SAMUEL PICKWICK
EN ZIJNE
f
REISGENOOT EN.
|
I i. DE PICKWICK,.CJ/UB. Den eersten schitterenden lichtstraal in de I duisternis, waarin de vroegere gosclüedenis der | wetonsciiappelijke loopbaan van den onsterfc-Ui ken Pickwick schijnt gehuld te zijn, ontvangt I men bij het. doorlezen van de volgende notulen. die in de „Verhandelingen van de Pick-wickclubquot; zijn opgenomen en de- schrijver van dit boek niet het grootste genoegen zijnen l\'e-zeirt voorlegt, :ijs een bewys van de nauwgezette oplettendheid, onvermoeide vlijt en grootc .schranderheid, waarmede hij de papieren, die hem waren toebetrouwd, \' heeft doorzocht. |
..Zitting van (Jen 12«» Mei 1827, onder voor-| zitterschap van den heer Joseph Smiggers, L. 1 V. p., L, i\'. c. i), i:fet volgende wordt met | I algemeene stemmen besloten: „1°. De Pickwickclub heeft met groote tevredenheid en onbeperkte goed keuring het opstel hooren voorlezen van den heer Samuel Pickwick, P., 1;. P. (;. getiteld „Onderzoe-i kingen aangaande den oorsprong der Vijvers van liampstead :!i, met eenige Opmerkingen li l.i\'vrnalang Viri\'-prpsidenl, l.id l\'ickwick-clul) 2 l\'residfint. Lid l\'ii kwick-cUili. •gt; i^orp in na!)ijlieicl van J,onlt;ioii. Hoi ligt honger flan het kruis drr SI. l\'nuhiwkfrk en wordt vooral op Zatcrdajren t*ii Zortdagf\'ii /.omerK 0111 zijne gr-zonde Inrht zeer druk ho/.oeht. Het wordt niet de Parken „de Longen van Londenquot; genoemd. |.;. |
Du ki Ns, kSami fi pk k\\vjlt; k.
1
SAM l\'ill. PICKWICK,
|
betrotiende de Leer der Stekelbaarzen; die Verfeniging betuigt daarvoor haar warmsteu dank aan den genoemden lieer Samuel Pickwick, P. I,. P. c, „2° Genoemde Vereeniging ziel de groote voordeden in, welke de wetenschap moeten ten goede komen uit het geschrift, waarop zjj juist gewezen heeft, zoowel als uit de onvermoeide I onderzoekingen van den heer Samuel Pickwick, \' P., L, P. C., in Hornsey, Ilighgate, Brixton j en Carnberwell i); en zij gevoelt levendig de I onschatbare voordeelen welke ongetwijfeld zijn j te verwachten, indien men het onderzoekings-1 veld, de reizen en bijgevolg den gezichtskring i van den geleerden man uitbreidt, ter bevorde-j ring der wetenschap en verspreiding van kennis, „ho. De Vereeniging heeft met het juist genoemde oogmerk in overwoging genomen een voorstel, gedaan door den bovengenoemden heer Samuel Pickwick, P., L. P. C, en drie andere, beneden genoemde Pickwickisten, tot vorming | eener nieuwe afdeeling Vereenigde Pickwick-1 isten onder den titel van .. Jorrespondeerende j Afdeelingquot; der Pickwickclub, „4°. Genoemd voorstel is door de Vereeniging \' goedgekeurd en bekrachtigd. | De Correspondeerende Afdeeling der | Pickwickclub wordt daarom op deze vergade-! riti- samengesteld; de heeren Samuel Piek-j wick, P., L. P. C., \'I\'racy Tupman, L, P, C., Auirustus Stockwall, L. P. C. en Nathanif\'-i l Winkb werden tot leden benoemd en hun I verzocht van tijd tot tijd aan de Pickwickclub, I geVestkd te Londen, vertrouwbare verslagen i van hunne reizen quot;n onderzoekingen, van de karakters .-n gewoonten, die zi,] leeren kennen, | en van al hunne lotgevallen te doen, alsmede .i ni genoemde (lub alle verhalen en opstellen I te zenden, waartoe plaatselijke gesteldheden of i gedachten verbindingen aanleiding geven. De Vereeniging neemt gaarne de voor-I waarde van elk lid der Correspondeerende A f-I deelinu aan, dat hij zijne eigene reiskosten zal bei alen. en maakt volstrekt geen bezwaar, dat j deleden van genoemde afdeeling hunne onder-| zoekingen, zoolang zij verkiezen, op dezelfde I voorwaarde voortzetten. „7°. Den leden van bovengenoemde Correspondeerende Afdeeling wordt op deze vergade-\\ ring bericht, dat hun voorstel om de frankeering : hunner brieven en de vracht hunner pakjes te j betalen, door de Vereeniging is overwogen ; dat zulk een voorstel door haar wordt beschouwd als den grooten mannen tot eer te strekken, van wie tiet uitging «u daarom haar geheole ■ toestemming erlangt.quot; Ken toevallige opmerker, voegt de secretaris er by, aan wiens aanteekeningen wij het volgende verslag versehuldiurd zijn - een toevallige K. 1 Dorpen in lt;1 nahijheid van Londfii. |
opmerker zou misschien niets bijzonders hebben gezien in het kale hoofd en de ronde bril-leglazen, welke gedurende het lezen van de bovenstaande besluiten, strak op zijn (des secretaris) gelaat gericht waren. Voor hen, die wisten, dat Pickwick\'s reuzenbrein in dat hoofd aan het werk was, en dat zijne vurige oogen achter die brilleglazen schitterden, was het gezicht inderdaad merkwaardig. Daar zat de man, die de groote Vijvers van Hampstead tot hunnen oorsprong nagespoord en de wetenschappelijke wereld met zijne Stekelbaarzen-theorie in opschudding had gebracht D, even kalm en rustig als de diepe waters van de eerste bij vorst of een enkel voorwerp van de laatste in het diepste gedeelte van een aarden pot. Kn hoeveel te merkwaardiger werd hot tafereel, toen op het gelijktijdig geroep van „Pickwickquot; uit den mond zijner volgelingen, die beroemde man, tot volle levendigheid en opgewektheid gerakende, den stoel beklom waarin hij te voren gezeten had, en het woord richtte tot de club, die hij zelf had opgericht. Wat een studie voor een kunstenaar bood dat verrukkende tooneel aan! De welsprekende Pickwick met de eene hand bevallig achter zijne jaspanden verborgen en de andere in de lucht zwaaiende om zijne vurige redevoering kracht bij te zetten; zijne verheven plaats,die de spanbroek en de slobkousen deed zien, welke misschien niet zouden zijn opgemerkt, als zij een gewoon man gekleed hadden, maar die, als Pickwick -) er in zat — indien ik die uitdrukking mag gebruiken — onwillekeurig eerbied en ontzag inboezemden; Pickwick,omgeven door de mannen, die bestemd waren om in de gevaren zij ner reizen en den roem zijner ontdekkingen te doelen. Aan zijne rechterhand zat de heer Tracy Tupman, de al te gevoelige Tupman, die aan de wijsheid en ervarenheid van rijpere jaren het vuur en den ijver eens jóngelings paarde in de merkwaardigste en ver-geeflijkste inenschelijke zwakheid — de liefde. De tijd en de opvoeding hadden zijn eens romantische gestalte uitgezet; het zwart zijden vest was al wijder en wijder geworden; duim bij duim was de gouden horlogeketting, die er 1 V it hior gezegd wordt van lt;!•\' Vijvers vpii Hampstead en de I.eer d^r Stekelhaarzen, de ondhoidknnditfc ; ontdekking in hoofdstuk XI. en de heschonwin^en waartoe l\'irkwick\'s lantaarn den geleerden heer t»-Bristol aan-leidiiur .. afquot;, zijn satirieke toefipelingen op schijn-en hall-! geleerden. Dicken-; was anders een groot voorstander der wetenschap. J. K- 2) l-en naam van Piekwirk heeft Dickens ontleend aan een beroemd rijtuigverhmirder te Bath, zijn voor-komen en klceding aan eenc h«\'s( hrijving, die ( hapman i hem gaf van een vriend te Kiclimond. zekeren/\'o.f/rr, een dikken, ouden pronker. John. l-\'oK-n a. I.rv), vm Dickens. Bij \'quot;hapman and Hall tf Londen verscheen de eerste uitgave van The l\'ickwick Papers. |
8
eerende, doch eenigszins gevaarlijke taak had opgedragen. De middelen van verkeer waren in een slechten staat en de koetsiers niet zeker van hunne zaak. Men moesteens om zich heen zien en de tooneelen beschouwen, die werden afgespeeld.
Overal vielen postwagens om, gingen paarden op hol, sloegen booten om en sprongen stoomketels. (Toejuichingen — eene stem roept „Neenquot;.) Neen! (Toejuichingen.) Laat den ge-achten Pickwickist, die zoo hard „Neenquot;\'riep, nadertreden en mij weerspreken, als hij kan! (Toejuichingen), Wie roept er „Neenquot;? (Opgewonden gejuich.) Was het een ijdel en teleurgesteld man hij wilde niet zeggen garen-
en-bandverkooper ■— (Luid gelach) ...... die, na-
ijverig op den lof, welke misschien onverdiend j zijn (Pickwick\'s) navorschingen was te beurt \' gevallen, en zich verknijpende over de slechte I beoordeeling van zijne zwakke pogingen tot 1 navolging, nu op deze lage en lasterlijke wüzc ! zich — _ _
De heer Blotton (van Aldgate) nam het I woord. Doelde de achtbare Pickwickist op hem 9 | (Kreten van „Tot de orde, President, Ja, .Veen, : Ga voort, Schei uit,quot; enz.)
De heer 1\'ickwick wilde zich niet door geschreeuw uit het veld laten slaan. Hij had werkelijk op dien achtbaren heer gezinspeeld, i (\'iroote opgewondenheid).
De heer Blotton wilde dan alleen maar zeg- I gen, dat hij de lage en valsche beschuldiging van dien achtbaren hoer met diepe verachting | weerlegde (Uitbundig gelach). I )ie achtbare heer ; was een mispunt. (VerschrikkeUjke verwarring en luide kreten van „Presidentquot; en „Tot de I ordequot;).
De heer A. Stockwall nam het woord. Hij wendde zich tot den president. (Luister!) Hij j wenschte te weten, of die schandelijke twist | tusschen twee leden der club mocht voortgaan? (Luister, Luister!)
De president was verzekerd, dat de achtbare Pickwickist de uitdrukking, die hij zoo even : gebruikt had, zou intrekken.
De heer Blotton verzekerde rnetallen mogelijken eerbied voor den president, dat het nïet gebeuren zou.
De president achtte het zijn gebiedenden plicht den achtbaren heer te vragen, of hij de j uitdrukking, die hem juist ontsnapt was,\' in hare gewone beteekenis gebruikt had.
De heer Blotton aarzelde niet het tegendeel te beweren hij had het woord in een Piek-wickschen zin gebezigd. (Luister, Luister!) Hij gevoelde zich gedrongen to bekennen, dat hij voor dien achtbaren heer persoonlijk de hoogste achting koesterde; hij had hem siechts als een mispunt beschouwd uit het oogpunt van een Pickwickist (Luister, Luister!)
De heer Pickwick gevoelde zich zeer bevre-
i overheen hing, uit ïupman\'s gezichtveld verdwenen, en meer en meer had zijn dikke kin den rand zijner witte das overschreden maaide ziel van Tupman had geen verandering ondergaan - • bewondering voor het schoone ; geslacht was nog haar voornaamste hartstocht, j Ter linkerzijde van zijn grooten leidsman zat de dichter Stockwall en naast hem de groote jager Winkle; do eerste gehuld in een geheim-| zinnigen blauwen mantel met een kraag van j hondevel, en de laatste meer luister bijzettend aan een nieuw groen jachtbuis, Schotschen ; halsdoek en vaalbruine spanbroek, j Pickwick s redevoering bij deze gelegenheid j en de daarop volgende woordenstrijd zijn opge-I nomen in de „Verhandelingen van de Club.quot;
Beide hebben eene groote overeenkomst met I het redetwisten van andere beroemde lichamen | en daar het, altijd belangwekkend is eene over-! eenkomst op te sporen tusschen de handelingen van uroote mannen, nemen wij redevoering en i woordenstrijd in deze bladzijden op.
De hei-T 1\'ickwick merkte op (zegt de Secretaris), dat roem door elk man werd op prijs i gesteld. Dichterlijken roem word hooggeschat j door zijn vriend stockwall, veroveringsroem 1 even iioog door zijn vriend Tupman, terwijl de zucht naar roem op het gebied van buitenverma-I k\';!1 f\'e overhand had in de borst van zijn vriend ; Winkle. Hij (mijnheer Pickwick) wilde niet , ontkuinien. dat hij onder den invloed stond van mensöiielijke hartstochten en menschelijke gevoelens (Toejuichingen) misschien van men | schelüke zwakheden — (Luide kreten van ; vNeen i; maar dit wilde iiy zeggen, dat, indien j ooit het vuur van don eigenwaan in zijn boezem onU lamd was, zijn verlangen om het mensche-i Hi\'vquot; geslacht tot nut te strekken, het geheel iiad uitgedoofd. De achting der menschheid j te verwerven was zijn voornaamste streven, meii.schlievendheid zijne brandspuit, i) (Hevige toejuiching.) Hij had eenigen trots gevoeld — dat bekende hij openhartig; zijne vijanden mochten er van zeggen, wat zij \'wilden - hij had eenigen trots gevoeld, toen hij do wereld zijne Stekelbaarzen-leer aanbood; ze mocht beroemd worden of niet. (Een geroep van „Ze is hetquot; en luide toejuiching.) Hij wilde de \'be-wering van dien achtbaren Pickwickist aannemen. wiens stem hij juist gehoord had — ze was beroemd; maar al mocht de roem van die verhandeling zich tot de verst afgelegen deel en der aarde uitstrekken, dan nog zou do trots, waarmede hij aan dat geschrift zou denkeu, niets zijn, vergeleken metdien, waarmode hij rondzag op dit schoonste oogenblik zijns icy. ns. (Toejuichingen.) Hij was een on- | beduidend p. rsoon. („N.\'en, neenquot;.) Toch kon iiij niet ontkennen, dat men hem eene zeer ver-
li Xametijk: om liet vuur van den eiiiemviian te IjIiik-scli en.
SAMUHL PICKWICK.
|
digd door de eerlijke, openhartige en volledige j verklaring van zijn achtbaren vriend. Hij ver- ! zocht, dat men aan zijne eigene opmerkingen slechts eene Pickwicksche uitlegging zou geven. (Gejuich.) Hier eindigen bedoelde notulen en zonder twijfel ook do woordenstrijd, die nu zulk een hoogst bevredigende en verstaanbare wending had aangenomen. Wij hebben geene ofticieele i opgave van de gebeurtenissen, welke de lezer | in de volgende hoofdstukken zal verhaald vin-| den, maar zij zijn alle zorgvuldig bijeengegaard ! uit brieven en andere handschriften, zoo ontwijfelbaar echt, dat men gerechtigd is, ze in 1 egt;\'ti aaneengeschakelden vorm mede te deeien. DE EERSTE DAGREIS. De zon, die altijd zoo nauwkeurig op haar tyd past en ook zooveel te doen heeft als eene „meid alleenquot; in eene drukke huishouding, was den iS\'iequot; Mei 1827 pas opgekomen, en nog bezig met licht aan te steken, toen Samuel Pickwick, als eene tweede zon, zijne rustplaats verliet, het venster openschoof, en naar buiten keek. Gr os well-street lag aan zijne voeten, Gos well-street strekte zicli rechte en links uit, zoover zijn gezicht reikte, en de overkant van Goswo\'l l-street was al wat hij vlak voor zich aanschouwde, ..Kvenzoo bekrompen, \' dacht Pickwick, „zijn de begrippen dierphilo-sofen, die zich tevreden stellen met hetgeen vlak voor hen ligt, en niet naar waarheden zoeken, welke op grooteren afstand verborgen liggen. Zoo zou het met mij ook gaan, indien ik mij vergenoegde met altijd (}os we 11 street aan te staren, zonder eene poging te doen om de thans voor mijn oog verborgen oorden te ontdekken, welke deze plek aan alle zijden omringen.quot; Nadat hij deze treffende opmerking 1 had gemaakt, begon hij zijne kleederen aan : te trekken en zijn valies te pakken. Groote mannen zijn zelden zeer kieskeurig op hun uitwendigen tooi; het scheren, aankleeden en koffiedrinken nam bij l\'iekwick niet veel tijd weg; en binnen een uur stond hij met zijn valies in zijn hand. zijn verrekijker in zijn jaszak, en zijn notitieboekje, waarin hij alle ontdekkingen die der moeite waard waren, wilde aantockeiien, in zijn vestzakje, bij het wagen voer in Saint Martin\'s Ie Grand, „Hei daar! Eene cabriolet!quot; riep ^ickwick, „Hier, mijnheer!quot; schreeuwde een zonderling staaltje van het Kuropeesch menschenras, in een linnen buis, en met eene g\'nommerde ko-neren plaat op zijne borst, als ware hij reeds in een museum van rariteiten genommerd. Het |
was de oppasser. „Hier, mijnheer!quot; riep hij. „Kom voor den dag, eerste cab!quot; En nadat de „eerste cabquot; uit de herberg voor den dag was gekomen, hielp men Pickwick met zijn valies in het rijtuig. „Go ld en-Crossquot; zeide Pickwick. „Dat is maar één shilling, Tom!quot; zeide de voerman knorrig tot zijn vriend den oppasser. „Hoe oud is dat paard, vriendje?quot; zeide Pickwick toen zij een eindje op weg waren, „Twee en veertig jaar,quot; antwoordde de voer- ! man, den vrager zeer onvriendelijk aanziende j „Wat?quot; riep Pickwick uit, terwijl hij zijn notitieboekje voor den dag haalde. De voerman I herhaalde zijn gezegde. Pickwick koek den man | scherp in het gezicht; maar toen deze geen blijk van verlegenheid gaf, schreef hij de vreemd \\ luidende opgaaf in zijn zakboekje op. „En hoelang houdt gij hem wel achtereen | in quot;het tuig?quot; vroeg Pickwick nieuwsgierig. „Twee of drie weken,quot; was het antwoord. „Weken?quot; herhaalde Pickwick met verbazing en deed zijn zakboekje weer open, „ Wij durven hem zelden uitspannen,quot; zeide de voorman zeer onverschillig, „omdat hij zoo i zwak is,quot; „Omdat hij zoo zwak is?quot; herhaalde Pickwick weder met toenemende verbazing, „Als hij uitgespannen is, kan hij slecht op | de\'been blijven,quot; vervolgde de voerman, „maar in het tuig kan hij zoo licht niet vallen, als ! wij het maar wat kort houden. En is hij eens \' aan den gang, dan loopen de wielen vanzelf, j /oo moet hij wel voort — willen of niet.quot; Pickwick schreef dit alles woordelijk in zijn i ; notitieboekje op, om het de club voor te lezen, | i als een zeldzaam bewijs, hoe taai van leven i sommige dieren, met name de paarden, zijn. Hij was nauwelijks hiermede gereed, toen zij Golden-Gross bereikten. De voerman sprong van i zijn bankje, en Pickwick Klom uit het rijtuig, terwijl de heereu l\'upman, Stockwall \'i en i Winkle, die hier reeds een poos gewacht had- I i den, toesnelden om hem te begroeten. „Daar is de vracht,quot; zeide Pickwick, terwijl \\ j hij\'den voerman een shilling toereikte. Hoe groot was zijn verbazing, toen de zonderlinge voerman het geld op den grond smeet, en hein in spreekwoordelijke uitdrukkingen het voorstel deed om er eens om te boksen. -) „Ben je dronken?quot; riep stockwall uit. „of gek?quot; vroeg Winkle, Engels he uitga- Deze Iwcr heet ^Snodgrass in O ven. •Z) Omlor liet Londenacli geuie. n het zeer gewoon, (lilt ii-muml, (lie (•«■n under te lijf wil, (lezen yniaL\'t, ot hij om eene of andere kleinigheid met hem wil boksen, om door het. gevecht den schijn te geven eener wedding srlmp, die door eene boksparl ij wordt hes hst en zi-h nlzoo huilen het hereik der wet tegen gewelddndige mui-vallen te houden. * Equot;T- |
DE STRIJDLUSTIGE VOERMAN.
bij, door middel zijner ellebogen, welke hy vrij onzacht met de aangezichten van hen, die hem in den weg stonden, in aanraking bracht, zich een weg door het godning baande.
Pickwick verhaalde hem in weinige woorden hoe de zaak zich had toegedragen^
„\'•voin maar mee!quot; zeide de groenrok, terwijl oA\'( ,gt;7 v\'c\'c \'\'\'J O» arm greep. „Hier, nommer I -\'-P vervolgde hij: „daar is uw vracht, en maak nu dat gij wegkomt - fatsoenlijke lieden - mijne bekenden - houd den bok maar hierheen, mijnheer! - waar zijn de andere hee\' len.\' misverstand, zie ik wees maar te-vreden het kan geen kwaad wel betalen -zal zijn loon wel krijgen — smeerlap van een kerel.quot; Met nog oen aantal zulke afgebroken gezegden, die hij zonder ophouden en met buitengewone snelheid aan elkander reeg, ging de vreemdeling vooruit naar de herberg, waarheen Pickwick en zijne vrienden hem volgden.
„Hier, oppasser!quot; riep de vreemdeling, ter-wijl hij met geweldige drift aan de schel trok. «Vijf glazen cognacgrog heet en sterk — ook bezeerd, mijnheer ? -rauwe biefstuk voor mijnheer zijn oog, hoort gij? niets beter dan dat — koude lantaarnpaal ook goed, maar ongemakkelijk - gek figuur, op straat een half i uur lang^met zijn oog tegen een lantaarnpaal te staan. Daarop goot de vreemdeling inéén teiiL-, zonder adem te halen, ruim eene halve pint dampenden cognacgrog in zijne keel en zette zich toen zoo bedaard op een stoel, alsof : hij niets ongewoons had verricht.
1 61 wijl zijne drie vrienden bezig warenden vreemdeling hun dank te betuigen, had l\'ickwick den tijd om het voorkomen en de kleeding van dezen man in oogenschouw te nemen
\'Ui had ongeveer de middelgrootte, hoewel zyne magerheid en de lengte van zijne beenen liern veel langer deden schynen. De groene rok was, in den tijd toen de smalle panden in de mode waren, een pronkkleed geweest, maar ongetwijfeld voor iemand gemaakt, die veel korter was dan de vreemdeling: want de kaalge-sleten mouwen reikten niet eens tot aan zijne handen. Van voren was de jas geheel dicht geknoopt, hetgeen de naden van den rug bijna deed barsten, en een oude stropdas zonder boordje versierde zijn hals. Zijne zwarte broek had eenige van die glanzige plekken, welke een •angon diensttijd aanduiden, en was met so u s-pieds strak over een paar oude gelapte schoenen getrokken, waarschijnlijk om de morsige witte kousen te verbergen, die evenwel duidelijk zichtbaar waren. Zijne lange zwarte haren hingen in verwarde lokken aan beide zijden mider den rand van zijn snierigen hoed; en tusse.hen do boorden van zijno Jjaiidsrlioeiien on de opslagen zijtiér mouwen, zak men het bloote v el z(jnei ai men ténMborwhifhf komen. Zijn gezicht was maner en bleek;, niaar zijn geheel
• o {
„ot allebei tegelijk ?quot; voegde Tupman er bij. „kom maar op !quot; riep de voorman, die reeds I in het wildé öm zich heen stompte. „Kom maar op alle vier!quot;
alle viet
; „Dat zal eene grap geven,quot; riepen eenige luuirkoetsiers. „Raak wat Sam!quot; Kn zij sloten lachende een kring om het vijftal. ,,W aarom i.s dat, Sam?quot; riep een hoer in een j gelapten bostrok. „Wat heeft hij gedaan?quot;
..Gedaan?quot; riep de voerman. „ Wat heeft hij ; iiujii nomnier op te schrijvon ?\'\'
j „Ik heb uw nomnier \'niet opgeschreven\'quot; ] zeide de verbaasde Pickwick.
„Zou iemand gelooven,quot; vervolgde de voer-man de toeschouwers aansprekende, „dat een verklikker het hart zou hebben, om, wanneer In.i een eerlijk man uithoort, nog voor zijne oogen alles op te schrijven wat hij zegt?quot;\'
-nu ging voor Pickwick een licht op; liet gold zijn notitieboekje.
„Heeft hij dat gedaan?quot; vroeg een ander voerman.
,.Ja zeker quot; antwoordde de eerste. „En nu hij t. dat ik hem zijn loon wil geven, roet,thij drie getuigen bij. Maar hij zal er van lusten Krijg ik er zes maanden voor!quot; Daarop smeet | tui zijn hoed van zijn hoofd, sloeg l\'ickwick j den .ml van zijn neus, gaf hem een paar stompen op di\' borst, sprong toen als een dolleman ni lu \' rond, en schermde zoo duchtig met zijne vuisten, dat stockwall, Winkle en Tupman\'te-geujkertyd eenige stooten kregen, die, met do | juistheid van een bekwamen bokser, op den neus, de borst en het onderlijf dezer heeren werden gericht. Dit alles was het werk vaneen halve minuut.
„Is hier geen dl en der ?quot; vroeg Stockwall. „Leg ze onder de pomp!quot; was de raad van con oliekoekenverkoQper.
„Het zal u berouwen,quot; zeide Pickwick. „Verklikkers!quot; riep liet volk.
..Kom maar op! schreeuwde de voerman die onophoudelijk zijne vuisten in beweging hield.
De omstanders hadden zich eerst vergenoegd in.\'t her «evfcht stilzwijgend aan te zien ; maar toen zij hoorden zeggen, dat de Pickwicklstrn verklikkers waren, begonnen zij inderhaast te leraadsiagen of het niet goed zou z^\'n het voorstel \\ an den driftigen oliekoekenrnan ten uit-v.er te brengen: en wie weet hoede zaak zou /iin afgeloopen, indien de tusschenkomsr van iemand, die op dit oogen blik aankwam, geen eind aan het tumult luid gemaakt.
..Wat is er te doen?quot; vroeg een lang mager jonkman, met een groenen rok, die de herberquot; uitkwam. |
„Verklikkers!quot; riep het volk weder.
..Neen. waarlijk niet.!quot; zeide Pickwick, op een toon, die een onpartijdig toehoorder moest overtuigen.
„Xiet, - niet? vroeg de jonkman.
zn er al
SAMUEL P
|
voorkomen had iets eigendommelijks, dat moei-elijk te beschrijven zou zijn, maar op eene onmiskenbare wijze eene vermeteleenkoelbloedige onbeschaamdheid aanduidde. Zoo zag de man er uit, dien Pickwick door zijn bril (dien hij gelukkig teruggekregen had) aanstaarde, en wien hij, toen zijne vrienden eindelijk zwegen, op zijne beurt zijn hartelijken dank voor de bewezen hulp betuigde, „Al wel zoo!quot; zeide de vreemdeling, die hem spoedig in de rede viel; - „genoeg gezegd. Pen knappe bokser, die voerman — maar als ik uw vriend met het jachtbuis was geweest — duivels! zou hem geraakt hebben — oliekoe-kenrnan er by - mij niet klein krijgen,quot; Deze onsamenhangende rede werd afgebroken door den voerman, die naar Rochester moest, en binnenkwam om te zeggen, dat de Commodore terstond zou afrijden. „Commodore!quot; riep de vreemdeling op-springende. „Daanneê moot ik weg — plaats genomen — buitenop — gij zult den cognac wel betalen geen klein geld groote haast.quot; Het geval wilde, dat Pickwick en zijne drie reisgenooten insgelijks besloten hadden om Rochester tot hunne eerste rustplaats te maken, en nadat zij hun nieuwen bekende hadden medegedeeld, dat zij naar dezelfde\'stad gingen, spraken zij af om ile achterbanken der diligence te bezetten, waar zy bij elkander konden blijven. „Een — twee hoep!quot; zeide de vreemdeling. terwijl hij Pickwick met zooveel overijling naar boven duwde, dat het dezen zeer moeie-lijk viel zijne gewone deftigheid eenigszins te bewaren. „Ook bagage, mijnheer?quot; vroeg de conducteur. „Wie — ik? Dit pakje -• anders niet - ander goed vooruil met het schip — pakkisten -zoo groot als huizen - zwaar — verduiveld zwaar,quot; zeide de vreemdeling, terwijl hij alle moeite denl, om het pakje, dat naar zijne grootte en fatsoen te oordeelen, één hemd en één zakdoek bevatte, in zijn zak te stoppen. ,. iiuk - hoofden omlaag!quot; riep do luidruchtige vreemdeling, toen zij onder den lagen boog kwamen, welke in dien tijd den ingang van het koetsplein vormde. „Gevaarlijk hier laatst nog vijf kinderen moeder lange vrouw at een boterham dacht niet om de poort bons krak kinderen zien op moeders hoofd af boterham neg in de hand geen mond om hem in te steken ijselijk Gij ziel naar Whitehall, mijnheer! mooi gebouw klein venster daar ook iemands hoofd af zag ook niet genoeg voor zich In !quot; \') 1) Kar-\'l I werd voor Whilf\'hftll onthoofd, en door venHter op liet s» hnvot gpbmclu. Vki.t. |
„Ik dacht juist na.quot; zeide Pik wiek „over de zonderlinge onstandvastigheid van het onder-maansche,quot; „Ha ik begrijp - den eenen dag de deur , van het paleis in — den anderen het venster uit. — Philisoof mijnheer?quot; „Ik ben ten minste gewoon waar te nemen i en na te denken,quot; antwoordde Pickwick. „Ik ook — de meeste menschen, als zij weinig te doen en nog minder te verdienen hebben. Dichter, mijnheer?quot; „Mijn vriend Stockwall heeft veel aanleg voor ! poëzie,quot; antwoordde Pickwick. „Ik ook,quot; zeide do vreemdelidg. „Heldendicht tienduizend regels - Juli-n volutie - op de plek geschreven — Mars over dag Apollo des nachts in den eenen arm het geweer-in den anderen de lier.quot; „Zijt gij dan in persoon tegenwoordig ge- j . weest bij de glorierijke gebeurtenis?quot; vroeg ; Stockwall. „Tegenwoordig? Of ik! mijn geweer afgeschoten een idee in het hoofd - naar de herberg — opgeschreven — terug — afgevuurd weer een idee — weer naar de herberg pen en inkt weer terug-- een heerlijke tijd, mijnheer! Jager, mijnheer?quot; vroeg hij, zich plotseling tot Winkle keerend. „Zoowat, mijnheer!quot; antwoordde deze. „Eene edele liefhebberij! — Honden, mijnheer?quot; „Voor het tegenwoordige niet,quot; washetant- | woord. „O! moest honden houden — schrandere dieren -- ook eens een hond - staande hond — i verbazend schrander eens uitjagen — kwam binnen eene heining — lloot — hond kwam niet tloot nog eens -- nog niet Pon to! bleef staan - Pon to. Pon to! bewoog ! zich niet — stond naar een bord te kijken — ging ook kijken — las; „De boschwachter heeft j order, om alle honden, die hij binnen deze hei- ; ning vindt, dood te schieten.quot; Wilde daar niet voorbij verbazend schrander. he?quot; „Eene zeer opmerkenswaardige omstandigheid.quot; zeide Pickwick. „Wilt gij mij vèroorlo- | ven die op te teekenen?quot; „Gaarne, mijnheer! gaarne nog honderd anekdoten van hetzelfde dier. — Een mooi meisje mijnheer!quot; Dit laatste gezegde werd tot Tup- i man gericht, die een meisje, dat hun tegenkwam, met een bijzonder vriendelijken blik had vereerd. „Ja waarlijk,quot; zeide Tupman. „Engelache meisjes niet zoo mooi als de Spaansche edele vormen — zwart haar -zwarte oogen lieve schepseltjes heerlijk.quot; „Zijt, gij dan in Span j e geweest, mijnheer?quot; | vroeg Tupman. „Gewoond — jarenlang.quot; „Vele avonturen, mijnheer?quot; vroeg Tupman. i |
NAAR DE OUDE STAD ROCHESTEK.
|
I „Avonturen? - Bij duizenden. - Don Bo-lara Eizzgig — een Griande van .Spanje — eenige dochter — Donna Christina — eta-I tige dame — smoorlijk opinij verliefd — ijver-; znclitige vader — grootmoedige dochter wel-j gemaakt Engelschman — Donna Christina j wanhopig — blauwzuur ingenomen maag- j pomp in mijn valies - operatie gedaan - de oude Bolaro opgetogen keurt ons huwelijk : goed — handen in elkander en een vloed van j tranen — uiterst romanesk.quot; j ..Is deze dame tegenwoordig in Engeland, | mynheer?quot; vroeg Tupman, op wien de vermelding harer bekoorlijkheden een diepen indruk i had gemaakt. j „Dood, mijnheer - dood,quot; zeide de vreemde-1 ling, terwijl hij het overschot van oen katoenen zakdoek voor zijn rechteroog hield. „Nooit weer \' wel na dat pompen - gestel ondermijnd | werd het slachtoffer.quot; .■Eu haar vader?quot; vroeg de poëtische IStock-i wall. „Wroeging i n ellende,quot; zeide de vreemd\'-ling. „Op eens verdwenen de stad er vol van - overal zoeken niets te vinden fontein op de markt hield in eens op met springen weken lang - schoongemaakt - vijver afgetapt — sc.hoonvader met zijn hoofd in de groote pijp, met eene geschreven biecht in zijne rech-terlaars — uitgehaald en de fontein weer aan den gang.quot; „ Wilt gij mij vergunnen, den inhoud van den kleinen roman op te schrijven?quot; vroeg stock-wall diep getroffen. „Gaarne, mijnheer! gaarne - nog vijftig, als gij ze hooren wilt. - Een vreemd leven, dat ik gehad heb vol avonturen.quot; Op deze wijze ging de vreemdeling voort, tusschenbeide eens afbrekende, om een glas bier te drinken, als de diligence van paarden verwisselde, totdat zij de brug van R o c h est e r bereikten, tegen welken tijd^de zakboekjes zoowei van Pickwick als van Stock wall, bijna volgeschreven waren met eene bloemlezing uit zijne avonturen. ..Welk eene eerwaardige ruïne Iquot; riep Stock-wadi uit, niet al le t dichterlijke vuur dat hem quot;igen was, toen zij het statige oude kasteel in het gezicht kregen. „Welk een onderwerp van nasporingen vooreen oudheidkenner!quot; waren de woorden, die 1 Pickwick ontvielen, toen hij zijn verrekijker ; voor zijn oog plaatste. „O zoo mooi!quot; zeide de vreemdeling. „Zware muren ingevallen botren - donkere gaten -gebroken trappen dan de kerk gratlucht lage deuren rare snaken, die monniken telkens vindt men wat munten en penningen — sabels ook - en oude legenden vreemde histories.quot; Met. deze alleenspraak ging I de vreemdeling voort, totdat de diligence voor \' : de herberg de Stier hield. |
„Blijft gij hier, mijnheer? vreemdeling. „Ik — neen - maar u zou ik het raden — Wiigts is het andere logement duur geweldig duur — eene halve kroon op de rekening, als men den oppasser maar aankijkt.quot; Winkle keerde zich om, en (luisterde met Pickwick en de anderen; allen knikten. Pickwick trad nader, en sprak den vreemdeling aan. „Oi.j hebt ons dezen morgen een gewichtigen dienst bewezen, mijnheer!quot; zeide hij. „Wilt gij s ons vergunnen u een gering blijk onzer dankbaarheid te geven, doorn te verzoeken, ons met uw gezelschap bij den maaltijd te vereeren?quot; „Met zeer veel genoegen. Niet on best-hei-niaar gebraden hoenders en chainpiLr-nons - keurig! Hoe laat?quot; „Laat zien!quot; hernam Pickwick, op zijn horloge kijkende. „Het is nu drie: zullen wij vijf zeggen?quot; „Opperbest,quot; zeide de vreemdeling. „Vijf uur precies tot weerziens dan !quot; Hiermede lichtte hij zijn hoed eenige duimen van zijn hoofd, zette dien vrij schreef weder op, en ging heen met het paKjo, dat half nit zijn rokzak kwam kijken. „Blijkbaar een reiziger, die vele landen heeft doorgezworven, en een nauwkeurig opmerker van menschen en zaken,quot; zeide Pickwick. „Ik had gaarne dat gedicht gelezen,quot; zeide Stockwall. „Ik zmi dien hond wel eens willen zien,quot; zeide Winkle. Iupman zeide niets; maar hij dacht aan Don na Christina, de maagpomp en de fontein en zijne oogen schoten vol tranen. Nadat men een middagmaal in eene afzonderlijk1, kamer bestek! en de slaapvertrekken bezichtigd had, ging het gezelschap uit, om de stad en den omtrek in oogenschouw te nemen. Bij het h\'/.én der aanteekenlngen van den geleerden l\'ickwick over de vier steden Stroud, Koe he ster, Chat tam en B romp ton, is hel ons gebleken, dat zijne gedachten over haat uitwendig voorkomen in geen wezenlijk opzichi v;iii die der andere reizigers verschillen, welke dezelfde plaatsen zijn doorgetrokken. Zijne algemeene beschrijving kan gemakkelijk wat verkort worden. „De voornaamste voortbrengselen dezer steden.quot; zegt de heer Pickwick, „schynen in soldaten, matrozen, Joden, krijt, garnalen, oflicie-ren en kruiers te bestaan. De waren, die men meestal op de straten te koop ziel, zijn oude kleeron, harde beschuit., appelen, platviseh en oesters. De straten hebben een druk en levendig voorkomen, door de gezellige vroolijkheid der militaiien. Met isstreelend vooreen menschlie-vend gemoed, wanneer men deze dapperen, door een moreole en matorieele opgewondenheid in de Highstreet stil-vroeg Winkle den |
8 SAMUEL P
OVICK.
|
overweldigd, waggelend ziet voortstappen; vooral wanneer men bedenkt, dat het naloopen en voor den gek houden dezer brave lieden goedkoop en onschuldig vermaak voor de jeugdige bevolking oplevert. Het verbruik van tabak,quot; vervolgt de heer Pickwick, „moet zeer groot wezen; en de reuk, die in de straten heerscht, is gewis zeer aangenaam voor iemand, die veel van rooken houdt. Een oppervlakkig reiziger zou ontevreden kunnen zijn over de morsigheid, welke deze steden kenteekent; maar voor hen, die haar als een I blijk van de drukte en den bloei des koophan-i dels beschouwen, is zij zeer aangenaam.quot; GEBEUKT E.N ISSEN OP DEN EERSTEN AVOND, EN DE OHVOLGEN DAARVAN. Precies te vijf uur kwam de vreemdeling, en i kort daarop was het middagmaal gereed. Hij was van zijn pakje ontslagen, maar had geene | verandering in zijne kleeding gemaakt, en was, • zoo mogelijk, nog spraakzamer dan te voren. „Wat is dat?quot; vroeg hij, toen de knecht het deksel van een der schotels nam, „Tongen, mijnheer!quot; „Tongen! - ah lekkere visch — komen | van Londen - manden vol wagens vol-i altijd aftrek een glas wijn, mijnheer?quot; „Üaarne,quot; antwoordde Pickwick, en de vreemdeling dronk een glas, eerst met hem en vervolgens met elk lid van het gezelschap, met bijna dezelfde snelheid als hij praatte. „Duivelsch woelig op (b- trap vriend 1quot; zeide do vreemdeling tol den knecht. ..Banken naar boven timmerlieden naar beneden - lampen glazen — harpen wat zal dat geven?quot; ..Een bal, mijnheer!\' antwoordde de knecht, „ten voordeele van een weldadig genootschap.quot; „Wi et gij ook of er hier in du stad veel mooie meisjes zijn?quot; vroeg Tupman, met zeer 1 veel belangstelling. „Een aantal Kent, mijnheer ieder weet het van Kent appelen, kei sen, hop en i vrouwen. — (lias wijn, mijnheer?quot; „Met genoegen,quot; antwoordde Tupman. De i vreemdeling schonk in en ledigde zijn glas in i i i ne t\'-ug. „Ik zou er gaarne bij zijn,quot; zeide Tupman eene poos later, weder aan het bal denkende. .Zeer gaarne,quot; „Beneden zijn kaartjes b krijgen,quot; viel de l knecht hierop in. , De prijs is eene halve guinje, j mijnheer!quot; Tupman gaf nogmaals zijn verlangen te ken-j nen om het feest bij te wonen, maar dewijl hij i in het somber oog van stockwall en don verstrooid rondd walenden blik van Pickwick geen antwoord vond, viel hij met lust op het dessert |
■ aan, dat juist was klaargezet. De knecht verwijderde zich, en het gezelschap had nu het genot der vroolijke uren na den maaltijd voor zich, „Neem mij niet kwalijk, mijnheer!quot; zeide de vreemdeling, „De flesch staat stil - laat haar | rondgaan — met de zon om — uitdrinken — | staartjes!quot; Hiermede ledigde hij zijn glas, en schonk het weder vol, met het gezicht van iemand, die er aan gewoon is. Men liet nog eenige flesschén komen. De | vreemdeling bleef praten, en de Pickwickisten i bleven luisteren. Tupman kreeg metleder oogen | blik meer lust in bethal. Het gelaat van Piek- ] wiek prijkte met een gloed van algemeene men-schenliefde: Winkle en Stockwall waren in slaap gevallen. „Daar beginnen zij?quot; zeide de vreemdeling, i „Heor maar violen stemmen gedaan nu gaan zij aan den gang.quot; De mengeling van geluiden, die men uit de danszaal hoorde, kondigde het begin der eerste quadrille aan. „Wat zou ik er gaarne bij wezen!quot; zeide Tupman weder. „Ik ook,quot; zeide de vreemdeling. ■ „Ver- 1 wenschte bagage — onderweg — geen rok om i aan te trekken — gek genoeg he?quot; Algemeene menschenmin was een hoofdtrek : van de theorie der Pickwickisten en niemand i was ijveriger in de toepassing van dit edele ! beginsel, van Tracy Tupman. Het is bijna onge- j looielijk, hoevele malen, gelijk In de notulen der club is aangeteekend, die menschlievende \' man arme lieden bij de andere leden aan huls gt; zond, ten einde om afgelegde kleederen of gel- | delijken onderstand te verzoeken. . Ik zou u zeer gaarne een pak kleeren van mij leenen,quot; zeide Tupman, „maar gij zijt nog al mager, en ik ben . .!quot; ..Tamelijk dik een volwassen Bacchus — zdnder wijngaardbliiren — van zijn ton gestapt — in een nièuwerwetschen rok -• ha, ha! — j Reik my de flesch ems aan!quot; Of Tupman eenigszins verontwaardigd was i over den stouten toon, waarop de vreemdeling hei beval de flesch aan te reiken, of wel zich eenigszins geraakt voelde, dat men een voornaam lid van de Pickwick-Club met een Bacchus zonder ton vergeleek, is tot nog toe niet uitgemaakt. Hij reikte de flesch aan, kuchte een paar malen, en staarde den vreemdeling «■•ene poos vrii barach in het gezicht; daar deze zich echter volstrekt niet aan dien blik scheen te j : storen, word hij langzamerhand weder vriende- I Ujker gestemd, en vatte het onderwerp van het bal weder op, „Ik wilde zeggen, mijnheer!quot; zeide hij, „dat, j hoewel mijne kleeren u te wijd zijn, een pak | van mijn vriend Winkle n misschien beter pas- | sen zou,quot; De vreemdeling nam met zijne oogen de maat 1 |
naai; hei bal
van mijnheer Winkle, glimlachte van genoegen, . mijne,quot; zeide hij. Als ik hem wakker maakte en zeide: „Juist van pas quot; zou ik hom tocii niet kunnen doen begrijpen,
Tupman zag om zich heen. De wijn, die zijn wat ik hebben wilde. Maar ik weet, dat hij een slaapverwekkend vermogen op de heeren Stock- nieuw pak kleeren heeft medegebracht, üaar-wall en Winkle had uitgeoefend, [had eindelijk mede zoudt gij uaarjhet bal kunnen gaan, en ook de zinnen van Pickwick overmeesterd. Hy het terstond weer uittrekken als wij terugko-was al stiller en stiller geworden; en thans men; dan behoefde hij er niets van te weten,quot; was zijn hoofd op zijne borst gezonken, terwijl „Heerlijk,quot; zeide de vreemdeling. „Uitmun-een aanhoudend snorken het eenige geluid was, tend bedacht drommels raar loopt het toch dat de tegenwoordigheid des groeten mans ver- | veertien rokken in de koffers en een rok van kondigde. j een ander te moeten aantrekken, maar gij zijt
De verzoeking, welke Tupman gevoelde, orn | een genie — een genie zeg ik.quot;
naar het bal te gaan en de dames van Kent „Nu moeten wij ons van kaartjes voorzien,quot; zijn hof te maken, was zeer groot. De verzoe- zeide Tupman.
king om den vieemdeling mede Ir-nemen, was „Hel is niet de moeite waarde ecnguinjete | niel ueiing\'-i. Hij kende niemand in de stad, wisselen,quot; hernam de vreemdeling. „Wij zullen 1 | en de vreemdeling scheen er zoo bekend te we- | er om raden, wie voor beiden betalen zal. Gooi | , Z\'ii, alsot hij er zijne geheele leven had gewoond, maar een souversin op.quot;
| Win kir zat te slapen, en fupman had onder- i Hij won het. \'iHtpnian schelde, betaalde twee vindim; genocii in zulke zaken, om te weten, kaartjes, en na verloop van ••en kwartieruurs | dat zi,ju \\ tiend, naar den gewonen loop der na- was de vreeindi-ling in een volledig balkostunm ! tuur, zoodra hy ontwaakte, naar bed zou gaan, j van den heer Nathaniel Winkle gekleed. Nog aarzelde hij, „Schenk eens in!quot; zeide de ; „Hot is een nieuwe rok,quot; zeide Tupman, toen i onvermoeibare vreemdeling. de vreemdeling zich met veel genoegen in don
1 upman voldeed aan dit verlangen; en dit spiegel bekeek. „De eerste, die met onze club laatste glas gat hom den noodigen moed, om knoopen gemaakt is,quot; Hij wees zijn metgezel de een besluit te nemen, ^ groote vergulde knoopen, waarop in het midden \\
„De slaapkamer van Winkle is achter de • het borstbeeld van den heer Pickwick, met de |
10 SAMUEL PICKWICK.
: letter^ P. C. aan boide zytlon, gestempeld was. ren en datnes begaven zich naar het boveneinde ..Het portret van den oude, zeide de vreem- van de zaal, en bleven daar bij elkander, zendeling, „en 1\'. \' • _ ■ wat beteekent dat ? der iemand van het overige gezelschap, dat zij i wat beduidt 1\'. ( .niet statige blikken beschouwden, met een 1 upman verklaarde jhem d- geheimzinnige woord te verwaardigen, in het andere gedeelte teekenen, niet zonder eeiiige verbazing en mis- , der zaal volgden de overige aanwezigen hun | noegen ovei zijne ontwet. tidheid. voorbeeld, en verdeelden zich in ©enige groepen,
„Wat kon van taille, zeide «ie vreemde- | die zich zoo dicht aan elkander hielden geslo-| ling, terwijl hij zijne leden verwrong, om de ten, alsof de minste gemeenschap met een la- I achterknoopen te zien, die hein halverwege op \' geren rang hen zou besmet hebben. De officie- 1 den rug zaten. „Uelykt wei een brievenbestel- I ren van hot DTste regiment maakten hierop ; lersrok zonderlinge rokken — aangenomen j echter eene uitzondering; zij bewogen zich. met I I werk - niet: gemeten - verbazend spel van | benijdenswaardige vrijheid,quot; door quot;alle klassen het noodlot - de langen krijgen allen korte heen, van de hoogste\'tot de laagste, zonder dat rokken, en «h korten lange.quot; Zoo voortbabi»!- ; hun dit kwalijk werd genomen. In hetzelfde lende schikte hij zijne of liever \\\\ inkle\'s klc- voorrecht deelde een klein dik mannetje, met ding in orde, en ging vervolgens de trap op ; et n krans van borstelig zwart haar om zijn i naai de danszaal. ^ hoofd, en eene groote kale plek bovenop — de
„Namen, mijnheer?quot; zeide de knecht, die aan j regiments chirurgijn dokter Slammer. Hü snoof I de deur stond. Tupman wilde zeggen, hoi hij i met iedereen, praatte met iedereen, \'lachte, heette, toen de vreemdeling hem voorkwam. : danste, maakte grappen, speelde whist, deed ^ „Geeni namen,quot; zeide hij, en fluisterde daarop alles, en was overal. I!y deze bezigheden, hoe Tupman in: „Namen deugen niet anders : tarijk /.ij reeds mochten wezen, naïn de dokter : goed, maar onbekend goed genoeg voor een | er nog eene waar, van meer belang dan eene i
klein gezelschap; maar maken geen indruk op der overige; hij maakte namelijk met den groot-\' het publiek - incognito is het best. ; sten ijver zijn\'hof aan eene kleine, oude. we- i
„Heeren van London,quot; vervolgde hij tegen ; duwe, wier rijke kleeding en juweelen té ken-i den knecht, „voorname vreemdelingen, : nen gaven, dat zU een zeer welkome partij voor • I wat gij maar wilt.quot; De deur werd geopend, en iemand met een beperkt inkomen zou zijn. I i zij tiaden de danszaal binnen. De oogen van Tupman en zijn metgezel wa- I
Het was een lang vertrek, bezet met banken, j ren een poos op den dokter en de weduwe i die met eeim roode stof overtrokken waren, en gevestigd geweest, toen de vreemdeling zijn I | door waskaarsen op glazen kronen verlicht. De stilzwijgen afbrak.
muzikanten waren omhoog in een hokjeopge- i „schatrijk oud wijf ingebeelde dokter i sloten. In een aangrenzend vertrek waren twee I grap hebben,quot; waren de afgebroken gezegden, i speeltafeltjes geplaatst, waaraan twee paar oude j die hem ontvielen.
dames en een overeenkomstig getal bejaarde I Tupman zag hem vragend aan.
| heeren whist zaten te spelen. De finale der eerste „Ik moet met «Ie weduwe dansen,quot; zeide de I quadrille was gespeeld, de dansers wandelden in j vreemdeling,
: de zaal rend, en Tupman plaatste zich met zijn „Wie is zij?quot; vroeg Tupman.
l makker in een hoek, om het gezelschap eens .Weet het niet nooir gezien -den dokter j quot;P nemen. een beentje lichten — daar gaat het er op los.quot;
„I» knoiiijke vrouwen,quot; zeide Tupman. De vreemdeling begaf zich zonder dralen naar
„Wacht maar,quot; zeide de vreemdeling. „Gij den anderen kant der zaal, bleef tegen den | /n^ grappen zien. De voornaamste zijn er schoorsteenmantel geleund staan, en begon met I nog niet. Het gaat hier aardig toe. De eer- een blik vol eerbiedige, droefgeestige teeder-sr.e klasse wil «Ie tweede, de tweede de derde, heid het bolle gezicht der oude dame aan te en «b\' derde «Ie laagste niet kennen. staren, stom van verbazing sloeg Tupman hem
| ., Wie^ is «lie kleine jongen in dat soldaten- gade. De vreemde maakte rassche vorderingen. | pakje ,\' vroeg Tupman. De weduwe liet haar waaier vallen, de vreem- |
\'■ stil! — kleine jongen soldaten deling raapte dien op, en bood hem haar aan j pakje schaam u wat 1 jonkman vaandrig een glimlach ««ene buiging een gesprek i van hel zeven ei: noyentigste rigiment - snipe van weinige woorden. De vreemdeling snelde i aanzienlijke familie.quot; j heen, en kwam met den ceremoniemeester te- |
lt;ip ilit oogunblik wordenaclitereenvdlgenade rug; daarop volgde eene pantomine van intro-voornaamste lieden der stad door den knecht due tie; en de vreemdeling en mevrouw Budger ; aangediend. Ii«! «lireetour van hei dok, de com- namen plaats in de quadrille.
! mandant van het Karnizoon, en andere aanzien- Hoe groot de verwondering van mijnheer | iijke personen, eik met zijne vrouw en dochters. \'■ Tupman over zulk eene voortvarendheid ook ! \'l\'upüian zag terstond, dat de vreemdeling de wezen mocht, kon zU toch niet bü de verbazing i waarheid had gesproken; want deze groote hee- van den dokter halen. De vreemdeling was jong
OP HET BAL
11
|
en de weduwe gevoelde zich gevleid. De weduwe gal\' geen acht op de beleefdheden van den dokter, evenmin als zijn koelbloedige medeminnaar op zijne verontwaardiging. Dokter Shimmer stond versteend. Zou hij, dokter Slammer van het 97ste regiment, in een oogenblik verdrongen worden door een man, wk-n niemand kende? Onmogelijk ! En toch was het zoo; daar stonden zij. Wat! introduceerde hij zijn vriend? Kon Slammer zijne oogen gclooven? Hij keek nog eens, en moest tot zijn leedwezen bekennen, dat hij goed gezien had. .Mevrouw Budger danste met Tnpman; het was maar al te waar. Daar zag hij de weduwe, die met ongewone vlugheid heen en weer sprong, en Tup-man, die zijne passen maakte met een gezicht zoo ernstig, alsof liet eene doodzonde zou geweest zijn, onder eene quadrille te lachen. Stilzwijgend en geduldig verdroeg de dokter dit alles, en al het aanbieden van ververschin-gen, en het praten en lachen, dat er volgde; maar eenige seconden, nadat do vreemdeling de zaal had verlaten, om mevrouw Budger naar haar rijtuig te geleiden, stoof hij naar buiten, terwijl al zijne opgekropte gramschap in eens dreigdf uit te barsten, en zijn drift hem het zweet langs zijn gezicht deed loopen. De vreemdeling kwam juiet met Tupman terug. Hij sprak fluisterend en lachte. Hij had derhalve gezegevierd! De kleine dokter dorstte naar zijn bloed. „Mijnheer!quot; zeide de dokter met verschrikkelijke stem, terwijl hij een kaartje uit zijn zak haalde: „ik heet Slammer dokter Slammer van het uTste regiment, mijnheer! Mijn kaartje, mijnheer! mijn kaartje!quot; Hij wilde nog meer zeggen, maar zijne gramschap deed hem bijna stikken. „Ah!quot; zeide de vreemdeling koel: ,,Slammer - zeer verpliht zoo gezond als een visch maar zoodra ik wat mankeer, zal ik u laten roepen.quot; „Mijnheer!quot; bulderde de woedende dokter, „gij zijt een intrigant, een lafbek, een leugenaar! Zal niets u bewegen, mij uw kaartje te geven ?quot; „O, ik begrijn het al!quot; zeide de vreemdeling, half bij zichzelven; — „punch te sterk hospes al te mild gek genoeg limonade veel beter benauwde zaal heer van jaren morgen ziek jammer jammer.quot; En hij ging een paar stappen voort. „Gij logeert hier in huis, mijnheer!quot; zeide de verontwaardigde Slammer. „Gij zijt nu dronken, mijnheer! Gij zult morgen van mij hoo-ren, mijnheer! Ik zal u wel uitvinden, mijnheer !quot; „Liever dat gij mij uitvindt, dan dat gij mij te huis vindt,quot; antwoordde de onkwetsbare vreemdeling. Dokter Slammer zag hem aan alsóf hij hem |
wilde verslinden, terwijl hij zijn hoed diep in zijne oogen drukte; en de vreemdeling ging met Tupman naar boven, om den niets kwaads vermoedenden Winkle de geleende veeren terug te brengen. Deze heer lag in een genisten slaap, en de vreemdeling trok snel zjjneeigenekleeren weder aan, terwijl hij zeer vroolijk over het gebeurde scherste. Ook Tupman, wiens hoofd door den wijn, de punch, het licht en de dames geheel op hol was gebracht, vond de geheele zaak eene j alleraardigste grap. Zoodra zijn nieuwe vriend i vertrokken was, begon hij zich te ontkleeden; I het kostte hem veel moeite, om in zijne slaap i muts het gat te vinden, waarin hij zijn hoofd | moest steken, en onder de pogingen, welke hij | daartoe aanwendde, stiet hij zijne kaars om. ! Na eene reeks van mislukte proeven gelukte het hem evenwel, in bed te komen, en kort daarop sluimerde hij in. Den volgenden morgen had het nauwelijks zeven uur geslagen, toen Pickwick\'s schrander | brein, door een luid kloppen aan zijne kamer- j deur, uit den staat van bewusteloosheid werd i opgewekt, waarin de slaap hem had doen ver- i zinken. „Wie is daar?quot; riep hij, terwijl hij overeind kwam. „De oppasser, mijnheer!quot; „Wat moet gij hebben?quot; „Zoudt gij mij, als \'t u belieft, niet kunnen zeggen, mijnheer! wie van de heeren van uw gezelschap een blauwen rok draagt met vergulde knoopen, met P. C. er op?quot; ..Hij zal den rok gekregen hebben om af te borstelen,quot; dacht Pickwick, „en vergeten zijn, bij vvien hij wezen moet.quot; - „Mijnheer Winkle,quot; riep hij. „De derde kamer aan de rechterhand.quot; „Dank je, mijnheer!quot; zeide de oppasser, en verwijderde zich. „Wat is er te doen ?quot; riep Tupman, toen een geweldig kloppen aan zijne deur hem uit uit zijne diepe sluimering wekte. ,.Kan ik mijnheer Winkle spreken?quot; vroeg de oppasser daar bniten. „Winkle Winkle!quot; schreeuwde Tupman, zich naar de deur van de andere kamer keurende. „Hei daar!quot; antwoordde een dofte stem, die van onder het dek scheen to komen. ..Men vraagt u te spreken iemand aau de deur!quot; En toen Tupman lang genoeg wakker was gebleven, om er zooveel uit te krijgen, keerde hij zich om, en sliep weder in. „Mij spreken?quot; zeide Winkle, terwijl hij opstond en haastig eenige kleederen aantrok. ..Zoo ver van de stad! Wie zou hier iets met mij te maken hebben?quot; „Een heer in de kofliekamer, mijnheer!quot; antwoordde de knech t, toen Winkle de deur opende. Hij zegt, dat hij u geen oogenhlik zal ophou- |
12 SAMUKL I\'ICKWK\'K.
I den, maar dat h;i u noodzakelijk spreken moet.quot; i het gezelschap werd aangeduid, en hij heeft mij ; I „Dat is vreemd.quot; zeide Winkle. „Ik zal ter- | dadelijk naar u gewezen.quot;
i stond beneden komen.quot; I Indiende zwaarste toren van het Kasteel van
| Hij wikkelde zich haastig in een slaaprok, en | Rochester zich op eens van zijn grondves- j \' ging naar beneden. Een oude vrouw en een ! ten losgemaakt en zich voor het venster van paar knechts waren bezig niet de koffiekamer i de koffiekamer had geplant, zou Winkle zeker schoon te maken, en een ofïlcier in klein tenue niet zoo verbaasd zijn geweest, als hij over deze stond uit het venster te kijken. Hij keerde zich aanspraak was. Zijne eerste gedachte was, dat om, toen Winkle binnentrad, en maakte eene ! men zijn rok had gestolen. „Wilt gij zoo goed stijve buiging; daarop deed hij de bedienden I zijn een oogenblik te wachten?quot; vroeg hij. de kamer ruimen, sloot zorgvuldig de deur, en \' „-0 ja!quot; antwoordde de onwelkome bezoeker, zeidr: „.Mynheer Winkle, naar ik meen!quot; Winkle liep schielijk naar boven en opende
■Tuist,quot; antwoordde deze. ..Mijn naam is met bevende handen het valies, waarin hij zijn Winkle.quot; ! rok had gepakt. Daar lag de rok; maar toen
„Dun zal het u niet verwonderen, mynheer, hij dien nauwkeurig bekeek, ontdekte hij duide-wanneer ik u zeg, dat ik u kom spreken uit lijk sporen, dat hy den vorigen avond gedragen naam van mijn vriend, dokter Slammer, van I moest zijn.
het zeven en negentigste regiment.quot; 1 „Het moet wel zoo wezen,quot; zeide Winkle,
„Dokter Slammer ?quot; zeide Winkle. terwijl hij den rok uit zijne handen liet vallen.
„Dokter Slammer,quot; herhaalde de officier. ., Hij i „Ik lieb gisteren na den eten wat te veel wijn heeft mij verzocht, u te zeggen, dat uw gedrag | gedronken, en herinner mij nu flauw, dat ik gisteravond van zulk een aard was, dat geen naderhand eene sigaar gerookt en eene wande- i fatsoenlijk man het zich kan laten welgevallen, ling gedaan heb. Ik ben zeker dronken geweest en ook geen fatsoenlijk man zich zoo iets kan — heb eenen anderen rok aangetrokken ben I lat\' n voorstaan.quot; | ergens heengegaan — en heb iemand beleedigd; •
Winkle\'s verlmzing was te lt;-cht en te blijk- zonder dat ik weet, waar of wien - ik twijfel baar. dan dat zij den vriend van dokter Slammer j er niet aan ; en deze verschrikkelijke boodschap | had kunnen ontdaan. Hij vervolgde derhalve; is het gevolg.quot; Dit zeggende, begaf hij zich | „ Mijn vriend, dokter Slammer, heeft mij ook ; weder naar de koffiekamer, met het manhaftig | verzocht, u te zeggen, dat hij vast overtuigd besluit, om de uitdaging van den krijgszuchti- i is. dat gij gisteravond geheel of ten deele dron- ; gen dokter Slammer aan te nemen en het ergste | ken moet zijn geweest, en misschien niet recht af te wachten wat er van komen kon.
wist, welke beleediging gij hem aandeedt. Hy Tot dit besluit werd Winkle door verschil- i heelt mij opgedragen, u te zeggen, dat, indien lende beweegredenen gebracht, waarvan zijn : gij u daarmede mocht willen verschoonen, hy i aanzien in de club de voornaamste was. In j zich tevreden zal stellen met eene geschreven | alles, waarbij moed, kracht en behendigheid te i verontschuldiging, die ik zal dicteeren.quot; pas kwamen, was hij altijd aller vraagbaak en I
,.K» ne geschreven verontschuldiging?quot; her- voorbeeld geweest; en wanneer hij, nu hij voor haalde Winkle op een toon di r hoogste verba- de eerste maal, en dat nog wel onder het oog zing. | van zijn meester, op de proef werd gesteld,
,0:1 wot wel wak er anders vereischt wordt,quot; voor het gevaar terugdeinsde, ware zijn aanzien hernam de vreemdeling koel. : voor altijd verloren. Bovendien herinnerde hij
„Heeft ni\'-n u deze boodschap niet name aan zich, dar hij door lieden, die weinig van zulke mij opg\'-dragen ?quot; vroeg Winkle, die niet wist, I zaken wisten, wel eens had hoeren zeggen, dat wat hij van dezen zonderlingen voorslag maken de secondanten doorgaans met elkander afspra-moest. I ]lt;en om geene kogels op de pistolen te doen,
Ik ben er z.df niet bij geweest,quot; antwoordde en verder bedacht hij, dat, indien hö Stock wall de officier, „en daar gij geweigerd hebt. dokter | tot secondant verzocht en hem het gevaar niet | Slammer uw kaartje te geven, heeft deze heer levendige kleuren afschilderde, deze de zaak verzerht, den drager van een zeer ongewonen waarschijnlijk aan l\'ickwick zou overbrengen,die | rok op te zoeken een lichtblanwen rok, met zeker niet zou naten, om het geval onverwijld i vergulde knoopen, waarop een borstbeeld en de : bij de politie aan te geven, ten einde te voor- j letters j\'. Q. «tonden. i komen, dat zyn volgeling gekwetst of dood- |
Winkle stond verstomd van verbazing, toen i geschoten werd.
hij zijn eigen nieuwen rokzoo nauwkeurig hoorde j Dit was de inhoud zyner gedachten, toen hij j beschrijven. De vriend van dokter Slammer ver- ! de koffiekamer weder binnentrad, en zijne ge- i volgde: ..Door navragen heb ik vernomen, dat | zindheid te kennen gaf om des dokters uitda- | de eigenaar van dien rok gisteren namiddag, \' ging aan te nemen.
in gezelschap met drie andere heeren. hier aan- „Wilt gij my een vriend aanwijzen omniet • gekomen was. Ik heb terstond eene boodschap hem tijd en plaats af te spreken? vroeg de gezonden naar den heer. die mij als hoofd van ! officier.
13
|
,,Dit is onnoodig,quot; antwoordde Winkle. „Zeg het mij maar; ik kan dan naderhand wel een viiend opzoeken.quot; „Zullen wij het dan op dezen avond tegen het ondergaan der zon bepalen?quot; vroeg de of-lieier onverschillig. „Zeer goed,quot; antwoordde Winkle, hoewel hij bij zich zelf dacht, dat het zeer erg was. ..Gij weet Fort Pitt?quot; „Ja; ik heb gisteren zien liggen.quot; . Wees dan zoo goed, zoodra gij aan de gracht komt, het voetpad aan de linkerhand in tesiaan; dan komt gij aan den hoek van het bastion; ga dan maar rechtuit, totdat gij mij ziet; ik zal u voorgaan, naar eene afgelegen plek, waar de zaak kan afgedaan worden, zonder vrees voor I verhindering.quot; „Vrees voor verhinderingIquot; dacht Winkle I bij zich zeiven. „Anders niets af te spreken, geloof ik?quot; I zeide de officier. ,Ik weet niets meer te bedenken,quot; zeide j Winkle „Goedenmorgen!quot; „Goedenmorgen!quot; En de officier Hoot een vroolijk deuntje, terwijl hij heenging. Het ontbijt werd dien morgen niet weinig lust gebruikt. Tupman was, na de ongewone uitspatting van den vorigen avond, nog niet in staat om op te staan; Stock wall scheen door eene poëtische zwaarmoedigheid gekweld tewor-I den; zelfs Pickwick legde eene ongewone nei-1 ging tot stilzwijgendheid en sodawater aan den i dag. Winkle wachtte met verlangen naar eene gelegenheid, die hem weldra werd aangeboden. | Stockwall deed het voorstel om het kasteel te bezichtigen, en daar Winkle het eenige lid van j het f gezelschap was, dat lust had om te wan-I delen, gingen zij te zamen op weg. „Stockwall!quot; zeide Winkle, toen zij in eene 1 stille straat waren gekomen, „Stockwall! beste | vriend! kan ik mij op uwe stilzwijgendheid ver-j laten ?quot; Terwijl hij dit zeide, wenschte hij harte-| lijk, dat zijn verf rouwen misbruikt zou worden. „Dat kunt gij,quot; antwoordde Stockwall. „Ik ; zweer, dat ...quot; „Neen. neen!quot; viel Winkle hem in de rede, verschrikt op het denkbeeld, dat zijn vriend zich voorbarig tot strikte geheimhouding zou verbinden. „Zweer niet — zweer niet - dat is { volstrekt niet noodig.quot; Stockwall liet de hand weder zakken, die hij, toen hij zweren wilde, vol dichterlijk vuui\'naar 1 de wolken had opgeheven en luisterde met aandacht, „Ik heb uw bijstand noodig, beste vriend ! in eene zaak van eer,quot; zeide Winkle. ..Ik zal u bijstaan,quot; zeide Stockwall, terwijl i hij zijn vriend de hand drukte. „Met een dokter — dokter Slammer van het zeven en negentigste regiment,quot; zeide Winkle, |
die de zaak zulk een ernstig voorkomen wilde geven, als slechts mogelijk was. „Eene zaak van eer met een officier, wiens secondant insgelijks een officier is, dezen avond, bij het ondergaan der zon, in een eenzaam veld, voorbij Port Pitt.quot; „Ik zal met u meegaan,quot; zei Stockwall. Hij was verwonderd, maar geenszins verschrikt. Het is verbazend, hoe koel iedereen, behalve de principaal, over zulke zaken kan denken. Winkle had hier niet aan gedacht; hij had de aandoeningen van zijn vriend naar zij- ! ne eigene afgemeten, , De gevolgen kunnen ijselijk zijn,quot; zeide Winkle, „Ik hoop van neen,quot; zeide Stockwall, „De dokter is een goed scherpschutter, ge 1 loof ik,quot; zeide Winkle, „Dat zi,jn de meeste officieren,quot; merkte Stockwall bedaard aan, „Maar gij ook, niet waar?quot; j Winkle knikte, en daar hij bemerkte, dat het | hem niet gelukt was zijn vriend ongerust te | maken, beproefde hij het op eene andere manier, j „Stockwall!quot; zeide hij, met eene stem, die van ■ ontroering beefde; „als ik val, zult gij in een pakje, dat ik u geven zal, een brief vinden voor mijn vader.quot; Deze poging mislukte insgelijks. Stockwall i was aangedaan, maar nam de bezorging van j den brief zoo gewillig op zich, als ware hij een brievenbesteller van beroep geweest. „Als ik val,quot; zeide Winkle, „of als de dokter | valt, zult gij, mijne get|6uwo vriend, als medeplichtige gebannen worden -■ misschien levens- | Stockwall ontstelde hierdoor een weinig, doch zijn heldenmoed was onverwinnelijk, „Voorde 1 zaak der vriendschap,quot; riep hij met geestdrift | uit, „wil ik alle gevaren tarten,quot; Hartelijk verwenschte Winkle bij zich zeiven I deze getrouwe vriendschap, terwijl zij, elk in j zijne eigene gedachten verdiept, eene poos stil- | zwijgend naast elkander voortwandelden. De j morgen ging intusschen voorbij; hij werd wan- j hopig „Stockwall!quot; zeide hij, eensklaps stilstaande, I „pas toch op, dat er geene verhindering komt! j doe vooral geene aangifte bij het gerecht! ga 1 toch geene (politiebeambten halen, om mij of dokter Slammer van het zeven en negentigste regiment in bewaring te nemen, en zoo het tweegevecht te beletten! Ik bid u, doe zoo iets toch niet!quot; Stockwall greep zijn vriend bij de hand, terwijl hij vol vuur antwoordde: „Voor de geheele wereld niet!quot; Winkle vóelde eene rilling door al zijne leden, ! toen de overtuiging hem overweldigde, clat hij van de vrees zijns vriends niets te hopen had, en | hij zich dien avond toteen levend doelwit vooreen | of meer pistoolkogels zou moeten laten maken. | |
quot;TF-
SAMCKL I\'M \'K WICK.
