WW
• . \'. ■■:. ■ ■ • : - \', ■ ■• ■ ■• • \' \' ■\' r \' ■: J \'■ ■ ■\' \' ■■■
. . ■ \' ■ . \' % \' ■■ • ■ -v t,. • ■ ■
ISSG, vj i èo
60D REDDE NEDERLAND
1
m ■ li
--■■ïk ■■■■ ■■■\'-S 1
\'
1 Ir
• \' \'
,Vreost God cn eert den Koning.quot;
Geliefde Kinderen.\'
Den 26sten November \'1888 de feestdag ter herdenking van Neêrland\'s onathankelijkheid gedurende 75 jaren, zal ü allen zeker nog versch in het geheugen liggen, en geen wonder. Hoe schoon waren Rotterdam\'s straten versierd, wat tallooze vlaggen, duizende schilden, en hoevele eerepoorten aanschouwden wij in alle stadsgedeelten! Dat alles toonde aan, dat wij dien onvergetelijken dag niet ongevierd wilden laten voorbijgaan. En, lieve kinderen, verwondering zou U dat zeker niet baren, wanneer gij eens getuige geweest waart, van de ellende waarin ons vaderland van 1794 tot 1813 verkeerde. O! indien de incnschen uit die tijden uit hunne graven konden opstaan, hoe zouden zij u toeroepen: Juicht, juicht, zonen en dochters, want God heeft door Oranje groote dingen aan Nederland gedaan, zij zouden U toeroepen bidt! bidt steeds voor het dierbaar vorstenhuis, en voor het behoud van den grond, door onze, dus ook Uwe voorvaderen, ten koste van hun bloed, van vreemde overweldiging vrij gevochten. Zij zouden U toeroepen: Dankt God voor den zegen, dat wij ons kunnen scharen onder den banier van Oranje, en lieve kinderen, wanneer ge dit ooit in Uw leven vergeten mocht, bedenkt dan, dat ge u aan
groote ondankbaarheid, zoudl schuldig maken. Vergeet uwe plichten jegens het dierbaar Vorstenhuis nimmer en mocht ooit weder — waarvoor God ons behoeden moge — een overweldiger zich tegen ons Vorstenhuis keeren en ons vaderland in bezit willen nemen, bidt dan lieve kinderen voor het heil van uwen Vorst en uw geboortegrond, — en Gij jongelingen en mannen omgordt het zwaard en verdedigt uw vaderland; al schijnen de kansen voor overwinning ongelijk, gedenkt wat God aan Nederland door Oranje gedaan heeft, denkt aan onzen Prinsen Maurits en Willem en trekt moedig ten strijde onder den leus :
»Met God, voor Oranje en Vaderland.quot;
God die Nederland zoo menigmaal behoedde, zal dan zeker Zijn machtigen steun niet onthouden aan hen, die den eed van getrouwheid aan Vorst en Vaderland houden, tot aan den dood.
I
m
1794.
Het waren donkere dagen in Neêrland\'s geschiedenis, die dagen van 1794. Het vaderland, reeds zoo dikwijls geschokt, had veel van de verschillende partijen te lijden. Prins Willem V, gehuwd met Prinses Wilhelmina van Pruissen, moest, gedwongen door de overmacht der anti-prinsgezinden, die zich patriotten noemden, den Haag verlaten, en begaf zich naar Gelderland, waar hij meestal te Nijmegen of op zijn buiten-verblijt »het Looquot;, vertoefde. Daar wilde de Prins den verderen loop van zaken afwachten en met zijn gezin rustig verblijven. Doch ziet, wat gebeurd, op zekeren dag moest de Prinses zich naar den Haag begeven, doch werd door de patriotten bij Goejanverwellesluis staande gehouden en belet verder te reizen. Zelfs noodzaakten zij de Prinses tot terugkeeren, onder allerlei beleedigingen en bedreigingen. Dit was voor den edelen Prins te veel, die daarop dan ook aan \'t hoofd der prinsgezinden, dooide patriotten «oranjeklantenquot; genoemd, en gesteund door een Pruissisch leger, zijn gezag herstelde en den Haag wederom als residentie verkoos. Zoodra Prins Willem, in zijn gezag hersteld was, vreesden vele aanvoerders der patriotten voor een rechtmatigen straf, vandaar dat velen van hen naar Frankrijk vertrokken, teneinde zich aan eene strafrechterlijke vervolging te onttrekken.
