/5L /1:^ ^
BESCHdeWINCEN
OVER
„ROBERT ELSMEREquot;
DOOR
Jlir. Mr. M. J. SCIIUTOE^E BOEIJE.
Snelpersdruk van de Mooij amp; Mommaas, Zierikzee.
Terec/t zegt „Een Fransch student over de hedendaagsche Fransche romansquot; (zie artikel van J. H. Hoy er in „de Gidsquot; van Junij 1890 blz. 465): „ Voor den romanschrijver ligt eene „taak en roeping zoo heerlijk als er misschien geen tweede „op aarde bestaat; maar tevens eene verantwoordelijkheid „zoo zwaar als er ooit op een mensch kan drukken.quot;
Juist wegens die „hooge taak en roepingquot; en die „groote verantwoordelijkheidquot; staan romanschrijvers meer dan eenig andere bloot aan kritiek en wordt die kritiek zelfs dure pligt, tegenover romans met eene bepaalde strekking op geestelijk of zedelijk gebied.
Welke producten veen den geest onaangevochten mogen blijven, romans met verkeerde of schadelijke tendenzen mogen dit zeer zeker niet. Hun invloed toch dringt door tot alle rangen en standen, tol eiken leeftijd en graad van ontwikkeling, tot ieder der beide geslachten, en laat zich dus, meer dan die van eenig ander geschrift, gelden op de denk- en zienswijs, levens- en wereldbeschouwing, neigingen en bedoelingen, daden en verrigtingen van het algemeen. \')
\') Met niet minder juistheid toont do, nog jeugdige „studentquot; aan, dat da eerste en dus aanleidende oorzaak van het thans in Frankrijk heerschend n u t u-ralisme, scepticisme, intellectualisme, egoïsme, socialisme, en dergelijke verderfelijke -ismen meer, ie soekenis bij geleerden als Taine en Reiian.
Heizelfde verschijnsel doet zich ook in de andere beschaafde landen voor en eoenseer in het onze.
Hoe weinigen schijnen het inzigt van dat jonge mensch te hebben! De over-groote menigte duldt niet slechts de geleerden van dienzelfden stempel, maar eert 01 vereert ze, zelfs boven alle anderen.
Wanneer tegen een boekwerk ernstige bedenkingen worden ingebragt door mannen als de 80-jarige staatsman en geleerde Gladstone, in Engeland \'), de medewerker van de Revue des Deux Mondes, Th. Bentzon in Frankrijk 2), de hoogaangeschreven Prof. Beijschlag in Duitschland, de degelijke geschied- en letterkundige, Dr. A. H. Raabe, bij ons te lande3), en bovendien door ettelijke redactiën of medewerkers van deugdelijke tijdschriften, als de „Review of Reviewsquot; en van groote dagbladen, als de „Timesquot;, dan kan men er zich wel van verzekerd houden, dat er heel wat op aan te merken is.
Dit nu is, zooals bij ons te lande wel aan velen, ook uit de beoordeeling van Dr. Raabe bekend zal zijn, het geval met den, in den titel vermelden en vooral in Engeland vrij algemeen gelezen, in 3 deelen vervatten, roman van Mevrouw Humphry Ward.
Dat die bedenkingen niet, of althans niet in de eerste en voornaamste plaats, de zamenstelling of het letterkundig gehalte van het boek betreffen, laat zich gemakkelijk begrijpen.
De werkkring toch der genoemde verdienstelijke mannen ligt op een gansch ander gebied dan dat der romanlitteratuur, en zij zouden ongetwijfeld, indien hunne grieven slechts golden de vinding en den loop van het verhaal, de
\') Nineteenth Century no. 135.
\') Eevue des Deux Mondes 1 Decembre 1889.
\') Stemmen voor Waarheid en Vrede, Maart bl. 241 — 209 en Mei bl. 479 — 494.
4
karakterschilderingen, de bewerking of ook zelfs de moraliteit, de aanwijzing der gebreken overgelaten hebben aan de gewone romanbeoordeelaars.
Neen, hunne bedenkingen betreffen niet hoofdzakelijk het litteraire, artistieke, moreele van het werk, maar in de eerste en voornaamste plaats de strekking er van uit een godsdie n s t i g en tevens (voor zooveel de beoordeeling van Dr. Raabe betreft) wetenschappelijk oogpunt.
Dat dit zoo is blijkt uit hunne eigene daaromtrent afgelegde verklaringen.
Zoo noemt de heer Gladstone het werk een; „Battle of Beliefquot; een „strijd om het geloofquot;; een „propaganda-romanquot; en zegt er van, dat het kennelijk doel der schrijfster is geweest, om het bovennatuurlijke uit het christendom weg te nemen, zijn dogmatisch zamenstel te vernietigen en toch de zedelijke en geestelijke resultaten te behouden. Waarop hij laat volgen: „Misschien kan de gedachte van het boek „het gevoegelijkst uitgedrukt worden in deze woorden: „Het in Engeland aangenomen christendom is goed, maar „ga met mij mede, en ik zal u iets beters toonen.quot;
De heer Bentzon noemt het „den roman der Nieuwe Hervormingquot;, die wegens zijn tweeledig karakter van lialf roman en half godsdienstige verhandeling evenmin den liefhebber van verdichting als den godgeleerde kan bevredigen, en zegt er van, dat de „zware slagen die „er in toegebragt worden aan de Openbaring en aan de „Godsdienst van Christusquot; hun plaats zouden mogen vinden in stellingen van wijsgeerigen en historisch-kritischen aard, maar ten eenemale misplaatst en in hooge mate kwetsend zijn te midden van de in den roman voorkomende liefdesduetten en galante scènes. Zoo op dien grond als op andere gronden betwist hij aan het boek, ondanks veel schoons, artistieke waarde.
Prof. Beijschlag noemt het „Mevrouw Ward\'s nieuwe „godsdienst, die evenwel noch iets nieuws noch godsdienst „geeftquot;.
Dr. Raabe acht het boek geschreven met het doel om propaganda te maken voor de moderne ideeën en noemt het.
behalve zijne wetenschappelijke gebreken, die hij in het breede aantoont, een „gevaarlijk boekquot;, althans voor „on-nadenkenden, die zich blindelings laten leidenquot;; terwijl eindelijk de redactiën van de Times en andere bladen er eene goddelooze aanranding van de geopenbaarde godsdienst in zien; waartegen evenwel andere taladen het beschouwen als een teeken der herleving van het geloof, het levenwekkend, ware geloof. \')
Tegen die ongunstige beoordeelingen wordt met warmte opgekomen door den heer Bierens de Haan, Doctorandus in de Godgeleerdheid te Utrecht, in eene, hoofdzakelijk tegen de kritiek van Dr. Eaabe gerigte. Anti-kritiek, te vinden in de „Stemmen voor Waarheid en Vredequot; voor April dezes jaars, bl. 362—379; waarin hij bepaaldelijk ontkent, dat de bedoelde roman van Mevrouw Ward „eenige strekkingquot; zou hebben, dus een strekking-roman zou zijn, en daarentegen beweert „dat een roman, als zijnde een „litterair-artistiek product en feitelijk nimmer een strekking-geschrift, niet anders dan in zijne artistieke „waarde mag beoordeeld worden en nimmer naar zijne „zedelijke, religieuse of staatkundige strekkingquot;. 2)
De heer B. d. H. acht die stelling „zoo klaar als het zonnelichtquot; en tevens „eene groote waarheidquot; waaraan ieder moet herinnerd worden, omdat anders deze waarheid blijft liggen, als zoovele waarheden, en men zich om haar niet bekommert. 3)
Het ligt misschien aan mij, maar ik moet bekennen, dat ik in de bewering van den schrijver niet alleen geen „licht als dat der zonquot;, maar zelfs in het geheel geen licht zie en, dat hetgeen hij eene „groote waarheidquot; noemt, mij toeschijnt eene groote dwaling te zijn.
