-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-

0$ 22% \'ï Prijs io cents

Internationale Ontwapening.

Een Vrouwenzaak en Een Vrouwenbelang.

REDE

UITGESPROKEN DOOR

Mevrouw WASZKLEWICZ—VAN SCHILFGAARDE

Presidente van den Nederlandschen Vrouwenbond ter Internationale Ontwapening

Jript**\'. .......• •• ■ «f v

■ \' • . : ^ . \\ ,1-*

\\c-\', vr,.,.--

op 26 Augustus 1898

IN DE

/ /

CONGRESZAAL DER NATIONALE TENTOONSTELLING VAN VROUWENARBEID.

AMSTERDAM — 1899 - W. VERSLUYS,

-ocr page 4-
-ocr page 5-

Internationale Ontwapening:

Een Vrouwenzaak en een Vrouwenbelang

DOOR

Mevrouw WASZKLEWICZ—VAN SCHILFGAARDE.

AMSTERDAM — 1899 — W. VERSLUYS.

-ocr page 6-

De leden van den Nederlandschen Vrouwenbond ter Internationale Ontwapening worden verzocht deze brochure zooveel mogelijk ter kennisse van niet-leden te brengen, tot aankoop op te wekken, en krachtig propaganda te maken voor de denkbeelden in de brochure en circulaires vervat.

-ocr page 7-

Internationale Ontwapening: een Vrouwen-Zaak en een Vrouwen-Belang.

Wat dunkt u zal in later eeuwen het woord zijn waarmede men dezen onzen tijd karakteriseert? Mijns inziens als „de eeuw van het ontwaken van het gemeenschaps-bewustzijnquot; of „van het ontwakenquot; kortweg, evenals men van de eeuw der Renaissance spreekt.

De menschheid is wakker geworden, is begonnen zich solidair te gevoelen, als één lichaam, waarvan geen der leden lijden kan zonder dat alle er den terugslag van gevoelen. Eén lichaam en dus ook één hart. Toch is het eerst sints kort dat de menschheid tot de ontdekking gekomen is een hart te bezitten. Groote plotselinge catastroph en hebben haar moeten doen opschrikken uit hare lethargische rust. Een groote ontzettende smartkreet slaakte het toen in de Meidagen van \'97 de Liefdadigheids-Bazaar in vlammen opging en een tweehonderdtal edele vrouwen jammerlijk omkwamen. En toen in Mei dezes jaars, als eerste offer aan den oorlogsdemon, het Spaansch eskader bij Cavite vernield werd, en kort daarop het tweede eskader bij Santiago hetzelfde lot onderging, met nog meer verlies aan menschenlevens, is het daar niet weder geschokt en beroerd tot in zijn intiemste vezelen, en riep het niet

-ocr page 8-

4

luide: Houd op! Steek het zwaard in de scheede! Doof de oorlogsfakkel!

Doch helaas! nog niet algemeen is die kreet. En de smart van dat deel der menschheid dat ze slaakt, wordt nog vergroot door een gevoel van verontwaardiging — verontwaardiging over de gruwelijke dwaasheid dergenen aan wie die rampen te wijten zijn, die ze nietenergisch verhinderen, en over de hardheid en stompheid van hen die daar niets anders in zien dan strategische operaties. En nog erger dingen dreigen. Wat zou het zijn geweest indien de oorlog naar Europa ware overgebracht en de vorsten en natiën, in plaats van lijdelijk toe te zien, partij hadden gekozen ? Dan zouden wij staan voor den wereld-krijg, die ons altijd is voorgespiegeld door de si-vis-/«c^wz-huichelaars en para-bellum-ChAxivmisttn. Daartegen hebben juist alle voorstanders van den vrede steeds gewaarschuwd, daartegen hebben ze hun Cassandra-roepstem steeds doen hooren. En moge al voor ditmaal het verschrikkelijke zijn afgewend, steeds hangt boven ons hoofd het alomtegenwoordige zwaard, bloedige en zwarte dreiging, den hemel verduisterend en de zon, een donkere schaduw werpend op den levensdag der menschheid. Met elk jaar dat dezelfde toestand aanhoudt wordt het gevaar dreigender, elk jaar worden de verdelgingsmiddelen van grooter kracht, de getalssterkte der legers neemt toe, en met een door angst beklemd gemoed, huivert men de toekomst tegen, wanneer alle Furiën van rassenhaat en machtsijver zullen ontketend zijn en gevaren zich op gevaren stapelen.

Tot nog toe vereenigden zich hoofdzakelijk de weidenkenden onder de mannen in het pogen om het vredes-denkbeeld ingang te doen vinden, met, hier en