Denkt nu niet, mijne lieve kinderen, dat de partijhaat uitgedoofd was, integendeel, hij smeulde nog steeds voort. De Prins, die een zeer rechtvaardig mensch was, eischte, dat alles wat aan Prinsgezinden door dwang of geweld ontnomen was, weder teruggegeven zou worden. Vele patriotten meenden zich daardoor in hunnen onrechtmatig verkregen rccluen beperkt,
4
en stelden zich met hen, die met den gestolen buit naar Frankrijk uitgeweken waren, in verbinding. Hierdoor werden de onlusten en de partijzucht opnieuw aangewakkerd, de patriotten echter, overtuigd dat hunne partij nog niet sterk genoeg was, kwamen niet opentlijk voor hunne gevoelens uit. De Prins en de zijnen beschouwden al deze dingen met bezorgdheid, doch gedachtig aan Gods woord shebt uw vijanden liefquot; was hij steeds bereid de verzoenende hand te reiken aan allen zonder onderscheid. Het slechtste van alles echter, mijne lieve kinderen, was, dat vele patriotten, ja bijna allen, uit vrees voor den macht der prinsgezinden, zich hielden alsof zij ook tot dien partij behoorden, terwijl zij in hun hart niets dan boosheid en wraak tegen den Prins en de zijnen koesterden. Steeds zagen zij met verlangen naar den dag uit, waarop zij den Prins met de zijnen ten onder konden brengen, en verheugden zich reeds met de gedachte, een bloedbad onder de prinsgezinden te kunnen aanrichten. Zij vergaten echter, dat de mensch wikt, doch God beschikt.
Eindelijk brak de reeds zoo lang voorbereide Fransche revolutie uit, waardoor de patriotten van vreugde juichten, daar zij meenden, dat nu de val van den Prins en zijn aanhangers zeer nabij was. Allicht zult ge nu vragen mijne lieve kinderen; wat had ons land met de Fransche revolutie te maken? Ik zal het u in \'t kort vertellen.
Frankrijk had gedurende den tijd, dat de Prins door den moed zijner getrouwen en gesteund door de Pruissische bajonetten, zijn gezag in ons land hersteld had, eene groote invloed op Nederland uitgeoefend. Velo patriotten immers, waren naar Frankrijk uitgeweken, en toen de vreeselijke omwenteling aldaar uitbrak, waarbij een bloedbad werd aangericht, dat onmogelijk te beschrijven is, werd dien oproerigen geest door hen naar ons land overgebracht. Overal verkondigde men de Fransche revolutie als een zegen, die verschrikkelijke omwenteling die begonnen was met den afschuwelijken moord van Frankrijks Koning Lodewijk, en zijne gemalin de edele Koningin Maria Antoinette, bijgenaamd Koningin en Martelares. Na hen
Pfiii ■
£ Iv ;i I : I
5
werden nog vele duizenden der aanzienlijksten van Frankrijk vermoord, zoodat het woord «Revolutiequot; slechts met siddering en angst kan uitgesproken worden, door een ieder die moord en plundering schuwt. De patriotten wendden nu alle pogingen aan om de teugels van het bewind over ons vaderland in handen te krijgen, en loerden op de bezitting en goederen van de prinsgezinden, als wilde dieren op hun prooi. Zij deelden overal in stilte geld uit, en lieten de naar Frankrijk uitgewekenen in liet geheim terugkeeren.
Overal werd de revolutie, die echter alleen tot verderf van het land kon strekken, door de uit Frankrijk teruggekeerde patriotten als een zegen gepredikt.
De revolutie, zoo zeide men, brengt voor een ieder gelijk recht en gelijke verdiensten, ja, men ging zelfs zoo ver, dat men den moed had te verkondigen, dat hij, die niet met de revolutie instemde, een vijand van zijn vaderland was.
De patriotten gevoelden, dat zij, zonder hulp uit den vreemde, nog niet machtig genoeg waren tegenover de prinsgezinden, en vroegen daarom hulp aan Frankrijk. Den 27sten fecember 1794, kwam dan ook een Fransch leger, over de bevroren rivieren, in Gelderland ons land binnen.