Wel kan ik mij voorstellen, dat een kunstenaar, of kunstenares, inzonderheid op het gebied van schilder-en beeld-
\') Deze aanhalingen zgn grootendeels ontleend aan de geciteerde artikelen van Dr. Eaabe.
J) Stemmen bl. 362 en 363.
Stemmen bl. 363.
6
houwkunst, een artistiek werk vervaardigt, en dat dit door lieden van het vak, geheel objectief, als kunstwerk beoordeeld wordt; maar ik kan met geene mogelijkheid inzien, waarom zoodanig werk niet tevens uit een wetenschappelijk, historisch, aesthetisch, zedelijk, godsdienstig, ja zelfs staatkundig oogpunt zou mogen beoordeeld worden.
Zelfs komt het mij voor, dat een artistiek werk, hetwelk op min of meer grove wijze zondigt tegen de eischen van een of ander der genoemde factoren, niet in den waren zin des woords als een kunstgewrocht kan worden aangemerkt, en, in stede van waardering, afkeuring verdient.
Door Dr. Eaabe is dit reeds op historisch gebied duidelijk gemaakt door aanvoering van een verondersteld geval, dat een kunstenaar eene schilderij vervaardigt waarop drie mannen der oudheid worden voorgesteld, gekleed naar de hedendaagsche mode.
Zoodanige schilderij moge uit artistiek oogpunt onberispelijk zijn, ieder, die ook maar een weinig te huis is in de geschiedenis der kleederdragten, zal ze berispelijk, ja bespottelijk vinden en niet kunnen nalaten er hartelijk om te lagchen; terwijl niemand zal verlangen zoodanig onhistorisch stuk in zijn bezit te hebben.
Daar intusschen de lieer B. d. H. aan zijne zienswijze in deze, een onfeilbaar gezag toekent, zal ik trachten mijne meening daaromtrent te verduidelijken en door nog een paar, m. i. sterk sprekende, voorbeelden op zedelijk en godsdienstig gebied nader toe te lichten.
Ze zijn ontleend aan een in ons land verschijnend tijdschrift \') waar we lezen: dat in Frankrijk is uitgegeven en algemeen verspreid een werk van Leo Taxil, getiteld; „La Bible amusantequot; in 20 afleveringen, iedere aflevering met 5 prachtige en zeer komische platen, en voorts, dat, pas geleden, aldaar is verschenen „La vie de Jesusquot; door Pepin met komische platen, waarin alles, wat laag, laf en vuil is, te zien is gegeven, welk werk, volgens de Inleiding er
\') Het „Doetlnchemsch weekbladquot; van 16 September 1882 no. 12.
7
van, is geschreven met het doel: om de christelijke legende \') op don voet te volgen en er al de belagchelijke en tegenstrijdige dingen in aan te wijzen-; ten einde aan tetoonen, dat de geschiedenis van Jezus, hoe ook beschouwd, van \'t begin tot het einde een zamenraapsel is van onzedelijke (sic!) en domme fabelen.
Aangenomen nu eens, zooals wel waarschijnlijk is, dat die werken met groot talent geschreven zijn en dat in het bijzonder de platen uitmunten door artisticiteit, (zooals waarschijnlijk ook het geval is met sommige der talrijke pornographische platen, die gedurig in Parijs verschijnen,) zal men dan die gewrochten, wegens hunne artistieke waarde moeten bewonderen en waarderen, of zal men ze niet veeleer wegens hunne onzedelijke en goddelooze strekking, moeten veroordeelen en verafschuwen?
Ieder die eenig zedelijk of godsdienstig gevoel bezit, zal dit ongetwijfeld doen, en wel zonder te vragen naar het doel der vervaardigers, hetwelk trouwens in het stuk zelf ligt opgesloten, of zich te bekommeren om de door sommigen gewilde „regelen der kritiekquot;.
Nu weet ik wel, dat in onzen tijd (waarschijnlijk tengevolge van de eigenaardige opleiding der jeugd), het neutralisme en abstentionnisme groote vorderingen gemaakt hebben, zoodat er velen zijn, die kunstwerken beoordeelen en genieten kunnen zonder eenige rekening te houden met hunne goede of kwade strekking; maar met de groote menigte is dit gelukkig nog niet het geval en zal het, naar te hopen is, ook nooit het geval zijn.
De groote menigte, inzonderheid der meer gevormden, beseft, dat in kunstwerken, welke ook, andere en hoogere motieven zijn dan de kunst, of liever de kunstvaardigheid, n.1. de gedachte, die er aan ten grondslag ligt, en de strekking die er aan gegeven is.
Deze zullen altijd, de heerschende waardering van het werk bepalen, en over zijne populariteit beslissen; hetzij dan
\') Waar het tiovenzinneiyke, de vleeschwording des Woords, de wonderen, de opstanding enz. verworpen worden, maakt men den inhoud des hebeis noodwendig tot legende.
8
in een goede hetzij in een kwade rigting; zoodat eenerzijds velen zullen getrokken worden door het ware verhevene in de gedachte en het zedelijk godsdienstige in de strekking, anderzijds velen door het onware, lage, onzedelijke en god-delooze in beide.
Wat nu waar is op plastisch gebied (schilder- en beeldhouwkunst) is in dubbele mate waar op litterarisch; omdat op het eerste de techniek hoofdzaak is, de gedachte en strekking neven- of ondergeschikte zaken zijn; op het andere juist het omgekeerde.
De heer B. d. H. schijnt dit zelf in te zien, als hij zegt: „een roman of vers (dichtwerk) welks waarde alleen artistieke waarde is, waarin geen ander motief is om „lezers te trekken dan het artistieke, mist het vermogen „der populariteit. „Eobert Elsmerequot; is populair geworden en heeft dus zijn populariteit te danken aan „iets andersquot;.
Waarop hij de vraag laat volgen: „Mag een roman, van „litterarisch standpunt, naar „dit anderequot; beoordeeld wór-„den?quot;; welke vraag hij dan, zooals we hier boven zagen, zeer beslist ontkennend beantwoordt.
Voor den heer B. d. H. levert die onthouding waarschijnlijk geen bezwaar op, omdat hij op litterarisch gebied weinig of^niet hecht aan denkbeelden \') noch zich, (zooals het, ongetwijfeld in zijn oog onartistieke, publiek), om de strekking schijnt te bekommeren; maar voor den litterator , voor wien denkbeelden hooge, ja de hoogste waarde bezitten, en bij wien historische, wetenschappelijke, zedelijke, godsdienstige, aesthetische en andere consideration zwaar wegen, is zij ondoenlijk.
De zoodanigen zullen zich dan ook wel nimmer van eene beoordeeling van dat „anderequot; nl. de „gedachtequot; en de „strekkingquot; laten weerhouden, al loopen zij daardoor ook gevaar door letterkundigen als de heer B. d. H. gerekend te worden tot hen, die niet behooren tot de „zuivere waardeerders van het artistiekequot;. 2)
En hierin wordt geene verandering gobragt door het feit,
\') Stemmen bl. 373.
9
dat de schrijver of schrijfster slechts ten doel heeft gehad iets artistieks te leveren, zonder zich om denkbeelden of strekking te bekommeren en zonder opzet om die denkbeelden of strekking bij anderen ingang te doen vinden en wortel te doen schieten; omdat het bij de beoordeeling van een werk niet te doen is om het gehalte of de bedoelingen van den vervaardiger, maar om die van het werk zelf, ofschoon die bezwaarlijk van den persoon des vervaardigers zijn los te maken.