14
|
Nadat stock wall dlt;\' treheole toedracht der zaak vernomen hiul, en de beide vrienden zich liij een geweermaker, van pistolen, kruit en lood hadden voorzien, keerden zij naar de her beig\' terug, waar W inkle over den naderenden strijd iringen zitten peinzen, terwijl Stok wall de gehuurde wapenen zorgvuldig nazag en schoonmaakte. Het was een nare, sumbeiv avond, toen zij te zamen uitgingen, om zich naar do afgesproken plaats te begeven. Winkle had zich in een wijden mantel gewikkeld, opdat niemand op hem letten zon. en Stockwall droeg de moordtuigen onder den zijne. ..Hebt gij alles bij u\' eene onvaste stem. „Alles.quot; antwoordde stockwall. „Ken goeden ^quot;Oiiaad van munitie, als de eerste schoten niet raken: een vierendeel kruit in den hoorn, en twee couranten in mijn zak. voor proppen. i nt waren blijken van vriendschap, waarvoor men immers (en hoogste dankbaar moest wc zen Waarschijnlijk was de dankbaarheid van W mkl. zoo sterk, dat zij hem de spraak benam; want hij zeid\' niets, maar stapte voort met tamelijk loome schreden, „Wij komen bijtijds,\'\' zeide Stockwall, toen zij het veld ingingen; „de zon zal zooniotecn ondergaan,quot; Winkle wierp een blik op de da-ltiide se hij t\' en dacht met smart aan de waar schijnlUkheid. dat ook hij binnenkort zon onderdaan. ^ .Daar is de officier!quot; riep Winkle uit, toen zij eeii eind verder waren gekomen. „Waar? vroeg stockwall. \'\'\'e heer met dien blauwen mantel. stockwall zag naar den kant, waarheen zijn vriend met zun vinger Wéés. en ontdekte nu eene gedaante, gelyk hem beschreven was. De e)tncier wenkti- met zijne hand, en de twee \\i lenden voigilen hem op een kleinen afstand toen hij vooruitging, liet weder werd hoe langerhof onaangenamer f\'ii een Linie wind suisde door de eenzame velden alsof een onzichtbare reus zijn hond Moot. liet naargeestige van het toon. ,1, l/raclif Winkle in eem- treurige stemming. Hij deinsde terug, toen hy de gracht voorbij kwam; zij had het voorkomen van een reusachtig graf. De officier ging op eens van het pad af klom eeist een hek en eervolgens een heg ever en wees ZOO den weg muireen afgeperkt veld! Twee heeren wachten daar reeds:\'de eene was een kon, dik mannetje; de andere een lang, zwaai gebouwd man, die zeer op zijn gemak op een veldstoeltje zat. ..I we parlij en een chirurgun,denk ik,quot; zeide Stockwall. .Veem een slokje cognac.quot; Winkle vatte het. mandefle.srlije aan, dat zijn vriend hem toereikte, en nam eene lange teug van het veestei\'kende vocht. vroeg Winkle met |
.Mijn vriend, de heer Stockwall, mijnheer!quot; ! zeide Winkle toen de officier naderbij kwam. | \',e viend van dokter Slammer boog zich, en haalde een dergelijk pistolenkistje voor den dag, als stockwall had medegebracht. „Wij hebben elkander niets meer te zeggen, mijnheer, naar ik denk,quot; zeide hij koel. „Van eene verontschuldiging wil men niet hoeren.quot; „Xiets, mijnheer!quot; zeide Stockwall, die nu ook een weinig huiverig begon te worden. De passen werden gemeten, en de noodige toebereidselen gemaakt. „Deze pistolen zijn beter dan de uwe,quot; zeide de officier. „Gij hebt ze mij zien laden, liebt gij er niets tegen, om deze te gebruiken? „Volstrekt niet,quot; antwoordde Stockwall wien dit aanbod uiteen pynlijke onzekerheid hielp; want h ij had zoo weinig ondervinding, dat hij lang niet zeker was, of hij zijne pistolen wel goed geladen had.quot; Nu kunnen wij onze principalen plaatsen, denk ik, quot; zeide de officier, zoo kloekbloedig . alsof die principalen schaakstukken en desecon-danten de spelers waren. „Dat denk ik ook,quot; hernam Stockwall, die, I omdat hij niets van de zaak wist, het raad zaani achtte alles goed te keuren. De officier ging daarop naar dokter Slammer, en stockwall naar Winkle. „Alles is gereed,quot; zeide Stockwall, terwijl hij W ink Ie het pistool toereikte. „Geef mij uw mantel.quot; „Hebt gij hel pakje beste vriend?quot; zeide de arme Winkle. „Ik zal alles bezorgen,quot;antwoorddeStockwall. j „Mik nu maar goed. en schiet hem door zijn arm.quot; Hef kwam Winkle voor dat dit gezegde veel had van den raad, dien de omstanders bij een gevecht lussclit n twee straatjongens altijd aan den kleinste geven: ..Kaak wat manenlje I ! De raad is goed, als men maar weet, hoe men het moet aanleggen, om te raken. Hij deed ech 1 ter stilzwijgend zijn mantel af — hij had al- I tijd lang werk om dien mantel af te doen — i en nam het pistool aan. De secondanten gingen I achteruit, de heer van het veldstoelte insgelijks, : en de vijanden traden op elkander toe, .Mijnheer Winkle wasaltjjd voor zeer mensch-1 levend bekend geweest. Het is waarschijnlijk, dat zijn tegenzin, om een zijner medemenschen met voordacht te bezeeren. de oorzaak was, dat hij zijneoOgen dichtkneep, toen hij\' de nood-Inttiue [dek bereikte, Hoe dit zij, iiij kneep zijne oogen dicht, en dit verhinderde hem te zien, welke zonderlinge en onverklaarbare be wegingen dokter Slammer maakt. Deze namelijk deinsde terug, staarde zijn vijand met verbazing aan, ging een weinig achteruit, wreef zijne oogen, keek nog eens scherp toe, en schreeuwde eindelijk: „Houd op wacht wat! |
EEN TWEEGEVECHT.
15
|
Wat boteekent dit ?quot; vervolgde hij, toen de twee secondanten naar hem toekwamen. ..Dit is de man niet.quot; ,.De man niet?quot; riepen beiden. ..De man nief.quot;\' herhaalde de heer, die thans zijn veldstoeltje onder zijn arm hield. .. Wi l neen!quot; hernam de kleine dokter, ..Dit is de man niet, die mij gisteravond beleedigd heeft.quot; ..Dat is zonderling,quot; riep de officier uit. „Zeer zonderling,quot; zeide de heer met het veldstoeltje. „Maar nu is de vraag, of deze, die nu toch op de uitdaging van dokter Slammer hier gekomen is, niet welstaanshalve voor den man moet gehouden worden, die den dokter { beleedigd heeft, hotzij hij de persoon is of | niet.quot; Toen hij dit met een zeer ernstig en | bedenkelijk gezicht gezegd had, nam hij een 1 snuifje, en zag met groote deftigheid om zich j heen. 1 Winkle had terstond zijne oogen geopend j en zijne ooren insgelijks, toen hij zijn tegen-j stander om een opschorting der vijandelijkheden hoorde roepen; en toen hij, uit hetgeen naderhand gezegd werd, begreep dat er zeker de eene of andere vergissing in het spel was, doorzag hij op eens, hoezeer zijn aanzien stijgen zou, indien hij de eigenlijke reden, waarom hij de uitdaging had aangenomen, verborgen hield. Hij trad derhalve onbeschroomd vooruit, en zeide; .[k ben de man niet, dat weet ik wel.quot; „Dat,quot; zeide de heer met het veldstoeltje, ..is dan oen affront voor dokter Slammer, en eene voldoende reden om dadelijk met het tweegevecht voort to gaan.quot; ..Houd ii toch stil, l\'ayne!quot; zeide de secondant \\ an den dokter. „Waarom hebt gij mij dit dezen morgen niet gezegd, mijnheer?quot; j ..\' \'mdat, mijnheerlquot; antwoordde Winkle, die zich op deze vraag had voorbereid, „omdat gij ; zejdet mijnheer! dat de eigenaar van zekeren )ok dronken was geweest, en zich onfatsoenlijk had gedragen. Gij moet weten dat ik niet alleen zulk een rok draag, maar mij zelfs de j eer der uitvinding mag toeöigenen — het is de i voorgestelde uniform van de Pick wi ck-(! 1 u b te Londen. Ik reken mij verplicht de eer dier uniform te handhaven, en heb daarom zonder | navraag de uitdaging aangenomen. .Mijnheer!quot; zeide de goedhartige dokter, die j hem met eene uitgestrekte hand te geinoet kwam, „ik vereer uwe dapperheid. Vergun mij te zeggen, mijnheer, dat ik uwe handelwijze ten hoogste bewonder, en het mij zoerieedis, dat ik u de moeite heb veroorzaakt, om hier te komen.quot; „Spreek er niet van, mijnheer! Die moeite heeft niets te beduiden,quot; hernam Winkle. ••ik zal het mij tot eene eer rekenen, nader Kennis met u te maken,quot; zeide de kleine dok-! ter, en daarop gaven allen elkander de hand. |
„.\\u kunnen wij heengaan,quot; zeide luitenant ; Tappleton — zoo heette de secondant van den dokter. ..Dat denk ikook,quot; hernam dokter Slammer. „Of,quot; zeide de man met het veldstoeltje, „of mijnheer Winkle moest do uitdaging ais eene | beleediging opnemen. In dat geval heeft hij het volste recht, om satisfactie te vorderen.quot; Winkle was edelmoedig genoeg, om te zeggen, dat hij reeds de volkomenste satisfactie i had ontvangen. „Of,quot; begon de man met het veldstoeltje ! weder, „misschien zal de secondant van mijnheer zich beleedigd rekenen door eenige uitdrukkingen, die ik mij s\'raks heb laten ontvallen; in dat geval zal ik hem gaarne satisfactie i geven.quot; Stock wall antwoordde terstond, dat hij zich zeer verplicht rekende voor dit edelmoedig aan- i bod. hetgeen hij alleen daarom gezind was van I de hand te wijzen, dewijl hij met al het voorgevallene volkomen tevreden was. Do twee secondanten borgen de pistolen weder weg, en allen verlieten gezamenlijk de plek meteen veel vlugger tred dan zij gekomen waren. -\'U lang hier.quot; vroeg dokter Slammer, mdschappelijk naast Winkle die nu zeer vi wandelde. „Tot overmon ■n denk ik,quot; antwoordde Win- ..lk hoop dat ik hot genoegen zal heboen u oil uw vriend bij mij aan huis te zien, en een genoeglijken avond met elkander door te brengen, na deze leolijke vergissing.quot; zeide de kleine dokter. „Hebt gij van avond tijd?quot; „Wij hebben eenige vrienden bij ons,quot; antwoordde Winkle, „die ik van avond niet gaarne alleen zon willen laten. Misschien kunt gij en uw vriend ons in het logement komen bezoeken ?quot; ..Zeer gaarne,quot; antwoordde de dokter. „Zou het Ie laat zijn als wij om tien uur eens even aankwamen ?quot; „O neen! zeide Winkle. „Het zal mij eene eer zijn, u mot mijne vrienden, de heereri Pickwick en Tupman, bekend te maken.quot; „Het zal mij veel genoegen doen,quot; hernam dokter Slammer, die weinig vermoedde, wie die heer Tupman was. Thans hadden zij den straatweg bereikt, en namen hartelijk afscheid van elkander. Dokter Slammer begaf zich met zijne vrienden naar de kazerne, terwijl Winkle en Stock wall naar hun logement gingen. |
SAMUEL PICKWICK.
|
IJL EENiC NI EO WK KEN.VIS. HET VERHAAL VAN DEN : KOMEDIANT. EENE ONAANGENAME STORING, EN BENE ONPLEIZIEBIGE ONTMOETING. Het lange uitblijven zijner twee vrienden had Tick wiek eeneoriuerustlieid ingeboezemd, welke vooral niet venyinderd.werd door de gedachte aan hun geheuiizinnig gedrag gedurende den f.eheelen ochtend. Toen zij binnentraden, groette hij hen derhalve nog hartelijker dan anders, en vfoeg terstond, waarom hij zoolang van hun geselschap verstoken was geweest. Alsautwoord op deze vraag wilde Stockwall juist een geschiedkundig verslag geven van het voorgevallene, toen hij zich inhield bij het bemerken van den vreemdeling, met wien zy den vorigen dag kennis hadden gemaakt, en van nog een anderen, die er even zonderling uitzag. Het was een man meteen haveloos uiterlijk, wiens kwijnend gelaat en ingevallen oogen iemand nog meer opvielen door het sluike, zwarte haar, dat in verwarde lokken tot halverwege over zijn gezicht hing. Zijne ooglt;-n waren bijna onnatuurlijk helder en doordringend; zijne jukbeenderen staken uit on zijno kaken waren zoo lang en | gerekt, dat men zou gedacht hebben, dat hij voor e1 \'ii oogenblik door eene samentrekking i der spieren hot vleesch van zijn gezicht naar \' binin n iiad getrokken, indien zijn halfgeopende I mond en onbeweegiykegelaatstrekken niet hadden aangeduid, datzoozijn gewone voorkomen was. Om zijn hals droeg hij een groenen doek, waarvan de \' inden be-neden zijn oud vest zichtbaar waren. Zijno bovenkleeding bestond uit eene lange, zwarte overjas, waaronder hij eene vaalbruine broek en groute versleten laarzen droeg. Op dezen zonderlingen persoon was Winkle\'s oog gevestigd en naar hem strekte Pickwick zijne hand uit, toen hij zeide; „Een vriend van onzen vriendquot;. Wij ontdekten dezen morgen, dal onze vriend alhier by het tooneel is, ofseiioon hij niet-wenscht, dat het algemeen , bekend wordt; en deze heer heeft hetzellde be- I roep. Hij wilde ons juist met eene anekdote, i aan het toonee\'l ontleend, veroeren, toen gij bin-uenkwaamt.quot; ..Anekdoten bjj (ie vleet,\'\' zei de groenrok van den vorisren dag, terwijl hij op Winkle toetrad en op een zuchten, vt rtrouwelijken toon sprak, „Ken rare kwant doet hot minder aangename werk is geen tooneelspeler vreemde man allerlei ellende. Den Ellendigen .lemmy ie temen wij hem op de rondreis.quot; Winkle en Htock wall licotten dien heer beleefd welkom en nadat zij, In navolging van het overige gezelschap om cognacgrog hadden geroepen, zetten zij zich aan tafel. ,Nu, mijnheer, z\' i Pickwick, „wilt gij ons |
v 01 plichten door met uw verhaa I voort te gaan quot;quot; Het ellendige personage haalde eene vuile u papm uitzijn zak en zeide met eene holle stem, geheel bi, zijn uiterlijk passend, tot stork- i L i,J , Z1Jquot; notitieboekje voor den daquot; gehaald had, „zijt gij de dichter?quot; Stockw-i„ik (\\0e 600 beetjeaan\'quot; antwoordde ünï vnlag, gSX,nS Vermst dquot;0r dif! Plotse- „Ah: de poëzie is voor het leven wat de lichten . n de muziek voor het tooneel zijn. Zon-i dichterlyke illusies zou het leven\'niet der nioeite waard, zonder valsche versieringen het tooneel niet belangwekkend zijn. quot;Zeta u aar, mijnheer,quot; antwoordde Stockwall quot;quot;i «et tooneel,quot; ging de ellendige voort\' het quot;:rni ; \'i \'quot; \'V\' I\'raa\'vertooning aan het . \'\'e^ondert het zijden gewaad van de opzichtige menigte -- e.p het tooneel is men \' . dien opschik vertoont, onbekenden aan zijn lof overgelaten om te zinken of te )Is rip V e. v/-\'r,;,,1i^renofte blijven leven, zoo-cys de fortuin het wil, „Zeker,- zei Stockwall; want de ingevallen ooeun van den ellendige rustten op hem en hy vond het noodzakelijk iets te zeggen -\'■a voort Jemmy,quot; zei de Spaansche\'reizi. ger, „geen geklaag - spreek maar op - zet een opgeruimd gezicht,quot; „Maak no- een glas aan voordat gij begint mijnheer, zei Pickwick, l\'e e 11 endige man volgde dien raad op en nadat hij een glas cognacgrog had aangemaakt en het langzaam half leeggedronken had, open-te hij de rol pa pier en deed, nu eens lezende, dan eens vertellende, het volgende verhaal dat wij in de verhandelingen van de Club vinden geteekend als: jen Het verhaal van K o m e d i a n t. „Er is niets wonderbaarlijks in hetgeen ik ga vertellen, zei de ellendige man; er is zelfs niets buitengewoons in. Armoede en ziekte zijn te alledaagsch in vele standen des levens o\'m meer opmerkzaamheid waard te zijn dan de allergewoonste menschelijke wederwaardigheden, Ik heb deze weinige aanteekeningen bijeengebracht, omdat zij iemand tot onderwerp\'hebben, die ik verscheidene jaren goedgekend heb. Ik volgde zijn achteruitgang stap voor stap, totdat hij ten laatste in zulk een ellendigen staal geraakte, dat hij zich nooit meer heeft kunnen verheffen, „Be man, van wien ik spreek, was een pantomime-speler van minderen rang en gelijk velen zijner soort, aan den drank verslaafd, In zijne betere dag\'-n, voordat hij verzwakt was door onmatigheid en vermagerd door ziekte, had hij een goed salaris, dat hij, indien hij\' |
DE ELLENDIGE JEMMY.
|
zorgzaam en verstandig geweest was, eenige Jaren zou genoten hebben - niet vele jaren, omdat deze lieden of vroeg sterven, of door onnatuurlijk veel van hun lichaam te vergen, vroegtijdig de kracht verliezen, om hun brood te verdienen. Zijne kwade neiging maakte zich zoozeer van hem meester, dat het onmogelijk werd hem te gebruiken in de rollen, waarin hij voor het tooneel van nut kon zijn. De kroeg had eene onweerstaanbare aantrekkelijkheid voor hem. Verwaarloosde ziekteen hopeloozearmoede zouden even zeker zijn deel worden ais ander zwaar stuk opnieuw hunne diensten eischt. Tot do levenswijze van zulke lieden was de man gedwongen zijne toevlucht te nomen; en door eiken avond voor directeur te spelen in een theather van lagen rang, verdiende hij ook nog eenige shillingeu per week en kon zijn ouden hartstocht bevredigen. Zelfs deze bron droogde spoedig voor hem op; zijne buitensporigheden waren zoo groot, dat hij spoedig het karige inkomen verloor, dat hij anders had kunnen genieten, en hij geraakte inderdaad in een toestand, die aan verhongering grensde, terwijl hij |
|
de dood, indien hij op denzelfden weg voortging, toch ging hij voort en gevolgen kan men wel raden. Hij kon geene werkzaa mheden meer krijgen en leed hroodsgebrek, ledereen, die maar eenigszins met tooneel-zaken bekend is, weet, wat een leger van ha-yelooze, armoedige lieden bij het tooneel zijn in een grooten schouwburg niet juist als spelers, maar als balletdansers cn danseiessen, figuranten, kunstenmakers en dergelijke, die aangenomen worden liij eene herhaalde opvoering van een pantomime of passiespel en daarna quot;nf•quot;•\'lagen worden, totdat de vertooning van een zich nu en dan slechts eene kleinigheid verschafte door van een ouden makker te leencn of mede te spelen in een der allerminste theaters; en wanneer hij iets verdiend had, gaf hij het op de oude wijze uit. |
Omtrent dezen tijd, nadat hij langer dan een jaar, niemand wist hoe. geleefd had, werd ik voor een korten tijd aangenomen in een der theaters ten zuiden van de Theems, en daar zag ik den man dien ik voor eenigen tijd uit het gezicht verloren had; wantik had het land doorreisd en hij had zich schuilgehouden in de straatjes en steegjes van Londen. Ik was ge |
Dickkvs, Sa mi ti. Pickwick.
SAM LEL PICK WICK.
]8
|
kleed om den schouwburg te verlaten en y-ing hot tooneel ovi-r naar buiten, toen hij niij op den schouder klopte. Nooit zal ik het afstoo-tend gezicht vergeten, dat mijneoogen trol, toen ik mij omkeerde. Hij was gekleed voor de pan-tomirne in het allerbelachelijkste kostuum \\an clown. De spookgestalten in den Dooden-dans, de verschrikkelijkste gedaanten, die de bekwaamste schilder ooit op het doek bracht, zit-n er niet half zoo akelig uit. Zijne opgeblazen gezicht en dunne bennen hunne wanstaltigheid, honderdvoudig vergroot door de zonderlinge kleeding de glazige oogen, eene vreeselijke tegenstelling vormende met de witte : verf, waarmede zijn gezicht besmeerd waa; het ; wonderlijk versierde hoofd, bevende ten gevolge eener beroerte, en de lange, magen- handen, met wit krijt ingewreven - alles gaf hem een i IV huw\'lij k en onnatuurlijk voorkomen, waarvan geeiie beschrijving een juist denkbeeld kan •reven en dat mij tot den huldigen dag doet rillen, als ik er aan denk. Zijne stem klonk hol en beefde, toen hij mij op zij trok en stamelend een, lange reeks van ziekt\' n en ontbelingen opsomde urn nui e indelijk, als naar gewoonte, i dringend te verzoeken hem een weinig geld te leenen. Ik stopte hein een paar shillings in ; zijm- hand en hoorde, toen ik mij verwijderde, Injt luid gelach, dat door zijne eerste kunsten op het tooneel werd opgewekt, Kenige avonden daarna stopte mij een jongen i Mi vuil stukje papier in de hand, waarop met potlood eenige woorden waren gekrast, die te kennen traven, dat de man gevaarlijk ziek was en mij verzocht hem na de voorstelling een i.\'-zo\'.k ie brengen op zijne kamer in eene of undere straat waarvan ik nu den naam ver-,jrf.ten ben op een korten afstand van het tb ca. ter. Ik beloofde te komen, zoo spoedig ik w u\' kon, en ging, nadat het scherm gevallen was, mijne droevige boodschap verrichten. Het was laat, want ik had in het nasnik inedegrspeeld; en daar het eene benefice-voor-st\'1 ling was, had men de stnkken buitengewoon gerek\'. Het was eene donkere, koude nacht met c u killen, kouden wind, welke den regen met kne li: teuten de gevels en vensters blies. Wa-1 terpiassen waren ontstaan in de smalle en weinig bezochte straten, en daar vele van de ver uitgt; quot;iislaande lantaarns door den hevigen wind waren uit gewaaid, was de wandeling niet alleen onaangenaam maar zelfs onveilig. Ikwasech-t. : gelukkig den goeden weg ingeslagen en slaagd\'- \' f meteenitri moeite in hetaangeduidi hui - t\' vinden \' en kohnpakhuis nu-\'t eene boven vei diepi ng. in welker achterkamei de gezochte persoon lag, Ken vrouw met een armzalig uiterlijk, do echtgenoote van den zirke, kwam mij op de trap te tcfinoet, vertelde mij, dat hij juist in eene soort van sluimering gevallen was, liet mij |
zachtjes binnen en plaatste een stoel voor mij bij het bed. De zieke lag met zijn gezicht naaiden muur; en daar hij mijne tegenwoordigheid niet opmerkte, kon ik op mijn gemak het vertrek gadeslaan, waarin ik mu bevond. Hij lag in een oud ledikant, om welks hoofdeinde men de verscheurde overblijfselen van een geruit gordijn had gehangen om den wind tegen te houden, die de ongezellige kamer door de tallooze reten in de deur binnenkwam ; en het gordijn gestadig heen en weer bewoog, { Kr was een \'klein vuur van sintels in een roes- j tigen haard; en een oude, driekantige, bemorste | tafel met eenige medicijnüeschjes, een gebroken j glas en een paar andere huishoudelijke artikelen was er voor geplaatst, Ken klein kind lag te slapen op een kermisbed en de vrouw zat op een stoel er naast. Er waren een paar schappen met eenige borden en kopjes en schoteltjes, waaronder een paar tooneelschoenen en floretten hingen. Behalve eenige hoopjes lom pen en bundeltjes, achteloos in de hoeken der kamer geworpen, waren dat de eenige dingen in het vertrek Ik had den tijd deze kleine bijzonderheden benevens het zware ademhalen en het koorts-achtige opvliegen van den zieke op te merken voordat hij mijne tegenwoordigheid gewaat werd. In zijne rustelooze pogingen om eene ge makkelijke plaats voor zijn hoofd te vinden, sloeg hij zijne hand uit het bed en zij kwam neer op de mijne. Hij schrikte op en zag mij strak aan. „Mijnheer Hutley, John,quot; zeide zijne vrouw; : „Mijnheer Hutley, dien gij van avond hebt la-ten halen, gij weet wel.quot; „Ah!quot; zei de zieke, terwijl hij met de hand langs het voorhoofd streek; „Hutley Hut- j ley — laat eens zien,quot; Hij scheen zich eenige | seconden te bezinnen en zeide toen, mü stevig j bij den pols vattende: „Verlaat mij niet - ver- j laat mij niet. oude jongen. Zij wil mij ver- , moorden, dat weet ik, „Is hy al lang zoo geweest?quot; zei ik. zijne weenende vrouw aansprekende. „Sinds gisteravond,quot; antwoordde zij, „John, Joiin, kent gij mij nietquot;quot; , Laat haar niet bij mij komen,quot; zei de man met eene rilling, terwül zij over hem heen boog. \' Jaag haar weg; ik kan niet verdragen, dat zij dicht bij mij is.quot; Hij zag haar woest, met een blik van doodelijken angst aan, en tluistepiquot; mij dan in het oor: „Ik heb haar geslagen ,lcin; ik heb haar gisteren en dikwijls te voren geslagen. Ik heb haar en den jongen honger laten lijden; en nu ik zwak en hulpeloos ben, wil /.ij mij vermoorden, djit weet ik. ^1-\' haar had zien huilen, zooals ik, zoudl gij het ook weten. Houd haar terug.quot; Hij liet mune los en zonk uitgeput op het kussen |
DE ZIEK\'I1] CLOWN.
19
Ik ging op dezelfde plaats zitten als den vo-rigen avond en luisterde uren lang naar een geluid, dat zelfs den hardvochtigsten mensch diep moet treffen •- het vreeselijk ijlen van een stervende. Uit hetgeen ik van lengeneesheer gehoord had, wist ik dut er geen hoop voor hem bestond; ik zat aan zijn doodbed. Ik zag de verkwijnende ledematen, die zich eenigen tijd te voren in allerlei bochten gedraaid hadden tot vermaak eener luidruchtige menigte, zich thans wringen onder de kwellingen eener brandende koorts - ik hoorde het schelle gelach van den clown, vermengd met het zachte gekreun van den stervende.
Het is treffend den geest te hoeren terug-keeren naar de gewone bezigheden van een gezonde, wanneer het lichaam zwak en hulpeloos voor u ligt; maar, wanneer deze bezigheden eene sterke tegenstelling vormen met alles | wat ernstig en plechtig is, krijgt men een veel | krachtiger indruk. Het theater en de kroeg wa-I ren de voornaamste tooneelen, waarop de geest j ! van dezen ellendeling ronddoolde. Het was 1 avond, verbeeldde hij zich, hij had eene rol te i vervullen dien avond; het was al te laat en hij ( moest dadelijk heengaan. Waarom hield men ! hem vast en verhinderde men hem te gaan | hij zou er schade door lijden — hij moest (! gaan. Neen! men wilde hem niet laten gaan. j Hij verborg zijn gelaat in de handen en I klaagde zacht over zijne eigen zwakheid en de wreedheid zijner vervolgers. Na eene korte stilte schreeuwde hij eenige versjes uit de \\ laatste, die hij geleerd had. Hij richtte zich op, I t rok zijne vermagerde beenen omhoog en rolde j in zonderlinge houdingen heen en weer; hij was aan het spelen hij was op het too neef. Na eene minuut stilte mompelde hij een refrein uit een feestlied. Hij had den ouden schouwburg eindelijk bereikt; wat was het daar heet. Hij was ziek geweest, heel ziek, maar hij was nu weer beter en gelukkig. Men zou zyn glas eens aanvullen. Wie sloeg het van zijne lippen ? Dezelfde man, die hem te voren vervolgd had. Hij viel achteroveropzijn kussen en klaagde luid. Eene korte poos van vergetelheid, en hij doolde rond in een doolhof van lage gewelfde gangen, zoo laag somtijds, dat hij op handen en voeten moest kruipen om vooruit te komen; het was benauwd en duister, en waar hij zich heen wendde, versperde een hinderpaal zijn weg. Daar waren ook insecten, leelijke, kruipende dingen, hem aanstarende met oogen, die afschuwelijk glinsterden in de dikke duisternis. I)e mui i n en gewelven wemelden van kruipende dieren, vreeselijke gestalten zwierven heen en weer, waaronder hij de gezichten bemerkte van menschen, die hij kende; zij schroeiden hem met gloeiende ijzers en bonden touwen om zijn hoofd, totdat het bloed er uitsprong\' en hij streed als een razende om levensbehoud.
Ik begreep maar al te wel, wat dat alles be-| teekende. Indien ik voor een oogenblik kon getwijfeld hebben, zou een blik op het bleeke gelaat en de vermagerde gestalte der vrouw den werkelij keu staat der zaken voldoende hebben blootgelegd. „Gij deedt beter, u op een i afstand te houden,quot; zei ik tot het arme schep-i sel. „Oij kunt hem geen goed doen. Misschien I zal hij kalmer zijn, als hij u niet ziet.quot; Zij ging i uit zijne oogen. Hij opendeze naeenigeseconden ! en keek angstig rond.
„Is zij weg?quot; vroeg hij driftig.
„Ja — ja,quot; zei ik; „zij zal u geen kwaad doen.quot;
„Ik zal u eens wat zeggen, Jem,quot; zei de j man zachtjes, „zij doet mij wel kwaad.quot; Er | ligt iets in hare oogen, dat mij zulk eenever-I schrilckelijké vrees aanjaagt, dat het mij gek : maakt. Gisteren waren hare groote, starende I oogen en haar bleek gezicht den geheelen avond I dicht bij mij; en. wanneer ik uit den slaap opschrikte, zat zij bij het bed en keek mij aan.quot; i Hij trok mü dichter naar zich toe, en fluis- i terde mij geheimzinnig en angstig toe - „Jem, 1 i het is zeker een booze geest — een duivel!
StI Ik weet het. Als het eene vrouw was ge-{ weest, zou zij al lang dood zijn. Geene vrouw zou zooveel hebben kunnen verduren.quot;
De gedachte aan de langdurige wreedheid en venvaarloozing, die zulk een indruk op zulk | een man gemaakt had, vervulde mij met af-scnuw. Ik kon niets antwoorden; want wie kon hoop of troost, geven aan zulk een verachtelijk wezen ?
Ik bleef er langer dan twee uren zitten, gedurende welken tijd hij heen en weer woelde onder uitroepen van smart en ongeduld, zijne armen rusteloos van den eenen kant naar den anderen wierp en zich voortdurend omdraaide. Kindelijk geraakte hij in dien toestand van ge- | decltelijke bewusteloosheid, waarin de geest | zonder do leiding der rede gemakkelijk van het ■ eene tafereel naar het andere dwaalt, zonder j nochtans in staat te zijn zich van een onbe- 1 schrijflljk gevend van smart los te maken. Daar i de dat alles uit zijn oti-samenhaiigeud gei,jl opmaakte, en inzag, dat de koorts waarschijnlijk j niet dadelijk erger zou worden, verliet ik hem, terwijl ik zijne ellendige vrouw beloofde, den volgenden avond mijn bezoek te herhalen en zoo nöodig \'s nachts bij den zieke to waken.
ik vervulde mijne belofte. De laatste vier entwintig uur hadden eene vreeselijke verandering teweeggebracht. De diepliggende on droefgeestige oogen schitterden met een glans, verschrikkelijk om te zien. De lippen waren uitgedroogd en op vele plaatsen gesprongen; de droue, harde huid gloeide van brandende hitte, en er lag eene bijna helscho uitdrukking van angst op zijn yx-laat, die nog sterker de verwoesting door de ziekte aanaericht te kennen gaf. De koorts was op het hevigst.
SAMUEL PICKWICK.
•20
|
Bij liet eindt\' van een dezer vlagen, waarin 1 ik hem met groote moeite in bed gehouden had, i verzonk hij in eene soort van sluimering. Over-i stelpt van inspanning, had ik inijneoogeneenige minuten gesloten, toen ik mij hevig bij den | schouder voelde grijpen. Ik ontwaakteonmid-j dellijk, Hij had zich in bed opgericht zijn gelaat had eene vreeselijkf verandering onder-j gaan, maar zijne bewustheid was teruggekeerd, want hij kende rnij klaarblijkelijk. Het kind, i dat al lang in zijn slaap gestoord was, stond 1 van zijn bedje op en liep schreeuwende van angst naar zijn vader de moeder greep het j haastig in hare armen, uit vrees dat hij het in j zijn hevigen waanzin kwaad zou doen; maar bleet\', verschrikt door zijne veranderde gelaats-| trekken, als aan den grond genageld bij hot j bed staan. Hij greep mij stuiptrekkend bij den I schouders, en zich met de andere hand tegen de borst slaande, deed hij eene wanhopige poging om te spreken. Het baatte niK -• hy strekte zijne armen naar vrouw en kind uit en deed ; eene andere krachtige poging. Er ontstond een ! gegorgel in zijl\'0 kool — een gegluur zijner oogen een kort, onderdrukt gekerm en hij viel dood achteroverI Het zou ons een groot\' voldoening geweest zijn, indien wij Pickwick\'s oordeel aangaande bovenstaand verhaal hadden kunnen mededee-hu. Wij twijfelen niet, of wij hadden dat kunnen doen, indien een ongelukkig toeval het niet verhinderd Inid. Pickwick had het glas weer op tafel gezet, dat hij gedurende dlt; laatste zinnen van het verhaal, in de hand gehouden had, en was juist van plan te spreken op gezag van Stockwall\'s )boekje kunnen wij zelfs beweren, dat hy geopend had toen een oppasser en zei de: ren, mijnheer!\'\' vermoed, dat Pickwick op het opmerkingen ten beste te ge-d zouden verlicht hebben, toen hij daarin op genoemde wijze werd verhinderd; want hij zag eerst den oppasser en daarna de leden van het gezelschap beurtelim;» aan, alsof hij eenige opheldering verlangde aangaande dat bezoek. ..lt;)!quot; zeiiIe Winke opstaande, „vrienden van mi.i laat hen binnenkomen Aardige lieden,quot; vervolgde hij toen de oppasser was heengegaan. „Onicieren van hel z- ven en negentigste regiment, met welke ik dezen morgen op eene zon derlinge manier in kennis ben gekomen, /ij zullen ii wel bevallen.quot; \'Terstond daarop traden luitenantTapplet,on, dokter Pay no en doktor Slammer het vertrek binnen, en Winkle was gereed om beni met alle zijn mond al binnenkwam „Eenige hei Men heeft punt was eenige ven, die de werel |
deftigheid te introduceeren, toen eene onverklaarbare ontroering, die hij op de gezichten van zijn vriend Tupman en dokter Slammer bespeur- i de, hem van zijn stuk bracht. „Ik heb dezen heer reeds voorheen ont- i moet,quot; zeide de dokter met buitengewonen na- gt; druk. „Zoo!quot; zeide Winkle. „En dien man ook, als ik mij niet vergis,quot; \\ vervolgde de dokter, terwijl hij den vreemden 1 groenrok met een scherpen blik aanstaarde. „Ik . meen, dat ik dien man gisteravond een dringende ; uitnoodiging heb gedaan, dien hij echter goedvond van de hand te wijzen. „Dit zeggende, zag hij met een gezicht vol trotsche gramschap den vreemdeling aan, en vervolgens thus- j terde hij eene poos met zijne vrienden. „Zijt gij er zeker van ?quot; vroog luitenant Tap- , pleton eindelijk. „Volkomen zeker,quot; antwoordde dokter Slammer. „Dan zijt gij verplicht hem op staanden voet af te ranselen,quot; prevelde de eigenaar van het veldstoeltje zeer ernstig. „Houd u toch stil, Payne!quot; zeide de luitenant, — „Laat mij u vragen, mijnheer,quot; ver- ; volgde hij zich tot Pickwick keerende, die zich . over dit onbeleefde geil uister zeer verwonderd had, „Iaat mij u vragen, of deze man bij uw gezelschap behoort?quot; „Neen, mijnheer!quot; antwoordde Pickwick. „Hij i is slechts onze gast. „mi is een lid van uwe club, als ik mij niet vergis?quot; zeide de luitenant vragonder» | wijze „Neen toch niet,quot; antwoordde Pickwick. „En draagt nooit uwe clubknoopon?quot; vroeg de luitenant weder. „Wel neen nooit,quot; antwoordde de steeds moer verwonderde Pickwick. Luitenant Tappleton keerde zich nutotdok-: ter Slammer, en haalde zijne schouders op, i alsof hy de nauwkeurigheid van het geheugen 1 zijns vriends begon te betwijfelen. De kleine dokter zette een tegelijk gramstorig en ver-\' legen gezicht; en dokter Payne staarde met dreigende blikken op het goedhartige gelaat van den niets kwaads vermoedenden Pickwick. „M ij nheer,quot; zeide de dokter,eensklaps Tupman aansprekende op een toon. welke dezen heer zoo hoog deed opspringen, alsof men hem met eene : speld had geprikt; „zijt gij hier gisteravond op het bal geweest?quot; Tupman zeide zeer flauw „ja!quot; terwijl hy angstig naar Pickwick omzag, „Hadt gij dien man bij u?quot; zeide de dokter, naar den vreemdeling wijzende, die zoo bedaard bleet\' zitten, alsof de zaak hem niets aanging. Tupman knikte. „Nu, mijnheer!quot; zeide de dokter, zich tot |
p
ONVERWACHT BEZOEK.
21
|
den vreemdeling koerende, ,nu vraag ik nog ei\'iis, in het li ij zijn der hoeren, of gij vi^rkiest mij uw kaai\'tje te geven, en als een fatsoen-lijk man wenscht behandeld te worden, of dat gil mij in de noodzakelijkheid wilt brengen om u op het oogenblik lichamelijk te tuchtigen ? ..Bedaar, mijnheer!quot; zeide Pickwick. „Ik kan waarlijk niet toelaten, dat gij zonder nadere opheldering deze zaak verder drijft. Tupman ! verhaal ons wat er is voorgevallen.quot; Op deze plechtige aanmaning verhaalde Tupman in weinige woorden wat er gebeurd was. Hij maakte slechts terloops melding van hetleenen van don rok. weidde hreed uit over de ornstan-; digheid, dat het voorval na den eten had plaats \' gehad, besloot met eenige nederige betuigingen van berouw, en liet het aan den vreemdeling j ovei, om zich zeiven zoo goed mogelijk te ver-ontsc huldigen. N-ilt;ii tillen schijn vvildedezohiermode hoginnen toen de luitenant, die hem met veel aandacht had bi\'keken, opeen tamelijk verachtelijkon toon ; ze;«e: Hel.\' ik u niet op het tooneel gezien mijnheer?quot; „Wel mogelijk,quot; antwoordde de vreemdeling zonder eenige schaamte of verlegenheid. ..Het is een reizende komediant,quot; zeide de lui-tenant verachtelijk, terwijl hij zich tot dokter •Slammer wendde Morgenavond moet hij spelen m het stuk. dat de officieren van het twee en vijftigste regiment bij het feest, hetwelk doorden staf u\'egegeven wordt, laten opvoeren. Gij kunt de zaak niet verder drijven. Slammer! on 1 mogelijk !quot; „Onmogelijk !quot; herhaalde Payne plechtig. Het spijt mij. datik u in dezen onaangenamen ? toestand heb gebracht,quot; zeide d« luitenant, 1\'ick- i ^ lek aansprekende. Veroorloof mij. u onder hot \' oog re brengen, dat het beste middel, om zulke tooneelen voortaan te vermijden, zijn zal een weinig voorzichtiger te wezen in de\'keuze van uw gezelschap. Goedenavond, mijnheer!quot; En \'\'\'\' luitenant stapte hoon. ..I\'iii veroorlool m ij te zeggen, mijnheer\'quot; /.eide de oploopende dokter Payne, „dat, indien jk l.ippleton of Slammer geweest was ik u en het gcheele gezelschap bij den neus gepakt zou nebben. Dat zou ik gedaan hebben, mijnheer! iedereen, hoofd voor hoofd. Ik heet Payne! mijn-■\'\'■ei. - dokter Payne, van het drie en veertigste legiment. \'ioedenavond, mijnheer!quot; Nadat hij dit op een steeds hooger stygenden toon had ge\'--\'d, stapte hij niet trotsche schreden zijn vriend achterna, gevolgd door dokter Slammer die r\' ,\'n Ul,o\'\'d sprak, maar zich vergenoegde met quot;el gezelschap een blik van enbeschryfelijko verachting tor\' te werpen. .\' \'quot;der het aa nhooren der liovenstaando uitdaging. hadden uratnschap en verbazing de ede-borst van Pickwick doen zwellen, totdat de |
knoopen bijna van zijn vost sprongen, Hij stond als versteend. Het toeslaan van de deur deed hem tot zich zeiven komen. Met oogen, die van toorn en verontwaardiging fonkelden, snelde hij naar de deur. Zijne hand greep reeds de kiuk van het slot. en zou een oogenblik latei-dokter Payne bij de keel gehad hebben, indien Stockwall hem niet bij zijne rokspanden had j vastgehouden, ..Houdt hem tegen!quot; riep Stockwall, ..Winkle! j 1\'upman! hij moet zijn dierbaar leven niet om I zulk eene zaak op het spel zetten.quot; ..Laat mij\' lo.s!quot; zeide Pickwick. „Houdt hem toch vast!quot; riep,stockwall weder; j en door de vereenigde pogingen van het ge-heele gezelschap werd Pickwick met geweld in 1 een armstoel geplakt. „Laat hem maar los!quot; zeide de groenrok, j cognacgrog - knap oud heer couragie ge-I noeg — drink maar — zal u goed doen.quot; Nadat quot;ij eerst even het mengsel had geproefd, dat hjj | onder het rumoer voor zich zeiven had gereed-: gemaakt, hield hij Pickwick het glas voor den mond, die den inhoud gretig verzwolg. Kr volgde een korte poos van stilzwijgen. De krachtige drank werkte, en het goedhartige gelaat van Pickwick nam zijne gewone uitdrukking weder aan, „Zij zijn uwe aandacht niet waard,quot; zeide Stockwall. ij hebt gelijk,quot; antwoordde Pickwick; zijn zij ook niet. Ik schaam mij, dat ik tot zulk eene drift heb laten vervoeren,quot; Kort daarop vormde men weder een kring om de tafel, en de vorige eensgezindheid keerde terug. Het scheen, dat er in de borst van Winkle nog een geheime wrok smeulde, misschien over het ongevraagd leenen van zijn rok hoewel men nauwelijks denken zou. dat znlk eene nietige omstandigheid in het hart eens navolgers van den grootmoedigen Pickwick zelfs een voorbijgaand gevoel van misnoegen had kunnen opwekken.quot; Met deze uitzondering was de goede luim van het gezelschap volkomen hersteld; en men besloot den avond mot dezelfde vroolykheid, waarmede men dien begonnen had. IV, DION\' taCN OAAOSe II K VELDTOCHT KM r.lVorAi iVIKUWK VliIRNDKM, KM KKMK t\' IT MOODU i IM\'; OP HET LAND. Vele schrijvers koesteren een niet slechts dwazen, maar inderdaad oneerlijken tegenzin, om de bronnen te erkennen, waaruit zij vele kost bare berichten hebben geput. Wij pogen slechts op eene rechtschapene wijze onzen plicht te „dat mij |
SAM URL PICKWICK,
|
vervullen door de ons toevertrouwde bouwstoffen voor de pers te bearbeiden; en hoe gaarne wij ons ook onder andere omstandigheden deeer zouden willen aanmatigen, dat deze lotgevallen en ontmoetingen alleen de voortbrengsels onzer rijke verbeelding waren, verbiedt ons de eerbied voor de waarheid, ons zeiven eene grootere verdienste toe te schrijven, dan in eene oordeelkundige schikking en onpartijdige me-dedeeling der berichten van anderen, die een ruimen voorraad van gewichtige daadzaken voor i ons verzameld hebben, gelegen is. Wij rekenen ons derhalve verplicht rondborstig te bekennen, dat wij de bijzonderheden, in dit en het volgend hoofdstuk opgeteekend, aan hafc notitieboekje van den heer Stockwall te danken hebben, en gaan, nu wij ons geweten hebben ontlast, zonder verdere voorafspraak ons verhaal voortzetten. De geheele bevolking van Rochester en de nabijgelegen steden stond den volgenden morgen buitengewoon vroeg op, en maakte zich met de grootste drukte en haast gereed om naar buiten te gaan. Kr zou ten groote reven plaats hebben. De manoeuvres van een half dozijn 1 regimenten zouden door het arendsoog van den C o m m a n d an t en c h e f worden geïnspecteerd. Men had vooral reeds verschansingen gereedgemaakt, en zou nu eeno citadel bestormen en 1 innemen, en eene mijn laten springen. Gelijk de lezer uit dit kort uittreksel, dat wij i van Pickwick\'s beschrijving van Chatham ; hebben medegedeeld, heeft kunnen opmaken, was deze heer bijzonder ingenomen met den militairen stand. Niets kon hem of zijn metgezellen meer genoegen hebben gedaan, dan eene gelegenheid om zulk een schouwspel bij te wonen. Zij waren derhalve reeds vroeg op de been, , en wandelden naar het veld, waarheen men van alle kanten eene ontzaglijk\'- menigte menschen zag toestroomen. Al wat men hier zag, gaf te kennen, dat de naderende plechtigheid bijzonder groeten luisterrijk zou zijn. Kr waren schildwachten uitgezet, om ruimte voor de troepen te honden; op de batterijen zag men bedienden, die plaatsen voor de dames bewaarden; de sergeanten liepen heen en weder, met orderboeken onder den arm, en ! kolonel Bulder, in groot tenue te paard zittende. galoppeerde rechts en links, liet, zijn paard i achterwaarts onder het volk dringen, steigeren | en wendingen maken, en schreeuwde op eene i vervaarlijke manier zoodat zijne keel schor en zijn gezicht bloedrood werd, alles, zonder dat iemand er de minste reden voorwist te bedenken, oftlcieren draafden heen en weder, spraken eerst mei kolonel Bulder, gaven dan den sergeanten hunne boodschap, en liepen vervolgens geheel | en al weg; zelfs de manschappen zagen achter hunne blinkende geweren zoo plechtig en ge-heimzinnig voor zich, dat, men licht bemijpen |
kon, dat er iets zeer bijzonders zou plaats hebben. Pickwick zocht met zijne drie metgezellen eene plaats in de voorste rij der opeengepakte i volksmenigte, en wachtte geduldig naar het begin van het feest. Het gedrang werd ieder oogenblik erger; en de pogingen, die zij moesten aanwenden om hunne plaats te behouden, hielden gedurende de twee eerstvolgende uren hunne aandacht genoeg bezig. Nu eens kwam er plotseling een vreeselijke aandrang van achteren, en Pickwick werd eenige schreden ver vooruitgestooten met eene snelheid en veer- | kracht, die geheel niet met de gewone deftigheid van zijn gedrag strookten; dan eens hoorde men weder van voren het, bevel: „Achteruit 1quot; en werd de kolf vaneen geweer op Pickwick\'s teenen gezet of tegen zijne borst geduwd, om hem tot gehoorzaamheid aan te manen. Tus-schenheide begonnen eenige vroolyke lieden aan de linkerhand, voor de aardigheid, uit alle macht op zijde te dringen, totdat Stockwall bijna was platgedrukt, en vroegen dan,jwaar hij toch heen wilde; en toen Winkle zijne verontwaardiging over zulk eene onbetamelijkheid te kennen gaf, sloeg een potsenmaker, die,\'achter hem stond, hem zijn hoed over de oogen, en verzocht hem daarop zeer beleefd, omzijn hoofd in den zak te steken. Deze en andere gevoelige aardigheden, vereenigd met de onverklaarbare afwezigheid van Tupman (die plot-! Keling verdwenen en nergens te vinden was), maakten hun toestand, over het geheel, eer lastig dan aangenaam of verrukkelijk. Eindelijk hoorde men dat gemompel door de menigte gaan hetwelk doorgaans de komst van iets, waaropmen lang gewacht heeft, aankondigt. Aller oogen vestigden zich op den ingang van het veld. Men wachtte nog eenige oogen-blikken, en toen zag rnen de troepen met vliegende vanen en flikkerende bajonetten opmar-cheeren. Zij schaarden zich in slagorde; het commando liep de linie langs, en er volgde een afgemeten wapengekletter, toen het eene regiment na het andere het geweer presenteerde. De Commandanten chef reed met kolonel Bulder en een talrijken staf het front langs; al de muziekkorpsen begonnen tegelijk te spelen; de paarden gingen op hunne achterpooten st tan, galoppeerden achteruit, en sloegen met hunne staarten in het rond ; de honden blaften; het volk schreeuwde; de soldaten schouderden het, geweer; en zoover het oog reikte, zag men niets dan een uitgestrekt perspectief vari roöde rokken en witte broeken, roerloos en stijf op den grond geplant. Pickwick had zooveel te doen gehad, om telkens, als hij omvergestooten word, weder op te haspelen, dat hij geen tijd had gehad om een blik op het schouwspel te werpen, voordat het de zoo even beschreven gedaante had aangenomen. Toen hij eindelijk |
/EE VU HEN. 2:5
TCSSCHEN T
|
vast op zijne beenen stond, was zijne verrukking: grendeloos. „Kan men iets fraaiers zien?quot;zeide hy, zich tot Winkle keerende. ..Xeen — niets,quot; antwoordde deze, wiens voeten reeds een kwartier lang door een kort mannetje in de plaats van een bankje werden gebruikt. „Het is inderdaad een heerlijk en treffenil gezicht,quot; zeide istockwall, die in zijne j borst eene vlam van poëzie voelde ontbranden, i „wanneer men de dappere verdedigers des vaderlands in krijgshaftigen dos voor de vreed- j zame burgers ziet geschaard staan, terwijl hunne aangezichten stralen, niet van bloeddorst, maar | van menschenliefde, hunne oogen fonkelen, i niet niet het woeste vuur van roof en moord, I maar niet den zachten gloed der verstandelijke ontwikkeling. \' Pickwik hoorde deze lofspraak j met buitengemeen genoegen aan, hoewel hij [ zich met de gebezigde uitdrukkingen niet ten volle kon vereenigen; want de zachte \' gloed der verstandelijke ontwikkeling brandde vrij flauw in duizenden oogen, die alle recht i voor zich uitstaarden, zonder dat men daarin eenige uitdrukking, van welken aard ook, kon bespeuren. ..Wij staan nu al zeer goed,quot; zeide l\'ickwick, terwijl hij om zich heen zag. De menigte die | hen eerst omringde was langzamerhand naar een anderen kant gegaan, en zij stonden bijna alleen vlak voor het front. ..Zeer goed,quot; herbaalden stockwall on Winkle tegelijk. „Wat gaan zij nu doen?quot; vroeg Pickwick, \' terwijl hij zijn bril recht zette. ..Ik geloof ik geloof haast,quot; zeide Winkle verbleekende, „dat zij gaan vuren.quot; ..Oekheid,quot; zeide l\'ickwick snel. ..Ik geloof het waarlijk ook,quot; zeide Stockwall eenigszins onthutst. „Onmogelijk,quot; hernam Pickwick. Nauwelijks ! was dit woord uit zijn mond, of al de zes regi- | meuten legden het geweer aan, alsof zij allen i slechts eén doelwit hadden, en dat wel geen i ander dan de Pickwickisten, en terstond daar- 1 op barstte het verschrikkelijkste salvo los, dat ooit de aarde, tot in haar binnenste deed beven ■ of een bejaard heer van de beenen wierp. Het was in dezen neteligen toestand, blootgesteld aan een levendig vuur van losse patronen,en bedreigd door de manoeuvres van een regiment, dat aan den anderen kant was opgemarcheerd, dat Pickwick die koelzinnigheid en beradenheid ten toen spreidde, welke tot de kenmerken eenet waarlijk srroote ziel behooren. Hij\'greep Winkle bij den arm. en smeekte hem\'en stockwall ernstig toch te bedenken, dat zij van het vu- | ren, behalve do mogelijkheid dat de geweldige \' schoten hen doof zouden maken, geen gevaar te duchten hadden. |
«Maar maar,quot; zeide Winkle, zelf van angst over de mogelijkheid, welke in zijne gedachten opkwam, verbleekende, „als een van de soldaten eens bij vergissing, een kogel op ziju geweer deed? Mij dunkt, ik hoorde daar iets voorbij 1 mijn oor fluiten.quot; ..Het beste zou zijn, dat wij plat op den grond gingen liggen, niet waar?quot; zeide Stockwall. „Xeen, neen het is nu al gedaan.quot; zeide Pickwick. Zijn lip mocht beven, zijn wang ver-bleeken, maar geene uitdrukking van vrees kon den mond des grooten mans ontvallen. Pickwick had gelijk; het vuren had opgehou- ; den. Maar nauwelijks had hij tijd gehad om | zich met de juistheid zijner voorspelling geluk i te wenschen, of hij bemerkte in de linie eene j snelle beweging; het schorre commando liep er | weder langs; en voordat iemand van het gezel- 1 schap kon vermoeden wat er gebeuren zou, kwamen al de zes regimenten met gevelde i bajonetten, in den stormpas op desfflek af, waar 1 Pickwick met zijne vrienden stond. Een mensch is maar een mensch, en er is ; een punt waarboven de menschelijke moed zich \' niet verheffen kan. Pickwick staarde een oogen- • blik door zijn bril de voortrukkende linie aan; | toen keerde hij zich om, en wij willen niet j zeggen vlood: vooreerst, omdat het eene ver- 1 nederendt uitdrukking is; ten andere omdat i de lichamelijke omvang van den achtbaren 1 Pickwick hem geenszins voor zulk een overijlden terugtocht geschikt maakte derhalve: hij liep op een drafje wog. zoo snol zijne beenen | maar voort wilden: zoo snel, om de waarheid ! te zeggen, dat hij niet dan te laat zag, in i welk een neteligen toestand hij zich eigenlijk ; bevond. De troepen aan den anderen kant, over wier ! opmarcheeren Pickwick zich eenige minuten te voren had verwonderd, hadden zich in slagorde geschaard, om den aanval van hen, die | de de citadel kwansuis moesten belegeren, af te slaan; en het gevoly was, dat l\'ickwick en zijne metgezellen zieh onvoorziens tusschen twee lange linien ingesloten bevonden, waarvan de eene in den stormpas aanrukte, terwijl de andere met gevelde bajonelen dien schok afwachtte. „Hei daar! hei!quot; riepen di oflicieren van de I voortrukkende linie. „I\'it den wog!quot; riepen de oflicieren van de pa Istaande. „Waar moeten wij d;m naar toe ?\'\'schreeuwden de onthutste Pickwickisten. „Hei daar! hei!quot; was liet eenige antwoord, Er volgde een oogenblik van onbeschrijfelijke j benauwdheid; en toen de Pickwickisten weder : bij hunne zinnen kwamen, lagen zij met hunne ^ beenen in de lucht, zonder zich iets te herinneren i dan een verward gedrnisch, het stampen eener menigte voetstappen, eenige geweldige stooten en een half onderdrukt gelach. |
SAMUML l\'K.\'KWICK.
|
^tockwiill i\'ii Winkli\' hadden beidtn onwille-keurig «enige fraaie bokkensprongen gemaakt. De laatste was zyn neus aan liet bloeden geval-; ien, en bleef op den grond zitten, terwijl hij den ! rooden stroom niet zijn geelen zakdoek poogde te stelpen. Het duurde derhalve eene poos voordat hij opzag, «-ii het eerste, wat hem toen • in het oog viel, was zijn geëerde vriend en voorganger, die op eenigen afstand zijn hoed naliep, welke op eene zeer aardige manier voor 1 hem uithuppeldf. Er zijn weinige oogenblikken in eens men-schen leven, waarin iiij meer verdriet onder-: vindt en minder liefderijk medelijden aantreft, dan wanneer hij zijn hoed naloopt. Er is zeer vei l koelbloedigheid en een juist oordeel noo-; dig, om zulk een hoed weder in zijne macht te krijgen. Men moi-t zich niel te veH haasten •, want dan loopt men hem voorbij. Men dient zich ook voor liet andeie uiterste te wachten, want dan krijgt men hem in het geheel niet. De beste manier is den vluchteling bestendig op zijde te blijven, ecne goede gelegenheid al re wachten, dan te maken, dat men een weinig voor komt, snel te hukken, den hoed te grijpen, en stevig op het hoofd te zetten, maar vooraf dat alles met i-i-n vergenoegd glimlachend gezicht tedoen, alsof men evenwel pret in de grap had, als iemand anders. Een dartel windje dreef den hoed van Pickwick spelend voor zich heen. De/.e liep zijn hoofddeksel na. en meende het reeds te hebben, toen het op eens weder ver buiten zijn bereik was. Geheel buiten adem wilde l\'ickwick reeds zijn eigendom aan get noodlot overlaten, toen het toeval hein te hulp kwam en de hoed tegen het wiel van een rijtuig, dat met nog eenitcc anderen op een rij geschaard stond, bleef liggen. Pickwick nam zijne kans waar. schoottoe. maakte zich meester van zijn hoofddeksel, en bleef staad om adem te scheppen. Hij was nog geen halve minuut blijven staan, toen hij zich bij zijn naam hoorde roepen door eene stem, waarin hij terstond die van Tupman herkende. Hij sloeg terstond zijne oogen op, en hetgeen hij zag, vervulde hem met verwondering en blijdschap. In eene open barouche, waarvan men de paarden had afgespannen. Opdat het rijtuig in de bekrompen ruimte minder plaats zon beslaan, stonden een zwaarlijvig oud heer, meteen blauwen rok met vergulde knoopen,een hartsleeren broek en kapli irzen. twee jonge dames met voiles en ve ren, een jong heer naar het. scheen ver liefd op een dezer, verder eene oudachtige dame, wa.n -chutilijk de tante der twee jontce en eindelijk Tupman, zoo recht op zun g\' inak, alsof hij van kitfd.-iheen al\' bij de familie in huis had ce-woond. Tussehen de achterwielen «Ier ba rou che hing eene sluitmand van de grootste soort eene van de shiitmanden, welk»\' In een nadenkend gemoed steeds de denkbeelden van koude hoenders, ossentong. flesschen wijn opwekken en op den bak zat een dikke jongen meteen rood gezicht, vast in slaap dien men slechts be hoefde aan te zien, om in hem den dienstbaren uitdeeler te li i kennen van den inhoud der bovengenoemde sluitmand, wanneer het tijd zou zijn dien te nuttigen, |
l\'ickwick had al deze belangrijke voorwerpen met een haastigen blik overzien, toen hij door zijn getrouwen leerling nogmaals begroet werd. „Pickwick Pickwick!quot; riep Tupman. „Stap ! inl Haast u!quot; „Kom bij|ons mijnheer. Stap in, als het u i belieft?quot; zeide de bejaarde heer. „Jozef! — Die verwenschte jongen 1 hij zit alweer te slapen Jozef! laat de tree neer!quot; De dikke jongen liet ! zich langzaam van den bok afzakken, sloeg de ; trede neer, en opende het portier. Stockwall en Winkle kwamen op hetzelfde : oogenblik aan. „Plaats voor alle drie, heeren!quot; zeide de bejaarde heer. „Twee binnen in, en eene buitenop. ! Jozef! maak plaats voor een van die drie heeren op den bok. — Komaan, mijnheer!quot;\' | Dit zeggende stak de zwaarlijvige bejaarde j heer zijn arm uit, en trok de heeren Pickwick | en Stockwall, na elkander bijna met geweld in j de barouche. Winkle klom op den bok: de i dikke jongen volgde zijn voorbeeld, en viel op hetzelfde oogenblik weder in slaap, „Wel heeren!quot; zeide de bejaarde heer. „dat doet mij veel pleizier. Ik ken u wel, heeren! al ; herinnert gij u misschien niet wie ik ben. Ik ; heb verleden winter eenige avonden in uwe j club doorgebracht. Dezen morgen vond ik mijn I vriend Tupman hier. Ik was blij, dat ik hem nog eens wederzag. En hoe vaart gij mijnheer ? | Gij ziet er bijzonder goed uit.quot; l\'ickwick dankte hein voor het compliment, : en drukte den bejaarden heer met de kaplaarzen i hartelijk de hand. „En hoe vaart gij. mijnheer?quot; vervolgde de ! bejaarde heer, stockwall met vaderlijke min- | zaamheid aansprekende. „Wel, dat doet mij j pleizier. — En gij mijnheer?quot; dit gold W inkle. „Ook wel? Ik ben er waarlijk mede in mijn schik. Daar hebt gij mijne kleine | meisjes, heeren, mijne dochters; en dat is mijne ! zuster, mejuffrouw Rachel Wardle, /ij is nog eene jonge julfrouw,quot; Dit zeggende, gaf hij Pickwick schertsend oen elleboogstoot In de rib-ben en lachte zeer hartelijk, „Lieve hemel, broeder!quot; zeide julfrouw Rachel met een pijnlijk lachje, „Het i» toch waar,quot; zeide de bejaarde heer, „Niemand kan het tegenspreken, Heeren! ik verzoek u verschooning; dit is mijn vriend, mijnheer Trundle, N\'u kunnen wij elkander, Liatons nu vergenoegd en eendrachtig wezen, en zien I wat er te zien is,quot; De bejaarde heer zette zijn |
DE DIKKE JONGEN BEDIEXÏ BIJ HET ETEX.