-ocr page 9-

5

daar, sporadisch eene vrouw zooals de edele Bertha von Suttner. Sints korten tijd is echter een zeker aantal vrouwen tot het bewustzijn gekomen, dat juist zij het zijn op wie de taak rust den mannen de wapenen uit de handen te wringen, omdat het hare zonen, hare broeders, hare echtgenooten zijn, die ter slachtbank gevoerd worden. Zij roepen hare zusteren toe; helpt ons, in éénheid ligt onze kracht. Wanneer wij, die de eene helft van het menschelijk geslacht uitmaken en de moeders van het geheele geslacht zijn, ons vereenigen in den strijd tegen den strijd, zoo moet de andere helft zwichten. Een ondoordringbaar vaste muur willen wij bouwen, waarvan onze lichamen de levende steenen zijn, wij, met in onze armen, onze kinderen, de kleine teederen, die men ons ontrukken wil om er de la chair a canon van te maken. Onder ons hart hebben wij ze gedragen, maanden lang, onder smarten ze het leven geschonken, onze nachten doorgebracht ze bewakend, onze dagen ze koesterend en leidend; en als wij ons verheugd zullen hebben in het opbloeien hunner lichamen, als wij trotsch zullen zijn op hunne schoone, fiere gestalten, hun jeugdig vuur, hun kracht, hun moed, als wij voor hen voorzien eene schoone toekomst, opgevoed als wij ze hebben, dat zij der menschheid tot zegen zouden zijn, haar nieuwe overwinningen doen behalen op het gebied van wetenschap, kunst en techniek, om zelf vaders te worden van een nieuw geslacht, dat in de, door hen gebakende, banen zal voortschrijden, dan wordt ons schamper lachend toegeroepen; geen heerlijker doel voor die jeugdige bloeiende menschenlevens, dan in de kaken van het oorlogsmonster vermaald te worden!

-ocr page 10-

6

Zoo was het, zoo is het, maar — bij God! — zoo zal het niet meer zijn! Eenmaal zullen wij de sterkeren wezen. Dat is: helaas! niet wij, maar onze dochters na ons. Doch al zien wij dat in, is dit geen reden om nu met slappe handen in den schoot te gaan zitten. Integendeel, wie wenscht dat zijn nageslacht in een heerlijk bosch rondwandelt, moet nu de kiemen in den grond leggen, en „nos arrière-neveux nous devront ces ombrages.quot;

Opdat die „ombragesquot; inderdaad verkwikkelijk zijn mogen, dienen wij wel te overwegen welke kiemen wij te planten hebben, welke maatregelen te nemen ter bereiding van den bodem. Wij moeten niet a tort et a travers nu dit aanpakken en dan dat, maar volgens een vast plan arbeiden, alleen dat voorbereiden wat vruchten brengen kan. Al te voortvarend zijn en beginnen te roepen: de legers moeten afgeschaft worden, dat zou zijn: das Kind mit dem Bade answer/en.

Wij hebben een werk te niet te doen waarin sints menschen-heugenis gebouwd is. Hetzij men het Bijbelverhaal als waarheid aanneemt, of de evolutie theorie van dier tot mensch, altijd zien wij strijd in den aanvang der dingen. In het eene bevlekt het bloed van broedermoord een der eerste bladzijden, in het andere is de eerste manifestatie van den mensch, steenen pijlpunten en strijdbijlen. Maar in het eerste geval wordt dat bloedvergieten gestraft als zonde, dus afvai van een principe van goedheid — vrede; in het tweede is het een in de plaats treden van kunstmatige wapens voor natuurlijke: tanden en klauwen; een voortgang op den weg der evolutie moet ons dus brengen tot het strijden met verstandelijke wapens, een heerschen van

-ocr page 11-

7

den geest over de stof — vrede. Dus hoe zwaar de taak der vredelievenden ook moge wezen, hoe lang de - weg alvorens het doel dat wij nastreven bereikt wordt,

toch komt het als een logisch gevolg — kan dus bereikt worden.

Een der dingen waar wij ons vooral voor te wachten hebben is, om van ons streven een partijzaak te maken, varen onder de vlag van Protestantisme of Catholicisme van conservatisme, liberalisme, feminisme of socialisme kan niet anders dan op fiasco uitloopen. Zoo denke ook niemand dat het er ons om te doen is, de hier te lande nieuw ingevoerden persoonlijken dienstplicht te bestrijden. Integendeel, politieke quaesties geheel buiten I rekening latend, zien wij hierin eer een goede kaart in

ons spel dan een slechte. Hoe meer de geheele natie, zonder uitzondering van eene geprivilegieerde klasse, onder de oorlogslasten lijdt, des te eer wordt zij het moede. Bovendien vordert het humanitair principe dat elke last gelijkelijk op de schouders van alle burgers drukke; het talléable et corvéable a merci op de volksklasse toegepast, moet, in alle opzichten, tot het ver-ledene behooren.

„En als de tijden vervuld warenquot; dit woord uit het Evangelie komt mij telkens in de gedachte als ik over de vrouw en de vredes-beweging schrijf of spreek.

Sints lang werkten Miss Peckover en Miss Ellen Robinson in Engeland met veel succes voor den vrede, doch hare namen waren alleen aan gelijkgezinden op het vaste land bestemd; in 1886 richtteMathildeBajer, echtgenoote van het Deensche rijdsraad-Iid Frederik Bajer, en een ijverig werker voor den vrede, eene oproeping tot alle vrouwen in Europa om een groote

-ocr page 12-

8

Vrouwen-Vrede-Bond te vormen. Aan deze oproeping werd in Zweden, Noorwegen, Duitschland, Frankrijk, Engeland de grootste publiciteit gegeven, vond aanvankelijk veel weerklank, doch de zaak stierf door gebrek aan voortdurende belangstelling.

In 1891 gaf Bertha von Süttner haar „Die Waffen niederquot; in het licht. Het werk trof als een bliksemstraal, schudde de gewetens wakker. Overal werden der geniale schrijfster en welsprekende redenaarster ovaties gebracht, doch... haar tijdschrift „Die Waffen niederquot; kon zij slechts door geldelijke offers in stand houden.