Het was geenszins mijn voornemen om eene beoordeeling te leveren van „Robert Elsmerequot; (welk boek ik trouwens niet gelezen heb, noch na liet daaruit en daaromtrent in den kritischen strijd medegedeelde wensch te lezen); omdat dit reeds door ettelijke andere, vrij wat meer bevoegde, personen is gedaan; maar ik kon mij toch niet weerhouden, ondanks het door Dr. Raabe aangevoerde, meer opzettelijk tegen de bovengemelde, zoo apodictisch voorgedragen voorstelling van den heer B. d. H. op te komen.
Het geldt hier toch niet bloot een litterarisch of artistiek belang, maar het vrij wat gewigtiger belang van het lezend publiek, hetwelk in den regel, vooral bij nieuwe schrijvers, de voorlichting van bevoegde beoordeelaars behoeft, niet slechts om zijne keuze te kunnen bepalen, maar ook om bewaard te blijven voor het gif of de schadelijke bestand-deelen die menig boekwerk bevat.
Dit nu is inzonderheid het geval bij romans, wanneer ze, onder den schijn van slechts bestemd te zijn tot uitspan-nings-lectuur, voor een deel of hoofdzakelijk gewijd zijn aan de aankweeking of voortplanting van zedelijke of godsdienstige beginselen en voorstellingen, die, mogen ze al in sommiger smaak vallen, door menschen van meer strenge beginselen en begrippen, verderfelijk geacht worden. \')
Het komt mij dan ook voor, dat de in den aanvang gemelde beoordeelaars volkomen in hun regt waren, en
\') Van zetielyk standpunt schijnt tegen bedoeld werk niets aan te merken te zyn; eer het tegendeel. Het zou evenwel de vraag kunnen zvjn; of ondermijning en verderving van godsdienstige beginselen en voorstellingen niet gevaarlijker is dan die van zedelijke.
10
dat hunne beoordeeling niet alleen geene afkeuring, maar integendeel goedkeuring verdient, en vooral door ieder, die Gods openbaring op prijs stelt, hoogelijk moet gewaardeerd worden.
II.
Ofschoon het nu, zooals ik zeide, niet in mijne bedoeling ligt, om genoemden roman te beoordeelen, zoo wenschte ik toch eenige opmerkingen in het midden te brengen omtrent een paar daarin vervatte voorstellingen, waarvan de eerste slechts uit historisch en wetenschappelijk oogpunt door Dr. Raabe is behandeld en de andere, voor zooveel ik weet, door de beoordeelaars geheel onaangeroerd is gelaten.
Die opmerkingen moeten tevens dienen, om de reden te wettigen, die mij weerhouden om het boek, ondanks het vele schoone dat er in zou voorkomen, te lezen.
De bedoelde voorstellingen zijn vervat in de anti-kritiek van den heer B. d. H. en quot;kunnen dus geacht worden met juistheid en in den, door hem gehuldigden, geest der schrijfster te zijn weergegeven.
Mijne eerste opmerking betreft de aangegeven motieven of drijfredenen, die Robert er toe geleid hebben, zijn orthodox standpunt te verwisselen tegen het moderne.
Ze zijn, volgens den heer B. d. H.:
1quot;. de, door den geleerden Squire Wendover uit veeljarige studie der historie verkregene, resultaten.
2°. de bestudeering door Robert zelf van oud Frankische oorkonden.
3°. de persoonlijke invloed van genoemden Squire en van enkele andere geleerde en hoogbegaafde mannen, wier onderwijs of leiding Robert vroeger genoten had of nog genoot.
Wat het eerste motief betreft, stem ik den heer B. d. H. volkomen toe, dat het door den Squire, uit historie-studie verkregen, resultaat eene waarheid is. Maar ofheteene, door dien geleerde, (zooals hij het noemt) „ontdektequot;, waarheid is, zou ik zeer betwijfelen. Veeleer zou ik haar voor eene van ouds bekende waarheid houden.
11
Het is toch een (zooals het bedoelde resultaat luidt) vrij algemeen erkend feit, dat in vroegere eeuwen de dingen anders waargenomen, begrepen en vertolkt werden, dan in latere; evenals men ten allen tijde heeft geweten dat een kind de dingen anders begrijpt en verhaalt dan een volwassen mensch.
Maar al is nu dat resultaat eene waarheid, zoo volgt daaruit geenszins de door den heer B. d. H. als noodzakelijk gevolg afgeleide stelling, dat de mondelinge of schriftelijke mededeelingen der oudheid niet als getuigenis kunnen gelden en dus ook geene historische waarde bezitten , en nog veel minder, dat ze wegens haar historische onbetrouwbaarheid als onecht en zelfs als onwaar zouden moeten verworpen worden.
Indien deze stelling opging dan zou van „historie der oudheidquot; geen sprake kunnen zijn, maar alles wat daartoe behoort tot het rijk der legenden, fabelen en verdichtselen moeten gebragt worden.
Ik wil trachten dit door een paar, aan de vroegste oudheid ontleende, voorbeelden op te helderen, en daarbij te doen uitkomen hoe, ondanks het „verschil in voorstelling en mededeelingquot; (waarin de heer B. d. H. het onbetrouwbare der oude schrijvers gelegen acht \') hunne berichten niettemin zakelijk juist en historisch betrouwbaar kunnen zijn en ook in den regel zijn.
1°. Wij kennen allen, althans in hoofdzaak, het geschiedverhaal der schepping, voorkomende op de eerste bladzijde van den bijbel.
Nu zal zeker niemand van eenige ontwikkeling het geschiedverhaal, zooals het daar luidt, als eene juiste voorstelling van het gebeurde houden, en toch zullen de meest wetenschappelijke cosmographieën van onzen tijd ons leeren, dat het ontwikkelingsproces van onzen aardbol, zooals het, naar de uitspraken der natuurkundige wetenschap, in de werkelijkheid heeft plaats gegrepen, daarin volkomen naar waarheid is geboekstaafd.
\') Stemmen 1)1. 3G8 in medio.
12
Evenzeer zal de voorstelling van de wijze, waarop God die schepping heeft tot stand gebragt, bij de eeni\'gszins ontwikkelden der latere eeuwen een glimlach op de lippen doen komen; maar dat neemt niet weg, dat uitnemende denkers en de meest ontwikkelde christenen het in die voorstelling uitgedrukte geloof: dat de schepping een werk van God en door Zijne almacht gewrocht is, beamen en bevestigen.
Nu zijn er wel velen in onzen tijd, die dat geloof eene dwaling en dus de aanvoering daarvan in het oude geschiedverhaal eene onwaarheid of fictie achten, maar die bedenking treft dan niet het kinderlijke in de voorstelling, maar het daarin opgesloten geloof, en is dus evenzeer gerigt tegen de geloovigen van dezen als tegen die van den ouden tijd; evenzeer tegen de tegenwoordige als tegen de voormalige schrijvers.
Hoezeer dus „de voorstelling en mededeelingquot; in den bijbel eene geheel andere is dan wij ze zouden geven, zoo is toch het scheppings-verhaal zelf zakelijk volkomen juist en waar. Het wordt dan ook slechts verworpen of bestreden door hen, die of niet bekend zijn met de natuurkundige wetenschap, of de goddelijke magt loochenen, waardoor de schepping gewrocht is: n.1. de onkundigen of ongeloo-vigen.