2)
|
bril op; Pickwick haalde zijn verrekijker te voorschijn, allen stonden op, en keken over elkanders schouders, om de manoeuvres gade te slaan. Bet waren inderdaad verbazende manoeuvres. Het eene gelid vuurde over de hoofden van het andere, en ging dan achteruit; dan vuurde het andere gelid over do hoofden van nog een ander en ging ook achteruit. Men vormde cam\'s met de officieren in het midden, klom met stormladders aan den eenen kant in de gracht af, en aan den anderen kant, ook met stormladders, er weder uit, verwoestte barricaden |
kanongebulder zijn wiegedeuntje geweest was. „Jozetlquot; riep W.irdle, toen de de citadel was ingenomen, en belegerden en belegeraars te /.amen gingen eten. „Die wcorgasche jongen slaapt alwciTi Mag ik u verzoeken mijnheer! hem eens te knijpen in zijn been, als het u belieft; dat is het eenige. waarvan hij wakker wordt. Ik dank u! Jozef maak de siuitmand open!quot; De dikke jongen, die door de gedienstige kneep van Windle helder wakker was geworden, liet zich weder van den bok zakken en begon, met meer handigheid dan men bij zijne vroegere |
|
van schanskorven, en deed wonderen van dap perheid. Tusschenbeide werden do kanonnen afgeschoten, met een slag, dat de lucht van hel gegil der dames weergalmde. De jonge-juifrouwen Wardle waren zoo verschrikt, dat mijnheer Trundle de eene en Stock wall de an dere moest vasthouden, terwijl de zuster van van mijnheer Wardle het op de zenuwen kreeg, dat Tupman het [noodiu achtte zijn arm om haar middel te slaan, om te voorkomen, dat zij tusschen de banken nederzonk. Iedere» n was eenigszins ontlmst, behalve de dikke jongen, die zoo gerust bleef slapen, alsof het traagheid zou verwacht hebben, de mand te Ontpakken. |
„Wij zullen wat gedrongen moeten zitten,quot; zeidede bejaarde hoer. Xa eenige plagerijen over het krenken van de wijde mouwen der dames, en menigen blos over de in scherts verscheidene malen herhaalde voorslagen, dat de dames op do kniei n der heeren zouden gaan zitten, hadden allen in de barouc he plaats gevonden en nu begon Wardle van don dikken jongen, die achterop geklommen was, den inhoud der mand stuksgewijze aan te nemen en in het rijtuig al te geven. |
|
■2(1 SAMUEL „Eerst de mt ssen en vorken, Jozef! Nu de borden; Nu elf kapoen! Nu de tong 1 Nu de dui-venpastei! Pas op de ham en de kalfsschijf! Geef de kreeften aan. Nu de sla!quot; Deze bevelen volgden snel op elkander, terwijl Ward ie de opgenoemde voorwerpen aannam en overreikte, en iedereen schotels in de handen en op de knieen gaf, totdat men ze niet meerbergen kon. „Ziet het er niet goed uit?quot; vroeg de lustiire oude man toen men zich gereedmaakte om op den maaltijd aan te vallen. „Heerlijk!quot; antwoordde Winkle die op den bok eon hoen voorsneed. „Een glas wijn?quot; „Met zeer veel genoegen.quot; „Het zou beter zijn, als gij daar eeiie 11e-,\'li bij u luidt niet waar?quot; , (ïij zijt al te goed.quot; „JozefT\' „Wat blieft nUinhoer?quot; De jongen sliep nu ni\'l; want hol was hem gelukt, een vlfsch-pastijtje achter te houden. „Geef mijnheer eene llesch op den bok. Verheugd u te zien mijnheer!quot; „Dank u!quot; Winkle ledigde zijn glas, en zette dlt;- rtesch naast zich. Nu begon hetgeheele ge-/,else hap met elkandt r te drinken, en het gesprek werd algemeen. „Zie eens, hoe druk Eltt.ilie het heeft met den vrei tndén heer!quot; tluisterdo juffrouw Rachel met echt oudvrijsterlijke wangunst haar broeder in. „Ei zoo! zeide de vroolijke oude heer. „Ja, dat is zeer natuurlijk niets ongewoons. Men glas wijn, mijnheer Pickwick9quot; De gevraagde, die juist met alle aandacht het in wen-diLquot; eener (Inivenpastei onderzocht, gaf zijne toestemming. „Emiliaatjo!quot; zeide de tante, met het ai r van eene gouvernante: „praat toch zoo hard niet, kind!quot; „Eievi Hemel, tante!quot; „Tante lt; n die oude heer zouden wel geheel a.11quot; en willen praten,quot; fluisterde Isabella hare zuster toe. De jonge da mes lachten hart, lijk, en (!gt;■ oude wi en zeer zoetsappig gezicht zetten, maar kon het niet gedaan krijgen. „Jonge meisjes zijn altijd zoo vroolijk,quot; zeide de Tante tot Tupman op t f\'n medelijdende toon, alsof de vroolijk heid een ongelukkiggebrek ware gewei sr. „Dat is waar,quot;zeidi\' Tupman, die niet begreep wrik antwoord men van hem verwachtte. „Zij zijn waarlyk te benijden,quot; „Hm!quot; zeide tante, „Wilt. gij mi.i vergunnen zeide Tupman op oen suikerzoeten toon, terwijl hij de hand der bekoorlijke Rachel zeer zacht aanraakte, en met zijtu andere hand d( llesch een weinig oplichtte. ,Wilt gij mi.j vergunnen?quot; .o, mijnheel zeide juffrouw Kachel. |
PICKWTCK\'. Tupman zag haar met een teederen blik aan, en Rachel gaf hare vrees te kennen, dat er nog meer kanonnen zouden worden afgeschoten, in : welk geval zij natuurlijk weder ondersteuning zou noodig hebben. „Vindt gij mijne nichtjes mooi?quot; fluisterde i de liefhebbende tante. „Dat zou ik, als hare tante niet hier was!quot; antwoordde Tupman zeer vlot. „O, gij deugniet! Maar inderdaad, als hare kleur een weinig beter was, denktgij dan niet dat zij er zeer aardig zouden uitzien — vooral bij kaarslicht.quot; „Ja, dat denk ik wel,quot; antwoordde Tupman onverschillig. O, gij fopt mij! ■ ik weet wat gij zeggen wilt.quot; „Wat. dan?quot; vroeg Tupman, die zelf niet wist. dat hij iets had willen zeggen. „Gij wilt zeggen, dat Isabella scheef is gij mannen zijt zoo nauwlettend. Nu, gij hebt gelijk, het is waar; en ik moet bekennen, dat er niets is, \'t welk een meisje meer misstaat. Ik zeg haar dikwijls, dat zij, als zij wat ouder wonlt, een zeer leelijk postuur zal krijgen. Gij zijt een schalk; dat moet ik zeggen.quot; Tupman had er niets tegen, om dezen eere-titel zoo gemakkfelijk te verdienen; hij zette daarom een zeer schalkachtig gezicht, en glimlachte geheimzinnig. „Welk een spottende glimlach !quot; zeide dt bewonderende Rachel. „Ik moet zeggen, dat ik waarlijk bang voor u word.quot; „Bang voor mij?quot; ,0, gij kunt mij niets verbergen; ik weet wel. wat gij met dien glimlach meent.quot; Wat dan?quot; vroeg Tupman. die er zelfgee-netiei denkbeeld van had. „lt;;y meent,quot; hernam de tante, nog zachter tluisterende, „dat gij den scheeven schouder van Isabella nog zoo erg niet vindt alsdecoquetterie van Emilia, Ik moet u gelijk geven. Gij kunt u niet verbeelden, hoe bedroefd ik er mij dikwijls over maak. M^n lieve broeder is zoo goedhartig, zoo onergdenkend, dat hij er nooit op let. Als hij het bemerkte, zou het een nagel aan zijne doodkist wezen. Ik hoop dat het, slechts eene onbedachtzaamheid van haar is; maar. .,,quot; De tante zuchtte en schudde\' wanhopig het hoofd, „Ik geloof vast, dat tante over ons spreekt,\'\' fluisterde Emilia hare zuster toe. Z\\j ziet er zoo boosaardig uit.quot; ..Zoo!quot; hernam Isabella. „Lieve tanh !quot; „Lieve Isabella!quot; ..Ik ben zoo bang, dat gij koude zult vatten! Gij moest fen zakdoek om uW hoofd knoopen, als gij uw hoed niet wilt opzetten; uw haar begint dun te worden, gij moest waarlijk meer om uwe jaren denken.quot; Hoe wel verd ie nd deze w ra a k oo k wezen m oc h t. |
DE DIKKE JOXGEK ALS EENE RARITEIT 01\' PRIJS GESTELD.
|
was /.ij echter wat al te gestreng. Wie weet, hoe de tante hare verotttwaardiginglucht 2,011 hebben gegeven, indien de oudf heer Wardle haar niet zonder erg den mond had gestopt, door zoo hard hij kon om Jozef h roepen. I)ie verwenschte jongen!quot; zeide de oude heer. ,,Hij is alweer in slaap.quot; „ Dat is vreemd met dien jongen,quot; zeide Pickwick. „Slaapt hij altijd zoo?quot; „Altijd,quot; antwoordde Wardle. „Hij doet sla-i pende zijne boodschappen, en snorkt als hij de , tafel bedient.quot; „Dat vind ik raar.quot; zuide Pickwick. „Ja wel raar,quot; hernam de oude heer. Ik ben trotsch op dien jongen - ik zou hem voor geen geld will-n missen ik houd hem als een rariteit. Hier Jozef. Jozef neemt dat goed weg, en trek nog eene flesch open,quot; De dikke jongen stond op, opende zijne oogen, slokte een stuk pasteikorst door, dat hij pas in zijn mond had gestoken, toen hij in I slaap viel, en begon langzaam het bevel van zijn meester te gehoorzamen. Met begeerige blikken het oversshot van den maaltijd aanglu- = rende, pakte hij de schotels en borden weder in de mand. De volle flesch, die hij had aangereikt, was spoedig geledigd; do riiand werd weder vastgebonden, de dikke jongen klom weder op den bok, de brillen en\' verrekijkers I werden wederom ter hand genomen, eii het ; 1 manoeuvreeren der troepen begon opnieuw. De kanonnen bulderden en de dames gilden gelijk te voren. Eindelijk sprong de mijn, en toén begonnen de troepon en de aanschouwers te-! gelijk af te trekken. „Nu! zeide de oude heer, tot besluit van een gesprek, dat hij in de tusschenpoozen van stilte met Pickwick had gevoerd: „idj zult er wel aan denken, dat wij morgen u allen bij \' ons wachten ?quot; „Ik beloof het u,quot; antwoordde Piek wiek, ..(üj weet mijn adres?quot; „Man or Farm bij Di n gI ey Dell,quot; zeide Pickwick, nadat h^j in zijn zakboekje had gekeken. „Juist,quot; zeide de oude heer. Onthoud, dal-ik 11 in de eerst\'1 acht dagen niet laat gaan: gij moet alles zien, wat er te\'zien is. Jozef I drommels! hij slaapt alw^Tl Jozef! help l om de paarden voorspannen.quot; De paarden werden voorgespannen, de koet-klom oj) den bok, de de dikke jongen zette zich naast hom, men zoide elkander vaarwel, en het rijtuig reed weg. Toen de Pickwickis-ten zich omkeerden, om het na te zien, wierp de ondergaande zon een rooden gloed op de gezichten hunner gulle vrienden, en had Jozef oef hoofd reeds weder op de borst laten zakken. |
V. EEX KOUT HOOFDSTUK. WAARIN ONDEK ANDK- KEN VERHAALD WORDT, HOE HK.\'KWXCK EEN WAO EN WILDE M EX N EN\' EN WINKLE TE PAARD Ur.IUEN, EN HOE DIT HUN BEKWAM. Mi Ider was de hemel, verkwikkelijk de zachte lucht en ,schooi) alles wat mën rondom zich zag, toen Pickwick over de borstwering der Inug van Pochester leunde, terwijl hij de natuur beschouwde en op zijn ontbijt wachtte. Het rooneel was inderdaad treffend genoeg om zelfs een minder nadenkend gemoed ie bekoren. Aan.de linkerhand van den aanschouwer ver-hiet zich de oude muur, die hier en daar in puin gevallen was, en op andere plekken dreigend naar het smalle strand overhing. • ïroote Mossen zeewier zwierden aan do punten der uitstekende steenon inden wind\', en hot groene klimop slingerde zich treurig om do afgebrokkelde kanteelen. Daar achter verhief zich het oude kasteel, met zijne van dak beroofde torens en zwaie, maar gebarsten muren, doch nog even trotsch en dreigend als toen,zevenhonderd jaren geleden, het wapengekletter offeestgejuich\'daar-in weergalmde. Aan beide zijden strekten zich de oevers van de Medway, met weiden .-n koornvelden bedekt, waarachter zich hiw en daar een windmolen of kerktoren verhief, zoo vei uit, als het oog kon reiken. Met treheid vormde een veelkleurig en bevallig landschap, dat een nog schilderachtiger voorkomen ver kreeg, door de schaduwen, die daarover heentrokken, naarmate de dunne wolkjes de mor-u1\' 11 zon voorbijzweefden. De rivier, waarin d, blauwe hemel zich afspiegelde, stuwde hare glinsterende golfjes zacht kabbelend voort, en de riemen der visschers plasten met afgemeten slagen in het water, terwijl hunne zware booten langzaam den stroom afgleden. Uit het gepeins, waarin hit tooneel hem had doen verzinken, werd Pickwick gewektdoor e\' ii „goedenmorgenquot; en een tik op zijn schouder. Hij keerde zich om. Het was Winkle, die hern kwam zeggen, dat zijie reisgenooten op hem wachtten, om te gaan ontbijten. Zij gingen naar het logement, zetten zich\'terstond aan ta-fel, \'ii de gebraden ham, eieren, thee. koftie broodjes en mdeiv eetwaren verdwenen met eone snelheid, welke tegelijk het beste bewiis leverde van de smakelijke toebereiding en d\'-n eetlust der gasten. „Nu dienen wij over M\'anor-Parm te spieken, zeide Pickwick. „Hoe zullen wij ei-heen komen?quot; ..Misschien zou het beste w zen er den oppas ser eens naar te vragen,quot; zeide Tupman, en de oppasser werd geroepen. |
I
SAM T EL PICK WK \'K\'.
28
den wagen achteruit in de ruiten te dringen.
,. Ho,quot; riep de stalknecht. „Het is niets, heeren. dan een beetje ongeduld! houd hom eens vast, William!quot; De oppasser gehoorzaamde; en nu zou de staUtnacht Winkle helpen opstijgen.
„Aan den anderen kant, als\'tu belieft, mijn- • heer!quot;
,Verduiveld! hij wou er aan den verkeerden -kant op,quot; fluisterde een grinnikende postiljon , den in zijn vuist lachenden oppasser toe.
Winkle maakte zich het ontvangen onder-| richt \'ten nutte, eu klom in den zadel, met gt; ; weinig minder moeite dan het hem zou gekost | hebben om aan boord van een oorlogschip te j i klauteren,
„Alles in orde!quot; vroeg Pickwick, met een angstig voorgevoel, dat alles verkeerd zou i gaan.
I ..Alles in orde,quot; antwoordde Winkle met een ! benauwde stem,
( Los maar!quot; riep de stalknecht. „Houd de ! teugels aan, mijnheer!quot; en daarmede rolde het rijtuig, met Pickwick op den bok, en sprong | het paard met Winkle op den rug, tegelijk •
voort tot groot vermaak van al de bedienden ; uit het logement,
„Waarom gaat uw paard zoo scheef?quot; riep Stockwall uit de sjees Winkle toe.
„Ik kan het mij niet begrijpen,quot; antwoordde 1 Winkle wiens paard goedvond op eene zeer zon-deiiinge manier de straat af te galoppeereu, met den kop naar den eenen en staart naar den anderen kant.
Pickwick had geen tijd om hierop te letten, daar hij al zijn aandacht noodig had, om het paard, dat voor de sjees liep, te regeeren, welk i dier verscheidene hebbelijkheden aan den dag legde, die den onpartijdigen aanschouwer zeer otuierhoudend moesten voorkomen, maar hem, ! dii de leidsels hield, in geenen deele aangenaam konden zijn, ISehalve dat het onophou- j delijk, en op eene zeer lastige manier, met den kop zwaaide, en zoo hard aan de teugels trok, dat het bijna niet te houden was, had het de zonderlinge liefhebberij, om nu en dan op zijde te springen, een oogenblik te blij ven staan, en dan eene poos voort te rennen, met eene vaart, die door niets te stuiten was,
„Wat zou hij daarmee willen hebben?\' vroeg Stockwall, teen het paard voor de twintigste maal deze kunst had vertoond.
Ik weet het niet,quot; antwoordde Tupman. „Ik geloof toch wel, dat hij een beetje schichtig is.quot; Stockwall wilde antwoorden, toen een uitroep van mijnheer Pickwick hem daarin verhinderde.
..Ho!quot; zeide deze, „Ik heb mijn zweep verloren,quot;
.Winkle!quot; riep Stockwall den ruiter toe die me: zijn hoed mi den in k achteraan kwam draven, en bij eiken schok, die hem hoog uit
„Dingley-Dell, manheer? vijftien j
mijlen - rijdt geen diligence door postsjees, j rnijnlu\'er ?quot;
„ Maar in een postjees is slechts voor twee personen platits,quot; merkte Pickwick aan.
„(ielijk, mUnheerl neem hiel: kwalijk mooie sjees met vier wielen, mijnheer: l\'laats voor twee achterin, en de heer, die rijdt, voorop, i O! neem niet kwalijk, mijnheer! dat zijn er maar drie.quot;
„Hoe zullen wij hot dan maken?quot; vroeg Stockwall.
„Misschien zou een van de heeren wel te paard wilUm rijden, mijnheer!quot; zeide (ie oppasser met een blik op Winkle. „Hebben zeer goede rijpaarden, mijnheer! Een knecht van mijnheer Wardle kan ze terugbrengen.quot;
„Dat zou gaan,quot; zeide Pickwick. ,,Winkle! wiit gij te paard rijden?quot;
In den grond van zijn hart twijfelde Winkle zeer of het wel goed zou atloopen, indien hij «le proef hiervan nam; maar, daar hij om alles in de wereld geene aanleiding wilde geven dat men hem van lafheid verdacht, antwoordde hij terstond zeer manhaftig: „Z\' kerlijk. Ikzou niets liever willen.quot; Xu had hij het noodlot als het ware getart, en moest afwachten, wat er van komen zou.
...Maak dan, dat allen om elf uur gereed is,quot; zeide Pickwick.
l)i oppasser verwijderde zich, en toen het ontbijt was afgelöopen, begaven de reizigers zich naar hunne slaapvertrekken, om zich voor dit tochtje gereed b maken. Nauwelijks waren zij weder beneden, nf de beloofde sjees kwam voer de deur. getrokken door een reusachtig bruin paard. Op hetzelfde oogenblik verscheen (. u stalkm cht, die eeu ander paard, voor Winkle gezadeld, en i ven groot en forseh als het au-dep , aan den toom leidde.
„Lieve hemel!quot; zeide Pickwick, toen hij met zijn gezelschap buiten de deur kwam: „Wie zal ons rijden \' Daar heb ik niet aan gedacht.quot; ..Wel, gij, natuurlijk,quot; zeide Tupmin. „Natuurlijk,quot; zeide stockwall.
„Ik?quot; riep PickwicK uit.
.. W-• s maar niet bang, mijnheer!quot; viel de stalknecht hierop in. „Het beest is zoo mak, dat een klein kind hef zou kunnen regeeren,quot; „Is het dan niet schuw of schrikachtig?quot;
j vroeg Pickwick.
„Schuw, mijnheer?quot; hernam de stalknecht. „He- zou niet, schrikken, al kwam het een wagen vul apen met afgebrande staarten tegen.
Tegen dit bewijs was niets in te brengen. Tupman en stockwall namen plaats in den bak van dlt; sjees, en i\'iekwick op zijn hoog verheven bankje, waarna de oppasser hem de leidsels en de zweep a ingaf.
„Ho!quot; riep Pickwick, toen het reusachtige dier eene neiging aan den dag legde, om
|
KKXK UEIS .MKT den zadel deed opwippen, een pijnlijk gezicht trok. „map als \'t u belieft, de zweep eens op 1quot; Winkle hield uit alle macht de teugels aan; en toen het hem eindelijk gelukt was zijn paard tot staan te brengen, steeg hij at, reikte Pickwick de zweep aan en wilde weder op 1 stijgen. 01\' nu het forsclie paard, uit speelzieke dartelheid, een weinig met Winkle wilde schertsen en stoeien, of wei op de gedachte kwam, dat het pleizieriger zou zijn, de reis zonder dan met een ruiter op den rug te volbrengen, is eene vraag, die wij niet kunnen beslissen. Dit is echter zoker, dat het beost, zoodra Winkle eene poging aanwendde om weder in den zadel te klimmen, door eene vlugge beweging, de teugels over zijn kop liet glippen, en zoover de lengte der riemen wilde gedoogen, achteruitstoof. ..Mo, mijn beestje!quot; riep Winkle op een vlei-: enden toon. ..Sta bonk! sta!quot; Maar het „beestjequot; I \'\'et zich hiermede niet verschalken; heemeer Winkle het poogde nabij te komen, des te meer deinsde hel zijwaarts af; en, in weerwil van alle roepen en vleien, draaiden Winkle en het paard tien minutun lang in een kring om elkander heen. en waren na verloop van dien tijd nog juist zoover van elkander, als in het begin. Dit zou altijd een onaangenaam geval zijn geweest, maar was dit vooral op een eenzamen weg, waar geen hulp te krijgen was. ..Wat moet ik doen?quot; schreeuwde Winkle, nadat hij nog een poos met het paard had rond-geloopen. „Wat zal ik doen ? Hij wil mij niet oplaten.\'\' „Gij moest hem maar aan den teugel houden, tot aan het eerste tolhek,quot; riep Pickwick uit de sjees. „Maar hij wil niet mee,quot; schreeuwde Winkle. „Kom toch eens hier om mij te helpen!quot; I\'ickwick was de goedheid en menschlievend-held in eigen persoon; hij wierp de leidsels op den rug van zijn paard, klom af, trok het rijtuig naar den kant. uit vrees dat er iets langs den weg zou komen, en ging terug om zijn hulpbehoevenden reismakker bij te staan, terwijl Tupman en Stockwal in het rijtuig bleven zitten. Nauwelijks zag het paard Pickwick met de zweep in de handen op zich afkomen, of het verwisselde de kringvormige beweging, waarin het tot nog toe zooveel behagen had geschept, met eene zoo overijlde rugvvaartsche, dat hel Winkle, die nog hei eind der teugels vasl hield, op een drafje medetrok. I\'ickwick snelde hem\' te hulp; maar hoe harder I\'ickwick liep, dos te harder liep ook het paard achteruit. JS\'a een beetje steigeren en het opjagen van eene gewéldige stofwolk, liet Winkle, wien de armen bijna v\'in het lijf waren getrokken, de teugels los. Het paard schudde zijn kop, staarde liem aan, |
MIN DKHXISSKN. keerde zich om, en draafde woltevreden naar Rochester, om zijn stal op te zoeken, terwijl Pickwich en Winkle elkander vol verslagen held aankeken. Een geratel op eenigen afstand trok hunne aandacht. Zij zagen om. „Lieve hemel!quot; riep I\'ickwick ontzet; „daar : gaat het andere paard op hol!quot; Het was maar al te waar. Het beest was bang geworden door het rumoer en de teugels lagen ; op zijn rug. Het gevolg is licht te vermoeden. | Het ging op hol. met het rijtuig achter zich. j Het holde echter niet ver. Tupman sprong uit \' het rijtuig over de heg, die den weg begrensde. I Stockwall volgde zijn voorbeeld; het paard slin- | gerde de sjees tegen een paal, zoodat bok en | onderstel elk naar een anderen kant stoven, en | bleet toen stokstijf staan, om de verwoesting, die het had aangericht te bekijken. Do eerste zorg der twee nog op de been zijnde vrienden was, hun ongelukkige makkers uit hun bed van haagdoornen op te helpen, waarbij zij het onbeschrijfelijk genoegen hadden van te i bevinden, dat deze, eenige scheuren en schram men uitgezonderd, geen letsel hadden bekomen. i Vervolgens moest het paard worden uitgespan- i nen. Toen deze voor allen ongewone en moeie- ! üjke bezigheid verricht was. wist het gezelschap | niet beter te doen, dan langzaam op te kuieren, ! het paard aan den teugel voort te leiden, en ; hel rijtuig aan zijn lot over te laten. Nadat zij aldus een uur hadden voortgewan- j deld, kwamen zij aan een kleine armoedige j herberg. In het tuintje daarnaast zagen zij een i man met roode haren aan hei werk, en aan- 1 stond» verhief I\'ickwick zijne stem en riep; i „Hola hei!quot; De roodharige keerde zich om, hield/,ijnehand boven zijne oogen en bleef Pickwick en zijne reisgenooten zeer bedaard aanstaren. „Hola!quot; herhaalde Pickwick. „Wat moet je hebben?quot; riep de roodharige, „Hoever zijn we hier van Di ngley-Del 1,quot; „Ruim zeven mijlen,quot; „Is de weg goed?quot; ..Seen slecht. Na dit korte en bondigi antwoord, keek de man zijn gezelschap nog eens aan, en ging toen weder aan het spitten, „Kunnen wij dit paard hier op stal zetten ?quot; vroeg Pickwick. „Dat paard hier op stal zetten Vquot; herhaalde de man, op zijne spade leunende. „Ja; om het to bewaren totdat wij het halen,quot; | hernam I\'ickwick, die met het paard aan den I toorn, nu dicht bij het tuintje was gekomen. „Vrouw!quot; riep de man, terwijl hij het paard | met bijzondere aandacht bekeek, „Vrouw!quot; Na verloop van eenige oogenblikken kwam ! eene lange vrouw niet een grot\'mannengezicht, de deur uit, .. Vrouwtje!quot; zeide Tupman naderbij komende, | |
SAM li;\'. l\'ICKWICK.
•VI
|
up een suikerzoeten tnon; „kunnen wij dit paard hier op stal zetten?quot; De vrouw keek liet gezelschap zeer oplettend aaii, en de roodhariire man tluisierde haar iets in het oor. „Neen,quot; autwoorUde /.ij. nadat zij zich een poosje had bedacht. Jk ben er bang voor.quot; „Bang?quot; riep Pickwick uit. „Waar zou de vrouw bang voov wezen .\' ..Wij zijn laatst al eens in het verhoor geno-men,quot; zeide de vrouw, terwijl zy weder naar binnen izing. Ik wil er niets mee te maken hebben.quot; „Dat is zoo zonderling, als ik ooit in mijn lev\' n gezien heb,quot;\'zeide de verbaasde Pickwick. ■ „Ik ik geloof,quot; fluisterde Winkle, lerwijl zijin. vrienden zich om hein heen verzamelden, „dat /.ij denken, dat wij niet op eene eerlijke Dianier aan dit paard gekomen /.ijn,quot; „Wat?quot; riep Pickwick met verontwaardiging j uit. Winkle herhaalde zeer bescheiden zyn ver- i inecden. .jjea. kerel!quot; zeide Pickwick driftig, „denkt gij, dat wij het paard gestob-n hebbenquot; „Ik weet het zeker.quot;antwoordde de roodharige, , niet een grijnslach, die de hoeken van zijn mond tot aan zijne ooren optrok. Daannwie iring hij in huis, en smeBt de deur achter zich dicht, i .liet lijkt: wel een droom.quot; riep Piekvvick uit, benauwde droom, den gehceien dag te ie neten rond loopen met \' en a kelig paard, dat men niet kwijt kan raken. De bedrukt\'- Pickwickisten wandelden langzaam rii treurig voort met het \'j;route beest, dat hun allen een doorn in het oog wa-,, achteraan. Het was laat in den middag, toen de vier \\ rilt;-nden niet hunnen viervoetigen reismakker re\' iaan insloegen die naar Manor i-\'ann voerde : maar de vreugde, dat zij zoo dicht bij de 1 n. i at s hunner b\'stemininir waren gekomen, werd v. :_\'ald door de gedachte aan het zonderlinge \'. ui hun voorkomen en het belachelyke van hun : t\'M siand. Gescheurde kleederen, opengekrabde -\'■zichten, bestoven schoenen, en bovenal het paard o, hoeverwenschte Pickwick dat paard 1 Van tijd totti.id had hij het edele diér met blikken vol haat i n wraakzucht aangestaard; mei rdan i-i ais had hij berekend, hoeveel het hem wel kosten zou, als hij het beest den keel afsneed, en up dit oouenblik gevoelde hij de verzoeking, din het te slachten of aan zyn lot over te laten, lie : tiendubbele kracht. Mij werd uit zijn ure-pe ins over dit bloeddorstig voorneinen opgewekt d\' r het onverwachte irezicht van twee personen, die hun aan eene kromte der laan tegenkwamen. Het was Wardle met/.ijn getrouwen oppasser den dikken jongen. |
■ „Waar zijt ge\'toch gebléven,quot; vroeg de gulle ; oude man, „Wij hebben u den aeheelen dag gewacht, Wat! «ezidit opengekrabt? Niet erg bezeerd, hoop ik ■ he?Dat doet mij pleizier. Hebt gij een ongeluk met hot rijtuig gehad? Trekt het u maar niet aan. Zoo iets gebeurd hier alle dagen! Jozef! du verwenschte jongen! hij slaapt alweer. Jozef! neem mijnheer dat paard af, en breng het naar den stal,quot; De dikke jongen ging langzaam met het paard heen, terwijl de oude heer, zijne gasten goedhartig beklagende over dat gedeelte hunner rampen hetwelk zij goedvonden hem mede te deelen, met hen naar de keuken ging. „ik zal u eerst wat laten opknappen,quot;zeide de oude heer, „voordat wij te zamen het gezelschap in de voorkamergaan opzoeken. - Emma, kersenbrandewijn! Jane! hier niet de naald en draad! — Mary! water en een handdoek! — Komaan, meisjes! haa^: n wat! Drie of vier knappe dienstmeisjes snelden heen, om het benoodigde te halen, terwijl een paar knechts, met ronde koppen en roode gezichten, van eene bank onder den schoorsteenmantel opstonden (want hoewel het .Mei was, schenen zij nuu\' evenzeer op het vuur gesteld te zijn als in het hartje van December) en uit een donkeren hoek eene tlesch schoensmeer en een half dozijn borstels voor den dag haalden, „Haast u wat!quot; zeide de oude heer nog eens. Maar de/a aanmanig was overbodig; want de dienstmeisjes kwamen reeds met brandewijn, water en naaigereedschap aan, en een der knechts greep Pickwick zoo onverwacht bij het been, dat de goede man bijna omvertuiinelde, ril schuierde zijne laars, totdat Pickwick de pijn aan zijne eksteroogen niet meer kon uitstaan. terwijl de ander den rok van Winkle al-borstelde. Nadatstock wall zich had gewasschen, plaatste hij zich met den rug naar het vuur, en nam, terwijl hij met innig «reiioegen zijn kersenbrandewijn slurpte, het vertrek een óp. Hij beschrijft het als een zeer ruim vertrek, met een rooden steenen vloer en een wijden schoorsteen. De zoldei was met hammen, zijden spek en rinten uien behangen. De muren waren met eenige zweepen, een paar toornen en een zadel versierd, en bovendien me\' een oud. roestig geweer, waaronder men met groote letters las „geladen\' eene waarschuwing, die daar reeds vijftigjaren lang met even veel reden als thans had gestaan. I\'.elle oude staande klok tikte deftig in een hoek. en aan een der talrijke haken hovende lanrechtbank bin-\' een zwaar, ouderwetsch, zilveren horloge. „Gereed?quot; zeide de oude heer op oen vra-eenden toon, toen zijne gasten gewasschen, opgelapt en afgeborsteld waren, „Om u te dienen,quot; antwoordde Pickwick. „Ivom dan n aar mee!quot; En nu bracht hij het gezelschap door eenige donkere gangen — waarin men eene poos moest wachten tot 1 lipman aankwam, die achtergebleven was, om |
AANKOMST OP MANOK-FARM.
een kus van l-inunu te stelen, en daarvoor naar „Mijnheer Pickwick, moeder!quot; zeide Wardle be iGoren met eenige stompen en krabbels was zoo hard schreeuwende als hij kou.
beloond naar de deur der voorkamer. gt;,He?quot; zeide de oude vrouw, haar hoofd schud-
.Welkom, zeide de gulle gastheer, terwijl hij dende. ..Ik versta u niet.quot;
di« deur opende. .. Welkom, heeren, op Manor- „MÏinheier Pickwick, grootmoeder!quot; gilden bei-tf-\' m. de jongens tegelijk.
„He? zeide de oude dame. „Maar het komt ei\' ook niet op aan. Hij zal zich niet veel bemoeien met eeiie oude vrouw, als ik ben.quot; ^ \'■ „Ik verzeker u, mevrouw!quot; zeide Pickwick,
de oude dame bij de hand vattende, en zoo hard . kk.ne uudeh wetscuk sPEEi.paiïti.i. het sprekende dat zijn goedhartig gezicht bloedrood vehhaal van den i\'kedika.v!. werd, ..ik verzeker u, mevrouwI dat het mij
uitnemend veel genoegen doet, eene dame van ■ hen aantal gasten, die in de ouderwetsche uwe jaren aan hel hoofd van zulk eene lieve voorkamer \'uj eikander zaten, stonden op, om familie te zien, en nog zoo jóng en gezond van i iCUwick en zune vrienden ti groeten, toen uitzicht.quot;
deze binnentraden; en onder de introductie, .11 mlquot; zeide de oude vrouw, na eene korte die met alle behoorlijke plechtigheid weixl vol- poos .stilzwijgens. „Ik ueloof wel dat het goed bracht, had Pickwick den tijd. om het voor- gezegd is; maar ik heb er niets van ver-Komen der personen, die hem omringden op te staan.quot;
nemen en daaruit hunne karakters en zedon ie „Grootmoeder is een weinig uit haar humeur quot; eene gewoonte, waarin hij, evenals zeide Isabella met eene zachte stem- maar vele andere groote mannen, bijzonder veel be- hei zal straks wel beter gaan.quot;
ia-en schepte. Pickwick knikte, ten teeken dat hij volkomen
moedei \\an den ouden \\\\ ardle — «••ene bereid was. de gebreken des onderdo nis over stokoude dame, met eene hooge muts op en het hoofd te zien, en begon een onverschillig e.-n verschoten zijden japon aan zat op de gesprek met de ander leden van het gezel-eereplaats, aan den rechterhoek van den schoor schap.
steen en verscheidene bewijzen, dat zij in hare ...Manor-Farm heeft eene overheerlijke lig. -jonge jaren goed was opgevoed, en op haar ging,quot; zeide Pickwick.
oudt-n dag liet geleerde niet had vergeten, vet- „Eene overheerlijke liirging,quot; herhaaklenzijiie . sieiult;ii de wanden van het vertrek, in de ge- reisgenooten als eene driedubbele echo.
aaanten van geborduurde landschappen van „Ik moet u gelijk geven,quot; zeide Wardle. loogen oudeidom en gewerkte overtrekken van „Fn er is geen beter bouwland in geheel Ken t voetbankjes en la teren arbeid. De tante, de mijnheer!quot; zeide Ie t leelijke mannetje met twee jonge dames en mijnheer Wardle zelf het gerimpelde gezicht; „iieen, mijnheer:
wedu verenden met eikander om de oucie vrouw zeker niet.quot; Fn toen hij dit gezegd had zag d- grootste oplettendheid te bewijzen. Zij ver- hij zegevierend om zich heen, alsof hij een hanb dtongen elkander om haar armstoel. Wardle | nekkigen tegènspreker had moeten bestrijden, meld hare oortrompet vast; de tante sneed een en hem eindelijk den mond had gestopt.\' „Kn sinaasappel vooi haat: de eene jongejutl\'er stond er is geen beter bouwland in geheel Kontquot; met haar reuklleschje gereed, en de andere zeide het leelijke mannetje nog eens, na eene schudde de kussens op, in welke zij rustte, poos stilzwijgens.
Tegenover haar zat een oud lieer met een ka „Behalve \' M u i 1 i n\'s-Mea d o w s,quot; zeide de
quot; schedel en een goedhartig, vriendelijk ge- dikke hoer op . en plecnthum toon,
zirht - de predikant van Dingley Dell, „M n 11 in\'s-Meado wsherhaakle het naast hen: zijne echtgenoote, een.\'bejaarde, ge- leelijke mannetie, verachtelijk zijn uensopha-zette vrouw, blakende van gezondheid, wie men lende.
In t kon aanzien, dat zij niet alleen zeer be- „Ja, M u 11 i u\'s-M e a d o ws,quot; herhaalde de dieven was in de kunst om hardsterkende mid- dikke he.-r.
delen voor anderen gereed te maken, maar die „Dat is eerst best land.quot; zeide .-.-n tweede \'.(ranken nok zeive wel eens wilde proeven. Kun dikke heer,
! kquot;r.t- uiannetje, met een gezicht als eene ..Dat is het zeker,quot; viel een derde dikke heer
wtianpelde pippeling, stond in een liook van hierop in.
het \\eiliek met een dik oud heer te praten; „Wie twijfelt er aan?quot; zeide do zwaaiijjvigo ■ en om de tafel zaten nog een paar bejaarde gastheer.
heetvn en even zoovele bejaarde dames stok- Hef leelijke mannetje zag twijfelend om zich s ijt op hunne stoelen, en staarden Pickwick heen; maar toen hij bevond dat hij de meer- | eu zijne reisgenooten met onverholen nieuws- derheid tegen zich iiad, zette hij een medelij- ! gteugheid aan. dend gezicht en sprak verder geen woord.
SAM UKL PICK WIL\'K.
|
„Waar praten zy over?\'\' vroeg de oude dame, een barer kleindochters aansprekende en zeer hard schreeuwende; want gelijk vele doove lieden, was zij altijd bevreesd, dat anderen haar niet zouden verstaan. Over het land, grootmoeder.quot; „Wat? over het land? Is er dan iets gebeurd?quot; „Neen, neen I mijnheer Miller zeide dat ons land beter was dan Mtillin\'s-M«adows.quot; „Hoe zou hij daar iets van weten?quot; vroeg de oude vrouw met verontwaardiging. „Zeg aan mijnheer Miller, dat hij gek is.quot; Daarop liief de oude vrouw, nietquot; anders wetende, of zij had di /.e woorden zacht gefluisterd, zich recht overeind, en scheen den schuldige met hare oogen te willen doorbon n. „Kom, kom!quot; zeide de gastheor. vol ongeduldig verlangen om op een ander onderwerp te komen. „Wat dunkt u van een partijtj\'-whist, mijnheer Pickwick?quot; ...Met veel pb izier,quot; antwoordde deze, „maar het moot niet om mij alleen gebeuren.quot; „Moeder houdt er bijzonder veel van,quot;zeide Warille. ..Niet waar moeder?quot; De oude dame, die, wanneer er over dit onderwerp werd gesproken, veel minder doof was, dan anders, knikte toestemmend. „Jo\'/ef! Jozef!quot; riep de oude heer. „Die ver-wensc.hte, o, daar is hij — Jozef! zet de speeltafeltjes gereed.quot; De slaperige jongen zette twee speeltafeltjes gereed de eene voor het whist, de andere VÓquot;r het Pópe Joan. \'i. De whistspelers waren Pickwick en de oude dame. Miller en de dikste heer; bij het allegaartje voegden zich al de overige leden van het gezelschap. Hef whist werd met al den ernst en de stilte gespeeld, welke dit edele spel vordert, dat men eigenlijk zich schamen moest een spel te noemen. Bij het allegaartje aan de uroote tafel was men integendeel zoo luidruchtig vrolijk, dat mijnheer Miller, die niet-zoo volkomen in het spel verdiept was, als hij had moeten zijn, telkens in /ijno aandacht w-rd gestoord en verscheidene- bokken maakte, waardoor bij , den dikken ouden heer in eene zeer slechte, en de oude dame in eene zeer goede luim I bracht. „Daar!quot; zeide de schuldige Miller zegepquot;a-lende, toen hij den laatsten slag haalde; „nu had ik. naar mij dunkt, toch niet beter kunnen spelen.quot; ..Miller bad de ruiten moeten troeven, niet waar, mijnheer?quot; zeide de oude dame. Pickwick knikt» toestemmend. 1: l \'-n (.\'nz(gt;lHrliaps?ipel, waarbij mmi een brml geliruikf. Dit) Uft\'r \'\'ii Vrouw tiijeerikrijfrt. ht\'cft linwflijk nuatri-in o ii v: lt;\'ii wint, tiTwijl hij. iüp boer t\'ii vrouw krijgt verliest. |
„Had ik?quot; zeide de ongelukkige, angstig zijn ; p a r t n e r aanziende. „Ja zeker, mijnheer!quot; zeide de dikke heer ; met eene ontzettende stem. „Het spijt mij,quot; zeide Miller, geheel uit het é veld geslagen. „Dat helpt wat,quot; bromde do dikke heer. Er volgde eene plechtige stilte. Pickwick I glimlachte; de oude dame scheen ernstig, de dikke heer knorrig, en Miller beschaamd en verlegen. Men speelde nog eenige partijen; doch telkens kregen Pickwick en zijne p art ne r zulke goede kaarten, en Miller maakte uit verstrooiing zoovele bokken dat de dikke heer van spijt meende te barsten. Toen men ophield met spelen, ging hij naar een hoek, en bleef daar een uur lang staan, zonder een woord te spreken. Na verloop van dien tijd trad hij toe, en bood Pickwick een snuifje aan, met het voorkomen van een man, die gezind was, al het leed. dat men hem berokkend had, edelmoedig te vergeven. De. oude dame was thans veel beter van gehoor; en d\' ongelukkige Miller gevoelde zich evenmin op zijn gemak, als een visch op eene warme stoof. Bij het allegaartje ging hot intusschen zeer vroolyk toe. Isabella Wardle speelde met mijnheer Trundle, Kmilia met Stockwall en de tante met Tupman samen. De oude heer Wardle was in de vroolijkste luim; bijmaakte zooveel grappen met het bord, en de oude dames pasten zoo angstig op hare winst, dat er geen eind kwam aan het gi lach. Eene oude dame moest telkens betalen, waarom dan ook telkens gelachen werd en wanneer zij knorrig werd, omdat zij wederom betalen moest, lachte men nog harder, totdat de onde dame zich in haar lot schikte, en nog hartelijker lachte dan de anderen. Wanneer de tante huwelijk kreeg, begonnen de meisjes opnieuw te lachen, en scheen de tante genegen om uitte varen; maai\' wanneer zij dan onder de tafel den handdruk van Tupman gevoelde, vergat zij haar misnoegen, en lachte schalkachtig mede, als wilde zij zeggen, dat zij misschien niet zoover van het huwelijk af was, als sommige menseben dachten: hierop begon dan iedereen weder te schateren, vooral de oude heer Wardle, die evenveel pret in zulke grappin bad, als de jonste van het gezelschap. Wat Stockwall betreft, bij deed niets dan Emilia poëtische gedachten influisteren, hetgeen een der oude heeren aanleiding gaf, om het gezelschap op eenige plat prozaïsche vergelijkingen tusschen de compagnieschap in bet spel en die in het leven te vergasten, waarover toch wederom gelachen werd. Winkle kwam met een reeks van aardigheden voor don dag, die in de stad reeds oudbakken, maar op het land nog kersversch waren; en |
DE PREDIKANT DOET EEN VERHAAL. 33
|
| daar iedereen deze aardigheden bewonderde, | zette hij eene zeer hooge borst. De vriendeiijke predikant zag het spel met innig genoegen aan; want de opgeruimde gezichten, die hij om de | tafel zag, brachten hem ook in eene opgeruimde I stemming; en hoewel de vioolijkheid tamelijk luidruchtig was, kwam die uit het hart en niet van de lippen; en dit is, als men het wel bedenkt, toch de wan; vroolijkheid. Onder deze vermaken ging de avond zoor spoedig om; en toen het niet kostbare, maar toch |
zoo warm wordt, dat men het niet moor kan uithouden. Mijne goede moeder heeft reeds op dat lage stoeltje voor dezen haard gezeten, toen zij nog eon klein meisje was. Nietwaar, moeder ?quot; De traan, die onwillekeurig uit het oogopwelt, wanneer de herinnering aan oude tijden en het j geluk van lang vervlogen jaren onverwacht wordt opgewekt, rolde over hot gelaat der oude ! vrouw, en zij schudde met een treurigen glimlach het hoofd. |
zeer smakolüke avondmaal gebruikt was, en de Het gesprek scheen te blijven steken, toen
aanwezigen een gvzeilip.ii kriugomden haard l\'ickwick zich tot dmi predikant wendde, en
hadden 01 nul, dach! Pickwick by zicli zeiven, zeido; „Neem mij niot kwalijk mynlu\'C\'r. dat ik
dal hij nog nooit in zijn leven zoo recht verge- na eene zoo korte kennismakins, dezr
............. e aaniner-
noegd was geweest. king waag; maar mij dunkt, dat iemand als gy,
„Zoo,\' zeide d\' gulle gastheer, die /.oor deftig in de vervulling uwer ambtsplichten al «lie\'iiaar
naasi. zijn moeder zat, wier hand hij inde zijni van hot Evangelie, vee] moet gezien en beleefd
hield gesloten, „zoo zit ik het allerliefst. De bobben, dat wel waard is aan do vergetelheid
genoeglijkste oogenblikkeu van mijn leven ontrukt te warden.quot;
heb ik bü dezen huiselijken haard doorgebracht, „Ik heb inderdaad hel een en and r bijgeen ik ben er zoo aan gehecht, dal ik hier alle woond. antwoordde do predikant; „maar, avonden vuur laat aanleggen, totdat het weer daar mijn werkkring zoo beperkt is geweest.
DP K! n-, S.wn F.I PickW P K
11
SAM l\' I\'M- PIClvWICK.
|
3i 1 t WeWldern op ! ke!ftij hebt toch het een en ander van John I ; 1,eSenn,:edikant knikte, en wilde over iets anders • i-reken toen Pickwick hem voorkwam traan .1 ver^chouning, inUnheer! I ««.»gt;«quot;■■ I heer Vioeuier of later zult de meuwsgie-• 1 i i i..-/(-r heeren moeten bevredigen; het UcïÏHt voor u g01 geli•genheid waar te nemen en het dadelijk ! te nredikant glimlachte vriendelijk, te wijl hii \'/iH stoel dichtbij trok; en .le overige w I nhe \'\'ezelH.diapschov.^ntoeniiiBgehjks t dicht lilU-en, vooralTupmanen VU Knlf dt mlÏÏhieS een weini, hardlioorig Win\'ii en toendesrootnmederhariMioitiompct /.ve l\' had. .m Miller, die stil m slaap vvas nor, w is on-vwekt door eerie kneep, die gevuUen, was 1 (,e djkko oude heer . \' , t it\'pl quot;atquot; Ix\'^ou de predikant, ïomlert^l e voln^ipraak. het\'vol.ende verhaal, waaraan wij den titel hebben gegeven van DE TK1U.(;KOMST VAN DEN BANNELING. |
mei vergeve mij de gedachte, zoo ik erimjmode mTheter^n i ...i lt;nn h i ir van verdriet te aotii SLtivci . Doch \'Ai vei droeg alles om den wil van iKiarkim 1. SS^ScSl4selM.i.quot;bü^vro„w quot;\'quot;SS «Tm kon niet anders, daar de\'man mik [ quot;fquot; ; ^ J. vómls ot sonitiids iaat in den mis it, ; ^Udd6 van^lage^gelioord iiaddeu; on moer dan geluid v.mM.M quot; _ n0,,. lin middernacht aan mÊÈéSSB ; gaaAl dien tijd was de arme vrouw,hoewel2« , Klken zondagmorgen en middaü\'zag m^nhaaiin kfHIH=i=|n ^ tr0t8f^eXS^SlscS.!Slmkke^ ! SSW»»quot; lovendigo vreugde, dan toch van Btil^rK\'s laren vorhope.,;deto.de..kS klf iofd\'en hïet-h\'re.ien wankelend gemaakt: Hp irm di. haai had moeten ondersteunen, was Toen ik pas in dit dorp was gekomen, zeide . i quot; . dik iiu dat nu mist vijl en twintig jaar j 1 n iy woonde hier dichtbij, waar hij eene StkSf irM \'enkéle TriéDdof bekende; wSd en zoo werd Mdrnunds door elk ver he/, man had eene vrouw en een w)on,wolke e ik nas hier kwam. twaalfjaren oud was ïicS die vrouw te lijden had, met hoe-v,:„lquot;stil «•■duld Ai dat \'f.\'1 ■.velk een11 angstige zorgvuldigheid zij.^ , i^„ opvoedde, kan niemand zich voorstellen. |
EEX ONTAARDE ZOoX.
35
„Het was een treurig schouwspel, die moeder dag aan dag voor de spreektraliën der gevangenis te zien, waar zij onvermoeide pogingen aanwendde, om door zachtheid en gebeden het hart van haar zoon te vermurwen. Het was vruchteloos. Hij bleef hardnekkig en ongeroerd. Zelfs de onverwachte verandering van zijne straf in eene veertienjarige verbanning naar\'eene strafkolonie kon voor geen oogenblik zijne trotsche i verharding verzachten.
„Doch de geest van lijdzame berusting, die j de moeder zoolang had ondersteund, was niet in i staat om langer tegen ongesteldheid en lichaams-i zwakte te kampen. Zij werd ziek. Met slependen ; tred verliet zij haar bed en hare woning, om j haar zoon nog eens te zien; maar hare krachten | ontzonken haar, en zij stortte bewusteloos neder.
„Xu werden de ongevoeligheid en koelheid, i waarmede de jonkman praalde, inderdaad op de proet gestéld; en de schok, die zijn trots vernietigde, beroofde hem bijna van zijn verstand, j Er verliep een dag, en zijne moeder\'kwam niet; j een tweede, en nog liet zij niets van zich hoo\'
i ren; de derde avond daalde, en nog had hij haar j niet gezien; en binnen vier en twintig uren zou | hij misschien voor eeuwig van haar gescheiden worden! O, hoe martelde hem de herinnering aan lang vergeten dagen, terwijl hij het nauwe j binnenplein op en neder rende alsof zijn on-| geduld hem spoediger tijding van haar zou ver-| schaffen — en met welk eene bittere smart ver-j vulde hem het gevoel zijner onmacht en hulpeloosheid, toen hij de waarheid vernam! Zijne | moeder, het eenige wezen op aarde, dat hem ooit had liefgehad, lag ziek, misschen testerven, op eene mijl afstands van de plek, waar hij stond. Ware hij slechts vrij en ongeboeid, dan kon hij in weinige minuten aan hare zijde wezen. Mij vloog naar het hek, greep de ijzeren traliën met de kracht der wanhoop aan, schudde er aan totdat zij klinkend ratelden, en wierp zich toen tegen den zwaren muur der gevangenis, alsof hij door de steenen heen wilde dringen; maar het hechte gebouw spotte met zijne ijdele pogingen, en hij sloeg zijne handen ineen en schreide als een kind.
„De moeder zond mij naar haar zoon, om hem in de gevangenis hare vergiffenis en haar ■ zegen te br.-ngen; en ik bracht haar op haar ziekbed de plechtige verzekering van zijn berouw en zijn vurige smeekbede om hare vergeving terug. Met aandoening en medelijden hoorde ik deti berouwhebbende duizend kleine plannon ont- \' werpen, hoe hij haar wilde ondersteunen en opbeuren, wanneer hij terugkwam; ik wist maar ai te wel, dat, lang voor dat hij de plaats zijner bestemming bereikte, zijne moeder niet meer op de wereld wezen zou.
„Hij werd in den nacht weggevoerd. Eenige weken later vertrok de ziel der arme vrouw, gelijk ik verlrouwend hoop en ernstig geloof
bank; maar er was niemand die er met haar in las, en linrn tranen rolden op het heiige boek, i\'ii verduisterden de letters voor hare oogen. De buren waren nog even vriendelijk als voorheen, 1 maar zij vermeed hun groet met een afgewend j gelaat. Zij vertoefde nu niet meer onder de olm-i boomen; zij droomde nu niet meer van toekom-j stig geluk. De troostelooze vrouw trok haar hoed | dieper over haar gezicht, en verwijderde zich met I haastige schreden.
„Moet ik u nog zeggen, dat de jonkman, die wanneer hij aan de dagen zijner vroegste jeugd ; dacht, zich niets kon herinneren, dat hem niet | tegelijk de vrijwillige ontberingen, de beleedi-gingen en mishandelingen te binnen bracht, die ; zijne moeder om zijnentwille had doorgestaan, — : moet ik u nog zeggen, dat htj met gevoellooze i onverschilligheid voor haar lijden en haar liefde, in zijne verstokte eigenzinnigheid alles verge-I tende, wat zij voor hem gedragen had, zich bij 1 ee.ne partij deugnieten had aangesloten, en met | blinde lazernij eene loopbaan vervolgde, waarop j hij een srnadelijken dood moest vinden, terwijl hij zijne moeder met schande overlaadde? Helaas! zoo is de mensch. Gij hebt het zeker reeds vooruitgezien. *
„De maat der rampen dier ongelukkige vrouw werd spoedig vo lire me ten. Er werden in den omtrek talrijke misdaden gepleegd; de schuldigen waren niet ontdekt geworden, en z\\] werden daardoor hoe langer hoe stouter. Eene vermetele 1 inbraak, met zeer verzwarende omstandigheden gi-pleegd, gaf aanleiding tot eene ijverige vervolging en gestrenge nasporing, waarop de misda- i digers niet verdacht waren geweest. De jonge Edmunds werd met drie zijner makkers in hech- j ten is genomen, aangeklaagd, terechtgesteld en 1 ter dood veroordeeld.
„De akelige scherpe gil eener vrouw, die door : de zaal weergalmde, toen het vonnis werd uitgesproken. klinkt mij nog in de ooren. Die gil I vervulde den misdadiger met eene ontzetting, I weike het uitspreken van zijn doodvonnis hem\' i niet had kunnen inboezemen. Zijne lippen, die ! hij tot nog toe met verbeten wrok had dicht geknepen, begonnen !.■ be ven; zijn gelaat, waarop het koude zweet parelde, verbleekte; de for-sche leden des roevers sidderden; en\'toen hij werd ^weggebracht, had hij nauwelijks het beget j om zijne voeten te verzetten.
„In de eerste vlaag barer wanhoop, wierp do rampzalige moeder zich voor mij op de knieën, i en smeekte den Almachtige, die haar tot nog toe in al hare rampen had ondersteund, haar uit eene wereld vol ellende te verlossen, en het leven van haar eenlg kind te sparen. Zulk eene uitbarsting van smart enzulk een verschrikke-lijkeu zielestrijd hoop ik nooit weder te aanschouwen. Ik zag toen reeds, dat dit leed haaiden dood zou aandoen; maar nooit heb ik haar er hoeren klagen of morren.
SAMUEL PICKWICK.
80
zaamheid hem bijna een gevoel van vrees inboezemde, Hij zag rond. Er was nog niets veranderd, j De ruimte kwam hem kleiner voor dan eertijds. Maar daar zag hij de graftombe, die hij zoo dikwijls met kinderlijke ontzetting had aangestaard; den kleinen predikstoel, met het verschoten bekleedsel; de communiebank, voor ; welke hij zoo dikwijls do Tien Geboden had opgezegd, die hij als kind geëerbiedigd, als man vergeten had. Hy naderde de oude bank, die er in zijne oogen kaal en verlaten uitzag. Hel kussen was weggenomen, en de bijbel lag er niet meer. Misschien had zijne moeder tegenwoordig eeiie-mindere plaats, of mogelijk was zij te ziekelijk geworden, om alleen naar de kerk te gaan. Hij durfde niet denken aan hetgeen hij vreesde, Eene ; koude huivering beving zijne leden, en hij sidderde toen hij zich omkf rde.
„Juist toen hij de kerkdeur weder bereikte, trad een oud man die binnen. Edmunds deinsde j terug, want hij kende dien man ; menigmaai had hij hem op het kerkhof een graf zien delven. Wat zou hij wel tegen den teruggekomen banneling zeggen ? De oude man zag den vreemdeling aan, wenschte hom goedenavond, en ging langzaam voorbij, 11 ij had hem vergeten.
,,Edmunds ging den heuvel af en hetclorpdoor. Het weder was warm, en de nu r.schenzat eil voor hunne deuren, of wandelden in hunne Utintjes, om zich in de schoonheid van den avond en hunne i rust van den dagelij kschen arbeid te verheugen. Menigeen zag hem aan, ■ n menigen schn wen bl; wierp hij aan beide zijden, om ie zien ol iemand hem kennen en ontwijken zou. Voor bijna ieder huis zag hij vreemde gezichten. Hier harkende hijeen ouden schoolmakker in een zwaarlijyigen landman die nog een knaap was, toen hij hem voor het laatst had gezien en nu door een troep vrooliike kinderen was omringd. Daar zag hij in een leuningstoel voor zijne deur een zwakken, afgeleefden grijsaard zitten, wien hij zien sllt; chts 1 als een gezond en krachtig dagloon er kon herin- s neren. Maar allen hadden hem vergeten, en-bij . ging onbekend voorbij.
„De laatste zachte glans der ondergaande zon ;
verspreidde een gouden gloed over de g\'lekoorn-schoven en toekende eene lange schaduw achter \'de vruchtbooinen, toen Edmunds voorzijneoude
woning stond waar hij zijne kindsclie jaren had doorgebracht, waarnaar zijn hart in de traag 5 verloopen jaren van gcvangenschapendroelheid met onbeschrijfelijk verlangen liadgesmacht. He heining was laag; maar de tijd heugde hem nog wel, toen zij hem een hoog\'• muur toescheen. Hij zag in den tuin. Er waren meer en fraaier ï bloemen dan voorheen, maar do ondebooinen j stonden er nog - ook do boom, waaronder hij zich honderden malen had nedergelegd, wanneer hij moede van het spelen was, en met de gerusi-héid van een onschuldig kind was ingesluimerd. Hij hóórde stemmen in het huis. Hij luisterde -
naar een verblijf van eeuwige rust en creluk. Ik las den lijkdienst bij haar overschot. Zij werd j op ons kerkhof begraven; maar er is geen steen ; bij haar graf geplaatst. Hare rampen waren aan \\ hare medemenschen, hare deugden aan God bekend.
„Vóór het vertrek des bannehngs, had ik met
hem afgesproken, dat hij, zoodra hij daartoe verlof kon krijgen, een brief aan zijne moeder zou
jui rvv/ii
1 schrijven, en dien aan mij adresseeren. De vader had zijn zoon volstrekt niet willen zien, nadat deze in hechtenis was genomen; en het was hem | onverschillig, of de jongen leefde of stierl. quot;Ver-i scheidene jaren verliepen, zonder dat ik iets van i den jongen Edmunds hoorde; en toen méér dan ; de helft van zgn straftijd verstreken was, en ik i geen brief van hem ontving, geloofde, hoopte ik ; i bijna, dat hij dood was.
„Edmunds leefde echter nog. Hij was, zooo ra hij in de kolonie kwam, naar e^ne plantage ver .
1 in het binnenland gezonden; en hieraan is het i
; waarschijnlijk te wijten, dat, hoewelh\\i verschel- ; ■ dent.- brieven schreef, geen daarvan my tev hand .
kwam. Hij bleef die geheele veertien jaren \'ang op dezelfde plaais. Toen zijn straftijd om was, bleef hij bij zijn besluit en de belofte, die hij zijne móeder gedaan had, getrouw, keerde, in weerwil van duizend bezwaren, naar Engeland terug, en be:, al\' zich te voet naar zijne geboorteplaats.
Op een -schoonen zondagavond, in de maand Augustus, zette John Edmunds weder zijti voet in het dorp, dathij zeventien jaren gel den, met schande verlaten had. Zijn naaste weg liep ovei het kerkhof. Hij ontroerue, toen hij het hekdoor-
iriug. De stat ige oude olmen, tusschen wier takken
hij het gloeiende goud der avondzon/ag doei■ stralen, herinnerde hem de dagen zijner kindsheid. Hij verbeeldde zich, dat hij zich zelven nog zag, gelp hij toen, aan de hand zijner moeder, wol\'tevreden naar de kerk ging.\'Hij herinnerde zich, hoe hij gewoon was in haar bleek gelaat op te zien, en hoe hare oeuen zich met tranen vulden, wanneer zij hem aanzag tranen,die warm op zijn voorhoofd druppelden, wanneerzij bukte om hem te kuisen, en hem ook aan het schreien maakten, ofschoon iiij weinig \'•vist, hoe bitter de tranen waren,die zij vergoot. Hij dacht hoe dikwijis hij met een speelmakker vroolijk door die laan had gehuppeld, en telkens omgezien, wanneer de zachte stem zijner moeder hem riep; en toen scheen er een mist van zijn ge-heuiren op te trekken, en kwamen hem onbe loonde li- fdeblijken, verachte waarsohuwuiLien en gebroken beloften voor den geest, totdat hij die gedachten bijna niet langer verdragen kon.
„Hij trail do kerk binnen. De avondgodsdienst was afgeloopen, en de gemeente had zich huiswaarts begeven; maar de deur was nog niet gesloten. Zijne stappen klonken hol in het ledige gebouw; anders was het zoo stil, dat de een
EENE VERSCHRIKKELIJKE HERK\'EX.VING.
|
ma.ir /ij klonken hem vreemd in de ooren; hij kende ze niet. Zij klonken ook vroolijk; en hij wist wel, dat zijne arme oude moeder niet vroolijk wezen kon, zoolang hij weg was. De deur ging open, en een troep kinderen kwam juichend en dartelend naar buiten springen. De vader kwam niet een klein kindje in de armen aan de deur, en de grooteren verdrongen elkander om hem heen, klapten in hunne handen, en sleepten hem mede om met hen te spelen. De banneling dacht, hoevele malen hij op diezelfde plek voor zijn vader ile vlucht had genomen. Mij herinnerde zich, hoe dikwijls hij zijn hoofd angstig onder het dek van zijn bed had verborgen, en het vloeken en slaan, en het schreien zijner moeder had gehoord; en hoewel hij snikte van bittere zieie.sinart, toen hij zich omkeerde en verder ging, deed woeste bedwelmende gramschap hem tegelijk zijne vuisten dichtnijpen en zijne tanden op elkander klemmen. „Dit was dan de terugkomst, waarnaar hij zoo-vele jarenlang had gereikhalsd — waarvoor hij zooveel had doorgestaan 1 Geen groet, die hem we!kont heette; ueen blik die hem vergiffenis aankondigde; geen huis,dathem wildeopnemen; geen hand om hern te helpen; — en dat in zijne geboorteplaats 1 \\\\ at was zijne eenzaamheid in de woeste\' bosschen, waar geen menschelijk wezen zicli vertoonde, bij deze vergeleken! „Hij begreep nu, dat hij, in het afgelegen land zijner slavernij en schande, zich zijne geboorteplaats iiad voorgesteld, gelijk zij was, toen hij haar verliet, niet gelijk zij wezen zou als hij ■ iquot;i iigk wam. De treurige werkelijkheidsloeghem ijskoud om het hart, en deed hem allen moed ontzinken. Hi j had het hart niet om navraag te doen, et den eenige op te zoeken, van wien hij j hopen kon, dat hij den berouwhebbenden zondaar me) goodheid en medeiijden zou ontvangen. Mij ging langzaam voort, vermeed den weg als een vervolgde misdadiger, begaf\'zich naar een weide, die hij zich nog wel herinnerde, bedekte zijn gelaat met zijne handen, en wierp zich in het gras neder. „Hij had niet opgemerkt dat daar reeds een man !,ig uitgestrekt die zich nu oprichtte, otti naar den nieuw aangekomene te zien. Edmunds 1 hoorde zijne beweging, en zag insgelijks op. „De onbekende had het voorkomen vaneen i hoog bejaarde; maar dit voorkomen schoen meer lui gevolg van ziekte of buitensporigheden dan van ouderdom te zijn. Zijn rug was gebogen, I zijn aangezicht geel en gerimpeld. Zijne kleeding | gaf te kennen, dat iüj in het werkhuis te huis ! behoorde. Hij staarde den vreemdeling oplettend 1 aan, en hoewel zijne oogen in het eerst dof en mat waren, namen zy woldraeen onnatuuriyken glans aan, die eerie angstige verbazing aanduid- ; de, lordat /ij eindelijk uit hunne holten schenen t6 willen barsten. Kdmunds was insgelijks over* 1 eind gekomen, en beschouwde den ouden man i |
j met gedurig toenemende oplettendheid. Zoo | staarden zij elkander eene poos stilzwijgend aan. „De man was doodsbleek geworden. Hij huiverde en stond waggelend op. Edmunds sprong insgelijks overeind. De oude ging een paar schre-1 den achteruit; Edmunds trad naderbij. „ Laat mij u hoeren spreken!quot; zeide de banneling met eene haperende stem, „ „Blijf van mij af!quot; riep de oude man met een ijselijken vloek. De banneling trad nog nader bij. „ „Blijf van mij af!quot; gilde de oude man. Razend van angst hief hij zijn stok op, en gaf Edmunds een knellenden slag over het gezicht. „Vader duivel!\'\' prevelde de banneling tusschen zijne op elkander geklemde tanden. Hij vloog woedend vooruit, en greep den oude bij de keel, - maar het was zijn vader — en zijn arm zonk krachteloos neder De oude man gaf een wilde schreeuw, die als het geluid van een boozen geest over de eenzame velden klonk. Zijn gezicht word zwart; het bloed spatte hem uit neus en mond, en verfde het gras met eene donkerroode kleur, terwijl hij wankelde en vooroverviel. Er was eene ader gebarsten, en hij was een lijk, voordat zijn zoon hem uit den glibberigen, donkerrooden plas kon opbeuren. „In den hoek van hot kerkhof,quot; vervolgde de predikant, na\'eene korte poos stilzwijgens, „waarvan ik straks melding heb gemaakt, ligt een man begraven, die na dit voorval driejaren lang in mijn dienst is geweest; en zoo ik ooit een boetvaardig, berouwvol en nederig zondaar heb gezien, was hij het. Zoolang die man leefde, wist niemand behalve ik, wie hij was of van waar hij kwam: het was John Edmunds, de terug-ge k o men banneling.quot; VII. HOE WINKLE KB AA! EN ZOU Se 1II ETEN, EN WAT HIJ HAAKTE. - HOE DE CHICK ET-CE!; II VAN 1)1 Mi l,E V- DEEL TEGEN M T7GQL ETON SI\'EE EDE EN HOE MUQGLETON 01\' KOSTEN VAN DING LEY-DELL ONTHAALD WERD; MET ANDEUE WETENS-WAAIiDKiE liERieiITEN. De vermoeiende avonturen van den dag, of de slaapverwekkende kracht der vertelling van den predikant hadden zooveel invloed op do oogleden van l\'ickwick, dat zij reeds w;iren toegevallen. voordat hij\' vijf minuten in zijn ruim en welingel icht slaapvertrek had doorgebracht, en de goede man gerust bleet\'slapen, totdat de zon hare héldere stralen verwijtend in zijn vertrek schoot. Pickwick was geen luilak; hij sprong uit zijn ledikant, gelijk een naar den strijd hakende krijgsheld uit zijne tent. ..Hoe genoeglijk is het op het land!\'\'zeide hij vol bewondering, teen hij het venster opende. |
as
|
„Wie zou dn^ lt;iaii ihi.; op kalk en storn willen : turen, al- liij eenmaal den invloed heelt gevoeld van een tooneel als dit? Wie zon opeene plek willen blijven, waar ^n-n ander groen te zien is dan groene zonneblinden, p.-en ander vee dan I paarden en honden, geen andere bloemen dan bloemen in potten .\' Wie zou het kunnen uithouden, vraag ik?quot; En nadat lui dit verhoor van zich zeiven non eene poos had voortgezet,stak hij zijn hoofd uitliet venster en zag in het rond. De aangename reuk van eenige hooistapels, met de geuren van een kleinen bloementuin vermengd. steeg tot hein op; de donkergroene wt i-den glinsterden van den morgendauw, die op i elk grasscheutje schitterde, dat in den wind trilde, i en de vogelen zongen, alsof elke droppel hun I eene bron van vreugde was. Pickwick verzonk ; in eene zoete mijroering. „Heidaar!\'\' was de klank, die hem deed ont-: waken. i Hij zag rechtsaf, en bemerkte niemand; toen wendde hij zich links, on doorboorde met zy ne oogen vruchteloos het uitgestrekt verschiet; hij staarde naar de lucht, maar daar werd hy niet geroepen; eu vervolgens deed hij wat een ge woon mensrh terstond zou gedaan hebben hy keek naar den tuin. en daar zag hij Wardle. „Wel geslapen?quot; vroeg de lustige oude heer, met een vergenoegd gezicht. .Mooi weer niet waar? Blij dat gij zeu vroeg op zijt. Kom spoe dig naar beneden. Ik zal hier op u wachten.quot; Pickwick wachtte niet. op eene tweede uitnoo-diging. In tien nünuten had hij zich geklcod, lt;;a stond re \'ils naast zijn gastheer. Wat zal dat goven ?quot; vroeg Pickwick, töen hij zag, dat zijn metgezel met een eeweer w-as gewapend, en dat er nog een in het gras lag. „Uw vriend en ik gaan voor hetontbijt kraaien schiet en.quot; antwoordde de irastlieer: ..hijiseea goed schutter, niet waar?quot; ,Zoo beeft hij mij dikwijls gezegd,quot; antwoordde l\'ickwick : „rnaar ik heb hem nooit een schot zien doen.quot; „Ik wenschte. dat hij kwam,quot; zeide de gastheer, „Jozef, Jozef!quot; „Jozef, die door den invloed der trissche morgenlucht niet half zoo slaperig was als anders, kwam de. deur uit. „Ga naar boven, om mijnheer te roepen, en zeg hem, dat hij mijnheer Pickwick en mij by de kraaiennesten !zai vinden. \\\\ ijs mijnheer den weg daarheen. Hoort gij?quot; |)e jongen ging zijne boodschap doen, en de gastheer, als een andere Robinson i :rusoe, met twee geweren op schouder, bracht Pickwick den | tuin uit. „Hier zijn wij er,quot; zeide de oude heer, toen hij by eene laan van hooge boomen bleef stilstaan. Dit bericht was onnoodig; want het onophoudelijk gekras der niets kwaads vermoedende kraaien toonde duidelijk genoeg, waar zij nestelden. De oude heer legde het eene geweer op den grond en laadde het andere. |
„Daar komen zij!quot; zeide Pickwick, toen Winkle j Tup man en iStockwall in de verte aankwamen. . De dikke jongen, die niet recht wist welken heer ! hij roepen moest, had met groote slimheid, om | toch geen abuis te hebben, alle drie geroepen. | „Haast u wat!quot; riep de gastheer Winkle toe. ! Zulk een dolle liefhebber van de jacht had er reeds lang bij moeten wezen, :il valt hier niet meer dan kraaien te schieten.quot; Winkle antwoorde meteen -edwongen glimlach. en nam het op den grond liggende geweer op, met een gezicht, alsof hij zelf eene arme kraai was en een geweldigen dood voor oogen zag. Misschien was het overdreven ijver, maar het had machtig veel van angst. De oude heer gaf een wenk, en terstond begonnen twee arme boe- i renjongens elk in een boom te klimmen. ,\'Wat moeten die jongens daar?quot; vroeg Pick-| wiek. Hij maakte zich eenigszins ongerust; want hij vreesde, dat het gebrek onder den boerenstand, waarvan hij zooveel gehoord had, mis- j schien arme jongens noodzaakte, om op zulk eene gevaarlijke manier een stuk brood te verdienen. door zichzelven tot schijven van ongeoefende schutters te laten gebruiken. „Opkloppen,quot; antwoordde mijnheer Wardle lachende. ,Wat?quot; vroeg mijnheer Pickwick. „Do kraaien uit hunne nesten jagen.\' „O! is dat alles?quot; ^Wel ja! Zijt gij nu gerust?quot; „Volkomen.quot; „Kom aan! Zal ik maar beginnen?quot; „Als het u belieft,quot; antwoordde Winkle, blij ie met dit korte uitstel. Ga je gang, riep mijnheer Wardle een der jongens toe, die terstond een vervaarlijk ge- i schreeuw aanhief, en een tak, waarop een nest gebouwd was, begon te schudden. Ken half dozijn jonge kraaien vloog op. en scheen op een luidruchtige manier te vragen, wat er te doen was. . De oude heer antwoordde door een schot. Ketie kraai viel neer; de anderen vlogen weg. „Raapt hem op. Jozef!quot; zeide de oudeheer. „Nu is het uwe beurt mynheer Winkle!quot; Winkle stapte vooruit en leide zijn geweer aan. Pickwick en zijne vrienden bukten onwillekeurig, om niet door den regen van doooe kraaien bezeerd te worden, dien zij zeker geloof- | den, dat het moordende schot van hun vriend volgen moest. Kr volgde eene plechtige stilte daarop hoorde men den jongen schreeuwen — kraaien opvliegen het slot van het geweer ketsen — en anders niet. „Wil het niet afgaan?quot; vroeg Pickwick. „Het weigert,quot; zeide Winkle, die doodsblee k geworden was, waarschijnlijk uit spyt over deze j teleurstelling. „Dat is raar,quot; zeide Wardle, hem het geweer |
KKX GOED AAXCi KLEOD «(\'HOT.
|
I afnemende. „Er heeft nog nooit een geweigerd. Maar ik zie er geen dopje op.quot; „Lieve hemel!quot; riep Winkle uit, „dat heb ik vergeten.quot; Het geringe verzuim werd hersteld. 1\'lekwiek bukte weder. Winkle trad mot een bang gezicht | vooruit, en Tup man verschool zich ten halve i achter een boom. Dejongenschreeuwde,dekraai-en vlogen op, en Winkle brandde los. Terstond I daarop hoorde men — niet eene kraai, maar een i mensch om hulp roepen. Tupman had het leven ; van ontelbare onschuldige vogels gered, door een gedeelte der lading in zijn arm op te vangen. liet zou onmogelijk zijn de verwarring te .schilderen welke hierop volgde; hoe Pickwick in de eerste vervoering zijner drift Winkle vooreen „ellendelingquot; schold, hoe Tupman op den grond lag uitgestrekt, en Winkle vol ontzetting naast hem nedcrknielde; hoe Tupman in zijne benauwdheid een vrouwennaam aanriep, het eene oog na bet andere opende, en ze weder dicht sloot. Even moeielijk zou liet te beschrijven zijn, hoede ongelukkige\' langzamerhand weder bijkwam, hoe zijn arm met zakdoeken verbonden werd, en hoe hij. door zijne bekommerde vrienden ondersteund langzaam naai\' huis werd gebracht. De dames stonden aan de tuindeur op de heeren te wachten, om te gaan Ontbijten. De tante glimlachte en wenk te den aankomenden om wat meer spoed te maken. Zij vermoedde nog niets van het ongelukkige toeval. Die arme vmiwl Er zijn omstandigheden, waarin de onwetendheid inderdaad een zegen is. Zij kwamen nader. at zou er met dat oude heertje gebeurd ztjrr.\'quot; ziide Isabella. De tante lette niet op deze vraag; zij dacht dat er Pickwick mede bedoeld werd. In hare oogen was Tracy Tupman nog een jongeling; zij zag zijne jaren door een verkleinglas. „Schrikt maar niet!quot; riep Wardle zyne doch-! ters toe, dienietkondenzien watereigedlijk was voorgevallen, daar de gekwetste aan alle\'zijden doorzijne vrienden was ingesloten. „Schriktmaar niet!quot; De tante gaf enn schreeuw, er: zonk bewusteloos in de armen van haiv nichten. „Gooi haar een frisschen schep koud water in het gezicht,quot; zeido de oude heer. „Neen, neen!quot; snikte do tante, „ik word al beter. Isabella! Emilia! ei-n chirurgijn! Is hij gekwetst? Is bij dood? Is hij____ha, ha, ha!quot; Hier barstte zij in zenuwachtig gelach uit. „\\Velt; s. bedaard,quot; zcidc Tup\'nan, bijna tot tranen bewogen door dit medelijden metziaiesrnart. : ..Lieve jutter! wees toch bedaard!quot; „Het is zijne stem !quot; riep de tante uit terwijl er zich voorteekenen van een nieuw zenuw toe va I : begonnen te vertoonen. |
„Ontroer u niet zoo geweldig, lieve juffer!quot; zeide Tupman smeekend. „Ik verzeker u, ik ben zeer weinig bezeerd.quot; „Zijt gij dan niet dood?quot; riep de gevoelvolle dame uit. „O. zeg mij toch,dat gij nietdood zijt!quot; , Wees toch zoo mal niet. Rachel!quot; viel Wardle een weinig ruwer hierop in, dan bij zulk een romanesk tooneel wel voegzaam was. „ Wat duivel zou het er toe doen, of hij zeide dat hij niet dood was?quot; „Neen, neen! ik ben nietdood!quot;zeideTupman. „Ik heb ueene hulp noodig dan de uwe,quot; vervolgde hij fluisterend. „Ach juffer Bacbel! laat mij op uw arm leunen!quot; De verrukte tante bood hem haar arm aan. Zij traden de ontbijtkamer binnen. Tupman drukte j hare hand teeder aan zijne lippen, en zonk op ! eene sofa neder. .. Wordt gij flauw ?quot; vroeg Rachel bekommerd. „Neen,quot; antwoordde Tupman; „het is niets. Ik j zal terstond wel weer beter worden.quot; Hij sloot I zijne oogen. „Hij slaapt,quot; fluisterde de tante, toen hij zijne j oogen omtrent eene halve minuut had dicht gehouden. „Dierbare, dierbare Tupman!quot; Tupman sprong overeind. ,0, zeg dat nog eens!quot; riep hij uit. De dame schrikte. „Gij hebt immers niet verslaan wat ik zeide?quot; vroeg zij verlegen. „O, ja ja!quot; antwoordde Tupman. „Zeg het nog eens! Indien gij wilt dat ik herstel, zeg het dan nog eens!quot; „St!quot; zeide de dame. ...Mijn broeder.quot; Tupman nam zijne vorige houding weder aan en Wardle trad met een chirurgijn het vertr k bin nen. De arm werd onderzocht, de wond verbonden en voor zeer onbeduidend verklaard; en toen het gezelschap op deze wijze was gerust gesteld, schaarden zij zich om de ontbijttafel mef gv zichten, waarop hef genoegen weder uitblonk. Pickwick alleen was stil en afgetrokken. Zijne trekken gaven wantrouwen en misnoegen te kennen. Het gebeurde van dien morgen had zijn vertrouwen op Winkle geweldig aan het wankelen gebracht. „Speelt gij cricket?quot; 1) vroeg Wardle den knappen schutter. I Tof. n-chl v«*r.Mlanlt;l van liet volgende zal ccne ak\'O-meenfi beschrijving van «lit tjnnplijk ingewikkelde balspel d«*n lezrr wHIichf ni»\'! onwelkom zijn. Op em ruim en vlak veld verdeelen de eriekef-spelerH zich in t\\v. lt;• partijen. I)e eene p:irtij heeft een \\v i lt;• k e ( voor zi. h stiian , hek je, nit drie slokken meteen los daarover liggenden dvvarsstigt;k gevormd. Sclinins voor ied\'-r wicket plaatst zich c.u speler, inct een danrtoe vervaardigden slagstok. hat ge-hcctcn. voorzien. Igt;aar arhter piaat-cn zich di- bowlers, die met, een groeten 1gt;J|I v ijandelijk\' w i (• k »\'t trachten om te werpen: de overige spelers verdeelen zilt; h. nog meer achterwaarts, als oppassers on» de ballen op te vangen. lgt;e h»)w 1 \'• r lt;ler partij, die het spel moe( beginnen, mikt op het vijandelijke wicket, dut ilont den pel er met een bat, wordt verdedigd, die den bal tracht weg te slaan. |
SAMUEL PICKWICK.