In 1896 kwam de Prinses Wiszniewska, geboren Hugot, op het denkbeeld eene Liguc des Femmes pour le Dèsanneinent International op te richten. Zij deed dit aanvankelijk met hulp van Mad. Camilla Flamma-rion, echtgenoote van den beroemden sterrekundige, Marya Cheliga, de bekende voorvechtster van het feminisme, en Tola Dorian, Prinses Mestchersky, de begaafde dichteres, die hoewel Russin van geboorte, schooner fransche verzen schrijft dan welk andere fransche dichteres ook.

In 1897 werd De Ligue als rechtspersoon erkenden richtte Mevr. Wiszniewska tot al de werksters voor den vrede in andere landen en tot bekende personaliteiten overal het verzoek met haar mede te willen werken en bood deze dames den titel van vice-presidente aan.

Nu scheen de juiste tijd wel gekomen: overal vond haar roepstem gehoor.

De eersten waren Bertha von Süttner in Oostenrijk, Mathilde Bajer in Denemarken, Lina Morgenstern in Berlijn, Giovanna de Stefani, reeds sints 1891 aan het

-ocr page 13-

9

hoofd van een vrouwen-vrede-comité te Palermo. Langzamerhand sloten zich alle vrouwen-vereenigingen voor vrede aan of vormden zich nieuwe, zooals o. a. in Spanje, waar nooit iets van dien aard bestaan had, en waar nu de gevierde dichteres en philanthrope. Dona Patrocinio de Biedma, van nabij aan het Koninklijk Huis verwant, zich ernstig met de vredeszaak bezig houdt. Een der laatsten — last bui not least — is Frau Professor Selenka te München, eene vrouw van groote geestkracht in een teer, klein lichaam, maar met een geestdriftvolle ziel. De eenige landen die zich niet aansloten zijn Griekenland, Turkije en de Balkanstaten. met uitzondering van Bulgarije. Dat in Rusland geen vredebonden bestaan ligt niet aan gebrek aan sympathie met de zaak, doch aan de politieke toestanden die het oprichten van vereenigingen niet gedoogen.

Het ligt voor de hand dat toen tot mij in Juni \'98 de vraag gericht werd of ik in Holland als Vice-Presidente wilde optreden ik van harte dit denkbeeld toejuichte en dadelijk aan het werk toog om propaganda voor dit heerlijk vredes-denkbeeld te maken.

Ons land is klein, den toon aangeven kunnen wij niet, maar wij hadden en hebben nog steeds prestige genoeg om een niet te versmaden zedelijken steun te zijn1). Daarom roep ik u, mijne landgenooten, toe:

1

Ziehier wat wijlen de Groothertogin van Saxen-Weimar, Prinses Sophie der Nederlanden schreef:

„.... omdat het geestelijke en moreele het gebied is dat overblijft voor de kleine staten. Op politiek gebied kunnen wij aan den wedstrijd geen deel nemen. Maar voor het voortduren en voor het nut van ons bestaan als onafhankelijken staat is het van het hoogste belang, dat het kleine middelpunt geestelijk en moreel wat beteekent, niet enkel door de herinneringen, maar ook door het leven dat er nog van uitgaat.quot;

-ocr page 14-

IO

schaart u mede onder de vanen voor den strijd tegen den strijd, opdat ook gij deel moogt hebben aan den eenmaal te behalen zege !

Motieven van zedelijken aard leggen menigmaal zoo weinig gewicht in de schaal zoo zij niet door die van praktischen aard gesteund worden, en concreete gevallen zeggen zooveel meer dan abstracte redeneeringen, dat het noemen van een paar recente feiten het beste bewijs leveren kan hoezeer ook wij belang hebben bij het tot stand komen eener nieuwe orde van zaken. Op hoe grooten afstand van ons de laatste oorlog ook woedde, toch stegen bij ons de broodprijzen; talrijke diamantslijpers liepen in Amsterdam werkeloos rond, daar de afzet naar Amerika, den grooten werkgever, bijna tot nul gereduceerd werd; de fabriek van Rosenburg in den Haag en die van \'t Hooft en Labouchère in Delft moesten om dezelfde reden een deel hunner werklieden wegzenden. Dit beteekent verarming der arbeidende klasse en der patroons beide, ook mag die der kapitalisten en kleine renteniers, tengevolge van daling der fondsen, niet buiten rekening gelaten worden.

Er is bovendien nog eene andere reden: nog steeds zijn wij de tweede koloniale mogendheid. Wij hebben dus het grootste belang bij het behoud onzer overzeesche bezittingen. En indien nu Amerika, na aan Spanje een deel zijner volksplantingen ontnomen te hebben, naar onze koloniën de gretige hand uitstrekt, en wij, evenmin als Spanje, in staat zijn met onze millioenen den strvjd tegen Amerika\'s milliarden vol te houden, wat dan? Ligt het daar niet voor de hand, dat ook wij helpen moeten het denkbeeld van arbitrage en internationale ontwapening te verbreiden, dat, zoowel uit praktisch

-ocr page 15-

11

als ethisch oogpunt, zich meer en meer aan de mensch-heid opdringt als het eenig panacee om haar te redden van den kanker die hare beste krachten wegvreet: den gewapenden vrede.