Evenmin als ongeloof een bewijs is van geleerdheid of een grond van historische betrouwbaarheid, is geloof een bewijs van bekrompenheid of eene gegronde reden tot wantrouwen.
2°. Het andere voorbeeld is ontleend aan de bestrijding van den zoogenaamden „val der eerste menschenquot;.
Ook dat, oorspronkelijk in beeldspraak geboekstaafde, verhaal zal wel door niemand van eenige ontwikkeling worden aangenomen zooals het in den bijbel vervat is, en toch zal ieder, die met de geschiedenis des menschdoms op zielkundig gebied eenigszins bekend is, moeten erkennen, dat de zakelijke inhoud er van loutere waarheid geeft.
Of leert die geschiedenis niet, dat er eene magt is, welke dan ook, die aan i e d e r e n mensch, dus met inbegrip van
13
de eerste menschen of de stamouders, zekere eischen stelt en zekere geboden of verboden geeft, welker vervulling en naleving zijn redelijken en zedelijken aanleg tot ontwikkeling brengen en hem alzoo, langs den weg van gehoorzaamheid en tucht, vormen, veredelen en heiligen ?
Leert zij niet, dat in lederen mensch, dus ook in de eerste menschen, eene daartegenoverstaande magt \') werkzaam is, welke, met tegenstrijdige voorstellingen en allerlei drogredenen, tegen die eischen, geboden en verboden opkomt, hém dringt om zich daartegen te verzetten, het tegenovergestelde te verlangen en te doen, en alzoo niet slechts zijn redelijken en zedelijken wasdom verijdelt, maar hem in beide opzigten bederft?
Leert zij niet, clat die laatste magt in \'s menschen zinnelijke begeerten een magtigen bondgenoot vindt, en dat die zinnelijke begeerten slechts bedwongen en beheerscht kunnen worden door eene van de andere magt uitgaande geestkracht ?
Leert zij niet, dat die beide magten in lederen, eenigs-zins ontwikkelden, mensch een vreeselijken strijd voeren, die hem soms als verscheurt en hem, naar gelang ééne van haar, overeenkomstig of misschien soms tegen zijn wil, zegeviert, gelukkig of rampzalig maakt?
Leert zij niet, dat in dien, onafgebroken voortdurenden, steeds in omvang, diepte en hevigheid toenemenden, strijd dier beide magten, de redelijke en zedelijke vermogens van den mensch zich ontwikkelen en de geestkracht, waar zij aangewend wordt en zich laat gelden, altijd de overwinning behaalt?
Leert zij zelfs niet, dat de, in het verhaal voorzegde einde-lijke zegepraal der waarheid en geregtigheid in den Grooten Menschenzoon, Jezus Christus, ten volle is verwerkelijkt en in hem voor het gansche menschengeslacht verkrijgbaar geworden ?
\') Doze reageerende magt ligt in de natuur der dingen. Alle licht heeft zijne schaduwzijde; alle goed zijn tegenoTer gesteld kwaad; iedere deugd zijne ondeugd, zoo op natuurlijk als op geestelijk (fysisch en metafysisch) gebied.
14
Is voorts de in dat verhaal geschetste kruipende, listige, vergiftige „slangquot; niet het juiste beeld van die rea-geerende magt, welke aan \'smenschen hoogeren aanleg doodelijke wonden toebrengt, de geestkracht in haar werking tegenstaat en verlamt en den mensch ten verderve voert? En is niet de daarin vermelde „schoone vruchtquot; het juiste beeld van hetgeen in den mensch, als hij nog kind is, de begeerlijkheid meest gaande maakt ? Wat toch is, zelfs voor menigen volwassen mensch, aantrekkelijker en begeerlijker dan eene blozende, geurige, saprijke vrucht?
Uit historisch of feitelijk oogpunt is dus de in beeldspraak vervatte beschrijving van het zonde- en heiligingsproces der menschheid en dus ook van den zoogenaamden „val der eerste menschenquot; volkomen juist en waar. Het eenige, waaromtrent geschil kan bestaan en ook in hooge mate bestaat, is: welke de magt is, welke, door haar eischen, geboden of verboden, en door de werking van haren geest, \'smenschen, niet te loochenen, redelijken en zedelijken aanleg wil veredelen en heiligen?
De schrijver of schrijvers van het verhaal zeggen: die magt is God; en de geloovigen van alle tijden en volken, inzonderheid de christelijk geloovigen, ook de meest geleerde en ontwikkelde onder hen, zeggen het hun na.
Indien er nu velen zijn, die aan dat oude verhaal alle geloofwaardigheid en beteekenis ontzeggen, dan kunnen zij dat niet doen, en doen het ook eigenlijk niet, wegens de kinderlijke wijze waarop de feiten zijn voorgesteld en de daaruit voortvloeijende onbetrouwbaarheid van het medegedeelde, maar omdat daarin eene magt wordt gehuldigd, die zij niet willen erkennen n.1. „de Goddelijke magt.quot;
De erkenning dier Goddelijke magt is evenwel niet eer-voor waarneming vatbaar feit, welks geloofwaardigheid afhankelijk zou kunnen gesteld worden van de wijze waarop het is medegedeeld, maar eene zaak des geloofs, geheel onafhankelijk van het meer of min beeldrijke of kinderlijke der voorstelling.
De verwerping der bijbelverhalen door hen, wier geestverwant Robert Elsmere is geworden, geschiedt dan ook
15
niet, tenzij in schijn, en kan niet geschieden wegens de wijze waarop de feiten zijn voorgesteld en medegedeeld, maar in werkelijkheid alleen wegens loochening van God en Zijne magt.
Voor die verwerping op den, door den Squire Wendover aangevoerden en door Robert omhelsden, grond bestaat inderdaad geene enkele reden; daar, indien de mededeelingen en de opvattingen der ouden verschillen van do onze, de juistheid en naauwkeurigheid hunner waarnemingen, blijkens het ontwikkelde, de onze niet slechts evenaren, maar welligt nog overtreffen; terwijl tevens het ongekunstelde, kinderlijk naïve hunner mededeelingen een waarborg oplevert voor hun waarheidszin.
Men is gewoon het hiervoren gemelde procédé van de bestrijders en verwerpers der bijbelverhalen en der daarin voorkomende voorstellingen het „bij uitnemendheid wetenschappelijkequot; te noemen.
Mij dunkt er is meer grond het als onwetenschappelijk te beschouwen. Niets toch is minder wetenschappelijk en gemakkelijker dan hetgeen tot de vroege oudheid behoort, wegens het duistere en moeijelijk verklaarbare daarvan, als niet bestaande, of verdicht te verwerpen.
Vrij wat meer wetenschappelijk, zou ik meenen, en tevens vrij wat moeijelijker is het, zich met de spreek- en schrijfwijze der voorgeslachten grondig bekend te maken, het door hen medegedeelde van het beeldrijke, allegorische en symbolische te ontdoen en alzoo den zin en de ware beteekenis daarvan te doen uitkomen.
Met opzigt tot de bijbelverhalen geschiedt dit ongetwijfeld maar al te weinig. Velen achten juist in dat zinnebeeldige, allegorische of symbolische de waarheid en het gewigt van de medegedeelde feiten of voorstellingen gelegen; zoo-als nog ten huidige dage niet weinigen de waarde van de Heilige Schrift meer gelegen achten in den vorm, de spelling, den druk van het bijbelboek en dergelijke uitwendige dingen meer, dan in den onschatbaren inhoud.
16
III.
