in aanmerking de werkelijke materiële schade, terwijl men in het oude regt altijd ook vindt berekening der vergoeding voor de beleedi-ging, aangedaan door de inbreuk op het regt. Het behoeft naauwelijks vermelding, dat deze laatste actiën, als actiones poenales, met de condicliones ex lege niets gemeen hadden. De condicliones ex lege behoorden alle tot het publiek regt, het dwingend regt, zoo als het wordt genoemd in het pandecten-systeem van Mr. J. E. Goudsmit, § 15. Het zijn deels burgerregt\'jlijke boeten ter verzekering van voldoening aan pnbliekregtelijke verpligtingen, deels betalingen van werk, dat in publiek belang was opgelegd, deels vergoedingen wegens in publiek belang gelasten verkoop.

Dergelijke verbindtenissen, door de wet vastgesteld, krachtens welke de eene burger in de gevallen, bij de wet aangewezen, eene schuld heeft te voldoen aan den ander, kunnen nog voorkomen. De voorbeelden zijn daarvan ook in het

ocr page 265

— 233 —

nieuwe regt niet raoeijelijk te vinden. In noot 198 (bi. 214) wezen wij reeds op de wet tot liquidatie der voormalige wees- en momboir-kamers van 5 Maart 1852 Stb. No 45, Aan belastingen kan men daarbij volgens de Romeinsche theorie niet denken, omdat deze niet aan een privaat persoon, maar krachtens de wet aan den Staat of aan een publiekregtelijk ligchaam krachtens publiek regt verschuldigd zijn. Men zou er toe kunnen brengen de verplig-ting, die bij onderscheiden provinciale, gemeentelijke en waterschaps-verordeningen zijn opgelegd tot het onderhoud van wegen, waterleidingen en bruggen. Men is gewoon op het verzuim van onderhoud eene straf te bedreigen, waarvoor bij verzuim strafregtelijke vervolging plaats heeft, waarbij gewoonlijk eene boete opgelegd wordt. Deze boete valt natuurlijk onder de gewone strafactiën. Daarenboven vond men echter oudtijds reeds in onze verordeningen de bepaling, dat hetgeen verzuimd was, op kosten van den nalatige kon worden verrigt. Men had aanvankelijk twijfel, of dergelijke bepalingen bij verordeningen, niet uitgaande van de wetgevende magt des Rijks, wel eenige regtskracht hadden, omdat zij het burgerlijk regt betrofien, waaromtrent de Provinciale Staten en de plaatselijke wetgever geene verordeningen kunnen maken. Met betrekking tot burgerlijke gemeenten werd die twijfel weggenomen door art. 180 der gemeentewet. Indien de gemeente door haar bestuur zulk een werk heeft laten verrigten, dan heeft zij regt op vergoeding der kosten. Dat levert eene burgerregtelijke ver-bindtenis op, geheel afgescheiden van de strafactie, indien ook tegen het verzuim bij strafverordening straf bedreigd is. Indien nu de wet de bepaling had gemaakt, dat de aannemer van het werk de betaling van de aannemingssom ovenals in het Eomeinsche regt volgens de lex Julia Municipa-eenvoudig kon eischen van den nalatige, zou men geheel de oud-Romeinsche condictio ex lege terug hebben. Dat is evenwel niet het geval; de gemeente zelve zal bij gewone burgerregtelijke actie de vergoeding der kosten terug moeten vragen, waarbij de nalatige niet alleen den grondslag der

ocr page 266

beweerde verpligting, maar ook de hoegrootheid der som zal kunnen betwisten. Het laatste was in het Boioeinsche regt niet mogelijk, omdat de vordering vast bepaald was door de som, waarvoor de aannemer bij openbare aanbesteding het werk had aangenomen.

Romeinschregtelijk zou hier ook van eene condictio sprake kunnen zijn, hoewel de gemeente zelve vergoeding vraagt: de regtsgrond voor de verbindtenis is hier toch ook de wet. In zoover is hier althans groote overeenkomst met de Tloraeinsche condictio ex lege. Men verlieze daarbij niet uit het oog, dat even als men bij overeenkomsten naar den regtsgrond der overeenkomst kan vragen, zoo ook de vraag kan gedaan worden naar den hoogeren regtsgrond, waarop de wet berust. Dat is echter eene vraag, uit den aard der zaak onttrokken aan het oordeel des Regters, die nooit onderzoek heeft te doen naar de innerlijke waarde der wet. Dat onderzoek ligt buiten den kring der bevoegdheid van hem, die niet anders is dan het levend orgaan van de wet.

quot;Wat de condictio furtiva betreft, indien men let op de groote uitbreiding, aan het Romeinsche furtum en nog meer aan de condictio furtiva gegeven , dan omvatte deze condictio een groot deel van hetgeen thans ouder de actie wegens on-regtmatige daden valt. Neemt men nog de actio ex lege Aquilia en de daarna gevormde actio in factum wegens schade aan goederen er bij, dan is er moeijelijk eene schade in het vermogen door misdrijven en burgerregtelijke overtredingen denkbaar, die niet onder eene dezer actiën zou vallen. De condictio furtiva omvat die zijde van de vergoeding wegens onregtmatige daden, die gerigt is op terugvordering van \'t geen door onregtmatige daden in het vermogen van den dader is overgegaan. In liet latere regt heeft men niet onderscheiden tusschen terugvordering en schade, door de onregtmatige daad geleden, en beide door één en dezelfde actie gelijkelijk vervolgbaar gesteld. In de schadevergoeding is trouwens ook de teruggave, voor zoover die mogelijk is, begrepen.

ocr page 267

— 235 —

VIT.

De condictionbs ob causam datohum, ob turpem causam,

INDEBITI en SINE CAUSA IN HAPE KETEEKENIS VOOR DE LATERE EEGTSONTWIKKEI.ING EN DE TEGENWOORDIGE REGTSPBAKTIJK.

Al de bovenstaande condictiën hebben een gemeenschappelijk karakter, dat namelijk terugvordering plaats heeft van \'t geen aan een ander is overgedragen, zonder dat voor die overdragt een voldoende regtsgrond bestond. In de eerste ontbrak die regtsgrond, omdat de partij in gebreke bleef (199), te voldoen aan \'t geen hij in ruil voor het ontvangene had toegezegd. Bij de condiotio oh iurpem causam was wel een grond voor de overgift; maar die grond werd, als in strijd met het regt, voor niet-bestaande gehouden. Eene zelfde omstandigheid was er in de condictio indebili, waar ook de wenschelijke grond der overdragt werd beschouwd, als niet bestaande, omdat die grond geen waarheid, maar dwaling behelsde.

Eindelijk kwam de meest algemeene dezer condictiones, de condictio sine causa, die in alle gevallen werd verleend, waar, om welke reden ook, een regtsgrond voor de overdragt van goederen ontbrak.

Wij hebben (bl. 137) reeds gezien, dal deze laatste condictio de drie vorige eigenlijk geheel overbodig maakte. Tevens zagen wij, dat, niettegenstaande de consequente doorvoering der theorie deze drie condictiën in de algemeene condictio zou hebben moeten oplossen, de historische vorming van het Romeinsche regt een geheel ander gevolg had.

(199) Dit is de meest algemeeue, de gewigtigste vorm dezer condictiën. Er ziju enkele gevallen, waar de causa der overdragt afhankelijk was van den wil van hem , die de overdragt deed, b. v. indien deze gedaan werd ten einde te voldoen aan de voorwaarde eener erfstelling. — Dit waren echter betrekkelijk zeldzaam voorkomende gevallen.

Zoolang de aanvaarding niet had plr.ats gehad, kon men op zijn aanvankelijk voornemen lerugkeeren en het reeds overgedragene goed terugvorderen.

ocr page 268

— 236 —

De drie eerstgenoemde condictiën bleven, zooals zij in de schriften der Romeinsche Juristen en in de regtspraktijk tot in kleine bijzonderheden waren uitgewerkt, haar volle gewigt behouden. Zij behielden haar terrein, en terwijl door deze drie actiën het grootste gedeelte was ingenomen van het gebied der terugvordering van hetgeen zonder regtsgrond overgedragen was, bleef er voor de algemeene actie, — waarvan het doel was, om het ontbrekende aan te vullen , — niet dan eene zeer beperkte ruimte over. Alleen daaraan is het toe te schrijven, dat zij, als actie tot terugvordering van overgedragen goed (zie blz. 131), zulk eene kleine plaats in de verzameling der Pandecten beslaat.

Het Romeinsche regt bewaarde trouw zijn karakter, dat in het formulier-proces bijzonder op den voorgrond treedt, van voor eiken bijzonderen, eenmaal gekenmerkten , regts-toestand de bijzondere actie te behouden; terwijl voor de nieuwe gevallen, tot welke de oude actie niet kon worden uitgestrekt, eene nieuwe actie naast de oude tot aanvulling daarvan werd geplaatst.

In de oude Romeinsche actieleer bleef dus het particu-larismus, — dat namelijk voor elke bijzondere categorie eene afzonderlijke actie werd aangegeven, — heerschen op het gebied der terugvordering van \'t geen zonder regtsgrond overgedragen was. Niettemin moest voor de juristen het gemeenschappelijk karakter in deze actiën op den voorgrond treden. Zij drukten dat uit in de opmerking, dat in al deze condictiën werd teruggevorderd, iets wat onverschuldigd overgedragen of betaald was. Reeds in den bloeitijd van het Romeinsche regt begon men naast de meer beperkte be-teekenis van dat woord in de condiclio indebiti (als errorc sohiti) aan het indehitum eene meer algemeene beteekenis te geven. Reeds bij Ulpianus vinden wij het woord, gelijk wij op bl. 135 opmerkten, gebruikt in de meer algemeene beteekenis van hetgeen zonder regtsgrond in eens anders vermogen was overgebragt.

Bij de oude Byzantijnsche juristen was dit tot een vast begrip geworden en vinden wij de vier condictiën oh causam

ocr page 269

— 237 —

dalorum, ob lurpem causam., indebiti en sine causa vernield, als de verschillende vormen van het algemeen begrip van het onverschuldigd betaalde, de algemeenheid van het inde-bitum, zooals de scholiast het uitdrukt (200).

In het i?yzantijnsche regt is deze opmerking verder onvruchtbaar gebleven. De groote , maar dorre, geleerdheid in het zinkende Oostersche Rijk was niet in staat, om met frissche levenskracht vereenvoudiging en meerdere eenheid in het oude Romeinsche regt te brengen.

Toen na den strijd der middeleeuwen het Romeinsche regt in het Westen weder krachtig herleefde, was men er aanvankelijk ver van verwijderd, van deleer der condictiën zoodanig te kunnen doorzien, om de algemeene beginselen daarvan met bewustheid af te scheiden. Tol in den laatsten tijd bleef de aard van het stelsel der condictiën zelfs voor hen, die het Romeinsche regt met zorg beoefenden, grooten-deels een gesloten boek.

De theorie was op dit gedeelte der Romeinsche acticlcer hoogst gebrekkig. Gelukkig, dat zij, onbekwaam om voor te lichten, bij de overneming van het Romeinsche regt, op dit punt het veelal onbewuste regtsgevoel der praklijk ook niet op het dwaalspoor geleid heeft.

De praktijk hechtte zich ook hier bijzonder aan liet begrip van terugvordering van hetgeen men onverschuldigd in eens anders vermogen had overgebragt. Misschien was ook dit de naklank van hetgeen in de Romeinsche praktijk in den laatsten tijd van het Romeinsch Rijk , zoowel in het Oosten als in het Westen, had gegolden. Onder de terugvordering wegens onverschuldigde betaling, gelijk ons Bur-

(200) Men zie noot 193 en 194 op hl. 206, doch inzonderheid de echolie van Stefhanus op Bas. XXIII, 1, 1. 4, ahvaar melding wordt gemaakt van de coji^\'ctiones, causa data causa non sccuta, ob turpein causam, en sine causa, als van condictiën , die tot het indehitum gebrayt worden [vtco tot IvdifiitTov druyuyo/Afrovs). Dezelfde scholie spreekt van de condictio sine causa, als van de meest algemeene der condictiën.

Op eene andere plaats wordt. met het oog op deze gezamenlijke condictiën , gesproken als van het gemeenschappelijke of algemeene begrip van het indehitum (to xoirov toïi ïvdtfiirov).

ocr page 270

— 238 —

gerlijk Wetboek (art. 1395) in navolging van den Code Civil (art. 1235) het noemt, vatte men zamen, wat onder de Romeinschregtelijke actiën oh turpem causam, indebili en sine causa kon gebragt worden (201).

De condictio oh causam clatorum, die in het Romeinsche regt ook onder de condictio sine causa viel, werd daarvan gewoonlijk uitgezonderd, waarom men deze actie beschouwde als eene vernietiging van de overeenkomst, het pactum, dat in het Romeinsche regt geene bindende kracht had. Deze vernietiging viel nu in den vorm van ontslag (vernietiging) van de stipulatie, ook wel onder de condictio sine causa; maar in het nieuwe regt is men gewoon, deze actie af te scheiden van de actie tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde.

Trouwens de regtsgrond voor deze actie tot vernietiging

(201) Daar de leer der condictiën niet tot volkomen klaarheid gekomen was, had men van deze ineenvloei]ing der onderscheiden condictiën niet, dan een eenigzins nevelachtig gevoel. Daar de natuur der condictiën zelve in het duister bleef, kon dit ook niet tot volkomen helderheid gebragt worden. — Het ecnigermate onbestemd gevoel van het gemeenschappelijke dezer onderscheiden condictievormen werd op onderscheiden wijzen uitgedrukt.

Zoo maakt Actomne op 1. 2 ff. de cond. sine causa (12. 7), waarin de jurist onderzoekt, of eene condictio indebiti kan worden ingesteld en of men zich tot de condictio sine causa bepalen moet, de opmerking: dat deze wet is vervallen, omdat men niet meer onderscheid maakte tusschen de verschillende actiën. «Distinctio inutilis in Gallia; ideo 1. 2, quoad actiones illas attinet, abrogata.quot;

Voet ad. h. t. onderscheidt eene condictio sine causa specialis en generalis. Terwijl de eerste volgens hem in enkele gevallen uitsluitend kan dienen, concurreert de tweede volgens zijne opvatting met de overige condictiën voor het indebitum.

Op het standpunt der oudere Romanisten bleef het gemeenschappelijk karakter der condictiën eene onverklaarbare zaak.

Voor zoover men echter op den aard der regtsinstellingen lette, kon men den naauwen zamenhang van deze vier condictiën niet voorbijzien. Van die zijde verdient ook vermelding de opmerking van 1. da Costa, Diss. De condictionibus, Leiden 1818, bl. 69 en 88, dat deze vier condictiën eigenlijk één en dezelfde actie zijn. Dat zijn gevoelen op de wetgeving invloed geoefend heeft, is moeijelijk aan te nemen; maar de jeugdige schrijver drukte destijds in zijne verdienstelijke dissertatie het heerschende regtsgevoel uit.

ocr page 271

— 239 —

(art. 1303 B. W.) is en blijft dezelfde, als van de condiclio sine causa, hoewel de gelijkheid en de afstamming in het nieuwe regt dikwijls werd voorbijgezien.

Overigens is op onze actie tot terugvordering vau hetgeen wij onverschuldigd betaald hebben, als overgenomen uit het Romeinsche regt, toepasselijk al hetgeen wij omtrent het fijn uitgewerkte Romeinsche stelsel met betrekking tot de oondicüones ob turpem causam, indebili en sine causa hebben aangvoerd.

Toch is dit gedeelte met de fijnste en moeijelijkste vragen van zedelijkheid, regt en maatschappelijke orde zoo innig zamengeweven, dat voor het oordeel over de vragen, die zich op dit gebied in de praktijk voordoen, het meest geoefend en onbevangen oordeel en de rijpste ervaring van den jurist vereischt wordt (202).

Van hoeveel onberekenbaar gewigt eene goede oplossing van de onderscheiden, met zedelijkheid en [openbare orde, naauw zamenhangende vragen voor het maatschappelijk leven is, kan de verkeerde oplossing van het Romeinsche regt om • trentgifton aan regterlijkeambtenaren en andere magistraatspersonen leeüen. Wij zagen op bl. 116, dat het Romeinsche regt daaromtrent niet tot geheele en eenstemmige krachtige afkeuring gekomen was. In eene plaats van Ui.pianus , die dat echter zelf bestrijdt, vonden wij nog het gevoelen opgenomen, dat het niet als eene schandelijke daad moest aangemerkt worden, een Regter geld aan te bieden en te geven, ten einde van hem eene goede en regtvaardige beslissing te verkrijgen. Het aanbod en de gift werd alleen als turpis voor den gever aangemerkt, indien hij het geld gaf, om den regter daardoor tot eene onregtvaardige uitspraak te verleiden. Zelfs Paulus schijnt nog gehecht te hebbeu aan die onder-

(202) Juist deze vragen vereischen volgens de uitdrukking van Scaevola (zie blz. 200) meer, dan eenigo andere vraao over gewone contracten uit het dagelijksche leven, het geoefend oog van een bekwaam Rechter, ma^m judicis sunt.

Het is in het regt, evenals in de zedekunde. De moeijelijkste vragen rijzen op, waar men de gevolgen te regelen heeft van onzedelijkheid en dwaling.

ocr page 272

— 240 —

scheiding, die, misschien verklaarbaar uit den hoogst on-zedelijken toestand der maatschappij onder het Keiztrrijk, ons in de ooren klinkt als eene dier fijnheden, door schelmen uitgedacht, om hun onzedelijk bedrijf te bemantelen. Het spreekt van zelf, dat het feit, dat een onregtvaardig vonnis (met opzet) gewezen was, bijkans nooit te bewijzen was.

Zoo kon men met plaatsen van het Hoineinsche regt spelen, tot vergoelijking van de verfoeijelijke ornkoopingen, die in de meeste landen van het Westen tot in de vorige eeuw hebben voortgeduurd. In het Oosten verpest het verachtelijke stelsel der bakschts nog heden ten dage alle openbare trouw. Had het Eomeinsche regt in klare en heldere bewoordingen daartegen strenger bepalingen opgenomen, welligt ware die kanker der maalschappij nooit zoo diep doorgedrongen (203).

Niettegenstaande wij op dit punt klaarder en stelliger uitspraken en strenger strafbepalingen in het Romeinsche regt zouden hebben gevorderd, moet men niet voorbijzien» dat eene Keizerlijke constitutie van Garacai.i.a de partij, die den Regter geld had aangeboden , met verlies van het proces strafte, en dat bij Ui.ïianus het juiste beginsel ook op dit punt op den voorgrond treedt, gelijk wij op bl. 117 hebben aangegeven.

Buitendien bevat het Romeinsche regt vele beslissingen, die ook nu nog haar volle gewigt hebben behouden. Wij brengen daartoe in het algemeen de talrijke voorbeelden op bl. 109—116 vermeld, en bijzonder ook de uitspraken, vol-

(203) Hoe diep de kwaal van omkuoping was ingekankerd, blijkt uit de bijzondere soort van afzetterij, bekend onder den naam van J\'umi veiidilio, die daarin bestond, dat de afzetter zich geld liet afgeven met he; uitzigt op zijn voorgewenden, maar in werkelijkheid niet bestaanden invloed, om eene winstgevende betrekking of eervollen titel te bezorgen.

Men zie over deze afzetterij, waarvan onder anderen Maktialis 4. rgt; en Capitolikos , in Antonino Pio c. 6 en 11 gewagen, en over de gewoonte der Keizerlijke gunstelingen (suttragatores) om zich voor hun voorspraak te laten betalen \' waarop betrekking hebben Cod. Theodosianus, Si eert. pet. de sutfragiis (2. 59) en Novel. 161] Dirksen , Scriptor-es historiae Augustae, Leipzig 1844, bl. 217—226 en Rein, Cr iniinalrec/it der Rümer, bl. 724.

ocr page 273

— 341 —

gens welke het geld kan worden teruggevorderd, dat men zich laat betalen, om eene ongeoorloofde daad na te laten. In noot IOC wezen wij op het verschil van gevoelen, daaromtrent bestaande tusschen vele nieuwe schrijvers, door wie men deze leer dikwijls zeer oppervlakkig behandeld vindt.

Zoo is ook de beslissing, —dat de dwaling in hetregt, voor zooverre zij bewezen kan worden, grond oplevert voor terugvordering van de overdragt of betaling, die zonder die dwaling niet zou hebben plaats gehad, — voor ons nog van groot gewigt. Wat omtrent deze regtsvragen in het Romeinsche regt beslist is, geldt nog bij ons om de dubbele reden: 1quot;. dat de beslissingen op volkomen juiste gronden rusten; 2quot;. dat zij ontleend zijn aan de bron, waaruit het tegenwoordige regt is gesproten. Datzelfde geldt met betrekking hetgeen bij dading verkregen is, waartegen wij op bl 128 en 129 zagen, dat het Romeinsche regt geene con-diclio indebiti toeliet, dan in geheel bijzondere gevallen, dat namelijk de tegenpartij de transactie door buitengewone en bedriegelijke middelen verkregen had.

De meeste beslissingen van het Romeinsche regt met betrekking tot deze leer gelden ook in het nieuwe regt. Er ziju echter enkele punten van verschil, waarop men dubbel bedacht moet zijn. Daaronder moet men ook brengen de ver-eischten voor de condiclio indebiti. Wij zagen, dat het Romeinsche regt deze condictio niet verleende, dan ingeval betaling uit dwaling had plaats gehad.

Onze actie van art. 1395 Bw. daarentegen omvat in het algemeen elke terugvordering van hetgeen men zonder een regt-matigen grond aan een ander heeft afgegeven. Ter bepaling van den omvang der actie , rijst de vraag: wat is de regt-matige grond voor eenigerlei overdragt of betaling? Het Romeinsche regt, waaraan wij de vorming van het begrip verschuldigd zijn, geeft op die vraag niet zulk een stellig antwoord, als wij in de geheel afgewerkte gedeelten van dat regt gewoon zijn. Wel geeft het eene lange reeks van gevallen, waarin de grond van overgift voor goed als regt-matig wordt aangemerkt: wel geeft het ons ook enkele

ocr page 274

— 2« -

categoriën, waarin de werkelijke grond der overgift reglens niet als reglmatig erkend wordt; maar waarin het algemeen beginsel van den regtmatigcn grond,causa, der overgift bestaat, dat zegt het niet.

Waarin het algemeen karakter bestaat van deze jusla causa, die evenzeer van alle regtsgeldigecontracten gevorderd wordt (^04), is steeds een voorwerp van allerlei verschil en allerlei twijfelingen geweest.

Wijlen Mr. A. G. Ki.bijn heeft met groote vlijt en naauw-keurigheid in de inleiding van zijn werk over De regtsoorzaah, \'sGravcnhage 1859, de voornaamste der onderscheiden voorstellingen bijeeneenverzameld , die men zich daarvan na de herleving van het Romeinsehe regt heeft gevormd. Dat boek , vrucht van langen en moeitevollen arbeid van den verdienstelijken schrijver, levert ons eene lange lijst van dwalingen tot waarschuwend voorbeeld, hoe men zonder voldoend historisch onderzoek naar het ontstaan en de wordinjr der regtsbeginselen, hoewel overigens met alle mogelijke scherpzinnigheid en geleerdheid gewapend, in het blinde rondtast, luchtkasteelen bouwt, en voor de regtspraktijk en de wetgeving niets dan onrijpe vruchten en schadelijke dwalingen in het leven roept.

Had men den eenvoudigen weg van waarneming van de beweging van het maatschappelijk verkeer in verband met het Romeinsehe regt blijven bewandelen; dan had het aan het oog van den jurist, die eenigzins de gaaf bezat, om de bijzondere verschijnselen van het regtsleven tot een geheel zamen te vatten, moeijelijk kunnen ontsnappen, dat de jusla causa voor elke contractuële handeling in den regel gelegen was in het denkbeeld van ruiling van goederen of diensten. Alle overeenkomsten en contractuële handelingen betreffende ruiling van goederen en diensten, zijn werkelijk, evenals toeëigening van voorwerpen der stoffelijke wereld, voor de ontwikkeling van den enkelen mensch en

(204\'; Men zie do volgende afdcelhig, waar de regtsgrond der contractuële varbindtenis breeder behandeld is.

ocr page 275

— 243 —

het maatschappelijk leven zoo noodzakelijk, dat elk regt-stelsel de geldigheid daarvan in het algemeen erkennen moet.

Dat algemeene beginsel was in het Eomeinsehe regt in de eerste plaats gehuldigd door de erkenning van de bijzonder aangewezen contracten, die in het maatschappelijk verkeer altijd terugkeeren, quibus vilae societas continelur. Dat waren, gelijk wij reeds opmerkten, de emtio vendilio, localio conduclio, societas, mandatum, pignus en depositum.

Eindelijk werd het beginsel in het algemeen erkend en verwezenlijkt in de actio praescriptis verbis, die wegens elke levering van goederen of diensten het regt gaf tot vordering van \'t geen in ruiling daarvoor regtmatig bedongen was.

Minder gebiedend noodzakelijk is ongetwijfeld de erkenning der geldigheid van de schenking. Men kan zich werkelijk eene zeer geordende maatschappij denken, waarin de schenking regtens niet wordt erkend als een bindende overeenkomst. Men kan zich een regtsstelsel denken, dat de schenking alleen eerbiedigt als feit; dat de belofte daarvan beschouwt als alleen te liggen onder de bescherming van het zedelijk gevoel en de eer van den schenker om zijn woord te houden, maar den begiftigde elke regtsvordering weigert, om den nalatigen schenker zijns ondanks te dwingen tot hetgeen hij zonder eenige verpligting uit vrije milddadigheid beloofde. Men kan zich in dat stelsel zelfs denken, dat dien schenker, zoodra hij berouw kreeg, eene actie verleend werd tot terugvordering van hetgeen hij onver-pligt gegeven had. Maar in dat geval zou men eene tegenvordering tot vergoeding niet kunnen ontzeggen en deze schadevergoeding zon ruim berekend en in vele gevallen met de schenking gelijk gesteld moeten worden. Altijd zou de berekening daarvan moeijelijkheid hebben en altijd zou in de terugvordering eenige hardheid liggen. Aan het bezwaar aan de niet-erkenning der schenking, als regtmatige grond van overgift en verbindtenis, is het dan ook toe te schrijven, dat in de meeste wetgevingen de schenking, hoewel onder beperkende bepalingen, als eene regtsgeldige handeling is erkend.

ocr page 276

_ 244

Schenkingen moet men hier in de meeat uitgestrekte be-teekenis opvatten, zoodat zij ook de erfstelling en het legaat omvatten. In het regtstelsel zijn deze gelijkgesteld met de ruiling van goederen en diensten en voor regtsgeldige handelingen van het maatschappelijk verkeer verklaard.

Wij vinden alzoo,dat elke overdragt en overgift van goederen en levering van diensten een regtraatigen en als zoodanig regtens erkenden grondslag heeft, zoodra die heeft plaats gehad bij ruiling tegen andere goederen of diensten of als schenking.

Waar deze grondslag voor de overdragt en overgift van goederen ontbreekt, daar had men in het Komeinsche regt de condiclio sine causa en in het nieuwe regt de actie tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde. Of bij gebreke van dezen grondslag de oorzaak der overdragt of levering hebbe gelegen in dwaling, of in de verkrijging of toezegging van iels, wat met het regt of de zedelijkheid in strijd was, doet niets ter zake. Voor al de bijzondere gevallen, waarin de regtmatige grondslag om welke reden ook ontbreekt, wordt de actie verleend. Terwijl wij dus op bl. 120, in strijd met Mr. Opzoojiek, op\'t gebied van het Romeinsoh regt de condiclio indehili moesten uitsluiten voor alle andere gevallen, dan die waarin dwaling de grondslag der levering was,—moeten wij integendeel in het tegenwoordige regt de actie van art. 1395 B. W. wegens onverschuldigde betaling in het alscemeen voor alle gevallen toelaten, waarin iets

o o

zonder den bovengemelden regtsgrond in eens anders vermogen werd overgebragt.

Zoo wordt het ook in onze regtspraktijk begrepen. Althans besliste de Hooge Raad laatstelijk bij een arrest van 19 Augustus 1869 ( yy. v. h. Regt, no. 3131), dat art. 1395 B. W. in het algemeen de verpligting oplegt tot het teruggeven van het onverschuldigd ontvangene en het daartegen overstaande regt tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde verleent.

De vraag blijft nu nog over; wie de actie kan instellen i\'

In het Romeinsche regt is dat niet twijfelachtig. Decon-dictie is, buiten de exceptionele gevallen van legaat en van

ocr page 277

diefstal, eene gewone personele vordering, gegrond op eene contractuele handeling tusschen twee personen, waarbij de een terugvordert, wat hij zonder re.gtsgrond in eens anders vermogen had overgebragt. Het spreekt van zelf, dat deze actie moet gegeven worden aan dengeen, die het goed overbragt in eens anders vermogen, en dat zij alleen er uitsluitend kan gegeven worden tegen hem, aan wien het goed werd overgedragen. Al de voorbeelden, in het Romeinsche regt voorkomende, wijzen alleen op eene dergelijke actie tusschen de twee personen, tusschen welke de handeling plaats had. Het spreekt van zelf, dat een ander op grond van zulk eene handeling geene regtsvordering kan instellen, tenzij hij in de regten zij getreden van hem, die het goed overdroeg. Men zou, zoodra een derde zich wilde beroepen op zulk eene handeling tusschen anderen, hem onmiddellijk tegenwerpen, dat dit was een res inter alios acta, waaruit hij geen regt ontleenen kan. Meent een derde regt te hebben op het goed, dat iemand buiten hem onverschuldigd aaneen ander overdroeg; dan kan hij de zakelijke actie instellen, voor zoover hij een zakelijk regt op het goed heeft. Meent hij daarentegen de eene of andere personele regtsvordering te hebben tegen hem, die het goed overgedragen had aan een ander: dan kon hij deze personele regtsvordering doen gelden, doch natuurlijk alleen tegen den persoon, die zich door overeenkomst verbonden had. Van dezen kon hij de uitlevering der verschuldigde zaak, en bij gebreke daarvan schadeloosstelling eischen; maar hij kon niet vorderen van den derde, dat (leze met hem in proces zou treden, om de al ofnietregts-geldigheid van eene contractuele handeling met een derde te doen beslissen, met welke hij niets te maken heeft. Het Romeinsche regt weigerde elke actie aan den derde, omdat er geene verbindtenis bestond tusschen hem en dengeen, die het goed van een ander ontvangen had, quia inter eos nullum, negotium contractum est, zooals Paui.us in I. 33 de Cond. Tnd. het uitdrukt (*).

(♦) Zie die wet in noot 208.

ocr page 278

Wij hebben gezien, dat men zich in het Romeinsche regt zoo streng hield aan den regel, dat de condictie alleen gegeven werd aan hem, die goederen aan een ander had overgedragen, dat men zelfs in later tijd, toen men wegens levering van diensten de actie tot vordering van de bedongen wederdienst had toegelaten, toch nog altijd de actie tot terugvordering van den onverschuldigd bewezen dienst weigerde. In den titel over de concliclio indebiti zien wij ook nog de sporen, hoe angstvallig men zich op het gebied der condic-tien betoonde, om de actie alleen en uitsluitend te verleenen aan hem, die het goed onverschuldigd in betaling gegeven had. Zoo had zich de vraag voorgedaan, of de erfgenaam, aan wien eene erfenis op zijn eisch wegens onregtmatige onterving (querela inofficiosi) of wegens valschheid van het testament was afgegeven, terugkomende op de handelingen van zijn voorganger (den bij testament benoemden erfgenaam) kon terugvorderen, wat deze in dwaling onverschuldigd betaald had. Tegenover de tegenwerping, dat de eischer niet was dezelfde persoon, als degeen die de betaling in dwaling gedaan, was niet minder dan een rescript des Keizers noodig, ten einde den eischer in zijne condictio indebiti te doen zegevieren. Tn 1. 2. h. t. lezen wij, dat Keizer Hadeianüs deze actie bij rescript toewees.

De grond van dit rescript lag natuurlijk in de overweging, dat de erfgenaam was opgevolgd getreden en in al de reg-ten, die de tijdelijke bezitter der haeredilas krachtens het testament vóór de vernietiging daarvan had uitgeoefend. Op grond van datzelfde beginsel besliste Papinianus, gelijk wij vinden in 1.3. h. t,. dat door het kind, dat nog een ongeboren vrucht was, toen de erfenis openviel en aan een ander erfgenaam overging, of door den zoon, die uit gevangenschap bij den vijand terugkeerde en alzoo jure post-liminii in alle zijne regten terugtrad, de condictio indebiti kon worden ingesteld wegens de betalingen, die in dwaling waren gedaan door hem, die inmiddels in het bezit der nalatenschap des vaders getreden was.

Hoe sterk de schroomvalligheid was omtrent de minste

ocr page 279

afwijking van den rogel, dat de condictio indebiti door geen ander kan worden ingesteld, dan dengeen die de onverschuldigde betaling gedaan had, blijkt ook uit 1.4. h. t.; waar Paulüs het geval bespreekt, dat een testamentair erfgenaam wegens een later testament de erfenis moet afgeven. Om ook hier den erfgenaam krachtens later testament te doen zegepralen in de condictio indebiti van hetgeen door zijn voorganger, die krachtens vroeger testament in het bezit geweest was, in dwaling onverschuldigd was betaald, was ook weder een rescript van den Keizer Hadrianüs noodig geweest.

Eindelijk bevat eene plaats van Ui.pianus in 1. 5 h. t. de toelichting van het beginsel, dat wij door de rescripten van Hadiuaniis gevestigd zien. De jurist zegt met zoovele woorden, dat dit beginsel, dat het niet precies dezelfde man behoeft te zijn, waardoor het betaalde wordt teruggevorderd, niet nieuw is; want dat men het ook reeds gehuldigd had in het geval dat een minderjarige, onkundig van de groote daarop klevende lasten eene erfenis aanvaard had, en later, tegen de handeling in zijn geheel hersteld was, terwijl men in dit geval aan hen, aan wie de erfenis toekwam, b. v. de schuldeischers, de condictio indebiti verleend had voor hetgeen de minderjarige als erfgenaam betaald had

Uit wordt nu in de pandecten in de volgende wet nog nader aangedrongen door een fragment uit Paulüs 1. 6 h. t. alwaar wordt geleerd, dat de lastgever kan terugvorderen, hetgeen zijn lasthebber namens hem onverschuldigd betaald heeft. Dit is het slot, waarmede de verzamelaars der pandecten van dit onderwerp zijn afgestapt. Met eenige zorg hebben zij den twijfel , vermoedelijk uit het oude strenger karakter der oude condictien opgerezen, of het niet altijd streng dezelfde man moest zijn die terugvorderde, door mede-deeling van verschillende beslissingen omtrent dat beginsel opgeheven en als algemeen resultaat het beginsel gevestigd, dat de terugvordering altijd plaats had door dengeen, die treedt in de regten van hem, die de onverschuldigde betaling deed. Daarbij wordt er aan het slot bijzonder op gewezen

17

ocr page 280

— 248 —

ilat tie lastgever terugvorderde, wat zijn lasthebber betaald had. Dit giiuft als liet ware eenc nadere toelichting op de vroegere gevallen. Met betrekking tot de daden van hen, in wier regten zij treden, zijn de opvolgers eenigzins gelijk aan den lastgever tegenover de daden des lasthebbers.

Niet alleen met betrekking tot den eischer werd de actie streng beperkt tot dengeen, die de betaling deed of zijne opvolgers: ook met opzigt tot den gedaagde hield men streng aan der. persoon, aan wien de betaling gedaan was. »His solis pecunia condicitur,\'/ zegt Modestinus in 1 49 ff h. t., \'/quibus quoquo modo soluta est; non quibus pro-ficit (205).\'/

Men zal alzoo niet op gewaande gronden eener hersen-schimmige billijkheid eene actie tegen derden kunnen toelaten op grond, dat zij voordeel uit de betaling zouden hebben getrokken; b. v. legen schuldeischers van een handelsman of een faillieten boedel op grond, dat zij van deu handelaar of diens faillieten boedel de voldoening van hunne schuld niet voor het geheel of niet voor zulk een groot deel hadden kunnen verkrijgen, zoo deze niet was bevoordeeld door de onverschuldigd in dwaling gedane betaling.

Het kan naauwelijks noodig schijnen, dit aan te voeren. Uit den regel, dat men iemand niet kan tegenwerpen, wat tusschen andere personen is verhandeld, volgt onmiddellijk de ontoelaatbaarheid dezer condiclio indehiti voor en tegen anderen, dan de handelende personen. Inbreuk op dien regel toe te laten zou den geheelen maatsehappelijken toestand door de verwarring van de betrekkingen tusschen verschillende personen niet minder ten ondersteboven werpen , dan de algemeene bezitstoestand van goederen zou worden gestoord door de verwerping van het beginsel van verjaring.

Eene opzettelijke behandeling van dit beginsel is echter

(205) De toepassing van dien regel ziet men in 1. 33 ff. de Cond. Tnd., aangehaald in noot 208. Deze twee wetten zijn de meest sprekende bewijzen, dat het Romeinsche condictieregt niet berustte op de aangenomen leer, dat wegens verrijking zonder regtsgrond altijd eene actie we-d gegeven aan den persoon, die op eene of andere wijze schade gel.den ha»\'

ocr page 281

ook op het gebied van het Romeinsche regt daarom noodig, omdat men zich door eeue algemeene uitdrukking anders up het dwaalspoor kan laten leiden. Zoo vinden wij in 1. 6 li de cond. ob turp vel inj. caus. (12. 5) de volgende algemeene uitspraak van de oude juristen vóór Augustus, uit de schriften van Sabinus medegedeeld: \'/Perpetuo Sabinus probavit //vetetum opinionem existimantium, id quod ex injusta n causa apud aliquem sii, posse condici, in qua sententia // etiam Cassius est.\'/

De beteekenis van den regel, in deze plaats opgenomen, waarover beide scholen, Sabinus en Cassius, overeenstemden, is duidelijk. Zij kan geene andere zijn, dan dat de gezamenlijke oude juristen de condictio, in dezen titel behandeld , in het algemeen in alle gevallen hadden toegelaten, waarin aan iemand goederen waren overgedragen uit eene met het regt strijdige oorzaak. De plaats geeft dus niets meer en niets minder te kennen, dan de condictie niet alleen wegens eene schandelijke, maar ook wegens eene met het regt strijdige oorzaak kon gegeven worden (206), gelijk in het opschrift van dezen titel werd uitgedrukt.

Bene afwijking van den algeraeenen regel voor contractuele handelingen (207) niet alleen bij condictiën, maar voor alle personele actiën, dat zij alleen en uitsluitend kunneu gelden tusschen de handelende personen, in deze wet te willen zoeken, is met alle regels van uitlegkunde in strijd. Zulk eene uitzondering zou, indien zij in het Romeinsche regt had bestaan, breedvoerig besproken en bij de invoering ongetwijfeld bestreden zijn, omdat zij de stellige algemeene theorie van het Romeinsche regt omverwierp. Dat de plaats die beteekenis niet kan hebben, blijkt te meer, indien men er op let, dat zij een fragment is uit de schriften van ui.pianüs, dien wij, even als zijne beroemde tijdgeuooten

(206) Zie over de beteekenis dezer wet de afdeeliny over de condictio oh turpem vel in justam causam, inzonderheid bl. 116.

(207) Op deze contractuele handelingen, als grondslagen der condictiën, is ook gewezen in noot 128. De condictio furtiva maakt eene uitzon-deriug. Men zie bl. 145.

ocr page 282

- 250 —

Papinianus en Paui.us, naauwlceurig de bijzondere gevallen hebbeti zien ontvouwen, waarin men mogt afwijken van den strengen regel, dat de terugvordering van het onverschuldigd betaalde, moest plaats hebben door denzelfden man, die de betaling gedaan had. Ook Ui.pianus beredeneerde, dat de afwijking geoorloofd was, voor zoover een ander in dereg-ten was opgevolgd van hem, die betaald had. Dezegansche redenering zou doelloos zijn geweest, indien Ui.pianus het gevoelen toegedaan was geweest, dat hetgeen iemand onverschuldigd ontvangen had, door iedereen kon worden opgevorderd, die daardoor eenige schade had geleden. Het beroep op dezen regel, die dan reeds bij de juristen vóór Augustus bestaan had, zou voldoende zijn geweest, en elk beroep op het beginsel, dat de eischer was getreden in de regten van hem die de onverschuldigde betaling gedaan had, ware geheel overbodig geweest. Voor de beide rescripten van Hadrian us, als oplossing van twijfelachtige gevallen, zou in deze opvatting even weinig plaats zijn. Hoe zou men den keizer hebben kunnen vragen, wat uit het sinds eeuwen erkende beginsel onmiddelijk voortvloeide? De beslissing op zulk eene vraag zou althans, indien men van die veronderstelling uitgaat, niet als eene gewigtige beslissing kunnen bewaard zijn.

Bij de Romeinsche juristen kon zelfs de gedachte niet opkomen, dat men de condictio wegens deze contractuele handelingen aan een ander zou verleenen, dan aan hem, die het goed had overgedragen (207*). Vandaar dat men op menige plaats eenvoudig vermeld vindt, dat er in al de daar vermelde gevallen een condictio gegeven is ten beloope van het voordeel, dat de persoon, die de overdragt op de betaling ontving, daaruit genoten had, zonder dat men daarbij de beperking vermeldde, dat die condictio alleen werd toegestaan voor den persoon, die de overdragt had gedaan. Uit de weglating dier beperking, die uit het geheele systeem

(207*) In de demonstratio werd de persoon génoemd , die het goed had ontvangen, aan wien overKedrpgen was : noodwendig sloeg de inteniio op dien persoon terug. Daarbij te denken aan een ander persoon, is in het Homeinsche formulier eene onmogelijkheid.

ocr page 283

— 251 —

van hel Romeinsche regt voortvloeit, de gevolgtrekking te len willen maken, dat de condictio werd uitgestrekt tot allen, die schade hadden geleden, is eene vreemde stelling, die de alleen eenigen ingang heeft kunnen verkrijgen , doordat zij de gedekt was door de groote autoriteit van Savigny (*). eoquot; In Savigny is deze dwaling alleen verklaarbaar, omdat zij ïhe zamenhangt met zijne misvatting omtrent de condictio incerti, het die volgens hem als algemeen begrip zou ontstaan zijn;ter-erquot; wijl wij integendeel hebben gezien, dat de verschillende con-ge- dicliones incerti langzamerhand de eene na de andere zijn )eP opgekomen, en dat eene zamenvatting van het algemeen rus begrip, dat aan enkele dier condictiën tot grondslag ligt, 0P eerst veel later is ontstaan. Wij hebben op bl. 98—105 dat \'an stelsel van Savigny in het algemeen wederlegd. I)e behanee\' deling der afzonderlijke condictiones incerti heeft de onjuist-Js\' heid dier stelling nog meer aan het licht gebragt: terwijl a\'\' tot in den allerlaatsten tijd van het Romeinsche regt, zelfs e\'J\' in de theorie, de verschillende condictiones incerti niet tot mquot; één algemeen beginsel konden worden teruggebragt, maar 3ne nog heden alleen in onderscheiden groepen kunnen worden \'tquot; ingedeeld.

In* Eene andere ook in de tegenwoordige praktijk gewigtige

net vraag heeft betrekking op de onrechtmatigheid van den grond

ë|e der overdragt. Wij hebben op bl. 112 gezien, dat men de

die woorden injuHa causa in den 5den titel niet moest ver-

op

warren met de uitdrukking non just a causa in den 7den titel van het twaalfde boek, vermits injustas in den eerst-geuielden titel beteekende in strijd met het regt, terwijl non \'aquot; just a causa in den laalsten alleen de ontkenning bevatte, k\'j dat er eene ju sla causa was. Ook dit fijne onderscheid werd

oequot; door Savigny voorbijgezien , terwijl hij I. 0 H\'. , de cond.

oh turpem vel inj. caus. als regel voor alle condictiën wilde stellen. Het is op Romeinschregtelijk gebied in het had algemeen niet geoorloofd, gelijk wij herhaaldelijk hebben op aangetoond, om wat voor eene enkele condictio incerti gold

het tot alle andere condictiën uit te breiden.

(*) Men zie System, V, Beil. 14 n11. 8 bl. 524.

ocr page 284

— 252 —

Elk der llomeinsche condictiën had en hield haar bijzon der afgesloten terrein. Door de verschillende condictiën, van welke de latere strekte tot aanvulling der vroegere, en vooral door de meest algemeenc der condictiën, de condictio sine causa, was men in het Romeinsche regt eindelijk zoover gekomen , dat in het algemeen nagenoeg al hetgeen iemand verkregen had door betaling of levering zonder regtsgrond, door eene condictie kan worden teruggevorderd.

Hoewel dit resultaat door de vereeniging der verschillende condictiën verkregen was, moest men voor elk bijzonder geval in het llomeinsche regt nagaan , of de vereischten van eene der speciale condictiën aanwezig waren. En hoewel nu dit resultaat in het algemeen bestond, dat wegens elke onregt-matige verrijking eene condictie was aan te wijzen, vinden wij toch juist in den bijzonderen aard der condictie nog eene enkele uitzondering op dien regel.

Die uitzondering is opgenomen in de belangrijke 1. 33 ft\', de cond. ind. (12.6). Ulpiantjs (208) zegt in dat fragment, dat hij, die gebouwd heeft op eens anders grond door de condictio niet kan terugvorderen, hetgeen de eigenaar van den grond heeft gewonnen door het huis, waarvan hij als eigenaar van den grond eigenaar is geworden. Gesteld dat de eigenaar met of zonder toedoen van den bezitter, die het huis had laten bouwen, het bezit van zijn grond had teruggekregen, dan werd den bezitter de condictio geweigerd van het gebouw, waarvan de eigenaar te gelijk met zijn grond in het bezit was ge-

(208) //Si in area tua aedificassera, et tu aedes possideres, condictio - locum non habebit: quia nullium negotium inter nos contraherefur. •/Nam is, qui a non debitore pecuniam solvent, hoc ipso aliquid negotii \'/ gerit; cum autem aedificium in area sua ab alio posftum dominus occu-quot; pat, nullum negotium contrahit. Sed et si is, qui in uliena area aedifi-«casset, ipse possessionem tradidisset, condictionem non habebit: quia quot; nihil accipientis faceret, sed suam rem dominus habere ineipiat. Et ideo /constat, si quis, cum existimaret se heredem esse, insulamhercditariam quot;fulsisset, nullo alio modo, quam per retentionem impensas servare posse.\'/

Men zie over de beteekenis der woorden, quia nullum negotium inter nos contraheretur, noot 128.

ocr page 285

— 253

komeu. De reden vnor deze beslissing was, dat de bemlter den eigendom van het gebouw niet had overgedragen (in welk geval er volgens het oude strenge beginsel altijd eenc condictio bestond); maar dat de eigenaar den eigendom van bet gebouw verkreeg krachtens zijn zakelijk regt, quia nihil accipienlis facer ei, -led sua7u rem dominns habere incipiat.

Deze overweging sloot, voor het Romeinsche regt tevens ook de condictio sine causa nit, omdat daiiraan, evenals voor alle condictiën (behalve in de exceptionele gevallen van legaat en diefstal), altijd overdragt van goed werd gevorderd.

Tn dit opzigt verschilt het latere regt, waarin men de onderscheiding heeft laten varen van de overdragt van goed, dare, tegenover het bewijzen van diensten, facere, dat er het Romeinsche regt in den lateren tijd reeds een antiquarisch verschijnsel was (bl. 192). Wegens onverschuldigd geleverd werk zal in het tegenwoordige regt evenzeer terugvordering der waarde, voor zoover de persoon aan wien het werk geleverd werd, daardoor gebaat werd, kunnen plaats hebben, als wegens betaling van geld. Elke handeling waardoor iemand zonder regtsgrond bevoordeeld is, kan aan hem, die de handeling deed, regt geven tot terugvordering voor zooveel de persnon, aan wien de levering geschiedde, daardoor bevoordeeld werd. Indien aldus de bezitter ter goeder trouw, die volgens art. 1401) in verband met art. 659 Bw. regt heeft op vergoeding van zijne kosten van opbouw voor zoover daardoor het goed in waarde vermeerderd is, het goed zonder die kosten in rekening te brengen heeft afgeleverd, zal hij, zoolang zijn eisch nog niet verjaard is, zijne vordering kunnen instellen wegens de onverschuldigde gedane levering van het goed zonder vergoeding van kosten (209).

(209) Is het prued zonder cenige daad van zijne zijde overgegaan in handen des eigenaars, b. v. doordat deze het als verlaten bezit ■weder ouder zijue magt bragt of het uit handen van een derden bezitter ontving, dan zal de vorige bezitter tegen hem geene vordering tot verhaal zijner bouwkosten kunnen rigten. Hij kan zijn regt op verhaal als bezitter doen gelden; maar waar hij van zijn bezit en de daaruit voortvloeiende regten niet tijdig gebruik gemaakt heeft, zal hij de schade van zijn verzuim aan zich zelf te wijten hebben.

ocr page 286

— 254

Overigens zal men ook in het nieuwe regt de actie streng moeten beperken tot de personen, tusschen welke de handeling plaats had en degenen, die in hunne regten treden. Dit volgt niet alleen uit den bijzonderen aard der actie wegens onverschuldigde betaling, waarin men, als overgeno-raen uit het Romeinsche regt, de algemeene Romeinsche beginselen heeft gehuldigd; maar inzonderheid is dit ook het gevolg van den aard dezer actie, als personele vordering. IJeze personele vordering vindt haar grond in de door de wet erkende personele verbindtenis, die er door de contractuele handeling van levering van goederen of diensten zonder regtsgrond ontstaat voor den persoon, die de levering ontvangt tegenover den persoon, die de levering doet. Volgens de algemeene beginselen van het nieuwe regt kan de personele vordering door niemand worden ingesteld dan door den persoon, aan wien de schuldenaar verbonden werd , of door degenen, die in zijne regten treden. Bij miskenning van dit beginsel zou in de tegenwoordige regtspraak dezelfde schroomelijke verwarring kunnen ontstaan, waarop wij , handelende over het Romeinsche regt, reeds gewezen hebbea.

Indien derhalve in het nieuwe regt de terugvordering plaats heeft door een ander persoon, dan degeen die betaalde gt; zal men, evenals in het Romeinsche regt volgens 1. 2—6 IF. de Cond. Ind. (12.6)), moeten onderzoeken, of de eischer is getreden in de regten van hem, die de onverschuldigde betaling gedaan heeft. Dit schijnt in een der laatste arresten van den Hoogen Raad, van 19 Augustus 1869 W.v.h. Regt n0. 3131, niet in het oog te zijn gehouden. Tn dit arrest werd uitdrukkelijk uitgemaakt, dat het onverschuldigd betaalde door anderen kan worden teruggevorderd, dan dengeen die de betaling deed en zulks zonder dat was onderzocht en beslist, of de ander was getreden in de regten van hem, die de betaling gedaan had (210),

(210) Zonderling is het, dat in het arrest tot staving der uitspraak werd gewezen op de boven aangehaalde plaatsen der pandecten. Wij lezen in het arrest: «dat, ofschoon art. 1396 B. W. verpllgt het niet-verschuldigde » terug te geven aan hem, van wien het is ontvangen, dit echter niet zoo

ocr page 287

— 255 —

Of in de zaak, waarin het arrest werd gewezen, deeischer wetttelijk kon beschouwd worden als te zijn getreden in de regten van hem, die de betaling had gedaan, zoodat alleen was verzuimd dit aan te voeren, en ofquot; de beslissing moet worden toegeschreven aan een onbestemd billijksgevoei, volgens \'t welk men meende, de vordering aan de eischers te moeten toewijzen, zou in de ingewikkelde zaak die het geldt, van eenigszins wijdloopig onderzoek zijn en is ook voor ons onderwerp van geen gewigt. Maar tegen het gevaar van de stelling zelve, dat de vordering wegens onverschuldigde betaling aan een ander dan de betaler of dengeen die in zijne regten treedt, mag worden ingesteld , kan niet ernstig genoeg worden gewaarschuwd.

Hij, die eenige betaling heeft ontvangen , zou, indien deze stelling kon opgaan, heden de regtsgeldigheid dier handeling in proces hebben te behandelen met een derde, die kan aan-

quot; letterlijk mag worden uitgelegd, dat alleen dezelfde persoon, die de beta-\'/ ling heeft gedaan, daaronder zou moeten worden verstaan, en alzoo quot; alleen hij daartoe zou zijn bevoegd; maar integendeel in een gezonden «en ruimeren zin, daaronder is begrepen elk, uit wiens middelen, zij net quot; dan ook door tusschenkomst van een ander, onverschuldigd is betaald , «en van wien alzoo onverschuldigd is ontvanzen; dat de juistheid dezei-quot; uitlegging der wet wordt bevestigd door de daarmede geheel overeenstemmende quot; leer der Romcinsche regtsgeleerdeu, voor soortgelijke gevallen als het ondtr-» iverpelijke in de l. 2 § l, l. 3, l. 4 en 1. 5 ff. de Cond. Ind. en de (ter » laatste jdaatse aldaar voorkomende) daarop betrekkelijke opmerking: Nee -novum, ut, quo d alius so Iverit, alius repe\'jt at.

Dat de aangehaalde wetten van het tegengestelde beginsel uitgaan , c.hijnt ontwijfelbaar. Dit verschijnsel in het overigens met zorg gestelde arrest is alleen verklaarbaar, indien men iu a.inmerking neemt, dat het arrest het vrij algemeen aangenomen gevoelen over de condictiën bevat. Dat gevoelen hebben wij als onhoudbaar leeren kennen.

Indien men echter in het algemeen billijkerwijs geene hoogere eischen aan de jurisprudentie mag doen, dan dat zij de beste gronden van de wetenschap van haar tijd uitdrukke, valt er op dit arrest niets aan te merken. Wij wezen er reeds op, dat Saviony nog in soortgelijke dwaling was gevallen. Het onbepaalde en zwevende, dat er in de schriften der oude Romanisten, die den sleutel tot verklaring van dit deel van het Romeinsche regt misten, heerschen moest, leidde van zelf tot deze misvatting; terwijl zij voor de condictiën geen ai.deren redelijken grond konden vinden, dan do aequitas, gelijk wij ook lezen bij Grotids , Inl. III 30, 18 en 19.

ocr page 288

voeren door de gedane betaling of overgift van het goed te zijn benadeeld; morgen mot een ander of met meerdere derden , die daardoor, gesteld dat de betaling of overgift zonder regts-grond had plaats gehad, konden zijn benadeeld, dezelfde znak op nieuw hebben af te handelen. En nadat hij eindelijk twee processen met benadeelden gevoerd had, zou ten slotte nog kunnen opkomen degeen, die de betaling of de overgift gedaan had, dat is, de éenige persoon, aan wien hij door die contractuele handeling verbonden kon worden. Behalve dezen éénen nog anderen tot de personele actie toe te laten , is eene omkeering van een der gewigtigste beginselen van het procesregt en bedreigt den rustigen bezitstoestand van het maatschappelijk leven met de grootste gevaren.

In de tegenwoordige praktijk zijn meermalen misvattingen voorgekomen van het begrip der actie tot terugvordering van \'t geen onverschuldigd betaald was. Hoe kon het anders, terwijl men zich het Komeinsche regt op dat punt en de wijze van overneming van dat regt niet helder bewust was ?

Met naauwkeurige kennis daarvan kan men onder de tegenwoordige wetgeving ongetwijfeld tot geheel voldoende oplossing voor de praktijk komen; maar het is niet te ontveinzen , dat de wetgeving op het gebied der contracten, anders dikwijls zoo breedvoerig en soms zeer omslagtig, hier bijzonder karig is. Enkele moeijelijke punten zouden door een kort artikel voor den praktischen jurist helder en klaar kunnen zijn geformuleerd. Eene enkele beslissing van moeijelijke vragen Oinfrent hare beginselen ware tot wegneming van allen twijfel niet overbodig geweest. Zoo kan de vraag moeijelijkheid geven; of men bij overdragt en overgifte wegens een grond of oorzaak, die met regt en zedelijkheid in strijd is, ook den Komeinschregtelijken regel zal moeten toepassen, waarover wij op bl. 111—114i en 139 hebben gehandeld; dat de terugvordering alleen dan kan plaats hebben als de onzedelijkheid niet bestond aan de zijde van hem , die de betaling deed, maar alleen aan de zijde van hem, die de betaling ontving.

Tegen de toelating van den regel zou men kunnen aanvoeren, dat hier in allen gevalle eene regtelooze overgift

ocr page 289

- 257 —

had plaats gehad, waardoor eene terugbrenging inden vori-gen toestand noodzakelijk werd gemaakt. Men zou daarvoor misschien ook nog kunnen bijbrengen, dat het verleenen der regtsvordering ook in dat geval voor de maatschappij het goede gevolg kan hebben, dat door dergelijke processen onzedelijke handelingen en praktijken aan het licht worden gebragt, zoodat het mogelijk wordt daartegen te waken.

Daartegenover staat echter, dat zulke processen, waarbij eene partij, die schaamteloos hare eigene onzedelijke handelingen als grond van hare terugvordering aanvoert, zegevierend uit den strijd komt, brutale onbeschaamdheid en onzedelijkheid zouden begunstigen en aanmoedigen. Het regt moet aan dengeen, die ter goeder trouw dwanlde en het slagtoffer werd van onzedelijkheid en onregtmatige handelingen van anderen, bescherming verleenen; maar er is geene reden tot bescherming tegen de schade, die men beloopt door zijne eigene onzedelijke handelingen.

De laatste gronden schijnen van genoegzaam gewigt, om dergelijke vorderingen ook in ons tegenwoordig regt af te wijzen. Deze beslissing vindt ook hare bijzondere regt-vaardiging in de overweging, dat men bij deze actie wegens onverschuldigde betaling, als van Romeinschregtelijken oorsprong, zich moeten houden aan den Romeinschregtelijken regel: »Si et dantis, et accipientis turpis causa sit, posses-\'/ sorem potiorem esse/. Dat deze regel ook nog voor ons regt geldt, schijnt mij vrij zeker.

Niettemin zou eene wettelijke bepaling voor deze vraag wenschelijk zijn geweest. Onzen wetgever willen wij echter niet hard vallen. Bij de gebrekkige kennis van het geheele onderwerp was het zeker de wijste partij, die hij koos, door zoo kort mogelijk te zijn.

Indien wij thans meer stellige bepalingen mogten wen-schen; moeten wij aan den anderen kant het voordeel niet voorbijzien, dat door de wetgeving niets is bedorven. Dat is dikwijls veel.

ocr page 290

— 258

VIII.

DE CONDlGTlëN TOT OPVORDEIUNG VAN HETGEEN BIJ STIPÜ1.ATIE BELOOFD WAS.

Eindelijk blijven nu nog over de condictiën tot opvordering van hetgeen bij stipulatie beloofd was.

Het Romeinsche regt had daarvoor, gelijk wij op hl.211 zagen, verschillende actiën, naar gelang het voorwerp der stipulatie bepaald of onbepaald was: dit onderscheid is na den val van het Romeinsche Rijk in de latere praktijk van het Romeinsche regt geheel verdwenen. Men sprak toen van de actie tot vordering van het gestipuleerde in het algemeen zonder onderscheid , of het voorwerp bepaald of onbepaald was. De stipulatie leerden wij kennen, als den bijzonderen vorm, waardoor elke overeenkomst (ook zonder vervulling der verplig-ting van de eene zijde) onmiddelijk verbindend werd volgens de woorden der stipulatie. De stipulatie was de bijzondere Oud-Ttaliaansche vorm, waardoor elke twijfelachtige onbepaalde schuld volgens de overeenkomst der partijen in eene bepaalde schuld overging, eene schuld geheel en al steunende op de formele woorden der belofte of schulderkenning.

Wij zagen, dat het met de vormen, aanvankelijk sacramenteel en streng, allengs minder ernstig werd genomen. Aanvankelijk moest een weger met weegschalen tegenwoordig zijn, terwijl altijd geld, al was het maar één muntstuk, moest worden overgereikt. Tegelijk werden daarbij sacramentele woorden gesproken. Later verdween de weger met de weegschalen en waren alleen de vraag en het antwoord in de sacramentele woorden verbindend. Weldra vorderde men ook niet meer voor vraag en antwoord de oude streng sacramentele woorden, maar liet men andere uitdrukkingen tce, indien maar van de bedoeling en overeenstemming van vraag en antwoord in Latijnsche woorden bleek. Later liet men behalve het Latijn ook andere talen toe. Eindelijk nadat de gewoonte algemeen was geworden, om schriftelijk bewijs van de sti-

ocr page 291

— 259 —

pulationes op te maken, werd bepaald, Jat bijzonder op de be-iloeiing moest worden gelet en dat meu, indien de formaliteiten van vraag en antwoord in het gesciirift vermeld waren , niet ligtvaardig tot het onderzoek moest overgaan, of dit wel precies gebeurd was en of b. v. de partijen, die door onder-teekening hunne goedkeuring aan Je schriftelijke akte gegeven hadden, wel te zamen tegenwoordig geweest waren.

Althans waar eene schriftelijke akte bestond , waren dus in werkelijkheid de oude formaliteiten der stipulatie nagenoeg geheel weggevallen en gold in plaats van den vroeger streng sacramentelen vorm bijkans de regel, dat elko overeenkomst verbindend was voor de beide partijen. Toch was er nog, gelijk wij gezien hebben, een belangrijk verschil tusschen de schriftelijke overeenkomsten, die eene stipulatie en die eene bloote overeenkomst, nudum pactum inhielden. De eerste was voor de beide partijen terstond bindend, de tweede moest het voor elk der partijen nog worden door de vervulling van wege de tegenpartij. Bedoelde men dus, dat de andere partij het eersi hare verbindtenis zou vervullen en in zoover crediet zou geven, dan was het noodig, den stipulatievorm in het geschrift op te nemen; meende men zelf eerst zijne verbindtenis te zullen vervullen, dan was de vorm der bloote overeenkomst voldoende.

Met betrekking tot den stipulatievorm moet men er ook nog bijzonder op letten, dat oudtijds de vorm alleen en uitsluitend den regtsgrond voor de verbindtenis opleverde. Tegeu eene verbindtenis uit stipulatie kende het oude regt geen ander middel, dan het algemeene hulpmiddel tegen de strengheid van het civiel regt, Je iloli exceplio. NaihU echter het begrip tot ontwikkeling gekomen was, Jat al hetgeen inen zonJer regtsgronJ aan een ander had overgedragen , kan worden teruggevorderd; kwam men er van zelf tue, dat men op dezelfde wijze ook moest kunnen terugvorderen de verbindtenis, waartoe men zich zonJer materi-ëlen regtsgronJ formeel bij stipulatie haJ verbonJen. Dit leiJJe er noodzakelijk toe , dat men in de praktijk geeue waarde meer kon hechten aan eene stipulatie, waartegen het

i

ocr page 292

bewijs te leveren was, dat de materiele grond der verbind-tenis regtens nietig was. De stipulatiovorm had dus niet alleen haar streng sacramenteel karakter , maar tevens ook veel van haar gewigt verloren.

Niettemin bleef toch altijd in het Piomeinsche regt dit gelden, dat een bijzondere vorm noodig was, om de overeenkomst terstond bindend te maken. Die vorm nu bestond niet meet in de oude streng voorgeschreven vormen, maar hing toch nog altijd aan het blijk van overeenstemming door vraag en antwoord. Zeker was het Romeinsche regt daardoor veel nader gekomen aau het tegenwoordig beginsel, dat elke overeenkomst bindt; maar men kan Savignï (211) toch moeijelijk toegeven, dat het Romeinsche regt door zijn eigen ontwikkeling tot dien regel gekomen is. Volgens Savigny moest het Romeinsche regt de stipulatie laten varen , zoodra het kwam (ot volken, die de stipulatie niet kenden. Dan had zij reeds moeten vallen in den laatsten tijd der Republiek, toen zich het Romeinsche Rijk over de geheele beschaafde wereld vestigde. Alleen in Italië was de stipulatie inheemsch. Zij was onbekend in de geheele Grieksche wereld, d. i. in het geheele Oosten. Zeker heeft dit grooten invloed geoefend en tengevolge gehad, dat men het strenge sacramentele van de vormen liet vallen; maar het had daarom nog niet het gevolg, dat men eiken vorm liet varen. Indien men Savigny volgde, zou men wel altijd het antwoord schuldig blijven op de vraag; waarom de Grieksche wereld niet evenzeer bij de opneming van het Romeinsche regt tot de aanneming van het tegenwoordig beginsel der geldigheid van elke overeenkomst had gevoerd, evenals dit geval is in de Germaansche landen? 15ij de Grieken was toch de stipulatie even onbekend, als bij de Germanen.

Raadpleegt men den gang van het oude Romeinsche sti-pulatieregt, dan zou men eerder hebben kunnen vermoeden, dat de formaliteit van het schrift den ouden vorm van vraag en antwoord had kunnen vervangen. Hoe dat ook zij, om

(211) Obligalionenrecht, II § 7G eu 77.

ocr page 293

— 261 —

te komen tot den regel, dat elke overeenkomst terstond verbindt, heeft medegewerkt de factor, door Saviont te veel uit het oog verloren, namelijk het Germaansche regt.

In het Germaansche regt vindt men ook in dit opzigt wel geene uitspraken, waaruit volgt, dat men, evenals in het. tegenwoordige regt (behoudens vele uitzonderingen), elke overeenkomst voor den regter door alle wettige bewijsmiddelen bewijzen kon. Integendeel werd men gewoonlijk niet toegelaten tot het bewijs eener overeenkomst, waarvan men geen openbaar geregtelijk bewijs kan leveren. Het is een algemeen beginsel, dat men in alle Germaansche regts-bronnen terugvindt, dat hij die zich eenmaal op de trouw van iemand verlaten heeft, ook uitsluitend in diens trouw zijn steun moet zoeken. Hij, die zoodanig op eens anders trouw gebouwd heeft, dat hij bij het sluiten der overeenkomst den waarborg van het geregtelijk bewijs niet noodig achtte, moet dan ook volgens Germaansche regtsbeginselen zijn éenige toevlugt zoeken in de vordering van deu eed van hem, aan wien hij zijn vertrouwen schonk. Andere kunstmatige bewijsmiddelen , b. v. bewijs door vermoedens of deels door getuigen toe te laten, was in strijd met de beginselen der Germanen , die zulk een uitgebreide rnagt, om te oordeelen bij gevolgtrekking en volgens interne bewijzen, nooit aan den regter hebben toegekend. Hun regtspraak steunde op uitwendige bewijsmiddelen.

De eed, onschuld [unsculi) genaamd, altijd toegelaten tegen de bewering eener niet geregtelijk bewezen overeenkomst, aan welke door den eisoher van zijne zijde nog niet was voldaan, komt in alle Germaansche volksregten voor. Men vindt Jien in al de oude volksregten en ook in de oudste plaatselijke keuren.

Het bewijs van eene overeenkomst was dus wel beperkt; maar niettemin werd toch in regten elke overeenkomst, zonder eenige formaliteit gesloten, altijd erkend, zoodra zij maar bewezen kon worden. Een overeenkomst, als haar bestaan erkend was, niet na te komen, streed met alle denkbeeld van Germaansche goede trouw.

ocr page 294

Aan uitspraken, dat inon altijd gobomlftn was donr hetgeen men beloofd had bij welke overeenkomst en onder welken vorm ook, ontbreekt het niet.