Niets zoo welsprekend als cijfers. In de laatste 25 jaar kostte de gewapende vrede aan Europa de som van 30 duizend millioen gulden; en dat deze som een jaarlijks stijgend bedrag representeert, bewijst het feit dat in het vorig jaar het oorlogsbudget der gezamenlijke staten vier milliarden guldens verslond. Men behoeft geene financieele specialiteit te zijn om tot het besef te komen hoeveel goeds met deze sommen ware tot stand te brengen, hoeveel ellende er door gelenigd zou kunnen worden, hoe wetenschap en kunst er door gebaat hadden kunnen worden, in een woord, hoeveel levensgenot, nu onherroepelijk verloren, die sommen representeeren. Men moet willens blind zijn om dit niet in te zien, en toch wordt ons toegevoegd: al dat praten en werken van vredebonden helpt absoluut niets; sints hoeveel jaar zijn ze reeds aan den gang en hebben ze iets kunnen doen om den Spaansch-Amerikaanschen oorlog te verhinderen?

Maar deze oorlog bewijst absoluut niets tegen de voorstanders van den vrede. Het feit dat oorlog bestaat, is niet in tegenspraak met de vredes-beweging, integendeel, het is haar postulaat. En waartoe deze krijg ook geleid hadde, hij zou niets bewijzen. Hij is geen triomf der humaniteit nu de Amerikanen, die hem in naam der humaniteit begonnen, de overmacht behielden, want hij heeft meer gruwelen en ellende gebracht dan hij zoogenaamd verhinderen moest, en hij zal nieuwen haat en meer oorlogszucht na zich slepen; noch zou hij in

-ocr page 16-

12

het tegenovergesteld geval eene garantie geweest zijn voor de onaantastbaarheid der integriteit van het grondgebied, de reden waarom Spanje het zwaard getrokken heeft. Welke overwinningen kunnen goedmaken het verlies van zoovele jeugdige menschenlevens, die de krijgsgod wegmaaide of zijn trouwe bondgenoot: ziekte.

De juiste cijfers der slachtoffers van den laatsten oorlog zijn mij nog niet bekend, doch ziehier een ander voorbeeld. Volgens officieele opgaven van den Spaan-schen Inspecteur van den geneeskundigen dienst Brunner, stierven op Cuba gedurende 1897 32.000 soldaten aan verschillende soorten koorts en dyssenterie, 30.000 convalescenten werden gerepatrieerd, maar van deze gingen nog te gronde 10 quot;/flgt; dus in het geheel in een enkel jaar 35.000 jonge mannen zonder nut, zonder glorie aan de maatschappij ontrukt — de gemeenschap armer aan zooveel duizend werkkrachten. (En in 3 jaar tijds stierven van 600 doktoren en 100 apothekers, 1OO doktoren en 15 apothekers aan gele koorts.)

Maar dit fiasco, zooals het onzen tegenstanders belieft dezen oorlog te noemen, is voor ons geen reden den strijd op te geven. Midden in den storm dooft men de lichtbakens niet uit. Geen jammeren over den mo-mentaneelen stilstand in het werk des vredes kan hier helpen, integendeel, eene meer krachtige manifestatie is een dringend vereischte. De oude strijders staan steeds op hun post — de nieuwe — degenen die zich tot nu toe terug hielden, de kleinmoedigen, de weifelenden, de vrouwen, moeten nu toestroomen en de gelederen aanvullen. De God in den boezem des menschen eischt het. Ellende en doodslag moeten ophouden. De waan — naar Schiller\'s woord, der Schrecklichste der Schrec-

-ocr page 17-

13

ken — de waan, dat het bezit van eenige kilometers grond meer, het hoogste eervolste goed is, dat men tot met den laatsten bloeddruppel verdedigen moet, dient uitgeroeid te worden, daarnevens de oude rooverswaan, dat door wegnemen, — de protectie-waan, dat door duurder maken, — de wrekerswaan, dat door vernielen van goederen iets goeds kan bereikt worden. Millioenen uitgeven voor schepen, bestemd om in een paar uur tijd onder het weegeschrei der opvarenden te gronde te gaan, dat heet de belangen van den handel bevorderen. Overal de onmetelijke rijkdommen ten trots en ten trots ook der groote nog niet geëxploiteerde bronnen van rijkdom op onzen aardbodem, dreigt het holoogig spook van den honger. Ruïne en bankroet kloppen aan alle deuren: een direkt, door de bestrijders van het militarisme honderdmaal voorspeld gevolg van verwoesting en oorlogsdreiging. Hongeropstanden breken uit en hoe werden in het voorjaar in Italië de kreten cyn brood beantwoord? Weder met kogels. Men noemt die opstandelingen eenvoudigweg gepeupel en schiet op de tot vertwijfeling gebrachten.

Niemand kan grooter eerbied voor het gezag hebben dan wij, en wij erkennen ten volle dat handhaving der orde een legitieme zaak is. Doch orde kan men den tegenwoordigen toestand niet noemen, een toestand waarbij de menschen van honger omkomen moeten. En het is juist omdat niets het meer en meer toenemend anarchisme zoo zeer in de hand werkt als het hoog opgevoerd militarisme met al den aankleve van dien, dat wij ons daartegen ten strijde hebben aangegord. Indien de sommen die de totaal onnoodige Abyssinische veldtocht den Italianen gekost heeft, aangewend waren ten beste van hun eigen