Wat het tweede motief betreft, dit bestaat hierin, dat in eene, in oude Fransche kronyken vervatte, levensbeschrijving van een vromen, als heilige vereerden bisschop, zekere vreemde en belagchelijke daden of kunstenarijen van dien bisschop door den biograaf als wonderen worden voorgesteld, waaruit dan zou volgen: dat hetgeen in oude tijden voor wonderen werd aangezien daarom nog geen wonderen zijn en de meening daaromtrent van de destijds levende schrijvers geen de minste waarde bezit noch eenig vertrouwen kan inboezemen.
Ook dit is op zich zelf volkomen waar; maar de daaruit door Robert afgeleide gevolgtrekking, met opzigte tot de wonderen van Jezus of de Apostelen, is daarom niet minder ongegrond en valsch.
Om menschen te vinden, die dingen, welke aan natuurlijke oorzaken zijn toe te schrijven of wel kunstenarijén van zeer vreemd, soms slecht allooi voor wonderen aanzien, behoeft men waarlijk niet tot den oud-Frankischen tijd op te klimmen; men vindt ze, nog ten huidigendage, bij duizenden en millioenen in de Roomsche kerk; maar, omdat zoo vele Roomschen ten onregte gelooven aan de soms zeer rare dusgenaamde mirakelen in hunne kerk, is daarin volstrekt geen reden gelegen, waarom geen geloof zou mogen, of zelfs moeten geslagen worden aan de wonderen van Christus en Zijne volgelingen.
Men zou op volkomen denzelfden grond kunnen beweren: omdat de Roomschen verkeerdelijk gelooven aan de onfeilbaarheid en het goddelijk gezag van den Paus, daarom gelooven de Christenen verkeerdelijk aan de Godheid, of het Zoonschap, en de heiligheid van Christus.
Indien de Christenen de talrijke genezingen van Jezus of andere daden en gebeurtenissen uit Zijn leven als wonderen aanmerken, dan doen zij dit niet omdat de Apostelen verzekeren, dat het wonderen zijn, en dus op hun gezag; maar omdat hun gezond oordeel of onbevangen gevoel hen, evenals de Apostelen, daarin teekenen eener hoogere, god-
17
delijke magt doen zien. Die daden en gebeurtenissen werden dan ook in den regel door de Apostelen teekenen genoemd, terwijl het volk, ook der latere tijden, ze doorgaans als wonderen aanduidt.
Inderdaad, als men zoo in de bedoelde anti-kritiek leest, hoe dit motief, volgens de schrijfster, heeft kunnen medewerken om aan Robert zijn geloof aan de wonderen van Jezus en de Apostelen te ontnemen, dau rijst haast de gedachte of Mevrouw Ward misschien, tot leering van anderen, in hem eene voorstelling heeft willen geven hoe gemakkelijk een gevoeunensch, zelfs met de uitnemendste gaven van verstand en hart, tot ongeloof kan gebragt worden , als hij niet eene in God gegronde logische wereldbeschouwing heeft, of een beter Godsgeloof, dan eene kerkleer hem schenken kan.
Te oordeelen naar hetgeen de heer B. de H. dienaangaande mededeelt, schijnt Mevrouw Ward niet, zoo als de meeste modernen, het bestaan eener wondermagt of de mogelijkheid van wonderen te ontkennen; noch de mededeelingen in de Schrift van plaats gehad hebbende genezingen, uitreddingen of andere gebeurtenissen, voor fictie te houden; maar alleen te meenen, dat daaraan geen wonderdadig of bovennatuurlijk karakter mag worden toegekend, zooals dat door Jezus zelf en Zijne leerlingen is gedaan. \')
In den grond evenwel komt zoodanige opvatting geheel op hetzelfde neer als eene pertinente loochening der feiten.
Wij zien dit in de O verpriesters en Schriftgeleerden dei-Joden. Ook deze ontkenden geenszins de feiten zeiven; daar ze die in menigte voor hunne oogen zagen gebeuren. Zelfs aarzelden zij niet ze wonderen of teekenen 2) te noemen; maar wat zij, even als Mevrouw Ward, ontkenden, het was, dat die wonderen of teekenen door eene hoogere, goddelijke magt geweckt werden, of dat die gebeurtenissen van hoogere krachten getuigden; terwijl ze integendeel be-
\') Joh. 5 : 36, 10 ; 25, 37 en 38, in verband met 3 : 2, 9 : 16, 32 en 33; Hand. 4 : 16; Matth. 27 : 42 en Hand. 2 : 22.
\') Joh. 11 : 47; Hand. 4 ; 16.
18
weerden dat ze aan lagere krachten, of wel aan duivelsche magten of aan kunstenarijen moesten worden toegeschreven; zoodat zij dan ook op dien grond Jezus als een bedrieger of volksverleider veroordeeld hebben. \')
IV.
Wat het derde motief „de persoonsinvloed van den Squire en anderen op Robert Elsmerequot; betreft, hierover valt niet veel te zeggen. Iedereen kent den invloed dien de eene mensch op den anderen uitoefent. Sterke geesten hebben zelfs een overwegenden invloed op zwakke. De invloed is nu eens van moreelen, dan eens van intellectu-eelen, soms ook van biologischen- of magnetischen aard, en kan even goed ten kwade als ten goede werken. Alleen in het laatste geval mag men haar laten gelden. Doch als algemeene regel kan men wel stellen dat geen volwassen mensch, tenzij hij zijne zelfstandigheid en dus zijn hoogste waarde als mensch wil prijsgeven, zich mag stellen onder, veel min laten beheerschen door den invloed van een ander, tenzij die ander een goddelijk karakter drage, zoo als Christus en Zijne geestverwanten.
Daar nu, volgens de persoonsbeschrijving van den heer B. d. H., de Squire Wendover, alles behalve een geestverwant van den liefdevollen, der menschheid zich wijdenden, Christus was, maar integendeel een „strengecynicus, die „\'slevens wijding kon opgeven voor een gevolgtrekking „uit resultaten van studiequot; 1) zoo acht ik het in den roman gehuldigde stelsel: dat zoodanig een man, die zoo al niet bepaald slecht, toch niet goed kon zijn, op anderen invloed zou mogen. ja zelfs (volgens den heer B. d. H.) zou moeten uitoefenen, hoogst verderfelijk.
Hiertegen voert de heer B. d. H. o. a. aan, dat het bij de beoordeeling van den roman niet de vraag is, noch zelfs mag zijn, of die invloed heilzaam of schadelijk is, en of zij voor de menschen in het algemeen een motief
1
) Stemmen bl. 371.
19
kan en mag zijn tot verandering van denk- en zienswijze, maar alleen of hij uit zielkundig oogpunt een voldoend motief kon zijn om die verandering bij Robert Elsmere\'te bewerken? \')
Hierop kan niet anders geantwoord worden, dan dat het zeer wel mogelijk is, dat die invloed, voor Robert, een voldoend motief tot verandering was; maar dan moet ook aangenomen worden, dat de schrijfster in haren held een persoon heeft willen voorstellen van een zeer zwak karakter en die, noch in zijne wereldbeschouwing noch in zijn kerkgeloof, voldoend tegenwigt bezat tegen den invloed en de m. i. evenzeer onredelijke, als ongeloovige, voorstellingen van derden.
Wat dus uit een „zielkundig oogpuntquot; juist en gegrond moge zijn in Robert , zooals de schrijfster hem misschien heeft bedoeld, is onjuist en ongegrond bij eenigszins zelfstandige menschen, die een redelijk en bijbelsch Godsgeloof bezitten. Het is dit ook bij mij; daar ik kan verklaren, dat de behandelde drie motieven, hoedanige ik reeds vaak met andere van gelijk gehalte heb hooren aanvoeren, geenerlei gewigt voor mij hebben. Maar misschien ben ik wat verhard en daardoor weinig vatbaar voor bekeering; zelfs niet door mannen als den Squire Wendover.