//Al wat iemand waarborgt of belooft,// zoo lezen wij in den Saksenpiegel, Landregt 1. 7. //dat zal hij voldoen , en al wat hij doet (d i. hetgeen waartoe hij zich verbindt) dat ial hij volbrengen. — Wil hij het echter later ontkennen, dan onttrekt hij aan zijne partij door zijn eed, al hetgeen hij niet ge-regtelijk in leen ontvangen heeft. — Hetgeen waartoe hij zich echter geregtelijk verbonden heeft, daarvan zal de eischer hem kunnen overtuigen met twee mannen en de regter zal de derde zijn (212).//

Welk een gewigt aan dit beginsel gehecht werd, blijkt uit § 18 van het zelfde boek. Aldaar wordt onder de drie regten, die de Saksers na deoverheersching van Karei, den Groole niettegenstaande zijn wil hadden behouden, genoemd //dat hetgeen, waartoe de man zich niet verbindt voor het //geregt, waar het bewijs daarvoor kan geleverd worden, //door hem kon worden bestreden door zijn eed , en dat men //tegen hem daarvoor geen getuigenbewijs mag toelaten (213).\'/ Hoe sterk de Saksers echter ook aan deze oude instelling gehecht waren, het Germaansche regtsbeginsel, om zich tegen elke personele vordering waar openbaar geregtelijk bewijs ontbrak, te verdedigen donr zijn eed, moest weldra weder plaats maken, misschien deels door het misbruik, die er van gemaakt werd, deels door de onoverwinnelijken afkeer, door de overgebleven Romeinsche bevolking en door de Romaniserende geestelijkheid daartegen steeds betoond (214)

(212) «Sve icht borgel oder lovet, die sal \'t gelden, unde svat he dut «dat sal he stede halden. — Wil he is aver versaken dar na, heuntvur, // it ime mit sinem ede, svat he vor gerichte nit gelent ne hevet. Svat he quot; aver vor gerichte dut, des vertüget en de sakeweldige mit tven man quot; unde de richter sal de dridde sin.»

\'213) § 1 «Drierhande recht behelden de Sassen wider Ka rles willen... . «§ 2 Unde dat andere: Svat so de man von gerichte nicht ne dat, svo quot;wetenlick it si, dat he des mit siner unscult untgeit; unde man\'s in nicht «vertügen ne mach.//

(214) Men zie onder andere de hevige afkeuring door den Lyonschen

ocr page 295

— 2 (ii —

Zelfs in dun HwJjanninagel zien wij dit rcgt rocils zoer belangrijk beperkt. [11 do eerste plaats liet men tegen dit aanbod van den ontsclmldigingseed hut middel toe, dat dotegen-partij het zeker dikwijls mneijelijk bewijs kon leveren door liet getuigenis vau zeven getuigen. Tn dat geval moest volgens art. 81 § 1 (215), aan den ontrouwe de hand worden afgeslagen, die hij had aangeboden op te stoken om hot valsche bewijs te leveren, dat hij niet schuldig was. De/elfde straf trof hem, indien de tegenpartij, nadat hij den eed gedaan had, het bewijs der schuld met zeven getuigen leverde.

Zoo vond men dan ook in c. 11, alwaar hetzelfde beginsel is opgenomen, als in boek l art. 7 van hot Sakseti-spiegel, Landregt, daarbij vermeld, dal, indien iemand eeno verbindtenis ontkent, het tegenbewijs daartegen op de voorgeschreven wettige wijze is toegelaten. Wij lezen aldaar; »Die iets waarborgt of in leen ontvangt, die zal zijn vor-quot;bindtenis voldoen, en wat hij belooft, dat zal hij houden. \'/Wil hij het echter loochenen,dan zal men hem overtuigen, wals regt is// (216).

De zuiveringseed, in de Germaansche reglsbroniion onschuld, in de Latijnscho geschriften jufamenltm pnrgalorium genoemd, zien wij later, naarmate hot Romeinsche regt doordringt, meer en meer op den achtergrond treden. Dooreene. algemeene wet is deze algemeen Germaansche instelling, dat ieder zich tegen de bewering vau burgerlijke schuld of te lastleggiug van misdrijven kan verweren door zijn eed, oudtijds in vele gevallen gesterkt door eedhelpers, nooit uitdrukkelijk

Bisschop Aoobardus uit den tijd van Lodewijk den Vrome in mijne verhandeling over dc On splitsbaarheid der erkentenis, Themis, 1863 bl. 486.

(215) quot;Sprichet ein man den andern an umbe sine trhvo, und wiljoner •bereden, daz er ein getriwer man si, und mac er in überzingen mitsiben «mannen, daz er sine triwc gebrochen hat, und wa oder wie : man sol •im die hant abe slahen. Unt ist daz er geziuge niht enhat, er mae mit •im wol kemphen. Daz selbe mac er tun umbe einen meinen eit.quot;

(216) quot;Swe borget oder entlchent, der sol daz gelten , und swaz er quot;lobet, daz sol en stctc han. Wil ober er lowjencn, das sol man in über-quot;ziugcn, als rtht is.»

JS

ocr page 296

— 264 —

afgescliaft; maar zij werd minder toegepast, naarmate de Rcgter meer van de Komeinsche beginselen doordrongen werd. J)e processualisten, die gewoon waren aan de Germaansolie gebruiken Latijnsche namen te geven en die instellingen onderden Latijnschen naam in te deelen onder de Romeinsch-regfelijke instellingen, gaven hier den regfer het geschiktste middel aan de hand, om dien eed hoe langer zoo meer in te krimpen. Men bragt het juramenlum pnrgalorium onder de juramenla judicialia.

Uit deze indeeling kon de regter volgens Romeinsehe begrippen met volkomen juistheid de gevolgtrekking maken, dat het aan zijne wijsheid was overgelaten om te beoordeelcn, in welke gevallen aan den gedaagde de eed kon en mogt worden opgedragen.

Daarmede was met den steeds toenemenden invloed van het Komeinsehe regt de weg voor de geheele afschaffing gebaand. Lang bleven echter nog enkele overblijfsels van den zuiveringseed over, zelfs tot in de 17de on in de 18de eeuw. Bijzonder in het strafregt bleef men den zuiveringseed voor kleine misdrijven behouden. De aanwending daarvan is uitdrukkelijk toegelaten in het VelmoscJie Landregt. //Belangende //de gemeine simpele breueken,// zoo lezen wij in cap. e.l.art.ll, //so veem die Drost ofte Richter daer van ge3n bewijs //bij brenghen conde, sal sicli die beclaechde bij cede mogen //purgieren ofte ontledigen, Alle tot erkentenisse des gerichls.n De laatste woorden beteekenen volgens Lambertus Gonrs, Comment alio ad Cons. Vel., verschenen 1615, dat deze geheele opdragt van den eed aan het oordeel des regters is overgelaten.

Dat overigens de gewoonte, om den beklaagde te laten zweren, ook nog bestond in de 18de eeuw, wordt getuigd door S. van Leeuwen, JRoomsch IIoil. Hecht 5. 22, nquot;. 16 en 17.

Nadat hij in het eerslgemelde nummer heeft aangevoerd, dat t/\\\\et juramentum purgatorium, d. i. de eed van zuivering, //in liet lijfstraffelijke geeu plaats vindt; in welker plaats is .\'/gekomen in groote saken ... het peinigen . ., en in kleine

ocr page 297

— 205 —

«zaken het hoor™ op artikelen;» zegt hij in nquot;. 18: «Hiervan weiden bij sommige uitgezoniiert zoodanige crimi-/meele zaken, om dewelke geene lijfstraf, maar alleen irelil-//bocte werd geeyst.. . Dog aangezien in veel geldboeten een «gevolg is van infamie, dat is, schande en vsrdagtheid «van ondeugd, werd hetselve ter bescheidenheid aan den «Regter gelaten.\'/

De gemelde schrijvers beroepen zich op Carpzovius, TJö-fmiliones forensen, T const. 23, def. 11; Antontus Fa bei: , ad Cod. de Reb. Cred. (-1,1) def. 4o, en ÜERT.rcimis, Concl. Pract. I Concl. 51 nquot;. 1—8, die volgens Bomeinsch ragt allerlei beperkingen van de beslissing door den eed opnemen. Allen komen hierin overeen, dat zij het oordeel over de opdragt van den eed aan den Regfer overlaten, geheel overeenkomstig de Romeinsche beginselen van procesregt, gelijk wij reeds opmerkten.

Reeds hadden de Glossatoren er op gewezen, dat in vele gevallen, waarin de Germaansche praktijk dien altijd toeliet, de eed moest worden uitgesloten. Het beginsel, dat later langzamerhand tot gelieele afschaffing van het judicium purgatorium leidde, vindt men volledig uitgesproken bij Ma-ranta , Speculum, aurcum, 6. 9. no. 28, waar wij lezen: //Septima species juramenti judicialis est juramentum purya-rtionis, quod defertur ree in causis arduis et criminalibus //et etiam in civilibus, puta, quando contra reum sunt //aliqua, et vel semiplena probatio, ita quod non potest //definitive condemnari: tunc judex potest sibi deferre jura-//mentum purgationis, per quod jurabit reus, se non teneri //ad debitum, vel non commississe tale delictum, et sic //definitive absolvefur.//

Terwijl volgens die methode het afwijkend beginsel van het Germaansche regt omtrent het bewijs der bloote overeenkomst is opgelost in de gewone bewijsmiddelen, uit het Romeinsche regt in ons tegenwoordig proces overgegaan, is daarentegen het Germaansche beginsel, dat de bloote overeenkomst alleen en op zich zelve bindend is, in het tegenwoordige regt overgebleveiL

ocr page 298

liet Romeinsclie regt, dat de vormen der stipulatie langzamerhand had laten vallen, en eindelijk niets anders had overgehouden dan de doode vorm van vraag en antwoord,— zoo dond, dat men in de akte, waarin zij vermeld werden, zoo weinig mogelijk onderzoek toeliet, of zij werkelijk hadden plaats gehad,— kon niet dan een zwakken weerstand bieden, liet Eomeinsche beginsel, dat de bloole overeenkomst, voor dat zij door vervulling der verpligting van eene der partijen was bezegeld, geene regtskracht had, vond later weinig verdedigers.

In het begin der IGcle eeuw werd dat beginsel echter nog voorgestaan door den Fransehen Minister (Maitre des requêlcs) Eka-NCIscus Comnanus in het 5de boek van zijn Commenlarii juris civilis c. 1 hl. 283. Zijne verdediging van het oude Romeinsche beginsel maakte indruk. Weldra zien wij de door hem aangevoerde gronden getoeist en bestreden door de voornaarnste juristen.

Het betoog van Connanüs berust op het fragment van Ut.pianus in !. 7 ff. de Pact. (2. l i), waarin dealgemeene beginselen van het Eomeinsche regt over het pacturn met groote volledigheid kort zijn zamengevat. Zoo ook betoogt Connanus, dat de overeenkomst alleen dan verbindend is, indien zij eene ruiling van goederen of diensten (synallagina) betreft en overbrenging van goed of bewijzing van dienst tengevolge heeft gehad van de zijde van eene der partijen, die daardoor het regt verkrijgt, om de tegenpartij te noodzaken tot vervulling van zijne belofte.

Door aan eene bloote conventie n\'et te voldoen, handelt men volgens Connanus wel tegen het beginsel der zedelijkheid, maar men benadeelt daardoor zijne partij niet. Hij ziet er gevaar in, dat aan elk los gezegle, aan elke ligtziimig en in het voorbijgaan gedrne beIorle, kracht van regtsdwang zal worden verbonden en dat men het beginsel van zedelijkheid en vatt eer, dat men het eens gegeven woord trouw moet houden, maakt tot eene verpligting, tot welker vervulling men kan gedwongen worden. //Pactiones autem// zoo lezen wij, //quaecumquc non habebant nuvaï.Xayiia, quia, si non »iinplerenlur, nihil fraudis aflerre videbantur ei cui crant

ocr page 299

— 2G7 -

«faciae, non allcrebaut promittenti nccessitatem, sed liberum »erat ah illis resilire. Tam enim videbatur esse in culpa» //qui temere nulla de causa pollicenti crediderat, quam ille //ipse, qui vaaitatorn adtribuerat promissionis. Praeterea quum »hujusmodi paotiones ab ostentatione potius.quam a volun-//late prollciscerentur plerumque, aut ut non simulate sed bona //fide fierent, leviter tamen et parum considerate jaetarentur, //inagnam fortunis omnium videbatur imminere periculum, //si quocunque dicto aut promisso tenerentur homines. Et //sane perquam justum fuit aliquid honestati cujusque et //liberalitati relinquere, non omnia ad necessitatem obliga-//tionis revocare et exigere. Augetur antem probitatis in //nobis et constantiae studium, cum relinquitur, ubi vir-//tutes istae elucere possunt, quod fieri vix posset, si pro-//missa omnia omnes facere cogerentur. Quid enim dis-/\'crimen esset inter ingenuos et versutos, inter constantes //et leves, bonos et callidos. Nunc praestare, quod semel //pollicilus sis, aut alio quovis modo ostendist.i te facturum //esse, praeclarum et gloriosum est; sed eo tamen gloriosius, //quo minus necessarium. Nee unquam aliter constitutum //fuisse arbitror etiam primo illo jure naturae, quod gcnti-//um appellamus; quo jure non verborum sed factorum //pnnderibus aequitas examinabatur. Aequum est, fateor //neminem fallere inanibus promissis; sed si illis carere //possis sine fraude tua, ego vero facere ea non possum sine //meo raagno damno, uter nostrum est iniquior, ego qui «praestare nolo, quod tibi profuturum est, an tn qui exigis, //quod mihi est nociturum ?\'/

Het behoeft naau-.vclijks vermelding, dat Conn anus hier twee zaken verwart en elke belofte gelijkstelt met eene bloote overeenkomst, op een regtelijken grond (geoorloofde oorzaak) berustende. Dat men elke losse belofte als bindend zou moeten beschouwen, is in de latere praktijk nooit beweerd. In de verdere ontwikkeling van het Eomeiusche regtstelacl, dat door hem gevolgd werd, geeft Cünna.nus het Romein-sche stelsel niet naauwkeurig terug, onder andere niet in zijne bewering, dat de overeenkomst, nudum pactum, zelfs na

ocr page 300

— 2GS —

de vervulling door eene der partijen niet als stellig bindend contract kan worden beschouwd, omdat de partij, die aan hare verpligting voldeed, altijd het jus poenilendi had. Deze dwaling kan men echter aan Connanus niet euvel duiden, omdat men zich omtrent dat regt tot eenzijdige verbreking dezer overeenkomst zelfs tot in den laatsten tijd allerlei onklare en verwarde voorstellingen gemaakt heeft, zoodat dat jus poenilendi door vele Romanisten als een geheel vreemdsoortig en mysterieus regt werd beschouwd.

Wij hebben op bl. 90—92 gezien, dat dit eenzijdige terugtreden van eene der partijen alleen in enkele gevallen geoorloofd was, ubi jus poenilendi esl, d. i. in die gevallen, waar de tegenpartij daardoor niet benadeeld wordt.

Wat Coxnanüs verder aanvoert, dat het zoo nadeelig zou zijn, indien men gebonden was door elke ligtzinnig uitgesproken belofte, heeft zeker eenig gewigt, maar is ook zeel overdreven, omdat niet elke ligtzinnige belofte eene verbind-tenis medebrengt; terwijl daartoe integendeel volgens beredeneerd regt altijd gevorderd wordt ernstige overeenstemming tusschen twee partijen, wier handeling eene ernstige en geoorloofde handeling van maatschappelijk verkeer betreft.

De stelling van Connanus vond ernstige bestrijding. Het tegengestelde werd niet alleen geleerd door Charles Dumoulin; maar deze verklaart ook, dat dit zoo was opgenomen in de praktijk, zoowel in de wereldlijke als in de geestelijke geregten. «Sed hodie in praxi,\'/ zoo lezen wij in Ruhnca de Verlorum Ohligatione, § 43 (Opera 1381, IIT, bl. 11), //hae et omnes leges et theoriae de forraulis //stipulationum supervaeuae sunt, quia etiam extra scrip-//turam vel privatam, sive confessione partis, sive testibus, »aut alias, legitime appareat de conventione serio facta et //conclusa in re licita, nee prohibita, nee inter prohibitos //aut inhabiles, pro stipulatione habetur, et oritur etïicax actio //(juxta notata in cap. 1 Extra de pactis), quod ita debet //intelligi et restringi, et ita in utroque foro seeulari et quot;eeclesiastico observatur. Nee de verborum forma aut solem-

ocr page 301

- 269 —

vnitate curatur, iti ut multorum prolixae et operosae com-«menlationes supervacua; sint.\'/

liet gevoelen van Duiioulin wordt aangehaald en overgenomen door Automne, Co}if. du droici Francais avec le ilroict Romaiu ad 1. 1 ff. de V. O. Ook onze Groenewegen, de legg. abr., geeft met verwijzing naar Automne en vele anderen, als algemeenen regel, dat het bloote pactum volgens de praktijk van zijn tijd niet alleen eene exceptie, zooals in het Romcinsche regt, maar ook eene actie opleverde. //Moribus nostris//zoo lezen wij ad 1. 9, God. de Pact. (2. 3), //ex nudo pacto non //solum exceptionem, sed et actionem competere constat.^

Dat is werkelijk de algemeene regel, zooals zij in de latere praktijk en ook in het tegenwoordige regt is opgenomen, doch niet zonder uitzonderingen, waarop de naauw-keurige en diepzinnige Dumoulin reeds bedacht was. Zijne leer is niet alleen van gewigt wegens zijn verslag omtrent de praktijk van zijn tijd en de naauwkeurigheid, waarmede hij die praktijk heeft waargenomen en medegedeeld, maar ook om het groote gezag dat aan zijne geschriften in Frankrijk werd toegekend en inzonderheid wegens den invloed dien hij oefende op Potiuek, uit wiens Traité des Obligations de Pransche wetgever de algemeene regeling van het regt der verbindtenissen grootendeels heeft overgenomen.

Wat Groenewegen aanteekent, werd ook geleerd door den Leidschen hoogleeraar Vinnius in zijn Comm. ad Inst., ii 1642 verschenen, annotatio op § 2 de Obl. (3.14) //Usu \'jam pridem receptum esse constat, ut etiam ex nudo et \'/simplici pacto actio detur, ita ut pacti nunc eadem vis sit, quae //stipulationis// Men zie ook ann. op § 1 de Verb. Oble (3. 16j.

Dat beginsel was reeds op den voorgrond gesteld door Hugo Grotius , Inleydinge tot de Huil. Recltlsgelcerdkeyt, 3. 1, § 52, die niet alleen het algemeene beginsel van de praktijk, maar ook den Germaanschen oorsprong daarvan met groote juistheid heeft aangegeven. Wij lezen aldaar: //Maer gelijk de Duitschen van alle oude tijden geen deugd //en hebben geagt boven de trouwe, zoo en is by desclve //zodanige scherpzinnigheyt [als in het Romeinsc/ie regt, wtar men verschil maakte tusschen stipulatie, pactum, wul , -

ocr page 302

n aan voldaan was door ecne der partijen, en pnebmnndum\') //niet aengennmen, maer verstaen ciulc gebruikt, dat alle toe-//zeggingen, die uijt cenige redelyke oorzaken geschieden, //door wat woorden liet sou mogen zyn, \'t zy de luyden by //malkander naren op een plaets ofte niet, recht gaven om te //eyschen, of om een eysch aftezetten.//

In zijn Jus belli ac pacis, TI, c. II, wederlegt de schrijver de leer van Connanus. Hij geeft aan, dat niet elke belofte eene verbindtenis oplevert. Hij vordert daarvoor: 1°. dat de belofte niet ligtzinnig, maar ernstig met overleg gedaan zij, hoewel het overigens geheel onverschillig is, in welk een vorm dat plaats had; 2°. dat de belover de bevoegdheid hebbe, om over zijne goederen te beschikken; 3°. dat hij de belofte geve uit vrijen wil; 4quot;. dat de andere partij die hebbe aangenomen; 5». dat er een reglelijke grond (geoorloofde oorzaak) voor de belofte besta.

Het laatste is dikwijls, ook inzonderheid door de latere Philosofen, lt;e veel voorbijgezien.! ndien onder anderenll. Ah hens naauwkeurig gelet had op de bewijsvoering van Grotius , zou hij welligt in zijn overigens verdienstelijken Cours de droit naturel. Seed., Bruxelles, 1848, bl. 397 en volg. (217)

(217) Ahreks deelt in dit opzigt het gebrek der Duitsche philosofen, die den regtsgrond van de verbindbaarheid der overeenkomsten voorbijzagen , welk beginsel ook in de Duitsche wetboeken niet is opgenomen. Onder verschillende vormen zien zij in de vereeniging van den wil der contractanten den éénigen grond voor de rcgtsgeldigheid van het contract. Intnsschen was cr tnsschen de oude schrijvers veel strijd, op welke gronden men elke gedane en aangenomen belofte voor regtsgeldig verklaren moest. Kant, Metaph, Anfangsgründe des Rechts, § 19, maakt zich daarvan af door de bewering, dat het eene postulaat der reinen Vernunft is, zoodat geen bewijs noodig is. «Die Frage war, warum soil ich mein Versprechen /\'halten? «Denn dasz ich es sol, begreift ein jeder von selbst.quot; Ook C. von Rotteck, Lehrbuch des Vemunftsrechts, § 29, kent het Vertrag niet anders, dan als een aangenomen belofte (angenommenes Versprechen)* F. J. Stahl, verschilt in werkelijkheid weinig van dezen. Volgens hem (Rechts- und Staatslehre, 3do boek § 36) «berust het contract quot;op vrijheid en trouw; maar is de bindende kracht de trouw.// Hij voegt er bij, dat de trouw het ethische idee aller contraclucle verbindtenissen is, zoowel van do rechtelijke, als van de zedelijke. Op deze plaats, vaar hij het algemeen beginsel van de verbindbaarheid der overeenkomst be-

ocr page 303

— 271 —

niet 7.(0 vlugtig over diens bcliandcling dezer gowigfigo stof zijn hecngeloopen. Zijn eigen vertoog zou aan gewigt hebben gewonnen, indien hij meer aandacht aan de gronden van Grotius had geschonken. Grotius heeft zich niet in elk opzigt kunnen verhellen boven de dwalingen en gebrekkige opvattingen van zijn tijd. Maar hij heeft, als schrijver over Pliüosolisch regt, het groote voorregt boven vele der lateren, dat hij niet uitsluitend Philosoof was, maar ook met de bijzonderheden van liet Romeinsche regt en vooral van de praktijk naauwkeurig bekend was. De latere schrijvers over Philosofisch regt hadden veelal van de hoofdbeginselen van het regtsstelsel niet dan oppervlakkig kennis genomen, zonder in al de bijzonderheden en voorzieningen in twijfelachtige gevallen van het maatschappelijk verkeer te zijn afgedaald. Zij kenden het regtsstelsel meermalen niet anders, dan uit

spreekt, staat hij niet hooger, dan Spinoza, Tract. Theol. Pol. XVI, die met zijn helderen blik het onhoudbare der theorien van zijn tijd doorziende, in do reconstructie van het beginsel niet gelukkig was, gelijk zijne behandeling van het natuurregt in het algemeen niet tot het beste en krachtigste gedeelte van zijne werken behoort. Hoewel hij in den aanvang, § 20, op den voorgrond stelt, dat contracten alleen geldig zijn door het grootere voordeel, dat zij den verbondene moeten aanbieden, hetgeen tot veel misverstand aanleiding heeft gegeven, blijkt uit hetgeen volgt, dat hij het bewaren der goede trouw beschouwt als noodwendig voortvloeijende uit de menschelijke natuur, voor zoover de menseh zich door de rede laat leiden. Daar er volgens hem voel aan scheelt, dat men het laatste zou mogen veronderstellen , zoo moet er iets zijn , wat hen dwingt, om hunne beloften na te komen. Die dwingende kracht zoekt hij in de wet, maar blijft in gebreke oan te wijzen, aan welke beloften de wet deze dwingende kracht verkenen moet; niettegenstaande hij in den aanvang voorbeelden had aangevoerd van beloften, die men niet vervullen moet.

Staiii, gevoelde het gebrek in de theorie en voegt in § 37 aan zijn op den voorgrond gesteld beginsel toe, dat de trouw wol het voorname en eigenlijk bindende moment is; maar dat het contract, om regtens bindend te zijn, toch aan een regtolijk doel dienstbaar moet zyn , d. i. een inhoud moet hebben, die een noodwendig \'bestanddeel van het gewone verkeer uitmaakt, zooals huwelijk , koop , ruil, huur.

Ongeveer op gelijke wijze uiten zich Rödeu, Grundzüge des Naturrcchts, Heidelberg, 1816, § 101, A. Trendelenburg, ATaturrccht, Leipzig, 1860, § 104, 1)1.186, F. A. Schilling, Lchrbuch des Naturrechts, Leipzig, 1859, § 116. F.Walter, Naturrecht und Politik t Bonn, 1863, § 183.

Keeds was door IIeoel, Naturrecht, § 75, erkend, dat de bloote

ocr page 304

— 27:1 —

oppervlakkige inzage of lezing van enkele Juristen of uit de schriften van hen, die uit zoodanige lezing algemeene beginselen verzameld hadden. Dat zij op die wijze al de misvattingen der Juristen deelden en zich boven eene gebrekkige opvatting niet konden verhetfen, spreekt bijkans van zeif. Van daar dan ook de weinige invloed, die in later tijd door de Philosofie op het burgerlijk regt en het burgerlijk verkeer is geoefend. Trouwens op het gebied van de algemeene leer der contracten is het den Philosoof, al heeft hij zich eenige moeite willen geven, om zich op de hoogte te brengen der Romeinsche regtsleer, niet euvel te duiden, dat hij daarin gebrekkig slaagt; omdat de algemeene leer van de verbindbaarheid der contracten vervat was in het stelsel der condictiën, een gedeelte van het Romeinsche regt, dat in zijn geheel, vooral met betrekking tot de causa in de stipulatie en de overeenkomsten, tot nog toe in nevelen gehuld was.

In het algemeen kan men onder de philosofen twee rigtingen

wilsvoreeniging van twee partijen nog piccn rcgtsgcldig contract oplevert. Tly beschuMigt Kant, dut deze de schandelijke leer, dut het huwelijk een gewoon contract is, heeft gehuldigd. In het formuleren van den grond der verbindbaarheid is echter ook IIlgel niet gelukkig. Volgens hem moest het voorwerp eene op zich zelf staande (einzelno aüsserliche) ztak zijn, omdat alleen zulke zaken naar bloote willekeur vervreemd kunnen worden.

Even weinig tlaagde Warnkönikg, Rechlsjjhilosophie, die in §173—177 het onvoldoende der verschillende theoriën van de latercn aanwijst. Waar hij echter aan het slot der laatst gemelde paragraaf zijne eigene leer zamenvat, blijft hij evenzeer in gebreke. Hetgeen hij vordert voor do regtsgeldigheid der overeenkomst, dat door de eene partij eene schrede op do regtsfeer des andereu op een bepaalden tijd en onder bepaalde voorwaarden moet zijn ingeruimdj zegt eveu weinig, als de holle stellingen van vele andere philosofen.

De Komeinschwettelijke leer der causa niet kennende, hebben de schrijvers over het nutnurregt vruchteloos getracht, om het begrip , waarvan zij blijkbaar eenig gevoel, eenig vermoeden, hadden, tot klaarheid te brengen. In het formuleren daarvan leden zij schipbreuk.

Gelijk de Romanisten in Duitschland zich met de leer der causa bleven bezig houden, zoo werd ook door de Uuitschc schrijvers over publiek regt de causa alx noodwendig vercischte van verbindtenisaen bij contract gevorderd. Men zie quot;W. Ueffter, Europ. Völkerrecht, Berlin, 18G1 , § 83.

ocr page 305

— 273 -

onderscheiden. De eone partij verdedigde het beginsul, in het algemeen in het Gertnaansche regt uitgedrukt, dat ieder kon gedwongen worden tot voldoening van hetgeen hij bij overeenkomst beloofd heeft. De andere partij hield zich aan de Romeinsche leer van het paclum, dat namelijk uit de bloote overeenkomst alleen voor hem, die aan de verpligting van zijne zijde voldaan had, eene actie voortvloeide.

Merkwaardig is, dat de meeste schrijvers over beredeneerd regt de moeijelijkheid van dit gedeelte hebben uitgesproken. Daarin schijnt de uitdrukking te liggen van het gevoel, dat zij op dit punt de stof, waarover zij handelden, niet meester waren. Het zou er werkelijk in onze tegenwoordige maatschappij slecht hebben uitgezien, indien een van deze beide tegenstrijdige stelsels in de praktijk was opgetreden. Het eerste zou de deur wijd hebben open gezet voor allerlei kwade praktijken, om iemand op eenigerlei wijze te verleiden tot eene ondoordachte belofte en zou er toe geleid hebben, om menschen van weinig voorzigtigheid van hun vermogen te versteken. Het tweede zou aan al het maatschappelijk verkeer en aan den handel alle vertrouwen en daarmede alle veerkracht hebben ontnomen.

Beter heeft de praktijk, hoewel deels onbewust en onkundig van de wijsgeerige betoogen der latere Philosofen, in dit opzigt haren weg gevonden. In het algemeen is het zeker eene fout van de Philosofen van het regt in het laatst der vorige en in het begin dezer eeuw, dat men zich ta weinig moeite gaf, om de beweging der levende maatschappij gade te slaan en te leeren kennen.

Hoewel de praktijk, onbewust voortgaande, soms ook de vrucht van eenmaal veroverde kennis weder doet verloren gaan of door hare onkunde althans die vrucht niet tot de natuurlijke ontwikkeling laat komen, zoo is zij tceh in dit geval door den drang der feiten tot een beter praktisch stelsel geraakt, dan de Philosofen hebben kunnen bedenken.

Het verdient vooraf te worden opgemerkt, dat er in de praktijk twee meeningen bestonden met betrekking tot de stipulatie. Sommigen zagen daarin een plechtigen vorm van

ocr page 306

overeenkomst, waarvoor in het latere regt de authentieke aete in (le plaats was gekomen. Dat vinden wij onder anderen uitgesproken door Matnaud , aangehaald bij Aütomne. Anderen stonden, gelijk wij gezien hebben, het gevoelen voor, dat elk pactum, na het wegvallen der bijzondere formaliteiten , de kracht van stipulatie had; zoodat men voor de praktijk kon aannemen, dat elke overeenkomst eene stipulatie was, en dat op de bloote overeenkomst dus al de hoofdbeginselen van het Romeinsche stipulatieregt van toepassing waren.

In beider bewering was eenige waarheid. Van beider bewering heeft de praktijk iets opgenomen.

In het algemeen heeft men in de praktijk don regel aangenomen, dat elke oveieenkomst zonder eenige formaliteit aangegaan, als stipulatie kan gelden, waaruit volgt, dat men de overeenkomst door alle wettige bewijsmiddelen kan bewijzen. Als algemeene regel werd dus aangenomen , dat elke overeenkomst (pactum) regtsgeldig is; maar daarop zijn onderscheiden en hoogst gewigtige uitzonderingen gemaakt.

In de eerste plaats moet men onderscheiden tusschen de handelswereld en de gewone burgerlijke maatschappij. Terwijl de handel in zijn snel verkeer elke formaliteit voor verbindbare overeenkomsten als lastig en tijdroovend verwierp (218), heeft de burgerlijke maatschappij, bijzonder dc landelijke stand, als behoeJmi Jdel tegen schade door ligtzinnige beloften, altijd voor ernstige verbindtenissen van aanbelang regtsbeginselen gezocht, waardoor voor dergelijke verbindtenissen formeel bewijsmiddel regel bleef. Door uitsluiting van het getuigenbewijs werd aan den meest dui-delijken eisch van het Gcrmaansche regt voldaan, dat men zich voor verbindtenissen, wanneer geene authentieke akte bestond, niet mogt beroepen op eenig ander bewijs, dan

(218) Art. 1 W. v. K. laat het getnisenbewijs voor handelszaken in het algemeen toe; even als art. 317 van het Alg. deuts. Handelsgesetzbuch in handelszaken de geldigheid der overeenkomst niet aan het schrift bindt. Zoo veroorlooft ook de Code de Comm. in art. 109 voor koop en verkoop in den handel getuigenbeirgs , ingeval de Rcchthank zal meenen dit te moeten Ijelaten, Dat bewijsmiddel sloop binnen met de toeneming van het gezajr van het Komeinsehc regt.

ocr page 307

tien eed, waardoor do beslissing van don verbonden persnon zelf afhing. In de Germaansche volksregten en de latere costumen staat naast bekentenis en eed en naast openbaar gcregtelijk bewijs alleen het getuigenbewijs. Van bewijs door regterlijke vermoedens wilde het Germaansche stelsel niet weten. Het getuigenbewijs nu werd algemeen voor alle burger-regtelijke overeenkomsten van eenig gewigt uitgesloten (219}.

In deze algemeene uitsluiting van het getuigenbewijs (uitgenomen voor kleine zaken) was men niet bedacht, hoe men met de verdere doorvoering van het Eomeinsche proces het overigens meest gewraakte bewijsmiddel der regterlijke vermoedens toeliet. Dit bewijsmiddel sloop binnen met de toeneming van het gezag van het Romeinsche regt.

Waar men echter het vrije Romeinsehregtelijke onderzoek voor bijzondere overeenkomsten wegens den tegenzin van het volk niet kon toelaten, waar namelijk de inbreuk op den regel dat men zich legen den man op wien men eenmaal vertrouwd had, geene andere bewijsmiddelen dan zijn woord en zijn eed mogt toelaten, te veel aanstoot gaf, daar liet de praktijk uitzonderingen toe. Dat was bijzonder het geval met bewaargeving, waar het vertrouwen, dat men in den bewaarnemer stelt, bijzonder op den voorgrond staat (220). Dat was ook het

(219) Art 1933 B. R. sluit het getuigenbewijs uit voor overeenkomsten, eeno verbindtenis bevattende boven 300 gï-, even als art. 1341 van den C. O. boven 150 fr. Het Pruisische Laiujrr.\'ji I. 5, § 131 schrijft voor alle overeenkomsten boven een hooger bedrag dan 50 Thaler eene schriftelijke akte voor.ïlet Oosten-rijkschc wetboek, § 8?3 en 88-1, vordert voor overeenkomsten in het algemeen geen schriftelijk bewijs, hetwelk alleen voor schenking is voorgeschreven.

(220) Bij bewaargeving heeft men het Germaansch beginsel in art. 1923 en 1924 van deu Code Civil en art. 1737 Bw. zoo zuiver mogelijk bewaard. Indien er geen schrift is opgemaakt, moet de bewaarnemer zoowel omtrent het feit der bewaargeving, als omtrent do zaken, die daarvan het onderwerp uitmaakten, en omtrent de teruggaaf daarvan worden geloofd op zijn woord, des noods met cede bevestigd.

Het Pruisische Landrcgt, I, H, § 10, stemt hier met het Oostenrijk-sche overeen, om geen schriftelijke akte voor de bewaargeving tc vragen cn daarentegen alle wettige bewijsmiddelen toe tc laten.

Dat ons wetboek in art. 1741, evenals de Code Civil in art. 1950, voor bewaargeving uit noodzaak {deposilum necessarium) bij uitzondering

ocr page 308

— 276 —

geval met pnml (221), waarbij de schuldenaar, hoewel dikwijls door goldelijken nood gedrongen, ook zijn goed toever-trou\'-\'^e aan den schuldeischer tot zekerheid der afdoening van ziji-iii schuld. Inheide gevallen liet men echter, even als met het getuigenbewijs in het algemeen, ook weder de gewone bewijsmiddelen toe voor verbiiultenissen van een klein bedrag. Verpanding van onroerend goed, hypotheek, als zamen-hangend met de openbaarheid van eigendom van onroerend goed, vereischt volgens het nieuwe Europesche regt uit den aard der zaak altijd schrift.

Ook de wijziging van overeenkomsten en dien ten gevolge vestiging van nieuwe verpligtingen, ten einde processen te beëindigen of te voorkomen, werd onderworpen aan de voorwaarden van het schriftelijk bewijs (222).

Nog strenger was men met betrekking tot de overeenkomst van schenking, aan welke men regtens alleen waarde toekende, ingeval zij door eene authentieke akte werd bewezen (22a).

Men ziet dus, dat er op den regel, dat elke overeenkomst geldt als stipulatie en eene actie medebrengt, nog al eemge

alle bewijsmiddelen toelaat, behoeft naamvelijks te worden herinnerd.

Het Engelsche regt laat in het algemeen voor alle contracten betrefferde roerende goederen alle bewijsmiddelen toe; bepaald ook voor alle overeenkomsten, waarbij goederen aan een ander toevertrouwd worden, het zoogenaamde bailment. Daartoe behooren onder andere bewaargeving, verhuring, leening % pand en lastgeving. Men zie daarover Blackstone, II, Chap. 30, N0. 2 (ed. TVekdel, New-York, 1854, bl. 451).

(221) Zie art. 1197 Bw. en art. 2074 C. C. Het Prnisische Landregt verklaart I, 20, § 94, even als art. 451 van het Oostenrijksche Wetboek, de overgift van roerende zaken zonder verdere vormen voldoende voor de vestiging van het pandregt. — Voor zoover in eenig Duitsch land nog eenige vormen voor pandcontract mogten gevonden worden, verklaart art. 309 van het Duiteche Handelsregt die niet geldig tusschen kooplieden.

(222) Volgens art. 1888 B. TV. en art. 2044 C. C. moet elke dading in Fchrift (onderhandsch of authentiek) worden gesteld. Het Pruisische Landregt, I, IC, § 407, vordert, evenals voor alle andere contracten, ook bij dading, alleen dan authentieke akte, als de transactie overdragt van onroerend goed ten gevolge heeft. De onderhands gesloten transactie geeft regt, om de opmaking van de authentieke akte te vorderen.

(223) Zie art. 1719 B. W., art. 931 C. C., Pruisisch Landregt, I, 11, § 10G?, Het Oostenrijksche wetboek vordert alleen schriftelijke akte. Zie art. 943.

ocr page 309

— 277 —

uitzonderingen bestaan. Tn al Je laatstgernelde contracten heeft het pactum, geen volkomen regtskraeht.

Dat het schrift in deze gevallen de plaats der stipulatie vervult, zal niemand kunnen bevreemden. Wij hebben op bl. 16S gezien, dat reeds in het Justinianeesch regt het gewigt van de oude vormen der stipulatie is geweken voor het meer en meer in gebruik komende schrift. Volgens de eigen ontwikkeling van net Justianeesch regt moest men er toe komen, om de zwakke overblijfsels van de oudtijds formele vraag en antwoord te doen overgaan in de vordering van schrift voor de bij overeenkomst gedane belofte.

Voor de niet uitgezonderde gevallen werd door de opneming van den regel, dat elke overeenkomst gold als stipulatie, in de praktijk de gewigtige afwijking van het Eomein-sche regt gevestigd, dat elke overeenkomst voor elk der partijen bindend is, al heeft de wederpartij aan hare verpligting nog niet voldaan. Gewigtig was deze afwijking; hoewel men ook het gewigt daarvan niet overdrijven moet. Tn het Romeinsclie regt was die regel wel uitgesloten voor de onbenoemde overeenkomsten, maar voor de overeenkomsten, die het meest in het verkeer voorkomen (quibus vitae societas continetur), dus voor de gewigtigste overeenkomsten, gold hetzelfde, als wij in het latere regt hebben opgenomen.

De oude Juristen, die van de afwijking van het Romeinsclie regt melding maakten, zooals bv. Vinnius, voegden daar niet altijd de beperking aan toe, die de regtsgeldige overeenkomst scheidt van de bloote belofte, d. i. dat zij hebbe een regtelijken grond of eene geoorloofde oorzaak. Het was echter zeker niet hunne bedoeling, om aan elke belofte regtskraeht te schenken.

Het bewustzijn, dat er een regtelijke grond voor de geldigheid der overeenkomst gevorderd wordt, is in het Eo-meinsche regt eerst in eene der latere perioden tot helderheid, gekomen. Het Gennaansche regt was vóór de opneming van het Ilomeinsche regt nog niet gekomen tot dien trap van ontwikkeling, waaronder zich dergelijke beginselen uit de nevelen van een donker regtshewustzijn loswikkelen. Merkwaardig is op dit punt, hoe een gebrek in regtshewustzijn

ocr page 310

~ 278 —

een treuTigeu achterlijken toestand der maatschappij ten gevolge kan hebben en oorzaak kan zijn van het lijden van velen.

In zijn edelen eerbied van trouw aan het gegeven woord en door den grens voorbij te zien, binnen welken de verplig-ting der overeenkomst moet beperkt worden, hadden de Germaansche volken zelfs de verpligting van speelschuld, zelfs de vervreemding der vrijheid, den verkoop van eigen vrijheid, toegelaten. Datzelfde zien wij nu nog in het Oosten, ook eenigermate in den vorm van het pandelingsohap in de Nederlandsche Koloniën onder volken, die de Nederlandsche Souvereiniteit erkennen. Daaruit is in sommige streken ontstaan eene soort van dienstbaarheid, aan de slavernij zeer naauw verwant, een organisatie van arbeid medebrengende, die op de maatschappij allerongelukkigst terugwerkt, en met verguizing van het gevoel van persoonlijke eigenwaarde en vestiging van verderfelijke dwingelandij oorzaak is van het ongeluk van velen en van een achterlijken toestand van het maatschnppelijk leven.

In Rome had men door de algemeen gebruikelijke vormen der stipulatie, die oudtijds ook aan elke belofte regtskracht schonk, eenmaal eene zelfde maatschappelijke ziekte in de verdrukking der nexi zien ontstaan. Vermoedelijk zou die treurige ziekte het leven in de llomeinsche maatschappij hebben uitgedoofd, indien niet ten gevolge van gewelddadig verzet en opstand de kanker was uitgesneden.

Op het standpunt, dat een regtelijke grond niet als voorwaarde der regtsgeldigheid van overeenkomsten gesteld is, staat nog het Pruisische landregt vau 1791. Het noemt in deel I, t. 5, §1 — 4, elke wederkecrigu toestemming tot verwerving of tot vervreemding van regten eene overeenkomst (Vertrag), die volgens §3 — 5, van de niet regtsgeldige belofte alleen daarin onderscheiden wordt, dat bij de laatste de aanneming ontbreekt (224).

(224) § 1, quot;Wcchselseitigc Einwilligung zur Erwerbung oder Vcraüsse-«rung cines Rechts, wird Vertrag genannt.

§ 5. «Blosso Gelübde haben, als blosz einscitigc Vcrsprechen, nach quot; bürgorlicheu Gesetzen keiue Verbindlichkeit\' •

ocr page 311

— 279 —

Ook in het Oostenrijksche Burgerlijk Wetboek van 29 Nov. 1852 vind ik den regtsgrond, causa justa, niet vermeld onder de vereischten eener regtsgeldige overeenkomst.

In § 861 wordt in het algemeen, zonder onderscheid gezegd, dat er, als de een iets belooft, en de ander de belofte aanneemt, door den overeenstemmenden wil van heide partijen eene overeenkomst tot stand komt, zonder dat er bijgevoegd wordt, dat de belofte moet zijn gegeven op grond van iets, dat regtens als geoorloofd erkend wordt (225).

Beter is in dit opzigt ons Burgerlijk Wetboek en de Code Napoleon, waarin het gedeelte over de verbindtenissen is overgenomen uit het Traité des obligations, verreweg het beste der werken van Pothibh, waarin door dezen bijzonder gebruik is gemaakt van de werken van Chari.es Dumoui.in, Hugo Gkotius en S. Puffendorpf.

Evenals art. HOS C. Nap. vordert art. 1356 van ons Burgerlijk Wetboek voor de bestaanbaarheid (d. i. regtsgeldis-heid) der overeenkomsten, 1°. de toestemming van degenen, die zich verbinden, 2°. de bekwaamheid om eene verbindtenis aan te gaan, 3°. een bepaald onderwerp, 4°, eene geoorloofde oorzaak.

De geoorloofde oorzaak, causa licita, is, als regtsgrond der belofte, een onmisbaar vereischte voor de regtsgel-digheid der overeenkomst. Wij hebben gezien, hoe zich die leer in de rij der condictiën langzamerhand gevormd heeft en hoe men eindelijk in het Bomeinsche regt tot de ontdekking was gekomen, dat er een regtelijke grondslag (justa causa) voor elke belofte bestaan moest, ook voor de belofte in den vorm der stipulatie.

Wat deze regtelijke grond (justa causa) was, is in het

(225) »Wer sicli erklaret, dasz er jemanden ein Recht übertragen, «das heiszt. dasz er ihm etwas gestatten, etwas geben, das er fur ihn «etwas thun, oder seinetwegen etwas unterlassen wolle, macht ein Ver-«sprechen; nimmt aber der andere das Versprecben giltig an, so koimnt «durch den übereinstimmenden Willen beider Theile ein Vertrag zu stande. »So lange die Unterbandlungen dauern, und das Versprecben nocli nicht «gemacht, oder weder zuin voraus, noch nachher angenommen ist, ent-wsteht kein Vertrag.

19

ocr page 312

Romeinsche regt voor overeenkomsten evenmin met naauw-keurigheid afgebakend, als dit het geval was met den regtsgrond voor overdragt van goed (226); toch kan men uit de Romeinsche ontwikkeling van het denkbeeld der jnsta causa afleiden, welk begrip men daaraan hechten moet.

Op den voorgrond staat, gelijk wij reeds opmerkten, de overeenkomst betreffende ruiling van goederen en diensten, waarbij men ruiling natuurlijk neemt in hare natuurlijke uitgebreide beteekenis, zoodat zij ook ruiling van goederen tegen geld. d. i. verkoop, omvat. Deze ruiling kan niet plaats hebben, indien men wederkeerig niet op de trouwe vervulling der overeengekomen wederzijdsche verpligtingen rekenen kan. Die verpligtingen moeten derhalve bindend zijn, ook in geval van onwil om daaraan te voldoen. De diensten, die regtmatig in ruiling komen kunnen, moeten voor taxatie en herleiding tot de meest gangbare der zaken, dat is het geld, vatbaar zijn en als zoodanig op de ruiling of bet gebruik van goederen betrekking hebben. Voorbeelden van deze overeenkomsten van ruiling zijn, koop, ruiling in engeren zin, huur, zoowel van goederen als van diensten, maatschap (waarbij voortdurend ruiling van goederen en diensten plaats heeft), verbruikleen tegen intrest, bewaargeving tegen betaling en lastgeving tegen betaling.

Daarnaast staan de verpligtingen voortvloeijende uit de diensten, die men gewoon is elkander in het verkeer dikwijls om niet te bewijzen. Voorbeelden zijn, bruikleen, bewaargeving zonder betaling, verbruikleen zonder intrest, en de gewone lastgeving, waarbij geen loon wordt voldaan. De zekerheid van bet verkeer eischt, dat zij die ten einde dergelijke diensten te bewijzen goederen van anderen onder zich hebben, bij weigering moeten kunnen worden gedwongen tot afgifte van \'t geen zij onder dat beding hebben ontvangen en tot vervulling der verpligting, die zij op zich genomen hebben en zonder schade van den persoon, aan wien zij dat beloofden, niet kunnen nalaten Tevens moet men aannemen,

(22ü) Men zie daarover bl. 242.

ocr page 313

dat elke dergelijke overeenkomst van dienstbewijzing vooronderstelt, dat de partij, die in het belang barer tegenpartij kosten gemaakt beeft, die op baar moet kunnen verha\'en.

In al deze gevallen verleende ook het Romeinsche regt eene actie wegens de overeenkomst, doch volgens den alge-meenen regel alleen, ingeval door eene der partijen daaraan voldaan was. Daarvan waren alleen uitgezonderd koop. huur, maatschap en lastgeving, dat zijn de bijzonder aangewezen consensuële contracten (227). Voor deze gold de overeenkomst van bet oogeublik der sluiting af. Voor de overige was het voor de cmmiddelijke verbindbaarheid noodig, dat de overeenkomst werd gebragt in den vorm eener stipulatie

Tn bet nieuwe regt is omgekeerd elke overeenkomst geldig van het eerste oogenblik af, ook vóórdat zij door gedeeltelijke voldoening bezegeld is, en kan daarvoor elk wettig bewijsmiddel worden gebragt, behalve in die gevallen, waarin de wet bij uitzondering eenig bepaald bewijsmiddel voorschreef of eenig bewijsmiddel met name uitsloot.

Uit naauwkeurige vergelijking van het Romeinsche en bet nieuwe regt blijkt echter, dat het verschil omtrent de geldigheid der naamlooze overeenkomsten veel minder groot is, dan men oppervlakkig denken zon. Terwijl het Romeinsche regtsstelsel de verbindbaarheid alleen aannam in de meest voorkomende contracten van bet verkeer, waar de ak\'emeene handel vooral in zijne betrekking met vreemden geen dwang van bepaalde vormen kon verdragen, beeft het toegenomen verkeer en de uitgebreide wereldhandel, waarbij natuurlijk

(\'227) Onder ile eonventiones, waarvoor eene bepaalde actie was aangewezen, behoorden ook net mutuum. het depositum en hetpignus: maar daarbij was de regel voor de pacta hinonihmta eenigermate bewaard gebleven, dat zij alleen verbindend werden, nadat de overeenkomst door de overgift van bet goed aan do ééne zijde hare vervulling had gekregen. De Romeinsche theorie onderscheidde dat door de aanwijzing, dat de/e overeenkomsten door overgift van het goed zouden worden gesloten.

Het verschil tusschen het. Romeinsche en nieuwe regt bestaat op dit punt hierin, dat de bij overeenkomst, pactum, gedane belofte tot terleengeving en tot inbewaarneming in het Romeinsche regt niet, daarentegen in liet tegenwoordige regt wel geldig is.

ocr page 314

— 282 —

geene willekeurige, altijd aan plaats gebonden, vormen gelden kunnen, de vordering van bijzondere formaliteiten voor overeenkomsten in den regel doen wegvallen. Het snel verkeer tusschen personen en volken eiscbt daarenboven vertrouwen voor alle overeenkomsten, op dat verkeer betrekkelijk. De snelheid, waarmede het verkeer plaats beeft, laat geen tijd, om zich met de lastige tijdroovende formaliteiten van vroegere tijden in te laten. Op de heden gemaakte overeenkomst, op bet daardoor geopende crediet, steunen weder andere Door gebrek van vervulling der eerste kan dikwijls de tweede niet vervuld worden en al de zaken, die daarmede in verband staan, ondergaan daardoor een nadeeligen schok. Onberekenbaar kunnen de gevolgen zijn, zelfs buiten den kring der plaats, waar de contractanten gevestigd zijn : niet alleen binnen de grenzen van bet land, maar over de ge-beele wereld kunnen zij zich doen gevoelen. Daarom was het voor de handelswereld onmisbaar, om bet beginsel op te nemen, dat elke overeenkomst, het verkeer betreffende, zonder eenigen vorm, zoodra zij op eenigerlei wijze kan bewezen worden, volkomen regtskracbt heeft.

Ver er van verwijderd, dat deze kracht van de overeenkomst te ver zon zijn uitgestrekt, zal men eerder voor het gewone burgerlijk regt moeten gaan toepassen, wat de handelswereld voor lang heeft aangenomen.

De oude regel van het Germaansche regt steunde op beginselen, met ons gebeele regtsstelsel in strijd. De vrees, dat een eerlijk man, indien eene scbuldverbindtenis van eenig aanbelang door getuigen zou kunnen worden gestaafd, aan slechte, zedelooze en meineedige menschen zou zijn overgeleverd. stuit af op de regterlijke overtuiging. De regter moet onderzoeken, wikken en wegen, of de verklaringen van getuigen geloof verdienen. Hij, wiens geweten niet luid genoeg spreekt om voor meineed terug te deinzen, zal terugschrikken voor den regter, die ernstig vermaant, verklaring vraagt, tegenstrijdigheid opmerkt, gelaatstrekken gadeslaat. En hij heelt er reden voor. Groot zijn de gevaren, aan valsche getuigenverklaringen verbonden. Menigeen, die met kwaad

ocr page 315

— 283 —

voornemen kwivm, schrikt foor den ernst ran \'t oogenblik terug.

Het is niet te ontveinzen, niettegenstaande zelfs de raeest mogelijke waardigheid, de diepste menschenkennis en den meest indrukmakenden ernst des regters kan door valsche verklaringen van getuigen gevaar voor onregtmatige veroordeeling bestaan. Wij vragen echter; is dat meer te vreezen, waar het geldt eene vraag van geldelijk vermogen, dan waar het geldt de vrijheid en het leven in strafzaken, waar evenzeer aan de verklaringen van getuigen door den regter geloof kan en in den regel geloof moet geslagen worden.

De oorzaak, dat de noodzakelijkheid der toelating van het tegenbewijs voor gewone burgerregtelijke zaken niet werd ingezien, lag grootendeels in de mindere levendigheid van het verkeer huiten de eigenlijke handelsplaatsen. In onze eeuw is echter het handelsverkeer zoodanig toegenomen, dat in kleine binnensteden en dorpen soms drukker ruiling en verkeer plaats heeft dan oudtijds in belangrijke steden. Men bedenke, dat elke wettelijke verklaring van ongeldigheid van handelingen ook eene onbevoegdheid insluit, waardoor de persoon voor handelsverkeer minder vatbaarheid bezit. Men vergete niet, dat elke verklaring van onbevoegdheid, zoo zij niet noodwendig is ter bescherming, den persoon schaadt door beperking van zijne magt. Enkele personen zonden misschien door ligtzinnige en onbesuisde beloften schade kunnen lijden; het besef der kracht zou het groote meerendeel meer voorzigtig maken, en het verkeer ook buiten de eigenlijke handelssteden zou aan veerkracht en snelheid winnen. In eene eeuw, waarin tijd geld is, moet men de verbindbaarheid van overeenkomsten niet van tijdroovende vormen doen afhangen.

Er is geene gegronde reden, waarom men voor de dading, eene overeenkomst, die eerder bevorderd dan bemoeijelijkt moet worden, de formaliteit van het schrift eischt. De bedenking tegen art. 1888 van ons Burgerlijk Wetboek, overeenkomende met art. 2044 C. Nap., is hier des te grooter, omdat elk ander bewijsmiddel, dan het schrift, is uitgesloten.

Met betrekking tot vrijwillige bewaargeving heeft men in

ocr page 316

art. 1737 B. W., overeenkomende met art, 1923 en 1924 C. Nap., meer liet zuiver Uermaansche stelsel behouden. Waar geen schriftelijk bewijs of begin van schriftelijk bewijs bestaat, wordt behalve in zaken, waarvan de gezamenlijke waarde beneden 300 gl. is, alles overgelaten aan de beëedigde verklaring des bewaarnemers.

Welke tegenwoordig nog geldige reden kan er bestaan, om voor bewaargeving het bewijs door vermoedens uit te sluiten? Vruchteloos zal men antwoord beproeven. Er is dan ook geene reden, om hier den regel uit te sluiten, dat alle overeenkomsten door de gewone middelen, ook door getui-genbewijs, mogen worden bewezen, even als in handelszaken.

De vestiging van hypotheek, als naauw zamenhangende met de openbaarheid van onroerende goederen, eischt steeds uit den aard der zaak eene schriftelijke akte, volgens art. 1217 B. W. notarieel op te maken, die in de openbare registers moet worden ingeschreven. Dat men ditzelfde bij het oorspronkelijk art. 1197, overeenkomstig art 2074 O. Nap., op het voorbeeld van iiet oude Fransche regt ook tot het pand op roerende goederen had uitgestrekt, had geen redelijken grond van bestaan.

Men had door de laatstgemelde wetsbepaling gedacht, misbruiken en verduistering ten nadeele van crediteuren te voorkomen, even als men door wettelijke bepalingen op intrest woeker heeft willen voorkomen. De bedoeling was goed, maar de grondslag der wetsbepaling deugde niet. Door de bepalingen van pandregt op onroerend goed over te dragen op pand op roerende goederen, beging men eene fout. omdat die inschrijving van hypotheek zamenhangt met- en betee-kenis heeft door- de openbaarheid van den eigendom, die bij onroerende goederen wel, maar bij roerende niet bestaat. In ons nieuwe regt is fle band tnsschen roerend goed en den bezitter veel sterker, dan bij onroerend goed. Het geheele regt op roerend goed hangt aan het bezit, wordt daarmede behouden en verloren. Zoo lang nu het bezit door eenvoudige overgilt van hand tot hand overgaat, kan men

ocr page 317

een zakelijk regt. op het goed niet aan formaliteiten voor inschrijving binden. De wettelijke bepaling was in strijd met de handelsgebruiken. Op dit punt is de onmagt der wet tot verandering van die gebruiken duidelijk gebleken. De wetgever heeft zich destijds niet bekommerd om den handel; de handel heeft zich daarentegen niet gestoord aan de wet. Algemeen ontging men vroeger de wettelijke bepalingen door de keus van een verwant contract, koop met regt van wederinkoop; voor zoover men die moeite niet nam, eerbiedigde men veelal de pandovereenkomst, ook waar zij niet was ingeschreven. De handel zag de nietigheid wegens verzuim vau inschrijving ongaarne in proces gebragt. De moeijelijkheid van bewijs, misschien onkunde van het regt en van de actie, die bij informeel overgereikt pand moest worden ingesteld, leidde er veelal toe, dat men met teruggaaf daarvan onder erkenning of afdoening der vordering als bij transactie genoegen nam. Zoo werd de wet feitelijk ter zijde gesteld, reeds voordat zij was afgeschaft. Het behoeft geen verder betoog (228), dat het wenschelijk was, gelijk in den considerans der wet van 8 Juli 1874 Stb. No. 95 is overwogen, om wijzigingen te brengen in de loettelijke bepalingen omtrent het patidregt en het voorschrift van het vroeger art. 1197 af te schaffen, zooals bij die wet is geschied.

Onder de causa der verbindtenis bij overeenkomst leerden wij tot nog toe alleen kennen dezen grond, dat men cie verplichting op zich nam, om te voldoen aan eene der behoeften van het maatschappelijk verkeer, de ruiling van goederen en diensten en de daarbij noodwendige verbindtenissen. Daarbuiten valt de overeenkomst van schenking. Zoo lang er betrekking tusschen menschen is, zal ook wel altijd schenking voorkomen; maar daarbij is onmiddelijke over-dragt of overgift regel. Men kan zich werkelijk zeer goed eene maatschappij voorstellen, waarbij de verbindtenis tot voldoening eener beloofde en aangenomen schenking niet erkend wordt. Gewoonlijk zal het zelfs weinig eervol zijn,

(228) Zie mijne verhandeling in Themis, 1870, blz. ISI.

ocr page 318

— 286 —

dat de begiftigde van den regter veroordeeling eischt tot afgift van \'t geen de onbedachtzame schenker hem wel beloofd heeft, maar later niet gaarne geven wil; al moge ook het niet houden van zijn woord in hem eene niet eervolle handeling zijn.

Schade zal er gewoonlijk niet bestaan, als de schenker zijne belofte niet houdt. Er is dan alleen winstderving. Het laat zich dus zeer goed verdedigen, dat het regt aan de overeenkomst van schenking gewoonlijk geene regtskracht verbindt. Er zijn echter gevallen mogelijk, waar met het oog op de belofte bij schenking handelingen ondernomen zijn, die men anders zou hebben nagelaten. Zoo kunnen jongelieden een huwelijk gesloten hebben, omdat zij het vooruitzigt hadden, dat de lasten van het huwelijksleven geheel of gedeeltelijk zouden kunnen worden gedragen door het geschenk, dat hun bij overeenkomst is beloofd. Zoo kan een jongman handelsondernemingen begonnen en verpligtingen op zich genomen hebben ; zoo kan een vader aan zijn kind een kostbare opvoeding gegeven hebben : zoo kan iemand zijne woning verkocht en verlaten hebben, alles met het nitzigt op eene stellig toegezegde en aangenomen schenking. Door niet-vol-doening aan de gedane belofte zon in deze gevallen groote schade kunnen ontstaan, en die schade zou moeten worden vergoed door den schenker, die door niet-voldoening aan zijne belofte daarvan de oorzaak was.

Het is, met het oog op dergelijke schenking, dat het regt althans eeu vorm eener bindende schenkingsovereenkomst behoort te erkennen. Onze wetgeving heeft daarvoor den vorm van de gewone authentieke akte voorgeschreven. Daartegen is geen bezwaar. Dergelijke schenkingen komen niet zoo dikwijls voor en betrefl\'en gewoonlijk zulke gewigtige aangelegenheden, dat formaliteiten der openbare akte geen bezwaar hebben. De eisch van den meest plegtigen vorm van overeenkomst heeft hier, als behoedmiddel tegen ligtzinnige toezegging van giften, ongetwijfeld hare waarde.

Komen wij nu terug op den algemeenen grondslag van de verbindbaarheid der overeenkomsten, dan zien wij dat die

ocr page 319

ligt in de noodzakelijkheid van het maatschappelijk verkeer. Gelijk het uit de menschelijke natuur noodzakelijk voortvloeit, dat het uitsluitend regt op regtmatige toeëigening en het toegeëigende worde erkend en verzekerd, zoo vloeit uit de menschelijke natuur evenzeer noodzakelijk voort dat overeenkomsten betreffende de ruiling van goederen en diensten getrouw worden nagekomen.

Elk mensch op zich zelf\' kan niet voorzien in al de verschillende behoeften van een eenigzins ontwikkeld leven: ten einde aan zijne eigene behoeften te voldoen en van zijne zijde bij te dragen tot een ontwikkeld maatschappelijk leven, moet hij eiken dag velerlei goederen en diensten van andere inenschen inruilen, indien hij eenigzins aan zijne bestemming als redelijk wezen in de menschelijke zamenleviug zal beantwoorden. Deze ruilingen moeten, ten einde tijdverlies te voorkomen, met snelheid en zonder inspanning worden voltrokken. Daartoe is het noodig, dat het vertrouwen op het nakomen der daarvoor opgenomen verpligtingen ongeschokt en zeker blijve. Ieder schuwt nu reeds het tijdroovende, onaangename en vermoeijende van handelingen met menschen, op wie men niet vast vertrouwen kan. Geheele onvastheid der overeenkomsten zou de menschelijke zamenleving onmogelijk maken. Het is dus niet eene overeenkomst uitdrukkelijk of stilzwijgend, zooals Grotius wil, tusschen alle menschen gesloten, die elke overeenkomst tot bindende wet maakt: de verbindende kracht der overeenkomsten rust op denzelfden grond als het eigendomsregt, de noodzakelijkheid namelijk der erkenning en handhaving daarvan, ten einde den enkelen mensch op zich zelf en de menschelijke maatschappij in haar geheel aan de bestemming der zamenleving te doen beantwoorden. Met deze bepaling van den grond of de oorzaak van de verpligtingen der overeenkomsten kunnen wij overigens de door Grotius gestelde eischen voor tie verbindbaarheid vinden.

Al deze vereischten zijn, gelijk wij op bl. 279 opmerkten, in onze wetgeving overgenomen. Men moet daarbij alleen opmerken, dat in onze wet (art. 1356 B. W.) niet afzonderlijk

ocr page 320

— 288 —

melding is gemaakt van de aanneming. Voor de gewone overeenkomsten is die opzettelijke vermelding ook geheel overbodig. Zij is vervat in de toestemming der partijen. Alleen met het oog op de schenking, waar de aanneming dikwijls, gelijk ook bij art. 1720 B. W. is voorzien, later volgt, kunnen sommigen zulk eene afzonderlijke vermelding der aanneming, als bij Grotius onder No. 4 (229) voorkomt, welligt nog noodig achten. Men kan daartegen echter aanvoeren, dat ook bij schenking vóór de aanneming geene toestemming der beide partijen en dus geene overeenkomst bestaat.

(229) Zie Ijl. 270.

ocr page 321

— 289 —

IX.

VERNIETIGING EN NIETlGVEllRI.AliING VAN VERBINDTEN1SSEN UIT OVEREENKOMST.

Voor het bestaan der verbindtenissen van de overeenkomst vordert art. 1356 B. W. (1108 C. Nap.), gelijk wij aan het slot der vorige afdeeling zagen, teregt: 1°. toestemming der partijen, 3°. bekwaamheid om zich te verbinden, 3°. een bepaald voorwerp (230), 4°. een geoorloofde oorzaak (regtelijke grond (231).

Waar een dezer vereischten ontbreekt, is geene regtsgel-dige overeenkomst. Er kan dus wel eene uiterlijke of schijnbare overeenkomst bestaan, zelfs gestaafd door oiiderhandscli of authentiek geschrift; zoodra echter het gebrek, daaraan klevend, wordt bewezen, heeft deze uiterlijke overeenkomst regtens niet de minste waarde. Zoolang dat gebrek niet bewezen is, kan altijd het gevaar dreigen, dat het uiterlijk bewijs der overeenstemming in proces als bewijs voor eene wettige overeenkomst zou kunnen gelden. Vooral indien het bewijs van het gebrek in de overeenkomst moet worden geleverd door getuigen, die ons door den dood ontvallen kunnen, kan het van gewigt zijn, de uiterlijk bestaande overeenkomst aan te vallen en hare nietigverklaring van den regter te eischen.

(230) Ons artikel noemt Hit onderwerp in denzelfden zin, waarin men in het gewoon taalgebruik spreekt van het onderwerp van een gesprek. Deze afwijking van de technische benaming in de regtswetenschap (blijkens Voorduin 5, 55 niet onwillekeurig begaan) waaraan zich het Fransche artikel niet schuldig maakte, is niet te verdedigen ; omdat tegenover het objec t of voorwerp der overeenkomst overstaan de subjecten, dat zijn de personen, die de overeenkomst sluiten. Afwijking van vaste regtstermen kan tot misverstand leiden.

(231) Het Italiaansche Wb. art. HCH vordert ook behalve de drie eerste vereischten )gt;una causa lecita per obligarsiquot;. — Het Pruissische Landregt en het Oostenrijksche Wb. maken er niet afzonderlijk melding van, zooals wij op blz. 278 en 270 zagen, hoewel in enkele artt. de gevolgen van deze leer zijn erkend. — In het Duitsche Ontwerp is ook het vereischte der causa opgenomen in § 683.

ocr page 322

— agn —

Dat zal in de eerste plaats te pas komen bij schriftelijke overeenkomsten en bij overeenkomsten, die door overgift der zaak worden aangegaan, zooals bewaargeving en pand; het zal zich echter in het nieuwe regt ook kunnen voordoen bij gewone mondeling aangegane overeenkomsten. Wel gold de condiclio sine, causa, in zoover zij strekte tot vernietiging van verbindtenissen, in het Romeinsclie regt alleen tegen de stipulatie; maar behoudens uitzonderingen geldt, gelijk wij gezien hebben, in het tegenwoordig regt elke overeenkomst als stipulatie. Bij vernietiging van overeenkomsten heeft men ook op de vernietiging der stipulatie het oog gehad. Daarenboven vorderde ook het stelsel van het Romeinsche regt voor con-sensuële contracten hetzelfde (232).

Het spreekt van zelf, dat op de eenvoudige dagvaarding tot vernietiging eener overeenkomst door den gedaagde kan worden geantwoord met eene ontkenning, dat er eene overeenkomst bestond en dat de gedaagde ook op dien grond tot niet-ontvankelijkheid der gevraagde nietigverklaring zal kunnen concluderen.