-ocr page 18-

I4

schoon doch verarmd land, tot ontginning van gronden, tot draineering van malariastreken, tot bestrijding der pellagra, zoude daar dan hongersnood, staat van beleg en een toestand van vertwijfeling heerschen? Indien de millioenen, die nu in Spanje op het altaar des vaderlands geofferd zijn en in minder dan geen tijd in kruitdamp opgingen en door den oceaan verzwolgen werden, ook daar ten beste van land en volk aangewend waren, zou dat rijk dan niet een schoone, bloeiende toekomst te gemoet gaan, terwijl het nu aan den rand des afgronds staat? En Griekenland? Ware daar het Europeesch concert niet uit allerlei belangzuchtige bijoogmerken werkeloos gebleven, zouden dan al degenen die het lief hebben om zijn grootsch verleden en die zich verheugden hoe het langzamerhand tot bloei kwam, te treuren hebben, nu ze het zien teruggedreven op de afgelegde baan en er erger aan toe dan vijftig jaar geleden? En welke wrange vruchten zal Amerika niet plukken van den oorlogswaanzin, die zich van het eens zoo bezadigde volk heeft meester gemaakt ? Hebben daarvoor de milliardairen hun goud opgestapeld om hun staat, tot nu toe zoo bloeiend door het ontbreken van een reuzenheir, aan den zelfden oorlogs-demon prijs te geven? Tot nu toe bestond hun ambitie in het stichten eener universiteit, bibliotheek, museum of sterre-wacht, nu geldt het het uitrusten van regimenten! Voorwaar, voorwaar; quern vult deus perdere, prius dementat.

En voor wat stellen alle krijgvoerenden hun leven, hun welvaart in de waagschaal? Voor de EER. Heerlijk woord, hoeveel zonden worden niet onder uw spotbeeld begaan! Eer, een der hoogste begrippen der mensch-heid, wordt door eene onmogelijke begripsverwarring

-ocr page 19-

i5

gelijk gesteld met, afhankelijk verklaard van moord!

Moge het verschrikkelijk drama dat zich heeft afgespeeld, velen wakker schudden en eene algemeene schildheffing aller in hunne beschavingsfactoren bedreigden, ten gevolge hebben. Het einde dezer eeuw is als een kenteringspunt. Twee wereldtijdvakken bekampen elkander. Het oude wil zich nog laten gelden, het nieuwe wil zich baan breken. Het oude kenmerkte zich door barbaarschheid, het nieuwe moet algemeene beschaving brengen. En daarom behooren wij vrouwen, aan wie in de oude bedeeling slechts noode eene plaats werd gegund en die nu allengskens tot het bewustzijn harer gelijkberechtigdheid gekomen zijn, ons als een eng aaneengesloten lichaam bij den nieuwen tijdkring aan te sluiten en al het werk aan te vatten, waartoe wij krachtens onze vrouwen-natuur gemachtigd, ja, geroepen zijn. Ook krachtens den naam dien wij dragen; vrouw naar het oude Germaansche stamwoord: vreugde — vredebrengsier.

En zijn wij niet, volgens het schoone bijbelwoord als „hulpe tegenover den manquot; geplaatst, en is niet de geheele vrouwenbeweging van den laatsten tijd er op gericht, dat de vrouw deel zou hebben aan alle werk door den man ondernomen, dezelfde rechten als hij, ook dezelfde plichten. En waar dit streven meer en meer op den voorgrond treedt, zouden wij dan juist daar achterblijven, waar het zulk eene eminent vrouwelijke zaak geldt: leed voorkomen, vrede prediken ? Inderdaad, het ware eene schande voor de vrouw, zoo zij dit heerlijk werk den mannen overliet.

Waarom weder een nieuwen Bond, heeft men ons gevraagd. Waarom u niet bij der mannen Vrede-

-ocr page 20-

i6

Bond aangesloten, daar toch uw doel hetzelfde is? Ja, het doel is hetzelfde, maar de middelen die beide geslachten aanwenden zijn niet dezelfde. De man werkt in het openbaar, laat zijn stem in de raadszaal hooren, de vrouw werkt in het intieme leven, haar stem klinkt slechts in engen kring. Maar haar invloed kan desniettemin overweldigend worden. Zooals Ds. Pierson te dezer plaatse zeide, of men het stemrecht heeft doet er niets toe, maar zeer veel dat men een stem heeft om te spreken, een stem om te getuigen, een stem om te overtuigen. De vrouw is het die de kinderen, de aanstaande mannen \'opvoedt. Tot hen spreke zij, zonder ophouden, zonder in ijver te verflauwen. Hen leere zij van jongs af dat elke strijd eene verkrachting van het recht der tegenpartij is, dat elk geschil, van welken aard ook, door bemiddeling of arbitrage kan bijgelegd worden, dat het geen blijk van moed is met de vuisten op elkander in te slaan, maar integendeel een gebrek aan zedelijken moed, dat elke strijd slechts nieuwe verbittering wekt, dat nog nooit iets, wat ook, door het uit te vechten er op verbeterd is, dat integendeel, elk er op los slaan een knak aan het zedelijk karakter geeft, het zedelijk bewustzijn verzwakt, dat men er kleiner, in plaats van grooter door wordt. Gelooft ge niet met mij, mijne zusteren, dat wanneer gij en uwe dochters na u, dit een paar geslachten lang ernstig hebt volgehouden, zoo gij steeds den vredelievende — niet den flauwhartig bange — geprezen, den twistzoeker gelaakt hebt, deze denkbeelden zoo in den boezem der mannen zullen ingeworteld zijn, dat zij, wat zij als kind leerden verafschuwen, niet als volwassenen zullen willen in praktijk brengen ?