Had de heer B. d. H. het gelaten bij zijne bewering, dat de aangevoerde motieven slechts moeten gewogen worden met het oog op Robert en dat de bedoelde roman geene andere strekking heeft, dan eene artistieke schildering te geven van toestanden, die, ongelukkig! meermalen voorkomen , het zou niet in mij zijn opgekomen om bedenkingen ik het midden te brengen. Maar nu hij Robert schetst als een, wel gevoelig, doch overigens redelijk en wetenschappelijk ontwikkeld, ernstig, gemoedelijk, geloovig en godsdienstig man en zijne overtuiging uitspreekt, dat de motieven , die bij hem den overgang van orthodox tot modern bewerkten, bij ieder, die belangstellend zoekt en onbevangen oordeelt, 2i dezelfde uitwerking moeten hebben, kon ik niet nalaten daartegen in verzet te komen.
\') Stemmen bl. 372 — 374. \') Stemmen bi. 370.
20
Moge het al overeenkomstig de herhaalde bewering van den heer B. d. H. waar zijn, dat Mevrouw Ward geene bedoeling heeft gehad aan haren roman eenige strekking te geven en dus ook niet die, welke de bovengemelde beoordeelaars er in gezien hebben, dit is zeker dat hij zelf er dan die strekking in gelegd heeft, en wel zoo kenbaar mogelijk, en dat die strekking geene andere is, dan om het Gods- en Openbaringsgeloof te ondermijnen en ten val te brengen.
V.
De tweede opmerking die ik wenschte te maken betreft de, inderdaad roerende en, (zooals de heer B. d. H. het uitdrukt) in half uitgeweende woorden geuite, ontboezeming van Catherine \') (de even verstandige als vrome echt-genoote van Eobert); nadat zij onder bangen strijd tot het inzigt was gekomen, dat haar geliefde echtgenoot, met zijne moderne ideeën, even geloovig en godsdienstig was, als zij zelve met hare overtuigingen.
Dat inzigt bragt haar, naar de mededeeling van den heer B. d. H., in een, aan wanhoop en waanzin grenzenden, toestand; zoodat zij, na hare ontboezeming geslaakt te hebben „in eene zwakte zonk; tot niets anders zich in „staat gevoelde dan met hare fijne vingers zacht kinder-„lijk (sic!) over het haar van haren man te strijken en „(waarschijnlijk in afgebroken volzinnen) deze woorden liet „hooren; „Maar ik kan niet meer denkenquot;. . . „Laat ons „dit alles begraven, en op nieuw beginnenquot; . . . „Woorden „zijn nietsquot;. 2)
Ontzettende woorden!
Wat toch is vreeselijker, niet slechts voor iederen met rede begaafden mensch, maar vooral voor eene verstandige en ontwikkelde vrouw, dan, „niet meer te kunnen d e n k e nquot;? Wat is mistroostiger, dan een leven van naauw-gezette pligtsbetrachting en zelfverloochenende toewijding, zooals dat van Catherine beschreven wordt, te willen be-
*) Zie Stemmen bl. 376. Stemmen bl. 377.
21
graven om halverwege op nieuw te beginnen? Wat is verschrikkelijker, dan dat iemand, die tot den rijp geworden leeftijd vastelijk geloofde in een „vleeschgeworden Woordquot;, niets hooger schatte dan het „Woord Godsquot; en niets begeerlijker dan de „Woorden des eeuwigen levensquot; tot den wanhopigen uitroep geperst wordt „Woorden zijn niets.quot;
Het is, in zielkundig opzigt, ongetwijfeld een hoogst opmerkelijk verschijnsel, hetwelk Mevrouw Ward den lezers van haren roman in Catherine te aanschouwen geeft.
Als doorgaanden regel kan wel aangenomen worden, dat voor den eenigszins ontwikkelden, redelijkenmensch, niets begeerlijker is dan het erlangen van andere en betere in-zigten en niets verblijdender dan het vinden van nieuwe waarheden; terwijl bij Catherine juist het tegenovergestelde plaats grijpt , daar zij daardoor schier tot wanhoop wordt gebragt.
Indien men evenwel let op het gehalte der inzigten en waarheden, die, volgens de beschrijving, door Catherine verkregen werden, dan laat zich die wanhoop gereedelijk verklaren.
Ik wil trachten, mijne meening omtrent dit, uit zielkundig oogpunt, meest gewigtige moment in den roman nader te verklaren en te regtvaardigen.
Het zou evenwel te veel ruimte innemen, wanneer wij de geheele ontboezeming van Catherine, waarin zij de, nieuw verkregene en als waar door haar erkende, inzigten aan haren echtgenoot blootlegde, op den voet volgden.
Wij zullen ons dus tot twee daarvan, die tevens in den stroom harer hoogst hartstogtelijke schier waanzinnige uitroepen ^enigszins duidelijk en bestemd uitkomen, bepalen. \')
Het eene is (volgens hare woorden) 2) „God heeft niet één taal maar velequot;; „Ik heb durven denken dat Hij slechts één taal had, de ééne die ik kendequot;; „ik heb gedurfd uw geloof te veroordeelen als geen geloof, enz.quot;
Dat de menschen God vele en velerlei, zelfs niet zelden
\') Men bedenke, dat zü „lialf zieltogendequot; was en „niet meer denkenquot; kon. Stemmen bl. 377.
\') Stemmen bl. 376.
22
zeer ongoddelijke ja goddelooze talen laten spreken is volkomen waar; maar God zelf spreekt slechts eéne taal en kan slechts ééne taal spreken. Zijne taal is de eeuwig onveranderlijke waarheid. God is niet als een dubbelzinnig of veelzinnig mensch, die nu eens zus, dan eens zoo spreekt en van wien moet gezegd worden dat hij met twee tongen of, wat nog erger is met vele tongen spreekt, maar altijd en onveranderlijk aan zich zelf gelijk. Evenmin als in Zijn persoon is in Zijn Woord eene schaduw van ommekeer. Zijne taal is altijd dezelfde en wordt door alle tijden heen gekend door hen, die ze verstaan. Nimmer behoeven zij te vragen of Hij, hetzij elders, hetzij vroeger of later, ook andere, welligt slechtere, welligt betere talen heeft gesproken.
Ware dit het geval, kou men, zoo als door Catherine op gezag van haren man is aangenomen, veronderstellen, dat God in de vroegere tijden eene andere, minder ware en van mindere ontwikkeling getuigende, taal heeft gesproken dan Hij in de tegenwoordige spreekt of in nog latere zal spreken; en tevens meenen, dat Gods taal evenzeer vernomen wordt in de niet zelden met alle bijbelgeloof brekende ideeën van den moderne als in de soms echt bijbelsche geloofsbegrippen van den orthodoxe, evenzeer in het geloof van den Roomsch Katholiek als in dat van den Protestant; evenzeer in dat van de Grieksche-, als in dat van de En-gelsche kerk; ja waarom niet evenzeer in den Mahomedaan en den Heiden als in den Christen, evenzeer in ieders subjectieve opvattingen of meeningen, als in de Schrift; dan zou men tot de slotsom moeten komen: dat niets zoo onbestemd, zoo onzeker, zoo tegenstrijdig is als de taal van God en dat die taal of nergens öf overal vernomen wordt, zoowel in het laagste als in het hoogste; zoowel in het afschuwelijkste als in het beste; zoowel in den leugen als in de waarheid. Ja dan had men alle reden om te zeggen: „Woorden zijn nietsquot; en om, bij ontstentenis van eenig bestemd Godswoord en van eenige stellig herkenbare Gods-taal, volslagen wanhopig te worden.