De Prins, overtuigd van zijn geringen macht, wilde het bloed van zijne getrouwen niet nutteloos doen vloeien; daarom begaf hij zich met zijne familie naar Scheveningen om vandaar uit, over zee het vaderland te verlaten. De Prins vertoefde nog eenige dagen op Scheveningen en wachtte daar do verdere gebeurtenissen af. Hij streed daar een heftige inwendige strijd om zijne getrouwen, hoe klein ook in aantal, te verlaten; de gang van zaken echter deed hern eindelijk besluiten te vertrekken, daar hoe langer zoo meer van zijne aanhangers, dooi\' list en verraad, tot ontrouw werden overgehaald. Den ISdeu Januari 1795, vertrok den Prins met de zijnen in eene Scheveningsche visscherspink naar Engeland.
Het was een ontzettend en zeer bedroevend schouwspel, dien edelen braven Prins to zien vertrekken, hem, die alles voor zijn
6
volk over had en in zijn schild tot wapen voerde: «Rechtvaardigheid en Trouw.1\' Hij die door God aan het vaderland geschonken was, moest wijken, en zich, met achterlating van bijna alles wat hem dierbaar was, in den vreemde vestigen. Droevige gebeurtenis ! de pink die gereed lag om zee te kiezen, ging het geliefde vorstengezin uit ons land ontvoeren. Buizende menschen knielden oj) het strand neder en stamelden in tranen uitbarstende : »0 God! behoed Hem en de Zijnen.1\'
En de Prins, deze was zeker zeer verstoord? hoor ik u vragen. Neen, lieve kinderen, de Prins wuifde, met tranen in de oogen, de hem nastarende menigte toe, en tot een ouden grijzen visscher die hem door zee naar boord van den pink bracht, en die zijn tranen ook niet kon bedwingen, sprak hij : »Ween niet, mijn vriend, zoo God \'t wil keer ik spoedig weder.quot; Helaas! het mocht niet zoo zijn, Neêrlands zonen moesten eerst ondervinden, wat de gevolgen waren van het door God geschonkene, roekeloos met voeten te vertreden. Eerst, moesten zij de wrange vruchten, der zoo vurig verlangde revolutie, plukken. sVrijheid, gelijkheid en broederschap,quot; dwazer leuze bestaat er niet, en toch trokken de patriotten onder dien leus, de Franschen te gemoet. Overal werden vrij-heidsboomen geplant en vreugdevuren ontstoken; de burgers dansten met de Franschen om die vuren en vrijheidsboomen en beschouwden zich allen gelijk in stand en rang. üe knecht was gelijk aan zijn heer, de meid gelijk Mevrouw, ieder stond even hoog aangeschreven en men noemde elkander zonder onderscheid sburgerquot; en »burgeresse.quot; Die dwaze instelling, een gevolg van verregaande domheid en diepe verdorvenheid van maatschappelijke toestanden, kon natuurlijk niet lang standhouden. Waren al, op één dag de bezittingen gelijk verdeeld, den volgenden dag was er weder ongelijkheid, doordat de een moer verteerd had dan de ander. Weldra vervloekte dan ook menigeen het uur waarop hij vol vuur en gloed had uitgeroepen: »Leve de Franschen, leve de vrijheid, gelijkheid en broederschap.quot;
Hoe het intusschen in Holland toeging.
Toen de Prins Holland verlaten had, keerde de kleine schare getrouwen die hem uitgeleide deed, zeer bedroefd huiswaarts.
De behouden aankomst, van den Prins met zijne familie, in Engeland, was voor zijne aanhangers eene groote vertroosting, en zij hoopten, dat de Prins weldra zou wederkeeren om aan het hoofd van de zijnen het gezag te herstellen. Doch helaas! lieve kinderen, de Prins zou niet zoo spoedig wederkeeren, de mensch wikt doch God beschikt. De Hollanders hadden nu eenmaal hunne vrijheid verkocht, onder een valsche leuze, en het vrije Holland, dat zich kon beroepen op eene geschiedenis waaruit blijkt, dat zich de vreemde vorsten \'eenmaal om strijd verdrongen voor Holland\'s vriendschap, datzelfde Holland, had zich nu vernederd lot dienstknecht van Frankrijk. Vreeselijk moesten wij boeten, en nog zeer kort waren onze zoogenaamde Fransche broederen in ons vaderland, of zelfs tie patriotten sloeg de schrik om het hart. Vooreerst moesten wij honderd millioen gulden aan Frankrijk betalen, en de steden Vlissingen,
8
Bergen op Zoom, Grave en \'s Hertogenbosch afstaan. Bovendien verkregen de Franschen de vrije vaart op de Schelde, de Maas en den Rijn. Dit was echter nog niet alles wat wij verliezen moesten, nauwelijks was aan al die eischen voldaan of de Franschen dwongen ons een leger van 25,000 man in te kwartieren en voeding en kleeding te verschaffen. Als bedelaars gekleed kwamen die 25,000 soldaten hier aan, en toen zij geheel naar model gekleed en ook goed doorvoed waren, vertrokken zij en zond Frankrijk op nieuw 25,000 soldaten even hongerig en slecht gekleed als de vorigen. Dit spel, speelden onze Fransche broeders gedurende negen jaar, waardoor hot land alleen voor voeding en uitrusting 74 millioen guldens moest uitgeven. In naam waren wij Frankrijks bond-genooten, doch in werkelijkheid niets anders dan zijn slaven.