-ocr page 21-

17

Men versta mij wel; ik bedoel niet als officier of soldaat: eerstens wordt niet naar dier persoonlijke opvatting gevraagd en als privaatpersonen kunnen zij de vredelievendheid zelve zijn; doch als leden der regeering, als zij, die over het wel en wee der staten te heslissen hebben.

Verder moeten wij onzen invloed aanwenden dat de geschiedenis niet langer hoofdzakelijk als his toire ba taille onderwezen worde. Menig kind, dat op zijn duimpje de jaartallen der Punische oorlogen kan opzeggen, kent ter nauwernood den naam van eenige weinige grieksche of romeinsche dichters, kunstenaars en wijsgeeren. Hetzelfde is het geval met de middeleeuwsche en nieuwe geschiedenis. Elk schoolkind kent Wallenstein maar welk hoorde van Dürer en Holbein spreken, en zoo zoude ik ze kunnen noemen bij tientallen de namen der beroemde veldheeren aan allen bekend, en die der groote kunstenaars en uitvinders den meesten onbekend. Oorlogen, veldslagen, veldslagen, oorlogen, dat was steeds schering en inslag bij het geschiedkundig onderwijs. Het zou getuigen van bekrompenheid en eenzijdigheid zoo wij wenschten de oorlogsgeschiedenis geheel onbesproken te laten op de scholen. In vroeger tijden waren oorlogen vaak een noodzakelijk kwaad, daaruit kwam toch de hedendaagsche statenvorming voort, en het kennen der gevallen waar een volk voor zijne onafhankelijkheid en zijn geloofsvrijheid gestreden heeft kan voor de jeugd slechts leerrijk zijn. Men dient hen er echter op te wijzen dat wat vroeger verschoonbaar, zelfs loffelijk kon zijn, nu geen enkele reden van bestaan meer heeft. De Europeesche volken, op eene enkele uitzondering na, zijn nu onafhankelijk, elk land

2

-ocr page 22-

l8

heeft zijne eigene, ongeveer natuurlijke grenzen. Iedere inval in het gebied van den nabuur is dus rechtsverkrachting, elke verovering en aanhechting van eene provincie is eene ongerechtigheid, een bron van tweedracht, een zaaien van haat, een wakker roepen van het revanche denkbeeld. Het voorbeeld om dit laatste beweren te staven ligt voor de hand.

De grootste plaats in dit geschiedkundig onderwijs dient toegekend te worden aan de ontwikkelingsgeschiedenis van den menschelijken geest, aan de overwinningen behaald op technisch gebied, aan de triomfen van wetenschap en kunst. 1) Men wijze de jeugd er op dat de grootheid van het kleine Griekenland niet ligt in zijne overwinningen op Persen en anderen, maar in het bezit van zijn sterrenheir kunstenaars, dichters, philosophen. Dat waar men zegt: „Tout homme a deux patries, et la sienne et la Francequot;, dit niet is ter wille van Frankrijk\'s krijgsroem, maar ter wille van den invloed door zijne letterkunde op de beschaving der geheele wereld uitgeoefend. Verder spiegele men hen voor, hoe groot in verhouding tot wat men reeds bereikt heeft, datgene is, wat men nog bereiken kan, zoodra slechts meer geld, meer kracht, meer gedachten gewijd kunnen worden aan de vooruitbrenging der mensch-heid op de onafzienbare baan van het kunnen en kennen.

Moltke heeft beweerd dat zoo oorlogen ophielden te bestaan, de menschheid ten prooi zou worden aan het materialisme, aan een slap zich overgeven aan een leven

1

Men heeft op dit punt slechts het voorbeeld der Koningin-Moeder te volgen welke eischte dat in het geschiedkundig onderwijs aan Hare Dochter gegeven, de ontwikkelings- en beschavingsgeschiedenis der volkeren de eerste plaats zou innemen.

-ocr page 23-

19

van weelde en genot, aan het verdwijnen der deugden van vaderlandsliefde, moed, zelfopoffering, standvastigheid en doodsverachting. Wij beweren daarentegen dat moorden, brandstichten, vernielen, menschenslachten op groote schaal, doodend is voor het idealisme en dat al de genoemde deugden heerlijk bloeien kunnen in vredestijd. Ik geloof niet dat men zal kunnen bewijzen dat de vrouwen haar vaderland minder lief hebben dan de mannen, wat toch het geval moest wezen, indien vaderlandsliefde afhankelijk ware van strijdbaarheid. Verder zal niemand mij betwisten dat een Nansen en zijne gezellen, een Andree en zijne vrienden, en hoe verder alle onderzoekingsreizigers en ontginners van ontoegankelijke streken meer heeten mogen, even veel, zoo niet meer, blijken van moed, standvastigheid, onverschrokkenheid, vastberadenheid en doodsverachting geven als eene troepenmacht, willoos blootgesteld aan het moordend vuur des vijands ; en dat door hen het idealisme beter gediend wordt dan door de veldheeren, die twee legers van menschen, welke persoonlijk geen reden hebben elkaar te haten, tegen elkander ten strijde doen oprukken en het menschenrecht met voeten treden.

