-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

Tt

/v.

^ }

To*

H E T

V E I! L

i\\ IIU1S

I)()( )\\l

CHARLES DICKENS

iliAVIMiHN NAAI! TKKKKMM!K\\ VAX .1, BAKNAItit.

VBKTALINQ VAX C M. MENSINO

M.JMEdKN AIJMIKM

(.Klii; K. A- M. COIIKN

-ocr page 6-
-ocr page 7-

HET VERLATEN HUIS.

j.

I N DB KANSKI,AlilJ.

I/Oiiden. I)o najaarsvacantie der gerichtshoven pas afgoloopen, en do lord-kan.selier zitting houdende in Lincoln\'s Inn Hal). Onbarmhartig Novernberweder. Zooveel modder op straat, alsof de wateren pas voor kort van het gelaat des aardrijks waren afgeloopen, en het niet verwonderlijk zou zijn een Megalosau-rus, van veertig voet lang of zoo, te ontmoeten, die als eene olifantachtige hagedis tegen i Hol born-Hill opkroop. Kook, die uit do schoorsteenen naar beneden zakt, en een zwar- lt; ten motregen vormt, met vlokken roet daarin zoo-groot als volwassene sneeuwvlokken, die, zou men zich kunnen verbeelden, over den dood der zon in den rouw gegaan waren. Honden, onherkenbaar door de modder. Paarden, weinig beter, bespat tot aan hunne oogkleppen. Voetgangers, die tegen elkanders paraplu\'s aanloopen, en zoo eene algemeene besmetting i van slecht humeur verspreiden, en.uitglijden | op hoeken van straten, waar sedert hét aan- • breken van don dag (als do dag ooit is aan- | gebroken) tien duizend andere voetgangers zijn uitgegleden, en nieuwe modderkorsten hebben gevoegd bij de modderkorsten, welke op die, plaatsen aan de steenen kleven en zich met saViengestelden interest opstapelen.

Mist overal. Mist op de rivieromhoog, waar zij tussciien groene velden en weiden stroomt; mist verderaf, waar zij ontreinlgd tusschen rijen van schepen en het ontuig eener groote (en morsige) stad voortrolt. Mist op de moerassen van Essex, mist op de hoogten van Kent. Mist, die in de kombuis der kolenlich-ters kruipt; mist, die aan de masten d^rgroot» schepen kleeft en tusschen*iiet want hangt te zweven; mist, die op de loopplunken van schuiten en bootjes neervalt. Mist in de oogen en ; de keel der oude invaliden van (Ireenwich,


Iht m-l\'din lm is.

Dick Kxs,

1

-ocr page 8-

2

die in hunne zalen bij het vuur zitten te kuchen; mist in den steel on den kop van het avondpijpje van den brommigen schipper, beneden in zijne dichte kajuit; mist, die onbarmhartig in de vingers en teenen knijpt van den bibberenden scheepsjongen op het dek. Enkele men-schen op de bruggen, die over de borstwering kijken in eene benedenlucht van mist, met mist overal in het rond, alsof zij met een luchtbol omhoog zweefden en in de mistige wolken hingen.

Het gas worstelt hier en daar op straat door den mist, even ilauw als de landman op het sponzige veld de zon door den mist ziet worstelen. in de meeste winkels wordt het licht twee uren voor den tijd aangestoken — gelijk het gas wel schijnt te weten, want liet ziet er zeer gemelijk en onwillig uit.

De gure achtermiddag is het guurst, en dlt;\' dichte mist is het dichtst, en de modderige straten zijn het modderigst, in de nabiiheid van dat oude. domme, in den weg staande ding gepast sieraad voor den drempel eener oude, domme corporatie — Temple Barfin dicht bij Temple Bar, in Lincoln\'s run Hall, vlak in het hart van den mist, zit de lord-groot-kanselier in het Hooge Hof der Kanselary.

Nooit kan ei- lt;. n mis: komen Ie dik, nooit kunnen er modder en slijk komen te diep, om overeen te stemmen met den toestand, waarin dit op den tast ronddolende, door dik en dun heen flodderende Hof der Kanselarij, die on-vei\'beteiiijkste vati grijze zondaren, tot op dezen dag, ten aanzien van hemel en aarde, verkeert.

Op zulk een achtermiddag, indien ooit, behoort do lord-kanselier daar te zitten — gelijk hij ook doet met een mistig)m gloriekrans om het hoofd, warmpjes ingesloten, tussc.hen rood laken en gordijnen, aangesproken door eon zwaarlijvig advoeaat, met groote bakkebaarden, een fijn stemmetje en een oneindig protocol, en voor het uitwendige zijne aandacht richtende op de lantaren in het dak, waar hij niets anders kan zien dan mist. Op zulk een achtermiddag behoort een twintigtalléden van het Plooge ilof dei Kanselarij misiig bozig te wezen - gelijk zij ook zijn — met een van de tien duizend incidenten van een eindeloos proces, elkander over glibberige? antecedenten te doen tuimelen, tot aan de knieën door formaliteiten te waden, met hunne door ireitenhaar en paardenhaar beschermde hoofden tegen muren van woorden te loopen, en met ernstige gezichten, gelijk tooneelspelers mochten doen, \'•en spelletje van rechtspleging te speb n. Op zulk een aehtermiddag behooren de verschillende procureurs in de zaak (waaronder twee

1 Tv-H\' oult;l-\' f- \'Ft der City v in 1« o ndon, of drie, die ze van hun vader hebben geërfd, die er reeds zijn fortuin mede gemaakt had) daar op eene rij te staan — en doen zij zoo niet? in een langwerpigen, met matten belegden put (maar men zou vruchteloos naar waarheid zoeken op den bodem van dien put) tusschen de roode tafel van den registrator en do mannen met zijden tabbaarden, met me-morii n en antwoorden, replieken, duplieken, verklaringen, uitwijzingen, verwijzingen, rapporten, bergen van kostbaren onzin, voor hen opgestapeld. Wel mag het Hof duister zijn, met de ailoopende kaarsen hier en daar; wel mag de mist er zwaar in hangen, alsof hij er nooit weer uit zou komen; wel mogen de geschilderde vensters hunne kleur verliezen en geen daglicht binnenlaten; wel mogen de oningewijden van de straat, die door de ruiten in de deur inkijken, zich van het binnentreden laten afschrikken door het uilachtig voorkomen van het geheel, en door den temenden galm, die traaglijk naar het dak opstijgt van het gekussende gestoelte, waar de lord-kanselier naar de lantaren kijkt die geen licht geeft, en waar de pruiken, die hem omgeven, allen in eene nevelbank vastzitten! Dit is het Hof der Kanselarij, dat in ieder graafschap zijne vervallene huizen en verdorde velden heeft; dat in ieder dolhuis zijne afgeleefde krankzinnigen en op ieder kerkhof zijne dooden heeft; dat onder iedereens bekenden zijn geruïneer-den pleiter heeft, die met uitgezakte schoenen en kaalgosleten kleeren bij hen loopt leenen en bedelen; dat aan hen, die geduld hebben, overvloedig middelen geeft om het recht at\' te matten; dat beurs, geduld, moed en hoop zoodanig uitput, de hersenen zoodanig afmartelt. dat er onder de praktizijns aan datzelfde Hof geen eerlijk man is. die niet den raad zou geven - en dikwijls gegeven hoeft: „Lijd liever alle onrecht dat u kan gedaan worden, dan dat gij hier komt.quot;

Wie zijn hier in het Hof op dezen donkeren namiddag, behalve de lord kanselier, de advoeaat in de zaak, twe. of drie advocaten, die nog nooit eene zaak gehad hebben, en de\' bovengemelde put met procureurs? Daar is de griffier, heneden den rechter, met pruik en tabbaard, en daar zijn twee of drie suppoosten, of hoe zij boeten mogen, in hunne ambtsklee-ding. Deze allen zitten te geeuwen, want geen kruimpje amusement valt er ooit van J ar n-dyce en Jarndyce af, de zaak, die men onderhanden heeft, en al jaren geleden geheel drooggeknepen is De- snolsehrijvers, de rapporteurs der nieuwsbladen, blazen geregeld den aftocht, met al de andere gewone toehoorders, wanneer Jarndyce en Jarndyce ter tafel komt. Hunne plaatsen zijn ledig. Boven op eene bank aan den kant van het portaal staat, om te beter in het met gordijnen omhangene heilig-


-ocr page 9-

JARNDYCE KX IAR.NDYOE

3

zich zeiven in zij dat uitgc

om dat

nemen en zien als Jarndyce

wa is

er

dom te kunnen turen, een gek oud vrouwtje met een ingetieukten hoed, dat altijd in de zaal is, van dat het Hof zitting neemt totdat het opstaat, en altijd een of ander onbegrijpelijk vonnis verwacht, dat in haar voordeel moet gegeven worden. Sommigen zeggen, dat zij werkelijk partij in een proces is, of geweest is; maar niemand weet dit zeker, omdat niemand er iets om geeft. Zij heeft in eene reticule eenige prullen, die zij hare documenten noemt, en voornamelijk uit opgevouwen stukjes scheurpapier en gedroogden lavendel bestaan. Een vaal-bleeke gevangene is binnengebracht om voor de zesde maal persoonlijk aanzoek te doen „om zich te zuiveren van zijne verachting,quot; hetgeen zal moeten beteekenen hot Hof te overtuigen, dat het geen onwil, maar onmogelijkheid is, dat hij niet aan eene hem opgelegde verplichting voldoet; maar daar hij een eenig overgebleven executeur is, die in de war zit met rekeningen, waarvan men niet eens wil beweren, dat hij ooit iets geweten heeft, is het niet waarschijnlijk dat dit hem ooit zal gelukken, ündertusschen is hem alle vooruitzicht in het leven afgesneden. Een ander geruïneerd pleiter, die op geregelde tyden uit Shropshire komt, en dan bij het sluiten der zitting in eene poging uitbarst om den lórd-kanselier aan te spreken, zonder dat men hem ooit kan doen begrijpen, dat de kanselier officieel onbekend is met zijn aanzijn, nadat hij dit vijf en twintig jaren lang ondraaglijk heeft gemaakt, plaatst zich op eene goede plaats, en houdt den rechter in het oog, gereed om zoodra luj opstaat met een luide jammerstem „mylord!quot; te roepen-Eenige praktizijnsklerken en anderen, die dezen pleiter van aanzien kennen, blijven dralen, in de hoop dat dit eene grap zal geven en het akelige weder wat vervroolijken.

Jarndyce en Jarndyce gonst maar voort. Dit vogelverschrikachtige proces is door verloop van tijd zoo ingewikkeld gewordeh, dat niemand meer weet wat het beduidt. De partijen begrijpen het allerminst; maar men heeft opgemerkt, dat geene twee voor de Kanselarij prak-tizeerende rechtsgeleerden er vijf minuten lang over kunnen praten, zonder het op alle punten volkomen oneens te worden. Ontelbare kinderen zijn staande hot proces er in geboren; ontelbare jongelieden zijn er in getrouwd; ontelbare oude lieden zijn er uit gestorven. Menigten van menschen hebben zich tot hunne ontzetting partijen in Jarndyce en Jarndyce zien maken, zonder te weten hoe of waarom; ge-heele familien hebben met dat proces een over-geleverden haat geërfd. Do kleine eischer of verweerder, dien men een nieuw hobbelpaard beloofd had, als Jarndyce en Jarndyce zou uitgewezen zijn, is groot geworden, heeft een echt paard bestegen, en is naar de andere wereld gedraafd. Schoone pupillen van het Hof

zijn tot moeders en grootmoeders verouderd; een lange stoet van kanseliers is gekomen en gegaan; honderden, die de stukken van het proces hebben geteekend, kunnen geen stukken meer teekenen; er zijn misschien geene drie Jarndycen meer op de wereld gebleven sedert oude Tom Jarndyce zich in een koffiehuis in Chancery-Lane wanhopig een kogel door den kop joeg; maar het proces blijft nog zijne akelige lengte door het Hof voortslepen, van jaar tot jaar even hopeloos.

Jarndyce en Jarndyce is eene klucht geworden. Dit is. het eenige goed dat er ooit van gekomen is. Het heeft velen den dood berokkend, maar in de praktijk is het eene klucht, leder „meester\' in de Kanselarij is er in betrokken geweest. Ieder kanselier is er voor den een of ander „in geweest,quot; toen hij nog voor de balie was. Aardigheden zijn er over gezegd door de oude praktizjjns met paarse neuzen en knobbelige schoenen, in speciale portwijncornmissiën na den maaltijd in de zaal. Ingeschrevene klerken zijn gewoon geweest er voor het eerst hun rechtsgeleerd vernuft op te leeren scherpen. De laatste lord-kanselier bracht het zeer aardig te pas, toen hij, mijnheer Blowers, den vermaarden advocaat terecht wijzende, die gezegd had, dat zoo iets zou kunnen gebeuren als het aardappelen uit de lucht regende, aanmerkte: „Of als wij door Jarndyce en Jarndyce heenkomen, mijnheer Blowers,quot; — eene geestigheid, die vooral de suppoosten kittelde.

Naar hoevele menschen dit proces reeds zijne onreine hand heeft uitgestrekt om hen te bederven en te verpesten, zou eene wijdloopige Vraag zijn. Van den archivaris, aan wiens liassen geheele riemen van volmachten in Jarndyce en Jarndyce zijn aangeregen, tot aan den bladschrijver, die onder dat eeuwigdurende hoofd zijne tien duizend folio bladzijden heeft gekopieerd, is niemands karakter er door verbeterd. In listen en streken, uitvluchten, knevelarijen, plagerijen en valschhedeh van allerlei aard steekt 1 geen invloed, waarvan ooit iets goed kan komen. Zelfs de procureu\'s-jongen, die de ellendige pleiters op den tuil heeft gehouden, door • oneindige malen te verzekeren, dat mijnheer 1 (Jhizzle of Mizzle belet had en den geheelen : dag bezet was, mag daardoor geleerd hebben het nog minder nauw met waarheid en zedelijkheid te nemen dan hij anders zou gedaan hebben. De ontvanger in de zaak heeft er eene goede som gelds uit gewonnen, maar heeft j ook geleerd zijne eigene moeder te wantrou- I wen en zijne medemenschen te verachten. Ohizzle en Mizzle bobben de gewoonte aangenomen |

onbestemde te beloven, zaakje eens zullen op-voor Drizzle — die niet kan gedaan worden en Jarndyce is afgoloopen. lquot;it-

-ocr page 10-

HET VERLATEN HUIS.

4

vluchten en draaierijen zijn door die noodlottige zaak rnet volle handen uitgezaaid; en zelfs zij, die van buiten af den loop daarvan hebben gadegeslagen, zijn ongevoelig in verzoeking gekomen om gemakshalve het kwaad in de wereld maar zijne eigen gang te laten gaan, en te denken dat, als liet er zoo verkeerd in ging, dit waarschijnlijk zoo was omdat het niet beter kon.

Zoo zit daar, in het midden van de modder en in het hart van den mist, de lord-groot-kanselier in het Hooge Hof der Kanselarij.

„Mijnhrrr Tangle,quot; zegt de lord-kanselier, die eenigszins ongeduldig schijnt te worden onder de welsprekendheid van den geleerden heer. „M\'lord!quot; zegt mynheer Tangle. Mijnheer Tangle weet meer van Jarndyce en Jarn-dyce dan iemand anders. Daarvoor is hij vermaard — men vermeent dat hij, sedert hij van school kwam. nooit over iets andeis heeft gelezen. .,/iJt gij haast ten einde met uwe deductie?\' — .,M\'lord, neen — verscheidene punten acht het inijn plicht uiteen te zetten — lordschap,quot; is het antwoord dat mijnheer Tangle uit den mond glipt, — „Verscheidene leden van do balie moeten nog gehoord worden, geloof ik\'.quot; zegt de kanselier met een Hauwen glimlach,

Achttb\'M van mijnheer Tangle\'s geleerde vrienden, ieder gewapend met eene korte memorie van achttienhonderd bladen, wippen op gelijk achttien hamertjes in eene piano, maken buigingen en verzinken weder in achttien plaatsen van duisternis,

«Wij zullen woensdag over veertien dagen verder gehoor geven,quot; zegt de kanselier. Want het onderhavige vraagpunt is slechts een punt van kosten, een twijgje aan den groeten boom van het rnoederproces, en zal werkelijk eens tot afdoening komen.

Do kanselier staat op; de balie staat op; de gevangene wordt haastig voorgebracht; de man uit Shropshire schreeuwt, „mylord 1quot; De suppoosten roepen met verontwaardiging: ,stilte!quot; en zien den man uit Shropshire donker aan, „Ten aanzien van dat jonge meisje,quot; zegt de lord-kanselier, nog bij Jarndyce en Jarndyce blijvende, „Verschooning, uwe lordschap jongeling,\' zegt mijnheer Tangle met over-ijling. - „Ten aanzien van dat jonge meisje en dien jongeling,quot; hervat de kanselier met buiten j gotneene duidelijkheid, „ten aanzien van die twee jongelieden,\'\' — mijnherr Tangle is verplet „die ik togen vandaag heb doen oproepen en die nu in mijne kamer zijn, ik zal met hen spreken en my overtuigen of het raadzaam is •■en • order uit te vaardigen, dat zij bij hun oom kunnen gaan wonen,quot;

Mijnhfi r Tangle weder overeind. „Verschooning, m\'lord dood.quot; „Bij hunquot; de kanselier ziet door zijn dubbel lorgnet

naar de papieren op zijn lessenaar —- „bij hun grootvader,quot; — „Verschooning, m\'lord — slachtoffer van eene onberadenheid — hersenen,quot;

Eensklaps rijst een zeer klein advocaatje met eene geweldige basstem in het mistige verschiet op en zegt: „Wil uwe lordschap mij \\ veroorloven. Ik compareer voor hem. Hij is een \' neef, verscheidene graden ver. Ik ben op het oogenblik niet voorbereid om het Hof met nauw- | keurigheid te onderrichten in welken graad hij een neef is, maar hij is een neef.quot;

Terwijl deze toespraak (alsof er eene stem uit een graf had geklonken) nog tusschen de i binten van het dak galmt, zinkt het kleine 1 advocaatje weg en verdwijnt in de mist. Ieder- I een zoekt naar hem. Niemand kan hem meer zien,

„Ik zal met beide jongelieden spreken,quot; zegt de kanselier opnieuw, „en mij overtuigen of het verkieslijk is, dat zij bij hun neef in huis i gaan wonen. Ik zal morgen, wanneer ik zit- ; ting neem, van de zaak bericht geven,quot;

De kanselier wil Juist zijne buiging voor de | balie maken, wanneer de gevangene wordt | voorgebracht. Niets kan er in zijne verwarde zaak ooit gedaan worden, dan dat hij weder naar de gevangenis wordt gezonden, dat dan i ook spoedig geschiedt. Do man uit Sh ro psh ire : waagt nu nog een dringend „mylord!quot; maar | de kanselier, die hem heeft opgemerkt, is behendig verdwenen. Al de anderen verdwijnen | even snel, Eene batterij van blauwe zakken met papieren geladen wordt door klerken weggedragen; het gekke oude vrouwtje stapt met hare documenten heen; het ledige Hof wordt gesloten. Als al het onrecht, dat het gepleegd, j en al de ellende, die het veroorzaakt heeft, ; er met het sluiten in kon worden opgesloten, en alles te zamen in eens verbrand kon wor- ! den des te beter voor nog vele anderen be- j halve de partijen in Jarndyce en Jarndyce!

DE MODEWERELD.

Het is maar een enkel blikje in de modewereld, dat wij op dezen donkeren namiddag willen werpen. Zij verschilt niet zoozeer van het Hof der Kanselarij, of wij kunnen wel in eens van het een in het ander overstappen, zoowel de modewereld als hi;t Hof der Kanselarij zijn plaatsen waar antecedenten en usances alles afdoen, en men daarop zoo gerust in slaap valt, dat de schoone slaapster in het bosch niet vaster heeft kunnen sluimeren, voordat de ridder haar wekte, gelijk deze slapende schoonen ook eens zullen gewekt worden, en dan zullen al de stilstaande speten in de keuken verbazend beginnen te draaien!


-ocr page 11-

LADY DEDLOCK EN .HAAK HI\'ITKN\'

Kot is geene groote wereld. Bij onze wereld vergeleken, die ook hare grenzen heeft (gelijk ! uwe hoogheid zal ondervinden, als gij haar ten einde gaat en op den rand van het ledige daarnevens komt), is zij een zeer klein plekje. Er ; is veel goeds in; er zijn vele goede, brave men- | schen in ; en zij heeft ook hare bestemde plaats. ; M iar het slechte er van is, dat het eene we- ! reld is, al te veel in juwelierswatten en zachte i wol gewikkeld, en dat zij het voorbijvliegen der grootere werelden niet kan hooren, en niet zien kan hoe deze zich om de zon wentelen. Het is eene dicht toegestopte wereld, en wat er in groeit is somtijds ongezond uit gebrek aan lucht.

Lady Dedlock is naar haar huis in de stad teruggekomen, voor eenige dagen slechts, eer zij naar Parijs vertrekt, waar zij eenige weken denkt te vertoeven, waarna het onzeker is waarheen zij zich verder zal begeven. Zoo zegt het gerucht in de modewereld, tot troost voor de Parijzenaren, en dit weet alle fashionable dingen. Van die dingen niet te weten zou on fashionable zijn.Lady Dedlock is naar haar binten in L i n c o 1 n s h i r e geweest. Men heeft eene j overstrooming in L i n col ns h ir e. Do boog van de brug in het park is ondermijnd en wegge-weekt. Do omliggende lage grond, eene halve mijl breed, is eene stilstaande rivier, met naargeestige boomen voor eilandjes daarin, en wel- , ker oppervlakte den geheelen dag door regen-droppelen wordt bekringd. Lady Dedlock heeft haar buiten allerakeligst gevonden, liet weder is vele dagen en nachten lang zoo vochtig geweest, dat de boomen doornat schijnen, en het doorweekte hout, dat men kapt, niet kraakt als het valt. De herten, die insgelijks doorweekt schijnen, laten eon spoor van modderplassen j na als zij voorbijloopon. Het schot van een go-weer verliest zijne scherpheid in de vochtige i lucht, en de rook daarvan trekt als een traag wolkje togen do groene, met hakhout bekroonde helling op, die een achtergrond voor don vallenden regen vormt. Hot uitzicht uit Lady Dedlock\'s vensters is beurtelings eene teoko- \' ning mot potlood en mot Oostindischen inkt.

De vazen op het ganschen dag den boelen nacht dooi een voor een, op die plok, die van wandeling wordt

steenen terras vangen den regen op, en laten den ge-• zware droppelen druipen, i do breeds zerksteenon van oude tijdon af do Geesten-genoemd, Op zondag is het

kerkje in hot park schimmelig, barst de eiken preekstoel in oen koud zweet uit, en hoerscht or oen reuk alsof men de oude Dedlock\'s in hunne graven rook. Lady Dedlock (die kinderloos is) zit in de vroege schemering naar het huisje van den portier te turen, en ziet het licht van een vuur op de kleine, schuine ruiten, en rook uit den schoorsteen oprijzen, en een kind, door eene vrouw nagoloopen, in

den regen naar buiten stuiven, de van water blinkende gedaante van een dicht ingemolfeld man te gemoet, die het hek doorkomt — en Lady Dedlock raakt uit haar humeur. Zij zegt, dat zij zich doodelijk verveeld heeft.

Daarom in Lady Dedlock van haar buiten in L i n c o I n s hi r e gekomen, en heeft liet aan den regen, de kraaien, de konijnen, do horten, do patrijzen en fazanten overgelaten. De schilderijen der gewozone Dedlock\'s schijnen uit neerslachtigheid in de vochtige muren te zijn weggekropen, toonde huishoudster de oude kamers doorging, om de luiken te sluiten. En wanneer zij weder te voorschijn zullen komen,

kan het gerucht in do modewereld.....dat, evenals

de booze geest, alwetend in het tegenwoordige en vorlodone, maar niet in de toekomst is — nog niet zeggen.

Sir Leicester Dedlock is maar een baronet, maar er is geen machtiger baronet dan hij. Zijne familie is zoo oud als de bergen en oneindig voel eerwaardiger. Hij is oonigszins van gevoelen, dat de wereld het wol zonder bergen zou kunnen stellen, maar dat zij zonder Dedlock\'s verlogen zou staan. Hij zou wel willen toegeven, dat de natuur over het geheel een goed idee is, (eenigszins gemeen misschien als zij niet met oen staketsel is afgezet) maar toch oen denkbeeld, dat niet zonder do groote adellijke landeigenaren verwezenlijkt zou kunnen worden. Hij is oen g e n 11 e m an, nauwgezet van geweten, die alle kleingoostiglioid en laagheid benedon zich acht, en ieder oogen-blik gereed zou zijn om eiken dood te sterven, dien men maar zou kunnen noemen, liever dan aanleiding te geven tot de minste verdenking zijner rechtschapenheid. Hij is een eerlijk man, hardnekkig, waarheidlievend, hooghartig, geweldig bevooroordeeld en de onredelijkheid zelf.

Sir Leicester is twintig jaren, volle maat, ouder dan mylady. Hij zal nooit do vijf on zestig weerom zien, en misschien de zes on zestig on zeven en zestig ook niet. Hij krijgt nu en dan eene neep van do jicht, en gaat wat stijf. Hij heeft oen deftig voorkomen, met zijne lichtgrijze haren on bakkobaardon, zijn fijnen jabot, zijn hagelwit vost,, on zijn blauwen rok mot blinkende knoopon, altijd toegeknoopt. Hij is vol statige complimenten en altijd ton uitorsto beleefd voor mylady, welker bekoorlijklifiden hij op do hoogste waarde schat. Zijne galantoHo voor mylady, die nooit veranderd is sedert hij haar zijn hof maakte, is hot eenige zweempje van hot romaneske en pootischo in zijn karakter.

Hij hooft haar inderdaad uit liefde getrouwd. Men fluistert nog. dat zij zelfs goono afkomst had ; hoe dit zij, Sir Leicester Dedlock bad zooveel afkomst, dat hij daaiwan misschien genoeg had en hot moorden\' wel kon miss. n. Maar zij


-ocr page 12-

6 HET VERLATEN HUIS.

luid schoonheid, trotschheid, eerzucht, vast- oude heer door een gepöeierden Mercurius naar

heid van wil, en verstand genoeg om een ge mylady geleid.

heel legioen van fraaie dames tot uitzet te De oude heer ziet er schraaltjes uit, maar strekken. Hijkdom en rang, daarbij gevoegd, men zegt toch, dat hij uit aristocratische hu-: voerden haar spoedig omhoog; en sedert jaren welijksvoorvvaardenen aristocratische testamen-1 is nu Lady Dodlock in het middelpunt van het , ten goede winsten moet behaald hebben, en gerucht der modewereld en geheel boven aan schatrijk is. Hij is omgeven met een raadselden fashionablen boom geweest. achtigeu lichtnevel van familiegeheimen, waar-Hoe Alexander schreide toen lüj geene were!- van men weet, dat hij de stilzwijgende bewaar-i den meer te veroveren had, weet iedereen der is. Er zijn adellijke praalgraven, sedert eeu- ! of kan iedereen nu wel weten, daar de zaak wen op afgelegen plekjes van parken gewor- | dikwijls genoeg vermeld is. Toen i-ady Dedlock teld, tusschen het groeiende timmerhout en de h are wereld veroverd had, geraakte zij niet varens, welke misschien minder adellijke ge- \\ in eene smeltende, maar veeleer in eene be- helmen bevatten, dan er, in de borst van | vriezende stemming. Eene lustclooze kalmte, mijnherr Tulkinghorn opgesloten, onder de j eene flauwe tevredenheid, eene gelijkmoedig- menschen rondwandelen. Hij is van de oude | heid van verveling, die door geene opwekking ! school, gelijk men zegt - eene uitdrukking, van belangstelling of blijdschap kan gestoord waarmede gewoonlijk eene school wordt aan-worden, zijn de zegeteekenen barer overwin- geluid, die nooit jong schijnt te zyn geweest tiing. Zij is volmaakt welgemanierd. Als zij mor- en draagt eene korte broek met lintjes .vast- I gen naai\' den bemel kon gevoerd worden, kon gestrikt, en somtijds slobkousen. Eene eigen-men verwachten, dat zij zondert •enig blijk van aardigheid van zijne zwarte kleeren, en van verrassing of verrukking zou opstijgen, zijne zwarte kousen , zij mogen van zijde of van j Zij bezit nog schoonheid, en al is deze niet wol zijn, is dat zij nooit blinken. Stom, dicht | meer in haar vollen bloei, zij is toch nog niet gesloten, altijd even dof blijvende, welk licht in tiaar herfst. Zij heeft een fraaien gelaats- er ook op mag vallen, gelijkt zijne kleeding ; vorm en fijne trekken oorspronkelijk meer naar hom zeiven. Hij laat zich nooit tot een van een aard om bevallig dan om schoon ge- gesprek uitlokken, of men moet hem in zijn j noemd te worden, maar die iets claasieks heb- vak raadplegen. Men vindt hem somtijds spra-ben gekregen door de aangewende uitdrukking keloos, maar toch geheel en al thuis, opeen • ; van haar fashionablen rang. Ha je gestalte is hoek van de tafel bij een diner op een groot j sierlijk en wekt het denkbeeld op dat zij lijzig landhuis, en bij de deur van een salon, waar- ■ is. Niet dat zij dit is, maar zij is, gelijk de over het gerucht in de modewereld zeerwel ; edelachtbare Bop Stables dikwijls met een eed sprekend is, en waar iedereen hem kent, en ; heeft verzekerd, ,.zoo van zessen klaar,quot; De- de helft der getitelde gasten zich even ophoudt zelfde man van gezag beweert, dat zij het best om te zeggen: „Hoe vaart gij, mijnheer Tul- I gepoetste paard van den stal is en roemt in kinghorn?quot; Hij ontvangt deze begroetingen met I I dit opzicht vooral hare haren. ; deftigen ernst, en begraaft ze bij de rest van | Met al hare volmaaktheden ten haren bate zijne wetenschap.

en laste is Lady Dedlock (door het gerucht (Jfer Sir Leicester Dedlock zit bij mylady en is 1

modewereld driftig vervolgd) van haar buiten verheugd mijnheer Tulkinghorn tezien. Hij heeft ;

inLincolnsh i r e gekomen, om eenige dagen. eene stijfheid over zich, die Sir Leicester aan- •

in haar huis in de stad door te brengen, eer genaam is, en welke hij als eene soort van i

zij naar P u r ij s vertrekt, waar zij eenige weken hulde opneemt. Ook mijnheer Tulkinghornquot;s j

denkt te vertoeven, waarna het onzeker is waar kleeding bevalt hem; daarin ligt insgelijks zegt; !

zij zich verder zal begeven. En op dezen don- ken- hulde. Zij is bij uitstek fatsoenlijk, en geeft i

keren namiddag komt zich aan haar huis in hem tegelijk iets van een onderhoorige der j

de stad iemand aanmelden • en ouderwHs.-h familie. Zij duidt als het ware den rentmeester i

heer, praktizeerend rechtsgeleerde en tevens der familiegeheimen, dert-bottelier van den doen- i

solliciteur bij het Hooge Hof der Kanselarij, mentenkelder der Dedlock\'s aan.

die de t-i r heeft om de familie Dedlock als Hoeft mijnheer Tulkinghorn zelf eenig dénk-

rechtsgeleerd raadsman ten dienste te staan, beeld hiervan? Misschien wel, misschien ook

en in zijn kantoor zoovele ijzeren kistjes heeft niet; maar er is iets bijzonders op te merken !

met dien naam ei op, alsof de tegenwoordige ten aanzien van Lady Dedlock als lid van eene |

baronet het betoov-rde geldstuk uit de goochel- klasse als eene der wet geefsters en vertegefi- |

tasch was en overal tegelijk ken zijn. Het woordigsters harer kleine wereld. Zij houdt zich ;

| voorbuis door, de trap op, de gangen langs zelve voor een onuitvorschbaar wezen, geheel i

I en do kamers door, die in het seizoen Zeer buiten bereik van het oog en de wetenschap j

-• hittennd en buiten het seizoen zeer somber van gewone stervelingen als zij zich in haar i

| z tin een f. ■ ■ nland om te bezoeken, maar spiegel ziet. waarin zij zich ook werkelijk zoo !

i et;ne wo- styn om in te wonen wordt de vertoont. En toch kent elke kleine ster, die I

-ocr page 13-

LADY DEDLOCK HEEFT ZICH DOOHEI.r.lK VERVEELD.

om haar rondwentelt, van hare kamenier af tót den directeur der Italiaansche opera toe. hare zwakheden, vooroordeelen, dwaasheden, inbeeldingen en grillen; en trekken deze allen hun voordeel uit het bezit van zulk eene nauwkeurige berekening en zulk eene juiste maat van hare zedelijke natuur, als hare naaister van hare lichamelijke proportiën neemt. Zal er een nieuw kleed, een nieuw gebruik, een nieuwe zanger of danser, een nieuw fatsoen van juwe-lierswerk, een nieuwe dwerg of reus, eene nieuwe kerk, iets nieuws hoegenaamd, in zwang gebracht worden, dan zijn er eerbiedige lieden, in allerlei beroepen, van welke Lady Dedlock niets anders vermoedt dan dat zij zich voor haar in het stof werpen, die u kunnen zeggen hoe gij haar kunt behandelen alsof zij een klein kind was; die geheel hun leven niets anders doen dan haar naar hunne pijpen laten dansen; die, terwijl zij veinzen haar met de diepste nederigheid tlt;\' volgen, haar en haar geheelen troep bij den neus leiden; die, wanneer zij er i ( n vastklampen, allen vastklampen en ze medetrekken, gelijk Lemuel Gulliver de statige vloot van het groot sche L ill i put medetrok. „Als gij onze klanten wilt winnen, manheer.\'\' zeggen Blaze en Sparkle de juweliers, „moet gij bedenken dat gij niet met het groote publiek te doen hebt; gij moet onze klanten in hun zwak tasten en hun zwak is daar.quot; ,igt;ni die stof iij de mode te brengen, hoeren.quot; zeggen Hheeii en Gloss de zijdehandelaren, tot hunne vrienden de fabrikanten, „moet gij bij ons komen, want wij weten hoe wij de beau monde tot iets kunnen! overhalen, 1 n kunnen ze dus in de mode brengen.quot;

„Als gij die plaat op de tafels van mijne aanzienlijke connexion wenscht te krijgen, mijnheer,quot; zegt Sladdery de boekverkooper, „of dien dwerg of reus bij mijne aanzienlijke con-nexii li in huis wilt brengen, mijnheer, of die vermakelijkheid de gunst van mijne aanzienlijke connexien wenscht te verzekeren, moet gij dat maar aan mij overlaten, mijnheer; want ik ben gewoon de menschen te bestudeeren, die bij mijne aanzienlijke connexien don toon aangeven, mijnheer, en ik mag u, zonder ijdeiheid, zeggen, dat ik ze om mijn vinger kan winden,quot; waarin Sladdery, die een braaf man is, zich aan geheel geene overdrijving schuldig maakt.

Hoewel dus mijnheer Tulkinghorn mogelijk niet weet wat er op dit oogenMik in het gemoed van Sir Leicester en zijne gade omgaat, is bet ook mogelijk dat hij dit wel w» et.

„Mylady\'s proeos is vandaag weder voor den kanselier geweest, niet waar. mijnheer Tul kinghorn?quot; zegt Sir Leicester, hem de hand gevende. „Ja, liet is vandaag weder voor geweest,quot; antwoordt mijnheer Tulkinghorn, en maakt eene van zijne stijve buigingen voor

mylady, die bij het vuur op de sofa zit en een handschermpje voor haar gezicht houdt. „Het zou nutteloos zijn te vragen,\' zegt mylady, nog onder den indruk der verveling van het buiten in L i n c o 1 n s h i r e, „of er iets gedaan is.quot; „Er is van daag niets gedaan dat g ij iets zoudt noemen,quot; antwoordt mijnheer | Tulkinghorn. — „En dat zal er ook nooit.quot; zegt ; mylady.

Sir Leicester heeft geen afkeer van een eindeloos Kanselarijproces. Zoo iets is een langzaam, kostbaar, echt Engelsch en constitu- | tioneel soort van ding. Wel is waar heeft hij bij het bedoelde proces geen dadelijk belang. J Haar aandeel daarin was de eenige bezitting, dit.\' mylady hem aanbracht; on hij is eenigs-zins van nieening dat het eene belachelijke toevalligheid is. dat zijn naam de naam van Dedlock — in do zaak betrokken is, zonder dat • het proces naar dien naam benoemd wordt, i Jlaar hij beschouwt hei Hof der Kanselarij, zelfs al mocht het nu en dan den loop van het recht wat vertragen en eenige verwarring veroorzaken, als iets dat, met andere dergelijke dingen vereenigd, door de volmaaktste men- \' schelijke wijsheid is uitgedacht, om, monsche- i lijkerwijze gesproken, alles voor eeuwig op een vasten voet te vestigen. En over het geheel is hij van gevoelen, dat hij, door de bekrachtiging zijner goedkeuring aan eenige klachten i ten dien aanzien te geven, wel eens iemand uit do lagere klassen zou kunnen aanmoedigen om ergens een opstand te beginnen, ovenals Wat Tyler.

,Alzoo er eenige nieuwe verklaringen zijn ingediend,quot; zegt mijnheer Tulkinghorn, „en alzoo deze maar kort zijn, en alzoo ik het lastige beginsel in het oog houd. om te verzoeken mijne cliënten mot alle nieuwe incidenten in eene zaak te mogen bekend maken,quot; een voorzichtig man, die mijnheer Tulkinghorn, i die niet meer verantwoording op zich noemt dan noodig is; „en alzoo ik verder zie dat gij naar Parijs gaat — heb ik ze in mijn zak medegebracht.quot;

sir Leicester zou, terloops gezegd, insgelijks naar I1 a rij s gaan, maar hot opgetogene gerucht in de modewereld hield zich meest mei zijne gade bezig.

Mijnheer Tulkinghorn haalt zijne papleren uit, verzoekt verlof om ze op een gouden talisman van een tafeltje aan my lady\'s elleboog te mogen leggen, zei zijn bril op, en be, gint te lezen bij het zachte licht eener lamp-dat door een schermpje wordt gemaligd,

„In Kanselarij, Tusschen John .Tarndyce

Mylady valt hem in de rede met een verzoek om maar zoovee l van die akelige formaliteiten over te slaan als hij kan.

Mijnheer Tulkinghorn kijkt eens over zijn bril en begint wat lager. Mylady laat hare


-ocr page 14-

HET VERLATEN HLTS.

aandacht met minachtende onverschilligheid mij nog herinneren dat ik, toen ik nog een dwalen. Sir Leice.ster, in een leuningstoel ge- heel klein meisje was, tot mijne pop placht te zeten, tuurt naar het vuur, en schijnt een sta- zeggen, als wij te zamen alleen waren: „Nu, telijk welgevallen in de rechtsgeleerde herha- popje, ik ben niet heel knap, dat weet ge wel lingen en omslachtigheden te hebben, als din- en dus moet ge wat geduld met mij hebben, gen die onder de nationale bolwerken behoo- liefje!\' En zoo placht zij in een grooten leuning-len. Het toeval wil dat het vuur aan den kant stoel tegen een kussen te zitten, met hare van m\\ lady wat heet, en het handschermpje mooie kleur en roode lippen, en mij aan te — van onschatbare waarde, maar klein meer staren — of eigenlijk in de ledige ruimte naar fraai dan nuttig is. Mylady verschikt zich wat, niemendal te staren, denk ik - terwijl ik druk ziet de papieren op de tafel beziet ze nader voortstikte en haar al mijne geheimen vertelde, nog nadii en vraagt met zekere drift: Mijne lieve, oude pop! ik was zulk een be-A f f,r „at ëekoPgt;eenr.quot; deesd dingetje, dat ik zelden mijn mond en Mijnheer I ulkinghorn houdt op, verwonderd nooit mijn hart voor iemand anders durfde ope-over mylady\'s driftigheid en buitengewonen nen. Het brengt mij bijna aan het schreien t001]\' .... | als ik denk, welk eene verademing het voor „Is dat wal gijlieden in uw vak eene kan- mij placht te zijn, als ik uit de school thuis kwam, t oorhand noemt?\' vraagt zij, hem weder op naar boven naar mijne kamer te loopen en te zeg hare onverschillige manier aanziende en met gen: .0, gij lieve, trouwe pop, ik wist wel haar .schermpje spelende. „Niet geheel en al. dat ge mij wachten zoudt!quot; en dan op den Waarschijnlijk,quot; - mijnheer Tulkinghorn ziet grond te gaan zitten op den arm van haar haar oplettend aan terwijl hy spreekt, „is die stoel leunende en haar alles te vertellen wat staande vorm van het schrift aangeleerd, nadat ik had opgemerkt, sedert wij elkander verlade oorspronkelijke hand reeds gevormd was. ten hadden. Ik had altijd eeiie manier om op Waarom vraagt gij dat?quot; „Alles maar om die te merken maar niet vlug. o neen\' verfoei.-Hike eentonigheid watufte braken. Ga eene stille manier om op te merken wat nu maar voort. Kom!quot; er om mij heen gebeurde, en dan te den-Mynheer I ulkinghorn leest weder voort. De ken dat ik het gaarne beter zou willen ver-hittgt; woult groot er. Mylady houdt haar ge- staan Ik heb lang geen vlug begrip. Als ik zicht geheel achter het schermpje. Sir Leices- iemand teer en innig liefheb, schijnt het hel-ter begint te dommelen, schrikt plotseling wak- derder te worden. Maar zelfs dit kan eene

roept: ,|[i ? Wat zegt gil?quot; ,Ik zeg ijdele verbeelding van mij zijn,

dal ik vrees,quot; antwoordt mijnheer Talking- Ik werd, zoolang my\'heugt evenals de

hom, die haastig is opgestaan, „dat Lady Ded- prinsessen in tooversprookjes, behalve dat ik

NV\'gt;\' \'s- „Plauvv.quot; prevelt mylady niet schoon was door mijne peet opgevoed

met bleeke lippen. „Anders niet: maar zoo Ten minste ik kende haar alleen als zoodanig,

tiaiiw aisot ik zou sterven. Spreek niet tegen Zij was eene brave, zeer brave vrouw. Zij ging

my Schel, en breng mij naar mijne kamer.quot; eiken zondag driemaal naar de kerk, en op

Mijnheel I ulkinghorn begeeft zich naar eene woensdag en vrijdag naar hot ochtendgebed,

andere kamer. Schellen klinken, voeten schof- en naar de lezingen, als er lezingen waren •

telen en trippelen; dan volgt er stilte. Meicu- zij sloeg die nooit over. Zij was schoon; en als

ruis verzoekt mijnheer Tulkinghorn eindelijk zij ooit had gelachen, zou zij er (placht ik te

om t«*rug te konien. danken) als een engej hebben uitgezien maar

* beter,quot; zegt sir Leieester, den rechts zij glimlachte nooit. Zij was altijd ernstig en

geleerde ■ . n wenk gevende om te gaan zitten streng. Maar zij was zélve zoo braaf, dacht ik

en voor h\'-rn alleen te lezen. „Ik was waarlijk dat de slechtheid van andere menschen haar

ontsteld, ik weet niet, dat mylady nog ooit is al haar leven zuur deed zien. Ik gevoelde mij

Mauw gevallen. Maar het weer is zeer druk zoo geheel verschillend van haar, zelfs terwijl

k\',,quot;i \'/A\\ heeft zich daar op ons buiten ik al het onderscheid tusschen een kind en

111 ^111 ( n 1 n ^ li i i • • w.cuii jk hiilf dnoi] vtTvci\'ld. «mh* volwasscno vrouw i\'i aanmrTkinj* nam;

ik gevoelde mij zoo arm, zoo nietig en op zulk een grooten afstand van haar. dat ik bij haar nooit ongedwongen kon zijn neen, en haar nooit zoo kon liefhebben als ik wel wenschte. Het maakte mij zeer bedroefd als ik dacht hoe :

quot;mmnkkrin-ukn. braaf zij was. en hoe weinig ik haar waard

., was; en ik placht vurig te hopen dat ik een

ik Mii\'l hef z.-.r moeielijk .■••i, begint, ma- beter hart zou krijgen; en dikwijls praatte ik

, 11 quot;quot;t schrijven van mtjn ged.-.dfe in daarover met mijne lieve, oude nop; maar nooit

dlt;\'ze Maden, want ik weef wel dat ik ni-t heel had ik mijne peet zoo lief als ik haar had moe-

knflP hen. Dat heb ik altijd geweten. Ik kan ten hebben, en gelijk ik gevoelde dat ik had

-ocr page 15-

ESTHER\'S KINDSHEID.

9

moeten doen, als ik een beter ineisje was geweest.

Dit maakte mij, geloof ik, nog bedeesder en stiller dan ik anders zou geweest zijn, en verwees mij naar mijne pop, als de eenige vriendin bij wie ik mij op mijn gemak gevoelde. Maar toen ik nog een heel klein dingetje was, gebeurde er iets dat veel daartoe bijdroeg.

Ik had nooit van mijne mama hooren spreken. Ik had ook nooit van mijn papa gehoord, maar ik gevoelde toch meer belangstelling voor mijne mama. Tk had, zooveel ik mij kon her-schoon zij mij Esthertje Summerson noemden, kwam ik bij geen van allen ooit aan huis. Allen waren, wel is waar, ouder dan (ik was verreweg de jongste daar), maar er scheen toch nog eene andere afzondering tusschen ons te bestaan, behalve dat verschil van jaren, en behalve dat zij veel vlugger waren en veel meer wisten dan ik. Een van haar (herinner ik mr nog zeer wel) vroeg mij in de eerste week, dat ik school ging, op een partijtje aan huis, tot mijne groote blijdschap. Maar mijne peet schreef een stijf briefje om voor mij te be


danken, en

Het dagi\'it den I huis ik de op d ti

ging nooit uit. andere verjaar-looi - niet op dagen werd er

was wan

en.

inneren, nooit eene zwarte jurk gedragen. Men had mij nooit mijn mama\'s graf gewezen. Men had mij nooit gezegd waar dat was. En toch had men mij nooit voor iemand anders van mijne familie leeren bidden dan voor mijne peet. Ik had meer dan eens dat onderwerp van mijne gedachten aangeroerd bij Rachel, onze eenige meid, die mijn licht kwam halen als ik in bed was (ook eene zeer brave vrouw, maar voor mij heel stug) lt;gt;11 die zeide dan niets anders dan „Goedennacht, Esther,quot; en ging heen.

Hoewel er zeven meisjes waren op de school, waar ik leerde en des middags overbleef, en

feest gevierd, gelijk ik wist uit hetgeen meisjes elkander hoorde vertellen niet n mijnen. Mijn verjaardag was thuis de urigste dag van het geheele Jaar,

Ik heb reeds gezegd, dat. als mijm\' ijdeliieid mij niet bedriegt (gelijk ik wel weet dat zij dat doen kan. want ik kan wel zeer IJdel zijn. zonder het te denken schoon ik dat waarlijk niet doe), mijn begrip vlugger wordt wan-

ik ging niet. Ik verjaardag. Op ■r vacantie op sc.1 Op andere verjaai

-ocr page 16-

HET VKKLATKX HI\'IS.

10

neer mijn gevoel is opgewekt. Ik ben zeer licht aandoenlijk van aard, en misschien zou ik zulk eene wond nog even pijnlijk gevoelen als op dien verjaardag — iruliun het mogelijk was. dat men meer.dan eens zulk eene wond ontving.

Het was na den eten, en mijne peet en ik zaten aan de tafel voor het vuur. De klok tikte, het vuur knetterde; geen ander geluid was in de kamer of in het huis gehoord voor ik weet niet hoelang. Toevallig keek ik eens beschroomd van mijn werk op en over de tafel naar mijne peet, en op haar gezicht, dat mij somber aanzag, las ik duidelijk; „Het zou veel beter zijn geweest, kleine Esther, als gy geen verjaardag hadt gehad, als gij nooit geboren waart.quot;

ik barstte in tranen en snikken uit, en zeide: ,() lieve peet, zeg mij, ik bid u, zeg mij toch. is mama op mijn verjaardag gestorven?\' ..N\'t\' ii,quot; antwoordde zij. ,.Vraag mij niet meer kind!\' „O, ik bid u, zeg mij toch iets van haar. Doe dat toch eindelijk, lieve peet, als het u belieft! Wat heb ik haar gedaan? Hoe heb ik haar verloren? Waarom ben ik zoo anders dan andere kinderen, en waarom is dat mijne schuld, lieve peet? Neen, neen, neen, ga niet, heen. O, spreek toch tegen mij,\'\'

Het was behalve mijne droefheid, eene soort van angst die mij dreef; en ik had haar bij haar kleed gevat en knielde voor haar. Zij had ondertusschen meer dan eens gezegd: „laat mij los!quot; maar nu bleef zij staan.

Haar dreigend gezicht had zulk eene macht over mij, dat het mij in het midden mijner onstuimigheid stuitte. Ik stak mijn bevend handje omhoog, om hare hand ie vatten, of om haar zoo vurig als ik kon veigiffenis te bidden, maar trok het terug toen zij mij zoo aanzag, en legde het op mijn jagend hait. Zij hief mij op. zette zich op haar stoel, en terwijl ik zoo voor haar stond, zeide zij langzaam, met eene doffe, zachte stem ik zie nog haar gefronst voorhoofd en haar wijzenden vinger:

„Uwe moeder. Est lier, is uwe schande, en gij waart de hare. He tijd zal komen — en dat spoedig genoeg wanneer gij dit 1quot; ter zult verstaan, en het Ook zult gevoelen, gelijk niemand dan eene vrouw het gevoelen kan. Ik heb haar hel kwaad vergeven,quot; maar haar g---zicht werd niet minder strak, „dat zij mij g\' daan hoeft, en ik zeg daar nier meer van, schoon het grooter was dan gij ooit zult weten dan iemand ooit zal weten, behalve ik. de liideres Wat u •/gt; Ive betreft, ongelukkig meisje, i enr wees en geschandvlekt van den eersten dezer booze verjaardagen af, bid dag\' lijks, dat de zonden van anderen niet aan u bezocht mogen worden, géi ijk er geschreven staat. Vergeet uwe moeder, en laat alle andere metischen haar vergeten; dat is de grootste goedheid, die zij haar ongelukkig kind kuniu 11 bewijzen. Ua nu heen!quot;

Zij hield mij echter nog tegen, toen ik wilde heengaan — zoo versteend als ik was — en voegde dit er nog bij:

„Onderwerping, zelfverloochening, vlijtig werken. zijn de voorbereidselen voor een leven, dat met zulk eene vlek daarop is begonnen, i Gij zijt anders dan andere kinderen, Esther, I omdat gij niet, gelijk zij, in gemeenschappelijke, | zonde en toorn, zijt geboren. Gij zijt afgezonderd.quot;

I k ging naar mijne kamer, en kroop in bed, en legde de wang van mijne pop tegen de I mijne, die nat was van tranen; en die eenige vriendin aan mijne borst drukkende, schreide | ik mij in slaap. Hoe onvolkomen ik mijn leed ! ook begreep, wist ik toch wel dat ik nooit iemands hart vreugde had gebracht, en dat j ik voor niemand op aarde was wat het popje voor mij was.

Ach, als ik nog denk hoeveel tijd wij naderhand nog alleen met elkander sleten, en hoe dikwijls ik do pop de geschiedenis van mijn verjaardag vertelde, en haar toevertrouwde dat ik mijn best wilde doen, zooveel ik maar kon, om het ongeluk te herstellen, waarmede ik geboren was (en waaraan ik mij, in mijne verbijstering, schuldig en toch onschuldig gevoelde), en als ik groot werd, er naar streven zou om vlijtig, weitevreden en goedhartig te zijn, en den een of ander goed te doen, en eenigszins de liefde van anderen te winnen, als ik maar kon. Ik hoop dat het geene eigenlievendo zwakheid is, deze tranen te storten, als ik daaraan denk. Ik bon zeer dankbaar, ik ben zeer welgemoed, maar ik kan toch niet geheel beletten, dat zij mij in de oogen komen.

Haar! Nu heb ik ze weggeveegd, en kan ik behoorlijk voortgaan.

Ik gevoelde na dien verjaardag den afstand tuss.;heu mijne peet en mij zooveel meer, en was er mij zoo van bewust, dat ik in haar huis eene plaats vulde, die ledig had moeten zijn, dat ik het nog moeielijker van mij kon verkrijgen haar te naderen dan ooit voorheen, hoewel ik haar in mijn hart vurig dankbaar was, H( tzelfde. gevoel had ik voor mijne schoolmakkertjes. en ook voor Kachel, die eene weduwe

was, en ook ach! ..... voor hare dochter.

waarop zij tiotsch was, en die om do veertien (kmen naar haar kwam zien! Ik was zeer stil en afgetrokken en poogde zeer vlijtig te zijn.

Op een zonnigen achtermiddag, toen ik met mijne boeken en portefeuille van school naar huls was gekomen, al kijkend\' naar de lange schaduw naast mij, en toen ik, volgens gewoon tlt; . stil de trap opging naar mijne kamer, kwam mijne pc t de deur der spret kkamer uitkijken en riep mij terug. Ik vond een vreem-di ling bij haar zitten hetgeen mts zeer ongewoons was. Een zwaarlijvig, deftig heer, geheel in liet zwart gekleed, met eene witte das,


-ocr page 17-

11

groote, gouden cachetten, een gouden bril, en een grooten zegelring aan zijn pink.

„Dit is het kind,quot; zeide mijne petemoei met eene gesmoorde stem. Daarna zeide zij, methare natuurlijke, stroeve manier van spreken: „Dit is Esther, mijnheer.quot;

lie vreemde lieer zette zijn bril op om mij aan te zien, en zeide: „Kom eens hier, liefje!quot; Hij gaf mij de hand, en vroeg mij om mijn hoed af te zetten — mij ondertusschen aldoor aanziende. Toen ik gehoorzaamd had, zeide hij: „ha!quot; en naderhand: „ja!quot; en toon zijn bril afnemende en in een rood huisje stekende, liet hij zich achterover in zijn leuningstool zakken, draalde het brillenhuisje in zijne beide handen om en gaf mijne peet een knikje. Daarop zeide mijne peet: „Gij kunt naar bovengaan, Esther;quot; en ik neeg en ging heen.

Het moet twee jaren later zijn geweest, en ik was bijna veertien, toen op een schrikke-lijken avond mijne peet en ik bij het vuur zaten. Ik las hardop en zij luisterde, ik was om negen uur naar beneden gekomen, gelijk ik altijd deed, om haar uit den Bijbel voor te lezen; en ik las uit Johannes, hoe onze Zaligmaker bukte en met zijn vinger in het stof schreef, toen zij de zondige Vrouw voor hem brachten;

„„En als zij hem bleven vragen, richtte Hij zich en zeide tot hen: Die van ulieden zonder zonde is, werpe eerst den steen op haar.quot;quot; Ik werd gestuit door dat mijne petemoei op-siond. hare hand naar het hoofd bracht, en met eene ontzettende stem uitriep, uit een geheel ander gedeelte van het boek:

„„Zoo waakt dan, opdat hij niet, haastelijk komende, u slapende vinde. En wat ik tot u zeg, dat zeg ik tot allen, waakt!\'quot;

En oogenblikkelljk, zoodra zij voor mij staande deze woorden had gezegd, viel zij op den grond. Ik had niet behoeven te schreeuwen : hare stem had door het geheele huis geklonken en was zelfs op straat gehoord.

Zij werd in haar bed gelegd. Langer dan eene week lag zij daar, voor het uiterlijke weinig veranderd. met de oude, fraaie, strenge trekken, die ik zoo wel kendo, als het ware versteend. Dikwijls, over dag en des nachts met mijn hoofd op het kussen naast haar, opdat mijn gefluister duidelijker voor haar zou zijn. kuste ik haar. dankte ik haar, bad ik voor haar. vroeg ik haar om haar zegen en hare vergiffenis, smeekte ik haar om mij het geringste teeken te geven, dat zij mij kende of hoorde. Neen, neen, neen. Haar gezicht bleef onbeweeglijk. Tot het laatste toe, en zelfs nog naderhand; behield het dezelfde strengheid.

Op den dag na de begrafenis van mijne goede, brave peet, zag ik den vreemden heer in het zwart terug. Rachel liet mij roepen, en ik vond hem op dezelfde plaats, alsof hij geheel niet was heengegaan.

„Mijn naam is Kenge,quot; zeide hij. „Dat zult gij u misschien wel herinneren, mijn kind. Kenge en Carboy, van L i n c o 1 n \'s I n n.quot;

ik antwoordde dat ik mij herinnerde hem nog eens gezien te hebben.

,6a zitten ....... hier bij mij. Maak u maar niet

bedroefd; dat kan toch niet baten. Juffrouw Rachel, ik behoef ti, die met de zaken van wijlen juffrouw Barbary bekend waart, niet te onderrichten dat hare middelen met haar stierven; en dat deze jongejuffrouw, nu bare tante over leden is „Mijne tante, mijnheer!quot; - „Er

bestaat waarlijk geene reden om eene misleiding voort te zetten, als zij geen doel meer heeft,quot; zeide mijnheer Kenge zeer vlot. ,Feitelijk uwe tante, hoewel niet in rechten. Maak u maar niet bedroefd. Schrei maar niet. Beef maar niet. Juffrouw Rachel, onze Jeugdige vriendin heeft zonder twijfel wel gehoord van het van een -van Jarndyce en Jarndj ce.\' — „Nooit,quot; zeide Rachel. „Is het mogelijk,quot; vervolgde mijnheer Kenge, zijn bril opzettende, „dat onze jeugdige vriendin ik v e r z o e k n, maak u toch niet bedroefd nooit van Jarndyce en Jarndyce gehoord heeft!quot;

Ik schudde mijn hoofd, geheel niet begrijpende waarvan hij sprak.

„Niet van Jarndyce en Jarndyce ?quot; zeide miin-h er Kenge; over zijn bril naar mij kijkende, en het huisje zachtjes om- en omdraaiende alsof hij iets liefkoosde. .Niet van een der grootste kanselarijprocessen die men kent? Niet van Jarndyce en Jarndyce het een — op zich zelf een monument van kanselarijpraktijk? Waarin, zou ik zeggen, alle moeieiykheden, alle incidenten, alle meesterlijke fictun, alle vormen van procedure\' in dat Hof bekend, bij herhaling zijn voorgekomen? Het is een proces, dat buiten dit groote en vrije land niet zou kunnen bestaan. Ik zou zeggen, dat het gezamenlyk bedrag dei-kosten in Jarndyce en Jarndyce, juffrouw Rachel,quot; ik vrees dat hij tot haar hel woord richtte, omdat ik niet oplettend scheen, „op den dag van heden tusschen de zestig en zeventig duizend pond beloopt,\' zeide mijnheer Kenge, in zijn stoel achteroveilelihende.

Ik gevoelde dat: ik zeer onwetend was. maar wat kon ik er aan doen? Ik was zoo geheel onbekend met de zaak, dat ik zelfs toen er nog niets van begreep.

„En heeft zij waarlijk nooit van dat proces gehoord!quot; zeide mijnheer Kenge. „Verbazend!\'\'.

„JuftYouw Darluiy, mijnheer.quot; antwoordde Kachel, „die nu onder de hemelingen is quot; .Ik hoop waarlijk van ja,quot; zeide mijnheer Kenge beleefd. „Verlangde dat Estherallei n zou welen wat haar dienstig kon zijn. En zij weet. voor zooverzij het hier geleerd h( \'li, nii Is meer.quot;

..Wei.quot; z.eidi mijnheer Kenge. „Over het geheel zeer wel overlegd. Nu tot de zaak,quot; vervolgde hij, zich naar mij keerende. „1 mar juf-


-ocr page 18-

HET VEHLATFiN HI IS.

fiouw Barbary, uwe eenige bloedverwante (dat is feitelijk, want ik ben verplicht aan te merken, dat gy in rechten geene bloedverwanten hadtgt;, nu overleden is, en men niet kan verwachten dat juffrouw Rachel —quot; — ,0 Heere neen!\' zeide Rachel snel. ,Juist,\' zeide mijnheer Kenge toestemmend. „Dat juffrouw Rachel zich met uw onderhoud zou belasten (Ik verzoek u, maak u toch niet bedroefd i, zijt gij in eene positie om de vernieuwing van een aanbod te ontvangen, dat ik twee jaren ueleden gemachtigd was aan juffrouw Barbary te doen, en dat. hoewel toen afgewezen, bedongen werd, dat onder de treurige omstandigheden, die sedert hebben plaats gehad, vernieuwbaar zou zijn. Wanneer ik nu beken dat ik, in Jarndyce en .Tarndyce, en in andere zaken, de gemachtigde ben van een zeer menschlievend, maar tegelijk zonderling man, zal ik mij dan compromit-teeren door de voorzichtigheid, die ik steeds in mijn vak in acht neem, uit het oog te verliezen?quot; zeide mijnheer Kenge, weder in zijn stoel achteroverleunende en ons beiden met kalme tevredenheid a an zi e n de.

Hij schi i n zich bovenal te verlustigen in den klank zijner eigene stem. Ik kon mij daarover niet verwonderen, want zij was zacht, vol en buigzaam, en gaf groot gewicht aan ieder woord dat hij sprak. Hij luisterde met blijkbaar genoegen naar zich zeiven. en sloeg somtijds zachtjes met zijn hoofd de maat bij zijne eigene muziek, ol\' ronddi■ een volzin met zijne hand af. Hij boezemde veel ontzag in - zelfs toen, eer ik wist rlat hij zich gevormd had naar het model van een grooten lord. die zijn client was, on dat hij algemeen (Jonversatie-Kenge werd genoemd.

„Mijnheer Jarndyce.quot; vervolgde hij. «bekend zijnde met den ik mag wel zeggen bekla-genswaardigen toestand van onze jeugdige vriendin. doet het voorstel orn haar op een instituut van den eersten rang te plaatsen, waar hare opvoeding voltooid zal worden, waar men zal zorgen dat zij het goed heeft, waar hare billyke wonschen voorkomen zullen worden, waar zij lgt;ii uitstek bekwaam zal worden gemaakt om haar plicht te vervullen in dien levensstand. waartoe liet zal ik zeggen de Voorzienigheid? behaagt heeft haar te roe pen.quot;

Mijn hart werd zoo vol. zoowel door hetgeen hij zeide, als door zijne aandoenlijke manier van hlt; t tgt; zeggen, dat ik niet in staat was om te spreken, hoewel ik dit beproefde

„Mijnheer .Inrndyce,quot; vervolgde hij. „maakt geene voorwaarden, behalve dal. hij zijne verwachting te kennen geeft, dat onze jeugdige vriendin zich te ge. ner tijd van het bedoelde instituut zal verwiideren, zonder zijne voorkennis en medewerking. Dut zij zich ijverig zal toeleggen op het verwerven van die talenten, van welker uitoefening zij\'eens zal nine-ten bestaan. Dat zij het pad van deugd en eer zal betreden, en de en — zoo voort.quot;

Ik was nog minder in staat om te spreken dan te vormen.

„Nu, wat zegt onze jeugdige vriendin?quot; hervatte mijnheer Kenge. „Neem den tijd maar, neem den tijd maar. Ik wacht wel naar haar antwoord. Neem den tijd maar.quot;

Wat het hulpbehoevend voorwerp van zulk een aanbod poogde te zeggen, behoef ik niet te herhalen. Wat zij werkelijk zeide, zou ik gemakkelijker kunnen mededeelen. als het de moeite waard was. Wat zij gevoelde en tot het uur van haar dood zal gevoelen, zou ik nooit kunnen uitspreken.

Dit gesprek had te W i n d s o r plaats, waar ik. zoover ik wist, geheel mijn leven had doorgebracht. Eene week na dien dag verliet ik deze stad, en reed. ruim van alle benoo-digdheden voorzien, met de diligence naar R e a d 1 n g.

Rachel was te vroom om bij het scheiden eenige aandoening te gevoelen, maar ik was zoo vroom niet en schreide bitterlijk. Ik dacht dat ik na zoovele jaren meer met haar vertrouwd had moeten zijn, en mij genoeg tot hare gunsteling had moeten gemaakt hebben om haar ook aangedaan te doen worden. Toen zij mij een kouden afscheidskus op mijn voorhoofd gaf, gelijk een dauwdrop van hetsteenen uitstek boven de deur het was een zeer koude dag, gevoelde ik mij zoo ellendig en zoo vol zelfverwijt, dat ik mij aan haar vastklemde en haar zeide, dat het mijne schuld was, wist ik wel. dat zij mij zoo gemakkelijk kon vaarwelzeggen.

„Neen, Esther,quot; antwoordde zij. „Het is uw ongeluk.quot;

De diligence stond voor het hek van den tuin -wij waren niet buitengekomen voordat wij do wielen hoorden en zoo verliet ik haar, met een droevig hart. Zij ging weder in huis, eer mijne koffers waren opgeladen, en sloot de deur. Zoolang ik het huis kon zien, keek ik er naar uit het portier, door mijne tranen. Mijne peet had Rachel het weinige nagelaten dat zij bezat; en er zou eene verknoping plaats hebben, en een oud haardkleedje met rozen er op, dat ik altijd het mooiste ding van de wereld had gevonden, hing nu buiten in de sneeuw. Een paar dagen te voren had ik de lieve, oude pop in haar eigen doekje gewikkeld, en haar stil -ik schaam mij bijna om het te zeggen - in den tuingrond gelegd, onder den boom die mijn venster beschaduwde. Ik had geen gezelschap meer behalve mijn vogeltje, en dat nam ik in zijn kooi, je mede.

Toen het huis niet meer te zien was, zat ik met het kooitje voor mijne voeten in hetstroo, naar voren op de lage bank, om uit het hooge raampje te kijken, en tuurde naar de berijpte boomen, die naar fraaie kristallen geleken, en


-ocr page 19-

OP EEN INSTITUUT GEPLAATST,

13

naar de effene, wit besneeuwde velden, en naar de zon, zoo rood, maar die zoo weinig warmte gaf, en naar het ijs, zoo donker als metaal, waaide schaatsenrijders en glijders de sneeuw had den weggeveegd. Er was nog een heer in de diligence, die op de bank tegenover mij zat, en in jassen en mantels gewikkeld, er zeer groot en breed uitzag; maar hij keek uit het andere raampje en lette niet op mij.

Ik dacht aan mijne doode peet, aan den avond toen ik voor haar lus, aan het strakke en strenge gezicht, waarmede zij in haar bed lag, aan de vreemde plaats, waar ik naar toe ging, aan de menschen, die ik daar zou vinden, en hoe zij er uit zouden zien en wat zij tegen mij zouden zeggen, toen eene stem in de diligence mij geweldig deed schrikken.

Die stem zeide: „ \\V aar duivel huilt ge toch om ?quot;

Ik was /.00 verschrikt, dat ik mijne stem verloor en slechts fluisterend kon antwoorden: „ik, mijnheer?quot; Want het moest natuurlijk die dicht ingebakerde heer zijn geweest, hoewel hij nog uif zijn raampje keek. — „Ja, gil,quot; zeide hij, zich omkeerende. - „Ik wist niet dat ik schreide, mijnheer,quot; bracht ik haperende uit. „Maar dat doet gij toch,quot; zeide hij. „Zie maar hier!quot; Hij kwam vlak tegen mij over, uit den anderen hoek, veegde met een van zijn breede, bonten opslagen over mijne oogen (maar zonder mij zeer te doen) en liet mij zien dat het bont nat was. „Daar, nu weet ge het toch wel,\' zeide hij. „Niet waar?quot; -la, mijnheer,quot; zeide ik. „En waarom huilt ge?quot; zeide hij weder. „Wilt ge daar niet naar toe?quot; — „Waar, mijnheer?quot; „Waar? Wel. waar ge naar toe gaat,quot; zeide-de

vreemde heer......, Ik ben heel blijde, dat ik daar

naar toe ga, mijnheer,quot; antwoordde ik. „Welnu! Kijk dan blij,quot; zeide hij.

ik vond hem zeer vreemd; of liever wat ik van hem zag vond ik zeer vreemd, want hij was tot aan de kin toe ingebakerd, en zijn gezicht werd bijna verborgen door een* bonten muts, met breede bunten kleppen cp beide zijden van zijn hoofd, die onder zijne kin waren vastgemaakt; maar ik was nu weder bedaard en niet bang voor hem. Ik zeide hem dus dat ik dacht, dat ik over den dood van mijne peet had moeten schreien, en omdat Rachel niet bedroefd was dat ik heenging.

„Och, die Rachel!\' zeide de vreemde heer. „Laat zij maar in oen stormwind op een bezemstok wegvliegen!\'

ik begon waarlijk bang voor hem te worden en zag hem met de grootstf verbazing aan. Maar ik vond toch dat hij vriendelijke oogen had, hoewel hij gramstorig bleef zitten mompelen, en Rachel allerlei namen gaf.

Na eene poos sloeg hij zijne manteljas open, die mij wijd genoeg voorkwam om er de ge heele diligence in te wikkelen, en stak zijn arm in een diepen zak op zijde.

„Kijk nu eens hier,quot; zeide hij, „In dit papier,\' dat netjes toegevouwen was, „is een stuk van den besten tulband die voor geld te krijgen is suiker er op een duim dik, als het vet op larnskarbonaden. En hier is een pasteitje (een juweeltje is het, zoowel van grootte als van qualiteit), in Frankrijk gemaakt. En waarvan denkt gij dat het gemaakt is? Van levers van vette ganzen. Dat is eerst een pasteitje. Laat ik u dat nu eens zien opeten.quot; -,, Wel bedankt, mijnheer,quot; antwoordde ik,, Waarlijk wel zeer bedankt, maar ik hoop, dat gij het mij niet kwalijk zult nemen ; het is mij te machtig.quot; — „Al weer kapot!\' zeide de vreemde heer, eene uitdrukking die ik niet begreep, en wierp beide het portier uit.

Hij sprak niet meer tegen mij, voordat hij. niet ver van Reading, afstapte. Toen raadde hij mij een goed meisje te zijn en vlijtig te loeren, en gaf mij de hand. Ik moet zeggen, dat zijn vertrek eene verademing voor mij was. Wij lieten hem aan een mijlsteen, ik ben dien naderhand dikwijls voorbijgewandeld, en langen tijd kon ik dat niet doen, zonder aan hem te denken en half en half te verwachten, dat ik hem zou ontmoeten. Maar dat deed ik toch nooit; rn zoo geraakte hij mij, door verloop van tijd, uit het hoofd.

Toen de diligence stilhield, keek eene zeer net gekleedr dame naar het portier op en zeide: „JuffrouwDonny.quot; „Neen, mevrouw,Esther Summerson.\' „Juist,\' zeide de dame, „juffrouw Donny.quot;

Nu begreep ik, dat zij zich zelve bij dien naam bekend maakte, en verzocht ik juffrouw Donny verschooning voor mijne vergissing, en wees op haar verzoek mijne koffers aan. Onder toe zicht van eene zeer net gekleede meid, werden zij boven op een zeer klein, groen koetsje geladen, en toen stapten juffrouw Donny, do meid en ik daarin, en reden heen.

„Alles is voor u gereed, Esther,quot; zeide juffrouw Donny, „en de lijst van uwe lessen is ook al ojigemaakt, geheel in overeenstemming met de wensehen van uw voogd, mijnheer Jarn-dyce.quot; „Van wien zegt, gij, juffrouw?quot; „Van uw voogd, mijnheel\'Jarndyce,quot; herhaalde juffrouw Donny.

Ik was zoo onthutst, dat juffrouw Donny dacht dat de koude mij bevangen had, en zij mij haar retikflesehje gaf.

„Kent gij mijn voogd, mijnheer Jarndyce, juffrouw?quot; vroeg ik, na vrij wat haperens. „Niet persoonlijk, Esther,quot; antwoordde juffrouw Donny, „alleen door zijne solliciteurs, de hee-ren Kenge en Carboy, van Londen. Een uitstekend man, die mijnheer Kenge. Ken echt voorbeeld van welsprekendheid. Somtijds mogen zijne perioden majestueus genoemd worden.quot;

ik gevoelde dat dit waar was, maai was te zeer verward om er veel op te letten. Onze


-ocr page 20-

HET VEKI.ATKN Hl\'IS.

spoedige aankomst op do plaats onzer bestom-ming, eer ik tijd had gehad om mij te herstellen, deed mijne verwarring nog toenemen; en ik zal nooit vergeten welk een voorkomen van onbestemdheid en onwezenlijkheid alles op Groenhof (de woning van juffrouw Donny) dien achtermiddag had.

Maar spoedig werd ik er aan gewoon Het duurde maar kort, of ik had mij zoodanig aan de routine van Groenhof gewend, dat het scheen alsof ik daar reeds lang was geweest, en dat ik mijn vroeger leven bij mijne peet veeleer gedreomd dan werkelijk doorleefd had. Niets kon geregelder, stipter en ordelijker zijn dan Groenhof\'. Er was een tijd voor alles, de geheele wijzerplaat. rond, en alles word op het daarvoor bepaalde oogenbllk verricht.

Wij waren met ons twaalven kostjuflertJ(.-. en dan waren er de twee juffrouwen Donny, tweelingen. Het was bepaald, dat ik door den tijd van mijne bekwaamheden als gouvernante zou moeten leven; en ik werd niet alleen in alles onderwezen wat op Uroenhof geleerd werd, maar ook spoedig gebezigd om anderen te helpen onderwijzen. .Schoon ik in alle andere opzichten evenals de andere meisjes werd behandeld. werd er van het besjin af aan dit verschil met mij gemaakt. Naarmate ik meer leerde, moest ik meer lessen geven, en zoo had ik na verloop van tijd volop werk, lat ik zeer gaarne deed. omdat de lieve meisjes daardoor veel van mij begonnen te houden. Eindelijk, als er eene nieuwe leerlinge kwam, die wat neerslachtig en verdrietig was, was het zoo zeker—ik weet waarlijk niet waarom — dat zij mij tot hare vriendin maakte, dat op het laatst alle nieuwelingen aan mijne zorg werden toevertrouwd. Zij zeiden dat ik zachtzinnig was; maar ik weet wel dat zij dat waren! Ik dacht dikwijls aan het besluit, dat ik op mijn verjaardag had genomen, om vlijtig, vergenoegd en trouwhartig te zijn, en iemand eenig goed te doen, en de liefde van anderen te winnen als ik kon; en waarlijk, waarlijk, ik schaamde mij bijna dat ik zoo weinig gedaan en zooveel liefde gewonnen had.

Ik bracht op Groenhof zes stille, gelukkige jaren door. Ik zag daar nooit in een gezicht op mijn verjaardag, den hemel zij dank, dat hei beter zou geweest zijn als ik nooit geboren was. Als die dag terugkwam, bracht hij zoovele blijken van liefderijk aandenken meile, dat mijiie kamer er van Nieuwjaarsdag tot Kerstmis door versierd werd,

In die /es jaren was ik nooit daar vandaan geweest, behalve om in de vacant ie ergens In

de nabijheid te gaan logeeivn. Na d(.........

zes maanden ei\' daammstreeks had ik juffrouw Donny geraadpleegd, of het niet voegzaam zou zijn aan mynheer Keng( te schrijven, om hem te /.eggon dat ik gelukkig en dankbaar was.

en met hare goedkeuring had ik zulk een brief geschreven. Ik ontving een stokstijf bericht van | de ontvangst daarvan, waarin gezegd werd; ..Wij nemen notitie van den inhoud, welke naar behooren aan onzen cliënt zal worden medegedeeld.quot; Daarna hoorde ik juffrouw Donny en hare zuster er somtijds van spreken, hoe geregeld mijne rekeningen betaald werden, en ongeveer- tweemaal in het jaar waagde ik het een dergelijken brief te schrijven. Ik ontving met de eerste post altijd volmaakt hetzelfde ant- 1 woord, met dezelfde ronde hand geschreven, en met de handteekening van Kenge en Carboy in geheel ander schrift, hetwelk ik voor dat van mijnheer Kenge hield.

Het komt mij zoo zonderling voor, dat ik dit alles van mij zelve moet schrijven! Alsof dit verhaal een verhaal van m ij n leven was! Maar mijn onbeduidend persoontje zal nu spoedig naar den achtergrond wijken.

Zes stille jaren (ik zie dat ik dit voor de tweede maal zeg) had ik op Groenhof gesleten, terwijl ik in allen om mij heen. als ware het in een spiegel, eiken trap van mijne eigene ontwikkeling zag, toen ik op een November-och-tend dezen brief ontving; (Ik laat den datum maar weg).

.,0 1 d S q u a r e, I, i n c o I n \' s 1 n n, Jarndyce en Jarndyce.

Mejuffrouw!

„Daar onze client, de heer Jarndyce, eerstdaags. volgens eene order van het Hof der Kanselarij, eene pupil van den kanselier in deze zaak in zijn huis zal ontvangen, voor welke hij wenscht zich van eene geschikte gezellin te voorzien, belast hij ons om u te berichten, dat het hem genoegen zou doen op uwe diensten in voormelde hoedanigheden te mogen rekenen.

, Wij hebben schikkingen gemaakt voor uwe kostelooze overkomst, met de diligence om acht uur van Reading, op maandagmorgen aanstaande, naar het Witte Paard, Piccadilly, Londen, waar een van onze klerken zal wachten om u naar ons kantoor te brengen, als bovengemeld.

.Wij zijn, mejuffrouw,

I we Dw. Dn.

Kenge en lt; arboy.

Mej. Esther Bummerson.\'

O. nooit, nooit, nooit zal ik de aandoening vergoten, die deze briefin het huis veroorzaakte. Het was zoo lief van hen, zooveel om mij te geven; het was zoo genadig van dien Vader, die mij niet vergeten had, dat hij mij, arme w—. rnijn pad zoo effen en gemakkeiijk had gemaakt, en zoovele jeugdige harten naar mij geneigd had dat ik het bijna niet kon uit-


-ocr page 21-

KKX VAARWEL AAN OUDE VIMEXDEX, 15

staan. Niet dat ik gewild liad dat zij minder was liet tijd om naar Londen uit te kijken

Dedroekl waren ik vrees van neen, maar het Ik was vast overtuigd dat wij daar al waren,

daaivan, en de siuurt daarvan, en toen wij er nog tien mijlen vandaan waren; en

i l|f. trotschheid daarop, en de nederigste spijt 1 toen wij er werkelijk waren, dacht ik dat wij :

da.110vei, mengden zich zoodanig ondereen, er nooit zouden komen. Evenwel, toen wij over

inijn liai t bijna schoon to zullen I) reken, straatsteenon begonnen te hot son, en vooral

teiwijl het toch vol verrukking\' was. toen wij tegen alle andere rijtuigen, en alle

De brief gaf mij slechts vlj Magen vooruit waar- andere rijtuigen tegen ons aan schenen te moe-

l sehuwing van mijne verhuiziiig/roenelkeniitiuut ten rijden, begon ik te gel00ven dat wij werke-

de bew ijzen van goedheid en liefde vermeerderde, lijk het eind van onze reis naderden. Zeer kort

die mij in die dagen werden gegeven; en toen daarna hielden wij stil.

I eindelijk die morgen kwam, en zij mij door al Een jong heer, die zich toevallig met inkt had

i de kamers brachten, opdat ik: ze nog eens voor bemorst, sprak mij van de straat aan en zeide;

het laatst zou zien; en toen sommigen riepen: : Ik ben van Kenge en Oarbov, juffrouw, vaii

j „Lieve Esther, zeg my hier goedendag, bij mijn Lincoln\'s Inn,quot; „Als het nquot; belieft mijn

j bed, waar gij mij het eerst zoo vriendelijk hel)t heer,quot; zeide ik.

toegespioken . en toen anderen mij vroegen om Hij was zeer beleefd, en toen hij mij in een\'

alleen hare mimen te schrijven „niet Esther\'s vigilante hielp, nadat hij naar het bezorgen van

I liefde;\' en toen allen mij inet hare afecheids- mijne koffers had gezien, vroeg ik hem of er

geschenken omringden en zlcli schreiend aan mij ergens een groote brand was. Want de straten

vastklemden en riepen : „Wat zullen wij doen, waren zoo vol rook een dikke bruine rook

i als die lieve, lieve Esther weg is !\' en toen ik dat men bijna niets kon zien.

I ze poogde te zeggen hoe goed en inschikkelijk j „O heere, neen, juffrouw,quot; zeide hij. Dat

zij allen vooi mij geweest waren, en hoe ik ze Is eene eigenschap van L on den.quot;

allen dankte en zegende iioe was hut mij toen Ik had nooit van zoo iets gehoord.

te moede ! „Een mist, juffrouw,quot; zeide de jongeheer,

i En toen de twee juffrouwen Donny zoo be- i „Zoo waarlijk:\' zeide ik.

I dn.efd waren, omdat zy van mij moesten scliei- Wij reden langzaam door de morsigsteen don-

den als de geringste van allon; en toon de mei- kerst,e straten, die men ooit in de wereld ge-

den zeiden: „God zegene u, juffrouw, waar gü zien heeft, (dacht ik) en waarin zulk eene ver-

I ook wezen moogi 1quot; en toen de leelyke, kreu- | bijsterende opschudding en verwarring heersch- |

pen\' tuinman, dien ik dacht dat in die jaren ten. dat ik mij verwonderde hoe de menschen

byna nooit op mij gelet had, «Ie diligence hij- bij hunne zinnen bleven, tot wij opeens, onder

trend achterna kwam. om mij ecu ruikertje ge- eène oude poort door, in de stilte kwamen, en

i laniums te geven, en mij zeide dat ik het licht verder over een doodstil pleintje reden naar een

1 van zijne oogen geweest was — waarlijk, dat : wonderlijken inham in een hoek, waar een por-

zeide de oude man hoe wash et mij toen te moede! taal was met eene breede, stijle trap, gelijk een

En kon ik het helpen, met dat alles, en toen kerkportaal. En daar was waarlijk een kerkhof

^ ij\' aan de kleine school kwamen, en ik onver- ook, buiten onder eene opene galerij wantik

wacht de arme kinderen buiten zag, die met zag de grafsteenon door hot trapvenster.

1 hoeden en petten naar mij wuilden, en een grijs- Hier waren wij bij Kj-nge en Carboy. De jonge

j\'aijg boei met zijne vrouw zag, wier dochter heer bracht mij door een kantoor naar de kamer

ik had helpen onderrichten en bij wie ik aan van mijnheer Kenge er was niemand — en

I huis had gelogeerd, (en die men zeide dat do zette beleefd een leuningstoel voor mij bij het

tiotsi hte lieden 111 den geheelen omtrek waren) vuur Toen vestigde hij mijne aandacht 011 een

en zach nu mei ontzagen oin mij toe te roepen; spiegeltje, dat, op zijde van den schoorsteen aan

,,\\;ilt;ii wol. Est iiri . \\\\ oos tiltijlt;l ürclukkiix 1quot; kon oon spijke r liinic.

i \'k \'quot;\'J \'oen holpen. dat ik geheel van mijn stuk „in geval gij 11 eens mocht willen bezien juf.

Seraakie, mi ik weet niet hoe dikwijls zeide: frouw; na de reis, daar gij voor den kanselier

1 «O. \'k ben zoo dankbaar, ik h-n üoo dankbaar!» zult komen. Niet dat hei juist noodig is waar-

Maar ik bedacht mij. natiunlijk, al spoedig dat lijk niet.quot; zeide de jongeh^ r beleefd Voor

ik daar, waar ik naar toe ging, geene tranen den kanselier komen ?\'zeide ik, vnor een oo-.-n

i ?oest medebrengen na al wal er voor mij ge- Mik verschrikt. „Niets anders dan eenelbr-

: daan wa,^. Daaioin dwong ik in IJ natuurlijk, om maliteit, juffrouw,\'- antwoordde (h jongeheer.

I inindei te snikken, en overreedib ik mij zelve „Mijnheer Kemre is nu in het Hol\'. Hij heeft zijn

i 05? bedaren, door zeer dikwijls tlt;* zeggen: compllinentgelal.en, en of gij eonige ve\'rversching

„Kom aan, Esther, houd u goed! Dat gaat zoo wondt gebruiken.» er stonden beschuitjes en

ni\' a,,ll\' vioolijk te ik my vrij wol o[». oono karaf nnM wijn op cou tafeiljr; nn do

schoon ik vrees dat ik daar langer werk toe had courant, eens inkijken,quot; welke de jongeheer mü

dan ik had moeten hebben : en toen ik mijne tegelijk overgaf. Daarna pookte hij het vuur op

oogen met wat, eau de lavende had afgekoeld, on liet mij alleen.

-ocr page 22-

1« HET VERLATEN HUIS.

Alles was zoo vreemd des te vreemder om- zeide zij mij, en heette Richard Carstone. Hij

dat het hier bij dag nacht was, en de kaarsen was een knap jonkman, met een openhartig

met eone witte vlam brandden en er guur en uitzicht en een zeer innemenden lach; en na-

koud uitzagen dat ik de woorden in de cou dat zi| hem bij ons had geroepen waar wij zaten,

raar. las zoader te weten wat zij betekenden, bleef hij daar staan, ook in het schijnsel van

en bevond dat ik dezelfde woorden gedurig we- het vuur, en praatte vroolijk mede,als een hup-

der overlas. Daar het tot niets nut was zoo voort sche jongen, ilij was nog zeer jong, toen niet

te gaan, legde ik de courant neer, keek eens ouder dan negentien, als hij al zoo oud was,

in den spiegel naar mijn hoed, om te zien of maar toch bijna twee jaren ouder dan zij. Zij

hij goed stond, en zag toen rond ia de kamer, warea beide weezea, ea (wat aiij geheel oa-

die niet half verlicht was, en naar de oude, verwacht was en ik zeer merkwaardig voad)

bestofte tafels, ea de stapels papieren, en eeae hadden elkander voor dien dag nog nooit ont-

boekeakast vol boeken, die er zoo geducht uit- aioet. Dat wij met ons drieën voor het eerst op

zagen als boeken ooit konden doen. Toen bleef zulk eene ongewone plaats bij elkander kwa-

ik al zitten denken endenken,en het vuur bleef men, was juist iets om over te praten; ea zoo |

branden ea branden, en de kaarsen bleven al praatten wij daarover; en het vuur, dat nu niet

llikkeren en afloopen, on cr was geea snuiter meer bulderde, knipte met zijae roode oogea

\' tot de jongeheer er eindelijk een bracht, die naar ons - zeide Richard als een oude,

heel vuil was twee uren laag. dommelige Kanselarijleeuw,

Eindelijk kwam mijnheer Kenge, Hij was niet Wij spraken zacht, omdat een geheel ia het

veranderd; maar hij was verwonderd toen hij zwart gekleed heer aiet eene pruik ea een haar-zag hoe ik veranderd was, en scheen zeer in . zak dikwijls in- en uitging en als hij dat /.ijn schik, „Daar gij juffrouw van gezelschap j deed, konden wij in de verte een droomerig zult worden bij de\'jonge dame, die nu bij den : geluid hoorea — hetgeea Richard zeide, dat i kanselier ia zijne kamei is, juffrouw Summer- \\ een van de advocaten ia onze zaak was, die ;

son,quot; zeide hij, „hebben wij het raadzaam ge- den kanselier aansprak. Hij zeide mijnheer acht, dat gij liier ook aanwezig zoudt zijn. Gij , Kenge, dat de kanselier binnen vijf minuten j

zult toch niét; ontstollen van den lord-kanselier, zou opstaan ; en weldra hoorden wij eene be- |

zou ik denken?quot; „Noen, mijnheer,\'\' zeide ik, weging en ten gescharrel van voetstappen, en

,\'dal. geloof ik niet,quot; Inderdaad, mij daaiop be toen zeide mijnheer Kenge, dat het Hof opge-

denkeade, wist ik niet waarom, staan en zijne lordschap in de naaste kamer was, j

Mijnheer Kenge gaf\'mij dus zijn arm ; en wij De heer met den haarzak opende bijna ter- \\ gingen den hoek om, onder eene (colonnade door 1 stond daarop de deuren verzocht mijliheer Kenge j

en eene zijdeur in; en zoo kwamen wij, door om binnen te komen. Daarop gingen wij allen j

een gang, in eene fraaie kamer, waar eene jonge naar de naaste kamer; Kenge vooruit met mijn

dame en een jongeheer stonden, bij een groot lievelingetje dit is mij nu zoo natuurlijk, dat ; vuur, dat bulderend in den schoorsteen opsloeg, ; ik mij niet kan weerhouden het te schrijven; |

Tusschen hen en dat vuur stond een scherm, ea daar, éénvoudig ia het zwaï t gekleed, en in

en z.y stonden, op dat scherm leunende, te praten, een leuningstoel aan eene tafel bij het vuur ge- ;

Zij keken beiden op toen ik binnenkwam, en zeten, was de lord-kanselier, wiens tabbaard,

in de jonge dame, door het vuur beschenen, met heerlijk gouden passement bezet, óver een

zag ik o zulk een schoon meisje! Met zulke anderen stoel hing. Hij zag ons, toen wij bin-

wellge, goudblonde krullen, zulke zachte, blauwe nenkwamen, uitvorschend aan, maar zijne hou-

oogen,\' en zulk een helder, onschuldig, vertrou- ding was zoowel beleefd als vriendelijk.

wel ij k\' gezichtje! De heer met den haarzak legde eenige bun- |

.juffrouw Ada,quot; zeide mijnheer Kenge, „dit dels met papieren op de tafel, ea zijae lordschap

is juffrouw Bummerson,quot; koos er stilzwijgend een uit en sloeg de bla- ,

/ij kwam mij te gemoet met een vriendelijk den om,

laeli\'je en \' ene i\'iitgestokeue hand, maar scheen .Juffrouw Glare,quot; zeide de lord-kanselier, j

zich oogenblikkelijk anders tt bedenken, en gaf „Juffrouw Ada Glare.quot;

mij een kus. Kortom, zij had iets zoo natuur- Mijnheer Kenge presenteerde haar, en zijne

lijk innemends in hare manieren, dat wij bin- lordschap verzocht haar om bij hem plaats te j

nen weinige minuten, op de vensterbank, in nomen. Dat hij haar bewonderde en belang- i

het schijnsel van hel vuur, mei elkander zaten stelling voor haar opvatte, kon zelfs ik ineen j

te praten zoo vrijmoedig en genoeglijk alsmaar oogenblik zien Het trof mij, dat het ouderlijke \\ mogeUik\'was. { huis van zulk een schoon en jeugdig wezen door :

Welk een pak van mijn hart! Het was zoo zulk eene droge oflicieele plaats moest verte-

verrukkelyk te weten dat zij mij vertrouwen genwoordigd worden. Ik vond den lord-kanse-

en van rnij houden kon! Hel was\'zoo goed van lier, op zijn best genomen, zulk een ellendig

baar • ?i zoo bemoedigend voor mij! plaatsvervanger voor een vader met zijne tee-De jongeheer was een verre \'neef van haar, 1 dere liefde en trotsche ingenomenheid.

-ocr page 23-

DE l\'UPILLEX IN DE KANSELARIJ,

17

„De bedoelde Javndyco,\' zeide de lord-kan-selier, nog de bladen omslaande, „is de Jarn-dyce van het Verlaten Huis.quot; — „Ja, mylord,quot; zeide mijnheer Kenge, „de Jarndyce van het Verlaten Huis.quot; — „Een naargeestige naam,quot; zeide de lord-kanselier. ■ „Maar geene naargeestige plaats tegenwoordig, mylord,quot; zeide mijnheer Kenge. - „En het Verlaten Huis,quot; zeide zijne lordschap, „ligt in quot; „Jn Hertfordshire, mylord.quot; „Mijnheer Jarndyce is niet getrouwd,quot; zeide zijne lordschap. „Neen, mylord, niet quot;getrouwd,quot; zeide mijnheer Kenge.

Eene poos van stilte.

Zijne lordschap zag mij met toegeeflijke welwillendheid aan en beantwoordde mijne buiging zeer minzaam.

„Juffrouw Summerson is niet verwant aan eene partff in de zaak, meen ik?quot; „Neen, mylord.quot;

Eer hij dit nog geheel had gezegd, boog mijnheer Kenge zich voorover en begon toen te fluisteren. Zijne lordschap luisterde met zijne oogen op de papieren, knikte een paar maien, sloeg nog eenige bladen om, en keek niet weder naar mij eer wij heengingen.

Mijnheer Kenge kwam nu, en Richard met hem, naar de plaats waar ik was, dicht bij de


„De jongeheer mijnheer Richard t arstone is hier aanwezig?quot; zeide de lord-kanselier, naar hem omkijkende.

Richard boog en trad vooruit.

„Hm!quot; zeido zijne lordschap, nog meer bladen omslaande. „Mijnheer Jarndyce van het Verlaten Huis, mylord,quot; zeido mijnheer Kenge zachtjes, „verschaft ook eene geschikte gezellin voor quot; „Voor mijnheer Richard (\'ar stone.\' meende ik imaar ik bm ei niet geheel zeker van) zijne lordschap te hoeren zeggen, even zacht en met een glimlach. „Voorjuffrouw Ada clan . Dit is de jonge dame. Juffrouw Summerson.quot;

Dickkvs. /hl icrhleii luiix.

deur, en liel; mijn lievelingetje (het is mij zoo gewoon, dat ik het wederom niet laten kan) bij den lord-kanselier zitten. Zijne lordschap sprak oen poosje alleen met haar; vroeg haar, gelijk zij mij naderhand zeide, of zij wel over de voorgeslagene schikking had nagedacht, of zy dacht dat zij onder het dak van mijnheel Jarndyce van het Verlaten Huis gelukkig zou zijn, en waarom zij zoo dacht. Weldra stond hij beleefd op en ontsloeg haar daarmede, en toer sprak hij een paar minuten met Richard Oars tone, niet zittende, maar staande, en met meer ongedwongenheid en minder complimenten, alsof hij nog wel wist, schoon hij lord-


-ocr page 24-

H KT VERLATEX MCIS,

18

| kanselier was, hoe hij met eeti rondborstig jong- 1 I mensch moest omgaan.

„Heel goed,\' zeide zijne lordschap, hardop, j Ik zal dc ordrr uitvaardigen. Mijnheer Jarn-dyce van het Verlaten Huis heeft) zoover ik kan oordeelen,\' en daarbij keek hij naar mij, „eene zeer goede gezellin voor deze dame ge-1 kozen, en de schikking komt mij over hot ge- | heel de beste voor, die de omstandigheden veroorloven.quot;

Hij zond ons vriendelijk heen, en wij waren | ; allen zeer weltevreden dat hij zoo minzaam en i beleefd was ge woest, waardoor hij zeker niets van zijne waardigheid verloren, maar integen- 1 i deel, naar het ons voorkwam, nog iets gewon- : nen had.

Toen wij onder de kolonnade waren geko-| men, bedacht zich mijnheer Kenge dat hij nog I : even terug moest gaan om iets te vragen, en | liet ons in den mist staan, bij de koets van \' den lord-kanselier, die daar met zijne bedien-i den stond te wachten.

, Wel,quot; zeide Ilicharcl (\'arstone, „dat is afge-: daan! En waar gaan wij nu naar toe, juffrouw 1 Summeison?quot; .W-m-i gij dat niet?quot; zeide ik. „(reheel niet.quot; ,En weet gij het niet, lieve?* vroeg ik Ada. „Neen,quot; zeide zy. „dij | niet?quot; „Volstrekt niet,quot; zeide ik.

Wij keken elkander half lachend aan, dat J wjj daar zoo stonden als de kinderen in het j bosch. toen een wonderlijk oud vrouwtje, met oen ingedeukten hood op en eene reticule in de hand, glimlachend naar ons toe kwam en met groote staatsie voor ons neeg.

„O!quot; zeide zij. „De pupillen in Jarndyce!Zeer verheugd, waarlijk, dat ik de eer mag hebben! 1 Het is een goed voorteeken voor jeugd, hoop j en schoonheid, als zij hier staan en niet weten wat er van komen kan.quot; „Krankzinnig!\' fluisterde Richard, niet denkende dat zij hem kon hooren. „Juist. Krankzinnig, jongeheer,quot; . antwoordde zij zoo snel, dat hij er van schrikte, „ik ben zelve pupil geweest. In dien tijd was j ik niet krankzinnig.\'\' Xa ieder gezegde neeg zy zeer laag en glimlachte daarbij. „Ik had jeugd en hoop. ik geloof ook schoonheid. Maar : dat komt er nu zeer weinig op aan. Geen van i de drie kon mij baten of redden, ik heb de eer om het Hof geregeld bij te wonen. Met mijne 1 documenten. Ik verwacht eene uitspraak, iiin-nenkort. Op don dag des oordeels. Ik heb ont- : dekt, dat het zesde zegel, waarvan in de Open- | baring wordt gesproken, het Oroot Zegel is. Het is al lang open geweest. Als ik u verzoeken mag, ontvang mijn zegen.quot;

Daar Ada eenigszins verschrikt was, zeide ik, gt; om de anno oude vrouw in een goed humeur te houden, dat wij haar zeer verplicht waren.

„Ja-a,quot;,zoi(le zij op een genuiakten toon. „Dat verbeeld ik mij ook. Rn daar is Oonversatie-Kenge. Met zijn- doeümenten. Hoe vaart u edelachtbare?quot; „Heel wel, heel wel. Wees nu niet lastig, als eene goede ziel!quot; zeide mijnheer Kenge, met ons voortstappende. ■ „Geheel niet,quot; zeide de arme oude vrouw. „Alles behalve lastig. Ik zal ze allebei een landgoed geven, en dat is niet lastig wezen, dunkt mij. Ik verwacht eene uitspraak. Binnenkort. Op den dag des oordeels. Dit is een goed voorteeken voor u. Ontvang mijn zegen!quot;

Zij bleef onder aan de steile, breedetrap staan; en toen wij boven waren gekomen en omkeken, stond zij daar nog en zeide, nijgend en glimlachend tusschenieder kort afgebroken gezegde: „Jeugd. En hoop. En schoonheid. En de Kanselarij. En Oonversatie-Kenge, Ha. Ontvang mijn zegen!\'

IV.

TELESC0PIS0HE PHILANÏHEOPtE,

Wij zouden dien nacht bij mevrouw Jellyby i logeeren, zeide ons mijnheer Kenge, toen wij op zijne kamer gekomen waren; en toen keerde . hij zich tot mij en zeide dat ik zeker wel weten zou wie mevrouw Jellyby was,

„Dat weet ik waarlijk niet, mijnheer,quot; ant- , woordde ik. „Misschien mijnheer Garstono — of j juffrouw Clare quot;

Maar neen, zij wisten niets hoegenaamd van mevrouw Jellyby,

„Inderdaad! Mevrouw Jellyby,quot; zeide mijnheer Kenge, met zijn rug naar het vuur staande, en j naar het stofferige haardkleedje turende, alsof ! dit eene levensbeschrijving van mevrouw Jellyby was, „is eene dame van buitengemeen»: kracht van karakter, die zich geheel aan het publiek toewijdt. Zij heeft zich van tijd tot tijd aan eene groote verscheidenheid van onderwerpen van openbaa r belangtoegewljd,en is tegenwoordig (tot iets anders haar aantrekt) geheel aan A frika overgegeven, waarbij zij de aankweeking van den koffleboom, de beschaving der inboorlingen on de gelukkige vestiging van onze overtollige bevolking aan do oevers der Afrikaansche rivieren op het oog heeft. Mijnheer Jarndyce, die verlangend is tot ieder werk by te dragen, waarvan men het waarschijnlijk acht dat het een goed werk zal zijn, en door alle philanthropen zeer gezocht wordt, heoft, geloof ik, eene zeer i iiooge meening van mevrouw Jellyby.\'

Toen verschikte mijnheer Kenge zijne das j eens en keek ons aan.

„ En mijnheer Jelly b\\. miJnheer?\'zeideRjehard. „Ja, mijnheer Jellyby,quot; zeide mijnheer Kenge, „is een ik weet nier, dat ik hern u beter kan beschrijven dan door te zeggen, dat hij de man van no\'vrouw Jellyby is.quot; „Een mu in het cijfer, mijnheer?quot; zeide Richard met een co-mis.-li gezicht, „Dat zog ik niet,quot; antwoordde


-ocr page 25-

JELLYUY.

19

mijnheer Kenge ernstig. „Dat kan ik waarlijk | niet zeggen, want ik weet niets hoegemaand j van mijnheer Jellyby. Ik heb, zoover ik weet, ! nooit het genoegen gehad van mijnheer Jellyby te zien. Mijnheer Jellyby mag een zeer knap man zijn: maar hij is, om zoo te zeggen, verzwolgen in de stralen zijner vrouw.quot;

Mijnheer Kenge zeide ons vervolgens dat, daar de weg naar het Verlaten Huis op zulk een avond zeer lang, donker en vervelend zou zijn, en wij dien dag reeds op reis waren geweest, mijnheer Jarndyce zelf deze schikking had voorgeslagen. Den volgenden morgen vroeg zou er bij mevrouw Jellyby een rijtuig wezen om ons verder te brengen.

Daarop liet hij een schelletje klinken, en kwam | de jongeheer binnen. Hem met den naam van Guppy aansprekende, vroeg mijnheer Kenge of de koffers van juffrouw Summerson en de an-| dere bagage al bezorgd waren. Mijnheer Guppy | antwoordde ja, dat zij bezorgd waren, en dat er eene koets wachtte om ons ook te brengen, 1 zoodra het ons maar beliefde.

„Dan blijft mij alleen nog over,quot; zeide mljn-i heer Kenge, ons beurtelings de hand gevende, „om mijn hartelijk genoegen uit te drukken (goedenavond, juffrouw Glare) over de schik-I king, die heden bepaald is, en mijne (go e de n-| avond, juffrouw Summerson) vurige hoop dat zij strekken zal tot het geluk, het (verheugd van de eer gehad te hebben met u kennis te maken, mijnheer Garstone) welzijn en het voor-| deel, in alle opzichten, van alle belanghebben-i den! Guppy, ga mede, om het gezelschap daar ; goed te brengen.quot; — „Waar is d a a r, mijnheer | Guppy?quot; zeide Richard, toen wij naar beneden I gingen. - ,Niet ver,\'antwoordde Guppy. „Maar i even in T ha vies\' Inn, weet ge wel?quot; „Ik kan niet zeggen, dat ik weet waar dat is, want ik kom van VV i nc li e s ter en ben vreemd in Londen.quot; ,,Maar even otn denhoek,quot; zeide Guppy. „Wij draaien Chancery-Lane maar I in, snorren Hol born langs en dan zijn wij er in vier minuten - het is haast naast de deur. Dat is wel eene bijzonderheid van Londen, niet waar, juffrouw?quot; Hij scheen om mijnentwil zeer verheugd daarover. „De mist is inderdaad zeer dik,quot; zeide ik. „Maar hij hindert u toch zeker niet,quot; zeide Guppy,\'de trede opslaande; „Integendeel, hij schijnt u goed te ; doen, juffrouw, naar uw gezicht te oördeelen.quot;

Ik wist wel dat hij het goed meende met dit , compliment, en toen hij het portier gesloten had en op den bok zat, lachte ik er zelve om ! dat ik er over bloosde ; en wy lachten alle drie, en snapten over onze onervarenheid en het vreemde van Londen, tot wij, onder eene poort door, de plaats onzer bestemming be-1 reikten: eene smalle straat met hooge huizen, die naar een langwerpigen regenbak geleek om den mist in op te vangen. Een woelig troepje

| menschen, voornamelijk kinderen, was voor het 1 huis verzameld waar wij stilhielden, en dat eene doffe, koperen plaat op de deur had, met | het opschrift: jellyby.

„Schrik maar niet!\' zeide Guppy, het portier inkijkende. „Een van de kleine Jellyby\'s heeft zijn hoofd door hot hek van de stoep ge- | duwd.\' — „O, het arme kind !quot; zeide ik. „Laat i i mij er uit, als het u belieft.quot; — „Pas maar ! •op, juffrouw,quot; zeide Guppy. „Die kleine Jel- ( lyby\'s voeren altijd het een of ander uit.quot;

Ik ging naar het arme kind, een van de mor-sigste ellendelingetjes, die ik ooit gezien heb, en vond hem gloeiend rood van angst en hard schreeuwende, met den hals tnsschen twee j ijzeren spijlen geklemd, terwijl een melkboer { en een beadle, met de best mogelijk mee- | ning, hem bij de beenen er uit poogden te trekken, in de verbeelding dat zijn hoofd zich : zóó wel zou laten samendrukken. Daar ik (na hem tot bedaren gebracht te hebben) bevond dat hij een kleine jongen was met een bijzon- 1 der groot hoofd, dacht ik, dat misschien, waar | zijn hoofd tnsschen door kon, zijn lichaam wel ; zou kunnen volgen, en zeide dus dat het beste | middel om hem te verlossen misschien zou zijn, ! hem vooruit te duwen. Dit werd door den melk i boer en de beadle zoo gunstig opgenomen, i dat zij hem terstond in het keldergat zouden j hebben gestooten, als ik hem niet bij zijn schortje had vastgehouden, terwijl Richard \'en Guppy de keuken door wegliepen, om hem to van- I gen als hij losraakte. Eindelijk kwam hij zonder ongeluk beneden, en toen begon hij met een hoepelstok op Guppy los te slaan alsof hij ! razend was.

Er scheen niemand daar in huis te behooren j behalve eene vrouw, die er als eene schoonmaakster uitzag, en van beneden met een bezemstok naar het kind had gestompt: ik weet j niet met welk oogmerk en geloof niet dat zij het zelve wist. ik vooronderstelde dus dat mevrouw Jellyby niet thuis was, en was zeer verwonderd. toen die schoonmaakster in de gang 1 naar ons toekwam, Ada en mij naar eene achterkamer op de eerste verdieping bracht en ons aandiende als „die twee jongejuffrouwen, mevrouw Jellyby!\' Onderweg naar boven vonden j wij nog verscheidene kinderen, en haddon zelfs moeite om in donker niet op hen te trappen; en toen wij bij mevrouw Jellyby binnenkwamen, viel er een van die nrme kleinen met groot geraas de trap af, eene geheele rij trappen hoog, kwam het mij naar het geluid voor.

Mevrouw Jellyby. op wier gelaat zich niets i van de onrust afspiegelde, die wij niet konden nalaten te laten blijken, terwijl het hoofd van het kind met eene bons op elke trap neer- | kwam llichard zeide naderhand dat hij er i zeven had geteld, behalve nog een voor het,


-ocr page 26-

11 KT VIvRl.ATEN HI IS.

povtaal ontving ons met volmaakte geiyk-mocdiuheid. Zij was con niet onbevallig, maar zeer klein en gezet vrouwtje, tusschen de veertig en vijftig, mot fraaie oogen, hoewel zij een zonderling uitzicht hadden, alsof zij altijd in de verte koken. Alsof zij ik haal weder een gezegd( van Richard aan — niet dichterbij konden zien dan Afrika.

„Ik ben waarlijk zeer verheugd,\' zeide mevrouw Jelly by, met eene welluidende stem, „dat ik het genoegen mag hebben van u te ontvangen. Ik heb zeer veel achting voor mijnheer Jarndyee. en niemand, in wion hij belang stelt, kan een voorwerp van onverschilligheid voor mij zijn.quot;

Wij betuigden onzen dank en namen plaats achter de deur, waar eene wrakke, kreupele sofa stond. Mevrouw Jellyby had fraai haar, maar had het te druk mot hare Afrikaansche plichten om het behoorlijk op te maken. De doek, dien zij los om zich hoen geslagen had, zakte op haar stoel af, toen zij naar ons toekwam. En toen zij zich omkeerde om weder te gaan zitti n, konden wij niet nalaten op te merk\' n. dat, haar kleedje van achteren lang niet sloot, en de opene ruimte op haar ïug met een hekwerk van een rijgveter was gedicht goiyk het latwerk van een zornerhuisje.

De kamer, met papiere n bestrooid en bijna gevuld door eene groote tafel, insgelijks daar-mede bedekt, was niet alleen niet aan kant, maar ik moet zeggen zeer vuil. quot;Wij waren wel genoodzaakt met onzen gezichtszin daarop te letten, zelfs terwijl önze gehoorzin hetarme kind volgde, dat van de trap was gevallen, ik denk naar de achterkeuken, waar iemand het scheen t\'- smoren.

Maar wat ons bijzonder trof was een meisje, met een afgemat, onglt;\'/,ond uitzicht, hoewel lang niet leelijk. dat aan eene schrijftafel op de veer van hare pen zat te bijtenen ons aan ti stari n. ik geloof dat nog nooit iemand zoo beïnkt was. Kn van hare zwierende haren tot aan hare kleine voeten, die ontsierd werden door altgesrheurde en neergetrapte satijnen sloffen, «eheen zij waarlijk geen voorwerp van kleeding aan het lijf te hebben, van eene speld af en honger, dat in behoorlijken toestand was of op de reohte plaats zat

,fs\\i vindt mij, ligt; l\'rs.quot; zeide mevrouw Jellyby, twee dikke kantoorkaarsen op blikken kan-detóren snuitende, die de kamer erg naar heet smeer deden ruiken (het vuur was uitgegaan, en in den haard zag men niets dan asrh. een busje hout en een pook) „gij vindt mij, liefjes, volgens gewoonte in groote drukte; maar dal zult jij wel verontschuldigen. Het Afrikaansche plan neemt tegenwoordig al mijn tijd wou. Het wikkelt nul in correspondentie met openbare machten en particuliere personen door hetge-heele land. die belang stellen in het welzijn hunner natuurgenooten. Ik mag met blijdschap j zeggen, dat het vordert. Wij hopen aanstaande jaar tegen dezen tijd tusschen de honderdvijftig j \'en tweehonderd gezonde familiên te hebben, aan het werk om den koffleboom aan te kweeken | en de inboorlingen van Borrioboola-Gha, 1 op den linkeroever van den N iger.te beschaven.quot;

Daar Ada niet sprak en mij aanzag, zeide ik | dat dit zeer stroeiend moest wezen.

„Met is strooiend,\' zeide mevrouw Jellyby. i „Hot vereiseht de toewijding van al mijne krachten, zooals zij dan zijn; maar dat is niets,als het maar gelukt; en ik mag er met eiken dag vaster op vertrouwen, dat het zal gelukken. Weet gij wel, juffrouw Summerson. dat ik mij bijna verwonder, dat gij nooit uwe eigene ge- 1 dachten op Afrika hebt gericht?quot;

Deze toepasselijke wending was mij zoo onverwacht, dat ik niet wist wat er op te zeg- | gen. Ik noemde het klimaat.

„Het heerlijkste klimaat van de wereld 1quot; zeide : mevrouw Jellyby. „Inderdaad,mevrouw?quot; -,Zekerlijk. Met voorzichtigheid,quot; zeide mevrouw ; Jellyby. „(lij kunt zonder voorzichtigheid Hol-born langsgaan en overreden worden. Gfl kunt met voorzichtigheid Holborn langs gaan en nooit overreden worden. Juist zoo met A f r 1 k a.quot; |

Ik zeide: „Zonder twijfel,quot; Ik meende wat Holborn betrof.

„Als pij lust hebt,quot; zeide mevrouw Jellyby, \' ons lt;■enige papieren toeschuivende, „om eenige : opmerkingen over dit punt te lezen, en over de | zaak in het algemeen (die reeds bij duizenden ! verspreid zijn), terwyl ik een brief afmaak, dien ik juist dicteer - aan mijne oudste dochter, die mijn secretaris is

Het meisje aan de tafel hield op met op hare pen te bijten, en beantwoordde ons knikken met eene beweging, die half bloc en half stuursch was.

„Dan zal ik vooreerst gedaan hebben.quot; vervolgde mevrouw Jellyby vriendelijk; „schoon ik ; eigenlijk nooit gedaan heb. Waar zijt gij geble- I ven, Caddy?quot; — „Biedt mijnheer Swallow hare complimenten aan en verzoekt quot; „Enver. zoekt,quot; zeide mevrouw Jellyby, dicteerend, „hem | te mogen berichten, in antwoord op zijne vragen naar de Afrikaansche onderneming neen, | l\'eopv, volstrekt niet.quot;

l\'eepy (door zich zeiven zoo genoemd) was het ongelukkige kind, dat van de trap was gevallen en rui de correspondentie stoorde door, met eene strook pleister over zijn voorhoofd, j binnen te komen, om zyne gekneusde knietjes te laten zien, waarvan Ada en ik niet wisten wat meer ons medelijden opwekte de geschaarde plekken of het vuil. Mevrouw Jellyby vervolgde slechts, met die heldere kalmte waarmede zij alle s zeide: „(iaheen, stoute l\'eepy,quot; en vestigde hare fraaie oogen weder op A f rik a. , Daar zij echter terstond voortging met die- | toeren, en ik haar volstrekt niet stoorde door !


-ocr page 27-

HORHIOBOOLA-iillA.

mijn bedrijf, waagde ik het Peepy, toen hij I ik hun. terwijl ik mij kleedde, het sprookje

{ weder heenging, tegen de houden en op mijn van Roodkapje vertellen. Dit deden zij, en hiel-

; schoot te nemen. Hij keek zeer verbaasd dat den zich zoo stil als muisjes, Peepy ingesloten,

ik dit deed en Ada hem een kus gaf; maar i die juist te gelegener tijd, nog voor de versehij-

weldra viel hij in mijn arm gerust in slaap, ning van den wolf, wakker werd.

i met al langer en langer tusschenpoozen snik- Toen wij naar beneden gingen, vonden wij

kende, tot hij geheel stil wrd. Ik was zooda- de trap verlicht mot een drijvend pitje ineen

nig met Peepy bezig, dat ik niet in bijzonder- : aarden potje; en eene meid, mot een gezwol-

heden op den brief lette, schoon ik er zulk len gezicht en een lap flanel daarom gebonden,

I een algemeenen indruk door kreeg van het ge- ; blies het vuur in liet salon aan (dat nu door

düchte gewicht van A f r i k a en de volstrekte eene apehe dein; met mevrouw Jellyby\'s kamer

onbeduidendheid van alle andere plaatsen en j in gemeenschap stond), eene bezigheid, waarbij

| dingen, dat ik mij waarlijk schaamde er zoo zij bijna stikte. Het rookte zoo erg, dat wij allen

| weinig om gedacht te hebben. ; een half uur lang. met de vensters open, za

„Zes uur?quot; zoide mevrouw Jellyby. „En onze ten te kuchen en te traanoogen, gedurende

I etenstijd is nominaal (want wij eten eigenlijk | welken tijd mevrouw Jellyby, met dezelfde lief-

i ongeregeld) om vijf. Caddy, wijs juffrouw Clare ! talligheid van humeur, adressen op brieven

■ en juffrouw ymnmerson hare kamers eens. schreef. Dat zij zich zoo bezighield was. moet

| Gij zult u misschien wel wat willen verkleeden? j ik zeggen, eene groote verademing voor mij;

| Gij zult mij wel verschoonen, dat weet ik, dat ! want Richard vertelde mij dat hij zijne handen

j ik het zoo druk heb. O, dat ondeugende kind! in eene taartenpan had gewasscjhen, on dat

: zet hem toch neer, juffrouw Summerson!quot; j men don waterketel op zijn waschtafeltje had

Ik verzocht hem te mogen houden, naar 1 gevonden, en maakte Ada zoodanig aan hot

i waarheid zeggende dat hij mij geheel niet lastig | lachen, dat zij mij op de zotste manier aan het

! was; en zoo droeg ik hem naar boven en legde lachen bracht.

i hem op mijn bed. Ada en ik hadden twee bo- Kort nu zevenen gingen wij naar brneden

•\' venkamers, die met eene deur in elkander uit- om te eten; voorzichtig, op raad van mevrouw

kwamen, /.ij waren zeer kaal en zeer wanor- .lellyby; want de traplooper was zoo vol gaten,

delijk, en het gordijn voor mijn venster was behalve dat er ook roedjos ontbraken, dat hij

j met eene vork opgestoken. wel naar een net geleek om ons in u vangen,

j „Gij zoudt wel wat warm water willen heb- ; Wij hadden een mooien kabeljauw, een stuk

ben, niet waar?quot; zeide jongejuffrouw Jellyby, gebraden vleesch, een schotel cóteletten en een

j rondziende naar eene kan met een oor er aan, podding; een heerlijke maaltijd, als hij maar

maar vruchteloos. „Als het niet te veel langer op het vuur was geweest, maar alles

; moeite geeft,quot; zeiden wij, ,,(), het is niet 1 was bijna rauw. De meid. mot den flanellen

i om de moeite,quot; antwoordde Caddy; „maar de j lap, bediende, en liet alles maar op de tafel

| vraag is, of er wel is.quot; . neervallen waar het viel, en verschoof het dan

De avond was koud, en de kamers hadden ! niet weder voordat zij het Op de trap zette. De

; zulk eene duffe lucht, dat ik moet bekennen vrouw, die ik in de keuken had gezien, (en

j dat ik eenigszins verdrietig was; en Ada schreide j toen voor de schoonmaakster, maar niet voor

: half. Wij lachten echter spoedig weder, en waren i de keukenmeid hield) kwam dikwijls aan de

| druk aan het uitpakken, toen jongejuffrouw deur met haar schermutselen, en er scheen

Jellyby terugkwam om te zeggen, dat het haar ; kwaad bloed tusschen deze twee te zitten. ; speet dat er geen warm water was, en dat men | Gedurende den geheelen maaltijd die lang | den ketel niet kon vinden, I duurde, tengevolge van zulke ongelukjes, als Wij verzochten haar om er maar niet van dat de schotel met aardappelen bij abuis in den | te spreken, en maakten zooveel haast als wij kolenemmer geraakte, en dat do ring van den : konden, om weder bonoden bij het vuur te km ketrekker afbrak en de meid tegen de kin ! komen. Maar al do kleine kinderen waren bui- sloeg bewaarde mevrouw Jellyby hare ge-: ten op het portaal gekomen, om naar het vreemde lijkmatige kalmte. Zij vertelde ons veel interes-verschijnsel te zkai, dat l\'eepy op mijn bed lag; sants over Borr ioboola-(■ ha en de inboor-| en onze aandacht werd gedurig afgetrokken lingen, en ontving zooveel brieven, dat Hichard, I door de veelvuldige versHiljning van neuzen en die naast haar zat. vier enveloppes tegelijk in vingers in dreigend gevaar tusschen de reten de saus zag. Sommige dozer brieven waren bander deuren. Het was onmogelijk die deuren te delingen of besluiten van damesvereeuigingen, sluiten; want die van mijne kamer had geene en deze werden ons voorgelezen; andere waren kruk, en hoewel aan Ada\'s deur de kruk zeer aanvragen van menschen, die zich op verschil-glad om- en omging, deed dit geene werking lende maniereu do koffie en de inboorlingen hoegenaamd op het slot. Ik deed dus den kin- j aantrokken; nog andere vereisebton een ant-deron het voorstel, dat zij zouden binnenkomen j woord, en zij zond bare oudste dochter twee-| en heel zoet aan mijne tal el blijven, dan zou , of driemaal van (le tafel om er een te schrijven.

-ocr page 28-

HET VI\'KLATI-IN HITS.

I Zij had het zeer druk, en was ontwijfelbaar, gelijk zij ons gezegd had, geheel aan de /.aak I toegewijd.

i Ik was eonigszins nieuwsgierig om te weten wii een zachtzinnig, kaalhoofdig heer met een i bril was, die zich, nadat de viseh was wegge-i nomen, op een ledigen stoel liet zakken, en i zich lijdzaam aan Borriobooia-Gha scheen 1 te onderwerpen, maar geen dadelijk belang in die volkplanting te stellen. Daar hij geen woord j i sprak, had hij wel een inboorling kunnen zijn, als zijne kleur niet het tegendeel had bewezen, i Het was niet voordat wij van tafel gingen en hij met Richard alb en bleef, dat mij de tnoge-1 lijkheid in het hoofd kwam, dat hij mijnheer Jellyby zou zijn. Maar bij wa - mijnheer Jellyby; en een snatcraehtig jongmensch, mijnheer ^uale geheeten, met groot* blinkende knobbels aan de slapen en al z\\jn haar naar het achterhoofd gekarnd, die des avonds kwam en Ada vertelde dat hij een philanthroop was, onderriclitte haar ook dat hij de huwelijksverbintenis tusschen mevrouw en mijnheer Jellyby de vereeniging van het geestelijke en bet stoffelijke noemde.

Behalve dat deze jonkman zelf veel over Afrika had te zeggen, en over een plan van hein om de volkplanters te loeren, om de inboorlingen het draaien van pooten voor piano\'s te loeren en zoo een uitvoerhandel tot stand te brengen, maakte hij er ook zijn werk van om mevrouw Jellyby in haar glans te doen uitkomen, door bij voorbeeld te zeggen: „Ik geloof, mevrouw Jellyby. dat gij op »lt;-n dag wel tusschen de honderd vijftig en twee honderd brieven over A frik a krijgt, doet ge niet ?quot; of: , Als mijn geheugen mij niet bedriegt, heb ik u eens hooren zegg* n, dat gij vijf duizend circulair* s tegelijk met dezelfde post hadt verzonden ?quot; en dan bracht hij altijd mevrouw Jellyby\'s antwoord aan ons over, alsof hij haar tolk was. Den geheelen avond zat mijnheer Jellyby in een hoek met zijn hoofd tegen den muur, alsof hij aan zwaarmoedigheid onderhevig was. Hot scheen, dat hij. toen hij na den maalt,yd met Richard alleen Was, verscheidene malen zijn mond had opengeelaan, alsof hij iets op het har! had, maar dien, tot Richard\'s verlegenheid, telkens weder had g*-loten, zonder iets te zeggen.

Mevrouw Jellyby, die geheel in scheurpapier gedoken zat, dronk den geheelen avond koffie, en dicteerde bij uisschenpoozen hare oudste dochter, \'/.ij hield ook eene discussie met rniju-heer tiuale. waarvan het onderwerp, als ik het wel begreep, de Broederschap der Menschheid si-hoen te zijn, en uitte daarbij zeer schoone gevoelens. Ik was échter niet zulk eene aan-duchtige toehoorder es als ik wel luid mogen wensctien te zijn, want Peepy en de andere kinderen kwamen bij \\da n mij. ineen hoek van de kam* r. om nog eeu vertelseltje vragen;

en zoo gingen wij onder hen zitten en vertelden fluisterend van de Gelaarsde Kat en ik weet niet wat al meer, tot mevrouw Jellyby, toevallig om hen denkende, hen naar bed zond. Daar Peepy er om huilde dat ik hem naar bed zou brengen, droeg ik hem naar boven; waar de meid met den flanellen lap als een dragonder op het kleine goed instormde en allen in hunne kribbetjes smeet.

Daarna hield ik mij bezig met onze kamer wat op te knappen, en een zeer weerbarstig vuur, dat men had aangelegd, met goedheid aan het branden te krijgen, dat het eindelijk zeer helder deed. Toen ik weder benedenkwam, gevoelde ik dat mevrouw Jellyby eenigszins uit de hoogte op mij neerzag, omdat ik zoo kleingeestig was; *\'n dit speet mij, schoon ik wel wist dat ik ook op iets hoogers aansprak kon maken.

Het was bijna middernacht eer wij gelegenheid vonden om naar bed te gaan; en zelfs toen lieten wij mevrouw Jellyby onder hare papieren aan het koffiedrinken, terwijl hare dochter op hare pen zat te bijten.

,\\Velk een vreemd huis!quot; zeide \\da. toen wij boven waren. „Hoe zonderling van mijn neef Jarndyce om ons hier te zenden!quot; — „Het brengt mij geheel in de war, lieve,quot; zeide ik. „Ik wil liet begrijpen en kan het toch niet begrijpen.quot;

„Wat?quot; vroeg Ada met haar aardig lachje. „Dat alles, lieve,quot; antwoordde ik. ,Het moet wel heel goed van mevrouw Jellyby zijn, zich zooveel moeite te geven met eene onderneming ten voorde*-Ie van die Afrikanen — maar toch — Peepy en het huishouden!quot;

Ada lachte, sloeg haar arm om mijn hals, terwijl ik daar zoo in het vuur stond te kijken, en zeide mij dat ik een lief en goed en stil vriendinnetje was, en haar hart had gewonnen. „Gij zijt zoo nadenkend, Esther,quot; zeide zij. „en toch vroolijk. Gij doet zooveel, en laat u zoo niets daarop voorstaan. Gij zoudt het zelfs in dit huis u zelve en anderen genoeglijk kunnen maken.quot;

Mijn onnoozel lievelingetje 1 Zij wist. niet dat /ij eigenlijk maar zich zelve prees, en dat het de goedheid van haar eigen hart was, die haar zoozeer aan mij deed hechten.

,Mag ik u eene vraag doen?quot; zeide ik, toen wij een poosje voor het vuur hadden gezeten.

„Wel vijfhonderd.quot; zeide Ada. — „1 w neef, mijnheer Jarndyce. Ik ben hem zooveel verplicht. Zoudt gij er tegen hebben om hem mij eens te beschrijven ?quot;

Ada schudde hare goudblonde lokken naar achteren, en zag mij aan met oogen, zoo vol lachend* verwondering, dat ik mij ook verwonderde. gedeeltelijk over hare schoonheid, en gedeeltelijk over hare verrassing.

„Estherriep zij uit. — „Melieve! „Gij wilt eene beschrijving van mijn neef Jarndyce hebben?\'\' ,lk heb hem nooit gezien, lievt.\'


-ocr page 29-

23

— „En ik heb hem ook nooit gezien,quot; zeide Ada.

Was het mogelijk!

Neen, zij had hem nooit gezien. Maar hoe | jong zij ook was toen hare mama stierf, her-I iunerde zij zich toch wel, hoe deze de tranen in cle oogen kwamen, als zij van hom en de edel moedigheid van zijn karakter sprak. Daar-| aan kon men zich vertrouwen, zeide zij, boven \\ iets anders in de wereld; en Ada vertrouwde I zich ook daaraan. Haar neef Jarndyce had haar eenige maanden geleden een „eenvondigen, rondborstigen briefquot; geschreven, zeide Ada, waarin hij haar de nu aangenomene schikking I voorstelde, en zeide dat aldus „door den tijd 1 eenige wonden zouden kunnen genezen worden, die dat ellendige kanselarijproces veroorzaakt | had.quot; Zij had daarop geantwoord, dat zij het voorstel met dankbaarheid aannam. Richard had een dergelijken brief ontvangen en een dergelijk antwoord gegeven. Hij had mijnheer Jarndyce gezien, doch maar eens, vijf jaren geleden, toen hij te Winchester school lag. Hij I had Ada gezegd, toen zij, op dat scherm geleund, voor het vuur stonden te praten, waar 1 ik hen vond, dat hij nog wel wist dat hij hem „een ronde vent\' had gevonden, met een blozend gezicht, i)it was alle beschrijving, die Ada mij geven kon.

Zij hielp mij zoo aan hét donken, dut ik, toen Ada al in slaap was, nog voor het vuur bleef zitten, mij al meer en meer verwonderende hoe het op het Verlaten Huis zou zijn, en mij al | meer en meer verwonderende dat gistermorgen ; zoo lang geleden scheen. Ik weet niet waar \\ mijne gedachten heen dwaalden, toen zij door i een kloppen aan de deur werden teruggeroe-i pen.

ik deed zachtjes open, vond daar jonge-! juffrouw .Tellyby staan, bibberend van de koude, met een stompje kaars op een defecten blaker in de ( ene hand, en een eierdopje in de andere,

„Goedennacht!quot; zeide zij zeer stroef, ,Goe-dennacht!quot; zeide ik, „Mag ik binnen?quot; vroeg ; zij, zeer kort en onverwacht, op denzelfden stroeven toon. „Wel zeker,quot; zeide ik. „Maar maak juffrouw Clare niet wakker.quot;

Zij wilde niet gaan zitten, maar bleef bij het vuur staan, doopte haar beïnkten middelvinger ! in het eierdopje, waar azijn in was, en streek | dien over de inktvlekken in haar gezicht; onder-tusschen keek zij zeer zuur en donker,

„Ik wou, dat Afrika dood Was,quot; zeide zij op eens,

ik wilde hier iets tegen inbrengen.

„Dat doe ik,quot; zeide zij, „Spreek mij maar niet tegen, juffrouw Humnierson. Ik haat en verfoei het. Het is een beest,quot;

Ik zeide haar dat zij moe was, en dat het mij speet. Ik legde mijne hand op haar hoofd en raakte haar voorhoofd aan, en zeide da; dit

nu heet was en morgen koel zou zijn. Zij quot;bleef mij nog donker aanzien, met eene pruilende lip; maar weldra zette zij haar eierdopje weg en keerde zich zachtjes naar het bed -waar Ada lag.

„Zij is mooi! ~ heel mooi!quot; zeide zij, met dezelfde samengetrokkene wenkbrauwen en op denzelfden onbeleefden toon.

Ik stemde dit met een glimlach toe,

„Eene wees. Niet waar?quot; „Ja.quot; „Maar j zij weet veel, denk ik. Zij kan dansen, en mu- ; ziek spelen, en zingen? Zij kan Pransch spre- \\ ken, denk ik, en heeft geographic geleerd, en do globes, en borduren, en alles?\' — „Zonder twijfel,quot; antwoordde ik. — „Ik niet,quot; zeide zij. „Ik kan haast niets, behalve schrijven. Ik ben altijd aan het schrijven voor ma. Ik weet ! niet hoe gij twee er niet voor beschaamd ^vaart om van middag zoo binnen te komen en mij daar zoo te zien zitten, niet in staat om iets j anders te doen. Zoo kwaadaardig als gij zijt. En gij houdt uzelven toch voor heel wat moois, durf ik wel zeggen,quot;

Ik kon wel zien dat het arme meisje op hot punt was om te gaan schreien, en zette mij zonder spreken weder op mijn stoel, en zag haar (hoop ik) even welwillend aan airs mijn hart voor haar gestemd was.

„Het is een schandaal,quot; zeide zij. „ Dat weet gij ook wel. Hel gehcele huls is een schandaal. De kinderen zijn een schandaal. Ik ben een schandaal, i\'a is verdrietig, en geen wondei\'! Priscilla is aan don drank - zij drinkt altijd. Het is eene groote schande en een grooto jokken van n, als gij zegt dat gij haar vandaag niet geioken hebt. Het was eeno lucht als in een kroeg, toen zij aan tafel diende; dat weet. gij ook wel,quot; -— „Dat weet ik niet, lieve,quot;\' zeide ik. „Dat doet ge wel,quot; zeide zij kortnl\'. ./crij moet niet zeggen (lat gij het niet weet. Hij doet het wel,quot; „Maar lieve,quot; begon ik, „als gij mij niet wilt laten spreken - *— „(lij »|)rlt;-ekt nu al. Dat weet ge wel. Vertel geen jokkens, 1 juffrouw Summerson.quot; „Lieve,quot; zeide ik, „zoolang ge mij niet wilt aanhooren ~ „Ik wil u niet aanhooren,quot; „Ja, dat denk ik toch wel,quot; zeide ik, „want zoo onredelijk zult gij niet willen zijn. Ik weet, niet wat ge mij daar zegt, omdat de meld niet, dicht bij mij is gekomen; maar ik twijfel toch niet aan wad. ge mij zegt, en het spijt, mij dat ik hel hoor.quot; „Daar behoeft gij gcone verdienste van llt; maken,quot; zeide zij. „O neen, lieve,quot; zHde ik, „dat zou heel dwaas zijn,quot;

Zij stond nog hij het bed, en nu hukte zij (maar met hetzelfde onvergenoegde gezicht) en gaf Ada ecu kus. Dit gedaan hebbende, kwam | zij zachtjes terug en bleef bij mijn stoel staan. Hare borst zwoegde zoodanig dat ik innig me- ; delyden met haar had, maar ik achtte l iet best niet te spreken.


-ocr page 30-

HET VKRLATKN HUIS.

,lk wou dat ik dood was,quot; barstte zij uit. „Ik wou dat wij allemaal dood waren. Dat zou veel beter voor ons zijn.\'

Een oogenblik later knielde zij naast mij op den grond, verborg haar gezicht in mijn kleed, 1 badmij hartstochtelijk om vergiffenis,en schreide, ik troostte haar en wilde haar opbeuren; maar zij riep: .neen, neen;\' zij wilde daar blijven.

b0ij placht meisjes les te geven,quot; zeide zij. .Als gij mij maai- hadt kunnen les geven, kon ik van u wel geleerd hebben! ik ben zoo el-: lendig, en ik houd zooveel van n.\'

Ik kon haar niet overreden om bij mij tlt;\' komen zitten, of\' jets anders ti- doen dan een versleten voetbankje naar de plek te schuiven waar zij geknield lag on zich daarop te zetten, terwijl zij mijn kleed nog eveneens bleef vasthouden. Langzarm rhand viel het arme. afgematte meisje in slaap; en toen gelukte het mij haar hoofd zoover op te tillen dat het op mijn schoot lag, en bedekte ik ons beiden met omslagdoeken. Het vuur ging uit, en den geheeleii nacht sluimerden wij zoo voor den kouden haard, In het eerst bleef ik onaangenaam wakker, en poogde ik mij vruchteloos met gesloten oogen in de tooneelen van dien dag te verdiepen. I Hindelijk werden zij lamrzamerhand onduidelijk en ondereengemengd. Ik begon er mede in de war te gaan wie de slaapster was, die op mijn schoot lag. Nu wiis het Ada. dan een mijner vriendinnetje^ van Reading, van welke ik niet, gelooven kon, dat ik zoo kort geleden ge-seheidi n was. Nu was het het krankzinnige vrouwtje, afgemat van het nijgen en glimlachen, dan iemand van gezag op het Verlaten Ilnis Eindelijk was het niemand moer, en was ik niemand meer.

De schemerachtige dag worstelde flauw met den nog aanhoudenden mist, toen ik mijne oogen opende, om die van een spookje met een vuil gezichtje te ontmoeten, die mij aanstaarden. Pecpy was uit zijn kribje geklauterd, was imi slaap japonnetje en slaapmutsje naar beneden gekomen, en beefde zoo van de kou dat zijne tanden klapperden alsof hij ze allen al had.

V.

KJ OOHTEKDAVONTIHFB.

lfoewgt;-l ht f ei 11 gure morgen was. lt; n de mist nog zwaar scheen ti zijn ik zeg scheen, want er zat zulk eene korst vuil op de Vensterruiten, dat zij eene zomerzon zonden verdonkerd hebben was ik toch .genoeg gewaarschuwd voor de ongemakken, die ik\'zoo vroeg binnenshuis zou ondervinden, en ook nieuws-irierig genoeg naar Londen, om het e. n goeden inval van jongejulfróuw Jellyby te vinden, toen zij voorstelde dat wij eene wandeling zouden gaan doen.

„Ma zal in lang niet beneden komen,quot; zeide zij. „en dan is het de vraag of wij uog in oen uur gaan ontbijten, zoo talmen zij. En wat pa betreft, hij neemt maar wat hij krijgen kan en gaat dan naar zijn kantoor. Hij heeft nooit wat gij een geregeld ontbijt zoudt noemen. Priscilla laat het brood en de melk. als er is, \'s nachts maar uitstaan. Somtijds is er geen melk meer, en somtijds drinkt de kat ze op. Maar ik vrees dat ge moe moet wezen, juffrouw Summerson, en misschien liever naar bed zoudt willen gaan.\' — „Ik ben geheel niet moe, lieve,quot; zeide ik, .en zou veel liever uitgaan.\' „Als dat waar is,quot; antwoordde Gaddy, „zal ik mij gaan klaarmaken.quot;

Ada zeide dat zij ook wilde meegaan, en was spoedig bij de hand. Ik deed Peepy, bij gebrek aan iets beters voor hem te kunnen doen, het voorstel, dat hij zich door mij zou laten wasschen en daarna weder in mijn bed leggen. Hieraan onderwierp hij zich zoo gewillig mogelijk. Hij staarde mij onder de ge-heele operatie aan, alsof hij nooit in zijn leven zoo verbaasd was geweest, en ook nooit weer wezen kon keek ook wel zeer ongelukkig, maar jammerde toch niet, lt;311 ging, zoodra het voorbij was, gerust weder slapen. Eerst twij- | felde ik er aan, of ik wel zulk eene vrijheid zou nemen, maar ik bedacht weldra dat waarschijnlijk niemand in huis er op zou letten.

Door de drukte om Peepy te reinigen, en mij zelve klaar te maken, en Ada te helpen, werd ik spoedig door en door warm. Wij von-\' don de jongejuffrouw Jellyby in de schrijfkamer, beproevende zich te warmen aan het vuur. dat Priscilla met een eindje kaars aan- ; maakte, zij wierp het in het vuur om het beter te doen branden. Alles was juist eveneens gelijk wij het den vorigen avond hadden ; gelaten, en men was blijkbaar voornemens om liet zoo te laten blijven. Heneden was het tafellaken na den maaltijd van gisteren niet weggenomen; men had het maar laten liggen voor het ontbijt. Kruimels, stof en scheurpapier waren door het geheele huis verspreid. | Kenige tinnen bierkannen on eene melkkan hingen op het stoephek; de deur stond open, en wij zagen de keukenmeid, haar mond af- i vegende, om den hoek uit eene tapperij komen. Zij zeide, toen zij ons voorbijging, dat zij daar ; geweest was om te zien hoe laat het was.

Maar eer wij de keukenmeid zagen, ontmoetten wij Richard, die Th a vies Inn op en neer danste, om zijne voeten te warmen. Hij was aangenaam verrast ons zoo vroeg bij de hand te zien, en zeide dat hij gaarne aan onze wandeling wilde deelnemen. Hij nam dus Ada on- ; der zijne hoede, en ik ging met jongejuffrouw ; Jellyby vooruit. Ik moet aanmerken, dat deze


-ocr page 31-

I\'IJCHTE.N JEGKNS AI-\'RIKA

jongojuffer weder tot haar stroeven toon vervallen was, en ik werkelijk niet zou gedacht hebben dat zij veel van mij hield, als zij mij dat niet gezegd had.

„Waar woudt gij heengaan?\' vroeg zij. —-„Ergens maar heen, melieve,quot; antwoordde ik.

„Ergens is nergens,quot; zeide Caddy, en bleef wrevelig stilstaan. „Laten wij dan gaan waar gij wilt,quot; zeide ik.

Toen liet zij mij zeer hard voortstappen.

.Ik geef er niet om!\' zeide zij. „Gij zijt mijne getuige, juffrouw Summerson, ik zég, ik geef verplichting als kind toonen ; dat is meer hunne zaak dan de mijne. Daar zijt gij van ontzet, niet waar? Heel goed, ik ben ook ontzet, zoo zijn wij allebei ontzet; en daarmee is het uit.quot;

Zij liet mij nog harder doorstappen.

„Maar met dat al. zeg ik nog eens. hij mag komen en komen, ik wil toch niets met hem te doen hebben. Ik kan hem niet uitstaan. Als er iets in de wereld is dat ik haat en ver foei, dan is het die malligheid, die ma en hij niet elkander praten. Het verwondert mij dat de straatsteenen voor ons huis geduld heb-


er niet om - maar al kwam hij avond aan avond bij ons aan huis, met zijn breed, blinkend knobbelig voorhoofd, tot bij zoo oud was als Methusalem, zou ik toch niets met hem te doen willen hebben. Zulke o z e 1 s als hij en ma van zich zeiven maken!quot; „Melieve.quot; zeide ik, op die benaming doelende, en op den knicli-tigen nadrui., dien zij er aan gal\'. .,1 we verplichting als kind - quot; „Och, spreek mij niet van verplichting ais kind, juffrouw Summer-son. Waar is ma\'s verplichting als moeder? Geheel op het publiek en A f r i k a overgebracht, denk ik\' Laten dan het publiek en A tri k a ben om daar te blijven, en zulk i-one tegenstrijdigheid bij te wonen, als al die hoogdravende wartaal en ma\'s manier van huishouden.quot;

ik kon niet nalaten te begrijpen, dat zij mijnheer Qna.le bedoelde, den jongenheer die er gisteravond was geweest, ik werd gelukkig bewaard voor do onaangename noodzakelijkheid om verder over dit onderwerp te spreken, daar Ada en Richard ons nu haastig achteropkwamen en lachend vroegen of wij een wedrey wilden houden. Mdus gestoord, wenl (\'addn stil en wandelde somber met mij voort, terwijl ik mij verwonderde over het aantal en de verschei


-ocr page 32-

HET VKIU.ATEN HITS.

denhoid der straten, de menigte menschen, die reeds op de been was, de rijtuigen, die al heen en weder reden, de drukte om de , winkels uil te stallen en winkels to vegen, en de vreemde, havelooze gedaanten, die in het weggeveegde vuil grabbelden om naar spelden en andere dingen te zoeken.

„Zoo, nichtje,quot; zeide achter mij de vroolijke stem van Uirhard tot Ada. „Wij mogen nooit uit de Kanselarij komen. Daar zijn wij langs een anderen weg naar de plaats gekomen, waar wij elkander gisteren hebben gevonden, en bij het Oroote Zegel, daar is die oude juffrouw ook weer.quot;

Daar stond zij inderdaad vlak voor ons te nijgen en te glimlachen, en zeide. op denzelfden patroniseerenden toon als gisteren:

„De pupillen in Jfirndyce! Waarlijk een groot genoegen!quot; ,6e zijt vroeg bij de hand, juf-i frouw,quot; zeide ik, toen zij voor mij neeg. ..Ia-a. Ik kom rewoonlijk vroeg hier wandelen, Eer het Hof zitting heeft, liet is hier stil. Ik verzamel mijne gedachten voor de da-gelyksche zaken,quot; zeide de oude juffrouw niet zekere affectatie. „De dagHijkselie zak n ver-eischen veel oplettendheid. Het kanselarij-recht is zoo he \' i moeielijk t( volgen.quot; „Wie is dat, julVrouw Summt rson?quot; fluisterde Caddy, mijn arm vaster knellende.

Het gehoor der oude jutfrouw was bijzonder scherp, /.ij antwoordde dadeiyk zelve.

,,Keie belanghebbende, mijn kind. Tot uw dienst. Ik heb de ht om het Hof gen-goUl hij te wonen. Met mijne documenten. Heb ik het genoegen om nog eene van de jeugdig\' par-tij\'-n in .Tarndj• e aan te sprekon?quot; zeide dlt;-1 ude juffrouw, en biet f, na dikwijls genegen te heli-hen. niet haar hoofd op zijde voor mij staan.

Richard, dit- zijm onbedachtzaamheid van gisteren verlangd»; goed te maken, legde haar vriendelijk uit, dat jongejuffrouw Jellyby in geen vt 1 hand met het procts stond.

„Halquot; zeide de oude juffrouw. ,Zy verwacht g(\' ne uitspraak. Zij zal toch oud worden. Maar niet zoo oud. O Heere neen. Dit is de tuin van l.iii\' oln\'s Inn. ik noem het mijn tuin. In den zomer is het waarlijk oen lusthof. W aar de vogeltjes liefelijk zingen. Ik slijt hierhetgroot-ste gedeelte van de groot»• v icantie. In bespiegeling. O ij zult de groole vacantie wel ongemeen lam; vinden, uit 1 waar

Wij zeiden ja, daar zij sidieen te vnrwach-ten dat wij dit zouden zeggen.

„Als de bladeren van de boonn n vallen,ener gei h( bloemen meer bloeien, om ruikers voor het Hof van den lord-kanselier te ntiaken,quot; zeide de oude juffrouw, „is de vacantie vervuld, en heersi hl het zesde zegel weder, waarvan in de Openbaring gesproken wordt. Kom niij eens aan huis zien. verzoek ik u. Dat zal een goed vöórteijkeu voor mij zyn. Jeugd, en hoop, en

schoonheid zijn daar zeer zeldzaam. Het is lang geleden sedert ik van een van drieën een bezoek heb gehad.quot;

Zij had mijne hand gevat, en terwijl zij mij en Caddy voortloidde, wenkte zij Richard en Ada om mede te komen. Ik wist niet hoe mij te verontschuldigen en keek naar Richard om hulp. Daarbij half moest lachen, en half nieuwsgierig werd. en geheel niet wist hoe zich van de oudquot; juffrouw af te maken zonder haar te beleedigen, bleef zij ons voortleiden, en bleven hij en Ada volgen; terwijl onze vreemde geleidster ons met nederbuigende vriendelijkheid bij herhaling verzekerde dat zij dichtbij woonde.

Dit was ook waar, gelijk weldra bleek. Zij woonde zoo dichtbij, dat wij haar maar weinige oogenblikken haar zin hadden gelaten of zij was thuis. Ons een zijpoortje doorbrengende, bleef zij geheel onverwacht staan in eene smalle achterstraat, die tot den doolhof van stegen en straatjes buiten den muur der Inn behoorde, en zeide: „Hier woon ik. Mag ik u verzoeken om naar boven te gaan?quot; Wij stonden voor ecu winkel met het, opschrift: „Ivrook. magazijn van lompkx k.\\ i\'i.ksseiiknen een ander, met lange magere letters; „Krook, handelaar in vierc auks\',quot; fier. venster was gedeeltelijk bedekt met eene afbeelding van een roeden papiermolen. waarvoor eene kar eenige zakken met lompen ontlaadde. Elders las men weder: „Hier koopt men beenderen,quot; „Hier koopt men keukenafval.quot; „Hier koopt men oud ijzer,quot; „Hier koopt men snippers,quot; „Hier koopt men heereu- en dames-kllt; •edingstukktn.quot; Alles scheen daar gekocht en niets verkocht te worden. Overal voor het venster stonden vuile Hessehen: schoen-srnlt; erflesschen, medicijnflesschen, gemberbieren sodawaterfleséchen, inmaakflesschen, wijn-flesschen en inktllesschen. Bij het opnoemen der laatste herinner ik mij, dat men aan den winkel, in verscheidene opzichten, kon zien dat hij in eene rechtsgeleerde buurt stond, en als het ware een havelooze afhangeling en niot erkende aanverwant der rechtsgeleerdheid was. De inktflesschen waren bijzonder talrijk. Buiten Ie deur stond een waggelend bankje met VTsleteiie, oude hoekt 11 en daarop een briefje: , Ri ehtgt;geleerd( • boeken, allen 1\' stuivers het stuk. Sommigen der genoemde opsehriften waren met eene staande hand geschreven, gelijk de papieren, die ik in het kantoor van Kenge en 1\'arboy had gezien, en de brieven, die ik zoolang van deze heereu had ontvangen. Daaronder was er e n, van dezelfde hand, die niets nu t den winkel te doen had, maar aankondigde dat e\'U fatsoenlijk man van vijf en veertig jaren kopieerwerk verlangde, en netheid en spoed beloofde. A( lrlt; s Nemo, bij den heer Krook alhier. Er hingen verscheidene hallsleten zakken, blauw • n rood. Even binnen de deur lagen hoopen


-ocr page 33-

M I.I.N 11 EEK

van rollen gekreukeld, oud perkament, en stapels vergeelde en verhavende papieren, blijkbaar rechtsgeleerde documenten. Ik had mij kunnen verbeelden, dat al de roestige sleutels, waarvan er hier honderden als oud ijzer bij elkander lagen gesmeten, eens op de deuren van I rechtsgeleerde kantorenofdeijzeren kisten daarin hadden gepast. De hoop vodden, die in eene j enkele houten schaal lag, (gedeeltelijk er uit hangende) welke aan het eene einde eener balans hing, die aan het andere einde geene schaal voor het gewicht had, had uit verscheurde advoca- \\ ten-dassen en tabbaarden kunnen bestaan. Men had zich, om het tafereel geheel te voltooien, nog maar te verbeelden, gelijk Richard Ada en mij toefluisterde, dat die schoon afgeknaagde | beenderen, die in een hoek op een hoop lagen, | de beenderen van cliënten waren.

Daar het nog mistig en donker was, en de winkel bovendien doorden muurvan Li n coin\'s Inn werd verduivsterd, die op een paar schreden afstands het licht onderscheptr, hadden wij zooveel niet kunnen zien zonder do lantaren, waarmede een oud man met een bril en eene ha- | rige muts in den winkel rondliep. Zich nu naar de ; deur koerende, kroeg hij ons in het oog. Hij was kort, lijkkleurig en verschrompeld; zijn op zijde hangend hoofd was tusschen zijne schouders gedoken, en de adem kwam als een zichtbare rook uit zijn mond, alsof hij van binnen in brand stond. Zijne keel, kin en wenkbrauwen waren zoo ruig van witte haren, en zijn gezicht was zoo vol aderen en puisten, dat hij van de borst opwaarts naar den besneeuwdfen wortel van een ouden boom geleek.

„lil hi!quot; zeide de oude man, naar de deur komende. „Hebt uij wat te koop?quot;

Wij traden natuurlijk terug en keken naar onze geleidster, die ondertusscheu, met oen sleutel, dien zij uit haar zak had gehaald, haar best deed om de deur van het bovenhuis te openen, en tot welke Richard nu zeide, dat wij, daar wij het genoegen hadden gehad van te zien waar zij woonde, haar hier wilden verlaten, alzoo de tijd ons begon te dringen. Maar zij liet zich niet zoo gemakkelijk ontglippen. Zij werd zoo wonderlijk dringend in haar ernst, dat wij boven zouden komen en hare woning zien, al was 1 het maar voor een oogenblik, en bleef er zoo vriendelijk op gesteld om mij binnen te leiden, als een gedeelte van Int goed.\' voortreken dat zij verlangde, dat ik (wat d\'1 anderen ook mochten doen) er niets anders op zag dan te bewilligen, Ik denk, dat wij allen moer of minder nieuwsgierig waren, In allen gevalle, toen de oude man zijne overredingen bij dlt;\' hare voegde, en zeide: „Ja, ja. (teel\'haar tiaar zin maar. liet zal geen minuut duren. Kom binnen, kom binnen! Kom den winkel maar door, als de andere deur klemt!quot; gingen wij allen naai\' binnen, voortgedreven door Richard\'s lachende aan-

KROOK, 27

moediging\', en ons op zijne bescherming verlatende,

„Mijn huisheer, Krook,quot; zeide het oude juffrouwtje, goedgunstig van haar verheven rang tot hem afdalende, terwijl zij hem aan ons presenteerde. „Hij wordt onder de buren de lord-kanselior genoemd. Zijn winkel wordt het Hof der Kanselarij genoemd. Hij is een zeer singulier persoon. Hij is heel wonderlijk. O, ik verzeker u, hij is heel wonderlijk.quot;

Zij schudde haar hoofd en tikte met haar vinger tegen haar voorhoofd, om aan te duiden dat wij zoo goed moesten zijn om hem te verontschuldigen. „Want hij is een beetje gij weet wel — g\' !quot; zeide de oude juffrouw deftig. De oude man hoorde dit en lachte. „Het is de waarheid,quot; zeide hij, met zijne lantaren voor ons uitgaande, „dat zij mij don lord-kan-selier en mijn winkel de Kanselarij noemen. En i waarom denkt gij dat zij dit doen?quot; — „Dat i weet ik waarlijk niet,quot; zeide Richard tamelijk ; onverschillig. „Ziet ge,quot; zeide de oüïle man, i stilstaande en zich omkeerende, „zij - bi, dat ; is mooi haar! Ik heb drie zakken dameshaar beneden, maar geen zoo mooi en fijn als dit. Welk eene kleur, en hoe zacht!quot; — „Dat is al genoeg, goc;de vriend,quot; zeide Richard, zeer misnoegd dat hij een van Ada\'s lokken door zijne gele hand had gehaald, „(.tij kunt wel bewonderen gelijk wij anderen doen, zonder zoo vrijpostig te zijn.quot;

De oude man wierp hem plotseling een blik toe, die zelfs mijne aandacht van Ada afriep, welke, verschrikt en blozende, op het oogenblik zoo schoon was. dat zij zelfs de dwalende aandacht van het oude juffrouwtje scheen te boeien. Maar toen Ada tusschen beiden kwam en lachend zeide; dat zij niet anders dan trotsch kon wezen op zulk eene oprechte bewondering, werd inijnhfiT Krook eensklaps weder hetzelfde verschrompelde manneke dat hij te voren was.

„Gij ziet; wel ik heb hier zooveel goed,quot; hervatte hij, de lantaarn omhoog houdende, „van zoo velerlei soort, en dat alles, gelijk de buren denken (rnaar \'/.ij weten het niet) ligt te bederven en te vergaan, dat zij daarom mij en mijn winkel zoo gedoopt hebben. En ik heb zooveel oude perkamenten en papieren onder mijn 1 voorraad. En ik heb zulk een smaak in roest I en stof en spinnewebbcn. En het is alles mijne gading wat er maar komt. En ik kan er niet j toe komen om iets van do hand te doen, dat | ik eens heb beetgekregen of (zoo denken mijne i buren, maar wat weten zij er van?) of om iets te veranderen, of te laten schoonmaken, of j vegen, of afboenen, of !lt;• laten repareemi. Dat is de manier, waarop ik den kwaden naam van kanselier heb gekregen. Ik gei i er niet om. Ik ga mijn edelen en geleerden broeder haast alle i dagen zien, als hij in de I n n zitting houdt,Mij I let niet op mij; maar ik let op hem. Er is geen


-ocr page 34-

28 HET VERLATEN HUIS,

groot verschil tusschen ons. Wij wroeten allebei in een warboel. Ili, Lady Janrlquot;

Eene groote, grauwe kat sprong van eene kastplank in de nabijheid op zijn schouder, en deed ons allen schrikken.

„Hi! Laat eens zien hoe gij krabt. Hi! Verscheur, mylady!\'

De kat sprong af en krabde aan een bundel vodden met hare tijgerachtige- klauwen, met een gekras, dal iemand door het hoofd ging.

„Zoo zou zij iedereen doen, op wien ik haar aanhitste,quot; zuide de oude man. „Ik handel onder anderen ook in kattevellen, en het hare werd mij te koop gebodtui. Het is een heel mooi vel, zooals ge zien kunt, maar ik trok het toch niet af. Dat. geleek toch niet naar het kansela rij-gobruik, zult ge wel zeggen!quot;

Hij had ons nu zijn winkel doorgebracht, en naar eene deur achterin, dn* in de gang uitkwam. Terwijl hij met zijne hand aan de deur stond re wachten, zeide de oude juffrouw zeer vriendelijk, eer zij hem voorbijging:

„Dat is genoeg, Krook. üij meent het goed, maar ge zijl wat langdradig. Mijne jeugdige vrienden hebben weinig tijd. Ik zelve heb ook niet over, want ik moet spoedig naar het Hof. Mijne Jeugdige vrienden zijn de pupillen in Jarn-dyc .quot; „Jarndyc\'-I* zeide de Oude man mei eene beweging van schrik. ...larndyce en Jarndyce. Het groot\' proces, Krook,quot;1 antwoordde zijne huurster, ,111!quot; riep de oude man uit, op een toon van peinzende verbazing. „Denk eens aan!quot;

Hij scheen in een oogenblik zoodanig getroffen en keek ons zoo zonderling aan, dat Richard zeide:

„Gij schynt nogal veel werk te maken van di zaken voor uw edelen en geleerden broe-der, den anderen kanselier!quot; „Ja!quot; zeide di oud- man verstrooid. „Zekerlijk. Uw naam i- quot; .,Kicharü rarstone.quot; „Carstone,quot; herhaalde hij. en telde dien naam op zijn voor-vinger af, i n zoo deed hij bij eiken volgenden naam, dien hij noemde, op een anderen vinger „Ja. Daar was de naam van Barbary, en di naam van \'Mare. en de naam van Dedlock ook\', geloof ik.\' „11ij wet evenveel van de zaak als do werkelijk gesalarieerde kanselier,quot; zeide Richard tot Ada en mij. met niet weinig vi rwondering. „Ja!quot; zeide de oude man, langzaam uit zijne verstrooiingontwakende. „Ja! Tom Jarndyn .rij zuil mij. als bloedverwanten, wel verschoon\'n : maar hij was in het Hof en den omtrek nooit onder een anderen naam bekend, en hij was daar zóówel bekend als zij nu is even naar zijne huurster knikkende. ..Tom .larndyci is dikwijls hier geweest. Hij had

eetl! gi\' WOO!! te gekregdl O til HlStolOOS 1 oud te

zwerven als de zaak voor was, of verwacht, werd. i n mei de kleine winkeliers te praten en hun t\' zeggen, wat zij QOk ooit deden, toch vooral uit de Kanselarij te blijven. „Want,quot; zeide hij, „het is aan stukjes gemalen te worden in een kleinen molen; het is bij een langzaam vuur gebraden te worden; het is dood gestoken te worden door enkele bijen; het is bij droppels verdronken te worden; het is bij greintjes krankzinnig te worden gemaakt.quot; Het was er zoo dicht bij als het maar wezen kon, dat hij zich hier had van kant gemaakt, juist op de plek waar de jongejuffrouw nu staat.quot;

Wij luisterden met ontzetting.

„Hij kwam de deur in,quot; zeide de oude man, langzaam naar een denkbeeldig pad door den winkel wijzende, „op den dag toen hij dat deed; - de geheele buurt had maanden te voren gezegd, dat hij het zeker eens doen zou, vroeger of later — hij kwam de deur in op dien dag en ging daar langs, en bleef op de bank zitten, die daar stond, en vroeg mij (gij kunt wel denken, dat ik toen veel jonger was) om hem eene pint wijn te halen. „Want,quot; zeide hij. „Krook, ik ben heel van mijne streek, mijne zaak is weer voor, en ik denk dat ik dichter bij de uitspraak ben, dan ik nog ooit ben geweest.quot; Ik had geen lust om hem alleen te laten; en ik overreedde hem om naar de herberg aan den overkant van Chancery-Lane te gaan; en ik volgde lièm en keek door het venster binnen, en zag hem op oen leuningstoel voor het vuur zitten, gerust naar ik dacht, en gezelschap bij hom. Ik was nauwelijks hier weerom of ik hoorde een schot vallen, vlak aan den kant van de herberg. Ik liep uit de buren liepen uit twintig van ons riepen tegelijk: Tom Jarndyce!\'

De oude man hield op, zag ons strak aan, keek toen in zijne lantaren, blies het licht uit en deed de lantaren dicht.

„Wij hadden gelijk, dat behoef ik de tegenwoordige hoorders niet te zeggen. Hi! wat liep die buurt dien achtermiddag naar het Hof, toen de zaak voor was! Wat zaten mijn edele en ge-leerde broeder en al de anderen daar weer te wroeten en te modderen, volgens gewoonte, en wat deden zij hun best om te kijken alsof zij geen woord gehoord hadden van het laatste feit in de zaak, of wel alsof zii oHeore! alsof zij er hij toeval van gehoord, en niets mede te maken hadden!quot;

Ada\'s kleur had haar geheel begeven, en Richard was nauwelijks minder bleek. Ik kon mij ook niet verwonderen zelfs naar mijne \' igene aandoeningen te oordeelen, en ik was geene partij in het proces dat het voor jeugdige harten een groote schok was, het erfdeel te moeten aanvaarden eener langdurige ellende, die in den geest van zoovele rnenschen met zulke vreeseiyke lierinneringen gepaard ging. Ik maakte mij ook ongerust over de toepassing van dit akelige verhaal, die het arme, half waanzinnige schepsel, dat ons daar had gebracht.


-ocr page 35-

EEN\' UK ET. IH

op zich zelve zou kunnen maken; maar tot mijne verwondering scheen zij daaraan geheel niet te denken, en ging zij ons vooruit naar boven, ons nogmaals, met de verdraagzaamheid van een verhevener wezen voor de zwakheden van een gewoon sterveling, onderrichtende, dat haar huisheeer „een beetje go weet welquot; was.

Zij woonde geheel boven in huis. en had daar eene vrij groote kamer, waaruit men even het dak van Lincoln\'s Inn Hall kon zien. Dit scheen oorspronkelijk hare voornaamste reden te zijn geweest om daar hare woning te kiezen. Zij kon er des nachts naar kijken, zeide zij, vooral in den maneschijn. Hare kamer was zindelijk, maar kaal, zeer kaal. Ik zag alleen het onontbeerlijkste huisraad; eenige oude prenten uit boeken, portretten van kanseliers en rechtsgeleerden, met ouwels tegen den muur gehecht, en een half dozijn reticules „met documenten,\' gelijk zij ons onderrichtte, in den haard zag ik geen kolen of asch, en nergens zag ik eenige kleeren of eenig Voedsel. Op eene plank in eem opene kast stonden een paar borden, een paar kopjes en zoo voort, maar alles droog en ledig. Haar uitgemergeld voorkomen had eene nog aandoenlijker be teekenis, dacht ik, toen ik rondkeek, dan ik te voren had begrepen.

„Uitstekend vereerd, inderdaad,quot; zeide onze arme, oude gastvrouw met de grootste minzaamheid, „dooi\' dit bezoek van de pupillen in Jarndyce. En zeer verplicht voor het voorteeken. Het is hier afgelegen. Als men bedenkt. Ik ben beperkt in de keus van don stand. Door de noodzakelijkheid om bij den kanselier te blijven. Ik heb hier vele jaren gewoond. Ik slijt mijne dagen in het Hof; mijne avonden en mijne nachten hier. Ik vind de nachten lang, want ik slaap maar weinig en denk veel. Dat is natuurlijk, onvermijdelijk, daar ik in do Kanselarij ben. Het spijt mij dat ik geene chocolade kan presenteeren. Ik verwacht binnenkort eene uitspraak, en dan zal ik mijn huishouden veel beter inrichten. Tegenwoordig maak ik geen bezwaar om de pupillen in Jarndyce te bekennen (strikt in vertrouwen), dat ik het somtijds moeielijk vind een fatsoenlijk voorkomen te bewaren. Ik heb hier de koude gevoeld. Ik heb ook wel ieis nog nijpender gevoeld dan koude. Dat beteekent zeer weinig. Ik verzoek u om Verschooning, dat ik van zulke geringe onderwerpen melding maak.quot;

Zij trok het gordijn voor het breede, lage zoldervenster half weg, en vestigde onze aandacht op een aantal vogelkooitjes, die daar hingen, en waarvan sommige verscheidene vogeltjes tot woning strekten. En waren leeuweriken, sijsjes, goudvinken twintig \'en minste, zou ik denken.

„Ik begon die beestjes te houden,quot; zeide zij, „met een oogmerk, dat de pupillen ge-— ZOO ZOO —. 29

makkelijk zullen begrijpen. Met voornemen om ze de vrijheid terug te geven. Als mijn vonnis werd uitgesproken. Ja! Maar zij sterven toch in de gevangenis. Hun leven, kleine onnoozele , dingetjes, is zoo kort, bij de kanselarij-procedures vergeleken, dat de geheele verzameling, een voor een, al meer dan eens is uitgestorven. Ik twijfel, moet ge weten, of een van deze, schoon zij allen jong zijn, wel lang genoeg zal leven om zijne vrijheid te krijgen. Zeer verdrietig, niet waar?\'

Ofschoon zij somtijds eene vraag deed, scheen zij nooit een antwoord te verwachten, maar sprak maar voort, alsof zij dit ook gewoon was te doen als er niemand bij was.

„Inderdaad,quot; vervolgde zij, „ik twijfel waarlijk somtijds, dat verzeker ik u, of men, terwijl de zake n nog onafgedaan zijn. en het zesde of Groote Zegel nog heerscht, mij ook niet eens hier zal vinden liggen, stijf en gevoelloos, zooals ik zoovele vogeltjes heb gevonden.quot;

Richard, gehoorzamende aan wat hij in Ada\'s medelijdende oogen las, nam de gelegenheid : waar om onopgemerkt eenig geld op den schoorsteenmantel te leggen. Wij gingen allen dichter bij de kooitjes, alsof wij de vogeltjes wilden bezichtigen,

„Ik kan ze niet veel laten zingen,quot; zeide het oude juffrouwtje, „want (en dat zult gij vreemd vinden) ik vind, dat mijn geest verward wordt door de gedachte dat zij zingen terwijl ik in het Hof de redeneeringen volg. En het is toch zoo noodig dat mijn geest helder blijft, weet ge. Een ander maal zal ik u zeggen hoe z\\\\ heeten. Nu niet. Op een dag van zulke goede voorbeduiding zullen zij zooveel zingen als zij willen. Ter eere van jeugd, hoop en schoonheid.quot; Zij neeg en glimlachte bij ieder woord. „Daar, wij zullen het volle licht inlaten.quot;

„fk kan de lucht niet vrij inlaten.quot; zeide , het oude juffrouwtje (de kamer was benauwd, en wal. frissche lucht zou goedgedaan hebben), „omdat de kat, die gij beneden gezien hebt. Lady Jane heet zij het op hun leven toelegt. Zij ligt uren aaneen buiten in de goot te loeren. Ik heb ontdekt,quot; voorzichtig fluisterende, „dat hare natuurlijke,\' wreedheid nog gescherpt wordt door eene jaloersche vree», dat zij hunne vrijheid zullen terug krijgen. Door I de uitspraak, die ik verwacht, dal binnenkort zal gegeven worden. Zij is slim en vol kwaadaardigheid. Ik geloof half en half dat zij geene kat is, maar de wolf van het oude spreekwoord. Zoo moeielijk is zij van de deur te houden.\'\'

Eene naburige klok, die de arme ziel herinnerde dat het half tien was, deed meer voor ons om het bezoek ten einde tlt;; brengen, ; dan wij zeiven gemakkelijk hadden kunnen ; doen. Zij nam haastig haar zak met documenten, die zij bij het binnenkomen op de tafel


-ocr page 36-

30 HET VERLATEN HUIS.

had gelegd, en vroeg of\' wij ook naar het Hof i derom uit, zette eone r, en deed mij dezelfde |

gingen. Toen wij neen antwoordden en zeiden , vraag. Zoo ging hij snel voort, tot hij (op de- |

dat wij haar vooral niet wilden ophouden, zelfde zonderlinge manier, altijd van onderen

deed /.ij de deur open om ons de trap af te op en van achteren af beginnende) het woord

laten, Jarndyce had geschreven, zonder ooit twee :

„Mot zulk een voorteeken. is liet nog nood- letters tegelijk op don muur te laten.

zakelijker dan gewoonlijk dat ik er ben, eer „Hoe spelt men dat?\' vroeg hij.

de kanselier binnenkomt,quot; zeide zij, „want Toen ik het hem zeide, begon hij te lachen,

hij kon wel allereerst van mijne zaak melding Op dezelfde vyonderlijke manier, en toch met de-

maken. ik heb een voorgevoel, dat dit van zelfde snelheid, schreef hij daarna een voor een

morgen het allereerste zal zijn, dat hij doet.quot; de letters van de woorden Verlaten Huis,

Toen wij naar beneden gingen, bleef zij en veegde ze een voor een weder uit. Dit las

I staan om \'ons fluisterend te zeggen, dat het ik insgelijks, niet zonder verwondering; en hij

1 goheele huis gevuld was met allerlei wonder- begon weder te lachen.

I lijkt\' prullen, die de huisheer opkocht en niet „Ui!quot; zeide de oude man, liet krijt ueerleg-

i wilde verkoopen, omdat hij een beetje zoo gende, .,ik hel) een slag om uit liet geheugen

1 zoo - was. Dit was op de eerste verdieping, te kopieeren, ziet ge, juffrouw, al kan ik niet

1 Maar vroeger, op de tweede verdieping, was lezen of schrijven.quot;

j zij nog eens blijven staan om zwijgend naar Hij zag er zoo onaangenaam uit, en zijne kat

: eènt\' donkere deur te wijzen. keek zoo kwaadaardig, alsof ik eene bloedver-

De cenige andere huurder,quot; fluisterde zij wante van de vogeltjes boven was, dat het waar- |

nu, tot verklaring van dit bedrijf, „een kopiist, lijk eene verademing voor mij was, toen Uichard

De\' kinderen in de buurt zeggen, dat hij zich aan do deur verscheen en zeide:

aan den duivel verkocht heeft. Ik weet niet „Juffrouw Sumrnerson. ik hoop toch dat ge

! wat hij met het geld kan gedaan hebben. St!\' niet aan het onderhandelen zijt om uw haar te i

Zij scheen te vreezen dat die huurder haar verkoopen. Laat u niet verlokken. Aan die drie

I zelfs daar zou kunnen hooren, en nog eens zakken beneden heeft manheer Krook rijkelijk ge-

! ,St!quot; zeggende, ging zij op de teenen voor noeg.quot;

! ons uit, alsof zelfs het gerucht van hare voet- Ik draalde niet om mijnheer Krook goeden-

i stappen hem had kunnen openbaren wat zij morgen te wenschen en mij buiten bij mijne

• gezegd had. vrienden te voegen, waar wij afscheid namen i

Den winkel doorgaande, om weder heen te van het oudé\' juffrouwtje, dat ons met veel . gaan, vonden wij, evenals wij bij onze komst had- plechtigheid haar zegen gaf en hare belofte van den gedaan, den ouden man bezig met een gisteren vernieuwde, ten aanzien van haar vooraantal pakken scheurpapier in eene soort van nemen om Ada en mij ieder een landgoed te j put in den vloer U stoppen. Dit scheen een geven. Eer wij het straatje uit waren, keken zwaar werk voor hem te zijn, want het zweet wij nog eens om, en zagen toen mijnheer Krook stond hem op het voorhoofd; en hij had een aan zijne winkeldeur staan, en ons, met zijn stuk krijt bij zich, waarmede hij. telkens als bril op, nakijken, mot zijne kat op zijn schou-: hij een pak of bundel geborgen had, een krom der, terwijl haar staart op zijde van zijne ruige ; teekentje op het beschot van den muur zette. muts. als eene hooge pluim in de lucht stak. Richard en Ada, en jongejuffrouw Jellyby „Waarlijk, een avontuur voor eene ochtend en het oude juffrouwtje waren hem voorbij- wandeling in L on den,quot; zeide Richard met een gegaan, en ik wilde dit insgelijks doen, toen zucht. „O nichtje, nichtje, welk een akelig woord i, hij mij aan den arm stiet om mij togen te is dat Kanselarij.quot; „Dat is het voor mij ook, houden on met zijn stuk krijt de letter J op en is het geweest zoolang ik mij kan herinne-deii muur schreef — op eene zeer zeinderlinge ren,quot; antwoordde Ada. .Het spyt mij zeei, dat j manier, van achteren af beginnende. Het was ik de vijandin moet wezen gelijk ik onder-I eene kapitale letter; ge.me drukletter, maar stel te zijn — van een aantal bloedverwanten j juist zulk eene letter als een klerk op het kan- en andere menschen; en dat zij mijne vijanden toor van de hoeren Ken ge en (\'■•irboy z-m ge- moeien zijn - gelijk Ik onderstel dal zij zijn; zet hebben. en dat wij allen elkander moeten ruïneeren, „Kunt gij dit lezen?quot; vroeg hij mij met een zonder te weten hoe of waarom, en ons leven schei-pen idik. „Zekerlijk.quot; zeide ik „Het lang In twijfel en oneenigheld blijven. Er moet is heel duidelijk.quot; „Wat staat daar dan?quot; toch ergens recht wezen, zou ik donken, en j * het komt ml] heel vreemd voor, dat een eer-Met noc \' en blik naar mij en een blik naar lijk rechter, dien het waarlijk ernst was, In al Ide ij ur, veegde hij de letter uit, zette op die jaren niet in staat geweest is te vinden waar dezelfde plaats een-a (nu geene kapitale letter) hef ligt.quot; - „Och, nichtzeideRichard. „Vreemd! j en zeide; „Wat is dat?quot; Ja. al dat baldadig schaakspelen is heel vreemd. | Ik zeidequot;*het hem. Hij veegde die letter we- Tom ik dat bedaarde Hof gisteren zoo verge- i

-ocr page 37-

or weg naai; het \\ert.aten m is.

noegd zag voorttobben, en daarbij dacht aan de rampzaligheid van de stukken op het bord. kreeg ik hoofdpijn en hartpijn tegelijk; pijn in het hoofd van verwondering hoe het zoo kwam, als die menschen geene gekken of schelmen waren, en pijn in het hart als ik aan de mogelijkheid dacht, dat zij gekken of schelmen zouden zijn. Maar in allen gevalle, Ada — ik mag u toch j wel Ada noemen?\' - „Wel natuurlijk, neef I Richard.quot; „In allen gevalle, Ada, zal de Kanselarij op ons zulk een slechten invloed niet , hebben. Wij zijn, dank zij onzen goeden neef, gelukkig bij elkander gebracht, en de Kanselarij kan ons nu niet meer verdeelen.quot; „Nooit, hoop ik, neef Richard.quot; zeide Ada zacht.

Jongejuffrouw Jellyby gaf mijn arm een druk en mij een veelbeteekenenden blik.Ik antwoordde met een glimlach, en wij wandelden zeer genoeglijk terug.

Ruim een half uur na onze terugkomst verscheen mevrouw Jellyby ; en na verloop vaneen i uur kwamen de benoodigdheden voor het ent- • bijt de kamer indwalen. Ik twijfel niet of me- ! vrouw Jellyby was op de gewone manier naar | bed gegaan en weder opgestaan, maar uit haar | voorkomen kon men niet opmaken dat zij van ! kleeding verwisseld had. Zij had het onder het ontbijt zeer druk; want de ochtendpost bracht eene zwaarlijvige correspondertie over Borrio-boola-Gha mede, die haar (zeide zij) den | geheelen dag werk zou geven. De kinderen tuimelden rond, en kerfden merken van hunne ongelukken in hunne beentjes, die echte almanakkon van onheilen waren; en Peepy was ander-: half uur lang te zoek en werd door een politie-dienaar van de N e w gat e - M a r kt huis ge-• bracht. De gelijkmoedigheid, waarmede me vrouw Jellyby zijne afwezigheid zoowel als zijne terugschenking aan den familiekring verdroeg, verbaasde ons al!,quot;.n.

Zij ging toen weder ijverig aan het dicteeren, en Caddy verzonk weder met snelheid in den beïnkten toestand, waarin wij haar gcvohden hadden. Om r-én uur kwam er een open rijtuig voor ons en eene kar voor onze bagage. Mevrouw Jellyby ons inH vele groeten aan haar goeden vriend, mijnheer Jarndyee ; (\'addy verliet haar lessenaar om ons to zien vertrekken, gaf mij in de gang e n kus, n bleef op de stoep staan snikken en in hare pen bijten. Peepy was gelukkig in slaap, waardoor hem de smart der scheiding bespaard werd (ik was niet zonder bekommering dat hij naar dc N ewgate-Markt was geloopen om tnij op !/■ zoeken); en al de andere kinderen klommen achter op do barouchet, en vielen er weder af, en wij zagen ze, met groot leedwezen, over di oppervlakte van T ha v i es fnn verspreid, toep wij den hoek omreden.

VI.

GEHEEL THUIS.

Het weder was veel opgehelderd en helderde | gestadig nog meer op terwijl wij westwaarts re- j den. Wij reden door don zonneschijn en de frissche 1 lucht, ons al meer en meer verwonderende over de lengte der straten, den schitterenden praal ! dor winkels, het drukke verkeer, en de menigte menschen, die het gunstige weder, als bont gekleurde bloemen, scheen te hebben uitgelokt. Weldra begonnen wij buiten de verbazende stad te geraken en de voorsteden door te rijden, die in mijne oogen op zich zeiven reeds eene tamelijk groote stad zouden hebben uitgemaakt; en eindelijk kwamen wij weder op een echten buitenweg, met windmolens, boerenworven, mijlstee-non, boerenwagens, reuk van oud hooi, slinge- | rende uithangbordenen paardentroggen, hoornen, velden en heggen. Het was een verrukkelijk gezicht: het groene landschap voor ons en de ontzaglijke hoofdstad achter ons ; en toen ons een j wagen voorbijkwam met een span fraaie paar- ; den, met roode tuigen en helder klinkende bellen voorzien, geloof ik dal. wij alle drie wel bij die muziek hadden kuiinen zingen, zoo ver vroolijkend was de invloed van al wat ons omringde.

„De geheele weg hoeft mij aan mijn naamgenoot Whittington herinnerd,quot; zoide Richard, „en die wagen is do laatste toets, die de schilderij voltooit. Holla! Wat is er te doen?quot;

Wij hadden stilgehouden en de wagen was insgelijks blijven staan. De muziek daarvan was veranderd zoodra de paarden niet meer liepen, en tot een zacht gerinkel afgedaald, behalve wan- | neer een paard zijnkopopzwaaide of zich schudde, en dan eene kleine regenbui van klokgeklingel om zich heen sprenkelde.

„Onze postiljon kijkt naar den voerman,quot; zeide Richard, „en d( voerman komt ons achterop. Goedendag, vriend!quot; De voerman stond aan ons ; portier. „Wel, dat is iets ongemeens,quot; vervolgde Richard, d( n man meer oplettend aanziende. ,11 i,| heeft uw naam op zijn hoed, Ada!quot;

Hij had al onze namen op zijn hoed. In het | lintje staken drie briefjes, een aan Ada, een aan Richard en een aan mij geadresseerd. Deze 1 gaf de voorman i on voor een over, eerst den j naam hardop voorlezende. Tot antwoord op Ri- : chard\'s vraag van wien zij kwamen, zeide hij kortaf: „Moester, mijnhei r, al ; n \'t belieft on zijn hoed weder opzet tende, (die naar een zaóh- | ten, houten nap gel eek (klapte, hij niet zijne zweep, , liet zijm muziekwed( i ontwaken,enroed klingelend heen.

„Is dat di wagen van mijnheer Jarndyce?quot; nop Richard onzen postiljon toe. „Ja, mijn- ! heej-.quot; was- hej antwoord, „(i.aal naar Londen.quot;

Wij openden de briefjes. Allen waren gelijk- 5


-ocr page 38-

11KT VKRLATK.N\' Ill\'IS.

luidend, en bevatten de-zo woorden, met eene vaste, duidelijke hand -schreven:

„Ik hoop. mijn waarde, dat onze ontmoeting genoeglijk zal zijn en zonder eenige gedwon-genheid van ecno of andere zydo. Daarom wil ik voorstellen dat wij elkander als oude vrienden ontmoeten en het verledeno houden voor iets, dat vanzelf spreekt. Dat zal eene verademing zijn, voorn misschien, en zeker voor mij, en zoo mijne hartelijke groeie

John Jarndyce.quot;

Ik had misschien minder reden om mij te verwonderen dan een van mijne reisgenooten, daar ik nog nooit gelcgenhHd had gehad om den man te danken, die zoovele jaren lang mijn weldoener on ■ onigv aardsrhe toevorlaar, was geweest. Ik had niet overlegd hoe ik hem zou danken, daartoe lag do dankbaarheid mij te diep in het hart; maar nu begon ik te bodenkon hoe ik gevoelde dat dit waarlijk zeer moeiolijk zou zijn.

De briefjes verlevendigden bij Richard en Ada eene algemeeno voorstelling, die zij beiden had-don. \'/onde r ti wéten hoe zij 01 aan kwamen, dat hun neef Jarndyc nooit dankbetuigingen kon hooren voor eenige goedhoid, die hij bewezen had. en liever dan ze aan te nemen, do zonderlingste uitvluchten te baat, nam, of zelfs wegliep. Vila herinnerde zich flauw, hare moeder, toan zij nog een klein kind was, te hebben hooren vertellon, dat hij haar eens een buitengemeen blijk van edelmoedigheid had gegeven, o-n dat hij, toon zij naar zijn huis ging om hem te bedanken, haar toevallig door een venstor naar de deur zag kómen, on terstond door eeno achterdeur de vlucht nam en in geene drio maanden van zich liet hooren. lilt gesprek leidd» tot nog vooj meer over hetzelfde onderwerp. on dit hield ons zelfs den geheelen dag bozig, daar wij bijna van niets anders konden praten. Als wij toevallig op iets anders kwamen, keerden wij er spoedig naar terug, lt; n verwonderden ons hoe het huis er zou uitzien, en wanneer wij er zouden komen, en of wij mynheor Jarndyce zouden zion zoodra wij kwa-Kien, of eerst na (ene poos wachten», en wat hij ons zou zeggen, en wat wij hem zouden zogge-n Naar dat alios maakten wij ons zelvon in oikander tolkens opnieuw nieuwsgierig.

De wegen waren zeer zwaar voor de paarden, maar bet voot.pad was doorgaans good ; on zoo slapt*-ti wij af, en wandehion togen de heuvels op, on dit. boviol ons zoo wel, dal wij, als wij bovenkwamen, over den vlakken grond nog wat bleven voortwanelof n. To Barnet stonden andore paanhn naar ons to wachten, maar zij wan n pas goveiedeTd, on zoo moeston wy weder naar hen wachten, en deden vvij eene lange, fris-sotie wandeling over lt; e-ne gemeene wei Je en oen otiel slagvole.1, c r hot rijtuig ons achterop

kwam. Dit oponthoud vertraagde de reis zoodanig, dat de korte dag ten einde liep, en de , lange nacht reeds viel, eer wij S a i n t A lb ans bereikten, dicht bij welke stad het Verlaten j Huis gelegen was, gehjk wij wisten.

Tegen dien tijd waren wij zoo angstig en zenuwachtig geworden, dat zelfs Richard, toen wjj over do steenen dezer oude stad ratelden, bekende een redeloos verlangen te hebben om weder terug te rijden. Wat Ada en mij betreft die hij zeor zorgvuldig had ingebakerd, daar het een koude, vriezige avond was, wij beefden van het hoofd tot de voeten. Toen wij de stad uit- en een hoek omreden, en Richard ons zeide dat de postiljon, die lang in ons klimmend verlangen had geeleeld, omkeek en knikte, gingen wjj beiden in het rijtuig overeind staan (terwijl Richard Ada vasthield, opdat zij niet door het schokken zou vallen) en zagen wij over het openo veld en onder elen helderen sterrenhemel naar onze bestemming rond. Kr schitterde een licht eib den top van een heuvel voor ons, en de postiljon wees daarnaar met zijne zweep en riep: ,Dat is het Verlaten Huis.quot; Terstond daarop zetto hij zijne paarden in een galop, die ons met zulk eene vaart tegen den heuvel opbracht, dat de wielen het gruis van den weg over ons hoofd deden stuiven, gelijk het schuim van een watonneden. Weldra verloren wij hot licht uit het oog, weldra zagen wij het terug, draaiden eene laan in en reden er op af. Het sche on nu helder uit een ve nster van oen naar het scheen ouderwetsch gebouw met drie gevelspitsen aan de voorzijde, en een boch-tigon oprij naar den ingang. Toen wij naderden werd er eene klok geluid, en onder elen zwa-ren galm daarvan door do stille lucht, en het blaffen van eenige honden in de verte, oneen vloed van licht uit de deur, die nu geopend : werd, en het dampen der verhitte paarden, en het jagend kloppen onzer eigene harten, slapten wij in vrij wat verwarring af.

.Ada, liefje, Esther, melieve, gij zijt wel kom. Ik ben zeer blij dat ik u zie. Rick, als ik nu maar eene hand over had, zou ik ze u geven.quot;

De man. die deze woorden met oeiio heldere. gastvrije stom zeide, had een van zijne armen om Ada\'s middel, en elen anderen om de mijne, en kuste ons beiden op eene vaderlijke manier, en elroeg ons half door het voorhuis naar een kamertje, dat door een vlammend vuur geheel in oen roeden gloed schoen te staan. Hier kuste hij ons neig eens, en zijne armen openende, liet hij ons nog naast elkander neer op e ene sofa* die voor ons gereed bij den haard stond geschoven. Ik gevoelde dat hjj, i als wij eenige- vertooning van aandoening hadden gemaakt, terstond zou zijn weggeloopen.

„Nu, Rick,quot; zeide hij. ,heb ik eene hand vrij. Een woord itt goeden ernst is zoo goed


-ocr page 39-

WKl.KnM 01» MKT VERLATEN HIMS.

als eene redevoering. Ik ben hartelijk blij dat ik u zie. Gij zijt thuis. Warm u 1quot;

Richard drukte hem beide handen, met eene natuurlijke mengeling van eerbied en hartelijkheid, en zeide slechts (hoewel met een ernst, die mij eenigszins ongerust deed worden, zoo bang was ik dat mijnheer Jarndyce op eens zou verdwijnen): „Gij zijt wel goed, mijnheer. Wij zijn u zeer verplicht!\' legde toen hoed en overjas af, en kwam naar het vuur. - „En hoe is de reis u bevallen ? En hoe is mevrouw Jel-lyby u bevallen, liefje?\' zeide mijnheer Jarndyce tot Ada.

jaren geleden, op den gedenkwaardigen dag van mijne reis naar Heading. Ik was zeker, dat hij het was. Nooit in mijn leven heb ik zoo geschrikt als toen ik die ontdekking deed, want hij ving mijn blik op, scheen in mijne gedachten te lezen, en keek zoo driftig naar de deur, dat ik dacht dat wij hem verloren hadden.

Evenwel, hij bleef gelukkig waar hij was, en vroog rnij wat i k van mevrouw Jellyby vond.

«Zij geeft zich heel veel moeite voor A frik a, mjjnlieer,quot; zeide ik. — „Wel gezegd!\' antwoordde mijnheer Jarndyce. „Maargij antwoordt evenals Ada.\' Die ik niet gehoord had. ..(rij


-ocr page 40-

HET VEKLATEN HITS.

geten en verwaarloosd worden, geen andere plichten daarvoor in de plaats gesteld kunnen worden.quot; - „De kleine Jellyby\'s,quot; zeide Richard, mij te hulp komende, „zijn waarlijk - ik kan niet nalaten mij krachtig uit te drukken, mijnheer, — in een duivel van een staat.\' — „Zij meent het good.\' zeido mynheer Jarndyce haastig. „De wind is in het oosten.quot; „Hij was in het noorden, mijnheer, terwijl wij hiernaar toe kwamen,quot; merkte Richard aan. „Mijn béste Rick,quot; zeide mijnheer Jarndyce, het vuur oppokende, „ik wil er op zweren dat hij in het oosten is. of er in zal komen. Ik krijg altijd eene onaang\'/name gewaarwording nu én dan als de wind uit liet oosten waait.quot; „Rheumatisme, mijnheer?\' zeide Richard. — „Dat zal liet wel zijn, Kick. Ik geloof van ja, en zoo zijn die kleine Jellyby\'s — ik had er al aan getwijfeld — in een o Heere ja, hij is oostelijk,quot; zeide mijnheer Jarndyce.

Hij had een paar malen op en neer gestapt, terwijl hij deze afgebrokene gezegden uitte, met den pook nog in de eene hand, terwijl hij met de andere zijn haar wreef, met een gezicht vol zekere goedhartige verdrietelijkheid, en tegelijk zoo koddig en zoo beminnelijk, dat wij zeker meer met hem ingenomen waren dan wij met woorden hadden kunnen uiidrukken. Hij gaf een arm aan Ada en een arm aan mij, en Richard verzoekende om een kaars mede te nemen, ging hij vooruit, toen hij ons op eens liet omkeeren.

„Die kleine Jellyby\'s. Kondt gij niet — hebt gij niet als het: eens bruidssuikers, offram-bozentaartjes. of iets iets van dien aard, had geregend!quot; zeide mijnheer Jarndyce, — „O, neef,quot; begon Ada haastig, - „Goed, mijn lief liefje. Neef bevalt mij wel. Neef John is misschien nog beter.\' „X\'-\'T John, dan,quot; begon Ada nog i\'ens, al lachende. — „Ha, ba 1 heel goed, waarlijk!quot; zeide mijnheer Jarndyce met inniggenoe-gen, „Klinkt ongemeen natuurlijk. En nu liefje?quot;

„Het deed nog beter IL c r\'gendc Esther.quot;

„Zoo?\' zeide mijnhetT Jarndyce. „Watdeed Esther dan?quot; „Wel, neef John,quot; zeide Ada, hare handjes over zijn arm samenvouwende, en haar hoofd tegen mij schuddende, voorbij hem heen, — want ik wilde dat zij zou zwijgenquot;; „Esther was dadelijk hun vriendin. Esther koesterde ze, suste ze in slaap, waschte en kleedde ze. vertelde ze sprookjes, hield ze zoet, kocht ze kleine gedachtenissen meisjelief, ik was alleen maar met I\'eepy uitgegaan, toen hij tererhtgebiacht was, en iiad hern eeti klein, heel klein paardje gekocht „en, neef John, zij bracht ü arme t\'aroline, de oüdste, en eene zooveel zachtere stemming, en was voor mij zoo zorgvuldig en zoo lief! - Keen, neen, ik wil my niet laten tegenspreken, lieve Esther, (iii weet wel, het is waar.\'

Mijn hartelijk lievelingetje boog zich voorbij haar neef John heen en gaf mij een kus, en toen naar hem opziende, zeide zij stoutweg:

„In allen gevalle, neef John, w i 1 ik u bedanken voor de gezellin, die gij mij gegeven hebt.quot; Het was mij alsof zij hem uitdaagde om weg te loopen. Maar hij deed het toch niet. — „Waar hebt gij gezegd dat de wind was, Rick ?quot; zeide mijnheer Jarndyce. — „In het noorden, toen

wij hier naar toe kwamen, mijnheer.quot; ..... „Gij

hebt gelijk. Er is niets oostelijks in. Eene vergissing van mij. Kom aan, meisjes, kom nu uw huis eens zien.quot;

Het was een van die verrukkelijke, ongeregelde huizen, waar men van de eene kamer naar de andere trap op en trap af gaat, en waar men aan nog meer kamers komt als men denkt dat men ze allen gezien heeft, en waar een milde overvloed van kleine portalen en gangen is, en waar men nog landelijke kamertjes vindt, op onverwachte plaatsen, met schuine ruiten en groen gebladerte, dat het venster wil indringen. Mijne kamer, waar wij het eerst kwamen, was van dien aard, met een ongelijken zolder en meer hoeken dan ik naderhand ooit geteld heb, en een schoorsteen (er lag een houtvuur te branden) in het rond geheel met witte tegeltjes bezet, in elk waarvan een helder miniatuurtje van het vuur vlamde. Uit deze kamer ging men, twee trappen af, naar een heerlijk zitkamertje, dat op een bloemtuin uitzag, en dit vertrekje zou voortaan voor Ada en mij zijn. Hieruit ging men, drie trapjes op, naar Ada\'s slaapkamer, die een fraai breed venster had, met een heerlijk uitzicht ( wij zagen nu eene groote uitgestrektheid van duisternis onder de sterren liggeiuendat eene holle vensterbank had, waarin, met een toespringend slot, drie lieve Ada\'s tegelijk hadden kunnen opgesloten worden. Uit deze kamer kwam men op eene kleine galerij, waarop de andere pronkkamers (maar twee) uitkwamen, en dan eene trap met zeer lage treden af, die oen voor de hoogte zeer groot getal van hoektreden had, in het voorhuis. Maar als men, in plaats van Ada\'s deur uitte gaan, naar mijne kamer terugkwam, en de deur uitging, waardoor men was binnengekomen, en een scheef trapje opging, dat zich op eene geheel on v er wadi te m anier van de groote trap afwendde, verdwaalde men in gangen waar allerlei dingen stonden, mangels en driehoekige tafels, in een echte Indische stoel, die tegelijk een o sofa. een koffer en een ledikant was, en in elke gedaante naar een ding tusschen een geraamte van bamboes en eone groote vogelkooi geleek en, niemand wist door wien of wanneer, uit 1 n d i e was medegebracht. Zoo kwam men aan Kichard s kamer, die gedeeltelijk slaapkamer was, rn inderdaad een zeer geriefelijk samenstel van een aantal kamers scheen te zijn. Van deze ging men recht, met een gangetje er tusschen, naar de eenvoudige kamer, waar mynheer Jarndyce


-ocr page 41-

KKX OrDEinVETSCH HKIS.

sliep, met zijn venster open, het geheele jaar door, en in een ledikant zonder gordijnen, dat midden in de kamer stond, om meer lucht te | hebben, terwijl zijn koud bad in een aangrenzend kamertje naar hem stond tewachten. Daaruit kwam men in een andere gang, waar eeneachtertrap was, en waar men de paarden buiten den stal kon hooren afwrijven, en toeroepen; „stavastquot; en ,sta stil,quot; daar zij op de ongelijke stee- | nen dikwijls uitglipten. Of men kon, als men i eene andere deur uitging (elke kamer had ten minste twee deuren) wederom met een half dozijn treden en door een lagen boog, recht naar het voorhuis gaan, en zich verwonderen hoe men daar terugkwam, of hoe men er ooit vandaan was gekomen.

Het meublement, meer ouderwetse,h dan oud, evenals het huis zelf, was even vermakelijk ongeregeld. Ada\'s slaapkamer was geheel bloemen op chits en papier, in fluweel en borduurwerk, in het tapijtwerk van twee stijve, hoffelijke stoelen, die, ieder tot grootere staatsie door een kleinen tabouret als page vergezeld, aan beide zijden van den schoorsteen stonden. Onze zitkamer was groen, en had, in lijst en glas -aan de wanden, een aantal verwonderlijke en verwonderde vogels, die uit hunne lijsten staarden naar een echten forel in een glazenkastje, i zoo blinkend bruin, alsof hij gebraden was; naar den dood van kapitein Uook; en naar de geheele bereiding van thee in China, door Chi- ; neeselie kunstenaren in eene reeks van tafe-reelen afgebeeld. In mijne kamer hingen ovale j gravures van de maanden —- hooiende dames, met korte lijfjes, en groote hoeden, onder de kin vastgestrikt, voor Juni - heeren, met korte broeken en driekante hoeden, naai\' kerktorens wijzende, voor October. Portretten in crayon hingen in menigte doorliet geheele huis, maar waren zoodanig verstrooid, dat ik den broeder van een ! jeugdig officier van mij in het porseleinkamertje, en den grijzen ouderdom van mijne bevallige, jonge bruid, met eene bloem voor haar keurslijf, in de ontbijtkamer vond. Tót vergoeding had ik vier engelen, uit den tijd van koningin Anna, die een deftig, glimlachend heer, met bloemslingers en tamelijk vi el moeite, naar den hemel voerden; en eene compositie van naalden-werk, dat fruit, een ketel en een alphabet voorstelde. Al het huisraad, van de hangkasten tot aan de stoelen en tafels, do gordijnen, de glazen, zelfs de speldenkussens en reukfleschjes op de toilettafeltjes vertoonden dezelfde zonderlinge verscheidenheid. Zij stemden in niets overeen dan in de keurigste netheid, in het pralen met het witste linnen, en in het bergen, waar het bestaan van eene lade, groot of klein, dit maar mogelijk maakte, van geheele hoopjes roze-bladeren en lavendel. Dit waren, — met de verlichte vensters, hier en daar door de schaduwen van gordijnen verzacht, die in den ■ sterrennacht uitstraalden; met het licht en de warmte en het gemak; met het gastvrije ge- j rinkel in de verte van de toebereidselen voor den maaltijd, en juist wind genoeg om een zacht accompagnement te vormen bij alle geluiden die wij hoorden — onze eerste indrukken van het Verlaten Huis.

„Ik ben in mijn schik dat het u bevalt,quot; zeide mijnheer Jarndyce, toen hij ons weder naar Ada\'s zitkamer had gebracht. „Het heeft geene pretenties; maar het is toch eene genoeglijke woning, hoop ik, en zal dat nog meer zijn met zulke heldere, jeugdige gezichtjes er in. Gij hebt nog maar een half uur voor den eten. Er is niemand hier behalve het aardigste ding in de wereld — een kind.quot; — „Nog meer kinderen, Esther,quot; zeide Ada. - „Ik meen niet | letterlijk een kind,quot; hervatte mijnheer Jarndyce, „geen kind in jaren. Hij is volwassen — hij is ten minste zoo oud als ik maar in eenvoudigheid, in frischheid, in hartelijkheid, in aanvallige, argelooze ongeschiktheid voor alle wereldsche zaken is hij volmaakt een kind-quot;

Wij gevoelden dat hij zeer interessant moest wezen.

„Hij kent mevrouw Jellyby.quot; zeide mijnheer Jarndyce, „Hij is een muzikant, een liefhebber, maar had het wel van beroep kunnen zijn. Hij is ook een schilder, uit liefhebberij, maar hij had het wel van beroep kunnen zijn. Hij is een man van veel talent, en van innemende manieren. Hij is ongelukkig in zijne zaken gewéést, en ongelukkig in zijne liefhebberijen, en ongelukkig in zijne familie; maar dat trekt hij zich niet aan — hij is een kind!quot; — „Moet ik begrijpen, dat hij zelf kinderen heeft, mijn heer,quot; zeide Richard. „.la, Rick. een half dozijn. Nog meer. Dicht bij het volle dozijn, zou ik denken. Maar hij heeft nooit zorg voor hen gehad. Hoe kon hij? Hij had iemand noo-dig, die voor hem zorgde. Hij is een kind, heb ik u gezegd,quot; antwoordde mijnheer Jarndyce. — „En hebben de kinderen voor zich i zeiven gezorgd, mynheer?quot; vroeg Richard, „Ja, gelijk gij wel denken kunt.\' zeide mijn-lieer Jarndyce, terwijl zijn gezicht op eens betrok. „Men zegt, dat de kinderen van arme lieden niet opgebracht, maar opgesb ept worden. Harold Skimpole\'s kinderen zijn zoo maar opgerold. — De wind loopt weer om, vrees ik. Ik voel het eenigszins.quot;

Richard merkte aan, dat de stand nogal koud was.

.Ja nogal,quot; zeide mynheer Jarndyce. „Dat | is zonder twijfel de reden. Het Verlaten Huis hoeft zelfs een konden klank. Maar gij moet ! mijn weg op. Kom maar mee.quot;

Daar onze bagage aangekomen en bij de hand | was, had ik mij in weinige minuten gekleed, en was toen bezig met mijne wereldsche goe-


-ocr page 42-

11kt vi;i;i.ati;\\ [ins.

(leren weg te bergen, toen een meisje (niet dat Ada bediende, maar een ander, dat ik nog nooit gezien had) mij een mandje kwam brengen met twet bossen sleutels er in. allen met een briefje er aan.

„Voor u, jnffrouw, als het u belieft,quot; zeide zij. ,Voor mij?quot; zeide ik. .De sleutels van het huishouden, juffrouw.quot;

Ik liet zeker mijne verwondering blijken, want zij zeide, met eenige verwondering aan haar kant; „Ik moest u die brengen zoodra gij alleen waart, Jutfrouw. Jntfrouw Summerson, als ik mij niet vergis.quot; ,Ja,quot; zeide ik. «Zoo heet ik.quot; „De groote bos is van het huishouden, juffrouw, en de kleine bos is van de kelders. Morgenochtend, wanneer het u maar belieft, moest ik u de kasten en andere dingen wijzen, waarop zij passen.quot;

Ik zeide, dat ik om half zeven gereed zou zijn; en toen zij weg was, bleef ik het mandje staan aankijken, geheel verbaasd over de gewichtige taak, die mij werd opgedragen. Ada vond mij zoo, en toonde, toen ik haar de sleutels liet zien - n er haar van vertelde, zulk een allerliefst vertrouwen op mij, dat het gevoelloos mi ondankbaar zon zijn geweest als ik mij niet aangemoedigd had gevoeld Ik wist zeker wel, dat het maar de vriendelijkheid van het lieve meisje was; maar ik liet mij gaarne zoostreelendbedriegen .

Toen wij beneden kwamen werden wij aan mynheer .-\'kimpole gepresenteerd, die voor het vuur stond, en [iiehard juist vertelde hoeveel hij in zijn schooltijd van het balspelen placht te houden. Hij w as een klein, levendig manneke, met een eenigszins groot hoofd; maar hij had fijne trekk\' -n en ee;ie zachte stem, en over het gehéél iets zee: innemends. Al wat hij zeide was zoo ongedwongen ■ n onvoorbedacht, en werd niet zulk eeiie innemende vrooUjkheid gezegd, dat het betooverend was hem te hooien praten. Daar hij tengerder was dan mijnheer .larnd,vee en hooger kleur had, met bruiner haar, zag hij er jonger uit. 1 lij had eiuenlljk, in alle opzichten, meer het voorkorncn van een verouderd jong-mensrh, dan van lt;•gt; i: wei geconserveerd, bejaard man. Hij had eene 1 -se achteloosheid in zyne manieren, en zelfs in zijne kleeding (zijn haar zwierde h\'-m vrij om het hoofd, en zijne das hing los efi ne t wuivende slippen. gel;ik ik wel eens kunstenaar- hun eigen portret heb zien schilderquot; n). die ik niet kon afscheiden van het denkh\' eld van een romanesk jonkman, die op \' en.• Lfehe! 1 liiiiteimvwon. manier, eenoudacht ig uitzicht had gekregen. 1 let kwam mij voor, dat hy geheel niet hlt;! voorkomen of de manieren had van een rnan, die langs den gewonen weg van jaren, zorgen en ondervinding zoo ver in het leven was gevorderd.

Ik maakto uit het gesprek op, dat inijnli\' ■ r Skimpok tot LTeneeskundig\'\' was opgehad, en eens in deze hoedanigheid aan het Hof van een Duitsch vorst was geplaatst geweeet. Hij zeide ons echter, dat hij, daar hij wat maten en gewichten betreft altijd oen klein kind was geweest , en daarvan nooit iets had geweten (behalve dat zij hem verveelden) nooit in staat was geweest om met de vereischte nauwkeurigheid een recept te schrijven. Eigenlijk, zeide hij, had hij geen hoofd voor geringe, wereldsche zaken. En hij vertelde ons, zeer luimig, dat men, als hij den vorst moest aderlaten of naar iemand van de hofhouding komen zien, hem doorgaans op zijn rug in bed vond liggen, bezig met de courant te lezen of schetsjes met potlood te teekenen, en dat hij dan niet kon komen. De vorst had dit eindelijk niet goedgevonden,, waarin hij volkomen gelijk had,quot; zeide mynheer Skimpole op de openhartigste manier, en hem zijn ontslag gegeven; „en daar mijnheerSkimpole\' (voegde hij er met de aardigste vroolijkheid bij) „toen niets had om van te leven dan de liefde, werd hij verliefd, en trouwde, en omringde hij zich met rozewangen.quot; Zijn goede vriend Jarndyce en eenige andere vrienden hielpen hem van tijd tot tijd aan verschillende nieuwe betrekkingen; rnaar dit baatte niet, want hij moest bekennen, dat hij met twee allerzonderlingste gebreken was behept. Vooreerst dat hij geen denkbeeld van tijd. en ten tweede dat hij geen denkbeeld van geld had. Het gevolg daarvan was, dat hij nooit eene afspraak hield, nooit eene zaak kon afhandelen, en nooit de waarde van iets kende, Welnu! Zoo was hij het leven doorgekomen, en hier was hij! Hij hield veel van couranten lezen, veel van schetsjes teekenen, veel van de natuur en veel van de kunst. Al wat hij van de maatschappij vroeg, was hem te laten ieven. Dat was toch niet veel. Zijne behoeften waren weinig. Geef hem maar de couranten, conversatie, muziek, schapenvleeach, koffie, landschap, fruit in het seizoen, eenige vellen Bristol papier en wat Bordeaux, en hij vroeg niet meer. Hij was in de wereld slechts een onnoozel kind, maar hij huilde toch nietom de maan. Hij zeide tot de wereld : „Gaat allen in vrede uws weegs! Draagt roode rokken, blauwe rokken, kamer doeksche mouwen, steekt pennen achter deooren, draagt voorschoten, jaagt den roem, de heiligheid, den handel, de nijverheid na. waaraan gij maar de voorkeur geeft, maar laat Harold skim pole toch leven!quot;

Dit allrs en nog veel meer vertelde hij ons. niet alleen op een le vendig\' n en vroolijken toon, maar ook met zekere losse, openhartige on-verschillighoid — van zich zeiven sprekende, alsof hij zich zeiven geheel niet aanging, alsof •■■kimpole een derde persoon was, alsof hij wist dat, skimpole wel zijne zonderlingheden had, maar toch ook zijne rechten, waarvoor de maat-sehappy in het algemeen moest zorgen, en die niet veronachtzaamd mochten worden. Hij was


-ocr page 43-

MI.LMIEKK SKIMI\'dLK.

waarlijk betooverend. Als ik mij toen verlegen gevoelde; om iets dat hij zei de, met hetgeen ik anders over de plichten en de verantwoordelijkheid van het leven gedacht had overeen te brengen (maar daarvan ben ik lang niet zeker) was ik verlegen, omdat ik niet recht begreep waarom hij daarvan vrij was. Dat hij er vrij van was betwijfelde ik bijna niet; zoo duidelijk scheen dit hem zeiven te zijn.

„Ik heb geeno begeerte naar iets,quot; zeide mijnheer Skimpole op denzelfden luchtigen toon. „Het bezit heeft voor mij niets to beduiden, ïlier is het uitmuntende huis van mijn vriend Jarndyce. Ik gevoel mij aan hem verplicht, dat hij hot bezit. Ik kan het schetsen en veran deren. Ik kan liet op muziek zetten. Als ik hier ben, heb ik er bezit genoeg van, en ik heb geene moeite, kosten of verantwoording. Mijn rentmeester, kortom, heet Jarndyce, en iiij kan mij niet bedriegen. Wij hebben van mevrouw Jellyby gesproken. Daar hebben wij eene vrouw met heldere oogen, een krachtigen wil. een ontzaglijk talent voor zaken en details, en die zich met verbazenden ijver, op dit en dat toelegt: Het spijt mij niet dat i k geen krachtigen wil, en geen ontzaglijk talent voor zaken heb, om mij met verbazenden ijver op dit en dat toe te leggen. Ik kan haar zonder afgunst bewonderen. Ik kan met die dingen sympa-thiseeren. Ik kan er van droomen. Ik kan bij mooi weer — in liet gras liggen, en eene Afrikaansche rivier langs drijven, en al de inboorlingen, die ik ontmoet, omhelzen, évenzeer bewust van de diepe stilte, en even nauwkeurig schetsen makende van het overhangende tropische geboomte, alsof ik daar was. Ik weet niet of het van eenig, dadelijk nut is, dat ik dat doe, maar het is al wat ik doen kan, en ik doe het van goeder harte. Daar gij dus Harold Skimpole voor u hebt als een vertrouwelijk kind, dat u, de wereld, als eene verzameling van practische rnenschen met talent voor zaken, vraagt om hem maar te laten leven en het menschelijke huisgezin te bewonderen, zoo doet dat toch, om \'s hemels wil. op eene of andere manier, als goede zielen, en laat hem op zijn hobbelpaard rijden.quot;

Het was duidelijk genoeg, dat manheer .larn-dyce deze bede niet in den wind had geslagen. Mijnheer skimpob v positie daar in huis zou dit reeds duidelijk hebben gemaakt al had hij lt; r niet bijgevoegd wat hij daarop zelde:

,(iij alleen zijt het, edelmoedige rnenschen,* zeide mijnheer Hkimpolo, ons, zijne nieuwe vrienden aansprekende, „die ik benijd. Ik benijd u uw verinogen om te dóen wat gij doet. Het is juist datgene, waarin ik zelf mij zou verlustigen, Ik gevoel geene gem eene dankbaarheid voor u. He t is mij bijna alsof g\\] mij dankbaar moest wezen, omdat ik u gelegenheid geef om de weelde der edelmoedigheid tege-nieten. Ik weet dat u dit streelt. Zooveel ik weet, kan ik wel opzettelijk in de wereld zijn gekomen om uwe mate van geluk te vergroe-ten. Ik kan wel geboren zijn om u tot een weldoener te wezen, door u somtijds gelegenheid te geven om mij in mijne kleine ongelegenheden bij te staan. Waarom zou mijne ongeschiktheid voor wereldsche zaken mij spijten, als die tot zulke aangename gevolgen leidt? Ik heb er dus ook geen spijt van.\'

Van al zijne schertsende gezegden (schertsend, maar altijd nog ten volle gemeend) scheen er geen zoozeer naar den smaak van mijnheer Jarndyce als dit. Ik kwam naderhand dikwijls opnieuw in verzoeking om mij te verwonderen of het inderdaad zonderling, of alleen voor mij zonderling was, dat hij, die bij de minste gelegenheid waarschijnlijk de dankbaarste dermei i-schen was. zoo verlangde om de dankbaarheid van anderen te ontwijken.

Wij waren allen betooverd. Ik vond het eene welverdiende hulde aan de innemende eigenschappen van Ada en Richard, dat mijnheer Skimpole, nu hij hen voor de eerste maal zag, zoo openhartig was en zich toelegde om zoo buitengemeen onderhoudend te zijn. Zij (vooral Ki-chard) gevoelden zich natuurlijk insgelijks gestreeld. en achtten het geen gewoon voorrecht, door zulk een aardig man zoo gemeenzaam in zijn vertrouwen te worden genomen. Hoe meer wij luisterden, des te vroolijker praatte mijnheer Skimpole; en door zijn aardig schertsenden toon, zijne innemende oprechtheid, en de geniale manier, waarmede hij luchtig met zijne eigene zwakheden speelde, als wilde hij zeggen : ,Ik ben maar een kind, dat weet gij! Gij zijt, bij mij vergeleken, arglistige rnenschen.quot; (hij deed mij waarlijk mij zelve in dat licht beschouwen), „maar ik ben vroolijk en onschuldig; vergeet uwe baatzuchtige kunsten, en spoelt met mij lquot; wasde indruk werkelijk verblindend.

Hij was ook zoo vol gevoel, en had zulk een fijnen smaak voor het schooi ie en teedere, dat hij daardoor alleen iemands hart had kunnen winnen. Des avonds, toen ik thee zette, cn Ada in de naaste kamer op do piano speelde en voor haar neef Richard zacht een wijsje zong. waarvan zij toevallig gesproken hadden, kwam hij bij mij oji de sofa zitten, en sprak zoodanig van Ada, dat ik hein bijna, liefkreca.

„Zij gelijkt naar den Ochtend,quot; zeide hij. „Met dat goudblonde haar, die blauwe oogen, en dien frisschen blos op hare wangen, gelijkt zij naar den zomèyochtend. I gt;e vogeltje s zullen haar daarvoor aanzien. Wij willen zulk ( enbehOorlijk jong schepseltje, dat eene vreugde voor d( ireheeio menschheid is, geene wees noemen. Zij is hei kind van het heelal.\'

Mijnheer •larndyce. bevond ik, stond dicht bij ons, met de handen op den rug en een aandachtigen glimlach op zijn ge/.icht.


-ocr page 44-

-

11 KT VER I,,ATEN HUIS.

3s

,Hut heelal,quot; merkte hij aan, „zou geen al tlt;\' \'x-.st vader wezen, vrees ik.quot; ,0, dat weet ik niet,quot; riep mijnheer Skimpale levendig uit. | ■ „Ik denk dat ik het wol weet,\' zeide mijn- | heer Jarndyce. „Wel,\' zeide mijnheer Skim- ■ pole, „gij kent de wereld (die in uw zin het 5 heelal is) en ik weet niets daarvan, dus moet | gij maar gelijk hebben. Maar als ik mijn zin had,quot; : daarbij zag hij naar de twee jongelieden om, i „zouden er geene doornbosschen van gewone werkelijkheid op zulk een pad als dat wezen. Het zou met rozen bestrooid zijn; het zou door lusthoven loopen, waar geen lente, herfst of winter was, maar een bestendige zomer. Ouderdom of verandering zou het nooit doen verdorren. Het lage woord „geld\' zou nooit in de nabijheid worden gefluisterd.quot;

Mijnheer Jarndyce klopte hem met een glim- | lach op zijn hoofd, als ware hij werkelijk een : kind geweest; en een paar stappen voortgaande, bleef hij een oogenblik staan en zag naar de jongelieden. Zijn blik was peinzend, maar had erne uitdrukking van welwillendheid, die ik dikwijls (o hoe dikwijls!) weder heb gezien, en sedert lang in mijn hart is gegrift. De kamer, waar zij waren on die in de onze uitkwam, had geen ander licht dan van het vuur. Ada zat voor de piano, Eichard stond in eenegebogene houding bij haar. Op den muur zag men hunne vereenigde schaduwen, door vreemde gedaanten omringd, die zekere spookachtige beweging hadden, welke het flikkerende vuur er aan gaf, hoewel zij van bewegiugiooze voorwerpi n afkomstig waren, Ada sloeg de snaren zoo licht aan en zong zoo zacht, j dat de wind, die over de verre heuvelen suisde, j even hoorbaar was als de muzi\'-k. Het geheimzinnig\'\' der toekomst, en de weinige inlichting, die de stem van In t tegenwoordige daaromtrent verleende, scheen in het geheele tafereel uitgedrukt.

Maar het is niet om deze inbeelding terug H roepen, ho\' duidelijk ik ze mij ook herinner, dat ik mij dit tooneel voor den geest breng. Vooreerst was ik niet geheel onbewust van het contrast, wat beteekenis en gezindheid betrof, tiissehen den naar dien kant gerichten, stillen Mik, en den vloed van woorden, dé daaraan was voorafgegaan. Ten tweede, hoewel de blik van mijnheer Jarndyce, toen hij zich omkeerde, slechts vooreen oogwenk op mij rustte, gevoelde ik alsof hij mij, in dat. oogenblik, tot deelgenoot maakte wist ik dat hij mij in /ijn vgt; rtrouwen nam (en dat ik dat vertrouwen aan li.irn) van zijne- hoop, dat Ada, en Richard eens iii dierbaarder betrekking met elkander moclt-ten komen.

Mijnheer Skimpole kon de piano en de violon -cel bespelen; en bij was eomponist - hij had i gt; ns ( ene halve operagecompone-rd, maar was liet moede geworden en droeg, wat hij gecomponeerd had, met smaak voor. Na de thee

hadden wij een klein concert, waarbij Richard, - die door Ada\'s zingen verrukt was en mij zeide dat zij alle liederen scheen te kennen, die ooit geschreven waren - mijnheer Jarndyce en ik het gehoor uitmaakten. Na eene korte poos miste ik eerst mijnheer Skimpole, en naderhand Eichard; en terwijl ik dacht hoe Richard zoolang kon wegblijven en zooveel verliezen, kwam het meisje, dat mij de sleutels gegeven had, de deur inkijken en zeide: „Als \'t u belieft, juffrouw, zoudt gij een oogenblik tijd hebben?quot;

Toen ik met haar bulten in het voorhuis en de kamerdeur dicht was, zeide zij, hare handen opstekende: ,0, als \'t u belieft, juffrouw, mijnheer Carstone vraagt of gjj eens boven wilt komen op mijnheer Skimpole\'s kamer. Het is weer zoo erg niet hem, juffrouw,quot; — „Zoo

erg?quot; zeide ik.

„Ja, juffrouw, op eens,quot;

zeide zij.

Ik vreesde dat zijne ongesteldheid van gevaarlijken aard zou zijn; maar verzocht haar, na-timrlljk, om zich stil te houden en niemand te ontrusten; en terwijl Ik haastig met haar naar boven ging, herkreeg ik voldoende mijne bedaardheid, om te overleggen wat de beste middelen zouden zijn, als het blijken mocht dat hij een toeval had gekregen. Zij stiet eene deur open en Ik trad eene kamer binnen, waar Ik, tot mijne onbeschrijfelijke verrassing, in plaats van mijnheer Skimpole op het bed of op den grond te vinden liggen, hem voor het vuur zag staan, glimlachend met Richard sprekende, terwijl Richard, met een verslagen gezicht, naar een man op de sofa keek, met eene witte jas, sluik haar op het hoofd, en daarvan niet heel voel, dat hij met zi jn zakdoek nog gladder streek en nog meer deed verminderen,

„Juffrouw Summerson,\' zeide Richard haastig, „ik ben heel blij dat gij komt. Gij zult mij wel raad kunnen geven. Onze vriend, mijnheer Skimpole — schrik maar niet — is om schulden gearresteerd.\' En inderdaad, mijne lieve juffrouw Summerson,\' zeide mijnheer Skimpole, met zijne streelende openhartigheid, „ik was nooit In een toestand, waarin ik meer behoefte had aan dat uitmuntende verstand, en die stille gewoonte om dienst te doen en nuttig te zijn. welke iedereen bij u moet opmerken, die het geluk heeft om een kwartieruurs in uw gezelschap te zijn.\'

De man op de sofa, die eene verkoudheid In het hoofd scheen te hebben, haalde hier zoo hard zijn neus op, dat ik er van schrikte.

„/.lit ge voor veel gearresteerd, mijnheer?quot; vroeg ik mijnheer Skimpole. „Mijne lieve juf frouw Summerson,quot; antwoordde hij schertsend zijn hoofd schuddend\';, „dat weet ik niet, Eenige ponden, schellingen en halve stuivers werden genoemd, naar ik meen,quot; «Het is vier en twintig pond, zestien schellingen en zeven en


-ocr page 45-

I

89

een halve stuivi-r,quot; merkte do vreemdeling aim, „Zooveel is het.quot; „En dat klinkt - ik weet niet hoe, maar het klinkt,quot; zeide mijnheer Skim-pole, „als cone kleine som.quot;

Do vreemde man zeide niets, maar haalde nog I oens zün neus op, met zooveel kracht, dat het hem van zijne zitplaats scheen op te lichten.

„Mijnheer Skimpole,quot; zeide Eichard tot mij, „maakt uit kieschheid bezwaar om zich tot mijn neef Jarndyce to wenden, omdat hij onlangs— ik meen van u verstaan te hebben, mijnheer, dat gij onlangs •\' „O ja,quot; antwoordde mijnheer ; Skimpole glimlachend. „Hoewel het mij ontschoten is hoeveel het was en wanneer het was. Jarndyce zou het bereidwillig nog eons doen; maar ik heb een epicuristisch gevoel dat eene nieuwe hulp mij meer zou bevallen; dat ik.quot; en daarbij zag hij Richard en mij aan, „de edelmoedigheid liever in een nieuwen grond en met eene nieuwe bloem zou aankweeken.quot; , Wat denkt gij dat het beste zou zijn, juffrouw Sum-morson?quot; zeide Richard ter zijde.

Ik waagde het, eer ik antwoord gaf, in het algemeen te vragen wat er gebeuren zou als het geld niet kwam.

„Gevangenis, zeide de man, koelbloedig zijn zakdoek in zijn hoed stoppende, die voor zijne voeten op don grond stond. „Of Goavinsrs, quot; „Mag ik vragen, mijnheer, wat is - quot; „Coa-vinses?quot; zeide de vreemdeling. „Een huis.\'

Hichard en ik zagen elkander nog eens aan. Het zonderlingste was dat dit arrest ons in verlegenheid bracht, niet mynheer Skimpole. H ij sloeg ons met vriendelijke belangstelling gade; maai daarin scheen, als ik zulk eene tegenstrijdigheid mag zeggen, niets zelfzuchtigs te liggen. Hij had zijne handen van de moeielijkheid gewasschen, en zij was nu de onze geworden.

„ik dacht,quot; zeide hij, alsof hij ons goedhartig er uit wilde helpen, „dat daar zij partijen zijn in een kanselarij-proces overeen groot vermogen (naar men zegt), mijnheer Kichard, of zijne schoone nicht, of zij met hun beiden, iets konden teekenen, of overdragen, of een pand. of verband of zoo iets konden geven? Ik weet niet hoe zoo iets eigenlijk heet of wat het is. maar ik meen toch dat zij iets zouden kunnen doen of schrijven om de zaak te schikken.quot;

..... .Geen doen aan,quot; zeide de vreemde man.

—, inderdaad ?quot; antwoordde mijnheer Skimpole. „Dat komt iemand, die eigenlijk geen verstand van zulke dingen heeft, toch wonderlijk voor.\'

„Wonderlijk of niet,quot; zeide de vreemdeling brommig, „ik zeg u, geen doen aan.quot; „Blijf in een goed humeur, be,sic man, blijf in een goed humeur.quot; zeide mijnheel- Skimpole. op een vriendelijk redeneerenden toon, terwijl hij 0|gt; het schutblad van een boek een ec)ietsje van zijn gezicht teeki nde. „Laat u door uwe bezigheid niet knorrig maken. Wij kunnen u van uw ambt afzonderen, wij kunnen den p.jr-soon van zijn beroep onderscheiden. Wij zijn niet zoo bevooroordeeld om te denken, dat gij in uw bijzonder leven iets anders zijt dan een zeer achtenswaardig man, met veel poëzie in uw gemoed, waarvan gij misschien niet eens bewust zijt.quot;

De vreemdeling antwoordde slechts met een snuivend neusophalen; of hij daardoor die hulde aan de poëzie in zijn gemoed wilde aannemen of verwerpen, gaf hij niet te kennen.

„Nu, mijne lieve juffrouw Summerson, en mijn beste mijnheer Richard,quot; zeide mijnheer Skimpole, onschuldig en vertrouwelijk, terwijl hij met het hoofd op zijde naar zijne teekening keek, „hier ziet ge mij, volslagen buiten staat om mij zeiven te helpen, en geheel in uwe handen! Ik vraag alleen maar om vrij te zijn. De vlindertjes zijn vrij. Het menschdom zal voorzeker Harold Skimpole niet ontzeggen, wat het aan do vlindertjes toestaat!quot; -- „Lieve juffrouw Suïtlinerson,\' zeide Kichard fluisterend, „ik heb tien pond van mijnheer Kenge gekregen. Ik moet beproeven wat dat kan doen,quot;

Ik bezat vijftien pond en eenige schellingen, die ik verscheidene jaren van mijn vierendeel-Jaarsgeld had opgespaard. Ik had altijd gedacht dat mij wel eens een ongeluk kon overkomen, waardoor ik op eens, zonder bloedverwanten of vermogen, de wereld werd ingejaagd; en had mijn best gedaan altijd wat geld over te houden, om niet geheel ontbloot te zijn. Ik zeide Richard, dat ik dien kleinen schat had, en op het oogen-blik niet noodig had, en verzocht hem, terwijl ik het geld ging halen, mijnheer Skimpole op eene kiesche manier te onderrichten, dat wij het genoegen zouden hebben zijne schuld te betalen.

Toen ik terugkwam, kuste mijnheer Skimpole mij de hand. Hij scheen werkelijk geroerd, niet om zijn eigen wil (die zonderlinge tegenstrijdigheid viel mij weder in het oog) maar om onzentwll, alsol het hem onmogelijk was om zich zei ven te denken, en de beschouwing van ons geluk alleen hem zoodanig aandeed. Daar Richard mij verzocht, om de zaak meer gratie te geven, zeide hij, metCoavinscs (gelijk mijnheer Skimpole den man nu schertsend noemde• af te rekenen, telde ik het geld uit en ontving de vereischte quitantio. Ook hierover was mijnheer Skimpole verrukt.

Zijne complimenten waren zoo fijn en kirsch, dat ik minder bloosde dan ik anders wel zou gedaan hebben, en met den vreemdeling met de witte, jas afrekende zonder eenig abuis to begaan. Hij stii k het geld in zijn zak en zeide kortaf: „Wel dan. ik wensch u goedenavond, juliVouw.quot;

„Mijn vriend,quot; zeide mijnheer skimpole, met zijn rug naar het vuur staande, met zijne half voltooide sehels in de hand. „ik zou u gaarne iels willen vragen, als gij hel niet kwalijk neemt,quot;

Ik meen dat het antwoord was; „Gang maar!quot;


-ocr page 46-

40 HET VERLAT EN\' IICIS.

„Hebt gij dezon morgen geweten, dat gij met | deze boodschap zoudt uitgaan?quot; zeide mijnheer Skitnpole.— „Dat he li ik gisterachtermiddag onder do thee al geweten,quot; zei de Coavinses. ,En heeft dat uw eetlust niet benadeeld? Heeft dat ii niet eeaigszins onrustig gemaakt ?quot; „Geen zier,quot; zeidn Coavinses. „Ik wist wel, als ik u vandaag miste, dat ik u morgen niet mis-,-quot;n zou. Een dag maakt zoovc nl verschil niet.\'

.Maar toen gij hier n:iar toe kwaamt,quot; vervolgde mijnheer Bkimpole, „was het een mooie dag. Do zon scheen, en de wind waaide, de lichten en schaduwen vlogen over de velden, de vogeltjes zongen.quot; „Xieinand heeft dat tegengesproken, zooveel i k hoorde,quot; antwoordde Coa-vinses. .Neen.quot; merkte mijnheer .-jkimpole aan. .Maar wat li ebt ge toen onderweg wel gedacht?quot; „Wat meent gij?quot; bromde Coavinses, alsof hij dit ze. r kwaiijk nam. „Denken! Ik heb genoeg te doen, en krijg er weinig ge-: noeg voor, zonder te denken. Denken!quot; Met diepe minachting. — „Dan hebt gij, in allen gevalle toch dit gedacht,quot; vervolgde mijnheer skitnpole. „llarokl skirnpole ziet gaarne de zon schijnen, hoort gaarne den wind waaien, ziet gaarne naar afwisseling van lichten en schaduwen; hoort gaarne de vogeltjes zingen, die koorzangers in de groote cathedraalkerk der natuur. En liet komt mij voor dat ik I larold Skirnpole ga beiooven van zijn aandeel in zulke bezittingen, die zijn eenig geboorterecht zijn. Hebt ge zoo iets niet gedacht?quot; — „Wel zeker - neen,quot; zeide Coavinses, met zulk eene stugheid van ontkenning, dat hij daaraan alleen de behoor-j Hike kracht kon geven door eene lange tusschen-poos achter ieder woord te plaatsen, en door het laatste met zulk een schok uit te spreken, dat hij zijn nek wel h;id kunnen ontwrichten.

„/.eer zonderling en merkwaardig is toch d\' werking van don geest bij u, lieden van zaken.quot; zeide mijnheer Skirnpole peinzend. „Dank u, mijn vriend. Goedennacht.quot;

Daar onze afwezigheid lang genoeg had geduurd om beneden vreemd te worden gevonden, ging ik lerstond weder daarheen, en vond Ada hij het vuur zitten werken en met haar n-\' I Johh praten Weldra kwam mijnheer Skirnpole, en kort daarop volgde Richard. Ik had het, zoolang de avond nog duurde\', druk genoeg om mijne eerste b s in het triktrakspel van mynheer .larndyce te nemen, die veel van dit spel hield, en van wicn ik het natuurlijk zoo spbe diur \\veiischte te jecreii als ik kon, om van het /.eer geringe nul te zijn van met hein te kun-nen spelen als hij geen beter partij had. .Maar ik da\' ht toch somtijds, als inijnhf1 r Skirnpole brokken van zijne i\'omposi tien op dt- pianospeelde, of wanneer hij, zonder eenigi inspanning, mei zijne gnw.wie, innemende vroolijkbeid praatte, dat Ih\'imrd en ik den op ons overgedragen indruk schenen t\' bevvari\'Ti van na den tnaaltijd

gearresteerd te zijn geweest, en dat de geheele zaak zeer zonderling was.

Het was laat eer wij scheidden; want toen Ada om elf uur wilde heengaan, ging mijnheer .■skirnpole naar de piano, en trommelde luchtig, „dat het beste van alle middelen om onze dagen te verlengen was, eenige uren van den nacht te stelen.\' Het was over twaalven eer hij met zijn blaker en zijn stralend gezicht de kanier uitging, en ik geloof dat hij, als hij dit goed gevonden had, ons tot liet aanbreken van den dag daar had kunnen houden. Ada en Hi-chard draalden nog een poosje bij liet vuur, en zeiden benieuwd te zijn of mevrouw Jellyby al voor dien dag met die toeren zou gedaan hebben, toen mijnheer ,larndyce, die de kamer uit geweest was, terugkwam.

„0, mijn hemel wat is dat, wat is dat?quot; zeide hij, zijn hoofd wrijvende en met zijne goedhartige verdrietelijkheid rondstappende. „Wat is dat, wat zij mij zeggen? Rick, mijn jongen, Esther,melieve, wat hebt gij uitgevoerd? Waarom hebt gij dat gedaan ? Hoe kondt gij dat doen? Hoeveel was het voor ieder? De wind is weer omgeloopen. Ik voel het overal.\'

Wij wist en geen van beiden wat te antwoorden.

„Kom aan, Rick, kom aan. Ik moet dit afdoen eer ik ga slapen. Hoeveel heeft het u gekost? Gij hebt met u beiden het geld bijeengelegd. Waarom hebt ge dat gedaan? Hoe kondt ge? - O Heere ja, hij is vlak oost moet \'wel zoo zijn.\' „Inderdaad, mijnheer,\' zeide Richard, „ik geloof niet dat het eerlijk van mij zou zijn het u te zeggen. Mijnheer Skirnpole heeft op ons vertrouwd.\' — „God zegen u, mijn goede jongen! Hij vertrouwt op leden en!quot;zeide mijnheer ,larndyce, zijn hoofd nog een krach-tigen wrijf gevende en toen staan blijvende.— „Inderdaad, mijnheer?quot; „Op iedereen! En hij zal aanstaande week weder eveneens in de kiern zitten.quot; z.eido mijnheer .larndyce, weder met groote schreden voortstappende, met eene uitgewaaide kaars in de hand. „Hij is altijd in de klem. Hij is in de klem geboren. Ik geloof waarlijk dat, toen zij te moeder beviel, de advertentie in de courant luidde: „Dinsdag laatstleden op haar buitengoed IC 1 em in en stel n mevrouw Skirnpole van een zoon in ftnancicele ongelegenheden.quot; ^

Richard lachte hartelijk, maar zeide toen: „Toch. mijnheer, wilde Ik zijn vertrouwen niet gaarne schokken of schenden; en als ik het nog eens aan uw betefoordeel onderwerp of ik zijn geheim niet behoor te bewaren, hoop ik, datgiju bedenken zult, eer gij mij verder dringt. Natuurlijk, als gij mij dringt, mijnheer, zal ik weten dat ik \'Ongelijk heb, en ik zal het u zeggen.quot; „Wel,\' zeide mijnheer .larndyn-, wederom stilstaande en verscheidene verstrooide pogingen doende om zijn blaker in zijn zak te steken. „Ik — Hier neem eens aan, lieve. Ik weet niet wat


-ocr page 47-

G KM EEL EEN KIM».

11

ik er mee doen wil. Het ligt alles aan den wind altijd heeft hij die werking. Ik wil u niet dringen, Kick; gij kunt wel gelijk hebben. Maar inderdaad u en Esther zoo beet te pakken — en u uit te knijpen als een paar zachte, versche sinaasappelen! Het zal van nacht een storm waaien.\'

Hij stak nu beurtelings zijne handen in zijne zakken, alsof hij ze langen tijd daarin zou houden, en haalde ze er dan weder uit en wreef er geweldig zijn hoofd mede.

Ik waagde het deze gelegenheid waar te ne-vroeg mijnheer Jarndyee, meer en meer ophelderende.

Dat was hij inderdaad, zeiden wij.

„Als men er recht aan denkt, is het waarlijk het toppunt van kinderachtigheid bij u bij mij. meen ik —\' zei de Jarndyee, „hem voor een oogMiblik als een man te beschouwen. Men kan h e m niet verantwoordelijk stellen. Het donk-beeld van Harold Skimpole met oogmerken en plannen, of bewustheid van gevolgen! Ha, ba, ha!\'

Heit was zoo verrukkelijk de wolken van zijn


men om aan te merken dat mijnheer Hkiin-pole, in al zulke zaken, geheel een kind was.

„He, melieve?quot; zeide mijnheer Jarndyee, dat woord opvangende. — „(ieheel ei n kind, mijnheer,quot; zeide ik, „en zoo versehillend van ander* menschen.\' ,(iij hebt: gelijk,quot; zeide mijnheel- Jarndyee ophelderend,,V w vrouw i lijk vernuft heeft het wit getroffen) Hij is een kind geheel eon kind. Ik heb u wel gezegd weet ge, dat hij een kind was, toen ik u het eerst van hem sprak.quot; „Zekerlijk, zek\' rlijk,\' z iden wij. — „En hij is een kind. is hij nu niet?quot; helder gezicht te zien opklare n, en hem zoo hartelijk in zijn schik te zien. en te weten (gelijk men onmogelijk weten kon) dal de bron van die blijdschap do goedheid van zijn hart was, dat gemarteld werd als hij iemand heimelijk moest vcroordeelen, wantrouwen of bi schul-digen, dat ik tranen in Ada s oogen zatr, terwijl zij met zijn lach instemde, en ik ook tranen in mijne eigene voekb■.

, Wel, welk een kabeljamvskop ben ik.quot; zeide mijnheer Jarndyee, ,dat ik daaraan behoef herinnerd te worden. He geheele zaak laat duidelijk


-ocr page 48-

iIET VERLATEN Hl lS.

4 li

het kind zien, van liet begin tot het einde. Niemand dan een kind zou er aan gedacht hebben om u beiden tot helpers uit te kiezen! Niemand dan een kind zou gedacht hebben dat gij het geld hadt! Als het duizend pond was geweest zou het eveneens geweest zijn,quot; zelde miinheer Jarndyce, met zijn gezicht geheel in gloed.

Wij bevestigden dit alles uit onze ondervinding van dien avond,

„Wel zeker, wel zeker,quot; zeide mijnheer Jarndyce. „Evenwel, Rick en Esther, en gij ook, Ada -- want ik weet niet of zelfs uw beursje wel veilig is voor zijne onnoozelheid - gij moet mij allen beloven dat er niets meer van dien aard zal plaats hebben. Geen U-enen meer zelfs van geen halven schellinglquot;

Wij beloofden dit allen oprechtelijk: Richard klopte, mot een schertsenden blik naar mij, op zijn zak, als om mij te herinneren dat er geen gevaar bestond dat wij ons woord, niet zouden houden.

„Wat Skimpole betreft,zeide mijnheer Jarndyce, „een bewoonbaar poppenhuisje, met eene goede tafel en eenige tinnen menschjes om schulden bij te maken en geld van te leenen, daarmede zou het knaapje voor altijd geholpen zijn. Hij ligt nu zeker al in een kinderslaap; het is tijd dat ik mijn listiger hoofd op mijn meer wereldsch kussen .leg. Ooedcnnacht, mijn lieven! God zegen u!quot;

Eer wij onze blakers hadden aangestoken, kwam hij met een lachend gezicht nog eens binnenkijk\' n. en zeide: „Ik hel) naar den windwijzer gekeken. Ik zie dat het een valsch alarm was van den wind. Hij is in het zuiden 1quot; En daarmede ging hij, bij zich zeiven zingende.

Ada en ik begrepen beiden, toen wij boven nog een poosje met elkander praatten, dat die gril over den wind maar een verzinsel was, dat hij gebruikte om reden te geven van eene of andere verdrietelijkheid, die hij niet kon ont-Veinzen, liever dan over de werkelijke oorzaak daarvan te klagen of iemand te berispen of te verachten. Wij vonden daarin een kenteeken van zijne eigenaardige; zonderlingheid en zachtaardigheid, en van het verschil tusschen hem en die korzelige menschen. die het weer lt; n den wind ivooral dien ongeiukkigen wind, dien hij met zulk eon geheel ander doel hatl gekozen) tot voorwend.-\' Is van hunne verdrietige, naar-ge\'-stige luimen maken.

Inderdaad, zooveel genegenheid voor hem had zich op dien e- neu avond reeds bij mijne dank-bnarheid gevoegd, dat ik hoopte dat ik h- m door deze gemengde aandoening reeds begon te begrijpen. De schijnbare tegenstrijdigheden bij mei ,t.-r skimpole en mevrouw Jellybykonik niet denken t- kunnen ophelderen, daar ik zoo weinig ondervinding en wereldkennis bezat. Ik beproefde dit ook niet eens; want toon ik alleen was. waren mijne gedachten met Ada en

Richard bezig, en met den vertrouwelijken wenk, dien ik ten hunnen aanzien had gemeend te ontvangen. Mijne verbeelding, misschien door den wind wat wild gemaakt, wilde niet geheel onzelfzuchtig blijven, schoon ik ze wel daartoe had willen bewegen als ik kon. Zij zwierf terug naar het huis van mijne peet, en riep langs den weg naar den tegenwoordigen tijd eenige schaduwachtige gissingen op, die zich voorheen reeds bevend hadden vertoond, naar de kennis die mijnheer Jarndyce van mijne vroegste geschiedenis kon hebben — zelfs wer de mogelijkheid. dat hij mijn vader zou zijn — hoewel die ijdele droom nu geheel vervlogen was.

Zij was nu geheel vervlogen, bedacht ik mij, terwijl ik van het vuur opstond. Het paste mij niet over het verledene te zitten mijmeren, maar met een vroolijken geest en een dankbaar hart werkzaam te zijn. Zoo zeide ik tot mij zelve: „Esther, Esther, Esther! Uw plicht, mei ie ve!\' en gaf mijn mandje met sleutels zulk een zet, dat zij als klokjes klingelden, en mijn dag hopend uitluidden.

VII.

DE ÜEESTKSWASDELIS\'i.

Terwijl Esther slaapt en terwijl Esther waakt, blijft het op het buiten in Lincolnshire nog regenachtig weder. De regen valt steeds, des nachts en over dag, drop voor drop, op het breede steenen terras, de Geesten wandeling. Het weder is daar in Lincolnshire zoo slecht, dat de levendigste verbeelding zich nauwelijks kan voorstellen, dat het ooit weder mooi weer zal worden. Niet dat daar nu juist een overvloed van levendige verbeelding is, want Sir Leicester is er niet (en waarlijk, al was hij er, hij zou in dat opzicht niet veel» helpen), maar bevindt zich met mylady te Parijs; en de eenzaamheid spreidt hare donkere vleugelen over het Kastanje-Hof uit.

Mogelijk bestaat er nog e-enig-leven van verbeelding onder de dieren van lager rang op Kastanje-Hof. De paarden in de stallen •—de lange stallen, aan een kaal, met roode steenen bevloerd stalplein, waar eene groote klok in een torentje hangt, dat ook eene groote wijzerplaat heeft, welke de duiven, die er dicht bij wone n, altijd schijnen te raadplegen — misschien beschouwen zij clan zekere denkbeeldige tafereel on van mooi weer, en zijn zij in dit opzicht betere kunslonaren dan de stalknechts. De oude ruin, zoo vermaard voor zijn loopen over het ongebaande veld, draait zijn grooten oogappel naar her getraliede venster bij zijne ruif, en herinnert zich misschien de frissche bladeren, die daar anders flikkerden, en den reuk, die er binnen woei, en is misschien met do honden bui-


-ocr page 49-

KASTANJEHOF.

43

ten, terwijl do menschelijke helper, die den naasten stal schoonmaakt, niet verder komt dan zijne mestvork en bezem. De schimmel, die tegenover de deur staat, en die, met een ongeduldig gerammel van zijn halster, zijne ooien opsteekt en zijn kop zoo verlangend omkeert, als die deur opengaat, en tot wien de binnenkomende zegt: „Ho, schimmel, sta stil! Vandaag heeft u niemand noodig;\' weet dat misschien evengoed als de man. Het geheele, schijnbaar druilige en ongezellige half dozijn, dat daar bij elkander is gestald, slijt misschien de lange, regenachtige uren, als de deur gesloten is, in levendiger onderhoud, dan men in de bediendenkamer of in het Wapen van Dedlock heeft — of verdrijft zich den tijd door op de zedelijke verbetering (of misschien het bederf) van den hit in den hoekte werken.

Zoo denkt misschien de bulhond, die in zijn hok op de plaats met zijn kop op zijne groote pooten ligt te dutten, aan den lleeten zonneschijn, wanneer de schaduwen der stalgebou-wen zijn geduld tergen door gedurig te verschuiven, en hem, op zekeren tijd van den dag geene breedere schuilplaats te laten, dan de schaduw van zijn eigen huis, waar hij dan zit te hijgen en te brommen, en sterk naar iets verlangt om aan te trekken en te rukken, behalve zich zeiven en zijn ketting. Zoo herinnert hij zich nu misschien, half wakker en knipoogende, het huis vol gezelschap, de koetshuizon vol rijtuigen, de stallen vol paarden, en de buitengebouwen vol oppassers van die paarden, tot hij met het tegenwoordige in de war geraakt, en naar buiten komt om te zien hoe het is. Dan bromt hij misschien, als hij zoo ongeduldig schudt, bij zich zeiven: „Regen, regen, regen! Niets dan regen en de familie niet buiten !quot; en kruipt weder naar binnen, en gaat somber geeuwend weder liggen.

Zoo is het ook met de honden in den honden-stal aan den anderen kant van In t park. die humv vlagen van rusteloosheid hebben, en wier Jammerlijke stemmen, als de wind zeer hardnekkig is, dit zelfs aan het huis bekend maken; boven, beneden, en in mylady\'s kamer. Zij loopen misschien het geheele jachtveld af, ter-wijl de regendroppels om hunne werkeloosheid neerkletteren. Zoo verlustigen zich misschien de konijnen, met hunno verraderlijke staartjes, die de holen aan de wortels van hoornen in-i n uitwippen, met levendige denkbeelden van winderige dagen, wanneer hun doooren orn den kop waaien, of aan dien gewichtigen tijd als . r zoete jonge plantjes te knabbelen zijn. De kalkoen in do menagerie, altijd door eene grief tegen de menschen in het algemeen gekweld (misschien de groote kalkoenenslachting met Kersttyd), denkt misschien aan dien zomerochtend, waarop hem ook al onrecht is gedaan, toen hij op een laantje tusschen de gevelde boo-

: men was gekomen, waar eene schuur stond, waar gerst in was. De misnoegde gans, die bukt onder eene oude poort van twintig voet hoogte, geeft misschien door haar geklok te kennen, (als wij het maar wisten) dat zij meer van weder houdt,\'waarbij die poort eene schaduw op den grond werpt.

Dit zij gelijk het wil, er is anders op Kastanje-Hof niet veei verbeeldingskracht levendig. Maalais er somtijds iets van bestaat, komt men met een weinigje al heel ver - evenals een klein gerucht in zulk een oud, holklinkend huis een groot leven maakt en loopt het doorgaans op spoken en geheimen uit.

Het heeft daar in Lincolnshire zoo hard en zoo lang geregend, dat jutfrouw Rounce-well, de oude huishoudster op Kastanje-Hof, al verscheidene malen haar bril heeft afgenomen en afgeveegd, om zich te verzekeren, dat de droppels niet aan de glazen hingen. Juffrouw Rouncewell had daarvan reeds zeker genoeg kunnen zijn door hot hooien van den regen, maar zij is eenigszins doof, hetgeen men haar maar volstrekt niet kan doen gelooven. Zij is eene knappe oude juffrouw, welgemaakt, deftig en verwonderlijk net, en heeft zulk een rechten rug en zuik eene breede borst, dat als haar keurslijf, wanneer zij sterft, blijken mocht met de ijzers van een ouderwetschen vuurhaard voorzien te zijn, niemand, die haar kent, reden zou hebben om zich daarover te verwonderen. Het weder doet juffrouw Rouncewell weinig aan. Het huis is daar toch in alle weder, en het is hot huis, naar haar zeggen, „waar zij op ziet,quot; Zij zit in hare kamer (aan oen zijgang, beneden, met een boogvenster dat op een vierkant grasperk uitziet, op regelmatigen afstand versierd met gladgeschoren ronde boomenen gladde ronde blokken steen, alsof de boomen met de steenen zouden gaan kaatsen) en het geheele huis is, naar hare gedachten, wel bezorgd. Zij kan het, zoo noodig, openzetten, en drukte en beweging maken; maar het is nu gesloten, en ligt op de breedte van juffrouw Rouncewell\'s met ijzer omschanste horst in een majestueuzenslaap.

Het is bijna even moeiclijk als eeiieonmogelijkheid om zich Kastanje-Hof zonder juffrouw Rouncewell te verheelden, maar zy is toch pas vijftig jaar daar geweest. Vraag haar hoelang, op dezen n genachtigen dag, en zij zal antwoorden; „Vijftig jaar, drie maanden en veertien daag, met quot;s hemels zegen, als ik dinsdag beleef.\' Mijnheer Rouncewell stierf eenigen tijd voordat de sierlijke mode der staarten uitstierf, en verborg toen zijn staartje (als hij het m* denam) in een bescheiden hoekje van het kerkhof in het park. Hij was in de mark\'.-tad gi boren on zijne jeugdige weduwe insgelijks. Hare betrekking tot de familie was in den tijd van den vorigen Sir Leicester begonnen, en in de kinderkamer ontstaan.


-ocr page 50-

Hkt vkki.atex litis.

I»e thans levende vertegenwoordiger der Ded-lock\'s i.s een uitmuntend meester. Hij vooronderstelt, dat al zijne afhangelingen geheel out-, bloot zijn van bijzondere neigingen, gevoelens of karakter, en is overtuigd, dat hij geboren is : om het tfpodeloos te maken, dat zij zulke dingen hebben. Als hij het tegendeel ontdekte zou hij eenvoudig ais van den donder getroffen zijn, en nooit weder bijkomen dan om een snik te ^even en 1\' sterven. Maar hij is toeh een uitmuntend meester en gelooft dat het bij zijn rang past dit te zijn. Hij is zeer op jutfrouw Kóunceweil gesteld, en zegt dat zij eene knappe, fatsoenlijke vrouw is. Hij geeft haar altijd de hand bij zijne aankomst op Kastanje-Mof en als hij weder vertrekt; en als hij heel ziek werd, of bij toeval overreden werd, of zulk een ongeluk kreeg als men kan onderstellen, dat een Dedlock kan krijgen, zou hij, al- hij in.--\' spreken kon. zeggen: „tuit mij alleen, en laat juffrouw Rouncewell hier komen;\' gevoelende dat zijne waardigheid in zulk eene ongelegenheid bij haar veiliger zou zijn dan bij iemand anders.

Juffrouw Rouncewell heeft rampen gekend, /ij heeft twee zonen gehad, waarvan de jongste op hol ging, en soldaat werd, en nooit terug i kwam./el (\'sop dit uur verliezen juffrouw Rouncewell s kalme handen hare bedaardheid als zij van hem spreekt, en ontvouwen zich dan van haar keurslijf, en dwalen op gene onthutste manier om haar heen, als zij zegt welk een aardige jongen, welk een mooie jongen, welk een vroo-lijke. goedhartige, knappe jongen hij was! Haar tweede zoon zou op Kastanje Hof bezorgd en dooi den tijd rentmeester geworden zijn; maar toen hij nog school ging, begon hij .stoommachines van sauspannetjes te maken, en vogeltjes af te richten, om met de minst mogelijke kracht verspilling hun waterbakje op te halen, hen zoodanig met eene v* rnuftige uitvinding te hulp komende, dat een dorstige kanarie, letterlijk ge/egd, maar even zijn schouder tegen het wiel behoefde te zetten, om drinken te krygen. Deze neiging was voor juffrouw Rouncewell eem bron • van groote ongerustheid, /ij gevoelde, met al de smart eener moeder, dat de knaap don weg van Watt Tyler opging, w.-l wetende, dat Sir Leicester zulke gedai-hten ko\' sterde over een aanleg voor elke kunst, waarbij m«-ii kon den- 1 ken, dat rook «-n een hooge schoorsteen te gt; pa- kwamen. Maar de ongelukkige jonge rebel einders (■ ti zachtzinnig jongen, maar /.gt; lt; r : .ilhardend) toonde, toen hij ouder werd, geen blijk van berouw, maar vervaardigde integen- j deel het model van een nu rhanisch weel\'gelouw, ! en ■/.lt;\'(gt; acht!\' hij zich verplicht, met vele tra- : tien. den baronet van zijne verkeerdheden te ; ond- rrieiit. n, .Juffrouw Ho-m\'-ewelj.\' z.eidi sir L» ie. ster, . k kan er nóóit in bewilligen, ge-li.ik gij weel. ntet iemand over iets in re 1

dewisseling te treden. Gij moest u liever van uw jongen ontdoen; gij moest hem liever naar eene of andere fabriek zenden. De ijzerstreek in het noorden is, naar ik meen, het geschikte land voor een knaap met zulke neigingen.\' Hij ging naai\' het noorden, en werd in het noorden groot; en indien Sir Leicester hem ooit zag, als hij naar Kastanje-Hof kwam om zijne moeder te bezoeken, of naderhand ooit aan hem dacht, is het zeker, dat hij hem niet anders beschouwde dan als ltd van een verbond van eenige duizend grimmige, zwart berookte samenzweerders, die gewoon waren drie nachten in de week, met ongeoorloofde oogmerken, bij toortslicht langs den weg te loopen.

Evenwel is juffrouw Rouncewell\'s zoon, volgens den loop der natuur en der kunst, groot g. worden, en heeft zich gevestigd, en is getrouwd, en heeft juffrouw Rouncewell\'s kleinzoon naar huis geroepen, die, nu zijn leertijd om is, en hij van eene reis in verre landen is teruggekomen, waarop hij uitgezonden was om zijne kennis te vermeerderen en zich op zijne loopbaan door het leven voor té bereiden, juist oj) dezen dag in juffrouw Rouncewell\'s kamer op Kastanje-Hof tegen den schoorsteenmantel staat te leunen.

„En nog eens, en nog eens, ik ben blij dat ik u zie. Watt. En nog eens, en nog eens, ik ben blij dat ik u zie. Watt.quot; zegt juffrouw Rouncewell. „Ge zijt een knappe, frissche jongen. (üj gelijkt naar uw armen oom iJeorge! Ach!quot; En juffrouw Rouncewell\'s handen worden onrustig, gelijk gewoonlijk bij zulk een zeggen. „Men zegt, dat ik naar vader gelijk, grootmoeder,quot; ..Naar hem ook, lie/e jongen . maar het meest naar uw armen oom George. En uw lieve vader,quot; juffrouw Rouncewell vouwt hare handen weder. „Is hij wel?quot; - „Het gaat hem in alle opzichten heel goed, grootmoeder.quot; . „ik ben dankbaar.quot; Juffrouw Rouncewell houdt veel van haar zoon, maar blijft toch ten zijnen aanzien zeker treurig gevoel koesteren omtrent alsof hij een soldaat was, die, hoewel een man van eer, tot den vijand was over-gegaan. .Hij is dus gelukkig?quot; zegt zij.-

ja quot; ,lk ben dankbaar. Hij heeft u dus op zijne manier groot gebracht , en u naar vreemde landen gezonden en zoo meer? W-I. hij weet h\' i best. Er kan nog eene wereld buiten Kastanje-Hor wezen, waarvan ik niets begrijp. Schoon ik tóch zoo jong niet meer ben. En ik heb toch ook veel knappe mensehen gezien quot; „Grootmoeder,quot; zegt de jonkman, tot. een ander ondi r-werp overgaande, .wat was dat voor een aardig meisje, dat ik zooeven bij u vond? Gij hebt haar Rosa genoemd?quot; „Ja, kind. /ij is de dochter van eene weduwe uit het dorp. De meiden zijn tegenwoordig zoo moelelijk te leeron, dat ik haar al jong bij mij heb genomen, /ij leert heel vlug, en het zal wel met haar hikken.


-ocr page 51-

hkzoek 1)M Hirr m is te zikn.

Zij laat het huis ai zien, heel aardig. Zij woont zich dus vermurwen, bewilligt, als eepe bijzon- j

geheel bij mij, en eet by mij aan tafel.quot; „Ik dere gunst, in de toelating der vreemdelingen,

hoop, dat ik haar niet heb weggejaagd?quot; — i en zendt Eosa heen. Daar komt by den kleinzoon

„Zij zal denken, dat wij over familiezaken te : eensklaps een verlangen op om ook het huis

praten hebben. Zij is heel bescheiden. Dat iseene i eens te zien, en wil hij met het gezelschap mede-

mooie eigenschap voor een meisje. En zeldza- j gaan. De grootmoeder, welke het streelt dat hij

mer,quot; zegt juffrouw Rouncewell, hare borst zoo- i daarin belang stelt, vergezelt hem — hoewel

veel mogelijk vooruitzettende, „dan voorheen.\' hij, om hem recht te doen, zeer ongezind is

De jonkman buigt zijn hoofd uit eerbied voor ; om haar moeite te veroorzaken.

de lessen der ervaring. Juffrouw Rouncewell „Zeer verplicht, mejuffrouw!\' zegt Guppy,

luistert. i zich in het voorhuis van zijn doornatten duffel |

„Wielen!quot; zegt zij. Zij zijn voor de jongere i ontdoende, „Wij Londenschè praktizijns krijgen i

ooren van haar kleinzoon reeds lang hoorbaar niet dikwijls een uitgang; en als wij dat doen, 1

geweest, „Wat voor wielen op zulk een dag als | profiteeren wij er graag van, weet ge.\'

deze, om alle goedheid!quot; De oude huishoudster, eene genadige streng- j

Weldra wordt er aan de deur getikt. „Binnen! * held bewarende, wuift met hare hand naar de I

Eene schuwe, landelijke schoone, met donkere j groote trap. Guppy en zijn vriend volgen Rosa, i

oogen en donker haar — zoo frisch, met haar 1 juffrouw Rouncewell en haar kleinzoon volgen ;

gezonden en toch fijnen blos, dat do regendrop- hen, een jonge tuinman gaat vooruit en zet de

pels, die op hare krullen zijn blijven liggen, naar luiken open,

dauw op eene versch geplukte bloem gelijken. Gelijk doorgaans het geval is met menschen,

„Wat ziju daar voor vreemden, Rosa?quot; zegt die huizen gaan zien. zijn Guppy en zijn vriend j

juffrouw Rouncewell. — „Twee jongeheeren | al doodaf, eer zij nog recht begonnen zijn. Zij 1

met eene sjees, juffrouw, die het huis willen | dwalen naar verkeerde plaatsen, kijken naar ver- |

zien — ja, dat heb ik ze ook gezegd;quot; snel keerde dingen, geven niet om de rechte dingen, i

antwoord gevende op eene weigerende beweging j gapen als er nog meer kamers worden geopend,

dor huishoudster, „Ik ging naar het voorhuis, en , leggen eene diepe neerslachtigheid aan den dag

zeide dat het een verkeerde dag en een verkeerd . en zijn blijkbaar afgemat. In elke kamer, die |

uur was; maar de jongeheer, die reed, nam in zij binnentreden, zet juffrouw Rouncewell zich

den regen zijn hoed af, en verzocht mij om u stijf rechtop in eene vensterbank of in een ander

dit kaartje te brengen.\' „Lees het eens, lieve hoekje, en luistert met statige goedkeuring naar

Watt,quot; zegt de huishoudster. Rosa\'s uitlegging. Haar kleinzoon is zoo opmerk-

Rosa is bij hot overgeven zoo bedeesd, dat zaam daarop, dat Rosa nog bedeesder wordt

het kaartje tusschen hen in op den grond valt, dan ooit i-n nog bevalliger. Zoo gaan zij van

en zij bijna met de voorhoofden tegen elkander i kamer tot kamer, doen de geschilderde Dedlock\'s

stoeten om het op te rapen. Rosa wordt nog be- voor eenige mümt\'-n herleven, als de jonge tuin-

deesder dan te voren. man het licht binnenlaat, en verwijzen hen w(

„Mijnheer Guppy,\' is alle inlichting, die hef derom naar hun graf, als hij het w der buiti n

kaartje geeft -- „Guppy!\' herhaalt juffrouw sluit. Het komt den bedroefden Guppy en zijn

Rouncewell. „Mijnheer Guppy. Gekheid! ik heb ontroostbaren vriend voor, dat er gein-i•! ge. n

nooit van hem gehoord.quot; — „Dat heeft hij mij eind is aan de Dedlock\'s, wier grootheid als oen

ook gezegd,\' zeide Rosa. „Maar hij z.eide, dat adellijk geslacht- daarin s.-injnt te bestaan, dat

hij en die andere jongeheer pas gisteravond zij zevenhonderd jaren lang nooit iets gedaan

met de diligence van Londen waren gekomen, hebben om zich te onderscheiden.

naar een vergadering van magistraten tien Zei fs de langlt; • zaal van Kast a-nje- Hof kan Guppy

mijlen hier vandaan, dezen morgen, en dat, niet verlevendigen. Hij is zoo uitgeput, dat hij

daar zij gauw met hunne zaken gedaan hadden, bijna op den drempel neerzinkt, en nauwelijk-

en zij veel van Kastanje-Hof hadden gehoord on geestkracht genoeg heeft om binnen te treden,

eigenlijk niet wisten wat zij met hun tijd zouden Maar een portret boven den schoorsleemnant\' 1,

uitvoeren, zij door den regen hier naar toe waren door een vermaard sclnider van dien t ijd ver

gekpmen om het te zien. Zij zajn lecldsgöleerden. vaardigd, lieeft ( ene werking op hem. die naar

Hij zegt dat hij wel niet by mijnheer Talking- (oovrij gelijkt. Hij herstelt zich in oen oogen-

horn op het kantoor is, maar toch zeker wel blik. liij staart In l mei buitengeineene belang-

desnoods van mijnheer Tulkinghorn\'s naam ge- stelling aan ; hy schijnt er geheel door geboeid,

bruik mag maken.\' Daar zij, nu ophoudende, „Eïeere!quot; zegl Guppy, „Wie i- dat?quot; ,D\'

bevindt, dat zij eigenlijk eene lange rede heeft schilderij voor den schoorsteen.\' /.egt Ro-a. „js

gehouden, wordt Rosa bedeesder dan ooit. het portret, van de tegenwoordige Lady Ivdloek.

Nu is mijnheer Tulkinghorn iemand, die als Het wordt voor eeiu- volmaakh gelijkeni:- c-

hel ware tot het buiten behoort, en bovendien houden, en voor het beste wei k van den meester.quot;

gelooft men dat hij juffrouw Rouncewell\'s les- „Zegen ons!quot; zegt Guppy, zijn vriend met

tament heeft gemaakt. De oude Juffrouw aat zekere verbazing aanstarende, „als ik haar ooit

-ocr page 52-

HET VERLATEN HITS.

| kan gezien hebben! En toch ken ik haar. Is dat portret gegraveerd, jufTromv?quot; - „Dit portret is nooit gegraveerd. Sir Leicester heeft altijd het verlof daartoe geweigerd.quot; .Wel,quot; zegt Guppy zeer zacht, „ik laat mij doodschieten als het niet wonderlijk is, hoe goed ik dat portret ken! Dat I is dus Lady Dedlock?quot; — „Het portret aan de rechterhand is de tegenwoordige Sir Leicester Dedlock, 1 iet portret aan de linker is zijn vader, wijlen Sir Leicester.\'

Guppy heeft geene oogen voor een van deze groote mannen. „Het is mij onverklaarbaar,\' zegt hij, nog naar het eerste portret starende, .hoe ik dat portret zoogoedken. Ik mag vertrapt wezen,quot; vervolgde hij, rondkijkende, „als ik niet geloof dat ik eens van dat portret moet gedroomd hebben.\'

Daar niemand der aanwezigen eenig bijzonder belang in Guppy\'s droomen schijnt te stellen, wordt er niet verder over deze mogelijkheid gesproken. Maar hij is nog zoo verdiept in het portret, dat hij onbeweeglijk staan blijft, tot de jonge tuinman de luiken heeft gesloten, en komt dan de zaal uit, in een toestand van bedwelming, die, wonderlyk genoeg, dikwijls voor belangstelling wordt gehouden, en gaat mede naar de l andere kamers, waar hij verbijsterd roodstaart, alsof hij nog overal naar Lady Dedlock zocht.

Hij ziet haar niet meer. Jly ziet hare kamers, die, als zeer elegant, het laatst worden vertoond, en kijkt uit de vensters, waaruit zij niet lang geleden ho ft gekeken, naar hetzelfde weder dat haar zoo doodelijk heeft verveeld. Alle dingen hebben een eind zelf huizen, die men met veel moi jte gaat zien, en die men al moede is eer men ze recht begint te zien. Guppy is aan het einde van zijn kijken gekomen, en de fris-sch\' . landelijke schoone aan he t eind van hare besehrijving, die alt\\jd aldus luidt;

„Het terras berieden wordt zeer be wonderd. Het wordt, naar eene oude vertelling in de familie. dè O\'-stenwandelinggenoemd.quot; „Zoo!quot; zegt (inppy. met gretige nieuwsgierigheid. „Wat is dat voor eene vertelling juffrouw? Is het iets van een portret?quot; „Och, vertel ons die ge-sehiedenis,quot; zegt Watt, half (luisterend, „Ik weet ze niet, mijnheer.\'\' Rosa is bedeesder dan ooit. „Zij wordt niet aan vreemdelingen ver-haild. Zij is zoo goed al- vergeten,quot; zegt de huishoudster, nader komende. „Het is nooit meer daneene famielie anekdotegewe est.quot; — „i.iy zult het wel niet kwalijk nemen, dat ik vraag, of het iets met een portret te maken heeft, me-jutfrouw,quot; merkt Guppy aan. „want ik verzeker u, hoe meer ik om dat portret denk, des te beter ken ik het, zonder te weten hoe ik het ken.\'

De treschiedonis heeft niets met een.portret te maken; daarvoor kan de huishoudster in-

gt; üi G ippy is h i ir voor deze inliehting, en bovendien over het geheel zeer verplicht. Door

den jongen tuinman geleid, gaat hij met zijn vriend eene andere trap af, en weldra hoort men hen wegrijden. Het is nu schemeravond. Juffrouw Kou nee well kan zich op de bescheidenheid harer jeugdige hoorders verlaten, en hun mag zij wel vertellen hoe het terras aan dien akcligcn naam kwam. Zij zet zich in een groeten leuningstoel bij het bijna donkere venster, en vertelt ;

„In de goddelooze dagen van koning Karei den Eersten, kinderen ik meen, natuurlijk, in de goddelooze dagen van de rebellen, die zich tegen dien uitmuntenden koning verbonden -was Sir Morbury Dedlock eigenaar van Kastanje-Hof, Of er voor dien tijd eene overlevering van een geest in de familie bestond, kan ik niet zeggen; maar ik zou het voor zeer waarschijnlijk houden,\'

Juffrouw Rouncewell koestert dit gevoelen, omdat zij begrijpt dat eene zoo oude en aanzienlijke familie zeker recht op een geest heeft. Zij beschouwt een geest als een van de privilegiën der hoogere standen, eene adellijke onderscheiding, waarop het gemeene volk geene aanspraak heeft,

„Sir Morbury Dedlock,quot; zegt juffrouw .Rouncewell, „was, dit behoef ik niet te zeggen, op de zijde van den koninklijken martelaar. Maar men zegt dat zijne vrouw, die geen droppel van het familiebloed in hare aderen had, de slechte zaak begunstigde. Men zegt, dat zij betrekkingen onder koning KareTs vijanden had; dat zij briefwisseling met hen hield, en dat zij hun berichten gaf. Als sommigen van de land-ei leien, die Zijne Majesteit aanhingen, hier bijeenkwamen, zegt men dat mylady altijd dichter bij de deur van hunne raadkamer was dan zij dachten. Hoort gij geen geluid als van een voetstap langs het torras, Watt?quot;

Rosa schuift dichter bi) de huishoudster,

„Ik hoor de regendroppels op de steenen,quot; antwoordt de jonkman, ,en ik hoor eene zonderlinge echo, ik houd het voor eene echo — die voel naar een strompelenden voetstap gelijkt,quot;

De huishoudster knikt ernstig en vervolgt:

„(iedeeltelijk door deze verdeeldheid tnssehen hen en gedeeltelijk om andere redenen, leidden Sir Morbury en zijne vrouw een onrustig leven. Zij w;is eene vrouw van een trotsch karakter. Zij pasten niet goed bij elkander in jaren en gemoedsaard, en zij hadden geene kinderen om hen te verzoenen. Toen haar meest geliefde broeder, een jong edelman, in den burgeroorlog was gevallen (door de hand van een nabestaande van Sir Morbury) waren hare aandoeningen zoo heftig, dat zij een haat opvatte tegen het goheele geslacht waarin zij getrouwd was. Als de Dedlock\'s voor de zaak des konings van Kastanje-Hof zouden uitrijden, zegt men dat zij meer dan eens in het holste van den nacht


-ocr page 53-

DE LECiEMtE \\ AX DE (iEESTENWAXDEI.IMi

17

naar de stallen sloop en hunne paarden verlamde ; en het verhaal zegt, dat haar man haar eens zoo in den nacht de trap zag afsluipen, en haar volgde naar denstal waar zijn eigen geliefkoosd paard stond. Daar greep hij haar bij den arm, en door cene worsteling, of een val, of door dat het paard schichtig werd en schopte, kreeg zij eene ontwrichting van de heup, en van dat uur af begon zij weg te kwijnen.quot;

De huishoudster heeft hare stem tot weinig meer dan een gefluister laten dalen.

„Zij was eene schoone dame geweest, met eene statige houding. Zij klaagde nooit over die verandering; zij sprak er nooit iemand over dat zij nu kreupel was of pijn had; maar dag aan dag beproefde zij langs dat terras te wandelen ; en met behulp van een stok en van de steenen borstwering, ging zij op en neer, op en neer, in zonneschijn en schaduw, eiken dag met meer moeite. Eindelijk, op een namiddag stond haar man (tegen wien zij na dien nacht door niets meer te bewegen was geweest om een woord te spreken) voor het groote venster aan den zuidkant, en zag haar op de steen«-n vallen. Hij haastte zich naar beneden om haar op te helpen, maar zij stiet hem van zich af, en hem strak en koel aanziende, zeide zij: „Hier wil ik sterven, waar ik gewandeld heb. En hier zal ik wandelen, al lig ik in mijn graf. Hier zal ik wandelen, tot de trots van dit huis vernederd is. En als er ongeluk of schande nabij is. laten dan de Dedlock\'s naar mijn voetstap luisteren.quot;quot;

Watt ziet naar Rosa. Rosa ziet in de toenemende schemering naar den grond, half beangst en half bedeesd.

, Daar en toen stierf zij,\' zegt juffrouw Rounee-well. „En uit dien tijd is de naam vandeGeesten-wandeling afkomstig. Als die voetstap eene echo is. is het eene echo, die men alleen na het vallen van den donker hoort, en dikwijls een tijd lang niet hoort. Maar van tijd tot tijd komt zij terug; en zoo zeker als er ziekte of dood in de familie komt, zoo zeker wordt zij dan gehoord.quot; — „En schande, grootmoeder,quot; zegt Watt. „Schande komt nooit ÓVer Kastanje-Hof,quot; antwoordt de huishoudster.

Haar kleinzoon verontschuldigt zich met een; „Zeker. Zeker.quot; „Dat is de geschiedenis, wat het geluid ook wezen mag, het is een lastig geluid,quot; zegt juffrouw Rouncewell, van haar stoel opstaande, „en het opmerkelijke er van is, dat men het hooren moot. Mylady, die voorniets bang is, geeft toe, dat men, als het er is, het moet hooren. Met: kan het niet buitensluiten. Watt, daar staat eene groote Fransche pendule achter u (met opzet (laar geplaatst), die een harden tik heeft als zij aan den gang is, i-n muziek kan spelen. Gij weet, hoe men met die dingen moet omgaan?\' „Zoo tamelijk, denk ik, grootmoeder.quot; „Maak zo dan eens aan den gang.quot;

Watt maakt ze aan den gang — muziek en al.

„Kom nu eens hier,quot; zegt de huishoudster. „Hier, kind, dicht bij het hoofdeinde van my-lady\'s bed. Ik ben niet zeker of het al donker genoeg is. Maar luister! Hoort gij niet het geluid op het terras, door de muziek en het tikken en alles heen?quot; - „Zeker doe ik.quot; „Zoo zegt mylady ook.quot;

VHL

BEDEKT EENE MENIGTE VAN ZONDEN.

Het was zeer interessant, toen ik mij voorden dag aankleedde, uit het venster te kijken, waar mijne kaarsen als twee vuurbaken in de zwarte ruiten spiegelden, en terwijl in het eerstalles nog in deonduideiykheid van den laatsten nacht lag gehuld, op te merken hoe het zich vertoonde ; toen de dag aanbrak. Toen het uitzicht zich langzamerhand openbaarde, en het tooneel onthulde waarover de wind in de duisternis had gezworven, gelijk mijne herinnering over mijn leven, had ik het- genoegen van de onbekende voorwerpen te ontdekken, die mij in mijn slaap hadden omringd, In het eerst waren zij door den mist slr. ht-flauw te onderscheiden, en glinsterden de laatste sterren nog daarboven. Die bleeke tusschenpoos voorbij, begon de schilderij zich zoo snel te ver-grooten en te vullen, dat ik telkens, als ik opnieuw uitkeek, genoeg had kunnen vinden om mijne oogen oen uur lang bezig te houden. Ongevoelig werden mijne kaarsen het ei nige dat niet bij den morgen paste, verdwenen al de donkere plekken in mijne kamer, en scheen het daglicht helder over het vroolijke landschap, waarin de oude abdi jkerk met haar zwaren toren eene zachtere schaduw over het verschiet wierp, dan met do ruwheid van dat gebouw scheen te stronken. Maar er gaat van eene ruwe buitenzyde (hoop ik geleerd te hebben) dikwijls een heldere en zachte invloed uit.

Alles in huis was zoo volmaakt in orde, en iedereen was zoo oplettend voor mij, dat ik met mijne bossen sleutelsgeene de minste moei te had, schoon ik, doordat ik den inhoud van elke kast en lade poogde te onthouden, en op eene lei aanteeki ningen maakte van cnnfituren, inmaakgoed, flcsschen, glaswerk, porselein en vele andere dingen, en doordat ik overliet geheel een precies, oiidvrjjsterachtig, teuterig persoontje ben, het zoo druk had. dat ik niet geloo-ven kon dat het al tijd was om te onbijten, teen ik de klok hoorde luiden. Daar ik echter reeds in de verantwoordelijkheid voorden trekpot was geïnstalleerd, liep ik en zette tlue; en toen, daar allen tamelijk laat bij de hand kwamen en er nog niemand beneden was, dat ht ik dat ik eens in den tuin wilde gaan kijken, en ook tiaar-


-ocr page 54-

ÜKT VWil.ATI.N HUIS

IS

mede kennis maken. Ik vond dien een verrukke- | lijk plekje; van voren de fraaie laan en de oprij, : waarlangs wij gekomen waren (en waar wij, in het voorbijgaan, het kiezelzand zoo schrikkelijk met onze wielen hadden ingesneden, dat ik den tuinman vroeg om het te rollen), achteraan den bloemtuin, met mijn lievelingetje daar op en voor haar venster, dat zij openschoof om mij aan te zien met een glimlach, alsof zij mij uit de verte wilde kussen. Voorbij den bloetntuinlagdemoestuin, en dan eene weide, en dan een allerliefst en aardig boerderijtje. Wat het huis /.elf bet rót, met zijne drie puntgevels. niet zijne vensters van verschillend fatsoen, sommigen zoo groot, sommigen zoo kl\' in, en allen zoo aardig, met het hekwerk tegen den zuidelijken muur om rozen en kamperfoelie aan op te binden, en met zijn genoeglijk, welkomheetend voorkomen: het was, gelijk Adazeide, toon zij aan den arm van den huisheer mij buiten kwam opzoeken, haar neef John waardig — een vermetel gezegde, hoewel hij haar daarvoor slechts in hare liev. wang kneep.

Mijnheer rtkimpole was aan hetontbijt even onderhoudend als hij des avonds was geweest. Er was honig op tafel, en dit bracht hem over de bijen aan het, praten. Hij had niets tegen honig, zei\'ie hij (en dit kwam mij ook zoo voor, want hij S\'-heen er zelfs smaak in te hebben k maar hij protesteerde tegen de verwaandeaamnatigingender bijen. Hij begreep niet waarom het nijvere bijtje hem tot een voorbeeld moest gesteld worden ; hij ■ dacht, dat de bij pleizier had in het honig maken, of het ander- met doen zou - niemand vröeg er haar om. Het was niet noodig, dat de bij zich zulk eene verdienste van hare liefhebberijen maakte. Als ieder suikerbakker in de wereld ging rond-brommen, tegen alles aandreunde wat hem in den weg kwam, en egoistisch iedereen rit-pom op te merken, dat hij aan Zijn werk ging en niet gestoord moest worden, zou do wereld een onuitstaanbaar verblijf worden. Dan was het toch eene belachelijke positie, met zwavel uit zijn fortuin gerookt te worden, zoodra men her. gemankt had. Men zou eene ze.-r gering\'- meening vaneen Manchesteraar hebben, als hij tot \'.reen ander einde katoen spon. Hij moe^t zeggen, dat hij een hommel depersi gt;niflcatie van een veel aangenamer en verstandiger denkbeeld vond. l,)e hommel zeide Z\'inderail- \' t.i\'.ie; „Oijzultmij wel versclioonen; ik kan wa uiijk ui\' topden winkel blijvenpassi n! ik bevind mij in eene wereld, waar zooveel t1, zit n is, en men z«ilt;gt; weinig tijd he\'t\'t om hel te zien, dat ik de vrijheid moe\' nemen om rond te kijken, en verzoeken dat mij hetnoodige wordt ver-schaft door iemand, die er niet op gesteld is om rond i-kijken.\' I )it iii\'-lil m ynheor sk Impole voorde hom-melphilos\'ijdii\' , t-n hij vind h\'-t ecrie Z\'-er goede ph.i!\'isophie, altijd onderstellt..\'iide dat de hommel gezind was om met de bij op c-engoeden voet te blyven ; hetgeen, zoover hij wist,, de inschikkelijke jongen altijd d\' ed. als het ingebeelde -ichep-sel het hem maar wilde laten doen, en niet zoo verwaand was op haar honig!

Hij vervolgde dit grillige onderwerp met den I luchtigsten tred over eene afwisseling van terrein, en maakteons allen vroolijk; schoon hij wederom met hetgeen hij zeide eene ernstige meening i scheen te hebben als hij in staat was om te heb- i ben. ik liet de anderen nog naar hem zitten luisteren, toen ik heenging om mijne plichten waar te nemen. Zij hadden mij eenigen tijd bezig gehouden, en ik kwam, met mijn mandje met sleutels aan den arm, de gangen door terug, toen mijnheer Jarndyce mij in een vertrekje naast zijne slaapkamer riep, dat ik bevond gedeeltelijk een bibliotheekje van boeken en papieren, en gedeeltelijk een klein museum van laarzen,schoenen en hoedendoozen te zijn.

„öa zitten, lieve,\' zeide mijnheer Jarndyce. i , Dit, moet ge weten, is de Bromkamer. Als ik uit j mijn humeur ben, kom ik hier zitten brommen.quot; --„Dan moet gij zeer zelden hier zijn, mijnheer,quot; ! zeide ik. - „6, gij kent mij nog niet,\' antwoordde | hij. .Als ik bedrogen of teleurgesteld word door— | den wind, en hij naar het oosten loopt, neem ik j hier mijne toevlucht. De Bromkamer wordt het | meest gebruikt van al de kamers in huis. Gij kent j nog niet half mijne grillen. Maar, melieve, wat j beeft ge!\'

,lk kon dit niet nalaten. Ik deed er erg mijn | best toe, maar nu ik alleen was met dien edelen weldoener, en in zijne vriendelijke oogen zag, en j mij zoo gelukkig en zoo vereerd gevoelde, en mijn hart zoo vol werd

Ik kuste hem de hand. Ik weetniet watik zeide of zelfs wat ik sprak. Hij was ontroerd en ging naar het venster, ik geloofde bijna met voornemen | om er uit te springen, tot hij zich omkeerde en ik : datgene, wat hi j had willen verbei gen, in zyne oogen las. Hij klopte mij zachtjes op het hoofd, en ; ik ging zitten.

„Zoo, zoo!quot; zeide hij. „Dat is over. Kom ! Wees niet dwaas!\' „Hel zal niet weer gebeuren, mijnheer,quot; antwoordde ik. „Maarin het eerst is het moeii lijk quot; „Gekheid 1\' zeidehy. „Het is gemakkelijk, zeer gemakkelijk. Waarom niet? Ik hoor van een lief, klein wi esmeisje zonder beschermer, en krijg in mijn hoofd om die be-schermer ti zijn. /aj wordt groot, rechtvaardigt mijne goede meening, doet zelfs nog meer, en ik blijf haai voogd en vriend. Wat steekt daar nu in? Zoo, /00! Nu hebben wij de oude rekening aangezuiverd, en heb ik uw genoeglijk, , Vertrouwend, en vertrouwelijk gezichtje weder voor mij.quot;

„Ik zeide tot mij zelve Esther, melieve, gil verwondert mij. Dat is waarlijk niet wat ik van 11 verwacht had !\' • 11 dit deed zulk eene goede werkimr dat ik mijne handen over mijn mandje vouwde en mij geheel herstelde. Mijnheer Jarn-dyce, wiens tevredenheid hierover op zijn gezicht te lezen was, begon nu zoo vertrouwelijk met


-ocr page 55-

MKKK \'runs (»1\'

mij tespreki n. ulsui ik reeds,ik weet niethoelang, gewoon was geweest eiken morgen met hem te sproken. Het was mij bijna te moede alsof het waarlijk zoo was.

„Het spreekt vanzelf, Esther,quot; zeide hij, „dat gij die kanselarij-historie niet begrijpt?quot;

Evenzeer spreekt het vanzelf, dat ik mijn hoofd schudde.

„Ik weet ook niet wie het doet,quot; hervatte hij. „De rechtsgeleerden hebben er zulk eene duivelarij van geknoeid, dat do oorspronkelijke punten van do zaak reeds lang van het gelaat des aardrijks verdwenen zijn. Het was overeen

i:t vehlaïkx nris. 49 \'

brengen, want hij begon zijn hoofd te wrijven, { „over een testament?\' „Ja. het was over een ! testament, toen het nog over iets was,quot; antwoordde.\' hij. „Zekere Jarndyceheeft ongelukkig eens een groot vermogen gewonnen en een groot testament gemaakt. Met proc-edeoren over tie vraag hoe de blt; schikkingen van dat tlt; stnment ! moeten ten uitvoer gelegd en de vooiioepige administratie gevoerd moet worden, wordt het i vermogen, waarover in het testament is beschikt, j te zoek gebracht; worden de legatarissen, in het testament benoemd, in zulk een ellendigen staat gebracht, dat zij genoeg gestraft zouden zijn,


testament en de beschikkingen van een testament ■ of dat was hot eens. r let is nu over niets dan de kosten. Wij zijn altijd aan het verschijnen, en verdwijnen, en zweren, en verhoeren, en insinueeren, requestreerm, en pleiten en zegelen, en meinorieeren, en rapporteeren en resol voeren om den lonl-kansolier en zijne satellieten heen. en danst-n zoo volgens alle wetten en rechten met allo formaliteiten naar het kerkhof allesomdelco.sten.Datis de groot e vraag. Al het. andere is op (•eiu • anbegrljpe-lijke manier weggesmolten.quot; „Maar het w is. mynheer,quot; zeide ik. om hem of) iets anders te

DlCKI\'.NHi. Hit nrhittn huis.

\\

-ocr page 56-

50

aanhoudend heen en weer dansen door zulk een ! van bouwvallige, blinde huizen, die de oogen zijn helschen contredans van kosten, vacatiën, onzin- uitgesteenigd; die geene ruiten, zelfs geene ra-nigheid en schelmerij, als nooit iemand van ge- men meer hebben; waar do kale luiken van de droomd hoeft, zelfs in de wildste visioenen van hengsels vallen, de ijzeren hekken bij brokken een heksensabbat. Heteene Hófverzendt vraag- roest wegschilferen, de schoorsteenen instorten, stukken naar het andere, en tiet tweede zendt de steenen stoepen geheel groen zijn geworden, zr weer naar het eerste terug; liet eene vindt zelfs de stutten, waarmede de muren gesteund dat liet dit niet kan doen, en het tweede vindt zijn, ook al vermolmen. Hoewel het Verlaten dat het dat niet kan doen ; geen van beiden kan Huis niet in de Kanselarij was, was zijn meester zelfs maar zeggen, dat het iets niet kan doen er toch in, eu liet was met hetzelfde zegel go-zonder dat een solliciteur en een advocaat voor stempeld. Dat zijn de afdrukken van het Groote A instrumenteeren eü vers. hijnen, en een ander Zegel, melievo, door gt-heelEnge land —zelfs solliciteur en advocaat voor B instrumenteeren de kinderen kennen ze!\' — ,Maar wat is het en verschijnen, en zoo voort door hot geheelo nu veranderd!quot; zeide ik weder. - „Ja, dat is alphabet lieen. Kn zoo gaat alles jaar op jaar en het,quot; antwoordde hij vroolijker, „en het is wijs leven op leven voort, en begint gedurig weder van van u mij den helderen kant der schilderij voor voren af aan. zonder dat er ooit iets aan oen te houden.quot; (Het denkbeeld van mijne wijsheid !) eind komt. En wij kunnen maar volstrekt niet „Dit zijn dingen, waar ik nooit over spreek, ot uit dat proces komen, want wij zijn er partijen zelfs aan denk, behalve hier in de Bromkamer. in gemaakt en moeten er partijen in blijven, Als gij het goed acht lt; r met Rieken Ada over te hetzij wij willen of niet. Maar het deugt nieter spreken,quot; daarbij zag hij mij ernstig aan, „kunt over te denken. Toen mijn oudoom, de arme gij zoo doen. Dat laat ik aan uw oordeel over.quot; Tom Jarndyee, er over begon te denken, was -- „Ik hoop, mijnheer — quot; begon ik.— ., ik denk. het het begin van het einde.quot; — „Die mijnheer dat ge mij liever Voogd moest noemen, lieve.\' Jarndyce, mijnheer, van wiens geschiedenis ik ik bespeurde dat er weder tranen bij mjj opgehoord heb?quot; kwamen, toen hij dit zoo luchtig zeide, alsof het ;

Hij knikte ernstig. „Ik was zijn erfgenaam, een grillige inval was, in plaats van een blijk

en dit was zijn huis. Ksther. Toen ik hier kwam zijner bedachtzame teedorheid. Maar ik schudde

was het waarlijk verlaten. Het zager even enge- mijne sleutels eens even, als eene herinnering,

lukkig uit als hij zelf was geweest.quot; „Wat vouwde mijne handen nog steviger over het

meet het nu veranderd wezen!- „Het had mandje, en zag hem on verzet aan.

voor zijn tijd de Puntgevels gehoeten. Hij gaf „Ik hoop. Voogd,quot; zeide ik, „dat gij niet al het den tegenwoordigen naam, en leefde daar te veel op mijn oordeel zult, vertrouwen. Ik hoop, opgesloten, dagen nacht in die goddeloozepapie- dat gij u niet in mij vergist, ik vrees, dat het ivn van het proces turende, en tegen hoop aan eene teleurstelling voor u zal zijn te hooren, dat : hopende om het te ontwarren en ten einde te ik niet heel knap ben maar dat is toch wezen-brengen. Ondertusschen geraakte het goed in lijk de waarheid, en gij zoudthetspoedigontdek• verval. De wind floot door de gescheurde muren, ken. als ik niet eerlijk genoog was om hette bede regen stroomde door het opene dak, het on- kennen.quot;

krü|d verstopte hot pad naar de vergane deur. Hij schoen geheel niet teleurgesteld, zelfs Toen ik zün overschot hier thuis bracht, waa het het tegendeel daarvan. Hij zeide mij. met een mij iN gt;f het huis ook door de hersenen was ge- glimlach over geheel zijn gezicht, dat hij mij s dioten. zoo verwoest en vervallen was het.quot; heel wel kende, en dat ik voor hem knap gellij stapte eene poos op en neer, nadat hij dit noeg was.

huiverend i.jj zkIi zoiven had gezegd, zag mi; „Ik hoop, dat hot zoo zal blijken. Voogd,\'

toen aan, terwy Izyn gezicht ophelderde, en kwam | zeide ik, „maar ik ben er heel bang voor.\'

met de handen in de zakken weder bij mij zitten. „Oij zijt knap genoeg om hier het goed»; vrouwtje

„Ik heb u wel gezegd, dat dit de Bromkamer van ons loven te zijn, molieve,quot; antwoordde hij

was, lieve. Waar ben Ik gebleven ?quot; Ik herinnerde schertsend: „het oude vrouwtje uit het kinder-

hem. bij de gelukkige1 verandering, die hij in rijmpje;

het Verlaten Hui- gemnakt had.

.Ja zoo, dat is waar. „Er i-, daar In de i i tv „loiu o m vfouwtje, «• gt;• moet gij /•*gt; hooi;? —

van Londen, no.: oen eigendom van ons, dat 1 „j)o nu aen tegenwoordig nagenoeg is wat het Verlat en Huis

toen was ik zeg f i n eigendom van ons, mee. En gij zult zo, mot uw beheer van hot huis-

nende van het proces, maar ik rnoest hoteigenlijk houden, zoo schoon van onzen hemelboog ve-

het eiuend\'on van de kosten noemen; want de gen, Esther, dat wij eerstdaags de Bromkamer

kosten ziin de eeniii\' macht op aarde, die er zullen moeten ontruimen en de deur dichtsplj-

oolt iets uit zullen halen, of voor wie het ooit keren.\'

iei, anders dan • • n doorn in hel oog en een ■ Dit was hot begin er van, dat ik Oud Vrouwtje, kwelling voor het hart zal zijn. Het is wne straat en Vrouwtje Klein, en Spinrag, en vrouw Ship-

-ocr page 57-

IMillKENMERATIM

51

ton, en Moeder Hubbard, en Besje Dorden werd genoemd, met nog zooveel namen van die soort, ! dat mijn eigen naam er spoedig door in het vergeetboek kwam.

„Evenwel,quot; zeido mijnheer Jarndyce, om weder op ons keuvelen te komen. „Daar is Rick, een knappe, veelbelovende jongen. Wat is er met hem te beginnen?quot;

0 Heere! Welk een denkbeeld om mij over zoo iets om raad te vragen.

„Daar is hij, Esther,quot; zeide mijnheer Jarn-: dyce, op zijn gemak zijne handen in zijne zakken stekende en zijne beenen uitrekkende! „Hij moet | een beroep hebben. Hij moet eone ken- doen. Er zal nog meer pruikenmeratie om moeten plaats hebben, denk ik, maar het moet toch gebeuren.quot;

„Nog meer wat, Voogd?quot; zeide ik. — „Nog meer pruikenmeratie,quot; zeide hij., Dat is de eenige naam, dien ik voor hetdingweet.Hij iscen pupil van de kanselarij, melieve. Kenge en Carboy zullen er iets over te zeggen hebben; moester Dings — een belachelijk soort van doodgravor,dio opeene achterkamer in een achterhoek bij O h a n c e r y-L a n e graven voor incidenten van processen zit f e delven, zal er ook iets over te zeggen hebben; de praktizijn zal er iets over te zoggen hebben; de kanselier zal er iets over te zeggenhebben; dr satellieten zullen er iets over te zeggen hebben; allen zullen daarvoorgoed betaaldmoeten worden; de heel o zaak zal heel deftig, heel omslachtig, heel onnoodig, en heel kostbaar zijn ; en dat noem ik over het geheel pruikenmeratie, Hoe hetmensch-dom ooit met pruikenmeratie bezocht is geworden, ol\' voor wiens zonden die jongelieden ooitin em afgrond daarvan zijn gevallen, weet ik niet maar het is zoo.\' :

Hij begon weer zijn hoofd te wrij ven, en van den wind te spreken. Maar het was eon streelend bewijs van zijne goedheid voor mij, dat als hij zijn hoofd wreef, of op en neer stapte, of allebei tego-Üjk deed, zijn gezichtultijd de gewone welwillende uitdrukking terugkreeg, als hij mij maar aanzag; dan kwam hij onfeilbaar weder op zijn gemak zitten, stak zijne handen in zijne zakken en rekte zijne beenen uit.

„Misschien zou het bost wezen, eerst van al,quot; zeide ik, „mijnheer liichard te vragen waartoe hij genegenheid heeft.quot; - „Juist,\' antwoordde hij. „Dat meen ik ook. Weet ge wat V ge moest er u aan gewennen, om er met uw tact en op uwe bedaarde manier met hem en Ada over te praten,en zie dan wat gij er met, u allen van maken kunt. Wij zullen nu t uwe hulp zeker wel op den grond van de zaak komen. Vrouwtje Klein.quot;

Ik werd waarlijk bang als ik er aan dacht, hoeveel gewicht ik kreeg en hoeveel dingen mij werden toevertrouwd. Ik had dit geheel zoo niet genieend, Ik had gemeend, dat hij met Richard zou spreken. Miini\' natuurlijk kon ik niets daaropant-woorden, behalve dat ik mijn best zou doen, schoon ik vreesde- ik gevoelde waarlijk dal het noodigwas dit nog eens te herhalen) dat hij mij voor schranderder hield dan ik was. En daarop deed mijn voogd niets anders dan eens lachen met den genoeglijksten lach dien ik ooit gehoord heb.

„Kom aan 1quot; zeide hij, opstaande en zijn stoel terugschuivende. „Ik denk, dat- wij voor vandaag in de Bromkamer gedaan hebben. Nog maar een woord tot slot, Esther, melieve, wenscht ge mij iets te vragen?quot;

Mij zag mij zoo oplettend aan, dat ik hem ook oplettend aanzag en mij zeker gevoelde dat ik hem begreep,

„Over mij zelve, mijnheer?quot; zeide ik, - „Ja.quot; ~7 oogd,quot; zeide ik, en waagde het mijne hand, die plotseling kouder W( rd dan ik welgewenscht had, in de zijne te leggen; „niets 1 Ik ben volkomen zeker, dat ik, als er iets was, dat ik behoorde te weten of noodig had te weten, u niet zou behoeven te vragen om het na30 te zeggen. Als Ik m ij niet geheel op u verheten u geheel vertrouwde, zmi ik wel een ongevoelig hart moeten hebben. Ik heb u niets te vragen, niets in de wereld.quot;

Hij trok mijn arm door den zijnen, en wij gingen Ada opzoeken. Van dat uuraf gevoelde ik mij geheel op mijn gemak met hem;, zonder eenigé achtei houdendheid, zonder eenig verlangen om meer te weten, geheel vergenoegd en geiukkig.

Wij hadden eerst tamelijk veel drukte op het Verlaten Huis, want wij moesten kennis maken met velen in de buurt en uit de buurt, die met mijnheer Jarndyce bekend waren.Het kwam Ada en mij voor, dat iedereen hem kende, die ietsmet iemands anders geld wilde uitrichten. Het verbaasde ons, toen wij eens op een oclitend in do Hromkamei zijne brieven uitzochten en eenigen daarvan voor hem beantwoordden, te zien, dat het groote levensdoel van bijna al zijnecorrespondenten was, zich tot commissieii\'te vormen om geld in te zamelen en uit te geven. De dames waren daarop even dol als de heeren: mij dunkt, dat zij zelfs nog erger waren. Z\\i vormden zich met hartstoi htelijke drilt tot commissir-u, en vroegen met waarlijk verbazende heftigheid om inteeke-ningeu. Het kwam ons voor, dat sommigen van haar geheel haar leven moesien slijten óm het uitzenden van circulaires aan het gt heele adresboek circulaires met dringende aanzoeken om een schelling, een halve kroon, een souverein of oen enkelen .stuiver. Zij hadden,■mn allerlei dingen behoefte, aan kleedingstnkkeii, linnen lompen, geld, si ei nkolen, soep, voorspraak, handtee-keningen. Ilanel, al wat mynheer Jarndyce maar bad ut nit t had. I laiv oogmei ken waren even vei schillend als hare aan vragen.Zij wihh n nieuwe gebouwen stichten; zij wilden schulden op oude gebouwen afbetalen ;zy wilden in een schilderachtig gebouw (eene afbeelding van den ontworpen voorgevel was er bijgevoegd) eene Zusterschap van Middeleeuwsche .Maria\'s slichten; zij wilden mevrouw ,b llyby een eereblijkannlded( n: zij wildon het portret van zekeren seen taris laten schil-


-ocr page 58-

HET VEKLATH.N HUIS.

deren en aan zijne schoonmoeder zenden, wier in-nigegenegenhcid voor hem algnnicen bekend sv as, z{l wilden allemogelUkedlngenby eenbrengen, ge-

looi\'ik waarlijk, van vijfmaal honderdduizend traktaatjes tot een pensioen, en vaneen marineren monument tot een zilveren trekpot. Zij gaven zich eene menigte van benamingen. Zij waren de Vrou-wen van Engeland,ile Dochters vanBrittannié, de Zusters van de Zeven lt; \'liristelijke Deugden een voor een, de Moeders en Danu-s van allerlei dingen. Zij schenen altijd in vuurtezijnoververkiezingen en benoemingen. Zij schenen, naar ons bekrompen begrip, en ook volgens hare eigene berichten, aanhoudend tienduizenden van kiesgerechtigden om hunne stemmen te bedelen en toch hare can-didaten nooit tot iets te doen benoemen. Wij kregen er hoofd pijn van, als wij ons verbeeldden welk koortsig leven zij moesten luiden.

Onder do dames, die zich het meest door zulk eene roofzuchtige weldadigheid onderscheidden lals ik die uitdrukking mag bezigen) was zekere mevrouw Pardiggle, die, gelijk ik uit het getal \\ an hare brieven aan mijnheer Jarndyce opmerkte, eene bijna even geduchte correspondente moest wezen als mevrouw Jellyby ze! ve. Wij merkten op, dat de wind altijd veranderde als mevrouw F\'a\'rdiggle hetonderw\'erp van gesprek werd; en dat het mijnheer .Tarndvce altijd stoorde en het verder voortspreken belette, als hij had aangemerkt, dat er twee soorten van weldadigen waren : de eerste van menscheti, die een beetje deden en veel gerucht maakten, de tweede van menschen, | die veel deden en geheel geen gerucht maakten.

Wij waren dus nieuwsgierig om die mevrouw l\'ar-: diggle te zien, van welke wij vermoedden, datzij eene type van het eerste soort was, en yerheug-den ons toen zij eens met hare vijf nog jeugdige zonen een bezoek kwam brengen.

Zij was e, ne geduchti dame, met een bril, eer. puntigen neus en eene harde stem, welker vooi-kornen den indruk maakte, dat zij veel ruimte moest noodig hebben. En dat had zij waarlijk, want met hare rokken gooide zij stoeltjes om, die een heel eind van haar waren. Igt;aar Ada en ik al-: leen thuis waren, ontvingen wij haar met beschroomdheid, want toen zij binnenkwam, was het alsof zij eene koude medebracht, waarvan de kleine Pardiggle\'s, die\' haar volgden, blauw waren geworden.

wDit, jiwiuM\' \'binies.quot; zeidemevromv I\'anli^le. na di eerste complimenten, met groot( radheid van tong, „zijn mijne vijf jongens. (lij zult hunne namen wel gezien hebben op eene gedrukte in-te. k\' nlijst (misschien op meer dan eem in het bezit van onzen geaehten vriend, mijnheer farndv ee.

Egbert, mijn oudste (twaalf jaar) is do knaap, die

quot;i sehellingen en drie stui vers, van zijn zakgeld be •

spaard, aan de \'l\'ockahoopo Indianen lieeft gezon-d\'-n. Oswald, mijn tweede ( tien eiw nhalt jaarn-het kind.dat twee schellingen en negen stuiversti it het gi-ooteNationaleEerebiykaanSrnithersheeft bijgedragen. Francis, mijn derde (negen jaar), : een schelling, zes en een halven stuiver, en Felix. mijn vierde (zeven jaar), acht stuivers aan de Afgeleefde Weduwen. Alfred, mijn jongste (vijf jaar), heeft zich vrijwilliginhetKinderlijk Vreug-debond laten inschrijven en zich verbonden om levenslang, onder welken vorm ook, geen tabak te gebruiken.quot;

Wij hadden nooit zulke onvergenoegde kinde-ren gezien. Het was niet alleen, dat zij er zoo ver-schrompeld en ingedroogd uitzagen —- schoon zij ; dat zeker ook deden — maar zij keken waarlijk j kwaadaardig van ontevredenheid. Bij het hooren noemen van de \'l\'ockahoopo Indianen, had ik Egbert inderdaad voor een vandegevaarlijksteleden van dien stam kunnen houden, zoo nijdig endrei-gend zag hij mü aan. Het gezicht van ieder kind nam, toen zijne bijdrage vermeld werd, een eigenaardig wraakzuchtig voorkomen aan; maar het zijne was verreweg het ergste. Ik moet evenwel den kleinen recruut van het Kinderlijk Vreugde-bond uitzonderen, die gelijkmatig bot verdrietig was.

„Oij hebt bij mevrouw Jellyby gelogeerd, naar ik verneem ?\'quot; zeide mevrouw Pardiggle.

Wij zeiden: ja, wij hadden daar een nacht doorgebracht.

„Mevrouw Jellyby.\'\' vervolgde de dame, altijd met denzelfden \'harden proclamatietoon sprekende, zoodat hare stem op mijne verbeelding een indruk maakte, alsof zij ook een soort van bril op had; — en hier moet ik de gelegenheid waarnemen om op te merken, dat haar brildes te minder innemend was, omdat zij, gelijk Ada zeide, „stikkendequot;, namelijk bijzonder uitpuilende oogen had. „Mevrouw Jellyby is eene weldoenster der maatschappij en verdient een helpende hand. Mijne jongens hebben ook tot het Afrikaansche plan bijgedragen Egbert anderhalveii schelling, zijnde het zakgeld van negen weken ; Oswald, een schellingen anderhal ven stuiver, zijnde hetzelfde; do anderen naar hunne geringe middelen. Evenwel ben ik het met mevrouw Jellyby niet in alles eens. Ik ben het niet met haar eens wat hare behandeling van haar jonge; familie betreft. Die behandeling wordt opgemerkt. Het wordt opgemerkt, dat hare jonge familie uitgesloten is van deelneming aan de onderwerpen, waaraan zij zich toewijdt. Zij kan gelijk hebben, zij kan ongelijk hebben; maar hoe dit zij. dat is mijne manier niet met mijne jonge familie. Ik laat ze overal aan meedoen.quot;

[k was naderhand overtuigd (en zoo was Ada insgelijks), dat deze woorden hot onvergenoegde 5 oudste kind een kwaadaardigen gil afperste. Hij maakte er het geluid van geeuwen van, maar het begon als een wraakzuchtige gil.

„Zij wonen den vroegdienst mot mij bij (alleraardigst dat) \'s morgens om half zeven, het geheel jaar door, natuurlijk in den winter insgelijks.\' zeide mevrouw Pardiggle, zeer rad spre-


-ocr page 59-

53

kende, „cn in den gcregolden loop mijner dage-lijksche plichten houd ik ze altijd bij mij. Ik ben lid van een aantal damescommissien, van het schoolbezoek, het huisbezoek, de leesuren, de bedeeling, de plaatselijke linnenverstrekking, en alleen met benoemingen en verkiezingen heb ik al veel drukte, niemand meer misschien.Maarzy houden mij overal gezelschap, en daardoor ver- ; krijgen zij eene kennis van de armen, cn eene be- j kwaamheid in het doen van liefdewerken in het algemeen — kortom een smaak voor zoo iets die hen in hun volgend leven nuttig voor hunne medemenschen zal maken en gedurige stof tot zelfvoldoening geven. Mijne jonge familie is niet lichtzinnig. Zij besteden hetgeheele bedrag van hun zakgeld aan teekeningen, onder mijne leiding; en zij hebben al zooveel openbare vergaderingen bijgewoond, en zoovele voorlezingen, redevoeringen en discussion aangehoord, als doorgaans maar weinig volwassenen te beurt valt. Alfred (vijf jaar), die, gelijk ik zeide, zich uit eigene vrije keus in het Kinderlijk Vrengdebond heeft geschaard, behoorde onder de weinige kinderen, die bij die gelegenheid, na eene vurige toespraak van den president van den avond, die twee uren duurde, nog blijken van bewustheid gaven.quot;

Alfred gluurde ons aan alsof hy de mishandeling van dien avond nooit kon of zou vergeven,

„Gij zult misschien hebben opgemerkt, juffrouw Summerson,quot; zeide mevrouw Pardiggle, „op sommige van delijsten, in het bezit van onzen geachten vriend, mijnheer Jarndyce, dat de namen van mijne jonge familie besloten worden met den naam van O. A, Pardiggle,quot;een pond. Dat is hun vader. Wij volgen gewoonlijk dien regel. Ik zet eerst mijn penningske; dan teekenen mijne kinderen voor hunne bijdrage, volgens hunne jaren en geringe middelen, en dan maakt mijnheer Pardiggle het besluit. Mijnheer Pardiggle voegt er altijd, onder mijne leiding, zijne beperkte gift bij, en zoo wordt de zaak niet alleen g( iioeglijk voor ons zei ven, maar ook, vertrouwen wij, een stichtelijk voorbeeld voor anderen,quot;

Als mijnheer Pardiggle eens met mijnheer Jellyby at, en als mijnheer Jellyby na den maaltijd zijn gemoed voormijnheerPardigglcontlastte, zou mijnheer Pardiggle dit dan meteene vertrouwelijke mededeeling, aan mijnheer Jellyby beantwoorden? Ik werd er verlegen over dat ik dit dacht; maar het kwam mij zoo in het hoofd,

„Het is hier fraai gelegen!quot; zeide mevrouw Pardiggle,

Wij waren blijde van onderwerp te veranden n; en naar het venster gaande, wezen wij de schoonheden van het uitzicht aan, waarop de bril met merkwaardige on vei schiliigheid schei n te rusten,

„(iij kent mynheer (rusher?\' zeide mevrouw Pardiggle.

Wij waren byna genoodzaakt te zeggen, dat wij het genoegen niet hadden van mijnheer Gusher te kennen.

„Het verlies is-aan uw kant, verzeker ik n,quot; zeide mevrouw Pardiggle, op haar meesterach-tigen toon, „Hij is een zeer ernstig, hartstoclitelijk spreker — vol vuur 1 Op een wagen op dit grasperk staande, dat door de gesteldheid van den grond uitmuntend voor eene openbare samenkomst is geschikt, zou hij uren aan uren kunnen spreken over bijna ieder onderwerp, dat men zou kunnen noemen. Nu. jonge dames,quot; zeide mevrouw Pardiggle, haar stoel terugschuivende en, als door eene onzichtbare kracht, een rond tafeitje met mijn werkmandje er op, dat vrij ver achter haar stond, omvergooiende, „zult gij mij al begrepen hebben, zou ik zeggen?quot;

Dit was eene zoo netelige vraag, dat Ada mij geheel ontzet aanzag. Wat het schuldbesef van mijn eigen geweten betrof, na hetgeen ik gedacht had, dit moet zich door de kleur mijner wangen hebben verraden.

„Begrepen, meen ik,quot; zeide mevrouw Pardiggle, „wat den voornaamsten trek van mijn karakter aangaat. Ik weet wel, dat die zoo in het oogvallend is, dat hij oogenblikkelijk ontdekt moet worden. Ik geef mij zelve geheel bloot, dat weet ik. Welnu ik stem vrljmoedigtoedatikeene drukke werkzame vrouw ben. Ik houd van veel werken, 1 k heb er lust in. Deopgewektheid van het werken doet mij goed. ik ben zoo aan heiwerken gewend, dat ik niet weet wat vermoeienis is,quot;

Wij prevelden dat dit zeer verbazend en zeer streelend was, of iets van dien aard. Ik denk niet, dat wij wisten waarom het een van beiden moest wezen, maar onze beleefdheid deed ons toch zoo zeggen,

„Ik begrijp niet wat vermoeienis is; gij kunt mij niet vermoeien, al wilt gij het probeeren,\' zeide mevrouw Pardiggle, „De mate van inspanning (die voor mij geene inspanning is), de opeenstapeling van werkzaamheid (die ik voor niemendal houd), die ik kan verdragen, doet mij somtijds zelve verbaasd staan. Ik heb mijne jonge familie en mijnheer Pardiggle wd eensgeheel a fgemat gezien, alleen door het aankijken daarvan, terwijl ik met waarheid mocht zeggen, datik nog zoo frisch als een leeuwerik was,quot;

Als die gluipende oudste jongen nog kwaadaardiger kon kijken dan hij reeds gedaan had, was dit het oogenblik dat hij zoo deed. Ik nam waar, dat hij zijne rechtervuist balde, en daarmede heimelijk een stomp in zijne pet gaf, die hij onder zyn linkerarm had,

„Dit geeft mij een groot voordeel als ik mijn huisbezoek doe,quot; zride mevrouw Pardiggle. „Als ik iemand vind, die onwillig is om te hooren wat-ik te zeggen heb, zeg ik dien persoon dadelijk: „Ik ben Onvatbaar voor vermoeienis, goede vriend; ik word nooit moe, en ik meen voort te spreken tot ik gedaan heli,quot; Dat helpt uitmuntend. Juffrouw Summerson, ik hoop dat: ik nu terstond uwe hulp bij mijn huisbezoek zal genieten, i n die van juffrouw Glare binnenkort,quot;


-ocr page 60-

IIKT \\\'EK LATEN IiriS.

nt

Kerst poogde ik mij te verontschuldigen met du algeraeene reden, dat ik bezigheden had, die ik niet mocht v erzuitnen. Maar dewijl dit niet baatte, ze id o ik meer in het bijzonder, dat ik niet zeker was van mijne bekwaamheden ; dat ik onervaren was in de kunst om mijn geest naar dien van menschep in geheel andere omstandigheden te voegen, en hun iels uit een gepast oogpunt voor te stellen. Dat ik die fijne kennis van het mensehe-lijk hart niet bezat, die voor zulk een werk onmisbaar moest wezen. Dat ik zelve nog veel te leoren had eer ik anderen kon onderrichten, en dat ik op mijn goeden wil alleen niet kon vertrouwen. Om deze reden hield ik het voor best om mij maar voor hen, die mij onmiddellijk omringden, zoo nutt ig te maken als ik kon, en te beproeven om dien kring van plichten zich langzamerhand op eene natuurlijke manier te laten uitbreiden. Dit alles zeide ik met alles behalve vastheid; omdat mevrouw Pardiggle zooveel ouder was dan ik,en zooveel ondervinding, en zulk een gezagvoeren-den toon had.

„(lij hebt liet verkeerd, juffrouw ttummerson,quot; zeide zij: „maar misschien zijt ge niet berekend voor veel werk of drukte, en dat maakt een groot verschil. Ik had echter gaarne, dat gij eens zaagt hoe ik mij door mijn werk help. Ik ga nu met mijn*! jonge familie - een steenbakker hier inde buurt bezoeken (een man van zeer slechten stempel) en ik zal u gaarne medenemen. Juffrouw Clare insgelijks, als zij mij dat genoegen wil doen.quot;

Ada en ik wisselden een blik, en daar wij toch voornemens waren uit te gaan, namen wij het aanbod aan. Toen wij, na onze hoeden te he.bben opgezet, haastig terugkwamen, vonden wij de jonge familie neerslachtig in een hoek bijeenge-schoold, terwijl mevrouw Pardiggle door de kamer ronddwaalde, en bijna alle lichte voorwerpen, die zij bevatte, over den grond smeet. Mevrouw i\'anliggle nam Ada in beslag en ik volgde melde jong\'\' familie.

Ada vertelde mij naderhand, dat mevrouw Pardiggle (gelijk ik ook hoorde) don geheelen weg naar den steenbakker langs, met dezelfde harde stem bleef sproken over een gewichtigen oorlog, dien zij twee of drie jaren lang tegen eene andere dame had gevoerd, om tt beslissen wie van beide haar candidaat ergens voor een pensioen zou doen bom lemen. Kr was daarover veel gedrukt, beloofd en geïntrigeerd, en de zaak scheen allen, du or in betrokken w.iren, eene gr\'gt;ote levendigheid te lu\'bben nv degedeeld, behalve de aanstaande s.quot; -pensioneerden die nog niet benoemd waren.

Ik win LM.irneliet vertrouwen vankinderen,en gewoonlijk geeft het mij genoegen als ik in dat oomnerk sl.iag.m.i ar ditmaal veroorzaakte tu-t, mi j veel ongenni LTi-n. Zoodra wij d\' deur uit waren, vroeg Kgbert mij, op den toon van een kleinen struikroovit, om eeu schelling, op grond dat zijn zakgeld hem werd „afgetroggeldquot;. Toen ik hem de ■uvo\' L\'zaamheid van dat woordonder ht toog

bracht, vooral in verband met zijne moeder (want hij voegde er wrevelig bij „door haarquot;), kneep hij mij en zeide:, Wel zoo! Wie zijt gij dan ? G ij zoudt : het toch ook niet graag hebben, denk ik?-Wat heeft zij mij voor den gek te houden, en te doen alsof zij mij geld gaf en het mij dan weer af te nemen? Waarom noemt zij het mijn zakgeld, en laat het mij toch nooit naar mijn zin uitgeven?quot; Deze tergende vragen verbitterden hem en zijne broertjesOs walden Francis zoodanig, dat zy mij op eens alle drie begonnen te knijpen, op eene schrikkelijk wel afgerichte nianier, zulke kleine stukjes van mijn arm beetnemende, dat ik bijna niet laten kon het uit te schreeuwen. Tegelijk trapte Felix mij zoo hard hij kon op de teenen; en de kleine deelnemer aan het Vreugdebond, die, daar geheel zijn gering inkomen reeds bij voorraad met 1 beslag was belegd, eigenlijk evenzeer tot eene onthouding van koekjes als van tabak was verplicht, zwol, toen wyeemtaartjesbakker voorbijkwamen, zoodanig op van smart en woede, dat ik hem met angst geheel purperkleurig zag worden. Nooit heb ik. zoowel naar het lichaam als naar de ziel, op eene wandeling met jongelieden zooveel uitgestaan. als met deze in een onnatuurlijk bedwang gehoudene kinderen, toen zij mij de eer bewezen om voor mij natuurlijk te zijn.

Ik was blijdo toen wij aan het huis Van den steenbakker kwamen, hoewel het tot een groepje ellendige hutten in een kleiveld behoorde, met varkenskotten vlak voor de gehavende vensters, en jammerlijke tuintjes voor de deuren, waarin niets anders groeide dan de modderplassen. Hier en daar was eene oude. tobbe gezet om het van het dak druipende regenwater te vangen, of werd dit } met dijkjes van \'klei tot een vijvertje opgestopt. Voor de deuren en vensters zaten en stonden eeni-ge mannen en vrouwen, die weinigacht op ons gaven, dan om, als wij voorbijgingen, tegen elkander te lachen of Iets te zeggen over fatsoenlijke lieden, die liever maar bij hunne eigene zaken moesten blijven, zonder zich hot hoofd te breken en de schoen» n te bemodderen om naar die van anderen te komen kijken.

Mevrouw Pardiggle, die met eene groote vertooning van zedelyken moed en vastberadenheid I vooruitging, en met groote radheid van tongover de onzindelijkheid van die menschenspraki schoon ik er aan twijfel of de besten van ons in zulke woningen wel zindelijk hadden kunnen zijn), bracht ons in het hutje aan den versten hoek, waarvan w ij do beneden kamer bijna geheel vulden. In deze vochtige, vunzige kamer vonden wij eene vrouw met een blauw oog, die meteen ziekelijk kindje bij het vuur zat: een man. overal rnetklei en modder besmeerd en zeer verloopt-n van uitzicht, die zoo lang hij was op den grond lag en eene pijp rookte; een forseh gebouwd jonkman, die een hond een halsband aandeed ; en eene drieste meid, die in zeer vuil water eenig goed waschte. Zij keken allenoptoen wjj binnenkwamen,en de vrouw


-ocr page 61-

HESCJIEiniLNC) VAN MEVKOI W lJAHJ)l(i(il.lv

scheen liaar gezicht naar het vuur to draaien, alsof zij haar wankleurig oog wilde verbergen. Niemand heette ons welkom.

„Wel, mijne vrienden,quot; zeide mevrouw Par-diggle, maar hare stem had geen vriendelijken klank, dacht ikj zij sprak veel te stijf en afgepast. „Hoe vaart gij allen ? Daar ben ik weder. Ik heb u gezegd, dat gij mij niet moede kondt maken, dat weet gij. Ik hen eene liefhebster van moeiolijk werk, en ik houd mijn woord.\' — „Zijn er niet nog meer van u om binnen te komen?\' bromde de man. die op den grond lag en ons met hut hoofd op de hand aanstaarde. „Neon, mijn vriend,\' zeide mevrouw Pardiggle, zich op een bankje zettende en tegelijk een ander omstoo-tendo. „Wij zijn allen hier.quot; „Omdat ik dacht dat er misschien nog niet genoeg waren?quot; zeide de man, met de pijp tusschén do tandon, terwijl hij ons in het rond aankeek.

De jonkman en liet meisje begonnen beiden te lachen. Twee vrienden van den jonkman, die wij aan de deur hadden doen komen en die daar met do handen in de zakken bleven staan, lachten luidruchtig mede. „Gij kunt mij niet moede maken, goede lieden,quot; zeide mevrouw Pardiggle tot deze laatsten. „Ik houd wel van moeielijk werk; en hoe moeielijker gij hetmij maakt,zooveelteliever is \'t mij.quot; — „Maak hot haar dan gemakkelijk,quot; bromde de man op den grond. „Ik wil het gedaan en uit hebben. Ik wil eoneind hebben aandien overlast in mijn huis. Ik wil niet langer zoo geplaagd worden. Gij komt nu weer om te snuffelen en uitte vragen, naar gewoonte. Ik weet wel, dat gij alles wilt uitpompen. Goed. Gij behoeft niet eens aan hot pompen te gaan. Ik zal u die moeite maar uithalen. Is mijne dochter aan het wasschen ? Ja, zij is aan het wasschen. Bekijk liet water maar; ruik het en proef het. Dat is hetzelfde dat wij drinken. Hoe bevalt het u, en wat denkt gij van jenever, in plaats? Ja, het is vuil — natuurlijk is het vuil, en natuurlijk is het ongezond ; en wij hebben vijf vuile, ongezonde kinderen gehad, die alle vijf dood zijn, en zooveel te beter voor hen en voor ons ook. Ih\'b ik het boekje gelezen, dat gij hier hebt gelaten? Noen, ik heb het niet gehzen. Er is niemand hier, die het lezen kan, en al was er iemand, het zon mij toch niet aanstaan. Ikt is een boekje voor een klein kind, en ik ben geen klein kind. Als ge mij eene pop hier liet,zouik er toch niet moi spelen. Hoe ik mij gedragen heb? Wel, ik ben drie dagen dronken geweest, en ik zou er vier dronken zijn geweest, als ik er gold voor had gehad, i )f ik nooit denk naar de kerk Ie gaan? Neen, ik denk nooit naar de kerk te gaan. ik zou daar niet eens gewacht worden, als ik kwam ; de kerkeknecht Is voel te fatsoenlijk voor mij. En hoe heeft mijne, vrouw dat blauwe oog gekregen? Wel, dat heb ik haar gegeven, en als zij zegt, dat ik het niet gedaan heb, is het gelogen.quot;

Hij had, om dit te zeggen, de pijp uit den mond genomen; en nu draaide hij zich naar den anderen kant om en begon weder te rooken. Mevrouw Pardiggle, die hem door haar bril had zitten aanzien met eene strakke bedaardheid, berekend, kon ik niet nalaten te denken, om hem nog wreveliger te maken, haalde een stichtelijk boek uit, alsof het een constable\'s-staf was, en nam de ge-heele familie in arrest. Ik meen natuurlijk in godsdienstig arrest; maar zij deed liet werkelijk a\'sof zij een onverbiddelijk moreel politiedienaar was, die hen allen naar een wachthuis medenam.

Ada en ik waren zeer slecht op ons gemak. Wij gevoelden, dat wij daar niet beter dan Indringers en niet op onze plaats waren; en wij dachten beiden, dat mevrouw 1 \'ardiggle veel meer zou zijn gevorderd, als zij niet zulk eene stokstijve manier had gehad om de mensehen onder haar gezag te nemen. De kinderen bleven norseh staan kijken; de familie gaf volstrekt geen acht op ons, behalve wanneer de jonkman den hond liet blaften, hetgeen hij gewoonlijk deed als mevrouw Pardiggle haar toon den grootsten nadruk gaf. Wij gevoelden beiden eene pijnlijke bewustheid, dat er tusschen ons i -n deze lieden een ijzeren slagboom was, dien onze nieuwe vriendin niet kon wegnemen. Door wien ofhoehijkon worden weggenomen wisten wij niet; maar niet door haar, dit wisten wij wel. Zelfs wat zij voorlas en zeide, scheen ons toe voor zulke toehoorders slecht gekozen te zijn, al was het hun met nog zooveel bescheidenheid ( n tact medegedeeld. Wat het door den man bedoelde boekje betrof, wij maakten er naderhand kennis mede; en mijnheer Jarndyce zeide. dat hij er aan twijfelde of Robinson • \'rusoe het wel had kunnen lezen, al had hij op zijn een zaam eiland geen ander boek gehad.

Het was onder deze omstandigheden eene groote verademing voor ons toen mevrouw 1\'ardiggle ophield. De man op den grond draaide teen zijn hoofd weder om en zeide brommig:

„Wel, gij hebt gedaan, niet waar?quot; „Voor vandaag, ja, mijn vriend. Maar ik ben nooit vermoeid. Ik zal op uwe geregelde beurt weder bij n komen,quot; antwoordde mevrouw 1\'ardlggle. met groote vertooning van opgeruimdheid. „Alsgij nu maar heengaat,quot; zeide hij, met een vloek zijné armen over elkander slaande en zijne oogen sluitende, „moogt gij naderhand doen wat gij wilt.quot;

Mevrouw Pardiggle stond dtis op en maakte in do bekrompene kamer een kleinen wervelwind, waaraan zelfs de pijp maar ternauwernood ontkwam. Een vanhare Jonge familioaan helde zijden bij de hand nemende, en den anderen bevelende om dicht hij haar te blijven, gaf zij hare hoop te kennen, dat de steenbakker en geheel zijn huis zich bekeerd zonden hebben als zij hen wodei zag, en stapte toen naar een ander huisje. Ik hoop dat ik niet te hard oordeel, als Ik zeg, dat zij bieren overal een lang niet innemend voorbeeld\'gaf, hoe men van zoogenaamde lléfdadigheid een ambacht maakt.

Zij meende dat wij haar volgden; maar zoodra


-ocr page 62-

MKT VHRLATKX HUIS.

öti

do plaats ons vrijgelaten werd, naderden wij de vrouw, die bij liet vuur zat, om haar te vragen of het kind ziek was,

Zij bleet\' het slecht.s aanzien, gelijk het daar op haar schoot Ing. Wij hadden te voren opgemerkt dat zij, als zij het aanzag, haar wankleurig oog met hare hand bedekte, alsof zij alles, wat aan I geweld en mishandeling herinnerde, van dat arme kind wilde verwijderd houden.

Ada, wier teeder hart door dit schouwspel be- I wogen werd, bukte om het gezichtje aan te raken. Toen zij dit deed, zag ik wat er gebeurde en trok haar terug. Het kind stierf op dat oogenblik. „O Ksther!quot; riep Ada. er bij op hare knieën 1 zinkende. „ZiehierI O Msther, lieve, dat arme kindje. /00 lief en zoo stil lijdend! Ik ben er zoo bedroefd om! 1 k ben zoo bedroefd om de moeder I Ik heb nog nooit zoo iets aandoenlijks gezien 1 O dat kindje, dat kindje!quot;

Zulk een medelijden, zulk een teedorheid, als waarmede zij zich schreiend neerboog en hare hand op die der moeder legde, hadden elk moe-I derhart, dat ooit klopte, moeten week maken. I Do vrouw staarde haar eerst met verbazing aan ; en barstte toen in tranen uit.

1 Kort daarop nam ik den lichten last van haar I schoot, deed wat ik kon om het kinderlijkje eene : meer bevallige houding van zachte rust te geven, legde hot op eene tafel en bedekte het met mijn | eigen zakdoek. Wij poogden do moeder te troosten | 111 fluisterdea haar too wat onze Zaligmaker van i de kinderen gezegd had. Zij gaf geen antwoord, | maar bleef zitten schreien heftig schreien.

Toen ik mij omkeerde, bevond ik dat de jonkman den hond naar buiten had gebracht, en voor de deur naar binnen stond te kijken, met droge oog* 11, maar stil. liet meisje was ook stil en zat in een hoek naar den grond te kijken. De man was opgestaan. Hij bleef nog met een uittartend gezicht zijne pijp rooken, maar hij zweeg.

Eene leelijke vrouw, zeer armoedig gekleed, kwam, terwijl ik dit aanzag, haastig binnen, en recht naar de moeder gaande, zeide zij: „Jenny, .Tenny quot; Toen de moeder zoo aangesproken werd, stond zij op en viel de vrouw om den hals.

Zij droeg de sporen van mishandeling op haar gi zicht enharearmen. Zij had nietsbevalligsover zich, behalve het bevallige van Innig on waar gevoel; maar toen zij de vrouw troostte en hare eigene tranen vloeiden, luid zij geen gebrek aan schoonheid. „Jenny. Jenny!quot; Anders lag alles in den toon wa irmede zij dit zeide.

Ik vond het zeor aandoefiiijk deze twee grove, armoedige, mishandelde vrouwen zoo vercenigd te /Jen; t\' zien WiitisU voor el kimdor konden /ijn; te zien hoe veel gevoel zij voor elkander hadden, hoe door de harde beproevingen van haar loven liet hart van de ei-ne voor de andere werd verzacht. Ik denk. dat de beste zijde van zulke niensehen bijna altijd voor ons verborgen blijft. Wat i\'e armen voor de armen zijn is weinig

bekend, behalve aan hen zeiven en aan God.

Wij gevoelden dat het beter was heen te gaan, en die twee ongestoord te laten. Wij slopen zachtjes heen, zonder dat iemand er op lette behalve de man. Hij stond bij de deur tegen den muur te leunen, en toen hij zag, dat er bijna geene plaats voor ons was om hem voorbij te komen, ging hij voor ons de deur uit. Hij scheen het niet te wil Ion weten, dat hij dit om onzentwil deed, maar wij merkten toch op, dat hij het werkelijk deed, en bedankten hem. Hij gaf geen antwoord.

Ada was onderweg naar huis zoo bedroefd, en Richard, dien wij thuis vonden, deed het zooveel leed haar in tranen te zien, (hoewel hij, toen zij er niet bij was, tegen mij zeide, hoe schoon zij zoo toch ook was!) dat wij afspraken om des avonds nog eens naar het huis van den steenbakker te gaan en 1 enige verkwikkingen mede te nemen. Wij zeiden er mijnheer Jarndyce zoo weinig van als wij konden, maar de wind veranderde toch terstond,

Richard vergezelde ons des avonds naar het tooneel van ons morgenbezoek. Op weg daarheen moesten wij eene tapperij voorbij, waar een aantal menschen voor de deur stond. Onder hen en het hoogste woord voerende in een geschil over het een of ander, was de vader van het kleine kind. Op korten afstand zagen wij den jonkman en den hond, uitmuntend gezelschap voor elkander. De zuster stond op den hoek van de rij huisjes met eenige andere meisjes en vrouwen te lachen en te praten; maar zij scheen zich te schamen, en keerde zich om toen wij voorbijkwamen.

Wij lieten onzen geleider eenige schreden van do woning des steenbakkers en gingen alleen verder. Toen wij aan de deur kwamen, vonden wij de vrouw, die zulk een troost had medegebracht, angstig staan uitkijken.

„Zijt gij daar, jonge dames?quot; zeide zij fluisterend: „Ik wacht naar myn baas. Het hart klopt mij in de keel. Als hij mij betrapte dat ik van huis was. zou hij mij haast vermoorden,quot; - „Meent gij uw man?quot; zeide ik. „Ja, juffrouw, mijn baas. Jenny is in slaap, geheel afgetobd. Zij heeft haar kind haast in geen zeven dagen en nachten van haar schoot gehad, arme vrouw, behalve als ik het voor een paar minuten kon nemen.\'

Toen zij voor ons op zijde stapte, gingen wij zachtjes binnen, en zette het medegebrachte bij hot ellendige bed, waarin de moedersliep. Er was geene moeite gedaan om de kamer te reinigen - het scheen uit haar aard hopeloos dit ooit te kunnen doen; maar de kleine wasachtige gedaante, die zulk een plechtigenernst verspreidde, was opnieuw afgelegd, gevvassehen en met eenige schoone lappen linnen netjes opgekleed, en op mijn zakdoek, die het arme wichtje nog bedekte, was door dezelfde ruwe, gelitteekende handen zoo licht en teer — een bosje welriekende kruiden gelegd.

„ De hemel mag u loonen!quot; zeiden wij tot haar.


-ocr page 63-

WARE VROliWELI.IKE SYMPATHIK

57

„Gij x.ijt eene goede vrouw,quot; - ,Ik, jonge dames?quot; antwoordde zij met verwondering. ,St! Jenny! Jenny!quot;

De moeder had in haar slaap gekermd en zich bewogen. Het geluid der bekende stem scheen haar weder kalm te doen worden. Zij hield zich weder stil.

Hoe weinig dacht ik, toen ik den zakdoek oplichtte, om naar den kleinen slaper daaronder te zien, en ik een lichtkrans om het wichtje scheen te zien stralen door Ada\'s loshangende lokken.

luisterde, en beurtelings op haar vroegeren troos-tenden toon „Jenny, Jenny Iquot; zeide.

IX.

WENKEN i2N TEEK ENEN\'.

Ik weet niet hoehet komt. maar ik schijn altijd over mij zelve temoetenschrijven, ik wil gedurig over andere menschen schrijven, en tracht zoo


toen medelijden haar het hoofd deed buigen hoe weinig dacht ik toen, aan wier onrustigcn boezem die zakdoek eens zou kom« n te liggen, na ■ dat hij dat roerlooze, vreedzame, borstje had bedekt! Ik dachtalleen, dat, misschien de Eng(;l van het kind niet. geheel onbewust mocht zijn van de vrouw, die hem met eene zoo medelijdende hand weder uitspreidde; niet geheel onbewust van haar, kort daarna, toen wij afscheid hadden genomen en haar aan de deur hadden gelaten, en zij beurtelings, voor zich zelve beangst, uitker\'ven weinig mogelijk om mij zelve te denken en wanneer ik zelf weder in liet verhaal kom, erger ik er mij over en zeg; „Och,gij vervelend ding, ik won dal, L,ri| dat liel!quot; maar het baat alles niet, Ik hoop, dat iemand, die misschien lezen zal wat ik schrijf. wel zal begrijpen, dat, als deze bladen voel over mij zelve bevatten, ik niet anders denken kan, dan dat het is omdat ik er wcrki lijk iets mede te maken heb, en erdus niet uit kan blijven.