De toestand werd er niet beter op toen Frankrijk in 1804, den oorlog verklaarde aan Engeland. Onze geldmiddelen waren uitgeput. De Fransche soldaten liepen het platte land af en roofden en plunderden allerwege. Alom heerschto de diepste armoede door gebrek aan werk. zoodat men vreesde voor hongersnood. De handel stond geheel stil en leed groote verliezen doordat Engeland onze schepen die naar de Oost-Indische bezittingen stevenden, aanhield en verbeurd verklaardde. Voor de producten der fabrieken waren geen afnemers te vinden, en het land had millioenen bij millioenen aan schuld.
Intusschen had zich een knndig krijgsman Napoleon Bonaparte genaamd, aan het hoofd van de Fransche staat weten te plaatsen, en zich tot Keizer van Frankrijk doen uitroepen.
Napoleon begaafd met een grooten geest en een ijveren wil, dwong een ieder tot gehoorzaamheid. Niet tevreden met hetgeen Frankrijk toen was, trachtte hij het door veroveringen hoe langer zoo grooter te maken, en deelde ook ons land bij Frankrijk in.
Holland\'s zonen werden met geweld de huizen uitgehaald ten einde onder de Fransche banier ten strijde te trekken.
Kostwinners, eenige zoons, zieken en zwakken, niemand werd ontzien, Napoleon had voor zijne veroveringen soldaten noodig
9
en het arme vaderland, reeds zoo verarmd en uitgeplunderd, werd nu bovendien beroofd van zijne zonen, waarvan slechts zeer weinigen hun geboortegrond wederzagen. Zelfs vaders van huisgezinnen en zwakke grijsaards moesten voor den vreemden dwingeland uittrekken, en alsof dat alles nog niet genoeg was, moesten zelfs kinderen uit de weeshuizen aan de oproeping gehoor geven en de wapenen opnemen.
Zoo zag Holland zijne kinderen van li en 1G jaren in krijgsmansterm moedwillig ter slachtbank voeren. De Fransche bezetting mergelde hot Nederlandsche volk zóó uit, dat niemand meer eenige sieraden bezat, steeds werden de burgers door de Fransche spionnen beloerd en zoodra zij te weten kwamen, dat hier of daar zilveren of gouden voorwerpen verborgen waren, werden die voorwerpen uit de huizen gestolen en in vaatjes gestampt, naar Frankrijk gezonden.
Do doktoren en geneesheeren werden uit de ziekenhuizen naar het oorlogsveld gezonden, terwijl de zieken kermend van smart, van alle hulp verstoken bleven. Zoo ver was het in Holland gekomen, dat de burgers alles wat zij nog konden redden, in den grond moesten begraven, om het voor de Franschen, die men als broeders had ingehaald, te verbergen. Napoleon zag eindelijk in, dat aan dien toestand in ons land een einde moest komen, waarom hij zijn broeder als Koning van Holland aanstelde en hierheen zond. Het zoo die]) verarmde volk ondervond door dien maatregel echter ook al geen verbetering. Napoleon had ons geld en goed geroofd, en Holland\'s jongelingen, mannen en grijsaards als soldaten in dienst genomen. De door hem aangestelde regeering verkocht voor hare rekening bijna alle Indische producten, waardoor het volk het gebruik van koffie, tabak en sigaren ontberen moest. Wel trachtte men een soort kunstkoffie te vervaardigen uit rogge, chichorei en wortelpoeder, doch nauwelijks was het fabriekaat bekend, of ook daarop werd een zware belasting gelegd. Pe regeering verbood den verkoop van verscheidene boeken en couranten, en maakte het volk bekend met de bepaling, dat alle besluiten
10
voortaan in de Fransche taal gesteld, zouden afgekondigd worden. In de scholen werd de Fransche, in plaats van de Nederlandsche taal onderwezen, in één woord, het volk werd op alle mogelijke wijzen gegriefd en vernederd. Napoleon stoorde zicli niet aan het jammeren en klagen van het volk, hij steunde op de kracht van zijn leger en op de vrees die hij overal had weten te verwekken. En zij, die het meest van zijn dwang te lijden hadden, waren dezelfde Hollanders, die de Franschen als hunne broeders hadden ingehaald met de woorden : • Weg met Oranje! leve de vrijheid, gelijkheid en broederschap.\'\'
Napoleon\'s val, Holland gered.