10
|
np een anderen tijd zou Winkle deze vraag | zeker bevestigend beantwoord hebben; maar hij gevoelde liet netelige van zijn toestand, en zeidc , zedig: ..Neenlquot; „Speelt gij hot nog, mijnheer\'.1\' vroeg Stock- j wall. „ N\'een,quot; antwoordde de gastheer.Ik heb er van moeten afzien, ik ben nog wel lid van de rlub hier, maar ik speel niet meer mede.quot; „Het groote wedspel heeft van daag plaats, als ik het wel heb,quot; zeide Pickwick. „Ja,quot; antwoordde de gastheer, (iijzoudthet uaarne bUwonen, geloot\' ik.quot; ,.lk ben een vriend van alle vermaken en lichaamsoefeningen, mijnheer\', antwoordde Pickwick, „waaraan men met veiligheid kan deelnemen, en waarbij de lompe proetnemingen van ! onkundige knoeiers het leven van anderen niet in gevaar brengen.quot; Piek wik zweeg eene poos, I en zag met een strakken blik den ongelukkigen Winkle aan, die verlegen zijne oogennedersloeg, toen hij dien van zijn meester ontmoette. Naeene korte poos wondde de groote man zijne oogen van den schuldige alquot;, en vervolgde: ...Maarzon het wel billijk zijn, dat wij onzen gekwetsten vrien aan de zorg dei\' da,mes overlieten? „dij kunt, mij in ireene betere handen laten, zr; te Tnpman. „Onmogelijk,quot; voegde Stockwall er bij. Men sprak derhalve ai, dat Tnpman onder de hoede \'inr vrouwen te huis zou blijven, en de andere gasten met den oud\'ii hi er Wardle naar het veld zouden gaan, waar de wedstrijd moest I plaats hebben, die geheel Muggleto n 1) en jiingley-Dell in eene koortsachtige spanning had geiiraeht. Daar de wandelins, door beschaduwde lanen i n weinig bezochte voetpaden slechts een hall uur ver was, en het gesprek over de schoone I natnurtooneelen liep, die men telkensaantiut, speet het Pickwick bijna, dat zij het stadje Mn •r-\'letön zoo spoedig bereikt hadden. Ieder, die de statistiek en aardrijkskunde van : En ge la n d heeft bestudeerd, zal wel weten, dat Mu ggleton eene plaats is, die stedelijke rech-ten, een burgemeester en kiezers bezit ; ei\\ ieder, die de adressen van dgt; n burgemeester aan de 1 kiezer s of van de geheele stad aan het parlement Wonlt het wicket ruften, dan moet de vonlcili^or tiif h \' -(gt;♦»] trt ilen. - n wonlr iloor een and\'-r v:m zijn»\'p\'Ttii vervjinu\'en. Voor de «fvallen wanneer «1«\' bal al\'kaatBt \'lt;t wel hi?iten het ^pei vliegt lt;gt;t\' daarbinnen op den «rond n^erv ilr, zijn \'-^ne meni;\'!»\' re.\'\'Ik bepanM, waardoor de eene andere pnrtij pnnteri of kerven wintof verliest:en 11 • • t i- hes list, uann^er eene der parf ijen het af^es|»ro- ken ut\'f.i kerven \'»|i haar kerlstok 11e11. |)i? spel wordt in lOngeirtrul met een usf en ijvrgespeeld, waarvan men zit li bezwaarlijk een denkbeeld kan vormen. Vkui. : Met Mn-\':\' ■ fquot;n wordt wsar-\'hijnlijk l\'own M 11-! i n ir in K« nt bedoeld, e»»ne plants beroemd om he» ri\'-f ten tijde van Piekwiek. Met I) i n g 1 y-H ^ 11 |
dm eene naburige plaats I-heeft gelezen, zal ook wel weten, dat Mu ggle-ton een oud koningsgezind landstadje is, dat de zaak van den godsdienst en de rechten van den handel met denzelf ien ijver voorstaat, gelijk reeds genoegzaam is gebleken uit de menigte dor door haar ingediende petitiën tegen de slavernij der negers buitenslands, en die der arrne kinderen in de fabrieken binnenslands, alsmede ten gunste der verkooping van kerkelijke ambten. en voor het verbod van het verkoopen van eetwaren op zondag. Pickwick stond in de aanzienlijke straat dezer doorluchtige stad, en zag met leergierigheid en belangstelling om zich heen. Daar zag hij de markt, een vierka nt pleintj\' . met eene herberg, op welker uithangbord een dier prijkte, dat men dikwijls geschilderd, maar nooit levend aantreft een blauwe leeuw, die kunstig op een zijner achterpooten balanceerde. Onder de andere huizen zag hij het bureau van eene assurantiecompagnie. een venduhuis, een magazijn van ma.-nut\'acturen, en do winkels van een zadelmaker, een likeurstoker, een kruidenier en een schoenmaker; in den laatsten waren ook hoeden, mutsi n, gemaakte kleederen, paraplu\'s en boekjes van de Maatschappij tot Verspreiding van \'nuttige Kennis te koop. Er was een huis met een gevel van roode steenen, waarin iedereen kon zien dat een notaris woonde, en een ander met een koperen plaatje aan de deur, waarop men den naam van een dokter las. Eenige jongens liepen |op eon drafje naar het crickotveld, en voor hunne deuren stonden eenige winkeliers, wien men het kon aanzien, dat zijdaai ook wel wilden heengaan, hetgeen zij waarschijnlijk wel hadden kunnen doen, zonder dat zij er veel klandizie door verloren zouden hebben. Nadat Piekwiek een poosje had vertoefd om deze opmerkingen te maken, die hij te gelegener tijd wilde opschrijven. spoedde hij zich naar zijne \\ rienden, die eene zijstraat hadden ingeslagen en reeds in het gezicht van het strijdperk waren gekomen. Er waren eenige tenten opgericht, waarin de spelers konden rusten en ververschingen gebruiken, en de hekken waren reeds opgezet; maar het spel was nug niet, begonnen. Eenige Dingley-Dellers en Muggletonners vermaakten zich met een bal van hand tot hand t e werpen; en een groot aantal heeren, in het bij he,t cricketspel behoorende kostuum - namelijk een stroohoed, wollen borstrok en witte broek gekleed, zwierven om de tenten, naar eene van welke mijnheer Wardle bet gezelschap geleidde. . 1T , Een paar dozijn uitroepingen van „Hoe vaart gij\'quot;\' begroetten den ouden heer bij zijne komst; ên toen hij zijne gasten introduceerde,als heeren van Londen, die zeer verlangend waren om het feest bij te wonen, werden al de stroohoeden afgelicht, „(Jij mo\'-st zoolang in de tent gaan zitten. |
MKT VERMAARDE Ml\'GGLETON.
41
|
mijnheer,quot; zeide een der wachtenden. „Hier, in j deze, hier wordt gskerfd; dit is de beste plaats van het geheele veld.quot; En daarmede ging hij vooruit naar de tent. i „Heerlijk spel -- warm werk nuttige lichaamsoefeningen waren de eerste woorden I die Pickwick in de ooren klonken, toen hij de tent binnentrad; en liet eerste, wat hem in het i oog viel, was zijn vriend de groenrok, die tot vermaak en stichting van eenige Muggletonnera eene deftige aanspraak hield. Zijne kleederen zagen er een weinig beter uit dan voorlieen, en |
Pickwick ging zitten, gelijk hem bevolen was. Ötockwall en Winkle volgden insgelijks ile aanwijzingen van hun geheimzinniger) vriend, dien Wardle met stilzwijgende verbazing aanschouwde. „Mijnheer Wardle — een vriend van mij,quot; zeide Pickwiek. „Vriend van u? — Hoe vaart gij mijnheer? — Vriend van mijn vriend - geef mij de hand, mijnheer!quot; Dit zeggende, drukte de vreemdeling Wardle de iiand met eene warmte alsof zij jarenlang vertrouwde vrienden waren geweest. |
|
| Vlij had laarzen aan; doch men kon zich jiiel in hem vergissen. ] De vreemdeling herkende zijne vrienden ter-i stond, schoot toe, greep Pickwick bij de hand, | trok hem met zijne gewone drift naar een stoel, en sprak daarbij in iV-nen adem voort, alsof alles onder zijn onmiddellijk opzicht stond; „Dezen weg hierheen hier iu overvloed — okshoofden rundergebraad — heele ossen mosterd — karren vol mooi I weer ga zitten — neem uw gemak blij | u te zien 1quot; |
Toen trad hij een paar schreden achteruit, om Wardle van het höbi\'d tot de voeten op te nemen, en drukte hem daarop nogmaals de hand, zoo het mogelijk is, met nog me er hartelijkheid dan te voren. „Hoe komt gij toch hier?quot; vroeg Pickwick met een glimlach, waarin vriendelijkheid en verrassing om den voorrang streden. ..Hoe ik hier kom ?quot; hernam de vreemdeling, „Logeerde in de Kroon Kroon te Mugg-1 eton krijg gezelschap wollen borstrokken en witte broeken boterham met ans- |
SAMUEL PICKWICK.
k
|
jovis — gepeperde nieren — knappe lui — dat geloof ik. „Mijnheer Pickwick was genoeu-/aam bekend met des vreerndélings stenographi-sche spreek-manier, om uit deze snelle en afgebroken uitroepingen op te maken, «lat Inj op de een© of andere wijze nn-t ei niult;\' Mugdetonners iu aanraking was gekomen, en hen daarop, door een kunstje, dat hij .-elven te verstaan, tot zulk een gemeenzaam gesprek had gelokt, dat zij niet konden nalaten hem op le t feest ttfnoodigen. Zijne nieuwsgierigheid was derhalve voldaan, en lui zette zijn bril op, om naar het spel ie \' zien, dat juist beginnen zou. Muggleton zou het spel beginnen, en de aandacht werd ten heegste gespannen, teen Dumkins en Podder twee der beroemdste 1.\'den van die beroemde clnl), bij de hekken post vatteh. Lufl\'ey, liet grootste sieraad van Dintc-ley-Dell, zou tegen den vlug en Dumkins, en Struggles teuen den tot nou\' toe onverwon-nen l\'odder we rpen. Éen aantal spelers werden hier mi daar op het veld uitgezet, om op te pas-■ n, eii elk plaats:e zich in de veivischte hou-diiar, mes de tjanden op de knieën, zci-r diep bukkende, alsof zij iiaasje over gintr«-n spelen. Dit is de gewoonte van alt goede cricket spelers, daar men altremec-n schijnt te denken, dat men in e\'-ne andere houding onmogelijk een bal zou kunnen opvangen. De scheidsleden plaatsten zich nabij de bekken, en er voLde eent- angsti/o stilte. Lufl\'ey srintr eenige schreden achteruit. 1 n hield den bal equot;ne poos vuur zijriquot; rechtero\'iir. «i\'as op!quot; i cht • eehsklaiis. De bal vlbcg in eenö lijn op den middelsten stek van bet hek aan. Maar Dumkens was bij de hand; hij ving den bal leef he! ejnd van zijn ba t, en kaatste hem ver wet;, ovej- de hoefden der uppass^i s heen. E\'eze eerstt• wifp deed M u g tr 1 (• t on twee punten winnen. Ook Podder verzuimde niet, lauweren voor zich zeiven en Muirgleton te plukken. Like bal, \'üo zijn hek kon raken, w-id door hem afgekaatst; de andere liet hij vlii L \'n. N u en dan traden \'-r andere bo w i ers op, wannf ei de . .■rste pijn in de artlien kregeh; maar Dumkins gt; n Podder ba-ven onvevwonnen. Toen zij eindelijk uit he- spel raakten, had Muggleton vierenvijftig kerven, en Ding-I ey Dell ie-.\' geen een. Dit verschil was te groot om ingehaald t( worden, Tevergeetsnamen Luffev en siru^gles al hunne bekwaamheid eti ondei vinding te baat, otn het verlies hunner partij te herstellen; hel hielp niet; Dingle-. Dl 11 moe-t zich overwonnen ver-i klaren. |
De vreemdeliiur was intnsschen onophoude-! Igk bezig ge we, st met eten, drinken en pfftten. Hij eiken goeden worp ir.-if iüi zijne tevredenheid te kennen ne t ( ene ininzarno deftigheid, vvaar-door de geprezene zich ten hoogste moest vereerd gevoelen; terwijl hij telkens, wanneer de bal misgeworpen of niet goed opgevangen weid. zijn ongenoegen aan den dag legde, door een ; ,.geweldig lomp! — foei, hoe dom! alteeig. of dergelijke uitroepingen, waardoor hij alle om- i standers in de meening bracht, dat iii.i een voortreffelijk en doorkundig beoordeelaar dei-diepste geheimen van het edele cricketspel moest wezen. Uitmuntend spel -- goed uitgespeeld -- eenige worpen zelden zoo gezit n,quot; zeide do vr«-emdenng, toen, na het eindigen van het spel, beide partijen ; zich naar de tenten begaven. Hebt gij het ook wel eens gespeeld, mijnheer?quot; vroeg Ward ie, die zich met de spraakzaamheid van den groenrok veimaaktt. „Gespeeld? dat zou ik denken - mer niet West-In d 1 e - warm werk - - vreeselijk Het moet in zulk een klimaat inderdaao een warm werk wezen,quot; merkte Pickwick aan, „Warm?quot; riep de vreemdeling uit: heet --gloeiend. Lens een spel gespeeld quot; . n™.:uquot;,rn hek mijn vriend de kolonel - Sir 1 imma^ Blazö zeven uur \'s morgens — de kolonel bo w 1 er - uitgehouden totdat hij flauw viel -zes negérs als oppassers — allen flauw ge\\ alk n \' kolonel afgelost dooreen trouwen slaaf\'juan-ko samba — de zon zoo heet — stok geblaard bal bruingebrand twaalf uur\'s middags een beetje vermoeid Quanko halfdood — laagt;sti krachten ingespannen eindelijk het wic ket om eerst een bad genomen, toen naai ie t diner.quot; Ln hoe bekwam het dien armen neger, mijnheer,quot; vroeg een oud heer. „Slecht trenoeg nooit van bekomen anderen dag dood.quot; Daarop begroef de vreemdeling zijn gezicht in eene bruine kan. maar ot hij da deed om zijne ontroering te verbergen, ot om het bier te\'proeven, is ons onbekend gebleven. Dit alleen weten wij, dat hij, toen hij de kan weder neerzette, diep ademhaalde, en met veel aandacht naar twee loden der e-lub van Dmg-! ey-Del-l keek, die zich tot Pickwick vervoegden. en zeide: Wij zullen in de BI au we Leeuw een oen-v. ndie\'eii maaltijd houden, mijnheer! en-hopen, dat gij ons de eer zult bewijzen, daaraan met uwe vrienden deel D- nemen. Natuurlijk rekenen wij onder onze vrienden ook mijnheer.....quot;zeide Wardle terwijl bij den vreonuleling schuins aanzag. „Jingle,quot; zeide deze zeer vlug. Alfred Jingle.quot; . . . rHet zal mij zeer aangenaam zijn, zeiae Pickwick, ... „Mij insgelijks,quot; zeide Alfred Jingle terwijl hy Pickwick en Wardle elk bij een arm vatte, en daarop den eersten vertrouwelijk in hef oor fluisterde: „Een heerlijk koud middagmaal |
EKN J\'HKSTMAAL MKT AANSPEAKKX.
■18
gleyd ell op een Luffey en struggles mag bogen. (Daverend gejuich.) Men denke niet. dat ik de verdiensten der genoemde heeren wil verkleinen. (Toejuiching.) Allen, die mij hoeren, zullen wel eens van het antwoord gehooid hebben, dat keizer Alexander ontving van een man, die in «ene ton woonde. „Als ik geen Diogenes was,quot; zeide hij. „zou ik AÏxander willen zijn.quot; Ik kan mij zeer wel verbeelden, deze heeren te hoeren zeggen: ..Als ik geen\' Dumkins ofPodder was, zou ik Luffey of struggles willen zijn. (L uidruc h tig g^ej ui ch.) Maar. heeren van Mu ggle ton, is het, in het cricketspel alleen, dat uwe medeburgers zoo-zerr uitblinken? Hebt gij niet geleerd, de namen van Dumkins en Podder met edele burgerdeugd en standvastige vaderlandsliefde te verbinden? ?4it gij nooit, terwijl gij om uwe rechten en vrijheden moest kampen, voor e n oógenblik in mismoedigheid en wanhoop wegge zonken ? En heeft niet op zulk een oogenblik de naam van Dumkins het vuur dat bijkans in uwe borst was verdoofd, opnieuw weder aangeblazen ? Heeft niet een enkel woord van dien achtenswaardigen man de glimmende vonk weer helder doen ontvlammen? (Luidi toejui-j ching.) Mijne heeren! vlecht, dat is mijn ver-; zoek. een stralenden krans van edele toejuiching
! om de vereenigde namen van Dumkins en Pod^
j der!quot;
Hier zweeg het manneke, en het gezelschap : hief een gejuich aan. waaraan geen einde scheen j if\' zullen komen. Men bracht nog een aantal andere toosten uit. De heeren Luffev en «trug-| L;ies, Pickwick en Jingle, werden elk op hnnnne I beurt het onderwerp van hoogdravend\' lofrede-nen en betuigden alle met aandoening hun dank : voor de bewezen eer. Het zou ons zeer veel j genoegen gedaan hebben, indien wijenzen lezers deze aanspraken hadden kunnen mededeelen. Mijnheer Stockwall hoeft, volgens zijne gewoon- i Ie, daarvan uitgebreide aanteekeningen gehou-den, waarvan wij dankbaar gebruik zouden hebben gemaakt, indien niet, door de vurige welsprekendheid der redevoeringen of de kracht van den wijn. zijne hand zoo onvast was geworden, dat wij zijn schrift niet hebben kunnen • ontcijferen. Met zeer veel moeite hebben wij hier en daar de namen van eenige sprekers kunnen lezen, en het begin van eén liedje, dal door Jingle gezongen werd. Oeheel :ian hel eind der aanleokenimren meenen wij ook de woorden ..driftig,quot; , ongenoegen,quot; van elkander houdenquot; te onderscheiden; maar dewijl de gissingen, welke wij op deze woorden zouden kunnen bouwen, wellicht al te gewaagd zouden zijn, willen wij ze liever met stilzwijgen voorbijgaan.
Wij ki eren derhalve tot onze vriend Tupman terug, alleen nog aanmerkende, dat de morgen reeds was aangebroken, voordat de laatst egn sten de Blauwe Leeuw verlieten.
koud maar lijn van morgen in de mal geke-f ken hoenders en pasteitjes en allerlei ■■ aar-! dige lieden en zeer beleefd ook.
| Daar er niets verder was af te spreken, wan-■ (lelde het gezelschap in kleine groepen naar de I stad, en in een kwartiersuurs waren allen in de : l\'.lau we Leeuw aan tafel gezeten, waaraan Dumklnsde waardigheid van president,en Luffey i die van vice-president bekleedde.
Nu volgde er ei n geweldig geratel metbor-; den, vorken en mossen, en werden de schotels i met wonderbare snelheid geledigd, waarbij de | kortswijlige mijnheer Jingle den arbeid vari zes | 111:1,1 verrichtte. Toen iedereen zooveel gegeten had als hij kon, werd het tafelkleed weggenomen | en het dessert klaar gezet. Tegelijk bracht men volle llcsschen en schoon\'\' glazen. Onder I de luidruchtige vroolijkheid, die nu begon te | heei schen, bh ef een kort dik mannetje, met een i deftig opuobliizen gezicht, zeer stil zitten. Tus-i slhenbei\'lc, wanneer het gesprok \'\'en weinigquot; I verflauwde, zag hij eens rond, alsof hij met iets I zeer gewichtigs wilde voor den dag komen, en j \'ui en dan hemde en kuchte hij met onbeschri;-j fehjke statigheid. Toen er eindelijk voor een ! ■•ogenblik eene soort van stilte kwam, riep het i mannetje n;et eene luidde, ernstige stem : Miin-\' heer Luffey!quot; quot; i
Iedereen zweeg doodstil, toen de aldus aan- 1 gesprokene antwoordde; Mijnheer!quot;
..Ik wensch eenige woorden tot u te richten i mijnheer! indien gij de heen n wilt verzoeken\' : om hunne glazen vol te schenken.quot;
Mijnheer Jingle riep fen uiterst minzaam: | „l\'Uisteit. dat door hel geheele gezelschap • 11 (I hei haald; en toen de glazen volgeschon- ; ken waren, zette de vice-president een gezicht dat wijsheid en diepe aandacht moe st beteeke-nen. en zeide; „Mijnheer Staple\'quot;
„Mijnheerlquot; zeide het manneke opstaande\' \' „hetgeen ik te zeggen heb, wenschle ik tot n re richten, en niet tot onzen geworden president, omdat onze geöérde president eenigszins ik\' mag wel zeggen grootendeeis - het onderwerp is van hetgeen ik wilde hm hm!quot;
„Voordragen,quot; zeide Jingle, om den spreker voort te heipen.
.. Ja, voordragen zeide het manneke. „Ifczeir niijn ge- erden vriend dank voor zijne hulp Ik jen een Dingley Deller. (To e j u i r h i n g.)\' I k kan mij niet beroemen, een deel der bevolking van M u ggle to n uit te maken; en ik zeg romf borstig, dat ik hun di\' eer nid benijd, en ik zal u zeggen waarom, mijnheer! (Luister., Aan Mu ggle ton laat ik al de eer en onderscheiding, waarop het aanspraak heeft ■ \' ie aanspraken zijn te talrijk mi ie w. lbekrnd\'. ean dat ik de\' zou behoeven te vermelden •Maar, mijnheer! terwijl wij bedenken dat Muge-\'on een Dumkins en Podder het aanzijn heeft -.eg\'\'ven, laat ons nooit vergeten, dat Din-
SA Ml\' HL PICKWICK.
Vin, Aan het eind wasten prieeltje, metjusiuijn j
en kamperfoelie begroeid; een van die lieve i
waarin zonnkki.aak woedt aanuetmoni», igt;.s.t lioekjes, die door tfTL\'.-voelige menschen ten .
het pad dkk oprechte LiEVDE niet zoo ^einakke der gpiunekoppeii wordenmgenent.
FKKFN ALS EKs spookwkg is. De tante nam een groeten gieter, die in een ,
hoek lag, en wilde het prieeltje weder verlaten, ;
]),. stille afzondering van D i ngl ey-Del 1, toen Tüpman haar vasthield, en haar naast
de tegenwoordigheid van zoovele leden van het zich op de hank trok.
schoone geslacht, en de bezorgdheid, met welke Mejuffer Wardle! zeide mj.
zij hem oppasten, waren bijzonder geschikt om De tante beefde zoo gewoklig. dat eenigo
in df borst van Tracv \'rupman,dilt;; zachte aan- steentjes, die hij toeval in den gieter waren ge-
doeninaen op te wekken, welke de natuur daarin komen, als een kinderrammelaartje begonnen te
had geplant, eh die zich thans uitsluitend op één ratelen. ............ w.,f
beminie nswaardig voorweri)schenen te uioetrt! „Mejufiei- WanLe. zeide lupman, „-.u zijt
achten. De jonge dames waren bevallig, lief- een engel.\' . . , .. . ...
:aiii-en za.\'iitaanhe; maar er was eene ileflig- „Mijnheer Tupman ! rie-p de tante uit, terwyl ,
h-i 1 in het voorkom-u der tante, eene statig- zij zoo rood werd als haar rood geverfde gieter,
heid in haar tred, eene majesteit inbaar oo-s „Neen,quot; hernam de welsprekende l ickwickist,
waarop zulke ieu[.rdiure meisjes, als han nichten, „ik wt- v\'t t maai al ilt;■ wol.
aanspraak kond-n maken, ettdie Inuir on- ..AU\'-\' vrouwen zijn enge en, naar men zegt, !
ilersch.-idch n van alle vrouwen, welke Tupman preveldquot; Rachel schertsend,
ooit had aanschouwd. Het was duidelijk blijk- „Wat moet gij dan zijn, of waarniede kaank j
ba.iv dar er tussrhen hunne ^ernoedor\'ai ee-no tl veruvlnlo n. zonder n re ing\'-ö ^^natten .
üèii-ime overe.-iwtemining, e-n- onverklaarbare hernam Tupman. . Waar heb ik ooit eene vrouw
svinpathi\' bestond. Haar naam was d«e-rste. gezien, die u nabijkwam? \\\\ aar kon ik hopen
die Tunnnui\'s lippen Ontsnapte, toen hij gewond zulk eene zeldzame vereranging van \\ ooi netto- i
01. h\'-i u-ras nederzonk; en haar stuipachtig lijkheid en schoonheid te vinden ? Waar kon ;
ia,-hen de e.rste klank, die hem in de oor-n ik.... o l^Bier zw-eg Tupman, en drukte de. hand, ;
!•• toen hij naar huis werd gebracht. Maar. die het oor van d-n gelukkigen gietei vast hield,
was har»- ontrei i iim le-t irevolg irowoest van De dame keerde haar hoofd ^t, ,. De manin\'ii
i eene vföuweHjkeaandoenlUkheid, die zicB in elk zijn zoo onstandvastig! fluisterde zij. |
• r i\'eval evn sterk y.lt;gt;n vertoond h.d.i.en,of „Dat zijn zij. riep rupman uit; maai met
w,■ j-,i veroorz-i.-iUt door -n diep-r, inniger allen. Er ieefi ten minste een. die nooit kan ver-
gevoel dat hij alleen kon opwekken? Met deze anderen, één, die geheel zyn aanzyn aan uw j
r-vvijiK\'iur lt;v • id In zime hersenen, terwijl hi.i -eluk zou willen teewijden, die- - slechts ademt |
op ii, sofa lag; en liü nam liet besluit, om zirh in uw glimlach, ja, di\' den zwaren lasttb s levens ;
; welven zoo spoedig mogelUk uit deze onzeker- alleen om uwentwille blijlt. diagen. )(
heid te bevryden. rIndien er zulk een man te vinden was —
II.\'! was avond, i-abelle en Mmila waren met begon\' de dame.
mijnheel Trundle -aan wandelen; de jdoove „Maar hij is te vindon, viel de hartsloohtelu ko j
gr.V.tmoednr w .s op h .ar ,-toel in slaap geval- \'l upman haar in do r-de.;.. i lij is gevnnden, iiier .
•,•11 • .j,. dikke ongeil nnorkte in do keuken; de is iiij, mejuffer Aardh-; hn eet i.achel ei op
,1gt; M-eaie.- \'. - zaten ..p eene bank bij de verdacht was, lag Tupman aan hare voeten op .
o-ht rdeur, om /ich ;u de koelte van den avond zijne knieën, ^ ,, , ,
t. verkwik ken, en stoeiden rnet de kneciits; en ?,sta op, mijnheer rüpmanl zeide Uac-hel.
• daar zal het belangwekkende paar, zonder om „Nooit,quot; was het manhaftig antwoord. — „O
amand anders te denken, zonder dat iemand Rachel!quot; daarmede greep hij bare machtelooze ;
and, rs om ie ti dacht, in eme zoete mijmering hand, en de gieter viol op den grond, terw ijl hij j
verzonken, die hand aan zijne lippen drukte. „O Rachel.
Ik heb mijne bloemen vergeten,quot; zeide de zegt, dat gij mij bemint!
t;Uit„ „Mijnheer Tupman!quot; zeide de tante met een
, Laat ons ze samen gaan begiHoti!quot; zeide afgewend gelaat; „ik kan nauwelijks de woorden
Tupman op een vleienden toon, uitspreken; maar maar gij zijt mij niet
.i\'iii /.\'Hidt in de avondlucht koud\' vatten,quot; geheel oveischlllig.
(\',1. \' de tante met e.\'iic iiedere bezorgdheid. Nauwelijks hoorde Tupman deze bekente-
Xi n, ne\' nl \' hernam Tupman opstaande, nis, of hij deed, wal zijn hartstocht hom ui-
mcot „al mij goed doen,quot; gaf, en wat, voor zooveel wij weten (want wij
D,. itikvruiivv ■ ■ t\' lquot; nug ten oogenblik, om hebben weinig ondervinding in die zaken),
den band, waarin de linkerarm desjonkmans letnand in zulke omstiindigheden altijd doet.
hing, wat te verschikken, nam toen zyn rech- Hij sprong op, sloeg zijne armen om den hals
terarm, en voerde hem naar den tuin. der tante, en drukte eenige vurige kussen op
J
TUPMAN DOET EKNK LI l-JFDESVK RKL A RING
|
hare lippen, die /.ij, na eerst den behoorlvjken tegenstand te hebben geboden, zoo geduldig\' aannam, dat het niet te berekenen is. hoeveel kussen Tup man haar misschien nog- zou uregeven hebben, indien Rachel hem niet, zonder eenige gemaaktheid, van zich had at\'gestooten en met ernstigen schrik uitgeroepen: „MijnheerTupman! wij zijn ontdekt -- wij worden bespied.quot; Tupman zag om. Daar stond de dikke jongen, zonder eenige beweging, met zijne groote ronde oogen in het prieeltje te starenquot;, inaar zonder de minste uitdrukking in zijn gezicht, welke de ervarehste gelaatkenner aan verbazing, nieuwsgierigheid of\' eenig andereu hartstocht had kunnen toeschrijven. Tupman staarde den dikken jongen, en deze wederom\'Mipma n aan; en hoe langer Tupman lette op de volkomen wezenloosheid, die over het gezich; van den dikken jongen verspreid lag, des te vaster hield hy zich overtuigd, dat deze of niets gezien, ol\' niets b\'grepen had van hetgeen er was voorgevallen. In deze meeniDg vroeg hij met eem- vasté stem: „Wat komt gi„i hier doen?quot; „Het avondeten i.s gereed, mijnheer!quot; antwoordde de jongen, zonder zich eenoogenblik te bedenken. „Zijt gij daar zoo pas hier gekomen ?quot; vroeg Tupman, h* m nn ■ een doni\'driugenden blik aanziende. ...Ja,quot; antwoordde de jongen onnoozel. rupmiu zag hem notrmaals scherp aan; maar do jongen sloeg zijne oogen ni\'-t neder, en vertrok evenmin zijn gezicht. Tupman gaf do taiite zijn arm, en wandelde met haar naar het huis. De dikke jongen bleef achter hen. „Mij heeft niets gemerkt van hetgeen er gebeurd is,quot; fluisterde Tupman. „Gelukkig,quot; antwoordd\' de tante. /ij hoorden een geluid achterzich,alsof iemand in zich zeiven lachtquot;. Tupman keerde zich plotseling om. Neen, het kon de dikke jongen niet gewees! zijn; want in zijn gezicht was geen het minste spoor van vroolijkheid te vinden. ,.Hij zal zeker geslapen hebben,quot; (luisterdlt; Tupman. ..Ik twijfel o)\' niel aan,quot; hernam de tante, en beiden lachten (nirtelgk. Tupman vergiste zich evenwel. Dedikko jon gen had niet geslapen, i n zeer goed gezien wat er voorviel. Het avondmaal werd gebruikt, zijnder dat iemand ri ne poging deed omeenalgemeen gesprek te beginnen. De grootmoeder was naar bed gegaan: Isabella hield zich uilsluitond met mijnheer Trundle bezig; de tante had voor niemand oogen of o o ren dan voor Tupman: en Kmilia scheen hareg-\'dachten op-en onzichtbaar voor worp gevestigd te hebben misschien op den afwezigen Stockwall. |
Het was elf. twaalf, een uur, en de heon n waren nog niet tehuis. Men begon elkander met ongerustheid aan te zien. Zouden zij onderweg aangevallen en uitgeplunderd zijn? Zou het niet raadzaam wezen, mannen met. lantarens uit te zenden op alle wegen, waarlangs zij naar huis kunnen komen? Of moest men liever — stil 1 daar waren zij. Waarom zouden zij zoo laat zijn uitgebleven? Kn eene vreemde stem er bij! Wit-zou dar, wezen? Allen snelden naar de keuken, waarheen de uil blijvers zich begeven hadden, en kregen daar op eens een vrij duidelijk begrip van de wezenlijke toedracht der zaken. Pickwick stond, met zijne handen in zijne zakken en zijn hoed op één oor, tegen de aanrecht-bank geleund, en zwaaide zijn hoofd heen en weder met een uiterst vergenoegden en vriende-lijken glimlach, waarvoor niemand eenige reden kon vinden; de oude h r Wardb drukte met een ho grood gezicht, du hand van een vr-emd heer, on stotterde eene menigte betuigingen van eeuwige vriendschap uit; Winkle hield zich staande, door te-on de kast der groot.\'klok te leunen, en vloekte, met eene (lauwe stem. op iedereen, die er van spreken zim, om naar be i te gaan, en Stockwall was op e\'-nstoel gezonken, terwijl de diepste neerslachtigheid en wanlmop, waarvoor het menscheüjk nemoed vatbaar is, op zijn sprekend gelaat geteekend stonden. ..Is er iets vi Mgt;rg(!vallen quot;quot; v roe .reu de drie dames. ..Niets ter wereld.quot; antwoordde l\'ickwiek ne : eem- dikke tong. .. Wy zijn allemaal alïemaal nog heel. Nietwaar. Wardle! allemaal nog he.\':, Zeg! ~ Niet waar?quot; ..Dat golool ik. zeidc de vroolijke gastheer. „Kinderen! daar hebt. ge mijnheer Jingle mijn vriend Jingle — een vriend van mijnheer Pickwick -- hij komt e. ri poosje bij onsïogeeren.quot; ..is er iets voorgevallen, met mijnheer Stockwall? vroeg Emilia bezorgd. „Volstrekt niet, meju(llt;-r!quot; antwoordd\' de vreemdeling. „Crickefei s: lekker din-r vrooliik gezelschap aardige liedjes porter bourgonje alli.\'.s naar den ;iard — de wrijn, mejufler de wijn. ...quot; ..Hot was de wijn njet,quot;stamelde Stockwall met moeite: „het was de zalm.quot; Hoe het ook moge toegaan, het is in xulke gevallen nooit de wijn, die iemand ziek maakt. .Zou het, niet het beste zijn. dat zij naar bed gingen?quot; vroeg Kmma, „Ren paar knechts kunnen de lu-eren naar boven dragen. „Ik wil niet naar bed 1quot; riep Winkle haftig. „Ik wil niet gedragen worden!quot; zeidt wiek. en glimlachte weder als te von-n. „Iloezoi\'l riep Winkle zeer droonierig. „Hoezee!quot; herhaalde Pickwick, terw ijl hij als razend zijn hoed op den vloer srm et, en zijn bril tegen den muur slingerde, over welke luimige heldendaad hij terstond een schaterend gelach aanhief. man- Piek- |
SAM TEL PICKWICK
|
„(iccf — nog - eene volle llfsch!quot; riep Win-kU-, met eene /,uer sterke stem beginnende, maar zi\'er tiauw oindigende. Daaropdiet li ij het hoofd óp de borst Kinken, prevelde nog wat over/.ijn vast besluit om niet naar bed te gaan, en zijne bloeddorstige spijt, dath ij des morgens den ouden Tupnian zijn bekomst niet had gegeven, en viel in slaap, in welken toestand hij door twee jonge reuzen, onder toezicht van den dikken jongen, naar bed werd gebracht. Stock wal! riep een oogen-blik later zeil\' do hulp van dit drietal in. Pickwick vatte den arm, dien Tupman hem aanbood, en uing stil heen, met denzelf\'den vergenoegden glimlach op zijn gelaat; terwijl Wardle, nadat hij zulk e n hartroerend afscheid van zijne familie had genomen, alsof hij terstond ter dood geleid moest wordim, den bijstand van Trundle aannam, en de deur uitging met èifne allerbelache-iijkste poging om i-on zeer ernstig en deftig gezicht zetten. ..W\'dk een afzichtelijk tooneellquot; zeido de tante. ..ongelukkig 1quot; zeido de beide jonge dames. ..\\\'rei snlijk vre\' ■ lijk 1quot; zeide Jingle met r. a ernstig gezicht; hij had een paar flessrhen meer -xi dronk\' ndan eenzijnei\' metgezellen.,. Een afzichtelijk tooneel groot gelijk.quot; „Wi-lk een fatsoenlijk man!quot; fluisterde do tante Tupman toe. .,En hij ziet er zeer goed uit,quot; fluisterde Emma. „Allerliefst,quot; hernam de tante. Tupman dacht aan de weduwe te Boe hester, en begon zich ongerust te maken. Het daarop volgende gesprek, dal het gezelschap nog een half uurtje bij 1 ka tuier deed blijven, was niet zeer geschikt om hem weder gerust ti stellen. De nieuwe gast was zeer opmerkzaam, en het getal zijner anekdoten was even -\'root als zijne uitg» /.ochte beleifdheid. Tupman gevoelde, dat, naarmate fingle inlt;--r opgang maakte, hij zelf in de schaduw werd geplaatst. Zijn lachen was gemaakt, zijn\'\' vroolykheid gedwongen; en toen hij eindelijk zijn gloei ••nd hoofd op hef kussen m erlegde, dacht hij\' nu \' gruwzame blijdschap, hoe goed het hem bevallen zou, als hij iingle\'s kop ttisschen het bed en de matras had. I)i onvermoeibare vreemdeling stond den volgenden morgen vroeg op, en terwijl zijne met ■ •-\'•\'Zeilen, afgemat dooi de uitspattingen van den vorigen nacht, nog te bed lagen, deed hij zijn best om by het ontbijt de algemeene vroo-li,ikheid te rerhoogen. Zijne pogingenslaagden zoo gelukkig, dat zelfs dc doove grootmoeder zich een paar zijner aardigheden door hare óor-trompef liet herhalen, en zich toen verwaardigde legen do tante t( zeggen, dat hij (.fingle namelijki een onbeschaamde kerel was, aan welke meening al de aanwezigen hun bijval schonken. |
Des zomers, bij goed weder, was de grootmoeder gewoon eiken morgen eene poos in het prieeltje te gaan zitten, dat Tupman den vorigen avond had bezocht. Zij liet zich dan door den dikken jongen brengen, en na verloop van een half uur terughalen. De oude vrouw was zeer nauwkeurig in hel opvolgen van hare gewoonten; en daar zij drie zomers achtereen deze plechtigheid had volbracht, zonder zich de geringste afwijking van het ingestelde ceremonieel te veroorloven, verwonderde het haar dezen morgen niet weinig, dat de dikke jongen, in plaats van haar in het prieeltje alleen te laten, eerst even naar buiten ging, oplettend rondzag en toen met een zeer bedenkelijk gezicht, en, op de teonen sluipende, terugkwam. De grootmoeder was vreesachtig, gelijk de meeste oude vrouwen; en hare eerste gedachte was, dat de dikke jongen haar te lijf wilde, om zich van haar zakgeld meester te maken. Zij zou wel om hulp hebben geroepen, maar zij was te oud en te zwak om te schreeuwen; zij vergenoegde zich derhalve met den jongen aan te zien met een angst, die niet verminderde, toen hij zeer dicht bij haar kwam, en haar op een ontroerden en zoo het haar voorkwam, dreigende toon in het oor schreeuwde: „Ju ffrouwlquot; Nu gebeurde he\', dat Jingle zich juist op dat oogenblik dicht bij het prieeltje in den tuin bevond. Hij hoorde dit „juffrouw!quot; schreeuwen, en daar hij zeer nieuwsgierig van aard was, en door eenige bloeiende heesters werd verborgen, bleef hij stilstaan, om te luisteren. „Juffrouw!quot; schreeuwde de dikke jongen nogmaals. „Wat is er Jozef?quot; vroeg de bevende oude vrouw. „Ik ben eene goede meesteres voor u geweest, jongen 1 ik heb u altijd vriendelijk behandeld. (ïij hebt nooit veel te doen en altijd genoeg te eten gehad.quot; Dit laatste gezegde scheen den dikken jongen te ontroeren, en hij antwoordde met nadruk; „Ja Wel, dat heb ik.quot; „Wat hebt gij dan nu te zeggen?quot; hernam do oude vrouw moed vattende. „Wat denkt gil, dat ik gisteravond hier in dit prieeltje gezien heb?quot; vroeg de dikke jongen. ..Lieve hemel! wat? riep de groutmoeder uit, opnieuw schrikkende van Jozefsernstigen toon. „Den vreemden heer - dien met zijn arm in een doek - en hij zat te zoenen en te vrijen.quot; „Lieve hemel. Jozef ! Met wie? Met geen van de meiden hoop ik?quot; .. N\'og erger,quot; schreeuwde Jozef de groot moeder in het oor. „Toch niet meteene van mijne kleindochters ?quot; -N\'og erger.quot; „Nog erger. Jozef?quot; riep de oude vróuw uit, die zich niets erger kon voorstellen. „Wie was het Jozef \' ik moet het weten.quot; |
EE NE ADDER IX HET GRAS.
|
Jozef zag nog eens voorzichtig rond, en schreeuwde toen de grootmoeder in het oor: Juffrouw Rachel!quot; „Wat?quot; riep de oude dame met een schelle ; stem. „Spreek harder.quot; „Juffrouw Rachel!quot; brulde de dikke jongen. „Mijne dochter?quot; zuchtte de oude vrouw. Het knikken van den jongen deed zijne wangen trillen als blancmange. „En liet zij het toe?quot; vroeg de oude vrouw. De dikke jongen grijnsde, toen hij antwoordde „zij kuste hem weerom.quot; indien Jingle uit zijn schuilhoek het gezicht der grootmoeder had kunnen zien, zou hij zich gewis door een schaterend gelach verraden hebben. Hij luisterde met oplettendheid,en ving eeni-ge afgebroken uitdrukkingen op, zooals: „Zonder niijrie goedkeuring — op hare jaren — ongelukkige oude vrouw — had immers kunnen wachten tot ik dood was.quot; Daarop hoorde iiij de voetstappen van den dikken jongen, die heengingen de grootmoeder alleen liet. Het was misschien een zonderlinge samenloop van omstandigheden, maar het was toch zoo, dat Jingle den vorigen avond nog geen vijftien minuten op Manor-Farm had doorgebracht, of liij ihad het besluit genomen, om zonder uitstel een aanval op het hart der tante te maken. Hij had men schenk en nis genoeg, om te zien, dat de voortvarende vrijpostigheid zijner manieren het schoone voorwerp zijner uitzichten geenszins onbevallig was; en hij had een sterk vermoeden dat zij die wenschelijkste aller eigenschappen, een klein onafhankelijk inkomen, bezat. Hij zag nu terstond de noodzakelijkheid in om zijn medeminnaar den voet te lichten, en besloot, zonder een oogenblik tijd te verliezen, eenige daartoe strekkende maatregelen te nemen. Fielding zegt, dat de man vuur en de vrouw vlas is, en dat de Vorst der Duisternis hen bijeenbrengt om brand te stichten. Jingle begreep, dat een jong heer bij een oude vrijster hetzelfde was als brandend gas bü buskruit, en nam zich voor, terstond te beproeven om eene ontploffing te bewerken. Vol gewichtige gedachten over dit besluit verliet hij zijne schuilplaats en ging naar huis. De fortuin slt;-heen zijn ontwerp te begunstigen. Hij zag Tuprnan en de overige heeren in de verte het hek en den tuin uitgaan; en hij wist, dat de jonge dames na het ombijt allen w gaan wandelen. De kust was vrij. De deur van het ontbijtvertr \'k stond open. Hij keek naar binnen. De tante zat tr breien. Hij kuchtte; zij zag op en glimlachte. Schroomvalligheid was geen trek van zijn karakter. Hij legde geheimzinnig zijn vinger op zijne lippen, trad binnen en sloot de deur. „Mejufï\'er Wardle!quot; zeide Jmglemet gemaak-ten ernst: „vrijpostigheid verschoonen nog niet lang met elkander bekend — geen tijd voor complimenten alles ontdekt!quot; |
„Mijnheer!quot; riep de tante uit, tamelijk verwonderd over zijne onverwachte verschijning, i en bijna in twijfel of hij wel bij zijn verstand was. „St!quot; zeide Jingle \'fluisterend, gelijk men dat i op het tooneel doet: „dikkelummel — gezicht I als een oliekoek ronde oogen — verwenschte j schobbejak!quot; Hier schudde hij met bijzonderen nadruk zijn hoofd, terwijl de tante van ontroering begon te beven. „Ik zou vermoeden, datgij Jozef bedoelt,mijn-hei-r?quot; zeide Rachel, met eene poging om bedaard te schijnen. „Ja wel, mejulfer! -- die vervloekte Jozef - • een verraderlijke booswicht, die Jozef - allesaan ! de oude vrouw verklapt - oude dame woe- | dend scheldt - raast prieeltje Tuprnan kussen en vrijen en dat al he, mejulfer! wat zegt gij ?quot; „Mijnheer Jingle!quot; zeide de tante: „indien gij i hier gekomen zijt om mij te beleedigen ....quot; „ Volstrekt niet, volstrekt niet,quot; viel de nimmer 1 verlegen Jingle haar in de rede: „allesafgeluis- ] terd - kom u voor het gevaar waarschuwen mijnedit nstenaanbied\' ii alleopzienverhoeden. Onverschillig — houd u zelve voor beleedigd terstond verwijderen.quot; - En hij keerde zich om, I als wilde hij zijne bedreiging ten uitvoer brengen. „Wat zal ik doen?quot; zeide de arme tante,in i tranen uitbarstende. „Mijn broeder zal razend uitvaren !quot; „Dat zal hij wel,quot; hernam Jingle: „geweldig -moorddadig.quot; „Ach, mijnhei r Jingle, wat kan ik zeggen : riep Rachel met klimmenden angst. „Zeg, dat de jongen het gedroomd heeft,quot; hernam Jingle bedaard. Ken straal van hoop verlichtte op dit gezegde het gemoed der oude vrijster. Jingle bemerkte i wat hij gewonnen had, en deed er aanstond zijn | voordeel mede;. „Kom. Kom! niets gemakkelijker kwade jongen bekoorlijke vrouw — jongen afge- i rost — u om verschooning gevraagd alles \' afgedaan.quot; Of de waarschijnlijkheid, dat zij zich aan de \' gevolgen dezer ontijdige ontdekking zou kunnen on tl rek ken, de oude vrijster zoozeer streelde, dan of de benaming „bekoorlijke vrouw,quot; die aldus 1 op haar werd toegepast, hare smart verzachtte, 1 weten wij niet. Zij bloosde en wierp Jingle een blik van dankbaarheid toe. Dit listige heerschap | slaakte een zwaren zucht, staarde de tante een oogenblik aan, deinsde daarop verschrikt I terug, en sloeg zijne oogen neder. „Oij schijnt niet opgeruimd, mynheer Jingle!quot; i zeide de tante op eeu treurigen toon. „Mag ik mijne dankbaarheid voor uwe diensten betoenen \' door naar de reden daarvan te vragen, om die, als het mij slechts mogelijk is, uit den weg te ; ruimen ?quot; „Ha!quot;\' nep Jingle uit, terwijl hij nogmaals |
SAMUEL PICKWICK.
4^
„Hem uw misnoegen toonen?quot;
„Ja.quot;
„En hem dan zijn afscheid geven — iemand anders aannemen?quot;
„Goed.quot;
Jingle wierp zich op zijne knieën, bleef vijf : minuten li-rgen, en stond op als de aangenomen • minnaar der tante onder voorwaarde, dat Tupman\'s ontrouw aan het licht zou komen. |
Jingle had op zich genomen, om nog dien- I zelfden dag bij het middagmaal het bewijs te leveren, . n d- tante kon nauwelijks hare oogen geloov\'-n. Tupman zat naast Emilia, en fluisterde, i lonkte en glimlachte, in spijt van zyn vriend stockwall. Voor haar, die hij den vorigen avond had aangebeden, had hij geen blik of woord over, „Die verwenschfe jongen,quot; dacht de oude heer Wardle, wien zijne moeder de historie had ovcr-geiirftCht. by zich zei ven: „hij heeft zeker geslapen. Het was alles verbeelding.quot;
..V. ] rader!quot; dacht de tante bij zich zelve. „Die lieve mijnheer Jingle heeft mij niet bedrogen. O, lioe haat ik dien rampzalige?quot;
Het volgende gesprek zal den lezer de re lenen v ui het schijnbaar onverklaarbare gedrag van onzen vriend Tupman doen inzien.
Her was avond; hef tooneel wasdt uiin. Kr wandelden ; wee gedaanten opeen zijpad; dee-.-ne was k • ■ i-n dik de andore lang on mager. Het war ;\'. Tupman en Jingle. De dikke b gon het
„H\'m hei. ik my gehouden?quot; vroeg hij.
„(lot d best ik zelf had niet beter kunnen doon -ij moot moruen dezelfde.rblspelen — alle avondon, tiM nadere kennisgeving.quot;
.Derhalve verlang\' Rachel, dat ik lt; r me.-voortga ?quot;
..Natuurlijk het spijt haar wel, maar het mo-1 zoo \\V(\'zeii achterdocht afkoeren — bang voor haar broeder het kan niet anders, zegt zij
een «e .lagen, totdat do oude lui _■ \'ind-duekt zijn dan uw geluk bekront n.quot; „Anders u\'oene boodschap?
„Hartelijke groeten onveranderlijk.-gera -eenheid .-.-uwigeliefde. Kanik haar i- ts vo gt;;-U Z\'-gü\'eli ?quot;
..üesie vriend!quot;zeide de onergdeakendo Tup* in. n. terwijl hij zijn vriend de hand druktt ; „breng haar mijn teedersten groet; zeg haar ho.- hard het veinzen mij valt; zeg haar alles, wat -i; vriendelijken liflderijks kunt bedenken; maar y.gt;-i haar vooral, hoé doordrongen ik ben van de noodzakelijkheid van dat plan,dat zij mij ileyen moriren door u lie\' voorst ollen Zeebaar, dat ik haar verstand quot;ii hare voorzichtigheid bewonder.quot;
Jioed. Nog iets anders?quot;
„Niets, dan ho. ik verlang naar den tijd, wanneer ik haar de mijne zal mogen noemen en mime liefde niet meer zal behoeven te verbergen.quot; ..la wel. ja wel! Nog iets?quot;
-hn
me
ze
.. Wie nicht
herhaalde de tant/-- zwarte oofron *
„Haar Vit ien bewijzen.quot;
terugdeinsde. „Uit dun weg te ruimen d-
reden mijner tréuriglu id.....terwijl gy uwe liefde
aan een man geschonken hobt.diede waarde van dien schat niet govoell die op het oogenblik het hart zoekt te winnen van de nicht der vrouw, welke - maar neen I hij is mijn vriend Ik wil zij no ondeugden niet dan den dag brengen. \\ aar-wel mi\'juffer Wardle!quot; Nog nooit had hij zooveel : sanienhimgende woorden gesproken, en zoodra j hij zijne aanspraak had \'nesloten. hield hij zijn zakdoek voor zijne oogen, ■ n klt;1 r\'i- zich naar de deur.
„Blijf hier, mijnheer Jingle!quot; Z\' ide de tante met n idruk. „njj zegt daar iets, dat op mijnheer Tupman doelt. VVatmeent gij? Verkluaru nader\'.quot;
..N\'ooi!,\'.quot; riep Jingle op et 11 theatralen toon. „Nooit!quot; En om t. roonen, dat hij niet verder wild\'- uitgevraaird worden, schoot hi,j t-en stoel ; dicht bij de tante en zette zich daarop neder.
..Mijnheer Jingle!quot; zeide dlt;- tante: ..ik bid u, : ik sme* k u, ontdek mij hel söhrikkelyk geheim, dat aan de plannen van mtlnheer Tnprnanschijnt ; veriionden te zijn!
„Kan ik.quot; riep Jiu_\'gt; ui:, r.-rwijlhij de tante ■ strak aanstaarde, „kan ik zulk een bekoorlijk j wezen aan •.■ene ongevoelige hebzucht zien op* offeren ?quot; HU scheen eenige oogenblikken m\'-\'t • verschillende tegenstrijdige aandoeningen te worstelen, en zeide toen mei •■••ne holle stem: j „Tnpmau verlangt sleehts naar uw geld,
„Die rampzalige!quot; rle]gt; de oude vrestermeton-bestdirijlelijke ve-rentwa miijinu.
I)( twijfel, dien Jingle gekoesterd had, was : Opgelost: zij had geld
./Nog meei andere
„Eene and
„Klein m«
Emilia.quot;
Er volgde enne poos van stilzwijgen; Indien de tante op iemand jaloersch was, wa- het op dit nii-lnje.quot; / blo..sdquot; tot oVer hare i.oren, . n wierp haar hootd met onuitsprekelijke mlnaeh* ting in den nek. Eindelijk beet zi.i op hare lippen, en z.-id.\'i „H t is onmogelijk. Ik zal-$etnooir geloovi n.quot;
„Houd Ir ui niaa; in he\' nog.quot; z- uit Jingle.
„luit zal ik.quot; h.\'rnaró dlt;- tant\'-.
Ltt ma#r op zijne blikken zijn gefluister.
„Dat zal ik.quot;
„Hij zal naast haar •-•aan zitten.quot;
moge-I ijk gt;• belt e fdluden
Jim
„l\'.n dgt; ••li also:\' hij u niet kende.
.Mij met kende!quot; gilde de tante. „Hij n ij niet willen kennen!quot; En zii beefde van gramschap en spijt.
■ Wilt .-.i u zeiV\' overtuigei\'.vrO\'-g Jing\'e-.
TL\'I\'M AN WORDT OM DKX TUIN O EL EI D.
|
.0 mijn vriend!quot; zeide de arme Tupraan, nogmaals de hand van zijn makker vattende: „ontvangt den warmsten dank voor uwe behing-loozo vriendschap, en vergeef mij, indien ik u ooit heb beleedigd door de gedachte, dat gij mij in den weg zouclt kunnen staan. Hoe kan ik u ooit beloonen?quot; ...Spreek daar niet van,quot; antwoordde Jingle. Hij bleef onverwacht stilstaan, alsof hem eensklaps iets inviel, en zeide; „Apropos! kunt gij mij tien pond leenen oogenblikke- |
„En ik ook,quot; zeide Jingle bij zich zeiven. Daarmede traden zij het huis binnen. Des avonds werd wederom hetzel fdekluc htspel van des middags vertoond; en zoo ging het nog drie middagen en avonden achtereen Op den vierden was de gastheer in cone bijzonder goede luim ; want hij had zich overtuigd, dat hij Tupman zonder reden verdacht had. Tui -man niet minder; want Jingle had hem gezegd, dat zijne zaak spoedig haar beslag zou krijgen. Pickwick insgelijks; want hij was zeldenaiulers. |
|
Hike verlegenheid -- een bijzonder geval ik -eel u het geld overmorgen terug.quot; ..Wel zeker.quot; antwoordde Tupman, uit de volheid van zijn hart. „Overmorgen, zegt gij ?quot; „Overmorgen alles dan in orde dan geen nood meer.quot; Tupman telde het geld in zijne hand, en Jingle stak het in zijn zak. .,1\'as op,quot; zèide Jingle. „Getn blik geen woord — alleen met de nicht bezig.....de tante zelfs lomp behandelen - de eenige inani\' f om de oude te misleiden.quot; rlk zal oppassen,quot; zeide Tupman overluid. |
Stock wal) liter niet; want hij was jaloersch bp Tupman gewnrden. \\laar de grobtmoedei\'wel; want zij had bij het whist gewonnen. En Jingle I en di: tante ook. om gewichtige redenen, die in i het volgende hoofdstu kaanden das zullen komen. IX. EE XE OVI\'DEKKINii KN K K N E VKBVOUilNt;. Het avondmaal was opgedischt; de stoelen stonden om de tafel; de llossc.hen, kannen en |
DlCKHNS, S \\ v! • M PlCKW\'lf K.
I
SAMUEL PICKWICK.
50
|
trluzen waren in de orde op het buffet geplaatst; en alles kondigde de nadering aan van het gezelligste uur van al de vierentwintig. „ Waar is Kachel?quot; vroeg Ward ie. „Hi- ja! en Jingle?quot; vervolgde Pickwick. „liet verwondert mij,quot; zeide de gastheer, ..(lat ik hem niet vroeger heb gemist. Ik kan mij niet herinneren, dat ik in twee uren zijne stein heb gehoord. Emillia: trek eens aan de schel.quot; Er werd gescheld. en dedikkejongenverscheen. i „Waar is mejulfer Rachel?quot; Hij wisthetniet. „En mijnheer Jingle dan?quot; hij wist hete venmin. Iedereen zag verwonderd op. Het was laat over elver. Tupman lachtte in zijne vuist; want hij kan niet anders denken, ot\' zij bleven zoo lang uit, om over zijne aangelegenheden te spreken. „Het doet er niet toe,quot; zeide Wardle; zij zullen zoo meteen wol komen, ik wacht nooit op iemand, als het eten gereed is.quot; „Dat iseene uitmuntende regel,quot; merkte Pickwick aan. „Komt gaat zitten,quot; zeide de gastheer; en allen gingen zitt\' M. Pickwick wilde juist het eerste proofje nemen van reue reusachtige osserih, die Wardle had aangesneden, toen er een ongewoon gedruischin de keuken ontstond, Pickwick legde zijne vork en Wardle het voorsnijmes neder, en beide zagen 11 kander verwonderd aan. Xu hoorde men zware voetstajipfi| in de gang; de deur der kamer werd met drift, geopend, en de knci ht, die, toen Pickwick voor het ( erstopM aorn-Fa rm kwam zijne laarzen had uepoetst, stormde binnen, gevolgd door den dikken jongen en al de overige mannelijke en vrouwelijke dienstboden. „Wat\'duivel beteekent dit?quot; riep de heer des huizes uit. „Is er brand in don keuken schoorsteen ? vroeg de oude vrouw, ,.Wel Heere, neen. grootróoeikr! neen!\' schreeuwden do beide jonge dames. „Wat is er dan te doen?quot;bulderde Wardle. De man hijgde naar adem, en stot terde: „Zij zijn voort, rnijnle er! allebei voort.quot; Op dit ge zé\'.\'dc zag men, dat Tupman zijn mes en vork nederleirde, en zoo wit werd al- zijn servet. „Wie zijn voort\' vroeg Wardle opstuivende. Mijnbeer Jingle en inejutl\'er Rachel, in eene postk\'iets van De Blauw- Leeuw te Mugi:-Int on. Ik was -r bij; maar ik kon hen niet teg-.nhouden. 1 taarotti heb ik zoo hard ireloopen. om het, n te Zeggen.quot; „Van mij heeft hij r-isgeld gekregen!\'\' riep Tu(gt;mitn. woest opspringende. „Hij heeft tien pond van mij bei \' houd hem tegen! hij is ■ en afzette: ik w 1 recht hebben. Pickwi\' k \' ik Lii! het er nil : b. !quot; Met-i;!!-menigb der-ge.ijke afgebroken uitrolt; pimren. liep deongeluk-ki-r- -u- een lazeiKle her vertrek rond. ,D Heere bewaï- ons!quot; riep Pickwick uit, |
vol schrik en verbazing de buitengemeene gebaren van zijn vriend aanschouwende. „Hij lieeft zijn verstand verloren. Wat zullen wij doen?quot; „Doen?quot; riep de forsche oude gastheer uit, die alleen op de laatste woorden had gelet. „Do sjees inspannen, in de Leeuw een postrijtuig nemen, en hen terstond najagen. Waar,quot; riep hij uit toen de knecht heensnelde, om zyne bevelen uit te voeren, waar is die schavuit? Waar is j Jozef?quot; „Hier ben ik; maar ik ben geen schavuit,quot; | antwoordde eene stem; het was die van den dikken jongen. „Laat mij door!quot; riep Wardle, terwijl hij op den armen jongen wilde losgaan, en Pickwick hem tegenhield. „Hij heeft zich door dien schurk Jingle laten omkoopen, om mij van het spoor to helpen, door mij een opgeraapt sprookje te ^ vertellen, van mijne zuster en uw vriend Tup- ; man.quot; i Flier zonk Tupman op een stoel neder.) ; „Laat mij door zeu\' ik!quot; „Houd hem tegen!\'\' gilden al de vrouwen, boven wier schelle stemmen uit men duidelijk ! het snikken van den dikken jongen hoorde. „Ik wil losgelaten worden, zeg ik!quot; riep de oude heer. .. Winkle Pickwick! laat mij los!quot; Het was een treffend schouwspel, in datoogen- i Idik van tumult en verwarring,het vreedzame en bedaarde gelaat van Pickwick te aanschouwen, al was het een weinig hooger van kleur dan anders, door de inspanning, vvelke het den braven , man kostte, om zijne armen om de lendenen van zijn zwaarlijvigen gastheer te houden, en zoo de drift des ouden mans te bedwingen, terwijl do dikke jongen door de vrouwen heen en weder gesleurd en de kamer uitgebonsd werd. Zoodra hij den ouden heer had losgelaten, kwam de j knecht zeggen dat de sjees gereed was. „Laat hem toch niet alleen wegrijden!quot; gilden : de vrouwen; . hij zal een doodslag begaan.quot; . Ik zal met hem meegaan,quot; zeide Pickwick. „Gij zijt een brave kerel, Pickwick!quot; zeide Wardle. zijn gast bij de hand vattende. „Emma! geef mijnheer Piek wiek een doek, om om zijn hals te doen. Ziet naar uwe grootmoeder meisjes!Zij i.s flauw gevallen. Kom zyt gij gereed?quot; Toen Pickwick zijne kin met oen doek omwonden, zijn hoed opgezet en zijn jas over zijn arm geworpen bad. antwoordde hij; „Ja!quot; Zij spron-i-n in de sjees. „Los maar Tom!quot; riep de gastheer; en daarmee stoven zij voort over den ongelijken weg, hotsend en stootend .-ilsoi de sjees ieder oogenblik aan stukken zou vliegen. ..Hoelang zijn zij al vooruit?quot; riep Wardle toen zij voor de Blauwe Leeuw stilhielden, waar zij, hoe laat het ook leeds ware, een hoop volk voor de deur vonden. „Niet langer dan driekwartier,quot; was ieders antwoord. „Een- postkoets met vi-r paarden spoedig! |
l\'.LM1] AC.\'HTERVOLGING .MI\',quot;L\' OPONTHOUD.
„Ik weet niet recht. Het is niet lang, en niet kort ook; het zal zoo wat tusschenbeide wezen.
..Is er wel eens eene postkoets doorgere-den ?
I „O ja wel ja wel.quot;
..Hoelang geleden vriend?quot; viel Pickwick er I op in. „Een uur?quot;
..Dat zal wel waar zijn,quot; antwoordde de | man.
„Of twee uren?\' vroeg een der postiljons.
„Dat kan ook wel wezen,quot; antwoordde de j man twijfelend.
„h\'ijdt voort, jongens,quot; riep de ongeduldige i oude heer. ..Verspilt maar geen tijd meer met dien ouden domkop.quot;
„Domkop? zeide do oude man grijnzend : terwijl hij het rytuig nazag. „Dat kondt gij j wel mis hebben. Gij hebt hier tien minuten , tijd verloren, zonder er wijzer door te worden. I .Ms elke tolbaas, die een guinje krijgt, het geld ! 1 maar half zoo eerlijk verdient, als ik, zal het lang duren voordat gij hen inhaalt, oude dikzak. Daarmede ging hij weder naar binnen. Intusschen reed de postkoets met denzei f-
irelijk
den spoed verder, de maan ging onder
ji . . ii lt;\'1, — \' li(K
I , , , 11,(1 voorzegd, en bovendien begonnen ; do dikke wolken, die langzaam waren komen aandrijven, den geheolen hemel te betrekken. ! t\'roote regendroppelen, die tegen de glazen van het rijtuig kletterden, schenen de reizigers j e waarschuwen, dat zij een onstuimigen nacht ; moesten verwachten. De wind, dien zij vlak l legen hadden, gierde langs den weg. huilde door dquot; boomen. Pickwick trok zijn jas vaster I toe, kroop nog dichter in een hoek van het rij-
: , 4el1 vlel 1,1 sliia 1\'. quot;Ü sliep door totdat | stilstaan van het rijtuig en het luid gc I roepen bevel „terstond andere paarden iquot; hem j deden ontwaken.
Maar hier had wi der een belangrijk opent-i hond plaats De postiljons sliepen\'zoo gcw.d dm vast. dat er voor ieder vftf minuten noodig was om hem wakker te maken. De stalknecht kon eerst den sleutel van den stal niet vinden en daarna hadden een paar slaperige jongens he\' verkarde tuig op de verkeerde paarden gelegd, zoodat men weder moest uitspannen, indien Pickwick alleen ware geweest zouden \'Ze hindernissen hem van alle verdere vei voj. -\'.mg hebben doen afzien; maar denude Wnrdle wiih niet zoo spoedig uit het. veld geslagen: mj ging met zooveel ijver te werk, gafdezen \' een goed woord en genen oen oorveeg ninakto i hier een g( sp vast en stak daar een riem dnor
dat het rijtmg in veel korter tijd gereed kwam 1 1 inoquot; b|J zoveel moeielijkheden had kunnen : verwachten.
Xij zet te hunne reis verder voort, maar met geeni bemoeiligende voornitzichten. Hel eerst- j volgend station was vijftien mijlen ver; de |
fvilf Igcln
^aitrjs. I;.
mijl
De .sjees kunt gy straks wel op stal brengen
1 «ppassers, stalknechts, koetsiers en postiljons li-pen al razend heen en weder. Het r ij tui-\'■quot;■■ iii buiten gebracht, de paarden voorgespan iicn. de postiljons wipten in den zadel, de reizigers stapten in de koets.
De zeven mijlen i) in een halfuur hoort gil?\' nep Wardle.
D(- postiljons klapten met hunne zweepen en
paarden stoven met het rijtuig in vliegenden galop voort.
..Een mooi geval;quot; dacht Pickwick, toen hij uc»\'! (leuken kon, ..een mooi geval voor den president van de Pickwick Club: Eene bedompte postkoets - vreemde paarden vijftien mijlen quot;i een uur, en dat in het holle van den nacht.quot;
igt;rie ot vier mijlen ver sprak geen der reizi--\'■rs .-ou woord, daar ieder te zeer in zijne eigene erdenkmgen verzonken wasem iets tegen ziin metgezel te zeggen. Maar toon men zoover was ^■komen en de paarden goed op gang waren, !*v Pickwick zich door de snelle bcweirimr \' ^ee r n P ge we ktomlan ge rto k unnenstilzwi Ure 11.