Mijn lievelingetje en ik lazen, eu werkten, en speelden te zamen ; en wij vonden zoov\'-el om


-ocr page 64-

HET VERLATEN IHMS.

58

onzen tijd aan te besteden, dat do winterdagen ons als fraai gevederde vogelen voorbijvlogen. Doorgaans in den namiddag, en altijd in den avond, gaf Richard ons zijn gezelschap. Hoewel hij een van de onrustigste jongens van de wereld was. hield hij toch zeker veel van ons bijzijn.

Ilij hield veel, zeer veel van Ada. Ik moet dit liever maar dadelijk zeggen. Ik had nog nooit jo»-geliedeti verliefd zien worden, maar ik betrapt\' hen zeer spoedig daarop. Ik kon dit natuurlijk niet zeggen, oftoonen dat ik er iets van wist. Integendeel, ik was zoo stemmig, en scheen zoo onnoo-zel te zijn, dat ik, terwijl ik zatte werken, dikwijls bü mij zelve overwoog of ik niet bedriegelijk begon te worden.

Maar dat was niet te veranderen. Al wat ik te doen had was mij stil te houden, en ik was zoo stil als t-i-n muisje. ZIJ waren ook zoo st il als muisjes, zoover woorden betrof; maarde onschuldige manier, waarop zij zich al meer en meer op mij verlieten, naarmate zij zich meer en meeraau elkander hechtten, was zoo bekoorlijk, dat ik veel moeite had om niet te toonen met hoeveel belangstelling ik hen gadesloeg.

„Ons lief oud vrouwtje is zulk een kapitaal oud vrouwtje,quot; zeide Richard wel eens, als hij mij \'s morgens vroeg in den tuin kwam opzoeken, met zijn genoeglijken lach en misschien met een zweempje vaneen blos, „dat ik zonder liaarniot voort kan. Eer ik mijn roestigen dag begin - eerst ploeteren met die boeken en instrumenten, en dan als een wildeman voort in galop over bergen dal de geheole streek in het rond. doet het mij zooveel goed eens eene stemmige wandeling te doen mot onze bedaarde vriendin, dat Ik hier alweer ben.quot; ,GiJ wlt; et wel, lief Hesje Darden,quot; placht Ada des avonds te zeggen, met haar hoofd op mijn schouder, terwijl het vuur haar in de peinzende oogen scheen, „als wij hierboven komen, verlang ik niet meer te praten. Alleenmaar een poosje te zitten mijmeren, met uw lief gezicht tot gezelsi-liap; en naar den wind to luisteren, lt; n te denken aan de arme matrozen op z.e. en quot;

Misschien zou Richard een zeeman worden. Wij hadden nu dikwijls daarover gepraat, en er werd ernst ig over gedacht om do neiging voor liet zeeleven, die hij In zijne kindsheid had opgevat, te bevredigen. Mijnheer Jarndyee had aan een aanverwant der familie, don grooton Sir Leicester Dedlock, ge-chreven. om hem in la i algemoea te verzoeken Richard met /ijn invloed te willen begunstigen; en sir Leicester had zfer vriendelijk geantwoord, „dat het hem verheugen zou dquot; vooi • uitzichten van den jongenheer te bevorderen, indien dit ooit blijken mocht in zijn Vermogen te zijn, hetgeen gehei 1 niet waarschijnlijk was en dal mylady hare complimenten zond aan den jongenheer (met wion zij zich zeerwel horinnerdi ineen verren graad vermaagschapt te zijn) en ver trouwde dat hij altijd zijn plichtzoudoen, in ieder eerv( beroep, waaraan hij zich zou toewijden.quot;

„Het Is dus vrij duidelijk, naar mij dunkt,quot; zeide Richard tot mij, „dat ik mij zei ven door de wereld zal moeten helpen. Ook al goed! Eene menigte mensehen hebben dat al moeten doen, en het ook gedaan. Ik wenschte maar dat ik het commando van een kaper had, om mee te beginnen, en den kanselier kon oppakken en hem zoolang op kort rantsoen honden, tot hij uitspraak In ons proces had gedaan. Hij zou mager worden, als hij niet oppaste.quot;

By eene luchtige, altijd het beste hopende vroo-lijkheid, die byna nooit verflauwde, had Richard eene zorgeloosheid in zijn karakter, die mij dikwijls verlegen maakte vooral omdat hij die, op eene allerwonderlijkste manier, voor voorzichtigheid aanzag. Deze trek blonk vooral doorin al zijne berekeningen over geldzaken, gelijk ik niet boter meen te kunnen ophelderen, dan door voor een oogenbllk op onze leenlngaan mijnheer Sklmpole terug te komen.

Mijnheer Jarndyee was het bedrag daarvan te i weten gekomen, hetzij van mijnheer Hkimpole zelf of van Coavinses, en had mij het geld ter hand gesteld met de aanwijzing om er mijn eigen deel van af te houden en het overige aan Richard te geven. De menigte van kleine, onbedachte uit- { gaven, welke Richard door het terugkrijgen van zijne tien pond wilde versehoonen. en het aantal malen dat hij mij daarover sprik, alsof hij die som zuiver bespaard of gewonnen had, zou eene ge-heelo optelling vereischen.

„Mijn voorzichtig Moedertje Hubbard, waarom niet?\' zoide hij, toen hij, zonder de minste bedenking, vijf pond aan den steenbakker wilde geven. „Ik heb met die zaak van Coavinses zuiver tien pond uitgehaald.quot; „Hoe zoo?quot; zeid ik. , Wel, ik had mij tien pond kwijt gemaakt die ik heel wel kwi jt wildezijn, en nooit dacht weerom te zien. Dat ontkent gij tochniet?quot; — „Neen,quot; zeide ik. „Heel goed. Toen heb Ik tien pond gekregen —quot; „Dezelfde tien pond,quot; merkte ik aan. „Dat heeft er niets mede te maken,quot; antwoordde Richard. „Ik heb tien pond meer dan ik gedacht had te zullen hebben, en dus kan ik die\'nu wel uitgeven zonder er veel om te malen.quot;

Op dezelfde wijs stelde hij. toen hij zich van de opoffering dezer vijf pond lïét terughouden, door zich te laten overtuigen, dat hij er geen hut mede zou doen, die som weder als winst te boek, om er later over lo beschikken.

..Laat zien!\' zeide hij, „ik heb met die zaak van den steenbakker vijf pond uitgehaald ; als ik dus eens met eeno postkoets heen en weer naar Lo n-d e n rijd en dat op vier pond reken, heb ik er nog een bespaard: en dat is iets goeds, want laat ik u zeggen, die een stuiver spaart, heeft een stuiver gewonnen.\'

Ik geloof dat Richard zoo openhartig en edelmoedig van karakter was, als iemand met mogelijkheid zijn kan. Hij was vol vuur en moed, en met al zijne wildheid en rusteloosheid, zoo zacht-


-ocr page 65-

MIJMIKKK

aardig, dat ik hem in weinige weken voor een broeder hield. Die zachtaardigheid was hom mi-tuurlijk cn zou zich ookzonder Ada\'s invloed overvloedig vertoond hebben; maar met dien invloed werd hij een buitengemeen innemend jong-mensch : altijd was hij met zijne belangstelling gereed, en altijd zoo vergenoegd, blijgeestig en luchthartig. Ik weet zeker dat ik, als ik bij hen zat en met hen wandelde en praatte, en dag aan dag Opmerkte hoe zij inniger verliefd werden, en niets daarvan zeiden, maar beiden dachten dat die liefde een allerdiepst geheim was, waarvan zelfs de ander misschien nog niets vermoedde — ik weet zeker, dat ik zelve toen bijna nietminderbe-tooverd was dan zij zeiven, en bijna niet minder ingenomen met den streelenden droom.

Zoo leefden wij voort, toen mijnheer Jarndyce op zekeren morgen onder het ontbijt een brief ontving, en naar het adres ziende, zoide: „Van Boy thorn\'? Zoo, zoo!quot; waarna hij den brief met blijkbaar genoegen opende en las, en ons, toen hij halverwege was, als ineen tusschcnzin, berichtte dat Boythorn bij ons kwam logeeren. Wie was nu die Boythorn? dachten wij allen. En ik durfook wel zeggen, dat wij allen dachten ik voor mij weet wel dat ik zoo deed: „zou Boythorn zich ook op eenc of andere wijs bemoeien itiet hetgeen er omging yquot; „Ik heb met dien snaak, met Lawrence Boythorn, schoolgegaan,quot; zeide mijnheer Jarndyce, met zijn vinger op den brief tikkende, terwijl hij dien op de tafel legde, „langer dan vijf en veertig jaar geleden. Hij was de driftigste jongen, en nu is hij de driftigste man van de wereld. Hij was toon de luidruchtigste jongen, en nu is hij de luidruchtigste man van de wereld. Hij was toen de fennste en degelijkste jongen, en nu is hij de fennste en degelijkste man van de wereld. Hij is een geduchte kerel.quot; — „Door zijne natuur, mijnheer?quot; vroeg Richard. — „Ook zoo tamelijk in dat opzicht, Rick,quot; antwoordde mynheer Jarndyce, „want hij is tien jaar ouder dan ik, en een paar duim langer, met het hoofd achteruitgeze t als een oud soldaat, do breede borst vooruit, handen als een schoon gewasschen hoefsmid, en longen er bestaat gecne vergelijking voor zijne longen. Als hij praat, lacht of snorkt, doet hij de balken van het huis trillen.quot;

Terwijl mijnheel- Jarndyce zich in het beeld van zijn vriend Boythorn verlustigde, namen wij het gunstige voorteeken waar, dat er geen het minste blijk van eene verandering van wind was.

„Maar liet is het binnenste van den man, het warme hart van den man, het vmir van den man, het frissche bloed van den man, Rick en Ada, en kleine Spinrag ook, want gij hebt allen belang bij i quot;ii logeergast waarvan ik spreek,quot; vervolgde hij. „Zijnetaal is oven forsch al s zijne stein. Hij is altijd in een uiterste, altijd in den superlatief. Als hij iets afkeurt is hij alsrazend. Naar wat hij zegt zou men hem voor een menschenete;\'houden, en ik geloof dat hij bij sommige menschen

BOYTHOhN. 59

ook den naam daarvan heeft. Maar nu wil ik u vooruit niet meer van hem zeggen. 0 ij moet maar niet verwonderd zijn, als gij ziet, dat hij mij onder zijne bescherming neemt; want hij heeft nooit vergeten,dat ikop school een zwakke jongen was, en dat onze vriendschap daarmee begon, dat hij mijn tiran voor het ontbijt twee (hij zegt zes) tan-! den uit den mond sloeg. Boythorn en zijn knecht,quot; dit was tot mij, „zullen van middag hier zijn, melieve.quot;

Ik droeg zorg de noodige toebereidselen voor mijnheer Boythorn\'sontvangst te maken, en toen zagen wij met niet weinig nieuwsgierigheid zijne komst te gemoet. De middag verliep echter en iiij kwam niet. De t ijd voor den maaltijd naderde en nog kwam hij niet. De maaltijd werd een uur uitgesteld, en wij zaten om het vuur, zonder ander licht dan de vlam. toen do deur van het voorhuis eensklaps openvloog, en de volgende woorden, met de grootste drift en eene davere nde stem uitgesproken, door het voorhuis klonken:

„Wij zijn een verkeerden weggewezen, Jarndyce, door een overgegeven booswicht, die ons zeide dat wij rechts moesten omslaan, in plaats van links. Hij is de gruwelijkste schurk op het gelaat des aardrijks. Zijn vader moet al een godvergeten schelm zijn geweest, om ooit zulk een zoon gekregen te hebben. Ik zou zulk een kerel zonder het geringste gemoedsbezwaar laten doodschieten!\'\' - „Zou hij het met opzet gedaan hebben?\' zeide mijnheer Jarndyce. „Ik heb geen den minsten twijfel of de schavuit heeft geheel zijn leven doorgebracht met reizigers den verkeerden weg te wijzen,quot; was het antwoord. „Bij mijne ziel, ik vond al dat hij het uitzicht van den gemèensten rekel van de wereld had. toen hij mij zeide dat ik rechts moest omslaan. En toch heb ik dien kerel vlak voor mij zien staan, en hom de hersenen niet ingeslagen.quot; „Dé tanden niet uitgeslagen, meent gij.\' zeide mijnheer .laindyce. ,1 la. ha, halquot; lachte mijnheer Lawrence Boythorn, en deed werkelijk hot geheele huis trillen. „Wat! Hebt ge dat nog niet vergeten! Ha, ha, ha! — En dat was ook een overgegeven schavuit. Bij mijne ziel, het gezicht van dien knaap, toen hij nog een jongen was, was het gruwelijkste model van valsehlu id. lafheid en wreedheid, dat ooit als vogelverschrikker in een veld vol schelmen is gezet. Als ik dien weergalóozen tiran morgen opstraal tegenkwam, zou ik hem vellen als een verrotte boom.quot; „Daar twijfel ik niet aan,quot; zeide mijnheer Jarndyce. „Maar wilt gij nu bovenkomen„Bij mijne ziel, Jarndyce,quot; antwoordde zijn gast, die zijn horlogo scheen te raadplegen, „als gij getrouwd waart geweest, zou ik aan het hek van den tuin zijn omgekeerd, en weg geloopen zijn naar de versti toppen van het II i-m a I a y age b er g t e, liever dan op zulk i en ontijdig uur te komen.quot; „Toch niet heel en al zoo ver, hoop ik ?quot; zeide mijnheer Jarndyce. „Bij mijn leven en mijne oer, ja!quot; riep mijnht er Boy ;


-ocr page 66-

CO HET VERLATEN HUIS.

thorn uit, „Ik zou mij voor niets in de wereld willen schuldig maken aan de vermetele insolentie om de vrouw van den huize zoolang te laten ; wachten. Ik zou veel liever mij zolven van kant willen maken — oneindig liever.quot;

Zoo pratende gingen zij naar boven; en weldra hoorden wij hem in zijne slaapkamer. ,Ua, ha, ha!quot; en nog eens „Ha, ha, halquot; bulderen, tot de lt; traagste echo\'s in den omtrek er wakker van schenen te worden, en even smakelijk te lachen als hij zelf deed, of als wij deden, toen wij hem zoo i hoorden lachen.

Wij waren allen dadelijk gunstig voor hem ingenomen, want hij had zekere eerlijkheid in zijn lach, en in zijne krachtige, gezonde stem, en in de volmondigheid, waarmede hij ieder woord uit- j sprak, ja zelfs in de woede zijner krachtwoorden, die naar kanonschoten met los krult geleken en geen kwaad schenen te kunnen doen. Maar wy dachten niet, dat onze gunstige meening zoodanig door zijn voorkomen zou bevestigd worden, toen mijnheer Jarndyce met hem binnenkwam. Hij was niet alleen een zeer knap oud heer — zoo } rustig en stevig als hij ons beschreven was — met een deftig grijs hoofd, een gezicht vol edele bedaardheid als hij zweeg, eene gestalte, die zwaarlijvig had kunnen worden, als hij niet zoo gedurig in vuur was geweest dat hij zich nooit rust liet, en eene kin, die eene onderkin had kunnen krij gen, als zij niet telkens had moeten helpen om i don nadruk van zijne woorden te versterken ; maar hij was zulk een echt gen tie ma n In zijne manieren, zoo vol ridderlijke beleefdheid, en zijn gezicht word door een glim lach zoovol innemende vriendelijkheid verhelderd, en het scheen zoo duidelijk dat hij niets te verbergen had, maar zich , juist zoo vertoonde als hij was buiten staat (gelijk Richard zeide) om iets op eene bekrompene schaal te doen, en altijd kanonschoten met los kruit lossende, omdat hij geene kleine wapenen hoegi Ti aam d bij zich voerde — dat ik waarlijk niet kon nalaten, hem onder den maaltijd met evenveel genoegen aan te zien, hetzij hij zich glim-lachend ne t Ada en mij onderhield, of door mijnheer Jarndyce tot een salvo van superlatieven werd uitgelokt, of met achteroverge worpen hoofd dat geduchte „Ha, ha, ha!quot; uitbulderde.

„Gij hebt uw vogeltje melt;\'g( bracht, zou ik denken?quot; zeide mynheer Jarndyce. „By den hemel, het is het verwonderlijkste vogeltje van Europa,quot; was hetantwoord. „Ik zouggt; enduizend guinjes voor dat vogeltje willen aannemen,Ik heb ecu jaargeld alleen voor zijn oncli rhoud gela ten, in geval hot my overleven mocht. Het is een mi rake! van schranderheid en gehechtheid. En zijn vader voor hom was ook een van de verwonder-lijkste vog. Itjes die ooit geleefd hebben.*

Het voorwerp van dezen lof was een zeer klein kanarietje, dat zoo mak was. dat het door mijn-h\'lt;f Hoy thorn\'s kneeht op zijn voorvinger naar benoden weid gebracht, en nadat hot even de

kamer was rondgevlogen, zich op zijn meesters hoofd neerzette. Mijnheer Boythorn kort daarop de onverzoenlijkste en hartstochtelijkste gevoelens te hooren uitdrukken, terwijl dat teere diertje gerust op zijn voorhoofd zat, gaf iemand, dacht mij, een goed denkbeeld van zijn karakter.

„Bij mijne ziel, Jarndyce,quot; zeide hij, zeer voorzichtig een stukje brood ophoudende, om het kanarietje aan te laten pikken, „als ik in uwe plaats was zou ik morgenochtend al die heeren van de Kanselarij een voor een bij de keel pakken, en ieder zoolang schudden tot zijn geld uitzijne zakken rolde en zijne beenderen in zijn vel ratelden. Ik zou goedschiks ot\' kwaadschiks van iemand eene afdoening maken te krijgen. Als gij mij volmacht woudt geven om het te doen, zou ik het met het grootste genoegen vooru doen!quot; Onder-tusschen zat het kanarietje uit zijne hand te eten, „Wel bedankt, Lawrence, maar hel. proces is bezwaarlijk nog zoover gekomen,quot; antwoordde mijnheer Jarndyce lachende, „dat het veel verder zou gebracht worden, zelfs door den wettigen maatregel om de geheele rechtbank en de geheele balie zoo te schudden,quot; - „Er is nooit op liet gelaat des aardrljks zul keen helsche brouwketel geweest als die Kanselarij,quot; zeide mijnheer Boythorn, „Niets anders dan eene mijn er onder, op een drukken dag in de zitting, met al de documenten, reglementen en antecedenten in het Hof, en al de ambtenaren die er toe beboeren, hoog en laag, van zyn zoon den procureur-generaal tot zijn vaderden duivel, en dan alles in de lucht laten vliegen met honderdduizend pond buskruit, zou er de minste reform in kunnen brengen,quot;

Het was onmogelijk niet te lachen bij het vuur en den ernst, waarmede hij dezen krachtiger: hervormingsmaatregel aanbeval. Toen wierp hij la-chend zijn hoofd achterover, zette zijne breede borst vooruit, en wederom scheen het geheele land te daveren van zijn „Ha, ha, ha!quot; Dit bleek zijn vogeltje in het minste niet te ontrusten. Het bleef zich volkomen veilig gevoelen, en wipte nu op de tafel, met zijn levendig kopje nu naar den eenen. dan naar den anderen kant op zijde, en keek met zijn helder en schrander oogje zijn meester aan, alsof hij niet meer dan ook zulk een vogeltje was.

„Maar hoe staat gij met uw buurman in dat geschil over het recht van overpad?quot; zeide mijnheer Jarndyce. „Gij zijt immers zelf nog niet vrij uit de strikken van het recht?\' — „Dekerel heeft eene actie voor overtreding tegen mij ingesteld, en ik eene aet ie van denzelfden aard tegen li e m.\' antwoordde mijnheer Boythorn. „Bij den hemel, hij is de trotschte vont, die op de wereld ademhaalt. Het is eene moreele onmogelijkheid, dat hij Sir Leicester kan heeten. Het moet,sir Lucifer zijn,quot; „Een fraai compliment voor onzen verren bloedverwant!\' zeide mijn Voogd lachende tot Ada en Richard. — „Ik zou juffrouw Clare en


-ocr page 67-

DE ONEENKiHEDEN TUSS0I1EN\' HOYTHOHN EN DEDLOCK.

mijnheer Carstone verschooning verzoeken,quot; antwoordde onze gast, „als het mij niet geruststelde door op het lieve gezichtje van de jonge dame en in den glimlach van den jongenhei r te lezen, dat dit geheel onnoodig is, en dat zij hun verrenbloedverwant op een eerbiedigen afstand houden.quot; -„Of hij dat ons doet,quot; merkte Richard aan. [ „Bij mijne ziel!\' riep mijnheerBoythorn, eens-i klaps weder een salvo afvurende, „die kerel is, en zijn vader was, en zijn grootvader was, de hardnekkigste, onverdraaglijkste lom pert, die ooit, door eene onverklaarbare vergissing der natuur, in een anderen levensrang dan dien van een wandelstok geboren is! üiegeheele familie zijn de ingebeeldste, arrogantste deftige domkoppen! Maar dat doet er niet toe. I lij zal mijn pad nietaf-sluiten, al was hij vijftig baronets ineengesmolten, en al woonde hij op vijftig Kastanje-Hoven, het eene in het andere, gelijk de Chineesche ballen van ivoren snijwerk. Die kerel schrijft mij door zijn agent, of secretaris, of iemand anders; „Sir Leicester Dedlock, baronet, biedt mijnheer Lawrence Boythorn zijne complimenten aan, en is verplicht hem onder de aandacht te brengen, j dat het groene pad langs de oude pastorie, welke : thans het eigendom van mijnheer Lawrence Boy-: thorn is, aan Sir Leicester toebehoort, daar het niets anders is dan een gedeelte van het park van Kastanje-Hof, en dat Sir Leicester het raadzaam acht dit pad te laten afsluiten.quot; Ik schrijf den kerel: „Mijnheer Lawrence Boythorn biedt Sir Lei-I cester Dedlock, baronet, zijne complimenten aan, en is verplicht li e m onder de aandacht te brengen, dat bij alle mogelijke stellingen van Sir Lel-; cester Dedlock over alle mogelijke onderwerpen ten eenenmale ontkent; en heeft er bij te voegen, wat liet afsluiten van het bedoelde pad betreft, dat hij gaarne den man zou willen zien, die dit durft te doen.quot; De kerel zond een overgegeven schelm met iVn oog om een hek te timmeren. Ik laat op dien verfoelelljken schavuit met eene brandspuit spelen, tot hij denadem bijna kwijt is. De kerel zet in den nacht een hek. Ik hak ! het klein en verbrand het in den ochtend. Hij zenet zijne huurlingen om over het staketsel heen en weer te klimmen. Ik vang hen in klemmen zonder tanden, vuur met erwten naar hunne beenen, laat de brandspuit op hen spelen -met het vaste besluit om het menschdom van den on-draaglljken last van het aanzijn van zulke booswichten te bevrijden. Hij begint eene actie voor overtreding, ik ook. Hij begint eene actie voor daden van geweld, ik procedeer daartegen in en ga voort met daden van geweld. Ha, ha, ha!quot;

Als men hem dat alles met voorbeeldeloozc ; kracht hoorde zeggen, moest men hem voor den i oploopendsten van alle menschen houden; als men hem tegelijk naar het vogeltje, dat nu op zijn duim zat, zag kyken en hel de veertjesmet zijn voorvinger gladstrijken, moest men hem voor den zachtmoedigsten houden. Alsmen hem hoorde

lachen en de genoeglijke goedhartigheid van gt; zijn uitzicht zag, had men kunnen denken dat hij nooit zorgen, geschillen of onaangenaa mheden had gekend, maar geheel zijn leven een zomertochtje was.

„Neen, neen,quot; zeide hij, „geen Dedlock zal mij een pad afsluiten! Schoon Ik gaarne beken,quot; hier werd hij in een oogenblik geheel zachtheid, „dat Lady Dedlock de uitmuntendste dame van de wereld is, welke Ik gaarne alle hulde zou be- : wijzen, die een eenvoudig gentleman en geen baronet, met een kop van zevenhonderd jaren dik, bewijzen kan. Een man, die op zijn twintigste jaar bij zijn regiment is gekomen, en binnen de week den heerschzuchtlgsten en i ogebeeldsten zotskap van een commandant uitdaagde, die ooit door een dun middeltje den adem des levens heeft gehaald — is de man niet om zich door alle Sir Lucifer\'s te laten omverloopen. Ha, ha, ha!quot; — „En ook geen man om een jonger kameraad te laten omverloopen ?quot; zeide mijn Voogd. — „Zeker niet!quot; | zeide mijnheer Boythorn, hem op den schouder . kloppende, met eene beschermende houding, die wel iets ernstigs had, schoon hij er bij lachte. , Hij : zal altijd een zwakken jongen bijstaan. Gij kunt } op hem aan, Jarndyce. Maar van dat proces over l het pad gesproken met mijn excuus aan Juffrouw Clare en juffrouw Summerson, dat ik zoo- | lang bij dat droge onderwerp blijf - is er niets j

voor mij van uwe lieden, Kenge en Carboy ?quot; ...... I

„Ik geloof vanneen, Esther,quot; zeide mijnheer Jarndyce. ..Niets. Voogd.quot; „Wel verplicht!quot; I zeide mijnheer Boythorn. „Ik behoefde hetniet i eens te vragen na mijne geringe ondervinding j van juffrouw Summerson\'s zorgvuldigheid voor i iedereen.quot; (Zij prezen mij allen altijd; daar had- | den zij het opgezet). „Ik vroeg het maar omdat j Ik uit Lincolnshire komende, natuurlijk niet | in de stad ben geweest, en dacht dat er brieven i voor mij hier naar toe gezonden konden zijn. Zij ! zullen morgenochtend wel bericht zenden.quot;

Ik zag hem in den loop van den avond, diezeer j genoeglijk omging, zoo dikwijls naar Richard en Ada tun n, met eene belangstelling en tevreden- . beid, die zijn welgemaakte trekken iets bijzonder { Innemends gaven, terwjjl hij op eenigen afstand i van de piano naar de muziek zat te luisteren en hij behoefde ons niet eens te zeggen, dat Wj een hartstochtelijk liefhebber van muziek was, | want zijn gezicht toonde dit datik mijn Voogd, I terwijl wij aan het triktrakbord zaten, vroeg of mijnheer Boythorn ook getrouwd was geweest.

„Neen,quot; antwoordde hij. „Xeen.quot; — „Maarbij had toch willen trouwen?quot; zeide ik. „Hoehebt gij dat ontdekt?quot; antwoordde hij met een glimlach. — „WVI, Voogd,quot; zeide ik, niet zonder eenigszins te blozen, dat ik waagde te zeggen wat ik in mijne gedachten had, .gij heeft iets zoo zachts in zijn toon, en i.szoobeleefden vriendelijk voor ons, en —quot;

Mijnheer Jarndyce richtte zijne oogen naar do


-ocr page 68-

HET VKIÜ.ATEN li CIS.

plek waar hij zat, juist gelijk ik hem be.schreef.

Ik zeicle tiiets meer.

„Oij hebt gelijk, Vrouwtje Klein,\' antwoordde hij. „Hij was eens bijna getrouwd. Langgeleden. En maar eens.quot; .Stierf toen de dame ?quot; ,NVt n maar zij stierf toch voor hem. Die tyd heeft in vloed uitgeoefend op geluxl zijn later le ven. Zoudt gij denken, dat hij nog lt; en\'hoofd en hart vol romaneske grillen had?quot; , Mij dunk i \\\'oogd, ik had dat wel kunnen denken.Maar datisgemak-kelijk te zeggen, nu gij hi t mij gezegd hebt.quot; „Hij is sedert nooit weer geweest wat hij had kunnen zijn.quot; zeide mynhelt;f Jarndj-e(, „en nuziet gij hem in zijn ouderdom zonder iemand bij hem dan zijne dienstbodenen zijn kleinen, gelen vriend.

Het is uwe beurt, lieve!quot;

Ik begreep uit den toon van mijn Voogd, dat ik niet verder over het onderwerp kon spreken zonder den wind te doen veranderen. Ik wachtte mij dus wel om mei r U- vragen. Mijne belangstelling was opgewekt, maar ik was niet nieuwsgierig. Dien nacht, toen ik door mijnheer Boythorn\'s duchtig snorken word wakker gemaakt, dacht ik een poosje over die oude liefdesgeschiedenis, *ii beproefde ik iets zee r inoeielyks te doen mij oude lieden weder jong en met de bevalligheid der jeugd beschonken te verbeelden. Maar ik viel in slaap eer mij dat gelukt was, droomde van de dagen toen ik nog bij mijn peet in huis woonde, ik ben niet genoeg ire. t zulke dingen bekend, om te weten, of het iets opmerkelijks is,dat ik altijd van dat tijdperk vanin{jn leven droomde.

Des morgens kwam er een brief van de heeren Kenge en ( arbnv aan mijnheerBoythorn, met bc ■ richt dat tegen den middag e\' n van hunne klerken bij hem zou komen. Daarliet juist die das? van de wei k was. dat ik mijn rekeningen betaalde i en mijne boeken optelde, en alle huishoudelijke zaken zooveel mogelijk in orde bracht, blei fik thuis, terwijl mijnheer Jarndyce, Ada en Hiehard den zeer mooien dag waarnamen om een uitstapje | li doen. Mijnheer Boythnrn bleefopden klerk van Kenge en • arboy wachten, en zou hen dan t\' voet te gemoet gaan als zij terugkwamen.

Ik had het zeer druk met vvinkelbot kjes na te zien, mijne boeken op te tollen, geld uit te betalen en quitantii n aan t-\'rijgen, en maakte daarvan zeker nogal wat beweging, toon mijnheer Uuppy aangediend en binnengelaten werd. ik had reeds gedacht dat de klerk, die gezonden zou worden, missehien de jongeheer zou zijn, die mij aan het, diligencekantoor had afgehaald, en was Mijd. teen ik hem zag. daar hij in zeker verband stond met mijn tegenwoordig geluk.

Ik herkende hem bijna niet, zoo buitf ngemeen zwierig was hij. Hij had een geheel nieuw glanzig pak kIe*Ten aan, een blinkenden hoed, lila hatid-srhoenin.i ene das niet t ene menigte van kleuren, ei ne groote kasbloem In zijn knoopsgat, eti een zwan n gouden ring aan zijn pink. Bovendien vervuld. hij de geheele eetzaal met eetie lucht van berenvet en andere parfumerieën. Hijzagrnijaan met een oplettendheid, die mij geheel verlegen deed worden, toen ik hem verzocht te gaan zitten tot deknecht terugkwam; en terwijl hij daarin een hoek zat, en zijne beenen nu zoo, dan zoo over elkander sloeg, en ik hem vroeg of hijeenepleizierige reis had gehad, en hoopte dat mijnheer Kenge nog wel was, zag ik hem geene enkele maal aan, maar wist ik toch dat hi j mij op dezelfde uitvorschende, wonderlijke manier bleef aankijken.

Toen hom het verzoek werd gebrachtom boven naar mijnheer Boythorn\'s kamer te komen,zeide ik hem dat hij, als hij weder beneden kwam, eenige verversching gereed zou vinden, waarvan mijnheer Jarndyce hoopte dat hij gebruik zou maken. Hij zeide met zekere verlegenheid, terwijl hij de kruk van de deur in de hand had: .Zal ik dan de eer hebben van u hier te vinden, mejuffrouw?\' ik antwoordde ja, ik zou daar zijn; en met eene buiging en nog zulk een blik ging hij heen.

Ik hield hem slechts voor bloode en onhandig, want hij was blijkbaar zeer verlegen; en ik verbeeldde mij. dat ik best zou doen met maar te wachten tot ik zag, dat hij alles had wat hem noo-dig was, en hem dan alleen te laten. De tafel was spoedig gedekt, maar bleef geruimen tijd zoo staan. Het gesprek metmijnheer Boythorn duurde lang - en was onstuimig ook, moest ik denken ; want schoon zijne kamer tamelijk veraf was. hoorde ik zijne luide stem telkens opsteken, evenals een harde wind, en blijkbaar geheele salvo\'s van krachtige woorden uitbulderen.

Eindelijk kwam mijnheer Guppy terug, en se hoen na dat gesprek nog wat meer onthutst, „Drommels, juffrouw,quot; zeide hij zacht, „dat is een \'Turk!quot;

, Wees nu zoo goed om iets te gebruiken, mijnheer,quot; zeide ik.

Mijnheer (.iuppy Zette zich aan tafel en begon zenuwachtig In t voorsnijmes op de vork aan te zetten, waarbij hij mij aldoor op dezelfde ongewone manier aankeek gelijk ik gevoelde zonder hem aan te zien. Dat aanzetten duurde zoo lang. dat ik mijeindelijk eenigermato verplicht rekende om mijne bogen op te slaan en zoo de be-toovering op te heften, die hem scheen te belet ten er mede op te houden.

Toen keek hij dadelijk naar den schotel en begon te snijden.

,\\\\ at wilt ge zelve gebruiken, juffrouw ? Zult ge niet een brokje van iels nemen ?quot; „Neen, w. 1 bedankt,quot; Zeide ik. — ,,Zal ik u niet een stukje vaniets gevt n, juffrouw zeidemijnheer (iuppy, nadat, hij haastig een glas wijn had uitgedronken.

„Niets, wel bedankt,quot; zeide ik. „Ik heb maar gewacht om te zien ofu ietsontbiak. Isernegiets dat ik voor u kan laten komen?quot; - „Neen, wel zeer verplicht, juffrouw, zoowaar. Ik heb alles, wat ik verlangen kan om inmijn schik tezijn - of eigenlijk niet in mijn schik dat ben ik nooit;quot; hij dronk nog twee glazen wijn achter elkander.


-ocr page 69-

MMMIEEK GriM\'V DOET EENE El KFDI\'SVERKJ,.\\l{l\\( 1.

(;a

Ik- meende liever te moeten heengaan.

„Neem tnlj niet kwalijk, juffrouw,quot; zeick: mijnheer Guppy, opstaande toen hij mij zag opstaan. | „Maar zoudt ge nüjeen afzonderlijk gesprek van een paar minuten willen vergunnen?\'

Niet wetende wat te zeggen, ging ik weder zitten.

„Wat nu volgt is zonder prejudicie, juffrouw ?.quot; zeidemijnheer Guppy, met zékeren angst, terwijl I hij met zijn stoel naarmijne tafel kwam, — , Ik blt; ■ ; grijp niet wat gy meent,quot; zeideik verwonderd.— j „Dat is een van onw rechtsgeleerde termen, juf-: fro uw. Gij zul ter geen gebruik tot mijn nadeel van maken, bij Kenge en Carboy, of ergens anders. Als mijn gesprek geen vorder gevolg heeft, zal ik | weder zijn gelijk ik tevoren was, en niet gecom-| promitteerd wat mijne positie of vooruitzichten 1 betreft. Kortom, het is geheel in vertrouwen.quot; — „Ik kan mij niet verbeelden, mijnheer,quot; zeide ik, „wat ge mij, die ge niet meer dan eens gezien hebt, in vertrouwen kunt hebben mede te deel»ai; maar het zou mij zeer spijten u te benadeelen.quot; — „Wel bedankt, juffrouw, daarvan ben ik overtuigd dat is geheel voldoende.quot; Al dien tijd zat mijnheer Guppy met zijn zakdoek over zijn hoofd te vegen, of de palm van zijne linkerhand met de palm van zijne rechter te wrijven. „Als gij mij vergunnen wilt nog een glas wijn te nemen, juffrouw, denk ik dat het mij helpen zou om voort te spreken, zonder die gedurige hapering in de ki el, dat niet missen kan wederzijds onaangenaam te zijn.\'

Hij dei d zoo en kwam terug. Ik nam degelegen-held waar om meer achter mijne tafel te schuiven.

„Gij wilt mij niet vergunnen er u een aan te bieden ?\' zeide Guppy, eenigszins verfrischt, naar het scheen. „Zoudtge, juffrouw V „ Toch niet,quot; zeide ik. — „Geen half glaasje ?quot; zeide mijnheer Guppy, „(ivt-n vierdepartje? Niet! Om dan voort te gaan. Mijn tegenwoordig salaris, juffrouw öum-merson, bij Kenge en Carboy, is twei pond in de weck. Toen ik het geluk had u voor het eerst te zien, was het maar een en vijftien, en was het lang op die hoogte gebleven. Sedert is het vijf schellingen verhoogd, en is mij eene verdere verhooging van vijf beloofd over stellig niet langer dan een Jaar. M ijne moeder heefteen klein vermogen, dat in eene lijfrente bestaat waarvan zij op een eenvoudigen voet maar onafhankelijk leeft, i n woont in OI d-S t r e r t Ho a d. Zij is buitengemeen gi schikt voor eene st iefmoeder. Zij bemoeit zich nooit met iets, is altijd voor rusten vrede, en gemakkelijk van humeur,Zy heeft haar zwak wie heeft dat niet, maar ik heb er haar nooit aan zien toegeven ais er menschen waren; dan kan men haar gerust met wijn, bier en sterke dranken vertrouwen. Mijne eigene woning is op kamers in P e n t on Place, Po n t on vi 11 e. Zij is nederig, maar luchtig, met een rmrn uitzicht van achteren, en wordt voor heel gezond gehouden. Juffrouw Summerson! Op het zachtst uitgedrukt ik aanbid u. Zoudt ge zoogoed willen zijn mij te

vergunnen om u eene declaratie aan te bieden ?\'

Daarmede zonk mijnheer Guppy op zijne knieën. Ik zat goed en wel achter mijne tafel en was niet erg verschrikt. Ik zeide:

„Mijnheer, sta dadelijk, op uit die belachelijke houding, of gij zult mij noodzaken om mijne stilzwijgende\' belofte te breken en te schellen,quot; — „Hoor mij uit, juffrouw!quot; zeide mijnheer Guppy, zijne handen vouwende, — „Ik kan geen woord meer hoeren, mijnheer,quot; antwoordde ik, „als gij niet dadelijk opstaat en aan tafel gaat zitten, zooals gij ook behoort te doen als gij nog eenig verstand hebt,quot; fc

Hij keek jammerlijk, maar stond toch op en ging weder zitten,

„ Welk eene grievende tegenstrijdigheid is het, juffrouw,quot; zeide hij, met de hand op het hart, en droevig zijn hoofd tegen mij schuddende over het blad heen, „op zulk een oogenblik voor voedsel te zitten, juffrouw. De ziel gruwt op zulk een oogenblik van voedsel.\' — „Ik verzoek uom voort te gaan,quot; zeide ik. „Gij hebt mij gevraagd om u uit te hoeren, en nu verzoek ik u er ook een einde aan te maken.\' — „Dat zal ik, juffrouw,quot; zeide mijnheer Guppy. „Gelijk ik u bemin en vereer, zoo gehoorzaam ik u ook. Ach, dat ik u tot voorwerp van die belofte konmaken, voerhetaltaar!quot; - „Dat is geheel onmogelijk,quot; zeide ik, „en komt in geone bedenking. „Ik ben wel bewust,\' zeide mijnhcerGuppy, over het blad voerovei leunende, en mij. gelijk ik op eene zonderlijke manier gevoelde, zonder dat ik naar hem zag, met zijn vorigen strakken blik aanziende, „ik ben wel bewust, dat mijn aanbod, uit een wereklsch oogpunt, naar allen schjjn zeer armoedig is. Maar, juffrouw Summerson! Engel! Neen, schel maar niet! Ik ben in eene goede school opgegroeid, en ben in alle vakken van de praktijk geoefend. Schoon nog maar een jongrnensch, iieb ik al getuigen opgespoord, zaken in orde gebracht en een boel van de wereld gezien. Met uwe hand gezegend, welke middelen zou ik dan nii r kunnen vinden om uwe belangen te bevorderen en u tot fortuin te helpen? Wat zou ik niet kunnen te weten komen, dat u van nabij betreft ? Ik weet nu zeker nog niets, maar wat zou ik niet kunnen te weten komen, als ik uw vertrouwen had, en gij mij op den weg bracht?quot;

Ik zeide hem dat hij even vruchteloos mijn be lang, of wat bij voor mijn belang hield, poogde te baatte nemen, als hij vroeger mijne genegenheid had willen opwekken; en dat hij nu moest begrijpen, dat ik hem verzocht om dadelyk heen te gaan „Wreede juffrouw,quot; zeide mijnheer Guppy, „hoor nog maar éi n woord. Ik denk, gij moet wel gezien hebben, dat ik door deze bekoorlijkheden getroffen werd, op tien dag, toen ik u van do diligence afhaalde. Ik denk, gi j moet wel hebben opgemerkt, dat ik mijne hulde niet aan die bekoor lijkbeden kon onthouden, toen ik de trede van de huurkoets opsloeg. Het wasvoor « eene tlauwe


-ocr page 70-

X.

fit HET VERI,ATEN HUIS.

hulde, maar zij was welgemeend. Uw beeld is sedert in mijne borst geprent gebleven. Ik heb dos avonds voor Jellyby\'s huis op en neer gewandeld ; alleen om do steenen te zien, die u eens omvangen hadden. Deze uitgang vandaag, een geheel noodelooze uitgang wat de boodschap aangaat, die maar het voorgewende doel was, werd door m ij alleen om uwentwil bedacht. Als ik van belangen spreek, is het alleen om mij zei ven en mijne nederige rampzaligheid aan te bevelen. De liefde was nonimer één, en zal nommeréén blijven.quot; - „Het zou mij spijten,m\\jnheer Ckippy.\'zeide ik, opstaande en mijne hand aan de schelkoord slaande, „om u of iemand anders, die het oprecht meende, hot onrecht aan te doen van zijn welwillend gevoel te verachten, al is de uitdrukking daarvan mij onaangenaam. Als gij mij werkelijk een bewijs van uwe goede meening hebt willen geven, hoe ontijdig en ongepast ook, begrijp ik, dat ik u behoor te bedanken. Ik heb zeer weinig reden om trotsch te zijn. en ik ben niet trotsch. Ik hoop,* ik denk, dat ik er dit bijvoegde zonder recht te weten wat ik zeide, „dat gij nu zult heengaan alsof gij nooit zoo buitensporig dwaas waart geweest, en op de zaken van de heeren Kenge en Carboy passen.quot; „Nog eene halve minuut, juffrouw.\'\' zeide mijnheer (iiippy; mij stuitende toen ik wilde schellen. „Dit alles is zonder prejudicie geweest?\' „Ik zal er nooit van spreken,quot; antwooordde ik, ,of i;ij moest mij later reden geven om dat te doen.quot; — „Nog eene kwart minuut, juffrouw. In geval gij u mocht bedenken — ooit, over hoelang ook, dat komt er niet op aan, want mijn gevoel kan nooit veranderen op wat ik u gezegd heb, vooral over wat ik nietzoukunnendoen — dan zal mijnheer William Guppy, Pen ton Place, nommer zeven en tachtig, of in geval van verhuizen of sterven (aan verwelkte hoop, of iets van dien aard) adres juffrouw Guppy, 01 d-St re e t Road, nommer driehonderd en twee. voldoende zijn.\'

Ik schelde, de knecht kwam, en mijnheer Guppy legde zijn geschreven kaartje op de tafel, maakte eene neerslachtige buiging, en vertrok. Mijne oogen opslaande, toen hij heenging, zag ik, dat hij nog eens naar mij keek nadat hij de deur al uit was.

Ik zat daar nog een uur langer aan mijne boeken en rekeningen, en deed nog een aantal zaken af. Toen ruimde ik mijn lessenaar op, borgde alles weg, i-n was zoo bedaard en welgemoed, lat ik meendr dii onvgt; rwachte voorval geheel uit het hoofd gezet te hebben Maar toen ik boven naar mijne kamer ging, verraste ik mij zelve door lt; r om te gaan lachen, en daarna nog meer door er om te gaan s( breien. Kortom, ik was een poosje tfelwel van mijri\'\' stn ek; en het was mij te moede alsof mene« ne oude snaar ruwer had aangeraakt dan neg ooit gebeurd was sedert de dagen der lieve oude pop, al zoolang in den tuin begraven.

DE BLADSCilKEJVKK.

Ten oosten van C h a n c e r y-L a n e, dat is te i zeggen, om het nader aan te duiden, in het Cook\'s \\ Hofje, in 0ursi tor-Street, is Snagsby, de gt; kantoorwinkelier, ter uitoefening van zijn eer- i zaam beroep gevestigd. In de schaduw van het 1 Cook\'s Hofje, meestal een schaduwrijk plekje, | heeft Snagsby handel-gedreven in oningevulde ! formulieren van allerlei akten en dokumenten; ■ in vellen en stukken perkament; in papier van verschillende grootte en kleur; in wissels; in gan- \\ zeschachten en stalen pennen, inkt, gomelas- i tiek, sand rak, spelden, potlooden, lak en ouwels; in rood band en groen lint; in portefeuilles, alma- j nukken, zakboekjes en kantoorlijsten; in liassen, : inktkokers (van lood en glas), pennemessen, scharen, priemen en ander klein kantoorgereed- j schap; kortom, in artikelen, te veel om op te noemen, al den tijd sedert hij zijne leerjaren heeft , volbracht en eene compagnieschap met Peffer I heeft aangegaan. Bij die gelegenheid werd het 1 Cook\'s Hofje eenigermate gerevolutioneerd door ! het nieuwe opschrift, met versche verf, Peffer en Snagsby,quot; dat den enkelen naam van i „Pefferquot; verving, van eerwaardige oudheid en niet gemakkelijk meer te ontcijferen; want de j rook, die het Londen\'sche klimop is, had dien : naam zoodanig omkranst, en zich zoodanig aan I de gansche woning gehecht dat de teedere klimplant den voedenden boom geheel had over- 1 weldigd.

Peffer wordt tegenwoordig nooit meer in het • look\'s Hofje gezien. Hij wordt daar ook niet meer verwacht, want hij heeft al vyf en twintig jaren op het St.-Andrieskerkhof, in Hol n bom, gelegen, waar de wagens en huurkoetsen hem den ganschen dag en den halven nacht voorby brullen als een enkele groote draak. Als hij ooit, wanneer die draak rust, komt uitsluipen om nog eens in het Cook\'s Hofje een luchtje te scheppen, tot hij gewaarschuwd wordt om terug te keeren door het kraaien van den lichtgeloovigen haan in den kelder van het melkhuis in Cursitor-Street, wiens denk beelden van het daglicht merkwaardig zouden zijn om te vernemen, daar hij er door persoonlijke waarneming zoo goed ais niets van weet als Peffer ooit weder de bleeke schemering van het Cook\'s Hofje bezoekt, hetgeen geen I kantoorwinkelier stellig kan ontkennen, komt hij onzichtbaar, en weet niemand er iets van.

In zijn leven, en ook in Snagsby\'s leert jjd van zeven lange Jaren, woonde daar bij Peffer, in hetzelfde kantoorwinkeltje, een nichtje een . klein, vinnig nichtje, wat al te sterk ingependom lt;le middel, en met een scherp neusje, gelijk een , scherpen herfstavond, die tegen het einde wel : wat koud pleegt te zijn. De bewoners van het Cook\'s Hofje hadden een gerucht loopen, dat de


-ocr page 71-

MIJNHEER SXA(iSlfV. WINKELIER IN .SOURIJKBEH()EKTEN.

65

moeder van dit nichtje in do kindsheid harer dochter, gedreven door eene al te groote zorg om haar figuurtje de volmaaktheid te doen naderen, haar eiken morgen had ingeregen, met haar moederlijken voet tegen een stijl van het ledekant, om meer kracht te kunnen doen; en dat zij haar inwendig pinten azijn en limoensap toediende, welke zuren men geloofde, dat in den neus en het humeur der patiënte waren getrokken. .Met hoeveel tongen het gerucht dit vertelseltje ook verspreidde, het bereikte nooit de ooren van den jongen Snagsby, of maakte ten minste geen indruk op hem; want toen hij tot mannelijke jaren kwam, vrijde en trouwde hij liet schoone voor-kaal hoofd en slechts van achteren nog een borstelig bosje zwarte haren. Hij heeft eene overhelling tot tlauwhartigheid en zwaarlijvigheid. Als hij met zijn grijs winkeljasje en zijne zwarte katoenen morsmouwen aan zijne deur naar de wolken staal te kijken, of met eene breede liniaal gewapend achter zijne toonbank in zijn donkeren winkel staat, en met zijne twee leerlingen vellen pcrke-ment vierkant snijdt, is hij een bij uitstek stil on bescheiden manneke. Op zulke tijden rijzen dikwijls, als van een onrustige geest in zijn graf. klagende klanken op van de reedsgemeldestem ; en wanneer deze scheller worden dan gewoonlijk zegt snagsby wol eens tot zijne leerlingen: „Ik ge-


AS-

NKMO (Blz. 70).

werp van dat gerucht, en trad zoo in twee compagnieschappen te gelijk. Mijidircr Snagsby. uit het Cook\'s Hofje in Cursitor-Street\', en het nichtje zijn dus irn; en het nichtje heeft nog veel op met haar figuurtje, dat, hoezeer smaken ook mogen verschillen,ongetwijfeld in zooverre kostbaar is, dat er zeer weinig zoo zijn.

Mijnheer en juffrouw Snagsby zijn niet alleen één been en één vleesch, maar ook, naar de buren denken, éénrstem. 1 )ie stem, die uit juffrouw Snagsby alleen schijnt voort te komen,wordt zeer dikwijlsin hel lt; look\'s Hofje gehoord ;dio van mijn-hoer Snagsby zeer zelden, dan in zooverre zij in deze schelle tonen wordt overgebracht. Hij is een zachtzinnig, bedeesd manneke, metee n blinkend loof, dat mijn vrouwtje liet weer to kwaad heeft met (insta.quot;

Deze naam is het eigendom, en wol het eonig eigendom, met uitzondering van vijftig schellingen \'sjaars en een zoor klein kistje, nog lang niet vol klooi en, van een mager meisje uit een werklui is (sominigon zijn van mooning, dat, zij Augusta gedoopt is), dat, hoewel zij in den tijd van haar groei bij een zachtaardig weldoener zijner mede inenscliiai, die te \'1\' oo t i n g woont, bij aanneming in den kost is geweest, en zieh dus onderdo gunst igsteomstandighoden moet ontwikkeld hebben, aan „toevallenquot; onderhevig is, waarvan hel kerspel goene reden kan geven.

Met die onverklaarbare,lastige toevallen wordt


Pïlt;Ki s-i. Uil ir hi/ni //K\'v.

-ocr page 72-

IJKT VERLATEN Hl\'IS.

{lusta, die werkelijk drie of vier on twintig is, maar zijne paraplu bij haar nis middel van kastijding niet ouder dan tien jaienschijnt te zijn, icoedkoop ; aan te wenden. Maar deze gefluisterde gerucli-uitgehuurd;enz\\iiszoo\'bangom Wedernaar liaar ton kunnen wol daaruit ontstaan, dat Hnagsby boschermlieilige teruggezonden te worden, dat op zijne manier een «enigszins mijmerend, po.;-zij, als zij niot met haar hoofd in een emmer, of tiscli manneke is, en des zomers gaarne in den zinkput, of den koperen ketel, of den schotel Staple Inn wandelt, om te zien hoe lande-met eten, of iets anders, dat zij bij lietkrijgen van lijk tic musschen en de bladeren zijn; en ook een toeval dicht bij haar hoeft, wordt gevonden, op een zondagmiddag in Rolls Yard dren-altijd aan het werk is. Zy is eene gerustheid voor telt, en dan (als hij in eene opgewekte stemde oudersen voogden der leerlingen, die begrijpen ming is) pleegt aan te merken, dat er eens een dat er weinig gevaar is, dat zi j teedere aandoenin- oude tijd was, en dat men onder die kapel, daar gen in jeugdige harten zal opwekken; zij is eene stond iiij voor in, zeker wel eon paar steenen gerustheid voorjuffrouw Snagsby, die weet. dat doodkisten zou vinden, als men maar groef. Hij zij altijd iemand bij zich heeft om te kunnen be- streeltook zijne verbeelding met aan de vela|an-kijven; zij is eene gerustheid voor mijnheer Snags- sellers en vice kanseliers en meesters van de rolle by, die denkt, dat het eene weldaad is haar te hou- te denken, die nu al dood zijn ; enkrijgtzuikeene don. De woning van haar meester is in (.fusta\'s levendige voorstelling van het vrije veld, als hij oogen een tempel, aan pracht en overvloed ge wijd. zljnlt; twe( leerlingen vertelt, hoe hij heeft hooien Zij gelooft, dat lietpronkkamertje boven, datom zeggen, dat er eens eene beek „zoo nelder als kris-zoo te zeggen altijd met de haren in papillotten talquot; midden door Hulborn liep, toon Turnstile wordt gehouden, de mooiste kamer van de wereld nog wezenlijk een draaihek was, waarmede men is. He-tuitzicht, up het Cook\'s Hofje aan den oenen zó gt; in de weiden kwam krijgt daardoor zulk kant (om er niet van te spreken, dat men ook eene levendige voorstelling van het vrije veld. schuins in C ur sitor .S tree t kan zien) en op dat hij er nooit verlangt heen te gaan. de achterplaats van Coavinses, den deurwaarder, De dag heeft gedaan, lt; u hot ga-s wordt aange • aan den anderen kant. houdt zij voor buitenge- stoken, maar doet nog zijne volle werking niet. meen vroolijk. De portretten in olieverf, en want het is nog hiet geheel donker. Snagsby, die dik met, verf ook waarmede dit vertrekje aan zijne winkeldeur naar de wolken staat te ki j-pronkt, van mijnheer Snagsby t n zijne vrouw, ken, ziet eene kraai, die nog laat uit is, over In t. die elkander wederke\'-rig aankijken, zijnin hare loodkleurige strookje lucht, dat aan Cook\'s ITot\'je oog\' n kunstwerken van Raphael ot\'Titiaaii. (ius- behoort, westwaarts vliegen. Dekraat vliegt recht ta heeft dus wel •■•enige vergoeding voor hare over Chancory- Lane en Lincoln\'s Inn menigvuldige ontberingen. Garden naar Lincoln\'s Inn-Fields.

snagsby laat alles, wat niet tot de geheimen Hier in een groot, voorheen zeer deftig huis, van zijn vak behoort, aan zijne vrouw over. Zij woont mijnheer Tulkinghorn. Het wordt tegen-beheert hei geld, bromt tegen de belast inggaar- woordiginafgt•schotene:iparlementen verhuurd; ders. bepaalt op zondag tijd en plaats van gods en in die ingekrompene overblijfselen van vroe-dienstoefening, geeft verlof voor Snagsby\'s uit- gere grootheid huizen thans de rechtsgeleerden spanningen, en erkent geene verantwoording gelijk de wormpj\' s in de noten. Maar de ruime seiiuldig te zijn voor hetg\'-en haar belieft des trappen, gangen en voorzalen zijn nog gebleven, middatrs te eten te geven; zoodat. zij daardoor en zelfs de geschilderde zolderingen, waaraan de een benijdenswaardig voorbeeld van vergelijking Allegorie,met Romeinschen helm en blauwachtig wordt voor hare buurvrouwen tot in H ol bo r n linnen, tusschen balustraden en pilaren, bloe-toe, die bij huiselijke scheimutselingen gewoon men, wolken en kindertjes met dikke beentjes, zijn har. editgenooten te wijzen op her verschil hangt te spartelen, en iemand hoofdpijn doet krij-tussdien hare (der Itiiurvroüwen) positie .11 di- gen gelijk altijd meer of minder het doel dér van juffrouw Snagsby, en hun (der echtgenoo- Allegorie schijnt te zijn. Hier, tusschen vele doo-tein gedi ig en dat. van mijnheer snagsbv. Het zen met doéHiichtige namen gemerkt, woont gci uclr dat dtijd, .ils .-ene vleermiiis. in het mijnheer Tulkinghorn, wanneer hij niet sprake-• \'ook - Hofje rondvliegt, en ieders vensters in- loos zoo goed als thuis isopeen van die landvoren uit/,wieit, zegt, dat juffrouw Snagsby ja- blijven, waarde grooten deraardezichdoodelljk loerseh . 11 nieuwsgierig is, en dat mijnheer vervelen Hier zit luj vandaag stil aan zijne tafel. Snagsby het somtijds niet in huis kan uithou- Eene Oester van de oude school, die niemand kan den, en d u, hij, als hij maar zooveel meed had opensteken.

als eene mui.-, he! niet verdragen zou. Het wordt Evenals hij zelf op het gezicht, zoo is ook zyne

nok opgen\'. rki du zelfs de vrouwen, die hem kamer in de schemering van dezén avond. Vaal,

bij har- \'•igenzinnigoeeht.g.TiOOten als een sc.hit oudervvetsch, geeneaan\'dae.ht trekkende, en toch

terend voorbeeld aanhalen, inderdaad laag op welgesteld,Zware,ouderwetseho mahoniehouten

hem tie. 1/,ion ; i\'ti dat niemand vooral dit met stoelen met tireede ruggen en paardenharen zit-

uri noti i\' minai ht inu\' dn-1 dan zekere lame, wier tingen, ni\' t gemakkelijk te verzotten, tafels met

•gt;\' r .ai me. s|cr me. r dan verdacht wordt van dunne p )0ten er onder en stoffige wollen kleed.mi

-ocr page 73-

UFA BEZOEKER BIJ MIJNHEER SNAOSBV. 67

er over, present-portretten van eigenaren van de onderaardschc gewesten afdalen om thee te

! groote namen van het vorige geslacht of van nog gaan drinken, toen hij even buiten de deur

1 een geslacht vroeger, omgeven hem. Een zwaar keek en de kraai zag, die nog zoo laat uit was.

Turksch tapijt bedekt den vloer waar hij zit, en : „Mijnheer thuis?quot;

daarbij passen twee ouderwetsche zilveren kan- Gusta past op den winkel, want de leerlin-

: delaren mot kaarsen, die in degroote kamereen gen zijn, met mijnheer en jutfrouw Snagsbv,

zeer ongenoegzaam licht verspreiden. De titels op ; in de keuken aanquot; do thee; bijgevolg brengen

I de ruggen zijner boeken zijn in de bandengekro- de twee dochters van den kleermaker, die voor

pen; alles, dat een slot kan hebben, heeft i reen; twee spiegeltjes voor de twee oövenvenstors

| geen sleutel is er zichtbaar. Zeer weinige losse van het huis aan den overkant hare krullen

i papieren liggen er in. Hij heefteen geschrift voor kammen, geenszins de twee leerlingen tot ra-

1 zich, maar niet zijne oogen er in. Met het ronde zernij, gelijk zij zich dwaselijk verbeelden, maar

: dekseltje vaneen inktkoker en twee brokjes ze- wekken slechts do onvoordeelige bewondering

gellak. is hij stil en langzaam bezig zeker vraag- van Gusta op, wier haar nooit heeft willen

; stuk nitte werken,dat h.ein voordon geest zweeft, groeien, en naar men denkt ook nooit zal

| Nu is het dekseltje in het midden, dan het roode groeien.

brokje lak, dan weder hot zwarte. Zoo gaat het ,Mijnheer thiiis?quot; zegt Tuikinghorn.

niet. Mijnheer Tulkinghorn moc^t alles weder op- Mijnheer is thuis en Gusta zal hem roepen. ! nemen en opnieuw beginnen. Gusta verdwijnt, blijde van uit den winkel te Hier onder dien geschilderden zolder, waarde komen, waarvoor zij eene mengeling van vroes Allegorie den indringer dreigend aanstaart, alsof en eerbied koestert, ais oen magazijn van ge-zij op hem wilde neerploffen en hem doodslaan, duchte werktuigen voor de grootc pijnbank der I heeft Tuikinghorn te gelijk zjjn huls enzijnkan- rechten; eene plaats, waar men niét meer ko-I toer. Hij houdt geene andere bedienden dan een men moet als het gaslicht is uitgedraaid, man van middelbare jaren, doorgaans wat slecht Hnagsby verschijnt: vettig, war in, theeachtig in de kleeren, die in de voorzaal achter een hoog en kauwende. Hij slikt een brok brood met boter beschot zit, en zelden met bezigheden overkropt door, en zegt: „Heore, mijnheer ! mijnheer Tul-Is. Mijnheer Tuikinghorn Is niet in de gewone kinghorn!quot; ,Ik moet u even spreken, tSnags-praktljk. Hij houdt geene klerken. Hy is een groot by.:\' - „Gaarne mijnheer! Mijn hemel, mijn-reservoir van toevertrouwde geheimen, datnlet heer, waarom hebt gij uw knechtje maarniet om zooultgepomptniau\'worden Zijne cliënten willen mij gezonden? Ga In de achterkamer, als het met hem te doen hebben; hij is alles in alles. De u belieft, mijnheer.quot; Snagsbv Is in een oogenstukken, die hij noodig heeft, worden door ge- blik opgehelderd.

wone praktizljns inden Temple volgens geheim» De bekrompene kamer, waar eene vettige per-zinnige instruction opgemaakt; de afschriften, die komenthicht heerscht, is magazijn en kantoor te by er van moet hebben, worden dooreen kantoor- gelijk. Tuikinghorn zet zich op een kantoorstoel j winkelier bezorgd, want op de kosten komt hot voor den lessenaar, naar Snagsby gekeerd, niet aan. De man achter het beschot weet bijna „Jarndyco on Jarndyce, Snagsby.quot; , Ja wel, niet moor van do zaken dér adellijke cliënten dan mijnheer,\' Snagsbydraaithetgaslichtopen kucht oen dor straatvegers in Ho lbo rn. achter zijne hand, in boscheidone verwachting Het roede stukje lak, het zwarte stukje lak, van een voordeeltje. Snagsby, als een bedeesd het dekseltje van den Inktkoker, het andore dek- man, is gewoon met eene verscheidenheid van seltjo, do zandkoker. Zoo! Gij in hot midden, g(j uitdrnkkingon te kuchen, en aldus woorden te rechts, gij links. Het vraagstuk moot nu of nooit sparen. „Gij hebt laatst oenige verklaringen in beslist worden. Nu! Tuikinghorn staat op, die zaak voor mij laton kopiooren.quot; — „Ja wol, schuift zijn bril te recht, zet zijn hoed op,stookt mijnheer.\' „Br was er een onder,quot; zogi, Tul hot goschrlft in zyn zak, gaat uit,en zegtdonman kinghorn, achteloos stijf gesjot,me, onopen-ai\'hter het beschot, dat hij straks terug zal zijn. bare oester van do oude school inden verkoer-Zoer zelden zegt hij hom iets naders. don rokzak tastende, „waarvan de hand iets bij-Mijnbeer Tuikinghorn gaat, evenals de kraai zenders heeft, en mij vrij wol bevalt. Daar ik toegevlogen Is ^ niet, zoo recht, maar toch bijna vallig voorbijkwam en dat stuk bij mij meende te — naar het Cook\'s Hofje in Ou rs i tor-Stro e t hebben, kwam ik eens binnen om ute vragen -naar Snagsby, kantoorwinkelier, bezorgt het maar Ik heb het niet. Nu, dat komt er niet op aan, stellen en kopieeron van alle stukken en alle oonander\'niaal is even goed, . o, daar is hel. toch! andere werkzaamheden In rechtszaken, enz, om u te vragen wie dat gekopieerd heeft.quot;

Het is tusschon y(jf en zes uur In den na „ Wieditgekopleerdhooft,mijnheer?\'zoi\'tSnags-

middag, eti In Cook\'s Hofje zweeft een balsem by, hot stuk aannomonde en i\'ilat op don lessemiar

geur van warme thee. Die geur zweeft ook om loggende, waarna hij. mol oen handgreep aan

\'ie deur van Snagsbv. Men houdt hier vroege \' kantoorwinkellors eigen, de bladen zoodanig otn-

uren ; hot middagmaal om half twee, hot avond- wringt, dat zij zich allen van elkander scheideii

maal om half tien. Snagsby wilde juist naar „Wij hebben dit buiten de deur gegeven, mijn-

-ocr page 74-

HET VERLATEN HUIS.

68

heer. Wij moesten toen tamelijk veel werk uitgeven. ik kan u in een oogenblik/.eggen wie dit gekopieerd heeft, mijnheer, als ik mijn boek maar nazie.quot;

Snagsby neemt zijn boek uit de kast, slikt nog eens aan het brok brood met boter, dat ergens schijnt te blijven steken, kijkt schuins naar het stuk, en laat zijn rechtervoorvingereenblad van zijn boek langs gaan. , Jewby - Packer - Jarn-dyce.quot;

, Jarndyce 1 Daar zijn wij er, mijnheer,quot; zegt Snagsby. „O ja zeker, ik had het mij wel kunnen herinneren. Dit is uitgegeven, mijnheer, aan een schrijver, die hier vlak aan den overkant in de steeg woont.\'

Tulkinghorn heeft den post gezien, eer Snagsby hem vond, en reeds gelezen terwijl de voorvinger van de hoogte naar beneden kwam.

,11 o.- noemt gij hem? .Wmo?\' zegt Tulkinghorn. „Nemo, mijnheer. Hier staat het. Twee en veertig folio\'s. Uitgegeven woensdagavond achtuur, gele vrd donderdagmorgen half tien.quot; „Néino!quot; herhaalt Tulkinghorn. ,Nemo is niemand in hot Latijn.quot; - „Het moet in het Engelsch toch iets van iemand zijn. mijnheer, denk ik,quot; zegt Snagsby met. en onderdanig kuchje. „Het is iemands naam. 1 lier staat het, ziet ge. mijnhei r! Twee en veertig folio\'s. Uitgegeven woensdagavond acht uur, geleverd donderdagmorgen half tien.quot;

Ken hoekje van Snagby\'s oog-wordt bewust van juffrouw Snagby\'s hoofd, dat om de deur kijkt om te zien wal hetbeduidt, dat, hy zijne thee laat staan, Snagsby richt oen verklarend kuchje tot zijne vrouw, als wilde hij zeggen: „Een klant, liefste 1n

,,Halftien, mijnheer,quot; herImalt Snagsby, ,t )nze bladschrijvers, di- van stukwerk leven, zijn een wonderlijke troep; en dit zal misschien wel zijn naam met zijn, maar het is toch de naam, onder welken hij doorgaal. Ik herinner mij nu, mijnheer, dat hij dien zoo opgeeft in eene geschrevetu.\'advertentie, die hij aan sommige hoven aanplakt. O ij kent dat soort van briefjes wel, mijnluer schrijfwerk gevraagd?*

Mijnhe. r Tulkinghorn ziet doorliet venstertje naar het achterhuis van Coavinses.den deurwaarder, waar het licht door de vensters schijnt. Coa-vinses\' koffiekamer is daar, en de schaduwen van v» rseheiden heeren, die in ongelegenheid en voor-loopige heehtenis verki-eren, vertoonen zich op de gordijnen. Snausby neemt de gelegenheid waar om even zijn hoofdom te draaien.ovet- zijn schouder naar zi jn vrouwtje tlt; kijken, en met 5?ijn mond bewegingen te maken tot het vormen dér veront-schuldigeiide woorden .Tul-king-horn-rijk-ve( 1-in-vloed,quot;

„Fb-bt gij dien man al ne • r w ik gegeven ?quot; vraagt, mijnheer Tulkinghorn. „OHeereja, mijtilKer\' Weik vanui\' .Aan meer gewichtige zaken denkende, is het mij ontgaan waar gij gezegd hebt dat hij woont.quot; - „Aan den overkant in de steeg, mynheer. Om de waarheid te zeggen, hij woont in een,quot; Snagsby slikt nog eens, alsof die brok brood met boter onovei komelijk was, „in een winkel, waar men flesschen en vodden opkoopt.quot; „Kunt gij mij het huis wijzen, als ik heenga?quot; „Met het grootste genoegen, mijnheer,quot;

Snagsby trekt zijne morsmouwen en zijne grijze jas uit, zijn zwarten rok aan en neemt zijn hoed van den kapstok. „O, daar is mijn vrouwtje,quot; zegt liij overluid „Uieve, wilt ge zoo goed zijn om een van de jongens te zeggen zoolang op den winkel te passen, terwijl ik met mijnheer Tulkinghorn even de steeg inga? Juffrouw Snagsby, mijnheer — ik zal geen twee minuten uitblijven, lieve 1quot;

Juffrouw Snagsby buigt voorden rechtsgeleerden heer, gaat achter de toonbank, kijkt hen door het venster na,gaat zachtjes naar de achterkamer, lee-st de posten in het nog openliggende boek na is blijkbaar nieuwsgierig.

„Gij zult het een gemeen huis vinden, mijn heer,quot; zegt Snagsby, onderdanig op de groote steenen gaandeen het smalle voetpad aan zijn begunstiger overlatende, „en de man zelf is tameiyk grof en ruw. Maar zij zijn over het geheel een ruwe troep, mijnheer. De deugd van dezen man is. dat hij nooit slaap noodigheeft. 11 ij schrijft maar altijd door, als dat noodigis. zoolang als men maar wil.quot;

Het is nu geheel donker en degasvlammen doen hare volle werking. Geduwd en gestooten door klerken, die met brieven naar de post loopen, door advocaten en procureurs, die naar huis gaan om te eten. door klagers en beklaagden, door pleiters van allerlei soort, en tegen eene algemeene volksmenigte, in welker weg de rechtsgeleerdewijslu ld van eeuwen e-n mil hoen belemmeringen heeft geplaatst om de meest gewone aangelegenheid des levens te behandelen - door het beschrevene en on beschrevene recht heen wadende, en door die • ven geheimzinnige vuiligheid, destraatmodder, die bestaat tut niemand weet wat, en zich om ons heen verzamelt niemand weet van waar of hoe; men weet maar in het algemeen dat men, als er te veel van is, hot noodig vindt ze weg te scheppen komende rechtsgeleerde en het winkeliertje aan den oudroestwinkel, verzamelplaats van vodden en flesschen en allerlei mingeachte koopwaren, in de schaduw van den muur van Lincoln\'s Inn gelegen, en gehouden, gelijk allen, die het aangaat, door geverfde letters wordt bericht, door zekeren Krook.

„Iller woont, hij, mijnheel.* zegt Snagsby. — „Zoo, woont hij hier?quot; zegt de rechtsgeleerde onverschillig. „Wel bedankt.quot; „Gaat gij er niet binnen, mijnheer?quot;-- „Neen. ik ga nu naar de P\'i e ld s. Goeden avond. Wel bedankt!quot; Snagsby licht even zijn hoed open keert terug naar zijn vrouwtje en zijne thee.

Maar Tulkinghorn ga:it niet naar de F ields. Hij stapt een eind voort, keert terug, komt weder


-ocr page 75-

DE HÜISVESTINO VAN EEN 13LADSCHRIJVER. 69

aan den winkel van Krook, en gaat er dadelijk binnen. Het is er donker genoeg met een paar onge-snotene kaarsen voor de vensters, terwijl achterin een oud man en eene kat bij het vuur zitten. De oude man stoat op en gaat naar voren, met nog eene ongesnotene kaars in de hand.

„Zeg eens, is uw bovenbewoner thuis?quot; , Hij of zij, mijnheer?quot; zegt Krook. — „Hij, De bladschrijver.quot;

Krook heeft don spreker scherp aangekeken. Hij kent hem van aanzien, en heeft eene oiKluidelijke herinnering van zijne aristocratische reputatie.

„Woudtsjij hem spreken, mijnheer?quot; - „Ja.quot; „Dat is iets wat ik zelf zelden doe,quot; zegt Krook grinnikend. „Zal.ik hem beneden roepon ? Maar het is heel twijfelachtig of hij kornen zal, mijn-lieer.quot; , Dan zal ik bij hem boven gaan,quot; zegt Tulkinghorn. — „Tweede verdieping, mijnheer. Neem de kaars mee. Holla, daar boven!quot; Krook blijft, mot zijne kat naast hem, mijnheer Tulkinghorn onder aan de trap staan nakijken.,, Hi - Hi!quot; zegt hij, als mijnheer Tulkinghorn bijna verdwenen is. De rechtsgeleerde kijkt over de leuning naar benedon. De kat trekt een kwaadaardigen bek en blaast naar hem. .Bedaard. Lady Jane. Houd uw fatsoen voor vreemde hoeren, mylady. (iij weet wel wat zij van mijn bovenbewoner zeggen?quot; fluistert Krook, oen paar treilen opstappende. „ Wat zegt men dan van hom ?quot; „Dat hij zich aan den Bonze heeft verkocht; maar gij en ik weten wel beter die koopt niet. .Maar ik zal u toch wat zeggen; mijn huurder is zoo zwaarmoedig en somber, dat ik geloof, dat hij wel zulk een koop zou willen maken. Breng hem niet uitzijn humeur, mijnheer; dat raad ik u.quot;

Mijnheer Tulkinghorn knikt en gaat verder naar boven. Hij komt aan de zwarte deur op de tweede verdieping. Hij klopt, krijgt geen antwoord, doet de deur open, en toevallig gaat, terwijl hy dat doet, zijne kaars uit.

De lucht in de kamer zou haast benauwd genoeg zijn om ze uit te dooven. als zij niet al uit was. Het is een bekrompen Vertrekje, bijnazwart van rook en vuil. In een roestigen haard, in het midden in-geknepen als had de armoede hem eene neep gegeven, liggen eenige rood gloeiend^ kolen. In den hoek bij den schoorsteen staan eene vurenhouten tafel en een oude lessenaar; eene woestijn roet een regen van inkt besproeid. In een anderen hoek ligt een versleten valies op een van de twee stoelen, on dient tot kabinet of kleerkast; gei ai grooter is noodig. want het is ingezonken gelijk de wangen van een uitgehongerd man. De vloer is bloot, behalve dat eene oude touwmat, tot draden versleten, voor den haard ligt te vergaan. Geen venstergordijn verbergt de duisternis van den nacht, maar de luiken zijn gesloten, en door de twee ronde gaten daarin zou de honger wel kunnen binnenstaren de booze geest, die den man op het bed sedert lang heeft vervolgd.

Want op een laag bed tegenover het vuur, een

warhoop van vuil katoen, gestreepte tijk en grof zeildoek, ziet de rechtsgeleerde, die aarzelend in de deur blijft staan, een man liggen. Hij ligt daar gekleed met hemd en onderbroek, en met bloote voeten. Hij heeft eene gole kleur in het spookachtige schemerlicht der kaars, die zoolang is afge-loopen. tot de geheele pit (nog brandende) is omgeslagen en eene torenhooge doodceel heeft laten staan. Zijne verwarde haren vermengen zich met ; zijn evenzeer verwaarloosden baard. Zoo vullen dompig als de kamer en de lucht daarin zijn, is het niet gemakkelijk uit te maken welke dampen de zinnen het onaangenaamst aandoen; maar met de algemeene walgelijke dufheid m den reuk van muilen tabaksrook, krijgt de rechtsgeleerde den bitteren. Hauwen smaak van opium in den mond.

„Hallo, mijn vriend!quot; roept hij, en stompt met zijn ijzeren kandelaar tegen de deur.

Hij meent, dat hij zijn vriend heeft doen ont- | waken. Hij ligt een weinig van hem afgekeerd, maar zijne oogen zijn toch zeker open.

„Hallo, mijn vriend Iquot; roept hij notr eens. „Hallo! Hallo!quot;

Terwijl hij op de tafel beukt, gaat de kaars, die zoolang gekwijnd hoeft, uit, en laat hem in donker, terwijl de holle oogen der luiken naar hot bed staren.

XI.

ONZE WAARDE BUORDER.

Iets wat mijnheer Tulklnghorn\'s gerimpelde hand aanraakt, terwijl hij besluiteloos in de donkere kamer staat, doet hem schrikken en zeggen : „Wat is dat?quot; „Ik ben het,quot; zegt de oude man van den huize , wiens adem hij tegen zijn oor voelt, „Kunt gji hem niet wakker krijgen?quot; „Noen.quot; ■ - „Wat hebt gy met uwe kaars ge daan?quot; ../ij is uitgegaan. Hier is zij.quot;

Krook neemt ze. gaat naar hot vuur, buktover de roode kooltjes en beproeft, licht aan te krijgen, 1 let smeulend wegstervende vuur In ■eftgeen licht meer over, en zijne pogiimvu zijn vruchteloos. N\'a nog eens even vruchteloos zijn huurder te hebben geroepen, mompelt do oude man, dat hij naar beneden zal gaan en oeue brandende kaars uit den winkel halen, en vertrekt . Zekere nieuwe reden, die hij hoeft, doet Tulkinghorn niet in de kamer, maar buiten op de trap, naar zijne terugkomst wachten.

Weldra schijnt het gewonsclite licht op den muur, terwijl Krook langzaam naar bovenkomt, met zijne groenoogige kat dicht op zijne hielen. „Slaapt die man gewoonlijk zoo?quot;vi aagt drreehts-geleerde zacht, „Hl! Dat weet ik niet,quot; antwoordt, Krook, zijn hoofd schuddende en zijne wenkbrauwen optrek kende „Ik weet zoo goed als niets van zijne manieren, behalve dat hij zich heel gesloten houdt.quot;


-ocr page 76-

HET VEl!LATEN HUIS

70

Zoo fluistcivnde, gaanzij tezamen binnen.Terwijl het licht binnenkomt, schijnen do groote oogen in de luiken zich te sluiten. Metzoodc oogen op het bed.

„God bewaar onsl\' roeptTulkinghornuit. „Uil is dood Iquot;

Krook laat do zware hand, die hij heeft opgetild, zoo plotseling los, dat de arm over den kant van het bed zwiert.

/ij zien elkander een oogenblik aan.

„Laat een dokter halen! Roep jüÖ\'rouw Flite van boven, mijnheer. Hier staat vergift bij het bed! Hoop tOCh om juffrouw Flite, wilt ge?quot;\'zegt Krook,zijne magere handen als vampyr-vlougelon boven het lijk uitgespreid houdende.

Tulkinghorn haa^t zich naar het portaal en roept: „Juffrouw Flite! O, Juffrouw Flite! Kom 11 ns gauw hier, waar gij ookzljt! Juffrouw Flite!quot; Krook volgt hem mctzijnooogen,rnterwijl mijnheer Tulkinghorn roept, vindt hijgelegonheid om naar het oude valies te sluipen en weer terug te komen.

„Loop Fliti. loop ! De eerste de beste dokter! Loop!\' Dit zegt Krook tot tin halfkrankzinnig vrouwtje,, dat, insgelijks hij hem in huis woont. Zij verschijnt en verdwijnt in denzelfden adem, en komt spoedig terug, vergezeld door een knorrig, geneeskundig persoon, die van zijne tafel is gehaald met oene breede, besnuif-de bovenlip, en een broeden Sohotschen tongval.

„Wel nou kom an.quot; gt di-ze gonefskundi-ge, na een kort onderzoek wodi.-r opkijkende, „die man is zoo dood als eone pier.quot;

Mijnh( \' r Tulkinghorn (die nu bij het oude valies staat) vraagt of hij al eenigen tijd dood geweest is.

„Ëenigen fljd. mijnheer?quot; zegt de geneeskundige heer. ,Denkeiyk zal hij silwel drieutendood zijn gewe-\'-st.\' „N\'agennog zoolang, zou ik ook zeggerij\'\' merkt een bruinacfitig jonkman aan, die aan den anderen kant van het bed staat. „Is mijnheer ook van de faculteit, mijn-h\' i r?\' vraagt dlt;\' eerste.

De bruinachtig»; jonkman zegt ja.

„Dan zal ik maar I.....ngaan,quot; herneemt de ander. ,u uit ik kan toch no ts uitrichten.quot; Me t dit gezegde maakt hij een eind aan zijn kort bezoek en gaat hoon om zijn maaltijd te hervatten.

Do bruinachtige, jonge chirurgijn laat dlt;- kaars over In t gezicht hoon en weder gaan. en bezichtigt zorgvuldig den bladscbrijvei. die zijne aanspraak op zijn naam heeft gestaafd door inderdaad ren Nii mand te wordi-n,

..ik ki-nde dien man wel van aanzien,quot; zi gt hij. „ Hij heeft sed(it anderhalf Jaar nu in dan opium bij mij gekocht. Was iemand van de aanwezigen aan hem verwant?quot; Daarfdj zag liij de dri(\'om-standersaan. .Ik waazynhuiaheer/\'zegt Krook

bjnnirnig, en neemt (h kaars van den chirurgijn over; „en eens heelt hij mij gezegd, dat. ik de naa t. I.etrekk nu\' was. die hij had.quot; „Hij is

aan oene overmatige dosis opium gestor ven, quot;zegt de chirurgijn, „daar is geen twijfel aan. De kamer | ruikt er sterk naar. Er is hier nog genoeg,quot; een \\ ouden trekpot van Krook aannemende, „om een 1 dozijn menschon om het leven tèhelpen.quot; „Denkt gij. dat hij het mot. opzet heeft gedaan?\' vraagt Krook. „Die overmatige dosis ingenomen ?quot; „Ja!quot; Krook smakt bijna met zijne lippen, zulk een gruwel ijken smaak heeft hij in iets ! akeligs. — „ Dat kan ik niet zeggen, ik zou hot niet i waarschijnlijk achten, daar hij gewoon was zooveel te gebruiken. Maar niemand kan het weten. 11ij was arm, zou ik zeggen?quot; , \\\\ el tedenken. ; Zijne kamer ziet er niet tijk uit,\'zegt Krook. die wel met zijne kat van oogen had kunnen rui- I len, terwijl hij zijn scherpen blik laat rondgaan. | ..Maar ik bon er nooit in gow(?est sedert Inj ze had, en hij was te achterhoudend om mij van zijne omstandigheden te spreken.quot; „Was hij u nog huur schuldig ?quot; - „Zes weken.quot; „Diezal hij dan wel nooit betalen!quot; zegt de jonkman, zijn onderzoek hervattende. „Er is geen twijfel aan of ; hij is dood ; en naar zijn uitzicht en toestand te oordeelen zou ik zeggen, dat het eone gelukkige ! verlossing was. Maar hij moet toch in zijne jeugd een goed voorkomen hebben gehad, en oen knap man zijn geweest.quot; 11 ij zegt dit niet zonder gevoel, terwijl hij op den kant van het lied zit, met zijn ; gezicht naar dat andere gezicht gekoerd, en zijne hand op do hartstreek. ,.lk herinner nilj wel eens gedacht te hebben, dat hij in zijne manieren iets had, hoe ruw die nu ook waren, dat van betere dagonsprak. Il\'ij schoen Van hoogerstandje zijn vervallen. Was dat ook zoo ?quot; vervolgde hij, rondziende.

Krook antwoordt: „Gij zoudt mij evengoed kunnen vragen om u de dames te beschrijven, ; wier haren ik beneden in zakken bob. fkweet niet rneor van hem dan dat hij anderhalf jaar bij mij in | huis hoeft gewoond, en van schrijfwerk heeft ge- «\' leofd of niet geleefd.quot;

Onder dit gesprek is Tulkinghorn op een afstand bi j het oude valies bhjv* n staan, met do han- ; den op den rug, en naar het schijnt even vreemd aan alle drie do soorten van belangstelling, die by het bed worden aan den dag gelegd — aan de : eigenaardige belangstelling des chirurgijns in een doode, opmerkelijk als geheel onderscheiden van zijne aanmerkingen over den overledene als mensch ; aan de --makel hke nieuwsgierigheid dos ouden mans. en de- angst ige ontzetting van hot half krankzinnige vrouwtje. Zijn strak gezicht, he eft even weinig van zijne gedachten uitgedrukt als zijne vale kleeren. N\'iemand had zelfs kunnen zeggen, dat hij indien tijd aan iets gedacht had. Ihj heeft geduld noch ongeduld, aandacht noch verst rooidheid laten blijken. 1 lij hoeft niets laten zien dan zijne schil. Even licht zou no u de stemming van een fijn muziekinstrument uit zijne kas kunnen opmaken,aIs de st einming van mi jnheer Tulkinghorn uit zijne kas.


-ocr page 77-

NEMO OF MMKOI). 71

Nu komt hij nader, on spreekt den Jongen chirurgijn aan, op den gewonen, kouden toon van zijn vak.

„Ik ben hier ingekomen, even voor u,quot; zegt hij, „met voornemen om dezen overledene, dien ik nooit levend heb gezien, eenig werk te geven in zijn beroep als bladschrijver. Ik had van hem gehoord, door mijn leverancier van kantoorbehoeften Snagsby, in het Cook\'s Hofje. Daar niemand hier iets van hem weet, zal het misschien goed zijn Snagsby te laten roepen. Ja lquot; tot het halfgekke vrouwtje, dat hem dikwijls in het Hof heeft gezien, en met verschrikte gebaren aanbiedt om naar iSnagsby te gnun., Als gij dat eens deedt!quot;

Terwijl zij weg is, staakt deehirnrgijn zijn nutteloos onderzoek en bedi kt het voorwerp daarvan met de katoenen deken. Krook en hij wisselen nog eenige woorden. Tnikingliorn zegt niets meer, maar blijft weder bij het oudé valies staan.

Bnagsby komt haastig aanloopen, met zijne grijze- jas en zijne zwarte morsmouwen. .quot;Wel, wel,quot; zegt hij, ,is het daartoe gekomen! Heore , bewaar ons!quot; - „Kunt gij den man van het huis ook eenige inlichting ten aanzien van den overledene geven, Snagsby?quot; vraagt Tulkinghoni. „Hij was met zijne huur ten achteren, naar het schijnt. En hij moet begraven worden, weet gij.quot;

„Wel, mijnheer,quot; zegt Snagsby, mot zijn vlt; r-ontscluildiaend kuchje achter zijne hand, „ik weet waarlijk niii welken raad ik n zou kunnen aanbieden, behalve om den beadle te laten roepen.quot; „ik spreek niet van raad,quot; antwoordt Tulkinghoni. „Ik zou wel raad kunnen geven „Niemand beter, mijnheer, dat is zeker,quot; zegt Snagsby met zijn onderdanig kuchje. „Ik spreek van inlichtingen, om te kunnen ontdokken welke betrekkingen hij had, of waar hij vandaan kwam, of iets van dien aard.quot; „Ik verzeker u, mijnheer,quot; zegt Snagsby, na een kuchje van algernoeno deemoedigheid te hebben vooruit-gezonden, „dat ik evenmin weet waar hij vandaan kwam, als ik weet - quot; „Waar hij naar toe is. misschien,quot; zegt de chirurgijn, om hom er uit te helpen.

Keiie poos van stilte Tulkinghoni ziet snagsby aan. Krook staat met open mond te wachten of er weder iemand spreken zal.

, Wat zijne betrekkingen aangaat, mijnheer.quot; zegt Snagsby., als iemand togen m ijzelde: „Snagsby, daar is twintigduizend pond, die in do Bank van K ngt 1 a n d voor u klaar ligt, als gij er maar een van noemt,quot; dan zou ik hot nog niet. kunnen doen. Nagenoeg anderhalfjaar geleden zooveel ik weet, toen hij pas hier was komen wonen • —- ...la toen bij ishiergekomon.quot; zeirt Krook knikkende. „Nagenoeg anderhall\' jaar geleden,quot; hervat Snagsby, daardoor gerugsteund, „kwam hij op een ochtend na het ontbijt bij ons aan huis, en vond mijn vrouwtje (ik meen Juffrouw Snagsby. als ik dat zog) in den winkel, on haalde eene proef van zijn schrift voor den dag, en gaf haar te verstaan, dat hij schrijfwerk verlangde, en dat hij — om er niet te veel van te zeggenquot; - eene geliefkoosde verontschuldiging van Snagsby, als hij vreest onbescheiden te zijn, welke hi j alti jd mot zekere bedeesde rondborstigheid uitspreekt - „er slecht aan toe was. Mijn vrouwtje heeft niet veel igt;]gt; met vreemdelingen, vooral wanneer zij — om er niet te veel van te zeggen - iets noodig hebben. Maar zij werd eenigs-zins getroffen doorliet oen of ander aan dionman; hetzij omdat hij ongeschoren was, of omdat zi jn haar niet heel net zat, of om eene andore damesachtige roden, waarover ik u laat oordeelon, en zij nam hot proefschrift, aan en insgelijks hot adres. Mijn vrouwtje hoeft geen goed gehoor voornamen.quot; vervolgt Snagsby,naeon bedenkelijk kuchje van overleg aehtor zijne hand, „en zij hield N\'emo voor \'t zelfde als N imrod.En daardoor kwam zij tot de gewoonte om onder den maaltijd togen mij te zeggen: „Snagsby, hebt gij al wat werk voor N im-rod gevonden ?quot; of: „Snagsby, waarom hebt gij die acht en dertig kanselarij-folio\'s in Jarndyce niet aan Nimrod gegevenof iets dergelijks. En dat is de manier, waarop hij langzamerhand hot moeste stukwerk van ons kroeg; en dat is hetmeesto wat ik van hem wei t. behalve dat hij een vlug schrijver was en niet op nachtwerk zag; en dat, als gij hom op woensdagavond, zegge vijf en veertig folio\'s traaft, hij zo donderdagochtend al kwam brengen. Hetwelk alles -quot; ,Snagsby besluit door beloofd mot zijn hoed naar het bed te wuiven, als wilde hij er bijvoegen: „ik niet twijfel of mijn geachte vriend zou het bevestigen, als hij maar in staat was om dat te doen.quot; „Zou hot niet bost wezen na te zien,quot; zegt Tulkinghorn tot Krook, „of hij ook papieren had, die u inlicliting kunnen geven ? Er zal eene lijkschouwing plaats hebben, en dan zal u die vraag gedaan worden. Oij kunt lezen?quot; „Nei n. dat kan ik niet,quot; zegt do oude man (n grinnikt daarbij. - „Snagsby,quot; zoirt Tulkinghorn. „zie gij dan de kamer eens voor hom na. Hij zal anders in moeite of ongelegenheid ko men. Daar ik toch hier ben. zal ik zoolang wachten. als gij u wat haast: en dan kan ik voor hem gotuigon, als dat ooit, noodig mocht, zijn, dat alles naar bohooren is toegegaan. A Is gij voormijnhoor Snagsby de kaars wilt houden, mijn vriend, zal hij spoedig zien of\'er iels is, dat u helpen kan.quot; „Voon \' rst is ha r een oud valies, mijnheer.quot; zegt Snagsby.

.la zeker, oen oud valies\'. Tulkinghorn schijnt het niet vroeger gezien te bobben, schoon hij er zoo dicht bij stond en er weinig anders o-

l)e voddenkoopman houdt, het licht, en dt- kan toórwinkelier doet het onderzoek. I\'e chirurgijn staat tegen een hoek van den schoorsteen man tel te leunen; Julfrouw i\'lito blijft oven binnen do deur staan kijken en boven. Dgt; bekwame oude li erling \\ an d lt; oude s( hooi. met /.ij no dofzwarte broek met strikji-s aan de knieën, zijn lang zwart


-ocr page 78-

HET VERLATEN II CIS.

! v\':st\' zÜn zwarten rok met lange mouwen, en geringe, natuurlijke teleurstelling, dat dit niet is

zijne smalle witte das met den strik, dien de adel geschied. Te midden van die beweging komt de

zoo welkent,staatopdezelfdeplaatsenindezelfde be ad 1 e.

houding. Dezen, hoewel hij in de buurt doorgaans voor

M\'/t oude valies bevat eenige kleeren geheel een belachelijk personage met een belachelijken

zonder waarde; een pakje lommerdbriefjes, die postwordtgehouden.ontbreekthetvoorhetoogen-

tol bek biljetten op den weg naar de armoede; een blik niet aan zeker aanzien, al ware het alleen als

gefrommeld papier, dat naar opium ruikt en waar- een man, die het lijk zal gaan zien. De politieman

op aanteekeningen zijn gekrabbeld, — als: ge- houdt hem voor een dom ding, een overschot uit

bruikt, op dien dag, zooveel grein; gebruikt, op den barbaarschen tijd van de nachtwachts:maar

dien dag, zooveel grein meer — eenlgen tijd ge- laat hem toch binnen, als iets, dat men verdragen

leden begonnen, als ware het met voornemen om moet tothei gouvernement het afschaft. De bewe-

gcregeld voort te gaan, maar weldra gestaakt; ging wordt nog grooter, terwijl de tyding van mond

i eenige stukken van vuile couranten, albm betrek- tot mond voortloopt, datdeb e a dl e gekomen en

klt; lijk lijkschouwingen; — iinclorsniets.Zijzoekcn binncng^giüin is

in de kast en in de lade der met inktbespatte tafel. Weldra komtde b e a d 1 e weder buiten, en ver-

Kr is ^ * li brokje van een ouden brief of eenig levendigt nogmaals de beweging, die inden lus-

ander glt; schrift in e« n van beide. De jongechirnr- schentijd eenigszins verflauwd is. Het blijkt, dat

gijn doorzoekt de klei ren, die he t lijk aanheeft. hij naar getuigen zoekt, voor de schouwing van

Een mes en eenige halve stuivers zijn al wat hij quot;s anderen daags, die den c o r o n e r en de Jury

vin Ir. .-magsby s iand is toch de beste raad, en iets, wat het dan ook zij, aangaande den overle-

de b e a d 1 e moet geroepen worden. ■ dene kunnen zeggen. Dadelijk wordt hij naar on-

Het halfgekke vrouwtje gaat om den b ea d 1 e, tel bare menschen verwezen,die niets hoegenaamd

en de anderen gaan de kamer uit. „Laat de kat niet kunnen zeggen. Hij wordt nog botter van begrip

hier, ■ zegt de chirurgijn, „dat zou niet deugen.quot;1 door gedurig onderricht te worden, dat de zoon

Kreok jaagt haar dus voor zich uit, en zij loopt van juffrouw Green „ook een bladschrijver is ge-

sluipende de trap at met haar buigzamen staart woest en hem beter gekend heeft dan iemand an-

zwaaiende en haar bek allikkende. ders.quot; welke\'zoon van juffrouw Greo^n by na-

..\'Joeden nachCquot; zegt Tulkinghorn. en gaat vraag blijkt, tegenwoordig aan boord van een naar

naar huls om onder de A-llegorie te zitten peinzen. C h i n a bestemd schip t.e zijn. dat voordrie maan-

Het nieuw,-, heeft zieh nu reeds in het Hofje ver- den is uitgezeild, maar dat men vermeent nog wel

spreid. G roepen van de be won eis verzamelen zich, door do telegraaf bereikbaar te zijn, op oen aan-

quot;in er over te rcdonceren; en voorposten van zoek bij de lords der Admiraliteit. De b e a d 1 e

hef observafieleger (voornamelijk jongens zijn gaat verscheidene winkels en voorkamers in en

Vquot;H..rintges.-li(,ven tot aan het venster vanKrook, j ondervraagt de bewoners,altijdeerstdedeurslui-

1 houden, l.en politiedienaar is tende, en door geheimhouding, traagheid en al-

reeds bovi n naar de kam er gegaan, en weder be- gemeene domheid het publiek verbitterende. Men

neden gekomen naar de deur, waar hy nu staat ziet den politiedienaar tegen den bierjongen

gelijk een toren, zich -leehts nu en dan verwaar- lachen. Het publiek verliest zijne belangstelling

digi-rtd\'\' om de jongens aanzijn grondslag te zien; en ondergaat eene reactie. Het verwijf den

maai v\\ annei r hij hen ziet, schrikken zij en dein- b e a d 1 e, om hem te sarren, met schelle, jeugdige

zen zij at. Jutli ouw l\'erkins, die in eenige weken stemmen, dat hij een jongen zou gekookt hebben,

nie- met juffrouw Piper h eft gesproken, tonge- en zingt brokken van een liedje daarover, hetwelk

vol ge e. lier woorden vvi ssel i iig. daardoor veroor- zegt. dat de jongen tot soep voor het werkhuis

zaakt.dal d-kleine Perkins den kloinenPipere\'-no werd gekookt. De politiedienaar acht heteindelijk

bui\' had gegooid, vernieuwt bij deze gunstige ge- noodig de wet de handhaven, en een der zangers

\' .n,1\' |,i hil:ir vriendschapp\' lijken omgang. De te grijpen; die echter, als de anderen de vlucht

ie rjongen van den hoek, die eon bevoorrecht ie men, weder wordt losgelaten, op voorwaarde,

meuwsgoTige is. daar hij door zijn post eem groote dat hij zal maken dat hij wegkomt aan wolk\'

van wereldkennis bezit, en nu en dan met beding hij onmiddellijk voldoet. Zoo sterft de op-

\' \'\'\' \'\'\'\'\'quot;I1 wisselt vol trouwe- gowondenheid vooreerst uit, en de onbewogene

\' d ; mededeel ing\' i. mei den politiedienaar, en politiedienaar -voor wien een beetje opium meer

quot;\'quot;ff f.\'11;\'\'1,\'quot; ul .h\'-t voorkomen van eon on- of minder niemendal is) met zijn blinkenden hoed,

(\'•ndlMP-n k n aa (gt;,ni i -f» i k baar voor* •onstabels- stijvV- stropdas, oni)uigzame las, l)reelt;len gordel,

n en onopsluitlmar in wachthuizen. Men- armband en verdere benoodigdheden vervolgt

schen oraten met elkander uit de vensters dwars met zware sclnvden zijn kniei-weg, terwijl hij de

quot;v\' . \'f1 *quot; quot;quot; kondschappers komen bloots palmen zijner witte handschoenen tegeii elkan-

\' iquot;\' j f d s n 111 ha ncery - I, i n eaa,nloopen,oni te der slaat, en nu en dan óp den hoek oener straat

;v\' \'\' n wat • r te doen is Het algemeen g( voelen blijft staan, om oven rond te kijken naar het een

1 \'\' zijn. dat het ■ i n geluk is. dat Krook of ander fussehen een verdwaald kind en een

niet eerst vankantisgeholpen,gemengdrneteene moord.

-ocr page 79-

HET ON DEK ZOEK VAX DEN [JJKSCHOÜWER,

Onder het dekkleed van den nacht komt de flauwhaitigeb e a d 1 e C h a n cery-Lauedoorzwerven met zijne oproepingen, waarin al de namen der gezworenen verkeerd gespeld zijn, en niets goeds gespeld is dan des li e a d 1 e\'s eigen naam, dien niemand kan lezen of verlangt te weten. De oproepingen overhandigd en de getuigen gewaarschuwd hebbende, gaat de b e a d 1 e naar het huis van Krook, om eene kleine afspraak te houden, welke hij met zekere bedeelden heeft gemaakt, die weldra komen en naar boven gebracht worden, waar zij de grooteoegen in de luiken iets aanmerkt. Dec oren e r zal zitting houden in de groote kamer van de Zon, waar tweemaal in de week do Muzikale Vereenigingen plaats hebben, en alsdan de presidentszetel wordt bezet door toonkunstenaars van erkenden naam, tegenover kleinen 8wills, den comischen zanger, die (volgens het biljet voor het venster) hoopt, dat zijne vrienden ware talenten zullen ondersteunen. De Zon doi■( dien gohcelenochtend goodi zaken. Zelfs de kinderen hebben, bij de algemeene opgewondenheid, zooveel hartsterking noodig. dat een koekjesmau, die zich bij deze gelegenheid op den


nieuws laten om naar te staren, in die laatst\'- woning. die Iemand en Niemand op aarde noodig heeft.

Dien geheelen nacht staat dr doodkist gereed bij het oude valie s, en dr eenzame gedaante op het bed, wiens levensbaan door vijf en veertig jaren breit gentrekt, ligt daar, zonder meer spoor i\'- hebben achtergelaten dan men v;in een te vondeling gelegd kind kan vinden.

Den volgenden dag is het Hofje zeer levendig het gillij kt naar eene kennis, gdijk jufl\'ouw l\'erkins. itiecr dan verzoend mei juffrouw Piper, in oen vriendelijk gespn-k met deze brave vrouw

buck van het Hofje heeft gevestigd, z.egl li-vreezen, dat hij gekrulde balh-ljes |.-kort zal komen, In dien I ijd vertoont de b e a d 1 e, die tussc.hen het huis van Krook en do Zon heen en weder dwaalt, de zeldzaamheid, die hij in zijne bewaring heeft, I aan eenige beseheidone nienw-uderigen. en neemt tot dank daarvoor een glas bier of zoo iets aan, i )p het bepaalde uur komt de c o r o n e i-, naar wien de gezworenen reeds wachten, en die met een snhiit van kegelballen in de kegelbaan van de Zon wordt, ontvangen. De c o r o n e r bezoekt moer herbergen dan eenig ander levend wezen, lgt;e reuk van zaagsel, bier, tabaksrook en sterke


-ocr page 80-

HKT VKHI.ATKN HUIS.

71

dranken staat in zijn beroep in onafscheidbaar verband met den dood in zijne allerakeligste gedaanten. 11 ij wordt door den Ij eail 1 e enden kastelein naar de muziokzaal gebracht, waar hij zijn hoed op de piano legt, en plaats neemt aan het hoofd van eene lange talVl, gevormd uit verscheidene kleine tafeltjes aan elkander gezet, en versierd met kleverige ringen, eindeloos door elkander geslingerd, door kommen en glazen veroorzaakt. Zoovelen van do Jury als eraan kunnen, scharen zich om de tafel. l;e anderen plaatsen zich tusschen de spuwbakjes en de pijpen, of leunen tegen de piano. Boven des coroners hoofd hangt een Ijzeren kransje, het- hanüvatsel eener schel, hetwelk aan de Majesteit van het Hof «■•enigszins den schijn geeft alsof hij gehangen moet worden.

De Jury wordt opgelezen en heeedigd. Onder die plecht igheld wordt c r zekere opschudding veroorzaakt door het binnenkomen van een manneke met een bol glt; zicht, breode boordjes, waterige oogen en een Ontstoken neus, dat zich bescheiden bij de deur plaatst als een van het groote publiek, maar toch bijzonde r met de kamer bekend schijnt te zijn. Er gaat een gefluister rond, dat dit kleine Swjlls is. Men houdt hi t voor niet onwaarschijnlijk, dat hij het op «ene imitatie van den coroner heeft toegelegd, en dlt; ze des avonds tot het voornaamste- vermaak der Muzikale Vereeniging zal maken.

„Wel, mijne heen n,quot; begint do c o r o n e r. ,Stilte daarl\' roept de beadle, niet tot den coroner, -choon liet er wel naar gelijkt. ., \\\\ el, rnijiK hei ren,quot; hervat de c o r o n e r, gij zijt beeedigd om onderzoek te doen oaarden dood van zekei man. Er zullen getuigenissen voor u worden afgt.\'legd ten aanzien van lt;lc omstandigheden, die zijn sterven hebben ve rgezeld, en gij zult uitspraak doen naar dat kegelen — dat moet ophouden b e a d 1 e — naar die getuigenis, en niet naar iets anders. Het eerste, dat er moet plaatshebben, is het lijk te gaan bezichtigen.quot; .Maakt plaats daar!quot; roept de beadle.

Men stapt uit in ec ne ongeregelde processie, • enigszins op d\' manier van eene in de war ge- j raakte begrafenis, en houdt inspectie op de bo-venachterkamer ten huize van Krook, waaruit eenige gezworenen bleek en met overhaasting terugkomen, l\'e b « a d 1 e U vooral bezorgd, dat twee heeren. wier mouwen « n knoopen lang niet nieuw meer /ijn (en digt; hij in de muziekzaal een afzonderlijk tafeltje, dicht l)ii den c, or on «• r heeft verschaft^, alles zien wat er tlt; zien is Want zij zijn de- openbare, j)er re-gc-l betaalde, verslaggevers van zulke gei\'i -urt.eni ssen ;en hij is niet boven eb algemecnc mennchelijke zwakheid verheven, maar hoopt glt; drukt te zullen lezen wat . Mooney, eb - ijverige cn bekwameb e a d I e van het disti ie-tquot; ge/i trd en gedaan be.-ft; en ste-lt er zijne ( er in. dat de naam van Moom-x met evenwel lol\'en goedkeuring vermeld zal worden als die van den

scherprechter, in denjongsten tijd, gedaan wordt, j

Kleine Swills blijft wachten tot de cor on eren | de Jury terugkomen. Mijnheer Tulkinghorn ins- | gelijks. Deze laatste is me-t onderscheiding ont- | vangen en krijgt eene plaats dicht bij den c o r o- j n e r, tusschen dien beambte, een biljart en den | kolenbak. Men gaat voort met de zaak. De leden j van de Jury vernemen, dat het voorwerp van hun j onderzoek dood is, en meer vernemen zij niet. | „Een zeer aanzienlijk rechtsgeleerde is hier te- | genwoordig, mijne heeren,\' zegt de co r o n e r, | „die, naar ik verneem, ook toevallig tegenwoor- j dig was toen het sterfgeval is ontdekt; maar hij zou slechts cle verklaringen kunnen herhalen, die i gij reeds van den chirurgijn, den huisheer, de in- | woonster en den kantoorwinkelier hebt gehoord, | en het is dus onnoodig hem moeite te geven. Is er | iemand hier. die iets meer weid?*

Juffrouw Piper wordt door Juffrouw Perkins \\ vooruitgeduwel. Juffrouw Piper wordt beeedigd.

„Anastasia Piper, mijne heeren. Gehuwden i meerderjarig. Nu, juffrouw Piper, wat hebt gij er van te zeggen?\'

Wel, juffrouw Piper heeft veel te zeggen, voor- | namelijk in tnsschenzinnen en zonder punctuatie, i maar niet, veel, dat iets ter zake doet. Juffrouw Pipe-r woont in liet Hofje jen haar man is kabinet-werker) en het is lang en welbekend onder de buren de rekenen van bijna den dag af nog voor j den nood-doop van Alexander James Piper achttien maanden oud en pas vierdagen om reden, dat men niet dacht dat hij in leven zou blijven, ! zoove el had dat kind toen al uit te staan, heeren. | van de tandjesi dat de beklaagde — aldus vindt ,

juffrouw Piper goed den overledene te noemen..... i

ge/igd we rel zich zei ven ver kexdit te1 hebben. De-nkt elat het uitzicht van den beklaagde reden gaf tot zulk een gerucht. Heeft den beklaagde dikwijls gezien en gedacht, dat hij een wre edaardig voorkomt n had, en niet over straat moest laten gaan om reden de kinderen soms schrikachtig zlin (en als men twijfelt, hoop ik. dat Juffrouw l\'erkins opgeroepen zal worden, want die is hier en zal haar man en zich zelve en hare familie eer aandoen). Heeft den beklaagde wel door de kinderen zien | plagen ••n kwellen (want kinderen zijn altijd kin-deren en gij kunt nie t verwachten, vooral als zb levendig van aard zijn, dat zij Met.hiisalem\'s zullen wezen dat gij ook niet zijt geweest). Daarom en om | zijn donker uitzicht he«-fi zij dikwijls gedroomd dat zij hem «-ene Injl uit zijn zak zag halen en Johnny het hoofd klooven (een kind dat van geen bang wor-den we-i t en hem dikwijls vlak achter zijne hielen beeft nageroepen). Evenwel den be klaagde nooit i ei ne bijl of. enig ander wapen zien opnemen, verrevan «laar. Heeft hem zie-h zien weghaasten als hij werd na geloop* n en nage n i pen, alsofldj niet van kinderen hielden heeft hlt;-m nooit met kinderiMiof volvv isscncnzien spreken (bedialve met den jongen | die de gt;iraat vee gt aan het eind van dc steeg aan den *;verkant öfnden hoek die als hij lmt was, ook


-ocr page 81-

i I \\ Ai\'(iKKKri:i) ei rrii.i;

wel zou zeggen, dat men hem dikwijls met hem heeft zien spreken).

De c o r o n e r vraagt of die jongen daar is. De j beadle antwoordt: „neen, mijnheer,quot; dat hij er niet is. De coroner zegt: „Oa hem dan ha-I leu.quot; In afwezigheid van den ijverigen en bekvva-; men, praat de coroner met Tulkinghorn.

Daar is de jongen, heeren!

Daar is hij, zeer beslijkt, zeer schor en zeer haveloos. Nu. jongen! - Maar wacht eens. Voorzichtigheid. Die jongen moet eerst eenige voorbereiding ondergaan.

Naam, Jo. Niets anders zooveel hij weet. Weet niet, dat iedereen twee namen heeft. Nooit van zoo iets gehoord. Weet niet-, dat.To de verkorting van een langer naam is. Vindt hem voor ii e m lang genoeg. Hij heeft er niets op te zeggen. Hem spellen ? Neen. Hij kan hem niet spellen. Geen vader, geene moeder, geene familie. Nooit op school ge wet st. Wat is een thuis? Weet dat een bezem een bezem en dat liegen slecht is. Herinnert zich niet wie hem dat van den bezem en van hel liegen heeft gezegd, maar weet het toch allebei. Kan niet recht zeggen wat er na zijn dood met hem gedaan zal worden als hij de heeren hier beliegt, maar gelooft dat het iets heel ergs zal zijn, om hem te straffen dat hij ook verdienen zou en zal dus de waarheid zeggen.

, Dat gaat niet aan, heen n!\' zegt de coront- r, zwaarmoe dig zijn hoofd schuddende. .Denkt gij, dat gij zijne getuigenis niet kunt aannemen, mijnheer?quot; vraagt een oplettend gezworene. „Niet aan te denken,quot; antwoordt, de coroner. „Gij hebt den jongen gohoord. „Kan nietrechtzeg-gen;quot; gaat niet aan. Wij kunnen dat niet vooreen gerechtshof brengen, heeren. Het i8 eene schrikkelijke bedorvenheid. Zet dien jongen ter zijde.quot;

De jongen wordtterzijdè gezet, tot grootte stichting der aanwezigen, vooral van kleinen Swills, den eomischen zanger.

„Is er nu nog een ander getuige?\' Geen ander getuige. „Zeker wel, heeren. Hier is een man, onbekend, bewezen sedert anderhalfjaar de gewoonte; gehad te hebben om opium in groote hoeveelheden te gebruiken, dood gevonden aan te veel opium. Als gij meent eene getuigen is gehoord te hebben, die u tot het besluit moet leiden, dat hij zelfmoord heeft geple* gd, moet gij tot dat besluit komen. Als gij denkt, dat het een geval van toevallig»-n dood is, moet gij dienoverei^nkornstig uitspraak doen.quot; „Dienovereenkomstig uitspraak. Toevallige dood. Zonder twijfel. Heeren, gij zijt ontsliigen. (ioed( ii avond quot;

Ter wijl de coron e r zijne jas dichtknoopt, geven Tulkinghorn en hij in e en hoek e» n byzonllH\' gehoor aan den afg» keurden getuige.

Dat heillooze schepsel we» ■[, al Ken, dat de doode ^ dien hij aan zijn geheel gezicht eii zijne zwart »■ In-ren heeft herkend) somt yds op straat werd uitgejouwd en nageloopen. Dat op ein kouden ■vin-t\'-ravond, teen hij. lt;le jongen, op een deurdrempel, bij zijn kruispad, zat te bibberen, die man naar hem omkeek, en terugkwam, en hem ondervraagd en gehoord hebbende dat hij geen vriend op de wereld had, zeide: „Ik ook niet. Geen een!quot; ; en hem toen geld gaf voor avondeten en een nachtverblijf. Dat de man hem sedert dikwijls had aan- • gesproken, en hem gevraagd had of hij \'s nachts good sliep, en hoe hij koude en honger verdroeg, • en of hij ooit wenschte te sterven, en dergelijke : vreemd» vragen had gedaan. Dat de man, als hij | geen geld had, in het voorbijgaan placht te zeggen; „Ik ben even arm als gij vandaag, Jo,quot; maar dat hij, als hij wat had, altijil tgi lijk .io van harte gelooft) blijde was hem iets te kunnen geven.

„Hij was heel goed voor mij,quot; zegt de jongen, met zijn ellendig stuk mouw zijne obgen afvegende. ..Toen ik hem zoo rechtuit zag liggen, wenschte ik, dat hij mij dat kon hoeren zeggen, Hij was heel goed voor mij, dat was hij.quot;

Terwijl hij naar beneden sloft, stopt Hnagsby. die voor hem op de wacht heeft gestaan, hem eene halve kroon in de hand. „Als gij mij ooit met mijn vrouwtje ik meen m» t eenejufl\'rouw ziet voorbijkomen,quot; zegt Snagsby. met zijn vinger aan zijn neus „spreek er dan maar niet van.quot;

Kenigen tijd blijven de gezworenen in de nabij held van de Zon met elkander praten. Vervolgens wordt een zestal verzwolgen in eene wolk van ta baksrook.dié in de gelagkamer van dat huis hangt: twee wandelen tezamen naar Ham pstead, en vier maken afspraakom desavonds voor halfgeld naar de komedie t».\' gaan en met oesters te besluiten. Kleine Swills wordt door ver.seheid» ne getrakteerd. Gevraagd zijnde wat hij van de zaak-den kt. noemt hij die een lariboel. De kastelein uit de Zon, ziende dat kleine Swills zooveel aandacht trekt, prijst hem ten hoogste, en merkt aan, dat hij vooreen comisch liedje in het kostuum zijne weerga ni» t heeft, en dat zijnekarakterkostunu s eene karrevracht zouden uitmaken.

Zoo wordt het langzamerhand duisterin de Zon, maar dan vlamt eensklaps het gaslicht op. Het uur voor de Muzikale Vereeiijging komt, en de vermaarde toonkunstenaar zet zich op den presidents/.»-! el; tegenover hem zet zich kleine Swills, en hunne vriehden vereenigen zich om hem heen om ware talenten te ondei.^teunen. Op lu\'t li» st van den avond zegt klein»\'Swills: „ Heeren, met uw V\' i lof zal ik eene kleine voorstelling pogen te geven van een tooneeltje uit het werkelijke leven, dat vandaag bier is opgevoerd,quot; Mij wonlt toeg» juicht en a.mg» moedigd, gaat alsiSwillsdekam» r uit, komt als coroner terug izond»■)\' de minst» gelijk i-n is »\'ven vvi\'11 en ge» it e»\'ii »■ voorst el ling van d» v( rhandeling, met afwisselend»- tusschenpoo-zon van pianomuziek als a»Tempagnenient bh h»\'i n-frein van; l zijn (namelijk d» s core-n e r s) tippy tol li d o 11, t i p p y t ol 1 i d o 11. t i p p y t o I i i doll, D i!quot;

Eindelek zwijgt d(j klingelend»-piano en slui


-ocr page 82-

11KT VEHLATEN 111 IS

meren de vrienden van muziek en gezelligheid op hunne peluwen. Dan komt er rust in den omtrek der eenzame gedaante, thans in hare laatste aardsche woning gelegd, en wordt zij in de stille uren van den nacht door de holle oogen in de luiken bewaakt. Als die ongelukkige man, In een profetisch gezicht, zoo liggende had kunnen gezien worden door de moeder, aan wier borst hij zich als een wichtje drukte, met de oogen naar haar liefde vol gelaat opgeslagen,terwijl het zachte handje nog nauwelijks den hals kon vatten, waarnaar het opkroop, welk oene onmogelijkheid zou dat visioen hebben geschenen! O. als in schoonere dagen het thans uitgedoofde vuur in zijn binnenste ooit gloeide voor eéne vrouw, die hem aan haar hart sloot, waar is zij dan nu, terwijl zijn lijk zoo boven aarde staat!

Met is alles behalve lt; -en nacht van rust in de woning van Srf!lgsby,waar Gusta het slapenonmoge-iijk maakt, door wel twintig toevallen achtereen te krijgen. De oorzaak daarvan is, dat Gusta een l,ceder hart heeft en een levendig iets, dat, zonder Tooting en haar beschermheilige, misschien verbeelding had kunnen worden. Wat het nu wezen mag. het werd bij het theedrinken zoodanig ontsteld door Snagsby\'s verslag van de lijk-schouwinsr, die hij had bijgewoond, dat zij onder het avondmaal zich zelve de keuken biffiiensmeet, voorafgegaan door eene vliegende kaas, en oen toeval van buitengewonen duur kreeg, waaruit zij slechts bijkwam om nog een toeval te krijgen, en toon nog een, en zoo eene geheele reeks van toevallen, met korte tussehenpoozeu, waarvan zij gebruik heeft gemaakt om juffrouw Hnagsby op liet aandoenlljkst te smeek en otn haar toch de huur ne t op te zeggen als ze weer heelemaal bijkomt, en alle aanwezigen te dringen om haar maar op desteenen te leggen en naar bed te gaan. Zoo komt het, dat Hnagsby, als bij eindelijk den 1 haan in het melkhuis In Cursitor-Btreet zijne belangelooss verrukking over het daglicht hoort ontboezemen, eens diep ademhaalt en, hoewel hij de geduldigst• van alle menschen is. zegt: „Ik dacht waarlijk, dat gij dood waart!quot;

Welk vraagstuk die opgewonden haan meent uit. te maken als hij zich zoo inspant, of waarom hij zoo kraait (eveneens kraaien de menschen evenwel bij versiTiillendo publieke gelegenheden van zegepraal) over iets, dat van niet hlt; t minste ! belang v-ior hem kan wezen, is zijne /aak. Hei is genoeg, dat het daglicht aanbreekt, dat het ochtend en vervolgens middag wordt.

Dan komt de ijverige on bekwame, die als zoo-danitr in de ochtendbladen is gezet, mot zijn gezelschap van bédeelden naar de woning van Krook, en brengt het lichaam van „onzen waardon broeder hier verscheidenquot; naar een bekrompen, pest-aardig. walgelijk kerkhof, waaruit boosaardige ziekten wordenmedegi\'deeldaandelichamen van un/,i waarde broeders en zusters, die nog niet ver-soheid\'-n zijn; terwijl onze waarde broeders en zusters, die met offleieele achtertrappen bekend zijn — gave de hemel, dat zij verscheiden waren,— dit zeer gerust en weltevreden aanzien. Naar een beestelijk plekje grond, dat oen Turk als een on-menschelijk verfoeisel zou afkeuren, en waarvoor een Kaffer zou huiveren, brengen zij onzen waarden broeder hier verscheiden, om eene christelijke begrafenis te ontvangen.

Met huizen aan alU kanten, behalve waar een dampend riool van een.steegje toegang geeft naar het ijzeren hek waar alle sehandelijkheden dés levens vlak bij den dood, en al Ie vergiftige élementen van den dood vlak bij het leven in volle werking zijn, - hier laten zij onzen waarden broeder een paar voet in den grond zakken: hier zaaien zij hem in verderfelijkheid om tot verderf te worden opgewekt: een wrekende geest bij menig ziekbed: eene schandelijke getuigenis voor toekomstige eeuwen, hóe beschaving en barbaarschheid in dit hooggeprezen eiland hand aan hand gaan.

Kom nacht, kom duisternis, want gij kunt niet te vroeg komen, of te lang vertoeven, bij zulk eene plaats als deze. Komt, dwalende lichten voor de vensters der afzichtelijke huizen ;en gij, diedaarin goddeloosheid pleegt, doe het ten minste met dit akelige tooneel van ubuitengesloten! Kom, gasvlam, die zoo somber brandt boven het ijzeren hek, waarop de vergiftige lucht een slijmerigen aanslag vormt! Het is goed, dat gij eiken voorbijganger toeroept: „Zie hier!quot;

Met den nacht komt eene gebukte gedaante door het rioolsteegje naar het ijzeren hek, vat de traliën met beide handen aan, kijkt daar tusschen door naar binnen en blijft zoo eene poos staan.

De jongen want het is een jongen — veegt daarna met een ouden bezem, dien hij heeft medegebracht, zachtjes den drempel en den ingang sejioon. Idt doet hij zeer vlug en knap, kijkt nog een poosje naar binnen, en gaat dan heen.

Jo, zyt gij dat? Wel, wol! Schoon een afgekeurde getuige, die „niet reeht kan Z\'-vrif» nquot; wat er met hem gedaan zal worden in ntachtigorhanden dan dieder menschen, zyt gjj toch niet geheel in de buitenste duisternis, Kr is iets, dat naar een lichtstraal uit de verte gelijkt in uwe gemompelde reden voor dit bedrijf;

„Hij was heel goed voor mij, dat was hij!quot;

XII. :

OP DK WA\' UT,

Het heeft eindelijk opgehouden met regenen in L i n co I n sh i r o, en Kastanje-Hol heeft moed gevat. Juffrouw Rouneewell is vol gastvrije zorgen, want sir Leicester on mylady komen van I\'a rijs naar huis. Het, dagblad der modewereld heeft dit ontdekt, en deelt de blijde tijding aan het trouronde En ge 1 an d mede. Het heeft ook ontdekt, dat zij op het oude en gastvrije familie-


-ocr page 83-

SIK LEICESTER EN LADY DEDLOCK.

goed in Lincolnshire een schitterenden en gedistingeerden kring van gasten, uit de é 1 i teder beaumonde, zullen ontvangen — het dagblad der modewereld is zwak in het Engelsch, maar van reusachtige sterkte in het Fransch.

Om dien schitterenden en gedistingeerden kring, en Kastanje-Hof insgelijks, te meer eer aan te doen, is de ingevallen boog van do brug in het park hersteld : en het water, thans in zijne behoorlijke grenzen teruggevloeid, en wederom sierlijk overspannen, maakt in het gezicht uit het huis eene behaaglijke vertooning. De heldere, koude zonneschijn flikkert in de broze bosschen, en ziet met goedkeuring den wind de bladeren verstrooien en het mos drogen. Hij glijdt over het park de beweeglijke schaduwen der wolken na, en jaagt ze den ge heel en dag. zonder ze ooit te vangen. Hij kijkt de vensters binnen, en toetst de voorouderlijke portretten op met lichtstrepen en lichtplekken, waaraan de schilders nooit hadden gedacht. Over het portret van my lady, voor den grooten schoorsteen, werpt hij een breeden balk van licht, die krom naar beneden loopt, en het portret in tweeën schijnt te scheurenï

Door denzelfden kouden zonneschijn enden-zelfden scherpen wind, komen mylady cn sir Leicester, in hunne reiskoets (mylady\'s kamenier lt; n Sir Leicester\'s kamerdienaar vriendschappelijk op de achterbank) naar huis. Met veel gerommel en zweepgeklap, on Véél gesteiger van twee ongezadelde paarden en twee centauren met blinkende hoeden, groote laarzen en wuivende manen en staart, ratelen zij het voorplein van het hotel Bristol op de P j a ce V e n d o m e af, gt; n galoppee-ren tusschen de kolonnade van de liuede l!i-voli en den tuin van het noodlottige paleis van een hoofdeloozen koning en koningin, over het Eendrach tsplein; door de ELyseesche Velden en den Sterreboog, Parijs uit.

Om de waarheid te zeggen, zij kunnen niet te hard wegrennen; want zelfs hier heefnnylady Dedlock zich doodelijk verveeld. (Joncert, assemblee, opera, theater, wandelplaats, niets is nieuw voor mylady, onder den versleten hemel. Pas verleden zondag, toen arme ellendelingen vroolijk waren — binnen de muren, met kinderen spelende tusschen de gesnoeide boomen endestandbeelden van den Paleistuin; wandelende, twintig op eene rij, in de Elyseesche Velden, nog meer Elysoeseh gemaakt door gedresseerde honden en houten paarden; tusschenbeide (maar weinigen) naar de sombere kathedraal van Onze Lieve Vrouw dwalende, om een paar woordji s te fluisteren aan den voet van een pilaar, in het flikkerende schijnsel van een roestig ijzeren rooster vol afloopende kaarsjes —buiten de muren, geheel Pa rij s omgevende met dansen, galanterie, wijn drinken, tabak rooken, graven bezoeken, biljart-, kaart- en dominospelen, kwakzalvers aanhooren, en allerlei moorddadig ontuig, bezield en onbezield pas verleden zondag was mylady, door verveling tot wanhoop gedreven, bijna wangunstig op hare eigene kamenier, omdat deze in een goed humeur was.

Zij kan dus niet te snel Parijs uitrijden. Afgematheid van ziel ligt voor haar, zoowel als achter haar — haar Arii-l heeft een gordel daarvan om de geheele aarde geslagen, die niet ontsloten kan worden, maar het onvolmaakte geneesmiddel is altijd, de laatste plaatste ontvluchten waar men de kwaal ondervonden heeft. Werp dus Pa rijs achter u weg, en verruil het met eindelopze lanen en dwarslanen van winterachtige boomen! En wanneer gij het nog eens ziet, laat het dan op eenige uren afstands wezen, met den Sterreboog als t en wit stipje, dat in de zon glinstert, en de stad als een heuveltje in eene: vlakte, waaruit twee donkere torens oprijzen, en waarop lichten en schaduwen schuins nederdalen, gelijk de engelen in Jakob\'s droom.

Sir Leicester is doorgaans in eene genoeglijke stemming en verveelt zich zelden. Als hij niets anders te doen heeft, kan hy zijne eigene grootheid beschouwen. Het is een aanmerkelijk voorrecht als iemand zulk een onuitputtelijk onder werp heeft. Na het lezen van zijne brieven laathii zich in een hoek van het rijtuig zakken en houdt eene algemeene bespiegeling over zijn gewicht voor de maatschappij.

„(.Hi hebt van morgen eene buitengewoon drukke correspondentie?quot; zegt mylady na een langen tijd. Zij is moe van het lezen. Zij heeft in twintig mijlen bijna eene bladzijde gelezen. ,Maar toch niets van beduiden. Niets hoegenaamd.quot; Jk hel) een van mijnheer Tulking-horn\'s lange brieven gezien, naar ik meen ?\' „Gij ziet toch alles,quot; zegt Sir Leicester met be wondering. • „He!* zucht mylady. „Hij is een allervervelendst mensch.quot; — „Hij zendt ik moet u waarlijk verschooning verzoeken liii zendt.\' zegt sir Leicester, den brief uitzoekende en openvouwende, „eene boodschap voor u. Dat wij juist ophielden om van paanb-n te wisselen, toen ik aan zijn naschrift kwam, heeft het mij uit hot hoofd doen gaan. Ik verzoek u, mij dat niet kwalijk te nemen. Hij zegt. „Sir Leicester heeft zoo lang werk om zijn leesglas uit te halen en in orde te brengen, dat mylady eenigszins wrevelig kijkt. Hij zegt: „In de zaak van het recht op lietoverpad\' neem nujnit t kwalijk,dat is de plaats niet. I lij zegt Ja, hiei1 heb ik lu i. Hij zegt; ,Ik verzoek mijne eerbiedige compliment en aan mylady, die, hoop ik, veel baat heeft gevonden bij do verandering van lucht. Wilt gi mij de gunst bewijzen om haar L-zeggen ials iets, dat haar misschien zal interesseeren), dat ik haar. bij hare terugkomst, iets heb te zeggen, ten aanzien van den persoon, die de verklaring in het kanselarij-proces heeft gekopieerd, welke- mylady\'s nieuwsgierigheid zoo bijzonder opwekte, ik heb hem gezien.quot;quot;

Mylady leunt voorover en kijkt uit het portier.


-ocr page 84-

HET VKh\'l.ATlvN Hl lS

J uit is di booilschap,\' merktf Sir Leicester aan. ,Ik zou gaarne wat wandelen.\' zegt my lady, nog uit het portier kijkendo. „Wandelen?\' zegt Sir Leicester, op een toon van verwondering. , Ik zou gaarne wat wandelen,quot; zegt mylady, zoo duidelijk, dat het onmogelijk is haar verkeerd to verstaan. „Wees zoo goed even te laten ophouden.\'\'

De koets houdt op, de vriendschappelijke kamerdienaar klimt af, opent het portier, en laat, eene ongeduldige beweging van mylady\'s hand irohoorzamende. de tp de neer. Mylady stapt zoo snel af. en wandelt zoo snel op, dat Sir Leicester, metal zj) ne nauwgezette beleefdheid, buiten staat is om haar behulpzaam te zijn, en achterblijft. Hot duurt een paar minuten eer hij haar inhaalt. Zi) glimlacht met bi jzonder\' bevalligheid, neemt zijn arm, kuiert een eind weegs voort, verveelt zich erg, en herneemt hare plaats in het rijtuig.

Het ratelen en kletteren duurt liet grootste gedeelte van drie dagen voort, met meer of minder beliengerinkel en zweepgeklap, en meer of minder steigeren van centauren en ongezadelde paarden. Hunne hoffeiyke beleefdheid voor elkander is, in de hotels waar zij vertoeven, een voorwerp van alge meen e oe wondering. I lo- wel my lord wel wat oud is voor mylady, zegt madame, de kasteleines uit den Gouden Aap, en hoewel hij haar toegenegen vader zou kunnen zijn, kan men met een onkelen blik zien, dat. zij veel van elkander houden. Men ziet mylord met zijne witte haren en zijn hoed in de hand blijven staan, om mylady uit en in de koets te helpen. Men ziet hoe mylady de beleefdheid van mylord erkent, eti hem met ei ti ■ buiging van haar b v.iiiig Imofd hare zoo fijn gevormde vingers overlaat! liet is verrukkelijk I i)** zee heeft ge-en eerbied voor den grootsten man, maar silt er mede als met liet kleinste kriel. Gewoonlijk is zij onbarmhartig voor Sir Leicester, wiens gezicht zij met groenachtige plekken bedekt, gelijk sc himmel van kaas, en in wiens aristocratisch gestel zij egt;-ne akelige om wenteling teweegbrengt. Zij is voor hem een ra-dieaal der natuur. Evenwel komt zijne deftigheid dit na eene poos uitrustens tc boven, en rijdt hij met mylady verder naar Kast an je-Hof, op weg naar L i n col n s h i r e, sli ■.■hts een nacht in L o n-den vertoevende.

Door denzolfden kouden zoruieschijn kouder wanneer lt;!■ dag afneemt — en door denzolfden scherpen wind scherper wanneer de sohaduwon en enkele kale boomon zich in de bosschen tot. donkere massa\'s vereenigen, on wanneer de treesten wandeling, aan den Wesleiijken hoek door een vuurgloed in de lucht bescdienen, zich an i den naderenden nacht overgeeft - rijden zij het park in. De kraaien, zich wiegende in hare liooge woonsteden in do olmenlaan. schijnen over het rijtuig, d it daaronder doorrijdt, in wooi\'denwis se 11 tig te komen. Sommigen zijn het eens, dat Sir Leicester en mylady naar huis komen; somtnigon

kibbelen met dwarsdrijvers, die dit niet willen toestemmen; nu schijnen allen de vraag voor afgedaan te houden; dan barsten allen weder uit in eene heftige discussie, opgewekt door een koppi-gen, slaperigen vogel, die voor hot laatst nog wil tegenkrassen, Hen latende wiegen en krassen, rolt de reiskoets naar het huis, waar door sommige vensters een warme vuurgloed schijnt, hoe- ! wel niet door zoovelen, dat zij den donkeren geve] een bewoond aanzien geven. Maar de schitterende en gedistingeerde kring zal dit spoedig doen.

.fuffi\'ouw Rouncewell is op haar post, en ont vangt diep nijgende Sir Leicester\'s gewonen handdruk.

, Hoe vaart ge. Juffrouw Rouncewell ? Het doet mij genoegen u te zien,quot; „Ik hoop de eer te hebben van u in goede gezondheid te verwelkomen, Sir Leicester?quot; ,.ln uitmuntende gezondheid. juffrouw Rouncewell.quot; „Mylady ziet er heerlijk goed uit,quot; zegt juffrouw Rouncewell, nogmaals nijgende.

Mylady geeft, zonder eenig overtollig gebruik van woorden, te kennen, dat zy zoo verveelziek wel is als zij kan hopen te zijn,

M iar Rosa sta it op eenigen afstand achter de huishoudster, en mylady, die hare vlugheid viin opmerking nog niet heeft verdoofd, wat zij ook anders mag overwonnen hebben, vraagt:

„Wie is dat meisje?quot; — „Eene leerling van mij, mylady, Rosa,quot; ,Kom eens hier, Rosa 1quot; Lady Dedlock wenkt haar, zelfs met een schijn van belangstelling. „ Wol, weet gij al hoe bevallig gij zijt. kind?quot; gegt zij, haar schouder met hare twee voorste- vingers aanrakende.

Rosa, zeer onthutst, zegt: „Neen, als hot u belieft, mylady,quot; en kijkt op, en weder naar omlaag. en weet niet waar zij hare oogen zal laten, en wordt slechts des te bevalliger.

„Hoe oud zijt ge?quot; — „Xegentien. mylady.quot; — „Negentien;-quot; herhaalt mylady nadenkend. „Pas maar op, dat zij u niet met vJeierijen bederven.quot;

,.Ja, mylady.quot;

Mylady geeft haar een tikje op de ronde wang, met diezelfde fijne, gehandschoende vingers, cat gaat naar den voet van de eiken trap, waar Sir Leicester, als haar ridderlijke geleider, naar haar sta u t\'- wa.-hten. Een starende oude Dedlock, op paneel, levensgroot en ook even bot als hij levensgroot was, kijkt alsof hij niet wist wat er van te maken — dat waarschijnlijk ook in de dagen van koningin Elizabet h zi jn gewone gemoedstoestand was.

Dien avond, in de huishoudsterskamer, kap Rosa niets anders doen dan don lof van Lady Dedlo k prevelen. Zij is zoo vriendelijk, zoo schoon, zoo elegant, heeft zulk eene zachte stom en zulk eene teere manier van aanraken, dat Rosa het nog voelt! .Tuffrouw Rouncewell bevestigt dit alles, niet zonder persoonli jktul hoogmoed, alleen wat terughoudende op het punt van vriendelijk- !


-ocr page 85-

KOSA

79

heid. Juffrouw Rouncewell is daarvan zoo zeker niet. De hemel verhoede, dat zij ooit een woord zou zeggen om eenig lid van die uitnuintende familie te misprijzen, bovenal tnylady, welkodege heele wereld bewondert, maar als mylacly maar een „weinigje vrijerquot; wilde zijn, nietzoo hoe! koud en stijf, denkt juffrouw Rouncewell, dat het vriendelijker zou staan.

, Het is haast jammer.\' voegt juffrouw Kounce-well er bij „haastquot; z -gt zij, omdathetaangoddeloosheid grenst te onderstellen, dat iets hoegenaamd beter zou kunnen zijn dan het is, in iets, waarin zulk eene bepaalde beschikking der voorzienigheid plaats heeft, als in de aangelegenheden der Dedlock\'s, „dat mylady geene kinderen heeft. A Is zij nu eene dochter had, eene volwassene jonge dame, om haar te interesseeren, denk ik. dat zij ook de eenige soort van voortreffelijkheid zou Ik\'b-ben, die haar nog ontbreekt.quot; „Zou dat haar nog niet meer trots kunnen geven?quot; /.egt Watt, die naar huis geweest en weer teruggekomen is, zulk eon goed kleinzoon is hij. ,Meer en meest, jongenlief,\'\'\' antwoordt de huishoudster met deftigheid, „zijn woorden, die het mij niet voegt te gebruiken - niet eens tehóoren — als zij van iets ten nadeele van mylady worden gebezigd.quot; „Neem mij niet kwalijk, grootmoeder. Maar zij is toch trotsch, is zij niet?quot; „En zoo ja, dan heeft zij rr wel reden toe. De familie I )cdlock In ■(•ft al tijd reden om trotsch te zijn,quot; — „Wel,quot; zegt Watt, „dan is het te hopen, dat zij in hunne gebuden-boeken zeken; plaats uitschrappen, waar over glt;-meene lieden van hoogmoed en eigenwaan wordt gesproken. Neem mij niet kwalijk, grootmoeder. Het is maar scherts!quot; — „Sir Leicester en Lady Dcdloek, jongenlief, zijn geene geschikte onderwerpen om te schertsen.quot; „Sir Leicester zeker niet,quot; zegt Watt. „en ik verzoek hem wel nederig om verschooning- Ik geloof, grootmoeder, dat er, ook met de familie en hare gasten hier, toch niets tegen zal zijn, dat ik nog een paar dagen in liet Wapen van Dedlock blijf, zooals ieder ander reiziger zou kunnen doen?quot; „Wel neen, kind, zeker niet,quot; — Daar ben ik blij om,quot; zegt Watt, „want ik want ik heb een onuitsprekelijk verlangen om mij beter met deze schoone nabuurschap bekend te maken.quot;

Toevallig ziet hij naar Rosa, die hai eoogen neerslaat,en alzecrbedecsd is. Maar volgens liet oude bijgeloof moesten Kosa\'s ooren suizen, en niet hare frissche wangen gloeien, vant mylady\'s kamenier isjuist met groeten ijver uver haar aan liet spreken.

Mylady\'s kamenier is eene francaise van twee en dertig jaren, ergens uit het zuidoli omstreeks Avignon en Marseille afkomstig. Zij heeft eene bruine kleur, grobte oogen en zwarte haren, en zon schoon kunnen zijn, als haar mond niet iets zoo katachtigs, en haar gezicht over het geheel niet iets beenderigs had, waardoor de kaken en het voorhoofd te veel uitkomen. Over het geheel heeft zij iets dors en scherps, en zij heeft eene loerende manier om uit de hoeken hairer oogen te kijken, zonder haar hoofd om te draaien, die men niet aangenaam kan vinden — vooral wanneer zij in een slecht humeur en dichtbij messen is. Met al haar smaak om zich te kleeden en op te schik-den, komt dit onaangename toch zoodanig uit, dat zij veel naar eene keurig nette, half getemde wolvin gelijkt. Behalve dat zij zeer bedreven is in alles wat haar vak betreft, is zij bijna eene en-gelsche wat de kennis der taal aangaat — bijgevolg heeft zij geen gebrek aa n woorden om te zeggen hoe zij er over denkt, dat Rosa mylady\'s aan-dacht heeft getrokken; en stort zij die woorden uit met zulken bitteren spot, terwijl tfij aan haar maaltijd zit, dat haar metgezel, de vriendschappelijke kamerdienaar, het eenigszins eene verademing vindt als zij bij het eten haar lepel moet gebruiken.

„Ha, ha, ha! Zij, Hortense, vijf jaren lang in mylady\'s dienst, geweest, en altijdopegt; nafstand gehouden, en deze pop, dit wassen beeldje, door mylady geliefkoosd - inderdaad geliefkoosd zoodra zij in huis komt. Ha, ha, ha ! ,En weet gij al hoe bevallig gij zijt, kind?quot; „Neen, mylady,quot; Daarin hebt gij gelijk, „En hoe zijt ge, kind? En pas maar op dat zijn nietdoor vleierijen bederven, kind!quot; Het is comisch. Het iseenoklucht!quot;

Kortom, het is iets zoo aardigs dat mademoiselle Hortense het nietkan vergeten, maar dagen lang onder hare landgenooten, die in hare eigene betrekking met den troep logeergasten medeko-men, zich in stilte met diekluchtzitte vermaken

een genot, dat zij op hare eigenaardige gezellige manier uitdrukt, door haar gezicht nog strak-•ker te zetten, hare dunne lippen samen te knijpen, en een loerenden blik ter zijde te werpen; welke pantomime dikwijls, als mylady er niet bij is, door mylady\'s spiegels wordt teruggekaatst

Al de spiegels in het huis komen nu aan het werk, velen na eene lange werkeloosheid. Zij spiegelen schoone gezichtjes, onnoozelo gezichtjes, jeugdige gezicht jes, gezichten van zevent igjaren, die nog niet oud willen zijn; de geheide verzameling van gezichten, die een paar weken van Januari op Kastanje-Hof komen doorbrengen, en die het dagblad der modewereld overal in het oog houdt, van dat zi j aan het I lof van St. James voor het eerst te voorschijn komen, totdat de dood hen doet verdwijnen. Het buiten in Lincolnshire is nu zeer levendig. Over dag boort men gewi■\' r-schoteii en stemmen door de bosschen klinken; ruiters lt; u rijtuigen veiievendigen de wogen en paden door liet park; bedienden en afhangelingen vervullen het dorp en het Wapen van Dedlock, Bij den avond gezit n, door de openingen tusschen het geboomte, gelijkt de rij venstors van degn toto zaal, waar mylady\'s port ret voor den schoorsteen hangt, naar eene rij juweelen, in eone zwarte lijst gezet.Des zondags wordt het kille kerkje bijna verwarmd door zulk eene iianzlenlijke vergadering,


-ocr page 86-

80 HET VERLATEN HITS.

en de heerschende lucht van het stof der Dedlock\'a overweldigd door fijne parfumerieën.

üe schitterende en gedistingeerde kring bevat in zijn omtrekgeenegeringe hoeveelheid van beschaving, verstand, eergevoel, schoonheid en deugd. Maar er is toch iets, datniet deugt; in spijt van al die voorrechten. Wat kan dat zijn?

Zou het dandyïsmus wezen! Er is tegenwoordig geen koning ( ieorge de Vierde (jammer genoeg) om den dandytoon aan te geven ; er zijn nu geene gesteven witte dassen, geene rokken met korte lijven, geene valsche kuiten, geene keurslijven meer. En zijn nu gt-cne caricaturen meer van aldus gekleede, verwijfde exquisites, die in opera-loges uit overmaat van genot flauwvallen, en door andere even verteederde wezens worden opgewekt, die hun langhalzige reuktlesschen onder den neus duwen. Er is geen beau meer, die viermannoo-dig heeft om hem in zijn hartalederen broek te krijgen, of die naar alle exeeut ie-n gaat kijken, of dié door het zelfverwijt wordt gekweld, dat hij eens eene erwt heeft gegeten. Maar is er toch dandyïsmus in dien schitterenden ii) gedistingeer-dinkring, eendandyïsmus van gevaarlijker soort, dat ónder de oppervlakte is geraakt, en minder onschuldige dingen doet dan zich met st ijve dassen de keel too te binden, iets, waarvan geen re-del ijk wezen bijzonder bezwaar behoeft te maken ?

Ja zeker. Het kau niet, verbloemd worden. Er zijn dezo week op Kus la nje-1 lof eenige hceren en dames naar de nieuwste mode, die een dandyïsmus hebben verzonnen - in den godsdienst, bij voorbeeld. Die, uitllauwhartige zucht naareenige gemoedsbeweging, onder elkander een praatje hi bben begonnen, dat het ,gemeenquot; geen geloof meer heeft; meenende in dingen, die op de proef gesteld en valsch bevonden zijn, alsof een gememe kerel op eene onvf\'rklaarbare manier zijn geloof aan een valschen schelling verloor, na d( ontdekking dat hij valsch was. die het gemeen wederom geloovig en interessant zouden willen maken, door de wijzers van de klok des Tijds terug te zetten, en (\'enige honderden jaren van de geschiedenis uit te wisschen.

Er zijn ook heeren en dames van eene andere mode, niet zoo nieuw, maar zeei elegant, die afgesproken hebben om een blinkend vernis over de wereld te leggen en al hare werkelijkheden voor het oog te verbergen. Voor wie al les kwijnend zacht en bevallig moet zyn. Die dom euwigduren-den stilstand hebben uitgevonden. Die zich over niets moeten ve-rheugen of bedroeven. Die door geene denkbeelden in hunne rust gestoord moeien worden, Vnor wie zelfs de schoone kunsten, gepoeierd en achteruitstappende gelijk de lord kamerheer, zich naar de modeplaatjes van viv. -^efe geslachten moeten kleeden, en nauwkeurig moet; n zorg dragen om nooit in ernst te zijn, of .-enigen indruk van eene eeuw van beweging over te nemen.

Daar is hord Boodle, een vrij aanzienlijk man in zijne partij, die geweten heeft wat een ministerie is, en die Sir Leicester Dedlock na den maal- j tijd metfgrooten ernst vertelt, dat hij waarlijk niet | ziet waar het in dezen tijd naar toe moet. Eene I discussie is niet meer wat eene discussie placht te ; zijn ; het huis is niet meer wat het huis placht te zijn; zelfs een kabinet is niet meer wat het vroe- I ger was, Hy ziet met verbazing dat, indien het ■ tegenwoordige ministerie eens mocht vallen,de \\ keus der kroon, om een nieuw ministerie te vor- i men, tusschen I ,ord Uoodle en Sir Thomas Dood! e j zou beperkt zijn -het on mogelijk achtende,dat de ! hertog van i\'oodle met Goodie zou willen samenwerken, hetgeen te denken is wegens de verwij- i dering, ait die zaak met Hoodie ontstaan. Dan het i ministerie van Binnenlandsche Zaken en de lei- j ding van het Huis der Gemeenten aan Joodle ge- | vende, de schatkist aan Koodle, de Koloniën aan i Loodle, en Buitenlandsche Zaken aan Moodle, ! wat zal men dan met Noodle doen ? Men kan hem • het presidentschap van den Raad niet aanbieden ; \' dat blijft voor Poodle bewaard. Men kan hem niet ! in de wouden en bosscheri zetten, dat is nauwe- ! lijks goed genoeg voor Quoodle. AA at volgt daaruit? Dat het land verloren is, schipbreuk lijdt, ; vergaat (gelijk aan Sir Leicester\'s patriotismus volkomen duidelijk wordt gemaakt) omdat men i Needle niet weet te plaatsen I

Aan den anderen kant bespreekt de edelacht- j bare William Buffy (lid van het Parlement) met iemand anders over de tafel heen, dat de schip breuk des lands waaraan geen twijfel is; alleen • over de manier er van kan nog getwist worden aan Cutty is toe te schrijven. Als men metCufl\'y had gedaan wat men had moeten doen, toen hij pas in hel Parlement kwa\'m, en hem had verhinderd zich bij Duffy te\' voegen, zou men hem in verband im t Puffy gebracht hebben, zou men den invloed hebben gehad van zulk een knap redenaar als lt; iuffy, zou men bij verkiezingen op den schatrijken Huffy hebben kunnen rekenen, zou men voor drie graafschappen Jutly, Kuffy en Lulfy er in hebben gekregen, en zou men zijne administratie gesteund hebben door de practische kundigheden en bekwaamheden van Muffy. Zoo zou dat alles zijn geweest, in plaats dat men nu van eene enkele gril van Pufïy afhankelijk is.

Over dit punt, gelijk over eenigeandere minder beduidende onderwerpen, bestaat verschil van gevoelen ; maar het is den geheeienschitterenden en gedistingeerden kring volkomen duidelijk, dat er van niemand spraak kan zijn dan van Boodle en zijn aanhang, en van Buffy en zijn aanhang. Déze zijn do groote acteurs, voor wie hettooneel rneet worden opengehouden. Een volk is er, zonder twijfel — zeker getal (een groot getal) van figuranten, die nu en dan moeten worden aangesproken, en waarop men voor eerekreten en koren moet kunnen rekenen, evenals op het theatrale tooneel;maar Boodle en Buffy, hunne aanhangers en familiën, hunne erfgenamen.


-ocr page 87-

■UI? H.N DANDYISM 118.

81

executeuren, administrateuren on rechtverkrijgenden, zijn do geboren eerste acteurs, directeurs en hoofdpersonen, en geeno andere kunnen ooit en iu allo eeuwigheid ten toonoele verschijnen.

Ook hierin heerscht op Kustanje-Hofmeerdan-dyïsmus, dan de schitterende en gedistingeerde kring misschien op den duur voor zich zal goedvinden. Want het gaat zelfs met de stilste en beschaafdste kringen, evenals mot den kring, dien een toovenaar om zich heentrekt - daarbuiten ziet men dikwijls zeer vreemde verschijningen in levendige beweging; met dit verschil, dat er, daar zij werkelijkheden en geene schimmen zijn, groo-binnen te vallen, alsof hij er nooit was uitgeweest sedert men hem er voor de laatste maal zag, een knecht te verzoeken om !Sir Leicester te onderrichten dat hij gekomen is, in geval men hem mocht noodig hebben, en tien minuten voor het diner in de bibliotheek te verschi jnen. Hij slaapt in zijn torentje, met een krakenden vlaggestok boven zijn hoofd, en heeft buiten een looden plat, waarop men, ais hy daar is, op een fraaien ochtend voor het ontbijt zijne zwarte gedaante kan zien hoen en weer kuieren, gelijk eene groote soort van kraai.

Dagelijks voor het diner zoekt my lady naar hem in een donkeren hoek der bibliotheek, maar hij is


ter gevaar bestaat, dat zij in den kring zullen inbreken.

Hoe dit zij, Kastanje-Hof is nu zeer vol,zoo vol, dat er in de; borst der slecht gelogeerde kameniers een gloeiend en ohuitdoofbaar gevoel van onrecht oprijst. Slechts eéno kamer is ledig. Het is (-ene torenkamer van de derde orde van verdiensten, eenvoudig maar geriefelijk gemeubileerd, en die het voorkomen van een ouderwetsch schrijfvertrek heeft. Dit is mijnheerTulkinghorn\'s kamer, en zij wordt nooit am iemand anders gegeven, want hij kan ieder oogenblik komen. Hij is er nog niet. Het is zijne gewoonte met mooi weder stil van het dorp te komen wandelen, deze kamer

er niet. Dagelijks nan het diner zoek tmylady langs de t afel naar de ledige plaats, die naar hem zou wachten als hij zoo pas gekomen was, maar er is geen ledige plaats. Eiken avond vraagt mylndy toevallig aan hare kamenier:

I „Is mijnheer Tulkinghorn al gekomen?quot;

Eiken avond is het antwoord : „Neen, inylady, nog niet.quot;

O]) een avond, terwijl hare haren worden los gemaakt, verzinkt rnylady na dit antwoord in diepe gedachten, totdat zij haar eigen peinzend gezicht in den spiegel tegenover haar ziet,en daarboven een paar zwarte oogen, die haar nieuwsgierig waarnemen.


Dl. KUN-. //\'/ C\'rhttfU Hm*.

-ocr page 88-

11KT VEIfl.ATEX lll ls.

82

„Wees zoo goed om op uwe dingen to letten,quot; zegt mylady, zich tot het spiegelbeeld van Hpr-teiise richtende. „Gij kunt uwe schoonheid wel op een anderen tijd besciiouwen.quot; ,,Pardon 1 Het was mylady\'s schoonheid.\' , Die,quot; /.egt mylady, „behoeft gij geheel niet ti beschouwen.quot;

Eindelijk, op een namiddag, kort vooi-in t qn-dergaander zon, ais de groepen, die voor de laatste twee uren de Geestenwandelinghebben verlevendigd, zich verstrooid hebben, en sir Leicester en mylady alleen op liet terras zim gebleven, verschijnt mijnheer Tulkinghorn. Hij komt met zijn gewonen afgepasten tred, die nooit v rsneld en nooit vertraagd wordt, naar hen toe. lly draagt zijn gewoon uitdrukkingloos masker— indien liet een masker ir- en familiegeheimen in ieder lid van zijn lichaam en ieder plooitje van zijne kiet-ren. ()f Zijne geheele ziel aan de grooten is gewijd, dan of hij hun niets geeft behalve de diensten, die hij verkoopt, is zijn persoonlijk geheim. Hij bewaart dit, gelijk hij de geheimen zijner cliënten bewaart; hij is in dit opzicht zijn eigen cliënt, en zal zich zeiven nooit ve rraden.

„Hoe vaart ge, mijnheer Tulkinghorn?\'zegt .sir Leicester, hem de hand gevende.

Tulkinghorn is zeer wel. Sir Leicester is zeer wel. Mylady is zeer wel./Vlies ten uiterste voldoende De rechtsgeleerde wandelt, mot de handen op den rug, naast sir Leicester le t terras langs. Mylady gaat aan den anderen kant.

..Wil hadden li al vroeger verwacht,\' zegt Sir

i Leicv.sUT.Eene minzame aanmerking; zooveel als

! te zeggen: „Mijnheer Tulkinghorn, wy zien gedachtig aan uw bestaan als gij niet hier zijt, om ons daaraan door uwe tegenwoordigheid te herin-neren. Wij schenken u een gedt-eltevan«»nzlt;• aandacht. ziet gij. mijnheer 1\'

Tulkinghorn, dit begrijpende, buigt zijn hoofd en zegt, dat hij zeer verplicht is.

, Ik zou al vroeger zijn gekomen,quot; •/«•gt hij, „als ik het niet zoo druk had gehad niet die zaken in dc verschillende process, ntusschen uen Boy thorn.quot; — „Een man van eene zeer onredelijke denkwijze.quot; merkt Sir Leicester met strengheid aan. „Êonbuitengemeen gevaarlijk persoon in elke maatschai -pij. Een man van een zeer gemeen karakter.quot; „ilij is stijfhoofdig,quot; zegt Tulkinghorn. „Lat is natuurlijk voor zulk een man,quot; /egt .sir i ,eicestlt; r. met e, ti gezicht alsof hij de st i jfhoofdigheid zelf was. „Het verwondert mij niet dat te hooren.quot;

„De cenige vraag is.quot; hervat de rechlsgeieor-de, „of gij iets wilt toegeven.quot; „ÏS\'-en. mijnheer,quot; antwoordt Hir Leicesti-r. „Niets. I k toegeven ?quot; „ik nu en niet iets van belang. Natuurlijk wlt;\'et ik wel. dat gij daarvan niet zoudt willen hoo-ren. Ik meenocnofandorondergeschikt,punt.quot; — „Mijnhei rTulkinghorn.quot; antwoordt sir Leicest • r, „er kan geen ondergeschikt punt. wezen tusschen mij en mijnheer Boy thorn. Ais ik nog verderga, en aanmerk, dat ik niet wel kan begrijpen, hoe e en i g recht van mij een ondergeschikt punt k.ui zijn, spreek ik niet zoozeer met het oog op mij zeiven als een individu, als met het oog op de positie der familie, die ik behoor te handhaven!quot;

Tulkinghorn buigt nogmaals het hoofd, „Ik heb nu mijne instructiën,quot; zegt hij, „Mijnheer Boy-thorn zal ons veel moeite geven quot;

„Het ligt in zoo iemands karakter, mijnheer Tulkinghorn,quot; valt Sir Leicester hem in de rede, j „veel moeite te geven. Iemand, die alles ten onderste boven zou willen werpen. Iemand, die voor vijftig jaren waarschijnlijk voordeüld Bailey zen zijn terecht gesteld voor een demagogisch koni-piot, en streng gestraft zooniet,quot; voegt Sir Leicester er na een oogenblik bedenkens bij, „zoo niet gehangen en gevierendeeld.quot;

Sir Leicester schijnt door het uitspreken van dit vonnis zijne statige borst van een last te hebben bevrijd, alsof dit bijna even voldoende was als het vonnis ten uitvoer te laten brengen.

.Maar de avond valt.quot; zegt hij, „en mylady zal kou vatten. Melieve, laten wij naar binnen gaan.quot;

Terwijl zij zich naar de groote deur wenden, , spreekt myiady Dedlock mijnheer Tulkinghorn voor de eerste maal aan.

„Gij hebt mij eene boodschap gezonden betrnlc-kelijk dien persoon, naar wiensSchrift ik toevallig had gevraagd Men moest wel iemand als gij zijri om die omstandigheid te onthouden; ik had ze gei heel vergeten. Uwe boodschap bracht ze mij wei le r te binnen. Ik kan mij niet verbeelden welke herinnering ik had van eene dergelijke hand; maar ik had er toch zeker eene herinnering van.quot; , Een e herinnering?\' herhaalt Tulkinghorn. „Mij dunkt van ja,quot; antwoordt mylady onverschillig, „Eenigszins. En hebt gij u waarlijk de moeite gegeven om den schrijver van dat stuk op te zoekei i. W at was Ik -t ook weer. Eene verklaring?quot; „Ja.quot;

„Holt; zonderling!quot;

Zij gaan een somber ontbijt vertrek binnen, dal over dag door twee vensters in een zwaren muur wordt verlicht. Het is nu schemeravond. Het vuur werpt een helder schijnsel op de beschotene wan- | den, een bleeker en kouder op de vensterruiten, waardoor men nog het koudere landschap ziet, dat in den wind ligt te huiveren, en waarover een grauwe mist voortkruipt, de eenige reizi?» r j behalve de drijvende wolken.

Mylady zet zich op haar gemak in een leuning-stoei bij den haard, en Sir Leicester neemt eenn n-deren leuningstoel aan den overkant. De rechtsgeleerde staat voor het vuur, met z.yne hand op armslengte uitgestoken om zijn gezicht voor den glo« \'d te beschermen.Hij ziet over zijn arm naarmyhul y „Ja,quot; zegt hij, „Ik hel) naar dien man gevraagd en hem ook gevonden. En wat vreemd is, ik vond hem quot; „Geen persoon, die de moeite waard

was om naar te zoeken, vrees ik,quot; zegt mylady

metlustf loozeonverschilligheid.—„Ik vond hem dood.quot; „IJselijk!quot; zegt Sir Leicester, niet z( to-zeer getroff» n door th1 zaak zelve, als wel daardoor dat men er melding van maakt, „Ik werd na-ar


-ocr page 89-

KK.N VKEEMDK VEIJIIoUDLMi.

/Ajnc kanier gewezen — een ellendig, armoedig in mylady\'s geheugen met mogelijkheid tot dit

verblijf — fii daar vond ik hem dood.quot; — „Gij ongelukkig voorwerp teruggebracht kan wor-

zult mij wel ten goede houden, mijnheer Tul- den (of hij moet een bedelbriefschrijver zijn ge-

kinghorn,\' merkt Sir Leicester aan; „maar mij woest), en hij dus vertrouwt geen woord meer

dunkt, hoe minder — • ■ «Och, Sir Leicester, te zullen hooien van iets, dat zoover beneden laat ik de gLit\'le geschiedenis mogen hooren, | mylady\'s rang is.

het is mylady, die spreekt, „Juist eene ,Zeker,eoneopeenstapelingvanijselijklioden,\'

vertelling voor schemeravond. Hoeakeligl Dood?quot; /.egt mylady, haar bonten mantel te zamen ne-

1 ulkiughorn bevestigt dit met nog eene hoofd- mende, „maar zij interesseeren iemand toch voor

buiging. „Of liij door zijne dgone hand \' het oogenblik, Mijnheer Tulkinghorn, wees zoo

„Op iriijue eer!quot; roept Sir Leicester uit. goed om de deur voor mij open te doen.quot; , Waarlijk!quot;1 „Maar laat mij de geschiedenis Tulkinghorn doet dit met eerbiedige gedien-toch hooren 1quot; zegt mylady. — „Wat gij maar stigheid, en houdt ze open terwijl zij heengaat, verlangt, melieve. Maar ik moet zeggen *\' Zij gaat hem dicht voorbij, met hare gewone „Neen, gij moet niet zeggen, (.-fa voort, mijn- kwijnende houding en trotsche gratie. Zij zien eikheer Tulkinghorn.quot; ander wederom aan het diner - des anderen daags sir Leic ster s galanterie geeft hel haar go nogmaals en vele dagen achtereen. Lady Ded-wonnen, hoewel hij nog blijft denken, dat lock is altijd dezelfde afgematte godin, door aan-zulke atzichtelijkheden in hoogere kringen ter bidders omringd, en schrikkelijk onderhevig aan sprake te brengen, inderdaad toch toch do delijke verveling, zelfs terwijl zij wordt aan-, Ik wilde zeggen,quot; hervat de rechtsgeleerde, j gebeden. Tulkinghorn is altijd dezelfde bewaar-«\'■hit of hij door zijne eigene hand den dood der van adellijke geheimen, daar zoo wonderlijk had gevonden of niet, buiten mijn vermogen 1 misplaatst en toch zoo geheel thuis. Zij schijnen was om u te zeggen. Ik moet mijne uitdrukking- zoo weinig op elkander to letten, als t\'woe men-evenw|l verbeteren dpörte zeggen, dat hij ontwij- schen, door dezelfde muren omsloten, zouden telbaar door zijn eigen bedrijf was omgekomon, kunnen doen. Maar of de een gedurig den ander hoewel men nooit met zekerheid kan weten, ! bespiedt en verdenkt, altijd wantrouwig dat er of het met voorbedacht opzet of bij ongeluk iets van groot belang wordt achtergehouden; of was. De coroner\'s Jury heeft uitspraak ge- beide altijd volkomen tegen elkander gewapend daan.^ dat hij het vergift bij toeval had gebruikt.quot; zijn, en zorg dragen om zich nooit onverhoeds re — ,Mn wat voor soort van een man.\' vraagt laten verrassen; en wal ieder wel zou willen ge-mylady, „was dat beklagenswaardig schepsel ?quot; ven om te weten hoeveel de ander weet dit all es

..Zeer moei el ijk te zeggen,quot; antwoordt de is vooralsog in hun eigen hart verborgen, rechtsgeleerde, zijn hoofdschuddende. „Hijhad zoo ellendig geleefd, en was zoo afzichtelijk,

met zijne vuil gele kleur, en zijne wilde zwarte \\jj [

haren en baard, dat ik hem voor iemand uit

hot laagste gemeen zou hebben gehouden. Maar kstheb\'s vkb» \\ai

de chirurgijn was van gedachte, dat hij eens

iets beters was geweest, zoowel van voorkomen Wij hielden vele raadplegingen over de vraag

als van stand.quot; J foe noemden zij dat ramp- wat Hicbard zou moeten worden; eerst zonder

zalige wezen?quot; — „Zij noemden hem gel ijk hy mijnheer Jarndyce, gelijk hij verzocht had, en

zich zeiven had genoemd, maar niemand wist | naderhand met hem; maar\'het duurde lang eer

zijn waren naam.quot; „Zelfs niemand, die hem wij eenigszins schenen te vorderen. Richard zcide,

had opgepast?quot; ..Niemand had hem opgepast, dat hij voor alles klaar was. Toen mijnheer Jarn

lüj word dood gevonden. Eigenlijk was ik het, dyce zeide te twijfelen ofhij niet al te oud was om

die, hem vond.quot; — „Zonder eenige inlichting : zich in,den zeedienst to begeven, zeide Richard

of iets, waaruit iets meer was op temaken?quot; dat hij dit ook al bedacht had en hot misschien

-- „Zonder iets hoegenaamd. Er was,quot; zegt de wel zoo was. Toon mynhter Jarndyce vi\'oeg wat

rechtsgeleerde peinzend, „een oud valies; maar hij van de armee vond, zeide Richard, dat bil daar

neen, en waren geene papieren.quot; i ook al aan had gedacht, en dat het geon slecht

Onder dit korto gesprek hebben Lady Dedlock denkbeeld was. Toen mijnheer Jarndvce hem

en mijnheer Tulkinghorn, zonder eenige veran- raadde om wei te overleggen en beslissen of

\'\'\' i b\'quot; van hun gewoon gedrag, elkander zeer zijne oude voorkeur Voor de zee fiene gewone jon-

vast aangezien — gelijk misschien natuurlijk was gensachtige neiging, of eene krachtige roeping

bij hot spreken over zulk een ongewoon onder- was, antwoordde RichardWel, hij had al dik-

werp. Sir Leicester heeft naar het vuur zitten wijls gepoogd dat te beslissen, maai\'luj kon het

staren, met de uitdrukking van den Dedlock niet uitmaken.quot;

quot;I1 de t rap. Nu hot verhaal ten einde is, her- „Hoeveel van deze besluiteloosheid van karak-

baalt hij zijn statig protest , zeggende, dat het ter,quot; zeide mijnheer Jarndyce tot mij. „te wüton

viiUfomen duidelijk is, dat geene herinnering is aan dien onbcgrijpelijken stapel van onzeker-

83

-ocr page 90-

HET VERLATEN HUIS.

84

heid en uitstel, waarop hij bij zijne geboorte is neergeworpen, vermeet ikrnij niet te zeggen; maar dat de Kanselarij, bij al hare andere zonden, er eenigermate voor verantwoordelijk is, kan ik duidelijk zien. Het heeft hem eene gewoonte doen aannemen, of hem daarin bevestigd, om alles uit te stellen om op deze en gene kans te rekenen, zonder te weten welke kans — en alles onbeslist , onzeker en verward te laten. Het karakter van veel ouder en degelijker mensdien kan wel veranderd worden door de omstandigheden, die hen omgeven. Men zou teveel verwachten als men dacht, dat een knaap, terwijl het zijne zich pas vormt, aan zulk een invloed zou ontkomen.quot;

Ik gevoelde, dat dit waarheid was; hoewel ik. als ik durf zeggen wat ik verder dacht, het ook zeer te beklagen vond, dat Richard\'s opvoeding dien invloed niet had tegengewerkt en eene andere richting aan zijn karakter gegeven.

Hij was acht jaren op eene openbare school geweest, en had daar, naar ik vernam, Latijnsche verzen van verscheidene soorten loeren maken, verwonderlijk fraai .Maar ik hoorde nooit, dat iemand er werk van had gemaakt om te ontdekken wat zijne natuurlijke neiging was, of wat zijne gebreken waren, of om hem eenige wlt; tenschap naar zijne vatbaarheid voor te dragen. Hij moest zich maar in het verzenmaken oefenen, en had die kunst in zulk eene volmaaktheid geleerd, dat ik denk, dat hij, als hij tot zijne meerderjarigheid op ; school gebleven was, niets anders had kunnen doen dan dezelfde verzen weder over en over te maken, of hij had zijne opvoeding moeten uitbreiden door het te verloeren. Evenwel, schoon ik niet twijfel of zij waren heel mooi, en heel stichtelijk, en heel nuttig voor vele oogmerken in het leven, en wel waardig om levenslang onthouden te worden, twijfelde ik toch of het niet voordeelig voor Richard zou zijn geweest, als Iemand hem een weinigje bestudeerd had, in plaats van hem zooveel daarop te laten studeeren.

(k wist wel is waar niets van de zaak, en weet zelfs nu nog niet, of de jonge hoeren van het classieke Rom e en O r i eken lan d ook zooveel verzen maakten en of de jonge heeren 1 van eenig ander land dat wel ooit deden.

„Ik kan maar volstrekt niet verzinnen,quot; zeide \' Richard peinzende, „wat ik liefst zou worden. Behalve dat ik zeer zeker weet, dat ik geen geestelijke wil worden, zou ik er wel orn willen

laten raden.quot; ..... „Gij hebt geene genegenheid

voor het vak van mijnheer Kenge?quot; zeide mijnheer .larndyce. ,i)at weet ik niet, mijnheer,quot; antwoordde Richard. „Ik houd veel van boot-roeien, en procureursklerken komen veel op het water. Het is een heerlijk beroep.quot; ,Chirurgijn quot; zeide mijnheer .Tarndyee, „Dat is het, mijnheer!\' riep Hichard uit.

Ik twijfel of h\\j er wel ooit voorheen aan gedacht had.

„Dat is het, mijnheer!quot; herhaalde Richard met

geestdrift. „Daar hebben wij het eindelijk, ühirur-gijn.quot;

Hij liet zich door geen lachen daarvan afbrengen, schoon hij er zelf hartelijk om lachte. Hij zeide, dat hij nu zijn beroep had gekozen, en hoe : moer hij er over dacht, des to duidelijker zijne roeping gevoelde; de heelkunde was juist zijn vak. Vreezende, dat hij alleen tot dit besluit kwam, omdat hij, nooit gelegenheid gehad hebbende om te ontdekken waartoe hij geschikt was, en nooit aanleiding gekregen hebbende om tot die ontdekking te komen, nu met het nieuwste : denkbeeld ingenomen was, en zich verheugde van den last van het overdenken bevrijd te zijn, verwonderde ik mij of het Latijnsche-verzemna- ! ken dikwijls daarop uitliep, dan of het geval van | Richard eene uitzondering was.

Mijnheer Jarndyce gaf zich veel moeite om ernstig met hem te spreken, en hem onder het oog te brengen dat hij in zulk eene gewichtige zaak zich zeiven vooral niet moest misleiden. Xa lt; zulk een onderhoud was Richard zelf eenigszins ernstig; maar telkens zeide hij Ada en mij, „dat alles goed was.quot; en begon dan over iets anders ! te praten.

„Bij den hemel!quot; riep mijnheerBoythorn uit, die zich krachtig voor de zaak interesseerde — schoon ik dit niet behoef te zeggen, want hij kon nooit iets Hauw doen, „ik ben opgetogen een jongmensch te zien, die zich met lust en ijver aan dat edele beroep wijdt! Hoe meer ijver er in is. des te beter voor het menschdom, en des te erger voor die gemeene groote heeren, ; die er behagen in scheppen om die heerlijke kunst bij de wereld in minachting te brengen. Bij alles wat laag en verachtelijk is,\'riep rnijn-heer Boythorn uit, „de behandeling der chitur-gijns op de schepen is zoodanig, dat ik de bee-iu n — beide beenen — van ieder lid van den Admiraiitcitsraad aan eene samengestelde beenbreuk zou willen onderwerpen, en ieder bevoegd heelkunstenaar op straf van deportatie verbieden ze te zetten, als het geheele stelsel niet in acht en veertig uren veranderd was.quot; „Zoudt gij hun geene week willen geven ?quot; vroeg mijnheel Jarndyce. „Neen,quot; zeide mijnheer Boythorn met vastheid. „Volstrekt niet. Acht envoeitig uren! Wat corporation, kerspelen, armbesturen en dergelijke vergaderingen van botterikken betreft, die bijeenkomen om zulke redevoeringen te wisselen, dat zij, bi j den hemel, voor de rest van hun ellendig aanzijn in kwikzilvermijnen moesten aan het werk gesteld worden, al waie het maar om hun verfoeilijk Engelsch te beletten eene taal te ontreinigen, die voor het aanschijn der zon gesproken wordt wat die kerels betreft, die laaghartig misbruik maken van den ijver van kundige mannen, om de onschatbare diensten van hunne beste levensjaren, hunne lange studie en kostbare opvoeding, te beloonen met een salaris, te gering voor een klerk, ik


-ocr page 91-

UICIIAIU) KFEST EEX HElfOEl\'.

wilde ze allen den hals laten omdraaien, en hunne schedels in de snijkamer ten toon laten stellen ter beschouwing voor de treheele faculteit opdat de jonge leden vroeg zouden kunnen zien en meten, hoe dik schedels wel kunnen worden.quot;

Hij besloot deze heftige verklaring met ons vriendelijk glimlachend in het rond aan te zien, en eensklaps een „Ha, ha, ha!\' uit te bulderen, hetwelk zoo lang aanhield, dat ieder ander mensch er onder had moeten bezwijken.

Daar Richard, na den afloop der herhaalde bedenktijden, die mijnheer Jarndyce hem had aangeraden, nog bleef zeggen, dat zijne keus gevestigd was; en hij Ada en mij nog even bepaald bleef verzekeren, „dat alles goed was,quot; werd het raadzaam mijnheer Kenge er over te spreken. Mijnheer Kenge kwam dus op zekeren dag dineeren, en in zijn stoel achteroverleunende, en zijn lorgnet al om en omdraaiende, in dezelfde houding die ik mij van hem herinnerde toen ik nog een klein meisje was, sprak hij met dezelfde heldere, galmende stem.

„Ha. ha!\' zeide mijnheer Kenge. „Ja well Een zeer goed vak, mijnheer Jarndyce, een zeer goed vak.\' — „Maar er moet vlijtig en ijverig gestudeerd worden om er in te vorderen,quot; merkte mijn voogd aan, met een blik naar Richard. ,0, zonder twijfel,quot; zeide mijnheer Kenge. „Vlijtig en ijverig.\' — „Maar dat is meer of minder het geval met ieder vak van eenig belang,quot; zeide mijnheer Jarndyce. „het is geene bijzondere noodzakelijkheid, die men door eene andere keus zou kunnen ontgaan.quot; - „Wel neen,quot; zeide mijnheer Kenge. „En mijnheel\' Richard Carstone, die zich zoo verdienstelijk heeft gekweten in de - zal ik zeggen in de classieke bosschages -waarin hij zijne jeugd heeft doorgebracht, zal zonder twijfel de naarstigheid, die hij zich heeft aangewend door het maken van verzen iu die taal, waarin, als ik mij niet vergis, gezegd is dat een dichter geboren, niet gemaakt wordt, nu toepassen op den bij uitstek practischen werkkring, dien hij binnentreedt.quot; „Gij kunt er op aan,quot; zeide Richard op zijn luchtig rondbor-stigen toon, „dat ik het fiks zal aanpakken en mijn best doen.quot; „Heel goed, mijnheel\'Jarndyce,quot; zeide mijnheer Kenge, vriendelijk knikkende. „Als mijnheer Richard ons verzekert, dat hij het, fiks zal aanpakken en zijn best doen,quot; nog eens met welgevallen knikkende bij deze uitdrukkingen, „wilde ik u in overweging geven, dat wij nog maar te zoeken hebben naar de beste manier om hem het doel zijner eerzucht te doen bereiken. Wat nu aangaat, mijnheer Richard bij een voornaam chirurgijn te plaatsen. Heeft men alreeds iemand op het oog?quot; „Niemand, Rick, geloof ik ?quot; zeide mijn voogd. — „Niemand, mijnheer,\' zeide Richard. — „Juist!quot; merkte mijnheer Kenge aan. „En wat nu de conditiën betreft. Heeft men daaromtrent eene bijzondere voorkeur?quot; — „Ne een,quot; zeide Richard. „Juist!quot; merkte mijnheer Kenge weder aan. — „ik zou gaarne wat afwisseling hebben,quot; zeide Richard. „Ik meen gelegenheid om veel ondervinding op te doen.quot; — „Een voornaam ver-eischte, zonder twijfel,\' zeide mijnheer Kenge. „ Ik geloof, dat dit gemakkelijk te schikken zal zijn, mijnheer Jarndyce. Wij hebben maar vooreerst een chirurgijn te vinden, die aan ons oogmerk voldoet, en zoodra wij ons verlangen — en. zal ik er bijvoegen, onze geneigdheid om een leergeld te betalen? bekend maken, zal onze eenige moeilijkheid zijn eene keus te doen uit een getal van aanbiedingen. In do tweede plaats moeten wij die- kleine formaliteiten in acht nemen, die ons door onzen leeftijd, en door de omstandigheid dat wij ons onder de voogdij van het Hof bevinden, worden voorgeschreven. Wij zullen het spoedig naar hartelust kunnen „aanpakkenquot;, om met mijnheer Richard\'s eigene cordaatheid te spreken. Het is eene toevalligheid,quot; zeide mijnheer Kenge, met iets zwaarmoedigs in zijn glimlach, „eene van die toevalligheden. die misschien wel en misschien niet eene verklaring vereischen boven niize tegenwoordige beperkte vermogens, dat ik een neef in het vak der chirurgie heb. Hij zou misschien door u geschikt kunnen geacht worden, en zou misschien genegen zijn om dit voorstel aan te nemen. Ik kan even weinig voor hem instaan als voorn, maar het zou misschien kunnen zijn.quot;

Daar dit reeds een uitzicht gaf\', werd er bepaald, dat mijnheer Kenge met zijn neef zou spreken. En daar mijnheer Jarndyce reede vroeger had voorgesteld om ons voor eenige weken naar L p n d e n te brengen, werd er dns anderen daags afgesproken, dat wij nu terstond zouden gaan, en Richard\'s aangelegenheid met deze reis in verband brengen.

Daar mijnheer Boythorn ons in die week ver liet, namen wij onzen intrek op vroplijke kamers, dicht bij O x f o r d - 81 r e e t, boven een behanger. Londen was een groot wonder voor ons, en wij waren uren achtereen uit, om de merkwaardigheden te zien, die minder onuitputfi-lijk bleken te zijn dan onze krachten. Wij bezochten ook met groot vermaak de voornaamste t heaters, en zagen alle stukken, die de moeit e waard waren. Ik spreek hiervan, omdat het in de komedie was, dat mijnheer (éuppy mij weder begon lastig te worden.

Ik zat op een avond met Ada voor in eene loge, en Richard was op de plaats, die hem het best beviel, achter Ada\'s stoel, toen ik toevallig naar beneden in het parterre kijkende, mijn-hein\' (Juppy zag, die met zijn haar glad over zijn hoofd gestreken, en een gezicht waarop het grootste jammer stond afgemaald, naar mij opkeek. ik gevoelde de geheele voorstelling door, dat hij geen oogenblik naar de acteurs keek, maar aanhoudend naar mij tuurde, en dat altijd


-ocr page 92-

11 KT VKill,ATM\\ HUIK

met eene zorgvuldig bestudt erde uitdrukking van di- grootste rampzaligheid en diepste neerslachtigheid.

Dit bedierf dien avond al mijn vermaak, omdat het zoo belachelijk was en mij zoo verlegen maakte. Maar van dien tijd af gingen wij nooit naar de komedie, of wij zagen mijnheer (lt;uppy in het parterre altijd met /.ijné haren gladgestreken, zijne boordjes omgeslagen en eene algemeene flauwheid in zijn uitzicht. Als hij er nog niet was als wij kwamen, en ik begon te hopen dat hij niet komen zou, en mij voor eene poos aan mijne belangstelling in het stuk overgaf, was ik zeker zijne kwijnende oogen te ontmoeten, als ik dit allerminst verwachtte, en van dat oogenblik af kon ik er op aan, dat zij den geheelen avond up mij gevestigd hieven.

Ik kan waarlijk niet zeggen, hoe onrustig dit mij maakte. Als hij zijne haren had opgestreken of zijne bopt\'djes opgezet, zou het toch al erg genoeg zijn geweekt; maar te weten, dat die zotte figuur mij altijd aanstaarde, \' n dat altijd met zulk eene ov rdi\' vem vertooning van neerslachtigheid, hinderde mij zoodanig, dat ik niet om het spel durfde lachen of schreien, ja niet eens spreken of mij bewlt; gen. Ik scheen niets natuurlijks nifor te kunnen doen. Mijnheer Guppy ti ontsnappen door achter in di loge te gaan zitten, kon ik ook niet, daar ik wist, dat Hicliard en Ada er op rekenden mij b\\j zich tlt;\' hebben, en nooit zoo genoeglijk, met elkander hadden kunnen pniten, als er iemand anders op mijne plaats had gezeten, ZoO zat ik daar. niet wetende waar ik mijiv oogen morst laten want waar ik quot;uk beenzag, overal volgden mil mijnheer Guppy\'s oogen: en dan U- denken aan de schrik kei ijki\' onkosten, waarop dat jonge mensch zich om mijnentwil joeg.

Somtijds dacht ik om er mijnheer Jarndyce over te spreken. Maar dan vreesde ik dat het jonge mensch zijtir hel rekking zou verliezen, en ik hem zon ruïneeren. Sumtijds dacht ik het aan Richard te zeggen, maar dan werd ik afgeschrikt door de mogelijkheid, dat hij met mynheer (inppy zou vechten en hem een blauw oog geven, somtijds dacht ik, moest ik ■ en donker gezicht legen hein zetten of mijn hoofd sc hudden. Maar dan geveelde ik, dal ik dit niet kon doen, somtijds dacht ik, quot;f ik niet nan zijne moeder zou schrijven, maar clan begreep ik, dat ik door eem briefwisseling te openen, de zaak nng erger zou maken. Altijd kwam ik ti n laatste tot het Iquot; • -luit, dat ik er niels aan kon doen. Mijnheel (hippy\'s volharding deed hem niei alleen geregeld in ieder theater komen waar wij hei n gingen, maar ook buiten in hel gedrang verschijnen, ja zelfs achter op onze vigilante klimmen waai ik zeker ben, dat men hem twee- ofdriemaal tns--iclien de geduchtste ijzeren pennen hoeft zier. ■ipartelen. Als wij thuis wan n gekomen, betrok hij de wacht by een paal tegenover ons huis.

De behanger, bij wien wij kamers hadden, woonde 0]) den boek van eene kruisstraat, en ikwasbang om aan het venster te komen, uit vrees van hem (gelijk ik eens bij maneschijn deed) tegen den paal te zien staan leunen en kou vatten. Als mijnheer Guppy niet, gelukkig voor mij, over dag-zijne bezigheden had gehad, zou ik waarlijk geene rust van hem gehad hebben.

Terwijl wij die vermakelijkheden bijwoonden, waaraan miinheer Guppy op zulk eene zonderlinge manier deel nam, werden de zaken, die ons gedeeltelijk naar de stad hadden doen komen, niet verzuimd. De neef van mijnheer Kenge was zekere mijnheer Bay ham Badger, die te O he 1-sea eene goede praktijk had, en bovendien aan eene grootc openbare inrichting was verbonden. Hij wus zeer genegen om Richard in huis te nemen en het oog op zijne studie te houden: en daar bet scheen, dat deze met goede vooruitzichten ondei niijnhei r Badgei \'s dak kon worden ondernomen, en mijnbeer Badger veel zin in Richard had, en Richard zeide, dat mijnheer Badger hem „wel genoegquot; beviel, werd er tent overeenkomst gesloten en de goedkeuring van den lord-kuiiseiier daarop verzocht, waarmede alles was afgedaan.

Op den dag toen de zaak in orde gebracht zou worden, waren wij allen bij mijnheer Badger ten eten gevraagd, 1 iet zou geheel en f a mill lt; wezen, zeide mevrouw Badger\'s briefje, en wit vonden dus geenedames behalve mevrouw Badger z.elvi . /ij zat in haar salon, omgeven van verschillende voorwerpen, die te kennen gaven dat zij wat b lt;•kende, wat piano speelde, wat guitaar speelde, wat harp speelde, wat zong, wat borduurde, wat las, wat verzen maakte en wat botaniseerde. Zij was eene damt- van ongeveer vijftig jaren, naar mij dacht, jeugdig gekleed, en had eene zeer fraaie kleur. Als ik bij de lijst hartT talenten nog voeg, dat zij een beetje r o u g e legde, wil ik niet zeggen dat daar eenig kwaad in stak.

Mijnheer Bayharn Badger zelfwas een l\'risch, blozend, levendig heertje, met eene zwakke stem. witte tanden, lichte haren en verwonderd! oogen, eenige jaren jonger, zou ik zeggen, dan zijne vrouw. Hij liep zeer hoog met haar, maar vooral om de maar het ons voorkwam) zonderlinge reden, dat zij drie mannen had gehad. Wij waren nauwelijks gaan zitten, of hij zeide tot mijnheer Jarndyce, op e» n triorn feerenden toon:

Jiij zoudt welhaast niet denken, dat ik mevrouw Hay li am Badger\'s derde was?quot; „indei daad?quot; zeide inljnheer Jarnd.vce. „Haar der delquot; zeide mijnheer Badger. „Mevrouw Baybam Badger heeft het aanzien niet, juffrouw iSutn-mei son, van eene dame, die al twee vorige man nen heeft gehad!quot; „Lang niet.quot; zei de ik, .Kn zeer merkwaardige mannen!quot; zeide mijn heer Hadgi r op een toon van vertrouwen. „Ka-


-ocr page 93-

,mi;vi;ol:\\v isavham üainikk\'s derhh

pitein Swosser, van de koninklijke marine, die mevrouw Badger\'s eerste man is geweest, was een zeer uitstekend otlider. De naam van professor Dingo, mijn onnmUleïlijken voorganger, heeft eene Europeesche vermaardheid.quot;

Mevrouw Badger hoorde iiem en glimlachte.

„Ja, melieve!quot; zeide mijnheer Badger, in antwoord op dien glimlach. „Ik maakte voor mijnheer Jarndyce en juffrouw Summerson de opmerking, dat gij al twee vorige mannen hadt gehad beide zeer uitstekende personen. Zij vonden dat, gelijk men algemeen doet, moeie-lijk te gelooven.quot; -• „ik was even twintig,quot; zeide mevrouw Badger, „toen ik met kapitein Swosser van de koninklijke marine trouwde. Ik ben in de Middellaridsehe Zee met hom gewenst, en ik ben een compleet matroos. Op den twaalfden verjaardag van mijne eerste bruiloft werd ik de vrouw van professor Dingo.quot; „Van Europee-sc-he vermaardheid,quot; voegde mijnhe r Badger er piiinensinonds bij. - „En toen mijnheer Badger en ik een paaiquot; werden,\' vervolgde mevrouw Badger, „trouwden wij ook op denzelfden dag van hei Jaar. ik luid eene gehechtheid aan dien dag gekregen.quot; „Zoodat mevrouw Badger met drie mannen getrouwd is — waarvan twee uitstekende personen,quot; zeide mijnheer Badger, do feiten opsommende, „en dat telkens op den een en twintigsten Maart, \'s morgens om elf uur.quot;

Wij gaven allen onze verwondering te kennen.

, A Is mijnheer Badgerniet zoo bescheiden was,quot; zeide mijnheer Jarndyce, „zou ik de vrijheid nemen om hem te verbeteren, en zeggen drie uitstekende personen.quot; „Wel bedankt, mijnheer Jarndyce Iquot; zeide mevrouw Badger, „wat ik hem ook altijd zeg!quot; „En, melieve,quot; antwoordde mijnheel- Badger, „wat zegi ku altijd? Dat ik zonder zooveel onderscheidingals ik in mijn vak mag hebben verwor ven (en welke onze vriend mijn heer i\'arstonc eerlang zal kunnen beoordeelt in te willen verkleinen, zoo verwaand niet ben neen, waarlijk zoo onredelijk niet ben,quot; zeide mijnheer Badger tot ons in het algemeen „om mijne reputatie gelijk te willen stellen met mannen vaii den eersten rang, zooals kapitein Swosser en professor Dingo. Misschien zult gij wel eenig belang stellen, mijnheer Jarndyce,\' vervolgde nüjnheer Badger vooruitgaande naar de achterkamer, „in dit portret van kapitein Swosser, IB t is geschilderd toen hij van liet Amerikaan-scho station rhuis was gekomen, waar hij de landziekte had geluid. Mevrouw Badger houdt het voor te geel. Maar la t is toch een zeer fraaie kop. Een zeer fraaie kop.quot;

W ij allen herhaalden: „Een zeer fraaie kop!\'

„Ik gevoel, als ik dit portret aanzie,quot; zeide mijnheer Badger, „dat dit een nnm is, dien ik gaarne had willen zien. Het teekent geheel en iil den man van den eersten rang, gelijk kapitein ,Swoss( r zoo bij uitstek was. Aan den anderen kant professor Dingo, ik heb hem wed gekend

- in zijne laatste ziekte over hem geprakti-zeerd; - eene sprekende gelijkenis! Boven de piano mevrouw Bayham Badger als mevrouw Swosser, Boven de sofa, mevrouw Bayham Badger als mevrouw Dingo. Van de tegenwoordige mevrouw Bayham Badger bezit ik het origineel, | en heb ik geene kopie.quot;

Men kwam nu zeggen, dat het diner ger ed was. en wij gingen naar beneden. Het was een I zeer fatsoenlijk diner, en alles op de tafel was j even fraai. Maar de kapitein en professor speelden mijnheer Badger nog altijd door het hoofd, en daar Ada en ik de eer hadden van ons onder zijne bijzondere zorg te bevinden, kregen wij nog genoeg van hen te liooren.

„Water, juifrouw Summerson. Laat ik! Niet dat glas, als het u belieft. James, geef professors glas,\'

Ada bewonderde eenigt• gemaakte bloemen onder eene stolp.

„Verbazend hoe hing zij zich goed houden!quot; j zeide mijnheer Badger. „Mevrouw Bayham Badger heeft ze present gekregen teen zij in deMid-dellandsche Zee was,\'

Hij noodigde mijnheer Jarndyce om een glas Bordeaux te drinken,

„Niet dien Bordeaux:quot; zeide hij. „Neem mij niet kwalijk! Dit is eene gelegenheid, en bij gt; ene gelegenheid kom ik voor den dag met een bijzonderen Bordeaux, dien ik toevallig heb. - James, kapitein Swosser\'s wijn! Pit is een wijn, mijnheer Jarndyce, diemde kapitein heeft meegebracht, ik durfniet zeggen hoeveel jaar geleden, Melieve, ik wil gaarne eens van dien wijn niet u drinken. James, kapitein Swe.ssers Bordeaux voor mevrouw, Melie ve, uwe gezondheidl* Na den maaltijd, toen wij daim.- hlt; engingen, namen wij mevrouw Badger\'s eersten ent weeden echtgenoot met, ons mede. Mevrouw Badge r gaf ons in he t salon eene korte schets van het leven en bedrijf van kapiu in Swosser vóór zijne huwelijk, e\'ii een uitvoerig bericht van hem sedert don tijd toen hij op haar verliefde, op een bal aan boord van de Crippler, eloor de; olticieren van dat schip gegeven, toen het op de reodo van Plymouth lag,

„Die lieve, oude Crippler!\' zeide mevrouw Badger haar hoofd schuddende. «Bet was een mooi schip, en een eerste zeiler, zooals kapitein Swosser placht te zegge n. (üj moet het, mij niet kwalijk nomen als ik nu ep dan ee-fl, scheeps-woord gebruik; want eens was ik complcet eeïii matroos. Kapitein Swosser hield van dat schip om mijnentwil. Toen het geen dienst meer deed, zeide hij dikwijls, dat hij, als hij rijk genoeg was om het oude hol te koopen, een opschrift zou laten zetten in de planken van het halfdek, waar wij indequad ril le hadden gestaan, toen hij ove rstaag werd gi smeten eloor dat schot uil mijn top. Dat was zijne scheepsniiinier om van mijne oogen te spreken.quot;


-ocr page 94-

IIKT VERLATKN Hl\'IS,

88

Mfvrouw Badger schudde haar hoofd, zuchtte en keek in den spiegel.

„Het was eene groote verandering van kapitein Swosser op professor Dingo,\' hervatte zij met een zvvaannoedigen glimlach, „ik had er in het eerst veel gevoel van. Zulk eene geheele om wenteling in mijne manier van leven. Maar de gewoonte, met de wetenschap vereenigd vooral de wetenschap verhardde mij ertegen. Daar ik professors eenig gezelschap was op zijne botanische tochtjes, vergat ik bijna, dat ik ooit op het water was gewei st, en werd ik zelve een geleerde. Het is zonderling, dat professor geheel het tegendeel van kapitein Swosser was, en dat mijnheer Badger niet het minst naar een van beiden gelijkt.quot;

Toen gingen wij over tot een verhaal der sterfgevallen van kapitein Swosser en professor Dingo, die beide zeer erge kwalen schenen gehad te hebben. in den loop van dit verhaal deelde mevrouw Badger ons mede, dat zij nooit meer dan eens smoorlijk verliefd was geweest ; en dat het voor-werp (ie/er hartstochtelijke genegenheid, die nooit mei hare eerste frischheid teruggeroepen kon worden, kapitein Swosser geweest was. De professor lag nog allerakeligst te sterven, en mevrouw Badger gaf ons juist eene nabootsing van de manier, waarop hij met groote moeite uitbracht: „Waar is Laura? Laat Laura mij mijn broodwater geven!\' toen het binnenkomen der heeren hem naar het graf verwees.

Nu merkte ik dien avond op, gelijk ik reeds eenige dagen had opgemerkt, dat Ada en Richard meer dan ooit op elkanders gezelschap gesteld waren; hetgeen niet meer dan natuurlijk was, daar zij zoo spoedig zouden moeten scheiden. Ik was dus met zeer verwonderd, toen ik, thuis gekomen en met Ada alleen zijnde, haar stiller dan gewoonlijk vond; hoewel ik er niet op verdacht was geweest, dat zij in mijne armen zou vallen en haar gezichtje verbergen, om zoo met mij te spreken.

,Lieve Ksther,quot; fluisterde Ada. „Ik heb u een groot geheim te vertellen.\'\'

Een machtig geheim zeker,mijn liefje! dacht ik.

, Wat is het, Ada?quot; „O Esther, gij zoudt, het nooit raden.\' — „/.al ik beproeven het te raden?quot; ,.() neen! Hat niet! Och neen, doe dat niet!quot; zeido Ada, erg schrikkende van de gedachte, dat ik dit zou doen. „Nu zal het mij toch verwonderen wat het wezen zal,quot; zeide ik, alsof ik ei\' mij op bedacht. „liet is,quot;zeide Ada tluisterend. „Het is over mijn neef Ki-chard.quot; ..We|. mijn liefje!\' zeide ik, hare glanzige lokken kussende, die alles waren wat ik van haar zien kon. „En wat van hem?\' ,0 Ksther, gij zoudt het nooit raden!quot;

Het was zoo streelend haar zich zoo aan mij te voelen vastklemmen en haar gezichtje wegstoppen: en te weten, dat zij niet van droefheid schreide, maar in eene zachte verrukking van blijdschap, fierheid en hoop, dat ik haar nog niet wilde helpen,

,11 ij zegt ik weet wel, dat het heel dwaas

is, want wij zijn allebei nog zoo jong.......maar hij

zegt,quot; met eene uitbarsting van tranen, „dat hij mij innig lief heeft, Esther.quot; - „Doet hij waarlijk?quot; zeide ik. „Wel, zoo iets heb ik nog nooit gehoord! Wel, meisjelief, dat had ik u voor weken en weken al kunnen zeggen.quot;

Ada haar blozend gezichtje met blijde verrassing te zien opheffen, en mij om den hals vallen, en lachen, en schreien, en nog hooger blozen, en wederom lachen, was zoo streelend!

„Wel, liefje,quot; zeide ik, „voor welk een gansje moet ge mij toch houden! I w neef Richard heeft u al liefgehad, en dat zoo duidelijk laten zien als hij kon, voor ik weet niet hoelang!quot; — „En gij hebt er toch nooit een woord van gezegd!\'

„Neen, liefje. Ik wachtte, tot men het mij zou zeggen.quot; „Maar nu ik het u gezegd heb, vindt gij het toch niet kwaad van mij, doet gij wel!\' hervatte Ada. Zij had mij door hare liefkoozingen kunnen bewegen om „Neenquot; te zeggen, al was ik de hardvochtigsto Duenna van de wereld geweest. Dit nog niet zijnde, zeide ik zeer gewillig „Neen.quot; — „En nu,quot; zeide ik, „weet ik het ergste.quot; ,(), dat is eigenlijk nog het ergste niet, lieve Esther!quot; riep Ada, mij vaster omklemmende, en legde nog eens haar hoofdje aan mijne borst. — „Niet?quot; zeide ik. „Zelfs dat nog niet?quot; ~ „Neen, zelfs dat nog niet,\' zeide Ada, haar hoofd schuddende. „Wel, gij wilt toch niet zeggen quot; begon ik schertsende.

Maar Ada zag op, glimlachend door hare tranen heen, en zeide; „Ja, dat doe ik. Gij — gij weet het wel.\' En toen snikte zij uit: „Metgeheel mijn hart. met geheel mijn hart, Esther!quot;

Ik zeide haar lachende, dat ik dit ook wel geweten had, evengoed als ik het andere had geweten. AVij gingen voor het vuur zitten, en ik had een poosje al den praat alleen (hoewel dat toch ook niet veel was) en Ada was spoedig kalm en vergenoegd.

„Denkt gij, dat mijn neef John iets weet. Besje Durden?quot; zeide zij. — „Als mijn neef John niet blind is, liefje,quot; antwoordde ik, „zou ik denken, dat mijn neef John nagenoeg evenveel weet, als wij weten.quot; - „Wij wilden met hem spreken eer Richard heengaat,\' zeide Ada schroomvallig, „en wij wilden, dat gij ons raad zoudt geven en hot hem zeggen. Misschien zoudt gij er niet tegen hebben, dat Richard binnenkwam, Besje Durden?\' „O, Richard staat buiten, doet hij, liefje?quot; zeide ik. „Ik ben er niet heel zeker van,quot; antwoordde Ada, met eene bedeesdheid en eenvoudigheid, die mijn hart zouden gewonnen hebben, als zij het niet reeds lang had gewonnen; „maar ik denk toch dat hij voor do deur staat te wachten.\'

Paar stond hij natuurlijk. Zij zlt; tteri aan beide


-ocr page 95-

KK.N l\'AAW VEIJIJEPDE.X

81)

kanten van mij een stoel, en namen mij zoo tusscben hen beiden, en schenen waarlijk op mij verliefd te zijn geworden, in plaats van op elkander ; zoo vertrouwelijk waren zij met mij en zoo liefkoosden zij mij. Ik liet hen eene poos op hunne wilde manier begaan, zonder hen te stuiten ik had er zelve te veel behagen in, - en toen kwamen wij langzamerhand tot de overweging hoe jong zij nog waren, en hoe er nog verscheidene jaren moesten veiioopen eer er iets vah deze jeugdige liefde kon komen, en hoe er dan alleen geluk van kon komen als zij bijt, naar mijn voogd in de kamer, die wij in de stad in plaats van de bromkamer gebruikten, en zeide hern, dat mij in vertrouwen was opgedragen hem iets te zeggen.

„Wel. vrouwtje,\' zeide hij, zijn boek dichtslaande, „als gij die opdracht hebt aangenomen, kan er geen kwaad insteken.quot; - ,. Ik hoop van neen, Voogd,quot; zeide ik. „Ik kan er voor instaan, dat er geene achterhoudendheid )n steekt, want het is pas gisteren gebeurd.\' „Zooien wat is het, Esther?quot; „Voogd,quot; zeide ik, „gij herinnert u nog wel den gelukkigen avond,


waar en duurzaam was, en hun een vast besluit inboezemde om hun plicht jegens elkander te betrachten, met trouw en volharding, altijd de een om des anderen wil. Richard zeide, dat hij zich voor Ada de vingers tot op het been toe wilde afwerken, en Ada zeide, dat zij hetzelfde voor Richard wilde doen, en zij gaven mij allerlei teedere en verstandige namen, en wij zaten daar den hal ven nacht te raadplegen en te praten. Eindelijk beloofde ik hun, eer wij scheidden, dat ik des anderen daags met hun neef John zou spreken.

Zoo ging ik des anderen daags, na hetont-toen wij pas op het Verlaten Huis waren gekomen. Turn Ada in die donkeiv kamer zat te zingen ?quot;

Ik wenschte hem den blik in het geheugen te brengen, dien hij mij gegeven had; en als ik mij niet zeer vergis, zag ik, dat mij dit gelukte.

„Omdat,quot; zeide ik, met eene kleine weifeling. ,Jigt;, molieve quot; zeide hij. „Haast u maar niet.\' „Omdat,\' zeidi\' ik, „Ada en Kichard op elkander verliefd zijn, cn elkander zoo gezegd hebbrn.quot; ..Nru al ?quot; riep mijn voogd nit, geheel verbaasd. „Ja,quot; zeide ik. „en om u de waarheid te zeggen. Voogd, ik had het wel


-ocr page 96-

IIKT VKKI.ATEiN lll\'IS.

90

et-nigszins verwacht.quot; Wel verduiveld,quot; zeide hij, .iiadl t,\'i dat?quot;

Uil zat zich i-ene poos te bedenken, niet ciilt;;n glimlach, die zph vriendi\'lijk was en hein zoogoed stond, op zijn levendig gelaat, en verzocht mij toen hun te doen weten, dat hij hen vei langde te spreken Toen zij kwamen nam hij Ada, op zijne- vaderlijkr manier, in zijn ei nen arm, i-n sprak hij Kiehai fl nu t Idijnioedigen ernst aan.

, Rick,quot; zeide mijnhei-r Jarndgt;\'ce. Jk hen blijdr, dat ik uw vertiouwen hel) gewonnen. Ik hoop het te behouden. Toen ik mijdeze betrekkingen tusschen ons vieren voorstelde, die mtin leven zoodanig hebben verhelderd, en zoovele- nieuwe redenen van belangstelling i n nieuwe vermaken hebben gegeven, dacht ik zeker wi-l in de verte aan demogelijkheid, dat gij en uw bevallig nichtje hier iwees maar niet verlegen, Ada, wees maar niet vi-liegen, liefje) het eens zoudt kunnen worden om ti zamen door het leven te wandelen. Ik zag, en zit nog, vele redenen die dat wen-se hel ijk maakten. Maar dat was in de verte. Rick, zeer in de verte!\'\' „Wij zien ook in di verti-, mijnheer.quot; zeid( Richard. ^Vel.quot; /.eide mijnhei-r Jarndyee. ,Dat is veigt;.t;indig. Hoort mij nu i.-c-ns aan, lieve jongelieden. Ik zou n kunfr-n zeggen, dat gij zeiven nog niet weei wat gij • igi-nlijk wilt; (lat er duizend dingen kunnen gebeuren om n van elkander te verwijderen; dat liet goed is, dat de keten van hloe-nu n, die gij opgenomen hebt, gemakkelijk te bi i-ken is. daar zij and\', rs \' i-ne keten van lood zou kunnen worden. Maar Hat wil ik niet doen. Zulke wijshi-id /al spoedig geno(-g komen,durf ik wel zeggen, als zij dan al komen moet. Ik wil aannemen, dat gij over ecnige jaren in uwe harten neg voor elkander zult zijn wat gy vandaag zijr. Al wat ik zeg. eer ik volgens die voor-cmderstelling ga sprirken, is. als gij moch t veranderen als gij m oC h t ondi-rvinden, dat gij ais man en vrouw meet\'\'-en alledaagscht-neetquot; en nicht voor i Ikandi r zijt, dan gij als knaap en rmTsje waart (neem mij ni\' t kwalijk, Rick. dat ik u nog voor geen man boud), schaamt u dan ook niet (an hi-t mij t,i- vertrouwen, want dat zou ook ni\' ts slechts of ongi-woons zijn. Ik ben maar alleen uw vriend en verre bloedverwant, ik heb gi-eni- macht liolt;\'lt;;tlt;naanul overu. Maar ik wi-nsrh en hoop uw vertrouwgt;\'n te belumilorij als ik zelf niets doe om het ti verbeuren.quot; Jk ben overtuigd, niijnlu-er.quot; antwoordde Ri i-hard. ..dat ik ook vooi- Ada sprnik, als ik zeg, dat gij di-sii-i ksti-macht over ons ln-zit - «• -»lt;• maclit, op ei-rbied, dankbaarhi id lt;-n geru-gen-hi id gt-grond, ••n die met eiken dag sterker wordt.quot; „Lieve neel Johti.quot; zeide Ada. op /tai «i-liouder lenm-nde, .mijn vaders plaatskan nooit w. • r ledig zijn. Al de liefde en eerbied, de- ik hem had kunnen bewij/.en. heb ikopu -iv. rgebre-ht, Kom aan 1quot; /.i idi ntijnh\'• i Jarnciyce. ..Nu ovi-r onze onderstelling. Nu slaan wij onze oogen op en zien hopend in het verschiet 1 Rick, de wereld ligt voor u, en het is waarschijnlijk, dat zij u zóó zal ontvangen als gij haar intreedt. Vertrouw op niets dan op de-Voorzienigheid en uwe eigene pogingen. Scheid j die twee nooit van elkander af, gelijk de hei- 1 densche voerman deed. Standvastigheid Inde \' liefde is iets goeds; maar zij beduidt niets, en is niets, zonder standvastigheid in allerlei soort | van pogingen. Als gij de bekwaamheden iiadt van alle groote mannen, van voorheen en thans, zoudt gij niets goeds kunnen doen, zonder het : ernstig te willen en er sverk van te maken. Als j gij denkt, dat gij ooit in iets, hetzij groot of i klein, kunt slagen door het bij ongeregelde vlagen aan te vatten, in de gedachte, dat gij de Fortuin zoo wel zult dwingen, zie dan van dat verkeerde denkbeeld af, of zie van uw nichtje Ada af.quot; — „ik zal daarvan afzien, mijnheer,quot; antwoordde Richard met een glimlach, „als ik er tot nog toe iets van heb geloofd (maar ik hoop van neen), en ik zal mij door werken een weg banen naar mijn nichtje Ada in het hoopvolle verschiet.quot; ,1\'v st!quot; riep mijnheer .larn-dyce uit. „Als gij haar niet gelukkig zoudt ma-ktüi, waarom zoudt gij haardan willen winnen?quot; „Ik zou haar niet ongelukkig willen maken : neen, zelfs niet voor hare liefde,quot; zeide Richard trotsch. „Wel gezegd!\'riep mijnheer Jarndyee uit. „Dat is wel gezegd! Zij blijft bij iiiij tliuis. Bemin haar. Richard, in uw werkzaam leven, niet minder dan thuis, als gij haar bezoekt, en alles zal goed gaan. Anders zal alles slecht gaan. Dat is het eind van mijne preek. Ik denk, dat gij en Ada nu liever eene wandeling moest, gaan doen.quot;

Ada omhelsde hern teeder. Richard drukte hem hartelijk de hand, en toen gingen neef en nicht !•- kamer uit maar keken terstond nog eens binnen, om te zeggen dat zij naar mij zouden wachten.

De deur stond open, en wij beiden volgden

hen im t onz......gen, terwijl zij de naaste ka.

nier, waarin de zon scheen, door- en aan het andere einde uitgingen. Richard, met gebogen hoofd en hare hand door zijn arm getrokken, fprak zeer ernstig met haar ; en zy keek luisterende naar hem op en sehVen niets anders te zien. Zoo jong. zoo schoon, zoo vol hoop i-ti belofte. gingen zij met liriite schreden door den /.onneschijn, gelijk hunne ||lijde gedachten mis-scliii-n de aanstaande jaren doorvlogen \'-n die alien tot jari-n van zonm sriujn maakten. Zoo traden zij in de schaduw en verdwenen. Het was maar lt;•• n enkele lichtstraal geweest, die zoo geschitterd had. Toen zij heengingen werd de kamer donker en kwam er eene wolk voor de zon.

„Hel» ik gelijk gehad. Esther?quot; zeide mijn voogd, teen zij heen waren

Hij w a - zoo goed in zoo w\\js —en mij dan ti vragen of hij gelijk had gehad !


-ocr page 97-

IEMAND AXI)KUS,

1)1

„Rick zal hierdoor missdiien de eigenschap bekomen, die hem nog ontbreekt - nog ontbreekt, al heeft hij zooveel goeds,quot; zeide mijnheer Jarndyce, zijn hoofd schuddende. „Ik heb Ada niets gezegd, Esther. Zij heeft hare vriendin en raadgeefster altijd bij zich.quot; En hij legde zijne hand vriendelijk op mijn hoofd.

Ik kon niet nalaten te toonen, dat ik eenigs-zins ontroerd was, schoon ik mijn best deed om het te verbergen.

„Kom, kom!quot; zeide hij. „Maar wij moeten ook oppassen, dat ons vrouwtje haar leven niet geheel in de zorg voor anderen verslijt.quot; „Zorg? Lieve Voogd, ik geloof dat ik de gelukkigs:c mensch van de wereld ben!quot; „Dat geloof ik ook,quot; zeide hij. „Maar de een of ander zal toch misschien ontdekken, wat Esther nooit ontdekken zai dat ons vrouwtje wel waard is om boven alle andere menschen in gedachten te worden gehouden.quot;

tk heb vergeten op de rechte plaats te vermelden, dat er nog iemand anders bij dat huiselijk diner was geweest. Dit was geene dame, maar een heer, een jong chirurgijn — bijzonder donker van kleur. I lij was vrij stil, maar ik vond hem verstandig en innemend. Ten minste, Ada vroeg mij of ik dat niet deed, en ik zeide ja.

X1V

WKUlKMAMKHÜIIHII).

Richard verliet ons reeds den volgenden avond, om zijne nieuwe loopbaan in te treden, en beval Ada in mijne zorg, met grpipte leederheid voor haar en groot vertrouwen op mij. Het trof mij toen, en het treft mij nog meer (als ik liet mij herinner) hoeveel zij beide om mij dachten, zelfs op dien tijd toen zij om zooveel anders t denken hadden. Ik was een deel van al hunne |dan-nen voor het tegenwoordige en de toekomst. Ik zou Richard eens in de week schrijven, en hem een getrouw bericht van Ada geven, die zelve om den anderen dag aan hom schrijven zou. Ik zou door zijne eigene hand van al zijn arbeid en al zijne vorderingen onderricht worden; ik zou zien hoe standvastig en volhardend hij zou zijn; ik zou Ada\'s spc elnootjt wezen als zij t rouw den; ik zou naderhand bij hen wonen; ik zou al de sleutel» van hun huis onder ïnij hebben; ik zou zoo gelukkig gemaakt worden als de dag lang wa-lt;.

„En als het proces ons rijk mocht doen wor den, Esther dat wel gebeuren kan, weel ge lquot;* zeide liicliard. om alles |c he kronen.

Ada\'s gezichtje betrok eenigszins.

„Mijne lieve Ada,quot; zeidlt;- Uichard. „Waarom niet?quot; „Het zou beter zijn als het on- maar terstond voorarm verklaarde.quot; zeide Ada. „O, dat wrri ik nog niet,quot; antwoordde Hie „maar in allen gevalle, het zal zoo terstond nog niets verklaren. Het heeft, de hemel weet in hoeveel jaren, nooit iets verklaard.quot; „Maar al te waar,quot; zeide Ada, „Ja, maar,\'hervatte Richard, veeleer datgene, wat haar blik aanduidde, dan hare woorden beantwoordende, „hoe langer het duurt, lieve nicht, des te dichter moet het bij de afdoening zijn, op eene of andere manier. Is dat nu niet redelijk ?quot; — „Gij weet het best, Richard. Maar ik vrees, dat het ons ongelukkig zal maken, als wij erop vertrouwen.\'

„Maai\', mijne Ada, wij zullen er ook niet op vertrouwen,quot; riep Richard vroolijk uit. „Wij kennen het te goed om er op te vertrouwen. Wij zeggen maar dat, als het ons rijk m och t maken, wij er niet tegen zouden hebben om rijk te worden. Het Hof is. volgens eene plechtige uitspraak der wet, onze knorrige, oude Voogd, i n wij moeten maar deuken dat, wat hei ons geeft (als het ons iets geeft), ons van rechtswege toekomt. Wij behoeven daaromtrent geene bedenkelijkheden te maken.quot; „Neen,quot; zeide \\da, „maar het kan wed beier zijn de geheele zaak te vergeten.quot; „Welnu!quot; riep Richard uit, „dan zullen wij ze vergeten. Wij laten het geheel proces in vergetelheid verzinken. Besje Durden zet een goedkeurend gezicht, en het is afgedaan.quot; ,Bosje IHirden\'s goedkeurend g« -zicht,quot; zeide ik, uit den kolï\'er opkijkende, waarin ik zijne boeken pakte, „was niet zeer zichtbaar toen gij er van spraakt; maar het staat toch goedkeurend, en zij denkt, dat gij niet beter kunt doen.quot;

Zoo zeide Richard dat het afgedaan was, en begon dadelijk, op geen anderen grondslag, zoovele luehtkasteelen te bouwen als tor versterking van den Ohineeschen muur genoeg zouden zijn. ilij vertrok zeer goedsmoeds. Ada en ik, die er op rekenden hem zeer te zullen misse n, begonnen onze stillere loopbaan-

Toen wij pas in Londen kwamen, waren wij bij mevrouw Jellyby aangegaan, maar waren niet zoo gelukkig geweest van haar thin is te vinden. Het bleek, dat zij ergens was gaan theedrinken en jongejuffrouw Jellyby had mede genomen. Behalve het theedrinken, zou er ook een redevoeren en briefschrijven plaats hebben over het nuttig\'! van he! kollieplantenj in verband niet de beschaving dei inboorlingen, in de volksplanting van Bo r r i oboola-O h a. Dit alles zou zonder twijfel genoeu aanwending van pen en inkt vereischen om dien uitgangvoorlian-dochter tot alles behalve i-ene vaeanlie ie maken.

Daar In i nu over den voor mevrouw Jellyby\'s terugkomst bepaalden tijd was, gingen w\\j nog eens bij haar aan. Zij was in de stad, maarniel thuis, daar zij zich terstond na haar ontbijt naar Mile Knd had begeven, voor zaken van Her ri obool a, in verband met eene maatschappij, die zich de Oost-Londenschc Hulp-liamifkalit noemde. Daar ik bij ons vroeger be/nek l\'eep\\


-ocr page 98-

HET V Kif I, AT K.N HUIS.

niet had gezien (dewijl hij toen nergens te vinden was en de keukenmeid half en half dacht, | dat hij met de aschkar moest zijn meegekuierd), vroeg ik nu wederom naar hem. De oesterschel-i pen, waarvan hij een huisje had gebouwd, lagen nog in do gang, maar hij was nergens te ont-| de kken, en de keukenmeid meende, dat hij de .schapen was nageloopen.quot; Toen wij met ecnige ! verwondering het woord „schapen\' herhaalden, zeide zij. o ja, op marktdagen liep hij zo som-| tijds na tot geheel buiten de stad en zag er dan, i als hij terugkwam, ontoonbaar uit.

Den volgenden morgen zat ik met mijn voogd aan het venster, en was Ada met schrijven bezig natuurlijk aan Richard toen juffrouw Jel-| lyby werd aangediend, en binnenkwam met Peepy aan de hand, dien ?4j gepoogd had eenigs-zins presentabel te maken, door het vuil in de 1 hoekjes van zijn gezicht en zijne handen te vegen, en zijne haren nat te maken en met hare vin-• gers op te kroezen. Alb s wat het lieve kind i aanhad was hem of te groot of te klein. Onder zijne andere tegenstrydigi\' sieraden droeg hij ren 1 hoed met een rand als een bisschop, en mofjes zoo klein als voor een bakerkindje. Zijne schoenen waren, op eene kleine schaal, lompe boerenschoenen, terwijl zijne beentjes, zoodanig met krabben overkruist, dat zij wel naar landkaarten geleken, bloot te voorschijn kwamen uit een zeer kort geruit broekje, uitloopende in twee geplooide strookjes van geheel verschillend patroon. D\'* knoopen, die van zijn geruit kieltje waren afgeraakt, waren blijkbaar aangevuld met andere van een rok van mijnheer Jellyby, zoo erg kopenichtig en zooveel te groot waren zij. Ze- r ongemee ne staaltjes van naaiwerk vertoonden zich op verschillende plaatsen zijner kleeding, waar deze! in der haast gelapt was. en ik he rkende dezelfde hand aan die van jonge\'juf-frouw .lellyby. Maar voorkomen had evenwel eene onverklaarbare verbetering onde rgaan. en zij zag e-r nu zeer aardig uit. Zij was zich wel bewust, dat de arme kleine Peepy met al hare moeite1 toch nog eene mislukking was, en toonde dit, toen zij binnenkwam, door de manier, waarop zy eei\'r-.t naar hem omkeek e;n toen naar ons opzag. ..O lieve hemel!quot; z.eide mijn vooud... Vlakemst!quot; Ada en ik gaven haar eene hartelijke welkomst, en presenteerden haar aan mynheer .Tarneiyce, tot wieti zij, nadat zij was gaan zitte-n, zeide: „Compliment, van ma, en zij hoopt dat gij haar wel zult excuse-eten, want zij is aan hete-orri-geeren van proeven voor het plan. Zij zal vijf duizend nieuwe circulaires uitzenden, en zij weet wel. dat het u interesse, ren zal dit te hooren. Ik he\'b er een van nmdege\'bnielit. t\'ompliment van ma.quot; Daarmede legde zij het papier tanv.-üjk neirsi\'h op tafej. , Wel bedankt.\'\' z.eide mjiti vijul\'iI ,Ik !gt;■ n ntevrniiw .bdivby zcei- verplicht. lt;gt; He-ere.! Dat is toch een lastige wind!quot; W i; h elelen het druk met l\'e-e\'py, name n hem

zijn geestelijken hoed af, vroegen hem of hij ons kende en zoo voort, Peepy verschool zich eerst achter zijn elleboog, maar op het gezicht van oen koekje word hij vriendelijker, en liet toe, dat ik hem op mijn schoot nam, waar hij het stil zat op te knabbelen Mijnheer Jarndyce begaf zich daarop naar ele tijdelijke bromkamer, en jonge juffrouw Jellyby opende met hare gewone heftigheid het gesprek.

„ 1 Iet gaat in ThaviesTn n nog even slecht als ooit,quot; zeide zij. „Ik heb geen lust of rust in mijn leven. Praat van Afrika! Ik zou het niet erger kunnen hebben al was ik, hoe is het ook weer een man en een broeder!quot;

Ik wilde iets zeggen om haar te troosten.

„Het helpt niet, juffrouw Summerson,quot; riep zij uit, „schoon ik u toch bedank voor uwe goede meening. Ik weet hoe ik behandeld word, en ik Iaat mij niet ompraten. Gij zoudt u ook niet laten ompraten, als gij zoo behandeld werdt. Peepy, ga nu wat wilde-beestje spelen onder de piano.quot; ,,Ik wil niet,quot; zeide Peepy. - „Heel goed, gij ondankbare, stoute, ongevoelige jongen,quot; antwoordde jonge juffrouw Jellyby met tranen in de oogen. „Ik zal ook nooit weer ele moeite doen otn u aan te kleoden.quot; „Ja, ikzal gaan,Caddy!\' riep Peepy. die waarlijk een goed kind was, en door de verdrietelijkheiel zijner zuster zoodanigge-troffen werd, dat hij terstond ging. - „Hetschijnt iets heel gerings om van te gaan schreien,quot; zeide ele arme juffrouw Jellyby verontschuldigend, „maar ik ben geheel afgetobd. Ik heb vanmorgen teit twee! uur toe adressen op de nieuwe circulaires zitten schrijven. Ik heb zulk ee-n hekel aan het heele ding, dat ik daardoor alleen eene hoofdpijn krijg, dat ik uit mijne oogen niet zien kan. En ziet eens naar dat ongelukkige kind. Is er ooit zulk een vogelverschrikker geweest als hij?quot;

Peepy, gelukkig onbewust van zijn onooglijk voorkomen, zat achter een poot van do piano, en keek ons uit zijn hok met kalmte aan, onder het mommelen van zijn koekje.

, Ik heb hem naar he-t andere eind van de kamer gezonden \' zeide juffrouw Jellyby, haar stoel dichter naar ons toeschuivende, „omdat ik hem niet wilde; laten hooren wat wij zeggen. Hie kleine dingen zijn zoo slim! Ik wilde zeggen, dat het werkelijk erger met ons gaat dan nog ooit. Pa zal binnenkort bankroet moeten maken, en dan hoop ik. dat ma tevreden zal zijn. Dat zal aan niemand te danke n zijn dan aan ma.quot;

Wij zeiden te hopen, dat mynheer Jellyby\'» zaken nog niet in zulk een slechten staat waren.

„Hopen helpt niet, schoon het heel vriendelijk van u is,quot; antwoordde jonge juffrouw Jellyby, haar hoofd schuddende. „Pa heeft mij pas gistermorgen gezegd, (en schrikkelijk naar is hij er oven dat hij het niet langer kon uithouden, Als al onze winkeliers ons maar alles thuis zenden wat zij kwijt willen zijn, en de meiden daarmee doen wat zij willen, en ik geen tijd


-ocr page 99-

Dl-; OUDE EN DE JONGE IIMEK TL\'HA\'EYDliOP.

heb om voor iets te zorgen, iil kon ik dat doen, en ma om niets geeft, dan zou ik wel eens willen weten hoe pa het kon uithouden, ik verklaar u, als ik pa was, zou ik wegloopen.quot; — „Lieve,quot; zeide ik met een glimlach. „Uwpapa denkt, zonder twijfel, om zijn huishouden.quot; ,0 ja, zijn huishouden is alles heel mooi, jutfrouw öummerson,quot; antwoordde zij, „maar wat voor pleizier heeft hij van zijn huishouden ? Zijn huishouden is niets anders dan rekeningen, vuil, ver-waarloozing, levenmaken, van de trappen vallen, verwarring en verdriet. Zijn ongeregeld huis gelijkt de geheele week door naar een groeten wasch -dag — behalve dat er niets gewasschen wordt quot;

Zij stampte met haar voet op den grond en veegde hare oogen af.

„Ik heb waarlijk zulk een medelijden met pa.quot; zeide zij, „en ben zoo boos op ma, dat ik geene woorden kan vinden om mij uit te drukken. Maar ik zal het niet langer verdragen, dat bt nik vast voornemens, ik wil niet al mijn leven eene slavin zijn, en ik wil mij niet langer door mijnheer Quale laten lastig vallen. Een mooi ding, ■waarlijk om met een Philanthroop te trouwen! Alsof ik daarvan nog niet genoeg had!quot;

Ik moet bekennen, dat ik zelve niet kon nalaten mij eenigszins boos op mevrouw Jellyby te maken, als ik dit verwaarloosde meisje hoorde, en wist hoeveel bittere waarheid er in hare scherpe gezegden lag,

„Als wij niet vertrouwelijk met elkander hadden gesproken, toen gij bij ons aan huis waart,quot; j vervolgde zij, „zou ik mij vandaag geschaamd hebben om hier te komen, want ik weet wel welk eene figuur ik bij u moet maken. Maar ik heb toch maar besloten om bij u aan te komen, vooral omdat ik u denkelijk niet zal weerzien, als gij weder in de stad komt.quot;

Zij zeide xlit zoo veelbeteekenend, dat Ada en ik elkander aanzagen, begrijpende, dat er nog meer zou komen,

„Neen,quot; zeide zij, haar hoofd schuddende, „geheel niet denkelijk! Ik weet, dat ik u beiden kan vertrouwen. Ik ben zeker, dat gij mij niet zult verraden. Ik ben geëngageerd.quot; „Zonder dat men er thuis van weet ?quot; zeide ik. „Wel, goede hemel, juffrouw Summerson,quot; antwoordde zij, zich met drift maar zonder gramstorigheid rechtvaardigende, „hoekan lietanders zijn? Gij weet wat rna is en ik behoef mijn armen pa niet nog mistroostiger te maken door i het hem te zeggen.quot; - „Maar zal het zijn ongeluk niet nog meer vei grooten, als gij zonder zijne voorkennis en goedkeuring trouwt, nielieve?quot; zeide ik. „Neen,quot; zeide jutfrouw Jellyby aangedaan, „Ik hoop van neen. Ik zou mijn best doen om het hem genoeglijk te maken als hij mij kwam zien; en l^cepy en de anderen zou ik beurtelings bij mij nemen; en dan zou er toch eenigszins op hen gepast worden.quot;

Die arme Caddy had toch een goed en gevoelig hart. Zij werd, toen zij dit zeide, al meer en meer aangedaan, en schreide zooveel over het ongewone huiselijk tafereeltje, dat zij zich voor den geest had geroepen, dat Peepy, in zijn hol onder de piano, er door geroerd werd, en zich met luide jammerklachten op zijn rug wierp. Het was niet voordat ik hem gehaald had om zijne zuster een kus te geven en ik hem weder op mijn schoot had genomen, en hem had laten zien, dat Caddy lachte (zij lachte met dat oogmerk opzettelijk), dat wij zijne gemoedsrust konden terugroepen; zelfs toen hing die een tijd lang daarvan af, dat hij ons beurtelings bij de kin mocht pakken en met zijn handje over ons gezicht strijken. Eindelijk, daar zijn gemoed nog niet tegen eene verbanning onder de piano bestand zou zijn, word hij op ten stoel gezel, om uit het venster te kijken, en toen hervatte zijne zuster, hem bij een been vasthoudende, hare vertrouwelijke mededeeling,

„Het begon daarmede, dat gij bij ons in huis kwaamt,quot; zeide zij.

Wij vroegen natuurlijk hoe zoo?

„Ik gevoelde, dat ik zoo lomp was,quot; antwoordde zij, „dat ik het besluit nam mij in allen gevalle in dat opzicht te verbeteren en te loei en dansen. Ik zeide ma, dat ik mij voor mij zelve schaamde en moest loeren dansen. Ma keek mij aan op die hatelijke manier van haar, alsof ik niet in het bereik van haar gezicht was; maar ik had vast voorgenomen om te loeren dansen, en zoo gina\' ik naar mijnheer Turveydrop\'s dans-academie in Newman-street,quot; — „Rn was het daar, lieve,quot; begon ik. „Ja, daar was hot,quot; zeide (\'addy, „en ik ben nui mijnheer Turveydrop geëngageerd. Er zijn twee hoeren Turveydrop, vader en zoon. Mijn mijnheer Tur veydrop is de zoon natuurlijk. Ik wonschte maar. dat ik beter was opgevoed en eene betere vrouw voor hom kon worden, want ik houd heel voel van liem.quot; —- Hot spijt mij dit te Imoivn, moei ik bekennen,quot; zeide ik. ,, Ik weet niet waarom het ii spijten zou,quot; antwoordde zij, een weinig angstig naar het scheen; „maar hoe dat zij, ik ben met mijnheer Turveydrop geëngageerd en hij houdt heel veel van mij. liet is nog mi go helm, zelfs aan zijn kant, omdat de oude heer Turveydrop aandeel aan de dansschool heeft, en hel hem hot hart zou breken, of anders toch oen schok geven, als het hom op eens gezegd werd. De oude heer Turveydrop is oen uiterst fatsoenlijk man uitorstfatsoonlijk.quot; - „Weet zijne vrouw er van ?quot; vroeg Ada. „De vrouw van den ouden heer Turveydrop?quot; antwoordde Caddy, met wijdgeopende oogen. „Wel. er is zoo iemand niet. Hij is weduwnaar.quot;

Wij werden hier door l\'eepy gestoord, aan wiens been zijne zuster, als zij iets met nadruk | zeide. zat te trekken en te rukken alsof hot eene schelkoord was, hetgeen hem zoo zeer deed, dat hij zich nu met een zeer treurig geluid owr zijn


-ocr page 100-

\',tl

lijden begon te beklagen. Daar hij mij om meck-lijden aanriep, en ik slechts toeluisterde, nam ik op mij om hem vast te houden. Jonge jut\'-frouvv Jellyby ging, na met een kus [\'eepy\'s vergiffenis gevraagd en hfcm verzekerd te hebben, dat zij hot niet zoo gemeend had, weder voort.

«Zoo staan de zaken,quot; zeide zij. „Als ik ooit mij zelve iets verwijt, denk ik toch altijd, dat het ma\'s schuld is. Wij zullen trouwen wanneer wij kunnen, en dan zal ik naar pa\'s kan-looi1 gaan en aan ma schrijven. Het zal haar niet zeer ontroeren ; Ik ben voor h a a r maar pen en Inkt. Ken groote troost is,1 zeide Caddy met een snik, „dat ik nooit meer van Afrika zal hooren als ik getrouwd ben. De jonge mijnheer Turveydrop haat dat land om mijnentwil; en als de oude heer weet, dat er zulk eenc plaats is, zal het al veel zijn.quot; „Hij was liet, dien gij zoo uiterst fatsoenlijk hebt genoemd, als ik wel heb,quot; zeide ik. — „Ja.quot; zeide Caddy, „hij is bijna overal vermaard om isfjne welgi•manier»! h\'-id,quot; „( 1\' •.•ft hij daarin dan les ?quot; vi gt;• .\\\';a.

„Neen, hij geeft geen les In leis bijzonders,quot; antwoordde Caddy. „Maar zijne welgemanierdheid is uitstekend.quot;

Caddy zeide vervolgens, met veel schroom en tegenzin, dat er nog iets was, dat zij ons wenschte te doen weten, en begrBëp, dat wij het moesten weten en hoopte, dat wij het niet kwalijk zouden nemen. Hit was, dat zij nader kennis had gemaakt, met juffrouw Kilte, dat half gekke oude vrouwtje; dat zij dikwijls s morgens vroeg daar naar toe ging. en haar minnaar voor het ontbijt eenlgi minuten lang sprak eenlge minuten maar. „ik ga daar ook wel op and\' ie uren,quot; zeide Caddy, „maar dan komt Prince er niet. !gt;• jonge mijnheer Turveydrop heet Prince; Ik wenschte wel, dat hij zoo niet heette, want het klinkt alsof het een hondennaam was, rnaar hij heeft natuurlijk zich zeiven niet gedoopt. De oude heer Turveydrop heeft hem zoo laten doopen, ter gedachtenis van den prins-regent. Ik hoop, dat gij niet slechter over mij denken zult. omdat ik die afspraakjes by juffrouw Kilte heb gemaakt, waar ik eerst met u gekomen ben-, want ik houd veel van le i arme juffrouwtje zelve, en ik geloof, dat zij ook van mij houdt. Als gij den jongen mijnheer Turveydrop maar eens kondt zit n, ben ik zeker, dat gij goed over hem zoudt denken ten minste ben ik Z( kor, dat gij onmogelijk kwaad van hem zoudt kunnen denken, ik durf u niet vragen om met mij mei te gaan, juffrouw Snmmerson; als gij dat doen woudt,quot; /.• ide • iddy, dl( met groeten ernst en al bevende had gesproken, „zou Ik heel

idij wezen - heel blij.*

Toevallig hadden wij juist met mijn voogd afgesproken om dien dag naar juffrouw Kilte ■ g.ian Wij hadden hem van ons vorig bezoek verteld, en ons berieht had zijne belangstelling opgewekt; maar er was altijd iéts geweest, dat ons verhinderde daarheen te gaan. Daar ik vertrouwde genoegzamen Invloed op jonge juffrouw Jellyby te hebben om haar van een roekeloozen stap terug te houden, als Ik bereidwillig aan het vertrouwen beantwoordde, dat het arme meisje in mij stelde, stelde ik voor, dat zij, ik en Peepy naar de dans-aca-demle zouden gaan, en naderhand mijn voogd en Ada bij juffrouw Klite afwachten, wier naam Ik nu voor de eerste maal hoorde. Dit was op voorwaarde, dat jonge juffrouw Jellyby en Peepy met ons zouden terugkomen om te eten. Toen het laatste punt van liet verdrag door beiden met blijdschap was ingewilligd, knapten wij Peepy, met behulp van eenlge spelden, wat zeep en water en een haarborstel, wat op, en gingen uit, onze schreden naar Newman-Street richtende, dat zeer dichtbij was.

Ik vond de dans-academie gevestigd in een tamelijk smerig huls op den hoek van eene poort, met borstbeelden In al de trapvensters. In hetzelfde huls woonden ook, gelijk ik uit de plaatjes op do deur vernam, een teeken-ineester. een steenkolenkooper (voor zijne steenkolen was er zeker geen plaats) en een lithograaf, Op ei ne plaat, die door grootte en plaatsing boven al de anderen uitblonk, las ik ,.M r, \'I u r v e y d r o p.\' De deur stond open, en het voorhuis was gebarricadeerd met eene groote piano, eene harp en verscheidene andere muziekinstrumenten in kisten, die zachtjes aan werden weggehaald, en er bij dag niet ooglijk uitzagen. Jonge juffrouw Jellyby onderrichtte mij, dat de danszaal den vorigen avond voor een concert was geleend.

Wij gingen naar boven — het was eens een fraai en deftig huis geweest, toen het nog iemands zaak was om het schoon en knap te houden, en niemands zaak om er den gehee-len dag in te rooken en kwamen in mijnheel- Turveydrop\'s groote zaal, die achteruit boven een stal was gebouwd en door een lantarenvenster werd verlicht. Het was een kaal, holklinkend vertrek, dat een stalreuk had, met banken langs de muren en die muren op ge-n gelde afstanden versierd met geschilderde lieren en kleine kristallen armblakers voor kaarsen, die hunne oudervvetsche bellen schenen te strooien gelijk verdorde boomtakken hunne bladeren. Vorscheidene leerlingen, meisjes van dertien of veertien jaren tot twee of drie en twintig, waren hier verzameld, en Ik keek naar den onderwijzer rond, toen Caddy mij in den arm kneep en het introduclleformuljeruitsprak ; „Juffrouw Sumrnerson, mijnheer Prince Turveydrop.quot;

Ik neeg voor een klein heertje met eene blanke kleur, blauwe oogen en eert jeugdig voorkomen, wiens vlasblonde haren in het midden gescheiden waren en hem krullend om het hoofd


-ocr page 101-

\\v !•; I ,i; k M a x 11:1\' i) h i; i n.

\'.tr,

hiMgen Hij liitfl eeue kleine viool onder den linkerarm en den strijkstok in de linkerhand. Zijne dansschoentjes waren buitengemeen klein, c^n hij had iets onschuldigs en vrouwelijks in zijn voorkomen, dat. mij niet alleen voor hem innam, maar ook den zonderlingen indruk op : mij maakte, dat het mij deed denken, dat hij ui) zijne moeder geleek, en dat zijne moeder | niet veel geacht of wel behandeld was geworden,

„Het verheugt mij zeer juffrouw Jellyhy\'s vriendin te zien,quot; zeide hij, met eene diepe buiging voor mij. „Ik begon te vreezen,quot; met schroomvallige teederheid, „daar het al over den tijd was, dat juffrouw Jell\\by niet zou komen.quot;

„Ik verzoek u de goedheid te willen hebben om dat aan mij toe te schrijven, die haar 1 heb opgehouden, mijnheer, en mijne verontschuldigingen aan te nemen,quot; zeide ik. — „O Iquot; zeide hij. „En hiat ik mogen verzoeken.quot; : vervolgde ik, „geene oorzaak van nog meer ! oponthoud te zijn quot;

Met deze verontsehnldiging nam ik plaats op eene bank, tusschen Peepy (die daaraan wel gewoon, reeds in een hoekplaatsje wasgeklau-j terd) en eene oude dame met een gemelijk uitzicht, wier twee niehtjes onder de leerlingen behoorden, en zeer verontwaardigd waren over Peepy\'s schoentjes. Prince Turveydrop streek , eens met een vinger over de snaren zijner | viool, en de jonge juffertjes stonden op om te gaan dansen. Juist toen verscheen, uit eene zijdeur, de oude heer Turveydrop, in den vollen glans zijner welgemanierdheid.

Hij was een zwaarlijvig oud heer,met eene valsche kleur, valsche tanden, valsche bakke | baarden en eene pruik. Hij droeg een bonten • kraag, en de borst van zijn rok was hoog opgevuld; er ontbrak maaifeene ster of een breed blauw lint aan om geheel compleet te zijn. Hij was zoo eig ingepend en opgezet, en uitgerekt en neergetrokken, als hij maar met; mogelijkheid kon uithouden. Hij had zulk eene das om (die zijne oogen, veel meer dan natuurlijk was, deed uitpuilen, en waarin zijne kin, ja zelfs zijneooren wegzonken) dat het scheen alsof hij, indien zij werd losgemaakt, onvermijdelijk in elkander zou moeten zakken. Hij had. onder zijn arm. een hoed vati grooten omvang en zwaarte, die van don bol naar den rand schuins afliep, en in zijne hand een paar witt.; handschoenen, waarmede hij dien hoed afklopte, terwijl hij op zijn ééne been stond te balanceeren, in eene | houding, met hoog opgetrokken schouders en geronde ellebogen, dieonvergelijkelijk elegant was. I ilij had een rotting, en een lorgnet, en eene ! snuifdoos, en mouwboorden hij had alles behalve een zweempje van natuurlijkheid; hij geleek niet naar een jong rnenseh, en ook niet : naar een oud man, hij geleek naar niets in de wereld dan naar een model van welgemanierdheid,

„Vader 1 Kene visite. JuPrpuw Jellybv\'s vriendin, ju fïrouw Hammerson.quot; „Zeer vereerd,quot; zeide mijnheer Turveydrop „door juffrouw Bum-m er son\'s tegenwoordigheid.quot; Toen hij in dien ingependen toestand voor mij boog, meende ik kreukjes in het wit van zijne oogen te zien komen. - „Mijn vader,quot; zeide Prince, ter zijde tot mij, met een waarlijk aandoenlijk geloof aan hein, „is een beroemd persoon. Mijn vader wordt algemeen bewonderd.quot; „Ga voort. Prince ! Ga voort!quot; zeide mijnheer Turveydrop. met zijn rug naar het vuur staande, m goedgunstig met zijne handschoenen wuivende, „(la voort, mijn zoon!quot;

Op dil bevel, of na dit genadig verlof, werd do les voortgezet. Prince Turveydorp speelde somtijds, al dansende, op de viool; somtijds speelde hij, staande, op di: piano;somtijds neuriede hij, met zooveel adem als hij over had, de wijs, terwijl hij eene leerlinge te recht zette; altijd deed hij zorgvuldig met de ininstgevorderde de passen en figuren méde; nooit gunde hij zich een oogenblik rust. Zijn beroemde vader deed niets hoegenaamd, behalve dat hij als een model van welgemanierdheid voorliet vuurstond.

J\'.n hij doet nooit iets anders.quot; zeide de oude dame met hef gemelyke gezicht. „ En zoudt gij toch gelooven, dat z ij n naam op de deur staat ?quot;

.Zijn zoon heeft denzelfden naam, zooals ge weet,quot; zeide ik. .Hij zou zijn zoon geheel geen naam laten, als hij hem dien kon afnemen.quot; antwoordde de oude dame. „Zie maar eens naar zijn zoons kleeren.quot; Zeker was zijne kleeding slecht kaal gesleten bijna smerig. „En toeh moei de vader opgeschikt en opgeflikt wezen,quot; zeide de oude dame, „om zijne welgemanierdheid I Ik zou hem wel andere manieren leeren!quot;

Ik werd nieuwsgierig om meer van dien man te weten, en vroeg: „Geeft hij nog les in de welgemanierdheid?\'\' „Nog!quot; antwoordde de oude dame kortaf. „Nooit gedaan.quot;

Na, eene poos bedenkens zeide ik, dat het schermen misschien zijn talent was geweest.

„Ik geloof zelfs niet. dat hij kan schermen, juffrouw.quot; antwoordde de oude dame.

Ik zag haar verwonderd en vragend aan. De oude darne. die zich onder het voortspreken al moor en meer boos op den meester i n do welgemanierdheid maakte, gaf mij eenigi bijzon* derheden van zijn leven, niet krachtige verzekeringen, dat /.ij alles nog zeer verzachtte.

Ilij was mei een dansmeester»•*ji• gi•(rouwd, dat een zoer zacht humeur en eene tamelijke klandizie had, (hij zelf had vroeger nooit iets gedaan dan zijne welgemanierdheid getoond) en had haar zich laten doodwerken, om hem van geld te voorzien voor de uitgaven, die in zijne positie onvermijdelijk waren. Te gelijk om zijne welgemanierdheid aan de beste niódellen te vertoonen, en om de beste modellen gedurig voor zijne oogen te kunnen hebben, had hij het


-ocr page 102-

Ü1

! lijden begon to bekladen. Daar hij mij om medelijden aanliep, en ik slechts toeluisterde, nam ik op mij om hem vast te houden. Jonge juffrouw Jullyby ging, na met «.-en kus Peepy\'s ! vergiffenis gevraagd en lu-m verzekerd te hebben, dat zij het niet zoo gemeend had, weder voort.

„Zoo staan dlt;- zaken,quot; zeide zij. ,Als ik ooit mij zelve iets verwijt, denk ik toch altijd, dat hei ma\'s schuld is. Wij zullen trouwen wanneer wij kunnen, en dan zal ik naar pa\'s kan-tooi\' gaan en aan ma schrijven. Het zal haar niet zeer ontroeren; ik ben voor haa r maar pen en inkt. Een groote troost is.quot; zeidu Caddy hut i\'en snik, „dat ik nooit mlt;-er van Afrika zal hooren als ik getrouwd ben. De Jonge mijnheer Turveydrop haat dat land om mijnentwil; en als de oude heer weet, dat er zulk eene plaats is. zal het al veel zijn.quot; „Hij was hot, dien gij zoo uiterst fatsoenlijk hebt genoemd, als ik wol heb,quot; zeide ik. — „.Ta,quot; zeidf Caddy, „hij is bijna overal vermaard om z^jne welgemanierdheid.quot; „Gi eft hij daarin dan 1lt; s-.quot;* vroeg Ada.

„Neen. hij g ■■ft gi-ni llt;-s in ids bijzonders,quot; antwtjorddi: (Jadd.v. „Jlaar zijne welgemanierdheid is uitstekend.quot;

Caddy zdde vervolgens, met vn l schroom en tegenzin, dat er nog iets was. dat zij ons wenschte te doen woteu, en begreep, dat wij het moesten weten en hoopte, dat wij het niet kwalijk zouden nemen. Het was, dat zij nader kenfits had gemaakt met jufirouw Flite, dat half gekke oude vrouwtje: dat zij dikwijls \'s morgens vroeg daar naar toe ging. en haar minnaar voor het ontbyt eenige minuten lang sprak eenige minuten maar, „Ik ga daar ook wel op andere uren,quot; zeide Caddy. ..maar dan komt Prince er niet. H jonge mijnhei. r Turveydrop heet Prince; ik wenschte wel, dat hij zoo niet heette, want het klinkt alsof het een hondennaam was, maar hij heeft natuurlijk zich zeiven niet gedoopt. De oude lieer Turveydrop heeft hem zoo laten doopen, ter ge daelitenis van den prins-resent. Ik hoop, dat gij niet slechter over mij denken zult. omdat ik die afspraakjes bij juffrouw Flite heb gemaakt, waar ik eerst tnlt; t u gekomen ben; want ik houd veel van het arme juffrouwtje zelve, en ik geloof, dat zij ook van mij houdt. Als gij den jongen mijnheer Turveydrop maar eens kondt zien, ben ik zeker, dat gij goed over hern zoudt denken ten minste ben ik zeker, dat gij onmogelijk kwaad van hem zoudt kunnen denken. Ik durf u niet vragen om met mij mee te gaan, juffrouw JSummeison; als trij dat • ioen wondt,quot; z.eido 1 .iddy. die met groeten ernst en al bevende had gesproken, „zou ik Ie el

blij wezen heel l)]ii quot;

Toevallig hadden w ij juist met mijn voogd afgesproken om dien dag naar juffrouw Flite t» gaan Wij hadden hom van ons vorig bezoek verteld, lt; n ons bericht had zijne belangstelling opgewekt; maar er was altijd iets geweest, dat ons verhinderde daarheen te gaan. Daar ik vertrouwde genoegzamen invloed op jonge juffrouw Jellyby te hebben om haar van een roekeloozen stap terug te houden, als ik bereidwillig aan het vertrouwen beantwoordde, dat het arme meisje in mij stelde, stelde ik voor. dat zjj. ik en Peepy naar de dans-aca-domie zouden gaan, en nad(\'rhand mijn voogd en Ada bij juffronw Flite afwachten, wier naam ik nu voor de eerste maal hoorde, Dit was op voorwaarde, dat jonge juffrouw Jellyby en Peepy met ons zouden terugkomen om te eten. Toen het laatste punt van het verdrag door beiden met blijdschap was ingewilligd, knapten wij Peepy, met behulp van eenige spelden, wat zeep en water en een haarborstel, wat op, en gingen uit. onze schreden naar Newman-y t r e e t richtende, dat zeer diehtbij was.

Ik vond de dans-acadeinie gevestigd in een tamelijk smerig huis op den hoek van eene poort, met borstbeelden in al de trapvensters. In hetzelfde huis woonden ook, gelijk ik uit de plaatjes op de deur vernam, een toeken-mééster. een stoenkolenkÖoper (voor zijnestoen-kolen was er zeker geen plaats) en een lithograaf. Op eene plaat, die door grootte en plaatsing boven al de anderen uitblonk, las ik „Mr. Turveydrop.\' De deur stond open, en het voorhuis was gebarricadeerd met eene groote piano, eene harp en verscheidene andere muziekinstrumenten in kisten, die zachtjes aan werden weggehaald, en er bij dag niet ooglijk uitzagen. Jonge juffrouw Jellyby onderrichtte mij. dat de danszaal den vorigon avond voor een concert was geleend.

Wij gingen naar boven ---het was eens een fraai en deftig huis geweest, toon het nog iemands zaak was om hot schoon en knap te honden, en niemands zaak om er den gehee-len dag in te rooken en kwamen in mijnheer Turveydrop\'s groote zaal, die achteruit boven een stal was gebouwd en door oen lantarenvenster werd verlicht. Het was een kaal, holklinkend vertrek, dat een stalreuk had, met banken langs de muren én die muren op go-regelde afstanden versierd met geschilderde lieten en kleine kristallen armblakers voor kaarsen, die hunne ouderwetsche bellen schenen te strooien gelijk verdorde boomtakken hunne bladeren. Verscheidene leerlingen, meisje- van dertien of veertien jaren tot twee of drie en twintig, waren hier verzameld, en ik keek naar den onderwijzer rond, toen raddy mij in den arm ktieep en het introductioformulioruitspi alï : „Juffrouw ïSummorson. mijnheer Prince Turveydrop.quot;

Ik neeg voor een klein heertje mot eene blanke kleur, blauwe oogen en ■onjeugdig voorkomen, wiens vlasblonde haren in het midden gescheiden waren en hem krullend om het hoofd


-ocr page 103-

WKlJiKMANI KK\'DIIKIl).

hingen Hij had eene kleine viool onder den linkerarm en den strijkstok in de linkerhand. Zijne dansschoentjes waren buitengemeen klein, en hij luid iets onschuldig.-* en vrouwelijks in zijn voorkomen, dat mij niet alleen voor hem innam, maar ook den zonderlingen indruk op mij maakte, dat het mij deed denken, dat hij op zijne moeder geleek, en dat zijne moeder niet veel geacht of wel behandeld was geworden.

„liet verheugt mij zeer juffrouw Jellytiy\'s vriendin te zien,quot; zeide hij. niet eene diepe buiging voor mij. ,lk begon te vreezen,quot; niet schroomvallige toedorheid, „tiaar het al over den tijd was, dat juffrouw Jellyby niet zou komen.quot;

„Ik verzoek u de goedheid te willen hebben om dat aan mij toe te schrijven, die haar heb opgehouden, mijnheer, en mijne verontschuldigingen aan te nemen,quot; zeide ik, — „O !quot; zeide hij, „En laat ik mogen verzoeken,quot; vervolgde ik, „geene oorzaak van nog meer oponthoud te zijn quot;

Met deze verontschuldiging nam ik plaats op eene bank, tusschen Peepy (die daaraan wel gewoon, reeds in een hoekplaatsje was geklauterd) en eene oude dame met een gemelijk uitzicht, wier twee nichtjes ónder de leerlingen behoorden, en zeer verontwaardigd waren over Peepy\'s schoentjes. Prince Turveydrop streek eens met een vinger over de snaren zijner viool, en de jonge juffertjes stonden op om te gaan dansen. Juist toen verscheen, uit eene zijdeur, de oude heer Turveydrop, in den vollen glans zijner welgemanierdheid.

Mij was een zwaarlijvig oud lieer, met eene valsche kleur, valsche tanden, valsche bakkebaarden en eeno pruik. Hij droeg een bonten kraag, en de borst van zijn rok was hoog opgevuld: er ontbrak maar eene ster of een breed blauw lint aan om geheel compleet tc zijn. Hij was zoo erg ingepend en opgezet, en uitgerekt en neergetrokken, als hij maar met mogelykheid kon uithouden. Hij had zulk eene das om (die zijne oogen, veel meer dan natuurlijk was, deed uitpuilen, en waarin zijne kin, ja zelfs zijne ooren wegzonken) dat hel scheen alsof hij, indien zij werd losgemaakt, onvermijdelijk in elkander zou moeten zakken. Hij had, onder zijn arm, een hoed van groeten omvang en zwaarte, die van den bol naar den rand schuins atliep, en in zijne hand een paar witte handschoenen, waarmede hij dien hoed afklopte, terwijl hij op zijn ééne been stond te balanceeren, in eene houding, met hoog opgetrokken schouders en geronde ellebogen, dieonvergelijkelijk elegant was. Hij had een rotting, en een lorgnet, en eene snuifdoos, en mouwboorden hij had alles behalve een zwi-empje van natuurlijkheid; hij geleek niet naar een jong menseh, en ook niet naar een oud man, hij geleek naar niets in de wereld dan naar een model van welgemanierdheid.

„Vader! Eene visite. JUttrpuw Jellyby\'svriendin, juffrouw Summerson,quot; „Zeer vereerd,quot; zeide mijnheer Turveydrop „door juffrouw Sum-merson\'s tegenwoordigheid.quot; Toen hij in dien ingependen toestand voor mij boog, meende ik kreukjes in het wit van zijne oogen te zien komen. „Mijn vader.quot; zeide Prince, ter zijde tot mij, met een waarlijk aandoenlijk geloof aan hem, „is oen beroemd persoon. Mijn vader wordt algemeen bewonderd.quot; „Ga voort. Prince 1 Ga voort Iquot; zeide mijnheer Turveydrop. met zijn rug naar het vuur staande, en goedgunstig met zijne handschoenen wuivende, „(la voort, mijn zoon!quot;

Gp dit bevel, of na dit genadig verlof, werd de les voortgezet. Prince Turveydorp speelde somtijds, al dansende, op de viool; somtijds speelde hij, staande, op de piano; somtijds neuriede hij, met zooveel adem als hij over had, de wijs, terwijl hij eene leerlinge te recht zette; altijd deed hij zorgvuldig met de minstgevorderde de passen en figuren mede; nooit gunde hij zich een oogenblik rust. Zijn beroemde vader deed niets hoegenaamd, behalve dat hij als oen model van welgemanierdheid voorliet vuur stond.

„En hij doet nooit i\'cts anders.\' zeide de oude dame met het gemelijke gezicht. „Enzoudtgij toch gelooveai, dat zij n naam op de deur staat?quot;

„Zijn zoon heeft denzelfden naam,zöoals ge weet,quot; zeide ik. „Hij zou zijn zoon geheel geen naam laten, als hij hem dien kon afnemen.quot; antwoordde de oude dame. „Zie maar eens naar zijn zoons kleeren.quot; Zeker was zijne kleeding slecht kaal gesleten bijna smerig. „En toch moet de vader opgeschikt en opgeflikt wezen,quot; zeide de oude dame, „om zijne welgemanierdheid 1 ik zou hem wel andere manieren loeren!quot;

ik werd nieuwsgierig om meer vandien man te weten, en vroeg: „Geeft hij nog les in de welgemanierdheid?* „Nog !\' antwoordde de oude dame kortaf, „Nooit gedaan.quot;

Na eene poos bedenken^ zeide ik, dat lu i schermen misschien zijn talent was geweest.

„Ik geloof zelfs niet, dat hij kan schermen, juffrouw,\' antwoordde do oude dame.

Ik zag haar verwonderd en vragend aan De oude dame, die zich onder liet voortspreken al meer en meer boos op den meestor i n de wel-gemanierdheid maakte, gaf mij eenigo bijzón-dorheden van zijn loven, mol, krachtige verzekeringen, dat zij alles nog zet-r verzachtte.

Hij was mei een dansmeesteresje getrouwd, dat een zeer zacht humeur en eene tanu lijke klandizie had, (hij zelf had vroeger nooit iets gedaan dan zijne welgemanierdheid getoond) en had haar zich laten doodwerken, om hem van geld te voorzien voor de uitgaven, die in zijne positie onv( rmydolijk waren. Te gelijk om zijne welgemanierdheid aan de beste modellen te vortoonen. en om de beste modellen gedurig voor zijne oogen te kunnen hebben, had hij hot


-ocr page 104-

«6 HET VEKIJ

noodig bevonden alle verzamelplaatsen der mo-devvereld te bezoeken, zich in het seizoen te B r i g h t o n en elders te laten zien, en kostbaar gekleed ledig te loopen. Om hem daartoe in staat te stellen, had het liefderijke dansmeesteresje gewerkt en gezwoegd, en zou zij tot op dat uur gewerkt en gezwoegd hebben, als hun krachten zoolang geduurd hadden. Want het merkwaardigste van het verhaal was, dat in spijt van mynheer Turveydrop\'s overdrevene baatzucht, zijne vrouw (door zijne welgemanierdheid verblind) tot het laatste toe in hem geloofd had, en hem, op haar sterf bed, met de aandoenlijkste bewoordingen aan haar zoon had toevertrouwd, als iemand, die een onverjaarbaar recht op hem had, op wien hij niet trotsch genoeg kon z\\jn, en wien hij nooit genoeg eerbied kon betoonen. De zoon, die het geloof zijner moedor had ge-erfd, en deze welgemanierdheid altijd voor zich had, was altijd in dezelfde verblinding gebleven; en nu, dertig jaren oud, werkte hij nog twaalf uren daags voor zijn vader, en zag hy nog met denzolfden eerbied naar de oude denkbeeldige hoogte op.

„En zulk een air als de kerel zich geeft,\' zeide mijne berichtgeefster, metsprakelooze verontwaardiging haar hoofd tegen mijnheer Tur-veydrop schuddende, terwijl hij zijne nauwe handschoenen stond aan te trekken, natuurlijk onbewust vim de hulde, die zij hem bewees. ..Hij gelooft: vast, dat hij tot. de aristocratie behoort En hij is zoo minzaam voor den zoon, dien hij zoo gruwelijk bij den neus heeft, dat gij hem voor den allerbraafsten vader zoudt kunnen houden. O!quot; zeide deoud\' dame. met onbe-scluijfelijke heftigheid het woord tot hem richtende, .ik zou u wel kunnen bijten.quot;\'

Ik kon niet nalaten te lachen, schoon hetgeen zij mij zeide mij waarlijk leed was. Het was moeielijk er aan te twijfelen, terwijl ik vader en zoon voor mij had. Wat ik van hen zou gedacht hebben zonder het bericht der oude dame, of wat ik van het bericht der oude dame zou gedacht hebben zonder hen, kan ik niet zeggen. Het een paste zoo geheel by het ander, dather geheel onweerstaanbaar overtuigend was.

Mijne oogen zwierven nog van den jongen mijnheer Turveydrop, die zoo hard werkte, naar den i.iideti mijnheer Turveydrop. die zijne wel gemanierdheid zoo heerlijk liet uitblinken, toon di laatste naar mij toe kwam trippelen en in gesprek trad.

I lij vroeg mij vooreerst, of ik L o n d en geene groot o eer bewees en eene groote bekoorlijkheid mededeelde door er te komen wonen? Ik achtte het niet noodig te antwoorden, dat ik zeer wol wist dit in geen geval te zullen doen, maar zeide hem eenvoudig waar ik woonde

..Iv-ne dame zoo vul bevalligheid ea talenten,quot; zeidf hij. zijn rechterhandschoen kussende en ei- daarna mede naar de leerlingen zwaaiende.

TEN IIl is.

„zal al het hier ontbrekende wel met ooglui- ! king beschouwen. Wij doen ons best om te polijsten altijd polijsten polijsten\'!\'

1 lij zette zich naast. mij. zich moeite gevende, naar mij dacht, om op de bank de houding aan te nemen, waarmede zijn doorluchtig model op I de sofa was afgebeeld. Inderdaad, hij geleek j er zeer naar.

„Polijsten polijsten — polijsten!quot; herhaalde { hij, een snuifje manende, en zachtjes met zijne vingers wuivende. „Maar men is niet meer -als ik zoo zeggen mag tot iemand, door natuur j en kunst met zooveel sierlijks begaafd,quot; eene : buiging met opgetrokken schouders, die hij on- ! mogelijk scheen te kunnen doen zonder te ge- | lijk zijne wenkbrauwen op te trekken en zijne i oogen te sluiten, „wat men placht te zijn op ; het punt van welgemanierdheid.quot; - „Niet. mijn- | heer?\' zeide ik. — „Men is zeer verbasterd,quot; I antwoordde hij, zijn hoofd schuddende, hetgeen | hij, uit hoofde van zijne das, maar eventjes kon : doen. „Eene eeuw, die alles gelijk wil maken is niet gunstig voor de welgemanierdheid. Zij be j vordert de ongemanierdheid. Misschien spreek ik ; niet zonder partijdigheid. Misschien voegt het mij 1 niet te zeggen, dat ik reeds sedert jaren gentleman Turveydrop ben genoemd, of dat Zijne Koninklijke Hoogheid de Frins-Begent, toen hij he t paviljoen te B r i g h t o n (dat fraaie gebouw i kwam uitrijden, en ik mijn hoed voor hem afnam, mij de eer heeft bewezen van te zeggen; „Wie is hij? Wie duivel is hij ? Waarom ken ik hem niet ? Waarom heeft hij geen dertig duizend pond ?s jaars?quot; Maar dit zijn kleine anekdoten — algemeen eigendom, mejuffrouw — die nog nu en dan onder de hoogere klassen worden verteld.quot; „Inderdaad?quot; zeide ik.

Hij antwoordde met zijne sierlijke buiging. „Waar zooveel als ons van de welgemanierdheid nog overt il ij ft. moet gezocht worden. E n g e I a nd helaas, mijn vaderland! — is zeer verbasterd, en verbastert nog meer mot eiken dag. Er zijn niet vele gentle m e n meer over. Wij zijn gering in getal. En ik zie niets om ons op te volgen dan een geslacht van wevers.quot; „Men zou hopen, dat het geslacht van g e n 11 e m e n hier in stand zoti blijven,quot; zeide ik,— „Oljzijtwel goed!\' antwoordde hij glimlachend, alweder met zijne buiging. „Oy vleit mij. Maar, neen — neen! Ik ben nooit in staat geweest om mijn armen zoon dat gedeelte van zijne kunst bij te brengen. l gt;e hemel verhoede, dat ik mijn dierbaar kind zoube-lasteren, maar hy heeft geene welgemanierdheid.quot; ..1 lij schijnt toch een uitmuntend meester te zijn,quot; merkte ik aan. — „Versta mij wel, mejuffrouw, hij is oen uitmuntend meestor. Al wat gelee}*\' I kan worden, heeft hij geloerd. Maar er zijn dingen,quot; hij nam nog een snuifje, en maakte nog eens zijne buiging, als wilde hij er bijvoegen: „deze dingen, bij voorbeeld.quot;

Ik zag naar het midden van de zaal, waar (\'ad-


-ocr page 105-

.MI.1NIIEKR Tl l.\'VEYDROI\' SMMoi; l\'WIJST ZIJN ZOON.

dy\'s minnaar, nu met enkele leerlingen bezig, zich nog moer inspande dan te voren.

„Mijn beminnenswaardig kind,quot; proveldomijn-heer Turveydrop, zijne das verschikkende. ,liw zoon is waarlijk onvermoeibaar,quot; zeide ik. „Het is eene belooning voor mij,quot; antwoordde mijnheer Turveydrop, ,u zoo te hooren zeggen. In sommige opzichten treedt hij in de voetstappen zijner gezaligde moeder. Zij was een wezen vol liefde en trouw. Maar gij vrouwen, beminnelijke vrouwen,quot; zeide mijnheer Turveydrop, met zeer onaangename galanterie, .wolk eene sekse zijt gij!quot;

Ik stond op en ging naar jonge juffrouw Jel-ton, om drie uur.quot; ,,Dan heb ik den tijd nog, vader,quot; zeide Prince, „om haastig wat te eten, en dan ga ik heen.quot; „Mijn beste jongen,quot; antwoordde zijn vader. „Gij zult u zeer moeten haasten. Gij zult het koude schapen-vleesch nog op de tafel vinden.quot; - „Bedankt, vader. Gaat gij nu uit, vader?quot; „Ja, mijn jongen, ik meen,quot; zeide mijnheer Turveydrop, met bescheiden gevoel van eigenwaarde, zijne oogen sluitende en zijne schouders ophalende, „dat ik mij, volgens gewoonte, in de stad behoor te vertoonen.quot; „(lij moest dan liever ergens op uw gemak gaan eten,quot; zeide de zoon.

- „Dat ben ik voornemens, mijn dierbaar kind.


(Blz 9!i),

lyby, die nu haar hoed opzette. De les scheen afgeloopen, en er had een algemei n hoedopzet-ten plaats. Wanneer jonge juffrouw Jellyby en de ongelukkige l\'rineo gelegenheid hadden gevonden om zich met elkander te engageeren weet ik niet, maar ditmaal hadden zij zeker geene gelegenheid om een dozijn woorden te wisselen.

„Mijn waarde,quot; zeide mijnheer Turveydrop zeer minzaam tot zijn zoon, „weet gij wel hoe laat het is?quot; „Neen vader.quot; De zoon had geen horloge. De vader had er een van goud en zeer fraai, dat hij nu uithaalde met een air, waaraan het menschdom ren voorbeeld had kunnen nemen. „Mijn zoon,quot; zeide hij, „het is twee uur. Denk om uwe school te K c n s i n g-

Ik zal denk ik, mijn d i n e r t j e bij den Franschen kok, in de Opera-kolonnade gaan gebruiken.quot;

„ 1 \'at is goed. Goedendag dan, vader.quot; zeide Prince, hem de hand gevende. „Goedendag, mijn zoon. God zegen u!quot;

Mijnheer Turveydrop zeide dit op een vromen toon, en het scheen zijn zoon goed te doen. Prince was, toen hij heenging, blijkbaar zoodanig met zijn vader ingenomen, zoo vot eerbied voor hem. en zoo trotsch op hem, da-het mij bijna was alsof ik den jongen man ver! ongelijkte door niet blindelings in den ouden te kunnen gelooven. De weinige oogenblikken, die Prince nog besteedde om al\'srheid van ons te nemen, (inzonderheid van een van ons, gelijk


Üicki.ns, //lt;/ ralnltn Hun.

-ocr page 106-

HET VEI;LATEN Ili\'IS

noodig bevonden alle verzamelplaatsen der mo-devvcrold te bezoeken, zich in het seizoen te Brighton en elders to laten zien, en kostbaar gekleed ledig te loopen. Om hem daartoe in staat te stellen, had het liefdi rijke dansmeesteresje gewerkt en gezwoegd, en zou zij tot op dat uur gewerkt en gezwoegd hebben, als hare krachten zoolang geduurd hadden. Want het merkwaar-digsti \' van het verhaal was, dat in spijt van mijnheer Tnrveydrop\'s overdrevene baatzucht, zijne vrouw (door zijne welgemanierdheid verblind) tot het laatste toe in hem geloofd had, en hem, op haar sterfbed, met deaandoenliikstebewoordingen aan haar zoon had toevertrouwd, als iemand, die een onverjaarbaar recht op hem had, op wien hij niet trotsch genoeg kon zijn, en wien hij nooit genoeg eerbied kon betoenen. De zoon, die het geloof zijner moeder had geërfd, en deze welgemanierdheid altijd voor zich had. was altijd in dezelfib\' verblinding gebleven ; en nu, dertig jaren oud, werkte hij nog twaalf uren daags voor zijn vader, en zag hij nog met denzclfden eerbied naar de oude denkbeeldige hoogte op.

,,En zulk een air als de kerel zich geeft,1 zi ide inijno berichtgeefster, metsprakelooze verontwaardiging haar hoofd tegen mijnheer Tur-vrydrop schuddende, terwijl iiij zijne nauwe handschoenen stond aan te trekken, natuurlijk onbewust van de hulde, die zij hem bewees. „Hij gelooft vast, dat hij tot de aristocratie behoort. En liij is zoo minzaam voor den zoon, da-n hij zoo gruwelijk bij den neus heeft, dat gij hem voor den allerbraafsten vader zoudt kunnen houden. O!quot; zeide de oude dame, met onbe-schrijfelijko heftigheid het woord tot hem richtende, „ik zou u wel kunnen bijten.\'\'

Ik kon niet nalaten te lachen, schoon hetgeen zij mij zeide mij waarlijk leed was. Het was tnoeieHjk er aan te twijfelen, terwijl ik vader en zoon voor mij had. Wat ik van hen zou gedacht hebben zonder het bericht deroudi\' dame, of wat ik van het bericht der oude dame zou gedacht hebben zonder hen, kan ik niet zeggen. liet een paste zoo geheel bij het ander, dalhel. geheel onweerstaanbaar overtuigend was.

Mijne oogen zwierven nog van den jongen mynheer Turveydrop, die zoo hard werkte, naar den ouden mijnheer Turveydrop, die zijne welgemanierdheid zoo heerlijk liet uitblinken, toen de laatste naar mij toe kwam trippelen en in gesprek trad.

1 i ij vroeg mij vooreerst, of ik L o n d e n geene groote eer beweesen eene groote bekoorlijkheid mededeelde door er te komen wonen? Ik achtte het niet noodig te antwoorden, dat ik zeer wel \\\\ ist dit in geen geval te zullen doen, maar zeide hem eenvoudig waar ik woonde.

,.Eene dame zoo vul bevalligheid en talenten,quot; zeide hij, zijn rechterhandschoen kussende en er daarna mede naar de leerlingen zwaaiende.

„zal al het hier ontbrekende wel met oogluiking beschouwen. Wij doen ons best om te po- j lijsten altijd polijsten polijsten\'!\' quot; Hij zette zich naast mij, zich moeite gevende, naar mij dacht, om op de bank de houding aan , te nemen, waarmede zijn doorluchtig model op : de sofa was afgebeeld. Inderdaad, hij geleek er zeer naar.

„Polijsten — polijsten — polijsten!quot; herhaalde ; hij, een snuifje nemende, en zachtjes met zyne vingers wuivende. „Maar men is niet meer - | als ik zoo zeugen mag tot iemand, door natuur j en kunst met zooveel sierlijks begaafd,quot; eene ; buiging met opgetrokken schouders, die hij on- ; mogelijk scheen te kunnen doen zonder te ge- ; lijk zijne wenkbrauwen op te trekken en zijne I oogen te sluiten, „wat men placht te zijn op | het punt van welgemanierdheid.quot; - „Niet, mijn- ! heer?quot; zeide ik. „Men is zeer verbasterd,quot; antwoordde hij, zijn hoofd schuddende, hetgeen hij, uit hoofde van zijne das, maar eventjes kon doen. „Eene eeuw, die alles gelijk wil maken | is niet gunstig voor de welgemanierdheid. Zij be- | vordert de ongemanierdheid. Misschien spreek ik niet zonder partijdigheid. Misschien voegt hetmii niet te zeggen, dat ik reeds sedert jaren gentleman Turveydrop ben genoemd, of dat Zijne Koninklijke Hoogheid de Prins-Regent, toen hij het paviljoen te B r i g h t o n (dat fraaie gebouw) j kwam uitrijden, en ik mijn hoed voor hem af- i nam, mij de eer heeft bewezen van te zeggen: „Wie is hij.\' Wie duivel is hij? Waarom ken ik hem niet? Waarom heeft hij geen dertigduizend pond \'s jaai s?quot; Maar dit zijn kleine anekdoten — j algemeen eigendom, mejutfrouw —die nog nu en dan onder de hoogere klassen worden verteld.quot; „Inderdaad?quot; zeide ik.

Hij antwoordde met zijne sierlijke buiging. „Waar zooveel als ons van de welgemanierdheid nog overblijft, moet gezocht worden. E n ge I a nd helaas, mijn vaderland! - is zeer verbasterd, en verbastert nog meer met eiken dag. Er zijn niet vele g e n 11 e m e n meer over. Wij zijn gering in getal. En ik zie niets om ons op te volgen dan een geslacht van wevers.quot; „Men zou hopen, dat het geslacht van g e n 11 e m e n hier in stand zou blijven,quot; zeide ik.— „Gijzijtwel goed !quot; antwoordde hij glimlachend, alweder met zijne\'buiging. „Gij vleit mij. Maar, neen neen! Ik ben nooit in staat geweest om mijn armen zoon dat gedeelte van zijne kunst bij te brengen. De hemel verhoede, dat Ik mijn dierbaar kind zou belasteren, maar hij heeft — geene welgemanierdheid.quot; „Hij schijnt toch een uitmuntend meester te zijn,quot; merkte ik aan. — „ Versta mij wel, mejuffrouw, hij is een uitmuntend meester. Al wat geleerd kan worden, he\' ft bijgeleerd. Maar er zijn dingen,quot; hij nam nog een snuifje, en maakte nog eens zijne buiging, als wilde hij er bijvoegen: „deze dingen, bij voorbeeld.\'

Ik zag naar het midden van de zaal, waar Cad-


-ocr page 107-

MI.INIir.KK Tl\' 1}VEYüROP SENIOK l\'K\'IJST ZIJN ZOON.

97

dy\'s minnaar, nu met enkele leerlingen bezig, zich nog meer inspande dan te voren,

„Mijn beminnenswaardig kind,quot; preveldemijn-heer Turveydrop, zijne das verschikkende. -„U w zoon ia waarlijk onvermoeibaar,» zeide ik. „Het is eene belooning voor mij,quot; antwoordde mijnheer Turveydrop, ,u zoo te hooren zeggen. In sommige opzichten treedt hij in de voetstappen zijner gezaligde moeder. Zij was een wezen vol liefde en trouw. Maar gij vrouwen, beminnelijke vrouwen,quot; zeide mijnheer Turveydrop, met zeer onaangename galanterie, „wolk eene sekse zijt gij!quot;

Ik stond op en ging naar jonge juffrouw Jel-ton, om drie uur.quot; - „Dan heb ik den tijd nog, vader,quot; zeide Prince, „om haastig wat te eten, en dan ga ik heen,quot; „Mijn beste jongen,quot; antwoordde zijn vader. „(!ij zult u zeer moeten haasten. G-ij zult het koude schapen-vleesch nog op de tafel vinden.quot; - „Bedankt, vader, (iaat gij nu uit, vader?\' „Ja, mijn jongen. Ik meen,\' zeide mijnheer Turveydrop, met bescheiden gevoel van eigenwaarde, zijne oogen sluitende en zijne schouders ophalende, „dat ik mij, volgens gewoonte, in de stad behoor te vertoonen.\' „(iij moest dan liever ergens op uw gemak gaan eten,\' zeide de zoon, — „Dat ben ik voornemens, mijn dierbaar kind.


lyby, die nu haar hoed opzette. De les scheen afgeloopen, en er had een algemeen hoedopzotten plaats. Wanneer jonge juffrouw Jellyby en de ongelukkige Prince gelegenheid hadden gevonden om zich met elkandei te engageeren weet ik niet, maar ditmaal haddeii zij zeker geene gelegenheid om een dozijn woorden te wisselen, „Mijn waarde,quot; zeide mijnheer Turveydrop zeer minzaam tot zijn zoon, „weet gij wel hoe laat het is?quot; „Neen vader,quot; De zoon had geen horloge. De vader had er een van goud en zeer fraai, dat hij nu uithaalde meteen air, waaraan het menschdom een voorbeeld had kunnen nemen, „Mijn zoon,quot; zeide hij, „hel is twee uur. Denk om uwe school te K e n s i n g-

Ik zal denk ik, mijn d i n e r t j e bij den Franschen kok, in de Opera-kolonnade gaan gebruiken.\'

„Dat is goed. Goedendag dan, vader,quot; zeide Prince, hem de hand gevende, ~ „Goedendag, mijn zoon. God zegen u!\'

Mijnheer Turveydrop zeide dit op een vromen toon, en het scheen zijn zoon goed te doen. Prince was, toen hij heenging, blijkbaar zoodanig met zijn vader ingenomen, zoo vot eerbied voor hem, en zoo trotsch op hem, (ia-het mij bijna was alsof ik den jongen man verl ongelijkte door niet blindelings in den ouden te kunnen gelooven. De weinige oogenbiikken, die Prince nog besteedde om afscheid van ons te nemen, (inzonderheid van een van ons, gelijk


DlCKl NS. Iltl. triln/tn /luis.

-ocr page 108-

98 HET VERLATEX HCIS.

ik zag, daar ik in het, geheim was) versterkten bij mij den gunstigen indruk van zijn bijna kinderachtig karakter. Ik gevoelde te gelijk genegenheid voor hem en medelyden met hem. toen hij zijne kleine viool in zijn zak stak en te gelijk daarmede zijn verlangen om nog wat bij lt; \'addy te blijven —en goedschiks heenging naar zijn koud schaiirnvleeseh en zijne school te K e n-singtoil, die inij bijna niet minder boos opzijn vader deden worden als de gemelijke oude dame.

De vader opende de deur voor ons en liet ons de zaal uit, op eene manier, moet ik bekennen, die zijn schitterend origineel waardig was. Met hetzelfde air ging hij ons weldra aan den overkant der straat voorbij, op zijn weg naar het aristocratische gedeelte der stad, waar hij zich aan de wi-inige andere nog overgeblevene ge n-11 e m e n gitiL\' vertonnen. Eenige oogenblikken was ik zoo verdiept in hetgeen ik in NT e w m a n-•Street had gehoord en gezien, dat ik geheel buiten staat was om met Caddy te praten, of zelfs mijne aandacht te vestigen op hetgeen zij zeicle; vooral toen ik bij mij zelve begon te vragen, of er ooit, andere heeren geweest waren, geene dansmeesters van beroep, die alleen van hunne wclgemanit rdheid gelei fd en zich daardoor alle\'n \'-en naam gemaakt hebben. Dit werd zoo verbijsterend, door mij aan de mogelijkheid van zoovele mijuheeren Turveydrop te doen denken, dat ik zeide: „Esther, gij moet maar besluiten om geheel van die zaak af te stappen en op Caddy te letten.\' ik deed dit dus, en het overige van den weg naar Lincoln\'s Inn bleven wij druk aan het praten.

Caddy vertelde mij, dat haar minnaars opvoeding zoo verwaarloosd was, dat het niet altijd gemakkeUjk was zijne briefjes te lezen. Zij zeide, ais hij niet angstig over zijne spelling was, en zich minder moeite gaf om die duidelijk te maken, zou het hem beter gaan; maar hij zette in korte woorden zooveel onnoodige letters, dat zi j somtijds geheel en nl het voorkomen van Engelse,h verloren. «Hij doet h\' t met «h beste inzichten,\'\' n,\'rkte (\'addy aan, „maar het heeft toch het gevolg niet, dat hij bedoelt, arme jongen!quot; Caddy beredeneerde verder, hoe men niet verwachten kon, dat hij een geleerde zou zijn. daar hij geheel zijn leven in de dansschool had gesleten en niet- gedaan dan dansles gegeven, ochtend, middag en avond. Maar wat kwam dat er op aan? Zij kon brieven genoeg voor beiden sehrijven, gelijk zij tot haar leedwezen wist, «•n het was vei l befi-r, dat hij goedaardig was, dan geleerd. .Buitendien, het is niet alsofikzelve zoo knap wns om mij airs te mogen gewen,quot; zeide Caddy; „ik wi • i weinig genoeg, dank zij ma,quot;

,Er is uiig iets, dat ik u wil vertellen, nu wij alleen ziju,quot; vervolgde Caddy. ,en waarvan ik niet gaarne had willen spreken, als gij Prince niet gezien hadt, juffrouw Summeraon. (quot;lij weet wi I, w\'Ik een huis het Inj ons is. Hel baat niet of ik in on s huis mijn best doe om iets te leeren, dat mij als vrouw van I\'rince nuttig zou ziju. Wij leven in zulk een warboel, dat dit onmogelijk is, en als ik het beproefde, ben ik altijd maar nog moedeloozer geworden. Zoo oefen ik mij een beetje bij wie zoudt ge donken ? Bij die arme jutfrouw Elite. Des morgens vroeg help ik haar hare kamer opruimen en hare vogeltjes schoonmaken, en zet ik een kopje koffie voor haar (natuurlijk heeft zij mij dat geleerd), en ik heb dat zoo goed leeren doen, dat Prince zegt, dat het de beste koffie is. die bij ooit geproefd heeft, en dat de oude heer Turveydrop er mede in zijn schik zou zijn, want die is heel keurig op zijne koffie. Ik kan ook al poddings maken, en weet hoe ik een schapenhals moet koopen, en thee en boter, en suiker en nog meer huis-houdgoed. Ik beu nog niet knap met de naald,quot; zeide Caddy, met een blik naar het lapwerk van Peepy\'s kieltje; „maar misschien zal ik wel beter leeren. En sedert ik met Prince geëngageerd ben. en dat alles heb gedaan, ben ik in een veel beter humeur geweest, hoop ik, en veel meer vergevensgezind voor ma. Van morgen bracht het mij eerst van mijn stuk, dat ik u en juffrouw Clare zoo netjes zag, en ik mij over Peepy en ook over mij zelve moest schamen, maar over het geheel hoop ik, dat ik beter van humeur ben geworden en meer vergevensgezind voor ma.quot;

liet arme meisje, dat zulk een zvvaren kamp had, zeide dit uit haar hart en trof het mijne. „Lieve Caddy.quot; antwoordde ik, „ik begin groote genegenheid voor u te krijgen, en ik hoop, dat wij vriendinnen zullen worden.quot; — „O, doet gij?quot; riep Caddy uit. „Hoe gelukkig zou mij dat maken.quot; „Lieve Caddy,quot; antwoordde ik. „Laten wij dan van dezen tijd af vriendinnen zijn, en dikwijls over die zaken praten, en ons best doen om den rechten weg te vinden.quot;

Caddy was opgetogen. Ik zeide al wat ik kon, op mijne ouderwetsche manier, om haar te troosten en te bemoedigen; en ik vond het voor den ouden heer Turveydrop een al te groot geluk, dat hij zulk eene schoondochter zou krijgen.

Wij waren nu aan het huis van mijnheer Krook gekomen, waarvan de zijdeur openstond. Er was op den post een briefje aangeplakt, met de aankondiging, dat er op de tweede verdieping eene kamer te huur was. Dit herinnerde Caddy om mij, terwijl wij naar boven gingen, te vertellen, dat er een onverwacht sterfgeval en eene lijkschouwing in huis waren geweest, en dat onze klein» vriendin ziek van den schrik was geworden. Daar de deur en het vi nster der ledige kamer openstonden, keken wij er binnen. Het was de kamer met de donkere deur. waarop juffrouw Flite heimelijk mijne aandacht had gevestigd, toen ik laatst in huis was Iv\'ii treurig, armoedig vertrek was het; oen somber, naargeestig vertrek, dat mij een


-ocr page 109-

lt;)lt;)

zonderling gevoel van zwaarmoedigheid, ja zelfs van angst gaf. „Gij ziet bleek,quot; zeide Caddy, toen wij er weder uit waren, „en gij zijt koud.quot; Het was alsof de kamer mij had doen rillen.

Wij hadden, onder liet praten, langzaam gewandeld; en mijn voogd en Ada waren ons liter voorgekomen. Wij vonden hen in juffrouw Flite\'s zolderkamertje. Zij keken naar de vogeltjes, terwijl een dokter, die zoo goed was om juffrouw Plite uit medelijden te bezoeken en met veel oplettendheid te verzorgen, hij het vuur op vroolijken toon niet haar stond te spreken.

„Ik heb nu gedaan met mijne doctorale bezoeken,quot; zeide hij, naar voren komende, „Juffrouw Plite is veel beter, en kan, daar zij er zoo op gesteld is, morgen weder naar het Hof gaan. Men heeft haar daar zeer gemist, naar ik hoor,quot;

Juffrouw Plite nam dit compliment met welgevallen aan en neeg voor ons in het algemeen,

„Zeer vereerd,quot; zeide zij, „niet nog een bezoek van do pupillen in Jarndyce. Zeer verheugd, den Jarndyce van liet Verlaten Huis,quot; in het bijzonder voor hem nijgende, „onder mijn nederig dak te mogen ontvangen, Pitz Jarndyce, melievequot; ~ zij had. naar het scheen, dezen naam aan Caddy gegeven, en noemde haar altijd daarbij, - „dubbel welkom!quot; — „is zij ziek geweest?\' vroeg mijnheer Jarndyce aan den dokter, dien wij bij haar hadden gevonden Zij antwoordde dadelijk zelve, hoewel hij deze vraag fluisterend had gedaan. — „Ongesteld! zeer ongesteld!quot; zeide zij vertrouwelijk. „Geene pijn, maar benauwdheid. Niet zoozeer lichamelijk als wel zenuwachtig. Om de waarheid te zeggen,quot; met eene gesmoorde stem en bevende, „wij hebben den dood hier gehad. Pr was vergift in huis. Ik ben zeer gevoelig voor zulke ijselijkheden. Ik was er van geschrikt. Mijnheer Woodcourt alleen weet hoe erg. Mijn dokter, mijnheer Woodcourt,quot; zeide zij met groote statigheid. „De pupillen in Jarndyce — Jarndyce van het Verlaten Huis — Pltz Jarndyce,quot; „Juffrouw Plite,quot; zeide mijnheer Woodcourt, met eone ernstige, vriendelijke stem, alsof hij zich op haar beriep terwijl hij tot ons sprak, en zijne hand zacht op haar arm leggende, „beschrijft hare ziekte mot hare gewone nauwkeurigheid. Zij was geschrikl van een voorval hii r in huis, waarvan wel een veel sterker persoon had kunnen schrikken, en werd ziek van aandoening en ontsteltenis. Zij haalde mij hier, in de eerste opschudding bij de ontdekking, hoewel te laat orn den on-gelukkigen man van eenig nut te zijn. Ik heb mij voor die teleurstelling schadeloos gesteld door sedert hier te komen en haar van eeni-gon dienst te zijn.quot; - „Do vriendelijkste dokter van de geheele faculteit,quot; fluisterde juffrouw Plite mij toe. „Ik verwacht eene uitspraak. Op den dag des Oordeels. Kn dan zal ik landgoederen uitdeelen.quot; „Zij zal in een paar dagen weder zoo gezond zijn,quot; zeide mijn-lieer Woodcourt, haar niet een opmerkzamen glimlach aanziende, „als zij ooit zijn zal. Met anderen woorden, geheel gezond, natuurlijk. Hebt gij al van haar fortuin gehoord?\' — „Al-lerongemeenst!quot; zeide juffrouw Plite met een helderen glimlach. „Gij hebt nooit zoo iets gehoord. melieve! Eiken zaterdag stopt Conver-satio-Kenge, of Guppy (de klerk van Conversatie-Kenge) mij een papiertje met schellingen in de hand, verzeker ik u. Altijd hetzelfde getal in oen papiertje. Altijd een voor eiken dag van de week. Denk eens aan! Zoo juist van pas, niet waar? Ja! Waar komen die papiertjes vandaan, zult gij zeggen? Dat is de groote vraag. Natuurlijk. Zal ik u zeggen wat ik denk ? I k denk,quot; zeide juffrouw Plite, met een zeer scherpzinnigen blik haar hoofd oprichtende, en veelbetekenend haar recht er voor vinger schuddende, „dat de lord-kanselier, wel wetende j hoelang het Groote Zegel al open is geweest (want het is al lang open geweest), mij die papiertjes doet toekomen. Totdat de uitspraak, | die ik verwacht, gegeven wordt. Dat is heel mooi van hem, niet waar? üp die manier te | bekennen, dat hij wel een beetje langzaam is voor het menschelijk leven. Zoo delicaat! Toen | ik laatst in het Hof was ik woon geregeld de zittingen bij — met mijne documenten zeide ik hem, dat ik wel wist wat hij deed, \' en hij bekende het bijna. Dat is ik lachte: tegen hem van mijne plaats, en h ij lachte tegen ! mij van zijne plaats. Maar het is een fortuintje, i niet waar? En Pitz Jarndyce weet het gelei heel voordeelig voor mij te besteden, ik ver zeker u, aliervoordeeligst!\'

ik feliciteerde haar (daar zij zich vooral tot mij richtte) met deze gelukkige vermeerdering van haar inkomen, en wenschte haar eene lange voortduring daarvan. Ik dacht niet veel over de bron, waaruit die vermeerdering kwam, of verwonderde mij niet wiens menschliovendheid zoo bedachtzaam was. Mijn voogd stond voor mij naar de vogeltjes te kijken, en ik behoefde niet verder te zoeken dan hem.

„En hoe noemt gij die kleine beestjes, juffrouw?quot; zeide hij nu l zijne vroolijke stem. „Hebben zij ook namen?quot; „Ik kan voor juf- | frouw PIif(* antwoorden, daf zij er hebben,quot; • zeide ik, „want zij heeft ons eens beloofd te i zullen zeggen hoe- zij heeton. Ada. weet gij i het nog wol?quot;

Ada wist het nog zeer wel.

„Hebt ik dat gedaan?\' zeide juffrouw Plite;. „Wie is daar aan mijne deur? Waarom slaat gij aan mijne deur te luisteren, Krook ?quot;

De oude man van den huize stiet nu de deur open. en vertoonde zich, met zijne bonten muts in de hand en zijne kat op zijne hielen.

„Ik stond niet te luisteren. jufFnniw Plite.\'


-ocr page 110-

100 HET VERLATEN HUIS.

zeide hij. „Ik wilde juist aankloppen, maar gij zijt zoo gauw.quot; „Laat uwe kat naar heneden gaan. Jaag ze weg!quot; riep de oude vrouw gramstorig uit. „Kom kom! Er is geen gevaar, heeren en dames,quot; zeide Krook, langzaam en scherp in het rond ziende, tot hij on-; allen een voor een had aangekeken, „zij zou nooit op de vogeltjes losgaan als ik er bij | was. of ik moest het haar zeggen.quot; „Gij zult mijn huisheer wel verschoonen,quot; zeide de ! oude juffrouw, met eene deftige houding. „Zoo zoo — heel en al, zoo zoo. Wat moet gij hier, Krook, als ik gezelschap heb?quot; „Uilquot; ant-| woordde de oude man, „Gij weet wel, dat ik de kanselier ben.quot; „Welnu?* zeide juffrouw Flite. „Wat zou dat?quot; „Voor den kanselier,quot; ! zeide de oude man grinnikend, „niet met een | Jarndyce kennis te maken zou wonderlijk zijn, | niet waar, juffrouw Elite? Zou ik zoo vrij mogen wezen? Uw dienaar, mynheer. Ik ken Jarndyce en Jarndyce bijna evengoed als gij, | mijnheer. Ik heb den ouden heer Tom gekend, 1 mijnheer. Maar ik heb u toch, zooveel ik weet, I nog nooit gezien, zelfs niet in het Hof. Even-wel kom ik daar dikwijls genoeg.quot; — „Ik kom ; daar nooit,quot; zeide mijnheer Jarndyce; en dat I deed hij ook nooit, om geene reden hoege-! naamd, „Ik zou liever ergens anders gaan.quot;

„Zoudt ge?quot; antwoordde Krook grijnzende. „Gij hebt een slechten dunk van mijn edelen en geleerden broeder, mijnheer; schoon dat, misschien, voor een Jarndyce niet meer dan natuurlijk is. Het gebrande kind, mijnheer! Wat. kijkt gij naar de vogeltjes van mtjne huurster, mijnheer Jarndyce .quot; De oude man was langzamerhand de kamer ingekomen, tot hij nu mijn voogd met zijn elleboog aanraakte en hem, met zijn bril op, vlak in het gezicht keek. „Het is een van hare vreemde manieren, dat zij nooit de namen van die vogeltjes zal zeggen, als zij het laten kan, hoewel zij ze allen een naam heeft gegeven.quot; Dit werd gefluisterd. „Zal ik ze eens oplezen, juffrouw Plite?quot; vroeg hij overluid, ons wenkende en naar haar wijzende, terwijl zij zich omkeerde en zich hield alsof zij den haard aanveegde.

„Als gij wilt.quot; antwoordde zij haastig.

De oude man keek ons nog eens aan. keerde zich toen naar de kooitjes en zeide de lijst op.

„Hoop, vreugde, jeugd, vrede, rust, leven, stof, asch, verkwisting, gebrek, ruïne, wanhoop, krankzinnigheid, dood, list, dwaasheid, woorden, pruiken, vodden, schapenvel, roof. antecedent, lari en lorrendraaierij. Dat is de ganse he verzameling,quot; zeidede oude man, „allen te zamen opgekooid door mijn edelen en geleerden broeder\' — „Het is een scherpe wind,quot; mompelde mijn voogd. „Als mijn edele en geleerde broeder zijne uitspraak geeft, zullen zij vrijgelaten wordt n,quot; ■/.gt; ide Krook, ons wederom wenkende. „En dan.quot; voegde hij er fluisterend en grinnikend bij, „als dat ooit gebeuren mocht- dat het niet zal — zouden de vogels, die nooit gekooid zijn geweest, ze doodpikken.quot; „Als ooit de wind in het oosten was,quot; zeide mijn voogd, veinzende uit het venster naar een weerhaan te kijken, „is hij het vandaag, naar mij dunkt.quot;

Wij vonden het zeer moeielijk uit het huis weg te komen. Het was juffrouw Flite niet, die ons ophield; wat oplettendheid betrof voor hetgeen anderen gelegen of ongelegen zou zijn, was zij zoo verstandig als iemand zijn kon. Het was mijnheer Krook. Hij scheen buiten staat om zich van mijnheer Jarndyce los te rukken. Als hij aan hem vastgeboeid was geweest, had hij bijna niet dichter bij hem kunnen blijven. Hij deed het voorstel ent ons zijn Kanselarij-Hof te laten zien, en geheel het vreemde mengelmoes, dat het bevatte; en gedurende onze bezichtiging (die hij zelf zeer lang rekte) bleef hij dicht bij mijnheer Jarndyce, en hield hem somtijds, terwijl wij verder gingen, onder een of ander voorwendsel op, alsof hij gemarteld werd door het verlangen om van een geheim onderwerp te spreken, en toch niet daartoe kon besluiten. Ik kan mij geen gezichten geene houding verbeelden, die meer voorzichtigheid en besluiteloosheid, eene bestendige neiging om iets te doen, dat hij dan toch niet durfde wagen, konden uitdrukken, dan het gezicht en de houding van mijnheer Krook dien dag deden. Hij hield mijn voogd bestendig in het oog, keerde zijne oogen bijna niet van zijn gezicht af. Als hij naast hem ging, bespiedde hij hem met de sluwheid van een ouden, witten vos. Als hij vooruitging, keek hij achterom. Als wij stilstonden, plaatste hij zich vlak voor hem, en dan met zijne hand over zijn open mond strijkende, met eene zonderlinge uitdrukking van gevoel van macht, en zijne grijze wenkbrauwen neertrekkende, tot zijne oogen geheel dicht schenen, scheen hij eiken trek van zijn gezicht te doorzoeken.

Eindelijk, nadat wij (altijd door zijne kat ver-gezeld) het geheele huis door geweest waren, en den geheelen voorraad van allerlei prullen hadden gezien, die zeker merkwaardig was, kwamen wij weder achter in den winkel. Hier stond, op eene ledige ton, een inktkoker, waarbij eenige stompen van pennen en eenige vuile too-neelbiljetten; en tegen den muur waren verscheidene gedrukte alphabets aangeplakt.

„Wat voert gij hier uit?quot; vroeg mijn voogd.

„Hier probeer ik mij zeiven te leeren lezen en schrijven,quot; zeide Krook. „En hoe komt ge daarmee voort?quot; — „Langzaam. Slecht,quot; antwoordde de oude man ongeduldig. „Het is een moeielijk ding op mijne jaren.\' — „Het zou gemakkelijker zijn als gij het u door iemand anders liet leeren.\' zeide mijn voogd. - „Ja, maar dan zouden zij mij wel verkeerd kunnen leeren,quot; antwoordde de man, met eene verwonderlijk achterdochtige flikkering in zijne


-ocr page 111-

MUX HEER QÜALE\'S l\'HILANTHROl\'IE

101

oogen. ,Ik weet niet hoeveel ik al verloren mag hebben, doordat ik niet vroeger heb geleerd. Ik zou niet gaarne nog meer verliezen door nu verkeerd geleerd te worden.quot; -- „Verkeerd?quot; zeide mijn voogd met zijn goedhartigen glimlach. „Wie denkt gij, dat n verkeerd zou leo-ron?quot; „Dat weet ik niet, mijnheer Jarn-i dyrc van het Verlaten Huis!quot; antwoordde de i oude man, zijn bril op zijn voorhoofd schui-j vende en in zijne handen wrijvende. „Ik denk niet. dat iemand mij verkeerd zou leeren — ik | wil liever mij zeiven vertrouwen dan iemand | anders.\'

Deze antwoorden en zijne geheele houding I waren vreemd genoeg, om mijn voogd, toen i wij allen te zamenliin coin\'s Inn doorgingen, | aan mijnheer Woodcourt te doen vragen, of \' mijnheer Krook inderdaad niet wel bij het hoofd was, gelijk zijne huurster het wilde doen voorkomen. De jonge dokter antwoordde, neen, hij had geene reden gezien om dit te denken. Hij was zeer wantrouwig, gelijk onkundigen doorgaans waren, en hij was altijd meer of minder onder den invloed van de klare jenever, die hij bij groote hoeveelheden dronk, en waarvan, gelijk wij konden opgemerkt hebben, achter in zijn winkel een sterke reuk heerschte; maar hij hield hem nog niet voor krankzinnig.

Onderweg naar huis won ik zoodanig Peepy\'s genegenheid, door hem een windmolentje met twee meelzakjes te koopen, dat hij zich door niemand anders van hoed (;n handschoenen wilde laten ontdoen, en aan tafel nergens wilde zitten dan naast mij. Caddy zat aan mijne andere zijde, naast Ada. aan welke wij, zoodra wij terugkwamen, de geheele geschiedenis van het engagement mededeelden. Wij maakten veel werk van Caddy, en van Peepy insgelijks; en Caddy helderde bijzonder op, en mijn voogd was even vroolijk als wij, en wij waren allen zeer vergenoegd, tot Caddy des avonds met eene huurkoets naar huis ging, met Peepy gerust in slaap, maar stijf zijn windmolentje vasthoudende.

Ik heb vergeten te zeggen ten minste ik heb nog niet gezegd dat mijnheer Woodcourt dezelfde bruinachtige jonge chirurgijn was, dien wij bij mijnheer Badger hadden ontmoet - en dat mijnheer Jarndyce hem dien dag ten eten vroeg en dat hij kwam en dat, toen zij allen heen waren en ik tot Ada zelde : „Kom aan, lievelingetje, laten wij nu wat over h\'i-chard praten,quot; Ada lachte en zeide

Maar ik geloof niet, dat het er op aankomt wat mijn lievelingetje zeido.Zij was altijd vroolijk.

XV.

BELL YARD.

Terwijl wij te Londen waren, word mijnheer Jarndyce gedurig lastig gevallen door dien troep opgewondene heeren en dames, wier manier van doen ons zoozeer verwonderd had. Mijnheer Quale, die zich kort na onze aankomst kwam presenteeren, deed in al zulke dingen mede. Hij scheen die twee glanzige knobbels aan zijne slapen in alles te duwen wat er omging, en zijn haar al verder en verder achteruit te borstelen, tot het bijna met wortel en al uit zijn hoofd vloog, van onverzoenlijke philanthropie. Alle zaken stonden voor hem gelijk, maar vooral was hij altijd gereed voor inteekeningen om den een of ander een eerebllik te geven. Zijn grootst vermogen scheen zijn vermogen van onbegrensde bewondering te zijn. Hij kon, onverschiilig hoelang, met het grootste genot zijne slapen in het licht van elke philanthropische zon zitten baden. Daar ik hem eerst geheel verzonken in bewondering voor mevrouw Jellyby had gezien, had ik gemeend, dat zij het alles te boven gaande voorwerp zijner aanbidding was. Ik ontdekte spoedig mijne vergissing en bevond, dat hij sleepdrager en orgeltrapper van een geheelen stoet van zulke lieden was.

Mevrouw Pardiggle kwam eens met eene in-teekening voor iets — en met haar kwam mijnheer Quale. Al wat mevrouw Pardiggle zeide, herhaalde mijnheer Quale voor ons; en evenals hij mevrouw Jellyby had helpen uitkomen, deed hij het nu mevrouw Pardiggle. Mevrouw Pardiggle\' schreef een brief van aanbeveling aan mijn voogd, ten behoeve van haar weisprekenden Vriend, mijnheer Qusher. Met mijnheer Gusher verscheen wederom mijnheer Quale. Daar mijnheer (lusher een bol opgeblazen heer was, met eene klamme oppervlakte, en oogen zooveel te klein voor zijn volle-maansgezicht, dat zij oor-spronkeli jk voor iemand anders schenen gemaakt te zijn, was hij op hei eerste gezicht niet zeer innemend, en toch was hij nauwelijks gezeten, of mijnheer Quale vroeg Ada en mij, niet onhoorbaar, of hij niet een uitstekend inenBch was -- hetgeen hij zeker was, namelijk; uitstekend bel opgeblazen; maar mijnheer Quale bedoelde zijne intellectueele schoonheid en vroeg of wij niet getroffen waren over het massieve van zijn voorhoofd. Kortom, wij hoorden onder dit soort van lieden van een groot aantal roepingen van verschillenden aard, maar niets was ons hall\' zoo duidelijk dan dat het mijnheer Qua.le\'s roeping was om altijd in verrukking te zijn over eens anders roeping, en dat dit de populairste roeping van allen was.

Mijnheer Jarndyce was door de zachtheid van zijn hart en zijn ernstige zucht om zooveel goed te dóen als in zijn vermogen was. onder dit


-ocr page 112-

IIET VHRI.ATION\' IITIS.

102

gezelschap geraakt; maar hij zei de ons ronduit, dar hij dikwijls weinig behagen vond in een kring, waar d(r weldadigheid zulke stuipachtige viirint-naannam ; w;;ar do mfnschlicvendheid.als eene bepaalde uniform, werd aangenomen door luide schreeuwers, speculanten in goedkoope vermaardheid, die heftig in hmmi-betuigingen, rusteloos en ijdel in hun doen waren, die slaafsche gedionstigheid voor de grooten tot het laaghar-tigst uiterste dreven, elkander wedtrkoerigophemelden, en hatelijk wai\'en tegen hen, die de zwakken liever voor een val wilden bewaren, dan hrn nmt veel omslag en eigenlof weder een weinig opbeuren als zij gevallen waren. Toen er door mijnheer (lusher eone inteekening voor een cerebiyk aan mijnheer Quale werd geopend, en mynheer (.;usher (dit or ret.-ds een had, dat hein door mijnheer Quale was bezorgd\'i anderhalf uur lang over die zaak sprak voor oene vergadering, grootendeeis uit twee liefdadige scholen van kleine jongens en meisjes bestaande, die nadrukkelijk aan het penningske der weduwe werden herinnerd, en vermaand om met hunne halve stuive rs voor den dag te komen en welgevallige offeranden te brengen, geloof ik, dat de wind ten minste drie weken lang in het oosten bleef.

Ik maak hiervan melding, omdat ik zoo weder op mijnheer Ökimpole kom. Het kwam mij voor, dat zijne luchtige betuigingen van kinderlijkheid en zorgeloosheid, door haar contrast met zulke dingen, eene groote verademing voor mijn voogd waren en des te gemakkelijker geloof vonden; daar het niet missen kon hem genoegen te doen, onder zoovelen van een geheel tegenstrijdig karakter, één volmaakt argeloos en oprecht mensph \'• vinden. Het zou rnij spijten hiermede te doen denken, dat mijnheer Kkim-pole dit W\' I raadde en er op rekende; ik heb hem waarlijk nooit genoeg doorgrond om dit te kunnen W\'t en. Wat hij voor mijn voogd was. was hij ook zekerlijk voor de geheele overige wereld, ilij was niet heel wel geweest; en dus hadden wij hem, schoon hij in Londen woonde, tot nog toe niet gezien. Nu kwam hij op een ochtend aan, zoo vroolijk en onderhouiietul als ooit,

haar was hij, zejde hij. Hij was galachtig gewei st; maar rijke lieden wan nook dikwijls galachtig, en dus had hij zich overreed, dat hij een man van vermogen was. Dat was hij ook werkelijk In zeker opzieht wat zijne milde gezindheid betrof. Hij had zijn dokter schatrijk gemaakt, [lij had zijn visih geld altijd verdubbeld, somtijds viermaal verdubbeld. Hij had tot hein gezegd: „Mijn beste dokter, het is geheel en al een zelfbedrog van u, te donken, dat gij mij gratis bedient. Ik overstelp u nu t geld wat mijne milde gezindheid betreft als gij het maai wist!quot; Kn werkelijk, zi-idf hij, rmende hij dit zoo sterk, dat hij het bijna, voor hetzelfde hield als het te doen. Als hij die stukjes metaal of dun papier. Waaraan de menschen zooveel waarde hechten, had gehad om ze den dokter in de hand te stoppen, zou hij ze hem in de hand hebben gestopt. Nu hij ze niet had, gaf hij den wil voor de daad. Heel goed! Als hij het werkelijk meende als zijn wil waar en oprecht was. hetgeen hij was dan kwam het hem voor, dat dit hetzelfde was als klinkende munt, en de verplichting geheel uitwischte.

„Het kan gedeeltelijk zijn omdat ik niets van de waarde, van het geld weet,quot; zeide mijnheer skimpole, „maar ik gevoel dit dikwijls zoo. Het schijnt zoo billijk! Mijn slager zegt, mij, hij wil dat „rekeningetjequot; hebben. Het behoort tot de streelende onbewuste poëzie van \'s mans karakter, dat hij het altijd „rekeningetjequot; noemt om de betaling ons beiden gemakkelijk te doen voorkomen. Ik antwoord den slager: „Mijn goede vriend, als gij het maar wist, zijt gij al betaald. Gij hadt de moeite niet eens behoeven te doen van om dat rekeningetje te komen vragen, fiij zijt al betaald. Ik meen het,quot;\' — „Maar als nu de slager,quot; zeide mijn voogd lachende, „het vleesch op de rekening ook maar had gemeend, in plaats van het te brengen?quot; „Mijn beste .Tarndyee.quot; antwoordde hij, „gij verwondert mij. Gij stelt u in.de plaats van den slager. Een slager, met wien ik eens te doen had, plaatste zich op hetzelfde standpunt. „Mijnheer,quot; zpgt hij, „waarom eet gij het beste lams-vleesch van achttien stuivers het pond?\' „Waarom ik het beste lamsvleesch eet van achttien stuivers het pond, mijn brave vriend ?quot; zeg ik, natuurlijk verbaasd over die vraag, „Ik hond veel van best lamsvleesch.quot; Dit was in zooverre overtuigend, „Wel, mijnheer,quot; zegt hij, „dan wensch ik, dat ik het lamsvleesch maar had gemeend, zooals gij het geld meent.quot; „Mijn goede man,quot; zeide ik toen, „laten wij toch verstandig redeneeren. Hoe kon dat zijn? Het was onmo-gelijk. Gij hadt, het lamsvleesch w e I, en ik heb het geld niet. Gij kondt het lamsvleesch niet werkelijk meenen, zonder het te bezorgen; daarentegen kan ik het geld wel meenen, en meen ik het ook waarlijk, zonder het te betalen!quot; Hij had geen woord meer te zeggen. Daarmee was de zaak afgedaan.quot; „En nam hij geene gerechtelijke maatregelen?quot; vroeg mijn voogd. „Ja, hij nam gerechtelijke maatregelen,\' zeide mijnheer skimpole. „Maar daarin liet, hij zich door zijne drift, niet door zijne rede, besturen. Dat woord drift doet, mij aan Boythorn denken. Hij schrijft mij, dat gij en de darm - hem gt; en kort bezoek hebt beloofd op zijn buiten in Lincolnshire.quot; „Hij is een groot gunsteling van mijne meisjes,quot; antwoordde mijnheel\' Jarndyce, „en ik heb voor haar ja gezegd,quot; „De natuur heeft vergeten hem te betinten, denk ik,quot; zeide mijnheer \'Skimpole tot Ada, en rnij, „Wat al te woelig evenals de zee. Wat al ti heftig—evenals


-ocr page 113-

BKNE WANKKMNO NA AU (JOAVINSES.

een stier, die zich voorgenomen heeft om iedere kleur voor rood te houden. Maar ik geef toe. dat hij cene soort van mookhamerachtige verdienste heeft.quot;

Het zou mij verwonderd hebben, als die twee zeer hooge gedachten van elkander hadden gehad; mijnheer Boythorn. die aan vele dingen zooveel gewicht hechtte, en mynheer Skim-pole, die zoo weinig dm iets gaf. Buitendien had ik meer dan eens opgemerkt, dat mijnheer Boythorn op het punt was om in cene krachtige demonstratie uit te barsten, als er van mijnheer Ökimpole melding werd gemaakt. Natuurlijk viel ik Ada bij, toen zij zeide, dat wij zeer met hem ingenomen waren.

„Hij heeft mij ook gevraagd,quot; zeide mijnheer Skimpole, „en als een kind zich in zulke handen kan vertrouwen waartoe het hier aanwezige kind wel haast raced zou hebben, met de vereenigde teederheid van twee engelen om hem te bewaken zal ik gaan. Hij stelt voor om mij vrachtvry heen en weer te brengen. Ik onderstel, datdit geld zal kosten?Schellingen misschien? Of ponden? Of iets van dien aard? A propos. (Joavinses! Gij herinnert u onzen vriend Coavinses wel, juffrouw Summeison?quot;

Hij vroeg mij dit, toen het hem zoo inviel, op zijn innemend luchthartigen toon en zonder de minste verlegenheid.

„O ja, quot; zeide ik. „Coavinses is gearresteerd door den grooten deurwaarder,quot;\' zeide manheer Skimpole. „Hij zal den zonneschyn nooit weer geweld aandoen.quot;

Het ontzette mij dit te hooren; ik had mij reeds, in eerie alles behalve ernstige stemming, het beeld voor den geest gehaald van den man, die op den avond op de sofa zijn hoofd zat af te vegen.

,./ajn opvolger heeft mij gisteren daarvan onderricht.quot; zeide mijnheer Skimpole. „Zijn opvol-gi r igt; nu juist bij mij aan huis in possi ssie, geloof ik. noemt hij liet. Hij is gisteren gekomen. op den verjaardag van mijne blauwoogige dochter. Ik hield hem voor: „Dit is onredelijk en onaangenaam. Als uij eeneblauwoogige dochtei hadt, zoudt ge niet gaarne willen, dat i k on-genoodigd op haar verjaardag kwam.quot; Maar hij bleef toch.quot;

Mijnheer Skimpole lachte over die comische ongerijmdheid, en sloeg luchtig de piano aan, waarbij hij zat.

„Bn hij zeide mij,quot; vervolgde hij, telkens eene kleine liguur spelende, waar ik een streepje zal zetten. „Dat «joavinses drie kinderen had nagelalen zonder moeder en dat omdat • \'oavinses\' beroep eenigszins gehaat was de aankomende Coavinscs\'en er vrij slecht aan toe waren.\'

Mijnheer Jarndyce stond op, wreef zijn hoofd en begon op en neer te stappen. Mijnheer Skimpole speelde dé\'melodie van een van Ada\'s meest beminde liederen. Ada en ik zagen beide naar mijnheer Jarndyce, denkende dat wij wel wisten wat er in zijn gemoed omging.

Nadat hij verscheidene malen was blijven stilstaan en zijn wandelen had hervat, en verscheidene malen had opgehouden met zijn hoofd te wrijven en weder was begonnen, legde mijn voogd zijne hand op de toetsen en stuitte mijnheel- Skimpole in zijn spelen. „Dat bevalt mi) niet, skimpole,quot; zeide hij.

Mijnheer Skimpole, die de zaak reeds geheel vergeten had, zag verwonderd op.

„Die man was noodzakelijk,quot; vervolgde mijn voogd, heen en weer stappende in de zeer korte niimte tnsschen de piano en het eind van de kamer, en het haai\' van zijn achtei iioofd opwrijvende alsof een storm uit het oosten het zoo had opgewaaid. „Als wij zulke lieden noodzakelijk maken door onze gebreken en dwaasheden, of door ons gebrek aan wereldkennis, of door onze tegenspoeden, moeten wij ons niet op hen willen wreken. Br stak geen kwaad in zijn beroep. Hij onderhield er zijne kinderen van.Men zou daarvan wel wat meer willen weten.quot; ,01 Coavinses?\' riep mijnheer Skimpole uit, eindelijk begrijpende wat hij meende. „Niels gemakkelijker. Een wandelingetje; naar Coavinses\' hoofdkwartier, en gij kuntte weten kernen wat gij maar wilt.\'

Mijnheer Jarndye knikte ons toe, die naar dit sein zaten te wachten. „Kom aan, liefjes, wij zullen dien weg eens opwandelen. Waarom dien weg niet evengoed als een ander!\'

Wij waren spoedig gereed en gingen uit. Mijnheer skimpole ging mede, en had zeer veel vermaak indien tocht. Het was zoo nieuw en ver-frisscheiid voor hem, zeide hij, om Coavinses uit ti\' gaan, in plaats van «Joavinses om hem.

Hij bracht ons eerst naarC u rsi t.or-s tre e t, bij eha nc ery-l, a n e. waar een huis stond nn t getraliede vensters, dat hij Coavinses\' Kasteel noemde. Toen wij de gang ingingen en aan de schel trokken, kwam er een afschuwelijk leelijke Jongen uit een soort van kantoor, en keek ons aan ovei een hek met ijzeren pennen.

„Wien moet gij hebben?quot; Zeide de Jongen, twee van die peniién inzijne kin drukkende. „Kr is een oppasser, of boodschapper of zoo iets hier geweest,quot; /,eid( mijnheer .iarndyce, „die dood is.quot; „la.\' zeide de jongen. „Wel?quot; „Ik wilde zijn naam wet en, als hol u belieft.\' „Hij hei lli Neckett,quot; zeide de jongen „Bn zijn adn s V „ B( 1 1. V lt;1 r d,quot; zeide de jongen. ..Kaarsenwinkel, aan de linkerhand, Blimber is de naam.\' „Was hij ik weel niet hoe ik de vraag zal inrichten,quot; mompelde mijn voogd „was hij oppassend ?\' ..Neckett ?quot; z.eide dc Jongen, „.la wel, bijzonder. Hij werd nooit moe op de wacht. Hij kon acht of tion uren achtereen op den hoek van eene straat staan, als hij dat aannam.quot; „Hij had erger kunnen doen,quot;


-ocr page 114-

IIET VERLATEX HITS.

hoorde ik mijn voogd bij zich zeiven zeggen. „Hij had het kunnen aannemen en toch niet doen. Wel bedankt. Dat is al wat ik wilde weten.quot;

Wij lieten den jongen, met zijn hoofd op zijde en zijne armen op het hek, aan de pennen staan zuigen, en gingen terug naar Lincoln\'s Inn, waar mijnheer Skimpole, die niet gaarne dichter bij Coavinses had willen blijven staan, ons wachtte. Toen gingen wijallen naar B e 1 1 V a r d, eene smalle steeg, niet veraf. Spoedig vonden wij den kaarsenwinkel, met eene oude vrouw daarin, van een goedhartig uitzicht, die het water of eene borstkwaal, of misschien allebei had.

„Neckott\'s kinderen?quot; zeidezij, tot antwoord op mijne vraag. „Ja zeker, juffrouw. Drie trappen hoog als het u belieft. Deur vlak over de trap.quot; En zij reikte mij over de toonbank heen een sleutel toe.

Ik zag naar den sleutel en toen naar haar; maar zij scheen te begrijpen, dat ik wol wist wat er mede tedoen. Daar de sleutel niet anders dan voor de kamer, waarin de kinderen waren, bestemd kon zijn, ging ik, zonder meer te vragen, vooruit de trap op. Wij hielden ons zoo stil als wij konden, maar met ons vieren maakten wij toch cenig gerucht op de krakende planken ; en toen wij aan do tweede verdieping kwamen, stond daar een man uit zijne kamerdeur te kijken.

,ls het Gridley. naar wien gij zoekt?quot; zeide hij. mij aanziende, met een dreigend starenden blik „Neen, inijnlieer,quot; zeide ik, „ik moet hoogi \'rop.quot;

Hij zag ook Ada, mijnheer Jiirndyce en mijnheer Skimpole aan, op ieder denzelfden gram-Htorigen blik vstigende. naarmate zij hem voorbijgingen. Mijnheer Jarndyce wenschte hem goedendag. „(iiM-dendaglquot; zeide hij kort en stroef. Hij was een lang man, met eene vaalbleeke kleur, een door zorgen uitgeteerd gezicht, met diepe rimpels, zeer weinig haar meer op hel. hoofd, en uitpuilende oogen. Hij zag er ruzieachtig uit, en had iets opvliegends in zijn toon, dat met zijne gestalte vereenigd • nog breed en forsch, hoewel blijkbaar afgevallen mij eenigszins ongerust maakte. Ilij had eene pen in de hand. en toen ik in hel. voorbijgaan even zijne kamer binnenkeek, zag ik, dat die vol verstrooide papieren lag.

Hem daar latende staan, gingen wij verder naar boven, Ik klopte aan de deur, en een schel stemmetje van binnen zeide: „Wij zijn opgesloten. Juffrouw Blinder heeft den sleutel.quot;

Dit hooiende stak ik den sleutel in het slot en deed de deur open. In een armof dig vertrekje. mei een schuinsch dak en zeer weinig meubelen, was een kleine jongen, van vijf of zes jaar, \'net een zwaar kind van achttien maanden in de armen. Er lag geen vuur aan, hoewel het koud genoeg was; om dit te vergoeden waien bi\'idi kinderen in eenige oude doeken

en kragen gewikkeld. Hunne kleed ing wasechter | zoo warm niet, of hunne neuzen zagen rood en hunne gezichtjes betrokken van de kou, ter-| wijl de kleine jongen op en neer stapte on het kind suste, dat het hoofd op zijn schouder liet hangen.

„Wie heeft u hier alleen opgesloten?quot; vroegen wij natuurlijk. — „üharley,quot; zeide het jongetje, terwijl hij bleef stilstaan om ons aan te staren.-- „Is Charley oen broer van u?quot; „Neen. Zij is mijne zuster Charlotte, Vader noemde haar Charley.quot; Zijn er nog meer van u behalve Charley?quot; „Ik.quot; zeide het jongetje, „en Emma,quot; dit zeggende streek hij het kind, dat hij droeg, : over het nankingsche mutsje, „en Charley.quot; — „Waar is (;harley nu ?quot; „Uit wasschen,quot; zeide de kleine jongen, en begon weder op en neer I te wandelen, waarbij hij, daar hij te gelijk naar I ons wilde kijken, met liet nankingsche mutsje .wel wat te dicht bij het ledikant kwam.

Wij zagen elkander aan, en toen weder naar die twee kinderen, toen er nog een kind binnenkwam, een zeer klein meisje, nog geheel kinderlijk van gestalte, maar met een veel ouder, bijzonder schrander gezichtje — en een bevallig gezichtje toch ook, — met een hoed voor eene volwassene vrouw op het hoofd, die haarveel te groot was, en een vrouwenvoorschoot voor, waarmede zij hare blooto armen afveegde. Hare vingers waren wit en gerimpeld van het wasschen. en het. zeepsop, dat zij van hare armen veegde, rookte nog; anders had men haar voor een kind kunnen houden, dat waschvrouwtje speelde en met de vlugge opmerkzaamheid van : een kind zulk eene arme vrouw nabootste.

Zij was van ergens in de buurt komen aan-loepen en had zich zooveel gehaast als zij kon. Daardoor, hoewel tenger en licht genoeg, was zij buiten adem en kon zij in het eerst niet spreken. Zoo stond zij daar te hijgen en hare armen af te vegen, en zag ons met kalme bedaardheid aan.

daar is Charley!quot; zeide het jongetje.

Het kleine kind stak de armpjes uit en schreeuwde, orn door Charley te worden overgenomen. Het meisje nam het ook, met iets i van eene volwassene vrouw in tiaar doen, dat : bij den hoed en het voorschoot paste, en stond ons over hare vracht heen aan te zien, terwijl die vracht zich feeder aan haar vastklemde.

„Is het mogelijk,quot; zeide mijn voogd, toen wij i en stoel voor het meisje hadden geplaatst en haar met hare vracht daarop neergezet, terwijl het jongetje dicht bij haar bleef en haar aan haar voorschoot vasthield, „dat dit kind i voor de anderen werkt? Zie dat eens I Om Cods wil, zie dat eens!\'

Het was wel iets om naar te zien Die drie kinderen zoo dicht bij elkander, en twee van tien geheel afhankelijk van het derde, en dat derde zoo jong en toch met iets zoo oudachtigs


-ocr page 115-

KI.KTNK CHAKLKV

en degelijks, dat zoo zonderling bij haar kinderlijk voorkomen paste.

,Charley, Charley!quot; zeide mijn voogd. „Hoe oud zijt ge wel?\' — „Over de dertien, mijn-lieer,quot; antwoordde het kind. -- „O, welk een ouderdom,\' zeide mijn voogd. „ Welk een groote ouderdom, Charley!quot;

Ik kan geen denkbeeld geven van de teeder-heid, waarmede hij sprak, half schertsend, en toch slechts des te medelijdende!\' en treuriger.

„En woont gij hier zoo alleen met die kinderen, Charley?quot; zeide mijn voogd. „Ja, mijn-toen Emma pas geboren was,quot; zeide het meisje, naar het gezichtje aan hare borst kijkende. „En toen zeide vader, dat ik zoo goed eene rnoedei voor haar wezen moest als ik kon. En zoo heb ik toen mijn best gedaan. En zoo heb ik toen thuis gewerkt, schoongemaakt, en huis gehouden en gewasschen, lang voor dat ik uit werken begon te gaan. En zoo kan ik dat nu, ziet ge, mijnheer?\' — „En hoe dikwijls gaat gij uitwerken?\' „Zoo dikwijls als ik kan,quot; antwoordde lt; barley, hare oogen wat wijder openende en met een glimlach, „om de schellingen en halve schel-


51/,. ITJ).

lingen, die ik dan V( kinderen ze geen ong ge niet,quot; zeu

gij de t )pdal r, ziet \' komt idle\\ )k wel ■n. en waar, „Als iliedell helder \'om ?quot;

licht.quot;

der r lt; l i 0( spel

niet

en; en •li ik kan so zij kunnen toch opsluiten.

heer,quot; antwoordde het meisje, met het volste vertrouwen naar hem opziende, „sedert vader dood is.quot; „En hoe leeft gij, (\'harleyV O Charley!quot; zeide mijn voogd, voor een oogenblik zijn hoofd omdraaiende, „hoe leeft gij?\' „Sedert vader dood is, mijnheer, ben ik uit werken gegaan. Vandaag ben ik uit wasschen.quot; •- „God helpe u, Charley,\' zeide mijn voogd, „(lij zijt niet groot genoog om bij eene tobbe te reiken.\' — „Op muilen wel, mijnheer,quot; antwoordde zij snel. „Ik heb een paar hooge muilen, die u;ns van moeder waren.quot; „En wanneer is moeder gestorven? Arme moeder!quot; „Moeder stierf.

Toni?quot; „Neen,quot; zeide Tom stoutweg, het donker wordt, worden de lantarens b( op straat aangestoken, en dan is hel hier — haast helder licht, niet waar, \'1 „Ja, Charley,quot; zeide Tom, „haast helder

n.quot; „En sluit op als gij uitgaat?quot; „ ik zouden krijgen,

Charley. „Juffrouw

nu en dan naar hen komt ook wel eens, eens overloopen, en Tom is niet bang

-ocr page 116-

HKT VEKhATEN HUIS.

ion

„iii.i is zoo giii d als goud,\'\' zcidc hel; kleine meisje — o, op zulk lt;-cin.- moederlijke- volwassen-vrouwachtige manier. „En als Emma moe is, legt hij haar in bed. Kn als hij moe is, gaat hij zelf naar bed. Kn als ik thuis kom en de kaars aansteek, en een stukje te eten heb, komt hij weer op en eet met mij mee. Niet waar, Tom ?quot;

,(gt; ja, i\'barley!quot; zeide Tom, „dat doe ik.\' En hetzij door de gedachte aan dit grootste genot van zijn leven, of uit dankbaarheid en liefde voor Charley, die alles in alles voor hem was, drukte hij zijn gezichtje tusschen de dunne plooien van haar rok, en ging van lachen tot schreien over.

Uet was de eerste maal sedert ons binnenkomen, dat een van deze kinderen een traan had gelaten, liet kleine wee smeisje had van hun vader en hunne moeder gesproken, alsof al dat leed gesmoord word door de noodwendigheid om moed te vatten, en door haar kinderlijk gevoel van eigenwaarde omdat zij in staat was om to werken. Maar toen nu Tom schreide hoe-Wel hij stil bleef zitten, en ons met kalme bedaardheid aanzag, en door geene beweging de andere kinderen in het minste ontrustte zag ik twee stille tranen langs hare Wangen rollen.

Ik stond voor het venster met Ada, alsof wij naar de daken der huizen, de zwarte schoor-steenen, en de armoedige bloemen en gekooide vogeltjes, die aan de buren toebehoorden, keken, toen ik opmerkte, dat juffrouw Blinder, uit den winkel bineden, binnengekomen was, i misschien had zij al dien tijd noodig gehad om d\' trap op te komen) en met mijn voogd sprak.

„liet is niet veel hun de huur kwijt te schelden, mijnheer.\' zeide zij, „Wie zou ze van hen kunnen aannemen ,\'quot; „Wei, wel,quot; zeide mijn voogd, ons beiden aanziende. „Het is genoeg, dat er een tijd zal komen wanneer deze- goede vrouw zal vinden, dat het w e 1 veel was, en dat. voor zoover zij dit aan den minsten van deze heeft gedaan. Dit kind,quot; vervolgde hij na eene poos, .zou het mogelijk zijn, dat zij het zoo volhield «Waarlijk, mijnheer, ik geloof van ja.\' antwoordde juffrouw Blinder, die moeielijk ademhaalde. .Zij is zoo handig als iemand maar met mogelijkheid wezen kan, Zeg( n u, mijnlu ( r. zonals zi j die twe e kinderen heeft opg( past, nadat de moedor dood was. was het praatje- van dopehei le buurt,! En het was verbazend haar bij hem te zien, toen hij ziek was geworden, dal was bet waarlijk. „Jntfronw Blinder,quot; zeide hij tegen mij, en het waren eb- laatste woorden, die hij sprak hij lag daar „jnlfrouw Blinder, wat voor beroep ik eek gehad heb, ik heb van nacht een engel hier in de kan er bij mijn kind zien zitten, en ik vertrouw haar aan Onzen Vaderquot; , I lad hij geen ander lx roep ?quot; zeidlt; mijn voogd. „Neen. mijnheel,quot; antwoordde julfreniw Blinder, „hij was niet anders dan zoo n handlanger. Toer; hij \'pas hier kwam wonen, wist ik nil t wat

hij was; en ik moet bekennen, toen ik het ontdekte, zeide ik hem de huur op. Men vond het , niet goed in de buurt. En het beviel aan de andere inwoners niet. Het is geen heel fatsoenlijk beroep,quot; zeide juffrouw Blinder, „en de meeste menschen hebben er tegen. Mijnheer Gridleyhad er heel erg tegen, en hij is een goed huurder, • al heeft zijn humeur veel geleden.quot; — „En dus i werd hem de huur opgezegd?quot; zeide mijn voogd. | „Zoo zeide ik hem de huur op,quot; zeido juf- I frouw Blinder. „Maar waarlijk, toen de tijd ; kwam, en ik geen ander kwaad van hem wist, begon ik te twijfelen. Hij was prompt van betalen e-n ijverig, hij deed wat hij te doen had, mijnheer,\' zeide juffrouw Blinder, zonder opzet haar oog op mijnheer Hkimpole vestigende, „en het zegt al iets in deze wereld, als men dat maar doet.\' - „En dus hebt gij hem toch gehouden?\'

- ., Wel, ik zeide als hij het met mijnheer Orielley kon schikken, zou ik het wel met deandere huurders schikken, en zou ik er niet zooveel om geven ; of men het in de buurt goedvond of niet. Mijnheer Gridley gaf zijne toestemming; - wel stuursch maar hij gaf ze toch. Hij was altijd stuursch tegen hem, maar hij is sedert goed voor de kinderen geweest. Men kent iemand nooit voordat hij oji de prot t\' wordt gesteld.\' „Zijn er veel menschen goed voor de kinderen geweestV\' Jgt;at is, over het geheel, nog al zoo kwaad niet, mijnheer,* antwoordde juffrouw Blin- j der, „maar zeker niet zooveel als er geweest zoueh n zijn als hun vader een ander beroep had gehad. Mijnheer lt; \'oavinsi s gaf eene guinje, en de andere handlangers maakten een potje. Sommige buren, die altijd gelachen en op hun schouder geklopt hadden als hij voorbijging, kwamen met eene inte-ekenlijst voor den dag, en over het geheel nog al zoo kwaad niet. Eveneens niet (\'harlotte. Sottimige nienschen willen haar niet gebruiken, omdat zij het kind van zoo\'n handlanger is; sommige menschen, die haar gebruiken, gooien dat haar toch voor eie voeten; sommigen rekenen het zich tot ve rdienste, dat zij haar laten werken, niet dat en al het andere, dat zij tegen zich heeft, en betalen haar daarom misschien minder en vergen meer van haar. Maar zij is geduldiger dan anderen zouden zijn, on is knap ook, en altijd gewillig, zoover hare krachten maar reiken en nog verder. Zoo zou ik dus over het geheel zeggen, mijnheer, nog al zoo kwaad niet, maar het mocht toch wa l beter.quot;

Jnlfrouw Blinder ging zitten, om te beter haar adem terug te krijgen, die opnieuw was uitgeput, door zooveel te spreken eer zij hem geheel terug had. Mijnheer Jarndyce keerde zich om en wilde ons aanspreken, maar werd g( stuit door de onve rwachte komst van dien mijheer Oridley, van wien wij gehoord hadden, en dien wij onderweg naar boven hadden gezien.


-ocr page 117-

(IHIDI-KV\'S HWIEVK.N\'.

„Ik weet niet wat gij hier misschien doet, | heeren en dames,quot; zekle hy, alsof hi] zich boos I maakte dat wij daar waren, „maar gij zult mij wel niet kwalijk nemen, dat ik binnenkom. Ik kom niet binnen om rond te kijken. Wel Charley! Wel Tom! Wel kleintje, hoe maken wij het allemaal vandaag?quot;

Hij boog zich liefkoozend over de groep, en werd blijkbaar door de kinderen voor een vriend gehouden, hoewel zijn gezicht even stug bleef, en zijn toon tegen ons zoo grof was als hij maar zijn kon. Mijn voogd merkte dit op, en wilde den man achting toonen.