De waarheid in deze is, naar mijn bescheiden inzigt, dat er niet ééne godsdienst of kerk, niet ééne school, ja
23
niet één nienschenhart is, waarin niet iets van Gods taal vernomen en verstaan wordt; maar ook geen, waarin ze zich ook maar eenigszins zuiver en zonder ettelijke meer of min schrille wanklanken laat hooren; zij het in hoogst verschillende mate.
Het hooren en verstaan van Gods ééne en eeuwig onveranderlijke taal is niet het deel van kerkelijke gemeenschappen, noch van wetenschappelijke scholen, noch van andere vereenigingen; maar slechts van individuen, hetzij deze al of niet tot eenige bepaalde kerk of school of godsdienst behooren; maar die door hunne geestverwantschap eene, wel onzigtbare doch onoverweldigbare vereeniging of gemeente vormen, die het.zout der wereld is.
Dat Catherine, hoe goed geloovige zij naar de leer der Engelsche kerk mogt zijn, die taal niet dan hoogst gebrekkig kende en verstond is ontwijfelbaar zeker.
Had zij toch die taal gekend en verstaan, dan zou het haar niet mogelijk zijn geweest, het bestaan van andere talen aan te nemen of daarnaar te luisteren, en allerminst om te luisteren naar de taal van haren echtgenoot, die lijnregt tegen Gods woord indruischte en, met dat woord vergeleken, slechts holle klanken voortbragt.
Doch hoezeer de taal van God gebrekkig door haar verstaan moge zijn, door te luisteren naar de stem van haren echtgenoot gaf zij prijs wat ze nog had en moest zij zich dus wel diep rampzalig gevoelen.
Uit zielkundig oogpunt alzoo kan de voorstelling van Catherine\'s wanhoop ■ volkomen juist geacht en dus ook worden aangenomen dat Mevrouw Ward in haren roman, toestanden heeft geschetst die, uit dat oogpunt, niet slechts bestaan kunnen, maar ook waarschijnlijk hier en daar voorkomen.
Dit nu is, naar de meening van den heer B. d. H., het eenige wat wij in dien roman te beoordeelen hebben, zoodat z. i. voor den beoordeelaar alleen de vraag geldt: of de beschrevene toestanden uit een zielkundig oogpunt verklaarbaar zijn en geregtvaardigd worden?
Wat mij betreft ik kan die zienswijze voor een roman
24
laten gelden; maar als hij daaraan dan de verwachting verbindt, dat die toestanden meer en meer het sociale leven zullen beheerschen en den wensch, dat ze steeds meer algemeen mogen worden, dan stel ik daartegen over de vurige wensch, dat alle vrouwen voor het treurige lot van Catherine bewaard mogen blijven en de verwachting, dat dit, door Gods genade, met de groote meerderheid het geval zal zijn.
VI.
Het tweede door mij bedoelde inzigt bestaat in de door Catherine verkregene overtuiging: dat Jezus meer dan ééne stem heeft. „Maarquot;, zegt zij daaromtrent in hare ontboezeming, „ik zal mijne les leeren; ik zal de beide stemmen „leeren verstaan, de stem die tot u en de stem die tot „mij spreekt. Ik moet; het is nu geheel duidelijk voor mij; „het is mij verklaard.quot; \')
Door wie? of door wat?
Dit inzigt is naauw verwant aan het voorafgaande en berust op dezelfde, ongetwijfeld scheeve, voorstellingen; zoodat daartegen dezelfde bedenkingen zijn in te brengen.
Arme Catherine! wist ge dan niet, dat de „goede Herderquot; slechts ééne stem heeft, de stem die door Zijne schapen gekend wordt, en dat allen, die andere stemmen spreken, vreemden zijn? Wist ge dan niet, dat wie tot de kudde van Jezus willen behooren, slechts naar Zij n e stem moeten luisteren en haar volgen, maar aan die van de vreemden gehoor moeten weigeren? J)
Evenals God, en bijgevolg Zijn vertegenwoordiger Jezus Christus, slechts ééne taal heeft of kan hebben, zoo heeft Hij ook slechts ééne stem. Neemt men, met den roman, aan, dat hij meerdere talen of stemmen heeft, dan kan dit slechts gegrond zijn op de meening, dat de onderscheidene talen of stemmen, die de menschen spreken of laten hoeren, de talen of stemmen van God zijn en stelt men
\') Stemmen Ijl. 374 en 377.
») Joh. 10 : 3-5,
25
dus den mensch in Zijne plaats. \') Dat daarbij geene sprake meer kan zijn van „Gods Woordquot;, of van „Woorden des eeuwigen levensquot; of van „CTOdsgeloofquot; of zelfs van „Godsdienstquot;, spreekt van zelf.
Waarschijnlijk heeft Mevrouw Ward dit evenzeer geweten of gevoeld als de heer B. d. H. en daarom brengen zij hetgeen tot het gebied van het geloof en van de denkbeelden behoort, over op bet gebied der zedelijkheid en der praktijk.
Ingevolge de anti-kritiek van den heer B. d. H. acht hij, evenzeer als ongetwijfeld Mevrouw Ward, het Christelijk geloof en de godsdienstige zin van Robert en Catherine kenbaar uit en gelegen in beider uitnemend zedelijk karakter en philanthropische bemoeijingen en waarschijnlijk heeft eerstgenoemde, om dat Christelijk geloof en dien godsdienstigen zin te doen uitkomen, beide als zoo buitengemeen zedelijke, verdienstelijke en beminnelijke men-schen voorgesteld.
Hieruit wordt nu door hen kennelijk de gevolgtrekking gemaakt, dat, vermits beide echtgenooten te overvloediger werden in naauwgezette pligtsbetrachting en werken van barmhartigheid naar gelang de moderne ideeën bij Robert diepere wortelen geschoten en ook bij Catherine ingang gevonden hadden, hun Christelijk geloof en godsdienstige zin door die ideeën veredeld en versterkt moeten zijn; weshalve daaraan de voorkeur behoort gegeven te worden boven het oude bijbel- of kerkgeloof.
Hieromtrent valt reeds dadelijk op te merken, dat vooreerst de keuze der hoofdpersonen door Mevrouw Ward geheel willekeurig is geweest. Zij had uit de personen die tot de Engelsche of eenige andere kerk behooren, of tot de aanhangers van deze of gene richting, even goed zeer onedele als nu zeer edele karakters; even goed hoogst onzedelijke als hoogst zedelijke personen; even goed vijanden als vrienden der menschheid kunnen kiezen.
Iedere godsdienst, ieder kerkgenootschap, iedere wijs-
^ Dit is juist het criterium, waardoor de door Robert omhelsde moderne ideeën zich onderscheiden van de voorstellingen der Godgeloovigen.
26
geerige of wetenschappelijke school, iedere rigting levert van beide soorten te kust en te keur op.
Er is niets gemakkelijker om de superioriteit van deze of gene godsdienst, of kerk, of school, of wijsbegeerte, of rigting te bewijzen, dan uit ééne van haar een of meerdere der uitnemendste individuen, wat zedelijkheid en toewijding aan den evenmensch betreft, te kiezen en die dan te stellen tegenover het gros of de laagsten van de andere categoriën.
Door middel van dat procédé is het menig begaafd en handig persoon gelukt, om bijv. het christendom de vlag te doen strijken voor het Joden-, Arabieren- of Heidendom; \') of de Protestantsche kerk voor de Koomsche, of zelfs don geloovige voor den ongeloovige, den theist voor den atheïst.