U zullen hen zeker inhalen, denk ik,quot;zei-
■ jk hoop van ja.quot; hernam zijn reisgenoot.
, : ...... ,ier;- nacht,quot;zeide Pickwick, mei eon
b.ik naai de door de maan verlichte lueht ..Des f,. erger,quot; antwoordde Wardle. „Want lebben dienst gehad van het maanlicht om \'-quot;veel te verder vooruit te komen; en ons zal quot; weinig helpen, want over een halfuur
-aat zij onder.quot; j
Z!l1 toch wel wal gevaarlijk zijn in het \'■onker zoo hard te rijden,quot; merkte Pickwick aan. i . 111 zal het zeker, hernam zijn vriend droogjes
quot;l\'-eruimdheid van den goeden Pickwick i -quot;ii \\ i ij waf te verminderen, toen liy zich de \' \'[quot;-\'quot;\'quot;akken en gevaren voorstelde van dén tocht ! \'V.n quot;U zoo onnadenkend had ondernomen. Plot- i X !,!ï \'■■quot;n 1111(1 geroep der posliljons hem ! der opzien. „Ho, ho!quot; klonk het.\' „||0 ! \';quot;p ^\'a\'ïlle, zijn hoofd uit het portier 1 \'\'kfiHie; •\'quot; Pickwick kon niet nalaten insge- l ^ •• iquot;, ho to roupon, ofschoon hij niet wisfc I ; \' [ïU;(\' ,1,;, moesf. terwijl het viertal 1
\' •gt; rho. ho: riep bleef het rijtuig stilstaan. Hat gebeurt, er?quot; vroeg Pickwick.
„.i-i Z!-1quot; il:intolhek,quot;antwoordde Wardle. ■■u tl zullen hier wel iets van de vlnchtelin- i vernemen.quot;
, gt;;:u!ar men vijf minuten lang geschreeuwd \'•m. kwam . en oud man uit een tolhuisje, en 1\'tnü/.aam den boom o|)\';,n.
■■ | leelang is het geleden, dat hier een postkoets \' quot;quot; gereden is?quot; vroeg Wardle.
•• no^iamr?quot;
..ld.quot;
i- ruim I,\'gt; Uiloiiu»tpr (»r ruim
—__
SAMUEL PICKWIOK.
„Pickwick m tak insgelijks zijn hoofd buiten. Ja, daar zag hij op een korten afstand voor zich, ; een postkoets met vier paarden, die in vliegenden galop yoortrende.
„Voort voort! schreeuwde Wardle, Laat hen niet vooruitkomen! Ieder twee guinjes, als gij hen bijhoudt.quot; ;
Het voorste rijtuig bleef peilsnel vooruitstuiven; maar het achterste maakte geen minderen spoed.
„Ik zie zijn kop,quot; riep de driftige oude heer. „Vervloekt! ik zie zijn kop.quot;
„Ik ook,quot; zeide Pickwick. „Hij is het.quot;
Pickwick vergiste zich niet. Het gezicht van Jingle, die de postiljons aanspoorde om hunne paarden nog meer aan te zetten, vertoonde zich, geheel met het door de wielen opgewor- , pen slijk bedekt, buiten het portier van zijn j rijtuig.
Do spanning was op het hoogst. Velden, boomen en heggen schenen met de snelheid van een stormwind voorbij te vliegen. Zij waren nu vlak achter de voorste postkoets; en boven het geratel der wielen uit, konden zij de stem van Jingle hooren, die de postiljons aanzette. De oude Wardle schuimbekte van toorn. Ontelbare malen schreeuwde hij „schurkquot; en „schavuit,quot; en dreigde het voorwerp zijner verontwaardiging met. zijne vuist; maar Jingle antwoordde slechts door een verachtelijken glimlach, en hief een zegekreet aan, toen zijne paarden, door zweep en sporen gepijnigd, hun ; galop nog meer versnelden, en de vervolgers achterlieten.
Wardle die niet meer schreeuwen kon, had juist zijn hoofd binnengehaald, toen een geduchte stoot, hem en Pickwick bijna van de bank wierp. Op dezen stoot volgde een geweldig gekraak een der achterwielen liep weg en het rijtniii\' viel om.
Na een oogen blik van schrik en verwarring, waarin niet dan het trappelen van paarden en het breken van glas te onderscheiden was, voelde Pickwick zich uit het gebroken rijtuig trekken; en zoodra hij weder\'op zijne beenen stond, en de panaen van zijn jas, die oorzaak waren, dat zijn bril hem van geen nut was, had nedergeslagen, zag hij op eens de volle beteekenis van het ongeluk.
Naast, hem stond de oude Wardle, zonder hoed en met gescheurde kleederen, terwijl eenige brokken van het rijtuig voor hunne voeten verspreid lagen. De postiljons, die de strengen hadden afgesneden, stonden, onkenbaar door het ; slijk, dat hen bedekte, bij de paarden. Een eind verder pp den weg zag men het eerste rijtuig, dat was blijven stilstaan. De postiljons hadden zich in den zadel omgekeerd, en lachten hunne vervolgers uit; terwijl Jingle, uit het portier liggende, de verwoesting met blijkbaar welge vallen beschouwde. Het grijze licht van den
nacht was donker, de wind fel, en de regen : stortte als een stroom neder. Door zoovele hin dernissen belemmerd, kon men onmogelijk veel spoed maken; het was iVn uur toen zij afre-• den, en over drieën toen zij hét,station bereikten.\' Hier vertoonde zich een voorwerp aan : hunne oogen, dat hunne hoop en hun moed weder opwekte.
„Wanneer is die koets hier aangekomen?\'\' vroeg de oude Wardle, terwijl hij uit zijn rijtuig sprong, en naar eene andere postkoets wees, die, overal met slijk bespat, op het voor-, plein stond.
„Oeen kwartier geleden,mijnheer!quot;antwoordde de stalknecht.
Heer en dann \';quot; vroeg Wardle, bijna stikkend van Ongeduld.
...la, mijnheer!quot;
„Lange heer groene rok magere, lange beenen?quot;
„Ja, mijnheer Iquot;
„Oudachtige dame schraal gezicht, zoo wat knokkig he?\'
„Ja, mijnheer!quot;
„Mijn hemel, zij zijn het, Pickwick!quot; riep Wardle uit.
„Zij zouden al eerder hier zijn geweest,\' zeidf\' de stalknecht, „als zij niet ei tie streng hadden gebrok( n.quot;
„Terstond eene postkoets met vier paarden! Wij zullen hen nog krijgen voordat zij het naaste station bereiken!quot; riep Wardle. „Maast u wat, jongens! ik geef ieder een guinje.quot;
Met allerlei uitroeping n van ongeduld, liep de oude heer op en neder, om het inspannen te bespoedigen, zoodat zijne onrust zich aan 1\'ick-wirk mededeelde, die daarop, met den besten wil om ook een handje te helpen, allen in den weg liep. Hij was in vollen ijver, t gt;en hij zich door Wardle vóélde aangrijpen, die hem met de grootste haast in het rijtuig trok, en zich terstond naast hem zette,
„Nu gaat het er op los,quot; zeide de oude heer vergenoegd. Pickwick bemerkte dit wel aan het geweld, waarmede hij telkens tegen den wand van het rijtuig of hot lichaam van zijn reisgenoot werd u\'eslingerd.
/acht wat!quot;zeide Wardle, toen Pickwick met zijne volle zwaarte op hem neerviel.
„Nooit heb ik zulk hotsen gevoeld,quot; klaagde Pickwick.
„Geduld maar,quot; zeide zijn reisgenoot. „Hetzal niet, lang duren. Houd u maar vast,
Pickwick klemde, zich zoo goed hij kon in zijn hoek en het rijtuig bleef met dezelfde dolle vaart voortrennen,
/ij hadden op deze manier omtrent drie mijlen afgelegd, toen Wardle, die eene poos uit het portier had gekeken, zijn met siykspatten bedekt gezicht op eens naar binnen haalde, en uitriep; „DieU- zijn zij!quot;
IX IIF/I.\' WITTE HERT.
58
|
aanbrekenden morgen maakte het geheels too-nee! duidelijk zichtbaar. ..Hallo!quot; riep do onbeschaamde Jingle: „iemand bezeerd? oude lieert u — een beetje zwaarlijvig - gevaarlijk werk.quot; „Gij zijt een schurk,quot; schreeuwde Wardle. Jmgle lachte, en wees daarop, met een veel-beteekenenden oogwenk, naar de bank van zijn rijtuig, terwijl hij riep: „Zij vaart nog heel wel — laat haar compliment doen — verzoekt | u zelfs, om u om harentwil geen moeite te geven - zeg Tupje goedendag quot; wilt gij ook . achterop komen? — voort postiljons!quot; Het rijtuig reed weder voort, terwijl Jingle, om zijn vervolgers te sarren, een witten doek uit het portier liet wapperen. N\'iets van al het gebeurde, zelfs niet hot omvallen, had de bedaarde kalmte van Pickwick\'s gemoed gestoord. Maar de boosheid van den ! schurk, die eerst zijn getrouwen volgeling zijn geld kon aftroggelen, en dan diens naam tot .. l\'upje \' verknoeien, was meer dan hij verdragen icon. Hij haalde zwaar adem, een roode gloed kleurde zijn gelaat tot boven zijn bril, en hij j zeide langzaam en met nadruk: „Als ik dien ! man ooit weder ontmoet, zal ik....quot; „Ja, ja!quot; viel Wardle hem in de rede; „dat i- alles goed en wel; maar terwijl wij hier ! staan praten, zullen zij zich in Londen een ! licence i» verschaffen, en zich laten trouwen.quot; I Pickwick hield het overschot zijner rede en verontwaardiging in zijne eigen borst opge- ! sloten. Hoever zijn wij van het volgende station ?quot; vroi g Wardle aan een der postiljons. ). Puim zes mülen,quot; was het antwoord. ..Er is niets aan te doen,quot;zeide Wardle. „Wij moeten zoover te voet gaan, Pickwick\'quot; „Het is niet anders,quot; antwoordde die waarlijk ■-Toote man. Pickwick en Wardle zonden derhal- | ve een der postiljons te paard vooruit, om een rij- | uiu\' te bestellen, drukten hunne hoeden diep in de oogen, om zich zooveel mogelijk tegen I dlt; n regen te beschermen, die eene poos had opgehouden, maar nu weder in stroomen nederviel, | t ii begaven zich toen manhaftig op weg naar het volgende posthuis. X. WAARIN AI.LK TWIJFELINGEN (INDIEN ZIJ HESTON-DEN) AAN DE ONBAATZl c: IITIÖHEID VAN\' IJKN HEER JINGLE WORDEN OPGEHELDERD. Ei zijn in Londen verscheidene oude her-bei yen, voorheen de hoofdkwartieren van be- \' i.t-ii \\erloI om oen ImwHijk te voltrekken, zonder voorat de geboden te luien afkondiKen. dat.gelijk andere ingen. voor geld te verkrijgen is, indien men den wei\' maar neet. vkrt. |
j roemde postwagens, in den tijd toen die hunne 1 tochten op eerie bedaarder en plechtiger ma-uier volbrachten dan in onze dagen, maar die thans zoo vervallen zijn, dat zij zelden door andere rijtuigen worden bezocht dan door de vrachtkarren, welker voerlieden daar komen uitspannen. De lezer zou vruchteloos naar zulke oude herbergen omzien tusschen de prachtige logementen, welke de voornaamste straten van Londen versieren. Zij zijn slechts in de afgelegen wijken te vinden, waar hunne ouderwet-sche gevels een blik van norsche verachting schijnen te werpen op de nieuwgebouwde huizen, die hen omringen. Vooral in de Borough \') vindt men nog hier en daar zulk eene oude herberg, die nog hetzelfde voorkomen bezit, als toen zij voor het eerst werd geopend, en zoowel de publieke ver-fraaiingszuchtalsden bijzonderenspeculatiegeest tot nog toe is ontkomen. Het zijn uitgestrekte, zonderling onregelmatige gebouwen, met galerijen, gangen en donkere trappen, ruim en antiek genoeg, om stof\' tot honderd spookhistoriën te leveren, indien men ooit tot de droevige noodzakelijkheid verviel om zulke geschiedenissen te verdichten, en de voorraad van waar gebeurde legenden, welke de omtrek der oude Lo ndo n-bridge oplevert, ooit uitgeput raakte. Het was op tie binnenplaats van eene dezer herbergen het vermaarde Witte Hert dat, op den morgen na de iu het vorige hoofdstuk vermelde gebeurtenissen, een man bezig was met een paar laarzen te poetsen. Zijn kleeding bestond in een grovengestreepten borstrok, met mouwen van zwart katoen en blauwe glazen knoo-pen, en een bruingrijze broek met slobkousen. Een holdei roode doek was los om zijn hals geknoopt, en een oude witte hoed stond schuins op zijn hoofd. Hij had twee rijen laarzen voor zich staan, de r-ene vuil, de andere gepoetst, en bij elke vermeerdering der gepoetste rij hield hij even op, om zijn werk met blijkbaar welgevallen in oogenschouw te nemen. Op de binnenplaats zag men niets van die drukte en levendigheid, welke de gowone ken-teekenen eener groote uitspanning zijn. Drie of vier hoog opgeladen wagens stonden onder een verheven afdak, aan den oenen kant van de plaats; een andere, die waarschijnlijk spoedig moest vertrekken, was reeds in de open lucht ge bracht. Twee met lompe,ouderwetscheleuningen voorziene galerijen hepen langs twee zijden van de binnenplaats naar de slaapvertrekken; en onder een klein afdak, boven de deur naar tie koffiekamer, zag men de met doze slaapvertrek ken in verband staande dubbele rij schellen hangen. 1 lier en daar stonden nog eenige boeren-sjeesen en karren; en bij de staldeur lagen op ! Ken der drnkste gedeelten van Londen ton znid.-n van de Tlieems, in de nabijheid van Lotidonbridge. 10. |
54
|
een hoop stroo eenige in kielen gekleedejongeus : te slapen. Er werd hard aan een der schellen getrokken, en terstond daarop vertoonde zich op de ! bovenste galerij tien net gekleed dienstmeisje, dat eerst een der slaapvertrekken binnenging, en daarop, over de leuning buigend, riep: „Sarn!quot; „Hallo!quot; riep de man met den witten hoed. „Nomnier twee en twintig vraagt om zijne laarzen.quot; „Vraag nommer twee en twintig, of hij ze nu hebben wil, of wachten tot hij ze krijgt,quot; was het antwoord. „Kom, wees niet mal, Sam!quot; zeide het meisje vriendelijk. „Mijnheer moet terstond zij nelaarzen hebben,quot; „Wel, gij zijt toch een lievertje!quot; hernam de laarzenpoetser. „Kijk eens hier! Elf paar laarzen en een schoen van nommer zes met zijn houten been. Wie is nommer twee en twintig, dat hij al de anderen over den ko]) wil springen? Neen, neen! „Kik zijn beurt,quot; zooals Jack Ketch l) zeide, toen hij er zooveel moest ophangen. Het spijt mij, dat, gij wachten moet, mijnheer! maar ik zal u terstond bedionen.quot; Kn iiij ging weder nn t ijver aan het poetsen. Kr werd nogmaals gescheld, en de driftigeoude waardin uit het Witte Hert verscheen op de andere galerij. „Sarn!quot; riep zij. „Waar zit nu di\' luie vlegel,1 Sarn! O, daar is hij. ..... Waarom geeft gij 1 ; geen antwoord Vquot; .Het zon niet beleefd wezen te antwoorden, : voordat gij hebt uitgepraat,quot; bromde sam. Hier! maak dadf lijk die schoenen schoon voor i nommer zeventien, en breng ze beneden op nom- i mer vijf.quot; Dit zeggende wierp zij een paar vrou-wenschoenen naar beneden, en spoedde zich weg. „Nommer vijf,quot; zeide Sam. terwijl hij de i schoenen met een stukje krijt merkte. „Damesschoenen, en een afzonderlijke kamer beneden. Die juffrouw zal toch niet meteene kar zijn geko-i men.quot; „Zij is van morgen in eene huurkoets gekomen,quot; riep hei meisje, dat op de galereij was gebleven, „met een lieer hij zich, en dat is dezelfde, die zijne laarzen hebben wil: daarom zou ik u raden hem maar eerst, te helpen.quot; ,.Waarom hebt gij mij dat niet eer gezegdquot;quot; hernam Sarn driftig, terwijl hij het bedoelde paa r laarzen opzocht. .Ik dacht, dat hij een van de gewone klanten was. Maar een aparte kamer en eene dame. Licht geeft hij mij een shilling daags fooi. behalve wat ik krijg voorde boodschappen.\' I\'.ernoedigd door deze gedachte poetste Sam met zooveel ijver voort, dat hij binnen weinige li lii\'iil oiiilrr Ku rel 11 vun KiiKPliiml; dizf naam vvordt thaim ^\'hruikt om fen Itoul aan tl\' duiden, I |
minuten, met de blinkende laarzen en schoenen in de hand, naar nommer vijf snelde. „Binnen!quot; riep een mannenstem, toen Sam aan de deur klopte. Samuel maakte eene diepe buiging, toen hij binnentrad en eene dame met een heer aan het ontbijt zag zitten. Toen hij de laarzen en schoenen had nedergezet wilde hij zich verwijderen. „Vriend!quot; zeide de heer „Mijnheer !quot;zeide Sam, terwijl hij dedeursloot, i maar zijne hand aan de kruk hield. „Weet gij — hoe heet het ook weer? Doctor\'s Commons?quot; „Ja wel, mijnheer.quot; „Waar is dat?quot; „Bij de St. l\'auluskerk, mijnheer! Eene lage poort; aan den eenen kanteen boekwinkel, aan den anderen een logement; in het midden twee i knechts, die met licences hengelen.quot; „Met licences hengelen?quot; herhaalde de heer. „liet zijn twee kerels, met witte schorten • voor,quot; herhaalde Sam. „Als er iemand naar i binnen gaat, nemen zij hunne hoeden af. en ; vragen: Licence, mijnheer? licence? Dat is hunne manier van hengelen.quot; _ „Mn wat vangen zij daarmede?quot; „Al wat maar bijten wil, mijnheer! En dat is het ergste nog niet; zij brengen de menschen j dingen in het hoofd, waaraan zij andets nooit i zouden gedacht hebben. Mijn eigen vader, mijnheer! was een koetsier een dikke koetsier bijzonder dik en een weduwnaar. Onverwacht j krijgt hij een erfenis van vier honderd pond. Wat, zou hij doen? Hij kleedt zich als een heer, met zijne kaplaarzen aan, zijn besten hoed op en een : bloemruiker op de borst, en gaat naar de Oom- j mons, om den notaris te spreken en het geld ! te halen. Hij liep al te bedenken, hoe hij het zou j uitzetten Maar daar onder den boog komen oj) eens de hengelaars voor den dag, en roepen: „ Lie e n ce, mijnheer! 1 i ce nc e ?quot;• - „Wat meent gij?quot; zegt mijn vader. ..Licence om te trouwen,quot; zegt de hengelaar. — „Daar heb ik nooit aan gedacht,quot; zegt mijn vader. „Ik geloof toch wel, dat gij er een noodig zult hebben.quot; zegt de hengelaar. Mün vader blijft, stilstaan, en bedenkt zich een poosje. „Neen,quot;\' zegt hij: „neen, ik ben veel te oud en te dik,quot; „Volstrekt, niet, mijnheer!quot; zegt de hengelaar, --„Zoudt gij dat denken ?quot; zegt mijn vader. „Zeker niet te dik,quot; zegt de ander. „Verleden maandag hebben wij een heer getrouwd, die nog eens zoo dik was.quot; „Zou dat waar zijn ?quot; zegt mijn vader, „Zeker mijnheer.!quot; zegt de hen ge laar; „ruim eens zoo dik. (ia maar mede. mijnheer! dezen weg.quot; En waarachtig,daar loopt mijn vader hem achterna, als een aap achter een draaiorgel, tot in in een hokje, waar een kerel zat bij een hoop smerige papieren en blikken doozen. |
SAM WKLLER VEHUA;
i.LT EENE ANEKDOTE. 55
„Die lieve man!quot; zeide de tante, toen hij de I deur sloot.
„Die malle oude prij!quot; zeide Jingle, toen hij \\ de huisdeur uittrad.
Het zou smartelijk wezen bij de verraderlijke | trouweloosheid van ons geslacht stil te staan; en wij zullen derhalve de reeks der overdenkingen, waarmede Jingle zich op weg naar Doctor\'s-!\'o m rno n s bezighield, niet voortzetten. Het zal voldoende zijn te vermelden, dat hij aan de klauwen der draken met witte voorschoten I gelukkig ontsnapte, en behouden in het kantoor van den Vicar General aankwam, die hem j een zeer vereerend getuigschrift van den Aartsbisschop van Canterbury voor zijn getrouw- ! den en welbeminden Alfred Jingle en Rachel i Wardle uitreikte, waarmede Jingle in zegepraal naar het Witte Hert terugsnelde.
Hij had die herberg nog niet weder bereikt, toen twee zwaarlijvige heeren, dooreen mageren heer vergezeld, do binnenplaats opkwamen, en ! rondzagen naar iemand, wien zij eenige vragen I konden doen. Samuel Weller was nog bezig met \'.aarzenpoetsen, en hij was het, tot wien de magere heer goedvond zich te vervoegen.
„Goede vriend!quot; zeide de magere heer.
„Dat is er ook al een die graag wat voor niet j gedaan heeft, anders zou hij zoo vriendelijk niet spreken.quot; zeide Sam b;j zich zeiven; maar hardop zeide hij niets anders dan: „Wat belieft | mijnheer?quot;
„Vriend!quot; begon de magere heer weder, „gij j schijnt het druk te hebben. Logeeren hier nog- ■ al veel menschen?
Sam zag den vrager tersluiks aan. Hot was een klein uitgedroogd mannetje, meteen donker, verschrompeld gezicht, en twee- kleine oogen, die aan weerszijde van zijn eigenwijs wipneusje zoo onophoudelijk knipten, alsof zij met dat neusje schuilhoekje speelden. 1 lij was geheel in het zwart gek leed met eene witte das en geplooid overhemd. Een gouden horlogeket ting met,zware cachetten hing over zijn vest. Hij droeg zwarte handschoenen in, niet aan zijne handen; en terwijl hij sprak, stak hij zijne- handen onder zijne roks-panden met het: air van iemand, die een ander eens op zijn gemak wil uitvragen. „Tamelijk druk, he!quot; herhaalde hij.
„Dat schikt, nogal, mijnheer!quot; antwoordde Sain, „Wij zullen ne t bankroet gaan en ook niet schatrijk worden. Wij eten zooveel a-ls wij lusten, al krijgen wij niet alles waf wij lusten.quot;
„Aha! zeide de magere heer. „Ik geloof, dat gjj een spotvogel zijt.quot;
„Mijn oudste broeder was met die kwaal behept, zeide Sam, „en misschien, is die overer lelijk; ik heb lang bij hem geslapen.
„Dit is een zonderling gebouwd oud huis,quot; vervolgde de magere heer, terwijl hij om zich heen zag.
„Als gij ons had laten zeggen,dat gij komen
: alsof hij het geweldig druk had.,,Ga zitten, mijnheer!quot; zegt tie rechtsverdraaier, „terwijl ik de licence schrijf.quot; — vAls \'t u belieft, mijnheer 1quot; zegt mijn vader, terwijl hij ging zitten en al die blikken doezen verbaasd aankeek. „Hoe heet gy, raijnhoer!quot; zegt de schrijver. - j „Tony VVeller,quot; zegt mijn Vader. „Kerspel?quot; zegt tie schrijver „Belle Sa vage,quot; zegt mijn va der; want daar stalde hij, en van een kerspel wist | hij niets af. — „En hoe heet de juffrouw ?quot; zegt ! de schrijver. Mijn vader was uit het veld ge- i slagen. - „Ik weet het niet,quot; zegt hij. „Weet gij het niet?quot; zegt de schrijver. - „Neen,quot; zegt mijn vader. „Kan er dat niet naderhand worden ingezet?quot; ■ Üat gaat niet,quot; zegt de schrijver. „ Wel, zegt mijn vader, „zet er dan juffrouw \' Clarke maar in.quot; - „Welke juffrouw Clarke!quot; j zegt de schrijver. „Susanna Clarke, in de Markgraaf van Gr andbyte Dorking,quot; | zegt mijn vader. „Ik heb haar er nog nieta van gezegd ; maar zij zal mij wel nemen, als ik haar i vraag. Hij st;ik de licence in zijn zak, en zij nam hem ook, toen hij haar vroeg; en wat het ! ergste is, zij heeft hem nog en ik heb nooit een shilling van die vierhonderd pond gezien, ik verzoek excuus, mijnheer!quot; zeide Sam, toen zijn verhaal ten einde was; „maar als ik aan dit ongeluk denk, loopen de woorden mij uit den mond als een nieuwe kruiwagen met een verseh ge smeerd wiel.quot;
Sam wachtte nog een oogenblik, of men ook eene boodschap voor hem had, en verwijderde zich.
„Halttien juist tijd terstond maar gaan,quot; zeide de heer, van wien wij wel niet behoeven te zeggen, dat hij niemand anders dan Jingle was.
..Tijd — om wat te doen? vroeg de tante niet een coquet lachje.
„Licence, lieve engel — aan de kerk aan-ven morgen zijt gij de mijne,\'quot; zeide Jingle, terwijl hij de tante de hand drukte.
„Zouden wij niet - niet eer kunnen trouwen, dan morgenochtend?quot; vroeg Kachel.
„Onmogelijk — eerst aan de kerk aangeven ■ vandaag de licence inleveren morgen trou wen,quot;
„ i k ben zoo bang, dat mijn broeder ons vinden zal,quot; zeide Rachel.
..V inden ? — gekheid zalons niet naloopen genoeg hebben aan zijn buiteling - bovendien voorzichtig geweest, uit, de postkoets gestapt te voet gegaan huurkoets genomen — hier in het Witte Hert gekomen - de laatste herberg, waarin hij ons zoeken zal.quot;
..BUjf toch niet lang weg,quot; zeide Rachel tee dei\', toen Jingle zijn hoed opzette.
jk u lang kunnen verlaten, betooverend wezen? Met deze woorden nam Jingle haar \'dj de hand, drukte een kus op hare knisclie lippen, en verliet huppelend het vertrek.
SAMUEL PICKWICK.
zoudt hadden wij het laten verbouwen,quot; ant- gij voor den duivel van mij hebben wilt? zoo-woordde de ongenaakbare Sam. als de man zoide, toen hij een spook zag.quot;
De kleine heer scheen door deze antwoorden W ij wilden weten.... begon Waidle. een weinig uit het veld geslagen, en raadpleegde Maar mijnheer, mijnheer! viel de kleine heer de twee dikke heeren. Eindelijk nam hy een driftig hierop in. Wardle haalde zijn schouders snuitje, en scheen het gesprek weder te willen i op en zweeg stil.
i opvatten, toen een der dikke heeren, die een j „ Wij wilden weten, zeidc de kleine heer zeer i zeer goedhartig gezicht tjn een bril op den neus deftig, ..en wij richten deze viaag tot u, om in ; had. hem voorkwam. hethnis\'gernopzien te baren. - wjj wilden weten, ■
„De zaak is eigenlijk;quot; /fide de goedhartige welk\'- inenscht ii hier tegenwooriig logeeicn. i ; he.-r. .dat mijn vriendquot; ihi\'i\'wees hij naar don . „Wie hier logeeren t h\'-rhaalde Sam, in wiens ; ande\'r.-n dikken heer» ..u een halve guinje wil gedachten de gasten altijd werden vertegen woor- j \' uls Lrij (-Gil paar vra^Gn. ... | \'li»\'! door dat ^Ê\'dooltö huniiöi klc\'ïdin^, liötwolk :
Maar mijnhetn*. mi.jnheerlquot; viel de mau^-re ; hein de meeste werkzaamheid veisc h.ilte. l*.en hein in de rede; ,!neem mij niet kwalijk, niaar houten been in nummer zes, een paar Hessische het is een regel in zulke gevallen, dat, wanneer laarzen in dertien, \\\'i,it paai iljglaaizen in de i men de zaak in handen va,n ^en deskundige stelt, 1 groote kamer, en nog een partij kaplaarzen, die
men er zii h niet verder mede mag bemoeien. : hier maar komen stallen.
! maar hem onvoorwaardelijk moet ven rouwen. \\ „Anders niet?quot; vroeg de kleine heer. Inderdaad, minheer . . ..hoe heet uw vriend „Wacht eens! antwoorddquot; Sam, zich beden-onk quot;quot; vroeg hij den anderen dikken heer. j kende. ..Ja wel, een paar Wellingtonlaaizen, ly-.. Piek wiek.quot;antwoordde Wardle; want het was kelijk halfsleer. en een paar damesschoenen de gulhartige eigenaar van Manor Farm. 1 in nommer vijl ,
„Ah Pickwick! inderdaad, mynheer i .. Hoe zien die schoenen er uit? vroeg Wardle Pickwick ! niM in lie-t, mij nietkwalyk.lkzaluzeer haastig, die, evenals Pickwick, in het eerst niet gaarne aanhooren. als gij mij in hnt bijzonder, had geweten, wat hij van deze zonderlinge op-als amicus curiae, êenige inlichting wilt telling maken moest. „Staat den naam van den | geven-, maar gij zult wel inzien hoe ongepast : maker er in?quot;
het is. dat gij, terwijl ik met de zaak bezig ben, ..Brown te Muggletou,\' antwoordde sain. met zulk een verdacht argument, als het uitlo- j „Dat zijn zij!quot; riep Wardle uit. „Wel dm-wil van een halve guinje, tusschenlgt; ide komt.quot; velsch daar hebben wij hen gevonden .
„Ik wilde niets anders doen. mijnheer!quot;zeide „St!quot; zeide Sam. De Wellingtons zijn naar Pickwick, „dan aan eene verdrietige zaak zoo Doctur\'s Commons.
spoedig mogelijk een eiiidlt;* maken! „Ia \' zeide de kleine leei,
„la W\' l ia wel,quot; zeide de kleine heer. ,.Ja wol; om een licence te halen.
..Kn daarom.quot; vervolgde Pickwick, „gebruikte „ Wij komen nog bijtijds!quot; riep Wardle uit.
ik een argument, hetwelk ik bij ondervinding I „\\\\ijs ons de kamer. .....
wi-./t.datdoorgaanseene goede uit werkingheeft.quot; „Voorzichtig, mijnheer! voorzichtig! zeide de „.hi. wél.quot; hernam de kleine hoer. „( ioed, zeer kleine lie»*r. Hij haalde een bet11s uit zijn zak, goquot;d; ma a r gij luidt dit met mij moeten over- en zag Sam scherp in de oogen, terwijl hy er een 1. gge\'n. cij zuit toch wel wet. n,\'mijnheer! dat ; sovereign uit nam. Sam grijnsde van ver-iet v. itrouwen, hetwelk men ten zaakwaar- langen.
le-mer schenkt, geheel onbegrensd moet wezen. „Wijs ons de kamer zonder iemand ie w aai ■ Indien gij eenig bewijs daarvan verlangt, mijn- schuwen quot; zeide de kleine heer, ••u dit is voor u. heer 1 laat mij u dan herinneren aan het wel- i Sam wierp de laarzen, die hij in zijn hand bekende geval van Harnwell en . , , ,quot; had, weg, en ging vooruit, een donkere gang
„Zwijg maar stil van George Barnwell/\' \') door en eene breede trap op. Aan het einde van viel sam hem in de rede, die met verwondering een tweede gang bleef hij staan, en hield zijne j naar dit geaprek had geluisterd, „Iedereen weet 1 hand ep.
wH wat voor een geval dal was; maar ik heb ..Ziedaar!quot; zeide de kleine heer, terwyl hy ;^n litijd quot;edacht dat die meid eerder verdiende gids het geld in de hand stopte.
t- quot;hangen dan hij. Maar dat is hetzelfde, Gij De oud\'- Wardle -jpende de deur, en het drietal wilt mij\'-eri halve gninjegeven,mijnheer! Goed; trad het vertrek binnen, juist oplietoogenblik •• Ik zal die aannemen-.\' kan ik beter spreken ?quot; dat Jingle, die pas teruggekomen was, de tante j \'Pickwick glimlachte.) „Kn nu is de vraag, wat de licence liet zien. Kachel gat een gil. wierp
zich op een stoel, ^n bedekte haar galaat met
1
(;gt; örKP Barnwell 1« lt;1.- titel van Wn treur- hare hamiep. Jingle stak spoedig de licence ;
^ 1 \' vuil 1i 1; 1 \'.v .i.ir i ii\'\' i1\' i\'l : fquot;\'ii ondi\'M^Piul v rou - - ill Zij H Z.I K .
j.. • . • . ! •A.-rii\', «mi /.ijii uuH-m.iT i»pKt^ipn »mi/lin j)r onwelkoitie bezoekers stapten voort tot in
c; r. V-u.....rlt;lquot;M wik vfrp.iuu\'i «-n iiiiiuloonlijk jquot; f mj(i(}en van liet vert.P-k.
v«n \'ü-1 toii.i.iteiiMone.....^wonit )Zi)0 s,,hobbf,iakrjep Wardle buiten adem
•; MKT SAM WKLLKR
Ü]PL(
|
van drift. „ Dat dacht gij niet, ellendige schurk!quot; „Maar mijnheer, mijnheer!quot; zeide de kleine man. terwijl hij zijn hoed op de tafel legde. ..liedenk toch, wat ik u bidden magi Sea nda-1 u m m a g n a turn — laster en eerroof — boete en schadevergoeding. Wees bedaard, mijnheer! bedenk ....quot; „Hoe durft gij mijn zuster uit mijn huis weg-roeven?quot; zeide de oude man. „Ja wel ja wel dat is goed,quot; zeide de kleine heer. „Dat moogt gij wel vragen. Hoe durft gij dat doen, mijnheer!quot; „Wie duivel zijt gij \'.1quot; vroeg Jingle, op zulk |
Ja wel, mijnheer!quot; antwoordde Sam, die, toen Wardle aan de schel trok, deze oproeping had gehoorzaamd met een spoed, welke iedereen verwonderlijk moest voorkomen, die niet wist, dat hij gedurende dit geheele tooneel met zijn oog voor het sleutelgat had gestaan. „Zet uw hoed op,quot; herhaalde Wardle. „Doe dat niet,quot; zeide Jingle. „De kamer ontruimen mijnheer — hier niets te maken de juffrouw kan doen wat zij verkiest — boven de een en twintig.quot; ,Boven de een en twintig 9quot; riep Wardle verachtelijk. „Boven de een en veertig.quot; |
|
een grimmigen toon, dat de kleine heer onwillekeurig een paar schreden terugdeinsde. „Wie dat is, schurk ?quot; viel Wardle hierop in. ..Dat is mijnheer I\'erker, mijn zaakgelastigde. Ferker! ik zal dien kerel aanklagen vervelgen ik zal verdoemd, ik zal hem ruïnee-ren ! — en gij!quot; vervolgde hij, zich eensklaps tot zijne zuster keerende, „gij. Kachel! die oud genoeg zyt om beter te weten, hoe komt het u in het hoofd om met een vagebond weg te loopen, uwe familie te schandvlekken, en u zelvi omje-lukkig te maken ? Zet uw hoed op en ga mede. Laat terstond een huurkoets komen, en geef mij de rekening van deze juffrouw hoort gij — zeg?quot; |
„Dat ben ik niet!quot; zeide de tante, daar hate verontwaanliging haar het eerst opgevatte voornemen om flauw te vallen deed verguien. .Dat zijt gij wel quot; hernam Wardle. „Gij zijt vyftig jaar. zoo goed als een dag.quot; Mier gaf de tante een gil, en viel in zwijm. „Ken glas water!quot; zeide de mon.seblievende Pickwick, toen de waardin binnentrad. „Een glas wafer?quot; riep de driftige Wardle. ..Haal een emmer, en smijt het over haar lijf. Het. zal haar goed doen, en zij heeft het rijkelijk verdiend.quot; „Foei, gij barbaar!quot; riep ije teeriiartige waardin uit, en begon terstond, met behulp van een moid, Kachel\'s voorhoofd met azijn te wrij |
SAM I K!. PKJKWICK.
58
|
ven, haar onder de n neus te krievvelen en haar korset los te maken, kortom, al de middelen aan te wenden, waarmede medelijdende vrouwi n doorgaans de dames bijsprintren, die zich de moeite geven van het op de zenuwen te krijgen. „De koets is gereed,quot; zeide Sam, die weder binnenkwam. ..Maak voort,quot; zeide Wardle. ..Ik zal haar naar beneden dragen.quot; Dit voorstel deed de tante in een luid gegil uitbarsten. De waardin wilde zich t^uen dien maatregel verzetten, en had Wardle reeds zeer vinnig gevraagd, of hij dacht dat hem alles vrijstond, toen Jingle tusschenbeide kwam, en zeide: „Oppasser, ga et-n politiebeambte halen.quot; „Maar mijnheer, mijnheer!quot; zlt;-ide l\'erker, ..bedenk toch,...quot; „Neen,quot; viel Jingle hem in de rede. Ik be denk niet zij is hare eigen meesteres - - zal zien wie haar durft wegbrengen uf zij moest zeiven willen.quot; „Ik wil niet weggebracht worden!quot; gilde de tante. ..Ik wil niet!quot; „ Mynheer!quot; zeide l\'erker met eene zachte stem, terwijl hij Wardle en Pickwick ter zijde nam, „Mijnheer! wij zijn inderdaad in een neteligen toestand. Het is een treurig geval zeer treurig; maar ik geloof, dat wy inderdaad geene macht lubben igt;m de juffrouw te dwingen. Ik heb u vooraf gewaarschuwd, mijnheer, dat wij niets ff hopen hadden, dan een vergelijk.quot; Kr volgde eene korte poos van stilte. „Wat voor een vergelijk bedoelt uij?quot; vroeg Pickwick eindelijk. ...Ja, myniuer! onze vriend bevindt zich in een onaangenamen toestand zeer onaangenaam. Wij moeten onseeniggeldeluk verlies laten welgevallen.quot; .,Ik wil mij liever de zwaarste opofferingen getroosten, dan zulk eene schande verdragen, of toelaten, dat zij, al is zij ook nog zulk e^ne zottin, voor haar geheele leven ongelukkig wordt,quot; zeide Wardle. „Ik geloof, dat het nog wel schikken zal,quot; zeide de ijverige l\'erker. „Mijnheer Jingle! wilt gij eenoogenblik met ons naar de andere kamer gaan ?quot; Jingle knikte, en het viertal begaf zich te zamen naar het andere vertrek. „Mtinheer!quot; z.eid-- Parker, nadat hij zorgvuldig df deur had gtslofen, „zou ergeen middel zi,in om de\'/.\'1 zaak bij te leggen Kom hier, mijn hoi-r! hier bij het venster, waar wij alleen kunnen spraken, (ia zitten, mijnheer! daar mijnlieer\' Nu, mijnheiM\', ond«\'r vier oogeii,Mijnheer! Wij wei\'-n lu iden evengoed, dat gü niet deze julfer alle» ii om baargeld zijt doorgegaan. Zet maar geen zuur gezicht, mijnheer! Onder vier ooiten zeg ik; wij weten het wel. Wij zijn beiden mensehen. die weten, wat er in de we-\' reld te koop is, en wij weten ook, dat onze vrien- | den dat niet weten ■ he?quot; |
Jingle\'s gezicht had zich langzamerhand ont- i plooid, en hij kniple met zijn linkeroog, „Goed, zeer goed,quot; vervolgde Perker, den in- ! druk, dien hij gemaakt had, bemerkende. „Nu is de zaak, dat de juffer niet meer dan eenige honderd pond bezit, zoolang hare moeder in leven blijft - eene knappe oude vrouw, mijnheer!quot; i „Oud,quot; zeide Jingle kortaf, maar met bijzon- j deren nadruk. „Nu ja,quot; hernam de rechtsgeleerde, meteen kuchje. „Gij hebt gelijk, mijnheer! zij begint ! I oud te worden. Maar zij is van eene oude familie, mijnheer! in elke beteekenis van het woord. De stamvader van het geslacht is in Kentgeko-men, toen Julius Ca sar in Brittan nie viel; en sedert dien tijd is ■■r maar één lid van dat geslacht geweest, dat beneden de vijf en tachtig jaar gestorven is, en hij werd door een van de | Henry\'s onthoofd. De oude vrouw is nog geen drie en zeventig.quot; Perker zweeg, en nam een | snuifje. „Welnu,quot; zeide Jingle, „Welnu, mijnheer! -■ snuift gij niet? - zooveel te beter een kostbaar aanwensel -welnu, mijnheer! gij zijt een knap jonkman, een man van de wereld: gij zoudt uw fortuin kunnen maken, als gij een kapitaaltje had - he?quot; „Welnu?quot; zeide Jingle weder. „Oij begrijpt mij?quot; „Niet volkomen.quot; „Denkt gij niet, mijnheer! ik laat het aan : uw eigen oordeel over - denkt gij niet, dat j vijftig pond en uwe vrijheid beter zouden zijn | dan juffrouw Wardle en een onzeker vooruit zicht?quot; I „ Wel neen niet half genoeg,quot; zeide Jingle opstaande. „Maar, mijnheer, mijnheer!quot; zeide de rechtsgeleerde, terwijl hij den ander bij een knoop vasthield, „bedenk - een goede ronde som met vijftig pond is heel wat te doen,quot; „Maar met honderd vijftig nog meer,quot; ant-: woordde Jingle koelbloedig. „Kom mijnheer!quot; hernam de rechtsgeleerde; „wij zullen niet lang kibbelen zeg — zeg zeventig.quot;\' „Veel te weinig,quot; zeide Jingle. „Maar mijnheer, mijnheer!quot; hernam de kleine heer; „ga toch niet heen. Overijl u toch niet. Kom, tachtig! Ik zal u terstond een briefje op een bankier geven, „Ik doe het er niet voor,quot; zeide Jingle. .. Welnu, mijnheer I welnu,quot; hervatte de rechtsgeleerde, die den ander nog bij zijn knoop | hield, „zeg dan zelf voor hoeveel gij het doen i wilt.quot; Dure reis,quot; zeide Jingle. „Veel geld uitgegeven reiskosten negen pond licence drie maakt twaalf schadeloosstelling hou- |
EEN VERGELIJK.
MEN KOMT TOT
|
: derd -• honderd en twaalf - krenken van mijne eer — verlies van oene vrouw .. „Nu ja, mijnheer!quot; zeide Perker met een veelbeteekenenden blik: „die twee laatste posten zullen wij nog maar niet rekenen. Dat biyft | honderd en twaalf. Zeg nu honderd. Komlquot; „En twintig. \' ! „Kom, ik zal u een briefje geven,quot; zeide de kleine heer, en zette zich aan de tafel, om het | te schrijven. „Ik zal het op overmorgen betaalbaar-stellen,quot; vervolgde hij tegen Wardle. „Dan ^ is de juffer alweder te huis.quot; Wardle gaf zijne toestemming, door met een barst:h gezicht te knikken. „Honderd,quot;quot; zeide de kleine heer. ,En twintig,quot; zeide Jingle. „Maar mijnbeer Iquot; zeide de kleine heer we-1 der. „Geef het hem,quot; viel Wardle hierop in „en laat hem loopen.quot; De rechtsgeleerde schreef het briefje, enJin-i gle stak het in zijn zak. „Pak u nu terstond voort!quot; riep Wardle opstuivende. „Maar, mijnheer!quot; kwam Perker tusschem beide. „En onthoud,quot; vervolgde Wardle, „dat ik | mij door niets tot dit vergelijk zou hebben laten bewegen, zelfs ui et door de gedachte aan ; de eer van mijn geslacht, indien ik niet ge-| weten bad. dat gij met dit geld in uw zak u zeiven nog spoediger naar den duivel zoudt hel-! pen, dan zonder... quot; ..Maar, mijnheer!quot; begon de rechtsgeleerde | weder. ..Zwyg toch stil, Perker!quot; zeide Wardle ! -Maak nu dat gij wegkomt, kerel!quot; „Zoo meteen, zeide de nimmer liescbaamde Jingle. „Gocdenmorgen, Pickwick!quot; Indien een onpartijdig aanschouwer den groeten man, wiens naam den titel van dit werk ; versiert, had gezien, terwijl hij naar het slot van dit gesprek luisterde, zou hij zich gewis ver wouderd hebben, dat. het vuur hetwelk uit j zijne oogen straalde, zijne brilleglazen niet deed smelten zoo majestueus was zijne gram-I schap. Hij balde onwillekeurig de vuisten, toen bij zich door den schurk hoorde aanspreken. Maar hij bedwong zich, en velde Jingle terneder. „Daar,quot; vervolgde de verstokte verrader, terwijl hij Pickwick -ie licence voor de voe j V\'ri wierp; „maar één naam veranderen juf-j trouw naar huis brengen kan Tupie iiog ! dienen.quot; Pickwick was een philosoof; doch een philo-sool is toch ook maar een inensch, al is hij geharnast. De pijl was hem door het harnas der vyysbegeerte heon, in lu\'t hart gedronuren. In zijne blinde drift wierp hij Jingle den inkt-| koker naar het hoofd, en wilde zelf op hem |
aanvliegen; maar de booswicht was reeds verdwenen, en Pickwick werd in de armen van ï Sam opgevangen. •■Holla ho!quot; riep de snaaksche knecht: j ..in uw land zijnde inktkokers zeker goedkoop, j Die inkt schrijft vanzelf? kijk maar, oude heer! daar staat uw merk al op den muur Houd u maar stil. Wat zou het helpen, iemand na te loopen, die zulke lange beenen heeft, en al zoo ver vooruit is?quot; Het gemoed van Pickwick, gelijk dat van alle waarlijk groote mannen, was voor overtuiging j vatbaar. Hij kon snel en bondig redeneeren; een I oogenblik nadenkens deed hem het ijdele zijner : gramschap inzien. Zij bedaarde spoedig; hij haalde eens adem, en zag weder met een vriendelijk gezicht om zich heen. Zullen wij de weeklacht vermelden,die Rachel aanhief, toen zij\' hoorde, dat de trouwelooze Jingle haar verlaten had? Zullen wij Pickwick\'s mees terlijko beschrijving van dat aandoenlijk tooneel overnemen? Zijn notitieboekje, gevlekt door de-tranen van een teerhartig mededoogen, ligt voor ons open. Maar neen! wij willen het hart des publieks niet verscheuren door het afmalen van zulk een verregaande jammer. I ,angzaam en treurig keerden de twee vrienden en de verlaten schoone des anderen daags met j de zware diligence naar Mugg Ie ton terug en 1 de duistere schaduw van den a vond omsluierde hen, toen zij D i n g I ey-Del I weder bereikten, en | het hek van Manor Karin intraden. NI. waarin noi. i ene reis benevens eene oud-heipkcxdj\'iE ontdekki n\'h wokdt besehue-ven; ITET besi,üit van liCKWICK, OM eene 1\'aiui em e nts verkiezing bij tewonen, is opgeteekend; en dat ken hand-schei ft bevat van den ouden predikant. Een nacht van zachte rus: in de diep. stilte van Di n g 1 e y D e 11, en eene wandeling van een j half uur in de frissche buitenlucht opdeuvol- ! genden morgen, waren genoegzaam om Pickwick i de vermoeienis en ontroering, welke hij had j doorgestaan, geheel te doen vergoten. Die doorluchtige man was twee gehcele dagen lang van I zijne vrienden en volgelingen gescheiden geweest j en bgt; \' was hem een groet genoegen, dat toen hij van zijn wandeling terugkeerde, Winkleen stock-wall hem te gemoet kwamen. De vreugde was | wederkeerig: want wie kon liet vriendelijk gelaat van Pickwick ooit aanschouwen, zonder in zijne gemoedsstemming te deelen ? Kr scheen echter een wolk van treurigheid over het gelaat zijner vrienden te zweven, waarvan de groote |
SAMUEL PICKWH K.
|
raan zich geen rekenschap wist te geven. Hun voorkomen had ietsgeheimzin nigs, dat even ongewoon als onrustbarend was. „Kn hoe vaart Tupman?quot; vroeg Pickwick, toon hij zijnen trouwen aanhangers de hand had gedrukt. Winkle, tot vvlen de vraag meer in het bijzonder was gericht, ga 1\' geen antwoord. Mij keer-de zijn hoofd om, en scheen in treurig gepeins te verzinken. „stockwall!quot; zeide Pickwick ernstig, „hoe vaatr onze vriend? Ili.i is immers niet ziek?quot; ..Neen,quot; antwoordde Stockwall, en een traan i hing aan zijn sentimenteel ooglid, gelijk een regendroppel aan een vensterkozijn. Neen, „hij ib niet ziek.quot; Pickwick bleef stilstaan, en zag zijne vrienden ; beurtelings aan. ..Winkle — Stockwall!quot; zeide hij eindelijk: „wat heteekent dit? Waar is onze vriend? : spreekt, ik bezweer, ik smeek, ja, ik beveel u sprcktlquot; Fa\' was eene plechtigheid, eene verhevenheid 1 in zijn toon, die niemand had kunnen wederstaal). „Hij is vertrokken,quot;antwoordde stockwall, „Vertrokken?quot; riep „Pickwick. „Hoezee? Waarheen ?quot; „Allei\'ii uit dit bericht kunnen wij iHs daarvan opmaken,quot; antwoordde Stockwall, terwijl hij een brief uit zijn zak haalde, en zijn vriend ter hand stelde. „Toen wij gisterochtend een brief van mynheer Wardle ontvingen, waarin hy i meldde,\'dat hij des avonds met zijne zuster te ; huis zoude komen, bemerkten wij, dat de treurigheid, welke onze vriend den geheelen vorige» dag had terneergedrukt, nog grooter werd. Kort daarop verdween hij; en des avonds kwam . een knecht uit de Koon te Muggle t o n dezen brief brengen. Hij had dien des morgens gekregen, met bepaalden last, dat hij hem niet voor d\'-s avonds mocht bezorgen.quot; Pickwick opende den brief i-n las het v. dgende: „Waarde Pickwick. „ (J ij waard\' vriend\', zijt ver boven het bereik van veie menscheiyke gebreken en zwakle den, \\\\ .ar gewone menschen zich niet boven kunnen verheffen, tüj weet niet, wat liet zeggen wil,wan-tl eer men op eens door eene bekoorlijke vrouw veruiten en het slachtotl\'er wordt van een schurk, ij \' zUne scheirn.sche streken onder hef masker ! der vriendse\'iiap verbergt. Ik hoop, dat gij liet ! nooit zult ondervinden. „Ken brief, mij toettezonden aan het adres in de O r o i n e PI esc h, in Go bh am te Kent, zal mij ter hand komen indien ik nog leef. ik onttrek mij aan le t gezichtelt;Mier wereld, die n ii hatelijk is geworden. Indien ik dii\'weigt;dd g\' heel en al mocht verlaten - beklaag, vergeef |
mij dan. Het leven, mijn waarde Pickwick! het i leven is mij ondragelijk geworden. De moed, die 1 in ons brandt, is het\'schouderkussen van den lastdrager, waarop de zware last der aardsche j zorgen en ongelukken rust: en wanneer die moed ons begeeft, wordt de last te zwaar om te dragen dan moeten wij eronder nederzinken. Zeg Rachel.... ach die naam I Tracy Tupman.quot; „Wij moeten terstond vertrekken,\'\'zeide Piek-wiek, terwijl hij den brief weder opvouwde. „Na, het gebeurde zou het in allen gevalle niet wel-voegelijk zijn geweest, dar wij langer hier bleven; en thans zijn wij verplicht onzen vriend t^ gaan opzoeken.quot; Dit zeggende, ging hij vooruit, naar het huis, en maakte Wardle z\\jn voornemen bekend. De gulle oude heer verzocht hem met aandrang, om nog eene poos te blijven; maar Pickwick was onverzettelijk. Hij i werd door gewichtige zaken geroepen, zeide hij. j De oude predikant was tegenwoordig. „Gij ; gaat toch niet werkelijk heen?quot; zeide hij, Pickwick ter zijde nemende. Pickwick herhaalde zijn besluit. „Ziehier dan een handschrift, dat ik hoopte | u zelf te mogen voorlezen,quot; zei de oude man „Ik vond het bij den dood van oen vriend -een • geneeskundige, verbonden aan het Krankzinnigengesticht vari ous graafschap -- onder eene ; memLcte papieren, die ik naar verkiezing kon verscheuren of bewaren. Ik kan moeilijk geloo- ; vi ■ 11, dat het geschrift echt is, hoewel het in elk | geval niet geschreven is met de hand van mijn j vriend, .Maar, heizij het werkelijk door een i waanzinnige geschreven is, ot het geraaskal : verhaalt, van een ongelukkig wezen, hetgeen mij waarschijnlijker voorkomt, lees het en oordeel ; zelf.quot; Pickwick nam het handschriftaan en scheidde van den welwillenden ouden lieer met vele uit-drukkingi n van genegenheid en achting. Moeilijker viel het Pickwick, zoo plotseling van het huisgezin op Manor-Farm te moeten scheiden, dat hem met zoovele blijken van gastvriiheid en vriendschap had overladen. Hij kuste ile jonge dames — alsof het zijne eigen ; dochters waren geweest, zouden wij zeggen, in- • dien hij het niet met een weinig te veel warmte had gedaan, waardoor deze vergelijking niet i volkomen gepast zou zijn; hij omhelsde de oude vrouw alsof hij haar eigen zoon was geweest; tikte met, aartsvaderlijke goedheid de knappe j dienstmeisjes op hare roode wangen, en vergat niet elk een gewichtiger bewijs zyner tevreden- ; held in de hand te stoppen. Zijn rustigen, ouden t gastheer en mijnheer Trundle drukte hij ver- | scheidene malen de handen; en het was niet voordat men Stockwall verscheidene malen had treroepen, en deze eindelijk uit een donkere pang te voorschijn kwam, een oogenbliklater |
AFTOCHT VAX TUPMAX.
|
door Emilia gevolgd (wier heldere oogen veel minder schitterden dan anders), dat de drie vrienden in staat waren om zicli van het beminnenswaardige gezin los te rukken. Verschei-; dene malen zagen zij om, terwijl zij langzaam ! voortwandelden, en verscheidene malen wierp Stock wall een handkus in de lucht naar iets, dat veel op een dameszakdoek geleek, die uit een der bovenvensters werd gezwaaid, totdat 1 cene kromte van de laan liet oude huis aan hun | gezicht onttrok. Te lluggleton namen zij een rijtuig, om hen naar Rochester te brengen. Toen zij deze plaats bereikten, was hunne droefheid in | zooverre bedaard, dat zij in staat waren om een zeer smakelijk middagmaal te gebruiken; en na-I dat zij de noodige berichten aangaande den weg | hadden ingewonnen, stapten de drie vrienden ; in den namiddag weder uit. om naar Cob-ham te wandelen. Het was eent; heerlijke ■wandeling: want het was een heldere namiddag in Juni, en hun weü-j hep door een schaduwrijk bosch, door welks ie -boomte een zacht windje suisde, terwijl de Vogels, die op do takken zaten, onophoudelijk zongen. K limop en mos hadden zich aan de stammen der oude boomen vastgeklemd, en het zachte korte gras bedekte den grond als met een zijden tapijt. Vervolgens kwamen de wand. laarsin i-.m open park. met een ouderwetseu buitenA\'erbiijf, in den grilligen en schilderachtigen trant der : eeuwvan Elisabetligebouvvd,lange gezichten van statige eiken en olmen vertoonden zich aan alle zijden; talrijke kudden herten huppeld\'-n ovi-r het frissche kruid; nu en dan repte zich een haas over den grond, met de snelheid der scha* i duwen, welke door zacht voortdrijvende wolken ; op een zonnig landschap worden geworpen. „Indien allen, die met de kwaal van onzen vriend bezocht zijn. naar deze plek kwamen.quot; I zeide Pickwick, .geloof ik, dat hunne oude ge-i hechtheid aan de wereld spoedig zou temgkee-! ren.quot; Dat denk ik ook,quot; zeide Winkle. „Inderdaad,quot; vervolgde Pickwick, toen zij het dorp in het oog kregen, „inderdaad, al was men geen menschenhater, zou men toch geen aangenamer plekje tot woning kunnen uitkiezen. Ik heb nog nooit een dorp gezien, dat fraaier gelogen is.quot; Ook dit werd door AVinkle en stock wall vol-i mondig toegestemd: en toen zij de Groene F1 esc h, eene ruime en zindelijk-- dorpsherberg, hadden bereikt, traden zij binnen, en vroegen. i of daar een heer logeerde, die Tupman heette. ..Laat de heeren in de zijkamer, Tom zeide 1 de waardin. |
Een boerenjongen opende eene deur aan het 1 einde van dlt;- gang, en de drie vrienden traden I een lang en smal vertrek binnen, mot eene lage j zoldering, en gemeubileerd met zeer ouderwet-sche stoelen, een aantal portretten engekleurde prenten, die ook niet van den nieuwsten tijd waren. Aan het einde van het vertrek stond eene gedekte tafel, wel voorzien met gebraden hoenders, ham, bier en andere benoodigdheden ; en aan deze tafel zat Tupman. zoo weinig mogelijk gelijkende op een man, die de wereld had I vaarwel gezesrd. Toen zijne vrienden binnentraden, legde Tup- ; man zijn mes en vork neder, en kwam h(|ö met een treurig gezicht: to geraoet. „Ik had niet verwacht, dat gij hier zoudt komen,quot; zeide hij, terwijl hij Pickwiek de hand i drukte. ..Het is zeer vriendelijk van u. -Aha!quot; zeide Pickwiek. terwijl hij zich neder ze tte en het zweet van zijn voorhoofd veegde, i „Maak eerst gedaan nn-t eten, en ga dan nu-t mij naar buiten. Ik moet u alleen spreken.quot; Tupman gehoorzaamde, en nadat Pi-kwik zich niet ei-ne frissche teug bilt; r had verkwikt, gingen zij te zamen uit. Een half uur later zag men hen op het kerkhof op en neder wandelen, terwijl Pickwick het voornemen van zijn vriend bestreed. Het zou nutteloos wezen de redenen. welke hij a a n voerde, te herhalen; want welke taal zou den toon en de gebaren kunnen beschrijven, waarmede di-edele man deze redenen voordroeg, en waarvan zij de helft harer kracht ontlei-nden Of : Tupman reeds genoeg had van deeenzaamhe: 1 of dat het hem onmogelijk was de welsprekende drangredenen van zijn vriend te wederstaan, is onverschillig; hil gaf eindelijk toe. Het kon hem ! weinig schelen, zeide hij, waar hij het treurig I overschot zijner dagen sleet, en daar zijn vriend zoozeer op zijnonbedüidend gezelschap was g.--steld, was hij gereed om in zijne lotgevallen te doelen. Pickwick glimlachte; zi,i drukten elkander de hand, en begaven zic\'n weder naar hunne reisgenooten. Het was op dit oogenblik, dal Pickwiek die onsterfelijke ontdekking deed, welke de trots en den roem zijner vrienden heeft uit-gemaaki^en den nijd van alle andere oudheidkundigen heeft j opgewekt, /ij waren de deur van de herberg voorbijgegaan, en bemerkten dit eerst toen zy reeds een eind verder in het dorp waren geko 1 men. Toen zij zich omkeerden, viel l\'ickwick een I steen in het oog, die voor de deur van een dasr- ■ loouershuisje in den grond lag. llijbleef stilstaan. \' „Pat is iets merkwaardigs,quot; zeide Pickwiek. I „Wal is iets merkwaardigs?quot; vroeg Tupman. terwijl hij naar alle zijden rondzai:, zonder iets merkwaardigste vinden. „Hemel! wat se,heel tu?\' Dit laatste was de onwillekeurige uitdrukking zijner verbazing, toen hij Pickwiek in zijne ontdekkingsijver, voor den steen zag nederknielen, en met zijn zakdoek het-stof daarvan afvegen. „Er staat een opschrift op,quot; zeide l\'ickwick. „Is het mogelijk!quot; riep Tupman uit. „Ik zie,quot; vervolgde Pickwick terwijl hij aan- |
|
CiJ SAMUEL P duchtig door zijn bril lork, en met alle macht veegde, ..ik zu- een kruis en cene B, en eene T. i)ir is iets van belang. Het is zeker een zeer oud opschrift; misschien veel ouder dan hetoude armhuis van dit dorp. Deze steen moet niet verloren gaan.quot; Hij stond op en klopte aan de deur van het huisje. De bewoner kwam buiten. .Weet gij ook, hue die steen hier gekomen is, j goede vriend?quot; vroeg de minzame Pickwick. | Ni\' n, mijnheer I dat weet ik niet,quot; antwoordde de man tamelijk beleefd. „HU I11» daar al : lang voordat ik geboren werd. I Pickwick wierp zijn reisgenoot een zt-gepra-I lenden blik toe. ,Oij — gij zijl toch niet bijzonder gesteld op ■ dien steen.quot; zoide hij bevendquot; van angst. ..Gij I zoudt Item misschien wel willen verkoopen, he?quot; „Maar wie zou hem willen koopen?quot; vroeg | de man, meteen gezicht, dat hij zelf waarschijn- • lijk voor zeer schrander hield. i ,lk geef er udadeUik tien shillings voor.quot; I zeide Pickwick, ..als gij hem voor mij wilt uit- j i graven.quot; Men stelle zich de verwondering der lorpe-iing.-n voor, toen Pickwick, nadat de steen met eene spade uit den grond gewipt was. dien, met zeer veel moeite, eigenhandig naar de herberg droeg. Daar waschte hij (b ii klomp zorgvuldig i af, en legde hein op de tafel. De vreugdeder I \'ickwickisten wasgrenzenloos, toen hun geduld en hunne vlijt, hun wasschen en sehraopeh, met een gewenschten uitslag bekroond werd. De steen was onregelmatig van fatsoen en afgebrokkeld, en de letters waren ongelijk van grootte on ongeregeld; maar het volgende gedeelte van eën opschrift was duidelijk te onderscheiden: D 1 T I S B i I, S T i: M 1* s s v N M E 11 K Pickwick\'s gelaat gloeide van verrukking, tor- | • wi|l hij den gevonden schat mot zijne oogen : scheen te verslinden. Hij had een der grootste verlangens zijner eerzucht bevredigd, in een ; i graafschap,rijkaanoverblijfselenaandeoudheid, I in een dorp, waarin nog vele gedenkteekenen van vroeger\'- eeuwen bestonden, fUHl hij — hij, de President \\\'iMi depiekwick-\' luk een inèi k waardig en zonder twijfel overoud opschrift ontdekt, dat de naspoi ingen van zoovele geleerden, . dj,, lien: waren voorgegaan, was ontsnapt, Hy ■ i:ti\'fde nauwi lijk- zijne oogen geloo\\on, „Dit doel mij een besluit nenienlquot; riep hij uit, „Morgen keeren wij naar l.onde.u terug.quot; .. Morgen riepen zijne verbaasde volgelingen. ; «Morgen 1quot; herhaald\'- Pickwick. „Deze schat j j moet zónder uitstel op eend veilige plaats wor- : I den gebracht, waai hi,i tevens behoorlijk kan I |
CK WICK. worden onderzocht. Ik heb nog eene reden voor dit besluit.1 ivereenige dagen moeter teE a tan s-wi 1 leen parlementslid gekozen worden: en mUn-heer Perker, met wien ik onlangs kennis heb gemaakt, is bij deze verkiezing de zaakwaarnemer van een der candidaten. Ik ben voornemens een voor eiken Pngelschrnanzoobelangwekkend schouwspel met aandacht te gaan gadeslaan.quot; „Wij gaan mede!quot; riepen de stemmen vol geestdrift uit. Pickwick zag om zich heen. De gehechtheid en ijver zijner volgelingen deed zijne geestdrift nog helderder ontbranden. Hij voelde, wat het zeggen wilde, de voorganger van zulke mannen te zijn. „ Vieren wij dit gelukkig uur met eene vriendschappelijke tlesch 1quot; riep Pickwick uit. Ook dit voorstel werd met toejuiching aangenomen. Eerst legde Pickwick den kostbaren steen in een kistje, dat de waardin hem bezorgde; toen plaat ste hij zich aan het boveneinde van de tafel, in een gemakkelijken leuningstoel, en de avond werd in feestelijke vreugde gesleten. Het was over elven een laat uur voor het dorpje Pobham toen Pickwick zich naar de slaapkamer begaf, die te zijner ontvangst go- ! reed gemaakt was. Hij wierp het traliönven- j ster open, zette het licht op de tafel en ver- j zonk in een lang gepeins over de snel opeen- i volgende gebeurtenissen van de beide voorgaan- j de dagen. Het uur en de plaats waren beide tot na- i denken geschikt, en Pickwick werd eerst uit i zijne mijmeringen gewekt door eene torenklok, | die twaalf uur sloeg. De eerste slag klonk hem I plechtig in de ooren; maar toen de klok op- i hield, scheen de stilte onverdragelijk; het was ; hem, alsof hij een makker verloren had, en ging, 1 nadat hij zich haastig ontkleed en zijn licht op i den haard gezet had. naar bed. Iedereen heeft wel eens in dien onaangena- i men gemoedstoestand verkeerd, waarin men, hoewel lichamelijk vermo\'dd, tevergeefs tracht iu te slapen, in zulk een toestand was Pickwick thans; hU ging nu eens op deze, dan weder op die zijde liggen en hield zijne oogen . onophoudelijk gesloten, om den slaap op die wijze te vatten. Het hielp niets, of het de ongewone inspanning was, die hij van zijn lichaam gevergd had, of de hitte, of de cognacgrog, of het vreemde bed wat het ook ware, zijne gedachten keerden voordurend weer terug naar de grimmige schilderijen beneden en do oudo : verhalen, waartoe zij in den loop van den avond hadden aanleiding gegeven. N\'a een half uur te hebben hei-n en wc-r gewoeld, kwam hij tot het onbevredigende besluit, dai te trachten in te slapen vergeefxeh©moeite was; daarom stond hij op en kleedde zich gedeeltelijk aan. Niets was erger, dacht hij. dan daar te liggen denken aan allerlei afgrijsoiyke dingen. Hij keek |
KEN\'li FAMILIEKWAAL.