„Niemand, zekerlijk, zou hier komen om | rond te kijken,quot; zeide hij zachtzinnig. „Kan | wel zoo zijn, mijnheer, kan wel zoo zijn,\' ant-| woordde Grid ley, hem ongeduldig afwuivende | en Tom op zijne knie nemende. „Ik wil met | geene heeren en dames argumenteeren, ik heb al genoeg argumenten gehad om er levenslang mijn bekomst van te hebben.quot; „Gij hebt reden genoeg, durf Ik zeggen,quot; zeide mijnheer Jarndyce, „om onvergenoegd en ongeduldig te zijn quot; — „Daar alweer!quot; riep Gridlex uit, op eens geweldig kwaad wordende. „Ik ben ruzieachtig van humeur. Ik ben niet beleefd!\'

„Niet bijzonder, dunkt mij.quot; — „Mijnheer,quot; zeide Gridley, het kind neerzettende en naar mijnheer Jarndyce toe komende, alsof hij hem een slag wilde geven. „Weet gij iets van het Hof dei\' Kanselarij?quot; „Misschien wel, tot mijne spijt.quot; — „Tot uwe spijt,quot; zeide Gridley, zich bedarende. „Als dat zoo is, verzoek ik n verschooning. Ik ben niet beleefd, dat weef. ik wel. Ik verzoek u verschooning. Mijnheel,quot; vervolgde hij, met vernieuwde heftigheid. „Ik ben vijf en twintig jaar lang over gloeiend j ijzer gesleept, en ben het ontwend om op Hu-weel te treden. Ga naar het Hof der Kanse-| larlj daar ginds, en vraag wat een van de vaste aardigheden is, die somtijds de zaken wat verlevendigen, en men zal u zeggen, dat de grootste klucht, die zij hebben, de man uit .Shropshire is. Jk,quot; zeide hij, hartstochtelijk met de ! eene hand in de andere slaande, „ben de man : uit Shropshire.quot; ,.Ik geloof, dat ik en mijne familie insgelijks de eer gehad hebben van dat ernstige Hof eenige uitspanning te verschaffen,quot; zeide mijn voogd bedaard. „Gij zult misschien mijn naam wel gehoord hebben Jarndyce,quot; „Mijnheer latndyce,quot; zeide i Gridley, met eene ruwe soort van groet, „gij verdraagt uwe grieven met meer kalmte dan ik de mijtte kan doen. Nog meer. Ik kan u zeggen on ik zeg het dezen heer en deze Jonge dames, als zij vrienden van u zijn als ik myne grieven op eene andere manier opnam, zou ik gek worden! Het is alleen door er mij woedend over te maken, en er in mijne gedachten wraak over te nemen, en toornig om de rechtvaardigheid te roepen, die ik nooit

krijg, dat ik mijn verstand bijeen kan houden. Alleen zoo is het!quot; zeide bij, met een boer-schen tongval en groote heftigheid sprekende. „Gij moogt zeggen, dat ik mij al te driftig maak. ik antwoord, dat het in mijn aard ligt, dat te doen, als ik onrecht lijd, en dat ik hot doen moet. Ik heb geene keus dan om zoo te doen, of om in den onnoozelen toestand te verzinken van dat gekke vrouwtje, dat alle dag in het Hof komt. Als ik er eens stil onder ging zitten, zou ik suf en kindsch worden.quot;

De drift, waarin hij was, en de manier, waarop zijne trekken zich verwrongen, en de heftige gebaren, waarmede hij zijne gezegden vergezelde, waren pijnlijk om aan te zien.

„Mijnheer Jarndyce,quot; hervatte hij, „bedenk mijn geval eens. Zoo waar als er een hemel boven ons is, is dit mijn geval. Mijn vader (een landman) maakte een testament, ( n liet zijne hoeve en zijn vee aan mijne moeder zoolang zij leefde. Na haar dood zou alles aan mij komen, behalve een legaat van driehonderd pond, dat ik mijn broeder moest uitbetalen. Mijne moeder stierf. Eenigen tijd later elschte mijn broeder zijn legaat op. Ik en eenige van mijne betrekkingen zeide. dat hij een gedeelte daarvan al gehad had, in kost en inwoning, en eenige andere dingen. Let nu wel op. Dat was de kwestie, en niets anders. Niemand betwistte het testament, niemand twijfelde aan iets dan of een gedeelte van die driehonderd pond rei ds betaald was of niet. Om die kwestie te beslissen moest ik, toen mijn broeder eene actie begon, in die vervloekte Kanselarij komen. Ik rnoest daar komen, omdat de wet er mij toe dwong, en mij nergens anders wilde laten gaan. Zeventien menschen werden als gedaagden opgeroepen in die eenvoudige zaak. Kerst na verloop van twee Jaren kwam zij voor. Toen werd zij voor nog twee jaren opgehouden, terwijl do meester (moge zijn hoofd er voor afrotten !i onderzoek deed of ik mijn vaders zoon was waarover met geen sterfelijk mensch eenig ge-, schil was. Toen ontdekte bij. dat er nog geen gedaagden genoeg waren bedenk, wij waren nog maar met ons zeventienen maar dat er nog een komen moest, die vergeten was en alles weder opnieuw moest begonnen worden, De kusten van dien tijd — eer do zaak nog begon bedroegen driemaal het b gaat. Mijti broeder had gaarne van zijn legaat willen afzien om maar niet meer kosten te hebben. Mjjn geheele goed, dat mij in dat test,aim nt van mijn vader gemaakt was, is aan de kosten opgegaan. Het proces, nog onbeslist, heeft allen, die er in betrokken waren, toch ongeluk, ellende, en wanhoop gebracht — en hier bon ik nu op de/,en dag! Nu, mijnheer Jarndyce, in uw proces is het om duizenden en duizende n te deen. in het mijne maar om honderden. Is het mijne daarom minder hard om te dragen, of nog harder, om-


-ocr page 118-

HET VKRLATEN III IS.

dat geheel mijn bestaan er aan hing, en zoo scliandelyk is uitgezogen?quot;

Mijnheer Jarndyee zeide. dat hij hem van gan-scher harte beklaagde, en niet wilde zeggen, dat hij zelf de eenige was, die door dat gedrochtelijke stelsel van rechtspleging onrechtvaardig was behandeld.

„Daar alweer!quot; zeide Grid ley, met even-groote heftigheid. „Het stelsel ! Van alle kanten zegt men mij, het is het stelsel. Ik moet niet op de personen zien. Het is het stelsel. Ik moet niet voor het Hof komen en zeggen : , My. lord, ik verzoek dit van u te mogen weten is dit recht of onrecht ? Hebt gij het hart om mij te zeggen, dat ik recht heb ontvangen en daarom word weggezonden ?quot; Mylord weet er niets van. Hij zit daar maar om het stelsel in toepassing te brengen. Ik moet niet naar mijnheer Tul-kinghorn, den solllciteur in L i n c o I n \'s I n n P i e I d s, gaan en hem zeggen, als hij mij woedend maakt dour altijd zoo koi-l en wehrvreden te hly ven - gelijk zy allen doen, want ik weet wel, dat zij er uit winnen, terwijl ik verlies; doe ik niet? Ik moet niet tegen hem zeggen ik wil mijn ongeluk op den een of ander verhalen, ik wil van iemand vergoeding hebben, goedschiks of kwaadschiks ! Hij is er niet ver-antwoordrlijk voor. Het is hei steNH. Maar als ik den een of ander eindelijk niet aan het lijf kom, mag ik I Ik weet niet wat er gebeuren kan, als ik eindelijk buiten mij zei ven geraak ! — Ik zal hen, die dat stelsel tegen mij in werking hebben gebracht, in hun aangezicht voor de groote eeuwige rechtbank beschuldigen!\'

.Ik heb gedaan.quot; zeide hy, zich neerzettende en zijn gezicht afvegende, „Ik heh gedaan, mijnheer .larndyce. Ik bén driftig, dat weet ik. Ik moet hot wel wezen. Ik ben in de gevangenis ireweeüt voor beleediging van het Hot\'. Ik ben in de gevangenis geweest, omdat ik dien sol. liciteur had bedreigd. Ik ben in allerlei ongelegenheden geweest, en zal er wel in nog meer komen. Ik ben de man uit s h r lt;» p s h i r e, en doe somtijds nog wat meer dan hen amuseeren -hoewel zij dat ook al amusant hebben gevonden om mij in hechtenis te zien nemen, en als gevangene te zien voorbrengen, en dat alles. Het zou beter voor mij zijn, zeggen zij mij. als ik mij inhield Ik zeg hun. als ik mij inhield, zou ik gek worden, Mijn humeur was voorheen goed genoeg, geloof ik l)e mensehen in de streek, waar ik vandaan ben, zeggen, dat zij zich dat nog van mij herinneren; maar nn moet ik mijn gevoel van onreeht zoo lucht geven, of ik zou mijn verstand niet by elkander kunnen hóuden. „Het zou veel beter voor u zijn, mijnhfier (;rid-ley.quot; zeide de lonl-kanselier my verleden week, ,hier uw tijd niet te verspillen, ma.ir in S h r o p-shire te blyven en u nuttig bezig h\'houden,\' „Mylord. mylord, dat weet ik wel,quot; zeide ik tegen hem, .■ n het zou veel beter voor mij geweest zijn, nooit den naam van uw hoogen post gehoord te hebben ; maar ongelukkig voor mij, kan ik liet verledene niet te niet doen, en het verledene jaagt mij hier naar toe.\' „Buitendien,\' vervolgde hij, woest uitbarstende, „ik zal hen beschaamd maken. Tot het laatste toe zal ik mij in dat Hof laten zien om het schande aan te doen. Als ik wist wanneer ik zou sterven, en mij daarheen kon laten dragen, en nog stem genoeg had om te spreken, zou ik daar stervende zeggen: „(lij hebt mij hier gebracht en weer weggezonden, dikwijls en dikwijls. Zend mij nu nog eens heen, met de voeten vooruit.quot;quot;

Zijn gezicht had zich, misschien sedert jaren, zoo in die gramstorige trekken vastgezet, dat zelfs, nu hij bedaard was, de uitdrukking niet zachter werd.

„Ik kwam om die kindertjes voor een uurtje naar mijne kamer te halen,quot; zeide hij, weder naar hen toe gaande, „en ze daar wat te laten spelen. Ik was niet voornemens dat alles te zeggen, maar het komt er niet veel op aan Ge zijt toch niet bang voor mij, niet waar. Tom ?\' — „Noen,quot; zeide Tom. „Gij zijt toch niet boos op mij.\' „Daar hebt gij gelijk in, kind, (iij gaat weer heen, Charley? Ja? Kom dan, kleintje !quot; Hij nam het jongste kind op den arm, waar het gaarne scheen te willen blijven, „Het zou mij niet verwonderen als wij een soldaat van koek beneden vonden. Laten wij eens naar hem gaan kijken.quot;

Hij herhaalde zijn vorigeö ruwen groet, welken het toch niet aan zekeren eerbied ontbrak, voor mijnheer Jarndyce, boog even voor ons, en ging met do kinderen naar zijne kamer.

Daarop begon mijnheer Skimpole, voor het eerst sedert onze komst, te praten, op zijn gewonen vroolijken toon. Hij zeide : „Wel, het was waarlijk aardig te zien hoe de zaken zich van zelf ten beste schikten. Hier was die mijnheer Gridley, een man met een forschen wil en van verwonderlijke geestkracht, en hij kon zich gemakkelijk verbeelden, dat die Gridley jaren lang had rondgeloopen, zoekende naar iets om zijne overtollige krijgshaftigheid aan te besteden — eene soort van jonge liefde onder de doornen toen het Hof der Kanselarij hem in den weg kwam, en hern juist verschafte wat hij noodig had. Voortaan kon hij zich daaraan houden. Anders had hij een groot generaal kunnen zijn, en allerlei steden in de lucht laten vliegen, of hij had een groot staatsman kunnen zijn en allerlei parlementaire welsprekendheid uitkramen; maar nu waren hij en het Hof der Kanselarij alleraardigst bij elkander gekomen, zonder dat het iemand hinderde, en Gridley was, om zoo te zeggen, voor altijd bezorgd. Zie dan eens die üoavinses l Hoe heerlijk deed die arme (Joavinses (vader van die lieve kinderen) denzelfden regel uitkomen. Hij. mijnheer Skimpole zelf, had somtijds gemord over het bestaan van (Joavinses. Hij


-ocr page 119-

.10.

had gevonden dat Coavinses hem in den weg was. Hij had Coavinses wel willen missen. Er waren tijden geweest, wanneer hij, als hij een sultan geweest was, en x.ijn grootvizier op een ochtend gezegd had: ,Wat verlangt debeheerscherder geloovigen uit do handen van zijn slaaf?\' er wel toe had kunnen komen om te antwoorden: „Het hoofd van Coavinses.quot; Maar wat bleek het geval te zijn? Dat hij al dien tijd werk en brood had gegeven aan een zeer verdiensteUjk man; dat hij een weldoener voor Coavinses was geweest; dat hij Coavinses in staat had gesteld, om die lieve kinderen op die allerliefste manier op te brengen, en die huiselijke; en maatschappelijke deugden te ontwikkelen! Zoozeer, dat hem het hart nu vol was geworden, en hem de tranen in de oogen waren gekomen, toen hij in de kamer rondzag en dacht: „Ik was de groote begunstiger van Coavinses, en de kleine genoegens van zijn leven waren rn ij n werk!quot;

Er was iets zoo innemends in de luchtige manier, waarmede hij deze fantastische snaren tokkelde, en hij was zulk een blijgeestig kind naast die ernstiger kindsheid, die wij gezien hadden, dat hij zelfs mijn voogd deed glimlachen, toen deze zich van een afzonderlijk praatje met juffrouw Blinder naar hem omkeerde. Wij kusten Charley en namen haar mede naar beneden, en bleven baar bij do deur staan nakijken, toen zij heenliep naar haar werk. Ik weet niet waar zij naar toe ging, maar wij zagen haar, zulk een klein schepseltje, met haar vrouwenhoed en vrouwenvoorschoot, eene poort aan het eind van do steeg doorloopen, en zich in het gewoel en gerucht der C i t y storten, gelijk een dauwdroppel in den oceaan.

[XVI.

TOM-A l.L-AhONK\'S.

Lady Dedlock is onrustig, zeer onrustig. Hot modedagblad weet nauwelijks te zeggen waar zij te vinden is. Vandaag is zij op Kastanje-I lof; gisteren was zij in haar huis in de stad; morgen kan ze wel op reis zijn, voor zoover het modedagblad met zekerheid kan voorspellen. Zelfs Sir Leicester\'s galanterie hooft eenigo moeite om haar bij te houden. Zij zou nog meer moeite hebben, als zijn andere trouwe bondgenoot het podagra — hem niet in zijne oude eikenhouten slaapkamer op Kastanje-Hof kwam opzoeken, en hem bij beide beonen pakte.

Sir Leicester ontvangt het podagra als een lastigen demon, maar toch ten demon van adellijken rang. Al de Dedlock\'s van het mannelijk geslacht hebben zooveren verder dan menschon-geheugen het tegendeel kan zeggen, het podagra gehad. Dit kan bewezen worden, mijnhoer. De vaders van andere lieden mogen aan de rhou-matiok zijn gestorven, en lage smetstoffen bobben opgenomen uit het vuile bloed van het zieke gemeen; maar de Dedlock\'s hebben iets exclusiefs in de familie gehouden, zelfs in het alles gelijkmakend sterflot, door aan hun eigen familiepodagra te sterven. Dat podagra is het doorluchtige geslacht bijgebleven, evenals het zilver of de schilderijen, of het buiten in Lincolnshire. Het behoort onder de eeretitols daarvan. Sir. Leicester is misschien niet geheel vrij van het denkbeeld, hoewel hij het nooit in woorden heeft gebracht, dat de engel des doods, bij het waarnemen van zijn noodzake-lijken post, zijn aankondiging aan de schimmen der aristocratie aldus inricht: „ilylords en hoeren, ik heb de eer u nog een Dedlock te presenteeren, volgens zijn certificaat alhier gearriveerd per familiepodagra,quot;

Vandaar geeft Sir Leicester zijne fainiliebee non aan de familiekwaal ten beste, alsof dit de leenpllcht was, waaronder hij naam en vermogen hield. Hij gevoelt, dat het wel wat vrijpostig is een Dedlock te dwingen om op zijn rug te blijven liggen en hem in de benedenste ledematen te bijten en te knijpon, maar hij denkt: „Wij hebben ons allen daaraan onderworpen ; het is iets, dat ons eigen is; het staat sedert •■enige honderd jaren vast, dat wij den grafkelder in het park op geen edeler manier interessant kunnen maken; en ik voeg mij naar dat vergelijk.quot;

En eene deftige vertooning maakt hij, daar liggende in een gloed van rood en goud, in het midden van het groote salon, voor het portret van mylady, met breede strepen zonnelicht, die op eene lange rij door de reeks van vensters naar binnen schijnen, en met zachte schaduwstrepen afwisselen. Buiten staan de statige eiken, sedert eeuwen geworteld in den groenen grond, die nooit het kouter heeft gekend, maar reeds eene warande was toen de koningen nog met zwaard en schild ten oorlog, en met boog en pijlen ter jacht reden, en leggen getuigenis van zijne grootheid af. Binnen schijnen de voorvaderen die hein van do wanden aanzien, te zeggen: „leder van ons was eone vluchtige werkelijkheid hier, on liet hier deze gekleurde schaduw van zich zolvon, en smolt weg in eene nagedachtenis even droomerigals de stemmen dor kraaien die u uit de verlo in slaap krassen;quot; en leggen Insgelijks getuigenis van zijne groot beid af En hij is zeer groot vandaag en wee Boy thorn of ieder ander vermetelen waaghals, die zich verstout om hem een duimbreed gronds te betwisten.

Mylady wordt thans bij Sir Leicester door haar portret voitogenwoordigd. Zij is naar de stad gevlogen, maar zonder voornemen om daar te blijven, en zal terstond weder hierheen komen vliegen, om het modedagblad te beschamen on in de war te brengen. Hot huis in de stad is niet voor hare ontvangst gereed. Het is don-


-ocr page 120-

HET VERLATEN\' IIIMS.

kor i n somber. Slechts oen ccpooierdt M\'-rcurius staat neerslachtig aan het venster van het voorhuis te geeuwen; en hij heeft gisteravond tot een anderen Mercurius van zijne kennis, die aan een gezellig leven gewoon is, ge/.egd, dat er, als hel, zoo duren moest, op zijne eer. niets anders voor hem zou overschieten dan zich de keel af te snijden.

Welk verband kan it bestaan tusschen het buiten in Lincolnshire, het huis in de stad, den gepoi-irrden Mercurius. en het oponthoud van Jo, het uitvaagsel der maatschappij, met zijn bezem, wien die straal van licht uit de verte bescheen, toen hij den drempel der poort van het kerkhof veegde? Wolk verband kan er bestaan hebben tusschen vele menschen in de ontelbare geschiedenissen der wereld, die evenwel, door groote kloven gescheiden, op de zonderlingste wijs van tegenovergestelde zijden by elkander worden gebracht!

Jo veegt den geheelen dag zyn eindje straat, onbewust van dat verband, indien er een verband bestaat. Hij somt, als hein iets gevraagd wordt, zijn geesteiyken toestand op. door te antwöbrden „dat hij niets weet.quot; Mij weet, dat het moeielijk is. bij morsig weder de modder van zijn overpad te houden, en nog moeieiijker van dat werk te leven. Niemand heeft hem zoo-vi el zelfs geleerd; hij heeft het zelf ontdekt.

Jo leeft dat is te zeggen, Jo is nog niet gestorven in eene vervaliene buurt, die bij zijns gelijken onder den naam van T o m-A. 11-A 1 o n e\'s bekend is. Het is eene zwarte, bouwvallige straat, door alle fatsoenlijke lieden vermeden; waar de wrakke huizen, toen hun verval reeds ver gevorderd was. door eenige stoute landloopeis in bezit werden genomen, die ze, eens daar gevestigd, bij gedeelten aan anderen verhuurden. Thans bevatten die half ingestorte woningen, des nachts, een drom van ellende En gelijk op den verwoesten men-schelijken ellendeling een woekerend ongedierte verschijnt, zoo heeft zich in deze verwoeste menschenverblijven een drom van onreine wezens voortgebracht, die door de gaten in muren en planken in en uitkruipen, en zich, waar de reiren doorslaat, als maden bijeengekropen, te slapen leggen; die daar komen en gaan, ■ n p( -taardige koortsen halen en brengen, en in al hunne voetstappen meer kwaad zaaien, dan Lord C\'oodle, en Sir Thomas Doodle, en de hertog van Toodle. en al die fraai\'\' heeivn met groot\' posten, tot aan /oodle toe, in vijfhonderd jaar zullen terecht brengen ai zijn zij daartoe opzettelijk geboren.

Tweemaal in den lautsten tijd heeft men in T o m- \\ 1 l-A I o n e\'s een plof gehoord en eene stofwolk gezien. alsof er eene miin gesprongen was, en telkens was er een huis ingestort, l\'u-zv ongelukken hebben eene paragraaf in de nieuws-bladen en ei n paar bedden in ht t naaste gasthuis gevuld. De opene plekken zijn zoo gebleven, en tusschen het puin vindt menigeen nog een nachtverblijf. Daar nog verscheidene huizen bijna gereed zijn om in te storten, kan men verwachten , dat de volgende plof in T om-A 11-A I o n e\'s een goede plof zal zijn.

Dit kostbare eigendom is natuurlijk in do Kanselarij. Het zou eene beleediging voor het verstand van iemand met een half oog wezen, hem dit te zeggen. Of .Tomquot; de representant van den oorspronkelijken eischer of gedaagde in Jarndyce en Jarndyce is; dan of Tom hier geheel alleen woonde, toen het proces de straat tot eene woestijn had gemaakt, tot de andere volkplanters hem kwamen opzoeken, dan of die op de overlevering gegronde benaming eene zinnebeeldige aanduiding is van eene wijkplaats, waar men voor geen eerlijk gezélschap te vreezen heeft en waar ook de hoop is buitongesloten, weet misschien niemand. Zeker is het, dat Jo het niet weet.

„Want ik weet niets,quot; zegt Jo.

Het moet een vreemde toestand zijn, die van Jo! Zoo langs de straat te sloffen, ongemeenzaam met de vormen en geheel onbekend met de beteekenis van die geheimzinnige teekenen, die men in zulk eene menigte boven de winkels, op de hoeken van straten, op de deuren en voor de vensters ziet! De menschen te zien lezen en schrijven, en den brievenbesteller brieven te zien rondbrengen, en geen het minste denkbeeld van die geheele taal te hebben in dit opzicht blind en doofstom te zijn! Het moet verbijsterend voor hem zijn op zondag de betere klassen met boeken in de hand naar de kerk te zien gaan en te denken (want misschien denkt Jo toch wel eens) wat dat alles beduidt, en of het voor iemand iets beduidt, en hoe het komt. dat het voor mij niets beduidt! Geduwd, gestooten en weggejaagd te worden ; en werkelijk te gevoelen dat het waar schijnt te zijn, dat ik hier en overal niets te maken heb; en daarbij te moeten denken, dat ik hier toch ben, en dat ieder mij over het hoofd heeft gezien tot ik het schepsel werd, dat ik ben ! Het moet een vreemde toestand zijn, niet alleen te hooren, dat ik bijna geen menschelijk wezen ben (zooals wanneer jk mij tot getuigen kom aanbieden), maar dit geheel mijn leven lang zelf te gevoelen! Mij door paarden, honden en koeien te zien voorby loopen, en te weten, dat ik in onkunde tot hen behoor, en niet tot de meer verhevene wezens in mijne gedaante, wier kieschheid ik beleedig! Jo moet vreemde denkbeelden hebben van een crimineel proces, of van een bisschop, of van eene regeering, of van dat kostbare juweel, voor hem (als hij het maar wist), de constitutie. Geheel zijn -toifelijk en onstoffelijk leven is verbazend vreemd; zijn dood het vreemdste ding van alles.


-ocr page 121-

JO EN DM AAKDIdl-; MEID.

•To komt T o in • A11 - A1 o n e\'s uit en gaat den tragen morgen te gemoet, die daar altijd pas laat komt, en mommelt onder het voortgaan zijn vuil stuk brood. Zijn weg loopt door vele straten, en daar de huizen nog niet open zijn, zet hij zieh om te ontbijten op de stoep van het gebouw der Maatschappij tot Verbreiding van hot Evangelie in vreemde gewis-ten, en geeft die, als hij gedaan heeft, tot dank, eene streek met zijn bezem. Hij bewondert de grootte van het gebouw, en verwondert zich waar het eigenlijk toe dient. Hij heeft geen denkbeeld, de rampzalige, van de geestelijke nooddruft van een koraalrif in de stille Zuidzee, of wat het kost om onder de kokosnoten en broodvruchten naar dierbare zielen te gaan zoeken.

Ilij gaat naar zijne standplaats en begint zijne taak. De stad ontwaakt, de groote bromtol wordt opgezet om een dag lang te draaien en te gonzen; al dat Onbegrijpelijke lezen en schrijven, dat eenige uren lang was opgeschort, vangt weder aan. Jo en de dieren van lager soort helpen zich zoo goed zij kunnen door den onbegrijpelijken warboel heen. Het is marktdag. De verblinde ossen, overjaagd, maar nooit geleid, loopen in verkeerde plaatsen en worden er met slagen weder uitgedreven, en rennen, schuimbekkend en met roode oogen. tegen stee-tien muren aan, en beschadigen dikwijls de onschuldigen en dikwijls zich zolven. Zeer gelijkend naar Jo en zijne klasse; zeer gelijkend!

Er komt een troepje muzikanten en speelt. Jo luistert, er naar. Zoo doet ook een hond een veedrijvershond, die buiten een slagerswinkel naar zijn meester staat te wachten, en blijkbaar denkt aan die schapen, die hij eenige uren lang op het hart heeft gehad en nu gelukkig kwijt is. Hij schijnt in de war te zijn met drie of vier daarvan; kan zich niet herinneren waar hij ze gelaten heeft, kijkt de straat op en neer, alsof hij half en half verwachtte ze daar te zien dwalen ; steekt op eens de ooren op en herinnert zich alles. Ben echte vagebond van een hond, aan gemeen gezelschap en lier-bergen gewoon; een geduchte hond voor de schapen — op een fluitje gereed om over hunne ruggen heen te springen en ze bekken-vol wed uit te plukken; maar ook een gedresseerde, zedelijk ontwikkelde hond, wien men zijne plichten heeft geleerd en die ze nu weet te vervullen. Hij en Jo luisteren naar de muziek, waarschijnlijk met dezelfde mate van dierlijk genot; wat ontwakende herinneringen, treurige of blijde, of berouwvolle gedachten aan dingen buiten het bereik der zinnen betreft, staan zij waarschijnlijk ook met elkander ge-lijk. Maar hoever i- anders hel redelooze dier boven den menschelijken luisteraar verheven!

Laat de afstammelingen van dien hond in het wild loopcu. gelijk Jo, en in weinige jaren zullen zij zoo verbasteren, dat zij zelfs het blaften ontleeren rnaar niet het bijten.

Later op den dag verandert het weder, het wordt donker en regenachtig. Jo vecht er tegen in, tusschen de modder en de wielen, de paarden, de zweepen en de paraplu\'s, en ontvangt slechts een karig sommetje om zijn ellen dig nachtverblijf te betalen. Het wordt schemeravond; het gas begint in de winkels op te vlammen; de lantaarnopsteker loopt met zijne ladder langs den kant van het voetpad. Het wordt een gure. ellendige avond.

Mijnheer Tulkinghorn zit er in zijne kamer I over te denken om morgén den naasten magistraatspersoon om eene volmacht tot hechtenis te vragen, firidly, oen te leur gesteld pleiter, is daar vandaag geweest en heeft hem doen schrikken. Hij wil niet bevreesd zijn voor zijne persoonlijke veiligheid, en diegemeene kerel zal weder borg moeten stellen. Van den zolder wijst do Allegorie, in den persoon van een on moge-lijken. ten onderste boven gekeerden Romein, met een Simsons-arm (ontwricht en ongepaard) , in het oogloopend naar het venster. Waarom zou mijnheer Tulkinghorn, om zulk eene nietige j reden, uit het venster kijken? Wijst die hand | niet altijd naar dien kant? Hij kijkt dus niet i uit het venster.

En als hij het deed, wat zou hij dan zien aan eene vrouw, die daar voorbijgaat? Er zijn vrouwen genoeg in de wereld, denkt Tulkinghorn — te veel zelfs; zij zijn de oorzaak van al jiet kwaad, dat er in gebeurt, hoewel zij, wat : dat betreft, ook oorzaak zijn. dat de rechtsge-; loerden wat te doen hebben. Wat. zou het be-| duiden, daar eene vrouw te zien voorbijgaan, al deed zij dat in het. geheim? Zij steken allen vol geheimen. Mijnheer Tulkinghorn weet dit zeer wel.

Maar zij gelijken niet allen naar de vrouw, die nu hem en zijn huis achter zich laat, en tusschen welker eenvoudige kleeding en fijne beschaving eene zonderlinge tegenstrijdigheid : bestaat. Zij zou, volgens hare klei-ding, eene fatsoenlijke dienstbode zijn, maar naar hare houding en tred, hoewel de laatste haastigen : de eerste nagebootst is in zooverre /.ij die | nabootsing op de modderige straat, die zij met | ongewonen voet betreedt, kan in acht nemen,

is zij eene aanzienlijke dame. Zij heeft eene voile voor het gezicht, en toch verraadt, zij zich genoeg om meer dan een voorbijganger scherp re doen omkijken.

Zij zeiv( keert nooit het hoofd om. Dame of : dienstbode, zij heeft een doel en gaat daarop at. Zij keert hel hoofd niet om, tot zij aan d( plek kómt waar Jo staat te vegen, li ij loopt met haar mee- en bedelt. Nquot;g keert zij haar hoofd niet om tot zij aan den overkant van de straat is gekomen. Dan wenkt zij hem even en zegt: ..Kom hierquot;\'


-ocr page 122-

112

Jo volgt haar een paar stappen naar een | still en hoek.

,Zyt gij de jong»-n. van wlen ik in de couranten heb gelezen?quot; vraagt zij achter hare j voile. „Dat weet ik niet,quot; antwoordt Jo, met botte verwondering naar de voile kijkende, i „Weet niets van de courant. Weet niets van i nicrnenclal.\'\' „Zijt ge dan niet bij eene lijkschouwing in het verhoor geweest?\' - ,lk weet niets van nie -- waar de b e a d 1 e mij naar toe bracht,meent gij?quot; zegt Jo „Heette die jongen, dien g\\| meent, Jo?quot; „Ja!\' ,Dat ben ik,quot; zegt Jo. - „Kom wat verderop.quot; — „Gij meent over dien man?quot; zegt Jo, haar volgende. „Hij, die toen dood was?quot;— „St. Spreek heel zacht, j Ja. Zag hij er, toen hij nog leefde, zoo zieke- | lijk en armoedig uit?quot; — „0 ja!quot; zegt Jo. -„Zag hij er uit zooals toch niet zooals gij?\' i zegt de onbekende mei afgrijzen. — „Niet zoo erg als ik.quot; zegt Jo. „Ik ben er heelemaal een. Gij hebt hem toch niet gekend, hebt ge?quot; „Hoe durft ge mij vragen of ik hem gekend heb?quot; - „Neem me niet kwalijk, mylady,quot; zegt Jo zeer nederig, want zelfs hij is tot het ver i moeden gekomen, dat zij eene dame van rang is. „Ik ben geene lady. Ik ben eene meid.quot; — „Et:ne aardige meid!quot; zegt Jo, zonderde min- j sto gedachte om iets beleedigends te zeggen: ! alleen als eene schatting van bewondering. „Luister en zwijg stil. «preek niet tegen mij i en ga wat verder van mij af. Kunt gij mij al die plaatsen wijzen, waarvan gesproken wordt in liet verslag, dat ik gelezen heb? De plaats, waarvoor hij schreef, de plaats waar hij stierf, de plaats waar hij gebracht werd, en de plaats | waar hij begraven is ? Weet gij de plaats waar ! hij begraven wei l?quot;

Jo antwoordt met een knik; hij heeft ook ge-kni kt toen de andere plaatsen genoemd werden.

.Ga mij vooruil en wijs mij die akelige plaatsen. Blijf voor ieder daarvan staan, maar spreek niet tegen mij als ik niet tegen u spreek. Zie niet j otn. Doe wat ik van u wil, en ik zal u goed 1 bi t alen.quot;

Jo let nauwkeurig op terwijl zij deze bevelen I gwft, telt ze als het ware af op zijn bezemstok, daar hi j ze wat moeielijk te begrijpen vindt: denkt er ei ns ovei wat ze beduiden; meent ze begrepen te hebben en knikt nog eens.

„Ik ben leuk,quot; zegt Jo. „Maar die leuk is-weet ge? Geen spat zetten!quot; „Wat meent het akelige schepsel toch!quot; roept zij uit, voor 1 hern terugdeinzende, „Niet de plaat poetsen, weet ge.\' zi u\'t Jo. — „Ik begrijp u niet. G i mij vooruit. Ik zal u meer geld geven dan gij ooit in uw leven gi-had hebt.quot;

Jo spitst zijn mond om te thiiten, wrijft zijn ; rui gen kop eens, neemt zijn bezem onderden arm en gaat vooruit, met zijne bloote voeten hirbtig over de harde steenen en door modder en plassen stappende.

Cook\'s Hofje, Jo blijft staan. Stilte. „Wie woont hier?quot; — „Hij, die hem schrijfwerk gaf en mij een halve dikke,quot; zegt Jo fluisterend, zonder over zijn schouder te zien. -„Ga voort naar de volgende.quot;

Het huis van Krook. Jo blijft weder staan. Eene langere stilte,

„Wie woont hier?quot; — „Hij woonde hier,quot; antwoordt Jo op dezelfde wijs als te voren.

Na nlt; gt;g eene poos van stilte wordt er gevraagd: „In welke kamer?quot; — „De achterkamer boven. Gij kunt aan dien hoek het venster zien. Daar omhoog. Daar heb ik hem afgelegd zien liggen. Dit is de herberg, waar hij gebracht werd.quot; „Ga voort naar liet volgende,quot;

Dit is eene langere wandeling; maar Jo, van zijne eerste vermoedens teruggekomen, houdt zich aan de hem opgelegde voorwaarden en ziet niet achterom. Langs vele bochtige straten, dampende van allerlei vuil, komen zij aan het rioolachtige steegje, aan de nu brandende gas-lantaren en aan het ijzeren hek.

„Daar hebben zij hem gelegd,quot; zegt Jo, zich aan de traliën vasthoudende en naar binnen kijkende, „Waar? O, welk een afgrijselijk gezicht!quot; „Daar,quot; zegt Jo, wijzende. „Ginder aan den overkant, Tusschen die hoopen beenen, j en dicht bij dat keukenraam. Hij ligt haast ge- ■ heel bovenaan, /.ij moesten er op stampen om I ze er in te krijgen. Ik zou ze met mijn bezem : voor u bloot kunnen vegen, als het hek maar open was. Daarom doen zij het ook op slot, zou ik denken,\' en hij schudt aan het hek. „Het is altijd dicht. Kijk die rat eens!quot; roept Jo, opgewekt, „He ! Kijk ! Daar looptzij. Ho! Den grond i in l\'

De meid kruipt bevend in een hoek •— in een I hoek van die afschuwelijke poort, met die doo- | (lelijke vlekken, die haar kleed bezoedelen; en | hare beide handen uitstekende, en hem hartstochtelijk bevelende om van haar af te blijven, | want dat bij haar walgelijk is, blijft zij eenige i oogenblikken zoo staan. Jo staat te staren en ! doet dit nog als zij zich herstelt.

.is die afgrijselijke plek gewijde grond?quot; „Ik weet van geen gewijde grond,quot; antwoordt Jo, nog starende. ,Gezegend, meen ik?* -„Wat?quot; zegt Jo, ten hoogste verbaasd. „Is dat kerkhof gezegend?\' — „Ik mag gezegend zijn als ik het weet,quot; antwoordt Jo, nog strak- 1 ker starende dan ooit, „maar ik zou denken vail j neen. Gezegend?quot; herhaall Jo, (quot;enigszins on- ; rustig naar het schijnt. „Als dat zoo is, heeft | het er niet veel goeii aan gedaan. Gezegend? Ik zou denken - wel andersom. Maar ik weet niets van niemendal.quot;

De meid let zoo weinig op hetgeen hij zegt als zij schijnt te denken om hetgeen zij zelve gezegd heeft. Zij trekt haar handschoen uit, om gold uit hare beurs te nemen, Jo let er stilzwijgend op hoe wit en klein liaro hand is, en


-ocr page 123-

r.m hk\'i\' kei;k\'hoi\'.

welk cene rijke meid zij moet wezen om zulke schitterende ringen te draden.

\'/Aj laat een stuk geld in zijne hand vallen, zonder die aan te raken, en huivert als hunne handen Hkander naderen. „Wijs mU de plek nu nog eens,quot; zegt zij.

Jo steekt zijn bezemstok tusschen de traliën en wijst met alle macht. Eindelijk omkijkende, om te zien of hij het duidelijk genoeg heeft gemaakt, bevindt hij zich alleen.

Het eerste wat hij doet is het stuk geld in het schijnsel der gaslantaren te houden, en van blijdschap op te springen, als hij ziet, dat het goud is. Zijn volgend bedrijf is, in den rand te geen beter gezelschap dan het podagra, is onrustig en ongedurig; hij klaagt tegen juffrouw Kounci well, dat de regen zulk een eentonig gekletter op het terras maakt, dat hij zelfs bij het vuur in zijne eigene besloteue kleedkamer, de courant niet kan lezen.

.sir Leicester zou beter gedaan hebben den anderen kant van het huis te probeeren, kindlief,quot; zegt juffrouw Eouncewell tot Rosa. „Zijne kleedkamer is aan mylady\'s kant. En in al die jaren heb ik den voetstap op de eestenwandeling nooit duidelijker gehoord dan van avond.quot;


byten, om dlt;\' echtheid te om! rzocken. Zijn daar-opvolgend. het veiligheidshalve In den mond te steken, en met groote zorgvuldigheid den ge-heelen ingang schoon ti- virgi n. Deze taak verricht hebbende, begct-li hij zich op weg naar ï om-A 1 1-A 1 o n e \'s; onderweg nog onder een aantal gaslantarens stilstaandquot;. om het goudstuk uit /jijn mond te nemen en er in te bijten, ten einde zich nogmaals te overtuigen dat het echt\'is,

1 )e gepoeierde Mercnrius hoeft dien avond geen i gebrek aan gezelschap, want mylady gaat naar een groot diner en naar drie of vier bals yir I Leicester, daar buiten op KastanjeHof, met

XVII.

EST\' I

KU

j o n-spoe-,■(gt;11 werd), en met zijn goed humeur, ■ld, was zijn gezel-hoewel ik meer en iden, hoe beter ik ■ ik toch ook meer dat hij door zijne ■stendigheid was

op vocc

VU KI IA Al.

Richard k

Swam ons, zoolang wij nog t d e n bleven, dikwijls opzoekt n (hoewel dig traag in het brievensc zijne levendigheid van geest zijne vroolijkheid en friseiih schap altijd een genot. Maar meer van hen) begon te ho hem leerde kennen, gevoeld

•er hoe jammer het was, ling niet, aan vlijt en b


Ou-KKNS. /M inhthn Ihti

-ocr page 124-

HET VERLATEN HTIS.

gewond. Het stelsel, dat hem eveneens als honderden andere jongens, allen verschillend van karakter en aanleg, had behandeld, had hem in staat gesteld om zijne taak altijd vlug af te werken, altijd met eer en dikwijls met onderscheiding, maar had hem juist daardoor bevestigd in zijn vertrouwen op die hoedanigheden, welke vooral bestuur en leiding hadden noodig gehad. Het waren groote hoedanigheden, zonder welke niemand door zijne verdiensten eene hoogt* plaat-, kan verwerven; maar gelijk hi t vuur en hot water, waren zij, hoewel uitmuntende dienaren, zeer slechte meesters. Indien zij onder Richard\'s heerschappy hadden gestaan, zouden zij zijne vrienden zijn geweest; maar nu Richard onder hare heerschappij stond, werden zij zijne vijanden.

Ik schrijf deze meeningen terneer, niet omdat ik geloof, dat uit of iets anders juist zoo was, omdat ik zoo dacht; maar alleen omdat ik zoo dacht, en omdat ik volkomen oprecht wil zijn over alles wat ik dacht en deed l)ii waren mijne gedachten over Richard. Bovendien meende ik dikwijls op te merken hoezeer mijn voogd gelijk had in hetgeen hij gezegd had; en dat de onzekerheid, en de vertragingen van het Kanselarij-proees zijn karakter iets van de loszinnigheid van een speler hadden doen aannemen, die gevoelde dat hij een deel van een groot hazardspel was.

Toen mijnheer en mevrouw Hayham Bad-g r eens op een namiddag aankwamen, en mijn voogd niet thuis was, vroeg ik in den loop van het gesprek natuurlijk naar Richard,

,0, mijnheer Garstone is heel wel,quot; zeide mevrouw Badger, „en ik verzeker u, hij is eene groote aanwinst voor onzen krintr. Kapitein Swosser placht van mij te zeggen, dat ik altijd nog beter was dan land voor den boeg en den wind van achteren voor de onderoffi-cierstafel, als de kost van den viotualiemeester zoo taai was geworden als de voormarszeil nokbindsels. Dat was zijne zeemansmanier om te zeggen, dat ik eene aanwinst voor ieder gezelschap was. ik mag mijnheer Carstone inderdaad hetzelfde compliment maken Maar ik gij zult het niet voor voorbarig houden als ik er van -.preek?quot;

Ik zeide neen, daar mevrouw Badger\'s vleiende toon zulk een antwoord schren te ver-eischen.

„En juffrouw Clarlt; ook niet?quot; zeide mevrouw Badger uiterst vriendelijk.

Ada /.eide insgelijks noon en keek ongerust.

.We], gij ziet, inijngt; liefjes,\'\' zeide mevrouw Badger, ,oy zult het niet kwalijk nemen,- dat, ik u mijne liefjes noem\',\'quot; Wij verzochten mevrmiw Badgei om er toch niet van te spre ken. „Omdat gij dat waarlijk zijt, als ik zoo vrij mag wezen om dat te zeggen,quot; zeide mevrouw Badger, .zoo charmant, \'■ij ziet we , mijne liefjes, dat, schoon ik nog jong ben of mijnheer Bayham Badger maakt mij een compliment met zoo te zeggen —„Neen, geheel niet,quot; riep mijnheer Badger, op den toon van iemand, die in eene openbare ver-gadering iets wil logenstraffen, „Heel goed,quot; zeide mevrouw Badger glimlachend, „wij zullen dan \'Zeggen nog jong,quot; „Zondeiquot;twijfel,quot; zeide mijnheer Badger. „Mijne liefjes, schoon ik nog jong ben, heb ik toch al veel gelegenheid gehad om jongelieden waar te nemen. Er waren er velen aan boord van dien troeden ouden Crippler, dat verzeker ik u. Daarna, toen ik met kapitein Swosser in de Middellandsche Zee was, nam ik elke gelegenheid waar om de adelborsten onder kapitein Swosser\'s bevel mijne welwillendheid te toonen en met hen om te gaan. (üj zoudt hunne scheepstaal waarsehi.jnlijk niet eens verstaan, liefjes; maar met mij is het anders, want het blauwe water is een tweede vaderland voor mij geweest, en ik was toen een comploete matroos. Toen weder met professor Dingo.\' „Een man van Europeesche vermaardheid,quot; mompelde mijnheer Badger. „Toen ik mijn dierbaren eersten verloor en de vrouw van mijn dierbaren tweeden werd,quot; zeide mevrouw Badger, van hare vorige echtgenooten sprekende alsof zij de gedeelten van eene charade waren, „had ik wederom gelegenheid om de jeugd waar te nemen. De klasse, die de lessen van professor Dingo bijwoonde, was groot en het werd mijn trots, als vrouw van oen uitstekend geleerde, die zelve in de wetenschap den grootsten troost zocht, dien zij kon verleenen, het huis voor de studenten open te zet ten als eene soort van wetenschappelijke Beurs. Eiken dinsdagavond was er limonade, met een beschuitje voor allen, die aan deze ververschingen wonsehten deel te nemen. En wetenschap was er zonder eenige beperking.quot; — „Opmerkenswaardige vergadering, juffrouw fSummerson,\' zeide mijnheer Badger met eerbied. „Er moet veel intellectueele wrijving hebben plaats gehad onder do oogen van zulk een man.quot; „Rn thans,quot; vervolgde mevrouw Badger, „nu ik de vrouw van mijn dier-ban n derdon, mijnheer Badger, ben, blijf ik nog trouw aan dn gewoonte van waarnemen, dio ik in don leeftijd van kapitein Swosser heb gevormd, en in den leeftijd van professor Dingo tot nieuwe en onverwachte doeleinden heb aangewend. Ik ben dus niet als eene nieuwelinge tot de waarneming van mijnheer Carstone gekomen. En toch ben ik sterk van gevoelen, mijne liefjes, dat hij zijn boroep niet met oordeel gekozen heeft.quot;

Ada keek nu zoo angstig, dat ik mevrouw Badger vroeg waarop die onderstelling gegrond was.

..Mijne lieve\' juffrouw Summerson,quot; antwoordde mevrouw Badger, „op mijnheer Carstone ska-


-ocr page 125-

WA A UN HM INGEN VAN MKVUOl\'W ISA YJ1AM IVAIXiER.

rakter en gedrag. Hij in zoo buigzaam van aard, dat hij het waarschijnlijk nooit de moeite waard zou achten om te zeggen, hoe hij er zelf over denkt: maar hij is toch werkelijk lauw voor zijn beroep. Hij heeft er die bepaalde belangstelling niet voor, die het tot zijne roeping j zou maken. Als hij er eenige bepaalde gedachte over heeft, zou ik zeggen, dat zij wezen moest dat het een vervelend vak is. Nu belooft dit niet voel goeds. Jongelieden, geiyk mijnherr Allan Woodcourt, die het uit ware belangstel-| ling in hetgeen dit vak doen kan aanvatten,

• zullen daarin eenige belooning vinden, als zij ! voor zeer weinig geld zeer veel werk moeten j doen, en zich door jaren van ontbering en te-i leurstelling moeten heenworsteleii. Maar ik ben ; overtuigd, dat dit nooit met mijnheer Oarstone 1 het geval zou zijn.quot; — „Denkt mijnheer Badger er ook zoo over?\' vroeg Ada schroomvallig. „Wel, om de waarheid te zeggen, juf-

j frouw Clare,quot; zeide mijnheer Badger, „was dat oogpunt van de zaak mij nog niet onder | de aandacht gekomen voordat mevrouw Bad-; ger er melding van maakte. Maar toen mevrouw Badger ze in dat licht plaatste, nam ik ; het natuurlijk in ernstige overweging: wel we-j tende, dat mevrouw Badger\'s geest, behalve : zijne natuurlijke gaven, het. voorrecht heeft van gevormd te zijn door twee zulke uitste-j kende (ik wil zelfs Zeggen beroemde; publieke;

• personen als kapitein Swosser en professor Dingo. De slotsom, waartoe ik gekomen ben, is — kortom, is mevrouw Hadger\'s slotsom.quot;

„Het was een stelregel van kapitein Swosser,quot; zeide mevrouw Badger, „in zijne flguur-, lijke zeemanstaal, dat wanneer men pik heet maakt, men het niet te heet kan maken ; en dat, al heeft men maar eene plank zwab-| beren, men zwabberen moet alsof Davy Jones u achternazat. Het komt mij voor, dat deze I stelregel zoowel op het beroep van heelmeester als op dat van zeeman toepasselijk is.quot; — „Op alle beroepen,quot; merkte mijnheer Badger aan. „Het was mooi gezegd van kapitein Swosser. Hoer lijk gezegd!quot; - „De menschen hadden er tegen.\' vervolgde mevrouw Badger, „dat professor Dingo, toon wij na ons trouwen in het noorden van Devon loguorden, eenige huizen en andere grebouwen ontsierde, door stukjes van den steen met een geologisch hamertje af te bikken. Maar de professor antwoordde. dat hij van geen gebouwen wist, behalve van den Tempel der Wetenschap, lier beginsel is hetzelfde, naar mij dunkt?quot; — „Volmaakt hetzelfde,quot; zeide mijnheer Badger. „Fraai uitgedrukt! Do. professor maakte dezelfde aanmerking, juffrouw Summerson, in zijne laatste ziekte, toen hij (aan het ijlen zijnde) er op stond om zijn hamertje onder zijn kussen te honden, en ei- de gezichten van zijne oppassers mee wilde afbikken. Doheerschonde hartstoehtlquot;

Hoewel wij de langdradigheid, waarmede mijnheer en mevrouw Badger in dit gesprek ! het woord voerden, wel hadden kunnen mis-I sen. gevoelden wij beiden, dat het belangelooze , welwillendheid van hen was, die hen hun gevoelen aan ons had doen mededoelen, en dat er groote waarschijnlijkheid voor het grondige van ■ : dat gevoelen bestond. Wij kwamen overeen om er mijnheer Jarndyce niets van te zeggen voordat wij met Richard hadden gesproken; en daar i hij den volgenden avond kwam, besloten wij ; ; een ernstig onderhoud met hem te hebben.

Nadat hij dus een poosje bij Ada geweest was, kwam ik binnen, en vond mijn lievelingetje volkomen gereed (gelijk ik wel wist dat zij doen zouj om hem in al wat hij zeide volkomen gelijk te geven. „En hoe gaat het met de studie, Richard?quot; zeide ik. Ik zette mij altijd aan zijn anderen kant. Hij maakte geheel en al eene zuster van mij. ,0, goed genoeg,quot; zeide Richard. „Beter kan hij toch niet zeggen, niet waar?\' riep mijn lievelingetje zegevierend uit.

Ik poogde haar met een aller wijst gezicht aan te zien, maar het spreekt van zelf dat ik dat niet kon. „Goed genoeg?quot; herhaalde ik. — „Ja,quot; zeide Richard, „goed genoeg. Het is wel wat eentonig en vervelend. Maar het zal toch zoo goed er mee gaan als iets anders.quot; — „O. mijn lieve Richard!quot; zeide ik berispend.

„Wat scheelt er aan?quot; zeide Richard. „Zoo goed als iets anders!quot; „Mij dunkt, dat daar geen kwaad in steekt. Besje Darden,\' zeide Ada, mij voorbij hem heen, o zoo vertrouwelijk aanziende. „Want als het zoogoed gaat als iets anders, zal het heel goed gaan, hoop ik,quot; — „Ja, dat hoop ik ook,quot; zeide Hi-chard, luchtig zijn haar van zijn voorhoofd strijkende. „Misschien is hot toch maar een soort van probeeren tot ons proces maar ik vergeet daar! Ik mag niet van het proces spreken. Verboden grond. O ja, dat is alles goed en wel. Maar laten wij nu van iets anders spreken.quot;

Ada had dit gaarne willen doen. en dat mot volle overtuiging, dat wij de vraag op eene zeer voldoende manier hadden beslist. Maar ik dacht, dat het niet baten zou als wij het daarbij lieten blijven, en begon dus weder.

„Neon. maar Richard.quot; zeide ik, „en mijne lieve Ada ! Bedenkt van hoeveel gewicht het voor • u beiden is. en welk een punt van eer tegenover uw neef. dat gij, Richard, zonder eenig voorbehoud ernstig uwe godaciiten zegt. Mij dunkt waarlijk, dat wij er liever nog wat over moesten spreken, Ada. lied spoedig zal het tlt; laat zijn.quot; .() ja. Wij moeten er nog war over spreken,quot; zeide Ada. „Maar mij dunkt toch, dat Richard gelijk, heeft.quot;

Wat baatte het mij of ik al wijs wilde kijken, terwijl zij zoo bevallig was, en zoo innemend en zoo met hem ingenomen I


-ocr page 126-

HET VKKI.ATKN HTIS,

.Mijnheer en mevrouw Badger zijn gisteren hier geweest. Hichard.quot; zeide ik, „en zij schenen te denken, dat gij geen groot*-n kist luidt in uw vak.quot; — ,/,oo, deden zij dat?\' zeide Richard. „ Welnu, (lat verandert de zaak. want ik had er geen denkbeeld van dat zij zoo dachten, en ik zou hen niet gaarne willen teleurstellen of hun onaangenaamheden veroorzaken. De waarheid is, dat het mij niet veel schelen kan. Maar dat komt er niet op aan. liet zal toch wel zoo goed voor mij zijn als iets anders.quot; - „Gij hoort hem, Ada,quot; zeide ik. „De waarheid is.quot; vervolgde Richard, half nadenkend, hall\'schertsend, „hot is niet heel wat ik wenschen zou. ik krijg er geen plezier in. En ik hoor ook te veel van mevrouw Badger\'s eersten en tweeden.quot; .Maai dat is toch waarlijk heel natuurlijk!\' riep Ada opgetogen uit. ..luist hetzelfde dat wij gisteren allebei zeiden, Esther.quot; — „En dan is het zoo eentonig,quot; vervolgde Richard ; „vandaag gelijkt al te veel naar gisteren, en morgen al te Veel naai vandaag.quot; — „Maar ik vrees,quot; zeide ik, „dat dit een bezwaar van alle soorten van beroepen is van het leven zelf, behalve onder zeer buitengewone omstandigheden.quot; „Denkt gij dat?quot; antwoordde Richard peinzende .Mi-scliien. Welnu,quot; vervolgde hij, eensklaps weder vroolijk wordende, „wij komen dus van zelf weer terug op wat ik zoo even zeide. Het zal evengoed voor mij zijn als iets anders. O ja, het is wel genoeg. Laten wij van wat anders praten.quot;

Maai zelf.- Ada, met haar liefdevol gezichtje en als dat mij onschuldig en vertrouwelijk voorkwam, toen ik het voor do eerste maal zag, in dien gedenkwaardigen N\'ovemb( i-mist, hoe-veel meer dan thans, nu ik haar onschuldig en vertrouwelijk hart kende zelfs Ada schudde hierop haar hoofdje, en keek ernstig. Ik achtte het dus eeru goede gelegenheid om Richard een wenk te geven, dat, als hij somtijds wat zorgeloos voor zich zeiven was, ik mij toch overtuigd hield, dat hij nooit zorgeloos voor Ada zou willen zijn; en dat het een deel van zijne liefderijke zorg voor haai moegt;l uitmaken, niet h licht te denken over het gewicht van een stap, die zooveel invloed op hun beider leven kon hebben. Dit deed hem bijna ernstig worden

„Mijn lief moedertji Hubbard,\' zeide hij, „dat is juist de zaak! Ik heb verscheidene malen daarover gedacht, en ben dikwijls boos op mij zeiven geworden, dat ik zoo gaarne in ernst zou willen zijn, en dat toch eigenlijk net was. Ik weet niet hoe het is; ik ^\'hijn gebrek te hebben aan het een of ander om mij aan vast te houden. Zelfs L\'ij hebt geen denkbeeld hoe vee] ik van Ada houd, 10, mijn lief ni\' htje, ik heb n zoo lie*\'!) maar in andere dingen kan ik maar tot geone standvastigheid komen. Alles is zoo moeielijk en heeft zoovel tijd noodig!quot; zeide Hichard met e. n venire tig gezicht, „Dat kan wel zijn,* merkte ik aan, „omdat gij geen zin hebt in het vak, dat gij hebt gekozen,quot; „Arme jongen!quot; zeide Ada, „Ik verwonder mij er waarlijk niet over,quot; Neen, het baatte-niet het minste of ik al wijs wilde kijken. Ik beproefde het nog eens, maar hoe kon ik het doen, of hoe kon het eenigen indruk maken, terwijl Ada hare gevouwene handen op zijn schouder liet rusten, en hij in hare teedere blauwe oogen. zag, en deze hem aanzagen,

„(lij ziet wel, mijn kostbaar meisje,quot; zeide Richard, hare gouden krullen om zijn vingers windende, „ik ben misschien wat haastig geweest; of misschien heb ik mijne eigene neigingen verkeerd beoordeeld. Zij schijnen niet naar dien kant te strekken. Ik kon dat niet weten, eer ik het geprobeerd had. Nu is de vraag of het de moeite waard is op het gebeurde terug te komen. Dat zou toch wel schijnen eene groote opschudding te maken over niets van beduiden,quot; „Mijn lieve Richard,\' zeide ik, „hoe kunt gij toch zeggen over niets van beduidenVquot; „Ik meen dat niet zoo volstrekt,\' antwoordde hij, „Ik meen, dat hi t wel niets van beduiden kan zijn, omdat ik hel misschien nooit zal noodig hebben,\'

Ada en ik hielden hem, tot antwoord, dringend voor, dat het niet alleen wel de moeite waard was op het gebeurde terug te komen, maar dat dit zelfs mo* si geschieden. Toen vroeg ik Richard, of hij ook aan een ander vak had gedacht, dat hem beter zou bevallen,

„Zie, mijne lieve Vrouw Shipton,quot; antwoordde Richard, „nu komt gij op den man af. Ja, dat heb ik. Ik heb gedacht, dat de rechten juist een ding voor mij zouden zijn,quot; „ De rechten! quot; zeide Ada, alsof zij bang was voor dat woord „Als ik bij Kenge op het kantoor kwam,quot; zeide Richard, „en bij hem als klerk was in g( schreven, zou ik het oog kunnen houden op hm op den verboden grond en zou ik dien kunnen bcstudeeren en mij overtuigen, dat er niets verzuimd en alksnaar behooren behartigd werd. Dan zou ik voor Ada\'s belangen kunnen zorgen, en voor mijne eigene belangen (die dezelfde zijn) en zou ik met geduchten ijver achter dien Blackstone en al die kerels heenzitten.quot;

Ik was daarvan lang zoo zeker niet; en ik zag hoe zijn hunkeren naar liet onbestemde, dat nog eens van die lang uitgestelde hoop zou moeten komen, Ada\'s gezichtje deed betrekken. Maar ik achtte het best hem in zijn voornemen van standvastige vlijt aan te moedigen en waarschuwde hem alleen onti nu zeker te wezen, dat hij wel wist wat hij wilde,

.Mijn lieve Minerva.quot; zeide Hichard, „ik sta nu even vast in mijne schoenen als gij. Ik heb eene vergissing begaan; alle menscben zijn aan vergissingen onderhevig, maar nu zal ik dat niet moei- doen, en ik zal zulk een rechtsgeleerde worden als men niet dikwijls ziet. Dal is, weet ge.quot; zeide Hichard, wederom in twijfel verval-


-ocr page 127-

HU\'HARD IIIOKFT /KJH VKKOIST IX ZIJNE KEI\'S VAN\' Ki:.\\ IJKUOEI\'

ir

lende, „als het werkelijk de moeite waard is zoo-veel op.sclnulding over niets te maken.quot;

Dit noopte ons om nog eens met grooten ernst alles tr zeggen wat wij reeds gezegd hadden, en naderhand tot ongeveer hetzelfde besluit te komon. Maar wij gaven liichard zoo dringend den raad, om zonder een oogenblik uitstel rondborstig en openhartig niet mijnheer Jarndyce ; te spreken, en zijn karakter was zoo afkeerig van alle achterhoudendheid, dat hij hem terstond ging opzoeken (ons daarbij medenemende) en eeiie volledige bekentenis voor hem aflegde. „Rick.quot; zeidc mijn voogd, na hein oplettend te hébben aangehoord, „wij kunnen nog mi\'t eer terugtrekken, en dat zullen wij. Maar wij moeten oppassrn om ons nichtje, Rick, om ons nichtje dat wij niet meer zulke vergissingen begaan. Wat \' dus die rechten betreft, zullen wij eerst goed de proef nemen, oer wij iets beslissen. Wij zullen goed voor ons kijken eer wij den sprong doen, en daar tijd genoeir toe m men.quot;

Richard\'s ijver was van zulk een opvliegenden, ongeduldigen aard, dat hij niets liever zou gewild hebben dan terstond naar mijnheel- Ken-u-i \'s kantoor te gaan om zich als klerk te verlun-gt; \'• \'ii. Zich i\' vi\'ii wtd goedschiks onderwerpende aan dé voorzichtigheid, die wij hem geloond hadden dat zoo noodig was. vergenoegde hij zich met vroolijk te gaan zitten praten.\' alsof zijn eenig onwankelbaar doel. van zijne kindsheid af, datgene geweest was, dat hem nu zoo geheel vervulde. Mijn voogd was zeer vriendelijk en hartelijk voor hom, maar eonigszins ernstig; ernstig genoeg om Ada, toen Richard vertrokken ! was en wij gereed waren om naar bod te gaan, 1\' doen zeggen:

..Neet John, ik hoop niet, dat gij ongunstiger over Richard denkt?quot; „Neen, liefje,quot; zelde hij. ,Omdat het toch heel natuurlijk wiigt;, dat iiichard zich in zulk eene moeilijke zaak vergiste. Dat is nilt; I ongewoon.quot; „Neen, neen, liefje.quot; z.i\'ide hij. „Kijk maar niet bedroefd. - „O, ik bon niet bedroefd, neef John !quot; zeide Ada, met een heldoren glimlach en hare hand nog op zijn schouder, waar zij die gelegd had toen zij horn goeden nacht wenschte „Maar ik zou dat toch wel een bei t ji\' zijn, alsgj j (\'enigszins ongunstiger over liichard dacht,quot; - „Mefje,quot; zi ide mijnheer Jarndyce, „ik zou dan alleen oii--riinstigei over hem denken.alsgij doorzijn toedoen ooit in het minst ongelukkig werdt. En Z\' Ifs dan zou ik mei r boos pp mij zeiven zijn dan op den armen Rick; want ik heb u bij elkander gebracht. Maar, kom, kom, dat is alles iiii\'iiiendal. 1 [ij heeft tijd voor zich, en moei zijn best. maar doen. Ik ongunstig öyer hom denken? Ik niet, mijn liefderijk nichtje. Bn gij ook \'det. dal durf ik zweren.quot; „Neen. waarlijk, neef John. zeide \\da. „Ik ben overtuigd, ik zou geen kwaad van Rictiard kunnen danken.

gt;

al deed dat de gehecie wereld. Ik zou dan nog beter van hom denken dan ooit!quot;

Zoo zacht en zoo oprecht zeide zij dit, met hare handen op zijne schouders - beide handen nu - en hem in de oogen ziende als een beeld der oprechtheid zelve!

,lk denk,quot; zeide mijn voogd, haar peinzend : aanziende, „ik denk, er moet ergens geschreven zijn. dat do deugden der moeders somtijds aan de kinderen bezocht zullen worden, zoowel als de zonden der vaderen. Goeden nacht, myn rozeknopje! Goeden nacht, Vrouwtje Klein! Een zoeten sluimer! Gelukkige droomin!quot;

lgt;it was de eerste maal, dat ik hem Ada met zijne oogen zag volgen, mei: zekeren nevi l over hunne welwillende uitdrukking. Ik herimu rde mij den blik, waarmede hij naar haar en iiichard luid gezien, toen zij in het schijnsel van het vuur zaten te zingen ; het was nog maar kort geleden, sedert hij hen had nagezien toen zij de kamer doorgingen, waarin de zon scheen,

en in de schaduw verdwenen, maar nu was zi in uitzicht veranderd, en zelfs de stille blik van vei ti ouwen in mij, die wederom volgde, was niet zoo vol hoop on gerustheid als die In het eerst was geweest.

Ada prees liichard dien avond meer voor mij, dan zij hem nog ooit had geprezen. Zij ging slapen met een braceletje, dat hij haar gegeven had, om haar arm. Ik verbeeidde mij. dat zij van hom droomde, toen ik, nadat zij een uur geslapen had, haar een kus gaf on zag hoe kalm en vergenoegd haar gezichtje stond

W ant ik z.i \'I vi\' had dien avond zoo weinig slaap, dat ik bleef zitten worked. Het zou op zich zelf niet de moeite waard zijn er van te spreken, maai ik was bijzonder wakker en eenigszins neerslachtig. Ik weet niet waarom. Ten minste, ik denk niet, dat ik weet waarom. 01\'ten minste. misschien weet ik het wel, maar denk ik niet, dat het er op aankomt,

In allen gevalle, ik nam mij voor om zoo ge ducht vlijtig te zijn, dat ik geen oogenblik tijd hield om neerslachtig te wezen. Want natuurlijk zeide ik: „Esthor! \'üj neerslachtig zyn!

\'lij- En het was waarlijk tijd om dat te zeggen, want ik ja, waarlijk, in mijn spiegel zag ik, dat ik bijna schreide. .Alsof gij iets hadi om u droevig te maken, in plaats van alles om u vergenoegd te doen zijn, gij ondankbaar hart!\' zeide ik.

Als ik mij zelve had kunnen dwingen om dadi ■ lijk te gaan slapen, zou ik het gedaan hebben; maar daar ik dit niet kon, nam ik een orna mentWerkje voor ons huis (ik meen het Verlaten lluisi, waaraan ik toen be/ig was, uit mijn mandje, en ging met groote vastbera\'den-heid ziften, liet was eene noodzakoliikheid al de stoken van dat werk te tollen, en ik besloot daaraan fe blijven tot ik mijne oogen niet meer kon openhouden, en dan naar bed te gaan.


-ocr page 128-

;T VKHLATKN HUI-

118

Weldra was ik vol ijver aan den gang. Maar ik had zekere zijde in een werktafeltje in de tijdelijke Bromkamer gelaten; on toen ik uit gebrek daaraan moest ophouden, nam ik mijne kaars en ging zachtjes naar beneden om ze te halen. Tot mijne groote verrassing vond ik toen ik binnenkwam, mijn voogd daar in de asch van het vuur zitten kijken. Hij was in gedachten verdiept, zijn boek lag vergeten naast hem, zijne verzilverde, ijzergramve haren waren ongeregeld over zijn voorhoofd verspreid, alsof zijne hand daarin\'had gewoeld, terwijl zijne gedachten elders waren, en zijn gezicht stond betrokken. Bijna verschrikt dat ik zoo onverhoeds by hem kwam bleef ik een oogenblik stilstaan; en ik zou zonder spreken weder zijn he. ngegaan, als hij mij niet gezien had, toen hij nog eens verstrooid met de band door zijne haren streek, i en niet met zekeren schrik .Esther!quot; had gezegd.

Ik zeide hem waarom ik kwam.

.Zoo laat aan het werk, liefje?quot; „Ik ben van avond laat aan het werk. zoido ik. „omdat ik niet slapen kon en mij moe wenschte te maken. Maar, lieve voogd, gij zijt ook nog laat op, en ziet lt;t toch afgemat uit. lt;gt;ij hebtgei ne onrust, hoop ik, om u wakker te houden .Niets, Vrouwtje Klein, dat gij gemakkelijk zoudt begrijpen.quot; zeide hij.

Hij sprak op een verdrietigen toon, die iiiij ; zoo nieuw was. dat ik bij mij zelve herhaalde, alsof dat mij helpen zou om op zijm- meening te konen; ^ Ni ets. dat ik gemakkelijk zou begrijpen !quot;

.Blijf een oogenblik, Esther,quot; zeide hij. ,tlij waart, mij juist in de gedachten.quot; „ik hoop niet, dat ik de reden van onrust was, voogd ?quot;

Hij wuifde even met zijn\'\' hand en nam zijn gewoon uitzicht weder aan. IV verandering was zoo opmerkelijk, en hij schoen die door de kracht van zooveel zelfbeheei sching te bewerken, dat ik nog eens bij mij zelve herhaalde : .,Niets, dat ik zou begrijpen!quot; „Vrouwtje Klein,quot; zeide mijn voogd. ,ik dacht daar juist — dal is. ik h\' h hier zitten denken dat gij toch van uwe eigene geschiedenis zooveel behoort te weten als ik er van weet. Dat is zeer weinig. Bijna niets.quot; „l.ievt voogd.quot; zeide ik, .toen gij mij de vorige maal daarover hebt gesproken. „Maar sedert,quot; viel hij mij ernstig in de rede, wel radende wat ik wilde zeggen, „heb ik bedacht, dat, of gij mij iets te vragen hebt. en of ik ii iets te zeggen heb, twee verschillende dinu\' ii zijn, listhei\'. Misschien is het mijn pli\'di! u het weinige, dat ik weet. toch mede te deel. n \' — .Als gij zoo denkt, voogd, is het wel.quot; ,lk denk zoo,quot; antwoordde hij zeer zacht en vriendelijk, maar te gelijk zeer duidelijk. „Ik denk zoo nu, melieve. Als uwe positie Iets wezenlijk nadeeligg kan hebben, in de gedachten van eonig man of vrouw, die zeil eene gedachte waardig is, is het behoorlijk, dat gij dat nadeel niet voor u zelve vergroot, door u eene : onbestemde en overdrevene voorstelling daarvan te maken.quot;

Ik ging zitten, en zeide, na eene kleine inspanning om zoo kalm te zijn als ik wezen moest; j „Een van mijne vroegste herinneringen, voogd, j is de herinnering van deze woorden: „l we moeder, Esther, is uwe schande, en gij waart de j hare. De tijd zal komen, en dat spoedig, dat !

gy dit beter zult begrijpen, en het zult gevoelen

ook, gelijk niemand dan eene vrouw dat kan doen.quot;quot;

Ik had mijn gezicht met mijne handen be- | dekt, toen ik deze woorden herhaalde; maar j ik nam ze nu weder weg, met eene betere soort , van schaamte, hoop ik, en zeide, dat ik aan hem den zegen te danken had, dat ik het van mijne kindsheid af tot dat oogenblik toe nooit, nooit, nooit had gevoeld. Hij stak zijne hand op, als om mij te stuiten. Ik wist wel, dat hij nooit bedankt moest worden, en zeide niets meer.

„Negen jaren, melieve,quot; zeide hij. na zich eene poos te hebben bedacht, .zijn er vei ioopen, sedert ik van eene in stille afzondering levende dame een brief ontving, geschreven met eene hartstochtelijke strengheid en eene kracht van uitdrukking, die hem tot geheel iets anders maakte dan alle brieven, die ik ooit gelezen heb.

Hij was mij geschreven (gelijk mi) uitdrukkelijk

daarin gezegd werd), misschien omdat het. karakter der schrijfster haar bijzonder dreef om dat vertrouwen in mij te stellen, misschien om-5 dat mijn karakter dat vertrouwen zou rechtvaardigen. Ik hoorde daarin van een kind, een meisje, een weesje, toen twaalf jaren oud, met dergelijke wreede woorden als die in uwe herinnering leven. Ik hoorde daarin, dat de schrijfster haar van hare geboorte af in stilte had opgevoed, elk spoor van haar bestaan had uitgewischt, en dat, indien de schrijfster stierf eer liet kind volwassen was, het meisje zonder eenige betrekkingen, zonder naam en geheel onbekend zou achterblijven, Ik werd daarin gevraagd om te overwegen, of ik in dat geval zou willen voltooien wat de schrijfster begonnen had.quot;

Ik luisterde in stilte en zag hem oplettend aan.

,r we vroegere herinnering, melieve, zal u wel voor den geest brengen uit welk een sombei oogpunt de schrijfster dat a,lies beschouwde, en welk eene verkeerd gewijzigde godsdienstigheid haar gemoed verduisterde met gedachten, dat dit kind veroordeeld was om voor een misstap te boeten, waaraan het geheel onschuldig was. Ik gevoelde medelijden met het arme schepseltje in haar donker Ie vf\'n, en antwoordde op den brief.quot;

Ik vatte zijne hand en kuste ze.

.Die brief schreef mij ook voor, dat ik nooit zou vragen om de schrijfster te zien, die sedei t lang van allen omgang met de wereld was vervreemd. maar die met een vertrouwd zaakgelastigd\'.\' zou spreken, als ik zoo iemand wilde


-ocr page 129-

MIJNHEER WOODCOCRT\'S N\'ERTREK.

119

benoemen Ik gaf volmacht aan mijnheer Kenge. De dame zeidr, uit eigene beweging, en zonder dat hij daarnaar vroeg, dat zij een aangenomen naam voerde. Dat zij, indien er in zulk een geval ecnige betrekking bestond, do tante van het kind was. Dat zij, om alles in de wereld, niets meer dan dit wilde ontdekken; en hij was wel overtuigd, dat zij standvastig bij haar besluit zou blijven. Nu, uk lieve, heb ik u alles gezegd,quot;

Ik hield zijne hand een poosje in de mijne.

„Ik zag mijne pupil meermalen dan zij mij zag,\' vervolgde hij op een vroolijken toon,\'alsof hij er luchtig overheen wilde stappen, „en Ik zag altijd, dat zij bemind, nuttig en gelukkig was. Zij beloont mij twintig-duizendvoud, en twintigmaal meer, ieder uur van eiken dag.quot; — ,.En nog meermalen,\' zeide Ik, „zegent zij den voogd, die een vader voor haar is,quot;

Bij het woord vader zag ik de vorige onrust weder op zijn gelaat komen. Hij bedwong die evenals te voren, en zij was in een oogenblik verdwenen; maar zij was er toch geweest, en was zoo snel op mijne woorden gevolgd, dat ik wel gevoelde, dat zij hem een schok hadden gegeven. Wederom herhaalde ik verwonderd bij mij zelve: „Niets, dat Ik gemakkelijk zou begrijpen!\' Neen, het was waar. Ik begreep het niet — in vele, vele dagen niet.

.Neem nu een vaderlijk goedennacht,melieve,quot; zeide hij, mij een kus op het voorhoofd- gevende. „en ga ter rust. Het is veel te laat om nog te werken en te denken. Gij doet dat voor ons allen, den gansehen dag lang, huishoudstertje.\'

Ik weikte of dacht dien avond niet meer. Ik opende mijn dankbaar hart voor den hemd. om de zorg te erkennen, die Zijne Voorzienigheid voor mij gedragen had, en viel in slaap.

Wij kregen den volgenden dag een bezoek. Mijnheer Allan Woodcourt kwam. Hij kwam afscheid van ons nemen; hij had beloofd dit te komen doen. Hij ging naar Indie en China als scheepsdokter. Hij zou lang, zeer lang wegblijven.

Ik geloof of liever. Ik weet dat hij niet rijk was. Al wat zijne moeder, eene weduwe, kon missen, was besteed on: hem voor zijn vak te laten studeeren. Dit vak was niet winstgevend voor een jongmensch, die te Londen zeer weinig protectie had; en schoon hij nacht en dag eene menigte van armen ten \'dienste stond, en wonderen van geduld en bekwaamheid voor hen verrichtte, won iiij daarmede Z\'er weinig geld. Hij was zeven jaren ouder dan ik. Niet, dat ik dit hier behoef te vermelden, want het schijnt bezwaarlijk bij iels te pas te komen.

Ik geloof ik meen, dat hij het ons vertelde dat hij drie of vier jaren in de praktijk was gewei st, en dat, hij, indien hij had kunnen hopen er nog drie of vier door te worstelen, de reis niet zou aanvaard hebben, die hij nu ging doen. Maar hij had geen vermogen of bijzondere Inkomsten, en zoo vertrok hij. Hij was ons meermalen komen bezoeken. Wij vonden het jammer, dat hij heenging; want hij onderscheidde zich reeds zeer gunstig In zijn vak. en vele van de grootste mannen, die daartoe behoorden, hadden eene hooge meening van hem.

Toen hij ons kwam vaarwelzeggen, bracht hij voor de eerste maal zijne moeder mede. Zij was eene nog bevallige oude dame, mot heldere zwarte oogen; maar zij scheen trotsch te zijn. Zij kwam uit Wales, en had lang geleden tot voorvader een uitstekend persoon gehad. die Morgan ap-Kerrig heette van eene plaats, die als (limiet klonk die de beroemdste man was. dien men ooit had gekend, en wiens betrekkingen eene soort van koninklijke familie vormden. Hij scheen zijn leven gesleten te hebben met altijd tusschen bergen te trekken en iemand te bevechten; en een Hard. wiens naam als Crumlinwallimver klonk had zijn lof gezongen In een gedicht, dat. zoo goed ik het kon opvangen, Mewlinnwillinwodd heette.

Nadat mevrouw Woodcourt eenigen tijd over den rof m van haar gi ooten bloed ver ant had uitgeweid, zeide zij, dat haar zoon Allan, zonder twijfel, waarhij ook heengIng,zijneaikonist gedachtig zou zijn, en nooit eene verbintenis aangaan, die beneden hem was. Zij zeide hem, dat er in I nd i e vele bevallige Engelsche dames waren, die op speculatie daarheen gingen, en dat er ook wel te krijgen waren, die geld hadden; maar dat geene schoonheid of schatten voor den afstammeling van zulk een geslacht voldoende waren zonder geboorte, die dus altijd de hoofdzaak moest wezen, /ij praatte zooveel over geboorte, dat ik voor een oogenblik dacht, en dat met smart maar welk een ijdele gedachte was het mij te verbeelden, dat zij naar mijne geboorte zou vragen!

Mijnheer Woodcourt scheen eenigszins verdrietig over hare wijdloopigheïd, maar was te kiesch om haar dit te laten zien, en wist met : fijnheid het gesprek erne wending te geven, dat hij mijn voogd zijn dank kon betuigen voor zijne gast vri jheid, en voor du zeer gelukkige uren hij noemde ze de zeer gelukkige uren, - die hij bij : ons had doorgebracht,. De herinnering daarvan, zeide hij, zou hem overal bijblijven en zou altijd een schat, voor hem zijn. En zoo gaven wij hem de een na den ander de hand ten minste^zij deden het, en ik ook. en zoo bracht hij Ada\'s hand aan zijne lippen - en de mijne ook; en zoo vertiok hij op zijne lange, lange reis!

Ik had het dien geheeleti dagzeerdruk,schreef orders aan do dienstboden thuis, en briefjes voor mijn voogd, en stofte zijne boeken en papieren of, en liet met het een en ander mijne sleutels


-ocr page 130-

11 KT VERLATEN HUIS,

120

(luchtig rammelen. M«;t schememvond was ik nog bezig1, en stond met mijn werk bij het venster, toen ik op eens (Jaddy zag inkomen, die ik geheel nic| verwacht had.

,Wnl, liovi: Caddy,quot; zeide ik. ,welklt;\' mooie bloemen!quot;

Zulk een keurig ruikertji\' had zij in de hand.

,Dat vind ik ook, Esther,quot; antwoordde Caddy „Zij zijn de liefste, die ik noy ooit gezien heb.\'\'

, Prince,lievf?quot; zeide ik (luisterend. .N\'een.quot; antwoordde t\'ruldy, haar hoofd schuddende, en mij de bloemen voorhoudende om er aan te ruiken, „Prince niet.quot; „Wel zoo waarlijk. Caddy!quot; zeide ik. „Dan moet go twee vrijers hebben.quot; „Wat? Zien zij er naar zoo iets uit?quot; zeide i\'addy. ,of zij er naar zooiels uitzien?quot; antwoordde ik, haar in de wang knijpende.

Caddy lachte maar eens; en mij zeggende dat zij voor een half uurtje ingekomen was, en (Jat Prince dan Op den hoek naar haar wachten zou, bleef zij met Ada en mij voor het venster zitten praten, mij nu en dan nog eens de bloemen gevende of beproevende hoe zij tegen mijn haar uitkwamen. Eindelijk, toen zij heenging, bracht zij mij naar mijne kamer en stak ze mij voor de borst.

„Voor nhj?quot; zeide ik verwonderd. „Vooru,quot; zeide Caddy rnel een kus. „Zij zijn door zeker iemand achtergelaten.quot; . Achtergelaten?quot; „Bij dat arrm juffrouwtje Flite,quot; zeide Caddy. „Zeker ie mand, die heel goed voor haar geweest is. moest, een uur geleden, haastig weg om aan boord van een schip te komen, en heeft deze bloemen laten liggen. Neen, neen. N\'. .-m ze niet wet?. Laat die mooie dingetjes daar steken!quot; zlt; ide Caddy, ze behoedzaam nog wat vaster stekende, „want ik ben er zelf bij g.-woest, on hei zou mij niet verwonderen als ■ai ker iemand ze met opzet had lateil lisr-_\'eii.quot;

„Zien zij er naar zoo iets uit?quot; zeide Ada. die lachend achter mij kwam, en mij schertsend om de middel greep. „O ja. dat doen zij wel waarlijk. Besje Durden Zij zien er sterk, heel sterk naar zoo iets uit. Zeer sterk naar uit, beste!quot;

xv ril.

I.AIA DKDLOi K.

Ihl was niet zoo gemakkelijk als he1 on-eerst was voorgekomen, voor Richard sehikkin-tren te maken lot een proeftijd Op het kant quot;or van mijnheer Kepgc. Richard zelf was de vigt;\' r-naam-ai- hinderpaal. Zoodra het in zijne macht stond om mijnheel Badgei ieder oogenblik te verlaten, begon hij C twijfelen of hij hem wel wildt verlaten. Hij zeide, dat hij het waarlijk niet. wist. Het was toch zoo\'n kwaad vak niet: hij kon niet zeggen, dat hij er een tegenzin in had; misschien beviel het hem evengoed als hem iets anders zou bevallen als hij er nog eens de proef van nam! Daarna sloot hij zich eenige weken lang met eenige boeken en eenige beenderen op, en scheen zich vrij wat kundigheden toe te eigenen. Nadat zijn ijver eene maand geduurd had begon die te verkoelen, en toen hij geheel was afgekoeld begon hij weder warm te worden. Zijn weifelen tusschen het recht en de medicijnen duurde zoo lang, dat het al op het eind van Juni was eer hij bepaald van mijnheer Badger afscheid nam, en bij de heeren Kenge en Carboy zijn proeftijd aanvaardde. Met al die ongestadigheid, rekende hij het zich tot eene groote verdienste, dat hij ditmaal voornemens was geweest er ernst van te maken en hij was altijd zoo goed van humeur, en zoo levendig, en zoo teeder voor Ada. dat het inderdaad zeer moeielijk was anders dan weltevreden met hem te zijn.

„Wat mijnheer Jarndyci betreft,quot; die ik zeggen moet. dat in dezen tijd veel oostenwind voelde. ,.wat mijnheer Jarndyce betreft.quot; zeide Richard meermalen tot mij, „hij is de beste man van de wereld, Esther.; en ik moet wel oppassen, al was het maar om hem genoegen te geven, dat ik mij nu in ernst aan mijne taak zet, en van dit vak eens degelijk de proef neem.quot;

Het denkbeeld, dat hij zich met ernst aan zijne taak zou zetten, met dat lachende gezicht en dien luchtigen toon. en met een geest, die zich door alles liet aantrekken en niets vasthield. had eene comische tegenstrijdigheid. Evenwel, hij zeide ons somtijds, dat hij zoodanig aan den gang was, dat hij zich verwonderde, dat zijn haar niet grijs werd. Het geheel kwam d i rep neer, dat hij. gelijk ik zeide, tegen het eind van Juni naar mijnlie* r Kenge ging. om te zien hoe het hem daar beviel.

Al dien tijd was hij in geldzaken, gelijk ik vrneger van hem heb gezegd: mild, spilziek, tot in het woeste zorgeloos, maar ten volle overtuigd, dat hij veeleer berekenend en voor-ziehtig was. Tegen den tijd dat hij naar mijn la er Kenge ging, zeide ik eens, in zijn bijzijn, half schertsend, half ernstig tot Ada, dat hij wel de beurs van Fortunatus noodig had. omdat hij het geld zoo weinig telde; en dit beantwoordde hij op deze manier:

.Mijn juweeltje van een lief nichtje, hoort gij dit oude wijfje wel\' Waarom zegt zij dat? Omdat ik eenige dagen geleden acht jpóhd (\'of zooveel het, w.ts) voor zeker mooi vest met versierde knoopeii heb gegeven Maar als ik bij Badger gebleven was. had ik op eens twaalf pond moe ten nitg ven voor zékere hartverscheurende col-|, gelden. Dus win ik met dat overleg glad vier pond quot;

Het was eene vraag, waarover tusschen hem


-ocr page 131-

RICHARD\'S OVERLEG IN UELD/AKEX. 121

en mijn voogd veel gesproken werd, welke;schikkingen er voor zijn verblijf in L o n d e n zouden gemaakt worden, terwijl hij de proef nam van de rechten ; want wij waren reeds lang naar liet Verlaten Huis teruggekeerd, en dat was te ver dan dat hij meermalen dan eensin do week kon overkomen. Mijn voogd zeide mij, dat hij, als Richard bij Kongo mocht blijven, kamers voor hem zou huren, waar wij ook nu en dan eenige dagen konden logeeren; „maar, Vrouwtje Klein,quot; zeide hij, zeer nadrukkelijk zijn hoofd wrijvende, „ik zie het nog niet, dat hij daar blijft!quot; Het

Terwijl deze aangelegenheden nog in behandeling waren, werd ons bezoek bij niijnheer Boy-thorn uitgesteld. Maar toon Richard eindelijk zijne kamer in bezit had genomen, was cr niets moer om ons vertrek te verhinderen. Hij liad in dien tijd van het jaar zeer wel met ons kunnen meegaan; maar hij was in het eerste nieuw van zijne nieuwe positie, en deed de krachtigste pogingen om lie geheimen van het noodlottige proces te ontraadselen. Wij gingen dus zonder hem, en mijn lievelingetje was opgetogen, dat zij hom prijzen kon omdat hij zoo werkzaam was.


overleg liep daarop uit,dat wij bij de maand eene net gemeubileerde kamer, in (.•en stil oud huis bij Q u e e n - Sq u ar e, voor hem huurden. Dade-lijk begon hij al zijn gold uit to geven, om do wonderlijkste ornamentjes on kleine gemakken voor deze kamer te koopen: en zoo dikwijls Ada en ik hem terughielden van zich iets aan te schaffen, waaraan hij gedacht had en dat bijzonder noodeloos en kostbaar was, rekende hy dit voor zooveel gewonnen, en begreep in|,dathlj door iets minder aan iets anders te besteden, dit verschil had uitgehaald.

Wij doden met de diligence eeno vermakelijke reis naar L i n e ol n sh i re, en hadden aan mijn heel- Skiiiipolo eononderhoudend gezelschap. Zijne meubelen waren allen weggehaald, bleek nu. door den persoon, die zo op den verjaardag zijner blauwoogigo dochter in beslag had genotnen, maar hij scheen werkeli jk c ene oplucht ing te vinden in de gedachte, dat zij weg waren. Tafels 1 en stoelen, zeide hij, waren vervelende dingen; 1 zij waren eentonige denkbeelden, zij hadden geené | verscheidenheid van uitdrukking, zij keken u al-i tijd even Strak aan. Hoe verniakelijk dan. aan


-ocr page 132-

11 KT VKHLATKX Hl\'IS.

geilt;no liijzondcio stoelen en tafels gebonden te zijn, maar als een vlinder onder allerlei huur-meubelen te dartelen, en van het rozenhout naar het mahonie-, en van het mahonie- naar het note-boomhout, en van het eene model naar het andere te fladderen, naarmate de luim daartoe opkwam.

„Het grappige van de zaak is,quot; zeide mijnheer Skimpole, met een fijn gevoel voor het com ische, „dat mijne tafels en stoelen niet betaald waren, en mijn huisheer er toch maar mee heenkuiert, zoo bedaard als maar mogelijk is. Daar steekt toch iets wonderlijks in. De koopman van de stoelen en talels had nooit beloofd om mijn huisheer mijne huur te betalen. Wat heeft rnijn huisheer met h e rn ruzie te maken ? Als ik een puistje op mijn neus heb, dat mijn huisheers bijzondere denkbeelden van het schoone onaangenaam is, behoeft mijn huisheer toch den neus van mijn stoel en tafelleverancier niet te krabben, die er geen puistje op heeft. Hij schijnt niet gezond te redeneeren.^ ,Wel,quot; zeide mijn voogd zeer opgeruimd, „het is vrij duidelijk, dat hij, die voor de stoelen en tafels borg heeft gesproken, ze zal moeten betalen.\' — „Juist 1quot; zeide mijnheer Skimpole, „en dat zet het onredelijke van de zaak de kroon op. Ik zeide tegen mijn huis-heer: „Mijn goede man. begrijpt gij niet, dat mijn uitmuntende vriend Jarndyce voor die dingen zal moeten betalen, die gij zoo ongegeneerd \\\\\' gp.ikt. Hebt gij geen eerbied voor z Ij n eigendom ?quot; Dien had iiij volstrekt niet.quot; „ Kn wees alle voorslagen af ?\' zeide mijn voogd. .Wees alle voorslagen af.quot; antwoordde mijnheer Skimpole. „Kn ik deed hem goede voorslagen om een accoord temaken. Ik nam hem in mijne kamér, \'ti zeide : .«.ij zi.jt een man, die gewoon is zaken te doen, geloof ik ?quot; , Dat ben ik,quot; antwoordde hij. «Heel goed,quot; zeide ik, „laten wij dan iets doen. IIii-r is een inktkoker, hier zijn pennen en papier, hier zijn ouwels. Wat moet gij hebben! Ik heb een aanmerkelijken tijd in uw huis gewoond, ik geloof tot ons wederzijdsch genoegen, tot dit ongelukkige misverstand tusschen ons opkwam ; laten wij terstond op eene vriendschappelijke manier iets doen. Wat wilt gij meer van mij hebben vquot; Totantweord hierop maaktehij gebruik van de figuurlijke uitdrukking — die waai lijk iels Oostersch had, dat hij nog nooit de kb ur van mijn geld had gezien. „Mijn beminnelijke vriend,\' zeide ik, „ik heb nooit geld gehad. Ik heb nooit, iets van geld geweten.quot; „Wel, mijnheer.quot; zeide hij, .wat stelt gij dan voor, als ik u tijd geef?quot; „Mijn goede man,quot; zeide jk, „ik heb geen denkbeeld van tijd; maar gij zegt, dat gij gewoon zijt. zaken te doen, en voor alles wat gij doen kunt met pen en inkt en papier en ouwels ben ik klaar. Betaal u zeiven niet ten koste van een ander idat eert\' dwaasheid is), maar laten wij iets deen.quot; Dat wilde hij evenwel niet en daarbij

bleef lift,quot;

Indien zulke dingen tot de nadeelen van mijnheer Skimpole\'s kinderlijkheid behoorden, bezat deze echter ook voorzeker hare voordee-len. Op reis had hij bijzonder veel smaak in alle ververschingen, die in ons bereik kwamen (waaronder een mandje met keurige perziken uit de broeikas behoorde), maar dacht er nooit aan om iets te betalen. Zoo ook toen de koetsier rondging om zijne fooi, vroeg hij hem vriendelijk, wat hij wel voor een goede fooi hield — een heel goede, ruime, rijke fooi, en toen de man daarop antwoordde: „eene halve kroon voor een enkel passagier,quot; zeide hij, dat dit, alles wel bedacht, weinig genoeg was, en liet het aan mijnheer Jarndyce over om het hem te geven.

Het was verrukkelijk weder. Het groene koren wuifde zoo sierlijk, de leeuweriken zongen zoo vroolijk, de heggen waren zoo vol wilde bloemen, de boomen waren zoo dicht in het blad, de akkers met boonen, waarover een luchtig windje blies, vervulden de lucht met een verkwikkelijken geur! Laat in den namiddag kwamen wij aan de marktstad, waar wij de diligence moesten verlaten een stil stadje, met een spitsen toren, en een marktplein, en een fel zonnige straat, en een wed, waarin een oud paard zijne pooten stond te verkoelen, en eenige weinige menschen, hier en daar slaperig liggende en staande in de kleine plekjes schaduw, die zij konden vinden. Na het ritselen der bladeren en het wuiven van het graan naast den geheelen weg, zag dit stadje er zoo stil en zoo heet uit als E n g e 1 a n d er een kon opleveren.

Voor de herberg vonden wij mijnheer Boy-thorn te paard met een open rijtuig staan wachten, om ons naar zijn huis te brengen, dat nog eenige mijlen ver was. Hij was zeer verheugd ons te zien, en stapte met grooto drift af.

„Bij den hemel,quot; zeide hij, na ons met hartelijke beleefdheid te hebben gegroet, „het is een .schandaal, die diligenct-. Zij is het schreeu-wendste voorbeeld van een verfoeilijk openbaar middel van vervoer, dat ooit de aarde heeft beslagen, /.ij komt van middag vijf en twintig minuten over den tijd. De koetsier behoorde ter dood gebracht te worden.quot; „Komt zij werkelijk over haar tijd?quot; zeide mijnheer skimpole, tot wien hij toevallig het woord had gericht. „Gij kent mijn zwak wel.quot; „Vijf en twintig minuten ! Zes en twintig minuten !\' zeide mijnheel- Boy thorn, zijn horloge raadplegende. „Met twee dames in de diligence is dit.\'schavuit met opzet zes en twintig minuten t e lang onderweg gebleven. Met opzet ! Met is onmogelijk, dat het een toeval kan zijn! Maar zijn vader

en zijn oom waren al de beschonkenste koetsiers, die ooit op een bok hebben gezeten,quot;

Terwijl hij dit op den toon der grootste ver- :


-ocr page 133-

123

ontwaardiging zeide. hielp hij ons met de grootste vriendelijkheid in het rijtuigje en deed niets dan glimlachen.

,Het spijt mij, dames,quot; zeide hij. blootshoofds bij liet portier blijvende staan, toen alles gereed was, „dat ik u een omweg van bijna twee mijlen moet laten maken. Maar on/.e rechte weg loopt door Sir Leicester Dedlock s park, en ik heb gezworen om op den grond van die n kerel nooit een voet of\'een paardenpoot van niii te zetten, zoolang ik leef, en zoolang tie betrekkingen tusschen ons niet veranderd zijn \' En hier een blik van mijn voogd opvangende, barstte hij uit in zulk een gednehten lach van hem, die zelfs het roerloozt marktstadje scheen te doen dreunen, „Zijn de Dedlock\'s buiten, Lawrencu?quot; zeide mijn voogd onder het rijden, terwijl mijnheer Boythorn over het groene gras langs den weg draafde. „sir Ingebeeld Domkop is er,quot; antwoordde mijnheer Boythorn, „Ha, ha, ha! Sir Ingebeeld Domkop is er, en is, mag ik met pleizier zeggen, hier bij de beenen gepakt. Mylady,\' bij hot noemen van deze maakte hij altijd eene hofte-lijke buiging, alsof hij haar geheel buiten het geschil wilde houden, ,wordt, geloof ik. dagelijks verwacht. Het verwondert mij geheel niet, dat zij hare verschijning zoo lang mogelijk uit stelt. Wat die weergalooze vrouw kan bewogen hebben, om dat sternen beeld van een baronet te trouwen, is een van de endoor-dringbaarste geheimen, die ooit het monsche-lijk verstand hebben teleurgesteld. Ha, ha, ha!quot; „ik denk toch,quot; zeide mijn voogd lachende, „dat wij wel een voet in het park zul len mogen zetten, terwijl wij hier zijn? Het verbod strekt zieh immers niet tot ons uit, niet waar ?\' — „ik leg mijne gasten onder geen verbod.quot; antwoordde hij. voor Ada en mij buigende, met dien beleefden glimlach, die hem zoo goed stond, „behalve wat hun vertrek aangaat Het spijt mij maar, dat ik het genoegen niet kan hebben van hun geleider door Kastanje-Hof tf zijn, dat rme zeer fraaie plaats is. Maar bij het licht van dezen zomerdag. Jam-tlyce, als gij den eigenaar gaat bezoeken terwijl go bij mij logeert, is het te denken, dat gij maar eene koele ontvangst zult vinden. Hij is altijd zoc) stijf als oen vergulde Franschepi ndule een van die pendules, die nooitloopen ofzullen loopen, ha, ha, ha! - maar hij zal nog wat stij ver zijn, dat be\'loof ik u, voord\' vriendon van zijn vriend en buurman Boythorn.\' „Ik zal hem niet op de proef stellen,quot; zeide mijn voogd. „Hij is even onverschillig voor de eer van mij te kennen, durf ik wel zeggen, als ik voorde eer van hem te kennen. De lucht van liet buiten, en misschien zulk een kijkje van het huis als ieder vreemdeling kan krijgen, zijn mij volkomen geneeg.quot; „Wej, daar ben ik over het geheel blij om,quot; zeide mijnheer Boy

thorn, „Het staat beter. Ik word hier in het j rond voor een tweeden Ajax gehouden, dioden bliksem uittart. Ha, ha, hal Als ik op een zon- : dag in ons kerkje kom. verwacht een aanzienlijk gedeelte der onaanzienlijke vergadering mij op de steenen te zullen zien neervallen, verplet onder het grootmachtig ongenoegen der Dedlock\'s. Ha, ha, ha, ik twijfel niet of hij is zelf verwonderd, dat het niet gebeurt, want hij is de verwaandste en botste, de zotkappig-ste en de hersenlooste ezel, die ooit op twee beenen heeft geloopen.quot;

Toen w\\j op den top van een heuvel kwamen, had onze vriend gelegenheid om ons Kastanje-Hof zelf te wijzen, en zoo werd onze aandacht van den meester afgetrokken.

Het was een schilderachtig oud huis, in een fraai boschrijk park. Tusschen de boomen en niet ver van het woonhuis wees hij ons den toren van het kerkje, waarover hij gesproken had, O, die plechtige bosschen, waarover lichten en schaduwen heenvlogen, alsof hemelsche vleugelen met weldadige boodschappen belast door de zomerlucht zweefden; de offone groene hellingen, het glinsterende water, de tuin. waar de bloemen in perken van de heerlijkste kleuren waren geschikt hoe schoon was dat alles! Het huis. met puntgevel, en schoorsteen en toren, en hoekspits, en donkere poort, en | breed terras, tusschen welks balustrade ge-heelo bosschen van rozen zich om de vazen slingerden het scheen bijna niets anders dan een droombeeld te kunnen zijn, zoo licht en zoo massief te gelijk, en vooral mot die heldere, vreedzame rust over alles in hot rond. Voor Ada en mij had doze invloed vooral de overhand. Over alles, huis, terras, tuin, groene hellingen, water, oude eiken, varens, mos, bosschen, on ver weg voorbij de openingen in het uitzicht, waar het verre verschiet zich voor ons uitspreidde meteen purperen blos daarover heen, scheen zulk eene ; ongestoorde rust te heerschen.

Toen wij aan het dorpje kwamen en eene kleine herberg voorbijreden, waarvoor, aan den overkant van den weg, het Wapen van Dedlock | hing te zwaaien, wisselde mijnheer Boythorn een \' groet met een jong heer, die op eene bank voor de deur der herberg zat en eenig vischgereed-schap naast zich had liggen,

„Dat is de kleinzoon van de huishoudster,quot; | zeide hij, „mijnheer Kouncewoll van naam, en hij is verliefd op een mooi meisje in het Huis. Lady Dedlock heeft ook zin in het mooie meisje gekregen, en wil het bij zich houden eene eer, die mijn Jonge vriend geheel niet op prijs stelt. Evenwel, hij kan nog niet trouwen, al was zijn rozeknopje al gewillig; en dus moet hij zich maar schikken. Ondertusschen komt hij vrij dikwijls hier, voor een dag of twee, om -- te vis-schen. Ha, ha, ha. ha !quot; —- „Zijn hij lt; n dat mooie meisje geëngageerd, mijnheer Boythorn?quot; vroeg


-ocr page 134-

HMT \\\'KUI,.\\TK.\\ HI IS.

12 I

Ailu. , Wei. lievr Juttrouw ( IMnantwoordde hij. .ik denk, dat; zij misschien elkander wel verstaan; maar «ij zult hen spoedig wel zelf zien, en ik moot in zulk een opzicht van u leeren ^ niet gij van mij.quot;

Ada bloosde; en mijnheer Boythorn draafde op zijn fraaien schimmel vooruit, stapte voor zijne eigene deur af, en stond duar, met uitgestrekten arm en den hoed in de hand, gereed om ons vv\' lkom te lu-eten toen wij kwamen.

Hij woonde in eon fraai huis, voorheen de pastorie, met een grasperk er voor, een vroo-lijken bloementuin or naast, en een welbeplan-ten boomgaard en moestuin er achter, omsloten met een oerwaardigen muur, die op zich zelf reeds een roodachtig gerijpt voorkomen had. Maar eigenlijk had alles op (lit buitentje een voorkom, n van rijpheid en overvloed. De oude lindenlaan geleek naar eeno gewelfde gang, zelfs de si haduwen der appel-en kerseboomen waren zwaar van vruchten, de bessenstruikon waren zoo geladen, dat hare takken ombogen en op don grond hingen, aardbeien en frambozen wa-i\'en ,-i\' in denzelfden overvloed, en d\'1 perziken koesterden zieli bij hondi rden aan den muur. Tusschen de netten en glasramen, die in den zp.nneschijn flikkerden, hingen zulke hoopru van peulvruchten, meloenen en konikommi rs, dat elke voet grond- oene schatkamer van plantgewassen scheen te zijn, terwijl de geur van wel-riekende kruiden en allerlei heilzaam groen (om niet van de naburige vvHden to spreken, waar men aan hot hooien was» de gansche lucht tot een grooten ruiker maakte. Zulk eeno stilte en k ilmt\' hoorscht\'ii er bime n de ordelijko grenzen van den ouden roodert muur, dat zelfs de vederen, die in slingers waren opgehangen oni do vogels bang te maken, zich nauwelijks bè-wog- n; on d- muur had zulk een rijpendon in-vloed. da.t waar hier .n daar omhoog een on gebruikte spijker mot een stukje zelfkant zat, men zich gemakkelijker kon verbeelden, dat hij i door don loop der seizoenen murw geworden, dan dat hij volgens het gewone lot verroest en vergaan was.

liet huis. schoon oen weinig onordelijk, met den Uiin verg! leken, was o.ti echt oud huis, met bmikon in den schoorsteen van de ne t klin kei Mi •- be vloerde keuken, en gro( gt;te balken d\\sars over de zoldi i ingen. \\an den eencn kant daarvan lag Ik i sriirikkehjko stnk gronds. in gescjiil,

waai i n i j n 1 iei ; Hoy thorn na cl i (, en di i.g een schlld-W:quot;\'ht in ei ii linnen kiel had slaan, wiens plicht vermeend werd te /ijn, ingeval van een aanval, terstond eeno groot,- klok te luiden, die tot dat \'-inde daar hing, ei-n geooten bulhond los te maken. die, is zijn bondgefioot, in een hok lag. | n in In t algeme« n den vijand te vernielen. Met tevreden niet de/.lt;- voorzorgen, had mijnheer Hii\\ thorn daa.r op l\'i schilderde borden no t grootc lettefs de volgende ernstige, door hem opgestelde waarschuwingen laten plaatsen : , Wacht u voor den bulhond. Hij is heel kwaadaardig. Lawrence Boythorn.quot; ,Do donderbus is mot gan-j zenhagel geladen. Lawrence Boythorn.quot; „Hier liggen dag en nacht altijd voetangels en klemmen. Lawrence Boythorn.quot; .Kennisgeving. Dat iedereen, die zich verstout om wederrechtelijk op dezen grond te komen, ten gevoeligste daarvoor getuchtigd en verder met de grootste streng-hoid der wet vervolgd zal worden. Lawrence Boythorn.quot; Deze borden wees hij ons uit het venster van zijn salon, terwijl zijn vogeltje over zijn hoofd wipte, en hij. onder liet wijzen, zoo hard „Ha, ha, ha, ha!quot; lachte, dat ik waarlijk dacht, dat hij zich een ongeluk zou berokkenen.

Ir i

I

ugt; i

-

ill i

. Maar zoo geeft gij u toch veel moeite,quot; zeide mijnheer Skimpole op zijn luchtigen toon, .voor iets, dat gij immers niet ernstig meent?quot;

..Viit ernstig tneenen!quot; antwoordde mijnheer Boythorn. met onbeschri)felijko warmte! „N\'iet ernstig tneenen! Als ik inaar gehoopt had hem te kunnen dresseeren, zou ik een leeuw gekocht hebben in plaats van dien hond, en zou ik hem hebben losgelaten op den eersten verfoeilijken booswicht, die inbreuk op mijne rechten durfde maken. Laat Sir Leicester Dedlock maar bewilligen om de zaak met een duel uit te maken, en ik zal hem afwachten met ieder wapen, dat het menschdom in eenige eeuw of eenig land gekend hoeft! Zoo ernstig meen ik het!quot;

W ij waren op een zaterdag daar gekomen. ()p zondagmorgen gingen wij allen te voet naar het 1 kerkje in het park. Toon wij, vlak bij den betwisten grond, liet park waren ingegaan, volgden wij een vermakelijk voetpad, dat door hot frissche gras tusschen fraaie boomen slingerde, tot het ons aan de kerkdeur bracht.

De gemeente was zeer klein en bestond geheel uit landlieden, met uitzondering van een geheelen troep bedienden van Kastanje-Hof, waarvan sommige reeds gezeten waren, terwiü andere nog oen voor een aankwamen. Er waren eoni.-ro deftige lakeien, en er was een volmaakt model va n een oud koetsier, die er uitzag alsof oij do officieoie vertegenwoordiger was van alle praal en ijdelheid, die ooit in zijne koets hadden gezeten. Kr was een heel aardig troepje jonge vrouwen; en boven allen stak\'do huishoudster uit met haar nog fraai, bejaard g.--zicht en hare deftige gestalte, waaraan als het ware te zien was welk oene verant woordeli jkheid op haar rustte. Hot mooie meisje, waarvan mijnheer Boythorn ons verteld had, zat vlak bij haar. Zij was zoo bevallig, dat men haar wol aan hare schoonheid had kunnen kennen, al had ik niet gezien welk eene blozende bewust -lu id zij toonde van de oogen van den jongen visschor, dien ik niet veraf ontdekt,-. Een gezicht, en dat niet innemend was, hoewel de f rokken fraai waren, scheen dit bevallige meisje, en eigenlijk iedereen en alles daar, boosaardig


-ocr page 135-

riTKi\'lNLOOI\'KNDE M KKMM i KN

j gade te slaan. Dit gezicht wasvaneene Francaise.

I)aar de klok nog luidde en de groote lieden nog niet gekomen waren, had Ik tijd om in de kerk rond te zien, die een aardn uk had als een graf, en te denken wolk een somber, oud, eerwaardig kerkje het toch is. De vensters, zwaar door het geboomte beschaduwd, lieten slechts een flauw licht door, dat de gezichten om mij heen deed verbleeken, de oude koperen platen in den vloer en de door tijd en vochtigheid be-knaagde monumenten nog donkerder maakte en den zonneschijn in het kleine portaal, waar oen luier eentonig aan de klok stond te trekken, onbeschrijfelijk helder deed worden. Maar eene beweging aan dien kant. een zweem van eerbiedig ontzag op de boersche gezichten, en van goedaardige strakheid op dat van mijnheer Boy-thorn, alsof hij zich voornam om hardnekkig onbewust van iemands bestaan te blijven, waarschuwden mij, dat de groote lieden gekomen waren en de dienst zou beginnen.

„Treed niet in het gericht, rnet uw knecht, o Heer, want in uwe oogen

Zal ik ooit het snelle kloppen van mijn hart vergeten, veroorzaakt door den blik, dien ik ontmoette, toen ik opstond! Zal ik ooit vergeten, hoe dir fraaie, trotsche oogen uit hunne kwijnende onverschilligheid schenen op te schieten en de mijne vast te houden! Het duurde slechts oen oogenblik eer ik de mijne weder losgelaten, als ik zoo mag zeggen neersloeg op mijn boek; maar ik had in dien korten tijd het schoone gelaat duidelijk genoeg gezien om het voor altijd te kennen.

En allervreemdst, er werd iets in mijn binnenste opgewekt, dat met de eenzame dagen bij mijne peet in verband stond; ja, zelfs met tl ie dagen, toen ik nog op de teenèn moest gaan staan om mij voor mijn spiegeltje; te kleeden, nadat ik mijne pop had gekleed. En dat, hoowel ik het gezicht van die dame nog nooit in mijn leven gezien had daarvan was ik zeker volkomen zeker.

Het was gemakkelijk te zien, dat de deftige, jichtige, grijsharige heer, de eenige, die bij haar in de groote bank zat, Sir Leicester Ded-lock was, en dat die dame Lady Dedlock was. Maar waarom haai gezicht, zonder dat ik wist hoe, als het ware een gebroken spiegel voor mij was, waarin ik brokken van oude herinneringen zag, en waarom ik zoo onthutst en ontroerd moest wezen (want dat was ik nog) omdat ik toevallig hare oogen had ontmoet, kon ik niet begrijpen.

Ik gevoelde wel, dat het maar eene kinderachtige zwakheid van mij was, en poogde die te boven te komen door te letten op de woorden. die ik hoorde. Toen, W/derorn allervreemdst, scheen ik die te hooien, niet met de stem van den voorlezer, maar met de mijïnog welbekende stem van mijne peet. Dit deed mij denken, of

Lady Dedlock\'s gezicht ook toevallig op dat van mijne peet geleek? Dit kon wel zijn, eenigs-zins; maar de uitdrukking was zoo verschillend, en de stugge vastheid, die in het gelaat mijner peet was gegrift, gelijk de sporen van het weder in eene rots, ontbrak zoo geheel aan het gezicht voor mij, dat het die gelijkenis niet wezen kon, die mij zoo getroffen had. Ook had ik de statigheid en trotschheid van Lady Dedlock\'s gezicht nooit bij iemand anders opgemerkt. En toch scheen ik, — ik, kleine Esther Sum-merson, hot kind, dat een afgezonderd leven had geleid, en op welks geboortedag geene blijdschap was voor mijne eigen oogen op te rijzen, uit het vorledene te voorschijn geroep» n door zekere macht in deze voorname dame, welke ik mij niet alleen verbeeldde nooit te hebben gezien, maar die ik wel zeker wist, dat ik nog nooit had gezien.

Deze onverklaarbare ontroering deed mij zoodanig beven, dat het mij zelfs hinderde de aandacht der Fransche kamenier te trekken, schoon ik wel wist dat zij. van het oogenblik dat zij in de kerk kwam af, overal scherp had rondgekeken. Langzamerhand, maar zeer langzaam kwam ik deze ontroering te boven. Na langen tijd keek ik nog eens naar Lady Dedlock. Het was toen men zich gereedmaakte om te gaan zingen, voor de preek. Zij lette niet op mij. en het kloppen van mijn hart was weg. Het kwam ook niet dan voor weinige oogen blikken terug, toen zi j eens of twé» maal naderhand door haar lorgnet naar Ada of mij keek.

i\'oen de dienst was afgeloopen bood Sir Leicester zeer statig en galant Lady Dedlock zijn arm - hoewel hij zelf niet kon gaan dan met behulp van i eii dikken stok — en leidde haar de kerk uit naar het hittemvagentje, waarmede zij gekomen waren. Daarop ver.-trooiden zich de bedienden en de gemeente insgelijks, welke Sir Leicester aldaar had zitten beschouwen tzeide mynheer Skimpole tot groote opgetogenheid van mijnheer Boythorni, alsof hij een aanzienlijk landeigenaar in den hemel was.

„Hij gelooft, dat hij dat is!quot; zeide inijnheo r Boythorn. „Hij gelooft dat vast. En zoo deed zijn vader, en zijn grootvader, en zijne overgrootmoeder,\'\' „Weei gjj wel,quot; vervolgde mijnheer Skimpole zeer onverwacht tot mijnhci r Boythorn, „het is mij 7.1 er aangenaam een man van dat soort te zien.\' „Is het?quot; zeide mijnheer Boythorn. „Zeu\' nu, dat hij mij wil patron isen en,quot; ver volgde mijnheer .skimpole. „Heel goed. Ik verzet er mij niet tegen!quot; „Ik wel,quot; zeide mijnbeer Boythorn krachtig. „Doet gij waarlijk ?quot; zeide mijnh( er Skimpole op zijn lucli-tigen toon „Maar dan geeft gij u toch moeite. En waarom zoudt gij u moeite geven ? Hier ben ik. gewillig om alles kinderlijk aan te nemen zooals het valt; en ik geef mij nooit eenige moeite.


-ocr page 136-

HKT \\ lilihATKN 1IC1S.

12H

Hier kom ik li.v., en vind een machtig potentaat, die hulde vordert. Heel goed! Ik zeg; „Machtig potentaat, hier is mijne hulde! Het is gemakkelijker ze te geven, dan ze terug te houden. Mier is zij. Als gij iets van een aan-genamen aard hebt om mij te laten zien, wil ik het, zeer gaarne zien; als gij iets van een aangenarhen aard hebt om mij te geven, wil ik het zeer gaarne aannemen quot; De machtige potentaat Zegt bij zich zeiven zooveel als; „Dit is .-.•n verstandig man. Ik vind, dat hij heel goed is voor mijne spijsvertering en mijn galachtig gestel. Hij brengt mij niet in de noodzakelijkheid om mij op te roMeu als een stekel varken, met mijne pennen Daarbuiten. Ik verruim mij, ik open mij. ik keer mijne zilveren viiering naar buiten gelijk Milton\'s wolk, dat is aangenamer voor ons beiden.quot; Dat is mijne beschouwing van zulke dingen als een kind gesproken.quot; „Maar als gij dan morgen ergens anders kwaamt,quot; zeide mijn heer Boy thorn, .waar gij den vijand van dien kerel vondt. Hoe dan?quot; — „Hoe daö?quot; zeide mijnheer Skimpole, met het voorkomen der grootste eenvoudigheid en openhartigheid. „Dan juist eveneens, ik zou zeggen ; „Mijn hoogg- acht»- Boythorn,quot; - om u tot de personificatie van onzen denkbeeldigen vriend te maken „mijn hooggeachte Boythorn, gij verklaart u tegen dien machtigen potentaatv Heel goed! Ik ook.quot; Ik houd het er voor, dat het in de maatschappij en de samenleving mijne zaak is mij aangenaam te maken. Ik houd het er voor, dat dit eigenlijk ieders zaak is. Dat is een stelsel van harmonie. Kortom; als gij u dus tegen le m verklaart, doe ik het ook. En nu, uitmuntende Boythorn, laten wij aan tafel gaan Iquot; „Maar die uitmuntende Boythorn zou wel \' ens kunnen zeggen,quot; antwoordde onze gastheer, opzwellende en geweldig rood wordende. „ik mag quot; „Ik begrijp u al,quot; zlt;-id»!

mijnl...... .skimpole. „Zeer waarschijnlijk zou hij

dat.\' „„Als ik met hem aan tafel wi 1 gaan!quot;quot; zeide mynheer Boythortt met een geweldige uitbarsting. stampte met zijn stok óp den grond. „En waarschijnlijk zou hy er bijvoegen ; „Zijn er dan niet zulke dingen als beginselen, mijnheer Harold .Skimpole?\'\' „En daarop zou Harold Skimpole antwoorden, weet gij,quot; zeide deze op zijn vroolijksten toon en met zijn hartelijksten glimlaeh: „Bij mijn leven, dar\' heb ik niet het minsto denkbeeld van. Ik weet, niet wat die dingen zijn. die gij zoo iiuemt, of waar zij zijn, of wie ze heeft. Als gi j ze hebt. en ze pleizieri^ vindt, ben ik er hartelijk blij om en feliciteer ik u er me\' M lar ik weet er mets van. dat verzeker ik n; want ik bon maar een kind. en ik maak er ge. ne aanspraak op, en ik heb ze niet noodig. Zoo ziet gij, dat (!gt;■ uitmuntende Boythorn en ik toch wel te /amen aan de tafel zouden gaan.quot;

Dit was een van de vele gesprekken tusscheti

hen, die ik altijd verwachtte, dat op eene heftige uitbarsting van den kant van onzen gastheer zouden uitloopen, en dit onder andere omstandigheden ook wel zouden gedaan hebben. Maar hij had zulk eene hooge meening van zijne verantwoordelijke positie als gastheer, en mijn voogd lachte zoo hartelijk om en met mijnheer Skimpole, als een kind, dat den geheelen dag \'loor bellen blies en brak, dat de zaak nooit verder liep dan tot zoover. Mijnheer Skimpole, die nooit bewust scheen te zijn van zich op on-veiligen grond te hebben gewaagd, ging dan in het park eene schets beginnen, die hij nooit afmaakte, of brokken van melodieën op de piano spelen, of brokken van liedjes zingen, of op zijn rug onder een boom liggen en naar de lucht kijken hetgeen hij niet nalaten kon te denken, zeide hij, dat alles was, waarvoor hij bestemd was, zoo goed vleide het hem,

„Ondernemingsgeest en zielskracht,quot; zeide hij ons dan, zoo op zijn rug liggende, „vind ik verrukkelijk. Ik geloof, dat ik waarlijk een wereldburger ben. Ik heb de innigste sympathie daarvoor. Ik lig op een beschaduwd plekje, zooals hier, en denk met bewondering aan de ondernemende geesten, die naar de noordpool gaan of in het hart der verzengde luchtstreek doordringen, Baatzuchtige wezens vragen; ,Waartoe is het van nut, dat iemand naar de noordpool gaat? Wat doet het voor goed?quot; Dat kan ik niet zeggen, maar voor zooveel ik zeggen k a n mag hij wel daarheen gaan met de bestemming — schoon hij dat niet weet om mijne gedachten bezigheid te geven terwijl ik hier lig. Neem eens een uiterste. Neem de slaven op de Amerikaansche plantages. Ik durf wel zeggen, dat men hen hard laat werken. en dat. hun dit niet te best bevalt; ik durf wel zeggen, dat zij over het geheel eene onaangename ondervinding hebben; maar zij bevolken vnor mij het landschap, zij geven het voor mij iets dichterlijks, en misschien is dat een van de meer aangename oogmerken van hun aanzijn. Al.- dat zoo is. ben ik er zeer gevoelig voor; en het zou mij niet verwonderen als het zoo was!quot;

Ik verwonderde mij bij zulk eene gelegenheid altijd of hij ooit aan mevrouw Skimpole en de kinderen dacht, en in welk licht zij zich voor zijn wereldburgerlijken geest vertoonden. Zoo-veel ik begrijpen kon, kwamen zij hem maar zeer zelden voor den geest.

De week was verloopen tot den volgenden zaterdag, nadat mijn hart in de kerk zoo had geklöpt; en elke dag was zoo helder en blauw geweest, dat het oen verrukkelijk genot was door de bosschen te dwalen, en het licht door de bladeren te zien schijnen en tusschen de ineengevlochtene schaduwen der hoornen te zien llikkeren, terwijl de vogelen hunne zangen uitstortten en de lucht sapperig werd van het ge-


-ocr page 137-

gons der insecten. Wij hadden één geliefkoosd plekje, diep in het mos en do bladeren van het vorige jaar, waar eenige gevelde hoornen lagen, die men geheel van den bast had ontdaan. Daar tusschen gezeten, zagen wij door eene reeks van groene gewelven, op duizenden i natuurlijke kolommen, de grijze stammen der | hoornen, rustende, in een open verschiet, dat I door het contrast met de schaduw, waarin wij i zaten, zoo schitterend helder werd, dat het | naar een uitzicht in betere gewesten geleek, j Op dien zaterdag zaten we daar, mijnheer j Jarndyce, Ada en ik, tot wij in de verte den i donder hoorden rommelen en groote rugendpop-! pels voelden, die kletterend door de bladeren i neerkwamen.

Het weder was de geheele week zeer zoel j geweest, maar hot onweer brak zoo plotseling , los - voor ons ten minste op die belommerde j plek, - dat, eer wij den zoom van het bosch i bereikten, de bliksemstralen en donderslagen I elkander bijna zonder tnsschenpoozen opvolgden, I en de regen door de bladeren kwam storten alsof elke droppel een stuk lood was. Daar dit i geen tijd was om onder de hoornen te blijven | staan, liepen wij het bosch uit en over de met | mos begroeide trap heen, die Over de schutting van het park voerde en naar twee breede tegen elkander geplaatste ladders geleek, en zoo naar ; eene boschwachterawoning dichtbij. Wij hadden dikwijls op de sombere schoonheid van dit huisje gelet, dat in de donkere schemering van het geboomte stond, en hoe het klimop het overdekte, en op eene steile holte dichtbij, waar wij eens des boschwachters hond in de varens hadden zien duiken, alsof het in water was.

Het was, met die betrokken lucht, zoo donker in het huisje, dat wij niemand andei s zagein dan den man, die naar de deur kwam, toen wij daar schuilplaats zochten, en twee stoelen zette, voor Ada en mij. De knusvenstertjes stonden allen op, en wij zaten vlak bij de deur naar het on weder te zien. Hel was\'een verheven schouwspel hoe de wind opstak 1 11 de boomen deed buigen, en den regen als eene rookwolk voor zich uitjoeg, terwijl de donder plechtig dreunde en de bliksemstralen flikker-den; en terwijl wij tiiet ontzetting dachten aan de geduchte machten, die ons broze wezens omgaven, en ons daarbij ook herinnerden hoe Weldadig zij waren, en hoe ait deze schijnbare woi\'d\' reeds op de kleinste bloemen en blaad jes eene frischheid werd uitgestort, die de geheele schepping sche -n t,e vernieuwen.

, Is het niet gevaarlijk op zulke eene opene plek te blijven zitten?quot; „Och heen, lieve Ksther,quot; zelde Ada zacht.

Ada zeide dit tot mij; maar ik had niet gesproken.

Het klopjien van mijn hart kwam weder erug. Ik had de steirl nooü gehoord, gelijk ik het ge-127

zicht nooit gezien had, maar zij deed mij op dezelfde zonderlinge wijs ontroeren. Wederom rezen in een oogenbiik ontelbare schilderijen van mij zelve voor mij op.

Lady Dedlock had, voordat wij aan het huls kwamen, daar schuilplaats gezocht, en was nu uit het donker naar voren gekomen. Zij stond achter mijn stoel, met hare hand daarop. Ik zag haar met hare hand dicht bij mijn schouder, toen ik mijn hoofd omkeerde.

„Ik heb u doen schrikken?quot; zeide zij.

Neen. Het was geen schrikken. Waarom zou ik geschrikt hebben?

„Ik geloof,quot; zeide Lady Dedlock, zich naar mijn voogd koerende, „dat ik het genoegen heb van mijnheer Jarndyce te spreken.quot; — ,l\'w geheugen bewijst mij meer eer dan ik gedacht had, dat het\'doen zou. Lady Dedlock,quot; antwoordde hij. „ik herkende u verleden zondag in de kerk. Het spijt mij, dat plaatselijke geschillen van Sir Leicester die hij evenwel niet gezocht heeft, geloof Ik eene waarlijk ongerijmde moeielijkheid veroorzaken om u hier eenige oplettendheid te bewijzen.quot; „Ik ben bekend met de omstandigheden.quot; antwoordde mijn voogd, „en blijf 11 toch evenzeer verplicht.quot;

/.ij had hem hare hand gegeven, op eene onverschillige manier, die zij scheen te hebben aangewend, en sprak op een daarmede overeenkomstigen onverschilligen toon. hoewel met een0 zeer welluidende, aangename stem. Zij was even gracieus als schoon ; scheen zich zelve geheel meester te zijn; en had het voorkomen, dacht mij, van iedereen te kunnen San-trekken en belang inboezemen, dien zij dit de moeite waardig achtte. De boschwach\'ter had haar een stoel gebracht, waarop zij zich nu tusschen ons In zette,

„Is die jonge heer al bezorgd, over wienglj aan Sir Leicestoj; hebt geschreven, en wiens weuschen het Sir Leicester zeer speet niet te kunnen bevorderen?quot; zeide zij over haar schouder tot mijn voogd. „Ik hOop van ja.quot; antwoordde hij.

Zij scheen eerbied voor hem te hebben, en zelfs te wenschen hem te verzoenen. Er was iets zeer itmemends in hare trotsche manleren, en deze werden gemeenzamer ik wilde zeggen ongedwongerier, maar dat konden zij bezwaarlijk toen zij zoo over haai schouder met hem sprak,

„Ik meen, dat dit uwe andere pupil is, juffrouw (Jlare?quot;

Hij presenteerde haar Ula naar behooien, „(fij zult hei belangelooze van uw Don-Qui-choi.s-kanikt.er verliezen,quot; Zeide Lady Dedlock tol mijnheer Jarndyce, weder over haar schouder, „als gij alleen het oni\'echl van eene sclioone gelijk deze herstelt. Maar presenteer mij ook aan deze jonge dame.quot; En daartjjede

KKNMS.MAKIX(i MKT LADY DEDLOUK.


-ocr page 138-

li KT VEHI.ATEiN IICIS.

ki erclt; zij zich geheel naar mij toe. «Juffrouw Snmnu-rsou is waarlijk mijne pupil,quot; zeide iTiijnhet r Jarndyce. „Ik ben in haar geval aan geen lord-kanselifr verantwoordelijk.quot; ,ll( i ft lufl\'rouw Suinnui-son beide hare ouders verloren?quot; zeide inylady. „Ja.quot; ,Zijiszeer gelukkig in haar voogd.quot;

Lady Dedlock zag mij aan, en ik zag haar aan en zeide, dat ik dat waarlijk was. Op eens keerde zij zich haastig, en met een gezicht, dat bijna misnoegen of afkeer aanduidde, van mij af. en sprak hem weder over haar schouder aan.

„Het is eeuwen geleden, dat wij gewoon waren elkander te ontmoeten, mijnheer Jarndyce.quot; ,/eer lang. Ten minste, ik dacht, dat het zeer lang was, tot ik u verleden zondag weer zag,quot; antwoorddt hij. .Wat! Zelfs gij zijt een ho-vi ling, of acht hi t noodig er voor mij een te wnrdeii Iquot; /.t ide zij met zekere minachting. „Zulk eine reputatie heli ik mij dus verworven, moet ik denken.quot; „fiij hebt u zooveel verworven. Lady Dedlock,quot; zi ide mijn voogd, „dat gij daarvoor zeker w|teene kleine boete moet betalen. M.iar niet e.an mij.quot; „Zoovt\'el!quot; herhaalde zij, even laehendf. ,Jalquot;

Met hare houding van meerderheid, macht, bewustheid van schoonheid en ik weet niet wat, scheen ze Ada en mij als weinig meer dan kinderen te bi-schouwen. Terwijl zij dus zoo lachte, i-n naderhand naar den iv^en scheen te kijken, scheen zij zoo op haar gemak te zijn en zich zoo viij met hare eigene gedachten bezig te houden alsof zij alleen was geweest.

.11: denk, dat aij mijne zuster, toen wij te zamen op r-is waren, ben r gekend hebt dan mij?quot; zeide zij, weder naar hein omziende .Ja, het toeval wild-, dat wij elkander meermalen aantroffen,quot; antwoordde hij. - ..Wij gin-treil iedt! onzen weg,quot; zeidi Lady Dedlock, ,en haddi-n weinig met ♦ Ikander gemeen, zelfs voordat wij het -ens werden om ongenoegen te krjj-

gen. Dat was wel te bejammeren, moet ik den-

.

Lady Dedloi k zat wederom naar den regen tgt; kijken. Pb t anwi der dreet spoedig over. De regen werd minder, het lichten hield op, de donder rolde tus.-\' hen de heuvelen in de verte, d\' zon brak door en llikkerdo op de natte biadei en en don n ••jr vallenden rlt; iren. Terwijl wij daar stil zaten, zagen wij .-nn hittenwagentje op een vroolljki ii draf aankomen.

,lgt;aai kntiit ■!.• b-de terug, nuiady,\' z-de dlt;\' boschwachh r. „niet het rijtuig.\'

Toen het wagont.ie -tilhii lel. zagen wu, dat ei\' twei- personen in zaten. Zij stapten er uit no t ceiiige dock\' ii en niantel-. 11 rst de Francaise, die ik in di kerk had gezien, en daarna, het oi -vallitrf meisje ; de Frnii(;aisi met zekere uitdagende drii stheid, het meisje beschroomd • n ver-li gen.

.Wat nu zeide mylidy. .Twee?* „Ikben

uwe kamenier, mylady, vooralsnog,quot; zeide de Francaise. „De boodschap was om uwe Oppasseres.quot; .Ik was bang, datge mij zoudtineenen, mylady,quot; zeide het aardige meisje. , Iktneende n ook, kind,quot; antwoordde hare meesteres zeer ; kalm. „Doe mij dien doek om.quot;

Zij bukte even, en het meisje liet den shawl licht op hare schouders vallen. De Frangaise stond er onopgemerkt bij, en keek met dicht-geknepene lippen toe.

.Het spijt mij,quot; zeide Lady Dedlock tut mijnheer Jarndyce, „dat wij onze vroegere kennis j waarschijnlijk niet zullen kunnen vernieuwen. ! (lij zult mij wel vergunnen om het rijtuig terug j te zenden voor uwe twee pupillen. Het zal ter- | stond weder hier zijn.quot;

Maar daar hij dit aanbod volstrekt niet wilde aannemen, nam zij vriendelijk afscheid van Ada, j

geheel niet van mij, legde hare hand op zijn aangeboden arm en stapte in haar rijtuigje, ■ dat een laag kapwagentje was, geschikt om ; door de paden van een park te rijden.

.Kom bij mij, kind,quot; zeide zij tot het aardige : meisje, „Ik zal u noodig hebben. Rijd voort!quot; !

Het rijtuig rolde heen, en de Francaise bleef staan waar zij was afgestapt, met de mantels, die zij had medegebracht, over haar arm

Ik geloof dat er niets is, dat de trots zoowel- i nig verdragen kan als den trots zei ven. en dat zij voor hare heerschzuehtige manieren werd gestraft. Hare wraak was de zonderlingste, die ik mij had kunnen verbeelden. Zij bleef stokstijf | staan tot het wagentje de laan in was, en toen trok zij, zonder haar gezicht ih het minst te bewegen, hare schoenen uit, liet die op den grond staan, en stapte bedaard in dezelfde richting ; heen, door het natste van het natte gras.

„Is die jonge dochter gek?quot; zeide mijn voogd. .Wil neen, mijnheor, dat niet,quot; zeide de boschwachtor, die haar met zijne vrouw stond na te zien. „Hortensi-is zoo goed bij haar •verstand ais iemand. Maar zij is geweldig hoogl tartig en driftig schrikkelijk hooghartig en driftig; en nu haar de huur is opgezegd en zij anderen boven zich gestold zilt; t. noemt zij dat ni et vriendelijk op.quot; „Maar waarom wandel t zij zonder schoenen door al dat water?quot; zeide mijn voogd. „Wel. mijnheer, dat zal wezen om haar bloed wat te verkoelen,quot; zeide de man.

„Of zij moe t zich verbeelden, dat het blood is,quot; zeide de vrouw. „Zij zou evengoed daardoor heen waden als door iets anders, denk ik. als haar bloed aan het gisten is.quot;

Wij kwamen oonige minuten later het huis op gi\'iingen afstand voorbij./00 vrecdyaam als het er had uitgezien, toon wij het voor do eerste maal zagen, scheen het dit nu nog meer, nu de diamanten droppels overal fonkelden, ec n luchtig windje waaide, de vogels zich niet meer stilhielden, maar vroolijk zongen, alles door den regen vi rfrischt was, en het wagentj\'■ voor de


-ocr page 139-

Dl\'! (ilïOOTE \\ ACAN\'TIE.

deur stond te blinken, alsof het het zilveren koetsje van cene fee was. Stil op het huis afgaande, insgelijks eene vreédzame gedaante in het landschap, stapte mademoiselle Hortense, zonder schoenen, door hét natte gras.

XIX.

KEN VERSCHOPPELtNO.

Het is groote vacantie in de gewesten van O h a nco r y -L ane. De goede schepen Law en Equity, die van theakhout gebouwde, met koper de Fields toe, gelijken naar havens en reeden bij laag water, waar gestrande processen, geankerde kantoren, met ledige klerken, die op gekenterde stoelen zitten te dutten, welke niet weder recht zullen komen eer de zittingvloed woder opkomt, hoog en droog in het slib der groote vacantie liggen. Buitendeuren van kantoren zijn bij dozijnen afgesloten, boodschappen en pakjes bij schepels moeten bij den portier worden gelaten. Er zou gras groeien tusschen de reten der steenen voor Lincoln\'s inn Hall, indien de boodschaploopers, die niets te doen hebben dan daar in de schaduw te zitten, met hunne witte voorschoten over het hoofd om


gedubbelde, met ijzeren bouten versterkte, door alles heen zeilende, maar lang niet snelzeilende klippers, liggen afgetakeld. Vliegende Hollander, met eene bemanning van spookachtige cliënten, die iedereen, dien zij ontmoeten, smee-ken om hunne papieren na ie zien, is, voor zoolang, de hemelweet waarheen gedreven. De gerechtshoven zijn allen gesloten, de kantoren lig. gen in een heeten slaap; Westm ins ter Hall zelfs is (.ene schaduwrijke eenzaamheid, waarin nachtegalen zouden kunnen zingen en nu eeno meer teedere klasse van pleiters wandelt,dan men gewoonlijk daar vindt.

De Temple, ClïancerjftLane, Serjeant\'s Inn en Lincoln\'s Inn, zelfs tot aan de vliegen weg te houden, het niet uitwiedden en peinzend opkauwden.

Er is nog maar een rechter in de stad. Zelfs hij komt maar tweemaal in de week in zijn kantoor zitting houden. Als de builenlieden uit de zittingplaatsi-n van zijn district hem nu eens konden zien I Oerne deftige pruik, geme roode tabbaard, geen bont, geene hellebaardiers, geene witte staven. Niets anders dan een gladgeschoren heer, mei witte broek en willen hoed, met het bruin van het zeestrand op het ivrh-terlijk gelaal, en een streepje vel door de zonnestralen van den rechterlijken neus gebrand, die onderweg in don oesr.envinkel aangaat, om met ijs verkoold gemberbier tlt; drinken!


Dickkgt;

IUI

Ihus.

-ocr page 140-

MKT V MR LATEN HUIS

De balie van Engeland is over het gelaat des aardryks verstrooid. Hoe Engeland de vier lange zomermaanden kan doorkomen /.onder balie hare eenige toevlucht in tegenspoed, hare eenige ware roem in voorspoed is de vraag niet; zeker is het, dat Brit a n n i es schild en beukelaar nietbenoodigd ziiu. De geleerde heer die altijd zoo schrikkelijk vt rontwaardigd is over

de voorbeeldeloozebeleediging, diehet gevoel van zijn dient door de tegenpartij is aangedaan, dat hij hèt nooit scliijnt kunnen te boven komen, maakt het in Zwitserland veel beter dan men zou Lredacht hebben. De geleerde heer. die de verdelgende slagen toebrengt, en al zijne opposanten met zijne snerpende sarcasmen vernietigt, is op eeiT Pransche badplaats zoo vroolijk als • en lijster. De geleerde heer, die bij de geringste aanleiding tranen met tuiten s -hreit, heeft in zt. s weken ireen trane-n gelaten. De zeorsjeleerde heer, die de natuurlijke hitte zijner pt\'perkoek-kieur in de fonteinen en waterplassen derrechts-geleerdheid heeft afgekoeld, tot hij doortrokken j is met de ingewikkeldste argumenten, onbe- • grijpelijk voor oningewyden, en voor dt meeste i ingewijden ook, dwaalt nu, met eigenaardig welbehagen in stof en droogheid, in l\\ ons tan t i-nopel rond. Andere verstrooide brokken van hetzelfde groote Palladium zijn op de kanalen van Venetië, bij den tweeden waterval van den Nijl, op de badplaatsen van Dui t sc hl an d, en gesprankeld over het zeezand der geheele Engelsehe kust, te vinden, Nauwelijks een is er in het vt tlaten gebied van (jh an eer y-Lan e ie ontmoeten. Als zulk een eenzaam lid van de balie die woestijn komt doorvliegen, en een loi -renden eli\'-nt tlt; genkomt, dis; niet: in staat is om de toonei len van zyn angst te verlaten, doen Zi; elkander schrikken en nemen zy naar te-genovergestelde kanten in de schaduw de wijk.

Het is de heetste gruot vacantP, die men in V\' ie jaren heeft gekend. Aide jonge klerkenz^jn razend verliefd, en smaehte-n, overeenkomsi.ig hun verschilleud\' ii rang, naar zaligheid met het bemind* vjorwerp. te Margat\'. Hamsgat\' of \'rr ivf send. Al de liejaardlt;- kh-rken vinden hun huisiioud^n te gr^ot. Al de honden zonder meester, \'ie op lt;1. pleintjes ronddw:ilen, en op trappen - n andere dngt;gquot; plaatsen hygend naar water zoeken, huilen tusschenbeidcai van geme-Uikheld. Al d honden van blindemannen op straat trekken hunne ue i - naar pompen, of laten hen over emmers struikelen. Een Winkel met een zonneblind, en eene met water besproeide stoop, en I\'lie korn met goud-en zilvervisschen voor het vensti:!\', is eeti heiligdom. Temple 15 a r wordt zoo heet, dat hit voor het nabijte 1\'■ ge11 strand en Fleet-Stre\' t U, wat het gl-eiende yzer in een theeketel is, en ze den geheelnn nacht aan de kook houdt

K,r zyn wel kantoren in de I n it\'s of (\'ou r t, waar iemand koel zou kunnen zi jn, als men koelheid zoo duur voor eentonigheid wilde koopen ; maar de straatjes vlak iti den omtrek van die koele plekken schijnen toch te gloeien. In het hofje van Ivrook is het zoo heet, dat de men-schen hunne huizen ten binnenste buiten koeren, en met stoelen op de straatsteenen zitten ■ Krook insgelijks, die daar zijne studiën voortzet, met zijne kat (voor wie het nooit te heet is) naast hem. De Zon heeft de muzikale ver-eeuigingen voor dit seizoen gestaakt, en kleine Swills is geëngageerd in den Pastoralen Tuin aan de rivier, waar hij zich zeer onnoozol houdt en comische liedjes van eene jeugdige kleur zingt, berekend (gelijk het biljet zegt) om de kiesch-hold van het beschaafde publiek niet te kun- : nen kwetsen.

Over do geheel«.• rechtsgeleerde buurt hangt, gelijk een groote sluier van roest, of een reusachtig spinrag, dlt; traagheid en mijmerigheid der groote vacantie. Mijnheer Hnagsby. de kantoorwinkelier, wordt insgelijks dien invloed gewaar, niet alleen in zijn gemoed, als een teerhartig en tot stille bespiegelingen geneigd man, maar ook in zijn beroep, als kantoorwinkelier. Hij heeft in de groote vacantie meer tijd om in Staple Inn en Rolls Yar d te peinzen, dan in efuig ander jaargetijde ; en hij zegt tot zijne twei leerlingen hoe aardig het toch is met zulk heet weder te bedenken, dat men op een eiland woont, waar de zee om u heen buldert,

(.iusta is op dezen namiddag in de groote va-( antiei in het pronkkamertje b(r/,ig, waarrtnags-by en zijne vrouw gezelschap denken te ontvangen. De verwachte gaston zijn veeleer uitgelezen dan talrijk, want zij bestaan uit mijnheer Chad-baud en zijne vrouw. Daar mijnheer Ciiadband gewoon is veel van vaten te spiekenen ook zich zeiven. zoowel mondeling als in geschrifte, oen vat ti noemen, houden vreemdelingen (of spotters misschien) hem somtijds voor een kuiper ; maar hij is, gelijk hij zegt, „een dienaar des woords.quot;1 Als zoodanig heeft hij zich aan geene bijzondere sekte verbonden, en zijne vijanden mee non, dat hij over het gewichtigste van alle onderwerpen geenszins zooveel te zeggen heeft, dat zijn geweten hem behoeft te dringen om op zijne eigene hand te prediken; maar hij heeft toch zijne volgelingen, en JuflVouw Snagsby behoort onder dat getal.

Aldus maakt (Iusta, dieer zeer mede vereerd is. dat zij zieh voor zoolang als de dienstmaagd van lt; \'hadband kan beschouwen, en van wien zij weet, dat hij de gaaf bezit om vier uren achtereen te kunnen redevoeren, het pronkkamertje voor de theevisite in gereedheid. Al de meubelen zijn afgestoft en geboend, de portretten van •Hnagsby en zijne vrouw zijn met een natten doek opgofrischt, het beste theeservies is uit lt;£./et, \'ii de tafel pronkt met een uitmunten den voorraad van lekker versch brood, brosse gebakjes, koek versehe boter, dunne sneetjes


-ocr page 141-

131

I ham, ossetong en rookworst, en aardige kleine rijtjes ansjovis in oen bedje van pieterselie, om niet spreken van de eieren, die in een servet warm zullen opgebracht worden, en den heoten geboterden toast. Want Chadband is een goed eter ■ zijne vijanden zeggen oen gulzige vraat en kan zulke vleeschelijke wapens als mes en vork wel hanteeren.

Snagsby staat in zijn besten rok al deze toe-1 bereidselen aan te zien, kucht achter zijne hand 1 zijn kuchje van onderdanigheid, en zegt tot zijn 1 vrouw:

„Hoe laat verwacht gij mijnheoren mevrouw Ghadband, lieve?quot; ,Togen zes uur.quot;

Snagsby merkt zeer zacht en als toevallig aan, „dat het al daarover is.quot;

,Missehien zoudt ge wel zonder hen willen beginnen,-\' is juffrouw Snagsby\'s verwijtend i gezegde.

Snagsby zet een gezicht alsof hij dit zeer gaarm • I zou willen, maar zegt met zijn kuchje vanzoet-| sappigheid: „O neen, melicve, neen. Ik sprak maar van den tijd.quot;

„Wat is de tijd,quot; zegt juffrouw Snagsby, „bij de eeuwigheid?quot; „Wel waar. lieve,quot; zegt Snagsby. „Maar als iemand dingen klaarzet voor thee, doet hij dat toch meer - misschien ! met het oog op den tijd. En als er een tijd voor thee bepaald is, is het beter op zijn tijd te pas i sen.quot; — „Alsof mijnheer Chadband zich door gt; iemand de wet moest laten stellen,quot; zégt juffrouw Snagsby streng. - „O, geheel niet, lieve.\'\' zegt Snagsby.

Hier komt Gusta, die uit het venster van de slaapkamer heeft gekeken, de trap af- en (ie kamer binnenstuiven, met de aankondiging, dat mijnheer 0 luid band en zijne vrouw in het hofje verschenen zijn. Terstond daarop tinkelt de bel in de gang, en juffrouw Snagsby vermaant hare dienstmaagd, op straff- van weder naar haar beschermheilige te worden gezonden, de plechtigheid van hot aandienen niet te verzuimen. Gusta\'s zenuwen (die te voren in de beste orde waren) krijgen door dit dreigement zulk een schok, dat zij die plechtigheid geheel en al bederft door te zetrgen: ..Mijnheer en mevrouw übeoseming, ik wil zeggen, hoe hee-ten zij ook weer!quot; en daarop ontsteld de vlucht neemt

Mijnheer Ohadband is een Ianu\' m.m, met ei ne gele kleur, een vetten glimhu h. en over het geheel een voorkoiivn alsof hij veel traan in de aderen had. Mevrouw Ohadband is ëene .stille vrouw, zei\'r strengen stroef van uitzidit. Mijn lieer Ohadband stapt zacht en wiigeleiul, niet ongelijk aan een beer, dien men n ehtop heeft leeren gaan Hij is zeer verlegen met zijne armen, alsof zij hem lastig waren, en hij er wel mede wilde voortkruipen. Zijn hoofd is meestal /.wee-terig: en hij spreekt nooit zonder eerst zijne groote hand op te steken, als om zljii\'• hoorders een teeken te geven dat hij hen zal gaan stichten.

„Mijne vriendenJ\' zegt Ohadband. „Vrede zij dezen huize! Vrede zij den meester daarvan, en de meesteres, en de jonge maagden, en den jongelingen! Mijne vrienden, waarom wensch ik u vrede? Wat is vrede? Is het oorlog? Neen. Is het strijd? Neen, Is de vrede liefelijk en zacht, en schoon, en aangenaam, en helder en vreugdevol? O ja! Daarom, mijne vrienden, wensch ik vrede over u en de uwen,quot;

Daar juffrouw Snagsby zeer gesticht kijkt, houdt haar man het over het geheel voor raadzaam om „Amenquot; te zeggen, hetgeen goed wordt opgenomen.

„Nu, mijne vrienden,quot; vervolgt Chadband, „daar ik op dat onderwerp ben

Gusta komt binnen. Juffrouw Snagsby zegt met eene spookachtige basstem en zonder hare oogen van Chadband af te wenden, met geduchte duidelijkheid: „Ga heen!quot;

„Nu. mijne vrienden,quot; zegt Ohadband, „daar ik op dat onderwerp ben gekomen, en het op mijne nederige wijze tot stichting poog quot;

Men hoort Gusta de onverklaarbare woorden prevelen: „Eenduizend zevenhonderd twee en tachtig.quot; De spookachtige stem herhaalt nog plechtiger: „Ga heen!quot;

„Nu, mijne vrienden,quot; hervat Chadband, „willen wij in een geest van liefde onderzoeken quot;

Gusta blijft nog mompelen: .Eenduizend zevenhonderd twee en tachtig.quot;

Ohadband staakt zijne rede met if -gelatenheid van een man, wel gewoon om vervolgd te worden, plooit traaglijk zijne kin tot een vetten glimlach en zegt: „haten wij de jonge dochter hooren ! Spreek, jonge dochter!\'

„Een duizend zeven honderd twee en tachtig als \'! ii belieft, mijnheer. En wil weten waar die schelling voor was,quot; zegt Gusta ademloos.

„Waarvoor?quot; antwoordt Ohadband, „Voor zijne vracht.quot;

Gusta hervat, dat hij lt; en schelling en acht stuivers wil hebben of zal laten dagvaarden. Mevrouw Ohadband en julfrouw Snagsby b( ginnen schel te worden van verontwaardiging, maar Ohadband stuit het gerucht door zijne hand op te steken.

„Mijne vrienden.quot; /.••srt hij. „ik herinner mij een onvervulden plicht van gisten-n. Het is rechtvaardig, dat ik door eene boete word gekastijd. Ik behoor niet te mUrmureeren. Kachel, betaal de acht stuivers quot;

Terwijl juffrouw Snagsby, diep adeiiihaloude. haar man strak aanziet, als wilde /.,j ;• ggen : „Hoort gij dien apostel wel?quot; en terwijl Chad-hand blinkt van nederigheid en traan, betaalt zijne vrouw het geld. Het is O had band\'s gewoonte - en het is de voornaamste grond, waarop hij/.ijne aanmatu:ingen vestigt - deze


-ocr page 142-

132 HET VERLATEN HUIS.

soort van rtkciiing in debet en credit voor de beeldige vat te zijn, dat hij, als hij begint te

kleinste beuzelingen te houden, en bij de minste eten en te drinken, in eene groote tiaanko-

gelegenlu id daarvan openlijk inzage te geven, kerij schijnt te veranderen. Op dezen avond in

Mijne vrienden,quot; zegt t hadband, „acht stui- do grooten vacantic werkt hij zoo ijverig door.

vers is niet veel; li.-t had billijk eene halve dat het vat, als hij ophoudt, geheel met traan

kroon kunnen zijn. O, laten wij dankbaar zijn! gevuld schijnt te zijn.

O, laten wij dankbaar en vroolijk zijn!quot; Op dit oogenblik komt (aista, die den scIuik

Mei dit gezegde, dat naar den klank, een over haar (••■rsten misslag\' nooit te boven is

brok van een vers schijnt ti; wezen, stapt Chad- gekomen, maar toch geen mogelijk of onmo-

band naar de tafel, en ■■er hij zich neerzet, gelijk middel heeft verzuimd om het huishou-

stei.\'kt hij zijne vermanende hand op. den en zich zelve in verachting te brengen

,Mijne vrienden,quot; zegt hij, „wat is dit, dat waaronder kortelijk verdient vermeld te wor

wij daar voor ons zien geplaatst? Verkwikking, den de onverwachte uitvoering eenei klette-

Hébben wij dan verkwikking noodig, m^ne rende militaire muziek met een stapel borden

vrienden? Dat doen wij. En waarom hebben op het hoofd van mijnheer (Jhadband, en daarna

wij verkwikking noodig, mijne vrienden? Om- het bekronen van dien heer met warme brood-

dat wij maar sterfelijk zijn. omdat wij maar jes op dit oogenblik komt Gusta en fluistert

zondig zijn, omdat wij van de aarde zijn, om- Snagsby toe, dat er naar hem gevraagd wordt, dat wij niet van df lucht zijn. Kunnen wij „Er wordt om er niet te veel van te zeg-

vliegen, mijm vrienden? Dat kunnen wij niet. gen in den winkel naar mi] geviaagd, zegi

Waarom kunnen wij niet vliegen, mijne vrien- Snagsby opstaande ; ,en dus zal het gezelschap

den?quot; niij misschien wel voor een halve minuut wil-

Snagsby, vermetel geworden door zijn vroe- len excuseèren, \'

ger geluk, waagt hot nu op een vroolijken, Snagsby gaat naar beneden en vindt zijne

eenigszins schalkachtigen toon t( zeggen: twee leerlingen verdiept in de beschouwing

„Qi i ne vlei ken!quot; maar wordt terstond door van een politiedienaar, die een haveloozen jon-

een misnoegden blik van zijn vrouw gestraft, gen bij den arm heeft. — „Wel, lieve hemel,\'

„Ik zeg, mijne vrienden,quot; vervolgt Chad- zegt Snagsby, „wat is er te doen.\' „Dien

hand, zonder naar Snagsby\'s oplossing te luis- jongen,quot; zegt de politiedienaar, .is al dikwijls

teren, .waarom kunnen wij niet vliegen? is gezégd, dat hij hier vandaan moet, maar hij

het omdat wij bestemd zijn om te wandelen? wil hier niet vandaan ^— „Ik moet altijd

Zoo is hot. Zouden wij kunnen wandelen, mijne overal vandaan, mijnheer,\' valt de jongen er

vrienden, zonder kracht? Dat zonden wij niet. op in, zijne groezelige tranen met zijn arm

Wat zouden wij doen zonder kracht, mijne wegvegende. „Ik ben altijd overal vandaan go-

vrienden? Onze boenen zouden weigeren ons jaagd, zoolang ik geboren ben. Waar kan ik

t\' dragen, onzi kniee-n zouden knikken, onze meer overal vandaan gaan, mijnheer, dan ik

enkels zouden omslaan, en wij zouden op den al doe.\' .Hij wil niet hier vandaan, zegt

grond vallen. Vanwaar dan, mijne vrienden, de politiedienaar met kalme bedaardheid, met

menseheiijkerwijze gesproken, ontleenen wij eene eigenaardige beweging van zijn honld om

de kracht, die voor onze leden noodig is? Is het beter in zijn\' stijve stropdas te zetten, „al

Int,quot; zegt Chadband, met een blik over de is hij nög zoo dikwijls gewaarschuwd, en daar-

tatel, „van het brood in verschillende vormen, om ben ik verplicht hem in hechtenis te ne-

van de boter, die van de melk wrdt gekarnd, men. Hij is zulk een koppige kwajongen als ik

welke ons door de koe wordt geschonken, van er een ken. Hij wil hiei maai niel vandaan,

(]i rieieii, die door de hoendi rs voor ons wor- — „Maar Hc ere mijn tijd, waai moet ik dan

den gelegd, van ham, ossetong, worst en der- naar toe?\' roept de jongen, wanhopig naai

gelijke? Zoo is het, haten wij dan de goed- zijne haren pakkende met zijne bloote voe-

gavi n gebruik\'n, die ons hier zijn voorgezet!\' ten op den grond stampende, — „Begin daai

Zijn* vijanden ontkenden, dat in t et nige maar niet mee, of ik zal veidniyehl koit weik

bijzondere gaat veieischto, om op deze manier met u maken, zegt de politiedien.uu, hem

stapels van woorden Op \' Ik.mdei te hoopei. even schuddende, maar zendei eeiiige diilt.

Maar dit moet sleehts voor»\'en bewijs van hunne „Mijne instructie is, dat gij hier vandaan moet.

hateliikheid weiden gehouden, daar ieder»■••n Dat hlt;-biku al vijfhondenlmaal gezegd, „Maai

bij ondervinding we\'t, dat ilf.\'z» soort van we - waar naar toeV rolt;:.\'pt de jougin. „Wel, waai-

spii kendlieid v»i | beoi\'teiid en algemeen b(^won- lijk, consta ble, zegt Snagsh\\ .mgstvallig,

tjord wordt. en kucht achter zijne hand zijn kuchje van

Chadband Ie\' it evenwel vooreerst Uitgespro- groote vorlegeiiheid m twijti.l. ,dat si hijnt toch

ken, zet zich aan juffrouw Snagsbyquot;s tafel en waarlijk wel gt-vraagd te mogen worden. Waai

gaat duchtig aan liet schrans» -n. Do herschep- naartoe?quot; .Mijnidnstniquot;^»\'gaat zoo vei nud.

ping van alle soorten van voedsel in traan is la.\'t antwoord. „Mijne instructie is maar,

schijnt zoodanig eene eigenschap van dit voor- dat hij hier vandaan moet,\'

-ocr page 143-

ZOO\'N

Hoort ge wel, Jo? Het komt er voor u of ■ iemand anders niet op aan, dat de groote lichten van liet parlement niet weten te zeggen I waar gij naar toe moet. Het blijft toch de groote wet voor n de regel van uw vreemd bestaan op aarde: Hier vandaan en daar vandaan! Maar i toch niet de wereld uit. Jo, want daarover zijn 1 de groote lichten van het parlement het ook niet eens kunnen worden. Het is genoeg. Hier en daar en overal vandaan!

Snagsby zegt zoo iets niet. hij zegt geheel | niets, maar kucht zijn benauwdst kuchje, het-I geen te kennen geeft, dat hij er geheel geen weg op weet. Thans zijn mijnheer en mevrouw j Chadbank en juffrouw Snagsby, de woordenwisseling hoorende, naar en op do trap ge-I komen; en daar (insta aan het eind van de : gang is blijven staan, is het geheele huisgezin j bijeen.

„De vraag is eenvoudig, mijnheel-,\'\' zegt do I politiedienaar, „of gij dezen jongen kent. Hij zegt van ja.quot;

Juffrouw Snagsby roept dadelijk uit de hoogte : | „Neen, dat doet hij niet.quot;

„Vrouwtjequot; zegt Snagsby, de trap Opkijkende. „Lieve, laat ik toch mogen spreken. Heb een oogenblik geduld, beste! Ik weet wel ! iets van dien jongen, en in hetgeen ik van ■ hem weet, kan ik niet zeggen, dat eenig kwaad steekt; misschien wol het tegendeel, constable.quot;

En nu vertelt do kantoorwinkelier wat hij 1 van Jo weet, maar zwijgt van de halve kroon.

„Wellquot; zegt de politiedienaar, ,in zooverre, schijnt het, had hij grond voor wat hij zeide. Toen ik hem in Hol bom oppakte, zeide hij, dat hij bij u bekend was. En toen zeide een Jongmensch in het gedrang, dat hij u kende, en dat gij een fatsoenlijk man en gezeten burgen\' waart, en dat hij, als ik navraag wilde doen, ook hier zou komen. Het jonge mensch schijnt niet genegen om zijn woord te houden, maar — o, daar is hij!-\'

Nu treedt Guppy binnen, die Snagsby gemeenzaam groot, en met de ridderlijke galan ter ie van een klerk aan zijn hoed tikt voor lt;le dames op de trap.

„Ik deed juist een kuiertje, toon ik dat standje aan den gang vond.quot; zegt Guppy tot Snagsby, „en daar ik uw naam hóórde noemen, dacht ik. dat het goed zou zijn ais de zaak onderzocht werd.quot; „Dat was heel vriendelijk van u, mijnheer.\' zegt Snagsby, „en ik bon u wel verplicht;\' en wederom vertelt. Snagsby wat liij van den jongen weet. en wederom zwijgt iiij van de halve kroon. „Nu weet ik ook waar gij woont.quot; zegt de politiedienaar daarop tot Jo. „Gij woont daar in Tom-All-Alone\'s. Eene mooie, ordentelijke buurt om in te wonen, niet waar?\' - „Ik kan in geen beter buurt gaan wonen, mijnheer,quot; antwoordt Jo. ,.Zij zouden

JONGEN. 133

: mij niet willen hebben, als ik in eene goede buurt zou willen gaan wonen. Wie zou eene ordentelijke kamer verhuren aan zulk eenjon-I gen als ik !quot; — „Gij zijt dus heel arm, niet waar?quot; zegt de politiedienaar. - „Ja. mijnheer, waarlijk heel arm,quot; - „Nu laat ik u oordeelen. Ik heb hem deze twee halve kronen uit den zak ! doen rollen,quot; zegt de politiedienaar, ze aan het gezelschap vertoonende, „toen ik hem maar even | aanpakte.quot; „Dat is wat ik nog overheb, mijnheer Snagsby,quot; zegt Jo, „van een souverein, die mij door eene dame met eene voile gegeven is, die zeide, dat zij eene meid was, en eens | op een avond op straat bij mij kwam waar ik j veeg, en wilde, dat ik haar dit huis zou aan- \' { wijzen, en het huis waar hij gestorven was, | dien gij schrijfwerk hadt gigeven, en het kerkhof waar hij begraven ligt. Zij vroeg mij, of ik die jongen was van de schouwing. Kn toen zei ik: „Jaquot;. En toen zei ze: „kunt ge mij die plaatsen wijzen?quot; En toen zei ik: „Ja, dat kan ik.\' En toen zei ze: „doe het dan,quot; en toen deed ik het, en toen gaf zij mij een souverein, en toen poetste ze zich w.g. En ik had niet eens zooveel aan dien souverein.\'zeide Jo, met vuile tranen, „want ik moest daar in Tom-AH-A I one\'s vijf schellingen geven eer zij hem wilden wisselen; en toen ontstal een jongen mij er nog vijf terwijl ik sliep, en een andere jongen ontstal mij nog negen stuivers, en dekastedein en een troep anderen Wilden er nog van getrakteerd worden.quot; — „(üj verwacht toch niet, dat ieanand dat gelooven zal van die dame em eleii souverein.quot; zeide de politiedie naar, hem in de schuinte met onuitsprekelijke verachting aanziende - „Dat woet ik juist niet, mijnheer,quot; antwoordt Jo. .Ik verwacht nooit veel, mijnheer, maar dat is toch de ware geschiedenis ea\' van.quot; „(üj ziel wat hij is.\' zegt de politiedienaar, het g.-heelo gehoor aansprekende. „ Wed, mijnheer Snagsby, als ik hem dezen keer niet modeneem, wilt gij er dan voor instaan, dat hij hier vandaan zal gaan?\' ..Veen 1\' roept juffrouw Snagsby van ele trap. —- „Maar, vrouwtje!quot; brengt Snagsby bedeesd hiertegen in. „Consta ble, ik twijfel niet of hij zal wel hier vandaan gaan. Gij weet wel, gij zult toch moeten,quot; vervolgt hij tot Jo. „Ik ben tot alles gewillig,quot; zegt de; ongelukkige Jo. ..Doe dat dan.quot; merkt de politiedienaar aan, „Gij we.\'et nu wat ge to doen hebt. Doe dat. En onthoud, dat gij er een andermaal niet zoo gemakkelijk zult afkomen. Daar, pak uw geld em. Kn hoe eer gij nu vijf mijlen ver zijt. lïöe beter voor iedereen.quot;

Met dezen wenk ted afscheid,; en naar do ondergaande zon wijzende, als eene plaats waar Jo misschien naar toe zou kunnen «aan, weiischi de politiedienaar het gehoor goeden avond, en wandelt langzaam aan don schaduwkant van het (looks hofje\' heen, met zijn hoed, die van


-ocr page 144-

11KT VERLATEN III\'IS,

binni a oi/n ijztrtii rund hcc ft, in do hand, om zich wat te verluchten.

Nu heeft Jo\'s oiiwaai-schijulijkr geschiedenis van de dame 011 den souverein het geheide gezelschap meer of minder nieuwsgierig doen worden. Guppy, die ren onderzooklievrnden geest heeft, en gedurende do grootC\' vacant!\' reeds erg aan verveling heeft geleden, vat zooveel belang steil in u- voor d(- zaak op, dat liij den getuige nog e-rus geregeld in het verhoor neemt, dat de dames zoo interessant vinden, dat juffrouw Hnagsby hem beleefdelijk uitnoodigi om boven te komm on ecri kop thee te drinken, al^ liij het wil verschoonen, dat de theetafel reeds in de war geraakt is. Daar Guppy dit voorstel aanneemt, wordt Jo verzocht om te volgen; maar in de kamerdeur n- blijven staan, waar Guppy hem als een getuige onderhanden neemt, hem nu in dezen dan in genen vorm kneedt, even als een boterkooper met eene kluit boter doet, en hem naar liet voorbeeld der knapste; advocaten door kwellend\' strikvragen in de wai zoekt te brengen. Over het geheel heeft deze examinatie vrij veel van menig verhoor voorde rechtbank, zoowel in dit opzicht, dat er niets nieuws meer door aan den dag komt, uls dat het zeer langdradig is; want Guppy is bewust van zijn talent, en jutfrouw Snagsby gevoelt niet alleen hare meuwsirierigheid bevredigd, maar ook het etablissement van haar echtgenoot tot een hoog\' r trap verheven. Ondertus-schen blijft (\'hadband, wiens talent van een geheel anderen aard is, stilzwijgend zitten luisteren.

„Wel,quot; zegt (luppy, „of die jongen blijft er aan kleven als sdioenmaker.-pek, of er steekt iets ongemeens achter, dat alles te boven gaat wat ik ooit van dien aard bij Kenge en Carboy het) ondervonden.quot;

Mevrouw ehadband fluistert juffrouw Snagsby iets toe, waarop deze uitroept: „Wat ge mij daar zegt lquot; „Jaren lang!quot; antwoordt mevrouw 1 \'hadbami, — „Heeft het kantooi van Kenge .n ( .U\'bo\\ jaren lang bekend,quot; zegt jutfrouw rinag.-bj op zegevierenden toon, om Gupp\\ deze Wdordenwisssling te verklaren. ,Mevrouw ( hadband de vrouw van dezen heer do eeiwaardi-heer Chadband.quot; „Zoo w larlijk!quot; zeut Guppy. „Eerik niet mijntegen-woordigen man getrouwd was.quot; zegt mevrouw i baetband, „Waart gij partij in iets,mevrouw ?quot; zt\'gt Guppy, lt;en nieuw yi-rhoor beginnende!. -•

Ne en.quot; .,(leen partij in iets, mevrouw ?quot; zegt

(luppy.

Mevrouw \'\'tuidbaneJ schudt haar hoetd.

„Misscliie-n waart gil dan bekend met iemand, dii\' partij in iets was, mevrouw?quot; ze\'gt Guppy, die in /.(ju gesprek niets li\' v r doei elan de ivge-len der bale te volgen. „jiai jnistook niet,quot; antweieirelt. me vrouw rhadband met een streieven glimlach over de/.e aardigheiel, „Dat juist ook niet:quot; herhaalt Guppy. „Hoel goed. Laat Ik mogen vragen, mevrouw, was het eene dame van | uwe kennis, die zaken had (wij willen nog niet i zeggen welke zaken) met het kantoor van Kenge 1 en Carboy, of was het een heer van uwe kennis. Bedenk u maar, mevrouw. Wij zullen er zoo meteen wel opkomen. Man of vrouw, mevrouw ?quot; „Geen van beiden,quot; zegt mevrouw Chadband, evenals te voren, - „Zoo! Dus een kind!quot; zegt Guppy, de bewonderende juffrouw Snagsby den scherpen advoeatenblik toewerpende, die eene jury wordt toegeworpen. „Nu, mevrouw, zult gij misschien ele goe dheid hebben om ons te zegden, wat voor een kind.quot; — „Eindelijk zijt gij er op gekomen, mijnheer,quot; zegt mevrouw Chadband, met nog een stiroeven glimlach, „Wel, mijnheer, het was denkelijk voor uw tijd, naar uw voorkomen te oordcelen. Ik was toen belast met de zorg voor een meisje, dat Esther Sum-mei son heet te en door de heeren Kenge en Carboy verder op een instituut bezorgd werd,quot; .Juffrouw .Summerson, im vrouwlquot; roept Quppydrif-tiguit, „Ik noem haarEstherSummerson,quot; zegt mevrouw Chadband met strengheid. „In mijn tijd werd dat meisjenietgejuffrouwd,Toen heette zij maar Esther. Het was „Esther, doedit,Esther, dóe dat!quot; En dan moest zij liet doen.quot; — „Mijne lieve mevrouw!quot; antwoordt Guppy, naar haar toe komende, „de nederige persoon, die u nu aanspreekt, heeft die jonge dame in Londen ontvangen, toe n zij pas hier kwam van het Instituut, dat gij bedoelt. Vergun mij het genoegen van u de hand te mogen geven.quot;

Chadband, die eindelijk zijm kans klaar ziet, geeft zijn gewoon sein, en staat op met een dampend hoofd, dat hij met zijn zakdoek afveegt. Juffrouw Snagsby fluistert: „St.quot; „Mijne vrienden,quot; zegt Chadband, „wij hebben met matigheidquot; (hetgeen zeker wat hem betrof lie t geval niet was) „genoten van de goede gavon, die voor ons bereid waren. Moge dit huls ievon van het vette des lands; mogen koorn en wijn steeds overvloedig daarin zijn ; moge het Kroelen, bloeien en gedijen; moge hot wassen, vorderen, vooruitgaan! Maar, mijne1 vrienden, hebben wij flpg iets anders genoten? Gee\'Stedijke: voeiirechte n? Stichting? Ja. Dooi wien hebben wij die stichting genoten? Mijn jong\' vriend, kom nader.quot;

Jo, aldus aangesproken, scharrelt achteruit, en dan weder vooruit, en dan eens heen en weder, en blijft dan voor den weisprekenden Chadband staan; me t blijkbaren twijfel aan zijne bedoelingen

„Mijn jonge vriend,quot; zegt Chadband, „gij zijt voor ons eene parel, gij zijt voor ons een diamant, gij zijt voor ejus een edelgesteente, gij zijt voor óns e(\'n juweel. En dat waarom, mijn jonge vriendVquot; „Dat weet ik niet,quot; antwoordt Jo. „Ik weet niets,quot; „Mijn jonge- vriend,quot; hervat i\'hadband, „het is juist omdat gij niets weet, dat gij voor ons een edelgesteente en een juweel


-ocr page 145-

(UTI\'VS MEDKDIXCKJ;.

135

zijt. Want wat zijt gij, mijn jonge vriend ? Zijt gij een dier des velos? Neen. Een vogel der lucht? Neen. Een visch der zee of derrivier? Neen. (lij zijt een menschelijke jongen, mijn jonge vriend. Een menschelijke jongen! O, heerlijk een menschelijke jongen te zijn ! En waarom heerlijk, mijn jonge vriend? Omdat gij vatbaar zijt om de lessen der wijsheid te ontvangen, omdat gij in staat zijt om gesticht te worden door deze rede, die ik nu ten uwen nutte uitspreek, omdat gij geen stok, of staf, of blok, of steen, of paal, of pilaar zijt. O, een stroom van genot en zaligheid vloeit uit dat verheven woord -menschelijke jongen! En verkoelt gij u thans in dien stroom, mijn jonge vriend? Niet? quot;Waarom verkoelt gij u niet indien stroom? Omdat gij nog in een staat van duisternis zijt, omdat gij nog in een staat van donkerheid zijt, omdat gij nog in een staat van zondigheid zijt, omdat gij nog in een staat van slavernij zijt. Mijn jonge vriend, wat is slavernij ? Laten wij dit, in een geest van liefde, onderzoeken.\'\'

Op dit dreigende punt der redevoering wrijft Jo, die langzamerhand in sufheid schijnt te verzinken, met zijn rechterarm over zijn gezicht en geeuwt allerontzettendst. Juffrouw Bnagsby geeft met verontwaardiging haar geloof te kennen dat hij een duivelskind is,

,Mijne vrienden,quot; zegt Ohadband, terwijl zijne belasterde kin zich weder tot zijn vetten glimlach plooit, en hij in het rond kijkt, „het is billijk, dat ik vernederd worde, het is billijk, dat ik beproefd worde; het is billijk, dat ik gekastijd worde ; het is billijk, dat ik bestraft worde. Ik struikelde verleden sabbat, toen ik niet hoogmoed dacht aan mijne stichtelijke rede van drie uren. De rekening is nu gunst ig gesloten; mijn schuldeischer heeft een akkoord aangenomen. Laten wij dankbaar zijn! Dankbaar zijn ! (), laten wij dankbaar zijn!quot;

Juffrouw Hnagsby is diep geroerd;

„Mijm vrienden,quot; zegt (Jhaclband, in het rond ziende, tot besluit.; „ik zal nu niet, verder voortgaan met: mijn jongen vriend. Wilt gij morgen hier komen, mijn jonge vriend, en aan deze goede dame vragen waar ik te vinden ben om u stichtelijk toe te spreko^n; wilt gij dan komen alseene dorstige zwaluw, en ook daags daaraan, en wederom daags daaraan, en eene menigte heilrijke dagen daaraan, om stichtelijke reden te hooren?quot; Dit alles met do levendigheid van een os.

Jo. die om niets schyut te denkt n dan om maar op eene of andere manier weg te komen, knikt hierop. Guppy werpt hem een stuiver toe; juffrouw Snagsby roept (insta om hem vIIIk de deur uit te laten. Maar eer iiij naar beneden gaat, bevracht Snagsbj hem mot. eenige overschotjes van de tafel, die Jo in zijne armen gesloten medeneemt.

Ohadband van wien zijne vijander zeggen.

dat het te verwonderen is hoe hij zoolang achtereen zuike gruwelijke wartaal kan spreken, terwijl het daarentegen te verwonderen is, dat hij er ooit mede ophoudt, als Inj ooit de de onbe-i sehaamde vermetelheid heeft om te beginnen houdt zich vervolgens stil, tot een so u p e r t j e hem gelegenheid geeft om weder een traan-kokerij te beginnen. Jo wandelt, door de groote vacantie, naar Blackfriarsbrug, waar hy een steenen hoekje vindt om zich aan zijn maaltijd te zetten.

En daar zit hij te knabbelen en te kauwen, en naar het groote kruis op den top der St.-Pauls-kerk te kijken, dat boven eene met rood en violet gekleurde rookwolk schittert, l it het gezicht van den jongen zou men kunnen opmaken. dat dit heilige zinnebeeld de onbegrijpelijke kroon was van do geheeleonbegrijpelijkheid der groote stad; zoo goud. zoo hoog in de lucht, zoo ver buiten zijn bereik. Daar zit hij, terwijl de zon ondergaat, de rivier onder hem heen, en do volksmenigte hem voorhljstróomt alles in beweging met een of ander doel en tot een of ander einde tot ook hij weder in beweging wordt gebracht door een bevel om te maken dat hij daar vandaan komt.

XX.

KKN MKl\'WK UUrBDiai,

De groote vacantie nadert langzaam kuierend de heropening der gerechtshoven, gelijk eene trage rivier op haar gemak door een vlak land naar de zee stroomt. Guppy kuiert even langzaam mede. Hij heeft zijn pennemes bot gemaakt en er de punt afgebroken door dat instrument in alle richtingen in zijn lessenaar te steken. Niet dat hij dien lessenaar een kwaad hart toedraagt, maar hij moet toch iets doen, en dit iets moet van een aard zijn, dat bet noch de krachten van zijn lichaam, noch die van zijn geest te veel vergt. Hij vindt, diit niets hem zoo wel bekomt, dan opéén poot van zijn kantoorstoel te zitten draaien, met/.yn pennemes naar zijn lessenaar te steken en te geeuwen.

Kenge en Carboy zijn uit de stad, en de gea-greéerde klerk heeft oen jachtakte genomen en is builen bij zijn vader, en Guppy\'s twee kameraden, do andore gesalarieerde klerken, zijn met verlof. (iuppgt; en Diehard (\'arstohe houden te zamen de m r van het kantoor op. Maar mijnheer Oarstonc is voor dien ti jd in di kamer van Kenge gevestigd, waarover Guppy wrevelig is. Zoo wrevelig, dat bij zijne moeder, in een vertrouwelijk ongenblik, terwijl hij bij haar eon kreoftenslaatje gebruikt, mei bijtenden spot on-den iebt , dat Inj vreest, dat het kantoor eigenlijk niet goed genoeg voor saletjonkers is, en hij, als hij geweten had, dat cr eon salt tjonker


-ocr page 146-

HET V KI! I, AT H.N IICIS

zou komen, het zou hebben laten schilderen. |

Guppy vermoedt, dat iedereen, die in liet kantoor van Kengt! en Carboy een stoel komt bezetten, vijandige oogmerken tegen hem koestert. Het is duidelijk, dat zoo iemand hem wil | verdringen. Als men hem ooit vraagt, hoe, i waarom, wanneer of waartoe, knijpt hij een oog j dicht en schudt hij zijn hoofd. Deze diepe in- j zichten bewogen hem zich ontzaglijk veel moeite i te geven om tegen komplotten te waken waar geen komplot bestaat, en zonder tegenpartij een zeer diep doordacht schaakspel te spelen.

Het is dus eene bron van streelend genoegen j voor Guppy, te zien, dat de nieuweling aanhoudend in de papiere n van Jarndyce en Jarndyce tuurt; want hij weel wel, dat daaruit niets an- | ders dan verwarringen teleurstelling kan sprul- ! ten. Zijn genoegen deelt zich mede aan een der- j den persoon, die in het kantoor van Kenge en Carboy door de groote vacant ie kuiert, te weten aan den jongen Smallweed.

Of de jonge Smallweed (zinnebeeldig Small (de kleine) en ook Chik Weed (vogeltjesgroen) gt; genoemd, als om schertsend aan te duiden, dat hij nog maar een nestvogeltje is, ooit een jongen is geweest, is iets dat in Lincoln\'s inn zi \'T betwijfeld wordt. Mij is nu nog wat beneden de vijftien, maar toch reeds een oud student in de rechten. Uit de grap zegt men, dat hij verliefd is op eeip dame in een sigarenwinkel in de nabijheid van C h ah c e r y • L a n e, en dat hij om harentwil do betn kking zoude heb ben afgebroken mot eene andere dame, met welke hij oenigo jaren geëngageerd was geweest. Hij is een gt; «ht Londensch product, klein van gestalte en ineengeschrompeld van trekken; maar men kan hem toch op aamnerkelijken afstand zien door middel van zijn zeer hoogeu hoed. Ken Guppy h\' worden is het dool zijner eerzucht. Hij kleedt zich gelijk die heer (door wiet) hij gepatroniseerd wordt), poogt zijne spraak en zijn gang na te bootsen, en neemt hem geheel en al tot model. Hij is vereerd met Guppy\'s bijzonder vertrouwen, en voorziet hem somtijds , van raad, uit de diepe bronnen zijner ondervin ding, over nioeielyke punten in het gewone leven.

Guppy heeft don geheelen morgen uit het venster liggen kijken, nadat hij al de kantoorstoelen achten i n had geprobeerd en geen daarvan ge-makkeiyk gevonden, en nadat hij verscheidene malen zijn hoofd in de ijzeren brandkas had gi stoken, niet öe gedachte om het zoo te verkoelen. Smailwi \' d is tweemaal uitgezonden om het benoodigde voor limonade gazeuse te halen, en heeft dien drank tweemaal gereedgemaakt in t wee groote bierglazen eu met een liniaal omgeroerd, Guppy geeft smallweed de paradoxe .stelling in overweging, dat men, hoe meer men drinkt des te dorstiger wordt, en laat zijn hoofd op di vensterbank rusten in een toestand van hopelooZ\' kwijning.

Terwijl hij aldus in de schaduw van O 1 d-S q u a r e, in L i n c o 1 n\'s I n n, uitkijkt, en de onuitstaanbare steenen beschouwt, ontdekt Guppy een mannelijken bakkebaard, die uit de gaanderij beneden te voorschijn komt, en naar zijn gezicht wordt opgekeerd. Tegelijk klinkt er een zacht gefluit door de .1 n n en roept eene gesmoorde stem: „Hipl Guppy!quot;

„Wat, zijt gij daar?quot; zegt Guppy, wakker wordende. „Small, daar is Jobiing.quot; Small kijkt insgelijks uit het venster en knikt tegen Jobling. ,Waar komt gij vandaan?quot; viaagt Guppy. „Van do moestuinen daar bij Dept for d. Ik kan het niet langer uithouden. Ik moet dienst nemen. Zeg eens ! Gij moest mij eene halve kroonleenen. Bij mijne ziel, ik rammei van den honger.quot;

Jobling ziet er zeer hongerig uit, en óp zijne kleen n schijnt daar in do moestuinen bij Dept-ford geene wol te zijn gegroeid.

„Zeg eens! Gooi eene halve kroon uit het raam, als gij er een kunt missen. Ik moet wat gaan eten.quot; „Wilt ge met mij gaan eten?quot; zegt Guppy, hem het muntstuk toewerpende, dat Jobling behendig opvangt. „Hoelang zou ik het dan nog moeten uithouden?quot; vraagt Jobling.

„Geen half uur. Ik wacht hier maar tot de vijand aftrekt,quot; antwoordt Guppy, zijn hoofd een zwaai naar binnen gevende. «Welke vijand?quot; „Een nieuwe. Die hier geagreëerde

klerk moet worden. Wilt gij wachten?quot; .......

„Kunt gij iemand zoolang iets te lezen geven ?quot; zegt Jobling.

Smallweed maakt molding van de Rechtslijst. Maar Jobling verklaart met grooten ernst, dat hij dat niet kan uithouden.

„Dan kunt gij de courant krijgen,quot; zegt Guppy. „Hij zal hem naar beneden brengen. Maar gij moest u liever hier niet laten zien. Ga op de trap zitten lezen. Daar is het stil.\'

Jobling antwoordt met een knik van verstandhouding en bewilliging. De schrandere Smallweed bezorgt hem de courant, en gaat nu en dan op het portaal naar hem kijken, als eene voorzorg, dat het wachten hem niet zal gaan vervelen en hij daarom zal heengaan. Eindelijk trekt de vijand af, en dan haalt Smallweed Jobling boven.

„Wel, en hoe gaat het?quot; zegt. Guppy, hém de hand gevinde. — „Zoo, zoo. En hoe gaat het u ?quot;

Daar Guppy antwoordt, dat hij niet veel daarop kan roemen, waagt Jobling de vraag: . Hoe maakt z ij het ?quot; (iuppy neemt dit als eene vrijpostigheid op en zegt: „Jobling, er zijn snaren in het inonscholijk gemoed —quot; Jobling verzoekt verschooning.

„leder onderwerp behalve dat,quot; zegt Guppy mot somber genot van zijne grieve. „ Want er zijn snaivn. Jobling quot;

Jobling verzoekt nog eens verschooning.

(mder dit korte gesprek heeft de vlugge


-ocr page 147-

JO \\VA\\I)i:i,T NAAR m.ACK KIM ARSimn i WAAR III\' 1\' I\' N ^\'1\'KM N MN\' flOEKIR VINDT OM ZICM AAN \'/,1.1 S MAAI,Tl.II) TK /!quot;. TTl\'. N. ( Biz. l.\'i-quot;).)

II KT VKli I, AT KN J11/\'I

-ocr page 148-
-ocr page 149-

IK EENE RESTAI K\',

EEN .MAAI/

I-\'ST

bmallweed, die mede zal gaan eten, met groote letters öp een strookje papier geschreven: „Zoo dadelijk terug.quot; Deze kennisgeving aan allen die het aangaat, steekt hij in de brievenbusi en dan zijn hoogen hoed opzettende, met denzelfden graad van schuinschheid, waarmede Guppy don zijnen draagt, onderricht hij zijn patroon, dat zij zich nu kunnen wegmaken.

Zij begeven zich dus naar eene naburige res-tauratie, niet van den eersten rang, waarvan de bedienende dame. eene welgedane joive maagd van veertig, gezegd wordt zekeren in-1 \'quot;-J 0011 *gt;ort van versteenden kabouter is geworden, en men, om rekenschap van zijn bestaan te geven, in de kantoren zegt, dat zijn vader en moeder rechtsgeleerde flcti. n waren, en ook dat zijne eerste lange van een blauwen zak gemaakt waren Zondei zich te laten roeren door dc kende uitstalling voor het venster dei ratie kunstmatig gewitte bloemkool en quot;kip-pen, groene mandjes met doperwten, koele komkommers, en paterstlikken. gereed voor het spit gaat JSniallweed vooruit binnen. Men

kleeren

verlok-restau-


lt;lruk op den teerhartigen Smallwe( 1 te hebben uemaakt, van wien men zou kunnen aanmerken ••\'tl li ij ecu wissd kind is, voor wien do jMreniiicl.s te beduiden hebben. Hij is nu reeds\'in het bezit van eeuwen van nilachtige wijsheid. Als hij ooit eene wieg had, schijnt het,

een rok met lange panden daarii ben gelegen. Mij heeft een oud oog, dé weed; en hij drinkt en rookt op eene tige manier; en zijn hals staat stijf stropdas; en hij kan nooit beetgenomen wor-\'l\';quot;; en hij weet alles van alles, wat het ook zijn mag. Kortom, hij is zoodanig grootgebracht

hij met

it heb-

Smal I -lapach zijne

kent en ontziet hem daar. Hij heeft zijne vaste plaats, hij bespreekt al de papieren.\' hij blaft \',f\' 0U(1(! beer, n aan, die ze na dien tijd nog j langer dan tien minuten houden. Hot baat niet hem een broodje te willen geven, dat de i volle grootte niet heef!,, of hem van het vleeseh letn andeis dan de beste sneden voor te /,rt ten. Wat jus betreft is bij zoo hard als diamant.

Bewust van kaboutermacht, en zich aan zijne geduchte ondervinding onderwerpende, raad ploegt lt;iupp\\ hom over i\\r keus van het diner ili) ziet hem met een vragenden blik aan, ter\'


-ocr page 150-

IIKT VF,KI.ATEN HITS

wijl de tafelnii-id de lijst der gerechten opleest, en zt-gt: ..Wat neemt gij. Chick?quot; Uit de diepte zijner slimheid verkiest Chick „kalfs-vleesch met ham en tuinboontjesquot; „en vergeet de saus niet, Polly,quot; (met bovennatuurlijk dichtknijpen van zijn eerwaardig oog.) Guppy en JoblitiL\'\' doen dezelfde bestelling. Drie pintskannen half en half worden daarbij gevoegd. Spoedig komt de meid terug, iets dragende, dat naar een model van den toren van Babel gelijkt, maar waarlijk een stapel borden en platte blikken deksels is ömallwet d, het hem voorgezette goedkeurende geeft zijn eerwaardig oog et ne uitdrukking van slimme goedertierenheid en lonkt haar aan. Daarop bevredigt het rechtsgeleerd driemanschap zijn et t-lust onder een gestadig in- en uit- en rondloopen, en een gekletter van aardewerk, en een op- en neer-rommelen van de machine, die de spijzen uit de keuken aanbrengt, en een schel geroep om nog meer spijzen door de spreek-pijp, en een schi l oprekenen der kosten van liet opgegetene. en een algemeenen reuk en damp van warm vleesch, en een aanmerkelijk Vi rhitten dampkring, waarin de morsige mes-si-n «-n tafellakens geheel vanzelf vetvlekken en bierspatti n schijnen te krygen.

Jobling is dichter toegeknoopt dan de netheid alleen zou schijnen te vereischen. Zijn hoed vertoont aan de kanten een eigenaardig verschijnsel van glinsterenden aard, als ware hij eene geliefkoosde wandelplaats van slakken geweest. Hetzelfde verschijnsel is op summige deelen van zilne jas, vooral aan de naden zichtbaar. Hij heeft het verschoten voor-komen van een gentleman in bekrompene omstandigheden; zelfs zijne lichte bakkebaarden hangen met zekere schraalheid neer.

Zijn eetlust is zoo krachtig, dat men daar-lioor aan een karigen kost voor eenigen tijd rugwaarts moet denken. Hij maakt zoo spoedig gedaan rnet zijn bord kalfsvlc sch met ham, helw\' Ik hij geheel geledigd Ie quot;ft, (•« r zijne metgezellen nog halverwege me\' het hunm zijn, dat («uppv hem \'f nog een voorstelt. „Wel verplicht öuppy,\' zegt Jobling, „maar Ja, mij dunk: ik ■ il er nog • • n nejoen.quot;

Het wordt gebr.e\'ht, \' ti hij begint n-■tr ei ns mei lust.

Guppy slaat hem tu-schenfaeiden stilzwijgend gade. tot hij halverwelt;;e door zijn tweede bord heen is, lt;11 dan ophoudt om gt; i.tie smakelijk» teng uit, zijni insgelijks vi-rnieiiwie kan half en half te\' nemen, en dan zijne beenen uitrekt n zijne handen wrijft. Hern met dien gloed van tevredenheid op het gezicht aanseliouwende, zegt Guppy:

..N\'u zijt ge weer een man, Tony!quot; ,Ja, maar toch niet geheel,quot; zegt Jobling. „Zeg, /.mi pas geboren.quot; , Wilt g, o»\'I: nog anden grin nten nemen ; Hpergelt;? Doperwten? Groene kool?quot; „Wel verplicht. Guppy,quot; antwoordt i Jobling; „maar ja, mij dunkt ik zal nog wat groene kool nemen.quot;

De bestelling wordt gedaan met het spottende bijvoegsel jvan Smallweed): „Zonder slakken, j Polly!quot; en de kool verschijnt.

„Ik groei al, Guppy.quot; zegt Jobling, met sma- | keiijken ijver mes en vork reppende. - „Dat | doet mij pleizier.quot; — „Eigenlijk ben ik nu zoo pas over de tien,quot; zegt Jobling.

Hij zegt niets meer voordat hij zijne taak j heeft volbracht, hetgeen hem juist gelukt als { Guppy en Smallweed met de hunne gereed | zijn, zoodat hij deze heeren ruim een portie ; kalfsvleesch met ham en eene portie kool af- ; wint.

„Nu, Small,quot; zegt Guppy. „Wat zoudt gij I

nu voor gebak aanraden?quot; ..... „Mergpoddings,quot; 1

zegt Smallweed terstond. „Zoo, zoo!quot; roept Jobling met oen schalkachtig» 11 blik. „Denkt gij | dat? Wel verplicht. Guppy; maar ja, mij dunkt ik zal nog een poddinkje nemen.quot;

Nadat de drie poddingen gebracht zijn, voegt Jobling er schertsend bij, dat hij nu gauw meer- ; derjarig zal worden. Daarop volgen nog, op i hevel van Smallweed, „drie kazenquot; en „drie rummetjes.\' Dit toppunt van het feestmaal gelukkig bereikt hebbende, legt Jobling zijne beenen op de gekussende bank (daar hij den j eenen kant van de tafel voor zich alleen heeft), j laat zich tegen den muur leunen, en zegt: „Nu ben ik volwassen, Guppy. Nu ben ik tot rijpe jaren gekomen.\' - „Wat denkt ge nu,quot; zegt

Guppy, „van.....gij stoort u toch niet aan Small-

weed?quot; — „Geheel niet Ik heb het pleizier van zyne gezondheid te drinken.quot; — „De uwe, mijn- , heer,quot; zegt Smallweed. „Ik zeide daar, wat j denkt gij nn van dh nst nemen?quot; hervat Guppy.

„Wel wat iemand na den eten denkt, mijn j beste Guppy,\' antwoordt Jobling, „is geheel iets anders dan wat inj misschien voorden eten denkt, j Maar toch, zelfs na den eten moet ik mij de vraag I doen : Hoe zal ik het maken? Hoe zal ik aan den kost komen? Ill fo manger, weet ge wel,quot; | zegt Jobling, die woorden uitsprekende gelijk geen l\'ranschman zou kunnen doen. „til fo man- I L\'1 r. ZoO zeggen de Franschen, en het mange-ren is voor mij even noodzakelijk als voor een | Franschman, of nog meer.\'

smallweed is stellig van oordeel „veel meer.quot; j

.. Als iemand mij gezegd had,quot; vervolgt Jobling, „zelfs znfi kort geleden als toen wij te 1 zamen dat toertje in Lincolnshire deden. ; Guppy, en dat huis op Noten-Hof gingen ; zien - quot;

Smallweed verbeterd hem „Kastanje-Hof.quot;

.Kastanje Hof Ik bedank mijn edelaehtba-1 en vi \' iid voor de ten ehtwijzing. Als iemand miji teen gezegd had, dat ik er eens zoo erg aan toe zou zijn als ik werkelijk ben, dan zou — dan zou ik hem een slag in zijn gezicht heb-


-ocr page 151-

WAT KAN IK.MANI» DO MN ï

1 39

ben gegeven,quot; zegt Jobling, en neemt meteen gezicht vol wanhopige berusting een teugje rum met water. „En toch, Tony, zat gij toen al in de pekel,quot; merkt Guppy aan. „inde chais hebt gij haast van niets anders gesproken.quot; „Dat wil ik niet ontkennen. Guppy,quot; zegt Jobling. „ik was toen al op zwart zaad. Maar ik dacht, dat het wel zou losloopen en zich schikken.quot;

O, dat algemeene geloof aan losloopen en zich schikken, terwijl men zelf alles maar laat losloopen !

„Ik geloofde vast, dat liet wel zou losloopen en op zijne pooten neerkomen,quot; zegt Jobling met zekere onbestemdheid van uitdrukking en misschien ook van meening, „maar dat deed het niet. En toen hot zoover kwam, dat crediteuren aan het kantoor maling kwamen maken, en rnenschen, die met het kantoor te doen hadden, kwamen klagen over ellendige kleinigheden van geleend geld, was het gedaan met die betrekking ook. want als ik morgen om een getuigschrift kwam vragen, zou men het te weten komen en mij weer komen plagen. Wat zal iemand dan doen? Ik heb mij uit den weg gehouden en goedkoop geleefd, daar in die moestuinen ; maar wat baat het of men goedkoop leeft, als men geen geld heeft? Dan zou men evengoed duur kunnen leven.quot; „Nog beter,quot; denkt Smallwoed. „Zekerlijk. Dat is de manier in de modewereld. En de modewereld en bakkebaarden zijn mijn zwak geweest, en het kan mij niet schelen wie dat weet,quot; zegt Jobling. „Zij zijn een groot zwak nu ja, een groot zwak. Welnu,quot; vervolgt Jobling, nadat hij eenc uitdagende teug rum met water heeft genonn-n, „wat kan iemand dan doen, vraag ik u, behalve dienst nemen?quot;

Guppy wil nu gaan uiteenzetten wa iemand, naar zijne meening, nog doen kan. Zijn toon is deftig en nadrukkelijk als van een man. die zich nog nooit heeft geconilromittecrd, behalve dat hij het slachtoffer van een teeder harteleed is geworden.

„Jobling,quot; zegt Guppy, „ik zilf en onze we-derzijdsche vriend Smallwced quot; „Gentlemen allebei,quot; merkt Smallweed bescheiden aan en drinkt. „ Hebben moer dan eens óver die zaak gesproken, sedert gy quot; «Zeg maar den zak hebt gekregen!quot; roept Jobling met bitterheid uit. „Zeg hei maar, Guppy, (lij meenl het toch.quot;

„Neen. De l n n hebt verlaten,quot; oppert Small-weed met kieschheid. „Sedert gij de 1 n n hebt verlaten, Jobling.quot; zegt Guppy, „en toen heb ik onzen wederzijdschen vriend al van een plan gesproken, dat ik u dacht voor te stellen. Gij kent Snagsby, den kantoöjfvyinkelier?quot; ,lllt; weet, dat hij er is,quot; zegt Jobling. „Maar hij was onze leverancier niet, en ik bon niet mei hem bekend.quot; „Hij is de onze, Jobling, en ik ben wel met hem bekend,quot; zegt Guppy, „wel, mijnheer, ik ben binnenkort nog beter met hem bekend geworden door zekere toevallige omstan- j digheden, die mij ook als huisvriend toegang bij hem hebben verschaft. Het is niet noodig, rneer van die omstandigheden te zeggen. Zij kun- \' nen - of kunnen ook niet - in zeker verband staan misschien met iets, dat misschien of misschien ook niet eene schaduw op mijn leven heeft geworpen.quot;

Daar Guppy gewoon is, door zeker geheimzinnig pralen met zijne rampzaligheid, zijne vrienden te verlokken om zich daarover uit te laten, en zoodra zijhet onderwerp aanroeren, bun met bijtende strengheid eene vermaning te geven ; over de snaren van het menschel ijk gemoed, i ontwijken Jobling en Smallweed beiden dien strik, j door geheel stil te zwijgen,

„Dat kan zoo zijn,quot; herhaalt. Guppy, „of ook niet. Dit behoort niet tot de zaak. 1 let is genoeg te zeggen, dat mijnheer en juffrouw Snagsby zeer bereidwillig zijn om mij te verplichten; en dat Snagsby. in den drukken tijd, veel kopieerwerk heeft uit te geven. Hij heeft alles van Tulkinghorn, en eene uitmuntende klandizie buitendien. Ik geloof, als onze wederzijdsche vriend als getuige werd opgeroepen, zou hij dit kunnen verklaren.\'

Smallweed knikt, en schijnt te verlangen om maar beeedigd te worden.

„Nu, heeren van de Jury,quot; zegt (Uippy „ik meen, nu, Jobling, zult gij misschien zeggen, dat dit een armoedig vooruitzicht is om aan den kost te komen. Toegestemd, Maar het is toch beter dan niets, en beier dan dienst nemen. Gij hebt maar tijd noodig. Er moet tijd zijn om die laatste dingen te laten overwaaien. En gij zoudt dien tijd op eene veel slechter manier kunnen doorbrengen, dan met ondertus-sclien voor Snagsby te schrijven.quot;

Jobling wil hierop invallen, wanneer de schrandere Smallweed hem stuit door een droog kuchje en di woorden; „Hm! Shakspeare!quot;

„Er zijn twee punten in aanmerking te nemen, Jobling,quot; zegt (iuppy. „Dit is pas het eerste. Nu kom ik aan het tweede (lij kent Krook, den kanselie r wel, daar aan den overkant van de steeg. Koffi aan, Jobling,quot; zegt Guppy, op een toon alsof hij bij een verhoor een getuige wilde aanmoedigen, „ik denk, dat gij Krook, den kanselier, daar aan den overkant van de steeg, wel kent?\' „Ik ken hem van aanzien.quot; .1 lei ] goed, Kn gij kent ook dat julfrniiwtje Kilte wel?quot; „Die kent iedereen,quot; zegt Jobling.-„Die kent iedereen. Z eer goed. Nu is het sedert eenigen tijd een van mijne plichten geweest, om dat juffrouwtje zekere wekelijksclm toelaag te belalen, na aftrek v;in ban weckhunr. die ik (volgens de mij gegevene inslructiel geregeld aan Krook zelf, in hare tegenwoordigheid, betaal. Dit beeft mij in aanraking mot Kronk gebracht en met zijn huis en zijne Dianier van


-ocr page 152-

HET VERLATEN IH IS,

leven beki tul doen worden. Ik weet:, dat hij eene kamer te huur heeft. Gij kunt daar zeer goedkoop wonen, onder welken naam gij maar verkiest, on zoo stil alsof gij honderd mijlen ver waart. Hij zal u niets vragen, en zou u, opeen woord van nuj, tot huurder willen nemen eer de klok weer slaat, als ge zoo mocht willen. En ik zal u nog eens iets zeggen, Jobling,quot; zegt Guppy, die eensklaps zijne stern laat dalen én weder een gemeenzamen toon aanneemt, „hij is een wonderlijke oude snaak altijd snuffelt hij in een warboel van papieren, en slooft zich af om ongeholpen te leeren lezen en schrijven, zonder ln-t minste te vorderen, naar het mij voorkomt. Hij is een allerwonderlijkste oude snaak, mijnheer. Ik weet niet of het kon voor iémand wel de tijfi\'ite waard zijn om hem wat na t\' gaan.quot; „Gij meent toch niet quot; be gint Jobling. .Ik meen,quot; antwoordt Guppy, met gepaste bescheidenheid zijni-si houd\'rs op-haV nd \' „dat ik niet uit hem wijs kan worden. Ik beroep mij op onzen wederzijdschen vriend Smallweed, of hij mij al of niet he^ft hooren aanmerk- n. dat ik niet uithem wijs kan worden.quot; smallweed logt de beknopte getuigenis af: Nog al ( i ns.quot;

,lk heb iets van h t vak gezien, en iets van de wereld gezien, Tony,quot; zegt Guppy, „en het gebeurt zelden of ik kan uit iemand wijs worden, meer of minder. Maar zulk een ouden vos als deze, zoo slim en achterhoudend, schoon ik niet geloof, dat hij ooit nuchter K heb ik nog nooit ontmoet. Hij meet al geweldig oud zijn, weet c.-, en hij heeft geen mensch bij zich, \' ti men zi u;. dat hij ontzettend rijk is; en hetzij hij een smokkelaar is. of een heler van gestolen goed, of een geheime lommerdhouder, of een geldschieter en dat alles heb ik op verschil lenden tijden waarschijnlijk g\' vonden het zou wel voordeelig voor u kunnen zijn, wat kennis met hem te maken. Ik zie niet waarom gij nieï bij hem zoudt gaan wonen, als al de rest u aan--i aat

Jobling, (iuppv en Smallweed leunen allen met de ellebogen op de tafel en kijken, met de , kin in de handen, naar den zolder. Na eene poes drinken zi j eens, laten zich achteroverzinken, steken de handen in de zakken gt; n zien elkander aan

, Als ik de geestkracht had, di* ik eens bezat, Tony!quot; zegt öupp\\ met ■ en zneht. .Mi ir er zijn snaren in hei iiienschelijk gemoed quot;

liet overschot van die uitboezeming in rum met water smorende, besluit Guppy met het avonl uur aan Tony Jobling over te laten, en hem te berichten, dat gedurende de vaeantii en ter wijl de zaken sbip gaan, zijne beurs .tot dri\' of vier. of zelfs tot vijf pond tee,quot; vooi hem zal epenstaan, .Wam men zal noeii /egg- ti.quot; voegt (}upp\\ er met nadruk bij. „dat William Gupp\\ ooit een vriend in den nood heeft gelaten,quot;

Dit gezegde komt zoojuist ter snede, dat Jobling met aandoening zegt; „Guppy, brave kerel, uwe vuist!quot; Guppy steekt ze toe en zegt: „Jobling, mijn jongen, daar is zij!quot; Jobling hervat: „Guppyi wij zijn nu al eenige jaren kameraads geweest.\' Guppy antwoordt: „Jobling, dat zijn : wij,quot; Zij schudden elkander de hand, en Jobling zegt op een toon vol gevoel: „Ik ben u wel verplicht, Guppy, maar ja, mij dunkt ik zal toch | nog een glas nemen, van oude kenniswege.quot;

„Krook\'s laatste huurder is daar gestorven,\'\' merkt Guppy als het ware toevallig aan. „Zoo waarlijk !quot; zegt Jobling. „Er was eene schouwing. Uitspraak: toevallige dood. Daar geeft gij toch niet om ?quot; „Neen,quot; zegt Jobling, ; „ik geef er niet om. Maar hij had toch evengoed ergens anders mogen sterven. Het is duivels raar, dat hij op mijne kamer moest gaan sterven,quot; Jobling maakt zich wrevelig over deze vrijpostigheid, en komt er verscheidene malen op terug met aanmerkingen zooals : „Er zijn toch plaatsen genoeg om te sterven, zou ik denken 1\'of: „Hij zou toch niet graag gehad hebben, dat ik op z ij ne kamer kwam sterven, durf ik welzeggen,quot;

Evenwel de zaak is nu afgesproken, en Guppy stelt voor om den vertrouwden Smallweed uit te zenden om te vernemen of mijnheer Krook thuis is, daar zij in dat geval de onderhandeling terstond kunnen beginnen en ten einde j brengen. Daar Jobling dit goedkeurt, plaatst Smallweed zich onder den hoogen hoed, en brengt dezen geheel op Guppy\'s manier de deur uit. Weldra komt hij terug met het bericht, dat Krook thuis is, en dat hij hem door de winkeldeur in zijne achterkamer heeft zien zitten, „slapende als een os.quot;

„Dan zal ik betalen,quot; zegt Guppy, .en dan kunnen wij mar hem toegaan. Small, hoeveel zou het zijn ?quot;

Smallvvéi d, door een oogwenk de aandacht der bedienares t rekkende, antwoordt dadelijk als volgt: .Vier kalfsvleesch met ham is drie, en vier aardappelen is drie en vier, en eene kool is drii; en zgt; s, en drie poddingen is vier en zes, en z.es broodjer, is vijf en drie kaas is vijf en drie, en vier pintjes half en haif is zes en drie, en vier rummetjes is acht en drie, en drie l\'ol-ly\'s is acht en zes. Acht en zes is een halve souveroin en achttien stuivers weerom.

Geheel niet v rhit door deze verbazende berekeningen, groet Smallweed zijne vrienden met een koel knikje, en blijft zitten om naar gele-g- nheid nog een blikje van bewonderende aandacht te schenken, en de couranten te lezen, die bij hem vergeleken, nu hij zijn hoed niet opheeft, zoo groot zijn, dat hij. als hij den Times omhoog houdt om zijn oog de kolommen langs te laten gaan, wel reeds naar bed gegaan en onder het dek verdwenen schijnt te zijn.

Guppy en Jobling begeven zich naar den voddenwinkel, waar zij Krook nog vinden zitten sla-


-ocr page 153-

EEN BEZOEK lil.l DEN\'

-KANSKI,ll\'i;.

Hl

pen als een os, dat is, zwaar snorkende, met de kin op de borst, en geheel onaandoenlijk voor alle geluiden, ja zelfs voor een zacht schudden. Op de tafel naast hem staan, tusschen de gewone prullen, eene ledige jeneverflesch en een glas. De ongezonde lucht is zoodanig met den damp van dit vocht beladen, dat zelfs de groene oogen der kat op de kasplank, die beurtelings geopend en gesloten, de vreemdelingen glinsterend aangluren. dronken schijnen te zijn.

„Heila daar!\' zegt Guppy, denineengezakten ouden man nog eens schuddende. „Mijnheer Krook! Heila, mijnheer!\'

Maar het zou even gemakkelijk schijnen een hoop oude kleeren, met eene smeulende sterken-dranks-hitte daarin, wakker te maken.

„Hebt gij ooit zulk eene verdooving gezien als waarin hij verzinkt, tusschen slapen en waken?quot; zegt Guppy. „Als dat zijn gewone slaap is,quot; antwoordt Jobling, eenigszins ongerusi, „zal iiij eens heel lang duren, geloof ik.quot; .liet gelijkt altijd meer naar een toeval dan naar een dutje,\' zegt Guppy. BHolla, uwe lordschap! Wel. hij zou wel vijftigmaal bestolen kunnen worden\'! l)oe uwe oogen eens open!\'

Na nog veel moeite opent hij ze, maar zonder dat hij de vreemdelingen ofiets anders schijnt te zien. Hoewel hij hot eene been over het andere slaat, en zijne handen vouwt, en verscheidene malen zijne verdroogde lippen opent en sluit, schijnt hij overigens even gevoelloos te zijn als te voren.

,llij leeft in allen gevalle toch nog,quot; zegt Guppy. „Hoe vaart ge, mylord kanselier? Ik heb een vriend van my meegebracht, mijnheer, om over een zaakje te spreken,quot;

De oude man blijft nog zitten, dikwijls met zijne droge lippen smakkende, zonder eenig teeken van bewustheid to geven. Nu verloop van eenige minuten doet hij eene poging om opto staan. Zij helpen hem op, hij doet wankelend eenige schreden naar den muur, blijft daartegen staan leunen, en staart hen aan.

„Hoe gaat het, mijnheer Krook ?\' zegt Guppy eenigszins benauwd. „Hoe gaat liet, mijnheer? Gij ziet er kostelijk uit. Ik hoop, dat gij tamelijk wel zijt?quot;

De oude man doet in het wilde een slag naar Guppy, of in de lucht, draait zich waggelend om en komt zoo met zijn gezicht tegen den muur. Daartegen aangezakt blijft hij een paar minuten staan, en dan strompelt hij den winkel door naar de voordeur. De lucht, de beweging op straat, het verloop van tijd, of dat alles te zarnen, doet hem bekomen. Hijkomtniet tamelijk vaste schreden terug, schuift zijne bonten muts terecht en ziet hen scherp aan.

„Uw dienaar, heeren. Ik heb wat gedut, ik ben somtijds inoeielijk wakker te krijgen.\' „NVel eenigszins. mijnheel.quot; antwoordt Guppy,

„Wat? Gij hebt. mij willen wakker maken ?\'

zegt de achterdochtige Krook. „Maar eventjes geprobeerd,quot; zegt Guppy.

De oude man krijgt de tlesch in het oog, neemt ze op, bekjjkt ze, en keert ze langzaam het onderste boven.

„ Holla,quot; roept hij, „daar is iemand aan geweest.\' „ Ik verzeker u, dat wij zo zoo gevonden hebben,quot; zegt Guppy, „Zoudt ge mij willen vergunnen ze voor u te laten vullen?quot; „Ja zeker zou ik,quot; zegt Krook, zeer verheugd, \' „Zeker zou ik dat. Spreek er maai- niet meer ! van. Laat ze maar hier naast de deur vullen in de Zon voor den lord kanselier, van veer j tien stuivers o lleere, ze kennen mij daar!quot;

Hij dringt Guppy de ledige flesch zoodanig op, dat deze heer, zijn vriend een knikje gevende, i de boodschap aanneemt, heensnelt en met de gevulde tlesch terugkomt. De oude man knelt ze in zijne armen gelijk een bemind kleinkind, en streelt ze teederlijk,

.Maar zeg eens,quot; fluistert hij, na geproefd te hebben, mei dicht geknepene oogen. „Die is niet van veertien stuivers. Die is van achttien stui- ! vers!quot; \'„Ik dacht, dat die u nog beter zou sma- j ken,quot; zegt Guppy. „(lij zijt een edelman, mijnheer,quot; antwoordt Krook, nog eens proevende, en zijn heete adem schijnt als oene vlam naar I hen toe te komen. „Gij zijt een baron,quot;

Dit gunstig oogenblik waarnemende, pres^n-teert Guppy zijn vriend onder den voor de vuist bedachten naam van mijnheer \\Veevle,en vermeldt het oogmerk van hun bezoek, Krook met zijne flesch onder den arm (hij komt nooit voorbij zeker punt van dronkenschap of van nuchter-Ie id) neemt er den tijd toe om zijn voorgestelden huurder te bezien, en schijnt hem goed te keuren. „Zoudt gij de kamer willen zien, jonkman?\' zegt hij, „O, het is zoon goede kamer. Gewit geworden. Schoongemaakt met groene zeep en soda. Hi! Dubbel de huur waard ; om niet te spn ken van mijn gezelschap als gij dat verlangt, • ii zulk eene kat om de muizen weg te houden.quot;

Aldus de kamei aanprijzende, biviigt de oude man hen naar boven, waar zij het inderdaad veel zuidelijker vinden dan hei placht te zijn, en oofji eenige Oude meubelen zien, die hij uit zijn onuit- j pullelijken voorraad heeft opgedolven. \'1 Akkoord is spoedig gesloten want «ie lórd-kanselier kan niet i ingemakkeiijk zijn voor mijnheer Guppy, die mei Kcnge on Carboy, en Jarndyce en .larndyce in betrekking staat, en nog andere aanspraken op zijne achting heelt, - en men sprc kt af. dat mijnheer Weevlo zijne nieuwe woningdesande ren daags zal betrokken, he heeren Weevle en (Hippy begeven zich dan naar het Cnpk\'s Hofje, waar de eerste aan mijnheer Snagsby wordt ge preseiitoord i ii (wat van nog meer gewicht is) de st ei ii en de belangstelling van juffrouw Snags by voer hem worden gewonnen. Daarna gaan zij \\ bericht brengen aan den braven smallweed, diV\' : met zijn hoogen hoed op aan het kantoor daarop is


-ocr page 154-

HET VERLATEN HITS.

blijven wurht\'.-n, eu scheiden, nadat Guppy heeft vrVkhuml, dat hij het kleine nnthaai gaarne zou willen ligt; slnitlt; n met nog op do komedie te trak-teei en, maar dat er snaren in het menschelijk gemoed zijn. die dit tot eene akelige valsehheid en eene boenende b\'spotting zouden maken.

Di -n volgenden dag. tegen de avondschemering, komt Weevle zich zeer beschenlen ten huize van Krook aanmelden, gofiiszins met bagage ovorla-den, en vestigt zich in zijne nieuwe woning waar do twoo oogen in de vensterluik\' n hom in zijn slaap aanstaren alsof zij zeer verwonderd waren. Degt; anderen daags leent Weevle, die een handige jongen is, al past hij ongelukkig niet te best op, ei ne naald en draad van juffrouw Plite, en een hamer van zijn huisheer, en gaat aan het werk om i-eno soort van gordijnen voor de vensters te maken, on eene soort van kast te timmeren, en hangt zijne twee theekopjes, zijne melkkanen andere dingen aan de haakjes, die hij zieh daartoe voor een stuiver heeft aangesohaft, gelijk een zeeman, die schipbreuk hooft go-leden, zieh zoo goed mogelijk zoekt te beholpen. Maar datgene, waarop Weevle onder al zijne w-inigo bezittingen don me\' sten prijs stelt (nazij no lichte bakkebaar-| den, voor welke hij eeüe gehechtheid hoeft, die alleen bakkebaarden in eene mannelijko borst kunnen opwekkon), is eene keurige verzameling van koperen platen uit dat oebt nationale werk, de (iodinnen van Albion of sterrongalerij van Britsche Schoonheid, afbeeldingen van dames van rang en aanzien in de modewereld, in alle vi rseheidonhoden van gemaakte houdingen en lacli.i\'s. die de kunst, door kapitaal geholpen, in siuat is voort te brengen Mot dez--iieeriyke portretten, gediiroiide- z\\jno afzondering in de moestuinen onwaardig in eene bordpapieren doos w gg\' stopt, versiert hij zijne kamer, en daar dez.e sterrengalorij van Britsche Schoonheid allerlei soorten van maskeradekostuum draagt.- n allerb i muzi\' kinstrument(;n bespeelt, en allerlei soorten van hondjes liefkoost, en op achtoi-gronden van allerlei bloemvazen en balnstr.ides rust, is de werking van het geheel inderdaad

buiienuemeeii.

Maar dgt; ne-dow r\'ld tl jft Weevle\'s zwak, evenals zij dit van \'i\'ony .lobüiig was i)es avonds

eene courant van den vorlgen dag uit de Zon

te leenen, -ai daarin van de schitterende en go-ilisting- - r ie verb\'-vellngen te lez.en, die in alle richtingen door Ie : uiispan^\' l vande modewereld schieten, verschaft he-m e-en onuitspreke lyken troost. Te w« ten welk lid van welken schittorend\'-n en godislinureerden kring gisteren het, s. hitteroniïe i-n godistingeerdon kunststuk heeft verricht van dien te komen bezoeken,

of het niet minder schitterend\' en gedistingeerde kunststuk in den zin hoeft van zo morgen te verlaten, schenkt hem eene tinteling van genot. Tlt; vernemen wat de sterrengalerij van Sfhoonlicid uitvoert en denktnit te voere^y en welke huwelijken er op het tapijt, en welke geruchten er in omloop zijn, is toch bekend te worden met de verhevenste bestemming der menscbhoid. Weevle keert zich van deze berichten naar de daarin besprokene portretten, en schijnt dan de origineel en te kennen en aan hen bekend te zijn.

Voor het overige is hij een stil huurder, vol handige verzinselen en uitvindsels om zich als bovengemeld te behelpen, in staat om zelf te koken en schoon te maken, zoowel als te timmeren, en met een grooten aanleg tot gezelligheid, die zich vooral ontwikkeld wanneer de duisternis van den avond op het Hofje is neergedaald, Wanneer hij op zulk een tijd geen bezoek ontvangt van (luppy. of van een kleiner licht in zijne gelijkenis onder oen zwarten hoed gedompt, komt hij zijne sombere kamer uit — waar hij erfgenaam is geworden van den woestijn-achtigen vurenhouten lessenaar met een regen van inkt bespat en zoekt een praatje met Krook,of „maaktzich heel familiaar,\'\' gelijk men in het Hofje tot zijn lof zegt, met leder, die zich genegen toont om zich met hem te onderhouden. En daarom gevoelt julfrouw l\'iper, die in het Hofje den toon geeft, zich godrongen om juffrouw Perkins twee opmerkingen mede te doelen: Vooreerst, als haar Johnny nu een bakkebaard kreeg, zou zij wel wonschen, dat hij precies eender was. als die van dat jonge mensch; en ten tweede: „Let op mijne woorden, Juffrouw Perkins. en laat het u volstrekt niet verwonderen als dat jonge mensch eindelijk nog om den ouden Krook zijn geld komt,quot;

XXL

DK KAMILIK sMALLWKKl).

In eene tamelijk le-elijke en kwalijk riekende buurt, hoewel een dei* hoogste plekken daarvan den naam van Mount Pleasant draagt, Is do kabouterachtige Small weed, di-- Bartholomeus gedoopt, maar in het huishouden als Bart bekend is, gewoon dat beperkte gedeelte van zijn tijd door te brengen, waarop het kantoor en doka ntoorzaketigöeuoaanspraak i,iaken. I[ij woont In een smal straatje, altijd eenzaam, donker en treurig, aan alb kanten zot dicht ingemetseld als oen grafkelder maar waar nog do stomp van een ouden boom blijft kwijnen, waarvan hetgroon omtrent oven frisch en natuurlijk is als de jeugdigheid van Small woed.

Kr is, sedert vele geslachten, maar één kind in de familie Small weed geweest. Kleine oude mannetjes en vrouwtjes beeft men er wel in gi -had, maar geen kind, totdat Smallweed\'sgrootmoeder, nu nog inleven, zwak van vermogens werd en (voor de eerste maal) tot een staat van kindschbeid verviel. Door zulke kinderlijke aan-


-ocr page 155-

OXKUl\'ll) CK\'OEIT NMKT ALTIJD E\\KN IIAI.\'h.

i valligheden als een volslagen gemis van begrip, geheugen en belangstelling, en eene eeuwige neiging om bij het vuur in slaap en er in te vallen, heeft Small wood\'s grootmoeder ontwijfelbaar de familie opgevroolijkt.

Smallweed\'s grootvader is insgelijks nog in le-i ven. Hij is geheel verlamd wat zijne beneden-1 ste, en half wat zijn bovenste ledematen be-1 treft; maar zijn geest heeft nog niets geleden, j Deze houdt nog zoo goed als ooit de vier hoofd-I regelen der rekenkunst onzekere kléine verza-I meling van de onvorzettelijkste daadzaken vast. | Wat zijne organen, van idealiteit, eerbied, ver-i wondering en andere zulke phrcnologische eigen-| schappen betreft, is liet niet slechter met hein I gesteld dan het placht te zijn. Alles wat Smallweed\'s grootvader ooit in zijn gemoed opnam was van het begin af eene rnps en is eene rups i gebleven, In geheel zijn leven heeft hij nooit een 1 enkel vlindertje uitgebroed.

De vader van dezen aardigen grootvader was j een hoornhuidige, tweebeenige, geldwinnende ] soort van spinnekop, die netten spande om arge-looze vliegen te vangen, en zich dan in een hol verschool tot zij verstrikt waren. De naam van ! den afgod van dien ouden heiden was Interest-| op-Interest. Daarvoor leefde hij, en trouwde hi], en daaraan stierf hij. Toen hij eens dooreen zwaar i verlies werd getroffen bij een eerlijk ond» rne-j mingje, waarbij al het verlies aan den anderen | kant had moeten zijn, brak er iets in zijn binnenste iets, dat hij noodig had om te leven | en dat dus zijn hart niet kon wezen - en toen was het uit met hem. Daar hij geen goeden naam I had en in eene armschool was opgevoed, waar hij in vragen en antwoorden grondig onderwijs had genoten aangaande die oude volken, de Amorieten en Hethieten, werd hy dikwijls aan-• gehaald als een voorbeeld hoe weinig erne goede opvoeding somtijds kan baten.

Zijn geest blonk wederom door in zijn zoon, dien hij altijd had voorgepreckt, dat men vroeg : met geldwinnen moet beginnen, en die op : twaalfjarigen ouderdom klerk op het kantoor van een knappen notaris werd. Daar had de jongeheer zijn geest, die bekrompen en inhalig was, aanmerkelijk verruimd, en, den aanleg der familie : ontwikkelende, zich langzamerhand tot het be | roep van geldschieter verheven. Vroeg aan het geldwinnen begonnen en laat trouwende, gelijk zijn vader voor hem gedaan had, gewon ook hij ren bekrompen en inhaligen zoon, die, op zijne beurt, vroeg aan het geldwinnen beginnende , (üi laat trouwende, vader van twei lin-gen, Bartholomeus en .Judy Mnallwe. ii, werd. Gedurende den geheelen lijd. tot den langza-men groei van dezen -tamboom vereischt, iiad het huis van Smallweed, altijd vroeg geldwinnende eri laat trouwende, zijne practische richting al meer en meer versterkt, alle vermaken afgeschaft, alle bookjes met prenten, sprookjes

en fabelen verboden, en alle lichtzinnigheden hoegenaamd verbannen. Vandaar de streelende omstandigheid, dat er nooit een kind in geboren werd, en dat de complete mannetjes en vrouwtjes, die het voortbracht, naar de oude apen geleken, met iets drukkends op het gemoed.

In een donker voorkamertje, eenige voeten blt;\'lieden de oppervlakte der straat een on-plcizierig, leelijk, naargeestig kamertje, alleen vorsierd met oen allergrofst wollen tafelkleed en (jen allerhardst blikken theeblad, en aldus wat ornamentatie betrof, geene slechte allegorische voorstelling gevende van grootvader small-weed\'s gemoed zitten thans, in twee groote zwarte gekussende leuningstoelen, de oude heer en juffrouw Smallweed hunne genoeglijke uren t«\' slijten. Op de kachel staan een paar treeftjes voor de potten en ketels, waarop grootvader Smallweed gewoon is te zitten passen, en uit den schoorsteenrnantel tusschen hen in steekt eenlt;■ soort van koperen galg uit om vleesch aan ti braden, waarop hij, als dit geschiedt, ook zit te passen. Onder de zitting van des eer-vraardigen grootvaders stoel, en door zijna spille-beenen bewaakt, is eene lade, waarin het gerucht zegt, dat fabelachtige schatten bewaard ■worden. Naast hem ligt\'een overtollig kussen, quot;waarmede hij altijd voorzien is, om iets te heb-beii. dat hij de gezellin van zijn eerwaardigen ouderdom naar het hoofd kan smijten, wanneer /.ij van geld begint te praten een onderwerp, waarop hij bijzonder gevoelig is.

..En waar is Bart?quot; vraagt grootvader small-weed aan Judy. Hart\'s tweelingzuster. —„Hij is nog niet thuis gekomen,quot; zegt Judy. „Het is toch zijn theetijd al, niet waar?quot; „Neen,quot;

„Hoeveel zegt gij dan nog dat hel scheelt?\'

„Tien minuten,\' ,11( .Tien minu

ten,quot; schreeuwt Judy. „I to!quot; zegt grootvader Smallweed, „Tien minuten.quot;

Daar grootmoeder Smallweed, die heefl zitten mommelen en haar hoofd t« gen de I reefjes schudden, van getallen hoort spreken, denkt zij aan geld, en ki ijscht zij. als eene afschuwelijke oude papegaai zonder veeren: „Tien ponds banknoten 1quot;

Grootvader Smallweed smijt haar dadelijk het kussen naar hel hoofd.

„Duivelin, houd u stil,quot; zegt de goede oudo man.

Do werking van dit gooien is tweevoudig Niet alleen doet het grootmoeder Smallw\'-ed mei hel hoofd tegen de leuning van haar stoel zakken, en blijkt haiv muts. als hare kleindocht. r haar weder ophelpt, erg verhavend O zijn. maar de noodige inspanning heeft onk ei ne tei ngsverking op grootvader Smallweed. die insgelijks, als eene gobrokenè pop, achlerover in zijn stoel zaki. De goede oudo heer, die in zulk een geval het voorkomen heeft van een hoop kleeren met (■ n zwart


-ocr page 156-

r

HET VI\'i;LATEX IK IS.

mutsje er boven op, geeft geen teeken van leven voordat zijne kleindochter hem twee ope-ratiCn heeft doen ondergaan, door hem te schudden als eene groote flesch en op te .stompen als eene groote bulster. Nadat op deze wijze weder eenigszins een hals bij hem ontwikkeld is, blijven hij en de deelgenoote van zijn levensavond in hunne leuningstoelen tegenover elkander zitten, gelijk twee schildwachten, lang door den zwarten sergeant de Dood op lam post vergeten.

Judy is een waardig gezelschap voor dit paar. Zij is zoo ontwijfelbaar de tweelingzuster van den jongenheer Sm al! weed, dat de twee tot een gekneed nauwelijks een jongmensch van gewone groote zouden uitmaken; terwijl zij zulk em gelukkig voorbeeld geeft van de voor-glt;•melde familiegelijkenis op h\' t apengeslacht, dat zij, met een rood rokje en een mutsje uitgedost, boven op ^ n draaiorgel het land zou kunnen doorwandelen, zonder veel aandacht te trekken als een aap van buitengewone soort. Thans evenwel draagt zij een eenvoudig schraal japonnetje van bruine stof.

Judy heeft nooit eene pop in eigendom gehad. nooit van Asschepoetster gehoord en nooit eenig spel gespeeld. Zij is. toen zij tien Jaren oud was, eens of tweemaal niet kinderen in gezelschap gekomen; maar de kinderen konden niet met haar te recht komen, en zij niét met hen. Zij scheen een dier van eene verschillende soort te zijn, en aan beide kanten bestond f en instinctmatige tegenzin. Het is zi er twitfelachtig of Judy kan lachen. Zij heeft het zoo zelden zien doen. dat de waarschijnlijkheid sterk daartegen is. Van iets, dat naar een Jeugdigen lach gelijkt, kan zij voorzeker geen begrip hebben. Als zij zulk een lach wilde probeeren, zouden hare tanden haar hinderen ; zend\' r het te weten heeft zij de uitdrukking en de bewegingen van haar gezicht naar het model van een afziehteiykm ouderdom leeren voegen. Zulk een wezen is Judy.

Haar tweelingbroeder zou, al was het om zijn leven te doen, geen tol kunnen opzetten. Hij weet niet meer van Jack den Keuzendon-(h i of van sindbad den Zeeman dan hij van de bewoners der sterren weet. Hij zou evengoed haasjeover of cricket kunnen spelen, als zich zei ven in een haas of krekel (c rick e t) her-cheppen. Maar hij is er in zooverre beter aan toe dan zijne zuster, dat er in zijne be-krompene wereld eene opening is gekomen, die hem een uit/ieht aanbiedt op de riiliriere gewesten waarin Guppy /.ich beweegt. Vandaar de bewondering en de naijver, die dit .schitterend personage hem heeft ingeboezemd.

Judy zet met een brommenden slag, als van een gong, een der ijzeren theebladen op de tafel, en schikt met vee-I gerammel en gerinkel de kopjes en schoteltjes. Het brood legt zij in eene ijzeren broodmand, en de boter i (niet veel) doet zij op een tinnen bordje. Groot- , vader Smallweed kijkt scherp naar de thee ter- | wijl die in den pot wordt gedaan, en vraagt | Judy waar de meid is.

„Charley, meent gij?\' zegt Judy. — „He?quot; j zegt grootvader small weed. ,Meent gij ! charley?\'

Dit wekt bij grootmoeder Smallweed eene her- 1 innering op, en naar gewoonte tegen detreef- j tjes grinnikende, roept zij : „Over het water! Charley over het water, Charley over het water, over het water naar Charley, Charley over het water, over het water met Charley Iquot; en geraakt daarover geheel in vuur. Grootvader kijkt naar het kussen, maar is zijne laatste inspanning nog niet genoeg te boven.

.Hal\' zegt hij als er stilte komt. „Als zij zoo heet. Zij eet veel. Hot zou beter zijn haar kost- j geld te geven.quot;

Judy schudt haar hoofd, knipoogende evenals } haar broeder doet, en knijpt haar mond tot een ! „neen,quot; zonder dit uit te spreken.

„Niet ?quot; zegt de oude man. .Waarom niet?quot;— I „Zij zou zes stuivers daags willen hebben,quot; ant- i woordt Judy. ,en wij kunnen het voor minder | doen.quot; „Zeker?quot;

Judy antwoordt met een knikje van de diepste | beteekenis. en terwijl zij boter op het brood ! smeert, met alle voorzorgen tegen overdaad, roept zij: „Charley, waar zijt ge?\' Met bedeesde gehoorzaamheid verschijnt op dit roepen een I klein meisje met een grof voorschot en eene | groote muts, de handen met zeepsop bedekt en 1 een boender in de eene hand, en nijgt.

„Aan wat voor werk zijt ge nu ?\'zegt Judy. • haar toesnauwende gelijk een vinnig oud wijf zou doen. „Ik ben de bovenachterkamer aan het srhoonmaken. juffrouw,quot; antwoordt Charley. - „Pas op, dat gij het terdege doet en niet ; talmt. Luieren gaat, niet bij mij. Voort maar! ; Gauw!quot; roept Judy, op den grond stampende, 1 „Gij meiden geeft ons zooveel last als ge i waard zijt.quot;

Terwijl deze strenge matrone terugkeert tot hare taak van broodsnijden en botersmeren, ziet zij de schaduw van haar broeder, die het i venster binnenkijkt. Met mes en brood in de i hand doet zij de deur voor hem open.

„Zoo, zoo, Bartzegt grootvader Smallweed. ..Daar zijt ge he?* „Daar ben ik.\' zegt Hart. - „Weer naar uw vriend geweest, Bart?quot;

Bart knikt.

„Voor zijn geld gegeten, Bart?quot;

Bart knikt, nog eens.

„Goed zoo. Leef op zijne kosten zooveel gij maar kunt, Bart, en laat u waarschuwen door zijn dwaas voorbeeld. Dat is het nut van zulk een vriend. Het eenige, waarvoor gij hem ge-bruiken kunt.\' zegt de wijze.

Zijn kleinzoon, zonder dezen goeden raad


-ocr page 157-

(iKOOTVADKK SMAI.IAVEEI).

met zooveel eerbied aan te nemen als hij we! mocht, vereert dien toch met eens te knipoogen en te knikken, en neemt plaats aan de theetafel. De vier oude gezichten zweven dan hoven de kopjes, gelijk eene groep akelige cherubijntjes ; grootmoeder Smallweed zit gedurig met haar hoofd te schudden en tegen de treefjes te grinniken, en grootvader Smallweed moet herhaaldelijk opgeschud worden.

„Ja, ja,quot; zegt de goede oude heer, nog eens op zijne wijsheidsles terugkomende. „Dat is zulk een raad als uw vader u zou gegeven hebben, Bart. Gij hebt uw vader nooit gezien. Des te meer jammer. Hij was mijn echte zoon.quot; Of dit maning aan grootmoeder Smal! wei d, is bijzonder indrukwekkend, maar niet zeer behaaglijk; vooreerst, omdat de beweging doorgaans zijn zwart mutsje over zijn eene oog doet zakken, en hem zoo het uitzicht van een spotzieken kabouter geeft; ten tweede, omdat hij daarbij de heftigste verwenschingen tegen grootmoeder Small-weed mompelt; en ten derde, omdat het contrast tusschen die krachtige uitdrukkingen en zijne machtelooze gedaante hem iets kwaadaardigs geeft, alsof hij veel kwaad zou willen doen als hij maar kon. Dit alles is echter in dezen familiekring zoo gewoon, dat liet volstrekt geen maakt. De oude heer wordt slechts op-


moet te kennen geven, dat hij om die reden bijzonder pleizierig was om aan te zien, blijkt niet. „Hij was mijn echte zoon,quot; herhaalt de oude heer, zijne snee gebotcvd brood op zijne knie toé vouwende; „een goed rekenaar, en hij is nu al vijftien jaar dood.

Grootmoeder Smallweed, haar gewoon instinct volgende, barst uit niet: ,,Vijftmnhonderd pond. Vijftienhonderd pond in eene zwarte kist, vijftienhonderd pond achter slot, vijftienhonderd pond stilletjes weggel\'orpin!\' Haar waardige echtgenoot legt zijne boterham neer, smijt haar het kussen naar het hoofd, doet haar achterover in haar stoel zinken, en zakt zelf uitgeput in elkander. Zijn voorkomen, na zulk eenever-geschud, het kussen wordt op de gewone plaats naast lienrl gelegd, \'ii de oude vrouw wordt, misschien mei eenlt; weder terecht geschoven muts, misschien ook niet, weder op haar stoel geplaatst, gerei d om weder als een kegel te werden omgesmeten.

Er verloopt nu eenige tijd voordat de aide heer genoegzaam bekoeld is om zijne reden te hervatten; en zelfs vermengt hij die met verscheidene stichtelijke tusschenreden, tot zijne bewustelooze levensgezellin gericht, die met niets op de wereld gemeenschap houdt behalve met de treeftjes. Gelijk aldus;

„Als uw vader, Bart, langer geleefd had-had hij veel geld kunnen winnen gij satan.


//»/

in.

-ocr page 158-

HET VKKI.ATKN HUIS.

sche kakelaarster. - maar juist toen hij hei huis begon op te bouwen, waarvan hij met vele jaiea werketis de grondvesten had gelegd,

gy slet van een ekster, gij bonte kraai, gij kaketoe, wat wilt ge toch? - kreeg hij eene sl\'uipkoorts; hij was altijd zwakkelijk geweest en had schraal\' geleefd, altijd vol zorgen voor zijne zaken, en stierf daaraan ik zou u graag ; met eetv kat willen smijten in plaats van mot een kussen, «n dat zal ik ook als gij u zoo vrduiveld zot blijft aanstellen 1 — enuwi\' moeder. die eene zuinige vrouw was, zoo droog als een houtje, molmde ook weg als verrot hout, nadat gij en Judy geboren waart. -• Gij oud varken 1 Gij zwijn van den satan! Gij varkenskop!quot;

Judy, geen het minste belangstellende in iets, dat zij dikwijls heeft gehoord, begint het overschot uit den trekpot en de kopjes in eene kom te gieten, om de kleine schoonmaakster tot avonddrank te dienen. Eveneens verzamelt zij, in de ijzeren broodmand, zooveel korsten en kantjes brood als de strenge zuinigheid van het huis heeft overgelaten.

„Maar uw vader en ik waren compagnons, Bart,quot; zegt de oude lieer, „en als ik eens weg ben, zult kÜ en Judy alles krijgen wat er is. Het is goed voor u beiden, dat gij al vroeg aan het geldwinnen zijt gegaan -Judy met de bloemen m gij met het recht. Gij zult liet nier. behoeven te verteren. Gij kunt daar buiten wel den kost winnen, en het kapitaal nog vergroo-tcn. Als ik eens weg ben, zal Judy weer aan de bloemen gaan, en gij zult by het recht blijven.quot;

t\'it Judy\'s voorkomen had men kunnen opmaken, dat zij meer met doornen dan nu t bloemen te doen had gehad, maar werkelijk is zij in haar tijd bij eene kunstbloernenmaak-ster in de leer geweest. Bon scherp opmerker zou misschien in haar oog zoowel als in dat van haar broeder, wanneer hun eerwaardige grootvader van het vooruitzicht opzijn weg zijn spreekt, eenig ongeduld ontdekken om te weten wanneer hij eens weg zal zijn, en eene wrevelige mi i-ning, dat het tijd voor hem is om te gaan.

„Als nu iedereen gedaan heeft,* zegt Judy, hare toebereidselen voltooiende, „zal ik die meid laten binnenkomen voor hare thee. /.ij zou er nooit mee gedaan hebben, als ik het haar alleen in de keuken gaf.quot;

Charley wordt dus geroepen, en zet zich, onder een kruisvuur van oogeii, bij hare kom en bij eene Druïdische ruïne van broodkorsten, in de manier, waarop zij met «lit meisje omspringt, schijnt Judy Bmallweed een geologi-schen ouderdom t.lt; bereiken en tot het verst verwijderde tijdp-rk «gt;p te klimmen, ih\'t syste-niatNrhe, waarmede zij haar besnauwt en op haar uitschiet, hetzij met of zonder eeuig voorwendsel, is verwonderiyk, en toont eene vol inaakt.heid in d\' kunst van moiden-afjakk\'-ren, waartoe zelfs de oudste beoefenaarsters daarvan het maar zelden brengen.

„Zit nu niet den heelen dag rond to kijken, roept Judy, haar hoofd schuddende en met haar voet stampende, als zij toevallig een \'dik j opvangt, die te voren de diepte der theekom heeft gepeild, „maar maak. dat gij het op-krijgt en weer aan uw werk komt.quot; — „Ja, juffrouw,quot; zegt Charley. — „Zeg maar geen \'ja,quot; antwoordt Judy, „want ik weet wel hoe ; gij meiden zijt. Doe het maar zonder het te zeggen, en dan zal ik u beginnen te gelooven.quot;

«Jharley verzwelgt een groeten slok thee, ten teeken van onderwerping, en gooit de Drui-dische ruïne zoodanig uit elkander, dat jut-frouw Smallweed haar belast om niet te schrokken. dat „van u meiden,quot; merkt zij aan, zoo gemeen U. Charley zou misschien nog meer moeite hebben om haar, in h\' tgeen zij begnjpt dat van meiden te vergen is, te voldoen, als er niet juist aan de deur werd geklopt.

„Zie eens wie daar is, maar kauw niet als gij opendoet,quot; snauwt Judy.

Als het voorwerp barer aandacht daartoe heiaigaat, neemt Judy de gelegenheid waar om de broodkorsten weder bij elkander te schudden, en een paar vuile kopjes in de half ge-ledige kom op zijde te leggen, als een wenk, dat zij het eten en drinken nu voor gedaan houdt.

„Nu. Wat is er en wat moet men?quot; zegt de snibbige Judy.

Het is zeker „mijnheer George,quot; naar het blijkt. Zonder verdere aandiening of complimentei) stapt «11« mijnheer binnen.

„Ba, wat is \'het hier heet,quot; zegt mynheer George. „Altijd vuur aan? Nu, misschien hebt gij gelijkt er u aan te gewennen.quot; Mijnheer Qeorge maakt deze laatste aanmerking bij zich zei ven, terwijl hij tegen grootvader Smallweed knikt. „Zoo, zijt gij het?quot; roept de oude heer hem toe. „Hoe gaat het? Hoe gaat het.quot;

„Zoo tamelijk,quot; antwoordt George, een stoel nemende. „I we klein«.locht«ir IkJ) ik de e«?i gehad om al vroeger te zien. I w dienaar, juffrouw.quot; „Dit is mijn kleinzoon,quot; zegt grootvader Smallweed. „Hem hebt gij nog niet gezien. Hij is op een rechtsgeleerd kantoor, en nh-t veel thuis.quot; \' „Zijn dienaar dan ook! Hij geiyktop zijne zuster, if ij gelijkt ve«d op zijne zuster duivels veel op zijne zuster,quot; zegt George, met sterken, niet zeer vlekaiden nadruk op het laatste bijvoegsel. „Mn hoe maakt de werehl hot nu met u. mynheer George ?quot; vraagt grootvader Smallweod, langzaam zijne beenen wrijvende.

, Nagenoeg als gewoonlijk, is Imt antwoord. „Alsof ik een kaatsbal was quot;

Hij is oen man van vijftig jaren met eene bruine, door lucht en zon nog meer gebruinde kleur; welgemaakt en met welgevormde trekken, donker krullend haar, heldere oogen en eene breedc borat. Zijne forsch gespierde ban-


-ocr page 159-

illJMIEEK

den, even bruin als zijn gezicht, zijn blijkbaar aan een tamelijk ruw handwerk gewoon. Iets opmerkelijks aan hem is, dat hij voor op zijn | stoel gaat zitten, alsof hij, uit lange gewoonte, : nog ruimte liet voor een stuk van kleeding of I ! uitrusting, dat hij nu niet meer draagt. Zijn t stap is ook afgemeten en zwaar, en zou goed | passen hij het kletteren van eene sabel en liet rinkelen van sporen. Hij is nu gladgeschoren, • maar zijn mond is gesloten alsof zijne bovenlip jaren lang aan groote knevels gewoon was geweest, en de manier, waarop hij nu en dan de opene palm zijner breede bruine hand daarop legt, geeft denzelfden indruk. Over het geheel i zou men kunnen raden, dat mijnheer George voorheen cavalerist is geweest.

Met de familie Smallweed vormt George een buitengemeen contrast. Nooit was een cavalerist ingekwartierd bij een huishouden, dat minder ! naar hem geleek. Hij is een pallas bij een oester- : mes. Zijne wel ontwikkelde gestalte, en hunne ; verschrompelde vormen; zijne forsche manieren, waardoor hij de geheele kamer schijnt te vullen, en hun benepen uitzicht; zijne klinkende stem, en hunne scherpe, schrale tonen, vormen de sterksteen vreemdste tegenstelling. Daar zittende in hot naargeestige voorkamertje, | een weinig voorovergeleund, met de handen op \' de dijen en de ellebogen vierkant naar buiten, schijnt het alsof hij, als hij daar lang zoo zat, het geheele huishouden en het geheele huis van vier kamers in zich zou opslurpen, met ach- l terkeuken en al.

, Wrijft gij uwe beenen zoo, om er leven in te wrijven?\' vraagt hij grootvaderSmallweed, nadat hij in de kamer heeft rondgekeken. — „Wel, het is gedeeltelijk gewoonte, mijnheer George, en - ja, gedeeltelijk bevordert het de circulatie,quot; is het antwoord. „De clr-cu-la-tie 1quot; herhaalt George, de armen over de borst slaande, en schijnt daarbij nog eens zoo groot te worden. „Die hapert nogal, zou ik denken.quot;

- „Het is waar, ik word oud, mijnheer George,\'\' zegt grootvader smallweed. „Maar ik draag mijne Jaren nog al wel. Ik ben ouder dan zij,quot; naar zijne vrouw knikkende, „en zie wat zij is, Gij satansche kakelaarster !\' roept hij \\ met eene plotselinge opwelling zijner laatste driftigheid. - „Arme oude ziel!\' zegt (ïeorge, zijn hoofd naar haar omdraaiende. „Scheld de oude vrouw niet uit. Zie haar daar eens met die on-irelukkige muts half van haar hoofd, op een hoop in haar stoel gezakt. Kom wat op, juffrouw. Zoo is le f beter. Daar zijn wij ei\'. Donk om uwi\' moeder, mijnheer Smallweed,quot; zegt George, naar zijn stoel terugkomende, nadat hij haar geholpen heeft, „als i .we vrouw niet genoeg is.quot; „Ik denk, dat gij een uitmuntend zoon moet zijn geweest, mijnheer George,quot; zegt do oude man, met een grijnzend gezicht.

De kleur van (feorge\'s gezicht wordt eenigs-

GEORGE, 147

zins hooger als hij antwoordt: „Och neen. Dat ben ik niet geweest.quot; „Daar ben ik verbaasd over.quot; - „Ik ook. Ik had een goed zoon belmoren te zijn, en ik denk, dat ik er ook wel den wil toe had. Maar dat ben ik toch niet ge- | weest. Ik ben een donderdags slechte zoon en j nooit iemand tot eer geweest, zoo is het.quot; -„Verwonderlijk!quot; zegt de oude man; —„Even- 1 wel,quot; hervat George, „hoe minder daarvan ge- i zegd hoe beter. Kom aan I Gij weet de afspraak wel. Altijd eene pijp van de twee maanden in- j terest. Het is alles in orde. Gij behoeft niet i bang te zijn om de pijp te laten komen. Hier is 1 het nieuwe briefje, en hier is het geld voor twee i maanden interest, en duivels moeielijk is het om : het uit mijne verdiensten bij el kaar te schrapen.\'

George zit, met over elkander geslagen armen, de familie on de kamer te verteren, terwijl grootvader Smallweed door Judy uit een gesloten bureau aan twee zwart lederen portefeuilles wordt geholpen, in een van welke hij het pas ontvan-gene document bergt, terwijl hij uit de andere een dergelijk document neemt, dat hij aan Geor- i ge overgeeft, die het ineendraait om er zijne pijp mede aan te steken. Daar de oude mandoor zijn bril eiken op-en neerhaal van de twee documenten bezichtigt, eer hij het eene overgeeft en j het andere in de lederen gevangenis stopt ; en daar hij het geld driemaal overtelt, en hij Judy ieder woord, dat zij spreekt, ten minste tweemaal laat zeggen, en daar zijne spraak en zijn doen zoo langzaam en beverig zijn als maar mogelijk is, duurt het lang eer die zaak is afge-loopen. Dan, en niet eer, trekt hij zijne gretige oogen en vingers er van af, en beantwoordt hij I George\'s laatste aanmerking door te zeggen: „Bang om de pijp te laten komen? Zoo gierig zijn wij niet, mijnheer. Judy, zorg dadelijk voor de pijp en het glas brandewijn met water voor mijnheer George.quot;

De vroolvjke tweelingen, die ondertusschen recht voor zich hebben gekeken, behalve wan- i neer de twee zwarte portefeuilles hunne aandacht trokken, gaan te zamen heen; zij selnjnen i zich niet metden vreemdeling tewillen bemoeien, maar hem aan den oüden man over te laten, gelijk twee beren welpen een reiziger aan don ouden beer zouden overlaten.

„En daar zit gij, denk ik, den ganschen dag lang, he ?quot; zegt (Ïeorge, met óver elkander geslagene armen, „Juist, Juist.,quot; zegt de man,

„Met niets ter wereld om u bezig te hou- i den „Ik pas op het vuur — en het koken |

en braden quot; „ Als er wat is,quot; zegt George met groeten nadruk. „Juist. Als er wat is.quot;

„ Eee^t gij niet, of laat gij u niet voórlozen ?quot;

De oude man schudt zijn hoofd met zekeren slu* wen triomf, „ Neen, neen. Wy zijn in onze fa milie nooit lezers geweest. Dat, brengt geen geld op. I Gekheid, Malligheid. Dwaasheid. N en, neen!quot;

„Er is niet voel te kiezen tusschcn den toe-


-ocr page 160-

14H

■it,and van u beiden,quot; zegt George, te zacht voor het doffe gehoor des ouden mans, terwijl hij beurtelings naar dezen en naar zijne vrouw ziet, „Zeg eens!\' vervolgt hij luider. „Ik hoor u wel.quot; „Gij zult eindelijk mijn boel laten ver-koopen, als ik een dag achterstallig blijf.quot; .Mijn lieve vriend,\' roept grootvader .Smallweed, beide handen uitstekende om hem te omhel/,, n. ,Nooit! Nooit, lieve vriend. Maar mijn vriend in de City, dien ik heb overgehaald om u het geld te leenen hij zou wel kunnen :\' „O! Gij kunt niet voor hem instaan ?\'zegt George, enquot; besluit deze vraag door er zacüter bij te voegen : „\'iij logenachtige oud. schelm!\' „Mijn lieve vriend, hij is niet te vertrouwen. Ik zou hem nooit vertrouwen. Hij wil altijd hebben wat hem toekomt.quot; ,De duivel mag aan hem twijl\'elen,quot; zegt George,

Charley komt nu binnen met een blaadje, waarop eem- pijp, een papiertje met tabak en het glas brandewijn met water.

,tlor komt gij hier ?quot; zegt George. „GIJ hebt het familiegezicht nirt,\' „Ik ga uitwerken, mijnheer,quot; zegt Charley.

De cavalerist (als hij dit is of geweest is i neemt haar haar hoed af, met eene lichte beweging voor zulk ei ne forsche hand, en tikt haar even op het hoofd. J iij geeft het huis bijna ei ngezond aanzien,\' z.cg\'t hij. „Het li» • ft wel een beetje jlt; ugdig-heid noodig, evengoed als frissche lucht.quot; Dan laat hij haar gaan, steekt zijne pgp aan, en drinkt op mijnheer Small weed\'s vriend in de City het ( enige gewrocht der verbeelding van den ach-tenswaardigen ouden heer.

,Dus denkt, gij, dat hij mij hard zou kunnen vallen, he ?quot; „Ik denk wel van ja ik vrees van ja. Ik heb hem dat wel twintigmaal zien doen.quot; zegt groot vader Smallweed onvoorzichtig, (mvoorzichtiir omdat zyne malende wederhelft, dif.....nigen tijd bij het vuur heeft zitten dutten, nu wakker wordt en snatert : „Twintig duizend pond. Twintigduizend pond aan bankhrief Jes in een geldkistje, twintig guinjes.twint ig mil-lioen, twintig percent quot; en dan wordt gestuit door het vliegende kussen, hetwelk George, voor wien deze zonderlinge kunstgreep iets nieuws schijnt te zijn, haar weder van het gezicht neemt, als zij op de gewone manier achteroverzlnkt, „Gij satansche malloot! Gij schorpioen dui-velsrtie schorpioen! (.I\\j Venijnige padde ! Gij kakelachtige heks. gij moest verbrand worden !quot; brengt de oude man, op zijn stoel in elkande r gezakt, luidend uit. „Mijn lieve vriend, wilt ge mij een beet.i\' opschudden ?\'

George, die nu naar den een dan naar de andere heeft gekeken, alsof hij zelf van zijne zinnen geraakte, pakt, op dit verzoek, zijn eerwaardigen bekende naar de keel, trekt hem overeind, zoo gemakkelijk ulsof hij eene pop was, en schijnt te twijfelen of hij hem al of niet alle verdere kracht om met kussens te gooien wil uitschudden en voorgoed in zijn graf schudden. Deze verzoeking wederstaande, maar hem toch heftig genoeg schuddende om zijn hoofd te ; doen tollen als dat van een harlekijn, zet hij | hein met een schok weder op zijn stoel, en , schuift zijn kapje zoo onzacht te recht, dat • de oude man een minuut lang met beide oogen ! zit te knippen.

,0 Heere!\' hijgt grootvader Smallweed, „Dat i is genoeg. Bedankt, lieve vriend, dat is genoeg. O iievt deugd, ik ben geheel buiten adem. Och Heere!quot; Mijnheer Smallweed zegt dit, niet zonder blijkbaren angst voor zijn lieven vriend, die zoo vervaarlijk groot voor hem staat.

Die onrustbarende gedaante zakt echter lang- j zamerhand weder op een stoel en gaat met ; lange trekken zitten rooken, zich troostende i met de wijsgeerige bedenking: „De naam van ; uw vriend in de City begint met een D, ka- j meraad, en gij hebt gelyk dat hij altijd wil heb- i ben wat hem toekomt,quot;

„Zegt gij iets, mijnheer George?quot; vraagt de oude man.

De cavalerist schudt zijn hoofd; en voorover-leunende, met zijn rechterelleboog op de rechterknie en zijne pijp in die hand, terwijl de andere hand, op het rechterbeen rustende, den linkerelleboog krijgshaftig vierkant zet, blijft hij zitten rooken. Ondertusschen ziet hij groot i vader Smallweed met ernstige aandacht aan, en nu en dan waait hij de rookwolk weg om hem duidelijker te zien.

„Ik geloof wel,quot; zegt hij, juist zooveel verandering in zijne houding makende, dat hij het glas met een ronden zwaai aan zijne lippen kan brengen, „dat ik de eenige ben (levend of dood), die de waarde van eene pijp tabak van u krijg.quot; „Wel,quot; antwoordt de oude man, „het is waar, dat ik niet veel gezelschap zie, mijnheer Oeorge, en dat ik niemand trakteer, Ik kan dat niet bekostigen Maar nu gij, uit aardigheid en op uwe aardige manier, eene pijp tabak tot conditie hebt gemaakt „Wel. het was niet om de waarde daarvan. ; die beduidt niet veel. Het was een inval om I dat toch van u te krijgen — om toch iets voor mijn geld te hebben.\' „Ha! Gij zijt een overleggend man, een voorzichtig berekenend man, mijnheer!quot; zegt grootvader Smallweed, zijne bee nen wrijvende. „Ja. Dat ben Ik altijd geweest.quot; Eene rookwolk, „Het is een vast bewijs van ! mijne voorzichtigheid, dat ik ooit hier geko- ! men ben.quot; Nog eene rookwolk. „Het is wel be kend hoe voorzichtig ik ben,quot; zegt, George, be- j daat\'d voortrookende. „Daardoor ben ik ook zoo j vooruitgekomen.quot; „Wees niet neerslachtig, mijnheer. Gij kunt nog wel vooruitkomen.quot;

George lacht eens en drinkt.

„Hebt gij geene betrekkingen,quot;zegtgrootvader ; smallweed met eene flikkering in zijne oogen, | „die dat sommetje konden afbetalen, of die u |


-ocr page 161-

OMTRENT KAI\'

i\'c» paar goede namen konden leenen, waarmee ik rniln vriend in de (Jity kon overhalen om u nog wat voor te schieten! Twee goede namen zouden voor mijn vriend in de City voldoende zijn. Hebt gij geene zulke betrekkingen, mijnheer George?quot;

George, die nog bednard blijft voortrooken, antwoordt; „Als ik ze had, zoii ik ze toch niet willen lastig vallen. Ik ben hun in mijn tijd genoeg tot last geweest. Hot mag een\'r heel goede soort van boetvaardigheid zijn voor een vaerebond. die den besten tijd van zijn leven heeft verspild, om weer terug te gaan naaide ordentelijke menschen, die hij nooit tot eer is geweest, en op him zak te gaan leven; maar het is geene soort naar mijn smaak. De beste soort van boete, als men is voortgegaan, is, naar mijne gedachten, om maar weg te blijven.\' — ,Maar natuurlijke gehechtheid, mijnheer George,quot; zegt grootvader Smallweed, om een wenk te geven. „Voor twee goede namen, he?quot; zegt George, zijn hoofdschuddende en nog bedaard voortrookende. „Neen, dat is ook mijn smaak niet.\'

Grootvader Smallweed is, sedert hij de laatste maal is opgeholpen, weder langzamerhand in zijn stoel gezakt, en is nu wederom een hoop kleeren, met cone stem daarin, die om Judy roept. Deze Houri verschijnt, schudt hem op de gewone manier op, en wordt door den ouden heer belast om bij hem tc blijven. Want hij schijnt niet genogen om zijn bezoeker om eene herhaling van zijne vorige beleefdheid lastig te vallen. -* „Ha!\' zegt hij, als hij weder in orde is. „Als gij den kapitein maar hadt kunnen opsporen, zou het u er bovenop hebben geholpen. Toen gij de eerste maal hier kwaamt op onze advertontiOn in de courant als ik ..onzequot; zeg meen ik do advertentiön van mijn vriend in dr city, en nog een of twee anderen, dilt; hunne kapitalen op dezelfde manier beleggen, en zon vriendelijk voor mij zijn om mij somtijds voor mijn kapitaaltje ook een kansje te geven als gij ons toen \'hadt kunnen helpen, mijnheer George, zou het u tot een man gemaakt hebben.quot; „Ik had toen wel gaarne tot een man gemaakt willen wórden, zooals gij het noemt,quot; zegt George, die niet meer zoo rustig zit te rooken als te voren, want sedert het binnenkomen van Judy wordt hij eenigszins daarin gestoord door eene verstrooidheid niet van bewonderenden aard, die hem noodzaakt naar haar te kijken, gelijk zij daar by haar groot vaders stoel staat; , maar over het geheel ben ik toch blij, dat hot niel ge-heurd is.\' .,Waarom,mijnheer(ieorge? Waai om in des satans naam?quot; zegt grootvader Smallweed met duidelijke blijken van kwaad worden. terwijl de naam, dien hij aanroept, hem daardoor in de gedachten schijnt te worden gebracht, dat zijn oog op de sluimerende groot-

ITBl.V HAWDOJS MO

moeder Smallweed valt, - „Om twee redenen, | kameraad.quot; — „En welke twee redenen,mijn-heer George? Welke twee redenen, vraag ik u in den naam van quot; „Van onzen vriend in de City?\' zegt George en drinkt eens. - „Ja, als gij wilt. Welke twee redenen?quot; „Vooreerst,quot; zegt George, maar blijft naar Judy kijken. alsof het, daar zij zoo oud en zoo gelijkend op haar grootvader is, onverschillig was, wien van de twee hij aansprak, „omdat gij heeren mij hadt willen foppen. Gij hadt geadverteerd, dat mijnheer Hawdon (kapitein Hawdon, als gij bij dat zeggen wilt blijven, eens kapitein altijd kapitein,) iets tot zijn voordeel zou hoeren.quot; „Wel?quot; antwoordt de oude man schel en scherp.

„Wil!quot; zegt George, voortrookende. „Met zou niet veel tot zijn voordeel zijn geweest door een | troep Londensche geldschieters in de gevangenis geplakt te worden.quot; „ Hoe weet gij dat? Zijne rijke familie zou misschien zijne schulden \'betaald of een akkoord gotrotFen hebben. Buitendien, hij had ens gefopt. Hij was ontzettende sommen schuldig, ik had iiem liever willen verworgen dan er iets voor terug te krijgen. Als ik hier aan hem zit tc- denken.quot; krijscht de oude man, zijne machtelooze tien vingers uitstekende, „zou ik hem nog wel willen verworgen.quot; En in eene plotselinge vlaag van woede smijt hij het kussen naar de schuldelooze grootmoeder Smallweed, maar het vliegt, nu, zonder kwaad tc- doen, haar stoel voorbij. „Hetbehoeft niet gezegd te worden,quot; zegt de cavalerist, de bijna uitgebrande pijp uit zijn mond nemende en in den kop kijkende, nadat hij het vliegende kussen heeft nagezien, „dat hij erg doorgehold en zich daardoor geruïneerd had. Ik ben langen tijd zijne rechterhand geweest, toen hij zoo in vollen galop in zijn ongeluk rende. Ik ben bij hem geweest toen hij ziek en gezond, rijk en arm was. Ik heb hem met deze hand vastgehouden, toen hij alles had doorgebracht en alles hem begaf, en hjj een pistool voor zijn hoofd zette.quot; „Ik wou. dat hij het had afgeschoten.quot; zegt de menschlievende oude man, „en zijn hoofd in zooveel stukken geblazen als hij ponden schuldig was quot; „Dat zou een schot zijn geweest,quot; antwoordt de cavalerist koeltjes. „Maar wal ik zeggen wil is, hij was in dien vroeger tijd Jong en knap en vol hoop ; en ik ben blij, dat ik hem niet gevonden heb om hem aan zulk een voordeel te helpen, toen hij niets van dat alles meer was. Dat is reden nom-mer een.quot; „Ik hoop, dat nommer twee evengoed is,quot; snauwt de oude man „Neen, hei was meer eene reden van eigenbelang. Om hem te vinden, had ik hem in de andere wereld moeten gaan zoeken. Daar was hij.quot; „Hoe weet gij, dat hij daar was ?quot; ..Hij was hier niel me el-,quot; „Hoe weet gij. dat hij hier niet meer was.quot; „Verlies nu uw goed humeur maar niet zoowel als uw geld,quot; zegt George.


-ocr page 162-

150

bedaard zijne pijp uitkloppende. „ Hij was al voor lang verdronken. Daarvan ben ik overtuigd. Hij ging over boord. Met opzet of zonder opzet, dat weet ik niet. Misschien weet uw vriend in di Citgt; het w I. \\V. k wel wat die wijs is, mijnheer Small weed?quot; vervolgt hij, na afgebroken te hebben om er een te fluiten, waarbij hij met de ledige pijp op de tafel trommelt.

„Wijs\'quot;\' antwoordt de oude man. „Neen. Wij zingen of fluiten hier niet.quot; ,Dat is de Dood\' nmai sch in Saul. Daarmee worden soldaten begrav n, en zoo is dat een natuurlijk einde van de gansche historie. Als nu uwi lieve kleindochter neem mij niet kwalijk, juffrouw zoo goed wil zijn om deze pijptwee maanden ti\' bewaren, zulk-n wij de volgende maal de kosten van ime pijp uithalen. Goeden avond, mijnheer Hmalhveed.quot; ,Miin lieve vriend!quot; de oude man gei lt hem beide handen. - „Dus denkt gij, dal uw vriend in de City mij hard zal vallen, als ik niet prompt betaal?quot; zegt de cavalerist, als een reus op hem neerziende. „Mijn lieve vri\'ml. ik vre\' s van ja,quot; antwoordt de oude man. als een Pygmee naar hem opkijkende.

George lacht; en met nog een blik op groot vader iSrnallweed eu ren afscheidsgroet tot Judy gericht., die zich niet verwaardigt terug te groeten, stapt hij de kumor uit en laat onder het gaan t en denkbeeldigen pallas kletteren.

„Vervloekte schurk!quot; zegt de oude heer, eon afschuwelijk gezicht trekkende tegen de pas ge-sloten»- deur. „Maar ik zal je wel beetkrijgen, hond, ik zal je wel beetkrijgen!quot;

Na dit vriendelijk gezegde verheft zijn geest zich wedei mar die bekoorlijk*,\' gewesten van gepeins, die /.ijne opvoeding\' iizijn beroep voor hem geopend hebbe n; en wederom slijten hij ( n grootmoeder .smallweed de streelende uren, als tw. e on.i fgeloste schild wachten, gelijk vroeger gezegd, door den Zwarten Sergeant vergeten.

Terw ijl de/\' t\\vei- fiouw op hun post blijven, stapt George nu t een kolussiilen tred en een ernstig gezicht door de straten. Het is nu acht uur en de avond begint te vallen. Dicht by de VVaterloobrug blijft hij staan, h-e.-t een tooneel-biljet en besluit om naar Astlev theater to gaan. Daar zijnde, is bij opgetogen over de paarden en gymnastische kunsten; hij bezichtigt de wapenen met het oog van een kenner, is ontevreden over de gevechten, als blijken gevende van gebrek aan bedrevenheid in het schermen, maar wordt «••troffen door de roerende gezegden. Bij hef laatste tooneel, wanneer de keizer van Tartarye in een wagen opstaat en de ver-ei\'iiigdi gelieven zegent door diMngelsche zee-vlag over hen :• zwaaien, worden zijne oogen V()chtig van aandoening.

Na het einde der voorstelling gaat George de brug weiier over en begeeft zich naar dat zonderlinge gewest. India omtrek van de Hay market en Lei c e s ter S q u a r e gelegen, dat een punt van aantrekking is voor smerige vreemde hotels en kale vreemdelingen, kaatsbanen, boksers, schermers, garde-soldaten, oud porselein, speelhuizen, tentoonstellingen, en eene groote | mengeling van gemeenheid en schuilhouderij. i Tot in het hart van dit gewest doordringende, i komt hij, over een pleintje en een lange witte gang, aan een groot gebouw van rooden steen, i dat uit kale muren, een vloer, dakbalken en | lantarenramen bestaat, en op welks voorgevel (alsmen zeggen kan, dat het een voorgevel heeft) , met geschilderde letters te lezen.staat: „cieouob s j scu i-aiMsi itooi,,quot; enz.

Hij gaat daarbinnen, en daarbinnen zijn gas- j lichten (nu gedeeltelijk uitgedraaid)en tweewitte | schijven om naar te schieten, en alle benoo- ; digdheden om zich met pijl en boog te oefenen, alsmede voorde scherm-en de Engelsche boks-kunst. Geen van die vermaken of oefeningen is op het oogenblik in het gebouw aan den gang, hetwelk zoo ledig is, dateen grotesk manneke, met een bijzonder groot hoofd, het geheel voor zich alleen\' heeft en op den grond ligt te slapen.

Dit manneke is eenigszins als een geweermaker gekleed, met een sloofje en muts van groene baai en zijn gezicht en handen zijn zwart van het kruit, en begroezeld door-het laden van geweren. Daar hij in het licht is gaan liggen voor de schitterend\'witte schijf, ziet men het zwart, | dat hem aankleeft, reeds in de verte blinken, j Niet veraf staat de sterke ruwe tafel, met eene 1 bankschroef, waaraan hij heeft zitten werken, i Het gezicht van dit manneke schijnt geheel in elkander geknepen te zijn en ook, naar de blauwe | plekken op een zijner wangen to oordeelen, in de uitoefening van zijn beroep meer dan eens schade te hebben geleden.

„Phil,quot; zegt de cavalerist met eene zachte stem. „Bij de hand!quot; roept 1\'hil. opkrabbelende, „ Iets omgegaan ?quot; „Verduiveldslap,quot; zegt Phil. „Vijf dozijn geweer, een dozijn pistool. En mikken!quot;\' Do herinnering doet 1\'hil een huilenden kreet uitstooten. — „sluit dan maar, 1\'hil!quot;

Als Phil dit bevel gaat ten uitvoer brengen, blijkt het, dat hij kreupel is. hoewel hij | zich toch zeer sik 1 kan bewegen. Aan den ge- [ plekten kant van zijn gezicht heeft hij geen, | i n aan den anderen kant eene zware zwarte wenkbrauw, welk gebrek aan symmetrie hem • •en zeer zonderling,een igszins afschrikkend voorkomen geeft. Aan zijne handen schijnt alles gebeurd te zijn wat. er met mogelijkheid aan kon gein uren, zonder hem een van zijne vingers te kosten: want zij hebben overal muien en littee-kens. Mij schijnt zeer sterk te zijn, en licht zwa-re banken op alsof hij er geen denkbeeld van had wat zwaarte is. Hij heeft eene zonderlinge manier om met zijn schouder tegen den muur voort te hinken, en dan schuins af te steken naar


-ocr page 163-

MIJNHEER Tl\'LKIIs\'iiHORX EN SNAfWHY. 151

de dingen, die hij wil aanvatten, in plaats van er recht op af te gaan, en heeft zoo een veeg langs alle vier de muren gelaten, die daar ,,het merk van Pliilquot; pleegt genoemd te worden.

Deze opzichter van George\'s schermschool in George\'s afwezigheid besluit zijn arbeid, wanneer hij de groote deur gesloten en al de lichten uitgedraaid heeft, op één na, dat hij even laat branden, met uit een afgeschoten hokje in een hoek twee matrassen en verder bedegoed te komen aansleepen. Nadat deze dingen naar tegenovergestelde einden van het gebouw zijn gebracht, maakt de cavalerist zijn eigen bed op en Phil het zijne.

„Phil!quot; zegt zijn meester, zonder rok en vest naar hem toekomende, en ei\'zoo met zync bretel nog krygshaftiger uitziende dan te voren. „Gij zijt immers op straat voor eene deur gevonden, niet quot;waar?quot; „Inde goot,quot; zegt Phil. „De nachtwacht struikeldi: over my.quot; „Dus is het bivakkeeren u van den eersten af natuurlijk gewec st ?quot; - „Zoo natuurlijk als maai\'mogelijk is,quot; zegt Phil. „Goedennacht 1quot; „Goe-clennacht, conirnandant.quot;

Phil kan zelfs niet rechtuit naar bed gaan, maar vindt liet noodig aan twee zijden van het gebouw langs den muur te schuiven, en dan schuins naar zyne matras te lavecren. De\'-ava-lerist wandelt nog een paar malen op en neer, kijkt op naar de maan, die nu door de lantaren-ramen schijnt, stapt langs een korter wegnaar zijne eigene matras en gaat insgelijks naar bed.

XXII.

ml in hk kr ulckht.

De Allegorie houdt zich in i, i n c o 1 n\'s 1 n n F i e 1 d s tamelijk koel, hoewel het een warme avond is; want de beide vensters van mijnheer Tulkinghorn staan wijd ope n, en dlt; kamer is hoog, tochtig en somber. Ditzyn misschien ge( ne zeer wenschelijke eigenschappen, wanru\'er November met mist en regen, of Januari met ijs en sneeuw aankomt ; maar in het drukkende weder dei\'groote vacafitie hebben zjj tocli hunne voordeelen. YA] stellen de Allegorie, hoewel zij wangen als perziken, knieën als trossen appelbloesem en roode gezwellen in plaats van kuiten aan de beenen en van spieren aan de armen heeft, in staat om zich van avond, op het uiterlijk aanzien, tamelijk koel te honden,

Er komt, een overvloed van stof door de vensters van mynheer Tulkinghorn binnen, en reeds had zich een overvloed daarvan uit zijne meubelen en papieren ontwikkeld. Het ligt overal dik op. Wanneer een windje van het vrije veld, dat hier verdwaald is, bang wordt en rnet blinde haast, weder naar buiten poogt te vliegen, blaast het de Allegorie zooveel stof in de oogen. als

de rechtsgeleerdheid of niijnheer Tulkinghorn, een van hare waardigste vertegenwoordigers bij gelegenheid de onkundige leeken in de oogen mag strooien.

In dit dreigend magazijn van stof, de alge-meene grond, waarin zijne papieren en hij zelf, en al zijne cliënten, en alle bezielde en onbezielde dingen der aarde, zich eindelijk oplossen, zit mijnheer Tulkinghorn bij eene der opene vensters, en drinkt op zijn gemak eene flesch ouden portwijn. Hoewel een st roeT.aehterhoudend,droog en ongezellig man, smaakt een glas oude wijn hem toch zoo goed als iemand. In een kunstig verborgen kelder onder het gebouw heeft hij eene onbetaalbare mand portwijn, welke een van zijne menigvuldige gi ■heinnmi uitmaakt. Als hij alleen op zijne kamer eet, yeli jk hij vandaag heeft gedaan, en zich zijn stukje visch en zijne karbonade of zijn hoentje uit een naburig koffiehuis laat brengen, daalt hij met eene kaars naai de hol weergalmende gewesten onder het doodsche gebouw af, en komt, de)or een rollenden weerklank van donderende deuren voorafgegaan, deftig terug, met eene duflo aardlucht omhuld, en niet eene llesch in de hnnd,waaruith\\j een fonkelenden nectar schenkt, van vijftigjarigen ouderdom, die in liet glas bloost, dat hij zich zoo beroemd vindt, en degeheele kamer met den geur van zuidelijke druiven vervult.

Mijnheer Tulkinghorn. in de schemering bij het opene venster gezeten, drinkt met smaak zijn wijn. Alsof dat vocht hem iets toefluisterde, van deszelfs vijftigjarige stilte en afzondering, doet het hen) zich zclven des te dichter toesluiten. .Meei\' ondoordringbaar dan ooit zit hij daar en drinkt, en rijpt als liet ware in geheimzinnigheid, terwijl hij in dat schemeruur zit te peinzen over al de geheimen, die hij weet, en hetzy met nu donke r wordende hosschen op het land, of holle, ledigt\', geslotene huizen in de stad in verband staan. Misschien heeft hij ook nog wel eene enkele gedachte over voor zich zeivenen zijne l\'aniilicgeschieelenis, zijn geld en zijn testament — alles geheimen voor iedereen en dien ongotronwden vriend van hem, een man van elenzellden siempel en ook een rochtsge-lei rdt. die hi t zeiftU sikirt van leven leidde t ot hij vijf en zeve-nt ig jaren mul was, en toen, eensklaps begrijpende (naar rneii vd inoedt). dat het toch al ti\' eentonig wns. op een zomeravond zijn goud horloge aan zijn kapper gaf, op zijn gemak naar huis, in den Tem |i 1 e, kuierde en zich ophing.

Doch mynheer Tulkinghorn is van avond niet alleen, en kan dus niet zoolang als gewoonlijk blijven peinzen Aan dezelfde tafel, maar met zijn stoel op eene bescheideiie en ongemakkelijk i manier ach ter uitgesi\'hoven, zit een man mei een zaelitzinnig voorkomen en een blinkend kaal hoofd, die met eerlued de hand vooi den mond houdt en kucht, als de rechisgeleerde heer hem verzoekt zich eens in te sehenken.


-ocr page 164-

II KT VËKLATHN III\'IS.

,Nu, Snagsbjzegt Tulkinghorn, „om weder eens op die rare historie te komen.\' —• „Als\'t u belieft, mijnheer.quot; ,Gij hebt mij gisteravond gezegd, toen gij zoo goed waart om hier eens aan te komen . ..„Waarvoor ik u wel verschooning moet verzoeken, mijnheer, als het al te vrijpostig was; maar ik wist. dat gij zekere soort van belangstelling voor dien persoon hadt getoond, en daarom hield ik het voor mogelijk, dat gij misschien eenigszins -zoudt kunnen wenschen om ...quot;

Tulkinghorn is de man niet om hem voort te helpen, of iets te willen toestemmen, dat hem zeiven met eenige mogelijkheid kan aangaan. Snagsby redt zich dus door dralend en met een verlegen kuchje te zeggen; „Ik moet u waarlijk verzoeken, mijnheer, om mijne vrijpostigheid te verschoonen,quot;

„In geenen deele,quot; zegt Tulkinghorn nu. „i; ij hebt mij gezegd, SQagsby, dat gij uw hoed naamt en hier naar toe kwaamt, zonder uwe vrouw van uw voornemen te spreken. Dat vind ik voorzichtig, omdat het geenlt;- zaak van zooveel belang is, dat het noodig was er melding van li maken.quot; ,,\\Vi l mijnheer,quot; hervat Snagsby, „mijn vrouwtje is — om or niet te veel van te zeggen wel wat nieuwsgierig— ja, wel wat te nieuwsgierig. Iilt;\'t goede zieltje is aan krampen onderhevig, en het is goed voor haar als zij haar gee st bezighoudt. Daarom houdt zij dii n dan ook bezig — ik zou haast zeggen met alh-s wat zij maar kan opvangen, hetzij In t haar aangaat of niet maar vooral als het haar niet aangaat. Mijn vrouwtje is bijzonder levendig van geest, mijnheer quot;

.Snagsbj drinkt eens en prevelt, met een bewonderend kuchje achter zijne hand; „He, d;U is waarlijk fijne wijn!quot;

„Daarom hebt gij dus uwe boodschap verleden avond maar voor u gehouden?quot; zegt Tulkinghorn, „En dezen avond ook?\' „Ja, mynheer, en dezen avond ook. Mijn vrouwtje is om er niet te veel van te zeggen tegenwoordig vroom geworden, of wat zij voor vroom houdt, en woont de Avond opwekkingen bij (zoo worden die dingen genoemd) van zeker eerwaardig personage, die ( hadband heet. Hij is zonder twijfel ze. r welsprekend, hoewel ik zelf niet veel met zijn trant van welsprekendheid opheb. Maar dat doet. er nn niet toe. Ik wil n aar zeggen, daar mijn vrouwtje nu zoo werd op gehouden, was het mij gemakkelijk eens stil-let;es uit te gaan.quot;

Tulkinghorn knikt toestemmend.

„Dank je wel, waarlijk, mijnheer,quot; antwoordde het winkeliertje, met zijn eerbiedig kuchje. „Dat is overheerlijke fijne wijn, mijnheel-.quot; „Hel is tegenwoordig een zeldzame wijn,quot; zegt Tulkinghorn. ..Hij is vijftig\' .laar oud „Is hij dat waarlijk, mijnheer? Maar hel verwondert mij eigenlyk niet dat Ie. hooren. Hij zou haast - ik weet niet hoe oud kunnen zijn.quot; Na deze hulde aan den wijn te hebben gebracht, vraagt Snagsby nog met een bescheiden kuchje achter zijne hand verschooning, dat hij zulk een kostbaar vocht durft drinken, — „Wilt gij nog eens opleze n wat de jongen zcide ?quot; hervat Tulkinghorn, zijne handen in de\' zakken zijner rossig zwarte broek stekende en op zijn stoel achteroverleunende. „Met pleizier, mijnheer.quot;

Daarop herhaalt he t winkeliertje, zeer getrouwelijk, hoewel met eenige wljdloopigheid, wat Ju ten aanhoorgt; van de ten zijnen huize; verzamelde gasten had verklaard. Aan het eind van zijn verhaal gekomen, springt hij verschrikt op en breekt af met den uitroep: „Hemel, mijnheer. ik wist niet, dat er nog iemand hier was!quot;

Wat Snagsby zoo doet ontstellen is, dat hij nu, tusschen hem en den rechtsgeleerden heer, op eenigen afstand van de tafel, een man met hoed en stok in de^ hand ziet staan luisteren, die daar nog niet was toen hij zelf binnenkwam, en sedert noch door de deur noch door een der vensters is binnengekomen. Er is eene gesloten kast in de kamer, maar de hengsels hebben niet gepiept, en men heeft ook geen voetstap op den grond gehoord. En toch staat daar die dorde persoon, met zijn oplettend gezicht, met hoed en stok in de handen, en de handen, op den rug, zeer bedaard e n stil te luisteren. Hij is een zwaar gebouwd man, van middelbare jaren, met scherpe oogen en in het zwart gekleed. Behalve dat hy Snagsby aanziet alsof hij zijn portret wilde teekenen, heeft hij op het eerste gezicht niets bijzonders. dan al leem de spookachtige manier, waarop hij verschijnt.

„stoor u maar niet aan dien heer,quot; zegt Tulkinghorn, pp zijne bedaarde manier. „He t is mijnheer Bucket maar.quot; „Zoo waarlijk, mijnheer,quot; antwoordt het winkeliertje, en treeft door een kuchje te kennen, dat hij volstrekt niet begrijpt wie mijnheer Bucket kan weazen. — „Ik wilde hem die\' geschiedenis laten hooren,quot; zegt Tulkinghorn, „oinelat ik (om redenen) half en half voornemens ben er verder onderzoek naar te doen, en hij in zulk dingen zeer schrander is. Wat zegt gy er van. Bucket?quot; „Het is duidelijk genoeg, mijnheer. Daar onze lieden dien jongen hebben opgejaagd, en hij niet meer op zijne oude plaats te vinden is, kunnen wij hem in minder dan een paar uren tijeis hier brengen, als mijnheer Snagsby or niet tegen heeft om met mij naar Tom-A 1 i-Al one\'s te gaan en hem aan te wijzen. Ik kan het natuurlijk wel zonder mijnheer snagsby doen, maar dit is ele kortste manier.quot; „Mijnheer Bucket is officier bij de geheime politie, Snagsby,quot; zegt Tulkinghorn, tot opheldering. „Zoo waarlijk, mijnheer,quot; zegt Snagsby, en voelt in zijn bosje haar eene sterke neiging om te berge te rijzen. „Kn als gij er geen wezenlijk bezwaar in vindt om mijn-


-ocr page 165-

11 KT IS ML) NT HO KR BICKKT MAAR

heer Bucket naar de bedoelde plaats te vergezellen,quot; vervolgt Tulkinghorn, „zal het mij zeer verplichten als gij dat doen wilt.quot;

in het oogenbiik, dat Snagsby staat te aarzelen, doorgrondt Bucket hem tot op den bodem zijner ziel.

„Wees maar niet bang, dat gij den jongen benadeelen zult,quot; zegt hij. „Dat zult gij niet. Wat den jongen betreft, steekt er geen kwaad ia. Wij zullen hem maar hier brengen, om hem een paar vragen te doen; en dan zal hij voor zijne moeite betaald en weer weggezonden wor-.. Ik ben u zeer verplicht voor uwe goede nioening,quot; antwoordt het winkeliertje mot zijn bescheiden kuchje; „maar....quot; - „Ja, ja. dat z\\jt ge.\'vervolgt Bucket. „Nu is het wel niet noodig om een man zooals gij zijt, iemand, die in een vak is, dat een vak van vertrouwen is, en iemand vereischt, die goed wakker is, zijne oogen en ooren weet te gebruiken en zijn verstand by elkander heeft (ik heb eens een oom in uw vak gehad) - hot is wel niet noodig een man zoo-als gij zijt te zeggen, dat het best en verstandigst is zulke kleine zaakjes als dit gedekt te


den. Het zal nog een buitenkansje, voor hem wezen. Ik beloof u als een man, gij zult zien, dat de jongen goed en wel weer heengaal. Wees maar niet bang, dat gij hern zult benadeelen; dat zult gij niet.quot; „Heel goed, mijnheer Tulkinghorn,quot; roept Snagsby vroolijk en gerustge-steld uit, „daar het zoo gelegen is ....quot; — „ia. en luister eens, mynheer Snagsby.quot; hervat Bucket, op een zeer vertrou wel ijken toon, terwijl hij hem bij een arm ter zgde neemt en gemeen zaarn op de borst klopt, „(lij zyt een man van de wereld, niet waar, en een man van zaken en oen man van verstand. I gt;at zijt gij immers ?quot; houden. Begrijpt ge wel V Ciedekt ?quot; „Zeker, zeker,quot; antwoordt Snagsby. „Ik durf u wel zeggen,quot; hervat Bucket, met een imvemenden schijn van openhnriigheid, „dat er, zoover ik het begrijp, een twyt\'ol schijnt te bestaan, ol\' die overledene geen recht op zeker eigendem had, en of die vrouw geene streken tmi, dat eigendom heeft gespeeld. BegriJ|it ge wel?quot; „I) zoo!quot; zegt Snagsby, maar seliijnt het toch niet zeer duidelijk te begrijpen, „Watgiinu moet willen,quot; vervolgde Bucket, Snagsby nogmaals vriendelijk en als het wan\' geruststellend op de borst kloppende, „is. dat iedereen krijgt


-ocr page 166-

II KT VERLATEN HUIS.

wat hem van rn htswegc toekomt. Dat moet gij imriKTs willen?quot; — .Wel zeker,quot; antwoordt Snagsby knikkende. «Daarom dus. en tegelijk ten believe van een - noemt gij het in uw vak een klant of cliënt ? Het is m\\j ontschoten hoe mijn oom het noemde.quot; — „Ik zeg doorgaans maar klant,quot; antwoordt Snagsby „Gij hebt groot gelijk,quot; hervat Bucket, en schudt hem zeer vriendschappelijk de hand. „Daarom dus, en om tegelijk een goeden klant te believen, zijt ge bereid om met mij, in vertrouwen, naar T o in-A 11-A1 o n e\'s te gaan, en naderhand de geheele zaak gedekt te houden en er nooit iemand over te spraken. Dat is ten naastenbij uw voornemen, als ik u wel begrijp —— „Gij hebt gelijk, mijnheer, volkomen gelijk.quot; zegt Snags-b\\ „Hier is dan uw hoed,quot; herneemt zijn nieuwe vriend, die den hoed reeds zoo goed schijnt te kennen, alsof hij hem zelf gemaakt had; „en als gij klaar zijt, ben ik het ook.quot;

Zij verlaten Tulkinghorn, die, zonder dat zich renige kabbeling op do oppervlakte zijner onpeilbare diepten vertoont, zijn ouden wijn blijft zitten drinken, en gaan de straat op.

„Kent gij bij toeval ook iemand, een heel goed slag van een man, die Gridley heet?quot; zegt Bucket, bij manier van een vriendschappelijk ge-sprek aan te knoopen. „Neen,quot; antwoordt Snagsby, zich bedenkende. „Ik ken niemand van dien naam. Waarom?quot; — „Niets bijzonders,quot; zegt Bucket. „Maar hij helt;-ft zich een weinigje door zijn humeur laten foppen en tegen eenige fatsoenlijk\'\' lieden dreigementen gedaan; en nu houdt hij zich schuil voor oene dagvaarding, dio ik legen hem heb ~ hetgeen jammer is, dat een man van verstand ooit doen zon.quot;

\'11 rwijl zij voortwandeb-n, merkt Snagsby als iets nieuws op, dat /ijn metgezel, hoe snel zij ook voortstappen, toch op zekere onbeschryfe-lijke manier schijnt te loeren en te gluren;en ook. dat hij als zij links of rechts moeten omslaan. vaat voornemens veinst te zyn om recht door te stappen, en pas op het allerlaatste oogoiv blik een korten draai neemt. Nu en dan, als zij een politiedienaar op zijn post ontmoeten, merkt Hnagsby op, dat die man en zijn geleider als zij eikander naderen, eene vlaag van verstrooidheid krijgen, elkander geheel schijnen voorbij te /.jen en in de ledige ruimte staren. Enkele malen, wanneer mijnheel Bucket een halfwassen Jonkman achterop komt, met een blinken-den hoed op en eene stijl\'gekrulde haarlok plat aan elke zijde van het hoofd, raakt jiij hem, bijna zonder naar hem te zien, evt n met zijn gt;iquot;k aan, waarop de Jonkman omkijkt en dadelijk verdwijnt Meestal kijkt mijnheer Bucket maar in het algemeen rond, met een gezicht, dat. zoo wlt; i nig verandert, als de groote trouwring aan zijnen pink, ol\' de speld, nu t een zeer kleinen diamant in eene groote kas. die hij voor de borst draagt.

Wanneer zij eindelijk aan T o m-A 11-A 1 o n e\'s komen, blijft Bucket op den hoek even staan, j neemt van den constable, die daar op de wacht staat, een brandend lantaarntje over, en laat dezen man, die nog zijn eigen lantaarntje draagt, medegaan. Tusschen zijn twee geleiders stapt Snagsby voort op het midden eener gruwelijke straat, zonder licht of lucht, zonder | riool, met diepe plassen van zwarte modder en \\ stinkend water hoewel elders de straten droog | zijn en waar zulke dingen te zien en te ruiken | zijn, dat hij, die al zijn leven in L o n d e n heeft ! gewoond, zijne zinnen niet kan gelooven. Op deze j straat met hare puinhoopen komen nog andere [ straten en stegen uit, zoo afschuwelijk, datSnags- : by naar ziel en lichaam begint te walgen en het ! hem te moede is, alsof hij ieder oogenblik in den helschen poel verzonk.

„Ga hier een beetje op zij, mijnheer Snagsby,quot; zegt Bucket, bij het naderen eener armoedige soort van palankijn, door een luidruchtigen troep menschen omringd. „Daar komt de rotkoorts de straat door.quot;

Terwijl de onzichtbare ellendeling wordt voorbijgedragen, blijft de volkshoop, het voorwerp verlatende, dat eerst de aandacht had getrokken, gelijk een drom van afschuwelijke men-schengezichten om de drie vreemdelingen dwarrelen, verdwijnt dan in steegjes en achter bouwvallige muren, en blijft, nu en dan een waarschuwend geschreeuw of gefluit latende hooren, om hen heen gieren zoolang zij in de straat zijn.

„Zijn dat de koortsige huizen, Darby ?quot; vraagt Bucket koeltjes, terwijl hij het licht van zijn lantaarntje op eene rij stinkendebouwvallen laat schijnen.

Darbv antwoordt, dat zij allen koortsig zijn, en bericht verder, dat in allen, maanden aan maanden, de menscheu bij dozijnen ziek zijn geworden en dood of stervend zijn weggedragen. Weder voortgaand». maakt Bucket tegen Snagsby de aanmerking, dat hij er uitziet alsof hij niet recht wel was. waarop Snagsby antwoordt, dat het hern is alsof hij in die akelige lucht geen adem kan halen

Er wordt in verschillende huizen navraag gedaan naar een Jongen, die Jo moet heeten. Daar weinige menschen in T o m-A 1 1-A 1 o n e\'s bij eenige christelijke aanduiding bekend zijn, moet Snagsby gedurige wedervragen beantwoorden of hij den Kolonel, den Ruigoor, den Langbeen, den Baksteen of iemand anders meent. Snagsby geeft nogmaals en nogmaals eene beschrijving van den. bedoelden knaap. Men is het niet eens over het origineel zijner schilderij. Sommigen denken, dat het de Ruigoor moet zijn, anderen zi ggen de Baksteen. De Kolonel wordt opgezocht, maar gelijkt niet. het minste naar den bedoelden. Telkens wanneet Snagsby en zijne geleiders blijven stilstaan .komtde volk.sdrom op hen toestroo-men en stuwt uit hare walgelijke diepten een ge-


-ocr page 167-

IN TOM-AI,1,-ALONE\'S.

dienstigen raad naar Bucket op. Wanneer zij zich bewegen, en de geduchte lantaarnlichtjes rond-flikkeren, verdwijnt de drom weder, en blijft gelijk te voren, achter de muren enpuinhoopen om hen neen dwalen.

Eindelijk vindt men een logies, waarde Taaie des nachts slaapt, en men vermoedt, dat die Taaie wel Jo zou kunnen zijn, Eene woordenwisseling tusschen Snagsby en de eigenares van het huis een dronken gezicht in zwarte doeken gemoffeld, dat uit een hoop vodden op den vloer van een hondenhok, dat hare slaapkamer is, komt opkijken strekt om dit vermoeden te versterken. De Taaie is naar den dokter om eene flesch medicijn voor eene zieke vrouw te halen, maar zal spoedig terugkomen,

„En wie hebben wij hier van avond?quot; zegt Bucket, terwijl hij eene andere deur opent gt; n hot licht van zijn lantaarntje laat binnenschij-nen, „Twee dronken mannen? En twee vrouwen ? De mannen kunnen van nacht geen kwaad;quot; en daarmede nam hij den slapenden een voor een den arm van het gezicht om hen aan tu zien, „Zijn dat uwe mannen, vrouwtjes?quot; - „Ja, mijnheer,quot; antwoordt eene der vrouwen. ,Steenbakkers, niet waar ?quot; — „Ja mijnheer,\' — „Wat doet gij hier ? Gij behoort toch niet in Lon d *■ n thuis.quot; „Neen, mijnheer. Wij behooren in Hertfordshire,quot; - „Waaromtrentin Hertfordshire?quot; „Saint Albans.quot; „Te voet hier naar toe gesukkeld?quot; — „Wij zijn gisteren hier gekomen. Daar bij ons is tegenwoordig geen werk; maar het helpt ons nog niet veel, dat wij hier gekomen zyn, en ik geloof niet, dat wij het er beter door zullen krijgen.quot; „Dat is de manier niet om het beter te krijgen,quot; zegt Bucket, omkijkende naar den kant der bewuste-looze gedaanten op den grond. „Neen waarlijk niet,quot; antwoordt de vrouw met een zucht, „Jenny en ik weten dat maar al te wel.quot;

De kamer, hoewel twee of drie voet hooger dan de deur, is toch zoo laag, dat de langste, der bezoekers mot zijn hoofd do zwart berookt e zoldering zou aanraken, als hij rechtop stond. Alle zinnen worden hier onaangenaam aangedaan; zelfs de gemeene kaars brandt bleek on flauw in de vuile lucht. Er staan een paar ban ken, en eene hoogere bank, dilt; tot tafel dient. De mannen liggen te slapen, waar z(j neergetui-meld zijn, maar de vrouwen zitten by do kaars. In den arm der vrouw, die gesproken heeft, ligt een nog zeer jong kind.

„Hoe oud is dat schepseltje wel ?quot; zegt Bucket, „lift ziet eruit alsof het pas gisteren ter wereld was gekomen.quot; Hij zegt dit op Volstrek! geen ruwen toon; en terwyl hy zijn licht zachtjes op het wichtje laat schijnen, moet Snagsby, hij weet niet hoe, aan een ander kind, met licht omschenen, denken, dat hij op schilderijen heeft ge zien.

„Hij is nog geen drie weken oud, mijnheer,quot; zegt de vrouw. „Is Int uw kind?quot; — „Ja,quot;

De andere vrouw, die eroverheen gebogen was toen zij binnenkwamen, bukt wederom en kust het zooals het daar ligt te slapen,

„Gij schijnt er evenveel van te houden alsof gij zelf de moeder waart,quot; zegt Bucket, —■ „Ik I ben ook moeder geweest, mijnheer, van zulk een kindje, dat gestorven is,quot; „Och Jenny, Jenny,quot; zegt de andere vrouw tot haar; „beter zoo. Veel beter dood dan levend om aan te denken, Jenny, Veel beter.quot; „Wel, vrouw,quot; herneemt Bucket op straffen toon, „gij zijt toch zoo Onnatuurlijk niet, hoop ik, dat gij uw eigen kind dood wenscht.quot;

- „God weet, dat gij de waarheid spreekt, mijnheer,quot; antwoordt de vrouw, „Ik ben zoo onnatuurlijk niet. Ik zou het tegen den dood verdedigen, met mijn eigen leven, als ik dit kon; zoo trouw als de mooiste dame,quot; „Praat dan niet op zulk eene verkeerde manier,quot; zegt Bucket, wederom verzacht. „Waarom doet gedat?quot;-„Het komt mij maar in het hoofd, mijnheer,quot; antwoordt de vrouw, „als ik het kind zoo zie liggen. Als het nu eens nooit weer mijest wakker worden, zoudt ge denken, dat ik razend was, zoo zou ik te werk gaan; dat weet ik wel. Ik was bij Jenny toen zij het hare verloor was ik niet, Jenny? en ik weet hoe bedroefd zij was. Maar zie hier eens nmd. Zie ei ns naar hen;quot;

met een blik naar de slapers op den grond. „Zie den jongen eens aan, naar wien gij wacht, en die uitgegaan is om mij een goeden dienst te doen. Denk aan do kinderen,met wie gij door uw post zoo dikwijls te doen krijgt en die gij ziet groot worden.quot; ./Welnu.quot; zegt Bucket, „breng hem maar ordentelijk groot, dan zal hij een troost voor u zijnen voor u zorgen als gij oud wordt.quot; — „Ik zal er mijn uiterste best toe doen,quot; antwoordt z\\j, hare oogen afvegende, „Maar van avond ben ik moo on voel weer koorts, en zoo zal ik te denken aan alles, dat hem in den weg zal zijn. Mijn man zal er tegen zijn, en hij zal geslagen worden, on mij zien slaan en bang worden om naar huis te komen en misschien in het wildrondloopen. Al werk ik nog zooveel en nog zoo hard voor hem, er is niemand om mij te helpen; en als hij slecht mocht uit vallen, in spi jt van al wat ik doen kan, en de tijd dan kwam, dat ik bij hem zat in zijn slaap, zoo verhard on veranderd, is het dan niet haast zeker, dat ik aan hem denken zal zooals hij nu in mijn schoot ligt, en wenschen, dat hij gestorven was, gelijk Jenny\'s kind gestorven is?\' .Kom, komIquot; zegt Jenny. „Gij Zijt moe en ziek, Lizzy. Laat ik hem overnemen,quot; Dit doende v« rschnift zij de kleeding der moeder. maar stri jkt dio snel weder over di gekwetste en gekneusde borst heen, waartegen het wichtje heeft gelegen.

„Het is mijn dood kind,quot; zegt Jenny, .dat mij dit kind zoo doet lief hebben, en het is mijn dood kind ook, dat haar dit z/m\'i doet liefhebben, dat zij er aan moet denken hoe het haar zou


-ocr page 168-

155

kunnen ontnomen worden. Terwijl zij dat denkt, denk ik welke schatten ik geven zou, om mijn lieveling terug te hebben. Maar wij meenen hetzelfde als wij het maar wisten te zeggen; dat doen wij twee moeders in onze arme harten.quot;

Terwijl Snaasby zijn neus snuit en zijn me delijdend kuchje kucht, hoort men buiten een voet stap. Bucket laat zijn licht naar dr deur schijnen en zegt tot Snagsby: , Wel, wat zegt gij nu van den Taaie? Is hij het?quot; ,Datis.To:n zegt Snagsby.

Jo staat verbaasd in den lichtkring, gelijk eene groteske figuur in e\'-ne tooverlantaren, en beeft bij de gedachte, dat bij tegen de wet zal gezondigd hebben door niet ver genoeg weg te loepen. Daar Snagsby hem echter de troostrijke verze-kering geeft: ,ilet is maar om een karreweitje, Jo, waarvoor gij betaald zult worden,quot; herstelt bij zich;en nadat Bucket hem huiten de kamer heeft genomen om alleen met hem te spreken, Vertelt hij. hoewel hy nog buiten adem is, alles wat men van hein weten wil.

„Ik heb don jongen al uitgehoord,quot; zegt Bucket, terugkomende, .en hij is de rechte. En nu, mijnheer snagsby, zijn wij voor u gereed.quot;

Kei -t moet Jo nog zijne taak van welwillendheid voltooien, door de medici jn, dii hij gehaald heeft, over te geven, hetgeen hij doet met de laconische, mond\' linge aanwijzing, „dat alles dadelijk moet worden ingenomen.quot; Ten tweede moet Snagsby e,-ne halve kroon, zijn gewoon universeel middel tegen eene oneindige verscheidenheid van kwalen, op de tafel leggen. Ten derdf moet Buek\' ! Jo bij dt-n arm vatten, een weinig boven den elleboog, en zoo voor zich uit duwen; daar zonder deze ■•ereoionie een jongen van dat soort onmogelijk naar L i n c oln\'^ inn Fields kon gebracht worden. Dit alles gedaan zijnde, wensehen zij de vrouwen goeden avond en stappen wederom de donkere vuile straat op.

Langs dezelfde walgelijke paden, waarmede zij in dien put zijn afgedaald, komen zij er nu lang-/. unerhand weder uit; terwijl dezelfde troop Hui-ten de en loerende om hen Ie • n dwarrelt, totdat zi aan den rand des afgronds komen, waar men Darby ie-t lantarentje teruggeeft. Hif-rkeert de drom. g lijk oen troep\'gevangene duiveloi;. gillende en krijs^hende terug en laat zich niet meer zien. Men stapt i-n rijdt nu door lt;ie ^(dinonei e en frissrhere sti ati-n, naar Hnagsby\'s meening nooit zoo gehoon en friseti als nu. tot mende deur van Tulkinghorn bereikt.

\'I erwi.il men de donkere t rap opklimt (daar de kamers van Tulkinghorn op de tweede verdieping zijn), zegt BiKket, dat hij den sleutel der buitendeur in zijn zak heeft en men dus niet be hoeft te schellen-. Voor een man, zoo handig in de meeste dingen van dien aard, gebruikt Burket veel tijd om de deur te openen en maakt hij ook tamelijk veel leven. Het is wel mogelijk, dat hij dit doet om te w i irschuwen.

Hoe dit zij, men komt eindelijk op het portaal, waar eene lamp brandt, en zoo in Tulking-horn\'s gewone kamer die kamer, waarhij van avond zijn ouden wijn zat te drinken. Hij is daar nu niet, maar zijne twee ouderwetsche kandelaren zijn er toch ; en de kamer is tamelijk licht.

Bucket, die Jo nog behoorlijk vasthoudt en, naar het Snagsby voorkomt, een onbeperkt getal oogen schijnt te bezitten, gaat een eindje de kamer in. totdat Jo verschrikt blijft stilstaan.

..Wat scheelt er aan?quot; vraagt Bucket fluisterend. „Daar is zijlquot; roept Jo. „Wie ?quot; -„De dame,quot;

Eene dicht gesluierde vrouwelijke gedaante staat in het midden der kamer, vlak in het licht. Zij is stil en onbeweeglijk, en hoewel naar de binnenkomenden toegekeerd, schijnt zij niet op hen te letten, maar blijft als een standbeeld staan. „/eg mij nu eens,quot; zegt Bucket hardop, „hoe gij weet, dat dit die dame is.quot; ,Ik ken de voile,quot; antwoordt Jo. de gedaante aanstarende, „en den hoed, en de japon.quot; „Pas op, dat gij goed weet wat gij zegt,quot; hervat Bucket, scherp op hem lettende, „kijk nog eens.quot; „Ik kijk al zoo hard als ik kijken kan.quot; zegt Jo, wien de oog»-11 uit het hoofd puilen, „en daar is de voile, de hoed en de japon,quot; , ICn hoe met die ringen, waarvan ge mij gezegd hebt?quot; vraagt Bucket „Die moeten daar zitten en o zoo flikkeren.quot; zegt Jo, met de vingers zijner linkerhand over de knokkels zijner rechter wrijvende, zonder zijne oogen van de gedaante aft e wenden.

De gedaante trekt den rechterhandschoen uit en laat de hand zien.

„Wat zegt ge nu daarvan?quot; vraagt Bucket.

Jo schudt zijn hoofd. Die ringen gelijken er lang niet naar, en de hand ook niet.

„Wat praat ge nu?quot; zegt Bucket; maar blijkbaar is hij zeer in zijn schik. „De hand was vi el blanker vee] fijner, en veel kleiner,quot; ant ■ woordt Jo, „Gij zult mij straks nog zeggen, dat ik mijne eigene moeder ben,quot; laat Bucket hierop volgen. „Zoudt gij de stem van die dame nog kennen?quot; „Ik denk wel van ja,quot; antwoordt Jo.

De gedaante spreekt: .Klonk die stem zooals deze. Ik zal spreken zoolang als gij wilt, als ge nog nier zeker zijt. Was het deze stem of maar eenigszins deze stem?quot;

Jo kijkt Bucket verslagen aan. „(leheel niet.\'

., Waarom hebt gij dan gezegd, dat dit de darm was \'quot; hervat Bucket, naar de gedaante wijzende.

„Omdat,quot; zegt Jo, en kijkt zeer v rbijsterd, maar zonder ( enigszins aan het wankelen te ge raken. „omdat dat daar de voile, de hoed en de japon is. /ij is het en zij is het toch niet. Maar dat daar is de voile, do hoed en de japon, en zij draagt ze op dezelfde manier als toen, en ha re lengte is ook eveneens als toen z\'u mij een -inv\' i\' in gaf.quot; „Wel,quot; zegt Bucket losweg, .wij zijn met u niet veel gevorderd. Maar hier


-ocr page 169-

MADKMOISEM.i; lluKTENSK.

zijn toch vijf schellingen voor u. Pas op hoe gij ze verteert, en maak, dat gij er niet door in moeite komt.quot; Bucket lelt de schellingen tersluiks van de eene hand in de andere — dit is eene manier, die hij zich zoo heeft aangewend, stopt ze op een hoopje den jongen in de hand en brengt hem de deur uit, terwijl Snagsby, onder deze geheimzinnige omstandigheden lang niet op zijn gemak, met de gesluierde gedaante alleen blijft. Doch zoodra Tulkinghorn de kame r binnenkomt wordt de voile opgeslagen, en vertoonen zich de trekken eener Frangaise, die er tamelijk goed uitziet, hoewel de uitdrukking van haar gelaat wel wat scherp is, „ Wel bedankt, mademoiselle flor-tense,quot; zegt Tulkinghorn met zijne gewone gelijkmoedigheid. „Ik zal u geenu verdere moeite meer geven met die kleine weddenschap.quot; „Gij zult wel zoo vriendelijk zijn om te onthouden, mijnheer, dat ik op het oogenblik niét geplaatst ben?\' zegt mademoiselle. „Zekerlijk, zekerlijk.quot; — , En mij de gunst verleenen Van uwe hooggachte recommandatie?quot; ,, W aar ik maar kan, mademoiselle Hortense.quot; —- „Een woord van mijnheer Tulkinghorn heeft zooveel invloed.quot;

„Ik zal het niet vergeten, mademoiselle.\'\' „Ontvang de verzekering mijner innige dankbaarheid, mijnheer.quot; „Goedeiinacht.quot;

Mademoiselle gaat met aangeborene gratie de deur uit; en Bucket, die in geval van nood evengoed voor ceremoniemeester als voor iets anders kan spelen, helpt haar, niet zonder galanterie, de trap af.

„Welnu, Bucket?quot; zegt Tulkinghorn bij zijne terugkomst. — , Het komt alles uit zooals ik gezegd heb, mijnheer. Er is geen twijfel aan of het was de andere met de kleuren van deze. De jongen had gelijk in de kleuren en alles. Mijnheer Snagsby, ik heb u als een man beloofd, dat hij goed en wel weer zou heengaan./eg nu eens of het zooniet was.\' „(üj hebt uw woord gehouden, mynheer,* antwoordt Snagsby; „en als ik verder niet van dienst kan zyn, mijnheer Tulkinghorn, geloof ik, daar mijn vrouwtje ongi rust zal worden ....quot; „Wel bedankt,Snagsby,

niets vorder noodig,quot; antwoordt Tulkinghorn. „Ik ben u zeer verplicht, voor do moeite, die gij reeds genomen hebt.quot; „G-eeno moeite, mijnheer. Ik wensch u goedenavond.quot; „Weetge wel, mijnheer Snagsby,quot; zegt Bucket, die hem de deur uitlaat en nogmaals en nogmaals de hand geeft, „wal. mij van u bevalt, is, dat. gij een man zijt, die zich nooit laat uithooren dat zijt gij immers? Als gij ééns weet, dat gij iets hebt afgedaan, steh gij het ook uit uw hoofd, en daarmee is het uit zoo doetgij immers?quot; ..Dat is zekerlijk wat ik poog te doen, mijnheer,quot; antwoordt Snagsby. „Neen, nu schat gij u zeiven niet hoog genoeg. Dat is niet wat gij poogt t( doen,quot; zegt Bucket, hem nog eens allervriendelijkst de hand drukkende, „maar wat gij doet.

En dat is het wat ik bij een man in uw vak zoo hoog acht.quot;

Snagsby geeft een voegzaam antwoord, en gaat huiswaarts, zoo verbijsterd door de gebeurtenissen van dien avond, dat hij twijfelt of hij wel wakker is, twijfelt aan het werkelijk bestaan der straten, die hij doorgaat, twijfelt aan de werkelijkheid der maan, die boven hem schijnt. Weldra wordt hij in al deze opzichten gerustgesteld dooi\' de onbetwistbare werkelijkheid van juffrouw Snagsby, die met haar hoofd in een volmaakten bijenkorf van papillotten, met eene nachtmuts bekroond, naar hem zit te wachten ; die Gusta naar het politiebureau heeft gezonden met officieel bericht, dat haar echtgenoot te zoek is geraakt, en die. in de laatste twee uren, met de grootste staatsie alle graden van bezwijming heeft doorloopen. Maar, gelijk de goede vrouw met treurige aandoening zegt, zij krijgt er veel dank voor.

XXIII.

KSTHKIt\'s V Kil HAAI-.

Na zes vermakelijke weken kwamen wij van mijnheel Boythorn weder naar huis. Dikwijls waren wij in hot park en in het bosch, en zelden gingen wij het huisje voot bij, waar wij ge schuild hadden, zonder eens in te kijken om een praatje met de vrouw te maken; maar Lady Dedlock zagen wij niet meer, behalve des zondags in de kerk. Er waren gasten op Kastanje-Hof; en hoewel verscheidene schoone gezichtjes haar omringden, bleef haar gelaat dénzelfdeu invloed op mij uitoefenen als in het eerst. I k weet zelfs nu nóg niet of die invloed smarteiyk of aangenaam was; of hij mij aantrok of voor liaar d\' ■ d terugdeinzen. Ik geloof, dat ik haar met zekere vrees bewonderde, en ik weet wel, dat in hargt; tegenwoordigheid mijne gedachten, gelijk zij de eerste maal hadden gedaan, altijd naar dal vroi ■ gere tijdperk van mijn leven wegdwaalden.

Op meer dan een dezer zondagen verbeeldde ik mi j. dat ik voor deze dame het zelfde was, wat zij op zulk eene onverklaarbare manier voor mi; was ik meen, dat ik hare gedachten verwarde, gelijk zij de mijne deed, hoewel op eene verslt; bil lende wijs. Maar wanneer ik lei sluiks •■en Mik naar haar wierp, en haar zoo bedaard, zoo schro-meli jk ver van mij af en zoo ongenaakbaar zag zitten, bogn-ep ik, dat dit eene dwaze zwakheid was. Ik gevoelde zelfs wel, da.t de geheele toe stand van mijn gemoed met betn kking tot haar iets zwaks en onredelijks was. en poogde er zooveel ik maar kon tegen te redeneeren.

Een voorval, dat nog plaats had eer wij hot huis van niijnheer Boythorn verlieten, zal ik 1quot; sl hier kunnen vermelden.

Ik wandelde met Ada iu den tuin, toen mij


-ocr page 170-

HET VERLATEN HriS,

gezegd werd, dat er iemand was, die mij verlangde te spreken. Naar het ontbijt vertrek gaande, waar die persoon mij wachtte, bevond ik. dat het de Franse he kamenier was, welke op dien dag, toen het zoo zwaar onweerde, hare schoenen had uitgedaan en door het natte gras had geloopen

„Mademoiselle.quot; begon zij, mij strak met hare al te scherpe oogen aanziende, hoewel zij anders een tamelijk innemend voorkomen had, en noch met vrijpostigheid, noch met slaal\'sche onderdanigheid sprak: „ik heb eene groote vrijheid genomen met zoo maar hier te komen, maar gij zult dat wel wrschoonen, daar gij zoo vriendelijk zijt.quot; „\'lij behoeft u niet te verontschuldigen,quot; antwoordde ik, „als ge mij wenscht te spreken.quot; „Dat is mijn verlan^n, mademoiselle. Duizendmaal dank voor het verlof. Ik heb dus vrijheid om te spreken, niet waar?\'zeide zij, op een snelhai natuurlijken trant, „Zekerlijk,quot; zeide ik. „Mademoiselle, gij zijt zoo vriendelijk. Luister dan, .als het u belieft. Ik hel) mylady verlaten. Wij konden niet met elkander terecht. Mylady is zoo trotsch, zoo erg trotsch. Verschooning. mademoiselle, gij hebt gelijk.quot; Hare schranderheid deed haar begrijpen wat ik misschien terstond zon gezegd hebben, en nu nog maar gedacht had. „liet past mij niet hierover mylady te komen klagen. Maar ik zeg, dat zij zoo trotsch, zoo erg trotsch is. Ik zal geen woord mé\' r zeggen. Dat weet de hoele wereld.\'\' „lt;fa voort, als hetn belieft,\' zeide ik. „Voorzeker, mademoiselle, ik ben dankbaar voor uwe beleefdheid. Mademoiselle, ik heb ei n onuitsprekelijk verlangen om in dienst te komen bij eene jonge dame, die goed, verstandig en schoon is. (rij zijl goed, verstandig en .schoon als een engel. O, kon ik de eer heb-beti van uw-• bediende te zijn!\'\' „Het. spijt mij,quot; besjnn ik. „Zend mij niet zoo spoedig heen, mademoiselle!quot; Terwijl zll dit zeide, trok zij onwillekeurig hare fraaie, zwarte wenkbrauwen samen. „Laat ik hopen; een oogenblikl Mademoiselle. ik weet, dat deze dienst stiller zou zijn dan dien ik V\'-rlateu heb. Welnu, dat wensch ik. Ik weet, dat deze minder Voornaam zou zijn dan dien ik verlaten heb. Welnu, dat wensch ik. Ik weet, dat ik hier minder salaris zou hebben, (ioed. Ik b\'ii er mee tevreden.\' „Ik verzeker u,\' zeide ik, schrikkende van de gedachte om zulk eene bediende te hebben, „dat ik geene kamenier houd,.,.quot; „O, mademoiselle, waarom niet? Waarom niet, als gij er eene kunt krijgen, die u zoo toegewijd zon zijn? Die zoo verrukt zou zijn, als zij n maar mocht dienen ; die zoo trouw, zoo ijverig zou zijn, alt ijd. M id\'moisell\' . ik wnsch met al mijn hart u te dienen, .spn-\'-k nu maar niet van geld. Neem mij gelijk ik ben. Voor niet.quot;

/aj sprak met zulk lt; en zonderlingen ernst, dat ik achteruitschoof, bijna bevreesd voor haar

Zonder dat zij in haar ijver hierop scheen te letten, bleef zij bij mij aandringen. Zij sprak snel en met eene gesmoorde stem, hoewel altijd met zekere sierlijkheid en welgemanierdheid.

„Mademoiselle, ik kom uit het zuiden, waar . men vurig Is, waar men sterk bemint en haat. | Mylady was te trotsch voor mij; ik was te trotsch voor haar. Dat is gedaan — voorbij — ten einde! i Neem mij in uw dienst, en ik zal u goed dienen. Ik zal meer voor u doen dan gij u nu kunt verbeelden. St! Mademoiselle, ik zal - maar daarvan wil ik niet spreken; ik zal alles doen wat | mij maar mogelijk is, in alle dingen. Als gij mijn j dienst aanneemt, zal het u niet berouwen. Mademoiselle, het zal u niet berouwen, en ik zal i u goed dienen. Gij weet niet hoe goed!\'

Toen zij mij stond aan te staren, terwijl ik | haar verklaarde hoe onmogelijk het rnij was haar in mijn dienst te nemen, (zonder dat ik het noodig achtte er bij te voegen, hoe weinig ik mij daartoe ! geneigd gevoelde) nam haar gezicht iets zoo dreigends aan, dat ik mij verbeeldde eene van die vrouwen voor mij te hebben, welke men te F a- i rijs onder het schrikbewind op de straten zag. i Zij hoorde mij aan zonder mij in de rede te vallen, en zeide toen, met haar aardig accent en hare zachtste stem:

„Welnu, mademoiselle, ik heb dus mijn antwoord! Het spijt mij. Maar ik moet elders heen- i gaan, en zoeken wat ik hier niet gevonden heb. ! Wilt gij zoo goed zijn mij uwe hand te laten kussen?quot;

Zij zag mij, toen zij die aannam, nog strak- | ker aan, en scheen bij die oogenblikkelijke aanraking ieder adertje, dat er aan te voelen was, op te merken.

„Ik vrees, dat ik u wel verbaasd heb, mademoiselle, op dien dag van den storm,\'zeide zij, toen zij reeds neeg om heen te gaan.

Ik moest bekennen, dat zij ons allen verbaasd had,

„Ik deed toen een eed, mademoiselle,\' zeide zij glimlachende, „en ik wilde hem in mijn gemoed prenten, om hem getrouwelijk te houden, j En dat zal ik. Adieu, mademoiselle!\'

Daarmede eindigde ons onderhoud, en ik was I zeer verheugd, dat het was afgeloopen. I k meende dat zij uit het dorp vertrok, want ik zag haar niet meer; en er viel niets meer voor om onze stille zomergenoegens te storen, totdat de zes weken om waren en wij weder naar huis gingen, gelijk ik daar reeds heb gezegd.

Toen en nog vele weken na dien tijd kwam Richard ons zeer getrouw bezoeken. Behalve dat hij (dken zaterdag of zondag overkwam en dan tot . maandag bleef, deed hij dikwijls onverwacht een ritje te paard, sleet den avond bij ons, en reed des anderen daags vroeg weder heen. Hij was zoo levendig als ooit en vertelde ons, dat | hij zeer vlijtig was; maar ik was toch bij mij ! zelve niet gerust over hem. Het kwam mij voor,


-ocr page 171-

UIU11A1U) IS N()(i M KT (IKIIKKL Dl\' OK\'KIIF

15!)

datzijno vlijt, eenegeheel verkeerde richting nam. Ik kon niet zien, dat zij tot iets voerde, dan om hem eene bedrieglijke hoop te doen opvatten ten opzichte van dat proces, dat reeds de verderfelijke oorzaak van zooveel smart en onheil was geweest. Hij was nu tot in het diepste van dat geheim doorgedrongen, zeide hij ons; en niets kon duidelijker wezen, dan dat het testament, volgens hetwelk hij en Ada ik weet niet hoeveel duizend pond zouden krijgen, ein-] delijk geldig zou moeten verklaard worden, in-i dien er in het Hof der Kanselarij nog gezond I verstand of rechtvaardigheid te vinden was

maar o, hoe geducht klonk dat indien mij • in de ooren en dat deze afloop niet lang meer j vertraagd kon worden. Hij drong zich zei ven I het bewijs hiervan op niet al de afgezaagde argumenten aan dien kant van het geschil, welke hij gelezen had; en elk daarvan deed hem nog | dieper in zijne verdwaasdheid verzinken. Hij was zelfs begonnen de zittingen van het Hof gen \'-| geld bij te wonen. Hij vertelde ons, hoe hij Juffrouw Plite daar dagelijks zag; hoe zij met elkander praatten, en hij haar kleine vriendelijkheden bewees; en hoe hij, terwijl hij om | haar lachte, haar toch in zijn hart beklaagde. Maar nooit dacht hij nooit, mijne arme, lieve, i zich zooveel belovende Richard, die toen voor zooveel geluk vatbaar was en zooveel betere dingen voor zich had — welk eene noodlottige koten er reeds gesmeed werd tusschen zijne I frissche jeugd en haar verwelkten ouderdom; | tusschen zijne vrije dartelende hoop en hare op, 1 gekooide vogeltjes, haar armoedig zolderkamertje en haar verbijsterden geest,

Ada had hem al te lief om hem veel te wan-i trouwen in iets, dat hij zeide of deed; en tnijn i voogd, hoewel hij dikwijls over den oostenwind | klaagde en meer dan gewoonlijk in de Brom-kamer zat te lezen, bewaarde het stilzwijgen over de geheele zaak. /00 kwam ik op de gedachte om, toen ik eens naar I.onde n ging om Caddy Jellyby, op hare uitnoodiging, te gaan opzoeken, Richard te vragen om mij aan het diligencekantoor af te halen, opdat wij eens met elkander konden praten. Ik vond hem daar : toen ik aankwam, en wij wandelden gearmd 1 voort.

„Wel, Richard,quot; zeide ik, zoodra ik een ern-stigen toon kon aannemen, ,begint gij 1111 al beter op dreef te komen?quot; ,0 ja, melieve,quot; antwoordde Richard, ,lkbenwel tevreden.quot; „Maar op dreef?\' zeido ik. ,lIoc meeatgy dat, op dreef?quot; hervatte Richard, met zijn vrool ijken lach, „Op dreef in uw vak,quot; zeide ik, „O ja,quot; antwoordde Richard. „Ik ben wel tevreden.\' Dat hebt ge mij nog al eens gezegd, lieve Richard,\' „En gij vindt, dat dit geen antwoord is, niet waar? Nu mis seinen wel niet. Op dreef? (iij meent of ik al op eene vaste dreef kom?\' „Ja \' „Neen,

op eene vaste dreef ben ik eigenlijk nog niet.quot; antwoordde Richard, met bijzonderen nadruk op het woord ,vaste\', alsof daarin moeielijk-heid gelegen was, „want men kan niet op eene vaste dreef komen, zoolang die zaak nog niet op dreef is. Als ik die zaak zeg, meen ik natuurlijk het - verboden onderwerp.quot; , Denkt gij dan, dat die ooit op dreef zal komen?quot; „ Daar is geen de minste twijfel aan,quot; antwoordde Richard,

Wij stapten een eindje voor! zonder te spreken ; maar weldra sprak Richard mij op zijn gulsten en hartelijksten toon aldus aan:

„Lieve Esther, ik versta u wel, en ik wenschte, dat ik wat bestendiger van aard was. Ik meen niet wat mijne trouw aan Ada betreft, — want haar heb ik altijd lief — dagelijks liever maar trouw aan mij zeiven. Ik meen eigenlijk iets, dat ik niet best kan uitdrukken, maar gij zult het wel begrijpen. Als ik bestendiger van aard was geweest, zou ik mij of aan Badger of aan Kenge en Carboy hebben gehouden, en nu al bedaard en geregeld zijn geworden, en geene schulden hebben, en .,,,\' — ,11 e bt gij schulden, Richard?quot; — „Ja,quot; antwoordde Richard, „eenige kleintjes, melieve. En ik ben ook wat veel aan het biljarten en zoo al meer geweest, , Nu is het geheim er uit; en nu veracht gij mij, ! niet waar, Esther?quot; - „Dat weet gij wel beter,quot; zeide ik, — „(Jij zijt toegeutlijker voor mij dan ik dikwijls voor mij zeiven ben,quot; hervatte hij, „Och, lieve Esther, het is wel ongelukkig, | dat ik niet bestendiger ben, maar hoe kan ik dat wezen? Als gij in een onafgemaakt huls moest wonen, zoudt gij er niet op uw gemak : in kunnen gaan zitten; als gij veroordeeld waart, om alles wat ge mocht ondernemen, onvoltooid te laten, zoudt gij het moolelijk vinden u op iets toe te leggen; en dat is toch mijn ongelukkig geval. Ik ben in dien altijd onbeslisten rechtsgeleerden oorlog, mot al zijne kansen en afwisselingen, geboren, en dat begon mij al ■ ongeduldig en wispelturig te maken eer ik nog recht wist wat een proces was; dit is hoe langer hoe erger geworden; en nu denk ik somtijds, dat ik niet genoeg waard ben om mijn vertrouwelijk nichtje Ada tedurvenliefhebben,quot;

Wij waren op eene eenzame plaats ; hij hield 1 zijne hand voor zijne oogen en snikte toen hij dit zeide.

„O Richard,quot; zeide ik. „ontróer u zoo niet. Cij hebt een edel hart, en Ada\'s liefde zal u dagelijks meer barer waardig doen worden,quot; „Ik Weel, lieve Vl\'i elldin,quot; a II t WciOI\'dde i 1 i j, 1U i ju arm drukkende, „ik weet dat alles wel. Gij moot er niet op letten, dat ik wat week\', liaiilg ben, want ik heb dit, alles reeds lang op het gemoed gehad, en dikwijls heb ik er u van willen spreken, maar somtijds ontbrak het \\ mij aan gelegenheid en somtijds aan moed. Ik ! weet. wat de gedachte aan Ada voor mij doen


-ocr page 172-

IIKT VHHI.A Tl\'jX III Is

1 (50

nioc.st; maar zij doet hot tocli niet. Ik ben zelfs daartoe te onrustig. Ik heb haar teeder lief; (iii toch benadeel ik haar eiken dag en ieder uur, door mij zelven te benadeelen. Maar het kan niet altijd duren. Wij zullen eindelijk aan de laatste procedures komen en een voor ons gunstig vonnis krijgen, en dan zult gij en Ada zien wat ik inderdaad wezen kan.quot;

Het had mij diep getroffen hem te hooren snikken en de tranen langs zijne vingers te zien druppelen; en toch had mij dit oneindig minder aangedaan dan de levendigheid der hoop, waarmede hij dit zeide.

„Ik heb de papieren goed bestudeerd, Esther, Ik heb er mij maanden lang in verdiept,quot; vervolgde hij, in een oogenblik zijne opgeruimdheid herkrijgende, „en gij kunt er op aan, dat wij zullen zegevieren. Spreekt men van nog jaren van vertraging, daaraan heeft het, dat weet de hemel, niet ontbroken, en des te grootor is de waarschijnlijkheid, dat wij de zaak spoedig tot een einde brengen; zij staat nu zelfs op de rol. Alles zal eindelijk goed uitkomen, en dan zult gij zien.quot;

Mij herinnerende, hoe hij zoo even de hoeren Kenge en Carboy op dezelfde lijn had geplaatst met mijnheer Badger, vroeg\' ik hem of hij voornemens was zich in 1, i n c o 1 n\'s I n n te laten inschrijven

,Daar alweder\' Ik ben het geheel niet voornemens, Esther,quot; antwoordde hij mot zichtbaren tegenzin. „Mij dunkt ik heb er genoeg van gehad. Nu ik als een galeiboef aan Jarn-dyce en Jarndyce heb gewerkt, is mijn dorst naar do rechtsgelooi hoid gelescht, en heb ik mij overtuigd, dat hot vak mij niet, zou bevallen. Bovendien, ik bevind, dat hot mij hoe langer hoe ongeduriger maakt, bestendig zoo op het tooneel van don strijd te blijven. Waaraan denkt gil dus.quot; vervolgde Richard, nu weder vertrouwelijk, „dat ik natuurlijk heb moeten denken ?quot; „Dat kan ik niet i uien,quot; zeide ik. „Kijk maar zoo ernstig niet,quot; hervatte Richard, „want het is het beste, dat ik doen kan, li\' ve Hsthor. daar bon ik zeker van Hot is niet, alsof ik oen beroep noOdig had, om geheel mijn loven bij to blijven. Dat procos moet aan oen eind komen, en dan bon ik bezorgd. Neen, ik beschouw het als een vak, dat door zijn aard moer of mindtr onrustig is, en daardoor wel gepast ik mag zeggen juist gepast is voor den toestand, waarin ik tijdelijk verkoor Wat is het nu, dat mij natuurlijk in gedachten moet komen ?quot;

Ik zag hern aan en schudde mijn hoofd.

„Wat anders dan de militaire dienst ?\'zeide Richard op don toon der volste overtuiging. „Ofllej. r worden /• idt ik. „Ofticier, na-luurhjk. \\l wat ik t,o doen heb is maar te maken, dal ik oene aanstelling krijg, en dan bon ik klaar,quot; zoido Ri\' hard.

Daarop betoogde hij mij, en bewees het door uitvoerige berekeningen in zijn zakboekje, dat indien hij bulten militairen dienst, zegge tweehonderd pond schuld had gemaakt en in een gelijk tijdperk als officier geheel geone schuld, \\ (hetgeen hij vast voornemens was) deze stap j tot oene bezuiniging van vierhonderd pond in een jaar, of van tweeduizend pond in de vier ■ jaren, moest voeren wat eene aanzienlijke som was. En toen sprak hij zoo oprecht en | wolmoenend van opoffering die hij bracht, door zich voor een tijd van Ada te verwijderen, en van den ernst, waarmede hij streefde — gelijk i hij in zijne gedachten altijd deed, dat weet ik ; zeker om hare liefde te vergelden en haar gt; geluk te verzekeren, en al het verkeerde, dat in hem was, te overwinnen en de bestendigheid in eigen persoon te worden, dat hij mij | het hart van weedom deed wogkrimpen. Want = ik dacht, hoe zou en moest dit atloopon, wan- | neer al de mannelijke eigenschappen van zijn karakter zoo spoedig en zoo zeker bedorven werden door do noodlottige smetstof, die alles, } waarop zij bleef ruston, verwoestte\'

Ik sprak tot Richard met al den ernst, dien i ik gevoelde, en al de hoop, die ik niet gevoelen kon, en bad hem, om Ada\'s wil, niet lan- | gor eenig vertrouwen in de Kanselarij tostellen, Tot al vvat ik zeide gaf Richard bereidwillig zijne toestemming; hij wilde, op zijne i luchtige manier, van hot Hof en al het andere \' afzien, en schilderde de vroolijkste taferoelen van hetgeen hij worden zou, als hij eons bestendig werd — helaas, wanneer eerst dat geduchte proces hem niet meer boeide! Wij haddon oen lang gesprek, maar hoofdzakelijk kwamen wij altijd daarop terug.

Eindelijk kwamen wij aan S o h o 8 q u a r e. waar Caddy Jcllyby op mij zou wachten, daar dit eene stille plek was, in do nabijheid van | N e w in a n-S t r o o t. Caddy was in den tuin | op het midden van het plein en kwam, toen ; ik naderde, haastig naar buiten. Na eene vroo-lijke woordenwisseling liet Richard ons bij elkander.

„Prince hoeft oen leerling aan don overkant, Esther,quot; zeide Caddy, „en heeft don sleutel van I het hok voor ons gekregen. Als gij dus hier wat ■ met mij wilt rondwandelen, kunnen wij ons hier opsluiten, on kan ik u op mijn gemak vertollen wat do roden is. waarom ik uw goed en lief ge-zieht weer eens wenschte te zien.quot; ,71 eel good, lieve,quot; /.eido ik. „Hot zou niet beter kunnen zijn.quot;

Dus sloot Caddy, nadat zij hot goede lieve glt; zicht, gelijk zij hot noemde, een vriendelijk kneepje had gegeven, het hok, en begonnen wij zeer genoeglijk den tuin rond te wandelen.

„(lij moet weten, Esther,quot; zeide Caddy, die zoor in haar schik was mot dit vertrouwelijk praatje, „toen gij mij gezegd had, dat het ver-


-ocr page 173-

DM 11 Ei; I! TriiVHVDltOI\' /.A L MKT MKT CKHKIM WORDEN [JKKEND K KM A A KT. Uil

keord was te gaan trouwen, zonder dat ma er van wist, of zelfs ma langer onkundig van ons engagement te laten -- hoewel ik niet geloof, dat ma veel om mij geeft, dat moet ik zeggen, hield ik het voor best aan Prince te vertellen hoe gij er over dacht. Vooreerst omdat ik gaarne alles wil doen wat gij mij zegt, en ten tweede omdat ik voor Prince geene geheimen heb.\' „Ik hoop, dat gij er tevreden mee was, Caddy?quot; „O lieve, ik verzeker u, hij zou tevreden zijn met alles wat ge maar zeggen kondt. (\'iij kunt ii niet verbeelden welk eene hooge meening hij van u heeft.quot; „Ei?quot; „Esther, het „ ITince, daar juffrouw Sumraerson . . . .quot; - „Ik hoop, dat gij niet juffrouw Summerson hebt gezegd?quot; - „Neen, dat deed ik ook niet,quot; riep Caddy, zelt;T in haar schik rn met ijen allervroo-lijkst gezichtje. ,Ik zeide Esther.quot; Ikzeide tegen Prince; „Daar Esther stellig van die meening is, IT ince, en mij zoo heeft gezegd, en er altijd terugkomt als zij die lieve briefjes schrijft, ge mij zoo graag hoort voorlezen, ben ik geil ma de waarheid te ontdekken, wanneer gij m.iar goedvindt. En ik denk, Prince,quot; zeide

op die reet het

ik. „dat Esther denkt, dat het ook beter en oprechter zou zijn. en over het geheel fatsoenlijker


zou genoeg zijn om iodereeu, behalve mij, .ia-loersch te maken,quot; zeide Caddy, lachendeen haar hoofd schuddende, „maar ik ben er niet anders dan blij om, want gy zijt de eerste vriendin, die ik ooit gehad heb, en de beste vriendin, die ik ooit hebben kan, en niemand kan u naar mijn zin ooit te veel achten en liefhebben.quot; ,Op mijn woord, Caddy,quot; zeide ik. „gij zijf ook al in de algemeene sattieiizwering om mij in een goed humeur te houden. Welnu, lieve?quot; „ Wel, dat zal ik u zeugen,quot; antwoordde Caddy, innig vertrouwelijk beide handen kruiselings op mijn arm leggende. „Wij hebben er vrij lantr over gepraat, en zoo zeide ik tegen Prince;

zou staan, al- gij bij uw papa hetzelfde deedt.quot;quot; ,Ja, melicve,quot; zeide ik. .Zekerlijk denkt K.-thei er zoo over.quot; — „Dus had ik gelijk, ziet gelquot; riep Caddy uit. „Wel. dit maakte Prince toch heel angstig, niet omdat hij er in het minst aan twijfelde, maar omdat hij lu i gevoel van den ouden heer \'jftirveydrop zoo ontziet, en bang wa-, dal zijn papa van schrik zou stem n, of flauw vallen, of het zich op eene of andere ziel roerendf manier aantrekken, als hij zoo iets hoorde. Hij vreesde, dat de oude heer het voor onkinderlijk zou houden, en het hem eeualti groot en schok zou geven. Want gij weet wel. Esther, de oude heer Turveydrop is zulk een


DlrtlS.. 11,1 rnMni Hu

-ocr page 174-

Hirr V E KL AT EN HllS.