In dat geval is er geen geschil over het bestaan der overeenkomst en heeft de eischer met eene kleine opofiering van kosten zijn doel bereikt. In hoever de gedaagde met deze ontkenning der overeenkomst na dagvaarding zich zal kunnen vrijwaren voor kosten, is van omstandigheden afhankelijk. Heeft hij zich bv. vroeger op de overeenkomst beroepen en weigerde hij na sommatie de nietigheid der beweerde overeenkomst te erkennen, dan zal hem eene veranderde houding na dagvaarding niet van veroordeeling in de kosten kunnen vrijwaren.

Houdt de gedaagde de regtsgeldigheid der overeenkomst staande, dan moet het onderzoek naar de opgeworpen middelen van nietigheid plaats hebben Ben processuaal voorschrift, dat men al zijne gronden van nietigheid tegelijk, dat is bij dezelfde conclusie moet aanvoeren, gelijk bij art. 1491

(232) Bepaald ook met betrekking tot de causa, hoewel dit ninder volledig was uitgewerkt. Men zie 1. 7 § 2 ff. de Pact. 2.14 aangehaald op blz. 104.)

ocr page 323

— 291 —

B. W. is voorgeschreven, heeft ten doel, dat men door de chicane van die middelen achter elkander te doorloopen eene veroordeeling in het oneindige zou kunnen verschuiven. Daarom is natuurlijk gegrond eene exceptie van reeds vroeger opgeworpen nietigheid, die tot niet-ontvankelijkheid leidt.

üe middelen tot nietigheid vervallen natuurlijk in vier categoriën, naar het gemis der vier vereischten voor de geldigheid der overeenkomst: 1°. wegens gemis aan toestemming, 2°. wegens onbekwaamheid, 3°. wegens onbepaaldheid van het voorwerp, 4°. wegens gebrek aan een regtmatigen grond voor de opgenomen verpligtingen.

Wat de toestemming betreft, heeft men bijzonder te onderscheiden tusschen voorloopige bespreking eener aan te gane overeenkomst en de aangegane overeenkomst zelve. Soms wil men wel eens eene voorloopige bespreking voor het sluiten der overeenkomst laten doorgaan : soms kan ook door de eene partij ter goeder trouw voor toestemming tot de overeenkomst worden gehouden, wat bij de andere alleen eene voorafgaande bespreking was (233). Dit kan natuurlijk bij de stipulatie niet voorkomen, üe vorm diende juist, om de onbestemde bespreking van de bepaalde verbindtenis te oiiderscheiden. Ook bij onze schriftelijke akte kan men zich dit misverstand naauwelijks denken.

Bij openbare verkoopingen ten overstaan van een openbaar ambtenaar moet men het als eene overeenkomst tusschen de bieders en de aankondigers van den verkoop aanmerken, dat de bieder verbonden is zijn bod gestand te doen, wanneer de aankondiger zich bereid verklaart, het goed aan hem te gunnen. Vóór dat oogenblik is er geen koop en verkoop en de aankondiger is, tenzij dit in de aangekondigde voorwaarden vermeld zij, niet gehouden te gunnen. Of de bieder

(233) Voorbeelden van geschil of er alleen voorafgaande onderhandelingen gesloten waren of werkelijk contract gesloten was, vindt men in twee vonnissen van de Regtbank te Leiden van 12 October 18G9 en van 17 Sept. 1872 U\'. v. h. R. No. 3556 en 3557.

In enkele gevallen der onrustbarend veel voorkomende meineeden is soms welligt niet genoeg op de mogelijkheid van dit verschil in opvatting gelet.

ocr page 324

— 292 —

ontslagen wordt door een hooger bod, hangt evenzeer van de gestelde voorwaarden af. Elke bieder wordt voorondersteld, door zijn daad van te bieden toe te zijn getreden tot de voorwaarden, die vooraf publiek gemaakt zijn (234«). Bij openbare verkoopingen kan soms voorkomen, wat in 1. 3 § 2 li. de O. et A. (44.7) wordt behandeld, dat iemand, hetzij bij vergissing, hetzij uit scherts (235), die daar echter zeer gevaarlijk is, woorden uit, die voor een bod kunnen gehouden worden. Soms wordt de beslissing over geschillen bij het bieden bij de voorwaarden aan den notaris opgedragen.

Hetzelfde geldt bij verkoopingen ter beurze, waar ook aanbod en aanneming onmiddelijk verkoop en koop medebrengen. Intrekking van vraag of aanbod, hoewel terstond daarop gevolgd, kan de gesloten overeenkomst niet meer ongedaan maken, zooals bij vonnis der Regtb. te Amsterdam van 18 Oct. 1883, bevestigd door het Geregtshof op 17 Oct 1884 (236), is beslist.

Tal van vragen kunnen rijzen bij het in den handel veelvuldig voorkomend gebruik van het sluiten van overeenkomsten door brieven (237). Regel is daarbij, dat de overeen-

(234) Men zie Mathaeus, De Auctionibus, Kindervater, Zur Lehre der Versteigerung, Jahrb. f. Dogmatik, 1865 bl. 1—20, Iiierung, aldaar bl. 166—178. Keller, Pand § 223. Over de regten en verpligtingen der bieders heeft men te letten op de bepalingen der wet bij geregte-lijken verkoop, art. 523 B. Rv., Oudeman III § 93, A. de Pinto §368, art. 707 Cod. de Pr., Carré, No. 2364—6 en Dalloz, N. R.; Vente Publ. dlmmeubles, No. 1671 e. v.

(235) Dat er in dat geval geene verbindtenis ontstond was ook uitgesproken in de aangehaalde 1. 3 § 2 il. de O. et A.

(236) W. v. h. E. No. 5005 en 5138.

(237) 1. 2 § 2 11\'. De O. et A. (44.7) »Unde inter absentes quoque »talia negotia contrahuntur: veluti per epistolam, vel per nuntiurn.quot; Men zie ook 1. 9 Cod. Si quis sibi vel alt. (4.50)

De brief en de bode staan met betrekking tot den tijd van liet tot stand komen der overeenkomst in het hedendaagsche regt gelijk met den commissionair, die voor zijn lastgever den koop, die was aangeboden, sluit. Daar men in het Romeinsche regt niet voor een derde verbindte-nissen kon aangaan, was daar verschil. Cujacius maakt daarvan nog melding in zijne aanteekening op 1. 7. van genoemden titel van den Codex, X bl. 659; )gt;Per procuratorem actio ex empto nobis non acqui-writur.quot; De reden daarvan geeft hij op 1. 9 aldus: «quia nuntius aut )gt;epistola non contrahunt, sed nuntiant, dominum contrahere.quot;

ocr page 325

— 393 -

komst eerst tot stand komt, nadat het antwoord op het aanbod bij hem, die dit gedaan heeft, is aangekomen (238). In den tusschentijd is er gelegenheid, om per telegram het aanbod in te trekken. Ook degeen, die den brief afzond, om de aanneming kenbaar te maken, kan vóór de aankomst per telegram de werking van den brief voorkomen. Wel vereenigt zich Kei,i,er, Tand § 223, met het gevoelen van hen, die oor-deelen, dat de overeenkomst gesloten is op het oogenblik der afzending van den brief, die de aanneming inhoudt; maar dit is in strijd met de leer, dat men in het regt alleen heeft te letten op geopenbaarde, d. i. aan een ander medegedeelde gedachten, tot hem (of aan zijn verblijf) gekomen uitdrukking van gedachten. ïndien men de bloote afzending van den brief genoeg kon achten voor het tot stand komen der overeenkomst, komt men ook in tal van ongerijmde gevolgen, ingeval de brief, die de aanneming bevat, te laat of in het geheel niet aan het adres aankomt. Zoolang er alleen eenzijdig aanbod is, kan men zonder bijkomende omstandigheden aan geene overeenkomst denken ; maar dit kan dikwijls anders zijn, indien er eene algemeene overeenkomst voorafgegaan is, waarbij met meer of minder bepaaldheid het doen van aanbod en een termijn van aanneming met de gevolgen daarvan geregeld is. Daaruit kan voortvloeijen, dat hij, die een aanbod per brief doet, daardoor eenigen tijd gebonden is, hoewel de correspondent zijne aanneming nog niet afzond. Dan is er eene werkelijke overeenkomst ten gevolge van het aanbod in verband met de vroeger aangegane overeenkomst. Dergelijke regeling van de gevolgen van een aanbod behoeft niet altijd door eene afzonderlijke schriftuur te zijn gemaakt: zij kan uit de gewoonte van handelen en de gewisselde brieven over voorafgaande handelingen worden opgemaakt, vooral in overeenstemming met de gebruiken in den handel, waaraan in den geheelen internationalen handel, evenals volgens art. 1375 B. W. en 1135 Code Nap., steeds groot ge-wigt wordt gehecht. Wie, aldus gebonden, na geopend crediet aan zijn correspondent door ontijdige intrekking schade ver-

(238) Voor liet Fratische regt zie men Dalloz, jV. li. i. v. Lot!re missive No. 17 en de tiaar aangehaalde schrijvers.

ocr page 326

oorzaakt. zal die mt)eten vergoeden; maar hij, Hie ingevolge het aanbod van eene firma, met welke hij vroeger nooit in betrekking stond, en geene voorafgaande regeling trof, on-mirldelijk reeds handelingen doet; die hij bij intrekking van het aanbod niet kan nakomen, ka» het nadeel, dat hij door intreKking, voordat zijne aanneming zijn correspondent bereikt heeft niet op dezen verhalen. Hij heeft deze schade alleen te wijten aan zijne eigene onvoorzigtigheid, door te veel te bouwen op eene overeenkomst, die nog tot stand moest komen. Hij, die een brief zendt tot aanneming, wat hij per telegram kan doen, kan nooit klagen over het later tot stand komen der overeenkomst, tengevolge waarvan de gelegenheid om het aanbod in te trekken dikwijls eenige weken langer blijft loopen.

Tot gebrek van toestemming moet men ook brengen de gevallen, waarin weliswaar uiterlijk toestemming is gegeven, doch toestemming, niet uit vrije beweging gegeven. Dat zijn de gevallen, waarin de partij de toestemming afdwong door geweld of wist te ontlokken door bedrog t){ waarin zij het gevolg was van grove dwaling In den Code Nap. is dit uitgedrukt in art. 1109: \'/II n\'y a point de con-quot;Sentement valable, si le consentement n\'a été donné que //par erreur, ou s\'il a été extorqué par violence, ou stirpris //par dol.quot; De Code volgde daarin de algemeene leer, opgenomen door Pothier, Traite des ohü/jalions 1.1.17 en volg. Die leer was verkondigd door Grotius en de schrijvers over philosofisch regt in het algemeen; zij was, althans met betrekking tot geweld en bedrog de noodzakelijke deductie uit het Romeinsche systeem, zooals het was overgenomen. Bedrog leverde tegen de stipulatie (en evenzeer tegen de oude litterarum obligatio). die de bindende kracht aan zijn vorm (bl. 38 en 39) ontleende, tegen de partij die voldoening vorderde eene exceptio doli : zoo de bedrogene aan de stipulatie voldaan had, kreeg men veroordeeling tot teruggave door de actio doli. Deze actie, die eenen veel wijderen omvang had en ook werd gegeven in alle gevallen, waar men door bedrog tot andere handelingen, b.v. pro-

ocr page 327

— 295 —

cessuale handelingen, gebragt was en daardoor schade geleden had (239), bragt in hare toepassing ook de opheffing der stipulatie mede (240). Zoo verhinderde ook de excepüo doli, dat de stipulatie en het eonsensuële contract, zoowel nominatus als innominatns (causa data), uitvoering verkreeg.

Evenzoo was er ook eene actio en exceptio wegens geweld. De handeling, de overeenkomst, aangegaan uit vrees, werd niet als regtsgeldig erkend en leverde grond voor teruggaaf en schadeloosstelling na voldoening en eene exceptie tegen de actie, wegens de aldus aangegane verbindtenis ingesteld. Quod metus causa gestvm erii, ratum non haheho: aldus luidde het edictum praetoris. In ouden tijd stond er ; Quod vi metume causa gestum est. Volgens Ui.pianus in 1. 1 tl\'. Quod metus causa (4.2) was het eerste lid, door geweld, weggelaten, omdat dit in het tweede lag opgesloten. Geweld zi.u hebben doen denken aan eene actie tegen dengeen, die liet had aangewend Qvod metus causa gestum est, zag op de ongeldigheid van hetgeen hij, die zich verbonden verklaard had, niet uit vrijen wil. maar onder den indruk van vrees had gedaan. Het was onverschillig, of de persoon, die de verbindtenis of de bevrijding bedongen en verkregen had, zelf de vrees had aangejaagd en of een ander dit, al was het alleen om zich zelf te bevoordeelen, had gedaan Hij, die daardoor voordeel verkregen had, moest den onder indruk van vrees verbondene schadeloos stellen. In 1. 9 § 8 h. t. wordt deze actie met verwerping van de als dwaling aangemerkte leer van Julianus uitdrukkelijk verklaard te zijn in rem scripta, hetgeen ook overeenstemt met de leer van Gajus in 1 10 h. t. (241). Hoewel in ons wetboek, evenals in den Code Nap., alleen

(239) Men zie onder andere 1. 19, 34 en 35 lit. en 1. 16 § 1 11\'. de Praescr. Verb. (19.5).

(240) De actio do li was arbitraria. Zij leidde uit haren aard tot. herstelling en, /oo de partij niet deed wat de regter daartoe noodig oordeelde, (arbitratu judicis). veroordeelde hij tot vergoeding der schade. quanti ra res est. § 31. Inst. de Act. (4.C) 1. 18 pr. ff. de Dolo (4.3) Zie Rudorff, Hum. Hechlsy. II. bl 170.

(241) Hetzelfde is uitgesproken in I. 14 § 3 en 5, I. 0 § 1 en S. Zie wijders Kulluh, Pand. § 308

ocr page 328

— 296 —

de uitdrukking geweld gebruikt is, heeft men daaraan ecbter geen ander begrip gehecht, dan aan het metus causa van het Romeinsche edict, terwijl volgens art. 1339 B. W. (1111 C. N.) ook de verbindtenis, die onder den indruk van vrees door geweld van een derde is aangegaan, kan worden vernietigd. De actio was in het Romeinsche regt streng; de veroordeeling was in quadruplum ; maar daarbij moet men in het oog houden, dat de actio was arbitraria, zoodat de zware veroordeeling alleen werd uitgesproken, voor zoover de partij niet voldeed aan des regters bevel tot herstelling (242).

Behalve deze middelen van het gewone regt, zooals de regter dit in zijne regtspraak volgens de formula kon uitspreken, was er ook het buitengewone middel van de herstel-verleening, restitutio in integrum, die door den Praetor na onderzoek, causa cognita, kon verleend worden en vermoedelijk reeds in ouden tijd ook wegens bedrog en geweld verleend werd. Wettelijke grenzen voor den omvang van • leze magt, die in de algemeene regtsmagt en regeling van het proces gelegen was, zijn niet aan te geven; maar de reatsbeginselen, die zich daaruit ontwikkeld hebben en als regtsregels in de Romeinsche regtsleer voorkomen, geven aan, hoe de practijk geweest is van dit buitengewone middel, dat ongetwijfeld minder aanwending behoefde te vinden, naarmate de daarbij gevolgde beginselen meer en meer in de gewone procesorde toepassing vonden ^243). De gewone vereiscbten, waarop de Praetor (of praesfs provinciae of de daarvoor door hem aangewezen ambtenaar, legatus) in zijn onderzoek bij elke herstelverleening lette, waren: lo. of er schade van eenig belang bestond (244). 2°. of er een geldige grond (justa causa), zooals geweld of bedrog, bestond, ?gt;quot;. of de gewone

(242) Zie Rudorff, Riirn. Rec.litsg. II bl. 170.

(243) Volgens Savignv, Sijst. VII § 320 bl. 135 was dit bijzonder liet geval met de restitutio wegens geweld en bedrog.

(244) Zoowel winstderving als geleden schade viel daaronder, 1. 27 11\'. Kx Quib. cans, majores (4.6); »Et sive quid amiserit, vel lucratus non rtsit, restitutio facienda est; etiamsi non ex bonis quid amissinn sit.quot; Zie Goudsmit, Pandecten Systeem I § HO.

ocr page 329

— 297 —

procesorde niet voldoende was (345), 4°. of door de herstelling niet een te groot nadeel in ander opzigt aan den herstelde zou worden veroorzaakten te veel verwarring zou worden gesticht.

Wat het 3de punt betreft, vindt men in 1. 7 § ] ff. De in int. Rest. (4.1) het bewijs, dat de Praetor, hoewel hij in den regel het buitengewone middel niet verleende, waar het gewone regt toereikende was, daarin toch geenszins streng gebonden was In deze wet zien wij, dat men van dien regel kon a\'wijken. indien de gewone actio eigenaardige bezwaren had. Maeoeu us geeft daar zelfs den raad, dat de Praetor in plaats van de actio de dolo. die infamia voor den veroordeelde medebragt, liever de restitutio in integrum verleenen moest (246). Door Satigny, Syst. VII, § 332 bl. 303 is teregt opgemerkt, dat de raad van Marceu.us geen algemeen voorschrift kan zijn geweest, want dan zou er nooit aanleiding voor de actio de dolo bestaan hebben, vermits de Praetor in elk geval van bedrog een grond voor de restitutio kon vinden. Door Goudsmit, § 110 noot 4, is met juistheid opgemerkt, dat men dikwijls bij de beoordeeling van deze wet de discretional re magt van den Praetor voorbijgezien heeft De Praetor kon de restitutio verleenen. als hij daarvoor voldoende gronden aanwezig achtte en oordeelde, dat de regtstoestand daardoor beter werd hersteld, dan door de gewone regtsmiddelen: hij kon ook weigeren. Van het laatste zien wij het voorbeeld in 1 34 § 2 fl. De Min. (4.4) volgens welke de aanvaarding eener nalatenschap door een minderjarige wel op zich zelve wordt aangemerkt als grond op te leveren voor herstel; maar om-dat reeds alles door den volgenden erfgenaam vereffend is, wordt geoordeeld dat het verzoek daartoe moet worden ire-

(245) L. 16 pr. lï. De Min. (4.4): »In causae cognitione etiam hoe versa-nbitur, nmn forte alia actio possit eompetere citra in integrum restitu-«tionem. Nam si communi auxilio et majore jure munitus sit. nomiehet floi tribui extraordinarium uuxilimnquot;...

(240) ».... deeeptis sine culpa sua, maxime si fraus ab adversario ftintervenerit, succurri oportebit ; cum etiam de dolo malo actio compe-»tere soleat: et boni Praetoiis est, potius restituere litem, ut ratio et «aequitas postulabit, quam actionem famosam constituere, adqnamtunc )»deiuuiii descendendmu est. cum remedio locus esse non potest.quot;

ocr page 330

— 298 —

weigerfl. De Praetor moet waken, dat hij door de herstel-verleening niet een grooter kwaad stichte dan het nadeel, waarvan de herstelling gevraagd wordt (247),

De herstelverleeningen waren volgens Paui.us of in rem scriptae, zoodat men daardoor van derde bezitters de goederen terugkreeg, of in personam, alleen tegen een bepaald persoon, met wien gehandeld of overeengekomen was, tot vergoeding van schade, en bij gebreke daarvan veroordeeling tot het vierdubbel bedrag. Datzelfde zegt ook Ui.pianus in 1. 13 § 1 fl\'. De Min. (4.4) In deze wet wordt aan de restitutio de regtskracht tegen den derden bezitter, ja zelfs tegen den vierden bezitter toegekend. Wel vereenigt Ulpianus zich met het gevoelen van Labeo, dat de restitutio tegen den vierden bezitter, die kennis gedragen heeft van de handeling met den minderjarige, altijd behoort te gelden; maar dat ingeval de vierde bezitter van den derden kocht, zonder iets van de voorafgaande handelingen te weten, alleen dan de restitutio tegen hem van kracht behoort verklaard te worden, als de eerste kooper niet bij magte is, den minderjarige schadeloos te stellen (249).

Wel merkt Savignt op, Sysl. VII, § 343 bl. 271. dat de

(247\') Als algemeen gevolgden regel moeten wij het fragment van Callistratus aanmerken, 1. 4 ff. de Rest. (4.1): »Scio illud a qulbusdam Bobservatum, ne propter satis minimam rem, vel summam, simajori rei. wvel summae praejudicetur, audiatur is, qui in integrum restitui postulat.quot;

(248) Ree. Sent. I 7.4: «Integri restitutio aut in rem competit, aut «in personam. In rem actio competit, ut res ipsa, de qua agitur, revo-»cetur. In personam aut quadrupli poena intra annum vel simpli post «annum peti potest.quot;

(249) Dlnterdum autem restitutio et in rem datur minori, id est »adversus rei ejus possessorem. licet cum eo non sit contractum. Ut •qiuta rem a minore emisti et alii vendidisti: potest desiderare inter-»dum adversus possessorem restitui, ne rem suam perdat, vel re sua wcareat: et hoe vel cognitione Fraetoria vel, rescissa alienatione, dato if in rem judicio. Pomponius quoque libro 28° scribit, Labeonem existi-»masse, si minor 25 annis fundum vendidit et tradidit et emptor rur-»sus eum alienavit; si quidem emptor sequens scit rem ita gestam, resti-fttutionem adversus eum esse faciendam. Si ignoravit, et prior emptor «solvendo esset. non esse facicndam: sin vero non esset solvendo, aequius «esse, minori succurri etiam adversus ignorantem, quamvis bona fide nemptor est.quot;

ocr page 331

restitutio tegen contracten (250) in den regel alleen tegen de personen, met wie het contract gesloten was, werd verleend, terwijl daarbii de vorm der restitutio in rem uitzondering was. Uit de bovenvermelde 1. 13 § 1 De Min. blijkt echter, dat ook bij herstelverleening tegen contracten (verkoop door een minderjarige) wel restitutio in rem kon verleend worden, gelijk ook door andere pandectenplaatsen wordt bevestigd, zooals djor üoudsmit in § 118 is opgemerkt. Men kan als vaststaande aannemen, dat de Praetor niet zonder gewigtige redenen de restitutio tegen derden zal hebben toegelaten; maar dat hij dit kon doen en in sommige gevallen werkelijk deed, kan niet worden betwijfeld. Op blz. 295 hebben wij reeds opgemerkt, dat de gewone regtsmiddelen ongetwijfeld gelijken tred moeten gehouden hebben met de practijk van het buitengewone middel der restitutio. Wat men reeds volgens de algemeene beginselen van de Romeinsche regtspractijk had kunnen onderstellen, dat namelijk de Praetor strenger ook in dit opzigt zou zijn opgetreden, waar geweld gepleegd was en de partij zich onder den indruk van vrees had verbonden, vinden wij door vergelijking van het gewone regt in de actio en exceptio quod metus causa bevestigd. Zoowel voor (Ie actio als voor de exceptio was het onverschillig, wie het geweld had aangedaan, mits vaststond, dat hij die zich verbonden ol afstand gedaan had, onder den indruk van vrees had gehandeld. Ulpianus zegt in 1 9 § 8 h. t. dat deze actio was scripta in rem en tegen ieder gold tot herstelling van hetgeen metus causa was gedaan (251). Op de bedenking dat men zulk eene strenge actie zou toelaten

(250) Door G. C. Burciiardi, Lehre des Wicdereinsetzung, bl. 416 was dit als algemeene regel van alle restitutiones gesteld, waartegen door Savigny t. a. p. met juistheid wordt aangevoerd, dat de restitutio met betrekking tot de verkrijging door verjaring en de aanvaarding eener erfenis (die in het hedendaagsche regt geene toepassing meer vindt) altijd in rem was geweest. In zijn Sust. des R. Privatrechts I § 83 blijft Burciiardi op dit punt nog bij zijne vroegere leer.

(251) «Cum autem haec actio in rem sit scripta, nee personam vim quot; facientis coèrceat, sed adversus omnes restitui velit, quod metus causa «factum est.quot;

ocr page 332

— 300 —

tegen iemand, die onschuldig is aan het geweld, antwoordt Ui.pianus in 1. 14 § 3, dat hij toch winst gekregen heeft tengevolge van dat geweld en daarenboven de veroordeeling in het vierdubbele niet beloopt, als hij doet, wat de regter hem tot herstelling van de geleden schade oplegt.

Evenals de actio, was de exceptio quod metus causa scripta in rem. Dit is in tegenstelling met de exceptio doli, die ook kon gelden, waar geweld was gebruikt, uitgesproken in 1. 4 § 33 ü\'. De doli mali et metus exc. (44.4) (252). Omtrent de actio doli wordt hetzelfde verschil aangewezen in 1. 15 § 3 fi. de dolo (4.3) (253). Bij deze beperking van de regtsmiddelen tegen dolus zie men niet voorbij, dat hier gold de Bomeinsche regtsregel, die als vermoeden ook wel bij onzen regter zal gelden : dat de dolus wordt vermoed afkomstig te zijn van hem, die er voordeel van hoeft (254). In de latere practijk zijn deze verschillende middelen overgegaan, de gewone actiën en exceptiën niet alleen, maar ook de restitutiones.

Na de invoering van de regtspraak door de magistraatspersonen, zonder benoeming van een gezworen regter, gold in het Romeinsche regt reeds de regel, dat alleen de hoogere magistraatspersonen de restitutiones konden verleenen. Zoo was dat ook in Frankrijk en in ons land. Het buitengewone middel van de restitutio werd in Frankrijk verleend bij de

(252) «Metus causa exceptionein Cassius non proposuerat, contentus »doli exceptione, quae generalis est. Sed utilius visum est, etiam de «metu opponere exceptionem. E te min distat aliquod a doli exceptione: oqued exceptio doli personam complectitur ejus, qui dolo fecit; enimvero »metus causa exceptio in rem scripta est, si in ea re nihil metus causa ytfactum estquot;: ut non inspiciamus, an is, qui agit, metus causa fecit xaliquid, sed an omnino metus causa factum est in hac re aquocunque, »11011 tantum ab eo, qui agit. Et quamvis de dolo auctoris exceptio «non objiciatur, verumtamen hoc jure utimur, ut de metu non tantum «ab auctore, verum a quocunque, adhibito exceptio objici poscit.quot;

(253) In hac actione designari oportet, cujus dolo factum sit; quamvis hin metu non sit necesse.quot;

(254) Dolus praesumitur esse ejus, cui prodest.quot; — Door de laatste al. van art. 1364 wordt het bewijs van het bedrog opgelegd aan dengeen, die er zich op beroept. Daarbij is het bewijsmiddel van vermoedens niet uitgesloten, zooals ook is opgemerkt door Larombière op art. 1116.

ocr page 333

— .\'iOl —

{«rlementen. Laueent, Prineipis dn droit civil XVI1 [ No 52(5 merkt teregt op, dat tie gronden van materieel verschil tus-schen de action en nullité en Taction en rescission, zooals dit bij de Fransche schrijvers, o. a. bij Meemn, Rep. i. vv , Liénnssion en Nullité voorlvomt, niet juist zijn. Men kan met Laurent aannemen, dat in Frankrijk, waar men zich veelal beriep op den regel: Foies de nullité tiont point de voie en France, het beroep op de brieven van rescission der parlementen bijzonder werd bevorderd door de zucht, om dergelijke zaken van de feodale regters af te trekken en over te brengen bij de Koninklijke parlementen: maar men moet niet voorbijzien, dat de eenvoudige overneming van het Romeinsche dit buitengewone middel naast de gewone actie medehragt. Zoo was het ook bij ons. De herstellingen, relievementen, werden oudtijds verleend door de Provinciale Hoven, gelijk door Voet, 7?« liest. (4.1) No. 3 wordt medegedeeld. De Staten van Holland en Zeeland hebben verder bij eene resolutie van 1563 overwogen. dat door het ophouden van de jurisdictie van den Hoogen Raad te Mechelen noodig was geworden, voorziening te maken in de gevallen, waarin de partijen zich in eenige contracten of anders gegraveerd vinden, en droegen het verleenen van relievementen van contracten op aan den Hoogen Baad van Holland en Zeeland. Sommige relievementen konden ook van de Provinciale Hoven in Holland en Zeeland verkregen worden, gelijk dit ook in andere provinciën het geval was (255) Terwijl de hoogere regter liet buitengewone remedie kon verleenen, verviel langzamerhand het gebruik der gewone actiën en excep-tiën, die volgens de procesorde ook ter kennisneming der lagere regters stonden. Wel werd, vooral bij relief van proces-suale handelingen, de opmerking gemaakt, o. a. bij S. van TiEEtrwEN, Cens for. II, 1.24 § 11, dat de gewone regter daarover eigenlijk wel beslissen kon, en deelt ook Voet t. a. p. kennelijk dit gevoelen; maar de practijk bragt mede, dat men gewoonlijk relief van den hoogeren regter vroeg.

(255) Men zie, behalve Voet, ook Merula. Manier v. Proc., boek IV t. 82 c. 5 en bijzonder v. d. Linden, Form von prnccdecren. b. 4 hoofdst. 1 § 1—3. S. van T.reüwen, Cens. for. IT. \'1.22 § 45 en 46.

ocr page 334

— 302 —

Bij de codificatie moest natuurlijk deze altliaus in beginsel dubbele regtspraak vervallen en het lag voor de hand, dat men de beslissing aan den gewonen regter opdroeg, gelijk dan ook werkelijk bij de 7de sectie van den 5den titel van het 3de boek van den Code Nap. (bij ons tit. 4 afd. 8) heeft plaats gehad. Het verschil van de oude practijk tus-schen de action en nullité en de action en rescission was hiermede verdwenen. In het opschrift der afdeeling in den Code sprak men dan ook met juistheid van de action en nullité ou en rescission. Het opschrift van de afdeeling in ons wetboek is eigenlijk minder juist, in zoover daar gesproken wordt van de nietigheid en van de vernietiging. Men maakte echter geene verandering in het regt, terwijl men in de arti-len beide termen door elkander gebruikte. Wel spreekt de wet in art. 1482 van nietigverklaring van verbindtenissen, door minderjarigen en onder-curatele gestelden aangegaan, en art. 1485 van vernietiging wegens geweld, dwaling of bedrog; maar in art. 1488 en 148!) wordt voor deze gevallen van nietigverklaring gesproken, en in art. 1490 en 1491 worden deze actiën wegens minderjarigheid, curatele, geweld, dwaling of bedrog, met inbegrip van de actio Pau-liana van art. 1377, zamengevat onder den naam van nietigverklaring (256).

Wij kunnen deze overbrenging van alle beslissingen omtrent nietigheid of vernietiging op den gewonen regter goedkeuren en evenzeer, dat men geen verschil maakte tusschen

(256) De behandeling in de wetgevende magt geeft ook hierop geen licht. Wel wees de Regeering bij haar antwoord in 1830 op het van regtswege nietige der handelingen van art. 1482, en de vernietig\'ng van art. 1485; maar in 1833 verklaarde zij, dat de voornaamste afwijking van het toen overgelegde ontwerp hierin bestond, dat volgens het vroeger ontwerp alleen de handelingen van personen beneden 18 jaren van regtswege nietig waren en de handelingen van anderen beneden 23 jaren nietig konden verklaard worden. Beide worden nu gelijkelijk voor alle handelingen van minderjarigen toegepast. Ligt daar niet in opgesloten, dat de nietigverklaarde handeling wordt aangemerkt, als nooit te hebben bestaan, en dat alles moet worden teruggebragt in den staat, waarin het zich bevond vóór de handeling. Datzelfde geldt volgens art. 1488 ook voor de gevallen van art. 1485.

ocr page 335

beide. Wel beeft men beweerd, dat er principieel verschil moest ziju, daar de nietig verklaarde verbindtenis moest worden aangemerkt, als nooit te hebben bestaan; terwijl de vernietigde tot de uitspraak toe bestaan had en hare gevolgen tot op dat tijdstip moesten worden geëerbiedigd (257); maar daartegenover staat, dat de nietig verklaarde schriftelijke verbindtenis toch ook een uiterlijk bestaan heeft tot de nietigverklaring en dat de vernietiging, omdat er wordt uitgesproken, dat er een bestanddeel voor het aangaan eener regtsgeldige verbindtenis ontbrak, kan worden aangemerkt, terug te werken op dezelfde wijze als de nietigverklaring.

Men mag aannemen, dat bij de opdragt dezer regtspraak aan den gewonen regter vooral de herstelverleening den wet-

(257) Zoo o. a. Toullier VII No. 5k26—530,549—557. Larombikre op art. 1304 No. 7—13 verwerpt de onderscheidingen van Toullier en tracht nieuwe aan te geven, die echter van twijfelachtige beteekenis zijn. Mijn ambtgenoot A. A. Pinto in zijne Diss. De Obi. null, et earum Hese. Hagae Comitis 1852 blz. 34 oordeelt, dat in den Franschen Code de begrippen van de nietigheid en de vernietiging (Anfechtbarkeit) verward zijn. Ook Unger wil in zijn Syst. des Oest. Privatr. § 91 op dit verschil in Nul li tril en Anfechtbarkeit bijzonder gewigt hebben gelegd. Hij erkent echter in noot 80, dat de Anfechtbarkeit ook wordt uitgestrekt tot het pandregt (hypotheek). Dit verschil heeft weinig waarde, als men in de wetgeving niet het beginsel aanneemt, dat al wat ingevolge de van den aanvang af nietige overeenkomsten is gedaan, alle handelingen van derden, met betrekking tot het ingevolge de nietige overeenkomst verhandelde goed, nietig is; doch dat daarentegen, al wat door derden vóór de vernietiging der tot dat tijdstip bestaande overeenkomst ter goeder trouw is gedaan, wordt gehandhaafd. Zulk een stelsel van wetgeving is, hoewel daar ook bezwaren tegenoverstaan, verdedigbaar; maar het is in strijd met het algemeen bestaande regt. De ontbinding wegens het wegvallen van den regtsgrond der verbindtenis door het in gebreke blijven van de partij om zijne verpligting te voldoen, b.v. den koopprijs te betalen, geldt tegen derden, hoewel de verbindtenis van den aanvang af tot de vernietiging toe regtsgeldig was, en de nietigheid wegens gemis aan overeenstemming door dwaling of bedrog, die de verbindtenis van den aanvang nietig maakt, geldt niet tegen derden.

De vragen omtrent het verschil tusschen volstrekte of absolute en betrekkelijke of relatieve nietigheden en omtrent nietigheden ingevolge voorschriften van openbare orde, jus Publicum, die bij eene bijzondere behandeling van de leer der nietigheden ter spraak komen, moeten wij, om ons niet te laten afleiden van het overzigt van het algemeene stelsel, ter zijde laten.

ocr page 336

— 304 —

gever voor oogen heeft gestaan (258); maar is daarmede uitgemaakt, dat aan den regter de discretionaire magt op dit gebied is gegeven, zooals de Romeinsche Praetor die bezat en zooals zij in navolging daarvan hij verleening van relief kan zijn uitgeoefend? Zal de regter kunnen toestaan, maar ook weigeren, als de verleening te veel nadeel zou aanbrengen? Zal hij de grenzen der vernietiging tot de partijen beperken of tot derden kunnen uitbreiden, naarmate de billijkheid dit naar zijn oordeel vordert?

Hoezeer de historie hier ook op toekenning eeuer veel grootere bevoegdheid, dan in andere processen, moge wijzen; kan het m. i. niet ontkend worden, dat hier groote moeije-lijkheid bestaat, doordat de wetgever in gebreke gebleven is, zijn wil betreflende den omvang der regtsmagt uittedrukken en enkele regels daarvoor vast te stellen. Bij gebreke daarvan moet men zich zooveel mogelijk houden aan enkele, al zijn het zwakke, aanwijzingen omtrent des wetgevers bedoeling en zal men nooit uit het oog moeten verliezen, dat men de beginselen van het Romeinsche regt heeft willen volgen.

Houden wij dit in liet oog, dan is er voor de actiën wegens geweld of bedrog, hoewel de wetgever de vernietiging of nietigverklaring op grond daarvan gelijkelijk en als in éenen adem noemt, aanmerkelijk verschil, zooals reeds dnor Toüi.uer VI No. 9S is opgemerkt (259). Volgens art. 1116 Code Nap. en art. 1364 van ons Wh. levert het bedrog grond op voor de vernietiging, wanneer door eene der partijen kunstgrepen, zonder welke de verbindtenis niet zou zijn aangegaan, zijn gebezigd. Nu is daarin wel niet duidelijk uit-

(258) Waar b.v. over de bekrachtiging wordt gehandeld in art. -ISSS Code opgenomen, wordt in de behandeling bij het tribunaat steeds gesproken over restitution.

(259) t.A liOMüitRE op art. 1304 No. -14 maakt tusschen de vernietiging wegens bedrog en geweld geen verschil en zegt aldaar, dat alle actions en nullilé ou rescission zijn rei persecutoriae. Bij art. 1116 No. 12 voert hij dan ook aan, dat de action en rescission pour dol passe contre les tiers. Zijne verklaring van dit artikel is in strijd met het Romeinsche regt, waaruit het artikel werd overgenomen.

Dit verschil is met juistheid aangegeven in de diss, van Mr. A. A. de Pinto, bl, 84.

ocr page 337

— 303 -

gesproken, rlat de vernietiging wegens bedrog, derde bezitters niet zal mogeu schaden; maar als men in aanmerking neemt, dat deze regel ontleend is aan het Romeinscbe regt, waarin de actio doli tegen een bepaald persoon gerigt was, en men moet aannemen, dat de restitutio in overeenstemming daarmede (2C()) ook derden niet benadeelde, dan is men tot de gevolgtrekking geregtigd, dat de vernietiging wegens bedrog de regten van derde bezitters, in zoover zij zich niet bevoordeeld hebben ten gevolge van den verkoop door bedrog, niet mag benadeelen.

Terwijl art. 1111 Code Nap. en art. 1339 B. W.zich ook geheel aansluiten aan het Romeinsche regt omtrent het onpersoonlijke in de actio metns causa, waarmede overeenstemde, dat de restitutio op dien grond in rem werd gegeven, zal dit tot het tegengestelde gevolg leiden. De regter zal in den regel de redenering van üi.ptANUs (261) kunnen volgen, dat de derde bezitter door het geweld van een ander voordeel genoten heeft. Kan den bezitter niet ten laste gelegd worden, dat hij den kwaden wil gehad heeft, daardoor voordeel te zoeken, dan zal hij toch meestal nalatig zijn geweest in het onderzoek naar de regtmatigheid van den titel (26\'J) van zijn voorganger en mag hij daarom de schade dragen. De vraag doet zich voor, of hij, ingeval hij bij uitzonderinz zijne volkomen goede trouw bewijzen kan, met de schade belast kan worden? Het spreekt van zelf, dat men bierbij moet denken aan het geval, dat wij op Romeinsch regts-gebied op blz 298 behandelden, dat namelijk de voorganger niet bij magte is hem zijne schade te vergoeden, b.v den koopprijs terug te geven De beslissing is bij het stilzwijgen der wet moeijelijk (263); maar. ingeval de derde bezitter

(\'2f0) Over het verband tusschen het gewone en het buitengewone auxilium door de restitutio, zie men blz. 295 en 299.

(2«) Zie bl 300.

(2G2) Voor roerende goederen geldt dit niet. Over art. 2014 B. \\V. zie men bl. 320.

(203) Aanbeveling verdient, de meerdere vrijheid aan den regter gegeven, gt;\'bij het slot van art.-H12 van het Ualiaansche Wb.: wTi-attandosidialtreper-»sone, spetta al giudice di pronunciare sulla nnllita secondo le circostance.quot;

ocr page 338

— 306 —

bewijst buiten alle schuld ook van nalatigheid in onderzoek te zijn geweest, komt mij voor, dat een hoogere regtsgrond den regter de verpligting oplegt, de teruggaaf van het gekochte niet te gelasten, dan onder teruggaaf van den koopprijs. Hij, die zich door vrees, al was deze verschoonbaar, liet vervoeren, om eene verbindtenis te teekenen, die hij niet wilde, en misschien eenigen tijd liet verloopen. vóór hij de vordering tot vernietiging instelde, had alligt meer schuld aan den ongelukkigen toestand, die den derden bezitter schade berokkende, dan deze, als hij bewijst in het geheel niet nalatig en niet medepligtig te zijn geweest.

Omtrent den staat waarin het goed weder moet worden afgeleverd en de vergoeding, waar dit niet kan, waarbij men heeft te letten op de goede of kwade trouw, gelden de regels van het gewone regt (364). Men zie daarover mijn Bezitregt hiz. 391 en vlg. Daarbij komen ook bijzonder in aanmerking de erfdienstbaarheden, zakelijke regten en hypothecair verband, door den tweeden en derden bezitter op het goed gelegd. De regel is, dat het goed onbezwaard moet worden teruggegeven; maar indien de bezitters daartoe niet bij magte zijn, zal ook omtrent den hypotheekhouder moeten gelden, wat voor den derden bezitter zelf geldt. Indien van medebewustheid in het gebrek van den titel of nalatigheid in onderzoek blijkt, zal de regter zijne regten, als verkregen door iemand, van wieu hij had kunnen en moeten weten, dat hij daartoe ongeregtigd was, vervallen moeten verklaren ; maar indien hij bewijst, ter goeder trouw en met de gewone voor-zigtiglieid te hebben gehandeld, vervalt daarvoor alle grond.

Nog verdient opmerking, dat art. 1485 B. W., evenals art. 1117 Code de vernietiging ook toelaat wegens dwaling. Dat is de dwaling, zonder dat blijkt van bedrog, die volgens art. 1110 Code en 1358 B. W. alleen in twee gevallen is toegelüteu, dat is ingeval eene overeenkomst, b v. van huur van diensten, aanneming van werk of verhuring, alleen met

(264) Het spreekt van zelf, dat hij, die de vernietiging vraagt,, evenals bij onbekwaamheid, volgens art. 1487 en 1488, in rekening rr:oet brengen de voordeden, die hij uit het vernietigde contract genoten heeft.

ocr page 339

het oog op een bepaald persoon is aangegaan, en omtrent dezen dwaling heeft bestaan, en indien er dwaling heeft bestaan omtrent de zelfstandigheid der zaak, die het voorwerp van de overeenkomst was Men boude bierbij in het oog, dat bij verschil van zelfstandigheid, moet worden gelet op het onderscheid, dat daaromtrent in het maatschappelijk verkeer en in den handel gemaakt wordt. Dit is duidelijk uitgesproken in de bekende 1. 45 der Contr. Emt. (18.1), alwaar het geval besproken wordt, dat een koopman oude, weder opgemaakte, kleederen als nieuw verkocht had. hetgeen bij de kostbaarheid der grondstoffen van kleederen in den ouden tijd waarschijnlijk veelvuldig kon voorkomen. Had hij dit desbewust gedaan, dan was hij wegens het bedrog tot schadevergoeding gehouden. Had de verkooper onwetend gehandeld, dan moest hij in plaats van de werkelijk oude, gedragen, kleederen nieuwe leveren. Hij was daartoe evenzeer gehouden als de koopman, die een gemengd koperen voorwerp voor goud verkocht had (265). De verbindtenis tot levering van nieuwe kleederen of gouden voorwerpen kan natuurlijk alleen gelden bij soortverkoop, venditio generis ; waar het bepaalde voorwerpen, als nieuw verkochte bepaaldelijk aangewezen kleederen, of een vertoond als goud verkocht voorwerp gold, was de verkoop nietig. Dit is uitgesproken in 1. 9 § 2 fi. de contr. emt. (18.1), alwaar de verkoop van een vat azijn, van koper, van lood of een op zilver gelijkend mengsel, dat verkocht is als wijn, goud of zilver, nietig verklaard wordt. Opmerkelijk is in deze wet bet verschil, dat de handel maakte tusschen wijn en azijn, voor zooverre men het druivennat van het begin af de bewerking had laten ondergaan, om tot azijn te worden. De grens daarentegen tusschen slechten, gedeeltelijk verzuurden, wijn en geheel tot

(265) «Labeo libro posteriorum scribit, si vestimenta interpoia pro «no vis eraerit, Trebatio placere, ita emtori praestandum quod interest, »si ignorans interpoia emerit, quam sententiam et Pomponius probat; ))in qua et Julianus est, qui ait, si quidem ignorabat venditor, ipsiusrei »nomine teneri: si sciebat, etiam damni, quod ex eo contingit; quern »adinodum si vas aurichalcum pro auro vendidisset ignorans, tenetur, »ut aurum, quod vendidit, tradat.quot;

ocr page 340

— 808 —

azijn verzuurden wijn kan de handel niet aangeven (266), Bij koop en verkoop en in het algemeen bij overeenkomsten moet men zich omtrent de beteekenis van de in de overeenkomst genoemde goederen houden aan de gewone beteekenis der woorden in den handel en het daar algemeen gemaakte verschil in beteekenis. Dit belet natuurlijk niet, dat de kooper of contractant, gelijk zeer dikwijls voorkomt, omtrent de hoedanigheid van de goederen een bepaald beding en voorwaarde kan maken en bij koop van een bepaald voorwerp daaraan de ontbindende voorwaarde kan verbinden, dat het voorwerp aan het bepaalde vereischte der hoedanigheid voldoen moet. Ontbindende voorwaarden in overeenkomsten zijn niet aan bepaalde vormen gebonden Uit de verschillende omschrijvingen en clausules over een geschreven contracten uit voorafgaande briefwisselingen en besprekingen, ook in verband met plaatselijke gebruiken, zal de regter moeten beoordeelen, of de koop van zulk eene voorwaarde al of niet afhankelijk is gesteld (267) Bij overeenkomsten over onroe-

(266) Inde quaeritur, si in ipso corpore non erratur, sed in substantia «error sit. ut puta si acetum pro vino veneat, aes pro auro, vel plum-flbum pro argento, vel aliud quid argento simile, an emtio venóitio sit. «Marcellus scripsit libro 6 Digestomm, emptionem esse et venditionem. «quia in corpus consensum est; etsi in materia sit erratum. Ego in )gt;vino quidem consentio, quia eadem prope ovaia, id est, substantia, »est; si modo vinum non acuit, sed ab initio acetum fuit, etembamma «id est, intinctus, aliud pro alio venisse videtur. In caeteris autem nullam «esse venditionem puto, quotiens in materia erratur.quot;

(267) Van alle voorwaarden en daaronder ook die, welke met de beweegreden. het motief der partij, die zich verbindt, in verband staan, kan de verbindtenis afhankelijk worden gesteld. Zoo kan b.v. Je leverancier. die op bepaalden tijd aan het Ministerie van Oorlog leveren moet, door het berigt van het vergaan zijner schepen tot koopen of huren van andere schepen worden geleid. Hij kan zijne verbindtenis uitdrukkelijk afhankelijk stellen van de bevestiging van het berigt; maaide vermelding van zijn motief in het schriftelijk contract kan met andere uitdrukkingen in dat contract den regter er ook toe leiden, om aan te nemen, dat het contract die voorwaarde, al komt dat woord er niet voor, werkelijk bevat. — In mondeling ol bij brieven gesloten overeenkomsten zal men aan de vermelding van het motief, die in den regel alleen dient tot inleiding van de vraag, geen gewicht hechten. In het formeel»\' schriftelijke contract is althans bij ons de vermelding

ocr page 341

— 309 —

rende goederen, die meestal zeer be|)aald worden aanserezen, en waarhij men weinig gewoon is voor de hoedanigheid in te staan, zal eene dergelijke dvcaling minder voorkomen ; maar zij is toch mogelijk bv. in een verkoop, waarbij eenige hectaren gronds, als weide of bosch of veengrond zijn verkocht, terwijl het meerendeels niets dan kale of dorre zandstuiving was.

Bij vernietiging wegens dwaling zij men bijzonder bedacht, niet toepasselijk te achten wat Goudsmit in § 118 zegt van de Romeinsche restitutio erroris causa, dat zij namelijk altijd in rem was. Dat zag alleen op twee in het Romeinsche regt voorkomende, bij ons niet bestaande gevallen, door GouDsmr in § 114 medegedeeld. Bij overeenkomsten kan de eenvoudige dwaling, die niet veroorzaakt is door bedrog van de tegenpartij, geene strengere gevolgen hebben dan de dwaling door bedrog veroorzaakt, die geen gevolg tegen derden kan hebben.

Goudsmit voert in § 114 aan. dat men zich bij de restitutio erroris causa tot slechts enkele gevallen schijnt te hebben bepaald, wat naauw zamenhangt met het beginsel, dat dwaling bij regtshandelingen in het geheel niet, of in zeer matigen omvang in aanmerking komt Burchardi, die in zijne Tjehre. der IVieilereintseUung het tegendeel had aangenomen, is op dit gevoelen teruggekomen in zijn Syst. des Röm. VrimtrechU 1 § 88. Ook volgens hem kan men voor liet Romeinsche regt dwaling niet als algemeenen grond (zooals dolns en m.etux) voor herstelverleening aannemen Daarmede stemt overeen, dat in de pandecten geen afzonderlijke titel van restitutio ob jnstum errorem voorkomt, terwijl de enkele gevallen, waarin deze voorKomt, uitsluitend betrekking hebben op procesregt of steunen op Keizerlijke constitutiën voor enkele

van het motief minder gewoon en zal men daarin reeds een begin van bewijs vinden kunnen, dat eene voorwaarde bedoeld werd. welk vermoeden door andere aanwijzingen kan versterkt of opgeheven worden. Dat is ook de regel voor het geval bij Potiiier, Traité des Obi. I, 1. No. 20 omtrent den koop van paarden, omdat men berigt heeft gekregen, dat zijne paarden omgekomen zijn.

ocr page 342

gevallen, die onnoodig zonden zijn geweest, indien er eene algemeene restitutio erroris causa gebruikelijk was geweest. Het kan de aandacht niet ontgaan, dat er bij de wetten over den error in substantia, die wij behandelden geenszins spraak is van eene restitutio tegen eene bestaande verbindtenis, noch van eene exceptie daartegen, maar enkel van het niet bestaan van de overeenstemming, die voor koop en elk consensuëel contract noodzakelijk was. Het was een ander geval, indien het eene stipulatie gold. Indien het voorwerp van den handel bij stipulatie door den kooper voor goud gehouden werd, maar werkelijk van koper was. dan bestond er een contract, omdat men overeengekomen was over het voorwerp; maar Pauujs laat daartegen in 1.22 De V. O. (45.]) de exceptio doli toe, voor zoover de verkooper den kooper bedrogen had (268). Het is niet aan twijfel onderhevig, dat de kooper zich in elk geval bij eene dergelijke stipulatie kan vrijwaren, om niet gebonden te zijn, wanneer het koper was. indien hij deze voorwaarde aan zijne verbindtenis verbond. Waar in zulk een formeel contract, welks vormen men koos, om van de meerdere onzekerheid van het gewone koopcontract en de geschillen, die daaruit konden ontstaan, af te zijn, dergelijke voorwaarde niet gemaakt was, volgde uit het nalaten daarvan, dat men moest aannemen, dat de partijen den koop en verkoop gewild hadden, van welke stof het naar uiterlijk aanzien gouden voorwerp ook zijn mogt. Deze gevolgtrekking sloot natuurlijk de exceptio doli niet uit. Men zie niet voorbij, dat het voor gewone voorwerpen van gebruik of van sieraad in den handel een groot verschil maakt, of het van edel metaal of nagemaakt is; maar dat de zelfstandigheid, de stof. waaruit een bijzonder kunstwerk of een historisch voorwerp vervaardigd is, dikwijls betrekkelijk weinig tot de waarde afdoet. Op zulk een geval moet de wet van Paui.us betrekking hebben gehad. Indien door buitengewone omstandigheden een klomp onbewerkt of ruw bewerkt koper voor goud was gehouden en

(268) j»Si id quod aurum putabam, cum aes esset. stipulatus de te fuero. «teneberis aeris hujus nomine: quoniam in corpore consenserimus. Sed xex doli mali clausula tecum a gam, si sciens me fefelleris.quot;

ocr page 343

— 3il —

lie bezitter dit, onkundig van den wnren aard der stof, als goud en onder dien naam bij stipulatie verhandeld had, dan bevat deze wet geenszins de beslissing, dat den kooper geene exceptie tegen die stipulatie ten dienste kan staan. Indien hij bij gewoon pactum een stuk land had overgedragen, om den klomp goud te ontvangen, dan zou hij, nadat was gebleken, dat de klom]) geen goud, maar koper was, door hem de condictio sine causa kunnen zijn ingesteld. Hij had in dat geval overgedragen, om den klomp goud te ontvangen, en dit vermeende voorwerp bestond in werkelijkheid niet. Neemt men dit aan, dan zou ook condictio sine causa tegen de stipulatie moeten gelden, in zoover niet moest worden aangenomen, dat de overeenkomst der partijen over den prijs moest worden gehandhaafd, terwijl de stipulatievorm zonder voorwaarde, niettegenstaande dwaling in de zelfstandigheid, elk vermoeden van eene van den aard der stof afhankelijk gestelde toestemming uitsloot.

In het tegenwoordige regt zal men wl niet datzelfde overwegende gewigt aan den vorm eener schriftelijke akte kunnen hechten; maar toch zou men vooral bij een in authentieken vorm gedanen afstand van een beroemd kunstwerk uit dezen vorm in verband met den inhoud der akte en den aard van net kunstwerk bij de vrijere uitlegging van overeenkomsten al ligt kunnen opmaken, dat bij zulk een afstand en aankoop van het gouden of zilveren voorwerp b.v. van den gouden beker van CoaNEUs de Witt of van den zilveren beker van Vere (als deze verkocht kon worden) de toestemming tot den prijs was gegeven, onafhankelijk van de stof, waaruit het kunstwerk bestond; zoodat men niet ligt aan den kooper, die berouw kreeg, zijn vordering tot nietigverklaring zou toekennen. indien het blijken mogt, dat het goud of zilver in deze voorwerpen zoodanig vermengd was, dat men het niet als echt goud of zilver zou kunnen aanmerken, al bevat ook de akte niet den uitdrukkelijken afstand van het middel van art. J485.

Met het andere geval, waarbij art. 1358 de dwaling, als grond van nietigheid toelaat, dat er namelijk dwaling is in

21

ocr page 344

— 312 —

don persoon, met wien men uit aanmerking van zijne persoonlijke hoedanigheden de verbiudtenis aangaat zooals het meest voorkomt bij huur van dienst (i69), aanbestedingen, lastgeving, enz. ging men er ook steeds van uit, dat er geene overeenkomst was tot stand gekomen. Bij verhuring van goederen is het evenzoo. Ook daar heeft men niet te denken aan eene restitutio. In die gevallen knn er wel eene uiterlijk bestaande overeenstemming zijn, maar deze bestaat, wegens de dwaling, die er aan ten grondslag lag, regtens niet en staat dus gelijk met het geval,

(260) Op velerlei wijzen kan daarin dwaling voorkomen, waarbij in de eerste plaats de vraag moet gedaan worden, of van het bestaan der dwaling op eenigerlei wijze was gebleken tegenover de partij, en of bij gewone voorzigtigheid daarvan had moeten blijken- Zoo zal, waar gelijkheid in namen bestaat van personen, aan wie eene bestelling gedaan wordt, het beroep beslissend kunnen zijn. Bij gelijkheid van namen van een kleedermaker en een smid, zal de kleedermaker, al moge hij ook eene leverantie van kagchels kunnen uitvoeren, geacht moeten worden te hebben kunnen nagaan, dat men zonder buitengewone omstandigheden bij hem geene kagchels bestellen zou en zal derhalve hij, die de bestelling deed, gemakkelijk slagen in het bewijs, dat er tusschen hem en den kleeder--maker door een verkeerd bezorgden bi ief geene regtsgeldige overeenkomst was ontstaan. Zijn er twee kleedermakers van denzelfden naam, dan zal, wanneer No. 1 aan de bestelling voldaan heeft, het bewijs niet baten, dat men bij de afzending eigenlijk aan No. 2 gedacht had.

Deze niet kenbaar gemaakte gedachte zou niet baten tegen de daartegenover staande tot een ander gerichte verklaring.

Datzelfde moet ook gelden bij het druk besproken geval der vergissing in de afzending van een brief vanwege een impresario aan Caulotta Patti, waarmede Adeline Patti bedoeld was, waarover men zie W. Modderman, Wil en Vertrouwen, blz. 27, en J. F. Houwing, Dwaliny in overeenkomsten, blz. 54. Kon en moest in alle dergelijke gevallen met gewone voorzigtigheid aan de geadresseerde zijn gebleken, dat werkelijk eene andere bedoeld was, dan zal liet beroep op dwaling kunnen baten. Kon zij dat noch uit den vorm, noch uit den inhoud van de tot haar gerigte brieven opmaken of vermoeden, dan zaljj den impressario geen beroep op bedoeling van een anderen persoon kunnen baten. Het regt let op de uitdrukking der gedachten en kan zich niet inlaten met hetgeen daarbij toevallig kan gedacht zijn. Dit geldt voor de beide gevallen, die Houwing hier onderscheidt. — De taak van den regter is hier belangrijk. Hij moet waken, dat zijne uitspraak aan de eene zijde geen voet geeft aan de uitvlugten van iemand, die zich onttrekken wil aan misschien onbedachtzaam aangegane overeenkomsten, en dat hij aan den anderen kant de pogingen niet bevordere, om winstbejag te maken uit misverstand.

ocr page 345

dat er in het geheel geene verbindtenis uit overeenkomst bestond. Toch kan er bi) dwaling iu den naam eene schriftelijke akte bestaan, die al de uiterlijke vereischten eener schriftelijke verbindtenis schijnt te bevatten, waartegen in dat geval de regtsvordering tot nietigverklaring noodzakelijk is.

Men heeft met eene vermeende restitutio erroris causa meermalen het bekende rescript van Dioci.etianüs in 1. 2 Cod. de res. vend. (4.44.) in veraand willen brengen. Dit rescript, waarover wij later handelen, kan oorspronkelijk in eenig verband hebben gestaan met de restitutio ex causa doli, in zoover de benadeeling voor meer dan de helft alleen en op üich zelve kan zijn aangenomen als bewijs, dat de verkooper misleid was of dat misbruik was gemaakt van vrees voor buitengewone moeije-lijkheden, zooals ook Burchakdi, S/jst. II § 258, noot 15, schijnt aan te nemen. Als men let op den omvang van liet middel om tot nietigverklaring te geraken, is er wel eenige bedenking, om met Poïhiek, Traité, 1 ch. 1 No. 17 in te stemmen ; //que Terreur est le plus grand vice des conventions.quot; Bij de aanhaling van den regel in 1. 116 § 2 ff De lieg. Jur. (50.17): dat zij, die dwalen, moeten geacht worden 7iiet toe te stemmen (2fi9), dient men voorzigtigheidshalve de opmerking te voegen, dat een groot tal van dwalingen bij liet aangaan van verbiudtenisseu kan begaan worden, waarvoor geene nietigverklaring kan plaats hebben.

Onder de tweede categorie valt de nietigheid wegens onbekwaamheid der personen, die de overeenkomst sloten. In het algemeen wordt er voor het geven van toestemming vereischt het bestaan van een wil, die door het verstand kan geleid worden (270). Die wil ontbreekt bij minderjarigen, krankzinnigen en in het algemeen bij allen, wier vermogens of wier zelfbeheersohing te zwak zijn (zooals bij verkwisters en bij ben, die wegens zwakheid van vermogens onder curatele gesteld werden), om zelf voor hunne belangen te waken. Daar de wet de gehuwde vrouw beschouwt als het passief lid

^269) wNon videntur, qui errant, consentire.quot;

(270) Verglijk mijn Bezitreyt bl. 23.

ocr page 346

— 314 —

der goederengemeenschap, ontzegt zij bij art. Ifi3 B. W. (271) aan de gehuwde vrouw ook het regt, om zonder magtiging van haren echtgenoot verbindtenissen aan te gaan, huiten die welke tot de dagelijksche uitgaven voor de huishouding behooren.

Hebben de minderjarige of de onder curatele gestelde, alsmede de gehuwde vrouw of de meerderjarig-verklaarde buiten den kring hunner bevoegdheid, eene overeenkomst aangegaan, dan is deze overeenkomst van regtswege nietig en kan als zoodanig nietig verklaard worden volgens art. 1483 B. W.

Op dezelfde gronden zal ook de nietigheid kunnen gevraagd worden van vervreemding van onroerend goed, die wel met medewerking van- of door- den voogd of curator, maar zonder behoorlijke magtiging van den regter gesloten werd. Ook in deze gevallen heeft de verkoop plaats door een onbevoegde; want de voogd en de curator hebben wel volgens de wet het regt van beheer, maar niet van vervreemding van de goederen van den minderjarige of onder curatele gestelde. Het laatste regt is hun bij art. 451 B. VV. uitdrukkelijk ontzegd. Zij vallen daardoor onder de personen, aan welke de wet het aangaan van zekere overeenkomsten verboden heeft, die bij art. 1366 B. W. onbekwaam verklaard worden, om die oveaeenkomsten aan te gaan, zoodat de nietigverklaring volgens art. 1482 B. W. ook daarvoor kan worden gevraagd. Deze bepaling is afkomstig uit het Romeinsche regt In den Keizerstijd zijn daarover herhaaldelijk constitution gegeven, waarbij niet alleen de vervreemding van onroerende, maar ook van roerende goederen van eenig belang, zonder magtiging van den Praetor verboden werd.

Men zie de titels van de pandecten de rebus eorum, qui suh tutela sunt, sine decrelo non alienandis vel sv.pponmdis (27 9) en van den Codex de Praediis et aliis rebus minorum. sine decreto non alienandis vel obligandis en Quando decrelo opus non est (5, 71 en 72). De grondslag voor het latere

(271) Alleen voor de gewone en dagelijksche uitgaven der huishou-ding, waarbij de wet de bewilliging van den man onderstelt, is hierop uitzondering gemaakt.

ocr page 347

Rorneinsche regt was de constitutie vau 326 vau Oünstan-tinüs (1. 22 Cud. De adm. tut. 5.37), waarbij vroegere bepalingen, bepaaldelijk over de verpligtiugen tot verkoop van roerende goederen en erven in steden, werden opgeheven (272). Volgens deze constitutie moesten alle roerende en onroerende goederen in den boedel blijven, tenzij tot vervreemding mag-tiging werd gegeven door den Praetor. Alleen tot verkoop van oude kleederec en overtollige dieren was de voogd uit eigen hoofde bevoegd. Bij eene constitutie van Justisianus van 531 (1. 49 God. de adm. tut.) werd deze laatste bevoegdheid uitgebreid tot de in den boedel voorhanden vruchten van landgoederen.

Deze Romeinschregtelijke bepalingen zijn. althans in hoofdbeginselen, in het latere regt overgegaan. Met het Germaansche regt, dat in het algemeen ongeschonden bewaring van het familiegoed tot pligt stelde (273), niet in strijd, werden deze bepalingen, althans in hoofdbeginselen, in Frankrijk steeds nageleefd. Men zie Automne, Gonfërences du droit Franpais avec le droit Romain, op dezen titel van den Godex. Ook Groene-wegen, op denzelfden titel, vermeldt die bepalingen onder de nog bestaande, evenals Grotius, fnl. 1.8 § 6, en Voet, op den bovengenoemden titel der pandecten zich daarop beroepen. Art. 457 van den Gode Givil en art. 451 B. W. namen dus ten deze op, wat in de practijk steeds had gegolden als algemeen Europeesch regt, volgens hetwelk de Regering steeds toezigt oefent op elke voogdij en curatele, en als zoodanig geacht moet worden, een regt van oppervoogdij te bezitten (274).

(272) Men zie over de Rorneinsche voogdij administratie inzonderheid Keller, Pandecten § 431—434.

(273) L. LJurg. 85.3 cNec ei liceat exirille quidquam evertere vel alienare.quot; SaJisenspiegel landr. 1.23 §1, »Svan de sone binnen iren jaren sin, ir «eldeste evenbürdige svertmach nirot dat herwede al ene, nnde is der »kindere vormunde daran, wante se to iren jaren kornet, so sal he in »wedergeven dar to al ir gut: he ne kunne se bereden, wan he\'t in were bederf verdan hebbe, oder it im rofelike oder van ongelucke unde sane sine scnlt geloset si.quot;

(274j De voogdij was in het oude Germaansche regt de pligt van den naasten bloedverwant, zonder dal daarvoor de administratie naauw-

ocr page 348

— 316 —

De vervreemding zonder magtiging, dat is zonder de voorwaarde, die den voogd of curator bevoegd maakt, gedaan, is nietig, omdat zij door een onbevoegde gedaan wordt. Het Romeinsche regt bevat daarover talrijke uitspraken, onder andere L. 3 Cod. Si quis ign. rem min. (5.73) quot;Possessiones \'/tuae rusticae, vel suburbanae sine cognitione causae et inter-\'/positione decreti contra senatus consultum alienatae, nee a quot;secundo emtore recte tenentur, nisi statutum temporis spa-»tinm intercesserit (d. i. vijf jaren na de meerderjarigheid of voor de erven na iiet overlijden van den minderjarige). 1. 3 Bod. //Si contra amplissimi ordinis decretnm possessiones //tuae distractae sunt, conveni eunira possessorem, et (si ita //probaveris gesturn), et possessio retraliatur, et fructus uni-\'/versi revocentur, si non bona tide emtorem fuisse, qui \'/emit, constiterit1. 11 Cod. de Praed. et aliis reb. min. (5.71) //Si quidem sine decreto minor annis patronus quot;tuus rusticum praedium venundedit; supervacuum est de //vili pretio tractare, cum senatus consulti auctoritas retento quot;dominio alienandi viam obstruxerit. 1. 15 Eod. //Si minor »25 annis praedium rusticum, cum aliud deberes. sine decreto quot;in solutum dedisti; dominium a te disoedere non permittit \'/senatusconsulti auctoritas.quot; Dat hetzelfde voor het tegenwoordige regt geldt, kan niet alleen worden afgeleid uit het Romeinsche regtstelsel, dat de grondslag is, maar volgt ook uit den aard van het regt, omdat verkoop en vervreemding van onroerend goed door een onbevoegde nietig is (275).

keurig geregeld was. Hoewel reeds in het Langobardische regt bepalingen voorkomen, dat in geval van nood van de goederen van minderjarigen met magtiging van den regter verkocht kon worden en met \'s regters tusschenkomst een gemeenschappelijke boedel verdeeld en een ged.ng tegen minderjarigen gevoerd kon worden, lex Luitpr. 6.9(5, 20 en 21, heeft zich het begrip der oppervoogdij van de Landsregering eerst in het nieuwe regt ontwikkeld, terwijl het Rom. regt invloed oefende. Dat begrip is in zijn vollen omvang eerst in het nieuwe regt opgekomen, gelijk Keller, gt;5 453, teregt opmerkt; maar de gewigtigste punten van het oppertoezigt bestonden toch reeds in het latere Romeinsche regt. Men zie over Duitsch-land inzonderheid W. Tn. Kr alt, Vormandschaft. Göttungen 1847, II, § 55 en 56 alsmede deel I § 0 en 10.

(275) De verkoop door oen lasthebber, die gemagtigd is tot alle daden

ocr page 349

— yi? —

Volgens art. 1484 B. \\V. is alleen de verbindteuis, die duur ■ !en voogd of curator binnen de grenzen zijner bevoegdheid onder de vereischte formaliteiten is aangegaan, voor den minderjarige of onder curatele gestelde verbindend.

Waar die voorwaarden voor de regtsgeldigheid niet bestaan, zijn de door hen gesloten overeenkomsten niet verbindend. Het is de verkoop van eens anders goed door iemand, die daartoe niet bevoegd is.