Zoo smachtte dan het diep vernederde en uitge[iuUc Neder-landsche volk, naar den dag, waarop het gehate Fransche juk kon afgeworpen worden.
Üranjegezinden en patriotten hadden te samen slechts één wensch, werden slechts door ééne gedachte bezield en wel, om vrij te zijn, zich op nieuw onder de vaan van „Oranjequot; te kunnen vereenigen en zich wederom als een zelfstandig volk aan Europa te kunnen vertoonen. Maar hoe? en op welke wijze? Ziet, mijne lieve kinderen, dat was de groote vraag. De Fransqjien waren geheel en al meester van ons land, en hadden alles in hun macht; waarlijk, de toestand was meer dan ellendig. Doch ziet, God was nabij, en Hij ontfermde zich over ons dierbaar Vaderland. Napoleon, de man die geheel Europa met angst eti schrik vervulde, de man wiens eerzucht zonder grenzen was, diezelfde Napoleon zou medewerken tot bevrijding van Nederland.
Rusland stelde zijne zeehavens voor Engeland open, en deelde dit aan Napoleon mede. Dut kon de trotsche en heerschzuch-tige Keizer niet verdragen, en hij ruste daarom een leger uit van 500.000 soldaten, waaronder 15.000 Nederlanders, waarmede hij tegen Rusland ten strijde trok. Het was hartverscheurend het weêklagen aan te hooi en van de ouders en familieleden der vertrekkenden, daar men maar al te goed gevoelde dat zeer weinigen uit Rusland, dat onherbergzame land, zouden wederkeeren. Door duizenden werd Napoleon vervloekt, hij, de
12
man des gewelds, die aan de ouders de kinderen, aan de vrouwen de echtgenooten, meèdogenloo? ontnam.
Napoleon zette zich met dat groote en goed uitgeruste leger in beweging, overal op zijnen weg overwinnende en alle hinderpalen vernietigende. De Russen hadden zich intusschen teruggetrokken, en toon de Franschen zich zonder tegenstand van Moskau — toen de hoofdstad van Rusland — meester maakten, waande Napoleon zich reeds meester van hot groote Russische rijk. Hij vergistte zich echter, want, wat gebeurt0 Plotseling wordt de stad op verschillende punten in brand gestoken en breiden de vlammen zich naar alle kanten uit, water om te blusschen was niet te vinden, want de felle vorst deed alles bevriezen. Napoleon was verplicht met zijn geheele leger de vlucht te nemen om do vlammen te ontwijken, doch de Russen hadden dit voorzien, en vielen de vluchtende troepen van alle zijden aan; door koude en gebrek verzwakt en ontzenuwd, waren de 1\'ranschen niet in staat een geregeld gevecht te leveren. Duizenden bij duizenden werden door de Kozakken (Russische ruiterij) neêrgesabeld, en meer dan de helft van hen, die zich nog wisten te redden door de vlucht, verdronken in de rivier de Berezina. Deze rivier moest het vluchtende leger overtrekken om aan de vervolging der Russen te ontkomen. Van deze tocht naar en deze vlucht uit Rusland zijn verscheidene boekdeelen te vullen, de ellende door hel Fransche leger daarbij uitgestaan is niet te beschrijven.
Napoleon redde zijn leven door de vlucht en kwam in eene open slede in Duitschland aan. Zijn macht was echter nog niet voor goed vernietigd, en de man die door heerschzucht tot bijna krankzinnige daden overging, besloot op nieuw een groot leger samen te stellen.