Men werpe ons niet voor dat het bezit en behoud van Koloniën steeds met bloedvergieten gepaard moet gaan, en dat ons vrede-prediken dus een verkapt roepen is: „Geef de Koloniën prijsquot;. Individueel moge men daaromtrent denken wat men wil, onze Bond laat dit voorloopig geheel buiten beschouwing, tast dus het bestaan van ons Koloniaal leger en onze marine in geenen deele aan. Onze strijd geldt alleen den gewapende» vrede. Daartoe is het dat ik u oproep, alle gij vrouwen, dat gij uwe krachten vereenigt, opdat er een eind kome

-ocr page 24-

20

aan den gewapenden vrede, dien kanker van het tegenwoordige gemeenschapsleven. Daartoe moeten alle vrouwen in alle landen samenwerken opdat unaniem de staten er toe komen zich gelijktijdig te ontwapenen en slechts zooveel troepen te behouden als noodig zal blijken voor een lijfwacht rondom den troon hunner vorsten, tot in bedwang houden van mogelijke binnen-landsche onlusten, tot bewaking der grenzen. Wanneer eenmaal de machthebbers der beschaafde wereld, door de publieke opinie gedwongen, algemeen het stelsel van arbitrage zullen aangenomen hebben en een permanent zetelend scheidsgerecht als opperste autoriteit door allen zal erkend worden, dan zal de troepenmacht tot een minimum gereduceerd kunnen worden.

Onafzienbaar is de vlucht die dan door kunst, wetenschap, techniek en industrie zal kunnen genomen worden, onschatbare sommen komen dan ter hunner beschikking, scharen van mannen in den bloei hunner jaren, kunnen dan hunne krachten wijden aan de vooruitbrenging der maatschappij op de baan der ontwikkeling en beschaving; terwijl zij nu een groot deel van hun tijd moeten besteden tot het aanleeren van zekere automatische bewegingen, gericht op den massamoord hunner medeschepselen, en bovendien met de kans voor oogen dat de gezondsten, de sterksten, dus het best in staat ter reproductie van een sterk nageslacht, op een goeden dag bij duizenden, zonder nut voor iemand of iets worden weggemaaid 1).

1

Meer dan een geleerde heeft bewezen dat de slapheid, het zenuwlijden van het tegenwoordig geslacht, voornamelijk in Frankrijk, te wijten zijn aan het uitroeien der krachtigste jonge mannen in de Napoleontische oorlogen, waardoor slechts de onstrijdvaardige overbleven om een nieuw geslacht te verwekken.

-ocr page 25-

21

Men zou mij kunnen tegenwerpen dat er wel degelijk eene opvoedende kracht van het leger uitgaat, dat menige proletariër, menig lompe boerenknecht ontbolsterd wordt, meer mensch is wanneer zijn diensttijd voorbij is dan toen hij onder de wapenen geroepen werd, nog afgezien van de gunstige invloed uitgeoefend door de strenge discipline. Verre zij het van mij dit te ontkennen. Maar wel dat deze voordeelen opwegen, tegen al de moreele en materieele ellende die voortvloeien uit den tegenwoordigen staat van zaken.

Ik roep u o vrouwen niet op tot iets dat gemakkelijk is, tot iets dat heden of morgen verwezenlijkt zal worden, waar gij de vruchten van plukken zult. Gij zult werken zonder andere vruchten te zien dan die, welke uwe verbeelding u voorspiegelt. Maar daarin staan wij niet alleen. Dat hebben vóór ons allen ondervonden die een ideaal nastreefden en door hunne ondervinding wijs geworden, zeggen wij met overtuiging: Het ideaal van heden is de werkelijkheid van morgen. Zijt dus goedsmoeds. De aanhoudend neervallende druppel water holt den steen uit. De publieke opinie moet bewerkt worden, de jeugd opgevoed volgens een nieuw, vredelievend systeem. Dagelijks, zonder ophouden, bij alle gelegenheden, moet gij herhalen wat gij voor waarheid houdt. Obstinaat, met een zeker zacht geweld, met passie zelfs moet gij de rechte denkbeelden om u verspreiden en trachten ze ingang te doen vinden.

Een geduld-werk is het zeer zeker; maar daarom juist zijn wij mede er als \'t ware toe aangewezen. Alle eeuwen door is ons geduld door onderdrukking geoefend, wat wij verkrijgen wilden, we verkregen het niet door een krachtigen aanval of stoot, doch door

-ocr page 26-

22

aanhouden, door vasthouden aan een eenmaal opgevat plan, door, hoe dikwijls men ons ook iets weigerde, er op terug te komen met eene taaie volharding. En zoo ging het, stapje, voetje voor voetje, onmerkbaar bijna. Alleen wanneer wij terugzagen bleek het dat wij wel degelijk gevorderd en ons doel iets naderbij gekomen waren. Zoo ga het ook hier. .. .

„Et le septième jour les murs de Jéricho tombèrent.\'\'

NASCHRIFT.

Weinig dacht ik, toen ik op den aösten Augustus deze rede uitsprak, dat reeds eene andere stem, oneindig krachtiger en luider klinkende dan de mijne, gesproken had en dat twee dagen later de mare tot ons komen zou der vredesboodschap van den Tsar aller Russen.

Dit vredewoord klonk als bazuingeschal overal vreugdeecho\'s wekkend. Een centner-zware last werd van de schouders en het hart der menschheid afgewenteld, een jubelkreet steeg op uit millioenen keelen, een dankgebed fluisterden millioenen lippen.