Iü2

welgemanierd man,quot; voegde Caddy er bij, „en zoo uiterst gevoelig.quot; ,1* iiij. liefje ? „O, buitengemeen gevoelig. Dat zegt I\'rince. Nu, dit hoeft mijn jongetje-lief ik had u die uitdrukking niet willen laten hooron, Esther,quot; zeide Caddy verontschuldigend en metquot; een hoogen blos op de wangen, „maar gewoonlijk noem ik Prince mijn jongentje-lief.quot;

Ik lachte; Caddy lachte insgelijks, bloosde nog eens en vervolgde:

., Dit heeft hom dus....quot; „Wien heeft hot, kindlief.quot; — „O gij plaaggeest!quot; zeide Caddy ; lachende,, terwijl haar bevallig gezichtje geheel on al gloeide. „Mijn jongetje lief, als ik dan | zeggen moet. Dit heeft hem eenige woken van i onrust veroorzaakt, en het hem van angst al

langer en langer doen uitstellen. Eindelijk zeide , i hij tegen mij: , Caddy, als juffrouw Summerson, van wie mijn vader zooveel werk maakt, kon i overgehaald worden om er bij te zijn. als ik 1 van de zaak begon te spreken, dan dunkt mij, dat ik het zou kunnen doen.quot; Ik beloofde dus, dat ik het u eens vragen zou. En dan dacht ik ook,quot; vervolgde Caddy, mij met een blik vol hoop, maar toch schroomvallig aanziende, „als ttii daar niet tegen hadt. wilde ik u naderhand vragen om met mij naar ma te gaun. Dit is liet wat ik meende, toen ik in mijn briefje zeide, dat ik u eene groote gunst te verzoeken had. En als gij nu dacht ons die te kunnen toestaan, Esther, zouden wij beiden u zeer dankbaar zijn.quot;

.Laat eens zien, Caddy,quot; zeide ik en veinsde mij te bedenken. „Ik geloof, dat ik nog wol iets móeielijkers zou kunnen doen, als de nood drong. Ik ben voor u en het jongentje-lief gereed, zoo dra gij maar wilt.quot;

Caddy was geheel en al verrukt over mijn antwoord;\'want zij was, geloof ik, zoo gevoelig voor de minste vriendelijkheid of aanmoediging, als eenig teeder hart. dat ooit in deze wereld klopte, en nadat wij nog een paar malen den tuin waren rondgewandeld, terwijl zij een paar splinternieuwe handschoenen aantrok en zich nog zooveel mogelijk opknapte, om den mees-tei in welgemanierdheid zoo weinig schande aan te doen, als zij maar eenigszin- kon, gingen wij rechtstreeks naar N\' •• w rn a n-S t r e • t.

Prince was natuurlijk aan het les geven. Wij vonden hom bezig met eene juist niet veelbelovend\'- leerlinge een stug klein meisje, niet een norsch voorhoofd, eene grove stem e-n eene lustolooze ontevredene mama. die zeker niet beter gestemd Werd door de verwarring, waarin wij den leermeester brachten. Eindelijk kwam de les. na zooveel haspelens als maar mogelijk was. aan n ••inde; en toen het meisje van schoenen h id verwisseld, en haar wit jurkje onder een grooten omslagdoek was weggestopt, King •/.ij he«.-n Na eene korte voorloopige woordenwisseling Kin-1/ it wij mijnheer Turveydrop opzoeken, wien wij, met zijn hoed en zijne handschoenen een groep vormende, als een model van ; welgemanierdheid, op de sofa in zijne eigene kamer vonden de eenige goede kamer in het geheele huis. Hij scheen zich, in de tusschen-poozen van een licht collation, op zijn gemak gekleed te hebben; zijn toiletkistje, borstels, en : zoo voort, alles van eene zeer elegante soort, waren nog niet weggeborgen.

„Vader, juffrouw Summerson; Juffrouw Jel-lybv.quot; „Zeer verheugd! Zeer vereerd !quot; zeide de heer Turveydrop, met eene zwierige buiging, opstaande. ,Vergun mij!quot; 11 ij zette stoelen. „Weest zoo goed om plaats te nemen!quot; Hij kuste de vingertoppen der linkerhand. „Huitengemeen verheugd!quot; Hij kneep zijne oogen dicht en liet de appels rondrollen. „Mijne stille woning wordt tot een paradijs.quot; Daarmede liet hij zich weder op de sofa zakken volmaakt gelijk de tweede gentleman van E u r o p a. „Wederom vindt gij ons, juffrouw Summerson,quot; zeide hij, ,te midden van onze kunstjes om te polijsten. Wederom komt de schoone sekse ons aansporen en beloonen door de gunst harer beminnelijke tegenwoordigheid. Het is al veel in dezen tijd (want het zijn lang de dagen niet moer van zijne koninklijke hoogheid den prins-regent mijn beschermheer, als ik mij vermeten mag zoo te spreken) te ondervinden, dat de welgemanierdheid niet geheel en al door handwerkslieden met voeten wordt getreden. Dat zij zich nog in den glimlach der schoonheid kan koes-i teren, mejuffrouw.quot;

Ik zeide niets, hetgeen ik voor een voegzaam antwoord hield; en hij nam een snuifje.

„Mijn waarde zoon,quot; zeide de heer Turveydrop. „Gij hebt vier scholen dezen namiddag. Ik zou u een haastig boterhammetje recomman-deeren.quot; „Wel verplicht, vader,quot; antwoordde Prince. „Ik zal zorgen op mijn tijd te passen, j Mijn waarde vader, mag ik u verzoeken uw gemoed voor te bereiden op iets, dat ik wensch te zeggen?\' , Goede hemel!quot; riep het model van welgemanierdheid bleek en ontsteld uit, toen I\'rince en Caddy zich hand aan hand voor hem nederbogen. „Wat is dit? Is dit waanzin? Of wat is het?quot; - „Vader,quot; antwoordde Prince met groote onderdanigheid, „ik bemin deze jonge dame en wij zijn geëngageerd.\' „Geëngageerd!\'\' riep de heer Turveydrop uit, liet zich op de sofa achteroverzakken en hield zijne hand voor zijne bogen, als om dit schouwspel niet te zien, „Een dolk op mijn hart gemunt, door mijn eigen kind!\' — „WIJ zijn reeds eeni-g\'-n tijd geëngageerd geweest, vader,quot; stamelde Prince, „en toen juffrouw Summerson daarvan hoorde raadde zij ons, dat wij er u kennis van zouden geven, en was zoo vriendelijk van wel bij deze gelegenheid tegenwoordig te willen zijn. Juffrouw Jellyby is eene jonge dame, die den diepsten eerbied voor u koestert, vader.quot;


-ocr page 175-

WKLGKMANIKKI) VADERLIJK (iEVOKL

De heer Turveydcoj) slaakte nui kermenden zucht.

„Meen. zoo niet, zoo niet, vader,quot; smeekte zijn zoon. .Juffrouw Jeliyby is eene jonge dame, die den diepsten eerbied voor u koestert, en ons eerste verlangen is voor uw gemak en genoegen te zorgen.quot;

De heer Turveydrop snikte.

„Och neen, vader, zoo niet!quot; riep zijn zoon.

— „Knaap,* zeide de heer Turveydrop, „het is gelukkig, dat uwe zalige moedor voor dit leed is bewaard gebleven. Stoot toe, en spaar niet. Stoot toe. stoot toe!quot; „Och neen, vader, spivek zoo niet,\' bad Prince met tranen; „dat gaat mij aan het hart. Ik verzeker u. vader, dat het onze eerste wensch en ons ernstig voornemen is, voor uw gemak en genoegen te zor gen. Caroline en ik vergeten onzen plicht niet

- wat mijn plicht is, is ook Caroline\'s plicht, gelijk wij elkander dikwijls gezegd hebben

en met uwe goedkeuring en toestemming, vader, zullen wij er ons aan toewijden om u het leven aangenaam temaken.quot; , Stoot toe!\'prevelde Turveydrop, „Stoot tóe!quot;

Maar hij scheen toch ook te luisteren, naar mij dacht.

„Mijn waarde vader,quot; hervatte Prince, „wij weten wel aan welke kleine gemakken gij gewoon zijt en waar gij recht op hebt; en het zal altijd ons streven en onze trots wezen om daarvoor boven alles te zorgen. Indien gij ons met uwe goedkeuring en toestemming wilt zegenen, vader, zullen wij aan geen trouwen denken voordat u dit volkomen aangenaam is; en wanneer wij getrouwd zijn, zullen wij u natuurlijk tot onze eerste zorg maken. Gij moet hier altijd heer en meester blijven, vader; en wij gevoelen hoe onnatuurlijk het van ons zijn zou. als wij dit niet wilden weten, of als wij ons niet alle mogelijke moeite gaven, om u te behagen.quot;

De heer Turveydrop had een zwaren inner-lyken strijd door te staan. Hij kwam weder overeind op de sofa, en zat daar, met over zijne stijve das opgebolde wangen, als een smaakvol model van welgemanierd vaderlijk gevoel.

.Mijn zoon!quot; zeide de heer Turveydrop. „Mijne kinderen! Ik kan uwe gebeden niet wederstaan. We est gelukkig!quot;

De goedertierenheid, waarmede hij zijne aanstaande schoondochter ophief en zijn zoon de hand toestak (welke deze met liefderijken eerbied en dankbaarheid kuste), was iets om over versteld te staan.

„Mijne kinderen,quot; zeide de heer Turveydrop, vaderlijk zijn linkerarm om Caddy, die nu naast hem zat, heenslaande en zijne rechterhand sierlijk op zijne heup zettende. „Mijn zoon en dochter, uw geluk zal mijne zorg wezen. Ik zal over u waken. Gij zult altijd bij mij bajven Wonen;quot; natuurlijk meenende, ik zal altijd bij u blijven wonen ; „dit huis is voortaan even zeer liet uwe als het mijne; doet er geheel alsof gij thuis waart. Moogt gij nog lang leven om het met mij mee te doelen.quot;

De macht zijner welgemanierdheid was zoo groot, dat zij waaldijk zulk eene overstelpende dankbaarheid voor hem gevoelden, alsof hij, in plaats van zich voor het overige van zijn leven bij hen in te kwartieren, eene groote opoffering voor hen had gedaan,

„Wat mij betreft, mijne kinderen,quot; zeide de heer Turveydrop, „ik begin mijne herfstdagen te naderen, en het is onmogelijk te zeggen hoelang de laatste flauwe sporen der welgemanierdheid van een gentleman nog in deze wevende en spinnende eeuw zullen toeven, Maar zoolang zal ik toch mijn plicht jegens de maatschappij vervullen en mij, gelijk gewoonlijk, door de stad vertoonen. Mijne behoeften zijn weinig en eenvoudig. Mijn appartementje hier, de weinige benoodigdheden voor mijn toilet, mijn sober ochtendmaal en mijn d i n e r t j e zullen voldoende zijn. Ik verwacht, dat uwe kinderlijke genegenheid in deze geringe behoeften zal voorzien en belast mij zelven met al het overige,quot;

Deze buitengemeene edelmoedigheid overstelpte hen opnieuw.

„Mijn zoon,quot; zeide de heer Turveydrop, „wat die kleine punten betreft, waarin gij nog te kort schiet punten van welgemanierdheid, die met iemand geboren worden die door oefening volmaakt, maar nooit aangeleerd kunnen worden. kunt aij u nog op mij vertrouwen. Sedert de dagen van zijne koninklijke hoogheid den prins-regent ben ik getrouw op mijn post gebleven, en zal dien nu niet verlaten. Neen, mijn zoon. Indien gij ooit de nederige positie van uw vader niet een gevoel van hoogmoed hebt beschouwd, kunt gij verzekerd zijn, dat hij niets zal doen om die te bevlekken. Wat u betreft, Prince, gij hebt een ander karakter. Wij kunnen niet allen eveneens wezen, en het is ook niet raadzaam, dat wij dit zouden zijn. Werk, wees vlijtig, verdien geld en breid uwe connection zooveel mogelijk uit.quot; „(Hj kunt er op aan, dat ik dat doen zal, waarde vader,quot; zeide Prince. „Uwe hoedanigheden zijn niet schitterend, mijn waarde zoon, maar degelijk en bruikbaar,quot; vervolgde de heer Turveydrop. „En u beiden, mijne kinderen, wil ik alleen zeggen, in den geest óenergezalipde vrouw, op wier pad ik, naar ik geloof, het geluk had een straal van licht te werpen draagt zorg voor het huishouden, draagt zorg voor mijne eenvoudige behoeften, en ik zetren u beiden,quot;

De oude heer Turveydrop werd toen, ter eere van de gelegenheid, zoo bijzonder galant, dat ik (\'addy zeggen moest, dat wij, als wij di- n dag nog naar T ha vies Inn wilden komen, er terstond moesti n heengaan Wij vertrokken dus;


-ocr page 176-

11 KT VKKI.ATKN lllHS

en i)|) onze wandeling was y.ij zoo vergenoegd en zoo onuitputtelijk in den lof van den ouden heer Turveydrop, dat ik voor niets in de wereld een woord tot zijn nadeel had willen zeggen.

Aan het huis in Thavies 1 tin komende, zag ik briefjes voor de vensters, die aankondigden, dat hetquot; te huur was, en het zag er vuiler, somberder en akeliger uit dan ooit. De naam van den ouden heer Jellyby was slechts een dag of twee te voren op de lijst der bankroetiers verschenen ; en hij zat nu met twee heeren hi een hoop blauwe zakken, kantoorboeken en papieren in de eetkamer opgesloten, de wanhopigste po-gingen doende om den staat zijner zaken te doorgronden. Zij kwamen mij voor geheel boven zijn begrip te zijn, want toen Caddy mij bij vergissing in de\' eetkamer bracht, en wij den heer Jellyby daar zagen zitten, door de tafel en de tw( \'• heeren in oen benauwden hoek geklemd, scheen hij de geheel»; zo;\\k te hebben opgegeven, . n spraak en bewustheid verloren te hebben.

Toen wij boven naar do kamer van mevrouw Jellyby gingen (de kinderen waren in de keuken aan hi t gillen, i-n er was geene meid te zien), vonden wij dez.\' dame in het midden barer om-slachtige correspondentie, lu zigmet het openen, b zen en sorteeren van brieven, met een grooten hoep opengescheurde omslagen op den grond. Zij was zoozerr in gedachten verdiept, dat zij mij in het eerst niet herkend»-, hoewel zij ndj met haar zonderlingen, in de verte starenden blik zat aan te kijken.

,lia. juffrouw surnne rson.quot; zeidi ze ein»igt; -lijk, ,Ik da-dit aan zoo geheid iets anders\' Ik hoop, dat gij nog wel vaart. Mijnheer Jarndyce en juffrouw Clare nog wi l .\'quot;

Ik hoopt»; daarent\'-sen. dat mijnheer Jellyby

geheel wel was,

Nid •/.,„gt; gehilt;-l wet, lievi; juffrouw zlt;-ide mevrouw jellyby zeer kalm. -Hij is ongelukkig in zijne zaken gew • st -n is •■••n weinigje van str» « k. Gdakkig vlt;\'or mij, lu\'b ik liet Z(.»o • Iruk. dat ik geen tijd heb »ini er aan te denken. Wij hebben op het oogenblik honderd zeventig huisgezinnen. juffrouw sumne rson, ieder door • Ik-andf r gi ï no n van vijf personen, die naar den linkeroever van den Niger vertrokken zijn ol

zullen vertrekken.quot; ,

Ik dacht aan dat •• m huisgezin zoo dicht bij ons dat nil t naar den »gt;ev» r van den Niger vei -trokken was of zou vertrekken, en vf-rwonderde mij hoe /.ij zoo gelijkmoedig kon Mijven.

»li] hebt 1 quot;adds meilegebnudit zie ik. mei kte

„„quot;vrouw Jell vb v aan, met een blik naar hare ilorhbT. „Het Is iets ongewoons geworden haar ■ ens hi\' r t» zien. Zij heet! han oudlt; taak bijna ■j, h» 11 lat\' n steken, en mmhaakt iiiji daardoor orii een jongen t» gebruiken.quot; ..Nbeu\' rna.quot; ; .Ce we.-t immers wi :. Caddy,

vi. i bare moeder hierop in. maar zeer zarht-zii : : e ik e. n quot;iigon gebruik, die nu jmst

is gaan eten. Waartoe zoudt ge dus tegenspreken?quot; „Ik wilde niet tegenspreken, ma,quot; antwoordde Caddy. „Ik wilde maar zeggen, dat ge toch zeker niet verlangen zoudt. dat ik gehe» 1 mijn leven eene slavin bleef.quot; , Ik geloof, kindlief.quot; zeide mevrouw Jellyby, altijd nog bezig met hare brieven te openen, die zij met hare heldere oogen glimlachend doorkeek en op verschillende hoopjes legde, „dat gij In uwe eigene moeder een voorbeeld van werkzaamheid voorn hebt. Behalve dat. Eene slavin! Als gij eeniggevoel hadt voor de bestemming der menschheid, zou dat u hoog boven zulk een denkbeeld verheffen. Maar dat hebt gij niet. Ik heb het u al dikwijls gezt gd, Caddy, gij hela zulk een gevoel niet.quot; „Gevoel voor Afrika, neen, ma, dat | lub ik niet,quot; „Dat zeg ik daar immers ook. Als ik het nu niet gelukkig zoo druk had, juf-frouw Summerson,quot; zeide mevrouw Jellyby, mij | voor een oogenblik zeer lieftallig aanziende, ter- ; wijl zij zich bedacht waar zij den brief zou leg- | gen, dien zij juist geopend had, „zou dit mij teleurstellen en bedroeven. Maar ik heb zoo veel te denken over alles wat Borrioboola j G ha betreft, en het is zoo noodzakelijk, dat ik | al mijne aandacht op één punt bepaal, dat ik | daardoor er niets van gevoel.quot;

Daar Caddy mij een smeekenden blik toewierp, i n mevrouw Jellyby. door mijn hoed en mijn hoofd heen, recht naar Afrika keek, achtte: ik het (ene goede gelegenheid om tot het doel van mijn bezoek te komen en mevrouw Jellyby\'s aandacht te trekken.

«Misschien,\' zeide ik. „zult inj u verwonderen. wat mij hier heeft doen komen om u te storen?quot; „Ik ben altijd verheugd juffrouw summerson te zien,quot; antwoordde mevrouw Jellyby met een vergenoegd glimlachje. „Schoon ik wel wenschte,quot; en daarbij schudde zij haar hoofd, „dat zij meer belang stelde in dat Bor-rioboolaanscheplan.quot; „Ikben met\' addy hier cekomen.quot; zei»le ik. „omdat e\'addy terecht g»-ïooft, dat zij voor hare moeder geen»; geheimen behoort te hebben, en zij zich verbeeldt, dat ik haar zal bemoedigen « n heipon (schoon ik waarlijk niet weet hoei, om er u een mede te deelen\'.quot; „Caddy,quot; zeide mevrouw Jellyby, even met hare bezigheid ophoudende, en die daarna weder blijmoedig voortzettende, nadat zij flauw haar hoofd had geschud, „gij hebt zeker \'-ene of andere dwaasheid te zeggen.quot;

( addy strikte de linten van haar hoed los. nam haar hoed af, liet hem bij de linten beng»den, begon hartelijk te schrekn en zeide: ,Ma,ikbeng» i nga geerd.quot; „Hoe kunt ge zoo mal wezen, kindlquot; merkte me vrouwJellyby verstrooid aan, t» TWijl zij de laatst» geop»,nde»l»igt;\' ch»■ fl»»irkeek,,, VV at zijt g»■ toch lt; en gansje!quot; „Ik ben gei ngage»\'rd, ma,quot; snikte Caddy, „met den jongenheer Turvey-drop van de dans academie; en de oude heer Turveydrop die waarlijk ei n heel deftig man


-ocr page 177-

CADDY HEEFT GEEN (lEVOEL VOOR AERIKA

165

is) heeft zij tie toestemming gegeven, eu nu bid en smeek ik u om ook ons dé uwe te geven, ma, omdat wij anders nooit gelukkig zouden i kannen zijn nooit, nooit!quot; snikte Caddy, al hare redenen tot beklag over hare moeder, en : alles behalve haar kinderlijk gevoel vergetende.

„Daar ziet gij al weder, juffrouw Summer-son,quot; merkte mevrouw Jellyby zeer gelijkmoedig aan, „welk een geluk hot is zooveel drukte i te hebben als ik heb, en daardoor genoodzaakt te zijn al zijne gedachten op één punt te ves-I tigen. Daar is Caddy nu geëngageerd met een dansmeesterszoon en heeft eene verbintenis j aangegaan met mensehen, die even weinig ge-j voel voor de bestemming der menschheid hebben als zij zelve en dat bovendien nu, nu juist i mijnheer Gusher, oen der eerste philanthropen van onzen tijd, mij gezegd heeft, dat hij wer-I kelijk overhelde om zieh voor haar te interesseeren,quot; — „Ma, ik heb altijd den grootsten he-j kei aan mijnheer Gusher gehad,quot; snikte Caddy, „Caddy, Caddy lquot; hervatte mevrouw Jellyby, met de grootste bedaardheid weder een brief | openende, „Daar twijfel ik ook niet aan, Hoe kon het anders wezen, daar het u geheel ontbreekt aan het verhevem gevoel dat hem vervult! Als nu mijne openbare plichten niet zoo goed al a oen lievelingskind voor mij waren, als ik mij niet met groote maatregelen op eene uitgebreide schaal bezighield, zouden die geringe beuzelingen mij zeer kunnen verdrieten, juffrouw Summerson, Maar kan ik dulden, dat de nevel van eene door Caddy bedrevtme dwaasheid (van wie ik niets anders verwachtte) het groote vasteland van Afrika aan mijn blik zou onttrekken? Neen, neen,1\' herhaalde mevrouw Jellyby, met eene kalm en helder klinkende stem, terwijl zij gedurig al meer brieven opemli en terecht legde. „Neen, waarlijk niet.quot;

Schoon ik wel niets anders had kunnen verwachten, was ik toch zoo verwonderd over deze koele onverschilligheid, dat ik niet wist wat te zeggen, Caddy scheen dit even weinig te weten. Mevrouw Jellyby bleef aan het openen en doorkijken van hare brieven, en herhaalde nu en dan, op een allervriendolijksten toon en meteen zeer genoeglijk glimlachje: „Neen waarlijk niet,quot; ,[k hoop, ma.\' snikte de arme Caddy eindelijk „dat gij niet boos zijt.quot; „O, Caddy, het is toch ongerijmd van u,quot; antwoordde mevrouw Jellyby, „zulk eene vraat; te doen, nadat ik u gezegd heb hoe ik mijn hoofd vol heb.\' „En ik hoop, ma, dat gij ons uwe toestemming geeft en ons geluk wenscht.quot; zeide i\'addy.

„liet is allerzotst van u, dat gij zoo iets gedaan hebt, kind,quot; zeide mevrouw Jellyby. „en des te meer verkeerd, daar gij u aan het groote plan hadt kunnen toewijden. Maar de strip is gedaan, en ik heb een jongen aangenomen, en er is niets meer van te zeggen Och (\'a Idy.\' vervolgde zij, want Caddy viel haar om den ; hals en wilde haar kussen, „houd mij nu maar niet op in mijn werk, en laat ik mij door dien hoop papieren heenwerken eer de namiddagpost aankomt,\'

Ik dacht niet beter te kunnen doen dan maar afscheid te nemen, maar werd nog een oogen-blik opgehouden, daar Caddy zeide:

„Gij zult er dus niet tegen hebben, dat ik hem hier breng om u te bezoeken, ma?quot; „Och Heere, Caddy,quot; riep mevrouw Jellyby uit, die weder om iets anders dacht, „begint gij nog eens? Wien meebrengen?\' „Hem, ma.\' „Caddy, Caddy,\' zeide mevrouw Jellyby, deze beuzelingen nu geheel moede. „Dan moet gij hem brengen op een of anderen avond, als er geene maatschappij-vergadering of afdee-lings-vergadering is. Gij moet in het oog houden hoe weinig tijd ik over heb. Lieve juffrouw Summerson, het is wel vriendelijk van u. dat gij hier zijt gekomen om dat ohnoozele kuikentje voort te helpen, Gnedendag nu. Als ik u zeg, dat ik van morgen acht en vijftig nieuwe brieven van .familiéa uit de arbeidende klasse heb gekregen, die inlichting omtrent de koffiecultuur en de inboorlingen verlangen, zal ik mij niet behoeven te verontschuldigen, dat ik weinig tijd heb,quot;

Het verwonderde mij niet, dat Caddy neerslachtig was, toen wij naar beneden gingen; of dat zij mij om den hals viel en opnieuw begon te snikken, of dat zij zeide, dat zij veel liever bekeven dan zoo onverschillig behandeld had willen worden, of dat zij mij toevertrouwde, dat zij zoo armoedig in de kleeren zat, dat zij niet wist hoe zij ooit met fatsoen zou kunnen trouwen. Ik beurde haar langzamerhand op, door haar onder het oog te brengen hoeveel zij. als zij een eigen huishouden had, voor haar ongelukkigen vader en voor Peepy zou kunnen doen; en eindelijk gingen wij naar de Vóchtige, donkere keuken, waar Peepy en zijne broertjes en zusjes over den steenen vloer lagen te wiemeien, en waar wy zoo met hen aan het stoeien geraakten, dat ik, om niet geheel aan stukjes geplukt te worden, tot mijne tooversprookjes de toevlucht moest nemen. Van tijd tot tijd hoorde ik in de voorkamer boven ons luide stemmen, en somf ijds een geweldig gebons met meubelen. Het laatste geluid werd, vrees ik, daardoer veroorzaakt, dat de arme heer Jellyby, telkens wanneer hij eene nieuwe pnging aanwendde om den staat zijner zaken te begrijpen, van achter do tafel losbrak en naar het venster vloog, met oogmerk om zieh in het keldergat te storten.

Toen ik na het geweid van dien dag des avonds stil naar huis reed, dacht ik veel aan Caddy\'s engagement en gevoelde ik mij (in weerwil van den oudsten heer Turveydrop) in mijne hoop bevestigd, dat zij er gelukkiger en beter door zou worden. En indien er maar zeer gering\'- kans scheen te bestaan, dat zij en haar man ooit zon-


-ocr page 178-

HHT VERLATEN IHMS.

den ontdekken wat het model van welgemanierdheid werkelijk was och, dit was ook al des te boter. Wie had kunnen wenschen, dat zij wijzer waren ? ik wenschte niet, dat zij wijzer waren, en was waarlijk half besi haamd, dat ik zelf niet volkomen in hem geloofde. En ik zag naar dé sterren op, en dacht aan reizigers in verre landen en de sterren die zij zagen, en hoopte dat ik altijd zoo gelukkig en gezégend mocht wezen om met mijne geringe krachten iemand nuttig te kunnen zijn.

Toen ik thuis kwam waren zij, gelijk altijd, zoo blijde mij te zien, dat ik wel van blijdschap had kunnen gaan zitten schreien, indien dat niet juist de manier was geweest om mij onaangenaam te maken. Iedereen in huis, van den hoogsten tot den laagsten, ontving mij met zulk een vroolijk verwelkomend gezicht, en sprak op zulk een opgeruimden toon, en was zoo verheugd iets voor mij te kunnen doen, dat ik geloof, dat niemand in de wereld het beter kon hebben dan ik.

Wij zaten dien avond gezellig bij elkander, en daar Ada en mijn voogd mij uitlokten om hen alles van l\'addy te vertellen, bleef ik maar zonder einde voortpraten. Eindelyk zat ik toch op mijne kamer, blozende bij de gedachte hoe ik gebabbeld had; en toen hooide ik een zacht kloppi n aan mijne deur. Ik zeid^ „binnenquot; en er kwam een aardig klein meisje binnen, netjes in den rouw gekleed, en neeg voor mij.

„Met uw believen, juffrouw,quot; zeidehet meisje met een zacht stemmetji-, „ik ben Charley!quot; , Wij Ja, die zijt gij ook,quot; zeide ik, zei r verwonderd, i n bukte om haar een kus te geven. „Wat ben ik blij u eens te zien, Charley!quot; „Met uw believen, juffrouw,quot; vervolgde Charley, met hetzelfde zachtje steinmetie; „ik ben uwe kamenier.quot; Wat zegt gij, Charley?quot; „Met uw believen, juffrouw, ik ben een presentje voor u, no t de vriendelij kegroete van mijnheerJarndyce.quot;

Ik zetti mij neer met nüjni hand omlt; \'harley\'s hals geslagen, en zag haar zoo aan.

,Kn o, jutfrouw,quot; zeide Charley, in hare han-di a klappende, terwijl de tranen over hare wangen rolden. „Tom is op school, en hij leert zoo goed. En kleine Emma, die is bij juffrouw Blinder, juffrouw, en er wordt zoo goed op haar gepast. En Torn zou al veel vroegei op school z\\jn gewei gt;t, en Emma bij juffrouw Blinder, en ik al hiei ; maar mijnheer Jarndyce dacht, dat Tom en Emnni en ik er eerst wat aan mei sten wennen om van • jkander af te wezen; wij waren nog /00 klein. O, schrei toch met, juffrouw, als lu t u belieft.quot; — „Ik kan het. niet laten, Charley quot; „Nei ti, juffrouw, en ik kan het ook niet laten. En niet uw believen. Juffrouw, gij moet wel ib gioete van mijnbeer .larndyce hebben, i n hij denkt, dat gij wrl liwt zult hebben om mij nu en dan wat te leeren. En met uw believen zullen Tom en Emma en ik elkander eens in de maand zien. En ik ben zoo blij en zoo dankbaar, juffrouw.quot; zeide Charley met eene zwoegende borst, „en ik zal mijn best doen om zulk eene goede kamenier te zijn.* „O, lieve Charley, vergeet toch nooit wie dat alles gedaan : heeft!quot; „Neen, juffrouw, dat zal ik nooit; en Tom ook niet, en Emma ook niet. Het komt alles van u, juffrouw.quot; - „Ik heb er niets van geweten. Het komt van mijnheer Jarndyce, Char- | ley.quot; - ,Ja, juffrouw, maar het is alles ter liefde van u gedaan, en opdat gij m jjne meesteres zoudt worden. Met uw believen, juffrouw, ik ben een ! presentje van hem, en het is alles ter wille van u gedaan. Tom en ik hebben dat wel onthouden.quot; ;

Charley droogde hare tranen af en aanvaardde 1 haar post, op hare eigenaardige manier, die haar | het voorkomen van een klein huismoedertje gaf, door de kamer gaande en alles opvouwende wat . haar voor de hand kwam. Weldra kwam zij weder naar mij toe sluipen en zeide: „O, schrei toch i niet, juffrouw, als het u belieft.quot; En ik zeide wederom : „Ik kan liet niet laten, Charley.quot; En Charley zeide wederom ; „Neen, juffrouw, en ik kan het ook niet laten.\' En zoo schreide ik dus i maar van blijdschap, en zij insgelijks.

XXIV.

KK.NK ZAAK IN AITKI,.

Zoodra Richard en ik hét gesprek hadden ge- . had, waarvan ik vroeger verslag heb gedaan, | openbaarde hij den toestand van zijn gemoed aan den heer Jarndyce. Ik twijfel er niet aan, of mijn voogd door deze mededeeling wel ge-hei j onverwacht werd vi rrast, hoewel zij hem veel teleurstelling en onrust veroorzaakte. Hij en Richard zaten des avonds laat en des morgens vroeg bij elkander opgesloten, sleten ge-lieele dagen in Lon de n, hadden ontelbare bijeenkomsten met den heer Keugi. en werkten zich door een hooponaangenarn e beslommeringen heen. Terwijl zij hiermede bezig waren, bleef mijn voogd, hoewel hij veel last had van den oostenwind, en hij zoo bestendig zi jn hoofd wreef, dat get n onkel haar ooit op de rechte plaats zat, vooi\' Ada en mij even vriéndelijk als anders, maar over die zaken b» waarde hij het strengst\'- stilzwijgen. En daar al onze pogingen Richard zeiven niets anders konden ontlokken dan al-gerneene vei zekeringen, dat alles uitmuntend ging en Inderdaad wel eindelijk terecht zou komen, werd onze bekommering door hem niet veel verminderd.

Na, verloop van tijd vernamen wij echter, dal er ten behoeve van Richard als een onmondig kind en pupil, en ik we. t niet wat al meer i-en nii uw aanzoek bij den lord-kanselier was gedaan ; en dat i r veel gepraat was; en dat de lord-kanselier hem openlijk inliet Hofeenlas-


-ocr page 179-

i;i:n \\ mi:m»i:i,i.)k v kksciiii,

167

tig en wispelturig onmondig kind had genoemd; on dat de zaak verschoven en weder verschoven, geresumeerd en gerapporteerd en be-petitioneerd , was, tot Richard (gelijk hij ons zeide) begon te ! twijfelen, ofalshij ooitin militairen dienst kwam, het niet als een veteraan van zeventig of tachtig Jaren zou zijn. Eindelijk werd hij besteld om nog eens voorden lord kanselier in zijne eigene kamer te komen, en daar berispte de lord-kanselier hem ernstig, dat hij zijn tijd verbeuzelde en zelf niet wist wat hij wilde „een aardige zet, naar mij dunkt, van dien kant,quot; zeide Richard - en eindelijk kwam het er op neer, dat zijn verzoek zou worden toegestaan. Zijn naam werd aan het ministerie van oorlog ingeschreven als adspirant voor een vaandrigsplaats; de koopprijs werd bij een gelastigde gedeponeerd, en Richard begon terstond met zijn eigenaardige drift de militaire weten- • schappen te bestudeeren, en stond eiken morgen ten acht uur op om zich in het schermen te oefenen.

Zoo volgde vacantia op zitting, en zitting op vacantie. Somtijds hoorden wij, dat Jarndyce en Jarndyce op de rol stond of niet op de rol stond, of dat er het een of ander in verricht werd; en zoo ging het af en aan. Richard, die in Londen moest blijven, kon ons minder dikwijls komen zien dan vroeger; mijn voogd bewaarde nog hetzelfde stilzwijgen; en zoo verliep de tijd, tot Kicliard eeno aanstelling kreeg en last ontving om zich bij zijn regiment in Ier 1 and te voegen.

Op een avond kwam hij in groote haast met dit beticht aan, en had een lang gesprek met mijn voogd. Het duurde langer dan een uur, oer mijn voogd zijn hoofd binnen de kamer stak, waar Ada en ik zaten, en zeide: „Komt binnen, liefjes!quot; Wij gingen binnen en vonden Richard, wien wij de laatste maal zeer vroolijk hadden gezien, met een verdrietig en gramstorig gezicht tegen den schoorsteenmantel staan leunen.

„Richard en ik, Ada,quot; zeide de heer Jam- i dyce, „zijn het giet volkomen eens. Koihj kom, \' Richard, zet een vroolijker gezicht.quot; ,(.iij zijt nu zeer streng voor mij, mijnheer,quot; zeide Richard, „en dat treft mij des te meer, omdat gij in alle 1 andere opzichten zoo toegeellijk voor mij gewlt; est zijt. en mij meer goedheid hebt bewezi n, dan ik ooit kan ei kennen. Zonder u zou ik nooit zoover gekomen zijn.quot; „Goed, goed,* zeide de heer Jarndyce, „maar gij moet nog verder komen, en ik wil er voor zorgen, dat gy geen verkeerden stap dóet.quot; „Ik Hoop, dat gij het verontschuldigen zult, mijnhei r,quot; antwoorde Richard op een driftigen toon, maai\'toch met eerbied, „als ik zog, dat ik over dit punt zelf hel best meen ; te kunnen oordeoleii.quot; „ik hoop, mijn beste Rkhard,* antwoordde de heer Jarndyce, „dal gij het verontschuldigen zult, als ik zeg, dat hot zoor natiuniijk van u is. dit te meen en, maar dat ik er nnders ovi r denk. Ik moet mijn plicht

doen, Richard, of gij zoudt mij, als gij weer koel zijt, nooit meer kunnen achten, en ik hoop, dat gij mij altijd achten zult, koel of driftig.quot;

Ada was zoo bleek geworden, dat hij haar in zijn leesstoel liet plaats nemen, en zich naast haar zette.

„Het is niets, liefje,quot; zeide hij, „het is niets. Richard en ik hebben maar een vriendelijk verschil gehad, dat wij u moeten mededeelen, want gij zijt het onderwerp er van. Nu wordt gij al bang voor wat er komen zal.\' „Neen, waarlijk niet, neef John,quot; antwoordde Ada met een glimlachje, „als het van u moet komen.\' „Dank voor uwe goede meening, lieve. Geef mij nu eens r en oogenblikje aandacht, zonder naar Richard te kijken. En gij. oud vrouwtje, doe hetzelfde. Meisjelief,quot; en daarmede legde hij zijne hand op de hare, die op een arm van den stoel lag, „gij herinnert u nog wel het gesprek, dat wij met ons vieren gehad hebben, toen dat oude vrouwtje mij van zekere min narij had verteld.quot; —- „Het is niet waarschijnlijk, dat Richard of ik ooit uwe goedheid van dien dag kunnen vergeten, neef John,quot; - „Ik kan ze nooit vergoten.quot; zeide Richard. „ik ook niet,quot; zeide Ada.

„Zooveel te gemakkelijker wordt datgene, wat ik te zeggen heb, en zooveel te gemakkelijker zullen wij het met elkander eens wórden,quot; zeide mijn voogd, terwijl goedheid en rechtschapenheid hem uit de oogen schenen te stralen. „Ada, melieve. gij moet weten, dat Richard nu voor de eerste maal een beroep heeft gekozen. Alles, waarop hij met zekerheid kan rekenen, zal besteed wezen wanneer hij ti n volle is uitgerust, Hij heeft zijne middelen uitgeput, en is nu voortaan gebonden aan den boom, dien hij geplant heeft.quot; - „liet is waar, dat ik mijne tegenwoordige middelen heb uitgeput, en ik vind het zeer goed, dat ik dit weet. Maar datgene, waarop ik met zekerheid kan rekenen, mijnheer,quot; zeide Richard, „is niet al wat ik heb.quot;

,lüchard, Richard !quot; riep mijn voogd uit, met plotselingen schrik in zijn gezicht, en eeno ge-ie i-l veranderdi stem, terwijl hij zijne handen opstak, alsof hij zijne ooren wilde dichthouden, „om Gods wil, vestig toch gei-ik-hoop of verwachting op don vloek onzer famili\' ! Wat gij ook aan deze zijde van het graf doen moogt, worp nooit een blik van vertrouwèn naar het gru-wolijk spooksel, dat ons zoovele jaren vervolgd heeft. Beter I oenen, heter bedelen, bot er si it ven 1quot;

Wij ontstelden allen van den angstigen nadruk di /.er waarschuwing. Richard boet op zijne lippen, hield zijn adem in, en zag mij aan alsof hij gevoelde, en wist dat ik ook gevoelde, hoezeer hij die noodig had.

„Eieve Ada,quot; zeide. de heer Jarndyce, zijne opgeruimdheid hernemende, „dit zijn krachtige woorden van raad; maar ik woon in hot Verlaten Huis, en ik heb daar iets gezien. Genoeg daarvan. Al wat Richard had om hem lot den


-ocr page 180-

HET VKKI.ATHN lll\'lS.

wedloop des levens uit te ruston, is nu gewaagd. Ik raad hem en u, om zijnentwil en uwentwil, dat hij van ons vort rekken zal in liet begrip, dat er nog geenerlei verbintenis tusschen u bestaat. Ik moet nog verder gaan, en ik zal voor u beiden rondborstig spreken. Gij hebt mij vrijelijk wrtrouwd, en ik zal u vrijelijk vertrouwen, ik verlang, dat gjj voor het tegenwoordige van alle betrekking afziet, behalve uwe verwantschap.quot; ,Beter maar dadelijk te zoggen, mijnheer,quot; antwoordde Richard, „dat gij mij alk- vertrouwen onttrc kt, en dat gij Ada aanraadt om hetzelfde te doen.quot; ■ „Beter niets van dien aard te zeggen, Richard, omdat ik hét niet meen,quot; .Gij denkt, dat ik slecht begonnen ben, mijnheer.quot; hervatte Richard: „en dat ben ik ook, dat weet ik wel.quot; „Hoe ik hoopte, dat gij beginnen zoudt, en hoe voortgaan, heb ik u laatst gezegd, toen wij over die dingen

spraken.quot; zeide ,1.. Iiimt Janidye. op , i-n har-

telijken, bemoedigenden toon. „Gij hebt dat begin nog niet gemaakt; maar er is een tijd voor alle dingen, en de uwe is nog niet voorby is veel. , r nu pas ten volle gekomen. Begin nu zinver van nieuw af aan. Gij twee ibeiden nog \'/■ft jongi zyt net\'f en nicht. Tot n-tc toe zijt gij niets inc-er. Wat er nog meer kan komen, moet komen als bet verdiend is, Richard, en niet eerder.quot; ,(lij zijt ze.-i-hard voor mij, ni nheei.quot; /,i1 id• ■ Richard, „hardei\' dan ik had kumv ti donken, dat gij zijn zoudt.quot; „Boste jongen,quot; zeide de he.T Jarndyi ., „ik beu nog hard. r voor mij /elv.-u. :i|s ik iets doi;, dat u smart veroorzaakt, (iij hebt zelf het middel in handen om u te helpen. Ada. het is beter voor hom, dat hij Vri; is, i n dat er geen j. ugdig engagc\'iiient tusschen u besta.it. Richard, het i.- beter voor baar, vi • 1 beter; gij zijt haar dat verplicht. Kern tanl \'iij zult ieder doen wat het best voor den ander, zoo niet wat liet best v.mif u zei vei i i.-,quot; „Waarom is dat het best, mijnheer?quot; antwoordde Richard haastig. .Het was zoo niet, toen wij ons hart voor u openden. Toen bobt gij zoo niet gesproken.quot; „Ik heb sedert on lervinding geliad. ik laak u niet, Riejiard m iar ik heli seiie.rt ondervinding gehad.\'\' „Gij meent \\ an mij, mijnheer.quot; .Welnu, :i, van . I/. .den.quot; z.-id. deheerJarn-dyce vriendelyk. .Het is voor u no^\'geen tijd om aan elkander gebonden ilt; zijn. Het is niet goed, en ik moet, zulk een oand niet erkennen. Kom, kom, jongelieden, begint ireh\'-.tl opnieuw Wat voorbij is moet voorby zijn.enuij moeteen nieuw blad omslaan om uw leven op t. schrijven.quot;

Richard wierp een angstigen \'dik naar Ada, maar /.. id\' niets,

„Ik liob tiiij tot nog toe onthouden van e. n enkel woord tot, een van beiden, of tot Esther te zegglt; n,quot; hervatte Jarndy. e, .opdat wij zoo open als d. dag zoiub ri kunnen zijn, en allen met elkander gelijk staan. \\u raad ik u liefderijk.

en bid ik u ernstig, gij twee, om te scheiden zooals gij hier gekomen zijt. l.aat al liet overige aan den tijd, aan trouw en standvastigheid over. Als gy anders doet, zult gij verkeerd doen; en gij zult maken, dat ik moet zeggen verkeerd gedaan te hebben, door u ooit bij elkander te brengen.quot;

Er volgde eene lange stilte.

.Neef Richard,quot; zeide Ada toen, hare blauwe oogen met teoderheid naar hem opslaande, „na hetgeen onze neef John daar gezegd heeft, dunkt mij, dat ons geene keus gelaten is. Uw gemoed kan over mij geheel gerust wezen; want gij zult mij onder zijne zorg laten, en zeker zijn, dat ik niets te wenschen kan hebben — volkomen zeker, als ik zijn raad maar in acht neem. Ik ■ ik twijfel niet, neef Richard,quot; vervolgde zij oehigszins bedremmeld, „of gij houdt heel veel van mij, en ik ■ ik geloof niet, dat gij op iemand anders verliefd zult geraken. Maar ik zou toch willen, dat gij er wel over nadacht, evenals ik willen zou, dat gij in alle opzichten gelukkig waart. Gij moogt op mij vertrouwen, neef Richard, want ik ben geheel niet veranderlijk; maar ik ben ook niet onredelijk, en ik zou u nooit laken. Zelfs neef en nicht mag het spijten als zij scheiden ; en waarlijk. hot spijt mij zeer, Richard, schoon ik weet dat het tot uw wolzijn is. Ik zal altijd met genegenheid aan u denken, en dikwijls met Esther over u spreken en misschien zult gy somtijds ook een beetje aan mij donken, neef Richard. Nu,quot; zeide Ada, naar hem toegaande en hem haar bevend handje gevende, .zyn wij dus weder maar neef en nicht, Richard — voor een tijd misschien en ik bid om zegen over mijn lieven neef, waar hij ook zijn maglquot;

Het kwam mij vreemd voor, dat Richard niet in staat zou zijn het mijn voogd to vorgeven, dat deze dezelfde meening van hem had opgevat, welke hij mij met veel sterker uitdrukkingen betuigd had van zich zeiven te koesteren. Evenwel, dit was toch maar zoo. Ik merkte met groot leedwezen op, dat hij van dat unr af nooit weder zoo vrijmoedig en openhartig voor don he.-r -Tarndyce was als hij vroeger was geweest. Deze had hem alle redenen gegeven om dit te blijven, maar hij bleef het toch niet, en er begon, geheel en al van zijn kant, eene vervreemding tusschen hen te ontstaan.

Spoedig vergat hij in de drukte van toebereidselen en uitrustingen alle andere dingen, zelfs zijne smart over de scheiding van Ada, die in Herf ordsli ire bleef, terwijl hy. de heer Jarn-dye» en ik voor oene w ek naar Londen gingen Hij dacht wel bij buien en vlagen om haar, somtijds zelfs met eene uitbarsting van tranen, en maakte mij dan tot vertrouwde van zijn heftig zelfverwijt. Maar eeiiige minuten later begon zijne verbeelding weder te spelen met een of ander hersenschimmig middel, waardoor zij beiden voor


-ocr page 181-

KKNK VEKVHEEMl)I.\\\'lt;i

Ui!»

altijd rijk en gelukkig zouden worden, en werd hij weder zoo vroolijk als maar mogelijk was.

Het was een drukke tijd, en ik draafde den geheelen dag met hem rond, om allerlei dingen te koopen, die hij noodig had. Van de dingen, die hij zou gekocht hebben, als men hem zijn eigen zin had laten doen, zeg ik niets, Hij was met mij geheel vertrouwelijk, en sprak dikwijls met zooveel verstand en gevoel over zijne gebreken en goede voornemens, en weidde zoodanig uit over de bemoediging, welke hij uit die gesprekken putte, dat ik nooit moede voogd, die toevallig mot mij alleen was. „Mijnheer Carstone zal terstond hier zijn. Ondertus-schen doet het juffrouw Summerson genoegen u te zien, dat weet ik. Ca zitten.quot;

Hij nam plaats, (enigszins bedremmeld door mijne tegenwoordigheid, naar mij dacht, en zonder mij aan te zien streek hij met zijne zware; bruine hand verscheidene malen over zijne bovenlip. „Gij past zoo precies op uw tijd als de zon,quot; zeide de heer Jarndyce. — „Eene mi litaire gewoonte, mijnheel\',quot; antwoordde hij. „ Enkel gewoonte, mijnheer Op mijne zaken ben


ook gewild, i, om Richard n persoon bij ist was ge

IK aiKlel, toch eein de heer . den,

niet groot mor en si \' \'.arstone\'. lijk goed, over zijne I Carsione i heel goed ik denken

zo

o precr ot\' inri dvce. -r. Ik h ,Kn

horpschutter maakt quot; vroeLr mijn vooed.

weest. Hij was een man van een knap en forsch voorkomen, rondborstig en vrijmoedig van manieren, en had Richard reeds eenige maanden les gegeven. Ik hoorde niet alleen van Richard maar ook van mijn voogd, zooveel over hem dat ik eens op een ochtend, toen hij komen moest na het ontbijt met mijn werk in de kamer bleef.

„Goedenmorgen, mijnheer i ieorge,quot; zeide mijn

had kunnen worden, al had ik In die week placht er nu en dan les in het schermen te geven, ons te komen, die voorheen caval

Lrij van mij nli ei r ,Datgaat tami ■ r,quot; antwoordde hij. zijne armen irei de borst kruisendi .Als mijnheer ■r al zijne attentie aan gaf. zou het iiaan.quot; „Maar dat doet hi; niet, zou ?quot; zeidi mijn voogd. „In het eerst

- niet, Maai\' gij hebt ■hting, naar ik hoor?quot; zeide . I b i fi niet veel ti bedui ■b eene schietgalerij, maar wat voor soort van sober

-ocr page 182-

11 KT \\ Klil.ATKN llllgt;

deed liij het wel. inijnhi er, maar naderhand niet meer. Niet al zijne intentie. Misschien heeft hij iets anders in het hoofd eene jongejuffrouw misschien.quot; Zijne donkere oogen zagen mij nu voor de eerste maal aan. „Mij heeft hij niet in het hoofd, mijnhei r George, dat verzeker ik u,\' zei de ik lachende, ,schoon ge mij schijnt te verdenken.quot;

Hij bloosde eenigszins door liet bruin zijner kleur heen en maakte f en stijve buiging.- „Niet kwalijk genomen, hoop ik, juffrouw. Ik ben wat ongepolijst.quot; „Volstrekt niet. zeide ik. ,lk neem het als een compliment op.quot;

Had hij mij te voren niet aangezien, thans wierp hij drie- of viermaal achtereen een snellen blik op mij.

,N\'eem mij niet kwalijk, mijnheer,\'\' zeide hij tot mijn voogd, met zekere mannelijke schroomvalligheid, „maar gij hebt mij de eer gedaan van mij den naam van die jongejuffrouw te zeggen.quot; — „Juffrouw Summerson.\' — „Juffrouw summerson,quot; herhaalde hij ni zag mij wederom aan. „Kent gij dien naam ?quot; vroeg ik. — .Neen, juffrouw. Zoover ik weet heb ik hem nooit gehoord. Ik dacht, dat ik u ergens gezien had.quot;

,Ik geloof van neen,quot; antwoordd( ik, van mijn werk opkijkende om hem aan te zien; en hij had iets zoo oprechts in zijnespraak en manieren, dal ik blijde was met dc gelegenheid. „Ik kan heel goed gezichten onthouden.quot; .Ik ook, juffrouw,quot; antwoordde hij, mijn blik met zijneopene oogen en breed voorhoofd opvangende, „iiml Wat deed mij dan daaraan denken ?\'\'

Daar hij wederom bloosde en door zijne pogingen om zich te bedenken meer en meer ver-letren scheen te worden, kwam mijn voogd hem ti hulp.

„Hebt ge veel leerlingen, mijnheer George?quot;

.liet getal is afwisselend, mijnheer. Meestal is het troepje klein genoeg om van te leven.quot; „En welke soorten van menschen komen zich zoo uit liefhebberij in uwe inrichting oefenen ?quot;

„Allerlei soorten, mynheer. Engelschen en buitenlanders, van groote heeren af tot leerjongens toe. Kr zijn voorheen pok wel Fransche vrouwen bij mij gekomen, die al heel knap in het pistoolschieten waren. Gekken zonder getal, natuurlijk maar dm komen overal waarde deur openstaat.quot; ..Maar er komen toch, hoop ik, L\'eene menschen, die een wrok legen . nde-i\' n hebben en voornemens zijn eindelijk naai levende schaven tlt; schieten ?quot; zeide mijn voo^\'d mei een glimlach. - ,Niet dikwijls, mijnhe. i. schiion dat ook wel gi\'bi urd is Meestal komen /.ij uit liefhebberij of omdat zij niets beters v, ■ten te doen. Zes om d\' eene. en een half dozijn om de andere reden. Neem mij niet kwa lijk. mijnhi\'T.\' zeide George, zich styf oprichtend\'\' en de handen op de kiik-én zettende, znodat (ie elh bogen hoekig uitstaken, maar ik no\' ü, dat gij een proces in de Kanselarij hebt,

als ik wel heb gehoord?quot; ..Tot mijne spijt moet ik ja zeggen.quot; „Dan heb ik eens een van uwe lotgenooten bij mij gehad, mijnheer.quot; — „Hoe zoo?quot; zeide mijn voogd. — „Wel de man was zoo baloorig, dat hij zoo eindeloos van | stuurboord naar bakboord werd gesmeten,quot; zeide j George, „dat hij haast niet meer wist, wat hij | deed. Ik geloof wel niet, dat hij er aan dacht om op iemand te mikken, maar hij kon zoo \\ woedend kwaadaardig zijn, dat hij vijftig schoten vooruitbetaalde en er dan op los vuurde, tot hij gloeiend hf-t was. Eens toen er niemand bij was en hij mij bitter het onrecht had geklaagd, dat hij lijden moest, zeide ik tegen hem; „Als dat schieten eene veiligheidsklep is,kameraad— goed en wel; maar dat gij er in uwe tegenwoordige stemming zooveel werk van maakt, bevalt mij niet geheel en al ; ik had liever, dat gij ietsan- : ders bij de hand naamt.quot; Ik was op mijne hoede, dat hij mij een slag zou willen geven, zoo driftig i was hy ; maar hij nam het zeer goed op en zag I er dadelijk van af. Wij gaven elkander de hand en sloten eehe soort van vriendschap.quot; — „Wat was die man vroeg mijn voogd met vernieuwde belangstelling, — „ Wel. hij was eerst een klein ! hoevenaar in H h r op s h i r e, eer zij een razen-den stier van hem maakten,quot; zeide George. Jieett\' hij Gridley?quot; ..Ja, zoo heette hij, mijnheer.quot;

Mijnheer George richtte eene nieuwe reeks van snell e, flikkerende blikken op mij, toen mijn voogd en ik een paarwoorden van verrassing over dezen samenloop van omstandigheden wisselden; en ik | verklaarde hem dus hoe het kwam, dat die naam ons bekend was. Hij maakte wederom eene militaire buiging, om mij te bedanken voor wat hij mijne beleefdheid noemde.

„Ik weet niet wat mij al weer daarop brengt,quot; zeide hij, terwijl hij mij aanzag: „maar och 1 wat haal ik mij door het hoofd ?quot; Hij streek een van zijn grove handen over zijne donkere gekrulde i haren, als wilde hij die losse gedachten uit zijn brein vegen, en bleef een weinig vooroverge- , bogen zitten, met de eene hand in de zijde, de j andere op zijn been, en peinzend naar den grond kijkende. „Het spijt mij te vernemen, dat dezelfde drift dien Gridley opnieuw in ongelegenheid heeft gebracht, en hij zich tegenwoordig me\'t • huilhouden,quot; zeide mijn voogd. - „Zoo : heb ik gehoord, mijnheer,quot; antwoordde George, nog peinzend voor zieh kijkende. .Zoo heb ik gehoord.\' „Gij weet niet waar ?quot; „Nien,myn-heer.quot; antwoordde de i aval\' rist, zijne oogen opslaande en uit zijn gemijmer ontwakende. „Ik kan niets van hem zeggen. Hij zal gauw versleten zijn, denk ik. Het hart van een sterk man mag zoo iets jaren lang uithouden, maar eindelijk freekt het toch onveiwarht,quot;

Richard\'s komst deed het gesprek staken. George stond op, maakte nogmaals eene militaire buiging voor mij, wenschte mijn voogd goe-


-ocr page 183-

VOl.STKKKT MKT (iKIIAAST,

171

dendag en stapte met zware schreden de kamer uit.

Dit was in den morgen van den dag, die tot Richard\'s vertrek bestemd was. Wij behoefden niets meer te gaan koopen; ik had vroeg in den namiddag al zijn goed gepakt, en wij hadden den tijd aan ons tot des avonds, wanneer hij naar Li v e r p o o 1 zou vertrekken, om zich van daar naar II o 1 y h e a d te begeven. Daar Jarndyce en Jarndyce dien dag weder zou voorkomen, deed Richard mij het Voorstel, dat wij eens te zarnen naar het Hof zouden gaan en hoomi wat er omging. Daar dit zijn laatste dag was, en hij veel lust had om te gaan, en ik nog nooit daar geweest was, gaf ik mijne toestemming, en wandelden wij te zamen naar Westminster, waar het Hof toen zitting hield. Onderweg kortten wij ons den tijd met afspraken over du brieven, die Ricluuxl aan mij zou schrijven en die ik aan hem zou schrijven, en met een aantal veelbelovende plannen. Mijn voogd wist waar wij heengingen en ging dus niet mede.

Toen wij aan het Hof kwamen, zat daar de lord-kanselier - dezelfde, wien ik in L i n c o 1 n\'s I n n in zijne kamer had gezien zeer statig en deftig op zijn zetel, met den staf en de zegels voor hem op eene lager geplaatste roode tafel, benevens een reusachtigen platten bloemruiker, die naar een bloementuin geleek en het geheele Hof parfumeerde. Weder lager dan de tafel, zat eene lange rij van solliciteuren, met bundels papieren op de mat voor hunne voeten; en dan waren er nog hoeren van de balie met pruiken en tabbaarden sommigen wakker, anderen in slaap gevallen, en een die praatte, terwijl niemand veel luisterde naar hetgeen iiij zeide. De lord-kanselier leunde in zijn zeer ge-makkelijken stoel achterover, met zijn elleboog op de zijleuning, terwijl zijn voorhoofd op zijne hand rustte. Sommigen der aanwezigen zaten te dutten, anderen lazen eene courant; sommigen wandelden rond of stonden in groepen te fluisteren; allen schenen volkomen op bun gemak, volstrekt niet gehaast, zeer onbekommerd en buitengemeen welvarend.

Alles hier zoo elfen te zien voortgaan, en te denken hoe ruw er mot hen wlt; rd geleefd, wier belangen hier behandeld werden; al die staatsiekleederen en ccreBioniën te zien, en te denken aan het gebrek, do armoede en ellende, waarvan zij zinnebeelden en vertegenwoordigers waren; te bedenken, dat terwijl do kwaal van vertraagde hoop in zoovele harten woedde, deze fraaie tooneelvertooning, van dag tot dag en van jaar tot jaar, zoo bedaard en in zulke goede orde werd voortgezet; den lord-kanselier en den geheelen stoet van praktir\'ajns onder hem elkander en de toeschouwers, te zien aankijken, alsof niemand ooit gehoord had, dat de naam, waaronder zij vergaderden, door gehee l K ti g e-1 a n d een bitter spotwoord was geworden, nu l

: algemeene verfoeiing, verachting en verontwaardiging was beladen, bekend stond als iets zoo hemeltergend slechts, dat weinig anders dan een wonder er ooit voor iemand iets goeds uit kon halen; dit was voor mij, die er geene ondervinding van had, iets zoo vreemds en innerlijk tegenstrijdigs, dat het mij eerst ongelooflijk was en ik het niet kon begrijpen. Ik bleef j zitten waar Richard mij geplaatst had. en deed \' mijn best om te luisteren en rond te zien; maar het geheele tooneel scheen geen werkelijk bestaan te hebben, behalve die arme, gekke juffrouw F li te, die op eene bank tegen alles stond te knikken.

Juffrouw Flite bemerkte ons weldra en kwam naar ons toe. Zij heette mij vriendelijk welkom in haar domein, en wees mij, met veel ingenomenheid en trots, de voornaamste merkwaardigheid daarvan aan. De heer Kenge kwam ook met ons spreken, en legde ons, met de vriendelijke nederigheid van een eigenaar, het een en ander uit. Het, was geen beste dag om daar te komen, zeide hij; hij had liever een ; eersten dag eener zitting verkozen; maar het was toch indrukwekkend, zeer indrukwekkend.

Toen wij omtrent een half uur daar geweest waren, scheen de zaak, die in behandeling was indien ik een woord mag bezigen, dat aldus toegepast belachelijk klinkt, aan hare eigene flauwheid weg te sterven, zonder tot eenigen uitslag te komen en zonder dat iemand dit ook i scheen te verwachten. Daarop wierp de lord-kanselier een bundel papieren van zijn lessenaar naar de hoeren beneden hem, en zeide iemand; „Jarndyce en Jarndyce.* Daarop volgde I een gemompel en een gelach, terwijl de om-j standers algemeen heengingen, en men groot e hoepen, stapels en zakken-vol papieren bin-[ nenbracht,

Kr werd over eene nadere uitspraak aangaande zekere rekening van onkosten gehandeld, zoover mijn begrip er van ging, dat verward ge-| neeg was. Maar ik telde drieën twintigheeren met pruiken, die zeiden dat zij „er inquot; waren, en geen van allen scheen het veel beter te begrijpen dan i ik. Zij praatten er over met den lord-kanselier, en haspeldon er over onder elkander, en sommigen zeiden dat het zóó was, en anderen zeiden weder andersom, en sommigen deden schertsend het voorstel om dikke boeken met belt; edigdo ver-ï klaringen voor to lezen, en allen, die het aanging. maakten er zich vroolijk mede, en niemand kon er iets van maken. Nadat dit omtrent ! een uur zoo geduurd had en menige redevoering begonnen en weder afgebroken was, werd de zaak weder „aangehouden,quot; gelijk de heer Kenge zeide, mi werden de papieren weder opgepakt, eer nog de klerken gedaan hadden met /,( bin-; nen te brengen.

Na den afloop van dit hopelooze tooneel zag ik Richard aan, en ik schrikte, znn vervallen en


-ocr page 184-

HF/l\' VERLATEN HUIS.

neerslachtig als zijn jougilig gi-iaat er uitzag: Het kan niet altijd zoo duren, Dame Duraen. Iv n aiidfiinaal beti rlquot; was al wat hij zeini-.

Ik had öuppy papieren zien inbrengen en voor den heer lv ngt in orde leggen; en hij had mi) jTezien .m eene jammerhartige buiging voor mij uemaakt, die mij verlangend deed worden om het Hof te verlaten. Richard had mij zijn arm ingeven en ging juist met mij heen toen mijn-

lieer Guppy aankwam. -

Ik verzoek u verscliooning, mijnheer Car-^toiie quot; zeidr hij fluisterend, ,t n juffrouw Sum-m. rson insgelijks, maar er is eene juffrouw hier, . ene vriendin van mij, die haar kent en het genoegen wenscht te hebben van haar de hand i.. geven.quot; Nauwelijks had hij dit gezegd, ot ik zag alsof zij zoo levend uit mijn geheugen was npgérezen. juffrouw Raehel, die ik bij mijne peet-nKM -dei- had gekend, voor mij staan. „Hoe vaart u-ii. l\'Ntherquot;quot; zeide zij. „Kent ge mij nog?quot; quot; ik gaf haar de- hand. zeide haar van ja en dat ik haar zeer weinig verouderd vond.

Jln verwondert mij, dat gij nog van dien tijd wilt weten, Esther, hervatte zij met hau o\'ude scherpheid. „Het is nu een geheel andere

tijd Nu, ik ben blij, llat ik u een8 m\' en ook tdij. dat «zij niet te trotsi.h zijt om mij nog te kennen.\' Maar het scheen haar eigenlijk te leur te stellen, dat ik dat niet was. . 1 rotsdi, juffrouw Rachel!\' zeide ik daarop. .ik ben weer _\'etrouwd, Ivsth\'T,\' antwoordd\' /.ij. mn koel i--recht zettende, en heet nu juffrouw Chadband.

Welnu, ik wenBch u goedendag, en hoop. dat het u gof.\'d zal gaan.quot;

Mijnheel Ouppv, die oplette-nd naar dit korte gesprek had g. Inisterd, slaakt*- een zucht vlak aan mijn oor. en werkte zich zei ven en juffrouw Rachelquot; door het troepje menschen heen, dat m-• 11 Uitliep en dat bij d- afwisseling der werkzaamheden van hef Hof zich zoodanig had opgedrongen, dat wij er midden in waren geraakt. Riehard en ik drongen er insgelijks door heen, , n de koellu id di.-r laatste herkenningen gaf mij nog e-en onaangenaam gevoel. toen ik. maai zim-der dat hij ongt; zag. mijnheer «Jeorge naar ons tof zag komen. Hij stoorde zich, al voortstap-pende, v(ilstr- kt niet aan de rnenschen om hem

hi-en, en-taar.ii ov-r hunne hoofden heen naar

het ruim der zaal.

„O*-orgelquot; zeid- Richard toen ik zijne- aan-daeht op lie111 vestigd\' ,Blij dat ik n zi(-.niijn-lier,quot; intwoordd- 1 e gt;r■ n , f,ok, jntli ,-a . Zoildt g\' mij iemand kunnen vvijzen, naar wi -ik zoek? ik bon hier niet thuis.\'\'

/ji h onder le-t spreken omkeer- nd-- - n met gemak ruimte voor ons makende, ble- f iiij, to( n wij uit het (redratv,: waren, in --en hoek aeht(-r ---•ne groot\'- rood- gordijn staan.

„Kr is e- n h ilf g\'-k oii-l vrouw!]- Z l-- gon h.,i ,dai. ... .quot;

Ik stak mijn vinger op, want juffrouw Hite

was vlak bij ons; daar zy. al dien tijd naast mij was gebleven en de aandacht van veischei-dene barer rechtsgeleerde bekenden (gelijk ik tot mijne verlegenheid maar al te wel had gehoord) op mij gevestigd had, door hun in het nor te fluisteren; „St! Fitz-Jarndyce aan mijne linkerhand!quot; , .

,Hm!\' zeid-:- George. „Gij weet wel, juffrouw, dat wij van morgen terloops over zeker iemand hebben gesproken? Gridley. fluisteilt;li\' hy zacht achter zijne hand. „Ja,quot; zeide ik._ „Hij is IMj mij verscholen, ik kon dat toen niet zeggen. Was er niet toe gemachtigd. Hij is op zijn ïaatsten marsch, juffrouw, en heeft nu eene gril gekregen om \'haar te willen zien. Hij zegt, dat zij elkander kunnen verstaan, en dat zij hier haast zoo goed als --ene vriendin vooi hem is geweest, ik kwam dus naar haar zoeken, want toen ik van middag bij Gridley zat. scheen ik den doodenmarscli al tehoon-n.\' „Zal ik het haar zeggen?quot; vroeg ik. ,Zoudt. gij zoo goed willen zijn?quot; antwoordde hij. met een blik, die wel iets vreesachtigs had. naar juffrouw Elite omziende „Het is een geluk, dat ik u ontmoet h.-b. juffrouw; ik twijfel of ik wel motdat vrouwljo had kunnen terechtkomen.quot; En hij stak de eene hand in de borst en bleef in eene krijgshaftige houding staan, terwijl ik juffrouw Elite den inhoud zijner vriendelijke boodschap toefluisterde.

„Mijn driftige vriend uit 8h ropsh i n\', Bijna ev\'-n beroemd als ik zeltl tiep zij uit. 1 waarlijk! Melieve, ik zal hem met het grootste vei\'maak g-ian i^t zookon.\' „Mij woiut s(.hiiii-gehouden bij mijnheer George,quot; zeide ik „St^. Dit is mijnheer George.quot; „In -der- daad. ;Mit woord de juffrouw Elite. „Ten hoogste vereerd! Een militair persoon, melieve. Ziet ge wel, i

ron volmaakt generaal!quot; fluisterde zij mij toe Om hare achting voor den militairen stand te toonen, scheen de arm-- juffrouw Elite hot noodig te achten zoo beleefd te zijn en zoo dikwijls te nijgen, dat het niet gemakkelijk was haar buiten -Ie zaal te brengen. Toen dit eindelijk gelukt was, gaf zij (ieorge, wien zij gedurig „generaalquot; noemde, haar arm, tot groot vermaak van eenige toekijkers. Hij was zoo vei-legen en bad mij zoo e- rbiedig en dringend om h--in „niet in den steek te laten, dat ik daai-toe nog niet kon besluiten, vooral daar juff rouw i-\'lite voor mij altijd handelbaar was, en zij ook zeide- Eitz-Jarndyee, melieve, gij zult ons na-

: aurlijk vergez-llen - Daar Richard insgelijks g.i-

nee- n scheen om deze twee veilig naar -1-- plaats hunner bestemming te brengen, gaven wij toe; ,„ daar Cieorge ons berichtte, dat (iridley, nadat hij van het gesprek van dien Ochtend had ge-li.\'ior-l. een geheek-n namiddag over den heer Jarndyce had gemaald, schreef ik haastig niet potlood eon briefje aan mijn voogd, om hem te berichten waar wij heen waren en waarom, (reoige rach-tteerde \'het in een koffiehuis, opdat het tot


-ocr page 185-

(iKlDLEY\'S SCIirii,PLAATS.

173

geene ontriekking aanleiding zou geven, en wij zonden het met een kruier.

Daarna namen wij eene huurkoets en lieten ons in de nabijheid van Leicester Square afzetten. Wij gingen cenige nauwe steegjes door, waarvoor mijnheer George versehooning vroeg, en kwamen weldra aan de schermschool, die gesloten was. Toen hij aan de schel trok, kwam een zeer deftig oud heer, met grijs haar, een bril, een breed gelanden hoed en eene rotting met een gouden knop, naar hein toe.

„Neem mij niet kwalijk, goede man,quot; zeide hij, „maar is dit George\'s schermschool en schiet-galerij?quot; -- „Ja, mijnheer,quot; antwoordde mijnheer George, en keek op naar de groote letters, waarmede die woorden op den gewitten muur geschilderd waren. ,0, wel zeker,quot; zeide de oude heer, zijn oogen volgende. „Wel bedankt. Hebt gij al gescheld?quot; „Ik heet Genrge, mijnheer, en ik heb gescheld.quot; „Zoo waarlijk,quot; zeide de oude heer. „Gij heet George? Dan ben ik even gauw hier als gij, ziet ge. Gij zijt mij zeker zelf komen roepen?quot; - „Neen, mijnheer. Ik heb het plezier niet van u te kennen.quot; — „Zoo waarlijk?quot; hervatte de oude hei r. „Dan is het uw jongetje geweest, dat om mij kwam. Ik ben een dokter en heb vijf minuten geil den eene boodschap gekregen om in George\'s schermschool en schietgalerij bij een zieke te komen.quot; „De doodenmarsch,quot; zeide mijnheer George, zich naar Richard on mij koerende en ernstig zijn hoofd schuddende. „Gij zijt dus terecht, mijnheer. Wilt gij zoo goed zijn om binnen te gaan?quot;

Daar de deur op dat oogenblik werd geopend door een allerzonderlingst manneke, met eene muts en een voorschoot van groen baai, en wiens gezicht, kleeren en handen geheel en al zwart waren, gingen wij eon donkere gang door naar eene groote lange zaal mol kale stoenen muren; hier en daar waren schietschijven, geweren, degens en andere dingen van dien aard. Toen wij allen daar binnen waren, bleef de doktor staan, en zijn hoed afnome-ndo. scheen hij door tooverij te verdwijnen en een geheel ander man in zijne plaats te laten.

„Luister eens. George.quot; \'/\' ide deze man, zich snel naar hom omkeerende en hem met een langen voorvinger op de borst \'ikkende. „i gt;ij kont mij en ik kon u. lt;iij zijt een man van de wereld en ik ben oen man van do wereld. Ik heet. Bucket, zooals gij weet, en ik heb eene volmacht tegen Gridloy. Gij hebt hem languit den weg gehouden en dat hebt gij kunstig gedaan gij hebt er eer van,quot;

George zag hem strak aan, beet op zijne lippen en schudde zijne hoofd,

„Kom aan, George,quot; zeide de ander, zeer dicht bij hom blijvende; „gij zijt een verstandig man en een ordentelijk man; dat zijt ge zonder eenigen twijfel, Kn zooals ge wel hoort,

ik spreek niet tegen u als tegen oen gemee non kerel, want gij hebt uw land gediend en weet, dat men moet gehoorzamen als de plicht bevoelt. Gij zijt er dus ver vandaan om moeite te willen maken. Als ik bijstand noodig had, zoudt ge mij bijstaan; dat zoudt ge zeker, l\'hil Squod, schuif niet op die manier de galerij langs;quot; hot morsige manneke schoof met zijn schouder tegen den muur voort en hield zijne oogen op don indringer gevestigd, op eene manier, die tamelijk dreigend was; „want ik ken u en wil dat niet hebben,quot; — „Phillquot; zeide mijnheer George, „Ja, commandant.quot; „Houd u stil.quot;

Het manneke bromde en bleef stilstaan,

„Hoeren en dames,quot; zeide mynheer Bucket, „gij zult wel zoogoed zijn om het onaangename, dat dit of dat hebben mocht, te verschoonen, want ik ben inspecteur Bucket van de geheime politie, en ik heb oen plicht te vervullen. George, ik weet waar mijn man is, omdat ik gisteravond op het dak was en hem door de lantaren zag en u bij hem. Hij is daar, weet ge,quot; vervolgde hij, met de hand wijzende, „daar is hij, op eene canapé. Ik moet hem zien, en ik moet hem zeggen, dat hij zich in hechtenis moet achten, maar gij kent mij en gij weet wel, dat ik geone harde maatregelen wonsch te nemen. Gij geeft mij uw woord, als een man aan een man ten een oud soldaat ook, onthoud dat), dat alles tusschen ons beiden eerlijk zal toegaan, en ik zal zooveel voor u inschikken als in mijn Vermogen is.quot; „Ik geef het u,quot; was het antwoord. „Maar het was toch niet mooi van u. mijnheer Bucket.quot; - „Gekheid, George. Niet mooi ?quot; zeide mijnheer Bucket, hem nog eens op de breode borst tikkende en daarna de hand gevende. „Ik zeg immers niét, dat het niet moei van u was hem zoo dicht verscholen te houden, doe ik wol? Doe als ik, en blijf in een goed humeur, oude jongen. \'Uj oude Willem Teil! Gij oude ijzervreter! Hij is immers op zich zelf oen model van het geheele BWtscho leger, hoeren en dames! Ik zou een briefje van vijftig pond willen geven om zulk oen figuur te hebben.quot;

Toen de zaak in zooverre geschikt was, deed Geoige, na eetiig bedenken, het voorstel, dat hij eerst, eens alleen naar zijn kameraad (gelijk lii; hom noemdei zou gaan zien en julfrouw Kliti medenemen. Daar mijnheer Bucket hit i in toestemde, gingen deze twee naar het anderi einde der galerij en lieten ons by eene met geweren bedekte tafel zitten en staan. Mijnheer Bucket nam deze gelegenheid waar om in ren luchtig gesprek te treden; vroeg mij of ik bantr voor schietgeweer was, gelijk de moeste jonge dames, vroeg Richard of hij eon goed scherp schutti r was, vroeg l\'hil Squod wat hij voor liet beste van die geweren hield, en hoeveel zulk i een geweer wel waard was, hem tegelijk zeg i geilde, dat het jammer was, dat hij zich zoo I drift ig maakte, daar hij anders zoo znchtzinnig


-ocr page 186-

van aard was, dat hij wel een meisje had kunnen zijn; kortom, hij poogde zich bij iedereen aangenaam te maken.

Eene poos later volgde hij ons naar het andere einde der galerij; en Richard en ik wilden juist heengaan, toen mijnheer George ons achterop | kwant. Hij zeide, dat indien wij er niet togen hadden om zijn kameraad te komen zien, deze j zeer gaarne een bezoek van ons zou willen heb-I ben. Nauwelijks had hij dit gezegd of er werd gescheld, en mijn voogd kwam binnen; „om I te zien,quot; merkte hij vluchtig aan, „of hij in I staat was om iets te doen voor een armen kerel, die in hetzelfde ongeluk als hij was gewikkeld.quot; Wij gingen alle vier terug, en traden het ; vertrekje binnen, waar Gridley lag.

Het was een armoedig kamertje, met onge-i verfde planken van de galerij afgeschoten. Daar het beschot niet hooger reikte dan acht of tien voet en er geen afzonderlijke zoldering was, zag I men omhoog de balken van het hooge dak der _ ilerij en de lantaren, waardoor niijnlu «rBucket naar beneden had gekeken. De zon was reeds laag gedaald — ging byna onder en een rood licht scheen van boven door de ruiten, zonder den grond te bereiken. Op eem; slechts met grof linnen overtrokken sofa lag de man uit S hpp p-; shire, omtrent eveneens gekleed als wij hom I het laatst gezien hadden, maar zoo veranderd, I dat ik in het eerst geene de minste gelijkenis i in zijn kleurloos gezicht bespeurde.

Hij was in zijn schuilhoek nog aan het schrij ven geweest en dacht nog altijd over zijne grieven. Bene tafel en eenigö kasplanken waren met beschrevene papieren, afgesletene pennen en dergelijke teekenen zijner voortdurende bezigheid beladen. Door een oven aandoenlijk als ontzettend lot vereenigd, waren hij en het gekke vrouwtje nu bij elkander on als het ware alleen. Zy zat op een stoel en hield zijne hand vast; en niemand van ons ging dicht bij hen.

Zijne stem was verflauwd, evenals de oude uitdrukking van zijn gezicht, en zijne kracht, en zijne mmstorigheid, en zijn weerstand tegen het onrecht, dat hem eindelijk had doen zwichten. De flauwste schaduw van een krachtig gevormd en gekleurd voorwerp geeft zulk eene voorstelling daarvan, als hij traf van dien man uit Shropshire, met, wien wij vroeger hadden gesproken.

Hij boog /.ijn hoofd voor Richard en mij en sprak tot mijn voogd:

„Mijnheer Jarndyee, het is heel vriendelijk van ii. dat gij mij eens kom! zien. Ik zal niet lang meer te, zien wezen, denk ik. Ik ben zeer biy, dat ik u de hand mag geven, mijnheer. Gy zyt een braaf man. boven alle onrechtvaardigheid verheven, en God weet, dat ik u hoogacht.quot;

Zy drukten elkander ernstig de hand, en mijn voogd sprak hem eenige woorden van troost toe. , I let zal ii misschien vreemd voorkomen, mijnheer,quot; hervatte Gridley, „maar als dit onze eerste ontmoeting was geweest, had ik u niet gaarne willen zien. Maar gij weet wel hoe ik er om gevochten heb, gy weet wel hoe ik alleen hun heb kamp geboden, gij weet wel hoe ik hun tot het laatste toe de waarheid heb laten hooren, en hun gezegd heb wat zij waren en wat zij mij gedaan hadden; en dus kan het mij niet schelen, dat gij mij ook ziet, nu ik zoo afgestreden ben.quot; -„Gij hebt hun dikwijls genoeg uw moed getoond,\' antwoordde mijn voogd. „Dat heb ik, mijnheer, * zeide Gridley met een hauwen glimlach. „Ik heb u gezegd wat er van komen zou, als ik dat niet meer deed; en zie nu hier. Zie ons eens aan.quot; Hij stak de hand, die juffrouw Flite vasthield, door haar arm en trok haar wat dichter naar zich toe. „Dit is het einde. Van alles wat mij vroeger dierbaar was, van al mijn vroeger streven en hopen, van de geheele wereld der levenden en der dooden, Is deze arme oude ziel de eenige, op wie ik nog betrekking gevoel en bij wie ik nog pas. Er is een band van vele jaren lydens tusschen ons, en dat is de eenige band van allen, die ik op de wereld had, dien do Kanselarij niet heeft verbroken.quot; — „Ontvang mijn zegen, Gridley.quot; zeide juffrouw Plite met tranen. „Ontvang mijn zegen!quot; „Ik dacht, en ik heb er op geroemd, dat zij mij nooit het hart konden breken, mijnheer Jarndyee. Ik had mij voorgenomen, dat zij het niet zouden doen. Ik geloofde, dat ik hun hunne valschheid zou kunnen en zou blijven verwijten, tot Ik aan eene of andere lichaamskwaal stierf. Maar ik ben versleten. Hoelang dat verslijten al heeft, geduurd, weet ik niet; ik scheen nu op eens te bezwijken. Ik hoop, dat zij er nooit van zullen hooren. Ik hoop, dat iedereen hier hen zal doen gelooven, dat ik hen tot mijn dood toe heb uitgetart, gelijk ik zoovele jaren lang gedaan heb.quot;

Hier kwam mijnheer Bucket, die in een hoek bij de deur zat, goedhartig tusschen belden, om zooveel troost te geven als hij geven kon.

„Kom, kom,quot; zeide hij uit zijn hoek. „Praat zoo niet, Oridley. (lij zijt maar een beetje flauw. Alle menschen zijn somtyds een beetje flauw -ik ook wel. Houd u goed. Gjj zult u nog dikwijls genoeg op den heelen troep kwaad maken; en ik zal u nog twintigmaal in hechtenis nemen, als het mij maar gelukken wil.quot;

Gridley schudde zijn hoofd.

„Schud uw hoofd maar niet,quot; vervolgde mijnheer Bucket. „Knik liever; dat zou ik van u willen zien. Wel, God zegen u, wat hebben wij niet samen beleefd! Heb ik u niet ontelbare malen in de Fleet gezien, voor minachting van het Hofv Ben ik niet wel twintigmaal in het Hof moeten komen, alleen om te zien hoe ge den kanselier als een bulliond had vastgepakt? Weet ge niet meer van den tijd toen gij pas die rechtsgeleerde heeren begont te dreigen, en gij driemaal in de week moest borg stellen, dat gij uwe

174 HET VERLATEN HIMS,


-ocr page 187-

s .\\ a (i s hy ■ s v]{ i; em d e g !•: m n i: i )ss r i; m m i n (:

175

rust zoudt houden? Vraag dat oude juffrouwtje maar; zij is er altijd bij geweest. Houd u goed, mijnheer Oridley; houd u goed, mijnheer!quot; , Wat zult gij nu met hem doen?quot; vroeg George zacht. - ,Dat. weet ik nog niet,quot; antwoordde Bucket op denzelfden toon, en vervolgde toen overluid zijne bemoedigende toespraak. «Versleten, mijnheer Gridley? Nadat ge mij zoovele weken lang om den tuin hebt geleid, en mij eindelijk gedwongen om hier als een kater op het dak te klimmen en u als dokter eene visite te komen brengen? Dat gelijkt nog niet naar versleten, zou ik denken. Ik zal u eens zeggen, wat gij noodig hebt. Gij hebt leven en bewe- | ging noodig; daaraan zijt ge gewoon en kunt er niet buiten. Ik zou het ook niet kunnen. Welnu dan; hier is eene volmacht die mijn- : heer Tulkinghorn van Lincoln\'s Inn Fields tegen u genomen heeft, en die al in een half dozijn graafschappen is geteekend. Wat zegt gij er van om op die volmacht met mij mee te gaan en uw hart eens voor een vrederechter uit te schudden? Dat zal u goeddoen: het zal u opfrisschen en op adem brengen om den kanselier nog eens uit te luchten. Hot opgeven ? Wel, het verbaast mij als ik een man van uw karakter van opgeven hoor praten. Dat moet ge niet doen. Gij maakt de helft van de pret in het Hof dei\'Kanselarij. George, reik mijnheer Gridley eene hand, en laten wij eens zien of | hot staan hem niet beter bevalt dan het lig- i gen.quot; „Hij is heel zwak,quot; zelde George zacht. „is hij?quot; antwoordde Bucket bekommerd. „Ik wilde hem maar wat opwekken. Ik zie niet gaarne, dat een oude kennis het zoo opgeeft. Het zou hem opbeuren als ik hem maar wat kwaad op mij kon maken. Hij mag mij vrij klappen geven, links en rechts, als hij verkiest. Ik zal er hem niet over aanklagen,quot;

Juffrouw Flite gaf op dat oogenblik een gil, die mij nog in de ooren klinkt.

,0 neen, Gridley,quot; riep zij, toen deze meteen kalm gelaat achteroverzonk. ,Niet zonder mijn Zegen. Na zoovele jaren 1quot;

De zon was ondergegaan, het licht omhoog was langzamerhand verdwenen en de schaduw was opgekropen. Maar voor mij viel de schaduw van dat paar, eene levende en een doode, zwaarder op Richard\'s vertrek dan de duisternis van den donkersten nacht; en door Richard\'s afscheidswoorden hoorde ik heengalmen:

„Van alles wat mij vroeger dierbaar was, van al mijn vroeger streven en hopen, van degeheele wereld der levenden en dei dooden is deze arme oude ziel de eenige, op wie ik nog betrekking gevoel en bij wie ik nog pas. Kr is een band van , jaren lijdens tüsschen ons. en dal isdeenuge band van allen, die ik op de wereld had, dien do Kanselarij niet heeft verbroken.*

XXV.

JUFFROUW s.\\AGSl!Y ZIET ALLES WEI,.

Er heerscht onrust in het Cook\'s Hofje in lt;\' u r-sitor-y t reet. Zwarte vermoedens verdonkeren dat vreedzame gewest. De Cook\'s Hovelingen over het algemeen zijn in hunne gewone gemoedsstemming, niet beter en niet erger; maar Snagsby is veranderd en zijn vrouwtje weet dit wel.

Want To m-A 1 I-Al on e\'s en Lincoln\'s Inn Fields spannen zich zeiven als een paar ontembare harddravers voor den wagen van Snagsby\'s verbeelding, en Bucket zweept ze voort, en de passagiers zijn Jo en mijnheer Tulkinghorn; on die geheele equipage rijdt in vollen ren door den kantoorwinkel in het rond. Zelfs in de keuken, waar het huisgezin eet, ratelt zij in volle vaart om de tafel heen, wanneer Snagsby de eerste snede van den gebraden schapenbout heeft gesneden, en dan ophoudt om naar den muur te staren.

Snagsby kan niet begrijpen, hoe het komt, dat hij er iets mee te maken heeft. Er is ergens iets, dat niet deugt; maar wat het is, wat er van komen kan, voor wien, en van welken on-verwachten kant, is een verbijsterend raadsel. Zijne flauwe voorstelling van de hermelijnen mantels en gravenkroontjes, do sterren en kousebanden, die door de stoflaag van mijnheer\'l\'ul-kinghorn\'s kamer heenschitteren; zijn eerbied voor de geheimen van dien besten en geheim-zinnigsten zijne r klanten, voor wien de geheele rechtsgeleerde buurt ontzag koestert; zijne herinnering van den geheimen mijnheer Bucket met zijn voorvinger enzijne vertrouwelijke manieren, waartegen men zich onmogelijk kan verdedigen; alles overtuigt hem, dat hij deelgenoot is van een of ander gevaarlijk geheim, zonder te weten wat dit is. En het is eene vreeselijke eigenaardigheid van dezen toestand, dat in ieder uur van zijn dagelijksch leven, telkens als de winkeldeur wordt geopend, als er aan de schel wordt getrokken, ais er een bode binnenkomt of een brief overgegeven wordt, dit geheim lucht kan krijgen, vuur kan vatten, kan ontploffen en mijnheer Bucket alleen weet wie in de lucht doen vliegen.

Het is om deze roden, dat wanneer een onbekend persoon in den winkel komt (gelijk veie onbekende personen doen) en zegt; „Is mijnheer Snagsby thuis?\' ol\' ne t andiav woorden dezelfde onschuldige vraag don, Wnagsby zijn hart bonzend tegen de schuldige borst voelt kloppen. Zulke vragen martelen hem zoodanig, dat hij, als zij door jongens gedaan worden, wraakt nennt door hen over de toonbank hoen een draai om de ooren te geven n de jonge rekels te vragen wat zij daarmee meenen, en of zij niet terstond hunne boodschap kunnen


-ocr page 188-

HET VERLATEX HUIS.

doonV Hersenschiramigo mannen en jongens bezoeken hem gedurig in zijn slaap en beangstigen hem met onverklaarbare vragen; zoodat dikwijls, wanneer de haan van den melkboer in Cnrsitor-Street zich op zijne gewone ongerijmde manier over den morgenstond vroolijk maakt, Snagsby zich juist in eene crisis van de nachtmerrie bevindt, en zijn vrouwtje hem wakkerschudt en zegt: „Wat scheelt denman toch V\'

Dat vrouwtje zelve vergroot zijne bezwaren niet weinig. Te weten, dat hij haar op den duur een geheim onthoudt, dat hij onder allo omstandigheden de pijn eerier gevoelige; kies voor haar moet verbergen, welke hare scherpzinnigheid hem altijd uit den mond wil breken, geeft hem, in de tegenwoordigheid dier tand meesteres, het voorkomen van een hond, die iets voor zijn meester te ontveinzen heeft, \' ii daarom liever naar alle andere kanten heenkijkt, dan zijn blik te ontmoeten.

De verschillende teekenen en blijken, door liet vrouwtje opgemerkt, gaan niet voor haar verloren, \'/.ij dwingenhaarom te zeggen:, Snags-by heeft iets op zijn gemoed!quot; En zoo komt er achterdocht in Cook\'s Hofje. Van achterdocht tot jaloezie vindt juffrouw Snagsby den weg zno natuurlijk en gemakkelijk als van Cook\'s Hofje naar Chancery-Lane. En zoo komt do jaloezii in Cook\'s Hofje, Eens daar (en zij loerde daar altijd rond), is zij zeer werkzaam en woelig in de borst van juffrouw Snagsby drijft haar aan tot een nachtelijk onderzoek van haar mans zakken, tot het heimelijk lezen van zijne brieven, tot geheime nasporingen in het journaal en grootboek, in de geldladen en de ijzeren kist: tot hot spionne..ren aan vensters, tot het luister* !) achter deuren en tot een algemeen ••omblneeren van allerlei omstandigheden, allen even verkeerd opgevat.

Juffrouw snagsln is zoo gedurig in de weer, dat het met al dat kraken van planken en ritselen van kleeren waarlijk is alsof het in huis spookt. De leerlingen denken, dat er in vroeger tijd wel iemand in vermoord kanzijn.Oustakoes-tert zekere schemeringen van een denkbeeld • uit. Tooting medegebracht, waar het onder de weeskinderen heerschte), dal er onder in den kelder gold is bigraven, hetwelk door i en oud man mei grijzen baard wordt bewaakt, die daar in geen zeven duizend jaren vandaan kan, omdat hij eens het, Onzi Vader van achteren naar voren heeft opgezegd.

„ Wje was die Nimrod quot; vraagt Juffrouw Snagsby gedurig bij zich zelve. „Wie was die dame dat vrouwmensch? Kn wie is die jongen?quot; Daar Nimrod evendood is als de geweldige jager, wiens naam juifrouw Snagsby hem heeft toebedeeld, en de daim niet t- vinden is. vestigt zij de oogen van haar g» gt; si voorshands met verdubbelde waakzaamheid op den jongen, „En wie,quot; zegt juffrouw

Snagsby voor de duizend en eerste maal, „is | die jongen? Wie is die...,!\' En hier krijgt j juffrouw Snagsby eene inspiratie.

Hij heeft geen ontzag voor mijnheer Chad- l hand. Neen, zeker niet, en dat kon hij natuurlijk niet hebben. Hij werd door mynheer Chadband gevraagd en gedrongen —- dat heeft zij immers met hare eigen ooren gehoord — om terug te komen, en zich te laten zeggen waar hij belanden zou, en zich door mijnheer Chadband te laten bekeeren; en hij kwam niet! Waarom kwam hij niet? Omdat een ander hem zi ide, dat hy niet komen moest. Wie zeide hem, dat hij niet komen moest? Wie? Ha, ha! Juffrouw Snagsby ziet alles wel.

Maar gelukkig (en juffrouw Snagsby schudt dreigend haar hoofd met een dreigenden glimlach) werd die jongen gisteren door mijnheer Chadband op straat ontmoet; en daar die jongen een onderwerp aan de hand doet, waar- | over mijnheer Chadband tot stichting eener j uitgelezene vergadering het woord wenscht te voeren, grijpt mijnheer Chadband hem vasten j dreigt hem aan de politie te zullen overgeven, | als hij den eerwaarden heer niet wijst waar | hij woont en de belofte op zich neemt en ver- j vult om morgenavond in Cook\'s Hofje te ver- i schijnen ,mor-gen-avond,quot; herhaalt juffrouw Snagsby, alleen om meer nadruk aan die woor- i den te geven, met nog een dreigend hoofd- \'• schudden en morgenavond zal die jongen hier zijn, en morgenavond zal juffrouw Snagsby hem en niemand anders in het oog houden; „en o, gij moogt lang uwe geheime wegen gaan (zegt juffrouw Snagsby met trotsche minachting) maar gij kunt mij niet blinddoeken.quot;

Juffrouw Snagsby laat niemands ooren tuiten, maar houdt zich doodstil. De morgen komt, \' er worden samelijke toebereidselen gemaakt, en het wordt avond. Daar komt mijnheer Snagsby met zijn zwarten rok; daar komen do Chad- ; band\'s; daar komen (als het zwelgende vat vol is) de leerlingen en öusta, om gesticht te : worden; daar komt eindelijk, met zijn hangend hoofd en sloftenden gang, en met zijn stukje bonten muts in de modderige hand, waaraan hij pluist alsof het een ruiende vogel was, dien hij gevangen had en plukken wilde, eer hij hem i rauw opat, Jo, het stichtelijke, allerstichtelijk-ste. onderwerp, waarover mijnheer Chadband ; het woord zal voeren,

Jutfrouw Snagsby schroeft als het ware haar blik aan Jo vast, zoodra hij door Gusta in het zijkamertji wordt gelaten. Hij ziet Snagsby aan op het oogen blik, dat hij binnenkomt. Ei zoo! Waarom ziel hij Snagsby aan? En Snagsby ziet hem aan. Waarom doet hij dat; of denkt hij, dat zijne vrouw het niet ziet\'.\' Waarom anders zou die blik tusschen hen gewisseld worden; wai\'irom anders zou Snagsby verlegen worden en achter zijne hand een waarschuwend j


-ocr page 189-

MMMI KKi; C\'HADHAXD\'S TOESIMtA AK

177

kuchje kuchen? Het is zoo klaar als de dag, dat Snagsby de vader van dien jongen is.

„Vrede, mijne vrienden,quot; zegt (\'hadband, opstaande en het olieachtige zweet van zijn eerwaardig gezicht vegende. „Vrede zij met ons ! Omdat,quot; met zijn vetten glimlach, „de vrede niet tegen ons kan zijn, omdat hij voor ons moet zijn; omdat hij niet verhardend is, omdat hij verzachtend is; omdat hij geen krijg voert gelijk de draak, maar naar ons toe komt gevlogen gelijk de duif. Daarom, mijne vrienden, vrede zij met ons • Gij menschel ij ke jongen, kom vooruit!quot;

Zijne gevleesde hand uitstrekkende, legt uwe vordering, tot uw nut, tot uw profijt, tot uw welzyn, t o t uwe verrijking ! Mijn jonge vriend, zet u op dit bankje.quot;

Jo, zich naar het schijnt verbeeldende, dat de eerwaarde heer zijn haar wil snijden, beschermt zijn hoofd met beide armen, en wordt met groote moeite en na veel tegensporrelens tot zitten gebracht.

Nadat hij eindelijk als cene ledepop in postuur is gezet, plaatst Chadband zich achter de tafel, steekt zijn berenpoot op en zegt: ..Mijne vrienden!quot; Dit is het sein voor de geheele vergadering om zich insgelijks in postuur te-zetten. lgt;i leerlingen grinniken heimelijk en


Chadband die op Jo\'s arm, en bedenkt zich waar hij hem zal plaatsen. Je, zeer twijfelachtig omtrent de voornemens van zijn eerwaarden vriend, en lang niet gerust, dat hem niet iets gedaan zal wonb n, dat hem jiiju zal doen, mompelt ; „Laat me los. ik heb u nooit iets in den weg gelegd. Laat me les!quot; — „Neen, mijn jonge vriend,quot; antwoordt i hadband zoetsappig; ..ik wil u niet loslaten. En waarom niet? Omdat ik een arbeider in den wijngaard ben, omdat ik een zwoeger en slover ben, omdat gij aan mij zijt overgeleverd en tot een kostbaar werktuig in mijne handen zijt geworden. Mijne vrienden, o, mocht ik dit werktuig zoo gebruiken, dat het strekken mocht tot uw voordeel, t ot stooten elkander aan. Gusta zinkt in eenv sla-rende verstrooiing, samengesteld uit bolt* bewondering voor mijnhi er i hadband en uit me-deiyden met den armen verworpeling, wiens toestand zoo weinig van den haren verschilt. Juffrouw Snagsby legt stil hare loopjes buskruit, juffrouw Chadband schikt zich met .-on knorrig gezicht bij het vuur en warmt hare knieën; daar zij dit gevoel ze( r bevorderlijk voor \'de aandacht vindt.

Nu gebeurt het, dat ejiadband enu- preekstoel-gewoonte her-ft, om een of ander lid dei-gemeente in het oog te vatten, en te spreken alsof hij met dien persoon in het byzonder redeneerde, van vvien dan verwaeht wordt.


Dicki n-. Hit ifihilfn Huis.

IJ

-ocr page 190-

HET VEItLATEN HUIS.

dat hij zich nu en dan tot een zucht, een der te zeggen heeft, met den bovengemelden

snik, een gebrom of ander blijk van innerlij- duimnagel, in Snagsby te Avillen inboren,

k\' ii strijd zal laten bewegen\', hetwelk dan „Het is,quot; zegt hij, ,de straal der stralen, de

door c-t-rio andere bejaarde dame in de naaste zon der zonnen, de maan der manen, de ster

bank wordt herhaald, en zoo gelijk een pand- ; der sterren. Het is het licht der wa-a arheid. |

spelletje door den kring der lichtst aandoen- Chadband rekt zich uit en ziet bnagsby ze- :

lijke zondaren wordt voortgezet, en gelijk de ge vierend aan, alsof hij wel eens wilde weten |

toejuiching In het parlement, dienstig is om den ; hoe hem dat bekomen is.

spreker in vuur te houden. Alleen uit ge- „De wa-a-rheid,\' zegt Chadband, hem we-

woonte heeft quot;Chadband bij het zeggen van der aanvallende. „Zeg mij niet, dat zjj niet

„mijne vrienden!\' de oogen op Snagsby geves- de lamp der lampen is. Ik zeg u, zij is het.

tigd, en blijft hij dien ongelukkigen kantoor- Ik zeg u, millioenen malen, zij is het. Zij is

winkelier, die reeds verlegen genoeg is, tot het. ik zeg u, dat ik het u verkondigen zal, ;

den onmiddellijken ontvanger zijner redevoe- hetzij het u behage of niet; ja, dat ik, hoe

ring maken. minder het u behaagt, het u des te meer zal :

„quot;wij hebben hier onder ons, mijne vrien- verkondigen. Met eene spreektrompet! Ik zeg

den.quot; zegt Chadband, „een heiden en afgo- u, dat gij, als gij daartegen opstaat, zult val-

dendienaar, een bewoner der tenten van T o m- len, zult verpletterd worden, zult vergruisd

A li-Al one\'s, een zwerveling over de opper- worden, zult vermorzeld worden.quot;

vlakte der aarde. Wij hebben hier onder ons,quot; Daar deze welsprekende uitboezéming- - welen terwijl Chadband dit punt met zijn vullen kor kracht door de aanhangers van mynheer duimnagel demonstreert, ziet hij Snagsby met Chadband zeer bewonderd werd niet alleen oen olieaehtigen glimlach aan, óm aan te dui- gestrekt heeft om den spreker ongemakkelijk den, dat hij hem terstond met een argument : warm te doen worden, maar ook om den on-overhoop zal gooien, als hij niet reeds op den schuldigen Snagsby voor te stellen in het licht grond ligt, „oen jongen en een broeder, ver- van een gezworen vijand der deugd, met een stoken van ouders, verstoken van betrekkin- voorhoofd van metaal en een hart van diamant, gen, verstoken van kudden schapen en runde- wordt die ongelukkige winkelier hoe langer hoe ren, verstoken van goud en zilver en kostbare meer verlegen. Hij is reeds diep terneerge-steonen. Nu, mijne vrienden, waarom, zeg ik, slagen en weet niet meer hoe zich te houden, is hij verstoken van deze bezittingen? Waarom ? op het oogenblik dat Chadband hem geheel i WaaromVquot; Chadband zegt dit op een toon alsof toevallig de rest geeft.

hij Snagsby een nieuw, zeer schrander en „Mijne vrienden,quot; hervat hij, nadat hij zijn moeielijk raadseltje opgaf en hem drong om het vet hoofd eenigen tijd heeft gewreven - en niet op te geven. het rookt zoodanig, dat hij er zijn zakdoek aan Snagsby bedremmeld door den geheimzin- , schijnt aan te steken, daar deze insgelijks be-nigen blik, dien /.ijn vrouwtje hem heeft toe- gint te ronken, „om het onderwerp te vervol-geworpen juist op het oogenblik toen Chad- gen, dat wij met onze geringe gaven trachten band het woord „ouderenquot; uitsprak laat toe te lichten, zullen wij in een geest van liefde zi,-h wrleiden tot het bescheidene gezegde : „Ik onderzoeken, wat die wa-a-arheid is, waarvan weet het waarlijk niet, mijnheer.quot; Deze stoor- | wij hebben gesproken. Want, mijne jonge vrion-nis doet juffrouw Chadband een paar toornige den,quot; hier richt hij zich, tot hun schrik, oogen opslaan, en juffrouw Snagsby .Foei!quot; eensklaps tot de leerlingen en Gusta -- „inroepen. dien de dokter mij zegt, dat calomel of mus- : „ Ik hoor eene stem,quot; zegt G hadband. „Is kus goed voor mij\'is, mag ik natuurlijk vragen, ; het eene zachte, stille stem, mijne vrienden ? wat is calomel, en wat is muskus. Ik mag Ik vro\'-s van neen, hoewel ik gaarne wil ho- wenschen daarvan onderricht te worden, eer | pen .„Ha!quot; voegt juffrouw snagsby or ik een van beiden inneem. Nu, mijne jonge i tuss\' hen. I gt;ie zegt, ik weH het niet. Dan vrienden, wat is dan wa-a-arheid? Eerst cl ijk | /.al ik u zeggen waarom. Ik zeg. deze broeder, (in den geest van liefde) wat is de gewone hier onder ons tegenwoordig, is verstoken van soort van wa-a-arheid het werkpakje— de ouders, verstoken van betrekkingen, verstoken dagelyksche dracht -- mijne jonge vrienden, van kudden hapen en runderen, verstoken Is zij bedrieglijkheid?\' „Ha!\' valt juffrouw van goud, van zilver en kostbare steen* n, Snagsby hierop in. — „Is zij verzwijging? omdat hij verstoken is van het licht, dal som- Juffrouw Snagsby ontkent dit door te hui-mi\'_ren van ons beschijnt. Wat is dat licht ? veren.

Wat is het,? Ik viaag u, wat is dat lirht ?\' „Is zij geveinsdheid?quot;

Chadband trekt zijn hoofd terug en zwijgt,. Juffrouw Snagsby schudt haar hoofd.

maar Snagsby laat zich niet weder tot eene „Neen, mijne vrienden, zij is geen van deze.

onvoorzichtigheid verlokken. Wederom over de Geen van deze namen komt haar toe. Toen deze

tafel leunende, .schijnt Chadband wat hij ver- jonge heiden, thans onder ons — die nu in slaap

178

-ocr page 191-

DE WAAKZAME JUKFROÜW SNAGSBV. 179

i.s, mijne vrienden, daar het zegel der onverschilligheid en des vcrderfs op zijne oogleden is gezet j maar wekt hem niet, want het is behoorlijk, dat ik om zijnentwil moet worstelen, en strijden, en overwinnen — toen deze jonge verharde heiden ons een sprookje van Rood-kousje, van eene dame en een souverein vertelde, was dat de wa-aarheid? Neen. Of zoo al gedeeltelijk, was het de geheele en zuivere wa-a-arheid? Neen, mijne vrienden, neen.quot;

Indien Snagsby den blik van zijn vrouwtje kon wederstaan, die door zijne oogen, de vensters zijner ziel, binnendringt en geheel zijn binnenste doorzoekt, zou hij een ander moeten wezen dan hij is. Hij zit versuft en verslagen.

,01\' mijne jeugdige vrienden,quot; vervolgt Chad-band, tot de laagte van hun begrip afdalende, terwijl zijn vettige glimlach aanduidt, dat hij daartoe zeer diep naar beneden moet komen, „indien de meester van dit huis uitging in de 1 stad en daar een aal zag, en terugkomende de I meesteres van dit huis tot zich riep en zeide; 1 „Sara, verheug u met mij, want ik heb een 1 olifant gezien!quot; zou dat waa-arheid zijn?quot;

Juffrouw Snagsby \'is lot tranen quot;bewogen.

„Of onderstelt eens, mijne jeugdige vricn-I den, dat hij een olifant zag, en terugkomende zeide: „Zie, de stad is ledig, ik heb maar een ! aal gezien,quot; zou dat wa-a-arheid zijn?quot;

Juffrouw Snagsby snikt hardop.

„Of onderstelt mijne jeugdige vrienden,quot; vervolgt Chadband, door dit geluid aangemoe-{ digd, „dat de onnatuurlijke ouders van dezen I sluimerenden heiden — quot;want ouders heeft hij I gehad, mijne jeugdige vrienden, zonder eeni-gen twijfel — nahem voor de wolven en de gieren en de wilde honden en de jonge gazellen en de slangen te hebben geworpen, terugkeerden naar hunne woning en zich tot hunne pijpen en kannen, hun spelen en dansen, hunne gegiste.\' dranken, hun ossenvleesch en hun gevogelte begaven, zou dat wa-aarheid zijn?\'

Juffrouw Snagsby antwoordt hierop door zich ! aan een zenuwtoeval over te geven, niet als eene lijdzame prooi, maar met zooveel misbaar, ■ dat Cook\'s Hofje van haar gegil weergalmt. Eindelijk blijft zij zoo stijf als een boom liggen, en moet de trap worden opgedragen, gelijk men eene piano zou doen. Na een onbeschrijfelijk lijden, dat de grootste ontsteltenis veroorzaakt, wordt zij door boden uit de slaapkamer voor vrij van pijn maar zet r afgemat verklaard; in welken staat van zaken haarman, die bij dat piano dragen erg gestooten en getrapt is geworden, het z.i ■ r schroomvallig Waagt, I in do voorkamer van achter de deur te komen.

Al dien tijd is Jo op de plek blijven staan waar hij wakker is geworden, gedurig aan zyne muts plukkende en pluisjes in zijn mond stekende, Hij spuwt ze met een gezicht van wroeging weder uit, want hij gevoelt wel, dat hij een onverbeterlijke deugniet is, en dat het hem niet helpt zich tc willen wakker houden, want dat hij nooit iets leeren zal. Schoon het wel wezen kan, Jo, dat er eene geschiedenis is, zoo treffend en belangrijk, zelfs voor zielen zoo nabij aan de redelooze dieren verwant als de uwe, en waarin daden verhaald worden, die op deze aarde door gemeene menschen zijn verricht, dat indien de Chadband\'s zich zeiven uit het licht nemende, u die maar met eerbiedige eenvoudigheid wilden verhalen, haar niet wilden opsieren, haar maar voor welsprekend genoeg wilden houden, zonder hunne beschei-dene hulp — zij u misschien wel wakker zou houden en gij er nog uit zoudt kunnen leeren!

Jo heeft nooit van zulk een boek gehoord. De schrijver daarvan en de eerwaarde heer Chadband zijn hem even onverschillig — behalve, dat hij den eerwaarden heer Chadband kent, en \'liever een uur lang voor hem zou willen wegloopen dan vijf minuten naar hem luisteren, „Het helpt mij niets, dat ik langer hier sta te wachten,quot; deiikt Jo. „Mijnheer Snagsby zal mij van avond toch niets zeggen.quot; En hij sloft naar beneden.

Maar beneden is de goedhartige Gusta, die zich aan de leuning van de keukentrap vasthoudt en tegen een toeval kampt, dat nog twijfelachtig is, hoewel zij het reeds bij het gillen barer meesteres heeft voelen opkomen. Zij heeft haar eigen avondmaal, brood en kaas om liet aan Jo te geven, met wien zij het nu voor de eerste maal waagt een paar woorden te wisselen,

„Hier hebt ge wat te eten, arme jongen,quot; zegt Gusta. „Dankje,quot; zegt Jo. „Hebt gij honger?quot; — „Dat zou ik denken,quot; zegt Jo. ./eg eens, waar zijn uw vader en moeder ge-bloven ?quot;

Jo houdt op in het midden van een hap en blijft versteend staan kijken; want dit armhuis-Weesje heeft hem op den arm geklopt, en het is de eerste maal in zijn leven, dat eene onbezoedelde hand hem zoo aanraakt.

„Ik heb nooit iets vau hen geweten,quot; zegt Jo. „Ik ook nooit van de mijne,quot; roept Gusta uit. Zij bedwingt de voorboden van een toeval, maar schijnt van iets te schrikken en snelt naar beneden.

„Jo,quot; fluistert Snagsby zachtjes, terwijl de jongen op de trap staat te. dralen. — jlier ben ik, mijnheer Snagsby.quot; „Ik wist niet waar tnj waart hie r is nog eene halve kroon, Jo. (lij hebt wel gedaan, dat gij niets van du dame hebt gezegd, op dien avond toen wij te zamen uit waren. Dat zou maar moeite geven, (iij kunt u niet te stil houden. Jo.quot; „Ik kan wel zwijgen, mijnheer.quot;

En zoo goedennacht.

Eene spookachtige schaduw, met eene nacht-


-ocr page 192-

180 MET VEBLATEX HUIS.

muts op, volgt don kuiitoorwinkolitT naar de een spiegeltje van het kleinste soort heelt ge-

kamer, waaruit hij gekomen is, on zweeft hoo- schoren, stapt hij blootshoofds en met bloote

gorop. En voortaan wordt hij, waarheen hij ook borst naar de pomp op de plaats, en komt

gaan mag, door eene andere schaduw dan de weldra terug, blinkende van het wrijven met

zijne vergezeld, die hem nauwelijks minder ge- gele zeep en buitengemeen koud water. Ter-

trouw en nauwelijks minder stil is dan zijne wijl hij zich met een groven handdoek afdroogt,

eigene. En in welkeen nevelgewest van ge- proest hij gelijk een pas bovengekomen duiker;

helmen zijne eigene schaduw zich mag bege- en hoe meer hij zijne gekroesde haren wrijft,

ven, laten\' allen, die in deze geheimen betrok- ; des te dichter en stijver krullen zij om zjjne

ken\' zijn, zich hoeden ! Want de waakzame juf- door de zon gebruinde slapen, zoodat het schijnt,

trouw snagshy is daar insgelijks been van dat ze nooit door ee| minder geweldig instru-

zijn been, vleesch van zijn vieesch, schaduw ment dan eene Ijzeren hark of een roskam uit

van zijne schaduw. elkander konden gehaald worden. Terwijl hij

wrijft en poetst, snuift en blaast, zijn hoofd nu naar den eenen dan naar den anderen

XXVI. kant keert, om met meer gemak het vel van

zijn hals te kunnen schuren, en zijn lichaam j

sCHKKi\'senertkks. ver vooroverbuigt, om het nat van zijne krijgshaftige beenen te houden, kijkt Phil, die op

De winterochtend, die met doffe oogen en zijne knic n hot vuur aanlegt, naar hem op,

£•lt;•11 vaalbleek gezicht op de nabuurschap van aisof hij er schoon genoeg van werd, dat hij

L o leest e r S q u a r e n« derzlet, vindt zijne be- een ander zich zoo ziet wasschen, en het hem

woners zeer ongenegen om uit bed te komen, voor den geheelen dag genoeg opfrischte als

De mei sten van hen staan in het helderste hij maar de overtollige gezondheid opving, die

jaargetijde niet vroeg op, daar zij nachtvoge- zijn meester in het rond spat.

len zijii, die slapen wanneer de zon hoog aan Wanneer mijnheer Oeorgc droog is, gaat hij

den lie mei prijkt, en klaar wakker zijn en naar aan het werk om zijn hoofd te borstelen, met

prooi zoeken wanneer de sterren schijnen. Ach- twee harde borstels tegelijk, en zoo ongenadig,

ter morsige gordijnen, op bovenkamers en vlierin- dat Phil, die met zijn schouder tegen den muur

gen, zich meer of minder achter valsche na- de zaal rondschuift om den vloer te vegen, er

men, valsch haar. valsche titels, valsche ju- zijne oogen van dichtknijpt. Na dit borstelen is

wt elenenvalschegeschiedenissen verschuilende, het toilet van mijnheer George spoedig geheel

ligt eene kolonie van avonturiers nog in den voltooid. Hij stopt zijne pijp, steekt ze aan, en

eersten slaap. Ridders van het groene laken, stapt onder het rooken, volgens gewoonte, op

die bij ondervinding van buitenlandsche galeien en neer, terwijl Phil het ontbyt gereedmaakt j

en inlandsche tredmolens zouden kunnen spre- en daardoor een krachtlgen mik van warme

ken; spionnen van kraehtige gouvernementen, broodjes en koffle doet opgaan. 1 li] rookt deftig

die eeuwig van zwakh\' id en ellendige vrees en stapt in den paradepas. Misschien is deze

beven; in het achterspit geraakte verraders, pijp aan de nagedachtenis van Grldley in zijn

lafaards, bruteurs, spHers, zwendelaren en val- graf gewijd.

sche getuigen; sommigen onder hunne smerigi „En zoo, Phil,* zegt Ueorge, nadat iüj de plunje met het brandyzer gemerkt; allen met zaal verscheidene raaien atilzwygend op en neer meer wreedheid in hun binnenste dan Nero heeft gewandeld, „hebt gij verleden nacht gehad en mei meer misdaden dan Newgate droomd, dat ge buiten op het veld waart?\' heeft. Want, hoe slecht de duivel in grof duf- Phil had dit, met groote verwondering, bij fel en een linnen kiel kan wezen e ti in beide het opstaan verteld,

kan hij zeer .-lecht zijm, hij is een slimmer, „Ja, commandant.quot; — „En hoe zag het er

hardvoelitiger. onvt i\'iraaglijker duivel, wanneer daar wel uit?quot; — „Dat weet ik haast niet te

hij eem speld voor d borst steekt, zieli ei n zeggen, commandant,\'antwoordt Phil, zich be-

g\' n tl gt; man noemt, op eene kaart of eene denkende, „Waaraan zaagt ge dan, dat ge

kleur zet, een partijtje biljart en ieta van wis- buiten op het veld waart?quot; — „Aan het gras,

-eltj\' • en aceeptati\'Ti weet, dan in eei.ige an- geloof ik, en aan de zwanen daarop.\' zegt

dere gedaante, die hij aanneemt. En iu zulk Phil, na nog eene poos bedenken». — „Wat

eene geilaartte zal mijnheel- Bucket, wanneer deden die zwanen op het gras?quot; „Zij aten

hij verkiest, hem in de nabyhoid van Leices* ér van, geloof ik,quot; zegt Phil.

te r .S .| II a r. Vinden omdwalen. De meestor hervat zijne wandeling en do die-

Doch de wint\'iochtend roept hem niet en naar zijne taak om het ontbijt gereed te maken,

wekt hem niet. Hij wekt mijnheor George van Die taak had niet lang behoeven te duren, daai

de s i ■ h er m se hooi «:ii zijn dienaar. Zij springen zij zich beperkte tot het opzetten van een zeer

overeind, rollen hunne matrassen op en ber- eenvoudig, ontbyt voor twee personen en het

gen ze weg. N.\'iilat mijnheer George zich voor braden van een sneetje spek boven het vuur

-ocr page 193-

MI.IMIKKI! (iEORfIE MN /I,l.\\ K \\ KOU\'I\' IMIII,

181

in den roestigen haard; maar daar Phil voor • ieder voorwerp, dat hij moet halen, een aan-I merkelijk gedeelte der zaal moet langs scharrelen en nooit twee dingen tegelijk brengt, is er tamelijk veel tijd toe noodig. Éindelijk is het ontbijt gereed. Zoodra Phil dit aankondigt, | klopt George zijne pijp uit, zet haar in het 1 hoekje van den haard en neemt plaats. Nadat hij zich bediend heeft, volgt Phil zijn voorbeeld, zich aan het uiterste einde van het langwerpig ronde tafeltje zettende, en zijn bord op zijne , knieën nemende, hetzij uit nederigheid, of om 1 zijne zwarte handen te verbergen, of omdat dit zoo zijne natnurlijki manier van eten is.

«Het veld,quot; zegt George, met mes en vork schermutselende, „wel ik geloof, dat gij nog nooit het veld hebt gezien, Phil?quot; „Ik heb eens de moerassen gezien,quot; zegt Phil, weltevreden voortkauwonde. „Welke moerassen?quot; „De moerassen, gouverneur,quot; antwoordt Phil. „Waar liggen die?quot; — „Ik weet niet waar zij liggen, commandant, maar ik heb ze gezien. Zij waren plat, en er hing een dikke mist over.quot;

Gouverneur en commandant zijn woorden, die Phil bij afwisseling gebruikt; beide duiden i evenveel eerbied aan en zijn op niemand anders toepasselijk dan op mijnheer George.

„Ik ben buiten op het land geboren, Phil.quot;

.Zoo waarlijk, commandant!quot; „Ja, en daar groot gebracht.quot;

Phil trekt zijne eenige wenkbrauw op, en nadat hij, om zijne belangstelling te toonen, zijn meester eerbiedig heeft aangestaard, verzwelgt hij een grooten slok koffie en blijft nog staren.

„Er is geen geluid van een vogel, dat ik niet ken,quot; zegt George. „Er zijn weinig Engelsche bladeren of bessen, die ik niet zou weten te noemen. Er zullen niet veel boom en zijn, waar ik nog niet zou kunnen inklimmen, als het mij gezet werd. Ik was eens een echte boerenjongen. Mijne goede moeder woonde buiten.quot; .Zij moet eene knappe oude dame geweest zijn, gouverneur,quot; merkt Phil aan. „Ja, en nog zoo oud niet, vijf en dertig Jaren geleden,quot; /.egt George. „Maar ik zou wel durven wedden, «lat zij op haar negentigste jaar nog zoo recht moest wezen als ik, en haast even breed in de schouders.quot; „Is zij op haar negentigste ■jaar gestorven, gouverneur?quot; vraagt Phih .Neen. Malligheid! Laat haar maar met rust; God zegene haar,quot; zegt de dragonder. „Wat brengt me nu boerenjongens, wegloopers en deugnieten in het hoofd? O ja, dat hebt gij -■daan. Dus hebt ge nooit het veld gezien, behalve de moerassen, ■ i. in uw droom?quot;

Phil srhudt zijn hoofd.

„Zoudt gij het wel willen zien?quot; „Och neen, ik kan niet zeggen, lat ik daar bijzonder naar verlang.\'\' zegt Phil. „(lij hebt\' genoeg

aan de stad, niet waar?quot; -- „Wel, ziet ge, commandant,quot; antwoordt Phil, „ik ben met niets anders bekend, en ik twijfel of ik niet al wat te oud word om smaak in nieuwtjes te krijgen.quot; - „Hoe oud zijt ge dan al, Phil?quot; vraagt George, ophoudende terwijl hij het dampende schoteltje aan den mond brengt. „illt; ben iets met een acht er bij,quot; zegt Phil. „Tachtig kan het niet zijn, cn achttien ook niet. Hot is ergens daar tusschen in.quot;

George, zet langzaam zijn schoteltje neer, zonder den inhoud te proeven, en begint lachende; „Wel, wat drommel, Phil...,quot; maar ziende, dat Phil op zijne zwarte vingers telt, bedenkt hij zich en zwijgt.

„Ik was juist acht jaren,quot; zegt Phil, „volgens de kerspel-rekening, toen ik met den ketellapper meeging, ik was om eene boodschap gestuurd en zie hem zitten naast een oud gebouw bij een vuurtje, geheel alleen en heel genoeglijk. En hij zegt: „Zoudt ge wel met mij willen meegaan, manneke?\' Ik zeg ja, en hij en ik en het vuur gaan te zamen naar e\'lor-ken well naar huis. Dat was op April-gekken-dag. Ik had toen tien leeren tellen. En toen het weer April-gekken-dag werd, zoide ik bij mij zeiven; „Nu, oude jongen, zijt gij één en een acht er bij. Op April-gekken-dag daarna zeide ik; „Nu, oude jongen, zijt ge twee en een acht er bij.quot; Na verloop van tijd kom ik tot tien en een acht er bij; twee tienen en een acht er bij. \'Poen ik zoover gekomen was, liep het mij te hoog; maar zoo is het hoe ik altijd weet, dat er een acht bij is.quot; — „Zoo!quot; zegt George, zijn ontbijt hervattende. „En waar is de ketellapper?quot; „De drank bracht hem in het hospitaal, gouverneur; en het hospitaal zette hem in eene glazen kast, heb ik gehoord,quot; antwoordt Phil geheimzinnig. „En toen werdt gij bevorderd? Toen naamt gij de zaak over?quot; „Ja, commandant, toen nam ik de zaak over, zooals zij dan was. De toer beduidde niet veel om Saffron ilill. Matton G ardon, 01cr ken well, sin i ffe 1 d en daar, eene arme buurt, waar zij de ketels gebruiken tot zij het lappen niet moer waard zijn. De meeste reize nde ketellapper- plachten bij ons te komen logeeren; dat bracht mijn meester de beste winst aan. Maar bij mij kwamen zij niet. ik was niet zooals hij. Hij kon een aardig liedje voor hen zingen. Dat kon ik niet. Hij kon een deuntje voor hen spelen, op wat voor pot men maar wilde, als het maar ijzer of tin was. Ik kon nooit iets niet een pot doen, behalve hem lappen of er in koken ik had geen aanleg voor muziek. Behalve dat was ik te; leelijk, en hunne vrouwen klaagden over mij.quot; „Dan zagen zij al heel nauw. (lij zoudt toch wel onder den hoop kunnen doorgaan, Phil,quot; zegt (ieorge met een schertsenden glimlach. „Neen, gouverneur,quot; ant-


-ocr page 194-

182

woordt Phil, zijn hoofd schuddende, „dat zou ik niet. Toen ik bij den ketellapper kwam schikte ik nogal, schoon er niet op te roemen was; maar doordien ik, toen ik jong was, het vuur met mijn mond moest uitblazen en zoo mijn gezicht blakerde, mijne haren afzengde en gedurig den rook inslikte; endoordien Ik telkens ongelukken kreeg met mij aan heet metaal te branden en daar litteekens van hield; en doordien ik, toen ik ouder werd, telkens een krabbelvuistje met den ketellapper had als hij wat te veel had gedronken — en dat had hij haast altijd — was mijn mooi toen al een heel wonderlijk mooi geworden. En later, met. die twaalf jaren in eene donkere smederij, waar do werklieden er vel van hielden orn elkander potsen te spelen, en met dat ongeluk in de gasfabriek, toen ik half geblakerd werd, en met dat bij den vuurwerkmaker, toen ik aan het vormen vullen was en uit het venster vloog, ben ik leelijk genoeg geworden, om mij in een spel . te laten kijken.quot;

Met het voorkomen der grootste tevreden-j heid in dien toestand berustende, verzoekt Phil om nog een kop koflio. Onderhetdrinkenzegthy: „Het is na dat in de lucht vliegen bij den vuurwerkmaker, dat ik u het eerst gezien heb, j commandant; weet gij nog wel?quot; „Jazeker, Phil, O ij waart toen aan het kuieren in de zon.quot;

„Ik krabbelde langs een muur, gouverneur.quot;

„Zoo was het ook, Phil, met uw schouder er t\'gen aan...quot; „Met eene slaapmuts op!\' roept Phil opgewonden uit. „Met eene slaapmuts op.quot; „En dan scharrelde ik nog met tv.e, stokken!quot; roept Phil, nog meer opgewonden. „Met twee stokken. En torn,..\' — „Toen blijft gij staan,quot; zegt Phil, kopje en schoteltje . neerzettende en haastig zijn bord van zijne knieën Ij -\'huivende, „en zegt tegen mij: „Zoo, kame

raad! (ie zijt in den slag geweest 1quot; ik zeide toen niet veel tegen u, commandant, want ik was verbaasd, dat iemand, zoo sterk en gezond als gy, staan bleef om zulk een kreupelen scher-minkel aan te spreken. Maar gij zegt tegen mij, zoo hartig uit de borst als maar mogelijk was, zoodat her wel naar een glas van wat warms geleek: „Wat. voor ongeluk hebt gü gekregen? (tij hebt u erg bezeerd. Wat scheelt er aar. | oude iongen? Beur u wat op. en vertel het mij eens!quot; Mij opbeuren! Ik was al opgebeurd. ; Ik zog u dat, en gil zegt nog meer, en ik zeg | nog meer, en gij zegt nog meer, en hier ben ik. i commandant. Hier ben ik, commandant!quot; roept , Phil uit, springt van zijn stoel op, en begint in de schuinte weg te schuiven. „Als er eene | schijf te kort komt, of het de /,a;ik voordeelig kan zijn, laai d\' klanten dan maar op mij mikken. Zij kunnen mijn mooi niet bederven. Ik Sta voor alles. Kom maar op! Als zij iemand zoeken om tegen te boksen, laat zij maar o gen mij boksen. \'/,\\j behoeven mijn hoofd niet te

ontzien. Ik geef er niet om. Willen zij worstelen, om den slag te krijgen om iemand neer te smakken, op de manier van Cornwall, De- I vonshire of Lancashire, laten zij mij maar ne- i men. Zij zullen mij geen zeer doen. Ik ben in mijn leven op allerlei manieren gesmakt en gesmeten.quot;

Onder deze met alle kracht ontboezemde aanspraak, die met bewegingen gepaard gaat, welke de verschillende opgenoemde lichaamsoefeningen moeten voorstellen, schuift Phil Squod drie zijden der zaal langs, en laveert : dan met een laag gedoken hoofd op eens op j zijn commandant aan, alsof hij dezen met zijn hoofd wilde stooten, welk gebaar echter niets anders moet beduiden dan zijne bereid- I willigheid tot alle mogelijke dienstbewijzen. Daarna begint hij mot het ontbijt weg te ruimen.

George lacht eens hartelijk, klopt hem op den schouder, en helpt hem vervolgens om de zaal in orde te brengen. Dit gedaan zijnde be- ; gint hij eenige gymnastische oefeningen, vervolgens weegt hij zich, en begrijpende, dat hij „te veel gevleeschtquot; wordt, neemt hij eene dra- | gonderssabel en gaat met deftigen ernst alleen aan liet schermen. Ondertusschen is Phil aan zijne gewone tafel aan het werk gegaan, waar hij schroeven los- en vastdraait, poetst en vijlt, in kleine openingen blaast en zich zoo hoe langer hoe zwarter maakt, en alles uiteen schijnt te nemen en ineen te zetten wat maar aan een geweer uiteen te nemen en ineen te zetten is. I

Meester en knecht worden eindelijk gestoord door voetstappen in de gang, die zeer on-woon klinken, en dus de komst van een ongewoon bezoek aanduiden. Deze voetstappen, al nader en nader bij de zaal komende, brengen eene groep binnen, die op het eerste ge-! zicht bij geen anderen dag van het jaar schijnt te passen dan bij don vijfden November, het is alsof men den trein van Guy Pawkesj ziet aankomen.

De troep bestaat uit eene leelijke, ineenge-j zakte figuur, door twee personen op oen stoel gedragen, en vergezeld door een mager vrouwspersoon, meteen gezichtalseen uitgedroogd masker, die men denken zou, dat aanstonds de bekende verzen wilde gaan opzeggen, ter gedachtenis vati den tijd toen men lt; gt;ud Engeland in de lucht wilde laten vliegen, indien zij hare lippen niet zoo kwaad ■ aanlig dichtgeknepen hield. Eindelijk wordt de stoel neergezet, en de daarop zittende figuur i brengt hijgende uit: „Och Heere, Heere! Wat ben ik geschud!quot; en vervolgt daarop: „Hoe vaart ge, beste vriend, hoe vaart ge!quot; Nu herkent George i in deze processie den eerwaardigen ouden heer Smallweed, die een luchtje schept, door zijne i kleindochter Judy als lijfwacht vergezeld.

„Mijnheer George, mijn lieve vriend,quot; zegt; grootvader Smallweed, zijn rechterarm van den | hals van een zijner dragers losmakende, wien !


-ocr page 195-

KI N MKT ZEEK WELKOM BË/OEK.

183

hij Onderweg bijna heeft geworgd. „Hoe vaart ! gij? Gij zijt wel verwonderd mij hier te \'zien, lieve vriend.\' „Het zou mij liaast niet meer verwonderd hebben als ik uw vriend uit de City gezien luid.quot; antwoordt George. - „Ik ga zeer zelden uit,quot; zegt Smallwced hijgende, j „ik ben in geene maanden uit geweest. Het geeft mij veel moeite en kosten. Maar ik verhing zoo u te zien, mijn beste mijnheer George. Hoe vaart gij, mijnheer?\'\' „Ik ben wel genoeg,quot; antwoordt George. „Gij ook, hoop ik.quot; |

„Gij kunt niet te wel varen, mijne lieve vriend,quot; en mijnheer Smallwced vat hem bij beide handen. „Ik heb mijne kleindochter Judy meegebracht, ik kon haar niet thuis houden. Zij verlangde zoo om u te zien.quot; „Hm! Zij I blijft er nogal bedaard bij,quot; mompelt George.

„Zoo hebben wij een huurkoetsje genomen, j en een stoel daarin gezet, en hier even om den hoek hebben zij mij uit het koetsje getild en mij hier naar toe gedragen, opdat ik mijn lieven vriend eens in zijn eigen gedoe mocht j zien! Dit,quot; zegt grootvader Smallweed, den 1 drager bedoelende, die gevaar heeft geloopen van geworgd te worden en nu nog zijne keel bevoelt, „is de voerman. Hij krijgt niets extra. \\ Het is volgens afspraak in zijne vracht begrepen. Dezen man,quot; den anderen drager, „hebben wij op straat aangenomen voor een pintje bier. Dat maakt een dubbeltje. Judy, geef dien man j een dubbeltje. Ik wist niet. dat gij een eigen werkman hier hadt, mijn lieve vriend, want dan hadden wij dien man niet noodig gehad.quot;

Grootvader Smallweed bedoelt Phil, naar wien hij met een angstigen blik en een gesmoord ; „Och hemeltje 1quot; omkijkt. Oppervlakkig beschouwd is zijne vrees niet ongegrond, want Phil, die de verschijning met de zwart fluwee-len muts nog nooit heeft gezien, is met een geweer in de hand blijven staan, bijna in de houding alsof hij voornemens was om op den ouden heer Smallweed, wien hij voor een ouden, leelijken vogel van hot kraaiengeslacht kan houden, los te drukken.

„Judy, mijn kind,\' zegt grootvader Smallweed, „geef dien inan zijn dubbeltje. Het is wol wat veel voor wat hij gedaan heeft.quot;

De man. eon dier buitengewonequot; mensche-lijke paddestoelen, die met «en oud rood huis gekleed, in de westelijke straten van L o n d e n uit den grond schijnen óp te rijzen zoodra men iemand noodig heeft om een paard vast te houden of eene koets te roepen, neemt met alles behalve verrukking zijn dubbeltje aan, gooit het in de lucht op, vangt het in de vluchten gaat heen.

„Mijn lieve mijnheer George,quot; zegt grootvader Smallweed. „zoudt go wel zoo goed willen zijn om mij naar het vuur te helpen dragen ? Ik ben aan vuur gewoon, ik ben een oud man en wat kouweUjk. Och hemeltje!quot;

Deze laatste uitroeping wordt den ouden heer \\ uitgelokt door de vaart, waarmede Phil Squod . hem met stoel en al oppakt en vlak voorden haard neerzet.

„O Heere!quot; zegt grootvader Smallweed hijgende. „Och hemeltje 1 O mijn tijd I Lieve vriend, uw werkman is heel sterk en heel gauw! Och Heere, al te gauw! Judy, trek nuj wat achteruit. Het vuur zengt mij de boenen;quot; hetgeen ook aan alle aanwezige neuzen door den reuk /.ijner wollen kousen wordt aangekondigd.

Nadat de zachtaardige Judy haar grootvader wat. van het vuur heeft geschoven, hem naar , gewoonte heeft opgeschud en een zijner oogen \' van de daarover heen gezakte muts heeft bevrijd, zegt de oude heer wederom: „O Heere! Och hemeltje!\' en daarna rondkijkende enden blik van George ontmoetende, steekt hij wederom beide handen uit.

„Mijn lieve vriend! Zulk een genoegen als I deze ontmoeting mij geeft! En is dit uwe in- I richting! Zij ziet er heerlijk uit. Eene schildert ! Gebeurt het wel eens, dat hier iets bij I ongeluk vanzelf afgaat; zeg, lieve vriend?quot; vervolgt grootvader Smallweed, zeer slecht op j zijn gemak. „Wel neen, daarvoor behoeft I ge\' niet bang te zijn.quot; „En uw werkman. Hij och hemeltje hij laat nooit iets bij ongeluk afgaan; zeg, lieve vriend?quot; — „Hij heeft nog nooit iemand bezeerd dan zich zei ven,quot; antwoordt George met een glimlach. „Maar dat zou hij toch wel kunnen, weet ge. Hij schijnt i zich zeiven al vrij erg bezeerd te hebben, en hi j zou ook wel iemand anders kunnen bezlt; \'eren,quot; hervat de oude heer. „Hij kon het zoo niet meenen of misschien wel. Mijnheer, wilt gij hem liever zeggen, dat hij die hlt;;lsche geweren \' moet laten liggen en heengaan ?quot;

Een wenk van zijn meester gehoorzamende, gaat Phil met ledige handen naar het andere einde der zaal. De oude heer Smallweed, aldus gerustgesteld, gaat zijne boenen zitten wrijven.

„En het gaat u goed, mijnheer George?quot; zegt hij tot den cavalerist, die in eene krijgshaftige houding voor hem staat, met de dragonderssabel in de hand. „Het gaat u voordeolig, zou ik hopen?quot;

(ieorge ant woordt met-een koel knikje en voegt daarbij: „Ga maar voort. Gij zijt niet hier gekomen om mij dat. te zeggen, dat weet ik wel.quot;

,Ge zijt altijd zoo vroolijk, George,quot; hervat de eerwaardige grootvader: „zoo pleizieiig in gezelschap.quot; „Ha. ha! (ia maar voort,quot; zegt George. „Mijn lieve vriend! Maar de sabel is zoo geddöht blinkend en scherp. Men zou er wel iemand bij ongeluk mee kunnen hakken. Ik word er huiverig van, mljnlieer Cieorue. Die vervloekte kerel!quot; zegt de brave oude heer ter zijde tegen Judy, terwijl George een paar stappen achteruit gaat om de sabel neer te leggen. Jlij is mij geld schuldig, en liet zou hem wel


-ocr page 196-

11KT VKIM.ATKX MUIS.

eons kunnen invallen om in dit moordhol de ge-hi-cle rekening af te betalen. Ik wou, dat uw serpent van oene grootmoeder maar hier was en hij haar don kop afsloeg.quot;

George komt terug, slaat zijne armen over elkander, ziet den ouden man aan, die ieder ougenblik lager in zijn stoel zakt, en zegt zeer koelbloedig: .Nu moot ik maar!quot;

.Ho!\' roept grootvader Smalhveod, grinnikend in zijne handen wrijvende. „Wat moet ge\' nu maar, lieve vriend ?quot; , Kene pijp gaan ziuen rookm,quot; antwoordt fieorge, die zeer bedaard zijn stoel bij den haard zet, zijne pijp stopt en aansteekt, lt; 11 vreedzaam blijft zitten rooken.

Uit si lujnt den ouden h( rr Smallweo^te liin-doren, die het zoo moeielijk vindt tot zijn dool iwat dil dan nok wezen mag) te komen, dat bij half razend wordt en in zijne machtelooze kwaadaardigheid met zijne kromme vingorseene bowogliig maakt, waardoor hij zijn vurig ver-lanj\'-n aanduidt om George hgt;.t gezicht open te krabbi-n. Daar de nagels van den ouden heer lauu\' en wankleurig, zijne handen mager • n zwaar geaderd, en zijne oogen groen en waterig zijn, ■ nliij i)ovendieri onderdie beweging al meer en meer tot een vorrneloozen hoop kleercn ineenzakt, wordt hij, zelfs in de daaraan ge-vvoude oogen van Judy, zulk oen akelig schouwspel, dat die Jonge maagd hem, met nog meer ijver dan hare genlt;-Eenheid haar kan ingeven, opsehudt. en hem zulke dotten geeft, dat hij in zijne benauwdheid \'1;zonderlimrste geluiden maakt.

N eiat Judy hem oj) deze wijze wederom-liquot;!-\' heeft gekregen, on hij met een bleek gtizioht en in roeden neus (maar altijd nog zijne kromme vingers uitslaande en in de lucht krabbende) overeind zit. stookt zij haar spitsen voorvinger uit en geeft George «•••n stoot in den rug. Nadat de cavalerist zijn hoofd hoeft opgeheven, geeft zij haar geachton grootvader insgelijks een stoot, .-n deze- twee aldus in ge-nieensehap gebracht hebbende, blijft zij strak in het vuur staan .«tan n.

je-oe-oef!quot; steent groot vnder Smallwoed, zijne woede verkroppende. ,Mynlieve vriend!\' Mn altijd blijft hij nog krabben. - „Ik zal u eon- w.1 • /.\'•-rgeii.\'\' zegt We.jrgquot; .Als ge niet mij spreken wilt, moot gij er rond vooruitkomen, Ik ben een eenvoudig man, i n kan niet met halve woorden spreken. Daar ben ik niet slim genoeg toe., i n het bevalt mij ook niet. A\'s gij zoo om mij heondraait,quot; zegt de eavah iist, zijne pijp \\vlt; der in i)i;n nnnd nemende, „verduiveld, dan i- hot mij air f ik zal smoren

Kn lü.i zet zijne broedt borst zooveel mogelijk uit. als om zich b verzekeren, dat hij nog niet gesmoord is.

, Als g. mij oen vriendelijk b\'zoek zijt komen brengen.quot; hervat Oeorge, „ben ik u wed verplicht. Hoe vaart gij y Als gij zijt komen zien of ik hier nogal in een goed gedoe zit, kijk dan maar rond, dat staat u vrij. Als gij met iets voor den dag wilt komen, kom er dan moe voor den dag.quot;

De bloeiende Judy geeft haar grootvader nog een duw, maar zonder haar blik van hot vuur af te wenden.

„(Uj ziet wol. dat is hare meening ook. Maar waarom, voor den drommel, die meid niet als eene christonmeid wil gaan zitten,\' zegt George, zijne oogen peinzend op Judy gevestigd houdende, „is iets. dat ik niet begrijpen kan.quot; ,Zij blijft naast mij om mij op te passen, mijnheer,quot; zegt grootvader .Smallweed. „Ik bon een oud man, mijn lieve mijnheer George, en heb oppassing noodig. Ik draag mijne jaren goed; ik ben geen snaterende papegaai,quot; en onwillekeurig ziet hij naar het kussen rond; „maar ik heb toch oppassing noodig, mijn lieve vriend.quot; — „Zoo!quot; hervat George, zijn stoel omschuivende om vlak tegenover don ouden heer te komen. „Nu dan?quot;

„Mijn vriend inde City, mijnheer George, heeft eene kleinigheid met oen leerling van u uitstaande gehad.quot; — „Zoo?quot; zegt George. „Het spijt mij wel, dat tehooren.quot; — „Ja mijnheer.quot; Grootvader Smalhveod wrijft z\\jne boenen. „Hij is nu een knap jong officier, mijnheer George, en hij boet ( arstone. Vrienden zijn voor den dag gekomen en hebben alles fatsoenlijk afbetaald.quot; „Zoo?\' hervat George. „Denktgij, dat uw vriend in de Ö i ty wel oen goeden raad zou willen bobben?quot; — „Ik denk wel van Ja,mijn lieve vriend. Van u vooral.quot; - „Dan raad ik hom om met dien jongenheer geene zaken meer te doen. Er is niets meer van hem te halen. Zooveel ik weet, is het bij hem alles op.quot; — „Neon, neen, lieve vriend. Neen, neen, mijnheer George. Nd n. neen, mijnhoor,quot; brengt grootvader Smalhveed hiertegen in, en wrijft met een loos gezicht Zijne beonen, „Nog niet alles op, zou ik donken. Hij heeft nog goede vrienden, en hij hooft zijn inkomen nog, en hij kan zijne aanstelling nog verkoopen, en hy heeft nog eene goede kans in een proces, en bij heeft nog kans op een goed huwelijk, en wel neen, mijnheer George, mijn vriend in de Ci\'ty denkt, geloof ik, dat die jongeheer nog wel wat beeft,quot; z.egt grootvader simalhveed, schuift zijn fluweeleh mutsje omboog en krabt op eene aapachtige manier zijn hoofd.

George, die zijne pijp heeft neergezet en zijn oenen arm over de leuning van zijn stoel heeft geslagen, tikt nu t zijn rechtervoet op den grond, alsof dé\' wending, die het gesprek noemt, hem niet bijzonder beviel

.Maar om van hot eene op het andore te komen,quot; hervat de oude heer Smalhveed. „Om de .-paarzaamheid te bevorderen, zooals een grappenmaker zou kunnen zeggen. lt;gt;m van den vaandrig op den kapitein te komen, mijnheer


-ocr page 197-

M i:N Milv\'LANOT EEN\' S\'il\'KMi: SCIIIMI-T VAN DEN KAPITEIN TE ZIEN.

George.quot; „Waar moet ge nu heen,quot; zegt dien aard.quot; — „Dan kan hij geen procureur (Jeorge en strijkt met con gefronst voorhoofd wezen,quot; zegt George en slaat zijne armen over

i . \\ w i r iii. n 11 ■ l\\*• i • 11 111 i 1 r gt; ^ \\. 1 - • 11. . ff i r. , I igt;o 1, 11 . . 11 ■ • i i ■. I.. f .. 1 •. 4\' 1 gt;: ; .......-......: i i i . i ■ ■

,\\Vat voor kapitein?quot; - .Onze kapitein. D( bewuste kapitein. Kapitein Hawdon.quot; • .Zoo, is het dat?quot; zegt George en fluit eens, als hij

over de plek, waar hij knevels heeft gedragen, elkander, alsof hij zoggen wilde, dat hij nooit

van gedachten zal veranderefii — „l.ieve vriend, hij is een procureur, en wel een. vermaard pro-

-.........„ curt ur. Hij verlangt een stukje schrift van ka-

ziet, dat grootvader en kleindochter hein scherp pitein Hawdön te zien. Hij wil het niöfc eens aankijken, ..Komt hot daarop neer? Welnu, houden. Hij verlangt het maar eens te zien en

18-j

zijn bezit heeft,

„ Welnu ?\' .\\V( zich toeval

»;i;ir

wat van hem? Ik wil mij niet, meer laten sino- met een geschrift, dat

ren. Spreek op!quot; .Lieve vriend,quot; antwoordt te vergelijken de oude man, „er is mij gisteren — Judy, schud heer Georg(

de adver-

kapitein gevraagd; en ik ben nog van gevoelen, dat de kapitein niet dood is.quot; „Larie!quot; merkt George hierop aan. „ Wat hebt ge daareven gezegd, lieve vriend?\' vraagt de oude map, met de hand aehtei /,ijn oor. .Larie!\' ,Holquot; zegt grootvader Wmallweod. .Munhcer George, daarover zult ge heter kunnen oor

Is tre i

zijn, en de redenen, dii daarvoor werden op gegeven Wat denkt g\' nu w* I, dat (li( procureur, die navraag naar hem doet, verlangt ?\' .Een karweitje,quot; zegt George. „Niets van

zocht hij die weder op en kwam bij mij evenals toen gij bij my zijt gekomen, lieve vriend. Och, geef mij de hand nog eens. Ik ben nog zoo blij, dat gij toen gekomen zijt. Ik zou zulk eene pleizierigi kennismaking géinist hebbèn, als gij hei niet gedaan hadt.quot; „Welnu, inijn-■r iSmallweedzetrt George wederom, na-

Ie vragen hoort, die my gedaan dat hij tamelijk stijf de verlangde plechtigheid

\'ft verricht. „Ik had zoo iets niet. Ik had niets anders dan zijne handt\'gt; kening, 1\'est en hongersnood, oorlog, moord en plotselinge dood op zijn kop,quot; zegt de oude man, e. n vloek


A

-ocr page 198-

iMi HET VERLATEN\' HU li-

samenstellende uit liet weinige, dat hij zich van een gebod herinnert, en toornig zijne tlu-weelen muts tusschen zijne handen knijpende: ,ik iieb wel een half millioen liandteekenin-gen van hom, geloof ik. Maar gij,\' — bniten adem geraakt, begint hii weder zacht te spreken, terwijl Judy de muts op zijn kalen knikker zet, ,gij, mijn lieve mijnheer George, zult waarschijniijk wel een brief of ander papier hebben, dat van dienst zou kunnen zijn. Alb s kan te pas komen wat maar met die hand l\'.-.hit vi nis.quot; _ „Misschien,quot; zeide de cavalerist nadenkende, „heb ik nog wel schrift van die hand.quot; —.Lieve vriend!quot; ,En misschien ook nii-t..\'quot; „Ho!quot; zeide grootvader Smallweed, uit het v-ld u\'eslagen. „Maar al had ik er schepels vol van, dan zou ik er nog geen stukje van laten zien, groot genoeg om er een patroon van te maken, of ik moest weten waartoe.quot; - , Ik heb u immers gezegd waartoe. Lieve mijnheer George, ik heb u immers gezegd waartoe.quot; — .Niet genoeg,quot; zegt George, z\\jn hoofd schuddende, „ik moet meer weten en er tevreden mee zijn.\' — «Wilt gij dan bij dien procureur komen? Lieve vriend, wilt gij met mij naar dien heer toegaan?quot; zegt grootvader Smalhveed dringe nd, en haalt oen oud zilveren horloge uit, met wijzers gelijk de beenen van een skelet. ..Ik heb hem gezegd, dat het wel waarschijnlijk was, dat ik van morge n tusschen tienen (gt;11 elven bij hem zou komen, en hi t is nu half elf. Wilt ge met mij naar dien heer gaan. mijnheer George?quot; „Hm!quot; zegt de ander ernstig. „Haar heb ik niet tegen. Maar ik begrijp niet waarom dat u zooveel aangaat.quot;

.Alles gaat mi aan, dal maar kans geeft om iets van hem aan het licht te brengen. Heeft hij ons niet allen opgelicht? Is hij ons niet ontzaglijke sommen schuldig gebleven? Wien kan iets, dat hem betreft, meer aangaan dan mij? Niet. le ve vriend,quot; zegt grootvader Smalhveed, zijne stem verzachtende, „dat ik u iets wil doen verraden. Verre- van daar. Zyt ge klaar om mede te gaan, lieve vriend?quot;

„Ja, ik zal terstond gereed zijn. Maar ik beloof niets, dat weet ge.quot; .Neen. lieve vriend, neen.quot; — „En gij wilt mij laten mederijden daar naar toe, waar het ook wezen mag, zonder er iets voor te rekenen?quot; zogt George, terwijl hij zijn hoed en zjine dikke lederen handschoenen krijgt.

Deze aardigheid bevalt den ouden heer Small-weed zoodanig, dat hy er zachtjes over zit te lachen. Maar onder hel: lachen kijkt hij ovei zyn schouder naar George om, terwijl deze het hangslot eener ruwe kast aan het eind dei-zaal afneemt, hier \'ti daar op de bovenste planken kijkt, er eindelijk iets afneemt, dat als papier ritselt, en dit opvouwt en in zijne boigt;t sie-kt. Daarop stoot Judy haar grootvader eens aan, en df ze beantwoordt dit toeken op dezelfde wijs.

, Ik ben gereed,quot; zegt de cavalerist terugkomende. „ l\'liil. gij kunt dien ouden heer wel eens naar zijne koets dragen?quot; - „O Heere! Och hemeltje! Wacht eens even!quot; zegt do oude heer smalhveed. „Hij is zoo gauw! Kunt gij het wel voorzichtig doen, brave man?quot;

Phil geeft geen antwoord, maar den stoel en zijne vracht opnemende, loopt hij daarmede zijdelings heen, terwijl de nu sprakelooze mijnheer Smallweed zich aan hem vastklemt, en stuift de gang door alsof hem de aangename taak was opgedragen om den ouden heer naaiden naasten vulkaan te brengen Daar zijne bestemming echter vooreerst maar de huurkoets is, stopt hy hem daarin; de schoone Judy zet zich naast haar grootvader, de stoel versiert het dak, en George neemt de ledige plaats op den bok.

George wordt bijna akelig van het schouwspel. dat hij nu en dan ontwaart, als hij door het raampje achter zich in de koets kijkt, waaide stuursche Judy altijd roerloos blijft zitten, en de oude heer, met zijne muts over één oog, altijd van de bank onder het stroo is gegleden, en met zijn ander oog hulpeloos haar hem opkijkt.

XX VIL

MEER OrüK SOLDATEN HAN KEN\'.

George, die met over elkander geslagene armen op den bok zit, behoeft niet ver te rijden, want hunne bestemming is Lincoln\'s Inn Fields. Zoodra de koetsier ophoudt, stapt George af, en door het portier binnenkijkende zegt hy:

„Zoo, i - mynhc r Tulkinghorn de man, dien gij meent?quot; „Ja. lieve-vriend. Kent gij hem, mijnheer George?quot; .Ik heb veel van hem gehoord, en hem ook wel gezien, denk ik. Maar ik ken hem niet, en hij kent mij niet.quot;

Nu moet de oude heer naar boven gedragen worden, hetgeen met behulp van George gelukkig wordt volbracht. Hij wordt de groote kamer van den heer Tulkinghorn binnengebracht en voor het vuur neergezet. De heer is er op het oogenblik niet, maar zal terstond terugkomen. Nadat de man, die op het portaal op de bank zit, dit heeft gezegd, pookt hij het vuur op en laat het drietal alleen.

George is zeer nieuwsgierig naar deze kamer. Hij kijkt omhoog naar den geschilderden zolder, en in het rond naar de oude rechtsgeleerd\' boeken, beschouwt de portretten der groote cliënten, en Feest hardop d\' namen op (Ie doozen.

.sir Leicester Dedlock, baronet,quot; leest mynheer George peinzend* „Ha! IIeerlijkheid van Kastanje-Hof. Mm!quot; George blijft een tijdlang naar die doozen staan kijken, alsof het schilderijen waren, en komt naar het vuur terug,


-ocr page 199-

DE CAVA LM 1ST STAAT OP ZI.L\\ STUK.

187

bij zich zeiven herhalende; „Sir Leicester Ded-lock, baronet, en Heerlijkheid van Kastanje-Hof. Hm!quot; -- ,Schatrijk, mijnheer George,\' | fluistert grootvader Smallweed. „Schatrijk!quot; „Wie meent ge? Deze lieer of de baronet?quot;

„Deze heer, deze heer.quot; „Zoo heb ik gehoord; en hij weet zijn beetje wel, zou ik durven wedden. Geen slecht kwartier dit,quot; zegt George, wederom rondkijkende. „Zie een-s die ijzeren kist!quot;

Het antwoord wordt door de komst van den heer Tulkinghorn afgesneden. Hij is natuurlijk niet veranderd. In rossig zwart gekleed, met • zijn bril in de hand, waarvan zelfs het huisje kaal gesleten is. Even stroef en droog van manieren. Even zacht en hecsch van stem. Een gezicht alsof hij achter eene gordijn stond te loeren, misschien niet zonder minachting voor wat hij ziet. Het pairschap heeft misschien ook wol warmer aanbidders en gelooviger aanhangers dan mijnheer Tulkinghorn, als men het maar wist.

,Goedenmorgen, mijnheer Small weed, goeden- : morgen,quot; zegt hij binnenkomende. „Gij hebt den sergeant medegebracht, zie ik. Ga zitten, sergeant.quot;

Terwijl de heer Tulkinghorn zijne handschoenen uittrekt en ze in zijn hoed legt, kijkt hij met halfgesloten oogen de kamer door naar de plek waar de sergeant staat, en zegt misschien bij zich zeiven: „Het zal met u wel gaan, mijn vriend.quot;

„Ga. zitten, sergeant,quot; herhaalt hij, terwijl hij naar de tafel komt, die niet ver van het vuur staat, en zich in zijn leuningstoel zet. „Koud en guur van morgen, koud en guur.» De heer : Tulkinghorn warmt beurtelings de palmen en de knokkels zijner handen, en kijkt (achter de gordijn, die altijd neergelaten blijft) naar het i drietal, dat voor hem zit. „Nu kan ik voelen wat ik uitvoer.» (En dit kan hij misschien in meer dan écu zin). „Mijnheer Smallweed!»

De oude heer wordt door Judy nog o ns opgeschud, om deel aan het gesprek te kunnen nemen.

„Gij hebt onzen\'goeden vriend den sergeant medegebracht, zie ik.quot; „Ja, mijnheer.quot; antwoordt grootvader Smallweed, met slaafsche onderdanigheid voor des procureurs rijkdom cn invloed. - .Kn wat zegt de sergeant van die zaak?quot; „Mijnbeer George,quot; zegt grootvader Smallwe ed en zwaait zijne bevende, verschrompelde hand; „dit is nu de bedoelde heer.»

George groet den bedoelden heer, maar blijft overigens stil i n stijf rechtop zitten zeer naar voren op zijn stoel, alsof zijne volle uitrusting nog om hem heen hing.

De heer Tulkinghorn hervat: „Welnu, George? (iij heet George, als ik wel lub?quot; „Ja, mijnheer.quot; „Wat zegt gij, George?quot; „Neem mij niet kwalijk, mijnlieer,quot; antwoordt de cavalerist ; „maar ik zou wenschen te weten wat gij zegt.quot; — „Meent gij het op stuk van belooning?quot; — „Ik meen op het stuk van alles, mijnlieer.quot;

Dit dralen stelt het geduld van grootvader Smallweed op zulk eene zware proef, dat hij eensklaps uitbarst met een: „Gy satansch beest!quot; waarna hij den heer Tulkinghorn haastig ver-schooning vraagt en dit ongelukkig verspreken verontschuldigt door tegen Judy te zeggen : „Ik dacht aan uwe grootmoeder, kindlief.quot;

„Ik meende, sergeant,» hervat de heer Tulkinghorn, terwijl hij, op den eenen arm van zijn stoel leunende, zijne bemen over elkander slaat, „dat mijnheer Smallweed u allenoodige verklaringen zou hebben gegeven. Dit kan echter niet zeer weinig woorden geschieden. Gij hebt een tijdlang onder kapitein Hawdon gediend, hem in ziekte opgepast en vele kleine diensten bewezen, en waart eenigszins in zijn vertrouwen, naar men zegt. Dat is zoo, niet waar?»

„Ja, mijnheer, dat is zoo,quot; antwoordt George met militaire beknoptheid. — „Dus kan het wel gebeuren, dat gij iets in uw bezit hebt onverschillig wat, een rapport, een brief, of iets anders dat kapitein Hawdon heeft geschreven, Ik wensch zijn schrift te vergelijken met eeu ander schrift, dat ik heb. Indien ge mij daartoe gelegenheid kunt geven, zult ge voor uwe moeite beloond worden. Drie, vier, vijf guinjes zult ge, denk ik, wel rijkelijk genoeg vinden. „Royaal, lieve vriend!quot; roept grootvader Smallweed, zijne oogen dichtknijpende,

- „Zoo niet, zeg dan hoeveel gij, op uw soldaten geweten af, vragen kunt. Gij behoeft het geschrift niet af te staan, als ge daar tegen liebt, schoon ik het liefst zou willen hebben.quot;

George blijft stokstijf in dezelfde houding zitten. kijkt naar den grond, kijkt naar den geschilderden zolder en spreekt geen woord. De ongeduldige grootvader Smallweed krabt in de lucht.

„De vraag is,quot; zegt de heer Tulkinghorn, op zijne stijve, zoetsappige, onverschillige mank r. „vooreerst of gij eenig schrift van kapitein Hawdon hebt?» - „Vooreerst, of ik eenig schrift van kapitein Hawdon heb, mijnheer,quot; herhaalt George. „Ten tweede, waarmede gij tevreden I wilt zijn voor de moeite van het op te zoeken.quot;

— „Ten tweede, waarmede ik tevreden wil zjjn voor de moeite van het op te zoeken, mijnheer,quot; herhaalt George nog eens. „Ten derde kunt gij zelf oor-doelen of liet eenigszins op dit gelijkt,quot; zegt de heer Tulkinghorn, hem eensr klaps eenige aan elkander gen \'gene bladen papie, overgevende. „lt; »f het eenigszins op dit gelijk t mynheer,quot; herhaah George alweder.

Alle drii- deze herhalingen schijnt George geheel werktuiglijk uitte spreken, en kijkt daarbij den heer Tulkinghorn strak aan. Hij ziét niet eens naar het document inJarndveei n Januls eo dat


-ocr page 200-

I!I T VEI!I,ATEN HUIS.

hem ter beidchtigine is overgegeven (hoewel hij het nog in dt/ hand houdt), maarblijflden rechtsgeleerden heer met een tegelijk onrustigen • u peinzenden blik aanstaren.

.VVolnu,quot; hervat \'1\' heei\'\'l\'ulkinghorn. „AVat /.\'jgt gij?quot; ,\\VVI. inijnlK .-r,quot; antwoordt George, ópstaande en zich recht oprichtende, waarbij hij enne geduchte lengte schijnt te verkrijgen. „Ik wilde liever, als gij het mij niet kwalijk neemt, niets hiermee te maken hebben.quot;

Do heer Tulkinghorn, voor het uiterlijk ge-ht 11 kalm, vraagt: „Waarom niet?quot; .Wel, mijnheer,\' antwoordt de cavalerist. „Bi.\'halv\' als militair, heb ik geen verstand van iets. in buigerlijke zaken ben ik een ongelukkige haspelaar. ik kan mij met geene papieren het hoofd breken, mijnheer. Ik sta liever voor het heetste vuur, dan dat ik mij laat uitvragen. Ik heb a!. omtrent een uur geleden, tegen mijnheer smallweed gezegd, dat ik, als ik aan zulk soort van dingen kom, een gevoel krijg alsof ik zal smoren. En dat i- het gevoel.1\' zegt George, in het gezelschap rondziende, .dat ik nu op het oogenblik heb \'

Daarmede doet hij drie stappen voorwaarts, om de papieren weder op de tafel te leggen, en drie stappen achterwaarts om zijne plaats te hernemen, waar hij blijft staan, naar don grond en dan naar den geschilderden zolder kijkende, met de handen op den rug alsof hij zich zei ven wilde verhinderen eenig ander document, wat hes ook wezen mocht, aan te nemen.

Aldus getergd, komt het geliefkoosde scheldwoord van grootvader Smallweed zoo dicht bij d\' punt zijner tong, dat hij de woorden „mijn lieve vriendquot; met de lettergreep „saquot; begint, en daardoor aan het hakkelen geraakt. Doch eens over deze moeielijkheid heen, vermaant hij zijn lieven vriend op de hartelijkste manier om toch niet dwaas te zijn, maar goedschiks te doen wat zulk een uitstekend persoon van hem verlangt, in gerust vertrouwen dat dit niet anders dan onberispelijk en voordeelig kan zijn. 1gt; heer Tulkinghorn mompelt slechts nu en dan eenige woorden, zooals: „dy zult uw eigen belang het beste kennen,sergeant.quot; .Pas op, dat gij ii zeiven niet benadeelt.quot; „Doe volkomen liw eigen zin.quot; „Als gy zelf maar weet wat gij wilt, is het mij wel;quot; en dit zegt hij met den schijn der grootste onverschilligheid, terwijl hij de papieren op zijne tafel doorkijkt en zich gereedmaakt orn eon brief te gaan s-hryven.

Ueorge kjjkt wantrouwig van den geschilderden zolder naar den grond, van den grond naar grootvader Smallweed, van grootvader Smallweed naar den heer Tulkinghorn en van den Ie er Tulkinghorn weder naar den gesehll-derden zolder; in zijne bedrem meling verwisselt hij dikwijls het been, waarop hij zijne zwaarte laat rusten.

,lk verzeker u, mijnheer,quot; zegt (ieorge, .hoewel ik u niet gaarne zou willen beleedigen, dat ik hier, tusschen u en mijnheér Smallweed, al zoo goed als vijftigmaal gesmoord ben, ik ben niet tegen u, heeren, opgewassen. Mag ik vragen, om welke reden gij de hand van den kapitein zoudt willen zien. als gij iets van zijn schrift kondt vinden?quot;

De heer Tulkinghorn schudt zeer bedaard zijn hoofd. .Neon,quot; zegt hij. „Als gij oen man van zaken waart, sergeant, zou men u niet behoeven te onderrichten, dat er in het vak, waartoe ik behoor, geheime, maar zeer onschuldige redenen voor vele zulke dingen kunnen zijn. Maar als gij bang zijt om kapitein Haw-don te benadeelen, kunt gij daaromtrent uw gemoed geruststellen.quot; , Ja, hy is dood, mijnheer.quot; „Is hij?quot; en de heer Tulkinghorn ging stil zitten .-chrijven. — .Wel, mijnheer.quot; zegt George, in zijn hoed kijkende, na nog eene poos bedremmeld te hebben rondgezien, „het spijt mij, dat ik u niet beter heb kunnen voldoen. Als het u eenig pleizier mocht doen, dat ik mijne meening, om liever niets hiermede te maken te hebben, nog eens liet bevestigen door een vriend van mij,\'die voor zaken een beter hoofd heeft dan ik en ook een oud soldaat is, ben ik bereid om hem nog eens te raadplegen, Ik ik ben zoo geheel en al versuft,quot; zegt George, met de hand over zijn voorhoofd strijkende, .dat ik niet weet of het rmj zelf ook geen pleizier zou doen.quot;

Hoorendo, dat do persoon, wiens gezag aldus zou worden ingeroepen, een oud soldaat is, dringt grootvader Smallweed er sterk op aan, dat George hem zal gaan raadplegen en hern vooral zeggen, dat het eene zaak van vijf guinjes of nog meer is. De heer Tulkinghorn zegt er niets voor of tegen.

.Ik zal dan met uw goedvinden mijn vriend gaan raadplegen, mijnheer,quot; zegt George, .en do vrijheid nemen van in den loop van den dag nog eens terug te komen met mijn bepaald antwoord. Mijnbeer Smallweed, als gij nu naar beneden wilt gedragen worden...quot; .Op het oogenblik, lieve vriend, op hot oogenblik. Wilt ge mij eerst nog eens een woordje met mijnheer alleen laten spreken?quot; — „Wel zeker, mijnheer. Gij behoeft u om mij niet te haasten,quot; zegt George, en gaat naar het verste eind der kamer, waar hij weder met nieuwsgierige belangstelling de doozen begint te bekijken. --„Als ik niet zoo zwak was als een satansch kind, mijnheer,quot; fluistert grootvader Smallweed, den rechtsgeleerden heer bij zijn rok naar omlaag trekkende, en terwijl zijne toornige oogen eenige flauwe vonken schieten, .zou ik hem dat schrift wel afnemen. Hij heeft het in zijne borst geknoopt. Ik zag het hem daarin steken en Judy hee\'t het nuk gezien. Spreek op, giij zuurmuil, en zeg, dat gij het ook gezien hebt


-ocr page 201-

/1.1 IS AAN IIKT GKOKM\'K \\\\ ASSCIIKN

18\'.)

gij droog stuk hout, gij wandelende bezemstok.quot;

De oude hoer vergezelt deze driftige toespraak met een stomp naar zijne kleindochter, waar- ^ mede hij te veel van zijne krachten vergt en | dus van zijn stoel glijdt, zoodat hij den lieer Tuikinghorn meetrekt, tot hij door Jucly tegengehouden en weder opgeschud wordt.

„Geweld zou mij niet dienen, mijn vriend,quot; merkt de heer Tulkinghorn koeltjes aan. „Neen, dat weet ik wel, dat weet ik wel. mijnheer. Maar het is toch om dol te worden--het is... het is nog erger dan liet gesnater van dien klappenden ekster, uwe grootmoeder,quot; tot de onverstoorbare Judy, die maar in hot ; vuur blijft kijken „als men bedenkt, dat hij heeft wat gij noodig hebt en het niet geven : wil. Hij het niet willen geven! Hij! Een vagebond! Maar wees niet bang, mijnheer, wees niet bang. Hij zal toch maar voor een korten tijd zijn eigen zin hebben. Ik heb hem op geregelde- tijden in de klem, mijnheer, en ik zal het hem wel afknijpen, wel uitpersen. Als hij het niet goedschiks geven wil, zal hij het kwaadschiks doen. Nu, mijn lieve mijnheer George,quot; zegt grootvader Smallweed, met een afschuwelijken loonschen blik naar den rechtsgeleerden heer, terwijl hij dezen loslaat, „zit ik te wachten op uwe vriendelijke hulp, mijn beste vriend.quot; |

De heer Tulkinghorn, door wiens gewone , zelfbeheersching een flauwe zweem van lachlust ; heenschynt, blijft voor den haard, met zijn rug naar het vuur, het verdwijnen van grootvader small weed staan aanzien, en beantwoordt den afscheidsgroet van don cavalerist met een koel knikje.

George ondervindt, dat het nog moeielijkrr is van den ouden heer af te komen, dan hem naar beneden te helpen dragen; want nadat hij weder in de koets is gezet, heeft grootvader Small-weed nog zooveel over do guinjes te zeggen, en houdt George zoo vriendelijk bij zijn knoop vast om de waarheid te zeggen, brandt hij van verlangen om zijn rok open te sclieuren en hem te plunderen- dat de cavalerist eenige kracht moet aanwenden om tot eone scheiding te komen. Kindelijk gelukt hem dit, en nu stapt hij alleen voort om ziju raadsman te gaan opzoeken.

Langs den kloosterlijken Temple, langs W hitefriars, over B lack friars-Bridge en langs BI a c k f r i a r s-1! o a d, marcheert George naar eene straat vol kleine winkels, ergens in dat doolhof van wegen lt; n stratlt; tl gelegen, welke bij den wijd vermaarden Olifant samenloopen, die zijn kasteel, uit een duizendtal postkoetsen met vier paarden gevormd, aan een ijzeren monster, veel sterker dan hij, heeft moeten afstaan. \\aar oen dei winkeltjes in deze straat, een mu/.iekwinkeltje, met eenige violen, eenige pansfluiten. een tamboerijn, eon triangel en eenige

bladen muziek voor het venster, richt George zijne zware schreden; en eenige passen van de deur stilstaande, ziet hij eene vrouw, die iets krijgshaftigs in liaar voorkomen heeft, met opgespelde rokken en een houten tobbetje naar buiten komen. Op den kant van het voetpad j bukt zij en begint in het tobbetje te kletsen I en plassen, „Zij is naar gewoonte aan het groent\'; wasschen,quot; zegt George bij zich zeiven. „Ik heb haar nooit gevonden, behalve op een ba- j gagewagen, of zij was aan het groente was- • schen !\'

Het onderwerp zijner overdenkingen is in al- i len gevalle thans zoo druk bezig met groente | wasschen, dat zij niets van George\'s nadering vermoedt, totdat zij zich met haar tobbetje op- i richtende, nadat zij hei- water in de goot heeft laten loopen, hem dicht bij haar ziet staan. De ontvangst, die hem te beurt valt, is niet vleiend.

„George, ik zie u nooit, of ik wensch u honderd mijlen ver weg.\'

Zonder eenige aanmerking over deze welkomst te maken, volgt de cavalerist haar in ; het muziekwinkeltje, waar de dame haar tobbetje met groente op de toonbank zet en nadat zij hem de hand heeft gegeven, met hare armen daarop biyft staan leunen.

„Ik houd,quot; zegt zij, „Mattheus Bagnet nooit een oogenblik voor veilig, George, als gij bij hem zijt. Gij zijt zoo onrustig, zoo ongedurig.quot;

- „Ja, dat weet ik wel, juffrouw Bagnet, dat ben ik ook.quot;— „Gij weet het wel Iquot; hervat juffrouw Bagnet. „Maar wat helpt dat? Waar-o m zijt ge zoo? \' .Het zal de natuur van het dier wezen, denk ik,quot; antwoordt de cavalerist i in de bi ste luim van de wereld. „OchIquot;;roept juffrouw Bagnet tamelijk schel, „wat zal de natuur van het dier mij troosten, als het dier zelf mijn Mat uit den muziekwinkel naar X i e uvv-Zeeland of Australië heeft gelokt!*

Juffrouw Bagnet is eene vrouw, die er lang niet kwaad uitziet. Tamelijk zwaai\' van gebeente en grof van vel, en met sproeten bezaaid door do zon en den wind, die het haar boven haar i Voorhoofd hebben verkleurd; maar gezond, welgedaan en niet heldere oog\'ii. Keiie sterke, werkzame, vlqgge vrouw van tnsschen de vijf en veertig en vijftig jaren; met een eerlijk uit - ! zicht: zindelijk en knap gekleed, maar met zooveel zuinigheid, dat het eenige sieraad, hetwelk zij bezit, een trouwring schijnt te wezen, waaromheen, sedert hij er Werd aangestoken, haar vinger zich zoo heeft uitgezet, dat hij er nu nooit weder kan afkomen, eer hij zich met haar stof zal vermengen.

„.Tutfrouw Bagnet,quot; zegt de ruiter, „ik ben bij u op parool. Mat zal van mij geen kwaad j leeren. Zoover kunt ge mij vertrouwen.\' „Nu, dat geloof ik ook wel. Maar uw gezicht alleen maakt iemand onrustig,quot; antwoordt juf-


-ocr page 202-

190 HET VERLA

frouw Bagnot. George, (reorge, waart gij or maar toe overgegaan en hadt de weduwe van .Too Pouch getrouwd, toen hij in Noord-A mi rik a stierf; zij zou u het haar wei heb-ben gladgekamd,quot; — „Dat was zeker eone kans voor mij geweest,quot; antwoordt de cavalerist, half schertsend, half ernstig; „maar nu zal ik nooit een geregeld en ordentelijk man worden. De weduwe van Joe Pouch had mij goed kunnen doen — er stak wel wat in — en er zat ook wat aan maar ik kon er niet toe besluiten. Als ik hot geluk had gehad van zulk eene vrouw te ontmoeten als Mat gevonden heeft!quot;

Juffrouw Bagnet, die, hoewel eene deugd- : zame vrouw, het met een goed kameraad zoo nauw niet schijnt te nemen, maar zelve een goed kameraad te zijn, beantwoordt dit compliment door George met eene handvol groente i Iti liet gezicht te slaan, en gaat met haar tob- \'• botje naar de kamer achter den winkel,

„Wel Quebec, mijn popje!quot; zegt George, haar op hare noodiging volgende. „En kleine Malta ook! Komt en geeft uw bullebak een zoen!quot;

Deze jonge juffertjes welke men niet denken moet, dat werkelijk met die namen gedoopt waren, hoewel /.ij in het huiselijk verkeer altijd zoo naar hare geboorteplaatsen werden genoemd - zitten ieder op een bankje ; het jongste (vijf of zes jaren oud) bezig met uit een stuivt rs A P-boek de letters te leeren, het oudste (negen of tien misschien) met haar zusje te onderrichten en onder de hand met ijver te naaien. Beiden begroeten George met luidruchtige uitroepingen als een oud vriend, en komen, na hem gekust en wat gestoeid te hebben, zich met hart- bankjes naast hem planten,

„En hoe gaat liet met den jongen Woolwich ?quot; zegt George, „Wel, denk eens!\' roept juffrouw Bagnet uit, zich met een blos op de wangen van haar pot afkeerende (want zij is bezig met voor het eten te zorgen). „Zoudt gij het gelooven? Hij is me! zijn vader aan het theater geplaatst, om in een militair stuk op hel fluitje te blazen.quot; , Wel gedaan, mijn petekind!quot; zegt George, en geeft een slag op \'•ijii been. „Pat geloof ik !quot; zegt juffrouw Bagnet. „Hij is \'-en Brit. Dat is Woolwieh. Een echte Brit!\' „En Mat blaast maar zijn bas-son, en gij zijt allen ordentelijke burgerlui.\'\' zegt (ieorge. „Gij hebt een huishouden, en kinderen, die zachtjes aan groot worden; en s^ij houdt briefwiss, ling niet Mat\'s oude mo\' der in s .■ h o tl a n d, . n met uw ouden vader, en helpt zo een handje, en wel, wel j -ker, ik weet niet waarom men mij geene hon derd myien ver weg zou wenschen, want ik kom al heel weinig daarbij te pas.quot;

Ooorge begint nadenkend te worden, terwijl hij daar voor het vuur zit in die kamer met gefitte muren on oen met zand bestrooiden

:\'E\\ HIJI8.

vloer, die niets overtolligs bevat, en nergens een zichtbaar plekje vuil of stof heeft, van de gezichtjes van Quebec en Malta af tot aan de helder geschuurde pannen en potten op de kas-planken, George begint nadenkend te worden, terwijl hij daar zoo zit en juffrouw Bagnet druk bezig is ; maar gelukkig komt mijnheer Bagnet met den jongen Woolwieh nu thuis. Mijnheer Bagnet is een gewezen artillerist, ry-zig van gestalte en zoo recht als een staak, niet ruige wenkbrauwen en bakkebaarden, die van kokosdraden gemaakt schijnen, zondereen enkel haar op het hoofd en met eene verbrande I kleur. Zijne stem, zwaar en brommend, gelijkt ; oenigszins naar den klank van het instrument, waaraan hij zich heeft toegewijd. Over het geheel is er iets koperachtigs, onbuigzaams aan hem te bespeuren, als ware hij zelf de bas-bazuin van liet menschel ijk\' orkest. De jonge Woolwieh is het model van een jeugdig tamboer.

Beiden vader en zoon begroeten den cavalerist met hartelijkheid. Na verloop van tijd zegt deze, dat bijgekomen is om Bagnet\'s raad in te nemen, en Pagnet beantwoordt dit met degast vrije verklaring, dat hij van niets hooren wil voor zij gegeten hebben; en dat zijn vriend zijn raad niet\'zal beko-men, voordat hij hem zijn gekookt varkensvleesch : met groente heeft helpen gebruiken. Nadat George deze noodiging heeft aangenomen, gaan • hij en Bagnet, om do huiselijke toebereidselen niet te belemmeren, do straat op en stappen daar met afgemetene schreden en over elkander geslagene armen op en neer, alsof zij op den wal eener vesting wandelen.

„George,quot; zegt Bagnet, „gij kent mij. Het : is mijn oudje, die raad geeft. Zij heeft den | besten kop. Maar voor haar wil ik dat nooit , bekennen. De subordinatie moet gehandhaafd j worden. Wacht tot de groente van haar hart ! af is. Dan zullen wij raad nemen. Wat mijn oudje zegt — doe dat!quot; .Dat ben ik ook voornemens. Mat,quot; antwoordt George, „ik zou liever haar gevoelen willen weten dan dat van een professor.quot; -- „Professor!quot; antwoordt Bagnet. met kort al\'gebrokeno gezegden, alsof hij de bazuin blies. „Welk professor kunt gij in een ander werelddeel laten staan met niets dan een grijzen mantel en euie paraplu

om weer naar Europa en thuis te komen? Mijn oudje zou dat morgen weer doen. Heeft het al eens gedaan,quot; „Gij hebt gelijk,quot; zegt George. „Welk professor,quot; vervolgt Bagnot, „zoudt gij kunnen laten beginnen - met een dubbeltje kalk een stuiver vollers aarde • n oen halve stuiver zand en de rest van een zesstuiverstuk in geld? Daarmee is myn oudje begonnen hier in dezen winkel.quot; „Ik hen blij te hooren, dat die zoo voordeelig gaat, Mat.quot; „Mijn oudje maakt een spaarpot,quot; zegt Uagnel toostemmoml. „/.ij heeft or-gens eene kous met geld. Ik heb ze nooit ge-


-ocr page 203-

DE CAVALEBIST ÜLl.IFT BIJ HETZELFDE liESLUIT. 191

zien. Maar ik weet, dat zij or een hoeft. Wacht tot de groente van haar hart af is. Dan zal zij u wel helpen.quot; — „Zij is een schat!quot; roept George uit, — „Zij is meer. Ik wil het voor haar nooit bekennen. De subordinatie moet gehandhaafd worden. Het was mijn oudje, die mijn muzikaal talent ontdekte. Zonder haar zou ik nog bij de artillerie zijn. Zes jaren tobde ik met de viool. Tien met de fluit. Mijn oudje zeide ; „het zal niet gaan; de wil is goed, maar gebrek aan vlugheid; probeer de basbazuin.quot; Mijn oudje leende eene bazuin van den kapelmeester van het regiment scherpschutters. Ik studeerde in de loopgraven. Het lukte, en nu verdien ik er mijn brood mee.quot;

George maakt de aanmerking, dat zij zoo frisch is als eene roos en zoo rond als een appel.

„Mijn oudje,quot; zegt Bagnet tot antwoord, „is door en door eene mooie vrouw. Zij gelijkt naar een mooien dag. Wordt mooier hoe langer zij duurt. Ik heb nooit haar gelijken gezien. Maar voor haar wil ik dat niet bekennen. De subordinatie moet gehandhaafd worden.quot;

Vervolgensover onverschillige zaken pratende, blijven zij de straat op en neer wandelen, altijd pas houdende, lot zij door Quebec en Maltageroepen worden om het varkensvleesch met groente te helpen nuttigen, waarover juffrouw Bagnet een kort gebed doet, zoo goed als een veldprediker. Bij het uitdeelen dezer eetwaren, gelijk bij alle huiselijke bezigheden, gaat juffrouw Bagnet zeer stelselmatig te werk ; zij neemt al de schotels voor zich, doet bij elke portie varkensvleesch de behoorlijke portie jus, groente, aardappelen, ja zelfs mosterd, en geeft ieder zoo zijn rantsoen. Nadat zij op dezelfde manier het bier uit de kan heeft rondgedeeld, en zoo allen van het noodige voorzien, gaat zij er toe over om haar eigen honger te bevredigen, die in een zeer gezonden staat is. Hot tafelgereedschap bestaat voornamelijk uit voorwerpen van tin en hoorn, die reeds in verschillende werelddeelen dienst hebben gedaan. Inzonderheid wordt het mes van den jongen Woolwich, dat een soort van oestermes is, hetwelk echter met eene sterke veer toeknipt, en dus voorzichtig moet behandeld worden, vermeld als eene merkwaardigheid, die in verschillende handen reeds den gehoelen die nst in vreemde landen heeft rondgeloopen.

NTa den afloop van den maaltijd beijvert zich juffrouw Bagnet, door de jonge spruiten geholpen (die hunne eigene borden, kroezen, messen en vorken schoonmaken) om het tafelgereei!schiip weder even helder te doen blinken als te voren i n bergt alles weg; eerst den haard aanve gende, opdat Bagnet en zijn gast niet behoeven te wachten om hunne pijp te gaan zitten rooken. Deze huiseiyke bestellingen vereischen veel heen en weder loopen naar en op de achterplaats, benevens het drukke gebruik van een emmer, die eindelijk het geluk heeft van juffrouw Bagnet zelve ten dienste te staan om zich te wasschen. Weldra komt zij weder te voorschijn, geheel opgefrischt, zet zich aan haar naaiwerk, en thans daar men nu pas kan denken, dat de groente geheel van haar hart af is — verzoekt Bagnet zijn vriend om zijne zaak voor te dragen.

Dit doet George met groote bescheidenheid, zich naar het schijnt alleen tot Bagnet richtende, maar ondertusschen alleen de juffrouw op het oog hebbende, gelijk Bagnet zelf insgelijks doet. Zij, even bescheiden, houdt zich met haar naaiwerk bezig. Nadat de zaak geheel is voorgedragen, wendt Bagnet de vaste kunstgreep aan, welke hij tot handhaving der subordinatie heeft uitgedacht.

„Dat is nu alles er van, niet waar, George?quot; zegt hij. -- „Dat is alles.\' — ,En gij zult u naar mijn gevoelen inrichten?\' „Geheel en al,quot; antwoordt George. — „Oudje,quot; zegt Bagnet nu, „zeg hem mijn gevoelen eens. Gij weet het wel. Zeg hem eens wat het is.quot;

Het is, dat hij zich nooit te weinig kan bemoeien met menschen, die hem te slim zijn, en niet te voorzichtig kan zijn om zich niet geene zaken in te laten, die hij niet begrijpt; dat de eenvoudige regel is, niets in het donker te doen, geen deel te nemen aan iets, dat verdacht of geheimzinnig is, en nooit zijn voet te zetten waar hij den grond niet kan zien. Dit is hoofdzakelijk Bagnet\'s gevoelen, gelijk het door zijn oudje wordt voorgedragen, en daar het George in zijn eigen gevoelen bevestigt en zijne twijfelingen verdrijft, verlicht het zijn gemoed zoodanig, dat hij er zich toe zet om bij deze buitengewone gelegenheid eene tweede pijp te rooken en met de geheele familie Bagnet, volgens ieders verschillenden trap van ondervinding, over den ouden tijd te praten.

Zoo gebeurt het, dat George zich wéder tot zijne volle lengte verheft, voordat do tijd nadert waarop de basbazuin en het fluitje door een beschaafd publiek in het theater verwacht worden; en daar George, in zijne vriendelijke rol van Bullebak, zelfs dan nog tijd noodig hoeft om van Quebec en Malta afscheid to nemen, zijn petekind met zijn voorspoedig begin geluk te wenschen en hem als peet een schelling in den zak t( stoppen, is het donker geworden eer hij wederom zijne schreden naar L i n co 1 u\'s I n n F i e 1 (1 s richt.

„Zulk een huishouden, hoe klein ook behuisd.\'\' denkt hij al voortstappende, „doe t iemand nis ik ben zich eenzaam gevoelen. Maar het is toch goed, dat ik nooit die huweliiks-evolutio heb gemaakt. Ik zou er niet voor gedeugd hebben. Ik ben zelfs, nu ik al oud ben, nog zoo los en onrustig, dat ik die scherm zaai geene maand lang zou kunnen aanhouden, als het een gewoon beroep was, of als ik daar niet


-ocr page 204-

op tk\' manit r van e(3n huiden kuinpeeixle. Maar kom aan, ik ben niemand tot schande en niemand tot last; dat is toch iets. Dat heb ik jaren lang niet eens gedaan,quot;

Hij fluit eens om die gedachten te verdrijven en stapt voort.

In Lincoln\'s Inn Fields gekomen, gaat hij de trap van den heer Tulkinghorn op en vindt de buitendeur gesloten; maar niet veel van zulke buitendeuren wetende, en daar de trap bovendien donker is, staat hij nog in het duister te grabbelen en te zoeken, in de hoop, dat hij de deur wel zal openkrijgen of den knop eenct\' schel vinden, toen de heer Tulkinghorn (natuurlijk zeer zachtjes) de trap opkomt en gramstorig vraagt:

, Wie is dat? Wat doet gij daar ?quot; — „Neem mij niet kwalijk, mijnheer. Het is George. De sergeant.quot; „En kon George de sergeant niet zien, dat mijne deur gesloten was?quot; - „Neen miinheer, dat kon ik niet. Ten minste, ik zag het niet,\'\' zegt de cavalerist eenigszina netelig. - „Zijt ge van gedachten veranderd, of nog bij hetzelfde besluit gebleven?\' vraagt de heer Tulkinghorn. Maar met i én blik ziet hij dit duidelijk genoeg. ,Bij hetzelfde besluit gebleven, iriijriheer.\' , Dat dacht ik wel. Dat is genoeg. (tij kunt gaan. (lij zijt immers de man,quot; zegt t loheer Tulkinghorn, zijne deur mot den sleu-tel openende, „bij wien Grldley verscholen is gevonden?quot; ,Ja, ik ben dir man.quot; antwoordt de cavalerist en blijft een paar trappen lager staan. ,\\Vat zou dat, mijnheer?quot; — „Wat dat zou? Dat mij dan de lieden, waarmee g\\j verkeert, niet bevallen. Gij zoudt van morgen gron voet binnen mijn\'\' deur gezet hebben, aN ik gedacht had, dat gij die man waart. Grldley V Ken gevaarlijke, oploopende, moordzuchtige kerel.quot;

Mi-t, deze woorden, op elt;\'n voor hem buiten-gemeén hoogen toon uitgesproken, gaat de procureur de kamer binnen, en slaat met donderend geweld de deur toe.

George neemt dit afscheid zeer gramstorig op; (les te meer, omdat e^n klerk, die de trap opkomt, de woorden heeft gehoord en ze blijkbaar op hem toepast „Eett mooie naam, dien ik nneeneem,quot; bromt de cavalerist met e.-n driftlgen vloek, terwi jl hij de trap afstormt. „Bene g\'-vaarlijkf, oploopende, moordzuchtige kerel!quot; «•n opkijkende, ziet hij den klerk, die naar beneden kijkt, en hern, terwijl hij eene lantaarn voorMjgaat, scherp in het oog schijnt te houden. Dit v\'( rgroot zijn ongenoegen zoodanig, dat hy vijf minuten lang in een slechtInuneurblijlt Maar hij zet zich dit, gi lijk al liet andere, met fluiten uit het hoofd, en marcheert naar huis.

XXVI11.

DE I.rZBRSMELTER.

Sir Leicester Dedloek is voor ditmaal de fa-milie-jicht te boven gekomen, en wederom, zoowel in een letterlijken als in een figuurlijken zin, op de been geraakt. Hij is op zijn buiten in Li ncolnshlr e ; maar de laaggelegene gronden staan weder onder water, en de vochtigheid sluipt Kastanje-Hof, hoezeer ook verdedigd, en ook het gebeente van Sir Leicester binnen. De vlammende vuren van takkebossen en steenkool, -die in de breede schoorsteenen branden en in de schemering door de donkere bosschen flikkeren, welke zich schijnen te bedroeven als zij zien hoe weinig de boomen gespaard worden, weren den vijand niet af. De heet-water-pijpen, die het geheele huis doorloopen, de be-kleede deuren en vensters, en de schutten en gordijnen, kunnen de tekortkoming der vuren niet vergoeden en in Sir Leicester\'s nood voorzien. Om deze reden verkondigen de nieuwsbladen op zekeren morgen aan de luisterende aarde, dat Lady Dedloek weldra voor eenige weken in de stad wordt verwacht.

Het is eene treurige waarheid, dat zelfs groot e mannen hunne arme bloedverwanten hebben. i rroote mannen hebben zelfs dikwijls meer dan de hun billijk toekomende portie van arme bloedverwanten, omdat het buitengemeen roode bloed van voorname soort, evenals gemeener bloed, dat onwettig gestort is, altijd wil roepen en zich laten hoeren. Kir Leicester\'s verre neven en nichten zijn in dit opzicht zoovele moorden, dat zij voor het licht willen komen. En er zijn neven onder, die zoo arm zijn, dat men bijna zou durven denken, dat het beter voor hen zou geweest zijn, als zij nooit vergulde schalmen van de gouden keten der Dedloek\'» waren geweest, maar slechts van gewoon ijzer waren gemaakt enlage diensten hadden verricht.

Diensten echter (met eenige beperkte uitzondering. die fatsoenlijk maar niet winstgevend zijn) mogen zij niet verrichten, daar zij de waardigheid der Dedlock\'s moeten ophouden. Zoo gaan zij bij hunne rijkere neven en nichten logeeren, maken schulden als zij kunnen, leven zeer sober als zij dit niet kunnen, vinden de mannen geene vrouwen en vrouwen geen. mannen, rijden in geleende rijtuigen, zitten aan maaltijden, die zij nooit zeiven kunnen geven, en leven zoo iti degroote wereld. De rijke familiesom is in zóóveel portiën verdeeld, en zij zijn het overschotje, waarmede niemand iets weet te doen.

leder die tot Leicester\'s politieke partij behoort en zijne denkwijs deelt, schijnt meer of minder neef te wezen. Van Lord Hoodie af, door den hertog van Foodle heen, tot aan Noodle ioe, strekt Kir Leict ster, gelijk eene adellijke spin, zijne draden van verwant-


-ocr page 205-

DE (iASTEN OP KASTANJE-HOE

schap uit. Voor zijne aanzienlijke bloedverwanten is hij statig; voor zijne onbeduidende neven en nichten is hij op zijne deftige manier vriendelijk en edelmoedig; en thans wacht hij, in weerwil der vochtigheid, met de standvastigheid van een martelaar het vertrek van verscheidene zulke bloedverwanten af, die op Kastanje-Hof 1 ogceren.

Onder deze staat vooraan op de eerste rij Volninnia Dedlock, eene jonge dame (van zestig), die dubbel voornaam geparenteerd is, daar zij de eer heeft van moeders zijde eene arme bloedverwante van eene andere aanzienlijke familie te zijn. Miss Volumnia, die in hare jeugd heeren met dunne boenen en nankischo broeken, en is in die vervelende stad zeer in aanzien. Elders wordt zij eenigszins gevreesd uithoofde van hare onvoorzichtige mildheid in het gebruik van rouge, en hare hardnekkige verkleefdheid aan een ouderwetsch parelsnoer, dat naar een rozenkrans van kleine vogeleieren gelijkt.

In ieder weibestuurd land zou Volumnia zonder bedenking op de pensioen]ijst gezet worden. Men heeft moeite gedaan om haar daarop te krijgen; en toen William Bnffy in het ministerie kwam, verwachtte men met volle zekerheid. dat haar een paar honderd pond \'s jaars zou worden toegelegd. Doch tegen alle


een bijzonder talent heeft getoond voor het knippen van ornament on uit gekleurd papier, alsmede voor la t zingen van Spaansche liedjes bij de guitaar en voor het opgeven van Pransche raadseltjes, heeft de twintig jaren van haar leven tusschen de twintig en de veertig op eene vrij aangename wijs gesleten. Toen uit den smaak gerakende, zoodat men hare Spaansche liedjes vervelend begon ti vinden, begaf zij zich naar Bath, waar zij van een jaariyksch geschenk van Sir Lekestei sobertjes leeft, en van waar zij nu en dan de bij|tenverblijven barer bloedverwanten gaat bezoeken, om te tonnen, dat zij nog leeft, Zij heeft te Ba th een groot aantal bekenden onder de akelige oude verwachting aan ontdekte William Bufiv. dat het nu geen tijd was om zoo iets te doen ; en dit w:is voor Sir Leicester Dedlock het eerste duidelijke besvijs, dat het land naar de maan ging.

Dan is ci nog de Honourable Bob .Stables, die zoo goed als een veearts de kunst verstaat om warm voeder voor zieke paarden gereed te makon, en een beter scherpschuttei is dan de bosehwachters. Heeds sedert geruimen tijd is hij zeer verlangend geweest om in een goéd bezoldigden post, waaraan g( em moeite of ver antwoordelijkheid verhonden is. hei vaderland to dienen. In een welbestuurdon staat zou dit natuurlijke verlangen van een knap jong edel-


1)10» K\\

-ocr page 206-

I!KT VEliLA\'l\'KN Ill\'IS.

uu

man, die zoo aanzienlijk geparenteerd is, spoedig vervuld worden; maar hoe dit ook zij, toen William Buffy in liet ministerie kwam, bevond hij insgelijks, dat het nu geen tijd was, waarin deze kleinigheid kon geschikt worden, en dit was voor Sir Leicester Deitlock het tweede bewijs, dat het land naar de maan ging.

De overige neven en nichten zijn heeren en dames van verschillenden ouderdom en aanleg ; de meesten, beminnelijk en verstandig, zouden waarschijnlijk vrij wel in de wereld zijn voortgekomen als zij dat neefschap maar hadden kunnen ontgaan ; maar dat heeft hun allen eenigszinsgehinderd, en zij leven doelloos en lusteloos voort, en schijnen er even verlegen mede te zijn wat zij met zich zeiven zullen uitvoeren, als iemand anders wezen kan wat hij met hen zal uitvoeren.

In dezen kring (en waar doet zij dit niet) blinkt Lady Dedlock boven allen uit. Schoon, elegant, fijn beschaafd en machtig in hare kleine wereld (want de modewereld reikt niet geheel en al van pool tot pool) strekt haar invloed in Sir Leicester\'s huis, hoe trotsch en onverschillig hare manieren ook mogen zijn, om het een veel beter en meer beschaafden toon te geven. De neven en nichten, zelfs diegenen, die er van schrikten, toen Sir Leicester met haar trouwde, bewijzen haar eene eerbiedige hulde; en de Honourable Bob Stables herhaaltdagelijks na het ontbijt tegen zeker daartoe uitgelezen persoon zijne geliefkoosde origineele aanmerking. dat zij het beste paard van den stal is.

Dit zyn de gasten, die in het salon op Kas-t anjc-IIof verzameld zijn. opeen somberen avond, wanneer de voetstap op de Geesten wandeling (hier echter onhoorbaar) wel de tred eener doode nicht kon wezen, die in de koude is buitengesloten. Het is bijna tijd om naar bed te gaan. In de slaapkamers branden heldere vuren en werpen spookachtige schaduwen van meubelen op zoldering en wanden. De blakers staan op rijen op het tafeltje bij de deur, en op de ot tomanos zitten neven en nichten te geeuwen. Neven en nichten bij de piano, andere bij de tlessehen met sodawater, nog anden;, die juist van het speeltafeltje opstaan, nog andere, die zi\'ii om het vuur verzameld hebben. Bij zijn eigen vuur (want er branden twee vuren in het holle vertrek) slaat -Sir Leicester. Aan den andoren kant van den breeden schoorsteen zit mylady aan hare tafel. Volumnia. als eene der meer bevoorrecht) nichten, rust in een weel-derigen stoel tusschen deze twee in. Sir Leicester werpt eon blik van statig ongenoegen op het rouge en het parelsnoer,

„Nu en dan ontmoet ik op de trap,quot; zegt Volumnia slaperig, terwijl hare gedachten, na een langen avond van zeer onbeduidend gesnap, misschien die trap reeds opwippen naar bed,

■ n van de aardigste meisjes, naar mij dunkt, diquot; ik ooit in mijn leven ge/Jen heb.quot; „Eene protégé6 van mylady,\' merkt Sir Leicester aan, „Dat dacht ik wel. Ik hield mij verzekerd, dat een ongemeen oog dat meisje moest hebben uitgekozen. Zij is waarlijk een mirakel. Eene popachtige soort van schoonheid misschien,quot; zegt Miss Volumnia, hare gedachten over hare eigene soort voor zich zelve houden- \\ de, „maar in dien trant volmaakt. Zulk een blos heb ik nog nooit gezien.quot;

Sir Leicester schijnt met zijn statigen blik van ongenoegen naar het rouge hetzelfde te . zeggen.

„Waarlijk,quot; zegt mylady op een kwijnenden j toon, „als er een ongemeen oog in het spel is, is het dat van juffrouw Rouncewell. Rosa I is eene ontdekking van haar.\' - „Uwe kamenier, zou ik denken?quot; „Neen. Mijn alles

mijn speelpopje - secretaris — boodschap- ! doenstertje - ik weet zelf niet wat.quot; — „Gij hebt haar gaarne om u heen, gelijk gij gaarne eene bloem, of een vogeltje, of een schilderijtje, of een poedel of neen, toch geen poedel — zoudt hebben, of iets, dat even lief en aardig was?quot; zegt Volumnia, op een toon van sympathie. „Och, hoe bekoorlijk is dat! En hoe goed ziet die allerliefste oude vrouw, juffrouw Rouncewell, er nog uit. Zij moet al ontzettend oud wezen, en toch is zij nog zoo vlug en knap! Zij is de liefste vriendin, die ik heb, stellig waar!\'

Sir Leicester acht het voegzaam, dat de huishoudster op Kastanje-Hof boven de gewone vrouwen van dien stand zal uitmunten. Buitendien heeft hij werkelijk zekere achting voorjuffrouw Rouncewell, en hoort hij haar gaarne prijzen. Hij zegt dus; „Gij hebt gelijk, Volumnia;\' en Volumnia is daarmede zeer in haar schik.

„Zij heeft geene eigene dochter, niet waar?quot;

„Juffrouw Rouncewell? Neen, Volumnia. Zij heeft eenzoon. Eigenlijk heeft zij er twee gehad.quot;

Mylady, wier gewone kwaal van verveelzuclit dien avond door Volumnia zeer verergerd is, werpt een verlangenden blik naar de blakers en slaakt een stillen zucht.

„En het is een opmerkenswaardig voorbeeld van de verwarring, waarin deze tegenwoordige eeuw vervallen is, een bewijs hoe alle grenspalen omgeworpen, alle sluizen opengezet, alle onderscheidingen uitgewischt worden,quot; zegt Sir Leicester met statige somberheid, „dat de zoon van juffrouw Rouncewell, gelijk mijnheer Tul-kinghorn mij heeft onderricht, aangezocht wordt om in het. parlement te komen.\'

Miss Volumnia geeft oen scherp gilletje.

„Ja, waarlijk,\' herhaalt Sir Leicester. ,In het parlement.\' „Heb ik ooit zoo iets gehoord! Goede hemel! Wat is die man dan?quot; roept Volumnia uit. - „Men noemt hem, geloof ik, een yzersmelter,quot; zegt Sir Leicester langzaam en als twijfelde hij ofditwelhel rechte woord was,

Volumnia geeft nog een gilletje.


-ocr page 207-

DE IJZEKSMELTEH 01\' DE VEKKEEKDE [\'LAATS,

195

„Mij heoft het voorstel afgewezen, indien mijnheel\' tulkinghorn mij wel heeft onderricht, waaraan ik niet twijfel, daar mijnheer Tulkinghorn altijd zeer nauwkeurig is,quot; zegt Sir Leicester; „maar dat vermindert het vreemde van de zaak niet, die naar mij dunkt tot gewichtige, hoogst gewichtige bedenkingen aanleiding geeft,quot;

Daar Miss Volumnia opstaat met een blik naar de blakers, heeft Sir Leicester de beleefdheid van de geheels zaal door te gaan om er een te halen, en dien aan de lamp op de tafel van mylady aan te steken,

,Ik moet u verzoeken, mylady,quot; zegt hij, terwijl hij dit doet, „om nog een poosje hier te blijven; want die persoon, van wiea ik spreek, is dezen avond kort voor het diner hier gekomen, en verzoekt met een zeer gepast briefje,quot; Sir Leicester acht zich, met de waarheidsliefde, die hem eigen is, verplicht hierover uit te weiden ; - „ik moet zeggen met een zeer gepast en beleefd briefje - om de gunst van een kort onderhoud met u en mij over dit jonge meisje. Daar het bleek, dat hij van avond nog wenschte te vertrekken, iteb ik geantwoord, dat wij hem nog eer wij ons ter rust bega ven zouden te woord staan,quot;

Nu neemt Volumnia met nog een gilletje de wijk, en wenscht maar, dat haar gastheer en zijne gade al van dien ijzersmelter bevrijd waren. De andere neven en nichten gaan spoedig uiteen, tot de laatste toe. Sir Leicester schelt, „Doe mijn compliment aan mijnheer Rounce-well, dien gij bij de huishoudster zult vinden, en zeg, dat ik hem nu kan afwachten,quot;

Mylady, die dit alles voor het uiterlijke met zeer weinig aandacht heeft aangehoord, ziet naar den heer Rouncewell op terwijl hij binnenkomt, Hij is wat over de vijftig jaren misschien, heeft evenals zijne moeder een goed voorkomen, eene heldere stem, een breed voorhoofd, waarvan het donkere haaiquot; teruggeweken is, en een schrander, hoewel rondborstig uitzicht. Over het geheel is hij een deftig heer, in het zwart gekleed, zwaarlijvig genoeg, maar sterk en vlug. Zijne houding is geheel natuurlijk en ongedwongen, en hij wordt volstrekt niet verlegen door do hooge tegenwoordigheid, voor welke hij verschijnt,

„Sir Leicester en Lady Dedlock, daar ik reeds verschooning verzocht heb, dat ik u lastig val, kan ik niet beter doen dan zoo kort mogelijk te zijn. Ik blijf u dankbaar. Sir Leicester,quot;

Het hoofd der Dedlock\'s wijst naar oene sofa tusschen hem en mylady. Mijnheer Rouncewell neemt plaats.

„In dezen drukken tijd, terwijl er zoovele groote ondernemingen aan den gang zijn, hebben menschen zooals ik zooveel werklieden op zooveel plaatsen, dat wij altijd gejaagr. zijn,quot; Sir Leicester wil den ijzersmelter wel doen zien, dat daar niemand gejaagd is; daar, in dat oude huis, in dat stille park geworteld, waar mos en klimop tijd hebben gehad om te rijpen, en de knoestige olmen en schaduwrijke eiken diep in de sedert honderd jaren opgehoogde bladeren staan, en waar de zonnewijzer op het terras eeuwen lang stilzwijgend dien tijd heeft aangewezen, die zoolang hij duurde evengoed het eigendom van eiken Dedlock was als het huis en de landen. Sir Leicester zet zich in een leuningstoel en laat het contrast uitkomen tusschen zijne rust en die van Kastanje-Hof en de rustelooze gejaagdheid van ijzersmelters, „Lady Dedlock is zoo goed geweest,quot; hervat Rouncewell met een eerbiedigen blik en eene buiging naar dien kant, „om eene jonge schoone, Rosa geheeten, bij zich te plaatsen. Nu is mijn zoon op die Rosa verliefd geworden, en heeft mij toestemming gevraagd om haar een huwe-lyksvoorstel te doen en zich met haar te enga-geeren, als zij hem hebben wil, hetgeen ik denk, dat zij wel zal willen. Ik heb die Rosa nog nooit gezien voor vandaag, maar ik stel vertrouwen iu het gezond verstand van mijn zoon zelfs terwijl hij verliefd is. Tk vind haar gelijk hij haar heeft voorgesteld, zoover ik kan oordoelen; en mijne moeder spreekt met groeten lof van haar.\' „Zij verdient dit in alle opzichten,quot; zegt mylady, „Het verheugt mij, Lady Dedlock, dat gij dit zegt; ik behoef u niet te verzekeren hoeveel uwe goede meening over haar mij waardigis.quot; „Dat,quot; merkt Sir Leicester met onbeschrijfelijke statigheid aan, want hij vindt, dat tie ijzersmelter wat al te vlug bespraakt is, „zal wel geheel noodeloos zijn.quot; „Q-eheel noodeloos. Sir Leicester, Nu is mijn zoon nog zeer jong, en Rosa insgelijks. Gelijk ik mijn fortuin gemaakt heb, moet ook mijn zoon zijn fortuin maken; en dat hij nu reeds zou trouwen blijft buiten omvraag. Maar nu eens onderstellende, dat ik hem mijne toestemming gaf om zich met dat lieve meisje te engagee-ren, als dat lieve meisje zich met hem enga-geeren wil, acht ik het billijk nu terstond te zeggen ik houd mij verzekerd. Sir Leicester en Lady Dedlock, dat gij mij zult begrijpen en verschoonen - dat ik het tot oen beding zou maken, dat zij niet op Kastanje-Hof bleef. Eer ik er dus venier met mijn zoon over spreek, neem ik de vrijheid van te zeggen, dat ik, indien haar veitrek niet wel kan geschikt of en-gaarne zou gezien worden, hem eeu redelijken tijd van uitstel zou willen bepalen en de zaak vooreerst zou willen laten gelijk zij is,quot;

Niet op Kastanje-Hof blijven! Daarvan een beding maken! Al dooude donkere vermoedens van sir Leicester, betrekkelijk de bevolking der ijzerdistricten, die niets anders doet dan met toortslicht te koop loopen, komen weder bij hem op; en het eerwaardige grijze haar van zijn hoofd, alsmede dat van zijne bakkebaarden, rijst van verontwaardiging te berge.


-ocr page 208-

II KT VKRLATE.N IITIS,

„Moot ik begrijpen, mijnheer,quot; zegt Sir Leicester, „en moer inylady begrijpen,quot; hij noemt haar zoo bijzonder, vooreerst uit galanterie en ten tweede uit voorzichtigheid, daar hij eene hooge mei ning van haar verstand heeft en zich aldus ook op haar oordeel beroeptmoet ik begrijpen, mijnheer Rouncewell, en moet mylady begrijpen, mijnheer, dat gij dit meisje te goed acht voor Kastanje-Hof, of denkt, dat het haar nadeel zou doen als zij hier bleef?\' — „Zeker nier, Sir Leicester.quot; „Het verheugt mij dit te hooren.quot; sir Leicester zegt dit waarlijk /eer statig. „Kilieve, mijnheer Rouncewell,quot; zegt de dame, en waarschuwt door eene geringe beweging hare r hand Sir Leicester om te zwijgen, „verklaar mij eens wat gij meent.quot; „Zi ■ ! gaarne. Ladgt; Dedlock. Er is niets, dat ik liever zeu willen doen.quot;

Haar strak gelaat, welks schrandere uitdrukking echter te levendig is om zich door eene geveinsde onverschilligheid te laten verbergen, naar het forsche, mannelijke gezicht des sprekers keerende, waarop vastberadenheid en volharding te lezen staan, luistert de dame met aandach! en buigt nu en dan even haar hoofd.

„ik ben de zoon van uwe huishoudster, Lady Dedlock, en heb mijne kindsheid in dit huis gesleten. Mijnt moeder heeft hier eene halve eeuw gewoond, en zal hier zondei twijfel wel sterven. Zij is een der voorbeelden misschien zoo goed als er een is — van liefde, trouw en gehechtheid in zulk een stand, waarop Engeland niet reehl trotsch rnag wezen; maar waarvan geene klasse zich al de eer of al do verdienste kan toeschrijven, omdat zulk een voorbeeld een blijk is van edele eigenschappen aan beide zijden; aan de hoogere, voorzeker; aan de geringere, niet minder zeker.quot;

Sir Leicester schrikt eenigszins op het hooren van zulke stoute uitdrukkingen; maar zijne waarheidsliefde doet hem toch gewillig, hoewel stilzwijgend erkennen, dar het gezegde dgt; s ijzersmelters billijk is.

„Verschooning, dat ik nog over iets spreek, wat zoo vanzelf duidelijk is, maar ik zou niet gaarne iemand laten denken,quot; dit werd met een bijna omnerkbaren blik naar Sir Leieester gezegd, „dat ik mij schaamde voor de betrekking mijner moeder hé r, of dat het mij aan gepasten eerbied voor Kastanje-Sof en d\' familie ontbrak. Ik had zeker wel kunnen verlangen en ik heb zeker ook wel verlangd, Lady Dedlock dat mijne moeder na zoovele-jaren haar gemak zou nemen en hare laatste dagen hij mii komen slijten. Maar daar ik bevuilden heli, dat hel haar het hart zou breken als zij dien sterken band moest losrukken, heb ik lang van dii uedachte afgezien.quot;

sir Llt; i\' ester weid wi derom zeer statig bij hei denkbeeld, dat juffrouw Rouncewell aan haai natuurlijk verblijf zou ontvoerd worden.

om harelaatstedagen bij een ijzersmelterteslijten.

„Ik ben,quot; vervolgt dc spreker, met beschei-dene rondborstigheid, „leerlingen werkman geweest. Ik heb jaren aan jaren van het loon van een werkman geleefd, en voorbij zekere hoogte heb ik mij zei ven moeten beschaven. Mijne vrouw-was de dochter van een meesterknecht en eenvoudig opgevoed. Wij hebben drie dochters, behalve dien zoon, waarvan ik gesproken heb; en daar ik gelukkig in staat benomhunmeu voorrechten te geven dan wij gehad hebben, heb ik ze goed, zeer goed. opgevoed. Het is een van onze grootste zorgen en genoegens geweest onze kinderen eiken stand waardig te maken.\'

Zijn vaderlijke toon heeft hier iets hoogmoedigs, alsof hij er in zijn hart bijvoegde: „zelfs den stand der dame van Kastanje-Hof.quot; sir Leicester wordt dus wederom nog statiger,

„Dit alles gebeurt zoo dikwijls, Lady Dedlock, waar ik woon, en onder de klasse, waartoe ik behoor, dat huwelijken, die men doorgaans ongelijk zou noemen, bij ons niet zoo zeldzaam zijn als elders. Een zoon komt somtijds zijn vader zeggen, dat hij op een meisje in de fabriek verliefd is geworden. De vader, die eens zelf in eene fabriek heeft gewerkt, is in het eerst misschien eenigszins teleurgesteld. Evenwel is liet waarschijnlijk, dat hij, na zich verzekerd te hebben, dat het meisje een onberispelijken naam heeft, tegen zijn zoon zal zeggen: „Ik moet zeker wezen, dat gij dit ernstig meent. Het is voor u beiden eene ernstige zaak. Daarom zal ik dit meisje een paar jaren opvoeden ,quot; of misschien: „Ik zal dat meisje voor zulk een tijd op dezelfde kostschool als uwe zusters plaatsen, en in dien tijd moet ge mij uw woord van eer geven, dat gij haar maar zóó dikwijls zult zien. Als gij na verloop van dien tijd, wanneer zjj zoover gevorderd is, dat gij in dat opzicht met elkander gelijk staat, nog beiden van dezelfde meening blijft, zal ik het mijne doen om u gelukkig te maken.quot; Ik weet verscheidene gevallen zooals ik hier besehrijf, mylady, en ik meen, dat zij mij aanwijzen wat ik nu zelf behoor te doen.quot;

Nu barst Sir Leicester\'s verontwaardiging uir. kalm maar geducht.

„Mijnheer Rouncewell,quot; zegt sir Leicester, met\'zijne rechterhand in de borst van zijn blauwen rok de staalsiehouding waarmede hij in de galerij is geschilderd, „(rekt gij dus •\'•éne lijn tusseheii Kastanje-Hof enquot; hier moet hij eerst nog ademhalen, daar hij anders gevaar zou loepen van te stikken „en eene fabriek?quot;

„Ik behoef niet te antwoorden. Sir L( ices-ter, dat die twee plaatsen zeer verschillend zijn; maar wat dit geval betreft, geloof ik. dat zij billijk op éi\'ne hjn geplaatst kunnen W\' \'plell.quot;


-ocr page 209-

SIK IJüCKSTKi; DKDLOCK IS \\ Ei;iiA\\H|)

Sir Leicester laat zijn atatigen blik langs den eenen wand der lange zaal op- en langs don ander afgaan, eer hij gelooven kan dat hij wakker is.

, Weet gij wel, manheer, dat dit meisje, dat mylady — mylady bij zich heeft geplaatst, in do dorpsschool, hier buiten het hek, is onderwezen?quot; „Dat weet ik zeer wel, Sir Lei-cester. Het is ecne zeer goede school, en die door deze familie mild ondersteund wordt.quot; „Dan, mijnheer Rouncewell,quot; hervat Sir 1.ei-cester, „is de toepassing van wat gij daar gezegd hebt voor mij geheel onbegrijpelijk.quot; — „Zal het u begrijpelijker worden. Sir Leicester, als ik zeg,\' de ijzersmelter wordt een weinigje rood, „dat ik niet geloof, dat de dorpsschool alles leert wat ik wensch, dat de vrouw van mijn zoon zal weten en verstaan?quot;

Van de dorpsschool van Kastanje-Hof, zoolang onaangetast, tot aan het geheele samenstel der maatschappij ; van het geheele samenstel der maatschapij tot aan het verwoesten van dat samenstel door menschen (ijzersmelters, en anderen), die hun catechismus verachten en niet willen blijven in den staat, waartoe zij geroepen zijn die natuurlijk de eerste staat is, waarin /.\\i zich bevinden; en van daar tot het verlokken van andere menschen om uit h u n staat te willen komen, en zoo de grenspalen om te werpen, de sluizen open te zetten, en wat er meer volgt, dit is de snelle loop der gedachten van Sir Leicester Dedlock.

„Mylady, ik verzoek u verschooning. Mag ik oen oogenblik?\'\' Zij heeft een flauw bewijs ge geven van te willen spreken. „Mijnheer Rouncewell, onze begrippen van plicht, en onze Begrippen van verstand, en onze begrippen van opvoeding, en onze begrippen van kortom al onze begrippen staan zoo vlak tegen elkander over, dat het voortzetten van déze redewisseling even stuitend voor uw gevoel moei zijn als voor het mijne. Dit meisje wordt vereerd door mylady\'s onderscheiding en gunst,. Indien zij zich aan die onderscheiding en gunst verlangt te onttrekken, of indien zij verkiest zich onder den invloed te plaatsen van Iemand, die wegens zijne bijzondere gevoelens gij zult mij wel vergunnen te zeggen, wegens zijne bijzondere gevoelens, hoewel ik gaarne roegeef, dat hij daarvoor niet aan mii verantwoordelijk die haar wegens zijne bijzondere gevoelens aan die onderscheiding en gunst wil onttrekken, zal het haar\' ten allen tijde vrijstaan om dit te doen. WIJ zijn u verplicht voor de duidelijkheid, waarmede gij gesproken hebt. Dit zal op zich zelf geenerlei verandering veroorzaken in de wijze, waarop dat meisje hier behandeld wordt. Verder kunnen wij in geene bedingen betreden; en hierbij verzoeken wij u

als gij zoo goed wilt zijn de zaak te \'aten.quot;

De ijzersmelter zwijgt een oogenblik, om de dame gelegenheid te geven om te spreken, maar zij zegt niets. Dan staat hij op en antwoordt:

„Sir Leicester en Lady Dedlock, vergunt mij u te danken voor uwe oplettendheid, en alleen op te merken, dat ik mijn zoon zeer ernstig zal aanbevelen om zijne tegenwoordig 1 genegenheid te bekampen. Goedennacht!quot; - „Mijnheer Rouncewell,quot; zegt Sir Leicester, die nu geheel de inborst van een gentleman laat doorblinken, „het is laat en de wegen zijn donker. Ik hoop, dat uw tijd niet zoo kostbaar is, of dat gij mylady en mij zult vergunnen u ten minste voor dezen nacht de gastvrijheid van Kastanje Hof aan te bieden.quot; „Dat hoop ik,quot; voegt do dame er bij. „ik ben u zeer verplicht, maar ik moet den geheelen nacht doorreizen om morgen nauwkeurig op een bepaalden tijd in eene vergelegene streek van liet land te zijn.quot;

Daarmede neemt do ijzersmeltor afscheid; en zoodra hij de kamer verlaat staat de dame op en trekt Sir Leicester aan de schel.

Nadat mylady in haar boudoir gekomen is, zet zij zich peinzend bij het vuur, en zonder op de Geestenwandeling te letten, ziet zij naar Rosa, die in eene aangrenzende kamer zit te schrijven. Weldra roept de dame haar.

„Kom eens bij mij, kind. Zeg mij de waarheid. Zijt gij verliefd?quot; „O, mylady!quot;

Mylady ziet naar de neerge slagene oogen en de blozende wangen, en zegt met een glimlach:

„Wie is het? De kleinzoon van juffrouw Rouncewell?quot; .Ja, met uw believen, mylady. Maar ik weet eigenlijk niet of ik al op hem verliefd ben.quot; — „Al gij onnoozel dingetje\' Weet gij dan al of hij op u verliefd is?quot; „Ik geloof, dat hij wel van mij houdt, mylady.quot; Mn Rosa barst in tranen nil.

is dat Lady Dedlock, die bij In t schoone landmeisje staat, met zulk eene moederlijke tee derheid hare donkore haren gladstrijkt, en haar met oogen zoo vol mijmerende belangstelling gadeslaat? Ja waarlijk, zij is het.

„Luister naar mij. kind. (iij zijl jong en oprecht, en ik geloof, dat gij aan mij gehecht zijt.quot; „Waarlijk dat ben ik, mylady Waarlijk, er is niets in de wereld, dat ik niet doen zou om n dat te fcoonen.quot; - „Kn ik denk niet, dat ge mij nu zoo terstond zoudt willen verlaten. Rosa, zelfs vooreen minnaar?\' „Neen. mylady! lt;gt; neen!quot; Rosa ziet nu voor het eerst op, geheel verschrikt door die gedachte. „Vertrouw 11 aan mij toe, mijn kind. We\'s niet bang voor mij. Ik wensch uw geluk, en ik zal u gelukkig maken als iemand op deze aarde gelukkig kan maken.quot;

Met nieuwe tranen knielt Rosa voor haie voeten en kust haar de hand. Mylad\\ grijpt de hand, die de hare gevat heeft, en terwijl zij strak in het vuur staat te staren, wendt zij


-ocr page 210-

MKT VERLATEN HUIS.

IDS

die om en om tusschen hare eigene handen en laat ze langzamerhand los. Haar zoo verstrooid ziende, gaat Rosa zachtjes heen; maar nog blijven Lady Dedlock\'s oogen op het vuur gevestigd.

Waar zoekt zij naar? Naar eene hand, die niet meer is, naar eene hand, die nooit was, naar eene aanraking, die ids door een toover-slag haar leven had kunnen veranderen?«Of luistert zij naar de Geestenwandeling, en denkt zij waarnaar die stap het moest gelijkt? Naar dien van een man? of eene vrouw? of het trippolen van kleine kindervoetjes, die altijd nadelen nader komen? Er is iets, dat haar zwaarmoedig maakt; waarom zou anders zulk eene trotsche dame de deuren sluiten - en alleen bij zulk een akelig eenzamen haard blijven zitten ?

Volumnia is den volgenden dag vertrokken, en voor het diner zijn al de neven en nichten verstrooid. N\'iemand is er onder den geheelen troep, of hij heeft versteld gestaan toen hij onder het ontbijt van Sir Leicester hoorde, hoe het door den zoon van juffrouw Rouncewell duidelijk is gobleken, dat de grenspalen worden omgeworpen, en de sluizen worden opengezet en het samenstel der maatschappij wordt losgerukt. Niemand van den troep of hij is wezenlijk verontwaardigd, en wijt het aan de zwakheid van William Butfy toen hij in het ministerie was. en acht zich, door list of geweld, van een aandeel in het bestuur, of de pensioenlijst of iets anders verstoken. Wat Volumnia aangaat, zij wordt door Sir Leicester de groote trap afgeleid, terwijl zij zoo roerend over dat onderwerp spreekt, alsof er iti het noorden van K n g e 1 si n d iquot; n algemeen kom plot bestond, om haar haar rouge potje en haar parelsnoer te ontweldigen. En zoo, met veel rumoer van kamerdienaars en kameniers — want het behoort tot htm stand dat zij, hoe moeielijk zij het ook mogen bevinden zich zeiven te onderhouden, toch kameniers en kamerdienaar moeten houden — verstrooien zich de neven en nichten tiaar de vier winden des hemels; en de eene wintei wind, die om het eenzame huis waait, schudt het loof van het geboomte, alsof al de neven en nichten in bladeren waren veranderd.

XXIX.

i;hNquot; joN\'ïmkNsen.

Kastanje Hof is gesloten; de tapijten zijn in dikke rollen in de hoeken der holle kamers geschoven; hel zijden damast doet boete in ongebleekt katoen, het vergulde snijwerk is in duisternis, en de voorouderen der Dedlock\'s derven wederom het licht van den dag. Om het huis vallen de bladeren dicht, maar nooit siu l, want zij komen met eene doode lichtheid naar beneden dwarrelen, die altijd iets langzaams en sombers heeft. De tuinman mag het gras vegen zooveel hij wil en de bladeren in volle wagens pakken en wegkruien, nog blijven zij een voet hoog liggen. De wind huilt om ! Kastanje-Hof; de gejaagde regen klettert, de vensters rammelen en de schoorsteenen bulderen. De mist vult de lanen, verbergt de fraaie 1 uitzichten, trekt met de langzaamheid eener { lijkstaatsie tegen de hellende gronden op. Door | het geheele huis heerscht een koude, flauwe j reuk naar dien eener kleine kerk gelijkende, | schoon eenigszins droger, welke de gedachte opwekt, dat de doode en begravene Dedlock\'s | daar in de lange nachten omwandelen en hunne | gra 11 ii c ht ac hterlate n.

Doch het huis in de stad, dat zelden tege- | lijkertijd in hetzelfde humeur is als Kastanje- | Hof, zich zelden verheugt wanneer dit zich ver- i heugt, of treurt wanneer dit treurt, behalve als er een Dedlock sterft; het huis in de stad is wakker geworden. Zoo warm en vroolljk als met zooveel staatsie mogelijk is. zoo vol fijne en strooiende geuren, die geen het minste spoor van den winter dragen, als broeikasbloemen het kunnen maken; zoo rustig en kalm, dat het tikken der pendule\'s en het knetteren der vuren alleen de stilte in de kamers verstoort, schijnt het de verkleumde beenderen van Sir Leicester in regenboogkleurige wol te wikkelen. En daar zit Sir Leicester in statige tevredenheid voor het groote vuur in de bibliotheek te rusten, en verwaardigt zich nu en dan om de rugtitels zijner boeken te lezen of de schoone kunsten met een blik van goedkeuring te vereeren. Want hij heeft zijne schilderijen, oude en moderne. Sommige van do Maskerade school, tot welke do kunst zich somtijds op eene meesterlijke wijze verlaagt, en die bij eene verknoping best als stillevens op den catalogus zouden gebracht worden. Zooals: ,Drie stoelen met hooge ruggen, eene tafel met kleed, langgehalsde flosch (waarin wijn), een spaansch vrouwenkostuum. portret en faee voor Miss Jogg, het model, en eene wapenrusting bevattende een Don Quichot.quot; Of: „Een steenen terras (gebaisten), eene gondel in het verschiet, een compleet Venotiaansch senators-pak, een rijk geborduurd wit satijnen kostuum, met portret in profiel van Miss Jogg, het model, eene kromme sabel, prachtig in goud gemonteerd met juweelen gevest, een rijk bewerkt Moorsch kostuum (zeer zeldzaam) en een Othellö.quot;

Mijnheer Tulkinghorn komt en gaat vrij dikwijls, daar hij Sir Leicester over zijne goederen hoeft te spreken, over pachten, die vernieuwd moeten worden, en zoo al meer. Hij ziel my-lady ook vrij dikwijls, en hij en zij zijn zoo bedaard, en zooonversi hilligen letten zoo weinig op elkander als ooit. En toch is het wel mo-gelyk, dat mylady bang is voor dien mijnheer


-ocr page 211-

HET JOXGE ME.NSCH, DAT (iUPl\'Y HEET. 199

Tnlkinchorn, en dat hij dit weet. Het is wel ■ mogt\'ii|k; dat hij baar met koppige standvastigheid vervolgt, zonder i•enigen zweem van medeleden of berouw. Het is wel mogelijk, dat hare 1 schoonheid en al de staatsie en glans, die haar omgeven, hem slechts des te meer smaak doen krijgen in datgene, wat bij op bet oog heeft, en hem des te onverzettelijker in zijn voornemen doen worden Of hij koud en wreedaardig | is, of wel onbeweeglijk in datgene, wat hij zich tot plicht heeft g( maakt, of wel voornemens, dat er niets voor hem verborgen zal blijven in den grond, waar hij zijn leven lang naar geheimen beeft gedolven, of wel dat hij in zijn hart den glans veracht, waarvan bij een der uiterste stralen uitmaakt, of wel steeds de be-: leedigingen en blijken van minachting opzamelt, die in de vriendelijkheid zijner voorname clien-: ten verscholen zijn of dit alles geheel of gedeeltelijk zoo zij, het is wel mogelijk, dat het voor mylady beter was vijf duizend paren . oogen uit de wantrouwig waakzame modewereld op zich gevestigd te hebben, dan de twee oogen van dien roestigen procureur, met zijne ineengezakte das en zijne vaalzwarte broek, met lintjes aan de knieën vastgestrikt.

Sir Leicester zit in mylady\'s kamer die ; kamer, waar mijnheer Tulkingborn het docu ment in Jarndyce en Jarndyce heeft voorgelezen — buitengemeen weltevreden. Mylady zit, i gelijk op dien dag, voor het vuur, met haar lichtschermpje in de hand, sir Leicester is bijzonder in zijn schik, daar bij in een nieuwsblad i enige aanmerkingen over het samenstel dei maatschappij heeft gevonden, die volkomen met zijne gedachten strooken. Ze zijn zoo toepas-; selijk op het voorval met den ijzersmelter, dat | Sir Leicester opzettelijk uit de bibliotheek naar mylady\'s kamer is gekomen om ze haar voor ; te lezen, „De man, die dit artikel heeft geschreven,quot; merkt hij bij wijze van voorrede aan, I en knikt tegen het vuur alsof hy van een hoogen berg tegen dien man knikte, „heeft een goed verstand.quot;

De man heeft niet zulk een goed versland of bij. verveelt mylady, die, na eene kwijnende poging om te luisteren, of liever om zich te houden alsof zij luisterde, verstrooid wordt en in het vuur staart, alsof het haar vuur op Kastanje-Hof was en zij dit nooit verlaten had. Sir Leieester, daarvan onbewust, leest door zijn dubbel oogglas voort, nu en dan Ophoudende en het glas wegnemende om zijne goedkeuring uit te drukken, zooals; „Zeer waar.\' „Zeer wel gezegd.quot; ..Ik heb dikwijls dezelfde aanmerking gemaakt,quot; terwijl hij telkens na zulk een gezegde de plaats, waar hij gebleven is. uit bet oog verliest, en de kolom op en neer moet gaan om ■/.gt;• terng te vindon.

Sir Leicester is nog, vol ernst en deftigheid, aan bet lezen, toen de deur geopend wordt

en de gepoeierde Mercurius een bezoek aan- j dient, met deze vreemde bewoordingen :

„Het jonge mensch, mylady, dat Guppy heet,quot; ; sir Leicester zwijgt, kijkt ten hoogste ver- | wonderd en herhaalt met eene ontzaglijke stern : } „Het jonge mensch, dat Guppy heet?quot; Rondziende, ontdekt hij liet jonge mensch, dat Guppy heet, zeer bedremmeld en in voorkomen en houding lang geen krachtigen brief van aanbeveling aanbiedende,

, Wat meent gij,quot; zegt Sir Leicester tot Meren rius, „met dat ongemanierd binnenlaten van een , jongmensch, dat Guppy heet?quot; „Ik verzoek excuus. Sir Leicester, maar mylady had gezegd, dat zij het jonge mensch wilde spreken | als hij kwam, ik wist niet, dat gij hier waart. Sir Leicester.quot;

Met deze verschooning richt Mercurius een blik vol gramschap en verontwaardiging naar j het jonge mensch, dat Guppy heet, die dui- \\ delijk zegt: „Wat hebt gij hier te komen, en | m ij in moeite te brengen ?quot; „Het is goed j zoo. Ik heb dat gezegd. Laat het jonge mensch wachten,quot; zegt mylady, „Volstrekt niet, \\ mylady. Daar hij op uw ontbod hier gekomen | is, wil ik u niet hinderen of ophouden.quot;

De galante Sir Leicester verwijdert zich, en beantwoordt in het heengaan eene buiging van het jonge mensch op een manier, alsof hij liefst voor dat eerbewijs wilde bedanken. In zijne deftigheid houdt hij den vreemdeling voor een bijzonder zwierigen en vrypostigen schoenmaker.

Lady Dedlock ziet, nadat de knecht de kamer ; heeft verlaten, hem hoogmoedig aan, en schijnt | hem van het hoofd tot de voeten op te nemen. Zij laat hem bij de deur staan en vraagt wat hij verlangt,

„Dat uwe ladyschap de goedheid mocht willen hebben van mij een kort gesprek toe te | staan.quot; antwoordt mijnbeer Guppy bedremmeld. -- „Gij zijt natuurlijk de persoon, die mij zoovele brieven hoeft geschreven„Ver-; sclieidene, mylady, verscheidene, voordat uwe ladyschap zich verwaardigd heeft mij met een antwoord te begunstigen.quot; „En hebt gij niet hetzelfde middel kunnen bezigen om een gesprek noodoloos te maken? Kunt gij dat nog niet doen ?quot;

Guppy plooit zijn mond tot een stilzwijgend „neenquot; en schudt zijn hoofd.

„Gij zijt onbegrijpelijk dringend geweest, indien het na dat alles toch blijken mocht, dat hetgeen gij te zeggen hebt mij niet aangaat en ik weet niet hoe het mij kan aangaan en verwacht dat ook niet moet gij het voor lief nemen, dat ik u met weinig complimenten zeer kort bescheid geef. Zeg nu wat gij to zeg gen hebt, als het u belieft.quot;

Achteloos met haar schermpje zwaaiende, keert mylady zich weder naar het vuur, zoodat


-ocr page 212-

IIKT VKKLATEN HITS.

2()0

zij het jonge rnensch, dat Guppy heet. bijna haar rug laat zien.

„Met uw voi lot\'. inylad\\/.egt « riippy, ,/al ik nu ter zake komen. Ik ben, gelijk ik uwe ladyschap in mijn e•«•raten brief gezegd heb, in de rechten. In dat vak zijnde, heb ik ge-li\'crd mij niet in geschrifte tu eompromitteiü\'en, en daarom heb ik uwe ladyschap de firma niet gemeld, waarbij ik in betrekking ben, en eene tamelijk goede plaats en ik mag er bijvoegen e-on vrij goed inkomen heb. Ik quot;mag uwe ladyschap nu in vertrouwen mededeelen, da! de nnam dier tinna Kenge en Carboy van L I ii co i n\'s I n n is, die uwe ladyschap, in be trekking met t|i zaak van Jarnciyce en Jarn-dye\'.-. völt; i\' de Kanselarij, misschien niet geheel onbekend zal zijn.\'\'

De houding der dame begint eenige oplet-tendlK id aan te duiden. Zij zwaait niet meer met haar .schermpje .-n houdt het alsof zij luisterde.

„N\'u mag ik uwe ladyschap wel aanstondszeggen, vervolgt Guppy, een weinig stouter wor-dende, „dat het geene zaak is uit Jarndyce lt; •n Jam-dyce voort \\T x-iende, üieniij zoo verlangend maakt om uwe ladyschap te spieken, dat ik niet twijfel of mijn gedrag moet uwt ladyschap zeer indringend, ik mag wel zeggenquot;, haast brutaal zijn voorgekomen en nog voorkomen.\' Nadat hij een oogenblik heeft gewacht om eene ver--zekering van het tegendeel te ontvangen en dit nil t h geschied, vervolgt hij: „Als het iels over Jarndyee en .farndyee geweest was, zou ik terstond naar uw ladysrhaps solliciteur, mijn lieer Tulkinghorn, zijn gegaan. Ik heb het genoegen van mijnheer Tuikinghorn te kennen ten minste wij groeten als wy elkander om moeten — en als het iets van dien aard was lti vveest, zou ik naar hem toe zijn gegaan.quot;

De dame keert zich i•enigszins om en zegt: ,(iij moest lievi r gaan zitten,quot; „Ik dank uw\' ladyschap,quot; en Guppy zet zich. ..^u, uwe ladyschap.quot; Mijnhei r (iUpp\\ raadpleegt eon -iii.iokje papier, waarop hij de punten van be-bandeling heeft aangeteekend, en dat hem, telkens als hij er naar kijkt, geheel in de war schijnt te brengen, „Ik o Ja ik stel mij zelven gehei-l in uwe handen. Als uwe lady-s;\'hap bij Kenge ■ n C arboy, of by mijnhe, i I ulkingliorn, i enig bo-klag over dit tegenwoordige be/.oek mocht doen, zou ik in zeer onaangename omstandigheden geplaatst worder.. Dat le ken ik openiyk. Ik verlaat mij dus op uw ladyschaps goede trouw.quot;

Door een minachtend gel mar met d( hand, di- het schi-rnipje vasthoudt, verzekert de dame hern, dut /ij hem te ver beneden zich acht om over hem te klagen

,, I k /,■ l; uwe ladyschap dank,quot; hervatte (iuppv, , lat is aehi e| voldoend^ S m ik .. ïi Vj Om de waarle id j. zeggen, ik heli

hier het een en ander genoteerd van de punten. die ik dacht aan te roeren; maar dat heb ik met verkortingen gedaan, en nu kan ik er niet goed uitkomen. Als uwe ladyschap mij wil vergunnen voor een half oogenblikje er\'mee naar het venster te gaan, zal ik..,quot;\'

Naar het venster gaande stoot Guppy tegen eene kooi met eon paar vogeltjes, en zegt in zijne verbijstering. „Ik verzoek u wel excuus.quot; Dit strekt niet om zijne aanteekeningen beter leesbaar te maken. Heet en rood wordende, en het papiertje nu dicht bij zijne oog en, dan weder veraf houdende, mompelt hij: „0. S. -Waar heb ik die 0. 8. voor gezet\'? O, het is E. s. Ja zeker, nu weet ik lu-r al.quot; - En aldus op den weg geholpen komt hij terug.

..Ik weet niet,quot; zegt Guppy, halverwege tus-schen de dame en /.ijn stoel blijvende staan, „of mylady ooit iets gehoord of gezien heeft van eene Jonge dame, die Juffrouw Esther Sum merson heet.quot;

De oogeii der dame zien hem vlak in het gezicht.

„ik heb niet lang geleden eeae Jonge dame van dien naam gezien. Verleden najaar.quot; — „Heeft het uwe ladyschap toen niet getroffen, dat zij op iemand geleek?quot; vraagt Guppy, slaat zijne armen over elkander, laat het hoofd op zijde hangen, en krapt zich met zijn papiertje langs den mondhoek.

De dame wendt hare oogen niet meer van hem af.

,Neen,quot; „ Niet geleek op iemand van uwe familie!\'\' „N\'-cn.quot; „Ik geloof.quot; zegt Guppy, „dat mylady zich bezwaarlijk nog het gezicht van Juffrouw Sum merson zal herinneren ?quot; — „Ik herinner mij die jonge dame wel. Maar wat gaat dit mij aan?quot; „Ik verzeker u, mylady, dat het beeld van Juffrouw Sufnmersón in mijn hart is geprent - dit vermeld ik voor loopig in vertrouwen en dat ik, toen ik eens met een vriend een toertje in het graafschap Lincolnshire deed, en de ei-r had van het, Huis op Kastanje-Hof t.e bezichtigen, zulk eene gelijkenis vond tusschen die Juffrouw Sum-merson ••n uw ladyschaps eigen portret, dat bet mij heel ,n -|| van de wijs bracht; zoozeer, dat ik op dat oogenblik zelf niet wist wat het w is. dat mij zoo van de wijs bracht. En nu ik de eer Ijeb uwe ladyschap dicht bij mij te zien ik heb sedert dikwijls de vrijheid genomen van naar uwe ladyschap in uw ilj-\'uig in hot park te zien, zeker zonder door u ti Worden opgemerkt; maar nooit zag ik uwe ladyschap zoo dichtbij is die gelijkenis nog verbazender dan ik gedacht had.quot;

O Jongmensch, dat Guppy la . M Kr is een tijd geweest, toen grout,e dames in sterke kasteelen woonden en dienaren hadden, die zich voor niets ontzagen: en in dien tijd zoudt ge uw leven u\'e.-ne minuut moer zeker zijn geweest, wanneer


-ocr page 213-

HKT .rOX(i|-; MKNSGII 01\' i;i:\\ AAU\'I.I.IKKN (iUOND.

21)1

di(.\' srhoone oogtm u zoo hnddt-n aangezien als zij op het oogenbiik doon,

De dame vraagt hem. terwijl zij haar hand-schermpje langzaam beweegtalsoflieteen waaier was, wat hij denkt, dat zijn smaak voor liet vinden van gelijkenissen haar aangaat.

„Mylady,quot; antwoordt Guppy, wederom zijn papiertje raadplegend, „dit zal ik ook zoo meteen aantoonen. Och, die aanteekeningen! O! juffrouw Chadband. Ja!quot; Guppy schuift zijn stool wat vooruit en zet zich weder. De dame laat zich onverschillig In haar stoel zinken, schoon betrekking bij Kenge en Carboy ter kennis is gekomen. Nu is, gelijk Ik reeds gezegd heb, het beeld van Juffrouw Sinnmerson in mijn hart geprent. Als ik dat geheimzinnige voor haar kon ophelderen, of bewijzen kon, dat zij van goede afkomst was, of ontdekken, dat zij de eer had van tot een tak van inylady\'s familie U behoo-ren en dus recht te hebben om zich in Jarndycc en Jarndyce partij te stellen wel, dan zou ik zekere aanspraak bij juffrouw Sum morsen kunnen maken om mjjne aanzoeken met een meer bepaald gunstig oog te beschouwen dan


misschien met wat minder slorlykoonachtzaam- zij tot nog too eigenlijk gedaan iieeft. Om dlt;\' beid dan gewoonlijk, en wendt haar strakken Waarheid !;lt;• /.eggen, tul neg loi heeft zij ze Idik niet van hem af. „Kr maar wacht, even- geln ol niet begunstigd.\'

Ken bittere glimlach, hoewel nauwelijks merk baar, speelt over bet gelaat der dame.

,.Xn is het eeue zeer zonderlinge omstandigheid.quot; hervat Guppy, „hoewel toch maar een van die omstandigheden, die In ons vak meermalen voorkomen ik mag wel ons vak zeg gen, omdat, schoon ik nog niet ben geadmitteerd, Kenge i-n (\'.irboy mij mijn contract present hebben gedaan, toen mijne moeder uit het kapitaal van haar gering Inkomen bet zegelreebt

t.!lt;•»!quot; Guppy raadpleegt zijn papiertje nog eens .,E. S. tweemaal? O Ja, ja! Xu zie ik waar ik heen moet.quot;

Het strookje papier opr )llendetote( n instru-inent. om hem te heipen gebaren maki n. vervolgt (luppy;

„Mylady. er is iets gebeimzlnnlu\'s aan de geboorte en opvoeding van Juffrouw Est lier Summerson gehecht, ik weet\' dit, omdat het mij ik zeg dit in vertrouwen in m|jne

-ocr page 214-

MKT VEKLATlvN\' II1IS.

voorschoot, dat heel hoog is, - dat ik de persoon heb ontmoet, die als dienstbode gewoond heeft bij de dame, door wie juffrouw Sum-inerson is groot gebracht, voordat mijnheer Jarndyce zich haar aantrok. Die dame was eene juffrouw Barbary. mylady.quot;

fs de doodsche kleur op mylady\'s gezicht (■en wecrschijn van het schermpje, dat met groene zijde is overtrokken, en dat zij in hare opgehevene hand houdt alsof zij niet geheel er aan dacht; of is het eene akelige bleekheid, die haar eensklaps overvalt?

,Heeft uwe ladyschap,quot; zegt Guppy, „ook ooit iets van juffrouw Barbary gehoord?quot; „Dat weet ik niet. Ik geloof wel haast. Ja.quot; „stond die juffrouw Barbary in eenige betrekking tot uwe familie?quot;

De dame beweegt hare lippen, doch er komt i^i-i-n geluid. Zij schudt haar hoofd.

„In geene betrekking?quot; zegt Guppy. „O, niet zoover uwe ladyschap bekend i.s,mis8chien? Ila! Maar het zou toch kunnen zijn? .la!quot; Na i Ik dezer vragen heeft zij het hoofd gebogen. „Zeei goed! Nu was deze juffrouw Batbary buitengemeen achterhoudend — schijnt buitengemeen stilzwijgend te zijn geweest voor eene vrouw, daar vrouwen doorgaans (in het gewone leven ten minste) veeleer spraakzaam zijn en mijne getuige kon volstrekt niet raden of zij . enige familie had. Bij ééne gelegenheid, en niet meer dan eene, schijnt zij echter met mijne getuige over een enkel punt vertrouwelijk te hebben gesproken, en toen zeide zij haar, dat de ware naam van dat meisje niet Esther Sum inerson, maar Esther Hawdon was.quot; „Mijn (lod.quot;

Guppy kijkt verbaasd op. Lady Dedlock zit voor hem en staart hem aan, alsof zy door hem heen zag, met dezelfde donkere schaduw op haar gelaat, in dezelfde houding met het schermpje nog omhoog, hare lippen eenigszins geopend, hare wenkbrauwen saamgetrokken, maar, voor het oogenblik, dood Hij ziet hare hewnstheici terugkeeren, ziet eene rilling door hare leden gaan, gelijk eene kabbeling over een water, ziet hare lippen beven, ziet ze haar nu t groole inspanning stilhouden, ziet liaar zich zelve weder dwingen om aan hem en wat hij ge-zegd heeft te donken. Dit alks zoo snel, dat hare uitroeping en haar doode toestand ver vlogen schijnen te zijn gelijk de gelaatstrek-ki n dier lang bewaard» lijken, welke somtijds in de geopende graven worden gevonden, en door de lucht als door een bliksemstraal gequot; troffen in een oogwenk verdwijnen.

„Is uwe ladyschap bekend met den naam van Hawdon?quot; ,lk heb dien meer gehoord quot; ,lgt;e naam van een annverwnnten tak van mylady\'s familie?quot; „Veen.quot; ,,.Vu, mylady,quot; zent Guppy ,kom ik tot het laatste punt der zaak, zoover ik die heb nagegaan l\'we ladyschap moet weten — als uwe ladyschap het niet toevallig reeds weet dat er in het huis van zekeren Krook, in C h a n c e r y-L a n e, eenigen tijd geleden een kopiist van processtuk ken, die daar zeer behoeftig had geleefd, dood werd gevonden. Er werd eene lijkschouwing gehouden, maar de naam van den doodo bleef onbekend, daar niemand hem wist te zeggen. Maar, uwe ladyschap, zeer onlangs heb ik ontdekt, dat de naam van dien kopiist Hawdon was.\' — „En wat gaat mij dat aan?quot; „Ja [ uwe ladyschap, dat is de vraag! Nu is er, mylady, na den dood van dien man iets zonderlings gebeurd. Er kwam eene dame, eene ver- i momde dame, mylady, die naar het sterfhuis en naar het graf wilde gaan kijken. Zij huurde een straatveger, een jongen, om het haar te wijzen. Als uwe ladyschap dien jongen voor zich wilt gebracht hebben tor bevestiging van deze opgaaf, kan ik hem gemakkelijk vinden,quot;

Die ellendige jongen is de dame geheel onverschillig, en zij wenscht hem niet voor zich te hebben gebracht.

,0, ik verzeker u. hij is een wonderlijke snaak,quot; zegt Guppy. „Als gij hem kondthooren vertellen van de ringen, die aan hare vingers schitterden toen zij haar handschoen uittrok, zoudt gij het waarlijk romanesk vinden.quot;

Er schitterden diamanten aan de hand, die het schermpje vasthoudt. De dame speelt met het schelmpje en laat ze nog meer schitteren ; wederom die uitdrukking in haar blik, die in vroeger tijd zoo gevaarlijk voor zulk een jong-mensch had kunnen zijn.

„Men vermeende, mylady, dat hij geen stukje papier had nagelaten, waardoor men zijn naam kon opsporen. Maar dat heeft hij toch wel. Hij heeft een pakje oude brieven nagelaten.quot;

Het schermpje blijft in beweging en hare oogen laten hem niet los.

„Zij werden door iemand weggenomen en verborgen, en morgenavond, mylady, zullen zij in mijn bezit komen.quot; „Nog eens vraag ik u, wat gaat mij dat aan?quot; - „Mylady daarmede zal ik besluitendit zeggende staat Guppy op. „Indien gij denkt, dat deze geheele reeks van samenloopende omstandigheden namelijk, dat er zulk eene sterke gelijkenis tusschen die jonge dame en uwe ladyschap bestaat, iets, waaraan geene jury zou kunnen twijfelen dat zij door juffrouw Barbary is groot gebracht --- dat juffrouw Barbary verklaart, dat juffrouw Surnmerson\'s ware naam Hawdon is dat uwe ladyschap beide namen z e e r w e 1 kent dat die Hawdon zóó gestorven is — voldoend\'\' is om uwe ladyschap uit familiebelangen te doen wenschen om de zaak verder te onderzoeken, zal ik die papieren hier brengen. Ik weet niet wat zij zijn, behalve. dat het oude blieven zijn; ik heb ze nog nooit in mijn bezit gehad, ik zal die pa-


-ocr page 215-

HET JONGE MENSCH WENSCHT M VLA DY GOEDEN AVOND. 203

pieren hier brengen, zoodra ik ze krijg, en ze voor cle eerste maal met uwe ladyschap doorzien. Ik heb uwe ladyschap mijn oogmerk gezegd. Ik heb uwe ladyschap gezegd, dat ik in zeer onaangename omstandigheden zou komen, als er eenig beklag werd gedaan; en dit alles blijft geheel in vertrouwen.quot;

is dit nu het geheele doel van liet jonge ; mensch dat Guppy heet, of heeft hij nog een verder oogmerk? Openbaren zijne woorden de geheele lengte, breedte en diepte zijner vermoedens en uitzichten; of zoo niet, wat verbergen zij nog? in dit opzicht is tiij tegen do dame opgewassen. Zij mag hem aanzien, maar hij kan naar de tafel zien, en zorgen dat /.Ijn gezicht, zoo strak alsof hij voor het gerecht in de getuigenbank stond, niet het minste verraadt.

„Gij kunt de brieven brengen,quot; zegt de dame, „als gij verkiest.quot; „Uwe ladyschap moedigt mij niet zeer aan, op mijn woord van i er,\' zegt Guppy eenigszins geraakt. „Gij kunt de brieven brengen,quot; herhaalt zij op denzelfden toon, „als — het u belieft.quot; — „Het zal geschieden. Ik wensch uwe ladyschap goedenavond.quot;

Op eene tafel dicht bij haar staat een kostbaar kistje met banden en sloten gelijk eene ouderwotsche Ijzeren geldkist. Hem nog steeds I aanziende, haalt zij het naar zich toe en sluit het open.

„O, ik verzeker uwe ladyschap, dat liet geene j redenen van die soort zijn, die mij drijven.quot; I zegt Guppy, „en dat ik niets van dien aard | zou kunnen aannemen. Ik wensch uwe lady-: schap goedenavond, en blijf u toch eveneens zeer verplicht.quot;

Aldus maakt het jonge mensch zijn compliment en gaat naar beneden; waar de hoogmoedige Mercurius zich niet geroepen acht om zijn Olympus bij het in het voorhuis brandende vuur te verlaten, ten einde hem de deur te 1 openen.

Is er, terwijl Sir Leicester zich in de bibliotheek zit te koesteren en bij zijne courant te dutten, niet iets in huis, dat hem moet doen schrikken; om niet te zeggen, dat zelfs de boomen van Kastanje Hof hunne knoestige takken moet doen zwaaien, de portretten het voorhoofd doen fronsen, de wapenrustingen doen rinkelen?

Neen, Woorden, snikken en angstkreten zjjn slechts dunne lucht; en de lucht is in het huis in de stad zoo opgesloten en afgesloten, dat de klanken, die mylady in hare kamer uit, wel trompetklanken zouden moeten zijn, om eene flauwe trilling naar Sir Leicester\'s ooi en te brengen; en toch wordt in dat huis, door eene woeste, op den grond geknielde gedaante, deze kreet opgezonden :

„O mijn kind, mijn kind! Niet gestorven in de eerste uren van haar leven, gelijk mijne wieede zuster mij zeide; maar met hardheid

en tegenzin door haar opgevoed, nadat zij mij en mijn naam had verzaakt. O mijn kind! o mijn kind!quot;

XXX.

ESTHER\'S VKIIIIA A

Richard was reeds eenigen tijd vertrokken, | toen wij voor eenige dagen een gast kregen. Het was een»\' bejaarde dame, namelijk mevrouw Woodcourt, die, daar zij uit Wales was geko- j men om bij mevrouw Bayham Badger te gaan : logeeren, en „op verlangen van haar zoon Al- | lanquot; aan mijn voogd had geschreven, „om te berichten, dat zij van hem gehoord had, en | dat hij nog wol was,quot; door den heer Jarndyce was uitgenoodigd om ons op het Verlaten Huis te komen bezoeken. Zij bleef bijna drie weken | bij ons. Ze scheen zeer veel zin in mij te heb- j ben en werd buitengemeen vertrouwelijk, zoo- i zeer zelfs, dat ik het somtijds benauwend vond. i Ik had geene reden, dat wist ik wel, het be- | nauwend te vinden, dat zij zoo vertrouwelijk ! met mij omging, en ik gevoelde wel, dat het j niet versiandig van mij was, maar, wat ik er | ook tegen deed, ik kon toch niet anders.

Zij was zeer scherpzichtig, dat oude mevrouw- i tje, en placht mij, met in elkander gevouwene ! handen, zoo waakzaam te zitten aankijken als zij met mij sprak, dat ik dit misschien eenigszins onaangenaam vond. Of misschien was het, \\ dat zij zich zoo recht hield en zoo puntig net ! was: schoon ik niet denk, dat dit het was, omdat ik dit, schoon wat overdreven, wel aar- i dig vond. Ook kan het de aigemeene uitdi uk- \\ king van haar gelaat niet geweest zijn, dat voor eene oude dame zeer frisch en bevallig was. Ik weet niet wat het was Of ten minste, als ik het nu weet, dacht ik toen niet daaraan. Of ten minste maar dat is onverschillig.

Des avonds als ik naar boven en naar bed wilde gaan, riep ze my dikwijls in hare kamer, | waar zij in een groeten leuningstoel voor het vuur zat, en dan vertelde zij mij van Morgan | ap Kei rig, tot ik er heel en al suf van werd, j Somtijds reciteerde zij verzen uit Crumlinwal- : linwer en de Mewlinwillinwodd (als dat de reedde namen zijn, wat zij wel zeker niet zullen wezen) en ge raakte geheel in vuur door de daarin uitgedrukte gevoelens; schoon ik (daar albs in het Waal se h was) er niet anders van hepreep, dan dat het lofdichten op het geslacht van Morgan ap Kerrig waren,

„Dit is dus, juffrouw Summerson,quot; zeide zij dan met statige opgetogenheid, „tiet erfgoed van mijn zoon. Waar mijn zoon ook heengaat, kan hij op verwantschap met ap Kerrig aan- | spraak maken. Hij mag geen geld hebben, maar


-ocr page 216-

Ill\'T VKKI.ATKX Hl\'ls,

hij heeft alüjii iets, dat veel beter is, zulk eene afkomst, liefje.quot;

Ik twijfi.\'lde er aan of men in Indif en \'-■hi na wel zoove\'1 om Morgan ap Kerrigzou \' geven, maar ik zoide dit natuurlijk nooit. Ik placht te zeggen, dat het iets groots was van zoo voorname familie te zijn.

,Het is ook iets groots, liefje.quot; antwoordde ui\'vrouw Woodcourt dan. „ .Maar het heeft ook I zijne onaangenaamheden. Bij voorbeeld, mijn zoon wordt er door beperkt in de keus van ei nr vrouw; maar koninklijke familie heeft ook eene beperkte keus, omtrent op dezelfde manier.\'

Kn dan tikte zij mij op den arm of streek mijn kleedje glad, als om mij te verzekeren, dat zij, in weeiwil van den afstand tusschen ons. toch eene goede ineening van mij had.

.Mijn goede Woodcourt, lieve,quot; zeide zij dan wel, en altijd met zekere ontroering, want bij haar edelen siamboorn had zij ook een goed en trevoellg hart. „was van eene groote Hoogland--i he familie afkomstig, de Mac Coort\'s van Mac t \'oort. Hij diende zijn koning en vaderland als ofhcier bij de Ivuninklijkf Hooglanders, en stierf op het bed van eer. Mijn zoon is een dor laatste vert» genwoordigers van twee\' oude familien. Met des hetne 1 s zegen -zal hij ze weder opbemen en met none anderlt; oude familie vereenigen.quot;

liet was vruchteloos, dat ik le t onderwerp poogde ti verwisselen. Le lijk ik wel eens beproefde alleen om eens wat nieuws te hebben ol\' nok omdat maar ik behoef niet zoo nauwkeurig te zijn; mevrouw Woodeourt, wilde het mij nooit laten verwisselen.

„Kindlief,quot; /.\' ide 7.1; op ei 11 avond, gt;g(i hebt zooveel verstand, en gij beschouwt de wereld met een kalmte, die zoover boven uwe jaren verheven is. dat het een genot voor my is met u over deze familie/,aken te praten. Gij kent mijn zoon niet veel; maar gij heb| hem toch genoeg gekend, zou ik zeggen, om hum u nog t\' herinner.n ?quot; „Ja. mevrouw; ik herinner mij hem nog wel quot; „Nu, melieve, ik geloof, dat gijgni\'d over karakters kunt oordeelen, en ik ziui gaarne e.-ns uw oordci 1 over hem willen hooien.quot; „O, mevrouw Woodcourt,quot; zeide ik. „dat. is zoo rnoeielijk.quot; „Waarom is dat zoo moeielijk .quot; hervatte zij. „Dat begrijp, ik niet.quot; „Om een oordeel te vellen quot; „Ni 11 ate zoo gering1\'kennismaking, lievi gt; .la, dat is waar.quot;

Ik meende ilil niet, want de heer Woodcourt was vrij dikwijl-; hij ons aan huis gewe. st en was zeei gemeenzaam rnct mijn voogd geworden Ik zeidt. dit en voegde er bij. dat hy ;n zijn vak zeer knap scheen tr- zijn naar wij dachten eii dat zijne goedheid en vriendelijkheid voorjuffrouw Plite boven allen lof waren.

„Oy laat hem rec.ht wedervaren,quot; zeide me vrouw Woordcoiirt, mij de hand drukki nde. „Oy hebt hem zeer gnei] vvaargi uonien. Allan is 1 en beste jongen, en in zijn vak is er niets op hem aan te merken. Dat zeg ik, hoewel ik zijne moeder ben. Evenwel moet ik bekennen, dat hij niet zonder gebreken is, kindlief.quot; - „Dat is niemand,quot; zeide ik. - „O ja. maar hij heeft wezenlijke gebreken, die hij kon verbeteren en moest verbeteren,quot; antwoordde de scherp-zichtige oude dame en schudde driftig haar hoofd. „Ik houd zooveel van u, melieve, dat ik u, als eene derde, die geheel onpartijdig is, wel mag toevertrouwen, dat hij de wispelturigheid in eigen persoon is.quot;

ik zeide, dat ik het bijna niet anders mogelijk had geacht, of hij moest in zijn beroep zeer standvastig en ijverig zijn geweest, te oordeelen naar den naam. dien hij daarin reeds verworven had.

„Daarin hebt gij wederom gelijk, melieve,quot; antwoordde de oude dame, „maar ik doolde niet op zijn beroep, moet ge weten.quot; „O!quot; zeide ik. — „Xeen,quot; vervolgde zij. „ik doel op zijn gedrag in den gezelligen omgang. Hij kan het niet laten jonge dames allerlei kleine oplettendheden te bewijzen. Dat heeft hij altijd gedaan, van zijn achttiende jaar af. Nu. melieve, h eft hij nooit ernstige gedachten op een meisje gehad. en heeft hij zoodoende nooit gemeend iets kwaads te doen, of iets anders dan beleefdheid en welwillendheid uit te drukken. Evenwel, hot i- toch niet goed, niet waar?\' „Neon,quot; zeide ik, daar zij op dit antwoord scheen te wachten. „En het zou wi 1 tot verkeerde denkbeelden aaulei ling kunnen geven, ziet ge, kindlief.quot;

Ik vond dit ook.

„Daarom heb ik hem ook al dikwijls gezegd, dat hij voorzichtiger behoorde te zijn, en dat hij dit zoowel aan zich zeiven als aan anderen verplicht was. En dan zei Ie hy altijd: „Moede:. ik zal voorzichtiger zijn, maat\'gij kent mij beter dan iemand anders, on gij weet wel, dat ik geen kwaad meen kortom, dat ik eigenlijk geheel niets er mode meen.quot; Dit is nu alles wel waar, melieve, maar het verschoont hem toch niet. Evenwel, daar hij nu zoover weg is en een onbepaalden tijd wegblijft, en daar hij nu goede gelegenheden en introductii n zal hebben, mogen wij dat alles voor voorbij en afgedaan houden. En gij. kindlief,quot; zeide de oude dame met eetl Vriendelijk knikje en glimlachje, „hoe js het nu met Ü gesteld, liefje?quot; „Met mij. mevrouw Woodcourt?quot; .Om niet altijd even eigenlievend te zijn en niet altijd over mijn zoon te praten, die nu zijn fortuin en eene vrouw is gaan zoeken wanneer denkt gij uw fortuin to gaan zoeken en een man te vindon? He, zit eens aan! Wat wordt gij rood!quot;

Ik geloof niet, dat ik rood werd — in allen itovalle. het was van geen belang, al deed ik het en ik zeide, dat ik met mijn tegenwoordig lot volkomen tevredefti was en naar gei-ne verandering winsehte.


-ocr page 217-

CADDY\'S TROUWD.Ul IS HEI\'AADD.

„Zal ik eens zeggen, wat ik altijd van u denk en van iiet fortuin, dat nog voor u aanstaande is, liefje?quot; zeide mevrouw Woodconrt. „Als i,rij gelooft, dat gij goed kunt waarzeggen.quot; antwoordde ik. . Welnu dan, het is, dat gij met een man zult trouwen, die heel rijk en heel braaf en heel goed is, veel ouder misschien vijf en twintig jaar ouder dan gij zelf zijt. En gij zult ei ne uitmuntende vrouw zijn, zeer bemind en zeer gelukkig.quot; — „Dat is wel een goed fortuin,quot; zeide ik. „Maar waarom zal dat het mijne wezen?quot; „Omdat het zoo wel voor u past, kindlief,quot; antwoordde zij. „(Jij zijt zoo werkzaam, en zoo net, en over het geheel in zulke bijzondere oinstaruligheden geplaatst, dat het juist voor u passen zou, en daarom zal het ook gebeuren. En niemand, kindlief, zal u hartelijker met zulk em huwelijk geluk wenschen, dan ik zal doen.quot;

Het was vreemd, dat dit mij benauwd en onrustig maakte, maar ik geloof toch, dat het dit deed. Ik weet zeker, dat het dit deed. liet hield mij een gedeelte van dien nacht onrustig wakker, i k was zoo beschaamd over mijne dwaasheid, dat ik die zelfs niet voor Ada wilde bekennen ; en dat maakte mij nog onrustiger. Ik had alles willen geven om niet zoozeer bij die scherpziclftige oude dame in vertrouwen te zijn, als ik dat vertrouwen maar had kunnen afwijzen. Het deed mij do tegensli ijdigste gedachten van haar opvatten. Nu e ens dacht ik, dat zij zeer logenachtig, dan weder, dat zij de waarheidsliefde zelve was. Nu vermoedde ik, dat zij zeer listig was: oen oogenblik later geloofde ik vast aan de opre -htheid en eenvoudigheid van haar goed hart. En buitendien, wat ging het mij aan, en waarom zou ik het mij aantrekken ? Waarom kon ik niet, als ik met mijn sleutelmandje naar bed ging, nog Wat opblijven om met haar bij het vuur te zitten en mij voor eene poos naar haar te schikken, ten minste evengoed als naar iemand anders, zonder mij zelve te kwellen over de onverschillige dingen, die zij zeido? Door haar aangetrokken, gelijk ik zeker was, want ik was zeer verlangend om haar te behagen en waarlijk blijde, dat ik dit deed, waarom zou ik dan naderhand met angst en smart nadenken over ieder woord, dat zij gesproken had, en het nogmaals en nogmaals met. twintigvorschillende schalen nawegen? Waarom was het zoo benauwend voor mij haar in huis te hebben en haar eiken avond zoo vertrouwelijk te hooren prateh, terwijl ik toch gevoelde, dat het, waarom dan ook, beter en veiliger was, dat zij daar was dan ergens anders? Dit waren tegenstrijdigheden en raadselen, die ik niet verklaren kon. Ten minste als ik het kon maar daar aan zal ik later komen, en het is dwaasheid er nu van te willen reppen.

Toen dus mevrouw Woodcourt vertrok, speet liet mij wel, dat ik haar verloor, maar het was toch eene verademing voor mij. En toen kwam (,\'addy Jellyby over; en (Jaddy bracht zulk een pak huiselijk nieuws mede, dat het ons overvloedige bezigheid gaf.

Vooreerst verklaarde Caddy (en in het eerst wilde zij niets anders verklaren), dat ik de boste raadgeefster was, die ooit iemand gekend had. Dit, zeido mijne Ada, was geheel geen nieuws; en ik zeido, natuurlijk, dat liet gekheid was. Toen vertelde ons Caddy, dat zij over eene maand zou gaan trouwen, en dat als Ada en ik hare speelnootjes wilden zijn, zij het gelukkigste meisje van de wereld zou wezen. Dit was zeker iets nieuws; en ik dacht, dat wij nooit gedaan zouden hebben gekregen met er over te praten, zooveel hadden wij (;addgt;. en had Caddy ons te zeggen.

Het scheen, dat Caddy\'s ongelukkige papa door de algonieene barmhartigheid zijner schuld eischers zijn bankroet te boven was gekomen hij was nu door de Gazette heen, zeido Caddy, alsof dat nieuwsblad eene tunnel was en gelukkig van zijne zaken afgeholpen, zonder dat het hem gelukt was er iets van te begrijpen, Hij had al wat hij in de wereld bezat af gestaan (hetgeen, dacht ik, naar den staat dei meubelen te oordeelen. niet veel waard kon ziin) en had ieder, wien het aanging, overtuigd, dat hij niet meer doen kon. arme man! Zoo was hij met eere ontslagen en had een kantoor opgezet, om weder opnieuw te beginnen Wat hij in zijn kantoor deed heb ik nooit ge weten ; Caddy zeido. dat hy zaken bij het tolkantoor waarnam; en het eènige. dat ik ooit van die zaken lieg repen heb is. dat hij meer dan gewoonlijk geldgebrek had, naar eh dokken ging om er naar te zoeken, maar bijna nooit iets vond.

Zoodra baar papa, door zich zoo geht e] uit te kleeden, zijn gemoed had gerustgesteld en de familie naar gemeubileerde kamers in Hat ton Garden was verhuisd, (waar ik, toen ik naderhand daar heenging, de kinderen bezig vonel met paardenhaar uit de steel/.ittingen te halen en zich dat in den mond t\' proppen) had Caddy vt n onderhoud tusschen hem en den ouden heer Turveydrop bewerkt; en daarbij had mijnheer Jellyby, die- altijd zeer neeierig en zachtzinnig was, zulk eenonderdanigen eer bied voor mijnheer Turveydrop\'s welgemanierdheid getoond, dat deze- twee de bestlt; vrienden waren geworden. Aldus langzamerhand aan het denkbeeld gewend, dat zijn zoon in liet huwelijk zou treden, had de oude he er Turveydrop zijn vaderlijk gevoel genoegzaam wakker geschndom die gebeurtenis ook als kort aanstaande te kunnen bese-houwf n, en het Jongen paar zijne gunstige toestemming gegeven om, zoodra zij maar wilden, in de dansucademie inN e w ma n-•S t ree t hun eigen huishonden op te zetten.


-ocr page 218-

HET VKIM.ATEN IU IS.

„En uw papii. UaUdy, wat zeide hij?quot; „Och, arme pa.\' antwoormle Caddy; ,liij schreide maar, en zeide, dat iiij hoopte, dat wij beter met elkandor terecht zouden komen dan liij en ma gedaan hadden. Hij zeide dit niet voor Prince, maar tegen mii alleen. En hij zeide ook: „Mijn arm kind, men heeft u nooit goed geleerd hoe gij het uw man in huis genoeglijk kunt maken ; maar aU gij niet voornemens zijt van ganscher harte uw best daartoe te doen. zoudt gij beter doen hem te vermoorden dan met hem te trouwen als trü hem waarlijk üefhebt.quot;

„En waarmede hebt gij hem toen gerustgesteld, Oaddy?quot; „Och, het was wel bedroevend, dat begrijpt gij, mijn armen pa zoo neerslachtig t\'1 zien, en hem zulke akelige dingen te hoeren zeggen, en ik kon zelf het schreien niet laten. Maar ik zeide hem, dat ik het waarlijk van ganscher harte voornemens was; en dat ik hoopte, dat hij bij ons een plaatsje zon hebben, waar hij des avonds op zijn gemak kon komen-zitten en zich wat laten troosten ; en dat ik hoopte en geloofde, dat ik daar eetie betere dochter voor hem zou kunnen zijn dan bij ons thuis Toen sprak ik er ook van, dat Peepy bij ons moest komen en bij ons blijven ; en toen begon pa weder te schreien en zeide. dat de kinderen Indianen waren.quot; „Indianen, Caddy?quot; „Ja,quot; zeide Caddy, „wilde Indianen. En pa zeidequot;\' — hier begon het arme meisje te snikken, en z|j geleek laag niet naar het gelukkigste meisje in do wereld, „dat hij wol wist, dat het beste wat hun gebeuren kon was. dal zij allen maar , ge torna-hawkf werden.quot;

Ada merkte hierop aan, dat het gelukkig was te weten, dat mynheer Jelly by dat akelige gezegde niet, meende.

„Keen, ik weet natuurlijk wel, dat pa zijne kinderen niet gaarne in hun bloed zou zien liggen wentelen,quot; zeide Caddy, „maar hij meent toch, dat het zeer ongelukkig voor hen is, dat zij ma\'s kinderen zijn, en dat het voor hom zeor ongelukkig is, dat hij met ma is getrouwd; ik weet. nuk wel, dat dit de waarheid is, al schijnt hot onnatuuriyk dat zoo te zeggen.quot;

ik vroe_\' Caddy of hare moeder wist, dat haar trouwdag reeds bepaald was.

„Och, gij weet wel hoe ma is. Esther,\' antwoordde zij. „Het is onmogelijk te zoggen, of zij het wel weet of niet. Het is haar dikwijls genoeg gezegd, en als het haar gezegd w ordt, ziet zij mij maar eens bedaard aan, alsof ik ik weet mei wat was alsof ik oen kerktoren heel in d verte was.quot; zeide Caddy, welke die ge.la\'dile Z\'io eensklaps sche. n in te vallen; ,eri dan schudt /,y haar hoofd en zegt: „\'), C-addy. Oaddy. wat, kunt ge mij toch plag nl\' on gaat. dan weder aan har- brieven over Borriobo »1 a.quot; „Eu hoe is hot met uwe garderobe. Caddy z* ide ik ; want voor ons behoefde zij zich niet te geneeren. - „Wel, lieve Esther,quot; antwoordde zij, hare oogen af- | drogende, „ik moet het er maar mee doen zoo : goed ik kan, en ik vertrouw, dat mijn lieve Prince het mij nooit zelfs in gedachten zal verwijten, dat ik zoo kaal bij hem kom. Als i het eéne uitrusting voor B or r i pboo la betrof, zou mama er alles van weten en het er zeer druk mede hebben, maar nu weet zij er niet ; van en geeft zij er niet om.quot;

Het ontbrak Caddy volstrekt niet aan natuurlijke genegenheid voor hare moeder, maar zij zeide dit met tranen, als eene onloochenbare waarheid; en ik vrees, dat het dit ook was. Wij hadden zooveel medelijden met het arme meisje, en vonden zooveel te bewonderen in lt; den goeden aanleg, die onder zulke ongunstige omstandigheden bewaard was gebleven, dat wij beiden tegelijk (Ada en ik, meen ik) een plannetje voorstelden, dat haar uitermate : verheugde. Dit was, dat zij drie weken bij ons zou blijven, en ik eene week bij haar, en dat j wij alle drie zouden overleggen, en knippen, ! en naaien, en lappen, en sparen, en het beste zouden doen wat wij maar konden bedenken i om haar voorraad te vergrooten en te verbe- ■ teren. Daar mijn voogd evenzeer met dit denk- \\ beeld was ingenomen als Caddy zelve, gingen { wij den volgenden dag met haar naar huis om de zaak te beredderen, en brachten haar in triomf weder mede, met hare doozen en zooveel nieuw goed als er voor eene banknoot van tien pond kon gekocht worden, die haar vader denkelijk bij de dokken had gevonden, maar in allen gevalle haar gaf. Wat mijn voogd haar zou gegeven hebben, als wij hem hadden \\ aangespoord, zou moeielijk te zeggen zijn, maar j wij achtten het biflijk, dat hij niet meer dan | haar bruidskleedje en een hoed zou bekostigen. Hij trad tot dit vergelijk toe ; en als Caddy ooit in haar leven gelukkig was geweest, was zij dit zeker toen wij aan het werk gingen.

Zij was onhandig genoeg met de naald, het arme meisje, en prikte zich even erg in de vingers als zij die voorheen met inkt had be- j morst. Nru en dan kon zij het niet laten wat | rood te worden, gedeeltelijk van pijn, en gedeeltelijk van ergernis, dat zij het niet beter kon, maar spoedig kwam zij dat te boven, en toen begon zij snel in het loeren te vorderen. En zoo zaten wij, mijae lieve Ada, Charley mijn kameniertje, eene wollenaaister uit de stad en ik, dag aan dag, zoo hard en zoo pleizi e\'ig mogdijk te werken.

Boven en behalve dat was Caddy zeer ver-langend om „te h ■ ren huis louden,quot; gelijk zij zeide. Nu vond ik echter het donkbeeld, dat zij van iemand, die zulk eone verbazende ondervinding had als ik, zou loeren huishouden, zoo comisch. dat ik lachte, en bloosde, en ver-leg. a word toen zij er van sprak. Ik zeide even-


-ocr page 219-

207

1 wel: „Caddy, gij hebt volle vrijheid om alles I te leeren wat ge van mij leeren kunt, melieve;quot; | en ik liet haar mijne boeken zien, en wees haar | hoe ik alles behandelde en deed. Naar h ire | oplettendheid te oordeelen, zou men gezegd i hebben, dat ik haar eenige zeer verwonder lijke uitvindingen vertoonde; en als gij gezien hadt hoe zij opstond en met mij medeging, als ik maar met mijne sleutels rammelde, zou men gedacht hebben, dat ik mijzelve voor ver-I bazend knap had uitgegeven, en Caddy on-I noozel genoeg was om mijne grootspraak blin-I delings te gelooven.

Zoo vlogen, met naaien en huishoudelijke bezigheden, lesgeven aan Charley en des avonds een spelletje op het dambord met mijn voogd, en een duet met Ada, de drie weken spoedig om. Toen ging ik met Caddy naar huis, om te | zien wat daar kon gedaan worden; en Ada en ; Charley bleven achter om op mijn voogd te | passen.

Als ik zeg, dat ik met Caddy naar huis ging, ineen ik naar de gemeubileerde kamers in H at-ton Garden. Wij gingen twee- of driemaal naar Newman-Street, waar men ook bezig was met toebereidselen te maken; vele, i naar ik opmerkte, om voor het gemak van 1 den ouden heer Turveydrop te zorgen, en eenige 1 weinige om het nieuw getrouwde paar zoo goedkoop mogelijk geheel boven in het huis weg te stoppen. Ons hoofddoel was echter de gemeubileerde kamers in behoorlijken staat te brengen om daar bij gelegenheid van het huwelijk een ontbijt te geven, en mevrouw Jel-I lyby vooraf een flauw denkbeeld mede te dee-len van hetgeen er gebeuren moest.

Het laatste was het moeielijkste, daar mevrouw Jol lyby en een ziekelijke jongende, voorkamer bezet hielden (de achterkamer was maar een hokje) en daar geheele hoopen scheurpapieren Borrioboolaanschedocumenten verstrooid lagen, gelijk het stroo in een onordeiyken stal. Mevrouw Jol lyby zat daar den geheelen dag sterke koffie te drinken, te dicteeren en consulten over Bom\'oboola te houden. De ziekelijke jongen, die naar het mij voorkwam de tering onder de leden scheen te hebben, at buitenshuis. Als de heer Jellyby thuis kwam, ging hij doorgaans zuchtend naar de keuken. Daar kreeg hij wat te eten, als de meid hem iets wilde geven, en dan gevoelende, dat hij in den weg was, ging hij weder uit en wandelde I in het nat door Hatto n Gar de n om. Do arme kinderen zwierven door het huis op en neer en rolden van de trap, gelijk zij altijd gewoon waren.

Daar er niet aan te denken was mn die verwaarloosde kinderen binnen eerie week in oen eenigszins toonbaren staat voor den dag te doen komen, stelde ik Caddy voor, hun op den morgen van haar huwelijk, in het zolderkamertje waar zij sliepen, zooveel genoegen re verschaffen als ons mogelijk was, en onze voornaamst! ■ pogingen tot hare mama, de kamer en een behoorlijk ontbijt te beperken. Mevrouw Jellyby had waarlijk vrij voel zorg noodig. want het traliewerk op haar rug was sedert mijne eerste kennismaking met haar aanmerkelijk wijder geworden, en hare haren zagen er uit gelijk de manen van een aschmans paard.

In de meening, dat het vertoonon van Caddy\'s garderobe het beste middel zou zijn om het onderwerp te naderen, verzocht ik mevrouw Jellyby des avonds, toon de ziekelijke jóngen heengegaan was. om eens naar de kleederen en sieraden te komen zien, die op Caddy\'s bed lagen uitgespreid.

„Lieve Juffrouw Summerson,quot; zeide mevrouw Jellyby, met hare gewone zachtzinnigheid van haar lessenaar opstaande, „Ik moet waarlijk lachen om al die toebereidselen, schoon het een bewijs van uwe goedheid is, dat gij er zoo aan helpt, ik vind iets zoo onuitsprekelijk ongerijmds in het denkbeeld, dat Caddy zal gaan trouwen! O Caddy, gij onnoozel gansje!quot;

Zij ging evenwel met ons naar boven, en keek op hare gewone manier naar de kleederen, alsof zij naar iets tuurde, dat heel ver weg was. Zij deden echter één bepaald denkbeeld bij haar opkomen, want zij schudde met een vreedzaam glimlachje haar hoofd en zeide: .Lieve juffrouw Summerson, met de helft van die kosten had dat dwaze kind naar Afrika kunnen uitgerust worden,quot;

Toen wij weder naar beneden gingen, vroeg mevrouw Jellyby mij of die lastige historie inderdaad aanstaanden woensdag moest plaats hebben? Toen ik deze vraag met „jaquot; beantwoordde, hervatte zij; „Zou men mijne kamer ook noodig hebben, lieve juffrouw Summerson? Want het is eene onmogelijkheid, dat ik mijne papieren kan wegbergen.quot;

!.k nam de vrijheid van te zeggen, dat men de kamer voorzeker z iu noodig hebben, en ik meende, dat wij de papieren ergens moesten borgen.

„Wol, lieve juffrouw Summerson,quot; zeide mevrouw Jellyby hierop, „gij zult het best weten, dat moet ik zeggen. Maar door mij te noodzaken om oen jongen te houden, heeft Caddy mij zoo met bezigheden overhoopt, dat ik niet Weet hoe ik mij zal koeren of wonden. Bovendien hebben wij woensdagmiddag eehc afdeo-ling-vergadering; het komt waarlijk zeer ongo logen.quot; „Ib t is niet denkelijk, dat het nog eens zal voorvallen,quot; zeide ik glimlachend, „i\'addy zal waarschijnlijk maar eens trouwen.\'

,,Dat is waar,quot; antwoordde mevrouw Jellyby, „dat is waar, molievo. En dus zullen wij er ons maar in moeten schikken.quot;

Do volgende vraag was nu, hoe mevrouw Jellyby bij lie gelegenheid zou gekleed zijn. Ik


-ocr page 220-

MKT Vr.RLATKN\' IH IS,

vond het alleraardigst, haar mol zulk eeno heldere kalmte van haar lessenaar te zien op-kyk\'-n, terwijl L\'addy en ik daarover spraken, nu i n dan met een hall\' verwijtenden glimlach haar hoofd schuddende, alsof haar verheven geest ons gebeuw 1 maar even kon verdragen

Do staat, waarin hare kleederen zich bevonden, en de buitengewone) wanorde, waarin zij die bewaarde, vergrootte on/.e verlegenheid niet weinig; maar eindelijk haalden wij toch iets bijeen, dat niet al |e ve-el verschilde van wat eene gewone moeder bij zulk eene gelegenheid zou kunnen dragen. De verstrooide onverschilligheid, waarmede mevrouw Jellyby zich overgaf om zich dezen dos door de naaisters te laten aanpassen,endelieftalligheid, waarmedezy vervolgens aanmerkte ho«; het haarspeet, dat ik mijne gedachten niet naar A fr i ka had gekeerd, strookten volkomeü met haar overige gedrag.

Do woning was tamelijk 1 ekrornpen. maar het kwam mij voor, dat Indien mevrouw Jellyby en haar gezinde eenige bewoners der St.-Pauls of St.-Pieterskerk waren geweest, zij daarin geen ander voordeel zouden hebben ge vonden dan de meerdere ruiintö, die de grootte van hel gebouw aanbood, om te: toonen hoe slordig en morsig men wet kon zijn. ik geloof, dat niets van het huislioudengoed, dat met mogelijkheid kon gebroken worden, ongebro ken was gebiewn; dat niels, wat op eenigerlei wijze bedorven kon worden, nog onbedorven was; dat er geen vooiwcrp, Maar zich vuil kon opzamelen, van een kirulerknietje af tot den kant eener deur toe, te; vinden zou zijn geweest, of het had zoov* el vuil vergaderd als er maar aan kon blijven kleven.

De arme mijnheer .lellyliv, die! zeer zelden sprak, en als hij thuis was bijna altijd met zijn hoofd tegen den muur /.at, begon eenige belangstelling te toonen, toom (Jaddy en ik be proefden eenige orde In dezen warboel te brengen, en trok zijn rok uil om ons te helpen. Maar zulke wonderlijke dingen kwamen uit de kasten tuimelen, als nn n de deuren opendeed

brokken beschimmelden kook, verzuurde fles-Milieu, mutsen van mevrouw Jellyby, brieven, pakjes thee, vorken, onefléne laarzen en kin-dta\'s\' hoentjes, brandhouti n, onwels, potdeksels, vochtige suiker in gi scheurde papieren zakjes, voetbankjes, potloodboisLcls, brood, hoeden van mevrouw Jellyby, boekin met kluiten boter op den band, afgeloopen eindjes kaars het onderste boven in gebrokene blaker-gestoken, note-doppen, koppen en schalen van garnalen, tafel-matjes, li.uidsehoenen, gemalen koffie, paraplu\'s dat hij er van schrikte en het liet steken. Uil kwam echter geregeld eiken avond en ging zonder rok nu t zijn hoofd tegen den muur zitten, alsof hij ons wel had willen helpen, indien hij maar had geweten hoe.

„Arme pa!\' zeide (Jaddy tegen mij, op den avond voor den grooten dag, toen wij den boel werkelijk in orde hadden gekregen, „Het gaat mij aan het hart hem te verlaten, Esther. Maar wat zou ik kunnen doen, al bleef ik hier! Sedert ik u heb leeren kennen, ben ik al zoo dikwijls l aan het opruimen en schoonmaken geweest; maar het baat niet. Ma en Afrika brengen mei hun belden het geheele huis terstond weder in de war. Wij hebben nooit eene meid, | die niet drinkt. Ma is een bederf voor alles.quot; ;

Mijnheer Jellyby kon niet hooren wat zij zeide, { maar hij scheen toch zeer neerslachtig. Ik meen- I de te zien, dat hij tranen in de oogen had.

„Het hart krimpt mij weg als ik hem aan- ; zie.\' snikte Caddy. „Ik kan het van avond niet 1 laten er aan te denken, Esther, hoe vurig ik { hoop met Prince gelukkig te zijn, en hoe vurig I pa, durf ik wel zeggen, eens hoopte met ma gelukkig te zijn. Welk eene teleurstelling voor 1 liet geheele leven!quot; „Mijne lieve Caddy!* | zeide mijnheer Jellyby, langzaam van den muur i naar ons omkijkende. Het was de eerste maal, | geloof ik, dat ik Hem ooit drie woorden ach- | tereen heb hooren zeggen. — „Ja, pa!\' riep i Caddy uit, ging naar hem toe en kuste hem { hartelijk. „Mijne lieve Caddy,\' zeide hij. „Ver- i beeld u toch nooit,..quot; „Dat ik met Prince gelukkig zal zijn. pa?quot; stamelde Caddy. „O ! ja, kindlief, dal hoop Ik wel,quot; zeide haar vader. „Maar verhield u toch nooit....quot;

Ik heb In rnlju verslag van mijn eerste be- i zoek in Th a vies\' Inn gemeld, dat Richard vertelde, hoe mijnheer Jellyby na den maaltijd | dikwijls zijn mond opende zonder evenwel iets j te zeggen. Dit was een aanwendsel van hem. i Hij opende nu ook verscheidene malen zijn mond ! en schudde treurig zijn hoofd.

„Wat moet ik mij niet verbeelden? Wat wilt gij zeggen, lievi pa?quot; zeide (\'addy, op een vleienden toon, met hare armen om den hals. | „Verbei ld u toch nooit, dat gij eene roe- ; ping hebt, kindlief!quot;

Mijnheer Jellyby slaakte een kermenden zucht en liet zijn hoofd weder tegen den muur zakken; \\ en dit was de eenige maal, dat ik hem van ter ! zijde zijn gevoelen over de aangelegenheden van i Horrioboola hei) hooren uiten. Ik geloof, dat ; hij vroeger wel spraakzamer en levendiger zal geweest zijn; maar hij scheen reeds lang voordat ik hem leerde kennen uitgepraat te zijn.

Ik dacht dien avond, dat mevrouw Jellyby j nooit, zou ophouden met papleren nakijken en kofliodj-iukeu. Het was over twaalven eer wij hare kamer in bezit konden nemen, en het | opruimen daarvan was toen zulk een hopeloos werk, dat (\'addy, die doodmoede was, zich in het midden van den bi stoften warboel neerzette en begon te schreien. Zij beurde zich echter ; spoedig weder op, en eer wij naar lied gingen deden wij nog wonderen.


-ocr page 221-
-ocr page 222-
-ocr page 223-

LAATSTF, It tKHKHKIDSKLKX.

2( Mi

Des morgens brnchten wij het, met belmlp van eenige bloemen, wat zeepsop en wat overleg, zoover, dat de kamer er inderdaad vroo-lijk uitzag. Het eenvoudige ontbijt maakte eene uitlokkende vertooning, en Caddy was inderdaad bekoorlijk. Maar toen mi jne lieve Ada kwam, dacht ik en denk ik nog dat ik nooit zulk een liet\' gezichtje had gezien.

Wy maakten een teesteljjken maaltijd voor do kinderen boven gereed, en plaatsten I\'eepy aan het hoofd van de tafel, en lieten hun Caddy in haar bruidstooi zien, en zij klapten in de handjes en riepen hoezee, en Caddy schreide omdat zij hen verlaten zou, en kon niet op-honden met hen te omhelzen en te kussen, dak laten ontbreken. Ik had kunnen wensdien gij zult de toepassing wel begrijpen, mijnheer .larndyce, want gij herinnert u mijn door luclitigen begunstiger den prins-regent — dat mijn zoon in eene lamilio getrouwd was, waarin meer welgemanierdheid heerschte, maar des Hemtds wil geschiede.quot;\'

Onder het gezelschap bevonden zirh mijnheer l\'ardiggle en zijne vrouw • mynheer l\'ardiggle, een man, wieu men de koppigheid op het gezicht kon lezen, met een lang vest en borstelig haar, en die altijd met eene zware basstem over zijn penningske, of mevrouw l\'ardiggle\'s penningske, of de penningskes van zijne vijl eer C usher, met zijn haar


tot wij Prince riepen om 1 en toen — het spijt mij dit maakte i\'eepy zich zoo li ij hem beet. lieneden zat drop, vol onbeschrijfelijke sprak goedertieren een zegen over lt; en gat mijn voogd te verstaan, dat

van zyn zoon zyn eigen vader en dat hij daaraan alle persoo gen opolferde.

.Mijn waarde heer,quot; /.eide hij, „de jongelieden zullen bij mij komen wonen; mijn h .is is groot genoeg om hen te gerieven, en ik zal net hun niet aan de beseherming van mijn volgens gewoonte aehten\\ aarts gekamd en kale blinkende slapen, was er ook. niet in de rol van teleurgesteld minnaar, maar als de aangenomen minnaar van eene jonge — tenminste van eene ongehuwde jnll\'er, zekere Miss W\'isk, die insgelijks aanwezig was De roeping van Miss \\\\ isk.zeide mijn voogd, was de wereld te toonen, dat man en vrouw dezelfde roeping hadden, en dat beider eenige en ware roeping was, gedurig krachtige voorstellen in openbare vergaderingen te doen. De gasten waren weinig in getal, maar, gelijk men ten huize van mevrouw Jellyhv mocht verwachten, allen waren zij menschen, die zich uitsluitend aan onder-

aar weg te halen, te moeten zeggen boos op hem, dat mijnheer Turvey-welgemanierdheid, iddy uit, et L\'elllk

werk was, bedenkin •


Dukbn- Hui vurL l n \'lux.

1 i

-ocr page 224-

11 KT VElfLATKN llt\'IS.

■Jin

werpen van openbaar belang hadden gewijd, liehahe de reeds geinelden, was er eene zeer morsige dame, wier hoed geweldig scheef stond, en op wier doek nog het prysbnefje nit den winkel zat gespeld, wier verwaarloosd huis, gelyk Caddy mij zeide, naar eene vervuilde wildernis geleek, maar wier kerk naar een kunstkabinet zweemde. Ben zeer twistgierig heer, die zeide, dat liet zijne roeping was iedereens broeder te zijn, maar die met zijne geheele uitgebreide familie in ongenoegen bleek te leven, voltooide liet gezelschap.

Men gezelschap, dat minder met zulk eene gelegenheid overeenstemde, zou met de grootste schranderheid bezwaarlijk bijeen te brengen zijn geweest. Zulk eene lage roeping als eene roeping tot huiselijkheid was het allerlaatste, dat onder ben geduld had kunnen worden, .lufl\'rouw W\'isk onderrichtte ons zdfs met: de groote verontwaardiging, eer wij aan het ontbijt gingen, dat het dénkbeeld alsof de roeping der vrouw voornamelijk in den engen kring van het huiselijk leven te vinden zou zijn, een gruwelijke laster was, die door haar dwingeland, den num. werd verspreid. Nog iets bijzonders was, dat niemand, die eene roeping had behalve mijnheer (lusher, wiens roeping bet was, gelijk ik vroeger meen gezegd te hebben, zich over ieders roeping verrukt te toonen zich eenigszins om eens anders roeping bekreunde Mevrouw Par-diggle was overtuigd, dat de eemge onfeilbare manier van wel te doen hare manier was om bij de armen in huis te vallen en hun hare menschlievendheid aan te trekken alsof het een dwangbuis was. Kveneens overtuigd was jul-frouw Wi.sk, dat het eenige wat de wereld noodig had was, dat de vrouw uit de slavernij van haar dwingeland, den man, werd bevrijd. Mevrouw .lellyby lachte ondertusschen bij zich zelve over den bekrompen blik van hen, die ooit iets anders dan l!orrioboola-(i hakon-den zien.

Maar ik moet niet vooruitloopen en over den inhoud van ons gesprek onder bet naar huis rijden spreken, eer ik (\'addy heb laten trouwen. Wij gingen allen naar de kerk en zagen haar trouwen. Van de deftigheid, w aarmede de oude heer Turveydrop, quot;iet zijn hoed onder den linkerarm (de opening als een kanon op den geestelijke gericht) en met tot aan zijne pruik ojigetrokkene oogen, stijf en met hoog opgebaable schouders, gedurende de plechtigheid aeiiter ons hruidjutVeitjes stond, en ons naderhand met een kus begroette, zou ik nooit genoeg kunnen zeggen om hem recht te laten wedervaren. Jntl\'rouw Wisk, wier voorkomen ik niet innemend kan noemen, luisterde met een verachtelijk gezicht naar het formulier, dat in hare oogen een deel van het onrecht uitmaakte, hetwelk de vrouw in den tegenwoor-digeu staat der maatschappij moet lijden. Mevrouw .lellyby, met haar kaltnen glimlach en hare heldere bogen, scheen de onverschilligste van het geheele gezelschap te zijn.

Wij kwamen behoorlijk terug om te ontbijten. \'Mevrouw .lellyby zat boven aan de tafel en haar man onderaan, Caddy was te voren naar boven geslopen om de kinderen nog eens te kussen en te zeggen, dat zij nu Turveydrop heette. Maar dit bericht, in plaats van eene aangename verrassing voor Peepy tezyn, bracht zulk eene uitbarsting van woestquot; om zich heen schoppende smart bij hem te weeg, dat ik, toen men my liet roepen, niets anders doen kon dan bewilligen in het voorstel, dat hij aan de groote tafel zou worden toegelaten, lljj kwam dus naar beneden en zat bp mijn schoot; en nadat mevrouw .lellyby, op den staat van zijn schortje doelende, gezegd had: ,0 gij stoute Peepy, wat zjjt ge toch een morsig zwijntje,quot; was hij daarmede volstrekt niet verlegen. Hij was lied zoet; behalve dat hij Nnach had medegebracht (uit eene ark. die ik hem gegeven had eer wij naar de kerk gingen), en er maar niet van af te houden was om dien patriarch eerst met zjjn hoofd in de wijnglazen te stoppen en dan in zijn mond te steken,

Mjjn voogd, met zijn zacht humeur, zijn vlug begrip en zijn innemend gezicht, wist zelfs van dit onaangename gezelschap iets aangenaams te maken, Niemand der aanw ezigen scheen in staat om over iets anders te spreken dan over zyn of haar eigen en eenig onderwerp, en niemand schoen zelfs in staat te zjjn om dat onderwerp te beschouwen als een deel van eene wereld, waarin ook nog andere dingen waren; maar mjju voogd wist uit alles iets ter vervroolyking en aanmoediging van Caddy en tot eer der gelegenheid te halen, en hielp ons heerlijk door het ontbijt been. Hoe wij het zonder hem zouden gemaakt hebben, daaraan durfde ik niet denken: want dat het geheele gezelschap den bruidegom, de bruid en den ouden heer Turveydrop diep verachtte terwijl de oude heer Turveydrop zich, op grond van zijne welgemanierdheid. ver boven net geheele gezelschap verheven rekende — beloofde al zeer weinig goeds.

Eindelijk werd het tijd voor de arme (\'addy om te vertrekken, nadat al haai eigendom reeds in de gehuurde koets was gepakt, die haar en baar echtgenoot naar Cravesend zon brengen. Het was aandoenlijk om te zien, hoe ( \'addy zich toen nog aan haar bejammerenswaardig ouderlijk huis gehecht toonde en hare moeder met de grootste teederbeid omhelsde.

„Het spijt mij zeer, ma. dat ik dat schrijven naar uw dicteeren niet langer kou uithouden.quot; snikte (\'addy, „Ik hoop, dat gij het mij nu vergeeft.quot; „O ( \'addy, ( \'addy,quot; antwoordde mevrouw .lellyby, .ik heb u immers al zoo dikwijls gezegd, dat ik een jongen heb aangeno men en dat het daarmede afgedaan is.quot; —„(iij


-ocr page 225-

CADDY -IELLYHV IS (iKIirWD.

zijfc dun in hel minst niet meer boos op mij, ma? Zog mij dat toch eer ik heenga.quot; — „() gij dwaze Caddy,quot; antwoordde mevrouw Jellyby, „zie ik er dan uit alsof ik boos was, of word ik zoo licht boos, of heb ik lijd om boos le zija? Hoe kunt ge zoo praten?quot; „Zult genu voor papa zorgen, als ik weg ben, mama?quot;

Mevrouw Jellyby moest waarlijk lachen om dien inval.

„Gij romanesk meisje,quot; en zij klopte t\'addy zachtjes op haar rug. „Loop toch heen. Wij scheiden als beste vrienden. Vaarwel nu, Caddy, en wees heel gelukkig!quot;

Toen viel Caddy haar vader om den hals en drukte zijne wang tegen de hare, alsof hij een ongelukkig, wezenloos kind was, dat pijn leed. Dit alles gebeurde in het voorhuis. Haar vader liet haar los, haalde zijn zakdoek uit en zette zich op de trap, met zijn hoofd tegen den muur. Ik hoop, dal hij in die muren eenigen troost vond, en ik zou dal haast gelooven.

i\'in toen nam Prince haar arm in den zijnen en keerde zich vol aandoening en eerbied naar zijn vader, wiens welgemanierde deftigheid op dat oogenblik iels overstelpends had.

„Ik dank u nogmaals en nogmaals, vader,quot; zeide Prince, hem de hand kussende. „Ik hen n innig dankbaar voor al de goedheid en toegeeflijkheid, die gjj ons bij ons huwelijk hebt bewezen, en dat, kan ik u verzekeren, is (quot;add) insgelijks.\'\' — „Ja, dat ben ik,quot; snikte Caddy.

.Mijn waarde zoon.quot; zeide de heer Tnrvey-drop, ,en waarde dochter, ik heb mijn plicht s;e-daan. Indien de geest eener za-a-alige tlians boven ons zweeft en op ons nederziet, zal dat en uwe standvastige genegenheid mijne helooning zijn. • lij zult niet falen in uw plicht mijn zoon en dochter, geloot ik?quot; „.Nooit, beste vader!quot; riep Prince nit, — .N\'ooil, nooit, lieve mijn-lieer 1 nrveydrop!quot; zeide Caddy. „Dit is gelijk liet behoort te zijn,quot; hervatte de heer 1 nrveydrop. .Mijne kinderen, mijn huis is hel uwe, mijn hart is het uwe, mijn alles is liet uwe. Ik zal u nooit verlaten; niets dan de dood zal ons scheiden. Mijn waarde zoon, gij denkt eene week afwezig le blijven, naar ik meen?quot; — „Ja, eene weck, waarde vader. Vandaag over acht dagen zullen wij weder thuis rijn.quot; — „Mijn dierbaar kind,quot; zeide de heer Turveydrop. „Laat, ik u, zelfs in deze buitengewone omstandigheden, eene stipte nauwkeurigheid aanbevelen. Het is van het iioogste belang, dal gij de betrekkingen aanhoudt; en in scholen wordt hel minste verznim licht kwa-lijk genomen.quot; „Vandaag over acht dagen, vader, zullen wij zeker voor den eten lliuis zijn.quot; „Croed!quot; zeide de lieer Turveydrop. „Cij zult, dierbare Caroline, vuur in uwe ka-mei en bet diner in mijn apartement gereed vinden. Ja, Ja, Prince,quot; vervolgde hij, met grootsdie deftigheid, om alle tegenwerpingen te voorkomen, die zijn zoon nil zelfverloochening mocht inbrengen. .Gij en onze Caroline zult daar boven in huis nog vreemd zijn eu moet dus op dien dag in mijn apartement dineeren. En nu. God zegene uiquot;

Zij reden heen, en of ik mij het meest over mevrouw Jellyby of over mijnheer Turveydrop verwonderde, wist ik zelve niet. Met Ada en mijn voogd was liet eveneens gesteld, toen wij cr over kwamen te praten. Maar eer wy insgelijks heenreden, ontving ik van den heer Jellyby een zeer onverwacht en welsprekend compliment. Hij kwam in het voorhuis naar nuj toe, vatte mijne beide handen, drukte die krachtig en opende tweemaal zijn mond. Ik was zoo zeker van zyne meening, dal ik haastig en bedremmeld zeide; „ik deed het van harte gaarne, mijnheer. O, spreek er toch niet van!\'\'

,lk hoop, voogd, dal dit huwelijk goed mag uitvallen,quot; zeide ik, toen wij met ons drieën op weg naar huis waren. — \'„Dat hoopik|pk, Oud Vrouwtje. Geduld. W ij zullen zien.quot; - ,ls «le wind vandaag in bet oosten?quot; waagde ik hem te vragen.

Hij begon harleljjk te lachen en antwoordde: „Neen.quot;

„Maar hij moet van morgen toch in dien hoek geweest zijn, dunkt mij,quot; zeide ik.

Hij antwoordde wederom .neen,quot; en ditmaal zeide mijne lieve Ada insgelijks zeer bepaald ..neen,quot; en schudde haar bekoorlijk hoofdje, dal met de bloemen in hare gouden lokken naar de lente geleek. .lt; lij weet veel van oostenwinden, mijn ondeugend lievelingetje,quot; zeide ik. haar in mijne opgetogenheid een kus gevende ik kon hol niet laten.

W elnu. Het was maar hunne liefde voor mij, die hen zoo deed spreken, dat weet ik heel wel, en het is lang geleden. Ik moet bet schrijven, al zon ik het ook weder uitvegen, omdat het mij zooveel genoegen doet. Zij zeiden, dal er geen oostenwind kon wezen, waar zeker iemand was; zij zeiden, dal overal, waar Dame Durden ging, zonnescliijn en zomerlucht me-degingen.

X.WI.

OITASSTKI! IA ZiKKK.

Ik was nog niet vele dagen thuis geweest, toen ik op een avond naar boven ging om eens over i\'barley\'s schouder te kijken en te zien hoe zij met haar schrijven vorderde, liet schrijven was een moeielijkf werk voor Cbarley, die geene de minste macht over eene pen scheen le hebben, maar in wier vingers elke pen een eigenzinnig bezield wezen scheen te worden, dat altijd een verkeerden weg opging, dan weer stilhield, struikelde, steigerde en zich in


-ocr page 226-

IIKT VKKLATKN\' Ui l-,

een hoek duwde, juist geHjk een koppige 1 ezel zou doen. Het was wonderlijk te zien welke , oude letters Charley\'s jeugdig handje vormde ; j die letters zoo gerimpeld, ineengekrompen en waggelend, dat handje zoo rond en mollig. Kn torlTwas Charley in alle andere dingen huiten- : gemeen handig en had zij zulke vlugge vin- | gertji\'s als waarnaar ik ooit hoh staan kijken.

, W el, Charley,quot; zeide ik, een schrift overziende. waarin de letter O met allerlei fatsoenen was afgebeeld, vierkant, driehoekig, peervormig en op allerlei manieren toegeknepen. „Wij gaan toeh vooruit. Als wij die O\'s nu maar rond maken, zullen zij onverbeterlijk zijn, Charley.quot;

Toen zette ik er een en Charley z.ntte er een, en de pen wilde die van Charley niet behoorlijk sluiten, maar maakte er een soort van i vleehtwerk van.

„Dat doet er niet toe, Charley. Door den tjjd ; zal het wel gaan.quot;

Charley legde hare pen neer, daar het schrift i nf was; bewoog hare vingertjes eens, waarin zy de kramp had gekregen; keek bet blad eens over, half met trotschheid en half in twijfel, stond toen op en neeg voor mjj.

„Wel bedankt, jullVouw. Neem liet mij niet kwalijk, juffrouw, hebt gij niet eens eene arme | vrouw gezien, die Jenny heette Vquot; — .De vrouw ; van een steenbakker,\' \'barley? -la.quot; ..\'/.ij heelt mjj aangesijroki\'ii toen ik ecne poos geleden ; uit was, en zeide, dat gij wel van baar wist, ! julfronw. \'/ij vroeg mij ui\' ik niet de kamenier van die jonge dame was — met die jonge dame | meende zjj u, julfronw en ik zeide ja.quot; — ! .Ik dacht, dat zy voor goed uit deze buurt vertrokken was. Charley.quot; „Dat was zy ook. juffrouw, maar zij is nu teruggekomen waar : /.jj placht te wonen zij en Lizzy. Hebt gij niet eene andere arme vrouw gekend, die Lizzy heette, juffrouw :\'quot; .Ik geloof wel van ja, Charley, hoewel ik haar naam niet wist quot; „Dat zeide /ij ook, juffrouw,quot; hervatte Charley. .Kn nu zijn zij allel)ei teruggekomen, en hebben overal rondgezwalkt.quot; .Overal rondgezwalkt,, CharleyVquot; „Ja. juffrouw.quot; Als Charley de O\'s in haar schrift maar zoo rond bad kunnen maken als de oogen, waarmede zij mij nu aanzag, zouden zy uitmuntend zyn geweest. „Kn die arme vrouw beeft al drie of vier dagen om het huis gedwaald, in de hoop, dat zy u eens zou zien dat was al wat zij verlangde, zeide zij maar gij waart er niet. Dit was toen zy my zag. Zy zag mij uitgaan, juffrouw,quot; zeide Charley, met een lachje, dal bet toppunt van trotsche vergenoegdheid aanduidde, .en daeht terstond aan my te kunnen zien, dat tk uwe kamenier was.quot;

.I\'eed zij dat waarlijk, Charlej ?quot; „Ja, julfronw, waarlijk en zekerlijk.quot; Kn na nog een lachje van innig genoegen, zette Charley wederom zeer ronde oogen en keek zoo ernstig

als mijne kamenier paste. Ik kon het nooit moede worden, Charley in bet volle genot van die hooge waardigheid te zien. gelijk zij daar voor mij stond met baar jeudig gezichtje en tigunrtje en hare stemmige manieren, terwijl hare kinderlijke blijdschap telkens op do aardigste manier daardoorheen uitbarstte.

quot; Kn waar hebt gij haar gesproken, Charley?quot; zeide ik. . , . ,

Het gezicht van mijn kamemert.ie betrok, toen zij antwoordde; „Hij de apotheek, juli rouw want Charley droeg haar rouwgoed nog.

Ik vroeg of de steenbakkersvrouw ziek was, maar Charley zeide neen Het was iemand anders. Iemand anders by haar in huis, die van St. Alb an s was gekomen, en niet wist waar hij heen moest, lien arme jongen, zeide L barley, zonder vader, moeder of iemand. .Zooals\'lom zon geweest zijn, juffrouw, als Km ma en ik nog na vader gestorven waren,quot; zeide Charley, terwijl bare ronde oogen zich met tranen vulden. -Kn haalde zij medicijnen voor hem, Charlev?quot; -- .Zij zeidé, juffrouw,quot; antwoordde Charley, „dat hij dat ook eens voor haar gedaan had.quot;

Mijn kameniertje keek mij zoo oplettend aan en hield bare handjes zoo vast en stil samengevouwen, terwijl zij daar voor mij stond,dat het mij niet veel moeite kostte hare gedachten te raden. „Wel, Charley,quot; zeide ik. „mij dunkt, dat gij en ik niet beter kunnen doen dan eens naar Jenny te gaan, en te zien wat er te

doen is,quot; ,

De vlugheid, waarmede Charley mij hoed en voile bracht, en na mij gekleed te hebben zich zelve dicht in haar warmen omslagdoek spelde, waarmede zij er als een oud vrouwtje uitzag, gaf blijk genoeg van hare bereidïvilligbeid. Zoo gingen dan Charley en ik te zamen uit, zonder iemand iets te zeggen.

Het was een koude, onstuimige avond, de boomen stonden te trillen in den wind, liet had den gelieelen dag zw aar geregend, en reeds vele dagen lang met slechts korte tusschen-poozen; maar toen regende het echter juist niet, He lucht was eenigszins opgehelderd, maar toch nojx som hor, zolts boven ons. WtUir sterren \'schitterden. In het noorden en noordwesten. waar de zon drie uren geleden_ was omUwo^iUin, was oen doodscli bhn\'k lient ziilit -baar, te gelijk schoon en akelig, en in dat licht staken lange reeksen van golvende wolken op, gelijk eene zee, die onder haar woelen eensklaps onbeweeglijk was gew orden. Naai den kant van Konden hing een bloedrood schijnsel over het geheele donkere verschiet, en het contrast tusscheu deze twee lichten, en de gedachte, welke het roode licht opwekte, aan een bovennatuurlijk vuur, dat al de onzichtbare gebouwen der stad en al de gezichten barer vele duizenden van verbaasde bewoners


-ocr page 227-

/IIN KR TW EE VAN HA A H V

bescheen, was zoo pleelitig als iets wezen kon.

Ik luid dien avond geen vermoeden geen liet minste, daarvan ben ik zeker — van wat mij weldra gebeuren zon. Maar ik heb altijd onthouden, dat ik, toon wij bij het tuinhek stilstonden om naar de lucht te zien, en toen wij weder vorder gingen, voor een oogenblik een onbeschrijfelijk gevoel had alsof ik iets an- [ ders was dan wat ik toen was. Ik weet zeker, (lat ik toen en daar dat gevoel had. Ik heb het sedert altijd met die plek en dien tijd in verband gebracht, en met alles wat mij aan die plek en dien tijd doet denken, tot zelfs het gerucht van stemmen in de afgelegene stad, het blaffen van een hond, en het geluid van wielen, die den nat beregenden heuvel afkwamen.

Het was zaterdagavond, en de meeste lieden van de plaats, waar wy heengingen, waren elders aan het drinken. Wij vonden bet daar j dus stiller dan te voren, hoewel even levendig. De ovens waren nog aan het branden en een 1 verstikkende damp kwam naar ons toe.

Wy kwamen aan het huisje, waar eene ] flauwe kaars voor het gelapte venster stond te | branden. Wij klopten aan de deur en gingen ^ binnen. De moeder van het kleine kind. dat | gestorven was, zat op een stoel aan den eenen | kant van het armoedige vuur bij het bed ; en j tegenover haar was een jóngen, die er aller- I jammerlijkst uitzag, tegen den schoorsteenmantel leunende, op den vloer ineengekrompen. Hij hield het overschot van eene bonten muts l als een pakje onder zijn arm; en terwijl hij zich poogde te wannen, beefde hij zoodanig, dat de wrakke deur en het venster er van trilden. Het vertrekje was nog benauwder dan te voren en had eene ongezonde, zeer eigen- ; aardige lucht.

ik had mijne voile niet opgeslagen toen ik, op het oogenblik dat ik binnentrad, tegen de vrouw sprak. De jongen richtte zich terstond op, en staarde mij met duidelijk zichtbaren schrik | en angst aan.

Zijne beweging was zoo snel, en bet was zoo : duidelijk, dat ik de oorzaak daarvan was, dat 1 ik, in plaats van nader te komen, stil bleef staan.

„Ik wil niet meer naar dat kerkhof gaan,quot; mompelde do jongen. „Ik ga er niet moer hoen, dat zeg ik u.quot;

Ik sloeg mijne voile op en sprak tegen de vrouw. Zij zeide mij zacht: , Let maar niet op hem, juli\'ronw. Hij zal wel gauw weder bij zich zeiven komen.quot; En zich toen naar hem keerende, zeide zij: .,.lo, .lo, wal scheelt u?quot;

„Ik weet wel waarom zij komt,quot; riep de jongen. „Wie?quot; ,Die dame daar. Zij komt om rnjj weer naar het kerkhof mee te nemen. Ik wil er niet meer naartoe. Ik wil er niet eens van hoorei). Zij zou mij daar wel kunnen gaan hegraven.quot; Zyne huivering tastte hem weder aan,

en terwijl hij tegen den muur leunde trilde het geheele huisje. - „Zoo beeft hij den ge-heelen dag bij vlagen gepraat, juffrouw,quot; zeide .lemu zacht. .,Hoe kijkt ge zoo, .Jo? Dat is de dame, die ik ken.quot; „Ls zij die?quot; antwoordde .lo, en hield zijn arm boven zijne gloeiendeoogen, om mij aan te zien. .Zi j lijkt toch wel die andere te zijn. Het is de hoed niet. en het is ook de japon niet. maar zij ziet er toch uit alsof zij de andere was.quot;

(quot;barley, met hare vroegtijdige ondervinding van ziekte en ellende, had zich reeds van hoed en doek ontdaan, ging nu stil naar hem toe met een stoel, en zette hem daarop neer, als ware zi j eene oude ziekenoppasster geweest, behalve dat zulk een oppasster hem Charley\'s jeugdig gezichtje niet had kunnen toonen. waarmede zij hem vertrouwen scheen in te boezemen

,,Zeg eens,quot; zeide hij. „Gij moet het mij zeggen, ls die dame de andere dame niet?quot;

Charley schudde haar hoofd, terwijl zij de lompen, die hem omhingen, zoodanig schikte, dat zij hem zooveel verwarmden als mogelijk was.

„O!quot; mompelde de jongen; .dan zal zij het wel niet zijn, denk ik.quot; .Ik kwam zien of ik u met iets helpen kon,quot; zeide ik, .Wat scheelt u ?quot; ,lk bevnes,quot; antwoordde de jongen, mei een schorre stem, terwijl zijne holle oogen over mij heen bleven dwalen, .en dan brand ik weer, en dan bevries ik weer, en dan brand ik weer, o zoo dikwijls ineen uur. En mijn hoofd iszoodonimelig, en net alsof ik gek zal worden — en ik ben zoo dorstig — en mijn gebeente zit overal vol pijn.quot;

„Wanneer is bij hier gekomen?quot; vroeg ik de vrouw. — „Van morgen, juffrouw, vond ik hem aan den boek van de stad. Ik had hem daar in Londen gekend. N\'iet waar, Jo?quot; „T o in A 11-Al one\'s,quot; antwoordde de jongen.

Wanneer bij zijne aandacht of zyne oogen ergens op vestigde, was het maar eene korte poos. Weldra liet bij zijn hoofd weder hangen en dommelig heen en weder zwaaien, en sprak hij alsof hij maar half wakker was.

„Wanneer is hij van Londen gekomen?quot; vroeg ik. „Ik bon gisteren van Londen gekomen,quot; antwoordde de jongen zelf, nu gloeiend van hitte „Ik ga maar ergens heen.quot; — „Waar gaat gij heen?quot; vroeg ik. „Ergens maar,quot; herhaalde de jongen nog harder. „Ik ben altijd weggejaagd, sedert die andere mij den souverein lieeft gegeven. Juffrouw Snags-b\\ past overal op mij en jaagt mij dan weg wat heb ik haar toch gedaan? en allen liassen zij op mij en jagen mij overal weg. Allemaal doen zij dat. van dat ik opsta af totdat ik weer slapen ga. En nu ga ik maar ergens heen. Het komt er niet op aan waar. Zij zeiden mij daar in Tom-All - A lone\'s, dat zij van Si, Albans was gekomen, en daarom nam ik den weg naar St. A1 b a n s. Die is evengoed als een ander.quot;


-ocr page 228-

II KT VKli\'l.ATKN HUIS.

Altijd besloot hij niet Charley aim te spreken.

,, Wat moot er met hem gebéuren ?quot; zeide ik, de vrouw ter zijde nemende. ,t;lij zou in dien staat niet kunnen reizen, zelfs al had hij eene bestemming en al wist hij waar hij heen moest.quot;

.Ik weet er niet meer van dan de dooden, julVrouw,quot; antwoordde zij, met een blik vol \'medelijden, naar hem omziende .Misschien weten de dooden het beter, als zij bet ons maar konden zeggen. Ik heb hem hier nit medelijden den geheelen dag gehouden en hem soep en medidjn gegeven, en Lizzy is gaan rondhoo ren of iemand hem in wil nemen, (daar ligt mijn liefje op bet bed - haar kind, maar ik i zeg altyd bet mijne); maar ik kan hem niet lang meer bonden, want als mijn man thuis l kwam en hem hier vond, zou hij hem vrij on-zaeht de deur wijzen en misschien een ongeluk toebrongon Luister. 1 \'aar komt Lizzy terug.quot;

Nauwelijks had /ij dit gezegd of de andere vrouw kwam haastig binnen, en de jongen stond op met eene donkere bewustheid, dat hij nu zou moeten heengaan. Wanneer het kleine kind wakker werd, en wanneer en hoe Char- \\ ley het uit het bed nam en er mede op en neer begon te wandelen om bet te sussen, weet ik niet Zij was daar en zij deed dat alles. op eene bedaarde moederlijke manier, alsof zij weder met Tom en Knima op het zolderkamertje bij juflrouw Blinder woonde.

De vriendin was hier en daar geweest, en was van dezen naar genen gewezen, en kwam nu terug gelijk zij was heengegaan. Kerst was bet te vroeg om den jongen in de schuilplaats op te nemen, waar hij zou behoord hebben, en eindelijk was het te laat. De eene beambte had haar naar een ander gezonden, en deze bad haar weer naar den eersten teruggezon- i den, i\'n zoo al heen en weder; zoodat het mij voorkwam, dat beide moesten aangesteld zijn uithoofde van hunne bekwaamheid om hunne plichten te ontduiken, in plaats van die te vervul- | len. Ku nu. na dat alles, z.fide zij. snel ademhalende, want zij had hard geloopen en was i ook angstii;: ,.feiinv, uw baas is op weg naar buis. en de mijne is niet ver aehtcr hem; en nu mug God den jongen helften, want wij kunnen ni\' t meer wr hem doen.quot; Zij brachten eenig kopergeld bijeen en -topten het hem haastig in de hand, en zon slofte de jongen, zi nder reebt te weten wat hem gebeurde, half dankbaar, half gevoeliofis. de deur uit.

Jieef mij het kind. meisjeliel\',\' z.i\'ide de moeder tot Charley, „en wel vi iundelijk dank ! Jenny. , beste vrouw, irocdimnaeht I .longf jutrpiuw, als mijn baas het mij met belet, zal ik straks nog eens naar den oven gaan kijken, waar de jongen waarschijnlijk wel wezen zal, en morgenochtend ook.quot;

/ij haastte zicli ........ en weldra gingen wij

baar voorbij, terwijl zij voor hare eigene deur

haar kind zat te sussen en angstig den weg opkeek of baar dronken man niet aankwam.

Ik durfde niet meer met eene van de vrouwen blijven spreken, uit vrees van ze in moeite te brengen; maar ik zeide tot Charley, dat wij dien jongen niet zoo moesten laten omkomen. Charley, die veel beter dan ik wist wat te doen, en wier vlugheid hare tegenwoordigheid van geest evenaarde, stapte voor mij uit, en weldra baalden wij Jo in, niet ver van den steenoven.

Ik vermoedde, dat hij zijne reis met een pakje onder den arm moest begonnen zijn, en dat hij dit verloren had of het hem ontstolen was; want hij droeg nog dat ellendig overschot van eene bonten muts alsof het een pakje was, hoewel hij blootshoofds door den regen liep, die nu weder was begonnen te vallen. Hij bleef stilstaan toen wij hem riepen, en toonde wederom dien angst voor iiijj toen ik hem naderde; hij staarde mij met zijne glinsterende oogen strak aan, en het was alsof de schrik zelfs zijn huiveren bedwong.

Ik vroeg hem om met ons mede te gaan, dan zouden wij zorgen, dat by voor dien nacht huisvesting kreeg.

,Ik heb geene huisvesting noodig,quot; zeide bij. .Ik kan wel tusschen de warme steenen gaan liggen,quot; ..Maar weet gij dan niet,dat de mensehen daar sterven?quot; zeide Charley hierop. — „Zij sterven overal,quot; antwoordde de jongen. ,Zij sterven op hunne gebuurde kamer — en zij sterven in T om - A11 - AI one\'s bjj hoo-pen. Er sterven er meer dan er in leven blijven. naar wit ik gezien heb,quot; Kn toen tluis-terde bij Charley met eene schorre stem toe: „Als zij de andere niet is, zij is die vreemde toch ook niet. Zijn er dan drie\':quot;\'

Charley zag mij eenigszins vreesachtig aan, en ik werd half bang voor mij zelve, toen de jongen mij met zulke vervaarde oogen aankeek.

Hij volgde mij echter toen ik hem wenkte, en toen ik bevond, dat ik zulk een invloed op hem uitoefende, ging ik recht naar buis. Dit was niet ver; wij behoefden den heuvel maar op te gaan. Wij kwamen slechts één man voorbij. Ik twijfelde of wij wel zonder hulp zouden thuis komen, zoo onvast en bevende was de gang van den jongen Hij klaagde echter niet, en scheen zich niet het minste om zich zeiven te bekreunen, als ik zulk eene vreemde uitdrukking mag bezigen.

Wij lieten hem voor een oogenblik in het voorhuis, waar hij in den hoek van de vensterbank kroop, en met eene onverschilligheid, die nauwelijks verwondering kon heeten, de hem vree mile pracht eener fatsoenlijke woning aanstaarde. Ik ging naar de voorkamer om met mijn voogd te spreken. Daar vond ik mijnheer Skimpole, die mei de diligence gekomen was, gelijk hy dikwijls zonder waarschuwen deed, zon-


-ocr page 229-

MI.INMIKKK SKIMl\'dl.K\'S MEXSCIILHIVFA\'DHEII).

21:.

der zo U\'s klceren mede to brengen, daar hij altijd maar leende wat hij noodig had.

Zij gingen terstond met mij naar buiten, om naar den jongen te zien De dienstboden hadden zich ook in het voorhuis verzameld; en hij zat in de vensterbank, waar Charley bij hom stond, te beven, alsof\' hij een gekwetst dier was, dat men in eene sloot had gevonden.

„Dat is een treurig geval,quot; zoido mijn voogd, na hom een paar vragen gedaan, hem hier en daar betast en in de oogon gekeken te hebben „Wat zegt lt;nj er van, Leonard?quot; — „Gij doodt best met hem maar dadelijk weer weg te zenden,quot; zeide mijnheer Skimpole. - „Wat meent ge?quot; vroeg mijn voogd, bijna met barseh-heid. „Myn beste .larndyce,quot; antwoordde mijnheer Skimpole, .gij weet wel wat ik bon; ik ben een kind. Heknor mij, als ik hot verdien; maar ik heb oen aangeboren afkeer van dat soort van dingen. Dat heb ik altijd gehad, zelfs toon ik nog dokter was. Hij is gevaarlijk, weet ge dat wel? Mij hoeft eene heel boosaardige soort van koorts.quot;

.Mijnheer Skimpole was uit het voorhuis wo-der naar do voorkamer gegaan, en zeide dit op zijn luehtigen trant, terwijl hij op het piano-stoeltje zat en wij om hem hoen stonden.

„Gij zult wol zeggen, dat is kinderachtig,quot; vervolgde hij ons schertsend aanziende. „Welnu, dat is wel mogelijk; maar ik ben een kind en wil mij nooit voor iets anders uitgeven. Als gij bom daar buiten op den weg zet, zet gij hem maar waar hij te voren was. Hij zal er niet erger aan toe zijn dan te voren. Hij kunt zelfs maken, dat hij er beter aan toe is, als go dat goed vindt. Geef hem een halve schelling, of vijf schellingen, of vijf pond tien — gij zijt rekenaars, en ik niet en maakt, «lat gij hom kwijtraakt.quot; — „En wat moet hij dan doen?quot; zeide mijn voogd. — „Hij mijn leven,quot; antwoordde mijnheer Skimpole, met zijn innemend lachje zijne schouders ophalende, ,ik heb cr geeii liet minste denkbeeld van wat hij dan doen moet- Maar ik twijfel niet of hij zal het wol weten.quot; •— „Is hot niet eene schrikkolijko gedachte,quot; zoido mijn voogd, wien ik haastig had verteld, welke vruchtelooze pogingen de twee vrouwen hadden aangewend om don jongen onder dak te helpen, .is hot niet eene schrikkelijke gedachte,quot; terwijl hij op en neer-stapte en zijne haren opwroei, „dat als dit ellendige schepsel een veroordeeld goviingene was, zijn hospitaal voor hem zou openstaan, en hij zoo goed verpleegd zou worden als één zieke jongen in bet land?quot; „Mijn boste-larmHoo,quot; antwoordde mijnheer Skimpole, „gij zult de onnoozolheid dor vraag wel vorschoonon, daar zij door iemand wordt gedaan, die in woreld-sche zaken geheel ounoozel is maar waarom is hij dan geen gevangene?quot;

Miin vooird bleef staan en zag\' hem aan met

: oene zonderlinge mengeling van lachlust en I verontwaardiging in zijne trekken.

.Onze jonge vriend is niet van eenige kiosch-i beid te verdenken, zou ik mij verbeelden,quot; I zeide mijnheer Skimpole, zonder eenige verle-I genheid. „Het komt mij voor, dat het verstandiger en ook in zekeren zin fatsoenlijker zou zijn, als bij zooveel, al was het ook ongeoor-| loofde, geestkracht toonde, dat hij daardoor in l de gevangenis kwam. Dat zou moor avontuurlijks, en dus ook, in zekeren zin, meer inte-rêssants bobben.quot; „Ik geloof,\'\' antwoordde mijn voogd, „dat gij een kind zijt, zooals er i geen tweede op de wereld te vinden is.quot; — .Doet gij dat waarlijk?quot; hervatte Skimpole. .Hot kan heel wol zoo zijn. Maar ik moet bekennen, ik begrijp toch niet waarom onze jonge vriend, in zijn stand, zich niet zoo interessant zou pogen te maken als hom mogelijk is. Hij is zonder twijfel met eene maag geboren — waar-| schijnlijK heeft hij, als hij in een staat van gezondheid is, die hem minder gevaarlijk voor 1 anderen maakt, eene goede maag en een uit-niuntonden eetlust. Welnu dan. Op zijn natuurlijk etensuur, waarschijnlijk tegen den middag, zegt onze jonge vriend in gedachte tot de niaatschappij: „Ik heb honger; wilt £0 wol zoo good zijn om uw lopel voor den dag te : halen en mij te voeren?quot; 1)0 maatschappij, die de inrichting van het geheele lepeltoestel op zich heeft genomen, en voorgeeft ook voor onzen jongen een lepel te hebben, laat dien lepel niet eens zien, on onze jongo vriend zegt dor-i halve; „Gij moet hot mij niet kwaljjk nemen, als ik er een neem.quot; Dit nu is, naar mijne gedachten, oen staaltje van ongeoorloofde geestkracht, dat wel iets billijks, on te gelijk ook iets romanesks hoeft; en ik weet niet ot ik onzen jongen vriend niet meer interessant zon vindon, als hij zich zelven tot zulk een staaltje maakte, dan nu hij maar een arme vagebond is iets, dat iedoroen kan wezen.quot; „Ondcr-tusschen,quot; waagde ik aan te merkon, .wordt hij erger.\'\' .Ondortusschen,quot; zoido mijnbeor Skimpole zoor blijmoedig, „golyk jutl\'rouw Sum-merson, met haar practicaal gezond vorstand, aanmerkt, wordt bij erger. Daarom raad ik mn hem de deur te wijzen oer hij nog erger w..rilt.quot;

Het vriendelijk lachondgozicht, waarmede hü : dit zoido, geloof ik nooit te zullen vergeten.

..Natuurlijk,\' gt;ud Vr.mwt je,quot; /.\'ide mijn vnogd, zich naar mij koerende, „kan ik bom doen opnemen waar hij behoort, als ik maar daarheen LXa en er die lieden toe dwing, schoon hot een slechte staat van zaken is, die zoo iets in zijn toestand noodig maakt. Maar het wordt laat. het is heel slecht weer en de jongen is toch al heel afgemat. Kr is een bed op do luchtige zolderkamer boven den stal; bost Jat wy hom daar houden tot morgenochtend: dan kan hij voorzichtig vervoerd worden. Dat zullen wij


-ocr page 230-

11KT VKlil.ATKN HUIS.

doen.quot; ,/oolquot; zeide mynheer Slcimpole, met zijne vinders up de toetsen der pi;ino, toen wij heenginifen. trij we(n- naar onzen jongen

vriend?\'\' — „■la,\'\' zeide mijn voogd. .Hoe benijd ik mv zenuwgestel, janulyce!quot; hervatte mynheer Skinipole met schertsende bewondering. Jiij geelt niet om zulke dingen, en Juffrouw Smnmerson ook niet.\' i ij zjjt altijd k laar om overal heen te gaan imi alh\'s te doen. Dat is het, als iemand een wil heelt. Ik heb geheel geen wil niet dat ik niet wil ik kan maar eenvoudig niet.quot; ,ii ij kimt nids voor den Jongen aanraden, zou ik denken zeide mijn voo^d, halt\'gram-stoi\'ig over zijn si-houder omziende: sleehts half gramstorig, want hij scheen myulieerSkinipole nooit üN i\'Hi viiantwddrdelijk wrzen te besehou-vven. - „Mijn beste Jarndyee, ik lieb eene iiesch met verkoelende medieün in zijn zak gezien, en het is onmogelijk hem iets beters te geven, \'lij kunt hun ook z.i*ggen, wat azijn te sprenkelen in de kamer waar hij .-laapt, en die ma-tijf koel en hem zeiven matig warm te houden. Maar het is eene onlieseheidenheid van mij, dat ik zoo iets zeg. Juffrouw Smnmerson weet al zulke dingen zoo goed. dat zij dat zeker ook wel weet.quot;

wy gingen w^der naar liet vuorhuis en ik poogde .lo te doen begrypen wat wij wilden doen. lt;\'|iarle\\ legde het hem nog eens uit, en hij hoorde alle- aan met die kwijnende onver-M-hillighi\'id, die ik reeds had opgemerkt, en keek verstrooid naar hetgeen ujj deden, alsof het voor iemand anders gedaan werd. Daar de dienstboden niedeiyden hadden met zijn ellen-digen toestand en zeer ijverii: waren om hem te helpen, hadden wij spoedig de zolderkamer genvd; en eenige mannen uit het hui- droe-•ien hem. ^oimI ingfbakerd, over «Ie natte voorplaat.-, liet hm- genoeglyk op te merken hoe wiendelijk \'M z.irgvuldig zij voor hem waren, •Mi hoe er een ilgemeen denkbeeld bij hen -i heen ti\' lii\'-taan, dat het hem moest opbeuren als zij dikwijls .oude jongi\'ir\' tegen hem z-dden. i\'liaiiej hield het toezicht over dit ver-• hm\', en liep tusseheii het huis en de kamer iHiven den -tal heen 1*11 weder met de opwekkend\'\' en versterkende middeltjes, die wij hem durtdcii geven. Mijn voogil ging zelfs nog i-uns naar hem zien, eer lijj voor den nacht alléén gelaten werd. en toen hij naar de l^romkaincr tenigkwani, om een brief ten behoeve van den Jongen te -rlirjjvrii, dii\'n een bode den volgenden .......... vroi\'g moest bezorgen, deelde

hij mij mede, dat de zieke rustiger wa-. en -rheen te willen gaan slapen. Men had zijne deur van buiien gesloten, zeide men, voor het geval dat hij aan bet ijlen mocht geraken, maar het zoo geschikt, dat lii.i geen gerucht kon maken zonder gehoord te worden.

Daar Ada, wegen- eene verkoudheid, in onze kamer moest blijven, werd mijnheer Skimpole in dien tijd alleen gelaten, on vermaakte zich met melodieën van treurige liederen te spelen, en somtijds (gelijk wij in de verte hoorden) met veel uitdrukking en gevoel daarbij te zingen. Toen wij weder in de voorkamer bij hem kwamen zeide hij, dat hij ons eene kleine romance zou laten hooren, die hem .apropos van onzen jongen vriendquot; in het hoofd w as gekomen; en toen zong hij er eene van een boerenknaap, „die ouderloos en zonder huisvesting in de wijde wereld moest rondzwervenquot; „inderdaad zeer aandoenlijk. Het was een lied, dat hem altijd aan het schreien bracht, zeide hij ons.