De actie tot vernietiging van den verkoop van onroerend goed kan tegen eiken houder worden ingesteld. Dit volgt niet enkel uit de bewoording van art. 1482 B. W., dat de verbindtenissen door minderjarigen en onder curatele gestelden van regtswege nietig zijn, waaraan men moeijelijk zulk een gewigt kan toeschrijven, gelijk wij op bi. 302 hebben opgemerkt, omdat volgens art, 1487 toch eene nietigverklaring gevorderd wordt en deze nietigverklaring bij art. 1483 —1492 evenzeer toepasselijk verklaard wordt bij handelingen, waarvan volgens art. 1485 wegens geweld, dwaling of bedrog vernietiging kan gevorderd worden. Men heeft echter ook hier te letten op de beginselen, in de Romeinsche regts-practijk gevolgd, en daar zagen wij, dat de restitutio tegen vervreemding van goederen van minderjarigen ook tegen derden werd verleend, zelfs ingeval zij onbewust waren van de fout in den titel van hun voorganger. Daarenboven kon in het Romeinsche regt ook de gewone actio in reu tegen den derden bezitter worden ingesteld, zooals in de op blz. 298 aangehaalde 1. 13 § 1 11\'. De Min. is uitgesproken. !)at was de vindicatie, waartegen de akte van vervreemding door de minderjarige niet kon worden opgeworpen, omdat daartegen ook incidenteel de nietigveridaring (rescissa alie-natione) overstond.

Bij de invoering van den Code Nap. bestonden beide deze middelen, de gewone actie, en liet auxlliutu extraordinarium der herstelverleening. De Code bragt beide middelen gelijkelijk

van beheer, maar zonder uitdrukkelijke lastgeving tot vervreemding, waarop art. 1833 15. \\V. en \'1088 Cod. Nap. betrekking heeft, is ook nietig krachtens art. 15U7 lï. W. en \'lóOO Cod. Nap.

ocr page 350

— 31« —

over bij den gewonen regter, en liet de nietigverklaring bij gewone actie met de herstel verleening ineenvloeijen. Beide leidden oudtijds tot ontvankelijkheid tegen derden (276). De nietigverklaring van den Code en van ons art. 1482 zal ook tegen derden gelden en dit klemt te meer, terwijl in de aangehaalde constitutiones van den lateren Keizerstijd ook melding gemaakt wordt van teruggaaf door derde bezitters en er steeds van wordt uitgegaan, dat, niettegenstaande vervreemding door de minderjarigen, de eigendom door hen niet is verloren.

De Code Nap. bevat in art. 1338, uitvoerig toegelicht in het Tribunaat, het bewijs, dat de op onregtmatige wijze uit den boedel van den minderjarige ontvreemde goederen, nog altijd gerekend worden daartoe te behooren; daar de bekrachtiging na de meerderjarigheid volgens dat artikel de regten van derden niet kan benadeelen. Zij behouden dus niettegenstaande de bekrachtiging hunne regten op de op onregtmatige wijze vervreemde goederen van den boedel van den minderjarige, omdat deze niettegenstaande die vervreemding regtens in dien boedel zijn gebleven. Dit is in ons art, 1929 overgenomen. Ware het niet uitdrukkelijk bepaald, zou men toch hetzelfde moeten aannemen, omdat het uit de in ons Wetboek aangenomen regtsbeginselen noodzakelijk volgt.

Welke verpligtingen overigens door die handeling voor den kooper ontstaan mogten, de regten van den eigenaar kunnen door zulk een verkoop niet verkort worden.

De voogd moge alzoo in enkele gevallen persoonlijk tot schadevergoeding jegens den kooper gehouden zijn, het eigen-domsregt van den pupil is door den verkoop, die niet aan de eischen der wet voldoet, onaangeroerd gebleven. Het verkochte onroerende goed kan dus na zijne meerderjarigheid

(\'276) In het Italiaansche Wetboek is het tegenovergestelde aangenomen. Art. 1308: nL\'azione di rescissione per causa di lesione non si »puo proporre, ancorchè si tratti di minori, se nei case e sotta le con-wditioni specialmente espresse nelia legge.

»La detta azione, nei casi in cui e ammessa, non produce efletto a «danno dei terzi. iquaii hanno acquistato diritti sngli immobili ante-nrionnente alla trascriszione della domanda di rescissione.quot;

ocr page 351

— 319 —

door den pupil zelf, gedurende zijne minderjarigheid dour zijn voogd, worden teruggevorderd, natuurlijk onder teruggave van \'tgeen hij aan koopprijs genoten heeft. Het kan daarbij geen onderscheid maken, of de verkoop onderhands of in het openbaar hebbe plaats gehad. De uitzondering bij twee arresten van het Fransche Hof van cassatie, 6 Febr. 1827 en 1 Aug. 1838 gemaakt, volgens welke verkoopen van onroerende goederen van minderjarigen zonder regterlijke magtiging werden gehandhaafd, omdat zij in het openbaar, notarieel, hadden plaats gehad en daarom het vermoeden vestigden, dat de werkelijke prijs verkregen was, steunt op geen voldoenden grond. Wel was dit in het Oud-Hollandsche regt volgens Geoïius, Inl. I. 8. § 6, ook zoo beslist door den Hoogen Raad van Holland ; doch deze oefende bij het verkenen van relievement eene vrijere regtsmagt. Volgens het tegenwoordige regt wordt de gegrondheid dezer leer leregt betwijfeld door üai.i.o/., Nouv. Rép. i. v. Minorité No. 550.

De kooper kan schade lijden; maar hij heeft dat in de eerste plaats aan zich zelf te wijten, leder moet toezien of degeen, met wien hij handelt, geregtigd is om te handelen. //Quisque gnarus esse debet conditionis ejus, cum quo agit,quot; is een regel, die steeds toepassing heeft gevonden.

Een opvolgend voogd of de minderjarige zelf na zijne meerderjarigheid kan dus zonder gevaar de vindicatie instellen ; de voor hem bedekt gehouden verkoop door een vroegeren voogd kan aan zijn regt niet schaden (277)

Wat de uitlevering van vruchten en verrekening der kosten betreft, waarover in het Romeinsche regt onderscheiden wetten voorkomen, ten bewijze dat de Keizerlijke constitution dikwijls overtreden zijn, zal zich de Nederlandsche regter hebben te gedragen naar de algemeene regels voor de vindicatie in art. 630—63() B. W. Bij een eisch tot nietigverklaring van een verkoop zal aanbieding behooren te worden gedaan van

(277) Aldus ook A. A. de Pinto, Themis. 1854, bl. 403—445, bijz. 430. — Dat de nietigverklaring alleen in het belang van den minderjarige kan gevorderd worden, wordt ook door Dk Pinto, bl. 413 e. v. aangevoerd.

ocr page 352

— 320 —

den koopprijs, die in den boedel des minderjarigen is overgegaan. In allen gevalle zal de regter op de vordering van den gedaagde daarop moeten letten in zijne veroordeeling. Somtijds zal die vordering in compensatie kunnen komen bij veroordeeling wegens genoten vruchten of vermindering van waarde van het goed door de schuld van den gedaagde. In sommige gevallen zal de regter de uitlevering van het onroerend goed van de terugbetaling van den kooper afhankelijk kunnen stellen. De verpligting tot teruggaaf van den prijs staat immers met die tot teruggaaf van het goed in het naauwste verband. Terugvordering van verkocht goed zonder den ontvangen koopprijs te willen teruggeven, ware een daad van kwade trouw, waartegen de regter binnen de grenzen der wet bij zijne uitspraak behoort te waken Mocht de teruggaaf van het goed zonder teruggaaf van den koopprijs hebben plaats gehad, dan heeft de kooper eene regts-vordering tot teruggaaf van den alzoo onverschuldigd betaalden koopprijs.

Het boven gezegde, dat het verkochte goed van elk houder kan worden teruggevorderd, heeft alleen betrekking op jnroe-rende goederen, waaromtrent het Romeinsche regt onveranderd kan gelden. De toelaatbaarheid der actie tegen derden wordt voor roerende goederen uitgesloten door den regel van het tegenwoordig Europeesch regt. dat het bezit geldt voor volkomen titel, opgenomen in art. 2014 B. W. Daardoor wordt lie vindicatie uitgesloten, behalve in de uitgezonderde gevallen van diefstal en verlies, waarvan hij verkoop door den curator geene spraak is. Wel verklaart art. 451 B. W. (278) den voogd en den curator (art. 506) evenzeer onbevoegd tot vervreemding der effecten, schuldvorderingen en actiën van den minderjarige of onder curatele gestelde, als tot vervreemding van zijn onroerend goed; maar de verkoop van effecten aan toonder heeft daarom niet dezelfde regtsgevolgen. Wel zal tegen de handelende partijen de nietigverklaring van den verkoop kunnen worden gevorderd, voor zoover de kooper

(278) Art. 457 Cod. Nap. beperkt dat vereischte der regterlijke mag-tiging tot den verkoop van onroerende goederen.

ocr page 353

heeft gekocht van den voogd of curator in die hoedanigheid en zou, ingeval de effecten nog onder hem berustten, de teruggaaf kunnen worden gevorderd; maar dat de Vioper met een voogd of curator in die hoedanigheid handelde, zal gewoonlijk niet het geval en althans zeer zelden te. bewijzen zijn. Heeft hij met hen gehandeld in hun privé en van hen de effecten van den minderjarige of onder curatele gestelde ontvangen, dan is de verkoop op zich zelf eene geldige handeling en staat art. 2014 B. W. aan de terugvordering namens den minderjarige of onder curatele gestelde in den weg.

Behalve in buitengewone gevallen, indien b. v. nog geene levering heeft plaats gehad, of bewijsbaar is, dat de kooper wist dat hij effecten van een minderjarige of onder curatele gestelde kocht en de effecten nog onder zich heeft of wegens kwade trouw tot vergoeding verpligt is, zal voor roerende goederen de nietigverklaring geen ander gevolg hebben, dan dat de voogd tot vergoeding van de schade aansprakelijk is.

Verhaal van de schade heeft de minderjarige of onder curatele gestelde bij verkoop van onroerende goederen ook. Heeft hij vergoeding van den voogd of curator ontvangen, dan ligt hierin eene bekrachtiging, waardoor de actie tot nietigverklaring volgens art. 1492 B. W. vervalt.

Het derde vereischte voor de regtsgeldigheid der verhind-tenis is, volgens art. 1108 God. Nap., dat zij een bepaald object hebben, wat in ons art. 1356 wordt uitgedrukt door het onderwerp der overeenkomst. Op dit voorwerp moet de wil van den schuldenaar met dien van den schuldeischer zamenvallen. Indien de een spreekt of schrijft over het eene huis of het eene stuk land en de ander over een ander, dan ontmoeten zij elkander niet en er is dus geen overeenstemming (279V

(270) 1. 137 § 1 tV. ilc V. U. )gt;S! hominem stipulatus sum, et ego de walio sensero, tn de alio; nihil actum erit, nam stipulatie ex utriusque «consensu perficitur.quot; — Bij onroerende goederen kan het met nnder-handschen verkoop wel voorkomen. Bij openbaren verkoop is het iiioeijelijk aan te nemen. De perceelen worden dan met opgaaf van kadasternommer en belending naauwkeurig omschreven en ieder, die bieden wil, moet zorgen, dat hij deze perceelen, die hij dan ook steeds ver-

ocr page 354

- 322 —

Zoo is het ook met den prijs (280), indien de verkooper zegt te verkoopen voor 12 en de kooper aan te nemen voor 10 duizend gld., ontmoeten zij elkander niet: omgekeerd wel, indien de verkooper aanbood voor 10 duizend en de kooper aannam voor 12 duizend, want dan heeft de verkooper ook aanneming verkregen op zijn bod van 10 duizend. Men kan deze gevallen, en zoo deed Pothier in No. 17, brengen tot dwaling, gelijk ook Ulpianus in 1. 9 ff. de Contr. Emt. (18.1) dit geval behandelde tegelijk met den error in substantia. (281). Waar echter, zooals in het Fransche en het

moed wordt te kennen, vooraf nagaat. Vergist hij zich, zooals in het geval, waarover de Arr.-Regtb. te Amsterdam bij vonnis van 18 Jan. 1880 VT. v. h. R. Xo. 4683 besliste, dat de kooper afgaande op een No., hetwelk door een ver-wer bij vergissing op een naburig huis geplaatst was, een ander huis bedoelde, dan hetgeen in veiling was, dan heeft hij de gevolgen van dit misverstand zelf te dragen en kan er geene spraak zijn van vernietiging, zooals ook Mr. J. P. Moltzer, Handelingen Jur. i8891 bl. 177 schijnt aan te nemen, terwijl daarbij ook niet kan zijn gedacht aan vernietiging wegens dwaling, in eigenlijken zin, zooals Mr. J. F. Houwing, Dwaling, op bl. 52, 53 aanvoert. Aan dwaling in oneigenlijken zin, zooals Opzoomer het noemt, dat is, gebrek aan overeenstemming omtrent het voorwerp, waaraan Mr. Houwing, bl. 53, schijnt te denken, kon hier m. i. geene spraak zijn, tenzij de kooper zijn bod uitdrukkelijk afhankelijk had gesteld van de identiteit met het door hem bedoelde huis, wat wel niet zal hebben plaats gehad.

(280) De vragen over het al of niet bepaalde van den prijs is door mij behandeld in Themis 1855, bl. 572—610.

(281) «In venditionibus et emtionibus consensum debere intercedere «palam est: Caeterum sive in ipsa emtione dissentiant, sive in pretio sive »in quo alio, emptio imperfecta est. Si igitur ego me fundum emere »putarem Cornelianum, tu mihi te vendere Sempronianum putasti, quia «in corpore dissensimus, emptio nulla est. Idem est. si ego meStichum »emere. tu Pamphilum absentem vendere putasti. § 4 Si in nomine wdissentiamus, verum de corpore non dissentiatur, nulla dubitatio est, «qiiin valeat emtio et venditio: nihil enim facit error nomin.s, cum »de corpore constat.quot;quot; Het laatste gold ook algemeen bij stipulation. Men zie 1. 32 en 1. 136 pr. de V. O. (45.1) — Om uitvlugten van den pro-missor te voorkomen, oordeelt Paulus, 1. 83 § 1 Eod, dat vooral zal moeten gelet worden op hetgeen de actor bedoeld had. Op den voorgrond moet echter altijd staan, dat de regter heeft te letten op de uitgedrukte bedoeling. Is de uitdrukking gebrekkig, dan is er geene overeenkomst. Het gevoelen van Paulus kan eenigen steun vinden in den vorm dei-stipulatie, waarbij de actor begon met de vraag en de promissor vermoed kon worden, daarmede in te stemmen.quot;

ocr page 355

— 323 —

Nederlandsche Wetboek een afzonderlijk vereisehte voor de bepaaldheid van het voorwerp gesteld wordt, is het eigenaardig, dat de onbepaaldheid van het voorwerp als gemis van dat vereisehte wordt aangemerkt. Daaronder wordt het ook gebragt door Keller, Pand. § 223, die hierin liet gebrek 7,iet, dat het object (die Leistung) niet volgens de begrippen van het verkeer met voldoende zekerheid is aangewezen.

Dit vereisehte van stellige bepaling van het voorwerp geldt natuurlijk evenzeer bij elke verbindtrnis om iets te doen of iets na te laten. Indien b.v. de een heeft bedongen, dat de ander in eene aangewezen woning volstrekt geene winkelnering zou uitoefenen en de ander zich verbonden verklaard heeft, aldaar de winkelnering, die er vroeger werd geoefend, d. i. éene bepaalde soort van winkelnering, niet te zullen drijven, dan is er geene verbindtenis, of indien iemand verklaart een geheel werk voor eene bepaalde som aan te besteden en de aannemer verklaard heeft voor die som een deel van het werk te zullen uitvoeren.

Behalve deze vereiscliten zijn er nog andere betreflende het voorwerp. Bestaat dit in zaken, dan moeten deze in den handel zijn en in art. 1599 Code Nap en in ons art. 1507 betreffende verkoop van een zeker bepaald voorwerp is het vereisehte gesteld, dat deze zaak aan den ver-kooper toebehoort. Dit werd aangenomen in strijd met het Romeinsche regt, waar de regel gold, dat er ook verkoop van eens anders goed kon plaats hebben (282) In het Tribunaat was daarover een hevige strijd. Zoo groot als op het eerste gezigt wel schijnt, is het verschil niet. Volgens

(282) 1. 28 ü\'. «Ie Contr. emt. «Rem alieuam distrahere quern posse, «nulla dubitatio est: nam emptio est et venditio: sed res emptor! auferri rtpotest.\'quot;

Het Pruissische Landregt I lit. 4 § iC—50 verklaart den verkoop van eens anders goed geldig, in zoover daarin de verpligting ligt opgesloten, om den eigenaar tot afstand over te halen; terwijl de verkooper alleen tot schadevergoeding gehouden is, indien hij daarvoor heeft ingestaan.

In § 366 wordt het Oost. Wh. de geldigheid van zulk een verkoop ondersteld.

ocr page 356

— 324 —

art. 1630 Code Nap. en art. 1352 van ons Wetboek is de verkooper van het goed eens anders door de verpligting tot vrijwaring, zoodra de eigenaar opkomt, gehouden tot teruggaaf van den koopprijs en vergoeding van de vruchten, die hij aan den uitwinner moet uitkeeren tot vergoeding van alle kosten, schaden en interessen. Volgens art. 1599 Code Nap. en 1507 B. W. heeft de kooper, die niet wist, dat de zaak aan een ander toebehoorde, regt tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, waarin de teruggaaf van den koopprijs begrepen is. Hij heeft echter dit voordeel, dat hij niet op eene uitwinning behoeft te wachten, maar terstond na bekomen kennis van de fout in den koop tot nietigverklaring dagvaarden kan. Het oude Ronieinsche regt was met betrekking tot uitwinning nog veel strenger, daar in geval van uitwinning veelal teruggaaf van den dubbelen prijs bedongen werd. Toch heeft dit het misbruik van verkoop van eens anders goed, vooral onroerende goederen, niet kunneu keeren. Althar.s de titel van den Codex de Reb. al. non alienandis (4.50) schijnt het bewijs te leveren, dat in den Keizerstijd dit misbruik vee! voorkwam. De rescripten in dezen titel hebben betrekking op onroerende goederen en daarvoor is ook ons art. 1507 bet meest van belang. Voor de verhandeling van handelswaren kan het niet worden ingeroepen, voor zoover geene bepaalde voorwerpen, maar zaken van eene bepaalde soort verkocht worden (283) Toch zal het ook in den handel bij verkoop van eene bepaalde lading of van ceelen van opgeslagen koopwaren kunnen worden ingeroepen.

Men heeft in art. 1599 eene bijzondere bepaling uitsluitend voor verkoop willen zien. Zoo ook Dai.i.oz, N. Rep. i. v. Obligation No. 491. Juister schijnt het gevoelen van Lakombièee op art. 1128 No. 28, die het als algemeen beginsel voor alle overeenkomsten aanneemt. Voor de ruiling was in het Romeinsche regt aangenomen, dat hij, die eens anders goed gegeven had, om daarvoor een ander

(\'283) Dit is ook opgemerkt door Tolluer, VI, No. -133 Het spreekt van 7.elt\', dat men hierbij na levering moet letten op art. 2014. B. \\V.

ocr page 357

goed terug te krijgen, de actio de rerum permutaüone, die eigenlijk eene actio praescriptis verl)is (281) was, niet kou instellen. Ditzelfde gold natuurlijk bij alle andere ongenoemde contracten. Alleen de kooper kon zich door zijne bewering, dat het geleverde goed niet aan den verkooper in eigendom toebehoorde, vóór de actie tot uitwinning niet ontslaan van de verpligting tot betaling van den prijs. Door de bijzondere regeling van de belangen des verkoopers tegen de uitwinning (285) achtte men hem in het oude Romeinsche regt genoeg gevrijwaard. Terwijl de bijzondere bepaling voor verkoop in het tegenwoordige regt is opgeheven, is er alle grond, om voor die verbindtenis in het algemeen den algemeenen regel van de contractus innominati van het Romeinsche regf te laten gelden. Volgens ons wetboek is dit voor ruiling niet twijfelachtig, daar bij art. ] 57S de bepalingen omtrent het voorwerp van koop voor ruiling toepasselijk zijn verklaard.

Bij verkoop niet van bepaalde voorwerpen, maar van eene soort, kan velerlei verschil omtrent, de soort, het gewigt en de hoeveelheid bestaan, vooral ook bij koop en verkoop van handelaars in verschillende landen, zooals zij veelal door brieven gesloten worden. In den internationalen handel moet men zich voor de uitlegging der bewoordingen bijzonder aan de handelsgebruiken houden. De regter zal zich minder kunnen laten leiden door hetgeen de handelaar kan aanwijzen te hebben bedoeld, tenzij hij deze bedoeling aan zijne partij hebbe medegedeeld, dan door hetgeen onder de uitdrukking, die hij gebezigd heeft, volgens de gewone opvatting in den handel moet verstaan worden.

Waar het voorwerp der verbindtenis in eene handeling of in liet nalaten eener handeling bestaat, moet dit eene physiek mogelijke handeling zijn. ■Verpligtingen om iets te doen, wat met de wet of de zedelijkheid in strijd is, zijn regtens onbestaanbaar.\'

(284) Zie bl. 189. — 1. 1 § 3. De Rer. Perm. (19.4) nldeoque Pedius nait, alienam rem dantem nullam contrahere permutationem.quot;

(285^ Onder andere door de duplae stipulatie volgens het jus aedilitiurn bij verkoop van slaven en vee. Men zie wijders Ivisller, Pand. ^ 331

ocr page 358

Eindelijk bevat do vierde categorie het gemis van een regtmatigen grond of geoorloofde oorzaak voor de ver-bindtenis (286).

- Niet elke aangenomen belofte (287) is regtens bindend; maar alleen die weike een in het regt erkenden grondslag heeft. Den rechtelijken grondslag voor verbindtenissen uit overeenkomst leerden wij kennen, als te bestaan in de velerlei handelingen van het maatschappelijk verkeer in ruiling van goederen en diensten. Daarbij komt nog. dat men ook de schenking als een regtmatigen grond voor eene ver-bindtenis heeft aangenomen. Een dezer gronden, schenking

(286\' Reeds door A. de Pinto, Burg. We tb. § 784 is er op gewezen, dat men bij 4271 B. W. de woorden overeenkomst zonder oorzaak moet opvatten als overeenkomst zonder oorzaak der aangegane verbindtenissen. Dat men bij dat art. en bij art. 1356 B. W. onder oorzaak alleen verstaan moet de oorzaak (grond) der verbindtenissen, vermits dit begrip uit het Romeinsche regt werd overgenomen, kan niet twijfelachtig zijn. Diephüis, nieuwe uitg. X bl. 410 en Opzoomer, VI. bl. 135, schijnen hierop niet genoeg te hebben gelet, terwijl zij oorzaak op de overeenkomst lieten slaan. In vele gevallen moge deze opvatting geen verschillend resultaat geven: het is bedenkelijk, de Romeinschregtelijke redeneringen op een werkelijk verschillend stelsel over te dragen.

Dikwijls zal de ontleding, juridische analyse, van ingewikkelde feitelijke toestanden door deze mindere naauwkeurigheid bemoeijelijkt worden en kan zij tot verkeerde gevolgtrekkingen leiden. Indien b.v. een ambtenaar geheime stukken of kaarten laat afschrijven of aftrekken tegen belooning en wanneer dit aan het licht komt en tegelijk de goede trouw van den schrijver of teekenaar boven bedenking is, zou men de overeenkomst voor nietig verklaren. Toch kan de schrijver of teekenaar het bedongen loon voor het gedane werk vorderen, omdat de verbindtenis, die hij inroept, aan zijne zijde geen ongeoorloofden grond had.

De verwarring, die ontstaan is over motief en oorzaa/c is ook grooten-deels uit deze misvatting voortgekomen. Indien men den werkelijken ongeoorloofden grond eener bedongen levering verbergt onder een verdichte opgaaf, kan dit tot vernietiging leiden wegens de falsa cansa, waarover later. — In de voorbeelden van Opzoomer, bl. 144 en 145 b.v. wanneer men iemand belooft, verboden waren binnen te smokkelen, zijn de beide wederzijdsche verbindtenissen ongeoorloofd, die van hem, die zich verbindt tot uitvoering van het smokkelen, omdat het voorwerp ongeoorloofd is, en die van dengene, die geld daarvoor toezegt, omdat er eene causa illicita is.

(287) Zie bl. 132, noot 120, en blz. 172—174.

ocr page 359

— 327 —

of ruiling van goederen of diensten moest in het Romeinsche regt aan de contractus innominati en aan de alipulationes tot grondslag liggen. Bestond deze grond in een contractus mno-minatus niet, dan kon de terugvordering plaats hebben van hetgeen zonder regtsgrond (sine causa) in eens anders eigendom was overgebragt. Ontbrak deze regtsgrond in de stipulatie, dan had men de actie tot vernietiging der bij stipulatie aangegane verbindtenis

Deze regtelijke grondslag voor de belofte of verbindtenis moet, evenals de belofte zelve, worden bewezen door den eischer, die de vervulling daarvan voor den regter vraagt. Bewijst de eischer niet anders, dan dat de gedaagde bij overeenkomst beloofd heeft, 100 gld. aan hem te zullen geven, dan faalt hij in het bewijs zijner vordering tot voldoening eener regtsgeldige overeenkomst, omdat de enkele belofte zonder meer, hoewel volgens beginselen van zedelijkheid en betamelijkheid bindend voor den man van eer, alleen en op zich zelve geene regtsgeldige verbindtenis oplevert. /gt;t.ene «overeenkomst zonder oorzaak, of uit eene valsche of onge-//oorloofde oorzaak aangegaan, is krachteloos,quot; zoo luidt art. 1371 B. W., overeenkomende met art. 1131 C. C. Wil dus de eischer in zijn eisch slagen, dan moet hij tevens een regtens erkenden grond voor de gedane belofte bewijzen. Indien eene schriftelijke belofte tot betaling wordt overgelegd. zonder dat de regtsgrond, schuldoorzaak, daarin is uitgedrukt, is de eischer bevoegd, om het schriftelijk bewijsmiddel aan te vullen door andere wettige bewijsmiddelen. Dit is door art. 1372 B. W. (1132 C. C.) uitdrukkelijk toegelaten. Dat artikel laat ook toe te bewijzen, dat er eene andere dan in de acte uitgedrukte grond of oorzaak voor de belofte bestaat (288).

De eischer moet alzoo door gewone bewijsmiddelen aanwijzen, dat de belofte van betaling door zijne tegenpartij gedaan werd, hetzij wegens koop, hetzij wegens huur van

(288) Het bewijs van den regtsgrond of scliuldoorzaak is een feit, dat in alle gevallen door getuigen kan worden bewezen, ook waar liet eene belofte tot betaling van ^oniinen boven 3UU gld. bedraagt.

22

ocr page 360

goederen, leening, krachtens huur van diensten, mandaat met toezegging van betaling, maatschap, verzekering, pand, bewaargeving, huwelijksvoorwaarden, kortom wegens elke overeenkomst betreffende het verkeer en ruiling van goederen en diensten, of ook wegens eenige onregtmatige daad, tot welker vergoeding tegen de bepaalde som hij zich had verbonden. De aanwijzing van dien grondslag der belofte kan in korte woorden vervat zijn. De eenvoudige zeer gebruikelijke aanwijzing wegens geleend geld is b.v. voldoende. In enkele gevallen, b.v. zoodra bewezen is, dat de partijen in handelszaken in rekening met elkander hebben gestaan, zal de aanwijzing volgens afgesloten rekening courant voldoende aanwijzing bevatten. Overigens verlieze men niet uit het oog, waartoe het bewijs dienen moet. üe regter moet namelijk door de aanwijzing van den grondslag der belofte genoeg zijn ingelicht, om te oordeelen, of die grondslag moet erkend worden als regtmatige grondslag voor eene regtsgeldige ver-bindtenis. üe eischer moet daarom een bepaalden grondslag, of een bepaalde oorzaak, voor de belofte bewijzen. Een alge-meene aanwijzing, dat er een regtelijke grond of regtmatige oorzaak aanwezig was, zon gelijk staan met volslagen gebrek aan bewijs van een regtsgrond. Het oordeel over de vraag, welke grond of oorzaak voor regtsgeldig moet gehouden of als in strijd met het regt verworpen moet worden, is natuurlijk niet aan het oordeel der partijen overgelaten, maar staat ter beslissing des regters.

Als men zich kan denken, dat twee partijen er in overeenstemmen, dat voor eene aangenomen belofte, hoewel zij deze aanwijzing niet bevat, werkelijk een bepaalde grond of oorzaak bestaat, ligt in deze overeenstemming van partijen, die over hunne goederen kunnen beschikken, voldoende bewijs, dat de grondslag der belofte een regtmatige was. In dat geval is daarover geen proces. Maar indien de eischer alleen aanwijst, dat de gedaagde te voren in het algemeen erkend heeft, dat de grondslag der belofte een regtmatige grond was, maar faalt in het bewijs, welke bepaalde grondslag of oorzaak het was, dan is er geen voldoende bewijs door hem geleverd. Het

ocr page 361

spreekt toch van zelf, dat hij, die wegens de toezegging of de vervulling eener onregtmatige en onzedelijke handeling door eene belofte zich bindt, op dat oogenblik zal erkennen, dat er een voldoende grond voor die belofte bestaat. Wegens de toegezegde of reeds te zijnen verzoeke verrigte onzedelijke handeling zal hij gaarne bekennen, de beloofde som schuldig te zijn; maar deze algemeene bekentenis van schuld levert niets op voor het bewijs van den bepaalden grond van schuld, dien de eischer moest aanvoeren en bewijzen, om eene ver-oordeeling te verkrijgen.

Als iemand dus bekend heeft schuldig te zijn, zal de regter nog altijd hebben te onderzoeken, welke de grond van die schuldbekentenis was, en of dit is een regtmatige of een onregtmatige. In het eerste geval zal hij de vordering tot .voldoening kunnen toewijzen, in het tweede geval zal hij die moeten ontzeggen. Alleen in het tweede geval is door den eischer het bewijs van eene regtsgeldige overeenkomst geleverd.

Dat de eischer tot dit bewijs verpligt is, kan aan geen twijfel onderhevig zijn. De strijd, daarover in het latere Fransche regt gevoerd, vindt zijne verklaring hierin, dat men de oude twistvraag uit de oude Fransche practijk weder oprakelde, zonder te letten op de gronden, die daarvoor onder de heerschappij van het destijds geldende Romeinsche regt werden aangevoerd.l Men zag voorbij, hetgeen wij op bl. 170—180 hebben behandeld, dat namelijk in de stipulatie de regtsgrond werd voorondersteld, zoodat de gedaagde, indien hij zich van de bij stipulatie gedane belofte ontslaan wilde, van zijne zijde het tegenbewijs leveren moest; terwijl daarentegen bij de bloote overeenkomst, dat is het pactum, dat ook regtsgeldig was, zoodra de eischende partij aan hare verpligtiug voldaan had, zij het bewijs dezer levering of handeling, als regtsgeldige grond der door de tegenpartij gegeven belofte, moest

Gelijk wij gezien hebben, bestaat dat verschil in het tegenwoordige regt niet meer. Elke belofte, bij overeenkomst gegeven, al is zij zonder eenigen vorm aangegaan, is van het eerste oogenblik af regtsgeldig en bindend, onder voor

ocr page 362

— 330 —

waarde, dat zij gegeven werd wegens een regtmatigen grond. Daarentegen is ook in het algemeen elke overeenkomst (2S9), al moge in een bepaalden vorm een bewijsmiddel daarvan zijn opgemaakt, gebonden aan dezelfde voorwaarden. Heb ik aldus eene schriftelijke akte voor mij ten bewijze van overeenkomsten, dan heb ik, evenals bij elk ander bewijsmiddel te zoeken, of nevens de toezegging of belofte tot betaling ook een grond voor die belofte, eene schuldoorzaak, vermeld staat en ingeval de bepaalde aanwijzing daarvan ontbreekt, zal ik het schrift niet als bewijs eener regtsgeldige verbind-tenis kunnen aannemen.

Volgens ons Wetboek en den Code Civil zal men dus stellig de schriftelijke akte. waarin niet anders voorkomt dan de woorden; Ik heloof te zullen betalen of Ih beken 1000 ghl. schuldig te zijn (290) als bewijs eener regtsgeldige verbind-tenis moeten verwerpen. Tn die akte heeft men juist de schuldoorzaak, wegens geleend geld. wegens koop wegens geleverde materialen, vxgens kerstelling van een huis, enz. enz.

(280) In het wisselregt moest men dat vroeger steeds uitdrukken door de woorden waarde genoten of waarde in rekening, een zeer weinig bepaalde uitdrukking der causa, waaromtrent alleen het verschil werd aangegeven, of eene afrekening van het bedrag van den wissel had plaats gehad en of den betrokkene dat bedrag in de rekeningcourant ten goede zou komen. Voor den volledigen wissel, die ook hen, die geene kooplieden zijn, verbindt, wordt dit nog gevonden bij K., evenals bij art. 110 Cod. du Comm. Bij papier aan orde en aan toonder van handelslieden werd deze toevoeging niet noodig geoordeeld en door de wet niet voorgeschreven, wegens de presumtie, dat het voor geoorloofde handelingen was uitgegeven.

De drang, om voor dit papier het vermoeden eener regtsgeldige oorzaak aan te nemen, lag in de noodzakelijkheid voor den handel, om dergelijk circulerend papier gangbaar te maken.

(290) In Duitschland is men gewoon, de aangenomen belofte en de aangenomen schuldbekentenis te onderscheiden, zooals dit ook gedaan is in § 683 van het Duitsche Ontwerp. Beide hebben echter dit gemeen, dat zij zonder de schrift onverbindend zijn. Het schrift geeft voor beide het regtsvermoeden, dat zij steunen op een regtelijken gvonamp;. justa causa.

De nuda pollicitatio hadburgerregtelijk te Rome geen gevolg. Publiek-regtelijk kon men er door gebonden worden ten voordeele van eene corporatie van godsdienstigen of publiekregtelijken aard. Zie den titel der Pollicitationibus 11quot;. (50.12.)

ocr page 363

— :m —

id. weggelaten (291). Het kan zijn, dat bij vermelding der

5), schuldoorzaak een dezer vele geoorloofde schuldoorzaken moest

an zijn ingevuld; maar het is evenzeer mogelijk, dat vermelding

ik der schuldoorzaak zou hebben moeten doen lezen wegens

T- aandeel uit opbrengst van diefstal, van opligting, wegens het

el maken van een verdicht stuk of van eene valsche handtee-

ig kening, wegens overgift tot onzedelijken omgang, wegens

ld aandeel in eene handeling tot belemmering van de vrijheid in

t, bieden op eene openbare verkooping of aanbesteding, enz. enz.

I- Vermits de akte, hetzij notarieel, hetzij onderhands op

gemaakt, een der vereischten voor het bestaan eener regts-is geldige overeenkomst oningevuld en daardoor onbewezen

n gelaten heeft, kan deze akte nooit als volledig bewijs eene

regtsgeldige overeenkomst dienen.

De Fransche praktijk heeft deze vraag bijkans eenstemmig e in een anderen zin beslist. Merlin, Questions i. v, cause, No. 1,

Üuranton, X, No. 553, Marcadé op art. 1315, Laurent 16, • No. 166, en Dalloz, N. liep. i. v. Obligation No. 517—527,

1 verklaren allen de woorden Je reconnais devoir (292) als

r voldoende aanwijzing der regtsgeldige oorzaak.

1

1 (201) Het behoeft naauwelijks gezegd te worden, dat voor akten, die

tot volledig bewijs eener vordering, die eene bepaalde conclusie betref-, fende het voorwerp en de middelen moet bevatten, eene bepaalde opgaaf

, van den aard en den tijd der handeling moet gegeven worden. — Het

spreekt van zelf, dat er vele graden van meerdere of mindere onvolledigheid gedacht kunnen worden. — Op de vraag door J. C. Naber, Handelingen Ned. Jur. V. I bl. 40 noot, gedaan: Waar begint decautio indiscreta? kan dan ook geen stpllig antwoord gegeven worden, tenzij men vooraf bepale, welk een graad van onvolledigheid van bewijs bedoeld wordt.

(292) De enkele belofte ))je payerai of/e comptcrai oïje promets payerquot; werd daarentegen niet voldoende gedacht.

Het is werkelijk zonderling, dat men in Frankrijk heeft kunnen voorbijzien, dat de geheel algemeene uitdrukking je reconnais devoir juist door hare algemeenheid geene bepaalde causa aanwees, terwijl daarop in de oude Fransche practijk was gelet,en reeds door Rebuffus, Tract, de Chirographorum et cedularum recognitione, Praef. No. 67, op deze vraag ontkennend was geantwoord: «Sed an generalis causa suf-wficiat: ut, si dicat, confiteor me ex omnibus caussis debere. non videtur, «indiscrete enim confiteri censetur.quot;

ocr page 364

— 382 —

Dat gevoelen is bekrachtigd door onderscheidene arresten we;

van hoven en van het Hof van Cassatie te Parijs, die men eei

hij Dat.1.07. No. 519 en 521 aangehaald vindt. mt

Laatstelijk heeft ook de Hooge Uaad bij arrest van 18 Fe- vei

bruari 1870 (N. Rs. 94 blz. 170 en W. v. h. R. No. 8192) ho

dat gevoelen omhelsd. ^ Wn De Hooge Raad heeft zich in dat arrest geheel aangesloten . è da

aan de argumenten van de Fransche practijk. In de over- ge

wegingen lezen wij, dat de akte (waarin voorkomt de uit- Di

drukking: Ik beleen schuldig te zijn] eene eenzijdige verbind- de

tenis bevat,.....en dat als oorzaak der verbindtenis is D

uitgedrukt eene daarbij erkende schuld. Op gelijke gronden d: verklaarde de H. R. bij arresten van 22 Dec. 1882 en

17 Nov. 1884 (N. Rs. 132 blz. 261 en 138 blz. 123) in w

eene schuldbekentenis de uitdrukking: vaarde naar genoegen li

genoten voor voldoende aanwijzing der cansa (293). v

Bedenkelijk is dit volgen der Fransche jurisprudentie vooral s

omtrent deze regtsvraag, waarin de Nederlandsche wetgever n

voorbedachtelijk eene andere redactie heeft aangenomen. Indien v

wij eenig geloof mogen slaan aan de mededeelingen van c Mr. Carei, Asseh, Ned. Burg. Weth. vergeleken met het

IFetb. \'Napoleon § 705, is men in de redactie alleen daarom (

van het Fransche regt afgeweken, omdat men art. 1132 C. C. onduidelijk gesteld achtte (294) en den twijfel had willen

De opmerking is onwederlegbaar. Hat bij eene dergelijke schuldbekentenis geene enkele van al de mogelijke causae is aangewezen. Zij staat in dat opzigt geheel gelijk met de belofte je promels payer.

(203) Bij .T. C. Naher. volgens wien de causa, als wettelijk vereischte, moet vervallen, vinden deze arresten volkomen goedkeuring. Werkelijk blijft er van het voorschrift niet veel over, indien men met zoo weinig tevreden is. Zie Handelingen Ned. Jur. V. I blz. 38 en 45.

(204) «La convention n\'est pas moins valable, quoique la cause n\'en »soit pas exprimée.quot;

Werkelijk bleef hier de vraag; of men den regel van de Romeinsche schriftelijke stipulatie, waarbij de causa voorondersteld en een exceptie daartegen toegelaten was, of de schriftelijke akte zonder stipulatievorm. waarbij de schuldeischer de causa bewijzen moest, was bedoeld. — Men schijnt veelal in Frankrijk (zie bl. 177) te hebben voorbijgezien, dat volgens dit artikel de convention, als pactum nudum, bestaan blijft. Indien naast dit bewijsmiddel ook nog de causa kan worden bewezen,

ocr page 365

wegnemen over de vraag, of de bewijslast van het bestaan eener schuldoorzaak door den eischer of door den gedaagde moest worden bewezen, ingeval de schriftelijke akte die niet vermeldde. Het Fransche artikel zeide, dat de overeenkomst, hoewel zij geene schuldoorzaak vermeldde, niettemin geldis was. De Nederlandsche wetgever zegt in art. 1372 B. W., dat indien er geene oorzaak is uitgedrukt en er echter eene geoorloofde bestaat, de overeenkomst niettemin van kracht isL De wet verbindt dus de regtsgeldigheid der overeenkomst aan! de voorwaarde, dat er eene regtsgeldige schuldoorzaak bestaatl Die voorwaarde moet natuurlijk bewezen worden. Blijft de eischeif daaromtrent in gebreke, dan moet zijne vordering vallen. 1

Dat deze voorwaarde voor de regtsgeldigheid moet bewezen worden, ligt in den aard der zaak. Het blijkt, dat de bedoeling geene andere was. Op de oude redactie van het ontwerp van 1830 was door de 4de sectie opgemerkt, dat daarin niet stellig beslist was voor bet geval, wanneer geene oorzaak is uitgedrukt en van derzelver bestaan echter blijkt. Daarom wilde de sectie, dat in het artikel de woorden zouden worden opgenomen: nen er echter eene geoorloofde bestaat\'. Blijkens VooEmjUN op art. 1372 is daaraan voldaan door in het Ontwerp van 1833 de woorden op te nemen: nen echter eene geoorloofde aamcezig isquot;, met welke wijziging het artikel van het Ontwerp tot wet geworden is.

Weinig is er te zeggen tegen de bewering van Asser (295) «dat het aanwezig zijn of bestaan van zoodanige oorzaak «moet bewezen worden en dat bewijs berust natuurlijk op «dengenen, die volhoudt dat er eene oorzaak bestaat. Degeen, die /\'de uitvoering der overeenkomst vordert, moet naar aanleiding //van dat artikel het gebrek der uitdrukking aanvullen.quot;

ƒ

dan heeft dit dezelfde kracht als een pactum vestitnm, instrumentum causatum; maar zonder dat bewijs kan het pactum nudum niet tot veroordeeling voeren.

(295) Dat was ook het gevoelen van wijlen mijnen vriend Mr. J. E. Goudsmit, Pand. Sijst. II § 23 blz. 1-19 noot 2. Diephuis, laatste uitgaaf quot;1880, X. blz. 418 en 419 meent dat onze wetgeving zich over deze strijdvraag niet heeft uitgelaten, maar oordeelt, dat de sclmld-eischer, als eiscliende partij, het bewijs leveren moet.

ocr page 366

— 334 —

Te minder kan men deze bedoeling in ons artikel in twijfel trekken, omdat de Nederlandsche wetgever, waar hij van de Frans eb e wetgeving afweek, meestal geleid werd door de Oud-Hollandsche practijk. Daarin was de regtsgrond of de regtsgeldige schuldoorzaak altijd beschouwd als eene noodzakelijke voorwaarde voor de bij overeenkomst gedane belofte en waren de schriftelijke akten, voor zoover geene schuldoorzaak bewezen kon worden, krachteloos verklaard (296). Wij vin-

(296) De bekende regel van Paijlus in 1. 25 § 4 tl. De Prob. die wij bl/. 175—177 behandelden, was reeds overgenomen in het Canonieke regt, Deer. Greg. C. \'14 de (ide Instr. (2.22) *)Si cautio, quam a te inde-wbite proponis expositara, indeterminate loquatur, adversarius tuus tenetur «ostendere debituin, quod continetur in ea. Sed si causam, propter quam »hujusmodi scriptum processerit. expresseris in eadem; confessioni tuae wstatur. nisi probaveris, te id indebite promisisse.quot;

Damhouder, Praxis Rer. Civ. c. 175 No. 13 vermeldt dit voorschrift als vulyatissimum et tritissimum: »Privatae scripturae, apochae sive • «chirographae. qua obligationern sine causa continent, de jure sunt aut Dnullius momenti aut certe efficaciae perquam exiguae, ideoque non «obligant. juxta vulgatissirnum et tritissimum c. Si cautio, extra de fide winstrum. cum similibus judicibus. Intelligantur autem scripta obliga-ntoria aut obligationes non esse causatae, vel esse sine causa, quando wobligationis causa in eis non exprimitur, scilicet est sint ex mutuo, »aut ex vini, aut alterius mercis emptione aut ex aliis causis similibus.quot;

Hetzelfde vindt men bij Automne, Conférences op 1. 2 lïquot;. de doli mali exc. (44.4): «Lettres obligatoires sans exprimer la cause de prest. »vente, dépost, ou autres, ne sont exécutoires et sent nulles, et s\'il n\'}\' »a opposition contre Texecution, le juge sur le champ doit le tout dé wel ar er nul. sans adjuger aucune provision a la partie, peut toutefois »sur la debte ouir les parties ex integro 1. 2 § 3 h t. Et ainsi fut jugé »par arrest de Paris du 13 Févr. 1511. Un gentilhomme vendant un wcheval a un autre, pour le prix d\'icelui fait une cédulle, confessant »gt;devoir la somme de tant. ii payer dans six moins, sans cause: les «parties ayant été appointees contraires par le sénéschal. par arrest du «mois de Février 1574 aurait esté dit bien jugé.quot;

Merkwaardig is, dat Groenewegen, Da Leg. abr. op 1. 25 iïquot;. de Prob. denzelfden i egel vermeldende, er bijvoegt, dat somtijds de causa, hoewel niet uitgedrukt in het geschrift, overvloedig uit de hoedanigheid dei-personen kan blijken: «Si cautio sive chirographum debiti causam non «contineat. tunc is, in quem cautio exposita est, debitum esse ostendere «debet: nisi ex qualitate contrahentium debiti causa satis superque «colligi possit: ut puta si mercator mercatori. scolaris praeceptori, «aegrotus medico, vulneratus chirurgo, miles arraamentario indiscretam »cautionem exposuerit, atque ita in Gallia judicatum, referi. Paponius,

ocr page 367

— 335 —

. /A, . ..

den dat uitgesproken onder anderen door Voeï, de j/rrrbr(23 4)

No. 17 en S. van Leeuwen, Roomsch Holl. Hecht, 4.15 § 2.

De laatste zegt, dat in de gewone verbanil-brieven, de z.g.

scliriftelijke akten van overeenkomst, «om alle na-bedenken \'

\'/van bedrog weg te nemen, de oorzaak van de schuld moet //uitgedrukt worden, omdat de verband-brieven krachteloos //zijn, dewelke geene oorzaak inhouden.quot;

Van Leeuwen voegt er bij, dat dit in zijn tijd »nog huy-//dendaagsquot; altijd zoo werd nageleefd, behalve onder kooplieden

In het handelsregt was men gewoon, de eenvoudige schriftelijke schuldbekentenis en belofte van betaling als bindend te beschouwen. Van daar dat het handelspapier, dat aan orde gesteld en daardoor bestemd is, om als betaalmiddel in omloop te worden gebragt, geene vermelding der schuldoorzaak vereischte. Dat is nog zoo, zoowel volgens den Code de Commerce als volgens ons Wetboek van Koophandel. Het papier, waarbij iemand belooft op bepaalden termijn aan A. of order te zullen betalen, geeft den houder het regt,

om volgens art. 187—189 C. de Comm. en art. 208 en 209 Wetboek van Koophandel de betaling te vorderen, hoewel de schuldoorzaak daarin niet is uitgedrukt. Dikwijls is in dit papier, gelijk ook in assignatiën en ander papier aan toonder, waarover onze wet handelt, de schuldoorzaak niet vermeld. De wetgever heeft op die gewoonte hquot;t nog gehad, waar hij b.v, in art. 586 B. W. het wettelijk vermoeden heeft gevestigd, dat in dat geval altijd voorondersteld wordt, dat de schuldoorzaak in eene handelszaak bestaat,

zoodra dit papier door een koopman is afgegeven.

De regel, dat hij, die schriftelijk belooft of accepteert te zullen betalen, tot betaling gehouden is, moet beperkt worden

»lib. 10 tit. 2 arr. 2.quot; Indien bewijs werd geleverd, dat de leermeester dezen leerling les gegeven, de geneesheer dezen patient behandeld, de wapenhandelaar dezen soldaat wapens geleverd had, was volgens de gewone regels van de bewijsleer het volledig bewijs geleverd. Alleen voor kooplieden is in de latere practijk de regel van Groenkwegen aangenomen, dat hunne hoedanigheid van koopman alleen voldoende is.

om het bestaan dezer jxista causa voor de belofte of betaling te vooronderstellen, zooals bij art. 580 No. \'1 Burg. Rv. is aangenomen.

ocr page 368

tot het papier, waaraan de uitgever, door het aan orde te stellen, de bestemming van circulatie gegeven heeft. De bloote schriftelijke belofte, óm te betalen aan A., is niet bindend als handelspapier en heeft ook als bewijs van schuld op zich zelve geene bewijskracht.

Hoewel in de Pransche practijk meestal de theorie van Tom,lier gevolgd wordt, en ook door belofte als bewijs van schuld (297) wordt aangenomen, voor zoover de tegenpartij niet bewijst, dat voor de belofte geene regtsgeldige grond of oorzaak bestaan had, zijn er echter ook enkele uitspraken gewezen, waarbij aan dergelijke schriftelijke beloften bij gebreke van bewijs eener regtsgeldige schuldoorzaak van de zijde des eischers alle regtskracht werd ontzegd. De schrijver in DaIjLOZ, i. v. Obligation No. 520 heeft dan ook op dit punt de leer der Fransche practijk verlaten en aan dergelijke schriftelijke beloften bewijskracht ontzegd, voor zoover de eischer geene schuldoorzaak bewijst. Het is hier zeer in het oog loopend, dat volgens den Code de bloote toezegging zonder bijvoeging van de schuldoorzaak niet voldoende is: maar inconsequent is het zeker, dat de schrijver niet evenzeer aan de schuldbekentenis zonder vermelding van schuldoorzaak regtskracht weigerde. Tn beide gevallen lijdt het geschrift aan hetzelfde gebrek. Juister redeneerde Zachariae, § 345, die aan alle schriftelijke akten zonder schuldoorzaak regtskracht ontzeide.

De uitzondering voor handelspapier vindt zeker haren grond in de snelheid en zekerheid, die het handelsverkeer eischt voor de toezeggingen, die de een den ander doet in geschrift, dat door het stellen aan orde of aan toonder de bestemming heeft, om als geldswaardig papier te circuleeren (29S).

(207) VI No. 175. Dit was reeds, op grond van zijne opvatting van het. Hom. regt. beweerd door Malleville op art. 1132. Zoo ook Mau-cadk op art. 1135 en Larohbikre en Demolombe op dit artikel.

(298) Voor het geschritt. dat de ruiling, den wissel, der waarden, meestal geld. oorspronkelijk op verschillende plaatsen betaalbaar (pecunia trajectitia) inhield, litteraecambii, Ict-tre dechanr/e, werd oudtijds steeds gevorderd, dat de waarde, die tegenover de verbindtenis tot betaling genoten werd, moest worden uitgedrukt. In Italië, waar in en vóór de

ocr page 369

— 337 —

Het. is echter geene schepping van het latere handelsverkeer. De handel van den lateren tijd heeft dat regtsbeginsel niet uitgevonden, maar gevonden.

45ae eeuw een belangrijken handel in wisselbrieven gedreven werd, was dit blijkens de talrijke formules voor wissels in de Latijnsche, Ita-liaansche en Spaansche talen (de laatste voor het meerendeel in het Latijn vertaald op blz. 508—514 voorkomende bij Scaccia, de comm. et camhio, ed. Frankfort 1648) eene vaste gewoonte. Daaruit moest volgens Scaccia § 19.5 No. 90 blijken, dat de wisselbrief eene geoorloofde ruiling bevatte.

In den levendigen Italiaanschen wisselhandel waren daarvoor volgens Scaccia o. a. No. 40, 42 en 44 reeds korte uitdrukkingen gebruikelijk, als; «Pagate per me al portator di questa ducati cento per altri tand tthavutU of ponste al conto mio. of notandoli al conto mio.quot; — In Frankrijk was bij de Ord. van 25 Maart 1073 tit. 5 art. 1 bepaald, dat «les lettres de change contiendront sommairement le nom de ceux «auquels le contenu devra être paye, le temps du pavement, le nom Mie celui, qui en a donné la valeur, et si elle a étè repue en deniers, miarchandises ou autres effets.quot; Daaruit is ontstaan art. 110 Cod. de Comm., waarbij ook erkend werd de aanwijzing valeur en compte. Volgens Locré, Esprit du C. d. C. had de Conseil d\'état tegen deze laatste bijvoeging een groot bezwaar, omdat zij te veel aanleiding zou geven tot bedrog; maar daartegen woog, dat zij in den handel zeer gebruikelijk was. In ons land, als land van koophandel, was men gewoon aan de eenvoudige uitdrukkingen, waarde ontvangen of genoten, of waarde in rekening, die bij art. 100 K. voldoende verklaard werden voor den volledigen wissel. — In art. 4 der Duitsche Wechselordniing. en art. 251 van het Italiaansche Wb. is in plaats van dit voorschrift gekomen de bepaling, dat het voorschrift in de taal. waarin het geschreven is. de benaming moet bevatten van WechseU camhiale of litter a di cambio.

Het afhankelijk stellen der gevolgen van het wisselregt was eene dergelijke formaliteit van benaming, zooals art. 7 der Wechselordnung en art. 254 van het Italiaansche Wb. inhoudt, heeft zijne eigenaardige bezwaren, evenals de formaliteiten van het Nederlandsche en het Fransche Wb.

Het Nederlandsche Wb. bevat tegen de nadeelen van dit formalismus het beste geneesmiddel, in zoover het de meeste bepalingen van het wisselregt in den 7den titel op papier aan orde of aan toonder toepasselijk verklaard heeft. Volgens de gewone beginselen van regt moot aan de aan orde of aan toonder gestelde promesse Cdie volgens Denis art, i. v. Billet, in Frankrijk herhaaldelijk streng verboden, ook aldaar vóór den Code steeds in gebruik was gebleven) het regtsvermoe-den verbonden zijn, dat zij op een regtsgrond, eene geoorloofde oorzaak, steunt. Kan de onderteekenaar bewijzen, dat dit niet het geval is. dan heeft hij, ingeval hij betaald heeft, eene regtsvordering wegens het

ocr page 370

— aas —

Wij zagen op blz. 172, dat de stipulatie, al was in hare na

oorkonden geene schuldoorzaak vermeld, in het Romeinsche ei;

regt gold als bewijs van schuld, zoolang het tegenbewijs, K(

dat daarvoor geene wettige schuldoorzaak aanwezig was, niet be

werd geleverd. Tevens zagen wij, dat de oude vormen der be

stipulatie allengs bijkans geheel verdwenen waren en dat men w;

het ten tijde van Justinianus zelfs met de tegenwoordigheid h(

der partijen en het vereischte van vraag en antwoord ook al R

zeer flauw opnam. li

Dat weinig letten op den vorm had zijn grond. Teregt sl

wordt door Keu.eu, Pandecten § 222, opgemerkt, dat het g

gewigt van formeele woorden bij de stipulatie door de ge- t woonte van het in schrift brengen daarvan was overgegaan

op het schrift. l

Bij geregeld voortgaande ontwikkeling van het Romeinsche £

regt had men nog maar eene schrede te doen en de vorm 1

der stipulatie was geheel overgegaan in het eenige vereischte van schrift. Dat was geene verandering in het regtsbeginsel, maar het gevolg van de wijziging in de maatschappelijke gebruiken.

De gewoonte om de regtsgeldige overeenkomst van voorafgaande onderhandelingen scherp te onderscheiden door van het eerste, ten einde zekerheid omtrent de overeenstemming der partijen omtrent eene bepaalde verbindtenis te verkrijgen, vraag van den schuldeischer en antwoord van den schulde-

onverschuldigd betaalde en indien de nemer zelf, ingeval hij niet betaald heeft, de vordering tot betaling der promesse tegen hem instelt, heeft de exceptie dat hij zich daarbij zonder regtsgrond, .smö causa, verbenden heeft. — Deze exceptie kan natuurlijk niet gelden tegen derde houders, zooals ook voor verdichting (falsa causa) in art. 102 Wb. v. K. is aangenomen, die krachtens de bestemming door den onderteekenaar aan het aan orde of toonder gestelde en daardoor tot circulatie bestemde papier gegeven, regt op betaling hebben, zonder dat zij iets te maken hebben met den contractuelen toestand tusschen den afgever en nemer van liet circulatiepapier.

Het stellen van eene belofte tot betaling aan toonder of aan orde (welk laatste bij de erkenning van endossement in blanco met het eerste nagenoeg gelijk kan gesteld worden) moet in elk goed regtstelsel steeds dit gevolg hebben.

ocr page 371

— 339 —

naar over elke verbindtenis te vorderen, alleen aan Italië eigen, verloor bij het wereldverkeer van het Romeinsche Keizerschap haar gewigt, terwijl de invloed der Grieksche beschaving aan de eenvoudige schriftelijke akte het overwigt bezorgde. Waar de Romeinsche regtspmctijk bleef bestaan, was er steeds meer aanleiding, om aan die schriftelijke akte het gewigt der oude stipulatie te verleenen. Waar later het Romeinsche regt herleefde of ingevoerd werd, was het natuurlijk niet mogelijk, de in dat regt zelf bijkans verloren stipulatie-vorm in te voeren, en werd men er van zelf toe gebragt, om in plaats daarvan den vorm te stellen, die destijds gebruikelijk was geworden (299).

Er was een zelfde regtsgrond, om de schriftelijke schuldbekentenis of belofte tot betaling hetzelfde vermoeden van regts-geldige schuldoorzaak te verbinden, als oudtijds aan de stipulatie. Zoolang iemand alleen in gewoon gesprek eene belofte aflegt of zegt iets schuldig te zijn, kan dat als een onbeteekenend woord beschouwd worden, zooals gewone menschen in onbedachtzaamheid dikwijls spreken, zonder dat zij bij nadenken de gevolgen daarvan voor hunne rekening zouden kunnen en willen nemen. Maar zoodra men, hetgeen in gewone spreektaal en in gewoon gesprek gezegd was op eene gebruikelijke formele wijze onder getuigen, die worden geroepen, om later

(299) In Duitschland bleef twijfel over tie beteekenis van schuldbekentenis sine causa. Dit is erkend in de Motiven van het Duitsche Ontwerp 11 blz. 688 en G89. Ook daar wordt dit genoemd Ahstrader Vertrag. een term door Windscheid, Lehrb. des Pandectenrechls § 318 en 319, van Kuntze overgenomen. In navolging daarvan hebben eenige schrijvers bij ons ook die uitdrukking overgenomen, o. a. P. van Bemmelen, in de Regtsgel, Bijdr. 1888 blz. 89, en J. P. Moltzer, Hand. der Ned. Jur. V, I blz. 191 en vg. — Invoering van eene nieuwe termi-nilogie moet helderheid en duidelijkheid brengen. — Ik kan niet zien. dat deze eenig nut heeft aangebragt. Zou men er niet toe zijn gekomen, omdat men den ouden, eenvouiligcn vorm aiutio sine causa niet volkomen begreep, in dwaling verkeerende omtrent de opvatting van den regel in I. \'25 §411\'. de Prob. (blz. 173—180) en althans de groote beteekenis daarvan voor de tegenwoordige regtsvordering (noot 296 blz. 334) voorbijzag ? Windscheid noot 4 op §318 vergist zich, waar hij zegt, dat deze wet handelt over de condictio indebiti. Na de condictio indebiti handelt Paui.us hier over de condictio sine causa in hare strekking tegen obligationes.

ocr page 372

bewijs te kunnen leveren, of in schrift, dat als bewijs ran het gesproken woord dezelfde kracht heeft, eene belofte of bekentenis van schuld herhaalt, dan heeft deze laatste handeling het vermoeden voor zich, dat de persoon, die beloofde te zullen betalen, dat deed in de ernstige overtuiging, dat hij tot betaling verpligt was.

Tn den handel heeft men dat oudtijds steeds (300) zoo begrepen. In het gewone burgerlijk regt bleef men hangen aan de tegengestelde leer, die medebragt, dat de eischer nevens de belofte ook nog de schuldoorzaak moest bewijzen. Dat was niet toelaatbaar voor het handelspapier dat aan orde gesteld wordt, omdat met dien stelregel alle zekerheid voor dat papier als circulatiemiddel zou zijn weggenomen, indien de houder geene betaling kon vorderen, tenzij de schuldoorzaak werd bewezen. Wel trachtte men bij den twijfel van het regt ook aan dit bezwaar tegemoet te komen, door in het meest formele circulatiepapier, den wissel, de schuldoorzaak te vermelden, dat de waarde tusschen den nemer en den trekker afgerekend of in de rekeningcourant gebragt was (301). Op zich zelf was dit geene aanwijzing eener

(300) Damhouder laat op de op blz. 334 aangehaalde plaats in No. 14 volgen: »Quod sane intelligendum opinor, scilicet, nisi statutum aut loci wconsuetudo al iter disponeret, uti Brugis, Antverpiae, ac in aliis civita-))tibus, in quibus frequentes mercatores negotiantur. In his enim sta-»tutum et ordinatum est, qnod super scriptura, apochia, chirografo, sive «obligatione etiam non causata, nee ullam obligationis causam continente, wreddatur jus.quot;

Zoo vermeldt ook RebuffüS, De chigraphorum et cedularum recoij-nitione Praef. 66 en 67 (ed. 4668 blz. 85) eerst den regel: w. ..siquis «simpliciter confiteretur debere centum tali, ex hac scriptura judex non wdecerneret, provisionem, antequam causa probata sitquot; en daarna de uitzondering volgens de coutume van Toulouse : ))Est etiam Tholosae »consuetudo. quod instrumenta debitorum valent, quamvis ibi non conti-wneantur causae, pro quibus debentur.quot;

(301) Dat is de reden waarom de wissel ook tusschen hen, die geene kooplieden zijn. volgens artikel 586 No. 2 Burg. Rv. altijd de strenge verbindtenis met lijfsdwang medebrengt, terwijl de overige onderbiljetten, obligatiën, acceptation, enz. die strenge verpligting alleen tegen kooplieden ten gevolge hebben.

Het gewone handelspapier, dat geene schuldoorzaak inhoudt, werd in

ocr page 373

— 341 —

bepaalde schuldoorzaak, zooals het Romeinsohe regt vorderde; maar men kwam daarmede toch eenigszins tegemoet aan de vordering der regtspraak, die de vermelding der sehuldoorzaak in het schriftelijke noodig achtte. Ook dit was echter voor den handel niet toereikende : het gebruik voerde ook circulerend handelspapier in, waarin niets van eenige schuldoorzaak vermeld was en het regt heeft ook aan dat gebruik zijn zegel moeten hechten eu de belofte of acceptatie in dat papier tusschen kooplieden voor verbindend moeten verklaren.

Wij zagen reeds: daarvoor bestaat voldoende grond. Het is zelfs aan weinig twijfel onderhevig, dat men regtens in onze maatschappij ook voor het gewone burgerlijke regt aan elke schriftelijke belofte en schuldbekentenis een zelfde regtsgevolg verbinden moest (302). Hij, die door schrift, d. i. het blijvende teeken der gedachte, eene betaling heeft toegezegd, heeft het vermoeden tegen zich. dat hij dat blijvende gedenkstuk zijner belofte niet zal hebben afgegeven zonder eene werkelijk bestaande verbindtenis. Die toezegging kan haren grond vinden in dwaling of in eene andere omstandigheid, die geene regtsgeldige verbindtenis kan teweeg brengen ; maar dan moet dit, als afwijking van den regel, bewezen worden. Misbruik, dat men op die wijze aan toezeggingen, op onredelijke en onregtmatige gronden gedaan, uitvoering zal geven, is daarbij mogelijk; maar dit misbruik is thans onder de tegenwoordige wetgeving ook mogelijk.

het gewone burgerlijke regi niet als stellige titel erkend: daar men echter in de oude practijk gewoon was, het als vermoeden tot bewijs van schuld te doen strekken, ontstond langzamerhand het regtsbegrip, dat het ook tusschen anderen dan kooplieden tot schriftelijk bewijs van schuld strekken kon, doch zonder de strenge verpligting van het wisse!-regt. Op dit regtsbegrip steunt ook de bepaling van 112 Cod. de Comm. en art. 102, Wb. v. K.

(302) Dat is aangenomen in het Duitsche Ontwerp § G83: »Ist in »einem von dem von dem Glüubiger angenommenen Versprechen einer iil.eistung oüer in einein von dem Glaubiger angenommenen Anerkent-wnisse zu einer Leistnng verpflichtet zu sein ein besonderer Verpllich-«tungsgrund nicht angegeben oder nun im Allgemeinen verzeichnet, so »ist das Versprechen oder Anerkentnisz nur dann gültig, wenn es von »dem Schuldner in schriftlicher Form ertheilt ist.quot;

ocr page 374

Het is even gemakkelijk eene valsche schuldoorzaak, b.v. wegens geleend geld, in de schuldbekentenis of acceptatie te vermelden, als die geheel weg te laten, waar zij van dien aard is, dat men die niet durft noemen.

De Fransche leer en de bovengemelde beslissing van den Hoogen Raad zou derhalve in overeenstemming zijn met de wet, niet zonals zij is, maar zooals zij zijn moet. Dit geeft de beste verklaring, hoe men tot zulk eene beslissing konde komen, hoewel zij mij, vooral in ons land, zoowel met de woorden, als met de duidelijk uitgesproken bedoeling, in lijnreg-ten strijd schijnt te zijn. Waar de regter door een onbestemd regtsgevoel wordt geleid, komt hij dikwijls in verzoeking, om verwrongen en spitsvondige argumenten te volgen, ten einde aan de wet eene verklaring te geven, die met zijn regtsgevoel overeenstemt. Tegen deze strekking der regtspraak is meermalen bedenking gemaakt, omdat daardoor de gezonde methode van wetsverklaring verloren gaat, de zekerheid der regtsbeoefening wegsterft en het vertrouwen op de regtspraak verdwijnt. De regter trede niet op het gebied des wetgevers. Daardoor houdt hij het éenige goede geneesmiddel tegen gebrekkige wetgeving tegen. Trouwe toepassing van gebrekkige wetten is het beste middel, om tot herstel te geraken.

De leer van het vereischte eener justa causa voor elke contractuele verbindtenis heeft zich in het Romeinsche regt in het stelsel der condictiën uit de naauwkeurige waarneming van het werkelijk leven ontwikkeld (303). Het beginsel, dat men krachtens wederzijdsche overeenkomst niet gehouden was tot vervulling, indien de tegenpartij in gebreke bleef, om aan hare verpligting te voldoen, welk beginsel zich in ruiling van goederen, aanneming van werk, kortom in alle contractus ïmnrnwate en in de verborum obligationes had gevestigd, dat bijzonder ook gold waar eene partij zich tegen bepaalden prijs liad verbonden niet alleen tot levering, maar

(303) Het begrip der wederkeerlgheid, zoodat de eene verbindtenis de causa was der andere, wordt door Ulpianus met het Grieksche woord avvdXXaynu aangeduid in 1. 7 § 2 If. de Pactis aangehaald op blz. 194.

ocr page 375

- 343 —

ook tot overdracht, moest echter ook wel zijn weg vinrlen tot in contractus nominati, inzonderheid tot dat van koop en verkoop. quot;Vooral met betrekking tot liet laatste contract vinden wij stellige uitspraken der oude juristen, dat de regel was toegelaten. Toch was dit punt in liet Bomeinsche regt nog niet tot die volkomen klaarheid gekomen, dat het beginsel tot in elke bijzonderheid gevestigd en met volledige bepaaldheid afgebakend was. Vandaar het verschijnsel, dat dit gedeelte van het Romeinsche regt, voor de latere Romanisten des te moeijelijker, naarmate zij ook tot de kennis van het condictiën-regt niet waren doorgedrongen, in nevelen gehuld bleef, en zelfs in den laatsten tijd tot veel, soms ijdel, schrift-gesclirijf aanleiding gaf.