Zoodra het bericht van Napoleon\'s nederlaag in ons land bekend werd, flikkerde het vuur der vaderlandsliefde weder op, door de hoop nu van Napoleon\'s dwang verlost te worden. De algemeene rouw door het verlies van zoo vele onzer zonen deed den haat van het volk tegen Napoleon nog dieper door-
43
dringen en van vele zijden vernam men dan ook de woorden: sOranje alleen kan uitkomst geven.»
Gijsbrecht Karei graaf van Hogendorp, geboren in 1762 te Rotterdam en van af 1800 wonende te \'s-Gravenhage aan den Kneuterdijk, deed reeds in 1801 eene vergeefsche poging tot herstel van het huis van Oranje. Hoewel die poging mislukte, wijdde hij zijn leven aan het doel tot vrijmaking van het geliefde vaderland. In stilte ai beidde hij aan een ontwerp van Grondwet, en hield ten zijnen huize, om geen argwaan te wekken des nachts, bijeenkomsten met zijne vrienden Leopold graaf van Limburg Stir um en Adam Frans baron van der Duijn van Maasdam, waarin zij plannen beraamden die tot heil van het vaderland strekken konden. Deze drie edele mannen verbonden zich om het uiterste te wagen en steunende op de rechtvaardige vergramdheid van het volk, tegen de Pranschen, besloten zij het uiterste te wagen om do liefde voor het Oranjehuis weder bij het volk aan te wakkeren. Den volgenden morgen begaven zij zich op straat, versierd met een oranje cocarde op de borst en een oranje lint om den hoed, op gevaar af, onrniddehjk door de Fransche beambten gearresteerd en naar de gevangenis gebracht te worden.
De geestdrift van het volk, die reeds lang scheen uitgedoofd, werd hierdoor weder opgewekt, al meer en meer volgde men hun prijzenswaardig voorbeeld en weldra droeg bijna iedereen de Oranjekleur.
De vreesachtigen. aan wien de gestrengheid der Fransche douanen, helaas! maar al te goed bekend was, werden door een bovennatuurlijken rnoed bezield, en toen, binnen enkele uren, de Oranjevaan van de torens wapperde en de Fransche vlag was neêrgehaald, toen zag men het volk eerst in vollen kracht en had vrees en angst plaats gemaakt voor eene rechtmatige wrok. Alle gemoederen geraakten in beweging, de geestdrift steeg ten top, het geheele volk thans weder eensgezind en vol van vaderlandsliefde, smeekte God om verdere hulp en kracht, ji Or an je bovenquot; was overal de kreet die juichend
14
en jubelend werd uitgeroepen, «Oranje in ons middenquot; was ieders wensch.
Ook daaraan mijne lieve kinderen, had de edele Hogendorp gedacht en daartoe alle pogingen aangewend. Den 30steu November 1813 reeds, kwam de Prins te Scheveningen aan. Dien dag, mijne kinderen, is de schoonste in Neêrland\'s geschiedenis, en wel mag men den hemel danken en uitroepen:
»God redde Nederland, door Oranje,quot;
Het vaartuig waarmede de Prins aankwam werd het eerst door een ouden grijzen visscher opgemerkt, deze begaf zich in zee, op gevaar af, zijn leven in de golven te verliezen, en toen hij den Prins zag en op hem aanliep greep hij zijn hand en kuste die, snikkende van vreugde en toegenegenheid.
Eene onafzienbare menigte bevond zich aan het strand, om getuige te zijn van het aan wal stappen van den geliefden Oranjevorst.
Ieder der aanwezigen was zóó aangedaan, dat men in den aanvang geen geluid vernam, allen dankten God voor de behouden aankomst, en wel mogen wij met den dichter zeggen :
En wie ons nu ontmoeten,
In \'t woelen van den stoet.
Die moge weèr ons groeten
Als Neêrland\'s wettig bloed.
Die kennen aan ons wapen
En Oranje\'s vrije vaan De Nederlandsche knapen,
Die onverschrokken staan.