Het overige van den avond was hij byzonder vroolijk. „Hij moest zingen als een vogeltje,quot; zeide hij in zijne opgetogenheid, .als bij er aan dacht, welke gelukkige talenten om de moeielijk-ste dingen te doen hij om zich heen zag.quot; Iiy stelde met een glas warmen wijn een toast in igt;p de „hetere gezondheid van onzen jongen vriend,quot; en voegde er schertsend bij, dat die knaap wel bewitard zou hljjveii om, geïyk Wliit-tington, Lord Mayor van L o n d e n te worden, In dat geval zou hij zonder twijfel eene Jarn-dvce\'s Inrichting en een Suminerson\'s Arinluiis stichten, en een jaariykschen pelgrimstocht van den (iemeenteraad naar St. A11) ans instellen, ilij twijfelde er niel aan, zeide hjj, of onze Jonge \\ riend was op zijne manier een uitmim-tende jongen, maar zijne manier was Leonard Skimpole\'s manier niet; wat Leonard Skimpole was. had Leonard Skimpole zelf tot zijne groote verrassing ondervonden, toen hij voor het eerst met zich zeiven kennis maakte; hij had zich zeiven met al zijne gebreken aangenomen en het verstandigst geoordeeld het maar zoo goéd mogelijk met hem te schikken; en hij hoopte, dat wy dit insgelijks zouden doen.

(.\'haiie\\\'s laatste bericht was. dat de Jongen zeer stil lag. Ik kon uit niijri venster zien,dat de lantaren, die men bij hem gelaten had, bleef branden; en ik ging naar bed, vergenoegd denkende, dat hij goed bezorgd was.

Ivn weinig voor het aanbreken van den dag was er meer beweging en gepraat dan gewoonlijk in huis, en dit deed my ont waken. Terwijl ik mij kleedde, zag ik uit het venster en vroeg een onzer knechts, die den vorigen avond onder de medelijdendste helpers had behoord, of er iets in huis was gebeurd, dat niet goed was. De lantaren brandde nog voor het venster boven den stal.

.Het h die jongen, JultVoinv,quot; zeide lijj. -..Is hij erger:\'quot; vroeg ik. „lijj is weg, jnf-

lioii^/ H.....I: — .Dood.JiilVmuwy Neen.

\\\\ eggeloopen.quot;

lt;»p welken tijd van den nacht, of hoe, of waarom hij heengegaan was, scheen men nooit te kunnen raden. Daar de deur nog gesloten wa.-; en de lantaren voor het venster was blijven staan, kon men alleen denken, dat hij


-ocr page 231-

Igt;K l\'ATIEXT IS VVEGdKliOOl\'EX

door een luik in den vloer was geklomiiieii, dat in een ledig wagenhuis uitkwam. Maar indien hij (lit had gedaan, had liy het luik ook weder dicht laten vallen, en men kon niet zien, dat het was opgelicht. !•gt; was niets van eenigen aard vermist. Toen dit duidelijk gebleken was, moesten wij het, allen voor eene treurige zekerheid houden, dat hij in den nacht ijlhootdig was geworden, en door een liersen■ schimmig oogmerk verlokt of door een onge-gronden angst gedreven, in zijn erger dan Imlpe-oozen toestand de vlucht had genomen; — zij wisten ^ niets van hem, en niemand kon twijfelen of hare verwondering was ongeveinsd, liet weder was sedert eenigen tijd te vochtig geweest, en do nacht zelfs te regenachtig, om hem door zijne voetstappen te kunnen nasporen. Heggen en slooten, muren, houtstapels en hooischelven werden door onze knechts tot ver in het rond onderzocht, daar men vreesde, dat do jongen hier of daa r bew usteloos of dood was blijven liggen; maar men vond zelfs geen spoor, dat hij ergens geweest was. Van hef oogenblik af, dat men hem in de kamer boven


t te,

dat onze jonge vriend begrepen had, dat hij, daar hij eenc boosaardige soorl van koorts had, een gevaarlijk huisgenoot was, en zich daarom, met groote natuurlijke beleefdheid, had verwijderd.

Men deed alle mogelijke navraag en zocht overal. De steenovens werden nagezien, d \' arbeiderswoningen werden bezocht, de twee quot;. rouwen werden in hef bijzonder ondervraagd, maar stal alleen gelaten had, was hij verdw enen. Hef zoeken duurde vijf dagen. Ik wil niet zeggen, dat men het zelfs na dien tijd geheel staakte; maar toen werd mijne gelieelé aandacht in beslag genomen door omsfandighe-detij die mjj altijd gedenkwaardig zullen blijven.

I oen ( \'liarle,\\ des avonds iu mijne kamer weder aan het schrijven was, en ik tegenover haar /at te werken.T voelde ik de tafel beven. Ik keek. en zag, dat mijn kamenieitje van het hoofd tof de voeten trilde en huiverde, ./iji ge zoo kmid, t\'harlevzeide ik. „Ik

wij dachten dit namelijk allen, behalve mijn- den heer Skimpole, die verscheidene malen, op zijn gewonen lucbtiK\'en trant, de ineenin


-ocr page 232-

11 F.T N KÜLA;

i-;x nuts.

geloot\' \\,iii Ja, jullVouw,quot; antwoordde zij. „Ik weet niet wal injj scheclt. Ik kan uiij niet stil-lioudon. (iisteren dozen tyd voelde ik dat

ook zoo, JullVouw. Maak n niet ongerust, maar ik geloof, dat ik ziek ben.quot;

Ik hoorde buiten Ada\'s stem, en snelde naar de deur tusselien mijue kamer en onze genoeg- \\ lijkt\' zitkamer, om die te sluiten; juist bijtijds, want zij klopte reeds aan, toen ik mijne band nog aan den sleutel bad.

Ada riep mij om haar binnen te laten, maar ik antwoordde: .,Nii niet, lielji\'. (ia been. Lr is iel- gebeurd; ik zal terstond bij u komen.quot; A\'-h! bet moest lang, zeer lang duren eer mijue lieve Ada en ik elkander weder zagen.

Charley werd ziek. Binnen de twaalf uren was zij zeer ziek. Ik hielp haar in mijne kamer | te bed, en bleef stil bfj haar zitten om haar 1 op te passen. Ik zeido mijn voogd alles, en | waarom ik het noodzakelijk achtte mij at te | zonderen, en waarom ik vooral mijne lieve Ada niet wilde zien. In het eerst kwam zij zeer dikwijls aan de deur, en deed my zelfs ver-wijtingen met snikken en tranen; maar ik sebreef . haar oen langen brief, waarin ik haar zeido, 5 (lat zij mij angstig en bedroefd maakte, en haar ; bad, als zij mij liefhad en mijn gemoed wilde geruststellen, om niet nader te komen dan in don tuin. Daarna kwam zij onder het venster, zelfs meermalen dan zij aan de deur was gekomen; en als ik hare zoete stem had loeren liefhebben toen wij bijna nooit van elkander waren, hoeveel liever hoorde ik die nog, toen i ik achter het venstergordijn stond te luisteren en te antwoorden, zonder zelfs naar buiten te durven zien. Hoeveel liever werd die stem mij nog, toen er nog een harder tijd kwam!

Men spreidde een bed voor mij in onze zitkamer. en door de deur wijd open to zetten maakte ik, nadat Ada dat gedeelte van het huis geruimd bad, de twee kamers tot eeno en hield ze friseh en luchtig. Kr was geene dienstbode in ot\' om het huis, of zij was zoo goedhartig, dat zij allen op ieder uur van den dag of den nacht, zonder de minste vrees ot onwil, by mij zonden zijn gekomen; maar ik achtte bet bost eéne brave vrouw uit te kiezen, die Ada nooit /du genaken, en die ik vertrouwen kou, (lat by het komen en gaan alle voorzorgen zou in acht nemen. Door hare hulp, kon ik nu en dan met myn voogd ecu luchtje gaan scheppen, als ik niet behoefde te vreezen, dat ik Ada zon ontmoeten, en had ik evenmin ge-brok aan bediening als injj in eenig ander opzicht iets ontbrak.

Kn zoo werd de arme Charley al erger en erger, en lag menigen dag en nacht lang in dreigend doodsgevaar. Zij was zoo geduldig, zoo weltevreden, zoo vol van zachtaardige slaiidvastigheid, dat ik dikwyis, als ik bij haar zat en baar hoofd in mijne armen hield,

want zoo kon zij altijd uitrusten, als zij dit in geene andere houding kon doen en stilte tot onzen Vader in den hemel bad, dat ik de les, die deze kleine zuster mij gaf, niet vergeten mocht.

Het speet mij zeer als ik dacht, dat Charley\'s lief gezichtje veranderd en misvormd zou zjjn, al kwam zij door die ziekte heen — zij zag er nog zoo kinderlijk uit, met bare kuiltjes in de wangen maar meestal deed het grootere gevaar, waarin zij verkeerde, mij die gedachte vergeten. Toen zij op het ergst was en ijlde van hare zorgen by haar vaders ziekbed en de kleine kinderen, kende zy mij toch nog in zooverre, dat zij in rayne armen stil was, al kon zy anders niet stil liggen, en met minder ongedurigheid over hare hersenschimmen prevelde. In zulke uren placht ik te denken, hoe ik ooit de andere kinderen zou kunnen zeggen, dat het kind, hetwelk van haar eigen trouw hartje had geleerd in hun nood eene moeder voor hen te zijn, dood was!

Er waren andere tyden, wanneer \'\'barley my wol kende en met mij praatte, mij zeide, dat ik Tom en Emma nog van bare liefde moest verzekeren, en dat zij overtuigd was, dat Tom tot een braaf man zou opgroeien, In die uren sprak Charley mij over hetgeen zij zoo goed zij kon voor baar vader gelezen had, om liem te troosten; van dien jongeling, die uitgedragen werd om begraven te worden, de eenige zoon zijner moeder, en zij eene weduwe; van do dochter des hoofdmans, die door de genaderijke band van haar doodbed werd opgewekt. Mn Charley verhaalde mij, dat zy, toen haar vader stierf, in bare eerste droefheid op hare knieén gebeden had, dat hij ook mocht opgewekt en aan zijne arme kinderen teruggegeven worden; en dat zy, als zij nooit beter word en ook sterven moest, het waarschijnlijk achtte, dat het bij Tom zou opkomen om hetzelfde gebod voor baar te doen ; en dan moest ik hem beduiden hoe de menscben in oude dagen alleen daarom weder tot hot aardsche leven waren teruggeroepen, opdat wij onze hoop zouden kennen om aan don hemel teruggegeven te worden.

Maar onder al de verschillende tijdperken barer ziekte was er geen, waarin Charley die zachte deugden verloor, waarvan ik gesproken heb; en dikwyis, zeer dikwijls gebeurde het, dat ik des nachts dacht aan haar laatst verheven geloof aan den beschermengel, en haar laatst nog verhevener vertrouwen op Cod ten opzichte van haar armen verachten vader.

Doch Charley stierf niet Langzaam kwam zij de gevaarlyke crisis door, nadat zy lang daarin was blijven dobberen, en toen begon zij te beteren. De hoop, die in het begin bijna verdwenen was, dat zy in haar uitwendig voorkomen nooit weder dezelfde zou worden, begon spoedig te herleven, en ik zag zelfs


-ocr page 233-

t\'IIAKI.KV EN HARE OI\'I\'ASSTEH.

)iare vroegere kinderlijke gelijkenis terugkomen.

Het was een gewichtige morgen, toen ik Ada, die beneden in den tuin stond, dit alles kon vertellen; en hot was een geuiehtige avond, toen Charley en ik eindelijk weder in de andere kanier te /.amen theedronken. Maar op denzelfden avond gevoelde ik mij door eene koortskoude aangetast.

Gelukkig voor ons beiden was liet niet voordat Charley weder veilig in bed en gerust in slaap was, dat ik begon te denken, dat hare ziekte mij had aangestoken. Ik liad gelukkig kunnen ontveinzen wat ik onder het theedrinken gevoelde, maar ik kon mij zelve niet meer misleiden, en ik wist, dat ik spoedig Charley\'s voetspoor zou volgen.

Ik was echter nog- wel genoeg om des morgens vroegoptezijn,den v rooi ij ken groet van mijne lieve Ada, die reeds in den tuin was, te beantwoorden en evenlang ais gewoonlijk met haar te praten.

Maar ik was niet vrij van eene inbeelding, dat ik des nachts in de twee kamers had rondgewandeld. niet recht bij mijne zinnen, schoon ik nog wist waar ik was; en nu en dan gevoelde ik mij eenigszins verward, met eene zonderlinge gewaarwording van volheid, alsof ik hoe langer hoe meer opzwol.

In den avond was ik zooveel erger, dat ik besloot Charley op alles voor te bereiden. Met dit oogmerk zeide ik: „Gij begint nu alweder sterk te worden, niet waar, Charley?quot; — „o Ja!\'\' antwoordde ( \'narley. - ., Al sterk genoeg, dat gij een geheim kunt hooren, zou ik denken, Charley?quot; „O ja, al sterk genoeg daarvoor, jullïouw!quot; riep Charley uit. Maar te midden van hare blijdschap betrok haar gezichtje, want zij zag het geheim in m ij n gezicht; zij stond van haar leuningstoel op, en viel mij om den hals en zeide; „(»julirouw, dat is mijne schuld! dat is mijne scliiild!\'\' en nog veel meer, uit de vollieid van haar dankbaar hart. , Nu, Charley,quot; zeide ik, nadat ik haar eene poos had laten voort- . gaan, „als ik ziek moet worden, stel ik mijn grootste vertrouwen, menschelijker wijs gesproken, op u, En als gij in mijne ziekte niet zoo kalm en bedaard blijft als gij in de uwe altijd | zijt geweest. Charley, kimt gij nooit aan dat vertrouwen beantwoorden.quot; .Als ge mij nog maar een beetje laat schreien,jnllVoiiw,quot; zeide Charley. „Och lleere, IIcere, als ge mij nog | maar een beetje laat schreien, lieve julirouw,quot; | — met hoeveel teederheid en aandoening zij | dit uitstortte, terwijl zij zich om mijn hals klemde, zal ik mij nooit dan met tranen herinneren ,zal ik mij wel goed houden.quot;

Ik liet dus Charley nog een beetje schreien, en het deed ons beiden goed.

„Vertrouw mij nu maar, als bet n beKel\'t, i jnti\'romv,quot; zeide Charley bedaard. .Ik luister | al naar al wat gij zegt quot; - .Dal zal vooreerst zeer weinig zijn, Charley. Ik zal den dokter [

van avond zeggen, dat ik meen niet wel te zijn, dat gij mij zult oppassen.quot;

1 )aarvoor dankte het arme kind mij met al haar hart.

„En als gij morgenochtend julirouw Ada in den tuin hoort, en ik niet wel in staat mocht zijn om naar het venster te gaan, ga gij dan, Charley, en zeg, dat ik nog slaap dat ik mij wat heel moe heb gemaakt en nog slaap. Houd de kamer altijd zooals ik die gehouden heb, Charley, en laat niemand binnenkomen.quot;

Charley beloofde dit, en ik ging liggen, wantik was zeer loom. Ik sprak den doKter dien avond, en vroeg hem als eene gunst, dat hij in hnis nog niets van mijne ziekte zou zeggen. Ik heb er eene zeer onduidelijke herinnering van hoe die nacht in den dag overging, en de dag weder m den nacht, maar ik was dien eersten morgen nog juist in staat om naar het venster te gaan en met mijne lieve Ada te spreken.

Op den tweeden ochtend hoorde ik hare dierbare stem o hoe dierbaar nu! — daarbuiten, en ik vroeg ( \'harley, eenigszins met moeite (want het spreken werd mij pijnlijk), om te gaan zeggen, dat ik nog sliep. Ik hoorde haar zacht antwoorden: ,0 (\'harley, stoor haar toch vooral niet!quot;

„Hoe ziet mijn schat er uit, Charley ?quot; vroeg ik. — „Ken weinigje droevig, juffrouw,quot; antwoordde Charley, door het gordijn glurende.

„Maar ik weet toch wel, dat zij van morgen ....... schoon is.quot; „Dat is zij ook, juffrouw,quot; zeide Charley, nog kijkende. „Zij /Jet nog naar het venster op.quot; „Met hare heldere blauwe oogen, God zegen ze, die ik altijd het liefelijkst vind als zij ze zoo opslaat!quot;

Ik riep Charley bij mij en gaf haar mijn laatsten last

,Xu, Charley, als zij hoort, dat ik ziek hen, /al /.ij in de kamer willen komen. Houd er baar buiten, (\'harley, als ge mij waarlijk liefhebt, tot het laatste toe. Charley, als gij haar maar eens binnenlaat, haar mij maar een oogenblik laat /ien terwijl ik hier lig, /al ik het besterven,quot; „Dat zal ik nooit! Dat /al ik nooit!quot; beloofde /ij mij. „Ik geloof n. mijne lieve (\'harley. Mn kom nu een poosje bij mij /itten en raak mij aan met uwe hand. Want ik kan u niet zien, i \'harley; ik ben blind.quot;

\\ X X11

UK nU.STKMDE TUI).

Het is avond in Lincoln\'s Inn dat donkere dal van schaduwen der rechtsgeleerdheid, waar de cliënten doorgaans maar weinig dag vinden en de dikke kaarsen in de kantoren worden nitgesnoten, en de klerken stormen de wrakke trappen af en verstrooien zich. De


-ocr page 234-

11 KT VEHLATKX HUIS.

klok, ilit\' ton negen uur luidt, heeft zijn treurig ! en niets heteekenend geliengel gestaakt; de poorten /.ijii gesloten, en de naehtportier, een deftig j waker met verbazende slanpkracht. betrekt de waclit in zijn kamertje, üit rijen van trap vensters j .schijnen duister brandende lampen, gelijk de | oogên van het burgerlijk recht, een leepoogige A wis, met een peilloos diepen zak voor ieder i oog, waarover dat oog waakt, de sterren toe te tvenken. Hier en daar voor doffe bovenvensters j ontdekken seliemerende plekjes kaarslicht de plaatsen, waar een snedig handlanger der wet : nog zit te arbeiden om huizen en landgoederen in quot;netten van perkement te verwarren. Schoon | het reeds over den kantoortijd igt;. !)lij\\en deze weldoeners hunner evennaasten nog als nijvere bijen voortwerken, opdat zij eindelijk eens van eiken dag goede rekenschap zonden kunnen |

geven ,

In het naburige hofje, waar de lord kanselier van den lorrenwinkel woont, wordt eene al-gemeene neigini;\' tot soupeeren en l)ierdrinken ; :vaar-enomen .)ull\'roin\\ l\'iper enjulVrouw Per-!dns, wier zoontjes, bezig met scliuilhoekje spelen, eenige uren lang in ho.\'ken en gaten hebben • inigekropen, om dan weder tot schrik der voorbijgangers eensklaps uit te si\'iueten julliouw l\'iper en juffrouw l\'erkins hebben er (dkander zmi even mede gefeliciteerd, dat de kinderen in bed zijn, en staan nog onder een vriendelijk praatje aan de deur .Mijnheer Krook en zijn inW\'uier, en het leit, dat iiijjnheer K\'rook tltjjd wat op heelt,\' en de vooruitzichten, die de j nik man \'i|i eene erlenis moet hebben, zijn, volgens gewoonte, de hootdinhoud \\-in het gesprek. Maar zij hebben e ik iets te zeg-u\'iii over de muzikale vereeniging in de /.on, waar men door de hall\' openstaande vensters ile piano kan hooren betrommeien, en waarde kb ine Swills, nadat hij zijn gehoor schaterend beeft doen lachen, nu de basparty in een trio zingt, en zijne vrienden en begunstigers met sciitimenteele uitdrukking smeekt: .. I.uistei, luister, luister, na-a-ar den wa-ter-val! .lut-irouw l\'erkins en juffrouw l\'iper deelen elkander hare gedachten mede over zekere, als zangeres beroemde jonge dame, die de muzikale vereeniging opluistert, en op het geschrevene biljet voOr het venster in een afzonderlijken i\'c^el wordt vermeld, ■lullrouw l\'erkins weet

zoo goed als zeker, dat zij anderhalf jaar getrouwd is, hoewel zij algt; Migt;s M. Melvilleton, de vermaarde sirene, wordt aangekondigd, en dal haar onnoozel kind eiken avond heimelijk . naar de Zon wordt gebractt, om ui de pauze ; het moederlijke voedsel te ontvangen. -Liever ilan zoo iet- te doen,quot; zegt juffrouw l\'erkins, .zou ik mijii kost winnen mei lucifei--, te ver-koopen.quot; .juffrouw l\'iper is, geljjk haar voelt;,\'t, van dezelfde meening; zy gelooft, dat een-til : huiselijk leven veel beter is dan openbare toe-

juiching, en dankt den hemel, dat zij eene \'fatsoenlijke vrouw is, waarmede zjj tevens stilzwijgend te kennen geeft, dat zjj juffrouw Per-kins0insgeH)ks daarvoor houdt. Tegen dien tijd komt de jóngen uit de Zon met de schuimende bierkan aan, welke juffrouw l\'iper van hem overneemt, waarop zij vervolgens naar binnen gaat, na eerst juffrouw Perkins goedennacht te hebben gewen\'scht, die met haar eigen pintje bier iu de hand heeft staan praten, sedert dit door den jongen Perkins, eer hij naar bed werd gezonden, uit dezelfde herberg gehaald werd. Nu hoort men in liet hofje de winkelluiken opzetten, en ruikt men daar de rook van pijpen, en ziet men verschietende sterren voor de bovenvensters, die verder aanduiden, dat men zich ter rust begeeft. Nu begint ook de politiedienaar tegen de deuren te duwen, om te voelen of alles goed gesloten is, en gaat vervolgens zijne ronde doen, achterdochtig naar pakjesquot;\' kijkende, die door iemand worden gedragen. in de vooronderstelling, dat alle men-schen stelen of bestolen worden.

Het is benauwend weder, hoewel de vochtige koude tevens doordringend is, en er op zekere hoogte in de lucht een druilende mist hangt. Hefis een heerlijke dompige nacht om de quot;slachthuizen, de ongezonde beroepen, de nevelen, het slechte water en de kerkhoven een handje te helpen, en den ambtenaar, die het register van overledenen houdt, wat meer dan gewoonlijk te doen te geven. Kr mag iets in de lucht wezen, of in hem zeiven, waaraan het hapert, maar mijnheer Weevle, anders Jo-bling geheeten, is siecht op zijn gemak. Twintigmaal in een uur kuiert hij tusschen zijne kamer en de opene straatdeur heen en weder. Dat heeft lüj al gedaan, sedert het donker begon te worden. Sedert de kanselier zijn winkel sloot, hetgeen hij van avond hijzonder vroeg heeft gedaan, heeft mijnheer Weevle (met een goedkoop, nauwsluitend tluweelen kapje opliet hoofd, (fat zijne bakkebaarden overmatig zwaar doet schijnen) nog veel meer op en neer gedwaald.

Het is geen bijzonder merkwaardig verscnun-sel, dat lujjnheer Snagshy insgelijks slecht op zijn uTmuk is; want onder •Inikkcmlrii in-vloed van het geheim, dat hem bezwaart, is hij dal altijd meer of minder. De gedachte aan het geheimziiinig raadsel, waarvan hij mede bewust is en toch niets weet, jaagt hem telkens naar de plek, die de eerste oorsprong ei van schijnt, te wezen de lorrenwinkel inliet hofje. Deze oefent eene onwederstaaubare aantrekkingskracht op hem uit. Nu komt hij alweder aan, met voornemen om de Zon langs en het hofje door te gaan. en zoo eene avondwandeling van tien minuten te doen.

, Wat, quot;mijnheer Weevle?quot; zegt Snagshy, terwijl hij biyft stilstaan. .Zijt gij daar ?quot; -„Ja,quot;

-ocr page 235-

KK SCIII.INT IKTS NOODI.OTTICS IX TK ZMN,

gene vriendolijkheid op, kijkt omboog naar eene ster of zoo iets. en kucht een kuchje, hetwelk aanduidt, dat hij niet recht weet hoe hij van dit gesprek zal afkomen.

.liet is eene merkwaardige omstandigheid, mijnheer.\' begint hij, langzaam zijne banden wrijvende, „dat hij hier moest...quot; — ..Wie is hij?\'\' valt Weevle er op in. „De overledene, weet gij,quot; zegt Snagsby, door eene beweging van zijn hoofd en rechterwenkbrauw naar de trap wijzende, en zjjn bekende een tikje tegen een knoop gevende. „O, hij!quot; zegt de ander, alsof bet ondei\'wcrp hom niet best beviel; „ik dacht dat wij met hem gedaan hadden.quot; „Ik wilde alleen maar zeggen, mijnbeer, dat liet eene merkwaardige onistaiidigheid is, dat hij hier moest komen wonen eu een van mijne kopiisten worden, en dat gij daarop hier moest komen wonen en ook een van mijne kopiisten worden, ik bedoel niets heleedigends met die benaming, mijnheer,quot; zegt Snagsby, afbrekende met een wantrouwen, dat hij misschien de onbeleefdheid heeft gehad van zeker gezag over mynheer Weevle aan te duiden, „want ik heb kopiisten gekend, die naderhand aandeel in brouwerijen hebben gekregen en heel fatsoenlijke zaken gedaan. Heel ratsoenlijke zaken, mijnheer,quot; voegt Snagsby er bjj, met zekeren angst, dat hij zijn misslag niet verbeterd heeft „Het is een zonderlinge samenloop van omstandigheden, zooals gij zegt,quot; antwoordt Weevle. nog eens hoen en weder kijkende. — ,,Er schijnt I iels noodlottigs in te zijn, niet waar?quot; zegt de kantoorwinkelier. ..la!quot; „Juist,quot;hor-neemt Snagsby, mot zyn bevestigend kuchje. „Iets noodlottigs. Ja, iets noodlottigs. Nu, mijnheer Weevle, vrees ik, dat ik u goedennachl , moet wonsciien;quot; Snagsby spreekt alsof liet hem zeer speet, dat hij gaan moet, hoewel hij, sedert hij bleef stilstaan om te sproken, steeds naar een middel hoeft gezoc|it om te ontsnappen; „mijn vrouwtje zal anders naar mij loo-pen zoeken, tloodennaclit, mijnheer quot;

Indien Snagsln zich naar Imis haast om zijn vrouwtje de moeite te besparen van naar hem te loopen zoeken, had hij zijn gemoed in dit opzicht kunnen gerust stellen. Zijn vrouwtje heelt hem op den hoek van de Zon bestendig in het oog gehad, en sluipt hem nu na, met een zakdoek over haar hoofd geslagen, terwijl zij mijnheer Weevle in het voorbijgaan met een uitvorscheiiden blik vereert.

,(iij zult mij in allen gevalle wel kennen, jul-frouw, als ge mij weerom ziet,quot; zegt Wee\\le bij zich zeiven; ..en ik kan u geen compliment i maken over uw voorkoinen, wie gy ook wezen moogt, met uw hoofd zoo ingebakerd. Zal die kerel dan nooit komen!quot;

De bedoelde kerel nadert terw ijl bij spreekt. Weevle steekt stil een vinger op, trekt hem mede de gang in en gt;luit zachtjes de straat-

antwoordt VVeevle. , Hier bon ik, mijnbeer Snags-by.quot; „Schopt gij eens een luchtje, zooals ik iloe, eer gü naar bod gaat?quot; — „Wel, er is niet veel lucht hier te krijgen, en die er is, is niet heel verfrisschond,quot; antwoordt Weevle, eens in het botje heen en weer kijkende. -„Wel waai\', inijnheer. Merkt gij niet,quot; hervat Snagsby, even ophoudende om do lucht op te snuiven en als het ware te prooven, „merkt gü niet, mijnheer Weevle, dat om er niet te veel van te zoggen dat men hier iets vettigs ruikt, mijnheer?quot; — „Ja, ik lieh ook al opgemerkt, dat bier van avond eeno rare soort van lucht is,quot; zegt Weevle. „Ik denk, dat het de karbonaden in de Zon zullen zijn.quot; — „Karbonaden, denkt gij? O! — Karbonaden?quot; Snagsby snuift en proeft nog eens. „Ja, dat kon wel zijn, mijnheel\'. Maar dan zou men zeggen, dat er wel eens naar de keukeiuneid in de Zon mocht gezien worden. Zij heeft ze laten aanbranden. Kn ik geloof ook niet, mijnbeer,quot; Snagsby snuift en proeft alweder, spuwt daarop en voegt zijn mond af; „ik denk niet — om er niet te veel van te zeggen ...... dat zij heel versch waren toen zij op

den rooster kwamen.quot; „Dat is wel mogelijk. Het is heel bederfelijk weer.quot; .Ja, dat is hot ook,quot; zegt Snagsby: „en ik vind, dat bet iemand neerslachtig maakt.quot; — „Waarachtig,quot; antwoordt Weevle, „ik moet zeggen, dat ik er akelig van word.quot; —„Maar gij leeft ook zoo eenzaam, en woont in eeno eenzame kamer, waar zulk oene akeligheid in gebeurd is.quot; zegt Snagsby, langs des andoren schouder de donkere gang inkijkende en vervolgens een paar i stappen achterwaarts doende, om naar bet hnis op te zien. „Ik zou niet zoo alleen, ais gij doet, in de kamer kunnen leven, mijnheer. Ik zou dos avonds somtijds zoo onrustig en ongedurig worden, dat het mij naar de deur zon jagen, on ik liever zou willen staan dan daar blijven zitten. Maar hot is ook waar, dat gij in uwe kamer niet hebt gezien, wat ik daar gezien heb. Dat maakt een verschil,quot; „Ik weet er toch al genoeg van,quot; antwoordt Tony.

„Het is niet aangenaam, niet waar?quot; vervolgt Snagsby. achter zijne hand zijn vriendelijk overredend kuchje Kuchende. Mijnheer Krook mocht dat bij de buur wel in aanmerking nemen. ISn dat zal hij ook wel doen, hoop ik.quot; — .Ik hoop het ook,quot; zegt Tony, „maar ik twijfel er aan.quot; „(iij vindt de buur dus hoog, mijnheer?quot; hervat Snagsby. ..la, de huren zijn hoog hier in de buurt. Ik weet niet hoe het komt, nauar die rechtsgeleerdheid schijnt alles duurder temaken. Niet,\'\'vervolgt Snagsby. met zijn verontschuldigend kuchje, „dat ik een \' woord meen te zeggen tegen een vak, waaruit 1

ik mijn .......1 haal. \'

Mijnheer Weevle laat nog eens zijne oogen door het hofje op en neer gaan, en ziet clan i Snagsby aan. Deze vangt zyn blik met verle-

-ocr page 236-

11ET VERLATEN MUIS.

deur. Daarop gaan /ij naar boven, Woe vlo niet : /ware, Guppy (want iii.i is liet) met/eer lichte stappen. Nadat /ij in de achterkamer xijn opgesloten, spreken zij /acht.

„Ik dacht, dat gjj ten minste naar de maan waart geloopen, in plaats van hier te komen,quot; | /egt Tonv. — „Wol, ik heb tegen tien uur gezegd.quot; — „Gy liebt tegen tien uur gezegd,quot; Fierhaalt Tony. ..la, dat hebt gij ook. Alaar naar mijne rekening is het al tienmaal tien al honderd ure. Ik heb nooit in mijn leven zulk een avond gehad,quot; .\\\\ at is er dan gebcnril\':\'quot; — .Dat is het juist,quot; antwoordt Tony. „Kr is niets gebeurd. Maar ik heb hier zitten blazen en zweeteu in dit pleizierige hok, tot ik van akeligheid niet wist waar ik blijven zon. Kijk die kaars er eens uitzien,quot; zegt Tony, en wijst naar eene duister brandende kaars op de tafel, met eene groote kool aan de pit en eene lange doodceel. — , Dat is gemakkelijk te verbeteren,quot; merkt Guppy aan, terwijl hij den snuiter opneemt. .Is het ?quot; antwoordt zijn vriend.. Niet zoo gemakkelijk als gij denkt. Zoo akelig smeulend heeft zij gebrand, sedert ik ze lieb opgestoken\'\' „Maar wat scheelt u toeli, Tony?quot; vraagt Guppy, hem met den snuiter in de liand aanziende, terwijl de ander met den elleboog op do tafel leunt. .Ik heb razend het land,quot; antwoordt Tonv. .Het is die onuitstaanliuar sombere zelfmoordenaarskamer, en die akelige oude vent daar beneden, geloof ik.quot; Weevle schuift gemelijk het snuiterbakje met zijn elleboog van zich af, legt het hoofd in de hand, r.A zijne voelen op den haardrand en staart in het vuur. Terwijl Guppy naar hom kykt, schudt lijj even zijn lioofd en zet zich in eene gemakkelijke houding aan den overkant der tafel, — . \\\\ :ilt; dat Snagsby, die met u praatte, Tony ?quot; — „Ja, en dat „Ja, het was Snagsby,quot; antwoordt Weevle, eene andere wending aan zijn gezegde gevende. — „Over zaken?quot; —.Neen, niet over zaken. Hij kuierde maar voorbij en bleef staan om wat te wauwelen,quot; — .Ikdacht wel, dat het Snagsby was,quot; hervat (iuppy,,eii ik hield het voor beter, dat hij mij niet /ag; dus wachtte ik tot bij weg was.quot; „Daar is het alweer zoo!quot; roept Tony uit, voor een oogen-blik opkijkende. .Altijd zoo geheimzinnig en raadselaeiitig. W aarachtig, als wij een moord wilden plegen, zouden wjj er geen grooter geheim van kunnen maken.quot;

Guppy veinst te glimlachen; en om liet gesprek op iets anders te brengen, ziet by, met ware of voorgewende bewondering, in de kamer rniid naar de galerij van Kngelsehe schoonheden, en besluit met het portret van Lady Dedlock boven den schoorsteenmantel, waarop zjj is voorgesteld op een terras, met een voetstuk op dat terras, en eene vaas op dat voetstuk, en haar shawl over die vaas, en een verbazonden lap bont over dien shawl, en haar arm

op dat bont, en eene bracelet aan haar arm.

.Dat is Lady Dedlock op een haar,quot; zegt Guppy. „Eene sprekende gelijkenis,quot; -- .Ik wenschto wel, dat het zoo was,quot; bromt Tony, zonder van houding te veranderen, ..dan zou ik hier wat pleizieriger conversatie hebben.quot;

Nu begrijpende, dat zijn vriend met geene goede woorden in een meer gezellig humeur is te brengen, beproeft Guppy of het niet beter is zich ontevreden te houden.

,Tony,quot; zegt hy, „ik kan iets voor iemands neerslagtigheid inschikkên, want niemand weet beter dan ik hoe die iemand kan overvallen; en niemand kan dat beter weten dan iemand, die een onbeantwoord beeld in zijn hart heeft geprent. Maar zulke dingen hebben hunne grenzen als er een onschuldig persoon bij te pas komt, en ik moet u zeggen. Tony, dat ik uwe tegenwoordige manier van doen niet gastvrij, en ook niet zeer fatsoenlijk vind.quot; - „Datzijn sterke uitdrukkingen, William Guppy,quot; zegt Weevle hierop, „Dat kan wel wezen, mynheer,quot; antwoordt Guppy, „maar niet sterker dan mijn gevoel.quot;

Weevle bekent, dat hij ongelijk heeft gehad, en verzoekt mynlieer William Guppy om er niet meer aan te denken. Leze evenwel, nu zooveel voordcel behaald hebbende, wil dit niet loslaten, zonder nog wat geknord te hebben.

,Neen, voor den drommel, Tony,quot; zegt hij, „gij moest waarlijk wat voorzichtig zijn om het gevoel van iemand te kwetsen, die een onbeantwoord beeld in zijn hart heeft geprent, en die, wat de snaren betreft, die de teederste aandoeningen doen trillen, waarlijk niet zoo geheel gelukkig is. Gij, Tony, bezit in u zeiven alles wat berekend is om het oog te bekoren of den smaak te streelen. Het ligt niet

gelukkig voor u misschien, en mogelijk mocht ik quot;vel wenschen, dat hot met mij eveneens was het ligt niet in uw karakter, om ééne bloem te blijven zweven. De geheele tuin staat voor n opeii en uwe luchtige wieken dragen u daarin overal heen. En toch, Tony, ver zij het van mij zelfs uw gevoel zonder reden te kwet sen!quot;

Tony bidt nog eens, dat men van dat onderwerp zal afstappen, met nadruk zeggende: .William Guppy, zwyg er van!quot; en William Guppy bewilligt liierin, met het antwoord:. I it mij zeiven zou ik er nooit van gesproken hebben Tony.quot;

,Hn nu,quot; zegt Tony, het vuur oppokende, .nog eens over dat pakje brieven. Is het niet iets zonderlings van Krook, dat hij juist van nacht twaalf ure bepaald heeft om het mij over te geven?quot; — .Zeer zonderling. Waarom deed bij dat?quot; „Waarom doet by alles ? Dat weet hy zelf niet. Hij zeide, dat het vandaag zijn verjaardag was, en dat hij ze mij van nacht om twaalf ere zou geven, Hy zal zich tegen


-ocr page 237-

NOli EKNS OVEI! DAT l\'AKJE BlilEVEN

dion tijd stom hebben gedronken, Hy is er don gebeelcn day aan bezig geweest.quot; ..11 ij iieeft toeii d(! afspraak niet vergeten, iioop ik ?quot; „Vergeten? laat dat maar op bem aankomen. Iljj vergeet nooit iets. ii\\ heb hem vanavond nog gezien, tegen acht ure. Ik hielp hem zijn winkel sluiten, en hij had de brieven toen in zyne bonten muts. ilij nam die af en liet ze mij zien. Toen de winkel gesloten was, nam bij ze uit zijne muts. hing de muts achter op zijn stoel, en bleef voor het vuur staan om ze na te kjjkcn. lllt; hoorde hem een poosje later hier door den vloer heen het eenige liedje neuriën, dat bij kan — van Hibo en den ouden (Jbaron, en dat Hibo dronken was toen bij stierf, of zoo iets. Sedert is hij zoo stil geweest als eene oude rat, die in baar hol zit te slapen,quot; — ,Kn yy moet om twaalf ure naar beneden gaan?quot; — „Ja, om twaalf ure. Maar, zooals ik ii zeg, toen gij bier kwaamt was bet mij alsof het al honderd ure was.quot; „Tonv,quot; zegt Guppy, na eene poos met gekruiste beénen te hebben zitten peinzen, „hij kan immers nog niet lezen, niet waar?quot; — „Lezen! Hjj zal nooit leeren lezen, Hij kan al de letters afzonderlijk schrijven, en bij kent ook de meeste afzonderlijk, als hij ze ziet; zoover is hij door mij gevorderd; maar lijj kan ze niet bijeenvoegen. Mij is te oud om

nu nog den slag daarvan te krygen ..... en te

veel aan den drank.quot; - „Tonv,\'\' zegt Guppy, zijne beenen uitspreidende en wederom over elkander slaande, „hoe denkt gjj, dat bij dien naam van Hawdon beeft gespeld?quot; — „Dien heeft hij niet gespeld, (.ijj weet welk een zonderling talent bij in dat opzicht heeft, en boe bij zich gewend heeft om alles op het oog af na te schrijven. Zoo schreef bij ook dien naam na — blijkbaar naar het adres van een brief, en vroey mij boe ik hem uitsprak.quot; — „Tony,quot; zegt Guppy, alweder zijne beenen andersom over elkander slaande, „zoudt ge zeggen, dat bet oriyineele schrift van een man of van eene vrouw was?quot; „Van eene vrouw. Vijftig tegen een, dat het van eene dame is - staat vrij schuins, en bet eind van de letter « lang uitgerekt en haastig.quot;

Guppy heeft ouder dit gesprek op zijn duim zitten bijten, doorgaans van duim verwisselende als bij zijne beenen andersom over elkander sloeg. Terwijl hij dit weder wil doen, kijkt bij toevallig naar de mouw van zijne jas. Deze trekt zijne aandacht. 1 lij lilijft er ontsteld naar staren,

„Wat dromimd, Tony, gaat er toch van avond in dit huisom? Is er brand in een schoorsteen?quot;

„ lirand in een seboorstcen?quot; — „,1a,quot; hervat Guppy, „zie maar eens boe bet roet valt. Kijk bier, op mijn arm. Kn zie daar, op de tafel. Dat duivelsche goed, men kan bet niet wegblazen bet smeert alsof bet zwart vet nasiquot; /ij kijken elkander aan, en Tony gaat aan de deur luisteren, en een weinigje hooger, en een weinigje lager, op de trap. Hij komt terug, en zegt, dat alles wel en alles stil is; en vertelt wat bij eene poos te voren tegen Snagsbv heeft gezegd, dat men in de Zon karbonaden braadt,

„Mn bet was toen,quot; hervat Guppy, nog met walgenden afkeer naar zijne mouw kijkende, terwijl zij voor het vuur hun gesprek \'bei-vatten en zich over de tafel naar elkander toebuigen, met de hoofden zeer dicht bijeen, „dat hij u vertelde, dat hij het pakje brieven uit het valies van zijn huurder bad genomen.quot; — „Toen was dat, mijnbeer,quot; zegt Tony, even zijne bakkebaarden opstrijkende, „en toen schreef ik een regeltje aan mijn besten vriend, den beer William Guppy, om hem de afspraak voor van avond te berichten en hem te raden om niet vroeger te komen, omdat bij daar beneden zoo drommels slim is,quot;

Df luchtige toon der modewereld, dion mijn-heer \\V eevle gewoonlijk aanneemt, gaat hem van avond zoo slecht af, dat by hem spoedig laat varen en ook geen verder werk van zijn bakkebaard maakt, maar zich, na over zijn s( houder te hebben omgekeken, weder aan zijn akeligheid schijnt over te geven,

.(lij zult de brieven naar uwe kamer meenemen om ze te lezen en te vergelijken, zoodat gij er bem alles van zeggen kunt. Dit is immers de afspraak, Tony?quot; zegt Guppy, onrustig op zijn duim bijtende. „(iij kunt niet te zacht spreken, ,1a. Dat hebben hij en ik afgesproken,quot; — „Ik zal li eens wat zeggen, Tony.quot; - „(lij kunt niet te zacht spreken,quot; zegt Tony nog eens. Guppy antwoordt met een knik van zijn verstandig hoofd, steekt dit nog meer vooruit en laat zijne stem tot een getluister dalen. „Ik zal n eens wat zeggen. Het eerste wat wij doen moeten is, een ander pak je te maken, evenals het echte; zoodat, als bij vragen mocht om het echte te zien, terwijl bet in mijne handen is. gy hem dan het namaaksel kimt laten kijken,quot; „En als hij dan dat namaaksel ontdekt zoodra hij het ziet en met zijne scherpe, borende oogen is dat omtrent vijfbonderdmaal waarschijnlijker, dan dat hij hel niet zal doen,quot; merkt Tony aan. —.Dan worden wij er brutaal tegen in. Zij behooren hem niet toe en hebben hem nooit toebehoord. Dat hebt gij gezien, en gij hebt ze veiligheidshalve in mijne handen gesteld — een rechtsgeleerd vriend van n. Als hij er mis toe noodzaakt, zullen wjj wel weer voor den dag komen. Is het zoo niet?\' „,la-a !quot; luidt Tony s onwillige toestemming, ...Maar, Tony,quot; zegt zijn vriend berispend, „hoe ziet gij mij zoo aan? Gjj twijfelt toch niet aan William Guppy! (lij denkt toch aan niets kwaads?quot; .Ik denk aan niets meer dan wat ik weet, William,quot; antwourdl de ander ernstig. „En wat weet ge dan?quot;


-ocr page 238-

HET VERLATHN HUIS.

224

vaart Guppy uit. zyne stem een weinig ver-hctlendc; maar nadat zijn vriend hem nog eens heeft gewaarschuwd: Jk zeg n, gij kunt niet ! te zacht spreken,quot; herhaalt iiij zijne vraag zonder eenig geluid te geven en vormt slechts met zijne lipiien de woorden: „Wat weet yij?\' „Ik weet drie dingen. Vooreerst weet ik, dat wij hier in het geheim als een paar samenzweerders zitten te lluisteren.quot; . Welnu.quot; zegt lt; hippy, ,beter een paar samenzweerders dan een ! paar domkoppen, en dat zouden wy zijn als w ij ; iets anders deden; want het is de eenige ma- ; nier om te doen wat M j] willen doen. Ten tweede?quot; — „Ten tweede is het mij nog niet gebleken, hoe er ooit eenig voordeel van kan komen.quot; j

Guppy slaat zijne oogen op naar het portret ^ van Lady l)edlock voor den selioorsteenniantid en antwoordt: „Tony, ik moet u verzoeken om dat aan de eerlijkheid van inv vriend over te 1 laten. 1\'ehalve dat het strekken kan fgt;rn dien vriend behulpzaam te zijn, bij die snaren van het menschelyk gemoed, die die bij deze gidegenheid niet in pijnlijke trilling behoeven gebracht te worden --- is uw vriend ook geen gek. Wat is dat?quot;

„Het is de klok van St.-Pauls, die elf uur slaat. Luister, en gij zult al de klokken in de stad hoeren slaan.quot;

Heiden zitten stil te luisteren naar de metalen stemmen, nabij en veraf, die van torens van verschillende hoogte klinken, nog meer ver- | schillend van toon dan van plaat sing. Nadat zij eiti- , del ijk hebben opgehouden, schijnt alles nog stiller i en geheimzinniger dan te voren. Hen onaange- | naam gevolg van het fluisteren is, dat het een atmospbeer van stilte schijnt voort te brengen, waarin de spooksels van net geluid omwaren, een vreemd gekraak en getik, het ritselen van kleederen, die geene zeltstandigheid hebben, eu 1 de stappen van akelige voeten, die op het zeezand of de versch gevallen sneeuw geene sporen zouden achterlaten. De twee vrienden zijn i zoo zenuwachtig, dat voor hen de lucht vol van . die spooksels is, en zjj beide te gelijk omkijken j om te zien of de deur wel gesloten is.

„.la, Tony,quot; zegt Guppy, nog dichter by het vuur schuivende en op den nagel van ziju be- , venden duim bytonde. Jljj zoudt nog zeggen, ten derde? \' „liet igt; ver van aaiigenaam een komplot; tegen een doode t.i\' maken in de kamer waar by gestorven i-!, vooral als men er toevallig zelf in slaapt.quot; . Maar w jj maken goen komplot tegen hem, Tquot;mgt;.quot; „Mogelyk niet; maar het iievalt injj toch niet. Kom hier ook eens alleen wonen, en zie dan hoe het u bevalt.quot; „Wit dooden betreft, Tmiyquot; zegt (iiippy, dit voorstel aan zyne plaats latende, ,iii de meeste kamers zijn dooden geweest.quot; „Pat weet ik wel, maar in de meeste kamers laat men hen met rust en dan dan laten i zy u met rust,quot; antwoordt Tony.

De twee vrienden zien elkander wederom aan. Gupp\\ zegt haastig, iets, dat beduiden moet, dat zij den doode misschien een dienst zullen bewijzen, en dat hij dit wel hoopt. Kr volgt eene drukkende stilte, totdat Tony, door eensklaps het vuur op te poken, \'iuppy doet overeind springen, alsof hij zelf was opgepookt.

„Ha!quot; zegt hij: „er dwaalt nog meer van dat leelijke roet in het rond. Laten wij het venster wat openzetten, om een mondje vol lucht te krijgen. Het is hier te benauwd.quot;

Hij schuift het raam open, en beiden leunen op de vensterbank, half binnen en half buiten de kamer. De naburige huizen staan te dichtbij om hun te veroorloven iets van de lucht te zien, zonder dat zij den nek verdraaien oiu naar boven te kijken: maar de lichten voorde beslagene vensters hier en daar, en het rollen van rijtuigen, en de gewaarwording, dat er nog beweging van menschen is, vinden zij toch, dat eene verademing geeft quot; Guppy trommelt met de vingers op de vensterbank, en hervat zijn gelluister, thans met iets comisch in zijn toon, alsof hij comedie speelde.

,Apropos, Tony, vergeet den ouden Small weed niet.quot; Hij meent den jongen heer van dien naam. -Ik heb hem niets niervan laten merken, weet ge. Die grootvader van hem is veel te slim. Dat zit in het bloed.quot; — .Ik zal mij wel voor hem wachten,quot; zegt Tony,quot; „Kn wat Krook aangaat,quot; hervat Guppy. „Denkt gij, dat hij werkelijk nog andere papieren van belang in banden heeft gekregen, zooals hij tegen u gesnoefd heft, sedert gij zulke vrienden zijt?quot; — Tony schudt zijn hoofd. „ Dat w eet ik niet. Ik kan het mij haast niet verbeelden. Ais wij door dit gevalletje heenkomen zonder zijne achterdocht wakker te maken, zal ik er zeker wel meer van vernemen. Hoe kan ik het weten, zonder ze te zien, als hij het zeil niet weet ? 11 i j spelt er gedurigw oorden uit, enschrijlt ze met krijt op de tafel en op den muur, en vraagt wat dit is en wat dat is: maar zijn ge-heele schat kan voor zoover ik weet alles wel scheurpapier zijn, waarvoor hij het ook gekocht heeft. Het is eene gekheid van hem, zich te verbeelden, dat hij documenten in zijn bezit heeft. Hij is. als ik kan afgaan op wat hij mij zegt, al vijf en twintig jaren aan het werk om ze te leeren lezen.quot; ,.Maar hoe zou hij toch liet eerst op dat denkbeeld zijn gekomen? Dat i di\' vraag,quot; zelt;;t (inppy, zyn eene oog dichtknijpende, nadat bij eene poos mei rechtsgeleerde diepzinnigheid heeft zitten peinzen. „Misschien heeft hjj papieren gevonden in iets, dat bjj kocht en waarin men niet dacht, dat papieren verborgen waren; en misschien heelt liy zich toen, omdat ze zoo verborgen waren, in het hoofd gezet, dat zy van waarde zijn.quot; — „Of missehien heeft men hem gefopt met een vermeend koopje. 01\' misschien is by heel en


-ocr page 239-

(\'JKOOTB Ol\'SOHCDDING ION ONTSTELTENIS.

■-\'Üo

al gek geworden, door zoolang te kijken op wat hij heeft, en door den drank en door altijd van het Hof en van documenten te hoo-ren,\' laat Weevle hierop volgen.

Guppy, die op de vensterbank zit en met zijn hoofd knikkende al deze mogelijkheden overweegt, gaat ondertusschen voort met op die vensterbank te trommelen en ze met zijne hand te drukken en te meten, totdat hij zijne hand haastig terugtrekt.

„Wat in des duivels naam is dat?quot; zegt hij. „Kijk mijne vingers eens.\'

Er kleeft een dik, geel vocht aan, onaangenaam voor het gezicht en gevoel, en nog on-

Hij wascht, en wrijft, en schuurt, en ruikt, en wascht zoodanig, dat hij zich nog niet lang met een glas brandewijn heeft verkwikt en zwijgend voor het vuur gestaan, wanneer de klok der St.-Paulskerk slaat, en daarop al die andere klokken, van hare torens van allerlei hoogte in de donkere lucht en met hare verschillende klanken, insgelijks twaalf slaan. Alles wordt weder stil en nu zegt de huurder van Krook: , Eindelijk is het de bestem de tijd. Zal ik gaan ?quot; Guppy knikt en geeft hem, bij wijze vangeluk-wensch, een slag op den rug; maarniet met de gewasschen hand, schóón het zijne rechterhand is. Mij gaat naar beneden, en Guppy zet zich


voor het duld te v ten. Maa paar minuten haastig terug.

„Hebt gij /.t De oude is er

Hij heeft in digen schrik i

een voorn nlangen t n n\'

tr:

iaa van gt ijd te wad er dan \' ■■ komt Ton

eb? Ni et

\'(.\'11 gewe eltenis oo

■r te doen ? en /.a htje daar kom \'oet en dn

in( en

al

aangenamer voor den reuk, eene slijmigi\', walgelijke olie, die iets heeft, dat beiden met onwillekeurig afgrijzen doet huiveren.

, Wat hebt gij hier gednan? Wat hebt gij uit het venster gegoten?quot; „Ik uit het venster gegoten? Niets, dat zweer ik u. Nooit zoolang ik hier ben,quot; roept de huurder uit. .En zie toch hier en daar!quot; Men licht met de kaars, en het druipt aan een hoek der vensterbank langzaam langs de steenen af; en daar ligt het in een dikken, w;i]geHjken plas ..Dit is (\'en afsrhuw ■\'lijk huis.\' zegt (iup-py, het venster dicht schuivende. „Geef mij water, of ik zal mijne hand moeten afbakken.\'

niet.quot;

dien korten tijd zulk jezet, dat zijne ontst den ander bevangt, die nu op hem t met eene luidi stem vraagt: .quot;Wat is( ,lk kreeg geen gehoor, en deedti-de deur open en keek binnen. En de brandlucht, en daar komt i

vuur en poogt ■rzamelon om e ■ na verloop v; kraakt dlt;

,Üf

Dickkvs. Itn Ht

-ocr page 240-

11ET VERLATEX HUIS.

smeer vandaan — en lüj is er niet!quot; Deze laatste woorden brengt Tony bijna kermend uit.

Guppy neemt de kaars op. Zij gaan naar beneden meer dood dan levend, en zich aan elkander vasthoudende stooten zij de deur van de kamer achter den winkel open. De kat is lot dicht bij die deur teruggedeinsd en staat te blazen — niet tegen hen, maar tegen iets anders, dat voor het vuur op den grond ligt. Er is zet r weinig vuur in den haard overgébleven, maar er is t-en verstikkende rookwalm in de kamer en een donkere, vettige aanslag op de muren en den zolder. De stoelen en de tafel, en do tlesch, die zoo zelden van de tafel af is, staan daar allen als gewoonlijk. Op den rug van een stoel hangen de bonten muts en de rok des ouden mans.

.Kijk!quot; fluistert de inwoner, en vestigt met bevende vingers de aandacht van zijn vriend op deze voonv- rpen. «Dat heb ik u gezegd. Toen ik hem het laatst hier zag, nam hij zijne muts af, haaldquot; het pakje oude brieven daaruit, hing zijne muts achter op den stoel zijn rok hing daar al, want dien had hij uitgetrokken fT hij \'le luiken ging opzetten en toen ik heenging stond hij met die brieven in zijne hand, juist waar nu dat zwarte ding op den grond ligt.quot;

Zou hij ergens hangen? Zij kijken rond. Neen.

„Ziequot; fluistert Tony. „Voor dienzelfden stoel ligt een eindje rood pennenkoord. Dat zat om de brieven. Hij maakte het langzaam los, terwijl hi j mij lachend aankeek, en smeet het toen daar neer. ik zag het daar vallen.quot; — „Wat scheelt die kat?quot; zegt Guppy. „Zie haar daar eens.\'\' „Dol, geloof ik. Geen wonder in dit verwenschte hui-,quot;

Zij koitn n langzaam vooruit en kijken naar al die dingen. De kat blijft op dezelfde plek staan blazen tegen k.ts, dat tusschen de twee stoelen op den grond ligt. Wat is het? Houd het licht er eens bij.

1 laar is i\' ne kleiii\'- gebrande plek op de planken ; daar ligt de tonder van egt; n pakje verbrand papier, doch niet zoo licht als gewoonlijk, maar het sriiijnt nv t, iets doorweekt; ( n daar ligt is het de gebrokkelde kool van een verbrand stuk hout, met wittf asrh besprenkeld, of wat is het? O afgriiselijk \' Hij is er toch wel! en dit, waarvoor zij wegloopcn, zoodat zij de kaar.sdoen uitwaaier, en elkander op straat overhoop rennen, is al wal van ie in is ovi-rgebleven

„Help, help, help! Kom toch om \'s hemels wil hier in huis!quot;

Er kene n menschen genoog, maar niemand kan helpen, !».■ lonl-kanselier van da! Hof, tul op het laatste toe trouw aan zijn titel, is den ; dood gestorven van alle lord-kansdinrs in alle Hoven, en van alle gezagvoerders op alle plaatsen en onder allo namen, waar bedrog en valsch-held gepleegd en onrecht gedaan wordt, (leef dien dood een naam gelijk het Uwe Hoogheid belieft, schrijf hem toe aan wien gij wilt, of zeg dat hij, hoe gij maar wilt, had kunnen verhoed worden, het is altijd dezelfde dood -uit de bedorvene vochten van het bedorvens lichaam zelf, en daaruit alleen, geteeld — zelfverbranding en niets anders.

XXXIH.

DE EIU\'G KN\'AAM,

De twee heeren, met eenigszins smerige mouwen en knoopen, die de laatste lijkschouwing in de Zon bijwoonden, verschijnen daar nu weder met verbazenden spoed (de ijverige en schrandere bode van de wijk heeft zich buiten adem goloopen om hen te halen) en doen nasporingen door het geheele hofje, en verschuilen zich dan weder in de zijkamer van de Zon, en gaan met vliegende pennen op het gladste papier aan het schrijven. Zij teekenen aan hoe gisteren tegen middernacht de geheele omtrek van C h a n eer y-L a n o in schrik en opschudding is gebracht, door de volgende onrustbarende en afgrijselijke ontdekking. Zij stippen vervolgens aan, hoe men zich ongetwijfeld zal herinneren, dat eenigen tijd geleden de algemeone aandacht op eene smartelijke wijze werd beziggehouden door een geheimzinnig, aan opium toegeschreven sterfgeval, dat op de bovenkamer van een huis had plaats gehad, waarin een lorrenwinkel en uitdragerij werd gehouden door een hoogbejaard en aan den drank verslaafd persoon, die veel zonderlings in zijne manieren had, en den naam droeg van Krook; en hoe, door een merkwaardigen samenloop van omstandigheden, deze Krook, als getuige werd gehoord, bij de lijkschouwing, welke, gelijk iedereen nog moet heugen, bij die gelegenheid in de Zon werd gehouden, eene zeer geregelde hei berg, belendende aan het bedoelde huis aan de westzijde, en hot eigendom van een zeer fatsoenlijken kastelein, mijnheer James (leorge Bogsby. Dan vermelden zij (met zooveel woorden als maar mogelijk is) hoe gisteravond eeuige uren lang een zeer bijzondere reuk werd opgemerkt door de bewoners van het hofje, waarin de; treurige gebeurtenis, welke het onderwerp van het tegenwoordige verslag uil-maakt, is voorgevallen, en welke reuk op één oogenblik zoo sterk was. dat mynheer Swills, een comisrh zanger, als zoodanig door mijnheer i. G. Bogsby geëngageerd, in eigen persoon aan onzen rapporteur heeft verklaard, tot Miss, M. Melvilleson (eene dame van erkende muzikale talenten, insgelijks door J, (i Bogsby geëngageerd om zich in eene reeks van \'•oncerten, muzikale vereenigingen of samenkomsten genoemd welke onder directie van


-ocr page 241-

KKN OXUUSTIGE NACHT VOOli HET HOFJE

manheer Bogsby, volgens de akte van George den Tweeden, gehouden worden — als zangeres te laten hooren) gezegd te hebben, dat zijne stern aanmerkelijk door de onzuiverheid van den dampkring was aangedaan, zijnde zijne schertsende uitdrukking geweest, „dat het zeker uit den notentijd geraakte, want dat hij er geen een meer kon zingen ofkraken.quot; iioe deze verklaring van mijnheer Swills volkomen bevestigd wordt door de getuigenis van twee fatsoenlijke gehuwde vrouwen, in hetzelfde hofje woonachtig, en respectievelijk bekend onder de namen van juörodw Piper en Perkins, welke, beiden die stinkende uitwasemingen hebben opgemerkt, en in de rneening verkeerden, dat dezelve uit het huis van Krook, de ongelukkige overledene, afkomstig waren. Dit alles en nog veel meer schrijven de twee heeren, die eene compagnieschap hebben aangegaan om dit ongelukje vriendschappelijk met elkander te doelen, dadelijk op; en do jeugdige mannelijke bevolking van het hofje (die in een oogenblik uit het bed is gekomen) klimt tegen de luiken van het venster omhoog, om de kruinen hunner hoofden te zien, terwijl zij daaraan bezig zijn.

Het geheelc hofje, volwassenen zoowel als ! jongens, blijft dien nacht slapeloos, en kan niets i anders doen dan naar het noodlottige huis loo-! pen en ei\' over praten. Juffrouw Plite is manhaf-j tig uit hare kamer gered, alsof die in brand j stond, en heeft oen bed in de Zon gekregen.

In die herberg wordt den geheelen nacht het i gas niet uitgedraaid en de deur niet gesloten, | want alles wat het publiek in rep en roer brengt is (.ene goede zaak voor de Zon, daar het hofje j dan versterking of troost noodig heeft. Sedert : de lijkschouwing heeft de Zon nog niet zooveel i vraag naar het maagbittertje met kruidnagelen I of naar brandewijn met heet water gehad. Zoodra de bierjongen hoorde wat er gebeurd was, rolde hij zijne hemdsmouwen stijf tot aan 1 zijne schouders op en zeide: „Nu zal het er bij ons spannen I\' Op hel eerste gerucht is de kleine Piper voortgerend om de brandspuit te halen, en zegepralend in een holh-nden galop teruggekomen, omhoog op den Phenix gezeten, en zich to midden van helmen en toortsen, met alle macht aan dat fabelachtige dier vasthoudende. Een der gehelmde mannen blijft, nadat hij zorgvuldig in alle hoeken en gaten heeft gekeken, voor het huis op en neer kuieren, in gezelschap van een der twee politiedienaren, i die insgelijks op de wacht zijn gelaten. Ieder in het, hofje, die maar een halven schelling rijk is, toont eene onverzadoiyke begeerte om dit drietal in een vloeibaren vorm zijne gastvrijheid te bewijzen.

Weevle en zijn vriend Guppy zitten in de Zon iti het buffet., en zijn voor de Zon alles waard wat het buffet bevat, als zij daar maar

willen blijven. „Dit is geen tijd,quot; zegt Bogsby, „om op geld te zien,quot; hoewel hij er over de toonbank somtijds zeer scherp naar kijkt: „bestel maar wat gij verkiest, alles Wat gij maar noemen kunt is u gegund.quot;

Aldus uitgenoodigd noemen de twee heeren (vooral de heer Weevle) zooveel dingen, dat zij het na verloop van tijd moeielijk vinden iets meer to noemen, hoewel zij nog voortgaan aan ieder, die binnenkomt, opnieuw en op eene nieuwe manier te vertellen welk een nacht zij gehad en wat zij gedacht, gezegd en gezien hebben. Ondertusschen stapt een van de twee politiedienaren nu en dan naar de deur, stoot die tot de volle lengte van zijn arm open, en kijkt uit de duisternis daarbuiten naar binnen; niet dat hij eenigen achterdocht heeft, maar hij mag toch wel weten wat men daar uitvoert.

Aldus vervolgt de nacht zijn tragen loop, en vindt door die ongewone uren heen het hofje nog altijd buiten bed, altijd nog drinkende en schenkende, zich altijd nog gedragende als een hofje, dat een onverwacht legaatje heeft gekregen. Eindelijk trekt de nacht schoorvoetend af, en de lantarenopsteker doet zijn ronde en slaat, gelijk de scherprechter van een despotieken koning, de kleine vurige hoofden af, die gepoogd hebben de duisternis eenigszins te verminderen. Zoo breekt de dag aan, hij mag willen of niet.

En zelfs met zijn flauw Londensch oog, kan de dag opmerken dat het hofje den geheelen nacht op is geweest. Boven en behalve de hoofden, die slaperig op tafels zijn neergezakt, en de Voeten, die op een harden vloer in plaats van een bed liggen uitgestoken, ziet zelfs de kalk- en steen-phy-sionomio van het hofje er uitgewaakt en afgemat uit. En nu wordt de buurt wakker, en begint te hooren van wat er gebeurd is, en komt half gekleed aanstroomen om allerlei vragen te doen; en do twee politiedienaren en de gehelmde man (die beter tegen het waken kunnen dan het hofjei hebben werk ge-noeg om de orde te bewaren.

„Genadige, goedheid, mijne heeren!\' zegt Snagsby, aankomende. „Wat is het toch, dat ik daar hoor?\' -- ,Wel, het, is de waarheid,quot; antwoordt een der politiedienaren. , Dat is het. Ga nu maar door; kom aan.quot; — „Genadige hemel, mijne heeren,quot; zegt Snagsby, eenigszins onzacht acliteruitgeduwd. „Ik beu gisteravond tusschen tien en elf uur hier nog aan de deur geweest en heb toen nog met den jonkmangesproken. die hierboven woont.quot; — „Zoo?quot;-antwoordt de politiedienaar. „Gij zult hem dan hier naast de deur vinden. Kom aan, menscheu, gaat toch door.\' „Niet bezeerd, hoop ik .\'quot; zegt Snagsby. „Bezeerd? Wel neen. Wat zou hem bezeerd hebben?quot;

Snagsby, door zijne onrust geheel buiten staat om deze of i enige andere vraaj te beantwiM.rden, begeeft zich naar de Zon, en vindt daar mijn-


-ocr page 242-

228 HET VERLATEN HUIS.

heer Weevlt- over t-en kop thee en etn stuk brood zitten kwijnen, met een gezicht alsof hij al veel te lang was opgebleven en veel te veel gerookt had

„En mijnheer Guppy ook hier!quot; roept Snags-by uit. , Wel Ilei-re, Heere! Wat schijnt toch het noodlot \'T mede tt spelen 1 En mijn vr.. .

Zijn spraakvermogen begeeft hem op een oogenblik. dat hij het woord .vrouwtjequot; wil uit-spreken ; want die /waar gekrenkte vrouw zoo vroeg de Zon te zim binnentreden en voor de bierkranen te zien blijven staan, terwijl zij als een besehuldigend spooksel de oogen op hem gevestigd houdt, doet hem verstommen.

.Lieve.\' zegt Snagsby, zoodra zijne tong wgt; -\'i\' r l.-rauk:. «wilt ^ij iets gebruikon? Een wei-nigje of om er niet te veel van te zeggen

— een drupje anijs?quot; „Neen.\'\' antwoordt juffrouw snagsby. „Liefste, gij kent die twee heerenwei!quot; • „Ja,quot; antwoordt juffrouw Sdags-by, ze\'T stijf knikkende, en houdt neg hare oogen op haar man gevestigd.

De ongelukkige Miagsby kan deze behandeling niet uitstaan. Hij neemt zijn vrouwtje bij de hand en leidt haar naar een v at in de nabijheid.

.Vrouwtje, waarom kijkt ge mij zoo aan? Och, do\' dat terh niet.\'\' „Dat kan ik niet laten,quot; antwoordt juffrouw Snagsby, „en al kon ik dat. ik zou toch niet willen.\' „Zoudt ge waarlijk niet, b- .stlt;-?quot; hervat .-snagsby met zijn kuchje van zachtmoedigheid, on peinst een oogen ■ blik.,Dit i.-ie1 ii hrikki-lijkgelit im.lievt vrouw,quot; zegt hij vervolgens, met zijn kuchje van benauwdheid, nog even bang voor dien blik. — „.Fa!quot; an! woord; . ■i;|:.iuw Snagsby. haar hoofd

- .uddeiide. .Een -■■•h k \'.\'••hfim.quot; .Maar vrouwt •zf L\'t Snagsby op e-n smo kenden jaminertooD, .spreek toch, bid ik u, niet op zulk -en i.itleren tlt;•etu teg-n inii. en zigt; mij Z\'ju doorboi\' nd niet aan. Ik bid en smeek u, doe dat toch nier. Goede hemel, gij denkt toch

nier, dat ik iemand v xnzelt zou laten verbran-quot;

juffrouw snasfshy.

.

stand te heia .jn nagedacht, kan Snagsby zelf .het ook nie: z-trg-!!.\' Hij zou niet stellig dut ven verzeker, n. dat hit er nl» ts rii.ide te maken had gehad. 11, heeft zooveel hij we. t zelf ni-\'! wat me: iele imzinnige dingen in en uit dat huis t.e maktn gehad, dat het wel me-gelyk is. dat hij. zondea het t- weten, ook in die laatste gebeur-ei- i- blt; trokken. Hij veegt langzaam zijn voorhoofd met zijn zakdoek af en haalt hijgf nd adem.

„Lieve vrouw.quot; z. gt de ngelukkit\'e win keiier. .zoudt u\'ij er ;• ts tegen hebb\'-n ••m ndj te zeggen, waarom gij, die anders zoo omzichtig en kiest h in uw gedrag zijt, nu vóór het ••ntbyt in een wijnhuis komt?quot; .Waarom komt gij hier?quot; vraagt ufl\'rouw Snagsby.

- „Lieve, alleen om het rechte te vernemen van het ongeluk, dat dien eerwaardigen persoon is overkomen, die zoo verbrand is.quot; Snags- ; by heeft even moeten ophouden om een kermenden zucht te smoren. „Ik zou het u dan onder uw Fransch broodje verteld hebben.quot; „Ja, dat zoudt ge zeker wel. Gij vertelt mij alles, mijnheer Snagsby.quot; „Alles — mijn vr. „Ik had gaarne,\' zegt juffrouw Snags

by, na zijne toenemende verlegenheid met een | dreigenden glimlach te hebben aangezien, „dat ! ge nu maar met mij naar huis kwaamt. Ik denk. dat ge daar beter \'bezorgd zijt dan ergens anders.quot; — „Ja, dat weet ik ook haast niet, lieve. Ik ben klaar om mee te gaan.quot;

Snagsby kijkt treurig rond in het buffet, wenscht de hoeren Weevle en Guppy góeden-mórgen, verzekert hen van de blijdschap, waar mede hij hen ongedeerd heeft gezien, en gaat met zijne vrouw mede. Voor den avond is zijn twijfel, of hij niet op eene of andere onbegrijpelijke manier schuldig is aan het ongeluk, dat het praatje van de geheele buurt is geworden, door dat strakke voortdurende aanstaren zijner vrouw bijna in zekerheid veranderd. Zijn angst is zoo groot, dar nu en dan eene dwalende-gedachte bij hem opkomt om zich in handen i van het gerecht te stellen en te vorderen, dat hij, als hij onschuldig is. gezuiverd - n als hij schuldig is, volgens alle gestrengheid der wei gestraft zal worden.

Nadat de iieeren Weevle en Guppy hebben ontbeten, stappen zij naai Lincoln\'s Inn. om eene wandeling in den omtrek van het ph in te doen, en hunne verwarde hersenen zoo-v- el op te klaren als door zulk eengt;- wandeling mogelijk is.

„Er kan geen gunstiger tijd komen dan de-tegenwoordige, Tony,quot; zegt Guppy, nadat zij ■-ombel mijmerend d- vier zijden van het plein hebben langs gewandeld, „om ten paar woorden te wisselen over een punt, waarover wij elkander zoo spoedig mogelijk moeten vi i staan.quot;

„Ik zal u eens wat zeggen, William Guppy.quot; zegt de ander, zijn makker met rood op geloopene oogen aanziende. .Als dat punt w.-dt r een komplot is, behoeft gij er niet e.ns van te spreken. Daarvan heb ik genoeg gehad, en ik wil er niets meer van hebben. Wij zullen het nog beleven, dat gij za lf in brand of met een slag in de lucht vliegt.quot;

De onderstelling van zulk een verschijnsel is Guppy zoo onaangenaam, dat zijne stern l\'- eft, terwijl hij op den toon van een zeden-Hl\'■lt; ster zegt: .Tony, ik zou gedacht hebben, dat wat wij verleden nacht hebben doorgestaan u eene les had moeten geven om nooit in uw leven wed. r personeel te zijn.quot; Waarop Weevle antwoordt: .William, ik zou gedaeht hebben, dat het u eene les had moeten zijn om nooit Weder een komplot te maken.quot; Waarop Guppy


-ocr page 243-

DE l\'ATIMARCII VElföCHl.IXT

229

zegt: „Wio maakt or een komplot?\' Waarop 1 Jobling antwoord: , Wel, dat doet gij.quot; Waarop (iuppy hervat: ,Neen, dat doe ik niet.quot; Waarop ■ Jobling uitvalt: , Dat doet gij wel.\' Waarop Guppy vraagt: „Wie zegt dal:\'.quot; Waarop Jobling verklaart :, Dat zeg ik.quot; Waarop Guppy uitroept: „Ei zoo?\' Waarop Jobling laat volgen; „Jazeker!quot; Kn daar zij beiden nu zeer verhit zijn, wandelen zij eene poos stilzwijgend voort, om weder wat te bekoelen.

„Tony,quot; zegt Guppy daarna, „als gij uw vriend woudt aanhooren, in plaats van tegen hern nit te vallen, zoudt gjj geene vergissingen Ih--i gaan. Maar gij hebt een driftig gestel en bedenkt niet wat gij doet. Daar gij in n zelven alles bezit. Tony, wat het oog....\' „Och, loop naar den drommel met dat oog!\' valt Weevle hem in de rede. „Zeg maar wat gij te zeggen hebt.quot;

Zijn vriend in deze knorrige en materieele stemming vindende, duidt Guppy de edele aandoeningen van zijn gemoed alleen aan door den toon van beklag, waarmede hij opnieuw begint:

„Tony, wanneer ik zeg, dat er een punt is. waarover wij ons spoedig nn-t elkander moeten verstaan, bedoel ik daarmede gi en komplot, hoe onschuldig liet ook wezen mag. Gij weet wel, dat het in ons vak, bij alle zaken, die voor rene rechtbank komen, vooraf gearrangeerd wordt, welke feiten de getuigen zullen moeten bewijzen. Is het nu al of niet raadzaam, dat wij vooraf weten welke feiten wij zullen moeten getuigen, bij het aanstaande onderzoek naaiden dood van dien ongelukkigen ouden Mo — heer?quot; Mij wilde Mogol zeggen, maar denkt, dat heer in deze omstandigheden beter past.

,Feiten! Welke feiten quot; „De ftdten, die bij dat onderzoek te pas komen. Namelijkquot; (hippy telt op zijne vingers af „wat wij van zijne levenswijze wisten; wanneer gij hem het laatst gezien hebt; in welken toestand hij toen was; de ontdekking, die wij gedaan hebben, en hoe wij die gedaan hebben.quot; ...la,quot; zegt Weevle, .dat zijn ten naastenbij de feiten.quot; „Wij deden die ontdekking, doordat hij. op zijne zonderlinge manier, eem afspraak met u gemaakt had tegen twaalf uur in dt n nacht, wanneer gij hem een geschrift, zotidt voorlezen, geljjk trij reeds mèermah n hadt gedaan, uithoofde dat hij zelf niet kon b-zen. ik, die den avond bij u passeerde, werd doorn beneden geroepen

lii zoo verder. Daar het onderzoek alleen die omstandigheden betreft, die met den dood van den overledene in verband staan, is het niet noodig. dat wij verdergaan dan dé feiten. Dit zult gij denkelijk wel toestemmeti,Ja !\' antwoordt. Weevb\', „Dat gelóóf ik ook niet.quot; — „Dit is nu toch misschien geen komplot .quot; zegt de gekrenkte (iuppy. „Xeen.quot; antwoordt zijn vriend. .Als het niets ergers is, trek ik dat gezegde weder in,quot; .Nu. Tony,quot; zegt i iuppy, hora onder den arm nemende en langzaam voortwandelende, „zou ik gaarne als vriend van u willen weten, of gij er al aan gedacht hebt hoe voordeelig het in vele opzichten wezen I kan, dat gij daar blijft wonen?\' — „ Wat meent gij?quot; zegt Tony en blijft stilstaan. - „Of gij j er al aan gedacht hebt, hoe voordeelig het in vele opzichten wezen kan. dat gij daar blijft wonen,quot; herhaalt Guppy, hem weder voorttrék-kende. - „Waar ? Daar?quot; zegt Weevle en wijst in de richting van den lorrenwinkel.

Guppy knikt.

„Wel, ik zou daar geen nacht meer willen slapen, al bood men mij nog zooveel,quot; zegt Weevle, en kijkt zeer ontsteld. „Meent ge dat, Tony?\' — „Of ik het. meen? Ja, waarachtig meen ik het,quot; antwoordt Weevle, zeer ongeveinsd huiverende. - „Dus weegt dan de mogelijkheid, of liever waarschijnlijkheid want daarvoor moeten wij het houden — dat men u nooit storen zal in het bezit van wat die oude man hei ft nagelaten, die geheel geene familie schijnt te hebben, en de zekerheid, dat gij nu zult kunnen onderzoeken wat hij daar eigenlijk bewaard heeft:, niet bij u op tegen die onaangenaamheden van den laatsten nacht?,quot; ! zegt (iuppy en bijt van Verdrietelijkheid op zijn duim. „Neen, zeker niet,quot; roept: Weevle met verontwaardiging uit. „Ik begrijp niet hoe iemand er zoo koel over kan praten om daar te blijven wonen. Ga zelf daar wonen.quot; ,(•! ik, Tony.quot; zegt Guppy zoetsappig. .Ik heb daar nooit gewoond, en zou daar nu geene kamer kunnen krijgen, terwijl gij er al een hebt.quot;

„Gij kunt die van mij krijgen,\'\' antwoordt zijn vriend, „en oef! — wel mag hel u bekomen!quot; .Dus ziet gij |an nu van de ge-hei le zaak af, als ik u wel begrijp. Tony.quot; zegt Guppy. — „Gij hebt. nooit in uw leven oen waarder woord gezegd,\' antwoordt Tony. met overtuigende standvastigheid. „Dat doe ik.quot;

Terwijl zij zoo met elkander praten, komt eene huurkoets het plein oprijden, ■ n op den bok van dat rijtuig maakt zich een bijzonder hooge hoed voor het publiek zichtbaar. In die koets. i n bijgevolg niet zoo zichtbaar voor de menigte, hoewel duidelijk genoeg voor de twee vrienden, daar de koets bijna vlak voor hen ophoudt, zitten de eerwaardige oud\'- heer Small weed i n zijne eega. in gezelschap van hunne klemdochter Judy. Dit gezelschap heeft iris. dat haast en opgewondenheid aanduidt -. en terwijl de hooge hoed idie den jongenheer ï5inall-weed bedekt) afstapt, steekt de oudi heer Small weed zijn hoofd uit het portier i n balkt Guppv toe: „Hoe vaart ge, mijnheer, hoe vaart ge\'quot;

.Wat zouden Chiek en zijne familie hier zoo . vroeg te doen hebben!quot; zegt tiuppy. tegen zim kameraad knikkende .Mijn beste lieer.quot; reept grootvader Smallweed, „wilt L\'e mij eene gunst bewijzen? Zoudt ge zoo goed willen zijn om mii


-ocr page 244-

230 HET VERLATEN HI IS.

niet uw vriend naar de hérberg in het hofje te dragen, terwijl Bart en zijne zuster hunne grootmoeder brengen? Zendt gij een oud man eens willen helpen, mijnheer?quot;

Guppy ziet zijn vriend eens aan, herhaalt vragenderwijs: „Naar de herberg in het hofje!quot; en beiden maken zich gereed om dien eerwaardig\' n last naar de Zon te torsen.

„Daar is uwe vracht,quot; zegt de patriarch, den koetsier met oen nodigen grijns aankijkende en zijne maehtelooze vuist tegen hem schuddende: „Vraag mij om een stuiver meor en ik zalu laten dagvaarden. Lieve jongelui, gaat een beetje zachtjes met mij om, als het u belieft. Laat ik u om den hals pakken. Ik zal n niet harder knijpen dan noodig is. O 1 leere 1 Och hemeltje I ü mijn gebeente!quot;

liet is golukkig, dat d\' Zon niet ver af is, want eer men de helft, van den weg heeft afgelegd, begint Wee vlo er vrij beroerte-achtig uit te zien. Zonder dat het echter tot ergere verschijnselen komt dan i enige wonderlijke geluiden, die eene belemmerde ademhaling te kennen geven, vervult hij zijn deel van de taak en wordt, de menschlievende oude heer, op zijn verlangen, in de zijkamer van de Zon neergezet,

..(I Heere!\' kermt grootvader Smallweed hijgend, terwijl hij, in een leuningstoel gezeten, om zich heen kijkt, „Och hemeltje! t.» mijn gebeente en mijn rug! O wat een pijn! Ga toch zitten, gij dansende, schoffelende, scharrelende wijfjes-papegaai! Ga toch zitten!quot;

Leze laatste toespraak die tot grootmoeder Smallweed is gericht, wordt uitgelokt door eene neiging dier ongelukkige dame. om, als zij eens op de beenen is, om een of ander ding heen in het rond te huppelen en daarbij een snaterend gezang aan te heffen, alsof zij een heksendans Uitvoerde, Dit bedrijf is waarschijnlijk meer aan eene zenuwaandoening toe te schrijven, dan dat de arme oude vrouw daarmede in hare sufheid cenig bepaald oogmerk heeft; maar thans is hare neiging om met. een dergelyken leuningstoel als die, waarop grootvader bmallweed zit, in het rond te dansen, zoo sterk, dat zij het niet geheel opgeeft voordat hare kleinkinderen haar daarop vasthouden; terwijl haar heer en meester haar ondertusschen, met groote radheid van tong, de liefkoozencle benaming van „ekster met oen varkenskopquot; naar het hoofd smijt, welke hjj een verbazend aantal malen achtereen herhaalt,

.Mijn goede heer,quot; ze«i, grootvader Small-weed vervolgen-, zirh tot Guppy richtende; „er is hier een ongeluk gebeurd. Hebt gij er een van beiden van gehoord ?quot; „Van gehoord, mijn hoer? Wel, wij hebben het ontdekt.quot; „Oij het ontdekt? •!(! met u beiden het ontdekt! Hart. z ij hebben liet ontdekt!quot;

De twee ontdekkers staren de 8mallweed\'s aan, die hen eveneens aanstaren.

„Lievi ■ vrienden,quot; jankt grootvader Small weed, beide handen naar hen uitstekende, „ik ben u duizendmaal dank schuldig voor den treurigen dienst, dat gij de asch van juffrouw Sm all weed\'s broeder hebt\' ontdekt,quot; „Wat?quot; zegt Guppy, „Juffrouw Smallweed\'s broeder, lieve vriend haar eenige bloedverwant. Wij hielden geen omgang, dat nu wel te betreuren is, maar hij w i 1 d e geen omgang houden. Hij hield niet van ons. Hij was een zonderling. Als hij geen testament; heeft nagelafen (dat geh-el niet waarschijnlijk is), zal ik de administratie aanvaarden\', Jk ben hier gekomen om op den boedel te passen; alles moet verzegeld worden. Ik ben hier gekomen,quot; herhaalt grootvader Smallweed, met al zijne tien vingers in de lucht naar hen krabbende, „om op den boedel te passen,quot; -„Mij dunkt. Small,quot; zegt de verslagene Guppy, „dat gij wel eens hadt kunnen vertellen, dat die oude man uw oom was,quot; - „Gij hieldt u beiden zoo stil over hem, dat ik dacht, dat gij liefst zoudt hebben, dat ik dat\'ook maar deed,quot; antwoordt de jonge heer, die al een oude vos is, met heimelijk flikkerende oogen, „Buitendien, ik was niet grootsch op hem.quot; — „En bovendien ging het u niets aan, of hij dat was of niet,quot; zegt Judy, insgelijks met heimelijk flikkerende oogen. — „Hij heeft mij nooit in zijn leven willen kennen,quot; merkt Small aan; „en ik weet dus niet waarom ik van hem zou spreken.quot; „Neen, hij heeft nooit omgang met ons gehouden - dat wel te betreuren is.quot; valt de oude lieer hierop in. „Maar nu kom ik om op den boedel te passen - om de papieren na te zien en op het goed te passen. Wij zullen ons recht wel bewijzen. Ik heb al een solliciteur. Mijnheer \'l\'ul-kinghorn, van I, i n c o 1 n\'s I n n F i e 1 d s, daar aan den overkant, is mijn solliciteur; en hij laat het gras niet onder zijne voeten groeien, dat kan ik u zeggen. Krook was juffrouw Smallweed\'s eenige broeder; zij had geene familie behalve Krook. en hij had geene familie behalve haai\'. Ik spreek van uw broeder, gij satanse In.; zwarte tor, die nu net zes en zeventig jaar pud was,quot; Juffrouw Smallweed begint dadelijk haar hoofd te schudden en te snateien: „Zes en zeventig pond. zeven en zeventigstuivers\'.Zesenzeventig duizend zakken geld ! Zes en zeventig duizend millioen pakjes banknoten!quot;

„Wil iemand mij eens eene tinnen kan geven?quot; roept tiaar echtgenoot gramstorig, verlegen rondkijkende, daar hij niets in zijn bereik vindt om mede te gooien, „Wil iemand mij eens een spuwbakje aanreiken? Wil iemand mij rnaar iets geven, dat hard en zwaar genoeg is om haar mee te smijteny Gij heks. gij kat, gij satansche babbelaarster!quot;

Hierop beproeft grootvader Smallweed, door zijne eigene welsprekendheid opgewonden, om bij gebrek van iets anders de grootmoeder met hare kleindochter te smijten, door Judy, zoo


-ocr page 245-

231

hard hij kan, een duw te geven, waarna hij op een hoop in x.ijn stoel wegzakt.

„Schud mij eens op, een van allen, als gij. zoo goed wilt zijn,quot; zegt eeue flauwe stem, uil-het hoopje vuil goed, dat in den stoel gezakt is. „Ik kom hier om op den boedel te passen. Schud mij eens op, en roep de politie, die hiernaast de wacht heeft, dat ik zeggen kan hoe hot met den boedel gelegen is. Mijn solliciteur zal terstond hier komen om alles te verzegelen. Er staat deportatie of de galg op, als iemand iets van den boedel aanraakt. Iedereen moet er afblijven,quot; Terwijl zijne liefhebbende kleinkinderen hem optrekken, en hem op de gewone wijs door schudden en stompen weder omhoog helpen, blijft hij nog als eene echo herhalen: „Afblijven afblijven --- afblijven!\'

Weevle en Guppy zien elkander aan; de eerste als iemand, die reeds van de geheele zaak heeft afgezien; de laatste met een verdrietig gezicht, als had hij nog eene flauwe hoop gekoesterd. Maar tegen grootvader Small weed is niets meer uit te richten. De klerk van mijnheer Tulking-horn komt de politie zeggen, dat hij er voor instaat, dat die naaste bloedverwant de rechte persoon is, en do papieren en goederen ten behoorlijken tijde op de wettige manier in bezit genomen zullen worden. Men veroorlooft den ouden heer Smallweed dus zijn recht al aanstonds in zooverre te laten gelden, dat hij zich, om het verlangen van zijn hart te voldoen, naar het huis naast de deur laat dragen en boven in de kamer van juffrouw Flite neerzetten, waar luj naar ren afzichtelijken roofvogel gelijkt, die pas hare vogelvlucht is komen verrijken.

De aankomst van dezen onverwachten erfgenaam wordt spoedig ruchtbaar in het hofje en is alweder voordeelig voor de Zon, door de bewoners opnieuw in beweging te brengen. Juffrouw Piper en juffrouw Perkins vinden het wel hard voor het jonge mensch als er werkelijk geen testament is, en begrijpen, dat men hem uit den boedel een mooi present behoorde te geven. De kleine Piper en Perkins, leden van dien rusteloozen jeugdigen kring, die de schrik der voetgangers in Ghan cery-Lane is, hebben een nieuw spelletje uitgevonden, en laten zich zeiven don gansdien (lag achter de pomp en onder de poort tot asch verbranden, waar dan bij hun overschot een woest geschreeuw en gejoel wordt aangeheven. De kleine Swills en Miss M. Melvilleson treden in een vriendelijk gesprek met hunne begunstigers, daar zij gevoelen, dat zulke buitengewone gebeurtenissen den scheidsmuur tusschen virtuosen ongewone menschen uit den weg nemen. Mijnheer Bogs-by kiest hot algemeen beminde air van Koning Dood, met een koor, door het geheele gezelschap gezongen, tot het voornaamste detl van zijn programma voor de geheele week, en ve rmeldt op zijn biljet, dat hij daartoe buitengewone kosten heeft gemaakt, om te voldoen aan het verlangen, hetwelk een groot aantal geachte liefhebbers heeft te kennen gegeven, en ter eere van eene treurige gebeurtenis, die niet lang geleden zooveel opzien heeft verwekt. Er is één punt betrekkelijk den overledene, waarin de ge- ; heele buurt bijzonder belang stelt, namelijk, j dat er toch fatsoenshalve eene doodkist van volle i grootte zal gebruikt worden, hoewel er zoo wei- , hig is om er in te leggen. Nadat de aanspre- ! ker in den loop van den dag voor de toonbank van de Zon heeft verteld, dat hij last heeft ge- j kregen om eene kist van zes voet te leveren,) is de algemeene bezorgdheid veel verminderd, en vindt men, dat het gedrag van den ouden heer Smallweed hem zeer tot eer strekt.

Buiten het hofje, zelfs op verren afstand, i heerscht ook tamelijk veel opschudding; want er komen natuurkundigen om te kijken, en | dokters, die hetzelfde doel hebben, stappen bij den hoek uit de koets, en er wordt meer geleerdheid over ontvlambare gassen en phospho- i rieko uitwasemingen uitgekraamd dan het hofje zich ooit had kunnen verbeelden. Eenigen dier mannen van gezag (natuurlijk de geleerdsten) betoogen met verontwaardiging, dat de overledene niet op de beweerde manier heeft kunnen of mogen sterven; en nadat andere mannen van gezag hen herinnerd hebben aan zeker onderzoek naar de bewijzen van zulke sterfge- ; vallen in het zesde deel der Philosophical Transactions medegedeeld; on ook aan eon niet geheel onbekend boekje over Medische Ju- ; risprudentie, en insgelijks aan het Italiaansehe geval van gravin Gornolia Baudi, omstandig verhaald door zekeren Bianchini, prebendaris te | Verona, die eenige werken heeft geschreven en in zijn tijd voor geen domkop werd gehouden; en ook aan de getuigenis van Messieurs Foderé en More, twee verwenschte Fransehen, ! die geene rust hielden of zij moeste n de zaak onderzoeken; en verder aan de bijkomende ver- : klaring van Monsieur Le Gat, eens een tamelijk beroemd Franscli chirurgijn, die lt;ie onbeleefdheid had van in een huis te wonen, | waarin zulk een geval plaats had, en er zelfs een verslag van te schrijven: blijven zij nog de koppigheid van wijlen den heer Krook, om op zulk ren slinkschi manier de wereld tlt;\' verlaten, voor geheel onverschoonUjk en eene persoonlijke boleediging houden. IIoc minder de buren van dat alles begrijpen, des te beter behaagt het hun, en des te meer smaak krijgen zij in hetgeen er in de Zon te bekomen is. Dan komt de teekenaar van een geïllustreerd nieuwsblad,nu teen in voorraadgeteeken-den voorgrond met beeldjes, die bij alles kan dienen, van eene sehipbreuk op de kust van Cornwall af tot een revue in Hyde Park of eene volksvergadering te Maneh est it toe, en in de voorkamer van juffrouw Perkins,


-ocr page 246-

232 HET VERLATEN HUIS.

daardoor voor altijd tol eene merkwaardigheid vend vleesch en bloed, allerschitterendst gekleed,

gemaakt, .schetst hij het huis van Krook er bij, , „Ik moet uwe ladyschap excuus verzoeken,quot;

levensgroot, of eigrnlijk nog aanmerkelijk groo- stottert Guppy zeer bedremmeld. „Het is een

i ter, daar hij er bijna een paleis van maakt, ongelegen tijd...quot; „Ik heb u gezegd, dat

Desgelijks toekent hij, als men hem veroorlooft gij altijd kondt komen.quot; Zij neemt plaats op

voor de deur in de noodlottige kamer binnen een stoel en ziet hem even strak aan als de vo-

| te kijken, dat vertrek uit, alsof het een halve rige maal. „Ik dank uwe ladyschap. Uwe la-

mijl lang en vijftig ellen hoog was, waarmede dyschap is wel vriendelijk.quot; — ,Gij kunt gaan

: de buren bijzonder in hun schik zijn. Al dien zitten.quot; Haar toon heeft niet veel vriendelijks,

tijd loepen dr vroeger gemelde twee heereh — „Ik weet niet, uwe ladyschap, of het wel

ieder huis in (Mi uit, mengen zich in de geleerde de moeite waard is, dat ik ga zilten en u op-

I gesprekken, vragen iedereen uit en luisteren : houd, want ik — ik heb de brieven niet kun-

naar iedereen, eti verschuilen zich dan weder nen krijgen, waarvan ik gesproken heb toen

in de zijkamer van de Zon en schrijven met ik de eer had uwe ladyschap te zien.quot; - „Zijt

vliegende pennen op het spiegelgladde papier, gij alleen hier gekomen om dat te zeggen ?\'

Eindelijk komen de lijkschouwer en zijnon- „Alleen om dat te zeggen, uwe ladyschap.quot;

derzoek, evenals te voren, behalve dat de lijk- Behalve dat Guppy teleurgesteld, verdrietig

si-houwer van dit, buitengewone geval ook bij- en onrustig is, wordt hij door den glans en

zonder veel werk maakt, en de heeren van de de schoonheid van haar voorkomen nog meer

Jury in vertrouwen /.egt: „Dat schijnt daar een in de war gebracht. Zij kent volkomen den

ongelukkig huis te zijn, mijne heeren, daar : invloed daarvan; zij heeft dien te wel bestU-

naast de deur, e n fataal huis; maar dat ziet deerd om niet juist te weten welk eene wer-

men wel eens moer, dat zijn van die raadsel- king die op iedereen uitoefent. Terwijl zjj hem

achtige dingen, die men niet kan verklaren.quot; zoo strak en koel aanstaart, gevoelt, hij zich

Daarna komt de zes voets doodkist te pas, en niet alleen bewust, dat hij volstrekt niet ra-

wordt zeer bewonderd. den kan wat zij eigenlijk denkt, maar ook,

Aan al die bedrijven heeft Guppy, behalve dat met ieder oogenblik de afstand tüsschen

wanneet hij zijne getuigenis aflegt, zulk een hen, als het ware, grooter wordt.

gering aandeel, dat hij als een geheel on be- Zij wil niet spreken, dat is duidelijk. Hij

duidend persoon wordt behandeld, en het huis moet dit dus doen.

vol geheimen alleen van buiten kan genaken; «Kortom, uwe ladyschap,quot; zegt Guppy, op

waar hij het verdriet heeft van grootvader Small- den toon van een dief, die zich schaamt, dat

weed een hangslot voor de deur te zien han- hij betrapt is, „de persoon, van wien ik die

gen en met bitterheid te moeten denken, dat, brieven zóu krijgen, is ongelukkig verbrand,

hij daarbuiten is gesleten. Doch voordat alles eu ■ Mij blijft steken. Lady Dedlbck neemt

is afgeloopen, namelijk op dett eersten avond hem zeer bedaard het woord uit den mond. -

na hei ongeval, heeft Gupp,\\ nog iets te zeg- „En de brieven z|jn mede verbrand?quot;

gen, dat Lady l\'edlock moet weten. Guppy zou wel neen willen zeggen, als hij

Om deze reden begeeft hij zieh, met een be- maar kon. en is buiten staat dit te verbergen,

klemd hart. en e\'-n angstig gevoel, alsof hij „Ik geloof van Ja, uwe ladyschap.quot;

zelf aan het gebeurde gt; huidig was, (een ge- Als hij op haar gezicht maar den minsten

V\'ii. v.m den •luik en het lang wakker blij zweem van verandering kon lezen: Neen, hij

ven), tegen zeven ure m den avond naar hot zou niets daarvan kunnen zien, al verblindde

voorname huis en verzoekt mylady te spre- I aar glans hem niet.

ken. Mercui ius antwoordt, dat zij naar een di Hij stottert eenige onhandige verontschuldi-ner gaat; ziet hy de koets niet voor de deur gingen uit, dat hij zijn woord niet heeft kunst aan? Ja. hij ziet de koels wel voordodeur, nen honden.

maar hij verlangt mylady ook te zien. „Is dat wat gy te zeggen hebt?quot; vraagtLa-

Mereaiius is gelijk hij naderhand tegeneen dy Dedlock. na hem te hebben uitgehoord, of

heer van zijne klasse zegt. zeer genegen om ten minste zooveel gehoord te hebben als hij «hel jonge tnensi\'h dlt; deur uit te trappenkan uitbrengen.

maar hij heeft uitdrnkkelijken last gekregen Guppy gelooft, dat dit alles is.

om hem niet af ft- wijzen. Hij bromt dus knor- „(iij móogt u wel goed bedenken of gij mij

rig. dat tiet jonge rnonsrh dan maar in de bi- niets meer wenscht te zeggen, daar dit de laatste

bliolheek moet konen. Daar laat hij het Jonge maal is, dat gij daartoe gelegenheid zulthebben.quot;

tnensi\'h in een hol, niet al te lieht, vertrek staan, Guppy weet nn zeker, dat hij niets meer

terwijl hij hem gaat aandienen. hei ft te zeggen of verlangt te zeggen.

i luppy k ijkt rond naar alle donk» re hoeken, en . Dat is genoeg, Verontsi-huldigingen zijn noo-

ontdekt, overal zeker zwart gebrand en toet asch deloos. Ik wensch n goedenavond.* En zij schelt

bestrooid hoopje kolen. Woldrahoorthij iets ritse- Mercurius. om het jonge rnensch, dat Guppy

bi i. Metis V Neen. het is g( in spook, maai le- heet, uit te laten.

-ocr page 247-

MI.INHEEK OfPPV WORDT i)K DEUR GEWEZENquot;.

Maar in datzelfde huis is toevallig op hetzelfde oogenblik een oud man. dio Tulkinghorn heet. En die oude man, met onhoorbare schreden naar de bibliotheek komende, heeft op dit oogenblik zijne hand aan do kruk van de deur, komt binnen, en staat aldus vlak voor het jonge niensch, dat de kamer wil verlaten.

Een enkele blik tusschen dien ouden man en de dame; en voor een oogwenk vliegt do gordijn, die altijd omlaag hangt, naar omhoog. Achterdocht, scherp en vurig, komt uitkijken. Nog een oogwenk; alles is weder dicht.

„Wie is dat?quot; zegt de solliciteur, hem onder zijne gefronste wenkbrauwen aanstarende, ofschoon hij waarlijk iemand niet zoo behoeft aan te kijken, om hem te herkennen, „Van Kenge en Carboy, niet waar?quot; — „.la, mijnheer Tulkinghorn, van Kenge en Carboy, Myn naam is Guppy,quot; - ,lt;» ja. Wel verplicht, mijnheer Guppy; ik ben zeer wel.quot; - „Zeer verheugd het te hooren, mijnheer. Gij kunt niet te welvarend zijn, mijnheer, voor de eer van liet vak.quot; „Verplicht, mijnheer Guppy.quot;

Guppy sluipt heen. Tulkinghorn, met zijn vaal zwart pak, zoo deerlijk afstekende bij den glans


„IK 1!ICN

„Ik verzoek u versehooning. Lady De Ik verzoek u wei dilizendmaal veischoi Het is zoo ongewoon u op dezen tijd hier :c vinden. Ik dacht, dat de kamer ledig was. Ik verzoek u wi ] versehooning.quot; „Dlijf mnar !quot; /.[] roept hem onverschillig terug, „Blijf maar hier, verzoek ik u, lllt; ga terstond uit. Ik heb dit jonge mensch niets meer tlt;\' zeggen.quot;

Het geheel uit het veld geslagene jonge mensch buigt bij het heengaan, en hoopt mei kruipende nederigheid, dat mijnheer Tulkinghorn nog welvaart.

van Lady Dedlork. leidt haar de trap af naar hare koets. Onder het. terugkomen wrijft hij zijne kin; en dat doet hij dien avond nog zegt;r dikwijls.

XXXIV.

MOK I KM A XI) i i KK X KI\'EN WORDT.

,\\\\at /.ou dat nu wi/.en?\'\' zrirt tiiorge d( eavalerist. ,lv n loss* i.f een srlierpc patroon? Zou bi t aemi i nd zijn of niet ?quot;


-ocr page 248-

234 HET VERLATEN HUIS.

Een brief is liet omkrwcrp zijner bespiegelingen en schijnt hem zeer in de war te bren- ; gen. Hij houdt dien op armslengte van zich af, en dan weder dicht voor zijne oogen, nu in do rechter-, dan in de linkerhand, leest met het hoofd naar de eene zijde, en niet het hoofd naar de andere zijde, trekt zijne: wenbrauwen naar omlaag en naar omhoog; en nog kan hij niet tot zekerheid komen. Hij strijkt hetpapier met zijn zware hand op de tafel glad, en i peinzend door de galerij op en neer marchec-ronde, maakt hij nu en dan er voor halt, om het met een versch oog te bezien. Zelfs dit baat niet. „Is het (•••n schot met les kruit of scherp?quot; zegt hij. nog steeds peinzende.

Phil Squod i.s op een afstand bezig de schijven met witte verf te bestrijken, en fluit on- ; di.rtusschen ei-n deuntje.

,Phil!\' tegelijk met dit roepen wenkt de cavalerist hem ook.

Phil nadert op zijne gewone manier, eerst schuins wegschuivende, alsof hij ergensgetieel anders heen wilde, en dan op zijn commandant aankomende alsof hij met de bajonet storm liep, Eenige witte spatten steken bij het zwart van zijn gezicht af, en hij krabt zijn eenigen wenkbrauw met den steel zijner verfkwast.

.sta, i\'hil I Luister eens naar dit.quot; „ik luister, commandant.quot; „„Mijnheer. Vergun mij u ti- herinneren (hoewel er geene wettige noodzakelijkheid bestaat om zulks te doen, gelijk u wel bekend ist, dat de wissel op twee maanden na dato, door mijnheer Mattheus Bagnet op u zei ven getrokken, en door u geaccepteerd, voor de som van negen en zeventig pond, vier schellingen en negen stuivers, op morgen zal vervallen, wanneer gij wel zoo goed zult zijn u gereed te houden om dien bij voorkomen : te honoreeren. I\'w dienaar, Josua Smallweorl.quot; Wat begrijpt gij daar nu uit, Phil?quot; „Kwaad, gouverneur.quot; „Waarom?quot; „Ik denk,quot; ■ antwoordt Phil, nadat hij met den steel van zijne kwast peinzend zijn voorhoofd heeft gekrabd, „dat men altijd kwaad m(lt; nt als men iemand om geld vraagt.quot; „Maar ge moet begrijpen, Phil,quot; zegt do cavalerist, zich op den kant der tafel zettende, „ik heb, alles bij elkander genomen, aan interest en onkosten al wel de helft meer dan die som betaald.quot;

Door een paai stappen achterwaarts te doen en een nilerleelijkst scheef gezicht te trekken, geeft Phil te kennen, dat de zaak zich. naar zijne meening, om die reden niet gunstiger laat aanzien.

„Kn verder, Phil,quot; hervat de cavalerist, met de hand wuivende om den ander te waarsehu-wen g\'en overijld besluit te vormen, „is het altijd eene stilzwijgende afspraak geweest, da\' die wissel vernieuwd zou worden; en hij is ook vernieuwd, eindelooze malen. Wat zegt gij nu?quot; „Ik zeg. dat. ik denk, dat die malen

nu ten laatste aan een eind zijn gekomen,quot; -„Doet gij dat? Hm! Ik ben zelf ook haast van die gedachte,quot; — ,Josua Smallweed is immers hij,- die eens op een stoel hier gebracht is?quot;

„Dezelfde.quot; -- „Gouverneur,quot; zegt Phil met den grootsten ernst, „die kerel is een bloedzuiger, hij knijpt als een schroeftang, hij kan zich wringen als eene slang, en zal zoo weinig loslaten als een kreeft.quot;

Na aldus zijn gevoelen te hebben uitgedrukt, gaat mijnheer Squod, na eerst gewacht te hebben of men hem nog verder iets zal vragen, met zijne gewone reeks van bewegingen, naar de schijf terug, waaraan hij bezig is, en begint nog harder dan te voren te fluiten. Nadat George: den brief weder heeft toegevouwen, kuiert hij insgelijks dien kant op.

„Er is toch wel eene manier, commandant,quot; zegt Phil, hem schuins aanziende, „om daarvan af te komen.quot; „Het geld te betalen, niet waar? Ik wou, dat ik het kon,quot; — Phil schudt zijn hoofd. „Neen, gouverneur, zoo erg behoeft het juist niet. Er is nog eene manier,quot; zegt Phil, en doet een sierlijken veeg met zijne kwast over de schijf. „Wat doe ik nu op het oogenblik?quot; „Witten?quot; Phfl knikt1).

„Dat zou eene fraaie manier zijn. Weet ge wel hoe het in dat geval met de Bagnet\'s zou gaan? Weet gij wel, dat zij geruïneerd zouden worden om mijne oude schulden te betalen? Gij denkt al heel eerlijk,quot; zegt de cavalerist,

en met geene geringe veront-hem neer ziende, „dat moet ik

uit de hoogti waardiging op zeggen, Phil.quot;

Phil op eene knie voor de schijf, is nog: bezig, al smerende en strijkende, te betuigen, dat hij de verantwoordelijkheid der Bagnet\'s geheel vergeten had, en geen haar op het hoofd van eenig lid dier brave familie zou willen krenken, toen men buiten in de lange gang voet\' stappen hoort aankomen, terwijl tegelijk eene frissche vroohjke stem zegt, benieuwd te zijn of George thuis is. Met een blik naar zijn meester, krabbelt Phil op en zegt: „Hier is de gouverneur, juffrouw Bagnet! Hier is hij!quot; en daarop verschijnt de genoemde juffrouw zelve, in gezelschap van haar echtgenoot.

Juffrouw Bagnet gaat, in welk jaargetijde het ook wezen mag, nooit uit zonder een ouden grijzen mantel, grof en versleten, maar zeer zindelijk — ontwijfe lbaar dezelfde mantel, dien mijnheer Bagnet zoo merkwaardig vindt, omdat hij, in gezelschap van zijne vrouw en eene paraplu, uit een ander werelddeel in Europa naar huis heeft weten te komen. Die paraplu

l) \\Vaunlt;\'t »\'tni iiisolviit slt; huM«-iia;ir voor zi\'k» r gerechts-ho! 1)1. \' li. - lv nt i \'Mirt.) b» wijst buitcii scnuld on-

\\ • /ijn en vrijclom vun r« chNvorvolging ••nz. v» r

\'A-i\'tr -);■ w h i rw a s h i n l\' (\\v ittcm g\'quot;\'-

floomd.


-ocr page 249-

EEN STAALTJE VAN MIJNHEER BAG NET\'S MEENING. 235

is ook een onmisbaar aanhangsel van het uit-gaanskostuum der bedoelde juffrouw. Hij heeft 1 geene benoembare kleur, een grooten houten \' haak tot handvatsel, en bovenop een metalen voorwerp, dat een klein model van een ankerring schijnt te zijn. Verder heeft die paraplu een zeer uitgezakt postuur en zou wel een korset noodig hebben een voorkomen, hetwelk mogelijk daaraan is toe te schrijven, dat zij ! gedurende eene reeks van jaren thuis tot kas en op reis tot reiszak heeft gediend. Zij zet, die paraplu nooit op, daar zij zich volkomen | op haar welbeproefder! mantel, met zijne groote kap, kan verlaten; maar gebruikt dat instrument doorgaans als een staf, om, als zij gaat markten, naar stukken vleesch of zooitjes groente i te wijzen, of door een vriendelijk duwtje do aandacht van verkoopers te trekken. Zonder hare marktmand, een gevlochten koffer, met : twee klepdeksels, gaat zij nooit de deur uit. ; Aldus uitgerust, terwijl haar goedig, door de \' i zon gebruind gezicht, vroolijk uit een grown i stroohoed komt kijken, stapt juffrouw Bagnet nu de schermzaal binnen.

„Wel George, oude jongen,quot; zegt zij. „En hoe gaat het u van morgen?quot;

Hem vriendelijk de hand schuddende, haalt : juffrouw Bagnet. na hare wandeling, eens diep | adem, en zet zich neer om uit te rusten. Daar zij een talent heeft, dat op bagagewagens en | dergelijke zetels tot volmaaktheid is gebracht, ! om overal op haar gemak te kunnen zitten, wipt zij op eene hooge ruwe bank, strikt haar : hoed los, schuift dien achterover, slaat hare armen over elkander, en schijnt het nu vol- 1 komen naar haar zin te hebben.

Intusschen heeft Bagnet zijn ouden kameraad en Phil de hand gegeven, welken laatsten de juffrouw insgelijks met een vriendelijk knikje en lachje vereert.

„Nu George,quot; zegt juffrouw Bagnet leven-i dig, „daar zijn wij. Lignum en ik; zij noemt haar echtgenoot dikwijls bij dien naam, naar men verneemt, omdat hij, toen zij pas met elkander bekend werden, in het regiment dien bijnaam had, welke de bijzondere hardheid en taaiheid zijner physionomie moest aanduiden. ; .Wij komen eens aanwippen om volgens gewoonte dien borgtocht in orde te maken. Geel\' hern den nieuwen wissel maar te teekenen, George, en hij zal hem teekenen als een man.quot;

„Ik wilde van morgen bij u komen,quot; merkt de cavalerist dralend aan. — „Ja, wij dachten j wel, dat gij van morgen komen zoudt, maar wij gingen van morgen vroeg uit, lieten Wool- I : wich, die een beste jongen is, op zijne zusjes ] passen en kwamen liever naar u toe. Want Lignum zit tegenwoordig zooveel stil en heeft zoo weinig beweging dat eene wandeling hem goeddoet. Maar wat scheelt u, George?quot; zegt juf- 1 frouw Bagnet, zich zelve stuitende in haar vroo- ;

lijk gesnap. „Gij ziet er niet uit zooals anders.quot; — „Ik ben ook niet zooals anders,quot; antwoordt de cavalerist. Ik ben een beetje van mijn streek gebracht, juffrouw Bagnet.quot;

Haar vlug en helder oog ziet dadelijk de waarheid.

„George,quot; zegt zij, haar voorvinger ophoudende; „zeg mij toch niet, dat er iets aan dien borgtocht van Lignum hapert. Donk om de kinderen, George, en laat dat niet gebeuren.quot;

De cavalerist ziet haar bedremmeld aan.

„George,quot; zegt juffrouw Bagnet, met beide armen gesticuleerende, en nu en dan hare opene handen op hare knieën latende vallen. ..Als gij het met dien borgtocht van Lignum verkeerd hebt laten loopen, als gij hem in de klem hebt geholpen en ons in geVUar gebracht, dat de boel verkocht zal worden — ik lees dat op uw gezicht, George, zoo duidelijk alsof het gedrukt was dan hebt gij iets gedaan, waarover gij u moet schamen, en ons gruwelijk bedrogen, ik zeg u gruwelijk, George. Daar!quot;

Bagnet, anders zoo onbeweeglijk als een lantarenpaal, legt zijne groote hand op do kruin van zijn kaal hoofd, alsof hij dat tegen een stortbad wilde beschermen, en kijkt zijne vrouw zeer onrustig aan.

„George!quot; hervat zij. „Ik sta verbaasd over u! George, ik schaam mij voor u! George, ik had nooit kunnen gelooven, dat ge dat zoudt gedaan hebben. Ik wist wel, dat gij een rollende\' steen waart, die geen mos zoudt verzamelen, maar ik had nooit gedacht, dat gij het beetje mos zoudt wegnemen, dat Bagnet en de kinderen hadden om op te liggen. Gij weet welk een braaf, ijverig en werkzaam man hij is. Gij weet, wat Quebec en Malta en Woolwich zijn en had nooit gedacht, dat gij het hart zoudt of kondt hebben om ons zoo te behandelen. O Georgelquot; roept zij uit, en neemt zeer ongemaakt eene slip van haar mantel om hare oogen af te vegen. „Hoe kondt ge dat doen?quot;

Zoodra zij ophoudt, neemt Bagnet zijne hand van zijn hoofd, alsof ook het stortbad ophield, en ziet droevig naar George, die geheel bleek is geworden en droevig naar den grijzen mantel en den stroohoed kijkt.

„Mat,quot; zegt de cavalerist, met een gesmoorde stem, en hem aansprekende, maar steeds naar zijn vrouw kijkende, „het spijt mij, dut gij het u zoo aantrekt, omdat ik hoop, dat hei nog zoo erg niet is. Zeker heb ik van morgen dezen brief\' gekregen,quot; dien hij naderhand hardop voorleest; „maar ik hoop, dat het nog Wel terecht zal komen. Wat gij van rollenden steen zegt, daarin hebt gij gelijk. Ik ben een rollende steen, en ik geloof zeker, dat ik nooit iemand veel goeds heb toegerold, wien ik in den weg bon gerold Maar het is onmogelijk voor een ouden lorrebos van een kameraad, meer van uwe vrouw en kinderen te houden dan ik doe, Mat, en ik hoop.


-ocr page 250-

HET VERLATEN HUIS.

van mij, dat ik ze aanpakte\'? Dat was het zeker. Maar ik werd er eenigszins toe verlokt, en ik dacht, dat ze mij stiller en geregelder zou maken en een vast beslaan geven, en ik hoop, dat gij uw best zult doen onr het mij te vergeven, dat ik zoo dacht, en bij mijne ziel, ik blijf u altijd zeer dankbaar en ik schaam mij over mij zei ven.quot;

Met deze slotwoorden schudt George de beide handen, die hij vasthoudt, laat ze los, doet een paar stappen achterwaarts, en blijft zoo staan, rechtop en met de borst vooruit, alsof hij zijne laatste biecht liad afgelegd en terstond met alle militaire eer zou doodgeschoten worden.

„George, hoor mij verder uit!quot; zegt Bagnet, met een blik naar zijne vrouw. „Ga voort, oudje.quot;

N\'u Bagnet, op deze zonderlinge manier, verder wordt uitgehoord, heeft hij alleen nog aan te merken, dat men zonder uitstel werk van dien brief moet maken; dat het raadzaam is, dat George en lui terstond naar den ouden heer smallweed gaan; en dat de hoofdzaak is oni Bagnet, die niets van het geld heeft gehad, voor alle schade en onaangenaamheden te behoeden, tieutge. dit alles toestemmende, zet zijn hoed op, en maakt zich gereed om met Bagnet een marseh naar het vijandelijke kamp te doen,

„Gij moet er niet om geven, George, als eene vrouw eens een haastig woord spreekt,quot; zegt juffrouw Bagnet, hem op den schouder klop-! pende. ..Ik vertrouw mijn ouden Lignum aan u toe. en houd mij verzekerd, dat gij er hem door zult helpen.quot;

De cavalerist antwoordt, dat dit heel vriendelijk gezegd Is, en dat hij op eene of andere manier Lignum er door /.ai helpen. Daarop gaat juffrouw Bagnet, mei mantel, markt mand en paraplu, en wederom heldere oogen, huiswaarts, en tlt twee kameraden stappen uit. met oogmerk om den ouden heer .smallweed te \\lt; r-m urwen.

Of er in geheel Engeland wel twe- menschen te vinden zouden zijn. die minder kans hadden om gelukkig van eene onderhandeling met trrootvader smallweed af te komen, kan billijk betwijfeld worden; insgelijks of er. in weerwil van hun krijgshaftig voorkomen, hunne breede schouders en hun zwaren stap. binnen dezelfde trenzen, wel twee kinderen zijn, eenvoudiger en minder gewoon aan alle Stnallweed-aehtige aangelegenheden des levens. Terwijl zij met groot en ernst voort mare heeren, acht Bagnet, die opmerkt, dat zijn kameraad nadenkende i-, het vriendschappelijk nog eens op het laatste gi zegde zijner vrouw terug te komen.

„George, gij weet wel hoe mijn oudje is zeii zoet en zoo zacht als melk. Maar raak haar een- aan de kinderen — of aan mij - en zij vliegt op als buskruit.\' — „Dat strekt haar tot eer. Mar.quot; — „George.quot; hervat Bagnet, recht ........ zieh tilt ziende, „mijn oud;. kan nooit

dat sij het mij zoo goed zult afnemen als gij j kunt Denk niet, dat ik iets voor u verborgen I heb gehouden, ik heb dien brief nog maar een | kwartier gehad.quot; „Oudje,quot; prevelt Bagnet, na een korte poos van stilte, „wilt gij hem mijn | gevoelen eens zesrgen ?* ,lt; \'oh! \'antwoordt juffrouw Bagnet. half lachende en half schreiende, | „waarom h( eft hij in N\' oor d-A m e r i k a de weduwe van Joe Pouch niet getrouwd? Dan zou ! hij zich niet in deze moeieiykheden gebracht i hébben.quot; - ,Mijn oudje zegt het heel goed,quot; zegt Bagnet. „Waarom hebt ge dat niet gedaan?quot; „Wel, zii zal nu al een beter man hebben, hoop ik.quot; antwoordt de cavalerist, „Maar hoe dat zij. hier sta ik zooals ik ben, en ben niet met dlt; weduwe van Joe Pouch getrouwd. Wat zal ik doen? Gij ziet al wat ik heb. Het is niet van mij maar van u. Zetr Ijet maar en ik zal het, tot het laatste stuk verkoopen. Als ik had kunnen hopen, dat het genoeg zou oji-brengen, zou ik het al lang verkocht hebben, (ieloof niet, dat ik u of de uwen in den steek zal laten. Mat. Liever verkoop ik m\\j zeiven. Ik •,v. us\' lit1, maar.quot; vervolgde hij. zieh zalven met minachting op de borst slaande, „dat ik iemand w ist.dii zulk een halt\'s!, et meubel wildekoopen.quot;

ie„| ,pv velt F^agnet. z hem nog eens hoe ik het ne en quot; — „Cieorge,quot; zegt juffrouw Bagnet, «als ik alles wel beschouw, ztyt ge niet zooze\'-r te laken, behalve daarover, dat gij ooit deze inri\' hting hebt opgezet zonder er de middelen toe te h- bben.quot; ■ „Kn dat lag zoo in mijn aard,quot; merkt de i» .etvaardige eavalerist. aan, en lt;.\'hudt zijn hoofd. ■ „Stilte!\'\'valt Batrnet hierop in, .Mijn ondj\' x- _rf he\' 1 precies wat ik meen. Laat mij uitspreken.\' —„Toen was het, dat gij nooit om den borgtocht had\' moeten vragen, Ueorge, er, dat eij dien, alles wel beschouwd, n\'erft\' had ir.—ien krygen. Maar wat gedaan is kan men ri \'-r ongedaan maken. (\'Hj zijt altijd ■ -a e. -i.ike. oprecht» kerel gewe-st. zooveel in uw vermogen lag, hoewel een beetj( los van h\'gt; )f\'i. Aan den anderen kant m-^t gij wel toe. gevt n, dat het natuurlijk is. dat wij angstig 7. ij li, ai.- on- zoo ifts boven het hoofd hangt. Laten wij dus all- s maar vergeven c n vergeten, ti orge\' Ko! lan. ulle- rnaar vergeven en ver geten 1quot;

.lutfrouw B igre r glt; • ft iiem lt; ■ in: van han,-eerlijk\' banden en de andere aan haar man. Oeorge gKe!gt; iedei . ene handen houdt de hunne vast, terwijl hij spreekt:

„Ik vet /.ekf r u beiden, er i-na -s, tla: ik niet zou willen d11 en om die sehuld ai\' te betalen, Maar al wat ik kon Irfj-ensehrapen, ging elke twee maanden heen om rnaar weer uitstel te krijgen. Wij hebben hier eenvoudig genoeg gelet fd l\'hil en ik Maar d.\'onderneming hit r heeft nooit zooveel opgebracht al- ik verwacht had. en doet dat nog niet. Kortom, zij is lang u\'een- goudmijn. Het was mis-ehien verkeerd

-ocr page 251-

ONGELUKKIGE GEORGE. 237

iets doen dat haar niet tot eer strekt dit alsof hij nergens anders kon buigen dan

1 mecr o,l minder. Maar ik zeg dat nooit. De subor- in het heupgewricht.

dinatie moet gehandhaafd worden.\' „/,ij is „.indv,quot; zegt grootvader Smallweed, ,haal de

haar gewicht in goud waard,\'antwoordt de cava- pijp.\' — „Ik weet niet.\' valt George hierop in,

lerist.—„In goud?\'zegt Bagnet hierop. „Ik zal u „of het meisje die moeite wel behoeft te doen,

eens wat zeggen. Mijn oudje weegt honderd want om de waarheid te zeggen, heb ik van- \'

zeventig pond. Zou ik dat gewicht in goud daag geen trek om te rooken.\' „Niet?quot; her

— voor haar aannemen? Neen. Waaromniet? vat de oude man. „Judy, haal de pijp.quot; — „De \'

Omdat zij van beter goud is dan hot zui- zaak is mijnheer Smallweed,quot; hervat George,

verste goud. En zij is heel en al goud.\' ~ „Gij „dat ik niet zeer op mijn gemak ben. Het achijnt, f

hebt gelijk. Mat,\' ..... „Toon zij mij nam met mijnheer, dat uw vriend in de City mij een streek

mij trouwde nam zij dienst onder mij en de heeft gespeeld.quot; — „Wel neon!quot; antwoordt de i kinderen ^met hart en hand voor heel oude man, „Zulke dingen doet hij nooit.quot; -haar leven. Zij is zoo trouw aan hare vlag,\' . „Niet? Welnu, ik ben blij dit te hooien, om- 5 zegt Bagnet „dat, raak ons maar met een dat ik dacht, dat het misschien zijn bedrijf was vinger aan en zij komt in het geweer. Als geweest. Dit hier, meen ik — dezen brief.quot; zij eens wat haastig vuur geeft - voor een : Grootvader Smallweed glimlacht op eene lee- i enkelen keer ziet dat dan door de vingers, lijke manier, bij het herkennen van den brief. | George; want dat doet hare trouw.quot; ■ „Wel, „Wat moet die beduiden?\' vraagt (ïeorg» God zegene haar, Mat,\' antwoordt de cavalerist, „Judy,quot; zegt de oude man. „Hebt gij dr \' „Ik acht haar daar des te hooger om.\' „Daar pijp? Geef ze hier. Vraagt gij wat die brief be hebt gij gelijk in,\'zegt Bagnet, met de vurigste duiden moet, mijn goede vriend?quot; „Ja.\'ant geestdrift, hoewel zonder een spier van zijn woordt de cavalerist. „Komaan,mijnhrerrtmall- I strak gezicht te ontspannen. „Acht haar zoo hoog weed,\' wr volgt hij. zich dwingende om zoo als als de rots van O 1 b raltar en gij zult vroolijk en vertrouwelijk te spreken als hij kan, nog ver beneden hare verdiensten blijveti. Maar met den open brief in de eeiif hand, terwijl voor haar wil ik dat nooit bekennen. De subor- hij de andere op zijne dij zet, „gij weet wel, er i dinatie moet gehandhaafd worden,quot; is eene mooie som gelds tusschen ons omge Deze lofredenen hebben hen tot bij de wo- gaan, en wij hebben allebei evengoed onthou-ning van grootvader Smallweed gebracht. De den welke afspraak er altijd geweest is. Ik ben ! deur wordt dool\' de altijd knorrige Judy ge- gereed om te doen wat ik altijd geregeld geopend, die na de twee makkers niet zeer wei- daan heb en de zaak zoo gaande te houden, | nig ingenomenheid, of eigenlijk met een kwaad- Ik heb nog nooit zulk een brief van u gekrt-aardig hoonenden blik, van top tot teen te gen, en ik ben ©r van morgen waarlijk een beetje hrbben opgenomen, hen daar laat staan, ter- door van mijne streek gebracht; omdat mijn j wijl zij het orakel gaat vragen of zij al of niet vriend Bagnet, hier, die niets van liet geld heeft moeten worden binnengelaten. Het antwoord van gehad, zooals ge weet...\' „Dat weel ik niet.\' het orakel schijnt toestemmend te zijn, want zij zegt de oude man zeer koeltjes. „Wel, voor komt terug met de woorden op de honingzoete den duivel ik zeg het u toch; doe ik niet?quot; : lippen: „Komt dan maar in, als go wat te zeg- „O ja, gij zegt. het mij,quot; antwoordt groot-gen hebt.\' Aldus verlof bekomen hebbende, vader Smallweed, „Maar ik weet het niet.\' tieden zij binnen en vinden grootvader Small- ,,Xii dan!quot; hervat de cavalerist, zijne gram weed met zijne voeten in de lade van zijn stoel, schap verbijtende. „Ik weet het.\' ,0, dat is als ware het in een voetbad van papieren, iets anders,quot; antwoordt de oude heer allervrien-en de oude vrouw met een kussen gebhndcl|ekt, delijkst, en voegt er bij: „Maar dat doet er als een vogel, dien men niet wil \'laten zingen, nieis toe. Wel of niet, mijnheer Bagnet is toch in

„Lieve vriend.quot; zegt grootvader Smallweed, dezelfde positie.quot;

en strekt zijne twee magere armen vriendschap- De ongelukkige (ieorge wil al doen wat hij pel ijk uit. „Hoe vaart go toch? Wie is onze kan om de zaak in dor minne te schikken, en vriend, lieve vriend?quot; — „Wel,quot; antwoordt beproeft dns grootvader Smallweed te hevredi-George, in het eerst niet in staat om zich vrien- gen door hem zooveel inogfüjk gelijk te geven, d\'lijk te houden, „dat is Mattheus Bagnet, die „Dat meen ik juist. Zooal.s gy zegt, mijnheer mij in die zaak tusschen ons beeft geholpen, smallweed, Bagnet is altijd aansprakelijk. Nu, zooals ge weet.quot; ,0. mijnheer Bagnet? Ja ziet ge. dat maakt zijne goede vrouw zeer onwel zeker!quot; De oude man kijkt naar hem met gerust, en mij insgelijks; want hoewol ik een de hand boven de oogen. „ik hoop, dat ge losse vogel iien, is \'hij een gezeten man. die nog welvaart, mijnheer Bagnet? Een knap man, een huishouden heeft. En toch, mijnheer Small-mynheer Ge enge! Militaire houding, mijnhee.riquot; weed,quot; vervolgt de cavalerist, die onder het Daar er geene stoelen Worden gepresenteerd, ; spreken wat meer moed heeft gekregen, «hoe-krijgt (ieorge er een voor Bagnet en een voor wel gij en ik in zekeren zin tamelijk goede vrien zich zeiven. Zij zetten zich neer; Bagnet doet den zijn, begrijp ik wel. dat ik niet kan vra-

-ocr page 252-

11KT VERLATF.N Hl\'IS,

j gen om nüjn vrieud Bagnet geheel vrij to laten.1\' — ,Och lieve H«vr, ge zyt al te bescheiden. Gij kunt mij alles v rag■■ n, mynheer Geor-\' ge.\' Grootvader Sraallweed toont vandaag eeno vroolijkheid, di« aan een schertsenden men-: scheneter doet denken. ,En gij kimt weigeren, meent gij, niet waar? Of misschien gij i niet zoozeer, als wel uw vriend in de City?

Ha, ha. ha!quot; ■ „Ha, ha, ha:\' herhaalt groot-j vader ömallweed, met zulk een harden klank en zulk een bijzonder groenen glans in de oogen, dat Bagnet s natuurlijke ernsthaftigheid door de beschouwing van dien eerwaardigen man , nog zeer wordt vergroot. - ,Kom aan,quot; zegt George, nog het beste hopende. ,ik ben blij, dat wij nog grappen kunnen maken, want ik wou dit gaarne in het vriendelijke schikken. Hier is mijn vriend Bagnet en hier ben ik. Wij zullen, als het u belieft, mijnheer Smallweed, de zaak maar terstond weder op de gewone manier afdeen. En gij zult ook mijn vriend Bagnet en zijn huishouden nog meer geruststellen, als gjj hem zelf eens wilt zeggen, wat onze afspraak is,\'

Hier roept een of ander spook met e ene schelle stern op een spottenden toon; „Wel heb ik inlit!quot; if hot moet de seluilkseh.; Judy :\'.ijn, die dit doet, die, wanneer de verschrikte bezoekers omkijken, ge-en geluid meer laat hoo-ren, maar juist haar hoofd in den nek heeft geworpen, en daardoor eeno hoonende minachting uitdrukt. Bagnefs ernsthaftigheid wordt nog grooter.

,Maar mij dunkt, gij hebt mij gevraagd, mynheer Ge\'nx\'e.quot; /.egt nu grootvader Hmallweed, dien al dien tijd mot de pijp in de hand heeft gezeten; „mij dunkt, gij hebt mij gevraagd, | wat die brief beduidde?quot; — «Och ja, dat heb ik,quot; antwoordt de avaleris\' op zijn luclltigeii trant, „maar dat kan mij niet schelen, als alles maar weer in ord- is.quot;

Grootvader .smallweed smijt den cavalerist de pijp naar het hoofd, maar daar hij met opzt-t mis gooit, valt zy op den grond in stukken.

.Int beduidt die brief, lieve vriend, ik zal ii vergruizen, tot ......ier stampen, tot stof vermalen. En loop nu naar don duivel!\'

Üeze twee vrienden lt;r:ian op en zien elkander aan. Hagtiet\'.s ernsthaftigheid is nu tenlop gestegen.

,iioop na ir d-n \'iuive-l!quot; herh.t ilt d oueilt;\' man. „Ik wil uw pypjesrooken en uw blulT\' 11 niet. langer vi-l- n. Wat. j wilt u onafhanke-i lijk toonen! Gu naar tnun iiroeur-ur fgij wee-wel waai\'; ge /.yt moer bij hem geweest) en toon hem nu eens uwe onaf hankelykheid! Kom aan, lieve vriend, nu hebt gij eeno gelegenheid. Judy, doe do deur open en laat, die twee snoevers uit! Roep m i ir om hulp, als zeniet heengaan\' Laat hen uit! zeg ik.quot;

Hij -chn • uwt dit zoo hard. dat Bagnet zijn

kameraad bij de schouders vat, en hem, eer hij van zijne verbazing kan bekomen, buiten de deur heeft geduwd, die terstond daarop dooide zegevierende Judy wordt dichtgeslagen. Geheel en al versuft, blijft George naar den klopper staan kijken, terwijl Bagnet, met do strakste ernsthaftigheid, als een schildwacht voorbij het venster der voorkamer heen en weer stapt en telkens als hij voorbijkomt naar binnen kijkt, en blijkbaar iets bij zich zeiven overweegt.

„Kom aan. Mat.quot; zegt George, nadat hij zich hersteld heeft, „dan moeten wij het met den procureur proboeren. Wat zegt gij nu van dien schobbejak?\'

Terwijl Bagnet nog even staan blijft om het venster binnen te kijken, schudt hij zijn hoofd, en antwoordt; ,Als ik mijn oudje maar bij mij had gehad, zou ik hom wel wat gezegd hebben.\'\' Aldus het onderwerp zijner overdenkingen ontboezemd hebbende, valt hij in den pas, en i marcheert, schouder aan schouder, met zijn makker heen.

Zij melden zich in Lincoln\'s Inn Fields aan, maar mijnheer Tulkinghorn heeft iemand bij zich en is niet te spreken. Hij is geheel niet gezind om hen te woord te staan; want ; nadat zij een vol vuur hebben gewacht, en de | klerk, die binnen gescheld is, de gelegenheid waarneemt om dit te berichten, brengt hij geene | meer aanmoedigende boodschap mede, dan dat mijnheer Tulkinghorn hun niets te zeggen heeft en zij liefst maar niet langer moesten wachten. Zij blijven echter wachten, met echt militaire volharding; en eindelijk wordt er weder , froscheld. en komt de persoon, die mijnheer Tulkinghorn zoolang heeft opgehouden, de kamer uit.

Deze persoon is eene knappe oude juffrouw; niemand anders dan juffrouw Rouncewell, huishoudster op Kastanje-Hof. Op oudorwetsche manier nijgende, komt zij hot heiligdom uit en sluit zachtjes de deur. Zij wordt hier met zekere onderscheiding behandeld, want de klerk staat op, om door do voorkamer met haar mede te gaan en haar uit te laten. De oude juffrouw bedankt hetn voor zijne beleefdheid, toen zij i juist de twee kameraden ziet staan wachten.

„Nee-m mij niet kwalijk,- mijnheer; maar ik geloof, dat die twee heeren militairen zijn?quot;

De klerk brengt deze vraag met zijne oogen naar hen over, en daar George, die naar den | almanak voor den schoorsteenmantel staat to kijken, zich niet omkeert, neemt Bagnet het . ant woord op zich, en zegt: „.l i, juffrouw. Voor-ho- n ge-woest,quot; „Dat dacht ik wel. Dat zag ik wel. Mijn hart wordt altijd warm, heeren, als ik u zie; altyd als ik militairen zie. God zeirone u, mijne heeren. \'rij zult dat eene oude vrouw niet kwalijk nemen; maar ik heb eens een zoon gehad, die soldaat werd. Eene mooie, knappe jongen was hij. en een goede jongen


-ocr page 253-

BIJ MIJNHEER TULKlNCi HORN.

ook op zijne ruwe manier, hoewel sommige mensehen bij zijne arme moeder kwaad van hem spraken. Ik verzoek wel verschooning, dat ik u heb opgehouden, mijnheer. God zegene u, hoeren.\' — „U hetzelfde, juffrouw!quot; antwoordt Bagnet met hartelijkheid.

De ernstige toon dier oude juffrouw en de beving, die haar door de leden gaat, hebben iets aandoenlijks ; maar George heeft het zoo druk met den almanak (misschien om do volgende maanden te berekenen), dat hij niet omkijkt, voordat zij is heengegaan en do deur achter haar gesloten wordt.

„George,quot; fluistert Bagnet met zijne gróve stem toen de ander zich eindelijk van den almanak omkeert. „Wees niet zoo neergeslagen. Oude soldaten! Moed gehouden, mijn Jongen!\'

Daar de klerk nu weder naar binnen is gegaan, om te zeggen, dat zij daar nog zijn, en men mijnheer Tulkinghorn daarop met zekere wreveligheid heeft liooren antwoorden: „Wel, laat hen dan hier komen!quot; treden zij de groote kamer niet de beschilderde zoldering binnen en vinden hem daar voor het vuur staan.

,Welnu, mannen, wat moet gij? Sergeant, toen ik u de laatste maal zag, heb ik u gezegd, dat ik uw gezelschap hier niet meer verlangde.»

De sergeant, wiens spraak en houding zekere bedeesdheid te kennen geven, antwoordt, dat hij dezen brief hreft ontvangen, dat hij mijn-lieer Smallweed daarover is gaan spreken, en door hem hierheen is gewezen.

,lk heb niets te zeggen,quot; laat mijnheer Tulkinghorn daarop volgen. „ Als gij schulden maakt, moet gij ze betalen of de gevolgen voor lief nemen. Gij behoeft niet hier te komen om dat te leeren zou ik denken?quot;

Het .spijt den sergeant te moeten zeggen, dat hij het geld niet gereed heeft.

„Welnu! Dan moet die andere die man, als hij het is voor u betalen.quot;

Het spijt den sergeant te moeten zoggen, dat die andere ook het geld niet gereed heeft.

„Welnu! Dan moet gij het met u beiden betalen, of men zal tegen u beiden procedeeren. Gij hebt het gold gehad en moet het teruggeven. (iij kunt het geld van een ander niet in uw zak steken, en er zoo maar van afkomen.\'

I)quot; procureur zet zich in zijn leuningstoel en pookt liet vuur op. George hoopt, dat hij de goedheid zal hebben om

„Ik zeg u, sergeant, ik hob u niets te zeggen. De lieden, waarmee gij omgaat, bevallen mij niet, en ik heb u hier niet van doen. Die zaak is geheel buiten myne praktijk en behoort niet in mijn kantoor. Mijnheer Smallweed is wel zoo goed om mij die zaken aan te bieden, maar zij behooren niet tot mijn departement, \'iij moet naar Melchisedeck in Cliffsord\'s I n n gaan.quot; - „Ik moet u verschooning verzoeken.

mijnheer,quot; zegt George, „dar ik u zoo tegen uw zin lastig val iets, dat mij bijna even onaangenaam is, als het u kan zijn; maar zoudt ge mij een woordje afzonderlijk met u willen laten spreken?quot;

Mijnheer Tulkinghorn staat op met de handen in de zakken, en gaat naar een hoek bij een der vensters. „Kom! ik heb geen tijd te verkwisten.quot; Te midden zijner geveinsde onverschilligheid ziet hij den cavalerist scherp aan, en draagt zorg, dat hij zelf met zijn rug naar het licht en de ander met zijn gezicht daar naar toe komt te staan.

„Wel, mijnheer,quot; zegt George, „de man, dien ik bij mij heb, is de ander, die in deze ongelukkige zaak betrokken is - hij heeft mij alleen zijn naam geleemd, anders niet — en mijn eenig oogmerk is te zorgen dat hij om mijnentwil in geene ongelegenheid komt. Hij is een heel ordentelijk man, met vrouw en kinderen, die bij de koninklijke artillerie heeft gestaan....quot; „Mijn vriend, ik geef niet het minste om de geheele koninklijke artillerie met officieren, manschappen, paarden, kanonnen, kruitwagens en ammunitie.quot; „Wel te denken, mijnheer. Maar het zou mij zeer spijten als Bagnet en zijn huishouden door mijn toedoen ongelukkig werden. En als ik hen hier doorheen kon helpen, zou ik er niet tegen hebben om u, zonder eenige andere belooning, over te geven wat gij laatst van mij hadt willen hebben.quot; - „Hebt gij dat hier bij u?quot; — „Ja, mijnheer.quot; „Sergeant,\' zegt de procureur op zijn drogen, onverschilligen toon, die veel minder hoop laat om den spreker van gedachten te doen veranderen dan de grootste heftigheid, „bedenk u wol, terwijl ik spreek, want dit moet de laatste maal zijn. Als ik nu zwijg, heb ik met de zaak gedaan en wil er niet weder van beginnen. Begrijp dat wel. Gij kunt, wat gij zegt medegebracht te hebben, voor eenige lagen hier laten, als gij verkiest; gij kunt het ook terstond weder medenemen, als gij dat verkiest. Als gij verkiest het hier te laten, kan ik dit voor u doen: ik kan die zaak weder op den ouden voet brengen, 11 bovendien zoo ver gaan, dat ik u eene schriftelijke verzekering geef, dat men dien Bagnet nooit op eenigeiiei wijze zal lastig vallen, voordat men tot het uiterste tegen u geprocedeerd heeft dal uwe middelen geheel uitgeput zullen moeten wezen, voordat uw crediteur de zijne aanspreekt. Dan is hij zoogoed als vrijgolaten. Hebt gij u bedacht?quot;

De cavalerist steekt zijne hand in zijne borst en antwoordt, na eene diepe ademhaling: „Ik moet het wel doen, mijnheer.»

Mijnheer Tulkinghorn zet zich dusneor,neemt zijn bril te hulp en schrijft zeer langzaam de bedoelde verzekering, welke hij daarop aan Bagnet voorleest en verklaart, die al dien tijd naar den zolder heeft gestaard en onder dit nietiwe


-ocr page 254-

IIKT VKlil.ATKN Hl\'IS.

■210

stortbad van woorden zijne hand weder opzijn kaal hoofd kgt. Hij schijnt erg gebrek te hebben aan zijn oudje om hem zijne gevoelens te helpen, uitdrukken. Daarna haalt «ieorge een opgevouwen papier uit Zijn borstzak, en legt het met eene dralende hand voor den rechtsgeleerde nee!1.

„Het is maar een bri. f met instruction, mijnheer. De laatste, dien ik ooit van hem gehad heb.quot;

Zie naar een molensteen, George, om verandering van uitdrukking\' u zoeken, en gij zult die even spoedig vinden ais op hgt; t gi zicht van mijnheer Tulkinghorn. terwijl hij dien brief opent

■ n doork lt; st. Met hetzelfde strakke g( zicht vouwt luj het papier weder toe en legt het in zijn lessenaar.

O \'k i-eeft h niet- er t. zeggen of te doen. Lm op dezelfde koude, onbeleefde manier te knikken en kortaf te zeggen: ,oy kunt gaan. Laat dit lieden uit.quot; Zij worden uitgelaten . n bgt;-gf-v.-n zi-h naar i. V.-ning van Bagnet om

tr ét» !1.

iiek -kt nvU■ - : !r-: gi vi-tv t it d\', -1.-.- ,.:.g ; tut •.-••rig- onthaal p ïik \'k\' vaikeüsviquot;\',-. , n -r.-onte aan; ••n iff, iw Üagi;-1 dee\'.; ■■p .iezelfd. wiis dé por \\

■ • -i eun;. r te kruiden: want zij is zulk eene l uit-ngeriV\'-iio vr-. oat zij het gotdv aan* iif.-mt zonder er van te spreken, it het nog beier k \'ti /A n, en hare !■!;._•■ -.-tigheid nog hel-

in h ti* iiabi,ihfcid atst. ekt. He\' plek\'- •iuistcrnis . deze -■ • ;d:.-i is het donker- gezicet van

G-org- ; fci is i\'t ,n na-: enken J ■ n

-

Bagn-- vï zi i; op,\'iat de ver-eMU\'tie liefk\'tozin-gen van ^ -b- ■ - n Malta hem wel zul!*n

-- V\' ■ \' itr!-quot;-quot;\' :iw ■ . .iüeBul-

■■

ger kenden. .i.M-t zij «i or e* n wenk de lichte infante: :• ■•■rugt.ïekken, en laat h-1 aan hem over om zi ■ p den of-n sv nd van den huist -lijken haai .i ep zijn gemak t- di plovegt; ren,

H niet. H. di in

gegt;i\'•ten, ■ • w ,-.t ■ j Ondei het

langd ••pt-;;-. . • . .. .. ; ■ i-;-terwi i ;

hij -n Bagnef huon* pijp rf oken, is hij niet beter dan oni-r n m.tajti, d. Hi. v-rgc-\' t t\' rookc-n. kijkt rn in- •• nd :n vuur, ia,4 zijn-pijp uitgaan en vervult het hart van Bagnet

met onrust en ontzef.ing, -if-or duidek k te ■ ■

T\'gt;en de- ;; .ÉFrouw Bagn- *, . inik*i k w- ;• r quot;* v. ■ rs hi n k-rnt. ze»; f v -.: i- n j. ,i; -genderi emmer, en gaat zitten ü.taien, brom\'.

n •! .lt;1 . lt; !quot; en i- gt;iarit :: rngt; t i • n W\'nk in e- tis t- onderzo-k- n, w.ii lt; raanhapeit. ,\\V. i. (i rge.1\' _\'t Bagnet, r.-r

wijl zij hare naald insteekt, ,wat zijt ge stil!quot;

- ..Ben ik? Geen pleizierig gezelschap? Ik vrees ook van neen.quot; .Hij lijkt geheel niet meer op onzen Bullebak, moeder 1\' roept de kleine Malta, „omdat hij niet wel is, geloof ik. moeder.quot; voegt Quebec er bij. .Zeker, het is een slecht teeken goen Bullebak meer te zijn 1quot; i Z\' gt de . avalerist, en geeft de meisjes een kus. ..Maar het is waar,quot; vt rvolgt hij met een ziu-ht,

, Het is waar, vrt-es ik. Die kleinen hebben altijd gelijk,quot; „George.\' zegt juö\'rouw Bagnet, druk voortnaaiende. .als ik dacht, dat ge knorrig waart om iets. dat eene ongemanierde soldatenvrouw van morgen gezegd heeft- die naderhand hare tong wel had willen afbijten, en liet wi i haast had moeten doen — zou ik niet weten, wat ik nu nog zeggen moest.\' — „lt; loede, o.-te vrouw.quot; antwo.-rdt de cavalerist, „daaraan denk ik niet m«--r.quot; — „Omdat waarlijk, George, wat ik zeide --n wilde zeggen, was, dat ! ik Lignum aan u ten vi-rtrouwde en mij verze- ; kerd hield, dat gij hem er door zóudt helpen. \' En tiat hei.- gij (...fc .-erliik gedaan.\' .Ik ben blij, dat ge zoo ov- r mij tevreden zijt.quot; antwoordt George.

T- rwijl hij juffrouw Bagnet vriendschappoiyk • d hand geeft want zij is naast hem gaan j zitten ziet h: haar oplettend in hei gezicht j

• u \'lijft dii nc-g - \'ii .......... doen, terwyl zij

weder voortnaair. leiaron kijkt hij naar den jon- ; gen quot;Woolwich, üi- op zijn bankje in den hoek zit. en wenkt dien ieugtligen tluitspeler om i nadertui te kon on.

„Zi\' ik. ]*, iiiijii jongen.\' zegt (ieorge.

- rwij! i;;; zet r za-.-ht zijne hand over het voor-

■■.\'i li- m. eder ba; glijden: „daar kunt gij \' en keMi-r, vriend- lijk voorhoofd zien! Het glanst van iieuie v...lt;;-r u, mijn jongen. Hef is wat ge-bmind d- or zon • n wind, terwijl zij uw vader V\'.-:gde en ; mededroi g, maar nog zoo frisch en ; gezond ais e- n rijpe appel aan een boom.\'

Het g-\'Zicht van Bagnet geeft, voor zoover ;at i-.-uten -■ zicht iets kan uitdrukken, de hoogste goeokeuring te kennen.

„D- • ; zal komen, mijn jongen,quot; vervolgt de cavalerist, „wanneer dat haar van uwe moe-■ • r . - zal zijn. en dat voorhoofd vol rimp- Is

• a ■ e k: applt; oi, vrouw zal zij dan wi ■ zen. Pas op, terwijl gt\' nog jong zijt. dat gij ;ü gt;iit* dagen kunt denken; „Ik heb nooit een h» ir quot;p dat dit : bare hoofd doen vergrijzen, ik heb no- til - - n rimpel van verdriet op dat ge- ;

\' : ■: i: ■ is.quot; Want van alle dingen, w iar ■an gij d- man kunt denken, is het best daar , aan te kunnen denken, quot;Woolwich!*

O- rg- (quot;-\'.uit met op te staan, den knaap op den stèH 1 naast zijne moeder te zetten, en iTitt zeker- haast t- zeggen, dat hij zijne pijp \' ven op -traat gaat uitrooken.


-ocr page 255-

XXXV.

KSTIIKi; is /MKK zii:k.

KSTlllOli\'S VKKIIAAI,.

Ik lag versclieidcne woken ziek, on de gewone Lfang van mijn leven begon naar eene onde lier-innering t(* geiyken. Dit, was eoliter niet zoozeer het gevolg van den tyd. als wel van de verandering in inijiu\' dagelijksehe gewoonten, die dooide werkeloosheid en eenzaamheid eener ziekenkamer werd veroorzaakt. Mer ik nog vele dagen daarin opgesloten was geweest, schenen alle andere dingen zich op een ver verwijderden afstand te hebben teruggetrokken, waar

jke sciiadiiw naast mij, van de i\'t huis mijner peetmoeder stapte, nog nooit te \\oreii geweten hoe kort leven eigenlijk was, en in welk eene kleine de geest het kon bergen.

Terwijl ik erg ziek lag, was de manier, w aarop dc verschillende tijdperken zich met elkander verwarden, zeer onaangenaam en benauwend voor mij. Te gelijk een kind, een aankoHiend ineisje. en op mijn tegenwoordigen leeftijd en in de betrekkingen, waarin ik mij zoo gelukkig had gevoeld, werd ik niet alleen door de zorgen en bezwaren, die elke staat had medegebracht, gekweld, maar ook door de verbijs-

mijne kinderl school naar lie Ik had het


weinig of geene afzondering bestond tusschen de verschillende tijdperken van nijjn leven, die werkelijk door jaren gescheiden waren. Toen ik ziek werd, scheen ik een donker meer te zijn overgevaren, en al wat ik vroeger ondervonden had, door den grooten afstand ondereen

oever te hebben

verward, op den achtergelaten.

Mijne plichten als huishniidster, hoewel de gedachte, dat zy onvervuld bleven, mjj in het eerst zeer ontrustte, waren spoedig even ver achter my als mijne oude werkzaambedon op Bloemhof, of als de zomerachtermiddagen toen ik, met mijne portefeuille onder den arm en

gezonden

tering, waarmede ik eindeloos poogde die allen met elkander overeen te brengen. Ik geloof, dat weinigen, die zich niet in dien toestand hebben bevonden, volkomen kunnen begrijpen wat ik meen, of welk eene pijnlijke onrust hieruit voor mij ontstond.

Om dezelfde reden ben ik bijna bevreesd 0111 te spreken van dat tijdperk mijner ziekte — bet scheen maar eeu lange nacht te zijn, maar ik geloof, dat het dagen en nachten lang duurde toen ik reusachtige trappen opklom, mij altijd inspannende om boven te komen, en altijd, gelijk ik wel eens een worm in een tnmpad heb gezien, door eene ot andere hiiulernis van


lgt;i\'ki n-.. Hrl vri\'ialcii 11 nis

-ocr page 256-

HKT VKKl.ATKN Hl\'lS.

den weg gebracht en dan weder opnieuw beginnende. ik w ist somtijds duidelijk, en ik denk meestal onduidelijk, dat ik in mijn bed lag, en ik sprak met Charley, en voelde hare hand. en kende haar zeer wel; en toch klaagde ik telkens: „Och, nog meer van die eindelooze trappen, t\'liarle\\ — nog al meer tot boven in de lucht tóe, denk ik 1quot; en zwoegde dan i weder voort.

Durf ik spreken van dien nog erger tyd, toen ergens in de groote, zwarte ruimte, eene aaneengeregen vlammende halsketen, of ring, of sterrenkrans hing, waarvan i k een der kralen wns! En toen mijn eenig gebed was, dat ik van de anderen mocht worden losgemaakt, en bet mij zulk een onverklaarbaren zielsangst veroorzaakte. dat ik een deel van dat schrikkelijke ding moest bljjven!

.Misschien zal ik, hoe minder ik van dien benauwden tyd mijner ziekte zeg, des te minder vervelend en des te meer verstaanbaar wezen. Ik maak er geene melding van om anderen angstig te makrn, of omdat de herinnering mij nu lUibeangst : maar misscbien zouden wij. als wjj die zonderlinge kwellingen beter kenden, beter in staat zijn om de zwaarte daarvan te verlichten.

1 )e rult;t, die daarop volgde, de lange ver-kwikktdijk»\' gt; 11ap, de zalige onverscliilligbeid, toen ik in mijne zwakheid te kalm was om inn eeniggt;/.ins om mij zelve te bekommeren, en had kunnen hooren izoo denk ik nu ten minste) dat ik stervende was. zonder eenige andere aandoening dan een medelijdende liefde voor hen, die ik achterliet deze toestand kan misschien meer algemeen begrepen worden. Ik was in dien ^taat. toen ik voor het eerst van het lii ht S\' brikte, dat weder voor mij scheen, en met eene grenzenlooze blijdschap, waarvoor gfeene w. .gt;rden verrukking genoeg kunnen uitdrukken. ontwaarde, dal ik weder zien kon.

Ik had mijne Ada. dag en nacht, aan de deur hooren schreien; ik had haar mij hooren toeroi\'pen dat ik .......I was en haar niet liefhad; ik had haar hooren bidden en smeeken, dat ik haar zou laten binnenkomen om mi j op te liassen en te troosten en mi jn bed niet meer te verlaten : maar zoolang ik spreken kon bad ik gezegd: . N \'it ; ■ ■!;■ *:: i \'I: irle\\ ,\'tiia.il -\'•:! no\'-\'maals herinnerd, dat zij, hetzij ik in leven bleef of stierf, mijne lievelinge uit di\' kamer moest Imu-ch\'n. Charh\'V was mij in den tijd van nood g( -trouw geweest, en hail met haar zwak handje \'■ii baar moedig hart di\'deur ge-loten gehouden.

Maar nu mijn gezicht btter werd en het heerlijke licht met t\'lki\'ii dag helderder en helderder voor mij scheen, kon ik de brieven lozen, die mijne lievi\' Ada mij eiken ni \'igen en avfind scbre. f, kon ik ze aan mijne lippen brengen •■ti mijne w ang daarop leggen zonder vrees van hi\'.ar te bcnadeelen. Ik kon mijn kameniertje,

zoo teeder en zorgvuldig, door de twee kamers zien gaan, om alles in orde te zetten, en wederom door het opene venster vroolijk met Ada. spreken. Ik kon de stilte in huis begrijpen, en hoe die bewees, dat allen, die altijd zoo goed voor my geweest waren, om mij dachten. Ik kon schreien van blijde aandoening, en mij in mijne zwakheid even gelukkig gevoelen als ik ooit in mijne kracht geweest Was.

Langzamerhand begon mijne kracht terug te komen. In plaats van met zulk eene vreemde kalmte te liggen kyken naar wat er voor mij gedaan werd, alsof het voor iemand anders werd gedaan, over wie ik stil bedroefd was, begon ik een weinigje mede te helpen, en een weinig meer, en veel meer, totdat ik weder bruikbaar voor mij zelve werd, wederom belang in het leven leerde stellen en mij opnieuw daaraan hechtte.

Hoe levendig herinner ik mij nog den genoeglijken namiddag, toen ik voor de eerste maal met kussens in het bed overeind werd gezet, om met Charley in staatsie thee te drinken! hat lieve schepseltje zonder twijfel in de wereld gezonden om zieken en zwakken te helpen was zoo vroolijk, en had het zoo druk, en staakte zoo dikwijls hare toebereidselen om haar hoofdje aan mijne borst te leggen, my te liefkoozen, en met vreugdetranen te zeggen, dat zij zoo blijde, o zoo blijde, was, dat ik genoodzaakt was te zeggen: ,Charley, als ge-zoo voortgaat, moet ik weder gaan liggen, want ik ben nog zwakker dan ik wel dacht.quot; En toen werd Charley zoo stil als een muisje, en trippelde met haar helder gezichtje, nu hier dan daar. door de twee kamers rond, uit de schaduw in den goddelijken znnne,schijn, en uit den zonnesrhyn weder in de schaduw, terwijl ik vreedzaam naar hem zat te kijken. Toen zij al bare toebereidselen voltooid had, en de nette theetafel, met al hare kleine lekkernijen om mij uit te lokken, en haar wit tafellaken en hare bloemen, als met zooveel liefde en zoo schoon door Ada beneden voor mij geschikt, by mijn bed gereed stond, gevoelde ik mij krachtig genoeg om Charlej iets te zeggen, dat mij toen niet voor het eerst in de gedachten kwam.

E\'-rst maakte ik (\'harley een compliment over de kamer: en waarlijk deze was zoo frisch en luchtig, zoo net en zindelijk, dat ik bijna niet gelooven kon, dat ik daar zoolang ziek had gelegen. Dit verheugde Charley, en haar gezichtje werd nog helderder dan te voren.

.En toch, (\'harley,quot; zeide ik, rondkijkende, ,mis ik iets, waaraan ik gewoon ben.quot;

De arme kleine Charley keek insgelijks rond en veinsde haar hoofd te schudden, alsof zij niets miste.

.Al de schilderijen hangen toch zooals z.y [dachten ?quot; vroeg ik. — .Ja, juffrouw,quot; antwoordde Charley. „En de meubelen staan


-ocr page 257-

AHMK KICK.

ook ovoneens?quot; -Itclmlvc waar ik zo vor-zet liob, om moor ruimte to krijg\'on, jutlVoiiw.quot;

„l\'in toch,quot; zoido ik, „mis ik niets, waaraan ik gewoon was. O, nu weet ik wat iiot is, Charley, liet is do spiegel.quot;

Charley stond op alsof zij iets vergeten had en ging naar do andere kamer; en ik hoorde haar daar snikken.

Ik had dit reeds dikwijls gedacht. Nu was ik er zeker van. Ik kon God danken, dat het nu geen schok voor mij was. Ik riep Charley terug; en toen zij kwam eerst veinsde zij te glimlaehon, maar toen zij nader kwam. keek zij droevig sloot ik haar in mijne armen on zeido: .,Ilet komt er heel weinig op aan. lt;\'har-Ie). Ik hoop het wel buiten mijn vroeger gezicht te kunnen stellen.quot;

Weldra was ik zoover gevorderd, dat ik in een grooten stoel kon opzitten, en ook hoewel duizelende en op Charley\'s arm leunende, naar de andere kamer kon gaan. Jje spiegel was ook uit die kamer verdwenen; maar wat ik te dragen had, was mij daarom niet zwaarder om te dragen.

Mijn voogd had altijd ernstig verlangd mij te bezoeken, en er bestond nu geene gegronde reden meer om mij dit genoegen toont/eggen. Op zekeren morgen kwam hij, en toen hij pas | binnentrad, kon hij niets anders doen dan mij ; in zijne armen sluiten en zeggen: „Mijn liet\', liet\'meisje!quot; Ik had lang geweten wie kon het beter weten? welk eene diepe bronwel van liefde en edelmoedigheid zijn hart was; en j was het niet mijn gering lijden en die verandering waardig om er zulk eene plaats in te | vervullen? „O ja!quot; dacht ik. „Hy heeft mij gezien, en hij heeft mij nog liever dan te voren, hij heeft, mjj gezien, en behandelt mij met nog meer teedeiiieid dan vroeger; wat heb ik dan te betreuren?quot;

Hij zotte zieh bij mij op de s tfa en ondersteunde mij met zijn arm. Kene korte poos zat hij met zijne hand voor zijn gezicht, maar wel- | dra nam hij die weg en begon op zijne gewone manier te spreken. Nooit heeft, iemand eene meer innemende, schertsend vriendelijke ma-uier van spreken kunnen hebben.

„Wel, mijn bnismoedertje,quot; zeido hij, „welk een droevige tijd is dat geweest. Ku wal /ijl gij onverzettelijk gebleven!quot; „Dat was om best wil, voogd,quot; antwoordde ik. ,lt; )m best wil?\'\' herhaalde bij, met teederheid. .Natuurlijk, dat was het. Maar Ada, en ik zijn toeh zoo eenzaam en verlaten geweest; eu uwe vriendin Caddy is vroeg en laat naar u komen vragen; en iedereen hier iu huis was zoo stil en | neerslachtig, en zelfs die arme iiicllard heeft ! geschreven aan mij geschreven - enkel uit ongerustheid over u.quot;

ik had in Ada\'s brieven van Caddy gi lezen, maar niet van Hichard, en ik zeide hem dit.

„Och neen, niolieve,quot; antwoordde hij, „ik achtte het beter er haar maar niets van te zeggen.quot; — „Eu gij zegt, dat hij aan u geschreven beeft,quot; zeido ik, met, denzelfden nadruk als hij; „alsof het niet natuurlijk was, dat hij dit deed, voogd; alsof hij aan een beter vriend schrijven kon.\' „Mij denkt, dat hij er veel boter heeft melieve,quot; antwoordde mijn voogd. „Hij schreef mij, als het ware, onder protest, daar hij niet aan u schrijven kon met eenige hoop van antwoord te bekomen hij schreef koud eu stijf, trotsch en wrevelig. Wel, mijn huismoedertje, gij moet daarmede geduld heli-ben. Hij is niet te laken. Hot Kanselarij-proces heeft hem de oogen doen schemeren eu doet hem mij voor iets anders houden dan ik ben. Ik weet, dat het dikwijls even slechte dingen, en dikwijls nog veel ergere gedaan heeft. Als er twee engelen in betrokken konden worden, geloof ik. dat bet hunne gehoele natuur zou veranderen.quot; — „Het heeft het uwe toch niet veranderd, voogd.quot; — „O ja, dat heeft het wel, melieve,quot; antwoordde hij lachende, .liet heeft den zuidenwind naar het oosten doen loopon, ik weet, niet hoe dikwijls. Hick wantrouwt en verdenkt nnj gaat naar procureurs en leert mij daar wantrouwen en verdenken; hoort, dat ik strijdige belangen heb, aanspraken, die de zijne in den weg staan, en wat niet al: terwijl de Hemel weet, als ik maar uit dat gebergte van l\'niikerij kon komen, waaraan uiijn ongelukkige naam gegeven is (wat ik niet kan) of het door bet verzaken van al mijne rechten met den grond kon gelijk maken (wat ik ook niet, kan, en geen menschelijk vermogen ooit meer kan, geloof ik, zoover is het nu al gekomen), zou ik het op het oogen-blik doen. Ik zou den armen Kichard liever weder zi jn eigen vroeger aard willen hergeven, dan al het geld present krijgen, dat de doode belanghebbenden, die naar bait en ziel op het rad der Kanselarij zijn geledebiaakl. onopge-vordord in de schatkist hebben gelaten — en dat is geld genoeg, melieve, om eene piramide van te gieten tor gedachtenis van de hemeltergende goddeloosheid dier Kanselarij.quot;—..Is hot mogelijk voogd,quot; vroeg ik met verbazing, „dat Kichard u kan verdenken?quot; .Ach, melieve,quot; antwoordde hij, „het ligt in den aard van het lijne vergift z.nlker misbruiken, dat zij zulke kwalen voortbrengen, /njn bloed is aangestoken en de voorwerpen verliezen voor zijn gezicht hun natniirlyk voorkomen. Het is zijne schuld niet.quot; ..Maar het i-- lorbeen verschrikkelijk ongeluk, voogd.quot; ..la, het is een schrikkelijk ongeluk, moedertje, ooit onder den invloed van .larndyee en .larmhee te komen. Ik ken geen grooter. Kangzamerhand is hij er toe gebracht om op dien verrotten rietstal\'te vertrouwen, en die deelt een gedeelte van zijn bederf mede aan al wat hem omringt. Maar


-ocr page 258-

11 KT \\ KRL.VTEN lll ls.

nog eens zeg ik, met al mijn hart, wij moeten met den armen liiek geduid hebben en hem niet laken. Welk een aantal goede, trisscheliar-ten, gelijk liet zijne, heb ik al in inyn tijil op dezelfde\'manier zien bederven!quot;

Ik kon niet nalaten mijne verwondering en spijt te kennen te geven, dat zijne belange-loo.s welwillende oogmerken zoo weinig gebaat hadden.

„Dat moeten wij niet zeggen, Dame Dur-don,quot; antwoordde liij blymoedig. .Ada is er gelukkiger door geworden, hoop ik, en dat is wel. Ik had gedacht, dat ik en die twee ion-gelieden vrienden konden worden, in plaats van wantrouwige vijanden, en dat wij in zooverre dat proces konden tegenwerken en meester worden. Maar dat was te veel verwacht. Dat proces is als het ware het kleed geweest, dat over Richard\'s wieg hing.quot; - „Maar voogd, mogen wy niet hopen, dat de ondervinding hem zal leeren welk een ellendig en bedrieglijk ding het is?quot; — „Dat willen wij hopen, mijne Ksther,quot; antwoordde hij. „endatzyhem dit niet te laat mag leeren. In allen gevalle moeten wij hem niet te streng beoorcleelen. Kr zijn niet veel volwassene, bejaarde mannen, en brave mannen ook, die, indien zij als belanghebbenden voor dat Hol\' kwamen, niet binnen drie jaren neen binnen twee binnen (•en jaar, geheel veranderd en bedorven zouden zijn. Hof kunnen wy ons dan over den armen Uieliard verbazen? Zulk een ongelukkig jong-mensch,quot; hier nam hij een zachter toon aan, alsof hij hardop dacht, „kan zich niet verbeelden (v. o zou het kunnenV) dat de Kanselarij is wat zij is. Ir. zijne opgewondenheid verwacht by van dat Hof, dat het toch iet.- voor zijne belangen zal doen, en zijne zaak tot een of anderen uitslag brengen. Het stelt hem door gedurig uitstel te leur, martelt hem met te-leursteTling op teleurstelling, verijdelt telkens zijne hoop, put geheel zijn geduld uit; maar nog biyft bjj er iets van verwachten en daarnaar verlangen, \'-n vindt dan. dat zynegeheele wereld bedrieglijk en verraderlijk is. Oehja, zoo gaat het! Maar genoeg hiervan, melieve,quot;

Hy was mij al dien tyd blijven ondersteunen, en zijne teederheid was mij zoo dierbaar, dat ik myn hoofd op zijn -chouder liet rusten en hem zoo lief had alsof hy myn vader was. Ik besloot in dat ongenblik van stilte by mij zelve, om als ik gt;terker werd Richard op eene of andere wü- te gaan spreken en te beproeven hem tot andere gedachten te brengen.

,Kr zijn betere onderwerpen dan deze,quot; z.eide mijn voogd, .voor zulk een vrooiyken tijd als die van uw herstel. Kn ik bad eene boodschap ■ un zoodra ik maar kon van een daarvan te beginnen. Wanneer zal Ada u komen zien, me-lieVe ?quot;

Ik had ook :il daaraan gedacht, en daarby eenigszins, maar niet veel. aan de weggenomen spiegels, want ik wist, dat mijne dierbare Ada my quot;om de verandering van myn voorkomen niet te minder zou liefhebben.

,Lieve voogd,quot; zeide ik, „nu ik haar zoolang van my heb weggehouden, schoon zij waarlijk zoo goed als het licht voor mij is ....quot; — „Dat weet ik wel, zeer wel.quot;

Hij was zoo goed. zijn handdruk duidde zooveel liefde en quot; medelijden aan en zijne stem stortte zulk een troost in mijn hart, dat ik een oogenblik stilzweeg, geheel buiten staat om voort te gaan.

,,.la, ja. ge zijt moe,quot; z.eide hij. ,Kust eens wat.quot; - „Daar ik Ada zoolang van my heb weggehouden,quot; begon ik opnieuw, na eene korte poos, .dunkt mij. dat ik gaarne nog een weinigje langer mijn eigen zin zou willen hebben, voogd. Het zou best wezen, dat ik niet meer hier was als ik baar voor het eerst zag. Als Charley en ik, zoodra ik weder reizen kan, naar eene stille plaats op het land gingen, en ik daar eene week bleef om sterker en door de zuivere lucht opgefrischt te worden, en het gelukte gemoet te zien van Ada weder bij my te hebben, denk ik, dat het beter voor mij zou z.yn.quot;

Ik hoop, dat het geeue kleingeestigheid van my was te wenschen, dat ik zelf wat meer aan mijn veranderd voorkomen gewend was, eer ik de oogen ontmoette van Tiet dierbare meisje, dat ik zoo vurig verlangde te zien. In allen gevalle, bet was zoo. Hij begreep mij, dit wist ik wel; maar daarvoor was ik niet bang. Als het eene kleingeestigheid was, wist ik ook wel, dat hy die zou yerschoonen.

„Ons verwend huismoedertje,quot; zeide mijn voogd, „moet dan ook hierin haar zin hebben, schoon ik weet, dat bet beneden tranen zal kosten. Kn zie eens hier! Daar is Hoythorn, met zijn ridderlijk hart, en zweert zulke geweldige eeden als nog ooit. op bet papier zijn gezworen. dat als gij zijn gebeide buis niet in bezit komt nemen, hetwelk hij daartoe reeds met opzet heeft geruimd, bij, hij hemel en aarde, het dan zal afbreken en geen steen er van op den ander laten.quot;

Kn mijn voogd gaf mij een brief over, die niet met bet gewone „Mijn beste .larndyce.quot; of zoo iets, begon, maar terstond als het ware storm liep met de woorden: „Ik zweer, als juffrouw Summerson niet hier komt en mijn huis in bezit, neemt, dat ik heden ten een ure voor haar ontruim,quot; en vervolgens met den groot--ten ernst en de nadrnkkelijkste verzekeringen de buitengewone verklaring aflegde, die ik gehoord had. Wij achtten den schrijver niet te minder, omdat wy over den brief hartelijk lachten, en spraken\' af, dat wy hem morgen een brief van dankbetuiging zouden zenden en zyn aanbod aannemen. Dit voorstel was inder-


-ocr page 259-

EEN I5KZ0EK VAN JUKPROMW ELITE. 245

ilaud zeer aangenaam, want onder allo plaatsen, waaraan ik had kunnen denken, was er geeno, waarnaar ik liever wilde heengaan dan naar Kastanje-Hof.

„Nu, hnisvrouwtje,quot; zeide mijn voogd, op zijn horloge kijkende, „ik heb streng mijn tijd bepaald eer ik boven kwam, want gij moet niet te vroeg vermoeid worden; en mijn tijd is nu tot de laatste minuut toe om. Ik heb evenwel nog een verzoek. Dat jult\'rouwtje Flite, die bij geruchte gehoord had, dat gij ziek waart, heeft\'er niet op gezien om te voet bier to komen twintig mijlen ver, arme ziel, niet dansschoentjes aan - om naar u te vragen. Het was een geluk, dat wij thuis waren, of zij zou ook weer te voet zijn teruggegaan.quot;

De oude samenzwering om mij vergenoegd 1 te maken! iedereen scheen er in betrokken!

„Nu, mijn hartje,quot; zeide mijn voogd, „als het u niet te vervelend was om dat arme goede 1 schepseltje eens op een achtermiddag bij n te j laten, eer gij Boythorn\'s huis, dat anders afgebroken wordt, gaat redden, geloof ik, dat gij haar blijder en trotsoher zoudt maken, dan ik :

hoewel mijn beroemde naam Jarndyce is in geheel een leven zou kunnen doen.quot;

Ik twijfel niet of hij wist wel, dat het gezicht van dat ongelukkige schepsel mij toen eene zachte maar heilzame les zou geven. Ik gevoelde dit terwijl hij nog sprak. Ik kon hem niot hartelijk genoeg zeggen hoe gaarne ik haar wilde ontvangen. Ik had altijd medelijden met haar gehad, maar nooit zooveel als nu. Ik was altijd bljjde geweest met mijn gering vermogen om haar in haar ongeluk te troosten; maar nooit, nooit half zoo blijde als nu.

W ij bepaalden een tyd wanneer juffrouw Flitc met do diligence zou overkomen en hij mij blijven eten. Toen mijn voogd heenging, keerde ik mijn hoofd om en bad om vergilfenis, indien ik, door ; zulke zegeningen omringd, ooit de kleine be- : proeving, die ik moest ondergaan, te zwaar had geacht. Het kinderlijk gebed van dien vroege-ren verjaardag, toen ik zoo vurig gewenscht ! had vlijtig, tevreden en trouwhartig to worden, en iemand iets goeds te doen, en voor my zelve eenige liefde te winnen, ais ik kon, : kwam my weder voor den geest, met de eenigs-zins verwijtende gedachte hoeveel geluk ik sedert had genoten, en hoeveel liefderijke har- , ten zich voor mij hadden geopend. Indien ik nu zwak was, wat hadden dan nl die zegeningen mij gebaat? ik herhaalde het oude kinderlijk gebod met de oude kinderlijke woorden, en bevond, dat het nog de oude kracht had om myn gemoed tot rust te brengen.

.Mijn voogd kwam nu dagelijks, liinneneene week of daaromtrent, kon ik door onz1 ka- 1 mei - rondwandelen, en achter liet venstergordijn lange gesprekken met Ada houden. Evenwel zag ik haar nog nooit; want ik had nog

den moed niet om het dierbare gezichtje te beschouwen, hoewel ik dit gemakkelijk had kunnen doen zonder dat zij mij zag.

op den bepaalden dag kwam jutfrouw Flite. ( icheel en al hare gewone deftigheid vergetende, kwam de goede ziel mijne kamer binnenloo-pen, en bevende van aandoening uitroepende; ..Mijne lieve Fitz -larndyce!quot; viel zij mij om den hals en kuste mij wel twintigmaal.

„Och Heere!quot; zeide zij, hare hand in hare reticule stekende; „ik heb hier niets dan documenten, mijne lieve Fitz Jarndyce. Ik zal een zakdoek van u moeten leenen.quot;

Charley gaf er haar oen, en het goede jufvrouwtje kon er zeker wel een gebruiken, want zij hield hem met beide handen voor hare oogen, en zat zoo wel tien minuten lang te schreien.

„Van blijdschap, mijne lieve Fitz .larndyce,quot; verklaarde zij my daarna. . Van idijdsehap, dat ik u weder gezond zie. Van blijdschap, dat ik de eer heb van bij u te mogen komen. Ik hond zooveel meer van u, meliove, dan van den kanselier. Hoewel ik toch niet nalaat regelmatig de zittingen van liet Hof by te wonen. Apropos,

melieve, van zakdoeken gesproken____quot;

Hier zag jutfrouw Flite Ciiarley aan, die haar van de plaats, waar de diligence ophield, was gaan afhalen, Charley zag naar mij, en scheen ongaarne te hebben, dat zy verder zou spreken.

„Gij hebt gelijk, groot gelijk,quot; zeide jutfrouw Flite. .Het was zeer onbescheiden van mij. ilat ik er melding van maakte; maar mijne lieve jutfrouw Fitz Jarndyce, ik vrees, dat ik nu en dan (tusschen ons gezegd) een weinigje van de wijs ben, weet ge,quot; en daarbij raakte zij haar voorhoofd aan. „Meer niet.quot; — „Wat badt gij mij willen zeggenzeide ik glimlachend, want ik zag wel, dat. zij verlangde voort te gaan. „lt; iij hebt mijne nieuwsgierigheid gaandegemaakt en moet die nu ook voldoen.quot;

Juffrouw Flite keek Charley wederom aan, alsof zy haar in deze gewichtige verlegenheid om raad vroeg, en (\'harle\\ zeide; .Weinu,jufvrouw Flite, dan moest gij het liever maar vertellen;\'quot; waarmede zjj jutfrouw Flite zeker bijzonder genoegen deed.

.Zoo schrander, ons vriendinnetje 1quot; zeide zy tegen mij op hare geheimzinnige manier. „Klein maar zeer schrander! Wel, melieve, het is eene aardige anekdote. Meer niet. Maar ik vind het toch allerliefst. Wie moest ons daar op neg achterop komen, toen wij van de diligence kwamen? Fone arme vrouw met een lang niet fatsoenlijken hoed....quot; ...lemiy met uw believen. jutfrouw,quot; zeide Charley .Juist zoolquot; liet jutfrouw Flite. vriendelijk knikkende, hierop volgen. „Jenny! Ja wel. Hu wat vertelt zij ons vriendinnetje? dat er eene dame met eene voile aan baar huisje is geweest om naar de gezondheid van myne lieve Fitz Jarndyce te vernemen, en dat zij een zakdoek tot gedach


-ocr page 260-

HKT VEHLATKN Hl IS.

tenis heeft medegenomen, all oen onulat hot die van zijne liomimielijke Fit/, .lariidyet\' was! Nu, (lat vond ik allorlii\'lst van die dame met i de voile.quot; .Met uw believen, jutlVonw,quot; | •/.eide (Jharley, toen ik haar eenigszins verwon- | derd aanzag. .Jenny /.egt. dat gij. toen haar ! kindje sliert\', daar een zakdoek hebt gelaten, i en dat zij dien weglegde en bij het underegoed I van haar kindje bewaarde ik denk, baltquot; omdat bij van n was. julVrouw, en half omdat bet kindje er mee bedekt was geweest.quot; -„Klein, maar hnitengemeen schrander,quot; zeide jnlliouw Flite, mot hare vingers eene beweging over haar voorhoofd makende, om Charley\'s sehranderheid aan te duiden.Kn zoo klaar, j lieve! Zij is klaarder dan één advocaat, dien ik nog gehoord heb.quot; — .Ja, Charley,quot; antwoordde ik, .ik herinner het mij nu. \\\\ el, wat verder?quot; .Wel. jutlVouw,quot; zeide Char- i b\'V, „dat igt; dan de zakdoek, dien de dame me-de^enomen heeft. 1 !n Jenny had gaarne dat ge w ist, dat /ij dien zelve voor geen geld /011 hebben weggedaan, maar dat de dame hen: medenam. ••a er geld voor liet liggen. Jenny kent haar ireheel niet. jntfrouw.quot; .Wie zou bet dan wezen?quot; /eide ik. ..Mi lieve,quot; antwoordde jnf-fronw Flite, db ht aan mijn oor en met een zeer geheimzinnigen blik, .naar m jjne gedaehte maar laat ons vriendinnetje er nieis van hoo-ren is /ij de vrunw van den lord-kanselier. Hij i~ getrouwd, weet ge. Hn naar ik hoor. moet /ij .«ebrikkelijk met hem leven, /ij gooit z|ine l.a]\'iijien in lud vuur, mtdieve, als hij baai-juwelier niet wil betalen.quot;

Ik d.eiit t*\'e11 niet veel over die dame, want ik \\erbeeldde mij. dat het (\'addy wel kon geweest /ijn. H\'ivendien werdmijueaandaehtdoor 11 ijne beZ\'M\'klt;ter afgeleid, die na baar 1 quot; ht koud en iüingeritr -eheen te /ijn. en die ook, t\'quot;-!i de tafel voor ons gedekt w(igt;, eenige hulp n \'odiü bad om zieb met een janimcrlyk oud sbawltj\'\' ••it een veel gedragen en dikwyls versteld paar handschoenen op to schikken\' Ook moest ik de honnenr- van de tafel waarneme i. lie m.i.ihiid licstond uit een si botel vi-. h. een gebraden hoentje, een rjjstgebak, een sehoteltje groente, een ijoilding. •■n madera, voorjuttrOnw Flite een praehtig féfstm 1 al; en het was zno aardig t\'- /ien. h\'.ie /ij daarover was nj.getogen en met hoeveel ^taat^i»1 en complimenten/.y hét onthaal eer aandeed, dat ik weldra aan niets anders meer daeht.

Fien wij i\'.-ri klein dr-s.a t \\ •11.-!, idden staan, dat door do handen mijner Ih-ve Ada was opgesierd, die het toe/i ht over all - wat v gt;..r ttiij werd gerecdgeniaakt aan nb\'n md anders wilde overl iten, werd jurtroii v Flite zoo ojige-ruimd en spraak/aam, dat het mij liiivbd haar e\'-iis op hari\' eiirene ge-ehi\' deiii^ te brengen, daar /ij altjid to«\'h zóóveel lust Tuinde 0111 over zieh zelvquot;1 te praten. Ik begon niet b\' /eggen:

„Gij hebt nu al vele jaren den lord-kanselier niet uit het oog verloren, jntfrouw Flite?quot; .0 ja. al vele, vele jaren. .Maar ik verwacht nu ook eene uitsptaak. Binnen kort.quot;

Mr lag /00 iets angstigs /elIs in hare hoop, dat ik tw ijfelde of ik wél gedaan had met dit onderwerp aan te roeren. Mij daeht, ik moest er maar niets van zeggen.

„Mijn vader verwachtte al eene uitspraak,quot; hervatte zij. -Mijn broeder, mijne zuster, allen verwachtten zij eene uitspraak. Dezelfde, die

ik nog verwacht,quot; — „Zij zijn allen____quot; - „Ja,

dood, natuurlijk, melieve,quot; zeide zij.

Kaar ik nu zag, dat zij verder wilde gaan, achtte ik bet beter te beproeven of ik haar niet van dienst kon zijn door over bet onderwerp te spreken, in plaats van het te vermijden. Zou het niet verstandiger zijn,quot; zeide ik, .yeene uitspraak te verwachten?quot; — .Welja, melieve,quot; antwoordde zij snel, „dat zou het zeker,quot; — „Mn de zittingen van het Hof niet meer bij te wonen?quot; . F ven zeker,quot; antwoordde zij. „Het is zeer afmattend altjjd in verwachting te blijven van iets, dat nooit komt, mijne lieve Fits .larndyce. liet doet iemand uitteren, dat verzeker ik u,quot;

Zij liet mij even baar arm zien, die inderdaad -ebrikkelijk mager was.

..Maar, melieve,quot; vervolgde zij op hare ge-hcimziimige manier. .Die zaal heeft iets, (lat iemand op eene wonderbare, akelige manier aantrekt en vasthoudt. Stf Spreek er niet van tegen ons vriendinnetje, al- zij binnenkomt, of zij zon lt;t erg bang van kunnen worden - en met goede reden. Die zaal heeft iets, dat gruwelijk aantrekt, (üj kunt er niet vandaan blijven. Kn gij moet blijven verwachtenquot;

Ik trachtte haar te verzekeren, dat dit niet zoo was. Zij hoorde mij geduldig en glimlachend aan, maar was terstond met een antwoord op hare manier gereed.

Ja. ja! Zoo denkt gij, omdat ik somtijds een beetje van de wijs ben. liet is wel gek, niet waar, zoo van de wijs te zijn? En vermoeiend ook — voor het hoofd. Dat ondervind ik. Maar, melieve, ik ben daar nu vele jaren geweest, en ik heb er wel op gelet. Het is de staf en het zegel op de tafel.1\'

Wat daeht /ij. dat die konden doen? vroeg ik haar.

Zij trekken en zuigen,quot; antwoordde jntfrouw Flite /ij trekken de mensehen aan en zuigen hen uit. Zij zuigen hunne zielsrust uit, hun verst.md uit, hunne goede eigenschappen uit. Ik heb zelfs wel gevoeld, dat zij des nachts mijn slaap wi\'ir/Ojgen, die koude, glinsterende, duivelachtige dingen!quot;

Zij klapte mij versebeidene malen op den arm en knikte vriendelijk, als wilde/ij mij deen begrijpen, dat ik niet bang voor haar behoefde te /.ijn, hoewel zij op zulk een somberen toon


-ocr page 261-

EEXK VEHDEUKKIJ.IKI\']

A A NTK\' KK KIMISKKACIIT

sprak, en mij zulke akelige ö\'clieimen mededeelde.

„Laat eens zien,quot; zeide zij. ,ik wil 11 mijn eigen geval vertellen. Ker zij mij aantrokken — eer ik ze ooit gezien had «at placht ik toen te doen? Tamboerijn spelen? Neen. Tambour-werk. Ik en mijne zuster zaten daar altijd aan. ()nze vader en broeder waren aannemers van gebouwen. Wij woonden bij elkander, en leefden heel fatsoeniyk. Merst werd mijn vader aangetrokken langzamerhand; en ónze welvaart en ons huiselijk geluk werden weggezogen. In weinige jaren was hij bankroet, en een knorrig, opvliegend, wrevelig mensch, die nooit voor iemand een goed woord had. Hij was zoo geheel anders geweest, Fitz Jarndyce. Hij werd al verder meegetrokken, naar eéne seh\'uldge-vangenis. Daar stierf lm. Toen werd mijn broeder meegetrokken en kwam tot dronkenschap, armoede en dood. Toen werd mijne zuster meegetrokken. St! Vraag mjj nooit waartoe zij kwam! Toen was ik ziek en in ellende; en ik hoorde, zooals ik al dikwijls had gehoord, dat dit alles het werk van die Kanselarij was. Toen ik beter werd, ging ik eens naar dat monster kijken, en toen ondervond ik hoe liet was, en werd ik ook aangetrokken en moest er blijven.quot;

Nadat zij haar kort verhaal ten einde had gebracht, hetwelk zij met eene gesmoorde stem had uitgesproken, alsof\'de schok van al die gebeurtenissen nog versch was, nam zij langzamerhand haar gewoon voorkomen vaii vriendelijke deftigheid weder aan.

„Oij gelooft mjj niet geheel en al, melieve. Nu, eens zult ge dat wel doen. Ik ben nu en dan wel een weinigje van de wijs. Maar ik heb het toch wel opgemerkt. Ik heb in die vele jaren vele nieuwe gezichten, zonder iets te vermoeden, onder den invloed van den staf en het zegel zien komen, evenals mijn vader daar kwam, en mijn broeder, en mijne zuster, en ik zelve. Ik hoor mijnheer Kenge en de anderen tegen die nieuwe gezichten zeggen: ..Haar is kleine juffrouw Flite. (jij zijt nier nog nieuw, en moet u aan julfrouw Flite laten presenteeren.quot; Hat is heel goed van hen, en ik ben zeker trotsch op die eer; en wij lachen allen. Maar, Fits .larudyce, ik weet wel wat er gebeuren zal. Ik weet, veel beter dan zjj, wanneer de aantrekking begonnen is. Ik ken de teekenen, lieve. Ik zag het begin daarvan by \' iridley, en ik zag het einde. Fitz Jarndyce, lieve vriendin,quot; hier sprak zij wederom zacht, „ik zag het begin er van by onzen vriend den Pupil in .larudyce. Laat iemand hem toch terugnouden, of het zal hem in zijn verderf trekken.quot;

/ij zag mij eene poos stilzwijgend aan, terwijl er langzamerhand een glimlach op haar gezicht kwam. Zjj scheen te vreezen, dat zij te somber was geweest, en ook weder van de zaak af te dwalen.

„Ja,quot; zeide z.y beleefd, en nam een teugje uit haar glas, „ja, melieve, zooals ik zeide, ik verwacht eene uitspraak, een oordeel. I{innen kort. Hau zal ik mijne vogeltjes vrijlaten, weet ge, en landgoederen present geven.quot;

Ik was getroffen door haar gezegde over Richard en ai het treurige, dat door de verwarring barer denkbeelden heenscheinerde. Hoch gelukkig voor haar was zy nu weder geheel vergenoegd en zat glimlachend te knikken.

„Maar, melieve,quot; zeide zij vroolijk, hare hand uitstrekkende om die op de mijne te leggen. „Hij hebt mij nog niet over mijn dokter gefeliciteerd. Waarlijk, nog niet eens!quot;

Ik was genoodzaakt te bekennen, dat ik niet wist wat zij meende.

„Mijn dokter, mijnheer Woodconrt, lieve, die zoo buitengemeen oplettend voor my was. Hoewel zijne diensten wel onbeloond zullen Idijveu tot den dag des oordeels. Ik meen van dat oordeel, die uitspraak, die mij uit de toover-rnacht van den staf en het zegel zal bevrijden.quot;

.Mijnheer Woodcourl is nu zoo ver weg,quot; zeide ik, „dat ik het voor zulk eene felicitatie te laat achtte.quot; .Maar, mijn kind.quot; antwoordde zij, „is het mogelijk, dat gij niet weot vvat er gebeurd is?quot; „Ik weet van niets,quot; zeide ik. — „Niet, waarover alle mensch on ge-praal hebben, mijne beminde Fitz Jarndyce?quot;

.Neen,quot; antwoordde ik. „lt;gt;ij vergeet hoelang ik hier ben geweest.quot; .Hat is waar, lieve, voor het oogenblik. Ik moet schuld bekennen. Maar mijn geheugen is mij ook al uitgezogen, door waar ik daar straks van sprak. He invloed is verbazend sterk, niet waar? Welnu, lieve, er heeft eene vreeselijke schipbreuk plaats gehad, daar ver in de Oost-Indische zee.quot; ■ „Heeft mijnheer Woodcourt schipbreuk geleden?quot; „Ontstel maar niet, lieve. Hij is gered. Ken ontzettend tooneel. De dood iu alle gedaanten. Honderden van dooden en stervenden. Brand, storm en duisternis Fene menigte menschen half verdronken op eene rots geworpen. Toen en door dat alles neen is mijn beste dokter een held geweest. Moedigen bedaard onder alles. Heeft velen het leven gered. nooit geklaagd ouder honger eu dorst, naakten in kleederen gewikkeld, die hij zelf uittrok, zich aan hel hoofd geplaatst, hun gezegd wat zij doen moesten, het gezag op zich genomen, de zieken opgepast, de dooden begraven, en de weinigen, die in leven gebleven waren, er eindelijk veilig afgebracht. Mc lieve, die ongelukkigen aanbaden hem bijna Zij vielen voor zijne voeten, toen zij aan de kust kwamen, en zegenden hem. Het geheele land gewaagt er van. Wacht eens! Waar i-mijn zak met doenmenten\'? Ik heb het daarin, en gij moet het lezen gij moet het lezen.quot;

Ik las de g(dieele treilende geschiedenis, hoewel toen zeer langzaam en moeielijk, want mijne


-ocr page 262-

li KT VERLATEN lll\'is.

oogen scliemerilon zoodanig, dat ik do letters niet kon oiidersdieiden, en ik schreide zooveel, dat ik dikquot; ijls het verslag, dat /ij uit een nieuwsblad geknipt had. moe.-t neerleggen. li*gt;tstreelde mü zoo zeer, dat ik den mail gekend had, die zieh zoo edel en moedig had gedragen: ik verheugde mij zoo zeer in zijn roem; ik bewonderde hem zoo zeer, ja ik had hem zoo liet\' om hetgeen hij gedaan had, dat ik de sehip-breukolingen benijdde, die aan zijne voeten waren gevallen en hem als hun redder hadden gedankt. Ik had zelf daar zoo ver weg wel willen knielen en hem in mijne verrukking zegenen, dat hy zoo waarlijk goed en dapper was geweest. Ik gevoelde, dat niemand —moeder, zuster of vrouw hem vuriger kon vereeren dan ik. Dat deed ik waarlyk.

Juffrouw Flite gaf mij het verslag ten geschenke. en toen de avond begon te vallen en zij opstond om afscheid te nemen, opdat de diligence, waarmede zij moest terugrijden, haar niet zou ontsnappen, was zij nog vol van die schipbreuk, terwjjl ik nog niet bedaard genoeg was om ze mij in alle bijzonderheden te kunnen voorstellen.

,Melieve.\' zeide zij. terw ijl zjj zorgvuldig hare handschoenen oprolde. ,niijn brave dokter moest een titel krijgen; en dat zal hy zonder twijfel wel. Denkt irij dat ook niet?quot;

Dat hij er wel een verdiend bad jn. Dat hij er een bekomen zou - ■ neen.

„W \'.arm niet, Fitz Jarndvce?quot; vroeg zij eenigszins scherp.

Ik zeide. dat bet in Engeland geen gebruik was menschen, die zien door vreedzame diensten, boe groot en goed ook. hadden onderscheiden,. met titels te beschenken, behalve -oratijds. wanneer die diensten in het opstapelen van eene geweldige groote som gelds hadden bestaan.

„.Maar lieve hemel,quot; zeide juffrouw Flite, .!.•••• kunt gij daquot; zeggen? (i.j weet bvb zeker wei, lieve, dat al de gro.itste sieraden van Hnge 1 and, menschen van buitengemeene kimde. verbeelding, ijverige weldadigheid, uitstekend iii w it het ook wezen mag. in den adel \\\\ rden verheven! \'iij moet nu een weinigje v.m de wijs ziji:, dunkt my, als gy niet weet, dat d;t di grceite reden is waarom titels hier te !a: ie . eu * igdurend zullen zyn.quot;

Ik vreegt; waailjjk, dat /ij geloofde wat zij zeide. want er waren quot; .genblikken wanneer /y al zeer mt \\ari de wij- w is.

hu nu moet ik het kb-ine geheim medeocelen, dat ik tot dusverre heb gepoogd te bewaren. Ik had somtjjds gedacht, dat Woodcoart mij liefhad: en dat by, indien hij rijker was gewe.\' t, mij dit mis-. Iiiei, / .u ge/i-gd heltben, eer tiij \\ertrquot;1. Ik had -.omtijds gedaclit, dat ik, als bij dat gedaan had, er verheugd over /nu zyn geweest. Maai hoeveel beter was het nu, dat dit nooit gebeurd was! Wat zou ik bedroefd zijn geweest, als ik hem had moeten schrijven, hoe het onbeduidende gezichtje, dat hij als het mijne had gekend, nu geheel verdwenen was. en dat ik hem vrijwillig ontsloeg van alle verplichting aan iemand, die hij nooithad gezien !

O, bet was nu zoo veel heter! Terwijl ik voor zulk een zielsverdriet genadig bewaard was gebleven, kon ik van harte myn kinderlijk gebed herhalen om dat alles te worden wat hij zich zoo schitterend had getoond, en behoefde er niets gedaan te worden; behoefde ik geen keten te breken, of hij er geen te blijven slepen; kon ik, als het God behaagde, mijn nederigen weg langs het pad van mijn plicht voortzetten, en kon bij zijns weegs gaan op eene breedere baan; en schoon wy op reis ver van elkander bleven, kon ik hopen hem aan het einde daarvan te ontmoeten, als een veel beter wezen, dan waarvoor hij mij gehouden had, toen ik eenige gunst in zijne oogen had gevonden.

XXXVI.

KASTANJ K-HOF.

Charley en ik namen niet alleen de reis naar Lincolnshire aan. Mijn voogd had zich voor-genoiiien mij niet uit het oog te verliezen, voordat ik veilig in het huis van mijnheer Hoy-thorn was; hij vergezelde ons dus, en wij bleven twee dagen onderweg. Ik vond ieder zuchtje van den wind, eiken geur van het veld, ieder bloempje, blaadje en grashalmpje, alles in de natuur schooner en meer verwonderlijk dan ik nog ooit gedaan had. Dit was myne eerste winst uit mijne ziekte Hoe weinig had ik verloren, daar de wijde wereld zoo vol genot voor mij was!

Daar mijn voogd terstond wilde terugkeeren, spraken wy onderweg reeds een dag af, waarop mijne lieve Ada zou komen. Ik schreef haar een brief, dien hij medenam; en hij verliet ons een half uur na onze aankomst op de plaats onzer bestemming, op een heerlijken avond in het begin van den zomer.

Indien eene goede fee het huis voor mij gebouwd of door het zwaaien van haar tooverstaf opgeroepen had, en ik eene prinses en haar geliefkoosd petekind was geweest, had men er met meer werk van mij kunnen maken. Zoovele toebereidselen waren voor injj gemaakt, en /00 viiendelyk had men daarby om myn smaak en myne voorkeur inallerlei kleinigheden gedacht, dat ik, eer ik de kamers half had be/ichtigd, wel twaalfmaal in tranen had kunnen uitbarsten. Ik deed echter beter door ze ook aan L\'harley te laten /ion, Charley s verrukking deed de myne bedaren; en nadat wij eene wandeling in den tuin hadden gedaan, en Charley bare geheele


-ocr page 263-

KSTIIKK Ol\' K\'ASTAN.IK-110K.

woordenlijst van uitdrukkiiigoii van bewondo-ring had uitgeput, was ik /00 stil vergenoegd als ik behoorde te zijn. Het was een groot genoegen, dat ik na de thee in staat was, tot injj zelve te zeggen: „Esther, nieiieve, ik geloof, dat ge nu genoeg bij uw verstand zijl, om een brief van dankbetuiging aan nw gastheer te gaan zitten schrijven.quot; Hij had et-u briefje achtergelaten om mij te verwelkomen, zoo vrooiyk als zijn eigen gezicht, en had zijn vogeltje aan mijne zorg aanbevolen, hetgeen ik wist, dat het hoogste blijk van zijn voltrouwen was. Ik schreef dus een briefje\'aan

ik haar dien avond niet meer zou noodig hebben.

Want tot nog toe had ik niet in den spiegel gezien, en ik had niet gevraagd om mij den mijnen terug te geven. Ik wist, dat dit eene zwakheid was, die ik te boven moest komen; maar ik bad mij zelve altijd gezegd, dat ik daarmede opnieuw zou beginnen, wanneer ik eens zoo ver was als nu. Ik verlangde dus alleen te zijn, en toen ik in mijne kamer alleen was, zeide ik tot mij zelve: „ Ksther, als gjj gelukkig wilt zijn, en vrijheid wilt hebben om te bidden, dat God 11 verder zal zegenen, moet oij uw woord houden.quot; Ik was ook vast voor-


hem in Londen, om hem te zeggen hoe al zijne geliefde planten en boomen er uitzagen, en hoe het schranderste van alle vogeltjes de eer van zijn huis had opgehouden en mij eene gastvrije welkomst geboden, en boe het, na tot verrukking van rnjjn kameuiertje op mijn schouder te zitten zingen, in het gewene boekje van zijne kooi was gaan slapen maar ol het al of niet droomde kon ik niet berichten. Dit briefje naar de post gezonden hebbende, maakte ik bet nijj zeer druk met het ontpakken en bergen van mijn goed; en daarna zond ik (,\'hiirlej vroeg naar bed en zeide haar, dat bet te houden; maar ik zette mij toch ene poos neer om over al mijne zegeningen na te denken. Mn toen deed ik mijn gebed en dacht een weinig na.

Mijn haar was niet, afgesneden, hoewel het meer dan eens in gevaar was geweest Het quot;as lang en zwaar. Ik maakte het lus en schudde het Uit, en ging naar den spiegel op het toilettafeltje. Mr hing een neteldoeksch gordijntje voor. Ik scjioof bet weg en stond voor een oogenblik te kijken door zulk een sluier van mijn eigen haar dat ik niets anders zien kon. Toen streek ik mijn haar op zijde en keek naar mijn beeld

nemen eerst


-ocr page 264-

11 KT VKKI,ATKN IH IS.

in den spicgol. bomoedigd door to zien lioo kalm hot rnij iiiinzag. Ik was vool voranderd — zeer veel. In liet eerst was mijn eigen gezicht uiij zoo vreemd, dat ik missehien inyne handen er vimr zon hebhen gehouden en tenijï^edoinsd zou zijn, z/iiider die aanmoediging, waarvan ik zoo even sprak. Zeer spoedig werd liet mij meer ■jeineon/aam. en toen zag ik de grootte der ver-andi\'i\'ing beter dan ik eerst bad gedaan. Het was volstrekt niet wat ik verwaeht had: maar ik iiad iiifts bepaalds venvarht, en mag wel ze^ij\'en. dat iets bepaalds injj zou verrast hebben.

Ik was nooit eeno sehoonheid gewoest en had \' mij zelve n ioit daarvoor gehouden; maar ik was to.-h geheel anders geweest dan zóó. Alles was nu verdwenen. De Hemel was mij zoo genadig, dat ik het met eenige weinige, niet hittere tranen verloren kon aehten, en daarna met een waarlyk dankbaar hart mijn haar kon staan opmaken.

la\' was iets. dat rnjj ontrustte, en ik dacht er lang over na eer ik in slaap viel. Ik had de bloemen van mijnheer Woodeonrt bewaard. Toen zij verwelkten, had ik ze gedroogd en in een

I.....k oeipn.i, waarvan ik veel hield. Niemand

wist dit, zelfs Ada niet. Ik twijfelde er aan of ik wel reeht had iets te bewaren, dat aan iemand, die zoo geheel anders was, was gezonden ■ fik hem w.l edelmoedig behandelen zou, als ik dit deed. Ik wensrhte edelmoedig voor hem te zij;:, zelfs in de geheimste schuillioeken van Miijn hart, die hij nooit kennen zon, omdat ik hen! had kunnen liefhebben - mij geheel aan , hem had kunnen toewijden. Eindelijk kwam ik tot bet besluit, dat ik ze mocht behouden, indien ik ze alleen bewaarde als eene gedachte-::is van iets. d it onherroepelijk voorbij was en U\'«-.it weder in eenig ander licht mocht be--■■liouivd worden. Ik Ie.op niet, dat dit beuzel-achtig zal s. Iijjnen. Ik was toen zeer ernstig. I

Ik droeg Z\'.rg des morgens vroeg op te zijn en voor den spiegel te staan, toen Charley op ! hare teenen binnenkwam.

.«• lieve, lieve jurtVouw!quot; riep \'Tiarlej ver-

hrikt uit. .,/ijt gij daar?quot; .Ja, Charley,quot; /.eiik- ik- -til mijn. haren opstekend.-; _en ik 1.quot;!; waarlijk /• -r «••] en zeer vergenoegd.quot;

Ik / ij. dat dit Charley een pak van het hart nam; maar het mijne was nog meer verlicht. Ik wi-r nu he: e.-jr^te en had er my in geschikt. Ik zal. als ik verder kom. de zwakheden, die ik niet gebeid .■•T-Niine ii kon. niet verbergen; maar ik was ze alt,yd spoedig te boven, en mijne vergenoegde -temming bleef nijj dan weder getrouwelijk lijj.

Daar ik mijne kraehten naar liehaam en ziel geheel w. n-i hte te herwinnen eer Ada kwam, i maakte ik nu met lt;\'harle\\ eene gansche reeks van plannet jes ..m flen gebeelen dag in de fri-- i

hi\'hl te kunnen zjjii. Wij zonden voor het ■oitbijt uitgaan en vroeg eten, en voor en na 1

den eten wederom uitgaan, en na de thee in den tuin wandelen, en vroeg naar bed gaan, en eiken heuvel in den omtrek beklimmen, en alle wegen, paden en velden opzoeken. Wat versterkende middelen en versnaperingen aanging, de goede huishoudster van mijnheer Boy-thorn kwam gedurig met iets te eten of te driii-ken aandraven; men kon zelfs niet hooren, dat ik in het park zat te rusten, of zij kwam mij naloopeu met oen mandje en eene ernstige preek over de noodzakelijkheid om dikwijls voedsel te gebruiken. Man was er opzettelijk een hitje voor mij om op te rijden, een welgevoed hitje, met een korten hals, en manen, die het over de oogen hingen, dat zoo zacht en gemakkelijk kon galoppeeren als hij wilde - dat hij een ware schat was. Binnen weinige dagen kwam hij in de weide naar mij toe als ik hem riep. en at uit mijne hand, en liep my overal na. Wij kwamen tot zulk eene uitmuntende verstandhouding. dat, als hij met koppige traagheid eene beschaduwde laan afsjokte, en ik hem op zijn hals klopte en z.eide: „Stubbs, het verwondert mij. dat ge niet gaat galoppeeren als ge weet. dat ik hot gaarne wilde; en mij dunkt, dat kondt ge toch wel, want nu wordt ge maar suf en valt ge haast in slaap;quot; hij op eene comische manier zijn kop schudde en dadelijk in galop sprong; terwijl Charley zoo smakelijk bleef staan lachen, dat haar gelach mn als muziek in de ooren klonk. Ik weet niet wie Stuhhs zijn naam had gegeven, maar die scheen hem even natuurlijk eigen te zijn als zijne ruige vacht. Bens spanden wij hem vooreen wagentje en reden zegepralend door de groene lanen, vijf mijlen ver; maar op eens, terwijl wij zijne deugden prezen, scheen hij het kwalijk te nemen. dat hij zoover gedurig in het gezelschap bleef van een zwerm tergende muggen, die den gebeelen weg langs om zijne ooren hadden gezwierd. en bleef stilstaan om daarover te denken. Hij scheen tot het besluit te komen, dat dit niet te verdragen was; want hy wilde volstrekt niet meer voort, totdat ik de teugels aan Charley gaf, afstapte en vooruitging.\'I oen volgde hij rnij, met zekere knorrige vriendelijkheid, terwijl hy zijn kop onder mijn arm stak en zijn oor tegen mijne mouw wreef. Vrucht-teloos zeide ik: ,Kom aan. Stubbs, als ik n wel ken. zult ge nu wel alleen vooïtloopen, als ik een poosje ga rijden;quot; want zoodra ik hem alleen liet, stond hy weder stokstil. Zoo was ik genoodzaakt te blijven vooruitgaan; en op deze manier kwamen wy, tot groote vreugde van het dorp, naar huis terug.

Charley en ik hadden wel reden om dit dorp het vriendelijkste van alle dorpen te noemen, want binnen eene week tyds waren de men-\'Tien zoo blijde ons te zien voorbijgaan, al was het nog zoo dikwijls np een dag, dat zich in ieder huisje groetende gezichten lieten zien.


-ocr page 265-

(IKKX MOO.II\': HAM F. MKKK\'.

Ik had velen van de volwassenen, en bijna al de kinderen, vroeger gekend, maar nu begon /.elfs de kerktoren mij geineen/.nani en vriendelijk aan te kijken. Onder mijne nieuwe vrienden was eene oude vronw, die in oen met riet gedekt en van buiten gewit luitje woonde, zoo klein, dat het venslerlnik als het gesloten werd, den geheeleu voorgevel bedekte. Do/.e oude vrouw had een kleinzoon, die matroos was, en ik sehreereen brief voor haar aan hem en schetste bovenaan liet hoekje van den haard, waarhij zij hem had grootgebracht, en waar zijn bankje nog ledig op de oude plaats bleel\' slaan. Dit werd door het geheele dorp voor een verbazend kunststuk gehouden; maar toen er een antwoord kwam. geheel van l\'lyniouth, waarin hij schreef, dat hij de teekening naar Amerika zou inedenemen, en uit Amerika weder zou schrijven, kreeg ik al de eer, die men aan hel postkantoor had moeten geven, en werd de verdienste der geheele postinrichting aan mij toegeschreven.

Zoo luid ik, door zooveel in de opene lucht te zijn, met zoovele kinderen te spelen, met zoovele oude lieden te pralen, mei (\'luirlev les te geven en dagelijks ecu langen brief aan Ada te schrijven, haast geen tijd om aan dat kleine verlies van mij te denken, en was ik bijna altijd opgeruimd. Indien ik er nu en dan eens aan dacht, behoefde ik maar eene of andere bezigheid ter hand te nemen om het weder te vergeten. Ik gevoelde het dieper dan ik gehoopt bad, dat ik doen zou, toen eens een kind zeide: ,Moeder, waarom i.gt; die dame nu geene mooie dame meer, zooals zij placht te zijnVquot; Maar toen ik bevond, dat het kind daarom niet minder van mij hield, en met zeker medelijden zijne zachte handjes over mijn gezieht streek, was ik dat spoedig weer te boven. Vele kleine voorvallen braehten mij tot mijn troost te binnen. hoe natnuriyk het voor zachte harten is de minderheid van een ander met kiesche verschooning te behandelen Ken van die voorvallen trof mjj buitengemeen. Ik ging toevallig de kerk in, toen er juist een huwelijk was voltrokken en het jonge paar het register moest teekenon. De bruidegom die het eerst, de pen kreeg, zette een ruw kruisje in plaats van zijn naam; de bruid, die op hem volgde,deed hetzelfde. Nu had ik. toen ik vroeger daar was, de bruid gekend, niet alleen als bethevalligste meisje van liet dorp, maar ook als een der beste leerlingen van de school; en ik kon niet nalaten haar met zekere verwondering aan te zien. Zij kwam naast mij, en lliiisterde mij, met. tranen van oprechte liefde in de heldere oogen toe: «Hij is een goede, beste jongen, juilrouw; maar bjj kan nog niet schrijven bij zal het van my leeren en ik zou hem voor de geheele wereld niet beschaamd willen maken !quot; Wat had ik dan te vreezen, dacht

ik. als er iets zoo edels in de ziel eener boerendochter woonde!

De lucht woei mij zoo frisch en verkwikke lijk aan als bij ooit gedaan had, en de gezonde kleur kwam op mijn nieuw gezicht zoogoed als op liet oude. Charley was verbazend om aan te zien, zoo vroolijk en blozend zag zij er uit; en wij genoten beide den geheeleu dag, en sliepen den geheelen nacht gerust

Ik bad een geliefkoosd plekje in hel bosch van Kastanje-Hof, waar eene bank was geplaatst, waarvan men een verrukkelijk uitzicht had. Men had eene opening door bet bosch gehakt, om dit uitzicht nog te verfruaien; en het heldere, zonnige landschap, dat men dooi-die opening zag, w as zoo schoon, dat ik hier ton minste eens op een dag kw am zitten rusten. Ken schilderachtig gedeelte van het gebouw, de tiees-tenw andeling genoemd, vertoonde zich van dezen hoogeren grond op het allergunstigst ; en deze vreemde naam, en de overlevering in de familie Dedlock, welke dien naam verklaarde, en die ik van mijnheer Hoythorii had gehoord, paarde zich aan dat uitzicht, en deelde het, hovende natuurlijke bekoorlijkheden, iets geheimzinnig belangwekkends mede. Kr was hier ook eene helling, vermaard door de menigte viooltjes die er op groeide; en daar Charley groot vermaak had in hel plukken van wilde bloemen, ging zij even gaarne naar de plek als ik.

Het zou tot niets dienen, als ik nu wilde onderzoeken waarom ik nooit dicht bij het huis kwam, of er nooit binnenging. De familie was er niet. had ik hij mijne aankomst gehoord, en werd ook niet verwacht, liet ontbrak mij niet aan nieuwsgierigheid of belangstelling in het gebouw ; integendeel, ik zat mij op die plek dikwijls te verwonderen hoe de kamers | in elkander liepen, en of er werkeljjk, gelijk I het verhaal zeide, sómtijds op de eenzame Cees-i tenwandeling eene echo klonk, die naar een j voetslap geleek. De onbeschrijfelijke indruk, dien l.ad\\ Dedlock op mij gemaakt had, kan er wel iets toe hebben bijgedragen om mij van het gebouw verwijderd te houden, zei I\'s terwijl zij afwezig was. Ik ben daarvan niet zeker. Ik kon natuurlijk niet. aan het gebouw denken, zonder tevens aan haar en haar voorkomen te denken; maar ik kan niet zeggen, dat dit mij terughield, schoon er toch iets was. dal het deed. Om welke reden het ook wezen mocht, of misschien zonder eenige reden, ik was nog nooit dicht bij het gebouw geweest, tot op den dag waaraan ik nu met mijn verhaal ben gekomen.

Ik zat, na eeno lange wandeling, op mijn geliefkoosd plekje te rusten, en Charlej was oii eenigen afstand aan het viooltjes plukken. Ik had naar de (ieestenwandeling in de verte getuurd, die juist in eene donkere schaduw lag, en mij verheeld de vrouwelijke gedaante


-ocr page 266-

HET VEKI.ATKN HUIS,

IP

1

zij vriendelijk.

den zeer wel, La uwe oppassterV\'

vooruitzonden i delen V\' ,.(

bloemen maar volgen.quot;

(\'liarlo\\ neeg bood vast en ging

l.ady l\'odloek zieli naast injj op de bank

Ik kan mot geeno woorden den toestand van mijn gemoed beschrijven, toen ik in hare hand den zakdoek zag, die het donde kind had bedekt.

\'f? 5

mot

y,

naar

■li

zeer diep, strikte blozend ha ir \'leen. Toen zij weg was zette mij

Ik zag baar

iaar ik kun haar niet zien.

to /ifii, ilic nioii zi\'idi*. dut daar oitiwaarde, toon ik \\\\o f kei ijk door hot bosch eene godaanto zag nadoron. llot vorsdiiot was zoo diep, zoo verdonkord door hot gobladerto, on do soha-duwon dor takken op don grond maakten alles zoo soiieiiieraolitig en onduidelijk, dat ik eerst niet kon ondersolieiden welke gedaante het was. I.ang/.aiiiorhand bleek het eeno vrouw — eene dame Ladj 1\'edloek te zijn. Zij was alleen, en kwam, gelijk ik met verwondering opmerkte, mot u\'ol sneller tred dan haar gewoonlijk eigen was. op mij toe.

Ik word verlogen toen ik haar onverwacht zoo dicht bij mij zag (zij was haast nabij genoog om met haar to kunnen spreken, oor ik haar herkende) en wilde opstaan om mijne wandeling te vervolgen. Maar ik kon niet. ik was geheel roerloos geworden: niet zoozeer door eene haastige, sineokonde beweging, die zij maakte, niet zoozeer door haar snellen tred en haro vooruitgestokono handen, niet zoozeer door de grooto verandering in hare houding, het gemis van haro gewone trotsehe stijfheid, als nel dnor iets in haar gezk-ht, iets, waarnaar ik gosinaoht had en van gedroomd bad toen ik nog oen klein kind was, iets, dat ik nog nooit ui eonig gezicht, iets, dat ik nog nooit in het hare had gezien.

Ik gevoelde zekeren angst on [lauwheid on riop om (\'barley. Terstond blocf l,adv Dodlock staan on veranderde bijna weder in datgene wat zjj anders was.

.jJiillrouw Sunimerson,quot; zeide zij, nu langzaam nader komende, -ik vrees, dat ik u heb d ion schrikken, \'ijj kunt nog niet zoor sterk wezen. Ik wet. dat gij gevaarlijk ziek zijt geweest. Met beert mij zoor gespeten, dat te hooren.quot;

Ik had ovenmiri mijne oogen van datbleeke gelaat kunnen afwonden, als ik van de bank, waarop ik zat, kon opstaan. Zjj gaf mij hare band, on do kille koude dier band, zoo strijdig mot do gedwongone kalmte barer trekken, versterkte nog do toovermaebt, die mij overweldigde. Ik kan niet zeggoji wat er in mijne verwarde gedachten omging.

.Gij zijt mi weder aan hot herstellen ?quot; zeide Ik was geen oogenblik gele-I )edlock.quot; . Is dat meisje „Ja, quot; - „ Wilt gij haar dan mij naar uw huis wan-zoide ik. ,breng uwe buis. Ik zal u terstond

ik kon haar niet liooron, ik kon geen adem halen. .Mijn hart klopte zoo woest en geweldig, alsof hot leven er uit wilde broken. Maar toen zij mij aan hare borst nam, mij kuste, over mij schreide, mij beklaagde, en mij weder tot mij zelve bracht; toen zij op bare knieën viel en injj toeriep: ,0 mijn kind, mijn kind, ik bon uwe slechte, ongelukkige moeder! Zie of gij mij kunt vergeven!quot; — toen ik haar in haar zielsangst aan mijne voeten op don blooten grond zag liggen, toen gevoelde ik, door het oproer mijner aandoeningen heen, eene opwelling van dankbaarheid voor do voorzienigheid Gods, dat ik zoo veranderd was, dat ik baar nooit door eenigen zweem van gelijkenis tot schande kon zijn; dat niemand nu ooit moor baar kon aanzien en mij aanzien, en aan oenige nauwe betrekking tussciien ons denken.

Ik beurde mijne moeder op, haar biddende en sineokonde om niet in zulk eene droefenis en vernedering voor mij te knielen. Ik deed dit met afgebrokone woorden; want bij ai mijne aandoening ontzette hot mij nog haar aan mij no voeten te zien. Ik zeide haar — of poogde haar te zoggen dat, indien hot ooit onder eenige omstandigheden kon voegen, dat ik, haar kind, haar vergaf, ik dit deed, en reeds vele, vele jaren gedaan had. Ik zeide haar, dat mijn hart van liefde voor baar overvloeide; dat dit eene natuurlijke liefde was, die niets uit het verle-dene veranderd bad of verandoren kon. Dat het mij. die nu voor bet eerst aan de borst mi jner moeder rustte, niet voegde haar tor verantwoording to willen roepen omdat zij mij het leven had gegeven : maar dat het mijn plicht was haar te zegenen on haar aan te nemen, al keerde zich ook de goheelo wereld van baar af, en dat ik haar alleen vergunning vroeg om dit te mogen doen. Ik hield mijne moeder in mijne armen gesloten en zij mij in de hare; in de stille bosschen en do kalmte van dien zomerdag schoen er niets te wezen, behalve onze twee onrustige harten, dat niet in vrede was.

«Om mij te zegenen en aan te nemen,quot; jam-morde mijne moeder, „is bot veel te laat. Ik moet mijn donkeren weg alleen gaan, en die zal mij leiden waar hij wil. Van dag tot dag, somtijds van uur tot uur, zie ik den weg niet voor mijne schuldige voeten. lgt;it is de aard-sche straf, die ik mij zelve op het hoofd heb gehaald. Ik draag die straf, en verborg hot, dat ik dit doe.quot;

Mei de geachte aan bare lijdzame standvastigheid, nam zjj haar gewoon voorkomen van trotsehe onverschilligheid wederom aan, alsof zij oen sluier over zich hoon hing, hoewel zij dien spoedig weder afwierp.

.Gy moet dit geheim houden, als het eenigs-zins mogelijk is, niet geheel om mijnentwil. Ik heb oen cchtgonoot, rampzalig en schandelijk wezen als ik bon!quot;

-ocr page 267-

\'S MOKDKK.

KSTIIKIC:

Deze woorden uitte zij met een gesmoorden kreet van wanhoop, die akeliger klonk dan een gil had kunnen doen. Haar gelaat met hare handen bedekkende, kromp zij in mijne armen weg, als wilde zij niet, dat ik haar zou aanraken; ik kon haar door al mijn smeeken en liefkoozen niet bewegen om op te staan. Zjj zeide : Neen, neen, zij kon alleen zóu met mij spreken; zij moest overal elders tröt.sch en hoogmoedig zijn; daar wilde zij nederig en beschaamd wezen, in de eenige natuurlijke oogenblikkcn van haar leven.

Mijne ongelukkige moeder zeide mij, dat zij in mijne ziekte bijna waanzinnig was gewor den. Zij had eerst toen vernomen, dat haar kind nog leefde. Zij had vroeger niet kunnen vermoeden, dat ik dat kind was. Zij was mij hierheen gevolgd, om mij maar eens in geheel haar leven te spreken. Wij konden nooit met elkander omgaan, nooit gemeenschap houden ; waarschijnlijk zouden wij van dien tyd al\' nooit weder een woord met elkander wisselen. Zij gaf mij een brief, dien zij geschreven had opdat ik hem alleen zou lezen, en zeide, dat ik, als ik dien gelezen en vernietigd had maar niet zoozeer om harentwil, daar zij niets meer verlangde, als om den wil van haar echtgenoot en mij zelve — haar als dood moest beschouwen. Indien ik gelooven kon, in de zie-lesmart, waarin ik baar zag, dat zij mij als eene moeder liefhad, bad zij mij om dit te gelooven; want dan zou ik mij kunnen verbeelden wat zij leed en met meer medelijden aan haar denken. Zij bad zich zelve in een toestand gebracht, waarin geene hoop en geene hulp meer voor haar was. Hetzij haar geheim tot aan haar dood bewaard bleef, of hetzij hot ontdekt werd en schande bracht over den naam, dien zij had aangenomen, altijd zou zij eenzaam moeten worstelen; geene liefde kon haar naderen, geen menschel jjk wezen kon haar eenige hul)» bewijzen.

„Maar is het geheim zoover veilig?quot; vroeg ik. ,ls het nu veilig, liefste moeder?quot; „Neen,quot; antwoordde zij. „Het is op het punt geweest om ontdekt te worden. Het is door een toeval gered. Het kan door een ander toeval aan het licht komen — morgen, eiken dag.quot; „Zijl, gij voor een bijzonder persoon bevreesd?quot; „Stil! Beef en .schrei zoo niet voor mij. Ik ben die tranen niet waardig,quot; zeide mijne moeder en kuste mijne handen. rVoor een persoon ben ik bevreesd.quot; .Hen vijand?quot; „Geen vriend. Iemand, die te koud is om een van beiden te zijn. Het is Sir Leicester\'s procureur; nil gewoonte getrouw; zonder gehechtheid, en zeer gesteld op het voordeel en de eer van de geheimen van groote familiën in zijne macht te hebben.quot; , Heeft hy achterdocht ?quot; ,.Ia.quot; „Toch niet op u?quot; zeide ik ongerust. — „Ja! Hy is altijd waakzaam en altijd by mij. Ik kan

hem op een afstand honden, maar mij nooit van hem ontslaan.quot; „Heeft hij zoo weinig medelijden of barmhartigheid?quot; „Geheel niet, en boosheid evenmin. Hij is onverschillig voor alles behalve zijn beroep. Zijn beroep is, het opsporen van geheimen en het bewaren van de macht, die hij daardoor krijgt, en die hij met niemand wil deelen of zich door iemand laten ontnemen.quot; „Zoudt gij hem niet kunnen vertrouwen?quot; „Hat zal ik nooit beproeven. De donkere weg, dien ik zoovele jaren betreden heb, moet maar eindigen waar liij wil. Ik volg hem alleen tot het einde, wat dat einde ook zijn mag. Het mag nabij, het mag nog veraf wezen; zoolang hot duurt, zal niets mij doen omkeeren.quot; „Lieve moeder, is dat uw bepaald besluit?quot; - „Mijn vast besluit. Ik heb lang dwaasheid met dwaasheid, trots met trots, verachting met verachting, hoon met boon te keer gegaan. Ik heb veel overleefd. Ik zal ook dit gevaar overleven, als ik kan. liet heelt mij ingesloten, bijna even geducht alsof de bosschen van Kastanje-Hof zich om het huis hadden opeengedrongen, maar mijn weg er doorheen blij ft dezelfde. Ik heb erinaareen;ik kan er maar een hebben.quot; —- „Mijnheer Jarn-dyce,quot; begon ik, toen mijne moeder mij haastig in de rede viel. „Vermoedt hij iets?quot; — „Neen,quot; antwoordde ik. „Neen, waariyk niet. Wees verzekerd, dat bij het niet doet.quot; Kn ik zeide baar wat bij mij verhaald bad als alles wat bij van myne geschiedenis wist. „Maar hij is zoo goed en zoo verstandig,quot; zeide ik, .dat, misschien, indien hij wist____quot;

Mijne moeder, die tot nog toe niet van houding was veranderd, hield hare hand voor mijne lippen en stuitte mij.

,Vertrouw hem ten volle,quot; zeide zij na een korte poos. .(lij hebt mijne vrijwillige toestemming eene geringe gift van zulk eene moeder aan baar verongelijkt kind! — maar spreek er mij niet van. Ik heb zelfs nu nog zekere trotsch-heid over.quot;

Ik verklaarde toen, zoover ik dit toen kon doen of mij uu kan herinneren want mijne ontroering en droefheid waren zoo ^root, dat ik nauwelijks mij zelve verstond, hoewel ieder woord, dat de stem dier moeder sprak, die nuj zoo vreemd en treurig in de ooren klonk; die ik in mijie\' kindsheid nooit had leeren liefhebben en lierkeimen, waarmede ik nooit in slaap was gezongen, waarmede ik nooit een zegen had gehoord, die mij nooit hoop had ingeboezemd, een onuitwischbaren indruk on mijn geheugen maakte ik zeg ik verklaarde, of beproefde dit te doen, hoe ik gehoopt had, dat mijnheer .larndyce, die de beste van alle mogelijke vaders voor mij geweest was, mis- . schien in staat zou zi jn om haar raad of hulp te geven. Doch mnne moeder antwoordde, neen, dat was onmogelijk; niemand kon haar helpen.


-ocr page 268-

II KT VKKLATKN lil\'IS

Door de woestijn, die voor haar lag, moest zij alleen verder gaan.

,Mijn kind. myn kind!quot; zeide zij. „Voor de laatste maal I 1 )fze kussen voor de laatste maal! l»eze armen om mijn hals voorde laatste maal! \\\\ ij zullen elkander nooit wederzien. Om te hopen datgene te kunnen doen wat ik poog te doen, moet ik blijven wat ik zoolang geweest Ken. Als gij van de sehitteromlo, algemeen ge-eerde en gevleide Lad\\ Dedloek hoort, denk dan aan uwe rampzalige moeder, met haar knagend geweten, onder i lat masker I Denk dan aan het leed, aan de iinttelooze wroegins, waarmede zij in haar hart do eenige liefde vermoordt, waarvoor zij vatbaar is! Hu vergeel\' haar dan, indien jïij kunt; en roep den Hemel aan om haar te vtrgoven, wat ik nooit kan!quot;

Wij hielden elkander iiquot;? eene korte poos quot;inheisd ; maar y.j was zon standvastig, dat zij mijne handen wegnam, ze togen mijne borst legde, ze zoo vasthoudende mij nog oen laat-sten kus gat, toen losliet, en van my at het hosrh inging. Ik vvagt; alleen: en kalm en stil beneden my, in den z.onnescliün en de schaduw, lag het oude huis, met zyne terrassen en torentjes, dat, toen ik liet voor liet eerst zag. zoo vreedzaam en rustig scheen te zijn, maar waarin ik nu den onbanuhartigen, on-verbiddelyken bewaker van de ellende mijner moeder zag.

Zoo versuft als ik was, (in het eerst even zwak en hulpeloos al- ik ooit in mijne zieken-kamer w as geweest) bracht t\'.quot;-li de noodzakelijkheid om tegen alle gevaar van ontdekking, of zelfs van het geringste vermoeden, te waken, mij tot bezinning. Ik ham alle mogelijke voor-z.iogen om het voor Charley te verbergen, dat ik geschreid had. en dwong mij om aan mijne heilige verplichting te denken om bedaard en vo ■r-dehtig te zijn- Het duurde geen geringeu tijd eer mij dit gelukte, of\' ik zedf^ maar de uitlorsTiaifen mijner droefheid kon bedwingen; maar na verloop van een uur of daaromtrent w,i- ik beter, en gevoehli\' ik, dat ik kon te-rngkeeren. Ik ging zeer langzaam naar buis, en vertelde Charley, die ik hij het hek naar mij v ad w.u-hte::, dat ik. i idat L ol) l\'edl\'i \'k rnij verlaten had, in verzoeking was gekomoii om inij::e •• aadelinu\' le-g verder uit te -trekken, (lat ik Z\'mi al te rr.oe was geworden en nu wat wilde ga in lig\'.\'en. Veilig in mijne eigene kamer la- ik den brief. 1 k le-\'jreep daaruit duidelijk en dit ■■•■a- l-eai vpel dat ik niet door rnyne moeder verstieten was. Hare oudere en eenige zuster, de peeimoeder mijner kindsheid, die teekenen van leven m mij ontdekte, toen ik voor dood was neergelegd, had mij uit een -treng gev.iel van plicht, zondereenigver-lanu\'en dat ik in hot leven zon blijven, in het geheim opgevoed, en zelve na rnyne geboorte het gezicht mijner moeder nooit weder gezien. In zulk een zonderlingen toestand bevond ik mij op de wereld, dat ik, voor zoover mijne moeder nog voor korten tijd wist, nooit geademd had — dat ik begraven was ..... nooit

leven had ontvangen nooit een naam had gedragen. Toen zij my voor het eerst in de kerk had gezien, had zij eenigszins geschrikt en gedacht aan het kind, dat op mij zou geleken hebben, indien het ooit geleefd had en in leven was gebleven : maar dat was alles geweest.

Wat de brief mij meer mededeelde, behoef ik hier niet te vermelden. Het zal in mijn verhaal zijn eigen tyd en plaats vinden.

Mijne eerste zorg was het geschrift mijner moeder te verbranden en zelfs de asch daarvan te verbergen. Ik hoop, dat men het niet onnatuurlijk of slecht van mij zal vinden, dat ik het toen bejammerde, dat men mij had groot gebracht. Pat het mij was, alsof het voor vele menschen beter en gelukkiger zou geweest zijn, indien ik nooit adem had gehaald. Dat ik een schrik voor mij zelve had, daar ik myne eigene moeder en een trotsi hen naam in gevaar bracht en mi-schien tot schande zou brengen. Dat ik verward en verbijsterd genoeg was om te ge-looven, dat ik eigenlijk bestemd was geweest om itij mijne geiworte te sterven, en dat het verkeerd was geweest mij in het leven te bewaren.

Dit waren waarlijk mijne gedachten en aandoeningen. Geheel afgemat viel ik in slaap, en toen ik ontwaakte schreide ik opnieuw, bij de gedachte, dat ik. met mijn last van bezwaren voor anderen, weder in de wereld was. Ik gevoelde wederom een afschrik van my zelve. by de gedachte aan haar, tegen welke ik eene getuige walt;; aan den eigenaar van Kastanje-Hof; aan de nieuwe en schrikkelijke be-teekeni- der oude woorden, die my nu gelijk het zuchtend bruisen der golven op het zeestrand in de ooren klonken: .1 wu moeder, Ilsther, was uwe schande, en gij zyt de hare. Er zal een tijd komen en dat spoedig genoeg wanneer gij dit beter zult verstaan, en het • nik trevo den zult, gelyk eene vrouw alleen het kan gevoelen.quot; Daarmede kwamen ook die andere woorden weder bij myop: „Bid dagelyks, dat de zonden van anderen niet op uw hoofd bezocht mogen worden.\'\' Ik kon dat alles niet ontwarren, en het was mij alsof alle schulden schande my te wijten waren, en de bezoeking nu gekomen wa-.

De dag ging in een somberen, bewolkten avond over, en nog kampte ik tegen dezelfde droevige stemming. Ik giug alleen uit, en nadat ik eene poos in net park had gewandeld, op de d\'Oikerc schaduwen van het geboomte lettende en op de fladderende vlucht der vleermuizen, die my somtijds bijna aanraakten, gevoelde ik mij voor de eerste maal door het huis


-ocr page 269-

DM KOMST VA X ADA.

aangetrokken. Misschien zou ik er toch niet nabij zijn gekomen, ais ik in eene minder weemoedige stemming was geweest. Hoe dit zij, ik sloeg een pad in, dat er dicht langs heen lie|i.

Ik durfde er niet bij blijven stilstaan cl\' er naar opzien, maar ging don tuin voorbij, met zijne opgaande terrassen, zijne geurige bloemen, zijne breede paden, zijne zorgvuldig onderhon-dene bedden en elfen grasperken; en ik zag hoe fraai en deftig die aanleg was, en hoe de oude steenen leuningen en borstweringen en de breede trappen door den tijd en het weder waren aangetast; en hoe men daar tegen op, en om het oude steenen voetstuk van den zonnc wijzer, mos en klimop had laten groeien; en ik hoorde het klateren der fontein. Toen liep het pad langs lange rijen donkere vensters, door torentjes en uitstekken van allerlei zonderling fatsoen afgewisseld, waar oude steenen leeuwen en groteske monsters uit beschaduwde holten kwamen uitkijken, en boven de wapenschilden, die zij hielden, de avondschemering schenen aan te grimmen. Van daar liep hot pad onder eene poort door, en over een plein, waar de hoofdingang was (ik haastte mij snel voort), en langs de stallen, waar zich sombere stemmen schenen te laten hooren, hetzij in het suizen van den wind door de dichte massa van klimop, die zich aan den hoogen, rooden muur had gehecht, of In het doffe geknars van den windwijzer, of in het geblaf der honden, of in iiet langzame slaan eener klok. Weldra den zoeten geur van lindeboomen inademende. welker geritsel ik hooren kon, volgde ik de bocht van het pad langs den zuidelijken gevel; en daar, boven my, was de balustrade der Geestenwandeling en een enkel verlicht venster, misschien dat mijner moeder.

Het pad was hier bestraat, evenals het terras omlioog; en mijne eerste onhoorbare voetstappen klonken nu weergalmend op de steenen. (ieen oogenblik stilstaande, maar alles onder het voortgaan ziende, spoedde ik mij verder, en eenige oogenblikken later zou ik het verlichte venster voorbij zijn gekomen, toen de weerklank mijner voetstappen mij plotseling deed invallen, dat er in de overlevering der lt;}eesten-wandeling eene schrikkelijke waarheid lag; dat ik het was. die onheil over \'lat statige huis zon brengen, en dat mijne spookachtige voetstappen het nu reeds waarschuwdei.. Door een schrik voor mij zelve aangetast, die mij deed huiveren, wilde ik mjj zelve en alles ontvlieden, koorde mij om, sloeg den weg, waarlangs ik gekomen was, weder in, en bleef niet stilstaan eer ik de portierswoning voorbij was en het donkere park achter mij lag.

Niet voordat ik dien avond weder droevig en neerslachtig alleen in mijne kamer zat, begon ik in te zien hoe verkeerd en ondankbaar mijne gemoedsstemming was. Maar van mijne lieve

Ada, die des anderen daags zou komen, vond ik een vroolijken brief, zoo vol liefderijke hoop, dat ik van marmer had moeten zijn, als ik er niet door geroerd was geworden; ook van mijn voogd vond ik een brief, waarin hjj mij verzocht, Dame Durden te zeggen, alsik dat juffrouwtje ergens mocht zien, dat zij zonder haar ellendig zaten te kniezen, dat liet huishouden in de war liep, dat niemand op de sleutels kon liassen, dat iedereen in en om liet buis verklaarde, dat het hetzelfde huis niet meer was, en oproerig om hare terugkomst begon te schreeuwen. 1 wee zulke brieven te gelijk deden mjj bedenken hoe ver boven mijne verdiensten ik bemind werd, en hoe vergenoegd ik behoorde! te zijn. Dit deed mij aan geheel mijn vroeger leven denken ; en dat bracht mij, geljjk het reeds vroeger had moeten doen, in eene betere stemming.

Want ik zag nu wel, dat ik niel had kunnen bestemd zijn om te sterven, en ik dan niet in leven zon zijn gebleven; om niet te zeggen, dat ik dan nooit, voor zulk een gelukkig leven bewaard zou zijn geworden. Ik zag zeer wel, hoevele dingen tot mijn welzijn hadden samen-geloopen; en dat, indien de zonden der vaderen somtijds aan de kinderen werden bezocht, dit gezegde niet meende wat ik dien morgen gevreesd had dat het meende. Ik wist, dat ik even onschuldig aan mijne geboorte was als de koningin aan de hare; en dat ik door niijn llemelsehen Vader niet voor mijne geboorte zou gestrall worden, nog de keningin er voor beloond. Ik had juist door den schok van dien dag ondervonden, dat ik, zelfs reeds zoo spoedig, reden kon vinden om mij mei de verandering die ik ondergaan had, te verzoenen. Ik vernieuwde mijne voornemensen bad om daarin verslerki te worden; ik stortte mijn hart uit voor mij zelve en myne ongelukkige moeder, en gevoelde, dat de duisternis van dien morgen voorbijging. In mijn slaap ontwaarde ik haar niet meer; en toen het liebt van den volgenden dag mij deed ontwaken, was zij verdwenen.

Mijne lieve Ada zou tegen vijf nur in den namiddag aankomen. Hoe ik mü beter over den tussehentyd kon heen helpen, dan door eene verre wandeling te doen langs den weg, dien zij komen moest, wist ik niet; aldus deden Charley, ik en Stubbs — Htubbs gezadeld, w ant na dien eeiien keer spanden wij hem nooit weder in een verren tocht dien weg op. en terug. Na onze terugkomst hielden wij eene urnote revue over het huis en den tuin, zagen of alles wel zoo mooi was als het maar zijn kon, en lieten het vogeltje uil om als een gewichtig lid van het huisgezin gereed te zijn.

l-lr moesten uo\'r meer dan twee volle uren verloopen eer zij kon komen; en in dien tijd, die my zeer lang voorkwam, moet ik beken-


-ocr page 270-

HKT V r.KI.A TKN HflS,

non, dat iniju vorundercl voorkomon mij eone zenuwachtige onrust veroorzaakte. Ik hati mijne Aila zoo liet, Kit ik mij tien indruk ilaarvnn op haar. meer dan op iemand aiuiers, aantrok, liet was niet. dat ik eeni^/iiis morde 0\\er dat ue-riiii,re ongeluk — ik weet zeker, dat ik dit dien da*; niet deed maar ik daeht, ot zij er wel geheel up zou /iju vonrboreidy Als zy mij voor het eer-t zag, zou zij misseluen niet weinig ..ntzet en te leur gesteld wezen? Zou hetmis-sehien niet wel wat erger zijn dan zij verwachtte? Zou / ij niissehien niet naar hare oude Esther zoeken en haar niet vinden? Zou zjj zich misschien niet weder aan mij moeten gewennen, en alles opnieuw beginnen ?

Ik kende de verschillende uitdrukkingen van Ada\'s gezichtje zeo goed, en het was in zyne bekoorlijkheid zulk een oprecht gezichtje, dat ik vooruit zeker was. dat zy dien eersten Idik met voor mij kon verbergen. Kn nu bedacht ik, of ik wel geheel voor mij zelve zou kunnen instaan, als die blik, hetgeen zeer waar-srhijnlijk was. •■ene vau dezebeteekenissen had.

Ik dacht, dat ik dit wel zou kunnen. Na den laatsten naeht dacht ik dit wel. Maar te moeten wa- hten en wachten, en denken en ileiiken, was zulk eeno .-lechte voorbereiding, dat ik besloot nog eens den weg op te stappen en haar te gemoet te Lraan.

Z • z.eide ik tegen1 \'hurley: \'hurley, ik zal nou\' een- alleen den weg opgaan totdat zy aankomt.quot; Daar C harley alles wat mij beviel ten hoogste ^\'■i.\'dkeurde, ging ik uit en liet haar thuis.

M ia ■ •■••r ik uin den tweedon mijlsteen kwam, kre\' g ik zo.» dikwijls hartkloppingen, als ik in (le v .-rte een stofw olk zag (si-booa ik wel wist. dat le t de dilig.-nce niet was en nog niet zijn k . dat ik b.-sl.ot ni tar terug te keeren «mi w.-Ier naar huis te gaan. Kn toen ik was omgekeerd, was ik zoo bang, dat de diligence achter my zou aankomen -\' hoon ik ook wel wist, dat zy dit niet zou quot;t kon doen), dat ik, mi ing\'-haald te ■•rden, het grootste gedeelte v in dgt;\':i vrg op een dratje liep.

1 en ik \\yilisf w.-.jer teruggek iineii Avas. be-g\'ij ik te bedenken, dat ik iets niooi~ had go-daan, Ik had my nu warm geloopenen de zaak ;iquot;g erger, i:; plaat- van boter gemaakt,

Kir.d\'elyk, t- ••n ik g.-l\'quot;gt;flt;le, dat het ten minste nog eon kwartier uur- moest duren, riep • \'hurley, terwyl ik bevend\'1 i;i den tuin stond, mij quot;p een- \' ■■■: 1 laar kquot;iiit zij. jutlr uw! 1 )aar is zij!quot;

Ik wilde het niet lt;1\'- maar ik liep naar boven, naar myne kamer, en versehool mij aiditer de deur. Daar b!-et\'ik bovendo -taan, zeiis toen ik myne Ad i, die de trap opkwam, hoorde roepens .K-\'i • r. lieve Ksther, waar \'Üt ge?quot;

Zy kwam haastig binnen, en wilde even haastig woder heengaan, lquot;en zij my zag. U,mijneen-gelachtige Ada! die oude dierbare blik, vol liefde en teederhoid! Xiets anders daarin — neen, niets, niets anders.

Hu hoe gelukkig was ik, toen ik daar op den grond zat, mot mijne lieve, sehoono Ada naast mij, ook op den grond, die bare zachte, gladde wang togen mijn gezicht vol naden en littee-kenen drukte, hot met tranen en kussen bedekte. mij als een kind heen en weder wiegde, mij alle teodere namen gaf, die zy maar bedenken kon, en mij aan hare trouwe borst klemde.

XXXVII,

JAKNDÏiT. KN\' IAKNIlVCK.

Indien het geheim, dat ik te bewaren had, het myne was geweest, zou ik niet hing gedraald hebben met het Ada toe te vertrouwen. Maar het was het mijne niet, en ik meende geen recht te hebben het zelfs myn voogd mede te deelen. dan alleen in geval van dringende noodzakelijkheid. Het was een zware last om alleen te \'dragen; maar mijn plicht kwam mij toch duidelijk voor. en gezegend in de vernieuwde liefde mijner dierbare vriendin, ontbrak het mij niet aan aanmoediging om dien te ven uilen Hoewel dikw ijls, w anneer zjj in slaap en alles stil was, de gedachte aan myne moeder mij wakker hield en mijne nachten droevig maakte, gaf ik my toch anders niet aan die treurigheid over; en Ada vond my wat ik placht te zijn, behalve natuurlijk in dit opzicht, waarvan ik reeds genoog gezegd heb en nu, als ik het maar laten kan, geene melding meer wil maken.

Hoi as mü zeov mueielijk dien eersten avquot;iid geheel bedaard te blijven,\'tnon Ada mij onder ons werk vroeg, of de familie op Kaatanje-Hoi wa-, cn ik genoodzaakt was te antw\'oorden, dat ik geloofde van ja, want dat Lady Dedlock mij eergisteren in het bosch had aangesproken. N ij meer moeite had ik. toen Ada my vroeg wat zy gezegd had, en ik antwoordde, dat zij mij veel goedheid en belangstelling had getoond; en\' toen Ada, terwyl zy hare schoonheid en elfgiinte houding toestemde, aanmerking maakte op hare trotsche manieren, en het terugstootend h\'\'\'T.-elizu(ditige \\ an haar uitzioiit- Doch lt; \'barley hi\'dp mij, zonder het zelve te weten, door ons te vertellen, dat Lady Dedlock slechts twee naohten op Kastanje-Hof was gebleven, op reis . ia Kniidoii naar een ander groot huis in liet naa-io graafsidiap, waar zij ging logeeren; en dat zij des morgens vroeg, nadat wy haar in ,n- pri\';\'dtje, gelijk wij het noemden, hadden ■;\'1 /io. woiioi\' was vertrokken, ( \'harley bekrachtigde zeker het spreekwoord van kleine potjes, want zij hoorde iu een enkelen dag meer van wat er omging, dan mij in oene maand zou ter Ovre zijn gekomen.


-ocr page 271-

KKNK SAMKXKOMST MKT UICIIAIM).

Wij zouden eeno maand bij mijidieor Hoytliorn blijven. Nauwrlijks bad ccbter mijne Ada oeno vergenoegde week daar doorgebraebt, toen op een avond, nadat wij den tuinman baddeu geholpen om di\' bloemen te begieten en de kaarsen pas waren opgestoken, (,\'barley, met een /eer ernstig gezichtje, achter Ada\'s stoel kwam, en imj op eene geheimzinnige manier wenkte om buiten de kamer te komen.

„O, met uw believen, jntt\'rouw,quot; zeide (\'barley tluisterend en met geweldig groote ronde oogen. „Men vraagt u te spreken in het Wapen van Dedlock,quot; „.Maar, (\'liarley,quot; zeide () rubble, lt; \'barley ,,(trnbblo, juflrouw ? ■t gij dat niet? De kastelein in het Wapen l)edloek. \\\\. («nibble, staat onder het nit-l\'bord.quot; .Zoo? de kastelein, (Jbarley?quot; — ouw. Hij heelt eene heel mooie vrouw, zij heeft eens haar been gebroken, en is nooit meer genezen. Kn baar broeder, lagmolenaar, heeft al eens vastgezeten, en denkt, dat hij zich dood zal drinken.quot; ■t wetende wat er te doen kon zijn, en :;ht bevreesd wordende, aehtte ik het best maar eens naar de herberg te gaan. Ik beval ey spoedig mijn hoed en doek te balen, en

wie i

VMM

van

hang

,.Ia,

maar

dat

de /.; men Ni nu li

zelve (\'


ik, „wie kan mij met mogelijkheid daar m ile herberg willen spreken?\'\' „Ik weet het niet, jutl\'romv,quot; antwoordde (jbarley, haar hootd vooruitstekende en hare banden op den band van haar voorschoot over elkander leggende, hetgeen zij altijd deed als zij met iets geheimzinnigs of vertrouwelijks bijzonder in baar sehik was; „maar bet is een beer, julfrouw, en hij laat u zijn cornidiment doen, en of gij eens zoudt willen overKomen, zonder cr iets van te zeggen.quot; „Kn boe komt gij die boodschap te brengen, (.\'barley?quot; „Ik heb de boodschap niet gebracht, jutVromv,quot; antwoordde mi n ka-meniertje. „Het was (irubble, jullrouw. \' ..Ku ging, zoodra ik gereed was, de bellende straat af, waar ik evenzeer bekend was als in den tuin van mijnheer Hoytliorn.

Kastelein (irubble stond in zijne hemdsmouwen aan de denr zijner kleine, maar zeer nette herberg naar mij te wachten. Toen hij mij zag aankomen, nam bij met beide handen zijn hoed af, en dien zno dragende alsof het een ijzeren |i()l \\\\agt; (hij zan er even zwaar mt) i,rinm bij mij door de met zand bestrooide gang voor en bracht mij naar zijne pronkkamer: een fraai vertrek met een kleed opdelivloer,meerbloemen dan wel dienstig waren, een gekleurd portret van kiminlt;,rin Caroline, verscheidene zeehnrcns,


DlCKKNN. Il\'l nihil II Ihn.

l

-ocr page 272-

HF. l \\ KRLA I KN Hl 1-

bV:\'i \' i

Ér

Ru |

||lt;

-j|i 1

M

derdt voor mi) . Mij n\'e \'. riendui!\' dat ik. in

I;

W \'

1!

Itirhard.

Ik slo op zyn zeide ik zijne dat ho.ifde ziekte i

.Li\'

m- t ^ ten dar

II gt;

■I 5

HË il;

H 11

»i;!

W\'

m

31:

S\' l; || \'

\'\'■Vï

iA

viki

a: m 1\' -■ hem. h vriendelyk k hem

i.

:ie\'

er i.gt; niemand kunnen pra-

,Kn ik. quot;

vooral.

iendiu,quot; zeide liilt;

me. /• \\ i rlang gt;-en- t ■t u. «ant ik w nsch ■rkeerd beoordeedt.

• .rdde 1 •. . • \' i; -e ar^ier- t iet verkeerd be\')Oriilei it i. •,John•\' iradjC\' hfcli\'

■ Hi\' hard. .onderstel ik. dat .1 i, ■ jtuurly- — ,Jgt;aö za\'gg\'-n. dat mü dit ver-i -1 in dit opzi\' ht i , dat , ■•r-taan. l\'oor u na

i-nan

dat

ecu aantal tl............. twee -rf\'lrooiïtlo en oji-

go/.ctto visschon in glazen ka-tjos, eneon/eld-/aam ei ot oone /.eldzame ponipocn (ik ^ect niet recht «at, en ik twijfel of wel velen liet wisten) aan den rolder hangende. Ik kende Grnbble /..\'ev «el van aan/ien, daar bij dikwijls aan zjjne denr stond. Ken man van middelbare jaren, tamelijk uezet en met een ge-noetrUik uitzieht, die zell\'s aan xp eigen haard tii\'nii op zijn gemak scheen te kunnen zyn ot hy mi\'i\'st een hoed op- en kaplaarxen aanbeli In n, en die no \'it een rok droeg\' dan wanneer hij naar de kerk u\'ing.

\'Hij -i! • t de kaargt;. en adit-niit stappende om te xien iioe zij brandde, ging liij meteen de kamer nit voor mij geheel onverwacht, want ik had hem «ill\'-n vragen wie hem ge-zanden had. \'iden de deur aan de overzijde van df gani: ge-\'iiend werd, hr.^rde ik eenige stemmen, die my bekend in de ooren klonken, maar terstond zwegen. Ken snelle, lichte tred na-kamer waar ik was, en wie zondaar gt;taan.\' — Hit bard.

lirve lOstber.quot; zeide hij, ,niiiiie be-te en lijj «as «airlijk zoo hartelijk, (•cr.-te verras.-injf over zijne broe-

lerijjki !.i.*grquot;etiii\'.f. nanwelijk,- ^rnocg op adem kon komen om hem te zeggen, dat Ada «el voer.

jlij beanlwo-rdt juist injjne gedii\' ht-\'H altijd\' het\'zi\'irde _r rdc mei-ief\' zeide Hicliard, iiiij ijjar e-\'ii st1quot;\'] hr\'-n^\'-iide ■z.icli naast my neerzettende.

Ik -h.-\'g mijn- \\quot;i!f •]gt;. maar niet gehefl en al.

h-fz-\'Irde .■•gt;edt ni\'-isji\'\' herhaalde ,Altijd even hartelijk!quot;

mpe voile geheel op, eu mjjni\'hand ende fii hem vlak aanziende,

■ dankbaar ik hem was voor wélk in-t, en h-e verheugd,

■ «ede.nag; des te meer uit von \'-roen, dat ik in mijne

en hem nu rneded*

n;y wet chard,quot; a at gij iemand

J»..:! JIJ /

sproken,quot; lien a\'

gy hem bed\' -It mag ik wel ter-t heugt, daar het ik mij ^iiarne wü ni\'jyk- lieM vrieadiri tv\'i\'iik dat «fl. Ik ben noch aan rnynheer .l;rndgt;i\'quot;, nuch aan iemand andergt; verantwoording -chuldig.\'\'

Het deed mij innig Ifd. dal liy dien toon aannam. gt;\'n hjj merk!\'\' dit \'gt;p.

,W..|!iu.quot; zeide Kichard, .«ij zuilen er dan

vat

au

niet verder over spreken. Ik wenschte met u aan den arm, eens stil op uw buiten te komen aanwandelen, en niijne bekoorlijke nicht te verrassen. lgt;at zal uwe getrouwe «\'ehechtheid aan John Jarndyce toch wel veroorlovenV\' — „Mijn beste Hiciiard.quot; antwoordde ik. .gjj weet weli dat gij in zijn huis hartelijk welkom zoudt zyn dat dj daar thuis zoudt kunnen wezen, als iff het er maar voor houden wildet; en gy zijt fiier even hartelijk welkom.\' — ,i\'at is gesproken als het beste van alle huismoedertjes!quot; riep Kichard vroolijk uit.

Ik vroeg hem hoe zijn beroep hem beviel, dat gaat wel genoeg,quot; antwoordde hij. „Het is zoo goed als iet-anders, vooreen tijd. Ik weet niet ot\' ik er nog lust in zal hebben. aU ik eens op een vasten voet kom ; maar dan kan ik mijne plaats verkoopen en maar laten « ij nu al dat gemaal vergeten.quot;

Zoo jong en knap, zoo :ii alle opzichten het tegendeel van juffrouw Flite! Kn toch in dien verbijsterden, onrustig zoekenden blik zulk eene akelige gelijkenis op haar!

.Ik ben nu met verlof te Londen,quot; zeide Hichard. — ./.oo?quot; ..Ja, ik ben eens overgekomen om naar — naar mijne kanselaryzaken te zien. eer de groote vacantie begint,quot; zeide Kiehard, zich dwingende tot een onverschilligen lach. .Wij beginnen voortgang temaken met dat oude proces, dat heiooi ik n.\'

de.ai wanh r dat ik mijn hoofd schudde. ./.• jlgt; uij wel zegt. het is geen aangenaam onderwerp,quot; hervatte Richard, terwijl zfln ge-zicht «eil r beti\'i\'k. .Laat het voor van avond uir de vh\'! winden vliegen. Poef\'. ^\\egi,-h\' t: Wii ii denkt ge dat ik by mij heb!\'quot; .W.i- het niet mijnheer Skimpole\'s stem, die k hoorde? — .,lUtt is de man. Hy doet

ipij jiie\'-r -.....i dan iemand. Zoo innemend en

nderiioudend als een aardig oanoozel kiml\'.

Ik vrlt;quot; g Kiehard of iemand er van wist. dat zij tquot; zamen bierheen waren gekomen. Hijant-W\'.\'irdd\' neen. niemand. Hij had den ouden kleinen jongen zoo noemde hij mynheer Skini-; _ gaan opzoeken, en de oude kléine jongen had hem gezegd waar «y waren, en hjj had den ouden kleinen jongen gezegd, dat, hy quot;i - g.iarne wilde iraan zien, lt;•.) de oude kleine ] \'ii\'/en had !• r.-tond mede willen gaan; en zoo had hij hem medegenomen.

Kn hij i- ik «il niet zeggen zpe geringe vertering — maar driemaal zijn gewicht in gottd waard, zeide lüchard. «Hij is altijd zoo opgeruimd, liij weet van geene baatzuent Zp nart is frisch en groen.quot;

ik \\ ud het juist geen bewys van myuhecr -kimpob - - ihaatzuelitiglieid, dat hij Kichanl zyne •.ertering liet betalen, maar zadde er niets van. liij kwam nu ook zeil binnen, en gal bel ■-\'esprek eene andere wending, ilij was verrukt, dat hy mij zag; hij had, zeide hij, reed» /.lt;■■

-ocr page 273-

DE IN V LOEI) VAN .1A li N I )V( \'K KN J \\ KNDVt\'K (»1\' RICIIAKD.

weken lang bi j tiissciicnpoo/en de heerlijkste tra- i non van weemoedige blijdsehaponi mijnentwil ge-si hroid; liij was nooit zoo blijde geweest als toen hij van mijne beterschap hoorde; hij begon nu de mengeling van goed en kwaad in\'de wereld te begrijpen; hij gevoelde, dat hij de gezondheid i des te hooger waardeerde, als er ietnand anders ziek was; hij wist niet beter of\' het kon wel in de wereldorde liggen, dat A scheel moest kijken om 1! des te vergenoegder te maken omdat hij rechtuit zag, ot\'dat C een houten been moest hebben om I) des te beter tevreden te doen zijn met het zyne van vleesch én bloed.

„Mijne beste jutlVouw Summerson,quot; zeide hij, „hier hebben wij onzen vriend Kiehard, vol van de heerlijkste uitzichten in de toekomst, die hy uit de duisternis der Kanselarij te voorschijn roept. Dat is immers verrukkelijk, ziel-verliellend, vol poëzie! In den ouden tijd werden bosschen en wildernissen voor den herder vervroolykt door het denkbeeldige fluitspelen en dansen van Pan en de nimfen. Onze tegenwoordige herdersknaap, de Arcadische Kiehard, vervroolijkt de naargeestige pleitzalen en pro-i nreurskantoren door de l\'ortuin en haar gevolg daar te laten dansen op de welluidende muziek van een gewijsde van het Hof. Het is streelend zoo iets te weten. Ken onvergenoegde brompot mag nu tegen mij zeggen: „Waartoe dienen die wettelijke en rechtsgeleerde misbruiken? Hoe rechtvaardigt gij die? Ik antwoord; „Mijn knorrige vriend, ik rechvaardig ze niet; maar zij zijn mij toch aangenaam. Kr is een herdersknaap, een vriend van my, die ze in iets hei-schept, dat ik in mijne onnoozelheid zeer vermakelijk vind. Ik wil niet zeggen, dat het daarom I is dat zij bestaan — want ik ben maar een kind bjj u, wereldschgezinde brompotten, en niet geroepen om u of mjj zeiven van iets roden te geven - maar het kan toch wel zoo zijn.quot;\' Ik begon nu in ernst te denken, dat Richard bijna geen slechter vriend had kunnen vinden dan^ dezen. Het maakte mij ongerust, dat hij juist op zulk een tijd, wanneer hji aan eeii vast doel en beginsel behoefte had. dien man, met zijne verleidelijke losheid en ijdelheid, zijn luchtig wegwerpen van alle doel en beginsel, tot gezelsciiap had. Ik meende wel te kunnen begrijpen, hoe iemand van zulk een karakter als myn voogd, die ondervinding van de wereld had opgedaan en genoodzaakt was de ellendige vijandschap en hatelijkheid aan te zien, welke dat langgerekte proces in de familie had gebracht, eene verademing vond in mijnheer Skim-pole\'s bekentenis van zijne zwakheden en zjjne yertooning van argelooze iprechtheid; maar ik kon mij zelve niet overreden, dat dit alles zoo ongemaakt was als het schijnen moest, of dat niijnheer Skimpole deze rol niet liet voordeehgste gemakkelijkste voor /.ich vond.

Heiden wandelden met my terug, en daar mijnheer Skimpole ons aan het hek verliet, ging ik stil met Kiehard binnen, en zeide: „Lieve Ada, ik heb een heer medegebracht, die u komt bezoeken.quot; Het was niet moeieljjk haar blos en haar verschrikten blik te verklaren. Zjj had hem feeder lief; hij zag dit evengoed als ik. Die ontmoeting als niets anders dan neef en nicht was iets, waarin niemand zich kon vergissen.

Ik wantrouwde mij zelve bijna en vreesde, dat ik al te achterdochtig werd, maar ik was er niet zoo zeker van, dat Kiehard haar teeder lielhad. Hij bewonderde haar iedereen moest dat doen en ik geloof wel, dat hij met vuur en blydschap hun jeugdig engagement had willen vernieuwen, indien hij niet geweten had hoe getrouw zij hare belofte aan mijn voogd zou in acht nemen. En toch kwelde mij de gedachte, dat de invloed, waaronder hij zich zoo ongelukkig had geplaatst, zich ook tot hiertoe uitstrekte; dat hij ook ui dit opzicht, gelijk in alle andere dingen, uitstel zocht en van niets waarlijk ernst kon maken, eer dat proces van zijn hart was. Helaas, wat Kiehard zonder dien heilloozen invloed zou geworden zijn, zal ik nu nooit te weten komen.

Hij zeide tot Ada, op zijn rondborstigsten toon, dat hij niet gekomen was om heimelijk inbreuk te maken op de bedingen, welke zij zich (wat al te gemakkelijk, naar hij meende) door den heer .larndyce hadden laten voorschrijven; dat hij openlijk gekomen was om haar en mij te bezoeken, en zich zeiven te rechtvaardigen wat den voet betrof, waarop hij tegenwoordig met den heer .larndyce stond. Daar de oude kleine jongen bij ons zou zijn, ver zocht hi j mij hem des anderen daags gelegenheid te geven om zich door middel van een openhartig gesprek met mij te rechtvaardigen. Ik stelde hem voor ten zeven uur uit te gaan om eene wandeling in het park te doen, en dit werd zoo afgesproken. Kort daarop kwam mijnheer Skimpole en maakte ons een uur lang vroolijk. Hij verzocht vooral de kleine(\'oavinses te zien (waarmede hij Charlev bedoelde) en zeide haar met patriarchale deftigheid, dat hij wijlen haar vader zooveel werk bad verschaft als maar in z(jn vermogen was. en dat, indien een van hare broertjes zich wilde haasten om in hetzelfde vak te worden aangesteld, hij nog in staat hoopte te zijn om hem tamelijk veel bezigheid te liezorgen.

„Want ik word nog gestadig in die netten gevangen,quot; zeide hij. ons over zijn glas wijn met water heen zeer vergenoegd aaiikijkende, „en telkens word ik er weder uitgehaald, ia is altijd iemand, die borg voor mij spreekt of voor mij betaalt. Ik kan dat niet d\'ieii. want ik heb nooit geld, Maar iemand doet het. leniand helpt mij er altijd uit. Ik ben niet / loals de spreeuw , ik kom er we I mt. Als ge mij vragen


-ocr page 274-

HET VERLATEN HIK

mocht, wie ilie lomand is, op mijn woord ik kan het u niet zeggen. Laten wij dus eens op iemand drinkwi. Zijne gezondheid!quot;

Hichard kwam den volgenden morgen wat laat, maar ik behoefde toch niet lang op hem te wachten; en wij gingen te zamen het park | in. l)e lucht was helder en frisch ; er was geen wolkje aan den hemel. De vogeltjes zongen allerliefst; de flikkerende dauwdroppels ophot gras, het kruid en de boomen waren verruk- | kelijk om te zien; het welige der bossehen i scheen sedert gisteren twintigmaal verdubbeld j te zijn, alsof, terwijl zij in don stillen nacht zoo zwaar schenen te slapen, de natuur, in al de fijne aderen van elk wonderbaarlijk blaadje, nog waakzamer dan gewoonlijk was geweest voor de heerlijkheid van den dag.

„Hoe liefelijk is het hier,quot; zeide Richard, in j het rond ziende. „Hier weet men niets van | processen met al hunne hatelijkheden.quot;

.Maar hier kende men ander leed.

,lk zal u eens wat zeggen, meisjolief,quot; her- 1 vatte Richard. „Als die zaken geschikt zijn. zal ik, dunkt mij, hier komen rusten.quot; „Zou het met beter zijn nu te rusten?quot; zeide ik. „Och,quot; ; antwoordde Richard, „nu te rusten, of nu tot | iets gestadigs te komen is niet gemakkelijk. Het is met te doen; ik ten minste kan het niet ; doen.quot; „Waarom niet?quot; vroeg ik, „(Ijj weet wel waarom niet, Esther. Als gij in een onafgemaakt huis moest wonen — waar het dak nog moest opgezet of afgenomen worden dat misschien afgebroken en geheel weer opgebouwd ; zou worden morgen, aanstaande week, aan- j staande maand, aanstaand jaar, zoudt gij j het ook moeielijk vinden tot rust of gestadigheid te komen! Zoo is het ook met mij. Nu? Wij in dat proces kennen geen nu.quot;

Ik had nu bijna kunnen gelooven aan de aantrekkingskracht, waarvan mijne arme, ijlhoofdige vriendin luid gesproken, toen ik wederom dien akeligen blik van den vorigen avond zag. : De gedachte was schrikkelijk, dat er ook een zweem in was van dien ongelukkigen man, die | zoo ellendig was gestorven.

„Beste Richard,quot; zeide ik. „dit is een slecht begin voor ons gesprek.quot; „Ik wist wel, dat gy my dit zeggen zondt. Dame Durden,quot; antwoordde hij. „En ik niet alleen, Richard. Ik was het niet, die u eens waarschuwde om nooit eenige hoop of verwachting op den vloek der faimlie te bouwen.quot; „Daar komt gij alweder op .lohn .larndyce,quot; zeide Hichard ongeduldig. „Welnu, wjj moeten toch vroeger of later op hem terugkomen, want hi j is het voornamelijk, over wien ik te spreken heb, en het is best dat maar terstond te doen. Mijne lievr Esther, hoe kunt gij zoo blind zijn? Ziet gij dan niet, dat hij geïnteresseerd is, en dat het voor hem wel goed zou /.ijn, en hy wel wenschen mocht, dat ik niet van dat proces wist en er mij niet

om bekommerde: maar dat dit voor mij juist zoo goed niet zou zijn?quot; — „Richard,quot; zeide ik hierop, „is het mogelijk, dat gü onderzijn dak hebt gewoond en hem zoolang hebt gekend, en dat gij, zelfs tegen mij en op deze eenzame plek, waar niemand ons hoort, zulke onwaardige vermoedens kunt uiten?quot;

Hij bloosde, alsof zijne aangeborene edelmoedigheid het pijnlijke van dit verwijt gevoelde. Hij zweeg eene poos, voordat hij met eene gesmoorde stem antwoordde;

„Esther, gij weet wel, dat ik niet laaggeestig ben, en ook wel gevoel, dat wantrouwen en achterdocht voor iemand van mijne jaren geene schoone eigenschappen zijnquot; — ,Dat weet ik zeer wel,quot; antwoordde ik. „Ik houd mij van niets sterker verzekerd.quot; - „Dat troost mü,quot; hervatte Richard; „en ik had wel behoefte aan wat troost, want ik behoef niet te zeggen, dat de zaak, zelfs ten beste genomen, zeer onaangenaam blijft.quot; — ..Ik weet,quot; zeide ik hierop, „evengoed, Richard wat zal ik zeggen ? evengoed als gij zelf dat zulk eene achterdocht uw karakter vreemd is. En ik weet ook evengoed als gij, wat het zoodanig heeft veranderd.quot; — „Kom aan, zuster, kom aan,quot; zeide Kichard vyat vroo-lyker, „gij zult mij ten minste met billijkheid beoordeelen. Als ik het ongeluk heb vanonder dien invloed te staan — hy insgelijks. Als die invloed mjj eenigszins veranderd heeft, kan die ook hem wel eenigszins veranderd hebben. Ik wil niet zeggen, dat hij, met al die verwikkelingen en onzekerheden, geen eerlijk man is gebleven; ik ben overtuigd, dat hij dit is. Maar die invloed besmet iedereen. Dat weet gij wel. ( lij hebt hem dat wel vijftigmaal hooren zeggen. Waarom zou hij er dan aan ontkomen?quot; — .()mdat hij,quot; zeide ik, „een man van een buitengemeen karakter is, on zich standvastig buiten dien kring heeft gehouden, Richard.quot; — „Och, omdat en omdat!quot; antwoordde Richard op zijne levendige manier. Het kan heel verstandig wezen, meisjelief, die uitwendige onverschilligheid te bewaren. Daardoor kan men maken, dat andere geïnteresseerden hunne belangen verwaar-loozen; en sommige mensclion kunnen sterven, en sommige punten kunnen uit het geheugen gaan, en er kan zachtjes aan veel gebeuren, dat iemand juist gelegen komt.\'

Ik gevoelde zulk een medelijden met Richard, dat ik hem geen verwijt meer kon doen, zelfs niet met een blik. Ik herinnerde mij hoe zacht mijn voogd zijne dwalingen had beoordeeld, en hoé geheel vrij van gevoeligheid hij daarover gesproken bad.

„ Esther,quot; hervatte Richard, „gij moet met denken, dat ik hier ben gekomen om John Jarn-dvce achter ziin rug zwart te maken. Ik kom alleen om mij zeiven te rechtvaardigen. at ik zeggen wil is; hot was alles goed en wel, on wij konden zeer wel met elkander terecht.


-ocr page 275-

RICHARD TRACHT ZICH TE HECHTVAARDKIEN. 261

toen ik nog ccn knaap was en my niet het minste om dit proces bekommerde; maar zoodra ik daarin belang begon te stellen en er doorzicht in kreeg, werd liet anders. Toen ontdekte John Jarndyce, dat Ada en ik van elkander moesten afzien, en dat ik, als ik dat zeer berispelijke gedrag niet verander, niet voor haar deug. Nu Esther, meen ik dat zeer berispelijke gedrag niet te veranderen; ik wil de gunst van John Jarndyce niet koopen, ten koste van een onbillijk vergelijk, dat hij geen recht heeft mij voor te schrijven. Hetzij net hem behage of misliage, ik moet mijne rechten en die van Ada handhaven. Ik heb er veel en lang over gedacht, en dit is het besluit, waartoe ik gekomen ben.quot;

Die arme Richard! 11 ij had er waarlijk veel en lang over gedacht; zijn uitzichten zijne manieren toonden dit maar al te duidelijk.

„Ik zeg hem dus eerlijk (gij moet weten, dat ik hem over dat alles geschreven heb) dat wy wederpartijen zijn, en dat het beter is dit openlijk dan bedekt te wezen. Ik bedank hem voor zijne welwillendheid en bescherming, en hij gaat zijn weg en in den mijnen. De zaak is, dat onze wegen niet geljjk loopen. Volgens een der testamenten in geschil zou ik veel meer krijgen dan hij. Ik wil niet zeggen, dat juist dat testament voor geldig zal verklaard worden; maar het is er toch en heeft evengoed kans als het andere.quot; - ,lk behoefde niet eerst van u van uw briefte hooren, Richard,quot; zeide ik. ,lk had er al van gehoord, en dat zonder een enkel gramstorig of driftig woord.quot; .Inderdaad?quot; zeide Richard op zachter toon. „Het verheugt mij gezegd te hebben, dat hjj toch een eerljjk man was, in weerwil van dit ellendig proces. Maar dat zeg ik altijd en ik heb er nooit aan getwijfeld. Nu, lieve Esther, weet ik wel, dat gij mijne gedachten zeer hard zult vinden, en dat Ada dat insgelijks zal doen, als gjj haar zegt wat er tusschen ons is omgegaan. Maar als gij de zaak hadt onderzocht, zooals ik, als gij de papieren maar hadt doorgezien, zooals ik gedaan heb toen ik bij Kenge was, als gij wist welk eene menigte van vermoedens, verdenkingen en beschuldigingen men daaruit halen kan, zoudt gij integendeel vinden, dat ik nog zeer gematigd donk.quot; „Misschien,quot; zeide ik. „Maar denkt gij, Kichard, dat er in die papieren veel rechtvaardigheid en waarheid te vinden is?quot; ,Er is toch ergens recht en waarheid in de zaak, Esther...quot; „Of is er, lang geleden, in geweest,quot; zeide ik. „Is er nog moet ergens wezen,quot; hervatte Uicnard onstuimig, ,en moet aan het licht gebracht worden. Ada tot den prijs te willen maken om mijn stilzwijgen te koopen, is de manier niet om ze aan het licht te brengen, \'iij zegt, dal het proces mij doet veranderen; John Jarndyce zeg:, dat het dit iedereen doet en doen zal, die er in betrokken is. Des te meer heb ik dus het recht

op mijne zijde, als ik besluit om alles te doen wat ik kan om het tot een eind te brengen.quot;

„Al wat gij kunt, Kichard! Denkt gij niet, dat in die vele jaren anderen reeds al gedaan hebben wat zij konden? Is de moeielijkheid kleiner geworden, omdat het zoovelen is mislukt ze te boven te komen?quot; — „Het kan toch niet altijd duren,quot; antwoordde Kichard. met eene onstuimigheid, die weder eene droevige herinnering bij mij opwekte, ,1k ben jong en ijverig, en ernst en vastberadenheid hebben dikwijls wonderen gedaan. Anderen hebben er zich maar half aan overgegeven. Ik wijd er mij geheel aan toe. Ik maak het tot het doel van mijn leven.quot; „O, beste Kichard, des te erger, dos te erger!quot; — „Neen, neen, wees niet bang voor mij,quot; antwoordde hij vriendelijk. „Ojj zyt een lief, goed, bedaard, verstandig meisje; maar gij zijt bevooroordeeld. Zoo kom ik nog eens op John Jarndyce. Ik zeg u, mijne goede Esther, toen hij eii ik op dien voet met elkander waren, die hem zoo wel aanstond, waren wjj niet op een natuurlijken voet.quot; „Is dan oneenigheid en vijandschap een natnurli|ke voet voor n, Kichard?quot; — „Neen, dat zeg ik niet. Ik meen, dat al die dingen ons op een onnatuurlijken voet plaatsen, waarmede geene natuurlijke betrekkingen zich verdragen. Ziedaar dus nog eene reden om er voortgang mede te maken! Als dat proces voorbij is, zal ik misschien bevinden, dat ik mij in John Jarndyce heb vergist. Als ik daarvan bevrijd ben, zalquot; mijn hoofd mis-| schien helderder zijn, en dan zal ik misschien toestemmen wat gij nu zegt. Heel goed 1 Dan zal ik dat erkennen en hem vergoeding aan-j bieden.quot;

Alles uitgesteld tot dien denkbeeldigen tijd. | Alles zoolang in verwarring en onzekerheid ge-| houden I

„En nu, mijne beste contidante,quot; zeide Ui I chard, „wensch ik mijn nichtje Ada te doen begrijpen, dat het geene eigenzinnigheid, gril-i ligheid of vooringenomenheid is, die mij zoo | over John Jarndyce doet denken, maar dat ik i er goede redenen voor heb. Ik hoop. dat gjj haar dit zoo zult voorstellen, omdat ik weel, dat zij groote achting voor haar neef John heeft ; ik hoop, dat gij mijne handelwijs m het beste licht zult plaatsen, al keurt gij die zelve juist niet goed, en kortom,quot; zeide Kichard, die I deze woorden aarzelend had uitgebracht, „ik [ wenschte niet, dat een argeloos meisje, zooals i Ada. mij voor znlk een achterdoebtigen, twist-| gierigen moeitemaker hield.quot;

Ik zeide hem, dat ik hem in zyne laatste ; woorden beter herkende dan in iets, dat hij | nog gezegd had.

.Dat kan wel waar zijn.quot; antwoordde Hi-chard hierop. „Ik gevoelde dat zelf eenigs/ins. Maar eerlang zal ik mij geheel in mijn waar \' karakter kunnen vertonnen. Dan zal ik geheel


-ocr page 276-

HET VEK\'LATEN Hl\'IS.

2r,2

te vocht koinpii, wees daar niet bang voor.quot;

Ik vroeg of dit alles was, dat liij Ada wensclite gezegd te hebben.

,,Nog niet alles,quot; antwoordde Richard. „Ik ben verplicht haar niet te verzwijgen, dat John .jarndyce mijn brief op zijne gewone manier beantwoord heeft. Hij noemde mj), zooals vroeger, „mijn waarde Kick,quot; beproefde mij van mijne gevoelens af te brengen, en zeide, dat zij lj(j hem geen verschil zonden maken. (Dat is alles goed en wel, maar het verandert de zaak toch niet). Ik wensclite Ada ook te doen weten, dat ik, al zie ik haar tegenwoordig zelden, toch zoowel voor haar belangen als voor de mijne zorg - want onze belangen loopen juist te zamon - en ik hoop, dat zij op losse gernditen, die zij misschien mag hooren, niet denken zal, dat ik lichtzinnig ot\' onvoorzichtig ben; integendeel, ik houd altijd den uitslag van het proces in het oog, en al wat ik doe is daarop aangelegd. Daar ik nu meerderjarig ben en den stap heb gedaan, dien ik gedaan heb, acht ik nijj vrij van alle verantwoordelijkheid aan John Jarndyce; maar daar Ada nog eene pupil van bet Mof is. vraag ik haar niet om ons engagement te vernieuwen. Als zij onafhankelijk is geworden, zal ik ook weder zijn wat ik vroeger was, en /.uilen wij beide in geheel andere omstandigheden zijn, geloof ik. Als gij haar dat alles op uwe bedaarde manier wilt vertellen, zult ge mij een grooten dienst bewijzen, lieve Esther; en dan zal ik weder met vernieuwde kracht aan Jat proces gaan werken. Natuurlijk vraag ik op het V erlaten Huis geene geheimhouding.quot;

. Uichard,quot; zeide ik. „gij stelt zeer veel vertrouwen ia mij, maar ik vrees toch, dat gij geen raad van my zult aannemen.quot; — „In dit iipzicbt kan ik dat onmogelijk doen, meisjelief. In alle andere opzichten gaarne.quot;

Alsof ik hot nog in een ander opzicht van belang kou achten hem raad te geven, als hij op dit punt niet wilde luisteren\'.

. Maar mag ik u eene vraag doen, Uichard ?quot; — .Ik denk wel van ja,quot; antwoordde lijj lachende. „Ik weet niet wie het zou mogen, als gij niet mocht.quot; jijj zegt zeil\', dat gjj geen zeer geregeld leven leidt?quot; „Hoe kan ik, lieve Esther, als er nog niets geregeld is!quot; „Hebt gij ««•der M\'hulden gemaakt ?quot; — .. Wel. dal spreeKl van zelf,\'\' antwoordde Uichard. verbaasd over myne onnoozelheid. — „Spreekt dat zoo van zel f?\'\' — .Wel zeker, kindlief. Ik kan mij niet zoo geheel op iets toeleggen, zonder onkosten te maken, tijj vergeet., of misschien weet gij niet, dat, volgens beide teslamenten, Ada en ik iets moeten krijgen. De vraag is maar of het eene groiitere of kleinere som zal zijn. Ik zal altijd toch nog overhouden. \\\\ ees maar gerust, meisje-lief.quot; zeide hij. en scheen om mij te moeten lachen, .ik beis geborgen, hoe het ook gaan mag.quot;

Ik gevoelde zoo diep iti welk een gevaar lijj verkeerde, dat ik hem zoo nadrukkelijk als my maar mogelijk was daarvoor poogde te waarschuwen, hem beproefde te doen zien hoezeer hij zich vergiste, en in Ada\'s naam bezwoer om zich te bedenken. Hij hoorde al wat ik zeide met geduld en zachtmoedigheid aan, maar alles stuitte toch op hem af, zonder den minsten indruk te maken. Na de manier, waarop zijn bevooroordeeld gemoed den brief van mijn voogd had opgenomen, kon mij dit niet verwonderen; maar ik besloot nog den invloed van Ada te beproeven.

Toen dus onze wandeling ons weder naar het dorp had teruggevoerd, en ik naar huis was gegaan om te ontbijten, bereidde ik Ada eerst voor op hetgeen ik haar te verhalen had, en zeide haar toen onbewimpeld hoeveel reden wij hadden om te vreezen, dat Uichard in zijn ongeluk zou loopen. Dit maakte haar natuurlijk zeer bedroefd; hoewel zy een veel grooter vertrouwen had, dan ik hebben kon, dat hij wel van zijne dwalingen zou terugkomen iets, dat bij baar natuurlijk was en haar mij nog dierbaarder maakte. — en daarop schreef zij hem dezen brief:

.Zeer waarde Neef!

„Esther heeft mij alles verteld wat gij haar v in morgen gezegd bobt. Ik schryf dezen om voor mij zelve nog eens ernstig alles wat zij u gezegd heeft te herhalen, en u te doen weten, hoe overtuigd ik ben, dat gij vroeger of later bevinden zult, dat onze neef John een voorbeeld van braafheid, oprechtheid en goedheid is, en het u dan diep, zeer diep zal spijten, dat gy hem (zonder het te bedoelen) zooveel onrecht hebt gedaan.

,lk weet niet goed hoe ik schryvon zal wat ik verder nog wil zeggen, maar ik vertrouw, dat gij begrijpen zult hoe ik het meen. Ik vrees eenigszins, waarde neef, dat het gedeeltelijk om mijnentwil is. dat gy u zeiven - en daardoor ook mij zooveel verdriet berokkent. Indien dit zoo wezen mocht, of als gy bij hetgeen gij tegenwoordig doet nog veel om mij denkt, bid en smeek ik u ernstig om er van af te zien. (üj kunt om mijnentwil nietsdoen, dat mij half zooveel kan verblijden, dan wanneer gij u voor altijd onttrekt aan de schaduw, waaronder wij beide geboren werden. Wees niet boos op mij omdat ik dit zeg. Ik bid u, lieve Hi-chard, om mijnentwil en uw eigen wil, en uit angst voor die bron van onheilen, die er toe heeft bijgedragen, dat wij beide zoo jong weezen zyn geworden, ik bid u, zie voor altijd daarvan af. Wy kunnen beide nu wel weten. dat er nooit iets goeds uit kan komen, dat er niets van te hopen is; dat er niets anders uit te bekomen is dan droefheid onleed.


-ocr page 277-

KICIIAUD\'S KElSCl-lNonT KN HAAUSMAN.

,lk behoef niet te zeggen, waarde neef, dat gij geheel vrij zijt, en dat: hot zeer waarschijnlijk is dat gij iemand vinden zult, die gij veelliever kimt hebben, dan uwe eerste beminde. Ik ben overtuigd, als ik dit zeggen raag, dat het voorwerp uwer keus liever ver met u heen zou willen gaan om uw fortuin te deelen, hoe matig en armoedig dat wezen mocht, en u gelukkig zien bij het volbrengen van uw plicht en het volgen van den door u gekozen weg, dan de hoop, of zelfs de zekerheid te hebben van eens schatrijk met u te zijn (als •/,00 iets mogelijk was) ten koste van akelige jaren van uitstel en angst, en van uwe onverschilligheid voor elk ander doel. G ij zult u misschien verwonderen, dat ik, die zoo weinig kennis of ervaring heb, die zoo stellig zeg, maar mijn eigen iiart geeft mij daarvan de zekere overtuiging. Altijd

Uwe liefhebbende Aha.quot;

Deze brief deed L\'ichard zeer spoedig bij ons komen, maar had weinig of geene verandering bij hem teweeggebracht. W ij zouden onpartijdig beproeven, zcide hij, wie gelijk en wie ongelijk had — hij zou ons dat toonen — wij zouden zien! Hij was vurig en opgewonden, alsof Ada\'s teederbeid hem gestreeld luid; maar ik kon slechts zuchtend hopen, dat haar briet bij eene herhaalde lezinquot;\' meer indruk op zijn gemoed mocht maken dan hij toen voorzeker deed.

Daar /ij dien dag bij ons zouden blijven, en plaatsen hadden genomen om des anderen daags met de diligence terug te keeren, zocht ik eene gelegenheid om mijnheer Skimpole te spreken. Daar wij zooveel in de opene lucht waren, kon ik gemakkelijk zulk eene gelegenheid vinden, en toen bracht ik hem met kiescbheid de verantwoordelijkheid onder het oog om Kiehard aldus aan te moedigen.

.Verantwoordelijkheid, mijne lieve julfrouw Summer,-.on ?quot; herhaalde hij, met een allerge-uoeglijksten glimlach dat, woord opvangende. .Ik ben voor zoo iets de laatste menscli op de wereld. Ik lien nooit in mijn leven verantwoordelijk geweest ik kan het niet zijn.quot; - „Ik vrees, dat iedereen daartoe verplicht is,quot; antwoordde ik, eenigszins schroomvallig, daar hij zooveel ouder en veel meer bij dé hand was dan ik. — .Zoo waarlijk ?quot; zcide mijnheer Skimpole. liet nieuwe licht, dat voor hem scheen op te gaan, met, vroolijke verrassing ontvangende. .Maai- niet iedereen is toch verplicht mn /oo-veel te kunnen betalen als bij schuldig is. Ik ben dat niet en ben het nooit geweest, /ie, mijne lieve julfrouw Summerson,quot; hij haalde eene handvol zilver- en kopergeld uit /iju /ak, „daar is zooveel geld. Hoeveel weel ik niet. Ik ben niet in staat om het te tellon. Noen

; het vier schellingen en negen stuivers — ot vier pond en negen schellingen. Men zegt mij, dat ik meer schuldig ben. Ik geloof het ook wel. Ik durf wel zeggen, dat ik zooveel schuldig ben als goedhartige menschen mij maar willen laten schuldig zijn. Als/ij niet ophouden, waarom zou ik het dan doen? Daar hebt gij Harold Skimpole in liet klein. Als dat verantwoordelijk is. ben ik verantwoordelijk.quot;

De koelbloedigheid, waarmede hij bet geld weder opstak en mij met een glimlach aanzag, alsof hij mij eenige aardige anekdote van iemand anders\'had\' verteld, deed mij bijna denken, dat de /aak hem wezenlijk niet\'aanging.

.Als gij van verantwoordelijkheid spreekt,quot; hervatte hij, „zou ik wel willen zeggen, dat ik nooit het geluk heb gehad van iemand te zien, dien ik voor zoo plei/ierig verantwoordelijk houd als u zelve, In mijne oogen zijt gij ile toetssteen van verantwoordelijkheid. Als ik ii zie, mijne lieve jutl\'rouw Summerson. altijd bedachtzaam op den volmaakten gang van het ordelijke stelsel, waarvan gij het middelpunt /ijt, dan gevoel ik mij genegen om bij mij /elven te /eggen — ja, dan zeg ik zeer dikwijls bij mij zeiven - dat is verantwoordelijkheid.quot;

Het was na zulke gezegden zeer moeielijk hem : te verklaren wat ik meende; maar ik hield I toch in zooverre vol om hem nog te zeggen, 1 dat wij hoopten, dat hij Hichard zou tegengaan en niet voorthelpen in de ijdele verwachtingen, die hij tegenwoordig koesterde.

„Zeer gaarne,quot; antwoordde hij. .als ik maar kon. Maar, mijne lieve julfrouw Summerson, ik kan niet veinzen, ik kan mij niet stroef houden als ik v rooi ijk ben. Als hij mij bij de hand neemt, en hij mij door W est m i n s ter-li all laat wandelen in eene denkbeeldige processie naar de Fortuin, moet ik medegaan. Als hij zegt; „Skimpole, dans mede!quot; moet ik mede-dansen. Iemand, die ge/ond verstand had. /.ou dat niet doen, maar ik heb geen gezond ver-stand.quot; ..Hat is zeer ongelukkig vóór Wicbard,quot; /eide ik. - „Denkt gij datVquot; hervatte mijnheer Skimpole. , Neen, zog dat niet, /eg dat niet. Laten wij eens onderst ellen, dathijmet mijnheerl ie/.ond Verstand in ge/elschap is — een braaf man nvriinpeld van ouderdom schrikkelijk berekend altijd klaar met afgepast geld om eene banknoot te wisselen - met een gelinieerd opschrijfboek in de hand — die over bet algemeen sterk op een belastinggaarder gelijkt. \' )n/e goede liiclntrd, die altijd vol hoop en \\ uur over alle hinderpalen beenspringt, die barst van I poëzie gelijk een jonge bloesemknop, /egt tot de/en deftigen kameraad: „Ik zie een gulden uitzicht voor mij; helder, vroolijk. schoon; ik ga er op af en vlieg over de velden om erbij te komen.quot; De deftige kameraad geeft hem dadelijk een slag met zijn gelinieerd opsehrijf-boek en zegt hem, op een droog prozaïsche


-ocr page 278-

É

li|:

-,;l HET VERLATEN\' HITS.

ij ----

manier, dat liij niets van dien aard ziet, be- : gekend?quot; vroeg Ada. #Vholes? Mijne lieve wijst hem, dat het niets anders is dan onkosten, juffrouw Clare, ik had die soort van kennis bedrog, paardenharen pruiken en zwarte tab- aan hem gehad, die ik aan verscheidene heeren \'J.1. \'1\'lit oolie sniiir- Niin zijn vak geluid licl). 11ij had oi»ooiiozoorvrioii* trlijk»\' \\ f\'raii(loriiii( is; ton uitorsto vorstandi^, dolijko on boloofde manier zoo iet.s g\'odaaii—^c-daaraaii twijtol ik niot, inaar zoor onaan^onaani. prooedoord, ^oloof ik, is do uitdrukking - • dat Ik kan zoo lots niot doon. Ik liob geon go- daannodo afliep, dat hij mijn oigon porsoon in bo-Jiniooi d op.gt;olirijl mx\'k, ik hob niots van oon slag nam. loniand was zoo good om voor mij op to bo astinggaard. i; in inijno ziol, ik bon in het komen on het gold to betalen — zooveel en vier r\' ,1l!!\'t d^\'tlig, oii ik wil hot ook niot /jjii. stuivors was hot bodrag; do pondon en sohollin-Wondei lijk misscnien, maar het is tocli zoo.\', gen lieb ik vergeten, maar ik weet nog wel, dat er liet was nutteloos let.s meer te zeggen, ik vier stuivers bij kwamen, omdat ik toon zoo dc\'d dugt; net voorstel om Ada en IJiehard, die vreemd vond, dat iemand vier stuivers kon schilleen weinig vooruit waren, to gaan opzoeken, dig zfln en naderhand bracht ik hen met elkan-i\'n liet mjjnliei\'r Sknnpdle uaiihnpin\'\\ aren. Ilii der in kennis. Vlioles vroeg mij daarom, en ik il\'f was \'j;ien ochtend naar Kastanje-Hof geweest deed het. Nu ik mij wel bedenk,quot; en daarbij en lt;jat ons ouder net wandelen eene kluchtige /a^ hij ons met zijn openhartigsten glimlach vra-«\'si himing der taniilieportretten. Kr waren, i gend aan, ,heeft Vlioles mij misschien omge-i\'ï vertelde bij mij, zulke geweldige herderinnen kocht? lljj gaf m|j iets en noemde dat eene com-ondei de vroegere I.ad,\\\'s DedlocK, dat de vreed- missie. W as liet een briefje van vijf pond? Ja, /.ame lieider.s.^taven in bare banden naar ge- ik gidoof waarlijk haast, dat bet dat moet gevaarlijke wapenen geleken. Zij hoedden kudden weest zijn.quot;

\' een gt;ticnji gezidit, een gepoeierd hoofd Hij werd verhinderd dit punt in nadere over-

en een «zeren keurslijt en plakten zi.-h moes- weging te nemen, daar Richard nu zeer opge-

,|e. van kleerpleister op orn burgerlieden bang wonden terugkwam en haastig den heer Vlioles

tr maken, gHijk de upperhootden van andere presenteerde een lang en mager man van

-■t.mimen zieb met oorlogskb\'iiren beschilder- ongeveer vijftig jaren, met booge schouders,

den. Lr was een Sir lm wist niet meer wie een gebogen rug, eene vaal bleeke kleur, hier

veMslag. eene springende en daar een rooden uitslag in zijn gezicht, en mi|n, wolken \\an rook, bliksemstralen, eene , dicht geknepen lippen, die er uitzagen alsof zij

orandende stad en eene bestormde vesting, alles koud waren. Hij was in het zwart gekleed,

m \\idli\'ii \'jano ius-,idi.\'n de twee achterpooten met zwarte handschoenen, en zijn rok was ge-

i.in zijn paard, om aan te duiden, naar bij heel dicht geknoopt: maar niets was zoo op-

nieembquot;, boe w eniig een I ledlockom zulke kleinig- merkelijk als het levenlooze van geheel zijn voorlieden nat. De geheide la mille moest, naar bij i komen en zekere langzame, strakke manier, die zenie. Uil „opgezetie menscheuquot; hebben be- i by bad, om Kieliard aan te zien.

-taan eene groote collectie, met glazen oogen. Jk hoop, dat ik u niet stoor, dames,quot; zeide

m \'bdiige bondingen geplaatst, zoo onbezield mijnbeer \\ holes, en nu merkte ik op, dat bij

mogelijk en altijd in glazen kasten. nog iets bijzonders bad, namelijk zijne manier

ik was nu, wanneer die naam genoemd werd, van binnensmonds te spreken. ,lk heb met

met zoozeer op inyn geraak, ot ik gevoelde eene mijnheer Carstone afgesproken het hem altijd

veiiideiiimg toen birliaid met ...... uitroep van te doen weten als zijne zaak op de rol stond,

\\ eiia.gt;s)nu lieeiisnelde, een vroenideling te ge- en daar een van mjjiie klerken mij gisteravond

quot;\'quot;et, dien hij het eerst langzaam op ons aan na posttyd zeide, dat zij,eenigszins onverwacht, zag komen. , i tegen morgen op de rol stond, ben ik van mor-,,i\\lyn hemel. zeide mijnheer Skimpole., Daar ; gen vroeg in de diligence gaan zitten en hier h \\ holes.quot; j gekomen om met hem raad te nemen.quot; „Ja!quot; ik moi-l; o dit een \\ricnd van Kudiard was. 1 zeide Rieliard, Ada en mij zegepralend aan--Len \\ ilend en reclitsgeleerd raadsman,\' /eide ! ziende, „wij doen die dingen nu niet meer op

Ml- ■ lo\'M\' inilrouw Sunimerson, als gij de oude trage manier. Wij maken nu voortgang,

^e/.oiid ier-tand, yj.nantwoordelijkheid en rlel- Mijnheer Vlioles, wij moeten een rijtuig huren

! m■ \' l\' (\'.quot;\';i,1quot;\'(gt;r _ als gij een voor- om ons naar de poststad te brengen, dat wij

quot; \'..\'..\'r- quot;\'l\'/oai dan is \\ ludes de man. zoo van avond nog met den postwagen naar y wisten met. zeiden wy, dat Riohard j Lóndén kunnen komen.quot; — «Alleswotumaar

quot;quot;\'t riquot; \'l1\';:1\' gt; ni dien naam te rade ging. belieft, niijnheer,quot; antwoordde mijnheer Vlioles.

, -\' quot;^11 \'quot;J quot;il zijne uettelijki\' onmondigheid „Ik ben geheel tot uw dienst.quot; Laat eens

kuam. \' aiilwuordde mijnlieer Skimpole, „zag zien:\' zeide Richard, op zijn horloge kijkende, tnj \\ .ui onzen .spraakzanu-n vriend Kenge at en ; „Als ik nu naar de herberg loop, mijn valies

lquot;, \\ Imles over. geloot ik. ()| liever, ik pik en een wagentje of sjees, of wat er te krij-weet liet zel.er. want ik heb hem met Vlioles j gen is, bestel, hebben wij nog een uur tijd eer

■ Hadt gjj hem lang wij behoeven al te rijden. Daii kom ik nog terug

-ocr page 279-

MI.IXHEKIi VIIOLI-X

voor de tlieo. Nichtje Ada, wilt gij met Esther oi) mynheer Vholes passen zoolang ik weff ben ?quot;

lljj snelde terstond voort en was spoedig in de avondschemering verdwenen. W ij overigen wandelden naar het hnis terug.

Js mijnheer (\'arstone\'s tegenwoordigheid daar morgen noodzakelijk, mijnheer ?quot; vroeg ik. „Kan zij eenig nut hebben- „Neen, jiifl\'roiiu,quot; antwoordde mijnheer Vholes. „Zoover ik weet niet.quot;

Ada en ik gaven beide ons leedwezen te ken-nalaat. Dit schijnt een pleizierig plekje te zijn, jnlt\'rouw.quot;

Daar dit gezegde tot mij werd gericht, dewijl ik vlak naast hem ging, stemde ik het toe, en noemde eenige schoonheden van den omtrek op

„Inderdaad?quot; zeide mijnheer Vholes. .Ik heb het voorrecht van een hoogbejaarden vader te onderhouden, die in het Dal van Taunton woont — zijne geboorteplaats en ik vind die streek zeer fraai. Ik had mij niet verbeeld, dat het hier zoo mooi kon zijn.quot;


non. dat by dan daarheen zou gaan om te leur gesteld te worden.

«Mijnheer L\'arstone,quot; antwoordde mijnheer V holes, ,heeft het tot een principe gemaakt in eigen persoon zijne belangen in liet oog te houden, en wanneer een cliënt een eigen principe stelt, en dat niet onzedelijk is, is het mijne taak daarnaar te handelen. Ik wil in mijne zaken altijd nauwkeurig zijn en recht door zee gaan. Ik ben een weduwnaar, met drie dochters Emma, Jane en Caroline en mijn verlangen is, de plichten des levens zoodanig li; vervullen, dat ik mijne kinderen een goeden naam

Om het gesprek gaande te houden, vroeg ik mijnheer Vholes, of hij niet gaarne geheel buiten zou willen wonen.

„Daar treft mij eenc teedere snaar, juHVouw,quot; antuoordde hij. „Mijne gezondheid is niet goed. daar ik eene zeer zwakke maag heb, en als ik alleen om mij zeiven behoefde te denken, zou ik in het, landleven toevlucht zoeken ; vooral daar mijne beroepszorgen mij verhinderd hebben van ooit veel omgang te hebben, inzonderheid geen omgang met dames, een gezelschap, waarnaar ik altijd het meest heb verlangd, .Maai met mijne drie dochters, Emma, .lane en (\'am


-ocr page 280-

■Jtlti HET VERL.\'

TKN\' Hl\'IS.

line en uiiju lioogbejaanlen vader kan ik niet iilleen om mij zolven denken. Het is waar, ik iieb niet langer een dierbare grootmoeder te onderbonden, die in baar bonderd en tweede Jaar gestorven is ; maar er blijven er nog genoeg over om liet noodzakelijk te doen zijn, dat de neden gestadig aan liet malen blijft.quot;

Men luid vrij veel oplettendbeid noodig om bcm te verstaan, daar bij zoo binnensmonds -prak en zijn voorkomen daarbij z.oo levenloos bleet.

„(lij zult mij wel niet kwalijk nemen, dat ik Z\'iu van mijne doebters spreek,quot; zeide hij. ./.ij zijn mijne zwakke z.yde. Ik wenseb deanne meisjes een gering vermogen, zoowel ais een goeden naam, na te laten quot;

\\\\ ü waren nu aan mijnbeer Ijoytborn\'s liiiigt; •.\'ek\'jmen, waar de theetafel ons stond te wachten. Kort daarop kwam Hichard haastig aan-l.Mipei!. en ..ver den stoel van mijnbeer Vholes leunende, lluisterde lijj dezen iets in het oor. Mijnheer \\ h des antwoordde overluid of in zooverre overluid als ik geloof, dat hy .loitoj) antw.v.rdde : J1 ij wilt z.-lf rijden, mijnheer? H\' t is iny eveneens, mijnheer. Alles wat u maar belieft. Ik ben geheel tot uw dienst.quot;

l it uat er volgde begrepen wy, dat mijnbeer s;umpole tot den volgenden oehtend zou blij-v- :. \' in de twee r.vd.s betaalde plaat,-en te ge-:.mik.\'ii. I\'aar Ada en ik beide «quot;.ver Kiehard be-k\'mm.ad waren, en het ons speet, dat hij reeds \\erti- k. gaven w ij zoo beleefd al-mogelijk was \'• k\'-nnen, dat wij, wanneer de twee nacht-\' i/\'._\'er,, vertrekken waren, alleen weiiscbten te Mi; . \'i. en mijnbeer Skimp de dus in het Wapen an Dedloek z iuden laten.

Dia: Hi. uard\'s opgewondenheid alles mede--i |.Te. -.\'iiii.\'.-!! wij allen naar den top van den heuvel bóven het dorp, waar bij de sjees be--t-M bad in hem te wachten, en vonden daar en man met eene lantaarn -taan bij den kop i het ni;,\'ere witte paard, dat er voor ge--pamieii w a-.

N it zal ik vertroten hoe die twee daar in ..-hiiii-l di-r lantaren iiaast elkanderzatei ; Hi. : .r I ^ 1 vuur, met een hoog blozend en i • • . :,d . • : i ii de t«\'Ut,\'el-in de band ; mijn-

...... Vilquot;!.-» . quot;I-til, met zijn zwarten dicht

^eki ■■.pt.\'ïi i k ei; zwarte hand.-. hoenen, die zijn i\'i-.\'.-ir \'t aa keek al-af bij e.-ne prooi was, •lit bij ii .-t zijn blik betquot;.\'verde. Ik heb bet ge-li. ele t.iO!..e! ie.g vóór mij: de duisternis \\an den wannen agt;\' ; .|, het zomer-weerlii\'ht aan .leu hemel, «Ie -tre.\'p .an d-n stofferi\'^en weg tils-, hen heggen en Ie...ge boomen, het magere witte pa ird met opg. -tokene ooren, en iioe zü in vollen ren wegreden naar L o n den en het proces.

.Mijn li. \\. Ada zeiij.-mij dien avond, dat het. •t Hi\'-lmrd in lat.-r tijd rijk lt;4 arm. gelukkig .gt;1 ongelukkig was. voor baar alleen dit verschil Zquot;U mak. n, «lat hoe meer bij de liefde van éen getrouw hart behoefde, des te meer liefde hem dat getrouwe hart zou te geven hebben ; boe hij in zijne tegenwoordige dwalingen nog aan haar dacht, en zij altijd aan hem denken zou; nooit om zich zelve, als zij zich aan hem kon toewijden, nooit om baar eigen genoegen, als zij aan liet zijne dienstbaar kon zijn.

En hield zij haar woord ?

Ik zie den weg voor mij langs, waar de afstand reeds vermindert en het eind der reis zichtbaar wordt; en trouw en goed, boven de doode zee van het kanselary-proces en al de met asch gevulde vrnebten, die z.y aan den oever werpt, meen ik mijne lievelinge te zien.

XXXVIII.

KKX WOHSÏELSTKIJI».

Toen het tijd voor ons werd om naar het Verlaten IInis terug te kceren, hielden wij ons stipt aan den dag, en werden mot eene overstelpende welkomst ontvangen. Ik was geheel weder tot gezondheid gekomen ;en daar ik mijne sleutels in myne kamer voor in ij gereed voml liggen, luidde ik er mij zelve vrooljjk rinkelend me.le in. alsof bet nieuwjaar geweest was. , Wederom aan uw plicht, Esther.quot; zeide ik. ,.en al kunt gy niet overgelukkig wezen, gy behoort toch met en door alles meer dan opgeruimd en tevreden te zijn. Dat is al wat ik u te zeggen heb, meisje!quot;\'

Eenige dagen lang had ik het des morgens zoo druk met rekeningen nazien en afdoen, met heen en weder reizen tusschen de Brom-kamer en andere deelen van het huis. met het opruimen en verschikken van laden en kasten, en met alles over bet geheel opnieuw te beginnen, dat mij geen oogenblik vrijen tijd overbleef Maar toen alles weder in orde gebracht was, begaf ik iny voor een halven dag naar E on den om een boodschap te doen, waartoe iet- in den brief, dien ik verbrand had, my had doen besluiten.

Ik maakte Caddy Jelly by haar meisje-naam wa- mij zoo gewo\'.n, dat ik baar altijd nog zoo bleef noemen tot het voorwendsel van dezen tocht, en schreef haar een briefje quot;in baar te verzoeken eenige boodschappen met mij te willen doen. I)es inorgens zeer vroeg van huis gaande, kwam ik zoo tijdig niet de diligence in Londen aan, dat ik met den ge-heelen dag iiquot;ur voor mij naar N e w ni a n-S tree t -tapte.

r.ulily. die mij sedert haar trouwdag niet had gezien, was zoo verheugd en vriendelijk, dat ik bijna vreesde haar man jaloers. b te zullen maken. Maar by was op zyne manier byna even erg — ik wil zeggen, evengoed ; kortom het wa- de oude historie, en niemand wilde


-ocr page 281-

KW\'KKKEUN\'tiKN\' IN HE hANSKl XST.

mij do mogeiykheid laten van iets verdienstelijks te doen.

De oude heer Turvoydrop was nog in bed, naar ik hoorde, en Caddy was bezig met zijne chocolade klaar te maken, terwijl eon kleine jongen mot een zwaarmoedig voorkomen, een leerling liet kwam mij zonderling voor, dat iemand bij het ambacht van dansen in doleer werd gedaan - stond te wachten om die naar boven te brengen. Haar schoonvader was buitengemeen vriendelijk en inschikkelijk, zoido Caady mij, en zij loefden zoor genoeglijk te zanion. Met dit „te zamonquot; meende zij, dat de oude heer al de goede kamers had en van alles hot boste kroeg, terwijl zij en baar man aten wat or voor hen overschoot, en zich mot oen paar benauwde kamertjes boven don stal be-nielpen.

„Hu hoe vaart uwe mama, Caddy?quot; zoido ik.

...... „Wel, Esther,quot; antwoordde zij, „ik hoor

van haar door pa, maar ik zie haar zelden. Wij zijn goede vrienden, dat kan ik met hljjdscbap zoggen; maar ina vindt er iets absurds in, dat ik met een dansmeester bon getrouwd, en is oonigszins bang, dat men dit aan baar zal wij-ton en baar ook absurd zal vindon.quot;

Hot kwam mij in de gedachten, dat indien mevrouw Jellyby bare oigene natuurlijke verplichtingen had vervuld, oor zij mot een vor-rekijker langs don horizont naar andere plichten ging zooken, zij do boste voorzorgen zou hobbon genomen om niot absurd te worden; maar ik behoef nauwelijks aan te merken, dat ik dit voor mij zelve hield.

„En uw papa, Caddy?quot; ,11 ij komt allo avonden hier,quot; antwoordde zij, „én hij heeft zulk eene liofhebborij om daar in dat hoekje te zitten, dat bot oen lust is hem te zien.quot;

Ik koek naar dat hoekje en zag duidelijk hot toeken van mijnheer .lellyby\'s hoofd togen den muur. Het was oen troost te weten, dat hij er zulk eene rustplaats voor gevonden bad.

„En gij, (\'addy,quot; zoido ik, „gij zult hot wol altijd druk bobben?quot; „Ja, melievo,quot; antwoordde zij, „dat heb ik ook; want. om u een groot geheim te vertellen, ik leg er mij op toe om ook los te kunnen geven. l)i\'gozonaheid van l\'riin e is niet sterk, en ik wilde gaarne in staat zijn om hem te helpen. Met de scholen, en de lesson hier, en do lossen aan huis, en de vaste leerlingen heeft bjj haast al te veel te doen.quot;

Het denkbeeld van bij dat beroep in de loer te zijn was mjj nog zoo vreemd, dat ik (\'addy vroeg of zij voel van die leerlingen hadden.

„Vier,quot; zeide Caddy, waarvan er óén in huis slaapt. Het zijn goede kinderen; maar als zij bij elkander zijn, kunnen zij hot spelen niet laten en denken niet om hun work, want zij zijn nog maar kinderen. Do kleine jongen, dien gij hier gezien hebt, is dns nu alleen aan het walsen in de ledige keiikon, en wij verdoelen de anderen hier en daar in huis zoo wij kunnenquot; „Dat is toch alleen om passen te loeren ?quot; zeide ik.

„Ja natuurlijk,quot; antwoordde Caddy. „Op die manier oefenen zij zich in de passen waaraan zij zijn, zooveel uren achtoreeii. Zij dansen in de acadomio-zaal; en in dozen tijd van het jaar zijn zij eiken ochtend om vijf ure al aan de figuren.quot; — „Dat is toch haast een al te werkzaam leven!quot; riep ik uit. - „Ja, ik verzeker n, lieve,quot; antwoordde Caddy, mot een glimlach, „als onze leerlingen, die buiten do deur slapen, ons dos morgens opschellen (de schol hangt in onze ka-mor om don ouden boor niet te storen) en ik dan hot venster openschuif en ben met hunne dansscboontjes onder don arm op do stoep zie staan, moet ik werkelijk wel eens om do scboor-steenvegers denken.quot;

Dit alles plaatste de kunst voor mij in een zonderling licht. Caddy verheugde zich over don indruk barer modcdeeling en vertelde mij op oen vergenoegden toon hoe zij studeerde.

Jiij begrijpt wel, lieve, om onkosten uit te balen, moet ik wat op do piano kunnen spelen en ook op de viool, en dus moet ik mij zoowel op die twee instrumenten oefenen, als in alles wat ons beroep betreft. Als ma gelijk andere menschon was geweest, bad ik een wei-nigje muzikale kennis kunnen hebben om mede te beginnen. Xu had ik niets daarvan, en dat gedeelte van hot work is in hot begin oonigszins vervelend, dat moet ik bekennen. Maar ik heb een boel goed gehoor en ben aan vervelend werk gewend dat heb ik ma in allen gevalle te danken — en als iemand wil dan kan bij ook, niel waar. Esther?quot; Met deze woorden zette (\'addy zich lachondo voor eene oude afgespeelde piano, en trommelde inderdaad met grooto vlugheid eene i|uadrillo. Toon stond zij blozend weder op. en terwijl zij zelve nog lachte, zeide zij: ,Wees nu een goed meisje, en lach mij niet uit,quot;

Ik had liever willen schreien, maar ik deed geen van beide. Ik moedigde haar aan en prees haar met nl mijn hart; want ik geloofde vast en zeker, dat zij. die maar oone dansmeesters-vrouw was, en wier eorzncht niet hooger ging dan om zelve dansmoesteros te worden, eene natuurlijke, heilzame, liefderijke baan van werkzaamheid en volharding had gekozen, die evengoed was als oone zoogenoemde Hoeping.

„(Jij kimt ii niet verbooldon, hoe ge iii(j opbeurt, Esther,quot; zoido Caddv vroolijk. „Ik ben u, gij woel niet hoeveel, verplicht. Welke vor-aiidoringon, Esther, zelfs in mijne kleine we-reldl Herinnert gij n dien eersten iivond nog wel. toon ik zoo onbeleefd en boïnktwas? W ie zou toen gedacht bobben dat ik, onder alle mogelijkheden en oninogolijkbedoii, ooit do menschon zou leoron dansen?quot;

Daar haar man, die ons, terwijl wij zoo aan hot praten waren, verlaten had, nu teriigkwam


-ocr page 282-

HET VERLATEN HUIS.

on zich gereedmaakte om aai) do leerlingen in . de danszaal les te geven, zeide Caddy mij, dat 1 ik nu gelicel over haur kon beschikken. Maar ik had den tyd nog, kon ik haar tot mijne Idijdsehap zeggen, want het zou mij gespeten hebben als ik haar toen had moeten\' weghalen. Wij gingen dus met ons drieën naar do leerlingen, en ik nam deel aan de dansles.

Die leerlingen waren allerzonderlingste kleine 1 menschjes. Behalve de zwaarmoedige jongen, die ik \'hoopte, dat dit niet geworden was door zoo alleen in do ledige keuken te walsen, waren er nog twee oudere jongens en een morsig, spichtig opgeschoten meisje, met een gaasachtig kleedje aan. Zulk een oudachtig klein meisje, met zulk een llabberig hoedje op (ook ! al van gaas), dat hare dansschoentjes in eene | oude, kaal gesletene tluweelen reticule mede- i brai ht. Zulke allergemeenste kleine jongens, | met touwtjes, knikkers en bikkels in den zak, i en wier beenen en voeten — vooral de hielon : — er zoo onooglijk uitzagen. Ik vroeg Caddy \\ wat hunne ouders bewogen had om dit beroep [ voor hen te kiezen, /.ij antwoordde, dat/.jj het niet wist; misschien waren zij voor dansmeos- | tors bestemd, misschien voor het tooneel. Zij i waren allen kindoren van geringe lieden, en de moedor van den zwaarmoedigen jongen hield ! een winkeltje van gemberbier.

Wij dansten een uur lang met de grootste ! deftigheid; de zwaarmoedige jongen deert waarlijk wonderen met zijne boenon. en liet scheen, i dat zij zelvon vermaak daarin hadden, hoewel | dat vermaak nooit hooger kwam dan zijn mid- j del. Ter wijl (\'idly blijkbaar haar man in alles i tot model had genomen, had/y toidi eeno eigen- i lardige gratie vorkreiren. die haar, met haar lVa;ii tigunrtje en lief gezichtje vereenigd, bui- , toiigemeen bevallig maakte Zij onthiefhem reeds ifrootondeels van liet onderwijs deer leerlin- | gen, en liy bemoeide zich zelden met de les } dan om, als dit te pas kwam. zijne plaats in | le liguren te nemen, liy speelde ook altyd de viool . De affectatie van het gaasachtige meisje, ! en de minachtende beleefdheid, wnarmede zy de jongens behandelde, waren aardig om te zien. | Ku zoo dansten wij een uur lang, op het hor- ■ loge af.

Toon de les was algeloopen, maakte i \'addy\'s I man zich gereed om naar een school buiten i de stad te gaan, terwyl Caddy heeidiep om zich klaar te maken om mij te vergezellen. Ik | zat ondertusschen in de balzaal naar de leer- | lingen te kyken. De twee jongens, die niet in Imis woonden, gingen op het portaal om hunne j laarzen aan te trekken en den inwonenden jongen by het haar te plukken, gelyk ik uit j zijne tegenspraak opmaakte. Toen zij met over hunne dansschoenen dichtgeknoopte buizen terugkwamen, haalde ieder oen papier met brood ; en koud vleesch voor den dag, en daarmede 1 bivakkeerden zij onder eene tegen den muur geschilderde lier. Nadat het gaasachtige meisje hare dansschoentjes in de reticule had gestopt en een ander paar neergetrapte schoenen aangetrokken, duwde zij haar hoofd in den tlab-berigen hoed, strikte dien onder hare kin vast, en mijne vraag of zij veel van dansen hield nog kortaf met een ,niet met jongensquot; beantwoord hebbende, ging zij met een blik vol minachting heen.

, Het spijt den ouden heer Turveydrop zoo,quot; zeide Caddy, „dat hij nog niet geheel gekleed is. en dus het genoegen niet kan hebben van u te zien eer gij heengaat. O, gij zijt zoo bij hem in gunst, Esther.quot;

Ik antwoordde, dat ik hem zeer verplicht was, maar achtte het niet noodig er bij te voegen, dat ik zijne beleefdheid zeer wel kon missen.

„Hij heeft veel tijd noodig om zich teklee-den,quot; zeide Caddy, „omdat er in zulke dingen zoo bijzonder op hom gelet wordt en hij zijne reputatie moet ophouden. Gij kunt u niet verbeelden hoe goed iiij voor pa is. Hij vertelt hom des avonds van den prins-regent, en ik heb pa nooit met meer belangstelling zien luisteren.quot;

Het tafereel van mijnheer Turveydrop, die voor mijnheer Jellyby met zijn welgemanierdheid pronkte, had iets, dat mij bijzonder vermaakte, Ik vroeg Caddy of hij haar papa ook aan het praten hielp.

„Neen,quot; antwoordde Caddy, „dat kan ik juist niet zeggen, maar hij vertelt hem allerlei, en pa luistert en heeft er pleizier in, en bewondert hem ten hoogste. Ik weet natuurlijk wel, dat pa zeer weinig aanspraak op welgemanierdheid kan maken, maar zij komen toch uitmuntend met elkander te recht, (iij kunt u niet verbeelden welke goede vrienden zij zijn. Ik heb pa vroeger nooit zien snuiven; maar nu neemt hij geregeld een snuifje uit de doos van mijnheer Turvevdrop, en blijft er dan den ge-heélen avond mee tusschen zijne vingers zitten en er aan ruiken.quot;

Dat de oude heer Turveydrop, onder al de wisselingen des levens, eindelijk behulpzaam moest wezen om mijnheer Jellyby van B o r ri O b o ola ( Jli a te verlossen, vond ik een van do zonderlingste luimen der fortuin.

.Wat l\'eepy betreft,quot; zeide Caddy, oenigs-zins aarzelend, .voor wien ik het meeste bang was. dat hij mijnheer Turveydrop hinderlijk-zou zijn haast oven bang. Hsther, als om zelf eene kleine familie te krijgen — de goedheid van den ouden heer voor dat kind gaat boven alle beschrijving. Hij vraagt zelf om hem te zien, lieve Kstber. Hij laat hem do courant op zijn bed bij zich brengen; hij geeft hem zijne korstjes; hij laat hein in huis boodschappen voor zich den; hij stuurt hem nu en dan bij


-ocr page 283-

EEN BEZOEK 111.1 DE l\'AMILIE (ilJI\'l\'V

2ti!t

mij om hem een halveu schelling te geven. Kortom,quot; zeide Caddy yroolyk, „en om niet langdradig te worden, ik ben eene zeer gelukkige vrouw en ik behoor zeer dankbaar te zijn. Waar gaan wij naar toe, Esther?quot; — „Naaide Old-Street 1! o ad,quot; antwoordde ik, „waar ik iets te bespreken heb met den procureursklerk, die, toen ik naar Londen kwam, op dien dag, toen ik u voor de eerste maal zag, lieve, naar het diligencekantoor was gezonden om mij af te halen. Nu ik mij wol bedenk, is iüj ook de heer, die mij bij u aan huis heelt gebracht.quot; — „Dan is het nog eenigszins natuurlijk, dat ik niet u medega,quot; zeide Caddy.

Wjj gingen en vroegen aan liet huis naar juffrouw Guppy. Daar deze juffrouw de benedenkamers bewoonde, en zich zelf in zichtbaar gevaar had geplaatst om zich met de voorkamerdeur als eene noot te kraken, door, voordat er nog naar haar gevraagd werd, te komen uitkijken, kwam zjj dadelijk te voorschijn en verzocht ons om binnen te komen. Zij was eene oude juffrouw met eene groote muts, een eenigszins rooden neus, een eenigszins onvasten blik, maar geheel en al eén glimlach. Haar benauwd voorkamertje was voor een bezoek in orde gebracht; en daar hing het portret van haar zoon, eene meer dan sprekende gelijkenis, zou ik baast zeggen, met zulk een geweld drong het den beschouwer zijne eigenaardige trekken op.

Niet alleen hing daar het portret, maar wij vonden er ook liet origineel. Hij was met eene groote menigte van kleuren uitgedost, en zat aan de tafel, met zijn voorvinger tegen zijn voorhoofd, rechtsgeleerde documenten te lezen.

„.luffrouw Summerson,quot; zeide hij, opstaande, „dit is waarlijk eene oasis in de woestijn. Moeder, w ilt ge wel zoo goed zijn om voor die andere dame een stoel te zetten en wat uit den weg te gaan?quot;

•luffrouw Guppy, wier onophoudelijk glimlachen haar een schalkachtig voorkomen gaf, deed wat haar zoon verzocht had, en zette zich toen in een hoek, terwijl zij haar zakdoek met beide handen als een compres op hare borst drukte.

Ik presenteerde Caddy, en Guppy zeide, dat elke vriendin van mij meer dan welkom was.

Toen kwam ik tot hetoogmerk van mijn bezoek.

„ik ben zoo vrjj geweest van u een briefje te zenden, mijnheer,\'\' zeide ik.

Mijnheer Guppy erkende ile ontvangst er van door het. uit zijn borstzak te halen, aan zijne lippen te brengen en met eene buiging weiler in zyn stak te steken. Mijnheer Guppy\'s moeder vond dit zoo vermakelijk, dat zy al glimlachend haar hoofd heen en weder liet wiegelen, en Caddy met haar elleboog eene stilh; vermaning gaf om op te letten.

„Zou ik u een oogenblik alleen kuniien spreken?quot; zeide ik.

Nooit heb ik iets gezien, dat met de schalkachtige vroolijkheid van mijnheer Guppy\'s moeder te vergelijken was. Zy maakte geen geluid alsof zij lachte, maar liet haar hoofd zwaaien en wiegelen, hield haar zakdoek voor haar mond, gaf Caddy met elleboog, hand en schouder eene nieuwe vermaning, en had zulk eene onbeschrijfelijke pret, dat zij Caddy slechts met moeite naar hare aangrenzende slaapkamer kon voorgaan.

„Juffrouw Summerson,quot; zeide Guppy, „gij zult de kleine zonderlingheden wel versclioonen van eene moeder, die altijd aan het geluk van haar zoon gedachtig is. Mijne moeder, schoon wel geschikt om iemand zenuwachtig te maken, wordt door kinderlievende gevoelens bezield.quot;

Ik had nauwelyks kunnen gelooven, datiemand in een oogenblik zoo rood kon worden of zoodanig veranderen als mynheer Guppy deed, toen ik nu mijne voile opsloeg.

„Ik heb verzocht u een oogenblik hier te mogen spreken,quot; zeide ik, „liever dan liij mijnheer Kenge aan te komen, omdat ik my herinnerde wat ge mij bij zekere gelegenlieid. in vertrouwen sprekende, gezegd hebt, en vreesde, dat ik u anders eenige verlegenheid mocht veroorzaken, mpheer Guppy.quot;

Ik veroorzaakte hem nu reeds verlegenheid genoeg, daarvan was ik overtuigd. Nooit zag ik iemand in zulk eene verbazing, verwarring en angst.

„.luffrouw Summerson,quot; bracht inijubeer Guppy haperend uit, „ik ik — neem mij niet kwalijk, maar in ons vak is is het soms noodig duidelijk te spreken. Gy hebt daar van eene gelegenheid gesproken, juffrouw, loen ik — toen ik mij zeiven de eer bewees van eene verklaring te doen, die ...quot;

Er scheen hem iets in de keel te zitten, dat hij onmogelijk verzwelgen kon. Hij tastte er met zijne hand naar, kuchte, trok een leelijk gezicht, beproefde nog eens te slikken, kuclite nog eens, trok nog een leelijk gezicht, keek overal in de kamer rond en bladerde in zijne papieren.

„Eetie soort van duizeligheid heeft mij daar overvallen, juffrouw,quot; zeide hij, „die mij eenigszins van de wijs brengt. Hlt; — hm — ik heb die dingen wel eens meer hm ! Verduiveld!quot;

Ik liet hem wat tyd om zich te herstellen. Hij sleet dien met zyne hand beurtelings tegen zijn voorhoofd te drukken en weder weg te nemen, en op zijn stoei achteruit in een hoek te schuiven.

„Ik wilde alleen maar aanmerken,julfrouw,quot; hervatte hy, „och!- het zal verkoudheid zijn, geloof ik hm! aanmerken, dat gy by die gelegenheid zoo goed waart, die verklaring niet aan te nemen en geheel van de hand te wijzen. Gij zult wei geen bezwaar maken om dal nu ook toe te stemmen. Hoewel er geene ge-


-ocr page 284-

HKT VKIII.ATKN lü\'IS.

tuiden by zijn, zal het misscliien eene voldoening v oor voor mv gemoed zijn dit nu ook te kunnen bevestigen.quot; ,Er kan geen twijful aan zijn, mijnheer Guppy,quot; antwoordde ik. ,ot ik hub uwe verklaring zonder eenig voorbehoud van de hand gewezen.quot;— „Ik dank u, jtitfromv,quot; zeide hy, terwijl hij zijne van onrust bevende handen over de tafel liet wan-doleii, alsof hij het blad wilde meten. .lgt;it is in zooverre voldoende en het strekt u tot eer-Hui! het is zeker verkoudheid het moet iii tb1 luchtpijp zitten — hm! Gij zult het wel ïiiet kwalijk nemen als ik nog aanmerk - niet «lat het noiMli(gt;■ is, want uw eigen gezond verstand, en iedereens gezond vorstand moet dat wel zien ■ als ik nog aanmerk, dat die verklaring aldus eene afgedane zaak was, verder -van nul en ^eerier waardey \' - „Dat spreekt \\an zeil, antwoordde ik. ,Misscliieii hm!

het i-. wel haast niet de moeite waard dat tnrmulii r te gebruiken, maar het kan tot geruststelling van uw eigen gemoed dienen — misschien zult gij geen bezwaar maken om dat nog oens te verklaren, juffrouw?quot; zeide mijn-li|!er 1 iuijpy, ■ .hat vorklaar ik gaarne en ^■h.\'i\'l vrijwillig,quot; zeide ik. - .Ik dank u nogmaals,quot; antwoordde mijnheer Guppy, „en ik verzeker n van mijne hoogachting. Het spijt mij, dat mijne vooruitzicfiten, vereenigd met t mstaudighuden waarover ik geene macht heb, hot buiten mijn vcrinogen stellen om dat aan-liod ooit, in eenigeu vorm of gedaante, te vernieuwen; maar het zal altijd eene herinnering blijven, van hm! — van den vriendschap-Ijelijksten aard.1\' Hier kwam zijne verkoudheid riem te stade, en hy behoefde nu niet langer de tafel te meten. „Misschien mag ik nu zeg-Ljen wat ik te zoggen heb?\'begon ik. .Het /\'.al mi j waarlijk veel eer z|jn,quot; antwoordde mijn-hoer (inppy. ,lk ben zou overtuigd, dat uw goed verstand eu uw zuiver gevoel, mejulfrouw, u n altijd voet bij stuk zullen doeii houden dat het my zeker nooit iets anders dan een jgenoegen kan zijn, alles aan te hooren wat ge mij wensebt te zeggen.quot; ,,(iij waart by die Holegenlieid zoo goed om bewimpeld aan te • liiiden .,,NConi mij niet. kwalijk, juffrouw, zeide mijnlieer fiuppy hierop, „.Maar wij i moi-sten lievor blijven bij wat er bepaald gezegd is. Ik kan niet. toegeven, dat ik iets bcwimpiud zou hebben aangeduid.quot; — hij hebt, bij die ■ l^olegeuhcid gezegd.quot; begon ik weder, .dat gij i niisschieii middelen zoiult kunnen vinden om rnijne belangen Ie bevorderen, door voor mij i^ewiclitige ontdekkingen to doen. Naar ik meen, zult gij ii ilit daarom verbeeld hebben, omdat ] urij in liet al genieën wist, dat ik eene wees ben, i die alles aan de weldadigheid van mijnheer Jarudjve te danken heeft. Nu is de eenige reden ! waaniui ik bier kom, mijnheer hiippy, dat ik \' ii wilde verzoeken van alle voornemens af te I

zien, om mij op die manier van dienst te zijn. Ik heb nu en dan daarover gedacht, vooral in den laatsten tijd sedert ik ziek ben geweest. Eindelijk heb ik begrepen, dat ik, in geval gij u soms dat voornemen mocht herinneren en het ten uitvoer willen brengen, het raadzaam was zelt met n te spreken en u te verzekeren, dat gij u in dat opzicht geheel en al vergist, hij zoudt, mij aangaande, niets kunnen ontdekken. dat mij van het geringste nut kon zijn of mij het geringste genoegen kon geven. Ik ben met mijne vroegere geschiedenis bekend, en kan u verzekeren, dat gij op die manier mijn welzijn nooit kunt bevorderen. Misschien hebt gij dat voornemen reeds lang laten varen. Is dit zoo, neem het mij dan niet kwalijk, dat ik ii noodelooze moeite veroorzaak. Zoo niet, dan verzoek ik u, op de verzekering, die ik u nu geef, er voortaan van af te zien. Voor myne eigene gemoedsrust verzoek ik u dat.quot; — „Ik moet bekennen, mejuffrouw,quot; antwoordde mijnheer Guppy,quot; .dat gij u met zooveel verstand en rechtschapenheid hebt uitgedrukt, als ik u altijd heb toegeschreven; en indien ik my zoo even oenigszins iu uwe bedoelingen heb vergist, ben ik bereid om u daarvoor verschooning te verzoeken. Ik wil zelfs te verstaan geven, mejulfrouw, dat ik u hiermede eene formeele verontschuldiging aanbied, die echter, geljjk uw eigen gezond verstand u reeds zal doen begrijpen, geheel en al tot het bedoelde punt moet beperkt blijven.quot;

ik moet tor eere van mijnheer Guppy zeggen, dat het angstvallig wantrouwige van zyn toon thans veel verminderd was. Hij scheen nu werkelijk blijde te zijn, dat hy in staat was iets op mijn verzoek te doen en zich tevens eenigszins te schamen.

„hij zult mij genoegen doen,quot; vervolgde ik, toen ik zag, dat Inj weder het woord wilde nemen, .als gij mij in eens wilt laten voortspreken, zoodat ik op niets behoef terug te komen. Ik ben met zoo weinig opzien als mogelijk was bij u gekomen, omdat gij nijj door die medi\'deelingen een vertrouwen luidt bewezen, dat ik wilde eerbiedigen, en ook, geiyk gij u zult herinneren, altijd geëerbiedigd heb. Ik heb van mijne ziekto gesproken. Kr bestaat geene reden waarom ik zou sdiromen te zeggen, dat ik zeer wel weet, dat het geringe bezwaar, hetwelk ik uit kieschheid had kunnen hebben, om u een verzoek te doen, tegenwoordig geheel is opgeheven. Ik doe ii dus nu uitdrukkelijk het verzoek, dat ik zoo even heb voorgedragen, en ik hoop van uwe welwillendheid, dat gij mij wel zult willen beloven van daaraan te voldoen.quot;

Ik moet mijnheer huppy verder het recht doen van te zeggen, dat by zich al meer en meer scheen te schamen, en dat het hem volkomen ernst scheen te zijn, toen hy met een gloeiend gezicht antwoordde;


-ocr page 285-

MIJN\'HKKU lil\'I\'I\'V (iMlKTSKiEHTEIil).

„Op mijn woord. l)ij mijne eer, l)ij mijne ziel, ] juffrouw Summerson, zoo waar als ik leef, ik i zal aan uw verlangen voldoen. Ik zal verder niets i ondernemen, dat daarmede strijdig is. Ik wil er ■ wel een eed op doen, als gij dit eenigszins verlangt. In wat ik voor het tegenwoordige beloof, | aangaande de onderliavige zaak of zaken,quot; ver- j volgde hij, snel sprekende, alsof hij een gewoon formulier opzeide, „spreek ik de waarheid, de | geheele waarheid en niets dan de waarheid, 1 zoo ..— „Ik ben volkomen tevreden,quot; zeide | ik, nu opstaande, „en blijf u wel dankbaar. Caddy, melieve, ik ben gereed.quot;

Mijnheer (hippy\'s moeder kwam nu met Caddy terug (thans maakte zij mij tot vertrouwde van haar heimelijk lachen en tot ontvangeres van hare clleboogstooten) en wij namen afscheid. Mijnheer Guppy liet ons de deur uit, met het | voorkomen van een slaapwandelaar, of van iemand, die maar half wakker is, en wij lieten j hem daar staan staren-

Weldra kwam hij ons echter, zonder hoed, | zoodat zijne lange haren achteraan kwamen : waaien, op straat naloopen, hield ons tegen en zeide vol vuur:

„Juffrouw Summerson, op mijne eer en bij ! mijne ziel, gij kunt u op my verlaten.quot; — „Dat I doe ik ook volkomen,quot; zeide ik. — „Neem mij niet kwalijk, juffrouw,quot; hervatte mijnheer Guppy, het eenc been voorzettende om heen te j gaan en het andere vastplantende, „maar nu i deze dame hier tegenwoordig is uwe eigene getuige zou het uw gemoed, dat ik geheel gerust wilde stellen, voldoening kunnen geven, als gij die verklaringen nog eens zoudt willen herhalen.quot; „Welnu, Caddy,quot; zeide ik, mij naar haar toekeerende, „misschien zal het n niet eens verwonderen als ik u zeg, dat er nooit een engagement heeft bestaan.quot; „Ceenhuwe-Ijjksvoorstel of trouwbelofte hoegenaamd,quot; voegde mijnheer Cuppy er bij. „(ieen huwelijks- i voorstel of trouwbelofte hoegenaamd,quot; zeide ik, ! „tusschen dezen heer...quot; „William Guppy, woonachtig in Pen ton Nare, I\'en ton- j v i 11 e, in liet graafschap M i d d 1 os e mompelde liy. „Tusschen dezen heer, mijnbeer ; William ünppy, woonachtig te l\'en ton Place, \\ P e nt on v i 11 e, in het graal schap Middlesex, en mij.quot; — „Ik dank u, juffrouw,quot; zeide mijnheer Guppy, „(ieheel in orde hml deze dame haar naam al hare namen voluit-\'quot;

Ik gaf ze hem op.