Op den voorgrond stond, dat omtrent den tijd der voldoening van de wederzijdsche verpligtingen, daar het actiones bonae fidei betrof, op den wil en de bedoeling der partijen moest gelet worden. Hadden de partijen het tijdstip der wederzijdsche vervulling van hunne verpligting bepaald, dan kan natuurlijk de partij, die het eerst aan zijne verpligting voldoen moest, aan de andere niet tegenwerpen, dat zij in gebreke was, zoolang de tijd voor vervulling der contractuele verbindtenis van hare zijde niet was gekomen. Waar de partijen de termijnen van vervulling der verbindtenissen niet hadden bepaald, daar moest op hunne bedoeling gelet worden. Daaromtrent kon ligt verschil bestaan, Indien b.v. gekocht is, zonder bepaling van het tijdstip van levering en van betaling, wie moet dan het eerst aan zijne verpligting voldoen, de kooper of de verkooper? Met andere woorden, zal de kooper of de verkooper crediet moeten geven?

Dat de kooper, tenzij daaromtrent uitdrukkelijk anders mogt bepaald zijn, niet tot betaling van den prijs gehouden is, voordat hem het gekochte geleverd wordt, wordt zoowel in het Romeinsche regtswezen als in het hedendaagsche verkeer buiten twijfel geacht.

In het Romeinsche regt werd ook zonder bepaalde aanwijzingen de kooper niet verpligt geacht, liet gekochte te leveren, dan tegen betaling van den prijs. 13e kooper kon,

23

ocr page 376

— 344 —

tenzij het tegendeel bedongen was, het verkochte ternghouden tot zekerheid der betaling. Van daar dat de actio emti niet opging tenzij met aanbod van den prijs. \'/Offerri pretium,quot; zoo spreekt Ui.pianus in 1. 13 § 8 De act. emt (18.1), ab emptore quot;debet, cum ex empto agitur: et ideo si pretii partem oft\'erat, \'/nondum est ex empto actio. Venditor enim, quasi pignus, \'/retinere potest earn rem, quam vendidit. \'

üat de eene partij niet ter goeder trouw de vervulling van de zijde der tegenpartij kan eischen, terwijl bij zelf in gebreke bleef daaraan te voldoen, ligt in den aard van het wederzijdsch contract. In dat geval ontbrak toch de regts-grond, de causa, waarom de tegenpartij hare verpligting op zich had genomen. Dit moest bijzonder in het oog vallen, nadat eene actio in het leven was geroepen, krachtens welke in de niet bij name genoemde contracten (contractus innominati) wat geleverd was, bij gebreke van voldoening der tegenvordering, teruggeëischt kon worden, terwijl eene\' actie werd verleend, om de verborum obligatio te vernietigen, waartoe men zich zonder grond bij solennele stipulatie verbonden had.

Het schijnt evenwel, dat men zich voordat men tot deze beschouwing gekomen was, door een ander middel tegen de onbillijkheid van zulk eene vordering verdedigde. Op den naauwen zamenhang der beide actiën voor de wederzijdsche verpligtingen bij koop en verkoop schijnt men aanvankelijk niet zoo naauwkeurig te hebben gelet, hoewel beide actiën op zich zelve en ieder afzonderlijk als het ware door de bedoeling en de goede trouw der partijen bepaald waren. Vandaar dat men, tegen zulk eene vordering, waarbij de verkooper betaling van den prijs vroeg, zonder aan zijne levering voldaan te hebben, de exce.ptio doli toeliet. Dit is in het rescript van Antoninus in 1. 5 Cod. de Evict, (8.45) duidelijk uitgesproken. Wij lezen daar: «Ex praediis, quae mercata es, si «aliqua a venditore obligata et necdum tibi tradita sunt, ex »emto consequeris, ut ea a creditore liberentur. Idem etiam ffiet, si adversus creditorem, ex vendito actione pretium //petentem, doli exceptionem opposueris.quot; Op dezelfde wijze

ocr page 377

— 345 —

len moet tegen den konper, die de levering vroeg zonder benig taling aan te bieden, de excepiio clolï zijn toegelaten. Tn ioo het algemeen kan de evcepüo doli worden gerigt tegen elke are vordering, die om eene of andere reden, b v. het regt van at, restitutie, niet voor toewijzing vatbaar was. Dat beginsel gold us, in de meest mogelijke uitgebreidheid. Tn 1. 2 § 5 ff. de dol.

exc. (44.4) lezen wij; »Et generaliter sciendum est, ex om-

ng quot;lühus in factum exceptionibus doli oriri exceptionem, quia

in quot;dolo facit, quicunqne id, quod quacunque exceptione elidi

iet \'/potest, petit; nam etsi inter initia nihil dolo malo facit,

;s- quot;attamen nunc petendo facit dolose, nihi talis ignorantia sit

op quot;in eo. ut dolo careat.quot;

n. Dat de verkooper het regt van retentie had, was reeds

ns .uitgesproken door Scaevola in 1. 23 ff. de Her. vel act.

us vend. (18.4) //Hereditatis venditae pretium pro parte accepit,

ag \'/reliquum emtore non solvente. Quaesitum est. an corpora

ne\' quot;hereditaria pignoris nomine teneantur? Respondi, nihil pro-

n, quot;poni, cur non teneantur.quot;

!r- Zoo kwam het beginsel, dat de wederzijdsclie verpligting van kooper en verkooper tot voorwaarde strekte, eenigermate ze tot bewustheid. Het geval, dat men niet langer gebonden [Ie wilde zijn en voor zoover men reeds geleverd had, het gent leverde terug ontvangen wilde, was trouwens bij verkoop he zeer gewoon en daarvoor had men in het Romeinsche leven jk een bepaald en vast beding, dat dikwijls uitdrukkelijk in het )p contract werd opgenomen. Dat was de lex commissoria, waar-ig over titel 3 van het 18\'le boek der pandecten handelt. Dat at was de ontbindende voorwaarde, dat de verkoop vernietigd ig zou zijn, indien niet op een bepaalden dag aan de verplig-te ting tot betaling voldaan was (304). Het stond daarbij aan in de keus des verkoopers, of hij, van de lex comnussoria gebruik 3- makende, de vernietiging van den verkoop of de betaling si van den koopprijs eischen wilde; maar indien hij eenmaal ;x gekozen had, dan was hij tegenover de partij aan die keuze n gebonden. Wij vinden dat uitgesproken door Ui.pianus in 1. 4

^ : (304) L. 1 h. t. »Si fundus commissoria lege venierit, magis est, ut

;e «sub conditione resolvi emptio. quam sul» conditione contrahi videatur.quot;

ocr page 378

— 34.fi -

§ 2 ff. h. t. aldus luidende: «Eleganter Papinianns libro 3 //Responsorum scribit: statirn atque commissa lex est, statuere //venditorem debere, utrum commissoriam velit exercere, an //potius pretium petere: nee posse, si commissoriam elegit, quot;postea variare.quot; Hetzelfde wordt voor het geval, dat de ver-kooper de betaling eisclit, terwijl hij de ontbinding vragen kan, uitgesproken door [1 ehmogenianus in 1. 7 h. t.: //Post //diem commissoriae legi praestitutum, si venditor pretium \'/petat, legi commissoriae reniunciatum videtur, nee variare et «ad banc redire potest.quot;

Door de opneming der lex comm\'moria ontstond alzoo in het koopcontract voor den verkooper hetzelfde, regt, dat in de condictio ob eausam datorum in bet algemeen voor alle contractus innouiinaü erkend was, dat men namelijk kon terugvorderen, betgeen krachtens overeenkomst geleverd was, zoodra de tegenpartij in gebreke bleef, van hare zijde aan de overeenkomst te voldoen.

Niettegenstaande deze gelijkheid bij de opneming der clausule kan het eenigszins verwondering wekken, dat er zulk eene tegenstelling insschzn Ae contractus innominaü, b.v. de overeenkomst van ruiling en het koopcontract bestond, dat in het laatste het groote beginsel, dat uit den aard van het regt in het eerste altijd gold, niet werd toegepast, tenzij in die gevallen, waarin dat door een uitdrukkelijk beding bepaald was. Al moge men nu ook kunnen aannemen, dat dit uitdrukkelijk beding zeer gewoon was, toch schijnt de tegenstelling op het eerste gezigt vreemd.

Zij wordt eenigszins verklaarbaar, indien men zich de behandeling van het Romeinsche proces met en zonder de clausule der lex commissoria denkt.

In de eerste plaats verdient het opmerking, damp;t de clausule geene verandering in de formula bragt. De regter moest volgens de intentie: Quicquid dare facere ojioriet exhonajide natuurlijk letten op de nevenbepalingen en op de bedoeling der partijen (305). De Praetor behoefde dus in de formula

(305) Vlpianus zegt in 1, 4 ff. de 1. comm. (18.3) ilat lt;le actio venditi de strekking heeft, om den verkooper ingevolge de lex commissoria

ocr page 379

— 317 —

geunii melding lu maken van de Ie# comm\'mor\'m. De uitspraak, dat liet reeds geleverde goed bij gebreke van betaling aan den verkooper moest worden teruggegeven, was een gevolg van het koopcontract. Het spreekt van zelf\', dat de verkooper, die in de keus tusschen de actie tot vervulling en tot vernietiging der overeenkomst, natuurlijk zijn belang raadpleegde, in de meeste gevallen dan alleen tot de vernietiging zijn toevlugt nam, indien er vrees bestond, of de kooper wel zou voldoen aan zijne verpligting tot betaling van den koopprijs.

Stellen wij ons hetzelfde geval voor bij een koopcontract zonder de clausule. Dan zal de verkooper dezelfde formula van den Praetor verkrijge?) De gewone regter zal door de overeenkomst er bijzonder op gewezen worden, om den kooper te veroordeelen tot betaling van den koopprijs, waartoe zijne goederen en bijzonder ook het door den verkooper geleverde goed verhonden zijn. Bij veroordeeling zal dus ook zonder de clausule de verkooper zijn regt verhalen op het verkochte goed en het spreekt we! van zelf, dat beide partijen er in dezen stand van zaken meestal helang bij hadden, om het proces te beëindigen door eenvoudige teruggaaf\' van het geleverde goed aan den verkooper, die daardoor behield, wat hij had en alleen de winst bij den verkoop opgaf, \'tgeen echter weinig beteekende, ingeval de prijs moest verhaald worden van iemand, die niet betalen kon.

Er konden natuurlijk enkele buitengewone gevallen zijn, waarin het voor den kooper van belang was, om zelfs nadat hij met de betaling in gebreke was gebleven, liever alsnog te betalen, dan het goed terug te geven; maar voor enkele exceptionele gevallen worden geene regtsregels en regtsinstel-lingen gemaakt. Voor de gewone gevallen kan het geen

zijn goed met de vruchten terug te doen krijgen: »Si fundus lege com-amissoria venierit, hoc est, ut nisi intra certum diem pretium sit exso-wlutum, inemptus fuerit: videamus quem ad modum venditor agat tam gt;gt;de fundo, quam de his, quae ex eo percepta sunt? itemque si deterior »fact us sit facto temporis. Et quidem linita est emptio: sed jam decisa »quaestio est. ex vendito actionem competere, ut rescriptis imperatoris j.Antonini et Divi Severi declaratur.quot;

ocr page 380

— 348 —

overwegend groot gewicht hebben opgeleverd, of de clausule tract

der lex commissoria was opgenomen of niet. De gewone niet

regter kon. indien de verkooper, van verdere voordeelen ring

afziende, zich beperken wilde tot het verlangen, dat hij voor schalt;

schade zou worden vrijgehouden door de teruggaaf van het had

verkochte, den gebrekigen kooper noodzaken, om althans had,

aan deze billijke vordering te voldoen, door bij gebreke ook zijn

daarvan hem tot een zeer hooge schadevergoeding te veroor- conl

deelen en de executie op zijne goederen, in de eerste plaats selei

op het gekochte maar onbetaalde goed, te verleenen. Van deze voll

bevoegdheid des regters, waarop reeds op blz. 25 en in noot 33 que

is gewezen, werd in het Romeinsche proces zeer dikwijls ook

gebruik gemaakt. I

Ditzelfde gold ook voor de overige coulraclux notidnah, der

in zoover zich daarbij het geval kon voordoen. Zoo had de mei

huurder, die vooruit betaald had, indien de verhuurder in wik

gebreke bleef, ook in de gewone actie het gereede middel Tn

om zijn huurprijs terug te krijgen, door den gebrekigen 13(

verhuurder bij weigering tot eene hooge schadeloosstelling kee

te doen veroordeelen, we(

In de societas deed zich de behoefte aan eene dergelijke zoc

clausule tot ontbinding niet gevoelen, omdat de socius de eei

bevoegdheid had, om elk oogenblik aan de tociefas te renun- kol

tieren, terwijl in de actio pro socio, d. i. de actio van den ,

eenen socius tegen den anderen, om zijn inbreng op te leveren act

of schadevergoeding te geven, op de tegenvordering uit den- reg

zelfden hoofde gelet en compensatie toegelaten werd. \'\'\'\'\'

In de meeste der overige contractus nominati, zooals

commodatum, depositum, mandatum, kon zich het geval niet ))S(

voordoen, omdat hieruit geene wederkeerige, maar alleen een- »o

zijdige verbindtenissen ontstonden. (306) gt;,n

Werkelijk was er voor de practijk bij niet-voldoening van

de wederkeerige verpligting weinig verschil tusschen de con- „F

))S

(306) De actio contraria moet als gevolg dier verbindtenissen be-schouwd worden. Wanneer zij ten gevolge van eene dier verbindtenissen ontstaat, is deze verbindtenis in dezen toestand de causa der tegen-

verbindtenis en der actio contraria. •; »1

ocr page 381

— 349 —

ule tractus nominati en innomati. Indien de kouper na levering

we niet betaalde, had de verkooper de keus tusschen de vorde-

lei\' ring tot ontbinding der overeenkomst of tot betaling met

wr schadevergoeding voor de niet tijdige voldoening. Evenzoo

\'et had degeen, die volgens overeenkomst van ruiling geleverd

us had, de keus tusschen de condictio tot terugvordering van

quot;k zijn goed of tot voldoening aan de verpligting uit het ruiliugs-

ir- contract door de actio praescriptis verbis (307). Waren de begin-

\'ts selen der actio praescriptis verbis en den condictio sine causa tot

ze volledige ontwikkeling gekomen, dan hadden zij volgens conse-

\'3 quente doorvoering der theorie, gelijk wij op blz. 193 aangaven,

Is ook bij de contractus nominati hare toepassing kunnen vinden.

Niettegenstaande de vele misvattingen omtrent den aard i, der condictio en de actio praescriptis verbis heeft het alge-

meen, zij het dan ook weinig bewust, volksgevoel in de ont-11 wikkeling van het Europesche regt tot dat resultaat geleid.

Tn art. 1184 van den Cod. Nap, en ih onze art. 1303 en

1303 is de algemeene regel opgenomen, dat in alle weder-keerige overeenkomsten de verbindtenis van de eene partij wederkeerig de grond is van de verbindtenis van de andere, zoodat de ontbindende voorwaarde bij niet-voldoening van eene der partijen stilzwijgend in alle wederkeerige overeenkomsten is opgenomen. (308)

(307) De intentio Quicquid dare facere oportet ex bona fide aan beide actiën, actio emti en praescriptis verbis, gemeen, gaf aan den gewonen regter bij den eisch tot voldoening van het koopcontract en van ruiling dezelfde bevoegdheid. Dat de actio tot voldoening van de ruil-overeen-komst eene actio praescriptis verbis was, vindt men op blz. 188 en vlg.

(308) Domat, Loi.c Civlles 1. 1 No. 5. »Dans ces trois premières »sortes de conventions (wederkeerige overeenkomsten) il se fait nn «commerce, ou rien n\'est gratuit et l\'engagement de l\'un est le fonde-)gt;ment de celui de l\'autre. Et dans les conventions mème. oü un seul «parait oblige, comme dans le prêt d\'argent, Tobligation de celui, qui «emprunte, a été prócédée de la part de l\'autre de ce qu\'il devait donner. «pour former la convention. Ainsi l\'obligation. qui se forme dans ces «sortes de conventions, au profit de Tun des contractans. a toujours sa »cause de la part de l\'autre: et l\'obligation serait nulle, si dans la verité «elle était sans cause.quot;

Pot hie li I § 42. «Dans les contrats interesses, la cause de l\'engage-«inent. que contracte Tune des parties, est ce queTautre partie lui donne,

ocr page 382

Daaruit vulgt hut regt, om bij gebreke van voldoening aan de overeenkomst alsnog de nakoming of de ontbinding der overeenkomst te vorderen. Deze vordering tot ontbinding gnat alzoo van hetzelfde beginsel uit als de recrtsvonierins

o o

tot vernietiging eener overeenkomst kraclitens art. 1371 B. VV. en 1131 God. Nap., waarbij de krachteloosheid der overeenkomst wordt ingeroepen, omdat voor de verbindtenis geen regtelijke grond, geoorloofde oorzaak, bestaat. Om tot veroordeeling te geraken, moet het bestaan van zulk een grond aangevoerd en bewezen zijn Js bij de overeenkomst eene oorzaak of grond aangevoerd, dan zal dit in den regel voldoende bewijs opleveren; maar het sluit toch tegenbewijs niet uit. Art. 137JJ B. W. en 1132 Cod. Nap. gaan er van uit, dat er eene andere dan de uitgedrukte oorzaak bestaan kan. Dikwijls zal liet voorkomen,\'dat men onder eene uitgedrukte geoorloofde oorzaak een ongeoorloofden grond der verbindtenis heeft willen bedekken. In dat geval heeft de verbondene het regt,quot; de vernietiging te vorderen. Het kan zich echter ook dikwijls voordoen, dat in eene schriftelijke overeenkomst, die dikwijls door een derde gesteld wordt, hetzij ten gevolge van misvat-ting, hetzij uit gemakzucht, eene onjuiste oorzaak vermeld wordt Zoo wordt dikwijls vermeld wegens geleend geld, terwijl werkelijk de verbindtenis tot betaling, die men op zich neemt, voortspruit uit eene slotrekening van rekening-courant, waaraan tal van overeenkomsten ten grondslag liggen. In deze regts-vordering tot vernietiging vallen, evenals in de Komeinsche condictio sine causa voor zoover deze op vernietiging gerigt was, al de gronden zamen, die bij terugvordering van goederen bij de condictiones ab causam datorum, ob turpem vel injustam causam, indebiti en sine causa, tot veroordeeling konden leiden. De grootendeels fijne regtsvragen, bij elk dier

»0» s\'engage de lui donner, on lo risque, dont elie se charge.quot; — Zoo ook Demolombe XXIV No. 348, op art. 1108. — J. G. Kist, Beg. vau het Handelsregt IV blz. 20 en 21. Dat Opzoomer, blz. 141. dit voorbijziet, is welligt alleen toe te schrijven aan de misvatting, dat men onder schuldoorzaak moest verstaan niet de oorzaak (regtsgrond) van de verbindtenis, maar van de geheele overeenkomst.

ocr page 383

— 351 —

iiig condictiën nagegaan, die diep in het maatschappelijk leven ng en liet zedelijk bewustzijn ingrijpen, hebben ouk voor ons ug hedendaagsch regtswezen nog haar volle gewigt. Bij de beng handeling hadden wij voortdurend het oog op bet tegenwoor-kV. dige regt gerigt. De verwijzingen, daar voorkomende, naar n- het tegenwoordige regt, zouden bij eene opzettelijke behan-en deling der vereisohten voor deze vorderingen alleen in her-ir- haling doen vallen.

id Als men let op het bewijs, dat voor de regtsvordering

ie moet geleverd worden, dan is de onvolledige schriftelijke akte.

1- die geen grond vermeldt voor de verbindtenis, niettegen-

et staande dit gebrek, nog van groot gewigt, en is er geen

t, bezwaar, orn daaraan, behoudens tegenbewijs, het regtsver-

i. moeden te verbinden van het bestaan van een regtelijken

:e grond voor de verbindtenis. De eischer is bij het instellen

is zijner regtsvordering reeds bij de dagvaarding (art. 5 Ev.)

verpligt, zijne middelen en het onderwerp van den eisoh met

s eene duidelijke en bepaalde conclusie aan te geven. Daartoe

tï

s behoort bij de regtsvordering tot voldoening eener verbind

tenis de vermelding wanneer en waarvoor die verbindtenis was aangegaan. Dat kan zijn voor geleverde goederen, voor bewezen diensten, wegens in bewaring gegeven of geleende goederen of gelden. Kan hij het bewijs leveren, dat een dergelijke handel heeft plaats gehad, dan zal zelfs onder het tegenwoordige regt, waarin de onvolledige akle of schuldbekentenis alleen en op zich zelf geen bewijs van zijne vordering kan opleveren, gelijk wij op blz. 330 hebben gezien, het geschrift dienen om het bewijs aan te vullen. Is de onvolledige schriftelijke akte aan Jen eischer zelf afgegeven, dan zal voor de7i regter kunnen worden aangedrongen op naauwkeurige vermelding van plaats, tijd, hoeveelheid der verschillende leverantiën, bovenal wanneer het liet een koopman of bankier is, die door de wet tot naauwkeurige boekhouding verpligt is. Waar men te doen heeft met eeu schuldvordering, in eene nalatenschap gevonden, zal de eischende erfgenaam op dezelfde wijze verpligt zijn, den grond van de verbindtenis bij het instellen zijner vordering aan te geven ; maar eene

ocr page 384

— 352 —

tekortkoming in naauwkeurige opgaaf van tijd, plaats en hoeveellieid zal niet zoo streng tegen hem getuigen. Ben verstandig regter zal daarentegen ook weder zeer letten op het tijdsverloop en de meerdere waarschijnlijkheid, dat de schriftelijke akte na afdoening van zaken uit nalatigheid onder de papieren van den erflater kan zijn gebleven. Bij het wegen van het gewigt van bewijsmiddelen en vermoedens, hangt alles ten slotte van het oordeel van den regter af.

Het verschil tnsschen het stelsel, dat wij op blz. 341 als noodzakelijk gevolg der regtsontwikkeling aanmerkten, dat namelijk de onvolledige schriftelijke verbindtenis een regts-vermoeden moet vestigen en hetgeen de tegenwoordige wet bepaalt, dat namelijk in strijd met de regtspraak bewijs van den grond der verbindtenis naast de pnvolledige schriftelijke akte moet geleverd worden, is niet zoo overwegend groot, als op het eerste gezigt zou kunnen schijnen. Men houde in het oog, dat in de beide stelsels de eischer beginnen moet met het aanvoeren van een regtelijken grond der in de onvolledige akte erkende verbindtenis (309). Is de aangevoerde

(309) In de Romeinsche formula, zooals zij door den Praetor als rigt-snoer voor den gezworen regter verleend werd, was reeds voor de meeste actiën de regtsgrond der vordering omschreven in de demonstratie (Gajus Inst. IV § 39) of de praescriptio bij de actio praescriptis verbis en de condictiones incerti. Dat bij de algemeene formulae voor de vindicatie en de algemeene condictiën eene dergelijke vermelding bij praescriptio toegelaten en gebruikelijk was, zagen wij op 93 en vlg.

Hoewel het oude Germaansche procesregt niet tot die mate van ontwikkeling was gekomen, als het Romeinsche regt, en de regtswetenschap minder vaste vormen voor de verschillende soorten van regtsvorderingen had vastgesteld, geven toch de Germaansche regtsbronnen stellig aar., dat de grondslag der vordering moest worden vermeld, althans zoo de partij dit vorderde. Saksenspiegel III. 41 § 4. »Svelk man vor gerichte «geit vorderet up enen anderen, vraget jene war af man \'t ime sculdioh »si, he sal durch recht secgen, weder he\'t von gebreke sculdich si oder «von erve. dat he ontvangen hebbe.quot; — Men zie voor het Oud-Ger-maansch proces P. Laband, Vermögemrechtlichen Klagen, § 2, 3 en 108. Zonder dergelijke verpligting is een regtsstrijd moeijelijk denkbaar; de verpligting in het hedendaagsche procesregt, om de middelen van den eisch reeds bij de dagvaarding te noemen, is door het Romeinsche regt tot ons gekomen.

ocr page 385

grond onwaar, dan zullen er ligt eenige omstandigheden worden ontdekt, die daarmede in strijd zijn. Tegen het regts-vermoeden zal men op grond van eene of meerdere omstandigheden bij den regter een tegengesteld vermoeden kunnen doen gelden en aan de onvolledige akte hare kracht van regts-vermoeden ontnemen. Dit geldt toch alleen behoudens tegenbewijs en dit wordt ook geleverd door vermoedens des regters, die in burgerlijke gedingen bewijskracht hebben. De verpligting, om bij het instellen der regtsvordering den grond der verbind-tenis aan te voeren, levert voor degeen, die bij een onvolledige akte eenige betaling op zich nam, een grooten waarborg op. De eischer, die ingeval er geen regtsgeldige grond voor de toegezegde betaling bestond, er eene verzinnen moet, stelt zich door deze onware voorstelling bloot aan tegenbewijs, dat in de meeste gevallen zal kunnen geleverd worden.

Terwijl het tegenwoordige regt aan de onvolledige akte geen regtsvermoeden (praesumtio juris) verbindt, verhindert het ook niet, dat deze akte een vermoedeu bij den regter vestigt (praesumtio judicis), die met eene andere omstandigheid tot ondersteuning van den aangevoerden grond voor de verbindtenis den regter kan leiden, om het bestaan eener regtsgeldige verbindtenis aan te nemen en op grond daarvan te veroordeelen. De gedaagde zal in dat geval, den door den eischer aangevoerden grond voor de schriftelijke toezegging erkennende, veelal beweren, dat er werkelijk een andere grond voor die toezegging, namelijk een onregtmatige grond, bestaan had. In dat geval moet de regter de gronden voor en tegen beide partijen wegen en zal hij gewoonlijk op vermoedens regt spreken. Volgens het tegenwoordige regt kan de regter aan het bestaan der onvolledige akte meerder of minder gewigt hechten. De wetsbepaling omtrent het regtsvermoeden der onvolledige akte zal alleen het gevolg hebben, dat de wet aan het vermoeden, daaruit ontstaande, een bijzonder gewigt hecht, dat alleen door andere vermoedens ter vrije beoordeeling des regters zijne kracht zal verliezen. Waar het voor en tegen der bewering van de partijen overigens ongeveer gelijk zouden staan, zou de uitdrukkelijke wets-

ocr page 386

bepaling de balans aan de zijde der schriftelijke toezegging doen overslaan. Wij spreken hier in het algemeen va» schriftelijke loezegginrj, Aan het woord schuldbekentenis hecht men in het algemeen meer liet begrip, dat men wegens geleverde goederen of diensten betaling verschuldigd is. Een zeer gewone grond voor de schuldbekentenis is, dat men geld ter leen heeft ontvangen. De schriftelijke verbindtenis, zooals o. a. door bankiers dikwijls bij brieven of ander geschrift wordt aangegaan, strekt daarentegen, om ter leen te verstrekken. De leening (mutuurn) wordt niet eerder gesloten, dan bij de betaling ; maar de bankier, die op vooraf gestelde voorwaarden het geld voor eene handelsonderneming of voor een ander geoorloofd doel toezegt, moet zijne verbindtenis tot voorschot gestand doen en is bij gebreke daarvan tot schadeloosstelling gehouden. Kan de bankier echter bewijzen, dat het geld gevraagd wordt voor eene Ongeoorloofde onderneming, b.v. uitrusting van een vaartuig tot vervoer van krijgsbehoeften in strijd met de pligten van neutrale staten, tot verboden koopvaart of tot gewelddadige wegvoering van minderjarigen, dan zal hij aan de overeenkomst niet behoeven en niet behooren te voldoen.

Het is voor het behoud van een gezonden regtstoestand van liet uiterste belang dat het bewustzijn van het vereiscbte van een regtelijken grond voor de toezegging zoo klaar mogelijk tot het volksbewustzijn kome. De regtsgeldige bur-gerregtelijke overeenkomsten hebben alle, met uitzondering van schenkingen, gelijk wij op blz. 243 gezien hebben, ruiling van goederen of diensten, of bevordering van net tot stand komen van dergelijke ruilingen, ten doel.

In zoover is het behalve bij schenkingen een vereiscute voor de verbindtenis uit overeenkomst, dat daar tegenover een voordeel aan de verbonden partij zij toegekend. Dit is in liet Engelsch uitgedrukt in het vereischte, dat er moet zijn, hetgeen de wet aanmerkt als een equivalent voor de verbindtenissen (310). Het was eene toepassing van dit be-

(310) Blackstone, 11 blz. 297. »A valuable consideration (causa) is, wsuch.... which the law esteems an equivalent given foi\' the grant, sand therefore founded in motives of justice.quot;

ocr page 387

ginsel, dat volgens het in de oude pracfijk veelal tot alge-meenen regel voor alle contracten verheven rescript van Keizer Dioci.etianüs in 1. 2 Cod. de Rescr, quot;Vend. (44!.4) (311) eene groote henadeeling (meer dan de helft bedragende) elk contract nietig kon doen verklaren. Daarbij ging men uit van een op zich zelf juist bewustzijn van recht; maar men kwam in lijnregten strijd met de algemeene belangen der maatschappij. Deze vordert., dat er regtszekerheid zij van goederen, en dat niet elk bezit en eigendom van goederen onzeker gemaakt kan worden door processen van het zoo veranderlijke en voor velerlei opvattingen vatbare begrip van waarde en billijken prijs. Daarom moet als regel gelden, wat bij de Romeinsche juristen voorkomt als eene in het algemeen bij alle volken erkende vrijheid, om zaken, die eene hoogere waarde hebben, in eigendom of in gebruik boven of heneden de koop- of huur-waarde af te staan (313). Ui.prANus vereenigt zich ook met het gevoelen van Pomponius. dat het volgens het algemeene regt aan de partijen vrijstaat, om elkander omtrent den prijs van het gekochte te misleiden (313). Van deze vrijheid, om de waarde van het voorwerp van den koop door allerlei verhalen op te vijzelen of te verkleinen, wordt door verkoopers en koopers over de geheele wereld een ruim gebruik gemaakt, en aan hem. die er zich door laat verschalken, wordt in den regel geen middel gegeven, om de schade vergoed te krijgen Toch heeft deze vrijheid hare grenzen. Het moet blijven bij de gewone middelen, om de waarde breed uit te meten of klein voor te stellen, waartegen ieder zich wapenen kan en waarop ieder bedacht moet zijn.

(311) «Rem majoris pretii si tu vel pater tuus minoris prctii distraxe-writ, humanum est. ut vel pretium, te restituente emtoribus fundum, «recipias, autoritate judicis intercedente, vel, si erntor elegerit. quod »deest, justo pretio recipias. Minus autem pretium esse videtur, si nee »dimidia pars veri pretii soluta sit.quot;

(312) Paülus in 1. 22 § 3 IV. Loc. {10.2) wQuem ad modum in emendo «et vendendo naturaliter concessum est, quod pluris sit, minoris emere; «quod minoris sit, pluris vendere, et ita invicem se circumscribere: ita »in locationibus quoque et conductionibus juris est.quot;

(313) 1. 16 § 4. De Min. (4.4) «Idem Pomponius ait, in pretio emtionis quot;et venditionis naturaliter licere contrahentibus se circuinvenire.quot;

ocr page 388

Zijn er bijzondere middelen aangewend om de partij te bedriegen, dan levert dit bedrog grond volgens art, 1485 B. W. en art. 1117 Cod. Nap. op voor de vernietiging der verbindtenis, waarover wij op blz. 294 handelden (314). Voor het bewijs van het bedrog levert een veel te lage koopprijs een sterk vermoeden op, waarbij in vele gevallen weinig bij behoeft te komen, om een verstandig regter tot het bestaan van bedrog te doen besluiten. Voor de herstelverleening, die in het oude Romeinsche regt als buitengewoon middel door den Praetor werd verleend, was waarschijnlijk deze omstandigheid in den regel voldoende. Het is zeer aannemelijk, dat het rescript van Diüci.eïianus, dat zich op de humaniteit beroept, zich daaraan heeft aangesloten. Zoo kon dit rescript zijne plaats innemen in het corpus juris van Jusïinianus, naast den regel, dat de tusschen partijen overeengekomen prijs als vaststaande moest beschouwd worden. Dat de verkooper van het onroerend goed niets meer dan de benadeeling van meer dan de helft had te bewijzen, moet men voor het Justinianeïsch regt als vaststaande aanmerken. Teregt is er o. a. ook door V. Vangerow, Leïtf. § 611 op gewezen, dat de com-p\'datores het stelsel van liet rescript van Diooi.eïianus als algemeenen regel hebben willen opnemen, omdat zij uit den titel van het Corpus Juris van ïhbodosius de Contr. emt. (3.1) de wetten, die den regel bevatten, dat een te lage prijs nooit op zich zelf grond tot vernietiging van de koopovereenkomst oplevert (315), hebben weggelaten, en daarentegen 1. 4 (316) in 1 15 Cud, de resc. vend. (4.44)

(314) Een voorbeeld daarvan vindt men in het arrest van den H. Ti. ■10 Oct. 1871 v. d. Honert, Sr. blz. 269, waarbij dergelijk bedrog wegens de omstandigheden, waaronder het plaats had gehad, als opligting strafbaar werd geoordeeld.

(315) 1. 1 «Venditionis atqne emtionis fidem nulla circumsoriptionis «violentia factam. rumpi minime decet. Nee enim sola pretii vilioris «querela contractus, sine ulla culpa celebratus, litigioso strepitu tur-«bandus est.quot; L. 7 uSemel inter personas legitimas initus erati contractus »et venditi ob minorera adnumeratam pretii quantitatem nequeat infir-)gt;raan.\'

(316) Quisquis major aetate, atque administrandis familiarum suarum ftcuris idonens comprobatus, praedia etiam procul sita distraxerit, etiamsi

ocr page 389

— 357 —

zoodanig geïnterpoleerd hebben overgenomen, dat zij met het aangenomen stelsel in overeenstemming was.

In het Europesche regt heeft men dit stelsel, dat in den Codex Justiniani alleen ten voordeele van den verkooper is opgenomen, in vroeger jaren tot alle overeenkomsten uitgestrekt. Hugo de Groot, Inleid\'mg 111 52, beschouwt dit regt als een herstelverleening en wil het ook tot huur, verhuring, dading, deeling en alle andere handelingen, uitgenomen verkoopingen, die door \'t geregt geschieden, hebben toegelaten. Zoo ook Groenewegek, de leg. abr. op 1. 2 Cod. de Resc. Vend.. Leijsf.b, Med. ad pand. 8p. 205 (111 blz. 575—596) spreekt alleen van koop en verkoop, ook van nalatenschappen. Yele juristen, die deels erkennen, dat in de practijk de algemeenheid van den regel voor alle contracten werd aangenomen, dringen aan op beperking, deels tot het koopcontract, deels om het alleen aan den verkooper, deels alleen aan den verkooper van onroerend goed, te verleenen. Men zie Puchta, Pand. § 364, Kei.i.er, Pand. § 333 en v. Vangerow, t a. p. Voet, op den titel der resc. vend. (18.5) No. 4 vat het rescript alleen op als eene vaststelling van de benadeeling, die alleen en op zich zelve voldoende is, om dolus aan te nemen. Volgens hem is er verband met 1. 36 ff de V. O. (45.1), waarbij wordt gehandeld over het geval, dat in de stipulatie volstrekt niet blijkt van dolus van hem, die de verbindtenis bedongen had, maar waar de dolus in de zaak zelve gelegen was. (317).

Het naast komt daarbij het Pruissische Landregt. Volgens § 58 van deel It. 11 is de bewering, dat de koopprijs te

opraedii forte totius quolibet casu mininie facta distractio est, repetitionis gt;nn reliquum precii nomine vilioris, copiain minime consequetur. neque «inanibus immorari sinatur objectis, ut vires sibirnet causetur locorum «incognitas, qui familiaris rei scire vires vel merita vel emolumenta «debuerit.quot;

Met eenige bekorting der omschrijving van het geval werd deze beslissing zakelijk geheel overgenomen; doch in plaats der woorden pree// nomine vilioris werd in 1. 15 opgenomen paulo vilioris pretii nomine.

(317) «Si nullus dolus intercessit stipulautis, sed res ipsa in se dolum whabet.quot;

ocr page 390

— 358 —

laag is, o]) zich zelf voor vernietiging der verbindtenis van omrif

den kooper niet voldoende; maar, als de koopprijs het dnb- meu

bele bedrag van de waarde te boven gaat, geeft dit volgens verm

§ 59 den kooper het regt, de vernietiging te vorderen (318). ^ent

Zeer opmerkelijk is, dat § 69 het beroep van den verkooper sprol

op benadeeling voor meer dan de helft wegens te lagen v:lquot;

koopprijs uitsluit. Pochta t. a. p. en vele anderen wilden am\'e

juist de vordering tot vernietiging tot den verkooper alleen t\'\'e :

beperken. In dit opzigt bevat de Code Nap., die in art. 1674 ^

de regtsvordering wegens benadeeling voor meer dan \'In toe- doen liet, (gedurende 2 jaren volgens art. 1676) juist het tegen-

gestelde van het Pruissisclie regt, daar bij art. 1683 uit- (3S

drukkelijk bepaald is, dat deze rescision niet ten voordeele duin,

van den kooper verleend wordt (319). Dit is ook het stequot;quot; stelsel van het Ttaliaansche Wb. in art. 1529—1537 (320).

Het verst gaat het Oostenrijksche Wb., terwijl het in § 934 op zi

rle vernietiffin£c wegens benadeelinquot; voor meer dan de helft \' uitge

. f3\'

der waarde bij alle wederkeeri^e overeenkomsten toelaat. Tn

, . der s

ons Wb. heeft men het regt op vernietiging wegens be- In

nadeeling, gelijk ook C. Asser, Ned. B. IF. verg. m.et geno

het Wb. Nap. in § 742 mededeelt, niet willen opnemen, sche]

vers

(318) § 59. Dist jedoch dieses Miszverhaltnisz sogrosz, dasz der Kauf- vesti Dpreis den doppelten Betrag des Werths der Sache übersteigt. so be- hebt «gründet dieses Miszverhaltnisz zum besten des Kaufers, die rechtliche aan «Vermuthung eines den Vertrag entkraftenden Irrthums.quot; quot;er .

(319) Eene wet van 14 Fruct. an III, waarover gehandeld wordt in ^egl de Conférences V blz. 135—157, had de/.e actie afgeschaft, terwijl de w*.i: daling der assignation alle prijzen verbazend gedrukt had. gt;K\'r0

De uitvoerige beraadslagingen, waarbij over het al of niet gegronde ^P1*0

der bezwaren van den hoogleeraar C. Thomasius, De aequitate cerebri na )gt;est

legis 2 Cod. De Resc. Vend., tegen het rescript van Diocletianus, en quot;P01

over de practische bezwaren werd gehandeld, vindt men in de Confé- ,)fait

fences VI bl. 43— 74. — Het aan Thomasius toegeschreven werk was ®

de dissertatie inauguralis van J. F. Stützing, op 15 Aug. 1706 te )nv^ Ilalle onder Professor Thomasius verdedigd, te vinden in Chr. Thoma-

sii Dispulationes Ifalenses. deel II. Door den Jeugdigen doctor werden quot;ral

de misbruiken van de aequitas cerebri na in het algemeen vooral op de ))quot;u

rekening van clericalen invloed gesteld. ^01\'

(320) Art. 153G «La rescissione a titolo di lesione non a luogo in )gt;we »fa vore del compiatore.quot; ))e\'s

ocr page 391

359

omdat dit buitengewone middel niet noodig is, terwijl men ingeval van dwaling, bedrog en geweld steeds tot vernietiging kan geraken (321). Ook het Engelsche regt kent dit middel niet. Wel is in het Engelsche regt uitgesproken, dat in wederkeerige overeenkomsten de verbindtenis van den een de grond (causa) van de verbindtenis van den ander is en houdt men vast aan het beginsel, dat de partij, die zich verbindt, daartegenover eenige waarde moet ontvangen of bedongen hebben, die regtens beschouwd wordt als voldoende grond, om zijne toezegging als wettige verbindtenis te doen gelden. Zonder dat is de toezegging krachteloos. (322).

(321) Men zie de behandeling bij onze wetgevende macht in Voorduin, V bl. 145—158, waarbij ook weid aangevoerd, dat dit middel steunde op eene verkeerde opvatting van het bekende rescript. — Men verlieze niet uit het oog, dat dwaling bij art. 1458 alleen met groote beperking is toegelaten en dat in art. I486 de benadeeling alleen en op zich zelve niet als grond voor vernietiging is toegelaten, behalve in uitgezonderde gevallen, zooals tegen boedelscheiding volgens art. 1158.

(322) In Engeland is het woord consideration, ontleend aan den vorm der schriftelijke akten, in gebruik gekomen voor causa.

In de oudste bronnen vindt men reeds den Romeinschen regel overgenomen, dat het nudum pactum geene regtsgeldige verbindtenis schept. Zoo II. de Bracton, De leg. et cons. Angliae III c. 1 en 2 ed. Travers Twiss II bl. 106 en v., Fleta II C. 56. In de behandeling der zes vestimenla der pacta vesfiya, die volgens de Bracton bl. 108 regtskracht hebben, re. verbis, scripto. consensu, traditione, junctura is alles ontleend aan de destijds bestaande opvatting van het Rom. regt. Het vereischte der justa causa vindt men reeds in de Coutume de Normandie van het begin der IS116 eeuw, Bezitrecht bl. 203. In chap. 00 De convenant lezen wij: wAucun n\'est establv debteur pour promesse qu\'il face, s\'il n\'y ait «droicte cause de promettre. Aucun n\'est tenu ii payer chose, qu\'il ait «promise pour faire vilain service, et cil, qui la dernande, n\'y doibt par )gt;estre soustenu : ains le doibt grièfvement amender. Aucun n\'est debteur «pour promesse, si ben ne monstre cause, pour quoy la promesse fut ))faite,quot;

Blackstone II blz. 443 en 444 handelt over de consideration, «upon wwhich is founded, or the reason, which moves the contractory party. ))to enter into the contract. It is an agreement on sufficient conside-»ration. The civilians hold, that in all contracts, either express or implied, «there must be something given in exchange, something, that is mutual «or reciprocal. This thing, which is the price or motive of the contract, «we call the consideration and it must be a thing lawful in itself, or «else the contract is void.quot;

rf

24

ocr page 392

— 300 —

Het staat echter vast, flat in den regel de toestemming der van

partij zelve in liet equivalent, dat hij verkrijgt, voldoende is, geb

mits deze toestemming bona fide gegeven zij. Het oordeel De

over de waarde is overigens niet aan den regter opgedragen. wil

Volgens J. Stephen, flew Comm. II cli 5 (ed. 1883 blz. 58) tiek

is elke maat van wederkeerigheid, hetzij bij wege van een voor- aktf

deel, dat verleend is door dengeen aan wien de toezegging is gen

gedaan, of van een nadeel, dat hij te dragen heeft, voldoende, mei

om te voorkomen, dat de overeenkomst als nudum pactum koo

onverbindend zou zijn, en is in den regel de gelijkheid van een

den grond (of sohuldoorzaak) eene kwestie, die de wet niet dee

zal steunen, mits er een grond van eenige waarde zal blijken erfd

te hebben bestaan ten tijde van de toezegging (323). In de ver

Vereenigde Staten van Amerika geldt, evenals bij ons, de din;

regel, dat ingeval er geen bedrog of geweld bestaat, de sch

ongelijkheid van den prijs met hetgeen daarvoor bedongen dre

was, geen voldoenden grond oplevert tot vernietiging eener of

verbindtenis (324). 1

Teder, die niet in de bij de wet gemaakte uitzonderingen fal

verkeert, wordt geacht bekwaam en geregtigd te zijn, om lin;

over de waarde van goederen of diensten, die hij afstaat en stri

van quot;tgeen hij er voor bedingt, goed te kunnen oordeelen, en Zo(

eenmaal daarover bij overeenkomst beslist hebbende, kan hij bel

daarop niet terugkomen. Het belang der maatschappij tot ont

handhaving van den regtstoestand brengt echter tevens mede, ten

dat deze beslissing in waarheid en werkelijkheid, niet in schijn aan

om de wet en het regt te ontduiken, gegeven zij, en niet door vai

geweld verkregen zij. Fn het laatste geval valt het wegvallen ein

aar

(323) quot;Rut any degree of reciprocity, whether in the way of benefit zij

«bestowed by the promisee, or disadventage sustained by him, will |ee «prevent the pact from being nude. And as a general rule, the (ulc.([uac[i

«of the consideration is a question, that the law will not entertain, (

«provided a consideration of some value shall appear to have existed at gev

«the time of the promise.,, «nc

(324 In de noot op Blackstone 11 hlz. 444 overgenomen in de uit- (

gaaf voorkomende van J. L. Wendell N.-York 1854 lezen wij: «If there in

«be no fraud in the transaction, mere inadequacy of price would not koc

«be deemed, even in equity, sufficient to vacate a contract.quot; ver

ocr page 393

— 361 —

der van deu regtsgrond, de causa, 7,amen met de nietigheid wegens

le is, gebrek aan overeenstemming, waarover wij reeds handelden,

deel De onwaarheid kan echter ook door beide partijen uit vrijen

gen. wil begaan zijn. Zoo kan, om den vorm van eene authen-

58) tieke akte voor schenking te ontgaan, bij eene onderhandsche

oor- akte, wat werkelijk schenking was, koop en verkoop zijn

ig is genoemd, met vermelding dat de koopprijs betaald was. Dat

nde, men aan schenking in strijd met de waarheid den schijn van

•.turn koop geeft, komt ook menigmaal voor, wanneer zwakke ouders

van een hunner kinderen op onbehoorlijke wijze willen bevoor-

niet deelen en daardoor de bepalingen der wet omtrent het wettig

jken erfdeel ontduiken. Maar al te dikwijls komt ook nog voor

1 de verkoop van goederen, waarbij in \'t geheel geene vervreem-

, de ding (325), maar alleen onttrekking bedoeld wordt aan een

, de schuldeischer, die vonnis verkregen heeft en met de executie

igen dreigt, of aan de schuldeischers, die faillietverklaring gevraagd

ener of verkregen hebben (326).

Dergelijke simulatie, waarbij voor de verbindtenissen eene

igen falsa causa vermeld wordt, gaat meestal uit van de bedoe-

om ling, om den waren grond, die met de wet of de zeden in

t en strijd is, te verbergen; maar dit is toch niet altijd het geval.

1, en Zoo komt het zeer dikwijls voor, dat partijen in eene schuld-

1 hij bekentenis verklaren eene bepaalde som ter leen te hebben

tot ontvangen, hoewel de werkelijke gronden der schuldheken-

ede, tenis geheel andere zijn. Indien b.v. aannemers en onder-

hijn aannemers onder elkander, of anderen, die wegens eene serie

loor van zaken wederkeerig inschulden en uitschulden hebben en

■Hen eindelijk na opmaking van rekening vaststellen, dat de een aan den ander eene bepaalde som verschuldigd blijft, noemen

nefit zij dat, als er geene afrekening van dit bedrag plaats heeft,

leenen van geld, dikwiils uit onkunde en zonder eenise

uacij \' 0

tain, (325) In het Romeinscho regt schijnt dit ook niet onbekend te zijn

ed at geweest. 1. 55 de Contr. emt. (18.1) «Nuda et imaginaria venditio pro

»non facta est; et ideo nee alienatio ejus rei intelligitur.quot;

uit- (326) De vorm van schenking aan een naastbestaande of vriend zal

■here in dat geval als te veel in het oog loopend niet gebruikt worden. Ver-

not koop geeft het voordeel, dat de regter volgens art. 1377 B. W. voor de vernietiging bewijs van kwade trouw van beide zijden zal moeten vragen.quot;

ocr page 394

— 362 —

■

andere bedoeling, dan om de vele verwikkelingen van hun \',il

onderlingen handel daarmede voor goed af te sluiten. Zoo trouw

kan. wat eigenlijk dading was. in den vorm eener korte de glt;

schuldbekentenis wegens geleend geld zijn opgemaakt (327). meu

Bij alle simulatiën moet altijd de regel gelden, die als van ;

opschrift van den titel over dit onderwerp, IV t. 22 God., voor- iooet

komt: Plus valere, quod agliur, quam quod simulate concipitur. het 1

hetgeen ook in 1. 1 van dienzelfden titel onder andere word

bewoording wordt gezegd (328). Zoo zal bij de schuldbeken- hetze

tenis. die eene dading in den vorm van leening van eene de di

som gelds bevat, deze vorm de middelen tegen dading in art. titel

1379—1899 niet uitsluiten en zal de geheele handeling nietig niet

zijn, indien zij is aangegaan door personen, b.v. een voogd in 1

of curator, die daartoe volgens art. 45ö B. W. niet bevoegd nom

zijn zonder magtiging van den regter. ^

Het meest zullen de benadeelden, dat zijn in de boven- den

genoemde gevallen de broeders en zusters, de minderjarigeir schu

en onder curatele gestelden of hunne vertegenwoordigers, en B

de schuldeischers, tegen dergelijke handelingen opkomen. kan

Zoolang het goed in het bezit van den oorspronkelijken con- wet\'(

tractant gebleven is, zullen zij door het bewijs der simulatie quot; slagen, dit in don boedel terug te brengen en daarop bun verhaal te oefenen.

Voor zoover het goed van meerderjarigen door verkoop

of onder bezwarenden in handen van derden is overgegaan, aüe(

kan het verhaal tegen dezen alleen gelden, voor zoover er lnne

voldoende vermoedens bestaan, dat zij bet goed gekocht den

hebben, wetende dat het ten nadeele der regten van anderen hij uit den boedel vervreemd was (329).

(327) Over tie simulatie in contracten zie men Savigny, Syst. III § i34. 0lt;)r^

(328) »in contractibus rei Veritas potins, quam scriptura perspici debet.quot; kon

(329) Het edict onderscheidde niet. of het een tweede of derde bezitter ge|j was, maar gaf de actie tegen dengeen, die kennis droeg van het bedrog.

L. 1 pr. IV. Quae in fraud cred. (42.8) wAit Praetor: Quae fraudafionis

ftcaiisa ycsln orunt, cum co qui fraudem non iynoravcvit, da hiscuva-

utori honorum vel ei. cuide ca re actioneni dure oporlehit. intra annum^ dun

iïfjuo expereundi poleslas fucvit. actionem daho: idque ctiarn advevsus

vipsum, (jui fraudem fecit, servaho.\'quot; Men zie verder 1. 6 en 1. lOh. t. (i

Keller, Pand. § 370. ),so^

i

ocr page 395

— 363 -

hun Hat is het ware beginsel. Indien er blijkt van kwade

Zoo trouw, wat duet ::et er dan toe, of de bezitter terstond of later

orte de goederen of een deel daarvan verkregen lieeft ? Zoo past men

27). meu op dezen verderen bezttter ook met regt toe den regel

ais van art. 1377 al. 3, dat hetgeen hij om niet verkregen lieeft

Dor- moet teruggeven, voor zoover hij daardoor verrijkt is. Hoewel

tur. het Fransche regt in art. J167 zulk eene bepaling niet bevat,

lere wordt d jor Larombièue op dat artikel No. Ui in. i. teregt

:en- hetzelfde voor bet Fransche regt aangenomen. Waar overigens

ene de derde bezitter ter goeder trouw gekocht of op bezwarenden

art. titel verkregen heeft, kan de actie der scbuldeischers hem

jtig niet bereiken, zooals ook door Lauümbière t. a. p., alsmede

ogd in Dai.i.oz, N. Rép. i v. Obligation No. 1045 is aange-

egd nomen.

Wij spraken tot nog toe over goederen, die kunnen wor-

en- den teruggevorderd. Dat betzelfde ook geldt bij cessie van

jen schuldvorderingen, kan niet worden betwijfeld (330). en Bij gemis van eene aangenomen toezegging of verbindtenis

en. kan de nietigheid worden uitgesproken. Daaronder valt ook

in- weder de verbindtenis, aangegaan wegens een onmogelijken

itie of ongeoorloofden. of gewaanden, maar in werkelijkheid niet

un bestaanden grond, evenals de van eiken regtsgrond ontbloote

belofte, nuda pollicitatio.

iop Blijkt uit eene schriftelijke akte, dat op die wijze eenig

in, goed is overgedragen, dan kan de nietigheid daarvan worden

er ingeroepen en zal deze vordering ook gevolg hebben tegen

;ht derden, die bet gebrek in de overdragt gekend hebben, of

en bij gewone voorzigtigheid hadden kunnen en moeten kennen.

Wel zal men gewoonlijk de ongeoorloofde grond of schnld-

34. oorzaak niet in de akte vermelden ; maar dit kon toch voor-

t.quot; komen door de onkunde der partijen, die zich van de onmo-

tei\' gelijkheid of ongeoorloofdheid niet bewust waren. ^ Hebben de partijen, zooals meestal zal gebeuren, dit door

■H- een ««.\'simuleerden grond (falsa causa) trachten te verbergen,

mi dan moet door bijzondere omstandigheden van de bewustheid

tus

. t. (330) 1. 14 üquot;. Quae in fraiul, cred, (-t-2.8) »llac in factum actione non

))Solinii doininia rerum revocantur; verum etiam actiones restaurantur.quot;

ocr page 396

— 364 —

en kwade trouw kunnen blijken, om de actie tegen derden verme

toe te laten. dwalii

Tegen den persoon zelf, die de toezegging (stipulationera aanmt

sine causa) aannam, geldt de actie of de exceptie, als hij m we

uitvoering vordert, altijd. Daarbij geldt wat wij omtrent tems.

de terugvordering van het onverschuldigd betaalde in de me\';

7Je afdeeling (blz. 235—258) hebben aangevoerd. Hierbij eischt

hebben wij nog te letten op eene tegenwerping, die zou heid

kunnen gemaakt worden naar aanleiding van art. 1358. middi

Waar men de actie of de exceptie wegens de onverschul- 00S \'

aigde toezegging, waaronder ook behoort hetgeen men de v

wegens eene vermeende verpligting (errore) heeft beloofd, indeb

in eene schriftelijke overeenkomst toelaat, kon de vraag ^it c

opkomen: of dat niet in strijd is met gemeld art,, dat ^

geene andere nietigverklaring toelaat dan wegens dwaling \'leeft

in de zelfstandigheid der zaak of in den persoon, wanneer heeft

de verbindtenis met het oog op persoonlijke hoedanigheden ver,v

is aangegaan, Is het niet in strijd met de wet, zich op eene nis 1

nietigheid te beroepen wegens dwaling, die ligt buiten dit den zeer beperkte gebied? Het antwoord ligt voor de hand. De

beperking der dwaling heeft betrekking op de eerste categorie 6611

der vereischten, die moeten bestaan voor eene regtsgeldige voür

overeenkomst, namelijk op een gebrek in de overeenstem- ver\'

ming van de partijen. Hier geldt het de vierde categorie, dooi

namelijk het gebrek in den grond, de causa, der verbindtenis. vo^

Art. 1358 betreft de benadeeling, die men lijdt door ver- kon

keerde waardering van goederen en diensten, die men toezegt 13quot;

en bedingt, en geeft alleen voor dwaling daarin liet middel maf

vau nietigverklaring in twee. uitgezonderde gevallen ; terwijl Wül overigens de regel geldt, zooals wij hoven vermeldden, dat

personen, die regtens over hunne goederen kunnen beschikken, l.1|k

over de waarde van de toegezegde en de bedongen goederen „de

en diensten bij het aangaan der overeenkomst hebben beslist »UC en dat daarop niet kan teruggekomen worden.

Indien iemand, door dwaling meenende schuldig te zijn, /00

b.v. wegens handelingen, die in een ander land zouden heb- liet

ben plaats gehad, zich bij schuldbekentenis verbindt, de we

ocr page 397

— 365 —

rden vermeende sclmld bij termijnen te voldoen; dan is er geene dwaling in de waardering der handelingen, waaromtrent elke

uera aanmerking door art 1358 is uitgesloten, maar dan was er

hij in werkelijkheid in het geheel geen grond voor de verbind-

rent tenis. en valt bij het bewijs, dat de vermeende handelingen

de niet hebben plaats gehad, de causa, dat is het vierde ver-

irbij eischte eener regtsgeldige overeenkomst, weg. De ongerijmd-

zou heid van de vooronderstelling, dat art. 1358 zich tegen dit

158. middel van nietigverklaring zou verzetten, valt ook in het

hul- oog door de opmerking, dat men dan de betaling wegens de

nen de vermeende, doch niet verrichte, handelingen condiclione

ufd, indebiti zou kunnen terugvorderen en dat tot voldoening van

aaer dit onversohuldiede zou kunnen worden veroordeeld.

O 0

dat Niet alleen wanneer de causa in het geheel niet bestaan

insf heeft, ook waar zij in den aanvang aanwezig was, maar later

eer heeft opgehouden te bestaan (331), levert dit grond op tot

len vernietiging. Hetgeen men voor zich tegenover zijne verbindte-

3ne nis bedongen heeft, kan wegvallen zonder of door toedoen van

dit den medecontractant. Men kan namelijk vrachtcontracten

De gesloten hebben tot overbrenging van bepaalde goederen naar

rie een bepaalde haven, waarheen het vervoer van deze goederen,

ige vóórdat de uitvoering een aanvang zou nemen, door de Regering

m- verboden wordt. Meer veelvuldig is het wegvallen der causa

ie door toedoen van den contractant, die in gebreke blijft te

is. voldoen aan zijne verpligting in de wederkeerige overeen-

gt;r- komst. In dat geval is volgens art. 1184 Cod. Nap. en art.

igt 1302 B. W. de overeenkomst niet van regtswege ontbonden,

lel maar moet de ontbinding bij regterlijke uitspraak gevorderd

jjj worden. Uit den vorm en de plaats dezer beide artikelen at

(331) Causa /inita. die wij op bl. \'174 vermeld vinden. Het Oosten-rijksche wetboek heeft daarvoor een afzonderlijk artikel § 880. »Wird

in »der Gegenstand, worüber ein Vertrag geschlossen worden, vor dessen

st »Uebergabe dem Verkehre entzogen, so ist es eben so viel, als wenn »man den Vertrag nicht geschlossen hiitte.quot; — Dit art. geldt in het Oostenrijksche wetboek, dat niet afzonderlijk over de causa handelt, zoowel voor het voorwerp van de verbindtenis, waarvan de causa finita

3quot; liet voorwerp was, als voor de daartegenover staande verbindtenis der

Ie wederpartij.

ocr page 398

— 366 —

blijkt duidelijk, dat men van de vrij algemeen verspreide De

leer is uitgegaan, dat de lex commusoria van het Romeinsolie onroer

regt voor het koopcontract voor alle wederkeerige overeen- in one

komsten toepasselijk werd geacht, hoewel deze ontbindende treft,

voorwaarde door de partijen in de overeenkomsten niet was Cod.

opgenomen. koopei

Hebben de partijen deze voorwaarde opgenomen, dan ver- ontbin

pligt zij den regter bij het in gebreke blijven van eene der hypotl

partijen de overeenkomst te ontbinden op de vordering der waardi

wederpartij. Is het beding niet uitdrukkelijk in de overeen- contni

komst opgenomen en wordt het Voorondersteld stilzwijgend verpli

daarin te zijn vervat, dan heeft de regter meerdere vrijheid, Dit i;

en kan hij, als hij dat naar omstandigheden en den aard in ai

van de overeenkomst billijk acht, aan den in gebreke ge- moet(

bleven schuldenaar nog een termijn van ten hoogste eene heeft,

maand verleenen. Aan de tegenpartij staat volgens art. 1303 Dc

B. W. (1184 God. Nap.) de keus, om tot nakoming der over- de vi

eenkomst en schadevergoeding, voor zoover hij tot het eerste een

niet kan gedwongen worden, of tot ontbinding met schade- wien

vergoeding te dagvaarden, evenals dit in het Romeinsolie uit,

regt voor de lex commissoria gold (332). waan

Zoodra de ontbindende voorwaarde (lex commissoria) ver- zijne

vuld is volgens des regters uitspraak, moeten volgens art. 1183 king

Cod. Nap. en 1301 B, W. de zaken worden teruggebragt vulli

tot den vorigen stand, even alsof er geene verbindtenis be- O

staan had. De in gebreke gebleven schuldenaar moet hetgeen onts

hij ontvangen had met de vruchten teruggeven, en krijgt dat

terug wat hij ten deele reeds voldaan had. zijn.

gew

(332) L. 3 h. t. (18.3) »Nam legem commissor iarn, quae in venditio- I. wnibus adjicitur, si volet, venditor exercebit: non etiarn invitus.quot;

Het noodzakelijke van die keus is aangewezen in 1.2, omdat namelijk

de kooper, indien de verkooper bij niet-betaling van den prijs alleen 03

ontbinding eischen kon, het in zijne magt zou hebben, om zijne schade blz.

bij het vergaan van het gekochte op den verkooper over te brengen »voc

door in gebreke te blijven in de betaling. »eei

Na gedane keus kan hij niet meer veranderen, 1. 7 li. t. «Post diern «is;

»commissoriae legi praestitutum, si venditor prei rum petat, legi coin- »gei

«missoriae renunciatum videtur: nee variare et ad hanc redire potest.quot; quot;het

ocr page 399

— 367 —

\'eide De vraag rijst: hoe staat het met derden, aan wie de

sclie onroerende goederen door den in gebreke gebleven contractant een- in onderpand gegeven of verkocht zijn. Wat hypotheek heinde treft, hebben wij in art. 1215 13. W. evenals in art. 3125 was Cod. Nap. den regel, dat de hypotheek, verleend door den kooper, die geen ander regt bezit, dan hetwelk door eene ter- ontbindende voorwaarde kon worden ontbonden, ook geene der hypotheek heeft kunnen verkenen, dan die aan dezelfde voorder waarde verbonden was. (333). Wordt dus de koop of eenig ander en- contract wegens niet-voldoening van den koopprijs of andere snd verpligting ontbonden, dan is ook de hypotheek ontbonden ïid. Dit is de strenge toepassing van den regel: lUemo phis juris ard in alium transferre potest, quam ipse hahet. Deze zal ook ge- moeten gelden met betrekking tot den derde, die gekocht ?ne heeft. Ook tegen dezen zal de actio resolutoria gelden. 03 Door Laeombière is op dit art. No. 16 opgemerkt, dat

er- de verkooper en kooper onder ontbindende voorwaarde beide ste een voorwaardelijk regt op het goed hebben de kooper aan

rle- wieu het goed geleverd is, oefent daarop alle eigendomsregten

he uit, die echter afhankelijk zijn van de vervulling der voor

waarde, die ze doet vervallen; terwijl de verkooper ook van !r- zijne zijde beschikking heeft over het gekochte, welke besclnk-

53 king afhankelijk is van dezelfde voorwaarde, tot welker ver

gt valling zij is opgeschort.

e- Ontelbaar zijn de verwikkelingen, die hierdoor kunnen

in ontstaan. In het algemeen kan men de opmerking maken,

ït dat goederen, die onder ontbindende voorwaarden verhandeld

zijn, daardoor weinig geschikt voor verdere verhandeling zijn geworden.

»- De kooper en de hypotheekhouder zal steeds moeten be

lt

n (333) Zoo besliste de 11. H. hij arrest van 21 Nov. -1873 N. E. 105

!e lil/.. 248 «dat de ontbinding was de toepassing van de ontbindende

ii «voorwaarde in iedere wederkeerige overeenkomst door de wet gelegd,

«een gevaar, dat aan iedere zoodanige overeenkomst ab initio verbonden ii «is: welk gevaar van het eerste oogenblik af overgaat op de inschrijving,

«genomen op het goed van een kooper, die den koopprijs niet betaald quot;heeft.quot;

ocr page 400

— 368 —

denken, dat hij door koop en hypotheek van dergelijke goederen een groot persoonlijk crediet geeft aan den verkooper of hypotheoairen schuldenaar.

Wij hebben gezien, dat de oorzaak der plaatsing van de artikelen over de vordering tot ontbinding in de afdeeling over voorwaarkelijke verbindtenissen ligt in den oorsprong van dat regtsbeginsel, dat werd afgeleid uit de lex commissoria Dat zij niet werd opgenomen in de afdeeling over de nietigheid en vernietiging van verbindtenissen, zelfs daar niet werd aangehaald, is als eeue fout in het stelsel aan te merken. Hadden wij hierin alleen te zien een vergrijp tegen de logische orde van het wetboek ; dan zouden wij dit met stilzwijgen kunnen voorbijgaan; maar deze misstelling heeft ook gewigtige gevolgen voor het materiëele regt.

De regtsvordering van al de in dien titel behandelde nietigverklaringen en vernietigingen vervalt volgens art. 1490 13. \\V. (334) door een verloop van vijfjaren. Vooral bij vorderingen, die niet tegen bepaalde personen gerigt zijn, maar in rem scriptae, is deze kortheid van den termijn van het uiterste gewigt, bijzonder in ons regt, waar de vernietiging steeds wordt uitgesproken door een regter, die de decretionaire magt van den Praetor mist, om de vernietiging te weigeren, waar de verwarring en de schade, die daardoor ontstaan zou in de maatschappij, te groot zou zijn. In het Fransche stelsel is de lange tijd van

(334) Het kan wel aan twijfel onderhevig geacht worden, of men niet, met afwijking van de gewone leer, de termijn van vijf jaren ook voor de vordering tot ontbinding moet toepassen.

Art. 1490 spreekt, evenals art. 1304 Cod. Nap., in het algemeen van alle regtsvorderingen tot nietigverklaring en onder die nietigverklaringen begrijpt de wet ook de vernietigingen, in de achtste afdeeling vervat. — Dat men daarbij ook vernietigingen of nietigverklaringen, in andere titels voorkomende, op het oog had, kan worden afgeleid uit de uitzondering, voor zoover niet bij eene bijzondere wetsbepaling een kortere termijn is bepaald. Het stelsel der wet leidt er zeker toe, om de vordering tot ontbinding onder art. 1400 te brengen; maar het artikel deed dit wel voor art. 1377, maar niet voor art. 1302. Voor deze regtsvordering ontbreekt ook de voor de in art. 1400 genoemde vorderingen bij art. 1492 gegeven aanwijzing van den dag, waarop de termijn begint te loopen.

ocr page 401

verjaring van tie action résolutoire, waarvoor bij gemis van een buitengewonen termijn de verjaring van 30 jaren evenals in ons land moet gelden, reeds een groot bezwaar. Dit weegt des te meer in het Nederlandsctie regt, dat geene legale hypotheken erkent, omdat dit de de verhandelbaarheid van onroerende goederen in hooge mate onzeker maakt en in den weg staat. Werkelijk worden meermalen goederen aan de gewone zekerheid der verhandelbaarheid voor lange jaren onttrokken, indien de betaling van den prijs of de voldoening der tegen-praestatie op lange termijnen gesteld wordt. Dit komt onder andere ook voor, indien bij verkoop eene levenslange uitkeering bedongen wordt (335).