Om evenwel die superioriteit te kunnen bewijzen is vrij wat meer noodig, n.1. eene, op naauwkeuige waarneming gegronde, vergelijking tusschen het geheel (dia gesammt-heit) der aanhangers; de heerschende beginselen en drijf-veeren hunner handelingen; den meerderen of minderen intellectueelen en moreelen voor- of achteruitgang over een zeer lang tijdperk en de bestaande omstandigheden.
Maar ten andere is de gemaakte gevolgtrekking, hoe misleidend en schijnbaar waar zij moge wezen, zooal niet ten eenemale valsch, dan toch ongeldig (irrelevant). Zede-lijkheid en uitoefening der philanthropie hebben ongetwijfeld hooge waarde, en worden teregt door iedereen geprezen en aanbevolen, maar zij getuigen geenszins van Christelijk geloof, noch van waren godsdienstzin.
Men kan een in hooge mate zedelijk en weldadig mensch zijn, zonder daarom nog geloovig en godsdienstig te wezen; hoewel het laatste, als het meerdere, altijd het eerste, als het mindere, van zelf, in meerdere of mindere mate, in zich sluit.
Een geloovig of waarlijk godsdienstig mensch is geen ander dan een zedelijk mensch en houdt geenszins op dit
\') WaarscliUniyk denkt hier wel deze en gene aan de bg velen maar al te veel ingang gevonden verheffing van hot Boeddhisme boven het Christendom door den geleerden en begaafden van Limburg Brouwer.
27
te zijn; maar hij staat veel hooger, dan een bloot zedelijk mensch; daar hij is opgeklommen tot den verheven rang van geestelijk mensch; terwijl zijne zedelijkheid, voor zoover hij die bezit, daardoor in hooge mate veredeld en vruchtbaar wordt gemaakt.
Wat een g e e s t e 1 ij k mensch is en hoe iemand een geestelijk mensch wordt, zal ik aan een Doctorandus, of Doctor?, in de godgeleerdheid wel niet behoeven te zeggen; hoewel hij er zich, blijkens zijne anti-kritiek, niet altijd van bewust is.
Tot zijne herinnering en misschien tot voorlichting van hen, die het niet mogten weten, moge dienen, dat een „geestelijk menschquot; iemand is, in wien eene geestelijke geboorte heeft plaats gegrepen, zoo dat hij, zij het aanvankelijk embryonisch, naar het type van den geestelijken of Godmensch Jezus Christus is herboren of wedergeboren, en dus, met aflegging van het lagere en onedele in hem, diens gestalte eenigermate heeft aangenomen \'); en dat die nieuwe schepping gewerkt wordt (natuurlijk niet door ideeën, hetzij moderne, hetzij antieke, waarin geen levenskracht is, maar) door Gods geest in Christus, en wel bij allen, die dien geest geloovig aannemen en werken laten, als hij, hetzij door middel van het in de Schrift vervatte woord Gods, hetzij meer regtstreeks op het gebed, tot hen komt. 2)
Wie die voorstelling niet mogten kunnen aannemen door het geloof, kunnen haar op wetenschappelijk standpunt aangewezen vinden in het uit het Engelsch vertaalde werkje van Henry Drummond: „Natuurwetten in de geestelijke „wereldquot;. (Natural Law in the spirit World) rubriek: „Gelijkvormigheid aan het typequot; bl. 209 en v.v. 3)
\') Joh- 15 : 5. 1 Joh. 3 : 12. 2) Joh. 5 ; 24. Luk. 11 : 18.
Goen wonder ilat dit werkje door do afkeerigen of tegenstanders der wedergeboorte zoo hevig Is bestreden; want de daarin aangevoerde argumenten zyn onwederlegbaar, waar ze op wetenschappelijke gronden do uitspraak van Jezus bevestigen: dat zonder wedergeboorte niemand het Koninkrijk Gods zien of ingaan kan (Joh. 3:3, 5.) Het geloof laat zich nog al op zij zetten, maar voor de uitspraken van ware wetenschap en wijsbegeerte moet leder redelijk mensch zich buigen,
28
Wat nu betreft de voorstelling als zoude Eobert en Catherine in zedelijk opzigt uitnemender en overvloediger in goede werken zijn geworden, nadat de eerstgenoemde het oude geloof tegen de nieuwe opvattingen verruild en de andere het gelijke gehalte en gelijke regt dier laatste had erkend, ook deze is geheel willekeurig en zou m. i. even goed door eene andere en zelfs eene tegenovergestelde kunnen vervangen zijn.
Maar ook dan wanneer zij als regel mogt kunnen aangenomen worden, zou zij nog niets bewijzen. De ervaring toch leert, dat een boom veelal te overvloediger en schooner vruchten voortbrengt nadat zijn levensbeginsel van buiten is aangetast of zijne levensvoorwaarden zijn onderbroken. Hij teert dan nog eenigen tijd op de aanwezige oude sappen.
Wat nu waar is op natuurlijk gebied is ook, en wel in nog ruimere mate, waar op zedelijk gebied; daar beide door dezelfde wet, n.1. Gods wet, die evenmin als zijne taal of stem, dubbel- of veelzinnig kan zijn, beheerscht worden. Doch in ieder geval kan uit de zedelijke handelingen van den mensch, op zich zelf en dus zonder bekendheid met de beginselen en drijfveeren dier handelingen, geene gevolgtrekking gemaakt worden tot zijn Christelijk-geloovig of geestelijk bestaan \')
Inderdaad het gansche betoog waarop „Robert Elsmerequot; is aangelegd, of dat althans door den heer B. d. H. daaruit is geput en met zooveel warmte bepleit, loopt op niets uit
\') Dat dit werkelijk zoo is kan men mede op wetenschappelijke gronden aangewezen vinden in het bovengemelde geschrift van H. Drummond, o. a. hl. 48, 40, 55, 58, 94 enz., waar hy aantoont, dat tusschen don verstandelijk en zedelijk hoogst ontwikkelden, doch natuurlijken, en den Christelijk-geloovigeu of geestelijken mensch, eene klove bestaat, dieper en breeder dan tusschen het dier en den mensch , de plant en het dier, het anorganische en het organische.
Ook Christus leert het, dat de minste in het Eyk der geesten of het Koninkrijk der hemelen grooter is, dan de uitnemendste der profeten onder de oude bedeoling (Matth. 11 :11. Luk. 7 ; 28;) even als de minste onder do menschen altijd hooger staat dan het edelste onder de dieren: eene waarheid, die, bij miskenning van het redelijke en zedelijke, maar vooral van het hoogere geestelijke element, niet zelden voorbiigezien wordt.
29
en kan voor niemand, die een weinig logisch denkt of geloof bezit, eenig gewigt hebben.
Dit neemt echter niet weg, dat menig onnadenkende of zwakgeloovige er door misleid kan worden. En daarom zeg ik het Dr. Eaabe met volle overtuiging na, dat het voor de zoodanigen een „gevaarlijk boekquot; is.
Ware het een zuiver wetenschappelijk werk, welks schrijver rondweg optrad als verdediger van het naturalisme, ieder geloovige zou weten wat hij er van te duchten heeft en er zich voor kunnen wachten. Maar Mevrouw Humphry Ward wist zeer goed, wat zij deed; toen zij aan hare tegen het Christelijk geloof aangelegde mijnen den bevalligen en wegslependen romantischen vorm gaf en ze sierde met de schoone , bedwelmende bloemen van edele gevoelens en roerende aandoeningen.
Zierikzee, Junij 1890.