„Getrouwd, geloof ik yquot; zeide mijnheerGiippy. „Getrouwd. Ik dank u. (ieboren Caroline .lel-lyby. toen woonachtig in\'1\'h a v i e s Inn, binnen de stad Londen, maar buiten het kerspel, tegenwoordig in N e w m a. n - S t r e e t, O x-ford-Stree t. Zeer verplicht.quot;

Hij liep naar huis, maar kwam terstond\'weder terngloopen.

„Wat die bewuste zaak betreft,quot; zeide by op

een diep neerslachtigen toon, „waarlijk, het spijt mij zeer, dat omstandigheden buiten mij eeno vernieuwing verhinderen, van wat eenigen tijd geleden geheel is afgedaan. Maar het kan niet. Ik vraag u zelve, zou het kunnen?quot;

Ik antwoordde, dat het zeker niet kon, dat er niet aan te twijfelen was. lljj bedankte my, liep nogmaals naar huis, en kwam wederom terug.

„Ik acht er u waarlijk des te hooger om, juffrouw,quot; zeide hij. .Als er een altaar kon geplaatst worden in den tempel der vriendsebap maar bij mijne ziel, gij kunt u in alle opzichten op mij verlaten, met uitzondering alleen van wat toen geheel is afgedaan.quot;

De worstelstrijd in mijnheer Cuppy\'s horst, en zijn heen en weer loopen tusschen zijn mue-ders huisdeur en ons, trokken in de winderige straat (vooral daar zijn haar wel eens gesneden had mogen worden) genoeg opmerkzaamheid, om ons spoed te doen maken. Wij liaastcii ons dus voort, maar toen wij de laatste maal omkeken, was de worstelstrijd in mijnheer Guppy\'s gemoed nog niet beslist.

\\\\XI\\.

l\'KOn liKi i: k.n ciJKvr.

De naam van mijnheer Vholes, voorafgegaan door het woord „beneden,quot; staat on den post eener deur in Symond\'s Inn, (,\'nancery-Lane, te lezen; een gebouw, dat er uitziet, alsof die Symond in zijn tijd een zuinig man was geweest, en het van oude af braak had laten oprichten, waarvoor het des te meer aanleg had om alle soort van vuil, bederf en akeligheid te verzamelen, en zoo de nagedachtenis van dien Symond op eene eigenaardige manier in gelieu-genis te houden.

Het kantoor van mijnheer Vholes is in een benauwden hoek geklemd, en heeft het uitzicht op een blinden muur. Len donkere gang \\ .iii drie voet lengte brengt den elienl tot voor de pikzwarte deur, in een hoekje, dat zellsopden iieldersteii zomerochtend donker blijft, ein\\aar de doorgang omhoog belemmerd wordt door de uitstekende trede van eene trap, waartegen onbekenden, die wat laat komen, doorgaans het hoofd stooten. De kamer vau mijnheer Vholes is zoo klein, dat tie eene klerk de deur kan openen zonder van zijn stoel te komen, en de ander, die vlak naast, hem aan denzelfden lessenaar zit, met alle gemak hel vuur kan oppoken. tien reuk als van ongezonde sehapen. gemengd met een geur van stof en schimmel, is toe te schrijven aan de smeerkaarsen, welke hier alle avonden, dikwijls zelfs over dag, worden gebrand, en aan de perkementen in de smerige laden. Voor het overige is de lucht muf en benauwd. Xiemand heugt het meer.


-ocr page 286-

•fpM

111quot;!\' VEHLATKX

lier do laatste maal geschildenl of gewit de twee schoorsteenen rooken, alles is eene laag /wart bedekt, en de vensters,

„ __ _____.... ruiten, hebben beide dezelfde

eigenaardigheid van altijd vuil te zjjn en nooit te willen openblijven. Dit geeft reden van het verst hynsel, dat er onder datgene, dat het gemakkelijkst opschuift, bij warm weder altijd een bos brandhout is gestopt.

Mijnheer Vholes is een zeer respectabel man. beeft niet veel te doen, maar hij is toch een zeer respectabel man. Al de grootero procureurs, die fortuin maken of gemaakt hebben, erkennen, dat bij dit is. ilij laat zich in zijne praktijk nooit eene kans ontglippen; hij gunt zich nooit eenig vermaak; hij is stroef en stil; en hij heeft eene slechte spjjsverterine — alles bewijzen, dat hij een respectabel man is. Onder-tusschen smeedt hij, om zijne drie dochters te bezorgen en zijn hoogbejaarden vader te onderhouden, het ijzer terwijl het heet is.

Het (:éue hoofdbeginsel van bet Engelsche recht is, dat het zich zelf aau den gang houdt. Kr bestaat geen ander beginsel, dat het in al zijne kronkelingen en wendingen zoo zeker en consequent volgt, l it dit oogpunt beschouwd is het een welgeregeld en samenhangend stelsel, en niet de verbazende doolhof, waarvoor leeken genegen zijn het te houden. Indien zij maar eens duidelijk zien, dat deszelfs eenig en grootscli beginsel is, zich zelf ten hunnen koste aan den gang te houden, zullen zij zeker wel ophouden met brommen.

Maar dewijl zij dit niet duidelijk zien slechts ten balveen verward begrijpen—brommende leeken somtijds erg, als het recht hun geld of iets anders kost. Dan wordt hun de respectabiliteit van mijnheer \\ holes voor de schenen geworpen. „Dat statuut herroepen, mijn goede heer? zegt mijnheer Kenge tegen een brom-menden dient; „het herroepen, mijn beste heer? Nooit met mijne toestemming. Verander deze wet, mijnheer, en wat zal het gevolg van deze overijling zijn voor eene klasse, van prak-tizijns, waarvan ik wel zal mogen zeggen, dat de procureur van onze tegenpartij m deze /.aak, mijnheer Vholes, een waardig vertegenwoordiger is? Mijnheer, die klasse van prakti-/.ijns zou \\ an het gelaat des aardryks worden weggevaagd. Nu kunnen wij toch ik wil z.\'-ggen, nu kan toch de maatschappij eene klasse van menschen gelijk mijnheer \\ holes niet ontberen. Degelyke, ijverige, schrandere, arbeidzame menschen! Ik begrijp wel, myn waarde heer, dat gij eenigszins ingenomen zjjt tegen den bestaanden staat van zaken, dien ik beken, dat in uw ge\\al een weinigje hard is; maar ik kan nooit mijne stern verbetl\'en om eene klasse van menschen geljjk mijnbeer Vholes te verdelgen.quot; De respectabiliteit vanmijnheer Vholes wurdt zelfs met verpletterenden indruk bij gelegenheid van parlementaire encjuétes aangevoerd, gelijk in het volgende uittreksel van het verhoor van een voornaam procureur door eene commissie uit het parlement. „ Vraag (nommer vijfhonderd en zeventien duizend achthonderd negen en zestig). Als ik wel versta, geven deze vormen van praktyk ontwijfelbaar aanleiding tot vertraging? Antwoord. Ja, tot zekere vertraging. Vraag, Kn tot groote kosten? Antwoord. Zij kunnen zeker niet voorniet vervuld worden. Vraag. Kn tot onbeschrijfelijke verdrietelijkheden? Antwoord. Dat kan ik juist niet zeggen. Zij hebben m ij nooit eenige verdrietelijkheden gegeven; juist het tegendeel. Vraag. Maar gij denkt, dat hunne afschafling eene klasse van praktizijns zou benadeelen? Antwoord. Daaraan twijfel ik niet. Vraag. Kunt gijiemand van die klasse tot voorbeeld noemen? Antwoord, Ja, Ik zou zonder bedenken mijnheer Vholesnoemen, Hij zou geruïneerd zijn. Vraag, Wordt mijnheer Vholes, in zijn vak, voor een respectabel man gebonden? Antwoordquot; (dat de geheele enquête voor tien jaren lang aan den spijker deed hangen), „Mijnheer Vholes wordt in het vak voor een zeer respectabel man gehouden.quot;

diit wen mot

met verweer»

i

|| r

■pi - Ir

Hij

® A \\ »||-

!il, Ül

\'l ^

\\3A ■ -

^ |8n\' •.. iaBK f|i

I® I)

|

I

) ,

t *

l il« ElTr fl

I •\'

I/ ■

r

PI ij ^ 1

E

é\'i

mÊÊÊm 1;.

Zoo merken ook niet minder belangelooze personen in een gemeenzaam gesprek aan, dat zy niet weten waar het in onzen tijd heen moet; dat wij langs steile hellingen in afgronden storten; dat nu hier dan weder daar iets wordt afgebroken; dat zulke veranderingen de dood zijn van menschen gelijk Vholes: een zeer respectabel man, die in het Dal va n T a unto n een hoogbejaarden vader en thuis drie dochters heeft. „Doe nog eenige stappen naar dien kant,quot; zeggen zij, „en wat moet er dan van dien vader worden? Moet hij dan maar omkomen? Kn de dochters? Moeten zij dan maar linnennaaisters 1 of gouvernantes worden?quot; Alsof, indien mijnheer Vholes en zijne betrekkingen kleine opper-: hoofden van kannibalen waren, en men voor-| stelde het menscheneten af te schaffen, hunne verdedigers de zaak aldus zouden voorstellen: „Verklaar het menscheneten ongeoorloofd en de Vholes\'en moeten verhongeren!quot;

Kortom, mijnbeer Vholes, met zijne drie doch-ters en zijn hoogbejaarden vader, wordt gedurig gebruikt als een stuk hout om den kant van een vervallen fondement te schragen, dat i tot een algemeen struikelblok is geworden; en voor zeer vele menschen is het in vele gevallen niet de vraag, ot\' men van het Onrecht tot het Hecht zal overgaan, (dit is iets, dat in geene | bedenking behoeft te worden genomen), maar 1 of het tot voordeel of nadeel van een zeer respectabel Vholes zal zijn.

De kanselier is voor tien minuten opgestaan en heeft daarmede de groote vacantie geopend. Mijnheer Vholes en zijn jeugdige cliënt, en ! verscheidene blauwe zakken, haastig volge-\' propt, zoodat zij naar slangen gelijken, die


lUiL

-ocr page 287-
-ocr page 288-
-ocr page 289-

Vl.\'ACKN KN ANTWOOlflHOX.

pas hare prooi hebben verzwolgen, zijn naar liet kantoor-hol teruggekeerd. Mijnheer Vholes, stil en bedaard, geluk zulk een respectabel man behoort te zijn, trekt zijne nauwe handschoenen uit, alsof iiij zijne handen vilde, neemt zijn klemmenden hoed af, alsof hij zich zeiven skalpeerde, en zet zich voor zijn lessenaar. Zijn cliënt smyt hoed en handschoenen neer, zonder er naar te kijken of zich er om te bekreunen waar zij belanden, werpt zich met een zucht op een stoel, laat zijn gloeiend hoofd op zijne hand rusten en ziet er uit als een portret der Jeugdige Wanhoop.

kijkt zijn cliënt langzaam en strak aan, en antwoordt:

Kr wordt veel gedaan, mijnheer. Wij hebben onze schouders tegen het wiel gezet, rnijn-lieer (Jarstone, en het wiel draait.quot; • „.la, met Ixion er op. Hoe zal ik die volgende vier of vijf vervloekte maanden doorkomen?quot; roeptde jonkman uit, van zi jn stoel opstaande en in de kamer op cn neer stappende. „Mijnheer Carstone,quot; antwoordt \\ holes, hem overal met zijne oogen volgende, „gij zijt driftig van gestel, en dat spijt inij om uwentwil. Neem mij niet kwalijk nis ik u recommandeer om u niet zoo moeie-


te maken, zoo af te hebben, (i

niet zoo matten, moest 11 moest u eigt \' zegt lliehari weder verklei

e zijn, u *lij moest meer ge-meer bedaard hou-navolyen, mijneen

ird, zet zich met

„Wederom niets gedaan !quot;zegt Hichard. „Niets, niets gedaan!\'\'— „/\'eg niet niets gedaan, mijnheer,quot; antwoordt de vreedzame Vholes. „Datis toch eigenlijk niet billijk.\'\' „Wel, wat is er dan gedaan?quot; antwoordt Kichard, hem somber aanziende. •— ,I )at is niet zoozeer de vraag misschien,quot; antwoordt Vholes. „De vraag zal misschien eigenlijk moeten wezen: wat wordt er gedaan?quot; — „Wol. wat wordt er dan gedaan?quot; vraagt de onvergenoegde cliënt.

Vholes, die met zijne armen op zijn lossen lar zit, voegt langzaam de toppen zijner vijfnvh-tervingers legen de toppen zijner vijl\'linkervin-gers, scheidt ze langzaam weder van elkander,

den. \'

heer

woesten lach weder neer en stampt met zijne laars op het verkleurde tapijt. „Mijnheer,quot; antwoordt Vholes. altijd zijn cliënt aanziende, alsof hij li em met zijne oogen opat. „Mijnbeer,quot; antwoordt \\ holes, binnensmonds en met zijne levenlooze bedaardheid, „ik zou de verwaandheid niet gehad hebben om injj zeiven aan u of iemand anders als een model ter navolging voor te stellen. Laat ik mijne

niet

Dickkvs, liet vcrtut\'

-ocr page 290-

ri\'.N\' HHgt;.

drie dochters maar een goeden naam nalaten, en dat is genoeg\' voor mij: ik zoek myn eigen belang niet. .Ma.ir, nn gij zoo ruiterlijk van mij spreekt, wil ik wrl bekennen, dat ik u gaarne iets zou willen mededeelen van mijne kom iian, mijnbeer, gj] zijt genegen om het gevoel-loosheiil te noemen, en ik weet niet wat ik daar tegen zou hebben - zeg maar gevoelloos-

beid een weinigje van mijne gevoelloosheid. \'

.Mijnheer Vboles,\'\' zegt_ de cliënt eemgs-zins verlegen, „ik was waarlijk niet van mee-iiin|r om n van gevoelloosheid te beschuldi-gtMi.quot; — -Mij dunkt, dat gij dit toch deedt, mijnbeer, zomler liet te weten,quot; antwoordt de billyk denkende Vboles. .zeer natuurlijk. 1 rt is mijn plicht met een koel boot 1 voor uwe belangen werkzaam te zijn, en ik kan zeer wel begrijpen, dat ik voor uw opgewonden gevoel, op oén oogenblik als dit, gevoelloos schijn. Mijiu dochters mogen mij beter kennen; mijn hoog-bi-jaarde vader mag mi.i beter kennen. .Maar zij hebben mij ook veel langer gekend dan gij, en het vertrouwidyk oog der lietde is niet het wantrouwend oog quot;Nan een i liënt. Niet dat ik er mij over beklaag, mijnheer, dat het oog van een cliënt wantrouwig is. het tegendeel veeleer. Terwijl ik uwe belangen behartig, weiisni ik, dat gij mij op alle mogelijke manieren controleert; \'dat. is billijk, en ik bel» gaarne het strengste toezicht. Maar uwe belangen verei-schenquot; dat ik koel en stelselmatig te werk ga, mijnheer ( arstone; en ik kan niet andeigt; handelen neen, mijnheer, zeil- niet om n te believen.quot;

Nadat mijnheer \\ holes even naar de kan-toorkat beeft omgekeken, die geduldig bij een muizenhol zit te loeren, vestigt zijn blik zien weder op zijn jeugdigen cliënt, en vervolgt iijj met zijne gesmoorde stem, also! er een onreine geest in hem was. die niet hardop durlde ot wilde spreken.

„Wat zult gij doen, mijnlieer. vraagt gp. gedurende de vacantie Ik zou hopen, dat gij, iieeren oftieiereii, vele middelen zoudt kunnen \\ inden om u te vermaken, algt; gij daartoe lust hebt. Als u\'ij mij gevraagd hadt. wat ik gedurende de vacantie doen zou, had ik u vlugger kunnen antwoorden. Ik zal uwe belangen blijven behartigen. Ik zal dag aan dag hier te vinden zyn, gestadig bezig voor uwe belangen. Dat is mijn plicht, mijnlieer 1 arstone: en de vaeantietijd maakt Vquot; «r my geen vei-\' bil. Alge nijj over uwe iielangen vvilt raadplegen, zult ge my hier altijd eveneens \\ inden. Andere pi ak-Uzijns gaan uit de stad. Ik niet. Niet dat ik hen laak omdat zij uit de stad gaan; ik zeg alleen ik ga niet. Ueze lessenaar is uwe rots, mynheer!quot;

Mynheer Vboles tikt ei op, en de lezenaar klinkt zoo bol als eene doodkist. Niet voor lliebard evenwel. De klank heelt vuur hem iets bemoedigendgt;. Misschien weet mynheer A holes dat wel.

quot; 1 k weet zeer wel, mijnheer Vboles,quot; zegt Richard, op een meer gemeenzamen en vriendelijken toon. ..dat gij iemand zijt, op wien uK\'ii zich verlaten kun, en (Uit ik in u ieiii«inu heb, die een man van zaken is en zich niet laat blinddoeken. Maar stel u zehen eens in mijne plaats, zoo bij den dag voortlevende, zo\'nder te weten waaraan ik mij te houden heb, met eiken dag al dieper en dieper m ongelegenheden verzinkende, gedurig hopende en (.•ecluri^ te leur gesteld, bewust, dut ik zelt fioe langer hoe meer tot mijn nadeel verander, en zonder in iets anders eene verandering tot mijn voordeel te vinden, en gij zult even als ik denken, dat de zaak zich somtijds donker laat aanzien.quot; - .»gt;ij weet wad, mynheer,quot; antwoordt Vboles, .dat ik nooit hoop geel. Ik bel» u van den eersten af aan gezegd, mijnheer (\'arstone, dat ik nooit hoop geef. \\ ooral in eene zaak gelijk deze waar het grootste gedeelte der kosten uit den boedel komt. zon ik mijn goeden naam niet in het oog houden als ik hoop gal. Het zou kunnen schijnen alsof bet kosten-maken mijn oogmerk was. Evenwel, wanneet gij zegt. dat er geene verandering tot uw voordeel plaats beefr. moet ik dit, als een handtastelijk feit, tegenspreken.quot; ,Zoo?quot; zegt Hiehard, ophelderende. ,,.Maai\' hoe bewijst gy mij datV\' — Mijnheer (\'arstone, gij wordt vertegenwoordigd door „Eene rots, hebt gij zoo even gezegd.quot; „Ja, mijnbeer,\' zegt \\holes, met »•»\'11 klop op den hollen lesseiuuii, die een kLink geeft alsof er eene kluit aarde in een graf werd cewurpen. ,Hene rots. Dat zegt toch iets. lt;iij wordt afzonderlijk vertegenwoordigd en zijl met langer verscholen en verloren onder de belangen vanquot; anderen Dat zegt ook iets. Het proces slaapt niet; wij maken het wakker, brengen bet in de lueht\'. laten het wandelen. Dat zegt ook iets. Het gaat nu niet meer op naam van .1 arndyce en voor de belangen van een Janidyce. Dat zegt ook iets. Niemand heeft, nu in alles zijn zin, mijnheer; en dat zegt toch zeker iets. \' lücbard,\'wiens gezicht plotseling hoog rood wordt, geeft met\' zijne vuist een slag op den h\'ss»*naar. _ ..

Mynheer Vholes, .i!gt; iemand, toen ik pas bij .lohn .larndvce in huis kwam, mij gezegd bad, dat hij iets anders Was dan de belange-looze vriend, die hij toon scheen te zyn- dat bij datgene was wat bij langzamerhand is gebleken te zijn had ik geene woorden kunnen vjnden. krachtig genoeg om dien laster teu\'en te -preken; had ik hem niet vurig ge-uoequot; kunnen verdedigen. Zoo weinig wist ik toen van de wereld! Nu integendeel verklaar ik n, dat hij voor my eene personificatie van dat proces is geworden; dat het voor my, in plaats van eene afgetrokkene zaak, John Jam-dyee is; dat ik mij te meer over hem veront-


-ocr page 291-

MMNHEKW VHOLES GEEFT Ol\' ZI.INE M.VN1EK HOOP. JTö

waardig, hoo meer ik onder dat proces lijd; dat elke nieuwe vertraging, elke nieuwe teleurstelling slechts eene nieuwe beleediging en verongelijking is, die John .lamdvce mij aandoet.quot; — „Neen, neen,quot; zegt Vholes. „Zeg dat j niet. Iedereen moet geduld hebben, lielmlvedat, ik denk nooit het ergste, mijnheer. Ik denk ! nooit het ergste.quot; — „Mijnheer Vholes,quot; zegt de gramstorige cliënt hierop, „gij weet even- ; goed als ik, dat hij het proces wel liad willen | smoren, als lijj het had kunnen doen.quot; „Hij | maakte er geen werk van,quot; zegt Vholes, alsof ! hij dit tegen wil en dank moet toestemmen. „Dat is zoo, hü maakte er geen werk van. Maar hij kan toch wel een goed oogmerk daarmede gehad hebben. Wie kan in zijn hart lezen, mijnheer (\'arstoneVquot; „Dat kunt gij.quot; antwoordt Richard, — „Ik. inijnheer (\'arstoue?quot; — „Genoeg om te weten wat zijne oogmerken waren. Zijn onze belangen met elkander strijdig, 1 of niet? Zeg — mij - dat!quot; zegt Uicharden i vergezelt de drie laatste woorden met drie tikken | op de rots van zijn vertrouwen. — ..Mijnheer Carstone,quot; antwoordt Vholes, onbeweeglijk en ! /.onder eens met zijne hongerige oogen te knip- l pen, ik zou in mijne verplichtingen als uw rechts- | geleerden raadsman te kort schieten, ik zon mijne trouw aan uwe belangen verzaken, in- | dien ik beweerde, dat die belangen met de | belangen van den heer .larndyce strooken. Hat doen zij niet, mijnheer. Ik wil nooit iemand verdacht maken; ik heb een vader en ben een ^ vader, en ik wil nooit iemand verdacht maken. Maar ik moet niet terugdeinzen voor mijn beroepsplicht, zelfs al zou ik daardoor oneenig- ; beid in faniiliën zaaien. Ik begrijp, dat ge mij i thans in mijn beroep over uwe belangen raadpleegt. Dat doet gy immers? Ik antwoord dus, dat zij niet met die van mijnbeer .larndyce | strooken.quot; — , Dat spreekt wel van zelf!quot; roept ; liiehard uit. „Gij hebt dat zeker al lang begrepen.\'\' — „Mijnheer Carstone,quot; antwoordt Vholes, „ik wensch van derde personen niet j meer te zeggen dan noodzakelijk is. Ik wensch 1 mijn goeden naam, benevens het geringe vermogen, dat ik misschien door ijver en volharding zal verwerven, onbevlekt aan mijne dochters, Emma, Jane en t \'aroline, na te laten. Ik wensch ook .met mijne medebroederen in i het vak in vriendschap te leven. Toen mijn- i heer Skimpole mij de eer bewees, mijnheer ik wil niet zeggen de uitstekende eer, want ik verlaag mij nooit tot vleierij om ons hier in deze kamer met elkander in kennis te brengen, heb ik u gezegd, dut ik n geen advies of raad over uwe belangen kon geven, terwijl die belangen aan een ander lid van het vak i waren toevertrouwd. Ik sprak in zulke bewoor- i dingen als ik verplicht was, over het kantoor van Ken ge en Carboy, dat een uitstekenden j rang bekleedt. Gij, mijnheer, vondt evenwel goed 1

uwe belangen aan dat kantoor te onttrekken, en ze mij op te dragen. Cij hebt ze mij met zuivere handen gegeven, mijnheer, en ik heb ze met zuivere handen aangenomen. Die belangen gaan nu in dit kantoor boven alles. Mijne spijsvertering, gelijk ge mij misschien wel hebt hooren zeggen, is in geen goeden staat, en rust zou uien staat misschien kunnen verbeteren; maar ik zal niet rusten, mijnheer, zoolangik uw vertegenwoordiger ben. Wanneer gij my ook noodig hebt, zult ge mij hier vinden Roep mij ergens heen, en ik zal komen. Gedurende de i^roote vacantie, mijnheer, zal ik mijn vrijen tijd besteden om uwe belangen nog nauwkeuriger te besturen en schikkingen te maken om zoodra de zittingen weder geopend worden hemel en aarde (waaronder ik natuurlijk den kanselier begrijp) in beweging te brengen; en wanneer ik n eindelijk feliciteer, mijnbeer,quot; vervolgt hy, met al den ernst van een onverzettelijk man, „wanneer ik u eindelijk, mijnheer, met al mijn hart met uw tortuin feliciteer waarvan ik, zonder mijn stelregel om nooit hoop te geven, nog iets meer zou kunnen zeggen — zult ge mij niets schuldig zijn, behalve het kleine saldo van kosten tus-schen procureur en cliënt, dat dan nog mocht openstaan, buiten de getaxeerde kosten, die uit den boedel worden betaald. Ik wil niets van u te vorderen hebben, mijnheer Carstone, dan wat mij toekomt voor de ijverige en nauwkeurige vervulling — niet de trage, alledaagsche vervulling, mynheer; op zooveel eer maak ik aanspraak van mijn beroepsplicht. \\V anneer die plicht gelukkig is volbracht, is alles tiisschen ons afgedaan.quot;

Hindelijk voegt Vholes. als aanhangsel tot deze verklaring zijner grondbeginselen, er nog bij, dat mijnheer\' Carstone, daar hij zich nu naar zijn regiment begeeft, hem misschien wel zal willen verplichten met een kassiersbrielje van twintig pond op rekening.

„Want ik heb dezer dagen vele kleine verschotten gehad, mijnheer,quot; zegt Vholes, in zijn journaal bladerende, „en die dingen loopen op, en ik wil nooit voorgeven een man van kapitaal te zijn. Hij het aangaan onzer tegenwoordige betrekkingen heb ik u openhartig gezegd --het is een grondregel van mij, dat er nooit te veel openhartigheid tusschen procureur en cliënt kan bestaan - dat ik geen man van ka pitaal was; dat gij, als gij op kapitaal zaagt, uwe papieren liever in het kantoor van Kenge moest laten. Neen, mijnheer Carstone. hier zult gij de voordeelen oi nadeelen van het kapitaal met vinden, mijnheer. Dit.quot; ilaarbij geelt hij weder een bolk I i nkenden slag op zi jn lessenaar, „is uwe rots; meer kan ik er niet van zeggen.quot;

De cliënt, wiens neerslachtigheid langzamerhand geweken is, terwijl zijne onbestemde hoop


-ocr page 292-

IIKT \\ KKI.ATKN lil IS.

wi\'dev is ontwaakt, neemt eene pen op en schrijft het verlangde briefje; niet /.onder verlegen na te denken en te berekenen op welken datum hij het /.al stellen, waaruit is op te maken, dat zijne rekening bij zijn kassier niet zeer gunstig staat. Onderlussrlien blijft Vholes, met dirhtgeknoopten rok en dichtgeknoopte znd, hem oplettend aanzien; en ondertusschen blijft de kantoorkat voor het muizenhol zitten loeren.

Kindelijk geeft de client den procureur de hand, en smeekt hem, om \'s hemels wil toch zyn best te doen om hem uit de Kanselarij te verlossen; en \\ holes, die nooit hoop geeft, legt zijne hand op Uichard\'s schouder, en antwoordt met een glimlach: .Altijd hier, mijnheer. Persoonlijk of met een brief zult ge mij altijd hier vinden, mynheer, met mijn sc\'noudor tegen het wiel.quot; Zoo scheiden zy, en Vholes zt t zich om eenige kleinigheden uit zijn journaal over te boeken, en aldus weder voor zijne dochters te zorgen. Zoo zou een nijvere vos of beer zijne rekening van kuikens of verdwaalde reizigers opmaken, die zijn jongen tot voedsel zullen dienen - waarmede ik echter geen de minste blaam wil leggen op de drie mageremaagden, die met den vaderlijken Vholes een bedompt huisje bewonen, dat ie K e n n i n g to n in liet midden van een vochtigen tuin staat.

Hiehard, uit de donkere schaduw van Sy-m o n d\' s I n n in den zonneschijn van C h a n -cei-y-Lane gekomen want toevallig heeft men vandaag daar zonneschijn stap peinzend voort, slaat Lincoln\'s Inn in en blijft onder het geboomte dwalen. Op vele zulke wandelaren is de schadutt van. dat geboomte reeds gevallen, op vele zulke gebogene hoofden, afge-betene nagels, sombere oogen. dolende schreden; op velen, die zoo droomerig en doelloos voor zich keker, die hun vermogen zoo zagen wegteren en w ier leven zoo verbitterd was. Deze wandelaar is nog niet. armoedig in zijn plunje; maar dat zal misschien wel komen. De Kanselarij, die geene andere wijsheid kent dan antecedenten, i.- rijk aan zulke antecedenten; en waarom zou het met eén anders gaan dan met | tien duizend ?

Hn toch is de tijd sedert zijn ongeluk begonnen is zoo kort, dat Ifichard, terwijl bij daar rond-kuiert en een tegen/in gevoelt om de plek voor eenige maanden te verlaten, hoewel /ij hem toch hatelijk is, misschien denkt, dat zijn geval iet- vreemds en bijzonders heeft, \'ierwyl /ijn bait met drukkende zorgen, angst, twijfel en wantrouwen is bezwaard, heeft het misx hien nog ruimte voor zekere treurige verwondering, aU hij /ich herinnert boe geheel anders het was by /;jn eerste bezoek van die plaats, hoe geheel anders bij /elf toen was, hoe geheel anders /yne gemoedssteinmiiig. Maar het eene kwaad brengt bet andere voort; wanneer men met schimmen vecht en ze niet raken kan.

zoekt men tastbare dingen om te bevechten; het is eene sombere verademing geworden, zich van het ontastbare proces, dat geen mensch meer kan begrijpen - daartoe is de tijd lang voorbij - naar de tastbare gedaante van den vriend te koeren, die hem voor dit onheil had willen behoeden, en hem tot zijn vijand te maken. Hiehard heeft Vholes de waarheid gezegd. In welke stemming bij ook wezen raag, gramstorig of weekhartig, altijd wjjt by zijn ongeluk aan dien man; bij werd doordien man in een bepaald op/icht tegengewerkt, en de reden daarvan kan alleen in die /aak gelegen zijn, die geheel zijn aanzijn in zich heeft opgenomen; bovendien rechtvaardigt het hem in/,yne eigene oogen, dat hij een persoonlijken vyand en verdnikker heeft.

Is Hiehard in dit opzicht een monster, — of zou men de Kanselarij ook in zulke antecedenten rijk vinden, indien men /e uit bet gedenkboek, waarin zij staan opgeteekend, kon aanhalen y

Twee paren oogen, niet ongewoon aan zulke wandelaren, zien hem na, terwijl hij, mijmerende en pp zijne nagels bijtende, het plein overgaat en door de schaduw der zuidelijke poort wordt verzwolgen. De heeren Guppy en Weevle /.ijn de eigenaren dier oogen, en /ij hebben, met elkander in gesprek, tegen de lage stee-nen borstwering onder de boomen staan leunen. Hij eiiiquot;\' hen dicht voorhij, zonder iets te zien dan den grond.

.William,quot; zegt Weevle, /ijn bakkebaarden opstrijkende, .dat is ook een voorbeeld van /.elfverbranding, niet op eens, maar langzamerhand.quot; .Ja!quot; zegt tluppy, „hij wilde maar niet van .larndyce afblijven, en ik geloof, dat hy nu tot over de ooren in schulden zit. Ik helt nooit veel met hem omgegaan. Hy was zoo trotscb als een baron, toen bij in ons kantoor op de proef was. Ik ben bly, dat ik van hem af ben, hetzij als kameraad of (dient.

Welnu, Tony, zij zijn er aan, zooals ik u gezegd heb.\'\'

Hij slaat zijne armen weder over elkander en laat zich weder tegen de borstwering leunen. terwijl het belangrijke gesprek, dat voor een oogenldik was afgebroken, wordt hervat.

.Zij zijn er nog aan,quot; zegt hij, „nog bezig met inventaris te maken, papieren na te zien en bergen bij bergen van prullen op te ruimen. Als /ij /00 voortgaan, /uilen /ij er wel /even jaren werk aan nebben.quot; „Ka helpt Small daaraan mee?quot; „Small is van ons vandaan gegaan. Hij vertelde Kenge,dat de atlaire van zijn grootvader te druk voor den ouden heer werd, en hij zich kon bevoordeehm door ze over te nemen. Kr was al lang eene verkoeling tusschen mij en Small geweest omdat hjj zoo achterhoudend was. Maar by zeide, datgij en ik daarmede begonnen waren, en daar ik


-ocr page 293-

HET KAM KÜT.JE A(\'HTER UKN\' WIXKKI,,

hem hierin gelijk moest geven, ben ik maar weder op den onden voet met hem gekomen. Zoo kom ik nu te weten wat zij uitvoeren.quot;

„Rn gij /.ijt er geheel niet eens aangegaan?quot; — ,Tony,quot; antwoordt Guppy, een weinig bedremmeld, ,om het u openhartig te bekennen, ik kom niet graag in dat huis, behalve als ik n bij mij heb, en daarom heli ik dat niet gedaan; en daarom heb ik ook afspraak gemaakt, dat wij samen uw goed zouden komen weghalen. Daar slaat de klok 1 - Tony,quot; vervolgt Guppy en slaat in eens tot eene geheimzinnige en roerende welsprekendheid over, „het is noodig u nogmaals op het gemoed te drukken, dat omstandigheden, geheel buiten mijne macht, eene allerdroevigste verandering in mijne meest geliefkoosde plannen hebben veroorzaakt, (lij weet wel van welk onvergolden beeld ik u eens als vriend gesproken heb. Dat beeld, mijn afgod, is verbrijzeld. Wat die voornemens betreft, die ik met uwe vriendsehappelijke hulp in dat huis had willen ten uitvoer brengen, is het thans mijn ceiiig verlangen, zo te laten varen en in vergetelheid te begraven. Houdt gij het voor mogelijk, houdt gij het voor eenigszins waarsehijnlijk (ik vraag u dat als een vriend, Tony), naar hetgeen gij weet van dien grilzieken en listigen onden persoon, die hot slaehtolfer van — van een zelfverbrandend vuur is geworden; acht gij het, bjj rijper nadenken, voor eenigszins waarschijnlijk, dat hij die brieven, nadat gij hem nog levend hadt gezien, ergens zou hebben weggeborgen, en zij dien nacht niet verbrand zijn?quot;

\\\\ eevle denkt eene poos na, schudt zijn hoofd, en meent stellig van neen.

„Tony,quot; zegt Guppy, terwijl zij naar bet bekende hofje voortstappen, „nogmaals, hoor mij aan als een vriend. Zonder in verdere ophelderingen te treden, zeg ik nog eens, dat de afgod gevallen is. Ik heb nu geen ander oogmerk, ilan alles in vergetelheid te begraven. Daartoe heb ik mij verbonden. Dat ben ik aan mij zelden en aan dat verbrijzelde beeld verplicht, alsmede aan de omstandigheden, waarover ik geene macht heb. Als ge mij\' maar door een wenk ol toeken mocht aanduiden, dat gij ergens in uwe vroegere woning papieren zaagt liggen, die maar eenigszins naar de bedoelde papieren geleken, zon ik ze, mijnheer, op mijne eigene verantwo irding in het uur gooien.quot;

W eevle antwoordt met een hoofdknik; en •\'uppy, niet weinig met zich zelven ingenomen, dat bet hem gelukt is zi jne gevoelens half met rechtsgeleerde bewoordingen en half op eene romaneske manier te ontboezemen want liefst geeft hij aan alles wat hij zegt den vorm van een verhoor of oen pleidooi - stapt naast zijn vriend zeer deftig naar het hofje.

Nooit, /ooiang dat hofje bestaal, heeft hel zooveel stol tot babbelen gehad, als door hetgeen tegenwoordig in den lorreinvinkel omgaat.

Geregeld eiken morgen, ten acht urewordtde oude heer Smallweed, door zijne gade, Jndy en Hart vergezeld, daarbinnen gedragen; en geregeld blijven zij daar den geheel en dag tot | (ies avonds negen ure (tusschonbeide verkwikt \' door een niet al te overvloedigen maaltijd, die van den gaarkok\' wordt gehaald), bozig met de \' schatten van den betreurden overledene overhoop te balen en te doorzoeken. W aarin die 1 schatten bestaan, wordt zoo geheim gehouden, dat het hofje er dol van wordt. In zijne jjlhool-; digheid raaskalt het van trekpotten vol gumjes, | punchkommen vol kroonstukken, oude stoelen i en matrassen met banknoten opgestopt. Het leest de populaire geschiedenissen van mijnlieer Daniél Dancer en zijne zuster, mijnheer Khves ! en andere vermaarde gierigaards, en brengt al j de leiten dier waarachtige verhalen op mijnheer Krook over. Tweemaal, wanneer de vuilnisman I geroepen wordt om eene wagenvracht oud pa-j pier, aseh en gebrokene llesschen weg te halen, i loopt het geheele hofje samen en tuurt in de nianden, als zjj de deur nitgedragen worden. Menigmaal ziet men de twee heeren, die met razende pennen op spiegelglad papier schrijven, loerend in de buurt omdwalen thans schuw voor elkander, daar hunne vroegere eompag-nieschap ontbonden is, De Zon maakt op de concert-avonden een behendig en voordeelig ye-bruik van de heerschende belangstelling. Kleine Swills zingt toepasselijke liedjes daarop, en wordt daverend toegejuicht. Met dat al ontdekt het hofje toch niets; en gelijk de julfrouwen l\'iper en l\'erkins thans den vorigen huurder der bovenkamer mededeelen, wiens verschijning het sein tot een algemeenen oploop geeft, iedereen is razend van nieuwsgierigheid omallesennog meer te weten.

De heeren Weevle en Guppy, door alle oogen in het holje aangestaard en nagekeken, kloppen aan de deur van den betreurden ovorledene, en bereiken op dat oogenblik het toppunt van populariteit, Maar dewijl zij, tegen ieders verwaeh-iing, worden binnengelaten, worden zij terstond weder onpopulair, en begrijpt men, (iat zij weinig goeds m den zin hebben.

De luiken zijn door liet geheele huis geheel ot half gesloten, en beneden is het zoo donker, dat men kaarsen noodig heelt. Door den jongen hoer ...........I in bet kamertje achter dén winkel gelaten, kunnen de twee, zoo pas uit het (laghcht komende, in bet eerst niets anders zien dan duisternis en s\' iiadinven; maar langzamer liiind onderscheiden zij den oudea heer Sinall-weed, die in zijn stoel op den kant van een put ot grat vol scheiirpapior zit; terwijl de deugdzame .1 mh als eene doodgraafsler daarin rond woelt, en de oude jutfrouw Smallweed plat op den grond in een hoop papiersnippers zit bedolven, welke naar het sehijnt uit de verzamelde coniplimenten beslaat, die haar in den loop van


-ocr page 294-

HET V KI! li ATEN HUIS.

den dag naar liet hoofd /ijn gevlogen. Het ge- ] heele gezelschap, de jonge Small daarondei\'ge- ! .rrepen is zwart van vuil en stof; en allen hebben in hun uitziciit iets duivelachtigs, dat dqnr j liot alffonioene voorkoinon \\an het vertrek niet | verrninderd wordt. Dit is. zoo mogelijk, nog ,norser dan ooit; er liggen nog meer pruilen ! in hot rond, en bovendien ziet men er de spook- j achtige sporen van den doodeu bewoner, zelts , zijn krijtschrift op den muur.

\' liij het binnentreden der bezoekers slaan grootvader Sinailweed en Judy gelijktijdig hunne ar- | men over elkander en staken hunne nasporingen. ;

Vha!quot; kraait de oude heer. .Hoe vaart ge, ; heen n, hoe vaart gc! Komt quot;ij uw goed halen, münlieer WeevleV Dat is goed, dat is goed. Ha, ha! Wij hadden het anders nioeten aanslaan, mynheer, om het bevvaargeld te betalen, als ge het nog veel langer liier hadtgelaten- liet moet u hier nog wezen alsof gij thuis zijt, niet waar? lil ij dat ik u eens zie, blij dat ik u eens zie.quot;

Weevle bedankt hem en laat zijne oogen rondgaan. Guppy\'s oogen volgen Weevle\'s oogen. NVeevle\'s oogen komen terug zonder iets nieuws te zelt;quot;fen. \'luppy\'s oogen komen temig en ontmoeten grootvader Smallweed\'s oogen, Die innemende oude heer zit nog, gelijk een opgewonden raderwerk, dat atloopt, te prevelen. „Hoe vaart ge, mijnbeer — hoe vaart ge hoe .quot; Eindelijk afgeloopen, verzinkt luj^in een quot;rijnzend stilzwijgen; en te gelijk schrikt Guppy, daar bij in de duisternis tegenover hem den beer Tulkinghorn ziet staan, met dc handen op den rug.

„.Mijnheer is zoo vriendelijk mn als solliciteur behiilpzaani te zijn,quot; zegt grootvader Smallvveed. „Ik beu eigenlijk wel geenclii\'iitvooreenprak-tizijn van zijn ianzien;\'maar mijnheer is zoo goed!quot;

Guppy stoot zijn vriend aan om nog eens rond

tc kijkoii en maakt eenc bedeesde buiging voor

mijnheer Tulkingborii, die dezen groet met een Inrhtig knikje beantwoordt De heer Tulkingliorn staat Toe te kijken alsof lijj niets anders te doen had en het nieuwe van dit tooneel hem wel eenigszins vermaakte.

.(; jj vindt bier nog al wat, mijnbeer, zou ik zeu-gen,quot; merkt •Iumiv te^en grootvader Sniall-whmmI aan. Jloordzakeljjk vodden en prullen, lieve vriend; vodden en prullen! Ik cu Hart eu mijne kleindochter .ludy doen ons best om een inventaris te maken \\an alles wat no«j iets waard is om te verkoopen. Maar quot;ij hebben nog niet veel gevonden, wij hebben no^ niet —. \'

Groot\\ ader Small»eed is wederom algeloopeti, terwijl Weevle\'s oogen, door Guppy\'s oogen ge-volgd, nog eens de kamer bobben rondgezoclit eu weer teruggekomen zijn,

.Wel, mijnbeer, \' zc^t Weevle, .wij /.uilen u niet langer hinderen, als ^ij ons verlol wilt geven om naar boven te gaan.quot; .nveral, mijn waarde beer, overal, t\'ij zyi hier thuis. Doe maar alsof urij thuis waart.

Terwijl zij naar boven gaan, trekt Guppy vragend zijne wenkbrauwen op en ziet Tony aan. Tony schudt zijn boofd. Zij vinden de kamer zeer\' somber en akelig, met de aseh van het vuur, dat op dien gedenkwaardigen avond brandde, nog in den foestigen haard. Zij zijn vies om iets aan te raken, en blazen er eerst zorgvuldig bet stof af. Zij zijn ook volstrekt niet genegen om hun bezoek te rekken, maar pakken liet weinige goed zoo snol mogelijk op en spreken niet harder dan fluisterend.

„Zie daar eens!quot; zegt Tony, terugdeinzende. „Daar komt die gruwelijke kat naar binnen.quot; Guppy verschanst zich achter een stoel. „Small heeft mij van haar vertelt,quot; zegt hy. „Zij sprong en vloog dien nacht door het buis rond alsof zij dol was, klauterde toen op het dak, bleef daar veertien dagen omzwerven, en kwam toen doodmager door den schoorsteen naar beneden tuimelen. Hebt gij ooit zulk een akelig dier gezien. Zij kijkt iemand aan alsof zij alles van de historie wist, niet waar ? Het is haast alsof er de oude Krook in zat. Kst! \\ oort, gij spookbeest!quot;

Lady Jane, die met een opgesperden bek en een dikken staart in de deur zit, schijnt niet voornemens tc gehoorzamen; maar toen mijnheer Tulkinghorn over haar struikelt, blaast zij tegen zijne vaal zwarte boenen en vliegt vervolgens met een krommen rug naar boven, misschien om weder over de daken te gaan zwerven eu door den schoorsteen terug te komen.

.Mijnbeer Guppy,quot; zegt Tulkinghorn, „zou ik eens een woordje met u kunnen spreken?quot;

Guppy is juist bezig met de Galerij van En-gelsche\' Schoonheid van den muur te nemen, en die kunstvoortbrengselen in eene oude ge-meene boededoos te pakken,

„Mijnheer,quot; antwoordt Inj, bloedrood wor-! dende, ,ik wensch ieder lid van het vak met beleefdheid te behandelen, vooral zulk een welbekend, en ik mag met waarheid zeggen, zulk een uitstekend lid daarvan als gü zijt. Maar toch, mynheer Tulkinghorn, moet ik bedingen, dat, ;ils gij een woordje met mij spreken wilt, : het in tegenwoordigheid van mijn vriend moet geschieden.quot; - „Ei zoo yquot; zegt mijnheer Tulkinghorn. „da, mynheer. De redenen, die ik i daartoe heb, zijn geheel niet van persoonlijken aard, maar toch voor mij zeiven zeer voldoende.quot;

„Zonder twijfel, zonder twijfel.quot; Mijnheer Tulkinghorn is zoo koud als de baard, waarheen hy zich zeer bedaard begeven heeft. „De i zaak is niet van zooveel gewicht, dat ik u de ■ moeite behoef te veroorzaken van eenige conditiën tc maken, mijnbeer Guppy.quot; Hij zwijgt eu glimlacht, en zijn glimlach is even dof en glansloos als zijne vaal zwarte broek. ,Ik moet u feiiciteereu, luynheer Guppy; ge zijt een gelukkig jongrnensch, mijnheer.quot; — „Zoo tamelijk, mijnbeer Tulkinghorn. ik heb niet te kla


-ocr page 295-

MIJNUEEK (ill\'I\'V EK TONY HAAS T RN /K\'ll (»M WVAi TK KO.MKX.

27!»

gen.quot; - „Te klagen ? Voorname vrienden, vrijen toegang tot groote huizen en tot elegante dames! Wel, mijnheer Guppy, er zijn mensfhen in I; ouden, die hunne ooren wel zouden willen missen om in uwe plaats te zijn.quot;

Guppy, die er uitziet alsof hij zijne eigene roode en steeds rooder wordende ooren wel zou willen missen om op het oogenldik een van die mensehen te zijn, antwoordt:

„Mijnheer, indien ik op mijne zaken pas, en voor Kenge en Carboy doe wat ik behoor te doen, zijn mijne vrienden en bekenden van geen belang voor hen, of voor eenig lui van net vak, mijnheer Tulkinghoru niet uitgezonderd. Ik ben niet verplicht mij nader te verklaren, en met allen eerbied voor u, mijnheer, en zonder u te willen heleedigen ik zeg nog eens zonder u te willen heleedigen —quot; ,() zekerlijk!quot; „Ben ik ook niet voornemens dat te doen.quot; — „Juist,quot; zegt mijnheer Tulkingborn met een koel kuchje. „Heel goed. Ik zie aan die portretten, dat gij veel belang in de groote wereld stelt, mijnheer.quot;

Deze woorden richt hij tot den verlegeneu ïony, die dit stilzwijgend toestemt.

„Kene deugd, waarin weinig Engelsehen te kort schieten,quot; hervat mijnheer Tulkingborn, Hij heeft voor den haard gestaan, met zijn rug naar den berookten schoorsteenmantel, en keert zich nu om met zijn dubbel lorgnet, voor de oogen. „Wie is dat? Lady Dedlock I Eene zeer goede gelijkenis, maar het karakter komt niet genoeg uit. Goedendag, heeren. Goedendag.\'\'

Zoodra hij heengegaan is, verzamelt Guppy, die erg in het zweet is geraakt, zijne krachten om zijne taak te voltooien, neemt haastig de laatste portretten af en besluit met dat van Lady Dedlock.

„Tony,quot; zegt hij tot zijn verwonderden makker, „laten wij maken, dat wij het goed bij-eenpakken en bier vandaan komen. Het zou vruchteloos zijn u langer te willen verbergen, Tony, dat er tnsschen mij en een der leden dier elegante aristocratie eene geheime verstandhouding en gemeenschap beeft bestaan. Er had een tjjd kunnen komen om dit aan u te openbaren. Maar nu zal hij nooit meer komen. Ik ben het verplicht, evenzeer aan de baan, die ik heb ingeslagen, en evenzeer aan het verbrijzelde afgodsbeeld, en evenzeer aan de omstandigheden, die buiten mijne macht zijn, dat alles in vergetelheid begraven worde Ik bezweer u als een vriend, bij de belangstelling, die gij altijd voor de groote wereld hebt getoond, en hjj de kleine voorschotten, waarmede ik u somtijds heb kunnen gerieven, dat gij alles zoo begraaft, zonder verder een woord te vragen.quot;

Guppy spreekt deze bezwering uit in een staat, die een gerechtshof aanleiding kon geven om hem voor krankzinnig te verklaren, terwijl de verbazing van zijn vriend zich ia zijne haren, ja zelfs in zijn zoo zorgvuldig onderhouden bak kebaard doet blijken.

XL.

POUTIKK EN IH\'ISKUJK.

1-; iigelaii d is eenige weken lang in een schrik-kelijken staat geweest. Lord ( \'oodle wilde uil liet ministerie, Sir Thomas Doodle wilde er niet in komen, en daar men in geheel G r o o t-Brittanniëniemand van eenige beteekenis had dan Doodle en Coodle, heeft men geen gouvernement gehad. Het is gelukkig, dat de vijandige ontmoeting tnsschen die twee groote mannen, die eens onvermijdelijk scheen, niet heeft plaats gegrepen; want als beide kogels geraakt en Coodle en Doodle elkander doodgeschoten hadden, is het te denken, dat K n g e I a n d op een gouvernement had moeten wachten, tot de jonge Doodle en Coodle, die nu nog met jurkjes loopen, waren groot geworden. Deze geduchte volksramp werd echter daardoor afgewend, dat Lord Coodle nog bijtijds ontdekte, dat, indien bij in het vuur der discussie gezegd had, dat hij do geheide onedele handelwijs van Sir Thomas Doodle verachtte en verfoeide, hij alleen had willen zeggen, dat het verschil van partij hem nooit zou beletten om daaraan de hulde zijner bewondering te weigeren; terwijl het aan den anderen kant even gelukkig bleek, dat Sir Thomas Doodle in zijn hart overtuigd was, dat Lord (quot;oodle door de nakomelingschap een voorbeeld van alle deugden zou genoemd worden, Engeland beeft eenige weken lang in een benarden toestand verkeerd, daar het (gelijk Sir Leicester Dedlock zeer juist aanmerkte) geen stuurman had om den storm te braveeren; en het zonderlinge van de zaak is vooral, dat dit E n g e 1 a n lt;1 niet veel scheen te kunnen schelen, maar dat het voortging met eten en drinken, met trouwen en ten huwelijk geven, gelijk de oude wereld voor den zondvloed deed Doch Coodle kende het gevaar, en Doodle kende het gevaar en al hunne volgelingen en aanhangers hadden het duidelijkst mogelijke begrip van het gevaar. Eindelijk heeft Sir Thomas Doodle zich niet alleen verwaardigd om in het bewind te komen, maar beeft dit ook met al zijn hart gedaan en al zijne schoonbroeders en neven medegebracht. Er is dus nog hoop voor het oude schip.

Doodle heeft bevonden, dat hij zich op het volk moest beroepen lt;ii zich daartoe voornamelijk door souvereinen en bier laten vertegenwoordigen. Aldus kan by op eene menigte plaatsen te gelijk wezen en zich in eens quot;p een aanmerkelijk gedeelte van het volk beroepen, Terwijl lirittannia Doodle\'s souvereinen in bare zakken steekt en Doodle\'s bier drinkt, en


-ocr page 296-

ill

•jso

lil; ■\'

:t vkklatex huis.

oiulcrtusscheii zweert, dat zij dit nooit doet of gedaan hpoft hetgeen klaarblijkelijk ter bevordering van liaar roem en hare zedelijkheid strekt komt het liOndensehe seizoen jdotse-ling aan een einde, daar al de Doodleïeten en Coodleïeten zich verspreiden oin lirittannia in het vervullen dier godsdienstige verplichtingen bij te staan.

\\\'andaar dat jutVrouw Kouneewell, de huishoudster op Kastanje-Hof, voorziet dat, hoewel zij nog geen bericht heeft gekregen, de familie binnen kort kan verwacht worden, en tegelijk daarmede een tamelijk groote troep van neven en andere lieden, die op eenigerlei wijze aan den grooten eonsütutioneelen arbeid kunnen helpen. Om die reden wandelt de deftige oude juffrouw thans de gangen en kamers door, en de trappen op en af, om te zien of alles gereed is; of do vloeren schoon geschuurd, de tapijten gelegd, de gordijnen uitgeslagen, de bedden geschud, en keuken en provisiekamer in behoorlijken staat zijn - of alles bereid is om de w aardigheid der Dedlock\'s op te houden.

Op dezen zomeravond, bij het ondergaan der zon, zijne alle toebereidselen voltooid. \'IV gelijk statig en akelig is het oude huis, met zoovide gerielelijkheden ter bewoning, en zonder andere bewoners dan de gesi hilderde gedaanten aan de w anden. Zoo zijn ook deze gekomen en gegaan, had een tegenwoordige Dedlock onder het voorbijgaan kunnen denken: zoo hebben onk /ij deze galerij stil en eenzaam gezien, gelijk ik ze nu zie; zoo gedacht, gelijk ik nu deuk, aan de ledigheid, die het bier zou veroorzaken als zij weg waren; zoo moeielijk kmmen gelooven, gelijk het nijj nu ook moeielijk is, dat het huis zonder hen in wezen konblyven; zoo hebben zij myne wereld verlaten, geljjk ik de hunne verlaat, nu ik die galmende deur sluit; en zoo hebben zij by hun sterven geene ledige plaats gelaten, waar zij gemist werden.

I\'oor sommigen der vurige vensters, die van buiten zoo schitteren, en op dit avonduur niet in dollen grauwen steen, maar in een heerlijk paleis van goud gezet schijnen te zijn. straalt het licht, dat door andere vensters wordt uit geshiten, in kwistigen rijkdom binnen, gelyk de /.omerovervloed in het land. Nu ontdooien de bevrozene Dedlock\'s. Vreemde bewegingen komen op hunne trekken, terwijl de schaduw der bladeren daarover -peelt. Keu deftige rechter in een hoek wordt tot een lonkje verlokt. Men starende baronet, met een kotumandostaf, krygt

li

i

f:

^Rj

\' *

■\'!«

m

li:

m i

Af ; .

y

, \'{^

ffi\' 11 ■quot;te

it:

»1

■i

quot;.inys de borst

•n plekje licht dat haar hon-gedaan. Ilene met boogge-haar gelijkt, ecne heilige, tn Karei den

een glimlach on den mond l..i eener versteende herderin glydt e( en warmte haar keiiigt;lijï binnen, derd jaar geleden zou hebben goed der voorgangsters van Volumnia, hielde si boenen, eo die sterk op krügt oen gloriekrans en wordt Kene staatsdame van het hof v, tweeden, met groote ronde oogen (en andere daarbij behoorende bekoorlijkheden), schijnt zich in gloeiend kabbelend water te baden.

Doch het vuur der zon sterft weg. Zelfs nu is de vloer reeds donker, en de schaduw klimt langzaam tegen de muren op en besluipt de Dedlock\'s, gelijk ouderdom en dood. En nu valt op het portret van mylady, voor den grooten schoorsteenmantel, eene zonderlinge schaduw van een ouden boom, die het doet verbleeken en sidderen, terwijl het schijnt alsof een groote arm een sluier of kap boven naar hield, eene gelegenheid afwachtende om dien over baai-te laten vallen. Hooger en donkerder stijgen de schaduwen aan de muren — nu een róode gloed tegen de zoldering nu is bet vuur uit.

Het geheide uitzicht, dat van het terras zoo nabij scheen, is statig teruggeweken en in een schaduwachtig verschiet veranderd — niet het eerste of laatste van het schoon der aarde, dat zoo nabij schijnt en zoo zal veranderen. Mr rijst een nevel op, en er valt dauw, en al de zoete geuren in den tuin blijven laag in de lucht hangen. Xu veranderen de bosschen in groote massa\'s, alsofieder slechts één reusachtige boom was. Kn nu gaat de maan op, om de boomen weder te scheiden, en hier en daar blinkende strepen achter de stammen te laten flikkeren, en de groote laan tot een pad van licht te maken onder hooge, zonderling doorgebrokene bogen van een kerkgewelf.

Nu is de maan hoog gerezen, en het groote huis, dat meer dan ooit zyne bewoners mist, gelykt naar een lichaam zonder leven. Nu is het zelfs akelig, wanneer men er doorheen sluipt, aan de levende menschen te denken, welke in die bedden hebben geslapen; om niet eens van do dooden te spreken. Nu is bot tijd voor schaduwen, nu elke hoek een donker bol, elke aftrap een zwarte put is. nu het geschilderde glas een bleek en Hauw afschijnsel van kleuren op de vloeren werpt, nu men in de zware trapleuningen alles kan zien behalve hare eigene w ezenlijke gedaante, nu de w apenrustingen doffe lichttlikkeringen hebben, die men niet gemakkelijk van eene sluipende beweging kan onderscheiden, en de getraliede helmen op eene angstverwekkende w ijs aan daarin schnilende hoofden doen donken. Maar van al de schaduwen op Kastanje-Hof is de schaduw, die in bet lange salon op ni\\lady\'s portret valt, de eerste, (lie zich vertoont, eii de laatste, die zich laat verdrijven. Op dit uur en bij dit licht verandert /.[] in dreigend opgehevene handen, die met ieder zuchtje van den wind tegen dat schoone gelaat worden geschud.

./ij is niet wel,quot; zegt een rijknecht, in de kamer w aar juffrouw llounoewell gewoon is gehoor te vcrleonen. ...Mvlady niet wel? Wat scheelt baar\'.\'quot; — „Wel, mylady is altyd van streek gebleven, juffrouw, sedert zij de laatste

[

I

*

I i


mm

-ocr page 297-

HCIIADÜ WSI\'EL

maal hier is geweest — ik meen niet met de familie, juffrouw, maar toen /.ij /,00 als een trekvogel hier is doorgevlogen. Mylady is, voor haar doen, niet druk uit geweest, en heeft veel hare kamer gehouden.quot; „Kastanje-Hot\', Thomas,quot; zegt de huishoudster met trotsche ingenomenheid, „zal mylady dat wol te boven helpen. Mr is geen gezonder grond of lucht in de wereld.quot;

Thomas raag op dit punt zijn eigen gevoelen hehlien, en geeft waarsehijiilijk een wenk daarvan door de manier, waarop hij met de genwoordigen. maar die eenvoudig menschen zijn, die nooit hunne rust kunnen houden en nooit ergens iets uitvoeren.

Hij deze nationale gelegenheid begint Sir Lei-cester zijne neven nuttig te vindon. Iemand, meer geschikt dan Uob Stables om adellijke liefhebbers van de jacht aan tafel te onderhouden, kan er niet zijn. Betere go n tie ui en dan de andere neven om naar de plaatsen te rijden waar gestemd wordt en zich daar als voorvechters van Huge land te laten zien, zijner niet te vinden. Volumnia is een weinigje verlept,


over zijne kort gesnedene haren strijkt; maar hij wacht zich wel om verder iels daarvan te kennen te geven, en gaat naar de bediendenkamer om zich op kond vlcesch en bier te vergasten.

Deze rijknecht is het loodsmannetje, (hit den \'■delen haai vooruitzweml. Den volgenden avond komen Sir Leicester en mylady met bun talrijk gevolg, en te gelijk komen de neven en iindere lieden uit alle vimlstreken aan Van dat oogenblik af vliegen eenige weken lang geheimzinnige, naamlooze personen heen en weder, die gedurig daar rondzwerven waar Dood Ie zich op het oogenblik met goud eu bier laat vertemaar zij is van den echten stam, en er zijn er nog velen, die prijs stellen op haar geestig ; gesprek, op hare transche raadseltjes, zoo oud, dat zij door het verloo)! van tijd bijna weder I nieuw zijn geworden, op de eer van de schoone ! Miss Dedloek naar de tafel te leiden, of zelfs op liet voorrecht van hare hand op een bal. lijj deze nationale gelegenheid kan men al dansende politieke diensten bewijzen: en men ziet \\ olnmnia ook gedurig rondhuppelen, ten voor deele van eeu ondankbaar vaderland, dat zoo karig met zijne pensioenen is.

Mylady geeft zich niet veel moeite om de


-ocr page 298-

HET VEKLATEN HITS.

V)

talrijke gaston te onderhouden, en daar y.ij nog ongesteld blijft, \\ürtoont zij zich zelden voor laat oji den dag. Maar bij al die akelige diners, verveicnde ontbijten en basiliskus-achtige bals brengt liare enkele verschijning reeds eene vcr-adeining aan. Wat Sir Leieester aangaat, hij acht liet eene volslagene onmogelijkheid, dat iemand, die het geluk heelt van onder zijn dak ontvangen te worden, in eenig opzicht iets kan missen; en zoo uitmuntend met zich zeiven tevreden, stapt hij door het gezelschap rond en doet de werking van een statigen ijsberg.

Dagelijks draven de neven door het stoi der wegen, of galoppeeren zij over liet gras langs den kant, naar de plaats waar eene stemming plaats lieeft (met zeemen handschoenen enjaciit-zweepen voor de graafschappen, en met glacé handschoenen en karwatsen voor de steden) en dagelijks brengen zij rapporten terug, waarover Sir Lcice.^ti\'r. onder liet diner, deftige reiievoe-ringcn houdt. Dagelijks nemen de onrustige lieden, die nooit iets te doen hebben, den schijn aan alsof zij het al vrij druk hadden. Dagelijks heeft Volunmia. als vertrouwde nicht, een praatje met Sir Leicester over den staat des lands, en Sir Lei-.-ester begint te begrijpen, dat Volumnia veel dieper nadenkt dan hij zich verbeeld had.

.Hoe gaat het?quot; zegt Miss Volumnia. hare banden gt;amenvouwende. ./ijn wij L\'ered?\'

De groote zaak heeft voor ditmaal bijna haar beslag, en over eenitre dagen zal Doodle weder rust kunnen nemen. Sir Leicester i- na het diner juist in het salon gekomen: - eene schitterende ster, door wolken van neven omringd.

.Volumnia.quot; antwoordt Sir Leicester, die eene lijst in de hand heeft, „het gaat tamelijk wel.quot; — ..Maar taineljjk wel!quot;

Hoewel het zomerweder is, heeft Sir Leices-ter toch altijd des avonds een vuur voor zich alleen. Hij zet zich daarbij op zijne gewone plaats ,m hter een scherm, en herhaalt op een vasten toon en met zeker ongenoegen, alsof hij zeg-gen wilde: Ik ben geen gewoon mensch, en als ik „tamelijk wel \' zeg. moet dat niet aU eene gew one uitdrukking worden opgevat: .Vo-Inmnia, het gaat tamelijk wel.quot;

Ten minste is er geene oppositie tegen n,quot; zegt V dumnia, met vertrouwende zekerheid.

.\' een. Volumnia. Dit verdoolde land heeft in vele npzichten züne zinnen verloren, met leedwezen moet ik dit zeggen, maar....quot; .7.-1 iM/i-nd U het: toch niet. Het \\- rheugt mij dit te hoore.n.quot;

Dat \\ •hnnni.i het gezefril,. .ddu- iimiilt, herstelt h i ir in zijne gunst. Sir Leicester schijnt, met eene vriendelijke buiging van zijn hoofd, bij zich zei\'.■•li te zeggen: .(iver het geheel L i\\] eene verstandige vrouw, schoon z.y wel eens wat overijlt.quot;

Eigenlijk «as, wat eene opieiMtie tegen z;jne verkiezing betrof, de aanmerKing der schoone

Volumnia overbodig; Sir Leicester behandelt bij die gelegenheden zijn eigen candidaatschap als eene groote bestelling in een winkel, die ten spoedigste moet worden uitgevoerd. Twee an-: dere plaatsen, die hem toebéliooren, beschouwt hij als bestellingen van minder belang, zendt i slechts de canditaten daarheen, en geeft de handwerkslieden te kennen: „Gij zult wel zoo goed wezen van deze materialen twee parle-i inentsleden te maken, en ze thuis te zenden | zoodra z.y gereed zijn.quot;

Het sp\'ijt mij te moeten zeggen, Volumnia, dat op vele plaatsen de inwoners een slechten : geest hebben getoond, en dat deze oppositie tegen het gouvernement van een zeer hatelijkeu en bitteren aard is geweest.quot; — „H-r-ramp-zaligenl\'\' zegt Volumnia. .Zelfs,quot; vervolgt Sir Leicester, met een blik naar de neven op i sofa\'s en stoelen in het rond, .zelfs in vele — | óf eigenlijk in de meeste van die plaatsen, waar : liet gouvernement de factie heeft overwonnen....quot; (In het voorbijgaan moet hier worden aangemerkt. dat de (\'oodleïeten altyd bij de Dood-leïeten eene factie heeten, en dat het de Dood-\\ leieten by de („\'oodleïeten eveneens gaat.)

..Zelfs daar spijt en grieft het nijj, voor de i eer van Engeland, u te moeten berichten, : dal de partij niet gezegepraald heeft zonder i ontzettende kosten te moeten maken. Honderd.quot; zegt Sir Leicester, met nog grooter deftigheid naar de neven rondziende en van verontwaardiging zwellende, .honderd duizenden van pon-den!quot;

Indien Volumnia een gebrek heeft, is liet dit, dat z.y een weinigje al te onnoozel is; daar eene onnoozelheid, die bij een sjerpje en omgespeld halsdoekje zeer goed zou staan, niet wel bij rouge en parelsnoer past. Hoe dit zij, door die onnoozelheid gedreven, vraagt zij:

.Waarvoor?quot; ,Volumnia,quot; antwoordt Sir Leicester, op een streng berispenden toon; „ Vo-lumnialquot; ..Neen, neen, ik meen niet waarvoor :\' roept Volumnia. met haar geliefkoosd gilletje. . Hoe dom ben ik toch! Ik meen: hoe jammer!quot; -Het verheugt mij,quot; antwoordt Sir Leicester, „dat gij meent: hoe jammer!quot;

Volumnia haast zich om haar gevoelen uit te drukken, dat die slechte menschen als hoogverraders te recht gesteld moesten worden, en gedwongen om de party te ondersteunen.

.Het verheugt iiuj, Volumnia,quot; herhaalt Sir Leicester, zonder op die bevredigende verklaringen te letten, .dat gij meent: hoe jammer. Het i- eene schande voor de kiezers. Maar dewijl gij. hoewel onbedacht en zonder eigenlijk zulk eéne onredelijke vraag te wille,i doen, mij gevraagd hebt, waarvoor, zoo laat ik u antwoorden; Voor noodzakelijke onkosten. Kn ik vertrouw van uw gezond verstand, Volumnia, d.it gij hier noch elders verder over dat onderwerp zult spreken.quot;


-ocr page 299-

DE li A ATI) 1\' X KE NDHEID DEK LAGEliE KLASSEN.

Sir Leicester gevoelt zich verplicht cone out- | /agwekkende houding tegenover \\ olumiiia aan tc nemen, dewijl liet gerucht loopt, dat deze noodzakelijke onkosten,\' in een paar honderd j petitiën, op eene zeer onaangename mamer mot i het woord omkoopen in verhand zullen gebracht I worden; en dewijl eenige boosaardige spotters daarom reeds hebben gezegd, dat liet gewone | kerkelijke gebed voor het Hooge hof van het j Parlement wel uit het formulier mocht worden j weggelaten, en de gemeente daarentegen moest | verzocht worden om te bidden voor zeshonderd acht en vijftig gentlemen in zeer bedenke- | lijke omstandigheden. _ |

„Ik denk,quot; merkt Volurania aan, nadat zij | zich eenigszins van haar schrik heeft hersteld, rik denk, dat mijnheer Tulkinghorn zich wel ! half dood zal gewerkt hebben.quot; „Ik weet j niet,quot; zegt Sir Leicester, zijne ooL\'en wijd open- ï zettende, „waarom mijnheer Tidkinghoni zich halfdood zou werken. Ik weet niet welke bezigheden mijnheer Tulkinghorn kan hebben. Hij : is geen candidaat.quot;

Volumnia had gedacht, dat bij misscbien ge- 1 bruikt was. Sir Leicester zou wel willen weten | door wien en waartoe? Volumnia, wederom bedremmeld, vermoedt, door Iemand, om raad te geven en schikkingen te maken. Sir Leiu\'ster j weet niet dat eenig cliënt van mijnheer Tulkinghorn zijn bijstand heeft noodig gehad.

Een flauwe, zwakkelijke neef met kneveltjes, | die in een uiterst kwijnenden toestand op eene | sofa ligt, merkt nu aan, dat zijn knecht hem ! gisteren gezegd heeft, dat Tulkinghorn naar | die ijzersmelterijen is gegaan om een rechtsgeleerd advies over het een of ander tc geven, en dat het, daar de verkiezing in dat district i dien dag is afgeloopen, heel aardig zou zijn als Tulkinghorn nu eens aankwam met de tijding, dat de candidaat van Coodle de neer- | laag had gekregen.

Mercurius, die koflie presenteert, bericht Sir ; Leicester hierop, dat mijnbeer Tulkinghorn reeds is aangekomen en aan zijn diner zit. M\\lady keert voor een oogenblik baar hoofd om en ziet | dan weder strak voor zich.

Volumnia is opgetogen, dat die verrukkelijke i man gekomen is. Hij is zoo origineel, altijd zoo stroef en stil, en weet zooveel dingen, die j bij nooit zeggen wil. Volumnia is overtuigd, i dat hij een vrijmetselaar moet zijn. Hij staal | zeker aan bet hoofd van eene loge. draagt een voorschootje, en wordt tussehen kandelaren en trolfels als een afgod aangebeden. De scboone Miss Dedlock uit deze schertsende gezegden op bare jeugdigste manier, terwijl zij een beursje ! zit te knoopen.

„Hij is zoolang ik bier ben nog niet eens : aangekomen,quot; v oegt zij er bij. „Ikdacbt al,dat ik ; mij over den onstandvastige moest dood treuren. Ik hield er mij bijna zeker van, dat bij dood was.quot;

Het kan de toenemende duisternis van den avond zijn, of wel de nog donkerder duisternis in haar binnenste, maar mylady\'s gezicht wordt donker alsof zij dacht: „Ik wensebte, dat hij dood was,quot;

„Mijnheer Tulkinghorn,quot; zegt Sir Leicester, „is hier altijd welkom, en waar bij ook wezen mag, hij is altijd even discreet. Een zeer bruikbaar man, die ook algemeen naar verdienste geacht wordt.quot;

De flauwe neef onderstelt, dat bij si liatrijk is.

„Hij heeft vermogen, daaraan twijfel ik niet,quot; zegt Sir Leicester, „en dus belang bij \'s lands welvaren. Hij wordt natuurlijk goed betaald, en verkeert bijna op gelijken voet in de hoogste kringen.quot;

Iedereen schrikt, want dichtbij wordt een geweer afgeschoten.

„Lieve hemel, wat is dat!quot; roept Volumnia met haar gewoon gilletje. - ., Eene rat, die zij geschoten hebben,quot; zegt mylady.

De heer Tulkinghorn treedt binnen, gevolgd door Mercurius, en met lampen en kaarsen.

„Neen,quot; zegt Sir Leicester, „mij dunkt van neen. Mvlady, hebt gij er niets tegen om nog wat in de schemering te zittenVquot;

Integendeel, mylady doet dit zelfs liever.

„Volumnia yquot;

„O, Volumnia vindt niets zoo verrukkelijk als in het donker te zitten praten.

„Brengt ze dan weder weg,quot; zegt Sir Leices-ter. „Mijnheer Tulkinghorn. ik verzoek u wel versebooning. Hoe vaart gij ?quot;

Mijnbeer Tulkinghorn nadert met zijn gewonen langzamen tred, zeer op zijn gemak, bewijst in het voorbijgaan zijne hulde aan mylady, geeft Sir Leicester de hand, en laai zich op den stoel zakken, welke voor hem bestemd is. die iets beeft mede te deelen, en die aan de overzijde van het tafeltje staat, waarop de baronet gewoon is zijne courant neer te leggen. Sir. Lei-rester is bevreesd, dat mylady. daar /ij niet zeer wel is. voor dat opene venster koude zal vatten. Myhid\\ is beni zeer verplicht, maar wilde liever daar bijjven zitten, om lucht te hebben. Sir Leicester staat op, haalt het sjaaltje over bare schouders op en komt naar zjjn stoel terug. Mijnheer Tulkinghorn neemt ondertusschen een snuitje.

„Wel,quot; zegt Sir Leicester. .Hoe is die verkiezing nn algeloopen?quot; — „Och, heel tegengevallen. Van bet begin geene de minste kans. Zij hebben beide hunne candidaten er doïu\'gekregen. lt;lij zijt volkomen geslagen. Drie tegen een.quot;

Het behoort tot mijnbeer Tulkinghorn\'s meesterlijke politiek geene politieke gevoelens, ut eigenlijk geheel geene eigene gevoelens te hebben. Daarom zegt hij „gijquot; zijt geslagen, en niet „wij.quot;

Sir Leicester is heftig vergramd. Volumnia


-ocr page 300-

HKT VKI{1,A TKX HI IS.

lieeft nooit zoo iet^ gehoord. De flauwe neef gelooft, iliit zulke dingen telkens weer zullen gebeuren, zoolang het gepfupel mag stemmen.

,Het is die plaats, zooals gjj weet,quot; vervolgt mijnheer \'I ulkinghorn in dr snel toenemende duisternis, „waar men den zoon van julfronw Konmewtdl had willen kiezen.quot; .Ken voorstel, geljjk gjj mij toen met uwe gewone nauw-kenrigheid hebt onderricht, dat hij. met een gepast gevoel van betamelijkheid, heeft afgewezen,quot; zegt Sir Leicester. -Ik kan niet zeggen, dat ik de gevoelens goedkeur, die mijnheer Houmewell heeft uitgedrukt, toen hij eens, omtrent een half uur lang. hier in de kamer was; maar zijn besluit duidt toch een gevoel van betamelijkheid aan. dat ik volgaarne erken.quot; — ,1 lat verhinderde hem toch niet,quot; zegt mija-heer Tulkinghorn, „om bij deze verkiezing zeer werkzaam te zijn.quot;

Men hoort sir Leicester zeer duidelijk eene kiampachtige ademhaling doen eer hij weder spreekt.

„Heb ik u wel verstaan zegt hy. „Hebt gjj gezegd, dat mynheer Huuncewell bij deze verkiezing zeer werkzaam is geweest ?quot; „Buiten-gemeen werkzaam.\' — „Tegen...quot; .0 ja wel, tegen ii. Hij 1- een heel goed sjireker, duidelyk en nadrukkelijk. Hij maakte een geweldigen indruk, en heeft buitendien veel invloed. Zelfs onder de hand kon niemand iets tegen hem uitrichten.\'

Het is vnor het geheele gezelschap duidelijk, hoewel niemand hem kan zien. dat Sir Leicester met statige verbazing voor zieh staart.

.En hij werd daarin zeer door zijn zoon ge-holpen,\'\' zegt mijnheer Tulkinghorn. als tot be--hiit. .Door zijn zoon, mijnheer?quot; herhaalt •sir Leieester, met ontzaglijke beleefdheid. — .1\'zi]n /.non.\'\' .Hie zoon, die het meisje wilde trouwen, dat bjj mylady in dienst is,quot; — -IJi\' zoon Hij beett er maar een.quot; .Dan. quot;P mjjie\' t er,\'\' zegt Sir Leieester, na eene poos \'• an dreigi-nde stilt»-, waaronder men niets ge-h-H.rd heeft dan een snuivend ademhalen, terwijl men kon voelen hoe hij staarde, „dan, op mijne eer, bjj myn leven, by mijne reputatie \' ii mijiie beginselen, zyn de sluizen der maat-\'chappy opengebarsten en hebben de golven de landpalen hm — uitgewiseht van het samen-Hel. waardoor de Staat bijeengehouden wordt.quot;

Algemeene uitbarsting van m - tiyke \\eront-w .iardiging. \\ olumiiia acht het waarlijk hoog tjjd, dat er iemand van gezagtusschenbeiden k imt. en een kraehtigen nmatregel neemt. De tlanwe neef denkt, dat het land in vollen ren naar den duvel gaat.

..Ik verzoek,quot; zeg\' Sir Leieester, bijna buiten staat om adem b\' halen, .dat wij niet verder ovi rdezi\' omstandigheid uitweiden I \'at zou over-bodig zijn. Mvlady, iaat ik u. wat dat nieisje liet\'eft, in bedenking mogen g-ven....quot; „Ik ben,quot; zegt mylady van haar venster, zacht maar op een beslissenden toon, „niet voornemens om haar weg te doen.quot; „Dat was ook mijne meening niet,quot; antwoordt Sir Leicester, „en het verheugt mij u dit te hooreu zeggen. Daar gij haar uwe gunst waardig acht, wilde ik u iu bedenking geven, of gij niet uw invloed zoudt aanwenden om haar uit zulke gevaarlijke handen te houden. lt;üj zoudt haar onder het oog kunnen brengen, welk een geweld, bij zulk eene vereeniging, hare verplichtingen en hare beginselen zou worden aangedaan, en gij zoudt haar voor een beter lot kunnen bewaren, liij zoudt haar kunnen doen begrijpen, dat zij dooiden tijd hier wel een echtgenoot zal vinden, door wien zjj niet,quot; voegt Sir Leicester na een oogenblik bedenkens er bjj. „van de altaren harer vaderen zou worden weggesleept.quot;

Hij uit deze gezegden met de beleefdheid en vriendelijkheid, welke hij altijd in acht neemt ais hij tot zijne vrouw spreekt. Tot antwoord beweegt zij slechts even haar hoofd. De maan gaat op. en waar zij zit, valt een bleeke koude lichtstraal, waarin dat hoofd zichtbaar is.

..Het is evenwel opmerkenswaardig,quot; zegt mijnheer Tulkinghorn. „dat die menschen, op hunne manier, zeer trotsch zijn.quot; - - „Trotsch yquot; Sir Leicester twijfelt aan zijn gehoor. .Het zou inij niet verwonderen, indien zij allen vrijwillig van dat meisje afzagen—ja, de minnaar ook - in plaats dat zij van hen behoefde af te zien, vooronderstel, dat zij onder zulke omstandigheden op Kastanje-Hot bleef.quot; — .Zoo!quot; zegt Sir Leicester met eene bevende stem. „Xu, gij moet het wel weten, mijnheerTulkinghorn. lt;lij hebt met hen omgegaan.quot; — „Inderdaad, Sir Leicester.quot; antwoordt lie solliciteur, .ik zeg u de waarheid. Ik zou u zelfs eene historie kunnen vertellen met permissie van Lad\\ Dedlock.quot;

Haar hoofd geeft een bewijs van toestemming. Volumnia is verrukt. Kene\'historie! O, hij zal eindelijk eens iets vertellen. Volumnia hoopt, dat er van een spook in komt.

.Neen. Van levend vleesch en bloed.quot; .Mijnheer Tulkinghorn zwijgt een oogenblik, en herhaalt met een nadruk, die eenigszins bij zijne gewone eentonigheid afsteekt: „Van levend vleesch en bloed, Miss Dedlock. Deze bijzonderheden zijn mij eerst onlangs ter kennis gekomen, Sir Leicester. Ik zal ze zeer kort verhalen. Zij geven een voorbeeld van wat ik gezegd heb. Ik zal vooreerst geene namen noemen. Lady Dedlock zal my daarom niet voor onbeleefd houden, hoop ik.quot;

By het licht van het vuur, dat bijna is afgebrand, kan men hem naar den maneschijn zien omkijken. Hij het licht der maan kan men Lady Dedlock zien zitten, onbeweeglijk stil.

.Ken -tadgenoot van dezen mijnheer Itoun-cewell, een man juist in dezelfde omstandigheden, naar men injj verteld heeft, had het


-ocr page 301-

MIJNHEER TULKINlillOïfN VEUTELT EKNR HIST01UK

geluk eene dochter te hebben, die de aandacht eener groote dame trok. Ik spreek hier van eene werkelijke groote dame, niet alleen groot bij hem vergeleken, maar gehuwd met een heer van uw rang. Sir Leicester.quot;

Sir Leicester zegt genadig toestemmend ; „Ja wel, mijnheer Tulkinghorndaarmede aanduidende, dat zij in de oogen van den ijzer-smelter eene aanmerkelijke zedelijke grootte moet gehad hebben.

„De dame was rijk en schoon, het meisje beviel haar, zij behandelde bet zeer vriencleljjk en hield hot altijd bij zich. Nu had deze dame onder al hare grootheid een geheim, dat zij reeds vele jaren bewaard had. Zij was in hare jeugd mot een lichtmis geëngageerd geweest hij was kapitein bij de landmacht, een man, zoo gevaarlijk, dat er nooit iets goeds kwam van iemand, die met hem in aanraking was. /ij kwam nooit tot een huwelijk met hem, maar zij kreeg toch een kind, waarvan hij de vader was.quot;

Hij het licht van het vuur kan men hem naar den maneschijn zien omkijken. Hij het maanlicht kan men Lady Dedlock zien, die onbeweeglijk stil zit.

„ I oen die kapitein dood was, achtte zij zich veilig; maar eene reeks van omstandigheden, waarmede ik u niet behoef op te houden, gal aanleiding tot de ontdekking, (ielijk ik uit de geschiedenis hoorde, begon die ontdekking met eene onvoorzichtigheid, welke /ij zelve eens beginquot; toen zij door iets verrast werd; waaruit blijkt hoe moeielijk het voor de koelhloedigsten is (zij was zeer koelbloedig) altijd op zjjne hoede te zijn. Groot was de viTbazing en hel, huiselijk ongenoegen, geljjk gij weldenken kunt; ik laat het aaii uwe verbeelding over. Sir Leicester, hoe haar man zich dat aantrok. .Maar dat doet er rui niet toe. Toen mijnheer lioiincevvell\'s stadgenoot van die ontdekking hoorde, wilde bij het meisje evenmin langer laten vereeren en begunstigen, als hij haar voor zijne oogen met voeten wilde laten trappen. Zijne trotschheid was van dieu aard, dat bij baar terstond weghaalde, mei eene verontwaardiging also! liet eene schande voor haar was daar te blijven. Mij had geeu het minste gevoel van de eer, die de dame aan zijne dochter door bare gunst en goedheid bewees; in het minste niet. Hij nam de positie van het meisje zoo kwalijk, alsot de dame de gemeenste viouw was geweest. Dat is de geschiedenis. Lady Dedlock zal het wel willen verscboonen, hoop ik, dat zij van znlk een pijnlijken aard is.quot;

Lr bestaan verschillende gevoelens over het gebeurde, allen meer ol\'minder strijdig met dal van Volumnia. Deze jeugdige schóone kan niet gelooven, dat er ooit zulk eene dame geweest is, en verwerpt de geheide geschiedenis als een sprookje. De meerderheid helt tot de meening | van den Hauwen neet\' over, welke met korte

j woorden luidt: „ding hem niet aan — diedui-velsche stadgenoot van liomicewell.quot; Sir Leices-ter denkt bij zich zeiven aan Wat Tyler en : haalt zich eene eigenaardige reeks van gevolgen voor den geest.

Er wordt over het geheel niet veel meer ge-j spreken; want sedert elders die noodzakelijke | onkosten begonnen zijn, is men op Kastanje-Hol laat opgebleven, en dit is de eerste avond ; van vele, waarop de familie alleen is. Het is j over tienen, wanneer Sir Ijcicester mijnbeer Tulkinghorn verzoekt om te schellen en licht | Ie laten komen. Nn is de straal van het maan-! I\'cht tot eene groote lichtplek geworden, en nu j beweegt Lady Dedlock zich voor de eerste maal, i staat op en komt naar de tafel om een glas , water te drinken. Knipoogende neven, die bij ; bet kaarslicht naar vleermuizen gelijken, driu-! gen toe om het haar te geven. Volumnia (die | gaarne iets beters heeft, als het te krijgen is) | neemt ook een glas water, maar vergenoegt zich met een zeer matig teugje. Lad\\ Dedlock, elegant en kalm, door bewonderende oogen nagezien, gaat aan de zijde dier nimf, «elke dit contrast volstrekt niet gunstig is, langzaam de geheele zaal door en de deur uit.

X LI.

MUXIIKKE Ti;[,KlN(lll()l!N\'S KAM KR 01\' KASTAN.I K-HOF.

.Mijnbeer Tulkinghorn treedt zijne torenkamer binnen, eenigszins buiten adem door de reis naar boven, hoewel hij die zeer op zijn gemak heeft volbracht. Zijn gezicht heeft eene uitdrukking alsof bijl zijn gemoed van iets ernstigs bad ontlast en op zijne stille manier weltevreden was. Als men van iemand, die zich zehenzoo streng in bedwang hield, wilde zeggen, dat bij triomfeerde, zou men hem evenveel onrecht aandoen als met te denken, dat bij ooit door liefde, of teerhartigheid, of eenige andere romaneske zwakheid werd lastig gevallen. Hij is bedaard vergenoegd. Misschien streelt hem een eenigszins grooter gevoel van macht, terwijlhij een zijner zw aar geaderde polsen met de andere band omsluit, en zoo met de banden op den rng en onhoorbare schreden op en neer stapt, Lr slaat eene schrijftafel in de kamer, waarop een tamelijk groote hoop papieren ligt. De lamp met een groen schermpje is aangestoken, zijn bril ligt op zijn lessenaar, de leuningstoel is daarvoor geschoven, en het schijnt alsof hij voornemens w as nog een uurtje aan zijne zaken te besteden eer bij naar bed gaat. Maar bij heelt juist geen lust om te werken. Na een blik over de documenten, die op zjjne aandacht liggen te wachten met een laag over de tafel gebogen hoofd, daar zijn gezicht des avonds


-ocr page 302-

HET VKHLATKN HU^

2«»;

wat zwak wordt om druk ol schrift te lezen - opent lijj het tot aan den grond reikende venster, en stapt naar buiten op het plat. Daar wandelt hy in dezelfde lioudin^ op en neer, om na de geschiedenis, die hij beneden iieett verteld, wat te bekoelen, indien iemand, die altijd zoo koel is, dit kan noodig hebben.

Kr is een tijd geweest, toen menschen zoo geleerd als mijnheer Tulkinghorn in het ster-reulieht op em torenplat wandelden en naar den hernel opzagen om daar hun lot te lezen. Ken heirleger van sterren is dien avond zicht- | haar, hoewel haar glans door dien der maan wordt vêrdnukerd. Indien hij zijne eigene ster zoekt, terwijl hij zoo regelmatig heen en weder wandelt, moet het die bleeke zijn. om daar beneden zulk een valen vertegenwoordiger te hebben. Indien hij zijn toekomstig lot zoekt te lezen, k.ui dat wel dichterbij met andere letters geschreven zijn.

Terwijl hij op het plat heen en weer stapt, met zijne oogen waarschijnlijk zoo hoog boven zijne gedachten als z.y hoog boven de aarde zijn, en bij zoo het venster voorbykonit, wordt hij eenskiaps gestuit door twee oogen, wier blik den zijnen ontmoet. Üe zoldering /ijner kamer is laag. en het bovenste gedeelte der deur, tegenover het venster, is van glas. Kr is van binnen nog eene met baai bekleede deur, maar daar het een warme avond is, beeft hy deze by bet inkomen niet gesloten. De oogen, die de zgne ontmoeten, staren van de gang door liet glas naar binnen. Hij kent ze wel. Sedert jaren is het bloed niet zoo snel en rood naar zijn gezicht opgevlogen, als nu hy Lady Ded-lot k herkent.

Hij -tapt do kamer binnen, zij doet dit insgelijks en sluit beide deuren achter zich. Kr spreekt eene woeste gemoedsbeweging is het angst of gramschap? — uit hare oogen. Vooi het overige heeft zjj hetzelfde voorkomen als /ij twee uren geleden beneden had.

is het nu angst of gramschap? Hij kan er zich niet van verzekeren. Heide zuuden even bleek, beide even strak kunnen zijn-_Lady Dedlock?quot;

Zij spreekt in het eerst niet, zelts niet, nadat zy zi\' h langzaam in den leuningstoel by de tafel beeft laten zinken. Zy zien eikander aan gelyk twee geschilderde portretten.

„ \\\\ tarom hebt gy \\ t /.• zovele personen mnne Resellied(*iiis v iliaaldy \' ,Lady Dedlock.het was noodig u te onderrichten, dat mij die bekend was.quot; .Hoelang hebt ge ze gewete iy \' ,lk heb ze lang vermoed eerst kortten volle gekend\'\' .Maanden? ,Dagen.\'

Ilii iaat \\ Mir haar met de eene band op de leuning van een stoel en de andere in zyii ouder-welsch \\ e^t gestoken, juist gelijk hij sedert baar liuweiyk altijd voor haar heeft gegt;taan. Dezelfde -tyve beleefdheid, dezelfde eerbiedige bedaardheid, die evengoed voor iets dreigends kan worden gehouden; de geheele man hetzelfde koude, don- ; kere voorwerp, op denzelfden afstand, die nooit door iets verminderd is geworden.

.Is dat waar, wat dat arme meisje aangaat?quot;

Hij steekt zijn gebogen hoofd een weinig vooruit, alsof hij de vraag niet wel begrijpt.

„Gij weet wel wat gij verteld hebt. Is dat waar? Kennen hare betrekkingen mijne geschiedenis ook? Is zij al een straatpraatje? Wordt zij op de muren geschreven en op dc straten uitgeroepen?quot;

„Zool (iramsciiap, vrees en schaamte. Alle drie met elkander in strijd. \\\\ elk eene \'\'eestkracht heeft die vrouw, om die woedende hartstochten te bedwingen 1\' Zoo iets denkt mijnheer Tulkinghorn,quot; terwijl hij haar aanziet en onder haar blik zijne ruige, grijze wenkbrauwen eene haarbreedte meer dan gewoonlijk samentrekt.

„Neen, Lady Dedlock. Dat was maar eene onderstelling, die mij inviel omdat Sir Leicester zoo uit de hoogte sprak. Maar het zou werkelijk zoo zijn, als zij wisten wat wij weten/

.Dus weten zij het nog niet?quot; — „Neen.quot;

„Kan ik, eer zij het weten, dat arme meisje voor schade bewaren?quot; — „Inderdaad, Lady Dedlock; antwoordt mijnheer Tulkinghorn, „daaromtrent kan ik n niets met zekerheid zeggen,quot;

Kn terwijl hij met de belangstelling eener oplettende nieuwsgierigheid den strijd m hare borst gadeslaat, denkt hij: „De geest-en lichaamskracht van die vrouw is waarlijk verbazend.quot;

„Mijnheer,quot; zegt zij, genoodzaakt voor een oogenblik hare lippen dicht te knijpen, om duidelijk te kunnen spreken, .Ik wil de zaak duidelijker maken. Ik trek uwe onderstelling niet in twijfel. Ik heb dat voorzien en de waarheid er van even sterk gevoeld als gij doen kunt, toen ik mynheer Uouncewell hier zag. Ik begreep zeer wel,\' dat hij, als hij mij zien kon gelijk ik was, dat arme meisje verontreinigd zou achten door voor een oogenblik, hoe onschuldig ook, het voorwerp mijner hoog aanzienlijke begunstiging te zijn geweest. Maar ik stel belang in : haar; of, daar ik niet meer hier behoor, moest ik liever zeggen, ik deed dat; en als gij de vrouw, die onder uw voet ligt, zooveel mede-doogen kunt bewijzen, dat gij dit in aanmerking neemt, zal zij zeer gevoelig zyn voor uwe barmhartigheid.quot;

Mijnheer Tulkinghorn, die zeer oplettend heelt geluisterd, haalt verontscbiildigend zijne schouders op en trekt zijne wenkbrauwen nog wat meer te zamen.

iij hebt er mij op voorbereid, dat ik ten toon gesteld zal worden, en ook daarvoor dank ik u. 1- er iets, dat gij van injj vordert? Zyn er aanspraken, waarvan ik afstand kan doen, of moeielijkheden en onaangenaamheden, die ik


-ocr page 303-

II KT I.IS ISKKKKT.

mijn echtgenoot kan besparen als het er oj» aankomt om zich zeiven van mü te bevrijden, door ii bewijs te geven, dat uwe ontdekking\' «aar-beid is? lllt; wil hier en terstond alles schrijven wat gij mij dicteert. Ik ben er toe gereed.quot;

„Zij zou bet doen ook,quot; denkt de solliciteur, ziende met welk een vaste band zy de pen opneemt,

..Ik wil ii met niets lastig vallen, Lady Ded-lock; en ik verzoek n om n zelve te sparen.quot;

- „Ik heb dit lang verwacht, gelijk gij weet. Ik wenseb mij zelve niet te sparen en evenmin gespaard te worden. (1 ij kunt mij niets ergers doen dan gij gedaan hebt. Doe nu ook bet overige.quot; „Lady 1 U\'Uock, er is niets te doen. Ik zal de vrijheid nemen om eenige woorden te spreken, wanneer gij gedaan hebt.quot;

Het zon schijnen, dat zij nu elkander niet meer beboerden te bewaken, maar zij doen dit toch nog al dien tijd, en de sterren bewaken hen beiden door het opene venster. Ver in den maneschijn liggen velden en bosschen te rusten, en het ruime huis is even stil als het enge. Het enge! Waar zijn, in dezen vreedzamen nacht, de graver en de spade, bestemd om bet laatste groote geheim bij de vele geheimen van mjjnbeer Tulkinghorn\'s aanzijn te voegen? Is de man al geboren, is de spade al gesmeed ? Vreemde vragen om te bedenken, nog vreemder misschien om niet te bedenken, onder de waakzame sterren in een zomernacht.

„Van berouw of\' wroeging, ot\' iets, dat ik gevoel,quot; vervolgt Lady Dedïock weldra, „zeg ik geen woord. Als ik niet stom was, zoudt gij toch dool\'zijn. Stappen wjj daarvan at\'. Hat is niet voor uwe ooren.quot;

Hij houdt zich alsof hij daartegen wil protesteeren, maar zij wijst hem af door minachtend met hare hand te wuiven.

„Over geheel andere dingen kom ik u spreken. Mijne juweelen zijn alien waar zij bewaard bebooren te worden, /ij zullen daar gevonden worden. Mijne kleederen en alle kostbaarbeden, die ik heb, insgelijks. Wees zoo goed te zeggen, dat ik eenig geld bij mij bad, maar geene aanzienlijke, som. Ik droeg mijne eigene klee-ren niet, om niet opgemerkt to worden. Ik ging om voortaan verdwenen te zijn. Maak dit bekend. Anders heb ik u niets te zeggen.quot; .Neem mij niet kwalijk, Lady Dedlock,quot; zegt inijnbeer Tnlkinghorn, geheel onbewogen: „ik hen niet zeker, dat ik u wel begrijp. ^ \'\'\' ^r!) vertrekken?\'\' „,1a, om geheel te verdwijnen. Niemand moet hier ooit meer iets van mij weten of hooren. Ik ga terstond.quot;

Mijnheer Tulkinghorn sebudt zijn hoofd, /-ij staat op, maar hij, zonder zijne eeue hand \\an den stoel te nemen of de andere uit zijn ou derwetsch vest te balen, schudt nog eens zijn hoofd.

„Wat? Niet gaan, gelijk ik gezegd hel»?quot;

„Neen, Lady Dedlock,quot; antwoordt bij zeer kalm.

„Weet gy wel, welk eeue verlossing mijn verdwijnen zal zijn? Hebt gij vergeten, welk eeue vlek ik bier beu erlVoorwien?quot; „Neen, Ladv Dedlock, volstrekt niet.\'

Zonder zich te venvaardigen om verder iets te zeggen, gaat zij naar de deur, en beeft reeds hare baud daaraan geslagen, toen bij, zonder hand of voet te bewegen of zijne stem te verheiten, zegt:

„Ladv Dedlock, wees zoo goed om te blijven en\' mij aan te hooien, of eer gij bij de trap zijt, luid ik de alarmklok en breng het geheele huis in beweging. Kn dan moet ik ronduit spreken, vooralle gasten en bedienden, mannen en vrouwen, die hier zijn.quot;

Hij heeft haar overwonnen. Zij wankelt, beeft en brengt verbijsterd hare baud aan baar hoofd, tieringe teekenen zouden dit bij iemand anders zijn; maar wanneer bet geoefend oog van mijn-lieer Tulkinghorn bij zoo iemand een Opgen-blik van besluiteloosheid waarneemt, weet hij hoeveel dit waard is.

Snel hervat bij: „Wees zoo goed om mij aan te booren, Lady Dedlock,quot; en wijst naar den stoel, waarvan zij is opgestaan, /ij aarzelt, maar hij wijst nog eens, en zij zet zich weder.

„De betrekkingen tusscbeu ons zijn vaneen ongelukkigen aard, Lady Dedlock, maar zij zijn niet door mij veroorzaakt, en ik behoef erdus geene verschooning voor te verzoeken. Mijne betrekking tot Sir Leicester is n zoo wel bekend, dat ik mij bijna niet anders kan verbeidden, of gij moet reeds lang gedaeht hebben, dat ik de man was, die hel eerst tot die ontdekking moest komen.quot; .Mijnheer,quot; antwoordt zij, zonder van den grond op te zien, waarop zij nu hare oogen beeft gevestigd. .Heter dat ik heenga. Het zou veel beter/,ijn ge« eest. dat ge mij niet hadt ougehouden. Ik heb niets meer te zeggen.quot; - „Neem mij niet kwalijk, Lady Dedlock, dat dat ik er nog iets heb bij te voegen.quot; Jk wil dan bij liet venster naar ii hooren. Ik kan bier geen adem halen.quot;

De blik. waarmede iiij baar naziet, terwijl zij naar het v enster gaat. duidt een oogenblik-| kei ijk wantrouwen aan, dat zij voornemens is I over de borstwering van liet plat te springen j en zich op het terras beueden te pletteren te j laten vallen. Maar nadat bij even bare gestalte j heeft waargenomen, terwijl zij daar, zonder eenigen steun te zoeken, voor bet venster staat, en uitziet niet opziet naar de sterren, i somber uitziet naar die sterren, die laag aan I den hemel staan, stelt hij zuh weder genist. | Door zich om te keeren, staat bij op geringen ! afstand achter baar.

„Lady Dedlock, bet is mij nog niet gelukt i met mij zeiven eens te worden, noe ik hierin ; moet bandelen. Het is mij niet duidelijk wat ! ik nu beboiir te doen. Undertussclien nwet ik


-ocr page 304-

HKT \\ EH LATEN HUIS.

■JVS

u vi\'iv.oekt\'ii, liot geheim te bewaren, gelijk trij het zoolang hebt bewaard, en u niet te verwonderen, dat ik liet ook bewaar.quot;

Hij zwjjgt even, maar zij geeft geen antwoord.

, Versdiooning, Lady hedlook. Dit is een ge-wiolitig onderwerp. (ïij vereert mij tooh niet uwe aandacht?quot; - -da,quot; Jk dank u. Ik had dit wel kunnen weten, naar hetgeen ik van de kraelit van uw karakter heb gezien. Ik had u die vraag niet moeten doen, maar ik hen gewoon mij stap voor stap te verzekeren of ik op vasten grond ga. De eenige zorg in dit ongelukkige geval is Sir ladcester.quot; — ..Waarom,quot; vraagt zij zacht,en zonder haar somheren blik van die ver verwijderde sterren af te wenden, „houdt gij mij dan in zijn huisyquot; „Omdat hij de zorg is. Ik behoet u niet te zeggen, Lady Dedlock) dat Sir beieester zeer trotseh is: dat hij zich volkomen op n verlaat; dat een val van de maan uit de Ineht hem niet meer verbazen zou dan uw val van uwe hooge standplaats als zijne vrouw

\'/.\'[] haalt snel en zwaar adem. maar staat daar overigens zoo onversehrokken als hij haar ooit in het midden van het statigste gezelsi hap heeft zien staan,

.Ik verklaar u, Lady Dedloek, dat ik. zonder iets van een aard als dit geval, evengoed zou gehoopt hebben, den oudsten boom op dit goed met mijne bloote handen uit den grond te halen. a!lt; uw invloed op Sir Leicester te verzwakken, of zijn vertrouwen op n te schokken. En zelfs nu, met dit geval, aarzel ik nog. Niet, dat hij er aan twijfelen kan (dit is zelfs voor hem onmogelijk), maar omdat niets hem op den ^lag kan \\ quot;•rbereiden,\' .Ook mijne vbieht niet\'.quot;\' zegt zij. .Denk nog eens daarover.\'\' .[We vhieht. Lady 1 \'edlock, zou de yeheele waarheid, en honderdmaal meer dan de geheele waarheid, wijd en /yd verspreiden. Het Zon dan onmogelijk zijn de eer der familie v.i.ir «-en enkelen dag te redden. Daaraan is niet te denken.quot;

/ :■ a\'d li\'-ftt iet- koid lie-üssends. dat

geene tegenspraak toelaat.

.Als ik zeg, dat Sir Leiee,-ter de eermie zorg i-, zyn hjj en de err der familie quot;en quot;n het-zelfb\'. Sir L\'-i\'-enter en le t baronetxehap, Sir Leicester quot;it Kastanje-Hof, Sir Leicester en zijne voorouders en zijn erfgoed.\' mijnheer Tnlking-horn zegt di* zoo droog al - maar mogelijk is, .dit behoef ik u Dist te zeggen, Lady Dedlock, z||n onafscheidelijk.quot; _üa voort.quot; „Daarom,quot; vervolgt mynbeer \'rnlkinghorn, op zyn onver--ehillig redeneerenden toon, „heb ik veel in overweging te nemen. Dit geval moet ~tdgehouden worden, als het eenig-zins mlt;gt;ge|p is. Hoe kan het mogelijk zijn. als Sjr Leieester er krankzinnig van wordt, of er door op zijn sterf-h, 1 w rdt gebracht? Ai ik hem morgen dien sehok toebracht, hoe zou de plotselinge veran-

\' dering in hem dan verklaard kunnen worden? Wat kon er de reden van zijn? Wat kon u van elkander verwijderd hebben? Dan zou het op muren schrijven en op straten roepen terstond beginnen, Lady Dedlock; en gij moet wel bedenken, dat dit niet u alleen zou aangaan (wie ik in dit geval niet ontzien kan), maar uw echt genoot, Lady Dedlock, uw echtgenoot.quot; , Naarmate hy vordert spreekt hij duidelijker, maar met geen ziertje meer vunr of nadruk.

.Er is nog een ander oogpunt,quot; vervolgt hij, | „dat de zaak aanbiedt, Sir Leicester is met byna blinde ingenomenheid aan u gehecht. Hij zou wel eens niet in staat kunnen zijn om die ingenomenheid te overwinnen, al wist lip zelfs wat wij weten. Ik onderstel hier een uiterste, maar het zou zoo kunnen zijn. Zoo ja. dan zou liet beter zijn, dat bij niets uist. Beter voor i hem en voor mij. Ik moet dat alles in aanmerking nemen, en liet loopt te zamen om het zeer moeielijk te maken tot een besluit te komen.quot;

Zij blijft naar dezelfde sterren staren, z.on-: der \'een woord te spreken. Zij beginnen te ver-bleeken, en het is alsof de koude haar doet bev Hezen.

„Mijne ondervinding leert mij.quot; zegt mijnheer Tulkinghoni. die nu zijne handen in zijne zakken heeft gestoken, en zoo. als ware hij eene machine, voortredeneert; „mijne ondervinding leert mij, Lady Dedlock, «lat de meeste men-m hen veel beter zouden doen als zaj het trouwen maar lieten blijven. Dat is de grond van hunne meeste onaangenaamheden. Zoo dacht ik toen Sir Leicester trouwde, en zoo heb ik sedert altijd gedaeht. Maar niets meer daarvan. Ik moet mij nu naar de omstandigheden richten. On-dertnsschen moet ik u verzoeken om alles te verzwijgen, gelijk ik insgelijks zal doen.quot; — ..Mnet ik dan dag aan dag mijn tegenwoordig leven vnortsleepen. /oidaii^het u behaagt?quot;vraagt zij. nog naar de lucht ziende. „Ik vrees van ja. Ladv Dedlock.quot; • „Is het noodzakelijk, 1 denkt gij. dut ik zoo aan den brandpaal gebonden blijf?quot; „Ik ben overtuigd, dat het i .d/ikelijk wat ik u aanraad.quot; .Moet ik op dit versierde schavot blijven, waarop ik zoolang mijn ellendig bedrog heb gespeeld, en dat onder mij zal neervallen aN gij hetteeken —quot;quot;ft ? * Zquot;gf zij langzaam. „Niet zonder waar-seliuwing, I.udv Dedlock. Ik zal geen stap doen, /..ader u vooraf daarvan kennis te geven.\'\'

Zij doet al hare vragen alsot zjj die nit een boek van buiten had geleerd en uit haar geheugen opzeide.

.Moeten wij elkander zien als naar gewoon-te?quot; ...luist als naar gewoonte, als het u belieft.quot; „En moet ik mijne schuld blijven v erbergen, gelijk ik zoovele jaren gedaan heb?quot; — „(ielijk gij zoovele jaren gedaan hebt. Ik zou zelf niet daarvan gesproken hebben, Ladv Dedloek. maar nu mag ik u wel herinneren, dat


-ocr page 305-

/i.i iikki\'t /icii vi:i(\\voniii:i;i,i.ik w i;i, i.\\ hkdwani; (ikuocdex

uw geheim niet zwaarder voor u kan zijn dan het te voren was, niet erger en niet beter dan voorheen. Het is waar, dat ik het nu weel; maar ik geloof, dat wij elkander toch nooit geheel vertrouwd hebben.quot;

Zy blijft nog eenigon tijd zoo staan alsof zij bevroren was, eer zij vraagt:

,[s er van avond nog iets te zeggen?quot; „Wel,\' antwoordt mijnluvr Tulkinghorn zeer beleefd, terwijl hij zachtjes zijne handen wrijft, „ik zou gaarne verzekerd wezen van uwe bc williging in mijne schikking. Lady Dedlock.quot; „Daarvan kunt gij verzekerd zijn.quot; „Ooed. En ik wenschteu te herinneren, als eene inissi:hien de deur. Mijnheer \'rulkinghorn opent beide deuren voor liaar, juist gelijk liij gisteren zon gedaan hebben, en maakt als zij heengaat zijne ou-derwcts(;he buiging, liet is gnen gewone blik, dien hij ontvangt van het schoone gelaat, dat in de duisternis verdwijnt, m het isgemegr-wone beweging, schoon eene zeer geringe, die zijne beleefdheid beantwoordt. Maar, gelijk hi j bedenkt als hij alleen gebleven is, die vrouw heeft zich zelve verwonderlijk wel in bedwang gehouden.

Hij zou dit nog b(;ter weten, als hij die vrouw zag gelijk zij door hare eigene kamers op en neer stapt, met loshangende haren, hare handen


overbodige voorzorg, in geval het ooit noodig achter haar teniggeltogen boofd samengeslo-inocht zijn Kir Lèieestei\'daarvan te overtuigen, | ton en hare trekken als van pijn verwrongen, dat ik in ons geheel onderhoud uitdrukkeljlk Hij zou ditdes te meer denken. aN hij die viouw heli doen blijken, dat Hir i.eieestor\'s gemoeds- aldus un n lang oj) en neei zag rennen, zon

vermoeienis te voeden voetstap op

rust en eer en de reputatie \'Ier familie mijne der stil te slaai ■enige zorg zijn. Het zou mij verheugd hebben, len, en altijd vt

it naar bed en valt in ■ laai

het lluuwe

jnheer.quot;

de belangen van Lady l\'edjoek insgelijks tot de (ieestenwandeling. Maai hij shut, daar de mijne zorg te maken, indien de zaak dat, had lucht nu kil wordt, het venster, schuift de

toegelaten, maar ongelukkig was dit, zoo niet.quot; , gordijnen

.Ik kan getuigenis geven van u\\vlt; trouw, Kn .waarlijk, wanneer tie sterren verdwijnen en

de tortaikamer i\'innensluipt.

Nadat zij dit gezegd heeft, blijft zij nog eene en hem vindt gelijk hij er op/im oudst, uitzir roerloos staan, maar eindelijk beweegt ; schijnt het alsot graver en

zij zich, en kiert zich, zonder iets van haar waren en spoedig aan het werk zouden /.\\jn. gewoon voorkomen verloren te hebben, naar Hetzelfde flauwe daglicht ziet hoe Kir l.ei

bltllKKB. //»/ I.. gt;.\'/« //ui*. i\'1

-ocr page 306-

HET VERLATEN HUls

cester zijn berouwvol vaderland in een edelmoe-digen droom vergiffenissohenkt; en hoede neven verschillende posten aanvaarden, waarbij het ontvangen van hun salaris liet meeste werk uitmaakt; en hoe dekuische \\ olumnia een bruidschat van vijftigduizend pond aanbrengt aan den leelijken \'ouden generaal, met een mond vol valsrhe tanden, lang de bewondering van Bath en de schrik van alle andere plaatsen waar hij komt. 1 )ok in kamertjes, hoog onder het dak • n boven -tallen en bijgebouwen, waar eene minder hoogvliegende eerzucht dioomt \\aii/.a-ligheid in eene portierswoning en in den heiligen echten staat met Will of sally. De held.av zoa gaat op en trekt alles omhoog de Will\'s en Sally\'s, de over den grond zwevende dampen, de neerhangende bladeren en bloemen, de vogelen, viervoetige dieren en kruipende dingen, r\'. tuinlieden om het bedauwde gras te rollen, en tot een gro.-n tapijt te maken, en den rook van het groote keukenvuur, die zich kronkelend ia de dunne lucht verheft. Eindelijk rijst de vlag op, boven mijnheer ïulkinghorhs nog bewas-t,,l,,(,s hoofd, en verkondigt met vreugde, dat sir Lviet-ster en Lady Dedlock bij hun gelukkigen huis. li,;kgt; n haard zijn gezeten, en dat op iiet buitengoed in Lincolnshire de gastvrijheid heerseht.

XL1I.

KUiSHKKit :.Kixouor;:.\' - kamkr tutis.

Var. groene i.^o^rtt-n en br.....lggt;-takt\'- • iken

van Kastanje-Hof verplaatst mijnheer Talking-horn zich naar dquot; benauwde hitte en het stof van Londen. Zijne manier van komen en gaan Mssehen die tw- • plaatsen is een van zijne on-

•, r\' j f

in gbare

?n. Hl;

i \\v

andelt naar K .—

* ■ i r

ï \\0\'l

i\' »f alsof het na

ast de

de

■ur zi jner kaniers

lag

i keert naar /.i ne kaniquot;

rs terug alsof hij

I. i

n c lt;

)in,s Inn F iel

d s g\'

-he

el niet had ver

lat

en.

Voor (k: reis ve

rwis.s\'

-

hij niet van klee-

dei

en naderhand

spree

1 k t

hij er niet van.

Hi.

i j g

dv-z\'-n Djorgen

even

stil

i uit zijn- toren-

K 1 lt;IV

mer

rerdwenen, als op het plein vi

* hij r

in

in den schemer-

Als

f - n zwart bei

rookte

L

ond-nseiu vogel

on

der

dgt; vogelen, die

-ze

vroolijke velden

zitten t- slapen, waar d* schapen allen tot perke:ie-nt, !• -j- a prniken zijn gemaakt en het tcras iv-i i.« v-randerd, kom de uit-gedroogde Loteleaiseli\' praktiz :n, de onder ie t menschdean wi.- nt. m.i-ir niet daarmede ver-k\'■ rt. die oud ^\'-worden i- zonde i ondervin-ding van -ene. blijd» j-ugd te hebban, -u die zi \'i 7,quot;quot;ia!ig L-\'-weivi heeft in hoek\'-n en ga\'en der nn-n-hh-id -en bekr-mpen ti--\' t m.tken. dat hij haar ruimer en beter werkkring In \'ft v rgeten, naar huis watidel-n. In den oven. uit de heete straatsteeiien en de heete muren samengesteld, heeft hij zich nog droger dan gewoonlijk gebakken; en zijn dorstige g\'-est denkt aan zijn portwijn, dien eene halve eeuw heeft gerijpt.

De lantaarnopsteker wipt aan mijnheer\'1 ul-kinghorn\'s kant van de Fields zijne ladder op en af, wanneer die hoogepriester van adellijke geheimen zijne deur bereikt, ilij gaat de stoep op en wil het donkere voorhuis binnensluipen. wanneer hij op de bovenste trede een met onderdanige vnendelijkheid buigend manneke. ontmoet.

„is dat Snagsbyquot; ,Ja mijnheer. Ik hoop, dat gij welvaart, mijnheel\'. Ik dacht juist, dat ge niet meer komen zoudt, mijnheer, en ik wilde naar huis gaan.quot; — .Zool Wat is er? Wat moet ge met mij/quot; — ..Wel. mijnheer, antwoordt Snagsbx. zijn hoed, uit eerbied voor zijn besten klant, naast zijn hoofd houdende, „ik wenschté een woordje met u te spreken, mijnheer,quot; — „Kunt gij dat hier doen,.0 ja wel, mijnheer.quot; „Spreek dan maar.quot; De solliciteur keert zich om, leunt met zijne armen over het hek boven aan de stoep en kijkt naar den lantaarnopsteker, die nu dichtbij gekomen is. - „Het betreft,quot; zegt Snagsby, op een toon vol g1 heimzinnigheid, ,,het betreft — om er niet te veel van te zeggen iemand van vreemde afkomst.quot; — ,Van vreemde afkomst! Wie dan ?\' zeurt mijnheer Tulkinghorn. hem met zekere verwondering aanziende. - „Eene vrouw of juffrouw, mijnheer. Eene Fransche, als ik mij niet vergis. Ik ben zelf met di- taal niet bekend. maar aan hare manieren en haar uitzicht zou ik denken, dat zij eene Fransche was, zekei tte\' ne Engelsche. Zij, die boven was. mijnheer, toen mijnheer Bucket en ik de eer hadden van dien straatvegersjongen bij u te-brengen.quot; „O ja, ja. Mademoiselb Hortense.\'

,Zoo, mijnheer?quot; Snagsby kucht achter zijne rind /.i.in kuchu van on i1 rwerping. ,lk ben over hi \' geheel ni( t bekend met vreemde namen, mijnheer, maar ik twijfel niet of zij zal zoo lieeten.quot; Snagsby schijnt dit antwoord begonnen te hebben met een wanhopig voornemen \'tn den naam 1lt; herhalen; maar bij nader bedenken kucht hij nog eens om zich te verontschuldigen. — „Bn wat kunt gij van haar te n hebben, snagsby?quot; vraagt mijnheer

Tulkinghorn. , Wel, mijnheer,quot; antwoordt de kantoorwinkelier en beschaduwt zijne mede-deeling met zijn hoed; .het valt mij wel wat moeielijk. Mijn huiselijk geluk is zeer groot ti i) rninsre z(gt;\'i groot als ie-mand kan verwachten, zekerlijk maar mijn vrouwtje is eenig--zins ia.loer.sch. Om er niet te veel van te zeg-_-\' n Zij is wel wat erg*jaloerseh. En zier ge. ,iat e-ne vr-emde juffrouw, dii er zoo fatsoenlijk uitziet, in den winkel komt, en in In t hofje róndloert - ik zou er niet gaarne zulk eene


-ocr page 307-

BETEEKIvELIJK DE VREEMDE JUFFHOUW. 291

sterke uitdrukking voor gebruiken, mijnheer, als ik anders kon, maar ik moet wel zeggen rondloert — gij weet wel, dat is — is hot niet zoo? Ik laat het aan uw eigen oordeel over.quot;

Nadat cinagsby dit op een zeer beklaaglijken toon gezegd heeft, kucht hij een kuchje van toepassing, om het verzwegene aan te vullen.

„Hoe zoo? wat wilt ge zeggen?\' vraagt mijnheer ïulkinghorn. — „Ja, mijnheer,quot; antwoordt Snagsby, „ik dacht wel, dat gij het zelf wel zoudt go voelen, en m ij n gevoel niet kwalijk nemen, als gij bedenkt hoe teergevoelig mijn vrouwtje is. Gij moet weten, die vréémde juffrouw gij hebt daar zoo even haar naam genoemd, maar ik kan dien zoo goed niet uitspreken heeft dien avond het woord Snagsby opgevangen, wantzy is buitengemeen bij de hand, en navraag gedaan en mijn adres gekregen en is, terwijl ik aan tafel zat, naar mij toe gekomen. Nu is Gnsta, ons dienstmeisje, heel bedeesd en heeft toevallen, en zij schrikte van die juffrouw die heel vinnig kijkt en van hare nijdige maaier van spreken — waarvoor iemand, die wat bloo is, wel bang kan worden, en in plaats van zich goed tehouden, liet zij zich daardooront-stellen en viel de keukentrap af, van het eene toeval in het andere, zulke toevallen als ik somtijds denk, dat nooit iemand gehad heeft, of uit bijgekomen is, behalve bij ons in luns. Bijgevolg had mijn vrouwtje gulukkig genoeg te doen, en bleef ik alleen in den winkel. En toen zeide zij, dat zij, daar mijnheer Talking-horn haar altyd „niet thuisquot; liet geven, de vrijheid zou nemen van gedurig bij mij aan te komen, tot zij hier werd ingelaten. Sedert heeft zij dan ook. gelijk ik begon te zeggen, in liet hofje rondgeloerd rondgeloerd, mijnbeer;quot; hij herhaalt dit woord met roerenden nadruk, „De gevolgen van zulk eene manier van doen zijn onberekenbaar. Het zou nuj niet verwonderen als de burea reeds erg beginnen te krijgen, om niet van mijn vrouwtje te spreken. Terwijl de hemel toch weet,quot; vervolgt hij, zijn hoofd schuddende, „dat ik nooit aan vreende vrouwen heb gedacht, of er iets van weet, behalve dat zij voorheen meest met bezempjes en tegenwoordig met eene tamboerijn rondièopen. Ik verzeker u, mijnheer, dat ik er nooit moer van geweten heb.\'\'

Mijnheer Tulkinghorn heeft zeer ernstig naar dit beklag geluisterd en vraagt nu; .En dit is nu alles, niet waar, Snagsby?quot; „Ja, mijnheer, dat is alles,quot; antwoordt Snagsby en \'besluit met een karhje, hetwelk duidelijk zegt: „Eu voor mij is het genoeg — overgenocg.quot; — .Ik weel niet wat Mademoiselle Hortonse wil hebben of kan moenon, of zij moet gek zijn,quot; zegt de sollii\'itour. „En al was zij dal, mijn-hecr,quot; brengt Snagsby smeekend hiertrgon ia, „dan zou hot toch geen troost wezen, als zulk eene gekke vreemde juffrouw mijn huiselijk geluk kwam verwoesten.quot; „Neen,quot; zegt de ander. „Welnu. Daar moet oen eind aan komen. Het spijt mij, dat gij last van haar gehad hebt. Als zij weder bij u komt, zend haar dan hierheen,quot;

Met vele buigingen en een kort kuchje, waarmede hij verschooning voor zijne vrijpostigheid verzoekt, neemt Snagsby afscheid, en gaat met • •en verlicht hart naar iiuis. Mijnheer Tulkinghorn gaat naar boven, en zegt bij zich zeiven: „Die vrouwen zijn geschapen om last te geven, de geheele wereld over. Alsof de meesteres niet genoeg was, komt daar nu nog de Kamenier! Maar met d e z e slet zal ik het ton minste kort maken.quot;

Dit zeggende, sluit hij zijne deur open, stapt op den tast door de donkere\' kamers, steekt zijne kaarsen aan en ziet om zich heen Het is te donker om veel van de Allegorie te zien; maar de dreigende Romein, die altijd uit de wolken tuimelt en naar benoden wijst, is vrij duidelijk nog daarmede aan den gang. Zonder hem met veel aandacht te verwaardigen, haalt mijnheer Tulkinghorn een sleuteltje uit den zak, ontsluit eene lade, waarin een grooter sleutel ligt, die een koffer ontsluit, waarin hij nog een sleutel vindt, en komt zoo aan den keldersleutel, waarmede hij naar de wijngewesten wil afdalen. Hij gaat met eene kaars in de hand naar de deur, toen er juist aangeklopt wordt.

„Wie is dat? Zoo, zoo, mejutfrouw. zijt gij het? Gij komt juist bijtijds. Ik heb daar net van u gehoord. Kom ! Wat moet gij hebben r

Hij zet de kaars op den schoorsteenmantel in de kamer van zijn klerk en tikt met den sleutel tegen zijne uitgedroogde wang. terwijl hij Mademoiselle Hortense met dezen welkomst groet ontvangt. Die katachtige dame, die hare lippen dicht heeft toegeknepen en hem zijdelings aankijkt, sluit zachtjes di deur eer zij antwoord geeft.

„Ik heb veel moeite gehad om u te vinden, mijnheer.quot; „Hebt gij\'.\'quot; ..ik ben hier heel dikwijls geweest, mijnheer. Altijd heeft men tegen mij gezegd: „hij is niet thuis; hij heeft iemand bij zieh; hij is dit en dat; hij kan u niet spreken.\'quot; „Dat was dan dè waarheid.quot;

„Niet de waarheid. Logens!quot;

Somtyds heeft Mademoiselle Ifortense iet--srbielijks ia hare manier van spreken, hetwelk zoo op een tijgerachtigen sprong naar het voorwerp van haar ongenoegen gelijkt, dat dit voorwerp onwillekeurig terugdeinst. Dit is nu het geval van inijnhei r Tulkinghorn, hoewel Ma demoiselle Hortense, met half geslotene oogen (maar toch altijd zijdelings uitkijkende -li lit -verachtelijk glimlacht en haar hoofd schudt.

„Kom aan, mejuffrouw,* zegt de solliciteur ongeduldig met den sleutel op den schoorsteen-


-ocr page 308-

HET VKliLATKN HUIS.

292

mantel tikkende, „als lmJ iets te zeggen hebt, zeg het dan, zeg het dan.quot; — „Mijnheer, gij heb mij slecht behandeld. Gij hebt u gemeen gedragen.quot;

.Oemi en gedragen?quot; herhaalt de sollieiteur en wrijft zijn neus niet den sleutel. „Ja Dat is het wat ik u t\'. zeggen heb. Dat weet gij zelf wel. (Hj hebt mij geattrapeerd m\\i gedupeerd — om u informatiën te geven gij hebt mij gevraagd om u dat kleedje van mij te laten zien dat mylady op dien avond moest gedragen hebben; u\'i; hebt mij hier laten kom» n om mij aan dien iongen te laten zien. Zeg, is dat niet zoo\'.quot; Mademoiselle Hortens- doet nog . hi tijgerach-tigen sprong. - .f\'ij zijt eene duivelin!quot; schijnt mijnheer Tulkinghorn te denken, terwijl hij haar wantrouwig aanziet. Daarop antwoordt hij: .Welnu, vrouwmeiisch. Ik heb ü betaald.quot; — ,( iij mij betaaldroept zii met t-\'n nige min-ichting u .Twct souvereinen. Ik heb ?,• niet gewiss- ld ; ik weig\'-r ze. ik veracht ze. ik -mijt ze weg.\' Dit doet zij letterlijk. Terwijl zij nog .spreekt, haait zn ze uit hare borst en werpt m-: zulk een geweld up den vloer, dat zij weder opspringen, eer zij iedf-r naar den hoek rulU-ii, waar zij na --ene poos rondgetold te hehl ■ n, I lijven \'igg» n. ,GU hlt; bt mij betaald!\' /,- gt Mademei-i He Hort- ns-. har- groote oogen weder m dr iitkniiiquot; nde ..|l mijn Hod: ^el /••ker

M, nii- - r Tulkinghorn krabt zijn hootVi met den sle;;ti 1. t«-rv i,;i z,i /.i- i1 v. rmaakt met scham-p- r te lach- n.

(Jij me-1 wel rijk wezgt; n. mijn- schoone vrien-quot;

geld zoo weg te gooien.quot; — ,Ik ben rijk,quot; ant-Ik b-ii li.\'k in haat. Ik haat my-n hart Dat wgt; et g: wel.\' - / u ik da: w- ten?quot; ,Oi;. iat tri.. •! k\'eW\'ten heb;, eer mij

woordt zij. ladv m- t al .Weten? H\' -\'ij het hi

■1 zij

har- tanden op ik wist dat wel en bekijkt den zokcfil van n haar.quot;

over zegd-«ij,

gen,

phvatst een-1 goed of dat niet

inf\'-rmatien kwaamt vragen. Omdat gij h- el g ■ d gew- •• n Iv bt. dat ik r-r-razend was!quot; H- - hi nt ma-!- in--:- W- • nmoglt; t- zijn de 1 ï(j wn\'ii\'d gen-g t- \'aten ratelen, w-1 zi: hare krachtige uitspraak nog te hulp ;gt;nit d.«.r har- handen dieiit te knijpen en -ikander te klemrn- n. — ..Zoo. ?quot; z-gt mijnheer Tulkinghorn, lard van zijn sleutel. — ,.Ia, ..... Ik ben niet Mind. Hij hebt u zeker : geacht, urndat gij dat wist. Ik verfoei Mad om \';sei!e Horü-nse slaat hare armen elk.mdf r gt;••. w. rpt liom dit laat-te glt;-over \' en ban i s houder- toe, ,Hebt nu gij dit g-z.egd hebt. tw-tf ■ • er quot;■ zeg-madernois-Ib1 .Ik i-en nog niet ge-

Bezorg mi - - nlt; plaats. Maak dat ik onditi\' kri.:g. Als gij dat niet kunt, wilt, gebruik mij dan om luiaf te

rvolgen, haar \'• ont\'-eren, baar tot schande breng- n. Ik zal u goed helpen en met, gee-•n wil. Dat - imm-rs uw quot;quot;gmerk. Weet ik

jm

het niet ?quot; „Gij schijnt vrij veel te weten,quot; zegt mijnheer Tulkinghorn hierop. „Doe ik niet? Denkt gij, dat ik zoo onnoozel ben om j te gelooven. dat ik hier gekomen ben, zoo ge- | kleed, om met dien jongen te spreken, alleen om eene weddenschap uit te maken? O mijn God! Wel zeker!quot; Bij dit antwoord, tot aan het woord .makenquot; is mademoiselle spottend beleefd en vriendelijk geweest; en toen is zij eensklaps tot den bittersten toon van hoon en smaad overgegaan, terwijl hare zwarte oogen op hetzelfde oogenblik bijna gesloten waren en wijd openstonden. .Laten wij nu eens zien,quot; zegt mijnheer Tulkinghorn, met den sleutel te-gen zijne kin tikkende en haar met onverstoor bare kalmte aanziende, „hoe de zaak staat.quot; -..Ja. laten wij zien,quot; antwoordt mademoiselle, verscheidene malen snel en toornig met haar hoofd knikkende. — „Gij komt hier met het buitengemeen bescheiden verzoek, dat gij zoo even gedaan hebt. en als dat niet wordt toegestaaji, zult gij misschien nog eens komen? -■ „lm nog eens,quot; zegt mademoiselle, nog harder knikkende. „en nog eens, en nug eens. en nog dikwijls — kortom, zonder einde.quot; — ,Kn niet alleen hier komt n. maar gij zult misschien ook naar Snagsby gaan, en als dat bezoek ook niet baat. nog een? bij hem terugkomen? «üm nog eens.quot; herhaalt mademoiselle, wier knikken nu stuipachtig wordt, „en nog eens, en nog eens, en nog heel dikwijls kortom, zonder lt; inde.quot; ..Heel goed. Laat ik u nu mogen ; aanraden. Mademoiselle Hortense, om de kaars te nemen en dat geld van u op te rapen, ik denk, dat gij het daar achter bet schut in den hoek zult vinden.quot;

Zij werpt hem slechts over haar schouder een lach toe-, t n blijft met over elkander geslagene armen staan.

,\'iii wilt dus niet?\' „Neen. ik wil niét.

„Zoo, dan zijt Lrij zooveel te armer, en ik zooveel te rijker. Zii nu lt; ens. mejuffrejuw. dit is de -leutel van mijn wijnkelder. Het is een groot•• sleutel, maar de sleutels van gevangenissen zijn nog grooter. In deze stad zijn huizen van correctie iwaar men tredmolens voor vrouwen In\'ft), die heel sterke en zware deuren hebben, en ook zonder twijfel groote en sterke sleutels. Ik vrees, dat eene dame van uwe levendigheid het ( enigszins onaangenaam zou vinden, als een van die sleutels voor zekeren Hid achter haar werd omgedraaid. Wat denkt gij?quot; — „Ik denk.quot; antwoordde mad-rnoiselle. zonder eenige beweging te maken on met eenlt; heldere, vriendelijke stem, .dat gij een ellendeling zijt.quot; „Wel waarseliijnliik :quot; zegt mijnheer Tulkinghorn, bedaard zijn neus snuitende. .Maar ik vraag u niet wal gij van mij zeiven denkt, maar wat gij van d- gevan-genis denkt.quot; .Niets, Wat gaat dat mij aan ?quot; — „Het gaat. n zooveel aan, mejuffrouw, ant


v

-ocr page 309-

IMTTAIM\'IXii VAX DK /11 Dl-;

woordt de solliciteür, langzaam zijn zakdoek in zijn zak stekende, en zijn Jabot gladstrijkende: „de wet is hier zoo despotisch, dat zij inaatre gelen neemt om te verhinderen, dat iemand van onze goede Bngelsche burgers tegen zijn : verlangen door bezoeken, zelfs van eene dame, wordt lastig gevallen. En op zijne klacht, dat hij zoo lastig gevallen wordt, neemt zij do lastige dame en sluit haar in eene gevangenis met dwangarbeid op. Draait den sleutel achter haar om, mejuffrouw.\'\' Hij boldert zijne woorden op door hot genoemde bedrijf met den keldersleutel na te bootsen. „Is hel waar?quot; antwoordt mademoiselle, met dezelfde vriendelijke stem. „Dat is comisch Maar toch wat. gaat mij dat aan?\' „Mijne schoone vriendin,\' antwoordt mijnheer Tulkinghorn, „kom nog eens hier of bij mijnheer Hnagsbj een bezoek brengen, en gij zult het leeren.quot; - „In dit geval zult ge m ij misschien naar de gevangenis zenden?quot; „Misschien.quot;

Liet zou eene tegenstrijdigheid zijn, dat iemand, die juist zoo schertsend vriendelijk spreekt als mademoiselle, het schuim voer den mond kwam, anders zou men uit zekere tijgerachtige trekking harcr mondhoeken kunnen opmaken. dat het op het punt wasem zich te vertoonen.

„Kortom mejuffrouw,\' zegt mijnheer Tulkinghorn, „het zou mij spijten önbeléefd te zijn, maar als gij ooit weder ongevraagd liier of daar komt, zal ik u aan een politiedienaar overgeven. Hunne galanterie is groot, maar zij dragen weerspannige lieden toch op eene schandelijke manier langs de straten: op eene plank gebonden, meisjelief.quot; „Ik zal u op de proef stellen,quot; fluistert mademoiselle. „Ik zal zion of gij dat doen dnrfiquot; „En als ik u eens,quot; vervolgt ile solliciteür, zonder naar haar te luis-i teren, „in eene goede gevangenis-conditie breng, /.al het eenigen tijd duren eer gij er weder uitkomt.quot; — „ik zal u op de proef stellen,quot; herhaalt mademoiselle wederom fluisterend, , En nu,quot; vervolgt de solliciteür, zonder nog naar tiaar te luisteren, „moest gij liever maar heengaan. Denkt er tweemaal over, eer gij weder hier komt.quot; „Denkt Rij,quot; antwoordt zij, ,er tweehonderdmaal over.quot; „Gij zijt door uwe mevrouw weggezonden, dat weet Rij wel,quot; zegt mijnheer Tulkinghorn, tot aan de trap met haar mf-degaande, „omdat gij zoo kwaadaardig en onhandelbaar zijl. Begin nu op eene geheel andere manier, en laat u waarschuwen door wat ik u zet,\' Wat ik zeg, rneen ik: en wat Uc-dreig, zal ik doen, mejuffrouw.quot;

/.ij gaat naar beneden zonder antwoord te geven of achter zich oir te zien. Nadat zij de trap af is gaat hij ook naar beneden ; en mr t zijne met. spinrag bedekte flcsch terugkonumde. gaat bij die op zi jn gemak en zeer genoeglijk zitten uitdrinken; en werpt, nu en dan. terwijl hij zijn hoofd achterover tegen zijn stoel laat leu-

DEk VREEMDE JCmfH\'W. o\'.W

nen, een blik naar den hardnekkigen Romein, die van de zoldering naar beneden wijst.

X1JIL

ESTIIEU\'S V K BH AA L.

liet is nu onverschillig hoe dikwijls ik aan mijne levende moeder darht die mij gezegd had, dat ik haar altijd voor dood moest achten. Ik durfde haar niet naderen ofaan haar schrijven, want met mijn angst voor het gevaar, waarin zij haar leven sleet, kon niets gelijkstaan dan mijne vrees om dat gevaar te vergrooten. Wetende, dat mijn enkel bestaan als levend wezen een overwacht struikelblok op haar weg was, kon ik niet altijd dien afschrik voor mij zelve overwinnen, die mij bad aangetast toen ik het geheim voor het eerst vernam. Nooit durfde ik haar naam uitspreken. Het was mij alsof ik niet ei-ns hooren mocht, dat zij genoemd werd. Als het gesprek ergens in mijn bijzijn die richting nam, gelijk natuurlijk somtijds gebeurde, deed ik mijn best om niet te hooren telde bij mij zelve, zeide iets op, dat ik van buiten kende, of ging de kamer uit. Ik begrijp nu wel, dat ik dit dikwijls moet gedaan hebben, wanneer er geen het minste gevaar bestond, dat ervan haar zou gesproken worden; maai\'ik deed het uit angst om iels te hooren, hetwelk aanleiding kon geven, dat zij verraden, en wel door mij verraden werd.

Het is nu onverschillig, hoe dikwijls ik mij den klank harer stem herinnerde, mij verwonderde of ik die ooit weder zou hooren gelijk ik zoo verlangde, en dacht, hoe vreemd en treurig het was, dat die stem zoo nieuw voor mij was. Het is nu onverschillig, dat ik gedurig oplette of de naam mijner moeder in het openbaar werd genoemd; dat ik dikwijls de deur van haar huis in de st.ad voorbijging, verlangend en toch bevreesd om er naar om te zien: dat ik eens in de komedie was toen mijn moeder daar ook was en mij zag, en wij voor dat groote gezelschap van alle standen zoo ver van elkander zaten, dat alle betrekking en vertrouwelijkheid tusschen ons een droom scheen te zijn. Dat is alles, alles voorbij. Mijn Int js zoo gezegend geweest, dat ik weinig van mij zelve kan verhalen, of het is i-en verhaal van goedheid en edelmoedigheid in anderen. Ik mag dus dat weinige wel overslaan en voortgaan.

Toen wij weder gerust thuis waren, hadden Ada en ik vele gesprekken met mijn voogd, waarvan Richard bet onderwerp was. Het speet mijne lieve Ada zeer dat hij hun goeden neef in zijne gedachten zooveel onrecht aandeed; maar zij was Richard zoo trouw, dat zij hem zelfs daarom niet kon hooren misprijzen. Mijn voogd was hiervan overtuigd en noemde daarom ook zijn


-ocr page 310-

HEI\' VERLATEN Hl\'IS.

naam nooit met een enkel woord van verwijt. .Rick is op een dwaalweg, lieve,quot; zeide hij soms. , Welnu, hoe dikwijls zijn wij allen niet op een dwaalweg geweest. Wij moeten hopen, dat de tijd en gij hem terecht zult brengen.quot;

Wij vernamen naderhand, wat wij toen wel vermoedden, dat hij het niet op den tijd had laten aankomen, voordat hij zelf verscheidene malen beproefd had om Richard de oogen te openen.

Hij had hem geschreven, was naar hem toe gegaan, had met hem gesproken, had alle vriendelijke overreding.-kunsten beproefd, die zijne goedheid kon bedenken. Onze ongelukkige, aan het verderf gewijde Richard was doof en blind voor alles. Indien hij het verkeerd had, zou hij boete doen als het Kanselarij-proces beslist was. Indien hij in het donker rondtastte, kon hij niet beter dan zijn best doen om de wolken ti verdrijven, die zooveel bedekten en verduisterden. Achterdocht en misverstand waren immers de schuld van dat proces! Mén moest hem dus maar dat proces laten afwerken, en zoo wedt r tot zijn ver-tand komen. Dit was bestendig zijn antwoord. Dat proces had hem zoo geheel ingenomen ••n overmeesterd, dat men hem niets onder het oog kon brengen, of hij maakte het — met zekere verdraaide redeneer-t kunst, tot eene nieuwe drangreden om te doen wat hij deed. „Zoodat het waarlijk nog meer kwaad doet,quot; zeide mijn voogd mij eens, „den armen jongen tegen te spreken, dan hem maar te laten begaan.quot;

Ik nam eene van die gelegenheden waar om mijn twijfel te kennen te geven of mijnheer Ökim-poie wel een goed raadsman voor Richard was.

, Raadsman ?quot; antwoordde mijn voogd lachende. „Wel, melieve, wie zou zich door Skimpolö raad laten geven?quot; „Aanmoediger zou misschien een beter woord zijn geweest,quot; zeide ik. — „ Aanmoediger ?quot; antwoordde mijn voogd weder. , Wie zou zich door Skimpole laten aanmoedigen ?quot; ,Richard niet?quot; vroeg ik. ,N\' ■ n,quot; antwoordde iiij. ,Zulk een vlinderachtig wezen, dat niets van wereldsche zaken weet, nooit iets berekent, nooit over iets nadenkt, is eene verademing en uitspanning voor hem. Maar wat aanmoedigen, of raad geven, of op iemands of iets een ernstigen invloed uit te oefenen betreft, dat is van zulk een kind als Skimpole niet te denken.quot; ,Maar, neet John,quot; zeide Ada. die juist was binnengekomen en nu over mi jn schouder zag, „hoe komt hij zulk een kind?

„Hoe hij zulk een kind komt?quot; zeide mijn voogd, eenigszins verlegenziju hoofd wrijvende.

„Ja, neet\'John.quot; „Wel.quot; antwoordde hij langzaam, terwijl hij zijn hoofd al harder en harder wreef, „hij is geheel gevoel en eii . aandoenlijkheid en en verbeelding. En die eigenschappen werken bij hem niet regelmatig. Ik denk, dat de menschen, die hem daarom iti zijne jeugd bewonderden, te veel gewicht

daaraan gehecht hebben, en te weinig gedacht aan de noodzakelijkheid om ze; binnen perken te houden ; en zoo is hij geworden wat hij is. Niet waar?\' zeide mijn voogd, en zag ons aan alsof hij hoopte, dat wij hem gelijk zouden geven. ; „Wat denkt gij er van met u beiden?quot;

Ada zag mij aan en zeide, dat het jammer was, dat \'hij Richard op onkosten joeg.

„Dat is het ook, dat is het ook,quot; antwoordde mijn voogd haastig, „Dat moet zoo niet zijn. Wij moeten dat schikken. Ik moet dat voor-komen. Dat gaat niet aan.quot;

En ik zeide, dat het mij speet, dat hij Richard ooit voor een present van vijf pond bij mijnheer Vholes had gebracht.

„Heeft hy dat gedaan?quot; zeide mijn voogd, terwijl zijn gezicht voor quot;en oogenblik betrok. „Maar daar hebt gij den man. Daar hebt gij , den man. Zoo iets heeft bij hem niets baatzuchtigs. Hij heeft geen het minste denkbeeld van de waarde van het geld. Hij brengt Rick bij mijnheer Vholes; en dan is hij met dien heer goede vrienden geworden eti leent vijl pond van hem. Hij meent niets daarmee, en denkt er niets bij. Hij zal u dat zelf verteld hebben, zou ik haast gelooven ?quot; „O ja,quot; zeide ik. „Juist 1 riep mijn voogd nu zegevierend uit. „Daar hebt gil den man. Als hij er iets kwaads mede voorhad, of dacht, dat\'er kwaad in stak, zou hij het niet vertellen. Hij vertelt het gelijk hij het doet, in zijn onnoozeiheid. Maar gij moet hem in zijn eigen huis zien, en dan zult gij hem beter begrijpen. Wij moeten Harold Skimpole een bezoek gaan brengen, en hem voor die dingen waarschuwen. Och Heere, hij is een kind, een onnoozel, onmondig kind !\'

Dientengevolge gingen wij kort daarop naar Londen en zochten mijnheer Skimpole op.

Hij woonde op eene plek in S O m e r s T o w n, de Veelhoek genoemd, waar toen juist een aantal arme uitgewekene Spanjaarden, met mantelsom en papieren sigaartjes in den mond, rondwandelden. Of hy een beter huurder was dan iemand zou gedacht hebben,dewijl zijn vriend Iemand altijd eindelijk voor hem betaalde, of dat zijne ongeschiktheid voor geldzaken het ook bijzonder moeielijk maakte hem de deur uit te zetten, weet ik niet; maar hij had dit zelfde huis reeds eenige jaren bewoond. Het, was in een staat van verval, die volkomen aan onze verwachting beantwoordde. Eenige spijlen van het stoephek waren verdwenen; het watervat was aan stuk; de klopper hing los; de knop van de schel was, naar het roestige ijzerdraad te oordeelen, reeds lang geleden afgetrokken; en vuile voetstappt n op de stoep waren het eenige teeken, dat het huis bewoond was.

Eene logge, slordige meid, die door al de scheuren van hare japon en schoenen, gelijk eene overrijpe bes. scheen heen te barsten, beantwoordde ons aankloppen door de deur een


-ocr page 311-

MI.IN11EEK SKIM POLE TIUJLS

295

weinigje open te doen en de reet met hare breedte te stoppen. Daar zij mijnheer Jarndyce kende (Ada en ik dachten beiden, dat zij hem blijkbaar met het betalen van haar loon in verband bracht) werd zij echter terstond veel vriendelijker en liet ons binnenkomen. Daar het slot van de deur onbruikbaar was, verzekerde zij die met een ketting, insgelijks in geen besten staat, en vroeg ons naar boven te gaan.

Wij gingen naar de eerste verdieping, zonder nog eenig spoor van bewoning te zien dan de vuile voetstappen. Daar trad mijnheer Jarndyce zonder omstandigheden eene kamer binnen; wij volgden. Zij was donker genoeg en lang niet zindelijk, maar met eene wonderlijke soort van armoedige weelde gemeubileerd, met een voetbankje van bijzondere grootte, eene sofa, rijk met kussens voorzien, een gemakkelijk en leuningstoel, insgelijks met een aantal kussens, eene piano, boeken, teekengereedschap, muziek, nieuwsbladen en eenige teekeningen en schilderijen. Eene gebrokene ruit in een der morsige vensters was met een stuk papier door middel van ouweltjes dichtgeplakt; maar op de tafel stond een bordje met perziken uit de broeikas. een ander met druiven, een ander met gebakjes en eene tlesch roode wijn. Mijnheer Hkimpole zelf zat half liggende op do sofa, in eene kamerjapon, en dronk geurige kofïle uit een porseleinen kopje — het was nagenoeg twaalf uur — terwijl hij naar eene collectie muurbloemen op het balkon keek.

Hij werd door ons binnenkomen in het minst niet verlegen, maar stond op en ontving ons op z|jn gewonen luchtigen trant.

,Hier ben ik, ziet gequot; zeide hij, toen wij plaats hadden genomen, niet zonder eenige moeite, daar de meeste stoelen defect waren. „Hier ben ik! Dit is mijn sober ontbijt. Sommige menschen moeten voor hun ontbijt een stuk ossevleesch of een schapebout hebben; ik niet. Geef mij maar mijn perzikje. mijn kopje koffie en mijn glaasje wijn; en ik ben tevreden. Ik heb die dingen voor mij zeiven niet zoozeer noodig; maar zij doen mij aan de zon denken. Kr is niets zonnigs aan stukken ossevleesch en schapebouten. Niets anders dan de bevrediging van dierlijke behoeften.quot; — „Dit is de kamer waar onze vriend patii nten ontvangt (of zou ontvangen, als hij ooit patiënten had), zijne studeerkamer, zijn heiligdom,quot; zeide mijn voogd tot ons. — „Ja,quot; zeide mijnheer Skim-pole, met t en helderen blik rondziende, „dit is de vogelkooi. Hier leeft en zingt het vogeltje. Zij kortwieken hem nu en dan, plukken zijne v( oren uit; maar hij zi.igt toch nog!quot;

Hij reikte ons de druiven toe, en herhaalde vergenoegd: „Hij zingt toch nog! (leen verheven lied, maar hij zingt toch nog!quot;

..Dat zijn heerlijke druiven,quot; zeide mijn voogd. „Eenpresent?quot; — „Neen,quot; antwoorddehij. „Neen!

Een vriendelijke tuinman heeft ze te koop. Toen de man ze gisteravond bracht, wilde hij weten of hij op het geld zou wachten. „Waarlijk, mijn vriend,quot; zeide ik, „mij dunkt van neen als uw t|jd eenige waarde voor u heeft.quot; Dat moet wei zoo geweest zijn. want hij ging heen,quot;

Mijn voogd zag ons met een glimlach aan, als wilde hij ons vragen ; „Is het mogelijk met zulk een onnoozel kind over wereldsche zaken te spreken?quot;

„Dit is een dag,quot; zeide niijiiheer Skimpole, vroolijk een teugje wijn uit een bierglas nemende, „die hier altijd in gedachtenis zal blijven. Wij zullen hem den dag van Sint Glare en Sint Summerson noemen. Gij moet mijne dochters zien. Ik heb eene dochter met blauwe oogen, die is mijne schoone dochter; en dan heb ik eene sentimenteele dochter en eene comische dochter. Gij moet ze alle drie zien. Zij zullen er verrukt over zijn.quot;

Hij wilde ze gaan roepen, toen mijn voogd hem tegenhield en hem verzocht nog een oogen-blik te wachten, daar hij eerst een woordje met hem wenschte te spreken.

„Mijn beste Jarndyce,\' antwoordde hij schertsenden ging weder naar de sofa, „zooveel oogen-blikken als u maar belieft. Op den tijd ziet men hier niet. quot;Wij weten nooit hoe laat het is, en vragen nooit daarnaar. Dat is de manier niet om in de wereld vooruit te komen, zult go misschien zeggen? Nu ja! Maar wij komen ook niet vooruit. \\V|j leggen het daar niet op aan.quot;

Mijn voogd zag ons wederom aan, duidelijk zeggende; „Hoort gij hem wel?\'

„Neen, Harold,quot; begon hij, „wat ik te zeggen heb is iets, dat Richard betreft.\' - „De beste vriend, dien ik heb!quot; zeide mijnheer Skimpole hartelijk. „Ik zou haast denken, dat hij niet mijn beste vriend moest wezen, omdat hij met u niet wel is. Maar dat is hij toch, ik kan het niet helpen; hij is vol jeugdige poëzie, en ik ben zijn vriend. Als u dat niet bevalt, kan ik het niet helpen. Ik ben toch z|jn vriend.quot;

De gulle rondborstigheid, waarmede hij dit zeide, had allen sclnjn van oprechtheid en verblindde mijn voogd, zoo niet, voor het oogen-blik, ook Ada.

„Gij moogt zijn vriend wezen zooveel gij maar wilt,quot; antwoordde mijn voogd; „maar wij moeten zijne beurs ontzien, Harold.quot; „O!quot; zeide mijnheer Skimpole. „Zijne beurs? Nu komt gij aan iets, dat ik niet begrijp.quot; Nog wat wijn inschenkende en een gebakje daarin doopende, schudde hij zijn hoofd en zag Ada en mij glimlachend aan, als wilde hij ons zijn voorgevoel mededeelen, dat men hem dit nooit zou doen begrijpen. „Als gij hier en daar met hem heen gaat,quot; zeide mijn voogd ronduit, „moet gij hem niet voor u beiden laten betalen.quot; — „Mijn beste Jarndyce,quot; antwoordde mijnheer


-ocr page 312-

HET VEK 1.ATEN HUIS.

ökimpole, terwijl In t comischt\' van dit denkbeeld een glans over zijn genoeglijk gezicht verspreidd\'\'. ,wat zal ik dan doen\'? Als hij mij ergens heen brengt, moet ik toch gaan. En hoe kan ik betalen? Ik heb nooit geld. En al had ik geld, ik weet er toch niet van. Denk eens, dai ik t\'Wn iemand ,hoeveel?\'

Denk dan eens, dat de man zegt: .zeven schellingen \' ii /,«•gt; stuivers,quot; Ik w. rt niets van zeven schellingen en zes stuivers. Ik kan den man niet lastig vallen, met verder over de zaak te spreken. Ik zal iemand, die het druk heeft, niet vrag\'-n wat zeven schellintren en zes stuivers In het Arabisch Is dat ik niet versta. Waarom zuu ik le m dan vragen wat zeven schelling- n en zes stuivers in geld is waarvan ik i-.ik g\'-en b» trrip lu.-b?* .N\\ ••1,\'\' zeide mijn voogd, geenszins misnoegd over dit argelooze antwuord, .als gij met Rick op reis gaat moet gij geld van mij leenen (maar zonder ooit daarvan te spreken) en de berekening v .or hein verlate;;.* „Miaibev. Jarndyci-.* ■intW\'-cdd- r .inh\'- r Hkimpole, ,ik wil alh-doen om u gK-no.-Ken te geven : maar dat komt Biii toch voor, niets anders dan »ene IJdele fermaliteir, eijngt;- bijifeloovitrheid te wezen. Boyendien, ik f u mijn woord, juffrouw Clare en mi:ae li\'-ve jntfrouw s,ummerson, ik verbeeldde mij, dat mijnhf-r (\'arstone schatrijk was. Ik dacht, dat hij maar een briefj- behoefde te T\' •■kenen of ?.•»gt; ii-ts, om zooveel geld ti kr.\'-\'-.Ti ils bi; wilde,* .Het is w;iaijt|k niet Z\'io, mijnheer,^ zeide Ada. -Hij i» arm.quot;

.Ind\'-rdaa i\'.-quot; hervatte miinheer Skimpole ne t zijn held\'-n-n iriitnl ie.h, ,(iij doet mij vi-r-■i.Lisii ■.•aan.* „En \'ia irorn niet te rijker, \'iiri\'iat hii quot;P eeiie ij Iele hoop vertrouwt,quot; zeide mijn V\'i.,gd, zijne hand mer nadruk op de mouw van mijnli-\'i sikimpole\'s kameiiapon leggende. .Draag \\v-1 zorg, dat gij hem niet in dat vertrouw, n aanmoedigt, Harold quot; .Mijn lieve vriend,quot; antwoordde mijnheer skim-p., .mijne lieve juffrouw i lar»-. en inline iiev.- jntl\'rouw siimmerson, hoe kan ik dat doen? Daartoe zou ik iets van de zaken moeten weten: en ik wgt; • t niets van zakeij. Hij is het, die mii aanmoedigt. Hij bemoeit zich met groote zaken, wijst mij de sehoonste vooruitzichten. waarop zr eindelijk moeten uitloopen, en verlangt, dat ik bewonderen zal. En ik bewonder ze enk als selioom vooruitzicht n,

H.iai e ■ ■ ■ v -et ■ 1 ; /■ J

ik hem ook.quot;

De ve rt i\'1 ai wel ijk e opr- htheid, wm irmedo hij ons dit v lorhield, de luchthartigheid, waarmgt; de hij over zijne eigi iie onnoo/.elheid lachte, de zonderlinge manier, waarmede\' hij zich in zijne ejg.-ne bescherming nam. en over die wonderlijk\' personage redeneerde, ,.n do schertsende toon, waarop hij sprak alles liep te zamen om ti bewijzen, dat mijn voogd hem wel beoordeeld had. Hoe meer ik hom zag, des te onwaarschijnlijker kwam het mij, in zijn bijzijn, voor, dat hij geheime oogmerken kon hebben, iets verbergen of op iemand invloed uitoefenen; en des te meer waarschijnlijk vond ik dit toch weder in zijne afwezigheid, en des te minder aangenaam was mij de gedachte, dat hij gemeenzaam met iemand verkeerde, wiens welzijn mij ter harte ging.

Vernemende, dat zijn verhoor (geiyk hij het noemde) nu was afgeloopen, ging mijnheer skimpole. met een van genoegen blinkend gezicht, de kamer uit om zijne dochters te halen zijne zonen waren van tijd tot tijd weggeloo-pen), terwijl mijn voogd opgetogen was, dat hij zijn karakter van onnoozelheid zoo wel had gehandhaafd. Weldra kwam hij terug en bracht zijne drii\' dochters mede, benevens mevrouw skimpole. die eens eene vermaarde schoonheid was geweest, maar thans eene tengere, ziekelijke dame was. die aan eene menigte van kwalen leed en een buitengemeen grooten en scherpen neus had,

.Dit,* zeide mijnheer Skimpole, .is mijne schoone dochter, Arethusa — die zoo wat zingt • li speelt, evenals haar vader. Dit is mijm-sen-tirm nteele dochter, Laura. die een beetje speelt, maar niet zingt. Dit is mijne comische dochter, Kitty — die een beetje zingt, maar niet speelt. Wij teekenen allen een beetje, coin-poneeren een beetje, en niemand van ons allen heeft eenlg denkbeeld van tijd of geld,quot;

Mevrouw skimpole zuchtte, naar mij dacht, alsof zij deze begaafdheid der familie gaarne had willen missen. Mij dacht ook. dat zij moeite deed om haar zucht door mijn voogd te doen hooien, en dat zij elke gelegenheid waarnam om nog eens te zuchten.

,Het is wel aardig,quot; zeide mijnheer Skimpole. en liet zijne vroolijke oogen van de een naar de ander dwalen, .het heeft iets comisch en interessants tegelijk, als men opmerkt hoe familietrekken bewaard blijven. In deze familie zijn wij allen kinderen, en ik ben het jongste.\'

De dochters, die veel van hem schenen te houden, lachten over deze koddige omstandigheid, vooral de comische dochter.

.Dat is waar. liefjes.quot; zeide mijnheer Skimpole, „is het niét? Zoo is het, en het moet we] zoo zijn, omdat het zoo in onzen aard Hat, gelijk het versie van de honden zegt. Daar is nu juffrouw Summerson met haar buitengewonen aanleg tot administratie en hare verbazende kennis van allerlei kleinigheden. Het zal julfrouw Summerson heel vreemd in de ooren klinken, durf ik wel zeggen, dat wij hier in huis niets van karbonaden weten. Maar dat doen wij toch niet, niet het minste. Wij kunnen niets hoegenaamd koken of braden, Eene naald ■ n draad weten wij niet te gebruiken. Wij bewonderen de menschen, die de prac-


-ocr page 313-

UK KA NIH,IK VAN DEN IIKKU Sk\'IMl\'OLE,

ticalc wijsheid bezitten, waaraan het ons ontbreekt: maar wij zoeken geen ongenoegen met hen. Waarom zouden zij dan met ons ongenoegen zoeken? „Leven en laten leven,quot; zeggen wij tegen hen. „Leeft gij van uwe practicale wijshHd en laat ons van u leven!quot;\'

Hij lachte, maar gelijk gewoonlijk, scheen hij volkomen oprecht te zijn en werkelijk te inecnen wat hij zeide.

.Wij hebben sympathie, mijne roosjes,quot; zeide mijnheer Skitnpole, „sympathie voor alles, niet waar?\'\' ,0 ja, papa!quot; riepen de drie doch-vroolijk. Keus bracht zij haar jongen man mede naar huis. on zij en hare nog ongevederde vogeltjes hebben bun nestje boven. Ik geloof wel, dat mijne sentimenteele dochter en mijne comische dochter eens ook een man thuis zullen brengen en een nestje boven krijgen. Zoo leven wij maar voort; wij weten niet hoe. maar het gaat toch.\'

Zij zag er nog zeer jong uit om moeder van drie kinderen te zijn, on ik kon het niet laten zoowel haar als die drie kinderen te beklagen. Het was duidelijk te zien, dat, die drie doch-


ters. „hat is eigenlijk de bestemming van onze familie in deze woelig\'1 wereld,quot; zeide mijnheer Skimpole. ,Wij zijn tot inets anders iu staat dan 0|n toe te zien en ons voor alles te interesseeren, en dat doen wij ook. Wat kunnen wij meer doen ? Daar is mijne schoone dochter nu drie jaren getrouwd. Ik wil wel ge-1 ooven. dat haar met eer ander kind te laten trouwen ën nog drie kinderen te laten krijgen, uit het oogpunt van staathuishoudkunde, beschouwd, zeer verkeerd was; maar het was toch heel plelzierig. Wij hadden bij die gelegenheden onze kleine feesten en maakten ons gezellitr ters 7,00 maar waren opgeroeid, en maar juist zooveel onderlicht hadden gekregen als noodig was. om haar vader in zijne ledigste uren tot speeltuig te kunnen dienen. Ik zag, dat zijn

smaak voor het schilderachtige in acht geuo was in de manier, waarop zij het haar droegen; dat van de schooue dochter was in een clagt;siekeu stijl opgeinaakt, dat, van de sentimenteele dochter hing in weelderig golvende lokken, de comische dochter droeg het niet zekere schalkschheid, liet voel van haar y rooi ijk voorhoofd zien on had bosjes dartele krulletjes ter zijde van lt;le oogeti. Zij waren in e. n over-

Ullell


-ocr page 314-

HET VKKl.ATF.N lll ls.

cenkonistigen trant gekierd, hoewel /.•••■r morsig en slordig.

Ada en ik spraken met deze jonge dames m vonden, dat zij verwonderlijk naar haar vader geleken. Intusschen sprak mijnheer Jarndyre (die dikwijls zijn hoofd had gewreven en op «.•ene verandering van wind gezinspeeld) in een hoekje met mevrouw bkimpolr-. en hoewel wij deze twee niet beluisterden, moesten wij toch wel hooien, dat er geld klonk. Mijnheer Skim-pole had zich te voren gulhartig aangeboden om met ons naar huls te gaan en zich verwijderd om zich daartoe te kleeden.

..Mijne roosjes,quot; zeide hij, toen hij terugkwam, „past goed op uwe mama. Zij is zwakjes vandaag. Als ik voor een paar dagen met mijnheer Jarndyce medega, zal ik den leeuwerik hooren zingen en mijn goed Irtnneur bewaren. Het heeft geleden, zooals ge weet, en zou alweder lijden als ik thuis bleef.quot; - „Die slechte man!quot; zeide d\'- comische dochter. ,Juist op een tijd toen hij wist, dat papa bij zijne muurbloemen was gaan liggen lt;11 naar de blauwe lucht keek\'.quot; klaagdi. Laura. ,Kn toen er zulk n n hooireuk in de lucht was!\' zeide Arethusa. ..Het bewees een gebrek aan poëtisch gevoel bij dien man,quot; zeide mijnheel\' Skimpole toestemmend, maar zeer opgeruimd. .Het was lomp. Het toonde een gemis der fynere trekken van mensclielijkheid. Mijne dochters,quot; verklaarde hij ons, .hebben zich zeer boos gemaakt over een braven man...quot; „Niet braaf, papa. Onmogelijk!quot; brachten alle drie hiertegen in. .Ben ruwen kerel dan - een soort van opgerold menschelijk stekelvarken,\' hervatte mijnheer «kimpole, „een bakker hii-r uit de buurt, van wien wij een paar leuningstoelen hadden geleend. Wij hadden een paar leuningstoelen noodig en hadden ze niet, en daarom zochten wij natuurlijk naar iemand, die zi- wel had. en leenden ze. Toen ze versleten waren wilde hij ze terug hebben. Hij kreeg ze terug. Nu was hij tevreden, zult gij zeggen. ( ieheel niet. Hij had er tegen, dat zij versleten waren. Ik redeneerde met hem en bracht hem /.ijri\' dw.ui-li\'1 onder het hok. Ik zeide: „Kunt pij, zoo oud als gij zijt, nog zoo onredelijk wezen, mijn vriend, om te willen beweren dat een leuningstoel e- ti ding is om op elt;-ne kast tgt;-zetten en naar kijken? Dat het een voorwerp is em uit dlt; vette te beschouwen, om als oogpunt naar t\' turen? Wee! gij niet, dat wij dit leuningstoelen geleend hebben om

er op te zitten ?\' Hi.j bh ef onredelijk, was niet

te overtuigen en gebruikt» zeer onvoegzame bewoordingen. Ik bk-ef /.00 geduldig als ik op dit, oogenblik ben, en sprak hem nog ris aan. .Mijn goede man.quot; zeide ik, .hoezeer onze aanleg om werelds» he /aken te behandelen ook verschillen mag. wij zijn allen kinderen van «■ene groote moeder de natuur. Op dezen

heerlijken zomerochtend ziet gij mij hier (.ik : lag op de sofa gt; met bloemen voor mij, fruit O] de tafel, den onbewolkten hemel boven mij. de lucht vol welriekende geuren, mij verlust!- : gend in do beschouwing der natuur. Ik bid u. j bij ons wederkeerig broederschap, belemmer mij het uitzicht op dat verhevene schouwspel niet, door mij de belachelijke gedaante van een boo- 1 zen bakker voor de oogen te plaatsen. Maar dat deed hij toch,quot; zeide mijnheer Skimpole, met schertsi mie verbazing zijne lachenide wenk brauwen optrekkende. „Hij plaatste mj die belachelijke gedaante voor de oogen, en dat zal ! hij zeker weer komen doen, en daarom ben ik blij, dat ik hem uit den weg en met mijn vriend Jarndyce naar huis kan gaan.quot;

Het scheen zijne aandacht te ontsnappen, dat mevrouw Skimpole en de dochters achterbleven om den bakker af te wachten; maar dit was voor allen iets zoo gewoons, dat het vanzelf scheen te spreken. Hij nam van zijne familie afscheid met eone teederheid even aardig en kinderlijk als alles wat hij anders deed. en reed zeer blijmoedig met ons heen. Terwijl wij naar beneden gingen, hadden wij door eenige openstaande deuren gelegenheid om te zien, dat zijne kamer, bij het overige van het huis vergeleken, een paleis was.

Ik had niet kunnen vermoeden, dat mij dien zelfden dag nog iets verwachtte, hetwelk mij op dat oogenblik zeer deed schrikken en mij door hetgeen er op volgde altijd gedenkwaardig moet blijven. Onderweg naar huis was onze gast zoo vroolijk en spraakzaam, dat ik niets anders kon doen dan naar hem luisteren en mij verwonderen; en ik was in dit opzicht niet de eenige, want ook Ada zwichtte voor dien betooverenden invloed. Wat mijn voogd aangaat, de wind, die, toen wij Som ers Town verlieten, zich in het oosten dreigde vast te zetten, liep geheel om, eer wij een paar mijlen daar vandaan waren.

Hoe het met de echtheid van het kinderlijke van mijnheer Skimpole in andere opzichten mocht gelegen zijn, in afwisseling en fraai we der verheugd» hij zich werkelijk met het genot van een kind. Geenszins afgemat door zijne drukte onderweg, was hij viV»r iemand anders I in dc zijkamer; en terwijl ik nog naar mijn huishouden zag, hoorde ik hem bij de piano Itahaansche barcarolles en Duitsch»:; drinküed-,i»s zingen, bij dozyiun achtereen.

Toen wij kort voor den maaltijd allen by elkander waren, en hij nog voor de piano zat, en op zijn»\' weelderig achtelooz»; manier de aardigste muziekstukjes uit zijn geheugen opzocht, en tussi-henbeid»- van teekeningen praatte, »iiehij een paai jaren geled\'/n bij ons begonnen had en nu wilde afmaken, werd er een kaartje gebracht, dat mijn voogd, op e.-n toon vol verwondering. ons hardop voorlas.


-ocr page 315-

SIK LEICESTKK DEDI.OCK BETUIGT ZI.IN l,EEDWEZEN. -quot;.Hf

,Sir Leicester Dedlock!\'

De bezoeker was reeds in de kamer, toen deze nog met mij in het rond draaide en eer ik het vermogen had om mij te bewegen. Als ik dat gehad had, zou ik haastig de wijk hebben genomen. Ik had door mijne duizeligheid zelfs geene tegenwoordigheid van geest genoeg om naar Ada te gaan, die bij het venster stond ; ik zag dat venster niet eens en wist niet waar het was. Ik hoorde mijn naam, en begreep, dat mijn voogd mij presenteerde, eer ik nog naar een stoel kon gaan.

„Wees zoo goed om plaats te nemen, sir Leicester.\' — ,Mijnheer Jarndyce.quot; zeide Sir Leicester, terwijl hij boog en zich neerzette, „ik neem de vrijheid en heb de eer van eens bij u aan te komen...quot; „De eer is aan mij. .■sir .Leicester.quot; „Wel verplicht - nu ik juist naar Lincolnshire op reis ben, om u mijn leedwezen te betuigen, dat eenige reden van klagen, hoe gewichtig ook, welke ik tegen een heer mag hebben, die die met u bekend en uw gastheer geweest is, en van wien ik dus verder niets wil zeggen, u en nog meer de dames onder uw geleide verhinderen zou het weinige te zien. dat op mijn buitengoed Kastanje-Hof een beschaafden smaak kan stree-len.quot; — „Gij zijt buitengemeen beleefd, Sir Leicester, en uit naam van die dames, dit; gij hier aanwezig ziet, zoowel als voor mij zei ven, betuig ik u mijn dank.quot; -- „Het is mogelijk, mijnheer Jarndyce, dat de heer van wien ik om reeds gemelde redenen verder niets wil zeggen het is mogelijk, mijnheer Jarndyce, dat die heer mij de eer kan bewezen hebben van zich zoozeer in mijn karakter te vergissen, om u te doen gelooven, dat gij op mijn buiten in Lincolnshire niet met al die beleefdheid zoudt zijn ontvangen, welke de bedienden aldaar in last hebben aan alle heeren en dames, die zich aanmelden, te bewijzen. Ik verzoek alleen te mogen aanmerken, dat In t tegendeel het geval is.quot;

Uit kieschheid gaf mijn voogd slechts met eene buiging antwoord op dit gezegde.

„Het is mij leed geweest mijnheer Jarndyce.quot; vervolgde Sir Leicester met deftigeh nadruk „ik verzeker u, mijnheer, het is mij leed geweest, van de huishoudster op Kastanje-Hof te vernemen, dat een heer, die in dut gedeelte van hot graafschap in uw gezelschap was, en die een fijnen smaak voor de schoone kunsten schynt te bezitten, zich insgelijks door eene dergelijke reden heeft laten afschrikken van de familieschilderijen met zooveel ruimte van tijd, aandacht en zorgvuldigheid te bezichtigen, als hij misschien daaraan had gewenscht te besteden, en die sommigen daarvan misschien wel zouden beloond hebben,quot; Hier haalde hij een kaartje uit en las, zeer deftig hoewel met vrij veel moeite, door zijn leesglas: .Mijnheer

Hirrold Herald — Harold Skampling - skiun-pling neem mij niet kwalijk Skimpole,quot; „Dit is mijnheer Harold Skimpole,quot; zeide mijn voogd, zichtbaar verrast. - .Zoo!quot; riep Sir Leicester uit. „Het doet mij genoegen, mijnheer skimpole te ontmoeten en gelegenheid te hebben om hem persoonlijk mijn leedwezen te betuigen. Ik hoop, mijnheer, dat gij, als gij weder in mijne streek van het graafschap komt, u door geene dergelijke bedenkingen zult. laten weerhouden,quot; „Gij zijt zeer beleefd, 8Ir Leicester Dedlock. Zoo aangemoedigd, zal ik mij zeiven zeker het genoegen en voorrecht gunnen van uw heerlijk buitengoed nog eens te bezoeken, De eigenaren van zulke plaatsen als Kastanje-Hof,quot; zeide mijnheer Skimpole, met zijne gewone vroolijkheid en ongedwongenheid, „zijn weldoeners van het algemeen. Zij zijn zoo goed van een aantal verrukkelijke dingen tot genot en vermaak van ons, arme lieden, te onderhouden; en wij zouden onzen weldoeners ondankbaar zijn als wij niet al het. genot daarvan inoogstten, dat zij ons kunnen geven.quot;

Sir Leicester scheen dit gezegde ten hoogste goed te keuren.

„Een schilder, mijnheer?\' „Neen,quot; antwoordde mijnheer Skimpole. „Een man, die niets omhanden heeft. Een eenvoudig liefhebber.quot;

Sir Leicester scheen dit nog beter te vinden. Hij hoopte het geluk te hebben van op Kastanje-Hof te zijn, als mijnheer Skimpole eens weder naar Lincolnshire kwam. Mijnheer Skimpole betuigde zich zeer gestreeld en vereerd.

„Mijnheer Skimpole,quot; hervatte Sir Leicester, zich weder tot mijn voogd richtende, „heeft totde huishoudster gezegd, die, gelijk hij misschien zul hebben opgemerkt, eene oude getrouwe aanhoo-rige der familie is,,,quot; - „Namelijk toen ik het huis eens doorging, bij gelegenheid dat ik juffrouw Summerson en juffrouw (\'lare een bezoek kwam brengen,quot; voegde mijnheer skimpole er tot verklaring tusschen, - „Dat de vriend, met wien hij voorheen daar gelogeerd had, mijnheer Jarndyce wasquot; (Sir Leicester boog voor den drager van dien naam), „en zoo werd ik bekend met de omstandigheid, waarover ik mijn leedwezen heli betuigd. Dat dit met een fatsoenlijk man, wie dan ook, gebeurd was, maar vooral met iemand, die vroeger met Lady Dedlock bekend was, die ook op eene verwijderde familiebetrekking met haar aanspraak kan maken, en voor wien zij (gc lijk ik van invlady zelve gehoord heb) de hoogste achting kolt;. stert, ik verzeker u, dat doet mij leed,\'\' „Ik bid u, zeg er niet.-meer van, sir Leicester,\' antwoordde mijn voogd, „Ik ben zeer gevoelig, en dat zijn wij allen, voor uwe vriendelijke oplettendheid. De dwaling was aan mijn kant, en ik behoord, daarvoor verschooning te verzoeken.quot;

Ik had mijne oogen niet opgeslagen. Ik had


-ocr page 316-

MKT VHRLATEX Hl\'ls.

.\'iOO

den bezoeker niet gezien on het was alsof ik zelfs hot gesprok niet hoorde, llrt vorWondlt;.-rt rnii, dat ik het m\\1 nu kan herinnoren, want het si.\'heon, toon hot plaats had, volstrekt gi\'on indruk Oji mij te maken, ik hoorde hen wel spreken, maar mijn gorst was zoo verward, en mijn onwillekeurige schrik voor dien heet maakte mij in zijn bijzijn y.gt;gt;o angstig dat ik door het suizen in mijn hoofd en het kloppen van mijn hart niets meende te verstaan.

Ik deelde d- zaak aan Lady Dedlock mode. zeid- gt; r Leicester opstaande. ,en mylady onderrichte mij. dat zii het genoegen had gehad van oenigo woorden met mijnheer Jarndyee en zijne pupillen te wisselen, bij gelegenheid eener toevalliire ontmoeting geilurende hun verblijf m de nabijheid. Vergun mij. mijnheer Jarndyee, vu. .r u Z\'dven eii deze dames de verzekering r.- herhalen, de ik mijnheer Skimpole reeds heb aami\' boden. (jm-tandiglv den voorzek- v V\' r-hinderen run te zoge-.-ii, dat het mij oenig go-ii zou verschaffen, te hooren, dat mijn-hi-t H .ythorn mijn huis nvr zijne tegenwooi -dedieiii \'bad begunstigd; maar dezo omstandig-luMien bepalen\' zich tot dien heor zei ven en strt. k\'-n zi h nii t v-.-rder uit.\' .tfli weer van-,v;ds i; .. ik over hem duik.quot; zeide mijnheer skimpolf. zi h s- herts\'-nd tquot;t ons richtende. ,Eeu\' goedhartige stier, di maar elke kleur voor rood varkies; t\' houden.

Sir Leicester kuchte, alsof het hem onaan-naam w.is iets hoegenaamd over dien persoon n- hooren, - n nam mtt groote statigheid en ■ eieefdili id af.-oheid. ik ging /..tl. spoedig T1Vgt;-grl;!k n,i ir mijne kamer, en bleef daar tot ik \'\'quot;\'.iit!\' zelfigt;eh--rscliinsr geiineezaam had horkre-.\'.\'1 11. ze had mi; iiijrci g-he\'-l g-vn; maar i r,,,.n ik w. Ier l.eiv-i.-n kwam was ik bl\\jd -tquot; b.-vind. n, dat men mij slechts plaagde, omdat k vóór dien grooten baronet uit L in col n - hire 2, „•gt; schuw i-n stom was geweesr.

[k was het thans mot mij Z\'Jvi \'-ns. dat nii de tijd komen was om mijn voogd te Z- ggei) wa\'. ik wist. De mogelijkheid, flat ik mgt; t nujne moeder in aanraking komen of naar haar hm- gebracht z..u worden — zelfs dat tnraih\' •\' Skimpóle. in liquot;quot; \'•v\' aiig ix-tiekking hi; ik • ■ m: stond, beleefdheden van haai •. htgenoot zou ontvangen en verplichting aan dezen krijgen, ■ t- mgstte mij z ■•.•dania. dat ik wel gevoeld\' n; niet ianger zonder hulp te kunnen staande houden,

Toen wij elkander goedennacht hadden gezegd, en ik met Via vdgens gf-woonte in onze

kamer had gepraat, ging ik mijne deur weder uit, en zocht mijn voogd bij zijne- boeken op. Ik wist. dat hij dan altijl zat, te lezen, en toen ik naderde zag ik In t licht van zijne stu-di • rlainp in dlt; gang - iiijnen.

.Mag ik binnenkomen, voogd?\' tWel ze-k\';, h\') isrnoedortje \\Sat i- er a m (b hand.

Iri;

1;

„Er is niets aan de hand; maar ik wilde dezen tijd van stilte waarnemen om u iets over mij zelve te zeggen.\' ■ , ,

Hü zette een stoel voor mij, sloeg zijn hoek dicht, legde het ter zijde en zag mij met vriendelijke oplettendheid aan. Ik kon niet nalaten op quot;te merken, dat zijn gezicht die zonderlinge uitdrukking had, welke ik nog eens daarop had waargenomen, op dien avond toen hij zeide, dat hij geene moeielijkheden had. die ik gemakkelijk kon begrijpen

Wat u aangaat, lieve Esther, zeide hij, „u-aat ons allen\'aan. O ij kunt niet meer gereed ziai om te spreken, dan ik ben om te hooren. . Dat W- et ik wel, voogd. Maar ik heb uw raad en bijstand zoo noodig gij weet niet, hoe ik zo van avond noodig heb Iquot;

Hij scheen zulk een ernstigen toon met verwacht te hebben en zelfs eenigszins te schrikken.

O. hoe heb ik verlangd u te spreken.quot; zeide ik. -S\' derf vandaag dat bezoek hier ge woest isiquot;* „Dat bezoek, lieve! sir Leicester Ded-lock?quot; - „Ja.\' „ ....

Hij -loog zijne armen over elkandei. en nieef met een gezicht vol verbazing zitten wachten wat ik verder zou zeggen. Ik wist niet hoe ik hem zou voorbereiden op hetgeen ik te zeggen had.

Wel Esther.quot; zeide hij. ,de man. die ons vandaag bezocht heeft, en gij zijt wol de twee laatste personen op de wereld, die ik gedacht zou hebben in eenig verband te bréngen, „o : i. vequot;_d. dat weet ik wel. En ik ook, nog maar korten tijd geleden.quot;

I ie glimlach verdween van zijn gelaat, dat nu nog ernstiger werd dan tevoren. Hij ging naai di deur om te- zien of die gesloten was (maar ik had daarvoor gezorgd) en zotte zich weder

tegenóver mij. ,

Voogd.\'quot; zeide ik, ,heugt het u nog wel, dar Lady Dedlock. toen wij door die onweersbui ■.verden ov-rv illen, u van hare zu ster sprak / Wel zeker. Natuurlijk heugtmij dat nog wol. quot;.En ii herinnerde, dat zij ongenoegen met . Ikander hadden gekn gen. en van elkander v. r-wijderd waren gebleven ?quot; - ..fawol.\' -- .. aai_-om bleven zij zoo van elkaar vorwijdeid, voogd.

Zijn gezicht Veranderde, terwijl hij mi] aanzag, geheel en al. . , , , , „Maar kind. welke vragen zijn dat Dat heb ik nooit geweten. Niemand dan zij zelve heeft dat ooit geweten, geloof ik. Wie zon kunnen /.eggen. welke g-heimen die twee schoono en trot-sebe danv s met, elkander hadden ! (iij hebt Lady Dedlock gezien. Als gij hare zuster gezien hadt zoodf gij wel begrijpen, dat d.-ze even frotsch en onverzetfedijk moet geweest zijn als zij. _ — ,ij, voogd, ik hel) haar dikwijl- ■•n dikwijls gezien!quot; „Haai gezien!\'

I lil z.wei g f-i n oogenblik en beet op zijne lippen. . Dus. Esther, toen wij lang geloden over Boy-


-ocr page 317-

ESTHKK K.N HAAR VOOGD.

thorn spraken, on ik u zeido, dat hij eons bijna getrouwd was geweest, en dat do dame niet stierf, maar toch voor hein gestorven was, en dat die tijd invloed had uitgeoefend op geheel zijn later loven toen wist gij alios, ook wie die dame was?\' ..Noen, voogd,\' antwoordde ik, schrikkende van hot licht, dat flauw voor mij opdaagde; „en nog weet ik het niet.quot; „Lady Dedlock\'s zustor.quot; - ,En waarom,quot; ik kon het hom nauwelijks vragen, „ik bid u, waarom zagen zij van elkander af?\' „Hot was haar bedrijf en zij hield de redenen daartoe in haar onbuigzaam hart verborgen. Naderhand giste hij (maar het was slechts oene gissingi, dat de oorzaak van dat ongenoegen mot haar zustor iels moest gehad hebben, waardoor haar trotsche geest zoodanig gekrenkt werd, dat haar verstand er onder leed; maar zij schroef hom, dat zij van de dagtookening van dien brief af voor hem stierf gelijk zij ook werkelijk dood en dat zij tot haar besluit werd genoopt door hare konnis van zijn trotschen aard en zijn fijn gevoel van eer, in wolko opzichten zijn karakter met het hare overeenstemde. U11 hoofde van de voor hem en ook voor haar allergewichtigste bedenkingen, zeide zij, bracht zij dit offer, on in dat besluit zou zij leven en sterven. Zij dood beide, vrees ik; zeker is het, dat hij van dat uur af haar nooit gezien, nooit van haar gehoord heeft. En ook niemand anders.quot; — „Ach, voogd, wat heb ik gedaan !quot; riep ik uit, voor mijn leed zwichtende. „Hoeveel ongeluk heb ik onschuldig veroorzaakt!quot;

„Gij veroorzaakt, Esther?quot; - „Ja, voogd. Onschuldig, maar ontwijfelbaar. J)ic eenzaam afgezonderde zustor is do eerste, herinnering uit mijn kindsheid.quot; -— „Toch nietlquot; riep hij met schrik uit. „.la, voogd, ja! En hare zuster is mijne moedor.quot;

Ik had hem alles willen verhalen wat mijne moeder mij in haar brief had geschreven, maar hij wilde het toen nog niet hooron. Hij sprak mij mot zooveel vorstand en teedorhoid toe, en hield mij zoo duidelijk alles voor oogon wat ik, als mijn geest het helderst was. zelve ton halve had gedacht en gehoopt, dat ik, welk oene vurige dankbaarheid ik ook jarenlang voor hem had gekoesterd, geloofde, dat ik hem nog nooit zoo had liefgehad en zoo van ganschor harte had gedankt als ik dien avond deed. En toon hij mij naar mijne kamer had gebracht en bij de deur oen kus had gegeven, en ik mij 1 indelijk neerlegde om te gaan slapen, dacht ik, hoe ik ooit naar mijn gering vermogen werkzaam genoeg, hoe ik ooit welwillend genoog kon zijn, hoe ik ooit hopen kon mij zelve genoog te vergeten, hom trouw genoeg i n andoren nuttig genoeg kon wezen, om hem te toonon hoe ik hem zogende en vereerde

XL IV.

DE IBKIEI K.N HET ANTWOÓKD.

Mijn voogd riep mij den volgenden morgen in zijne kamer, en toen zeide ik hem wat ik den vorigen avond had moeten verzwijgen. Er \\ was niets aan te doen, zeide hij, dan alles geheim te houden en een tweede ontmoeting gelijk die van gisteren te vermijden. Hij be-greep wat ik gevoelen moest in stemde volkomen met mij in. Hij nam op zich mijnheer Skim-pole te weerhouden om van de door Sir Leicester aangebodene gelegenheid gebruik te maken. ! Zekere persoon, die hij mij niet behoefde to noemen, kon hij vooreerst onmogelijk raden of helpen Hij wenschto er toe in staat te zijn; maar er was niet aan te denken. Indien haar wantrouwen tegen den procureur, van wien zij gesproken had. gegrond was, waaraan hij bijna niet twijfelde, vreesde hij voor oene ontdekking. Hij kende horn eenigszins, zoowel van aanzien als bij geruchte, en liet was zeker, dat hij een gevaarlijk monsch was. Wat er ; ook gebeuren mocht dit verzekerde bij mij verscheidene malen mot vriondeijken nadruk 1

ik was er oven onschuldig aan als hij zelf, en evenzeer buiten slaat om er iets aan te ; veranderen.

„Ook begrijp ik niet,quot; zeide hij, „dat er eenig , vermoeden op u kan vallen, meliove. Men kan wel verdenking koesteren, zonder nog iets van die betrekking te weten,quot; „Bij dien procureur mag dat zoo zijn,quot; antwoordde ik; „maar sedert ik angstig bon geworden, zijn mij nog twee andore personen in gedachten gokómen.quot; Daarop verhaalde ik hem van Guppy, van wien ik vreesde, dat bij reeds zekere gissingen had toon ik nog niet begreep wat hij met zijne gezegden meende, maar op wiens stilzwijgen, na ons laatste onderhoud, ik mij volkomen meende temogen verlaten. „Welnu,quot; zeide nüjn voogd. \\ „Dan kunnen wij voor het oogonbllk van hem afstappen. Wie is de andere?quot;

Ik herinnerde hein de Pransche kamenier en haar dringende verzoek om bij mij in dienst te komen.

„.la,quot; antwoordde hij peinzend, van haar is moei- te vreezen dan van dien klei k. Evenwel, zij zocht toch maar naar oen nienwendiensl. Zij had u en Ada kort te voren gezien, en het wasnatuur-lijk, dat gij haar in \'t hoofd moest komen. Zij vroeg alleen om kamenier bij u te worden Meer niet.quot;

„1 lare manier van doen was zoo vreemd,quot; zeide ik. „Ja, maar hare manier van doen was ook vreemd toen zij hare schoenen uittrok, en voor haar vermaak oene wandeling deed. die haar den dood had kunnen berokkenen.\' zeide mijn voogd. „Men zou zich zeivennul toloos kwel len, als men al zulke mogelijkheden en waarschijnlijkheden wilde berekenen. Er zijn zeer


-ocr page 318-

het verlaten huis.

weinig onverschillige omstandigheden, die met van gevaarlijke beteekenis zouden sdiijnon, als men ze op die manier beschouwde. Hoop het beste, mijn huismoedertje. Gij kunt niets beters wezen dan wat gij nu zijt; hlijt dat, nu cij dit alles weet, evenals te voren. Het is liet beste wat gij doen kunt. voor u zelve en voor ied.iven. Nu ik dit geheim met u deel....

„En het zoozeer vvl•licht,,, zciae ik. ■ .,/^u ik opmerken wat er in de familie omgaat, zoover ik dat uit d- verte kan waarnemen. Knals de rijd komen mocht, wanneer ik {■«■ne hand kan uitstrekken om den minsten dienst te bewijzen aan iemand, wie liet beter is zelts mei niet te noemen, zal ik. om den wil van liaie lieve dochter, niet nalaten dat te doen.

Ik dankte hem met al mijn hart. \\\\ at kim ik ooit anders doen dan hem dankenIk wild\'\' juist de deur uitgaan, toen hij mü vroeg eni nog een oogenblik te blijven, l\'oen ik mij snel | omkeerde, zag ik wederom dW.elfd*- uitdrukking op zijn itelaat; en op eens, ik we.-t niet hof viel liet mij, als eent nieuwe, verwijderde nv\'gelijkheid in. dat ik die b. greep.

J.iove Esther,\' zeid. mijn voogd, „ik iieD reeds lanst iets in mijne g.-durht.-n i-\'ehad.dat ik u w-ns.-ht\' te ze.\'gon.* „Waarlijk.\'

Ik heb het mocielijk aevorul-n --r aan te ngt;-ëiim. ti. ■ n dat blijft het nog. Ik zou w-nschen, • lar he! /.eer bedaard voorgodrag-n en zeer bedaard overwogen w-rd. Zoudt g« er tegen heb bi n. da! ik het schreef?\' „Eieve voogd, hoe . zou ik er tegen kunnen hebben iets t. h zen. .■lat quot; v )or mij quot;hieven hadt-/AC ,ian . ens. m.dieve.quot; id- In;, met zijn or.g.-ruimden glimlach; .ben ik op ditoogenblik even , cnvoud ei onKedwongen, - \'hljn ik v \'■ • lijk, oprecht en ouderwetsch rondborstig als ik : . w- st ben?quot; ^ „

Ik antwi\'^rdde met allen enist: .A olts\'inv\'n . Pn dir was dgt; zuivert waarheid, want rnsjie kort» weifeling (die ggt; ne minuut geduurd had» was nu voorbij, en hij had weder zijn schrander. onbeschroomd - n hartelijk uitzkht.

.Zi\'- ik er uit alsof ik iets wilde verzwijgen, : iets ander- nie* nde dm wat. ik zeide, eenige geheime gedachte had, hoegenaamd? zeide hij, tp.r zene heldere oogen in de mime smremio. !k aniwo-.rdd.-, dat d:r zeker / gt;0 m.-t wagt;, ,Kui.: g- mii ten volle verr\': gt;uw\'ii.

komen.\' antwoordd- ik nv t geheel man hiri. .«i.-e-f mij UW1 iiand nieisjelief. zeeie nnjn

VOOgd. iv,quot;

Hij hield die in de zyne gesloten, terwyl hij •zijn arm h-ht om my heensloeg, en op mij neerzag, met dut trouwhartige, vriem.ei;, senermende in uitzicht . n houding, waardoo: ik mij vroeger terstond in zijne woning thuis

dad gevoeld,

.dii hebt groot\' V.: anderintren bii mij tewgt;-

gebracht, mijn huishoudstertje,quot; zeide hij. ..sedert dien winterdag in de diligence. (Uj hebt mij sedert dien tijd aanhoudend veel goed gedaan. — , Ach, voogd, wat hebt gij niet in dien tijd voor mij gedaan Iquot; — „Maar,quot; zeide hij. ,daaraan moet nu niet gedacht worden.\' — „Het kan nooit vergeten worden.quot; — ..da, Ksther.quot; zeide hij met zaehten ernst, „het moet nu vergeten, voor een poos vergeten worden.

Grij moet nu alleen bedenken, dat ik thans zal blijven zooals gij mij kent. dat niets mij meer zal doen veranderen. Daarvan kunt gij u verzekerd houden, lieve.quot; „Dat doe ik ook.quot; zeide ik. — ,Dat is al veel, hervatte hij. „Dat is alles Maar ik wil u niet terstond bij het woord vatten. Ik wil het niet schrijven wat ik in mijne gedachten heb, voordat gij het geheel met u zelve eens zijt, dat niets mij meer anders kan doen worden dan ge mij nu kent. Als gij in het minste daaraan twijfelt, wil ik het nooit schrijven. Als gij, na rijpe overweging, daarvan zeker zijt. zend dan van avond over eene week Charley naar mij toe - „om den brief,quot; Maar als gij er niet geheel zeker van zijt, zend haar dan niet. Onthoud, dat ik mij in dit opzieht, gelijk in alles, op uwe oprechtheid verlaat. Als gij op dat punt niet geheel zeker zijt, zend haar dan niet,quot; ,\\oogd, antwoordde ik; .ik ben nu al zeker. Ik kan. wat die overtuiging aangaat, evenmin veranderen. als gij voor mij kunt veranderen. Ik zal i harlev om den brief zenden.quot;

Hij drukte mij de hand en zeide niets meer. Er werd ook de geheele week lang door mij of hem niet- meer gezegd, dat op dit gesprek doelde. Toen de bepaalde avond kwam, zeide ik. zoodra ik alleen was. tot ( harley: „(fa eens naar de kamer van mijnheer Jarndyce, • \'harley, klop aan de deur en zeg, dat ge van mij komt om den brief.quot;quot;

Charh y ging trap op en trap af en de gangen door die omwegen door het ouderwet-sehe huis kwamen mijn luisterende ooren dien avond zeer lang voor en kwam zoo weder t.-rug, de gangen door en trap af en trap op, en bracht den brief, „Leghem maar op de tafel. lt;\'har-]cv,quot; zeide ik. ( harley legde hem dus op de t ifel en ging naar bed, en ik bleef er naar zitten turen, zonder hem op te nemen, en dacht aan velerlei dingen.

Ik begon met mijne donkere kindsheid, en ging door die angstvallige dagen heen tot den benauwden tijd toen mijne tante, met haai strak gezicht zoo buitengemeen strak en koud, daar dood lag, en ik bij juffrouw Rachel eenzamer was. dan ik zou geweest zijn als ik d mand in de wereld had gehad om aan te zien of mede te spreken. Verder kwam ik aan die geheel andere dagen, toen ik zoo gelukkig was om vriendinnen te vinden in illen. die mij omringden, en door iedereen bemind te

-ocr page 319-

ESTIIKK (JKV\'OEIiT /ICH /KKK (.JKIiUKKKS.

303

worden. Ik kwam tot den tijd toen ik voor het • •erste mijn lieve Ada zag en door haar werd opgenomen in die zusterlijke genegenheid, welke het Schoonste van mijn leven was. Ik herinnerde mij den eersten helderen glans van welkomst, die ons uit deze vensters op dien koudon avond te gemoet straalde, en die nooit was verbleekt. Ik leefde mijn gelukkig leven nog eens door; ik beleefde nog eens mijne ziekte en mijn herstel, ik dacht aan mij zelve, zoo veranderd, en aan allen om mij heen, zoo onveranderd, en al dat geluk straalde gelijk een licht van eene in het midden van dat alles geplaatste gedaante af, welke door den brief, die daar op de tafel lag, werd vertegenwoordigd.

Ik opende hem nu en las. Zulk een indruk maakte dat geschrift, door de liefde voor mij, die het uitdrukte, door de onbaatzuchtige waarschuwingen, die het mij gaf, door de teedere zorg voor mij, die uit ieder woord sprak, dat mijne bogen al te dikwijls verblind werden om veel achtereen te kunnen lezen. Ik las het echter driemaal door eer ik hot neerlegde. Ik had gemeend den inhoud reeds vooraf te weten, en zoo was het ook. Die brief vroeg mij of ik meesteres van hot Verlaten Huis wilde worden.

Het was geen minnebrief, hoewel zoo vol liefde, maar geschreven juistge.lljk hij altijd met mij zou gesproken hebben. Ik zag zijn gezicht, ik hoorde zijne stem en gevoelde den in vlood zijner vriendelijk beschermende houding in eiken regel. I lij sprak mij in dien brief aan alsof onze betrekking was o;ngekoerd, alsof ;il de weldaden aan mijn kant waren,en al de aandoeningen aan den zijnen. Hij weidde er over uit, dat ik nog jong en hij reeds over het béste van zijn leven heen was; dat hij reeds op rijpe jaren was gekomen, toen ik nog een kind was; dat hij met een verzilverd hoofd aan mij zat te schrijven, en dit alles zoo wel wist, dat hij het mij rijpelijk in overweging moest geven. Hij zeide mij, dat ik door zulk een huwelijk niets zou winnen, en niets zou Verliezen door het af te wijzen; want geene nieuwe betrekking konde teederheid vergrooti n, die hij mij toedroeg, eu welk besluit, ik ook nemer, mocht, hij was overtuigd, dat het welgedaan zou zijn. Doch hij had sedert ons laatst vertrouwelijk gesprek dien stap opnieuw in overweging genomen, en had er eindelijk toe besloten,al ware het slechts om mij door een gering voorbeeld te toonen, dat de geheele wereld zich gereede-lijk zou vcreenigen om de wreede voorspelling mijner kindsheid te logenstraffen. Ik kon niet weten welk een geluk ik hem kon schenkun, maar daarvan wilde hij niets meer zoggen ; want ik moest altijd onthouden, dat ik hem niets verschuldigd, maar hij integendeel mijn schuldenaar was. Hij had dikwyls aan onze toekomst gedacht; en den tijd te gemoet ziende, en zelfs vreezende, dat die kort aanstaande mocht zijn.

wanneer Ada idle bijna meerderjarig was) ons zou verlaten, en er een eind aan onze tegenwoordige levenswijs moest komen, had hij zich gewend aan dit voorstel te denken. Zoo was hij er toe gekomen. Indien ik dacht, dat ik hem ooit het beste recht zou kunnen geven om mijn beschermer te zijn. en indien ik dacht, dat ik met tevredenheid en zonder mij zelve onrecht te doen de dierbare gezellin van zijn overigen levenstijd kon worden, zoodat alleen de dood ons kon scheiden, zelfs dan kon hij niet wen-schen, dat ik mij onherroepelijk verbond, terwijl deze brief nog zoo nieuw voor mij was; zelfs dan moest ik rijkelijk tijd hebben om mij nogmaals te bedenken. In dat geval, en ook in het tegenovergestelde geval, moest het bij onze oude betrekking blijven, bij onze oude manier van omgang, bij den ouden naam. waarmede ik hem aansprak. En wat zijne; opgeruimde Dame Dui den. zijn huismoedertje betrof, zij zou altijd dezelfde blijven, dat wist hij wel.

Dit was de inhoud van den brief, over het geheel met zulk eene oprechtheid en ernsthaf-tigheid geschreven, alsof hij inderdaad mijn verantwoordelijke voogd was, die mij onpartijdig het voorstel van een vriend mededeelde, tegen wien hij uit rechtschapenheid alle mogelijke bczwanm inbracht.

Hij sprak er echter geen woord van, dat hij, toen ik er nog bevalliger uitzag, ditzelfde voorstel in zijne gedachten gehad en er zich toen vau onthouden had. Dat hij, toen ik mijn oud gezicht verloren en niets bekoorlijks meer over had, mij nog even lief bleef hebben als in mijne schoonere dagen. Dat de ontdekking mijner geboorte hem geen schok gaf. Dat zijne edelmoedigheid hem over de ontsierende litteokenen in mijn gezicht en mijn erfdeel van schande deed heenzien. Dat ik, hoe meer ik behoefte had aan zulk een trouw, des te vaster op hem kon vertrouwen.

Maar ik wist dit toch wel; ik begreep het nu wel. Het was voor my het slot der geschiedenis van weldaden, die ik gelezen had, en ik gevoelde, dat mij slechts tv-ne keus overschoot. Mijn leven aan zijn geluk toe ie wijden was nog maai\' een gering blijk mijner dankbaarheid; en wat had ik op dien avond anders verlangd dan een nieuw middel te vindon om hem mijne, dankbaarheid te toonen?

Ik schreide echter veel en lang; nri ai leen uit de volheid van mijn hart na het lezen van dien brief, niet. alleen om het vreemde van het vooruitzicht — want het was mij vreemd, schoon ik het voorstel had verwacht, \' maar alsof iels, waaraan ik geen naam kon geven en waarvan ik slechts een onduidelijk denkbeeld had, nu onherroepelijk voor mij verloren was. Ik was zeer tevreden, zeer dankbaar en koesterde de beste hoop; maar ik schreide toch lang en veel.


-ocr page 320-

HKT VKBLATKN HUIS.

Kindelijk ging ik naar mijn spiegel. Mijtu; oogen waren rood en gezwollen, en ik zeide : „O Esther, Esther, kunt gij dat zijn \'\' Ik vrees, dat het gezicht in den spiegel op dat verwijt wederom wilde gaan schreien, maar ik hield mijn vinger er tegen op en het bedacht zich.

„Dat gelijkt meer naar den bedaarden blik, melieve, waarmede srll mij eens getroost hebt, toen gij mij zulk eene verandering liet zien,quot; zeide ik en begon mijne haren les te maken.

Als ge meesteres van het Verlaten Huis zijt, moet ge zoo vroolijk wezen als een vogeltje. Eigenlijk moest ge altijd vroolijk wezen; laten wij dus nu maar voorgoed beginnen!quot;

Ik ging toen zeer bedaard voort met mijn haar in orde te brengen. Ik snikte nog wel een wei-nigje, maar dat was omdat ik geschreid had, niet omdat ik nog schreide.

„En zoo, lieve Esther, zijt go voor al uw leven gelukkig. Gelukkig bi) uwe beste vrienden, gelukkig in uwe oude woning, gelukkig in de onverdiende liefde van den beste der mannen.quot;

ik dacht op eens, als mijn voogd iemand anders had getrouwd, wat ik dan wel gevoeld en gedaan zou hebben. Dat zou waarlijk eene verandering zijn geweest. Het stelde mij hei leven in zulk eene nieuwe en akelige gedaante voor, dat ik mijne sleutels liet rammelen en ze een kus gaf eer ik zlt; weder in het. mandje legde.

Toen dacht ik verder, terwijl ik voor den spiegel mijn haar opmaakte, hoe dikwijls ik bij mij zeiven overwogen had, dat de diepe sporen mijner ziekte en de omstandigheden mijnergeboorte slechts nieuwe redenen voor my wai en om werkzaam en dienstvaardig te zijn, en mij op alle geoorloofde wijzen bemind te maken. Dit was dan wel eene goede tijd om verdrietig te gaan zitten schreien! Wat het vreemde betrof (als dit eene reden was om t( schreien, hetgeen het niet was), dat ik eens meesteres van het Verlaten Huis zou worden, waarom zou dat vreemd schijnen ? Andere mensehen hadden wel aan zulke dingen gedacht, al had ik het niet gedaan. „Weet ge niet meer. mijn leelijk liefje.quot; vroeg ik mij zelve, toen ik in den spiegel zag, „wat, eer gij die litteekens nog hadt, mevrouw Woodmurt zeide, dat ge trouwen zondtmet. . . .quot;

Misschien bracht de naam mij in de glt; dai hten ■ die gt droogde bloemen..Misschien zou het beter zijn ze niet langer te bewaren. Zij waren slechts bewaard ter gedachtenis van iets, dat geheel voorbij en afgedaan was, maar het zou toch heter zijn ze nu niet meer te bewaren, 7.\\i lagen in een boek, en dit was toevallig in dlt; andere karner. onze zitkaire r, tusschen Ada\'s slaapkamer en de mijne. Ik nam eene kaars en ging hel zachtjes halen. Toen ik het in de hand had, zag ik door de opene deur mijne sehoone vriendin liggen slapen en sloop binnen om haar een kir- te geven.

Hm. was zwak van mij, dat weet ik wel, en ik kon geene reden hebben om te schreien; maar ik liet toch een traan op het lieve gezichtje vallen, en nog een, en nog een. Nog zwakker was het van mij, dat ik de gedroogde bloemen uit het boek nam en ze voor een oogenblik aan hare lippen hield. Ik dacht aan hare liefde voor Richard, hoewel de bloemen, waarlijk, niets daarmede te maken hadden. Toen nam ik ze mede naar mijne kamer en verbrandde ze aan de kaars; en zij waren in een oogenblik stof geworden.

Toen ik den volgenden morgen de ontbijtkamer binnentrad vond ik mijn voogd juist als gewoonlijk, even rondborstig, gul en openhartig. Daar zijn voorkomen niets gedwongens had, had ook het mijne (zoo geloof ik ten minste) niets daarvan. Ik was in den loop van den ochtend verscheidene malen met hem alleen, en achtte het niet onwaarschijnlijk, dat hij mij over den brief zou spreken; maar hij zeide niets.

Zoo was het op den volgenden morgen, en den volgenden, en ten minste eene week lang, zoolang mijnheer Skimpole bij ons bleef. Ik Verwachtte dagelijks, dat mijn voogd over den brief zou spreken, maar hij deed het toch niet.

Eindelijk dacht ik, onrustig wordende, dat ik een antwoord behoorde te schrijven, ik beproefde dit des avonds op mijne kamer verscheidene malen, maar kon geen antwoord beginnen, dat eenigszins naar een goed antwoord geleek, en dacht dus eiken avond, dat ik nog een dag wilde wachten. En ik wachtte nog zeven dagen, en hij sprak geen woord.

Eindelijk gingen wij, nadat mijnheer Skimpole vertrokken was, op een namiddag met ons drieën ten rijtoertje doen; en toen ik vóór Ada, gereed zijnde, beneden kwam, vond ik mijn voogd in de voorkamer voor het venster staan, met zijn rug naar mij toe

Toen ik binnenkwam keerde hij zich om en zeide met een glimlach; „Zoo, zijt gij daar, mijn huismoedertje?quot; en keek weder naar buiten.

Ik had mij voorgenomen om nu met hem te sproken. Kortom, ik was opzettelijk met dat oogtm ik zoo vroeg beneden gekomen. „Voogd.quot; zeide ik. eenigs/ins bevende, „wanneer zoudt gij gaarne het antwoord willen hebben op den brief, dien Charley gehaald heeft?quot; „Wanneer het gereed is. meliev».quot; antwoordde hij.

„Ik geloof, dat het gereed is,quot; zeide ik. „Zal lt; ■hurley liet dan brengen,quot; vroeg hij schertsende. „Neen, ik heb het zelve medegebracht, voogd,quot; antwoordde ik.

Ik sloeg mijne armen om zijn hals en kuste hen;; en hij vroeg of dit nu de meesteres van het Verlaten Huis was; en ik antwoordde van ja; en vooreerst maakte dat geen verschil, en wij gingen met. ons drieën uit, en ik zeide er mijne lieve Ada niets van.


-ocr page 321-

«p

KEN BEZOEK VAN Ml.IXHEEK VlIGLE,-

305

XLV.

IN V ERÏROU WK N\'.

Op een ochtend toen ik mijne huiselijke bezigheden had afgedaan en met mijne schoone vriendin in den tuin rondwandelde, keek ik toevallig naar hot huis om en zag daar eene lange magere schaduw binnengaan, welke naar die van mijnheer Vholes geleek. Ada had mij pas dien morgen gezegd hoe zij hoopte, dat Richard\'s ijver voor het Kanselarij-procés eindelijk wol zou verflauwen, juist omdat hij er zoo overdreven vu l werk van maakte: en om dus hare

Jarndyce tc komen spreken, lang voordat ik haai\' kon hooren. En toen ik haar hoorde, had zij hare boodschap reeds zoo dikwijls gezegd dut zij geheel buiten adem was.

Ik zeide Ada, dat ik mij haasten zou om terug te komen, en vroeg Charley, toen wij in huis gingen, ol er niet een lieer bij mijnheer Jarndyce was; waarop Charley, wier taalkunde, moet ik met schaamte bekennen, mijne lessen nooit veel eer aandeed, antwoordde ; „Ja, juflrouw; hem, die toen met mijnheer Richard is meegekomen.quot;

Ken sterker contrast dan mijn voogd en mijn heer V holes met elkander vormden, geloof\'ik


vroolijkheid niet te dempen, zeidc de schaduw, die ik gezien had.

Weldra kwam Oharley vlug langs de paden en tusschen de heesters door aan trippelen, zoo blozend en bevallig alsof zij eene der gezellinnen van Flora in plaats van mijn kameniertjewas. en Z\' ide: .Als liet u belieft, juffrouw, wilt ge dan \'■\' iis met mijnhe\' r Jarndyci komen spreken?\'

liet behoorde onder Charley\'s eigenaardigheden, dat zij, wanneer zij eene boodschap had te doen, altijd reeds begon te spreken zoodra zij den persoon zag, aan wun zij die brengen J1\'eest, hoe groot de afstand ook mocht wezen. Zoo zag ik dan ook, dat zij mij met hare gewone bewoordingen vroeg om mei mijnheer

ik niets van

niet. dat ergens te vinden zou zijn. Toen ik binnenkwam zaten zij elkander over eene rafel aan tc kijken, de een zoo vrijmoedig en de ander zoo benauwd, de een zoo breed en rechtop en de ander zoo smal en gebukt, de een zoo helder klinkend uitsprekende wat hij te zeggen had en de ander het zoo benepen mompelende, dat ik meende nooit grooter verschil tusschen twee menschen te hebben opgemerkt.

.\'•ij kent mijnheer Vholes wi l,nielievo,quot; zeide mijn voogd, niet met de grootste beleefdheid voor dien heer, moet ik zoggen.

Mijnheer \\ holes stond op, dicht toegeknoopt en gehandschoend volgens gewoonte, en z.etii zich weder, juist gelijk ik hem naast Richard


-ocr page 322-

306 HET VERU

in de sjees luid zien zitten. Daar hij nu Richard niet kon aankirtcon. keek hij recht voor zich.

.Mynheer Vholes,\' zeidt mijn voogd, de zwart\' gedaante aanziende alsof zij een onheilspellende nachtvogel was. .brengt eono leelyke tijdinir van onzen allerongelukkigsten Richard,quot; Hij legde uen bijzonderen nadruk op het woord .aller, ■ng^lukkigsten,\' als. if hij daarmedoeenigs-zins den aard zijner betrekking tot mynheer Vholes wilde aanduiden.

Ik nam plaats tusschen hen in; mynheer Vholes bit-!\' onb- \\vt •glijk. behalve dat hij nu t zijn zwarten handschoen heimelijk aan een der roode puistjis op zijn geel gezicht plukte.

.En daar Rick en Lfij gelukkig goede vrien-don zilt,quot; vervólgde- mijn voogd, „zou ik gaarne willen weten, wat gij er van denkt, melieve. Wilt ge nu zoo goed zijn, mijnheer Vholes, om — om i-,,-ns ruiterlijk te spreken?*

Alles behalvt ruiterlijk sprekende, begon mijn-h—r Vholes:

,ik heb gezegd, mejuffrouw Summerson, dat

ik. als mijnheer Carstone\'s rechtsgeleerde raadsman, de beste gelegenheid heb om te weten, dat mijnheer CarstoneV financiën ti-genwoor-dig in een benarden staat zijn. Niet zoozeer uit hoofde van het bedrag zijner schulden, als wel uit hoofde van den bijzonderen en dringenden aard der verbintenissen, die mijnheer Car stom heeft aangegaan, en dgt;- middelen, die bij l-zit. quot;in deze t*- honoreeren of wel af te »gt;• ralen. Ik heit wie kleine zaakjes voor mijn-h\'-t-r lt; n. g. s--hikt: maar aan zulk sehik-k-n e--ns .en eind. komen, en dat is

nu het geval. Ik heb uit mijn eigen zak eenige vo-\'i-achotten gedaan, om die onaangename zaak-, , r. i . id» r- n. maar ik moet natuurlijk ver-i imren. dar mij di-- vergoed zullen word\' n, want ik wi; niet vf...rgev\' n een man van kapitaal tgt;- zin. en ik b\'-b in het Dal van Taunton \' • n vader te onderhoud\' n, behalve dat ik mijn bes- doe om mijne drie lieve doehters thuis . n kléin V\'-rm «gen te- kunnen nalaten. Nu ben bevn • sd, dat het, daar mijnheer Car-ston- zi\'-h in zulke omstandigheden bevindt, daanip /U uirlu-ijie-n, da» hij verlof wrzi-kt i om zon. aanstelling te verkoopen; en in allen g. valie ri.eer ik het wens-helijk .(■ lit. n, dat zijn» betrekkingen dit vooraf wet\' n.quot;

Mi.jnh-. i Vh.\'les, die mij onder li\' ! -preken best-ndig had a inge/i. n, v. rz-nk weder in dlt;-stilt\' , die ni\'-n . .-\'-rr. n -• kon /..-trg.-n, dat zijn spraken had aigebink\'.n. zo\'. dof was zijnt-stem en k\' k weder voi-n- z;. h.

„Verb\' eld u d\'-n arrri\'-n \'»ngeii f-\'-n.- als hij Z\' Ifszijntegemvoordigink\' men mist!quot; zeid\' rnijn v gd ti.\' mij. „En wat kan ik .-venwel doen .\'Gy kent hem, Esiher. Iiy zou nooit. i-nige hulp van mi willen .lanneni\'-n. Hf m die a in b bieden, of .1 rnaar .-en wenk van te geven, zou hem tot e-n uit\'i ste drijven, al delt;-d dat niets anders.*

I\'EN HUIS.

Nu sprak mijnheer Vholes mij wederom aan.

, Wat mijnheer Jarndyce daar aanmerkt, mejuffrouw, is ontwijfelbaar de waarheid, en dat maakt de zaak juist moeielijk. Ik zie ook niet. dat er iets aan te doen is. Ik zeg ook niet, dat er iets aan doen is. Verre van daar. Ik kom hier alleen om er onder het zegel des vertrouwens melding van te maken, en in alle opzichten recht door zee te gaan, opdat men naderhand niet zou kunnen zeggen, dat ik niet in alles recht door zee gegaan was. Ik verlang altijd recht door zee te gaan. Ik wensch een goeden naam na te laten. Als ik alleen mijne eigene belangen bij mijnheer Carstone raadpleegde, zou ik niet hier gekomen zijn. Zoo onoverkomelijk, gelijk gij wel weet, zouden zijne tegenwerpingen zijn. Dit is geen bezoek als prak. tizijn: Ik kan niemand daarvoor iets rekenen-Ik heb er geen belang bij, behalve als lid der maatschappij en als vader—en als zoon,quot; zeide mijnheer Vholes, die dit punt bijna vergeten had.

Het kwam ons voor, dat mijnheer Vholes niet meer of minder dan de waarheid zeide, als hij te kennen gaf, dat hij de verantwoordelijkheid, zoovei die dan ging, welke de kennis van Richard\'s omstandigheden hem oplegde, zocht te deelen. Ik kon niets anders aanraden, dan dat ik naar Deal zou gaan. waar Richard toen in garnizoen lag, met hem spreken en beproeven of het mogelijk was het ergste nog af ti wenden. Zonder mijnheer Vholes daarover te raadplegen, nam ik mijn voogd ter zijde om hem dit voor te stellen, terwijl mynheer Vholes spookachtig naar het vuur stapte en zijne begrafon i s-handschoenen warmde.

Het vermoeiende der reis was een bezwaar, dat mijn voogd terstond opperde; maar daar ik zag. dat hij geene andere tegenwerpingen had, en ik volgaarne bereid was om te gaan, dwong ik hem zijnetoestemming af. Toen hadden wij nog maar mijnheer Vholes zijn afscheid te geven.

.Welnu, mijnheer,quot; zeide mijn voogd, ,juffrouw Summerson zal met mijnheer Carstone in onderhandeling treden, en wij moeten maar hopen, dat er nog iets aan zijne omstandigheden te doen zal zijn. Gij zult mij wel veroorloven u na uw. rejs iets te laten voorzetten?quot; ,Ik dank u wel, mijnheer Jarndyce,quot; antwoordde mijnheer Vholes, zijne lange zwarte mouw uitstekend\'-, om hem te weerhouden van te schellen, .volstrekt niets. Ik dank u wel; niet het minste. Mijne maag is zeer zwak, en ik bon altijd een zeer slecht eter. Als ik op dezen tijd van den dag vast voedsel gebruikte, weet ik niei wat de gevolgen konden zijn Daar ik nu getoond heb in alles recht door zee te willen gaan, mijnheer, zal ik met uw verlof rnaar afscheid nemen. De zaak is nu in zooverre afgedaan,quot; ,En ik wenschte, dat gij ook hadt afg\'-daan, en wij alb-n geheel hadden afgedaan


-ocr page 323-

EST 1 IKK lt;»l\' KKIS.

| met zekere zaak, die gij wel weet, mijnheer \' Vholes,quot; zoide mijn voogd mot bitterheid.

Mijnheer Vhoies, die van het hoofd tot de voeten zoo diep zwart geverfd was, dat hij voor het vuur had staan dampen en een zeer on-i aangenamen reuk verspreidde, schudde iang-j zaam zijn hoofd.

, Wij, wier grootsto eerzuchtliotis vooroerUjko praktizyns gehouden te worden, mijnheer,\'\' zeide i hfl, „kunnen niets anders doen dan den schouder j togen liet wiel zetten. Dat doen wij, mijnheer. Ten minste, dat doe ik; en ik denk gaarne het i beste van al mijne medebroeders in het vak. Gij begrijpt wel, mejuffrouw, dat gij bij uwe onderhandeling met mijnheer Carstone onder verplichting zijt om geene melding van m ij te maken?\'

Ik antwoordde, dat Ik my wel daarvoor zou : wachten.

„Zeer wel, mejuffrouw. Goeden morgen, mijnheer Jarndyce, goedenmorgen.\' Mijnheer Vhoies legde zijn dooden handschoen, waai\'in bijna : geene hand scheen te zitten, op mijne vingers, en toen op die van mijn voogd, en ging met i zijne lange, smalle schaduw heen. Ik stelde ■ mij voor hoe zij, buitenop de diligence, door ! het geheole zonnige landschap tusschen ons en L o n d e n zouden heen rijden, en onder het ! : voortglijden het zaad in den grond doen be- ; vriezen.

Natuurlijk was het noodig Ada te zeggen waar ik heen ging en waarom ik dit deed, en natuurlijk was zij bedroefd en angstig. Doch zij 1 was Richard al te trouw om een woord te | spreken dan om hem te beklagen en te ver-\' ontschuldigen ; en in een geest, vol liefde schreef zij heiti een langen brief, dien ik tnedenam.

Charley zou mijne reisgezellin wezen, hoe-I wel ik er geene noodig had en haar gaarne : thuis zou hebben gelaten. Wij begaven ons in den namiddag allen naar Londen, en twee plaatsen op den postwagen open vindende, bestelden wij die. Op den tijd, dat wij gewoon- ; | lijk naar bed gingen, reden Charley en ik, met : de brieven naar K i- n t, zeewaarts hoen.

Hi t was ecne nachtreis in dien tijd van postwagens; maar wij hadden het rijtuig voor ons alleen en vonden den nacht niet zeir vervelend. Hij | Hing voor rnlj orn, gelijk ik meen, dat hij voor de : I meeste menschen in mijne omstandigheden zou gedaan hebben. Mu eens had ik veel, dan weder zeer weinig hoop op den goeden uitslag i mijner reis. Nu dacht ik, dat ik wel eenig nut | | zou doen, dan verwonderde ik mij weder hoe : I ik dat ooit had kunnen denken. Nu hield ik : | het voor zeer verstandig, dat ik daarheen ging, | dan weder voor zeer onverstandig, in welke i stemming ik Richard zou vinden, wat Ik hem zou zoggen en wat hij mij zou antwoorden, waren vragen, die in deze twee gemoedstoestanden beurtelings mijn geest, bezighielden; en de willen schenen den goheelen nacht eene muziek te spelen, waarop de woorden konden gezongen worden, die den hoofdinhoud van den brief van mijn voogd uitmaakten.

Eindelijk kwamen wij in de nauwe straten van Deal en zeer somber waren zij opdien guren mistigon ochtend. I letlange, vlakke strand, met de onregelmatige huisjes van hout en steen daarlangs, en overal bezaaid met kaapstanders, booten, schuren, en kale rechte staken met takelwerk, waartusschen enkele zanderige plekken niet gras en onkruid begroeid, zag er zoo akelig uit als ik ooit eene plek heb gezien. De woelende zei.\' werd door een zwaren witten nevel Verborgen; en niets andersquot;zag men in beweging dan eenige touwslagers, die vroeg aan het werk waren, en met de grondstof van hun arbeid orn het lijf gewonden, er uitzagen alsof zij, hun tegenwoordigen staat van aanzijn moede, zich zeiven tot touw spannen.

Maar toen wij in een uitmuntend logement in eene warme kamer kwamen, en frisch ge-wasschen en gekleed aan een ontbijt plaats namen, (want het was al te laat om nog naar bed te willen gaan) begon Deal er wat vroo-Iijker uit te zien. Ons kamertje geleek naar eene scheepskajuit, en daarin had üharley byzonder veel vermaak. Toon begon de nevel op te trekken, gelijk een gordijn, dat opgehaald wordt, en vertoonde zich een aantal schepen, die wij niet gedacht hadden, dat zoo nabij waren, ik weet niet hoeveel de knecht ons zeide, dat er toen in Düins lagen. Sommigen dezer vaartuigen waren van liet grootste soort; er was een Oostindievaarder, die zoo pas naar huis was gekomen; en toen de zon door de wolken scheen en zilveren lichtplekken over de donkere zee strooide, vormden die schepen, die nu in het licht dan in de schaduw kwamen, onder het gewoel van booten, die af- en aanvoeren, en de aïgemeene bi-weging in het rond, een heerlijk schouwspel.

De groot e Oostindievaarder trok vooral onze aandacht, omdat hij pas in den nacht op de reeds was gekomen. Hij was geheel met booten omringd, en wij zi iden hoe blij de menschen aan boord moesten zijn, dat zij nu aan land kwamen. Ghaiiey was ook nieuwsgierig naar de reis en naar de liitie in i n d i gt;, en naar de slangen lt;-n de tijgers, en daar zij zulke dingi ii voel beter begreep üi onthield dan de regelen der spraakkunst, vertelde- ik haar wat ik er van wist. Ik verteld\' haar ook, hoe de zeevaarders op zulke reizen somt yds srihpbreuk leden en op rotsen werden gesmeten,en somtijds door de onvmsehrokkenheid t n inenschenliefde van i-i-n i-nkel man wiTilen civ-l. Kn torn Charley vroog hoe dat mogeiyk was, vertelde ik haar hoe wij thuis v in zulk em gi-val wisten

lllt; had gedacht Richard i en briefje te zm\' den, om hom te berichten, dat ik daar was


-ocr page 324-

HET VERLATEN iKT-

aos

maar nu vond ik het beter zonder zulk eene voorbereiding naar hem toe te gaan. Daar hij in de kazerne woonde, twijfelde ik eenigszins of dit wel doenlijk was, maar wij besloten de plaats eens te gaan opnemen. Door het hek van het voorplein kijkende, vonden wij zoo vroeg in den ochtend alles /.eer stil; en ik vroeg een sergeant, die bij de troep van het wachthuis stond, waar hij woonde. Hij zond een soldaat met mij mede om het my te wijzen. Deze man ging eene trap op, klopte met zijne knokkels aan eene deur en liet ongt; staan.

„Kom aan dan!quot; riep Richard van binnen. Ik liet dus (\'barley in de smalle gang, en naar de half opent- deur gaande, zeide ik : „Kan ik binnenkomen, Richard? ik ben het maar. Dame Duiden.quot;

Hij zat aan lt; • ne tafel te srlnljven, meteen warboel van kleederen. blikken bussen, boeken, laarzen, schuiers en valiezen op den grond om hem heen. Hij was maar half gekleed in burgerkleeren, naar ik opmerkte, niet in uniform, - zjjn haar was ongekamd en hij zag er zelf even verwilderd uit als zijne kamer. Dit alles zag ik nadat, hij mij hartelijk vi-rwel-komd had, en ik naast hem zat; want zoodra h\\j mijne stem hoorde, sprong hij op, en sloot mij oogenblikkelijk in zijne armen. Die lieve Richard ! Voor mij bleef hij altijd dezelfde. Tot aan ach, arme jongen, tot aan het einde toe, ontving hij mij nooit zonder dat er een zweem van zijne oude jongensachtige vroolijk-heid terugkwam.

.Goede hemel, mijn lief klein huismoeder-• zeidc hij, „hoi komt gij hier? Wu zou er aan gedacht hebben om u te zien! Er scheelt imnn-rs niet- ian? Ada is wel?* — «Zeerwel. En b. koorlijk\'t dan ooit, Richard.quot; — „Ach,quot; /i-M\'- hii, op zijn stoel achteroverleunende, „mijn arm nicht!quot;! Ik was bezig met aan u te schrijven. Esther.\'

Zoo vervallen en versleten als hy er uitzag, zelfs in den blo\'-i zyner bevallige jeugd, terwijl hij daar achterovergeleund zat en het dicht beschrevene- blad papier in zijrn- hand samen-frommelde!

«Hebt -cij d- niiquot;-i!i- gedaan ■■m dat alles te schrijven, ••n zal ik het nu niet eens lezer. ?quot; zeide ik. J h, lievi-,\' antwoordde hij met een gebaar van hopeloosheid, „gij kunt het in dquot; treheeli- kamer lezen. Hi t is he r alles af-tT\'-daan

Ik drong hem vra-ndelijk om zieh tr t aan nei-rslaehtigheid over t» ireven. Ik zeide hern toevallig gehooid te hebben, da: hij in moeielijk-heden was. en dat ik daarom met hem kwam overleggen wat er !«• st te doen ZOU zijn.

. I\'a.traan herkf-n ik i. Esthei n tar het : nutteloos, en daarin lit iken ik n wedorom niet.\' zeide hij met een treurigen glimla. li, „Ik vgt; r-trek vandaag met verlof ik zou nver t en uur al weg zijn geweest — en dat moet het eenigszins verbloemen, dat ik uitkoop. Welnu! Wat voorbij is moet maar voorbij zijn! Zoo gaat dit vak den weg van de anderen. Ik behoef nu nog maar in de kerk te zijn geweest, om door alk-vakken de ronde te hebben gedaan.quot; „Richard,quot; zeide ik dringend, „zoo hopeloos staat het toch nog niet?quot; - - „Zoo staat het waarlijk, Esther,quot; antwoordde hij. „Ik ben de schande zoo nabij gekomen, dat zij, the in gezag over mij gesteld zijn. tgelijk de catechismus zegt) veel liever willen, dat ik heenga, dan dat ik blijf. En zij hebben gelijk. Al had ik geene schulden en zulke bezwaren, dan zou ik toch zelfs voor dit beroep niet deugen. Ik heb geen hart, ziel, zorg of gedachte voor iets dan voor ■v-n ding. Al was dat laatst nu niet gebeurd,quot; zeide hij, den brief, dien hij geschreven had, in stukjes scheurende-, en deze gemelijk in het rond strooiende, „hoe had ik dan toch met mijn regiment buitenslands kunnen gaan? Wij zullen daartoe order krijgen; en had ik kunnen medegaan? Hoe had ik, met mijne ondervinding, zelfs Vholes kunnen vertrouwen, als ik niet bij hern was?quot;

Hij kon zeker aan mijn gezicht zien wat ik wilde zeggen, want hij vatte de hand, die ik op zijn arm had gelegd, en legde die op mijne eigene lippen, om mij het spreken te beletten.

„Neen, Esther.quot; zeide hij, „twee onderwerpen verbied ik, moet ik verbieden. Het eerste is John Jarndyce. Het tweede — gij weet wel wat. Noem het razernij, ik zeg u, dat ik het nu toch niet veranderen kan niet weder bij mijn verstand kan konn-n. Maar het is geene razernij; liet is het r-ene doel. waarvoor ik leven moet. Het is jammer, dat ik mij ooitliet overhalen om het voor iets anders te verzuimen. En het zou wijsheid zijn het nu te laten steken. na til den tijd, de moeite, de zorg en den angst, die ik er aan gegeven heb! O ja, ware wijsheid! Het zou ook zekeren menschen z.eer aangenaam zijn; maar dat zal ik nooit.\'

Hij was in eene stemming, waarin ik iiet best achtte zijn vooringenomenheid niet door tegenspraak te vergrooten indien dit nog mogelijk was. Ik haalde Ada\'s brief voor den dag en gaf hem dien over.

„Moet ik hem nu lezen?quot; vroeg hij.

Toen ik ja antwoordde, legde hij het geschrift voor zich op tl tafel, en begon met het hoofd in tb. hand te lezen. Hij had nog niet ver gelezen, toen hij ook zijne ander, hand aan zijn hoofd bracht — om zijn gezicht voor mij te verbergen. Weldra stond hij op en ging alsof hij te weinig licht had naar het venster. Daar met zijn rug naar mij toe staande, las hij den brief uit; en toen hij gedaan en hel papier weder opgevouwen had, bleef hij nog . enige minuten staan met den brief in di hand.


-ocr page 325-

Hli\'llAKI) IIEEl-T SliKCHTS (iEDACHTEX VOOIt EÉN DINC

\'I oen hij naar /.i.jii stoel terugkwam, zag ik tranen in zijne oogen.

,Gy weet natuurlijk, Esther, wat zij hier schrijft?quot; Hij sprak op een zuchten toon on kuste den brief terwijl hij dit zeide. „Ja, Richard.quot; „Zij biedt mij,quot; zeide hij, oven met zijn voet op den grond stampende, „liet kleine erfdeel aan, dat eerlang in haar bezit zal komen

juist zooveel en zoo weinig als ik heb door-gebracht -- en bidt en smeekt mij het aan te nemen, er mijne schulden mee af te doen en in dienst te blijven,quot; - Jk weet, dat uw wd-| zijn de dierbaarste wensch van haar hart is,quot; zeide ik. „En o, beste Richard. Ada heeft een edel hart!quot; „Dat heeft zij zeker. Ik ik wenschte, dat ik dood was!quot;

Hij ging weder naar het venster, legde zijn arm op de vensterbank en liet zijn hoofd óp zijn arm zinken. Het deed mij zeer hem zoo te zien; maar ik hoopte, dat hij handelbaarder zou worden; en zweeg derhalve. Mijne ondervinding was zeer beperkt; ik verwachtte volstrekt niet, dat hij uit deze verteedering eens-klap,- tot eene nieuwe uitbarsting van verbit-lering over het onrecht, dat hij meende te lijden, zou overgaan.

,En dat. is het hart, dat die John .larndycr, die anders niet tusschen ons genoemd moet worden, van mij zoekt te vervreemden!quot; zeide hij met verontwaardiging. „En het lieve meisje schrijft mij dat onder het dak van dienzelfden John Jarndyce, en met de goedgunstige bewilliging of oogluiking van dienzelfden John larndyce, durf ik wel zeggen, als een nieuw middel om mij af te koopen.quot; „Richard,quot; riep ik uit en stond haastig op, „ik wil u zulke schandelijke woorden niet hooren uiten lquot; Ik was waarlijk voor het eerst in mijn leven zeer boos op hem; maar dit duurde slechts ei-n oogenblik. Toen ik zag hoe hij mij met zijn jeugdig vervallen gezicht aanstaarde\', alsof ie t hem speet, legde ik mijne hand op zijn schouder en zeide: „Lieve Richard, spreek toch ni\'-t op zulk een toon tejron mij. Bedenk!quot;

Hij was zeer beschaamd en zeide openhartig. dat: hij zeer verkeerd had gedaan en mij duizendmaal vergiffenis vroeg. Daarop begon ik f\' lachen, maar beefde toch eenigszins, want, ik was er zelve van geschrikt, dat ik mij zoo driftig maakte.

-1\'it aanbod aan te nemen, lieve Esther,quot; zeide hij, zich naast mij neerzettende en oils gesprek hervattende „nog eens bid ik u. vergeef het mij; het spijt mij zeer — dit aanbod van mijne lieve nicht aan te nemen, is, dat behoef ik niet te zeggen, onmogelijk. Buitendien, ik zou u brieven en papierer. kunnen laten zien, die u zouden overtuigen, dat hier alh s voorbij is. Ik heb afgedaan met den rooden rok, geloof mij. Maar het is toch, te quot;lidden van mijni onaangenaamheden en zorgen,^ een genoegen voor mij te weten, dat ik Ada\'s belangen behartig terwijl ik mijne eigene | behartig. Vholes heeft zijn schouder tegen hot wiel. en hij kan rm niet nalaten het in beweging te houden, evenzeer om harentwil als om mijnentwil, (roddank!quot;

Zijne liciitgi looviue hoop herlet-fde nn wedei en verhelderde zijne trekken, maar zijn gezicht werd daardoor voor mij nog treuriger om aan te zien dan te voren.

,Nien. neen!quot; riep Kichard zegevierend uit. „Al was Ada\'s gering vermogen het mijne, geen penning daarvan zou ik besteden om\' bij iets te blijven, waartoe ik niet geschikt ben. waarin ik geen belang kan stellen, dat ik moede ben. Ik zou het aan iets besteden, dat meer voordeel belooft, tot iets gebruiken, waarbij meer op het spel staat. Wees niet ongerust over mij. Ik zal nu maar ééne zorg op mijn gemoed hebben, en Vholes on ik zullen onafgebroken werkzaam zijn. Aan middelen zal het mij niet ontbreken. Als ik mijne aanstelling verkocht heb. zal ik in schikkingen kunnen komen met eenige kleine woekeraars, die nu naar geene rede willen luisteren zoo zegt Vholes mij. Ik zou toch altijd overhouden, maar daardoor des te meer. Kom aan. (iij zult een brief aan Ada van mij medeneiöen, Esther, en gij moet beiden betere dingen van mij hopen, en niet gelooven, dat ik al geheel ten einde raad ben.quot;

Ik zal niet herhalen wat ik tot Richard zeide Ik weel wel, dat het vervelend was, en nie. mand behoeft een oogenblik te denken, dat alles verstandig was. Maar liet kwam uit mijn hart. Hij hoorde het met geduld en aandoe ning aan; maar ik zag wel, dat het voor het oogenblik niet baten kon over die twee onderwerpen, die hij verboden had, te willen spreken. Ik zag en ondervond ook bij dit gesprek, hoe verstandig hot gezegde van mijn voogd was, dat her nog meer kwaad deed hem te willen overreden dan hem maar te laten gelijk hij was.

Ik was dus eindelijk genoodzaakt Richard te vragen, of hij er niet tegen had mij te overtuigen, dat alles daar, gelijk hij gezegd had. werkelijk voorbij was, en hij zich\' dit niet maar zoo verbeeldde. Zonder aarzeling gaf hij mij eene briefwisseling te lezen, die duidelijk be wees, dat zijne afdanking eetië besliste zaak wa.s. t it hetgeen hij mij zeide kon ik opmaken. dat mijnheer Vholes afschriften van die papieren had, on hij dien lieer bestendig had geraadpleegd. Behalve dat ik dit had vernomen. Ada s brief had gebracht, en dat ik nu Hichard\'s reisgenoote naar Londen zon zijn. had mijne komst niet het minste nut gedaan. Dit met weerzin hij mij zélve bekmme\'nd-. zeide ik, dat ik naar het logement zon terngkeeren en daar wachten tot hij hij mij kwam llii wierp dus een mantel om en bracht mij tot aan hei hek:


-ocr page 326-

1IF.T VERLATEN HUIS.

310

en Oharlev lt; n ik gingen Inngs het strand terug.

Op eenè plek had zich een troep menschen om eenige zee officieren verzameld, die juist uit eene boot aan land stapten en met buiten-ccmeene belangstelling schenen ontvangen tcquot; worden, ik zeide tot \' harle\\. dat ilii zlt; kei eeno boot van den grooten Oostindievaarder zou zijn, en wij bleven scilstaan otn te kijken.

De heeren kwamen langzaam van den waterkant aan, vriendelijk onder elkander schertsend en met de menschen, die hen omringden, sprekende, en in het rond ziende alsof zij blijde waren weder in Engeland te zijn. ..lt; hailej, Oharlev!\' zeide ik. ,koin mede!* en ik haastte mij zoo snel voort, dat mijn kameniertjeer zich over verbaasde.

Ni.-t voordat wij in ons kajuitachtig kamertje waren opgesloten en ik tijd had gehad om adem te halen, begon ik mi] te bedenken waarom ik zulk een haast had gemaakt. In e* n der door de zon gebruinde gezichten had ik Allan Wood» court herkend, en ik was bang geweest, dat hy mij zou herkennen, ik had niet gewild, dat lui zien zou hoe ik veranderd was. Die ontmoeting had mij verrast en miin moed was mij geheel ontzonken.

Ik begreep echter, dat dit niet zoo behoorde, en zeide nu tot mij zgt; lve: ...Meiicve, er is geene reden en er kan in het geheel geene reden zijn waarom dit nu erger voor u zou zijn dan het li tijd !,\'fweii~. Wat gij verleden maand waart, zyt ge nu nog; niet erger ••n niet beter. Dit \'is uwe vastberadenheid niet. Esther; maak. dat gij die terug krijgt!quot; Ik beefde ge weldig van het harde loopen — en kon in het eerst niet tot bedaren komen; maar ik kwam het t*- boven gt; n was zeer blijde, dat ik dit wist

Het gezelschap kwam naar het logement. Ik hoorde hen op de trap spreken. Ik was zeker, dat het dezelfde he\' n-n waren, \'mulat ik hunne stemmen herkende - ik meen. dat ik die van Woodcourt kende. Zeker zou ik liefst zijn heengegaan zonder mij bekend te maken, rnaar ik had mil vast voorgenomen dit nier te doen. .N\'i i n, melieve. neen! Dat niet!quot;

Ik strikte rnyn hoed los en sloeg myne voile half op ik geloof haast half neer, maar dat maakt weiniu\' versehil. schn-\' t op een kaartje, dat ik mij daar toevallig bevond met mijnheer Kichard Oarstone, ►•n zond dit naar mijnhoer Woodcourt. Hij kwam dadelijk. Ik zeide hem, dat het. mij zi • r verheugde toevallig omi\' r de ei/rsten t\' beliooren, die hem in Eng\' land welkom hertten En ik zag. dat hij zeer begaan met mij was.

.(Jij hebt schipbreuk ueledm en in groot g\' -vaar verkeerd, rnijnht\' r Woodcourt,quot; zeid\' ik. „maar wij kunnen datgene haast geen onge-iuk noem-n, wat u gelegenheid heeft gegeven om zooveel moed te tooncn en zooveel nut te doen. Wij hebben dat met hartelijke belangstelling gelezen. Ik hoorde er het eerst iets van door uwe oude patiënte, die arme juffrouw Plite, toen ik pas van mijne zware ziekte hersteld was.quot; ......\' ,0, dat. juffrouwtje Flite!\' zeide

hij. „Blijft zij nog altijd op dezelfde manier voortleven?\' .Altijd eveneens.quot;

Ik was nu zoo rustig geworden, dat ik in j staat, was mijne voile geheel op te slaan.

„Hare dankbaarheid voor u, mijnheer Woodcourt, is waarlijk iets aardigs. Het is een hartelijk schepseltje, gelijk ik bij ondervinding wei t.\' — „Hebt hebt gij dat zoo gevonden?quot; antwoordde hij. „Dat — dat verheugt mij.quot; Hij was zoo met mij begaan, dat hij bijna niet kon spreken. „Ik verzeker u.quot; zeide ik, „dat hare blijdschap over mijn herstel mij toen zeel heeft getroffen.quot; „Het speet mij zeer te moeten hooi en, dat gij eone zware ziekte- hadt gehad.quot; — „Ja, eeno zware ziekte.quot; „Maar zijl gij nu geheel hersteld?\' — „Mijne gezondheid en opgeruimdheid heb ik geheel teruggekregen,quot; antwoordde ik. „Gij weet wel hoe goed mijn voogd is, en welk een gelukkig leven wij leiden. Ik heb alle reden om dankbaar te zijn en niets in de wereld meer te wenschen.quot;

Ik gevoelde wel, dat hij mij meer beklaagde dan ik mij zelve ooit beklaagd had. De ge-dachte, dat ik verplicht was hem gerust te stellen, boezemde mij nieuwe kalmte en standvastigheid in. ik sprak over zijne reis, zijne toekomstige vooruitzichten en zijn waarschijnlijken terugkeer naar Indië, Hij zeide, dat die zeer twijfelachtig was. Hij had ondervonden, dat de Fortuin hem daar niet meer begunstigde dan hier. Hij was als een arm scheepsdokter heengegaan en eveneens teruggekomen. Terwijl wij nog zoo spraken en ik mij nog verheugde, dat ik den schok, dien mijn gezicht hem had moeten geven, eenigszins had verzacht, kwam Kichard binnen. Hij had beneden gehoord wie er bij mij was, en zij zagen elkander met hartelijke blijdschap terug.

Toen zij, na de eerste begroeting, over Richard\'s tegenwoordige omstandigheden spraken, zag ik. dat mijnheer Woodcourt wel begreep, dat alles niet naar wensch met hem ging. Hij zag hem dikwijls aan, alsof hij zich poogde te verzekeren of ik de waarheid wist. Richard was echter juist in zijne beste luim, vol hoop en moed, en zeer verheugd, dat hij mijnheer Woodcourt, van wieii hij altijd veel gehouden had, wederzag.

Richard sprak er van om met ons drieën g\'-zamenlijk naar Londen te gaan; maar daar mijnheer Woodcourt nog oenigen tijd bij zijn schip moest blijven, kon bij ons niet vergezellen. Hij dineerde met ons en werd toen nog zooveel meer wat hij vroeger placht te zijn. dat ik mi; nog mei-r verheugde iti staat te zijn Eeweest om zijn\'\' spijt te verzachten. Evenwel


-ocr page 327-

ALLAN WOODOOUKT WIL HICHAKD\'S VRIEND ZIJN.

:ill

was hij nog niet gerust over Richard. Toen de ! postwagen stond te wachten, en Richard naar beneden ging om voor zijne bagage to zorgen, | sprak hij mij over hem aan.

ik dacht, dat het mij niet vrij stond hem i alles te zeggen wat ik wist; maar ik sprak met weinige woorden over zijne verwijdering van j mijnheer Jarndyce en de ongelegenheden, waar- 1 in hij zich wikkelde door zich met dat heil- i looze Kanselarij-proces te bemoeien. Mijnheer ! Woodcourt luisterde met belangstelling en bi - i tuigde zijn leedwezen.

„Ik zag u tamelijk scherp op lieni letten,quot; : zeide ik. ,Vindt gij hem zoo veranderd?quot; ..la, hij is veranderd,\' antwoordde hij en schudde zijn hoofd.

Ik voelde het bloed voor de eerste maal naar j mijne wangen stijgen; maar dit was slechts j eene oogenblikkelijke aandoening, ik keerde mijn i hoofd om, en het was voorbij.

„Het is niet,\' zeide mijnheer Woodcourt, „dat ! hij zooveel ouder of jonger, magerder of meer i gevuld, bleeker of blozender is, dan wel, dat zijn gezicht zulk eene zonderlinge uitdrukking heeft. Ik heb bij . en jongmensch nog nooit , zulk een uitzicht waargenomen. Men kan juist niet zeggen, dat het angstvalligheid of verveling kenteekent; maar van beide is er toch iets in; het is nis het wan■ een beginsel van wanhoop.quot; - „Gij denkt toch niet, dat lijj ziek is?quot; zeide ik. — „Neen. Naar het lichaam schijnt hij gezond en sterk te zijn.quot; „Dat zijn gemoed niet gerust is, weten wij maar al te wel,quot; hervatte ik. „Gaat gij naar Lon den, mijnheer Woodcourt?quot; „Morgen of overmorgen.quot;

- „Er is niets, waaraan Richard zooveel behoefte heeft, als aan een vriend. Hij heeft altijd veel | van u gehouden. Ga hem toch opzoeken, bid ik u, als gij daar komt. Houd hem wat gezelschap. als gij kunt. Gij weet niet hoeveel nut gij daardoor zult doen. Gij kunt u niet verbeelden hoe dankbaar Ada en mijnheer Jarndyce, en ook ik, u daarvoor zullen zijn.quot; — „Julfrouw Summerson,quot; antwoordde hij, met meer ontroering dan hij nog had getoond, „bij den hemel, ik wil een waar vriend voor hem zijn. Ik zal hom als een toevertrouwd pand beschouwen, en dat vertrouwen zal mij heilig zijn.quot; „(iod zegen uiquot; zeide ik, met tranen inde oogen; maar ik dacht, dat Ik ze niet behoefde te be-dwingen, daar het niet mijn eigen lot was, dat ze deed opwellen. „Ada heeft hem lief, dat doen we allen, maar Ada heeft hem lief gelijk wij niet kunnen. Ik zal haar zeggen wat gij beloofd hebt. Uit haar naam dank Ik u en zegen Ik u.quot;

Toen wij haastig deze woorden hadden gewisseld, kwam Richard terug en gaf mij zijn arm om mij naar hot rijtuig te brengen.

„Woodcourt,quot; zeide hij zonder te weten hoe wel dit te pas kwam, „ik hoop, dat wij elkander in Londen zullen weerzien.quot; „Weerzien?quot; antwoordde Woodcourt. „Wel zeker. Ik heb daar tegenwoordig haast geen yjlend behalve u. Waar kan ik u vinden?quot; „Ik moet nog ergens kamers huren,\'antwoordde Richard peinzende. „Vraag maar naar mij bij Vholes in

Symond\'s Inn.quot; ..... „Goed. Zoodra ik maar

kan.\'

Zij drukten elkander hartelijk de hand. Toen ik reeds in den postwagen zat en Richard nog op -straat stond, legde mijnheer Woodcourt vriendschappelijk zijne hand op Richard\'s schouder en zag mij aan. Ik begreep hem en wuifde met de hand om hem te danken.

En in zijn laatsten blik toen wij wegreden, zag ik, dat hij zeer begaan met mij was. Het verheugde mij dit te zien. Ik dacht aan mijn vroeger Ik gelijk de dooden misschien daaraan denken als zij deze aardsche tooneelen weer Iv zoeken. Het verheugde mij, dat men nog met teeder-heid aan mij dacht, mij vriendelijk beklaagde, mij niet geheel vergat.

XL VI.

HOI: ÏEGKN !

De duisternis heerscht over Tom-Al 1-Alone\'s. Zich sedert de zon onderging al meer en meer uitzettende, is zij langzamer hand opgezwollen totdat zij nu eiken hoek van die plek vervult. Een tijdlang brandden daar eenige kerkerlich-ten, evenals de levenslamp daar brandt. Hauw en dof in de walgelijk benauwde lucht, en be schenen een aantal afgrijselijke dingen. Maar zij zijn nu uitgegaan. De maan heeft die plek met koude verwondering aangestaard, als vond zij eene. Jammerlijke gelijkenis op zicii zelve in die voor alle leven ongeschikte en door on-deraardsche vuren verwoeste streek; maar zij is voortgedreven en verdwenen. De zwartste nachtmerrie uit den helschen stal graast in Tom-A li-Al o n e\'s, en Tom ligt vast in slaap.

Vele redevoeringen zijn er in en buiten het parlement over Tom gehouden, en gramstorig heeft men er over getwist hoe Tom terechtgebracht moet worden. Of hij door constables of beadles, door klokgelui, of de macht der statistiek, of zuivere beginselen van smaakt, door deze klerk, of gene klerk, of geheel geene klerk moet verbeterd worden; of hij met het kromme nies van zijn geest aan het haarkloo-ven, of op den grooten weg aan het steenen-breken moet gezet worden. Te midden van al dat gerucht wordt maar een ding volkomen duidelijk, namelijk, dat Tom wel volgens eene of andere theorie kan, moet en zal verbeterd worden, maar dat niemand er eene hand toe wil uitsteken. En pndertusschen holt \'Lom, met


-ocr page 328-

HET VKIiLATEN HUIS.

zijne oude hardnekkigheid, rechtstreeks naar zijn verderf.

.Doch hij wordt gewroken. Zelfs de winden zijn zyne boden en in dt ze uren van duisternis verrichten zij zijn dienst. Er is geen drop-. pel van Tom\'s bedorven bloed, of het brengt ergens besmetting en ziekten voort. Hét zal nog dezen nacht den uitgelezen stroom van een Normandisch huis (waarin ehymisten bij scheikundig onderzoek den echten adel zouden vinden) ontreinigen, en Zijne Genade zal deze schandelijkheid niet kunnen beletten. Er is geen spatje van de modder, geene kubieke duim der verpeste lucht, waarin Tom leeft, geene goddeloosheid, ontuchtigheid, beestelijkheid of ! domheid, die hij bedrijft, of het werkt alles zijne figent vergelding uit, door alle rangen Ier maatschappij heen tot aan den hoogsten toe. Tom wreekt zich op den duur door alles (e besmetten. te plunderen • n te bederven.

Het is. een nog onbeslist punt, of Tom- A 11-Alone\'s bij dag of bij nacht afzichtelijker is; irriar als men bedenkt, dat de plek des te afschuwelijker moet wezen ho- meer men er van ziet, en dat niets van hetgeen aan de verbeelding blijft overgelaten zoo erg kan zijn als de werkelijkheid is. moet men het den dag gewonnen geven. Dquot; dag begint nu aan te breken; en waarlijk het zou voor den roem van Enge 1 ind beter /.ijn, dat de zon somtijds in bt\' gebied des rijks onderging, dan dat zij ( ejt zou opgaan boven zulk een afschuwelijk wereldwonder als Tom.

Een fats0\' nlijk gekleed man. met een door de zon gebruind gezicht, die, als hij niet slapen kan, liever ■chijnt rond t( wandelen dan op zijne rustelooze peluw de uren te tellen, komt op dien stillen tijd hierheen. Door nieuwsgie riglieid gedrev.-h gaat hij, dikwijls stilstaande en om zich heen ziende, de ellendige achterstraatjes op en af. Hij is echter niet alleen nieuwsgierig, want zijne donkere oogen duiden medelijdende belangstelling aan: en bovendien ziet; l i: rond, alsof\' zulk eene ellende hem wel bekend was en hij die vroeger meer had gade glt; -lagen.

Lang- dlt;-n (gt;evlt; r van e.-ne stilstaand^ moddersloot, die de hoofdstraat van Tom All-Alone - is, ziet hij niets dan vervallene huizen, dichtgesloten en stil. Geen wakend schepsel vertoont zich ergens, behalve in .v-ne richting, waar hi eene vrouw geia\'el alleen op eem stoep ziet zitten. Hij gaat dien kant heen, en onder het naderen merkt hij aan hare- houding en kleederen op, dat /ij vermoeid is • n een verren w- g moet gekomen /.ijn Zij zit, alsof zij zat te wachten, met een (■lleboog op de knie en het hoofd in de hand. Naast haar ligt een \'linnen zak of e.-n pak, dat zij gedragen heeft. Zij zit waarschijnlijk te dutten, want zij let niet op de voetstappen, die haar naderen

Het ongelijke voetpad is zoo smal, dat Allan Woodcourt, bij de plek komende waar de vrouw zit, op den zoogenaamden rijweg moet stappen om haar voorbij te gaan. üit. doende diit-moet zijn blik den haren, en hij blijft stilstaan.

..Wat scheelt er aan?quot; „Niets, mijnheer.\' — „Kunt gij geen gehoor krijgen? Hadt ge hier binnen willen gelaten worden „Ik

wacht maar tot zij in e n ander huis op zijn

eene herberg ..... hier niet.quot; antwoordt de

vrouw op een toon, die bewijst dat zij nog geduldig is. „Ik wacht hier maar omdat hier zoo meteen de zou zal komen en mij wat walmen.quot; — .Ik vrees, dat ge heel moe zijt. Het spijt me. dat ik u zoo op straat zie zitten. „Wel bedankt, mynheer; maar het komt er

niet op aan.quot;

Zijne gewoonte om met arme lieden te spre ken.\' on daarbij allen schijn van meerderheid of vernederende vriendelijkheid te vermijden (en eveneens dat kinderachtige, dat velen daarbij aannemen, die het voor eene slimheid schijnen te houden tot arme lieden te spreken alsof zij uit een spelboekje voorlazen) heeft hem terstond met die vrouw óp een goeden voet gebracht.

„Laat mij uw voorhoofd eens zien,quot; zegt hij bukkende. \'.Ik beu een dokter. W. es niet bang. Ik zal u geen zeer doen.quot;

Hij weet, dat hij, door haar met zijne lichte en geoefende hand aan te raken, nog gemak-kelljker haar vertrouwen zal winnen. Zij verzet zich nog \'■enigszins en zegt: „Het is niets:quot; maar nauwelijks heeft hij zijne vingers op de gekwetste plek gelegd, of zij beurt haar hoofd op om het naar het licht te houden.

„Zoo! Leelljk gekneusd en het vel gekwetst. Dat moet wel zeer doen,quot; „Het gloeit een beetje, mijnheer,quot; antwoordt de vrouw, terwijl haar een traan over de wang rolt. ,Laat ik eens zien of ik het wat verzachten kan. Mijn zakdoek zal het niet erger maken.quot; „O neen, mijnheer, zeker niet.quot;

Hij reinigt en droogt de gewonde plek, en nadat hij die oplettend bezichtigd en met de palm zijner hand gedrukt heeft, haalt hij een doosje uit zijn zak en verbindt de wond met wat zalf. Terwijl hij zoo bezig is, zegt hij, na er een- om gelachen te hebben, dat hij op de openbare straat een hospitaal aanlegt:

„En dus is uw man een steenbakkerV „Hoe weet gij dat, mijnheer?quot; vraagt de vrouw verwonderd. .Wel, dat maak ik zoo op uit de kleur van de klei aan uw reiszak en uwe kleeren En ik weet ook, dat steenbakkers hier en daar op stuk gaan werken. En tot mijne spijt weei ik ook wel, dat zij somtijds hunne vrouwen mishandelen.quot;

De vrouw slaat haastig hare oogen op, als wilde zij ontkennen, dat. hare kwetsuur aan zulk eene oorzaak is toe te schrijven. Maar


-ocr page 329-

(miELCKIvKU-; JO

zoodra /41 de hand op haar voorhoofii voelt en zijn ernstig bedaard gezicht ziet, slaat zij ze zw^gend weder neer.

„Waar is hij nu?quot; vraagt Woodcouit. „Hij is gisteravond in ongelegenheid geraakt, mijnheer; maar hij zal mij hier komen opzoeken.quot; - „Hij zal nog wel erger in ongelegenheid komen, als hij zijne grove, zware hand dikwijls zoo misbruikt als hij hier gedaan heeft. Maar gij vergeeft herh, zoo harbaarsch als hij is, en ik zal niets meer van hem zeggen, behalve, dat ik wensch, dat hij het verdienen hier vandaan, mijnheer. Te Saint Albans. O ij kent die plaats, mijnheer? Ik dacht, dat ik ii zag opkijken, alsof gij daar bekend waart.quot;

„Ja, ik ben daar eenigszins bekend, maar nu moet ik u ook eene vraag doen. Hebt gij geld voor een logies?quot; „Ja, mijnheer,quot; antwoordt zij. „zoo waarlijk.\' En zij laat het hem zien. Tot antwoord op hare bedeesde dankbetuigingen zegt hij, dat het al heel wel zoo is. wenscht haar goedendag en gaat heen. Torn-A U-A Ion es ligt nog te slapen en niets beweegt zich.


mag. lt;iij hebt geene kinderen?quot; De vrouw -•\'luidt haar hoofd. „Wel een, dat ik het mijne noem, mijnheer; maar het is van Lizzy.quot; — ,.ifet uwe\' is dood. zie ik. Anne kleine!quot;

Hij heeft nu zijn Werk verricht en steekt zijne taseh weder bij zich.

-\'Hi 7,uIt toch wel ergens «.•en vast lluiis hebben. Is dat ver van hier?quot; vraagt bij, en veinst uit goedharligheld, dat hij vvein g belang hecht aan hetgeen hij gedaan heeft, terwijl zij opstaat en voor hem nijgt. ..... „liet is

eene goede twee- of drilt; en twintig mijlen

Ja. toch iels 1 Terwijl hij teruggaat naar het punt, van waar hij de vrouw in de verte op d( stoep heeft jsjen zitten, ontdekt hij eene gedaante, die zeer vom ziditig aankomt, dicht langs de oude muren sluipende die de smerigste bedelaar we! mocht vennijden en tersluiks met de hand voor zich tastende. Deze gedaanti is die van een jongen, met een bol gezicht en wiens oeiren een uitgehons-\'erden glans hebben. Hij is zoo uitsluitend bezorgd en maar onopgemerkt voort te komen, dat zelfs de vers.-hij. ning van den vreemdeling ne t ougescheurde


-ocr page 330-

IIKT VEKIiATEN IH\'IS,

kleereti hem niet verlokt om achter zich om te zien. Hij houdt zijn arm voor zijn gezicht terwijl hij aan den anderen kant der straat | voorbijgaat, en kruipt zoo bevend voort, met zijne angstige hand voor zich uit. Zijne kleeren hangen als gescheurde vellen om hem heen, en het zou onmogelijk te zeggen zijn van welke stof zij gemaakt zijn of welk fatsoen zij eens hadden. Zij gelijken het meest naar een bundel biezen en onkruid, reeds lang geleden verrot. ;

Allan Woodcourt blijft hem staan nakijken en merkt dat alles op, met eene schemerachtige voorstelling, dat hij dien jongen meer heeft gezien. Hij kan zich niet herinneren hoe ot\' waar; maar hij heeft toch zekere geheugenis van zulk eene gedaante. Hij verbeeldt zich, dat hij den knaap in een hospitaal of dergelijke inrichting moet hebben gezien, maar kan niet begrijpen waarom hij hem zoo bijzonder voor den geest is gebleven.

Langzamerhand komt hij Tom-A 11-A1 one\'s uit in het morgenlicht, nog daarover denki-nde, wanneer hij snelle voetstappen achterzich hoort, ■ ii omkijkende, ziet hij den jongen in vollen ren naar hem toe komen, door de vrouw gevolgd.

„Hou tegen, hou tegen!quot; roept de vrouw, bijna buiten adem. „Houd hem tegen,mijnheer!quot;

Hij snelt naar den overkant en plaatst zich den jongen in den weg, maar de jongen is vlugger dan hij, rnaakt eene bocht, bukt, duikt onder zijne handen door, komt. eenige voetstappen verder weder omhoog, en rent weder voort, terwijl de vrouw nog blijft roepen: „Hou tegen, mijnheer, houd hem tegen!quot; Allan, niet wetende of de jongen de vrouw misschien haar geld heeft ontstolen, loopt hem insgelijks na, zoo hard, dat hij den knaap verseheidene malen inhaalt; maar telkens herhaalt deze zijn kunst je van uitwijken en duiken, en rent weder voort. Door hem bij zulk eene gelegenheid een slag te geven, zou het gemakkelijk zijn hem te dóen vallen en verder wegloopen t- belettin; maar Allan kan dit niet op ziph verkrijgen, en zoo wordt de hclaclielijke heete jacht, voortgezet. Eindelijk slaat dlt; vluchteling, ten uiterste benard, eene blindloopendlt; hU-gt; g in. Daar tegen eene schutting van half verrotte planken stuitende-, kan hij niet yt rder, laat zich op den grond vallen, en staart hijgend zijn vervolger aan, digt;\' hem ook hijgend blijft staan aanzien totdat de vrouw aankomt.

,0 gij, Jo!quot; roept de vrouw. ,\\Vat? Heb ik ii eindelijk gevonden!quot; ,Jo!quot; he\'haalt Allan, hem oplettend aanziende. .Jol Wacht eens! Ja zeker. Ik herinner mij nu, dat ik di\' i jongen i-ens als getuige heb zien vi rhooren.quot; ,Ja. ik heb u nog eenagezien, bjj dié Hjkschouwing,quot; zegt Jo huilende. „Maar wat maakt dat? Kunt, gil zulk een armen jongen als ik nooit met rust laten\'? Den ik zonder u al niet ongelukkig genoeg? Hoe ongelukkig wilt gij mij dan hebben? Ik ben gejaagd en gejaagd, tot ik niet meer dan vel en been ben. Die lijkschouwing was m ij n e schuld niet. Hij was heel goed voor mij geweest, dat was hij; hij was de eenige die ooit tegen mij sprak als hij mij voorbijkwam. Het is toch niet té denken, dat ik hem geschouwd wilde hebben, ik wou, dat ik het zelf was. Ik weet niet, waarom ik niet heenga en een gat in het water maak dat weet ik zeker niet.quot;

Hij zegt dit op zulk een jammerlijken toon en /.iji.\' vuile tranen schijnen zoo echt te zijn; en terwijl hij daar in den hoek tegen de schutting ligt, gelijkt hij zoozeer naar een paddestoel ot\' ander ongezond uitwas, daar door onreinheid en verwaarloozing voortgebracht, dat Allan Woodcourt medelijden met hem begint te krijgen.

„ Wat heeft dat ellendige schepsel u gedaan?quot; zegt hij tot de vrouw.

Zij schudt haar hoofd, meer verwonderd dan vergramd naar het schijnt, en herhaalt slechts: ,0 gij Jo, gij Jo! Eindelijk heb ik u gevonden!\'

,Wat heeft hij gedaan?\' zegt Allan. „Heeft hij u bestolen?quot; „Neen, mijnheer, neen. Mij bestolen? Hij heeft mij nooit Iets anders dan vriendschap gedaan, en dat is juist het vreemde.quot;

Allan ziet van Jo naar de vrouw en van de vrouw naar Jo, en wacht, dat een van beiden het raadsel zal oplossen.

.Maar hij was bij mij. mijnheer,quot; zegt de

vrouw, „gij Jo! ...... hij was bij mij, daar te

Saint Albans, ziek. en eene jongejuffrouw, God zegene haar. dat zij zoo goed voor mij geweest is, had medelijden met hem toen ik niet durfde, en nam hem mede naar huis..,.quot;

Allan deinst eensklaps met afschuw voor hem terug.

„Ja. mijnheer, ja. Nam hem mede naar huis, en zorgde voor hem, e n die ondankbare jongen liep in den nacht weg, en heeft nooit weder iets van zich laten zien of hooren, voordat ik hem nu hier vond. En die jongejuffrouw, die er zoo lief uitzag, kreeg zijne ziekte en verloot-al haar mooi. en men zou haar nu haast niet meer voor dezelfde kennen, als het niet door haar engelachtig humeur en haar net figuurtje en hare lieve stern was. Weet gij dat wel ? (iij ondankbare booswicht, weet gij wel, dat dit alles door u en hare goedheid voor u ge-gekomen is?quot; schreeuwt de vrouw hem toornig toe en barst in hartstochtelijke tranen uit.

Do jongen, geheel verbluft door hetgeen hij hoort, besmeert zijn begroezeld voorhoofd met zijne vuile hand, staart op den grond en beeft zoodanig, dat de wrakke schutting, waartegen hij leunt, er van trilt.

Allan poogt de vrouw te bedwingen; hij wenkt slechts even met de hand. en dit heeft het verlangde gevolg,

,Kichard heeft mij gezegd.\' begint hij haperend ..ik wil zeggen ik heb daarvan gehoord


-ocr page 331-

VERKiARTNO VAN JO.

- laat ik mij eons even bedenken; ik zal terstond met u spreken.quot;

Hij keert zich om en gaat naar het eind van het steegje, alsof hij daar naar iets zien moest. Weldra komt hij terug, en heeft zijne bedaardheid hernomen, behalve dat hij zooveel moeite heeft om zijn afkeer van den jongen te overwinnen, dat de vrouw hierop let.

„Gij hoort wat zij zegt. Maar sta op!\'

Bevende en klappertandende staat Jo langzaam op, en blijft, op de manier van zulke jongens als zij in de klem zijn, zijdelings tegen de schutting staan, met een zijner hooge schouders daartegen leunende, terwijl hij tersluiks de eene hand over de andere wrijft en met zijne voeten dezelfde beweging maakt.

„Gij hoort wat zij zegt, en ik weet, dat het de waarheid is. Waar zijt gij al dien tijd geweest?quot; „Ik mag stervert, als ik voor van ochtend ooit in T o m-A 11-A 1 on e\'s ben geweest,quot; antwoordt Jo met eene schorre slem.

,Waarom zijt ge dan hier gekomen?quot;

Jo laat zijne oogen in de bekrompeneruimte rondgaan, ziet daarop den vrager aan, maar niet hooger dan de knieën, en antwoordt einclelijk:

,1k kan niemendal doen en ik kan niemendal te doen krijgen. Ik ben heel arm en ziek, en ik dacht ik moest maar hier terugkomen als er nog niemand op was, en mij verschuilen, ergens waar ik van weet, tot het donker was. en dan mijnheer Snagsby om eeae kleinigheid gaan vragen. Hij wou mij altijd wel wat geven, hoewel zijne vrouw mij altijd wegjoeg gelijk iedereen overal doet.quot; „Waar komt gij nu vandaan?quot;

Jo kijkt wederom rond en wederom naar des vragers kniefin, en besluit door met zekere berusting zijne dorre wang tegen de schutting to drukken.

„Hebt ge mij niet hooren vragen waar gij nu vandaan komt?quot; „Op den boer geloopen dan,quot; antwoordt Jo. „Zeg mij nu,quot; hervat Allan, zich dwingende om zijn afschuw te overwinnen, terwijl hij dicht bij den jongen komt en zich met zekere vertrouwelijkheid over hem heen buigt, „zeg mij nu waarom gij zoo zijt weggeloopen, toen die jongejuffrouw zoo goed was geweest om u mede te nemen en voor n te zorgen.quot;

Jo ontwaakt eensklaps uit zijne lijdzam ekalrn-te, en de vrouw aansprekende verklaart liij met heftigheid, dat hij nooit iets van die jongejuffrouw heeft geweten, dat hij er nooit van gt-boord heeft, dat hij haar nooit had willen kwaaddoen, dat hij liever zich zeiven hadwillen kwaaddoen. dat hij liever zijn ongelukkig hoofd had willen laten afhakken dan ooit bij of omtrent haar komen, en dat zij heel goed voor hein was. Dit alles zegt hij alsof hij het c p zijne manier oprecht meende, en besluit met een jammerlijk snikken.

Allan Woordcourt ziet wel, dat dit geen bedrog is. Hij dwingt zich om den jongen aan te raken.

„Kom aan. Jo, zeg het mij.quot; „Neen, ik durf niet,quot; antwoordt Jo, en drukt zijne wang weder tegen de schutting. „Ik durf niet, of ik zou het wel doen.quot; „Maar ik moet het toch weten,quot; herneemt Woodcourt. „Kom aan, Jo.quot;

Na nog eenige malen zoo gedrongen te zijn, licht Jo weder zijn hoofd op, kijkt nog eens rond en zegt zeer zacht: „Wel dan zal ik u wat zeggen, ik ben weggehaald.Daar!quot; „Weggehaald? in den nacht?quot; „Ja!quot;

Zeer angstig, dat hij beluisterd zal worden, kijkt Jo in het rond en tegen de tien voet hooge schutting op, en zelfs door de reten, alsof het voorwerp van zijn wantrouwen erachter verscholen kon zijn.

„Wie heeft u weggehaald?quot; „ik durf hem niet: noemen,quot; antwoordt Jo. „Dat durf ik niet doen, mijnheer.quot; „Maar uit naam van die jongejuffrouw zeg ik, dat ik het moet weten. Gij kunt mij vertrouwen. Niemand anders zal het hooren.\' „Ja, maar ik weet toch niet of hij het niet hoort,quot; zegt Jo, en schudt vreesachtig zijn hoofd. — „Wel, hij is immers niet hier?quot; „Zou hij niet?quot; zegt Jo. „Hij is overal tegelijkquot;

Allan ziet hem verwonderd aan, maar ontdekt onder dit vreeinde- gezegde toch een spoor van werkelijke beteekenis en goede trouw. Hij wacht geduldig op een duidelijker antwoord; en Jo, door dit geduld meer dan door iets anders in het nauw gebracht, fluistert hem eindelijk als wanhopig een naam in het oor.

„Zoo!quot; zegt Allan, „Wat hadt gij dan gedaan\'.quot; — «Niemendal, mijnheer. Nooit niemendal gedaan waarvan ik last kon hebben, behalve dat ik niet vei genoeg was heengegaan, en dan die lijkschouwing. Maar nu zal ik ver genoeg heengaan. Ik ga naar het kerkhof -daar ga ik nu naar toe.quot; „Wel neen, dat zullen wij nog beproeven tf voorkomen. Maar wat deed hij toen met u?quot; — „Hij bracht mij in een gasthuis,quot; antwoordt Jo lluisterend. „tot ik weer losgelaten werd. en toen gaf hij mij wat geld vier halve kronen, en toen zeide hij: „Stap nu maar uit, en laat ik u nooit weer zien binnen de veertig mijlen van honden, of het zal u berouwen.quot; Bn dat zal het mij ook zeker als hij mij ooit weerziet, en hij zal mij zeker vinden zoolang ik nog boven den grond ben,quot; beshui Jo, en kijkt weder angstig rond.

Allan bedenkt zich eene poos, en zegt daarop tot de vrouw, terwijl bij Jo tegelijk een blik van bemoediging toewerpt: „Hij is zoo ondankbaar niet als gij dacht. Ilij had eene reden om hoen te gaan, hoewel die eigenlijk niet voldoende was.quot; „Dank, mijnheer, dank!quot; roept Jo hierop nil- „Daar nu! Ziet ge nu wel, dat ge


-ocr page 332-

;Utgt; HET VBKLATEN HUIS.

mij niet zoo hard luidt moeten vullen. Zeg gij nu maar aan (lie jongejuffrouw wat mijnheer zegt. dan zal niks wel terechtkomen. Want g ij zijt ook heel goed voor mij geweest, dat weet ik wel.quot; „Kom aan, Jo,quot; zegt Allan, hem in het oog houdende, „ga nu maar met mij mee, dan zal ik u eeno betere plaats bezorgen om te slapen en 11 schuil te houden. Als ik den eenen kant van de straat houd en gij den anderen, opdat men niet op ons letten zou, dan zult gij tof.h niet wegloopen, als gij mij dat. eerst belooftquot;?quot;- „Neen, mijnheer, (Jat zal ik niet, of ik moet hem zien aankomen.quot; „Goed. Ik houd u bij uw woord. De halve stad is nu aan het opstaan, en over nog een uur zal de geheele stad wakker zijn. Kom maar mee. Nog eens goedendag, vrouwtje!quot; ..Nog eens goedendag, mijnheer, en ik dank u nog wel vriendelijk.quot;

Zij heeft-, oplettend toekijkende en luisterende, op haar zak gezeten, en staat nu op. Jo herhaalt nog ••ons; ,/.eg die jongejuffrouw maar dat ik haar nooit- kwaad heb willen doen, en wat mijnheer gezegd heeft;quot; knikt haar, huiverend en met zijne oogen knippende, half lachende en half schreiende een vaarwel toe, en sluipt aan den overkant dei\' straat, dicht bij de huizen blijvende, Allan V/oodcourt na. Zoo komen dez^ twee Tom-A 1 l-A 1 one\'s uit. in de heldere stralen van den zorineschljnen eene bij vergelijking zuivere lucht.

XL VII.

JO\'s TKSTAMENT.

Terwyl Allan Woodcourt en Jo de straten langs gaan, waar de hooge kerktorens in het versrhiet zich in het morgenlicht zoo helder en duidelijk vertoonen, dat de stad door de genoten e rust geheel vernieuwd schijnt te zijn, overlegt Allan bij zich zeiven waarhij zijn metgezel zal bezorgen. «Het is vreemd,quot; zegt hij bij zich zeiven. .dat in het hart eener beschaafde wereld dit schopsrl in menschelijke gedaante moeielijker ergens onder dak is te brengen dan een weggHoopen hond.quot; Maar hoe vreenul dit wezen mag. hi t is toch waar, en de moeieli kbeid blijft bestaan.

In her eerst kijkt hij dikwijls achter zich om, ten eind\' zich te verzekeren, dat Jo hem werkelijk nog volartv Maar telkens ziet hij hem dichtbij aan dén • gt;verkant, met zijne hand altijd voor-uittastende. van steen tot steen en van huis tot huis voortsluipon en hem Waa kzaam in het omlt houden. VV\' Idra •..■.•riinu\'d. dat tl-- jongen aan g^ • n wgloopen denkt, stapt Allan voort, en overweegt, met minder verstrooide aandaclit, wal nu te doen.

Ken ontbijfstalletje op den hoek eener straat herinnert hem aan het eerste wat hier te doen is. Hij blijft daarbij staan, kijkt om en wenkt Jo. De jongen komt sloffend en schrompelend nader, terwijl hij langzaam de knokkels zijner rechterhand in de holle palm zijner linker boort. Een oogenbllk later heeft de jongen een maaltijd voor zich, die voor hem lekker is, en begint de koffie door te zwelgen en de boterham te kauwen ; gedurig naar alle kanten rondkijkende. eet en drinkt hij gelijk een schichtig dier zou doen.

Maar hij is zoo ziek en ellendig, dat zelfs de honger hem verlaten heeft. „Ik dacht dat ik half uitgehongerd was, mijnheer,quot; zegt Jo, weldra de boterham neerleggende, „maar Ik weet niets dat ook niet eens. Ik lust geen eten of drinken.quot; En Jo blijft staan huiveren, en kijkt zijn ontbijt met verwondering aan.

Allan Woodcourt voelt hem den pols en legt de hand op zijne borst. „Haal eens adem, Jo,quot; zegt hij. - „Het gaat zoo zwaar,quot; zegt. Jo, alsof ik eene kar trok.quot; Hij had er kunnen bijvoegen; „En het ratelt eveneens.quot;

Allan ziet rond naar eene apotheek. Er is er geen bij de hand; een wijnhuis is evengoed of nog beter. Hij laat zich een glas wijn geven, en den jongen zeer voorzichtig een gedeelte daarvan drinken. Jo begint te herleven, bijna zoodra het vocht over zijne lippen is. „W\\j kunnen nog eens zooveel hemen, Jo,quot; zegt Allan, nadat hij hern oplettend heeft aangezien. „Zoo! Nu zullen wij nog vijf minuten ritsten en dan weer verdei gaan.quot;

Terwijl hij den jongen op de bank van het ontbijtstalletje. met den rug tegen een Ijzeren hek. laat, zitten, stapt Allan in den vroegen zonneschijn op en neer, nu en dan naar Jo omkijkende, maar zonder den srhijn aan te nemen van stipt op hem te letten. Ei Is weinig aandacht nooclig om te zien, dat hij verwarmd en verkwikt is. Indien zulk een jammerlijk gezicht kan ophelderen, doet het zijne dit eenigszins lt; n langzamerhand eet- hij een stukje van de boterham, die hij zoo hopeloos had neergelegd. Deze teekenen van verbetering ziende, begint Allan met hem te praten, en hoort, tot zijne niet geringe verwondering, het avontuur van de dame met de volle en al de gevolgen daarvan. Terwijl Jo dit langzaam vertelt blijft hij langzaam aan het kauwen. Nadat zijn verhaal en zijne boterham tegelijk aan een eind zijn gekomen, gaan zij weder voort.

Met voornemen hei bezwaar om eene tijdelijke schuilplaats voor den jongen te vinden aan zijn oude pati\'-utc. de bedrijvige juffrouw Elite, voor te leggen, richt Allan zijne schreden naar het hofje, waar hij en Jo elkander voor het eerst hebben gezien. Doch de lorren-winkel is geheel veranderd; juffrouw Elite woont daar niet meer; het huis is gesloten; en eene


-ocr page 333-

EEN TOEVLUCHTSOORD VOOK ,10. ;!17 \'

leelijko vrouw, wier ouderdom een raadsel is „Uw dienaar, mijniierr,quot; zegt George, met

maar die eigenlijk niemand anders is dan een militaire begroeting. Daarop wendt hij zich

de interessante Judy is zeer kort en vinnig met een goediiartigen glimlach, die over zijn

in hare antwoorden. Deze zijn echter voldoende breed voorhoofd tot aan zijne gekrulde haren

om den^ vreemdeling te verwittigen, dat juf- reikt, naar juffrouw Flite, terwijl deze, met

trouw Plitf en hare vogeltjes naar juffrouw groote statighHd en tamelijk langdradig, de

Blinder in Bell yard zijn verhuisd. Hij begeeft hoffelijke plechtigheid der presentatie verricht,

zich dus naar die naburige plaats, waar juf Daarna zegt hij nog eens: „Uw dienaar, mijn-

rouw Flite (die vroeg opstaat om het begin heer!quot; en salueert ook nog eens. „Neem

(Ier zitting van haar vriend, den lord-kanse- mij niet kwalijk, mijnheer. Een zeeman, geloof

liei, niet t\'■ verzuimen) met tranen van blijd- ik?quot; «Het doet mij genoegen, tc ondervin-

schap in de oogen en opene armen de trap den, dat ik er naar uitzie,quot; antwoordt Allan,

iv\'omt afloopen. ^ „Evenwel, ik ben maar een scheepsdokter.quot;

„Mijn dierbare dokter.quot; roept zij uit. „Mijn „Zoo, mijnheer! Ik zou gedacht hebben, dat

v erdienstelijke, uitstekende, met.roem bekroonde gij oen echte pikbroek waart.quot;

/(■eotlicier!quot; Zij bezigt zonderlinge uitdrukkin- Allan hoopt, dat George het hem daarom

(\'en, maar is zoo hartelijk als het, gezondste des te eer zal vergeven, als hij hem lastig

verstand wezen kan - hartelijker dan dit dik- valt, en vooral, dat hij zijne pijp niet zal neer-

wijls is, Allan, die geduld met haar heeft, wacht leggen, hetgeen de ander uit beleefdheid reeds

i ot zij geheel hare verrukking heeft ontboezemd, schijnt te willen doen.

wijst dan naar Jo, die bevend bij de deur is „Ulj zijt wel goed, mijnheer,quot; antwoordt de

lijven staan, en vertelt hoe hij daar komt. cavalerist. „Daar ik dus bij ondervinding weet

,\\\\ aar kan ik hem hier in de buurt veer- dat juffrouw Flite er niet tegen heeft, m gij

erst huisvesting bezorgen? \'lij hebt zooveel er ook niet tegen hebt —quot; hij besluit zijn ge-

■island en ondervinding, dat ge mij wel raad zegde met de pjjp weder in zijn mond te ste-

ult. kunnen geven.\' ken. Allan vertelt hem nu alles wat hij van

Julitouw Flite, zeer trotsch op dit compli- Jo weet, waarnaar (ieorge niet een ernstig gf -

\'\'quot;t. hegint te overleggen, maar het duurt zicht luistert. „En dat is de jongen, niet

ang voordat zij op een goeden inval komt. Juf- waar, mijnhe. r?quot; zegt hij, naar het eind van

touw Blinder heeft alles verhuurd, en zij zelve de gang kijkende, waar Jo nog voor de deur

1 woont de kamer van den armen (iridley. naar de groote letters op den gewitten muur

,.triidle\\ ! roept zij eindelijk uit, en klapt staat te staren, die voor zijne oogon geene be-

!!! hare handen, nadat zij dit gezegde omtrent teekenis hebben. „Dat is hij,quot; zegt Allan,

iwintigmaal heeft herhaald, „(iridley! O, wel „En ik ben zeer met hem Verlegen, mijnheer

ker, mijn dierbare dokter. Generaal George George, ik zou hem niet gaarne in een hospi-

al ons wel helpen.quot; taal plaatsen, al kon ik hem ook terstond doen

Het zou nutteloos wezen eenige inlichtingen opnemen, omdat ik voorzie, dat hij. al kreeg

ingaande dien Generaal George Ie vragen, al ik er hem in. er toch niet lang zou blijven,

as jutfiouw flite niet reeds naar boven ge- Met een werkhuis zou het eveneens wezen, al

(quot;pen om haar armoedig hoedje op te zetten, had ik geduld om van den een naar den ander

taar versleten doek om te slaan en zich met te loopen, en mij overal te laten afschepen,

iie reticule vol documenten te wapenen. Ge- tot ik hem eindelijk geplaatst kreeg. Dat ge-

•\'I uitgedost weder beneden komende, onder- heele stelsel bevalt mij niet.quot; „Dat doet het.

■ \' ht zij haar dokter echter, op hare afgebro- niemand, mijnheer,\'\' antwoordt George. „Ik

■ ■ 11e manier, dat Generaal George, wien zij ben overtuigd, dat hij niet in een hospitaal of 1 iwijls bezoekt, ook hare lieve Fitz Jarndyce werkhuis zou willen blijven, omdat hij zulk

ui en veel belang stelt in ieder, die eenigs- een sclnikkelijken aiiKst heeft voor don man.

ins met tiaar in betrokking staat. Hieruit maakt die hom gelast heeft om zich uit den weg te

i an op, dat zij toch wel op een goeden weg honden. In zijne onkunde gelooft hij, dat die

iilen zijn. Hy zegt dus Jo, om hem te borrioe- man overal is en alf s weet.quot; „Neem mij

dat zij haast aan het eind hunner wan- niet kwalijk, mijnheer,quot; zegt (u-orge. „Maarei j

■quot; lins zijn, en zy begeven zicii gezamenlijk naar hebt dien man nog niet genoemd. Is die naam

a \'leneiaal. Gelukkig is dit niet ver. oen geheim?quot; — „De Jongen maakt er een ge

\'\'et uitwendige van George s sclnetgalerij, de helm van. Maardlt; naam is Bucket.quot; „Bucket,

nge gang en het kale vertrek daarachter, van de geheime politie, mijnheer?quot; „Dczelf-

\'^quot;an iets goeds voorspellen. Dit doet ook do.quot; „Ik ken dien man wel, mijnheer,quot; zegl

quot; 1 ^zi\'-\'ht van George zeiven, die half gekleed de cavalerist, nadat hij ei ne rookwolk heeft

■ o met eeno püp in den mond naar hom toe Uitgeblazen en zijne borst vooruitgezet; „en dt

■int. en wiens gespierde armen, door gym aas- jongen heeft in zooverre gelijk, dat die man

h|! oefeningen ontwikkeld, krachtigdoor zijnen zeker een lt; .-n wonderlijk patroon is.quot; (ieorge

lunnc hemdsmouwen hoon schijnen. trekt na dit. gezegd te hebben veelbeteekenend

-ocr page 334-

HET VERLATEN HUIS.

ais

aan zijne pijp en ziet juffrouw Flite stilzwijgend aan. „Nu wenschte ik ook,quot; hervat Allan, „dat mijnheer Jarndyce en juffrouw Bum-merson ten minste wisten, dat die Jo, die zulk eene vreemde Ejeschiedcnis vertelt, weder voor den dag is gekomen, en dat zij gelegenheid hadden om hem te spreken als zij dit verlangden. Daarvoor wilde ik hem vooreerst ergens, bij arme, maar toch fatsoenlijke menschen. in huis bezorgen. Fatsoenlijke menschen en Jo.\' vervolgt hij, de richting van George\'s oogen naar het eind van de gang volgende, „hebben nog niet veel kennis aan elkander gehad. Dat maakt de zaak des te rnoeielijker. Weet gij ook iemand hier in de buurt, die hem voor eenigen tijd zou willen innemen, als ik vooruit betaulde ?quot;

Terwijl hij deze Vraag doet, ziet lui juist oen manneke mot een bijzonder vuil gezicht naast George staan, en dezen op een wonderlijke manier aankijken. Na nog eenige rookwolken to hebben uitgeblazen, kijkt George schuins : omlaag naar dit manneke, en het manneke knipt met zijne oogen.

„Wel, mijnheer,quot; zegt George, ,ik kan u verzekeren, dat ik mij gaarne zoo dadelijk een i gat in het hoofd zou laten slaan, als dat juf-1 frouw Summerson eenigszins aangenaam kon zijn; en dus houd ik het voor een geluk als ik haar eenigen dienst kan bewijzen, hoe gering hij ook wezen mag. Wij leven hier toch ai zoo wat als in ren bivak, mijnheer, ik en Phii. Gij ziet wel, hoe het er hier uitziet. Gij kunt van harte gaarne een stil hoekje voor den jongen krijgen, als dat u zou schikken. | Ik wil niets rekenen, behalve voor den kost.

Wij zijn hier niet in de voordeeligste omstan-I digheden, mijnheer. Wij kunnen ieder oogtn-! blik uit ons boeltje gezet en weggejaagd worden. Evenwel, mijnheer, zooals het hier is en gt; zoolang het hier duurt, is alles tot uw dienst.quot;

Mot een alles omvattenden zwaai zijner pijp stelt George het gehoele gebouw ter beschikking i van zijn bezoeker.

,lk houd het lt; r voor, mijnheer,quot; voegt hij 1 or nog by, .daar gy zelf n dokter zijt, dat i er op hel oogenblik geeno vrees voor besmetting is door dat ongelukkige voorwerp,quot;

Allan is daarvan volkomen zeker.

.Omdat, mijnheer.quot; /.egt George, treurig zyn hoofd sehuddende, „wij daarvan al genoeg gehad hebben.quot;

Zijn ni uwe bekende neemt bij deze horin-: nering insgelijks een treurigen toon aun.

.Evenwel, ik ben verplicht te zeggen,quot; merkt AU .11 aan, „dat de jongen zeer zwak en uitgeput is; en dat hij misschien zeker zeg ik het niet te ver weg is om weer beter te warden.quot; «Denkt gij, dat hij nu ai gevaarlijk is, mijnheer vraagt de cavalerist. „Ik vrees van .ia.quot; „Dan dunkt mij,quot; zegt de cavalerist op een beslissenden toon, „diq ook eenige ondervinding van zwerven heb, dat hij hoe eer hoe beter van de straat moet. Haal hem eens hier, Phil.quot;

Phil Squod schuift zijdelings heen om dit commando te gehoorzamen, en daar George ; zijne pijp heeft uitgerookt, legt hij die neer. Jo wordt binnengebracht. Hij behoort niet on- j, der de Tockkahoopo Indianen van mevrouw Par diggle, evenmin onder de lammeren van me-vrouw Jellyby, want hij staat in geen het minste | verband met Borrioboola Gha; hij wordt i niet door afstand en ongewoonte verfraaid; hij is geen echte buiteniandsche wilde; hij is een ! gewoon inlandsch product. Vuil en leelijk, onaangenaam voor alle zintuigen, wat het lichaam aangaat een gewone straatjongen, alleen naaide ziel een heiden, Inlandsch vuil bedekt hem, inlandsch ongedierte verteert hem, inlandsche kwalen ondermijnen hem. inlandsche lompen hangen om hem heen; inlandsche onkunde, op Engelschen grond en in Engeische lucht go-: groeid, heeft zijn onsterfelijk deel nog lager doen zinken dan redelooze dieren, die geheel vergaan. Sta daar, Jo, in al uwe onbeduidend ; heidl Van het hoofd tot de voeten hebt gij : niets interessants!

Hij komt langzaam binnensloffen, blijft half ineengezakt staan, en kijkt in het rond, maar zonder zijne oogen van den grond op te slaan. Hij schijnt te weten, dat men huiverig is voor zijne nabijheid, gedeeltelijk om hetgeen hij is, en gedeeltelijk om hetgeen hij veroorzaakt heeft. Ook is hij huiverig voor hunne nabijheid. Hij behoort niet tot dezelfde klasse van wezens, niet op dezelfde plaats in de schepping. Hij heeft geerie klasse of plaats, noch onder de ; dieren, noch onder de menschen.

.Zie hier, Jo!quot; zegt Allan. „Dit is mijnheer George.quot;

Jo zoekt nog eene poos over den grond, slaat dan even zijne oogen op en terstond weder neer.

Hij zal een goed vriend voor u zijn, want hij zal u hier eene slaapplaats geven.quot;

Jo maakt een zwaai niet zijn arm, die voor eene buiging moet gelden. Na nog wat beden-kous. en na eenige malen den voet verwisseld te hebben, waarop hij zich laat rusten, rnom-1 pelt hij, dat hij mijnheer wol dankbaar is.

„Gij zijt hier geheel veilig. Al wat gij vooreerst\'to doen hebt is maar gehoorzaam te zijn • en weer sterk te worden. En pas ook op, dat gij ons hier de waarheid zegt, Jo.quot; „Ik mag sterven als ik het niet doe, mijnheer.quot; ant-; woordt Jo, met zijn gewoon formulier van bevestiging. „Ik heb nog nooit iets gedaan om in handen te komen, mijnheer, behalve wat gij weet. Ik ben nog nooit in iianden geweest, mijnheer, behalve omdat ik niets wist en hon-tr,.,- leed.\' — „Ik wil u wei gelooven. Luister nu naar mijnheer Oeorgo. ik zie. dat hij tegen


-ocr page 335-

PHII/ SQUOD WORDT JO\'S VERZOKGFJR, 319

ii spreken wil. — „ik wilde niets anders, zoudt gedaan hebben, omdat juffrouw 8um-

mljnheer, zegt George, zich verbazend recht nierson ongelukkig ook zooveel belang in hern

oprichtende, „dan hem wyzen waar hij kan 1 gesteld heeft. Met mij is dat zoo, dat verze-

gaan liggen en eens goed uitslapen. Zie nu ker ik u, mijnheer.quot; - „Met mij ook, mijn-

eens hier!\' ! heer George.quot;

Zoo sprekende brengt hij hem naai het au- De cavalerist werpt zijdelings een blik op

dere einde der galerij, en opent een der afge- i Allan\'s gebruinde wang en donker oog, neemt

schotene hokjes. ^ ; snol de maat van zijne lengte en breedte, en

„Daar is het, ziet ge. Daar is eene matras, schijnt over hem tevreden,

en daar kunt ge blijven, als gij u goed ge- „Terwijl gij uit waart, mijnheer, is het mij

draagt, zoolang als mijnheer neem mij niet ingevallen, dat ik dien procureur in Lincoln\'s

kwalijk, mijnheer,quot; (met deze verontschuldi- Inn Fields wel ken, bij wien Bucket dien

ging raadpleegt hij het kaartje, dat Allan hem \' jongen, naar zijn zeggen, gebracht heeft. Hoe-

gegeven lieeft), „zoolang als het mijnheer Wood- wel hij zijn naam niet wist, kan ik er u wel

court belieft. Schrik niet als gij hoort schieten; aan helpen. HijheetTulkinghorn zoo heet hij,quot;

dat is op de schyf gemunt en niet op u. Er ( Allan ziet hem vragend aan en herhaalt den

is nog iets dat ik wilde aanraden, mijnheer,quot; ; naam,

vervolgt de cavalerist, zich naar Allankeerende, „Tulkinghorn. Zoo heet hij, mijnheer. Ik ken

„Phil, kom eens hier,quot; den man, en ik weet, dat hij Bucket eens ge-

1\'hil komt op zijne gewone manier naar hem bruikt heeft tegen iemand, die nu dood is en

toe laveeren. | die hem lastig had gevallen. Ik ken den man,

„Hier is een man, mijnheer, die als een kind mijnheer — tot mijne spijt.quot;

in eene goot is gevonden. Het is dus natuur- Allan vraagt natuurlijk wat voor een man hij is, lijk wel te denken, dat hij medelijden met zulk , „Wat voor een man? Meent gij op het aaneen arm schepsel zal hebben. Dat doet gij im- zien?quot; — „Van aanzien ken ik hom wel, ge-mers, l\'hil.\' „Wel vast en zeker dor ik loof ik. Ik meen om moe te recht te komen, dat, gouverneur,quot; is het antwoord. — „Nu had Over het geheel, wat voor soort van mensch?quot; ik gedacht, mijnheer, zegt George met zekere , Wel, dat zal ik u zeggen, mijnheer,quot; ant ■ krijgshaftige vertrouwelijkheid, alsof hij in een i woordt George, blijft staan en slaat zijne armen krijgsraad zijne meening uitbracht, „dat als die kruiselings over zijne breede borst.\'met zulk man hem eens naar eene badinrichting bracht j eene toornige drift, dat zijn gezicht in eens en eenige schellingen besteedde om wat klee- • bloedrood wordt, „Hij is oen verduiveld slecht i en van de grofste soort,.,,\' — „Mijnheer Geor- i soort van een rnensch. Een langzame martelaar ge,quot; z-gt Allan, zijne beurs uithalend, „dat en bloedzuiger, dat is hij. Hij heeft even wei-is wel van u bedacht, en juist wat ik u nog nig van vleesch en bloed als die oude ver had willen verzoeken.quot; ■ • roeste karabijn. Hij is een soort van mensch, Phil Squod en Jo worden terstond uitgezon- die mij meer onrust, en meer verdriet, en den om deze reiniging en verbetering tot stand j meer allerlei kwaad heeft gebrouwen dan\'alle te brengen. Juffrouw Flite, verrukt over het andere menschen bij elkander. Zulk een soort goede gevolg van den door haar voorgeslagen van mensch is mijnheer Tulkinghorn.quot; „Het maatregel, haast zich naar het Hof, zeer be- spijt mij, dat ik zulk een gevoelige plek\' heb vreesd, dat. haar vriend de kanselier anders getroffen,\' zegt Allan, „Gevoelige plek?quot; ongerust over haai zal worden, of in hare af- j George plant zijne beenen nog verder vaneen wezighoid de uitspraak geven, die zij zoolang en strijkt zijne\'denkbeeldige knevels op. „Dal verwacht heeft. „En als dat gebeurde, mijn kunt gij niet helpen, rniiuhcer; maar ik zal er dierbare dokter en generaal,quot; zegt zij, „na u over laten oordeelen. Mij he. ft mij in zijne zoovele jaien, zou het toch al te bespottelijk macht gekregen. Hij is de man, van wien ik ongelukkig zijn,quot; Allan neemt de gelegenheid , daar straks gesproken heb, die zoodra hij wil waai om eenige versterkende medicijnen te mijn boeltje kan aanslaan en mij hiervandaan s^aan halen. Weldra komt hi; daarmede terug, jagen. Hij houdt mij gestadig in onzekerheid, vindt George bezig met zijne galerij op en neer Hij wil nooit ia of neen zeggen. Als ik eene het,a-te wandelen en stapt in den pas met hem mede. ling heb te doen, of uitstel wil vragen, of iets „Ik zou denken, mijnheer,quot; zegt George, \' mot hem te doen heb, wil hij mij niet zien of «datgij juifrouw Summerson tamelijk wel kent?quot; aanhooren hij zendt mij dan naar .Melchise-Het blijkt van ja. j deck in Oli f ford\'s Inn, en .Melchisedcck zendt „Geen familie van haar, mijnheer ?quot; mij weer naar hom toe - zoo houdt hij mij in IM blijkt van noen. maling, alsof ik ovenccns van steen gemaakt „Neem het mij niet kwalijk als ik nieuws- was als hij. Ik slijt tegenwoordig haast mijn gieng schijn, hervat George. „H t kwam mij halve leven met om zijne deur te dwalen en op waarschijnlijk voor, dat gij meer belang in dat hem te wachten. Wat\'kan hem dat schelen ^ arme schepsel stelt dan gij misschien anders Niemendal. Kvenveel als die oude verroeste

-ocr page 336-

3-_gt;0 HET V Eli IJ

karabijn, waarbij ik hern vergeleken heb. Hij maakt mij zoo dol maar. gekheid 1 - ik zou mij wel verspreken. Mijnheer Woodcourt.quot; en daarmede horvat hij zijne wandeling. ..hij is een oud man, maar ik ben blij. dat ik nooit kans zal hebben om mijn paard de sporen te ^even en op hem in tf rijden. Want ais ik die kans had, in zulk een humeur ais waarin hij mij dikwijls brengt waarachtig hij zou het onderste boven gaan. mijnlut r.quot;\'

George heeft zich zoo warm gemaakt, dat hii zijn voorhoofd met zijnei hemdsmouw moet afvegen. Zelfs terwijl hij om zich te bedaren het volkslied fluit, schudt hij nog tusschen-beide zijn hoofd, en tast hij somtijds met beide handen naar zijn open hemdsboord, alsof die ni\' t wijd genoeg openstond om een gevoel van verstikking te verhinderen. Kortom. Allan Wood-eourt behoeft er uiet aan te twijfelen of mijnheer Tulkinghorn zou bij eene gelegenheid als de bedoelde omvergereden worden.

Jo en zijn geleider komen weldra terug, en Jo wordt door den zorgvuldigen l\'hii op zijne marras te bed geholpen. Het is ook aan Phil, dat Allan, na voor het eerst eigenhandig de medicijnen te hebben toegediend, alle noOdige voorschriften geeft. Intusschen is het later in den O\'iite\'Hi geworden. Allan begeeft zich naar zijne kamer om te ontbijten en zich ttskleeden; en daarna gaat hij. zonder zich rust te gunnen, naar den heer Jarndyce, om dezen zijne ontdekking mede t( deelen.

De lieer Jarndyce komt met hein terug, na hem in vertrouwen gezegd te hebben, dat er redenen In staan om de zaak, waarin hij het grootste belang toont tlt; stellen, zooveel mogelijk stil te houden. Voor den heer Jarndyce h\' rhaalt Jo hoofdzakelijk wat hij des morgens gezegd heeft, zonder eenige afwijking van belang Maar die kar van hem is nog zwaarder om te trekken en ratelt nog harder,

,Laat mij hier -til blijven liggen, en niet me\' rzoo voortgejaagd worden,quot; stamelt Jo, „En als iemand zoo goed wou zijn, als hij de straat doorkomt waar ik placht te vegen, om eens aan mijnheer Snagsby te zeggen, dat Jo, dien hij wei gekend heeft, nu wol uit den weg zal blijven; • n hein goedendag te zeggen, can zou ik\' heel dankbaar zijn. Nog dankbaarder dan ik nu d ben, als zulk een ongelukkige jongen dat maar zim kon,quot;

tlij spreekt in den loop van een paar dagen zoo dikwyls van mijnheer Snagsby, dat Allan na met don heer Jarndyce geraadpleegd te hebben, besluit om eens in Cooks Hofje aan te gaan; vooral daar de kar het niet lang meer -• hijnt !\'• zullen uithouden.

Hij begei ft zieh dus daarheen Mijnheer 8nags-by staat achter de toonbank met zijne grijze jas en z,me mor-mouwen, bezig met een document van verscheidene bladen na te kijken, dar pas

\'i\'KN HITS.

door een kopiist is thuis gebracht: eene onaf- . zienbare woestijn van staand schrift en per-kement, met hier en daar eenige groote let- • ters, om de akelige eentonigheid af te breken en den reiziger voor wanhoop lebewaren. Mijn- I heer Snagsby houdt bij een der inktbronnen op en groet den vreemdeling met een kuchje, hetwelk beteekent, dat hij gereed is om aandacht te verleenen.

„Kent ge mij niet meer, mijnheer Snagsby?quot;

Het hart des kantoor winkeliers begint bon-zend te kloppen, want zijn oude vrees begeeft j hem nooit. Hij is maar even in staat om te ! antwoorden: „Neen, mijnheer, ik kan niet zeg- i gen. dat ik u herken. Ik zou gedacht hebben

om er niet te veel van te zeggen - dat ik j u nooit gezien had, mijnheer.\' „Wij hebben elkander nog tweemaal ontmoet,quot; hervat Allan Woodcourt, „Eens bij een armoedig bed en eens____quot;

„Daar komt het eindelijk!quot; denkt de ontstelde kantoorwinkelier, terwijl de herinnering bij hem ontwaakt. „Nu zal de bommel barsten.quot; Hij heeft echter nog tegenwoordigheid van geest genoeg om den vreemdeling in zijn kantoortje j te brengen en de deur te sluiten.

„Zijt gij getrouwd, mijnheer?quot; „Neen, dat ben ik niet.quot; — „Zoudt ge toch wel zoo goed willen zijn, al zijt gij ongetrouwd,quot; hervat Snausby angstig fluisterend, „om zoo zacht te spreken als gij maar kunt ? Want. mijn vrouwtje staat zeker te luisteren; daaronder wil ik mijne geheele zaak Verbeuren met nog vijfhonderd pond.quot;

Diep terneergeslagen zet Snagsby zich op zijn kantoorstoel, met den rug tegen zijn lessenaar, en vervolgt:

„Ik heb nooit een geheim van mij zeiven gehad, mijnheer. Ik kan mij niet herinneren, dat ik ooit mijn vrouwtje heb willen bedriegen, zoolang wij getrouwd zijn. Ik had het nooit willen doen. Om er niet te veel van te zeggen

ik had het niet durven doen. En niettemin ben ik nu zoodanig in geheimzinnige dingen gewikkeld, dat het leven mij tot een last is geworden.quot;

De vreemdeling betuigt zijne spijt hierover en vraagt of hij zich Jo herinnert. Snagsby antwoordt met een gesmoorden zucht: „Maar al te wel,quot;

,1 ie zoudt geen schepsel kunnen noemen behalve mij zeiven — waarop mlin vrouwtje het erger geladen heeft dan op dien Jo,quot; voegt hij er bij.

Allan vraagt waarom.

„Waarom?quot; herhaalt Snagsby, en grijpt, in zijne wanhoop het bosje haren achter op zijn kaal hoofd „Hoe zou ik weten waarom ? Maar gij zijt ongetrouwd, mijnheer, en ik hoop, dat gij nog lang in staat zult zijn om oen getrouwd man zulk eene vraag te doem.\'


-ocr page 337-

JO\'S LAATSTE WENSCH.

321

Met dezen tncnschlievenden wensch kucht Snagsby zijn kuchje van treurige berusting, en bereidt zich om met onderwerping aante noo-ren wat de vreemdeling te zeggen heeft.

„Alweer zoo !quot; zegt Snagsby, die doodsbleek geworden is. „Alweer eveneens, van een anderen kant. Eerst belast zeker iemand mij ten ernstigste om tegen niemand van Jo te spreken, zelfs niet tegen mijn vrouwtje. Dan komt een ander, gij zelf, mijnheer, en belast injj even ernstig om er vooral niet tegen dien zekeren persoon van te spreken. Om er niet te veel van te zeggen - het is mij alsof ik in een dolhuis was, mijnheer.quot;

i vonden heeft, legt dadelijk eene halve kroon op de tafel; die tooverbalsem, waarmede hij

soorten van wonden wil genezen.

„En hoe gaat het nu, arme jongen ?quot; zegt Snagsby, met zijn kuchje van medelijden. ~ „Ik heb het nu heel goed en aan niets gebrek, mijnheer Snagsby,quot; antwoordt Jo. „En ik hen zoo vergenoegd als gjj u niet kunt verbeelden. Het spijt mij erg, dat ik het gedaan heb, maar ik kon het niet helpen.quot;

Snagsby legt zachtjes nog eene halve kroon op de tafel, en vraagt wat hem zoo spijt.

„Ik heb eene ziekte gegeven,quot; zegt Jo, „aan die dame, die de andere dame was eu toch


Het loopt echter beter af dan hij gedacht had, daar de mijn onder zjjne voeten niet springt, en de put, waarin hij gevallen is, niet dieper wordt. Kn daar hij weekhartig genoeg is en geroerd wordt door hetgeen hij van Jo hoort, belooft li[j gewillig om zoo vroeg in don avond als hij dut stilletjes doen kan, eens aan te komen, /ioodra de avond valt, gaat lijj zeer stil heen; maar het zou wel kunnen blijken, dat zijn vrouwtje zich even stil kan houden als hij.

Jo is zeer blijde zyn ouden vriend nog eens te zien; en zegt, nadat /jj alleen gelaten zijn, dat hy het heel vriendelijk van mijnheer Snagsby vindt, dat hij zoo ver om hem komt. Snagsby, getroflen door het schouwspel, dat hij daar geniet was; en niemand zegt injj iets erover, dat, ik dat, gedaan heb, omdat zij zoo goed zijn en ik zulk een ongelukkige jongen ben. l\'ie dame is gisteren zelve naar mij komen zien, en toen zeide zjj: „Zoo, Jo ; ik dacht, dat wjj ii verloren hadden.quot; En toen ging /]] hij mij zitten, met een vriendelijk gezicht, en sprak geen woord er van, dat ik dat gedaan had, en ik moest mij omkeeren naar den muur, dat moest ik, mijnheer Snagsby. Eu ik zag, dat mijnheer Jarndyce zieh ook moest omkeeren. En mijnheer Woodcourt kwam mij wat geven om mij op te frisschen dat doet hij gedurig, nacht en dag, en toen hij over mij heen bukte, en /00 hartelijk tegen mij sprak,


I^K\'Kknh. lift verlaten huif,

UI

-ocr page 338-

322 HET VERLATEN HUTS.

zag ik zijne tranen vallen, mijnheer Snagsby.quot; bij hem en beschouwt zijne uitgeteerde trek-

De vermurwde kantoorwinkelier legt nog eene i ken. Na eene poos zet hij zich zachtjes öp tien

halve kroon op do tafel. Alleen door eene her- , kant van het bed, met zijn gezicht naar hem

haling van dat onfeilbare geneesmiddel kan hij j toe — juist gelyk hij in de kamer van den

zijn gevoel lucht geven. \\ kopiist heeft gezeten — en voelt naar het klop-

\' „Waar ik aan gedacht heb, mijnheer Snags- j pen van zijn hart. De kar blijft bijna steken,

by,quot; hervat ,lo, „was, dat gij misschien wel maar hotst tocli nog voort.

heel groot kunt schrijven-\'quot; quot;\' „Ja wel, Jo,quot; i George staat zwygendin de deur. Phil staakt

antwoordt de kantoorwinkelier. „ Heel — heel zijn klinkend tikken en blijft met zijn hamertje

groot, misschien?quot; zegt .lo vurig. „.Ia wel, ; in de hand zitten. Allan ziet met eigenaardi-

arme jongen.quot; ! gen doctoralen ernst in het rond, en geeft

.lo lacht van blijdschap. „Wat ik dan dacht, Phil een wenk om zijn tafeltje buiten te bren-

mjjnheer Snagsby, was, als ik eens geheel uit gen. Als het hamertje weder gebruikt wordt,

den weg ben, of gij dan zoo goed zoudt willen zal er een roestvlekje aan zyn.

zijn om heel groot te schrijven, zoodat ieder- „Wel, .lo! Wat scheelt er aan ? Wees maar

een het in de verte zien kan, dat het mij har- i niet bang.quot;—„Ik dacht,quot; zegt Jo, die verschrikt

teiyk speet, dat ik dat gedaan had, en het heeft rondgekeken, „dat ik weer in Tom-

niet helpen kon; en dat, al wist ik anders j Al 1-A1 one\'s was. Is er niemand anders hier

niemendal, ik toch wel wist, dat mijnheer Wood- | dan gij, mijnheer Woodcourt?quot; - „Niemand.quot;

court er over schreide en er altijd bedroefd om „En ik zal niet weer naar T o m-A 11-A 1 o-

was, en dat ik hoopte, dat iiy er eens toe | ne\'s gebracht worden. Niet waar, mijnheer ?quot;

komen zou om het mij bfl zich zeiven te ver- i — „Neen.quot;

geven. Als dat heel groot geschreven was, zou Jo sluit zijne oogen en mompelt: „Ik ben

hij het misschien wel doen.quot; — „Ik zal het j heel dankbaar.quot;

schrijven, Jo, heel groot.quot; Na hem nog eene poos te hebben aangezien,

Jo lacht wederom. „Wel bedankt, mijnheer brengt Allan zijn mond dicht aan het oor van

Snagsby. Het is wel vriendelijk van u, mijn- den zieke en zegt, zacht maar duidelijk:

heer, en maakt mij nog vergenoegder dan\' ik „Jo! Hebt gij ooit een gebed gekend ?quot; —

te voren was.quot; \' „Nooit iets geweten of gekend, mijnheer.quot;

De weekhartige kantoorwinkelier legt met een „Geen enkel kort gebed?quot; — „Neen, mijnheer,

onafgebroken, onvoltooid kuchje zijne vierde Niemendal. Mijnheer (\'hadband bad eens bij

halve kroon neer — nooit heei\'t hy een geval mijnheer Snagsby, dat ik hoorde, maar het klonk

bijgewoond waar zooveel van zijn middel ver- alsof hjj tegen zich zeiven, niet tegen mij, sprak,

eischt werd - en haast zich nu om heen te IHj bad een heelen boel, maar ik kon er niets

gaan. Jo en hij zullen elkander op deze kleine van maken. Tusschenbeide zijn er ook wel andere

aarde nooit wederzien. ; heeren in T o m-A 11-A 1 o n e\'s komen bidden,

Want de kar, die zoo zwaar te trekken is, maar meestal zeiden zjj, dat de anderen slecht

komt het eind der reis nabij en ratelt over een gebeden hadden, en meestal klonk het alsof

steenigen grond. Om de wijzerplaat heen hotst zij maar bij zich zeiven praatten en niet voor

zij de hobbelige steilten op en af. Niet vele ma- ons. Ik heb nooit begrepen waarover het was.quot;

Ion kan de zon opgaan en haar nog op haar Hij heeft veel tyd noodig om dit te zeggen,

tnoek\'iyken weg vinden. en er is ook een oplettend en geoefend luis-

l\'hil Squod, met zijn zwart buskruit gezicht. teraar noodig om hem te hooren en te verstaan,

speelt voor ziekenoppasser, en werkt tegelijk Nadat hij weder eene poos in slaap of in zwjjm

als wapensmid aan zyn tafeltje in een hoek. heeft gelegen, doet hij op eens eene poging

Dikwijls kykt, hij om en zegt, terwijl hü met om uit het bed te komen.

zijne groene wollen muts knikt en zijne enkele ..Zachtjes, Jo! Wat nu?\'quot; „Het is tjjd, mijn-wenkbrauw bemoedigend optrekt: „Houd u maar heer, dat ik naar dat kerkhof ga,quot; zegt hy, goed, jongen; houd u maar goed!quot; De heer met een woesten blik. „li lijf liggen en ver-.larndyce is er ook dikwijls, en Allan Wood- tel my dat eens. Welk kerkhof, Jo ?quot; „Waar court bijna altjjd; beiden denken dikwijls hoe zy hem begraven hebben, die zoo goed voor zonderling het noodlot dezen armen verschop- mij was — hij was waarlijk heel goed voor mij. peling doorliet webbe van hun leven heeftgeward. Het is tyd, dat ik naar dat kerknof ga, mijn-Ook Oeorge komt dikwijls kijken, verstopt de heer, en vraag of zij mij bij hem zullen legden r met zyne t\'orsche gestalte, en schijnt uit gen. Ik wou daarheen om begraven te wor-zyne overmaat van leven en gezondheid Jo eene den. Hij placht tegen mij te zeggen: „Ik ben kortstondige kracht in te storten: want als de vandaag even arm als gy, Jo.quot; Nu wilde ik zieke zijne opbeurende gezegden beantwoordt, hem zeggen, dat ik even arm ben als hy en is zijne stem altyd sterker. daar kom om bij hem begraven te worden.quot; — Jo ligt vandaag in een slaap of eene verdoo- „Door den tyd, Jo, door den tijd.quot; „Och, ving, en Allan Woodcourt, pas gekomen,staat misschien zouden zij het wel doen als ik er

-ocr page 339-

LADY DEDLOOK EN KOSA.

zelf om kwam vragen. Maar wilt gjj mij beloven, mijnheer, om my daarheen te laten brengen en mij bij hem te begraven Dat zal ik waarlijk.quot; — „Dank, mjjnneer; dank, mijnheer! Zij zuilen den sleutel van het hek moeten hebben, eer ze mij er kunnen brengen, want het is altyd gesloten. Er is daar een dorpel, dien ik met mijn bezem placht schoon te houden.

Het wordt zoo donker, mijnheer. Komt er haast licht?quot; — „Het zal spoedig komen, .io.quot;

Spoedig. De kar is aan stukken gehotst en de ruwe weg is bijna ten einde.

„Jo, mijn arme jongen!quot; — „Ik hoor u wel, mijnheer, in het donker. Maar ik zoek naar u en kan u niet vinden. Laat ik uwe hand vasthouden.quot; „Jo, kunt ge mij nazeggen wat ik zeg ?quot; -- „Ik wil alles nazeggen wat gij zegt, mijnheer, want ik weet wel, dat het goed zal zijn.quot; — „Onze va dek,quot; — „Onze vader! — Ja, dat is heel goed, mijnheer.quot; — „Die in den iiemei, zuT.quot; — „In den hemel zyt — komt het licht haast, mijnheer?quot; — „Het is dichtbij. L\\v naam worde geheiuud.quot; - „üw liaam—quot;

Het licht is gekomen op den nachtelijk donkeren weg. Dood!

Dood, uwe majesteit. Dood, my lords en gentlemen. Dood, weleerwaarde en niet-eerwaarde heeren van alle soort. Dood, gij mannen en vrouwen, met hemelsch mededoogen in het hart geboren. Hn zoo sterven er dagelijks om ons heen.

XLVHI.

aflledaan.

Het buitenverblijf van Lincolnshire hoeft zijne vele oogen gesloten, en het huis in de stad is wakker. In Lincolnshire sluimeren de Dedlock\'s uit liet verledene in hunne schilderijlijsten, en de zachte wind zucht door het grooté salon alsof zij tamelijk geregeld ademhaalden. In de stad ratelen de Dedlock\'s van het tegenwoordige, in hunne koetsen met vurige oogen, door de duisternis van den nacht, en de Mercurius\'en, met asch (of poeier) op het hoofd, om hunne groote nederigheid aan te duiden, verdroomen den slaperigen ochtend voor de smalle vensters van het voorhuis. De modewereld — een ontzaglijke bol van bijna vijf mijlen in den omtrek — is in volle vaart, en het planeetstelsel draait eerbiedig op de bepaalde afstanden.

Waar het gedrang het dichtst is, waar de lichten het helderst schijnen, waar al de zinnen op het tijnst en keurigst worden gestreeld, daar is Lady Dedlock. Van de blinkende hoogte, die zij beklommen en bezet heeft, is zij nooit afwezig. Hoewel het geloof aan zich zelve, dat ZÜ vroeger koesterde, als iemand, die in staat j was om al wat zy wilde onder haar mantel i van trots te verbergen, bezweken is, hoewel i zij geene zekerheid heeft, dat zij datgene, w;at zij voor hen, die haar omringen, is, nog } een dag langer zal blijven, ligt het niet in haar j karakter te zwichten of te beven, wanneer wan-! gunstige oogen haar aanzien. Men zegt van haar, I dat zij sedert eenigen tjjd nog schooner en trot-■ scher is geworden. De flauwe neef doet aan-i halingen uit Shakspeare om hare schoonheid i en trotschheid te prijzen.

Mijnheer Tulkinghorn zegt niets, zelfs zijne | oogen zeggen niets. Thans, evenals vroeger, is hij bij kamerdeuren te vinden, met zijne ingezakte ouderwetsch gestrikte das, laat zich dooi\' de ] pairschap patroniseeren, en spreekt niet. On-j der alle mannen is hy steeds de laatste, van | wien men zou denken, dat hij eenigen in-| vloed op mylady had. Onder alle vrouwen is zij steeds de laatste, van wie men denken zou, dat zij eenigszins bang voor hem was.

Sedert hun laatste onderhoud in zijne torenkamer op Kastanje-Hof heeft haar iets opliet hart gelegen, zjj heeft nu een besluit genomen en is gereed het er af te werpen.

liet is ochtend in de groote wereld; uamid-! dag volgens de kleine zon. De Mercurius\'en, afgemat van uit het venster te kijken, zitten in het voorhuis te rusten en laten hunne zware hoofden hangen, gelijk overrijpe zonnebloemen. Sir Leicester is in de bibliotheek tot heil des lands over het verslag eener parlements-com-missie in slaap gevallen, Mylady zit in de kamer, : waar zij het jonge mensch, dat Ouppy heet, gehoor heeft gegeven, llosa is bij haar, en heeft , voor haar geschreven en gelezen, llosa is aan een borduurwerkje, of eene dergelijke aardigheid, bezig; en terwijl zjj haar hoofdje daarover buigt, slaat mylady haar stilzijgeml gade. Niet voor de eerste maal vandaag.

„Kosa.quot;

Het bevallige gezichtje kykt helder op. Doch ziende hoe ernstig mylady is, kijkt het ver-i wonderd en bedeesd.

„Zie eens naar de deur. Is zij gesloten?quot;

Ja. Zij gaat er heen en komt terug, en kijkt nog meer verwonderd.

„Ik zal u een blijk van myn vertrouwen geven, kind, want illt; geloof, dat ik mij op uwe gehechtheid, zoo niet op uw oordeel, kan verlaten. Hy wat ik nu doen ga, wil ik niet het minste voor n verbergen of ontveinzen. Maar ik vertrouw op n. Zeg niemand iets van wat er nu tusschen ons omgaat.quot;

Di1 bedeesde kleine schoone belooft in vollen ernst, dat zjj zich dat vertrouwen waardig zal toonen.

„Weet gij wel,quot; zegt Lady Dedlock, haar een wenk gevende om haar stoel dichter by te zetten, „weet gij wel, liosa, dat ik voor n anders ben dan voor iemand anders?quot; — „Ja,


-ocr page 340-

HET VERLATFN HUIS.

324

mylady. Veel vriendelijker. Maar dikwijls denk ] ik\', dat ik u ken gelijk p waarlijk zijt quot; — ! .(lij denkt dikwijls, dat gü mij kent gelijk ik waarlijk ben? Arm kind, arm kindlquot;

Zij zegt dit met zekere minachting - - hoewel niet quot;voor Hosa — en blijft zitten peinzen, terwijl zij haar droomerig aanstaart.

,Denkt gy wel eens, Rosa, dat gij mij tot verademing en troost zijt? Denkt gij wel eens, dat het mij eenig genoegen geeft u by mij te hebben, omdat gij jong en natuurlijk zijt, omdat gij veel van mij houdt en my dankbaar zijt ?quot; .,lgt;at weet ik niet, mylady ; ik durf het haast niet hopen. Maar met al mijn hart wensch- ■ te ik, dat het zoo was.quot; - , Het is zoo, kleine.quot; j

De blos van blijdschap op het lieve gezichtje wordt in zijn opkomen gestuit door de donkere i uitdrukking van het schoone gelaat daartegenover. Het ziet beschroomd naar opheldering uit.

,Kn als ik nu vandaag zeide; .,lt;ja heen 1 Verlaat mij!quot; zou ik iets zeggen, dat mij zeer | spijten en bedroeven zou, kind, en waardoor ; ik zeer eenzaam zou blijven.quot; — „Mylady ! Heb ik iets misdaan?quot; — „Niets. Kom eens hier.quot;

Kosa buigt zich over het voetbank je, dat voor de dame staat. Met die moederlijke teederheid, als op den avond toen de ijzersmelter gekomen was, legt mylady hare hand op Hosa\'s donkere lokken en laat die zacht daarop liggen.

,lk heb u gezegd, Rosa, dat ik uw geluk wensch te, en dat ik u gelukkig zou maken als | ik iemand op aarde dat maken kon. Ik kan het niet. Er bestaan redenen, die mij nu bekend zijn, redenen, waaraan gij geen deel hebt, waarom het veel beter voor u is, dat gij hier niet blijft. lt;iij moet hier niet. blijven, ik heb besloten, dat gij het niet doen zult. Ik heb aan den vader van uw minnaar geschreven, en hij zal vandaag hier komen. Dat alles heb ik om uwentwil gedaan.quot;

Het schreiende meisje bedekt hare hand met kussen, en vraagt wat zij toch doen zal, als zij geseheiden zijn \' Hare meesteres geeft haar een kus op de wang en geen ander antwoord, .Wees gelukkig, kind, onder gunstiger omstandigheden. Wees bemind \'\'ii gelukkig 1quot; — „Ach, mylady, ik heb wel eens gedacht vergeef mij, dat ik zoo ben - dat gij niet gelukkig \'vaart/\' .Ik!quot; „Zult gij gelukkiger zijn als ik weg ben .\' Ik bid u, deuk er nog eens over. Laat mij nog wat blijven!quot; — ,Ik heb u gezegd, mijn kind: wat ik doe, doe ik om uwentwil, niet om mijnentwil. Het is gedaan. Wat ik voor u ben, Rosa, is wat ik nu ben niet wat ik over eene korte poos wezen zal. Onthoud dat en bewaar mijn vertrouwen. Doe /(V.veel om mijnentwil, en daarmede is aibvs tusschcn nns afgedaan 1quot;

Zij maakte zich los van hare eenvoudige gezellin en verlaat de kamer. Wanneer zij zich, laat in den namiddag, weder op de trap vertoont, is zij zoo trotsch en koel als zij ooit geweest is; zoo onverschillig, alsof alle hartstocht, gevoel en belangstelling voor anderen in de vroegste eeuwen der wereld, met hare andere uitgestorvene monsters, waren vergaan en van hare oppervlakte verdwenen.

Mercurius heeft mijnheer Rouncewell aangediend, en dit is de reden dat zy te voorschijn komt. Mijnheer Rouncewell is niet in de bibliotheek, maar zij begeeft zich toch daarheen. Sir Leicester is daar, en z.y wenscht hem eerst te spreken.

„Sir Leicester, ik zou wenschen -- maar gy hebt bezigheden.quot; ,0 Heere neen! volstrekt niet! Het is mynheer Tulkinghorn maar.quot;

Altijd bij de hand. Overal omwarende. Geen oogenblik voor hem veilig.

, Verschooning, Lady Dedlock! Wilt ge my veroorloven mij te verwijderen?quot;

Met een blik, die duidelijk zegt; „Uij weet wel, dat gy macht hebt om te doen gelijk gy wilt,quot; antwoordt zij, dat dit niet noodig is, en gaat naar een stoel. Mynheer Tulkinghorn schuift dien, met zijne linksche buiging, een weinig voor haar by en gaat naar een venster, Tusschen haar en het flauwe daglicht in de nu stille straat staande, verdonkert hij dit geheel voor haar. Zoo verdonkert hij ook haar leven.

Het is zelfs onder de gunstigste omstandigheden eene doodsche straat; waar de twee lange ryen van huizen elkander zoo styf en stroef staan aan te staren, dat z.y elkander langzamerhand tot steen schynen gestaard te hebben, in plaats van daarvan gebouwd te zijn. Het is eene straat van zulk eene akelige deftigheid, zoo vast voornemens om zich nooit tot levendigheid te verlagen, dat de deuren en vensters hunne eigene staatsiekleeding van zwarte verf en stof dragen, en de stallen achter de huizen er uitzien, alsof er de steenen paarden van edele standbeelden in moesten gestald worden, Een ingewikkeld netwerk van ijzer slingert zich in deze ontzaglijke straat tegen de hooge stoepen op, en uit deze metalen pri-eelen komen dompers voor lang afgeschafte flambouwen te voorsehyn, die het nieuwerwetsche gas bedreigen. Hier en daar is tusschen het roestige loofwerk een zwak ijzeren hoepeltje gebleven. waardoor vermetele jongens de petten hunner vrienden pogen heen te gooien (het eenige tegenwoordige gebruik), geheiligd aan de nagedachtenis van verdwenen olielampen. Ja, zelfs de olievlammen, die hier en daar nog in eene glazen klok branden, schynen van afgunst op het nieuwere licht zoo donker te kyken als zy maar kunnen.

Er is dus niet veel, dat Lady*Dedlock, op haar stoel gezeten, door het venster waarvoor mynheer Tulkinghorn staat, kon wenschen te zien. En toch — toch werpt zij een blik in die richting, alsof zy hartelijk verlangde, dat die gedaante uit den weg was.


-ocr page 341-

325

Sir Leicester verzoekt mylady om verschoo-ning. 74 wilde zeggen ?

„Alleen, dat mijnlieer Rouncewell hier is op myn verzoek gekomen — en dat wij nu liefst een eind aan de zaak van dat meisje moesten maken. De zaak verveelt my doodeljjk.quot; — , Wat kan ik doen — om — om u genoegen te geven?quot; vraagt Sir Leicester, volstrekt niet wetende wat mylady verlangt. — „Laten wjj nu met hem spreken en tot een besluit komen. Wilt gü hem hier laten roepen ?quot; — „Mjjnheer ïulkinghorn, wees zoo goed om eens te schellen. Wel bedankt. Verzoek,quot; zegt Sir Leicester tot Mercu-rius, „dien ijzer dien ijzeren heerquot; (hij weet niet zoo dadelijk welken titel hjj zal bezigen) „om hier te willen komen.quot;

Mercurius gaat den ijzeren heer zoeken, vindt hem en laat hem binnen. Sir Leicester ontvangt hem met genadige vriendelijkheid.

„Ik hoop, dat gij nog wel vaart, mijnheer Kounceweli. Ga zitten. Mijn solliciteur, mijnheer Tulkinghorn. Mylady was verlangend, mijnheel\' üouncewel,quot; (deftig met de hand wuivende, maakt Sir Leicester zich behendig van de zaak af), „was verlangend om u te spreken. Hm?quot; —„Ik zal zeer gaarne met alle aandacht luisteren,quot; antwoordt de ijzeren heer, „naar alles wat Lady Dedlock my gelieft te zeggen.quot;

Terwijl hij zich naar haar omkeert, vindt iiy, dat de indruk, dien zy op hem maakt, minder aangenaam is dan by de vorige gelegenheid. Zekere hooghartige stijfheid schynt eene koude om haar heen te verspreiden, en hare houding heeft niets, gelyk dit vroeger het geval was, om hem tot rondborstigheid aan te moedigen,

„Mag ik vragen, mijnheer,quot; zegt Lady Dedlock, met lustelooze onverschilligheid, „of er ook iets tusschen 11 en uw zoon is voorgevallen over dat idee van uw zoon ?quot;

Het is hare kwijnende oogen bijna te veel moeite om hem even aan te. zien, terwijl zij dit vraagt.

„Als ik my wel herinner. Lady Dedlock, heb ik gezegd, toen ik het genoegen had van (i laatst te spreken, dat ik mijn zoon ernstig zou aanraden om zich dat „ideequot; uit het hoofd te zetten.quot; De ijzersmelter herhaalt het door haar gebezigde woord met eenigen nadruk. „ Kn hebt gij dat gedaan?quot; „O, ja, natuurlijk.quot;

Sir Leicester knikt eens, tegelijk goedkeurend en bekrachtigend. Zeer goed. Daar de ijzeren heer gezegd had, dat hij dit doen zou, was hij ook verplicht het te doen. In dit opzicht bestaat er geen verschil tusschen de edele en onedele metalen. Zeer goed!

„Hn mag ik vragen, heeft hy dat gedaan?quot; — ..Inderdaad, Lady Dedlock, daarop kan ik geen bepaald antwoord geven. Ik vree; van neen. Waarschjjnlyk nog niet. In onzen stand hebben zulke ideeën somtijds iets, waardoor wij ze niet zoo gemakkelijk uit het hoofd kunnen zetten. Ik geloof, dat wij er daartoe wat te veel ernst van maken.quot;

Sir Leicester vermoedt, dat onder deze uitdrukking eene Wat-Tylerachtige beteekenis schuilt, en maakt zich inwendig een weinigje boos. Mynheer Rouncewell is vriendelijk en beleefd ; maar zoover dit binnen deze grenzen geschieden kan, schikt hij blijkbaar zijn toon naar de ontvangst, die hy vindt.

„Omdat,quot; hervat de dame, „ik ook over de zaak heb gedacht en zij mij verveelt.quot; — „Dat spijt mij wel, verzeker ik u.quot; „En ook over hetgeen Sir Leicester er over gezegd heeft, waarmede ik volkomen instemSir Leicester is gestreeld; „en indien gy ons geene verzekering kunt geven, dat het nu met dat idee is afgedaan, ben ik van begrip, dat het beter zou zijn als het meisje maar vertrok.quot; ~ „Ik kan u deze verzekering niet geven. Lady Dedlock — onmogelijk.quot; - „Dan is het beter, dat zy maar vertrekt.quot; — „Neem mij niet kwalijk, mylady,quot; valt Sir Leicester er nu uit welwillendheid op in, „maar misschien legt gij het meisje daardoor eene straf op, die zij niet verdiend heeft. Hier is een meisje,quot; zegt Sir Lei-cester, en zet de zaak deftig met zijne rechterhand uiteen, alsof het een zilveren servies was, „dat het geluk heeft gehad van de aandacht en gunst eener voorname dame te verwerven, en onder de bescherming dier voorname dame te leven, in het genot der verschillende voordcelen, welke zulk eene betrekking verleent, en die voor een meisje uit dien stand ontwijfelbaar zeer gewichtig zyn — ik geloof ontwijfelbaar zeer gewichtig, mijnheer. Nu doet zich de vraag op: behoort dat meisje van deze talrijke voordeelen en dat geluk verstoken te worden, alleen omdat zijquot; (Sir Lei-cester besluit dezen volzin met eene verontschuldigende maar tevens zeer deftige hoofdbuiging naar den kant van den ijzersmelter) „de opmerkzaamheid van mijnheer Kouncewell\'s zoon heeft getrokken? Heeft zij deze straf verdiend? Is dit rechtvaardigheid? Is dit onze vroegere afspraak?quot; „Verschooning, Sir Leices-ter,quot; laat de vader van mijnheer Kouncewell\'s zoon hierop volgen. „Wilt ge mij wel vergunnen even iets te zeggen? Ik meen de zaak te kunnen bekorten. Ik verzoek u, dat geheel buiten aanmerking te laten. Als gy u iets zoo onbelangrijks nog herinnert —- wat haast niet te verwachten is, zult gy wel weten, dat ik er van den eersten af rechtstreeks tegen was, dat zy hier bleef.quot;

De gunst en bescherming der familie Dedlock buiten aanmerking laten? Sir Leicester is verplicht de ooren te gelooven, die hem uit zulk eene familie zijn aangekomen, of hy zou waarlijk vermoeden, dat zy hem de gezegden van den ijzeren heer niet juist overbrengen.