In de practijk wordt dikwijls nog voor betaling van den koopprijs hypotheek op het verkochte bedongen. Deze gewoonte verdient in het maatschappelijk belang stellig aanbeveling en is in het voordeel van den kooper, hoewel zij een bezwaar legt op zijn goed. Dit zal echter blijken, met dien last dikwijls beter verhandelbaar te zijn, omdat het gevaar der ontbinding daardoor voor een deel wordt afgewend.

Zoo deze gewoonte algemeen gevolgd werd, zou het verhaal van ontbinding tegen derden kunnen worden gemist. Met het stelsel der wet zou echter strooken, dat dit verhaal gedurende vijf jaren werd toegelaten. Er is niet de minste reden, waarom men dien termijn niet voldoende zou achten, evenals bij het beding tot wederinkoop volgens art 1536 B. W. en 1660 God. Nap.

Tegen den termijn van 30 jaren, die volgens den alge-meenen regel van art. 2004 B. W. (2262 Cod. Nap.) thans moet worden aangenomen, te rekenen van den dag, waarop de schuldenaar in gebreke gebleven is, zal alleen in sommige gevallen met goed gevolg een beroep kunnen worden gedaan op een zelfstandig regt van den bezitter. Heeft deze ter goeder trouw en krachtens een wettigen titel gedurende 20 jaren

(335) Bij vervreemding onder beding vau eene jaarlijksche uitkeering (rendita) bepaalt het Itaiiaansche Wb. in 1787, dat de regten van derden, verkregen vóór de overschrijving in de openbare registers van de actie tot ontbinding, ongeschonden blijven.

ocr page 402

— a70 —

of zonder titel gedurende 30 jaren bezeten, dan heeft hij volgens art. 2004 B. W. (2264 en 2265 Cod. Nap.) den eigendom verkregen. Dat eigendomsregt geeft hem eene afdoende exceptie tegen elke zakelijke actie, ook de resolutoire actie tot opvordering van eigendom (336).

Het verzuim tot opneming in art. 1490 en 1492 B. W. van de vordering tot nietigverklaring wegens onbepaaldheid, waaronder ook valt de onbestaanbaarheid, van het voorwerp der verbindtenis, in zoover dit gebrek niet zamenvalt met dwaling en bedrog, doet ook deze regtsvordering verjaren volgens den algemeenen regel van art. 2004 B. W. (337).

Het heeft in het voorafgaande reeds de aandacht moeten trekken, dat in de vierde categorie van gronden voor nietigverklaring en vernietiging de drie eerste ook weder ter sprake moesten komen. Werkelijk is dit noodzakelijk: waar men voor elke verbindtenis vordert dat men die uit vrije toestemming op zich hebbe genomen, komt ditzelfde terug bij\' de tegen verbindtenis, die in de wederkeerige overeenkomst de grond, causa, der eerstgenoemde verbindtenis is. Bij den eisch van bekwaamheid om zich te verbinden, die bij minderjarigen, onder curatele gestelden en gehuwde vrouwen niet bestaat, geldt ook hetzelfde. De verbindtenis, die zij op zich nemen, is niet regtsgeldig; maar hetgeen hun in de wederkerige overeenkomst is toegezegd, heeft om dezelfde reden geen regtsgrond. Zoo is liet ook met den eisch, dat liet voorwerp der verbindtenis bepaald en regtens bestaanbaar moet zijn. Al is hetgeen gevorderd wordt krachtens eene verbindtenis volkomen bepaald en geoorloofd, bv. betaling van geld of levering van goederen, dan zal deze te dien opzigte niet ongeoorloofde verbindtenis toch ongeldig moeten verklaard worden, indien de tegenverbindtenis of geheel

(.330) Troim.ong, Preiser. No. 797 en 851, deelt wel arresten mede, waarbij dit beginsel miskend is; maar hij zelf acht het niet twijfelachtig. — Zoo is het begrepen door het ineerendeel der Fransche schrijvers, die men aangehaald vindt in Dalloz, N. R. i. v. Prescription No. 954 en i. v. Obligation No. 13(53.

(337) Zie noot 345.

ocr page 403

— 371 —

vol- onbepaald of rechtens ongeoorloofd was, omdat deze in de

jen- wederkeerige overeenkomst de causa der eerstgenoemde ver-

nde bindtenis was.

ctie Wat de Byzantynsche scholiast, gelijk wij op blz. 137 zagen, omtrent het afgesloten Romeinsche regtsstelsel op-

W. merkte over de condictio sine causa, dat zij de meest alge-

jid, meene der condictiën voor het indebitum was, komt in

erp het tegenwoordige stelsel, dat zich uit het Romeinsche regt

net ontsponnen heeft (338), op een ander terrein terug, dat voor

ren de nietigverklaring of vernietiging van verbindtenissen uit

7). overeenkomst het gebrek van den regtsgrond het meest alge-

en meene middel is.

ig- Den eisch van den regtsgrond voor elke verbindtenis

ke moeten wij, in strijd met Opzoomeb, VI hl. 145, die dit

en begrip uit de wet en de regtswetenschap zou willen laten

ie- verdwijnen, beschouwen als het toppunt der ontwikkeling der

lij\' regtsleer voor overeenkomsten. Wij kunnen het echter

st Opzoomer, Burg. Wb. op art. 1269 V hl. 31, toegeven,

m dat het ee.ne wel gevestigde leer is, dat de partijen door hunne

r- overeenstemmende wilsverklaringen gebonden zijn (339). Het

et is bijna noodeloos op te merken, dat men zich hier, evenals

ih in het algemeen in het regtsverkeer, niet heeft in te laten

r- met den niet uitgedrukten wil. In het geheel met, hetzij

n door schrift, hetzij door woorden of teekens of, waar men tot

it

r (338) Mr. P. van Behhelen beweert in zijne belangrijke verhandeling

g over de vrijbeschikkende overeenkomst, de vormvrije overeenkomst en

abstracte verbindtenis, Reytsyel. Bijdr. 1888 bl. 113, dat de leer der 3 Engelsche consideration en der causa, bij Pothier niet aan het Romeinsche

1 regt ontleend is. Is «lit juist, wat ik niet kan toegeven, dan zon het tot

I bewijs kunnen strekken, dat de /eer verwante begrippen bij verschil-

| lende volken onafhankelijk van elkander waren ontstaan.

Dat bij oude Engelsche en Fransche juristen afwijkingen voorkomen van de juiste opvatting van de causa van het Romeinsche regt, kan geenszins strekken tot bewijs, dat zij hunne begrippen niet aan het Romeinsche regt ontleend hadden, en dat zij daarin meermalen dwaalden, zullen de tegenwoordige juristen hun niet verwijten, daar ook zij over het begrip der causa soms misstellingen hebben begaan.

(330) Bijzonder is dit stelsel ontwikkeld door mijnen ambtgenoot P. R. Feith, in de Gids van Mei 1875 bl. 363—383.

ocr page 404

— 372

spreken verpligt is, door stilzwijgen geopenbaarde gedachten kunnen voor het regtsverkeer geene beteekenis hebben.

Alleen door eene voor zijne omgeving verstaanbare uiting zijner gedachten treedt de mensch in verbinding met de gedachtenwereld zijner medemenschen.

Het gewone middel daarvoor is de algemeen in zijn kring verstaanbare taal. Men kan toegeven, wat beweerd is (340), dat het bij het uitdrukken der gedachten in dien taalvorm onverschillig is, wat degeen, die de woorden schreef of sprak, eigenlijk gewild had, maar dat alles afhangt van den inhoud der woorden, al liad hij ook geheel iets anders bedoeld, en dat het ontstaan der regtsbetrekking alzoo niet afhangt van zijn wil, maar van de tooverwoorden, die dit regtscheppend vermogen hebben. ,

Bij deze inkleeding moet men dan echter niet vergeten, dat de zoogenaamde tooverwoorden zijn de voor ieder verstaanbare taal, waaraan dus ook de beteekenis moet gehecht worden, die zij voor ieder in het gewone leven hebben moeten. (341) Ieder, die tot meerderjarigheid gekomen is, wordt geacht die taal voor de behoeften van het gewone verkeer zoodanig te

(340) A. Tiion, Rcchtsvonn unci subject!ves Recltf. blz. 364, aangehaald door J. P. Moltzer, Praeadvies Ned. Jur. V. 1880 bl. \'135.

(341) De aanleiding tot misverstand is natuurlijk veel grooter bij verschil van talen, in welk geval elk der wederzijds verbondenen, wat de aangegane verbindtenls betreft, wordt beoordeeld naar de uitdrukking in zijne taal. — Spreekt of schrijft men in eene vreemde taal, dan wordt men geacht, die taal voldoende magtig zijn. Tenzij door bijkomende omstandigheden eene andere bedoeling gebleken zij, moet de regter, ingeval van verschil veroordeelen naar de beteekenis, die de gebezigde woorden in het gewone spraakgebruik ook in eene vreemde taal hebben. Op een lokaal spraakgebruik in afwijking van het gewone kon in den regel niet gelet worden. Of aan eene uitdrukking in eene meer uitgestrekte landstreek eene andere beteekenis gehecht wordt, dan op andere plaatsen in het land. zoodat op dit verslui moet gelet worden, staat ter beoordeeling des regters.

Een voorbeeld daarvan vinden wij bij J. F. Hoüwins, dwaling bij overeenkomsten, bl. 47 en 48, ovei de verschillende beteekenis van eerste verdieping in Holland en in de Noord Oostelijke Provinciën, waar men gewoonlijk daarmede niei eene bovenwoning bedoelt, maar vertrekken, die gelijkvloers zijn gebouwd.

ocr page 405

— 373 —

ihten verstaan, dat hij begrijpt, wat hij zegt en hem wordt, zooals wij reeds herhaaldelijk uitspraken, het vermogen toegekend, \'to\'ig de zaken, die hij belooft en bedingt, behoorlijk te kunnen \' de schatten.

Ts hij daartoe niet in staat, dan is hij niet in staat om :nng als behoorlijk bekwaam man in de wereld op te treden en zijn bijzondere voorzorgen noodig, die de wet voor dengeen orm (lie 7WS]j van vermogens is, aangeeft.

,ralc\' Bij verschil van gevoelen moet natuurlijk de regter he-

loud slissen, niet naar quot;tgeen eene der partijen mogt beweren • en toevallig bij het uitspreken of schrijven der woorden gedacht van te hebben, maar naar de beteekenis, die de woorden volgens )em\' het gewone taalgebruik en de gewoonte van den handel der

betrokken personen hebben (342).

\'eilgt; Blijft men alzoo bij de oude leer der wilsverklaring, het

laquot;quot; is er ver van verwijderd — daarop is welligt door Opzoomek \'eni niet genoeg gelet - dat alle overeenstemmende wilsverkla-ringen van overigens bekwame personen regtsgeidige verbind-c\'le tenissen zouden opleveren. Deze worden alleen dan als regts-\'e geldig beschouwd, wanneer zij in werkelijkheid en ter goeder ^ trouw gegeven zijn voor ruiling van goederen en geoorloofde

diensten en voor de verbindtenissen, die strekken om deze ],lj ruilingen te bevorderen, alsmede onder bijzondere vormen

ien, voor schenkingen. Alle verbindtenissen uit overeenkomsten

moeten, om regtsgeldig te zijn, daarin hun grond vinden. Daarmede zijn uitgesloten de enkele, losse, beloften, en de oet verbindtenissen, die wegens onzedelijke en ongeoorloofde

de redenen of ook enkel wegens redenen, die in het onbedacht-

,de zame leven van velen dikwijls voorkomen, maar voor het

maatschappelijk verkeer of nadeelig zijn of in \'t geheel geen lan gewigt hebben, zooals spel en weddingschap, worden aange-

an,

bij (quot;342) In hoofdzaak is dit ook aangedrongen door H. J. Hamaker en

ste Fockema AndrE/E in N. Bijdr. voor liegtsyel. 1875 bl. 77—85 en 267—307.

en Werkelijk is liet verschil tusschen dezen en mijn ambtgenoot Feitii

li, minder groot, dan oppervlakkig zou kunen schijnen, zooals Feith ook

zelf eenigermate schijnt te hebben gevoeld. Zio Gids Mei 1875 bl. 377.

ocr page 406

— 374 —

gaan (343). Bij de beoordeeling hiervan komen de teederste en in het zedelijk leven diep ingrijpende vragen, van welker bijzondere behandeling wij ons hier, evenals van de bijzondere gevallen en grenzen van geweld en dwaling, bij ile algemeene behandeling van het regtstelsel onthouden moeten en ons bepalen tot de verwijzing naar Savigny, Syst. lil §121—124, Puchta, Vorlesungen § 6ü, en inzonderheid Goudsmiï, Pandecten Systeem § 62, die op bi. J47 noot 1 de juiste opmerking maakt, dat bij het oordeel hierover veel zal afhangen van den maatschappelijken en oecono-mischen toestand eens volks en de zedelijke begrippen, die op een bepaald tijdstip zijn doorgedrongen.

Dat bij regtsgeldigheid van overeenkomsten in het algemeen de onmogelijkheid wordt aangenomen om iets, dat in strijd is met de wetten van zedelijkheid en regt evenzeer als van hetgeen strijdt met de wetten der stoffelijke wereld, moet men niet beschouwen als de opvatting van eene zwakke edele ziel, die met het bestaan van het kwaad niet voldoende rekening houdt: maar als het vast doorgaande beginsel van stellig regt, dat steeds meer tot de bewustheid van het ge-heele volk moet komen. Het kwaad bestaat wel feitelijk en in het regtstelsel ontstaan de moeijelijkste vragen in de regeling der gevolgen daarvan; maar het heeft geen regt van bestaan; zoodat al wat toegezegd of beloofd is, om het te doen ontstaan, gelijk staat met toezeggingen en beloften, die zonder eenigen grond zijn gegeven.

Als hoogste uitspraak van het regt zal steeds blijven gelden de uitspraak van Papinianus : dat men moet aannemen, dat

(343) Het is iloor do (ocpaamp;sing van ilii beginsel, dat men iu ile16quot;ie eeuw bij onderscheidene verordeningen, die men vindt bij a. l. C. Pabst, Staatstoezigt op Levensverzekering, Leiden 1889, bi. 6 en 8. de zeeverzekeringen en levensverzekeringen verbood, terwijl \'log niet was ingezien, hoe weldadig voor de maatschappij de vereenigingen werken, waardoor de schade, hij een ongeval verpletterend op enkelen vallende, werkelijk in vereeniging door velen gerlragen wordt.

Beding van uitkeeringen ingeval van overlijden ten bate van personen, die daardoor geene materiële schade lijden, is eene hloote weddingschap, die volgens art. 250 Iv. als levensverzekering onbestaanbaar is, maar ook als hoogst gevaarlijk voor de maatschappij streng verboden moest zijn.

ocr page 407

— 375 —

wij heigeen met het regt eu de zedelijkheid in strijd is, niet kunnen doen. (344). Met Saveony, Syst. I! 1 bl. 172, stemmen wij in, dat deze woorden van den grooten jurist hijzonder trefiend zijn, omdat hij daarnaar geleefd heeft en volgens de overlevering (345) aan den Keizer Caracat.i.a, die de alleenheerschappij verkregen had door zijnen broeder Geta te vermoorden, op diens vordering om die daad te verdedigen, ten antwoord gaf, dat liet niet zoo gemakkelijk was broedermoord te ontsohuldigen, dan te begaan. Die weigering kostte liem het leven.

(344) L. 15 11\'. De Cond. .lust. (28.7) . ..que factalaeduntpietatem. «existimationem, verecundiam nostram, et ut generaliter dixerim, contra ))bones mores fiunt, nee facere nos posse credendum est.quot;

(345) Aelius Spartianus zegt dit in de levensbeschrijving van Septi-51ius Severus ^ 21 en in die van Antoninus Caracallus c. 8: wMulti «dicunt, Bassianum (Caracallum), occiso fratre illi mandasse, ut in «senatu per se et apud populum, facinus dilueret: illum autem respon-»disse, non tam facile parricidium excusari posse, quam fieri.quot; — Spartianus, die in den aanvang van het hoofdstuk zegt, zich verpligt te achten, om de verschillende meeningen over de oorzaak van den dood van zulk een groot man mede te deelen, vermeldt ook de meening, dat hij zou geweigerd hebben, namens den Keizer eene oratio daartoe strekkende in den Senaat te houden, en acht dit onaannemelijk. Papi-nianus. die door Severus tot het hoogste en hoogst gevaarlijke staatsambt van praefectus praetorii benoemd was, kon niet belast worden met de oratio pyincipis, hetgeen tot het ambt van den Quaestor prin-cipis behoorde, al was hij tot zijn dood praefectus praetorii gebleven. Guizot, in zijne aanteekening, op Gibbon I bl. 324, betwijfelt dit, omdat Dion Cassius c. 77 § 1 en 4 eerst de ontzetting uit het ambt en daarna het ter dood brengen vermeldt.— De weigering kan oorzaak van beide geweest zijn.

ocr page 408

BIJLAGE I, betreffende I. 9 ff. pr. — § 3 de réb, cred. aangehaald op blz. 16, 51 en 52.

Savigny, Syst. V, Beil. 14, blz. 580, maakt de opmerking, dat de onbepaaldheid van het contract (sive ex certo contractu petatur sive ex incerto) betrekking kan hebben zoowel op het voorwerp, als op het karakter van de overeenkomst. Hij erkent, dat de eerste opvatting overeenstemmen zou met de Romeinsche terminologie, die ook in dezen zin stipulaiio certa en incerta onderscheidt, maar hij acht deze opvatting hier geheel onmogelijk, omdat de cerü condiciio in dat geval alle contracten in zich bevatten zou, en er voor eene incerii condiciio geene plaats meer zijn zou.

De onjuistheid dezer bewering (346) blijkt reeds dadelijk door de opmerking, dat er naast deze condictio voor het

(346) Lang nadat mijne studie over deze wet in schrift gesieid was, verscheen in de Ahhandlungen van professor J. Baron, zijne verhandeling Die Condictionen, Berlin, 1884. Ook door hem wordt blz. 93—95 het gevoelen van Savigny verworpen en het incertum tot het voorwerp van het contract teruggebragt. — Baron blz. 95 en v. vat de woorden van ülpianus aldus op, dat daarin is uitgesproken : dat elk eischer, die eene onbepaalde vordering heeft, b.v. eene actio honae fidei, naai- zijne verkiezing in plaats daarvan de condictio si certum petetur kan instellen, indien hij maar aan zijne vordering eene schatting van het onbepaalde voorwerp toevoegt.

Hij grondt zich daarbij op de Bysantijnsche scholiasten, die dit werkelijk hebben geleerd, zooals wij zien zullen. Naar mij voorkomt, is door Baron er niet genoeg op gelet, dat deze leer in lijnregten strijd is met. de vaste beginselen van het Romeinsche regt, die in den regel voor elke bijzondere soort van regtshandelingen vast bepaalde actiën toelaat, waaraan de eenzijdige wil van eene der partijen niets kan veranderen. Hoe de partijen in overeenstemming met elkander door stipulatie n en pacta het regt kunnen wijzigen, zien wij later.

Ook zagen wij, hoe met de speciale actiën de certi condictio, als algemeene actie, doch binnen hare wettelijke grenzen, kan /amen-vallen.

ocr page 409

certum, plaats blijft voor de condictiones incerti, in zoover het voorwerp een incertum is. Dat is onbetwistbaar voor de verbomm obligationes, waarvoor de condictio certi was voorgeschreven, voor zoover een cerium,, en de actio ex -ttipulatu. die eene condictio ineen,i was, voor zoover zij een incertum tot voorwerp hadden.

Ingevolge deze misvatting is Savigny gedrongen, om het incerlum te vinden in de onbepaaldheid van het karakter der overeenkomst, zoodat onder contractus incerti volgens hem de contractus imiominati verstaan worden. Hij volgde daarin CujAotus in diens commentaar op deze wet, Op. VII, blz. 650. Ook was deze verklaring, gelijk Gujacius te regt opmerkt, vermeld door Accursiüs. Deze geeft echter, hetgeen Savigny en Heimbach niet aangeven, in het corpus juris glossatum in de eerste plaats de verklaring, die door Savigny verworpen en door Heimbach omhelsd wordt. «Die, certum quot;contractura, in quo continetur certum; incertum, in quo //continetnr incertum, ut factum, non ut agatur ad factum, //sed interesse, certilicandum per sententiam judicis.quot; Daarop laat bij aan het slot volgen : «Alii ... . exponunt hic ex \'/certo, id est, nominato, sive ex certo, i. e. innominato con-/\'tractu.quot;

Deze laatste verklaring is werkelijk niet overeenkomstig de begrippen der Romeinsche juristen. Wat wij contractus innominati noemen, waren bij ben geene contracten. Zij beschouwden de verplichtingen, daaruit voortvloeiende, als verbindtenissen, ontstaan door de handelingen der wederpartij, die goederen overgedragen of handelingen gepraesteerd hadden. Van de ruiling van goederen en diensten, die daarin kon gelegen zijn, hadden de Romeinen wel het besef en daaruit was de actio praescriplls verbis ontstaan ; maar zij hadden de overeenkomst en de verbindtenissen, daaruit ontstaan, nog niet als bindend contract scherp afgescheiden van andere handelingen, waarbij ook eene overdragt van goederen plaats had, zonder dat zij nog een verbindtenis opleverde. Daaruit was hunne onderscheiding ontstaan, bij dergelijke overdragten, in zoover daarbij liet regt tot terugtreden, jus poeidtendi.

ocr page 410

— 378 —

bestond of niet bestond. Wij zien dat in 1. 3 § 2 en 3 11\'. de cond. caus. dat. (12.6). Hij, die geld had gezonden aan A., opdat hij Sticlms zou vrijlaten, had het jus poenitendi, en kon zijn geld eenvoudig terugvorderen, indien het hem rouwde. Maar hij, die daarbij het beding gevoegd bad. dat Stichus binnen een bepaalden tijd zou worden vrijgelaten, kon niet willekeurig zijn geld terugvorderen, zoolang deze termijn nog liep. Zoo was bet met alle dergelijke handelingen, ook wanneer goederen werden gezonden, om daarvoor andere in ruiling te ontvangen. Termijn behoefde echter niet altijd uitdrukkelijk verleend te zijn; dit kon ook volgen uit de gewoonte of den aard der handeling. Eigenlijk contract zagen de classieke juristen in deze handelingen niet

De woorden contractus cerius en incerlu» stemmen volkomen overeen met de stipulatiu certa en incerta, die, gelijk op blz. 17 is aangewezen, worden onderscheiden naargelang dat het voorwerp der stipulatio bepaald of onbepaald is. In 1. 1 § 6 ff. de Gonst. Pee. (13.5) staat contractus cerii of incerü. Dit stemt geheel overeen met het Komeinsche procesregt, dat voor de stipulatio certa de certi condictio, voor de incerta stipulatio daarentegen de actio ex stipulatu (bl. 185) voorschreef. — Tn 1. 18 ff. de Accept. (4f).4) wordt ook gehandeld over pluribus coniractibus certis vel incertis

De plaats van Ui.pianus heeft werkelijk geene moeielijk-heid meer, nu de oorsprong en de aard der condictiën bekend is. Hoe de certi condictio ontstaan kan uit alle zaken en uit alle overeenkomsten, hebben wij nauwkeurig nagegaan. Hoe zij ontstaat in de handelingen, die overigens grond opleveren voor de actiones honae Jidei, daarover zie men bl. 39 e. v., benevens Bijlage 111. Wat in § 1 verder volgt over het legatum. bet furtum en de lex Aquilia, alsmede over het Senatusconsultum Trebellianum, ook daarover hebben wij afzonderlijk uitvoerig gehandeld. In § 2 wordt gezegd, dat de certi condictio ook geldt tegen hem, die zich verbonden heeft aüeno nomine, hetgeen o, a. plaats heeft, als iemand zich bij stipulatio, als correus, verbonden heeft. Daarna wordt in § 3 nog aangevoerd, dat zij voortspruiten

ocr page 411

— 379 -

II. kan uit alle vormen van coutracteii, waarbij men zicli re

ian (b.v. door mutuum of door elke andere overdraft, ook door

\'fo-, dwaling), of door sclirift of door eene stipulatio, of door

em beide verbonden heeft (S\'l?).

dat Op zich zelve leveren de woorden van Ui.pianus geene

bh, moeielijkheid. Toch heeft men in de algemeenheid dezer

Bze persoonlijke actie, die werkelijk in dat opzigt een zeer onder-

Ie- scheiden karakter heeft van bijkans alle persoonlijke actiën,

\'or die elk voor afzonderlijke vormen van regtsverbindtenissen

iet zijn voorgeschreven, reeds in den ouden tijd vele moeijelijk-

en heden gevonden. Waar Savigny op bl. 5S3 over de meening

»1- van nieuwe schrijvers handelt, volgens welke het steeds aan de willekeur des schuldeiscners zou gestaan hebben, om vor-

ol- deringen van allerlei aard in een cerium, te veranderen en

ijk door de condictio te vervolgen, welke meening volgens hem

ng de meest verkeerde vau alle is, spreekt hij werkelijk van

In eene zeer oude opvatting.

tt- Aan de Bysantijnsche scholiasten heeft deze plaats van

;t, Ui.pianus, voorkomende in Bas. XXIII. tit. 1 c. 9, blijkbaar

la veel hoofdbrekens gekost. Reeds ïheophiwjs had zich daar-

r- mede bezig gehouden, zooals wij lezen in het scholium i van

e- Stephanus. Theophii.us had volgens de woorden van dit scholium, aangehaald op bl 19, de leer vastgehouden, dat

£- de kooper volgens het contract van koop en verkoop, het

e- gekochte niet vorderen kon door eene condictio, Stephanus

üi laat op de daar aangehaalde woorden volgen : «Het is duide-

e- quot;lijk, dat hij, die een factum bij stipulatie bedongen heeft,

id ,/dit factum zelf niet door een condictie eischen kan. Noch

n //ook vordert de kooper de zaak zelve of het interest, door

;t „de condictio van den verkooper ; maar beide taxeerende,

Ie //stelt hij rigtig de condictio in. Want Ui.pianus zegt alge-

n «meen en zonder onderscheid, dat wij uit elk contract, be-

1, «paald en onbepaald, de condictio certi kunnen instellen. Yoor

Is

(347) Het woord eorwm, waarvoor geensubstanlivimi woifltgevonden, waarop het terugslaat, zon aan interpolatie doen denken; maar hor n ü dit zij, dit laatste gedeeke levert geene bezwaren.

ocr page 412

— 380 —

\'/het overige steit zich degeen, die liet fnctum gestipuleerd dighi «heeft en de kooper bloot aan het gevaar van de plus-

bij

quot;pelilio (348).quot; dit c

Hetzelfde vinden wij bij Gykii.i.us, die, na te hebben ^

opgemerkt, dat de cerli coudiclio in den regel niet in plaats \'e s

van eene acüo in rem kan worden ingesteld, in het eerste cand,

scholium o. a. aanvoert : «Het ex omnl causa is derhalve aang

quot;niet gezegd met betrekking tot de actioues in rem., maar ^0quot;

\'/tot elke oorzaak (causa), hetzij iemand verbonden is door lema

//den wil om te contracteeren, hetzij om te schenken Zoodat ^!u\' //niet alleen uit het viertal der obligatiën, re, verbis. Uteris

\'/et consensu, deze condictio wordt ingesteld, maar ook uit 0P0rgt;

\'/het gelijk getal van klachten uit misdrijf, dat is, wegens king

//diefstal, moedwillige benadeeling, roof en injuria ; want ec^

//hoewel de schade niet bepaald is, zoo schat de benadeelde uerl

\'/die (349)quot;. In het laatst van dit scholium verwijst Cyriu.us cer*\'1

naar Stephanus. De leer van Stepiianiis steunt op zijne uitleg- ^ct. ging der woorden van Ui.pianus, ex certo vel ex ineerto contractu.

IJat deze uitlegging onjuist is, kan aan geen twijfel onderhevig geacht worden, omdat het met den aard van de instelling der

oude condictio in strijd is. Daarenboven is, zooals wij op in 5

bl. 40 en 41 hebben aangevoerd, waar een coucursus van wan

de certi condictio met actioues honae Jidei plaats had, in de zll0 pandecten steeds naauwkeurig aangegeven, door welke omstan-

proi

(348) drj/.or óf, ört 6 ifdxcor IjrfQwtn\'jonq ov $vrac(i(i (ha tov xor- VOO

ffatcutiov avró iriiy.üi; ró (fdxrav u cukceZv. Ovrf ydo 6 dyoouaiijq ^ojj

ut co to .ryiiyfia rjcot- tó ómqfQov rhd tov xonftXTixiov cóv srQacrjr COU (titftixtZ. ExaTfQor itfvcoi nv cwv iïiaTi/xyadfifvoq xuXók; cóv xiocor

xt-vf : xorthxcixvov. yrnxin; yay xul ddtaacixrirtq (ptjaiv o Ovhrtttvoc;.*aJtó Par^

ituvxoq Ovvu/.Xdyp«fot, xf(ic9i\' cf y.di lyxfQcov óvv(ioamp;(U rjftdq cóv xov~ lati

tity.cixiov xf()Tov xivfïv. Kcfito) iïf kóyo) cóv cijq nXtivq 7Cfcigt;cLovoq bcp x.Lviïvvov fftvco) TtdQficiamp;Tjotr ócvcó tfdxzor fJtfQMcijotu; xni ó dyoQdatijq.

(340) ló ovv fx .cdörjq dicifa: fï^rjcta oigt; icqoc; cdq rv (tffi, d/.Xd .tqó^

Ttdffuv uiciftv fïct xovcQUfTfft, flcf doi\'drric dvlfilt;0 xncfffct] ciq fvoyoq. (\' (üöcf ov fiovigt;r ct7fó cöiv vfOOc.Qiov tvóyüiv, cijq Qf, crjcf cijc ?.icfin,s xdi cijq xororroov xtrfZctu ó .tkoojv xovtfixtiy.toq, u?.?.d tx ctór ïauQi!) ixmv

cttf ctuq froyür, coi\'cfocir o. ó y.XoTTÏjq, UTtó d:ró dit.Tuyijq. xul ))I10

dnó vfÏQfMq, Kar yctQ orx iactv 17 (ft/Xtj. ófioiq (fi.UTi-ftdc(u cuvm ^

ö 7rlt;tamp;ó)v. Tht

ocr page 413

— 381 —

jerd Higheden de condicti» ontstond Zoo is o. a. vermeld, dat lus. bij depositum de condictio ontstaan kan, maar niet vóórdat

dit door den dolus is toegelaten. Men zie J5ijl. lil. [jen Uïbii.i.us vermeldt de bevoegdheid, om de condictio in

aats te stellen bij misdrijven. Werkelijk was dit zoo door de rste condictio furtiva, die, zooals wij op bl. 147 en 148 hebben ilve aangevoerd, niet beperkt was tot het furtum alleen, maar laar kun worden ingesteld tot terugvordering van het goed, dat

i0„r iemand door eenigerlei onregtmatige daad in zijn vermogen idat bad overgebragt. De benadeelde kon ook krachtens de con

gflf, diclio furtiva, die met hare iuteniio quicquid dare J\'ace.re uit oportet op het interest gerigt was, en dus eene wijdere strek-ens king had, het gestolen goed terugvorderen. Wilde hij zich

echter beperken tot de terugvordering der gestolen voor-;]f|e werpen alleen en op zich zelve, dan stond hem ook de

.us certi condictio of de trilicaria ten dienste. In § 14 Inst. de et;- Act. (4.6) is uitdrukkelijk gewezen op deze condictiën met

.fu de intentio, si paret eum dare oportere.

vilr De eischer had het dus bij terugvordering van goederen,

(jer die door misdrijf in eens anders vermogen waren overgegaan.

0p in zijne ksus, de vordering tot die goederen te beperken, en

.ail wanneer het geld betreft, de certi condictio (in den strengsten

(|e zin) in te stellen. Waar het eene vordering uit contrac-

in. tuële handelingen betrof, had hij volgens het Romeinscbe

procesrecht deze keus niet; maar wanneer de praktizijns, die oi- voor de partijen optraden, het onderling daarover eens werden,

\'ï? konden zij door eene stipulatio elke actio incerta in eene

condictio si certum petetur omzetten (350). Ook konden de partijen vóórdat zij tot proces overgingen, zich reeds door stipu-iv- latiën en restipulatiën verbonden hebben tot betaling eener

\'\'quot;ï bepaalde geldsom, afhankelijk van het oordeel over het al

\'/«■

00?

0(ï. (350) 1. 1 § 1 IV. De Nov. (46.2) »IIlud non interest, qualis praecessit obli-

oLq »gatio: Utrum naturalis, an civilis, an honoraria: et utmm verbis, an

wre, an consensu. Qualiscunque igitur obligatio sit, quae processit, tic «novari verbis potest.quot;

l t/ Men zie over tie novalio inzonderheid J. Kappeyne van de Coppello,

Themis 1881, bl. 517—500.

ocr page 414

of niet bestaan van schulden uit eenigerliande contracten of seriën van contractuele handelingen. Dergelijke afrekeningen, waarbij bepaalde schulden beweerd en erkend worden, afhankelijk van eene voorwaarde, die nog in de tegenwoordige praktijk zeer nuttig kunnen werken, ora eindelooze processen over begrootingen van waarde en schade en daardoor groote kosten te voorkomen, zijn waarschijnlijk in de Romeinsche praktijk veelvuldig in gebruik geweest. Volgens de constitutie van Justinianus in 1 8 Cod. de Nov. (8.42), waren over do strekking van dergelijke stipulationes, om de oude verbind-tenissen te vervangen of te laten bestaan (-551), vol/inuna geschreven en de Romeinsche juristen waren niet gewoon boeken te schrijven, dan over regtsvragen, die zich in de praktijk voordeden.

Dat men de veroordeeling trachtte te voorkomen, zooals nog dikwijls gebeurt, door zich te verbinden om na een bepaalden termijn eene bepaalde som te betalen, kwam ook in de Romeinsche praktijk dikwijls voor en was ook te Constantinopel niet ongewoon, zooals blijkt uit de paraphrasis van Ïheophii.us op § 8 Inst de Act. (4.6). Volgens

(351) De stipulatie kan volgens het oude regt novatio medebrengenen kon dat ook nog tengevolge hebben na de constitutio van Justinianus in 1. 2 Cod. de Nov., waarbij met de oude onderscheidingen gebroken en bepaald werd, dat de novatio niet voorondersteld werd. maar moest worden beoordeeld naar de bedoeling, die de partijen hadden kenbaar gemaakt (voluntate solurn esse novandum). Het constitutiwi daarentegen had nooit de kracht van novatio: 1. 28 IV. de Const, pec. (13.5) ))Uli quis pro alio constituit se soluturum, adhuc is, pro quo «constituit, obligatus manet.quot; Dit ligt ook ten grondslag aan I. 18 § 3 en 1. 49 § 2 eod. Men zie 0. G. Brüns, Vermischte schriften, bl. 267. e. v.

Dat deze constitutio door de woorden voluntate solum esse novandum ook aan het pactum de kracht tot schuldvernieuwing zou hebben gegeven, is niet aan te nemen. — Werkelijk zou in dat geval aau het pactum op zich zelf eene actio zijn toegekend. — Xu moge de natuurlijke ontwikkeling van het Romeinsche regt in de Grieksche wereld hebben medegebragt, dat aan het in schrift gebragte pactum werkelijk die kracht weid toegekend; met bewustheid is dat in het\' oude regt te Constantinopel niet geschied. In dat geval hadden toch de Basilica, inzonderheid in den titel over de stipulation (43.1), van die gewigtige verandering moeten spreken.

ocr page 415

Thküphii.us zou He actio de cousliMa pecunia met de buete van de helft van het bedrag (sponsio dimidiae partis) vooral noodig zijn geweest, waar geene Hipulaüo was tot stand gekomen (352), terwijl de eer fa -itipulatio de veroordeeliug voor een derde gedeelte als boete zou hebben medegebragt. Dit argument kan bij de Grieksche juristen bijzonder gewogen hebben, omdat in de Grieksche wereld de stipulatievorm niet inheemsch was, Maar de actio praetoria voor liet constitutum bevatte toch ook eene verhooging van de boete, die in de sponsio voor de condiclio de cerla pecunia lag opgesloten. Bij de sponsio voor het constitutum kon ook een derde persoon zich verbinden. Datzelfde kon echter evenzeer plaats hebben in de stipulatie, die, hetzij zij bestemd was om de oude obligationes op te hellen (novatione), hetzij zij deze liet, bestaan, uit haren aard steeds de cerli condiclio medebragt

Voor zoover dus de partijen, hetzij vóór den aanvang van het proces, hetzij in den loop van een proces, over eenige

(352) 06 fióvov cTi in rern, xn-Qa fÏQTjvat-. dX?.(i xal Tgtyao-vuMuv ö TtqaLxoiQ tTtfvórjafv, oiov tijv pecuniae constitutae. ^vvrj yctQ ovx éVct Ttohcitxij, /aoav d f/ft\' fTcl tovtov tov amp;faatoq\' f^Qfó)Orfvq uol q ropia/iuca\' 7t!Qt,fTV%ov oofr* (ijtijtovv Of cav cu\' d:r(ucornfvoq ov. nul fj\'oidóftfvoq ttjv 7Caqovaav èvó/ltjOov rhuifX\'yfZv. dvt((p(ar7]aaq ehtwv. \'6 co iïfy.dcrj roï\' fit/ voq cav ca dot- .ta rafJaj.üi\' TCayfJ.amp;urorji; rijs xgoO-fö-/.liaq dnyxovv (ff\' \'f/.fyfq Ov, cóvq ÓQovq cwr dyioyior cf/ro?.oyci)r. fif]fy((/.ióO-fv fnvrór fTTfVamp;vvov fivat\' ovfif ydy f.TfyaJcqcfu; yfyorev. eva wrjamp;fj xued (Jov -fj ex stipulatu. ovdè fiavfidcov TtaqjyxoAoramp;t]Ofv. ïvd aQfióay rj mandati. Ehujkkóx; xijv aijr dyvio/toavvrjv u TCQaicofQ, (óg vjCfvavriav^ 5a iidyrj caZq aavcov iwcoa/éafOLv, MfitOf crjv pecuniae constitutae. Niet alleen eene aclin in rem, zooals yezeyd is, maar ook eene persoonlijke actie heeft de Praetor uityevonden, zooals de actie pecuniae constitutae; want deze is niet civil is. zij heeft plaats in dit \'jeual: gij zijt mij lOü goudstukken schuldig; ik vieluaan; ik eischte deze van u: gij gedagvaard zijnde en de tegenwoordige moejeljkheid willende ontvlieden, antwoordei, zeggende, den [Oden der maand zal ik deze betalen: toen de termijn kwam. eischte ik dit van u; gij zei-det. de grenzen der actiën kunstmatig behandelende, geenszins schuldig te zijn; want dat er geene vraag {stipulatio) was geweest; waaruit de actio ex stipulatu (certi condictió) zou zijn ontstaan; uwe onredelijkheid ziende, als tegenstrijdig, omdat zij streed met uwe eigene beloften. heelt hij de actio pecuniae constitutae geschapen.

ocr page 416

— 384 —

uit haren aard onbepaalde vorderingen (actiones honae lidei deze

of terugvordering van onbepaalde zaken door eene der con- jurist

didione.s incntï) eene stipulatio tot betaling eener bepaalde mede

som gesloten hadden (353). kon de schuldeischer de vol- dat n

doening daarvan eischen met de certi condiclio, waaraan gecoi

steeds als poena lemere Htigantis de veroordeeling in een pigm

derde deel van het bedrag verbonden was. Zou

In zoover kon men instemmen met de verklaringen van parel

Stephanus en Cyrii.i.us ; maar waar zij verklaren, dat de S\'i

eischer elke onbepaalde vordering door aestimatie in eene die i

ce.rü cundictio kon omzetten, omdat dit in deze 1. 9 il\'. de reb. maai

Cred. door Ui.itanus verklaard is, kan men dit alleen als antw

eene, hoewel niet onverklaarbare, dwaling beschouwen. Hunne van

verklaring der wet van Ulpianus is in strijd met den aard Waar

van de aestimatio, taxatio, in de formulae, die wij uit Gajus dend

IV, § 51 en 52, kennen. Had de eischer zulk eene schat- lijk

ting van de onbepaalde vordering, die ook bij actiones in //on(

rem kon voorkomen, doen opnemen, dan mogt de regter -/dat

niet boven, wel beneden, deze schatting in zijne veroor- nvoi

deeling gaan. Daarentegen bragt de aard der cerfi condictio ,/pet

mede, dat hij tot geen penning meer, maar ook tot geen //wa

penning minder, veroordeelen mogt, dan in de intentio en whai

de daarop terugslaande condemnatio, was opgenomen. „alc

Dat Stephanus geene juiste voorstelling had van het karakter //die

der algemeenheid van de oude condïdimiea, die dit met de ,/de

andere oude legis actiones gemeen hadden, dai zij konden //tui

worden ingesteld voor vorderingen voor de verbindtenissen, „air

uit alle mogelijke gronden (oorzaken) ontstaande, mits de ,/ca

wettelijke vereischten voor de geldigheid van die verbindte- //en

nissen bestonden, blijkt uit zijn scholium op 1. 4 De Reb. ,/tei Cred. (Bas. XXIII, 1). De condictioues ex causa furtiva, in

(£

(353) I. 4 § 1 II\'. De Nov. (46.2): »Oranes restransire in novationem tel ij

ifossunt. qnodcunque enim sive verbis contractum est, vel non, novari \'■ ^

«potest et transire in verborum obligationem ex quacunque obligations; vru( wdiiminodo sciamus novationem ita demum fieri, si hoe agatur, ut

«novetur obligatio; caeterum, si hoe non agatur, duae erunt obliga- v0\'ë

»tiones.quot; c011\'

ocr page 417

385

T

deze wet behandeld (354), schenen aan de Bysantijnsche juristen zoo raadselachtig, dat Stephanus begint met de raededeeling, dat sommigen tot verklaring hebben aangevoerd, dat niet de zaken zelve, maar alleen de aestimatio, kon worden gecondiceerd. Want hoe zeggen zij, zou de eigenaar zijn pignus kunnen condiceren, waarvan hij eigenaar is ? Hoe zou hij, de eigenaar, van den gedaagde kunnen zeggen, si parel dare? Want dare is eigenaar maken.

Stephanus kan dit niet toegeven, de text is tegen hen, die dat zeggen, want Ui.PIAnus zegt niet, dat de schatting, maar dat de zaken zelve, gecondiceerd worden. Hij had het antwoord kunnen geven door te wijzen op de verklaring van dergelijk geval door Paui.us in 1. 13 § 1 ff. Dep., waarover wij handelden op bl. 40. Deze oplossing niet vindende, beproeft hij eene andere verklaring, die wij woordelijk teruggeven : \'/En in het tegenwoordig geval (van het quot;onderpand na af betaling) en in de twee volgende gevallen, \'/dat is, van de vruchten en van de door de rivier wegge-\'/voerde zaken wordt de tegenwoordige condictio (si certum //petetur) ingesteld, wel niet naar hare eigenschap en natuur, //want men zegt, dat zij den eigendom terugroept; maar naar «hare algemeene heteekenis; want de tegenwoordige condictio, — quot;algemeen zijnde en het indehitum omvattende, en de con-quot;dictiën, die tot het indehitum gebracht worden, namelijk quot;de condictio causa data causa non secuta, de condictio ob quot;turpem vel injustam causam, en behalve deze de meeste //algemeene van het indehitum, namelijk de condictio sine //causa en de f\'urtiva, — wordt daar ingesteld volgens hare natuur //en eigenschap, en vooral uit eene certa stipulatio; want quot;terwijl geene andere condictio uit de certa stipulatio ont-

I

1

(354) Hij, die na betaling te hebben ontvangen, het p/V/nus wederreg-telijk in handen hield, beging door deze fraudulosa contrectatio diefstal, l. 54 pr. Üquot;. de fint. (47.2), zoo ook de colonus, die onrechtmatig vruchten tot zich neemt, evenals degeen, die zich eens anders goederen toeeigent, door den vloed der rivier op zijn erf geworpen, die de eigenaar volgens 1. 9 § i IV, de damno (SO.\'i) mogt komen halen. Over dergelijke condictiën handelt deze wet.

ocr page 418

— 386 —

//staat, wordt daar de algemeene certi cimdictio geboren, ge-

\'/lijk IIi.pia.nus in I. 21 van dezen titel zegt. Want uit alle \'le\'\' \'

//andere contracten en oorzaken wordt eene andere rechts- 0PSel

• vordering eerst voortgebracht, zooals uit koop, huur, de tynsc

//condictio voor geleend geld, bewaargeving, bruikleen, en dinge

//niettemin wordt uit deze de certi conditio, oprijzende uit bekei //de gezegde regtsvordering, als algemeenheid ingesteld; maar

//uit de certa stipulatio wordt niet anders geboren dan alleen begn

quot;de algemeene certi condictio ; en tevens wordt zij uit de jldei

quot;certa stipulatio ingesteld naar hare eigene natuur en eigen- dwen

//schap, en neemt niet de natuur aan van de condictio causa PrlJsi

//data en de furtiva, bewaart geheel hare eigene grenzen en nle\'\'

//vordert den eigendom, gebruik makende van de nauwkeu- veIU\'

\'/righeid van het si paret dare oportere; dat is te zien in eem\'

//de stipulatio certa : want in deze, volgens haar eigenaardig \'n ^

//karakter ingesteld, bewaart de tegenwoordige condictio hare Z1J

«onveranderde en voortdurende natuur en vordert den eigen- t\'are

quot;dom. Waar zij echter niet naar hare eigene natuur, maar 00\'i

//als algemeene actie ((«,• yivos) wordt ingesteld, dan neemt . quot;Zij de natuur aan van de condictio, voor welke zij ook

„wordt ingesteld (355).quot; öpoin

(355) Kal fTti tov TtaQÓvroq xal éTii twv ittofifvow iïvo amp;f ixdron\'.

rove \'trtcv, cüv ce y.uqrtiov xac cüv vttó coii 7Cocftfiov fifzfvfyamp;frco)v y.ivfZc(u b 7Caf)cov xovdutrixtoq\' ov y.urd trjr oixfiav /.itrcot lóincrjTa

nul i/iow (ftjol yett} nvcö) ófOitocfLuv araxakfïaamp;ai,\' aAA« auto. xrjv W5 ^

• - • \' .re . . . 01\' X

yfvixrjr avcov aijfiaaiav yfnxoq yu(t wv o naQiov y.orokKay.uoi; xac

7cf()kf%(i)v co t vóffjLTor, y.aï covq vtco vóv Iramp;f^txov avayaydi^ifrovq, ^

17rot ióv y.avaa iïara. y.avaa róv Oêxavza. c\'ov ofi coVQTCfii xavaa/t zelfd

xal TCqoq covTOiq xnl cór yfny.mcaxov tov ivdêfiiTor. Xtyo) iïf rör waa

airf xavoa xoriït-xcixtov, xal cóv ifovQcifiov. tvamp;a /*fi xwêZzui\' xacd mee

Tijv ai tov (fiioiv xal lóió vrjca^ xal xvQiMq utto xégcyq fTtfqurcrjOfMq\' paal

prjófvói; yd(t IcfQov Tvx.To/.ifvov averjt; cijq xfQTfjq (TtfQMvrjafwq,

avcóamp;i 6 xiQcot; yfrtxóg clxTfrut xorrhxTtxioq, (og o Ov/.Ttiuvog fv cïo 61

xd\' (iuy\' tov Ttuffóvroq cut. (prjoir\' djeó uèv yd() d).ht)v axiva).).ayudnov eenl

xal nlxlMv dhkïj Tig TCQocixcfxav uyoxfya dyiiyrj. olov fiiTtxo, Aoxdxo.

iïavctaxóg xoifhxcCxtog, fff.Tooixoi\'. xo/iuodd 101, xal ovdfv jjxxov aTC

avcüv 6 xfoxog yf voxóg x.ovóixcCxiog dvadvó/ievog xrjv rjórj Xf^amp;fZoav oudi

dyMyrjv, tog ytvog xtrfZca^\' utto df xfQxtjg iitfffoixrjOfMg ovdtv exfQov 81

xixcftao tj fióvog 6 xtqxog yevtxóq xovdtxeixtog\' xal flxóxtoq aTró n00

xfQxijg fTifQMtijatMq xacd qratv xal Idnurjca XiVéZcat.\' tvamp;a oor xacd, V0U

ocr page 419

887

Wij hebben de geheele verklaring van Sïephanus omtrent het karakter der algemeenheid van de oude certi condictio opgenomen, omdat daaruit het best blijkt, hoe de Bysan-tijnsche scholiast in zijne overigens spitsvondige ouderscheidingen het karakter dezer oude actie, gelijk zij ons thans bekend is, voorbij zag.

Met deze Bysantijnsche opvatting was werkelijk het oude begrip van het verschil der onderscheiden acüones honae Jidei en de oude condictio certae pecuniae in zoover verdwenen, dat voor elke bepaalde geldsom, bv. ook den koopprijs, eene certi condictio in de plaats kon treden, die dan niet naar hare eigene natuur, maar naar de natuur der actio venditi zou zijn ingesteld (356). De scholiast heeft zelf eenigszins gevoeld, dat volgens zijne theorie de certi condictio in dergelijke gevallen oudtijds niet kon zijn toegelaten, omdat zij volgens de strenge grenzen van hare intentio si paret dare zou zijn uitgesloten. De onjuistheid in het betoog blijkt ook uit de rangschikking van het geval ex causa furtiva

ttji\' ló\'iav (pvotv xal Idoótrjca xwfZcao. -/.ui ov/ VTCoóifxat. rór ■/.aran iïdcn xordbs-cixtor. -/.al toy lt;1 ovqtifjor, ifvXdrTêi TtdvvMq covq itfiorq ÓQovq^ xal ófOXovfLav CTCtuvfZ x(%qrjptvoq xfj axQipfia xov ol Tcdofr ó\'aQf ö.roQctQf onfQ iari IdfZv ïtcI /.fQTrjc; fTCfQimrjOfMq. èxl tuvttj ydy xazd xijv otxtiav lamp;ióctjtu xwov/ievoq o nnqav xovó\'ixxixioq axawoxófifjxov xrcl d/raydfiaxor xijv olxfiav yrkdcxfi, ifvaiv xaï (ffOTtoxfinv ditaixd. èvOtt fTf ^11; xttcd xijv oixtiar Ichó crjc(t. a/A\' tog ytvoq xivfzcut. xócf xijv tf-iatv dvadvfxfu xov xovamp;igt;xxlxLov. vttiq

01\' x(u XWtlXfU.

(356) Door Baron t. a. p.. bl. lüG—408 zijn nog meerdere scholiën op den zelfden titel der Basilica, behalve de door mij aangehaalde, aangevoerd, waarin de scholiasten hetzelfde leeren, dat men namelijk behalve de incerta actio, ook de certi condictio kon instellen, mits men de onbepaalde vordering schatte.

Bij de vermelding van het scholium van Stemianus is door Baron er niet op gelet, dat de scholiast spreekt van de schatting, bij overeenkomst gemaakt, waarop wij wijzen in noot 357.

Door Baron is ook niet opgemerkt, dat Stephanüs in het laatste gedeelte van onze aanhaling, door Baron niet opgenomen, er op wijst dat oude algemeene certi condictio volgens haar strenge karakter en de intentio si paret dare oportere buiten de grenzen van het certum creditum nooit kon worden toegelaten, behalve ex causa furtiva, waardoor men volgens de oude uitzondering gestolen geld terugvorderen kon.

ocr page 420

— 38S —

omler die, waarin de oude condictin volgens haar eigen karakter zou worden ingesteld, terwijl dit juist in het Romeinsche regt eene bekende oude uitzondering op den regel was.

Men heeft in den laatsten tijd getracht de stellingen van Cyrii.lus en Sïephanus te verklaren door eene verandering van het proces te Constantinopel. Van eene constitutio, waardoor deze zou zijn ingevoerd, blijkt echter niet, en zonder dat is eene dergelijke ontwikkeling, waar de regtscheppende kracht van den Praetor was vervallen en eene nieuwe regt-vormende kracht in de regterlijke magt niet was ontstaan, moeijelijk denkbaar. Wel is het mogelijk te achten (bij gemis van stellige bewijzen moet men zich met waarschijnlijkheid vergenoegen), dat in het latere Romeinsche regt en vooral in de Grieksche wereld, door den magistraat, die extra ordinem regt sprak, de vorm van de geregtelijke beloften tot betaling met erkenning van schuld veelvuldig in gebruik was en dat voor eene dergelijke belofte, waarin de aestimatio litis lag opgesloten, gewoonlijk de stipulatievorm gebraikt werd. in welk geval daaruit volgens het oude Romeinsche regt de certi condictio ontstond. Hoe nu de oude stipulatievorm door den invloed van de Grieksche wereld bijkans verdwenen en grootendeels in eene schriftelijke schuldbekendtenis was overgegaan, hebben wij op bl. 168 en 169 gezien. Daardoor was het kenmerkend verschil, in het oude Romeinsche regt bestaande tusschen de stipulatio tot betaling eener hetzij bepaalde hetzij onbepaalde schuld, en liet constitutum prae-torium, dat door eene bloote overeenkomst zonder bepaalden vorm, (pactum) gesloten werd, voor een deel uitgewischt. Het is niet met juistheid te bepalen, wanneer dit heeft plaats gehad, doch men mag als zeker aannemen, dat het veelvuldig gebruik van de aestimatio litis, die ingevolge het constitutum praetorium en den stipulatievorm in gebruik was gebleven, de Grieksche scholiasten gebragt heeft tot hunne verklaring der woorden van Ut.pianus (357).

(357) Voor rle Grieken, bij wie «Ie stipulatievorm niet inheetnsch was, moet werkelijk het verschil tusschen de belofte tot betaling door hem, die wegens eene schuld was aangesproken, die hij erkende,

ocr page 421

— 389 —

Hoewel de actiën nit het constitutum en uit de Hipulaüo certa (si certum petetur) verschillende regtsvorderingen waren

bij brief of bij eenvoudig antwoord van zijn gemagtigde. en dergelijke belofte in den vorm eener stipulatie gegeven, al zeer onbeduidend zijn voorgekomen; terwijl van de vormen der stipulatie alleen was overgebleven, dat de eene partij, de schuldeischer, vroeg en do andere daarop antwoordde, met welken vorm het niet eens zeer streng werd genomen, gelijk wij op bl. 469 hebben gezien.

Vooral, terwijl het comiilutum certae pecuniae in hun taal, die het constitutum aangaf, als een antwoord op eene vordering, /Qfovq drvKfdjvrjooq. Basilica XXVII, tit. 7, was voor hen het verschil tusschen de vormen, die den grondslag vormde van de stipulatie en de certi condictio, en die, welke den grondslag uitmaakten van de daarnaar gevormde actio praetoria voor het constitutum, uiterst gering en voor de praktijk van weinig ander gevolg, dan dat voor de eene de sponsio Va, voor de tweede 1I2 bedroeg. Door Gajus, Inst. IV. § 171, worden beide sponsiones naast elkander vermeld, als poenae temere litigantium.

Was het constitutum zonder vermelding eener bepaalde som, wat blijkens 1. 44 pr. If. de Pec. Const. (43.5) niet vereischt werd, voor eene onbepaalde vordering verleend, dan moest de eischer eene schatting van die vordering voor de bepaling der sponsio voordragen. Het kan zijn, dat veelvuldig gebruik van dit constitutum aanleiding tot de opvatting der Bysantijnsche scholiasten gegeven heeft. Aan het slot van het scholium van Stephanus op 1. 9 § 4, 2 en 3 h. t. No. 6 vinden wij, waar hij spreekt van de stipulatio incerta, die in faciendo bestaat, daarvoor eenige aanwijzing. Hij zegt: wmaar ik kan ook deze (stipulatie) schat-»tende, iets dat bepaald (d. i. eene bepaalde geldsom) en overeengekomen is vorderen (fort tfé xul tv i flo, rovvfff clv ev Hoiijoft., f.rfQactjatq\' ciXXd (frvK/xni\'. rhdci\'/A.cjfifvoq y.ai. avTijv qrtvfQÓv rt x«i ó)/.voXoyijfifrov d.T(U-TfZv). — De wijziging van het onbepaalde voorwerp in eene bepaalde geldsom moest zijn tot stand gekomen door overeenkomst, dat is, met toestemming van de wederpartij. Het woord (onoXoyy/xfvor is in de vertaling van Heimbach niet teruggegeven.

Dat de actio de constituta pecunia gevormd was naar de condictio si certum petetur. veine o/fenbare Nachbildung des creditumprocesses\'\' was, is door Botho von Salpius, Novation tind Delegation, Berlin 1864, bl. 342, te regt opgemerkt. Zij werd dat in grooter mate door de constitutie van Justinianus in 1. 2 Cod. de Nov. (4.48). Aan het slot van deze 1. pr. lezen wij: »Sit pecuniae constitutae actio omnes casus com-«plectens, quae et per stipulationem possunt explicari.7\' Daarop volgt dan in § 4, dat evenals oudtijds door het constitutum alle koopwaren, res quae pondere, numero, mensura constituta sunt, onder de Praetoriaansche actio vielen, in het vervolg alle zaken zonder onderscheid daaronder zullen vallen.

ocr page 422

— 390

en dit ook volgens de Basilica in de Grieksehe wereld waren gebleven, was er groote overeenkomst tusschen mnsülntum proprii dehiü (358) en de stipulatio tot betaling eener bestaande schuld. Het is niet onwaarschijnlijk dat de acfiu receptiüa (359), d. i. voor de terugvordering van hetgeen bij de bankiers (argentarii) gestort was, het eerst ontstaan is en dat deze Praetoriaansche actie aldus eene verscherping en tegelijk eene actie van verdere strekking was, dan de certi condictio, in zoover zij de poena temere litigantis van een 3de gedeelte op de helft bragt en toegelaten werd voor hetgeen de bankier in zijne schriftuur van afrekening of eenvoudigen brief erkend had schuldig te zijn. De uitbreiding, dat eene dergelijke Praetoriaansche actie later ook tegen andere personen, dan tegen argentarii werd verleend (360), was eene schrede verder tot de bepaling van de constitutio

(358) Wij hebben ons alleen niet deze bezig te houden. Trouwens was bij delegatio eene zelfde overeenkomst. Bij Theophilus §0 lezen wij :

H df pecuniae constitutae *«rd .Turcot; y.t,vfZx(u, flr.f v.rtQ fttvvov fïxf v.rfQ fTfQox\' xaTapaleZv coq f.rrjyyfij.aro, f.rfm.TTjGftoq iïtjXaamp;i] ^irjóffnaq VTroxfL/xfvt]^ xavTrjq yd(gt; ïtaQKXoXox\'amp;Tjadafjq, ri\'jr ex Stipulatu

cTl\')mnu to .toAtrtxór.

De actio pecuniae constitutae wordt ingesteld tegen ieder, die hel constitutum aangaat, hetzij iemand voor zich zelf, hetzij voor een ander beloofd heeft, namelijk wanneer er geene stipulatio ten grondslag ligt, want als deze gevolgd is, geeft het jus civile de condictio ex stipulatu.

(359) In 1. 2 Cod. de Const, pee. (4.\'i8) wordt van de receptitia actio, die afgeschaft werd, als van eene antiqua actio gesproken. — Zij was solemnibus verbis composita. Terwijl zij reeds in onbruik was gekomen, zijn ons deze vormen in het corpus juris niet medegedeeld en niet bekend geworden. Uit Gajus Inst. IV § 64 kan men opmaken dat zij eene intentio civil is had, waarin de compensatio was opgenomen.

(360) Deze actio werd alleen gegeven voor vorderingen, die uit schuld wegens zaken van handel (quae pondere, numero, mensura constant) voortsproten, en paste dus in den handel met vreemden het regt toe, dat voor de Romeinen volgens hun stipulatievorm gebruikelijk was. — De nieuwe actio de pecunia constituta volgens Je constitutie van Justinianus liet deze actio toe, voor alle vorderingen wegens levering, hetzij van roerende hetzij van onroerende goederen, gelijk in den codex, alsmede ook in de paraphrasls van Theophilus § 8 Inst. de Act. (4.6) vermeld is.

ocr page 423

— 391 —

van Justinianus in 1. 2 Cod. ile Orast. pec. (4.18), waarbi) net verscliil tusschen de oudere actio recepiUia tegen de bankiers en de algemeene actie de constituta pecunia werd opgeheven en deze laatste gelijkelijk tegen ieder werd toegelaten.

Zeker kan, wat doo* Kappeyne van de Coppet.i.o in zijne verhandeling over Constituta pecunia in Themis, 1882, hl. 533, ook met beroep op het scholium van Sïephanus wordt aangevoerd, dat door werkelijke vereflening van eene onbepaalde schuld altijd de certï condictio zou ontstaan, alleen toelaatbaar worden geacht, voor zoover de vereffening tusschen de partijen had plaats gehad in den vorm eener stipvlatio.

Het constitutum, dat aan geen vorm gebonden was (361), en door een eenvoudig pactum gesloten werd, bragt wel de eigenaardige Praetonaansche actie voort, die veel overeenkomst had met de certi condictio, en daarnaar gevormd was; maar dat de condictio si cerium, petetur met zijn oude steeds behouden karakter volgens de lex Silia daarnaast ook zou zijn toegelaten, zou men dan alleen kunnen beweren, als men kon bewijzen, dat eene latere vorming naast den regel van 1. 2 § 5 fi\'. de R. C. (12.1) Verbis (d. i. stipulatione) quoqite credimus, waarover men zie bl. 39, ook gesteld had, pacto quoque credimus. Dit is geheel onaannemelijk. Het stond wel in de magt van deu Romeinschen Praetor, om in enkele gevallen, waar het pactum volgens de Romeinsclie regtsop-vatting eene gelijke beteekenis kan hebben, als Aamp;stipulaüo, voor het pactum eene actie te verleenen van ongeveer gelijke strekking als de oude actio civilis; maar de oude actio civi-lis, bij de wet ingevoerd, buiten hare grenzen uit te breiden, dat vermogt hij niet.

(36\'l) De belofte tot betaling van hem, die eene schuld erkende, kon bij brief gegeven worden, 1. 24 en 26 II\'. De pec. const. (13.5) 1. 47 §111\'. do Pact. (2.14), Zij was aan geen vorm gebonden: 1. 14 § 3 h. t. »Con-».stituere autem et praesentes et absentes possumns; sicut pacisci; et «per nuntium et per nosinet ipsos et quibuscumque verbis.quot; — Uit de boven aangehaalde plaats van Theophilcs blijkt, dat zij niet bij stipulatie kon gegeven worden, zonder de actio praeturia te doen wegvallen, om plaats te maken voor de condictio.

26

ocr page 424

- 392 —

In de Oratio van Cicero pro Roscio was geene spraak van de toelaatbaarheid eener condiotio wegens een misdrijf, con-dictio furüva. Ook werd niet gedacht aan andere bijzondere gronden, zooals legaat, wet enz. Er was alleen sprake van eene certi condicüo krachtens contract. Daarom was de regts-stelling van Cicero, op bl. 60 aangehaald, dat deze alge-meene actie moest gegrond zijn op een dare, op eene lite-rarum obligatio of op eene süpulatio. volkomen juist. Uit de niet formele regtshandelingen en de contractus bonae Jidei kon alleen bij uitzondering (362) of door eene nadere stipulatie de certi condicüo ontstaan. — üat de partij, die met een proces, of in den loop van een proces met veroordeeling, bedreigd werd, zich dikwijls door stipulatie tot de betaling eener bepaalde som gelds verbond en daardoor de certi con -dicüo deed ontstaan, mag me» als zeker aannemen.

(.362) /m\' lil. :!9~W.

ocr page 425

BIJLAGE II. Zie hl. 24.

De woorden Qmnü ea res est, waarover men zie Savigny. Syst. V Bevl, XTf, hadden in het latere llomeinsche regt verschillende beteekenissen, die afhingen van den verschillenden aard der actie. Dit is door Ui.pianus uitgesproken voor het interdictum Uli possidetis, waarvan de actio volgens 1. 1 pr. h. t. (43.17) ook tot quanti ea res est bepaald was; hetgeen ook Ut.pianus vermeldt in 1. 3 § 11 h. t. ; quot;In quot;hoe interdicto, condemnationis summa refertur ad rei ipsius quot;aestimationem.quot; Hij voegt daaraan onmiddelijk de volgende verklaring toe : «Quanti res est, sic accipimus, quanti «uniuscujusque interest, possessionem retinere. Servii autem »sententia est existimantis, tanti possessionem aestimandam, \'/quanti ipsa res est; sed hoc nequaquam opinandum est. quot;Longe enim aliud est rei pretium, aliud possessionis.quot; llel-i-elfde gold voor onderscheiden andere actiën, o. a. ook voor de vindicatio en de actio ad exhihendum. Voor beide bevatte de formula volgens Gajus, Inst. IV, § 51, de condemnatio, quanti ea res erit, die wij ook vinden in de formula, in jus concepta voor het depositum, gelijk zij bij Gajus, Inst. IY, § 47, is medegedeeld. Dat hier het futurum erit voorkomt, maakte in de toepassing geen verschil, zooals door Ui.pianus is uitgesproken 1. 179 ff. de V. S. (50.16); -/Inter haec «verba, quanti ea res erit, wel quanti earn rem, esse parel, //nihil interest : in utraque enim clausula placet veram rei quot;aestimationem fieri.quot; Dit blijkt ook uit 1. 71 en 68 ff. de li. V. (6.1), alwaar gezegd wordt, dat de regter bij deze actie veroordeelt quanti res est. De laatstgemelde wet van Ui.pianus bevat den algemeenen regel, dat hij, die veroordeeld wordt om eene bepaalde zaak af te geven, indien hij die niet kan geven, voor zoover dit het gevolg is van zijne kwade trouw,

ocr page 426

— 394 —

sclmlevergoeding moet geven volgens de beëedigde opgaaf van de tegenpartij, en voor zoover hij niet ter kwader trouw gehandeld heeft, voor zoover de tegenpartij bewijst, door de niet-voldoening schade geleden te hebben, quot;non pluris quam nquauti res est; id est, qimiü adversarii iuterfuitquot; TJi.pianiis voegt daaraan toe: «Haec sententia generalis est; et ad omnia \'/sive interdicta, sive actiones in rem, sive in personam sunt, /•/ex quibus arbitratu judicis quid restituitur, locum habet.quot;

Op de beperking in de laatste woorden moet men bijzonder letten. Alleen in de actiën, waarin het arhitrium aan den regter was opgedragen door de woorden : nisi arbitratu tuo restituat, had het quanti res est de beteekenis, dat op het interest, de schade, van den schuldeischer moest gelet worden. Waar dergelijke opdragt aan den regter niet was gegeven, zooals bij de triticaria, daar had quanti res est de beteekenis van de waarde der zaak. Dat deze woorden op zich zelve deze beteekenis hadden, is door Ui.pianus zelf, behalve in de boven aangehaalde 1. 179, ook nog uitdrukkelijk uitgesproken in 1. 193 ö\'. de V. S, (50.16); //Haec //verba quanti earn rem paret esse, non ad id quod interest, «sed ad rei aestimationem referuntur.quot; Er was dus seen verschil van Ui.pianus met den ouden Sehvius over de beteekenis van de woordun quanti ea res est op zich zelve, maar Ui.pianus verwijdert zich van Sehvius, waar deze volgens hem niet genoeg heeft gelet op de verpligting des regters, officium judicis, die voortvloeide uit het arhitrium, hem in de formula opgedragen. Dit wordt volkomen bevestigd door 1. 3 ft\', de Cond. trit. (13.3), waar deze.fde jurist zich aansluit aan het gevoelen van Servius omtrent de wijze, waarop het quanti res est, de aestimatio, moet berekend worden voor de actio triticaria. Daarbij komt volstrekt niet in aanmerking de schade, die uit de niet-voldoeuing voor den schuldeischer ontstaan is, maar alleen de schatting van de bepaalde verschuldigde zaak.