03
|
het venster uit — het wandelde de kamer door zaam. Hij was eenige malen van de deur naar het venster en van het venster naar de deur ge-| wandeld, toen hij voor het eerst dacht aan het ! handschrift van den predikant. Dat was eene goede gedachte. Als hot hem niet boeide, kon | het hem toch in slaap wiegen. Hij nam het uit | zijn jaszak, trok een tafeltje naar het bed toe, I snoot de kaars, zette zijnen bril op en maakte i zich gereed tot lezen. Het was een zonderline geschrift en het papier erg vuil en bevlekt. Ook deed de titel hem schrikken; en hij kon niet ! nalaten een veelbeteekenenden blik door de kamer te werpen. Nadenkende over de onge-j rijmdheid, zich aan zulke gedachten over te ; geven, snoot hij de kaars andermaal en las als volgt: Handschrift van een krankzinnige. Ja! van een krankzinnige 1 Hoe zou dat woord mij vele jaren geleden getroffen liebben, Hoe zou het de vrees hebben opgewekt, die zich somtijds van mij placht meester te maken; die mij het bloed prikkelend en tintelend door de aderen dreef, totdat het koude angstzweet mij in groote druppels op het voorhoofd stond en mijne knieën knikten van schrik! Toch houd ik thans van het woord. Het is oen schoone naam. Wijs mij den vorst, wiens boos gelaat ooit zoo gevreesd werd als het oog van een gek wiens si rop en bijl ooit zoo zeker van hun werk waren j als de greep eens krankzinnigen, Ho! ho! Het is een grootsche zaak, krankzinnig te zijn! aan gekeken te worden als een brieschende leeuw dooi\' de ijzeren tralies — op zijne tanden te knarsen en in den langen stillen nacht te brul-len bjj het vroolijke geluid van eene zware keten - over het stroo te rollen en te draaien, v i\'rukt over zulke prachtige muziek. Hoera! het gekkenhuis! Oh, liet is eene kostelijke plaats! Ik herinner mij dagen, waarop ik bang was voor gek worden: waarop ik nit den slaap placht op te schrikken, op rnijije knie\'n te val \' \'i om te bidden van den vloek van mijn ge-slacht verschoond te blijven; waarop ik tafe-n elen van vroolijkheid en geluk ontvluchtte om mij op eene eenzame plaats te erbergen en de lange uren door te brengen met den voortgang der koorts na te gaan, die mijne hersenen zon verwoesten. Ik wist dat de krankzinnigheid mij in hef, bloed en het merg zat; dat een geslacht was vuorbijgigaan, dat van die vreeselijke ziek te was verschoond gebleven en dat ik de eerste Wiis, bij wien zij zich weer zon openbaren. Ik wist, (lat het zoo zijn moest, dat het altijd zoo g-weest was en altijd zoo zou blijven; en wanneer ik mij schuchter verborg in een denkeren hoek van eene volle kamer en de men-schen zag fluisteren, wijzen en mij aankijken, begreep ik, dat zij het hadden over den man, die gedoemd was om krankzinnig te worden: en ik sloop weg om in eenzaamheid te mijmeren. was pikdonker. Hij - zij was zeer een- |
Dat deed ik vele, lange, lange jaren. De nachten vallen mij hier somtijds lang; maar zij zijn niets in vergelijking van de rustelooze nachten en akelige droomen, die ik toen hul. Het doet mij rillen, als ik er aan denk. Groote, donkere gestalten, met sluwe en sj)ottende gezichten bewogen zich in de hoeken der kamelen bogen zich \'s nachts over mijn bed om mij gek te maken. Zij lluisterden mij zachtjes toe, dat de vloer van het oude huis, waarin mijn grootvader stierf bevlekt was met zijn eigen bloed, gestort door zijne eigen hand in razende krankzinnigheid. Ik stak mijne vingers in de ooren, maar zij schreeuwden bij mijn hoofd, - en de kamer weergalmde er van, - dat fü het voorgaande geslacht de krankzinnigheid had gesluimerd, maar dat mijn achterovergrootvader jaren had doorgebracht met zijne handen aan den grond gekluisterd, om verhinderd te zijn zich zeiven te vernielen. Ik wist, dat zij de waarheid zeiden — ik wist het wel Ik was er al jaren fe voren achtergekomen, hoewel zij getracht hadden het voor mij te verbenren! Ha! ha ! ik was hun te slim aL krankzinnig, als zij dachten, dat ik was. Ten laatste werd ik door de ziekte aangegrepen en was verwonderd, dat ik ze ooit had kunnen vreezen. Ik kon nu onder de menschen gaan en lachen en schreeuwen met den beste. Ik wist, dat ik krankzinnig was, maarzij vermoedden het niet eens, Hoe verkneuterde ik mij. wanneer ik dacht aan de poets, die ik hun speelde, na hun vroeger wijzen en loeren, toen ik niet gek was, maar alleen vreesde dat ik het eens zou worden! En wat lachte ik van Vreugde, wanneer ik alleen was en dacht, hoe goed ik mijn geheim bewaarde en hoe spoedig mijne vrienden mij zouden verlaten hebben, als zij de waarheid gekend hadden. Ik kon van verrukking gegild hebben, als ik alleen at niet een fijn luidruchtig heertje en dacht, hoe bleek hij zou zijn geworden en hoe hard hij weguc luopen zeu zijn, als hij geweten had dat de waarde vriend, die dicht bij hem een blank, glinsterend nies zat te slijpen, een krank zin nitre was, die voldoende kracht en half lust had zijn hart er mede te doprboren. oh, wat was dat een vroolijk leventje! Rijkdommen werden mijn deel, overvloed stroomde mij toe, en ik baadde mij in genoe-uetis, duizendvoudig voor mij vergroot doorliet bewnstaljn van mijn ^oed bewaard geheim Ik I; erlue een lancigoed. Do mannen der wet scherpziende mannen d\'-r wet zeiven waren be dregen en, hadden betwiste duizenden aan een krankzinnige overhandigd. Waar zat het ver stand van die schrandere mannen ■\' Waar de |
sAMU KL PICKWICK.
i;4
|
bedrevenheid der advocaten, dien anders de ; kleinste beuzeling niet ontgaat? De gek was hun allen te slim af geweest. „Ik had geld. Wat werd ik aangebeden! Ik gaf het uit met kwistige hand. Wat werd ik geprezen! Hoe vernederden die drie trotsche verwaande broeders zich voor mij! Ook de oude, i grijze vader, wat een eerbied wat een ontzag - wat eene toewijding wat aanbad hij mij. De oude man had eene dochter en de jongelieden dus eene zuster; en alle vijf waren arm. Ik was rijk; en toen ik het meisje trouwde, zag ik een zegevierenden glimlach op het gelaat der behoeftige bloedverwanten, daar zij dachten aan hun wel overlegd plan en bun schoonen prüs. ik kon iglimlachen. Glimlachen?Hardop lachen, mij bij de haren trekken en gillende vati vreugde over den grond rollen. Zij dachten er niet eens aan, dat zij haar met een krankzinnig1, haddi n laten trouwen. War lit eens. Zouden zij haar gered hebben, als zij het gekweten hadden. Het geluk eener zuster tegen hét goud van haai\'echtgenoot. De lichtste veer, die ik de lucht in blaas tegen den opzichtig\'mi ketting, die mijn lichaam versiert! In c-en dingquot; was ik bedrogen in weerwil van al mijne slimheid. Indien ik uirt krankzinnig geweest was -want, hoewel krankzinnigen vrij schrander zijn,zijn zij wel eens in de war — zou ik geweten hebben, dat het meisje liever koud en stijf in een akelige, looden doodkist gelegd, dan als eene benijde bruid tiaar mijn rijk en schitterend huis had willen gebracht worden. Ik zou gewciton hebben, dat haar hart toebehoorde aan den Jongen met de donkere oogen, wiens naam ik haar eens in haar onrustigen slaap hoorde [luisteren; en dal zij aan mij was i ten otter gebracht om de armoede te lenigen : van den ouden, grijzen man en de trotsche , broeders. Ik herinner mij thans geen gestalten of ge-I zichten, maar ik weet, dat het meisje schoon I was. Ik weet het zeker; want, wanneer ik bij i helderen nianesrhyn uit mijn slaap opschrik en alles om mij heen rustig is, zie ik in een hoek dezer co}, stil en onbeweeglijk eene lengen en verkwijnde gestalte met lang, zwart haar, dat dolt;gt;r geen aardschen wind bewogen \\ langs haar rug golft, en oogen, die mij aankijken, doch nooit knippen of zich sluiten. Stil! Het bloed stolt in mijne aderen, terwijl ik dit I schrijf dat is hare gestalte; het gelaat is : zeer bleek en de oogen zijn helder als glas; ik i ken ze wel. Die gedaante beweegt zich nooit; | ze zet nooit een zuur gezicht, ze schreeuwt nooit, zooids anderen, die deze plaats somtijds opvullen; maar ze is nog verschrikkelijker voor mij dan de geesten, die mij vele jaren geleden kwelden zo komt regelrecht uit het graf eti ziet er dus zeer akelig uit. |
Gedurende ongeveer een jaar zag ik dat ge- gt; laat verbleeken; gedurende ongeveer een jaar zag ik de tranen langs die bleeke wangen rol- ! len, zonder ooit de oorzaak te kennen. Toch i kwam ik er ten laatste achter. Men kon het | niet lang voor mij verborgen houden. Zij had mij nooit bemind; zooals ik altijd gedacht, had; j zij verachte mijn rijkdom en haatte de pracht j waarin zij leefde; dat had ik niet verwacht. Zij beminde een ander. Een vreemd gevoel bekroop mij, gedachten, mij door eene geheime | macht ongedrongen, zweefden voortdurend door i mijn hoofd Ik haatte haar niet, maar wel den 1 Jongen, om wien zij nog altijd huilde. Ik had i medelijden met haar om het ongelukkige leven, waartoe haar zelfzuchtige bloedverwanten haar ! gedoemd hadden, Ik wist, dat zij niet lang meer 1 kon leven, maar de gedachte, dat zij vóór haar dood het leven kon schenken aan een noodlottig . wezen, bestemd om de krankzinnigheid op zijne afstammelingen over te brengen, deed mij een besluit nemen. Ik vatte het plan op haar te dooden. Verscheidene weken dacht ik aan vergiftigen, j daarna aan verdrinken en eindelijk aan verbranden. Wat een schoon tafereel zou het zijn, i als het prachtige huis iti vlammen stond en de vrouw van den krankzinnige tot asch verbrandde, Denk aan de groote belooning, die men | uitloofde om den schuldige te vinden en aan ; een man, die goed bij zijn verstand was en in de lucht hangt te bengelen voor eene misdaad i die hij nooit bedreven heeft, en dat alles door ( de sluwheid van een gek! Ik dacht er dikwijls f aan, maar liet het plan ten laatste varen. Oh! j wat een pleizier om het scheermes dag aan dag , aan te zetten, den scherpen kant te voelen en te ; denken aan de diepe snede, die ik met eene streek zou kunnen toebrengen! Ten laatste fluisterden de oude geesten, die i ; zoo dikwijls te voren bij mij geweest waren, i mij toe, dat de tijd was gekomen en gaven mij het scheermes open in de hand. Ik greep het i stevig vast, stónd zachtjes uit bed op en boog mil over mijne slapende vrouw. Haar gezicht was in hare handen verborgen. Ik trok ze zachtjes weg, en zij vielen machteloos op haren boezem, Zij had gehuild; want de sporen der tranen waren nog op hare wangen te zien. Haar gelaat had eene rustige en bedaarde uitdrukking; zelfs toen ik haar aanzag, zetelde een kalme glimlach op hare bleeke trekken. Ik legde mijne hand zacht op hare schouder. Zij schrikte op ■ het was slechts een voorbijgaande droom. Ik leunde weer voorover. Zij gilde en ontwaakte. Eene beweging mijner hand, en zij zou nooit meer geluid gegeven hebben. Maar ik was verschrikt en deinsde terug. Hare oogen waren op de mijne gevestigd. Ik weet niet, hoe het kwam, maar zij maakten mij angstig en bevreesd, en |
De on\'geijuk k roI-: e(; i rn; exootk.
|
ik sloeg mijne oogen neer. Zij stond van het bed op en zag mij nog steeds strak aan. Zij begaf zich naar de deur. Toen zij er dicht bij was, wendde /.ij hare oogen af. De butoovering was geweken. Ik sprong voorwaarts en greep haar bij den arm. Gil op gil gevende, zonk zij op den grond. Nu kon ik haar gedood hebben zonder eeiijav worsteling; maar liet huis was in rep en roer. Ik hoorde voetstappen op de trap. Ik legde het scheermes weer in de gewone lade, maakte de deur open en riep luid om hulp. |
gen toon. Een, de knapste en beroemdste onder hen, ging met mij alleen, en, nadat hy mij verzocht had op het ergste te zijn voorbereid, zeide hij mij - mij, den gek dat mijne vrouw krankzinnig was, llij stond dicht bij mij aan een open raam, terwijl hij mij aanzag en zijne hand op mijn arm hield. .Met eeneenkele poging had ik hem naar beneden oji si raat kunnen werpen. Dat zou (-ene kostelijke grap geweest zijn; doch mijn geheim stond op het spel en ik liet hem ongemoeid. Eenige dagen later zeiden de dokters mij, dat ik haar onder toezicht moest |
|
Men kwam, hief haar op en legde haar op \'quot;\'d. Zij lag uren lang als van hare levenagees-\'•\'u beroofd; i-n toen leven, bewustzijn en spraak 11 rugkeerden, had zij haai verstand verloren quot;quot; i\'aasde en tierde op eene verschrikkelijke wijze. Dokters werden geroepen groote mannen, d\'e in gemakkelijke rijtuigen met mooie paarden \' li opzichtige bedienden, kwamen aanrollen. Zij bleven weken lang aan haar bed. Zij hielden in eeiu- a n de re kamer eene groote bijeenkomst en laadpleegden elkander op zachten en plechti-plaatsen: ik moest een bewaakster voor haar nemen. Ik! Ik ging het vrije veld in. waar niemand mij hoeren kon en lachte, totdat de lucht er van weergalmde! |
Zij stierf den volgenden dag. De oude grijze man volgde haar tot aan het graf en de trut-sclv broeders heten een liaan vallen igt;p het lijk van haar, wier Hjden zij bij haar leven met ijzeren zenuwen hadden aanschouwd. Dit alh-s was voed-, j voor niijne geheime vrooli.ikheid en, toen wij naar huis reden, lachte ik achter den witten zakdoek, dien ik voor het gezicht |
Dicki ns, Sami ki. iji( ku k k.
SAMU HL l \'ICK W K .\'K.
r,
|
hield, totdat mij de tranen in de oogen kwamen, , ., , , Maar, hoewel ik haar gedood en mijn doid bereikt had, was ik onrustig en in de war, en ik gevoelde, dat mijn geheim eerlang zou bekend worden. Ik kon de woeste vroolijkheid en vreugde niet verbergen, die mij, wanneer ik alleen thuis was, deden opspringen, de handen m elkaar slaan, in de rondte dansen en sehatei-lachen. Wanneer ik uitging en de drukke menigte zich door de straten zag spoeden, ot den schouwburg bezocht, de muziek hoorde en de menschen zag dansen, gevoelde ik zooveel vreugde, dat ik op hen toe had kunnen schieten, hen had kunnen verscheuren \' n van verrukking had kunnen brullen. Maar ik knarste op de tanden, stampte met den voet op den grond en drukte mijne scherpe nagels in mijne handen, Ik hield mij in; en niemand vvist nog, dat ik krankzinnig was. Ik herinner mij ofschoon het een der laatste dingiii is, die ik mij kan herinneren; want nu begin ik de werkelijkheid met mijne droomen te verwarren ik herinner mij, hóe ik^ mij eindelijk het geheim liet ontsnappen. Ha. hal ik geloof, dat ik hunne verschrikte gezichten nu nog zie, en gevoel, hoe gemakkelijk ik hen van mij afwierp, hun met de gebalde vuisten in het bleeke gezicht sloeu\' en dan snol als de wind heen vloog om hen gillend en schreeuwend ver achter te laten. Ik krijg reuzenkracht, als ik er aan denk. Daar - zie lt; ens, hoe ik die ijzeren -Mal buk\' niet mijne woedende kracht. Ikzou ze als een twijgje hunnen knakken, maar er zijn hier lantri\' galerijen met vele deuren • ik denk niet, dat ik er den weg door zou kunnen vinden ; \' en bovendien zijn fgt;r beneden ijzeren poorten, dit- zij op slot en grendel houden. Zij weten, wat oen knap man ik geweest ben en zijn er trotsch op mij hier te kunnen vertoonen. Laat ik eeiis zien; ja, ik was uit geweest, j Het was laat in den nacht, toen ik thuis kwam ; en den verwaandsten der drie broeders op mij vond wachten hij had dringende zaken, zei hij; dat herinner ik mij goed. Ik haatte dien | man met a! den haat eens krankzinnigen. Vele en veli\' malen hadden mijne vingers getinteld om hem Ie verscheuren. Men zeidemij.dat hij : er was. Ik liep vlmr naar boven. Hij had een : woordje met mij te spreken. Ik liet de dienstboden heengaan. Het was laat en wij waren ! met ons b( iden alleen voor de eet stQ | maal. Ik hield mijne oogen inhei begin zorgvuldig ! van hem af, want ik wist, wat hij geenszins vermoedde en ik droeg er roem op dat zij het licht der krankzinnigheid als vuur lieten uitsti ilen. Wij\' zwegen •■enige minuten, H.j : nam ten laatste het woord. Mijne jongste uitspattingen • n vreemde opmerkingen, zoo kort ; na zijn zusters dood, deden harenagedachtenis |
oneer aan. Wanneer hij verscheidene omstandigheden, die eerst zijne opmerkzaamheid waren ontgaan, met elkander in verband bracht, vond hij, dat ik haar niet goed behandeld had. Hij wenschte te weten, of ik van plan was, eene vlek op hare nagadachtenis te werpen en hare familie te minachten. Zijne uniform gaf hem het recht die verklaring te vorderen. Deze man had eene offlciersplaats bij het leger gekocht met mijn geld en het ongeluk zijner zuster 1 Deze man was de voornaamste geweest in het komplot om mij te verstrikken en mijn rijkdom in handen te krijgen. Deze man voornamelijk had zijne zuster genoodzaakt mij te huwen; wel wetende, dat zij haar hart geschonken had aan dien klagenden jongen. Zijne uniform! De livrei zijner laagheid. Ik zag hem aan, maar sprak geen woord. Ik zag de plotselinge verandering, die zijn gelaat onderging, toen ik hem aanzag. Hij was een dapper man, doch de kleur verdween van zijn gezicht en hij schoof zijn stoel achteruit. Ik trok den mijne dichter naar hem toe; en toen ik lachte — ik was zeer vroolijk -zag ik hem sidderen. Ik voelde den waanzin in mij opkomen. Hij was bang voor mij, „Gij hield zeer veel van uwe zuster, toen zij leefde,quot; zei ik, „heel veel.quot; Hij zag onrustig rond en greep zich vast aan de leuning van den stoel, doch zeide niets. „Gij schurk,quot; zei ik. „ik heb u begrepen; ik heb uwe heische samenspanning tegen mij ontdekt; ik weet, dat zij haar hart aan iemand anders geschonken had, voordat gij haardwongt mij te huwen. Ik weet het ik weet het.quot; ilij sprong plotseling van zijn stool op, zwaaide hem in de hoogte en verzocht mij achteruit te gaan want ik ging al dichter en dichter naar hem toe, terwijl ik sprak. Ik schreeuwde eerder dan ik sprak, want ik voelde mijn bloed koken in de aderen, en de vroegere geesten hitsten mij fluisterend aan om hem het hart, uit het lichaam te halen. zei ik, opvliegende en op ., Ik heb haar gedood. Ik zijt een kind des doods, het hebben!quot; Ik wendde stoel af, dien hij mij in hoofd slingerde en werd handgemeen met hem; wij rolden meteen he-vigen slag op den grond. Het was eene schoone worsteling; want hij was een lange, sterke man, die voor zijn levensbehoud vocht en ik stapelgek, dorstende naar zijn bloed. Ik wist, dat geene kracht de mijnt evenaarde, en had gelijk. Weer gelijk, hoewel krankzinnig! Zijn tegenstand werd zwakker. Ik zette hem de knieën op de borst en greep zijn gespierden hals met beide handen vast. Zijn gezicht werd vuurrood; zijne oogen puilden uit en met uitgestoken tong scheen hij mij te „Voor tien duivel,quot; hem toeschietende; ben krankzinnig. Gij Bloed, bloed! Ik wil met één slag dien zijn schrik naar het |
()7
TIET GKHEJM WORDT OXTDEIvT.
eene bekende goneeskundige leer. sterk vei-.
dom- i I0quot;\' 611 even bestreden
ïl L- L n;quot;\'- ,lat er in züne familie eene e\'.
lijke kiaiikzuimgheid bestond. Dit bracht eene gestadige droefgeestigheid bij hem tewoolt;/
emeimHi l-0-1\' Vaii tüd 1,1 vorsta\'ndsverbijstering bost- ,1 I m razenden waanzin overging Kr hom-t • \' r,J, om \'\' gelooven, dat de lt;^. bHin u.nisseii, die hij verhaalt hoewel door zijne
h\'iddên Hefvm quot; v,e,\'dl:,aid\' werkelijk plaats , . verwondert alleen don-enen dio de ondeugden zijner jonge levensbaan k.mnen
1 ickwiek s kaars was juist tot in dim kande-laai opgebrand, toen hij het handschrift vm den , onden predikant uitg.^^n had; en toe,? he^ , licht plotseling en zonder oen vooraf-iand | waarscliuwiuid geflikker uitgil,-, deed hot hém
\' quot;JSTiffKir4quot;!..........
i hi ^ in v . quot; VV6\'niS\'-kleedoren, die hij I rni.ï ei\' 0I\'staan had aangedaan uit-o\'-I tiokken en een haastigen blik om zich heen I had gewoipen, kroop hij andermaal onder de j dekens en was spoedig vast in slaap
w, s0 -U ha\'t h.quot; lhquot;k,er zi,\'ne banier, en het .. fx 1 11 \'noi^eii toen hij waklcpr
! I1,1\'1 \'quot;\'tangen, was verdwenen en ziina
gedachten en gewaarwordingen waren weer even helder en vroolijk als de morgen zelf Den volgenden morgen begaven de vier hee-\' quot;f ee]\\ 1,nrri- ontbijt, zich te voet naar i\'- . e-sl-nd, gevolgd door oen man die het kis ie met don steen droeg. Hol was\'.V-n uur toen/ij de sta.l bereikten. ZU hadden geene ba-a\' :
^ ,j /lcl1\' daar zij te Roe hes ter last, hadden f ven \'quot;n die met don vrachtwagfin naar I o n ; «I;.. „i. .imr zu ..„lukkiip,?,;;.
Ii\'i-1 nee plaatsvonden, kwamen zy denzolfden
wrfes,quot;\'1 ■quot; Squot;:
De volgende drie of vier dagen werden be-
sta d met het maken dor uoodigotooboreidse!,.,,
v.ü de reis naar Ka tans will. Voordat wij ill\'\'i\' bol verhaal van dien belangrijken tool, beginnon, waartoe wij eon afzonderliïk hoofdst, k hebben bestemd, willen wij don leze,- in weinic woorden ineiledoelen, hoe het verder mei deoudquot; bcj.dkundige ont.lokking van Pickwick afliep
wié i notulen der club, dal l\'ick-
vuk des avonds na zijne terugkomst, in.•ene
. b emeenHvor. \'denr^^eenevo.ui.-zin-nvMv.iine .......................|
, , , noedf ns opperde, omtrent de be o ^ n i r 0Pschrift- \'ïet blijkt ook, dat
uèbSch on g V;\'quot; lt;lquot;quot; st,vn op •-\'quot;•ifl werd : --f uaf. ht II aan eene menigte geloerdegenoo,
;s •happen toegezonden. dat de geleordo twist
laaiuit ontstaan een geruimen tijd hoe langer
bespotten, fk greep hem nog steviger vast L\'e deur werd plotseling met een hevig geraas opengeworpen, eene menigte menschen stormden binnen en riepen elkander hard toe den krankzinnige onschadelijk te maken.
Mijn geheim was bekend, en myn eenin\'e strijd nu voor de vrijheid. Ik was weer op de been, voordat zij eene hand naar mij hadden mrgestoken, wierp mij onder de aanvallers, en baande mjj met mijn sterken arm een we-quot;sot ik oen bijl in de hand had en hen allen\' neri velde. Ik bereikte de deur, sprong over de traideuning heen en was in een oogenblik op
Ik zette het onverwijld op een loopen en niemand durfde my staande houden. Ik hoorde iet geluid van voetstappen achter mij en verdubbelde mijn spoed. Het werd al zwakker en zwakker in de verte en stierf eindelijk geheel g; maar voort ylde ik door dik\' en dun evor uuiur en .schutting met een woest go-
- ■ li rneu w. dat werd opgevangen door de vreemde we/fns. die mij van alle kanten omgaven en
-elm\'l versterkten, totdat de lucht ervan \'A-ergalmde. Ik werd gedragen op de armen • helse in.\' geesten, die op den wind voort-j -■quot;•en, hagen en dijken voor zich uitdanwequot;-iiumden en mij rond draaiden met eene sneb ;;i die mijn hoofd deed duizelen, totdat zii \' \'■mebdijk met een hevigen schok van zich ; y.vn^» en ik hard op den grond viel. Toen ^ tK bekwam, bevond ik mij hier - hierin deze quot;quot;l\'.iKH c.\'l, waar het zonnelicht zelden komt r rnaan binnensluipt met stralen, die al-\'\'\'quot;■tien om (ie donkere schimmen rondom -li \'li- stille gedaante in den hoek te too-■ Wanneer ik wakker lig, kan ik somtijds
- \\ n-md g\'schreeuw en gehuil hooien uit A i.iderde gedeelten flezer uitgestrekte plaats ; • .•tl beteckeiit, weet ik niet; maar zij ko-• niet van die bleeke gestalte, en trekken
oplettendheid ook niet; want van het be-^\'\'Tt\'^nering tot het eerste daglicht, :l1\'\' onbeweeglijk op dezelfde plaats, luis-,KVll\'c!e muziek v:in mijne ijzeren koten bokkesprongen op het stroobed gade-
\\ in l\'. t ninde van het handschrift was mot 1 uidei-e hand de volgende opme-kins tre-! n reven: quot; »
: ongelukkige man. wiens razen en tieren ■quot;\'vm, is ..pgoteekend, wos een droevi-van de verderfeUjke uitwerking van ^klachten, wtvaraan al vroeg eene ver-• nrhtinu\' werd gegeven, en\' van buiten- I ubeib-n. voortgezet, totdatlumne gevolgen 1 1 ; n-- r konden worden voorkomen. Doge- •\' \' Z1 I\'iidrnchtighf\'id, wrkwistin- en
/IJI1quot;r -iontrc jaren veroorzaakten \'■ \' n ylboofdigheid. liet eerste -evolg ivan was de zonderlinge waan, gegrond op
SAMÜUL PICKWICK.
CS
street bewoonde, was wel eenigszins i)ekronv | pen, maar toch zeer net en gemakkelijk en voo al bijzonder geschikt vooreen man van zijne denk j en levenswijze. Zijn woon- en zijne slaapkainti waren beiden voor aan de straa^,en derhalve h.M
hii hetzij hij in de eerste vooi zijn less naa „• .
ot in de laatste voor zijn spiegel stond, eene „ven goede gelegenheid om den meiisch m de menigvuidige gedaanten, waarin hij zien m die drukke en volkrijke straat vertoont, met aam dacht gade te slaan. Zijne lunswaardm. jufti ouv Bardell, de weduwe van een tolontvaiigei, was eene knappe vrouw, die ^ nog vrij goed uitzag, •iltiid vol drukte was, en een natuurlijken aanleg Voor de kookkunst bezat, welke zich dnor langdurige oefening tot een buitengewoon talent had ontwikkeld. Er waren geene k leineknide en.
«/eene- meiden en geene lunsdieieii. 1)ri \' \'■
medebewoners van het huis waren een buig man en eene kleine jongen. De laatste was det» ni-e
spruit van juffrouw Bardell. Delangenian K waiu des avonds altijd precies om tien uui te huis, en
.ring dan terstond naar bed; en de gymnastische oefeningen van den Jongenheer mochten iie gen-anders dan op straat plaats hebben. Zindelijkheid 1 en stilte heerschten in het huis, waarin 1 u k-: wick\'s wil als eene wet gold.
i Iemand, bekend met deze omstamhgheden en
de onverstoorbare gemoedsrust. woUe 1 ickw u- k doorgaans eigen was, had het voorkomen en g\' dragquot; van dien heer, op den morgen van den d.ig voor zijn vertrek naar Katan-will. *ewis 7.eer vreemd en geheimzinnig moeten vinden. H b stapte met haastige schreden de karnei • 1» \'- ■gt; \'neer. Stak telkens zün hoofd buiten le-i v .-nst.
keek weder op zijn horloge, en vertoonde m meer blijken van ong. duld, datby hem^tsz ongewoons was. Het was duidelijk, •Ut u . . van zeer veel gewicht in hem omging; maai wa dit was, had zelfs juffrouw Bardell niet kunnen ontdekken. Deze goede vrouw was reedsetn lia. uur langer met het afstoffen van de meubel, i. i,, het vertrek bezig geweest dan anders, wi wild\' zich juist verwijderen, toen Pickwick eindelij
het stilzwijgen afbrak.
Juffrouw Bardell! zeide In).
quot;.Mijnheer?quot; hernani zij.
[ w kleine jongen blijft zeer Ung mt-Het is een heel eind van hiei naai Pquot; rough,quot; bracht juffrouw Bardell ner tegen m-l)quot;it is waar,quot; zeide l\'ickwick; „gij hebt
^Pieic\'wiek zwei-g weder stil, en j uffrouw Banic 1
been)n weder te stoffen, , ,.,i.
Jufl\'rouw Bardell\'.quot; zeide Pickwick nogmaals \\1iinlieer\'quot; zeide zij Weder.
\' j )pnkt gij, dat het\'veel duurder uitkomt om twee mensclien den kost te geven, dan ■-n
Och mijn heer i \'ic k w ie k \'.quot;zeide j u fl roti vv i-.i. deh met een hoogrooden blos, daar zij zie i y ■ beeldde dat haar commensaal haar op eene iv
hoe Heviger werd. en Piek wkk zelf een (.„fkif van zes en negentig bkul/.ijdtn uit^.u,
waarin hij /.even en twintig verschillende mann\'-ren voorsteldi\'. o.n het opschntt aan te v en ,11 te lezen Drie oude heen n onterfden hunne
Snïn omda! d^- a..- ou.lhH.l bet «tj^
loochenden, en een (1e
oudheidkunde stierf van verdnet. omdat hij ae. heteekenis der geheimzinnige letteren met kou rSSen0 Pickwick werd door zevenUen ge-
leerde genootschappen, waarondei \'
landsche, tot honorair hclyerkozeineruiP\' ^
tien moesten nederig t l ko,ul\' n\\ ,L staat waren om iets van het opschnt. te maken, maar dat de ontdekking, toch eene zeer gew u h-
tisje gebeurtenis was.
Met leedwezen moeten wij berichten, dat zekere Blotton, nel die twiif.: en bed.lzucht, we ke bekrompene zielen eigen is, eene S
noirin.\' lanwendde om de zaak oeiK--belachelijke wendfng te geven. Met den laaghartigen wensch ii n luister van den onsterli lijken naam van IMc k wi\' k te \'beZ wal ken, dei \'d ue.nelde Blotton
1 cene is naar\' ob ham, en toen hij terugkwam,
ontzag hij xich niet in de Huhto verhalen d.v i de urm van wien de steen u\'-kotht waa, nem
hn,! lt;r,./i\'quot;d dat de steen wel oud-was, maai dat
vlln daar hij zelf, toen hij eens met wist wat l\'i\'ij zün ledigen tijd zou uitvoeren, deze
etters in den steen had gekrapl. waarmede hi I.., uiders had willen te kennen g-ven dan .Dit UBnMum.-\'iiquot; nn rt MiV.liMf.Hmv,,». ; .lie niet zeer bedreven in de spelkunst was,,
zeide motton, had de tweede L van z^n doop.
vergeten en op gem behooiluk atl., klt; n der woorden achtgeslagen, en dit was het gehe !•
quot;\'Iv\'piekwiek i\'iub behandelde, gelijk mj-m van zulk een geleerd genootschap mc-stvei wachten,
Ut verteise! met de verdiende verachting, out-
/éne (i-n eigenwijzen Blotton van zijn lidmaat th in ^ gaf t..t een duurzaam bewiis van adv tito\' en bewondering, den ^\'du^itiderini ijven-Jen l\'ickwiek -en gouden bril ten ges.dienk. . Blotto was echter hiermede niet tot zw.jgen IX\' cht en het duurde zeer lang. voordat de twist over de eehtheid en i.ndbeid van het op-«Hrft Pd ni-t kwam. en 1 M. kwiek zijn roem, als ontdekker van een o.deesbaar ge-denkteeken,
in vred\' tnocht
Xll.
OK.SI HIF.nK.N\'lS, KESTEI.N I N I • H,t apartement, dat l\'ickwick mOoswell-
ONSCHI■ LD IN (IEVAAR.
GO
|
bijzoader manier aanzag, „och, mijnheer Pickwick, welk eene vraag!quot; „Neen, maar wat dunkt u er van?quot; vroeg Pickwick. ..Het hangt er veel van af,quot;antwoorddejuf-, frouw Hard\' U, terwijl zij een weinig naderbij trad, „of men iemand treft, die zuinig en knap is.quot; „Dat is waar,quot; hernam Pickwick; „maar ik geloof, dat ik iemand heb gevonden,quot; (hier zag hij juffrouw Bardell scherp aan) „die deze hoedanigheden bezit, en bovendien met zekere wereldkennis en eene aangeborene schranderheid i.s voorzien, welke mij van veel dienst zullen wezen.quot; -Och, mijnheer Pickwick!quot; zeide juffrouw Bardell, opnieuw blozende. ..Ik geloof het inderdaad, juffrouw Bardell!quot; zeide Pickwick, met dien nadruk, waarmede hij gewóonlijk sprak over iets, dat hem belang in-boezemde. „Mn om de waarheid te zeggen, ik liob mijn besluit reeds genomen.quot; ..Lieve Hemel, mijnheer?quot; riep juffrouw Bardell uit. ,.Gij zult het wel vreemd vinden,quot; hernam Pickwick, haar vriendelijk aanziende, „dat ik u niet geraadpleegd heb. dat ik er geen woord van heb gesproken, voordat ik van morgen uw zoontje uitzond lie?quot; Jutirouw Bardell kon slechts met een blik antwoorden. Lang had zij Pickwick op een eer-biediü\'en afstand gehuldigd, en nu zag zij zich op eens verheven tot eene hoogte, naar welke zij hare stoutste wenschen nauwelijks had durven opheffen. Pickwick wilde haar een huwelijks-voorstel dóen — had haar zoontje daarom met voordacht uitgezonden hoe bedachtzaam hoe kieseh! Wel.quot; zeide Pickwick, „wat dunkt u er van?quot; \'ch mynheer I \'ickwick 1quot; zeide juffrouw üar-lt;1\'11. bevende van ontroering,. try zijt al tegoed.quot; „Het zal u veel moeite besparen, niet waar!quot; i zc-idë Pickwick. ik heb nooit iets om moeite gegeven,quot; ; hernam juffrouw Bardell; „en ik zal dan na- I tmiiiijk nog meer moeite doen, om u genoegen P uevm. dan ooit; maar het is zoo goed van u, mynheer Pickwick, dat gij zooveel medelijden met mijne eenzaamheid hebt.quot; ,.Dat is waar,quot; zeide Pickwick „Daaraan had ik nog niet gedacht. Als ik in de stad lien, zult -ri.i altijd iemand tot gezelschap bij u hebben.quot; .. Ik zal eene zeer gelukkige vrouw zijn,quot; zeidi Jutfrouw Bardell. ..En uwe kleine jongen —quot; begon Pickwick, i ■ Aeh, die kleine lieveling lquot; snikte juffrouw Bardell met moederlijke teederheid. ■ Hij zal ook een speelmakker krijgen,quot; vervolgde Pickwick; „een vroolijken speelmakker, van wien hij in eene week meer guitenstreken zal loeren, dan anders in een geheel jaar.quot; Pickwick glimlachte vergenoegd. |
„O gij lieve.....quot; begon juffrouw Bardell. ; Pickwick keek verbaasd op, „O gij goede, lieve, | beste man!quot; riep juffrouw Bardell, terwijl zij opvloog, en zonder eenige nadere verklaring, met een vloed, van tranen, Pickwick om den hals viel, en hem in hare armen sloot. „Goede Hemel!quot; riep de verbaasde Pickwick uit, „Juffrouw Bardell lieve juffrouw i Hemel, wat zal ik beginnen! Bedenk toch laat toch staan, juffrouw — als er eens iemand kwam 1quot; O, laat komen maar wie wil!quot; riep juffrouw | Bardell schreiende. „Nooit zal ik u verlaten -I goede, brave, beste vriend!quot; Dit zeggende, sloot | zij hem nog vaster in hare armen. , De hemel sta mij bij!quot; riep Pickwick, die alle moeite deed om zich los temaken. „Ik hoor waarlijk iemand op de trap. Laat toch staan, juffrouw! laat staan! Maar zijn snieeken baatte niet; want juffrouw Bardell was in zijne armen flauw gevallen, en voordat hij tijd had gehad om haar op een stoel te zet ten, trad de jongeheer Bardell de kamer binnen, gevolgd door Tupman, Winkle en Stockwall. Pickwick stond als versteend en kon geen woord uitbrengen. Hij bleef met den lieven last in zijne armen|staan. en sfaardezijni- vrienden wezenloos in het gezicht, zonder hen te groeten, of hun eenige verklaringen te geven. Zij staarden op hunne beurt hem aan; en de jóhgeheer Bardell staarde op zijne beurt iederaan aan. De verbazing der Pickwickisten en de verlegenheid van Pickwick was zoo overstelpend, dut zij misschien zoo stokstijf zonden zijn blijven staan, totdat de juffrouw vauzelve weder was bijgekomen, indien haar jeugdig zoontje niet begonnen was op eene zeer aandoenlijke manier zijn ouderliefde aan den dag te leggen. Eerst was hij verbaasd en verlegen bij de deur blijven staan: maar langzamerhand begon hij zich te verbeelden dat Pickwick zijne moeder kwaad had gedaan; en zoodra hij zich hiervan overtuigd gevoelde, hief de knaap een erbarmelijk gehuil aan, rende op Pickwick toe, en begon dezen, zoo hard hij kon, te slaan, te schoppen en te knijpen. „Haal mij toch dien kleinen deugniet van het lijf\' riep de ontstelde Pickwick. „De jongen is razend.quot; „ Wat is er gebeurd?quot; vroegen de drie Pickwickisten tegelijk. „Weet ik het? hernam Pickwick bits. „Haal dien jongen van mij af!quot; Winkle vatte het belangwekkende knaapje by den kraag, en trok hem. in weerwil van zijn schrrruvven en tegenstribbelen, naar den anderen kant van het vertrek. „Help mij nu, om die vrouw naar beneden te brengen.quot; „Ik ben al beter,quot;zeidojuffrouw Bardell, met eene flauwe stem. „Laat mij u naar beneden helpen!quot; zeide de altijd galante Tupman. |
.SAMUEL PICKWICK.
|
„Dank li, mijn hoer 1 dank u!quot; zeide juffrouw Baidell, stuipachtig snikkende, en werd daarop met haar aanvallig- zoontje naar beneden ge-| bracht, „Ik kan maar niet begrijpen,quot; zeide Pickwick toen zijn vriend teruggekomen was, „ik kan waarlijk niet begrepen, wat die vrouw scheelt. Ik zeid\'i haar niets anders, dan datikvoorne-riHJtis was om voortaan een knecht te houden, en toen kreeg zij op eens dat zenuwtoeval, waarin gij haar gevonden hebt. Het is waarlijk onbegrijpelijk. hibegrijpelijk,quot; herhaalden zijne drie vrienden. ..Het bracht mij geweldig in vi rlegenheid,quot; vervolgde Pickwick. Zijne volgelingen kuchten en zagen elkander aan. Dit ontgin- Pickwick niet. Hij zau. dat zij hem niet geloofden, dat zij hein verdachtctj. „Kr staat een man in de gang te wachten,quot; zoide Tupman. „Dat is de knecht, waarvan ik sprak,quot;zeide Pickwick. „Ik had van morgen eene boodschap naar hem gezonden. Wees zoo goed om hem boven te roepen. Stock wall!quot; Stockwall deed wat hem verzocht was,en kort daarop trad Samuel Weller binnen. „Gij kent mij nog wel?quot; zeide Pickwick. . I \'at zou ik denken,quot; antwoordde. Sam, vrien-dei ijk knikkende. „Hene mooie grap was dat. Maar die lange was jelui drie- n toch te slim at\' he?quot; „Daar spreken wij nu niet van,quot; zeide Pickwick haastig. „Ik wilde u over iets anders onderhouden. Ua zitten,quot; „Met alle pleizier, mijnheer! zeidt Sani; en zonder verdere uitnoodiging af te wachten, nam hij op een stoel plaats, nadar hij e.-rst zijn ouden witten hoed op het portaal buiten de kamer had neergelegd. „Hij is niet goed genoeg mei r om te pronk te liggen, maar nog opperbest om te dragen,quot; zeide Sam. „Dat er een stuk van den rand af K maakt hem zooveel te lichter, en de gaten /.ijII goed voor de luchtigheid.quot; En Weller zag de verzamelde Pickwickisten met een vrien-deUiken glimlach aan. „Wat nu de zaak betreft, waarom ik. na overk - met deze hoei\'en, u heb laten roepen.. zeide Pickwick. .Kom er maai\' ruiterlijk men voor den dag, mijnheer!quot; viol Sam hein in de- rede; „ikb. n te spreken als een kind.quot; ., Wij verlangen, in de eerste plaats, te Weten,quot; vervolgde Pickwick, „of gij ook redetien hebt om met uw tegenwoordigon dienst, ontevreden te zijn.quot; „Voordat ik mij daarover uitlaat,\'mijne hee ren,quot; antwoordde Sam, „zou Ik, in de eerste plaats, wel willen weten, of gij mij een beteren kunt aan de hand doen,quot; Een straal van zachte menschenliefde scheen |
over de gelaatstrekken van Pickwick te spelen, toen hij zeide: „Ik zelf heb half en half lust om u te huren,quot; ..Meent gij dat?quot; vroeg Sam, Pickwick knikte. „Loon ?quot; vroeg Sam. „Twaalf pond \'s jaars,quot; antwoordde Pickwick. „Kleeren 1quot; „Twee pak.quot; „Werk?quot; „Mij bedienen, er: met mij en deze heeren reizen.quot; „Sla het bordje maar af,quot; zeide Sam met nadruk. „Het huis is al verhuurd, en de huur-ceel geteekend.quot; „Gij neemt dan dit accoord aan?quot; vroeg Pickwick. „Wel wis en zeker,quot; antwoordde Sam. „Als de kleeren mij maar half zoo goed passen als dat accoord, zal ik het er wel mee doen.quot;\' „Ik kan toch getuigen van u krijgen?quot; zeide Pickwick. „Daar hebt gij de waardin uit het Witte Hert maar naar te vragen, mijnheer!quot; antwoordde Sam. „Kunt gij van avond in dienst treden?quot; „Als de livrei klaar is. kan ik haar meteen aantrekken,quot; antwoordde Sam mor grootelevendigheid, „Kom van avond acht uur maar weerom,quot; zeide Pickwick. „Als ik goede getuigen krijg, dant kunt gij blijven.quot; Met de enkele uitzondering eener zeer verschoonbare onbezonnenheid, waaraan enn der dienstmeisjes evenveel schuld had gehad, was Samuel\'s gedrag zoo onberispelijk geweest, dat Pickwick niet aarzelde hem des avonds in dienst te nemen. Met de voortvarendheid, welke den buitengewonen man in al zijne bedrijven\' igen was, bracht hij zijn nieuwen knecht zonder uitstel naar een dier geriefelijke magazijnen, waar men een voorraad van nieuween halfsleten mans kleederen te koop vindt; en voordat do avond viel was Weller in een nieuw pak gestoken, bestaande in een grijzen rok met i\' C knoopen, een zwarten hoed met een kokarde, een vest met rood# streepen, een lichtbruine broek en slobkousen. en een aantal andere benoodigdheden, te veel om te vermelden, „Het zai mij eens benieuwen,quot; zeldiliU-man, die deze gedaanteverwiSHeling had ondergaan toen hij den volgenden morgen op de diligence naar Kata nswlll plaats nam, „watik nu eigenlijk worden zal: een heerenknecht, rijkhccht, jager of portier. Ik geloof, dat het zoo van alles wat. zal zijn. Xu dat doet er niet toe. Ik heb nn al vast eene pleizeirige reis, veel t zien en weinig te doen; en ik geloof dat ik. het daarbij vrij lang zal kunnen uithouden. |
71
|
XIII. EENIOE ItKHlrHTBX AASOAANDK UATA XSWI I, I.. DEN STAAT DEK I\'ARTME.\\ ALDAAR, EN DE VER-JdEZING VAN EEN PAHLEMEXTSLID, OM DIE OUDE VRIJHEIDLIEVENDE STAD TE VEETEGENW00RDIGEX. Wc willen rondborsti^bekennen, dat wij, voordat wij de papieren der Pickwick-Club t\'c lezen KicLU\'ii, nooit iets Viin l^a ta n s vvi 11 luidden ^e-hoord; en even gulhartig verklaren wi,i, dat wij tot nog\' toe vruchteloos naar bewijzen hebben gezocht, waaruit zou kunnen blijken, dat die stad werkelijk bestaat. Daar wij weten hoe volkomen men zich op alle berichten 011 optraven van den waarheidlievenden Pickwick kan veria-ten, en toch iu geene lijst en op geeno landkaart der graafschappen van Engeland den naam van Katanswill hebben kunnen vinden, ge-looven wij dat Pickwick zeker ui| kieschheid en zorgvuldigheid om toch niemand aanstoot te geven, een verdichten naam heeft gezet in plaats van den waren naam der stad, waarin hij getuiire was van de in hei vervolg van dit hoofdstuk beschreven voorvallen en tooneeleh. Dit vermoeden kiijgt veel grond door eene op zich zelve ■joiiiigv. maar in verband met andere zaken gewichtige omstandigheid, nameluk, dat wij quot;in het zakboekje van l\'ickwick eene aanteekening vinden, dat hij op de diligence naar Xorw ic ii plaatsen had genomen, maar dat deze aan teek e-ningnadlt;\'riiandisdoorge8chrapt,als\\vildohij zelfs di^ iicIliinu verbca\'gen, waarin desiatl gelegen is. ^ derhalve geene gissingen wagi .n maar zonder uitstel niet ons verhaal voortgaan; tevreden met de bouwstoffen, waarmede de\'daarin voorkoniendehoofdpersonenonshebbenyporzien. Hei blijkt dan, dat de bevolking van Eatans-will, geiyk die van ^ele andere kleine steden zich zelve voor uiterst gewichtig cn machtighield^ 1 ii dat. ieder inwoner, bewust van den invloed, w-elken zijn voorbeeld hebben moest, zich ver-phchr achtte, om zich met hart en ziel aan eene der twee groote partijen lo hechten, die de stad verdeelden deBlau\\\\lt; .Tidel-irnine,DeHlauwcn neten geene gelegenheid voorbijgaan om de Brui-nen, en dp pmineii om de Blauwen te dwars-boomen; en het gevolg daarvan was, dat,zoo elkander er hoiigi dikwijl op eene openbare plaats ontmeetten woorden^ ja somtijds slagen vielen. Bij deze oneenigheid is liet bijna overbodig te zeggen, dat men in Ka tan» wil\' 1 van alles eem-par tij zaak tnaak te, In dien de Briiinen eene nieuwe antaarn op de markt wilden hebben, hieliien de )laiivv( n bijlt; riikomsten, om zich tegon zulk ndn. nieuwigheid te verzetten; en wanneerde Blauwen het voorstel deden, om nog eene pomp in de 11 i g h-s tre i ■ t te zetten, stonden de Bruinen op als een eenig man om zulk een gruwel tekeer de Bruinen en de Blauwen |
te gaan. I\'lr waren Bruine winkels, en Blauwe ; winkels, liruine herbergen en Blauwe herbergen, | ja zelfs in do kerk had men Blauwe banken en Bruine banken. Het was natuurlijk zeer noodwendig, dat ieder j dezer machtige partijen haar orgaan en vertegenwoord iger had; ener werden dan ook twee nieuwsbladen in de stad uitgegeven, de Eatans w ill-(laze tte en de KatanswiIMndependent, waarvan het eerste de Blauwe beginselen voorstond. terwijl het tweede zich aan de Bruine had toegewijd. Het waren dagbladen van de echte soort, met hoofdartikels vol vuur en kracht, waarin de andere partij met onbezweken moed werd getrotseerd en aangevallen..,()nze nietswaardige tijdgenoote, de Gazet te,quot; — „dat schandelijke en latte blad, de Inde pe n d e n t,quot; -- „het leugen-achtige en gerneene gekrabbel van den 1 n d e n p e-dent.quot; het vuile schotschrift, de (laze tte,quot; met deze en dergelijke bittere uitdrukkingen waren de kolommen van elk nomnier dezer nieuwsbladen doorzaald,die de harten der inwoners met verrukking en verontwaardiging vervulden. Met zijne gewone schranderheid had Pickwick een bijzonder gelukkig tijdpunt uitgekozen om de stad te bezoeken. Nooit had men er nog zulk een kampstrijd gezien. Honourable Samuel Slunikey, van Slumkey-Hal 1. was decandi-daat der Blauwen ; en Hojatio Fizkin Esq., van 1\'i zk i n-Lo d ge, nabij Eatans w ill, was door zijne vrienden overgehaald, om de belangen der Bruinen voor te staan. DeG azet te waarschuwde de kiezers van Katanswill, datdeoogen, niet slechts van Engeland, maar van dege-hecdebeschaafde wereld,op hen gevestigd waren; en del hdependé nt vroeg op een zeer stouten toon of de kiesvergadering van Katannwill uit zulke edele mannen hestond, als hij altijd had gedacht ol in tegendeel uit lall\'e slaven, die den naam van Engelschen en de zegeningen der vrijheid onwaardig waren. Nooit had erzulk eene spanning en onrust in de stad geheersoht. Het was laat in een avond, toen l\'ickwick en zijne reisgenooten, door Sairt geholpen, van de imperiaal der diligence klommen. Groote blauwe vlaggen zwierden uit de vensters van het w apen van Katanswill, zou heete de herberg waarvoor zij afstapten en er waren biljetten tegendeil muur geplakt, welke het bericht behelsden,dat het, Slumkev\'s i\'omii\' aldaar dagelijks vergaderde, Ben hoop loegloopers had zicli op de straat verzameld en keek omhoog naar ei ui heer op het balkon, die, hoewel hij reeds zeer schor was, rnet zooveel vuur een redevoering ten gunste van den eandidaat -Slumkey uitschrelt;uivyde, dat zijn gezicht bloedrood werd; maar\'de kracht zijner bewijzen werd zeer verzwakt, door het on- : ophondelijk geroffel van vier groöte trommen., ■ welke het l\'izkin\'s Comité aan den hoek 1 der straat had glt; posteerd. Maast hem stond een j kort levendig mannetje, dat tusschenbeido zijn i |
, !
I
SA MU KL PICK WICK.
|
hoed afnam en het volk een teekeli gaf om hoezei\' t«- roepen, hetgeen het clan met zeer veel gccAstdrift deed, zoodat de schorre heer zijn doel evengoed scheen te bereiken, alsof iemand hem had kunnen verstaan. Xamvelijks waren de Pickwicki.sten afgestapt, of het volk hief een daverend gejuich aan, waarin terstond een tweede volkshoop,een weinig verder op de straat geposteerd, inviel n\\ ant hel,jan hagel behoeft volstrekt niet te weten waarom- het schreeuwt), zoodat de triomfkreet tot zulk een ontzettend triomfgeloei aangroeide, dat zelfs de .schort \' heer op het balkon tot zwijgen werd gebracht, Eindelijk kwam er stilte, „Xog eens!quot; riep de ceremoniemeester op het balkon. Het volk riep nog eens hoezee, alsof het longen van staal en kelen van koper had. „■-dumkey boven!quot; was de kreet. „Slumkey boven!quot; herhaalöe l\'ickwick, terwijl hij zijn hoed afnam, „fïeen f\'izkin!quot; klonk het daarop. „Neon, geen Fiskin!quot; riep Pickwick. «Hoezee!quot;\' Bn nogmaals volgde er i en gebrul, als van een gehe* le menagerie, wannoer do mand met vleesch wordt; biDnengebracht, •• Wie i-i Sluinke\\- vquot;\' vi \'!■ u\' quot;ruptnan fluistlt;-rend, „Ik weet het niet,quot; antwoordde Pickwick even zacht. ,.s:: Vraag niets meer. Bij zulke gelegenheden is hot altijd best. dat men doet wat hel volk doet,quot; „Maar als er nu (.ens twee hoepen volk zijn ?quot; merkte Stock wall aan. «Dan schreeuwt men met den grootsten hoop mee,quot; antwoordde Pickwick. Een geheel boekdeel had geen vollediger antwoord kunnen bevatten. /ij traden het hui-. Iiinnen, om, voor alle dingen, voor een nachtverdrijf te zorgen. „Kunnen wij hier bedden krijgen ?quot; vroeg Pie k-wick, toen hij een knecht zag. «Ik weet het niet, mijnheer!quot; antwoordde de man. „ik ben bang, dat er geene plaats meer is. Ik zal het gaan vragen.quot; Hij ging heen, maar kwam terstond terug, om te vragen of zij Klauw waren. Daar Pickwick in seen der beide eandidaten eenig belang stelde, was de vraag moeielijk te beantwoorden. Gelukkig viel hem zijn nieuwe vriend Perk- r in. „ Kent gij een heer die Pcrker heet ?quot; vroeg hij, „la wel, mijnheer! de zaakwaarnemer van den Honourable Samuel, slumkey.quot;\' „Hij is blauw, geloof Ik?quot; gt;\'a vvel. mijnheer!quot; „Dan zijn wij ook. Blauw,quot; hernam Pickwick; maar toen hij zag, dat de knecht na deze voorwaardelijke verklaring, hein nog twijfelachtig bleef aanzien gaf hij hem zijn kaartje, met ver* zoek om het terstond aan iliij nheer Per kor te over-iiandisen, indien deze daar in huis was. De knecht verwijderde zich, kwam spoedig terug, verzocht |
j Pickwick om hem te volgen, en ging vooruit naar een ruim vertrek op de eerste verdieping, waar Perker aan eene lange tafel vol boeken en papieren gezeten was. „Ha, mijnheer!quot; zeide Perker opstaande, „het doet mij genoegen u te zien. Ga zitten. (ïij hebt alzoo uw voornemen ten uitvoer gebracht, en zy t hiei gekomen om eene verkiezing bi,j te wonen he?quot; Pickwii k knikte. «Het is een heete kamp, mijnheer!quot; vervolgde Perker. Dat doet mij genoegen.quot; zeide Pickwick, in zijne handen wrijvende. „Ik ben een vriend van warme vaderlandsliefde op welke wijze die ook worde uitgedrukt. Het zal dan een heete kamp geven ?quot; „Dat zal het,quot; antwoord-- Perker. „Wij ; hebben al de herbergen en koffiehuizen aan onzen kant gekregen, om vry gelag te geven en onzen vijanden niets dan de bierkroegen overgelaten. ; Wat zegt gij van zulk een meesterlijken c o u p d\'etat — he?quot; Hij zotte een vergenoegd gezicht en nam een snuifje. „En de waarschijnlijke uitslag van dezen \\ kamp ?quot; begon Pickwick, „Is nog onzeker,quot; viel Perker hem in de rede; j „nog tamelijk onzeker. De troep van i\'izkin heeft ; drio en dertig kiezers in het koetshuis van het i W i 11 e He rt zitten,quot; „In het koetshuis?quot; riep Pickwich verwon- i derd uit. „Zij houden hen daar opgesloten totdat zij ; hen noodig hebben,quot; hernam Perker, ,,G ij begrijpt | wel, het is omdat wij niet bij hen zouden kunnen komen; maar al konden w ij dat, het zou ons I wei nig he 1 pen, want zij honden hen met voordach t smoordronken. Een knappe kerel, die zaakwaarnemer van I \'izkin zoo waar,een knappe kerel!quot; Pickwick sloeg een paar grooteoogen op, maar : zeide niets. „Wij hebben evenwel veel hoop,quot; vervolgde Perker, bijna fluisterend, „Gisteravond hebben wij hier een gezelschap op de thee gehad — vijf en veertig vrouwen, mijnheer! en bij het ; afscheid nemen hebben wij ieder eene groene parasol gegeven,quot; „Eene parasol? riep Pickwick uit, „.la, waarlijk, mijnheer! Vijf en veertig groene parasols, van zeven en een halven shilling hetst.uk. Alle vrouwen zijn op ietsmooisgesteld. Die parasols bobben ons veel goed gedaan al hare mannen en de\'helft van hare broeder» ge- | wonnen; kousen, flanel en al dat goed kunnen : , er niét bij halen. Dat is een inval van mij geweest, mijnheer! Het moge re genen, hagelen of mooi weer zijn, gij kunt geene straat ver gaan, zonder een half dozijn groene parasols te out-moi ten,quot; 1\'erker begon bartel ijk t o lachen, maa rbed vvong zich terstond, toen een derde binnentrad. Deze v as een lang mager man, met rosachtig |
KT DEN HKKl: POTT.
1 KKXXI.SMAKIXG J
|
blond haar on een gezicht waarin trotsche déf-I tigheid en ondoorgrondelijke diepzinnigheid om I den voorrang streden. Hij droeg een bruinen jas, ! een zwart lakensch vest en eene grijze broek. ; Een dubbele lorgnet hing aan een lint om zijn hals; en op zijn hoofd had hij een bijzonder lagen ! hoed met een breeden rand. Hij werd Pickwick i voorgesteld als mijnheer Pott, de redacteur der K a r a n s w i 11-G a z e 11e. Xa eenige vigt;orloopige aanmerkingen wendde Pott zich tot Piek wiek, on zeide met statige 11 ernst: „Deze kampstrijd maakt in de hoofdstad eene |
j ..dat ik de ontzettende macht, die in mijne han- { | den is geplaatst, nimmer heb misbruikt. 11c ver- j ; trouw, mijnheer I dat ik het edele werktuig, het- j welk door mij beheerd wordt, nooit heb gericht | tegen den heiligen schoot van het huiselijk leven, of de teedere borst der eer van een bijzonder persoon; ik vertrouw, mijnheer! dat ik mijne krachten heb aangewend om mijne nederige pogingen nederig wil ik die zelf noemen ter handhaving der beginselen van welke — zonder . . .quot; Daar de redacteur der E a t a n s w il 1-0 az e 11 e |
|
bijzondere belangstelling gaande; niet waar mijhheor?quot; „Ik geloof van ja, antwoorddf\' Pickwick. „Ik hel» alle reden om te denken,quot; hernam Pott, met een blik op Pc-rker, als riep hij dc/.en tot getuige, \' dat „mijn artikel van verleden zaterdag daartoe vrij wat heeft bijgedragen,quot; ..Ik t wijfel er niet aan,quot; zeide de kleine rechtsgeleerde, „De drukpers is een a.1 vermogend werktuig, mijnheerI zeide Pott. Pickwick verklaarde, dat hij doze meoningzijn bijval schonk, -Maar ik geloof, mijnheer 1 vervolgde Pott.quot; |
in ile war .scheen te raken, kwam Pickwick hora te hulp, \'Ti zoido: nVoorzeker, mijnlv-nr!quot; voorzeker.quot; „Kn laat mij ti mogen vragen, mijnheer,quot; hernam Pott, „als eon geheel onpartijdig persoon: hoe beschouwt men in Londen mijn strijd tegen den Independent?quot; „ Met i:le grootste belanstelling, zonder twijfel,quot; viel Pickwick hierop in, met een schalkscheu blik, die /.oker geheel toevallig was, ., Die strijd,quot; vervolgde Pott, „zal worden voortgezet, zoolang- ik mijne gezondheid en krachten en het nederige talent, dat ik mij vlei te bezit■ ten, behouden mag. Ik zal niet rusten mijnheer. |
74 SAMUEL
\'K.
|
al uing ook alles ten onderste boven, voordat ik mijn voet den Independent op den nek heb gezet. Ik zal geheel Engeland toonen, mijnheer, dat het volk zich op mij kan verlaten, dat ik het niet verzaak, en, wat iT ook gebeure. mijn vaderland in nood en dood getrouw bUif.quot; Uwe denkwijze is zeer edel, mijnheer!quot; zeide Pickwick, en drukt,e do hand van den heldhaf-tigen Pott. „Ik zie, dat: gij een man van verstand en smaak zijt, mijnheer! hernam Pott. „Het is mij een streelend genoegen, dat ik met zulk een man kennis hebt gemaakt.quot; „En ik.quot; antwoordde Pickwick, „reken mij ten hoogste vereerd door uwe gunstige meening. Wrgnn mij. mijnheer, u met mijne reisgenooten bekend te maken, de andere cörrespondeerende leden Ier club. waarvan ik mij den stichter mag : noemen.quot; ..Zeer gaarue.quot; zcidr- pott. Pickwick verwijderde zich, en kwam met zijne : drie vrienden terug, wel ke hij niet alllt;- behoorlijke plechtigheid aan den redacteur de Eatans-; wil i (iazer te vooistélde. „Maar, Pott,quot; /■ ide Perker eindelijk, „waar zullen onze vrienden nu blijven ?quot; „Wij zullen hier wel* kunnen logeeren, denk ik,quot; zeide Pickwkk, „Er is ueen bed meer over geen enkel.quot; „Daar valt mij iets in,quot; zeide Pott, „waar-; mede onze vrii-ndeu misschien t\'iielpen zijn, In de 1\'ai.vw hebben zij nog twee bedden; en wat mijne vrouw betreft, ik durf zeggen, dat zij mijn heer Pickwick en oen zijner vrienden met het greotsie genoegen zal logeeren, indien, de twee andere he ren zich in t den knecht, zoo goed het gaan wil, in de Pauw willen behelpen,quot; Nadat Pott verscheidene malen op dit voorstel had aangedrongen, en Pickwick even zoovele malen had verklaard, dat hij er niet ,ian denken kon om de beminnelijke mevrouw Pott den minsten overlast a an te doen begon men te begrijpen dat e!\' gi\'ene andere schikking :::egi |jjk i was Men ging derhalve tot dez.quot; over; eh nadat zij te zarnen in het Wapen van Eat a ns-w i II het middagmaal haddeti gebruikt, nanten I de vrienden afscheid van elkander, Tupman en stockwail begavi. u zich naar de pan w: en Pickwick en Winkle gingen met Pott naar huis, nadat zij hadden afgesproken, dat zij den volgenden morgen weder in het Wapen van E a tans will zouden hijeenkorpén, om met de processie van de Honour.! b I lt; Samuel sinnikev naar de plaats te trekken, waar de verkiezing zou gehouden worden. Het huisgezin van Pot^bestond-\'lechtsuif twee personen, hij zelf on zijne vemw Alle mannen . wier \'\'Mi! gêné hen tot e.-ne trotsche hoogte in de wereld heeft verheven, hebben doorgaans e.-nquot; kleine zwakh- i l. welke door liet e.mtra.st, dat zij met hunn- gewone gedragslijn vormt, des |
te sterker in betoog valt. Indien Pott eene zwakheid had, bestond zü daarin, dat hij zich een weinig al te geduldig aan de eenigszins eigenzinnige opperheerschappij zijner vrouw onderwierp, Wij zouden echter niet wel doen, wanneer wij aan deze omstandigheid eenig bijzonder gewicht hechtten, daar mevrouw Pott bij deze gelegenheid al hare lieftalligheid ten toon spreidde om de twee heetvn te ontvangen. Zij beantwoordde Pickwick\'s vaderlijken handdruk met betooverende vriendelijkheid, en Winkle\'s zwierige buiging met innemende bevalligheid. Wij moeten n duizendmaal om verschooning verzoeken, mevrouw,quot; zeide Pickwick, „dat wij u zoo overvallen.quot; „Spreek er niet van, wat ik u bidden mag!quot; i zeide mevrouw Pott zeer levendig. „Ik verzeker u, dat het een feest, voor mij is, als ik een nieuw gezicht zi \'; daar ik dag aan dag in dit vervelende huis zit, waar ik niemand te zien krijg.quot; „Niemand, vrouwtjelief?quot; zeide Pott schalk- ! ach tig. „Niémand dan u,quot; antwoordde mevrouw Pott , vinnig. ..(lij begrijpt, mijnheer Pickwick,quot; zeidlt; Pott, om de kracht zijner vrouw te verklaren, „dat j wi.j ons •.•enigermate vele genoegens moeten out- . zeggen, welk* wij anders zouden kunnen genie- | ten. Mijn stand als redacteur van deEatans- i wil 1lt; ■ aze tte, hei. aanzien dat dit blad heeft verworven, mijn gedurig worstelen in de draai- j kolk der staatkundige . . . .quot; „Luister eens Pott Iquot; viel zijne vrouw hein in de rede. „Wel vrouwtje?quot; zeide de redacteur. ..Ik had liever, dat gij over iets anders gingt spreken, waarin de heereu redelijkerwijze eenig | belang konden stollen.quot; „Maar hartjelief.quot; zeide Pott zeer nederig, ,,mijnheer Pickwick sb It, hierin belang.quot; „ik wén^ch erhemgelukmee,quot;Z\' ideim-vrouw Pott met nadruk. , Ik voor mij sterf haasl van verveling bij uwe staatkunde en uw geharrewar ni\'\'i den I n de p e n d n t en al die gekheid. Het verwondert mij waarlijk, dat gij met uwe zotheid zoo te koop loopt, \' „Maar vrouwtje,,,,quot; begon Pott. „Och, zwijg maarlquot; hernam zijne vrouw. Speelt gij • cart• . mijnheer?quot; „He: / il mij zeer aangenaam zijn het van u te |e. ren.quot; antwoordde Winkle. „ Kom, zet, dan dit tafeltje in den hoek, opdat wij niets meer van die ikeligestaatkundehooren.quot; „.lane!quot; zeidi Pott tegen de mei\'1, die liet licht idnuenbracht, „ga eens naar het kantoor, en haal mij het pak lt;; aze t. te van achtienhonderd acht • n twintig. Ik zal,quot; vervolgde de redacteur, zich tot: Pickwirk koerende. „Ik zal u eenseenige artikels voorlezen, die ik dat jaar heb geplaatst, toen de Bruinen een nieuwen tolbaas bij het. |
DE HEIDR EN MEVROUW POTT,
|
tolhek luw wilden aanstellen. Ik geloof, dat ze u wel zullen bevallen. Ik ben er zeor benieuwd naar,quot; zeide 1\'ichwiek. iïet pak werd gebracht, en de redacteur zette zich neder met Pickwick aan zijne zijde. Wij hebben in het zakboekje van Pickwick tevergeefs gezocht naar eeneinhoudsopgave van deze uitmuntende artikels. Wij hebben alle reden om te gelooven, dat de kracht en levendigheid van den stijl hem in verrukking brachten, vooral daar Winkle de omstandigheid heeft aangetee-kend, dat zijn geëerde voorganger het grootsti\' gedeelte van den tijd met gesloten oogen zat te luisteren. Het bericht, dat het avondmaal gereed was. deed de kaarten en de JSatans will-Gazette nederleggen. Mevrouw Pott was zeer opgeruimd en in tie beste luim. Winkle had haar reeds zoer gunstig voor zich ingenomen, en zij aarzelde niet hem in vertrouwen tij zeggen, dat zy Pickwick een zeer lief oud man vond. Het wax laat in den nacht — lang nadat Tupman en Stokwall in een afgelegen vertrekje van de Pauw in Slaap waren gevallen toen de twee vrienden zich ter rust begaven. Winkle sluimerde spoedig in, maar zijne ziel bleef wakker; en lang na dat de slaap zijne oogen had geloken, zweefde nog het gelaat van mevrouw Pott in den droom voor zijne verbeelding. Hoe romanesk zijne droomen ook wezen mochten, was echter hel rumoer, dat in den vroegen morgen een aanvang nam, meer dan voldoende om alle andere gedachti-n uit zijnr hersenen te verdrijven, behalve die aan de thans met rasse he schreden naderende verkiezing. Het geroffel van trommen, het schateren van trompetten, het geschreeuw van mannen en jongens en het trappelen van paarden weergalmde zoodra de dageraad aanbrak, door de woc-ligv straten, terwijl nu en dan een klein gevecht tusschen de voorposten der twee part ijen aan her tooneel eene aangename afwisseling bijzette. ..Wel, Sam!quot; zeide Pickwick, toen zijn knecht binnentrad; „alles in do weer vandaag, nietwaar?\'\' „Dat zou ik denken, mijnheer!quot;antwoordde ■Sam. ..Er staat zulk een hoop volk voor het Wapen van Eatans wil), dat rnen er bijna niet door kan komen, en allen zijn reedn sehoi\' van het schreeuwen.quot; ..\'/Ai schijnen dus y,i-or veel enthusiasmus tlt; bezitten,quot; merkte Pickwick aan. „(iruwelijk veel,quot; zei le .Sam. „Ik heb in mi,ju geheele leven nog nooit zoo zien eten en drinken. Het verwondert mij, dat zij er niet van barsten.quot; „Dat ligt aan de verkeerde mildheid van de fatsoenlijke piirger» hier,quot; zeide Pickwick. „Zeer waarschijnlijk,quot; hernam Sam droog...-. ..Hel schijnen fri-ssche, hartige kerels te zijn,quot; zeide Pickwick, terwijl hij uit het venster zag. „Prisch zijn ze zeker,quot;antwoordde Sarn. .,Ik |
en de twee knechts uit do Pa n w hebben al d( kiezers, die daar gisteravond gegeten hebben, 1 onder de pomp afgespoeld.quot; „De kiezers afgespoeld!quot; riep Pickwick nit. I ..Ja wel!quot; hernam de bediende. „Zij waren allen in slaap gevallen waar zij zaten; en wij I hebben hen van morgen één voorc-én opgenomen I en onder do pomp gehouden: zoodat zij nu frisch en wakker zijn. Het Comité gaf voordat karre-weitje een shilling het stuk. ..Is het mogelijk!quot; riep Pickwick vol verbazing uit. - Wel, mijnheer!quot; zeide Sarn, „waar komi gij vandaan, dat gij daarvan zoo verbaasd staat te i kijken! dat is nog niemendal.quot; „Niemendal?quot; herhaalde Pickwick. , Wel neen,quot; herhaalde zijn bediende. „Bij de laatste verkiezing hier heeft een dei\'partijen Ie i : butfetmeisje inliet Wapen van Eatanswill omgekocht, om s avonds vóór den laatsten dag - veertien kiezers, die daar \'logeerden 1 n hunne stem nog niet. hadden laten opschrijven, een beetje siaapgoed ill hunne punch te geven, Eu ■ waarachtig zij bleven slapt n. totdat de verkiezing al uren lang achter den rug was. Hunne partij wilde nog wat met hen probeeren, en bracht een van de veertien op een kruiwagen naar hetstem-huis. maar hij was niet wakkerte krijgen, en zi.i wilden hem niet opschrijven. Er zat dus niets anders op, dan hem weer weg te kruii-n en in zijn bed te leggen,quot; „Zonderlinge praktijken,quot; zeide Pickwick li df bij zich zeiven en halt tegen Sara. „ Niet half zoo zonderling mijnheer,quot; her na ai sani, „als iets, dat mijn eigen vader eens, tegen den tijd van eene verkiezing, hier in de stad, gebeurd is,quot; j „Wat was dat dan?quot; vroeg Pickwick. „Wel, zi idi-\' Sa 111, „hij reed toen op een dili- : g\'-nce tusschen hier en Londen; en toen d* tijd van de verkiquot;zin^ aankwam, huurde 1 en der . partijen de diligent\'! at\', om cone vracht kiezers van Eomlen te halen. Des jivonds voordat hij hen zou gaan iiaion, laat het (\'omité van (!lt; andere partij hem stilletjes roepen. Wat zou hij doen? Hij gaat. wordt binnen gelaten eene groote kamer eon boel heeren een oop boeken, papieren, en al dat tuig. „1 la, Weller,quot; zegt een oud hoor, die in den leuningstoel zat. „igt;1 ij dat ik u zie. Hot- vaart gij, vriend?quot; „Heel wol; dankje, mijnheer!quot; zogt tnijn vadia-, |)c- heeren ook wel?quot; „Dankje vriend!\'\'zegt ■ de oude heer „(la zitten, Weller,quot; .Mijn vader ging zit ten, en toen bleven hij en^jo oude hoor in ■ den leuningstoel elkander een poosje aankijken. „Herkentgij mij niet?quot; ze-t de oude heer. „Dat kan ik juist niet zeggen,quot; zegt mijn vader. .Ik ken u toch wel,quot; zogt hij; „ikhebual gekend, toen gij nogioo\'n kleine jongen waart.quot; „Ik ken ti toch niet,quot; zeurt mijn \\ ader. „Dat is raar,quot; zegt de oude heer. „Ik geloof, dat |
SAMUEL 1\'1GK WICK.