„Het is niet noodig,quot; zegt mylady op haar


-ocr page 342-

HET VERLATEN HUIS.

koiuiston toon, oer haar cvlitgenoot iets aiulors kan doen ilan met vorbazinp ademhalen, .verder over de /aak te spreken. Met meisje is een /eer goed meisje, ik heb niets hoegenaamd op haar te /eggen ; maar zy is in zooverre ongevoelig voor de talrijke voordeelen, die zy hier geniet, dat zjj torh verliefd hiyft - ot\'zich dat \\ erbeeldt, het zottinnetje — en dus buiten staat ilt; om haar geluk te waardeeren.quot;

Sir Leieester verzoekt te mogen opmerken, dat dit de zaak geheel verandert. Hjjhadzieh wel zeker kunnen achten, dat myladv de beste redenen voor hare begrippen had. lly stemt I volkomen met myladv in Het ilt; best, dat het meisje maar vertrekt.

.lielyk Sir Leioester aanmerkte, mynheer Koumewell, toen wij de vorige maal met die zaak werden lastig gevallen,quot; vervolgt Lady 1\'edloek op een toon van kwijnende lusteloosheid, .wij kunnen geene eonditiën met u maken. Zonder eonditiën en onder de tegenwoordige omstandigheden, iv het meisie hier geheel misplaatst en is hot best. dat zij maar vertrekt, /oudt gij wensohen, dat zij naar haar dorp werd teruggezonden, of zoudt gy haar willen medenemen. of wat zoudt gy fiever willen ?quot;

.Lady Dedloek. als ik duidelyk mag spreken . ..Wel zeker.quot; .Dan zou ik datgene verkiezen, waardoor gy het spoedigst van uien overlast en zy uit hare tegenwoordige betrekking ontslagen werd.quot; — „Ona even duidelijk te spreken,quot; antwoordt zij met dezelfde bedaarde onversohilligheid, „dat zou ik insgelijks. Moet ik dus begrijpen, dat gij haar zult medenemen rquot;

De ijzeren heer antwoordt met eene ijzeren buiging.

.Nv Leio\'ster, wil; gy eens sohollen?quot; Myn-hfor Tulkinghorn komt van zyn venster af en trekt aan de sohel ,ik had u vergeten. Wel bfdaeht.quot; Hy maakt zijne gewone buiging en gaat ^til weder naar het venster. l)e vlug ge-n^orzamende Jlercurius verschynt, verneemt wie hij halen moet, vliegt heen, iaat de bedoelde binnen en verdwynt weder.

l{ogt;a heeft geschreid en is nog zeer droevig. Znodra zy binnenkomt staat de yzersmelter van zyn stoel op, neemt haar arm in den zynen, en blijft dkht by de deur met haar staan.

.\' \'ij zyt regt;quot;isbezorgd, ziet ge,quot;zegt dedameop haar lusteloA/en toon, .en gaat onder goed geleide heen. Ik heb gezegd, dat gy een goed meisje zyt, en try iiebi over niets te schreien. 1 „Het sehynt evenwel,quot; merkt mijnheer Tulkinghorn aan, met de handen op den rui.\' langzaam een weinig vooruitkomende. .dat zij s. hreit omdat zy moet vertrekken.quot; Oeh, zy ilt; niet welopgevoed, begrypt ge, antwoordt mynheer Kounoewell eenigszins driftig en alsof hy blyde was het wn,)rd tegen den procureur te kunnen richten; .en zy is nog een kind z irider oudervinding, dat niet beter weet. Als zij hier gebleven was, mynheer, zou zij zonder twijfel wel heter geleerd hebben.quot; .Zonder twijfel,quot; is mynheer Tulkinghorn\'s bedaard antwoord.

Hosa brengt snikkend uit, dat het haar zeer spijt en dat zij op Kastanje-Hof zoo gelukkig was, en bij mylady altijd zoo gelukkig is geweest, en dat zij mylady nogmaals en nóg- ; maals bedankt. „Schaam u toen, onnoozel dingetje,quot; zegt de ijzersmelter binnensmonds, maar niet gramstorig; ,en als gij Walter liefhebt, : houd u dan goed!quot; Mylady wuift slechts even met de hand en zegt zeer onverschillig: „Ue-noeg, kind. (Je zyt een goed meisje, üa nu ! maar heen!quot; Sir Leicester heeft zich deftig van de zaak losgemaakt, en zich in het onschendbare heiligdom van zijn blauwen rok terugge- ■ trokken. Mynheer Tulkinghorn, eene ondnioe- ! lijke gedaante, tegen de donkere, mi niet lantarens verlichte straat afstekende, schijnt in \\ de oogen van mylady hoe langer hoe grooter en zwarter te worden.

„Sir Leicester en Lady Dedloek,quot; zegt mijn- ; heer Rounoewell na eene korte poos van stilte, .ik verzoek by het afschoidnemeii verschooning, dat ik u nog eens. hoewel niet uit eigene be- ■ weging, met die vervelende zaak heb lastig gevallen. Ik kan zeer wel begrijpen, verzeker ik u, hoe vervelend zulk eene beuzeling voor Lady Dedloek moet geweest zijn. Indien ik twyfel of ik er wel in gehandeld heb, is het alleen omdat ik niet eerst in stilte myn invloed heb aangewend om myn vriendinnetje hier vandaan te nemen, zonder u lastig te vallen. Maar ik dacht —- zeker schatte ik het belang der zaak veel te hoog — dat de eerbied vorderde u eerst uiteen te zetten hoe het geval gelegen was en my in billijkheid naar uwe wènscnen te voegen. Ik hoop, dat gij mjjne onbekendheid met de beschaafde wereld zult verontschuldigen.quot;

Sir Leicester begrijpt, dat hy door deze gezegden uit zijne heilige wijkplaats wordt geroepen. „Spreek er niet van, mynheer Rounce-\'-veil,quot; antwoordt hij. „Verontschuldigingen,hoop ik, zyn aan beide zijden noodeloos.

.Het doet mij genoegen dit te hooren, Sir Leicester; en als ik, tot besluit, nog eens mag terugkomen op wat ik vroeger van de langdurige betrekking mijner moeder tot deze familie heb gezegd, en van de innerlijke waarde aan beide zyden, die daaruit blykt, wilde ik op het meisje hier aan mijn arm wyzen, dat nu zy haar afscheid krygt nog zooveel trouw en gehechtheid toont, en bij wie mijne moeder zeker wel iets gedaan heelt om zulke gevoelens aan te kweeken hoewel Lady Dedloek natuurlijk door hare hartelijke belangstelling en vriendelijke goedheid veel meer heeft gedaan.quot;

Indien dit gezegde als spotternij gemeend is, kan er wel meer waarheid in liggen dan hy


-ocr page 343-

EENE ZAAK MET LADY DEDLOCK.

denkt. Hy verscherpt echter zyne woorden niet door de minste anvyidng van zyne rondborstige manier van spreken, hoewel hy zich bij hot uiten daarvan naar dat gedeelte der duistere kamer keert, waar mylady zit. Sir Leicester staat op om zyn afscheidsgroet te beantwoorden, mynheer Tuikinghorn schelt wederom. Mercurius komt nog eens aanvliegen, : en mijnheer Uouncewell en Rosa verlaten het liuis.

Lr wordt licht gebracht, en dit beschynt mynheer Tuikinghorn, die nog niet de handen op den rug voor zyn venster staat, en mylady, die nog daar zit met zyne gedaante voor de oogen. welke haar het uitzicht op den nacht, zoowel als op den dag, verhindert. Zij is zeer ideek. Terwijl mynheer Tuikinghorn ditopmerkt, als zy opstaat om heen te gaan, denkt hy : , Wel, mag zij dat wezen! De geestkracht van die vrouw is verbazend. Zy heeft al dien tyd eene rol gespeeld.quot; Maar hy kan ook eene rol spelen — zijne eenige, onveranderlijke rol — en terwijl hij voor die vrouw de deur opendoet, zouden vijftig paar oogen, ieder vyftig-i maal scherper dan die van Sir Leicester, niet het minste in hem ontdekken, dat eenigen argwaan kon geven.

Lady Dedlock dineert vandaag alleen op hare kamer. Sir Leicester moet naar liet parlement om de partij van Doodle te hulp te komen en de factie van (Joodle eene neerlaag toe te brengen. Terwijl Lady Dedlock zich aan tafel zet, nog doodsbleek, vraagt zij, of mylord al uit 1 is? .la. Of mijnheer Tuikinghorn al is heengegaan ? Neen. Kort daarop vraagt zy weder, of liij nu al heen is\'r1 Neen. Wat doet hij \'r1 Mer-1 ciirius denkt, dat hij in de bibliotheek brieven ; zit te schrijven. Zou mylady hem verlangen te spreken? Volstrekt niet.

Maar hy verlangt mylady te spreken. Weinige minuten later iaat hij zijn coinpliinent doen en vragen of mylady hem een oogenblik zou kunnen afwachten als zy gedaan heeft met dinee-ren. Mylady zal hem terstond afwachten. Hij komt ook terstond, en verzoekt verschooning, • dat hy haar, zelfs met haar verlof, stoort i terwijl zij aan tafel zit. Zoodra zy alleen zijn, | wuift mylady met hare hand om hem in die | naar spotterny zweemende beleefdheid te stuiten. :

„Wat moot gy, mynheer?quot; —- „Wel, mylady,quot; zegt de procureur, zich op geringen af- : stand op een stoel zettende en zijne vale oeenen wrijvende, op en neer, op en neer, altyd op | en neer: ,,ik ben eenigszins verwonderd over uwe manier van handelen.quot; — „Inderdaad?quot; — „.Ia, stellig. Ik was daarop niet verdacht. Ik beschouw dit als eene inbreuk op onze afspraak en uwe belofte. Hij plaatst ons iiieene nieuwe positie, Lady Dedlock. Ik gevoel mij ! genoodzaakt om te zeggen, dat ik dit niet goed- j keur.quot;

Hy houdt op met wrijven en ziet haar aan, | met de handen op de knieën. Onverzettelyk en onveranderlijk als hij is, hebben zijne manieren toch zekere onbeschrijfelijke vrijpostigheid gekregen, die iets nieuws is eu de opmerkzaamheid dezer vrouw niet ontsnapt.

„Ik begrijp u niet geheel.\'\' — ,0 jr., dat doet gü wel\'. Dat moet gij wel doen. Kom aan. Lady Dedlock, wij moeten zoo niet schermen en pareeren. \' i ij weet wel, dat gij veel van dat meisje houdt.quot; „Welnu, mijnheer?quot; „Ln gij weet wel — en ik weet wel — datgy haar liiet om de door u aangevoerde redenen hebt heengezonden, maar om haar zooveel mogelijk vrij te houden van neem my niet kwalijk, dat ik dit zoo onbewimpeld zeg — van alle opspraak en blaam, die u zelve boven hot hoofd kunnen hangen.quot; — „Welnu, mynheer?quot; — „Welnu, Lady Dedlock,quot; antwoordt de procureur, zijne beenen over elkander slaande en de boven liggende knie wrijvende, „daar heb ik tegen. Ik beschouw het als een gevaarlijke stap. Ik ben overtuigd, dat het onnoodig was en geschikt is om hier in huis tot gissingen, twijfelingen, geruchten, en ik weet niet wat al quot;meer, aanleiding te geven. Bovendien is het eene inbreuk op onze afspraak. Uy zoudt juist dezelfde zyn gebleven, die gy vroeger waart. Terwyl hef u zelve even duidelijk moet zijn als het mij is, dat gy dezen avond geheel anders zijt geweest dan gy vroeger waart. Inderdaad, Lady Dedlock, gij hebt u geweldig bloot gegeven.quot; — „Mijnheer,quot; begint zij, „indien ik, bewust van mijn geheim....quot; Maar hy valt haar in de rede. — „Wy spreken nu over zaken, Lady Dedlock, en als men over zaken spreekt kan men niet te nauwkeurig in zijne uitdrukkingen zijn. Dit is uw geheim met langer. Noem het my niet kwalijk. Dat is juist de vergissing. Het is mjjn geheim, dat ik voor Sir Leicester en de familie in bewaring heb. Als het uw geheim was, Lady Dedlock, zouden wij niet hier zyn en dit onderhoud hebben.quot;

- „Dat is maar al te waar. Indien ik dan, bewust van h e t geheim, doe wat ik kan om te verhoeden, dat een onschuldig meisje door de schande, die mij boven het hoofd hangt, bevlekt wordt (vooral daar ik wel onthouden heb wat gij zelfvan baar hebt gezegd, toen gy goed-vondt mijne geschiedenis aaiuU1 gasten op Kastanje-Hol te verhalen), handel ik volgens een vast besluit, dat ik genomen heb. Niels in de wereld en niemand in de wereld kan my daarin iloen w ankelen.quot; Zy zegt ditzeer langzaam en duidelijk, met even weinig uitwendigebartstocbtelykheid als hi j zelf laat blijken. Wat hem betreft, hij behandelt de zaak zoo koel, alsof hij slechts een gevoelloos document was, dat in die zaak gebruikt moest worden. — „Inderdaad? Dan ziet gij zelve wel. Lady Dedlock,quot; antwoordt hij, „dal gij niet te vertrouwen zijt. (tij hebt hel geval zeer


-ocr page 344-

HET VERLATEN HUIS,

328

(luiileiyk en letterlijk naar waarheid voorgesteld; en daar dit zoo is, zjjt gij niet te vertrouwen.quot; — „Misschien herinnert gy u, dat ik u reeds uiyiie ongerustheid in dit opzicht te kennen gat\', toen wij dien avond op Kastanje-Hof met elkander spraken?quot; — „Ja,quot; zegt m jnheer Tul-kinghorn, koeltjes opstaande. .Ja, Ik herinner nijj nu wel, Lady Dedlock, dat gij toen van dat meisje hebt gesproken; maar dat was eer wij tot ons akkoord kwamen, en zoowel de letter als de geest van ons akkoord verbood alle maatregelen van uw zgde, waartoe mijne ontdekking u anders reden had kunnen geven. Daaraan kan geen twijfel zijn. Wat het sparen van dat meisje betreft, van welk gewicht of waarde is zj)? Sparen! De naam eener familie is hier gecompromitteerd, Lady Dedlock. Men had moeten begrijpen, dat hier de rechte baan was voorgeschreven - over alles heen, zonder rechts of links te zien, zonder iets te ontzien of iets te sparen.quot;

Zij heeft voor zich op de tafel gezien. Zy j slaat de oogen op en ziet hem aan. Hare trek- ï ken teekenen gesmoorde gramschap, en zij heeft de onderlip gedeeltelijk tusschen de tanden geklemd. „Die vrouw verstaat mij,quot; denkt mijn-lieer Tulkinghorn, terwijl zy hare oogen weder neerslaat. „Z y kan niet gespaard worden. Waarom zou zij anderen sparen ?quot;

Rene korte poos bewaren beide het stilzwijgen. Lady Dedlock heeft niets gegeten, maar twee-of driemaal heeft zij met eene vaste hand water in een glas geschonken en dat uitgedronken. Zy staat van de tafel op, gaat naar een i lagen leuningstoel, laat zich daarop neerzinken in eene half liggende houding, en houdt de eene hand voor haar gezicht. Kr is niets in baar voorkomen, dat zwakheid aanduidt of me- , delydeu kan opwekken. Zy igt; nadenkend, soullier, in zich zelf verzonken. „Die vrouw,quot; denkt mijnheer Tulkinghorn, voor het vuur staande, wederom een donker voorwerp, dat haar gezicht belemmert, „is waarlijk eene studie.quot;

Hy bestudeert haar op zijn gemak en spreekt .•enigen tyd niet. lt; lt;ok /ij bestudeert iets op haar gemak. Zy zal de eerste niet zijn om te spre-ken; dit is zoo onwaarschyriiyk, al stond hy daar tot middernacht, dat by zich eindelijk genoodzaakt vindt de stilte af te breken.

„Lady Dedlock, lift onaangenaamste gedeelte der zaak blijft nog over ; maar er moet toch over gesproken worden. Onze afspraak is ver- | broken. Eene dame van uw verstand en uw krachtig karakter zal er wel op voorbereid zyn dat ik die afspraak vervallen verklaar en nu mijn eigen gang ga.quot; „Ik ben er volkomen op voorbereid.quot; — Mynheer Tulkinghorn buigt zyn hoofd. .Dit is alles, waarmede ik u heb lastig te vallen, Lad\\ Dedlock.quot;

Terwyl hij wil heengaan stuit zij hem met j de vraag: .-Js dit de waarschuwing, die ik zou 1

ontvangen? Ik wensch u niet verkeerd te begrijpen.quot; — „Eigenlijk niet de waarschuwing, die gy zoudt ontvangen. Lady Dedlock, omdat bij die bedoelde waarschuwing ondersteld werd, dat de afspraak gehouden zou worden. Maar wat de zaak betreft eveneens. Het onderscheid ligt maar in het verschil van opvatting en bedoeling.quot; — „( iij meent my dus geene andere waarschuwing te geven ?quot; — „Dat hebt gij wel begrepen. Neen.quot; — „Zijt gij voornemens. Sir Lei-cester, van avond nog het geheim te ontdekken?quot; „Dat is eene vraag op den man af!quot; zegt mijnheer Tulkinghorn, met een zweem van een glimlach, en schudt, met een blik naar het achter de hand verborgene gezicht, bedeukelyk zijn hoofd. „Neen van avond niet.quot; — „Morgen?quot; „Alles wel overwogen, moet ik my liever onthouden van die vraag te beantwoorden, Lady Dedlock. Als ik u zeide, dat ik het nog niet recht wist, zoudt ge mij niet gelooven, en dat zou dus doelloos zyn. Het kan morgen wezen. Ik wilde liefst niet meer zeggen. Gy zijt er op voorbereid, en ik wil nooit } verwachtingen opwekken, die de omstandig- l heden misschien niet zouden vervullen. Ik wensch | u goeden avond.quot;

Zij neemt hare hand weg, keert haar bleek gelaat naar hem toe terwijl hij zwijgend naaide deur gaat, en stuit hem wederom, als hij op het punt is om die te openen.

„Denkt gy nog eenigen tyd hier in huis te blijven ? Ik hoorde, dat gij in de bibliotheek aan bet schrijven waart. Gaat gij weder daarheen?quot; — „Alleen om mijn hoed te halen. Ik ga naar huis.quot;

Zij buigt met hare oogen veeleer dan met haar hootd. Zoo gering en zoo vreemd is de beweging; en hij gaat heen. Buiten de kamer kykt hij op zijn horloge, maar is genegen om te twijfelen of bet niet eene minuut mis is. Er staat op de trap eene kostbare klok, vermaard, i gelyk kostbare klokken niet dikwijls zijn, door \\ de nauwkeurigheid van haar gang. „En wat zegt gij ?quot; vraagt mynheer Tulkinghorn, naar die klok ziende. „Wat zegt gij?quot;

Als zij nu eens zeide: „Ga niet naar huis!quot; Welk eene vermaarde klok zou zij naderhand wezen, als zy dit dezen avond zeide, onder al | de avonden, die zy heeft afgeteld, en tegen dien ouden man, onder al de oude en jonge- ; lieden, die ooit voor haar hebben gestaan. „Ga 1 niet naar huis !quot; Op hare helderklinkende bel i slaat zij kwartier voor achten, en likt weder voort. „Gjj zijt erger mis dan ik gedacht had,quot; I zegt mijnheer Tulkinghorn, op zijn horloge knorrende. „Twee minuten achter. Zoodoende zult ge myn tijd niet uithouden.quot; Welk een braaf horloge zou het, zyn, als het kwaad met goed vergold, en tot, antwoord tikte: „Ga niet naar buis Iquot;

Hy gaat de straat op en stapt voort, met de


-ocr page 345-

32!)

handen op den rug, onder de schaduw der hooge huizen, wier talrijke geheimen, ongele-! genheden, hypotheken, netelige zaken van allerlei aard onder zijn oud zwart satijnen vest geborgen zijn. Zelfs kalk en steen maken hem tot vertrouwde. De hooge sclioorsteenen tcle-grapheeren hem de familiegeheimen over. En ! toch is er geen stem, die hem toefluistert: „Oa niet naar huis.quot;

Door de beweging en het gewoel der gemeenere j straten; door het gerucht en geratel van vele j rijtuigen, vele voeten en vele stemmen; terwijl

Het is maneschijn, maar de maan, die aan het afnemen is, gaat nu pas op boven de groote woestijn van L o n d e n. De sterren schijnen, gelijk zij op het torenplat van Kastanje-Hof schenen. Die vrouw, gelijk hij zich sedert eeni-gen tijd gewend heeft haar te noemen, ziet naar de sterren uit. Zij is benauwd en onrustig. De groote kamers zijn haar te eng en bedompt. Zij kan het er niet in uithouden, zij wil alleen in een naburigen tuin gaan wandelen.

Te eigenzinnig en grillig in al wat zij doet, dan dat zij. die haar omgeven, zich over iets,


de gasvlammen ui de winkels hem voorlichten, de westenwind hem aanwaait, en het mensdien-gewoel hem dringt, drijft het onbarmhartige noodlot hem voort en is er niets, dathemtoe-Huistert; ,0a niet naar huis!quot; Eindelijk in zijne holle kamer gekomen, waar hij zijne kaarsen aansteekt, om zich heen en naar boven kijkt en den llornein van de zoldering naar beneden ziet wijzen, is er geene nieuwe betee-kenis in dien Komein of in de groepen om hem iieen te bespeuren, om hem de late waarschuwing te geven: ,Kom niet hier.quot; dat zij doet, zeer zouden verwonderen, stapt die vrouw, met een loshangenden mantel om, in den maneschijn naar buiten. Mercurius volgt haar met den sleutel. Nadat hij het hek van den Uiin had geopend, geeft hij haar op haar verlangen den sleutel over en ontvangt bevel om weder heen te gaan. Zij wil daar wat blijven wandelen, om hare hoofdpijn te laten bedaren. Zij zal misschien een unr uitblijven, misschien langer. Zi j heeft geen verder geleide noodig. ilet hek valt met een klinkenden slag in het slot, en Mercurius gaat heen, terwijl zij


-ocr page 346-

HET VERLATEN HUIS.

:!30

li are scliroden naar de donkere schaduwen van : ccnige boomen rictit.

Men fraaie avond, eenc groote heldere niaan iüi cono menigte van sterren. Mijnheer Tul-kinghorn, die zich naar zijn kelder begeeft, en (lie galmende deuren opent 011 sluit, moot eon gevangenisachtig binnonploiutje overgaan. Toevallig ziet hij omhoog en denkt: welk een fraaie avond, welk eeno groote holdon^ maan on wolk oono menigte van sterren! En hoe stil is alles!

Zeer stil is de avond. Wanneer de maan bijzon-dor helder schynt, is het alsof er eene oonzaam-heid en stilte van haar afstralen, die zich zelts op levendige en woelige plaatsen doen gevoelen. N iet alleen is het een stille avond op stofferige straatwegen en heuveltoppen, van welke men oen uitgestrekt landschap ziet liggen rusten, dat zich al stiller en stiller uitspreidt, tot waar oen rand van geboomte tegen de lucht alsteekt; niet alleen is het eon stille avond in tuinen ou bosschen en op de rivier, waar het stroo-monde water tusschen trissche groene weiden, bevallige eilandjes en lluisterende biezen glinstert: niet alleen vergezelt haardie stilte, waarzij Uism hen dicht opoengedrongone huizen stroomt, waar vele bruggen in haar spiegelen, waar werven en schepen haar zwart kleuren, en waar zij, niet langer zoo ontsierd, door moerassen kronkelt, waar witte bakens staan, die naar aan land gespoelde geraamten gelijken, waar zy zich uitbreidt in eene schoonere streek van heuvelachtig land, rjjk aan kooruveldon, windmolens en kerktorens, en waar zij zich j vermengt met do altijd woelende zee; niet alleen is het een stille avond op het groote watervlak en op de kust, waar de wachter staat om het schip met uitgespreide vleugelen dwars over de baan van licht te zien snellen, die alleen voor hem zichtbaar schijnt te zijn; maar zelfs in deze wildernis van Londen hoerscht zekere rnst. De torens en de eenigo groote koepol schijnen meer etherisch te worden; de berookte daken schynen in bet bleeko licht hunne aard-scho grofheid te verliezen; het gerucht van do straten schijnt zachter naar boven te klinken. In die velden, waar mynheer Tiilkiiighorn woont, waar gt;le herders op Kanselary-ttnitjes spelen, en de schapen in de kooi houden tot /ij hen geheel kaal hebben geschoren, is al hot gerucht der gt;tad op dezon avond tot een klinkend gesuis verzacht, alsof de geheelo stad eene groote trillende glazen klok was.

\\Vat is dat? Wie heeft daar een geweer of pistool afgeschoten? Waar was het?

De weinige voorbijgangers schrikken, blijven staan en kijken starend rond. Kenige deuren en vensters worden geopend en er komen men--••hen uitkijken. Hot was een harde slag, die een ratelende echo had. Een man, die voorbijging, /.egt, dat iVn huis er van dreunde. Al de honden in de buurt zijn er van wakker geworden en beginnen heftig te Haften. Verschrikte katten vliegen de straat over om zich weg te pakken. Terwijl de honden nog blaffen en huilen -één hond built alsof hij den duivel in hot lijf had — beginnen de kerkklokken te slaan, alsof zij ook geschrikt hadden. Hot gegons der straat schijnt insgelijks tot oen luid gejoel aan te zwellen. Maar dit is spoedig voorbij, her de laatste klok tien begint te slaan komt er stilte. Als zij uitgeslagen heeft zijn do fraaie avond, de groote heldere maan en de menigte van sterren weder oven vreedzaam als te voren.

Is mijnheer Tulkinghorn gestoord geworden ? Zyne vensters zijn donker en stil, en z.yne denr is gesloten. Het moet wel iets buitengewoons zijn, om hom uit zijne schulp te doen komen. Men ziet of hoort niets van hem. W elke macht van kanonnen zon er noodig z.p, om dien roestigen ouden man «it zijne onverzettelijke bedaarheid op te schudden ?

Vele jaren lang heeft die hardnekkige Homem, zonder iets bijzonders aan te duiden, van die zoldering naar omlaag gewezen. Het is niet waarschijnlijk, dat hij van avond iotsnieiiwsdaarmede meent. Eens wijzende wijst hij altijd, gelijk elke Romein, of zelfs lirit, die geleerd hoeft op zyn stuk te blijven staan. Daar is lijj dan, zonder twijfel, nog in zijne onmogelijke houding en blijft den gebeelcn nacht door nutteloos\' wijzen. Maneschijn, duisternis, dageraad, zonsopgang, dag. Daar hip hij nog even ijverig wijzen, en niemand let op hem.

Doch kort na het aanbreken van den dag komen er menschen om de kamers schoon te maken; en nu geeft de Romein eene nieuwe beteekenis aan zün wijzen, die hy te voren niet hooft aangeduid, ot\' wel de voorste van die lieden wordt razend ; want nadat hy omhoog gekeken hooft naar die uitgestrekte band, en omlaag naar wat daaronder ligt, geelt by een gil en neemt de vlucht. De anderen, die daarop binnenkyken. gelijk de eerste gedaan hoeft, gillen insgelijks en nemen ook de vlucht, en er komt alarm op straat.

Wat beteekent dat ? Er wordt geen licht in de donkere kamer gelaten, en menschen, niet go-woon daar te komen, treden nu binnen, en dragen, zacht maar zwaar stappende, eeno vracht naar de slaapkamer en leggen die daar neer. Den pehci len dag Idyft men tluistGren en zich verwonderen. terwijl men allf hoekjes doorzoekt, alle voetstappen zorgvuldig naspoort, en even zorgvuldig don toestand en de plaatsing van ieder 4uk huisraad opmerkt. Alle oogen zien naar don Komein op, en stemmen mompelen : .Als hjj maar vertellen kon w at hy gezien beeft

Hij wijst naar eene tafel, met eene flesch (bijna vol w yn quot;ii een glas er op. en twee kaarsen, die eensklaps werden uitgeblazen, kort nadut /ij waren aangestoken. IIy wijst naar een Ie-


-ocr page 347-

AN HET OUDJE. 331

VERJAARDAG

iligen stoel en eene vlek op den grond voor dien stoel, die men bijna met do hand zou kunnen bedekken. Deze voorwerpen liggen vlak in do richting van zyn vinger. Eene opgewon-dene verbeelding zou kunnen denken, dat zij iets zoo verschrikkelijks hadden, dat het overige der compositie, niet alleen de naakte jongetjes met dikke kuiten, maar ook de pilaren en de wolken — de gansche Allegorie met lichaam en ziel, en zooveel hersenen als zij heeft - er razend en dol van is geworden. Zeker is het, dat ieder, die in de donkere kamer komt en naar die dingen ziet, ook naar den Romein opkijkt, en dat hy in ieders oogen iets ontzaglijks en geheimzinnigs heeft gekregen, als ware hjj een met stomheid geslagen getuige.

En zeker is het ook, dat er nog vele jaren lang akelige historiën zullen verteld worden van die vlek op den vloer, zoo gemakkelijk om te bedekken, zoo moeielijk om er uit te kr|jgen; en dat de Romein, zoolang hy nog van de zoldering naar beneden wijst, zoolang als stof en vochtigheid en spinnewebben hem sparen, dit met veel meer beteekenis zal doen dan in den tijd van mijnheer Tulkinghorn. Want de tjjd van mijnheer Tulkinghorn is nu afgeloopen ; en die Romein wees naar de moorddadige hand, die tegen zyn leven werd opgeheven, en later naar zijn l|jk, toen het, van don avond tot den morgen, met een kogel door het hart, voorover op den grond lag.

XL1X.

TKOrWE VIUKXDSCHAl\'.

Ken groote verjaardag is wederom teruggekomen in het huisgezin van Jozef üagnet, anders gezegd Lignum Vitae, gewezen artillerist en tegenwoordig bazuinist, en geeft aanleiding tot eene feestviering.

Het is niet de verjaardag van Bagnet zeiven. Hy onderscheidt dien dag alleen door zijnen kinderen voor het ontbijt een buitengewoon smak kenden kus te geven, na den eten eene pijp meer dun gewoonlijk te rooken, en zich tegen den avond te verwonderen wat zijne oude moeder er wel van denkt — een onderwerp, waarover men langt bespiegelingen kan houden, daar zpe moeder reeds voor twintig jaren dit leven heeft verlaten. Sommige men-schen denken zelden aan hun vader, maar schijnen in het grootboek hunner herinnering geheel hun kapitaal van ouderliefde op den naam hunner moeder te hebben overgebracht. Bagnet is een van deze lieden. .Misschien draagt de liooge meening, welke hy van de verdiensten van zijn „oudjequot; koestert, er toe by, om hem aan alle deugden een vrouwelijk geslacht te doen toeschrijven.

| Het is ook niet de verjaardag van een der \' drie kinderen. Deze dagen worden met zekere teekenen van onderscheiding gevierd, maar zelden gaat dit verder dan eene felicitatie en een podding. Op den laatsten verjaardag van Woolwich ging Bagnet, na zyn groei en zijne vorderingen in het loeren te hebben opgemerkt en diepzinnig over de verandering, die de tyd teweegbrengt, te hebben nagedacht, er wel is waar toe over om hem den catechismus te over-hooren, en deed ook met de stiptste nauwkeurigheid de eerste en tweede vraag: „Hoe lie«t gij ?quot; en , Wie heeft u dien naam gegeven ?quot; maar stelde, dewijl zjjn geheugen hem daar begaf\', voor de gewone derde vraag eene andere in de plaats, namelijk: „En hoe bevalt u die naam ?quot; welke hij met zulk eene stichtelijke deftigheid uitsprak, dat iemand, die niet beter wist, dit voor de orthodoxe vraag had i moeten houden. Dit was echter iets buitengewoons, dat op dien byzonderen verjaardag alleen plaats had, geene op dien dag onmisbare plechtigheid.

Het is de verjaardag van zijn oudje; en dit • is de grootste feestdag in Bagnot\'s almanak.

Die gelukkige dag wordt altyd gevierd met ze-i kere ceremoniën, waarvan Bagnet jaren geleden het programma heeft vastgesteld. Diep overtuigd, dat een paar hoentjes op tafel te hebben het toppunt van koninklijke weelde is, gaat hij op den vroegen ochtend van dien dag onfeilbaar uit om er een paar te koopen ; en even onfeilbaar wordt hij door den verkooper beetgenomen, en krygt hy voor zijn geld de twee oudste bewoneressen van eenig hoenderhok in Europa in zyn bezit. Met deze mirakelen van , taaiheid in een schoonen wit en blauw bonten handdoek (een onmisbaar deel der ceremoniën) teruggekomen, verzoekt hij zyne vrouw onder het ontbijt (terloops en als geheel toevallig) ; om eens te zeggen, wat zij des middags wel het liefst zou willen eten. Als zij daarop, met even onfeilbare toevalligheid, antwoordt: „gebraden hoentjes,quot; haalt Bagnet oogeublikke-lyk, tot algemeene verbazing en blijdschap, het verborgen gehoudene bundeltje te voorschijn. \\ erder eischt hy, dal zijn oudje den geheelen dag niets zal uitvoeren, maar met hare allerbeste japon stil blijven zitten en zich door hem en de jongelieden laten bedienen. Daar Bagnet geen meester in de kookkunst is, kan men zich wel verbeelden, dat dit voor zyn oudje meer eer dan genoegen moet wezen, maar zij laat zich die hulde toch met blijmoedigheid welgevallen.

i )p dezen tegenwoordigen geboortedag heeft liagnet lt;lc gewone voorloopige ceremoniën vervuld. Hij lieeft twee kippen gekocht, gelijk liy alleen ze kan koopen ; hij heeft zyne familie 1 verbaasd en verblijd door ze onverwacht voor den dag te halen ; hy houdt in eigen persoon


-ocr page 348-

i :j;i2

het toezicht over liet braden ; en juffrouw Hug- | net, wier bruine vingers jeuken, om te voorkomen en te veranderen wat zij ziet, dat geheel verkeerd gaat, zit in hare staatsiejapon daarbij, als eene hooggei;erde gast.

Quebec en Malta dekken de tafel, terwijl Woolwich, door zijn vader op dien post gesteld, het spit met de kippen draait. Als deze : jonge keukenhelpers zich vergissen, geeft juf-tVoinv üagnet hun tusschenbeide een wenk, el\' schudt met een scheef gezicht haar hoofd.

.Dm half twee,quot; zegt Bagnet, „op de minuut af, zullen zij klaar zijn.quot;

Juffrouw Bagnet ziet met zielsangst, dat zü , voor het vuur stilstaan en beginnen te branden.

.Oudje,quot; zegt Bagnet, «gij zult een maal-j tyd hebben als eene koningin.quot;

Juffrouw Bagnet laat vroolijk hare witte tanden zien, maar haar zoontje merkt wel op, dat /.y toch zooveel onrust verraadt, dat kinderliefde hem dringt om haar met zyne oogen te vragen wat er aan scheelt Zoo blijft hjj ■ met wijd geopende oogen staan staren, vergeet | de kippen nog meer dan te voren en geeft geene de minste hoop, dat hij weder tot besef zal komen. Gelukkig bespeurt zijne oudste zuster de oorzaak der onrust in de borst barer moeder, en roept hem door een vermanenden stomp tot zyn plicht terug. De kippen draaien weder, en het zalige gevoel van herademing doet juffrouw Bagnet zachtjes de oogen sluiten.

J ieorge zal bij ons komen,quot; zegt Bagnet,-„om halt vijf - op de minuut af. Hoevele jaren, oudje is George op dezen dag al bjj ons gekomen Vquot; - .óch. Lignum, Lignum, al jaren genoeg, begin ik te denken, om eene jonge | vrouw tot eene oude vrouw te maken. Zeker al zooveel en niet minder,quot; zegt juffrouw üagnet, en schudt lachend haar hoofd. .Trek u dat niet aan, oudje,quot; zegt Bagnet. „Uezoudt

zoo jong wezen ...... als ge ooit geweest zyt

als ge niet nog jonger waart. Want dan zyt ge — dat weet iedereen.quot;

Quebec en Malta roepen hier, in de handen klappende, dat de Bullebak zeker iets voor moeder zal meebrengen, en beginnen te raden wat dit zal zijn.

.Weet ge wol, Lignum,quot; zegt juffrouw Bagnet, werpt een blik naar de tafel, knipt met haar rechteroog tegen Malta, hetgeen .zoutquot; beteekent. en schudt baar hoofd tegen Quebec om de peper weg te laten; ,ik begin te denken, dat George weder ongedurig gaat wor- : den.quot; .Georgequot; antwoordt Bagnet, ..zal nooit deserteeren en zijn ouden kameraad in den steek laten. Wees daar niet bang voor. .Neen. Lignum, neen. Dat zeg ik ook niet. Dat denk ik ook niet. Maar aL hij van die . hulden kan afkomen, geloof ik. dat h;j weiM\' de wijde wereld zou ingaan.quot;

Bagnet vraagt waarom \'t

„Wel,quot; antwoordt zyne vrouw, zich bedenkende, „ik vind, dat hij heel ongeduldig en onrustig schijnt te worden. Ik wil niet zeggen of hij is even rondborstig als ooit; dat moet hy wel wezen of hij zou George niet meer zijn ; maar hy schijnt toch niet recht in zijn humeur te zyn.quot; — „Hij wordt gedrild door een procureur,quot; zegt Bagnet, „en dat zou den duivel wel uit zijn humeur brengen.quot; — „Dat kan wel waar zyn,quot; antwoordt zijne vrouw, „maar het is toch zooals ik zeg.quot;

Het voortzetten van het gesprek wordt nu verhinderd, door de noodzakelijkheid, waarin Bagnet zich bevindt, om al zjjne aandacht op het aanrichten van den maaltijd te vestigen. Hy moet vreezen, dat zijn arbeid hem ditmaal niet te best zal gelukken, daar de droge kippen hardnekkig weigeren om jus te geven, en de gemaakte jus zoo bleek en smakeloos uitvalt. Met even groote eigenzinnigheid vallen de aardappelen, die ongeschild zyn gekookt, nu bij het schillen aan kruimels. Ook zijn de pooten der kippen wel wat langer dan men kon verlangen en buitengemeen dor. Deze onheilen zoo goed hij kan hersteld hebbende, zet Bagnet eindelijk het feestmaal op en men neemt plaats om de tafel. Juffrouw Bagnet zit op de eereplaats aan de rechterhand van baar man.

Het is gelukkig voor haar, dat zjj maar één verjaardag in het jaar heeft, want tweemaal zoo op gebraden hoentjes vergast te worden, zou haar slecht kunnen bekomen. Alle tijne spieren en vezelen, welke die vogelensoort eigen zijn, hebben zich bij deze twee merkwaardige kippen in den zonderlingen vorm van guitaarsnaren ontwikkeld. De vlerken schijnen niet aan, maar in haar lijfte zijn gegroeid, gelijk oude boomen zich m den grond wortelen. De pooten zyn zoo hard, alsof de dieren hun lang en moeielyk leven groo-tendeels aan het houden van wedrennen hadden gewyd. Doch zonder iets van deze kleinigheden te bespeuren, dringt Bagnet zyne vrouw eene duchtige portie van die lekkernijen op; en daar zij hem op geen dag van het jaar, maar allerminst op zulk een dag, eenig verdriet zou willen aandoen, stelt zij zich zelve in groot gevaar om pijn in de rnaag te krijgen. Hoe Woolwich, die toch niet van struisvogels afkomstig K de beentjes zoo schoon kan afkluiven, kan zyne bezorgde moeder onmogelijk begrijpen.

Na den maaltijd heeft zij nog eene beproeving door te staan, daar zij in staatsie moet blijven zitten kyken, terwijl de kamer opge-numd, de haard aangeveegd en bet tafelgereedschap op het achterplaatsje gewasschen wordt. De vrooljjkheid en ijver, waarmede de twee jongejuffrouwen zich aan die taak begeven, in navolging barer moeder hare rokken opsteken, en op hooge houten overschoenen, alsof zij schaatsen reden, heen en weder scharrelen, boezemen voor de toekomst veel hoop,


-ocr page 349-

GEZELSCHAP. 838

EEN PLErZIERIG

maar voor het oogenblik wel eenige bezorgd- I beid in. Dezelfde oorzaken geven aanleiding tot eene verwarring van stemgeluiden, een gerammel van borden en tinnen kroezen, een gezwaai met bezems en een geplas met water, | alles in overmaat; terwjjl de druipnatte toestand der jongejuffrouwen zeiven insgelijks een schouwspel is, dat juffrouw Bagnet bijna niet met de kalmte, die hare tegenwoordige waardigheid past, kan aanzien. Eindelijk is het wasschen en plassen zegepralend volbracht; Quebec en Malta komen verkleed, droog en vergenoegd lachende binnen; de tafel prijkt met | pijpen, tabak, en ook iets om te drinken, en juffrouw Bagnet geniet het eerste oogenblik van gemoedsrust, dat zjj op dezen heuglijken ; en feesteiyken dag ooit gekend heeft.

Terwijl i3agnet zicii op zijne gewone plaats i zet, staan de wijzers der klok bijna op half vijf; een paar minuten later zegt Magnet:

„George. Precies op zijn tijd.quot;

Het is George; en hij heeft een hartelijkeu I gelukvvensch voor het oudje (dat hy bij deze ; gewichtige gelegenheid een kus geeft), en voor do kinderen, en voor liagnet. „Nog vele jaren ; ua dezen, allemaal!quot; zegt George.

„Maar George, oude jongen!quot; roeptjulfromv Hagnet uit, hem met bevreemding aanziende; „wat is u toch overkomen?quot; — „Mij overkomen?quot; „Ja, gü zijt zoo bleek, George voor uw doen — en ziet er zoo betrokken uit Doet hij niet. Lignum —„George,quot; laat Bagnet hierop volgen, „zeg haar maar wat er aan scheelt.quot; — „Ik wist niet, dat ik bleek was,quot; ; antwoordt George, met de hand over zijn voor- i hoofd strijkende, en ik wist niet, dat ik er betrokken uitzag, en het spijt mij wel, dat het zoo is. Maar om de waarheid te zeggen, die jongen, dien ik by mij had genomen, is gistermiddag gestorven, en dat heeft mij eenigs-| zins van streek gebracht.quot;— „Arme jongen!quot;

zegt juffrouw Bagnet. met moederlijk mede-] lijden. „Is hy dood? Wel, wel!quot; — „Ik had er 1 niets van willen zeggen, want het is geen praatje ; voor een verjaardag, maar gy hebt het my uit I de keel gehaald, ziet ge, eer ik nog ging zit-j ten. Ik zou het in een oogenblik te boven zyn geweest,quot; zegt George, zich dwingende om een | vroolijken toon aan te nemen; „maar gjj zijt i zoo bij de hand, juffrouw Bagnet.quot; „Gy hebt gelijk,quot; zegt Bagnet. „Zij is by de hand.quot; - „En wat meer is, zij is vandaag de hoofdpersoon, en wij moeten haar niet vergeten,quot; hervat George. „Kjjk eens, hier heb ik u eene doekspeld meegebracht. Met is eene kleinigheid, ziet ge, maar het is eene gedachtenis. Meer : is er niet aan, juffrouw Bagnet.quot;

George haalt zijn present te voorschijn, dat door de jonge familie met vrooljjke sprongen en handgeklap, en door Bagnet met zekere eer-i biedige bewondering wordt begroet.

„Oudje,quot; zegt Bagnet, „zeg hem eens wat ik er van denk.quot; —- „Wel, George Iquot; roept jufvrouw Bagnet uit. „Het is de \'mooiste speld, die iemand ooit gezien heeft.quot; „Goed!quot; zegt Bagnet. „Net my\'ne meening.quot; — „Zoo mooi, George,quot; hervat juffrouw Bagnet, het present van alle kanten bekijkende en dan weder op armslengte van zich af houdende, „dat het wel al te mooi voor mij lykt.quot; -„ Verkeerd!quot; zegt Bagnet. „Niet mijne meening.quot; „Maar hoe dat wezen mag, honderdduizendmaal dank, oude jongen,quot; vervolgt juffrouw Bagnet, en steekt hem, met oogen, die van genoegen glinsterden, hare hand toe; „en al ben ik somtijds eene knorrige soldatenvrouw voor u geweest, George, wy zijn toch waarlijk zulke goede vrienden als er ooit maar kunnen zyn. Nu moet gjj ze ook zelf vaststeken, George, als ge wilt, opdat er geluk by zal zijn.quot;

De kinderen komen naderbij om dit te zien doen, en Bagnet kijkt over het hoofd van zijn zoontje, met zulk eene comisch kinderachtige belangstelling op zijn houten gezicht, dat zijne vrouw niet nalaten kan hem schertsend uit te lachen en te zeggen: „O Lignum, Lignum, wat zyt ge toch eene rare oude snaak 1quot; Doch George kan de speld niet vastkrijgen. Hij is zenuwachtig, zijne hand beeft, en het sieraad valt weder af. „Zou iemand het gelooven ?quot; zegt hij, de speld onder het vallen vangende. „Ik ben zoo van mijne streek, dat ik die kleinigheid niet eens kan gedaan krijgen.quot;

Juffrouw Bagnet denkt, dat er voor zulk eene kwaal geen beter middel is dan eene pijp; en nadat zij de speld in een oogwenk heelt vast-gestoken, dwingt zij George om zich op zijne gewone plaats te zetten en laat de pijpen aanreiken. „Als dat u niet helpt, George,quot; zegt zij, „sla dan tussclienbeide uwe oogen eens óp naar uw presentje, en dat bij elkander moet het wel doen.quot; — „l\'w gezicht alleen moest het al doen, juffrouw Bagnet,quot; antwoordt George. „Maar ik moet u zeggen, door allerlei dingen bij elkander heb ik geweldig het land gekregen. Daar was die arme jongen. Het was akelig hem zoo te zien sterven, zonder hem te kunnen helpen.quot; „Hoe meent ge dat, George? Gjj hebt hem immers geholpen. Gy hebt hem onder uw dak genomen.quot; „Zoover heb ik hem geholpen; maar dat was weinig. Ik meen, jufvrouw Bagnet, dal hy daar lag te sterven, zonder ooit veel meer geleerd te hebben dan dat hy zyne rechterhand van de linker kon onderscheiden. En hij was te ver weg om dat te verhelpen.quot; — „Arme jongen!quot; zegt Bagnet. „En dat,quot; vervólgt George, die zyne pijp nog niet heeft aangestoken, terwijl hij met zijne zware hand over zijne haren strijkt, „bracht iemand Gridley weer in gedachten. Dat was even erg, op eene andere manier. En die twee deden iemand weer aan dien yskouden, hard-


-ocr page 350-

: 3:54

vochtigen ouden sclielni denken, die in allebei die gevallen betrokken was. En te denken, dat ! die oude verroeste karabijn daar maar zoo in zijn hoek bleef staan zonder zich iets aan te i trekken liet deed my het bloed tintelen, dat verzeker ik u.quot; „Wat ik u raad,quot; ant- | woordt juffrouw Bagnet, „is, dat gü uwe pijp aansteekt, en zoo uw bloed laat tintelen, bat is veel pleizieriger en beter voor de gezondheid.quot; — „Gij hebt gelijk,quot; zegt George. J)at zal ik dan maar doen.quot;

Hy doet het ook, maar met een ernst, die zelfs op de jonge liagnet\'s indruk maakt, en Bagnet beweegt om nog wat te wachten met de ceremonie van de gezondheid der jarige te drinken; eene gezondheid, die hy gewoon is by deze gelegenheid met eene redevoering van voorbeeldige kortheid in te stellen. Nadat echter de jongejuffers de glazen met zeker mengsel I hebben gevuld, en George zyne pyp goed aan | I heeft, acht Bagnet liet zyn plicht de gezondheid niet langer uit te stellen. Hij spreekt het verzamelde gezelschap met de volgende woor- ! den aan : „George. Woolwich. Quebec. Malta, j Dit is haar verjaardag. Doe een heelen dag-marsch — en gij zult er geen tweede zoo vinden. Bat is op hare gezondheid.quot;

Nadat die toast met geestdrift is gedronken, betuigt juffrouw Bagnet haar dank met eene even korte aanspraak. Deze rede, die waarlyk wel tot model mocht worden genomen, bestaat slechts uit drie woorden : „En de uwe!quot; waarop zij al de aanwezigen een voor een toeknikt en eene frissche teug van het mengsel neemt. Daar op laat zy de geheel onverwachte uitroeping volgen: „Daar staat een man!quot;

.la, daar staat een man, tot groote verbazing van het gezelschap, en kijkt door de half geopende deur de kamer binnen. Hy is een man met levendige, scherpe oogen, en met een enkelen blik neemt hy waar hoe ieder hem in het bijzonder aanziet.

„Hoe gaat het, George?quot; zegt de man met een knikje. „Wel, het is liucketlquot; roept George uit. — „Ja,quot; /.egt de man, terwijl hy binnenkomt en de deur sluit. „Ik kwam hier de straat door en bleef toevallig naar de muziekinstrumenten voor het venster staan kijken • een vriend van my zou wel eene violoncel willen koopen, eene bespeelde met een goeden toon en toen zag ik hier een vroolyk gezelschapje, en dacht, dat ik 11 herkende, daar in den hoek. Hoe gaat het 11 tegenwoordig in de wereld, George? Tamelyk voordeelig? En hoe vaart gij, juffrouw? Kn gy, baas? En, Heere!quot; zegt Bucket en opent zyne armen, „daar zijn kinderen ook! tly kunt alles met my doen, als ge mij maar kinderen laat zien. Geef mij eens een zoen, liefje. Ik behoef niet te vragen wie uw vader en moeder zyn. Nooit in mijn leven zulk een gelijkenis gezien!quot;

üucket, niet onwelkom, heeft zich naast George neergezet en Quebec en Malta op zijne knieën genomen. „Komt, lieve meisjes,quot; zegt hij, geeft ieder nog een zoentje. Dat is het eenige, waarvan ik nooit te veel knjlt;j. Wel, kleine, hoe gezond ziet gij er uit!quot; En hoe oud zijn die twee wel, juffrouw? Ik zou ze voor ten naastenbij acht en tien houden.quot; — „Gy hebt heel dichtbij geraden, mijnheer,quot; antwoordt juffrouw Bagnet. —„Ik raad doorgaans heel dichtby,quot; hervat Bucket, „omdat ik zooveel van kinderen houd. Een vriend van mij heeft er negentien, juffrouw, allen van ééne moeder, en zy is nog zoo frisch als de dageraad. Zy ziet er wel niet zóó frisch meer uit als gij doet, maar, op mijn woord, zij komt er tocli al heel dicht by. En hoe noemt gij die, lietje?quot; daarmede knijpt Bucket Malta in de wang. „Dat zijn immers perziken. En wat denkt gy nu van vader ? Denkt gij, dat vader eene violoncel voor mijnheer Bucket\'s vriend zou hebben ? Ik heet Bucket, kleintje. Is dat geen grappige naam ?quot;

Deze vriendelijkheid heeft het hart der geheele familie gewonnen. Juffrouw Bagnet vergeet haar verjaardag in zooverre, dat zij voor Bucket eene pijp stopt en een glas inschenkt. Het zou haar altyd genoegen doen zulk een aardigen man welkom te heeten, maar als een vriend van George is zy vooral van avond verheugd hem te zien, zegt zy, omdat George niet zoo vroo-lijk is als gewoonlijk.

„George niet zoo vroolyk als gewoonlijk?quot; roept Bucket uit. „Wel, zoo iets heb ik nog nooit gehoord. Wat scheelt er aan, George ? lt; gt;ij wilt mij toch niet zeggen, dat gij niet vroo lyk meer zjjt ? Waarom zoudt ge niet vroolyk wezen ? (Jij hebt immers niets op uw gemoed ?quot;

„Niets bijzonders,quot; antwoordt George. - „Dat zou ik ook denken,quot; hervat Bucket. „Wat zoudt gy ook op het gemoed kunnen hebben ? En hebben die kleintjes ook al iets op het gemoed ? Wel neen. Maar eens zullen zij sommige jonge snaken wel reden geven om iets op het gemoed te hebben. !k hen geen profeet, maar dat kan ik 11 toch wel zeggen, juffrouw.quot;

Juffrouw Bagnet, zeer met hem ingenomen, hoopt, dat mijnheer Bucket ook kinderen heeft.

„Wel, juffrouw, zoudt gij het haast wel kunnen gelooven ?quot; antwoordt Bucket. „Neen, ik heb er geen. Mijne vrouw en eene juffrouw, die, by ons inwoont - dat is geheel mijn huishouden. Mijne vrouw houdt evenveel van kinderen als ik, en verlangt er erg naar. Maar neen. Zoo gaat het. De wereldsche goederen zyn ongelijk verdeeld, en men moet niet morren. Wat een aardig plaatsje, juffrouw. Hebt gij daar een achteruitgang ?quot;

Het plaatsje beeft geen achteruitgang.

„Waarlyk niet?quot; zegt Bucket. „Ik zou zeker gedacht hebben, dat het er een had. Maar ik


-ocr page 351-

MIJNHEER BUCKET HOUDT ZEER VEEL VAN KINDEREN.

I vind het tocli een alleraardigst plaatsje. Mag ! ik er eens even naar kijken ? Wel verplicht. Neen, ik zie het heeft seen achteruitgang. 1 Maar wat is liet juist geschikt van grootte.quot;

Nadat hjj zijne scherpe oogen over het plaatsje ; heeft laten rondgaan, zet Bucket zich weder naast zijn vriend George en klopt hem schertsend op den schouder.

„Hoe gaat het nu met de vrooljjkheid, Geor-I ge ?quot; — »0, heel goed nu,quot; is het antwoord.

- „Zoo moet het ook zijn,quot; hervat Bucket. „Waarom zoudt gjj ook niet vrooljjk wezen? : ken man met uw uitzicht en gestel heeft het recht niet om niet vrooljjk te zjjn. Datisgeene borst om niet vrooljjk te zjjn, juffrouw! En i gjj hebt toch niets op uw gemoed, George; ! gij hebt immers niets op uw gemoed?quot;

Voor iemand, die zooveel en vlug weet te praten, blijft Bucket nu bijzonder lang bij hetzelfde ; want hij herhaalt dit gezegde nog twee-of driemaal terwijl hij zjjne pijp aansteekt, en dat wel met iets luisterends in zijn gezicht, dat zeer eigenaardig is. Maar weldra komt do | zon zijner gezelligheid, na die korte verduiste- i ring, weder te voorschijn.

„Én dat is uw broer, niet waar, liefjes?quot; zegt hjj, zich tot Quebec en Malta wendende om hem inlichting aangaande Woolwich te geven. „En een knappe broer — of eigenlijk , zou ik halve broeder moeten zeggen, niet waar, ^ juffrouw ? want hij is te oud om uw zoon te zijn.quot; „ Ik kan er toch voor instaan, dat hij ; van niemand anders is,quot; antwoordt juffrouw : Bagnet lachend. — „Wel, had ik ooit gedacht! i Maar het is waar, hij gelijkt sprekend op u. I Alleen het voorhoofd - dat zou ik zeggen, dat hy van zijn vader heeft.quot; Hij knijpt een oog | dicht om de gezichten des te beter te kunnen | vergelijken, terwijl Bagnet met stijve zelfvoldoening zit te rooken.

Dit geeft julfrouw Bagnet gelegenheid om | hem te onderrichten, dat de knaap George\'s i petekind is.

..George\'s petekind, zoo waarlijk?quot; zegt Bucket | met buitengemeene hartelijkheid. „Dan moet ik George\'s petekind nog eens de hand geven. De peet en het petekind doen elkander eer aan. Mn wat denkt gij van hem te maken, juffrouw? Toont hy al aanleg voor een of ander muziekinstrument ?quot;

Nu valt Bagnet er eensklaps op in.

„Speelt het octaaffluitje -heerlijk!quot;— „Zoudt gij wel gelooven, papa,quot; zegt Bucket, door deze | toevalligheid getroffen, „dat ik, toen ik een jongen was, ook het octaafthiitje heb gespeeld ? niet naar muziek, gelijk hy denkelijk doet, maar op het gehoor af. A Is ik daar nog aan denk ! Br i-tish Grenadiers dat is een wijsje om een Hngelschman warm te maken ! Zoudt gij het ons wel kunnen laten hoeren, mjjn jonge vriend ?quot;

Niets had den kleinen kring aangenamer kun- 1

nen zijn dan deze uitnoodiging aan den jongen muzikant. Woolwich haalt terstond zijn fluitje en speelt de krijgshaftige melodie, terwijl Bucket, hoe langer hoe levendiger wordende, de maat slaat en nooit mist bij het refrein : ,B r i t l s h G r a-a-a n a d i e r s !quot; in te vallen. Kortom, hjj toont zooveel smaak voor de muziek, dat Bagnet werkelijk de pijp uit den mond neemt, om zijne overtuiging te kennen te geven, dat hjj een goed zanger is. Bucket neemt dit compliment, of deze beschuldiging, met zooveel bescheidenheid op — bekennende, dat luj wel eens wat gezongen heeft, alleen om het gevoel van zijn hart uit te drukken, en zonder zich te verbeelden, dat hij zijne vrienden daarmede zou kunnen vermaken — dat men hem dringend verzoekt om eens te zingen. Om niet ongezellig te wezen, geeft hij toe, en zingt eene sen-timenteele romance, die, naar hij meent en gelijk hij thans juffrouw Bagnet onderricht, het voornaamste middel is geweest, waardoor hy juffrouw Bucket, toen zy nog niet juffrouw Bucket was, heeft bewogen om hem naar het altaar te vergezellen.

De schitterende vreemdeling veraangenaamt den avond zoodanig, dat George, die bij zijn binnenkomen juist geene groote tevredenheid heeft laten blijken, zijns ondanks eenigszins trotsch op hem begint te worden, liy is zoo vriendelijk, zoo onderhoudend en zoogemakkelijk om mee om te gaan, dat het zekere verdienste is hem daar in kennis gebracht te hebben. Na nog eene pijp te hebben gerookt bereikt Bagnet\'s ingenomenheid met Bucket zulk een hoogeu trap, dat hij verzoekt op den volgenden verjaardag van zijn oudje wederom de eer van zijn gezelschap te mogen hebben. Indien iets de achting, welke Bucket voor de familie heeft opgevat, nog kan verhoogen en bevestigen, is het de ontdekking, bij welke feestelijke gelegenheid hij juist toevallig is aangekomen. Hij drinkt met vuur, bijna met verrukking, op de gezondheid van juffrouw Bagnet, belooft met meer dan dankbaarheid haar verjaardag te zullen onthouden, maakt eene aanteekening van dien dag in eene groote zwartlederen portefeuille, en hoopt eindelijk, dat juffrouw Bagnet en juffrouw Bucket nog voor dien dag zoo goed nis zusters zullen zijn geworden. Want wat is, zegt hij, het openbare leven, zonder banden van huiselyken en vriendschappelijken aard? Hij is in zijn nederigen kring een openbaar persoon, maar het is niet in dien kring, dat hij zijn geluk vindt. Neen, dat moet hij in huiselyken en vriendschappelyken omgang zoeken.

Het is in deze omstandigheden natuurlijk, dat hy veel werk van den vriend maakt, aan wien hy eene zoo veelbelovende kennismaking te danken heeft. En dat doet hij ook .-hij blijft altijd dicht bij hem, en over welk onderwerp hij ook spreken mag, hij houdt hem altijd vriende-


-ocr page 352-

336 HET VERLATEN HUIS.

lp in liet oog. Hij wacht om met hem naar huis te gaan. H y stelt zelfs belang in zijne laarzen en bekykt die oplettend, terwijl üeorge met de beenen over elkander bij den haard zit te rooken.

Eindeljjk staat üeorge op om heen te gaan. Op hetzelfde oogenhlik staat Bucket, met de geheime sympathie der vriendschap, insgelijks op. Tot op het laatste oogenblik liefkoost hy de kinderen, en eindelijk denkt hij nog om de taak, die hy voor een afwezigen vriend op zich heeft genomen.

, Wat nu dien violoncel aangaat,.papa, zoudt ijij mij zulk een ding kunnen bezorgen?quot; — „Wel twintig,quot; antwoordt Bagnet. — „Dan zou ik u wel verplicht zijn,quot; hervat Bucket, hem de hand drukkende. „Maar een goeden toon vooral! Mijn vriend is een echt liefhebber. Hij speelt stukken van Mozart en Handel en andere groote meesters, alsof lijj een muzikant van beroep was. 11 ii gü behoeft,quot; vervolgt Bucket wat zachter, in vertrouwen, „den prijs niet te laag te stellen. Ik wil voor mp vriend niet al te veel betalen, maar gij moet toch uwe behoorlijke winst en vergoeding voor uw tijdverzuim heb-ben. Dat is niet meer dan biliyk. Alle men-schen moeten leven.quot;

Bagnet schudt zijn hoofd tegen zijn oudje, om aan te duiden, dal z.y daar een juweel van een man hebben gevonden.

„Als ik, hij voorbeeld, morgenochtend tegen half elf eens aankwam, dan zoudt gij mij misschien wel kunnen zeggen, hoeveel eene goede violoncel zou moeten kosten ?quot; zegt Bucket.

Niets gemakkelijker. Bagnet en zijn oudje beloven beide, dat de noodige inlichtingen dan gereed zullen zijn, en spreken zelfs onder elkander van de mogelijkheid om eenige instrumenten bijeen te hebben, en daaruit te laten kiezen.

„Wel bedankt!quot; zegt Bucket. „Goedennacht, juffrouw. Goedennacht, mynheer Bagnet. Goedennacht, lieve kinderen. Ik biyf u wel verplicht voor een van de pleizieripste avonden, die ik ooit in mijn leven heb gesleten.quot;

Zyj daarentegen blijven hem wel verplicht voor het genoegen, dat zyn gezelschap hun heeft gegeven, en zoo scheiden zy met weder-keerige betuigingen van vriendelyke welwillendheid. „Kom, (ieorge, oude jongen,quot; zegt Bucket, hem by de deur onder den arm nemende. „Kom nu voort!quot; Zy gaan het straatje af. en de Bagnet\'s blijven hen eene poos staan nakijken, terwijl julfrouw Bagnet haar braven Lignum de aanmerking mededeelt, dat Bucket George zoo stijf vasthoudt alsof hy bang was hem te zullen verliezen.

Daar de naburige straten smal en slecht bestraat zijn, is het eenigszins ongemakkeiyk zoo gearmd naast elkander te gaan. George doet dus het voorstel om ieder op zich zelf te gaan ; maar Bucket, die nog niet besluiten kan om zijn vriend los te laten, antwoordt: „Wacht nog een oogenblik, George. Ik moet u eerst eens spreken.quot;

En terstond daarop brengt by hem met een zwenk eene herberg en daar de zijkamer binnen, en plaatst zich daarop vlak voor hem, met zyn eigen rug tegen de deur.

„Nu, George,quot; zegt Bucket. „Plicht is plicht, en vriendschap is vriendschap. Ik breng die twee nooit in stryd met elkander, als ik het mijden kan. Ik doe altyd myn best om alles zoo plei-zierig mogelijk te maken, en ik laat er u over oordeelen of ik dat van avond niet gedaan heb. Nu moet ge begrijpen, dat gij gearresteerd zijt, George.quot; — „Gearresteerd? Waarvoor?quot; zegt George, als door den donder getroffen. — „Nu, George,quot; hervat Bucket, en wendt zijn dikken voorvinger aan om hem de zaak duidelijk uit te leggen; „plicht, zooals gy wel weet,iséén ding, en een vriendschappelyk praatje is geheel iets anders. Het is mijn plicht u te onderrichten, dat wat gy nu zegt, later zou kunnen aangevoerd worden om u te bezwaren. Daarom, George, pas op wat gij zegt. Gy hebt niet toevallig van een moord gehoord?quot; — „Eenmoord!quot;— „Nu, George,quot; vervolgt Bucket, steeds zijn voorvinger gebruikende om nadruk aan zijne woorden te geven, „onthoud wat ik u gezegd heb. Ik vraag u niets. Gy zijt van avond niet vroo-lijk geweest — neerslachtig geweest, en nu zeg ik, gy hebt niet toevallig van een moord gehoord?quot;

„Neen. Waar heeft er een moord plaats gehad?quot; „Nu, George,quot; zegt Bucket, „compromitteer u zeiven maar niet. Ik zal u zeggen waarom ik u moet arresteeren. Er is een moord gepleegd in L i n c o l n \'s Inn Fields— een neer, die Tulkinghorn heet. is daar verleden avond doodgeschoten. Daarom moet ik u arresteeren.quot;

George zinkt op een stoel, die achter hem staat; groote droppels parelen op zijn voorhoofd en eene doodsche bleekheid overspreidt zijn gelaat.

„Bucket! Het is toch niet mogelijk, dat mynheer Tulkinghorn doodgeschoten is, en dat ge m ij daarvan verdenkt ?quot; — George,quot; antwoordt Bucket, steeds met gebruik van zijn voorvinger, „dat is zeker mogelijk, want het is werkelijk zoo. De daad is gisteravond om tien uren gepleegd. Nu zult gy wel weten waar gij gisteravond om tien uren geweest zyt, en ook buiten twijfel wel in staat zqn om dat te bewijzen.quot; — „Gisteravond? Gisteravond?quot; herhaalt George nadenkend. Eensklaps valt het hem in. „Groote hemel, gisteravond ben ik immers daar geweest!quot; — ..Zoo heb ik vernomen, George,quot; hervat Bucket zeer bedaard. „Zoo heb ik vernomen. En ook, dat gij dik-wjjls daar geweest zyt. Dat men u daar heeft zien rondloeren, en u meer dan eens in woor-


-ocr page 353-

(!E()R(iK hooi; BUCKET IN AKIJEST (iEN\'omen.

denwisseling met hem heeft gehoord, en het is ook wel mogelijk - ik zeg het niet met zekerheid, let daar wel op, maar het is mogelijk — dat men hem van u heeft hooren zeggen, dat gij een gevaarlijke, kwaadaardige kerel waart en hem gedreigd hadt.\'

George opent hijgend den mond, alsof hij alles zou willen toestemmen, als hij maar spre-ken kon.

„Nu, George.\' zegt Bucket, zijn hoed op do tafel leggende, eenigszins als een ambachtsman, een behanger zou men zeggen, die zich gereedmaakt om aan het werk te gaan. „ik maak gaarne alles zoo pleizierig als maar mo-

,George.\' hervat Bucket, „wacht eens even !quot; Met zijne behangersmanier, alsof George een venster was, waaraan hij iets moest verrichten. haalt hij een paar handboeien uit zijn zak. „Do zaak is van ernstigen aard, George, en dit is mijn plicht.\'

George krijgt een toornigen een oogenblik; maar hij steekt vouwene handen too en zegt;

maar aan!quot;

Bucket heeft dit in oen oogenblik verricht.

„Hoe vindt gij ze? Zitten zij gemakkelijk? Zoo niet, zeg het dan maar; want ik maak gaarne alles zoo pleizierig als maar met

blos en aarzelt zijne samenge-,Daar, doe ze


g1 lijk is, zooals ik ook van avond gedaan heb. ik zeg u ronduit, dat Sir Leieester Dedlock i.ene belooning van honderd guinjes h(;t ft uitgeloofd. Hij en ik zijn altijd op lt;\' n phaziei\'igen voet niet elkander geweest; maar ik moet mijn plicht vervullen, en als iemand die honderd guinjes moet verdienen, mag ik ze evengoed verdienen als iemand anders. Om al die redenen zou ik hopen, dat gij duidelijk zult begrijpen dat ik u moet medenemen, en dat. ik verdoemd mag zijn als ik het niet doe. Moet ik nu assistentie roepen of is de zaak klaar?quot;

George li\'-, ft zirii hersteld • n staat op als • en soldaat. „Kom,quot; zegt hij. ,.ik ben gereed.quot;\' plicht bestaanbaar is, en ik hel» nog een paar in mijn zak.quot; Hij zegt dit op den toon vaneen beleefd winkelier, die er op uit is om eene bestelling volkomen naar genoegen van zijn klant uit te voeren. ..Zullin ze zoo wel paan? Meel goed! Zie nu eens, Georg»-.quot; hij haalt een mantel uit een hoek en begint dien zijn arr- stant om de schouders te hangen, „ik heb wel om uw gevoel gedacht, toen ik hierop uitging, en daarom dit met opzet meegenomen. Daar! Wie zal er nu iels van weten?quot; „Ik maar alleen,\' antwoordt George, „maar daar ik het toch weet, verzoek ik u om nog een goeden dienst. Trek mij rnijn hoed in de oogen.quot;


Dick kns. Htf

-ocr page 354-

MKT X\'KK\'LA TEN HUIS.

;j:{8

,Worki\'Ujk toch! Meent gij dat! Zou dat niet jammer zijn? Het staat zoo quot; ,ik kan do menschen, dir mij tegenkomen, niet in het gezicht zien, met die dingen aan,quot; antwoordt George haastig. „Trek mij toch, om Gods wil, mijn hoed wat voorover.quot;

Zoo sterk gedrongen, voldoet Bucket aan dit verlangen, zet daarna zijn eigen hoed op, en neemt zijne prooi mede. De cavalerist marcheert, met even vasten tred als gewoonlijk, hoewel met het hoofd minder rechtop, vooruit, en Bucket stuurt hein hij den elleboog, als hij eene straat moet overstappen of een hoek omslaan.

KSTHKK s VERHAAL.

Toen ik van Deal weder thuis kwam, vond ik daar een briefje van Caddy Jellyby (gelijk wij haar altijd bleven noemen), waarin zij mij schreef, dat hare gezondheid, die sedert cenigen tijd zeer wankelbaar was geweest, dagelijks meer achteruitging, en dat zij meer verheugd zou zijn, dan zi) zeggen kon, als ik i haar eens wilde komen opzoeken. Dit briefje, van weinige regels, op eene rustbank liggende geschreven, was in een ander van haar bezorgden man ingesloten, die mot aandrang haar verzoek ondersteunde. Caddy was nu moeder i n ik peetmoeder van een ongelukkig klein kindje .ien nietig wezentje, met een oudachtig gezichtje, dat bijna geheel In het mutsje verdween, en een mager handje, met lange vingertjes, dat het altijd dichtgeknepen onder de kin drukte. In deze houding lag het den geheelen dag, met de heldere, oogjes open, zich te verwonderen (gelijk ik mij placht te verbeelden) hoe het zoo klein en zwak was. Als het opgenomen werd schreide het, maar anders was het altijd zoo geduldig, dat het geenc andere behoefte of begeerte schoen te hrbben, dan maar stil te liggen en te denken, liet had zonderlinge kleine adertjes in het gezicht. en zonderling\'\' donkere vlekjes onder de oogen, gelijk flauwe gedenkteekenen van de K-inkte dagen der arme Caddy; en over het Lrehet 1 was het voor hen, die er niet aan gewoon waren, oen jainmeiiljk schouwspel.

Doch was het voor Caddy genoog, dat zij er aan gewoon was. De plannen voor kleine Esther\'s opvoeding en kleine Esthei\'s huwelijk, en zelfs voor haar eigen ouderdom als grootmoeder van kleine Esther\'s kleine Ksthertjes, waarmede zij in hare ziekte zich den tijd kortte, duidden ep zulk eene aardige manier haar moe j derlij ken hoogmoed op dit teer geliefde dochtertje aan, (lat Ik in verxoeking zou komen om er «enige van te vermelden. Indien ik mij niet bijtijds herinnerde, dat mijn verhaal nu

reeds traag en ongeregeld genoeg voortgaat.

Doch om weder op dat briefje te komen. Caddy had een bijgeloof aan mij, dat hoe langer hoe sterker was geworden sedert dien nacht. | lang geleden, toen zij met haar hoofd in mijn schoot had liggen slapen. Zij geloofde bijna -ik meen te moeten zeggen, zij geloofde vast — dat het haar goed deed als ik bij haar was. Hoewel dit nu zulk eene ongegronde inbeel- i ding van het lieve meisje was, dat ik mij bijna . schaam er melding van te maken, kon liet echter, nu zij ziek was, wel eene waarheid zijn. Ik begaf mij dus, met toestemming van mijn voogd, dadelijk naar haar toe, en zij en Prince waren zoo met mij opgetogen, dat het nergens naar geleek.

Des anderen daags ging ik haar weder ge- ; zeischap houden, en des anderendaags al wederom. De reis was zeer gemakkelijk; want ik had slechts wat vroeger op te staan, en eer ik van huis ging de huishoudelijke zaken te bezorgen. Maar toen ik des avonds van mijn derde bezoek terugkwam, zeide mijn voogd:

„Hoor eens, huismoedertje, dat gaat zoo niet aan. Een aanhoudend lekken doet een steen verslijten, en zulk een aanhoudend heen en weer reizen doet eefle Dame Durden verslijten. Wij zullen voor een poosje naar Londen gaan en onze oude kamers weder betrekken.quot; — „Voor mij is dat niet noodig, lieve voogd.quot; zeide ik, „want ik gevoel mij nooit moede.quot; Dit was de zuivere waarheid; ik was maar al te blijde, dat men zoo naar mij verlangde. ..Voor mij dan,quot; antwoordde mijn voogd, „of voor Ada, of voor ons beiden. Het is morgen iemands verjaardag, naar mij dunkt.quot; - „Dat geloof ik ook haast,quot; zeide ik, mijne lieve Ada 1 een kus gevende, die des anderen daags een en twintig zou worden. „Welnu.quot; merkte mijn voogd half ernstig, half schertsend aan, „dat is een groote dag, die mijne schoone nicht het een en ander te doen zal geven om te bewijzen, dat zij onafhankelijk wordt; en daarom \'zal het voor ons allen beter zijn, dat wij naar Londen gaan. En nu dit is afgesproken, is er nog iets anders hoe hebt gij Caddy gelaten?quot; „Lang niet wel, voogd. Ik vrees, dat het eenigen tijd zal duren oer zij weder tot gezondheid en krachten komt.\' „Wat noemt gij nu „eenigen tijd?quot;\' zeide mijn voogd, nadenkend. ,Menig\' weken, vrees ik,quot; .Zoo!quot; Hij begon met de handen in de zakkende kamer op en neer te stappen, en toonde daardoor, i dat hij dit ook wel had gedacht. „Wat denkt gij van haar dokter? Zou hij een knap dokter z\\jn. lieve?\'

Ik moest bekennen, dat ik geene reden had om hot tegendeel te denken; maar dat Prince en Ik dien avond juist tegen elkander hadden gezegd, dat wij wel gaarne eens de me. ning van een ander wilden vernemen.


-ocr page 355-

CADDY K.N HAAR KIND. 339

„Wel, daar is Woodcourt immers,quot; liet mijn en zoo gebeurde het, dat ik Ada in dien tijd voogd snel hierop volgen. minder zag dan nog ooit. sedert wij elkander Dit had ik niet gemeend, en ik word er kenden, behalve in den tijd toen ik zelve ziek oenigszins door verrast. Voor een oogenblik ; was. Zij kwam dikwijls bij Caddy; maar dan ; zweog ik verlegen stil. daar alles wat met be- was het onze taak deze te bemoedigen en te vertrekking tot Woodcourt in mijn binnenste was vroolijken, en spraken wij niet op onze gewone omgegaan, mij weder in gedachten kwam. | vertrouwelijke manier. Als ik des avonds naar .Gij hebt immers niets tegen hem, huis- huis kwam, waren wij wel bij elkander, maar moedertje ?quot; — ,,Ik iets tegen hem hebben, Caddy\'s nachtrust werd meestal door pijn af- : voogd? O neen!\' — „En gij denkt ook niet, gebroken, en dikwijls bleef ik bij haar om haar ; dat de zieke iets tegen hem zou hebben?quot; : op te passen.

Integendeel, ik twijfelde niet of zij zou ver- Welk een goed schepseltje was die Caddy,

trouwen in hem stellen en veel van hom loeren nu zij haar man en haar jammerlijk kindje hadom

houden, ik zeide, dat hij haar persoonlijk niet lief te hebben en haar huishouden om voor te

vreemd was, daar zij hem dikwijls had gezien zorgen! Zoo vol geduld en zelfverloochening,

toen hij juffrouw Plite zoo menschlievend ver- om hunnentwil zoo verlangend om maar beter

zorgde. te worden. Altijd dacht zij aan den on vermoeiden

„Heel goed,quot; zeide mijn voogd. „Ifij Is van- arbeid van haar man en de gemakken van

daag hier geweest, melleve, en Ik zal er hem den ouden heer Turveydrop. Ik leerde haar nu

morgen over spreken quot; pas van de beste zijde kennen. En het was zoo

Ik gevoelde onder dit korte gesprok - schoon vreemd haar daar dag aan dag met haar bleek

Ik niet weet hoe, want zij hield zich zeer stil, gezichtje en machtelooze leden te zien liggen,

■ ■li wij wisselden geen blik dat mijne lieve waar het dansen de hoofdzaak van het leven

Ada zich wel herinnerde hoe vroolijk zij hare was; waar de viool en de leerlingen zich el-

arrneu oin mij heen had geslagen, toen Caddy keu morgen vroeg In dc danszaal lieten hoo-

mij die kleine afscheidsgodachtenis bracht. Dit ren, en de morsige kleine jongen den gehee-

deed mij begrijpen, dat ik haar behoorde te len namiddag In de keuken alleen aan het

vertellen, en Caddy insgelijks, dat ik meeste- walsen was.

res van het Verlaten Huls zou worden; on Op Caddy\'s verzoek nam Ik het beheer over

dat ik, indien ik die mededeeling langer uit- hare kamer op mij, bracht die naar mijn zin

stolde, In mijne eigene oogen de liefde des mees- in orde en schoof haar met rustbank en al in

tors minder waardig zou worden. Toen wij dus een lichter en vroolijker hoekje dan zij vroe-

naar boven waren gegaan en hadden zitten luis- ger had gehad. Daar legde ik dan, als \'zij net-

teren tot de klok twaalf sloeg, opdat ik vooral jes gekleed was. mijne kleine naamgenoot in

de eerste zou zijn om mijne lieve vriendin op hare armen, en zettlt; mij bij haar neer om

haar verjaardag alles goeds te wenschen en wat te werken, of met haar te praten, of haar

haar aan mijn hart te drukken, hield ik haar voor te lezen. liet was In het eerste van die

voor, evenals Ik dit mij zelve had voorgehou- stille uren, dat ik Caddy van het Verlaten Huis

den, welk een goed en braaf man neef John vertelde.

was en wolk een gelukkig leven Ik te wachten Wij kregen ook nog ander bezoek dan dat

had. Als mijne lieveling ooit hartelijker dan an- van Ada. Vooral kregen wi j l\'rince. die tus-

ders voor mij was, was zij zeker dien avond scluii zijne lessen dikwijls haastig maar zacht-

het hartelijkst voor Epij. En ik was zoo verheugd, jes binnenkwam, en zich, met een gezicht vol

dat ik dat wist, en zoo tevreden, dat Ik dat liefderijke bekomm ering over Caddy en de kleine,

nuttolooze stilzwijgen had verbroken, dat ik nog stil bij ons neerzette. Hoe (\'addy zich ook wer-

tienmaal vergenoegder was dan anders. Kenige kolljk mocht bevinden, voor Prince miste, zij

uren geleden had ik dat stilzwijgen niet beris- nooit te zeggen, dat zij bijna geheel wel was

pel ijk gevonden; maar nu Ik het verbroken had, hetgeen ik, de hemel vèrgeve het mij. nooit

was het mij alsof Ik den aard er van beter be- miste te bevestigen. Dit beurde Prince dan zoo : greep. : op, dat hij somtijds de viool uit zijn zak haalde

Den volgenden dag gingen wij naar honden, en een paar streken deed om de kleine te ver-

^ ij vonden onze oude kamers ledig, en in een bazen; maai\' nooit kon ik bespeuren, dat hem

halt uur zaten wij daar zoo op ons gemak, alsof dit gelukte, want mijne kleine naamgenoot

wij ze geheel niet hadden verlaten. Mijnheer scheen er niet het minst op te letten.

Woodcourt kwam bij ons eten, om den verjaar- Dan kwam ook mevrouw .lellyby nu en dan,

dag mijner lieve Ada te vieren; en wij waren met hare gewone verstrooidheid, en zat zeer

/00 vergenoegd als wij met de ledigheid, welke kalm mijlen voorbij haar kleinkind te kijken,

Richard\'s afwezigheid bij zulk eene gelegenheid alsof hare aandacht door een jongen Borrlo-

inöest laten, maar konden zijn. Na dien dag boolaan. op zijn vaderlatjdsche kust, werd ge

was ik verscheidene wekenlang — acht of ne- boeid. Kvvn kalm, vergenoegd on slordig als

gen, herinner Ik mij zeer veel bij Caddy; ooit zat zij daar en zeide dan: „Wel, Caddy,

-ocr page 356-

HKT VKRLATMN HUIS.

:U0

kind, hor traat het u vandaag?quot; Zij glimlacht»; dan vrif-nd» lijk, zundi/i\' op het antwoord te letten ; of ging zoet voerig over tot t t-ne berekening van d\' brieven, die zij in de laatste dag\'n ontvangen on beantwoord had, of\' van de mogelijke opbrengst der koffiecultuur in B o r-r i o b o ol a i gt; h a. Hi t was haar daarbij onmogelijk hare kalme minachting voor onzen bekrompen werkkring te ontveinzen.

Dan kregen wij ook den ouden heer Turvcy-drup, dit van den ochtend tot den avond en van den avond tot d» n ochtend h» t voorwerp van ontelbare voorzorgen was. Als het kind sthreicb-, werd het bijna gesmoord, opdat het leven hem ne t zou hinderen. Als het vuur in den nacht opgepookt mo» st worden, wvrd dit zoo stil mog\'-iijk gedaan, opdat het zijn slaap niet zou storen. Als i addyet ne of andere kleinigheid, die ia huis was, noodig had, overwoog men .-.■rst zorgvuldig of het ook waarschijnlijk was, dat hij di*- insgelijks zou noodig hebben. Ter vergelding van al die zorgvuldigheden, kwam hij eenmaal daags in de kamer, met eone vertooning van m ilerbuigend»\' goedheid en b»^chcr-ineiui-- welwilii ridheid, waaruit ik had moeten opmaken mis ik niet blt;;ter had geweten) dat hij Caddy s grootste weldoener was.

,Mi ne \' \'arolin\'-,\' /..;ide hij. zich zooveel, of liever zoo weinisr. over haar heen buigende als zijnt stijfheid toeliet. ,/,»•« mij toch, dat gij vandaag beter zijt.quot; „O, veel beter, ik dank u wel, rnijnh» i r Turveydrop,quot; antwoordde » a-roliiiquot; dan. ,V..!rhgt;-ugd! Verrukt! En onze lieve juffrouw gt;unimerson. Is zij niet geheel afgemat van verm«quot;-ienis?\' Dan trok hij zijne oog-leden quot;i1- er1 wierp mij et n kushandje toe; hoewei, tot mijn genoegen, zijn» beleefdheden niet zoo buitelitrnmeen niegt; r waren, sedert ik zoo ver-and». r\'1 was. .iielieél niet,quot; verzekerde ik hem dan. .Charmant1 Wij moeten op onze !\',■ v- i.aroiin» pa.-—n, jutfrlt;)uw ^ummerson. Wij ni»quot; \'en n:• is ontzien, dat haar kan ver-sterken. NV;, moeten haar opkweekt n. Mijne tli»-rbarp ( aiolint ,\': en dan zag hij met onbe-iirijf\' li. ke ■ delmoedigheid ••n goedgunstigheid zi.ioe - hoondoehter aan. „gij moet aan niets gebrek hebben. AH» awe verlangensmoelen terstond bevredigd worden, lieve doi\'hter. Al wat dit huis bevat, al wat mijne kamer bevat, is tot uw dienst, stoor u zelfs niet aan mijne eenvoudige nehoi-ft\'-ii \' vm.gde hij ei s-.intijds mei een» uitbarsting van weigemanierdheid bij. „als zij .mit liinderli k mochten zijn om de uw» te bevredigen. Oi. hebt m» \'-r bob-quot;\'ft\' aan gemak dan ikquot;

Hij had zulk i t.-n lang gevt stigd r» cht op deze welgemanieidheid (tin t-rfgO\'-d, dat zijn zoon door zijne moeder was nagelaten), dat ik Caddy eu haar man door zulke blijken van zelfopoffering, dikwiiis tot tranen b» wogen heb gezien.

.S\'» en, mi ne dierbiiren.\' zeide hij vriendelijk

berispende; en wanneer ik Caddy\'s uitgeleerden arm om zijn vetten hals zag, werd ik ook tot tranen bewogen, hoewel niet door dezelfde aandoening. „Neen, ik heb immers beloofd u nooit te verlaten. Laat ik maar zien, dat gij als liefhebbende kinderen uw plicht wilt betrachten, en ik vraag geene andere vergelding. Nu, God zegiiie ul Ik ga naar het Park.quot;

Daar ging hij dan een luchtje scheppen, om zijn eetlust wat op te scherpen, en vervolgens dineerde hij in een hotel. Ik hoop den ouden j heer Turveydrop geen onrecht te doen; maar ; ik zaïr nooit beton trekken van hem dan die ik hi»\')quot; getrouwelijk heb aangeteekend,behalve dat hij van l\'eepy In/gon te houden, en het kind wel eens medenam om in groote staatsie met hem te gaan wandelen bij welke gelegenheden hij het altijd naar huis zond, eer hij zelf ging eten, somtijds met een hal ven stuiver 1 op zak. Maar zelfs deze belangelooze vriendelijkheid veroorzaakte niet onaanzienlijke onkosten ; want eer Peepy mooi genoeg was om aan tie hand van dien professor van welgemanierdheid te gaan wandelen, moest hi), op kosten van Caddy en haar num. van top tot teen in het nieuw worden gekleed.

De laatste onzer bezoekers was mijnheer Jel-lyby. Als hij des avonds kwam, gelijk hij placht, en Caddy met zyne bedeesde stem vroeg hoe zij voer. en dan met zijn hoofd tegen den muur ging zitten en geene poging deed om iets meer t» zetrgen. begon ik inderdaad v».-el van hem te houden. Als hij mij aan iets bezig vond, trok hij somtijds zijn rok half uit, alsof hij voornemens was mij met alle krachten te helpen; maar vertier kwam hij nooit. Hij deed nooit iets anders dan met zijn hoofd tegen den muur zitten en starend naar het nadenkende kind kijken; en ik kon de zonderlinge gedachte niet van mij verwijderen, dat zij »Ikander bi grepen.

Ik heb mijnheer Woodcourt niet omka\' onze bezoekers genoemd, daar hij thans als dokter bij Caddy kwam, Onder zijne behandeling begon zij spoedig te beteren; maar hij was ook zoo vriendelijk » n zorgvuldig, dat dit niet te verwonderen was. Ik zag mijnheer Woodcourt nu z.eer dikwijls, hoewel niet zoo dikwijls als men zou kunnen denken; want daar ik wist, dat Caddy wel aan hem was toevertrouwd, ging ik tegen het uur, dat lilj verwacht werd, meestal stil naar huis. Evenwel ontmo» tien wij elkander niet ziddon. Ik was nu geheel met mij zelve verzoend; maar toch streelde mij de gedachte, dat hij begaan met mij was, en ik g. loofd». dat hij dit wlt; rkelijk nog was. Hij hielp mijnheer Badger, dit- het zeer druk had, in zijne praktijk, en had nog geene bepaalde plannen vöor de toekomst.

Het was. toen Caddy n-eds vrij wat gi;;b»-terd was, dat ik eene verandering bij mijne lieve Ada begon op t» merken. Ik kan niet zeggen.


-ocr page 357-

CAM A 18 HKIiSTKU.KMU-;

hoe ik het eerst op de gedaehte daarvan kwam; : omdat ik die in eene menigte kleine bijzonderheden bespeurde, welke op zich zelve niets be-teekenden, en eerst wanneer zij bij elkander gebracht werden, zeker gewicht vèrkregeii. Maar uit allen te zarnen genomen maakte ik op. dat Ada niet zoo hartelijk vrnolijk meer was als vroeger, en niet zoo openhartig meer met mij omging. Zij had mij even oprecht en terdei liet als ooit; daaraan twijfelde ik geen oogen-blik; maar /.ij had iets treurigs over zich, waarvan zij mij de reden niet toevertrouwde, en dat ik aan een geheim verdriet moest, toeschrijven.

Ik begreep dit niet, en haar geluk ging mij zoozeer ter harte, dat het mij ongerust maakte en dikwijls deed nadenken. Mindelijk Overtuigd, dat Ada iets voor mij verborgen hield, uit vrees van mij insgelijks verdrietig te maken, kwam liet mij in het hoofd, dat zij cenig leedwezen gevoelde om mijnentwil — over hetgeen ik haai van mijne vooruitzichten had gezegd.

Hoe ik mij zelve overreedde, dat dit waar-whijnlijk was, weet ik niet. Ik kan niet denken, dat het was omdat ik zelve zoo iets gevoelde. Ik achtte mij zelve niet ongelukkig; ik was zei r tevreden en vergenoegd. Evenwel kon Vda denken voor mij. hoewel ik al zulke gedachten had verzaakt aan wat ik eens was, n hoe geheel ik veranderd was. Dit scheen zoo .■■emakkelijk te wezen, dat ik het werkelijk beloofde.

Wat, kon ik doen om mijne vriendin gerust e stollen (dacht ik toon) en haar te too non, i it ik niet treurde? Wel, ik kon maar zoo ving n ijverig als mogelijk zijn, en dat had ik reeds mg beproefd. Evenwel, daar Caddy\'s ziokj e mij ekerlijk eenigszins in mijne huiselijke werk-aamheden had belemmerd hoewei ik er des morgens altijd geweest was ojjjj mijn voogd aan zijn ontbijt te helpen, en hij dikwijls lachend ad gezegd, dat er twee huismoedertjes moesten sjn, want dat hij het zijne nooit miste heloot ik nu dubbel vlijtig en vroolijk te zijn. /00 liep ik het huis op en neer, al de wijsjes K\'urieiule. die ik maai\' kende; en zat te vver-\'■11 alsof het om mijn leven te doen was, en quot; laile altijd, des morgens, des middags en des avonds.

En toch bleef er diezelfde wolk tusschen mij en mijne vriendin,

„En dus, huismoedertje,quot; merkte mijn voogd aan, zijn boek dichtslaande, toen wij op een ■vond met ons drieen bij elkander zalen, „heeft A oodrourt (Jaddy Jellyby toch weer zoover -\'•bracht, dat. zij genot var, haar loven kan heb ,Ja,quot; zeide ik; „en met zulk eene \'ankbaarheid als de hare is, beloond t\' worden, moet iemand rijk maken, voogd,quot; , Dat wenschte ik wel, met al mijn hart.quot; antwoordde hij.

Wat dat betreft, deed ik dit insgelijks; en zoo zeide Ik ook.

„Ja, wij zouden hem wel sehatrljk maken, als wij maar konden. Niet waar, huismoedertje ?quot;

Ik antwoordde lachend, dat ik dil nog zoo zeker niet wist, want dat dit hem wel zou kunnen bederven, en hij dan zoo nuttig niet meer zou zijn, en dat er velen waren, die hem zoo slecht: konden missen zooals juffrouw Mite, en Caddy zelve, en vele anderen,

„Dat is waar,quot; zeide mijn voogd, „Dat had ik vergeten. Maar wij zouden hem toch wel rijk genoeg willen maken om te kunnen leven, denk ik? Rijk genoeg om met een gerust hart te kunnen werken? Hijk genoeg om een gelukkigen eigen haard en eigene huisgoden te hebben - en eene eigene huisgodin misschien ook 1quot; Dat was geheel iets anders, zeide ik. Dat moesten wij hora allen wel gunnen.

„Wel zeker, niemand uitgezonderd,quot; zeide mijn voogd. „Ik houd veel van Woodcourt, ik acht hem hoog, en ik heb hem met kieschheid over zijne vooruitzichten uitgevraagd. Het is moelelijk een onafhankelijk man, met dat billijke gevoel van eigenwaarde, dat. hij bezit, hulp aan te bieden. En toch zou ik dat gaarne doen als ik maar mocht, of maar wist hoe. Hij schijnt half en half voornemens om nog eene reis te gaan doen. Maar het zou jammer zijn, dat zulk een man zoo als het ware werd weggeworpen.\'1 „Het zou misschien eene nieuwe wereld voor hem openen,quot; zeide ik. „Dat zon het, kunnen,\' zeide mijn voogd toestemmend, „en ik twijfel of hij van de oude wereld wel veel verwacht, Ik heb mij somtijds verbeeld, dal hij daarin eene of andere bijzondere teleurstelling of ramp moei ontmoet hebben. Hebt gij ooit iets van dieh aard gehoord?quot; Ik schudde mijn hoofd, „Hm!quot; zeide mijn voogd, „Dan zal ik mij vergist hebben,quot;

Kr volgde hier eene tussclienpöos van stilte, die ik dacht dat, om Ada gerust te stellen, liever moest worden aangevuld, en ik neuriede dus onder hei werken een wijsje, waarvan mijn voogd bijzonder veel hield.

„En denkt gij, dat mijnheer Wood onn nog eene reis zal gaan doen vroetr ik, toen ik het wijsje geheel had uitgezongen. „Ik weet niet recht wat ik er van denken moet, lievi maar ik zou hel ■waarschijnlijk achten, dat bij voornemens is om eens eene lange proef van een ander land te nemen,quot; „Zeker zal hij ile beste wenschen van al onze harten mede nemen, waar hij ook heengaat,quot; zeide ik : „en schoon zij hem niet rijk zullen maken, /.uilen zij hem toch nooit armor doen zijn.quot; „Nooit, huismoedertje,quot; antwoordde hij.

Ik zat op mijne gewone pluais, die nu naast den stoel van mijn voogd was. Dit was vóór den brief mijne gewoni plaats niet geweest, maar zij was het nu. Ik keek naai Ada op,


-ocr page 358-

11KT VKHLATEN HUIS.

die tegenover mij zat, en zag, dat hare oogen vol tranen stonden en dat ei zelf- tranen over hare wangen rolden.

Ik liet haar dus haar hoofd op mijn schou-di r leggen hoi- weinig denkende wat zij op het hait had! en zeide, dat zij niet heel wel was, en slm ir mijn arm om haar heen en bracht haar naar boven. Toen wij in onze kamer waren. en zij mij misschien gezegd zou hebben wat ik zoo weinig verwachtte te hooren, moedigde ik haar niet aan om mij te vertrouwen; ik dacht nooit, dat zij dit noodig had.

.0, mijne lieve, goede Esther.quot; zeid\' Ada, „als ik maar tot het besluit kon komen om tegen u en neef John te spreken, als gij bij i lkander zijt.quot; „Maar, ligt; ve!quot; zeide ik be-risp\'-nd. .Ada! waarom zoudt ge niet, tegen ons spreken?quot;

Zij liet slechts haar hoofd hangen en drukte mij vaster aan haar hart.

„Gij verin et toch zeker niet, mijne -choone,quot; zeide ik, „welke oudenvetsche menschen wij zijn, en hoe ik het bedaardste van alle huismoedertjes ben gewoi den ? fiij vergeet tochniet, hoe gelukkig en vreedzaam mijn leve n voor mij is afgebakend, en door wien? Ik houd mij overtuigd, dat gij niet vergeet door welk ren braaf en edel man, Ada. Dat kunt gij nooit.quot; — ,Xe\'n, nooit, Esther.* „Welnu dan. meli\'-ve,quot; zeide ik. „aan u kan het niet liggen en w aarom zoudt gij dus niet tegen ons spreken ?quot; „Aan mij niet liggen, Esther?quot; antwoordde Ada. ,lt; i, wanneer ik aan al die jaren denk, en aan al zijne vaderlijke zorgen goedheid, en aan de oude betrekkingen tusschen ons, en aan u, wat zal ik dan doen, wat zal ik dan doen?quot;

Ik zag haar i enigszins verwonderd aan, maar achtte het best haar niet te antwoorden dan om haai op te beuren; en dus begon ik van vele kleine herinneringen uit ons leven te spreken en verhinderde haar iets meer te zeggen. Toen zij zich te slapen had gelegd, en niet vroeger, keerde ik naar mijn voogd terug, om hem goedennacht te zeggen, en toen kwam ik weder bij Ada en bleef nog ei ne poos bij ljaar zitten,

/,ij lag te slapen, en toen ik haar aanzag dacht ik, dat zij e\'-nigszins veranderd was. Ik had dit onlangs me» r dan eens gedacht. Ik kon niet iecht beslissen, zelfs terwijl ik haai zoo slapend voor mij had, in welk opzicht zij veranderd was; maai er was toch in do mij zoo bekende schoonheid van haar gezichtje iets, dat mij anders voorkwam. De vroegoti hoop van mijn voogd voor haar en iMchard kwam mij treurig voor den ireest, en ik zeide biemvi /.eive . ./ij heeft zich i- ver hem antrsijggenmiikt.quot; en ik Verwonderde mij wöarop die liefde zou Uitloopeli.

Als ik van (\'addy. terwijl zij ziek wagt;, thuis kwam, had ik Ada dikwijls aan het werk gevonden, en altijd had zij haar werk weggeborgen, en ik had nooit geweten wat het was. iets van dat werk lag nu in eene lade, die niet geheel dichtgeschoven was. Ik trok de lade niet verder open; maar verwonderde mij toch wat voor werk het zijn kon, want het was blijkbaar niet iets voor haar zelve.

En terwijl ik mijne lieve vriendin een kus gaf, lette ik er op, dat zij hare eene hand onder haar kussen had gestoken, zoodat die verborgen was.

Hoeveel minder teergevoelig moet ik geweest zijn dan men dacht of ik zelve dacht, om zooveel om mijne eigene opgeruimdheid en tevredenheid te denken, dat ik mij verbeelden kon, dat het maar aan mij lag om het lieve meisje uit den droom te helpen en haar gemoed gerust te stellen.

Mij zelve met dat geloof misleidende, ging ik slapen. En den volgenden dag ontwaakte ik, om wederom dezelfde wolk tusschen mij en mijne Ada te vinden.

LI.

OPOEHENDÈRD.

Toen mijnheer Woodcourt in hond en kwam, ging hij denzelfden dag naar mijnheer Vhole-in Sy m o n d\'s Inn; want van het oogenblik af, dat ik hem verzocht had om een vriend voor ilichard te zijn, vergat of verwaarloosde hij zijne belofte nooit. Hij had mij gezegd, dat hij dat vertrouwen als een heilig pand blt; schouwde, en in dien geest handelde hij ook. Hij vond mijnheer Vholes in zijn kantoor en onderrichtte hem van zijne afspraak met Richard, dat hij daar zou aankomen om zijn adres te vernemen.

„Ja wel. mijnheer,quot; zeide mijnheer Vholes. „Mijnheer O\'s adres isgeene honderd mijlen van hier, mijnheer; geene honderd mijlen van hier. Wilt ge niet gaan zitten, mijnheer?\'1

Woodcourt bedankte mijnheer Vholes, want hij had niets bij hem te doen, behalve wat hij reeds gezegd had.

. fa wel, mljnhi i r. Ik geloof, mijnheer,quot; zeide Vholes, en dwong den vreemdeling om te gaan zitten, door het adres maar niet te geven, „dat gij invloed op mynheer r. hebt. Of liever ik weet dii zeker.quot; — „Dat was mij zeiven niet, ■ ens bekend.\'\' antwoordde mijnhi (r Woodcouri. .Maar gij zult la t best weten.quot; „Mijnheer.quot; hervatte mijnheer Vholes, even. koel als gewoon-iijk en zonder eenige verheffing van stem. „Het behoort in mijn vak tot mijn plicht zoo iets best te weten. Het behoort tot mijn plicht iemand te bestudeeren en te doorgronden, die mij zijne belangen toevertrouwt. In mijn plicht als prak-


-ocr page 359-

MIJNHEER VIM H.KS BEI.\'OKi\'SI\'I.ICIIT,

tizijn zal ik niet te kort schieten, mijnheer, als ik hem maar ken. Ik mag, met de beste inzichten, er in te kort schieten zonder het te wéten; maar niet als ik hem ken, mijnheer.quot;

Woodconrt sprak nog eens van hot adres.

„Laat ik u mogen zeggen, mijnheer,\' zeide mijnheer Vholes, Laat ik u een oogenblikje geduld verzoeken. Mijnheer C., mijnheer, speelt om een aanzienlijken prijs, en hij kan niet spelen zonder behoef ik te zeggen wat?quot; -„Geld, vermoed ik?quot; „Mijnheer,quot; antwoordde mijnheer Vholes, „om eerlijk te zijn (want eerlijkheid is mijn gulden regel, hetzij ik er mede win of verlies en doorgaans bevind ik, dat ik er mei verlies), geld is het woord. Nu, mijnheer, over de kansen in het spel van mijnheer C. uit ik geen gevoelen, geen gevoelen. Het zou zeer onoverlegd van mijnheer C. kunnen zijn, als hij, na zoolang en zoo hoog gespeeld te hebben, het spel staakte, het zou ook het tegendeel kunnen zijn. Ik zeg niets. Neen, mijnheer,quot; zeide mijnheer Vholes, en liet zijne vlakke hand op den lessenaar nrf i vallen, bij wijze van stellige verzekering, „niets.quot; „(Jij schijnt te vergeten,\' zeide Woodconrt. „dat ik u niets gevraagd heb, en geen belang stel in wat gij zegt.quot;

- „Neem mij niet kwalijk, mijnheer,quot; liet mijnheer Vholes hierop volgen, „maargijdoetuzeiven onrecht aan. Neen, mijnheer, neem mij niet kwalijk, maar dat zult gij niet --niet in mijn kantoor, als ik het weet. Gij stelt belang in alles wat uw vriend aangaat. Ik kon het men-scholijk hart beter, mijnheer, dan om vooreen oogenblik te denken, dat een gentleman van uw voorkomen geen belang zou stellen in wat zijn vriend aangaat.\' „Welnu,quot; antwoordde Woodconrt, „dat is mogelijk. Ik stel nu bijzonder belang in zijn adres.quot; - („Ik meen het nommef reeds genoemd te hebbenquot;), merkte mijnheer Vholes als in een tusschenzin aan, en vervolgde toen: „Indien mynheer i.\',, mijnheer, om dien aanzienlijken prijs zal blijven voortspelen, moet hij fondsen hebben. Versta mij wel! Kr zijn voor het oogenblik fondsen in handen. Ik vraag niets, er zijn fondsi n in handen Maar om vorder door te spelen, moet er voor meer fondsen gezorgd worden; of mijnheer moet weggooien wat hij reeds gewaagd heeft hetgeen een punt is. dat hij alleen moet overwegen en beslissen, ik neem de gelegenheid waar, mynheer, om n, als vriend van mijnheer (dit openlijk te zeggen. Zonder fondsen zal ik altijd gaarne voor mijnheer (\'. optreden en handelen, zoover ik berekenen kan, dat de kosten uit den boedel vergoed zullen worden; maar verder niet. Ik zou niet verder kunnen gaan, mijnheer, zonder iemand mreeht te doen. Ik zou mijne drie lieve dochters onrecht moeten doen, of mijn eerwaardigen vader, die geheel van mij afhankelijk is — in het Dal van Taunton; of iemand anders. En ik heb mij vast voorgenomen, mijnheer tgij moogt het eene zwakheid of dwaasheid noemen, als het u belieft), om niemand onrecht te doen.\'

Mijnheer Woodconrt antwoordde eenigszins barsch, dat het hem verheugde dit te hooren.

„Ik wensch, mijnheer,quot; zeide mijnbeer Vholes. „een goeden naam na te laten. Daarom neem ik elke gelegenheid waar om een vriend van mijnheer i\'. openlijk te zeggen, hoe het met de zaken van mijnheer C. gesteld is. Wat mij zeiven aangaat, mijnheer, de arbeider is zijn loon waardig. Als ik aanneem mijn schouder tegen het wiel te zetten, doe ik het ook, en ik ontvang daarvoor wat mij toekomt. Met dat oogmerk zit ik hier. Met dat oogmerk staat mijn naam daar buiten op de deur.\' „Eu mijnheer Carstone\'s adres, mijnheer Vholes?\'

„Mijnheer, gelijk ik reeds meen gezegd te hebben, het is iiier naast de deur. Op de tweede verdieping zult gij liet apartement van mijnheer C. vinden. Mijnheer t\'. verlangt dicht bij zijn raadsman en praktizijn te wezen, en ik heb daar volstrekt niet tegi ii, want het strengste toezicht is mij het liefst.quot;

Daarop wenschte Woodconrt den praktizijn goedendag en ging Richard opzoeken, wiens verandering van voorkomen hij nu maar al te wel begreep.

Mij vond hem in eene sombere kamer, met een verschoten behangsel en daarbij passende meubelen, omtrent eveneens als hij hem kort te voren in de kazerne had gevonden, behalve dat hij nu niet schreef, maar met een boek voor zich zat, waarvan zijne oogen en gedachten ver wegdwaalden. Daar de deur toevallig openstond, was Woodconrt eene poos bij hem zonder te worden opgemerkt; en hij zeide mij, dat hij nooit het vervallen uitzicht en de neerslachtige houding kon vergeten, die Richard had, eer hij uit zijn droom werd opgewekt.

,WoodcOUrt, beste vriend!quot; riep hij uit en sprong op. „(fij staat waarlijk daar Voor mij als een spook.quot; „Ken vriendelijk spook dan,quot; antwoordde Woodeourt, „en dat ook, gelijk men van spoken zegt, maar wacht om aangesproken te worden. Hoe gaat het in de onder-maansche wereld?quot; /.ij zaten nu reeds dicht bij elkander. „Slecht genoeg, iti mijn gedeelte van de wereld ton minste,\' antwoordde Richard. „Welk gedeelte is dat?quot; — „De Kanselarij.\' ,lk heb nog nooit gehoord,quot; zeide Woodronrt, zijn hoofd schuddende, „dat het daar goed ging,quot; „Ik ook niet,quot; antwoordde Richard somber, „Kn wie heeft dat ooit gehoord?quot;

Doch in een oogenblik lieldenie hij weder op en zeide met zijne natuurlijke openhar-t igheid:

„Woodronrt, het zou mij spijten als gij mij


-ocr page 360-

344 HET VERLATEN HUIS.

voor iets anders hield dan ik ben, al was het I zelfs voor iets beters. Gij moet weten, dat ik al sedert langen tijd niets goeds heb gedaan. I Ik heb wel geen kwaad willen doen, maar ik schijn toch tot niets anders in staat te zijn. Misschien zou ik beter gedaan hebben als ik uit het net was gebleven, waarin het noodlot mij verstrikt heeft; maar ik denk het toch niet, I hoewel ik geloof, dat gij spoedig eene geheel andere meening zult liooren, — als gij die niet reeds gehoord hebt. Om kort te gaan, ik vrees, dat het mij aan een doel ontbrak; maar ik I heb nu een goed doel of het heeft mij — en het is te laat 0:11 er over te spreken. Neem mij zooals ik ben, en denk het beste van mij.quot; — „AfgesprokenIquot; zeide Woodcourt. „Doemet mij (■veneens,\'\' „O, gij,quot; hervatte Richard, „gij kunt uwe kunst met liefhebberij uitoefenen; uij kunt uwe hand aan den ploeg slaan en niet omzien; gij kunt bij al wat gij doet een doel hebben. Gy en ik zijn zeer verschillende wezens.quot;

Mij sprak met bitterheid en verzonk voor een oogenblik weder in zijne neerslachtigheid.

„Maar koml\' riep hij uit. die van zich afwerpende, „alles heeft een einde. Wij zullen zien! lt;Hj zult mij dus nemen gelijk ik henen het beste van mij denken?quot; „Ja, dat wil ik waarlijk.quot; Zij gaven elkander lachend, maar met diepen ernst de hand. Dat één van hen ernstig was. daarvoor kan ik met al mijn hart instaan. „(-lij komt Sjsof de hemel uzond,\' zeide Richard, „want ik zie hier niemand dan Vhele-. Er is . 1 n onderwerp, Woodcourt. waarover ik, bij liet begin van ons verdrag, voor eens en voor goed zou willen spreken. Gij kunt bezwaarlijk hel beste van mij denken als ik zelf dat niet doe. Gij zult. wel weten, dat :k genegenheid voor mijn nichtje Ada heb?quot;

Woodcourt antwoordde, dat ik hem daarvan een wenk had gegeven.

„Houd mij nu, bid ik u,quot; zeide Richard, „niet voor iemand, die uit niets anders dan eigenbaat bestaat. Denk niet, dat ik my alleen voor mijne eigene ri chten en belangen met dat ellendige Kanselary-proees afmartel. Die van Ada gaan met de mijne gepaard; zij kunnen niet van elkander afgezonderd wor len; Vhol» - werkt voor ons beiden. Dat moet gij bedenken.\'

Hij scheen zich dit zoozeer aan te trekken, dal Woodcourt hem de sterkste verzekeringen gaf van hem in dit opzicht, geen onrecht, te doen.

„(Jij ziet wel,quot; /.ejde Richard, met iets aan-doenhiks in den toon, waarop hij over dil punt Uitweidd\'. hoewel hij geheel natuurlijk en ore voorbereid sprak, „de gedachte is mij onuitstaanbaar, dat gij, die zulk een rechtschapen man zyt en met zulk een vriendelijk gezicht liiei komt. mij voor la.ig en zelfzuchtig zoudt

moeten houden. Ik wil Ada recht verschaffen, Woodcourt. zoowel als mij zeiven; ik wil alles inspannen om haar, zoowel als mij zeiven, rijk te maken. Ik bid u, onthoud dat toch!quot;

Toen Woodcourt naderhand over het voorgevallene nadacht, bevreemdde Richard\'s angst-valligheid in dit opzicht hem zoodanig, dat hij, toen hij mij zijn bezoek in Symond\'s Inn in algemeene bewoordingen mededeelde, bijzonder daarover uitweidde. Het deed mijne vroegere vrees herleven, dat het geringe vermogen mijner lieve Ada insgelijks door mijnheer Vholes zou verslonden worden, en dat Richard zijn gedrag in alle oprechtheid op deze wijze voor zich zeiven zou verontschuldigen, liet was juist toen ik e\'addy begon op te passen, dat dit onderhoud plaats had, en ik keer nu terug tot den tijd toen Caddy hersteld was, en er nog zulk eene wolk was tusschen mij en mijne vriendin.

Ik deed Ada het voorstel, dat wij dien morgen Richard eens zouden gaan bezoeken. Het verwonderde mij eenigszins, dat zij aarzelde en niet de blijde bereidwilligheid toonde, die ik verwacht had.

„Lieve,quot; zeide ik, „gij hebt toch geen ongenoegen met Richard gehad sedert ik zooveel uit ben geweest ?quot; — „Neen, Esther.quot; — „Niet eens van hem gehoord, misschien?quot; - „Ja, ik heb wel van hem gehoord,quot; zeide Ada.

Zulke tranen in hare oogen en zulk eene liefde in haar gezichtje. Ik kon haar niet begrijpen. Zou ik maar alleen naar Richard gaan? vroeg ik. Neen, Ada achtte het beter, dat ik niet alleen ging. Zou zij dan met my mede-gaan? Ja, Ada achtte het beter, dat zij met mij medeging. Zouden wij nu gaan? Ja. laten wij nu gaan. Ik kon haar maar niet begrijpen, met die tranen in hare oogen en die liefde in haar gezichtje\'

.Spoedig waren wij gereed en gingen uit, I let was oen sombere dag, en nu en dan vielen er eenige koude regendroppels. Het was een van die kleurlooze dagen, waarop alles er even naargeestig en dreigend uitziet. Ik verbeeldde mij, dat mijne schoone vriendin volstrekt niet in die akelige straten paste, en dat er meer begrafenissen voorbijkwamen dan ik ooit voorheen had gezien.

Kerst moesten wij Symond\'s Inn opzoeken. Wij wilden in den winkel vragen, toen Ada zeide te meenen. dat wij Chancer y-L a n 0 in moesten. „Als wij daar maar heen gaan, zullen wij er zeker niet ver meer af wezen.quot; zeide zij. Wij gingen dus naar Chancery-Lane, en ja, daar lazen wij: „Symond\'s Inn.quot;

Toen moesten wij hot nommor van het huis vinden „Of dat van mijnheer Vholes is evengoed,quot; herinnerde ik mij, „want le t kantoor van mijnheer Vholes is naast de deur.quot; Daarop zeide Ada, dat het kantoor van mijnheer Vholes


-ocr page 361-

K 1( \'H AI! 1) i;N ADA.

misschien daar in dien hoek was. En ja, danr was het waarlijk.

\'Toen kwam de vraag, welke deur van de twee naast-aan ? Ik was voor de eene, Ada voor de andere, on Ada had wederom gelijk. Wij gingen dus naar de tweede verdieping, waar wij Richard\'s naam met groote witte letters up eene.zwarte deur vonden.

ik wilde aankloppen, doch Ada zeide, dat wij misschien maar lio ver dekrnk moesten omdraaien en binnengaan. Zoo kwamen wij bij Richard, die bij eene tafel zat, met pakken stofl\'erigepapie-ieder ander, die maar hall\' zooveel te doen had als bij, denken zou, dat hij geheel geen tijd had. En hij is zoo vroolijk. zoo opgewekt, zoo verstandig, zoo ernstig, zoo alles wat ik. niet ben, dat de kamer lichter schijnt te worden als hij komt, en donkerder als hij weer heen gaat. „God zegene hem,quot; dacht ik, ,dat hij mij zoo trouw zijn woord houdt!quot; ,1 lij verwacht nooit zooveel goeds, Ada,quot; vervolgde Richard, en liet oen neersjachtigen blik over de papieren dwalen, „als Vholes en ik gewoonlijk doen: maar hij is ook buiten de zaak en niet


\'\'en bedekt, welke in mijne oogen naar stofl\'e-i ige spiegels geleken, waarin hij zijn eigen geest \'m•schouwde. Waarheen ik ook zag, overal zag ik de noodlot! ige woorden, herhaald, die zijn gemoed vervulden: Jarndyce en Jarndyci .

Mij ontving ons zeer vriendelijk en wij namen plaats.

Als gij wat vroeger gekomen waart,quot; zeide \'Ui, „zoudt gi Woodcourt hier hebben gc von-\'eti. Er is nooit zulk een goede jongen gevv^st il- die Woodcourt is. Illj vindt ahijd nog tijd Om tusschenbeide eens aan te kómen, terwijl in de geheimen ingewijd. Wij hebben ze doorgrond en hij niel Men kan niet verwachten, dat hij veel van zulk een doolhof zal begrijpen.quot;

Terwijl hij Wederom zijn Mik over tic papieren liet dwalen en met beide handen over zijn hoofd streek, leU.i ik er op hoe hol zijne groote oogen stonden, hoe droog zijne lippen waren en hoe zijne nagels waren afgebeten.

„ Is dit wel eone gezonde kamer om te wonen, Richard, zoudt gij denken?quot; zeide ik. ,Wel, mijne lieve Minerva,quot; antwoordde Riehanl, met zijn ouden luchtlgen lach, „het is hier noch


-ocr page 362-

11 KT VKIM.ATi\'N HUIS.

zeer landelijk, nocli zeer vroolijk; en als men hier iets van de zon ziet, kan men tamelijk hoog wedden, dat zij op eene opene plek helder schijnt. Maar voor een tijd is het hier wel genoetr. Fli\'t is dicht bij de kantoren ••u dicht bij Vljoks.\'\' „Misschien ...quot; begon ik. „Zou het. wel goed voor mij zijn als ik van allebei af was,quot; viel Richard er op in. met een gedwongen lach, „\\V. 1 mogelijk. Maar dat kan nu nog maar op eene manier gebeuren et ik moest liever zeggen op twee manieren. Het moet gedaan wezen met het proces, Ksther, of met Maar het zal het proces wezen, liefje, het proces.quot;

Deze laatst e woorden waren tot Ada gericht, die het dichtst bij hem zat. Daar zij haar ge zicht van mij af en naai\' hem toegekeerd had, kon ik het niet zien.

„Het, gaat tegenwoordig goed met ons,quot; vervolgde Richard. „Dat zal Vholes u zeggen. Wij maken werkelijk voortgang. Vraagt liet Vholes maar. Wij laten hun geene rust. Vholes kent al hunJH \'streken en draaierijen, en wij passen hen overal op. Wij hebben hen al meer dan eens verbaasd doen slaan. Wij zullen die slapers wel wakker krijgen; onthoudt wat ik /.eg!\'

Zulk t:i ne hoopvolle stemming was mij sedert lang re. ds v.-.-l pijnlijker gewei st dan zijne neerslachtigheid. Zijne hoop geleek zoo weinig naar hoop; het was zulk \'ene woeste inspanning om te hopen; zij was zoo gretig en hongerig, en wist toch y.elvo zoo goed, dat zij gedwongen en onhoudbaar was. Dit alles had mij reeds lang door het hart gesneden: maar het nu zoo onuitwischbaar op zijn jeugdig gezicht geschreven te zien, maaktt mij nog akeliger. Ik zeg onuitwischbaar; want ik houd mij overtuigd, dat indien — zelfs met de ver vulling zijner schoonste uitzichten - de noodlottige oorzaak in eens verwijderd had kunnen worden, de sporen van angst, zelfverwijt en teleuigt;telling, die zij had nagelaten, toch tot aan het uur van zijn dood ep zijne trekken zouden zijn gebleven.

„Me! gezelschap van ons huismoeder! je.\'\' zeide Richard, terwijl Ada stil i n zwijgend bleef zitten, „is mij /.oo eigen, en haar medelijdend gezicht,!\'• gj lijkt zoo sterk op het gezichtje van oude dagen , quot; ,o neen, neen!quot; Ik schudde glimlachend mijn hoofd. „Is /,00 volkomen iiet ge/.irht :i van oude dagen,quot; zeide Richard niet zijne hartelijke stem, en drukte mij de baud met die broederlijke warmte, welke niets kon doen veiHauwen. „dat ik voor haai niets V\'inzen kan. Ik wankel wel erns, dit is waar. somtijd^ hoop ik, lii ve; en smntijds wanhoop ik we] niet, maai\' toch bijna. Ik werd.quot; zi ide Diehard, mijne hand zachtjes loslatende en op-staaand\' . ,/.■1 gt; n; ■ d( 1\'

Hij stapte l enige malen d* kamer op en neer, en ziink toen op dt sofa. „Ik wmd zoomoede!quot; herhaalde hij somber. „Het is zulk een vervelend en afmattend werk.quot;

Hij leunde op zijn arm, terwijl hij dit peinzend zeide, en keek naar den grond. Nu stond mijne lieve Ada op, zette haar hoed af, knielde naast hem neer, zoodat hare gouden lokken als zonneschijn over zijn hoofd vielen, sloeg hare armen om zijn hals en keerde haar gezichtje naar mij toe. O, hoeveel liefde en trouw zag ik daarin!

„Lieve Esther,quot; zeide zij. bedaard en zacht, „ik ga niet weder naar huis.\'

Eensklaps ging er een licht voor mij op.

„Nooit meer. ik blijf hier bij mijn lieven man. Wij zijn al over de twee maanden getrouwd. Ga\' maar zonder mij naar huis, beste Esther; ik zal nooit weder naar huis gaan.quot; Met deze woorden trok zij zijn hoofd op hare borst en liet het daartegen liggen. En indien ik ooit in mijn leven eene liefde zag, die niets dan de dood kon doen veranderen, zag ik die toen voor mij. „.-.preek toch tegen Esther, liefste, zeide Richard weldra. „Zeg haar hoe het zoo gekomen is.quot;

Ik kwam naar mijne vriendin, eer zij naar mij toe kon komen, en sloot haar in mijne armen. Wij spraken geen van beiden; maar met mijne wang tegen de hare, behoefde ik niets ti\' hooien. „Mijn lieveling,quot; zeide ik. „Mijn arm. arm kind!quot; Ik beklaagde haar zoo. Ik hield veel van Richard, maar ik kon toen toch niet. anders dan haar beklagen.

„Esther, zult ge mij vergeven ? Zal nee f John mij vergeven?quot; — „Lieve,quot; antwoordde ik, „door een oogenblik daaraan te twijfelen, zou men hem groot onrecht doen. En wat mij aangaat!quot;

Wat mij aanging, wat had ik te vergeven !

Ik droogde mijne snikkende lieveling de oogen af en zette mij naast haar op de sofa. Richard zat aan mijne andere zijde, en terwijl ik aan den zoo geheel anderen avond dacht, toen zij mij het eerst in hun vertrouwen hadden genomen, en zoo kinderlijk blijde en gelukkig waren, vertelden zij mij te zamen hoe het zoo gekomen was.

„Al wat ik had was van Richard,quot; zeide Ada, „en Richard wilde het niet nemen, en wat kon ik anders doen dan zijne vrouw worden; daar ik hern toch zoo teeder liefhad?quot; „En gij hadt zooveel irienschlievende drukte, beste Dame Durdeti,quot; zeide Richard, „hoe konden wij er 11 dus toen van spreken? Kn buitendien, het, was geen stap, dien wij lang overlegden. Wij gingen op 1\' n ochtend te zamen uit, en lieten ons trnuwen.quot; „En toen dat gebeurd was. Esther.\'\' zeide Ada, „heb ik er altoos óver ge dacht hoe ik het u zou zeggen en wat ik het best zou doen. Somtijds dacht ik. dat gij het terstond weten moe-t ; en dan dacht ik weer, dat gij het niet zoudt kunnen weten en het voO) m ef John verborgen houden; en zoo wist


-ocr page 363-

ZIJ ZIJN GETROnvi) :M7

ik niet wat te doen en kwelde mij zeer daarover.quot;

Hoe eigenlievend moest; ik geweest zijn, dat ik niet vroeger daaraan had gedacht! Ik weet niet wat ik toen zeide. Het speet mij zoo, en toch hield ik zooveel van hen, en was zoo blijde, dat zij zooveel van mij hielden ; ik beklaagde hen zoo, en toch stelde ik er zekeren trots in, dat zij elkander zoo liefhadden, en in mijn eigen hart wist ik niet wat de overhand had. Maar ik was daar niet om hun weg nog donkerder te maken; en dat deed ik ook niet.

Toen ik bedaarder was geworden, haalde Ada haar trouwring uit hare borst en stak hem, na hom eerst gekust, te hebben, aan haar vinger. Toen herinnerde ik mij den vorigen avond, en zeide Kichard, dat zij hem sedert haar huwelijk des nachts had gedragen, als niemand het zien kon. Daarop vroeg Ada mij blozend, hoe ik dat wist; en toen zeide ik haar. hoe ik haar hare hand onder haar kussen had zien wegstoppen, maar weinig gedacht haci waarom zij dat deed. En toen vertelden zij mij nog eens hoe alles gekomen was, en werd ik wederom zoo aangedaan en zoo blijde, dat ik schreien moest, en mijn leelijk gezicht zooveel ik kon verborg, opdat zij den iljped niet zouden verliezen.

Zoo verliep de tijd. tot ik er aan denken moest om weder heen te gaan. Eindelijk werd het zoo laat, en toen werd het zeer erg. want nu bezweek mijne lieveling geheel en al. Zij klemde hare armen om mijn hals, gaf mij alle liefkoozende namen, die zij maar bedenken kon, i-n zeide. dat zij niet wist wat zij zonder mij zou beginnen. Richard maakte het niet veel beter, en wat mij betreft, ik zou misschien de ergste van de drie zijn geweest, als ik niot streng bij mij zelve had gezegd: ,Esther, als gij dat doet, zal ik nooit weder tegen n spreken.quot;

.Wel, ik moet zeggen,quot; zeide ik, „dat ik nog nooit zulk eene vrouw heb gezien, ik geloof niet. dat zij iets van haar man houdt. Hier, Kichtód, houd maar eens vast!quot; Maar ik hield haar zelve toch vast en had, ik weet niet hoelang, over haar kunnen schreien.

„Ik geef dit lieve jonge paar kennis,quot; zeide ik. „dat ik alleen heenga om morgen terug te komen, en dat ik zoo lang en zoo dikwijls zal terugkomen, tot mijn gezicht B y ui o n d\'s 1 n n begint te vervelen. Ik zal n dus maar niet goe dendag zeggen. Richard; want waartoe zou dat dienen, daar ik zoo gauw terugkom!\'\'

Ik had hem nu mijne lieveling overgegeven en wilde heengaan; maar ik draalde om nog • ens dat dierbare gezichtje te zien ; het scheen mij liet hart te verscheuren, dat ik er mij van moest afkeeren.

ik zeide dus (op 11 n drukken, vroolijken toom, dat ik, ais zij mij niet eenigszins aanmoedigden om terug te komen, zeker die vrijheid niet zon durven nemen; en toen zag Ada tlauw glimlachende, door hare tranen heen naar mij op, en ik nam haar lief gezichtje tusschen mijne handen, gaf haar een laatsten kus, en liep lachend heen.

En toen ik benoden was gekomen, o hoe schreide ik toen! Het was mij bijna, alsof ik mijne Ada voor altijd verloren had. Ik was zonder haar zoo eenzaam, en het was zoo akelig naar huis te moeten gaan zonder hoop om haar daar te zien, dat ik mij eene poos lang, terwijl ik in t-en donkeren hoek schreiend en snikkend op en neer stapte, maar volstrekt niet kon troosten.

Langzamerhand, en na wat geknord te heli-ben, kwam ik weder bij mij zelve en nam eene koets om naar huis te rijden. ï)e arme jongen, dien ik te S t. A 1 b a n s gevonden had, was sedert kort weder te voorschijn gekomen en lag nu op sterven; was eigenlijk reeds dood, schoon ik het nog niet wist. Mijn voogd was uitgegaan om naar hem te vernemen en kwam niet thuis om eten. Daar Üe zoo geheel alleen was schreide ik weder een weinigje; hoewel ik geloof, dat ik mij over het geheel nogal goed hield. Het was niet meer dan natuurlijk, dat ik nog niet geheel aan het verlies mijner lieve vriendin gewend was. Drie of vier uren waren geen lange tijd na zoovele jaren. Maar ik dacht zooveel aan de omstandigheden, waarin ik haar gelaten had, en ik stelde mij die als zoo denker en onbarmhartig voor, en ik verlangde zoo om nabij haar te zijn en eenigszins op haar te passen, dat ik mij voornam des avonds nog eens daarheen te gaan, alleen maar om naar hare vensters op te zien.

Dit was eene dwaasheid, moet ik zeggen; maar toen vond ik dat zoo niet, en zelfs nu kan ik het nog zoo heel dwaas niet vinden, Ik nam Charley in mijn vertrouwen, entegen den schemeravond gingen wij ie zamen uit. Het was donker toen wij aan de nieuwe vreemde woning van Ada kwamen, en er Wös licht achter de gele valgordijnen. Wij wandelden, voorzichtig omhoog kijkende, drie-of viermaal voorbij, en ontsnapten teinanweinood eene ont-nuoeting met mijnheer Vholes. die zijn kantoor u t.kwam on ook nog eens naar umhong keek, eer hij naar huis ging. liet gezicht van zijne schrale, zware gedaante en dé akelige eenzaamheid van dien donkeren hoek maakten eon zeer onaangenanien indruk op mij. Ik dacht aan de jeugd, de liefde en tie schoonheid mijner Ada. in een verblijf opgesloten, dat zoo weinig voor haar paste, en het was mij bijna alsof het een kerker was.

Het was zoo --lil en eenzaam, dat ik niet twijfelde of ik kon veilig naar boven sluipen. Ik liet Charley beneden en ging met lichten tied naar boven, zonder mij door het schijnsel der tlauwe lantarenlampjes op de trap te laten


-ocr page 364-

IS HET VERLATEN HÜIS.

afschrikken. Ik luisterde eono poos, en in de doll\'\' . doodsche stilte van dat huis meende ik het yetnunnel hunner jeugdige stemmen te kunnen hooren. Ik drukte mijne lippen op de zwart\'- deur, als een kus voor mijne lieve vriendin, en kwam stil weder naar beneden, denkende hoi- ik haar eens dat bezoek zou bekennen.

En waarlijk het deed mij goed; want hoewel niemand, behalve ik en (,\'harley, er iets van wist, was het toch alsof hi-t de afzondering tus-schcn mij en Ada had vrminderd en ons voor die oogenblikken weder bij elkander gebracht. Ik ging naar huis, nog niet geheel aan de verandering gewend, maar toch t-\'-nigszins getroost, nu ik maar even weder dicht bij mijne lieveling was geweest

Mijn voogd was thuis gekomen en stond peinzend\' bij het donkere venster. Toen ik binnentrad, helderde zijn gezicht op en kwam 101 naar zijn stoel; maar zoodra hij zich neerzette viel hem mijn gezicht in het oog.

.Huismoedertje,quot; zeide hij, „(uj hebt geschreid.quot; „Och ju. voogd.quot; zeid( ik. „Een beetjr, vrees ik. Ada is zoo angstig geweest, en het spijt haar zoo, voogd.quot;

Ik legde mijn urm op d\' leuning van zijn stoel, en ik zag aan zijne oogen, dat mijne woorden en mijn blik naar hare ledige plaats hein reeds op alles hadden voorbereid.

.Is zij getrouwd, meli\'-ve?quot;

Ik verhaalde hem alles en hoe angstig smee-kend zij van zijne vergitfenis had gesproken.

.Zij heeft die niet noodig,quot; zeide hij. .De hemel moge haai en haar man zegenen 1quot; Maar evenals ik nie\', had kunnen nalaten haar te beklagen, kon hij dit ook niet laten. .Arm kind! Arme Richard! Arme Ada!quot;

Daarna spraken wij geen van beiden, totdat hij niet .quot;ti zuch! zei «Je: ,Wi-l. wei, melieve: Het verlaten Hui- begint ledig te worden.quot; „Maar de meesteres blijft toeh. voogd!quot; I-Ioe-w l ik beschroomd was om dit te zeggen, deed ik het toch, omdat hij met zulk een treurigen toon had gesproke-n. .Zij zul alles doen wat zij kan om hel een gelukkig huis te maken.quot; .En dut. zal haar wel gelukken, lieve.quot;

De brief had ge. ne verandering tusscheii ons !I:)W •i.ggebracht, behalve dat de plaats naast hein de mijne was ge worden, • n daarbij bleef ook nu de verandering. Hij zag mij met zijn ouden, helderen en vaderlijken blik aan, legde zijne hand op zijne oude manier op de mij ie, en zeidt n^g eens: „Uat zal haar wel gelukken, li\' ve. Maar toch, huismoedertji . het Verlaten linis begint leditr te worden.quot;

Ih-i speet mii kort daarop, dat dit alles was wai wij daarover zeiden. Ik was\'-enigszins teleurgesteld. Ik vreesde, dat ik, sedert di-n brief en liet antwonrd, niet in alle opzichten geweest was wat ik had willen zijn.

LIL

UARDNEKICIOHEI Lgt;.

Slechts een dag was daarna verloopen, toen des morgens, terwijl wij aan het onbijt zaten, mijnheer Woodcourt haastig binnenkwam met de schrikbare tijding, dat er een gruwelijke moord was gepleegd, waarvoor George in hechtenis was genomen. Toen hij ons zeide, dat Sir Leicester Dedlock een groot\'en prijs voor het vatten van den moordenaar had uitgeloofd, begreep ik in mijrn eerste verbijstering niet waarom ; maar door eenige woorden werd het mij duidelijk, dat de vermoorde Sir Leicester\'s procureur was, en nu herinnerde ik mij terstond welk eene vrees mijne moeder voor dien man had gekoesterd.

Deze onverwachte en geweldige dood van iemand, wien zij altijd angstig in het oog gehouden en gewantrouwd had — iemand, voor wien zij bijna nooit eenige welwillendheid had kunnen gevoelen, daar zij altijd een geheimen en gevaarlijken vijand in hem moest vreezen-kwam mi j zoo ontzettend voor, dat ik allereerst aan haar moest denken. Hoe akelig van zulk oen dood te hooren en geen medelijden te kunnen gevoelen! Hoe schrikkelijk zich te herinneren, dat zij misschien dien ouden man, die zoo haastig uit het leven was weggenomen, wel eens dood had gewenscht!

Deze gedachten ontroerden mij zoodanig, dat ik nauwelijks aan tafel kon blijven zitten. Ik was goheoi buiten staat het gesprek te volgen, eer ik tijd had gehad om mij eenigszins te herstellen. Maar toen ik weder tot mij zelve kwam en zag hoe ontsteld mijn voogd was, en hoorde, dat zij met ernstige bekommering over den verdachten persoon spraken, en elkander herinnerden hoeveel goeds wij van hem wisten en hoe gunstig wij daarom altijd over hem gedacht hadden, gaf dit mijne gedachten eene geheel andere richting.

„Voogd,quot; zeide ik, .houdt gij het voor mogelijk, dat hij met redii beschuldigd wordt?quot;

.Dat kan ik niet denken, lieve. De man. dien ik zoo openhartig en medelijdend heb wzien, die met de kracht van een reus de zachtheid van oen kind vereenigt. die zulk een moedige knaap schijnt te zijn als er ooit een geleefd heeft, en toch zoo stil en bedaard is die man met recht van zulk eeno misdaad beschuldigd? Ik kan het niet gelooven, HeMs niet, dat ik niét wil, maar ik kan niet,quot; „En ik kan betook niet,quot; zeide mijnheer Woodcourt. ,Maar, wat wij ook gelooven of weten, wij moeten niet vergeten, dat de schijn eenigszins tegen hem is. Hij was tegen den overledene verbitt erd. Hij heeft dat op verscheidene plaatsen openlijk gezegd. M\' n zegt, dat hij zich heftig tegen hem heeft uitgelaten, en dat hij dit


-ocr page 365-

gt;-.19

over hem gedaan heeft, weet ik zeker. Hij bekent, dat hij, weinige minuten voor den moord, alleen op de plaats daarvan aanwezig is geweest. Ik geloof oprecht, dat hij even onschuldig daaraan is als ik, maar dit zijn allen redenen, die hem in verdenking moeten brengen.quot; „Dat is waar,\' zeide mijn voogd, en vervolgde, zich naar mij keerende: ,Wij zouden hem een slechten dienst doen, Esther, als wij onze oogen in dit opzicht voor de waarheid wilden sluiten.quot;

ik gevoelde, dat wij niet alleen voor ons zeiven, maar ook voor anderen de volle kracht dezer omstandigheden in zijn nadeel moesten erkennen. Maar ik wist toch ook (ik kon niet nalaten het te zeggen), dat het gewicht pier omstandigheden ons niet zou bewegen om hem in zijn nood te verlaten.

.Dat verhoede (iod!\'\' antwoordde mijn voogd. „Wij zullen hein bijstaan, zooals hij die twee arme schepsels, die nu niet meer leven, heeft bijgestaan.quot; Hij meende Gridley en den jongen, aan welke beide George huisvesting had verleend.

Mijnheer Woodcourt verhaalde ons daarop, dat de knecht van den gewezen cavalerist voor hel aanbreken van den dag bij hem was gekomen, nadat hij den geheelen nacht radeloos langs de straten had gezworven. Dat George vooral angstig was dat wij hem misschien voor schuldig zouden houden. Dat hij zijn bode had belast om ons de plechtigste verzekering van zijne volkomene onschuld over te brengen. Dat mijnheer Woodcourt den man niet had kunnen geruststellen dan door te beloven, dat hij des morgens vroeg naar ons toe zou gaan en ons alles zeggen. Hij was voornemens, voegde hij er bij, den gevangene zoo aanstonds zelf te gaan zien.

.Mijn voogd zeide terstond, dat hij medeging. Wat mij betreft, behalve dat ik veel van den braven George hield en hij van mij, had ik ook eene geheime reden van belangstelling in het gebeurde, die alleen aan mijn voogd bekend was. Het was alsof het mij van nabij betrof, en van persoonlijk belang voor mij was, dat de waarheid ontdekt werd en geen onschuldige verdacht werd; want de verdenking, ems op een dwaalspoor, kon nog verder dwalen.

Kortom, ik achtte het mijn plicht, insgelijks mede te gaan; mijn voogd poogde mij dit niet te ontraden, en ik ging.

Du gevangenis was een groot gebouw, met veli- binnenplaatsen en gangen, zoozeer aan quot;Ikander gelijk en eveneens bestraat, dat ik ■•quot;tier het voortgaan de tec der e gehechtheid be-gon te begrijpen, die eenzame gevangenen, van jaar tot jaar tusschen dezelfde starende muren opui sloten, gelijk ik wel gelezen heb soms \'■quot;or een enkel spruitje onkruid of grashalmpje beginnen te koesteren. Alleen in eonlt;\' gewelfde kamer, gelijk een kolder boven den grond, met muren zoo schitterend wit, dat zij de zware ijzeren traliën voor het venster en de met ijzer beslagene deur nog zwarter deden schijnen dan zij waren, vonden wij den gevangene in een hoek staan. Hij had daar op eene bank gezeten en was opgestaan toen hij de sloten hoorde omdraaien. Toen hij ons zag, kwam hij met zijn gewonen zwaren tred een stap vooruit, bleef toen staan en boog even. Maar toen ik nog nader kwam en mijne hand naar hem uitstak, begreep hij ons oogenblikkelijk.

«Dat is mij een pak van het hart, verzeker ik u, mejuffrouw en mijne heeren,quot; zeide hij, ons met hartelijkheid groetende, nadat hij eens diep adem had gehaald. „En nu kim het mij zooveel niet schelen hoe hel afloopt.quot;

IIij scht•quot;■n bezwaarlijk een gevangene te kunnen zijn. Met zijne koeliieid quot; ir militaire houding ! geleek hij veel meer naar een ge vangenbewanrder.

„Dit is nog ongeschikter plaats dan mijne galerij om (..■ene dame te ontvangen,quot; zeide (Jeorge. „maar ik weet wel. dat juffrouw Summerson het ten beste zal opnemen.quot; Toen hij mij naar de bank leidde, waarop hij gezeten had. zette ik mij neer, hetgeen hem veel genoegen scheen te geven. „Ik dank u wel, juffrouw,quot; zeide hij. ,En nu George.quot; zeide mijn voogd, „daar wij van uw kant geene nieuwe verzekeringen verlangen, geloof ik ook, dat wij er van onzen kant geen behoeven te ge;ven.quot; „Volstrekt niet, mijnheer. Ik dank u met al mijn haft. Als ik niet onschuldig was aan die misdaad, zou ik u dan kunnen aanzien en mijn geheim voor mij zei ven houden, nu gij zoo goed zijt mij zoo te komen bezoeken? Ik ben zeer gi voelig voor dit bezoek. Ik ben niet welsprekend, juffrouw iSummerson « n mijne heeren, maar ik gevoel het diep.quot;

Hij legde voor een oogenblik zijne hand op zijne breedi! borst en hoog zijn hoofd voor Ons. Hoewel hij zich terstond weder recht oprichtte, drukte hij door die eenvoudige beweging diepe aandoening uit.

„Vooreerst,quot; zeide mijn voogd, „kunnen wij ook iets voor uw gemak of genoegen doen, George?quot; „Waarvoor, mijnheer?quot; vroeg hij. zijne keel schrapende. „Voor uw gemak of genoegen. Kunnen wij u ook iets bezorgen, \' dat de hardheid dezer g^vangensehfip zou verzachten ?quot; «Och, mijnheer,quot; antwoordde George, na zich ei n oogenblik te hebben be dacht, „ik ben u toch eveneens verplicht; maar daar het ronken niet geoorloofd is. kan ik niet zeggen, dat ei\' iets is.quot; ..(iij/.nlt misschien latei\' om vele kleinigheden denken. Als dat gebeurt. (.ioorge, laat het ons dan maar weten.quot;

„Wel bedankt, mijnheer Maar.quot; /eidquot; (ieorge, met lt; en glimlach op zijn bruih gezicht, .iemand die zoolang als ik zoo vagebondachtig door de wereld heeft gezwalkt, vindt het hier al goed


-ocr page 366-

IIKT VERLATKN HUIS.

ifciiooK zooals het er i~.quot; ..lin vervolgens moeten wij over uwe omstandigheden spreken,quot; zeide mijn voogd. „Juist, mynheer,quot; antwoordde (ii-orge, en sloi g eeuigszins nieuwsgierig, maar volkomen bedaard, zijne armen over elkander. .Hoe staat de zaak nu?quot; „Wel, mijnheer, zij is vooreerst uitgesteld. Bucket heeft mij gezegd, dat hij waarschijnlijk van tijd tot tijd om langer uitstel zal vragen, tot de zaak meer volledig is. Hoe hij die meer vol-lodig zal maken, begrijp ik niet; maar ik denk, dat Bucket het welquot; op eene of andere manier zal klaar krijgen.quot; ,Maar, dv hemel bewaar ons, inanlquot; riep mijn voogd uit, van verrassing weder in zijne oude zonderlinge drift vervallende; -gij spreekt van u zeiven alsof gij iemand anders waart.quot; - „Neem mij dat niet kwalijk, mijnhe\'T,quot; antwoordde (ii orge. ,Ik hen zeer gevoelig voor uwe goedheid. Maar ik begrijp niet hoe een onschuldig man zich in zoo iets kan schikken zonder met zijn hoofd tegen den muur !• loopen, of hij moet het zoo leeren bezien.\'\' „l.\'at is w i waar. in zekere mate.quot; 1: •rvatte mijn voogd, nu geheel bedaard. „Maar. mijn goede man, zHfs een onschuldige moet de gewone voorzorgen nemen om zich te verdedigen.quot; „Zekerlijk, mijnheer. En dat heb ik ook gedaan. Ik heb tegen den magistraat gez\'-icd: ..ib \'■ ren, ik ben even onschuldig aan dat bedrijf als gij zei ven; wat als bezwaar tegen mij is ingebracht. Is de waarheid; meer weet ik \'T niet van.quot; Ik ben voornemens dat te blijven zi ggen, mijnheer. Wat kan ik meer doen? Het is de waarheid.quot; ..Maar de enkele waarheid zal niet baten.quot; zeide mijn voogd hierop.

„Niet. mijnheel ?. Dat is een tamelijk slecht vooruitzicht voor mij,quot; merkte fieorge zeer ko- l-Wloedig en vriendeiijk aan. ,(iij moet (\'n , iv ■ eit helibtm.quot; V\' rvlgde mijn voogd. „Wij zullen een goeden voor u aannemen.quot; — ..Ik hoop, dat gij het nii t kwalijk zult nemen, mijn-hf ■ r.\' antwoordde Cieorge, met .•••n stap achterwaarts. ..Ik ben u toch eveneens verplicht. Maar ik moet u bepaald verzoeken om mij van zoo iets te verschoonen.quot; jjGij wilt dus g« en advquot; ■ iat hebben?\'\' „Neen, mijnhe\'-r.\' 0 ;orge sdiudde zeer nadrukkelijk zijn hoofd, „Ik ben ii dankbaar voor uw aanbod, mijnheer: maar

if. • n Jv i at.quot; .Waarom niet„Ik houd niet van dat volk,quot; antwoordde (i ■orgt;. „(Iridlev deed dat ook na t. Kn neem mij niet kwalijk, dat ik liet zejg ik had moelelljk kunnen denken, da.t uij zelf het deedt, mijn-he. r.quot; „Dat is in burirerlijke /aken,quot; zeide mijn. voogd, eenigs/.lns verlegen, „in burgerlijke zaken, (ienrg\',quot; „Zou. mijnheer!quot; hervatte George op zijn gewonen rondborstig.-n toon. „Ik ben niet b\' kend met die verschillende namen, maar over het gehe\' l heb ik eeti hekel aan dat volk.quot;

Hij sloog zijne armen uit elkander \'ti bleef

voor ons staan met de eene zware hand op de tafel en de andere op de heup, — een volmaakt model van een man, die niet van zijn voornemen is af te brengen. Het was vruchteloos, dat wij hem alle drie poogden te overreden; hij luisterde met die zachtmoedigheid, die hem bij zijne manhaftige rondborstigheid zoo goed stond, maar werd blijkbaar door onze redenen evenmin verwrikt als zijne gevangenis zelve.

„Denk er nog eens over, mijnheer George,quot; zeide ik, „Kunt gij niet zeggen, hoe gij dan uwe zaak liefst zoudt willen behandeld hebben?quot; „Zeker zou ik liefst voor een krijgsraad terechtstaan, jutfrouw,quot; antwoordde hij, „maar dat gaat niet aan, gelijk ik wel weet. Als gij zoo goed wilt zijn, juffrouw, om mij voor een paar minuten, en langer niet, uwe aandacht te geven, zal ik mijn best doen om mij zoo duidelijk te verklaren als Ik kan.quot;

Hij zag ons alle drie beurtelings aan, schudde even zijn hoofd, alsof hij het In zijne stijve stropdas terecht zette, en na zich een oogen-blik bedacht te hebben, vervolgde hij:

„(lij ziet wel. juffrouw, ik ben gearresteerd en geboeid hier gebracht. Ik ben onteerd en geschandvlekt, en zit nu hier. Mijn-- galerij is doorzocht; het weinigje goed, dat ik heb, is overal verstrooid, zoodat Ik zelf niet weet waar het gebleven is; en zooals Ik zeide, hier zit ik. Maar daarover klaag ik niet zoozeer Hoewel het eigenlijk niet onmiddellijk door mijne eigene schuld is, dat ik hier ben gekomen, kan ik toch heel wel begrijpen, dat dit niet gebeurd zou zijn als ik in mijne jeugd niet zoo los en ongeresitdd was geweest. Maar het is gebeurd. En nu komt de vraag: Hoe zal ik er mij onder houden?quot;

Hij wreef zijn voorhoofd en zeide veront--ihuldlgond en met zijn vriendelljken. half schertsenden blik: „ik ben zulk een slecht prater, dat ik eventjes moet denken.quot; Toen hij eventjes gedacht bad, keek hij weder op en vervolgde;

„Hoe er mij onder te houden? De man, die zoo ongelukkig aan zijn einde is gekomen, was : ook e. ii soort van advocaat, en had mij stijf onder den duim. Ik wil zijne asch niet oprakelen, ma ir als hij nog leefd» zou ik zeggen, dat hij mij duivels onder den duim hield. Dat is dus voor mij geene reden om meer van zulk\' lieden te houden. Als ik mij nooit met zulke Heden had ingelaten, zou ik niet hier zijn gekomen. Maar dat wilde ik nu eigenlijk niet zeggen. Onderstel nu eens, dat ik hem had doodgeschoten. Onderstel eens, dat ik hem werkelijk een kogel in het lyf had gejaagd uit een van die pas afgevuurde pistolen, die Bucket bij mij gevonden heeft, en, och Heerel alle dag had kunnen Vinden zoolang ik die galerij gehad heb. Wat zou Ik dan gedaan hebben


-ocr page 367-

ZKER 01 DK KK.WISSKN

zoodra ik hier zat? Een advocaat hebben gr-nomen.quot;

Hij hield op, toen hij hot slot hoorde omdraaien, en ging eerst weder voort nadat de deur geopend en wederom gesloten was. Waartoe, zal ik zoo aanstonds zeggen.

„Ik zou een advocaat hebben genomen, en hij zou gezegd hebben izooals lie dikwijls in de couranten heb gelezen): „Mijn cliënt zegt niets, rnijn dient reserveert zich zijne verdediging, mijn client dit en dat en \'nog wat.quot; Nu! het is. naar mijne gedacluen, de gewoonti-van dat volk niet om recht door zee te gaan. of te denken, dat andere mensehen dat doen Zeg nu, ik ben onschuldig, en ik neem een advocaat. Het is even waarschijnlijk dat hij mij voor schuldig zou houden als voor onschuldig; misschien nog waarschijnlijker. Wat zou hij doen, hetzij ik schuldig was of niet? Hij zou doen alsof ik schuldig was; mij den mond sluiten, zeggen, dat ik mij niet moest com-promitteeren, de getuigen in de war brengen, en mij met allerlei streken en vondsten misschien vrij krijgen. Maar, juffrouw ,Summer-son, kan het mij schelen of ik op die manier vrij kom | of zou ik liever op mijne eigene manier willen gehangen worden? als gij mij niet kwalijk neemt, dat ik voor eene dame van zulke onaangename dingen spreek?quot;

Mij was nu door zijn onderwerp warm geworden en behoefde zich niet meer eventjes Ie bedenken.

„Ik zou liever op mijne eigene manier gehangen worden. En dat ben ik ook voornemens! Ik wil niet zeggen.quot; hier zag hij ons in hei rond aan, met opene oogen en de forsche armen in de zijden, „dat ik er meer lt;,p y, -teld ben om gehangen te worden, dan iemand anders. Wat ik zeg is dit: ik moet. zuiver en met eere vrij komen, of geheel niet. Als het dus waar is wat ik tegen nuj hoor inbrengen, zeg ik. dat het waar is; en als men mij ver-■ It: „wat gij zegt zal tegen u worden gebruikt.quot; zeg ik hun, dat het mij niet schelen kan; ik wil, dat het gebruikt zal worden. Als zij uil de geheele waarheid mijne onschuld niet kun ■ e\'ti opmaken, is het niet waarschijnlijk, dat zij het uit iets minder of iets anders zullen doen. En als zij dat doen is het mij toch niets waardig.quot;

Mij deed een paar stappen over den steenen vloer, kwam toen naar de tafel terug en In sloot aldus:

„Ik dank u wel, mejufl\'rouw en mijne hoeren, voor uwe aandacht, en nog veel meer voor \'■we belangstelling. Zoo staat nu de zaak. zoe al-; i-igt;n eenvoudig oud soldaat er over denkt. Ik heb nooit in mijn leven iets goeds gedaan, behalve mijn plicht als soldaat, en als mij nu eindeip het ergste overkomt, zal ik zoo tame-hjk oogsten wat ik gezaaid heb. Toen ik den eersten schrik, om als een moordenaar opgepakt te worden, te boven was en iemand, die zoo heen en weer gesmakt is als ik, heeft niet veel tijd noodig om van een schrik te bekomen - ben ik zachtjes aan tot een besluit gekomen; en daarbij zal ik blijven. Ik zal geene betrekkingen tot schande zijn of ongelukkig maken; en — dat is alles wat ik te zeggen heb.quot;

I\'e deur was geopend om een man in te la-ten, die insgelijks eene militaire houding, maar op het lt; erste gezicht een minder gunstig voorkomen had, en eene vrouw, met eene bruine, gezonde kleur, heldere oogen en eene mand aan den arm. Deze vrouw had van dat zij binnenkwam af met de meeste aandacht naarüeor-ge geluisterd. Hij had beiden met een gemeenzaam knikje en een vriendelijken blik ontvangen, maar zonder zijne rede af te breken om hen te begroeten. Thans echter drukte hij hun hartelijk de hand en zoide: „Juffrouw 8um-merson en mijne heeren, dat is een oud kameraad van mij, Josef Bagnet. En dat is zjjhe vrouw, juffrouw Bagnet.quot;

Bagnet maakte eene stijve militaire buiging voor ons, en zijne vrouw neeg.

„Zij zijn echte, goede vrienden van mij,quot; geide George. „Hei was bij hen aan huis, dat ik gepakt werd.quot; „Met een bespeelde violoncel,quot; viel Bagnet hierop in, toornig zijn hoofd schuddende — „een goeden toon voor een vriend

die op geen geld zou zien,quot; „Mat,quot; zeide lt; i-eorgo, „gij zult wel gehoord hebben wat ik deze dame en twee heeren gezegd heb, en ik weet ook, dat gij het zoo goedvindt.quot;

Bagnet liet, na zich eens bedacht te hebben, de uitspraak aan zijne vrouw over. „Oudje,quot; zeide hij, „zeg hem eens of ik het goedvind — al of niet.quot;

„Wel. George,quot; riep juffrouw Bagnet uit, die ondertusschen hare mand had uitgepakt, waarin zij een stuk ham, wat thee en suiker en een bruin brood had medegebracht, „gij moest vanzelf al weten, dat ik het lang niet goedvind, iiij moest vanzelf al weten, dat het genoeg is om iemand razend te maken, als hij u zoo hoort praten. Oij wilt op dii manier niet vrij komen en op d i e manier niet vrij komen wat moet al dat keuren en kiezen beduiden, i S-corge Dat is allemaal gekheid,quot; „(lij mocht mij wel wat toegeven om mijn ongeluk, juffrouw Bagnet.quot; zeide (leorge losweg. Och, maal niet over uw ongeluk,quot; riep Juffrouw Bagnet uit. „als hei u niet wijzer maakt dan Om zoo te praten. Ik .--rhaam mij altijd als ik een man zotteklap hooi uitslaan, maar nooit heb ik mij zoo geschaamd als nu over u Advocaten? Al te veel deugt somtijds ook niet, maar wat zou u anders hinde-ren om twaalf advocaten te nemen, als mijnle \' m dat aanraadd\' ?quot;

„ Öfc vrouw spreekt zeer verstandig,\' zeide mijn voogd. „Ik hoop, dat gij hem zult over-


-ocr page 368-

11 KT VKRLATl\'lN lirigt;.

reilen, juffrouw Bagnti.quot; ,Heni ovorreilen. iniJnhei.M liep zij uit. ,Wel Heere, nei\'iil tiy kent (iforjrf nog niet. Zie hem daar eens staan;quot; juffrouw Bagner liet hare mand los, om met beide hare bruine handen naar hem te wijzen; „zulk ei-n ii gen zinnige, koppige kerel als ouit iemand zijn geduld heeft doen verliezen! Gij zoudt evengoed een acht on-veertigponder op schouder kunnen nemen, als dien man van iets afbrengen, dat hij eens in zijn hoofd heeft gekregen. Ken ik hem niet!quot; riep zij uit. „Ken ik u niet, George! Gij wilt mij toch na al die jaren niet wijs maken, dat gij nu een ander karakter hebt gekregen?quot;

Flare vriendschappelijke verontwaardiging maakte een voorbeeldigen indruk op haar echtgenoot, die verscheidene malen tegen zijn ouden kameraad zijn hoofd schudde, als eene stilzwijgende vermaning om toe te geven. Ondertus-scheii zag juffrouw Bagnet mij aan. en uit liet .-pel barer oogen maakte ik op, dat zij wenschte dat ik iets doen zou. schoon ik niet kon begrijpen wat.

\'.Maar ik heb , r al Jarenlang van afgezien om li tot iets te willen bepraten, oude jongen,\' zeide juffrouw Bagnet, terwijl zij een weinigje -tof van de ham blies en mij wederom aanzag, „en als di In . ren en dames u evengoed kennen al- ik. zullen zij er ook maar van afzien. Als gij niet tr koppig zijt om wat eten aan te nemen, hiet staat het.\' „l\'at neem ik aan, en bedank u wel,* antwoordde George. — „Doet gij dat toch?quot; zeide juffrouw Bagnet, nog op dénzelfden t \'on. „Dat verwondert mij waarlijk. Het verwondert mij. dat gij ook niet op uwe eigene manier wilt doodhongeren. Dat zou men juist van u verwarhteii. Misschien zal u dut ook nog wel in het hoofd komen Hier zag zij mij wederom aan, en nu begreep ik uit hare blikken naar de deur en naar mij. dat zij wenschte da* wij zonden heengaan \'ii buiten de gevangenis naar haar vachten. Nadat ik dit op dezelfde wij- aan mijn voogd en mijnheer quot;VVood-court had medetcedeeld, stond ik op. - ^ ■) hopen dat lhi er beter over zult denken, mijn-bi ■ r iieorge.quot; zeide ik; ,en wij zullen nog l i ris naar u komen zien, in de hoop, dat wij ii dan redelijker zullen vinden. „Dankbaai-11er kunt ge mij niet vinden, juffrouw Sum-niei.-\'iu.quot; antwoordde bij. „Maar wil meet vatbaar voitr oven lt; ding, hoop ik,quot; zeide ;k daarop „En laat ik u bidden te bedenken, dat de opheldering van dit geheim en de ontdekking van den wezi-nliiken dader ook voor anderen, behalve U. van het grootstegewb\'ht kunnen zijn.\'

Hij hoerde mij eerbiedig aan, maar zonder veel op d\' /•• woorden te letten, die ik reeds balt\' van hem afgewend uitsprak; hij leUlt; (gelijk hij mij naderhand zeide) op mijne lengte en LTe-taltè. dii op e. ns zijne aandacht schenen Ie trekken.

„Het is zonderling,quot; zeide hij. „En toch dacht ik het toen ook al.quot;

Mijn voogd vroeg hem wat hij meende.

„Wel, mijnbeer,quot; antwoordde hij, „toen eene ongelukkige toevalligheid mij op den avond van den moord naar de trap van den doode bracht, zag ik in hot donker eene gedaante voorbijgaan, die zoo op juffrouw Summerson geleek, dat ik op het punt was om haar aan te spre- . ken.quot;

Voor een oogenblik gevoelde ik eene huivering, gelijk ik vroeger of later nooit gevoeld heb en hoop, dat ik nooit weer gevoelen zal.

„Zij kwam naar beneden toen ik naar boven ging,quot; zeul.- George, „en ging het venster, waardoor de maan scheen, voorbij, met een kissen zwarten mantel om; ik lette nog op de breede franje daaraan. Maar dat heeft niets te maken nu t datgene, waarover wij nu spreken. behalve dat juffrouw Summerson er op dit oogenblik zoo op geleek, dat het mij wedei in hot hoofd kwam.quot;

Ik kan de gemoedsstemming, waarin ik na dit gezegde kwam, niet beschrijven of verklaren, Het is genoeg, dat de onbestemde verplichting. die quot;ik in het eerst had gevoeld, om het onderzoek na te gaan en bevorderlijk te zijn, nog sterker werd, zonder dat ik mij zelve een bepaalde vraag durfde doen, en dat ik mij met verontwaardiging wilde opdringen, dat er geene mogelijke reden bestond, waarom ik bevreesd behoefde te zijn.

Wij gingen met ons drieën de gevangenis uit en bleven, op eenigen afstand van de pooit, die in eene stille straat uitkwam, op en neer wandelen. Wij hadden niet lang gewacht toen jutfrouw Bagnet en haar man ook naar buiten en snel naar ons toe kwamen.

Juffrouw Bagnet bad tranen in de oogen en eene hoogere kleur.

„Ik heb Ueorge niet laten merken wat ik er van dacht, juffrouw,quot; was haar eerste gezegde toen zij aankwam, „maar het ziet ei slecht voor hem uit, arme jongen!quot; „Toch niet. met zorg, voorzichtigheid en goede hulp,quot; zi ide mijn voogd. „Ken heer als gij zal bet wel moeten weten, mijnheer,quot; antwoordde juflrouw Bagnet en veegde \'nu t den zoom Van haar grijzen mantel haastig hare oogen af;, maar ik ben onge-rUst VOOr hem. Hij is zoo los geweest, en heeft, zooveel gezegd, dat: bij nooit meende. De hoeren van de jury zullen hern misschien niet zoo goed verstaan als l.ignum en ik doen. En dan zijn (■1 zooveel omstandigheden gebeurd, die hem kwaad kunnen doen, en zullen er zooveel men scben opgeroepen worden om tegen hem tlt; spreken, en is die Bucket zoo slim. „Met die bespeelde violoncel. Die zeide, dat hij het octaaliluil :»■ gespeeld bad toen hij een jongen was,quot; voegde Bagnet er zeer plechtstatig by.

\'„Xu zal ik ii een- wat zeggen, juffrouw,\'


-ocr page 369-

MKT OCDJl-: (i A A T 01* l.\'KIS,

hervatte juttrouw Bagnet, „en als ik juiïVouw zog, meen ik u allemaal. Kom even naar dien hoek, en ik zal het u zeggen.quot;

Juffrouw Bagnet bracht ons haastig naar eene nog stillere plok, en was daar eerst te zeer buiten adem om voort te gaan, zoodat Bagnet haar vermaande: „Zeg het dan nu, oudje.quot;

„ Wel dan. jufTrouw,quot; vervolgde het oudje, du linten van haar hoed lostrekkende om meer nicht te krijgen, „gij zoudt evengoed het kasteel van Dover kunnen verzetten als George op dit punt tot andere gedachten brengen, of gij moet een nieuw middel daartoe vinden. En dat heb ik gevonden!quot; — „Gij zijt een juweel van spelden in haar mond, en begon hare rokken in het rond op te spelden, een weinig hop. ger dan den zoom van haar grijzen mantel; hetgeen zij met verbazende snelheid en handigheid verrichtte.

„Ligrunn,quot; zeide zij daarop, „pas gij maar op de kinderen, oude man, en geef mij de paraplu. Ik ga naar Lincolnshire, om die oude juffrouw hier te halen.quot; „öoede hemel, hoor die vrouw eens aan!quot; riep mijn voogd uit, en stak tegelijk de hand in zijn zak. „Hoe zal zij gaan? Hoeveel geld heeft zij wel bij zich?quot;

Juffrouw Bagnet tastte in haar zak en haalde


en viouwtje, zeidt; mijn voogd, „(ia voort!quot; \'-enlederen beursjr uit,, waarin/.ij haastig eenige N\'u zal ik u zeggen, juffrouw,quot; vervolgde zij, i schellingen overtelde, en dat zij daarop zeer

hi haar ijvi r bij ieder gezegde wel zesmaal hare bunden samenslaande, „wat hij zegt van geene \' i i\'ekkingen is alles gekheid. Zij wet.en niet van

quot;im maar hij weet wel van hén. Hij heeft mij WÊfi ...........„...............

weltevreden weder wegstak.

„We(\\s maar niet bang voor mij, jutlrouw. Ik ben eene soldatenvrouw i n gewoon op mime eigene manier te reizen. Ugnum, ou \'

,,u \' quot; dan meer verteld dan iemand anders, gen,quot; hem kussende, „een voor u zeiven\' en n het was niet voorniet, dat hij eens mijn Woolwich waarschuwde om zijne moeder het \'aar niet te doen vergrijzen. Ik wed om v jftig i\'ond, dat hij dien dag zijne moeder had ge-

drie voor de kinderen. N\'u. ik ga naar Lincolnshire. om Georges moeder te halen.quot;

Kn werkelijk ging zij zoo heen. terwijl wij die drie elkander vol verbazing stonden aan

gehaald worden.

Oogenblikkelyk nam juffrouw Bagnet i-

en. Zij leeft nog, en zij moet terstond hier t.e kijken. Met haar grijzen mantel om stapt

zij met vaste schreden voort, sloeg den hoek om en was verdwenen.

DiCKE.Vs. //»/

-ocr page 370-

HEI\' VERLATEN HUIS.

.Mnnhcor Bagnet,quot; zekle mijn voogd, „gij honderd guinjes moet verzoend worden. Laden,

zult haar toch zoo niet laten gaan?quot; — „Kan lessenaars, zakken, alles wat hem töebchoord

: er niet aandoen,quot; antwoordde hij. , Eons zoo had, wordt door Bucket geëxamineerd. Konige

naar huis gekomen — uit een ander wereld- ■ uren later zullen hij en de Romein alleen te

deel met denzelfden grijzen mantel - en de- zamen zijn en hunne voorvingers vergelijken,

zelfde paraplu. Wat mijn\' oudje u zegt te doen Het is waarschijnlijk, dat deze bezigheden on-

doe dat. Wat zij zegt: ik doe het — dat vereenigbaar zijn met bet genot van hethuise-

doet zij.quot; «Dan is zij i ven braaf en degelijk lijk leven, maar zeker is het, dat Bucket niet

als zij \' r uitziet,quot; zeide mijn voogd, „en meer naar buis gaat. Hoewel hij over liet algemeen

kan ik niet van haar zeggen.quot; — „Zij is vleu- het gezelschap zijner vrouw op beogen prijs

gelman van hot keur bataljon,quot; zeide Bagnet, stelt - die een natuurlijken aanleg voor de

over zijn schouder naar ons omkijkende, ter- geheime politie heeft, welke, door oefening in

wijl hij insgelijks heenging. „En er is geene dat vak ontwikkeld, groote dingen had kunnen

tweede zoo. Maar voor haar wil ik dat nooit doen, maar haar thans niet verder beeft ge-

ze-Lreii. De subordiiiati\' moet gehdtldhaafd bracht dan tot op zekere hoogte als liefhebster

— houdt hij zich thans van haar opbeurenden , invloed verwijderd. Juffrouw Bucket beeft nie mand anders tot gezelschap en gesprek, dan hare inwoonster, gelukkig eene zeer gezellige dame, in wien zij veel belang stelt.

Eene menigte menschen verzamelt zich in Lincoln\'s Inn Fields op den dag der be-

Onder de bestaande omstandigheden gaan grafenis. 8ir Leicester Dedlock woont die plech-

1 Jacket en zijn voorvinger dikwijls met elkan- tigheid in eigen persoon bij; strikt gesproken

der te rade. Wanneer Bucket, .\'ene zaak van zijn er nog maar drie andere menscheltjkc vol-

ge-wicht aan den gang heeft, schijnt zijn voor- gers, namelijk Lord Doodle, William Bufly

vinger tot de waardigheid van een helpenden en de flauwe neef (die er bij genomen is om

Demon te rijzen. Hij steekt hem in zijn oor en \' het viertal vol te maken); maar de stoet van

de\' vinger fluistert hem berichten in; bij legt ontroostbare koetsen is ontzaglijk. De Pairschap

hem op zijne lippen en de vinger beveelt hem zendt meer vierwielige droefheid dan men ooit

geheimhouding; hij wrijft hem ove r zijn neus, en in die buurt heeft gezien. Zoo talrijk zijn de

tiij verscherpt zijn reuk; hij boft hem dreigend wapens op koetsportieren, dat men had knn-

voor den schuldige op, en de too ver macht van nen denken, dat de raad van adel met ei n

dien vinger dwingt eene bekentenis af Wan- slag vader en moeder had verloren. De hertog

neer Bucket en die vinger veel met elkander van Foodle zendt een prachtig gebouw van stof

te rade gaan, voorspellen de wichelaars van den en asch, met zilveren naafbussen, patent-assen

treheimen \'Tempel altijd, dat men eerlang van en al de laatste verbeteringen, benevens drie

do wrekendi gerechtigheid zal hooren. bedroefde wormpjes, van zes voet lengte, die

Anders een welwillend waarnemer van het zich in een tros van weemoed achterop vast-

rnonsehelijk loven en bedrijf, een zachtzinnig houden. Al de staatsiekoetsiers van Londen

wijsgeer, die de dwaasbeden des menschdoms schijnen in rouw gedompeld; en indien die

niet te streng wil beoordeelen, bezoekt Bucket oude doode man met zijn vaalzwart pak thans

eene menigte van huizen, en wandelt eene ein- niet alle liefhebberij voor fraaie paarden heeft

delooze reeks van straten door. (-enigszins alsof verloren (hetgeen men voor onmogelijk moet

hij zich verveelde en het hem aan doel en bezig- houden), moet hij zich vandaag zeer gestreeld

beid ontbrak. Hij is zeer vriendelijk voor zijne gevoelen.

medemonsehen en wil met de meesten van hén Zeer stil tusschen de aansprekers en deequipa-

drinken Hij is mild met zijn geld, innemend ges en d\' kuiten van zoovele beonen, allen in

van manieren, argeloos in zijn gesprek maar rouw gedompeld, zit Bucket verborgen in een

onder dien vreedzamen stroom van zijn leven der ontroostbare koetsen, en overziet de volks-

loopt et-n tegenstroom, waarvan zijn voorvin- menigte op zijn gemak door de opgehaaldi\'luik-

ger het geheim weet jes. Hij heeft scherpe oogen voor wat er in

Tijd en plaats kunnen Bucket niet binden, zulk een gedrang te zien is maar waarvoor

Gelijk de mensen in:het afgetrokken-is h\\i van- niet? en nu aan den oenen dan aan den

daag hier en morgen verdwenen maar, zeer andoren kant uitkijkende, nu naar de daken

(ingeiyk aan dieiimensch is hij morgen wederom der huizen, nu over de hoofden heen, laat hij

hier. Van avond staat bij als toevallig te kijken zich niets ontsnappen.

naar de ijzen n domper- boven de deur van Sir .En zijt gij daar, mijne deelgenoote, in lit:

Leicester s huls In de stad; en morgenochtend en leed en in nog wat?* zegt Bucket bij zich

wandelt hij op het plat van Kastanje-Hof, waar zeiven, en spreekt aldus juffrouw Bucket aan

vroeger dieoude man wandelde, wiens schim met die door zijne gunst op de stoep van bet huis

worden.*

LHl.

tl KT SPOOR.

-ocr page 371-

mux li kei; iu\'ckkt iioirnT de wacht.

des overledenen staat. „Ja, ja, daar zijt gij! En : gij ziet er heel goed uit, juffrouw Bucket.quot;

De stoet is nog niet op weg, maar wacht nog tot de oorzaak van al die beweging naar buiten is gedragen. Bucket, in do voorste adellijke koets, gebruikt zijne twee voorvingers om het luikje eene haarbreedte open te houden terwijl hij uitkijkt.

Het bewijst veel voor zijne liefde en trouw ; als echtgenoot, dat hij zich nog met juffrouw Bucket bezighoudt. „Zijt gij daar. mijne helpster?\'\' prevelt hij. „En onze inwoonster bij u. \' \'k let wel op u, juffrouw Bucket. Ik hoop, dat het goed staat met uwo gezondheid, lieve.\'

Verder spreekt Bucket geen woord, maar blijl\'t met zeer opmerkzame oogen zitten, tot de gekiste bewaarder van adellijke geheimen naar beneden wordt gedragen. Waar zijn nu al die geheimen? Bewaart hij ze nog? Zijn zij mot hein medegevlogen op die onverwachte reis ? — en tot de stoet in beweging geraakt en Bucket andere voorwerpen voor de oogen krijgt. Daarna zet hij zich op zijn gemak om een eindje to rijden, en lel op de uitmonstering der rijtuigen, voor het geval, dat die kennis hem soms mocht te pas komen.

Een aanmerkelijk contrast tusschen mijnheer Tulkinghorn, in zijne donkere koets opgesloten, en Bucket in de zijne. Tusschen de onbeduidende roode vlek van die kleine wond welke den eeni n dien vasten slaap heeft gedompeld, waarin hij zoo zwaar over de straatsteenen schokt, on het smalle bloedspoor, dat den ander zoo wakker houdt! Maar dit gaat beiden nu niet aan; geen van beiden denken zij daarom.

Bucket rijdt op zijn gemak met den stoet mede en stapt stil uit de koets, wanneer de gelegenheid, die hij te voren berekend heeft, zich daartoe aanbiedt. Hij begeeft zich naar de woning van Sir Leicester Dedlock, waar hij tegenwoordig zoo goed als thuis is, waar hij op alle uren naar believen komt en heengaat, waar hij altijd welkom is, waarmen veel werk van hem maakt, waar hij al de bedienden kent en met een glans van geheimzinnige grootheid rondwandelt.

Hij behoeft niet te schellen of aan te kloppen. Hij heeft zich een sleutel laten verschaffen, en kan naar welgevallen binnengaan. Terwijl hij het voorhuis doorgaat, bericht hem Meren-rius; „Hier is nog een brief voor u. mijnheer Bucket, met de post gekomen,quot; on geeft hem dien over. — „Zoo, nog een brief ?\'\' zegt Bucket.

Indien Mercui ius misschien eenestille nieuws-gierigheid naar Bucket\'s brieven mocht koe steren, is deze de man niet om die nieuwsgierigheid te bevredigen. Bucket ziet hem aan alsof /im gezicht een verschiet was van eenige mij-I\' M lengte, en dat hij op zijn gemak beschouwde.

„Hebt ge toevallig ook eene snuifdoos bij u ?\' zegt Bucket.

Ongelukkig snuift Mercurius niet.

„Zoudt ge mij dan toch geen snuifje kunnen bezorgen?quot; zegt Bucket. „Als het u belieft. Het komt er niet op aan welke snuif; ik zie niet bijzonder op de soort. Gij zult mij plelzier doen.quot;

Nadat hij op zijn gemak een snuifje heeft genomen uit eene doos, daartoe van den een of ander beneden geleend, en de snuif met veel vertooning van aandacht, eerst met deneenen en dan met den anderen kant van den neus, heeft geproefd, zegt Bucket zeer ernstig, dat het de echte soort is, en gaat met den brief in de hand heen.

Hoewel hij nu, terwijl hij naar boven stapt en de kleine bibliotheek, achter do groote, opzoekt, het gezicht zet van iemand, die gewoon is dagelijks eenige dozijnen brieven te ontvangen, is het toch de waarheid, dat hij nooit in zijn leven drukke briefwisseling heeft gehouden. Hij is geen vlug schrijver, want hij vat de pen bijna eveneens als den staf, dien iiij altijd in zijn zak heeft, en hij moedigt nooit iemand aan om hem te schrijven, daar hij dit voor eene veel te lompe manier houdt om teedere zaken te behandelen. Verder ziet hij dikwijls bezwarende brieven als bewijzen aanvoeren, hetgeen hem aanleiding geeft om te bedenken, dat het schrijven daarvan eene domheid was. om deze redenen heeft hij. hetzij ids afzender of ontvanger, zeer weinig met brieven uitstaan. En toch heeft hij er nu binnen de laatste vier en twintig uren een half dozijn ontvangen.

„Mn deze,quot; zegt Bucket, terwijl hij den brief op de tafel uitspreidt, „is van dezelfde hand en bestaat uit dezelfde twee woorden.quot;

Welke twee woorden?

Hij gaat naar de deur, draait den sleutel in het slot om, opent zijne portefeuille tvoor velen een boek des noodlots), legt een anderen brief er naast, en leest in beiden, met groote letters geschreven: „i auv deui-ock.\'

„.Ia, ja,quot; zegt Bucket. „Maar ik had ook zonder deze naamlooze inlichtingen het geld wel kunnen verdienen.\'

Nadat hij de brieven in zijn boek des noodlots heeft geborgen, opent hij de deur weder, juist bijtijds om zijn middagmaal in te laten, dat hem opeen wol beladen bak wordt gebracht, met eene llesch sherry er bij. In vriendschappelijke kringen, waar hij zich geen bedwang behoeft aan t( doen, merkt Bucket dikwijls aan, dat een mondje vol ouden sherry hem beter smaakt dan iets anders, dat meii hem kan voorzetten. Hij vult dus zijn glas, smakt met de lippen nadat hij liet geledigd heeft en zet zich aan zijn maalt ijd, toen hem een denkbeeld invalt.

Bucket; opent zachtjes de deur van het aan- i grenzende vertrek en kijkt binnen. De biblio-


-ocr page 372-

HET VERLATEN HITS

thiM\'k is ledig, lt;-n hel vuur i.s bijna uitgebrand. Nadat Bucket\'s oog als \'eene uitgelatene duif in dr kamrr lieeft rondgefladderd, strijkt het op eene tafel neer. waarop de aangekomene bric ven gewoonlijk worden neergelegd. Verscheidene briewn voor Sir Leicester liggen daarop. Bucket nadert. n bezichtigt de adressen. „Neen,quot; zegt hij, „er is geen van die hand. Ik ben de eenige, aan wien men schrijft, ik kan er sir Leicester morgen van spreken.quot;

Hij gaat weder zitten, houdt een smakelij-k» ii\'maaltijd, en nadat hij ei u kort dutje heeft gedaan, wordt hij naar het salon geroepen, sir Leicester heeft liGin daar reeds eenige avonden bij zich laten komen, om te vragen ofhij iets té belichten heeft. De flauwe neef (zeer afgemat van de begrah-nisi en Volumnia zitten daar insgelijks.

Bucket maakt drie duidelijk verschillende bui-gingen voor deze drie personen. Eene buiging van hulde voor sir Leicester, eene buiging van galanterie voor Volumnia, en eene buiging van herkenning voor den Hauwen neef, tot wien de/.e buiging quot;i\' eene luchtige manier zegt: „Gij houdt wi l eens van een plei/.iert je, en wij ketinen elkander.\' Na deze drie proefjes van zijn tact wiijft. Bucket in zijne handen.

.Hebt ge in ij iets nieuws mede te deden, ollicier.quot; zegt Sir Leicester. „Verlangt ge mij ook afzonderlijk te spreken?quot; - „Neen van avond niet, sir Leicester IXdlock, baronet.quot;— .Omdat mijn tijd,quot; vervolgt .Sir Leicester, „geheel ter uwer hewhikking staat, als ik daarmede iets kan toebrengen om de geschondene majesteit dei wet te handhaven.\'

Bucket knikt eens en werpt een blik naar Volumnia. met haai rouge en haar parelsnoer, als wilde hij met allen ei;rbied zeggen: „ik verzeker u. dat gy eene bevallige dame zijt. Ik heb er honderden gezien, die er op uwe Jaren zoo goed niet uitzagen.quot;

Üe schoone Volumnia, misschien tii\' t geheel onbewust van don invloed harer bekoorlijklieden, staakt hare taak om driehoekige briefjes te schrijven, en verschikt peinzend haar parelsnoer. Bucket taxeert hij zich zeiven de waardt van dat sieraad en acht het niet onwaarschijnlijk, dat zij verzen schrijft.

.Indien ik u nog niet,quot; vervolgt Sir Leices-t.-i, ,o|i de nadrukkelijkste manier bezworen heli, ollicier, om in dit gruwelijke geval al uwe bekwaamheid in te -jiannen, wensc.h ik bijzondei de/c griegenlmid waar te nemen, om dat mogelijke verzuim te herstellen. Ontzie geeiie (inkosteii Ik ben b.-i eid om die allen te dragen, (lil kunt er voor d\' zaak, die gij ondernomen hebt, geen maken, de ik een oogenblik aarzelen zal te vergoeden.\'\'

1\',uckei maakt wederom de Sir Leicester toekomende buiging, als e. ne erkentenis van zyne mildheid.

„Mijn gemoed,quot; vervolgt sir Leicester, met oprechte warmte, „ia, gelijk gij wel denken kunt, na die duivelachtige gebeurtenis nog niet weder in de gewone stemming gekomen, en van avond is het vooral vol verontwaardiging, nadat ik de smart heb gehad om hot stoffelijk overschot van een getrouw en ijverig dienaar grafwaarts te geleiden.quot;\'

Sir Leicester\'s stem beeft en or staan tranen in zijne oogen; de beste aandoeningen, waarvoor zijn gemoed vatbaar is, zijn opgewekt.

„Ik \'verklaar,quot; zegt hij, „ik verklaar plechtig, dat het mij, zoolang deze misdaad niet . ontdekt en volgens recht en wet gestraft is, bijna te moede is, alsof er eene vlek op mijn eigen naam was glt;-worpen. Een man, die een groot gedeelte van zijn leven die zelfs den laatsten dag van dat leven aan mij heeft toegewijd, een man, die gedurig aan mijne tafel heeft gezete n en onder mijn dak geslapen, gaal van mijn huis naar het zijne en wordt binnen een uur nadat hij mijn huis heeft verlaten, neergeveld. Ik weet niet, of hij niet misschien van mijn huis af gevolgd is, in mijn huis bespied is, of hij zelfs niet door zijne betrekking tot mijn huis het eerst de aandacht heeft getrokken waaruit men misschien heeft kunnen opmaken, dat hij rijker en over het geheel een persoon van rneer belang was, dan zijn eigen bescheiden gedrag zou hebben aangeduid. Indien ik mot mijne middelen, mijn invloed en mijne positie niet al de aanleggers van zulk eeno misdaad aan het licht kan brengen, schiet ik te kort in het botnon mijner achting voor do nagedachtenis van dien man, en nujner trouw voor iemand, die mij altijd getrouw is geweest.quot;

Terwijl hij met aandoening en ernst deze betuiging aflegt, en in de kamer rondziet alsof hij eene talrijke vergadering aansprak, ziet Bucket hem aan met een opmerkzamen ernst, waarin men. als deze gedachte niet al te vermetel was, een zweem van medelijden zou kunnen vinden.

„De plechtigheid van heden,quot; vervolgt sir Leicester, „een treffend bewijs van de achting, waarin mijn overleden vriendquot; tliij legt een nadruk op dat woord, want de dood wischt alle onderscheid van rang uit) „bij de bloem des lands heeft gestaan, heeft, zeg ik, den schok vernieuwd en verzwaard, dien deze gruwelijke en vermetele misdaad mij had toegebracht. Al ware het mijn brooder, die haar bedreven had, ik zou hem niet sparen.quot;

Bucket ziet zeer ernstig. Volumnia merkt van den overledene aan, dat hij een heel JU-I en vertrouwd man was.

jiij moet wel gevoelen, dat gy hem mist. jufVrouw.quot; zegt Bucket troostend, „llii kan niet anders dan gemist worden, dat is zeker.quot;

Tot antwoord geeft Volumnia Bucket te vei


-ocr page 373-

IZK VAN SIK\' I.KlfKSTKi;,

MI.IMim; HI\'CKET TEN

staan, dat haar gevoelig hart vast voornemens is om het nooit, zoolang zij looft, to boven te komen; dat hare zenuwen voor altijd een schok hebben gekregen, en dat zjj scene de minste ; verwachting heeft van ooit weder te kunnen glimlachen. Intusschon vouwt zij een driehoekig briefje aan dien geduchten ouden generaal te i Bath, waarin zij haar treurigen toestand beschrijft.

„Het moet eene teergevoelige vrouween schok geven,quot; zet,rt Bucket medelijdend; „maar het zal wel slijten.quot;

Volumnia wenscht vooral te weten hoever men al gevorderd is; of men nu dien ijselijken oud-soldaat zal condamnceren, of hoe dat herten mag? of hij ook medeplichtigen heeft gehad, 1 of zooals de wet dat uitdrukt? en doet nog ! een aantal even onnoozele vragen.

„Wel, ziet ge, juffrouw,quot; antwoordt Bucket, terwijl hij zijn vinger in overredende beweging brengt en zoo groot is zijne aangeborene galante rie, dat hij haast ..liefjequot; had gezegd. ,het is niet gemakkelijk die vragen zoo op het oogenblik te beantwoorden. Ik heb mij morgen, middag en avond met die zaak beziggehouden, ^ir Leicester Dedlock, baronetBucketmeontde-zen ook in het gesprek ie moeten betrekken, als ecne hulde aan zijn rang. „Zonder een paar glazen sherry, geloof ik niet, dat ik mijn geest zoo had kunnen inspannen, als ik nu gedaan heb. Ik zou uwe vragen wel kunnen beantwoorden, juffrouw; maar mijn plicht verbiedt mij dat. Sir Leicester Dedlock, baronet, zal zeer spoedig bekend gemaakt worden met il wat er is opgespoord. En ik hoop,quot; hier ziet Bucket wederom ernstig, „dat hij het naar zijn genoegen zal vinden.quot;

De flauwe neef hoopt, dat er maar iemand zal gehangen worden tot een voorbeeld. Hij denkt, dat het tegenwoordig meer moeite in-heeft om iemand te doen hangen, dan om iemand een post van tien duizend pond \'s jaars te bezorgen. Maar er moet toch een voorbeeld ji steld worden „heter een verkeerden op te hangen dan in het geheel niemand.quot;

„Gij kent de wereld, mijnheer,quot; zegt Bucket, met een blik, die dit gezegde tot een compli- \' ment maakt, ..on gij kun: bevestigen wat ik deze dame gezegd heb. IJ behoef ik niet te zeggen, dat ik terstond aan het werk ben ge-traan. (* ij verstaat, wat men niet verwachten kan, dat eene dame verstaan zal. Vooral iemand van uw Imogen stand in de maatschappij, me- i juffrouw,quot; zegt Bucket, rood wordende van schrik, dat hij wederom haast „liefjequot; had gezegd. „De officier, Volumnia,quot; merkt Sir Leicester aan, .is getrouw aan zijn plicht en | heeft volkomen gelijk.quot; — „Zei r vereerd met uwe goedkeuring. Sir Leicester Dedlock, baronet.quot; prevelt Bucket. „Inderdaad, Volumnia.\' vervolgt Sir Leicester, „gij geeft geen goed voorbeeld met den oflleier zulke vragen te doen. Mij kan best over zijne eigene verantwoording oordcelen; hij handelt op zijne eigene verantwoording. En het past ons niet, die de wetten helpen maken, diegenen te belemmeren of te hinderen, die ze ten uitvoer leggen — ofquot; (Sir Leicester zegt dit met zekere barschheid, want Volumnia wilde er op invallen eer hij zijn volzin welluidend ten einde had gebracht) „hare gesehondene majesteit handhaven.quot;

Volumnia verklaart met alle nederigheid, dat zij niet alleen igelijfc de ijlhoofdige jeugd barer sekse in het algetrleen) hare nieuwsgierigheid tot verontschuldiging kan aanvoeren, maar dat zij zich waarlijk doodtreurt over her verlies van don lieven man, wien zij allen bejammeren.

„Zeer wel, Volumnia,quot; antwoordt Sir Lei-cester „Dan kunt idj niet ti voorzichtig zijn.quot;

Bucket neemt de nu volgende pauze waar, om zich weder te laten imoren.

„Sir Leicester Dedlock, baronet, ik hel) er niet tegen om deze dame te zeggen, met uw verlof en onder ons, dat ik meen haast volledige bewijzen in handen te zullen hebben. Do zaak is heel mooi geloopen, en liet weinige, dat er nog aan de bewijzen ontbreekt, hoop ik binnen eenige uren in handen te krijgen.quot; — „Het doet mij waarlijk veel genoegen dit t\'-hoo-ren,quot; zegt sir Leicester, „en het strekt u tot groote eer.quot; „sir Leicester Dedlock, baronet,quot; antwoordt Bucket, bijzonder ernstig. „Ik hoop, dat het tegelijk mij tot eer zal strekken en iedereen reden tot tevredenheid geven. Als ik zeg, dat do zaak heel mooi is geloopen, juffrouw, ziet ge wol,quot; vervolgt hij met eeti ernstigen blik naar Sir Leicester, „meen ik dat, op mijne manier beschouwd. Op andere manieren beschouwd, hebben zulke zaken altijd moer of minder iets leelijks en onaangenaams. Vreemde dingen in familien komen wij somtijds te weten, juffrouw; dingen, waarover gij waarlijk versteld zoudt staan.quot;

Volumnia, met haar kinderlijk onnoozel gilletje, denkt dit ook wol,

„Ja, en zelfs in fatsoenlijke familien. in aanzienlijke familirn, in groote familien.\' zegt Bucket, wederom met een ernstigen blik ter zijde naar Sir Leicester. „Ik heb vroeger wel moor de eer gehad van in aanzienlijke familirn gebruikt te worden, en gij kunt u niet verbeelden ik durf wel zoover gaan van te zeggen. dat zelfs trij u niet verbeelden kunt, mijnheer,quot; daarmede richt hij zich tot den Hauwen neef, „wat er al in omgaat.\'

De neef\', die zich op de sofa ligt te vervelen, zegt geeuwende: „Wel te denken.quot;

sir Leicester het nu tijd achtende om den oflleier weg te zenden, komt hi( r plechtstatig tusschenbeide met de woorden: „Zeerwel, ik dank ui\' en wuift tegelijk met de hand, waarmede hij niet alleen aanduidt, dat het gesprek


-ocr page 374-

HET VI\'quot;,KLATEX IH\'IS.

is afgeloopün, maar dat voornarm familiün, als zij tot gemeenheden vervallen, de gevolgen maar moeten ondervinden, „üij zult niet vergeten, officier,quot; voegt hij er goedgunstig bij, „dat ik tot uwe beschikking ben, wanneer het u maar

beli.ft,\'

Bucket meg ernstig) vraagt of hij morgenochtend gelegen zou komen, ingeval hij dan zoo-vei\' mocht gevorderd zijn als hij verwacht. Sir Leicester antwoordt; „liet is mij eveneens wanneer.quot; Bucket maakt zijne drie buigingen en wil heengaan, wanneer hein een vergeten punt te binnen schiet.

„Mag ik vragen, apropos,quot; zegt hij zacht, terwijl hij voorzichtig terugkomt, „wie dat plakkaat van de uitgeloofde belooning op de trap heeft laten ophangen?\'\' „ik heb last gegeven om het daar op te hangen,quot; antwoordt Sir Lei-et-ster. „Zou het ook te vrijpostig wezen. Sir Leicester Dedlock, baronet, als ik vroeg waarom?quot; „Volstrekt nu t. Ik koos de trap al- eene in het oog vallende plek in het huis. Ik begrijp, dat het al mijne bedienden niet te veel onder de oogen kan komen. Ik wt nsch hun i en diep besef in L boezemen van het gruwelijke der misdaad, van mijn bepaald voornemen om die te do.-n straffen, en de zekerheid, waarmede de straf den schuldige zal achterhalen. Evenwel, officier, als gij, met uw beter doorzicht in de zaak, er iets tegen hebt...quot;

Bucket heeft er nu niets meer tegen; daar het plakkaat eens is opgehangen, is het beter, dat het niet wordt afgenomen. Na zijne drie buigingen hlt; rhaald te hebben, verwijdert hij zich, en .-hut de deur op het, oogenblik, dat Volunmia haar gilletje geeft, als inleiding tot de iianmerking. dat hij een charmant man is en iemand zoo akelig kan maken alsof hij het kamertje van Blauwbaard was.

Met zijne neiging tot gezelligheid en zijne g( schiktheid om met alle standen om te gaan, stond Bucket weldra voor het vuur in het voor huis — dat op dezen vroegen winteravond helder brandt en bewondert Mcrcurius. „(üj moet wei zes voet en twee duim halen?\'

zegt hij. „Drie.quot; zegt Mereurius. „Zooveel? Maar gij /.ijt ook breed in proportie en schijnt dus zoo lang niet. (iij behoeft ook g* ii\' valsehe kuiten te dragen. Zijt ge wel ooit model geweest Bucket vraagt dit, terwijl hij Mereurius met den onderzoekenden blik van een kunstenaar beschouwt.

Neen, Mereurius is nooit model geweest.

„Dat is jammer.quot; zegt Bucket, ,en een vriend . van mij, een heeldhouwer, die nog wel eens lid van de Koninklijke Academie zal worden, zou u gaarne e. ne goede vereering geven om u te mogen al\'teekenen tot model voor mar-meren beeld Mylady i-uit, niet waar?quot; „Naar .•en diner.\' „Zij gaai haast alle .lag uit, niet w.iar •quot; „ la.quot; „Niet te verwonderen!quot; zegt

Bucket. „Zulk eene dame, zoo schoon en zoo elegant, is op een diner zoo goed als een ver-sche citroen, een sieraad overal waar zij komt. Is uw vader in hetzelfde vak geweest als gij?quot;

Ontkennend antwoord.

„De mijne wel,quot; zegt Bucket. „Mijn vader was eerst page, toen lakei, toen bottelier, toen hofmeester, toen kastelein. Hij was in zijn leven algemeen geacht en werd bij zijn dood algemeen betreurd. Met zijn laatst en adem zeide hij nog, dat hij er eene eer in stelde, dat hij gediend had. Ik heb een broeder in dienst — en een schoonbroeder. Heeft mylady een goed humeur?quot; „Zoo goed gij wel denken kunt.quot; antwoordt Mereurius. „Zoo.quot; zegt Bucket. „Een beetje verwend? een beetje grillig? Och, wat kan men and» rs verwachten als zij zoo mooi zijn? En wij houden toch des te meer van haar,

niet. waar?quot;

Mereurius, met de handen in de zakken zijner korte broek, rekt met den glimlach van een galant man zijne wclgooveuredigde zijden bennen uit, en kan dit niet ontkennen. Daarop komt er * ene koets aanrijden en wordt er geweldig aan d- schel getrokken. „Spreek van engelen\'quot; zegt Bucket. „Daar is zij!\'

De deur wordt wijd opengezet en zij gaat het voorhuis door. Nog zeer bleek, is zij in den lichten rouw gekleed en draagt, twee fraaie armbanden. Of de fraaiheid dier armbanden, of de fraaiheid barer armen, trekt bijzonder de aandacht van Bucket. Hu tuurt er met zekere gretigheid naar, en rinkelt met iets in zijn zak kopergeld misschien.

Hem op eenigen afstand opmerkende, richt zij een vragenden blik tot den anderen Meicu-rius, die haar thuis gebracht heeft.

„Mijnheer Bucket, mylady.quot;

Bucket buigt en komt voorwaarts, nadat hij zijn inspireerenden voorvinger «•ven voorbijzijn mond heeft laten gaan.

„Wacht gij daar om sir Leicester te spreken?quot; „Ne. n, mylady, ik heb hem al gesproken.quot; „Hebt ge mij iets te zeggen?quot; lt; ip het oogenblik niet, mylady.quot; — „Hebt gij M ts nieuws ontdekt ?quot; „Heilige kleinigheden, mylady.quot;

Deze woorden worden slechts in het voorbij gaan gewisseld. Zij blijft bijna niet .stilstaan, en zweeft nu alleen de trap op. Bucket, die onderaan staat, kijkt haar na, terwijl zij de tp den beklimt, welke die oude man afkwam om naar zijn dood te gaan \\ voorby moorddadige beeldgroepen, welker nagebootste wapenen hunne schaduw op den muur werpen . vooi bij het gedrukte plakkaat, dat zij in het voorbijgaan even aanziet, en zoo verdwijnt.

,Zij is waarlijk een. mooie vrouw,quot; zegt Bn.-kel, naar Mei.-urius terugkomende. „Maar zij ziet er toch niet gezond uit.quot;


-ocr page 375-

M l.l Ml KEI; BCCKKT

Zij is ook niet heel gezond, onderricht Mer-curius hem. Zij lijdt veel aan hoofdpijn.

Waarlijk? Dat is jammer. Voel wandelen, zou Bucket daarvoor aanraden,

„Wel, zij wandelt ook veel,quot; antwoordt Mer-curius, „Somtijds twee uren lang, als zij erge hoofdpijn heeft. Zelfs laat in den avond.quot; „Zijt ge stellig zeker dat ge zes voet en drie duim haalt?quot; zegt Bucket, „Neem mij niet kwalijk, dat ik u een oogenblik in de rede val.quot;

Daar is geen twijfel aan.

„Gij zijt zoo goed geproportioneerd, dat ik het niet zou gedacht hebben. Maar de soldaten van de lijfgarde, al houdt men ze voor heel knappe lui, zijn zoo schraal en smal. Wandelt zij ook \'s avonds laat? in den maneschijn zeker?\'

O ja. Als de rnaan schijnt, namelijk. Dat spreekt van zelf. Wel zeker, dat spreekt van zelf. Beide zijn even beleefd en spraakzaam,

„(«ij zult zelf niet veel wandelen, denk ik?\' zegt Bucket. „Niet veel tijd daarvoor, zou ik meenen ?quot;

En bovendien houdt Mercurius er niet van. Kij rjjdt liever,

.,0 ja, dat maakt een verschil,quot; zegt Bucket. ,Nu ik mij bedenk,quot; vervolgt hij, terwijl hij zijne handen warmt en genoeglijk in de vlam kijkt, „zij was juist op den avond toen dat gebeurde aan het wandelen.quot; ,.Ja, dat is ook zoo. Ik heb toen zelf den tuin aan den overkant voor haar opengedaan.quot; „En haar daar gelaten. Ja, dat weet ik. ik heb het gezien.quot; — „Hebt gy dat gezien?quot; zegt Mercurius. , Zoo in de gauwigheid,quot; antwoordt Bucket, , want ik ging toen eene tante bezoeken, die te t\'helsea woont twee deuren van de oude bollenbak-kerij de oude juffrouw is al negentig jaar, ongetrouwd, en zit er warmpjes in. Zoo kwam

ik toen Juist voorbij. Laat eens zien, hoe laai kan het geweest zijn? Met was nog geen tien.quot; «Half tien.quot; — ..(lij hebt gelijk. Dat was hét ook. En als ik mij niet bedrieg was mylady in een wijden zwarten mantel gemoffeld, mot brei de franje er aan?quot; „.fa wel. Dat, hebt ge wel gezien.quot;

Bucket moet nu naaiquot; bóven, om iets, dat hij onder handen heeft, af te doen; maar eerst moet hij Mercurius de hand geven uit erkentelijkheid voor zijn aangenaam onderhoud, en zou \'Hl\' dit is al wat hij vraagt zou hij, als hij een half uurtje tijii heeft, dat wel aan dien beeldhouwer willen Keven ? Hij moest er eens over denken. Het zou tot. wederzijdsch voordcel strekken.

DOET ZIJN PLICHT. .i.V.)

LIV.

DE MIJN SPUI NOT.

Door den slaap verkwikt, staat Bucket de-morgens vroeg op en maakt zich gereed voor een drukken dag. Na zich met hulp van (■■ n schoon overhemd en een haarborstel wat te hebben opgeknapt met welk laatste instrument hij, bij plechtige gelegenheden, de schrale lokken, die hem na een leven van strenge studie- zijn overgebleven, gladstrijkt zet hij zich, om naderhand met meer kracht aan het werk te kunnen gaan, aan een ontbijt van een paar lamskarbonaden, met brood, eieren en thee in evenredigheid. Na deze hartsli rkinggebruikt en zijn wijzen voorvinger geraadpleegd te heb- 1 ben, draagt hij Mercurius in vertrouwen den last op, „om eens stilletjes aan Sir Leicester, baronet, te gaan zeggen, dat als hij voor mij klaar is, ik ook voor hem klaar ben.\' Op het ontvangen eener goedgunstige boodschap, dat Sir Leicester zich zal haasten met kleeden, en over tien minuten by mijnheer Bucket in de bibliotheek komen, begeeft Bucket zich naar dat vertrek en blijft, met den vinger tegen de kin, voor het. vuur in de vlammende kolen staan turen.

Bucket is nadenkend, gelijk iemand, die een gewichtig werk te doen heeft, wel wezen mag, maar bedaard, gerust en zeker van zijne zaak. Naar de uitdrukking van zijn gezicht zou hij een vermaard whistspeler kunnen zijn, die om eene hooge som speelde en het spel in de hand had, maar wiens reputatie er van afhing, dat hij zijne kaarten, tot de laatste toe, op eene meesterlijke wijs uitspeelde. Bucket wordt in het minste niet verlegen of onrustig, wannei r sir Leicester zich ve rtoont, maar houdt dien heer, terwijl hij langzaam naar zijn leuningstoel gaat, in het oog, met dien oplettenden ernst van gisteren, waarin men toe-u, als dt gedachte niet al te vermetel was, een zweem van medelijden had kunnen vinden.

..Het spijt mij, dat ik u heb laten wachten, ollicler. maar ik ben van morgen wat later dan gewoonlijk opgestaan. Ik ben niet wel. De aan doening en verontwaardiging, die ik in de laatste dagen niet heb kunnen smoren, zijn mij te sterk geweest. Ik ben oiu-lerhcviir aan

de Jicht;quot; tegen iemand anders zou iiij dit niet zoo ronduit ge-zegd hebben, maar hij ziet duidelijk, dat Bucket alles wel weet, „en de laatste omstandighe\'dcn hebben mij ce-ne nieuwe vlaag berokkend.quot;

Terwyl hij zich nilt;! eenigt meelt. lt; n een pijnlijk gezicht neerzet, kómt Bucket wat nader, i n blijft staan mei. een van zijne groote handen op de tafel.

„Ik Weet, niet, ollici. i.quot; herval sir Leicester, naar hem opziende, „of gij verlangt, dat wij


-ocr page 376-

HET VERLATEN HI\'IS.

allen zullen zijn; maar dat zal wezen gelijk het u belieft. Zoo ja. het is mij ook wol. Zoo niet, dan zou het Miss Dedlock interesseeren..

.Ik moet zeggen, sir Leicester Dedlock, baronet,quot; antwoordt Bucket, en houdt zijn hoofd overredend op zijde, terwijl zijn voorvinger als een*! oorbel aan zijn ecne oor hangt, .wij kunnen voor dezen keer niet beter dan geheel alleen zijn. (üj zult terstond zelf begrijpen, dat wij niet beter dan geheel alleen kunnen zijn. Onder alle omstandigheden kan eene dame, en vooral eene dame van zulk een hoogen rang als Miss Dedlock, mij niet anders dan aangenaam zijn; maar mij zelven er buiten gelaten, moet ik de vrijhrid nemen van u te verzekeren, dat wij niet beter dan geheel alleen kunnen zijn,* „Dat is genoeg.quot; .Ik was zelfs op h*\'! punt. Sir L* u est* r Dedlock, baronet,\' hervat Bucket, „om u verlof te vragen om de deur op het slot te draaien.quot; „Zeer gaarne.quot;

Bucket néémt zeer zacht en behendig de door hem gemelde voorzorg, en laat zich zelfs, alleen uit gewoonte, ••ven op ééne knie zinken, om den sleur.el zoodanig in het slot te laten :\',iti\'n, dat niemand van buiten door het sleutelgat kan kijken,

.sir Leicester Dedlock, baronet, ik heb u gis teravond gezegd, dat er nog maar zeer weinig aan mijne bewijzen ontbrak. Ik ben nu zoo-veel verder gekomen en heb volledig bewijzen in handen.quot; „Tegen dien soldaat?quot; - -.Neen, sir Leicester Dedlock, baronet, niet tegen dien soldaat.quot;

sir Leicester ziet hem verbaasd aan en zegt: „Maar d- mar. is tO\' li in hechtenis?\'

Bucket antwoordt, na eene korte poos van stilte: „Het was eene vrouw.quot;

.(ioede hemel!quot; roept sir Leicester uit en laat zich achterover in zijn stoel zakk* n. „Nu, sir Leicester I»edlock, baronet,quot; begint Bucket, eetiigszins voorovergebogen voor hem staande, met de eene hand uitgespreid op de tafel, en den voorvinger dei andere m druk gebruik, „is het mijn plicht u voor te bereiden op een samenloop van omstandigheden, die u misschien, of ik mag wol zeggen, die u zeker een schok zullen geven. Maar. Sir Leicester Dedlock baronet,, gij zljt een edelman; en ik weet wat een edelman is m waartoe een edelman instaat is. Ren •■deiman. kan een schok, als het niet anders is, mnedig en standvastig dragen. Een edelman kan zich voeineinen om voor -en slag, hoe zwaar hij bijna ook wezen mag, pal te blijven staan. Neem u zelven maar tot voorbeeld. Sir l.eic -ier Dedlock, i.mnmet. Als u een slag tref! denkt gy natuurlijk aan uwe familie. (i|| vraagt u zelven, hoe zouden al uwe voorvaderen, tot aan Julius Cesar toe om nu maarniet ver-dei te gaan dien slag hebben gedragen; gy herinnert er u een aantal, die zich goed zouden hebben gehouden, en om hunnentwil en de eer der familie houdt gij u ook goed. Dat is de manier, waarop gij redeneert, en dat is de manier, waarop gij handelt. Sir Leicester Dedlock, baronet.quot;

Sir Leicester, achterover in zijn stoel gezonken en de armleuningen vasthoudende, zit hem met een versteend gezicht aan te staren.

„En nu ik u zoover heb voorbereid. Sir Lei-cester Dedlock,quot; vervolgt Bucket, „moet ik u nog verzoeken, het u geen oogenbiik aan te trekken, dat dit of dat tot m ij n e kennis te gekomen. Ik weet zooveel van zoovele personen. aanzienlijken en geringen, dat het niets bei erkent of ik wat meer of wat minder weet. Ik geloof niet, dat er een geval zon kunnen plaats hebben, dat rn ij kon verwonderen; en als dit of dat geval plaats heeft gehad, maakt het niets uit of ik het weet; daar alle mogelyke gevallen (als ze maar niet deugen) volgens mijne ondervinding toch al waarschijnlijk zijn. Wat ik u dus zeg, Sir Leicester Dedlock. baronet, is dat gij u maar volstrekt niet verdrietig of moeiclijk moei maken, omdat ik iets van uwe familiezaken weet.quot; „Ik dank u voor uwe voor-Lei! Iding.quot; antwoordt sir Leicester, na eene poos van stilte, zonder hand, voet of eene spier van zijn gezicht te bewegen, „die ik hoop, dat onnoodlg zal zijn, hoewel ik het welmeenende er van wel wil erkennen. Wees zoo goed om voort te gaan en ookquot; (Sir Leicester schijnt in de schaduw zijner gestalte weg te krimpen) „en ook om te gaan zitten, als gij er niet tegen hebt.quot;

Niet het minste. Bucket krijgt een stoel en verkleint zijne schaduw.

„Nu, Sir Leicester Dedlock, baronet,quot; zegt hij, „na eene korte voorafspraak, kom ik tot de zaak. Lady Dedlock—quot;

Sir Leicester richt zich in zijn stoel op en staart hem woest en gramstorig aan. Bucket gebruikt zijn vinger om hem tot kalmte te brengen.

„Lady Dedlock, ziet ge, is algemeen bewonderd. Dat is mylady -- algemeen bewonderd,quot; zegt Bucket. „Het zou mij veel aangenamer zijn, officier,quot; antwoordt sir Leicester, stijfjes, „als mylady\'s naam geheel buiten dit gesprek kon worden gelaten.quot; „Mij ook. Sir Leicester Dedlock, baronet, maar dat is onmogelijk.quot; „Onmogelijk?quot;

Bucket schudt zijn onverbiddelijk hoofd.

„Sir Leicester Dedlock, baronet, dat is geheel onmogelijk. Wat ik te zeggen heb, betreft Juist mylady. Zij is de spil waarop alles draait.quot;

„Officier,quot; zegt sir Leicester, met gloeiende oogen en bevende lippen, „gij kent uw plicht. Doe uw plicht, maar hoed u, dat gij dien niet te buiten gaat. Ik zou dat niet toelaten. Ik zou dat niet dulden. Dat gij mylady\'s naam in deze zaak betrekt, blijft tot uwe verantwoording tot uwe verantwoording. Mylady\'s naam is geen


-ocr page 377-

Igt;K ONBAKMIlAimOE VIXCKH.

naam, waarmede gemeene lieden spel mogen drijven.quot; „Sir Leicester Dedlock, baronet, ik zeg wat ik moet zeggen, en niets meer.\' — „Ik hoop, dat hot zoo blijken mag. Zeer wel. (ia voort. Ga voort, mijnheer.quot;

Met een blik op de toornige oogen, die hem nu vermijden, en op de toornige gedaante, die zich poogt stil te houden en toch van het hoofd tot de voeten beeft, zoekt Bucket met zijn voorvinger den weg om voort te gaan, en vervolgt, zeer zacht sprekende;

„Sir Leicester Dedlock, baronet, het is nu

j geduld zijn hoofd schudt. — „Sir Leicester Ded-| lock, baronet, de overledene mijnheer Tulking-horn was slim en achterhoudend, en wat hij in het begin eigenlijk van zins was durf ik niet wel zeggen. Maar uit zijn eigen mond weet i ik, dat hij reeds lang geleden vermoedde, dat ; Lady Dedlock, door het zien van zeker schrift — hier in ditzelfde huis, en terwijl gij zelf, sir Leicester Dedlock, er bij waart had ontdekt dat zeker voor dood gehouden persoon nog in diepe armoede lelde. Die persoon was. voordat zij met u geëngageerd werd, haar min-


mijn plicht u te zeggen, dat de overledene mijnheer Tulkinghorn lang verdenkingen ten aanzien van Lady Dedlock had gekoesterd.quot; „Als hij mij daarvan iets had laten bespeuren, mijn-hoer - hetgeen hij nooit lurft durven doen --zou ik hem zelf hebben doodgeschoten!quot; roept Sir Leicester uit, en geeft met de vlakke hand \'■en slag op de tafel. Maar in de volle woede van dat gebaar stuit hij zich zelve, a\'s het ware versteend door den vasten blik van Bucket, wiens voorvinger langzivim heen en weder gaat, \'•n die met ei-uf\' mengeling van gerustheid en naar geweest, en had haar man behooren te zijn;quot; Bucket houdt hier op en herhaalt nog eens langzaam en met nadruk, .had haar man behooren te zijn; daaraan is niet te twijfelen. Ik weet uit zijn eigen mond, dat hjj, toen die persoon kort daarop stierf, vermoedde dat Lady Dedlock, alleen en in het geheim, zijne ellendige woning en zijn oven ellendig graf was gaan bezoeken. Door mijne eigene navraag rn mijne eigene ooren en oogen ben ik te weten gekomen, dat Lady Dedlock dit werkelijk heeft gedaan, in de kleeding van hare kamenier; want


-ocr page 378-

HET YEHLATEX HITS

tie ovtTledene mijnheel\' Tulkinghorn gebruikte mij om my lady in to rekenen «üs gij niet kwalijk neemt:, dat ik die onder ons gewone uitdrukking gebruik, en ik rekende haar ook in zooverre geheel in. ik confronteerde de kamenier, in de kamer van mijnheer Tulking-horn, met een getuige, die Ladv Dedlock\'s gids was geweest, en er kon geen zweem van twijfel bi staan, of zy had de kleeren van die kamenier gedragen, zonder dat deze liet wist. Voor dezlt;■ onaangename ontdekkingen, 8ir Eei-eest er Üedlock, heb ik u gisteren al eonigszins willen voorbereiden, door te zeggen dat er somtijds zelfs in voorname familien zeer vreemde dingen •beuren. Dat alles ••n nog meer is in uwe eigeiu familie gebeurd, en dat wel aau .■u door uwe eigene vrouw. Ik b. u van meening, dat mijnheer Tulkinghorn deze nusporingen tot aan lu t uur van /.ijn dood Ik . ft voortgezet; en dat hij en Lady Dedlnck zelfs juist op dien avond hooifo woorden over de zaak hadden. Vraag gij z.-lf maar aan Lady Dedlock, of zij, nadat hij haar hier verlaten had, niet zelve naar zijne kamers is Afgaan, mot voornemen öm him nog ii\'ts vlt;-rdlt;-r te zeggen, en of zij toen geen wijden zwarten mantel met broede franje omhad.quot;

sir Leicester zit als een steenen beeld den onliannhartigen vinger aan te staren, die hem het levensbloed uit het hart tapt.

„Vraag dat maar aan mylady. Sir Leicester Dee,lock, baronet, uit naam van mij, inspec teiir Bucket, van de geheime politie. En als mvlady zwarigheid maakt om hei te bekennen, ze_\' li;iar dan maar, dat het niet baat; dat inspecteur Bucket het wel weet, en wi et, dat zi; den soldaat gelijk gij hem noemt, hoewel hij niet meet in dienst isi op do trap is voor-bij\'j-ekomen, • n weet, dat zij hern ook wel heeft gezi\'-n. En waarom, bir Leicester Dedlock, baronet, vert\'.,:! ik u nu dit alles?quot;

f.eicester, die zijn gezicht met zijne handen heeft bedekt, slaakt een kermenden zucht, en v» i zoekt hein om • • n oog\'•nbllk te wachten. W eldra neemt liij zijne handen wei:,. n bewaart /.••••\'innig ziine deftigheid en uiterlijk.- ka,rule, hoewel zijn in-zieht even weinig kleur heeft al-zijne witte haren, dat hij Bucket zeker ontzag inb. .-/.. nit llii heeft c-ts straks im verstijfds in zijn gezi\' ht, boven en behaiv. zijne gewone trotschheid; en spoedig ontdekt. Bucket eerie builengewoti- langzaamheid in zijne spraak, en nti en dan . .-ne zonderlinge moeilijkheid om tt beginnen, di\' hein onverstaanbare klanken li... ! vo,.rtt)r.-iiLquot; ii. Met zulke kianken verbreekt hij nu zijn stilzwijgen; maar weldra bedwingt hij zich genoegzaam om te zeggen, dat hij niet li- grijpt waarom iemand, zoo getrouw en ijverig al- willen miinheerTulkindn-rn, hem niets van die smartelijke, di\' bedroevende, die onverwachte, die overstelpende ontdekkingen zon hebben medegodo\' ld.

„Wederom, sir Leicester Dedloek, baronet,quot;\' antwoordt Bucket, ,staat het aan mylady om dat op te helderen. Vraag het haar maar ais gij het goedvindt, uit naam van inspecteur Bucket van de geheime politie (i ij zult bevinden, of ik moet mij zeer vergissen, dat wijlen mijnheer Tulkinghorn voornemens was om u alles mode te deden, zoodra hij het daartoe rijp genoeg achtte, en verder, dat hij dit mylady had te kennen gegeven. Misschien zou hij het u wel op denzelfden ochtend geopenbaard hebben, toen ik het lijk hielp schouwen, (lij weet nu nog niet, Sir Leicester Dedlock, baronet, wat ik over vijf minuten zal gaan zeggen en doen; en als ik nu werd weggeblazen, zoudt gij u ook kunnen verwonderen waarom ik het niet gedaan had; begrijpt gij dat niet?\'

Hot is waar, ,Sir Leicester smoort, met t amelijk Veel moeite, die lastige geluiden, en zegt: „het is waar.quot;

Op ditoogenblik hoort men in het voorhuis een tamelijk hevig gerucht van stemmen. Bucket gaat. na even geluisterd te hebben, naar de deur, opent die zachtjes, en luistert weder. Daarna haalt hij zijn hoofd weder binnen en fluistert haastig maar bedaard: ,Sir Leicester Dedlock, baronet, die ongelukkige familiezaak heeft lucht gekregen, gelijk ik wel gedacht had, dat zij kon; daar wijlen mijnheer Tulkinghorn zoo onverwacht is afgesneden. Om ze nog te kunnen smoren, moeten die lieden, die nu mot uwe knechts staan te haspelen, binnengelaten worden. Zoudt gij er tegen hebben voor de eer der familie — om er stil bij t\' blijven zitten terwijl ik hen inreken? En zoudt gij dan oven willen knikken, als ik u \' en w-nk daartoe geef?\'

Sir Leicester antwoordt onduidelijk: „Officier, doe wat gij kunt, doe watgij kunt Iquot; en Bucket sluipt, met oen knikje en een voorzichtig ge-kromden voorvinger, naar het voorhuis, waar de stemmen spoedig wegsterven. Het duurt niet lang of hij komt terug, gevolgd door twee gepoeierde Mercurius\'en, die tusschen hen in een stool dragen, waarop i on ineengezakt oud man zit. E\'-n ander man en twee vrouwen kotnon achteraan. Bucket wijst op oene vriendelijke en luchtige manier waar de stoel moot wonion neergezet, zendt de Mercurius\'en weg en sluit de deur weder. Sir Leicester ziot deze schennis van zijn heiligdom met ijskoud starende oeigen aan.

.ij zult mij misschien wel kennen, hoeren en \'lamos,quot; zegt Bucket .op een vortrouwelijkon toon. „Ik ben inspecteur Bucket van de geheime politie; die ben ik; en dit, daarbij laat hij don top van zijn handig, n staf uit zijn borstzak kijken, „is mijne volmacht, \'lij hadt gt;ir Leieesier D- dlork, baronet, willen spreken. Welnu. daar ziet gij hem; en gij moogt wel onthouden, dat niet iedereen zulk oene eer te


-ocr page 379-

MI.IMIKKli MUCKKT Wil, WE\'I\'KN WAT EK CIA.WDK Is,

beurt valt. Gij, oude heer, heet Srnallweod, zoo is uw naam, dat weet ik wel.quot; „Welnu, en si\'i) hebt nooit iets kwaads van dien naarn gehoord !quot; roept grootvader Srnallweed met c-enc luide, schelle stem, „(lij weet bijgeval niet waarom het va rken geslacht word, doet go wel ?quot; horvat Bucket, mi t oen strakken blik, maar zonder uit zijn humour te geraken. „Neon.quot;

„Wol, het werd juist geslacht omdat het zoo\'n harde koel opzette,quot; zegt Bucket. „I\'as op, dat het u ook niet zoo gaat, want dat zou jammer van u zijn. (lij zijt toch niet gewend met doovvn te spreken, zijt gij wel?quot;

.Ja,quot; snauwt grootvader Smallweod\', „mijne vrouw is doof, „Dat is dan de reden, dat gij uwe stern zoo hoog inzet. Maar daar zij juist niet hier is, moest gij haar eenige tonen lager zetten, dat zal mij niet alleen aangenaam zijn, maar ook u meer eer doen,quot; zegt Bucket. „Die andere heer is een preoker van beroep, naar ik meen?\' „Zijn naam is (\'hadband.quot; zegt grootvader Smallweod, die voortaan veel zachter spreekt. „Ik heb eens oen vriend van dien naam gehad,quot; horvat Bucket, zijne hand aanbiedende, „en daarom hoor ik hem altijd gaarne. Juffrouw Uhadband, zonder twijfel ?quot; „En Juffrouw ynagsby,quot; zegt grootvader Smallweod, „Haar man heeft een kan-foorwinkel en is een boezemvriend van mij,\'\' laat Bucket hierop volgen, „Ik houd zooveel van hem alsof hij mijn broeder was. — Wat is er nu aan de hand?quot; — „Meent gij om wolko reden wij hier zijn gekomen?quot; vraagt grootvader Srnallweed, eenigszins verbluft door dezo plotselinge wending van het gesprek. — „Och, gij weet wel wat ik meen. Laten wij hier, in tegenwoordigheid van Sir Leicester Dedlock, baronet, hooren waar hot op neerkomt. Kom aan\'quot;

tirootvader Smallweod w- nki Cliadband en fluistert oone poos met hem. Eindelijk zegt I ■hadband, die al het vet uit zijne handpalmen schijnt te willen persen, hardop: „.Ia. gij het eerst,quot; en gaat weder naar zijne vorige plaats.

,lk ben een client en vriend van mijnheer l ulkinghorn geweest.quot; kraait grootvader small-weed nu. „Ik heb lang zaken met hem gedaan. Ik was hem van dienst, en hij was mij van dienst. Krook, die dood is, was mijn schoonbroeder. Hij was de eigen uroeder van Oone -atansche ekster ik wil zeggen van mijne vrouw, !k kwam in Krook\'s boedel. Ik zag al zijne papieren na. Ik liet ze allen voor mijne quot;quot;gen opgraven. Ei- was een pakje brieven, dat een dooden inwoner van hem had toebehoord, weggestopt achter eeiie plank naast liet bed van Lady Jane het nest van zijne kat. Ui, stopte allerlei dingen overal weg. Mijnheer lulkinghorn wilde ze hebben en kreeg ze ook. maar ik had ze eerst doorgekeken. Ik ben een man van zaken, en gaf zo niet uit mijne handen

zonder ze eerst door te kijken. Het waren brieven van het liefje van dien inwoner, en zij toekende zich Honoria, Dat is toch geene gewone naam, Honoria, niet waar? Er is toch geene dame hier in huis. die zich Honoria toekent, is er wel ? Wel neen, dat denk ik niet I En niet met dezelfde hand misschien? Wol neen dat denk ik niet!quot;

Hier krijgt grootvader Smallweod, temidden van zijne zegepraal, oeiie hoestbui, en moet afbreken om uit te roepon: „O Heere! Och i hemeltje! Ik zal mij nog kapot hoesten.quot;

„Als ge nu klaar zijt,quot; zegt. Bucket, na gewacht te hebben tot hij weer op adem is, „om tot iets te komen, waarbij Sir Leicester Dedlock, baronet, eenig belang heeft, zit hier di( heer, zooals ge weet.quot; „Ben ik dan al niet daaraan gekomen, mijnheer Bucket?quot; roept grootvader .Smallweod uit. „Heeft die heer dan geen belang daarbij? Niet bij kapitein Ilawdon en zijne altijd liefhebbende Honoria, en hun kind op den koop toe? Nu dan, ik wil weten waar die brieven gebleven zijn. Daarby heb ik belang, als Sir Leicester Dedlnek er geen belang bij heeft, ik wil weten waar zij zijn. Ik wil ze niet zoo stilletjes laten verdwijnen. Ik heb ze mijn vriend en sollidteuf, mijnheer Tul-kinghorn, overgegeven en aan niemand anders.quot;

„Wel, hij heeft er u immers voor betaald, en dat rijkelijk ook,quot; zegt Bucket, „Dat kan mij niet schelen. Ik wil weten wie ze nu heeft. En ik zal u zeggen wat wij willen wat wij hier allemaal willen, mijnheer Bucket. Wij willen, dat er meer moeite wordt gedaan om dien moord na te sporen. Wij weten wie er belang bij had. en gij hebt niet genoeg gedaan. Als George, die verloopen dragonder, er de hand in had, was hij maar een medeplichtige, en is hij er toe opgestookt. Gij weet zoo : goed als iemand wat ik meen.quot; .Nu zal ik u ook wat zeggen,quot; antwoord Bucket, in een oogenblik geheel van toon veranderend( en dicht naar hem toe komende, terwijl zijn voorvinger zekere toovermacht schijnt te verkrijgen. „Ik mag verdoemd zijn als ik door iemand op de wereld mijn werk zal laten bederven, of mij in de wielen rijden, of mij manr i em halve minuut voorultloopen. Gij wilt dat er meer moeite zal gedaan worden om de /aak na te sporen? Ei! Ziet gij dez( hand, en denkt gij. dat ik don rechten tijd niet weet om haar uil le steken eti ze op den arm te leggen, dé-dat -el 101 heeft gericht?quot;

Zoo geducht is de macht van dii n man, en zoo sehrikkolijk duidelijk is het, dat dit geene IJdele grootspraak is. dat grootvader iSmallweed zich begint te verontschuldigen. Bucket, zijne plotselinge grams, hap weder afleggende, stuit hem daarin.

„De raad, dien ik u geef. is om uw hoofd niet over dien moord te bn ken. Dat is mijne


-ocr page 380-

HET VERLATEN 11 ris.

zaak. Lees dé couranten maar, en het zal mij niet verwonderen als gij eerstdaags iets daarover er in vindt, als ge maar goed kijkt. Ik wat ik te doen heb, quot;n dat is al wat ik van de zaak wil zeggen. Nu over die brieven. Gij wilt weien wie ze nu heeft. Dat wil ik u wel zeggen. Ik heb ze. Is dit het pakje?

Groot vader bmallweed kijkt, nu t gretige oogen naar het pakje, dat Bucket uit een verborgen zak van zijn rok haalt, en herkent het voor hetzelfde.

„Wat hebt ge nu verder te zeggen?quot; hervat Bucket. „Maar doe uw mond niet te wijd open, want dat staat, ü niet mooi.quot; - „Ik wil vijfhonderd pond hebben.\' „Wel neen; gij meent vijftig,quot; zegt Bucket .-• hertsend.

Het blijkt echter, dar -rootvader Smallweed vijfhonderd meent.

„Gij moet weten, ik heb volmacht van «ir Lei* cest\'T Dedlock, baronet, om over dit zaakje te ond- rhandelen, zonder evenwel iets toe te stemmen of te beleven,quot; zegt Bucket, en sir Leicester buigt werktuigelijk zijn hoofd; .en nu vraagt ge mij om ei-n voorstel van vijfhonderd pond in bedenking te nemen. Dat is een nnredeUj\'rlt; voorstel. Tweehonderd vijftig zou al erg L\'\'neeg ziin, maar toch^beter dan zooveel. Zoudt ge niet liever twi ehonderd vijftig zeggen

Grootvader Smalhvi e-i weet zeer Zeker, dat hij dit liever niet wil.

.Laten wij dan mijnheer Chadbandeens hoo-ren,quot; zegt Bucket. ,.Och Heere, hoe dikwijls heb ik niijn vriend, zijn naamgenoot, gehoord. Die was in alle opzichten zoo matig en beseheiden als ik ooit iemand gekend heb.\'

Aldus uitgeiioodigd treedt Chadband voorwaarts. en nadat hij wat zoetsappig heeft ge-glimiaeht en zijne handpalmen wat tegen elkander gewreven, spreekt hij als volgt;

..Mijne vrienden, wy zijn thans Rachel, mijn-\' vrouw, en ik in de woningen der rijken en grooten. Waarom zijn wij thans in de woningen der rijken en grooten? Is het omdat w |j g\'noodigd zijn? Omdat wij verzocht zijn om met hen feest te vieren, omdat wij verzocht zijn om met hen te juichen, omdat wij verzocht zijn om met hen op de luit te spelen, omdat wij verzocht zijn om met l)gt;-n te dansen? Neen. Waarom zijn wij dan hier, mijn- vrienden ? Zijn wij in het bezit van een zondig geheim, en (ischen wij koren, en wijn, en olie of wat nagenoeg hetzelfdi is geld, om hetz.elvi te bewaren? Waarschynlijk, mijne vrienden.\' — „(iij zijt een man van zaken, dat zijt ge,\' antwoordt Bucket, die ze-i oplettend heeft geluisterd; .en du- zuil g- nu ook gaan zoggen van welken aard uw geheim is. (lij hebt gelijk. l\'ij kunt niet betel\' doen.quot; ,Liat ons dan. mijn broeder, in een ge-st van liefde daar-I to- overgaan,quot; zegt, Chadband, met een loozen blik. ,Rachel, mijnt vrouw, treed nader.quot;

Jutfrouw Chadband, meer dan bereidwillig, treedt zooveel nader, dat zij haar echtgenoot op zijde duwt, en plaatst zich met een barschen, zuren glimlach tegenover Bucket.

./Daar gij dan wilt weten wat wij weten,quot; begint zij,\' „zal ik het u zeggen. Ik heb juffrouw Hawdon, mylady\'s dochter, helpen grootbrengen. Ik was in dienst bij mylady\'s zuster. die zeer gevoelig was voor de schande, welke mylady over haar gebracht had, en het er overal voor uitgaf, ook bij mylady zelve, dat het kind bij de geboorte was gestorven wat ook h a a -1 zoo was. Maar het leeit nog, en ik ken hot.\' Met deze woorden en een lach, even bitter als de nadruk, dien zij op het woord mylady heeft gelegd, slaat zij hare armen over elkander en ziet Bucket onverbiddelijk aan. „Ik denk.quot; zegt deze, „dat gij wel eene banknoot van twintig pond of een presentje van ongeveer die waarde zult verwachten?quot;

Juffrouw Chadband lacht hem uit en zegt, dat hij evengoed twintig stuivers kan bieden.

„Mijne vriendin, de lieve vrouw van den kan-toorv.\'in keiier,quot; zegt Bucket, juffrouw Snagsby met zijn vinger naderbij lokkende. „Wat mag wel u we boodschap zijn, jutfrouw?\'

Juffrouw snagsby wordt eerst door hare eigene tranen en jammerklachten verhinderd om te zeggen wat hare boodschap is; maar langzamerhand en op eene zeer verwarde manier komt het aan het licht, dat zij eene met mishandelingen overstelpte vrouw is, welke mijnheer snagsby sedert langen t\\jd heeft bedrógen, verlaten en gepoogd in het duister te houden, en wier grootste troost in haar verdriet het medelijden van wijlen mijnheer Tulkinghorn is geweest, die, toen hij eens bij afwezigheid van haar meintedigen man in den winkel kwam, zooveel meewarigheid voor haar toonde, dat zij sedert gewoon werd hem haar leed te gaan klagen. Alle menschen, blijkt het, de aanwezigen uitgezonderd, zijn tegen juffrouw Snags-bv\'s gemoedsrust saamgezworen. Baar is mijnheer Guppy, klerk bij Kenge en Carboy, die eerst zoo klaar was als de zon op den vollen middag, maar eensklaps zoo donker en geheimzinnig Werd als do middernacht, zonder twijfel omdat mijnheer Snagsby hem had opgestookt en omgepraat. Daar is mynheer Weevle, een vriend van mijnbeer Guppy, die op eene geheimzinnige manier op eene kamer woonde, ook al om dezelfde duidelijk bewezene reden. Daar was Krook. daar was Nimrod, daar was Jo, alle drie dood. maar die er alle drie in betrokken waren. Waarin betrokken, geeft juffrouw Snagsby niet duidelijk te kennen, maar zij weet, dat Jo mijnheer Snagsby\'s zoon was. zoo goed ..alsof een bazuin het haar gezegd had,quot; en zij is mijnheer Snagsby nageloopen toen bij dien jongen voor bef laatst ging bezoeken; en als hij zijn zoon niet was, waarom


-ocr page 381-

Ml.IN HEEK lil\'CKET\'S EN .HJII-\'KorW sNA(iSHYquot;S DUMI-VKEI.\'.

ging tiij dan? De eenige bezigheid van liaar leven is sedert eenigen tijd geweest, mijnheer Snagsby overal na te loopen en alle verdachte omstandigheden samen te voegen — en geene omstandigheid had er ooit plaats, die niet zeer verdacht was, en zoo heeft zij haar doel, om haar ongetrouwcn echtgenoot te betrappen en te beschamen, nacht en dag in het oog ge-houden. Zoo is het gekomen, dat zij de Chad-band\'s en mijnheer Tulkinghorn bij elkander bracht, en met mijnheer Tulkinghorn over de verandering van mijnheer Guppy praatte, ea al de omstandigheden ontdekte, waarin di ■ aanwezigen toevallig van ter zijde betrokken zijn; daar zij nog en altijd de baan Volgt, die er op moet uitloopen om haar man geheel ten toon te stellen en eene echtscheiding te verkrijgen. Dit alles wil jufl\'rouw Snagsby, als eene zwaar mishandelde vrouw, als vriendin van juffrouw i\'hadband, als toehoorderes van mijnheer t !had-band en uit droefheid over wijlen mijnheer Tulkinghorn, hier onder het zegel des vertrouwens • n zoo verward mogelijk verklaren en beve.-ti-gen, daar zij geen geld op het oog en geen ander plan of doel heeft dan het ééne reeds genielde.

Terwijl zij deze redt voering uitspreekt, en zij heeft vrij wat tijd daartoe noodig gaat Bucket, die het geheim van juffrouw Snagsby\'s opgewondenheid met een enkelen blik heeft doorzien, met zijn waarzeggenden vinger te rade, en vestigt verder al zijne aandacht op de Ohad-1 land\'s en grootvader Hmallweed. Sir Leicester blijft onbeweeglijk zitten, me t hetzelfde strakke gezicht; behalve dat hij een paar malen naar Bucket opziet, alsof deze officier de eenige van alle menschen was op wien hij zich nogverliet.

.Heel goed,quot; zegt Bucket, „Nu heb ik u allen verstaan, en daar Sir Leicester Dedlock, baronet, mij volmacht heeft gegeven om deze kleinigheid in orde te brengen,quot; (wederom buigt Sir Leicester werktuiglijk zijn hoofd) „kan ik u ook mijne meening zeggen. Ik wil niet van een complot om geld af te persen spreken, omdat wij hier lieden zijn. die de wereld ken-nen, en wij gaarne alles in het, vriendelijke schikken. Maar ik moet toch zeggen wat mij verwondert. Met verwondert mij namelijk, dat het u in het hoofd gekomen is om daar in In t voorhuis leven te maken. Dat was tegen uw belang. Daar houd ik het voor.quot; „Wij wilden maar binnenkomen,\'\' brengt grootvader ^mallweed tot verontschuldiging in. .Natuurlijk, gij hebt maar willen binnenkomen,quot; /.egt Bucket, vriendelijk toestemmend; „maar dat een oud heer op trve jaren dien ik waai lijk eerwaardig noem, onthoud dat wel; wiens vernuft gescherpt is, daaraan twijfel ik niet, door het verlies van liet gebruik zijner leden, waardoor al zijne levendigheid naar het hoofd moet stijgen — dat zulk een oud heer niet bedenkt, dat, als hij zulk eene zaak als deze niet zooveel mogelijk stilhoudt, zij hem geen penning meer waard kan zijn, dat is zoo vreemd! Gij ziet zelf wel, dat uw humeur u den baas heeft gespeeld; en zoo hadt ge haast u zeiven gefopt,quot; zegt Bucket op een vriendelijk betoogenden trant. — „Ik zeide maar, dat ik niet wilde heengaan, zonder dat een van de knechts de boodschap aan Sir Leicester Dedlock overbracht,quot; antwoordt grootvader Smallweed, „Dat is het juist. Daarin speelde uw humeur u den baas. Houd het een andermaal beter in bedwang, en gij zult er geld mee verdienen. Zal ik nu schellen om n naar beneden te laten dragen?quot; - „Wanneer zullen wij meer hiervan liooren ?quot; vraagt juffrouw (Jhadband met barsele heid. „Daar hoor ik eene echte vrouw sprekn! Uwe lieve sekse is altijd zoo nieuwsgierigIquot; antwoordt Bucket galant, ,lk zal het genoegen heb ben van morgen of over morgen eens aan te komen, en ook mijnheer .Smallweed en zijn voorstel van tweehonderd vijftig niet vergeten,quot; „Vijfhonderd !quot; roept grootvader Smallweed, „,la wel Nominaal vijfhonderd,quot; Bucket heeft zijne hand reeds aan den scheltrekker. „Zal ik u nu, voor mij zeiven en den hoer des huizes, maar goedendag wenschen?quot; vraagt hij op een vriendelijk dringenden toon.

Daar niemand den moed heeft om iets hiertegen in te brengen, doet hij zulks, en het gezelschap vertrekt op dezelfde wijs als het gekomen is. Bucket laat het uit, en terugkomende zegt hij met een ernstig gezicht :

„Sir Leicester Dedlock, baronet, het staat aan u te overwegen of gij dit al of niet w il\' afkoopen. Ik voor mij zou over het: geheel maar raden om het te doen, en ik geloof, dat het tamelijk goedkoop zal kunnen gedaan worden. Gij begrijpt wel, dat kleine vinnige ding. de juffrouw Snagsby, is aan alle kanten van de speculatie gebruikt, en hei ft met dit en dat bij elkaar te brengen meer kwaad gedaan dan alsof zij het zoo gemeend had. Mijnheer Tulkinu horn, de overledene, hield al die paarden in het gareel, en had er ook naar zijn zin mee kunnen rijden, daar twijfel ik niet aan; maar hij werd op eens van den bok gehaald, en nu hebben zij de pooten over dt strengen en trekt en rukt ieder naar zijn eigen zin. Zoo gaat het in de wereld. Dlt; kat is van huis en de muizen spelen den baas. Maar om nu op de schuldige te konv u, die nog gearresteerd moet worden,quot;^

sir Leicester schijnt wakker te worden, bo wel hij met zijne oogen wijd open heeft geze ten, en staart Bucket strak aan, terwijl deze op zijn horloge kijkt,

„De persoon, die gearresteerd moet woi\'deii, is nu hier in huis,quot; vervolgt Nu. kei, zin» horloge met eene vaste hand en eetj ophelderend gi zicht weder hij zich stekt nde, „en ik /.al haar in


-ocr page 382-

HET VERLATEN WVl?

\'U)f)

uwe tegenwoordigheid arresteereu. Spreek maar gi;en woord, sir Iieictster Dedlock, baronet, en blijf stil zitten. Er zal geheel geen gerucht of opschudding plaats hebben. Ik zal in den loop van den avond, als ge dat goedvindt, terugkomen, en mijn best doen om die ungelukkige familiezaak naar uw verlangen to schikken en alhs stil ti- houden. Welt; s nu maar niet angstig, sir Leicester Dedlock, baronet, voor de arrestatie, die zoo meteen zal plaats hebben. De irdieele zaak, van het begin tot het einde, zal u volkomen duidelijk worden gemaakt.\'

Bucket schelt, opent de deur, fluistert iets vgen Mercurius. sluit de deur weder en blijft met over elkander geslagene armen daarachter staan. Xa ecne gespannen verwachting van een paar minuten gaat de deur langzaam open en treedt erne fransohe juffrouw binnen. Mademoiselle Ilortense.

Zoodru zij in do kann r is slaat Bucket de deur dicht en plaatst zich met zijn rug daartegen aan. Dit onverwachte gerucht doet haar omkijken, en nu ziet zij voor het eerst sir Leicester zitten.

„Ik vraag u wel excuus,quot; prevelt zij haastig. ..Zij /.ejden mij, dat er niemand hier was.quot;

„Zij doet een stap naar de deur en komt vlak tegenover Bucket. Bene stuipachtige bewe-ginsr vliegt over haar gezicht en zij wordt op eens doodsbleek.

„ Ditis mijne in woonst er, Sir Leicester Dedlock, baronet,quot; zegt Bucket, haar even toeknikkende. „Die Fransche jnfl\'rouvv heeft sedert eenige weken bij mij in huis gewoond.quot; — „Watkan dat Sir Leicester schelen, denkt gij, mijnengel?quot; zegt mademoiselle schertsend. „Wel, mijn engel,\' antwoordt Bucket, „dat zullen wij zien.quot;

Mademoiselle Hortense ziet hem aan met een gramstorigen blik, die langzamerhand in een schamperen glim lach overgaat. „Oij zijt zeer mysterieus. /ijt ge dronken?quot; „Tamelijk nuchter, mijt) engel,quot; antwoordt Bucket. „Ik kom zoo even met uwe vrouw in dit detestabeie huis. l\'we vrouw laat mij alleen. Zij zeggen mij beneden, dat uwe vrouw hier is. Ik kom hier en uwe vrouw is niet hier. Wat moet die malligheid beduiden, zeg dan?quot; Mademoiselle zegt dit Op een bedaarden toon, terwijl zij hare armen over elkander slaat, maar in hare bruine wangen is iets, dat als eene klok schijnt te tikken.

Bucket schudt alleen zijn vinger tegen haar.

,0 mijn (iod, t,r\' zijt gek geworden!quot; reept mademoiselle uit, en werpt met een lach het : hoofd in den nek. „Laat mij door naar beneden, groot varken,quot; En zij stampt dreigend met haar voet, „Mademoiselle,\'\'zegt Bucket op een koelen maar vasten toon, „ga daar eens op de canapé zitten.quot; - Jk wil nergens op gaan zitten,quot; antwoordt zij, heftig met haar hoofd knikkende. .Mademoiselle,quot; herhaalt Bucket, zonder eenige beweging te maken, behalve met zijn vinger, „ga daar eens op de canapé zitten.quot; — „Waarom?quot; „Omdat ik u arresteer, als beschuldigd van een moord; en dat behoeft u niet eens gezegd te worden. Nu wil ik voor eene vrouw wel beleefd wezen, als ik kan; maar als ik dat niet kan, moetik grof zijn, en lieden nog grover dan ik staan voor de deur. Wat ik wezen zal hangt van u zelve af. Ik raad u dus als een vriend, dat gij oogenblikkelijk op de canapé gaat zitten.quot; Mademoiselle gehoorzaamt en zegt met eene gesmoorde stem, terwijl dat iets in hare wangen nog harder en sneller klopt: „Gij zijt een duivel,quot;

i f

Üfl

i i 1

„Ziezoo,quot; vervolgt Bucket weltevreden, „nu zit ge op uw gemak en gedraagt u gelijk men van eene jongejuffrouw van uw verstand zou verwachten. Ik zal u dus nog een raad geVen, oh dat is: praat niet te veel. Gij behoeft hier niets te zeggen, en gij kunt niet te weinig spreken. Kortom, hoe minder gij parleert, des te beter voor u.quot; Bucket is zeer in zijn schik, dat hij haar dit zoo goed in het Fransch heeft i beduid.

Mademoiselle zit, met die tijgerachtige trekking van haar mond, en terwijl hare zwarte oogen vonken schijnen te schieten, rechtovereind en strak op de sofa. Zij heeft hare handen dicht geknepen — hare voeten Insgelijks, zou men denken - en mompelt: „O gij Bucket, gij zijt een duivel 1quot;

„Nu. Sir Leicester Dedlock, baronet,quot; zegt Bucket, en van dat oogenbllk af komt zijn vinger niet weder tot rust, „deze juffrouw, die bij mij in huis woont, was in den tijd, waarvan ik u gesproken heb, mylady\'s kamenier; en behalve dat zij ten uiterste op my-lady gebeten was, omdat zij door haar was ! bedankt....quot;— „Gelogen I\' roept mademoiselle. „Ik heb mij zelve bedankt.quot; - „Waarom luistert gij niet naar mijn raad?quot; antwoordt Bucket op een dringenden, bijna smeekenden toon. „Ik sta verbaasd over uwe onvoorzichtigheid. ! (\'lij zult zeker nog iets zeggen, dat tot uw nadeel gebruikt zal worden. Stoor u niet aan wat ik zeg, tot ik getuigenis tegen u afleg. Ik spreek nu niet tegen u.quot; - „Bedankt nog al!quot; roept madenn )iselle woedend uit. „I )oor my lady! ■Waarachtig, eene fraaie mylady. Ik zou mijne reputatie ruïneeren, door bij zulk eene Infame mylady te blijven.quot; „Bij mijne ziel, ik verwonder mij over u,quot; zegt Bucket berispend. Jk dacht,\' dat gij l\'ranschon eene beleefde natie waart, dat deed ik waarlijk. En hoor toch eene juffrouw eens aangaan, en dat voor sir Leicester Dedlock, baronet.quot; — „Hij is een ellendige dupe!quot; roept, mademoiselle. „Ik spuw op zijn huis, op zijn naam, op zijne bètise.quot; en telkens geeft zij daarvan blijk op het tapijt. „O, hij Is een groot man! Wel zeker, superbe!


-ocr page 383-

MIJXHEEi; BUCKET LEVERT ZM.XE HEWIJZEN.

0 hemel! Bah!quot; , Welnu, Sir Leicester Ded-lock, baronet,quot; hervat Bucket, „die fransche juö\'rouw, die zich zoo weinig kan matigen, zette zich ook in het hoofd, dat zij eene aanspraak op mijnheer Tulkinghorn had\'verworven, door bij die gelegenheid, waarvan ik u gezegd heb, bij hem te komen, hoewel zij voor haar tijd en hare moeite ruim betaald werd.quot; — „Gelogen!quot; roept mademoiselle. „Ik heb zijn geld geweigerd.quot; - ,Als gij dan parieeren wi lt,\'merkt Bucket hierop aan, „moet gij de gevolgen maar afwachten. Nu, Sir Leicester Dedlock, baronet,\' vervolgt hij, ,of zij bij mij kwam inwonen met een bepaald voornemen om dat bedrijf te plegen en mij dan te blinddoeken, kan ik niet beslissen; maar zij woonde reeds bij mij in dien tijd toen zij altijd om de woning van den overledene rondloerde om moeite met hem te zoeken, en ook een ongelukkig manne ke, dat een kantoorwinkel houdt, eveneens vervolgde en plaagde.quot; - „Gelogen,quot; roept mademoiselle, „alles gelogen!quot; — „De moord werd gepleegd. Sir Leicester Dedlock, baronet, en gij weet onder weiki omstandigheden. Nu verzoek ik u mij een paar minuten stipt mot uwe aandacht te volgen. Ik werd geroepen en de zaak werd mij toevertrouwd. Ik examineerde do plaats, het lijk, de papieren en alles. Op inlichtingen, die ik ontving (van een klerk in hetzeltde huis), arresteerde ik George, dewijl men hem op den avond en zeer dicht bij den tijd van den moord daar had zien ronddwalen ; en ook dewijl men hein bij vorige gelegenheden hooge woorden met den overledene had hooren hebben - hij hem zelfs gedreigd had, gelijk de getuige het opvatte. Als gij mij vraagt. Sir Leicester Dedlock, baronet, oi\' ik van het begin af heb geloofd, dat George de moordenaar was, zeg ik u rondborstig: neen; maar hij kon het toch wezen, en er was genoeg tot zijn bezwaar om liet tot een plicht\' te maken hem te arresteeren. Let nu wel op!quot;

I \'Twijl Bucket zich met zekere; opgewondenheid opgewondenheid voor hem namelijk vooroverbuigt en met een enkelen dreigenden zwaai van zijn vinger het vervolg zijner rede opent, vestigt Mademoiselle Hortense hare zwarte oogen op hem en klemt hare droge lippen vast op elkander.

„Ik ging dien avond naar huis, Sir Leicester Dedlock. baronet, en vond die juffrouw bij mijne vrouw aan tafel. Zij had reeds, toen zij pas aanzoek deed om bij ons te komen inwonen, eene machtige vertooning van hare ingenomenheid met mijne vrouw gemaakt, maar dien avond nog meer dan ooit; kortom, zij overdreefh(t. /ij overdreef evenzoo hare achting en dat alles voor de betreurde nagedachtenis van wijlen mijnheer

1 ulkinghorn. En toen ik haar tegenover mij aan tafel zag zitten, met een mes in de hand, viel het mij op eens in, dat zij het gedaan had.quot; i

Mademoiselle is nauwelijks hoorbaar, terwijl zij door hare samengekiemde tanden en lippen heen prevelt: „Gij zijt toch een duivel.quot;

„Waar was zij nu,quot; vervolgt Bucket, „op den avond van den moord geweest? Zij was naar het theater geweest. Werkelijk was zij daar, gelijk ik naderhand bevonden heb, zoowel voor als na de daad geweest. Ik wist, dat ik met een geslepen klantje te doen had en dat het zeer moeielijk zou zijn bewijzen te bekomen; en ik spande haar een strik, gelijk ik nog nooit had gespannen, en deed een waagstuk gelijk ik nog nooit had gedaan. Ik overlegde alles bij mij zeiven, terwijl ik onder het avondeten met haar praatte. Toen ik naar boven en naar bed was gegaan, stopte ik, daar ons huis klein is en deze juffrouw scherpe ooien heeft, mijne vrouw het laken in den mond, opdat zij geen woord van verrassing zou laten hooren, en vertelde haar alles. Liefje denk niet weder daaraan, of ik zal u de voeten en de enkels vastbinden.quot; Bucket, aldus afbrekende, is zeer zacht bij mademoiselle gekomen en heeft zijne zware hand op haar schouder gelegd. „Wat scheelt u nu?quot; vraagt zij hem. — ..Denk er niet meer aan,quot; antwoordt Bucket, met waarschuwenden vinger, „om uit het venster te springen. Dat is het wat mij scheelt. Kom! geef mij uw arm. (iij behoeft niet op te staan; ik zal naast u komen zitten. Geef mij nu maar uw arm. Ik ben een getrouwd man, en «ij kent mijne vrouw. (Jeef mij dus uw arm maar,quot;

Vruchteloos pogende hare droge lippen te bevochtigen, wil zij spreken, maar maakt slechts een pijnlijk geluid en gehoorzaamt.

„Zoo, nu is het weer goed. Sir Leicester Dedlock, baronet, ik zou de zaak nooit zoo ver hebben klaar gekregen, als ik mijne vrouw niet had gehad, die eene vrouw onder vijftig duizend onder honderd vijftig duizend is. Om deze jongejuffrouw des te geruster te maken heb ik na dien avond geen voet meer in ons huis gezet, hoewel ik in het brood en de melk zoo dikwijls met mijne vrouw correspondeerde als noodig was. Wat ik haar toefluisterde toen zij het laken in den mond had. wns: „Beste, kunt gij haar gedurig van de wijs brengen met natuurlijke vertellingen van mijne vermoedens tegen George en dergelijke dingen? Kunt gij slaap en rust, missen, en nacht en dag de wacht over haar houden? Kunt gij beloven: zij zal niets doen buiten mijn weten, zij zal mijne gevangene zijn zonder het te vermoeden, zij zal mij evenmin kunnen ontloopen als den dood, en haar leven zal mijn leven zijn en hare ziel mijne ziel, tot ik zeker weet of zi j dien moord gepleegd heeft?quot; Mijne vrouw zeide, zoo goed als zij met het laken spreken kon: „Bucket, dat kan ik.quot; En zij heeft ook braaf haar woord gehouden.quot; „Logens!\' valt mademoiselle er op in. „Alles gelogen, mijn vriend.\' — „Sir Lei-


-ocr page 384-

11KT VERLATEN iH\'iS.

cester JK\'dlock, baronet, hoe is ohder deze omstandigheden mijne berekening uitgekomen? Toen ik berekende, dat die onstuimige juffrouw tot nieuwe overdri.ivingen zou vervallen, had ik toen gelyk of niet? Ik had gelijk. Wat probeert /.ij verdei ? Hehrik er niet van. Zij probeert den moord op mylady te werpen.\'

Sir Leicester staat van zijn stool op en laat zich wankelend weder zakken.

„En zij werd daarin aangemoedigd door te hooren, dat ik altijd hier was, hetgeen haar opz( ttelijk gezegd werd. Doe nu die portefeuille van mij mis open, sir Leicester Dedlock, als ik zoo\'vrij mug zijn van ze u toe te gooien, en zie de brieven eens in, die mij gezonden /ijn, feder met de twee woorden „Lady Dedlockquot; er in. Open dezen brief aan u zei ven geadres«eord, dien ik van morgen heb ontvan gen, \' ti Iers daarin de drie woorden: „Lady Dedlock. Moordenaarster.quot; Zulke brieven heeft het geregend. Wat zegt gij er nu van. dat mijne1 vrouw uit haar schuUhook al die brieven door deze juffrouw heeft zien schrijven? Wat zegt gij er van, dat zij binnen dit half uur de inkt en het papier, de afgescheurde halve blaadj\' s en zoo al meer in beslag heeft ge-nomen? Wat zegt gij er van, dat zij elk van dit brieven door deze juffrouw zelve op de post heeft, zien bestellen?quot; vraagt Bucket, ze ■it prab ud ui ireMH zijner gatj\'-.

Twee dingen zijn, terwijl Bucket hei slot zijner rede nadert, hijzonder opmerkelijk. Voor-eerst, dat hij ongemerkt zeker vreeselijk recht op madeinoiselle schijnt te vovkrijgen.Ten tweede dat zelfs de lucht, die zij inademt, zich om haar schijnt op te pakken en dicht te sluiten, als ware het een net of een lijkkleed, dat om haar werd samengetrokken.

„Er is gi \'-n twijfel aan, dat mylady op dien gewichtigen avond op de plaats was,\' zegt Bucket, ,■ n dat mijne fransche vriendin haar zag, als ik wei heb boven van het portaal. Mylady en (L orge en mijn\' fransche vriendin waren elkander allo drie tamelijk dicht op de hielen. Maar dit beteekent nu niets meer, en dus zal ik er niet verder over uitweiden. Ik vond d\' prop van het pistool, waarmede mijn-heer Tulkinghorn werd doodgeschoten. Met was (.\'en stuk der g-drukte beschrijving van uw buitengoed Kastanje-IIof. Daar steekt zooveel niet m zult gij zeggen, .sir Leicester Dedlock, baronet. Maar als mijne fransche vriendin, die hier zit, onvóorziclitig genoeg is om het overschot van dat blad te verscheuren, en mijne vrouw de stukjes bij elkander legt, en vindt, dat het vo.r pfp geliruikte stuk er aan ontbreekt, begint le t i i t\'.\' h verdacht uit te zien.quot;

, Dat zün heel lange iogens,quot; valt mudemois\' lie hi.\'rop in. ,(.iij kakelt heel veel. Hebt srij haast gedaan, of zult gij altijd door aan In t spreken blijven?quot; .Sir Leicester Dedlock, baronet,quot; vervolgde Bucket, die een titel gaarne voluit geeft en zich zeiven geweld aandoet als hij er het minste van weglaat, „het laatste punt, dat • ik nu vermelden zal, bewijst hoe noodzakelijk het is om geduid ie hebben en zich nooit te overhaasten. Ik hield deze juffrouw gisteren in het oog, zonder dat zij liet wist, terwijl zij met mijne vrouw, die een middeltje had geweten om haar daarheen te brengen, naar de begrafenis stond te kijken; en ik had al zooveel om haar te overtuigen, en ik zag zulk eeno uitdrukking in haar gezicht, en ik was zoo woedend op haar om hare kwaadaardigheid tegen mylady, en het was zoo juist een tijd om de hand der wraak, zooals men zegt, op haar te doen nederdalen, dat ik, als ik minder ondervinding in het vak had gehad, haar zeker toen ai zou gevat hebben. Zoo mede gisteravond, toen mylady, die zoo algemeen bewonderd wordt, thuis kwam, haast mag ik wel zeggen, gelijk Venus er uit ziet als zij uit den oceaan oprijst, was liet zoo hatelijk en j stuitend te denken, dat zij met een moord werd bezwaard waaraan zij onschuldig was, dat ik mij met geweld moest bedwingen, om niet in eens een eind aan de zaak te maken. Maar wat zou ik dan gemist hebben? Sir Lei-cester Dedlock, baronet, dan zou ik het wapen hebben gemist. Toen de begrafenis voorbij was, deed de gevangene hier mijne vrouw tiet voorstel om met den omnibus een eindje naar buiten te rijden en in eene heel fatsoenlijke uitspanning thee te gaan drinken. Nu is daar dicht bij het huis een vijver. Onder het thee- ! drinken stond mijne gevangene op, om haar zakdoek te gaan halen uit de slaapkamer waar de hoeden waren gebleven; zij bleef wat lang weg en toen zij terugkwam was zij eenigszins buiten adem. Zoodra zij weder thuis kwamen werd mij dit door mijne vrouw bericht, met hare verdere opmerkingen en vermoedens et-hij, Ik liet bij maneschijn den vijver afvisschen, in tegenwoordigheid van een paar onzer lieden, en het zakpistool werd opgehaald eer het nog zes uren in het water had gelegen. Nu, liefje, steek uw arm wat verder door den mijnen en houd hem stil, dan zal ik u geen zeer \'i-»en

In een oogwenk slaat Bucket haar eene handboei om den arm, „Dat is er een,quot; zegt hij. ,NTi d( andere, liev\'ling. Twee, en alles is klaar!quot;

Hij staat op; zij insgelijks, „Waar,quot; vraagt zij hem, terwijl hare dichtgeknepene oogleden hare groote oogen bijna verbergen, en /ij hem toch scherp aanziet, „waar is uwe valsche, ver raderlyke, vervloekte vrouw .\' „Zij is vooruit naar het politiekantoor gegaan,quot; antwoordt Bucket. „fgt;li zult haar daar zien, liefje.\' — „Ik zou haar gaarne een kus willen geven!quot; roept Mademoiselle Hortensr uit. hijgende als eene


-ocr page 385-

,%!) I

dorstige tijgerin. — Gij zoudt haar bijten, geloof ik haast,quot; zegt Bucket. - „Dat zou ik,quot; zegt zij, op eens een paar zeer groote oogen opzettende. „Ik zon haar wel willen verscheuren.quot; — „Och liefje,quot; zegt liiicket met do grootste bedaardheid, „dat had ik wel gedacht, (jij vrouwen zyt zoo verbazend op elkander gebeten, als gö ongenoegen met elkander hebt. Om mij geeft gjj niet half zooveel, nietwaar?quot; — „Neen, maar gjj zijt toch een duivel.quot; — „Engel en duivel beurt om beurt, he ?quot; roept Bucket uit. „Maar ik ben in mijn gewoon beroep, moet gij bedenken. Laat mij uw doek wat verschikken. Ik heb er nl zooveel tot kamenier

„ Wees toch zoo boosaardig niet,quot; zegt Bucket. — „Of hem tot een hooghartig edelman ?quot; roept mademoiselle, zich met onbeschrijfelijke minachting naar Sir Leicester keerende. „O, zie hem eens aan. Die arme. Die arme dupe ! Ha i ha! halquot; - „Kom, kom, dat parieeren is nog erger dan het vorige,quot; zegt Bucket. „ Kom voort!quot;

„Dat kunt gjj niet doen ? Dan kunt ge met mij doen wat gjj wilt. Het is de dood maar, i en die kan rnij niet schelen. Laten wij gaan, | mijn engel. Adieu, oude grijze man. Ik beklaag u, en ik ver-r-acht u.quot;

Met deze laatste woorden klemt zij|hare tanden op elkander, alsof haar mond met eene


X

I\' -

B -

ZIJM; IIANDKN SUIKN. . . . KS ZK N A AII IIAItl: IIIHIST Ol\'l I KI I KM IK, IIIKKI\' MM ZIJN HOOFD UN SOIIKKIT, (biz. ■17\'2).

gediend. Hapert er iet eene vigilante voor de de Mademoiselle Hortense verontwaardiging in den eens, en is daarmede zoo Om haar recht te doen,

meen fatsoenlijk en elegant uit.

„Luister dan, mijn engel,quot; zegt zij, na verscheidene malen spottend geknikt te hebben.

\'ij zijt heel geestig. .Maar kunt gij hem weder in het leven roepen?quot; — „Dat juist niet,quot; antwoordt Bucket. — „Dat is comisch. Maar luister nog eens. (lij zijt heel geestig. Maar kunt gij haar weder tot eene eerlijke vrouw maken ?quot; veer toesloeg. Het is onmogelijk te schilderen hoe Hucket haar naar buiten brengt, maar hij volbrengt deze taak op eene hoogst eigenaardige manier; hjj omhult haar gelijk eene wolk en zweeft met haar heen, alsof liij een nieu-wenvetsche Jupiter en zjj het voorwerp zijner genegenheid was.

aan den hoed \'lt; Lr staat

werpt een blik vol spiegel, schudt zich net ais zij zijn kan. zjj ziet er buitenge-

Sir Leicester, alleen gelaten, blijft in dezelfde houding zitten, alsof hij nog met aandacht luisterde. Lindelijk bil starend in het vertrek rond, en het ledig vindende, staal hij wankelend op, schuift zijn stoel achteruit en doet eenige schreden, zich aan de tafel vasthoudende. Dan bljift hij staan ; en met eenige van die onver-


F NS. //. t verlaten huis

24

-ocr page 386-

HET VERLATEN HUIS.

staanbai-e geluiden, slaat hij zijne oogen op en schijnt naar iets te staren.

De hemel weet wat hij ziet. De groene bos-sclien van Kastanje-Hof. het statige huis, de portretten zijner voorvaderen, vreemdelingen, die ze ontheiligen, officieren van politie, die met grove handen zijne kostbaarste erfstukken betasten, duizenden van vingers, die naar hem wijzen, duizenden van gezichten, die hem smalend aangrijnzen. Doch indien zulke gedaanten hem in zijne verbijstering voorhyzweven, er is cene andere gedaante, welke hij zelfs nu nog met zekere duidelijkheid kan noemen, en welke het alleen geldt, als hy aan zijne gryze haren rukt en zijne armen uitstrekt.

Zij is het, aan welke hij, behalve dat zij jarenlang zijn grootste trots is geweest, nooit met een zweem van zelfzucht iieeft gedacht. Zij is het, die lijj bemind, bewonderd en ge-eerd heeft, en welke hij door de geheele wereld heeft willen doen eerbiedigen Zij is het, die onder al de gedwongene stijfheid en gemaaktheid van zijn leven, eene liefde en tee-derheid in zijn hart heeft levendig gehouden, welke hem vatbaar doen zijn voor de ziele-smart die hij thans gevoelt. Hü ziet haar, en haar gezicht doet hem zich zelveu bijna vergeten. Hij kan het niet aanzien, hoe zy neergeworpen\'is van de hooge standplaats, die zy zoozeer tot sieraad strekte.

Hn zelfs op het punt om op den grond te zinken en al zijn leed te vergeten, is hij nog in staat om onder die lastige geluiden met zekere duidelijkheid huur naam uit te spreken, op een toon meer van droefheid en medelijden dan van verwijt.

1,V.

VLUCHT.

Inspecteur Bucket van de geheime politie heeft nog zyn grooten slag niet geslagen, gelijk wij in het vorige hoofdstiik hebben gemeld, maar ligt nog genist te slapen, om zjjne krachten voor den gewichtigon dag, die hem wacht, te sterken, wanneer, door don nacht en over de bevrorene wegen, eene sjees met twee paarden uit L 1 n c ol n s b i r e den weg naar L o n-d e n oprijdt.

Spoorwegen zullen weldra dit geheeie gewest doorsnijden, en met een geratel en een rood gloeiend schijnsel zullen locomot iel\'en trein gelijk eene luchtverhcveling door het nachtelijke laiidschap vliegen, en de bleeke maan nog bleeker doen worden; maar tot nog toe heeft men in (leze streek zulke dingen met, sgt;hoon zij wid verwacht worden. De toebereidselen zijn aan den gang, de opmetingen zijn gedaan, de L,\'rond is afgepaald. Bruggen zijn begonnen, en hare nog niet vereenigde pijlers zien elkander over wegen en stroom droevig aan, gelijk echtparen van steen en cement, die door omstandigheden gescheiden blijven;gedeeltenvamlijken zijn opgeworpen, en van hunne steilten schijnen stroomen van roestige karren en kruiwagens te zyn afgestort; op heuveltoppen, waar het gerucht van tunnels spreekt, staan driestallen van hooge palen; alles gelijkt naar een chaos en schijnt hopeloos verlaten te zijn. Langs de bevrorene wegen en door den nacht spoedt de postsjees voort, zonder aan een spoorweg te gelooven.

Juffrouw Rouncewell, zoovele jaren huishoudster op Kastanje-Hof, zit in die sjees, en naast haar zit julfrouw Bagnet, met haar grijzen mantel en\' paraplu. Het oudje wilde liever voorop gaan zitten, daar deze plaats meer aan het weder is blootgesteld en beter met hare gewone manier van reizen strookt, maar juli rouw Rouncewell is veel te bezorgd voor haar om hiervan te willen hooren. De oude jutVrouw kan haar niet genoeg toonen, hoeveel werk zij van haar maakt. Zij zit met hare deftige houding naast haar, houdt hare hand vast en brengt die dikwijls aan hare lippen, zonder er om te donken hoe ruw zy is. „Gij zyt eene moeder, lieve vrouw,quot; zegt zij dikwijls, „en daarom hebt gij mijn George\'s moeder ook kunnen vinden.quot; — „quot;Wel, Julfrouw,quot; antwoordt julfrouw Bagnet, „George sprak altijd heel vry met mij, en toen hij eens bij ons aan huis tegen mijn Woolwich zeide, dat onder alle dingen, waaraan mijn Woolwich als hij groot geworden was zou kunnen denken, bet pleizierigstc wezen zou dat hy zijne moeder nooit een rimpel van verdriet had doen krijgen, of een haar op haar hoofd had doen vergrijzen, toen begreep ik uit zijn toon, dat er iets wezen moest, dat hem zijne moeder pas weder in de gedachten had gebracht.

,1k had hem in vroeger tyd dikwyls hooren zeggen, dat hij zich, wat haar betrof, slecht gedragen had.quot; — „Nooit, lieve vrouw,quot; zegt juffrouw Kouncewell, in tranen uitbarstende ; „nooit, zoo waar als ik hem zegen! Hij heeft altijd veel van my gehouden on my liefde getoond, dat heeft mijn George. Maar hij had een vurigen aard, en leefde een beetje los, en werd toen soldaat. En ik weet wel, dat hij eerst wilde wachten om ons van zich te laten hooren tot hij officier zou geworden zijn, en toen hij dat niet werd, weet ik wel, dat hij zich beneden ons achtte en ons niet tot schande wilde zijn. Want hij had een leeuwenhart, mijn George, altijd, van een kind af.quot;

De handen der oude vrouw dwalen weder gelyk vroeger bevende om haar heen, terwijl j zy zich herinnert, welk een vlugge jongen, welk ; een mooie jongen, welk een vroolijke, goed-! hartige, schrandere jongen hij was; boo op Kastanje-Hot\' iedereen van hem hield; hoe Lord


-ocr page 387-

■\\1\\

Leicester van hem hield toen hij uog een jong heer was; hoe de honden van hem hielden; hoe /.ell\'s meuschen, die boos op hem waren, hem vergaven toen hij weg was, arme jongen. Kn im hem nog eens weder te zien, en dat wel in eene gevangenis V Hu de omspeidoek, die hare breede borst bedekt, gaat zwoegend op en neer, en de rechte, stiji\' ouderwetsche gestalte buigt onder het gewicht van weemoed en droefheid.

Julïronw Hagnet laat, met het instinct van een goed en warm gevoelend hart, de oude huishoudster eene poos aan hare aandoeningen over uiet zonder met den rug harer hand hare eigene moederlijke oogen al\' te vegen — en hervat daarna op haar opbeurenden toon:

„Zoo zeg ik tegen George, toen ik hem ga roepen om thee te drinken (want hij deed alsof hij liever buiten zijne pjjp wilde rooken): „Wat scheelt u van middag, George, om\'s Hemels wil? Ik heb u tamelijk dikwijls gezien, in allerlei humeur, maar nooit heb ik u zoo melancholisch en zoo treurig gezien?quot; „Wel, jullroiuv liagnet,quot; zeide George, „het is omdat ik van middag werkelijk melancholisch en treurig ben, dat go rnjj zoo ziet.quot; „Wat hebt ge dan gedaan, oude jongen?quot; zeide ik. „Wel, JufVromv liagnet,quot; zeide George en schudde zijn hoofd, wat ik gedaan heb, heb ik al voor lange jaren gedaan, en liet is best, nu maar niet te probeeren om liet ongedaan te maken. Als ik in den hemel kom, zal het niet zijn omdat ik een goede zoon voor eene weduwe geblevene moeder geweest ben; meer zeg ik niei.quot; Xu, jutlrouw, toen George tegen mij zeide, dat het best was maar niet te probeeren om liet ongedaan te maken, had ik zoo mijne gedachten, gelijk ik al meer luid gehad; en toen hoorde ik George zachtjes aan nithoe het kwam, dat liij dien middag zulke dingen op het gemoed had. Toen vertelde mij George, dat hij in het procureurs kantoor bij toeval eene deftige oude jurt\'rouw had gezien, die hem zijne moeder duidelijk voor den geest had gebracht, en by bleef over die oude jutlrouw aan het praten tot hy zich zeiven geheel en al vergat en mij haar portret schilderde, gelijk zij voorjaren geweest was. Hn toen bijgedaan had vroeg ik hem, wie die oude jutlrouw was, die hij gezien had. Hn toen zeide hij my, dat \' het jutirouw Koiincewel was, die langer dan vijftig jaren huishoudster van de familie Üed- i lock op Kastanje-Hof in L i n c o I n s h i r e was geweest, ( ieorge had mij vroegerdikwylsverteld, dat hij uit H i n c o 1 n s h i r e geboortig was, en toen zeide ik dien avond tegen mijn ouden Lignum; ,Lignum, ik wil om vyf en veertig pond wedden, dat die jutlrouw zijne moeder is.quot;

Dit alles vertelt juffrouw Hagnet ten minste voor de twintigste maal binnen de vier uren.

Ditmaal schettert zy het uit, alsof zjj een soort van vogel was; zij houdt haar toon zoo hoog, opdat de oude juffrouw het boven het snorren dor wielen zou kunnen hooren.

„Zegen en dank,quot; zegt JullVouu Kouncewell. „Zegen en dank, brave vrouw !quot; — „Och, goede ziel,quot; antwoordt jutlrouw liagnet op haar natuur I Hjksten toon, „gij behoeft mij waarlijk niet te ; danken. Ik dank u, juffrouw, dat gij zoo gewillig zijt om mij te danken. Hn onthoud nu | toch wel, juffrouw; wat gij best kunt doen, i als gij ziet, dat (ieorge uw eigen zoon is, is I hem te zeggen, dat liy om uwentwil alle mo-I gelijke hulp moet aannemen om recht te krijgen en zich te zuiveren van iets waaraan liy even onschuldig is als gij of ik. Het baat hem niet of hij recht en waarheid voor zich heeft; hy moet ook de wet en de advocaten voor zich hebben,quot; roept zy uit, overtuigd naar het schijnt, dat deze laatsten een afzonderlijk kantoor hebben en de compagnieschap met recht en waarheid voor altijd hebben ontbonden. — „Hij zal alle hulp hebben, lieve vrouw,quot; antwoordt juffrouw Kouncewell, „die maar in de wereld voor hem te krygen is. Ik zal er alles aan te koste leggen wat ik heb. Sir Leicester zal zyn best doen; de geheele familie zal haar best doen. Ik - ik weet iets, lieve vrouw; en ik zal voor hem spreken als zjjne moeder, die zoovele jaren van hem gescheiden is geweest en hem eindelijk in eene gevangenis weder-vindt.quot;

De buitengemeene onrust, waarmede de oude huishoudster dit zegt, hare afgebrokene woorden en haar handenwringen maken een diepen indruk op .lutl\'rouw liagnet en zouden haar verwonderen, indien zy alles niet aan hare droefheid over haar zoon toeschreef. Zij verwondert zich evenwel, waarom jutlrouw Rouncewell gedurig met zulk eene angstige verbijstering prevelt: „Mylady, mylady, mylady!quot;

De nacht verloopt, de dageraad breekt aan, en de postsjees komt door den ochtendnevel\' aanrijden, alsof het de schim eener doode sjees was. Zij heeft ook een spookachtig quot;ezelschap in de schimmen van boomen en heggen, die langzamerhand verdwijnen en voorde werkelijkheid van den dag plaats maken. Men bereikt Londen en de reizigers stappen af: de oude huishoudster zeer angstig en verbijsterd, jutlrouw liagnet zeer gerust en bedaard gelyk zy ook wezen zou indien de tocht met dezelfde emiipage en uitrusting naar de l\\ a a p, het eiland A s c e n s i o n, Hon g-K oiiquot;\' of eene andere garnizoensplaats moest quot;worden voortgezet.

Doch terwijl men naar de gevangenis gaat waar men George zal vinden, gelukt hel dé huishoudster een groot gedeelte van hare gewone statigheid en kalmte te hernemen. Zij gelykt naar een verwonderlijk deftig, stijf en


-ocr page 388-

372

fraai stuk oud porselein; hoewel haar hart snel ! klopt, sneller dan zelfs de gedachte aan haar ; weggeloopen zoon het ooit in al die jaren heeft | doen kloppen.

üe oei naderende, zien z.y, dat juist de deur geopend wordt en een oppasser naar buiten komt. Juffrouw Hagnet geeft hem snel een wenk om niets te zeggen; hij antwoordt met | een hoofdknik, laat beiden stil binnen en sluit I de deur.

George, die aan zijne tafel zit te schrijven, en alleen meent te zijn, slaat dus z.yne oogen niet op, maar schrijft stil voort. De oude huis-houdster ziet hem aan, en hare dwalende handen zeggen juffrouw Hagnet genoeg; al had /ij ook. wetende wat zq weet, moeder en zoon by elkander kunnen zien en aan hunne betrekking twijfelen.

Geen geritsel van haar kleed, geene beweging, geen woord verraadt de oude huishoudster. Zij blyft hem staan aanzien, terwijl hij zonder iets te vermoeden voortschryft, en alleen hare bevende handen geven hare aandoeningen te kennen. Maar zij zijn welsprekend, zeer welsprekend. .lulfrouw Bagnet verstaat wat zij zeggen, \'/g spreken van dankbaarheid, van blijd-schap, van smart, van hoop; van onuitdoof-| bare liefde, onbeantwoord gekoesterd sedert die forsrhe man een ranke jongeling was, van een beter zoon, minder — en van dezen zoon, met : zooveel teederheid en moedertrots bemind; en I z.y spreken zulk eene aandoenlyke taal, dat juffrouw Hagnet\'s oogen zich met tranen yul-len en dezx\' glinsterend over hare gebruinde | wangen rollen.

„George Kouncewell! (gt; myn dierbaar kind, keer u om en zie my aan!quot;

George springt op, valt zijne moeder om den hals en zinkt voor haar op zijne knieën. Hetzy uit berouw, hetzij door de eerste herinnering, die bij hem opkomt, hy legt zijne handen samen geiyk een kind doet als het zijn gebedje opzegt, en ze naar hare borst opheffend, buigt hy zijn hoofd en schreit.

.Mijn George, mijn liefste zoon! Altijd mijn lieveling, en nog rayn lieveling, waar zijt gij :il die bange jaren geweest \'i En zulk een man gewerden, zulk een schlt;quot;gt;n en forscii man. Zoo juist wat ik dacht, dat hij wezen moest, als het God behaagde, dat hij nog leefde.quot;

Zy kan een ttidlang niet geregeld vragen en hij niet geregeld antwoorden. Ai dien tyd leunt de soldatenvrouw, van hen afgekeerd, met haar arm tegen den gewitten muur, laat haar : eerlijk voorhoofd daarop rusten, veegt met haar versleten ouden mantel bare oogen al, en denkt, dat z\'ij nog nooit in haar leven zoo aangedaan en zoo blyde is geweest.

..Moeder,quot; zegt George, nadut z.y eenigszins bedaard zijn, „eerst en voor alles vergeef my, want ik weet hoe noodig ik dat heb.quot;

Hem vergeven ! Dat doet zij met hart en ziel. Dat heeft zij altijd gedaan. Zij zegt hem, hoe zij al die jaren lang in haar testament heeft laten staan, dat hij haar beminde zoon George was. Zij heeft nooit iets kwaads van hem geloofd, nooit. Als zij zonder dit geluk gestorven was en zij is nu eene oude vrouw en kan niet denken hing meer te leven - /,0:1 zij hem, als zij by hare zinnen was geweest, met haar laatsten adem gezegend hebben als haar beminden zoon George.

„Moeder, ik ben een ongehoorzaam kind en een verdriet voor u geweest, en ik heb mijn loon gekregen; maar in de laatste jaren heb ik er toch wel aan gedacht om mij te beteren. Toen ik van huis ging, moeder, kon het mij niet veel schelen — heel weinig, vrees ik -dat ik u verliet; ik ging heen en nam dienst, als een losbol, en hield mij alsof ik dacht, dat ik om niemand gaf, en niemand om mij gaf.quot;

Hij heeft zijne oogen afgedroogd, en zijn zakdoek weggestoken; maar er blijft toch een buitengemeen contrast tusschen zijne gewone manier van zich uit te drukken en don zach-ten toon, waarop hy nu spreekt, tusschen-beide met een half gesmoorden snik.

.Zoo schroef ik een briefje naar huis, moeder, gelijk gij maar al te wel weet, om te zeggen, dat ik onder een anderen naam had dienst genomen, en ging buitenslands. Daar dacht ik dan, dat ik het volgende jaar naar huis zou schrijven, als ik misschien vooruitgekomen was ; en toen dat jaar om was, dacht ik weder, dat ik het volgende jaar naar huis zou schrijven, als ik misschien vooruitgekomen was; en toen dat jaar weder om was, dacht ik er misschien niet veel meer aan. Zoo ging het van jaar tot jaar, door een dienst van tien jaren, tot ik ouder begon te worden en mij zeiven te vragen waarom ik ooit schrijven zou.quot; — „Ik wil u niets verwijten, kind — maar mijn gemoed niet eens gerust te stellen, George ? Geen woord aan uwe liefhebbende moeder, die toch ook ouder werd?quot;

Dit overweldigt George bijna opnieuw ; maar hy herstelt zich door ruw eti luidklinkend zijne keel te schrapen.

„De Hemel vergeve rnjj, moeder, maar ik dacht, dat er toen weinig troost in zou steken om iets van injj te hooren. Daar waart gij, algemeen geacht en geëerd. Daar was mijn broeder, die, geiyk ik nu en dan in eene courant las, een welwarend man was geworden en zich een naam maakte. Daar was ik, een dragonder, een zwerver, die niet, gelyk hij, zich zeiven voortgeholpen, maar zich zeiven bedorven had. Al mijne voorrechten van vroeger tyd had ik weggeworpen, het weinige, dat ik geleerd had, verleerd, en niets aangeleerd dan wat my voor de meeste dingen, waaraan ik kon denken, ongeschikt maakte. Wat had


-ocr page 389-

878

! is geweest. Maar ik hen er haar dankbaar voor. i Ik dank er u voor, juffrouw Bagnet, met al mijn hart en zooveel ik maar kan.quot;

Hierop antwoordt juffrouw Bagnet met twee ; stompen.

En nu drukt de oude juffrouw haar zoon ï George, wien zij ook haar dierbaar weder-| gevonden kind, bare vreugd en haar trots, het licht barer oogen en het geluk barer laatste dagen noemt, en alle teedere namen geeft, die zij maar kan bedenken, op het hart, dat hij zich door den besten raad moet laten besturen, die voor geld en invloed te bekomen is; dat bij zijne zaak moet overgeven aan de grootste advocaten, die er te krijgen zijn ; dat by in dezen ernstigen drang moet doen gelijk by ge-I raden wordt, en niet eigenzinnig moet wezen, al mocht hij ook gclyk hebben, maar beloven\' moet om, totdat hij vrijgesproken is, alleen aan den angst en hot leed van zijne arme oude moe-i der te denken, of dat hij baar het hart zal breken.

„Moeder, bet is weinig genoeg om u toe te geven,quot; antwoordt George, haar met een kus den mond sluitende; „zeg nnj maar wat ik doen moet, en ik zal zoo laat nog beginnen met ge hoorzaam te zijn, en het doen. Julfrouw Bagnet, gij zult wel voor mijne moeder zorgen, dat weet ik.quot;

Men zeer harde stomp met de paraplu. „Als gij haar met mijnbeer Jarnd vee en juffrouw Slimmer son in kennis brengt, zal zjj vinden, dat die eveneens denken als zij, en zullen zy baar den besten raad en bijstand geven.quot; — „En, George,quot; zegt de oude vrouw, „wij moeten niet allen spoed uw broeder laten komen. Hij is oen knap verstandig man, zegt men - daar ver in de wereld, buiten Kastanje-Hof, lieve jongen, schoon ik er zelf niet veel ^ an weet en zal van veel dienst kunnen zijn quot; „Moeder,quot; zegt George, „is bet nog te vroeg om n eene gunst te vragen ?quot; „Zekerlijk niet, lieve jongen.quot; „Bewijs mij dan j deze ccne groote gunst. Laat mijn broeder er | niet van weten.quot; „Waarvan niet weten, i lieve jongen ?quot;—„Niet van my weten. Waar-| lijk, moeder, ik kan dat niet dragen ; ik kan I j or niet overheen komen. Hij is zulk een geheel i ander mensch dan ik, heeft zooveel gedaan \\ om zich in de wereld te verheffen terwyl ik onder dienst was, dat ik niet onbeschaamd genoeg ben om hem bier en in zulke omstandigheden te durven aanzien. Hoe kan men | ook denken, dat een man als by eenig genoegen in zulk eene ontdekking zou hebben y Dat is onmogelijk. Neen, moeder, houd mijn geheim voor hem verborgen; bewijs mü nicer goedheid dan ik verdien en houd voor mijn j broeder mijn geheim verborgen.quot; - . Maar toch niet altijd, lieve George?quot; „Wel. moeder, misschien niet voor alüjd hoewel ik u mo-

i k niy bekend te maken \'i Wat kon er iiof,r Roecis van komen, nadat ik al dien tijd had laten voorbijgaan? Het ergste voor u was toch j over, moeder. Ik begreep toen wel (daar ik ; toen een man was geworden) hoe gij om mij getreurd hadt, en om mij geschreid hadt, en voor mij geboden hadt; maar het leed was nu voorbij, of toch verzacht, en het was naar müne gedachten beter gelijk het was.quot;

De oude vrouw schudt treurig haar hoofd; I ci! ?.ene. fijner forsche handen nemende, legt zij die liefkoo/.ond op haar schouder.

„Neen, ik zeg niet, dat het zoo was, moeder, maar dat ik het daarvoor hield. Ik zeide zoo even, wat goeds kon er nog van komen? Wel, lieve moeder, er had voor mij /elven nog iets góeds van kunnen komen — en juist daarom vond ik het zoo laaghartig. Gij zoudt mij opgezocht hebben ; gij zoudt mij van dienst afgekocht hebben; en gij zoudt mij naar Kastanje-llof hebben meegenomen; gij zoudt mij en mijn broeder en zjjn huisgezin bij elkander gebracht hebben; gij zoudt allen zorgvuldig overlegd hebben hoe gij iels voor mij kondt doen en mij tot een fatsoenlijk burgerman maken. Maar hoe kon iemand van u mij vertrouwen, daar ik mij zeiven niet vertrouvvén kon H Hoe kondt ge mij voor iets anders dan een overlast en eeue schande houden, een lossen deugniet die zich zeiven maar tot last en schande was, als hij niet onder subordinatie stond ? Hoe kon ik mijn broeders kinderen in het gezicht zien en hun een voorbeeld willen geven — ik, de vagebond, die van huis was weggeloopen, en hel verdriet en het ongeluk van mijn moeders leven was geweest? ,\\een, George,quot; zoo zeide \'k bij mij zeiven, moeder, toen ik dat zoo bedacht. „(iij hebt zelf uw bed gespreid. Slaap er nu ook op.quot; quot;

Jnllrouw Uouncewell richt bare statige gestalte met trotschheid op, en schudt haar hoofd tegen jullrouw Bagnet, alsof zij wilde zeggen: .. I)at heb ik wel gezegd Iquot; De soldatenvrouw geelt haar gevoel lucht en legt hare belangstelling in het gesprek aan den dag, door George met hare paraplu een harden stomp tusschcii de schouders ti^ geven. Dit bedrijf herhaalt zij naderhand bjj tiisschenpoozen, in een soort van vriendschappelijken waanzin, en na ieder van deze vermaningen neemt zij onfeilbaar weder de toevlucht tot den gewitten muur mi den grijzen mantel.

«Dit was de manier, waarop ik mij zeiven gewende te denken, moeder, dat de beste boete, die ik doen kon, was op het bed te blijven liggen, dat ik gespreid had, en er op te sterven. fm dat zou ik ook gedaan hebben (boe-wel ik meer dan eens naar Kastanje-Hof ben geweest om u ie zien, toen gjj weinig aan my { dacht) zonder de vrouw van mijn ouden kanic- I raad bier, die ik ondervind, dat injj te knap \'

-ocr page 390-

HET VERLATEN HUIS.

der Dedlock\'s springt zij er vroolijk uit, helpt ! juffrouw Rouneewell de stoep op, drukt haar | de hand en stapt heen. Kort daarop is zij weder in den schoot van haar gezin, en gaat groenten wasschen, alsof er niets gebeurd was.

Mylady is in de kamer, waar zij haar laatst gesprek met den vermoorde heeft gehouden, gt; en zit op de plaats, waar zjj dien avond zat, en tuurt naar de plek voor den schoorsteen, ; waar hij heeft gestaan, toen er aan de deur wordt geklopt. Wie is daar? .luffrouw Rouneewell. Wat heeft juffrouw Rouneewell zoo onverwacht naar de stad doen komen ?

„Narigheid, mylady. (iroote narigheid. Och, mvlady, mag ik een woordje met u verzoeken ?quot;

Welk nieuw ongeval is het, dat die bedaarde oude vrouw zoo doet beven ? /y. die veel gelukkiger is dan hare lady, gelijk hare lady dikwijls\'gedacht heeft, waiarom stamelt zij nu zoo, en ziet zij haar met zulk een vreemd wan-i trouwen aan ?

„Wat scheelt er aan? Ga zitten en bedaar wat.quot;- „O mylady, mylady. Ik heb mijn zoon ge-I vonden, mijnquot; jongsten, die zoolang geleden voor I soldaat is heengegaan. En is nu in gevange-| nis.quot; — „Om scnulden ?quot; — ,0 neen, mylady. Ik zou alle schulden betaald hebben, en met blijdschap.quot;-. Waarom is hij dan in gevangenis ?quot; .Ujj wordt van een moord beschuldigd, mylady, waaraan hij zoo onschuldig is als — als ik ben. Den moord van mijnheer Tulkinghorn.quot;

Wat meent zij met dien blik en die smee-kendc houding? Waarom komt zij zoo dichtbij ? Wat is die brief, dien zjj in de hand heeft?

„Lady Dedlock, mjjnelieve lady, mijne goede ladv, mijne vriendelijke lady ! Gij moet een hart hebben om mij te beklagen, gij moet een hart hebben om mjj te vergeven. Ik ben in de familie geweest eer gij geboren waar\'. De familie gaat mij boven alles. Maar bedenk eens, dat mijn dierbare zoon onrechtvaardig beschuldigd wordt.quot; — „Ik beschuldig hem niet.quot; - „Neen, mylady, neen. Maar anderen doen dat, en hij is iu de gevangenis en in gevaar. O, Lady Dedlock, als gij maar een woord kunt spreken om hem te nelpen zuiveren, spreek het dan!quot;

Welke dwaze inbeelding kan dit wezen ? Welk vermogen denkt zij, dat de persoon, die zij zoo aanroept, bezit om die onrechtvaardige verdenking op te heffen als zij onrechtvaardig is? De schooneoogen van mylady zien haar met verbazing, bijna angstig aan.

„Mylady, ik ben gisteravond van Kastanje-Hof vertrokken om op mijn ouden dag mijn zoon terug te vinden, en de voetstap op de Geesten wandeling was zoo akelig als ik hom in al die juren nooit gehoord heb. Nacht op nacht, na den donker, klonk dat geluid door uwe kamers, maar nooit zoo akelig als gisteravond. I\'in toen het gisteravond donker werd, mylady. kreeg ik dezen brief.quot; „Wat is dat

geljjk dat ook nog zal vragen — maar houd ih\'.I nu voor betn verborgen. Als het hem ooit ontdekt moet worden, dat die vagebond van een broeder weer voor den dag is gekomen, zon ik haast wensrhen,quot; zegt tieorge. zeer twijfelachtig zijn hoofd schuddende, „net hem zelf te ontdekken, en mij dan te richten, wat avanceeren of retireeren betreft, naar de manier, waarop hij het schijnt op te nemen.quot;

Daar het blijkt, dat hij in dit opzicht een diep geworteld gevoel heeft, en dit ook duidelijk op julfrouw Bagnet\'s gezicht is te le/en, beloolt de moeder, dat zij doen zal gelijk hij verlangt ; en hjj betuigt haar \'daarvoor zijn hartelijken dank.

„In alle andere opzichten, lieve moeder, zal ik zoo handelbaar on gehoorzaam zijn als gij maar kunt wenst hen; op dit punt alleen moet illt; blijven staan. Ik heb hier,quot; daarbij ziet hij naar de papieren op tafel, „een nauwkeurig verslag geschreven van alles wat ik van den overledene wist, en hoe ik in die ongelukkige zaak gewikkeld kwam te worden Het is zoo duideljjk en geregeld geschreven als een orderboek ; \'en er staat geen woord, dat niet noodig is. Dat had ik ruiterlijk willen voorlezen, als ik geroepen werd om iets tot mijne verdediging te zeggen. Ik hoop, dat men mij dat nog zal laten doen; maar ik heb in die zaak geen eigen wil meer, en wat er ook gezegd ot gedaan mag worden, ik geet mijn woord, dat ik geen eigen wil meer zal hebben.quot;

Daar deze zaak aldus tot aller genoegen is geschikt en de tijd bijna om is, doet juffrouw liagnet het voorstel om te vertrekken. Nogmaals en nogmaals valt de oude vrouw haar zoon om den hals, en nogmaals en nogmaals houdt George haar aan zijne breede borst gesloten.

.Waar zult ge mijne moeder heen brengen, juffrouw liagnet ?quot; \' „Ik ga naar het huis van de familie in de stad, lieve jongen. Ik heb daar iets te doen, dat geen uitstel kan velen,quot; antwoordt juffrouw Uouncewell. — „Zult gij mijne moeder veilig daarheen brengen, met eene koets, juffrouw liagnet? Maar natuurlijk weet ik wel, dat gij dat zult. Waarom zou ik bet nog vragen?quot; „Wel ja, waarom ?quot; zegt juffrouw liagnet door middel van hare paraplu.

,lireng haar dan, oude vriendin, en neem mijne dankbaarheid mede.\'leet Quebe* en Malta een kus voor mij. en zeg mijn petekind goedendag, en druk Lignnm eens hartelijk de hand voor mij — en dit voor u, en ik wenschte, dat het tienduizend pond in goud was, goede vrouw !quot; Met deze w oorden drukt de cavalerist zijne lippen op hot getaande voorhoofd der soldatenvrouw, en weiilra wordt de deur weder gesloten en biyft iijj in zijne cel alleen.

(«een sineeken van de goede oude huishoudster kan juffrouw Bagnet bewegen om in de koets te blijven zitten en er zicii mede naar huis te laten brengen. Voor de adellijke woning

-ocr page 391-

BEDE EENER OUDE DIENARES.

375

voor een brief\'?quot; „St! St!quot; De huishoudster kijkt rond en antwoordt angstig fluisterend, „Mylady, ik heb er niemand een woord van gezegd, ik geloof niet wat er in staat, ik weet, dut het niet waar kan zijn, ik ben vast en zeker overtuigd, dat het niet waar is. Maar mijn zoon is in gevaar, en gij moet een hart hebben om medelijden met injj te gevoelen. Als gij iets weet, dat anderen onbekend is, als gij eenig vermoeden hebt, als gij eenig spoor weet, en eene reden hebt om dat voor u zelve te houden, o mijne lieve lady, denk dan aan mij, en overwin\' die reden, en laat liet bekend worden! Dit is het meeste, dat ik voor mogelijk houd. Ik weet wel, dat gjj niet hard van hart zijt; maar gij gaat altijd uw eigen weg, zonder iemands hulp; en allen, die ii als eene schoone en elegante dame bewonderen — en dat doet iedereen weten wel, dat gij iemand zijl, die ver van lien verwijderd is en die men niet dicht kan naderen. Mylady, gij kunt uit fierheid of ongenoegen redenen hebben om u niet te willen verwaardigen om iets te zeggen, dat gij weet; als dat zoo is, o dan bid ik n, denk aan eene getrouwe dinares, die geheel haar leven in deze familie heeft gesleten, die zij zoo liefheeft, en laat u verzachten, en help om mijn zoon te zuiveren! Mijne lady, mijne goede lady,quot; smeekt de oude huishondster met alle eenvoudigheid, „ik ben op mijne plaats zoo nederig, en gij zijt zoo hoog en ver boven mij, dat gij 11 misschien niet verbeeldt wat ik voor mijn kind gevoel; maar ik gevoel zooveel, dat ik hier gekomen ben en de stoutheid heb van u te bidden om ons niet te gering te achten, als gij ons in dezen akeligen tyd recht kunt doen!quot;

Lady Dedlock heft haar op zonder een woord te spreken, totdat zij haar den brief\' uit de hand heeft genomen.

„Moet ik dit lezen?quot; „A Is ik heengegaan ben, mylady, als het u belieft, en daar by onthoudende wat het meeste is, dat ik mogelijk acht.quot; - „Ik weet van niets, dat ik doen kan. Ik weet van niets, dat ik verzwijg, waarin uw zoon kan betrokken zyn. Ik heb hem nooit beschuldigd.quot; — ,Myladv, als i/ij dien brief gelezen hebt, zult gij misschien des te meer medelijden met hem hebben, omdat hij zoo valsch beschuldigd wordt.quot;

De oude huishoudster laat haar zitten met den brief in de hand. In waarheid, zij heeft geen hard hart, en er is een tijd geweest toen het gezicht dier eerwaardige gedaante, zoo ernstig tot haar smeekende, haar tot het diepste medelijden zou hebben bewogen Maar zoolang gewoon om hare aandoeningen te smoren en te ontveinzen ; zoolang, voor haar eigen belang, in die verderfelijke school geoefend, welke de natuurlijke gevoelens van het hart opsluit, gelijk vliegen in barnsteen, en het goede en kwade, het gevoelige en gevoel-| looze, het teedere en hot hatelijke met hetzelfde [ eenvormige, koude vernis bedekt, heeft v.y tot op dit oogenblik zelfs hare verwondering onderdrukt.

Zn opent den brief. Zij vindt een gedrukt verslag van het vinden van het lijk, gelijk het door het hart geschoten, voorover op den grond lag ; en daaronder staat haar eigen naam, gevolgd door het woord moordenaarster.

Het papier valt haar uit de hand. Hoelang het op den grond blijft liggen weet zij niet; maar het ligt nog waar het gevallen is, toen er een knecht voor haar staat en het jonge niensch, dat Guppy heet, aandient. Waarschijnlijk zgn deze woorden verscheidene malen her haald; want zij galmen baar door het hoofd, eer zij ze begint te verstaan.

„ Laat hem binnen.quot;

Hij komt binnen. Den brief, dien zij van den grond heeft opgeraapt, in do hand houdende, poogt zij hare gedachten te verzamelen. In de oogen van Guppy is zij dezelfde Lady Dedlock. met dezelfde bestudeerde, trotsche en koude statigheid.

„Uwe ladyschap zal misschien in liet eerst niet zeer genegen zijn om dit bezoek te verontschuldigen van iemand, die uwe ladyschap nooit zeer welkom is geweest — waarover hy zich niet beklagen kan, want hij moet bekennen, dat er oppervlakkig nooit veel reden heeft bestaan, waarom hij welkom zou wezen ; maar ik hoop, als ik mijne redenen zeg, dat uwe ladyschap dan niet ontevreden op my zal zijn,quot; zegt Guppy. „Spreek dan.quot; „Ik dank uwe ladyschap. Ik moet uwe ladyschap eerst verklaren,quot; (Guppy zit op den rand van zijn stoel en legt zyn hoed voor zijne voeten op het tapyt) „dat juiïrouw Summerson, wier beeld, geljjk ik uwe ladyschap vroeger heb onderricht, in mijn hart was geprent, tot het door omstandigheden buiten myne macht werd uitgewischt, mij mededeelde, nadat ik het genoegen had uwe ladyschap laatst te spreken, dat zij bijzonder verlangde, dat ik in alles wat haar aanging geen stap verder meer zou doen. En daar de wenschen van juffrouw Summerson eene wet voor my zyn (behalve wat die omstandigheden aangaat, die buiten mijne macht zijn), had ik dientengevolge nooit verwacht wederom de uit- . stekende eer te hebben van bij uwe ladyschap mijne opwachting te maken.quot;

En toch is hij daar nu, gelijk Lady Dedlock hem onvergenoegd herinnert.

„ Hntoch ben ik nu hier,quot; zegt Guppy toestrm-inend. „En mijn oogmerk is, uwe ladyschap onder het zegel des vertrouwens mede te deeien waarom ik hier ben.quot;

II ij kan dit niet te duidelijk of te kort doen, zegt z.y hem,

,Kn ik kan ook,quot; antwoordt Gnppy, met gevoel van het onrecht, dat hem wordt aan gedaan, „uwe ladyschap niet te dringend ver-


-ocr page 392-

HET VERLATEN HUIS.

öT\'i

zoeken, om wel op te merken, dat het geene mij persoonlijk betreffende zaak is, die mij hier brengt, ik \'heb geen eigenbelang op het oog met hier te komen. Als het niet om mijne beloite aan jut Vrouw Summerson was en dat ik die : veilig wil houden, zou ik, om de waarheid te zeggen, nooit weder een voet hier in huis gezet hebben.quot;

Guppy acht dit een gunstig oogenblik om mot beide handen zijn haar op te strijken.

„Als ik het zeg zal uwe Ladyschap zich wel : herinneren, dat ik, toen ik de laatste maal hier was, tegen een persoon aanliep, die toen in ons vak op een zeer hoogen rang stond, en wiens verlies wij thans allen betreuren. Die persoon begon van toen at eene manier van doen met mij aan te nemen, waaraan ik wel den naam van scherpe practijk raag geven, en die liet mij telkens buitengemeen moeieiyk maakte om er zeker van te zijn, dat ik niet, zonder het te weten ot\' te bedoelen, tot iets aanleiding had gegeven, dat juffrouw Summerson onaangenaam kon zijn. Kigen lol\' is geene aanbeveling, maar ik mag toch wel van my zeiven zeggen, dat ik ook zoo dom niet ben als het op het behandelen van zaken aankomt.quot;

I.ady Dedlock ziet hem strak en vragend aan. Guppy wendt dadelijk zjjne oogen van haar gelaat at\' en kijkt ergens anders heen.

„Inderdaad,quot; vervólgt hij, „het was zoo moeieiyk te begrjjpen wat die persoon, in combinatie met anderen, eigenlijk iu den zin had, dat ik, tot aan het verhes, dat wij allen betreuren, er dikw ijls geheel van beduiveld was — eene uitdrukking, welke uwe ladyschap, die zich in hoogere kringen beweegt wel zoo goed zal zijn voor gelijkstaande te houden met: voor den kop geslagen. Small — een naam, waarmede ik een ander persoon bedoel, een vriend van mij, met wier: uwe ladyschap niet bekend is — werd insgelijks zoo gesloten en dubbelzinnig, dat het mij somtijds niet gemakkelijk was mijne handen van zijn gezicht te houden. Lven-wel, met inspanning van mijne nederige bekwaamheden, en met hulp van een wederz.ydsch vriend, die mijnheer Tony Weevle heet, en die een zeer aristocratischen smaak heelt en uw ladyschaps portret altyd op zijne kamer heeft hangen, heb ik nu redenen gekregen voor eene vrees, die mij hier doet komen om uwe ladyschap te waarschuwen. Vooreerst, u il uwe ladyschap mjj vergunnen te vragen of gij van morgen ook een vreemd bezoek hebt gehad ? Ik meen geen bezoek van voorname herren en dames, maar van zulke mensehen, by voorbeeld, als di\' oude meid van juffrouw liarbary, of van eeii man, die zijne beenen niet kan gebruiken, en als een \' luy naar boven wordt gedragen ?quot; „Neen.quot; .Dan verzeker ik uwe ladyschap, dat hier zulk een bezoek gekomen en ontvangen is. Orndat ik die lieden voor de deur heb gezien, en om den hoek van het plein heb staan wachten tot zij heengingen, en naderhand een half uurtje heb omgewandeld om hen te vermijden.quot; — .Wat het) ik daarmede te maken, ot gjj zelf?quot; - „Uwe ladyschap, ik kom u waarschuwen om op uwe hoede te zijn. Kr kan misschien geene reden voorwezen. Heel goed. Dan heb ik maar mijn best gedaan om mijne belofte aan juffrouw Summerson te houden. Ik heb een sterk vermoeden (uit wat Small zich heeft laten ontvallen en wat wij hem hebben uitgepompt) dat die brieven, die ik uwe ladyschap zou gebracht hebben, niet vernietigd waren, gelijk ik gedacht heb — dat, als er iets was, dat kon uitkomen, het uitgekomen is — dat die lieden, van «ie ik sprak, van morgen hier gekomen zijn om er geld voor te krijgen, en dat zij het gekregen hébben of zullen krijgen.quot;

Gupp\\ raapt zyn hoed op en staat op.

„Uwe ladyschap, gij zult zelve best weten of hetgeen ik gezegd heb iets te beduiden heeft of niet. Het mag iets of niets wezen, ik heb juffrouw Suramerson\'s verlangen vervuld door mij van alles af te houden en door, zoover liet mogelijk was, ongedaan te maken wat ik begonnen was te doen. Dat is mij genoeg. In geval ik de vrijheid mocht genomen hebben van uwe ladyschap te wiiarschuwen, zonder dat het noodig was, zult gij, hoop ik, uw best doen om mijne vrijpostigheid te overleven, en ik zal mijn best doen om uw ongenoegen te overleven. Hiermede groet ik uwe ladyschap, en verzeker u, dat er geen gevaar bestaat, dat ik ooit weder mijne opwachting bij u zal maken.quot;

/y beantwoordt de afscheidswoorden nauwelijks met een blik ; maar nadat hij eene poos vertrokken is, schelt zij.

„Waar is Sir Leicester!\'quot;

Mercurius antwoordt, dat hy op het oogenblik alleen in de bibliotheek is.

„Heeft Sir Leicester van morgen ook bezoek gehad ?quot;

Ja, van mensehen, die hem over zaken kwamen spreken. Mercurius geeft eene beschrijving van hen, waarin hij door Guppy is voorgekomen. Genoeg, hij kan gaan.

Dus is alles uitgekomen 1 Haar naam is op al die tongen, haar echtgenoot kent zijne grieven, hare schande zal openbaar gemaakt worden, wordt misschien reeds verspreid, terwijl z.y erover denkt en bij dien donderslag, door baar zoolang, door hem zoo weinig voorzien, komt nog dit, dat /.y door een onzkht-baar heschuldiger als de nioonlenares van haar vijand wordt aangeklaagd.

Haar vijand was hij, en dikwijls, dikwijls heeft zij hem dood gewenscht. Haar vijand is hij, zelfs nog in zijn graf. Die schrikkelijke beschuldiging treft haar als eene nieuwe marteling van zjjne levenlooz.e hand. en wanneer zij zich voor den geest brengt hoe zy op dien


-ocr page 393-

377

avond voor zijne deur is geweest, en hoe men zeggen kan, dat zij iiare geliefkoosde kamenier zoo kort te voren heeft weggezonden, alleen om zich van eene lastige getuige te ontslaan, huivert zij alsof zij de handen van den beul reeds aan haar hals voelde.

/ij heeft zich op den grond geworpen, en ligt daar met woest in het rond zwierende haren en het gezicht in de kussens eener sofa verborgen. Zjj staat op, loopt heen en weder, werpt zich weder neer, en wringt zich al kermende. Het afgrijzen, dat haar bevangen heeft, ziet zij nu, dat zij, toen hij op de wacht voor haar placht te zy», en zij placht te denken : , Als dien ouden man maar iets doodeljjks mocht treilen en hem uit den weg ruimen!quot;eigenlijk niets anders wenschte dan dat alles, wat hij tegen haar in handen had, in den wind gestrooid en door het toeval overal verspreid mocht worden. Zoo was het ook met dat goddelooze gevoel van verademing, dat zij by zijn dood had ontwaard. Wat was zjjn sterven anders dan dat (hi slotsteen van een donker gewelf werd weggenomen; en nu beinnt dat gewelf in dui-


is onuitsprekelijk. Indien zjj werkelijk de moordenares was, zou haar angst op het oogenblik bjjna niet grooter kunnen zjjn.

Want gelijk dan het verschiet voor hare moordzuchtige oogen, vmir het plegen der ihiad, welke fijn berekende voorzorgen zij ook mocht nemen, door een reusachtig gezwollen beeld der hatelijke gedaalde zou zijn afgesloten, dat haar verhinderde eenige verdere, gevolgen te ontwaren; en gelijk die gevolgen haar als een stortvloed overvallen zonden hebben, zoodra die gedaante was neergestort hetgeen altjjd gebeurt als er een moord wordt gepleegd ; zoo

zendc stukken neer te storten, i verpletteren!

Zoo besluipt en overschaduwt haar de schrikkelijke gedachte, dat zij voor dezen vervolger, levend ol dood —- gevoelloos en onverzettelijk voor haar staande in zijne welbekende gedaante, en niet gevoelloozer en onverzettelyker in zijne doodkist geene schuilplaats kan vinden dan in don dood. Zoo gejaagd, moet zij vluchten. Die opeenstapeling van schande, vrees, wroeging en zieleleed overstelpt haar; en hare geestkracht en zelfvertrouwen bezwyken en worden weggewaaid geiyk dorre bladeren door een stormwind.

aar moeien


-ocr page 394-

MKT VERLATEN HUIS.

;i7.s

/\\j schrijft haastig dezo rogels aan haar echtgenoot, verzegelt het blad en laat het op de tafel liggen:

,Indien ik gezocht word of van moord word beschuldigd, geloof dan, dat ik geheel onschuldig ben. ( icloof anders niet veel goeds van mij; want ik ben aan niets anders onschuldig, dat ge mij te last hebt hooren leggen, of nog hooren zult. Hij bereidde er mij op dien noodlottigen avond op voor, dat hij u mijne schuld zou ontdekken. Nadat hij m\\j verlaten had ging ik uit, onder voorwendsel van in den tuin te willen gaan wandelen, waar ik somtijds wandelde, maar werkelijk om hem te volgen en item een laatst verzoek te doen, dat hij de schrikkelijke onzekerheid, waarmede hij mij, gij weet niet hoelang, gemarteld had, niet langer zou rokken, maar uit barmhartig beid den volgenden morgen den doodslag zou geven.

,ik vond zijn huis donker en stil. Ik schelde tweemaal aan\'zijne deur. maar kreeg geen antwoord en ging weder naar huis.

„Ik heb nu geen thuis meer. Ik zal u niet langer tot bezwaar zijn. .Vloogt gij, in uwe billijke gramschap, in staat zijn de onwaardige vrouw te vergeten, aan welke gij zulk eene edelmoedige genegenheid en trouw hebt verkwist — die u ontwijkt met nog dieper gt;chaamte dan waarmede zij zich zelve zou willen ontvluchten - en die ii dit laatste vaarwel schrijft.quot;

/ij kleedt zich haastig, slaat eene voile over het hoofd, laat al hare jnweelen en haar geld liggen, luistert, gaat naar beneden op een oogenblik wanneer het voorhuis ledig is, opent en -duit de zware deur, en snelt heen in den (js-kouden wind, die hare kleederen doet lladdereu.

LV1.

\\ Kli VOMilN\'i.

Onbeweeglijk, gelyk het in de groote wereld past, staart bet huis der Dedlock\'s de andere buizen in die straat van sombere statigheid aan, en geeft geen uitwendig blijk, dat daarbinnen iet s voorvalt, dat niet naar behooren is. Koetsen ratelen, deuren worden gebeukt, de groote wereld wisselt visites; verouderde schoonen met beenderige halzen enper/.ikacbtige wangen, die bij het daglicht ge/ien een meer ake-ligen dan fraaien blos hebben,verblindentleoogen der mannen. I\'it de holle koetshuizen komen zacht wiegende rijtuigen te voorschijn, bestuurd d por kortbeenige koetsiers met vlaspruiken, diep in het donzige kleed over den bok weggezonken; en achterop springen welgemeste M tcu-rius\'en, met staatsierokken en steekhoeden: een schouwspel voor engelen.

Het huis verandert voor het uitwendige niet en uren verloopen voordat de dolle adellijke stilte daar binnen wordt gestoord. Maar daalde schoone Volumnia aan de heerschende kwaal van verveling onderhevig is en eene lastige vlaag daarvan bespeurt, waagt zjj het eindelijk zich naar de bibliotheek te begeven, om daar eenige afwisseling te zoeken. Daar haar zacht kloppen aan de deur niet beantwoord wordt, opent zij die en kijkt binnen; niemand ziende, neemt zij de plaats in bezit.

De geestige Miss Dedlock draagt in die met gras begroeide stad der ouden, 15 a tb, den naam van door eene lastige nieuwsgierigheid geprikkeld te worden, die haar op alle gelegene en ongelegene tyden drijft om met haar gouden lorgnet voor het oog overal langs te glijden en naar allerlei dingen te turen. Zeker is het, dat zij van deze tegenwoordige gelegenheid gebruik maakt om als een vogeltje over de brieven en papieren van haar voornamen bloedverwant te zweven; nu even aan een document te pikken, dan met haar hoofd op zijde een ander document door te kijken, en met rustelooze weetgierigheid van de eene tafel naar de andere te wippen. In den loop dezer nasporingen struikelt zij over iets ; en haar lorgnet in die richting keerende, ziet zij haar voornamen bloedverwant op den grond liggen, gelijk een gevelde boom.

Volumnia\'s geliefdkoosd gilletje krijgt bij deze verrassing een vry wat barder en natuurlijker klank, en spoedig is het geheele huis in opschudding. Dienstboden rennen trap op en trap af, schellen worden met heftigheid geluid, dokters worden opgehaald, en overal wordt naar Lady Dedlock gezocht, maar zonder haar te vinden. Niemand heeft iets van haar gehoord of gezien, sedert zy het laatst gescheld heeft. Haar brief aan Sir Leicester wordt op de tafel gevonden; maar het is twijfelachtig of hy niet nog eene, boodschap uit eene andere wereld heeft ontvangen, die persoonlijk beantwoord moest worden, en allo levende talen, en ook alle doode, zijn voor hem eenerlei.

Zij brengen hem te bed, wrijven en schuieren \' hem, leggen ijs op zyn hoofd en beproeven alle middelen om hem te doen by komen. De dag is echter verloopen en het is nacht in /•ijne kamer, eer de snorkende ademhaling wat zachter wordt, of zyne strakke oogen eenige | gevoeligheid toonen voor de kaars, welke nu en dan er voor wordt gehouden. Maar nu die verandering eens begonnen is, gaat zij verder; en weldra knikt hy, of beweegt hij zijne oogen, ot zelfs zijne hand, ten teeken, dat hij hoort en begrijpt

Hij viel dien morden neer als een deftig ge n-t, Ie in an: wat zwakkelijk, maar met een knap


-ocr page 395-

Sill LEICESTER DEDLOCK HEEFT EEN TOEVAL GEKREGEN.

379

voorkomen en een welgevuld gezicht. Hjj ligt nu op /)jn 1)0(1 als een afgeleehl oud man, met ingeval lone wangen, eone uitgeteerde si-liim van /ich zeiven. Zijne stom was rond en krachtig; hy was zoolang overtuigd geweest, dat ieder woord dat hij sprak, voor het menschdom van gewicht was, dat zijne woorden werkelijk klonken alsof zjj iots te beduiden hadden. Maar nu kan hij slechts lluisteren, en wat lig lluistert klinkt als wal het is als enkel brabbeltaal.

Zijne vertrouwde en getrouwe huishoudster staat hij zijn hed. Dit is het eerste, dat hy opnierkt, en blijkbaar doei het hem genoegen. Nadat hij vruchteloos gepoogd heeft zich met woorden te doen verstaan, maakt hij teekenen, dat hij wilschrjjvon; zoo onduidelijk, dat men hem in liet eerst niet hegrijpt; het is zjjne huishoudster, die er achter komt wat hij verlangt en hem eeno lei brengt.

Nadat hij zich eene poos heen bedacht, krabbelt hij langzaam met eene hand, die de zjjne niet is: „ Kastanje-HofVquot;

Neen, zegt zij hem, hij is in Londen. Mij is dien ochtend ziek in de bibliotheek opgenomen. Zij is er recht dankbaar voor, dat zij toevallig naar Londen is gekomen, en zoo in staat is om hein op te passen.

„Het is geene ziekte, die ernstige gevolgen zal hebben, Sir Leicester. Morgen zult gij al veel heter zijn. Sir Leicester. Al de heeren zeggen zoo.\' Dit zegt zij, terwijl de tranen over bare wangen rollen.

Nadat hij in de kamer heeft rondgekeken, vooral met bijzondere aandacht om zijn bed heen, waar de dokters staan, schrijft hij: ,.M\\-lady.quot;

„Mylady is uitgegaan, Sir Leicester, voordat. gij ziek werdt, en weet me niet van uwe ziekte.quot;

Hij wijst nog eens, met groole gemoedsbeweging, naar de gekrabbelde letters. Zij pogen albni hem gerust te stellen, maar bij wijst alweder met toenemende gemoedsbeweging. Ter-wijl zij elkander aankijken en niet weten wat te zeggen, neemt bij nogmaals de lei en schrijft : „Mylady. Om Gods wil, waar?quot; en laat eeii tegelijk smeekend en kermend geluid hooren.

De oude huishoudster acht het best hem Ladv I gt;edlock\'s brief te geven, waarvan niemand den inhoud weet ol kan vermoeden, /ij opent dien en houdt hem dien voor om te lezeii. Hij neemt hot geschrift aan, en nadat bij het met groote inspanning tweemaal gelezen heeft, logt liij hel, omgekeerd neer, opda., niemand bot zien zal, en blijft liggen kermen. Hij krijgt eene soort van herhaling van hel toeval, oi\'eene Hauwie ; en het duurt een uur eer bij weder de oogen opent, in den arm zijnor oude, getrouwe dienares, De dokters zien, dat hij best bij baai is, en wanneer zij niet werkelijk iels\'mot hem te doen hobLen, blijven zij op een afstand.

I )e lei is weder noodig; maar de woorden, dit? hij schrijven wil, kan hy zich niet bezinnen. Zyn angst, zijne drift en zyne droefheid in dozen nood zyn jammerlijk om aan te zien. Het is alsof hij waanzinnig zal moeten worden bij het gevoel der noodzakelijkheid om spoed te maken, terwyl hy buiten staat is om te kennen te geven wat men doen of wien men halen moet. Hjj heeft do letter 1! geschreven en is daarbij blijven steken. Mensklaps, op het toppunt van zyn angst, zet hij .Mr.quot;daarvoor. Do oude huishondster raadt: liuckot. (ioddank. i Dat is zjjne meening.

Mijnheer Bucket is, volgens vroegere afspraak, beneden. Moet hij boven komen ?

Het is niet mogelijk zich te vergissen iii Sir Leicester\'s brandend verlangen om hem te zien, ; of in de begeerte, die te kennen geeft, dat iedereen behalve de huishoudster de kamer zal verlaten. Dit geschiedt terstond, en lincket verschijnt. Sir Leicester schijnt zoo diep van zijne | hooge standplaats gevallen, dat hy onder alle i monschon op de wereld nog maar op dien man alleen zyn vertrouwen kan stellen.

„Sir Leicester Dodlock, baronet, het spijt inij, dat ik u zoo zie. Ik hoop, dat gy u goed zult | houden. Ik hond mjj verzekerd, flat gij dat doen j zult, voor den naam der familie.quot;

Sir Leicester geeft hem haar brief in de hand, | en ziet hem strak aan terwijl hij dien leest. I Nieuwe schranderheid straalt Bucket onder hef lezen uit de oogen; met eene kromming en hakende beweging van zijn vinger, terwijl de i oogen nog over de woorden looncn, geeft hij \' te verstaan: „Sir Leicester Dedlock, baronet, ik begrijp u.quot;

.Sir Leicester schrijft op do lei : „Volle ver-I giffenis. Zoek...quot; Bucket stuit zijne hand. „Sir Leicester Dedlock, baronet, ik zal haar wel vinden. Maar ik moet oogcnblikkclijk werk maken om haar te zoeken. Kr moet geene minuut- verzuimd worden.quot;

Met de snelheid der gedachte volgt hij Sir Leicester\'s blik naar een kistje op de tafel.

„Het hier brengen. Sir Leicester Dedlock, baronet y Zekerlijk. Het met oen van die sleuteltje^ opendoen? .la wel. Hel kleinste sleuteltje ? Wel zeker. De bankjes er uit nemen y Dat zal ik. Ze tellen ? I )at, is gauw gedaan. Twee en dertig van vijf-lig, en twintig van zeventig, en een en vijftig van twintig, en een en veertig van zestig. Ze meenemen voor onkosten ? Dat zal ik, en er natuurlijk rekening van doen. (ieen geld ontzien ■\' Neen, dat zal ik niet,quot;

De vlugheid en zekerheid, waarmede Bucket dit alles begrijpt, grenzen aan het wonderbare, •lultrouw Konncewoll, die de kaars houdt, wordt duizelig van de snelheid zijner oogen en han den. \\ oor zijne reis uitgerust, springt hij op „•\'ij zijl (ieorge\'s moeder, oude jullrouw : dat zijl gij immers, niet waar?quot; zegt Bucket


-ocr page 396-

HET VKKLA TEN HUIS.

;i8o

dio /.jjii hoed reeds opheeft, terwijl hü /yne j jas ilkhtknoopt.quot; - .Ja, mijnheer, ik ben zöne ; bedroefde moeder.quot; — „I\'at dacht ik wel, naar wat hij mij zoo even ge/.e^d heelt. Wel, dan zal ik ii iets /eg^en. \'iü i)ehoelt niet meer bedroefd te /ijn f\'w zoon is behouden. Be^iunu niet te sdireieii; want wat gij te doen hebt is op Sir Leicester Dedlock, baronet, te passen, en dat zult ge niet met schreien doen. W at uw zoon betreft, hjj is behouden, zeg ik u, en hij laat ii zijn gehoorzamen groet doen. Hij is eervol ontslagen, dat kan ik n zeggen, met even weinig schande voor zijn naam als er op dien van w is, en die is schoon en zuiver, daar wil ik wel een pond op verwedden. Ui) kunt mij vertrouwen, want ik ben de man, die uw zoen gearresteerd heeft. Hij heelt zich ook luj die gelegenheid ferm gedragen, en hij is een knap man, en gij zyt eene knappe oude jul-frouw, en gij, moeder en zoon, zijt een paar, dat men voor modellen in een spel kon laten kijken. Sir Leicester Dedlock, baronet, wat ge mij opgedragen hebt, zal ik doorzetten. Wees niet bang, dat ik links, of rechts van den weg zal gaan, of zal gaan slapen* of m\\j wasschen of scheren, eer ik gevonden heb wat ik ga zoeken. Van uwentwege alles zeggen wat maar lietde-rjjk én vergevend is? Dat zal ik, Sir Leices-ter Dedlock, baronet. En ik hoop, dat gij spoedig beter zult worden, en die familiezaken geschikt en toegedekt — zooals, o lieer, zoovele familiezaken gedaan zijn en nog gedaan zullen worden, zoolang de wereld staai.quot;

Met deze woorden gaat Bucket heen, zoo strak voor /.ieh ziende, alsof zijne oogen reeds door den nacht tuurden om naar de vluchtelinge te zoeken.

Eerst begeeft hy zich naar de kamers van Lady Dedlock, om alles na te zien wat hem eene geringe aanwijzing kan verschatten. De kamers /.jjn nu donker, en Bucket daar te zien met eene waskaars in de hand, die hij boven zyn hoofd houdt, terwijl hij bjj zich zeiven een inventaris maakt van de menigvuldige fraaie en lijne voorwerpen, die zulk een zonderling contrast met hem zeiven vormen, zou een schouwspel wezen — dat niemand ziet, daar hy de voorzorg beeft genomen van zich op te sluiten.

..Een aardig boudoir dat,quot; zegt Bucket, die zyn Franscb eenigszins opgclriselit gevoelt door den slag, welke hem dien morgen is gelukt. .Moet een schat van geld gekost hebben, /onderling van zulke dingen weg te loopen; zy moet erg in den drang geweest zyn quot;

ilij opent en sluit de talelladen, kykt in kastjes en juweelkistjes, ziet zyn eigen beeld in verscheidene spiegels en moraliseert daarover.

..Men zou denken, dat ik in de groot,e wereld leefde en my klaar maakte om naar een bal te gaan,quot; zegt hy. .Ik begin te denken, dat ik een snoeshaan van de Garde moet zijn, zonder bet te weten.quot;

8®ii: ami ;

ff

é IP ill ■ i

K |i ill*

■1 -1,

a®-\' ff\'

^w|.

ü 1

é.m il i: r

M\' Wf, h | amp; r •

m i=

. f? 5 , . ■ •

sliH! pli IPJI

ïi i

Steeds om zich heen kijkende, heeft hij een fraai bewerkt koffertje geopend, dat achter in eene lade staat. Terwijl zijne groote hand eemge handschoenen overhoop haalt, die hy nauwelijks kan voelen, zoo licht en zacht zijn zij tusschen zijne vingers, vindt hy een witten zakdoek, \'.Hm! Laat ik u eens kijken,quot; zegt Bucket, de kaars neerzettende. .Waarom zoudt gij zoo alleen bewaard wordenV Wat beduidt gij r1 Behoort gy aan mylady of aan iemand anders? (!ij zult toch wel hier of daar een merk hebben, zou ik donken?quot;

Terwijl hij nog spreekt, vindt hy het. .Esther Summerson.quot;

.Zoo!quot; zegt Bucket, eu blij It even staan, met zijn vinger bij zijn oor. „Kom, u zal ik medenemeii.quot;

Hij voltooit zijne waarnemingen even zorgvuldig en snel als hij ze begonnen heeft, laat alles juist zoo liggen als hij het heeft gevonden, sluipt, na verloop van omtrent vijl minuten m het geheel, weder heen, en stapt de straat op. Met een blik omhoog naar de flauw verlichte vensters van Sir Leicester\'s kamer, slaat hij in vollen draf den weg naar de naaste standplaats van huurkoetsen in, zoekt voor zijn geld een paard naar zijn zin uit, en geeft last hem naar de Schiet-galery te brengen. Bucket maakt geene aanspraak op den naam van een wetenschappelyk paardenkenner; maar liij besteedt toch eenig geld voor de liefhebberij van wedrennen, en somt doorgaans zijne kundigheden in dit vak op niet het gezegde, dat bij, als hij een paard ziet, dat foopen kan, het ook wel kent.

Zijne kunde laat hem thans niet in den steek. Terwijl hij met gevaarlijken spoed over desteenea ratelt, en toch met zijne scherpe oogen elke gedaante waarneemt, die langs de donkere straten sluipt, en ook op de lichten voor de bovenkamers let, waar menscben naar bed gaan of gegaan zyn, en op al de dwarsstraten, die hy voorbyrent, en eveneens op de betrokkene lucht en\'op den licht besneeuwden grond want overal kan zich iets opdoen om hem te helpen jaagt lijj met zulk eene drift voort, dat, als hy ophoudt, het paard hem zelf bijna in eene wolk van damp versmoort.

.Wacht hier een oogenblik. Ik kom dadelijk terug.quot;

Iiy loopt den langen houten gang door en vindt George eene pyp zitten rooken.

.Dat had ik wel gedacht, (leorge, na alles wat gij hebt uitgestaan, myn jongen. Ik heb geen oogenblik tijd om te praten. Nu, eerlijk van weerskanten! Alles om eene vrouw te redden. Jull\'rouw Summerson, die hier was toen (iridlej stierf zoo heet zy, dat weetik er ; is geen kwaad by — waar woont zy?quot;


-ocr page 397-

MIJNHEER HÜCKE\'r VERVOLGT ZIJNE NAVORSCIIINÖEN.

381

George is juist daar vandaan gekomen, en geelt liein het adres, dicht bij O x l\'o r d-Street.

„Ge zult er geen berouw van hebben, George. lt; ioedennaeht.quot;

Hij rijdt \\v«\'der lieen, met eene herinnering, dat liij l\'hil bij het helder brandend vuur heeft zien zitten en hem met open mond aanstaren, en galoppeert weder voort, en stapt weder in eene dampwolk af.

Mijnheer Jarndyce, de eenige, die in huis nog wakker is, wil juist naar bed gaan. Hij staat van zijn boek op, toen h[j driftig hoort schellen, en komt in zijne kamerjapon naar de deur.

„Schrik maar niet, mijnheer.quot; In eenoogen blik staat de vreemdeling vertrouwelijk bij hem in het voorhuis, heeft de deur gesloten en quot;houdt zijne hand aan het slot. „Ik heb wel meer het genoegen gehad van u te zien. Inspecteur Hucket. /ie dien zakdoek, mijnheer. Van juffrouw Esther Sutmnerson. Zelf gevonden, in eene lade van Lady Dedlock geborgen, geen kwartier geleden, geen oogenblik te verliezen. Zaak van leven en dood. Gjj kent Lady Dedlock r1quot; „La.quot; ^ „Mr is vandaag eene ontdekking geweest. Familiezaken zijn uitgekomen. Sir Leicester Dedlock, baronet, beeft een toeval gehad — eene beroerte of zoo iets ■ kon niet bijgeholpen worden, en zoo is er een kostbare tijd verzuimd. Lady Dedlock is in den namiddag verdwenen, en heeft een brief voor hem achtergelaten, die er slecht uitziet. Loop hem eens door. Mieris bij.quot;

Na den brief gelezen te hebben, vraagt mijnheer .larndyce wat hy denkt.

„Ik weet het niet. Het lijkt wel naar zelfmoord. In allen gevalle wordt met elke mi-nunt het gevaar grooter, dal het daartoe zal komen. Ik zou honderd pond voor ieder uur willen geven, dat het nog vroeger was. Nu, mijnheer .larndyce, word ik door Sir Leices-ter Dedlock, baronet, gebruikt om haar te volgen en op te zoeken - om haar te redden en haar zijne vergiffenis te brengen. Ik heb geld en volmacht. Maar ik heb nog iets anders uoodig. Ik heb juffrouw Esther Summerson noodig.quot; „Juffrouw Esther Summerson ?quot; herhaalt mijnheer Jarndyce met eene bevende stem. - „Nu, mijnheer Jarndyce,quot; (Bucket hoeft steeds met de grootste aandacht zijn gezicht bestudeerd) j „spreek ik tegen u als tegen een man, die een menschelijk hart heeft, en Onder zulke dringende omstandigheden als met dikwijls voorkomen. \\ Als ooit uitstel gevaarlijk was, is het dat nu; en als gij ooit niet in staat zoudt zijn om het ii zei ven te vergeven, dat gij er de oorzaak van waart, is het dezen keer. Acht of tien uren, honderd pond het stuk waardig, zooals ik u zeg, zijn reeds verzuimd sedert Lady Dedlock verdwenen is. Ik ben belast om haar op te zoeken. Ik ben inspecteur liucket. 1 lehalve alles j wat baar reeds bezwaart, wordt zy nog, naar

I zij gelooft, van moord verdacht. Als ik haar alleen volg, kan zij, onkundig van wat Sir Leicester Dedlock, baronet, mij heeft medegedeeld, tot wanhoop worden gedreven. Maar als ik haar volg in gezelschap van eene jongejuffrouw, die met de beschrijving van eene jongejuffrouw overeenkomt, voor wie zij een zwak heeft — ik vraag niets en ik zeg niet meer dan dat — zal zij wel gelooven, dat ik als vriend kom. Laat ik haar maar bereiken en in staat zijn om haar die jongejufl\'rouw te laten zien, en ik zal haar redden, als zij nog leeft, en haar tot alles bewegen. Laat ik haar alleen bereiken — dat al veel moeiehjker is en ik zal mijn best doen; maar ik kan voor niets instaan. Do tijd vliegt; het is haast cén uur. Als het één slaat is er alweer een om, en dat is nu duizend pond waard plaats van honderd.quot;

Dit is alles waar, en het dringende van geval kan niet betwijfeld worden Mijnheer Jarndyce verzoekt hem om daar te wachten, terwijl bij julVrouw Summerson gaat spreken. Bucket zegt, dat hij dit zal doen; maar zijn gewonen regel volgende, doet hij dit niet; hij gaat integendeel achteraan naar boven en houdt zijn inan in het oog. Daar blijft hij op de donkere trap staan luisteren en loeren, terwijl de twee met elkander spreken, lünnen zeer korten lijd komt mijnheer Jarndyce weder naar beneden en zegt, dat juffrouw Summerson terstond gereed zal zijn om zich onder zijne bescherming te plaatsen en hem te vergezellen waar het hem belieft. Hucket, zeer voldaan, geeft zijne goedkeuring te kennen, en verwacht hare\' komst bij de deur.

Daar staande beklimt hij met zijne verbeelding een hoogen toren, en ziet wjjd en zijd uit. Menige eenzame gedaante ziet hij langs de straten sluipen, menige eenzame gedaante buiten op eene heide, aan een weg of onder eene hooischelf liggen. Maar de gedaante, die bij zoekt, is niet daaronder. Andere eenzamen ziet hij over de leuning eener brug turen, en op beschaduwde plekken op den oever der rivier blijven dralen; en een donker, vormeloos voorwerp, dat met bet getij afdrijft, eenzamer dan allen, klemt zich met den greep van een drenkeling aan zijne aandacht vast.