Bij deze schatting kwam het bovenal aan op den tijd, waarop de schatting moest worden opgemaakt. Daarvoor had reeds Sehvius den tijd van de uitspraak, condemnationis

ocr page 427

— 395 -

aangewezen, en daarmede vereenigt zicli Ui.pianus. Indien echter de zaak vergaan is, bv. een paard of rundbeest, dat teruggegeven moest worden, gestorven is, dan zal men den tijd nemen, waarop de zaak vergaan is, dat wil zeggen, niet precies op het laatste oogenblik vóór het vergaan, toen dus de zaak reeds nagenoeg de waarde verloren had, maar zooals de waarde was, vóórdat bv het ongeval trof. Maar hieraan wordt toegevoegd, dat dit anders is volgens de leer van Maiioet.i.us, indien de zaak in waarde verminderd is, nadat de schuldenaar in gebreke gebleven is, si post mor am deterior res facia sit, omdat in dat geval deze vermindering in waarde moest vergoed worden. Uit is de eenvoudige beteekenis dezer wet, die veel twijfel heeft veroorzaakt. Savignt, Sjst. VT, § 276 hl. 316 en v., ziet in deze plaats, indien men de woorden condemnationis tempus opvat, als tijd der uitspraak, een stelligen strijd met den Romeinsehen regtsregel, dat in de judicia stricti juris in tegenstelling met de judicia bonae Jidei, niet op den tijd rler uitspraak, maar op dien van de benoeming van den gezworen regter gelet wordt. Daarom wil hij deze woorden hebben verklaard als tempus condemnationis conceptae, d. i. den tijd waarop de formula aan den gezworen regter bij zijne benoeming gegeven werd. Hij geeft daaraan de voorkeur boven het gevoelen van Huschke, die in het Tijdschrift van Linde XX, bl. 267, had aangevoerd, dat men hier lezen moest contestationis in plaats van condemnationis. Werkelijk geven de handschriften daarop geen regt; maar de stelling van Savigny moet ook evenzeer als willekeurig worden verworpen op grond van de vertaling dezer wet in de Basilika. In de Grieksche vertaling wordt verwezen naar den tijd der condemnatie [xaruSixiji) en niet naar dien der verleening van de formula {iTQOxaTdn^Ms) (363). De laatste termijn is echter aangewezen in de vertaling van 1. 4, waar in den Latijnschen text de tempus contestationis wordt aangegeven door de woorden quanti tunc, cum judicium acciperetur.

Dat deze beide plaatsen, 1. 3 en 4 ff. de Cond. trit., een

(363) Men zie de wetten in de Bas. XXIV, 8, C. 9 eu 10.

ocr page 428

— 396 —

verschillenden termijn bevatten, terwijl de eerstgenoemde handelt over eene bepaalde zaak, de tweede over eene bepaald aangewezen soort, is in den lateren tijd opgemerkt door R. CoHNPEt.Dï, Die Lehre vom Interesse, Leipzig 1865, bl. 251, waarmede zich K. F. P. Kxiep in zijn belangrijk werk. Die Mora, des Schuldners, II, bl. 63, vereenigt.

De tem/pus litis contestaüonis (cum judicium acciperetur) der laatste wet was de hoofdregel voor de actio triticaria, als actio stricti juris. Dat is volgens den algemeenen regel, door Ulpiancs aangegeven in 1. 3 § 2 fl. Comm. (13.6): //In quot;hac actione, sicut in ceteris bonae fidei judieiis similiter in quot;judicium jurabitur, et rei judicandae tempus, quanti res sit, wobservatur, quamvis in strictis (364) (judieiis) litis conte-»statae tempus spectetur.quot; Ook Kniep erkent op de aangehaalde plaats, dat deze regel oudtijds voor de actio triticaria moet hebben gegolden ; maar hij voegt er bi;, dat dit niet meer het geval was ten tijde van Ulpianus. Daaromtrent moeten wij opmerken, dat Ulpianus zelf in de bovengenoemde 1. 3 § 2 ft\'. Comm. den regel erkent. Men moet daarbij echter bedenken, dat deze regel eene groote wijziging ondergaan had door de ontwikkeling van de leer van de gevolgen der mora, die niet eerst uit den lateren tijd van Ulpianus dagteekende, maar waarvoor de grondslagen waren gelegd door de juristen vóór Augustus. Daarover is uitvoerig gehandeld door Paulus in 1. 91 tf. De V. O. (45.1)

In deze wet wordt gehandeld over de perpetuatio obliga-tionis. Tot regt verstand van dien term denke men zich den toestand, die uit de veroordeeling tot afgift eener bepaalde zaak voortvloeide.

Indien er geene bepaalde tijd van afgift in de stipulatie aangegeven was, gold de regel, dat de gedaagde eerst in gebreke gesteld werd door de litis conlestatio, waarbij de gezworen

(304) Zoo moet gelezen worden volgens de Grieksche vertaling in Bas. XIII, 1, 3: Kal lv to» -/.(ay\'o cijq ifjyyoT, oofoi» ijv to .ryay/icu, dcu et/u ar fW iv iïè culq óöov tjv i.rl vij .CQoxaTCLQ^fu. En

op den tijd der beslissing, wordt geschat, hoeveel de zaak waard was; maar in de striata (judicia), hoeveel zij waard was bij decontestatio.

ocr page 429

— 397 —

reuter benoemd werd. Voor diens onderzoek en beslissing was tijd noodig. In dien tusschentijd bleet\' de gedaagde in liet bezit van de zaak, waarover de strijd gevoerd werd. Hij was alzoo, ingeval des regters uitspraak in het voordeel van den eischer uitviel, als het ware in de bewaring, custodia, van het goed, dat san dezen moest worden afgegeven. Tn deze bewaring konden voorkomen, en waren bij een vijandig gezind, misschien niet volkomen betrouwbaar, man te voorzien allerlei afwijkingen van trouwen bewaarpligt.

Hij kon ter kwader trouw nadeel aan het goed, dat hij moest afgeven, toebrengen, en ging hij niet zoover, dan kon hij, door verzuim van de noodige zorg, groote schade veroorzaken en oorzaak van het vergaan van het goed worden. Daartegen was de regtsbepaling, een bindende regtsregel. door de juristen vóór Augustus gemaakt, dat zoodra de schuldenaar nalatig, in gebreke, was in zijne verpligting, zijne verbintenis van dat oogenblik af eene voortdurende werd : vquod veteres constituerunt, quotiens culpa intervenit debitoris, -\'perpetuari obligationem.quot; De schuldenaar was dus niet bevrijd door de aflevering der verschuldigde zaak in verminderden toestand ; de schuldeischer had regt, de veroordeeling te eischen voor de waarde, die de zaak had gehad op het oogenblik der mora, omdat de schuldenaar verantwoordelijk was gesteld voor elke schade, elke vermindering, aan het verschuldigde goed overkomen. Dit was de algemeene regel voor elke verpligting tot teruggaaf, zooals is uitgesproken

door Pomponius

12 § 3 ft\'. Dep. (lfi.3! ; //Quemad-

//modutn quod ex stipulatu vel ex testamento dari oporteat, \'/post judicium acoeptum cum detriment.o rei periret : sic quot;depositum quoque eo die, quo depositi actum fuit, periculo quot;ejus, apud quem depositum fuerit, est, si judicii accipiendi \'/tempore potuit id reddere reus, nee reddiditquot;.

De verpligting tot teruggaaf of vergoeding hield alleen op, indien de schuldenaar bewijs leverde, dat de verschuldigde zaak ook verloren zou zijn gegaan, indien hij die aan den schuldeischer had afgeleverd. Dit is uitgesproken door Gajus in 1. 14 § 1 ft\'. Dep. i. f. //quia aequum esset, naturalem interitum

ocr page 430

— 398 —

vad actorem pertinere ; utiqne, cum interitura esset ea res, iegai

\'/etsi restituta esset actoriquot;. Hiermede stemt Paui.us over- is, d(

een in 1. 16 fi\'. De R. V. (601), waarin hij zegt, dat er na »facl

het vergaan der verschuldigde zaak alleen nog uitspraak Otm

noodig is voor de vruchten en de accessio (partus) en de heefl

stipulatio over de evictio daarvan, en derhalve niet over de den

schatting dier zaak, waarvoor de verpligting heeft opge- verg

houden, omdat de schuldenaar ook na de litis cmtestaiio door

niet gehouden is, om te vergoeden, wat door het fatum is 1.4(1

vergaan : «Non enim post litem contestatam utique et fatum voor

«■possessor praestare debet.quot; quot;tun

Dit is de algemeene leer, zooals zij algemeen in het latere neo

regt is overgegaan, bij Voet, Be rei vind. No. 34, en ook D

in art. 634 Bw. en 549 God. Nap., alsmede in art, 1281 en 1

Dw. en 1147 Cod. Nap. voorkomt. Opmerking verdient, ding

dat deze leer in het Romeinsche regt geenzins onbestreden toeg

was en dat zelfs Ui.pianus onder de veroordeeling wegens kwaï

het interest, de utiütas, van den eischer in de vindicatio wil tege

hebben toegelaten de schade, die deze zou hebben geleden, gevi

doordat hij de zaak, die later vergaan was, niet had kunnen leer

verkoopen. Wij vinden dat in 1. 15 § 3 De R, V. (6.1). goec

De Jurist zegt aldaar, dat de meesten van oordeel zijn, dat, de

wanneer eene opgeëischte zaak door toeval is vergaan, daar- Dogt;

voor geene vergoeding verschuldigd is; maar hij voegt er verc

aan toe, dat het juister is, dat de schade vergoed moet t

worden, indien bij geval kan blijken, dat de eischer, indien ook

hij de zaak op zijn tijd teruggekregen had, dat goed zou grol

verkocht en derhalve den prijs zou verkregen hebben (365). haal

IJat zelfde vinden wij in 1. 47 § fi ff\'. De Leg. 1 (30), Pet.

alwaar ook (Ji.pianüs het gevoelen van Labeo mededeelt, //poi

dat wanneer land door wegzakking (chiasmate) verloren ge- mee

gaan is, daaraan door den erfgenaam, die dat land aan een van

weel

(365) »Si servus petitus, vel animal aliuii deuiortuum sit sine dolo eeu »malo et culpa possessoris, pretium non esse praestandum plerique

»ajunt. Sed est verius, si forte distracturus erat petitor, si accepisset, (31

»moram passo debere praestari: nam si ei restituisset, distraxisset et in d

»et pretium esset lucratusquot;. aanl

ocr page 431

— 399 —

res, Legatarius moest uitkeeren, geene vergoeding verschuldigd

per- is, doch er bij voegt : \'/quod ita verum est, si non post moram

na \'/factam id evenerit: potuit eum acceptum legatarius venderequot;.

aak Omdat hij door de mora van den erfgenaam den koopprijs

de heeft moeten derven, kent dus ook Ui.pianus in strijd met

de den regel van Paui.us, tegen den erfgenaam den eisch tot

ge- vergoeding toe wegens het vergaan van het gelegateerde goed

liio door overmagt. Dit is overeenkomstig den strengen regel, in

is 1.40 pr. fl\'. de Her.Pet. (5.3) overgenomen uit de Oratio principis

um voor de Senatusconsultum Juventianum : nut post accep-quot;tum judicium id actori praesietur, qiiod habitvrus esset, si

;ere neo tempore, quo petit, restituta esset haereditasquot;.

■jok Doneij.us XX, 5, §11—14 wil deze plaatsen van Ulpianus

181 en Paumjs in overeenstemming brengen door de onderschei-

int, ding te maken, dat de strenge leer van Ui.igt;ianus wordt

den toegepast, als poena temere litigantis, tegen de bezitters ter

ens kwader trouw en tegen de bezitters ter goeder trouw, die

wil tegenover den eisch tot teruggaaf ligtzinnig een proces hadden

en, gevoerd, qui non juste ad judicium provocarunt ; terwijl de

aen leer van Paulus zou zijn gevolgd tegenover de bezitters ter

1). goeder trouw, die voldoende gronden hadden, om daarover

lat, de beslissing des regters te vragen. Alleen voor dezen wil

lar- Doneli.üs den regel toelaten, dat hij niet draagt de schade,

er veroorzaakt door overmagt.

oet Hoe scherpzinnig deze verklaring van onzen ouden jurist

ien ook zijn moge: wij kunnen haar niet aannemen wegens de

zou gronden, gedeeltelijk door Donetxus zelf in § 13 aange-

gt;5). haald, omdat namelijk de regel van 1. 25 § 7 li\'. De Her.

!0), Pet. : »Post litem contestatam omnes incipiunt malae lidei

elt, //possessores esse, quinimo post controversiam motamquot;, alge-

ge- meen geldt (366). Hij, tegen wien een proces tot afgifte

een van goederen, die hij in zijn bezit heeft, gevoerd wordt, weet dat hij deze goederen voorwaardelijk als bewaarder voor

j0l0 een ander in zijn bezit heeft, namelijk onder de voorwaarde, que

set, (366) Deze regel is overgenomen in art. 588 al. 2 B\\v. Over den regel

, et in deze al. vervat, en de onbillijkheid, waartoe de toepassing daarvan aanleiding kan geven, zie men mijn Bezitrecht, bl. 416—421.

ocr page 432

flat de regter die aan den eisclier zal toewijzen. Vermits hij dat weet, moet hij de pligten in acht nemen van den bewaarder, om voor de goederen en vruchten van een ander zorgvuldig te waken, en is hij voor de schade verantwoordelijk, tenzij hij bewijze, dat deze is veroorzaakt door overmagt, d. i. door een ongeval, van zijn wil en meerdere of mindere zorg geheel onafhankelijk.

Het kan zijn (367). dat men te Rome, volgens het onder Hadrianus genomen Senatusconsultum Juventianum, strenger is geweest, waar het de afgifte van erfenissen en legaten betrof. Daarop had betrekking de bovenaangehaalde 1. 47 § (gt; ft\', de leg. I, en de bekende 1. 40 ft. de Her. Pet. (5.3), waarin Paui.bs mededeelt, dat er tusschen de verschillende scholen verschil bestaan had over deze vraag: dat namelijk voor de gewone gevallen van opvordering van enkele zaken {iti specialibus petiüonibus) Cassius liet gevoelen had voorgestaan, dat elk bezitter van de opgevorderde zaak na de litis contestatie de waarde vergoeden moest, indien zij door overmagt was vergaan ; doch dat Peocui.us geleerd had, dat dit alleen gold voor de bezitters, die het goed te kwader trouw hadden verkregen, in praedonis persona.

Paui.us sluit zich blijkbaar aan het gevoelen van Peocuujs, omdat de bezitter ter goeder trouw voor geeiie overmagt verantwoordelijk moet zijn, noch wegens de vrees voor het gevaar van dergelijke verantwoordelijkheid zonder voldoenden grond zijn regt onverdedigd moet laten : quot;Nee nim debet quot;possessor aut mortalitatem praestare aut propter metum «hujus periculi jus sunm indefensum relinquere\'\'.

Ue perpetimtio obligationis, die uit de mora krachtens de bijzondere bepaling van de overeenkomst of uit de litis contestaüo volgde, hragt mede, dat de veroordeelde tot vergoeding van alle schade en vermindering van het goed gehouden moest zijn, met uitzondering van de schade, door overmagt veroorzaakt. Verder te gaan en hem ook aansprakelijk te stellen voor alle ongevallen en rampen, waaraan

(367) Zie Bezitrecht, bl. 418.

ocr page 433

liet goed evenzeer onderhevig was in het bezit van den sclmldeischer, was in strijd met den regel, dat het risico (peri-culum) van het goed, dat men door eene actio in rem, of\' een condictio of krachtens koop vorderde, bleef bij dezen eigenaar, schuldeischer of kooper, totdat het door de schuld (culpa) van den gedaagde, die dat goed gedurende het geding in zijn bezit hield, op dezen overging.

In de condictio triücaria kon men niet doen gelden, dat de schuldeischer, indien hij het goed vóór het vergaan was, teruggekregen had, dit had kunnen verkoopen, omdat dit behoorde tot het interest, de schade of winstderving, persoonlijk geleden ten gevolge van de mora, die lag buiten do waarde der zaak op zich zelve, waartoe de formula der condictio triücaria beperkt was.

L. 3 h. t. beperkt de schade, die vergoed moet worden uitsluitend tot de schatting van het goed zelf. Indien de zaak na de mora in waarde verminderd is, waarvoor hier het voorbeeld gegeven wordt van den slaaf, die een oog verloren had, dan moet deze vermindering van waarde in rekening gebragt en vergoed worden; tenzij blijkens het voorafgaande de veroordeelde bewijs levert, dat deze vermindering uitsluitend aan overmagt te wijten was.

De consütuiio veterum omtrent de perpetuatio obligationis luid ten gevolge, dat de eischer de keus had tusschen de schatting op den tijd der mora en op den tijd der veroordeeling. Het terug te geven goed kan in waarde verminderd, maar ook vermeerderd zijn. In beide gevallen moest gelet worden op schatting der waarde tijdens de uitspraak. In hef eerste geval moest die waarde geschat worden, om de vermindering in waarde sinds de mora (tenzij de gedaagde bewees, dat de vermindering gevolg van overmagt was) te vergoeden, in het tweede geval om, bijaldien de gedaagde liet goed zelf niet opleverde, de schatting der verhoogde waarde te doen betalen.

De mora was, zooals wij zagen, bf bepaald door de overeenkomst bf door de litis contesiatlo.

In 1. 4 h. t. vinden wij omtrent levering van eene he-

ocr page 434

paalde soort van koopwaren hetzelfde algemeene beginsel. Bij niet-voldoening moest in de oondictio triticaria de aestimatio plaats hebben op den tijd van de mora, dat is op den dag, aangewezen door de stipulatio of bij gebreke daarvan op den tijd der litis oontestatio. Van eene schatting op den tijd der con-demnatie kon bij de verpligting tot levering eener soort geene spraak zijn, omdat daarbij geene verrekening kon plaats hebben van eene vermeerdering of vermindering eener bepaalde zaak. Op eene vermeerdering of vermindering in waarde van koopwaren van de bepaalde soort kon wel gelet worden in de actiones honae ftxlei (368), omdat dit behoorde tot het interest, de persoonlijke schade door de niet-voldoening geleden; maar dit interest kon volgens de actio triticaria niet worden vergoed.

De schijnbare strijd tusschen 1. 3 en 1. 4 h. t. lost zich dus op in consequente toepassing van het beginsel der certa condictio, dat zonder buitengewone omstandigheden de schade steeds vergoed wordt volgens de schatting der verschuldigde res certa op den dag der mora, behoudens de verrekening voor de vermeerdering der waarde bij niet-teruggaaf eener bepaalde zaak in natura en van de vermindering bij teruggaaf in verminderden toestand.

(368) Bij verkoop werd dit werkelijk vergoed en had de kooper de keus tusschen de schatting op den tijd der mora of van de condemnatio. Men zie i. 3 § 3 11quot;. en 1. 21 § 3, lï. de act. emt. (10.1) waarover is gehandeld door Savigny, Syst. VI, § 275. Deze maakt daarbij de juiste opmerking, dat het alleen is de keus tusschen twee tijdstippen, niet van de koersen, die daar tusschen liggen.

De hoogste schatting, id tempus quo res pluvimi fuit kwam in aanmerking bij de condictio furtiva en vond daar steun in de leer, dat dief altijd in mora was, dus ook op den tijd. toen de zaak de hoogste waarde had 1. 8 § 1 IV. De Cond. furt. (13.1)

ocr page 435

BIJLAGE III. Zie hl. 40, 144-152.

Ti. 13 § 1 ft\'. Dep. (16.3) wCompetit etiam haec clt;m-quot;dictio, depositae rei nomine : sed non antequam id dolo (309) \'/admissum sit. Non enim quemquam hoc ipso, quod depositum quot;accipiat, condictione obligari, verum quod dolum malum admi-seritquot;. Door Savigny, S//st. V, bl. 518, is de beteekenis dezer wet voorbij gezien. Hij zegt in de noot, dat de condictio ook zonder dolus kon plaats vinden, bv. indien een bankier aan hem in bewaring gegeven zaken ter goeder trouw in dwaling had uitgegeven. In dat geval kon de bewaargever vergoeding verkrijgen door de acdo depositi, maar daarnaast had de bewaargever niet tevens de condictio, tenzij, gelijk in deze wet duidelijk gezegd wordt, dit zij toegelaten tengevolge van den dolus van den bewaarnemer. Savignv wil den dolus alleen als voorbeeld doen gelden, doch dit is in strijd met de duidelijke woorden van deze plaats van Paüi.us. Men kan aan geene andere condictio hier denken, dan aan de condictio furtiva, die geene strafactie was, waaraan geene ignominia verbonden was, maar die toch alleen ontstaan kon door diefstal (370). De plaats heeft eenige moeielijkheid, indien men zich niet losmaakt van de tegenwoordige regtsbegrippen, waarin men geheel is afgeweken van de Romeinsche opvatting van diefstal en het veel meer beperkte begrip van den Ger-maanschen diefstal heeft overgenomen, zooals door mij in Themis is aangewezen (371). Elke arglistige toeëigening van toevertrouwd goed viel onder het Romeinsche begrip van

(3G9) Dit woord is in de aanhaling dezer wet op bl. 40 door eene drukfout uitgevallen.

(370) Zie bl. \'14i—152. inzonderheid bl. 148.

(371) Het begrip van diefstal in het latere Enropesche regt, Themis. -180G, bl. 202—302.

ocr page 436

(liefstal. Tn dat stelsel was de loochening, dat liet goed toevertrouwd was en de weigering tot teruggaaf aan den eigenaar in den regel een teeken van kwade trouw en bedoeling van toeëigening. Over deze weigering en den dolus handelt 1. 13 li\'. Dep. (16.3). Weigering van teruggaaf zal in de meeste gevallen het gevolg zijn van kwade trouw en den wil om zich het goed toe ts eigenen ; maar dat zij dat niet altijd is, daarvan levert deze wet het bewijs. Paui.cs zegt, dat de weigering van afgifte aan een erfgenaam of een procurator ter goeder trouw kan hebben plaats gehad; zoodat er in dat geval geen grond bestaat voor de condictio ; maar hij voegt er bij, dat de actio gegrond kan worden, indien de bewaarnemer, nadat hij kennis gekregen heeft, dat de eischer werkelijk de regthebbende erfgenaam of procurator was, blijft weigeren, en dus begint ter kwader trouw te zijn. Bij liet bestaan van kwade trouw was er in den regel altijd furium bij den bewaarnemer. Wel moest volgens de Ro-meinsche definitie in 1. 1 § 3 ft. de furtis (47.2) (372) daarbij altijd contrectatio komen ; maar Eomeinschregtelijk werd daaronder niet enkel verstaan de wegneming, onttrekking aan het feitelijk bezit van een ander. Dit stond wel als de meest voorkomende vorm op den voorgrond, maar daarnaast stond ook de arglistige toeëigening van toevertrouwd goed. Gajus doelt op deze vormen in Inst. U[ § 195: \'/Furtum autem fit non solum, cum quis intercipiendi //causa rem alienam amovet, sed generaliter cum quis rem //alienam invito domino contrectatquot;. Da hierbedoelde contrectatio slaat op de goederen, waarvan de wegneming niet kon plaats hebben, omdat zij met den wil van den eigenaar reeds in het feitelijk bezit van den houder gebragt, aan dezen toevertrouwd waren. Door den wil, de kwade bedoeling, alleen werd geene verandering in den bezitstoestand gebragt van hem, die het bezit bleef behouden van de goederen, die de houder voor hem bezat. De arglist moest zich niet alleen

(372) Dat lt;lit de juiste definitie is, in de .Tustituten minder juist overgenomen, betoogde ik. in de aangehaalde verhandeling Themis, bl. 263.

ocr page 437

— 405 —

openbaren, maar ook gepaard gaan met eene materiëele handeling met betrekking tot de goederen. Elke verplaatsing, enkele aanraking, maar met bedoeling van toeëigening, was daarvoor voldoende. Tn 1. 67 pr. fi. de furtis (47.2) zegt Cei.sus : «Inficiando depositum nemo facit furtum : nee enim furtum //est ipsa inficiatio, licet prope fnrtum est. Sed si possessio-//nem apiscatur interventendi causa, facit furtum. Nee refert, • in digito liabeat anulum, an dactyliotbeca, quern, cum in //deposito teneret, babere pro suo destinaverit\'quot; (373). Indien bij de weigering tot teruggaaf van een toevertrouwden ring derhalve komt de verplaatsing van dien ring in zijn eigen ringendoos (kistje voor lijfsieraden) is dit even voldoende, om den diefstal aan te nemen, als het dragen aan den vinger van den toevertrouwden ring. Bij Gajus, Inst. Ill, § 196 en in de Tnst. van Justiniaxus, IV 1, §6—8, komen meer voorbeelden van dergelijke arglistige aanraking voor, namelijk, behalve het gebruik van de in bewaring gegeven goederen, het tot andere doeleinden gebruiken van het ter leen gegeven goed, zooals het buiten de stad medenemen van zilver, dat alleen voor een gastmaal ter leen gegeven was, en het verder medenemen van een paard, dan voor de reis. waarvoor het geleend was. Indien bij deze ligchamelijke aanraking bewijs van den dolus bestond, om zich met het goed of het gebruik van het goed te verrijken, (intercipiendi, inter-venleudi causa) was er furtum. Er was daarvoor volgens § 197 noodig, dat men geweten had, dat de eigenaar het gebruik, dat men maakte, niet zou gewild hebben.

IJe dwaling van Saviony was het gevolg van zijne misvatting, dat er eene algemeene condictio incerti bestond,

(373) Hoewel er wegens de gewijzigde begrippen omtrent het be/it-regt van roerende goederen in deze gevallen niet meer aan diefstal kan gedacht worden, heeft de Romeiusche ontleding van het begrip van fmitdulosa contrectalio, arglistige aanraking, nog haai- gewigt voor bet tegenwoordige regt. Men zie een voorbeeld, in een arrest van den H. R. van 28 April 1890, W. v. h. R. no. 5871. — Waar Cf.lsus zeide: «Er is «geen furtum, hoewel het bijna furtum isquot;, zou men thans moeten zeggen: »Er is niet het misdrijf van art. 321 Sr., hoewel het bijna misbruik van vertrouwen is.

ocr page 438

— 406 —

waarbij hij het eigenaardig karakter der onderscheiden con-dictiones incerti voorbij zag (374.). Veel juister is de verklaring van deze 1. 13 ft. Dep. bij Cujacius in libro 31 Paul. ad edictum, Op. V blz. 452. Cujacius zou, als Romanist, ook geen twijfel hebben toegelaten, of hier werkelijk diefstal bestond, hoewel de regtspraak in zijn tijd, evenals thans volgens de latere strafwetboeken, dergelijke handelingen niet tot diefstal bragt. Merkwaardig is, dat hij verwijst naar eene der meest gezag hebbende oude coutumes. de Grand-eoustumier de Normeudie van het begin der 13de eeuw, waarin volgens hem in chapitre 7 eene vertaling van het begin der 1. 67 ft. de furtis voorkomt. Werkelijk komt aldaar eene plaats voor, waarin wordt gezegd, dat de bewaarder, eigenlijk pandhouder, verpligt is de goederen, die hij in pand heeft, le nam.ps, terug te geven en dat hij zich wel moet wachten, niet te ontkennen: »il les dait rendre, et «estrc en grand peine de ce qu\'il les nya, car jacoit ce que //len ne die pas pleinement, que ce soit larcin, si semble il, fqu\'il y ait ung pou de saveur de larcinquot;. Al mogt men met met Cujacius kunnen aannemen, dat de steller van de Grand Couslumier hier aan de Romeinsche leer gedacht had, dan zou er toch volgens dezen, ook ingeval de pandhouder de goederen verduisterd had, nog geen diefstal bestaan hebben, wat Cujacius nooit zou hebben toegegeven, maar wat evenwel ontwijfelbaar is volgens Germaansche begrippen, en volgens het tegenwoordige regt, waarin de diefstal beperkt is tot de wegneming, de onttrekking aan het feitelijk bezit, terwijl de verduistering van toevertrouwd goed een afzonderlijk misdrijf vormt.

Volgens Romeinsch regt kon er bij de minste aanraking van toevertrouwd goed met den wil, om zich dat toe te eigenen, diefstal zijn. Zoodra dit volgens Gajus III § 195—197 had plaats gehad met dolus, dan had er werkelijk diefstal plaats gehad en ontstond in den contractuëlen toestand tussschen den depo-nens en den depositarius door den dolus van dezen laatsten ook de comlictio furtiva, waarop in 1. 13 § 1 li\'. Dep. gewezen wordt.

(374) Zie l)lz. 08—105, alsmede blz. 251 en 252.

ocr page 439

BIJLAGE IV. 7Ae bk. 44.

Wie het gevoelen van de meeste oudere juristen wil leereti kennen, dat in de contractus innominati het omgekeerde van den regel bij verkoop omtrent het risico van het goed gold: dat namelijk het risico daarvan bleef bij de partij, die de overdragt had toegezegd, kan dit bij Donei.i.us, Comm. XIV, c. 21, ed. 1825, deel VIII, bl. 379 — 392 vinden. In deze uitvoerige, met de gewone helderheid gestelde, uiteenzetting vindt men het oude stelsel in zijne volle consequentie, waarbij ook de gebreken het helderst aan het licht komen.

In § 5 lezen wij: »Nos dicimus, quovis casu causa secuta \'/non sit, repetitioni locum fore, sive causa in eventum col-quot;lata sit. sive in potestatem accipientis, et non tantum si //casus in persona aut re accipientis contigerit, sed etsi in \'/alterius cujusvis persona, atque adeo ipsius dantis.quot; Daarna voert hij eenige plaatsen aan, namelijk 1. 6 ff. de cond. c. d. n. s. (12.4) I. 1 Cod. de cond. ab caus. dat. (4,6), 1. 3 Cod. eod in verband met 1. 8 § 2 fi. deProc. (3.3) en 1. 15 § 6 Loc. (19.2) ten bewijze der stelling, in § 6 vooropgesteld : //Omnes concedunt, causa casu non secuta esse -/repetitionem ei, qui deditquot;. Daarop volgt dan in § 7 de bekende 1. 16 ff. De Cond. c. d. c. n. s., waarin Donei.i.us den stelligen regel vindt, dat de schuldeischer de schade van het vergaan door overmagt of toeval niet heeft te dragen en dat hij daarom, hetgeen hij als tegenpraestatie geleverd had, kan terugvorderen. Dit bewijs tracht hij te bevestigen door 1. 1, 1. 3 pr., 1. 5 pr. eu § 1 ff, de Cond. c. d. c. n. s. (12.4), waarin volgens hem het bewijs is geleverd, dat zelfs ingeval hij, die zich bij het pactum de praestatie bedongen had, zelf oorzaak was van de niet-voldoening daaraan.

ocr page 440

— 40S —

de terugvordering van hetgeen hij overgedragen had, kon het

plaats hebben. ]eve

Nu erkent hij eindelijk, in § 8, dat drie plaatsen, d. z. op

de op bl. 44 door mij aangehaalde 1. 10 Cod. de Cond. ab uitv

eaus. dat. en 1. 5 § 1 fl. de praescr. verb., alsmede 1. 3 tl. lieef

de cond. c. d. c. n. s., tegen zijne uitlegging schijnen te diet:

strijden. Daarom beproeft hij om de twee eerste wetten in zich

overeenstemming met zijn stelsel te brengen, eene verklaring, Waa; die men wel als gekunsteld en werkelijk geheel onjuist zal \\

verwerpen. Met betrekking tot de eerstgenoemde wet geeft blijf

hij dit zelf eenigermate toe en zegt, dat men eigenlijk die keli;

plaats voor corrupt moet verklaren. min*

Werkelijk was Donei.i.us bevangen in de algemeene mis- hoei

vatting van zijn tijd. De plaatsen, door hem in de eerste [Jak

plaats aangehaald voor zijnen regel, hebben geene betrekking leidi

op liet periculum eener bedongen zaak. L. 6 ft. de cond. c. over

d. e. n. s. en 1. 1 Cod. ab cans. dat. hebben betrekking op |_ l(

schenkingen wegens een voorgenomen huwelijk. De gedane Veri

giften werden teruggevorderd, als het huwelijk jiiet was ge- sine volgd. L. 5 Cod. de cond. ab caus. dat. bevat een rescript (j

omtrent de terugvordering van hetgeen vooruitbetaald was voor ]_ 5

een mandaat, om als pleitbezorger op te treden gegeven aan (ier

iemand, die dien last niet uitvoeren kan, omdat hij in den va]1 krijgsdienst was getreden, tengevolge waarvan hij het man-

daat niet mogt uitvoeren. Hiermede staat eenigermate in ree(j

verband 1. 5 pr., § 1 en 2 ii. de Cond. caus. dat., waarop tussc

ook in § 7 door Donei.i.us is gewezen, door mij behandeld c(lnj

op bl. 90. Het mandaat is altijd herroepelijk en het gevolg ()nc|e

der herroeping is, dat hetgeen vooruitbetaald was, kan worden |10g

teruggevorderd. Dit gold ook, indien de mandataris den last ()Ver

niet kan uitvoeren. Eindelijk bevat 1. 15 § b\' Loc. den regel, „gaf

dat hij, die de vracht voor vervoer van goederen in een schip „ver

vooruit betaald heeft, de vrachtpenningen kan terugvorderen, „Je

als het vervoer met het bedoelde schip niet kan plaats „(u

hebben, doordat het vergaan is. Dit volgt uit den aard van ,/Wal

het huurcontract. Dat hier geen zweem is van het periculum „mjj

rei debilat, ligt voor de hand. Men kan de vraag omtrent „mai

ocr page 441

— 409 —

liet risico van eene bepaalde zaak, die men overdragen of leveren moet, en het al of niet mogelijke der aflevering, niet op eene lijn stellen met de vraag omtrent en de al of niet uitvoerbaarheid van handelingen, waartoe men zich verbonden heeft. Men ziet, tot welke moeielijkheden de leer der con-dictiën oudtijds gevoerd had, wanneer een man als Donei.t.us zich daarin zoo verliezen kon, dat hij zulk eene eenvoudige waarheid kon voorbijzien,

Van de door Düneixus voor zijn stelsel aangevoerde plaatsen blijft alleen nog 1. 16 li\'. De cond. caus. dat. Deze handelt werkelijk over het periculum van eene bij een contractus inno-minatus bedongene zaak. Het is bijkans ongeloofelijk tot hoeveel verhandelingen deze enkele plaats van den tijd van Bartoi.us en Accersris af tot in den laatsten tijd toe aanleiding heeft gegeven, terwijl men steeds poogde, haar in overeenstemming te brengen met den algemeenen regel, in I. 10 Cod. de cond. ab caus. dat. en 1. 5 § 1 tl. de Praescr. Verb. Uitvoerig is daarover gehandeld door Erxi.eben, CWZ. sine causa, IT, § 16, bijv. bl. 385 e. v.

üp het naauwe verband van deze wet met den regel in 1. 5 § 1 ff. De Praescr. Verb, is reeds gewezen door een der Byzantijnsche scholiasten op deze wet, die onder c. 16 van den Isten titel van het 24ste boek der Basilika voorkomt. Uit deze vertaling zelve, eene vrije vertaling, blijkt reeds, dat het gewigt dier beslissing lag in het onderscheid tusschen het contract, dat iiier behandeld wordt, en het koopcontract, zooals wij op bl. 46 aanvoerden. Het is een fijn onderscheid, waarop in de 3de van de 4 scholiën op deze wet nog uitdrukkelijk gewezen wordt. Volgens de Grieksche overzetting luidde de plaats aldus; quot;Indien ik u geldstukken quot;gaf, om mij Petrus in eigendom over te dragen, is het geen quot;verkoop, maar ruiling. Van daar dat, indien hij sterft, ik quot;de geldstukken terugkrijg, evenals gij mij een vreeraden quot;(u niet m eigendom toebehoorenden slaaf; had overgedragen, «want gij hadt mij dan geen eigenaar gemaakt. Of gij hebt quot;mij den slaaf gegeven, die werkelijk aan u toebehoorde, «maar gij verzekert mij niet tegen de uihvinning. Ik

ocr page 442

— 410 —

//heb dan de condictio van de geldstukkenquot; (375). reg

De overeenkomst, volgens welke geld was gegeven, om 111

Petrus of Stichus te leveren, was een koopcontract ; maar stai

wanneer uitdrukkelijk bij stipulatie beloofd was, om den ont

slaaf in eigendom over te dragen, gaf dit eene wijziging, dra

die aan de overeenkomst liet karakter van verkoop, waarvan de W;

verpligting op levering gerigt was, ontnam en haar deed wij

vallen onder de algemeene categorie van contractus innomi- vol

nati, waarvan de ruiling, permutatio, een der vormen was, Scl

zooals wij op bl. 188 en 189 hebben gezien la9

Hoewel de algemeene regel van 1. 5 § 1 ft\', de Praescr. cor Verb., waarnaar het 3de scholium verwijst, ook hier geldt, het is er echter met betrekking tot den tijd, waarvan het peri- ops culum voor den schuldeischer begint te loopen, eenig ver- ter schil. Indien er een contract van koop en verkoop is ge- ma sloten, is het gevaar, het risico, van de gekochte zaak- ter-stond voor rekening van den kooper, zoodra de partijen del daaromtrent zijn overeengekomen. Maar het pactum betreffende de overdragt van Petrus tegen geld, dat zal gegeven .lt;; worden, is niet dadelijk bindend. Het risico, het perieulum, ro\'jlt kan dus niet dadelijk overgaan, omdat uit liet pactum alleen \'E. op zichzelf geene verbindtenis ontstaat. Deze ontstaat eerst, roquot; nadat eener partijen daaraan voldaan heeft Hij dus, die \'\'\'\' vooruit betaald had (het geld in het eigendom van de andere jóc partij had overgebragt), had van dat oogenblik af de actio htf. praescriptis verbis, om de tegenpraestatie te vorderen, of \'ö\'\'\' indien de tegenpartij in gebreke bleef aan zijne verpligting te voldoen, zijn geld terug te vorderen door 3e condictio oh (]aa causam datorum. Yan het oogenblik af, dat hij betaald had, ten ging ook het perieulum van het gekochte op hem over en hij bleef dat risico dragen, tenzij de partij door zijne schuld °quot;t en zijne mora voor het verlies verantwoordelijk werd. Als ver

zoo

(375) Ear jruQda/o) aol vofiigfiarn è.rl ró» dovvnu fiol llèiQov, ^ hee\\

ovx fücu TTQiiOcq. uX).a lva).).ayrj\' ód-fv tav a.roO-drij. drahtpfJavo) to. r/e ,

roiixafiaxa, wa.rfQ ót* waqdayyq pol uvrbr d/.kocQi-ov dvru\' ovtf ydo -JOrf

f.roirjoaq /.if dfCSTCotriv\' rj abv fi.lv avróv ovx a dtdw/.aq, ovx dihiuki^jj (■

flf fif fxrcxTjCfioq. * EyM dvruixfjnu\' xatv vofuOfidxutv. Con

ocr page 443

— 411 —

regel wordt dan ook in het 3de scholium (376) gesteld, dat in dergelijke gevallen, waar geen contract (koopcontract) bestaat, het verzuim van hem, die het geld of eene andere zaak ontvangt of de poenitentia van hem, die de zaak heeft overgedragen, het regt op de vergoeding door de condictio geeft (377). Wat de poenitentia betreft, heeft men alleen te denken, gelijk wij op bl. 91 hebben gezien, aan de regtshandelingen, die volgens haren aard eenzijdig terug treden toelieten. De Scholiast vermeldt den algemeenen regel, die voor de enal-lage, de ruiling, gelden moet met afwijking van het koopcontract. Het begin van dit scholium schijnt te slaan op hetgeen bij Celsus aan de in de pandecten en de Bnsilika opgenomen woorden moet voorafgegaan zijn betreffende eene terugvordering van de vooruitbetaling, niet door de condictio, maar door eene actio bonae üdei. In tegenstelling daarvan zegt de scholiast, dat in de gevallen, die in deze wet behandeld worden, de condictio op de overgedragen geldstukken

(376) BXê.rf, .rüq tl row rijv rov oly.éxov TfXfVTtjv fii] %irói.vevfaamp;aL rö) df()\'(t)xÓTi ovx fC.Tfv. 6xo Qf.rfxfrui xa roiuaiKcxn, d/J.d xijr xoixon rofirjr. E.rl dè xüv amp;f/idx(»v Qf.rexei\'fOamp;ui (/tjOl ca rof.uOfiaxa.

5 Eici yao xovxmv ov xb pij avaxijvat, xó (Svrd).).ay/Aru y aQyla

rov Xaftórroq -/.(tl xov dfdnyy.oxot; fifxai-ifkóc; flaaya xijr nexfioxiora, (frilieiwnau df, oxt, ovy^ üa.CiQ è-tl xrjq TcqdcsfMq -/.aï dyoqaoLuq id /xfxd co ar/.Kfon\'or xïo dyoQuoucfxfj ■s.wêwtvfxai\', ovxo) -/.(d f.rl xijq oh rem iïdofotq. amp;ta:coxeLaq /tf\'rrot iii] /.ifxitxfamp;fiofjq xoj /ifXXovxigt; x\'o .rgdyiiu htfijSdvfw wamp;wfvfvu*, Ofjfifitoaai\' df uvxó rltd xó xdfifror iv xto lü-\', Bt/J. de praescriptio verbis dt-y. S. Zie, hoe hij, zeggende dat de dood van den slaaf niet tot schade komt van hem, die (het geld) had gegeven, niet zeide, dat ik de geldstukken terugvorder, maar het bezit daarvan: maar in de volgende gevallen zegt hij, dat de geldstukken teruggevorderd worden: want in deze brengt niet het niet-ontstaan van het contract, maar de schuld (nalatigheid) van hem, die (het geld) ontving en het berouw (poenitentia) van hem, die het gegeven heeft, de terugvordering teweeg. Maar merk op. dat niet, zooals hij koop en verkoop alles na de overeenkomst in het risico komt voor den kooper. zoo ook bij de overdraft oh rem, terwijl echter de ouerdrafit nog niet heeft plaats gehad, door hem, die de zaak xal hebben te ontvangen, de risico wordt geloopen. Merk dit op wegens hetgeen is vervat in het iOcte boek de praescriptis verbis Dig. 5.

(377gt; Dit kan door den scholiast zijn ontleend aan 1. 3 § 2 Hquot;. De Gond. caus. dat., aangehaald in de volgende noot.

ocr page 444

zelve gerigt is, zooals de aard der condictio dit medebrengt. Dit gedeelte, hoewel het met de leer der eondictiën naauw-kenrig overeenkomt, is voor onze kwestie van minder belang ; maar hoogst belangrijk is het laatste gedeelte. Duidelijk is hier de vingerwijzing, door de verwijzing naar den regel in 1. 5 § 1 tl\', de Praescr. Verb., dat deze regel voor de overeenkomst (het pactum) der daüo oh rem als geldig verklaard wordt; maar dat het periculum niet eerder voor dengeen, die zich de overdragt van den slaaf bedongen had, begon te loopen, dan van het oogenblik af, waarop hij van zijne zijde aan het pactum voldaan en het geld overgedragen had.

Zoo is deze 1. 16 li. de cond. caus. data geenzins in strijd met den regel, op bl. 44 vermeld. Zij stemt ook overeen met 1. 3 § 3 h. t. (378). In deze wet wordt gehandeld over het regt, om een gedaan aanbod terug te trekken, het jus poenitendi. In § 2 wordt gehandeld over het geval, dat A. geld liet afgeven aan B., opdat deze een slaaf Stichus zou vrijlaten. Indien B. daaraan niet voldeed, of indien het A.. berouwde, kon hij het geld terugvorderen. Dit wordt nu in § 3 door Ui,via mus nog nader behandeld. Indien echter het geld was afgegeven met het beding, dat Stichus binnen een bepaalden tijd zou worden vrijgelaten, dan is er geen regt voor A. tot terugvordering, zoolang deze termijn nog loopt; tenzij A. van een regt tot terugtrekken van zijn aanbod (jure poenitendi) kon gebruik maken. Ingeval nu Stichus kwam te overlijden, dan zegt Ulpianüs, dat reeds door Puocui.as beslist was, dat, ingeval hij overleden was vóór den afloop van den termijn, er geene terugvordering van het geld door A. kon plaats hebben, doch wel indien hij na verloop van den termijn (zonder dat de

(378) »§ 2 Si tibi «ledero, at Stichum manumittas; si non facis, pos-)gt;sum condicere: aut si me poeniteat. condicere possurn. § 3 Quodsi ita ))dedi: ut intra certum tempus manumittas, si nondum tempus prae-»teriit, inhibenda erit repetitie, nisi poeniteat. Quodsi praeteriit, condici «poterit. Sed si Stichus decesserit, an repeti, quod datum est. possit ? »Proculus ait, si post id temporis decesserit, quo manumitti potuit, «repetitionem esse: si minus, cessarequot;.

ocr page 445

— 4.13 —

vrijlating had plaats gehad) was overleden. Ook hier hebben wij dus door Ui.riASUS de strenge toepassing van den regel erkend, dat in de contractus innominati, zoodra eene der partijen aan de overeenkomst voldaan had, het periculum der bedongen zaak overging op hem, die haar voor zich bedongen had.

ocr page 446

BIJLAGE V. Zie bh. 64.

Volgens Saviqny, S//st. V, § 223, blz. 132, noot o zon de actio arbitraria de eo, quod certo loco debelur, eene actio in factum concepta kunnen zijn geweest. Hij bestrijdt liet gevoelen van A. G. Heffter, Gaji Jcti Comm. ^tus sive de Actionihus, volgens wien deze actio de intentio van de con-dictio oerta moest gehad hebben. Op blz. 83 lezen wij ; //Ad //idem arbitriorum honorariorum genus pertinebat et actio «de eo, quod certo loco dari oportebat, quia in hac, prae-• missa certi condictionis intentione, subjiciebatur condera-quot;iiatio praetoria, veluti hoe modo: Si parel N. .N. A. A. quot;decern Capuae dare oportere, quanti ea res esset, n Capuae quot;daretur, tanti judex condevma; ideoque Gajus banc formu-//lam utilem in earn rem vocavitquot;.

üit schijnt in het algemeen volkomen juist. Aan eene actio in factum concepta, zooals Savigny beweert, kan moeije-lijk gedacht worden, omdat eene dergelijke formula, die wij uit Gajus, Inst. TV, § 47 voor het depositum kennen, den bepaalden regtsgrond voor de verbindtenis en de veroordeeling in eene demonstratie vermeldde. Bij de coudictiones incerti, die ook zulk eene aanwijzing van den regtsgrond moesten bevatten, werd dit praescriptio genoemd {bl. 105). Wanneer nu de actio de eo quod certo loco dari oportet alleen voor stipulatiën van betaling op eene bepaalde plaats gegeven was, zou de vooronderstelling der mogelijkheid van eene formula in factum, concepta aannemelijk zijn ; maar wij weten uit 1. 5 en 1 6, dat deze actie evenzeer gegeven werd voor obligationes ex legato en ex muUw. Deze wetten bevestigen de juistheid van het opschrift van den titel, dat de actio in het algemeen gegeven werd voor al hetgeen certo loco dari oportet. onverschillig uit welk een regtsgrond de ver-

ocr page 447

— 415 —

bindtenis ontstaan is. Deze actie onderscheidde zich daardoor van de overige persoonlijke actiën, behalve de twee alge-meene condictiën, die dienden tot vordering van elke res certa, quae dari oportet, de si certum peteiur voor certapecu-nia en de triücaria voor elke andere res certa. Id, quod dari oportet was uitsluitend de uitdrukking voor elke ver-bindtenis tot overdragt van bepaalde naken volgens het jus civile. De intentio si paret dare oportere was dan ook uitsluitend aan de bovengenoemde twee algemeene condictiën eigen; terwijl de overige condictiën, de condictiones incerti, in plaats daarvan eene intentio hadden met quicqvid darefacere oportet, aan welk dare facere de formula der actiones bonae fidei toevoegden ex bona fide. Voor de condemnatio volgens deze actio arbitraria moest vaststaan het dare opertere. Dat had de actie met de beide algemeene condictiën gemeen. De actie kon ook worden ingesteld, onverschillig uit welk een regtsgrond dat dare oportere ontstaan was ; het was dus ook eene algemeene actie, in dat opzigt van denzelfden omvang, als de algemeene condictiën, die, zooals wij op blz. 60 en 96 gezien hebben, eene praescriptio konden, doch niet behoefden te hebben. Het éenige, wat de verbindtenis, die den grondslag der actio arbitraria onderscheidde van de certa stipulatio, was de aanwijzing van eene andere plaats, waar de betaling afzonderlijk moet plaats hebben. Gajus zegt dit uitdrukkelijk in 1. 1 van dezen titel (13.4), Indien de schuldenaar, in het voorbeeld van Gajus de promissor, nooit kwam op de plaats, waar hij betalen moest, dan kon de schuldeischer niet tot zijn regt komen. De reden daarvoor was, dat de actiën voor dit dare oportere alleen de condemnatie konden geven tot betalen op de plaats, waar de regter regt sprak. Vermeed de schuldenaar de plaats van betaling niet, dan zou er volgens den duide-lijken zin der plaats van Gajus geen bezwaar geweest zijn en zou de schuldeischer, door daar te dagvaarden, tot zijn regt kunnen zijn gekomen Dat was dan alken mogelijk geweest door eene der algemeene condictiën, waardoor hij of de betaling van de verschuldigde geldsom of de waarde van de andere verschuldigde zaak op die plaats zou hebben verkregen. Vol-

ocr page 448

— 416 —

irens Gajus diende de actio arbitraria alleen daartoe, om lgt;et

voor ul, quod dari oportet op eene andere plaats, de bereg- mali

ting en veroordeeling bv. te Eome, indien daar het forum de

van den schuldenaar was, mogelijk te maken. De regter te dwe

Rome, die altijd tot eene bepaalde som gelds moest veroor- 1

deelen, moest derhalve in zijne veroordeeling wegens het in and

gebreke blijven van betaling bv. te Ephese het plaatsverschil kon

in zijne schatting opnemen. Aan deze schatting ontleende de ged

actio arhitraria haren naam, terwijl zij overigens dezelfde win

vereischten stelde als de algemeene condictiën voor het dare bep

oportere en daarenboven, dat dit op eene andere plaats, dan het

waar de regter regt sprak, gesteld was. Deze beide ver- Ui.

eischten moesten dus in de formula, aan welke de regter bij

gebonden was, worden opgenomen. Het is aannemelijk, dat quot;hi

die opneming hare plaats moest vinden in de intentio, even- de!

als dit bij de condictiones zelve moest plaats hebben. Op de bol

juistheid van de bovenaangehaalde plaats van Hefpteu is voorna- 391 melijk dan ook alleen aan te merken, dat in zijne foriaula geene

melding wordt gemaakt van het arbitrium judicis, zooals dit 113

in de formulae van het Romeinsche regt werd opgenomen. 1 o

De actio arbitraria was volgens Gajus in 1. 1 h. t. een actio quot;I

utilis, dat is eene actio, gevormd naar de bestaande algemeene \'/C condictiën, waaraan zij zich naauw sloot. Men zie blz. 64. Voor

elke strenge verbindtenis tot levering van bepaalde zaken van het vi

jus civile kon zij worden ingesteld ; voor alle verbindtenissen ik

bonae lidei, derhalve verbindtenissen uit koop, mandaat en de oi

contractus innomati was zij uitgesloten 1. 7 h. t. (379). (gt;]

Voor deze verbindtenissen was zij niet noodig, omdat de v

formula quicquid dare facere oportet ex bona Jide den regter ai

de bevoegdheid gaf en de verpligting oplegde, om op het u plaatsverschil te letten, indien de levering op eene andere plaats moest geschieden. Daaruit verklaart zich, dat, hoewel de beginselen omtrent de schatting van het plaatsverschil in

(370) sin bouae lidei judiciis, etiani si in contraiiendo convenit, ut «certo loco quid praestetur, ex empto vel vendito vel deposit! actio «competit, non arbitraria actio. Si tarnen certo loco traditurum se iquis stipulatus sit, hac actione utendum est.quot;

ocr page 449

— 417 —

liet Europesohe regt zijn blijven bestaan en er das menig-malen een beroep wordt gedaan op wetten uit dezen titel, de actio arbitraria zelve uit het hedendaagsche regt is verdwenen.

Dat op het plaats verschil in de waarde van gelden en andere goederen moest gelet worden, spreekt van zelf. Er kon twijfel zijn en die vraag is in het Romeinsche werkelijk gedaan : of bij de schatting ook in rekening kan komen de winst, die de schuldeischer door de niet-voldoening op de bepaalde plaats had moeten derven. Er kon twijfel zijn, omdat het hier gold eene actio utilia van de strenge actiones civiles. Ulpianus geeft in 1. 3 § 8 h. t. als zijn gevoelen, dat dit lucrum bij de schatting in aanmerking moet komen ; «Puto et Incri //habendam rationem.quot; Daardoor kwam liet officium judicis in deze utilis actio zoo nabij aan het officium in de actiones honae fidei, dat er voor de praktijk bezwaarlijk verschil is aan te geven.

I71 de Instituten van Justinianus IV, 6, § 31 wordt zij naast andere actiones arhitrariae genoemd en wordt daaraan toegevoegd : //In his enim actionibus et ceteris similibus per-//mittitur judici ex bono et aequo, secundum cujusque rei, //de qua actum est, naturam aestimare, quemadmodum //actori satisfieri oporteatquot;. —Dat deze actio in de Paraphrasis van THEOPHn.us op de genoemde plaats niet voorkomt, zou ik met vele oudere juristen, o. a. Gothofredus, liefst aan onwillekeurig verzuim toeschrijven. — Was de weglating opzettelijk gedaan, dan zou dit alleen verklaring kunnen vinden, indien er nog twijfel gebleven was omtrent het bovenaangehaalde gevoelen van Ulpianus. Voor zulk eene vooronderstelling leveren de regtsbronnen geen grond.

ocr page 450

BIJLAGE VI. Zie bh. 176,

De verklaring, volgens welke 1. 25 § 4 ff. De Prob. (22.8) alleeu betrekking heett op de schriftelijke schuldbekentenis zonder stipulatievorm, chirographum, syngrafa (380), zooals in de Grieksche wereld gebruikelijk was. is in overeenstemming met de vertaling dezer wet en de toelichting in de Basilika. De wet is aan het slot van c. 25. waarin verschillende gevallen vai! de condictio indehiti worden behandeld, in boek XXlf tit. 1 overgezet in deze woorden : //Dit »over de betaling. Want indien iemand, niet verschuldigd zijnde, \'/zegt eene schriftuur te hebben gemaakt, en dit onzeker (ondui-//delijk) is, dan bewijst (d. i. moet bewijzen) hij. die de schrif-//tuur ontving, indien echter hij, die de schriftuur afgaf, de //gronden (oorzaken), bijzonder gezegd heeft, waarom hij (de //schuldbekentenis) geschreven had, dan wordt hij gedwongen //er hij te blijven, tenzij hij door bewijsstukken toone, dat «hij niet schuldig zijnde had toegestemdquot; (381).

Eene juiste omschrijving gaf Tiieüdcuuis aan het einde van het eerste uitvoerige scholium van den volgenden inhoud : //Want //indien een handschrift onverschuldigd gemaakt was, dan «wordt hij, die het handschrift ontving, opgevorderd te be-quot;wijzen, dat het handschrift verschuldigd is, alleen als het //handschrift onduidelijk is. Dit nu zeg ik, indien hij, die

(380) Wij vinden deze genoemd en onderscheiden van de schriftelijke stipulation bij Gajus, Inst. III, § *134: »Praeterea litterarum obligatie «fieri videtur chirografis et syngrafis. id est, si qtiis debe-e se aut «daturum se scribat: ita scilicet, si eo nomine stipulatie non fiat. Quod «genus obligationis proprium peregrinorum est.

(381) Tavtfi .ff(ie xtCTupokijs. Ear yiiQ Myj] (K, /jttutnTÜv :roir.alt;u ynnu[niifiov. xrcc iaviv darcytg, 6 ktcfjfüv ttvro deCxrvotr /pfMOTOVftevov. Et ÓÈ qrjrö)!; 6 TÓ y(jlt;iftfilt;CTfZor fy.uO\'teï.fTj rac \'urirei;, dt nc oxirryfjayitTO, nzocy flv urrt.yy.a^11 (I fti] do fy/Qaf/alr \')pt] yQfbWiwi 6fio/.oy-rjüHu.

ocr page 451

— 419 —

//het handschrift schreef, niet zelf in dat handschrift bijzonder lt;/de gronden (oorzaken) had geschreven, om welke hij het quot;handschrift afgaf. Want dan moet hij blijven bij zijne eigene //verklaring, indien hij niet door krachtige schriftelijke be-«wijzeu kan bewijzen, dat hij het handschrift onverschuldigd //geschreven hadquot;. (382)

In het volgende scholium van Cyriixus vindt men in eenigzins andere bewoordingen denzelfden inhoud, dat de schuldeischer den regtsgrond moet bewijzen, als deze niet is uitgedrukt, en dat daarentegen hij, die de schuldbekentenis afgaf met opgaaf van den regtsgrond, zijne, bewering bewijzen moet, dat er werkelijk geen regtsgrond voor de verbindtenis bestaan had.

Zoowel in de vertaling der wet, als in de omschrijving van Theophii.us en van Cyrii.i.us staat, dat hij het tegenbewijs door schriftelijke bewijsstukken leveren moet. Dat hier gedoeld werd op het meest gewone geval, maar dat toch andere bewijsmiddelen niet waren uitgesloten, volgt uit de beginselen van het Romeinsche procesregt, maar is ook door den scholiast in scholium 6 uitgesproken. Bij gebreke van schriftelijke bewijsmiddelen zegt deze in zijne aanteekening op de woorden: fi /irj SI iy/Qacfoov. //Ik «vraag: indien ik geene schriftelijke bewijzen heb, zal ik dan «gebruik maken van den eed ? Oplossing. Ik geloof, dat, quot;evenals bij gebreke van de bewijsmiddelen in andere zaken, quot;dit ook hier zal moeten geschiedenquot; (383).

In het 4de scholium, van Enantiophanes, wordt gewezen op den zamenhang van deze leer over de causa met de excepüo non nwMratae pecuniae, waarbij de scholiast de bepalingen

Eï, yaQ yfkQitYQ\'i\'iov IriïèfJicov fytvfco, cue 6 Xn/i/uv/fVQÓyQayov d.rrucfïcru cT£ï$(u. drt défiwoy iaciv ró /(iQÓyQioiov, fióvov fl daqu?.ö)q (volgens Heimdach daaqiüc;) tyju xó yftQÓyQuyov vaira óè Afyogt;, :rX-i]v ft /.i-ij ctqd 6 yftqquot;yqu\'fr/(lnq av ci\'h; cült;; ulciat; aviio co) yf^qoyquii to cid-ft-y.cv Lfhy.ÖK;, mv yiigu* el-éd-fro ró /ftQÓyQaqov\' core yctQ f/t/xévftv óqfilft. cfj OLXfia fl /t?) cTt\' fVfQyüv iyy^iufiov d.rodflsfMv

divaxat. dit lyöffiicdic; i/êbQoyQi\'.qitiOfv.

(383) * End) có), ft cz.coQijdo) d.rodftifwv (y/*(iaiio)v,cL()n xQ-yrfffKU oqxm; kiaiq, \' Eyoj oCfxao. 6cigt; (óa.rtQ i.rl xüv aXhov è$ d.royini; catv d.roiïeilifMv ÓQy.o\'4 iïi f)o CHLy ov con; y.tu wcTf o\'/ fi,kfo yireoO\'(u,

ocr page 452

van Novel 1.\'36 aanhaalt. Uit deze novel zien wij, hoe weinict de Grieksche bankiers zich naar de oude bepalingen van het Romeinsohe regt hadden kunnen schikken. Trouwens blijkt reeds uit de Instituten van Justinianus, De litt. obl. {3.22) hetgeen nog uitvoeriger bij Theophii.us (384) 3.21 voorkomt, dat de vorm der oude litterarum obligalio (Gajus, Inst. Ill, § 129), bestaande uit vraag en antwoord, waarin de causa der verbindtenis vermeld werd, verdwenen was, en dat men beweerde, dat daarvoor de gewone schriftelijke schuldbekentenis in de plaats was gekomen. quot;Voor die verande-ringwerd aangevoerd, dat dergelijke schuldbekentenissen,evenals de oude nomina ar car ia, bij Gajus, Inst. III, § 131 vermeld, na verloop van twee jaren, omdat er dan geene verwering, dat het geld niet betaald was, meer werd toegelaten, eene schuld bevatten, die geen anderen grond had, dan de vorm van het schrift.

De excepiio non numeratae pecuniae^ reeds bij Gajus, Inst. 3, § 131 vermeld, was het gevolg eener gewoonte, in c. 5 vermeld, om nadat de overeenkomsten over voorschot, intrest en hypotheek getroffen waren, daarvan de schrifturen te schrijven of publice in foro te doen schrijven, voordat nog het voorschot uitbetaald was Geliik in den aard der zaak ligt en thans nog dikwijls het geval is, werden bij zulk eene

(384) !■gt; was in dit opzigt groote overeenkomst tusschen de stipxilatio en de litterarum obliijatio, gelijk Tiieoimiilus opmerkt; ijr dV taint ra fttj/iara, arova f/fytlo /.ui eyyai/fto. 7\'ot%- exaróv /Qortovi;, or? (nol «trta? /Qfowreïc;, or fx avvamp;jjitrjc; y.al

ouu/.oyUc\'^ dóiOfti; riüv oixrihtr ynitpiul[dn1; fint it?y*i:o, üq a,tó lov fvó/ov fx rrjc /uaamp;maeti)?, cavrtt ra i (c. Ex arriïjjxTjs infflhi! riav olxfiwv ynttfifcicriot\'. Kal t] iitr .TQOTfQa fro/ij a.rrafifrrvco, xfuroréfia fff fxixrero. r.o n cta /tl t! littei\'isquot; iv trt fli fx zov fv ylttip-fiaOtr rlvat rijv Svopaniar tdétaro. Deze nu waren de woorden, die gesproken en geschreven loerden. De tien goudstukken, die gij mij uit oorzaak (op grond) van huur schuldig zijt, zult gij die uit de overeenkomst en de erkenning van deze letteren geven ? Vervolgens iverden deze woorden, als van dengeen. die uit huur schuldig wns. daarbij geschreven: Ik ben schuldig uit de overeenkomst van mijne letteren. En de vroegere schuld iverd opgelost en de nieuwere, dat is de obligatio litteris, werd geboren. Deze kreeg den naam, omtUU zij uil de teller ontstond*

ocr page 453

— 421 —

handeling verschillende rekeningen uit andere contracten, bv. slipzdationes, waaraan ook interessen en hypotheek verbonden konden zijn, verrekend. Nu waren volgens de oude Romeinsclie reglsregels dergelijke akten, die volgens de Grieksche gewoonte geen stipulatievorm bevatten en dikwijls den regts-grond der verbintenis niet inhielden, krachteloos. Daaruit ontstond het nadeel, waarover de Grieksche bankiers geklaagd hadden, dat zij hunne vorderingen, interessen en hypotheken niet vervolgen konden, nadat zij daarover in de akte van rekening-courant de bedingen gemaakt hadden, terwijl daarentegen de hypotheken en interessen van tegenvorderingen, die krachtens stipulatie bestonden, tegen hen van kracht bleven.

Tn c, 4 was reeds de klagt der bankiers opgenomen, dat hun de vordering geweigerd werd voor de interessen, die zij gewoon waren zonder formeel geschrift en zonder stipulatie te bedingen. Daaromtrent besliste de Keizer, dat zij hun gewone interest van 8 pc., besses usuras, ook zonder stipulatie of formeel geschrift zouden ontvangen. Evenzoo besliste hij in c. 5, dat de schriftelijke schuldbekentenissen, zooals de Grieken gewoon waren die te maken, regt op hypotheek en interessen geven zouden.

Eindelijk handelde c. 6 (385) over de vermelding van den regtsgrond, de causa, die in elke schriftelijke akte zonder stipulatievorm moest worden opgenomen, Hoe streng men

(385) win illo utique casu niinLs quam ipsis (argentariis) opem f\'eri-»mus, ut si ratiocinia proferantur, quae expresse quamque causam «babeant adscriptam, in quam aurum datum est, atque bic ratiociniis )gt;ipsis subscripserit: etsi singulas in ipsis causas propria manu non «scripserit, aut etiam confessionem de boe aliquam sive sub specie /m ut ui, sive ex acceptüatione, sive etiam aliter non confecerit: nequeut »amplius ab eo, qui boe fecit, singularum causarum particulatim proba-»tiones exigere: nisi forte ex abundanti velit vel ipsi, vel creditoris »beredibus jusjurandum deferre, boe enim solum ei concedimus: intra «tarnen ea tempora, quae exeeptioni non numeratae pecuniae attributa «sunt. Nam si id quoque tempus praeterire eontigerit, neque jureju-flrando eos gravamus: id quod etiam in generalibus legibus descrip-wsimus, quanquam ne boe qnidem ex usu erat: nam eum, qui propria »manu vel scripsit, vel tradidit ratiocinia. quomodojnstum fnerit piitare gt;iid dissolutum extitisse, ut quae data nou essent, pro datis seriberetquot;.

ocr page 454

— 422 —

het vroeger hiermede nam, blijkt uit den inhoud van dit res(

hoofdstuk. Daaruit blijkt, dat wanneer in het onderteekende nie\'

geschrift van de ratiocinia, de rekening-courant, de grond der kei

verbindtenis wel was genoemd, maar de schuldenaar niet eiken het

grond, causa, afzonderlijk had geteekend, dit geschrift voor sch

de aldus vermelde verbindtenis, waarvan de regtsgrond niet reg

afzonderlijk was erkend, niet als bewijsstuk kon gelden. Daaromtrent bepaalde deze Novel, dat het geschrift voor den bankier tot bewijs dier verbindtenissen kon dienen, met deze bepaling, dat binnen de twee jaren, gedurende welke de exceplio non numeraiae pecuniae kon worden opgeworpen, de schuldenaar den eed van den bankier over het bestaan van den regtsgrond kon vorderen. Na verloop dezer twee jaren gold het geschrift in zijn geheel voor al de verbindtenissen, voor welke daarin de regtsgrond vermeld, doch niet afzonderlijk onderteekend was.

Dit werd bij deze Novel vastgesteld, als een bijzonder regt voor de bankieis. Voor hunne akten was derhalve het ver-eischte vervallen, bij Theoi\'iiii.us vermeld, dat voor elke afzonderlijke verbindtenis in de rekening-courant, eene omschrijving der causa in de solemnele woorden geschreven en geteekend moest zijn.

Overigens bleef de regel bestaan, dat elke schriftelijke schuldbekentenis den regtsgrond der verbindtenis vermelden moest.