,,Het daghet in het Oostenquot;, het oude woord werd weder bewaarheid. Ja, aan de oosterkim verscheen het eerste ochtendgloren, vertoonden zich de eerste rooskleurige wolken die de komst der Dagvorstin, der Koningin des Vredes aankondigen. Zal zij nu spoedig verrijzen, ten Zenith stijgen en uit dien blauwen ether haar gouden stralen over de menschheid uitgieten, overal zegen verspreiden ? Helaas neen! met zware wolkenbanken

-ocr page 27-

23

zal zij te kampen hebben, die haar licht menigmaal verduisteren zullen, maar wij weten nu dat zij bestaat en eenmaal zegevieren zal.

Dit weten, dit bewustzijn geeft ons, vrienden van den vrede, nieuwe kracht. Nu is het niet alleen een hopen, maar een overtuigd zijn dat ons pogen niet ijdel is, dat wij iets bereikbaars nastreven. En zoo ooit, is nu het oogenblik^ daar dat wij met dubbele inspanning, met inzetten al onzer kracht helpen moeten het vrede-denkbeeld tot vrede-werkelijkheid te doen worden.

Men heeft ons toegevoegd dat nu geleidelijke ontwapening een kabinet-quaestie geworden is, vrebonden geen reden van bestaan meer hebben. Niets is minder waar. Alleen wanneer de machthebbers gesteund worden door den wil des volks zal er een einde komen aan krijg en de oorlogsdreiging 1). En omdat die wil des volks nog zoo zwak is, moeten wij dien trachten te stalen, moeten wij op het zedelijk bewustzijn der komende geslachten werken en hen doen begrijpen dat vrede heerschen zal, zoodra allen dit willen — niet wenschen alleen. Geen grooter bewegende kracht kan uitgaan dan de unanieme wil van een geheel geslacht. En dat die wil kome, daaraan kunnen de moeders onnoemelijk veel doen, indien zij slechts doordrongen zijn van de waarheid, dat de vorming van het karakter, de opvoeding reeds

1

Niet alleen wij zeggen dit maar graaf Muraview, die tijdens hij attaché in Stockholm was, aldaar van den Vredebond lid was, uitte dit ook in zijn onderhoud met Bertha von Süttner. Hij zeide dat de vrede-comité\'s moeten doorgaan met arbeiden daar zij de publieke opinie bewerken. En de pers, welke die opinie vertolkt maar ze ook leidt, behoorde de vrede-comité\'s te steunen in plaats van, zooals zoo menigmaal geschiedt, het tweedrachtsvuur aan te blazen.

-ocr page 28-

24

begint bij het ongeboren kind; waarschijnlijk reeds bij het eerste ontkiemen der ziel.

„Vous savezquot;, zoo schreef mij onlangs Jules Bois, „que Kant ne croyait pas a la possibilité d\'établir cette universelle concorde sur les bases indestructibles de l\'individuelle harmonie. II ne croyait pas a une aussi grande perfectabilité de Thomme. Mais il n\'avait pas songé a la collabaration de la femme. Ce fait boule-verse tout, nous promet le „miracle socialquot; en quelque sorte; c\'est a dire, une évolution de notre petite huma-nité vers une humanité plus grande paree qu\'elle sera plus compléte.quot;

Liefst ware ik met deze woorden geeindigd. Maar eene telkens herhalende tegenweiping vraagt nog om wederlegging.

„Nu is er reeds gebrek aan werkquot; voegt men mij toe, „indien nu al die soldaten, al die arbeiders in fabrieken voor krijgsmaterieel enz. het heir der werkeloozen nog komen versterken, zoo wordt de ellende, de armoede, de verwildering nog grooter.quot; „Beter nog een moordende oorlog die wat ruimte schaftquot; zeggen velen er in gedachten bij.

En van anderen hoort men: „weder een carrière minder voor onze zoons!quot; Schandelijk, onnadenkend woord! Ja, in vredestijd is het eene carrière, maar waarom willens vergeten dat de reden van bestaan van den officiersstand een mogelijke oorlog is, en dus elk daartoe behoorende is opgeschreven ten doode, dat het als \'t ware een loterij is, wie vallen zullen en wie niet ?

Waarom is men willens blind en ziet in dat er zoo ontzaabilijk veel te doen en te bereiken is waar nu niet aan begonnen worden kan uit gebrek aan geld en

-ocr page 29-

25

krachten. De wereld is nog zoo onvolmaakt, nog zoo barbaarsch, het leven nog zoo arm, dat men waarlijk niet behoeft zich bezorgd te maken over. Wat moeten onze zonen worden ?

En wat de volksklasse betreft begrijpt men dan niet dat juist het broodsgebrek in den tegenwoordigen tijd hoofdzakelijk te wijten is aan de heerschappij van den krijgsgod, dat onverzadelijk monster, wien men nooit millioenen genoeg in den opengesperden muil werpen kan ? Een tweede oorzaak ligt in de concentratie in de steden.

De geheele wereldgeschiedenis gaat in slingergang; op elke actie volgt reactie, op eiken vloed eene ebbe, op elke strooming eene tegenstrooming. Waarschijnlijk zal spoedig het hoogtepunt bereikt zijn en zal op concentratie decentralisatie volgen. De aardbodem kan, mits behoorlijk geëxploiteerd, zeker het dubbel aantal bewoners voeden dan dat hij nu draagt, en zelfs in Europa is plaats en brood èn werk voor nieuwe millioenen, zoodra slechts geld beschikbaar komt. En dit geld komt beschikbaar zoodra de ontwapening geleidelijk en ernstig wordt ter hand genomen, zoodra wij verlost worden van den

GEWAPENDEN VREDE.

-ocr page 30-
-ocr page 31-
-ocr page 32-
-ocr page 33-