Waar is zij? Levend of dood, waar is zij? Indien, terwijl hij dien zakdoek opvouwt en zorgvuldig bij zich steekt, die doek in staat ware om door eene tooverkracht de plaats voor hem te brengen, waar zij dien gevonden heeft, en het nachtelijke landschap bij de hut, waar hij het kinderlijkje bedekte, zou hij haar dan daar bespeuren? Op den woesten grond, waar de steenovens met bleek blauwen glans staan te branden; waar de stroodaken der ellendige hutten, waarin de steenen gevormd worden, door den wind worden verstrooid; waar de.

uur

liet


-ocr page 398-

HET VERLATEN HUIS.

382

klei en het water mi hard bevroren zyn, en de molen, waarin liet magere, blinde paard ilcii p;eheelen ilag rondloopt, naar i\'cn martelwerktuig p\'lijkt. voor deze verlatene, barre piek wandelt eene eenzame gedaante, welke die treurige wereld geheel over zich alleen heeft, door wind en sneeuw geteisterd, en naar het schijnt van alle gemeenschap met hetmensch-dom afgesneden. Het is ook de gedaante eener vrouw ; maar zjj is ellendig gekleed — zulke kleeren zijn nooit de groote deur van liet huis der Dedlock\'s uitgekomen.

Ij Vil.

KSTIIKH\'S VKlillAAI,.

Ik was naar bed gegaan en in slaap gevallen, toen mijn voogd aan myne kamerdeur klopte en mij verzocht om terstond op te staan. Toon ik haastig vroeg wat er gebeurd was, antwoordde hy mij na een paar woorden totvoorbereiding,dat er bij Sir Leicester Dedlock eene ontdekking had plaats gehad; dat mijne moeder gevlucht was; dat er iemand beneden- stond, die volmacht had om haar de verzekering van de liefderijkste bescherming en vergitfenis over te brengen, als hij haar maar met mogelijkheid kon vinden; en dathijmü had opgezocht om hem te vergezellen, in de hoop, dat mijne gebeden haar zouden doen luisteren, indien zijne voorstellingen daartoe buitenstaat waren. Zoo iets over het algemeen, begreep ik ; maar ik was zoodanig door angst, ongeduld en droefheid overstelpt, dat ik, welke pogingen ik ook aanwendde om mijne ontroering te bedwingen, niet dan na verloop van uren weder recht bij mij zelve scheen te komen.

Ik was echter spoedig gekleed en warm ingepakt, zonder (.\'barley ol iemand anders te wekken. en ging naar beneden naar mijnheer Bucket, die\'de persoon was. aan wien men het geheim had toevertrouwd. My by hem brengende, zeide mijn voogd mij dit en verklaarde mij ook hoe het kwam, dat hij a.ui mij ixedacht had. Mijnheer Bucket las mij, bij het licht der kaars, die mijn voogd naar het voorhuis had medegenomen, met eene zachte stem een briei vooi, dien mijne moeder op hare tafel had laten liggen: en ik geloof, dat ik binnen de tien minuten nadat ik gewekt was, reeds naast hem zat en in vollen ren door de straten ieed.

Zijn toon was zeer nadrukkelijk en tegelijk vriendelijk, terwijl hij mij verklaarde, dat er veel van kon afhangen, dat ik in staat was om eenige vragen, die hij mij iloen wilde, duidelijk te beantwoorden. Deze vragen waren hoofdzakelijk, ofikveel gemeenschap met mijne moederhad gehad (die hij nooit anders dan Ladv Dedlock noemde); wanneer en waar ik haar liet laatst bad gesproken, en hoe zij mijn zakdoek in haar bezit had gekregen. Toen ik hem hierop antwoord had gegeven, verzocht hy, mij eens bijzonder te bedenken en myn tijd daartoe te nemen — of er, zooveel ik wist, niemand was, onverschillig waar, in wien zij in den uitersten nood waarschijnlijk vertrouwen zou kunnen stellen. Ik kon niemand bedenken dan myn voogd. Maar daarna noemde ik ook mijnlieer Hoythorn. Hij kwam mij in de gedachte omdat hij altijd met zulk eene ridderlijke beleefdheid van mijne moeder had gesproken, en ook dewijl ik mij herinnerde wat mijn voogd mij van zyn engagement met hare zuster had verhaald, en in welke betrekking mijnheer Boythorn, zonder het te weten, met hare jammerlijke geschiedenis had gestaan.

Mijn geleider had den koetsier laten ophouden terwijl wy hierover spraken, om elkander des te beter te kunnen verstaan. Hij gelastte hem mi weder voort te rjjden, en na zich eenige oogenblikken te hebben bedacht, zeide hij my, dat hij het nu met zich zeiven eens was wat hij zou doen, Hy wilde my wel zeggen wat

zijn plan was; maar ik gevoelde myn hoold niet helder genoeg om hem te begrijpen.

Wij hadden niet ver gereden toen wy 111 eene smalle straat stilhielden, voor een huis, dat met gas verlicht was en een publiek gebouw scheen te zijn. Mijnheer Bucket bracht mij binnen en zette my in een leuningstoel, bij een helder brandend vuur. Het was nu over eenen, gelijk ik op eene klok zag, die aan den muur hing. Twee officieren van politie, die er met hunne keurig nette uniform lang niet uitzagen als menschen, die den geheelen nacht opbleven, zaten stil aan een lessenaarteschrijven, en het geheele huis scheen zeer stil te zyn, behalve dat er somtijds aan deuren veraf omleiden grond werd geklopt en geroepen, waarop niemand acht gaf.

Ken derde man in uniform, wien mynheer Bucket riep en iets toefluisterde, ging naar buiten, en toen hielden de twee anderen raad met elkander, terwijl een van hen iets opschreef, dat mynheer Bucket hem zacht voor-zeide. Het was een signalement myner moeder, waarmede zy bezig waren; want mynheer Bucket bracht het mij, toen liet gereed was, en las het my fluisterend voor. Het was waarlijk zeer nauwkeurig.

De tweede officier, die er stipt op had gelet, maakte er toen een afschrift, van, en riep een ander man in uniform (er waren er nog verscheidene in eene voorkamer), die het aannam en er mede heenging. Dit alles werd met den groofsten spoed verricht, en zonder een oogenblik te verzuimen; maar toch was niemand eenigszins gehaast. Zoodra het papier op reis was gezonden, gingen de twee officieren weder stil aan hun vorig schrijfwerk. Mijnheer Bucket kwam peinzend naar het vuur en warmde


-ocr page 399-

ESTHER MET MIJNHEER BUCKET 01\' REIS.

ili! zolen zijner laarzen, eerst do een en toen de ander.

„/ijl f,\'*\' wd lt;;oed ingepakt, jiiiïronvv Snm-nierson?quot; zeide lilj, toen zijne oogen de mijne ontmoetten. „Het is een geweldig koudenailit voor eene jongejnltVouw om buiten te zijn.quot;

Ik zeide hem, dat ik mij niet aan het weder stoorde en warm gekleed was,

„Het kan eene lange reis zijn,quot; hervatte hy, „maar als zij maar goed afloopt, komt er dat niet op aan, juffrouw.quot; — „De hemel geve, bid ik, dat zij goed mag afioopen,quot; zeide ik.

Hij knikte mij geruststellend toe.

„Ziet go, wat go doen moogt,quot; zeide hij, „maak u zelve niet angstig of verdrietig. Homl u bedaard en wees bij de hand voor alios wat er gebeuren mag; dat zal des te boter voor ii zijn, des te beter voor mg, des te beter voor Lady Dedlock, en dos te beter voor Sir Loicostor Dedlock, baronet.quot;

Hij was waarlijk zeer goedig en vriendelijk, on terwijl hij daar voor liet vuur zijne laarzon stond te warmen on met zijn voorvinger over zijn gezicht streek, gevoelde ik een vertrouwen op zijiio schranderheid, dat mij geruststelde. Hot was nog geen kwartier voor tweeën, toen ik buiten wielen en paardengetrappel hoorde.

„Nu zullen wij gaan, juffrouw Summerson, als het u belieft,quot; zeide hy.

Hij gaf\' mij zijn arm, de twee officieren lieten mÜ mot beleefde buigingen uit, on wij vonden voor de deur oen phaëton of barouchet, met een postiljon en postpaarden. Bucket hioip mij in het rijtuig en nam zelf\' plaats op den bok. De man in uniform, wien hij gezonden had om deze equipage to halen, gaf hem toen op zijn verlangen een dievenlantaarntje aan; en nadat hij den postiljon het noodige had gezegd, reden wij voort.

Ik was verre van zeker, dat ik niet in een ; droom verkeerde. Wij ratelden met groote snelheid door zulk oen doolhof\' van straten, dat ik spoedig volstrekt niet meer raden kon waar j ik was, behalve dat wij meer dan eens do i rivier waren overgereden, en nog door eene ! laag aan het water gelegene wijk van .smalle j straten schonen te rijden, afgewisseld door dokken en waterkommen, hooge pakhuizen, ophaalbruggen en scheepsmasten. Kinrtolyk hielden wy op aan den hoek van oen modderig dwarsstraatje, hetwelk do wind, die van do rivier al er doorheen gierde, niet scheen te kunnen opdrogen of zuiveren; en ik zag mijn geleider, bij hot licht van zijn lantiiarntjo, met verscheidene mannen spreken, die naar oeno vereenigiiig van polifiedienaren en matrozen geloken. Togen een vervallen muur, waarbij zij stonden, was een biljet geplakt waaiop ik do woorden „verdronken gevondenquot; kon onder-scheiden, ou dit, zoowel als eene aankondiging waar dreggen te bekomen waren, dood mjj 1 | begrijpen welk oen akelig vermoeden ons be-! zoek van deze plek aanduidde.

ik behoefde mij zelve niet to herinneren, dat ik door het involgen mijner aandoeningen do iiasporingon niet nog moeieljjker moest maken of vertragen. Ik bleef\'stil zitten; maar wat ik op die geduchte plek leed, kan ik nooit vergoten. En toch geleek alles naar de ijseljjk-hodon van een akeligen droom. Een man, nog zwart en beslijkt, mot hooge, opgezwollene, uitgeweekte laarzen en oen hoed, die er oven-j oens uitzag, werd uit eene schuit geroepen en lluistordo mot Bucket, die eenigo glibberige j trappen mot hem afging — als ware hot om naar iets gehoims te zien, dat hij te vortoonon ! luid. Zij kwamen terug, liunrio handen aan hunne kloeren afvegende, nadat zij iets nats haddon omgekeerd ; maar Goddank, liet was niet wat ik vreesde!

Na eonig vorder gesprek, ging liucket (wien iedereen scheen te kennen en to ontzien) mot de andoren eene deur in en liet mij in lief rijtuig zitten, terwijl de postiljon bij zijne paarden op en neer stapte om zich warm te bondon. De vloed kwam op, gelijk ik uit het bruisen van hot water, dat ik aan het eind van hei steegje hoorde, kon opmaken. Het gobourdo niet - maar honderden raaien in wat ton hoogste oen kwartier uurs kan geweest zijn, en waarschijnlijk minder was, huiverde ik van de gedachte, dat die opkomende vloed het lijk mijnor moeder voor do hoeven der paarden zou werpen.

Bucket kwam weder buiten, vorinaando de anderen om goed op te passen, deed zijn lantaarntje dicht en hernam zijne plaats. „.Maak n niet ongerust, juffrouw Sunimerson, omdat wij hier naar toe zijn gekomen,quot; zeide hij, zich naar mij omkeerendo. „Ik wil maar alles in trein hebben, en weten, dat hot in trein is, door er zelf naar te zien. Rijd maar voort, jongen.quot;

^ ij schenen denzolf\'den weg, dien wij gekomen waren, terug te rijden. Niet dat ik in mijne verbijstering op bijzondere voorwerpen had gelet, maar naar het algomeene voorkomen der straten te oordeelen. Wij hielden voor oeno enkele minuut bij een ander politiekantoor op, en reden do rivier weder over. (jedurende dien geheelen tijd en den goheelen tocht liet mijn geleider, die op den bok zat, zijne waakzaamheid nooit een enkel oogonblik vertlauwen : maar toen wij de brug overreden, schoen hij, zoo mogelijk, nog wakkerder te worden dan ooit- Hy stond op om over de borstwering te kijken; stapte af. liep eene donkore vrouwelijke gedaante na, die ons was voorbij gegleden, en tuurde in den diepen, zwarten waterplas met oen gezicht, dat mij hot hart dood wegkrimpon. Do rivier zag er allerakeligst uit, zoo donker en stil ; zoo snol tusuchon do laeo


-ocr page 400-

384

vlakke oevers door sluipende; zoo zwaar beladen met onduidelijke gedaanten, die nu handtastelijke voorwerpen, dan weder schaduwen schenen te zijn, zoo doodelijk en geheimzinnig. Ik heb haar sedert dikwijls gezien, by het zonnelicht en in den maneschijn, maar nooit geheel vrij van den indruk, dien deze reis op mij had nagelaten. In mijn geheugen branden de lantarens op de brug altyil zoo flauw ; dwarrelt de snijdende wind om de zonder huisvesting omdwalende vrouw, die wij voorbijrijden; snorren de eentonige wielen voort; en doet het teruggekaatste licht der lantaarns van het rytuig mij door zijn bleek schijnsel aan een gezichtdenken, dat uit het geduchte water oprijst.

Door de ledige straten voortratelende, kwamen wij eindelijk van de straatsteenen op donkere elïene wegen, en begonnen de huizen achter ons te laten. Na eene poos herkende ik den mij gemeenzamen weg naar S t. A lb an s. Te Barnet stonden versche paarden gereed, en nadat die waren voorgespannen, reden wij weder voort. Het was zeer koud, en het opene veld was wit van de sneeuw, hoewel het toen niet sneeuwde.

«Men oude kennis van u, deze weg, jullVouw Summerson,quot; zeide mijnheer Ducket opgeruimd.

„Ja,quot; antwoordde ik. ,Hebt lt;,r\'j eenige berichten opgedaan:\'quot; „Nog niets, waarop ik mij geheel verlaten kan,quot; zeide hij maar het is nog vroeg.quot;

ilij was elke zoo laat, ol\' zoo vroeg, opene herberg binnengegaan (zij waren in dien tijd niet gering in getal, daar de weg toen druk door ossendrijvers werd bezocht) en telkens al-gestapt om met de tolbazen te spreken. Ik had hem drank hooren bestellen en met geld rammelen, en zich overal aangenaam en vroolijk maken ; maar wanneer hij zich weder op den bok zette, herkreeg zijn gezicht terstond de vorige strakheid en waakzaamheid, en telkens riep hij op denzelfden drogen toon den postiljon toe: „Kijd voort, jongen!quot;

Met al dat oponthoud was het tusschen vijf en zes uren geworden, en waren wij nog eenige. mijlen van St. Al b a n s af, toen hij uit een van die huizen kwam en mij een kop thee aanbood.

„Hriiik een , julfrouw Summerson, dat zal u goeddoen, \' üj begint nu meer bij u zelve te komen, niet waar?quot;

Ik dankte hem en zeide, dat ik dit hoopte.

„In het eerst waart ge wat verbluft, om het zoo te zeggen,quot; hernam bij, „en waarachtig geen wonder. Spreek niet hard, lieve julfrouw. Wij zijn op den ielt; hten weg, /.ij is ons vooruit,quot;

Ik weet niet welken uitroep van blijdschap ik deed of doen wilde; maar hij stak zijn vinger op, en ik bedwong mij.

,Zij is van avond, tegen acht of negen uren hier voorbijgekomen. Ik hoorde het eerst van

Mill

i f 11 I

11 I

1 haar aan den tol bij H i g h g a te, maar kou er mij toch niet zeker van houden. Vond hier en daar haar spoor den geheelen weg langs. Hier had ik haar, daar verloor ik haar weer; maar uu is zij ons zeker vooruit. Neem dit kopje eens j aan, jongen,quot; vervolgde hij tot den stalknecht, \' „en probeer uu eens of gy met de andere hand j eene halve kroon kunt vangen. Men, twee, drie, : dat is klaar! Nu in galop, postiljon!quot;

Wij kwamen nu spoedig te St. A lb an sen stapten daar kort voor den dageraad af, toen ik juist de gebeurtenissen van den nacht begon ; te begrijpen, en werkelijk te gelooven, dat zy geen droom waren. Na aan het posthuis versche paarden te hebben besteld, liet mijn geleider het rijtuig daar, gaf mij zjjn arm, en zoo gingen wij op het Verlaten Huis af.

„Daar gij hier eigenlijk woont, julfroiiw Summerson,quot; zeide hij, „wiide ik gaarne weten ot er ook iemand vreemds, die er zoo uitzag naar ii of mijnheer Jarndyce gevraagd heeft. Ik denk het wel niet, maar het zou toch kunnen zyn.quot;

Toen wij den heuvel opgingen, keek hij met | scherpe oogen om zich heen -- de dag brak j nu aan — en herinnerde mij, hoe ik dien beu- ^ vei eens, gelijk ik maar al te veel reden had i om te onthouden, was afgekomen, met mijne kamenier en tien armen Jo, dien bij den Taaie noemde.

Ik verwonderde mij hoe hij dat wist. „(Jij weet toch wel, dat gij toen onderweg 1 een man zijt voorbijgekomen,quot; zeide Bucket, .fa, ik herinnerde mij dit ook uog zeer wel. „Dat was ik,quot; zeide Bucket,

Mijne verrassing ziende, vervolgde hij: .Ik kwam dien achtermiddag met eene sjees hier naar toe, om naar dien jongen te kijken, i Hij hadt mijne wielen achter u kunnen hooren, , : toen gij zelve hem gingt zien, want ik zag u en uw kameniertje in de verte. Toen ik in de stad hier en daar naar hem vroeg, hoorde ik spoedig in welk gezelschap hij was; en ik kwam zelf naar de steenbakkerijen om hem op te zoeken, toen ik u hem mee naar buis zag no- j men.quot; „Had hij dan iets kwaads gedaan Vquot; vroeg ik. ..Hij was niet van iets aangeklaagd,quot; antwoordde Bucket, koeltjes zijn hoed oplichtende, „maar ik denk toch, dat hij wel niet 1 al te keurig zal zijn geweest. Neen. De roden waarom ik hem opzocht* was juist om die zaak van Lady Dedlock stil te houden. Hij had meer gebabbeld dan noodig of aangenaam was, over een kleinen dienst, dien hij mijnheer\'fulking-| horn toevallig had bewezen; en het ging vol- : -trekt niet aan hem dat spelletje te laten voort-pelen. Zoo had ik hem dus eerst gewaarschuwd om Londen te ruimen, en toen gaf ik er een i namiddag aan om hem te waarschuwen, nu : hij eens weg was. ook weg te blijven, en nog verder heen te gaan, en op te passen, dat ik er hem niet op betrapte dat hij terugkwam.quot;

HET VEKLATEN HÜIS.


-ocr page 401-

IIRI?IXNrEI!lNf; AAN JO.

38,\'i

,Arino jongen!quot; zeide ik. — „Armgenoeg.quot; zeide Bucket toestem mend, „en lastig genoeg ook, en die in Londen en overal lieel wel te missen was. Ik was er waarljjk van ontsteld, toen ik vond, dat hij bij u in iniis was opgenomen, dat verzeker ik u.quot;

Ik vroeg hem waarom.

„Wel, lieve juffrouw,quot; antwoordde hij, „dan zon hij natuurlijk eerst recht gebabbeld hébben.quot;

Schoon ik mij dit gesprek nu wel herinner, was mijn liooid toen zeer verward en ging mijne aandacht niet verder dan om te begrijpen, dat hij alleen om mij te verstrooien deze bijzonderheden vertelde. I\'.lykbaar met dezelfde

| lieve julVrouw. Als gij ooit een jongmensch achter de keukendeur vindt, laat hem dan gerust oppakken als iemand, die met slechte oogmerken in huis is geslopen.quot;

Wij waren nu dicht bij het huis gekomen; { hij keek oplettend naar voetstappen op het lekzand, eer hij zijne oogen naar de vensters opsloeg.

„(leeft gij dien oudachtigen jongenheer gewoonlijk dezelfde kamer, als hij hier komt ïo-geeren, juffrouw Snmmerson Pquot; vroeg hij, naar mijnheer Skimpole\'s gewone kamer opkijkende. — „Gij kent dus mijnheer Skimpole?quot; zeide ik. j — „Hoe noemt gij hem daar,quot; antwoordde bucket, buigende om mij zijn oor toe te hou-


vriendelijke bedoeling had hij mij reeds over onverschillige dingen gesproken, hoewel het op zijn gezicht was te lezen, dat hij aan niets anders dacht dan aan het doel, dat wij op het ooü\' hadden. Zoo bleef lijj nog aan het praten, toen w y het hek van den tnin ingingen.

„Ha, daar zijn wjj er,quot; zeide hij. „Welkeen bef, stil plekje. Het doet iemand denken aan dat buitentje in het gedicht, dat men kende aan den rook, die zoo sierlijk omhoog krulde, /ij hebben bet keukenvuur vroeg aan, en dat is een toeken van goede meiden. .Maar waar «Ö met meiden altijd op moet passen is, wie ze komt zien ; gij kunt nooit weten wat zy zullen uitvoeren, als gij dat niet weet. Kn nog iets.

den. „Skimpole? Ik heb mij al dikwijls verwonderd lioe hij toch heeten zou. Skimpole, dus. Maar geen John, zou ik zeggen, en ook geen Jakob ?quot; „Harold,quot; zeide ik. „Harold. /00. Ken leepe vogel is die Harold,quot; hervatte Hucket. mij met eene bijzondere uitdrukking aanziende, — „Hij is een zonderling,quot; zeide ik. — „Geen 11 geld,quot; liet Bucket hierop vol-ij neemt het toch wel aan.quot; i\'ig gal ik ten antwoord, dat mijn-hem dus wel kende.

teeld vi gen. „Maar 1 Onwillekeu heer liucket ,Wel, dat Snmmerson,quot; beter voor 11 zelfde blyft

zal ik 11 eens vertellen, jutlrouw

\' antwoordde hij. „Het zal des te zijn als gy niet gedurig aan het-denken, en voor eene verandei\'inlt;r


Het verlaten huis

Dick

-ocr page 402-

HET VERLATEN HUTS.

386

zal ik u dat eens vertellen. Hij was liet, die my zeide, waar de Taaie was. Ik had dien avond al besloten om aan de deur te komen en naar den Taaie te vragen, als het niet, anders kon; maar ik wilde toch eerst nog iets anders probeereu, en gooide dus een beetje steengruis tegen een venster waar ik eene schaduw zag. Zoodra Harold het openschuift en ik hem zie, denk ik; gij zijtquot; de rechte nuiu voor mij. Zoo praatte ik een poosje om de zaak been, dat ik de familie, die al naar bed was, niet wilde storen, en dat het jammer was, dat, weldadige jonge dames laudloopers opnamen; en toen ik\' hem z.oo lamelyk wel had leeren kennen, zeide ik, dat ik een bankje van vyt pond welbesteed zou achten, als ik liet huis | van den Taaie kon bevrijden, zonder gerucht : of ongenoegen te maken. Toen zeide iiü, aller-vrooiykst zijne wenkbrauwen optrekkende : „Het baat quot;niet, mijn vriend, of go mp van een bankje van vijf pond spreekt, want in zulke dingen ben ik een onnoozel kind, en ik heb geen het minste denkbeeld van geld.quot; Natuurlijk begreep ik wel wat het beduidde, dat bij dat, zoo luchtig opnam ; en nu volkomen zeker, dat hjj de rechte man was, vouwde ik het bankje om een steentje en gooide het hem toe. Wel, hij lachte eens én keek zoo onnoozel als gjj u maar verheelden kunt, en zeide ; ..Maar ik keu de waarde van die dingen niet. Wat moet ik daarmee doen?quot; -Het verteren, mijnheer,quot; zeide ik. „Maar ik zal bedrogen worden als ik liet wil wisselen,quot; zeide hij, „of ik zal het verliezen ; het helpt niemendal.quot; «lij hebt waarachtig nooit zulk een gezicht gezien als hy daarbij zette. Xatunrlyk zeide hy my waar ik denTaaie kon vinden, en ik vond hem ook.quot;

Ik vond dit een zeer verraderlijke streek van mynheer Skimpole ten opzichte van myn voogd, en zeide, dat het de gewone perken zijner kinderlijke onnoozelheid te buiten ging.

„Perken, lieve juffrouw ?quot; antwoordde liucket. „Perken? Xu, juffrouw Summerson, zal ik u eens een raad geven, die uw man kan te pas komen, als gij gelukkig getrouwd zyt en een huishouden hebt. Wanneer iemand u ooit zegt, dat hy in geldzaken zoo onnoozel is als iemand wezen kan, pas dan wel op uw geld, want als hy maar kan, zal hy het u zeker afhandig maken. Als iemand u vertelt; „lu alle wereld-sche zaken ben ik een kind,quot; denk dan maar, dat hij er zich voor wil dekken om voor iets verantwoordelijk te worden gehouden, en dat gjj zyn nommer al weet, namelijk nommer ïgt;n. Ik ben geen dichter of zanger, behalve om in gezelschap eens mede te zingen, maar ik ben een prartisch man, en dat is mijne ondervinding. Kn zoo is deze regel ook: „Ide in één ding een draaier is, is in alles een draaier quot; Dat heb ik nog nooit zien missen; en dat zult gij ook niet, en niemand. Met deze

waarschuwing voor onvoorzichtigen, lieve juffrouw, zal ik zoo vry zijn om hier eens aan de schel te trekken, en zoo weder op onze zaak te komen.quot;

Ik geloof, dat die geen oogenblik uit zijne gedachten was geweest, evenmin als uit de mijne, liet geheele huishouden was verbaasd, mij zoo vroeg in den ochtend en onder zulk geleide, zonder eenige waarschuwing, voor zich te zien; en mijne vragen deden de verwondering niet afnemen. Mr was echter niemand geweest. Ik kon er niet aan twijfelen of dit was de waarheid.

„Dan, Juffrouw Summerson,quot; zeide mijn geleider, „kunnen wij niet te vroeg aan het huisje komen, waar de steenbakkers te vinden zijn. Het meeste vragen zal ik maar voor u overlaten, als gy zoo goed wilt zyn om u daarmede te belasten. De natuurlijkste manier is de beste, en de natuurlijkste manier is uwe eigene manier.quot;

Wij gingen terstond weder heen. Toen wij aan het huisje kwamen, vonden wij het gesloten en naar het scheen verlaten; maar een van de buurvrouwen, die mij kende en buitenkwam toen ik gehoor poogde te krijgen, onderrichtte mij, dat die twee vrouwen en hare mannen nu te zamen in een ander huisje woonden, van losse, ruwe steenen gebouwd, op den zoom van het stuk land, waar de steenovens stonden en de gevormde steenen gedroogd werden. Wjj haastten ons naar deze plek, die eenige honderd voetstappen verder was, en daar de deur aanstond, stiet ik die open.

Zij zaten slechts met hun drieën aan het ontbijt; het kind lag op een bed in een hoekte slapen. Jenny, de moeder van het doode kind, was de afwezige. De andere vrouw stond op toen zy mij zag: en de mannen, hoewel norsch en stil gelyk altijd, toonden door een knorrig knikken, dat zy my herkenden. Er werd een blik tusschen hen gewisseld toen Bucket achter mij binnenkwam, en tot mijne verwondering zag ik, dat de vrouw hem blykbaar kende.

Ik had. gelijk vanzelf spreekt, gevraagd of ik mocht binnenkomen. Lizzy (de eenige naam, waaronder ik haar kende) stond op om mij haar eigen stoel te geven, maar ik zette my op een bankje by het vuur, en Bucket nam een hoek van het bed. Nu ik spreken moest, en menschen voor my zag, die ik niet gemeenzaam kende, gevoelde ik, dat ik nog beverig en duizelig was. Het was my zeer moeielijk te beginnen, en ik kon mij niet beletten in tranen uit te barsten.

„Lrzzy,quot; zeide ik, „ik ben ver door den nacht en de sneeuw gekomen, om naar eene dame te vernemen...quot; „Die hier geweest is, weet ge,quot; viel Bucket er op in, met een vriende-lyken blik, die als het ware verschooning voor


-ocr page 403-

MI.INfIKRR lilJOKET NOEMT /EKEIIEN JAOKSON.

387

mij 110 bedrommeling verzocht, do tfohoolo groep aansprekende; „dat is do dame, die do jonge-i ju 11 rouw meent. De dame, die gisteravond hier geweest is, weet ge.quot; — , i-Jn wie heeft u gezegd, ^ dat er iemand hier geweest is vroeg Jenny\'s man, die met een norscii gezicht z[jn maaltijd had gestaakt om te luisteren, on hem nu met zijne oogen scheen te moten. — „Kon persoon, die Michaöl Jackson heet, met een blauw trijpen vest aan, met twee rjjen paarlemoeren knoopen,quot; antwoordde Bucket terstond. — „ Hij mocht liever op zijne eigene zaken jiasson, wie hij dan wezen mag,quot; bromde de man. — „Hjj is buiten werk, geloof ik,quot; zeido i\'ueket, also! hjj Michaöl Jackson wilde verontschuldigen, „en geraakt zoo aan het praten.quot;

Do vrouw, die zich niet weder op haar stoel had gezet, maar aarzelend, mot de hand op do gebrokeno leuning, bleef staan, zag mij aan. Ik dacht, dat zjj my wol afzonderlijk had willen spreken als zij maar gedurfd had. Zij stond nog zoo te weifelen, toen haar man, die mot eene homp brood met vet in de eene hand en zijn knipmes in de andere zat te eten, mot liet hecht van zijn mos oen harden slag •op de tafel gaf, en haar met een vloek zeide, dat zjj ten minste zich maar met hare eigene zaken moest bemoeien en gaan zitten.

„Ik had zeer gaarne Jenny willen zien,quot; zeido ik; „want ik houd my verzekerd, dat zij nijj wel al wat zjj kon van die dame zou ge-zo^d heb bon, ovor wie ik zeer, zeer er^ on-gerust ben. Zal Jenny spoedig hier komen ? Waar is zjj?quot;

De vrouw wilde antwoorden, maar do man schopte haar, met nog oen vloek, oponljjk met zijne zware laars tegen haar voet. Ily liet het voor Jenny\'s man over om my te zeggen wat \' hij verkoos, en na eene poos van norsche stilte koerde deze zijn ruig behaard hoofd naar mij om.

„Ik houd er niet van, dat ryke lui bij my | m huis komen, zooals gij mij al meer hebt booren zeggen, denk ik, julVroinv. Ik laat hunne lunzen niet rust, cn het is vreemd, d.it zij mijn huis niet met rust kunnen laten. Hr zou mooi wat loven gemaakt worden, als ik li e n kwam opzoeken, denk ik. Mvenwel, ik klaag s met zoozeer over u als over sommige anderen, en ik wil u ook wel ordentelijk antwoord go ven, maar ik waarschuw u vooraf, dat ik mij mot zoo maar alles uit de keel wil laten halen. Of Jenny gauw hier zal wezen? Neen, dat zal zii niet. Waar zij is? Zy is naar Londen.quot;

„Zij is gisteravond gegaan ?quot; vroeg ik. j -0\' zi) gisteravond gegaan is y Ja, gisteravond,quot; : antwoordde hy, wrevelig zijn hoofd in den nek werpende. —• „Maar was zjj nog hier toen die dame kwam? Mn wat zeide die dame togen baar? Kn waar is die dame naar toe? Ik bid en smeek u, wees zoo goed om my dat te zeggen, zeido ik, „want ik ben in grooten 1 angst daarover.quot; „Als mijn baas my maar wilde laten spreken, zonder iets te zeggen, dat kwaad kon,\' begon de vrouw schroomval-lig- — „Uw baas,quot; zeide haar man, met lang-zamen nadruk een vloek mompelende, „zal u den nek breken als gij u bemoeit met wat u niet aangaat.quot;

Na eene andere poos man der afwezisx* vrouw

van stilte keerde de zich weder naar mij

toe en antwoordde met zijne gewone knorrm onwilligheid;

Jenny bier was toen die dame kwam? Ja, zy was nier toen die dame kwam. Wat die dame togen haar gezegd heeft? Wel, ik zal u vortellon wat die dame togen haar gezegd hooft. Zij zeide: „Gij weet nog wel, dat ik eens met u ben komen spreken over eene jongojull\'rouw, die u was komen opzoeken? Gy weet nog wel, dat ik ii iets nogal van belang heb gegeven voor dien zakdoek, dien zij hier gelaten had?quot; Ja, dat wist zij nog wel, quot;en wy allemaal. Wol, was die jonge dame nu daar in huis ? Noen, zij was niet daar in huis. Welnu dan. Die (lame was alleen op reis, hoe vreemd wij dat ook mochten vinden, en kon zij voor een uur of zoo blijven ruston waar gij nu zit ? Ja wol, dat kon zij en zoo deed zij ook. Toen ging zij hoon. Het mocht tien minuten voor twaalven, of tien minuten voor eenon zijn; wij hebben hier geen horloge om te zien hoe laat hot is, en ook geen klok. Waar ging zij naar toe? Ik weet niet waar zij naar toe ging. Zij ging den eenon kant op, en Joniu oen anderen; do eene ging recht naar L o n d e n, en de andere recht naar den anderen kant. Dat is nu alles. Vraag hot dien man maar. Hij heeft alles gehoord en gezien. Hij weet het.quot; — „Dat is alles,quot; zeido do andere man. .Schreide die dame ook?\' vroeg ik. - „Wel neon,quot; antwoordde de eerste man. „Hare schoenen waren aan stuk, on hare kleeren zagen er erg uit, maar zij huilde niet — dat ik zag.quot;

Do vrouw zat met bare armen over elkander, en hare oogen op don grond gevestigd. Haar man had zich eonigszins omgedraaid, zoodat hy haar kon aanzien, en liet zijne liamer-achtige vuist op de tafel liggen, alsof hy die gereed hield om zijne bedreiging te vervullen indien zy hom ongehoorzaam was.

„Ik hoop,quot; zeido ik, „dat gy er niet tegen zult bobben, dat ik uwe vrouw vraag, hoe die dame er uitzag?quot; .Kom dan V riep hij baar brommig toe. .(lij hoort wat zij zegt. .Maak bet kort en zog het. liaarquot; — „Slecht,quot; antwoordde de vrouw. „Bleek en afgemat. Heel slecht.quot; — „Sprak zy veol ?quot; .Niet veel, ma ;i hare stem «as schor.quot;

Terwijl zij dit antwoord gaf, zag zy haar man aan om hem verlof Ie vragen.

„Was zij Hauw?quot; zeido ik. „Heeft zy hier gegeten ol gedronken?quot; ,0a voort,quot; zeido


J

-ocr page 404-

HET VERLATEN HUIS.

388

haar man, tot antwoord op haar blik. Zeg { het haar en maak het kort.quot; — „Zij vroeg om wat water, jutt\'rouw. Mn Jenny haalde haar brood j en thee, maar zij raakte er haast niet aan.quot;

- „En toen zij hier vandaan ging,quot; vervolgde ik, toen Jenny\'s man mij ongeduldig in de rede \\ iel. — „Toen zü hier vandaan ging, ging /.ij rechtuit noordwaarts den straatweg op. Vraag ! maar langs den weg, als gij aan mij twijfelt, en zie ol\' het zoo niet was. Daar, nu is het gedaan. Dat is alles.quot;

Ik keek naar myn geleider om, en ziende, dat iiij reeds was opgestaan en gereed was om te vertrekken, bedankte ik hen voor wat zij | mü gezegd hadden en nam afscheid. De vrouw zag Bucket strak aan toen hij heenging, en hy deed dit haar insgelyks.

„Nu. juffrouw Summerson,quot; zeide hij tot my, tenvyi wij snel voortstapten, „zij hebben het horloge van mylady ; dat is zeker.quot; — „Hebt gij dat gezien?quot; riep ik uit. —- „Evengoed als gezien,quot; antwoordde hij. „ Waarom zou hy anders praten van „tien minuten voor,quot; en „dat hij geen horloge heeft om te weten hoe laat liet : is?quot; Tien minuten! Gewoonlijk rekent hij zijn tijd zoo lijn niet uit. Als hij tot halve uren komt, zal het al veel zijn. Ziet ge wel: of , mylady heeft hem dat horloge gegeven, óf hy ; heeft het genomen. Ik denk, dat zjj het hem gegeven beeft. Maar waarvoor zou zij liet hem gegeven hebben? Waarvoor zou z.y het hem gegeven hebben?quot;

Terwyl wij ons voorthaastten, herhaalde bij die vraag verscheidene malen bij zich zeiven, en scheen te weifelen tusschen verschillende antwoorden, die hem voor den geest kwamen.

„Als er tyd te missen was,quot; zeide Bucket, „die ongelukkig het eenige is, waarmede ik ; zuinig moet zyn, zou ik het uit die vroinv wel krygen ; maar de kangt; is te twijfelachtig om er in deze omstandigheden op te vertrouwen. Zij zullen haar wel goed in het oog houden, en iedereen weet, dat een arm schepsel zooals I zy, geschopt en geslagen en van het hoofd tot de voeten met litteekens en blauwe plekken bedekt, toch door alles heen den man, die haar mishandelt, trouw blijft Kr wordt iets verzwegen. lift is jammer,dat wij die ander-\' vrouw niet gezien hebben.quot;

Met speet mij buitengemeen, want zy was zeer dankbaar, en ik hield my overtuigd, dat zij mijn bidden niet had kunnen wederstaan. ;

„Het is mogelijk,jull\'rouw Summerson,quot; zeide Bucket peinzend, „dat mylady baar met eene of andere boodsc hap voor u naar Londen heeft gezonden; en het is mogelijk, dat haar man het horloge gekregen heeft om haar te laten ira.m. Dit is wel zoo duidelijk niet, dat het mij geheel voldoet, maar heeft toch nogal schijn. Ik heb weinig lust om het geld van Sir Lei-cester Dedlock, baronet, aan dat gespuis te be- \' steden, en ik zie ook niet in wat het baten zou. Neen 1 Tot dusverre moeten wij maar voorwaarts, jutlrouw Summerson - recht vooruit — en alles stilhouden.quot;

Wij gingen nog eens aan huis aan, opdat ik eeii haastig geschreven briefje aan mijn voogd zou kunnen zenden, en spoedden ons toen weder naar de plaats waar wij hot rijtuig gelaten hadden. De paarden werden buiten gebracht zoodra men ons zag aankomen, en binnen weinige minuten waren wij weder op weg.

Met den dageraad was het gaan sneeuwen, en het sneeuwde nu sterk. De lucht was door de duisternis van den dag en de dicht vallende vlokken zoo ondoorzichtig, dat wij slechts op geringen afstand iets konden onderscheiden. Hoe wel het buitengemeen koud bleef, was de sneeuw toch maar half bevroren en werd — met een j geluid alsof wij over een met kleine schelpen | bedekt strand reden — onder de hoeven der | paarden tot slijk en water gekneed. Somtijds | gleden zij eene mijl ver gedurig uit, en moesten wij stilhouden om hen te laten rusten. Men I paard viel op dit eerste station driemaal, en | beefde zoodanig en was zoo afgemat, dat de | postiljon eindeiyk moest afstappen en het bij den teugel leiden.

Ik kon niets eten en niet slapen; en ik werd onder al die vertragingen zoo zenuwachtig en ongeduldig over de langzaamheid, waarmede : w y vorderden, dat mij een zeer onredelijk ver- ; langen bekroop om af te stappen en te voet | te gaan. Ik liet mij echter door mijn geleider ; overtuigen, dat dit eene dwaasheid was, en \' bleef zitten. Al dien tijd, frisch gehouden door zekeren lust in het werk, waarmede hij bezig i was, sprong hy af en weder op by ieder huis, dat wij bereikten, sprak menschen, die hij nooit ! gezien had, aan, alsof zy oude bekenden wa- } ren ; liep naar binnen om zich bij ieder vuur, dat hij zag, te warmen ; bleef voor elke toon- i bank en buffet praten, drinken en handen ge- j ven; hield eene vriendschappelijke woordenwis- j seling met eiken voerman, wagenmaker, smid en tolbaas, en scheen toch nooit tyd te verzuimen, en had, als hij weder op den bok klom, | altijd hetzelfde strakke, waakzame gezicht en hetzelfde droge; „Voort maar, jongen!quot;

Toen wij de volgende maal van paarden ver- i wisselden, kwam hy, met eene korst natte sneeuw bedekt, en tot aan zijne natte knieën daardoorheen plassende en klonterende — gelijk hij sedert wy St. A 1 h a n s verlieten reeds dikwyls gedaan had naar het rytuig om mij : aan te spreken.

„Houd maar moed,quot; zeide hij. „Het is vast en zeker, dat zij hier voorbij is gekomen. Er is nu geen twijfeJ meer aan hoe zij gekleed is, en die kleeding heeft men hier gezien.quot; „Nog altijd te voet?quot; zeide ik. —„Nogaltijd te voet. Ik denk, dat zij het op dien heer ge-


-ocr page 405-

389

munt moet hebben, van vvien gij gesproken hebt; en toch staat liet mij niet aan, dat hij zoo dirht hjj haar eigen buiten woont.quot; — „Ik : weet zoo weinig,quot; zeide ik. „Misschien kan er wel iemand anders hier dichter bjj zijn, van wien ik nooit gehoord heb. — „Dat is waar. Maar wat gij doet, ga niet aan het schreien, lieve jutlronw; en kwel u zelve niet meer dan : gij niet laten kunt. Voort maar, jongen!quot;

Het bleef dien dag onophoudelijk sneeuwen, en daarbij kwam vroeg nog eene dikke mist, die nooit voor een oogenblik ophelderde. Zulke I wegen had ik nog nooit gezien. Somtijds vreesde ! ik, dat wjj verdwaald en op omgeploegde velden, ol in een moeras gekomen waren. Als ik soms aan den tijd dacht, dien ik al op reis was geweest, kwam mij die als een onbepaald ; tijdperk van langen duur voor; en ik had een zonderling gevoel alsof ik nooit vrij geweest | was van den angst, die mij toen benauwde.

Naarmate wjj vorderden begon ik te vreezen, i dat mijn geleider zijn zelfvertrouwen verloren had. Hij was nog eveneens als te voren met al j de menschen langs den weg; maar als hij weder ■ alleen op den bok zat, keek hij veel ernstiger. [ Ik zag Item met zijn vinger onrustig heen eu | weder voorbij zijn mond gaan, zoolang een | geheel eentonig station duurde. 1 k hoorde, dathij aan de koetsiers van diligences en de voerlieden, die ons tegenkwamen, begon te vragen, welke passagiers zjj in post-of andere wagens, die ons vooruit waren, hadden gezien. Hunne antwoorden schenen hem niet te bemoedigen, lljjgal\' my altijd wel een geruststellenden wenk met zijn vinger en een knipje met zijn oog, als hij weder op den hok klom ; maar hij scheen nu eenigszins in twijfel te zijn als hij: , Voort maar, jongen!quot; riep.

hindeiyk zeide hij mij. toen wjj weder van paarden verwisselden, dat hij het spoor van die kleeding nu zoolang verloren had, dat het hem begon te verwonderen. Het was niets, zulk een spoor een tijdlang kwijt te raken, en dan weder een tijdlang vast te houden, en zoo verder; maar het was hier op eene onverklaarbare manier verdwenen, en wij luidden het sedert niet teruggevonden. Dit vergrootte de vrees, die reeds bjj my was opgekomen, toen liij naar de wegwijzers begon te kijken, en hij dwarswegen het rijtuig verliet om ze een eind ver op te gaan. Maar ik moest my niet laten terneerslaan, zeide hjj, want het kon heel wel gebeuren, dat het volgende station ons weder op het rechte spoor bracht.

Het volgende station liep echter eveneens af als het vorige; wij vonden geen nieuwen draad. Kr stond daar eene groote herberg, eenzaam gelegen, maar een deftig en welingelicht huis; en toen wij, eer ik er aan dacht, eene groote koetspoort binnenreden, en de kasteleines en hare bevallige dochters aan het rytuig kwamen.

I en my vriendelijk drongen om af te stappen en iets te gebruiken, tervvyl de paarden uit i den stal gehaald werden, dacht mij, dat het | onvriendelijk zou zyn dit te weigeren. Zjj brachten mij naar boven in eene warme kamer, en ; lieten my daar.

De kamer, herinner ik mij, lag op denhoek van het huis, en zag naar twee kanten uit. Aan de eene zyde op een stalpleintje, dat naar een zijweg open was, waar de knechts | de bespatte en vermoeide paarden van liet I beslijkte rijtuig afspanden; en verder op dien zyweg zeiven, waar een uithangbord hing te bengelen; aan den anderen kant op een donker dennenbosch. De takken waren met sneeuw beladen, die er. terwijl ik voor het venster stond, met vochtige kluiten van afdroop. De avond viel, en de duisternis scheen nog akeliger door het contrast van het roode vuur, dat gloeiend in i de ruiten spiegelde. Terwijl ik tusschen do i stammen van het geboomte tuurde, en de vuile : plekken in de sneeuw opmerkte, waar de dooi haar ondermijnde en deed wegzakken, dacht ik aan het moederlijke gezicht, zoo vroolijk door dochters omringd, dat my pas had verwelkomd, en aan mijne eigene moeder, die misschien in zulk een bosch lag te sterven.

Ik schrikte toen ik ze allen om mij heen vond staan, maar ik herinnerde rnij, dat ik, eer ik flauw viel, al mijne kracht had ingespannen om mij daartegen te verzotten ; en dit was toch eenigszins een troost. Zij plaatsten mij, met kussens gesteund, op eene groote sofa voor het vnur; en toen zeide mij de frissche kasteleines, dat ik dien avond niet verder moest reizen, maar naar hed gaan. Maar dit deed mij zoodanig beven van angst, dat men mij daar zou houden, dat zij spoedig hare woorden herriep en een vergelijk sloot voor een halfuur rustens.

Eene goede, hartelijke vrouw was zy. Zjj en hare drie schoone dochters, allen zoo druk met mij bezig. Mij werd warme soep en een gebraden hoentje voorgezet, terwyl Hucket in eene andere kamer at en zich droogde, maar ik kon niets daarvan over de lippen brengen, hoezeer het mij ook speet de goede menschen zoo teleur te stellen. Ik kon evenwel wat geroosterd brood en beeten kruidenwijn gebruiken ; en daar dit mij werkelijk verkwikte, beloonde het de kasteleines eenigszins voor hare zorg.

Na verloop van het halfuur, op het oo^en blik at, kwam het rijtuig rommelend onder de poort rijden, en brachten zij mij naar beneden, verwarmd, verfrisclit, door vriendelijke goedheid getroost en overtuigd (dit verzekerde ik haar), dat ik niet weder zou flauw vallen. Nadat ik was ingestapt en van allen dankbaar afscheid had genomen, stapte de jongste dochter — een bloeiend meisje van negentien jaren, dat het eerste zou trouwen, gelyk zij mij gezegd hadden op de trede, stak haar hoofd binnen en gaf


-ocr page 406-

IIKT VKRI/ATEN HUIS.

mij een kus. [k heb haar van dit uur af nooit j weder gezien, maar tot op dit oogenbiik denk \' ik aan haar als eene lieve vriendin.

De heldere vensters, met hot vuur en het gt; licht, die er hij de koude duisternis daar ; buiten zoo warm en vroolp uitzagen, waren spoedig verdwenen, en wederom vermaalden 1 wij de niulle sneeuw. Wij hadden moeite genoeg om voort te komen; maar de akelige wegen waren toch niet veel erger dan zfl geweest 1 waren, en het station was maar van negen mjjlen. Mijn geleider zat op den bok te rooken ik had er in de laatste herberg aan gedacht om hem te verzoeken dit maar te doen, toen ik hem zoo vergenoegd voor een vuur in eene wolk van tabaksrook zag staan -- en was zoo j waakzaam als ooit, en even vlug naar beneden en weder omhoog, als wij eene menschelyke woning bereikten of een mensch in het oog kregen. 11 ij had zyn lantaarntje aangestoken, waarop hij bijzonder gesteld scheen te zijn, want wij hadden ook lantarens aan het rijtuig; en telkens keek hy naar my om, om te zien of ik nog wel bleef. Kr was een neerslaand raam aan de kap van het rijtuig, maar ik sloot dit nooit; want dit kwam | mij voor alsof ik ook de hoop buitensloot.

Wy kwamen aan het eind van het station,en I nog was het verloren spoor niet teruggevonden. Ik zag hem met angstige oplettendheid aan, toen wy ophielden om van paarden te verwisselen: maar aan het érnstige gezicht, waarmede hy naar de stalknechts stond te kijken, zag ik wel, dat hij niets gehoord had. Slechts een oogenbiik later, toen ik op de bank achteroverleunde, kwam hij met zijn lantaarntje in de hand bitmenkyken, met een gezicht vol leven en drift, een geheel ander mensch.

„Wat is het?quot; zeide ik met binden schrik. ,ls /jj hier?quot; .Neen, neen. Bedriegu zelve maar niet. lieve juffrouw. Kr is niemand hier. ; Maar ik ben er achter.quot;

De sneeuw kleefde in zijn oogharen en op 1 zijn haar, en lag bij strepen op zyne kleeren. Hij moest ze eerst van zijn gezicht schudden j en eens ademhalen, eer hy verder met rajj kon spreken.

„Nu, juffrouw Summerson,quot; zeide hy, met y.yn vinger op den rand van het voetendek tik- , kende, „moet gij u niet teleurgesteld achten door wat ik ga doen. (iy kent mij. Ik ben inspecteur Bucket, en gij kunt mij vertrouwen. Wij hebben al een verren weg gemaakt ; maar dat komt er niet op aan Vier paarden ingespannen voor het volgende station. Terug! schiclyk!quot;

Kr kwam eene opschudding op het stalplein en een man kwam aanloopen om te vragen of\' hij „voorwaartsquot; of ,terugquot; meende.

,\'lenig, zeg ik n Terug! Verstaat gy dat niet? Terug!quot; - ,Terug?quot; zeidt ik verbaasd. „Gaan wy dan weder naar I, on d en? \' - „Hecht weder naar I, o n d e n, juffrouw Summerson.\'\' 1

antwoordde hij mij. „Gij kent my toch. Wees maar niet bang. Ik zal de andere volgen, by G .. 1quot; — „De andere ?quot; herhaalde ik. Wie ?quot; — „Gij hebt haar Jenny genoemd, hebt ge niet ? Haar zal ik volgen. Breng die twee paarden buiten, voor eene kroon den man. Kom aan, word toch wakker!quot; — „Gij zult toch de dame die wij zoeken, niet begeven; gy zult haar in zulk een nacht en in zulk een gemoedstoestand, als ik weet dat zij zyn moet, niet aan baallot overlaten!quot; zeide ik, hem in inyn zielsangst by de hand vattende. „Gy hebt gelijk, me-lieve, dat zal ik ook niet. Maar ik zal de andere toch volgen. Gauw toch wat met die paarden ! Zend een man te paard vooruit naar het volgende station, en laat hij weder iemand vooruitzenden en er vier bestollen, tot aan L o n d e n toe. Wees maar niet bang, mijn liefje!quot;

Deze bevelen en de manier, waarop hij rondliep om iedereen te haasten, veroorzaakten eene algemeene beweging, die mij byna niet minder verbijsterde dan deze onverwachte verandering van plannen. Doch in het ergste der verwarring galoppeerde er oen man heen om wissel-paarden te bestellen en werden onze paarden met allen spoed voorgespannen.

„Kindlief,quot; zeide Bucket, op den bok springende en weder naar mij omkijkende, „gij zult het mij wel niet kwalyk nemen, als ik al te familiaar ben — maak u nu maar niet meer verdrietig en angstig dan ge niet laten kunt. Meer wil ik voor het oogenbiik niet zeggen; maar gij kent mij toch, liefje; doet geniet?quot;

Ik poogde te zeggen, dat hy veel beter in staat was te beslissen wat hij doen moest dan ik ; maar of hy wel zeker was, dat dit goed was ? „Kaa ik niet alleen vooruitryden omquot; — ik vatte hem in mijn angst weder bij de hand en fluisterde hem toe — „om myne eigene moeder te zoeken?quot; „Liefje,quot; antwoordde hij, „dat, weet ik wel, dat weet ik wel; en denkt gy dan, dat ik u op een verkeerden weg zou brengen ? Inspecteur Bucket. Gy kent mij toch, nietwaar?quot;

Wat kon ik anders zeggen\' dan ja?

„Houd dan zooveel moed als gij maar kunt, verlaat er u op, dat ik u zal bijstaan, niet minder dan Sir Leicester Dedlock, baronet. Zyt ge nu klaar daar?\' — „ Alles klaar, mijnheer!quot; —-„Daar gaan wij dan. Voort maar, jongens!quot;

Wy waren weder op den akeligen weg, dien wy langs gekomen waren, en deden wederom het slijk en de dooiende sneeuw in het rond spatten alsof zij door een waterrad werden opgeworpen.

EKN WIXTKRSCHK l»Afl KN N.M\'lll

Nog stil en statig, geiyk zulk een gebouw voegt, staart het luns der Dedlock\'s de straat


-ocr page 407-

MN (rElUJGHT ONDER DE AANZIENLIJKE C0NNE0T1H

van alccli^i\' deftigheid aim. Van tijd tot tijd vertoonon zich gepoeiorde iiootVlon voorde smalle vensters van het voorhuis, en kijken uit naar het onbelaste poeier, dat den geheelen dag uit de Ineht blijft vallen, en dan stappen de liu-weelen broeken weder van de nijpende koude voor de glazen naar het groote vuur, dat in het voorhuis brandt. Er wordt gezegd, dat tnylady naar L i n c o i n s h i r e is, maar spoedig terug wordt verwacht.

Hel gerucht echter, dat al te levendig is, wil j zich niet naar Lincolnshire laten verbannen, i Het blijft door de stad rondfladderen en kakelen. I Het weet, dat die arme ongelukkige Sir Leicester { allerslechtst behandeld is.Hethoort,kindlief,van I allerlei ergerlijke dingen. Het maakt er de wc-i reld vijf mijlen in het rond vrooljjk mede. Om niet te weten, dat er bij de Dedlock\'s iets is I voorgevallen, moet men zelf een geheel onbekend persoon zijn. Ken dier bekoorsters, niet een perzikblos op de wangen en een beende-\' rigen hals, is reeds onderricht van al de voor-: naaniste omstandigheden, die voor het H nis der Lords zullen komen, wanneer Sir Leicester om eenc echtscheiding aanzoek doet.

liij Blaze en Sparkle de juweliers, en inden modewinkel van Sheen en Gloss, zal het geval eenige uren lang het gewichtigste onder werp van deze geheele eeuw zijn. De hoogadellijke begunstigers dier winkels, al zijn zij nog zoo hoog en onbereikbaar, worden daar even nauwkeurig gemeten en gewogen als de winkelwaren zeiven, en de domste knaap achter de toonbank weet terstond hoe hij het met haar heeft. „Onze klanten, mijnheer Jones.quot; zeiden Blaze en Sparkle, toen zjj dezen bediende aannamen, „zjjn schapen, mijnheer, schapen. Als twee of drie geteekende vooruitgaan, volgen al de andere Hond die twee of drie maar in het oog, mijnheer Jones, en gij hebt de geheide kudde.quot; Kveneens spreken Sheen en Gloss tot h u n Jones over de manier om de groote lui in te nemen voor wat /.y (Sheen en (floss) verkiezen in de mode te brengen. Met even onfeilbare wetenschap zegt mijnheer Sladdery, de boekverkooper, een voornaam fierder van adellijke schapen, juist dezen dag: „Och ja, mijnheer, er zijn zeker eenige genicliten van Lady Dedlock onder mijne aanzienlijke connectie in omloop. Hij begrijpt wel, mijne aanzienlijke connectie moet over iets praten, mynheer; en men behoeft maar iets aan een paar dames, die ik zou kunnen noemen, smakelijk te maken, om het overal te doen rondbrengen. Hetzelfde wat ik met die twee dames zou gedaan hebben, mijnheer, als het te doen was geweest om een nieuwen roman bekend te maken, hebben qj nu uit zich zeiven gedaan, omdat /,ij Lady Hedlock kenden en misschien een beetje onschuldig jaloersch op haar waren (i ij zult zien, mynheer, dat dit onderwerp bij nijjne aanzienlijke connectie zeer in den smaak zal komen. Als het eene speculatie geweest was, zou zij geld hebben opgebracht, mijnheer. En als ik dat zeg, kunt gjj er op aan, dat ik gelijk heb, mijnheer; want ik heb er werk van gemaakt om mijne aanzienlijke connectie te bestudeeren, en ben nu in staat om ze op te winden als eene klok, mijnheer.quot;

Dus heeft het gerucht het in Londen zoo naar zijn zin, dat het niet naar Lincoln-shire wil gaan. Tegen half vyf, nadenmiddag, heeft het zelfs den edelachtbaren heer Stables een gezegde ontlokt, dat goede kans heeft om het vorige in de schaduw te plaatsen, dat zoolang de grondslag zijner reputatie voor geestigheid is geweest. Deze schitterende inval luidt, dal hoewel hjj altijd wel wist, dat /ij een kribbig paardje was, hij toch nooit gedacht had, dat zij schichtig zou worden en op hol gaan. Deze aardigheid maakt onder de paardenliefhebbers een ontzaglijken opgang.

Ook op partyen en feesten, in lirmamenten, die zaj dikwijls tot sieraad heeft gestrekt, en onder sterrengroepen, die zij nog gisteren door haar glans verduisterde, is zij het algemeene onderwerp. Wat is het? Wie weet het? Wanneer was het? Waar was het? Hoe kwam het? Zoo wordt zij door hare liefste vrienden en vriendinnen over den hekel gehaald, met de laatste nieuwe woorden, manieren en alfectaticn, die er in zwang zijn gekomen, en met de volmaaktste wellevende onverschilligheid. Iets opmerkelijks van dit onderwerp is, dat het iets zoo prikkelends heeft, dat het geestigheid uitlokt bij verscheidene menschen, die nog nooit iets geestigs hadden gezegd. William Bully gaat met een van de geestigheden van zijne club naar het Huis der Uemeenten, waar de adjudant zijner partij het met zijne snuifdoos laat rondgaan, om de leden, die willen wegloopen, by elkander te houden, met zooveel gevolg, dat de president (wien het in het bijzonder onder zijne pruik in het oor is geliuisterd) driemaal ,()rde voor de balie!quot; roept, zonder eenigen indruk te maken.

Niet minder verbazend is het, dat menschen, die op de grenzen van mijnheer Sladdery\'s aanzienlijke connectie omdwalen, menschen, die niets van mylady weten en nooit iets van haar geweten hebben, het voor hunne reputatie noódig achten zich te houden alsof zij ook hun onderwerp was ; en haar in lagere sferen en bij llauwere sterren insgelijks bekladden, met de laatste nieuwe woorden, manieren en alfectaticn, en dezelfde wellevende onverscliil-ligheid. alles uit de tweede hand, maar voor evengoed als nieuw gehouden. Als er onder die rondventers van nieuwt jes in het klein een man van letteren, kunst of wetenschap is, hoe edel is het dan van hem ijedaan, zwakke zusters niet zulke prachtige krukken te ondersteunen.


-ocr page 408-

HET VERLATEN HUIS.

Zoo verloopt de winterdag buiten het huis der Dedloek\'s. Hoe daarbinnen?

Sir Leicester, die nog te bed ligt, kan een j weinig spreken, hoewel niet moeite en onduidelijk. Men heeft hem stilte en rust voorgeschreven, en een verdoovend raiddel gegeven om zijne pjjn te verzachten; want zijn oude vijand heeft hem hard aangetast. Hij slaapt nooit, hoewel hij somtijds in een dotten sluimer schijnt te vallen. Hij heeft zijn ledikant dichter by het venster laten plaatsen, toen hy hoorde, dat het zulk guur weder was, en zijn hoofd zoodanig laten leggen, dat lig de jagende sneeuw kan zien. Hij ligt daarnaar te turen, dien geheelen winterdag lang.

lüj het minste gerucht in huis, dat zoo stil mogelijk wordt gehouden, tast lijj naar zijne j gritl\'ol. De oude iuiislioudster, die bjj hem zit, } weet wel wat lijj schrijven wil, en tluistert: i „Neen, hij is nog niet terug, Sir Leicester.

Het was gisteravond al laat toen lüj ging. Hij ! is nog maar kort weg.quot;

Hij trekt zijiu\' hand terug en staart weder naar de sneeuw, totdat door dat lange turen ; de sneeuw zoo dicht en snel schijnt te vallen, | dat bhquot; eene korte poos de oogen sluit voor die ; duizelingwekkende dwarreling van witte vlokken.

Hij begon daarnaar te staren zoodra bet licht ■ werd. De dag is nog niet ver verloopen wan-1 neer hg begrijpt, dat het noodig is hare ka-i mors voor haar gereed te maken. Het is heel kond en vochtig, er moeten goede vuren aangehouden worden. Zy moeten weten, dat zij verwacht wordt. „ Wees zoo goed om zelve daarnaar te zien.quot; Ilg schrijft (lit op zijne lei, en jnllVouw liouncewell gehoorzaamt met een beklemd hart.

„Want ik vrees, George,quot; zegt de oude vrouw tot haar zoon, die beneden wacht om haar gezelschap te honden als zij eene poos vrijaf heeft, „ik vrees, beste jongen, dat mylady nooit weer een voet binnen deze muren zal zetten.quot;

„Dat is een slecht voorgevoel, moeder.quot;-„En ook niet binnen de muren van Kastanje-Hof, beste jongen.quot; , Dat is nog erger. Maar waarom, moeder?quot; — „Toen ik mylady gisteren zag, Oeorge, zag zy er uit - en ik mag ook wel zeggen, zag zij mij aan alsof de voetstap op de (ieestemvandeling haar bijna achterhaald had.quot; „Kom, kom! .Maak u zelve niet bang met een oud sprookje, moeder.quot; —„Neen, dat doe ik ook niet, beste jongen. Dat doeikniet. Het wordt baast zestig jaar, dat ik in deze familie geweest ben, en ik ben er vroeger nooit bang voor geweest. Maar het nadert nu, beste jongen, het nadert nu, dat de groote, oude familie Dodiock ten ondergang zal brengen.quot; 7lk hoop van neen, moeder.quot; „Ik ben dankbaar, dat ik lang genoeg geleefd heb , om Sir Leicester in deze ziekte en droefenis by te staan, want, ik weet wel, dat ik nog

niet zoo oud of nutteloos ben, of mijn gezicht is hem meer welkom dan iemand anders in mijne plaats zou wezen. Maar die stap op de (ieestemvandeling zal mylady achterhalen, George ; hij is al menigen dag achter baar geweest en nu zal hij baar achterhalen.quot; - „Wel, lieve moeder, ik zeg nog eens ik hoop van neen.quot; — „Och, dat doe ik ook, George,quot; antwoordt de oude vrouw, haar hoofd schuddende, en laat haar gevouwene handen los. „Maar als mijne vrees uitkomt, en hij het weten moet, wie zal het hem dan zeggen !quot; .Zijn dit hare kamers?quot;

„Ja, dit zijn mylady\'s kamers, juist gelijk zy ze verlaten heeft.quot; \' „Wel,quot; zegt George, om zich heen kijkende, en zachter sprekende, „nu begin ik te hegrijpen hoe gij zoo komt te denken, moeder. Kamers krijgen altgd iets akeligs als zij, zooals deze, opgeknapt zgn voor iemand, dien men er gewoon was te zien, en als die door ongelukkige omstandigheden er niet is ; behalve dat zij nog — God weet waar is.quot;

Hij heeft het niet ver mis. Gelgk ieder afscheid eene afschaduwing is van het laatste en grootste, zoo Huistert eene ledige kamer, waar een gewoon gezicht gemist wordt, eene treurige waarschuwing van hetgeen uwe kamer en de mijne eens moeten wezen. Mylady\'s staatsiezaal, zoo somber en verlaten, heeft iets hols en ledigs; en in het achterste vertrek, waar Hucket gisteravond zijne geheime nasporingen deed, maken hare kleederen en sieraden, ja zelfs de spiegels, die gewoon waren ze terug te kaatsen, alsof zy een gedeelte van baar zelve waren, denzelfden akeligen indruk. Hoe donker en koud de winterdag wezen mag, is bet toch in deze verlatene kamers donkerder en kouder dan in menige hut, die maar even bescherming voor het weder verleent; en boe-wel de bedienden de vuren aanstoken, en sofa\'s en stoelen achter de warme glazen schermen zetten, die bet roode licht tot in de verste hoeken laten doordringen, hangt er in die vertrekken toch een duistere nevel, welke geen licht kan verdrijven.

De oude huishoudster en haar zoon blijven daar tot alles in orde gebracht is, en dan gaat zg weder na;# boven. Volumnia heeft onder-tusschen julfronw Rouncewell\'s plaats ingenomen ; ofschoon parelsnoeren en rouge-potjes, hoezeer ook geschikt om l( a t h te \\ ervroolyken, den zieke in de tegenwoordige omstandigheden maar weinig troost kunnen geven, i )aar Volumnia gerekend wordt niet te weten (en ook inderdaad niet weet) wat er gebeurd is, heeft zij bet aanbieden van gepaste aanmerkingen eene netelige taak gevonden, en daarom het gebrek daarvan vergoed met een voor den zieke zeer lastig gladstrijken van het beddegoed, een overdreven voorzichtig heen en weder trippelen en een waakzaam in de oogen kijken. Ten laatste tluistert\' zy, met eene blijdschap, genoeg om


-ocr page 409-

MOEIELIJKE POSITIE VOOR MISS VOL (J.MN IA.

3!I3

haar ongeduldigen bloedverwant razend te doen ! worden: „Hij slaapt.quot; Maar om deze overtollige aanmerking te logenstraffen, schrijft Sir Lei-cester dadelijk en met verontwaardiging op de ! lei: „Neen, ik slaap niet.quot;

Nn derhalve den stoel hij het bed aan do stijve oude huishoudster overlatende, zit Volum-nia op eenigen afstand aan de tafel sympathe-tisch te zuchten. Sir Leicester tuurt weder naar het sneeuwen en luistert naar den voet- , stap, dien iiij verwacht. In de ooren zijner oude i

voor zijno eigene waardigheid misschien, dan wel om harentwil — dat hij zoo weinig van streek en zooveel dezelfde schijnt te zijn als mogelijk is. Vrouwen willen praten, en Volum-nia, hoewel een Dedlock, maakt geene uitzondering op dien regel. Hij lioudt haar daar — men kan er bijna niet aan twjjfelen — om te verhoeden, dat zij elders loopt praten. Hij is zeer ziek, maar hij houdt thans moedig stand tegen lichaamspijn en zieleleed.

Daar de schoone Volumniaeen van die leven-


dienares, die er uitziet alsof zij uit eene oude schilderijlijst was gestapt om een opgeroepen Dedlock uaar eene andere wereld te vergezellen, klinkt door die stilte gedurig een weergalm van hare eigene woorden. ..Wie zal het, hem zeggen !quot;

Hij is dien morgen onder de lumden van zijn kamerdienaar geweest, en ziet er zoo deftig uit als de omstandigheden veroorloven. Hij wordt door kussens overeind gehouden, zjjn grijs haar is op de gewone wjjze gekamd, zijn linnen is keurig net, en hij is in eene deftige kamerjapon gewikkeld. Het is noodig thans minder dige meisjes is, die niet lang stil kunnen zijn zonder gevaar te loopen van door den draak Verveling gepakt te worden, begint zij spoedig door een onontveinsbaar geeuwen de nadering van dat monster aan te duiden. Het onmogelijk vindende, dat gegeeuw op eene andere manier dan door praten te smoren, maakt zij juffrouw Ivouncewell een compliment over haar zoon, en verklaart, dat lijj zulk een knap liguur lieert als zij ooil gezien heeft, en zulk een krijgshaftig voorkomen, zou zjj denken, als, hoe heet lijj ook weer, haar ofticier van de


-ocr page 410-

HET VERLATEN HUIS.

yji

garde, lt;lie iillcrlietste man, tlie bij Waterloo gesmniveld is.

Sir Leicester hoort deze lofspraak met zooveel verwondering aan, en staart zoo verbijsterd rond, dat jull\'rouw Rounceweil hetnooaig acht hem de zaak te verklaren

„Aliss Dedlock spreekt niet van niyu oudsten zoon, Sir Leicester, maar van mijn jong-sten. Ik heb hem gevonden. Hy is tliuis gekomen.quot;

Sir Leicester verbreekt zyu stilzwijgen met een rauwen kreet. ,(ieorp,e ? Uw zoon (ieorge thuis gekomen, jull\'rouw Uouncewell ?quot;

De oude huishoudster veegt hare oogen at: ,(ioddaiik! .la. Sir Leicester.quot;

Treft deze ontdekking van een verlorene, deze terugkomst van een lang afwezige hem zoozeer, omdat hy daarin eene bevestiging zijner hoop vindt? Denkt hij: „Zal ik, met de hulp die ik heb. nu dat gebeurd is, haar niet behouden wederzien: daar zjj toch minder uren weg is geweest dan hy jaren ?quot;

Üet baat niet hem tot stilzwygen te nopen; bij wil nn spreken en doet dit ook ; met een dicht gedrang van vreemde geluiden, maar toch duidelijk genoeg om verstaan te worden.

«Waarom hebt ge mij dat niet gezegd, juffrouw Uouncewell?quot; — „Het is pus gisteren gebeurd, Sir Leicester, en ik twjjfelde of gjj wel genoeg waart om u van zulke dingen te spreken.quot;

Nu herinnert zich de yihoofdige Volumnia met haar gilletje, dut niemand had moeten welen, dat hij .jull\'rouw Houncewell\'s zoon was, en dat zij het niet had moeten zeggen. Maar juHrouw Rounceweil betuigt, met warmte genoeg om haar omspeldoek te doen zwellen, dat zij het Sir Leicester natuurlijk zou gezegd hebben zoodra hij beter werd.

, Waar is uw zoon (ieorge, jull\'rouw Rounceweil?quot; vraagt Sir Leicester.

Juffrouw Rounceweil, niet weinig ontsteld, dat de vermaning dos dokters zoo geheel vergeten wordt, antwoordt: „In Londen.quot; — , Waar in L o n d e n ?quot;

,/,y is genoodzaakt te bekennen dat hij in huis is.

, Laat hem dan hier in de kamer komen. Roep hem terstond.quot;

De oude vrouw kan niets anders doen dan hem gaan halen. Sir Leicester, hoewel hij zicli byna niet bewegen kan, verschikt zich een weinig om hem af te wachten.

Na dit gedaan te hebben, tuurt hij weder naaide vallende sneeuw en luistert naar de verwachte voetstappen. Lr is stroo op de straat gelegd om het gerucht te verdooven en zy zou misschien voor de duur kunnen komen zonder dat hy de wielen van bet rijtuig hoorde.

Zoo ligt bij. en srlijjut zijne nieuwere en kleinere venassing te vergeten, toen de huishoudster terugkomt, vergezeld door haar for-schen zoon. (ieorge komt zacht naar het bed, maakt op zijne manier eene buiging, zet de borst vooruit eu i) lij ft zoo staan, met een hoog rood gezicht, hartelyk over zich zeiven beschaamd.

,(loede hemel, en is dat waarlijk George Rounceweil!quot; roept Sir Leicester uit. „Kent ge mij nog. George?quot;

(ieorge moet hem aanzien en die geluiden ontwarren, eer hy weet wat er gezegd is; maar nadat hy dit gedaan heeft, waarbij zijne moeder hem een weinig helpt, antwoordt hy :

,lk zou wel een heel slecht geheugen moeten hebben. Sir Leicester, als ik u vergeten had.quot; „Als ik u aanzie, (ieorge Rounceweil,quot; brengt Sir Leicester met moeite uit, „vind ik iets van een jongen op Kastanje-Hof, dien ik my wel, zeer wel herinner.quot;

Hij ziet (ieorge aan tot hem de tranen in de oogen komen, en keert zich dan weder naar het venster.

„Neem mij niet kwalijk, Sir Leicester,quot; zegt (ieorge, „maar zoudt ge er tegen hebben, dat ik u eens in mijne armen opnam? Gji zoudt gemakkelijker liggen. Sir Leicester, als ik u wat mocht verplaatsen.quot; —- ,Als het u belieft, (ieorge Rounceweil; als ge zoo goed wilt zijn.quot;

(ieorge neemt hem als een kind op zijnearmen, tilt hem met gemak op en keert hemmetzyn gezicht meer naar het venster.

„Wel bedankt,quot; zegt Sir Leicester, „(lij hebt de zachtheid van uwe moeder en uwe eigene kracht. Wel bedankt!quot;

Hij wenkt hem met de hand om niet heen te gaan. (ieorge blijft stil by het bed staan wachten, tot hij weder aangesproken zal worden.

.Waarom hadtgy gewenscht uwe terugkomst geheim te honden ?quot; Sir Leicester heeft eeni-gen tijd noodig om dit te vragen. — „Men kan waarlyk niet veel eer met mij inleggen. Sir Leicester, en ik ik zou nog, Sir Leices-ter, als gjj niet zoo ongesteld waart — dat niet lang duren zal, hoop ik - ik zon nog hopen. dat ge zoo goed zult zijn om mij verder maar onbekend te laten biyven. Ik zou anders ophelderingen moeten geven, die niet moeie-lijk te raden zyn, maar nu niet heel wel te pas komen en mij niet veel eer kunnen aandoen. Hoe verschillend men ook over verschillende zaken denken mag, ik geloof toch, dat iedereen wel zal hegrypen. Sir Leicester, dat men nergens veel eer niet mij kan inloggen.quot;

,iiij zyt soldaat geweest.quot; merkt Sir Leices-ter aan, .en een braaf soldaat.quot; (ieorge maakt zijne militaire buiging „Wat dat betreft, Sir Leicester, ik heb onder subordinatie mjjn plicht gedaan, en dat was wel het minste wat ik doen kon.quot; — „(iij vindt my ver van wel, (ieorge Rounceweil,quot; zegt Sir Leycester wiens oogen als \'t ware naar tiem toe getrokken worden. — „Het spijt, my zeer, dat te hooren en te


-ocr page 411-

MET 11AKT EN ZIEL EEN EDELMAN.

31)5

zien, Sir Leicester.quot; — ,Daarvan ben ik overtuigd. -hi. Behalve mijne oude kwaal heb ik onverwacht een erg toeval gekregen. Iets, dat mij verdooft,quot; terwijl hij met de hand langs zijne zijde poogt te strijken, „en belemmert.quot; Daarbij raakt lijj zijne lippen aan.

George maakt, met een blik, die toestemming en medelijden uitdrukt, nog eene buiging. De geheel andere tjjd, toen beiden jongelieden waren (George verreweg de jongste van de twee) rijst voor beiden op en verteedert beiden.

Sir Leicester beproeft, blijkbaar met voornemen om op zijne eigene manier iets te zeggen, dat hem op het gemoed ligt, eer lijj weder in stilzwijgen verzinkt, zich tussclien zyne kussens wat meer op te beuren. George, deze beweging waarnemende, neemt hem weder in zijne armen op en plaatst hem gelijk hy het verlangt.

„Ik dank u, George. Gy zyt een tweede ik voor mij. Gy hebt op Kastanje Hof dikvvijls mijn geweer gedragen, George. Gy zyt mij niet vreemd in deze vreemde omstandigheden, geheel niet vreemd.quot; Hij heeft Sir Leicester\'s gezondsten arm over zijn schouder gelegd om hem op te tillen, en slechts zeer langzaam trekt Sir Leicester dien arm weder weg, terwijl hy dit zegt. „Ik wilde er nog bijvoegen,quot; vervolgt hij weldra, „ik wilde er nog bijvoegen, wat dit toeval aangaat, dat het ougohikkig juist gelyktijdig kwam met een gering misverstand tusschen mylady en my. Ik meen niet dat er eenig verschil tusschen ons was (want dat is er niet geweest); maar het was een misverstand van zekere omstandigheden, die alleen voor ons zeiven van gewicht zijn; en dit berooft rny voor eene korte poos van mylady\'s gezelschap. Zy heeft het noo-dig geacht eene reis te gaan doen — ik vertrouw, dat zij spoedig zal terugkomen. Volum nia, maak ik mij wel verstaanbaar-\' Ik heb mijne woorden niet geheel in mijne macht, wat de manier van uitspraak betreft.quot;

Voluamia verstaat hem volmaakt wel; en inderdaad spreekt hij veel duidelijker dan men eene minuut geleden voor mogelijk had kunnen houden. De inspanning, waarmede hij dit doet, staat op zijn angstig en pijnlijk gezicht te lezen. Alleen de kracht van zijn wil stel) hem daartoe in staat.

„Daarom, Volumnia, verlang ik in uwe tegenwoordigheid te zeggen — en in tegen woordigheid van mijne oude aanhoorige vriendin, jullrouw Hourii-ewell, wier waarheidsliefde en trouw niemand kan betwijfelen en in tegenwoordigheid van haar zoon George, die voor mij staat als eene gemeenzame herinnering uit mijne jeugd in het verblijf mijner voorouderen op Kastanje-llul ingeval ik mocht instorten, ingeval ik niet moeht herstellen, ingeval ik net vermogen om te spreken en te schrijven beide mjcht verliezen, hoewel ik beter hoop ....quot;

De oude huishoudster zit stil te schreien; Volumnia toont zich zeer ontroerd, zelfs met dien frisschen blos op de wangen; George staat, met i gekruiste armen en eenigszins gebogen hoofd, eerbiedig en oplettend te luisteren.

„Daarop verlang ik te zeggen en u allen tot getuigen te nemen — met u zelve, Volumnia, ; op het plechtigst beginnende — dat ik met Lady Dedlock op denzelfden voet ben als te voren. Dat ik geene reden hoegenaamd tot beklag over haar verklaar te hebben. Dat ik i altijd de sterkste genegenheid voor haar gehad : heb, en dat ik die onverflauwd blijf koesteren.

/.eg dit aan haar zelve, en aan iedereen. Als i gij ooit minder zegt dan dit, zult gy u aan i opzettelijke valschheid schuldig maken.quot;

Volumnia betuigt bevende, dat zy zijn last letterlijk zal volgen.

„Mylady is te hoog van rang, te uitstekend in schoonheid en talenten, te zeer verheven in de meeste opzichten boven de besten, die haar omringen, om geene vijanden en kwaadsprekers te hebben, durf ik wel zeggen. Laat het hun i bekend worden, gelijk ik het u bekend maak, | dat ik, zijnde gezond van geest, geheugen en ï verstand, geene beschikkingen herroep, die ik ten haren gunste gemaakt heb. Ik neem niets terug van wat ik haar ooit gegeven heb. Ik ben altyd op denzelfden goeden voet met haar, en ik herroep - hoewel ik volle macht zou hebben om dit te doen, als ik zoo gezind was, | gelijk gij ziet — niets van datgene wal ik tot haai\' voordeel en geluk gedaan heb.quot;

Deze stijve omhaal van woorden zou op een anderen tijd, gelijk dikwijls het geval is geweest, iets bespottelijks kunnen hebben; maar thans is dit alles ernstig en aandoenlyk. Zyn ernst, zijne trouw, de grootmoedigheid waarmede hy haar wil beschermen en zyne eigene grieven vergeten, en de edele trots dien hij nog in haar blyft stellen, dat alles is waarlyk deftig, eenvoudig en man.lelijk Door den glans van zulke eigenschappen heen kan men m den gemeen-sten handwerksman niets van lageren aard opmerken, en ook niet iu den hoogst geboren edelman, in zulk een licht streven beide kinderen van het stof naar dezelfde hoogte, schitteren beide evenzeer.

Door zyne inspanning afgemat, Iaat hy zijn hoofd op zijne kussens zinken en sluit de oogen; maar voor niet langer dan eene minuut. Dan begint hy weder naar buiten te turen en naar ieder gesmoord geluid te luisteren. Door het bevvyzen van bovengemelde kleine diensten en de manier waarop zij zyn aangenomen, is George een iu de ziekenkamer onmisbaar persoon geworden. Er is niets over gezegd, maar iedereen heeft toch begrepen, dat hy daar moet blijven. Hy gaat een paar stappen achteruit om buiten gezicht te zyn, en blyft een weinig ach ter den stoel zyuer maeder op schildwacht staan.


-ocr page 412-

396 HET VERU

3N HUIS.

Do dag begint nu af te nemen. De mist en | dii met regen gemengde sneeuw worden donkerder, en liet vuur begint een helderder gloed ! op de wanden en meubelen te werpen. Do duisternis neemt toe; bet heldere gas vlamt in do straten op, en de hardnekkige olielantaarns, : die daar nog post houden en wier Jevonsbron | halfbevroren en half ontdooid is, flikkeren alsof | zö stervend naar adem hijgden. De wereld, die over hot stroo hoeft gerommeld en aan do schel getrokken „om te vragen,quot; begint naar | huis te rijden, zich te kleeden, te dineeron, en inot do laatste nieuwe manieren over hare lieve vriendin te praten, gelijk reeds gemold is.

Nu begint Sir Leicester erger te worden; hij is ongeduldig, rusteloos en heeft veel pijn. Voluninia, die (met oene gepredestineerde geneigdheid om iets onaangenaams tedoon)eene kaars aansteekt, wordt gelast om die weder uit t,o doen ; want het is no^ niet donker genoeg, liet is echter ai zeer flonker, zoo donker als hot don goheelen nacht zal worden. Mono poos latei\' beproeft zjj het nog eens. „Xeen! Laat zo uit. Het is nog niet donker genoeg.quot;

De oude huisliondster is de eerste, die begrijpt, dat hij zich /.elven wil opdringen, dat hot niet laai wordt.

,Lieve Sir Leicester, mijn geëerde meester,quot; {luistert zjj zacht, „ik moet, tot uw eigen bestwil en om mijn plicht te doen, de vrijheid nemen om u te bidden, dat ge niet langer in die ; akelige duisternis blijft liggen wachten, en zoo den tijd nog langer doet duren. Laat ik de gordijnen dicht schuiven on de kaarsen aansteken, en ii meer op uw gemak helpen. Do klokken zullen toch evengoed de uren slaan. Sir Leicester, en de nacht zal evengoed omgaan, en mylady zal evengoed terugkomen.quot; — „Ik weet het wei, juffrouw liouncewell, maar ik ben kinderachtig en hij is al zoolang weg.quot;— .Nog zoo iieel lang niet, Sir Leicester. Nog geen vier en twintig uren.quot; „.Maar dat is al lang, O, dat is al zoo lang!quot;

IIij zegt dit met een benauwden zucht, die haar hot hart doet wegkrimpen.

Zij begrijpt, dat dit geen tijd is om hem door een onbarmhartig lit bt te laten beschijnen ; /jj acht zijne tranen te heilig om zelfs door haar 1 te worden gezien, /y blijft dus nog oene poos i in het donker zitten, zonder oen woord te sproken. Dan begint zij zachtjes aan beweging te ■ maken ; nu pookt zij hot vuur op, dan gaat zij naar het donkore venster om uit te kykon. Kiiidolijk heeft lüj zijne zelfbelieersching iier-iiomen en zegt liy : „(Jolijk gij zegt, juffrouw Kouncewell, het is niet erger, al bekent men liet. Het wordt laat en zij komen nog niet. Steek maar licht aan.quot;

Nadat dit gedaan is en de gordijnen dicht geschoven zyn, kan hij niets meer doen dan | luisteren.

Men vindt echter, dat by, zoo ziek en neerslachtig als hy is, eenigszins opheldert wanneer men veinst stil te gaan zien of de vuren in hare kamers wel doorbranden en alles gereed is om haar te ontvangen. Die schijn, hoe ijdol ook, alsof zij verwacht werd, houdt de hoop by hem levendig.

Het wordt middernacht, en nog is alles eveneens. lüjtuigen zijn er weinig meer op straat, en anders hoort men in die buurt des nachts geen geluid, of het moest van oen dronkaard zyn, zoo geheel buiten westen, dat hij in do bevrozeno luchtstreek verdwaald en zijn ongenoegen over de koude uitbulkende, langs hot voetpad slentert. In dezen winternacht is het zoo stil, dat het luisteren naar die diepe stilte hetzelfde is alsof men in oene stikdonkere duisternis tuurde. Indien een Hauw geluid zich nu en dan laat hooron, sterft het weg, gelijk een Hauw lichtje in do duisternis doet; en is alles nog stiller en somberder dan te voren.

De stoot van bedienden is naar bed gezonden (en niet ongaarne gegaan, daar allen den rorigon nacht zijn opgebleven) en alleen juffrouw Uouncowell en George houden in Sir Leicester\'s kamer do wacht, Torwyl do nacht zich traaglijk voortsleept — of liever terwyl hij, tusschen twee en drie uren, geheel schijnt te blijven stilstaan — merken zij oen rusteloos verlangen by lieui om meer van bot weder te weten, nu hij dit zelf niet meer zien kan, tieorgo, die ieder balt uur geregeld door do kamers patrouilleert, welke zorgvuldig warm worden gehouden, strekt dus zyn marsch tot aan do voordeur uit, ziet daar eens rond en brengt liet gunstigste rapport, dat hij van hot allerslechtste weder kan geven; het blijft nog altyd sneeuwen en dooien, en zelfs op de voetpaden stapt men tot aan de onkels door een nog half bevroren modderplas.

Voluninia, in hare kamer, hoog en ver weg in hot huis — om den tweeden hoek van een gang voorbij hot einde van het snywork en verguldsel oene logeerkamer, die een schrikkelijk mislukt portret van Sir Leicester bevat, dat om zijne leeljjkhoid daarheen is verbannen, on die overdag op eeno deftige binnenplaats uitziet, beplant mot verdroogde hoestors die naar doode stekken van zwarte theeboom-pjes gelijken — is ten prooi aan allerlei ijsolyk-heden. Lang niet de geringste daarvan is misschien de gedachte hoe het met haar gering inkomen zou gaan. ingeval, gelijk zij hot uitdrukt .Sir Leicester iets mocht overkomen.quot; Met dit iets meent zij slechts één ding, en dat wel het laatste wat een levend baronet in deze wereld kan overkomen.

Ken gevolg van deze ijselijkheden is, dat Voluninia niet naar bed kan gaan, of stil in hare eigene kamer blijven zitten, maar met het schoone hoofd in een dikken dook en de


-ocr page 413-

MIJNHEER GEORGE HOUDT DE WACHT.

nov

j sierlijke es tal te in een mantel gewikkeld, als j een spook door liet huis moet omdwalen, en vooral I de warme en weelderige kamers opzoeken, welke voor iemand in gereedheid worden gehouden, die nog maarniet terugkomt. Dewijl onder zulke omstandigheden aan geene eenzaamheid te denken is, wordt Volumnia door hare kamenier vergezeld, welke, tot dat einde uit haar bed geroepen — zeer koud, zeer slaperig, en over het geheel zeer ongelukkig, omdat zij de arme nicht eener groote dame moet dienen, terwijl zij de kamenier van die groote dame zelve had willen zijn geen zeer vriendelijk gezicht toont.

De bezoeken, die George geregeld in deze kamer aflegt, geven echter meesteres en kamenier eene verzekering van bescherming en gezelschap, die ze in het holle van den nacht zeer welkom doet zijn. Wanneer men hem i hoort aankomen, maken beide haastig voor den I spiegel eenige kleine toebereidselen om hem te ontvangen; voor het overige verdeelen zij hare | nachtwaak in korte poozen van vergetelheid I en in samenspraken, niet geheel vrij van scherp-; beid, over het punt ot\' Volumnia, die met hare I voeten op den luiardrand zit, al of niet in het ! vuur zou zijn gevallen, toen zij (tot haar groot | ongenoegen) door haar beschermengel, de kamenier. werd gered.

„Hoe is Sir Leicester nu, mijnheer George ?quot; vraagt Volumnia, terwijl zij den doek om haar hooid verplooit. „Sir Leicester blijlt zoo omtrent hetzelfde, juffrouw. Hij is heel ziek en zwak, en somtijds ijlt hij zelfs eenigszins.quot; — „Heeft hij ook naar mij gevraagd ?quot; zegt Volumnia, op een toon vol teederheid. — „Neen, dat kan ik juist niet zeggen, juffrouw. Namelijk, niet zooveel ik gehoord heb.quot; - „Dit is wel een droevige tijd, mijnheer George.quot; - „Ja, waarlijk wel, juffrouw. Maar zoudt ge toch niet liever naar bed gaan?quot; — „Zeker zoudt gij veel beter naar bed gaan, Aliss Dedlock,quot; voegt de kamenier er scherp tusschen in.

Doch Volumnia antwoordt; „Neen, neen!quot; Mr zou naar haar kunnen gevraagd worden, men zou haar oogenblikkelijk kunnen noodig hebben. Zij zou het zich zelve nooit kunnen vergeven als er iets gebeurde en zjj niet bij de hand was. Zij wil zich niet uitlaten over de vraag, die hare kamenier opwerpt, hoe het komt, dat zij daar bij de hand moet zijn en niet in hare eigene kamer, welke dichter bjj die van Sir Leicester is, maar verklaart standvastig, dat zij daar wil blijven. Verder rekent Volumnia het zich tot verdienste, dat zij „geen enkel oog gesloten heeft \' - alsof zy er twintig of dertig had hoewel deze verklaring moeielijk daarmede is te vereenigen, dat zij er nog geene vyf minuten geleden ontegenzeglijk twee heeft geopend.

Doch toen het vier uur wordt en alles nog

even stil blijft, begint Volumnia\'s trouw te bezwijken, of liever nog sterker te worden ; want nu begrijpt zij, dat net haar plicht is zich voor den volgenden dag gereed te houden, wanneer er misschien veel van haar verwacht zal wor- | den; en dat het, hoe gaarne zij ook daar wilde blijven wachten, misschien als een blijk van zelfopoffering van haar gevergd zou kunnen worden, dat zij zich nu te rust begaf. Toen dus George wederom aankomt met zijn: „Zoudt ge niet liever naar bed gaan, juffrouw ?quot; en | de kamenier nog ernstiger dan te voren betuigt : „Zeker zoudt ge veel beter naar bed gaan. Miss Dedlock !quot; staat zij op en zegt gedwee: „Doe met mij wat gij voor het beste houdt.quot;

George acht bet zonder bedenking best haar aan zijn arm naar de deur barer kamer te geleiden, en hare kamenier acht het evenzeer zonder bedenking best haar met zeer weinig plichtplegingen in bed te stoppen. I leze maatregelen worden dus genomen; en nu heeft George, als hy de ronde doet, het huis voor zich geheel alleen.

Het weder wordt niet beter. Van dak- en deurlijsten, vensterkozijnen, palen eu hekken druipt het sneeuwwater af. De sneeuw, die, als om zich te verschuilen, tusschen de reten van deuren en vensters, en in alle hoekjes en gaatjes is gekropen, smelt daar langzaam weg; en nog blijft er gestadig meer vallen, op het dak, op de lantaren; eu zelfs door de lantaren druipt het - tik, tik, tik, even regelmatig als de voetstap op de Geestenwandeling — op den steenen vloer beneden.

Zijn licht op armslengte van zich afhoudende, gaat George, wiens oude herinneringen verlevendigd worden door de eenzame pracht van een aanzienlijk huis eens op Kastanje-Hof niets nieuws voor hem — de trappen op en de voornaamste kamers door. Hij denkt aan zijne verschillende lotwisselingen in de laatste weken, aan zijne jongensjaren op het land, en aan de twee tijdperken van zijn leven, die, zoo ver van elkander gescheiden, op zulk eene vreemde w ijs met elkander in verband gebracht worden ; bij denkt aan den vermoorde, wiens beeld hem nog helder voor den geest staat ; hij denkt aan de dame, die uit dezelfde kamers verdwenen is en van wier aanwezigheid nog overal de sporen zijn te zien; hij denkt aan den heer des huizes, die daar boven ligt, en aan het onheilspellende „Wie zal het hem zeggen!quot; Hij i ziet hier en daar rond, en denkt hoe hij nu I wel iets zou kunnen zien, dat zijn moed op | de proef zou stellen om er op af te gaan, naar te tasten en te bevinden, dat het verbeelding was. Doch alles is ledig; ledig gelijk leduisternis boven en beneden, terwijl bij de groote trap weder opgaat ; ledig gelijk de drukkende stilte.

„Is alles nog in gereedheid, George Houn-


-ocr page 414-

398 HET VERLATEN HUIS.

cewell ?quot; — , Volkomen in ordp, Sir Leicester.quot; 1 — „Geene boodschap ?quot;

(ifiorge schudt zjjn hoofd.

„(ieen brief, die mogelijk vergeten kan zijn ! over te geven ?quot;

Maar lijj weet wel, dat hierop geene hoop ; : is, en iegrt zjjn hoofd weder neer, zonder naar ! antwoord te wachten.

lieheel niet vreemd voor hem, geljjk hij zelf ■ eenifje uren geleden zeide, blijft George Houn-cewell gedurende het overige van dien langen i eentonigen winternacht by hem, tilt hem nu i en dan op om hem gemakkelijker neer te ieg-| gen, en weet zoodanig zijne wenschen te raden, dat hij, zonder dat Sir Leicester dit zegt, zoodra de late dag aanbreekt, het licht uitdoet : en de gordijnen openschuift. Do dag nadert i als eene schim. Koud en kleurloos, zendt lijj eene waarschuwende, doodsbleeke schemering vooruit, alsof hij riep; „Ziet wat ik u breng, gjj, die daar waakt! Wie zal het hein zeggen !quot;

LIX.

KSTHKR\'S veuhaai..

Het was drie uren in den ochtend toen de i huizen der buitenwijken van Londen eindelijk het land begonnen uit te sluiten en ons | met straten te omringen. Wjj hadden de wegen in veel slechter staat gevonden, dan toen wij ze bij dag hadden bereden, daar het sedert aanhoudend was blijven sneeuwen en dooien; maar de ijver van mijn reisgenoot verfiauwde nooit. Die ijver, dacht ik, had bijna niet minder toegebracht dan de paarden om ons voort ; te helpen, en had dikwijls de paarden zeiven 1 voortgeholpen. V.i] waren halverwege tegen een heuvel op buiten adem blijven staan, zij hadden door bruisende waterstroomen moeten worstelen, zjj waren uitgegleden en hadden zich in het tuig verward; maar altijd waren hjj en zijn lantaarntje gereed, en wanneer het ongeluk hersteld was, hoorde ik nooit, eenige verandering in zijn koel:, Voort maar, jongens.quot;

De gerustheid en het zelfvertrouwen, die hij op onze terugreis had getoond, waren mij onbegrijpelijk. lijj weifelde nooit, hij liet zelfs niet ophouden om iets te vragen, tot wjj binnen weinig mijlen van Londen waren gekomen. Lenige woorden hier en daar waren hem genoeg; en zoo kwamen wjj tusschen drie en vier uur in den ochtend aan Islington.

Ik wil niet uitweiden over den angst, waarmede ik al dien tijd dacht, dat wjj mijne moeder met elke minuut al verder en verder achterlieten. Ik hoopte wel, dat bij gelijk zou hebben, en geloofde wel, dat hy eene voldoende reden hebben moest om die vrouw te volgen ; ; maar ik kwelde mjj zelve toch op de geheele

reis met twijfelingen en gissingen. Wat er ge- ! schieden moest als wy haar gevonden hadden, • en wat ons dit tijdverlies zou kunnen vergoe- | den, waren insgelijks vragen, die ik niet uit ^ mijne gedachten kon verdrijven. Ik was door ; al dat nadenken geheel en al verbijsterd, toen wij stilhielden.

Wij waren by eene standplaats van huurkoetsen. .Myn geleider betaalde onze twee postiljons, die zoo geheel met slijkspatten waren bedekt, alsof zij evenals het rijtuig zelf over den weg waren gesleept; en na hun snel ge- ; zegd te hebben waar zij het moesten brengen, tilde hij mij er uit en in de huurkoets, die hy onder de anderen had uitgekozen.

„Wel, lieve jutfrouw,quot; zeide hij, toen hij dit deed, „wat zyt ge nat!quot;

Ik had dit niet eens opgemerkt. Maar het sneeuwwater was in het rytuig geloopen, en ik was een paar malen afgestapt toen er een paard gevallen was en opgeholpen moest worden, en zoo was de vochtigheid door mijne klee-ren gedrongen. Ik verzekerde hem, dat dit niets te beduiden had; maar de koetsier, die hem kende, stoorde zich niet aan wat ik zeide, maar liep de straat af naar zijn stal en haalde een arm vol schoon droog stroo. Dit schudden zij uit om mij heen, en ik vond, dat ik zóó warm en gemakkelijk zat.

„Nu, kindlief,quot; zeide Bucket, zyn hoofd door het portier stekende, nadat hij het had gesloten, „zullen wij die persoon gaan opzoeken. Dat kan wel eenigen tyd duren, maar daarom moet gy niet geven, ( iy zijt toch wel overtuigd, dat ik eene reden heb, niet waar?quot;

Weinig dacht ik wat die reden was — weinig dacht ik hoe spoedig ik die beter zou begrijpen ; maar ik verzekerde hem, dat ik vertrouwen in hem stelde.

„Dat moogt gij ook wel, kindlief,quot; antwoordde hy. „ l\',n ik zal u eens wat zeggen! Als gij maar half zooveel vertrouwen in mij stelt, als ik in u : doe, na wat ik van u ondervonden heb, zal ik al ; tevreden zijn. Och Hecre, gij zyt geheel niet las- | tig. Ik heb nooit eene vrouw, van welken rang in I de maatschappij het ook was — en ik heb er velen \\ van Imogen rang zelfs gezien - zich zoo zien ge- j dragen als gij gedaan hebt, sedert gij uit uw ! bed werdt geroepen. Gy zijt een model, dat zijt j ge,quot; zeide hij met warmte, „een model.quot;

Ik zeide, dat ik zeer blyde was, gelyk ik ; werkelijk was, dat ik hem niet tot belemme- i ring was geweest, en hoopte, dat ik dit nu | ook niet. zou wezen.

„Kindlief,quot; antwoordde hij, „als een jonge 1 jull\'rouw even ferm als zachtzinnig is, en even zachtzinnig als ferm, dat is al wat ik vraag en meer dan ik verwacht, /y wordt dan eene koningin, en dat is ten naastenbij wat gy zijt.quot;

Met deze bemoedigende woorden - zy waren in die akelige omstandigheden werkelijk bemoe-


-ocr page 415-

LONDEN. 309

TERUG TR

digend voor mij — klom liij op den bok en reden vyij wederom voort. Waarheen wjj reden wist ik niet en heb ik nooit, geweten; maar wij schenen de smalste en slechtste straten van Londen op te zoeken. xVIs ik hem den koetsier den weg zag beduiden, maakte ik er mij op gereed, dat wij weder in zulk een doolhof van straten zouden komen, en dit miste ook nooit.

Somtijds kwamen wij in eene breedere straat of\' aan een grooter gebouw dan de andere en wel verlicht. Dan hielden wij op voor kantoren gelijk dat eene, dat wij bij het begin onzer reis hadden bezocht, en zag ik hem met anderen raad nemen. Somtijds stapte hij bij eene poort op den hoek eener straat af\', enquot; liet het licht van zijn lantaarntje op eene bijzondere manier schijnen. Uit trok dan dergelijke licbt-les uit donkere hoeken aan, en dan werd er wederom raad gehouden. Langzamerhand schenen wij onze nasporingen binnen engere grenzen te beperken. Enkele op post staande politiedienaren konden mijn geleider nu zeggen wat hij moest weten, en hem wijzen waar hij heen moest. Eindelijk bleven wij stilstaan en hield hij een tamelijk lang gesprek met een van die lieden, hetwelk ik begreep, dat hem bijzonder voldeed, daar ik hem van t.jjd tottijd zag knikken. Poen het gedaan was kwam bjj zeer opgewekt naar rnjj toe.

„Nu, jutlrouw Snmmerson,quot; zeide hij, „zult gij niet ontstellen van wat er ook gebeurt, dat weet ik wel. Het is niet noodig, u eene verdere waarschuwing te geven, dan u te zeggen dat wij die persoon zoo goed als gevonden hebben, en dat ge mij van dienst zult kunnen zijn eer ik het zelf weet. Ik vraag het u niet gaarne, kindlief, maar zoudt gij geen eindje te voet willen gaan?quot;

Ik stapte natuurlijk terstond af en nam hem bjj den arm.

„Hetjs niet heel gemakkelijk op de been te blijven,quot; zeide hij; „maar langzaam aan!quot;

Hoewel ik, toen wjj eene straat overgingen, slechts verward en haastig rondkeek, meende ik die toch te herkennen. „Zijn wijin Holborn?quot; vroeg ik. — „Ja,quot; antwoordde Hncket. „En kent gij deze dwarsstraat?quot; ./ij gelijkt naar ( li an-eery-Lane.quot; — „En zoo heet zij ook,quot; zeide liuck et.

Wij gingen die straat in. en terwijl wij door de glibberige modder voortschoven, hoorde ik de klokken half\' zes slaan. \\\\ ij stapten stil en zoo snel als over zulk eene straat mogelijk was voort, toen ons iemand in een mantel gewikkeld op het smalle voetpad tegenkwam en staan bleef om ons voorbij te laten. lt;)p het zelfde oogen-blik hoorde ik een uitroep van verwondering en mijn eigen naam. Hef was Woodcourt; ik herkende de stem terstond.

Deze ontmoeting was zoo onverwacht, en zoo

ik weef niet of ik het verblijdend ofsmar-1 tel ijk zal noemen — na mijn koortsigen zwerftocht en in den donkeren nacht, dat ik mij de tranon niet uit de oogen kon houden. Het was alsof ik zijne stem in een vreemd land boorde.

„Lieve juflrouw Snmmerson, dat gij op zulk oen uur en in zulk weder op straat moet wezen 1quot;

Hij bad van mijn voogd gehoord, dat ik door buitengewone omstandigheden van huis was geroepen, en zeide mij dit, opdat ik geene opheldering zou behoeven te geven. Ik zeide hem, dat wjj pas zoo even eene koets hadden verlaten en gingen — maar nu was ik genoodzaakt naar mijn geleider om te zien.

„(Hj. moet weten, mijnheer Woodcourt,quot; (hij bad dien naam van mij opgevangen) „dat. wjj maar naar de naaste straat gaan. Inspecteur Hncket.quot;

Woodcourt had, zonder op mijne tegenspraak te letten, haastig zijn mantel afgedaan en hing mij dien om. „Dat is wel bedacht,quot; zeide Hncket, hem helpende, „heel wel bedacht.quot; — „Mag ik medegaan?quot; zeide Woodcourt. Ik weet niét, of het tegen iruj of\' mijn geleider was. - „Wel zeker,quot; antwoordde Hncket terstond.

Dit was in een oogenblik afgeloopen, en zjj namen mij, in den mantel gewikkeld, tusscheit hen in.

„Ik kom zoo terstond van Hicbard,quot; zeide Woodcourt. „Ik ben sedert gisteravond tien uur bij hem gebleven.quot; — „O hemel 1 Dus is bij ziek!quot; — „Neen, neen; geloof my. Niet ziek, maar toch niet geheel wel. IHj gevoelde zich zwak en flauw — gij weet wel, bij tobt zich somtijds zoo af — en\' bet spreekt vanzelf, dat Ada uijj liet roepen. Toen ik thuis kwam\' vond ik haar briefje en kwam terstond hier naar toe. Welnu Kichard knapte zoo op, nadat ik een poosje by hem was geweest, en Ada was zoo blij en zoo overtuigd, dat dit mijn bedrijf was, schoon de hemel weet, dat ik er weinig genoeg aan had toegebracht, dat ik by hem bleef tot bij eenige uren gerust had liggen slapen, /oo genist als zij nu slaapt, hoop ik.quot;

De vriondsi happeljjke en gemeenzame toon, waarop hij van hen sprak, zijne ongeveinsde hartelijkheid voor hen, het dankbare vertrouwen, hetwelk ik wist, dat hij mijne lieve Ada inboezemde, en de troost, dien hij haar gaf; kon ik dat alles buiten verband houden met de belofte, die by my gegeven had? Hoe ondankbaar had ik moeten zijn, als ik mij niet her imierd had wat by tot mjj zeide, toen de verandering van mijn voorkomen hem zoo had doen ontroeren. .,Ik zal hem als een toevertrouwd pand heschdiiwen, en dat vertrouwen zal mij heilig zijn.quot;

Wij sloegen nu eene andere smalle straat in.

„Mijnheer Woodcourt,quot; zeide Hncket, die onder het voortgaan scherp op hem gelet had.


-ocr page 416-

HET VERLATEN HUIS.

400

„wjj moeten hier bij een kantoorvvinkclior zijn; zekere mgniieer Snagshy. Wat, gij kent hem, niet waar?quot; Hjj was zoo vlug van begrip,dat hy dit dadelijk zag. - ,Ja, ik ken hem eenigs-zins, en ben hier wel by hem geweest.quot; — „Zoo mijnbeerVquot; zeide Bucket. „WUt gij dan zoo goed zijn om op juffrouw Summerson te passen als ik haar een oogenblik bij u laat, terwjjl ik even met hem ga spreken?quot;

De laatste politiedienaar, die met hem gesproken had, stond stil achter ons. I k wist dit niet, voordat ik zeide, dat ik iemand hoorde schreeuwen, en hy er op inviel;

„Schrik maar niet, juffrouw,quot; zeide by., Dat is de meid van Hnagsby.quot; - „(jij moet weten,quot; liet Bucket hierop volgen, „dat meisje is aan toevallen onderhevig en heeft ze van nacht juist erg. Dat is eene lastige omstandigheid, want ik wilde zekere inlichtingen van dat meisje hebben, en zij moet op eene of andere manier tot rede gebracht worden.quot; ,Zij zouden ook nog niet op wezen, als het niet om haar was, mijnheer Bucket,quot; zeide de ander. „Zy is haast den geheelen nacht aan den gang geweest, mynheer.quot; „Dat is ook waar,quot; antwoordde Bucket. „Myn licht is uitgebrand. Laat het uwe even schynen.quot;

Dit alles werd Huisterend gesproken, een paar deuren van het huis, waar ik llauw konbooreu sibreenwen en kermen. In den kleinen lichtkring, dien uien daartoe liet schijnen, ging IJucket naar de deur en klopte aan. Nadat bij nog eens had geklopt, werd de deur geopend ; bij ging naar iiinnen en liet ons op straat staan.

„.Inffrouw Summerson,quot; zeide Woodcourt, „als ik, zonder mij aan uw vertrouwen op te dringen, by u mag blijven, bid ik u, laat my dal dan doen.quot; ,.\'iij zijt wel vriendelijk,\' antwoordde ik. „Ik behoef niet te wenschen een geheim voor u te bewaren; als ik dit doe, is bet dat van een ander.quot; „Ik versta u. (leloof my, ik zal maar zoolang by u blyven als ik dat geheim ten volle kan eerbiedigen.quot;

„Ik vertrouw u onvoorwaardelijk,quot; zeide ik. „Ik weet en gevoel ten diepste boe heilig gij uw woord houdt.quot;

Na eene korte poos verscheen de lichtkring weder en kwam liucket met zyn ernstig gezicht naar ons toe.

„Wees zoo goed om binnen te komen, .juffrouw Summerson,quot; zeide hij, „en bij bet vuur te gaan zitten. Mynheer Woodcourt, ik heb daar vernomen, dat gij een dokter zjjt. Zoudt gij eens naar dat meisje willen zien en beproeven of zy niet bij te brengen is? Zij heeft ergens een brief, dien ik volstrekt noodig heb. Iljj i-. niet in haar koffer, en ik denk, dat zij hem bij zich moet hebben ; maar zij ligt zoo ineengekrompen en verwrongen, dat bet inoeie-lyk is baar aan te raken zonder haar te he-zeerenquot;

Wij gingen alle drie in huis; hoewel heter koud was, beerschte er toch eene benauwde lucht. Ln de gang achter de deur stond een manneke in eene grijze jas met een verschrikt en angstig gezicht. Hij scheen uiterst beleefd te willen zijn en sprak zeer bedeesd.

„Beneden, als het u belieft, mijnheer Bucket,quot; zeide hij. „De juffrouw zal het wel niet kwalijk nemen als ik haar in de voorkeuken laat; wij gebruiken die gewoonlijk voor huishoudkamer. De achterkeuken is Gusta\'s slaapkamer, en daar gaat de arme meid weer schrikkelijk te werk.quot;

Wij gingen naar beneden, door mijnheer Snagsby gevolgd, want deze was, gelijk ik spoedig ontdekte, het manneke met de grijze jas. In de voorkeuken bij het vuur zat juffrouw Snagsby, met zeer roode oogen en een zuur gezicht.

„Vrouwtje,quot; zeide mijnheer Snagsby, achter ons binnenkomende, „om de vijandelijkheden — om er niet te veel van te zeggen — in dezen langen nacht voor een oogenblikje op te schorten hier is inspecteur Bucket, mijnbeer Woodcourt en eene dame.quot;

Zij keek zeer verbaasd, waartoe zij ook wel reden bad, en zag mij bijzonder scherp aan.

„Vrouwtje,quot; zeide Snagsby, zich in denversten hoek bij de deur neerzettende, alsof bij eene vrijpostigheid beging, „het is niet onwaarschijnlijk, dat ge mij zult vragen waarom inspecteur liucket, mynheer Woodcourt en eene dame ons hier in den vroegen ochtend komen opzoeken. Ik weet het niet. Ik heb er niet het minste denkbeeld van. Als men het mij zeide, zou ik het toch niet kunnen begrijpen, en ik had liever, dat het mjj maar niet gezegd werd.quot;

Hij scheen, terwijl hij daar met het hoofd in de hand zat, zoo bedrukt te zyn en ik scheen zoo onwelkom te wezen, dat ik verschooning wilde verzoeken, toen Bucket zich de zaak aantrok.

„Nu, mijnheer Snagsby,quot; zeide by, „is het beste, dat gij doen kunt, om met mijnheer Woodcourt naar uwe Gusta te gaan kijken.quot;

„Mijne (justa, mijnheer Bucket!quot; riep mijnheer Snagsby uit. „Ga maar voort, mijnheer, ga maar voort. Dat zal my nu ook nog te last gelegd worden.quot; „Ln de kaars vast te houden,quot; vervolgde Bucket, zonder zijne uitdrukking te verbeteren, „of haar vast te houden, of te doen wat u gevraagd wordt. Niemand is gewilliger en dienstvaardiger dan gij, dat weet ik wel; want gij zijt altijd even beleefd en vriendelijk, en gij hebt ook een soort van hart, dat gevoel voor iemand anders kan hebben. Mijnbeer Woodcourt, zoudt ge wel zoo goed willen zijn om eens naar naar te gaan zien, en als gij kunt baar dien brief af te nemen, en dien aan mij te geven zoodra gij maar kunt.quot;

Toen zij heen waren, plaatste Bucket mij bij het vuur en liet mij mijne natte schoenen uit-


-ocr page 417-

IN HET HUIS VAN SNAGSBY.

401

trekken, die hij te drogen zette ; ondertusschen altijd maar voortpratende.

„Trek het u met aan, juffrouw, dat juffrouw Snagsby geen iieel gastvrjj gezicht zet, want zij heelt liet geheel en al verkeerd. Dat zal zij gauw ondervinden, gauwer dan eene juffrouw, die anders zoo weldenkend is, aangenaam kan zjjn, want ik zal het haar nu eens beduiden.quot; Voor het vuur staande, met zijn natten hoed en bouffante in de hand, zelf geheel en al een hoop nat goed, keerde hij zich naar juffrouw Snagsby. „Nu, het eerste wat ik u zeggen moet, als eene getrouwde vrouw, die genoeg mooi heeft om zich wat van zich zelve te verbeelden

„Waarom?quot; zeide Bucket. „Omdat gijookeens zoover zult komen, als gij niet oppast. Wel, op liet oogenblik, dat ik met u spreek, weetik wat gij van die jongejuffrouw\' denkt. Maar wil ik ii eens zeggen, wie die jongejuffrouw is? Nu, kom aan; men mag wel van u zeggen, dat gij eene vrouw

van verstand zijt.....maar gij hebt eene ziel, te groot

voor uw lichaam, en dat plaagt u zoo — en gij kent mij, en gij weet nog wel waar gij mjj het laatst gezien hebt en waarvan toen in dien kring gesproken werd. Doet gij niet? Ja. Heel goed. Deze jongejuffrouw is die jongejuffrouw.quot;

Juffrouw Snagsby scheen dit gezegde te verstaan dan ik toen deed.


en niet voor anderen bang te zijn, bedenk dat wel, is — dat het uw bedrijf is-quot;

Jutlrouw Snagsby keek eenigszins verschrikt, maar toch ook wat vriendelijker, en vroeg haperend wat mijnheer Hucket meende.

„Wat mijnheer Bucket meent ?quot; herhaalde hg, en ik kon aan zijn gezicht zien, dat hij onder het praten luisterde of men den brief ook ontdekte, hetgeen mij niet weinig ontroerde, daar ik hieruit begreep hoe gewichtig die brief moest wezen. „Ik zal u zeggen wat hij meent, juf-trouw. lt;lij moest Othello eens gaan zien spelen. Dat is jui st een stuk voor u.quot;

Jutlrouw Snagsby vroeg verlegen waarom.

„Kn de Taaie hij, dien gij Jo noemt -was in dezelfde zaak betrokken, en anders niets; en die kopiist, van wien gij weet, was ook in dezelfde zaak betrokken, en anders niets; en uw man, die er niets meer van wist dan uw overgrootvader, werd door mijnheer Tulking-horn, zijn besten klant, ook in dezelfde zaak betrokken, en anders niets ; en die, heele troep menschen was in dezelfde zaak betrokken, en anders niets. Mn toch knijpt eene getrouwde vrouw, die mooi genoeg is om zich te laten kijken, hare oogen dicht (heldere oogen ook) en loopt met haar lief hoofdje tegen een tnunr. Wel, ik schaam my over u. Ik had gedacht.


l^ICKKNH. Het vrrhttfn /iu 1.*

20

-ocr page 418-

402 het verl/

-:n mus.

(lat mijnheer Woodcourt hora nu al zou hebben.quot;

,lutirouw Snagsby schudde haar hoofd en hield haar zakdoek voor hare oogen.

,ls dat nu alles ?quot; zeide Bucket opgewonden. „Neen. Zie wat er gebeurt. Eene vrouw, in diezelfde zaak betrokken, en niets anders, eene vrouw, in een ellendigen staat, komt van nacht hier, en gij ziet haar met uwe meid spreken; en zij geeft uwe meid een papier over, waar-: voor ik gaarne dadelijk honderd pond zou betalen. Wat doet gij V Gij beloert die twee, en wetende waaraan uwe meid onderhevig is en hoe i licht zjj dat krijgt, vaart gij zoo geweldig tegen haar uit, dat zij waarachtig een toeval krijgt, en van hare zinnen blijft, terwijl er misschien een mensehenieven aan hare woorden hangt.quot;

Hjj meende zoo duidelp wat hij zeide. dat ik onwillekeurig mijne handen samenklemde en de kamer met mij voelde ronddraaien. Dit ging echter voorbij. Mijnheer Woodcourt kwam binnen, gaf hem een papier over en ging weder heen.

„Nu, jutYrouw Snagsby,quot; vervolgde üucket, na het \'snel te hebben ingezien, .is de eenige vergoeding, die gn geven kunt, dat ge mij hier een woordje met deze jongejullrouw afzonderlijk laat \'spreken, en als gjj iets weet om de heeren daar in de achterkeuken te helpen, of iets kunt bedenken om dat meisje gauwer bij hare zinnen te brengen, doe dan uw best en haast u.quot;

In een oogenblik was zij heen en had hij de deur gesloten.

„Nu. lieve julfrouw,quot; hervatte hy, .gij zijt immers bedaard en kunt op u zelve rekenen ?quot; — „Volkomen,quot; zeide ik. — „Van wie is dat geschrift ?quot;

Het was van mijne moeder; met potlood geschreven op een gekreukt en gescheurd stuk papier, dat blijkbaar nat was geweest; haastig als een brief gevouwen en aan nijj geadresseerd, ten huize van mijn voogd.

„Gy kent de hand,quot; zeide hij, „en als gij bedaard genoeg zjjt om het mij voor te lezen, doe het dan. Maar nauwkeurig, want ieder woord kan van belang zijn.quot;

Het was bij gedeelten, op verschillende tyden geschreven. Ik las het volgende:

.Ik kwam met twee oogmerken naar het huisje. Vooreerst om haar, die mij dierbaar is, nog eens te zien als ik kon — maar alleen om haar te zien — niet om baar te spreken, of haar te laten weten, dat ik naby haar was. Het andere oogmerk was, alle nasporifigen te verijdelen en geheel te verdwijnen. Verwijt ile moeder niet wat zy gedaan heeft. De hulp, die zy my verleende, gaf zy mij eerst op mijne krachtigste ver/ekermgcn, dat het ten beste van die dierbare was. Gij herinnert u haar gestorven kind. De bewilliging der mannen kocht ik, maar hare hulp werd vrijwillig verleend.quot;

„ ,lk kwam.quot; Dat is geschreven,quot; zeide myn geleider, „terwyl zy daar rustte. IIet bevestigt mijn vermoeden. Ik had gelijk.quot;

Het volgende was op een anderen tijd geschreven.

„Ik heb ver gegaan en vele uren lang, en ik weet, dat ik sterven moet. O, die straten! Ik heb geen ander oogmerk dan te sterven. Toen ik heenging bad ik een slechter; maar ik word er voor bewaard om nog die schuld bij de overige te voegen. Koude, vochtigheid en vermoeienis zijn oorzaken genoeg om my dood te doen vinden ; maar ik zal door andere sterven, hoewel deze mij doen lyden. Het was rechtvaardig, dat al wat my ondersteunde op eens bezweek, en ik van angst en wroeging sterven moest.quot;

„Vat moed,quot; zeide Hncket. „Er zyn nog maar weinige woorden.quot;

Deze waren wederom op een anderen tijd geschreven - naar allen schijn bijna in het donker.

„Ik heb alles gedaan wat ik kon om spoorloos te verdwijnen. Ik zal zoo het spoedigst vergeten worden en hem het minst tot schande zijn. Ik heb niets by mij, waaraan ik herkend kan worden. Van dit papier ontdoe ik mij nu. De plek waar ik mij zal neerleggen, als ik zoover kan komen, heeft mij dikwijls voor den geest gestaan. Vaarwel. Vergeef.quot;

Bucket liet mij, door zyn arm ondersteund, zacht op een stoel zakken. „Houd u goed,quot; zeide hjj, „en denk niet, dat ik hard voor u ben, lieve juffrouw; maar zoodra gij u daartoe in staat gevoelt, trek dan uwe schoenen aan en houd u gereed.quot;

Ik deed wat hy verlangde; maar ik moest daar nog een langen lijd blijven, voor mijne ongelukkige moeder biddende. Zij waren allen met het arme meisje bezig, en ik hoorde Wood-court hun zeggen wat zij doen moesten en haar dikwjjls aanspreken. Eindelijk kwam bij met Bucket binnen, en zeide, dat hy, daar het van belang was haar zacht toe te spreken, het best achtte, dat ik haar om de inlichtingen vroeg, die wij verlangden te bekomen. Kr was geen twyfel aan of zy kon nu vragen beantwoorden, als zij maar gerustgesteld en niet bang gemaakt werd. Deze vragen, zeide Bucket my, waren: hoe zy aan dien brief kwam, wat er tnsschen haar en de vrouw, die haar den brief gegeven had, was omgegaan, en waarheen die vrouw zich begeven had. Mijne aandacht zoo strak ik kon op deze punten vestigende, ging ik niet hen naar het andere vertrek. Mijnheer Wood-court zou buiten zyn gebleven, maar op myn i verzoek ging hy mede.

Het arme meisje zat nog op den grond, waar men haar had neergelegd. Zij stonden om haar


-ocr page 419-

VERHAAL VAN DE AU ME GUST A.

I Of!

heen, hoewel op eenigen afstand, om haar lucht te geven, /ij was niet bevallig en zag er zwak en ziekeljjk uit; maarzij had toeli een goedhartig uitzicht, hoewel haar hlik nu wat wild was. Ik knielde nu hij baar op den grond en nam haar hoofd op mijn schouder; waarop zij haar arm om mijn hals sloeg en in tranen uitbarstte.

„Arm meisje,quot; zeide ik, mijne wang tegen haar voorhoofd drukkende; want ik schreide en beefde ook, „het schijnt wel onbarmhartig u nu lastig te vallen, maar er is meer aan gelegen dan ik in een uur zou kunnen vertellen, dat wjj iets van dien brief weten.quot;

Zij begon jammerende te betuigen, dat zij [ geen kwaad had willen doen, geen kwaad had willen doen, juffrouw Snagsby.

„Dat gelooven uy gaarne,quot;\' zeide ik „Maar zeg mij, hoehebtgij hom gekregen ?quot; — „,la,lieve jullrouw, dat zul ik u zeggen, alles naar waarheid. Ik zal wezenlijk de waarheid zeggen, juffrouw Snagsby.quot; — „Daarvan houd ik mij verzekerd,quot; hernam ik. „En hoe was het?quot; „Ik was om eene boodschap uit geweest, lieve juffrouw — lang na den donker al heel laat, en toen ik thuis kwam, vond ik eene armoedige vrouw, geheel nat en beslijkt, die naar ons huis stond op te kijken. Toen zij mij naar de deur zag gaan, riep zy mij terug en vroeg of ik daar woonde; en ik zeide ja, en zjj zeide, dat zij maar een of twee plaatsen hier in de huurt wist, maar dat zij verdwaald was en ze niet vinden kon. O, wat zal ik doen, wat zal ik doen I Zjj zullen mij niet gelooven ! Zij zeide my niet, dat daar iets kwaads ik stak, en ik haar ook niet, waarlijk niet, juffrouw Snagsby.quot;

Het was noodzakelyk, dat hare meesteres haar troostte en bemoedigde, hetgeen deze ook, . moet ik zeggen, met veel berouw deed eer zij dit te boven kon komen.

,Zy kon die plaatsen niet vinden ?quot; zeide ik. — „Neen!quot; riep het meisje, haar hoofd schuddende. „Neen I Kon ze niet vindon. Mn zjj was zoo Hauw, en zjj ging zoo kreupel, en zj) zag er zoo ellendig uit, o zoo ellendig, dat gij haar zeker eene halve kroon zoudt gegeven hebben, mijnheer Snagsby, als gy haar gezien hadt.quot; „Wel, (insta, m\'isje,quot; antwoordde nu. iu het eerst niet wetende wat te zeggen: „ik hoop van ja.quot; „En toch sprak zij zoo goed en fatsoenlijk,quot; zeide het meisje, mij met wijd geopende oogen aanziende, „dat liet iemands hart deed bloeden. En zoo vroeg zij mij of ik den weg naar het kerkhof\' wi.^t. En ik vroeg haar welk kerkhof ? En zij zeide, het armen-kerkhof. En toen zeide ik haar, dat ik ook een ! arm kind was geweest, en dat zij naar de kerspelen werden begraven. Maar toen zeide zij, : dat zij een armenkerkhof meende, dat niet vér 1 van hier lag, ilat eene sfeeiien poort, een hoogen dorpel en een ijzeren hek had.quot;

Terwijl ik haar aanmoedigde om voort te gaan, zag ik, dat Hucket haar aanzag met een blik alsof hare laatste woorden hem ongerust hadden doen worden.

„Och hemel, och hemel Iquot; riep het meisje, hare haren met beide handen naar achteren strijkende; „wat zal ik doen? Zij meende het kerkhof, waar die man begraven was, die dat slaapgoed had ingenomen - van wien gij ons verteld hebt, mijnheer — en waar ik toon zoo akelig van werd, juffrouw. O, ik word weer zoo akelig. Houd mij vast!quot; — „Hij zijt nu zooveel beter,quot; zeide ik. „Ga nu maar gerust voort, en zeg mij meer.quot; „Ja, dat wil ik. Maar wees niet boos op nuj, lieve jullrouw, omdat ik zoo ziek geweest ben.quot;

Hoos op haar, de arme ziel l

„Kom. Nu wil ik, nu zal ik. Toen vroeg zjj, of ik haar niet zeggen kon hoe het te vinden, en ik zeide ja, en beduidde het haar, en zij zag mij aan met oogen, bijna alsof zij blind was, en alsof zij zoo zou neerzinken. En zoo haalde zij den brief uit en liet hein mij zien, en zeide, dat, als zij dien op de post deed, het schrift zou worden uitgewreven, en men hem maar zou laten liggen ; en of ik hem van haar wilde aannemen, en met iemand zenden, dan zou de bode aan huis betaald worden. En toen zeide ik ja, als er geen kwaad in stak, en zij zeide neen — geen kwaad. Kn toen nam ik hem van haar aan, en zij zeide, dat zij mij niets geven kon, en ik zeide, dat ik zelf arm was en dus niets behoefde te hebben. En toen zeide zij : „God zegen 11,quot; en ging heen.quot; „ En zij ging ... ?quot; „Ja,quot; riep het meisje, de vraag voorkomende, „ja! zij ging den weg, dien ik haar gewezen had. Toen kwam ik binnen, en juffrouw Snagsby kwam ergens vandaan achter mij en pakte mij aan, en toen schrikte ik zoo.quot;

VVoodcourt nam haar vriendelijk van mij over. Hucket wikkelde mij in den mantel en dadelijk waren wij weder opstraal. Woodcourtaarzelde, maar ik zeide: „Verlaat mij nu niet 1quot; en Hucket voegde er hij: „Heter, dal gij bij ons blijtt; wij kunnen n noodig hebben; draal maar niet.quot;

Ik heli eene zeer verwarde herinnering van die wandeling. Ik herinner mij, dat het uocli nacht noch dag was; dat het licht aanbrak, maar de straatlantaarns nog niet waren uitgedaan ; dat het nog ............. sneeuwde, en

de straat een half bevroren modderpoel was. Ik herinner mij, dat ons eenige verkleumde menschen voorbijgingen. Ik herinner mij de natte daken, de overloopende en verstopte goten, de zwarte bergen ijs en sneeuw, waarover «ij heenstapten, de nauwte van steegjes, die wij doorgingen. Tegelijk -herinner ik liiij, dat het mij was alsol ik dat arme meisje nog hoorde spreken en in mijn arm voelde liggen; dat de


-ocr page 420-

I

HET VERLATEN HUTS.

404

zwart aangeslagene en beregende voorgevels der 1 huizen menschelijke gedaanten aannamen en my aanstaarden; dat groote watersluizen zich ; in mijn hoofd ol\' in de lucht beurtelings sche-i nen te openen en te sluiten en dat die hersenschimmige dingen duidelijker waren dan ik werkelijk hoorde en zag.

Eindelijk stonden wij in eene donkere steenen poort of overdekten gang, waar boven een , \' yzeren hek eene lantaren brandde en het mor- 1

■ genlicht slechts flauw doordrong. Het hek was | gesloten. Aan den anderen kant lag een kerkhof een akelige plek, waar de nacht zich

i zeer langzaam liet verdrijven, maar waar ik toch Hauw een aantal verwaarloosde grafheuveltjes en zerken kon onderscheiden, door mor- i j sige huizen ingesloten, met eenige doffe lichtjes voor de vensters, en op welker muren eene

■ dikke vochtigheid uitbrak alsof het eene ziekte was. Op den drempel voor het hek, doorweekt met de akelige vochtigheid van zulk eene plek, waar het overal droop en lekte, zag ik, met een uitroep van medelijden en ontzetting, eene vrouw liggen — Jenny, de moeder van het

, doode kind.

Ik snelde er naar toe, maar zij hielden mij te^en en Woodcourt bad mij met den grootsten ernst, ja zelfs met tranen, om eer ik naar die gedaante ging geen oogenblik te luisteren naar wat HucKet mij zeide. Ik luisterde, , naar ik meende. Ik weet zeker, dat ik luisterde.

Julïrouw Summerson, gy zult mij wel begrijpen, als gij u een oogenblik bedenkt, \'/ij hebben in dat huisje van kleeren verwisseld.quot;

Zij hebben in dat huisje van kleeren verwisseld. Ik kon die woorden wel bij mij zelve herhalen, en w ist ook wel wat zij op zich zeiven beteekenden; maar anders dacht ik er niets hij.

, Kn dat de eene terugkeerde,quot; zeide Bucket, .en de andere voortging. Zij. die voortging, ging maar een eind ver, gelijk afgesproken was om ons te misleiden, en ging toen met een omweg weer naar huis. Bedenk dat een oogenblik.quot;

Ik kon ook dit bij mij zelve herhalen, maar had geen het minste denkbeeld wat het be-teekonde. Ik zag voor mij. op dien drempel, de moeder van bet doode kind liggen. Zij lag daar, met den eenen arm door eene tralie van het hek gestoken, alsof zij het wilde omhelzen. Zij lag daar, die zoo kort geleden met mijne moeder gesproken had. Zij lag daar hulpeloos en bewusteloos. Zij, die den brief mijner moeder gebracht had, die mij de eenige aanwijzing Kon geven waar mijne moeder was; zij, die, \'■n^ had moeten helpen om haar, naar welke wij zoo ver gezocht hadden, tc redden, die op eene voor mij onbegrijpelijke manier ter wille van mijne moeder in dien toestand was gekomen, en misschien op dat oogenblik buiten

ons bereik zou komen en zelve niet meer te helpen zijn; zij lag daar, en men hield my tegen. Ik zag de ernstige medelijdende uitdrukking van Woodcourt\'s gezicht, maar begreep er niets van. Ik zag, maar begreep het niet, dat h\\j den ander tegen de borst tikte, om hem terug te houden. Ik zag hem in dat gure weder ongedekt blijven staan, nit eerbied voor ik wist niet wat. Maar mijn begrip voor dat alles was weg.

Ik hoorde hen zelfs onder elkander zeggen:

,Moet zij maar gaan?quot; „Laat zij maar! Hare handen moeten haar het eerst aanraken. Zij hebben een hooger recht dan de onze.quot;

Ik ging naar het hek en bukte. Ik tilde het zware hoofd op, streek het lange natte haar op zijde, en keerde het gezicht omhoog. Kn het was mijne moeder, dood en koud I

LX.

vooiu rrziciii kn.

Ik ga tot een ander gedeelte myner geschiedenis over.

De goedheid van allen, die mij kenden, gaf mij een troost, waaraan ik nooit zonder aandoening kan \'enken. Ik heb reeds zooveel van mij zelve gezegd, en nog zooveel te zeggen, dat ik niet over mijne smart wil uitweiden. Ik kreeg eene ziekte, maar niet van langen duur; en ik zou daarvan zelfs geheel geene melding maken, als ik de herinnering van hun medelijden kon smoren.

Ik ga nu tot andere gedeelten myner geschiedenis over.

Zoolang mpe ziekte duurde, bleven wij te L o n d e n, waar op verzoek van myn voogd, mevrouw Woodcourt bij ons in huis was gekomen. Toen mijn voogd mij gezond en opgeruimd genoeg achtte om op onze oude manier met hem te praten schoon hij dit wel vroeger had kunnen doen, als hij mij maar had willen gelooven — hervatte ik mijn werk en hernam ik myn stoel naast den zijnen. Hij had dien tyd zelf bepaald en wij waren toen alleen.

„Huismoedertje,quot; zeide hij, mij met een kus ontvangende, ,welkom weder in de bromkamer, lieve! Ik heb u een plannetje mede te doelen. Ik ben voornemens hier te blyven, misschien zes maanden, misschien langer naar het uitvalt. — Kortom, mij voor eenigen t ijd hier te vestigen.quot; - .Kn ondertusschen het Verlaten Huis alleen laten?quot; zeide ik. — „.la, melieve,quot; antwoordde lijj. „Het Verlaten Huis moet op zich zelf leeren passen.quot;

Ik dacht, dat zyn toon treurig klonk; maar toen ik opkeek, zag ik den genoeglijksten glimlach op zijn gezicht.

„Het Verlaten Huis,quot; herhaalde hij, op een


-ocr page 421-

EEN HEEL GOED l\'LAN.

405

toon, dien ik nu hoorde dat niet treurig klonk, „moet op zich zelf leeren passen. Het is te ver van Ada, melieve, en Ada heeft u hard noo-dig.quot; — „Daaraan herken ik n weer, voogd,quot; zeide ik, „dat gij daaraan gedacht hebt, om ons beiden te verrassen.quot; — „Zoo belangeloos is liet niet, lieve, ais gij die deugd in mij wilt pryzen; want als gij gedurig aan het heen en weder reizen waart, zou ik u zelden bij mij hebben. En bovendien, verlang ik zooveel en zoo dikwijls van Ada te hooren, als ik bij de verwijdering tusschen rnjj en dien armen Richard maar kan. Én niet van haar alleen, maar van hem ook, arme jongen.quot; „Hebt gij mijnheer Woodcourt van morgen gesproken, voogd - „Ik zie mijnheer Woodcourt eiken ochtend, lieve.quot; — „Zegt hij nog hetzelfde van Richard ?quot; - „Altijd hetzelfde, liy weet niet, dat hij lichamelijk ziek is; integendeel, hij houdt hem voor niet ziek. Hn toch is hij niet gerust over hem. Wie kan dat ook wezen Vquot;

Mijne lieve Ada was in den laatsten tijd dagelijks, somtijds tweemaal op een dag naar ons toe gekomen. Doch wij hadden altijd vooruitgezien, dat dit slechts zou duren tot ik weder geheel beter was. Wij wisten wel, dat haar teeder hart altijd even vol liefde en dankbaarheid voor haar neef John bleef, en wjj achtten Richard niet in staat om haar te gelasten van ons vandaan te blijven ; maar aan den anderen kant wisten wy ook wel, dat zy het voor haar plicht hield, om zijnentwil spaarzaam te zyn met hare bezoeken bij ons aan huis. De kieschheid van myn voogd had dit spoedig bemerkt, en gepoogd haar op eene zachte manier te kennen te geven, dat zy, naar hy dacht, daarin gelijk had.

„ 1 )ie lieve, ongelukkige, verdwaalde Kicbard!quot; zeide ik. „Wanneer zal by van zijne dwaling terugkomen ?quot; - „Hij is tegenwoordig niet daartoe op weg, melieve,quot; antwoordde myn voogd. „Hoe meer hij lijdt, des te meer zal hy tegen my ingenomen blijven; daar by my tot den voornaamsteii representant der groote oorzaak van zijn lyden heeft gemaakt.quot;

Ik kon niet nalaten er bij te voegen; „Zoo onredelijk!quot; „Och, huismoedertje,quot; antwoordde myn voogd, „wat voor redelijkheid zal by in Jarn-dyce en .larndyce vinden. Onredelijkheid en onrecht bovenaan, onredelijkheid en onrecht in het hart en merg, onredelijkheid en onrecht van liet begin tot het einde als het ooit een eind heeft. Hoe zou dan die arme lück, die er altijd om en bij is, er redelijkheid uit halen ? Hij plukt evenmin druiven van doornen of vijgen van distelen, nis oudere lieden in den ouden tijd deden.quot;

De zachtmoedigheid en billijkheid, die hij voor Richard toonde als wij over hem spraken, trofleii mij zoodanig, dat ik altijd zeer spoedig van hem zweeg.

„Ik denk, dat de lord-kanselier en de vice kanselier en al de groote Kanselarijheeren wel ! verbaasd zouden zyn over zulk eene onredelijkheid en onbillijkheid by een van hunne supplianten,quot; vervolgde mijn voogd. „Als die geleerde heeren eens mos-rozen beginnen te kweeken uit het poeier, dat zy in hunne pruiken zaaien, zal ik my ook verbazen.quot;

Hy wilde naar het venster gaan om te zien in welken hoek de wind was, maar bedacht zich en liet zijn hoofd op de leuning van myn stoel zakken.

„ Maar om voort te gaan, huismoedertje. Wij moeten deze rots maar aan tyd, toeval en omstandigheden overlaten. Wy moeten er Ada niet op laten schipbreuk lyden. Zij moet geen gevaar loopen om van nog een vriend of vriendin gescheiden te worden. Daarom heb ik Woodcourt dringend verzocht, en verzoek ik u ook, lieve, om met Rick volstrekt niet van de zaak te spreken. Laat ze maar rusten. Aanstaande week, aanstaande maand, aanstaand jaar, vroeger of later, zal hy met helderder oogen zien. Ik kan wel wachten.quot;

Doch ik had er reeds met hem over gesproken, gelijk ik bekende; en dit had Woodcourt, naar mij dacht, insgelijks gedaan.

„Zoo zegt hij mij,quot; hervatte mijn voogd. „Heel goed. Hy heeft zyn protest ingebracht, en Dame Durden het hare ; en er is nu niets meer van te zeggen. Nu kom ik op mevrouw Woodcourt. Hoe bevalt zy u, melieve?quot;

Tot antwoord op deze vraag, waarvan het korte en onverwachte iets comisch had, antwoordde ik, dat zij mij zeer wel beviel en ik haar aangenamer in den omgang vond dan voorheen.

„Dat vind ik ook,quot; zeide inijn voogd. „Minder van haar stamboom ! Minder van Morgan ah hoe heet hy ook weer ?quot;

Ik bekende, dat dit juist was watikmeende, hoewel die oude heer ons geen kwaud zou doen, al liet hij ook meer van zich hooren.

„Maar toch is het goed als hy maar in het gebergte van zyn geboorteland blyft,quot; zeide mijn voogd. „Dat zyn wij dus eens. Kan ik dan beter doen. Vrouwtje, dan mevrouw Woodcourt nog eenigen tijd hier houden Vquot;

Neen. Kn toch

Mijn voogd zag mij aan en wachtte wat ik zou zeggen.

Ik had niets te zeggen. Ik wist ten minste niets te zeggen, dat ik zeggen kon. Het schemerde mij wel voor den geest, dat het beter zou kunnen zijn als wij iemand anders in huis hadden, maar ik had bezwaarlijk reden kunnen geven waarom - of al kon ik dit voor mij zelve, dan toch niet voor iemand anders.

.,(!ij ziet.quot; zeide mijn voogd, „onze woning ligt, voor Woodcourt niet uit den a eg, en hij kan hier zoo dikwijls aankomen als hij wil, hetgeen voor beide aangenaam is, en zij is ons gewoon en houdt veel van u.quot;


-ocr page 422-

HET VERLATEN HUIS.

Ja. Dat was zoo. Ik had er niets tegen te zoggen. Ik had geene betere schikking kunnen aanraden ; maar ik was todi niet geheel op mijn gemak. Esther, Esther, waarom niet V Bedenk li eens, Esther.

„Dat is waarl\\jk oen heel goed plan, voogd. Wjj zouden niet beter kunnen doen.quot; — „Zeker, huismoedertje ?quot;

Volkomen zeker. Ik iiad een oogenblik tyd gehad om mij te bedenken, sedert ik mij zelve dien plicht had voorgehouden, en was er nu volkomen zeker van.

„Goed,quot; /.eide mijn voogd. „Dan moet het maar zoo. Met algemeene stemmen aangenomen.quot; - „.Met algemeene stemmen aangenomen,quot; herhaalde ik, en ging voort met mijn werk.

Dit was een kleedje voor zijne boekentafel, waarop ik ornamenten naaide. Ik had dit op den avond voor mijne treurige reis neergelegd en nog niet weder opgenomen. Ik liet het hem mi zien, en hij vond bet zeer l\'raai. Nadat ik hem bet patroon had uitgelegd en doen begrijpen wolk een prachtig eflect liet eens zou maken, meende ik nog eens op ons laatste onderwerp te moeten komen.

„Gy hebt gezegd, lieve voogd, toen wij eens over mijnheer Woodcourt spraken, voordat Ada ons verliet, dat hy, naar L\'jj dacht, eene lange proef van een ander land wilde nemen. Hebt gy hem sedert ook raad gegeven?quot; „.Ia, Vrouwtje, vrij dikwijls.quot; — „Heeft hij er nu toe besloten?quot; — „Ik geloof haast van neen.quot; „Dan beeft hij misschien andere vooruitzichten gekregen?quot; zeide ik. -- „Ja - misschien wel,quot; antwoordde mijn voogd, zeer langzaam en bedaard. „Over een half jaar of zoo moet er ergens in V o r k s h i r e een armendokter benoemd worden. Het is in een welvarend plaatsje, plei-zierig gelegen ; stroomen en straten, stad en land, molens en heigronden; het schijnt juist eene goede gelegenheid voor zulk een man te zijn. Ik meen voor een man, wiens hoop en wenschen wel eens boven de gewone hoogte vliegen, (zooals die van de meeste menschen wel eens doen), maar voor wien de gewone hoogte toch boog genoeg zou zijn, als tijj daar nuttig bleek te wezen en goede diensten tot mets anders leidden. Alle edele geesten zijn eerzuchtig, zou ik denken ; maar de eerzucht, die zich met kalmte op zulk een weg vertrouwt, in plaats van met wilde vlagen over alles heen te willen springen, is de soort, die ik het liefste heb. En dat is Woodcourt\'s soort.quot;—-„En zal hy die plaats krygen ?quot; vroeg ik.„Wel, Vrouwtje,quot; antwoordde myn voogd, „daar ik geen orakel ben, kan ik dat niet met zekerheid zeggen, maar ik denk het toch wel Hy heeft een zeer goeden naam ; er zyn menschen uit die streek by de schipbreuk geweest; en, hoe vreemd bet ook klinken mag, ik geloof,

dat nu eens de beste man de beste kans heeft. Maar gij moet u niet verbeelden, dat het een heel vette post is, lieve. Hel is eene zeer gewone plaats : veel werk en een gering inkomen : maar men mag met grond hopen, dat er iets beters bij zal komen.quot; — „De armen, die daar wonen, zullen roden hebben om de keus te 1 zegenen, voogd, als zy op mijnheer Woodcourt ) valt.quot; - - „Daarin hebt gij gelijk. Vrouwtje; dat , zullen zij zeker.quot;

Wy spraken er niet meer over, en hij zeide ook geen woord meer over de toekomst van tiet Verlaten Huis. Maar het was de eerste maal, dat ik in myn rouwgoed naast hem was komen zitten, en ik begreep, dat dit de reden van dat stilzwijgen was.

Ik ging nu mijne lieve Ada, in den donkeren hoek waar zij woonde, dagelijks bezoeken. De ochtend was mijn gewone tjjd ; maar telkens als ik een uurtje overhad zette ik myn hoed op en repte mij naar (\'banc e r y-L a n e. Zy waren beide altijd zoo blijde my te zien, en plachten zoo op te helderen als zy my de deur boorden openen en binnenkomen (daar ik zoo geheel thuis was, klopte ik nooit aan), dat ik nog niet behoefde te vreezen bun tot last te zullen worden.

Hij deze bezoeken vond ik Uicbard dikwijls afwezig. Somtijds zat hij ook te schryven of processtukken te lezen, aan die met papieren bedekte tafel, die nooit werd opgeruimd. Somtijds vond ik hem by de deur van het kantoor van mynheer Vholes staan dralen. Somtijds zag ik hem in de buurt, op zyne nagels bijtende, rondwandelen. Dikwijls ontmoette ik hem in Lincoln\'s Inn, dicht by de plaats waar ik hem het eerst had gezien. O, hoe veranderd, hoe veranderd!

Dat het geld, hetwelk Ada hem bad aangebracht, wegsmolt met de kaarsen, die ik des avonds in het kantoor van myidieer Vholes zag branden, wist ik zeer wel. Het was in het eerst al niet veel geweest: hij was met schulden getrouwd ; en ik kon thans zeer goed begrijpen, wat het beteekende, dat mijnheer Vholes zijn schouder tegen het wiel had, gelijk ik nog gedurig hoorde. Myne lieve Ada was eene uitmuntende huishoudster en deed haar best om te sparen, maar ik wist, dat zij met eiken dag armer en armer werden.

Zij blonk in dien donkeren hoek gelyk eene schoone ster. Hleeker dan zy thuis was geweest, en een weinig stiller dan ik natuurlijk zou hebben gevonden toen zy nog zoo vol moed en hoop was, bleef baar gezichtje toch zoo helder, dat ik half en half geloofde, dat zy zich door hare liefde voor Richard voor de heillooze gevolgen zijner handelwijs liet verblinden.

Eens, terwyl ik nog in die meening verkeerde, ging ik bij ben eten. Toen ik S v m o n d s I n n insloeg, ontmoette ik jutfrouw Elite, die er


-ocr page 423-

JUFFROUW\' FL1TE III\'JEF\'I\' HARE COLLECTIE VERMEERDERD.

■to7

uitkwam. Zij was by (i(i pupillen in Jarndyce, golijlc zij hen nog bleef noemen, een staatsie-hczoel; gaan afleggen, en zeer in baar schik met bet vervullen van clie plechtigheid. Ada had mij reeds verteld, dat zij eiken maandag tegen vier uren aankwam, met een wit lintje op hare imits, dat zy anders nooit droog, en have grootste reticule vol documenten aan den arm.

,Myne dierbare !quot; begon zy. „Zoo uitermate verheugd! Hoe vaart gij ? Zoo blij, dat ik u eens zie I l-lii gij gaat onze interessante pupillen bezoeken? wel zeker! Onze schoone is thuis, me-lieve, on zal opgetogen zijn als zy u /.iet.quot; — „Dus is Richard nog niet thuis ?quot; zeide ik. „Daar ben ik blij om, want ik vreesde, dat ik wat laat liwam.quot; — „Noen, hij is nog niet thuis,quot; antwoordde jull\'rouw F li to. Jly lieeft in het Hol\' ooii langen dag gehad. Ik heb hem daar gelaten, met Vboles. (iy houdt niet van Vho-los, hoop ik? Dat moet go ook maar niet doen. Gevaarlijk man!quot; „Ik vrees, dat go Richard tegenwoordig nog meer ziet dan voorheen?quot; zoido ik. - „Alle dagen on uren, meüeve,quot; antwoordde zy. „Gij weet wol wat ik u gezegd heb van dio aantrekkingskracht op de tafel van den kanselier? Na my is hij de trouwste bezoeker van het Hof. Hij begint ons klein ge-zelsoliap waarlyk te amusoeron. Men aardig go-zelsoliapje zijn wy, vindt niet?quot;

liet was jammerlijk dit van die arme ijlhoofdige vrouw tc moeten hooren, schoon het my niet verraste.

„Ivortom, myne hooggeschatte vriendin,quot; vervolgde jnlVrouw Flite, mot hare lippen naar myn oor komende en een deftig, geheimzinnig gezicht zettende, „ik moet u een geheim vertellen. Ik heb hem mijn executeur gemaakt. He-noeind en aangesteld. In mjjn testament. Ja!quot;

-„Zoo waarlijk?quot; zeide ik. „.la,quot; herhaalde jull\'rouw Plite met zoetsappige deftigheid, „mijn executeur, administrateur en assignó - -datzyn kanselarij-termen, meliove. Ik heb gedacht, dat als ik het niet lang genoeg mocht uithouden, hij wol in staat zal zijn om dat vonnis af te waihten. Daar hij de zittingen zoo geregeld bijwoont.quot;

Ik zuchtte terwijl ik aan hem dacht.

„Kons was ik voornemens,quot; hervatte jull\'rouw Flite, insgelijks zuchtende, „dien armen Grid-ley to benoemen en aan te stellen. Die kwam ook zeer geregeld, meisjelief. ik verzeker u, iüj was oen voorbeeld. Maai\' hij hield hot niet lang genoeg uit, de arme man en dus heb ik tMüi opvolger voor hem gekozen. Maar spreek er niet van. Het is een goheim.quot;

Zi j opende hare reticule behoedzaam een wei-nigje, en wees my daarin een opengevouwen papier, dat de bedoelde benoeming moest wezen.

.Nog een geheim, meliove. Ik heb mijne colledic vogeltjes vermeerderd.quot;- „Waarlijk, jull\'rouw Flite?quot; zeide ik, daar ik wist hoe het haar streelde, als hare vertrouwelijke mede-doelingen met een schyn van belangstelling werden ontvangen.

Zy knikte verscheidene malen en haar gezicht betrok. „Nog twee. Ik noem ze de pupillen in Jarndyce. Zy zitten bij de anderen in tie kooi. Iüj Hoop, Vreugde, Jeugd, Vrede, Rust, Leven, Stof, Asch, Verkwisting, Gebrek, Ondergang, Wanhoop, Razernij, Dood, Slimheid, Dwaasheid, Woorden, Pruiken, Vodden, Perkement, Koof, Antecedent, Warboel, Larie en Lak.quot;

Met een ontroerder gezicht, dan ik nog ooit by haar had opgemerkt, gaf de goede ziel my een kus en ging hares weegs. Do manier, waarop zij de namen barer vogeltjes oplas, alsof zy bang was ze te hooren, zelfs uit haar eigen mond, deed my huiveren.

Dit was geene vroolyke voorbereiding voor inyn bezoek, en ik had het gezelschap van mynheer Viioles wol kunnen missen, toon Richard (die een paar minuten na my kwam) hem als gast medebracht. Hoewel onze maaltijd zeer eenvoudig was, waren Ada en Rh hard toch eene poos te zamen uit de kamer, om het een en ander te helpen gereedmaken. Mijnbeer Vholes nam deze gelegenheid waar om een gemoinpold gesprek met my te houden. Hij kwam naar hei venster waar ik zat en begon over S y m o n d \'s I n n te praten.

„Eene vervelend stille plek, jull\'rouw Sum-merson, voor iemand, die niet in de praktijk is.quot; zeide hij, het glas met zijn zwarten handschoen besmerende, om het helderder voormy te maken. - „Ja, er is hier niet veel te zien,quot; antwoordde ik. — „En ook niet te hooren, juffrouw,quot; hervatte mynheer Vboles. „Somtyds komt er wel een beetje muziek hier binnendwalen, maar wy van net vak zyn niet muzikaal, en laten zulk een muzikant spoedig wegjagen. Ik hoop, dat mijnheer Jarndyce zoo welvaart als zyne vrienden maar kunnen wen-schen ?quot;

Ik bedankte mynheer Vboles en zeide, dat iiy zeer wel voer.

„Ik zelf heb het genoegen niet van onder het getal zijner vrienden te worden toegelaten,quot; hervatte mijnheer Vboles, „en ik weet wol, dat de hoeren\'Jvaii ons vak somtijds met ongunstige oogen worden beschouwd. Wij kun nou echter niets anders doen, dan onder goed en kwaad gerucht en allerlei vooroordeel (wij zijn slachtoll\'ors van het vooroordeel) altijd maar recht door zee te gaan. Hoe vindt ge, dat inijn-heer lt; \'arstone er uitziet, jull\'rouw Suinmerson ?quot;

„Zoor slecht. Schrikkelijk angstig.quot; - „.luist,quot; zeide mijnheer Vboles.

Hij stond achter mi j met zijne lange zwarte gedaante, die bijna tot aan de zoldering der lage kamor reikte, bevoelde de puisten op /ijn gezicht alsof het sieraden waren, en sprak zoo


-ocr page 424-

408 HET VKRLATRN HUIS.

binnensmonds en gelijkmatig alsof liij voor geene monsoheiykc aandoening vatbaar was.

„Mijnheer Woodcourt komt nogal naar hem zien, geloof ik?quot; hervatte hjj. —- „Mphoer Woodcourt is zijn trouwe vriend,quot; antwoordde ik. „O ja, maar ik meen als dokter naar hem zien.quot; „Voor een kranken geest kan hy weinig doen,quot; zeide ik. „Juist,quot; zeide mijnheer Vholes weder.

/00 traag, zoo hongerig, zoo dor en bloedeloos, was het mij alsof Richard onder de oogen van dezen raadsheer wegteerde, en hjj iets van een Vampyr had.

„Juffrouw Summerson,quot; zeide mjjnheer Vholes, langzaam zjjne handen wrjjvende, die met of zonder zwarte handschoenen altjjd koud schonen te zijn, „dat was een onberaden huwelijk van mjjnheer Carstone.quot;

Ik verzocht hem mij niet te vergen om daarover te spreken. Zij waren geëngageerd toen zjj beiden nog zeer jong waren, zeide ik hem (eenigszins verontwaardigd), en veel betere vooruitzichten hadden. Toen K ie hard zich nog niet, had overgegeven aan den ongelukkigen invloed, die nu zjjn leven verdonkerde.

„•luist,quot; zeide mjjnheer Vholes wederom. , Kvenwel, daar ik in alles recht door zee ga, zal ik met nw verlof, juffrouw Summerson, nog aanmerken, dat ik dit waarlijk als een zeer onberaden huwelijk beschouw. Ik ben deze verklaring verschuldigd, niet alleen aan mijnheer (\'arstone\'s betrekkingen, voor welke ik mij natuurlijk wensch te vrjjwaren, maar ook aan mijne eigene reputatie, die mij dierbaar is als een man, die gaarne een respectabel man wil blijven heeten dierbaar ook aan mijne drie dochters thuis, voor wie ik een gering vermogen poog op te leggen; dierbaar, ! wil ik zelfs zeggen, aan mijn bejaarden vader, wien ik het een voorn rht acht te ondersteunen.quot; — „Het zon een geheel ander huwelijk worden, mjjnheer Vholes,quot; zeide ik, „veel gelukkiger en beter, kortom geheel iets anders, als liichard zich liet overhalen om van dat noodlottige proces, waarin gij voor hem werkzaam zjjt, af te zien.quot;

Met een bijna onhoorbaar kuchje achter zjjn zwarten handschoen boog mijnheer Vholes zijn i hoofd, alsof hij dit niet geheel wilde tegenspreken.

„Dat kan wel wezen, juffrouw Summerson,quot; 1 zeide hy, „en ik wil gaarne toestemmen, dat de jonge dame, die op zulk eene onberadene manier mijnheer (\'arstone\'s naam heeft aangenomen gü zult het mij wel niet kwalijk nemen, dat ik deze aanmerking hier nog eens invlecht, als een plicht, dien ik aan mijnheer i (\'arstone\'s betrekkingen verschuldigd ben eene zeer fatsoenlijke jonge dame is. Mijne bezigheden hebben mij verhinderd veel in gezel-schappen te verkeeren; maar ik meen tocli wel

! bevoegd te zijn om op te merken, dat zij eene zeer fatsoenlijke jonge dame is. Wat schoonheid betreft, daarover kan ik zelf niet oordeelen; ik heb van een kind af aan nooit veel daarop gelet. Maar ik durf toch wel zeggen, dat de jonge dame ook in dat opzicht eene goede party is. Zy wordt, gelijk ik gehoord heb, onder de klerken hier in de buurt voor schoon gehouden, en zjj hebben er meer verstand van dan ik. Wat nu de eiscben van mijnheer Carstone betreft....\'\' — „Zijne eiscben, mijnheer Vholes!quot; — „Verschooning,quot; antwoordde hy, even binnensmonds en langzaam voortgaande, „mijnheer Carstone heeft zekere eiscben volgens zekere testamen ten, die in proces liggen. Wat die eiscben betreft en de manier, waarop mijnheer Castone zijne belangen wil behartigd hebben, heb ik u gezegd juffrouw Summerson, toen ik de eerste maal het genoegen had met 11 te spreken, dat ik er op uit was om altjjd recht door zee te gaan — die woorden gebruikte ik, want toevallig teekende ik ze in mijn dagboek aan, dat : altijd overgelegd kan worden — en daarom verklaarde ik u, dat mjjnheer Carstone tot regel had gesteld, dat hjj zelf voor zyne belangen wilde waken, en dat wanneer een cliënt een regel stelt, die niet van ongeoorloofden aard is, het mij voegde dien regel te volgen. Dat heb ik dus gedaan en doe ik ook nog. Maar ik wil voor de betrekking van mjjnheer Car-; stone toch niets verbloemen. Zoo openhartig als ik voor mynheer .larndyce ben geweest, ben ik voor u. Ik acht het in mijn vak een plicht dit te wezen, hoewel men er niemand iets voor kan rekenen. Ik zeg openljjk, hoe ongevallig het ook wezen mag, dat naar myne gedachten de zaken van mynheer (\'arstone in een zeer slechten staat zijn, dat ik mijnheer Carstone zelf in een zeer slechten staat reken, en dat ik dit voor een onberaden huwelijk hond. — 01\' ik hier ben, mijnheer? .la wel zeer verplicht, ik ben hier, mijnheer Carstone, en heb het genoegen van een aangenaam gesprek met juffrouw Summerson, waarvoor ik u hartelijk dan-; ken moet, mynheer.quot;

Zoo brak hjj af, tot antwoord aan Kichard, die hem, de kamer binnenkomende, had aangesproken. Ik was thans maar al te wel bekend met de zorgvuldigheid van mynheer Vholes om voor zich zeiven en zijn respectabelen naam te zorgen, om niet te begrijpen, dat wij reden hadden om voor zijn cliënt het ergste te vreezen, Wy namen plaats aan tafel, waar ik gele-1 genheid had om Kichard met angstige zorgvuldigheid gade te slaan. Mijnheer Vholes hinderde I mij hierin niet, hoewel hy vlak tegenover mjj zat; want ik twjjlel er aan of bij wel ooit zijne i oogen opsloeg, dan alleen om zijn gastheer aan te zien. Ik vond Kichard mager en vervallen, slordig in zijne kleeding, verstrooid van manieren, zich nu en dan dwingende om levendig


-ocr page 425-

MIJNHEER GARSTONE\'S BELANGEN.

100

te zjjii, en dan weder in een dof gepeins verzinkende. Zijne groote, iioldere oogen, die zoo vrooljjk plachten te staan, hadden nn iets angstigs en onrustigs. Ik kan juist niet zeggen, dat hij verouderd was. Iemands jeugd kan wel verslijten, zonder dat hij daarom ouder scli|jnt te worden, en zulk een verslijten had Richard\'s jeugd en jeugdige schoonheid verteerd.

Hij at_ weinig en het scheen hem onverschillig wat hij at. Hij toonde zich ongeduldiger dan hij placht te zijn, en was opvliegend, zelfs tegen Ada. In het begin dacht ik, dat zijne oude lucht-die ik geloof, dat een glimlach moest wezen. Kort na den maaltijd stond hjj op en zeide, dat hjj, als de dames het niet kwalyk namen, weder naar zijn kantoor zou gaan.

„Altyd aan de zaken, Vholes 1quot; riep K ie hard uit. — „Ja, mijnheer Carstone,quot; antwoordde hij, „de belangen der cliënten moeten nooit verwaarloosd worden. Zij gaan boven alles in de gedachten van een praktizp als ik, die bij zijne medebroeders in de praktijk en het gebeelé publiek een goeden naam wenscht te bewaren. Dat ik tny het genoegen van dit aangenaam ge-


hartigheid van toon geheel \\ enlwenen was: maai\' somtijds kwam die toch nog eens uit, gelijk ik mijsomtijdseen oogenblikkclykcn zweem van mijn oud gezicht uit mijn spiegel had zien aankijken. Zijn lach had hem nog niet geheel begeven, maar geleek naar do echo van een vroo-lyken klank, en die is altijd treurig.

Evenwel was lijj, op zjjne oude hartelijke manier, zoo blijde als ooit, dat ik daar was, en wjj praatten genoeglijk over den ouden tijd. Dit scheen mijnheer \\ holes geen belang in te boezemen, hoewel hij somtijds een smak gaf.

sprek ontzeg, kan wel eenigszins met een oog op uwe eigene belangen zijn, mijnheer Carstone.quot;

Richard verklaarde zich hiervan overtuigd en lichtte mijnheer Vholes uit. Toen hij terugkwam zeide hy ons, meer dan eens, dat Vlioh goede kerel was, iemand, dien men ko tronwen. iemand, die deed wat hij zeid heel goede kerel. H ij zeide dit op znlk een genden toon, dat het mij inviel, dat h mijnheer Vholes begon te twyl\'elen

Toen wierp hij zich afgemat op de sofa ; en Ada en ik ruimden de tafel af. want zjj had

een vereen da-aan


-ocr page 426-

Ill)

geen amlerc tnoid ilan do vrouw, ilio de kamers si\'lioon liield. Mijn viiondiiinetje had eene kleine piano, en ging stil daarvoor zitten om eenige van Richard\'s liefste stukjes te zingen, nadat de lamp eerst naar de andere kamer was ge-hnirht, daar hij klaagde, dat het licht hem in | de pogen hinderde.

Ik zat tusschen hen in, dicht naast Ada,en gevoelde mjj zeer treurig worden terwijl ik naar hare zachte stem luisterde. Ik geloot, dat dit met Uit hard ook zoo was en hij daarom de kamer donker wilde hebben, //y had eenigen tijd gezongen, nu en dan opstaande om zich over hom heen te buigen en hem aan te spreken, toen Woodiourt binnenkwam. Hij zette zich naast Kichard; en door een half schertsend, halt\' enistig gesprek, kwam hij op eene zeer natuurlijke en ongedwongene manier te weten hoe deze zich bevond en waar hij den gehee-len dag geweest was. Weldra stelde lijj hem voor om te /amen nog eene kleine wandeling over een der bruggen te doen, daar het een heldere avond en maneschijn was; en daar Ui-chard gereedelijk zijne toestemming gaf, gingen zij met hun beiden heen.

\'/ij lieten mijne Ada nog voor de piano zitten en mij naast haar. Toen zij weg waren, sloeg ik mijn arm om haar middel. Zjj legde hare linkerhand in de mijne (ik zat aan dien kanti, maar hield de rechter nog op de toetsen en liep daarover heen en weder, zonder een toon aan te slaan.

„Ksther, liefste,quot; zeide zjj, het stilzwijgen afbrekende, „Kichard is nooit zoo wel, en ik ben nooit zoo gerust over hem, dan als hij met Allan Woodcourt is. Dat hebben wij u te danken.quot;

Ik beduidde haar, dat dit bezwaarlijk /30 kon wezen, dewijl mijnheer Woodcourt om haar bjj neef John aan huis was gekomen, en ons daar allen had gekend; en omdat hij altijd veel van Kichard had gehouden en Kichard van hem, en — zoo voort.

„Dat is alles wel waar,quot; zeide Ada, „maar dat hjj zulk een trouwe vriend voor ons is, hebben wij toch aan u te danken,quot;

Ik vond het best mijn vriendinnetje maar gelijk te laten houden en er niets meer van te zeggen. Dit zeide ik haar dus, en wol op een luchtigen toon, omdat ik haar voelde beven.

„Ksther, liefste, ik wilde zoo gaarne eene goede vrouw zijn, eene heel, heel goede vrouw. Dat moet gij mij leeren.quot;

Ik haar leeren! Ik zeide niets meer; want ik lette op de hand, die over de toetsen zwierf, en begreep, dat ik niet behoefde te spreken; dat zij het was, die mij iels te zeggen had.

„ Toen ik neef Richard trouwde, kon ik wel raden wat er voor hem lag. Ik was een langen tyd met u volkomen gelukkig geweest, on ik had nooit angst of onrust gekend, daar iedereen my zoo liefhad en voor mij zorgde; maar ik begreep toch wel in welk gevaar hij wan, lieve Esther quot; - „Dat weet ik wel, lieveling.quot;

- „Toen wy trouwden hooide ik eenigszins, dat ik in staat zou zijn hem zijne dwaling te doen inzien ; dat iiij die zaak als myn man op eene andere manier zou leeren beschouwen en ze niet om mijnentwil des te roekeloozer voortzetten - zooals hij nu doet. Maar al had ik dat niet gehoopt, ik zou hem toch evengoed getrouwd hebben, Esther. Evengoed!quot;

In de oogenblikkeiyke vastheid der hand, die nooit stil was — eene vastheid, die zij bij de laatste woorden kreeg en niet langer duurde — vond ik eene bekrachtiging van haar ernstigen toon.

„(lij moet niet denken, lieve Esther, dat ik niet zou zien wat gij ziet, en niet vreezen wat gij vreest. Niemand kan hem beter verstaan dan ik. De grootste wijsheid van de wereld zou Kichard haast niet beter kunnen verstaan dan mijne liefde doet.quot;

Zij zeide dit zoo zacht en bescheiden, en hare bevende hand duidde zooveel beweging aan, terwijl zij over de zwijgende toetsen heen en weder zwierf! .Mijne arme, lieve vriendin!

„Ik zie hem alle dag op zijn ergst. Ik bewaak hem in zijn slaap. Ik let op elke verandering in zijn gezicht. Maar toen ik Kichard trouwde, Ksther, had ik vast voorgenomen om, als de Hemel mij hielp, hem nooit te laten blijken, dat ik bedroefd was om hetgeen hij deed, en hem zoo nog ongelukkiger maken. Als lüj thuis komt, moet hy geene onrust op myn gezicht kunnen lezen. Als hij my aanziet, moet hy dat in mij zien wat hem my deed liefhebben. Met dat voornemen heb ik hem getrouwd, en dat ondersteunt mij.quot;

Ik voelde haar nog meer beven. Ik wachtte naar wat er nog meer moest komen, en meende te raden wat het zijn zou.

„En er is nog iets anders, dat mij ondersteunt, Esther.quot;

Zij zweeg eene korte poos, maar hare hand bleef in beweging.

.Ik zie een korten tijd vooruit, en ik weet niet welke groote hulp ik misschien bekomen zal. AN Kichard mij dan aanziet, kan er iets aan mijne borst liggen, dat meer welsprekend is dan ik geweest ben, dat meer vermogen heeft dan ik om hem den rechten weg te wijzen en hem te doen omkeeren.quot;

Hare hand hield nu stil; zij sloot mij in hare armen en ik haar in de mijne.

„Als het dat wichtje ook mocht mislukken, Ksther, dan zie ik nog verder vooruit. Dan zie ■ ik jaren en jaren ver vooruit, en denk, dat dan, aE ik oud word, of misschien dood ben, eene schoone vrouw, zijne dochter, gelukkig getrouwd, misschien trotsch op hem zal zijn I en een zegen voor hem wezen. Of dat een braaf


-ocr page 427-

GEHEEL EN AL. \'111

HAROLD SKIM POLE

en etlel man, even schoon als hjj placht Ie zijn, | even vol hoop en veel gelukkiger, in don zon- i neschiji) met hem zal wandelen, zijn grijs hoofd eerbiedigen en hij zich zei ven zeggen : „Ik dank ( rod, dat dit mjjn vader is, door een noodlottig erfgoed geruïneerd en door mijne hulp weder tot een man gemaakt!quot;

O, welk een hart was liet, dat zoo snel tegen het mijne klopte!

„Deze hoop houdt mjj staande, lieve Lsther, en ik weet, dat zjj het ook verder zal doen. Maar somtijds verdwijnt zij wel eens voor eene vrees, die hjj mij opkomt als ik Richard aanzie.quot;

Ik poogde haar op te beuren en vroeg haar wat zij vreesde. Schreiend en snikkend antwoordde zij :

, Dat hy misschien niet lang genoeg zal leven om zjjn kind te zien.quot;

LXi.

KBN8 ONTUKKKIMi.

De dagen toen ik zoo dikwijls dien donkeren hoek bezocht, die door mijne lieve Ada werd verhelderd, kunnen nooit uit mijn geheugen verdwijnen. Ik zie die plek tegenwoordig nooit, en wensch haar nooit weder te zien ; ik ben er sedert maar eens geweest; maar in mijne herinnering wordt zjj door een treurigen glans boschenen die altijd daarop zal blijven neerdalen.

Kr verliep natuurlijk geen dag zonder dat ik daarheen ging. In het begin vond ik een paar malen mijnheer Skirnpole daar, die voor zijn vermaak op de piano zat te spelen en op zijn gewonen luchtigen trant praatte. Behalve dat ik er zeer aan twijfelde of hij daar kwam zonder Rii\'hard armer te maken, vond ik ook in zijne onbezorgde luchthartigheid iets, dat al te weinig strookte met hetgeen ik van Ada\'s gemoedsstemming kende. Ik zag bovendien, dat Ada dit insgelijks gevoelde. Ik besloot daarom, na veel nadenkens, mijnbeer Skimpolc eens alleen te gaan bezoeken en te beproeven hem dit met kieschheid aan het verstand te brengen. Het was de gedachte aan Ada, die mij zoo stout maakte.

Ik begaf mij op een ochtend, door (Jliarley vergezeld, naar S o m e r s \'I o w n op weg. Toen ik het huis naderde was ik zeer genegen om terug te keeren, want ik gevoelde hoe wanhopig de poging was om eenigen indruk op mijnheer S kim pole te maken, en hoe waarschijnlijk liet was, dat hij mij geheel uit het veld zóu slaan. 1\']venwel, dacht ik. nu ik eens zoo ver was, wilde ik het ook doorzetten. Ik klopte met enne bevende hand aan de deur — letterlijk met de hand, want de klopper was er niet meer — en werd na eene lange onderhandeling door ile lersche meid ingelaten, die, toen ik aanklopte, in de stoep van het onderhuis

bezig was het deksel van het watervat met eene pook aan stukken te slaan, om het vuur aan te maken.

Mijnheer Skirnpole, die op de sofa in zijne kamer wat op de fluit lag te spelen, was opgetogen toen hij mij zag. Wie moest mij nu re-cepieeren, vroeg hij. Wie zou ik liefst tot ce-remoniemeesteres willen hebben ? Zijne schoone dochter, of zijne comische dochter, of zijne sentimenteele dochter? Of wilde ik al zijne dochters tegelijk hebben -een geheelen bloemruiker?

Ik antwoordde, reeds half verslagen, dat ik hem alleen wenschte te spreken, als hij dit goedvond.

„Zeer gaarne, lieve jutVrouw Summerson,quot; antwoordde hij met een innemend glimlachje, terwijl hij zijn stoel dichter by den mijnen schoof. ,Xatuurlyk is het niet over zaken. Dus over een pleiziertje!quot;

Ik zeide dat ik zeker niet over zaken kwam spreken, maar toch over iets, dat van geen plei/ie-rigen aard was.

, Wel, lieve jutVrouw .Sumrnerson,quot; antwoordde hij, met rondborstige opgeruimdheid, „spreek er dan liever geheel niet van. Waarom zoudt gjj van iets spreken, dat van geen pleizieri-gen aard is? 1 k doe dat nooit. Kn gij zjjt, in alle opzichten, een veel pleizieriger wezen dan ik. (lij zijt volmaakt pleizierig; ik ben maar onvolmaakt pleizierig. Als ik (lus nooit van iets onpleizierigs spreek, hoeveel te minder moet gij het dan doen! Dat is dus afgedaan, en nu zullen wij over iets anders praten.quot;

Hoewel ik verlegen was, verzamelde ik toch moed genoeg om te zeggen, dat ik nog hij het onderwerp wenschte te blijven.

„Dat zou ik voor eene verkeerdheid lioudeu,quot; antwoordde nnjnheer Skirnpole met zijn luchtigen lach, „als ik jnlVrouw Sumrnerson in staat achtte om eene verkeerdheid te begaan. Maar dat doe ik niet.quot; „Mijnheer Skirnpole,quot; hervatte ik, hem in de oogen ziende, .ik hel» u zoo dikwijls hooren zeggen, dat gij onbekend

zijt met do zaken van het gewone leven____quot;

- „Meent gij onze drie vrienden van liet geldkantoor, mijnheer Pond, Schelling, en wie is ook weer de jongste compagnon Stuiver ?quot; zeide hij, vroolijk schertsende „Daar heb ik geen het minste denkbeeld van.quot; „Dat gij misschien,quot; vervolgde ik, „om die reden mijne vrijpostigheid zult verschoonen. Ik meen u ernstig te moeten zeggen, dat Richard tegenwoordig armer is dan voorheen.quot; „Och lieve Heer!quot; zeide mijnheer Skirnpole, niet een gezn lit alsof hij daarover opgetogen was. ..Natuurlijk veroorzaakt dit Ada veel geheimen angst; on daar ik geloof, dat zij minder ongerust is als zij geene v isites behoeft te ontvangen, en daar Kichard altijd door réne groote reden van onrust wordt gekweld, is het mij ingevallen, dat ik de vrijheid moest nemen om u te zeggen, dat....quot;

Ik kwam met groote moeite tot de zaak, toen


-ocr page 428-

HET VERLATEN HUIS.

412

lijj mij by beide handen vatte en met het vroo-iykste en vriendelijkste g\'e/.icht liet woord uit den mond nam.

„Dat ik liever daar vandaan moest blijven? O, wel zeker, lieve jntl\'rouw Sununerson, zeer gaarne. Waarom zou ik daarheen gaan ? Als ik ergens heenga, doe ik het voor myn pleizier. ik ga nergens voor mijn verdriet, want ik ben voor pleizier bestemd. Het verdriet komt wel naar mij toe, als liet wil. Nu hel) ik sedert eenigen tijd heel weinig pleizier bij onzen lieven Uichanl gehad, en uwe practicale schranderheid doet my begrijpen waarom. Onze jonge vrienden, die de jeugdige poëzie verliezen, welke hun eens zoo bekooriyk stond, beginnen te denken: „Dit is de man, die ponden verlangt.quot; Dat ben ik ook; ik verlang altyd ponden,niet voor mij zeiven, maar omdat de winkeliers ze altyd van mg verlangen. Vervolgens beginnen onze jonge vrienden, die geldzuchtig worden, te den-leen : , Dit is de man, die ponden g e h a d heeft

die ze geleend heeft;quot; en dat mdi ik gedaan, ik leen altyd ponden. Zoo komt het, dat onze jonge vrienden, tot het proza afgedaald (wat mjj zeer leed is), hun vermogen verloren hebben om mij pleizier te geven. Waarom zou ik ze dus gaan bezoeken? Dat isietsongerijmds.quot;

De vrooiyke glimlach, waarmede hij zoo had voortgeredeneerd, ging nu in een blik van be-langelooze welwillendheid over, die waarlyk verbazend was.

Jtovendien,quot; vervolgde hy, op een toon van gemoedelyke overtuiging zijne rede voortzettende, „ais ik ergens niet heenga om verdriet te hebben wat tegen de bestemming van mijn aanzijn zou inloopen en dus iets monster-ai htigs wezen waarom zou ik ook ergens heengaan om verdriet te veroorzaken ? Als ik onze jonge vrienden, in hunne tegenwoordige onberedeneerde stemming, ging bezoeken, zou ik hun verdriet veroorzaken. De gedachten, die ik by hen opwekte, zouden onaangenaam zijn. Zy zouden by zich zeiven kunnen zegden ; , Dit is de man, die ponden gehad heeft en geene ponden kan betalen;quot; hetgeen ik natuurlijk niet doeu kan. De mcnschlievendheid eischt dus, dat ik niet naar hen toe ga -tin dat zal ik ook niet.quot;

Iiy besloot met mjj vurig de hand te kussen en my te bedanken. Alleen juffrouw Summer-son\'s fijne tact, zeide hjj, was in staat om hem tot die ontdekking te brengen.

Ik was zeer uit het veld geslagen, maar ik bedacht, dat bet, indien lijj mij de hoofdzaak gewonnen gal\', er weinig op aankwam hoe zonderling lijj alles had verdraaid wat hem daartoe moest bewegen. Ik bad rny echter voorgenomen om nog van iets anders te spreken, en meende my in dat opzicht niet van de wjjs te laten brengen.

„Mijnheer Skinipole,quot; zeide ik, „eer ik heenga moet ik nog de vrijheid nemen van te zoggen, dat ik eenigen tijd geleden met eene groote verwondering van zeer nabij vernomen heb, dat het u bekend was met wien die arme jongen van het Verlaten Huis was heengegaan, en dat gij by die gelegenheid een present hadt aangenomen. Ik heb mijn voogd niet daarvan gesproken, uit vrees van hem noodeloos verdriet te veroorzaken; maar ik mag u wel zeggen, dat ik zeer verwonderd was.quot; —„Toch ? Wezenlijk verwonderd, lieve juffrouw Summerson ?quot; riep hij vragenderwijs uit, en trok met schertsende verbazing zijne wenkbrauwen op.— , Ten hoogste verwonderd.quot;

Hij dacht er mot een gezicht vol comische verbystering eene poos over na, gaf het toen op, en zeide op zyn innemendsten toon :

„Gy weet wel welk een kind ik ben. Waarom verwonderd ?quot;

Ik was ongenegen om deze vraag uitvoerig te beantwoorden; maar dewyl hij daarop aandrong, omdat hy, naar hij zeide, werkelijk nieuwsgierig was, gaf ik hem met de zachtste woorden, die ik gebruiken kon, te verstaan, dat zijn gedrag eene onverschilligheid voor ver-scheidene zedelyke verplichtingen scheen aan te duiden. Hij scheen dit even aardig als vreemd te vinden, en zeide met de openhartigste on-noozelheid ; „Toch ? Waarlyk Vquot;

„(lij weet wel, dat ik geene aanspraak op verantwoordelijkheid maak,quot; zeide lijj vervolgens. „Dat heb ik nooit kunnen doen. Verantwoordelijkheid is iets, dat altijd boven my is geweest — of beneden my ; ik weet zelf niet wat van beiden. Maar zooveel ik begrijp wat mijne lieve juffrouw Summerson daar gezegd heeft, die altyd zoo bijzonder klaar en duidelijk is, moet ik nijj verbeelden, dat dit hoofd-zakelyk eene geldzaak is. Is het niet zoo?quot;

Ik was onvoorzichtig genoeg om te zeggen, dat het gedeeltelijk zoo was.

„Och, dan ziet ge wel,quot; zeide mijnheer Skinipole. zijn hoofd schuddende, „kon ik nooit hopen er iets van te begrypen.quot;

Terwijl ik opstond om heen te gaan gaf ik hem te kennen, dat het niet wid gedaan was zich te laten omkoopen om het vertrouwen van mijn voogd te verraden.

,Mijne lieve jutlrouw Summerson,quot; antwoordde hij met die luchthartige blijgeestigheid, die hem zoo eigenaardig onderscheidde, „ik kan niet omgekocht worden!quot; „Ook niet door mijnheer Bucket?quot; zeide ik. — „Neen,quot; antwoordde hy. „Door niemand. Ik hecht geene waarde aan het geld. Ik geef er niet om, ik weet er niet van, ik verlang er niet naar, ik bewaar het niet het loopt altyd terstond van my weg. Hoe kan ik omgekocht worden?quot;

Ik toonde hem, dat ik van eene andere meening was, sc hoon ik niet bekwaam genoeg was om over de zaak te redetwisten.


-ocr page 429-

SN VAN MET TOONEEL. 413

VOOR GOED AKOET

„Integendeel,quot; zeide tnijnlieer Skimpole, „ik ben juist de man, die in zulk een geval boven anderen verheven moet zijn. Ik sta in zulk een geval boven bet overige der raenscbbeid. Ik kan in zulk een geval met philosopbie te werk gaan. Ik laat mij door geene vooroordeelen binden ol\' misleiden. Ik ben zoo vrij als de lucbt. Ik gevoel mij zoo ver boven verdenking verheven als de vrouw van Cesar.quot;

Iets, dat met de luchtigheid van zijn trant, de schertsende onpartijdigheid, waarmede hij zich zeiven scheen te overtuigen en de zaak als een vederbal been en weder wierp, gelijkstond, heeft men zeker nooit bij iemand anders gezien.

„Let eens op het geval, lieve juft\'rouw Smn-merson. Kr wordt een jongen in huis genomen en te bed gebracht, in een staat waar ik machtig veel tegen heb. Toen de jongen in bed is, komt er een man — evenals met het huis van Adriaan. Hier is de man, die naaiden jongen vraagt, die in huis is genomen en in bed gelegd, in een staat waar ik machtig veel tegen heb. Hier is eone banknoot, vertoond door den man, die naar den jongen vraagt, die in huis is genomen en in bed gelegd, in een staat waar ik machtig veel tegen hel). Hier is de Skimpole, die de banknoot aanneemt, die de man vertoont, die naar den jongen vraagt, die in huis is genomen en in bed gelegd, m een staat waar ik machtig veel tegen heb. Dit zijn de feiten. Heel goed! Moest nu de Skimpole de banknoot geweigerd hebben? | Waarom moest de Skimpole de banknoot geweigerd hebben? Skimpole zegt tegen Bucket: | „Waarvoor is dat? Ik begrijp het niet; ik heb j er niets aan ; neem ze weer mede.quot; Bucket \\ dringt Skimpole toch om ze aan te nemen. Zijn er | redenen, waarom Skimpole, die geene vooroor- I deelen beeft, ze moet aannemen? .la, Skimpole | ziet ze. Wat zijn zij dan? Skimpole redeneert j aldus bij zich zeiven: „Dit is een tamme lynx, een ijverig officier van politie, een schrander j man, een persoon, wiens geestvermogens eene bijzondere richting hebben genomen, die onze vrienden en vijanden voor ons opzoekt als zij | wegloopen, ons goed terugbezorgt als wij be- ! stolen worden, ons zonder eenige moeite wreekt als wij vermoord worden. Deze ijverige officier | van politie en schrandere man heeft in de uitoefening zijner kunst een krachtig geloof in het geld verkregen; bij vindt dit zeer nuttig voor hem en maakt het nuttig voor de maatschappij- Zal ik dat geloof van Hucket schokken, ! omdat ik het zeil niet beb; zal ik voorbe-dachteiyk een van Bucket\'s wapenen verstoni-pen; zal ik Bucket by zijne opvolgende geheime operatie misschien /.ijn zelfvertrouwen benemen? En wederom. Als het berispelijk is, dat Skimpole de banknoot aanneemt, is het ook berispe- i lyk, dat Bucket ze aanbiedt veel meer beds- i pelyk van Bucket, omdat hij do verstandige man

is. Nu verlangt Skimpole gunstig over Bucket te denken; hij acht het zijn plicht gunstig over Bucket te denken. De staat eisebt uitdrukkelijk van hem, dat by Bucket zal vertrouwen. En dat doet hij. En dat is al wat by doet.quot;

Ik had hierop niets meer te zeggen en nam dus afscheid. Mijnheer Skimpole evenwel, die in de beste luim was, wilde er niet van hooi en, dat ik alleen onder het geleide van de „kleine Coavinsesquot; naar huis zou gaan, en bracht nüj zelf terug. Onderweg hield by mij met een vroolijk gesprek over allerlei onderwerpen bezig, | en bij het afscheidnemen verzekerde bij mij, dat by nooit den lijnen tact zou vergeten, waarmede ik hem dat van onze jonge vrienden had doen opmerken.

Daar bet gebeurde, dat ik mijnbeer Skim- i pole nooit wederzag, mag ik bier wel in- ■ voegen wat ik nog van zyne latere geschiedenis weet. Er ontstond eene verkoeling tusschen hem en mijn voogd, voornamelijk gegrond op ■ bet zoo even medegedeelde, en ook daarop, dat by harteloos genoeg was geweest om (gelijk wij naderhand van Ada hoorden) in den wind te slaan wat mijn voogd hem ten opzichte i van Richard bad verzocht. Dat by bij myn | voogd zwaar in schuld stond, bad niets met hunne verwijdering te maken, liy stierf | omtrent ujf jaren later en liet een dagboek achter, benevens brieven en andere bouw- ! stollen voor eene levensbeschrijving die dan ook j in liet licht verscheen, en waaruit bleek, dat bij het slachtotl\'er geweest was eener samenspanning, die het geheele mensebdom togen i een beminnelijk kind bad gesmeed. Men vond | dit boek zeer onderhoudend, maar ik heb er niet meer van gelezen dan een volzin, dien ik bij toeval aantrof toen ik het opensloeg. Het was deze : „Jarndyce is, gelijk de meeste men-schen, die ik beb leeren kennen, eene per- ; soniticatie der zelfzucht.quot;

En nu kom ik tot een gedeelte van mijn ; verhaal, dat mij zeer van nabij betreft, en 1 waarop ik, toen de omstandigheid plaats had, geheel niet; was voorbereid. De vluchtige gedachten aan mijn ongelukkig oud gezicht, die | nu en dan bij mij opkwamen, deden dit slechts als herinneringen van iets, dat geheel ver- | dwenen was — evenzeer voorbij was als mijne 1 eerste kinderjaren. Ik heb mijne menigvuldige zwakheden in dit opzicht niet verzwegen, maar ze zoo getrouw opgeschreven als mijn gebeugen ze mij te binnen bracht. Kn hetzelfde hoop en I meen ik te doen tot aan de laatste woorden op deze bladen, die ik nu niet zoo heel ver voor mij zie.

De maanden gleden voort, en mijne liev»1 Ada, ondersteund door de hoop, die ze mij 1 had toevertrouwd, bleef dezelfde sehoone ster in dien donkeren hoek. h\'icbard, nog meer vermagerd en vervallen, ging dag aan dag naar


-ocr page 430-

Ill

het Hof. en Weel\' daar den geheelen dag zit- | ten sullen, schoon hy wist, dat er geene de minste kans was dat liet proces zon genoemd worden; lijj werd als het ware een gedeelte van het meublement der zaal. Ik twijfel of een van die heeren hem zich wel voor den geest 1 kon halen gelijk hij was toen hij pas daar kwam.

/00 geheel was hij in dat proces verzonken, dat hij ons in zijne opgeruinule oogenblikken wel hekende, dat hy „zonder Woodcourtquot; nooit meer de vrije lucht zou hebben ingeademd. Woodcourt was de cenige, die nu en dan eenige uren lang zijne aandacht kon afleiden en hem opwekken, zelfs wanneer hy in eene | slaperige dofheid verzonken was. die ons zeer ongerust maakte, en naarmate de tyd verliep, veelvuhliger terugkwam. Mijne lieve Ada had wel gelyk toen zy zeide, dat hy om harentwil nog wanhopiger /.yn dwaalspoor vervolgde. ] Ik twijfel er niet aan of zijne begeerte om te herwinnen wat hij verloren had werd doorzijn verdriet over zyne jeugdige vrouw aangevuurd, en begon naar de razerny van een hazardspe- I Ier te gelijken.

Ik kwam daar, geljjk ik zeide, op alle uren , van den dag. Als ik tot des avonds bleef, reed 1 ik doorgaans met Charley in eene koets naar huis; somtijds wachtte mijn voogd mij in de buurt op en wandelden wy te zamen huiswaarts. Op zekeren avond had hy afgesproken my tegen acht uren te zullen opwachten. Ik kon niet precies op mijn tijd passen, gelyk ik gewoonlijk deed, want ik zat voor Ada te naaien en had nog maar eenige steken te doen, om datgene, waaraan ik bezig was, af te maken; maar het was eenige minuten voor achten, toen ik niiju werkmandje inpakte, myne lieve vriendin voor dien avond den laatsten kus gaf en de trap afsnelde. Woodcourt ging met mij mede, daar bet reeds donker was.

Wij kwamen aan de plek waar ik gewoon was mijn voogd te ontmoeten - - het was dichtbij en Woodcourt had mij dikwijls daarheen gebracht — maar vonden niemand. Wij bleven een half uur wachten, al op en neer wandelende ; maar nog kwam hij met. Wij begrepen, dat hij óf verhinderd was te komen, of ge-komen en weder heengegaan was ; Woodcourt bood mij aan om mij naar huis te brengen.

Dit was de eerste wandeling, die wij ooit te zamen gedaan hadden, behalve de weinige stappen naar de plaats waar mijn voogd mij wachtte. Wij spratcen (b\'ii geheelen weg langs over Richard en Ada. Ik dankte hem niet met woorden voor hetgeen hij gedaan had — ik waardeerde dit veel te hoog om hem met woorden te kunnen danken — maar ik hoopte, dat hij toch wei eenigszins zou begrijpen wat ik /00 diep gevoelde.

Toen wij thuis kwamen en naar boven gingen. bevonden wij, dat mijn voogd uit was \'

en mevrouw Woodcourt insgelyks. Wij waren in dezelfde kamer, waar ik mijne blozende \\ riendin gebracht had, toen haar jeugdige minnaar — nu haar man, en zoo veranderd — de keus van haar hart was ; dezelfde kamer, waaruit mjjn voogd en ik hen door den zonneschijn, in den frissdien bloei hunner veelbelovende hoop, hadden zien heengaan.

Wy stonden voor het opene venster, naar de straat uitkijkende, toen Woodcourt begon te spreken. Ik begreep in een oogenblik, dat hy rny liefhad. Ik begreep in een oogenblik. dat myn geschonden gezicht voor hem onveranderd was, Ik begreep in een oogenblik, dat datgene, wat ik voor medeiyden gehouden had, edelmoedige, trouwe liefde was. O, liet was nu te laat om dit te begrijpen, te laat, te laat. Dit was de eerste ondankbare gedachte, die ik had. Te laat.

„Toen ik terugkwam,quot; zeide hy, „toen ik niet ryker terugkwam dan ik was heengegaan, en u vond, pas van een ziekbed opgericht, en toch zoo vol meewarige zorgvuldigheid voor anderen, zoo vrij van alle eigenlievende gedachten.....quot; — ,0, mijnheer Woodcourt, houd op,

houd op!quot; bad ik hem. ,lk verdien zulk een lof niet. Ik had toen vele, zeer vele eigenlievende gedachten.quot; . De hemel weet, beminde voor geheel mijn leven,quot; zeide hij, „dat mijn lof niet de overdrijving van een minnaar, maar de waarheid is. (iij weet niet wat allen om u heen in Esther Snmmerson zien, hoevele harten zij roert en wakker maakt, welk eene heilige bewondering, welk eene liefde zy verwerft.quot; — „O, mijnbeer Woodcourt,quot; riep ik uit, „liefde te verwerven is iets groots ! Ik ben trotsch daarop, ik gevoel my daardoor vereerd, en dit te hoeren doet rny deze tranen van biydschap en droefheid schreien — blijdscliap omdat ik ze verworven heb, droefheid omdat ik ze niet beter heb verdiend. Maar het staat my niet meer vrij aan uwe liefde te denken.quot;

Ik zeide dit mét een sterker hart; want toen hy mij zoo prees en ik aan het beven z.yner stem hoorde, dat hy geloofde wat hy zeide, kwam het verlangen by my op mij dien lof waardig te maken. Daartoe was het nog niet te laat. Hoewel ik deze onverwachte bladzyde van mijn leven dien avond omsloeg, kon ik haar my toch myn geheele leven door waardig toonen. Het was een troost voor inij, het bemoedigde mij, en ik gevoelde nieuwe lofwaardige eigenschappen, van hem ontleend, by my ontstaan, toen ik dit bedacht.

Hij verbrak bet stilzwijgen.

„Ik zou een slecht bewijs geven van het vertrouwen, dat ik in liet dierbare meisje stel, dat rnjj altijd even dierbaar zal wezen als nu,quot; (en de ernst, waarmede hij dit zeide gaf mij kracht en deed mij tegelyk schreien), „indien ik na bare verzekering, dal het haar niet vrij-


-ocr page 431-

MIJNHEER WOODCOUUT\'S LIEFDE VOOR ESTHER. 415

staat aan mijne liofdti te denken, nog verder | verbeelden dat mijnheer .larndyce mij bewezen

| aandrong. Lieve Esther, laat ik u alleen mogen heeft, ben ik geslaagd.quot; — „De Hemel zegene

zeggen, dat de teedere herinnering, die ik op hom daarvoor,quot; zeide ik, heb mijne hand ge-

j reis van u medenam, in een veel verhevener vende; „en do Hemel zegene u in al wat gij

| gevoel overging toen ik u wedervond, ik had doet.quot; - „Die wensch zal mij nog meer aan-

! ii als een beminnelijk meisje verlaten, ik vond vuren om mijn best te doen,quot; antwoordde lijj;

i n als een engel weder. Ik heb altijd gehoopt u „hij zal mij deze nieuwe plichten doen aan-

j \'lil te kunnen zeggen, zoodra de Fortuin mij vaarden, als nog eene heilige taak, die gij mij

! maar oenigszins toelachte. Ik heb altijd gevreesd\', toevertrouwt.quot; — „Ach, Richard!quot; riep ik on-

I dat ik het u vruchteloos zou zeggen. Mijne hoop willekeurig uit. „Wat zal hij doen als gij weg

] en vrees zijn nu beide verwezenlijkt, al aar ik | zijtyquot; „Ik behoef nog niet te vertrekken ; en

j ontroer en bedroef u. Ik heb genoeg gezegd.quot; : zelfs al was dat zoo, dan zou ik hem toch niet

Kr schoen zich iets in mijne plaats to stel- verlaten, lieve julfromv Snmmorson.quot;

| Ion, dat naar den Engel zweemde, waarvoor i Ik achtte het noodig nog iets aan to roeren,

j hij mij hield, 011 ik was zeer bedroefd om liet oer hij mij verliet. Ik begreep, dat ik de liefde,

i verlies, dat hem getroll\'on had. Ik wenschto die ik niet kon aannemen, niet waardig zou

| hem te troosten, gelijk ik gewenscht had dit zijn, als ik dit achterhield.

| te doen toen hij mij voor het eerst zjjn mede- j „Mijnheer Woodconrt,quot; zeide ik, „het zal u lijden toonde. j verheugen uit mijn eigen mond te hooien, eer „Beste mijnheer Woodconrt,quot; zeide ik, „eer ik u goedennacht wensch. dat ik met de toewij van avond scheiden heb ik nog iets te j komst, die helder voor my ligt, volkomen verzeggen. Ik zal het nooit kunnen zeggen gelijk genoegd ben, en niets te verlangen of te hoik het wenschto te doen — maar.. .j klagen heb.quot;

Ik moest wederom bedenken, dat ik mij Hij was inderdaad verheugd dit te hooren,

zijner liefde meer waardig wilde maken, eer : zeide luj.

ik kon voortgaan. i „Van mijne kindsheid af,quot; zeide ik, „bon ik

„Ik ben diep gevoelig voor uwe edelmoedig- het voorwerp van do onvermoeide goedheid der

beid, en zal de gedachtenis daarvan tot het ; boste menschen geweest, aan wie ik door allo

uur van mijn dood als een schat bewaren. Ik banden van dankbaarheid en liefde zoodanig

weet zeer wel hoe veranderd ik ben; ik weet, gehecht ben, dat alles wat ik in den omvang

dat gij niet onbekend zijt met mijne geschie- van een geheel leven kon doen, nog niet hot

denis, en ik weet ook hoe edel eene liefde is, , gevoel van een onkelen dag zou kunnen uil-

die zoo getrouw kan znn. Wat gij gezegd hebt, ; drukken.quot; „Ik deel in dat gevoel,quot; antwoordde

had my uit geen andoren mond zoo kunnen lijj, „gij spreekt van mijnheer .larndyce.quot; —

trollen; want er is niemand, die er zulk eene „Uij kent zijne deugden,quot; vervolgde ik, „maar

waarde voor mij aan zon kunnen geven. Het weinigen kennen, zooals ik, de grootheid van

zal niet verloren gaan. Hot zal mij beter doen 1 zijn karakter. In niets hebben zich de edelste

worden.quot; ^ en beste eigenschappen daarvan helderder voor

Hij hield zijne hand voor zijne oogen en ! mij geopenbaard, dan in het ontwerpen van die

koerde zijn hoofd om. Hoe kon ik die tranen toekomst, waarmede, ik zoo vergenoegd ben.

ooit waardig zijn? Kn indien hy niet reeds uwe hoogste achting

„Indien gij in den omgang, die onveranderd bezat - die ik weet dat hy bezit — zondt gij

tusschen ons moet biüven bestaan, in de zorg ze hom, denk ik. op deze verzekering gevon.quot;

I voor Richard en Ada. en ik hoop in veel go- lljj antwoordde met vuur, dat dit waariyk.

I lukkiger omstandigheden, ook iets in my vindt, waarlijk zoo zou geweest zijn. Ik gaf hem nog-

dat gij waarlijk voor beter kunt honden dan maals de hand.

hot placht te zyn, geloof dan, dat het uit dezen „Goedennacht,quot; zeide ik ; „vaarwel!quot; - „Het

; avond is voortgekomen en dat ik het aan u to j eerste totdat wjj elkander morgen wederzien ;

danken heb. En geloof nooit, boste mijnheer \' het tweede als een vaarwel aan dil onderwerp

Woodconrt, geloof nooit, dat ik dezen avond tusschen ons voor altyd ?quot; - „.la.quot; — „Ooodon-

zal vergeten; of dat mjjn hart, zoolang het nacht; vaarwel!quot;

klopt, ooit gevoelloos kan worden voor de trot- Hij verliet mij, en ik bleef voor het donkere

sche blydschap van uwe liefde te hebben ver- venster naar de straat uitkijken, /ijne liefde

worven.quot; had mij, met al hare standvastigheid en edel-

Hy vatte myne hand en kuste die. Hij was moedigheid, zoo plotseling verrast, dat hij mij

nu weder bedaard en ik gevoelde uijj nog moor nog geene minuut verlaten had, of myno kracht

bemoedigd. bezweek weder en mijne tranen droppelden op

„Fit hetgeen gy daar zoo oven gezegd hebt,quot; do straat.

hervatte ik, „hoop ik te mogen opmaken, dat Doch het waren goeno tranen van droefheid

gij in uw poging zyt geslaagd?quot; —„.la,quot;ant- en spijt. Neen. Iiy had mij /.ijno beminde voor

woordde hij. „Met de hulp, die gij u wel kunt geheel zijn leven genoemd, en gezegd, dat ik

-ocr page 432-

HET VERLATEN HUIS.

416

hem altijd even diorbaar zou zijn als ik toen was; en het was mij alsof mijn hart de blijdschap over het hooren van die woorden niet kon bevatten. Mijne eerste woeste gedachte was verdwenen. Het was nog niet te laat om ze te hooren; want het was nog niet te laat om mü daardoor te laten aansporen om goed en trouw, dankbaar en vergenoegd te zijn. Hoe gemakkelijk was mijn weg; hoeveel gemakkelijker dan de zijnel

IA1I.

MM. KKNK

Ik had dien avond den moed niet om iemand anders te zien. Ik had zelfs den moed niet om mij zelve te zien, want ik vreesde, dat mijne tranen mij een klein verwijt zouden geven. Ik ging in het donker naar mijne kanier, ik bad in het donker en legde mij in het donker te slapen. Ik had geen licht noodig om den brief van mijn voogd over te lezen, want ik kende dien van buiten. Ik nam hem van de plaats waar ik hem bewaarde, en herhaalde den in-houd bij het heldere, daarvan afstralende licht van rechtschapenheid en liefde, en viel met dien brief op mijn kussen in slaap.

Ik was des morgens vroeg op en riepChar-le\\ om eene wandeling te gaan doen. Wy kochten bloemen om de ontbijttafel te versieren, en kwamen terug en schikten ze, en maakten liet mis /00 druk als maar mogelijk was. Wij waren zoo vroeg op geweest, dat ik nog tijd genoeg had om Charley les te geven ; t\'liarley die nog even zwak in de spraakkunst bleef) kwam gr met grooten lof doorheen, en wij waren beide in onzen schik. Toen inijn voogd kwam, zeide hij: , Wel, huismoedertje, gij ziet er nog frisscher uit dan uwe bloemen!quot; En mevrouw Woodeourt reciteerde eene plaats uit de Mewlinwillinwodd, die beduiden moest, dat ik geleek naar een berg, die door de zon werd beschenen.

Dit alles was zoo streelend, dat ik hoop, dat het mij nog meer naar dien berg deed gelijken dan ik te voren had gedaan. N\'a het ontbijt wachtte ik eene gelegenheid af en bleef wat rondloeren, tot ik zag, dat mijn voogd alleen in zijne kamer was — de kamer van den vorigen avond. Toen zocht ik een voorwendsel om met mi jne sleutels binnen te komen, en sloot de deur achter mij.

„Wel, huismoedertje,quot; zeide mijn voogd, die met de post verscheidene brieven had gekregen en nu zat te schrijven gij hebt zeker geld noodig!quot; — .Neen, ik heb nog genoeg over.quot;

, Kr is nooit zulk eene kunstenares geweest,quot; zeide mijn voogd, .om het geld te leeren strekken.quot;

■kKINi:.

Hij had zijne pen neergelegd en leunde in zijn stoel achterover om mij aan te zien. Ik heb dikwijls van zijn helder gezicht gesproken; maar ik dacht, dat ik het nog nooit zoo helder en goedig had gezien. Hr straalde eene edele vergenoegdheid uit, die mij deed denken: „Hij hoeft van morgen eene groote weldaad bewezen.quot;

„Nooit zulk eene kunstenares gezien,quot; herhaalde mijn voogd, terwijl hij mij glimlachend aanzag, oin het geld te leeren strekken.quot;

Hij had zijn ouden toon van omgang nooit veranderd. Ik hield zooveel daarvan en van hem, dat ik nu naar hem toe ging en mijn gewonen stoel nam, die altijd naast hem stond — want somtijds las ik hem voor, en somtijds praatte ik met hem, en somtijds zat ik stil bjj hem te werken, — en eenigszins vreesde hem daarvan af te brengen door mijne hand op zijne borst te leggen. Maar ik vond, dat hij zich daaraan niet stoorde.

„Lieve voogd,quot; zeide ik, „ik moet u eens spreken. Ben ik in iets achterlijk geweest „In iets achterlijk geweest, melieve 1quot; — „Hen ik niet alles geweest, wat ik had willen zijn, sedert — sedert ik u dat antwoord op uw brief gebracht heb?quot; — „( ijj zyt alles geweest wat ik kon wenschen, lieve.quot; — „Ik ben zeer blyde dit te hooren.quot; hervatte ik. „Gij weet wel, gij hebt mij toen gevraagd, of dit de meesteres van het Verlaten Huis was; en ik antwoordde, ja.quot; — „Ja, zeide myn voogd met zijn hoofd knikkende. Hij had zijn arm om my heengeslagen, alsof er iets was, waarvoor hij my moest beschermen, en zag mij glimlachend aan. ■ „Sedert,quot; zeide ik, „hebben wij nooit weder daarover gesproken, behalve eens.quot; „En toen zeide ik, dat het Verlaten Huis ledig begon te worden; en dat was ook zoo, lieve.quot; „Kn ik zeide,quot; herinnerde ik hem schroomvallig, „dat de meesteres toch bleef.quot;

Hij hield mij nog vast, met dezelfde beschermende houding en dezelfde helderheid en goedheid in zijn uitzicht.

„Lieve voogd,quot; zeide ik, „ik weet wel hoe diep gij alles gevoeld hebt wat er gebeurd is en hoe zorgvuldig gy voor mij zijt geweest. Daar er zooveel tyd verloopen is, en gij er pas van morgen van hebt gesproken, dat ik weder zoo wel ben, verwacht gij misschien, dat ik de zaak weder zal opvatten Misschien behoor ik dat wel te doen. Ik wil meesteres van het Verlaten Huis worden wanneer het u belieft.quot; -„Zie eens,quot; antwoordde hy vroolyk, „welk eene sympathie er tusschen ons moet wezen. Ik heb ook aan niets anders zitten denken, behalve aan dien armen Richard — dat is eene groote uitzondering. Toen gij binnenkwaamt was ik er juist vol van. Wanneer zullen wij het Verlaten Huis zijne meesteres geven, Vrouwtje — „Wanneer het u belieft.quot; - „Aanstaande maand?quot; — „Aanstaande maand, lieve voogd.quot;


-ocr page 433-

EEN liOEDEL. AliS DOOR EENE EKSTER BIJ EMCAAR GEHAALD.

41\'

„De dag, waarop ik den gelukkigsten en besten stap van mijn leven doe — de dag, waarop ik een binder en meer benijdenswaardig man zal zijn dan iemand anders op de wereld de dag, waarop ik het Verlaten Huis zgne meesteres geef, zal dus aanstaande maand wezen,quot; zeide myn voogd.

ik sloeg mijne armen om zijn hals en kuste hem, evenais ik gedaan had op den dag toen ik mijn antwoord bracht.

Er kwam eene meid aan de deur om mijnheer Bucket aan te dienen, hetgeen geheel onnoodig «as, want Bucket stond reeds over haar schouder binnen te kijken.

zinnige behoedzaamheid de deur en schoof er den grendel op.

„Nu, mijnheer Jarndyce,quot; begon hij, nadat hij zijn hoed op den grond had gezet, met een zwaai van den vinger, dien ik mij zoo wel herinnerde, „gij kent my, en jutt\'rouw Summer-son kent mij. Deze heer kent mij insgelijks, en heet Smallweed. Zjjn voornaamste beroep is het geldschieten, en men zou hem handelaar in wisseltjes kunnen noemen. Dat zyt gij immers, niet waar?quot; zeide Bucket, eenigszins\' bukkende om den bedoelden lieer aan te spreken, die hem bijzonder scheen te wantrouwen.

Hij scheen genegen om iets tegen de


„wat ti; nor.v V zr.c dat mm: i;knV ui:-.!\' mi.imi kku s\\ia i.lw i: i:igt; mi i iknk sriiiCMiK,

l\'lki\'kndk stkm. (1)1/. 11^).

„Mijnbeer darndyce en .lutfrouw Summerson,quot; zeide hij, eenigszins buiten adem, „verschooning voor mijne vrijpostigheid, maar wilt ge wel zoo goed zijn om mij iemand te laten binnenbrengen, die op de trap is, en er tegen heeft om daar te blijven, daar hij bang is, dat er misschien iets van hem gezegd zou worden ? Wel bedankt. Brengt hein dan maar hier,quot; zeide Bucket over de leuning wenkende.

Kort daarop verscheen een oud man met een zwart mutsje op, die, buiten staat om te gaan, door twee mannen werd binnengedragen en by de deur neergezet Bucket zond de twee dragers terstond weder heen, sloot met geheim-ming, die hem gegeven werd, in te brengen, toen hij door eene geweldige hoestbui werd gestuit.

„Oprecht, dat weet ge!quot; zeide Bucket, van dit toeval gebruik makende. „Spreek my niet tegen als het niet noodig is, dan zult gij er op die manier niet inloopen. Nu, mijnheer Jarndyce, richt ik my tot u. Ik heb met dezen heer zaken gedaan voor Sir Leicester Dedlock, baronet, en zoo ben ik vry dikwijls bij hem aan huis gekomen. Zyn huis is dat, waar voorheen Krook de uitdrager woonde — een nabestaande van dezen lieer, dien gij in zyn leven wel gezien hebt, als ik mij met vergis?quot;


iJtfKRNH. lift verlaten huif\'

-ocr page 434-

418 HET VERT

ATEN HUIS.

„.Ia!quot; antwoordde miin voogd. ,Wol, gjj • moet dan weten,quot; hervatte Bucket, ,dat deze t heer in Krook\'s boedel is gekomen, en dat was i een boel alsof eene ekster hem hij elkaar had j gehaald. Onder anderen hoepen scheurpapier, die, och Heere ! voor niemand iets waard waren.quot;

De loosheid van Hncket\'s oogen, en de mees-| terlijke kunst, waarmede hij, zonder een woord of\' blik, waartegen zijn waakzame toehoorder kon protesteeren, ons wist te kennen te geven, dat hy de /aak volgens vroegere afspraak voordroeg, en indien hy dit raadzaam achtte, veel meer van mijnheer Smallweed zou kunnen zeggen, maakte het volstrekt geene verdienste voor ons, dat wy hem zoo duidelijk begrepen. Zijne taak was nog raoeielijker, dewijl mynheer Smallweed zoowel doof als achterdochtig was, en hem daarom met de stiptste oplettendheid in het gezicht keek.

„Natuurlijk begint deze heer, nadat hij in den boel is gekomen, in die hoopen oud papier te schommelen, begrijpt gewei?quot; zeide Bucket.

„Wat te doenV Zeg dat nog eens,quot; riep mynheer Smallweed, met eene schelle piepende stem. „Te schommelen,quot; herhaalde Bucket. „Daar gij een voorzichtig man zyt, en gewoon op uwe eigene zaken te passen, begint gy in do papieren, die gij vindt, te schommelen; doet gij niet?quot; „Natuurlijk doe ik dat,quot; zeide de oude heer Smallweed. — „Natuurlijk doet gij dat,quot; hernam Bucket zeer vriendelijk, „en ge zoudt zoor te laken zijn als gij liet niet doodt. Kn zoo vindt ge toevallig, weet go wel,quot; vervolgt Bucket, zich over hem heen buigende, met eene schertsende vroolykhoid, welke mijn-hoer Smallweed geenszins beantwoordde, „en zoo vindt go toevallig een papier met de hand-teokening van .larndvce er onder. 1 )oet gy niet ?quot;

.Mijnheer Smallweed keek ons even onrustig aan en knikte toestemmend, maar met zichtbaren weerzin.

„En toen gy op uw gemak dat papier eens inkykt — alles door den tijd, want gij zyt er volstrekt niet nieuwsgierig naar, en waarom zoudt ge dat ook zijn? -- wat vindt ge toen dat het is? Hen testament. Dat is het aardige er van,quot; zeide Bucket op denzelfden .schertsenden toon, alsof hy mijnheer Smallweed met do herinnering oener comisrho verrassing vermaak wilde doen, terwyl do ander zoo onvergenoegd bleef zitten kykon alsof de grap hem geheel niet smaakte. .Wat vindt gij dat het is ? Hen testament.quot; — „Ik weet niet ot het een geldig testament is,quot; snauwde mynheer Smallweed.

Buekot zag den ouden man, die op zijn stoel ineengezakt was als oen hoop oude kleeren, een oogenldik aan, alsof hy zoor genegen was om hem oen slag te geven; maar bleef toch mot hetzelfde vriendelijke gezicht over hem heen gebogen staan, terwyl liü ons mot een van zyne oogen zijdelings een wenk gaf.

„Evenwel,quot; zeide Bucket, wordt gy een bootje twijfelachtig en onrustig, omdat ge zulk een bij-i zonder teer geweten hebt.quot; — „He? Wat zegt i ge dat ik heb ?quot; vroeg mynheer Smallweed, I met de hand achter zijn oor. — „Hen bijzonder ! toer geweten.quot; — „Zoo! Wel, ga maar voort,quot; zeide mynheer Smallweed. ■- „En daar gy veel i hebt hooren praten van een vermaard kanselary-i proces over oen testament met denzelfden naam ; 5 en daar gy weet wolk eene zonderlinge liof-| hebbory Krook had om allerlei oude meubelen, boeken en papieren op te koopon, die hy dan nooit weder weg wilde doen, en hij altyd zich I zei ven wilde loeren lezen, begint gij te den-: ken — en nooit in uw leven hebt gy grootor gelijk gehad: „Drommels, als ik niet oppas, kan I ik met dat testament wel in ongelegenheid komen.quot;— „ Pas nu op hoe gij het vertelt. Bucket,quot; i riep do oude man angstig, met de hand ach-I ter zijn oor. „Spreek friscli op. Niet van die 1 satansche stroken! Help mij wat op. Ik moot I beter kunnen hooren. O hemeltje, dat kan ik i niet uithouden.quot;

Buekot had hem ook zeer onzacht overeind 1 geholpen. Evenwel, zoodra hij zich weder boven mijnheer Smallwoed\'s hoesten en zijne nijdige uitroepingen van „O mijn gebeente! Och Ho-moltje! Ik kan geen adem moer halen! Ik bon nog erger dan dat satansche snaterige varkon thuis! kon doen hooren, vervolgde hij weder op denzelfden vrooiyken toon :

„En zoo gebeurt hot, dat ge mij, diedikwijls bij u aan huis kom, in uw vertrouwen noemt. Is hot niet zoo ?quot;

ik houd hot voor onmogelijk iets mot moor tegenzin toe te stommen, dan mijnheer Small-weed aan den dag logde toen hij het laatste gezegde moest bevestigen. Hij maakte het zoo duidelijk als maar mogelijk was, dat Bucket de allerlaatste was, wien hij in zijn vertrouwen zou hebben genomen, ais hij dit maar had kunnen vermijden.

„En ik ga de zaak eens met u na — een heel piciziertje was dat voor ons allebei; en ik bevestig u in uwe welgegronde vrees, dat gij u zeiven in do pruimen zult helpen als gij niet ; met dat testament voor den dag komt,quot; zeide Bucket mot nadruk; „en dus spreekt gij met mij af, dat het zonder voorbeding aan dozen mijnheer .larndyco hier zal worden overgegeven. Als het blijken mocht, dat het een stuk van waarde is, iaat gij uwe belooning aan hem over. Dat is zoo ton naastenbij de zaak, niet waar?quot; — „Dat is wat afgesproken was,quot; zeide niijiiiieer Smallweed mot don/elfden zichtbaren tegenzin.

„En dientengevolge,quot; zeide Bucket, opeenzijn schertsenden trant verzakende en een zoor drogen en stroeven toon aannemende,,hebt gij dat testament hier rnodogclmicht, en hot oonigo, dat gij nu te doen hebt, is or maar mode voor den dag to komen.quot;


-ocr page 435-

419

Nadat hij ons nog een zijdelingschen blik had toegeworpen, en iii liet genot zijner zegepraal even met zijn voorvinger tegen zijn neus had gewreven, bleef Bucket staan, met de oogen strak op zijn vertrouwelijken vriend gericht, en de hand uitgestoken om het papier aan te nemen en aan mijn voogd over te reiken. Dit kwam ook te voorschijn, maar niet zonder veel dralens en vele betuigingen van mijnheer .Small-weed, dat hij een arm man was, die veel moeite had om rond te komen, en het aan de billijkheid van mijnheer Jarndyee overliet om hem dooi\' zijne eerlijkheid geene schade te doen lijden. Beetje j hij beetje en zeer langzaam haalde hij uitzijn borstzak een vuil papier, aan den buitenkant gezengd en aan de hoeken een weinig gebrand, alsof het lang geleden op een vuur geworpen en haastig er weder uitgehaald was. Bucket verzuimde geen tijd om (lit papier, met de handigheid van een goochelaar, uit het bezit van mijnheer Sm all woed in dat van mijnheer .larndyce : te brengen. Toen hij het mijn voogd overgaf, fluisterde hij achter zijne vingers:

„Konden het niet eens worden hoe het aan de markt te brengen. Kregen ruzie en lieten er van merken. Ik heb er twintig pond aan besteed. Berst verklapten de gierige kleinkinderen hem, uit kwaadheid omdat hij zoo onredelijk lang leeft, en toen verklapten zij elkander. Br is niemand in de familie, die de anderen niet voor een paar pond zou verkoopen, behalve de oude juffrouw — en zjj maakt alleen daarom eene uitzondering omdat zij er te suf toe is.quot; „Mijnheer Bucket,quot; zeide mijn voogd overluid, „wat ook de waarde van dit papier voor iemand wezen mag, ik heb groote verplichting aan u; en als het van eenige waarde is, acht ik mij ook verplicht te zorgen, dat mijnheer Smallweed daarnaar beloond wordt.quot;

„Niet naar uwe verdiensten, weet ge,quot; zeide Bucket, als eene vriendelijke opheldering, tot mijnheer Smallweed. „ Wees daar maar niet bang voor. Naar de waarde van het stuk.quot; „Dal is liet wat ik meen,quot; zeide myn voogd. „Gij zult wel opmerken, mijnheer Bucket, dat ik er mij van onthoud om dit papier zelf na te zien. Om u de waarheid te zeggen, ik heb die geheele zaak reeds vele jaren geleden afgezworen, en ik walg er van. Maar jull\'rouw Sum-merson en ik zullen dit papier terstond in handen van rnyn solliciteur stellen, en het bestaan daarvan zal zonder uitstel aan alle belanghebbenden worden medegedeeld.quot; „Mijnheer .larndyce kan niet billijker spreken, begrijpt gij wel,quot; zeide Bucket tot mjjnheer Smallweed. „Hu daar het u nu duidelijk gebleken is, dat er niemand verongelijkt zal worden wat eene bijzondere geruststelling voor uw geweten moet zijn kunnen wij ii weer in processie laten wegbrengen.quot; lt;

ili j deed de deur open, riep de dragers, wenschte ons goedemnorgen, en met een blik vol betee-kenis zjjn vinger krommende, ging hij zijns weegs

Wij gingen ook zoo spoedig mogelijk onzes weegs, namelijk naar L i n c o 1 n\'s 1 n n. Mijnheer Kenge had tijd om ons te spreken : wij vonden hem voor zijne tafel in zijne stoffige kamer, bij zijne eentonige boeken en stapels papieren. Nadat mijnheer Guppy stoelen voor ons had gezet, gaf mijnheer Kenge zijne verwondering en zijn genoegen te kennen, dat hij mijnheer .larndyce in zijn kantoor zag. Hij scheen spraakzamer dan ooit te wezen.

„Ik hoop,quot; zeide hij, „dat de vriendelijke invloed van juffrouw Summerson,quot; hij boog voor mij, „mijnheer Jarndyee zal bewogen hebben,quot; hij boog voor hem, „om een gedeelte van zijne vooringenomenheid af te leggen tegen eene zaak en een Hof\', die -- zal ik zeggen eene plaats verdienen in de statige reeks der steunpilaren van ons vak?quot; — „Ik zou haast denken,quot; antwoordde myn voogd, „dat jnlfrouw Summerson te veel heeft gezien wat die zaak en dat Bof uitwerken, om znlk een invloed aan te wenden. Evenwel, zij zijn toch gedeeltelijk de reden, dat ik hier kom. Mijnheer Kenge, eer ik dit papier op uw lessenaar leg en er mjj geheel van afmaak, moet ik u zeggen, hoe het in mijne handen is gekomen.quot;

11 jj deed dit zeer kort en duidelijk.

„Mijnheer,quot; zeide mijnheer Kenge, „het had niet klaarder en bondiger kunnen voorgedragen worden, al was het eene zaak in rechten geweest.quot; „Hebt gij ooit eene zaak in rechten klaar en bondig hooren voordragen ?quot; liet mijn voogd hierop volgen. „O loei 1quot;zeide mijnheer Kenge.

In het eerst scheen hij niet veel gewicht aan dat papier te hechten, maar toen hij het opengevouwen en met behulp van zijn dubbel oogglas doorgeloopen had, keek hij verbaasd op.

„Gij hebt dit toch gelezen, mijnheer .larndyce?quot; zeide hij. „Ik niet,quot; antwoordde mijn voogd. „Maar, mijn beste heer,quot; hervatte mijnheer Kenge, „het is een testament van later dagteekemng dan do andoren in het proces. Hot schijnt geheel eigenhandig door den testamen-tour gesclncvon te zijn. Bet is in behoorlijken vorm en door getuigen geteokond. fin al had men hot willen vernietigen, gelijk men misschien nit deze sporen van vuur zou kunnen opmaken, het is toch niet vernietigd. Hier is het, een volkomen geldig docnniont.quot; „Welnu!quot; zeide mijn voogd. „Wat gaat mij dat aan-.\'quot;— „Mijnheer Guppy!quot; riep mynheer Kenge, zijne stem verheffonae. Neem mij niet kwalijk, mijnheer Jarndyee.quot; - „Mijnheer.quot; — „Mijnheer Vho les van S y m o u d\'s i n n. Mijncompliment .larndyce en .larndyce. Zou hem gaarne spreken.quot;

Mijnheer Guppy verdween.

„Gij vraagt mij wat dit u aangaat, mijnheer Jarndyee. Als gij dit document hadt gelezen, zoudt gij gezien hebben, dat het uwe portie


-ocr page 436-

420 HET VERLATEN HUTS.

aanmerkelijk verkort, hoewel die nog aanzienlijk blijft, zeer aanzienlijk,quot; zeide mijnheer Ivenge, vriendelijk overredend met de hand wuivende. „Verder zondt gij gezien hebben, dat de por-tiën van Mijnheer Richard Carstone en van jntVroiiw Ada .Clare, tegenwoordig mevrouw lt;\'arstone, er aanmerkelijk door vergroot worden.quot; — „Kenge,quot; zeide mijn voogd, „indien al de schatten, die het proces in dat verfoeilijke Kanselarij-Hof gebracht heeft, mijne twee jonge bloedverwanten konden ten deel vallen, zon ik j er wel mede tevreden zijn. Maar wil m ij niet j doen gelooveu, dat er uit .larndyce en Jarn- | dvce ooit iets goeds zal komen!\' — „O waar- | lijk, mijnheer .larndyce! Vooroordeel, vooroor- | deel. Mijn beste heer, dit is een groot land, i een zeer groot land ; en het rechtsstelsel, dat i liet heeft, is een groot stelsel, een zeer groot stelsel. Waarlijk, waarlijk !quot;

Mijn voogd zeide niets meer, en mijnheer ■ \\ holes kwam. /ijne bescheidene houding er- 1 kende den hoogeren rang van mynheer Kenge in het vak.

.Hoe vaart ge, mijnheer Vholes? Wilt ge zoo goed zijn om hier naast mij te komen zitten en dit papier eens door te zien?quot;

Mijnheer \\ holes deed wat hem verzocht werd en scheen het van woord tot woord te lezen. Hij werd er niet door opgewonden: hy werd nooit door iets opgewonden. Toen hy het nauwkeurig had bezichtigd, ging hy met mijnheer Kenge naar een venster, en zijn zwarten handschoen naast zyn mond houdende, sprak hy eene vry lange poos achtereen. Het verwonderde my niet, dat mynheer Kenge genegen scheen, orn hem tegen te spreken, want ik wist wel, dat geene twee menschen het ooit over iets in dat proces met elkander eens waren. Maar hij scheen toch mijnheer Kenge tot zijne meening over te halen in een gesprek, dat my in de ooren klonk alsof het bijna geheel uit de woorden „boedelquot; en „kostenquot; bestond. Toen zy gedaan hadden, kwamen zij naar de tafel terug en spraken overluid.

.Nu. Maar dit is toch een opmerkelijk document, mynheer Vholes zeide mijnheer Keuge.

.Zeer,quot; antwoonlde mijnheer Vholes. „En een gewichtig document, mijnheer Vholes Vquot; vervolgde mijnheer Kenge. -„/,eer,quot;antwoordde rnynheer Vholes wederom. — „En gelijk gijzegt, mijnheer Vholes, als de z.iak weder voor het Hol komt, zal dit document een onverwacht en interessant incident wezen,quot; zeide mijnheer Kenge, mijn voogd met trotsche deftigheid aanziende.

Mijnheer Vholes, als een kleiner nraktizijn, die zijn respectabelen naam hoopte te behouden, was verheugd, dat zijn gevoelen door iemand van zooveel aanzien werd bevestigd.

„Kn wanneer,quot; zeide mijn voogd opstaande, na eene pauze, waaronder mijnheer Kenge met zi.jn geld had gerammeld en mijnheer Vholes

aan zijne puisten geknepen, „wanneer zal de zaak weder voorkomen?quot; — „Bij de volgende zitting van het Hof, mijnheer Jarndyce, in de aanstaande maand,quot; antwoordde mijnheer Kenge. „Natuurlijk zullen wij terstond zorgen met dit document het noodige te verrichten en alles te verzamelen wat tot verder bewijs kan dienen ; en natuurlijk zult gij onze gewone kennisgeving ontvangen, dat de zaak op de rol is,quot; „Waaraan ik, natuurlijk, mijne gewone aandacht zal geven.quot; „Altijd nog, mijn waarde heer,quot; zeide mijnheer Kenge, ons dooide voorkamer uitlatende, „zelfs met uw onbekrompen geest, altijd nog aan een volksvooroordeel gehecht V Wij zijn een welvarend land, mijnheer .larndyce, een zeer welvarend land. Wij zijn een groot land, mijnheer .larndyce, een zeer groot land. Dit is een groot stelsel, mijnheer Jarndyce, en zoudt gij willen, dat een groot land een klein stelsel had? O, waarlijk, waarlijk!quot;

Hij zeide dit boven aan de trap, terwijl hij zachtjes zijne rechterhand bewoog, alsof zij een zilveren troffel was, waarmede hij het cement zijner woorden over het gebouw van hot stelsel wilde strijken en het voor nog duizend eeuwen hechtheid en duurzaamheid geven.

LXlll.

STA Al. KN IJZEK.

De galerij van Oeorge is te huur, de inboedel is verkocht, en George zelf is op Kastanje-Hof en vergezelt Sir Leicester op zijne rijtoertjes, dicht naast hem blijvende, wegens de onvaste hand, waarmede Sir Leicester zijn paard bestuurt. Doch vandaag bevindt hij zich niet op dien post. Vandaag is hij op reis naar het ijzergewest -■ ver in het noorden, om daar eens rond te zien.

In dat ijzergewest komende, laat hij zulke frissche groene bosschen als die van Kastanje-Hof achter zich; en kolenmijnen en asch, hooge schoorsteenen en roode muren, verzengd gras, blakende vuren en eene nooit optrekkende rookwolk worden de sieraden van het landschap. Tusschen zulke voorwerpen rydt George voort, altyd rondziende naar iets, dat hy zoekt.

ilindelyk op eene brug gekomen, die over een zwart kanaal ligt, bij den ingang eener woelige stad, waar hij nog meer rook ziet dan te voren, houdt Geórge, met een door hei stof der koolwegen gezwart gezicht, zijn paard op, en vraagt een werkman of hjj daaromtrent ook den naam van Houncewell kent.

„Wel, meester,quot; zegt de werkman, „zou ik myn eigen naam ook kennen?quot; — „Is die dan hier zoo wel bekend, kameraad ?quot; zegt George. „De naam van Houncewell? Dat zou ik gelooven.quot; — „En waar moet ik hem dan zoeken ?quot; zegt George, om zich heen ziende.


-ocr page 437-

DE DROEDBRS.

„Het kantoor, de fabriek of het huis?quot; wil de werkman weten. „Hm! De Kouncewell\'s schijnen /00 groot te zijn,quot; mompelt George, zijne kin wrijvende, „dat ik half en half lust krijg om maar weer om te keeren. Ik weet eigenlijk niet waar ik wezen moet. Zou ik mijnheer Kouncewell aan de fabriek vinden, denkt gij?quot;

„Het is niet gemakkelijk te zeggen waar gij hem vinden zult. Op dezen tijd van den dag zoudt gij hem_ of zijn zoon daar wel kunnen vinden, als hij in de stad was. Maar met zijne aannemingen is hij dikwijls op reis.quot; hem zegt, eenige werklieden van Kouncewell aan het eten zijn. Het zijn maar eenige werklieden van Kouncewell, voor wie het nu etenstijd is, en zij schijnen toch de geheele stad te over-stroomen. Zij zijn forsch en welgevoed, die werklieden van Kouncewell - en ook tamelijk zwart berookt.

Hi j komt aan eene poort in den steenen muur, kijkt binnen en ziet een chaos van ijzer in allerlei gedaanten; in staven, blokken \'en bladen, in bakken, ketels, assen, raderen en spoorstaven : in allerlei zonderlinge fatsoenen gewrongen, als


En waar is dan de fabriek? Wel, hij ziet daar (lie schoorsteenen wel — de hoogstel Ja, hij ziet ze. Wel, laat hi j die schoorsteenen maar . in het oog houden, en zooveel rechtuit gaan als hij kan, dan zal hij er gauw aankomen, bij een hoek en langen blinden muur, die eene geheele straat beslaat. Dat is de fabriek van Kouncewell.

George bedankt den man voor deze inlichting, en rijdt al rondkijkende voort. Hij keert niet om, maar brengt zijn paard op stal (en zou het ook wel eigenhandig willen afpoelsen) in eene herberg, waar, gelijk de stalknecht

afzonderlijke deelen van machinerie; bergen \\aii afgekeurd ijzer, roestig van ouderdom; fornuizen in de verte, waar het in zijne jeugd gloeit en borrelt; schitterende vuurwerken, waar het in vonken rondspat, onder de slagen van den stoomhamer; rood gloeiend ijzer, wit gloeiend ijzer, kond en zwart ijzer; een reuk van ijzer, een smaak van ijzer, een Habel van ijzerklankeu.

„Dit is wel eene plaats om iemand hoofdpijn te doen krijgen,quot; zegt tieorge, rondkijkende om een kantoortje te vinden ,Wie komt daar

Hij g(

aan.

enst

veel naar mij eer ik onder moet mijn neet\' zijn, als men


-ocr page 438-

422 HET VERLATEN HUIS.

I op een familietrek kan afgaan, l\'w dienaar j paart George zjjne vraag: ,Hoe gaat liet, beste

mijnheer.quot; — „Insgelijks, mijnheer. Zoekt gjj \' jongen?quot; met de betuiging, dat hij nooit ge

naar iemand ?quot; — ,\\r\'em mjj niet kwalyk. De dacht had, dat /ijn broeder half zoo bly zou

jongste heer Rouncewell, geloof ik ?quot; -- ,Ja!quot; - | zijn geweest, als hij hem weder voor zich zag. „Dan zocht ik naar uw vader, mijnheer. Ik „Zoo ver daar vandaan,quot; verklaart lij) aan

1 wenschte hem even te spreken.quot; i het slot van een volledig verslag van alles

De jonkman zegt hem, dat hij het gelukkig wat zijne komst is voorafgegaan, „dat ik heel

beeft \'getroffen, want dat zijn vader juist daar , weinig gedachten had om mij zeiven bekend

is, en gaat hem voor naar het kantoor. .Heeft te maken. Ik dacht, als gjj eenigszins liet blijken,

machtig veel van mij, eer ik onder dienst ging,quot; j dat gjj genegen waart om mij te vergeven,

denkt (ieorge, hem volgende. Zij komen aan dat ik er dan wel langzamerhand toe zou kunnen

een gebouw op de werf, waar op de boven- komen, om u een brief te schrijven. Maar het

verdieping het kantoor is. Op het gezicht van zou mij niet verwonderd hebben, broeder, als

den lieer in het kantoor wordt üeorge bloedrood. de tijding, dat ik nog leefde, lang geen aan-

, Welken naam moet ik mijn vader zeggen ?quot; genaam nieuws voor u ware geweest.quot; — „Wy

vraagde de jonkman. zullen u thuis laten zien voor welk soort van

(ieorge, vol van gedachten aan jjzer,antwoordt nieuws wij liet houden, George,quot; antwoordt zyn

in wanhopige verbijstering: .Staal,quot; en wordt broeder. „Dit is een groote dag thuis, en gy,

aldus geïntroduceerd. Hy blyft alleen met den , oude gebruinde soldaat, hadt op geen beteren

heer in het kantoor, die aan eene tafel zit, kunnen komen. Ik heb met myn zoon Watt

met een schrijfboek voor zich en eenige bladen j afgesproken, dat hij vandaag over een jaar

papier, waarop eene menigte cijfers en zou- met zulk een mooi en braaf meisje zal trouwen

derlinge figuren zyn gekrabbeld. Het kantoor als gy er geen op al uwe reizen gezien hebt.

is bijna ongemeubileerd, en de vensters zien j Zij vertrekt morgen naar D u i t s c h 1 a n d, met

op al het ijzer beneden uit. Op de tafel liggen een van uwe nichtjes, om hare opvoeding

op een hoop eenige brokken ijzer, die met nog wat te polijsten. Wij maken een feest van

opzet gebroken zijn, om de proef van hunne dien dag, en gy zult do held daarvan zyn.quot; sterkte te nemen. Alles is met yzerstof bedekt, George wordt in het eerst zoodanig door dit

en door de vensters ziet men uit de hooge vooruitzicht overstelpt, dat hij zich met groeten

gt;rhoorsteenen den zwarten rook opstijgen, om ernst tegen de hem aangebodene eer verzet. Daar

zich met den rook van een Babylon van andere hij echter door zyn broeder en zyn neef--ten

schoorsteenen te vermengen. wiens aanzien hij zijne betuigingen vernieuwt,

.Ik ben tot uw dienst, mynheer Staal,quot;zegt dat hy nooit gedacht zou hebben, dat men

de beer, nadat de vreemdeling zich op een half zoo blijde met hem zou zijn ■ overpraat

roestkleu\'-igen stoel heeft gezet. - „Wel,myn- wordt, laat hy zich naar een fraai buis bren-

lieer Uouncewell,quot; antwoordt George, zich met ; gen, waar men in alle inrichtingen eene aardige

den hoed in de hand vooroverbuigende, zoodat | mengeling kan opmerken van de vroegere een-

zyn linkerarm op zyne knie rust, zeer onge- i vouJige levenswijs van den vader en de moeder,

negen om den Idik van zijn broeders oog te met diegene, welke bij de veranderde betrek-

ontmoeten, „ik vrees haast, dat mijn bezoek kingen en hoogere uitzichten hunner kinderen

meer vrijpostig dan welkom zal zijn. Ik heb past. Hier staat George versteld overdebevallig-

in mijn tijd als dragonder gediend ; en een kame- beid en talenten zijner nichtjes en de schoonheid

raad van mij, van wien ik nogal hield, was, als van Rosa, die over een jaar zijn nichtje zal

ik mij niet bedrieg een broeder van u. Ik meen, worden, en niet minder over de vriendelijke

dat gij eens een broeder hebt gehad die zijne begroeting dezer jonge dames, die hy aanneemt

I-trekkingen tamelijk tot last was. en wegliep, alsof hij in een soort van droom verkeerde, en nooit iets goeds deed, behalve dat hij weg- Hij is ook zeer verlegen met de eerbiedige

bleet.quot; .Is het wel zeker, dat gij Staal heetVquot; onderdanigheid van zjjn neef, en behoudt onder

zegt de ijzersmelter met eene veranderde stem, i dat alles eene jammerlijke bewustheid, dat hy

George doet zijn best om iets te zeggen, toch eigenlyk maar een lorrebos is. Evenwel,

maar blijft steken en ziet hem aan. Zijn broeder men is zeer vroolyk en hartelijk, en George

springt van zijn stoel op, roept hem bij zijn houdt zich onder alles ferm en krijgshaftig;

naam en vat hem bij heide handen. en zijne belofte om het huwelyk by te wonen

.Gij zijt mij te gauw!quot; roept George uit, en voor bruidsvader te staan, wordt met. alge-

t••rwijl de tranen hem uit deoogenspringen. „Hoe meene blijdschap aangenomen. Een duizelighoofd gaat het u, beste jongen ? Ik liarl nooit gedacht, heeft (Ieorge dien nacht, als hy in zyn broeders dat ge half zoo blij / aidt geweest zijn, als huis in hét staatsieledikant ligt, en aan dat

g.- mij weer quot;or u zaagt, lioe gaat het, beste alles denkt, en de beelden zijner nichtjes (dien

jomren, hoe gaat bet? avond in het luchtige neteldoek zoo ontzaglijk Zij drukken elkander lt;le hand en omhelzen mooi) op de Duitsche manier over de sprei

elkander, nogmaals en nogmaals; en telkens ziet walsen.

-ocr page 439-

423

Den volgenden morgen zitten do broeders ! alleen by elkander, en zet de oudste, op zijne I duidelijke, koel beradene manier, uiteen, hoe hij denkt, dat hij George iiet best in zijne : zaken zal kunnen plaatsen. Maar George antwoordt met een handdruk:

„Broeder, ik dank u honderdduizendmaal voor | uwe meer dan broederlijke welkomst, en nog honderdduizendmaal meer voor uwe meer dan broederlijke voornemens. Maar ik heb mijne plannen al gemaakt. Her ik evenwel een woord daarvan zeg, wensch ik u over een punt van iamiliebelang te raadplegen. Hoe,quot; zegt George, zijne armen over elkander slaande, en zijn broeder met onverzettelijke vastheid aanziende, „hoe zal moeder bewogen worden om mij te schrappen?quot; — „Ik weet niet rechtofiku wel begrijp, George,quot; antwoordt de ijzersmelter.

„Ik zeg, broeder, hoe zal moeder bewogen worden om mg te schrappen ? Zij moet er toch op eene of andere manier toe bewogen worden.quot; -„Om u uit haar testament te schrappen, denk ik, dat gij meent?quot; - „ Dat spreekt vanzelf. Kortom,quot; zegt George, zijne armen met nog meer vastberadenheid over elkander slaande, „ik meen — mij te schrappen.quot; — „.Mijn beste George,quot; antwoordt zijn broeder, „is het dan zoo noodzakelijk, dat dit gebeurt?quot; — „Welzeker! Volstrekt 1 Ik zou mij anders niet aan de laagheid willen schuldig maken om terug te komen. Ja zou altijd weder willen wegloopen. Ik ben niet naar i huis komen sluipen, broeder, om uwe kinderen | of u zeiven uwe rechten te ontstelen. Ik, die ! de mijne lang geleden verbeurd heb ! Als ik | hier zal blijven en mijn hoofd durven ophouden, i moet ik geschrapt worden. Kom aan. Gij zijt I een man, die overal voor zijn verstand en j doorzicht geprezen wordt, en gij kunt my wel j zeggen hoe dat kan gebeuren.quot; - „Ik kan u | zeggen, George,quot; antwoordt de ijzersmelter ern-| stig en bedaard, „hoe en waarom het niet ; kan gebeuren, en ik hoop, dat gjj daarmede i evengoed tevreden zult zijn. Denk eens aan j moeder en herinner u hare aandoening toen j zij u terugvond. Gelooft gij, dat iets in de | wereld haar zou kunnen bewegen, oin haar geliefkoosden zoon te onterven ? (ielooft gij, dat er eenige kans op hare toestemming is, om haar, die goede, liefderijke oude vrouw, de grievende heleediging te durven aandoen van haar zoo iets voor te stellen? Als gij zoo denkt, hebt gjj het mis. Neen, George, gij moet er u maar in schikken, om ongeschrapt te blijven. Ik denk evenwelquot; (er komt een glimlach op des ijzersmelters gezicht, terwijl hjj zjjn broeder aanziet, die mot diepe teleurstelling zit te peinzen), „dat gjj het wel zoo kunt maken, dat het bijna oveneens uitkomt alsof het gebeurd was.quot; „ Hoe zoo, broeder?quot; „Als gjj het zoo verkiest, kunt gij immers al-i les wat gij het ongeluk hebt van te erven,

I bij testament vermaken aan wien gij wilt.quot; i — „Dat is waar!quot; zegt George en peinst we-t derom. Daarna legt hij zijne hand op die van : zijn broeder, en zegt onbeschroomd: „Zoudt ; g ü er tegen hebben, broeder, om dat aan uwe j vrouw en familie te zeggen ?quot;—„Geheel niet.quot;

~ „Wel bedankt, bin gij zoudt er misschien ook niet tegen hebben, om te zeggen, dat ik, hoewel zonder twijfel een vagebond, toch een va-1 gebond van de losse en niet van de gemeene soort ben ?quot;

De ijzersmelter bedwingt zijn glimlach en geeft zijne toestemming.

„Wel bedankt. Wel bedankt. Dat is een pak van mijn hart,quot; zegt George, en haalt zwaar adem, ter wij! Inj zijne armen uit elkander slaat en eene hand op ieder been zet, „schoon ik er eigenlijk op gesteld was om geschrapt te worden.quot;

De broeders gelijken sterk op elkander, ter-i wijl zjj daar zoo zitten; maar zekere kolossale eenvoudigheid en gebrek aan gewoonte in de i manieren der wereld zjjn geheel aan den kant | van den gewezen dragonder.

„Wel,quot; zegt hij, zich zijne teleurstelling uit I het hoofd zettende, „nu dan nog eindelijk over die plannen van mij. G ij zijt zoo broederlijk geweest om mij voor te stellen hier te komen i wonen en de vruchten van uwe vlijt en schranderheid mede te genieten. Ik dank u hartelijk. Het is meer dan broederlijk, gelijk ik reeds ! gezegd heb ; en ik ben er u hartelijk dankbaar voor.quot; Hij schudt hem een geruimen tijd de 1 hand. „Maar om de waarheid te zeggen, broo-; der, ik ben een — ik ben een soort van onkruid, en het is te laat om mij in een gere-gelden tuin te planten.quot; „lieste George,quot; antwoordt de oudste broeder, hem meteen glimlach vol vertrouwen in de oogen ziende, „laat , dat voor mij over en laat ik het beproeven.quot;

George schudt zijn hoofd.

„Gij zoudt het kunnen doen, daartwijfel ik niet aan, als iemand het doen kon; maar het is niet te doen. Het is niet te doen. Aan den anderen kant gebeurt het juist, dat ik Sir Leicester Dedlock sedert zijne ziekte die familierampen hem berok | kend hebben — eenigszins van dienst kan wezen, { en dat hij die diensten liever van den zoon onzer 1 moeder dan van iemand anders wil aannemen.quot;

„Wel, mijn beste George,quot; zegt de ander, terwi jl zijn open gezicht eenigszins, hoewel zeer weinig betrekt, „als gij liever in de huiselijke brigade van Sir Leicester Dedlock wiltdienen.. — „Daar zit het, broeder,quot; valt de gewezen dragonder hem in de rede, wederom met de hand op de knie. „1 bevalt dat denkbeeld niet, ■ en ik geef er niet om. Gij zijt niet gewoon gecommandeerd te worden ; ik wel. lt; üj lioudt alles om u heen in orde en onder subordinatie, en ik moet zoo gehouden worden. Wij zijn niet gewoon de dingen op dezelfde manier te bezien of aan te vatten. Ik zeg niet veel van mijne


-ocr page 440-

124 HET VERLATKN HUIS.

{(arnizoensmanieren, omdat ik gisteravond tame- | lijk wel op myn gemak was, en men er hier, durt\' ik wel zeggen, niet veel op zou letten. Maar ik zal toch best op Kastanje-Hof voortkomen, waar meer ruimte voor zulk een onkruid is; en de goede oude vrouw zal er ook biyde om zijn. Daarom neem ik het voorstel van Sir Leicester aan. Als ik aanstaande jaar overkom, om voor bruidsvacler te spelen, ot\' wanneer ik ook kom, zal ik verstandig genoeg zijn om de huiselijke brigade in het garnizoen te houden en niet op uw grond te laten manoeu- I vreeren. Ik dank u nogmaals hartelijk, en denk met trotschheid aan de Kouncewell\'s waarvan gjj de stamvader zult zijn.quot; — „Uy kent u zei-ven,quot; zegt de oudste broeder, den handdruk | beantwoordende; „en misschien kont ge mij \' beter dan ik mij zeiven ken. Doe uw zin. Als wjj elkander maar niet weder geheel verliezen, doe dan uw zin.quot;—, Wees daarvoor niet bang,quot; antwoordt George. „Mn eer ik nu weder naar huis rijd, broeder, moet ik u vragen - als ge zoo goed wilt zijn om dezen brief eens voor ; mij door te zien. Ik heb hem meegebracht, om liem van hier te verzenden, omdat de naam van ; Kastanje Hof de jull\'rouw, aan wie hy geschreven is, misschien pijnlyk in de ooren zou klinken Ik ben niet gewoon voel brieven te schrijven, en met dezen brief neem ik het wat nauw, omdat ik hem tegelijk rondborstig en delicaat wilde hebben.quot;

Zoo sprekende geeft hij een brief over, met eenigszins bleeken inkt, maar met eene nette ronde hand, geschreven, en de yzersrnelter leest het volgende :

,Mejulfrouw Hsther Summerson!

,Daar inspecteur Bucket my mededeeling heeft gedaan van het vinden van een brief aan my zeiven onder de papieren van zeker persoon, neem ik de vrijheid u te melden, dat het slechts eenige regelen tot bericht van buitenslands waren, wanneer, waar en hoe een ingesloten brief over te geven aan eene jonge en schoone dame, toen in Hn ge land en on- 1 gehuwd. Ik heb naar behooren daaraan voldaan.

„Ik neem verder de vrijheid u te melden, dat by mij alleen gevraagd werd als een proefje van het schrift, en dat ik hem anders niet zon i hebben overgegeven, daar by in myn bezit nooit gevaarlijk scheen te kunnen wezen, zonder dat ik vooraf door het hart was geschoten.

.Verder neem ik de vrijheid om te melden, dat, indien ik had kunnen denken, dat zeker ongelukkig gentle m a n nog in leven was, ik nooit had kunnen rusten en nooit zon gerust hebben eer ik zyn verblijf had ontdekt, en rnyn laatsten penning met hem zou gedeeld hebben, gelijk evenzeer mijn plicht als mijne neiging zou geweest zyn. Maar hy was (officieel) verdronken gerapporteerd, en viel over boord van

een transportschip des nachts op eene lersche reede, weinige uren na de aankomst van dat schip uit West-l ndiö, gelijk ik zelf van do officieren en manschappen aan boord gehoord heb, en weet, dat (officieel) bevestigd is.

„Nog neem ik de vryheid u te verzekeren, dat ik in mijn nederigen rang uw dienstwillige en bewonderende dienaar ben en altijd zal blijven, en dat ik de hoedanigheden, die gy bezit, boven alle andere hoogacht, ver boven den omvang van dit schryven.

„Ik heb de eer te zijn „uKOKm*:.quot;

„Hen beetje stijf!quot; merkt de oudste broeder aan, den brief weder toevouwende, met een gezicht alsof hij niet wist wat er van te zeggen. — „Maar toch niets, dat men niet aan eene voorbeeldige jonge dame zou mogen zonden?quot; vraagt de jongste. — „Met het minste.quot;

De brief wordt dus dicht gelakt en neergelegd om met de ijzeren correspondentie van dien dag op de post bezorgd te worden. Dit gedaan zijnde, neemt (ieorge hartelijk afscheid van de familie en maakt zich gereed om te paard te stijgen. Zyn broeder echter, ongenegen om zoo spoedig van hem te scheiden, stelt voor om hem met een open rytuig naar de plaats te brengen waar hy moet overnachten, en daar tot des ochtends by hem te blyven; een knecht zal het paard uit den stal van Kastanje-Hof zoover berijden. Dit aanbod, met blijdschap aangenomen, wordt gevolgd door een vroolyk rij-toertje, een vroolijk diner, en oen vroolijk ontbijt. alles in broederlijke gemeenschap. Dan drukken zij elkander nog eens lang en hartelijk de hand en scheiden. De ijzersmelter keert zich naar rook en vuur, de gewezen dragonder naar het groene land. Vroeg in den namiddag hoort men liet dolle stampen van zyn /.waren militairen draf op het gras in de laan, terwyl hij, zich nog verbeeldende zyne wapenen te hooren kletteren en rinkelen, onder de oude olmen huiswaarts rydt.

LXIV.

KiSTHBB\'S VKKIIAA1..

Kort nadat ik dat gesprek met mijn voogd had gehad, stopte hy my op een ochtend een verzegeld papier in de hand. en zeide : „Dit is voor aanstaande maand, lieve.quot; Ik vond er tweehonderd pond in.

Ik begon nu zeer stil alle toebereidselen te maken, die ik noodig achtte. Hij de keus Nan al wat ik aankocht schikte ik my naar den smaak van mijn voogd, dien ik natuurlijk zeer wel kende: mijne garderobe werd er geheel op ingericht om hem te behagen, en ik hoopte, dat my dit bijzonder wel zou gelukken. Ik deed


-ocr page 441-

PLANNEN VOOK DE TOEKOMST,

dit alles zoo stil, omdat ik nog niet geheel I vrij was van nijjiic oude vrees, dat liet Ada I ceiiigszins zou spijten, en omdat mijn voogd | zelf zoo stil was. Ik twijfelde er niet aan of [ wjj zouden onder al de bestaande omstandigheden ook zeer stil en eenvoudig getrouwd worden. Misschien zou ik slechts tegen Ada behoeven te zeggen; „Zoudt ge mij morgen niet eens willen komen zien trouwen, lieveling?quot; Misschien zou onze huwelijksplechtigheid even onopzichtig zijn als de hare, en zou ik niet noodig vinden er iets van te zeggen eeriizij voorbij was. My dunkt, als ik het voor het kiezen had, zou.bet laatste mij best bevallen.

Natuurlijk was dit geen tijd om mijn voogd te venvaarloozen; en natuurlijk was bet evenmin een tijd om mijne lieve Ada te verwaar-loozen. Ik had het dus druk genoeg - waarmede ik zeer blijde was; en wat Charley betrof, zij was letterlijk verdwenen onder baai-naaiwerk. Zich met groote hoopen daarvan te omringen, manden vol en tafels vol — een weinigje te naaien, en veel tyd te siyten om met hare ronde oogen aan te staren wat er nog te doen was, en zich zelve te overreden, dat z.y dat alles zou afdoen —hierin stelde zy hare eer en vond zij een buitengemeen genot.

Ondertusschen, moet ik zeggen, kon ik bet


,V -•■•■vra

iSïli

r-yj-ZS /

1 (

, MAAK VOOU Ml.IN

OÜD.IIO Wil, IK DAT NOOIT G IC 11A ND 11A AF D WOUDEN.\'

ukkknskn. IIK \' (blz. I.\'i5).

De eenige uitzondering, die ik maakte, was mevrouw Woodeourt. Ik zeide haar, dat ik met mijn voogd zou gaan trouwen, en dat wy sedert eenigeu tijd geëngageerd waren geweest. Zjj keurde dit ten hoogste goed. Zy kon nooit genoeg voor mij doen, en was thans bijzonder zaclitzinnig en vriendelijk, bij datgene vergeleken wat zij was toen ik baar pas leerde kennen. • leene moeite zou haar te groot zyn geweest om mij van dhnst te zjjn; maar ik behoef baast niet te zeggen, dat ik haar slechts zoo weinig liet doen, als genoeg was om hare vriendelijke welwillendheid te bevredigen, zonder te veel daarvan te vergen.

met mijn voogd maar niet eens worden over het zoo toevallig gevonden testament, en bleef ik van het proces nog iets goeds hopen. Wie van ons beiden gelijk had. zal spoedig bUjken; maar het is waar, dut ik thans Kichard\'s verwarb-tingen aanmoedigde, lijj dezen gaf die ontdekking aanleiding tot eenc uitbarsting van woeligheid i\'ii werkzaamheid, die hem een tijdlang verlevendigde ; maar hy was niet meer vatbaar voor de vrooiyiclieid der hoop, en scheen alleen de koortsige angstvalligheid daarvan te kunnen gevoelen. l it iets, dat myn voogd eens zeide, toen wjj daarover praatten, maakte ik op, dat mijn huwelijk eerst plaats zou hebben na den dag,


-ocr page 442-

■120

waarop men ons gezond had, dat het proces wi\'der moest voorkomen ; en dit deed inii des te meer er aan denken, hoe blyde ik zon zyn ;ds ilichard en Ada het wat meer voordeelig luidden als ik trouwde.

De tijd, waarop de zittingen van het Hof hervat zouden worden, was al zeer nabij, toen mjjii voogd uit de stad moest en voor de zaak van Woodcourt naar Yorkshire ging. Iljj had mij voorat gezegd, dat zijne tegenwoordigheid daar zou vereischt worden. Ik was op een avond juist van mijne Ada gekomen, en zat, in het midden van al mija nieuw goed, (laarn.\'iar in het rond te kijken en aan allerlei dingen te denken, toen my een brief van mijn voogd werd gebracht. Hjj verzocht mij daarin quot;in naar hem toe te komen, en schreef mij in welke diligence er reeds plaats voor mij was genomen en hoe laat ik des morgens moest vertrekken. In een naschrift zeide luj nog, dat ik niet Ling van Ada verwijderd zou blijven.

Rr was weinig, dat ik toen minder verwachtte dan zoo terstond op reis te moeten gaan, maar ik was erin een half uur voor gereed, en vertrok ib\'ii volgenden morgen op den bepaalden tijd. Ik reisde den geheelen dag door, en zat mij dien geheelen dag te verwonderen waarom ik tocli zulk eene verre reis moest doen; nu dacht ik, dat liet om deze, dan weder, dat het om die reden zou zijn, maar nooit, nooit kwam ik de waarheid nabij.

Het was avond toen ik het doel van mijn tocht bereikte en myn voogd naar mij, vond wachten. 1 gt;it was eene grootc geruststelling voor mij, wani tegen den avond was ik begonnen te vreezen (des te meer daar zijn brief zeer kort was) dat hij ziek mocht zijn. .Maar daar was hij, zoo welvarend als bij maar zijn kon. en toen ik\'zijn vriendelijk gezicht wederzag, zoo helder en vergenoegd als ik het ooit gezien had, zeide ik bij mij zelve : „Hij heelt wederom eene groote weldaad bewezen.quot; Niet dat er veel doorzicht toe noodig was om dit te zeggen want ik wist wel, dat hij enkel uit menschlievende welwillendheid daarheen was gegaan.

In b^t logement stond het souper gereed, en toen wij alleen aan tafel zaten, zeide hij:

„Zondertwijfel vol nieuwsgiorigheid,Vrouwtje, om te «eten waarom ik u hier heb laten komen.\' .Wel, voogd,quot; antwoordde ik, .zonder mij zelve voor eene Katirna of u voor een Mauwb.iai-d te houden, ben ik er toch een weinigje nieuwsgierig naar.quot; ,0m u dan eene goede nachtrust te verzekeren, lieve,quot; .mtwoonlde bij vroolijk, «zal ik niet tot. morgen wachten mn bet u te zeggen. Ik heb zeer verlangd Woodcourt op eene of andere manier te kennen te geven, hoe diep ik zijne tnensch-lievcmlheid voor dien ongelukkigen .)o, zijne onsebat hare diensten aan Ada en Hi (hard, en zijne waarde voor on- allen besef. Toen het

| beslist was, dat hy zich hier zou vestigen, is ^ het mij in het hoofd gekomen, dat ik hem wel kon verzoeken om eene eenvoudige, voor hem geschikte woning van mij aan te nomen, waar hij z.yn hoofd kon neerleggen. Ik liet dus i naar zulk een huisje rondzien; hot was zeer gemakkelijk te vinden en te bekomen, en nu I heb ik het voor hem laten in orde brengen en bewoonbaar maken. Evenwel, toen ik het eergisteren ging bezichtigen en men my zeide, dat het klaar was, vond ik, dat ik niet genoeg verstand van huiselijke zaken had. om te weten of alles was gelyk het behoorde te zijn. Daarom liet ik het beste huishoudstertje, dat er met mogelijkheid te krijgen zou zijn, hier komen om my hare meening te zeggen en raad te geven.\' Mn daar zit zy nu,quot; zeide mijn voogd, „tegelijk te lachen en te schreien.quot;

Omdat hy zoo lief, zoo\'goed, zoo bewonderenswaardig was. Ik beproefde hem te zeggen | wat ik van hem dacht, maar ik kon geen woord uitbrengen.

„Kom, kom,quot; zeide myn voogd, „gij neemt het nu al te hoog op. Is dat snikken, Vrouwtje ! is dat snikken.quot; „Het is van blijdschap, i voogd, en met een hart vol dankbaarheid.quot; | „Wel,quot; zeide by. „het verheugt mij zeer, dat i gij het zoo goedvindt. Ik had er eene aangename verrassing voor het meesteresje van liet i Verlaten Huis mede bedoeld.quot;

Ik kuste hem en droogde mijne oogen af. „Nu weet ik hetlquot; zeide ik. ,ïk heb dit al | lang op uw gezicht gelezen.quot;

„Toch! Hebt gy dat waarlijk, melieve ?quot; zeide | hij. „Wat kan dat IMhertje toch gezichten I lezen!quot;

Zyne schertsende vroolykheid was zoo bartel ijk, j dat ik niet lang anders dan vroolijk kon blijven, 1 en my bijna schaamde, dat ik zoo aangedaan was geweest. Toen ik naar bed ging schreide ik. i Ik moet bekennen, dat ik schreide; maar ik I hoop, dat het van blijdschap was, hoewel ik | niet geheel zeker daarvan ben. Ik zeide zyn ! brief tweemaal achtereen woord voor woord by | my zelve op.

Ken allerschoonste zomerochtend volgde op dien nacht, en na het ontbijt gingen wij arm in arm uit, om het huis te zien, waarover ik als huishoudster mijn gewic htig gevoelen moest uitbrengen. W ij traden door een jioortje in den zijniuur, waarvan hij den sleutel had, een bloemtuin binnen ; en het eerst, dat ik zag, was, dat de bedden eveneens waren aangelegd als de mijne thuis en met dezelfde bloemen beplant.

„(iij begrijpt wel, lieve,quot; zeide mijn voogd, terwijl hij bleef stilstaan en met een vergenoegd gezicht opmerkte hoe verwonderd ik opkeek, .daar ik wel wist, dat er niets beters kon bedacht worden, heb ik uw aanleg overgenomen.quot;

Wij gingen langs een kleinen, maar weligen boomgaard, waar de kersen half tusschen de


-ocr page 443-

427

groene bladeren scholen, en de schaduwen der appelboomen over het gras speelden, naar het huis /.elf — een landelijk, met riet gedekt huisje, met een aantal poppenkamertjes ; maar zoo lief en aardig, zoo stil en schoon, met zulk een lachend landschap er om heen ; waar men in de verte eene heek zag flikkeren, die hier ge- j heel door het zomergebladerte overdekt werd, : daar een klapperende molen draaide ; waar men | dichtcrbjj het uitzicht had op eene weide, niet | ver van de vrooljjke stad, waar balspelers in bonte groepen verzameld waren, en op eene 1 witte tent eene vlag in het zachte westenwindje wapperde. Hn terwijl wij door de nette kaniers gingen, en de glasdeuren uitgingen onder de landeljjke veranda\'s, met jasmijn en kamperfoelie begroeid, zag ik in de behangsels op de muren, in de kleuren der gordijnen en tapij- j ten, in de schikking van al dat fraais - overal i m ij ii smaak in acht genomen, m ij n e kleine | manieren en uitvindingen, waarover men placht ; te lachen, terwijl men ze prees, nagevolgd, | overal mijne eigenaardigheid teruggegeven.

Ik kon niet genoeg zeggen van mijne opge- i togenheid over alles, dat werkelijk zoo schoon was; maai- terwijl ik het aanzag, kwam er toch eene geheime twijfeling bij mij op. Ik dacht: | „Ach, zal hij daarom te gelukkiger zjjn ? Zou het voor zijne gemoedsrust niet heter zijn ge- | weest, als men hom mij niet; voor den geest had gebracht ?quot; W\'ani hoewel ik niet datgene was, waarvoor hij mij hield, had hij mij toch lief, en dat alles kon hem op eene droevige -wijs aan datgene herinneren, wat hij meende | i verloren te hebben. Ik wenschte niet, dat liij i mij zou vergeten — misschien zou hij, ook al • i kwam men zijn geheugen niet zoo te hulp, dit j toch niet gedaan hebben; maar mijn weg was : gemakkelijker dan de zijne, en ik had my zelfs met zijne vergetelheid kunnen verzoenen, als hij daardoor gelukkiger was geworden.

„Mn nu, huismoedertje,quot; zeide mijn voogd, dien ik nooit zoo trotsch en vergenoegd had gezien, als terwijl by nijj dat alles toonde en opmerkte hoe ik het waardeerde, „nu, tot be- ! sluit, de naam van dit huis.quot; ,Hoe beet het, lt; lieve voogd?quot; „Kom maar eens zien, mijn kind,quot; zeide hij.

Hij bracht mij naar de voordeur, die hij tot nog toe vermeden had, en zeide, even stilstaande, \' eer wij naar buiten gingen:

„Kunt gij den naam niet raden, kindlief?quot;

„Neen !quot; zeide ik.

„Wij gingen de deur uit, en hjj wees mij boven het uitstekende portaal, met grootc letters: ,11 kt Vkkl.vi \\ Uns.quot;

Hij bracht mij naar eene bank onder het groen dichtbij, zette zich naast my neer, vatte mij hij de hand en sprak aldus:

„Mijne lieveling, in alles wat er tiissehen ons is omgegaan, ben ik, naar ik hoop, waarlijk \'

op uw geluk bedacht geweest. Toen ik u dien brief schreef, waarop gij zelve antwoord bracht,quot; (hij glimlachte toen hij hiervan sprak) „had ik mijn eigen geluk al te zeer op het oog, maar het uwe toch ook. Of ik, onder andereomstandigheden, ooit den Ouden droom zou vernieuwd hebben, dien ik somtijds droomde toen gy nog zeer jong waart, den droom om u eens tot mijne vrouw te maken, behoef ik mij zeiven niette vragen. Ik heb hem eens werkelijk vernieuwd. Ik schreef dien brief, en gij bracht het antwoord. (iij volgt mij immers wel, mijn kind ?quot;

Ik was koud en beefde geweldig, maar geen woord dat hij sprak, ontsnapte mij. Terwijl ik hem strak zat aan te zien, en de zonnestralen, die zacht door het gebladerte vielen, zijn ontbloot hoofd beschenen, was het mij alsof de glans, die hem omstraalde, bijna als de glans der engelen moest wezen.

„Luister naar mij, lieve, en spreek niet. Het is nu aan mij om te spreken. Wanneer het was, dat ik begon te twijfelen of datgene wat ik gedaan had u wel waarlijk gelukkig zou maken, is onverschillig. Woodcourt kwamnaac huis, en ik had spoedig geheel geen twyfel meer.quot;

Ik sloeg mijne armen om zijn hals, liet myn hoofd op zijne borst zinken en schreide.

„Blijf daar vertrouwelijk liggen mijn kind,quot; zeide hij, my zacht aan zijne borst drukkende. „Ik ben uw voogd en vader nu. Blijf daar vertrouwelijk rusten.quot;

iStreelend gelijk het zachte geritsel der bladeren, verwarmend gelyk het koesterende weder, vroolijk en weldadig gelijk de zonneschijn ging hij voort.

„Versta my wel, lief meisje. Ik had er geen twijfel aan, of gij, die zoo trouw aan uwe plichten en zoo goed voor anderen zyt, zoiult met mij tevreden en gelukkig wezen ; maar ik zag met wien gij nog gelukkiger zoudt zijn. Dat ik dit geheim doorzag terwijl mijn huishoudstertje er blind voor was, is geen wonder, want ik kende het goede, dat nooit in haar veranderen kón, veel beter dan zij zelve. Welnu. Ik ben lang in Allan Woodcourt\'s vertrouwen geweest, hoewel hij pas gisteren, eenige uren voordat gij hier kwaamt, in het mijne werd genomen. Maar ik wilde niet, dat het schoone voorbeeld mijner Ksther verloren ging; ik wilde niet, dal een tittel der deugden mijner lieveling onopgemerkt en ongeëerd zou blijven ; ik wilde niet, dat zij uit genade in het geslacht van .Morgan ap Kerrig werd opgenomen, neen, niet, voor zooveel goud als de bergen van W ales met elkander wegen.quot;

Hij zweeg om mij een kus op het voorhoofd te drukken, en ik begon opnieuw te schreien en te snikken. W ant het was mij alsof ik het smartelijk genot van zijn lof niet dragen kon.

„St, lief Vrouwtje! Schrei niet. Dit moeteen dag van blijdschap zijn. Ik heb hem maanden


-ocr page 444-

HET VERLATEN KUIS.

128

aan maanden te ^moct gezien,quot; /.eide liy met opgetogenheid. ,,Nog eenige woorden, myn huismoedertje, en ik heb uitgesproken. Daar ik besloten had om geen stot\'je van de waarde m\\jner Msther weg te werpen, nam ik mevrouw Wood-court afzonderlijk in mijn vertrouwen. „Mevrouw,quot; zeide ik, „ik zie duidelijk en boven-: dien ik weet het — dat uw zoon mijne pupil liefheeft. Verder ben ik zeer zeker, dat mijne pupil uw zoon liefheeft, maar hare liefde aan een gevoel van plicht en dankbare gehechtheid zal opofferen — zoo geheel, volkomen en godsdienstig zal opofferen, dat gij er nooit iets van j zoudt vermoeden, al zoudt gij haar nacht en j dag bespieden.quot; Daarop vertelde ik haar onze i geheele — geschiedenis — de onze — de uwe en de mijne. ,Hn kom nu, mevrouw,quot; zeide ik, j „dit alles wetende, by ons inwonen. Kom, en 1 zie myn kind van uur tot uur; stel wat g\\j in haar ziet tegen bare afkomst over, waarmede het /00 en zoo gelegen is want ik wilde niets verbloemen - en als gij het geheel met u zelve eens zijt geworden, zeg mij dan wat ware adel is.quot; Kn nu, melieve, eere zy haar oud Waalsch bloed !quot; riep myn voogd met vervoering uit, „geloof ik, dat het hart, waardoor dat bloed stroomt, met niet minder warmte, ingenomenheid en liefde voor Esther klopt, dan mijn eigen hart doet

Hij beurde met teederheid mijn hoofd op, en terwijl ik mij aan hem vastknelde, kuste bi) mij op zijne oude vaderlijke manier nogmaals en nogmaals. Welk een licht ging er nu voor mij op over die beschermende houding, waarover ik zoo dikwyls gedacht had!

, Nog een woordjetot besluit. Toen Allan Wood-court u aansprak, lieve, deed hij dat met mijn weten en goedvinden — maar ik gaf hem geene aanmoediging, lang niet, want deze verrassingen moesten inyne belooning zijn, en ik was te gierig om daarvan bet minste te willen missen. Hij zon mij alles water tusschenuomgingkome.n mededeelen; en dat deed hij ook. Nu heb ik niets meer te zeggen. Allan Woodcourt, liefste, heeft by uw vader gestaan toen hij dood lag en bij uwe moeder. Dit is Het Verlaten Huis. Dezen dag geef ik dit huis eene meesteres, en waarlijk, het igt; de sehoonste dag van myn leven.quot;

ilij stond op en richtte mij tegelijk op. Wij waren niet langer alleen. Mijn man — ik heb hem nu zeven gelukkige jaren by dien naam genoemd - stond naast mij.

.Allan.\' zeide mijn voogd, „neem haar van mij aan, eene vrijwillige gift, de beste vrouw, die een man ooit gehad heeft. Wat kan ik meer van u zeggen, dan dat ik weet, dat gij haar verdient! Neem haar met het huisje, dat /,ii aanbrengt. lt;iij weet waartoe zij bet andere huis gemaakt heelt, dat denzelfden naam draagt. Laat mij maar somtijds in het geluk van dat

huis komen doelen, on wat offer ik dan op ? Niets, niets.quot;

Hij kuste nuj nog eens; en nu stonden er tranen in zijne oogeu, terwijl hy met een zachtere stem vervolgde:

„Esther, mijne liefste, na zoovele jaren heelt zelfs dit scheiden iets smartelijks. Ik weet, dat mijn misslag u droefheid hoeft veroorzaakt. Vergeef uw ouden voogd, door liem zijne oude plaats in uwe genegenheid terug te geven, en wisch dien misslag uit uw geheugen. Daar, Allan, neem het liefste dat ik heb.quot;

Hy stapte onder het groene loofdak uit, bleet buiten in den zonneschijn staan, en zich met een v roolijk gezicht naar ons omkeerende zeide by:

. I k zal hier dichtby ergens te vinden zijn. Het is oostenwind, huismoedertje, vlak oost! Laat niemand mij meer bedanken; want ik keer nu weder tot al mijne gewoonten als oud vrijer terug, en als iemand deze waarschuwing vergeet, loop ik weg en kom nooit weerom.quot;

Welk een geluk was ons dien dag beschoren, welke blijdschap, welke rust, welke hoop, welke dankbaarheid en zaligheid ! Wij zouden trouwen eer de maand om was, maar wanneer wy ons eigen buis in bezit zouden komen nemen, zou van Ada en Ivichard afhangen.

Wy keerden des anderen daags alle drie naar Londen terug. Zoodra wy daar aankwamen, ging Allan liichard opzoeken, om hem en myne lieve Ada ons heugelijk nieuws mede te deelen. Zoo laat als het was wilde ik haar ook nog eens gaan zien, eer ik my te bed begaf ; maar ik ging eerst met mijn voogd naar huis, om thee voor hem te zetten en den ouden stoel naast hem te vullen ; want ik dacht er niet gaarne aan, dat die zoo spoedig ledig zou zijn.

Toen wij thuis kwamen hoorden wij, dat er in den loop van den dag driemaal een jongmensch was geweest om my te spreken ; en dat hy, toen hij by zyn derde bezoek vernam, dat men my niet voor des avonds tien uren thuis verwachtte, de boodschap had gelaten, „dat hij dan tegen dien tijd nog eens zou aankomen.quot; Hij had ook driemaal zyn kaartje gelaten; Mr. (iuppy.

Het spreekt vanzelf, dat ik naar het doel van al die bezoeken poogde te raden, en daar ik mijnheer Guppy altijd een eenigszins comisch personage had gevonden, begon ik over hem te lachen en vertelde mijn voogd van zijn vroeger voorstel en de latere herroeping daarvan. „Dan moeten wij dien held toch eens zien,quot; zeide mijn voogd. Er werd dus lastgegeven om mijnheer (iuppy, als hij terugkwam, binnen te laten, en nauwelijks hadden wij dit gedaan, of hij was er alweder.

Hij werd verlegen toen hij mijn voogd bij mij v ind, maar herstelde zich en zeide : „Hoe vaart ge, mijnbeer?quot;— „Hoe vaart gij mijnheer?quot; zeide mijn voogd. „Wel verpliclit, mijnheer, zoo tamelijk,quot; antwoorddemijnheerGuppy. „ Wilt


-ocr page 445-

TS GROOTMOEDIG. 429

MUNHKEK ni l\'l\'Y

ffij mij wel veroorloven myue moeder te pre- j senteeren, juliVouw Guppy van de O 1 d-S t r e et i 1{ o a d, en mijn bijzonder vriend, mynheer Wee-vlo? Dat is te zéggen, mijn vriend heeft den naam van Wee vie gevoerd, maar zijn ware i naam is eigenlijk Jobling.quot;

Mijn voogd verzocht hun te gaan zitten, en | zij namen allen plaats.

„Tony,quot; zeide mijnheer Guppy tot zijn vriend, i na eene poos van verlegen stilzwijgen, „wilt gij de zaak eens voordragen ?quot; — „Doe dat zelf,quot; 1 antwoordde zijn vriend, tamelijk bits. „Welnu j dan, mijnbeer Jarndyce,quot; begon mijnbeer Guppy, na zich (\'ene poos te hebben bedaciit; en zijne j moeder scheen dit begin bijzonder vermakelijk [ te vinden, hetgeen z-ü toonde door mijnheer .lobling met baar elleboog te stooten, en mij op eene allerzonderlingste manier te wenken ; „ik bad mij verbeeld, dat ik juft\'rouw Summer- i son alleen zou spreken, en my eigenlijk niet ; gereedgemaakt op uwe hooggeachte tegenwoor- 1 diglieid. Maar juifrouw Summerson heeft u misschien medegedeeld, dat er bij vroegere gelegenheden reeds iets tusschen ons is omgegaan ?quot; | — „Juffrouw Summerson,quot; antwoordde mijn voogd mot een glimlach, „heeft mij inder-daad zoo iets medegedeeld.quot; „Dat maakt de | zaak gemakkelijker,quot; hervatte mijnheer Guppy. „Mijnheer, mijn contract niet K\'enge en Carboy is afgeloopen, naar ik meen tot volkomen genoegen van alle belanghebbenden. Ik hen nu (na een examen om eene beroerte van te krijgen, over allerlei zotheden, waarvan iemand eigenlijk niets behoeft te weten) op de rol der praktizijns gebracht, en heb mijn certificaat gelicht — als het u misschien eenig genoegen zou doen bet te lezen.quot; - „Wel verplicht, mijnheer Guppy,quot; antwoordde mijn voogd. ,Ik ben volkomen bereid ik meen de in rechten gebruikelijke termen te bezigen om dat certificaat te admitteeren.quot;

Mijnheer Guppy die iets uit. den zak had willen halen, deed dit dus niet, maar vervolgde :

„Ik zelf bezit geen kapitaal, maar mijne moeder heeft een gering eigendom, dat als eene lijfrente is vastgezethier wiegelde mijnheer Guppy\'s moeder met haar boofd, alsof zijniet genoeg kon uitdrukken, hoe dit gezegde baar vermaakte, stopte haar zakdoek in haar mond, en wenkte mij wederom ; „en eenig geld voor uitschotten in mijne zaken zal ik altijd zonder interest kunnen bekomen. En dat is een voordeel, zooals ge begrijpt,quot; zeide mijnheer Guppy met gevoel. „Zekerlijk een voordeel,quot; antwoordde mijn voogd. - „Ik heb reeds eenige relation,quot; vervolgde mijnheer Guppy, „vooral in do buart W a 1 c o t-S q u a r e, L a m b e t h. Daarom heb ik ook in die buurt een huis genomen, waaraan ik, naar de meening mijner i vrienden, een fortuintje heb (belastingen niet noemenswaardig, en gebruik van vast meuble- ;

ment in de huur begrepen), en daar ben ik voornemens onverwijld mijne zaken te beginnen.quot;

Hier begon mijnbeer Guppy\'s moeder waarlijk verbazend met baar hoofd te wiegelen, en ieder, dien zij maar in bet oog kon krijgen, met een schalkachtigen glimlach aan te kijken,

„Hot heeft zes kamers, behalve het onderhuis,quot; zeide mijnheer Guppy, „en gelijk mijne vrienden zeggen, is hot zeer gemakkelijk ingericht. Als ik van mijne vrienden spreek bedoel ik voornamelijk mijn vriend Jobling, die mij, geloof ik,quot; hier zag hij zijn vriend zeer sentimenteel aan, „bijna van de wieg af gekend hooft,quot;

Mijnheer Jobling bevestigde dit door mot zijne voeten te scharrelen.

„Mijn vriend Jobling zal mij in de betrekking van klerk zijne hulp verleenon en in luiis wonen,quot; vervolgde mijnheer Guppy. „Mijne moeder zal ook in huis komen wonen, als baar vierendeeljaars buur in Old-Street Koad afgeloopen en getermineerd is ; en dus zal er geen gebrek aan gezelschap zijn. Mijn vriend Jobling heeft van nature een aristocratischen smaak; en behalve dat bij bekend is met al wat er in do hoogere kringen omgaat, schenkt bij zijne volle goedkeuring aan de gezindheden, die ik nu zal gaan ontwikkelen.quot;

Mijnheer Jobling zeide hierop : „Zekerlijk,quot; en verschoof zich een weinigje, om buiten horeik van den elleboog van mijnheer Guppy\'s moedor te komen.

„Xu zal het niet noodig zijn u te zoggen, mijnheer, daar gij het vertrouwen van juffrouw Summerson geniet,quot; bervatto mijnbeer Guppy, („moeder, ik wenschte wel, dat go zoo goed woudt zijn om u stil te houden) dat juffrouw Summerson\'s beeld voorheen in mijn hart was geprent, en dat ik haar toen een huwelpsvoorstel bob gedaan.quot; „Zoo heb ik geboord,quot; antwoordde mijn voogd. „Omstandigheden, geheel buiten mijne macht,quot; vervolgde mijnheer Guppy, „deden den indruk van dat beeld voor een tijd verllauwon. fin in dien tijd heeft juifrouw Summerson zich zeer fatsoenlijk, ik mag er zelfs bijvoegen, zeer grootmoedig gedragen.quot;

Mijn voogd klopte mij op den schouder en scheen zich hiermede te vermaken.

„Nu, mijnheer,quot; hervatte mijnbeer Guppy, „ben ik zelf tot zulk eene geincedsstemnnng gekomen, zoodat ik wonsch haar gedrag met gelijke grootmoedigheid te beantwoorden. Ik wonsch juliVouw Summerson te bewijzen, dat ik mij tot eene hoogte kan verliolVen, waartoe z.y my misschien niet in staat zou geacht hebben. Ik vind, dat het beeld, dat, naar ik dacht, uit mijn hart was uitgerooid, niet is uitgeroeid, Het beeft nog een goduchten invloed op my; en daarvoor zwichtende, bon ik genegen om die omstandigheden, waarover wy geen


-ocr page 446-

HET VERLATEN HUIS.

van allen macht hebben, voorbij te zien, en | de voorstellen, die ik de eer had jutVrouw Sum-tnerson in vroeger lijd te doen, thans te ver- I nieuwen. Ik verzoek liet buis in Wali-ot-Square, mijne praktijk en mij zeiven voor I hare voeten te mogen leggen met de bede om ■

ze aan te nemen.quot; ,Zeer grootmoedig inder-1 daad, mijnheer,quot; merkte mijn voogd aan. -,Wel, mynheer,quot; antwoordde mijnheer (luppy, met naïeve openhartigheid, ..ik wensch ook groot-i moedig te zijn. Ik denk wel niet, dat ik door | juflrouw Smntnerson dit aanbod te doen, mij : zeiven eenigszins weggooi; en dat denken ook mijne vrienden niet. Maar er bestaan toch omstandigheden, die ik vermeen, dat wel tegen eonige kleine gebroken aan mijn kant kunnen overgesteld worden, om de schaal in bet gelijk te brengen.\'\' — ,lk zal het maar op mij nemen, mijnheer,quot; zeide mjjn voogd lachend, terwyl hij aan de schel trok, „om uw voorstel uit naam van jull\'rouw Hummerson te beantwoorden. Zij is zeer gevoelig voor uwe welwillende inzichten, en wenscht u goedenavond en bestendig welzijn quot; .Zoo!quot; zeide mijnheer (inppy, met een wozenloozen blik. , Moet dat ais een aanneming, eene afwijzing of een in beraad nemen worden opgevat, mijnheer ?quot; „AN eene bepaalde afwijzing,als hetu belieft,quot; antwoordde mijn voogd.

Mijnheer (iuppy keek met een gezicht alsof by /jjne ooren niet kon gelooven naar zyn vriend, naar zijne moeder, die eensklaps zeer boos scheen te worden, naar den vloer en de zoldering.

,Zoo waarlijk?quot; zeide hy. „Dan,.Tobling, als L\'ij do vriend waart, waarvoor gy u uitgeett, kondt gij, naar mij dunkt, mijne moeder wel uit de voeten brengen, in plaats van haar ergens te laten blijven waar zij volstrekt niet noodig is.quot;

Doch jutVrouw \' inpp\\ verkoos maar niet uit de voeten gebracht te worden. Zy wilde er niet van hooien.

„Pak u de deur uit,quot; zejde zy tot myn voogd.

Hoe durft gij dat zeggen? Is myn zoonu niet goed genoeg? tüj moest u doodschamen, l\'ak u de deur uit.quot; „Lieve juffrouw,quot; antwoordde myn voogd, „het is niet redelyk my in mijne eilt;;rne kamer buiten de deur te willen zetten.quot;

.Dat kan mij niet schelen,\' zeide juffrouw lt;iuppy. . l\'ak u de ileur uit. Als wij n niet goed genoeg zijn, ga dan maar iemand halen, die u goed genoeg i-. l\'ak u de deur uit en zoek nem maar op.quot;

Ik was volstrekt niet voorbereid op den spoed, waarmede juffrouw ( Juppy van schertsende vroo-lijkheid tot oploopende gramschap kon overgaan.

, l\'ak u de deur uit en ga maar iemand zoo-keu, die u goed genoeg is,quot; herhaalde zij. .Maak. dat gij wegkomt.quot; Niets scheen haai zoozeer te verbazen en te verontwaardigen, dan dat wij niet voor haar heengingen. „Waarom

pakt gy u niet weg?quot; riep zy. „Waarom blijft gij nog hier?quot; „Moeder,quot; viel haar zoon er ! nu op in, die telkens als zij op myn voogd ; wilde afkomen, voor haar ging staan en haar met den schouder terugduwde, „wilt gy uw mond wel houden?quot; — „Neen, William, ant- ; woordde zy. „Dat wil ik niet. Dat wil ik niet, of hij moet zich wegpakken.quot;

De heeren \'Iuppy en Jobling drongen haar | echter, toen zij werkelijk beleodigend begon te worden, te zamen de deur uit, en brachten i haar, tegen wil en dank, naar beneden. Met eiken trap, dien zy lager daalde, rees hare stem een trap hooger, en steeds bleef zij er op aandringen, dat wy iemand zouden gaan | opzoeken, die ons goed genoeg was, en vooral, dat wij ons zonden wegpakken.

LX V.

KEN ximnv J.KVK.N.

De zitting van bet Hof was wederom geopend, en myn voogd vond eene kennisgeving van mijnheer Kenge, dat het proces over twee dagen zou voorkomen. Daar ik hoop genoeg van het 1 gevonden testament koesterde om er onrustig door te worden, sprak ik met Allan af, dat wij dien morgen naar het Hoi\'zouden gaan. Kichard was zeer opgewonden, en zoo zwak, hoewel alleen zyne ziel nog maar ziek was, dat myne j Ada groote behoefte bad aan opbeuring en bemoediging. Maar zij zag vooruit — thans niet : meer in tie verte - naar de hulp, die zy bekomen zon, en liet nooit den moed zinken.

Het was in W e s t m i n s t e r H a 11, dat het proces weder zou voorkomen. Het was daar • zeker al reeds honderdmaal viiór geweest, maar ik kon my niet van het denkbeeld ontdoen, | dat dit nu tot eenig gevolg zou kunnen leiden, i Wy gingen terstond na het ontbijt van huis, om er bijtijds te zijn, en wandelden te zamen | hoe genoeglijk en vreemd kwam mij dit voor! | door de levendige straten.

Terwijl wij voortstapten, overleggende wat wij voor liichard en Ada konden doen, hoorde ik iemand achter mij roepen: „Esther! Mijne lieve Hstheri Esther!quot; Kn daar was t \'addy Jelly by, met haar hoofd uit het portier van een rijtuigje, dat zij gehuurd had om haar naar hare leerlingen te brengen (zij had er nu zooveel), alsof zij mij reeds op honderd schreden al\'stands wilde omhelzen. Ik had haar een briefje ; geschreven om baar alles te zeggen wat mijn i voogd gedaan had, maar had geen oogenbhk j tijd gehad om haar te gaan opzoeken. Natuur- j lijk keerden wij om, en de hartelijke Caddy | was zoo verrukt, en praatte met zooveel opgetogenheid over den avond toen zij mij de bloemen | . gebracht had, en wilde zoo gaarne mijn hoofd, |


-ocr page 447-

DE liESLISSING IN JAKNDYCK EN JARNDYCE,

431

met hoed on al, tusschen liare handen drukken, en op hare wilde manier te werk gaan, rnij allerlei mooie namen geven, en Allan zeggen, dat ik de hemel weet wat voor haar gedaan had, dat ik wel genoodzaakt was in het rijtuigje te komen en haar tot bedaren te brengen, door haar te laten zeggen en doen wat zij maar verkoos. Allan, die hy het portier bleef staan, was evenzeer in zijn schik als Caddy, en ik was evenzeer in mijn schik als een van beiden ; en toen ik weder uit hot rijtuigje was, en Caddy lachend, en rood, en alles behalve ongehavend, stond na te kijken, was ik verwonderd, dat ik nog zoo was weggekomen. Zij keek ons uit liet portier na, zoolang zij ons maar zien kon.

Dit deed ons omtrent een kwartier te laat komen, en toen wij Westminster Hall be reikten, bevonden wij, dat de zitting reeds was begonnen. Nog erger, wij vonden zulk een ongewoon gedrang in liet ilol\'der Kanselarij, dat de /.aal tot aan de deur toe vol was, en wij niet konden zien of hooien wat er binnen omging. Het scheen iets koddigs te zijn, want nu en dan werd er gelachen en „stilte!quot; geroepen. Het scheen ook iets belangwekkends te zijn, want iedereen drong en duwde om dichter bij te komen. Het scheen iets te zijn, dat de heeren van het vak ook vroolyk maakte, want buiten het gedrang waren verscheidene jonge praktizps met pruiken en bakkebaarden, en als de een den ander er van vertelde, staken zij de handen in de zakken, bogen zich geheel krom van bet lachen en stapten stampende heen en weder.

Wij vroegen een heer dicht bjj ons, of hij ook wist welke zaak er in behandeling was? Hjj antwoordde Jarndyce en Jarndyce. Wij vroegen verder, of hjj ook wist wat er mede gehemde ? Hjj zeide, dat hij dit waarlijk niet wist, dat niemand dit ooit deed; maar zoover hij het kon begrjjpen, was het er mede gedaan. Gedaan voor vandaag? vroegen wij hem. Neen, zeide hij ; gedaan voor goed en al.

Gedaan voor goed en al!

\'loon wjj dit onverklaarbare antwoord hoorden, zagen wjj elkander vol verbazing aan. Kon het mogelijk zjjn, dat het gevonden testament alles op eens had terechtgebracht, en dat Uichard en Ada rijk zouden worden? Dit scheen al te mooi om waar te zjjn. Helaas, het was ook zoo!

Onze onzekerheid duurde maar kort, want weldra begon er opschudding te komen, en kwamen de menschen, rood en warm, naar buiten stroomen en brachten een benauwden walm met zich mede. Hvenwel waren allen vol lachlust en geleken meer naar menschen, die een kluchtspel of een potsenmaker hadden gezien, dan naar toehoorders, die uit een gerechts-hol kwamen. \\\\ ij gingen op zijde en bleven

staan wachten naar iemand, die wjj van aanzien kenden. Weidra begon men met groote 1 hoopen papier weg te dragen hoopen in zak kon, hoopen al te groot om in zakken gestopt | te worden, ontzaglijke massa\'s papier van allerlei vorm en geheel vormeloos, waaronder de dragers waggelden, en die zjj vooreerst maar ergens op den vloer in de Hall neersmeten, terwijl zij teruggingen om nog meer te halen. Zelfs\'deze klerken lachten. Wij keken naar de papieren, en daar wij overal .larndyee en Jarndyce zagen staan, vroegen wjj,iemand, die er bjj stonden een beambte scheen te zjjn, of de zaak voorbij was. „.la,quot; zeide hjj, „het is er eindeljjk mee \' uit,quot; en begon toen ook te schateren.

Op dit oogenblik bespeurden wjj mijnheer Kenge, die met een gezicht vol vriendeljjke def-i tigheid het Hof uitkwam en met mijnheer Vholes sprak, die zeer eerbiedig was en zijn eigen zak droeg. i\\l jjnheer V holes was de eerste, die ons zag.

„Daar is julfronw Smnmerson, mjjnheer,quot; zeide hij, „en mjjnheer Woodconrt,quot; — „Ei, inderdaad 1.1a ! \\\\ aarljjk!quot; zeide mjjnheer Kenge, I en nam met hollelijkc beleefdheid zjjn hoed voor 1 mij af. „Hoe vaart ge, juffrouw? Zeer vereerd | u te zien. Mjjnheer .larndyee is niet hier?quot;

Neen. Hij kwam daar ook nooit, herinnerde | ik hem.

„Het is ook waarljjk wel goed, dat hij vandaag niet hier is,quot; hervatte mjjnheer Kenge, „want zijne zal ik, bjj afwezigheid van mijn : goeden vriend, zijne onoverwinnelijke vooringenomenheid zeggen ? zou misschien nog maar versterkt zijn geworden ; niet met reden, maar 1 toch misschien versterkt.quot; „Wat is er dan vandaag gedaan ?quot; vroeg Allan. — „Neem mij niet kwalijk!quot; zeide mjjnheer Kenge, met o\\vr-groote beleeldbeid. „Wat is er vandaag ge-: daan?quot; — „Wat er gedaan is,quot; herhaalde mijnheer Kenge. „.la. Kr is niet veel gedaan, niet veel. Wjj zijn opgehouden eensklaps gestuit, zou ik zeggen — op den zal ik het den drempel noemen?quot; — „Wordt dat testament voor een echt document gehouden, mjjnheer ?quot; zeide Allan. „ W ill gij ons dat maar zeggen ?quot; — „Zeer gaarne, als ik maar kon,quot; antwoordde mijnbeer Kenge. „Maar wjj zjjn daar niet toegekomen, wjj /.jjn daar niet toe gekomen.quot; „Wij /iju daar niet toe gekomen,quot; herhaalde mijnbeer Vholes, alsof zijne dolle gesmoorde stem eene i echo was. — „Gij moet bedenken, mijnbeer Woodcourt,quot; merkte mijnheer Kenge aan, en gebruikte daarbij zijn zilveren trolVel, met gladstrijkende overreding, „dat dit een groot proces is geweest, dat dit een langdurig proces is geweest, dat dit een ingewikkeld proces is geweest, .larndyee en Jarndyce is, niet ongepast, een Monument \\ an Kanselarij-prakti jk genoemd.quot; „Waarop het Geduld lang heeft zitten treuren,quot; zeide Allan. — „Aardig gezegd, mijnbeer,quot; antwoordde mijnbeer Kenge, met liet minzame


-ocr page 448-

432

hu li.je, «lat hem eigen was. „Heel aanlig. Gij moet verder bedenkeu, mynheer Woodcourt,quot; tot barschheid toe deftig wordende, „dat aan de talrijke bezwaren, incidenten, meesterlijke j lietiën en vormen van procedure, die in deze ; groote zaak zijn voorgekomen, veel studie, talent, welsprekendheid, kunde en vernuft zijn ten koste gelegd. Sedert vele jaren zyn eb ! i k wilde zeggen de bloem der balie en de - eb! — ik mag er bijvoegen de rijpe herfstvruchten der rechtbank — met kwistige hand aan ! .1 arndyceen .1 arndyce opgeofferd. Indien dit groote proces bet publiek tot voordeel en het land tot sieraad strekt mijnbeer, moet het ook met geld en geldswaarde betaald worden.quot; — „Mijnheer K\'enge,quot; zeide Allan, voor wien in een oogen-blik een licht scheen op te gaan. „Neem mij : nii^t kwaiyk, maar wij hebben weinig tyd. Heb j ik wel begrepen, dat het nu blijkt, dat dege-j lieele nalatenschap door de kosten is verzwol-I gen?quot; - „Hm! Ik geloof van ja,quot; antwoordde ■ mijnbeer Kenge. „Mijnheer Vholes, wat zegt gij , Ik geloof van ja,quot; zeide mijnheer V holes. — ,Kn dat dus bet proces vervalt en te niet i loopt?quot; — Waarschijnlijk,quot; antwoordde mijnheer Kenge. „Mijnheer Vholes?quot; —„Waarschijnlijk,quot; zeide mijnheer Vholes. „Ach, lieve Msther,quot; fluisterde Allan, „dit zal Richard het hart breken.quot;

Ik zag zulk een schrik in zyn gezicht, en bij ; kende Richard zoo goed en bad zijn langzaam : verval zoolang waargenomen, dat datgene, wat myne lieve Ada mij eens uit de volheid barer angstige liefde hail gezegd, my nu als het ge lui eener doodklok in de ooren klonk.

„Indien gij mijnheer C. mocht willen spreken, mynheer,quot; zeide mynheer Vholes, ons achterop komende, „zult gy hem in het Hof vinden. Ik liet hem daar. Hij wilde nog wat rusten.quot;

Terwijl hij mij aanzag met dien langzaam verslindenden blik, die hem eigen was, de koorden van zyn zak om zyne hand wond, en daarmede mynheer Kenge naliep, wiens beschermende schaduw hij niet scheen te durven verlaten, maakte hij een nokkend geluid, alsof by het laatste brokje van zyn cliënt verzwolg; en toen gleed zyne zwarte, smalle, spookachtige gedaante naar de lange deur aan bet einde der zaal.

„Lieve Ksther,quot; zeide Allan, „laat hem, dien gij rny hebt toevertrouwd, voor eene korte poos aan my alleen over. Ga met dit bericht naar buis en kom dan straks bij Ada.quot;\'

Ik wilde niet, dat hy my naar eene koets ; bracht, maar drong hem, dat hy zonder een i oogenblik te dralen naar llkhard zou gaan en my maar alleen laten; ik zou doen gelyk hij verlangde. Ik haastte mij naar buis, vond daar mijn voogd en vertelde hem langzamerhand welk nieuws ik had medegebracht. „Huismoe-; dertje,quot; zei«le hij, zonder, wat hem zeiven betrof.

| eenige aandoening te laten blijken, „met dat proces te hebben afgedaan, op welke manier dan ook, is grooter zegen, dan ik had durven verwachten. Maar die arme h\'ichard en Ada!quot;

Wij spraken den geheelen morgen over hen en overlegden wat er met mogelijkheid voor i hen zou te doen zijn. In den namiddag ging mijn voogd met mij naar Symond\'s I nn en liet mij aan de deur Ik ging naar boven. Toen mijne | lieveling mijne voetstappen hoorde, kwam zij naar buiten op het portaal en sloeg hare armen om mijn hals ; maar zij bedwong spoedig bare aandoening en zeide mij, dat Richard verscheidene malen naar mij gevraagd bad. Allan had hem in het Hof in een hoekje vinden zitten, verhaalde zij mij, alsof hij in een steenen beeld was veranderd. Toen hij uit die verdooving werd opgewekt, was hi j opgevlogen, alsof hij met eene toornige stem den rechter wilde aanspreken. Hij had moeten zwijgen, omdat hij zijn mond vol bloed kreeg, en Allan had hem naar hnis gebracht.

Toen ik binnenkwam, lag hij met geslotene ! oogenop de sofa. Er stonden medicijnen opde tafel; men had de kamer donker en zoo luchtig mogelijk gemaakt, en het was er zeer ordelijk en stil. Allan stond achter hem en sloegbemmeternstige oogen gade. Zijn gezicht kwam mij voor, geheel kleurloos te zijn, en nu ik hem zag zonder dat hij mij zag, merkte ik voor de eerste maal op, hoe hij was uitgeteerd. En toch was bij nu jeugdiger en schooner dan ik hem in langen | tijd had gezien.

Ik zette mij zwijgend bij hem neer. Weldra de oogen openende, zeide hij met eene zwakke stem maar met zijn ouden glimlach: „Dame Durden, geef mij een kus, lieve!quot;

Het was eene verrassing en een troost voormij, J dat ik hem in zijn zwakkentoestandopgeruimden levendig vond. Ilij verheugde zich meer, zeide hij over ons voorgenomen huwelijk, dan hij metwooi -| den kon zeggen. Mijn aanstaande was voor hein en Ada een beschermengel geweest, en hij zegende ons beide en wenschte ons al het gelnk, dat bet leven kon opleveren. Het was mij bijna alsof mijn eigen hart moest breken, toen ik hem de hand van mijn aanstaande zag vatten en aan zijne borst drukken.

Wij spraken zooveel mogelijk over de toekomst, en hij zeide verscheidene malen, dat hij bij ons huwelijk tegenwoordig moest zijn, als hij maar op zijne voeten kon staan. Ada zou hem op eene of andere manier wel weten te brengen, zeide hij. „Wel zeker, liefste Richard.quot; Maar toen mijne lieveling hem met zooveel vertrouwende hoop, met zulk eene hemelsche blijmoedigheid, antwoord gaf, aan de hulp denkende, die zij bekomen zou en zoo nabij was toen wist ik toch wel — wist ik toch wel!

Het was niet goed voor hem veel te spreken, en toen hij zweeg, zwegen wij ook. Naast hem blijvende zitten, hield ik inij alsof ik ijverig


-ocr page 449-

KICHARI» MOKT KKN NIEUW I.KVEX MEG INNEN.

aan naaiwerk van Ada bezig was, daar hij er altijd mede placht te schertsen, dat ik zoo naarstig was. Ada leunde over zijn kussen en liet zijn hoofd op haar arm rusten. Dikwijls sluimerde hij, en wanneer hij wakker werd zonder hem te zien, zeide hij altijd het eerst: , Waar is Woodcourt?quot;

De avond was gevallen, toen ik mijne oogen opsloeg en mijn voogd op het portaal zag staan.

„Wie is daar, Dame Durdeu?quot; vroeg Richard.

Do deur was achter hem, maar hij had op mijn gezicht gelezen, dat er iemand was.

zien. Wij waren allen verbijsterd, Richard, meer of minder. Maar wat komt er dat op aan! Hoe gaat het, mijn beste jongen?quot; „Ik henzeer zwak, mijnheer, maar ik hoop, dat ik wel weer sterker zal worden. Ik moet een nieuw leven beginnen.\' „Ja waarlijk; welgezegd!quot; riep mijn voogd uit. — „Ik zal het nu niet op de oude manirr beginnen,quot; zeide Richard nu\'t een treurigen glimlach. „Ik heb nu eene les gekregen, mijnheer. Het was eene harde les f maar gij kunt waarlijk verzekerd zijn, dat zij mij nut heeft gedaan.\' „Kom, kom,quot; zeide mijn voogd


VoM* M.NÏA S TiiKVVIJDIN(i AAN ^IU LKICKSTKR. Hlz. 130).

Ik zag Allan ami om hem raad te vragen, en daar hij „ja!quot; knikte, bukte ik mij naar Richard en zeide liet hem. Mijn voogd zag wat er omging, kwam in een oogenblik zachtjes bij mij en legde zijne hand op die van Riehard\'.

,0, mijnheer!quot; zeide Richaid. „Gij zijt ern braaf man, een goed man!quot; en voor de eerste maal barstte hij i,i tranen uit.

Mijn voogd waarlijk een model voor een braaf en goed man zétte zich, Richard\'s hand nog vasthoudende, op mijne plaats.

„Mijn lieve kick,quot; zeide hij, „de wolken zijn verdwenen en liet is nu helder. Wij kunnen nu om hem te troosten, „kom, kom. beste jon gen!quot; „Ik dacht daar, mijnheer,quot; hervatte Richard, „dat er niets op de wereld is, dat ik zoo gaarne zou zien als hun huis Dame Dur-den\'s en Woodcourt\'s huis. Als ik daarheen kon gebracht worden, zoodia ik sterk genoeu\' ben, denk ik, dat ik daar spoediger beter zou worden dan ergens anders,quot; „Wel, dal heb ik ook al gedacht, Rick.quot; zeide mijn voogd, „en ons huismoedertje insgelijks, Zij en ik hebben er vandaag juist over gesproken. Ik durf wel zeggen, dat haar man er niet tegen zal hebben. Wat denkt gij daarvan?quot;


DiCRKSfs. Ilri verluitn Hm

-ocr page 450-

li KT \\ KKLA\'l\'KN 111 IS.

t-\'l 1

Richard glimladile, en lichtte zijn artn op. om Allan aan t( raken, die aan het hoofdfinde van zijn leger stond.

„Ik zeg niets van Ada,quot; zeide Richard, „maar ik denk wel aan haar en heb hcd veel over haar gedacht. Zie haar eens — zie haar daar eens, mijnheer, over dit kussen gebogen staan, terwijl zij zelve zooveel behoefte aan rnst heelt, die goede, lieve, arme vrouw!quot;

Hij sloot haar in zijne armen, en niemand van ons sprak een woord. Hij liet haar lang zamerhand los, en zij zay ons aan en toen naar omhoog en brwoog hare lippen.

.Als ik op het Verlaten Huis kom, mijn-het r,quot; zeide Richard, „zal ik u veel te vertellen hebben, en zult mij veel te wijzen heb ben. Gij gaat toch ook mede, niet waar?quot; „Zonder twijfel, b. ste Hick„Ik ben u dankbaar. Daar herken ik u weder in,quot; zeide Richard ; ..maar ik herken u in alles. Zij hebbm mij ge zegd hoe gij het hebt aangelegd en dat gij overal Esther\'s smaak en manieren hebt onthouden. Het zal zijn alsof ik weder op het oude \\ erla-t\'n Huis kwam quot; .,Hn daar zult gij ook ko men, hoop ik, liick. Ik ben nu W\'-der eenzaam, weet. ge, en het zal eene weldaad zijn eens bij mij te komen, iv-ne weldaad zijn bijiiiijt\' knmi ti. rneiievc Iquot; herhaalde hij. zich naar Ada kei rende, streek zacht met zijne hand ov« r hare izmtden lokken en drukte eene krul daarvan tan zijne lippen. Ik geloof, dat hij bij zich zei ven de gelofte deed om haar te veizoigéti als zij alleen bleef. „Het was alleen een onrustige droom, niet waar?quot; zeide Richard, en vatte mijn voogd met vuur bij beide handen. .An \' ders niet, Rick; anders niet.quot; „En daar gij zoo goed zijt. kunt gij dien als een droom over het hoofd zien. en den droomet verge ven en beklagen, en hem troosten en hemoe-digon als hij wakker wordt?quot; „Waarlijk,dat kan ik. Wat ben ik anders. Kick, dan ook een droomer?quot; .Ik zal een nieuw leven beginnen,quot; zeide Richard, met. en glans in ziineoogen.

Mijn aanstaande kwam wat dichter bij Ada, en ik zag hem plechtig zijne hand ophollen om mijn voogd te waarschuwen.

.Wanneer zal ik hier vandaan gaan naar dat heei lijke land, waar ik den ouden tijd terugvind, waar ik kracht zal hebben om te vertellen wat Ada voor mij geweest is, waar ik in staat zal zijn om mij te herinneren hoe verblind ik ben La vveest. en hoeveel verkeerdheden ik begaan heb, waar ik mij zal voorbereiden urn een gids voor mijn nog ongeboren kind |e zijn \'quot; zeide Richard. „Wantn ■ r zal ik gaan?quot;

.Zoodra ge maar sterk genoeg zijt. best\' Ri k,quot; ant woordde mijn voogd. ,, Ada. iriijin beste!quot;

Hij poogde zich wat op te richten. Allan beurde hem zoover op. dat zij hem aan hare borst kon honden; en dit had hij verlangd.

Ik heb u veel kwaad gedaan, beste vrouw. Ik arme dwaalgeest ben eene schaduw op uw pad geweest; ik heb u getrouwd om tt in armoede en onrust te brengen: ik heb uw eigendom in den wind gestrooid. Wilt ge mij dat al-is vergeven, mijne Ada, ( er ik een nieuw leven begin?quot;

Een glimlach verhelde rde zijn gelaat, toen zij zich boog om hem een kus te geven. Langzaam liet hij zijn hoofd aan hare borst zinken, sloot zijne armen vaster om haar hals, en zonder een afscheidssnik begon hij een nieuw leven. Niet in deze wereld, o, niet in deze. In die wereld, welke deze terecht brengt.

Toen alles stil was, zeer laat, kwam het arme jutl\'rouwtje ITite schreiende bij mij, en zeide mij, dal zij hare vogeltjes de vrijheid had gegeven.

LX VI.

HE DKDI.Oelv\'s.

Kr heerse.hle eene stilte op Kastanje Hof in dezen veranderden tijd. even diep als die over een gedeelte der familiegesclnedenis rust. Het gerucht zegt,, dat sir LeicesL r sommige men-schen, die gesproken konden hebben, betaalde om stil te zwijgen; maar dit is een flauw gerucht, dat zachtjes fluisterend rondkruipt, en als het een helderder vonkje levens vertoont, sterft dit spoedig weder weg. Men weet voorzeker, dat de schoone Lady Dedlock in liet praalgraf in het park ligt, waar het geboomte omhoog een donket gewelt vormt, en de uil des nachts de bosschen doet weergalmen; maar waar vandaan zij naar huis gebraeht werd, nm op die eenzame plek begraven te worden, of hoe zij gestorven is, is een raadselachti\'r geheim, Sommige ham oude vriendinnen, vooral te vinden orub i de bokoorstora Jïk t een perzikblos op de wangen en beenderige halzen, zeiden wel eens. terwijl zij op eene akelige manier met. groote waaiers speelden — als wa ren zij, na het verlies van alle andere cavaliers, genoodzaakt met den grijnzenden dood te koketteeren ~ ten aanhoore der verzamelde groote wereld, hoe zij zich Vèiwonderde); dal de asidi der in dat praalgraf gehuisde Dedlock\'s niet in opstand kwam tegen haar heiligschennend gez.\' Isehap, Maar de doode Dedlock s laten zich dit koeltjes welgevallen en men weet niet. dat zij er zich ooit over beklaagd hebben.

l\'it liet varenkruid in het dal, langs hel slingerende rijpad tussclaen het geboomte, nadert. somtijd- het geluid van hoefslagen e- /.e • enzame piek. Dan zou men Sir la-lccster kmi nen zien ziekelijk, ge;bogen en bijna blhul, maar nog van een deftig voorkomen die, in gezelschap van e.-n forsch gespierd man, hem altijd dicht op zijde blijvende, komt aan-


-ocr page 451-

DE VKIfANDIOKDE l\'l.\'

rijden. Als y.i j op zekere plek voor de deur van iiet paalgraf komen, Mijft ailquot; Leilt;,esler-s paard uit gewoonte vanzelf stil,-taan, en dan ru-emt di^ grijzi; edelman zijn liot d af en vertoeft lt; • nige oogenblikken, eer zij weder voortrijden.

De oorlog met den virmetelen Boythorn blijlt nog woeden, hoewel met onzekere tusselien poozen, en nu heet, dan wedrr Hauw. flikkerende gelijk een ongestadig vuur. igt;e waarheid is, naar men zegt, dat, toen sir l.ciei st.or voorgoed naar L i n coin s h i r e kwam, Boythorn duidelijk zijn verlaimen toondë om \\an zijn recht af te zien en alh. s te doen wat sir Leirister maar wildo; hetgi -n Sir Leierster, die dit voor eeno insehikkelijkheid ter wille van zijn /,ii,klt; lijken toestaijd of zijn ongeluk hield, zoo ten hoogste kwalijk nam, waardoor hij zich zoo deftig gegriefd toonde, dat Boythorn zich genoodzaakt vond om eeno in hel oog loopend\' vijandelijkheid te plegen, ten einde zijn buurman weder tot zich zeiven te brengen. Om dezelfde reden blijft, Boythorn bij den betwisten doorgang de geduchtste waarschuwingen aanplakken en (met zijn vogeltje op zijn hoofd) iu de heilige schuilplaats van zijn eigen huis heftig tegen Sir Leiecstor uitvaren; en insgelijks om dezelfde i\' den blijft hij hem in de kerk als vanouds uittarten, door eene koele onbewustheid van zijn bestaan te v inzen. Men fluistert icliter. dat hij, wanneer hij het ergst teilen zijn ouden vijand uit b\' Idert, waarlijk de meeste welwillendheid voor hem toont; en dat sir Leicester, in zijne verhevene onverzoenlijkheid, weinig vermoedt hoevéél men doet, om hem zijnzin te geven. Even weinig vermoedt hi j van de betrekking, die er tussehen hem en zijn tegenstander bestaat, door het z\' del eed. dat twee zusters hun berokkend hebben; en zi jn tegenstander, die dit nu weet, is le man niet om het hem te zeggen. Zoo duren de vijandelijkheden voort, ten genoegen van beiden partijen.

In een der portierswoningen van het park, dat huisje in het, gezicht van hel heorenhuis. waar eens, toen er in L i n e o 1 n s h i r e eene overstróoming was. myladj het kind van den boschwachter placht te zien, woont thans die forsch gespierde man, die voorheen dragonder is geweest. Eenige. gedachtenissen van zijn vroeger beroep hangen aan de muren; en het is de liefste uitspanning van een kreupel manneke, dat bij den stal geplaatst is, deze wapi • nen altijd blinkend te houden Dat manneke he it het altijd even druk met het poetsen van stijgbeugels, bitten, kinkettingen en alles, dat in of om een stal maar gepoetM kan worden; hij verslijt zijn leven met schuren. Ruig en erg gehavend ziet dat manneke . r uit; hij gelijkt wel eenigszins naar een ouden hom; van een of ■inner basterd-ras, die sléchte dagen gehad heeft. Hij luistert naar den naam van l\'hil.

ATS l,N LINCOLÏS\'SIIIRE. 435

Schoon en roerend is hot, de deftige oude huishoudster (thans hardhooriger dan voorheen) aan den arm van haar zoon naar de kerk te zien gaan, en de betrekking van deze twee op sir Leicester, en van hem op hen, op te merken, hetgeen echtor weinigen doen, want het huis ziet tegenwoordig niet veel gezelschap. In het warme zomerweiier krijgen zij echter bezoek. Dan ziet, men een grijzen mantel en eene paraplu, anders op Kastanje-Hof onbekend, tusselien het geboomte omdwalen; dan ziet men 1 somtijds twee jongojuffertjes in afgelegene heekjes van het park met elkander stoeien en dartelen. en den rook van twee pijpen, voor de deur van den gewezen cavalerist, kronkelend in tie geurige avondlucht opstijgen. Dan hoort men in het huisje een lluitje. dat de krijgshaftige wijs van de Britschc Grenadiers laat klinken; en als do avond valt hoort men, terwijl twee mannen te zamen op en neer wandelen, eene grove, onbuigzame stem brommen: .Maar voor mijn oudje wil ik dat nooit, bekennen. De subordinatie moet gehandhaafd worden,quot;

Het grootste gedeelte van het huis is gesloten, en men laat het niet nierr aan vreemdelingen zien. Evenwel heeft Sir Leicester nog eene stiort van kleine hofhouding in het lange salon, en zit daar op zijne oude plaats voor mylady\'s portret Des avonds door groot\' tochtschermen omsloten en tot die plek beperkt, schijnt het licht in het salon langzamerhand te verllauwen en in te krimpen, tot het, eens niet meer schijnen zal. Nog korten tijd en het zal voor sir Leicester geheel uitgedoofd zijn; en de klamme deur van het praalgraf, die zoo vast sluit en er zoo onverbiddelijk uitziet, zal zich geopend hebben om hem te ontvangen.

Volumnia, die met het verloop des tjjds wat het rood in haar gezicht betreft helderder scharlaken, en wat het wit betreft geler wordt, leest in de lange avonden voor sir Leicester, en moet allerlei kunstjes te baat nemen om haar geeuwen te verbergen: waaronder het voornaamste en beste\' is, het parelsnoer tussehen hare rooskleurig\' lippen te nemen. Langdradige verhandelingen over de quaestie tussehen Buify en Boodle, waarin bewezen wordt, dat Bull\'y onberispelijk en Boodle een schavuit is, en hóe het land verloren moet gaan als het voor Boodle en tegen Bully, of gered zal worden als het voor Bufl\'y en togen Boodle partij kast (het moet een van beide doen en kan niet anders kiezen), makt n hare voornaamste lectuur uit. liet is sir Leicester tamelijk onverschillig wat zij leest en hij schijnt er niet veel naar te luis teren; behalve dat hij altijd helder wakker wordt, zoodra Volumnia het waagt om op u houden en dan met eene luidklinkende stem het laatst\' woord herhaalt en met zeker onge--noegea verzoekt te mogen weten of /.ij moede wordt\',\' Volumnia heeft echter terwijl zij zoo


-ocr page 452-

HKT VliKLATEN IICIS.

als rtii vogeltje rondhuppelde en aan papieren pikte, eene aantcekening gevonden van iets, dat zij te wachten heeft indien haar geeérden bloedverwant Iets mocht overkomen, tn dit iets is ci ne ruime vergoeding voor de vervelendste loi\'tuur.

De neven zijn over lu i algemeen eenigszins haim\' voor Kastanje-Muf i n de daar thans heer-schende eentonigheid geworden ; maar in het Jachtseizoen willen zij er toch wel eens heen, en dan hoort men geweerschoten in de plantsoenen, en staan eenige verspreide oppassers en jagers op de oude verzamelplaats, n naar ver-vcelzieke paren of drietallen neven te wachten. De flauwe neef, die in dat akelige huis nog flauwer wordt, verzinkt in eene schrikkelijke neerslachtigheid, ligt, wanneer hij niet met een geweer ronddwaalt, als een boeteling op eene sofa te zuchten, en betuigt, dat zulk een verduiveld gevangenishol genoeg is om iemand voor altijd zijn bekomst te geven.

Ik eenige groote dagen voor Volumnia, nu het buiten in Lincolnshire zoo veranderd is, zijn die zeldzame en ver van elkander ge-scheidene dagen, wanneer zij gelegenheid heeft om ten nutte van het land of het graafschap een publiek bal tot sieraad t strekken. Dan herneemt de ingebakerde sylphide wederom hare fee n-gedaante, en begeeft zich met blijdschap onder nevel ijk geleide naar de oude, veertien mijlen verwijderde assemblee-zaal, welke gedurende driehonderd vier en zestig dagen van ■ en gewoon jaar eene soort van antipodische prulb nkanu r is, vol omgekeerde tafels en stolt;. -len. Dan verovert zij weder alle harten door hare •ninzaarnheid en kinderlijke levendigheid, en huppelt zij weder rond gelijk in de di gen, ti\'i\'n de oude generaal, die nu zijn mond al te vol tanden heeft, nog geene daarvan met twee guinjes het stuk had betaald. Dan zweeft zij weder, als • •■n. landelijke nimf van goede fa-nrilh . door de reien van den dans, en naderen haar de verliefde herders met thee, limonade-. boterhammetjes en eerbiedige hulde. Dan is zij beurtelintrs goedig en wreed, statig en eenvoudig, telkens wat anders, vol bekoorlijke wispelturigheid. Dan zou men t ene zonderlinge verLrelijkhti,\' kunnen maken tugt;s.-he.n haar en de kleine glazen lustres uit eene vorige eeuw. welk. die assemblee-zaal versieren, en die met hunne mag.-re armen, schrille belletj.-.s, bloote knoppen, waarvan d\' bellen zijn afgevallen, bloote stelen, waar beide, knoppen en bellen verdwenen zijn, en Hauwen flikkerglans, allen zoov. el Volumnia\'s schijnen te wezen.

Voor het overige is het leven op Kastanje-Hof voor Volumnia e. ne uitgestrekte ledigheid in e. u onbewoonbaar groot huis, nitziend( op be.ornen, die zuchtend de handen wringen, de hoofden buigen * n met eentonig.- treurigheid hum;, traii\' gt;gt; tetren de vensterruiten spatten

Een labyrint van grootheid, minder het eigendom eener oude familie van menschelijke wezens en hunne spookachtige afbeelselen, dan wel eene oudere familie van fluisterende en donderende echo\'s, die bij het minste geluid uit hare honderd graven oprijzen en galmend door het gcheele gebouw dwalen,

Eene wildernis van ongebruikte gangen en trappen, langs welke men, als men des av. .nds in eene slaapkamer eene kam op den grond laat vallen, een sluipenden voetstap met eene boodschap door het geheele huis zendt. Een verblijf, waar weinige menschen gaarne alleen rondgaan; waar eene meid begint te gillen als het vuur een knap geeft, zich gewent om over elke kleinigheid te schreien, een slachtoffer van zenuwachtige neerslachtigheid wordt, hare huur opzegt en vertrekt.

Zoo is hei met Kastanje-Hof. /00 voor het grootste gedeelte aan duisternis en ledigheid gewijd; met zoo weinig verandering bij zomer, zonneschijn of betrokken winterweder; altijd zoo sombei- en stil geene vlag, die nu over dag wappert, geene verlichte vensters, die des avonds flikkeren, geene familie, die komt en gaat, geene gasten, om de koude, doode kamers te bezielen; nergens leven of beweging;

zoo zijn, zelfs voor het oog van den vreemdeling, hartstocht en trots op het buiten in Lincolnshire uitgestorven, en heerscht daar thans de doffe rust van het graf.

LX VU.

besluit van\' kstiiku\'s vekhaal.

Ze ven gelukkige Jaren lang ben ik nu meesteres van het Verlaten Huis geweest. De weinige woorden, die ik nog bij het geschrevene heb te voegen, zullen spoedig op het papier staan; en dan zullen ik en de onbekende vriend of vriendin, aan wie ik schrijf, voor altijd scheiden. Niet zonder veel dierbaar herdenken aan mijne zijde. Ook niet, hoop ik, zonder iets daarvan aan zijn of haar kant.

Zij gaven mijne lieve Ada in mijne armen en veie weken lang verliet ik haar niet. Hef kindje., dat zooveel had moeten doen, werd l geboren eer de zoden op hef graf des vaders werden gelegd. Het was een knaapje; en ik, mijn man . n mijn voogd gaven hem den naam van zijn vader.

De hulp waarop mijne hartsvriendin rekende, viel haar toch ten deel, hoewel zij haar, in de-wijsheid des Eeuwigen, tot een ander oogmerk werd verleend. Hoewel dit wichtje gezonden werd om de moeder, en niet den vader, tot zegen .-n heil te wezen, had het toch macht daarto. . Wanneer ik de kracht van dat zwakke handje zag, en hoe eene enkele aanraking daar-


-ocr page 453-

ESTHER\'S V EU 11 AA li SPOIOl»\'!\' TEN EENDE.

137

van Aila\'s luut kon hcelen en haai\' wederom loeren hopen, ontwaarde ik een nieuw gevoel van Gods goedheid en liefde.

Beide bleven gezond, en na verloop van ei ni-gen tijd zag ik mijne lieve Ada, met haar kind op den arm, in mijn landelijken tuin wandelen. Ik was toen getrouwd. Ik was de gelukkigste der gelukkigen.

Eindelijk kwam mijn voogd ons opzoeken en oeg Ada, wanneer /JJ naar huis zou komen ?

«Beide huizen zijn uw thuis, lieve,quot; zeide hij, ,,maar het oudste Verlaten Huis maakt aanspraak op den voorrang. Als gij en mijn jongen sterk genoeg daartoe zijt, moet gij uw huis in bezit komen nemen,\'

Ada noemde hem „haar liefsten neef John.quot; Maar liij zeide: Neen, le t moest nu voogd wezen. Hi] was voortaan haar voogd en die van het knaapje, en hij had nog eene oude bet ivk-king op dien naam. Zij noemde hem dus voogd, i n hoeft hem sedert altijd voogd blijven noemen, De kinderen kennen hem bij geen anderen naam. Ik zeg kinderen; ik hel) twee dochtertjes.

Het is moeielijk te gelooven, dat Charley (die nog ronde oogen heeft en nog altijd fouten tegen de spraakkunst maakt) met een rnoh-naar iu onze buurt getrouwd is; maar het is toch zoo, en als ik nu van mij lessenaar opkijk, waaraan ik, vroeg op een zomerochtend, voor het venster zit te schrijven, zie ik Juist den molen aan den gang bn ngen. Ik hoop, dat de molenaar Charley niet zal bederven; maar hij houdt heel veel van haar, en Charley is ( enigzins trotseh op zulk een huwelijk want hij is in goeden doen, en was zeer gezocht. Wat mijn kameniertje betreft, zou ik kunnen denken, dat de tijd zeven jaren lang even stil had gestaan als de molen voor een half uur deed; want kleine Emma, Charley\'s zuster, is het evenbeeld van wat Charley placht te zijn. Wat Tom, Charley\'s broertje, betreft, durf ik waarlijk haast niet zeggen hoever hij op de school al in het cijferen was, maar ik geloof het was m de decimalen. Wat liet ook wezen mocht hij is bij den molenaar in dé leer, en is een goede, bedeesde jongen, die altijd op een of ander meisje verliefd is, en zich \'altijd daarvoor schaamt.

i addy dellyby heeft haar laatsten vacantietijd hij ons doorgebracht en was toen nog hartelijker dan ooit. In huis en buitenshuis danste zij onophoudelijk met de kinderen, alsof zij nooit in haar leven eene dansles had gegeven. ( addy houdt nu een eigen rijtuigje, in plaats van er een te huren, en woont volle twee. ! mi ijl en meer westelijk dan N e w m a n-s t r e e t Zij werkt zeer hard, daar haar man(oon allerbest man) kreupel is geword\'en en zich maar weinig kan bewegen. Evenwel is zij meer dan tevreden, en. al wat zij te doen heeft, doet zij met. al haar hart. Mijnheer Jellybv slijt zijne avonden in hare nieuwe woning met zijn hoofd tegen don muur, gelijk hij in de oude placht te doen. Ik heb hooren vertellen, dat mevrouw Jellyby zeer veel verdriet had gehad van haar dochters laaggeostig huwelijk en beroep; maar ik hoop, dat zij het door den tijd te boven is gekomen. Zij is met 15 o r r i o b o o 1 e Ci li a telenrgi steld. Die onderneming is geheid mislukt, dewijl de koning van B o r r i o b o o 1 a, ieder, die het klimaat overleefde, voor rum wilde verkoopenj maar zij heeft zich nu het recht dor vrouwen, om zitting in liet parlement te nemen,aangetrokken, en Caddy zegt mij, dat dit eene roeping is, die nog meer correspondentie veroorzaakt dan de vorige. Ik had bijna Caddy\'s ongelukkig docii-tertje vergeten. Zij is nu zoo nietig klein niet meer. maar zij is doofstom. Ik geloof, dat (r nooit beter moeder dan Caddy is geweest, die in haar karigen vrijen tijd ontelbare kunsten leert om het droevig lot van haar kind te verzachten.

Alsof ik nooitmet t \'addy moest gedaan hebben, komen mij nu nog Peepy en de oude he. r Turveydrop in gedachten, l\'eepy is aan het tolkantoor geplaatst en maakt het /.eer goed. De oude heer Turveydrop, thans Zeer zwaarlijvig, onthaalt nog de stad op het schouwspel zijner welgemanierdheid, ve i maakt zich nog op zijne oude manier, en wordt nog op de oude manier voor datgene gehouden, waarvooi hij zich uitgeeft, l\'eepy blijft nog zijn gunste-ling, en men verneemt, dat hij dezen (. nt Frarilehe pendule in zijne kleedkamer Ik rt\'t gelegateerd, waarvan hij bijzonder veel houdt en die zijn eigendom niet is.

Het eerste geld. dat wij overhielden, besteedden wij om ons aardig huisje te vergrooten, door eene kleine Bromkamer voor mijn voogd aan te bouwen, die wij, toen hij ons de volgende maal kwam bezoeken, met groote pracht inwijdden, Ik doe mijn best om dit alles luchtig te schrijven, omdat, nu ik het einde nader, mijn hart vol wordt; maar als ik van hem sehri jf kan ik mijne tranen niet bedwingen.

Ik kan hem nooit aanzien, of ik hoor onzen armen lieven Riehard hem een goed , n braaf man noemen. Voor Ada en haar bevallig knaapje is hij de tcederste vader: voor mij is hij wat hij altijd geweest is, en welken naam kan ik daaraan geven. Hij is de 1h ste en liefste vriend van mijn man, de lieveling onzer kinderen, het

Voorwerp onzer hartelijkste liefde en eerbied, En toch, terwijl het mij is alsof hij een weZ( u van verhevener aard was, ben ik zoo gemeenzaam met hem en zoo op mijn gemak bij hem, dat ik mij bijna over mij zelve verwonder, Ik heh nooit mijne oude namen verloren, en hij don zijnen ook niet: en wanneer hij hij ons is, zit ik ook nooit op eene andere plaats dan op mijn ouden stoel naast hem. Grootje Trot,


-ocr page 454-

HET VERLATEN IIIMS.

I\'jB

Moeit je Durdcn. Huismoedertje! alles nog : juist eveneens als voorheen; en ik antwoord; ,.Ia. lieve voogd! juist eveneens.quot;

nog nooit bespeurd, dat de wind enkel oogenblik in het oosti n was, dag toen hij mij buiten bracht oin van ons huisje te lezen. Ik zeide hem dc wind nu nooit in het oosten /.ijri, en hij antwoordde: „Neen, waar-was juist mi dien dag voor altijd uit verhuisd,

mijne lieve Ada sehooner dan ooit. De in haar gezichtje te lezen is geweest want na isdie niet meer daarin te vinden, schijnt do uitdrukking zelfs van hare onschuldige trekken nuur gereinigd te hcbi)en en iets mei r hemelsch te hebben gegeven. Somtijds, wanneer ik mijne oogen opsla, en haar, met het zwarte kleed, dat zij ni\'Lr draagt, mijn kleinen Richard zie onderwijzen, is het mij het is mooielijk om het. uit te drukken alsof hei zoo goed was te weien, dat zij hare lieve Esther in haar gebed p denkt

Ik noem hem mijn Richard! Maar hij zegt, dat hij twee mama\'s heeft en ik de ( ene ben.

\\\\ !i hebben niet veel geld in dè bank staan, maar wij he bben altijd voorspoed g had en zijn tevp den. ik ga nooit, met mijn man wandelen, of ik hoor mensehen hem zegenen. Ik kom nooit, in een hui-, van welken rang ook, of ik hoor zijn bil, of ik lees dien in dankbare oogen. Ik leg mij nooit di s nachts t\' slapen of ik wei t, dat in, in den loop van dien dag ergens smart heeft verzie ht en een of ander medeniensch in zijn nood ie troost, ik weet, dat van het bed van \'ijders, voor wé■ geetie genezing meer was, dik-whi- in het laatste uur een dankgebed is opgezonden voor zijne geduldige zorgen, is dit niet rijk wezen?

De mensehen prijzen zelfs m ij als de dokters vi\'uw. De men-.-hen zienzells m ii vriendelijk

Ik heb voor een si dert den den naam funs, dar scheen le lijk nii\'l dk\' streek Ik vind smart, die

it

aan als ik uitga, en maken zooveel werk van mij, dat ik er mij waarlijk over schaam. Dat

alles hei) ik aan hem te danken, die mijne en mijn trots is. /1 hebben mij om zijnentwil lief. evenals ik alles om zijnentwil doe.

Een paar avonden geleden zat ik, na veel drukte om voor mijne lieve Ada, mijn voogd en den kleinen Richard, die morgen komen, alles gereed te rnaken, onder het uit.stekje voor de deur, dat dierbare en gedenkwaardige uit-stekje, toen Allan thuis kwam,

„Wel, mijn kostbaar vrouwtje, wat doet gij hier?quot; zeide hij, „De maan schijnt zoo bellier, Allan,quot; antwoordde\' ik, „en het is zulk een heerlijke avond, dat ik hier zoo stil heb zitten denken,quot; , Waaiov r hebt ge zitten denken, lieve?quot; vroeir Allan toen. „Watzijtgc toch nieuwsgierig,quot; antwoordde ik. , Ik schaam mij bijna om het u te zeggen, maar ik zal het toch doen. Ik heb over mijn oud gezicht zitten denken zooals het dan was.quot; „En wat hebt ge dfiaro v e r gedacht, mijn nijver bijtje?quot; zeide Allan. ,lk\'dacht, datquot; liet toch onmogolijk was, dal ge mij me\'1 hadt kunnen liefheb ben, al had ik hel behouden,quot; „Zooals het dan was?quot; zeide Allan lachende. „Natuurlijk, zooals het dan was.\' „Mijn lief huismoedertje,quot; zeide Allan, mijn arm door den zijnen trekkende, „ziet ge wel eensin den spiegel?quot; .Dat weet ge wol. Gij ziet het mij wel doen.quot; „En weet ge dart niet, dat gij er beter uitziet dan ooit te voren?quot;

Dit wist ik niet, en ik ben er niet zeker a an of ik het nu wel weet. Maar ik weet, dat mijne kleine hovelingen schoono kinderen zijn, en dat mijne lieve Ada bekoorlijk is, en dat. mijn man een ze r schoon man is. en dat. mijn voogd het helderste en vriendelijkste gezicht heeft, dat iemand ooit heeft gezien; en dat zij zeer wel tevreden kunnen zijn al heb ik niet veel schoons zelfs als wilde men zeggen


______

ii

-ocr page 455-
-ocr page 456-
-ocr page 457-
-ocr page 458-
-ocr page 459-