Waar in de Basilika XXIII, 1, c. 75 de inhoud van 1. 13 Cod. de non num. pec. kort wordt medegedeeld, wordt niet aangegeven, dat dit rescript betrekking heeft op eene stipulatie. Dit is verklaarbaar, omdat de stipulatie in de Griekschc wereld weinig gebruikelijk was. De beslissing, door het rescript gegeven voor de stipulatie, dat bij bewering, dat de daarin vermelde grond of schuldoorzaak niet bestond, het bewijs moest geleverd worden door den schuldeischer, gold daarenboven evenzeer voor de gewone schuldbekentenis.

Het verschil tusschen de beide vormen van schriftelijke verbindtenissen was gewigtig, ingeval geen grond of schuldvordering vermeld was. Dat geval werd m het

ocr page 455

rescript niet behandeld en het had voor de Grieksche wereld niet veel belang, omdat de stipulatievorm daar niet gebruikelijk was en bij de Keizerlijke constitutiën wijzigingen in het regt waren gebragt, waardoor de kraciit der gewone schuldbekentenissen, zooals zij daar gebruikelijk waren, geregeld was.

ocr page 456

VOi

gel rui i.

//E

BIJLAGE VII. Zie hh. 2G2. Sa.

//E

Bij den in Duitschland gevoerden strijd over de vraag : Ue in hoever in het oude Germaansche regt aan de enkele vu belofte het gevolg van regtsverbindtenis gehecht werd, heeft sta men zich niet altijd naauwkeurig rekenschap gegeven, wat Co men onder het gevolg van regtsverbindtenis verstond. Het antwoord moet verschillend zijn, naarmate men daarbij denkf dal aan het gevolg., dat de enkele belofte regtens hebben moet, iet indien vaststaat, dat deze belofte aan de tegenpartij gedaan vo: is, of aan de toelaatbaarheid van uiterlijke bewijsmiddelen, dai om het bewijs te leveren, dat de belofte is afgelegd. die Dat voor de regtskracht, die aan de belofte of toezegging ien moest gehecht worden, niet wordt gelet op den regtsgrond, de waarop die belofte steunde, daarvoor hebben reeds eene aanwijzing in het berigt van Tacitus, die in zijns Germania reg c. 2\'I mededeelt, dat de Germanen zich veelal met zulk eene sell woede aan het spel overgaven, dat zij al hunne bezittingen ver- eis( speelden en eindelijk, als alles verspeeld was, in een laatsten vin worp hunne eigene vrijheid op het spel zetten. Als hij ver- quot; V loor, dan liet volgens zijn getuigenis de forsche en sterke «ei man zich door eene zwakkere tegenpartij binden en weg- «st voeren. Hij voegt daaraan toe, dat zulk eene hardnekkigheid //gi in het kwade volgens hunne begrippen trouw is. (I\'m est in //E re prava pervicacia: ipsi Jidem vacant). quot;ai

Dat speelschuld eene regtsgeldige schuld was, blijkt uit de

latere Germaansche bronnen. Onder de regtmc-tige middelen iet;

van afgift, zooals verpanding, leening. verkoop wordt op goe

onderscheidene plaatsen, o. a. Saksempiegel, landrecht. 111, wij

G en II, 60, ook verdobbelen vermeld. Zijne dobbelschuld vol

moet de speler betalen ; maar het Saksische en Zwabische de

regt bevatten beide den regel, dat de erven evenmin, als teli

ocr page 457

— 425 —

voor de vergoeding wegens diefstal en roof, voor speelschuld gehouden zijn. De overige schulden, die op den boedel rusten, moeten de erven betalen; maar Schwabenspiegel c. 340 i. f. (ed. Gengler 1853 ed. Lassberg c. 289) zegt: «Die quot;Erben gelten ouch weder Spil noch Wucherquot;, en de Saksenspiegel, landrichi T, 6, 2 bevat deze uitspraak: quot;Diive noch rof noch dobelspel n\'is he plichtigh to geldenequot;. De zoowel in ons land, als in Duitschland en Zwitserland, veelvuldig voorkomende verbodsbepalingen tegen het spel in de stad- en landregten zijn alle van later tijd. Van den Zürck, Cod. Bat. i. v. Teerling, Bi.unïschi.i, deuts. Privat. § 143.

Leggen wij daarnaast de verklaringen in de volksregten : dat alle beloften moeten gehouden worden, zonder dat daarbij iets van eenige formaliteit voor het geven van de belofte, of vorm tot bevestiging der mondelinge belofte gevoegd wordt, dan is er niet veel groud voor de bewering, dat de Germaan, die bekend had mondeling de toezegging te hebben gegeven, iemand eene bepaalde som te zullen verstrekken, zich aan de veroordeeling tot betaling zou kunnen onttrekken.

De plaats, die in het Zwabische regt bijzonder aan de regtskracht van de belofte gewijd is, cap. 11, voert tot opschrift : «Wie man Geliuhde hehalten zaV\\ Daarbij is geen ver-eischte van eenigen vorm voor de belofte gesteld en wij vinden dit evenmin in de inhoud van het hoofdstuk : quot;Wer borget oder entlehent, der sol daz gelten, und swaz quot;er lobet, daz sol er stete ban. Wil aber er lougenen, des «sol man in überziugen, als reht ist. Swaz aber vor gerichte \'/geschiht, da sol man niht umbe sweren, niuwan bi dein quot;Eide sagen ; est entgê dem manne danne an den lip oder quot;an sines libes ein teilquot;.

Borgen beteekent waarborgen, maar ook in het algemeen iets ontvangen, onder gehoudenheid, om het later te vergoeden, hetzij men het ten gebruike in leen ontvangt of bij wijze van koop op crediet. In den laatsten zin is het in de volkstaal nog gebruikelijk. — Duidelijk is in deze plaats de tegenstelling tusschen de toezegging bij eene geregte-tclijke handeling, die volkomen bewijs oplevert, en waarbij

ocr page 458

dus de ontschuldigingseed, waardoor de gedaagde zich bij dagvaarding wegens beweerde beloften en verbindtenissen, waarvoor geene geregtelijk bewijs bestond, kon verdedigen togen den eisch, niet kon worden toegelaten.

De plaats boudt in dit op opzigt verband met de aangevoerde plaats uit den SaJcaenspiegel, Landrecht 1, art. 7; //Sve //icht borget oder lovet, die sal \'t gelden, unde swat be dut, «dat sal be stede halden. Wil he aver versaken dar na, he quot;untvort it im mit sinem ede, swat he vor gerichte nit gelent «ne hevet. Swat he aver von gerichte dut, des vertüget en «de sakeweldige mit tven man, unde de richter sal de •■dridde sinquot;.

Merkwaardig is de vorm, waarmede hier het bijzondere regt van den Germaanschen man erkend wordt, dat voor al betgeen buiten geregtelijke handelingen beweerd wordt door hem beloofd te zijn, geene uitwendige bewijsmiddelen worden toegelaten, maar dat bij zelf de eénige en hoogste uitspraak doet over \'t geen door hem toegezegd is of niet. Men kan alleen vorderen, dat hij zijne verklaring met eede bevestigt. Hij moet voor alle dergelijke vorderingen volgens 1 art. 6 op de vordering bekennen en voldoen of ontkennen en daarop zi\'ieren. Alleen voorde schuld van eene nalatenschap, die hij aanvaard had, kon tegen den Germaanschen man getuigenbewijs worden aangevoerd. Overigens kon hij, tenzij hij van dit regt afstand had gedaan, zich bevrijden door zijn eed.

Dat hieruit voortvloeide, dat de Germaan, hetgeen hij aan een ander werkelijk beloofd had, aan dezen onthouden (ontvoeren) kon door zijn eed, die in dat geval dus een meineed was, moet men beschouwen, als de uiterste consequentie van het hoofdbeginsel van Germaansch regt. dat hij, die alleen het woord van den vrijen man ontvangen had, ook op dat woord alleen moest vertrouwen en dat uitwendige bewijsmiddelen daartegen niet gelden mogten. Dat men door meineed zich derhalve van werkelijk gedane toezeggingen ontslaan kon, was het kwaad, dat aan het stelsel noodzakelijk verbonden was en dat, hoe groot ook, niet voldoende was, om van het regtsbeginsel af te wijken.

ocr page 459

Dit beschouwde men als zulk een belangrijk regt, dat de Saksenspiegel, Landrecht, 1, 18, het vermeldt onder de drie groote voorregten, die de Saksers hadden behouden in strijd met het Romeinsohe regt {wider Karles willen) § 1 : Drier-//handereeht behelden de Sassen wider Karles willen. Dat //Svevische Recht dur der Wive hat. § 3 Unde dat andere: usvat de man vor Gerichte nicht ne dut. svo welenlik it si, \'fdat he des mit siner Unscult entgeit, unde mans in nicht quot;Vertiigen ne mach\'quot;.

Juist de rorin, waarin het stelsel tot in zijne uiterste gevolgen wordt aangeduid, kon van de zijde van de Romeinsche regtsopvatting tot de scherpste afkeuring leiden, zooals wij daaromtrent uit den tijd van Lode wijk den Vrome een getuigenis hebben in Cap. VI van het geschrift van den Aartsbisschop Agobardus tegen eene wet van den Bourgondischen Koning Gundobald : //ex qua oritur res valde absurda, ut si qnis «eorum in coetu populi aut etiam in mercatu publico com-\'/miserit aliquam pravitatem, non coarguatur testibus, sed «sinatur perjurare, tanquam non fuerint, per quos veritas posset wagnosci. Hic manifeste apparet, damnosam esse damnahilem «legemquot;.

Dit juramentum purgatorium (386) desrêne (van disratior.ari, verdedigen), zuiveringseed, die ook voor kleine misdrijven en overtredingen gold, is over geheel Europa gebruikelijk geweest, en heeft zich in het burgerlijk geding eindelijk opgelost in den suppletoiren eed, gelijk op blz. 264) en 265 is aangewezen.

Voor elke schuldvordering krachtens buitengeregtelijk gedane toezeggingen kwam dus alles aan op het woord en op den eed van hem, op wiens belofte men zich beriep.

Dat van dit regt, om zich tegen elke schuldvordering uit buitengeregtelijke handelingen door zijn eed te bevrijden, meermalen misbruik moet gemaakt zijn, ligt voor de hand. Hoe hoog men van de oude Germaansche trouw moge denken,

(386) Zie daarover mijne verhandeling over de mnsplitshmrhcid der erkenteitis. in Themis 1863 bl. 483—487.

ocr page 460

liet spreekt van zelf, dat men middelen moet gezocht hebben, om zich tegen de schade door ontrouw en meineed te vrijwaren. i)e strenge straften, die in de volksregten en in de capita-lariën tegen meineed voorkomen, toonen duidelijk, dat dit niet, zeldzaam was.

Voorzorgsmaatregelen tegen ontrouw in de beeedigde verklaring (anscult), waarvan alles afhing, ontbreken bij de (iermanen niet. Talloos zijn de vormen tot versterking van de belofte.

Deze vormen tot versterking van de mondelinge overeenkomsten en toezeggingen, zooals de onmiddelijke bevestiging bij eede, de handslag, nog op onze veemarkten gebruikelijk, het overreiken van een pand, meestal een geldstuk, godspenning nog gebruikelijk bij huur van dienstboden, dienden deels tot stellige aanwijzing, dat de voorloopige besprekingen tot eene stellige overeenkomst, tot bindende toezeggingen, hadden geleid. Deels dienden zij, om de ontkenning door meineed in het geregt moeijelijk en nagenoeg ondoenlijk te maken. Daartoe kon strekken, dat bij het geven der toezegging getuigen geroepen werden en dat borgen zich mede verbonden. Met deze vormen kon de overreiking van een pand verbonden worden. Dat pand kon de beteekenis hebben, en zoo was zeker het oorspronkelijk begrip, dat de schuldeischer daarop zijne schuld zou kunnen verhalen. Ook kunnen der-gelijken pandgevingen hebben plaats gehad, om de proces-suale vormen, die daaraan verbonden werden, te kunnen aanwenden.

Veelvuldige vermelding komt in de volksregten voor van het wadium, borgtocht^ piguoratio. Voor onderscheiden handelingen en verbindtenissen komen daarbij verschillende vormen hij de verschillende volksstammen voor. Daarbij kan de vorm van de halm of de stoklegging voorkomer., welke laatste vorm omschreven is in de Lex Salica, waar deze in tit. 49 {Georgisch bl. 99) handelt over de vormen van de toezegging van goederen na doode aan iemand, die niet tot de wettige erfgenamen (ab intestato) behoorde. Deze handeling werd volgens het bovenschrift adframire, adkraitdre, genoemd .

ocr page 461

Ailkramire, arramir e beteek eurfe, volgens Grimm. Ueclusaltli. bl. J2;5 (in verband staande met ramen) en Ducanoe i. v. adravnre, bevestigen. Adramire staat in tit. 40 (Georgisch bl. 77) der lex Salica voor de beëedigde verklaring van dengeen, dien men beschuldigt, gestolen goed te bezitten, dat hij dit goed van een derde gekocht heeft. In de Lex Ripuariorum, tit. 31 (Georgisch bl. 156) Be serco repraesentando. moet de pleg-tige geregtelijke belofte, om den slaaf voor den regter te brengen, ook met de halm worden afgelegd: quot;de ejus praesentia cum festuca fidem faciatquot;. Werd aan de belofte niet voldaan, dan volgde volgens de lex Salica tit. 53 (Georgisch bl. 105) De Jide facta en Leges Langobardicae 255 en 256 1. liotkaris (Georgisch bl. 993) de ten uitvoerlegging, door geregtelijke inbeslagneming van de goederen van den schuldenaar, die volgens schatting aan den schuldeischer werden overgeleverd. Op onderscheiden plaatsen, o. a. Car. Magn. Leg. c. 226 (Georgisch bl. 1167) en Lud. Pii Aug. Leges c. 42 (Georgisch bl. 1212) wordt het afleggen der belofte wadiare genoemd. Dat geregtelijke beloften veelal met overgift van een pand, wadium, werden afgelegd, vindt men op talrijke plaatsen, o. a. in tit. 17 O. 2 der lex Bajuoariorum (Georgisch bl. 317), waar het waAhm bestaat in eene zode of tak van een stuk land of bosch. In het capitulare van 813 C. 15 en 46 (Georgisch bl. 782 en 786) komt het wadium voor bij de geregtelijke belofte, die door een fidejussor was gegeven tot vergoeding (compositio) wegens schuld: //Qui propter alium hominem wadium adhramivitquot;.

Dat was eene geregtelijke belofte, waarvan de Saksen-spiegel, Landrecht, en de Zwabenspiegel spreken. Bij elke geregtelijke belofte, hetzij voor eigen schuld, hetzij als borg, fidejussor, voor een ander afgelegd, gold geen beroep op den eed, want er was steeds volkomen bewijs volgens het oude Germaansche regt door het getuigenis van twee getuigen, die bij de geregtelijke belofte tegenwoordig moesten zijn. en zooals de Sakseuspie.gel (387) het uitdrukt, de regter zal de derde zijn. Deze laatste grond kan als regtsgrond voor het (387) Landrecht 1 art. 7, aangehaald op blz. 426.

ocr page 462

onafwijsbare bewijs der gerejjtelijke akte nog lang zijn aangevoerd, terwijl reeds de gewoonte ontstaan was, om dergelijke akten in schrift te brengen, [n het Langobardisch regt vinden wij in Rachis Leges C. 4 (Georgisch bl. 1119) reeds melding van een scriba publicus, die koopcontracten schreef, waarbij getuigen verschenen. Dat was eene geregtelijke akte. Aan de daarin vermelde verbintenissen kan de partij zich volgens die wet niet onttrekken door liet beroep op den eed. In den aanvang der wet wordt gewezen op het misbruik, dat door den eed bij gewone verknopingen zonder dergelijk schriftelijk bewijs dikwijls gemaakt was. De geregtelijke belofte kon worden, maar werd niet altijd, bevestigd door overgift van een pand (wadium) en door het stellen van een borg. Over deze vormen is belangrijk het Langobardische regt, leges Rotharis (Georgisch bl. 991—993) 0. 249—257 en leges liuitprandi V C. 7—12 (Georgisch bl. 1050).

Waar het wadium, d. i. de belofte met overgift van een pand, tot executie kon voeren, moet men alleen denken aan het geregtelijke wadium. Was het pand gegeven tot bevestiging eener buiten het geregt gegevene toezegging, dan was niettegenstaande dezen vorm de verbindtenis afhankelijk van den eed van den schuldenaar. Volgens Germaanssh regt had de overgift van het wadium en de daarbij geroepen getuigen regtens alleen de beteekenis, dat hij. die de toezegging gegeven, de belofte afgelegd had, voor den regter zou verschijnen, om den eed af te leggen, leges Rotharis G. 366 \'/Si quis alii pro quacunque causa wadium et fidejussorem »de sacramento dederit, detur ei spatium ad XI\\ noctes ad

\'/ipsum sacramentum dandumquot;..... Georgisch bl. 1015).

Men zie ook leges Luitprandi VI C. 8 (Georgisch bl. 1058).

De oude volksregten bevatten dezelfde vcrdeeling van verbindtenissen, als in de aangehaalde plaatsen van den Saksen-spiegel en den Zwabenspiegel, waar alle buitengeregtelijk aangegane verbindtenissen, zonder onderscheid van vorm, worden gesteld tegenover de geregtelijke verbindtenissen. Bij de eerstgenoemde is de uitvoerbaarheid uitsluitend afhankelijk van den eed van den schuldenaar. A. Heusi.eh,

ocr page 463

lust,, des d. Prioatreehta 11, § 121), bl. 245 beweert, dat in de voormelde plaats van den Saksempiegel 1, 7 liet woord loven bij uitsluiting zou slaan op de verbindtenis door het wadium, zij het ook dat deze vorm tot eene nietige formaliteit was afgedaald, bv. dat men een haar uit zijn baard of een draad van zijn mantel tot pand gaf voor de trouwe uitvoering der belofte. Dit schijnt echter weinig gegrond en komt mij voor in strijd te zijn met den aard van het Ger-maansche regt en de plaatsen uit de bronnen zelve. Alles hing af van den eed. De Germaan gaf, voor elke door hem buiten bet geregt gegevene belofte, zelf en hij alleen de uitlegging der woorden, door hem gebezigd, en gaf tegelijk de beslissing, welke woorden hij al of niet gesproken had. Kan men bij het volk in den stand van de ontwikkeling, toen dergelijk regt algemeen gold en als kostbaar voorregt van de volken van Germaanschen stam beschouwd en verdedigd werd, zich voorstellen, dat hij, die den eed aflegde, dat hij voor restant van kooppenningen of teruggaaf van geleend geld, tot compositie van eene verwonding, werkelijk beloofd had eene som gelds te zullen geven, maar geen pand, wadium, daarbij te hebben gegeven, door het geregt zou zijn ontslagen van de verpligting tot betaling?

Lown staat zoowel in de SaJcsenspiegel als in den Zwabeu-spiegel als buitengereglelijtce belofte tegenover de geregtelijke. In den Zwabenspiegel staat borgen naast ter leen ontvangen, entlehen. Op beide verbindtenissen slaat terug het meer alge-meene: al wat iemand belooft, dat zal hij gestand doen. Kr volgt, dat ingeval de schuldenaar ontkennen wil, men hem zal overtuigen, zooals regt is. Uit het algemeene Ger-maansche regt en den Saksenspiegel bijzonder weten wij, wat dit laatste beteekent. dat men hem namelijk voor den regter dagen moet, om den eed af te leggen. Daarmede is alles uit. Alleen bij de geregtelijke belofte, zoo zeggen ons de beide plaatsen, behoeft men zich niet enkel op den eed van de tegenpartij te verlaten, omdat er in dat geval ontwijfelbaar bewijs bestaat. Terwijl van al hetgeen de Germaan niet in het openhaar gedaan had, geen getuigenbewijs mogt

ocr page 464

gelui\'erd worden, maar alles op den eed aankwam, ligt liet in den aard der zaak, dat de bevestigingen door eed, door pand, door borgen, door getuigen, verbonden met verschillende formaliteiten, zeer dikwijls moeten zijn aangewend, met het oogmerk van de zijde des schuldeischers om ontkenning onder eede moeijelijk te maken en van de zijde van den schuldenaar, om bij ontstentenis van alle mogelijkheid van een beroep op uitwendige bewijsmiddelen zijne trouw, zijn voornemen, om aan de belofte te voldoen, zoo sterk mogelijk te bevestigen.

Met Zoepfl, (hulsche RechtsgeichicAte 111. ij 123 mogen wij dus aannemen, dat voor de geldigheid van verbindtenissen in het Germaansche regt geene vormen vereischt werden en dat de overeenkomst (pactum) door de toestemming van partijen terstond tot stand kwam. Zeer juist is ook zijne opmerking in noot 2 op bl. 283, dat het spreekwoord : «een woord een woord, een man een /»««quot;(388), dit beginsel van het Germaansche regt zeer juist uitdrukt. Naar onze tegenwoordige en naar de Romeinsch-regtelijke begrippen moet men daarbij niet uit het oog verliezen, wat wij boven aanhaalden, dat de Germaan voor alle buitengeregtelijk gedane beloften en gemaakte overeenkomsten de beslissing aan zich hield, of hij de beweerde woorden gesproken had en wat daarmede door hem bedoeld was.

Tegen ligtzinnige beloften en overeenkomsten beveiligde den eerlijken Germaan zijn regtsstelsel niet. Hij was gehouden tot betaling van \'t geen hij in spel en weddingschap beloofd had; maar tegen verdraaijng zijner woorden en verkeerde opvatting en valsche verklaring was hij daarentegen veilig; omdat getuigenissen en andere bewijsmiddelen niets vermogten tegen zijne verklaring onder eede.

Van den eisch van een internen regtsgrond (justa causa) is geen spoor in de oude volksregten te viiïden. Tot zulk een graad van ontwikkeling waren de Germaansche volks-

(388) Volgens Zoepfl luidt dit paroemium in het hoogduitsch »Eiu Mann, ein Wort.quot;

ocr page 465

regten uog niet gekomen, toen zij nog vrij waren van den directen invloed (389) van het Romeinsche regt

(389) Dat de Romeinsche begrippen lang, vóórdat de volksregten beschreven werden, invloed moeten geoefend hebben bij volken, wier zonen dikwijls in de Romeinsche legioenen gediend hadden en die in velerlei handelsbetrekkingen stonden, is ook door de Germanisten, die de oude liederen en mythen tot hunne studie maken, in den laatsten tijd erkend. Zoo zou men op enkele plaatsen ook kunnen denken, dat de vorm van vraag en antwoord van de Romeinsche stipulatie zijn invloed had doen gelden; maar tot blijvende regtsbegrippen heeft dat niet geleid.

ocr page 466
ocr page 467

INHOUD.

INLEIDING...............bl. I—XXIU.

Oorsprong der condictiën. Aard en omvang der conrlictio tricaria 1 De algemeene condictiën, ai cerium ppfntnr, IvHicario en de nclln

de eo r/nod eer In loco dari oportet..........30

De speciale condictiën, condictiones incerti........07

De condictio causa data causa non secu/a........70

De condictio oh turpem rel injustam causam.......109

De condictio indehiti...............\\ 18

De condictio sine causa...............131

De condictio furtiva................14;\')

De condictio ew ler/e................153

De condictio ex legato...............15(5

De condictio ex lege Aquilia.............158

De condictio ex Sc to Trehelliano...........11)1

De actio ex stipulatu...............1Ü2

De actio praescriptis verbis.............18(j

Algemeen overzigt van de onderscheidene condictiën. Historische

verklaring van haar ontstaan............198

De verdwyning van het onderscheidend karakter der algemeene

condictiën, als afzonderlijke actiën..........219

Wat in het latere regt is overgebleven van de speciale condictiën. ex lege Aquilia, ex legato, ex Sr to Trehelliano, ex lege en

furtiva....................229

De condictiones oh causam datorum, oh turpem causam, indehiti

en sine causa in hare beteekenis voor de latere regtsontwikkeling 235 De condictiën tot opvordering van hetgeen bij stipulatie beloofd

was, in de latere regtsontwikkeling..........258

Vernietiging en nietigverklaring van verbindtenissen uit overeenkomst wegens het ontbreken van

De toestemming der partijen.............289

De bekwaamheid om zich te verbinden.........313

Ken bepaald voorwerp...............321

Een regtelijken grond, geoorloofde oorzaak........32ü

ocr page 468

Bijlage I. Over het onveranderd voortbestaan van de condictio si certum petetur in het Byzantijnsche Rijk en de misvatting der Byzantijnsche juristen, dat de eischer elke onbepaalde regtsvordering in eene condictio certi kon omzetten door zijne

vordering op eene bepaalde som te bepalen (aestimatio). . . 376 Bijlage II. Over de strekking van Quanti ca res est, vooral by

de condictio tri ticaria..............393

Bijlage III. Over het ontstaan der condictio by contractus bonae

fidei tengevolge van dolus en over de contrectatio fraudulosa 403 Bijlage IV. Over den regel, dat het risico (pericnlum) eener bedongen zaak bij de zoogenaamde contractus innominati overging op hem, die de overdragt daarvan bedongen had . . 407 Bijlage V. Nadere toelichting, dat de formula der actio de öo,

quod certo loco dari o por let, eene intentio civilis moet hebben

gehad....................414

Bijlage VI. Toelichting van het vereischte eener jus ta causa voor de regtsgeldigheid van verbindtenissen uit de scholia van de

Byzantijnsche juristen en uit Mo vel 136........418

Bijlage VII. Over het Germaansche beginsel, dat de enkele belofte,

alleen en op zich zelve, eene regtsgeldige verbindtenis oplevert, en over de strekking van dit beginsel in verband met de

zuiveringseed (onschuld)..............424

Alphabetisch register...............437

Lijst der Kegtsbronnen..............443

Zinstorende drukfouten............ . . 450

ocr page 469

ALPHABETISCH REGISTER.

Actio de constituta pecunia, 388—391. verwantschap met de eer li condiclio, 389.

Aelio de eo quod eerto loco dari oportet. Waarom noodig, 33. Formula. lt;54. Volgens haren aard eene condictio, 65, 68, zonder demonstratio. 65.

Actio ex slipulatu, volgens haren aard een condictio, 68, 162— 185, alleen voor res incerti 184, formula 185, oorsprong 212, verschil van gevoelen omtrent het voortbestaan dezer vordering, 258—274.

Actio praescriptis verbis naauw zamenhangend met de condictiën, 18G. en 192, heeft eene intentio civilis, 186 en 187, is bonae fidei, 187, naam ontleend aan de praescriptio, 196, formula, 191, 197, omvang, deels meer beperkt deels meer uitgebreid, dan die van de condictio oh causum daiorum, 192.

Actio receptitia, 390.

Actio rerum amolarum eigenlijk een condictio furtiva, 151, formula, 152.

Ahjerneene condictiën, 36, oorsprong, 211, verdwijnen, 219—22S.

Arbilraria actio, 62—66, formula, 64, 414—417, ontstaan, 211, verdwijnen, 228, 416, 417.

Bedrorj. Zie Toestemming.

Belofte. Zie Pactum. Enkele belofte, nudum pactum, bindend volgens het Germaansche regt, 261—263, 425—433, alleen en op zichzelf niet bindend in het Romeinsche regt, 177, 178, 267, het gevoelen van Connanus, 266, tegendeel bij Ch. Dumoulin, Hugo Grotius en anderen, 268—270, latere philosofen, 270—272, beginsel, dat in de praktijk gevolgd werd, 273, 278, stelsel van de nieuwere wetboeken in verschillende landen, 278—288, 326, in het Engelsche en Noord-Amerikaansche regt, 359, 360.

.Benadeeling (yroole) als grond voor ontbinding, 355—360.

Bepaalde zaken, voorwerp der verbindtenis, 17, 376—392, onbepaalde zaken ten gevolge van novatio vervangen door een bepaald voorwerp. 384.

Berouw. Zie Poeuilenliu.

ocr page 470

— 438 —

BiUijkheid, 248, 342, 358, noot 319, Inl. XX111.

Borgtocht, wadium, pignoratio, als versterking der belofte, 428.

Causa. Zie regtelijke grond, 70, 41.S—423, dwalingen daaromtrent, 242, waarin de justa causa bestaat, 243, 244, falsa causa, 301, 302, causa finita, 174, 365.

Cant in. Zie Schuldbekentenis.

Ccrti condictio, dubbele beteekenis. 224, alleen toegelaten, wanneer het voorwerp bepaald is, 37(5—392. Zie Condictio si certum petetur.

Concur sus. Zie Zamenloop.

Condictiën. Algemeen overzigt. 198.

Condictio causa data causa non secuta of oh causam datorum, ver-eischten, bl. 70. Tntentio incerta, bl. 74. Overdragt van goederen, niet geleverd werk, grondslag der actie, 78—88, wegens eene toekomstige gebeurtenis, 88, Jus poenitendi, 89, Formula, bl. 108, overgegaan in de vordering tot vernietiging van overeenkomsten, 239.

Condi ctio ex Scto Trebelliano, overgang der vorderingen van en tegen den her es op den fideicommissnrius, 161. formula, 191 en 1lt;)2. oorsprong, 215, verdwijnen, 229.

Condictio ex legato, volgens Romeinsche regt de wet de eenige grondslag, 152, formula, 159, oorsprong, 214, verdwenen, 229. bleef bestaan ook in het tegenwoordige regt. 229, 230, 231.

Condictio ex lege eenige grondslag de wet. 152, voorbeelden, 153—155. formula, 156, oorsprong, 214, ook in het tegenwoordig regt, 231— 234, verwarring van het begrip door daartoe ook te brengen de verbindtenissen door \'smenschen toedoen, 231.

Condictio e.r lege Aquilia enkel tegen den ail stipulator, 159, formula, 160, oorsprong, 213.

Condictio fur li ra, grondslag, 145, 385, 403—406, strekt tot terugvordering van elk goed, dat een ander door een onregtmatige daad in zijn vermogen heeft overgebragt, 148, vergoeding der hoogste waarde, bl. 149, formula, bl. 150, oorsprong, 212.

Condictio indebiti. Vereischten, 118, Error juris, 122. Voldoening van eene natuurlijke verbindtenis, 125. De condictio uitgesloten bij afkoop van eene privaatstraf, 127—129. Formula, 130, oorsprong, 21(5, overgegaan in de algemeene terugvordering van het onverschuldigd betaalde. 238.

Condictio oh turpem vel injustam causam. Vereischten, 109. Onderscheid tusschen de overdragt ex injusta of turpi causa en sine causa, 111—143. Voorbeelden, 113—116. Formula, 117. Oorsprong, 216, overgegaan in de algemeene terugvordering van het onverschuldigd betaalde, 238.

Condictio si cerium petetur. Oorsprong, 2, 12, 14. Formula, 60.

ocr page 471

- 439 -

Zonder demonstratie, 59, verdwijnen, 228, kon niet door eenzijdige schatting voor elke andere actio incerta in de plaats treden 52, 227, 376—.392. Misvatting der Byzantijnen, 380. Novatio, waardoor het onbepaalde voorwerp door overeenkomst tot een bepaald voorwerp gemaakt wordt, 384.

Condictio .fine causa. Vereischten, 232. Niet alleen overdragt van goederen, maar verbindtenis om iets te geven, bij stipulatie aangegaan, 132—135, indehitum in meer uitgebreiden zin, 135. Beperkt tot overdragt of stipulatie tot overdragt van goederen, 143. Formula, 144. Oorsprong, 216, 217. Overgegaan in de algemeene terugvordering van het onverschuldigd betaalde, 238.

Condictio tricaria. Oorsprong, 2, 12, 11. Omvang, 30, Formula, 35. 62. Zonder demonstratie, 62. Verdwijnen, 220. Schatting der verschuldigde zaak en schadevergoeding. 401 en 402.

Consideration in het latere Engelsche regt in gebruik voor mw.w, 359.

Contractus certus, 378.

Contractus ineert us, 378.

Contractus innominatus, 186—197, 377.

Contrectatio bij Romeinschen diefstal en bij misbruik van vertrouwen. 404, 405.

Creditum. Kenmerken, 38—48.

Demons tratin. Korte aanwijzing van het feit, evenals de praescriptio, 76, 77.

Diefstal. Zie condictio furtiva, invloed van het gewijzigd begrip van diefstal, 403—406.

Dwalimj bij het onverschuldigd betaalde, 244, grond tot vernietiging van verbindtenissen, 306—313.

Error facti en juris, 121—124.

Fur turn. Zie Diefstal.

(ielijkheid van waarde bij ruiling van goederen en diensten, 354, vaststelling dier waarde door de overeenkomst van partijen, 360, Inl. XVIT, XVIII.

Geweld. Zie Toestemming.

(ietuiyenhewijs, uitgesloten bij verschillende verbindtenissen uit overeenkomst, 274, 275, 276, 283, 284.

Herstelverleening, restitutio in inteyrum, buitengewoon middel in het Romeinsche regt, deels naast de gewone regtsmiddelen, 296, 297, de gewone regtsmiddelen in het oude Hollandsche regt meerendeels in onbruik gekomen, 301. Herstelverleening of relief te verleenen door den hoogeren regter, 301. De herstelverleening, als buitengewoon middel, in den Code Nap. en ons B. TV. niet opgenomen, 302.

29

ocr page 472

— 440 —

Lex commissoria, 345. Overeenkomst van de werking dezer clausule met, de beginselen bij contractus innominati, 34(). Het beginsel dei-ontbinding bij niet-voldoening door de wederparty algemeen aangenomen, 349.

Loven, beloven, 262, 426.

Minderjarifjen. Zie Vernietiginy. Vernietiging of nietigverklaring van verkoop van onroerende goederen, zonder medewerking van den voogd of door dezen zonder magtiging, tegen derden, 320.

Mora. Zie Schadevergoeding.

Nexum, verbindtenis, 165, nadeelen en misbruiken van het oude nexum, 278.

Nietigverklaring van verbindtenissen. Zie Vernietiging.

Novatio bij stipulatio waardoor in plaats der res incerta van de verbindtenis eene res certa komt, 384.

Onbepaalde zaken, voorwerp der verbindtenis, 17, 376—392, verandering door novatio, 384.

Onschuld, bl. 263. Zie Zuiveringseed.

Ontbinding. Zie Vernietiging, 365, 366, tegen derden, 367, verjaring, 369, wegens groote benadeeling, 355—360.

Onverschuldigd betaalde {terugvordering van het —). Zie condictio indebiti, sine causa en ob turpem causam, dwaling geen noodzakelijk bestanddeel, 244, door wien in te stellen, 244, door hem, die betaalde of in zijne regten getreden is, 254, nog geldig de regel, dat ingeval de onzedelijkheid en onregtmatigheid ook bestond aan de zijde van hem, die betaalde, de vordering niet kan worden toegewezen, 257.

Overeenkomsten, vereischten voor de geldigheid der daarbij aangegane verbindtenissen. 279, 288.

Pactum, behoudens uitzonderingen heeft het in het tegenwoordige regt de kracht van stipulatie, 274, uitzonderingen, 274—276.

Papier aan order of toonder. Zie Wisselregt.

Periculum. Zie risico.

Perpetuatio obligationis, 396, 397, 401.

Petere, eene bepaalde zaak vorderen, 20, 61.

Poenitentia, Jus poenitendi, 89—92, 378. 411, 412.

Praescriptio. Korte aanwyzing van het feit, evenals demonstratie. 76, 77, bij de algemeene condictiën geen vereischte, maar niet uitgesloten, bl. 93—98, bij de speciale eondictiën een vereischte, 98—107.

Quanti ea res est, 393—402.

Quicquid dare facere opor let de intentio der condictiones incerti, bl. 74.

ocr page 473

_ 441 -

Reg lelijke rjroml. Zie causn, als noodzakelyk vereischte voor elkever-bindtenis in het latere Romeinsche recht erkend. 70. 242—244,277, 280, 285 en 287, 418—423, niet als vereischte vermeld in het Pruissische landregt, 278, evenmin in het Oostenrijksche Wh., 279, wel in den Code Napoleon, 279, in ons Bw., 279, door den eischer te bewijzen, 327—334. In handelsregt wordt by schriftelijke schuldbekentenis of belofte tot betaling voorondersteld, dat de grond ligt in handelszaken, 335, 340, dat werd ook aangenomen wisselbrieven, 336, 337. Deze vooronderstelling behoorde voor alle schriftelijke beloften tot betaling en schuldbekentenissen te zyn opgenomen, 341. De leer van den regtelijken grond in het Rom. regt tot ontwikkeling gekomen en algemeen erkend. 343, 349, lex commissoria, 345, 366, Onvolledige schriftelijke akte levert begin van bewijs, praesumptio judicis, 351. 353, van het uiterste belang, dat het vereischte van den regtelijken zooveel mogelijk tot het volksbewustzijn kome, 354, 371, equivalent van de verbindtenis in het Engelsche regt, 354, 359, 360. Vernietiging wegens groote benadeeling, 355— 361, groot verschil in onderscheiden wetgevingen van Pruisen, Frankrijk, Oostenrijk, Italië, 357, 358, in Engeland, N.-Amerikaen Nederland, niet opgenomen, 358—360, wegvallen van den bestaanden regtelijken grond, 365, tegen derden. 367, vervallen, 279, 288, 368—370.

Rekening. Bedongen zaak voor rekening van koopers en andere schuld-eischers, Zie Peviculum.

Relief. Zie Herstelrerleeniny.

Res. Al wat door eene actio in rem kan geëischt worden, 29.

Restitutio integrum, Zie Herstelverleenim/.

Risico van bedongen zaken. 44—47, 407—413.

Schadevergoeding. Zie Quanti ea res est, wegens verzuim en in gebreke blyven, 397, 399, 400.

Schatting. Dwaling der Byzantijnsche juristen, dat elke actio incerta door den eischer door middel van eene schatting van zijn eisch kon worden omgezet in eene condictio si eer turn pet et ar, 384—392.

Schriftelijke schuldbekentenis, Cautio, met en zonder stipulatievorm, 170—185. Vermelding van regtsgrond, zie reglelijke grond. Vermoeden van regtsgrond, 339—342. Onvolledige akte (zonder vermelding van regtsgrond), 351—354. Bewijs. Zie Regtelijke grond, 359, 360.

Schuldvernieuwing. Zie Novalio.

Si parel dare oportere als kenmerk van de formula der algemeen»* condictiën, 16—35, 39, 52, 59, 60, 62, 64, 387.

Simulatie omtrent den grond der verbindtenis, falsa causa, 361, 362

Speciale condictiën, 67.

ocr page 474

— 112 —

Sponden\' verklaard, 163.

Sponsio. Boete, poena temere litigantis, 14, 54.

Stipulalio. Oude vormen, 163. Vraag en antwoord, 168. Schriftelijke stipulationes, 168. Verdwijnen der oude vormen, 169. Schuldbekentenissen, cautiones, met en zonder stipulatievorm, 170—185. Ver-eischte der causa voor de geldigheid der gewone schuldbekentenis. 177. De justa causa voorondersteld bij de stipulatio en exceptio wegens het gebrek daarvan, 182. De certa stipulatio geeft de condictio si certum petitur, de i neer la de actio ex stipulatie 184 en 185-

Toestemming, 290. Voorafgaande besprekingen en aangaan van overeenkomsten, 291, bij openbare verkoopingen, 291, door brieven, 292, geweld en bedrog, 294.

Verbindtenissen. Zie Beg lelijke grond, vereischten, 279, 288.

Vemieliging van verbindlenissen, 288, wegens gebrek aan toestemming, 290, niet naauwkeurig onderscheiden van nietigverklaring, 302, 303. De vordering wegens bedrog niet-ont vankei ijk tegen derden, 300, 305, in hoever wegens geweld tegen derden, 299, wegens dwaling zonder bedrog, alleen in twee gevallen, 306—313, niet tegen derden. 309, tal van dwalingen, waarvoor geene nietigverklaring kan gevorderd worden, 313, wegens onbekwaamheid, 313, vervreemding door den voogd zonder regtelijke magtiging nietig, 316, regtsvordering tegen derden, 298, 317. De vordering tegen derden alleen voor onroerende goederen, 320.

Vervallen der regts vorderingen tot vernietiging, 368—370.

Voorwerp, onjuist in art. 1356 B. W. onderwerp genoemd. 321. Vernietiging omdat het voorwerp niet is aangewezen, 322—323.

Waarde van goederen bij veroordeeling tot afgifte. Zie Quanti res ext.

Wadium. Zie Borgtocht.

Wilsverklaringen leveren niet altijd regtsgeldige verbindtenissen, 373—375.

Wisselrégt. Regtsvermoeden, dat voor de verbindtenis van den wissel en van het papier aan order of toonder een regtsgrond bestaat. 336, 337, 338.

Zamenloop der algemeene condictiën met de speciale condictiën, 204— 207, niet met de actio ex stipulatu. 185, 207.

Zuiveringseed bij de Germanen, 261—265, 426—428.

ocr page 475

LIJST DER RECtTSBROMEN.

11.

Tit. 111. 7 bl. 72,26o. I. 7 pr. bl. 77.

1. 7 § 2 bl. 18lt;), l!t4.2110. 1.14 § 3 bl. 291. 1.47 § 1 bl. 391.

rit. 22 bl. 334.

lil.

Tit. 1 bl. 35ö.

1.1 bl. 35«.

1. 7 bl. 356.

Tit. 21 bl. 170.

IV.

Tit. 11.4 bl. 29H.

1. 7 § 1 bl. 297.

Tit. 21.1 bl. 295.

1.9 § 1 bl. 295.

1.9 § 8 bl. 295,299.

1.10 bl. 295.

1.14 J? 3 bl. 295,300.

1.14 § 5 bl. 295.

Tit. 3 bl. 220.

1.15 § 3 bl. 300. 1.18 pr. bl. 295.

Tit. 41.13 § 1 bl. 298/9.317. 1.1« § 2 bl. 107, 1.1« § 4 bl. 355. 1.2412 bl. 297.

Tit. ü 1. 27 bl. 296.

Tit. 3 1. 40 pr. bl. 399-400. 1. 25 S lt; bl. 399.

VT.

Tit. 11.15 § 3 bl. 398. 1.16 bl. 398.

1. 68 bl. 393.

1. 71 bl. 393.

Tit. 3 bl. 27.

VII.

Tit. 11. 68 bl. 81.

Tit. 4 1. 1 pr. bl. 29—30, bl. 32-33,37-38,64,416. 1.2 bl. 30,32,34. 1.2 § 8 bl. 416. 1. 7 bl. 416.

Tit. 51.5 § 1 bl. 107,118.

Tit. 81.14 § 1 bl. 81.

Tit. 91.5 § 2 bl. 81.

Tit. 37 1.3 bl. 148. 1.5 bl. 148.

1.8 bl. 148.

1.9bl. 148.

1.12 § 2 bl. 150.

1.13 bl. 148. 1. 36 bl. 148.

VIII.

Tit. 21.23 pr. bl. 118.

Pandecten van Justinianus.

1.35 bl. 41, 107.11S. VT- 1. (gt;5 S 1 bl. 118.

IX.

Tit. 21.4 bl. 193. 1.40 bl. 159. 1.42 bl. 159.

X.

Tit. 2.1.10 bl. 29. Tit. 3 1. 7 pr. bl. 29.

XI.

Tit. 21. 2. bl. 125.

XII.

Tit. 11. Ibl. 16,17,41,

1.1 r. c. bl. 225. 1. 2 bl. 168.

1.2 § 3 bl. 37. 1. 2 § 5 bl. 391.

1.4 § 1 bl. 40,112. i. 5 pr. bl. 72, 75/6. 1. 5 § 2 en 3 bl. 75. 1.6 bl. 17.

1.9 bl. 16,00/1,158,

161,376. 1. 9§lbl.l6,140,1.\' 1. 9 § 3 bl. 376. 1. 13 bl. 144. 1. 24 bl. 162. 1. 24 r. e. bl. 185. 1. ;il bl. 140. 1. 32 bl. l\'«.


ocr page 476

— 444 —

XVI.

t. 40 bl. 180.

1.40 § 1 bl. 41. KiH.

ïit. 21.28 § 4 bl. 41.

Tit. 41.1 bl. 407.

1. 3 pr. bl. 407/8. 1.3 §2bl. 411/12. 1.3 § 3 bl. 412. 1.4. bl. 88.

1. rgt; pr. bl. 407.

l.öpv.gl bl.407/10,412. 1.5 pr. § 2 bl. 408. 1. ü bl. 407—408. 1.10. bl. 88.

1.15 § 6 bl. 408.

1.16 bl. 19,45,407, bl. 409,412!

Tit. 5 bl. 109,251. 1.1. bl. 113.

1.3 bl. 113.

1.4 § 3 bl. 113.

1. li bl. 249.

1. 8 bl. 113.

Tit. C1.1 § 1 bl. 120. I. 2 bl. 254—255. 1.3 bl. 120,254-255,378. 1.3 § 2bl. 378. 1.4/« bl. 254—255. 1. 7 bl. 119.

1.19 § 1 bl. 120. 1.19 § 3 bl. 121. 1.22 bl. 107.

1.26 § 3 bl. 121. 1.26§12bl. 79,118-11!). 1.33 bl. 245,248,252. 1. 40 pr. bl. 121. 1.40 § 1 bl. 107,118.

1.52 bl. 89.

1.53 bl. 121.

1. (55 bl. 119.

ïit. 61.65 §5—8 bl. 84.

Tit. 7.

1.1 bl. 101,217.

1.1 pr. bl. 134,141. 1.1 § 3 bl. 112,135.

1. 2 bl. 132,135, 207,

216, 238. I. 3. bl. 107,132, 246.

1.4 bl. 101,132,217,247.

1.5 bl. 101,132,207.216, 247, 251.

I. 6 bl. 247,251. 1.49 bl. 119,248.

XIII.

Tit. 11.8 § 1 bl. 402. 1.14bl.24.

Tit. 3 1. 1 bl. 2,19, 22. I. 2 bl. 39.

1.3 bl. 394/5 401-402.

1.4 bl. 395,401—402.

Tit. 4 1.1 bl. 63-64, 415-6. 1.3 bl. 65.

Tit. 51.1 § 6 bl. 378. 1.9 § 1 bl. 389.

1.9 § 2 bl. 389. 1. 9 § 3 bl. 389. 1.14 pr. bl. 389.

1.18 § 3 bl. 382.

1.19 g 2 bl. 382. 1. 24 bl. 391.

1.26 bl. 391.

1. 28 bl. 382.

Tit. 6 I. 3 § 2 bl. 396.

Tit. 71.16 § 2 bl. 29.

1.19 bl. 127.

1. 22 bl. 128. 1. 65 S 1 1)1.128—129.

XIV.

Tit. 61.7 § 7 bl. 173. I. 9 § 4 bl. 125.

1. 9 § 5 bl. 125.

1.10 bl. 125.

1.28 bl. 125.

1.43 bl. 125.

1. 60 bl. 125.

Tit. 31.12 § 3 bl. 397.

1.13 bl. 404.

1.13§lbl. 40,385, 403, 406.

1.14 § 1 bl. 397. I. 24\'bl. 38G.

XVII. Tit. 11.1 § 4 bl. 89.

XVIII.

Tit. 11. 9 bl. 322. 1. 9 § 2 bl. 307. 1.13 § 8 bl. 344. 1. 55 bl. 361.

Tit. 3 bl. 345.

1.1 bl. 345.

1.2 bl. 366. I. 3 bl. 366. 1.4 bl. 345.

1.4 § 2 bl. 345.\' 1. 7 bl. 345,36«.

Tit. 41. 22 bl. 345.

Tit. 5 bl. 357.

XIX.

Tit. 11.3 § 3 bl. 402. 1.5 bl. 107,133. 1.5 § 1 bl. 181. I. ll§2bl. 19.

1.21 § 3 bl. 402. 1.55 bl. 26.

Tit. 21.15 § 6 bl. 407.

1.22 § 3 \'bl. 355. Tit. 3 U. 189.

1.1 bl. 188. I. 2 bl. 195.

Tit. 4 bl. 189. 1.1 § 3 bl. 325.

Tit. 5 bl. 194.

1.1 bl. 87, 186—187. 1.1 § 1 bl, 90.


ocr page 477

— 445 —

1.1 § 2 bi. 187.

1.2 § 2 bl. 104.

1. 3 § 2/3 bl. 90.

1.5 § 1 bl. 44, 90,408. 1.5 § 2 bl. 90.

1. 5 § 3 bl. 87 193 197. 1. 7. bl. 90.

1. 7 § 2 bl. 194, 342. Tit. rgt; 1. 9 bl. 26. 1.11 bl. 186.

1.15 bl. 87,187.

1.16 § 1 bl. 295. 1. 26 § 12 bl. 88.

XX.

Tit. 11.28 § 1 bl. 81.

Tit. 6 1.13 bl. 126. 1.28 bl. 126.

1. 60 pr. bl. 126.

Tit. 9 bl. 314.

xxn.

Tit. 31.25 bl. 84,121. 176,334.

1.25 § 1 bl. 124.

I. 25 § 4 bl. 17 5/6.334. 339.418.

Tit. 4. bl. 335.

Tit. 6 1. 9 § 3 bl. 122-123. XXIIT.

frit. 1. bl. 21.

[rit. 31.46 bl. 107—133.

rit.411bl. 196.

1.26 §8 bl, 195.

XXIV.

[rit. 11. 6 bl. 111.

1. 57 bl. 183.

XXV.

rit. 21.1 bl. 152.

1.2 bl. 151.

I. 6 bl. 112.

1. 7 bl. 152. 1.11 bl. 152. 1.14 bl. 152. I. 17 bl. 151. 1.17 § 2 bl. 224, 1.21 § 6 bl. 151.

1.26 bl. 151.

XXVII.

l\'it. 31.2 Ij 1 bl. 113. 1.4 pr. § 1 bl. 113. 1. 5 bl. 113. I. 7 bl. 113. 1. 9 bl. 114.

XXVIl], Tit. 7 1.15 bl. 375.

XXIX.

Tit. 5 1.8 bl. 155.

1.27 § 15 bl. 156. 1.27 § 16 bl. 156.

XXXIII. Tit. 26 1.19 § 2 bl. 76.

XXXVI. Tit. 11.1 § 2 bl. 161. Tit. 41.1 bl. 107,133.

XXXV1I1,

Pit. 1 1. 6 bl. 84. I. 7 bl. 82.

1. 9 ij 1 bl. 84. 1.40 bl. 82. I. 51 bl. 82.

XXXIX, Tit. 2 1. 9 § 1 bl. 385. Tit. 5 1. 3 bl. 121. 1.21 SI bl. 121.

XL.

Tit. 51. 28 § 5 bl. 112.

XU,

Tit. 11.44 bl, 146. 1. 4 § 2 bl. 146.

XLII.

Tit. 11.53 bl. 151. Tit. 51. 24 § 2 bl. 40. Tit. 81.1 bl. 362. 1. 6 bl. 362.

1.10 bl. 362, 1.14 bl. 363.

XLIII.

Tit. 1 bl. 382.

Tit. 17 1. 1 pr. bl. 393.

1. 3 S 11 bl. 393. Tit. 261.19 § 2 bl. 102. Tit. 36 1. 2 S 2 bl, 188-191.

XLIV.

Tit. 21.5 bl. 41.

1.11 bl. 94—95.

1.12 bl. 133.

1.14 § 2 bl. 94—95.

Tit. 41.2 bl. 355. 1.2§3bl. 173-175, 334. 1. 2 § 5 bl. 173, 345. 1.4 S 33 bl. 300.

Tit. 71.2 Sj 2 bl. 292. 1.3,ij 2 bl. 292. I. 25 bl, 190,198.

XLV.

Tit. 1 l.5bl. 168,181. 1. 7 § 2 bl. 168,181. 1. 22 bl. 310.

I. 30 bl. 168.

I. 32bl. 322,

1,36 bl. 357.

1.43 § 3 bl. 222. 1.47 § 3 bl. 24. I. 74 bl. 17, 23, 27. 1. 75 pr. bl. 17.


ocr page 478

— 446 —

1

1. 75 § 1 bl. 17.

I. 75 §10bl. 18. 1.83 § 1 bl. 322. 1.91 bl. 396. 1.126 § 2 bl. 168—180. 1.134 § 2 bl. 168.

1.136 pr. bl. 322.

1.137 § 1 bl. 321.

1.138 bl. 168. Tit. 31. 5 § 1 bl. 173.

1.25 bl. 173.

XLVl.

Tit. 21.1 § 1 bl. 381-384.

1.12 bl. 107,224. Tit. 31.46 bl. 127.

1. 74 bl. 127. Tit. 4 1.13 § 3 bl. 81. 1.18 bl. 378.

XLVII.

Tit. 21.1 S 3 bl. 404, 1.10 § 1 bl. 147. 1.18 bl. 146. 1.25 bl. 31,147. 1. 27 bl. 147. 1.28 bl. 147. 1. 31 bl. 147. 1. 31 § 1 bl. 147. 1.32 bl. 147. 1. 43 bl. 146. 1. 54 bl. 385. 1. 67 bl. 405—406.

XL VIII.

Tit. 51.28 bl. 156. 1. 28 § 16 bl. 156.

XL1X.

Tit. 3 1.49 bl. 125. Tit. 4 1. 2 bl. 112.

Tit. 9 § 1 bl. 140.

Tit. 12 bl. 330.

Tit. 131.1 §10 bl. 111-114.

1.2 pr. bl. 114.

1. 2 § 2 bl. 116. 1 S

1.3 bl. 116. 5 § 3 \' 1.6 bl. 116. 20 § 2 1

Tit. 16 1.179 bl. 393-394.

14 § 2 I

15 1

16 1 16 § 1

21 I

1.193 bl. 394. Tit. 17 1.115 bl. 88. 1.116 § 2bl. 313.

Tit. 23 bl. 145.

Tit. 21. 6 Tit. 431.

Tit. 381.


I.

Tit. 181. bl. 123.

n.

Tit. 31.9. bl. 269. Tit. 4.1. 6 bl. 87.

1.12 bl. 129. Tit. 29 bl. 240.

III.

Tit. 31.5 bl. 407.

1.8 § 2 bl. 407. Tit. 22 bl. 420. Tit. 23 bl. 420. Tit. 281.13 bl. 7.

rv.

Tit. 1 bl. 265. Tit. 51.4 bl. 129. 1.11 bl. 126. 1. 42 bl. 126—127.

Codex.

Tit. 61.1 bl. 407—408. 1. 5 bl. 408. 1.10 bl. 44,408—409.

Tit. 7 bl. 110,112. 1. 2 bl. 113.

1. 7 bl. 114.

Tit. 91.1 bl. 155. 1. 2 bl. 132, 135,137. 1.3bl. 114,132. 1.4 bl. 135—136.

l.óbl. 132,137. 1.9 bl. 88,110,143.

Tit. 181.2 bl. 389-390,391.

Tit. 22 bl. 362.

1.1 bl. 362.

Tit. 291. 9 bl. 123.

Tit. 301.3 bl. 13(5. 1.13bl. 176—177. 1.14 § 2 bl. 136.

Tit. 331.1 bl. 124.

Tit. 44 1.2 bl. 313. 1.4 LI. 356. 1.15 bl. 356—357.

Tit. 50 bl. 324. 1. 7 bl. 292. 1.9. bl. 292.

Tit. 641.1 bl. 91.

1.4 bl. 91.

1.5 bl. 91. 1. 7 bl. 91.

V.

Tit. amp;7 1.22 bl. 315. 1.49 bl. 315.

Tit. 71 bl. 314. 1.11 bl. 316. 1.15 bl. 316.

Tit. 72 bl. 314.

Tit. 731.2bl.316. 1. 3 bl. 316.

§ 51 bl § 101 1 § Hï 1

§ 193

204 1 § 213 1 § 214 1

§ 91 1 § 93 b S 124 § 129 § 131 § 134 § 169 S 173 S 174 § 195

§ 196 § 197


ocr page 479

— t47 —

VI.

Tit. 21. lt;; bl. 105. Tit. 431.1 bl. 50,158.

VIU. Tit. 38 1.1 bl. 168.

I. 5 bl. 171. 1.10 bl. 169. 1.14 bl. 168.169.

Tit. 421. 8 bl. 382. Tit. 451. 5 bl. 344.


Instituten.

11.

27 § 6 bl. 145.

1 §

26 bl. 149.

28 §

7 bl. 129.

s

3 bl. 83.

IV.

1 bl. 147.

20 §

2 bl. 158.

1 §

III.

1 §

6—8 bl. 405.

14 Ij

2 bl. 269.

3 §

12 bl. 160.

15

bl. 168.

4 §

16 bl. 195.

16

bl. 224.

6

bl. 39.

16 §

1 bl. 269.

« §

8 bl. 382,390.

21

bl. 171.

« §

14 bl. 381.

6 24 bl. 51. 6 § 28 bl. 188. 6 § 31 bl. 67,295,417. 6 § 33 bl. 59. 10 § 2 bl. 60.

Novellen.

136 bl. 420—422. 161 bl. 240.


Instituten van Gajus.

§ 51 bl. 31.

Sj 101 bl. 156.

§ 117 bl. 156.

§ 193 bl. 51, 157—158.

§ 204 bl. 51.

?5 213 bl. 75.

§ 214 bl. 106.

III.

§ 91 bl. 118, 145, 205. § 93 bl. 163, 166. S 124 bl. 38, 183. § 129 bl. 420. § 131 bl. 420.

S 134 bl. 418. § 169 bl. 167.

S 173 bl. 165.

S 174 bl. 164.

S 195 bl. 147, bl. 404, 406. § 196 bl. 405—406. § 197 bl. 405-406.

IV. § 3 bl. 150.

s 4 b.1 145, 205. S 5 bl. 184, 100. S 13 bl. 13, 54. § 15 bl. 10, 12. § 16 bl. 4, 11, 15. S 18 bl. 2, 13, 16, 211. § 19 bl. 2, 16, 22, 35—

36, 211.

§ 20 bl. 5. 211. § 33 bl. 11, 18—19, 21,

36, 149.

§ 34 bl. 64, 195. § 35 bl. 195. § 36 bl. 195. § 37 bl. 195. § 38 bl. 198.

§ 39 bl. 76, 352. § 40 bl. 76.

§ 41 bl. 61, 74. § 47 bl. 77, 186, 193, 393, 414.

§ 51 bl. 53,86, 382, 393. 52 bl. 382.

54 bl. 73.

S 55 bl. 94.

§ 64 bl. 390.

^ 68 bl. 53, 59.

ij 7i bl. 59.

§ 86 bl. 60. § 106 bl. 125.

ij 114 bl. 68. § 116 bl. 172, 175. § 130 bl. 74, 93, 96. Sj 132 bl. 96. § 134 bl. 105.

ij 135 bl. 97.

ij 136 bl. 26, 69, 75, 77,

106, 184, 185. ij 171 bl. 54, 389. § 204 bl. 158.

tj 214 bl. 159.

ij 215 bl. 160.

ij 218 bl. 159.


ocr page 480

— 448

Lex Rubria.

c. 21 bl. 36, 40, 56—57. c. 22 bl. 58, 61.

Tabula Malacitana.

c. 26 bl. 154. c. 58 bl. 154.

c. 61—62 bl. 154. c. 67 bl. 154.

Basilika.

XI.

1. c. 7, § 1 bl. 77, 91.

XXI1.

1, c. 4 bl. 421. c. 5 bl. 420—421. c. 6 bl. 421. c. 25 bl. 418.

xxm.

1, bl. 219 384. pr. § 3 bl. 39. c. 1 bl. 225. c. 1 § 2, bl. 18.

c. 2 § 15 bl. 184. c. 3 bl. 396. c. 4 bl. 18, 206, 219, 237.

c. 4 § 2 bl. 137. c. 8 bl. 129. c. 9 bl. 379. c. 9 § 3 bl. 19.

c. 75 bl. 422.

VII bl. 389.

XIV c. 4 bl. 106.

XXIV.

I c. 16 bl. 409.

II c. 11 bl. 114.

III bl. 207.

c. 3 b. 114. c. 9—10 bl. 395.

VIII bl. 110.

c. 7 bl. 61, 106, 206.

Lex Salica.

Tit. 40 bl. 429.

Tit. 49 bl. 428.

Tit. 53 bl. 429.

Lex Ripuariorum.

Tit. 31 bl. 429.

Leges Langobardicae.

Cap. 255, 256 bl. 429. 249—257 bl. 430. 366 bl. 430.

Rachis Leges.

Cap. 4 bl. 429.

Luitprandi Leges.

V Cap. 7—12, VI cap. 8 bl. 430.

Lex Bajuvariorum. \\rt

Tit. 17 cap. 2 bl. 429.

Lex Burgundionum.

Tit. 85 § 3 bl. 315.

Caroli Magni Leges.

Cap. 226 bl. 429.

Ludovici Pii Leges.

Cap. 42 bl. 429.

Capitulare van 815.

Cap. 15. 46 bl. 429.

Saksenspiegel.

I. 6 § 2 bl. 425. 7 \' bl. -262. 426. 18 bl. 262, 427.

„ 23 bl. 315.

II. 60 bl. 424.

III. 6 bl. 424.

Zwabenspiegel.

Cap. 11 bl. 263, 425. Cap. 81 bl. 263. Cap. 240 bl 425.

Veluwsche Landrecht

Cap. 1 art. 11 bl. 264.


Bestaande Wetboeken.

B. W. Art. 631 bl. 319.

bl. 314. „ 632 bl. 319.

bl. 314-315,320. „ 633 bl. 319.

bl. 362. „ 634 bl. 319, 398.

bl. 320. „ 635 bl. 319.

bl. 335. „ «36 bl. 319.

al. 2, bl. 399. „ 1128 bl. 324.

bl. 319. „ 1158 bl. 359.

163 451 456 506 586 588 630

Art.

Art. 1197 bl. 276, 284/5 ,. 1215 bl. 376. I 1217 bl. 284. r 1269 bl. 371. I 1271 bl. 326.

1281 bl. 398. I 1290 bl, 115. 1301 bl. 366.


ocr page 481

— 449 -

1302bl.349,3fi5,368. 1303 bl. 78,239,

349,366.

1352 bl. 324. 1356 bl. 115, 279, 287, 289, 321,326.

1358 bl. 306, 311, 364—365.

1359 bl. 296, 305. 1364 bl. 304. 1366 bl. 314. 1371 bl. 327, 350. 1372bl. 327,333,350. 1375 bl. 293.

1377 bl. 302, 361,

353, 368.

1388 bl. 214, 231.

1395 bl. 120, 238, 241, 244.

1396 bl. 254. 1400 bl. 253-1458 bl. 359. 1482 bl. 302, 314.

317—318.

1484 bl. 317.

1485 bl. 302, 306, 311, 317, 356.

1486 bl. 317, 359.

1487 bl. 306, 317. 1488bl. 302,306,317.

1489 bl. 302, 317.

1490 bl. 302, 317. 368, 370.

1491 bl. 291,302,317.

1492 bl. 317, 321, 368, 370.

1507 bl. 317, 323/4. 1556 bl. 396. 1578 bl. 324. 1599 bl. 324.

1719 bl. 276.

1720 bl. 288. 1737 bl. 275, 284. 1741 bl. 27quot;). 1833 bl. 317. 1888 bl. 276, 283. 1929 bl. 318.

Art. 1933 bl. 275. „ 2004 bl. 369—370. „ 2014 bl. 305-320/1, 324.

W. v. K.

Art. 1 bl. 274. 100 bl. 337. 102 bl. 338, 341.

208 bl. 335.

209 bl. 335. 250 bl. 374.

B. Rv.

Art. 5 bl. 351. „ 436 bl. 231. „ 441 bl. 65. „ 523 bl. 292. „ 586 no. 1 bl. 335. „ 586 no. 2 bl. 340. „ 659 bl. 253.

W.b. v. Strr.

Art. 321 bl. 405.

Code Nap.

Art. 457 bl. 315. 320. „ 549 bl. 398. „ 931 bl. 276. „ 11081)1.279,289,321. ,. 1109 bl. 294. ,. 1110 bl. 306. ,. 1111 bl. 296, 305 „ 1116 bl. 304. „ 1117 bl. 306, 357. ., 1131 bl. 327, 350. „ 1132 bl. 327,332,350. „ 1135 bl. 293. „ 1147 bl. 398. „ 1183 bl. 366. „ 1184 bl. 349, 363,366. „ 1304 bl. 368. „ 1338 bl. 318. ,, 1341 bl. 275. „ 1599 bl. 317, 323-4. „ 1630 bl. 324. „ 1660 bl. 369. ,. 1674 bl. 358.

Art. 1676 bl.

„ 1683 bl.

„ 1923 bl.

„ 1924 bl.

„ 1950 bl.

„ 1988 bl.

„ 2044 bl.

„ 2074 bl.

„ 2125 bl.

„ 2262 bl.

„ 2264 bl.

„ 2265 bl.

C. de Comm.

Art. 110 bl. 330. 337. „ 112 bl. 341.

Pr. Landrecht.

I. § 1 bl. 262. § 2 bl. 262. § 7 bl. 262—263. § 18 bl. 262.

IV § 46—50 bl. 323.

V § 131 bl. 275.

XI § 58 bl. 357—358. §59 bl. 358. § 1063 bl. 276. XIV § 10 bl. 275. XVI § 407 bl. 276. XX § 94 bl. 276.

Oostenr. Wetb.

§ 366 bl. 323. § 861 bl. 279. § 880 bl. 365. § 883 bl. 275. § 884 bl. 275. § 934 bl. 358.

Art. 451 bl. 276. „ 943 bl. 276.

Italiaansch. Wetb.

Art. 251 bl, 337. 254 bl. 337. 1104 bl. 289. 1112 bl. 305. 1308 bl. 318. 1529/1537 bl. 358. 1787 bl. 369.

358.

358.

275, 284. 275, 284.

275.

317.

276. 283. 276, 284. 367.

369.

370.

370.


ocr page 482

ZINSTORENDE DRUKFOUTEN.

Blz.

8, noot 10. regel 6 v. beneden staat:

wettelijk.

lees:

wezenlijk

9, noot 11, » 1 v. boven

het sponsio.

»

de sponsio

10, noot 12, » 2 v. boven

niet

)gt;

wet

11, noot 14, » 13 v. boven

»

80

»

4

10, noot 24, » 1 v. boven

§ 3

»

Ss 2

24. noot 31, » 3 v. beneden

»

condictione

»

conditiono

36, regel 15 van boven,

verhaald

gt;1

lierhaald

52, noot 4S. regel 5 v. beneden

»

zaak andere

»

andere zaak

64, noot *, regel 1 v. boven

»

In den laatsten »

In den laat

sten. tijd

89, regel 8 van boven.

»

11*. h. t.

li. de Cond. Ind. (12.6quot;)

102, » i 1 «

»

8 2

§ 2 IV. Do Pree. (43.26)

110. noot 99, regel 1 van boven

»

neemt

»

noernt

125, regel 4 van beneden

»

vrijgelaten

»

vrijgesproken

134, « 15 » »

»

I. 1 ju

»

1. 1 pr.

156. » 11 » boven

VIAE

V1AM

191. » 18 » »

«

DARK DAR F.

DARE

220, » 13 » beneden

»

24e

13de

275. noot 219, regel i van boven

»

1933 B.R.

1933 Bw.

349. regel 1 van boven

»

innornati

»

innominati

39S. » 3 » »

R. V. (001)

»

R. V. (0.1)

ocr page 483
ocr page 484
ocr page 485
ocr page 486

———

O

Hi