3U November 1813, is voor ieder Nederlander onvergetelijk. Hot verleden heeft aangetoond dat Oranje en Nederland één zijn. Maar voor de toekomst, geliefde kinderen, staat wei in uw aller hart gegrifd, dat Nederland zonder Oranje niets vermag? Gij, ouderen van dagen, hebt gij uwen kinderen wel
HP\'-
\'7\'quot;quot;-
\'
15
onderwezen, dat het de wil Gods is, het Vaderland lief te hebben ? Zijt gij, allen wel doordrongen van het heilige vuur, die opofTerende liefde voor ons Vorstenhuis? Bedenkt steeds, dat het Oranjehuis zijn bloed en goed veil had voor zijn volk. Gedenkt aan den uitroep van onzen stervenden Willem de Zwijger, toen hij wreedaardiglijk vermoord werd: ïMijn God! mijn God! ontferm U over mij en mijn arm volk!quot;
Gij ouderen van dagen, onderwijst uwen kinderen in de liefde tot Oranje, strooit het zaad der vaderlandsliefde, in hunne harten, vergeet niet, dat onverschilligheid en lauwheid ons weder naaide toestanden van \'179-4, kunnen terugvoeren.
Gij ontevredenen en Gij onverschilligen, trekt U terug uit alle verderfelijke bezieling, en mocht gij soms denken, dat ons Vaderland zonder Oranje kan voortbestaan, denkt dan aan de treurige dagen van 179-4—1813.
De tijden zijn ernstig, en evenals vóór 179^, zijn er lieden die trachten de liefde voor Oranje, uit te dooven. Nog slechts 75 jaren zijn voorbijgegaan, en toch zijn er weder enkele kwaadwilligen die prediken, dat het, Nederland ook zonder Oranje, kan wélgaan.
God vergeve het hun, en moge hunne kinderen bewaren voor eone vernieuwing van den toestand zooals in 1794, want evengoed als toen, zou ook nu eene vreemde mogendheid ons land wel eens kunnen overmeesteren. Niemand roepe dan ook „geen nood, geen zorgen1\', want de booze geest van tweedracht gaat rond en tracht verschillende uwer te verleiden; vergeet niet mijne lezers, dat tweedracht de voorbode kan zijn van revolutie. Het is vrede in ons Vaderland, en allen moeten wij God smeeken, die vrede nog zeer lang te doen voortduren, maar ook moeten wij allen, daartoe medewerken en de vrede ook in onzen eigen boezem bewaren.
Het Nederlandsche volk, zoo wordt wel eens beweerd, heeft tene geneigdheid, om he!, oor te leenen voor de inblazingen van vreemden, en dikwijls beweert men, dat wij, over het algemeen, alles goed vinden wat van het buitenland komt.
16
Hen, die deze stelling huldigen, roep ik toe; laat varen, die dwaze en verkeerde theorieën, en bedenkt, dat het Uw plicht is, in alles en altijd Usv liefde voor het Vaderland op den voorgrond te doen treden. En Gij, Neèrland\'s mannen, spant Uwe besle krachten in, past alle geoorlootde middelen toe en gedoogt niet langer dat aan het hoofd van zoovele inrichtingen, hier te lande, vreemdelingen staan, op wiens weg het ligt, U achteruit te stellen en hunne landgenooten hoe langer zoo meer te bevoordeelen. Dat Gij, door energie bezield, en door vaderlandsliefde geleid, tot dit schoone doel moge geraken : Nederlanders, aan het hoofd van Nederlandsche inrichtingen.
Ook Gij Neèrland\'s jongelingsschap, Gij hebt een verheven plicht te vervullen, oefent U zooveel gij kunt in den wapenhandel, opdat Gij in staat zijt. Uw Vaderland tegen vreemde overweldiging te verdedigen. Toont, zoo het ooit noodig vvordt, aan het nageslacht, dat ge Uw Vaderland, met een zoo schoon verleden, waardig zijt, en trekt, mochten de omstandigheden er toe leiden, niet de Oranjevaan aan den spits, moedig ten strijde, zoudat van U gezegd zou moeten worden:
„Zij bleven trouw, tot in den doodquot;.
Trouw aan het Oranjehuis en \'t Vaderland, zij en blijve onze leus. Nederland en Oranje zijn onafscheidelijk aan elkander verbonden, en wanneer wij ons allen zonder onderscheid, met vertrouwen op God rond ons vorstenhuis scharen, dan, maar alleen ook dan, zijn wij sterk en machtig, en kan ons geliefd Vaderland de toekomst niet gerustheid te gemoet gaan.
Die beide standaards blijven één,
In vrijheid ea in rouw. Den eed van liefde, zweert elkaar »Oranje zijn wij trouw.quot;
Nat. Stoom Steen- en Boekdrukkerij.