■ij -\'een goed geheuK.-n liebt, Woller!quot; ■ „Dat van Eatonswill, waar zij juist op hetoogen-
h-l/ik ook niet.quot; /,et?c mün varier, „Dat dacht blik aankwamen, toen een lid van hetSlutnkey\'s
ik wel,quot; zegt dè oude ht:lt;;r. Toen schenkt lui 1 comité bezig was een redevoering te houden
mijn vader een glas wijn in, en begint hem in voor een publiek van zes kleine jongens en een
de hoogte te steken over zijne knapheid in het meisje, die hij van tijd tot tijd met den titel van
rijden en praat zoolang, totdat hij mijn vader ; „mannen van Eatanswil T\'vereerde, waarop
in een e goede bui heeft; en op het laatst stopt alsdan de zes voorgenoemde kleine jongens een
hij hem een bankbriefje van twintig pond in de luid gélach aanhieven.
hand. „Is het niet een siechte weg, tusschen hier ()p het achterplein vertoonden zich een aantal
en Lo nden?quot; ze^t hij. „Ja,quot; zegt mijn va ler. , ondubbelzinnige bewijzen van de macht der
hier • vi daaris het een zware weu\'.quot; „N\'ooral Blauwt- partij. M- n zag daai een geheid Indi-
iiaar bij her kanaal geloof ik,quot; ze^\'t de oude leger van Blauwe vlaggen, sommige met één stok,
i heer. — „Dat is een leelijk eind,quot; zegt mijn vader. | andere met twee, doch alle met spreuken voor-
„War ik zeggen wil, Weller!quot; zegt de oude zien, welke in gouden letters van vier voet hoogte
het-r; ,.gii zilt \'\'en knap koetsier, en kunt alles te lezer, waren. Erwa.sook een troep muzikanten,
met uwe paarden doen wat ^ij maar wilt*, dat trompetters, horenblazeis en tioinmelslageis.
weten wij wel. Wij hóuden allen evenveel van u, vervolgens eenige constable»\') met Blauwe
WVllerl en d laroin, iir_ri1 v;11 uij eens een ongeluk staven, de twintigled\'.*n van fed cennite nier. lilau-
mocht krijgen, als\' gij met de kiezers hier naar we sjerpen, en een drom van kiezers met Blauwe
toe komt rijden, en zoo het eens gebeurde, dat kokardes Men zag er kiezers te paaid, en dito
zij in het kanaal gewipt werden, en zonder zich te voet; een open rijtuig met vier paarden voor
; evenwel te bezeeren, dan is dat voor u.quot; „Gij den Honourable Samuel Slumkey, en vier
zijt wel vriendelijk, heeren!quot; zegt mijn vader, rijtuigen met twee paarden voor zijne vrienden,
„i.aat mij nog eens op uwe gezondheid drin ken Iquot; De vlaggen wapperden, de muzikanten speelden,
Zoo gezeüd, zoo gedaan; toen hij zijn glas uit de constables vloekten, de leden van het co
li ad, knoopte hij zijn jas dicht én ging heen. mité keven, het gemeen schreeuwde, de paarden
.Zoudt uii tiet kunnen gelooven, mijnheer,quot; vefr steigerden, en dquot; postiljons zweettep van be-
voltrde Sam, terwijl hij zijn meester met koddig\' nauwdheid; en dat alles geschiedde enkel en
onh schaaindheid in het gezicht keek, „dat, alleen ter eere en ten dienste van den Ho nora-
juist op den dag toen hij met die kiezers aan- ble Samuel Slumkey van S lu in k ey 11 a 11, een
kwam. de diliü\'.-nee waarlijk net op die plek der candidater. voor de waardigheid van ver-
mu Wipte, en al de kiezers quot;in het kanaal tui- tegenwoordiger van het vlek Eatanswill
melden ? m het Lagerhuis des l\'arlernents van het Ver-
„Maar zij zijn er toch weder uitgehaald?quot; eenigde Koninkrijk.
vroeg Pickwick haastig. Luiden lang was het gejuich, en aandoenlijk
..Ik s/eloof,quot; antwoordde Sam zeer lantrzaam, het zwaaien eener vlag, waarop men „Vrijheid
.!;it ..f een oud heer ve rmist werd. Ik weet wel, van drukpersquot; las, toen het gemeen omlaag, het
dat /.ij zijn hoed vonden, maar ik ben er niet rosse hoofd van Bott voor een der vensreis ont-
zeker van, öl\'zijn hoofd er in zat. Maar wal ik dokte; maar hét geschreeuw werd nog veel ge-
raar vind. is het toevallige, dat de diligence net weldiger. toen Slumkey zei f, met kaplaarzen aan
op dien dag, en die. plek omviel, waarvan de en eene blauwe das om. te voorschijn kwam,
oude heer tegen mijn vader gesproken had.quot; den bovengenoemden l\'ott bij de hand greep,en
, Het ig inderdaad \'iets zeer zonderlings,quot; z.eide door eene roerende pantomime de menigte be-
Piekwick. Maar borstel mijn hoed wat af, Sam, ; duidde, hoe diep hij zijne verplichting aan de
want ik hoor mijnheer Winkle mij roepen om Ea, tans will Gazette gevoelde, ; te ontbijten.quot;
Met deze woorden ging l\'ickwick naar beneden.
waar hij in dquot; voorkamer le t ontbijt gereed en de familie reeds tiiji envond. Het ontbijt was spoedig a tgeloopen ■, de hoeden der heeren werden met groote blauwe kokarden versierd, welke mevrouw l\'ott eigen handig ver vaa i digd had; en daar Winkle zich had aangeboden om deze dame naar het dak van een huis,in de nabijheid va.n de hustings\') to geleiden begaven Pickwick en l\'ott zich met hun beiden na ir het Wa pen
ll I Vu stpllinre, niinrop, l\'ij verkiozingpn van iwrle-MientMU\'d.-n. a.\' il.\'eirtnj werky.im\'1 lienmhtrn. IxniBvens (Ie tiuliien htinne vrieti\'lcn, piaafa neiiwn, en van waar
i zij het volk aanspreken ViaiT. I) Constable* zijn politic-agenten.
„Is alles gereed? vroeg Slumkey, /acti Perker keerende.
„Alles, mijnheer!quot; antwoordde de rechtsgeleerde.
„Niets vergeten, hoop ik\'1quot;
,Niets; daar kunt gij u op verlaten. Aan de deur staan i win tig kerels met schoon ge wasschen knuisten, om u de hand te geven, en zes vrouwen, met kleine kinderen op den arm, om de wangen te streelen en te vragen hoe oud zij zijn, denk vooral om de kinderen, mijnheer! dat maakt altijd veel elfect,quot; Slumkey knikte,
„En misse,hien, mijnheer!quot; vervolgde de voor-iire rechtsgeleerde, „ik wil niet zeggen dat
HET VEHKIEZINGSTt lOXEKh
het volstrekt noodzakelijk is, maar iu.lien gij er toe kondt besluiten om een van de knidei en ih n kus te geven, zou het een geweldigen indruk op
1U Vou\'hot niét evengoed zijn. als iemand van het \'cnpiite dat deed?quot; vroeg Shunkry.
Ik vrees, dat gij daarmede me s zot.dt wm-neïi quot; antwoorddi\' l\'erker; „maar als g.i het zdf deedt, geloot ik dat het u zeer bemind zou
maken. ^ moet het maai. gebeuren,quot; zeide
slunikey. zijne schoudn-s ophalende.
Op uwe plaatsen in den tiem. nepui u twintig leden van het oom1!\'-.
onder het ge.unch der veizanu ld ) \' \'tu . begaven de tnuzikauten. de constables de U\'den van het comité, de kiezel a tt vlt;Ht quot;quot;f paard en de rijtuigen zich op hunne p.aatsen. Fik rijtuig met twee paarden werd volgepakt ! met zooveel heeren, als er slechts oveiemd in ! konden staan; dat waarin \'•\'erkemch bevond. ! bevntt»; Pickwick, Tupman, ^tockwall cn nor 1 een half\' dozijn leden van lier connie. 1 Hot was een oogenblik van piccht ige \\ i i w ai .1 tin» terwijl de trein stilstond, totdat Slumkrgt;
i het volk 1\'en geweUUg gejutch aan.
i Daar komt hij de deur mt, zeide letk. ,
; die zi er ongeduldig was gewordun, 1.\' meei j daar men uit het rijtuig met zien kon watei
Nogmaals juichte het volk, maar veel haul\'1 ■
.Hij heeft de mannen de hand gegeven, iel : de kleine rechtsgeleerde.
\\og een kreet geweldiger dan de vouse. ^ ■ Hij heeft de kinderen de wangen gesüeeld, zeide Perker, bevende van ongerustheid.
Hij heeft er een gekust, zeide 1 eikei, vei-genoegd in zijne handen wrijvende.
Ken tweede uitbarsting.
..Hij kust er nog een,quot; zeide de veiheiiüi •
zaakwaarnemer.
Kene derde uitbarsting Hij kust ze allemaal!quot; riep Perker 111 vei-rukkinquot; uit. En door het verdooveiid uejiuch der vorksmenigte begeleid, begon de trein zyn
t0Hoe en waardoor deze trein met den anderen vermengd gemakte, en hoeae verwarring welke
daaruit ontstond, wedi.a\' ,e^en
is iets. waarvan wij geene benchten km nc mededeelen, daar bij het begin van het tun,ul Pickwick met een Bruinen ylaggestok een shn, op ^jn hoofd kreeg, die hem zijn hoed over zijne oogen deed zakken. Hij vermeldi 11 zijn zakboekje, dat hij op eiuis een geweldig gedmu^ voelde, en, zonder te weten hoe, uit hlt; •
werd gelild; dat hy daarop zich aan a le kantel
voelde stooten en sleuren, en tocm ook me : ;
macht van zich afstiet, om zudi zijne onbek nde
vijanden zooveel mogelijk van betlijltohnudcn.
dat hij vervolgens eene trap werd opgedrongen, en toen hij eindelijk zijn hoed afnam,zag, dat hij in het midden zijner vrienden, gehee vooraan op den linkerkant van de hustings stond. De rechtervleugi 1 was voor de Bruine partij bestemd, en het midden voor den Mayor h en zijne ondergeschikte beambten; waarvan een \' de dikke omroeper van E a tans will - om stilte te gebieden, met eene geweldig groot» schel luiilde, terwiii Homtio l-is-kin en de Honourable Samuel gt;lumke.\\, met de hand op het hart en de uiterste minzaamheid, stonden te buigen vofr de woelendi . zee van hoofden, die onder hunne voeten srihh-n, en waaruit een verward gedrmsch. mt roepen, kermen, gillen, «uiten en juichen samengesteld, . opsteeg zooals een aardbeving met zou kunnen teweegbrengen, .. , ;
..Daar zit, Winkle,quot;/., i.leTupman,zim vriend
bij de mouw trekkende. , .. .. , ...
Waar?quot; vroeg Pickwick,terwijl hij zijn m ,
opzette, dien hij onder het tumult gelukknr in
zijn zak had geluid. |
\' Daarquot; zeide Tupman, ..daar boven op het dak - Kn waarlijk, daar zaten Winkh .1, me-; vrouw Pott, in de breede goot van een huis, zeer on hun gemak en een paar stoelen, en
wuifden met hunne zakdoeken, ten bli.jke dat zij hunne vrienden herkenden, we k compliment
Pickwick beantwoordde door de dame een handkus toe te werpen.
Kr was nog niets te doen, en daai In t jan hagel wanneer het niets n kijken heetr, alliju n rir eenige verstrooiing zoekt, en gaainegiap-pen maakt, was dit onschuldig bedrijf genoeg om den spotlust gaande te maken.
..o u-ij oude liefhebber\', riep eene stem. klikt gij nog naar meisjes?
quot; jiij zet zijn bril op, om naar eon getrouwde vrouw te kijken, riep een andei.
Ik heb al lang gezien, dat hij haai OO-j ■
toeknipte,quot; riep een derde.
J\'ott! pas op je wijf.quot; schreeuwde een Niei de; en daarop volgde een schaierend gi ku 1.
haar deze scliimpscheilten gepaard gingen met eenige hatelijke vergelijkingen tusschen den achtbaren l\'ickwick m een ouden bok niet si ij ve horens en andere dergelijke geestigheden, re deze gezegden bovendien de strekkmu iiau-d,,n om de eer eener deugdzame dame te bezwalken, voelde Pickwick zijne borst van \\- r-ontwaardiging zwellen; doch dewijl el jut» stilte werd geroepen, vergenoegde hij zk 11 nu r
i,,,, janhagel een blik toe n werpen waaruit meer medelijden dan gramschap sprak, hetgeen het gelach deed verdubbelen. , .
, Htiltelquot; riepen dedienaien van den Ma \\ ei. Whiflim, maak stilte!quot; zlt;-ide lt;le M agt;-oi, met oen aan zijne hoogi waardigheid pass
K.
1) Maynr liPteekcnt: IjnrgBtuooster.
S.\\ M I\' KI, PICKWKJK.
7.S
den ernst. De omroeper gehoorzaamde en luidde met zijne schol, w.iarop een deraansclioiiwers bclt;ron te roepen: „Warme broodjes: wanne broodje.s:quot; hetgeen een nieuw gelach veroor-j zaakte.
„Mijne heerenlquot; zeide de Mayor, zoo hard schreeuwende als hij kon. „Mijne heeregt;;i, kiezers van de stad Ea tans will! WU zyu he-I \'•©n byeengokomen, om een /ertegenwö- •rdij\'er te kiezen, in plaats van . . .
„Hier werd hij in de rede gevalen dooreene stem uit den hoop, die riep; Lane- leve de Mayor en de sptfkerfabriek, waarmij hij zyn geld gewonnen heeft!quot;
1 Deze toespeling op het beroep des i\'edönaars werd met een vreugdegejuich beantwoord, dat met het accompagnement van de sclK\'l, het overig-- der aanspraak onhoorbaar maakt e, met | uitzondering van de laatste woorden, waarin iiy de vergadering bedankte voor de geduldige aandacht, waarmede zij hem had aangehoord ^ | eene dankbetuiging, die eene nieuwe uitbarsting van vrooiijkheid veroorzaakte, welke bijna eene kwartieruurs duurde.
Daarop hield een lang en mager heer, niet : e(\'ne stijve witte das, nadat het gehoor hem verscheidene malen had toegeroepen, dat li(j een jongen naar huis moest zenden, om te v ragen of hij zyne stern ook onderzijn hoofdku.sse ji iuul laten liggen, eene aanspraak, waarin hij de vergadering verzocht, om een achtbaar en wa ardig man te benoemen, ten einde de stad in het i\'arlement te vertegenwoordigen; en toen hij vervolgens zeide, dat Horati» Fizkin daartoe de I i rechte man was, begonnen de Fizkiniste n zoo I \' geweldig te juichen, en de Slutnkeyanen zoo bard te (luiten, dat de redenaar wel een drink-i li\' ilje had kunnen zingen, in plaats van eene a inspraak te houden, zonder dat iemand eriets . van geweten had.
leen de vrienden van Horatia Fizkin limine beurt hadden gehad, kwam er aan den anderen kant van hustings een kort kregel man netje „ !n,jf rood gezicht voor den dag, omdekkWrs van i-, a t a n s w i 1 F •■n ander en voegzamer per-si.on viior :.■ stellen. Hij zou het zeer fraai hebben gemaakt, indien hij niet al te kregel was geweest om de grappen van het gehoor in het vriendelijke op te nemen, Ferst wilde hij de pe;sorien straffen die hem, naar zijnemeening, beleedigden; daarop wlhle hti eenige heeren^lFe met hem op de hustings stonden, uitdagen : en t\'Ti laatste zag bij zich door het geweldige tumult,genood zaak torn zijne aandoeningen lt;loor gebaren ie kennen te geven.en het woord aan zijn plaatsvervanger af te staan, die eene ge-schiewne aanspraak van een half uur voorlas!, en niet wilde uitscheiden voordat hij aan het\' eind was gekomen, omdat hij de gelieole rede-vatering reeds naar de drukkerij van de 1-]ata ns w i 11 (; a/et te had gezonden.
Daarop kwam Horatio Fizkin te voorschijn quot;in de kiezers van Fatanswill aan te spreken; maar nauwelijks had hij eenige woorden uitgebracht, cd het maziékkorps der Slumkeyanen begon zoo geweldig te blazen en te trommelen, dat, de kracht, die zij des morgers ontwikkeld hadden, bij deze vergeleken, slechts kinderspel wa s. Lot dank hiervoor begonnen de Bruinen met vuisten, knuppels en vlaggestokken op de Blauwen los te slaan; waartegen de Blauwen door daden het voornemen aan den dag legden, om hunne lastige buren, de Bruinen, geheel te verdrijven; en dat was het. begin van eene duchtige kloppartij, die een geruinien tijd voortduurde daar het volstrekt niets hielp, dat de Mayor zijn twaalf constables beval, om de belhamels, die nagenoeg tweehonderd en viiftig in getal waren, in hecht-nis !■ nemen. Al deze tegenspoed maakte Horatio Fizkin en zijne vrienden del en razend, zoodat Fizkin eindelijk zijn mededinger siumkey ging vragen, ofdemuzikanten op zijn last speelden. Slumkey weigerde eenigant-
woord op deze vraag te geven, en dit maakte Fizkin zoo driftig, dat hij Slumkey zijne vuist voor •leu neus hield, waarop Slumkey hem dadelijk eene uitdaging naar het hoofd wierp, en op leven en dood met hem wildednëlleeren. Deze schennis van alle regelen en gebruiken deed den May o r \' ngt;schenbeide komen, die bevel gaf om eene fantasie op de schel te spelen, en verklaarde dat hij l izkm en slumkey beide zou laten dagvaarden en borg stellen, dat zij zich van alle geweld-l dadigheden zouden onthouden. Op dit dreigement kuamen d• voorstellen dercandidaten tusschon-en nadat de vrienden der twee partijen
omtrent een uur lang paaraan paar metelkander
li.id\'lt n staan : vvi.sten, nam Fizkin zijn hoed voor s .umke\\. en Slumkey den zijnen voor Fizkin af, hu-Men de muzikanten op, kwam het volk • •eiii\'.vnnate tot rust, en kon Fizkin met zijne redevoering voortgaan.
i\'e aanspraken der tweecandidaten, in andere opzichten zeer verschillend, kwamen echter in \'• n pimt metelkanderovereen, namelijk daarin dat zijden verdiensten der kiezers van Eatans- j wiil do eerbiedigste hulde bewezen, teder ver- ! klaarde volmondig, dat. er in degeheele wereld : geen verstandiger, edeldenkender. rechtschapé-\'1 ei. onbaatzuchtiger mannen te vinden waren dan zij, die beloofd hadden voor hen testemmen,\' en beide gaven f evens eehigszins bedekthun ver- 1 moeden te kennen, da t de kiezers van de andere partij zeker vrij schandelijke gebreken hadden, die lieu voor de uitoefening hunner gewichtige werkzaamheden vol komen ongeschikt maak ten. Hz\'.-in verklaarde dat hü gereed was om alles te doen wat men verlangde, en Slumkey, dat hij besloten had niets te doen dan al wat ïnen van h ii verderde. Doch beiden zeiden, dat niets op de wereld hun zoozeer ter harte ging, als de
neiingen, fabrieken, handel en bloei van Fa tan s-
|
IN DH will. Ieder spreker besloot met de verzekering, dat hij in zijne ziel overtuigd was, dat niemand i anders dan hij zou gekozen worden. Do handen werden opgestoken : en de M a y o r verklaarde, dat de Honourable Samuel Slurakey van Slumkey-Hall door de meer-dorheid verkozen was. i-\'i/.kin kwam tegen dgt;f.e [ beslissing op, en eischte dat er oene stemlijst zou wordenopgemaakt, waartoe dan ook besloten werd. Daarop betuigde een der aanwezige re-i geeringsleden den Mayor uit naam der vergadering. zijn dank voor de bekwaamheid, waar-| mede hij de werkzaamheden had bestuurd; voor welke dankbetuiging de Mayor wederom zeer ne-! derig zijn dank betuigde, zonder er van te gewagen, dat de vergadering zich niet het minste aan ! hem en zijn bestuur had gelieven te storen. Zoo lang het stemmenopsdirijven duurde, ver-! keerde de stad in eene koortsachtige spanning. 1 Alle beroepen werden op de onbaatzuchtigste | en vriendsehappelijkste manier uitgeoefend. In alle herbergen waren allerlei geestrijke dranken ! omniet te bekomen, en in alle straten reden wagens op en neer, ten dienste van die stem-; gerechtigden, die plotseling door eene duizeling werden overvallen — eene epedemie, welke in : die dagen op eene ontzettende wijze onder de kiezers heerschte,, en waardoor zij dikwijls be-[ .vusteloos op de stoepen bleven liggen. Een klein hoopje kiezers wachtte tot den laatsten dag, voordat zij hunne stemmen lieten opschrijven. Het waren nadenkende, nauwkeurig berekenende j mannen, die nog niet door de bewijsvoeringen van eene der beide partijen overtuigd waren, | hoewel zij verarbeidene malen met beide hadden onderhandeld. Een uur vnór het sluiten van de ; stemlijst, verzocht Perker de eer te mogen hebben, om deze verstandige, edele vaderlands-; bevende mannen nog eens afzonderlijk te spre ken. Zijn verzoek werd ingewilligd. Zijne bewijsvoeringen waren kort, maar bondig. De kiezers gingeil en corps om hunne steramen te laten opschrijven: en kort daarop hoorde | men, dat de Honourable Samuel Slumkey van s 1 u m k e y-H a 11 door de meerderheid gekozen was. V. BHVArn-::;i;E-\'hf.nk kobtk Bigt;ciii!i.ivixlt;i v.\\.\\ BET OKZELSCB Al\', VKIiO ADEKD I ,\\ DE PACW,quot; EN KKNK VERTiOT.I.INO VAN DEN M A N D E1, S K K : Z11 i E1!. Na het beschouwen van den strijd en de woelingen op staatkundig gebied is het aang\'--iiaam terug te keeren tot de vreedzame r ist van bet huisi ljjke leven. Hoewel Pickwick v er kelyk geen der beide partijen ijverig aanhina-, • |
PAUW. 79 was hij toch door de geestdrift van Pott genoeg aangevuurd om zijn geheelen tijd en zijne geheele opmerkzaamheid te wijden aan de handelingen, waarvan liet laatste hoofdstuk eene beschrijving geeft, getrokken uit zijne eigene aanteekcningen. Terwijl hij aldus bezig was, zat Winkle ook niet stil, daar hij al zijn tijd doorbracht met aangename wandelingen en korte landelijke uitstapjes met Mevrouw Pott, die nooit naliet, wanneer zich eene gelegenheid aanbood, eenige ontheffing te zoeken van de vervelende eentonigheid, waarover zij voortdurend klaagde Daar die twee heeren dus geheel thuis waren bij den Redacteur, zagen zich Tupman en Stock wall grootendeels aan hun eigen lot overgelaten. Daar zij slechts weinig belang stelden in openbare zaken, brachten zij hun tijd hoofdzakelijk door met de vermaken, die de Pauw opleverde en die zich bepaalden tot een Amerikaansch billard op de eerste verdieping en eene kegelbaan achter op do binnenplaats. In de kennis en de fijnheden dezer beide spelen, die veel minder voor de hand liggen, dan gewone menschen yerondersiejlen, werden zij langzamerhand ingewijd door quot;Weller, die in zulke spelen een eerste meester was. Zoo konden zij. niettegenstaande zij grootendeels beroofd waren van de gezelligheid en het voordeel van Pickwick\'s gezelschap, toch hun tijd zoek brengen en maken, dat zij zich niet verveelden, \'s Avonds echter had de Pauw aanlokkelijkheden, die de twee vrienden in staat stelden zelfs de uitnoodigingen te weerstaan van den begaafden, hoewel prozaisc.heu Pott. Alsdan was de gelag-kamer gevuld met een ge-zelligen kring van lieden wier karakters en manieren Tupman met genoegen opmerkte; wier gezegden en handelingen Htockwall gewoon was op te teekenen. De meeste menschen weten, wat voor-plaatsen gelag-kamers gewoonlijk zijn. Die van de l\'auw verscbilde niet aanmerkelijk van de meeste dier vertrekken; dat wil zeggen, het was eene groote ongezellige kamer, waarvan de meubels hun besten tijd gehad hadden, met eene groote tafel in het midden en verschillende kleinere in de hoeken; eene ruime sortee-rinur stoelen van verschillende gedaante, en een oud Smyrnaasch tapijt, dat met de kamer vergeleken bijna even groot was als een dames-zakdoek met betrekking tot den vloer van een wachthuisje. De muren waren versierd meteen paar grooh kaarten; en verscheidene afgedra gen mme overjassen met verfrommelde kragen, hingen aan een langen kapstok in een hoek. De se,boorsteen mantel was versierd met een houten inktkoker, bevattende een stukje van eene pen en een halven ouwel, een reisgids en een adresboek, eene geschiedenis van het graafschap en het stoffelijk overschot van eene |
80
|
f\'iivl in eon u\'!az\'\'n doodkist. De lucht was tceu-ri. van den tabaksrook, wiens wolken (.\'en tamelijk vuile tint hadden medegedeeld aan de geheele kamer en voótal aan de stofferige roode gordijnen voor dquot; vensters. Op het buffet lagen of stonden eene menigte verschillende artikelen dooreen, waarvan \' enige sterk aangeslagen olie- en azijnfleschjes, - en paar koet-siersbokken. twee of drie zweepen een gelijk g\'-tal reisdekens, een blaadje nier messen en vorken en de mostaard het meest in het oog vielen. Hier /.aten Tupman en s ockwall \'savonds 1 na het eindt- der verkiezing met verscheidene j andere tijdelijk-} huisgenooten, te rookénente drinken. .Komaan! heersrii.ippen,quot; zeide een dik gezond persoon van ongeveer veertig Jaar, met slechts ■ .\'-li oog een zeer zwart oog, dat schitterde niet e.\'ne se hel r .sche uitdrukking van scherts --n goede luim ; .op onze eigen edele persoontjes, heerschappen. Dien toast stel ik altijd Het uvzelschap v .or en drink zelf op Marv. Is niet Maryquot;\' „(ia weg. \' ilendeling.quot; zei het dienstmeisje, t .ch klaarblijkelijk niet weinig gestreeld door he compliment. ..\'ia ni\'-t heen. .Mary.-\' Z\'-i de zwart-.o^iae ma .1. .Laat me met rust,onbeschaamde vent,quot;zeide jonge dame. ..Wach; ma r. \' Z\'-i de ■ - iio-.g;g. rnan, het melsie achterna roepend.-, terwijl zij de kamer uitging; ik zal er strak zelfs eens uitkomen, Marv. Houd je maar góed, mijn waarde.quot; .\\u v-.ll.rachi hij de niet /.eer moeilijke handeling van te knip .gen tot het gezelschap met zijn eenigen kijker tol het onuitsprekelijke genoegen van e.-n bejaard persoontje met een vuil gezicht en ..-en iarden pi, p. .Gekke sidieps.3ls, die vrouwen,quot;zei d- rnan niet het vuile gezicht na - ene pauze. „Dat is maar al te waar,quot; zei een man met een\'- vuurroode kleur achter zijn sigaar. Na -lit w.-iiiigj-- philosophe.-ren ontstond er weder ei-ne paUZe. „Toch ziiii i.-r gekkere dingen dan vrouwen in de wereld, bed--nk dat wel,quot; zei de man met het zwart.- oog, terwijl hij eene lange («ondsche pijp me: .-en zeer grooten kop stopte. „Zijt ge getrouwd?quot; vroeg de man met het vuile gezicht. ..Daar kan ik geen ja op Z\'-gg\'-n.quot; Dat dacht ik wel.quot; Hier werd de man mot het vuile gezicht uitgelaten van vroolijkheid over zijn.- eigen woorden, terwijl een man met - en- zoetsappige stom en zachtzinnig gelaat, di. altijd gaarne met iedereen overeenstemde, in die vroolijkheid deelde. ..Op de kep.-r b\'-scliouwd. zijn de vrouwen een groote steun en groot gemak in ons leven, heeren,quot; zei de dweepzieke Stockwall. |
..Dat zijn zij,quot; zei de zachtzinnige man. ,. Wanneer zij goed geluimd zijn,quot; viel de man met het vuile gezicht in. „Dat is ook zeer waar,quot; zei de zachtzinnige. ,Ik verwerp die beperking,quot; zei Stockwall ! wiens gedachten zich snel op Emily Wardle richtten. ..Ik verwerp ze met verachting — met verontwaardiging. Toon mij den man, die iets heeft in te brengen tegen de vrouwen, in hunne i hoed migheid als vrouwen, en ik verklaar stoutmoedig. dat hij gc-n man is.-\' Zoo zeggende, nam Stockwall zijne sigaar uit den mond en sloeg hard met de vuist op de tafel. ..Dat is eene flinke en gezónde redeneering,quot; zei de zachtzinnige man. ..Die eene stelling bevat, waarvan ik de waarheid ontken,quot; zei die met het\' vuile gezicht. -Kb er is voorzeker ook veel waars in hetgeen gij opmerkt,quot; zei de zachtzinnige heer. Op üwe g.-zondheid, mijn lieer,quot; zei de reiziger niet hot eene oog, terwijl hij Stockwall goedkeurend toeknikte. Stock wall bean tw-.ordde het compliment. ..Ik hoor altijd gaarne eene goede redenee-ring. ging de reiziger voort, .,eenescherpzinnlge, zooals deze; het is zeer leerrijk: Maar deze kleine redetwist over vrouwen deed mij denken aan een verhaal, dat ik een ouden oom heb hoeren vertellen en daarom zeide ik zoo even da,i men soms gekker-- dingen kan aantreffen dan vrouwen.quot; .Dat verhaal zou ik wel eens willen hooronquot; ziquot; de roode man met de sigaar. Zoo?- was het eenige antwoord van den reiziger, die voortging met hevige trekken te roeken. .Ik ook,-\' zei Tupman, die voor het eerst | sprak. Hij was altijd begeerig zijn voorraad ervaring te vermeerderen. „tiij ook? Welnu, dan zal ik het vertellen. Neen, ik doe li- t niet. Ik weet, dat gij het niet gelooven zondt,quot; zei de man met het schelms.-he oog, terwijl hij aan dat zintuig eene schelm--\'■hef uitdrukking gaf dan ooit. ..Wanneer gij zegt dat hef. waar is, zal ik hei natuurlijk gelooven,quot; zei Tupman. jioed. onder die voorwaarde zal ik het vertellen,quot; antwoordde d- reiziger. „Hebt gij ooit gehoord van het groote handelshuis van Bilson en slum ? Maar dat komt er ook niet op aan, omdat zij al lang hunne zaak aan kant gedaan hebben H\'-t is tachtig jaren geleden, sedert \' de gebeurtenis plaats had met oen reiziger voor j dat huis. maar hij was een vertrouwd vriend van mijn oom; en mijn oom vertelde het voor- ; val aan mij. Hel. is eene rare naam: maarhij placht het te noemen: Het Verhaal van den Reiziger en het ongeveer op deze wijze te vertellen: |
|
Op een winteravond, omstreeks vijf uur. juist toen het donker begon te worden, had men een man in eene sjcrs kunnen zien, zijn at\'geiuat pnard aandrijvende, op den weg, die over Marl-borough Downs naar Bristol leidt. Ik zeg, dat men hem had kunnen zien en twijfel niet, dat men hem gezien had, indien iemand, een blinde uitgezonderd, toevallig langs dien weg gekomen was; maar lier. weer was zoo slecht en de avond zoo koud en nat. dat alleen liet water uit was, en onze reiziger vrij eenzaam en treu-81 |
niemand er iets van; en zoo gingen Tom Smart en zijne bruingele sjees met de roode wielen en de koppige, snelloopende merrie samen voort, terwijl zij het geheim voor zich hielden en niemand er een zier van te weten kwam. Mr zijn verscheidene aangenamer plaatsen dan Marlborciigh Downs, wanneer het hard waait: zelts in deze akelige wereld; en wanneer gij bovendien oen somberen winteravond uitkiest, een doorwiekten, modderigen .weg en een kletterenden regen er bij hebt en in eigen pèr- IN l!Elt; i EN KN WIND. |
- midden op den weg voortsukkelde. Indien soon er een de tiro\'T van nceint /ult i di
-n ot andere handelsreiziger uit dien tijd de volle kracht van d-zo ..pm-rkinu l-Vóele»
vi\'ine halsbiekende soort van sjees met een De wind blies, niet dm ol\'-ir ......... I
)fffpnBtriKw«; rS ie ....... bleien.öu 4e kót*- dat erg gonoeg is, maar dwars er ovèr heen
\' ; tsimiage, vluug\'\'. ka,-;iiinjobriiine morri.-. terwijl hij den re-en eene sctiuine rieliliiiquot;- \' if\'
e-ers; /nl V\'\'I- lUn-,,, welke men op seluiol\'
■ , . ..o,,.,, , ..... quot; -• igii\'-n, VkeiKf men Uil se looi
, - ispaaid en een pony van de twee pennv in de schrijfboeken placht te irekken I.m den
■ ■ • i .el gezien, zou lui dadelyk gewetemhéle jongens de juiste richting der letti\'i- em ...
\'ll0 razi«c\'1\' niemand anders was dan geven. Voor een Oicenhlik lie |-ni\'.|e wi l
lumo^in \'\'a g?0^,hui® van nil80«equot; 6ens en verkeerde de reiniger in het bedr \'geUjk
•\' m ivr n\' ■ \' r er ec :ei dat de wind, ultgepiit doorvorig*
t.andelsiei/.ige, was, die hem zag, wist woede, zich stil 1.t ruste had la-e\'ve,,. W;l„.
1)1\' K l NS, ,S.\\MI I I PiewwiCK.
SAMUUL Pit KW [CIC.
8-2
|
neer Ikm-ot-oe .... hij zich wser huilond en fluitend in de verte tiooren deed, nüschend over de heuveltoppi 11 naderde, langs de vlakte streek en aun gi-raas en kracht toenam, totdat li\\j met een t\'orsclien stoot tegen man en paard aanwoei, hun den scherpen regen in deooren dreid\' en merg rn been met zijn konden adem doordrong; om eindelijk met .-•en oorverdopvend treraaa tot op verren, verren afstand langs hen lieen ti gieren, alsot hij hunne /.wakheid bespotte en zegevierde in het bewustzijn zijner eigen macht en sterkte. De kastan.jfbruine merrie plaste voort door dik en dun, met hangende ooren, nu en d in haar kop omhoog werpende, als om haar niis-noegen uit t- drukken over dit zeeronheusch gedrag der elementen, maar niettemin den pas êr _i.icd inhoudende, totdat een windvlaair, heviger dan een te voren haar plotseling stilstaan en haar pooten stevig op den grond deed zetten, om te verhinder--n dat zij omverw-jei. Het was bijzonder goed van haar, dat zij dit deed want indien zij omg- waaid was. zoud-n zij en Tom smart zekerlijk zijn voortgerold, totdat zii het eindje der w- reld hadden bereikt ol de wind bedaard was, zoo licht was de kribbige merrie, zoo licht was de sjees •■n zulk een klein newicht had Tom smart; en in beide m»«vallen is het waarschijnlijk, dat noch de kribbig-\' merrie noch de bruingele sjees met ,1.« ronde wielen, noch Tom Smart ooit weer g.-schikt voor den dienst waren «reweest. „Wel, wel. de duivel hale me,quot; zei Tom smart -die soms een leelijke manier van vloeken hadt, ..de duivel hale m-. als dit ni- t plei-zierig is waai maar op\'.quot; Oi; zult mij zeer waarschijnlijk vragen, waar-« m Tom Smart, die al genoeg doorgewaaid was. den wensch uitte, nog eens dezelfde han-dvlinit te ondergaan. Dat kan ik niet zeggen; al wat ik weet is. dat Tom smart het deed, of •«■n minste, dat hij altijd mijn oom vertelde, dat hij het deed, »11 dat komt juist op hetzelfde ii\'-er. „Waai maar op.quot; zei Tom Smart; en de men;-« hinniktquot;, alsof zij juist van dezelfde ; meening vvas. ,, Mo-l gehouden, oudje,quot; zei Tom, terwijl hij , 1, nK«M-ie \'-p den hals klopte met het eind v«ii zijne /.we Woon te reizen op zulk een avond iis dezen is niet te doen; wij zullen onzen intrek rn-men in het eerste huis, waar wij aank-e men, «n dus hoe -;■ e 1.«r -e gaat, hoe eerder het -\'• laan is. H« i)a, ou-li-\'. zachtjes, zacht |
of -ie k\' pp;-\'\' m- rrie voldoende bekend was nu \' den klank van Toms stem om zijn- he-d-e dng begt.ipen, dan wel, ot zij het k-)ude! vond, wanB\'-i zij stilstond dan wanneer zij voortliep kan ik\'natuurlijk niet zeggen. We; kan ik zeggen, dat T-un nauwelijks uitgesproken had, of zij spitste de ooren en schoot vooruit met eene snelheid, die de sjees deed rammelen, dat gij gemeend zoudt he/bben, dat alle mode spaken over het veen van Marlborough Downs zouden zyn gevlogen; en zelfs Tom, een goed ; postiljon als hij was, kon haar met tot staan brengen of den pas doen inhouden, to.dat zij vanzelf stilhield voor een-- herberg aan den rechterkant van don weg, ongeveer drie minuten van het einde der Downs, Torn wierp een luuistiiren Mik op het bovcusto gedeelte van het huis, terwijl hü den stalknecht de teugels toewierp en de zweep in den bok stak. Het was een vreemd oud gebouw, gemaakt van planken, doorschoten met dwarsbalken, met spitse ver vooruitstekende v enstei s, een-\' lage deur met een donker voorportaal . een paar hooge in het huis afdalend-1 tiap- j pt«n in plaats van het half dozijn hedendaag-sche. lage, naar het hui- opklimmende. Toch zag de herberg er gezellig uit, want er stond een sterk, vroolijk\'licht voor het venster dei-gelagkamer. dat een helderen straal over den wegquot; zond en zelfs de heg aan den overkant verlichtte; ook scheen er een rood flikkerend licht door e- n ander venster nu eens nauw merkbaar, dan weer sterk schitterende door de opeugesehoven gordijnen, hetge- n-leed denken aan een vroolijk vuur van binnen. Terwijl Tom deze kleine kente-kenen opmerkte met het oog van een ervaren reiziger, steeg hij af met zooveel vlugheid, als zijne halfbevroren ledematen toelieten, en ging het huis binnen, In minder dan vijf minuten had Tom zi-Ti verscholen in het vertrek tegenover de gelagkamer dezelfde kamer, waar hij meende, dat het vuur brandde - voor een flink, degelijk knappend vuur, terende op iets minder dan een schepel kolen, --n hout genoeg om er een halt dozijn fatsoenlijk\'\' kruisbessenstruiken van te maken, opgestapeld tot halverwege den schoor-st- eu en knappend en knetterend met een geluid. dat reeds elk redelijk mensch tot in zijn binnenste zou hebben verwarmd. Dit was gezellig, maar nog niet alles, want een knap ge-kleed meisje met heldere oogen en sierlijke enkels, lei een zeer helder, wit laken op de tafel; \'en terwijl Toni met zijne gepantoffelde voeten op het haardscherm -n zijn rug naaide geopende deur zat, zag hij in don spiegel boven den schoorsteenmantel een bekooilijk vergezicht van d- gelagkamer, met heerlijke rijen groene llesschen met gouden etiketten, in gezelschap van llesschen ingemaakt goed en gekonfi jte vruchten, kazen, gekookte hammen en stukken rundvl-es-th, zoo aanlokkelijk en he- ilijk mogelijk op schappen gerangschikt. Nu. dat was ook gezellig, maar zelfs dat vvas nog niet alles: want in de gelagkamer zat voorliet helderste vuurtje en aan le t keurigste tal- it.:e. dat men bedenken kan eene opgeruimde we- |
GEZELLIG G EHUIfSVKsT.
S3
|
cl uwe van ongeveer achtenveertig jaar thee te drinken. Zij liad oen even gezellig uiterlijk als de gt lugkainer en was klaarblijkelijk de vrouw des huizes en de eigenares van al die heerlijke bezittingen. Er was slechts l óne schaduwzijde aan de schoonheid van het geheele tafereel; een lange man — een zeer lange man — met i-ene bruine jas en glimmende opengewerkte knoopen, zwarte.bakkebaarden en golvend zwart haar, die aan de thee zat met de weduwe en, zooais men gemakkelijk kon opmerken, mooi op weg was haar over te halen niet langer weduwe te blijven, maar aan hem het voorrecht te verlecnen in die gelagkamer te mogen zitten gedurende de overige dagen zijns levens. Tom Smart was geenszins wrevelig of afgunstig van aard, maar de man met de bruine I Jas en de glimmende opengewerkte knoopen wekte op eerie of andere manier de kwaadaar-| digheid op, die Tom in zijn gestel had, en maakte, dat hij zich zeer verontwaardigd ge-voelde; te meer, daar hij nu en dan van zijne plaats voor den spiegel zekere teedere vertrou-weiykheden kon opmerken tusschen den langen man en de weduwe, hetgeen duidelijk genoeg aanwees, dat hij even hoog in haar gunst stond I als hij lang was. Tom hield van heete punch ik durf zeggen hij hield er zeer veel van — en nadat hij gezorgd had, dat de kribbige merrie goed voer en goed strooisel had, en hij het lekkere, heete maaltje, dat de weduwe eigenhandig voor hem luid klaargemaakt, tot het laatste stukje toe had opgegeten, bestelde hij er \' \'quot;iis een glas van bij wijze van proef. Nu.\'indien er op het gebied van huiselijke kunst iets was, dat de weduwe beter kou klaarmaken dan ; gt;\'quot;en ander, dan was het punch; en het eerste glas smaakte Tom zoo bijzonder lekker, dat hij\' zoo spoedig mogelijk een tweede bestelde, ileeté punch is een goed ding, heeren — een buitengewoon goed ding in elke omstandigheid maar in die gezellige, oude kamer, voor hot knappende vuur, terwijl de wind buiten woei, totdat het gebinb\' van het oude huis hevig ■ kraakte, vond rorn ze bijzonder heei\'Ujk. Hij be-stelde nog een glas. en vervolgens nog een ik weet niet zeker, of hij daarna nog oen 1 bestelde maar hoe meer punch hij dronk, j hoe meer hij aan den langen man dacht. ..])!■ drommel hale dien vlege! 1quot; zei Tom tot zich zeiven, „wat heeft hij in die gezellige 1 gquot;lagkamer ti- maki-n ? Kn dan nog wel zulk } een leelijke srhurk!quot; zei Tom. ..Als de wedu- j wn lt; enigen smaak had. zou zij zeker wol een i beteren man kunnen krijgen.quot; Hierop gingen ■ I oms oogen van den spiegel boven den schoor- j s\' eenmantel naar het glas op de tafel, en daar [ hij gevoelde, dat. hij langzamerhand sentimen- | teel werd. ledigde hij hei vierde glas en be- i stelde een vijfde. |
lom Smart, heeren, had altijd eene voorliefde ] gehad voor eene herberg. Het was lang zijn ideaal geweest in zijne eigen gelagkamer te \' staaquot; mot eene groene jas, eene korte broek en kaplaarzen. Hij begreep goed. wat het was, voor te zitten bij feestmalen, en had dikwijls gedacht, hoe goed hij in zijne eigen kamer de gesprekken zou kunnen leiden en wat een goed I voorbeeld hij zijnen klanten in het drinken zou geven. Al deze dingen kwamen Tom snel voor 1 den geest, terwijl hij bij het knetterende vuur heete punch zat, te drinken, en hij gevoelde zich terecht verontwaardigd, dat de lange man mooi op weg was. zulk eene uitstekende zaak te besturen, terwijl hij, Tom Smart, er even ver vandaan was als ooit, te voren. Nadat hij ^ nu bij de twee laatste glazen had overwogen, i of hij niet volkomen in zijn recht was met den langen man twist te zoeken, omdat hij heter } op toegelegd had bij de vroolijke weduwe in : de gunst te komen, kwam hij ten laatste tot het tevredenstellende besluit, dat hij een erg misdeel rampzalig mensch was en dat hij maar naar bed moest gaan. Het knappe dienstmeisje ging Tom voor op eene breede en ouderwetsche trap, terwijl zij de hand om de kaars hield, om ze te beschut-I ten tegen den tocht, die in zulk een oüd, afgelegen gebouw ruimte genoeg zou gevonden hebben om zich te verlustigen, zonder de kaars uit te blazen; maar die ze toch uitblies én zoodoende aan Toms vijanden aanleiding gaven te beweren, dat hij. en niet de wind, de kaars had uitgeblazen en dat terwijl hij deed, alsof hij ze weer aan wilde blazen, hij het meisje kuste. Hoe het ook zij, er werd weer licht gemaakt (?n Tom werd door een doolhof van gangen en een labyrinth van kamers naar hel vertrek geleid, dat tot zijne ontvangst gereed was, waarna het meisje hem goedennacht wenschte en alleen liet. Het was eono ruime kamer met groote kasten en lt; en bed, dat kon gediend hebben voor eene geheele kostschool, om niets te zeggen van een paar eiken linnenkasten die het goed van een klein leger hadden kunnen bevatten; maar wat l\'oms aandacht hei meest trok, was \'•en \'/onderlinge stoel met oen gi\'of uiterlijk en hoogen rug, hel vreemdsoortigste snijwerk, en een gebloemd damasten kussen, terwijl de poolen zorgvuldig in rood laken gewikkeld waren, alsof hij de Jicht in de temen had. Van eiken anderen stoel zou Tom eenvoudig gedacht hebben : „Wat eene rare stool!quot; en daarmede afgedaan, maar deze stoel had iels bijzonders, dat lom niet zeggen kon, iets zoo zonderling en zoo verschillend van alle ander.- meubels, die hij gezien had, dat het hem scheen te boeien. Hij ging bij het vuur zitten en staarde een hall uur lang naar den ouden stool, lm drommel Jiale hem; hel was zulk vreemd oud stuk, dat hij er z^ne oogen niet af houden kon. |
St
|
„Wel, wel,quot; zei Tom, terwijl hij zich lang-zaain uitkleedde en den guheelen Uici naar den i ouden stoel keek, die met een geheimzinnig lt; i voorkomen bij het bed stond. „Ik heb Van mijn lt; \\ leven zulk eene rare boel nog niet gezien. Heel ; gt; raar,quot; zei Tom, die een beetje wijsgeerig was l geworden door de punch „heel raar.quot; Tom 5 schudde het hoofd met eene uitdrukking van diepen ernst op zijn gelaat en keek weer naar den stoel. Hij bigreep er evenwel niets\' van, | ging naar bed, dekte zich warm toe en viel in slaap. Binnen een half uur werd Tom verschrikt wakker uit een verwarden droom van lange mannen en glazen punch, en het nerste voorwerp, dat zich aan zijne wakkere verbeelding voordeed, was de rare stoel. „Ik wil er niet meer naar kyken,quot; zei Tom I tot zich zei ven, kneep zijne oogen toe en trachtte • zich te verbeelden, dat hij weer insliep. Maar ja wel; niets dan rare stoelen dansten voor : zijne oogen, wierpen hunne ponten in de hoogte, 1 sprongen over eikaars rug en maakten allerlei i fratsen. „Ik zie oven graag .V-n f chten stoel als-twee of drie complete stellen valsclie,quot; zei Tom, zijn hoofd uit de dekens stekende, Daar stond de stoel, duidelijk zichtbaar bij het licht van den haard, en even uitdagend als te voren. Tom keek er naar; en, onmiddellijk scheen de stoel ene buitengewone verandering te ondergaan. Het snijwerk in den rug nam lang zamerheid te trekken en dlt; uitdrukking aan van een oud, gerimpeld gezicht; het damasten kussen werd een ouderwetsch vest; de ronde pooten veranderden in een paar voeten, in ropde pantoffels gestoken en d\' geheele stoel zager uit als ei\'ti zeer leelijke oude man uit de vorige eeuw. met zijne handen in de zij, Tom ging n chtop in bed zitten en wreef zijne oogen om de zinsbegoijcheling te verdrijven. Maar neen; de stoel bleef •■•en leelijkr oude lieer; en wat mei r is, hij knipoogde tegen Tom Smart. Tom was van nature een onbi-suisde, onver-schilligo vent. ■ n had bovendien vijf grouU glazen punch op; dientengevolge werd hij. hoewel in het begin e n weinig verschrik, tarm iyk verontwaardigd, toen hij den ouden heer met zulk een onbeschaamd gezicht naar hem zag lonken en loeren, Ten laatst\'- besloot hij het niet langei\' te verdragen; on daar ie t oude •-\'•-zicht nog even snel als te voren bh\' f knip oogen. Z\'-i Tom op ••en /.eer kwade toon: „Wat duivel, waarom knipoogt gij toch te-1 .ren mij .\'quot; ..lt;gt;md.r ik he: wil. Tom Smart,quot;zei di ste.-l, of ii\' oude heer, v.ooals gij hem belieft te noemen. Hij hield ech:er op met knipoogen, toen lom sprak, en be.ron te grijnzen alseenafge-leefde aap. Jlgt;e \'.•.■■• jij mijn naam, oude kwast,?quot; |
vroeg Tom, vrij onthutst, hoewel hij zich trachtte goed te houden. „Kom, kom, Tom,quot; zei de oude heer, „zoo \' spreekt men niet tot massief mahoniehout, j Drommels, gij kondt mij niet ne t minder respect behandelen, als ik maar oplègwerk was.quot; Toen de oude heer dit zei, keek hij zoo woedend, dat Tom bang begon te worden. „Het was mijne bedoeling niet, u met min achting te behandelen, mijnhei r,quot; zei Tom op ; een veel onderdaniger toon dan in het eerst. { „Zoo, zoo,quot; zei de oude kwant, „dat kan wel \' zijn — dat kan wel zijn. Tom.quot; „Mijnheer. . .quot; „Ik weet alles van u, Tom, alles. Gij zijt zeer arm, Tom.quot; „Dat is zeker,quot; zei Tom Smart, „maar hoe komt gi.i daaraan?quot; „Dat komt er niet op aan,quot; zei de oude heer, „gij houdt veel te wel van punch. Tom.quot; Tom Smart wilde juist verklaren, dat hij sinds zijn laatsten verjaardag nog geen druppel , geproefd had, maar toen zijne oogen die van den ontlen heer ontmoetten, keken die zoo onderzoekend, dat Tom bloosde en zweeg. Torn,quot; zeide de oude heer, die weduwe is een knappe vrouw - bijzondere knappe vrouw is niet Tom?quot; Hierop sloeg de oude zijne oogen naar boven, stak een zijner versleten beenen in de hoogte en keek zoo onhebbelijk verliefd, dat het Tom bepaald begon te wal- , gen; en dan nog wel zoo\'n oude vent! „Ik ben haar beschermer; Tom,quot; zei de oude hoer , \'/,oo?quot; antwoordde Tom Smart. „Ik kende haar moeder en haar grootmoeder. /.ij hield zeer veel van mij - heeft mij dit vest gemaakt.quot; „Werkelijk?quot; vroeg Tom. „En deze schoenen,quot; zei de oude, terwijl hij een der roodlakensche om windsels optrok. „ maar ik spreek er niet over. Ik zou niet gaarne hebben, dat het bekend werd, dat zij zooveel van mij hield. Het zou onaangenaamheden in de familie kunnen vi-.-oorzak\' n.quot; Toen de oude schelm dit zei, keek hij zoo verbazend verwaand, dat Tom Smart zooals hij later te kennen gaf, hem zonder zelfverwijt had kunnen ranselen. .Ik ben in mijn tijd oen groote lieveling der vrouwen geweest, Tom,quot; zei de losbandige oude zwierbol; „honderden knappe vrouwen heb ben uren lang op mijn schoot gezeten. Wat denkt gij daarvan, hondsvot?quot; De oude heer wilde juist nog eenige heldenfeiten uit zijne ieugd opnoemen, toen iiij zoo hevig begon te kraklt; n. dat hij niet kon voortgaan. „Dat is uw v rdiendeloon,oudejongen,quot;dacht Tom Smart, doch hij zei niets. .If. zei\'Ie de oude heer, „daar heb ik tegen-i woordig veel last van. Ik begin oud te worden, |
Squot;)
|
\'J\'oai. en bon bijna al inijnt) sporten kwijt. Ik heb ook ccnc ojieratie ondergaan, er moest een stukje in mijn rug gezei worden ik vond het eene zware proef, Tom.quot; „Dat geloof ik graag, mijnheer,quot; zeideTom. ..Maar, zei de oude heer, „dat is de quaeatie I niet I om. Ik wil hebben, dat gij de weduwe trouwt.quot; ,.Ik mijnheer?quot; ..Gij.quot; „God zegene uw.\' eerwaarde lokken,quot;zei Tom, (de oude lieer had nog .\'enige verspreide paar-| denharen over) „God zegene uwe eerwaarde lokken, maar zij zou mij niet willen hebben.quot; Hier zuchtte Tom onwillekeurig, terwijl hij aan de gelagkamer dacht. ..-Niet?quot; zei de oude heer. ...Veen, n. cn, zei Tom. „er is iemand anders in het spel. Ken lange man een verduiveld lange man met zwarte bakkebaarden.quot; ,, lom, zei dé oude heer, „zij zal hem nooit krijgen.quot; «Ni. i? zei Tom. „Als gij in de gelagkamer stondt, oude jongen, zoiult «ij anders praten.quot; „Kom. kom, ik weet er alles van.quot; Waarvan?quot; vroeg Tom. „Her zoenen achter de deur, en al die soort van dingen. Hierop keek de oude heer weer zoo wellustig, dat Torn erg kwaad werd. om \'in. zooals l\'ü weet, lu-.-ren, niets onaangenamer is dan een ouden vent, die beter weten tiioest, ever zulke dingen te hooren praten. ..Ik weet ei\' alles van, Tom.quot; zeide de oude héér. ..Ik heb hèt in mijn lijd dikwijls zien doen, Tom. door meer menschen, dan ik u zou willen opnoemen: maar ten slotte kwam er nooit iets van.quot; J\'i.i moet wel vreemde dingen gezien hebben.quot; z--i Tom, met een onderzoekenden blik. „Dat kan gezegd worden, Tom,quot; antwoordde | de oude, herhaaldtlijk knipoogende. „Ik ben do laatste van mijne familie, Tom,quot; I zei liij met een droevigen zucht. „^Va~ die groot?quot; vroeg Tom Smart. ■•Wn waren ne t ons twaalven, Tom; mooie, I knappe lui met rechte ruggen.quot; Niet van ..lie misbaksels allen men leuningen, en zoo mooi gepolitoerd, dat het u goed aan uw hart zon gedaan hebben, als gij ze gezien hadt. „Kn wat. is er van d\' andere geworden ?quot; vroeg Tom smart. 1\'e oude heer bracht zijn elleboog aan zijne oogen. terwijl hij z.eide.\'..Vorgaan. Tom vergaan. Wij hadden een zwaren dienst, en zij hadden riet allen mijn g.\'stel./.ij kregen rhen-matiek in de armen .\'ti boenen en gingen naar K\' ttkeris en atidert hospitalen; .\'.^n er van verloor door lang dienstdoen en harde behande- j eng zijn verstand; hy werd zoo krankzinnig, I |
dat men hem moest verbranden. Ken verschrikkelijk ding, Tom.quot; „üntzattend!quot; zei Tom Smart. De oude zweeg eenigo minuten, terwijl hij klaarblijkelijk zijn gemoedsaandoeningen trachtte te onderdrukken, en zeide daarna: „Ik dwaal echter van mijn onderwerp af, Tom. Die lange man, is een schelmachtige ge-lukzoekei. Ken oogenblik nadat hij de weduwe getrouwd had, zou hij al de meubels verkoo-pen en zich uit de voeten maken. Wat zou het gevolg zijn ? Zij zou verlaten en tot den bedelstaf gebracht zijn en ik zou in een uitdragerswinkel van koude omkomen.quot; „Ja maar . . . .quot; „vral mij niet in de rede,quot; zei de oudeheer. „Van u, Tom, heb ik een geheel ander idee; want ik wvet maar al te goed, dat, als gij eens uw anker in oene herberg hadt laten vallen, gi.i ze nooit zoudt verlaten, zoolang er nogiets te drinken was. „Ik ben u zeer verplicht om uwe goede opinie, mijnheer,quot; zei Tom Smart. „Daarom, hervatte de oudquot; hei tquot; op gebiedenden toon, „zult gij haar Ie bbon en h ij niet.quot; „Wat kan hem verhinderen haar te trouwen?quot; zei Tom smart driftig. • Deze openbaring,quot;antwoordde do oude heer: „hij is al getrouwd.quot; „Moe kan ik dat bewijzen ?quot; zei Tom half uit bed springende. De oude heer nam zijn arm uit de zijde en nadai hij naar tV\'iie van de eiken linnenkasten gewezen had, bracht hij hem onmiddellijk weer in zijne vorige houding. liij denkt er niet om,quot; zei de oude heer. „dat hij in den rechterzak van eene broek in die kast een brief heeft laten zitten, die hem smeekt terug te keen u tot zijne mistroostige vrouw met; zes lel wel, Tom zes kleine kinderen.quot; Terwijl di\' oude heer plechtig deze woorden uitte, werden zijne (rekken al flati wei en flauwer en zijne gedaanteonbepaald. Tom Smart kre.\'g een vlé s over zijne oogeu. De oude man scheen t rap -.\' wijze in den stoel over te gaan, het damasten vest op te lossen in een kussen en de roede pantod\'els in roodlakensche omwindsels te veranderen. Het licht doofde langzaam ui(, Tom Smart liet zich weer op zijne peluw vallen en sliep in. Do morgen wekte Tom uit de dieposluim.\' ring, wa.arin hij\' verzonken was sedert het ver dwijnen van den ouden man. Hij ging rechtop in bed zitten en trachtte zich gedurende eenige minuten tevergeefs de \' gebeiirtenisson van don vorigen avond te her-inneten. liij keek naar den stool; het was een zonderling en grof meubelstuk, dat is zekor, maar het moest eene zeer vindingrijke en h veridige verbeelding geweest zij n, die er eenigo |
SAM l\'EL PICKWICK.
si;
|
overeenkomst met een oud man in had kunnen ontdekken. „Hoe gaat. het, oiuk- Jongen?quot; zei Tom. Hij was moediger over dag zooals de meeste menschen. De stoel verroerde zich niet en sprak geen woord. „Akelige morgen,quot; zei Tom. Maar neon; hij kon den stoel niet aan liet praten krijgen. „Naar welke kast hebt gij gewezen? - dat 1 kunt gij mij toch wel vertellen.quot; Geen enkel woord wilde de stoel zeggen, ! heep ii. „In elk geval kust het niet veel moeite ze te openon,quot; zei Tom, terwijl hij met groote vastberadenhe id uit h\' d stapte. Hij ging naar eene der kasten. De sleutel stak in he\' slot; hij draaide liet om tm opende dc deur. Er lag 1 werkelijk eene broek in de kast. Hij stak zijn -hand in een der zakken en haalde denzelfden brief voor den dag, dien de oude heer had beschreven. „Dat is vreemd,quot; zei Tom «mart, terwijl hij eerst naar den stoel en dan naar de kast. daarna naar den brief nj weer naar den stoel keek. „Zeer vreemd,quot; zei Torn. Maar daar noch de kast, noch de brief dat vreemde kon ophelderen. daeht hij. dat het beter was zich aan te kleeden en dadelijk met den langen man af te reken en. Tom bezag de kamers, die hij doorkwam, toen hij naar beneden ging nvt het onderzoekende oog van een huisheer; terwijl hij het niet onmogelijk vond, dat zij en haar inhoud eerlang zijn eiirendom zouden zijn. De lange man stond in de gezellige kleine gelagkamer met zijne handen op den ne.r en voelde zich blijkbaar geheel thuis. Hij grijnsde Tom gedachteloos aan. Ken toevalliir-- opmerker kon gedacht hebben, dat hij liet deed ÖRi zijne witte tanden te laten zien; maar Tom Smart dacht, dat de bewustheid van zegepraal ging : door de plaats, waar d» geest van den langen man zou gezeteld hebben, indien hij ereen gehad had, Tom lachte hem in zijn gezieht uit en ontbood de waardin. „Goedenmorgen. juffrouw,quot; zei Tom smart, de deur dei kieine zijkamer sluitende, toen de weduwe binnen was. „Goedenmorgen, mijnheer,quot; zei de weduwe. „Wat wilt gij voor uw ontbijt hebben, mijn heer?quot; Tom overwoog, h\'»- hij de zaak zou aanvatten en ant woerd de daarom niet. „Ik heb een heel mooie ham.quot; zei de wedu-gt; we en eene prachtige, gelardeerde koude kip. Zal ik /•• binnen zenden, mijnheer?quot; Deze woorden deden Tom uit deze overdenkingen ontwaken. Zijne bewondering van de weduwe werd grooter, terwijl zij sprak. Bezop-d schepsel! Wel voorziene leverancier! |
„Wie is die mijnheer in de gelagkamer,juf-fr ouw?quot; vroeg Tom. „Zijn naam is Jinkins, mijnheer,quot; zei de weduwe, licht blozende. „Het is een lange man,quot; zeide Tom, „Het is een zeer knappe man, mijnheer,quot; antwoordde zij, „en een zeer net heer. „Zoo!quot; zei Tom. „Hebt gij nog iots noodig mijnheervioeg de weduwe, eenigszins verlegen. „O, ja,quot; zei Tom. „Mijne waa.\'de juffrouw, wilt ge zoo goed zijn een oogenblik plaats te nemen ?quot; De weduwe keek zeer verbaasd, maar zij ging zitten en Tom nam dicht bij haar plaats. Ik weet niet, hoe het kwam, heeren en m derdaad placht mijn oom mij te vertellen, dat Tom ook niet wist, hoe het kwam maai do palm van Toms hand kwam terecht op den rug van die der weduwe en bleet daar, terwijl hij sprak, „Mijne waarde juffrouw.\' zei lorn Smait hij wist altijd goed den beminnelijke te spelf n -„mijne waarde juffrouw, gij verdient)een zeer uitmuntenden echtgenoot; werkelijk. „Maar, mijnlieerlquot; zei de weduwe, en ieiet.ii. daar de wijze, waarop Tom het gesprek begon vrij zonderling was om niet te zeggen ontstellend, als men in aanmerking neemt, dat hij ze den vorigen avond voor het. eerst gezien ha«i. : „Maar mijnheer!quot; ..Ik heb een hekel aan vleien, mijne waarde juffrouw,quot; zei Tom Smart, „quot;ij verdient een ■ zeer voorbeeldigen man. en wie het ook zij, hij zal een lotje uit de loterij hebben.quot; Terwijl Tom dit zeide, inmzmi zijne oógenonwillekeu-, rig van het gelaat der weduwe, naar de geriete- . lijkhoden rondom hem. i \' De weduwe keek meer verlegen dan te^vo 1 ren en deed oene poging om op te staan, lom drukte zachtjes haar hand, alsof hij haai tegen wilde houden en zij bleef zitten. Weduwen, heeren, zijn gewoonlijk niet gauw verlegen, zoo-: als mijn oom zei. Ik ben n voorzeker zeer verplicht oin ue goede meening, die gij van mij hebt, zei de levenslustige waardin, halt lachend, en als ik ooit weer trouw . . , „Als,quot; zei Torn Smart, terwijl hij zeer loos uit den rechterhoek van zijn linkeroog keek „Als , . , „Welnu,quot; zei de weduwe, ditmaal scnater-lachend. „Als ik trouw, hoop ik een even goeden man te krijgen, als gij beschrijft. „Jinkins, hij voorbeeld,quot; zei l\'om. „Lieve hemel, mijnheer!quot; riep de weduwe uit. . , „Praat er mij niet van,quot; zei \'lom, ..ik ken hem.quot; . , , „Ik ben er zeker van, dat niemand, die hem kent iets kwaads van hem weet,quot;zeide weduwe. |
TOM SMAKT EN DE WEDUWE. 87
|
1 eeno hooge borst, zettende bij het geheimzinnig gelaat, waarmede Tom gesproken had. ..Hm!quot; zei Tom Smart. De weduwe begon te denken, dat het hoog lijd was om te huilen, daarom haalde zij haar zakdoek te voorschijn en vroeg of Tom haar wilde beleedigen; oi\' hij her netjes vond een heer achter zijn rug zwart te maken ; waarom, als hij iets te zeggen had, hij her ni\' t, geluk een man, tot den man zeiven zeide. in plaats van eene arme vrouw zuo te ontstellen, en zoo meer. „Ik zal het hem spoedig genoea\'zeggen.quot;\'zei Tom, ..maar ik wil, dat gij het V-rsi\' hoort.quot; „Wat is het?quot; vroeg de weduwe, terwijl ze Tom strak aanzag ..Ik zal u veibaasd doen staan.quot; zeide Tom, zijne hand in den zak stekende. „Als het is, dat hij geld noodig heeft,quot; zei de weduwe, ,dat weet ik al. eu gij behoeft u nier ongerust te maken.quot; „Och wat, onzin, dat beteekent niets,\'quot; zei Tom ■Smart; „ik heb geld noodig. Dat is liet niet.quot; „Lieve hemel, wat kan het zijn?quot; riep de weduwe uit. „Wees niet bang,quot;zei Tom Smart. Hij haalde langzaam den brief voor den dag en opende hem. „Gij zult toch niet gillop?quot; zei-.yom twijfelachtig. ..\\een, nlt;-en.quot; antwoordde de weduwe; „laat mij hem zien.quot; „Gij zult toch niet flauw vallen, of iets van dien onzin?quot; zei Tom, „Neen, neen,quot; hernam de weduwe haastig. „En loop niet weg om hem de kast uit te V\' gen,quot; zcj Tom, „omdat ik dat wel voor u doen zal; gij deedt beter u maar niet druk te maken,quot; .Welnu, zi-i dlt;\' weduwe, „laat mij hein zien,quot; ..Dat. zal gebeuren,quot; antwoordde Tom Smart; en bij deze woorden gaf hij de weduwe den Uief in de hand, Heeren, ik heb mijn oom hoeren zeggen, \'lat Tom sntart vertelde, dal het weekiageti ■Ier weduwe, toen zij de ontknooping vernam, een hart van Steen zou hebben doorboord. Ifom Was zeker zeer teergevoelig, want het ge jam nier drong door tot in het binnenste zu\'ns harten. De weduwe bewoog zich heen en weerett wrong zich de handen, „O, die bedriegerij en laagheid der menschen!quot; zei de weduwe. „Verschrikkelijk,mijnewaarde juffrouw; maar wees bedaard,quot; zei Torn Smart. ,-(i, ik kan niet bedaard blijven,quot; zei de weduwe. „ik zal nooit iemand anders vinden, van wien ik zooveel houd Iquot; „Ja wel zeker, mijne goede ziel,quot; zei Tom. terwijl hij een vloed van groote tranen stortte uit medelijden met de ongelukkie-n weduwe. Tom Smart had in zijn innig leedwezen de weduwe zijn arm om het middel geslagen, terwijl de weduwe in een aanval van droefheid Toms hand had vastgegrepen. Zij keek Tom aan en glimlachte te midden barer tranen. |
ik heb er nooit achter kunnen komen, heeren of Toni de weduwe op dat bijzondere oogen-blik al dan niet kuste. Hij placht tot mijn oom te zeggen, dat hij het niet deed, maar ik twijfel er aan. Onder ons gezegd, heeren, ik geloof wel, dat hij het deed, In allen gevalle schopte Tom den langen man een half uur later de voordeur uit en trouwde de weduwe eene maand daarna. 1\'n hij placht het land door te rijden in de bruingele sjees met de roode wielen en de vlugge koppige merrie, totdat hij verscheidene jaren later zijne zaken aan kant deed, met zijne vrouw naar Frankrijk ging en het oude huis afgebroken werd. „Mag ik u vragen,quot; zei de onderzoekende oude heer, wat er van den stoel geworden is ?quot; „Wel,quot; antwoordde de eenoogige reiziger, „men heeft opgemerkt, dat hij op den dag van het huwelijk hevig kraakte; maar Tom Smart kon niet zeker zeggen, of het van pleizier of lichamelijke zwakheid was. Hij dacht wel het laatste Want de stoel sprak later nooit meer,quot; „Iedereen geloofde het verhaal, is niet?quot;zei de man met het vuile gezicht, züne pijp weder stoppende. „ Behalve Toms vijanden,quot; antwoordde de reiziger. „Sommigen zeiden dat Tom het geheel uil zijn duim had gezogen • anderen, dat hij dronken geweest was, zich alles verbeeld en bij vergissing eene verkeerde broek in handen gekregen had, voordat hij naar bed ging. Maar niemand sloeg ooit a,cht op hetgeen de laatsten zeiden.quot; -Zei Tom, da; het geheele vertelsel waar was ?quot; ., Woordelijk.quot; Kn uw oom?quot; ., Letterlijk.quot; ..Km zijn het beidon zeker nauwgezette lui geweest,quot; zei de man met het vuile gezicht. „Ja. dat waren zij,quot; antwoordde d( reiziger; ..inderdaad ze-er nauwgezette lui!quot; |
SAMUEL PIC KW I\' \'K.
|
XV. DAT Ki;NK \' - KTKOl\' W K Al I \'■ K KLDl N\'i HKHKLST VAX TWKE MBUKWAAKDHiK PERSONEN, BENEVENS EENE CITVOKBIGE BE9CllRI.»V1Klt;i VAN EEN I.CIKI EHHI.IK ONTlillT 01\' HI NNE BUt-1 .\'M\'l.A A IS. HETWELK A A X l.K i D1 M ■ I.KKKT TOT\' HET WEOERVINDKN VAN EEN OUDEN }\'.EICTNDE EN\' TO 1 HEI BEGIN VAN EI:N NIKl W HOOKDSTCK. (j[i dt a d\' rden ochti-nd na den alloop der ver-kie/inu- beson Pickwick oeuia^pAVfti-nskiui^ing te \'.ïrvorlcn. dat hi.j zijne vrienden in de Pauw zoo geheel vi-ranachtzaamde, en liij wilde julet uitgaan om heil eens te gaaö bezoeken, toen zijn gel rouwe knecht hein een kaartje kwam ovi-rreikeii, waarop het volgende opschrift ge-u\'ravii-rd was: MKVROrW I;EC) Hl\'XTMR. het no; u de hand te mogen de deftige le er. I \'ickwick. EAT AN-Wlia. ..iemand wacht,quot; vstW- Sam lakünisch. .. Wil men ft ij spreken, gt;aiu vroeg Pickwick. „Hij wil ii hebben on niomand anders, gelijk de srcretaris van d. n dtiivlt; 1 zei\'iquot;, toen hi.i doe tor l\'an-t kwam halen,quot; antwoordde smt. .. 11ijIs het dan esn heer?quot; zeide Pickwick. .Als hij het niet is. lijkt hij er ten minst» tnacluis: vf-l op,quot; antwoordde Samuel. „M lar liet k lai\'fj\'1 is van eenedatne,quot; hernam Pickwick, rHet is mij dooreen heer overgegeven,quot; zeiac sa in. ..Hij s\'aa\' in de vobrkani\'T te wachter., en zegt-, m hij lievi-rdi-n -:eheeien dag wachten wil. dan heengaan zonder u te sprekoii.quot; Toen Pickwick dit hoorde, begaf hij zich Pa1-stond naar de voorkamer, waar hij • ■■n dettig heer vond zitten, die. zoodra hij binnenkwam, opstond en met et-ne diepe buiginir zeide : „Mijnheer Pickwick, als ik wel heb?quot; j)m ii te dienen.quot; rVergun mü dan de eer drukken, mijnherr!quot; zeide ...M\' t alle pleizer,quot; zeide De vreemdeling drukte de hand, die hem werd toe je! rikt, en vervolgde daarop: , Wij hebben van uwe vomiaardhtid .rehoord, mijnheer! Met gerucht van uwe oudheidkumhge nasporinu-\' n heeft de ooren van mevrouw Leo Hnnter, mijne f. titLoaeidte. bereikt. Ik ben mijnheer la-o Hantor.quot; pe vreemdeling zweeg eene poes, als verwu\' htte hij dat Pick wiek over deze open ha ring /.ou versteld staan; maar toen hij zag. dat. deze bedaard bleef, vervolirde hij ..Mijrmechtgenoote, mijnheer\' mevrouw I,eo Hunter draagt er roem op, om in den kring barer bekenden rillen op te nemen, die zich door hunne werken en talenten beroemd hebben gemaakt. \\ eroorloof mij. mijnheer\', den naam van Pickwick, en die zijner medeleden zijner club, welke van hem haar naam ontleent, boven aan op die gulden lijst te plaatsen.quot; |
..Het zal mij zeer veel genoegen doen met zulk eene dame kennis te maken 1quot; hernam Pickwick. ..Gij zult haar leeren kennen, mijnheer!\' zeide Leo Hunter. „Morgen mijnheer, geven wij een om bi. t, een feter ham pètre. waarbij een aantal personen teu - n woord iu\' zullen zijn,die zich door hunne werken en talenten beroemd hebben gemaakt. Mevrouw Leo Munter,mijnheer.hoopt. dat u\'ij haar het genoegen zult schenken, u op het Hol te mogen ontvangen.quot; .Zeer aaarne,quot; zeide Pickwick. ..Mevrouw Leo Hiinter geeft dikwijls zulk een dejeuner, mijnheer!quot; hernam de nieuwe bekende-. . Feesten van het vernuft, mijnheer, en uitstortingen der ziel; gelijk iemand, die op de onthljtpartijen van mevrouw Leo Hunter een fraai sonnet heeft gemaakt, zich zeer juist en orgineel uitdrukt.quot; „Was hij ook beroemd door zijne werken en talenten mijnheer?quot; vroeg Pickwick. ja wol. miinhf er!quot; w.is lu-\'t (-ivitvvoor\'l. l^i 1 zijn al de bek«quot;inden van mevrouw Leo Hunter.quot; Ilij zweeg een oogenblik. en vervolu-de: „Als ik mij niet vergis, mijnheer, hebt \'-rij een lieer in liw gezelschap, di- z.eer fraaie verzen mankt .. Miin vriend Stock wall heelt veel aanleg vooi de poëzie,quot; hernam Pickwick. „Pan past hij Juist bij mevrouw Leo Hunter, mijnheer! Zij aanbidt de poëzie. Hare geheele zie! is po\' zie, mag ik wel zeggen. Zij heel! zelve eeniire heerlijke gedichten gemaakt. Oij hebt waarschijnlilk hare Ode op een gt; ter venden kikvorsch wel gelézen, mijnheer?quot; . I k kanhet mij niet herin neren,quot;zeidePick wPk. üj doet mij\' verbaasd staan, mijnheer!quot; hernam Leo Hunter. „Die ode heeft overal veel opzien gebaard. Zij werd eerst in een Lady gt; Magazine geplaatst, en was geteekend met eene 1. en acht sterretjes. Het begin was; ..Kan ik, bt\'fstjpl u «laar st^rvpipi Op uw Imik /i^ti «Iervend ..Biiui ■nkorl liet lieve leven. .Kn niet schreien urn uw srwvt-n. ) arme kikkert Pickwick, aandoenlijker. Wilt ..VoortrelVelijk!quot; zeide Pickwick, „Niet waar?quot; hernam Leo Hunter. „En zoo eenvoudiu!quot; „Zet i eenvoudig,quot; zeidi „Het tweede vers is not] gij het ook t ens hooi en ? „Als \'feu belieft,quot; zeide Pickwick, „Dit is het.quot; zeide de deftige man, nog veel deftiger dan eerst: |
Dl\'; LTI\'XOODKilXG VAN\' MKVÜOl\'W ],EO II INT KI;
|
.. I Ifhl)\' n sfioo-it\'. woeste benuris. Mt-i lum gt;lrikk«-ii en hun liengeN. .. T. vcrvreciiKi van nuMledoojren. ..l it uw zaa.^en )•!;«- getofren. ,.lt;gt; anue kikkert\'r „Zeer fraai uitgedrukt,quot; zeide Pickwick. „Hu zoo volledig,quot; zeide Leo Hunter. „Maar i moet het mevrouw Leu Hunter hooien voor-agen, mijnheer! zij alleen is in staat om er ware uitdrukking aan toireveii. Morgi-noch-nd zal zij in kostuum reciteerèn;\'\' „in ko.stuuni?quot; vroe-r Piek wiek verwonderd. |
„Dat weet ik wel.quot; hernam Pickwick; „maar daar ik mij niet die grootii manneii niet op öéne lijnkan plaatsen, kan ik mij oö\'k niei aanmatigen hunne kleeding te dragen.quot; Leo Hunter dacht oenigo oogonblikken zeer ernstig na, en zeide toen: ..Als ik mij wel bedenk. weet ik niet, of het misscliieil mevrouw Leo Hunter niet meer ienoegen zou doen. een man van uwe vermaardheid in zijne eigene klei\'-ding dan in een vreemd gewaÖ te zien. Ik ben zeker, mijnheer, dat, zij u ten gevalle gaarne eer:e uitzondering zal maken.quot; |
|
\'i l-X. KN TOM s.\\ ..Als Minerva. o, ik vergeet u te zeggen, i is een t\'ancy dress dejeuner •).quot; „Lieve Hemel!quot; rieji Pickwick uit, met een k opzijn eigen figuur; „ik kan oiunogeUjk....quot; Waarom niet mijnheer?quot; viel Leo Hunter m in de rede, „Salomon Lucas, de .lood op de i g h s t i eet. heeft lionderden inaskciadepak-n te hun r. Beden k een - mijnheer j hoe\\ eb- voeg-me karakters «jij kilt;\'zenkunt.J\'lAtö,Xeno,Kpi-rus. Pythagoras, allen stic hters van clubs.quot; I\'lt; ; en ii cr, uanrbij do t/astpn in niasloTiuIi -kleetiin-,: ■ n- ongemaKkerd vtTsehijnen. Vi nr. |
„In dat geval,quot; zeide Pickwick, ..zal ik met veel genoeueii komen. ,.Maar ik beroof u van uw keHtlraren tijd, manheer!quot; zeide- Leo Hunter, alsof hem dit eensklaps te binnen schoot. Ik zal u niet hm ger ophouden. Ik zal mevrouw Leo Hunterzeg-gen, dat zij op u en uwe geëerde vrienden kan rekenen. Goeden morgen, mijnheel! Ik ben er trotscb op, dat ik met zulk een voornaani per-soon kennis heb gein aak t iieen vi iets\' ap mijn heer! geen woord!quot; En zonder Pickwick tijd te laten om iets te zeggen, verwijderde hij zich met statige schreden. |
/
SAMUEL PICKWICK.
•JO
|
Pickwick zette /4]n hoed op on wandelde naar de Pauw; doch Winkle had de tijding van het fancy-bal daar reeds aangebracht. .Mevrouw Fott gaat mede,quot; waren de eeiste woorden, die lui zijn v riend en voorganger toeriep. „Ei zoo!quot; zeide Pickwick. „Al? Apollo,quot; hernam Winkle. ..Maai Pott heeft iets tegen de tunica.quot; „Daar hei ft hij gelijk in groot gelijk, zeide Pickwick met nadruk. „Ja; daarom zal zij o«-ii witte zijiien , apon met gouden looveitjes aandoen.quot; „Men zal zoo töcii slecht kunnen zien wat zij voorst,ellen moet,quot; merkte stockwall aan. „Wel zeker zal men dat; kunnen zien.quot; hernam Winkle met vorontwaardiiring. „Waartoe zou anders hare lier dienen?quot; ..Da\', is waar; daar dacht ik niet aan, zeid-Stock wall. ..Ik ga mede als bandiet,quot; zeide Tnpman. Watvquot; liep Pickwick met verbazins ui\'. ..Als bandiet,quot; herhaalde Tnpman zeer zoetsappig. wij zijt toch niet voortiemens.quot; zeide Pickwick, terwijl hij zijn vriend met stratle blik ken :einzag, „gij zilt tiquot; h niet vuornemeiisom fen grigt;en apeiirlt;gt;kje met korte pandjes aan te trekken „Wel zeker ben ik dat voornemens, ant-woordde Tupman. .^Waarom niet, mijn Ir.-er „omdat,quot; zeide 1\'ickwick vi i: driftig, „omdat gij te oud zijt, inijnhe, „Te oud ?quot; riep Tnpman uit. „Eu zoo gij imsre.-ue reden begeert.quot; vervolgde Pickwick, „gij zijt te dik.quot; ..Mijnhegt;-r 1quot; zeide Tupman, terwijl zich eer,e roeide gloed over zijn gelaat verspn i 1de. ..dit is beleedigend I N iet hai I zoo be a. digend, inu nheer,quot; hernam Piekwi\'-k, als het venir mij zijn zoh, wanneer men u in mijn bijzijn in een groen apenrdkje zag 1 ondloopen.quot; ..Mijnheer!quot; zeide Tnpman. „gij zijt ...... -■ mgt; ene kerel.quot; „Dat zijt gij z.\' if, mijnheer!quot;heroamPiekw\'ick. Tnpih.in kwam 1 ei; paar schn\'den na Ier, en staarde Pickwick toornig aan, die niet naliet hem door zijn bril op dezelfde w;iz( aan te staren, stock wall en Winkle stonden al- verstwud over zulk efn t\'Mine.j, tnsschen twi i\' zulke mannen. ..\\lijnhlt; e|-:quot; zoide Ttipmart, na \'-on 0\'gt;L--nbiik stllzwijgens, nu t eöne zware holle stern, „gij hebt gezegd dat, ik oud \'m dik b-n.quot; _i)at zeg ik nog eens.quot; „En een gemeene kerel.quot; ..Dat zijt gij?quot; Er vrdgd\' een vreelt;elljke stilte. . Mij 11 Ie • begon Tuplnan, niet eerie st\'-m, \'la van ontroering beefde, terwijl hij zijne nnniwHti opsloeg, „mijne genegen hei lt;1 voor 11 is groot |
zeer groot: maar ik kan toch niet nalaten 11 voor deze béleediging te kastijden.quot; „Kom maarop mynheer 1quot; hernam Pickwick Door het voorafgegaan gesprek in vuur gebracht, nam de heldhaftige man eene zonderlinge stuipachtige houding aan. waarmede hij. gelijk de aanschouwer.s begrepen, het oogmerk had, zich tot verdediging gereed te maken. „Waf ?quot; riep stockwall uit, die op eens de spraa k t erugkreeg, waarvan zijne verbazing hem had beroofd, zich tusschenbeide wierp, met groot gevaar om aan elke zeide van zijn gezicht een stomp te krijgen. „ Wat ? Mijnheer Piek wiek U rwijl de oogen der wereld op u gevestigd zijn Mijnheer Tupman! gij die,evenals wij door den luister van zijn naam wordt beschenen?FOei, heeren! Koei!quot; _ De ongewone rimpels, welke een oogenbhk van gramschap 0ver Pickwick s helder voorhoold ha lden getrokken, verdwenen langzamerhand, terwijl zijn jonge vriend sprak,gelijk potloodstrepen onder den opzuigenden invloed van een stuk gomelastiek. Voordat stockwall zwoeg, had zijn gelaat zijne gvwune vriendelijke uitdrukking hernomen. ..Ik ben driftig geweest,quot; zeide Pickwick, „al te driftig, Tnpman, uwe hand.quot; De donkere wolk verwijderde zich van fnp-man\'s gelaat, terwijl hij de-hand van zijn vriend aanvat re. „Ik ben ook te driftig geweest.\' zeide hij. „ISeeii, neen!quot; viel Pickwick hem in de 1 ede. „de schuld lag aan mij, dij moet een groen rokje aanlrokken.\' „Neen. dat nooit!quot; h 1 nam iuprnan. „Doe het om mij te pleizii ren!quot; zeide Pickwick. „Nu. nis g i het verkiest.quot; zeide Tupnian, Men sprak elerhalye met elkander af, dat Tupman, \\V,nkie eu Stockwall alb 11 maskeia-depakken zouden aantrekken; en zoo liet Pickwick zich door de warmte zijner edelste aandoeningen overhalen, om cijne toestemming te geven ter iets, dat zijn juist oordeel anders zon hebben afgekeurd. Hoquot; had men zijn beminnelijk karakter in een helderderIc-ht kunnen plaatsen, zelts indien dez\' geschiedenis niet anders dan verdichtselen behelsde? Eeo ilimter had niet te ve l gezegd van het magazijn van Salomon Lucas De jood had een ontzagiijketi voorraad van kleederen; wél niet klassiek of tonkelnlenw; ook kon men er geen enkel kostuum onder vinden, dat nauwkeurig naar de mode van eeneol andere eeuw ot landstreek was vervaardigd; maar alb s was min oj meer met loo\'/eaajes bezet, en wat kun mooier staan dan looverfje.s\'.\' Men rnogo zeggen, dat zij voor het daglicht ni\' t deugen; maar ieder weet dat zij schitteren als er maar lampen branden; en niets kan duidelijker zijn. dan dat, als iemand over dag een t a ncy -bal wil geven, en dekostu- |
KK.VE MASK KI! A DJv
|
mes or dan niet zoo mooi uitzien als bij den avond, dit gebrek aan do rnenschon, die zulk oen verkoerden tijd heliben irekozen, en in poenen deelc aan de loovertje.s moet ^evvoten worden. Zoo redeneerde Salomon Lucas er over terwijl hij Tuptnan, Winkle en Sto:;kwall overhaalde om zich in de kostuni\' s te kleedon, welke iiij, irelijk zijn smaak en zijne ondervinding hem leerden, als voor deze geli-üenheid bijzondor gepast, aanprees. Er waren twee rijtuigt-n besteld om de Piek wicksten, benevens Poti en zijne echtgenoote naar het buitengoed van mevrouw i,eo Hunter ie brengen, waarvan Pott, om op eene kiesche wijze zijne dank baarheid voor de on (vangone uit* noodiging te toonen, reeds in de Ka fa n s w i 11-1 ■ aze 11e had voorspeld, dat het „een schouw-flt;toneel van bekooriyk afwisselende tpoverijen, i \'-n glans van sclioonheid en genie, eene inildt;, verkwistende gastvrijheid, en vooral een door ; den fijnsten smaak gowyzigden luister, zou aanbieden, waarbij zei is het fabelachtige gewest der :oovergodinnen even zwart« n veraehtelij k moest wezen, als het gemoed van den zwartgalligen asteraar, die de toebereidselen van de deucrd-\'mie, uir-N kende dame, aan wier voeten deze nederige hulde werd nedergclegd, met het vergil van zijn nijd durfde bezwalken.quot; Dit laatste was e-n.bijtende uitval tegen den Independent die, omdat hy niet genoodigd was. \\ier num\' mers achtereen zijn best had gedaan om het de j eu nor bespottelijk te maken, en déze boos-a-irdige artikels zelf met urootere leiters had laten drukken. De gewichtige niorgen brak aan. Met was •aaiiijk der moeite waard, Tuptnan in zijn ban-■lietenkostuum te zien, mei ( en nauwsiuitend lekje, dat aan zijn rug het voorkomen van een \'ijl opgestopt speldenkussen gaf; terwijl hot eovensie gedeelte zijner boenen door eene\'korte : lluwoelen broek werd bedekt, en het benedenste met die wollen zwachtels was omwonden, waar-quot;P alle Italiaansche bandieien zoo gesteM zijn. Het was ook de moeite waard, zijn rond open nartig gezicht, thans met een langen snorrebaard voorzien, tussclien zijn omgeslagen hemdsboord zien uitkomen; den hoogen, met bonte linten ■ isierden hoed moest hij op de knieën houden, \'laar het rijtuii: ti laag was om hem te kunnen opzetten. Eene niet minder fraaie vertoo-uing maakte Stockwall, met een blauwzijden wambuis en mante], witten zijden broek en schoenen en «iriekschen helm, do dagelijkse he K ieeding gelijk iedereen weet (of weet men het niet, Salomon Lucas wist het w.dt van alle roubadours. van do vroegste lijden af. tol op den dag, waarop do laatste verdween. Dit alles was der moeite waard; maar het was nog niets e\'.! het gejuich van hot volk, toen het rijtuig, waarin deze twee hei rol).gezeten waren, achter dat, hetwelk op do overige drie genoodigden wachtte, voor het huis van Pott stilhield, de I deur geopend werd, en Pott zich op den drempel vertoonde, in hét gewaad vaneen Russisoljen scherprechter, met een vreeselijken knoet in zijne band een smaakvol zinnebeeld der geduchte macht van de K a tans w ill-Oa ze 11 e, en dor vreesolijke gestrengheid, waarmede de over-treders der maatschappelijke wetten door haar werden getuchtigd. |
„Kravolquot; riepen Tupman en Stockwall, toen zij (leze wandelende allegorie zagen te voorschijn komen. .Bravo!quot; hoorde men Pickwick uit de gang roepen. ..Hoezee, Pott I hoezee!quot; schreeuwde het volk. Onder deze begroetingen, steow Pott. met eunen tegelijk, deftigen en minzamen glimlach, die aantoonde, dat hij zijner waardigheid bewust en de/c hulde hem welgevallig was. in zijn riituig. Daarop kwam mevrouw Pott buiten, die spiekend op Appollo /uit geleken hebben, als zij maar geen langen rok had gedragen, aan den arm van Winkle, die metzijn rooden rok terstond voor een jager zou aangezien zijn geworden, als hij niet evenveel van een koninklijken post- j rijder had gehad. Kindelijk kwam Pickwick voor • den dag. wien de straatjongens even luidruchtig toejuichti n als een der anderen, waarschijnlijk dewijl zij de spanbroek en de slobkousen van dien heer voor overblijfselen uit de mitldel-: eeuwen aanzagen, en nadat het gezelschap had plaats genemen, en Sam op den bok van het voorste rijtuig was geklomen, reed men gezamenlijk naar het buiteng\'H-d van mevrouw Leo Hunter. Nooit hoorde men een vreugdekreet, als de bij het hek ver/amolde mannen, vrouwen en kinderen aanhieven, toen Pickwick, mot den bandiet aan den oenen en den troubadour aan den anderen arm naar binnen wandelde; en het gejuich verdubbelde, toen Tupman, em in volle staatsie zijne gasl vrouw te ontmoeten, zijn hoogen hoed opzette. Het voorkomen van den tuin w\'as zoo prachtig. als de Gazet te had voorspeld. Do gohoele buitenplaats, dji omtroni oen morgen gronds besloeg, was vol gasten, waarvan dlt; helft in maskeradepakken was gekleed, Xooit zag men zulk een aantal fraaie vernuften en .sciiooli\'heden bijeen. Kr waren zélfs schrijvers uit Londen echte sehrij vers, die gehoele boeken hadden geschreven, ze hadden laten drukke n, en hier evenals gewone rnonschen rondwandelden, luchten en praatten. Bovendien was er eon troep muzikanten met bordpapieren schako\'s vier uit I heemsche zangers in nationaal kostuum, en een dozijn voor deze gelegenheid gehuurde knechts in bun nationaal kostuum eon zoor smerig kostuum. Doch de merkwaardigste persoon van allen was mevrouw Leo Hunter zelve, die, als Minerva uitgedost, hare gasten ontving, en bü |
|
s AMl\'Kl, l\'IOK AVICK.
|
de sjedcichte, dat zij zulk hhii aantal uitstekende mt-aschen had bijeengebracht, van trotse he verrukking duizeid\' „Mijnheer Pickwick, mevrouw!quot; zeidc een km clit, toen die heer. metzijn hoed in de hand, tuaschen den bandiet en den troubadour de godin naderde. „Wat — waar\'.\'quot; riep mevrouw Leo Hunter, met hoogst theatrale veiTassinu en vreugde opspringende. „Mier,quot; zeide Pickwick. ..I- het imwlijk, dat ik waarlijk het g\'tioe-u\'tiö smaak van mijnheer l\'iekwickln eigen persoon te aansciiouwen ?quot; riep aiovrouw l.en Hun-ter. „Niemand ander.-, mevrouw!quot; autwoonidf* Pickwick met eene diepe buiging, „\\\'ergun, dat ik mijiu* vrienden bij de zangster van I) e st\'.. r-vende kikvorsch introduceer. Mijnh\'er Tupman mi.inheei\'Winkle - mijnhei-rSi.M-k-wall.quot; slechts /.eer sveitiige men-óhen, behalve zij, die le t be[»ro\' td liebben, weten hoe moeilijk het is. om in een© kleeding, bij welker vi-rvaar-.iigiKi: de lichaainsu\'estalte van den eirager vol-gt;;rekt niet in aanmerking is g«momefl|l eene .-ierliikf buiging te maken. Zelden zag rrien i\'mand op zulk \'en wonderbare manier met zijne leden ie werk gaan, als\'l\'upman en zijne verkh\'edde viienden deden, toi azij\'huane gast-vii aiw met o ngi\'dwongen zwier wilden begroet en. „Mijiïheer Piekwicklquot; zeide mevrouw l.io Hunter: „gij moei mij beiquot;ven dat gij deu ür-! he\' llt; n dau aan mijne /ij\'K\' zult blii V\' ii. Kt zi.\'n h.. i honderden eau mer.-\'di\' u, nu t wie i■; u vooral moet bekend maken,quot; „Oij zijt zeer vriendelijk, mevrouw!quot; zeide Pickwick. „Vooreerst, hier zijn mijne kleine meisjes; ik had haar bijna vei ^eten, zeide Minerva, terwijl zij vluchtig naar een paar volwassen dairi\' s w e.-. waarvan de jonuste zeker twintig .hiren t :■!\'■. eii d igt; beide ze\'T i\' : ;gdig gek b ed waren ; • if dit was om haar, of wel hare mama j nigei\' te dueti schijmin. Ie.\' I t Piekwick quot;ii^ niet bei richt. „Zij zijn zeer sehoori/\'merkte Piekwick aan, nadat de volwassen kindertjes zich wederom \\ erwijderd hadden, „/.li gelijken sprekend op haar inatmi.quot;/.eide : 1\'ott met deftigheid. O, _\'i! ondeugd!quot; riep mevrouw Leo Hunl\'r uit, terwijl zij den redaeteur schertsend een tikje met haar waaier gat\'. Minerva met een waaier!! „Welnu, lieve mevrouw Hunter!quot; hernam 1\'ott, die op het Hquot;! den post van trompet ter waarnam, ,gü weet immers wei, dat bij dquot; 1 eits\'.. tentoonstelling ietiereen, di« uw portret /.e,, vro\' g, of het u voorstelde of uwejengste lochtci, omdat gij zoo sprekend op elkamU r |
ueleekt. dat niemand het onderscheid kon zien.quot; „Lu al was dat zoo, moet gij er dan inliet bijzijn van vreemdelingen van spreken?quot; zeide mevrouw Leo Hunter, terwijl zij den sluimerenden Leeuw der Lat answil 10 azet t e nou-i na als een tik gaf. „Graaf, graaf!quot; riep zij, toen .•en heer met groote knevels en eene vreemde uniform voorbijging, ,.Ah! gij roept mij?quot; zeide de graaf, zich om kee lende. „Ik wenschte twee uitstekende mannen met elkander bekend te maken,quot; zeide mevrouw Leo Hunter. „Mijnheer Pickwick! ik heb het genoegen. !i graal\' rtmortolk voor te stellen. Haastiu\' ihiisierend vervolgde zij: „den beroemden re\'/.iger, die iiier bouwstollen verzamelt voor een groot werk over Engeland hm! (Traaf Sniortolk! mynheer Pickwick.quot; l\'iekwiek begroette den graaf met al den aan zulk een groot man verschuldigden eerbied, en de LT:iaf baalde een zakboekje te voorschijn. „ Wat gij zou\'t, mevrouw Hunt?quot; vroeg de e\'raat met een vriendehiken u\'limlach, „Pik \\ ik, Bik wik? Ah ja, zoo is het,quot; En de graaf wilde den naam zoo oi)sehrijven. ...Veen, neen!quot; riep mevrouw Leo Hunter uit, „l\'iekwiek,quot; ..Ach. beLnyp,quot; hernam dt\' gniaf. „Piek gedoopt . familie Wiek Hpe gij vaart. »Vick? „Ze* i wel; dank u,quot; antwoordde Pickwick ned zijuf- srewoiiquot; vriendelijkheid. „Zijt gij reeds lana in Lnu\'ela n d geweest ?\'\' „Lang quot;heel lang tijd veertien daag ~ meer.quot; ..Blijft gij nog lang?quot; .Ken weken ..dij zult werk genoeg hebben, \' hernam Piek-ttiek glimlaciu\'iid, „om in dien tijd al de bouw-stoften, die gij noodig hebt, te verzamelen, „o, die al verzameid zijn,quot; zeide de graat. „Inderdaad zeide Piekwick. Hier in binnenquot; vervolgde de graaf, veelbe te\' kenend tesieh zijn voorhoofd tikkende. Gi oote boek te huis — vol notitie — musique, poes ie, peinture, science, politique van al dat.quot; „Fb\'t woord politiek, mijnheer,quot; zeide l\'iekwiek, „bevat op zich zelf reeds eene moeielijke srii\'iie van uitgebreiden omvang!quot; ...\\h!quot; zeide d\' graaf, zijn zakboekje weder vee- den dag halende.,.Die woorden mooi zijn; eni een hoofdstuk te begin. Zeven en veertig,o-liti\'ine. Het woord politique bevat \' en daarmede stond Pickwick\'s opmerking in hel, zakboekje van graaf Smorlolk. „braaf!quot; zeide mevrouw Leo Hunter. „Mevrouw Hunt? hernam de graaf. „Dit is mijnheer Stockwall, een vriend van ttiijulieer l\'iekwiek, en een dichter Terstond nam de graaf zijn zakboekje weder en schreef, onder het hoofdstuk letterk unde- |
|
PICKWICK O XT MOE (litre vrienden, bij de af\'deeling poOzie, den naam van den dichter Storchwald op. Xa nog oenigo complimenten gewisseld te hebben, wandelde hij weder voort, zeer tevreden met de belangrijke bijzonderheden, waarmede hij zijn schat van kennis had venneerdercl. „Ken verwonderlijk knap man, die graaf Smbr-tolk,quot; zeide mevrouw Leo Hunter. „Een diepdenkend philosoof,quot; zeide i\'ott. „Een man van vernuft en smaak,quot; zeide stock wall. Dit alles werd door de omstanders volmondig toegestemd; en misschien zou men nog een ge-ruimen tijd hebben doorgebracht met lofredenen op den vermaarden vree indeling te hou den. indien de vier uitheem^che zangers zich niet under .-.•a appelboom hadden geschaard hetgeen zij deden quot;in eene schilderachtige groep tp formeeren ■u begonnen waren hunne nationale liederen te ingen, waartoe geen bijzonder groot talent noo-dig was, daar het gansche geheim daarin scheen bestaan, dat drie der zangers bromden, terwijl de vierdejankte. Vervolge-nts kwam er een jong\' n, ie allerlei fratsen maakte met een stoel, ennede iquot;P, kroop, omviel, sprong, in «vn woord er alles mede deed, behalve er op te gaan zitten. !\'ot afwisseling zong mevrouw Pott een bra v.nir-aria, maar zoo zacht, dat büna niemand er \'■ts van hoorde. Ten laatste trad mevrouw Leo Munter op. en reciteerde hare Odi- aan e.en ■tervenden jkikvorsch: het gezelschap riep da capo, en zou dit zelfs ten tweeden mal-ilebben gedaan;indien het meerendeel der gasten, die begrepen dat het hoog tijd was omwatti aan eten, niet gezegd had, dat men zich schamen aoest om van mevrouw Leo Hunier zooveel t vergen. Ofschoon derhalve déze dame betuigde, iat zij volkomen bereidwillig was om de ode log eens te reciteeren, wilden echter hare be- ■ ■quot;i\'gde vrienden er niets meer van hooren. i\'e deur der eetzaal werd geopend, en alh n. die vroeger daar te gast waren geweest, dronu.-n \'net allen spoed naar binnen, wel wetende dat nevroüw Leo Hunter de gewoonte had, om, wanneer zij een gezelschap van honderd personen noodigde, eene tafel voor slechts vijftig ui te richten. Mevrouw Leo Hunter, die gezorgd had dat hare voornaamste gasten plaats aan de tafel «regen, zag zegepralend om zich heen. Graaf Smortolk was druk beÉg met den inhoud der \'•hotels in zyn zakboekje aan te teekonen. Tup-man maakte zich verdienstelijk door de kreet t-salade rond te dienen met c-ne handigheid,gclük hog nooit een bandiet had ten toon gespreid; ■ it Pickwick lachte en schertste- vriendelijk met ieder, die in zijn bereik was. leder, die plaats kon bekomen, was reeds gezeten, toen mijnheer Leo Hunter, die bij zulke gelegenheden idi d( deur moest blijven staan, om met de mindei aanzienlijke gasten te praten|g.lot.soling uitriep: |
T EEN1 OU 11 HEK EX DE. 98 ..Mevrouw Leo Hunter! daar is mijnheerChaHes Eitz Marshall.quot; „is hij daar?quot; zeide mevrouw Leo Hunter. „Hoe verlangend heb ik naar hem uitgezien ! Laat mijnheer Eitz Marshall toch terstond hier komen, indien hij wil. dat ik hem vergeef, dat hij zoolang is weggebleven.quot; „Ik kom al, mevrouw Iquot; riep eene stem. „Ik haast mij zooveel ik kan moeielijk genoeg-machtig vol hier geweldig gedrang.quot; Pickwick liet mes en vork uit zijne hand vallen, en wierp over de tafel heen een blik op Tupman. die insgelijks zijn mes en vork had laten vallen, en een ge zicht zette, alsof hij voornemens was om zonder verdere- waarschuwing door den grond te zinken. ..Ha!quot; riep de stem. terwijl de eigenaaar zich tusschen de laatste vijf en twintig Turken, ridders en ofttcieren doorwerkte, die hern van de tafel afsneden: ..lijkt veel op een mangel - geen plooitje meer in mijn rok had er om moeten denken — mijne geheide wasch aangetrokken — aardig zijn linnen aan r.ijn eigen lijf te laten mangelen zwaar werk.quot; Met deze afgebroken uitdrukkingen baande • en jonkman, die de uniform van een zeeofti-cier droeg, zich een weg naar de tafel, en bood den verbaasden Piokwickisten het gelaat en de gestalte van Alfred Jingle ter beschouwing aan. De misdadigi r had nauwelijks tyd gehad, om i de hem door mevrouw Leo Hunter aangeboden hand te vatten, of zijne oogen ontillöbtten deu toornigen blik van Pickwick. ..Wacht!quot; zeide Jingle .clad vergeten — den postiljon niet gewaarschu wd eens even terinr terstond weer hier.quot; „De knecht of nuinheer I.\'-o Hunter zal die boodschap W\'1 doen. inijnln \'-r l-\'itz Marshall!quot; zei-de de gastvi\'ouw. „Neen, heen,quot; antwoordde Jingle. „Zelf wel doen in \' en ik lueiiblik ti-ni-;Met deze woorden verdween hij in het gedrang. ...Mag ik u vragen, mevrouw,quot; zeide deom--»l*-1de Pickwick, terwijl hij opstond, „wie die jonkman is. i-n waar hij woont\'-\'quot; „Hij is een rijk en aanzienlijk jonkheer, mijnheer Pickwick/\' antwoordde mevrouw 1.\' ■ Hunter, .niet we n ik ze-r verlang u in kennis te bi\'i-ngen. De graaf z d zich ook verheugen hem te zien.quot; ..Ja wel. ju wel.quot; zeide Pickwick haastiu. I „Zijne woonplaats?quot; ..Hij is tegenwoordig in de E nge 1 te Rn ry si. Kdmiins gelogei-rd. Maar, mijn hemel, mijnheer Pickwick! waar wilt gif heen? Gij gaal ons toch nu nog niet vet laten ?quot; Doch voordat zij had uitgesproken, had Piek-wiek zich reeds door In-t gedrartg heene-eweikt en den tuin bereikt, waar Tupman, die zim vriend zoo spoedig mogidijk gevolgd wa-, zich bij hem voegde. |
|
SAM TEL i\' „Het iroeft niets,quot; zoidi- Tupman. „Hij is weg.quot; «fk weet iiet wol,quot; zeid\' i\'ickwick; „maar ik zal hem volgen.quot; .Voluvn? Waarheen?quot; vroeg Tupman. „Naar de E n ge I te B u r y,quot; uutsvoordde Pickwick. zeer snel sprekende. „Wie weet wien hij daar betliiegt! ilij hei-ft eens een braaf man be drogen, en wij waren daarvan de onschuldige oorzaak. Hij zal het niet weer doen, als ik het beletten kan. Ik zal hern ontinaskeivn. Sam!■ Waar is mijn knecht?quot; „Hier, mijuheer!quot; zeide sum Weller, uit een afgeii.gen hoekje voor den dag komende, waar hij zich aan eene flesch Madera te ^oed had gedaan, die iiij een paar uren vrocg^ryan de ontbijttafel had gekaapt. ..Mier is uw kpecht, mijn-lieer! Trotsch öp den naam, zooals het Ijevend Geraamte \') zeide, datzij voorgiddlieten kijken.quot; ,Gaterstond mede,quot;zeide l\'ickwiek. „Tupman! als ik te Rtir;, blijf, zal Ik u schrijven; dan kunt i:ij daar bij mii komen, Ti,-t zoolang vaarwel.quot; Tegenspraak was nutteloos, wanneer Pickwick zijn besluit genomen had. Tupman keerde naar het gezelschap terug, en had een uur later, toen hij eetie tlesch ( \'hampagne had helpen ledigen en eene luchtige ijuadrille had gedanst. glad verget\' ii, dat er een Alfred •Mngle ■d\' Oharli-s Pitz Marshall op d^ wereld was. tntusschen zat»-ii Pickwick en Sam op de imperiaal ei-nr-r diligence, \' n reden, de een vol onrust, de andere zeer welgemoed, naar de oude stad Bury St. Edmunds. XVI. Al TE VOL VVONTCUKK OM 1\'KN INHOUD TK KI N.NKX AANSTI l\'l\'KN Er is g-.-ue maand in hei geheele ia.ir, waarin • i«- natuur ten schooner gelaat vertooht,.dan in de maand Augustus, De lente heeft veel schoons en Mei is eene frissche welige maand; maar de bek^oriykheden van dat jaargetijde worden veile ogd door liaar contrast met den winter. Augr. -tus bezit dit voordeel niet. Die maand verschijnt, wanneer wij aan niets meer deuken dan aan een heap ren hemel, groene velden en geurige bloe-ii en. - wanneer de herinnering aan sneeuw i.s en snerpende winden zoo geheel uit1 ais gein.....1 Is weggevaagd, alsol\'zij nooit zouden terug- keereu. en hoe genoeglijk Is toch die tijd\'. Hooi; gieudeii en korenvelden prijken In volle |
CKWTCK. pracht; de boomen kraken onder den last der vruchten, die de takken doen buigen; en het golvende grami. dat op de sikkel wacht, of reeds aan schooven is gebonden, overspreidt het landschap met een gouden gloed. Terwijl de diligence de velden en boomgaarden voorbijrijdt, die den weg bezoomen, staken de vrouwen en kinderen, die de vruchten in manden stapelen, of de verstrooide korenaren oplezen, voor een oogenblik hun arbeid, houden (I hand boven hunne oogen, en staren met nieuwsgierige blikken de reizigers aan, terwijl een stevigen kabouter, nog te klein om te werken, maar te ondeugend om alleen te huis gelaten te worden, uit de mand komt kijken, waarin hij veiligheidshalve is neergezet, en zi,jne blijdschap uitgilt. De maaier houdt ook een oogenblik op, en beschouwt niet over elkander geslagen armen het voorbü rollende rijtuig: on liet ongehavende karrepaard werpt het glad opgepoetste span van de diligence een slaperigen blik toe, die, zoo duidelijk als de blik van een paard dit maar doen kan. zegt: „Dat is alles heel mooi; maar langzaam te stappen over een bouwland, is toch beter dan dat warme werk op een stof-tlgen straatweg,quot; Bij een draai van den weg, werpt gij een blik achter u: en vrot,wen, kinde- j reu. maaiers en karrepaarden — alles is weder aan het werk en In beweging. Het gezicht van zulk een tooneel bleef niet zonder invloed op het gemoed van Pickwick. | Vol van zijn genomen besluit om den schurk- 1 achtigen Jingle te ontmaskeren, waar deze ook zijne bedrieglijke plannen mocht beproeven, zat hij eerst stilzwijgend en afgetrokken na te denken over de beste middelen om dit oogmerk te bereiken. Langzamerhand begonnen echter de voorwerpen, die hem omringden, zijne aandacht te trekken; en eindelijk had hij zooveel genoegen in zijn rijtoertje, alaof hij het louter tot zyn vermaak ondernomen had. Ken heerlijk uitzicht, Sam?quot; zeide Pickwick. „Nog veel mooier dan daken en schoorstee-nen.quot; antwoordde Weller, zijn hoed aanrakende. ,l k geloof, dat gij In uw leven niet veel anders hebt gezien dan daken en steenen muren,quot; Z\'ide l\'ickwick glimlachende. „Ik ben niet altijd knecht in eene herberg geweest, mijnheer;quot; zeide Sam: „eerst was ik ei-ne poos voermansjongen. „Wanneer was dar.\'quot; vroeg Pickwick. „Toen ik hals over kop de wereld werd Ingegooid, mijnheer, om met hare rampen en bezwaren haasje-o ver te spelen. Kerst, was Ik als jongen in dienst bij een karreman; toon bij eon voerman, toen werd ik boodschaplaoper, toen oppasser, en nu le n ik heerenknecht. Wie w. . t, of ik eindelijk niet nog een heer word, met eene lange pijp in den mond,en een prieeltje achter In den tuin! Wie weet het! Mij zou het niet verwonderen Iquot; |
1
K\'*u (Ut iium\'k I,c■. ,\'!iilf \'ï\'Tiiatntf-\'n. \'lit- lt; oir
u\'iitooiiiipstfltl zijn, WUB rlatnlf* \\ ni h r o i - 0 seural itt IT\'e t,1 Troy» s i»i 1 rankrijk ^eboriin \'Ti vertu\'.ni\'l t-\' lnnltMi in 1 quot;-J ■ I)it l.evenil deraomt»\' lifdoelt Sam ell-u-r j. k
i »5
„Gij zijt een echte philosool\'. Sam!quot; zeide „ Wel,quot; antwoordde Ham, ..\'s morgens om zes
Pickwick. uur maken zij de touwen aan een eind los;
..Dat zit bij onze tamilie in het bloed, geloot\' dan vallen al de slapers op den grond; de bons
ik, mijnheer! hernam Welhi\'. ..Mijn vader is maakt hen l\'rUdi wakker, en zij gaan zonder
er tegenwoordig heel verin. Als mijne stiet tegenspreken lei\'ii. Neem mij niet kwalijk, mijn-
moeder ruzie met hein zoekt, fluit hij maar heer!quot; zeide .Sam, eensklaps het gesprek afbre-
wat. Dan wordt zij kwaad en slaat zijne pijp kend: ..is dat Bury St. Edmunds?quot;
aan stukken, en dan neemt hij eene andere. 1 )an ...Ja,quot; antwoordde Pickwick.
begint zij te gillen en krijgt het op eb- zenu- De diligence ratelde door de straten van een
wen, en hij blijft zeer genoeglijk zitten rooken, fraai stadje, dat een zindelijk en welvarend !
totdat zij weer beter wordt. Dat is philosophie; Voorkomen had, en hield stil voor eene groote \'
niet waar, mijnheer?quot; herberg, in tene breede straat, bijna vlak tegen-
„Het is ten minste evengoed.quot; antwoordde over de oude abdij.
Pickwick lachende. „Gij moet er veel dienst „Daar zijn wij voor den Enge 1,quot; zeide Pick-
van gehad hebben in uw zwervend leven, Sam!\'\' wick. ..Wij moeten hier afstappen, samiMaar
.,Dat geloof ik. mijnheer!quot; zeide Sam. „Toen ! er zal eenige voorzichtigheid noodig zijn. Bestel i
ik van den karreman was weggeloopen, en voor- j eene afzonderlijke kamer en zeu niet wie ik
dat ik bij den voerman kwam, had ik veertien ben. Begrepen!quot;
dagen lang een huis zonder meubelen.quot; Sam antwoordde met een loozen oogwenk,
„Een huis zonder meubelen?quot; herhaalde en ging terstond zijne boodschap doen. Een j
Pickwick. | oogenblik later kwam hij terug, om Pickwick ;
„Ja; de droge bogen van de Waterloo- zijne kamer te wijzen,
brug. Eene goede slaapplaats, en midden in de „Nu sani.quot; zeide Pickwick, „is hel eerste !
stad, overal even dicht bij. Het eenige, wat men wat wij doen jgjoelen . . . .quot;
r tegen kon hebben, was, dat zij toch wat al- „Eten bestellen,quot; viel Sam hierop in, ..Het
ie luchtig was. Ik heb daar rar dingen ge- is al mooi laat.quot;
zien, mijnheer!\' „Out is ook waar,quot; hernam Pickwick op zijn i
..Dat kan ik vvel denken, zeide Pickwick, horloge ziende; „gij hebt gelijk Sam!quot;
p een toon. waaruit bleek, dat déze bijzonder- „En als ik u raden mocht, mijnheer,quot; ver-
I eid zijn belangstelling had opgewekt, volgde Wolier, . zou ik vervolgens naar bed J
„Dingen, hervatte Sam, „die n door uw gaan en goed uitslapen, en niet voor morgen
menschlievend hart zouden gaan, en aan den au- ochtend om dien gauwdief denken. Er is niets
deren kant er weer uitkomen. Landloopers van zoo verffisschend als de slaap, mijnheer! zooals
beroep ziet men daar niet, die weten wel beter, de kindermeid zeide, toen zij een potje papaver-
■longe bedelaars, mannen en vrouwen, die nog stroop lee^suoepte.quot;
weinig verdienen, komen er wel eens slapen; „Ik geloot, dat gij gelijk hebt, Sam!quot; zeide
maar doorgaans zijn het oude, afgeleefde uit- Pickwick, .Maar ik moet er eerst naar vra-
gehongerde schepsels, die nergens eenheenko- gee, of hij hier is. en niet voornemens is om
men hebben, en die daar in een donkeren hoek- te vertrekken.quot;
kruipen — arme duivels, die het t wee-pe n n v- „Laat dat maar aan mij over, mijnheer!quot;
touw niet betalen kunnen,quot; zeide Sam, „Ik zal eerst een goeden maaltijd i
„Wat is dat Sam?quot; vroeg Pickwick. bestollen, en terwijl die wordt klaargemaakt,
„Hettwee-penny-touw, mijnheer?quot; hernam beneden eens rondhooren. Het zou mij machtig
Weller, „is eeno goedkoope bedelaarsherberg, verwonderen, als ik den knecht niet binnen vijf
waar een bed voor •«.m nacht twee pence minuten al zijne geheimen liet opbiechten,quot;
„Goed,quot; zeide Pickwick; en Sam ging ter- j
„Kn waarom noemt men een bed een touw?quot; stond heen.
vroeg Pickwick. Binnen een half uur zat Pickwick aan een
„Z\'io is het niet gemeend, mljnlieer!quot; ant- smakelijkeninaaltijd,eneenkwartierlaterkwaiii
moordde Sam. .. l\'oen die herborg pas werd op- Weller hem hei bericht brengen, dat mijnlie^r
uezet, werden de bedden op dlt; n vloer gespreid; Pitz Marshal inagelijkaeeueafzonderlijke kamer
maar de hospes zag spoedig, dat hij zoo geen had. maar uitgegaan wan, om in een particulier
zaken kon maken; want In plaats van op eene huU den avond door te brengen; dal hij den
ordentelijke manier hunne portie slaap te He knecht uit het logement had belast om op
men. bleven de gasten den halven dag in bed hem te wachten, en ziju eigen knecht had
\'iggen. Daarom hebben ze nu twee touwen medegenomen.
dwars door de kamer, zoowat zes voet van elk- „Als ik morgenochtend met dien knecht een
ander en drie voet boven den vloer; en de bed- praatje maak,quot; zeide Wellrr op het einde van
den zijn lappen zeildoek, die daaroverheen zijn zijn verslag, „zal \'hij mij alles vertellen wat zijn
gespannen. heer uitvoert.quot;
„En wat zou dat.\' vroeg Pickwick. „Hoe weet gh dat?quot; vroeg Pickwick.
SAMUEL PICKWICK.
\'.If,
miinheer! dcit \'io^u dö kiiot^hts u.ltyü aiUwooidclc Sam. . ,
Q zoöjdaarUachtik om, /.eidel ickwick. \'.En dan kunt gu ov-. rlt ^gen wat U te doen
Daar di;ze .schikking de beste scheen, wiik\'-te maken viel, was men liet spoedig eens. Sam,
die van zijn meester v erlet kreeg ófii den avond naa1\' zijn eiüi\'n zin dom\' te bieiv-i\'n. yinu\'naar h,aieden, en wi ld spot-dig dour het iii de gelag kaïïier vergaderde gezlt;dM;hap ais piesideni aan het hoofd v\'an de tafel geplaatst, waar hij zich zoo W\'-l kweet, dat het gelach en gejuich der vroolijke gasten to: in Pickwicks slaapvertrek doordrong, en zijne naehtrust ten minste drie ui \'u verkortte.
Vrbeu op den volgenden morgen was Weiiei btziir nier alle onaangename overbiijtselen drr tersmviigde van den vorigen avond le verdrijven door lèiddel van een pen n y\'s stortl.ad hij had, namelijk, door het aanbod van zulk een ! muntstuk, een jongeheer, die aan het depar-Icment der stallen was ^eattach^ rd, overire-ha,dd om zool uiovei zijn hoofd en gezicht
te tompi n. totdat hij volkomen nuchter was tv ii h- m een jonge kwant met eene rondbruine livrei in het oog viel. die op dé||laats op t rue liank zat. en met groote aandacht in een boekje las dat (\' ngei-stelijk ge/.angboekjeschei-nte zijn
hoewel hu tC\'h tussi hi iibeide een .selmiii-clien blik naar den man onder de pomp wi. rp, alsot
hij niet kon nalaten t.\' letten up hergeen daar ............ , , ,
, , ,ir. \' dacht saimi--,. t. ■ ■: hij voor hete. rst den blik ontmoette van den vreem deling nn • den roedhruinen rok, die een lansr. bleekquot; leeiijk gezicht, diep ingezonken Óogen en : o , n jtoi,:: heoi\'d niet lansje borstelige haren ha i.
\' ..Dat is een rare vent,quot; dacht Samuel, terwijl
■
De man lier echt,:r bestendig zijne oogen tus schen s itnuel en lu-t gezangÖOek iieen en w- dei i^aan, alsof hij wel \'en gesprek had willen lie-trinnen, zoo ia: Sam. om hem eene gelegenheid daartoe te geven, jksweg jgade;
.. 1 loe gaat her, k i ineraad
„Het verheugt inu, dat ik zeggen kan tamelijk wi l. miinln er.quot; /eide de man zeer langzaam fei, afgemeten, terwijl hij zijn boek sii^öt. .Ik hoop ,l.i! .ij nuk welvaart, mijnheer!quot;
.Als ik wat minder had van er ii wand\'lemh.\' biaiidewiji)ile.sch zou ik vaat morgen mol /.quot;•• duizelig zijn,quot; hernam SatöttfcU .jLogeePt gij hier in huis. kameraad .\'
De vreemdeling knikte.
„Hoe kwam het dan, dal gij er gisvravond nie\' bij waar!\' vroeg ^ lin, terwijl hij zija -■■■ zirli! aidroogde. ,iiij höudt toch ook wel van* en pretje1\' gil ziet or zoo vroolijk ui\' al- en baars in \' \'ai hoop zand.\' vervolgd\'.- iiij i\'in-nensrnonds.
,.lk ben niet inijnh.eer ulrg\'-weest, antwoordde de vreemdeling.
„Hoe heet hii ?quot; vroeg Wel Ier terwijl hij bleed-rood werd, doch niet van her wrijven alleen; want er ging plotseling een licht voor hem up. ..I\'itz .Marshall,quot; antwoordde de vreemdeling. . (je, -1 mij de hand,quot; zeide Weller, naderbij kumende. ..Ik wil gaarne kennis met u maken, üw voorkomen bevalt mij kameraad\'.
,. Wel dat is vreemd,quot; zeide de ander, met een zeer onnoozel gezicht. „Ik heb zooveel zin in u. dat ik terstond lust kreeg om wat met u te praten, toen ik u onder de pomp zag. „inderdaad ?quot;
„Op mijn woord. Is dat nier vreemd\'?
. Het is raar.quot; zeide Sam, zich inwendig verheugende over de eerlijke eenvoudigheid van den vreemdeling Maar hoe heet gij, beste vriend .\' .leremias.quot;
..Dat is een zeer goede naam — de eenige, dien ik weet, waar rtjen geen bijnaam bij gemaakt heeft. En uw van?quot;
_Trotter En hoe heet gij \'\'
sam bedacht hoe zijn meester hem tot voor-zichtigheid had aangemaand, en antwoordde: „Ik heet Walker, en mijn meester Wilkins. 1 Willen wij te zamen een slokje gaan nemen?quot;
Trott\' r schonk dezen voorslag dadelijk zijn i bijval, stak zijn boek in zijn zak. ging met Weller naar de gelagkamer, en weldra zaten beiden, elk met een glas op kruidnagelen getrokken jenever voor zich, tegenover elkander.
..Wat voor soort van een dienst hebt gij we! ? vroeg s im. toen hij zijn makker voorde tweede maal liet inschenken.
. Ken slechten dienst.\'\'antwoordde.leremias. \'.\'liet zal toch zoo erg niet zijn?quot; h- mam Samuel.
Ja waarlijk, erg genoeg. En wat nog erger is. mijn meester gaai trouwen.quot;
.. Waarlijk ? \'
.la; en wat nog erger is, hij wil eene rijke erlduelitei\' ihi \' en kostschool schaken.
„Hoe durft hij het ondernemen ? \' zeide sam. ..Zeker uit eene kostschool hier in de stad. niet waar?quot;
11, . wel deze vraag op een zeeronverscnil.igen touii werd uitgesproken, toonde .leremias met. zijne gebaren duidelijk, dar hij wel begia ep, dat Z! ii nieuwe vriend belang stelde in het. antwoord Hij dronk zijn glas uit. zag Samuel strak in In - gezicht, knipt*; metzijneoogen.en maakte eindelijk eene beweging met zijn arm, alsof hij lieu siing\'-r e.,ner pomp in werking bracht, waa r-medo hij wilde te kénnen geven, dat hij zich zelv.-a ais een pomp beschouwde, die Sarnuel gaarne zou willen leeg pbmpen.
..V-en, neen,quot; zeide hij 1 en laatste. J\'at mag j. iefeti «iet weten. Dat is een geheim, mijn he\'-r Walker1.quot;
Daarop zette hij zijn glas ten onderste bov^n
I
5^; Lgt;
li
^ quot;^-V »
•IEHEMIAS TliOTTMR WORDT OXTHAALD.
|
op de tafel, als wilde liij zijn makker herinneren, \' dat hij niets meer had om zijn dorst te verdrijven. Sam begreep dezen wenk, en liet het glas nog eens vol schenken, hetgeen Jeremias bijzonder wel scheen te bevallen. ,.Is het dan een geheim?quot; zeide Sam. „Ik zou het wel haast dénken,quot; antwoordde Jerernias, met zeer veel aandacht het: nieuwe glas proevende. „Uw meester is zeker schatrijk, zeidequot; Sam. j |
dat gij een groote schurk zijt;quot; vroeg Weller ! met nadruk. „Ach dat weet ik wel,quot; antwoordde Jeremias zijn makker zeer bedrukt aanziende. „Dat weet ik wel; dat is het juist wat mü rust noch duur j laat. Maar wat zal ik doen ?quot; ..Doen!quot; zeide sam. ,Alles aan de matres ontdekken, en uw lieer laten loopen.quot; „Wie zou mij gelooven?quot; hernam Jeremias. ...Men houdt de jongejuffer voor het puikje van |
Jeremias glimlachte, en u-af mt-t zijne ree liter ■
hand vier klappen op den zak van zijn rood bruine broek, als wilde hij zegden, dat zijn mij gelooven? Ik zou meesier zulks ook wel zou kunnen doen, zonder doorliet rammelen van zijn geld iemands aandacht te trekken.
../oo!quot; zeide Sam; „dan do; :t hy het daarom,
niet waar?quot;
onschuld en zedigheid. Zij zou zeggen, dat hel; niet waar was, en mijn meester ook. Wie zou
plaats kwijt faken.
-li bovendien voor laster ol\' zoo iets worden aangeklaagd. Dat is al wat ik voor mijne waarschuwing krijgen zon.quot;
„Daar is wel iets van aan, zeide Sam nadenkende.
„Als ik ntair een of ander fatsoenlijk heer kende, die zich dez:,ak wilde aantrekken,quot; ver
Jeremias antwoordde mei ee.i veolbeteekenen-den hoofdki
.l-in als gij uw meester laar, begaan,en hem i volgde \'l\'rotter, „zou ik nog eenigszins hopen, die jongejuffer laat si-hak-\'ii, begrijpt Lrij da n niei. 1 da\' men bet oruelnk zon kunnen voorkomen.
DlCKI-.NS, SAMI KI. l\'U KU U K.
SAMUHL PIOKWIOK.
lts
|
Maar hier heb ik weder dezelfde zwarigheid, mijnheer Walker! Ik ken hier niemaml iu deze vreemde stad j en a.lrf ik iemand kende, is het toch tien tegen óéu, of hy mij w) geloovcii zou!quot; „Ga met. mij mede,quot; riep «am, opspringende en quot;den ander bij den arm grijpende.,, Mijnheer i is juist de man, dien gij hebben moet !quot; Hn na eeuige tegenstribbeling bracht Sam zijn nieuw gevonden vriend naar de kamer van Pickwick, | wien hij Trotter voorstelde, en tegelijk verhaalde wat zij te zamen gesproken hadden. „Het doet mij zoo aan, mijnheer,dat ik rnijn meester heb verraden!quot; snikte Jeremias Trotter, terwijl hij een bijzonder, klein roodgeruit zakdoekje voor zijne oogen hield. „Uie aandoening doet u zeer veel eer aan. Ie i -n:im Pickwick; „maar liet isniettemin uw plicht. „Ik weet het wel, dat het mijn plicht is, mijnheer !quot; zeideJeremias met de grootste ontroering. \\V ij moesten allen onzen plicht betrachten,mijn-l heer! en dat tracht ik met alle nederigheid te doen mijnheer! Maar het is toch hard mijnheer! als men een meester moet verraden, wiens kloeren men draagt en wiens brood men eet, al is hij een schurk, mijnheer!\' „i iy zijt een braaf man, zeide Pickwick. lt;uo inderdaad getroffen was; „een eerlijk man! ..Kom, kom!quot; zeid- Sam, wien het schreien van Jeremias schrikkelijk begon te vervelen. ..Schei nu maar uit met al dat warm watei -i-UMi. Dat m takt immers toch niets uil \' „.-mui!quot; zeide Pickw-ick verwijtend; ..het spijt mij, dat gij zoo weinig eerbied hebt voor de a.indoeningen van dezen jonkman „Met zijne aandoeningen heb ik vrede, mun-heër!quot; antwoordde Sam; maar als ze zoo machtig mooi zijn. zou het jammer wezen, dat hij ze verloor. Daarom zou ik hem raden om liever in ziju binnenste te bewaren, dan er roek\' lo is lucht aan te geven; vooral, daar het toch niet helpt. Tranen hebben nog nooit een klok opgew.-iiden, of eeiie stoommai hine gedreven. Als iij weer eens in een rookgezelschap konit, brave iohgen, stop tlan uwe pyp met die spreuk, en steek nu dat lapje katoen maar in uw zak. Met is niet mooi /genoeg\', om er zoo mee te staan zwaaien als een koorddanser.- „Sam heeft ireiyk,quot; /gt; i le Pickwick, zich tot .Jeremias keerende, „hoewel hij zijne meening op eene •-enigszins ruwe en somtijds onverstaanbare manier te kennen geeft. „Hij heeft grool gelijk,quot; zeidt Jeremias; .en ik /al mijne i md ■ [liii-en bedwingen. „Goed quot; /eide Pickwick. „Maar waar is nu de kostschool?quot; Het 13 een uroot, oud huis van rooden steen, evett buiten de stad. münheer!quot; antwoordde Treft gt;), „Hn wanneer zal dat laaghartige plan ten uit voer worden gebracht wanneer zal de vlue.it plaats hebben?quot; |
„Van nacht, mijnheer!quot; antwoordde Jeremias. „Van nacht?quot; herhaalde Pickwick, „Nog dezen nacht,quot; zeide Jeremias. „Dat is het juist, wat mij zoo ongerust maakt.quot; „ Dan moeten eraanstonds maatregelen worden genomen,quot; zeide Pickwick. „Ik zal dadelijk naar de juffrouw gaan, onder wier opzicht het meisje | zich thans bevindt.quot; „Neem mij niet kwalijk, mijnheer!quot; zeide Jeremias; maar dat zou juist de verkeerde weg zijn.quot; „Hoe zoo?quot; vroeg Pickwick. , Mijn meester is geweldig listig mijnheer!quot; „Dat weet ik,quot; zeide Pickwick. „Hij heeft de oude vrouw zoo voor zich inge-nonien, mijnheer,quot; hervatte Jeremias, dat zij volstrekt niets kwaads van hem zou gelooven, als wildet gij het ook op uwe bloote kn.eén bezweren, vooral daar gij geen ander bewijs hebt, dan het zeggen van een knecht, van wien zij licht zou deuken en mijn meester zou dat zeggen dat hij weggejaagd was, en zich op dezo wij/.e wilde wreken.quot; „Wat zou er dan gedaan móeten worden? vroeg Pickwick. „Niets zou de dame overtuigen dan de schuldigen op heeterdaad te betrappen, en te zien dat zij werkelijk met- elkanderde vlucht namen, zeidt; Jeremias. „Al de oude katten willen met geweld_ mot den kop tegen een muur loepen, merkte Weiier tusscheu twee haakjes aan. „Maar hel. zou toch moeilijk gaan om hem zoo op heeterdaad te betrappen, vrees ik?quot; zeide Pickwick. „Dat weet ik al niet, mijnheer!\' mias, na eenige overweging. „Ik het gemakkelijk te doen zou zijn. „Hoe dan vroeg Pickwick. „Wel,quot; hernam Jeremias: „mijn ik zullen om tien uur door eene van de meiden in de keuken worden weggestopt. Als het huiB* -. zin naar bed is. komen wij uit ue keuken en de jongejuffer uit hare slaapkamer. Er staat eeu\' postrijtuig te wachten, en wij rijden heen. .Welnu!quot; zeide Pickwick. „Wel, mijnheer! Ik dacht, als gy in den tuin achter het huis stond te wachten, alleen....\' „Alleen?quot; vroeg Pickwick: „waarom alleen?quot; „Ik vind het uolmI natuurlijk,quot; antwoordde Jer.Miiias, „dat de oude vrouw, bij zulk eene aanstoótelijke ontdekking, liefst zoo weinig personen tegonwoordig zal willen hebben, alsmoge lijk is. Hu de jongejuffer ook, mijnheer 1 het zou het beste zijn haar zooveel jtnoueiyk te \\ erschoonen.quot; „Gil hebt gelük,quot; hernam Piek wiek. „Die bedenking is een bewijs der kieschheid van uw gevoel. Wat verder.\' „Wel, mijnheer! ik had gedacht, als gij in den tuin wi\'ldet wachten, zou ik u, precies om \' z ide .Tere-geloof. dat meester en |
PICKWICK STELT ZICH IN HINDERLAAG.
HO
|
; hal ft waalt\', door de achterdeur inlaten; dat zou : juist het rechte oogenblik zijn, om de ontwerpen I van den slechten man te verhinderen, door wien ik mij zoo ongelukkig heb laten verstrikken.quot; Hier slaakte Jeremias een diepen zucht. „Wees daar niet. bedroefd om,quot; zeide Pickwick. : „Indien hij slechts een aasje van de kieschheid : bezat, die u iu uw nederigen stand onderscheidt, was er nog iets goeds van hem te hopen.quot; Jeremias Trotter maakte eene diepe buiging, en in weerwil van Weller\'s vorige strafpredikatie, kwamen hem de tranen in de oogen. ,.lk heb nog nooit zulk een vont gezien,quot; zeidé Sam. ,1k geloof dat hij een waterketel in zijn hoofd heeft, waarvan de kraan altijd openstaat. ,,Samlquot; zeide Pickwick met gestrcngen ernst: „houd uw mond.quot; ..Als \'t u belieft, mijnheer!quot; hernam Weller. ..Ik heb geen zin in dat plan,quot; zeide Pickwick, nadat hij eene poos ernstig had nagedacht. „Waarom zou ik de bloedverwanten der jonge-jutler niet waarschuwen?quot; „Omdat zij meer dan honderd mijlen hier vandaan wonen mijnheer,quot; antwoordde Jeremias. „Dat is den spijker op den kop geslagen,quot; zeido Sam bij zich zeiven. „En de tuin,quot; zeide Pickwick, hoe zal ik er in komen ?quot; „De muur is zeer laag, mijnheer! en uw knecht zal u wel een zetje geven.quot; ..Mijn knecht zal mij wel een zetje geven,quot; herhaalde Pickwick werktuigelijk. ..Maar u\'ij zult toch oppassen, dat gij bij de deur blijft om mij in te laten?quot; „Gij kunt niet mis hebben, mijnheer! Er is maar \' \' iie deur, die in den tuin uitkomt. Klop maar zachtjes aan, als gij de klok hoort slaan, en ik zal terstond opendoen.quot; „Ik heb wi inig zin in het plan,quot; zeide Pickwick. ...Maar daar ik niets anders kan bedenken, 60 het geluk der jongejutfer voor haar geheel volgend leven op het spel staat, zal ik het aan netnen. Ik /. il zorgen, dat ik er ben.quot; Zoo werd Pickwick door zijne aangeboren [ goed hartigheid en menschenliefde voor de tweede ; maal in eene onderneming gewikkeld, welke hij zich zi•er gaarne had willen vanden halsschuiven. „Hoe heet het huis?quot; vroeg Pickwick. -VVostgate House, mijnheer! Als gij de ■ \'a i uitkomt, slaat gij rochtsom. Het huis staal -quot;liei-1 op zich zelf, een « indje van den wegaf; •a d\'- naam staat op een koperen plaat op de deur.quot; ,0, ik weet het.quot; zeide Pickwick. „Ik heb het voorheen eens gezien. Gij kunt u op mij lt; verlaten,quot; ■bj rem las maakte weder eene buiging, en wilde zich verwijderen, toen Pickwick hem een guinje in de hand stopte |
„Gy zij t een braaf man,quot; zeide Piek wiek, „en • ik bewonder uwe rechtschapenheid. Geen dank! Denk er om — elf uur.quot; „Ik zal het niet vergeten, mijnheer!quot; antwoordde Jeremias Trotter, en verliet door Sam gevolgd het vertrek. „Zeg, vriend!quot; zeide de laatste: „dat hui-len is toch waarlijk zulk een slecht ambacht niet. Voor zulk een fooitje zoti ik zelf mijne oogen laten overloopen als eene goot in een stortregen,quot; ..Die tranen komen uit het hart, mijnheer \\\\ alker! \' zeide Jeremias op een plechtigen toon. ! „Goedenmorgen, mijnheer!quot; „O gij huilebalk!quot; dacht Sam, terwijl hij Jeremias nazag. „Maar dat is hetzelfde; wij hebben u toch alles laten opbiechten.quot; Wij kunnen niet juist zeggen wat Jeremias Trotter bij zich zei ven dacht, omdat wij het nooit zijn te weten gekomen. De dag verliep; het werd avond; en een weinig vóór tienen kwam Sam bericht brengen, dat Jingle en Jeremias Ie zameu waren uitgegaan, dat hun goed gepakt was, dat zij een postrijtuig hadden besteld. Het scheen derhalve, dat de aanslag, waarvan Jeremias gesproken had, ten uitvoer zou worden gebracht. Het werd halfelf, en Pickwick maakte zich gereed om zijne netelige zaak te aanvaarden Sam reikte hem zijn jas aan; maar hij wilde dien niet aantrekken, uit vrees dat dit kleedingstuk hem bij hetoverklimmen van den muur hinderlijk zou zijn, en hij begaf zich met zijn bediende op weg. Het was lichte maan; maarzij hieldzich achter wolken schuil. Het regende wel niet, maar hel was zoo buitengemeen donker, dat de weg bijna niet te onderscheiden was. De lucht was zoel, en drukkend; een Hauw weerlicht speelde aan den gezichteinder, en dit was het eenige licht, dat, de zwarte duisternis, die alle voorwerpen ver-burgen hield, eenigszins afwisselde. Geluid hoorde men in hel geheel niet, behalve het blaffen van oen paar onrustige wachthonden in de verte. Zij vonden echter het huis, lazen met moeite den naam op de deur, en gingen den muur langs, totdat zij aan den achterkant van den tuin kwamen. „Als gij mij er over geholpen hebt, Sam, moet gij maar weder naar de herberg gaan,quot; zeide Pickwick, ..en blijven wachten tot ik terugkom.quot; „Ja wel mijnheer!quot; „Grijp mij nu bij mijn been, en als ik „over! \' zeg, til mij dan zachtjes op.quot; er: „Wees maar gerust. Nadal bij deze afspraak had gemaakt, givcp Pickwick zich met beide handen boven aan den muur, en gaf led sein „over!quot;dat Z\'-er letterlijk werd gehoorzaamd. Hetzij Pickwick lichter was dan zijn knecht dacht, of dat Sam\'s opvatting van d- kracht van een klein zetje sterker was dan die van zijn meester, het onmiddellijk gevolg van zijne |
SAMUEL PJCKWICK.
ICO
hulp was, dat de onsterfelijke man in eens ovei den muur weru gewipl, zoodat hij aan den anderen kant op eenige kruisbessenstruiken en vervolgens, zoolang hij was, op den grond neder-k wam.
„Ik hoop, dat gij u niet bezeerd hebt, mijnheer Iquot; zeide Sam, hard fluisterend, zoodra hij bekomen was van zijne verwondering over dit plotseling verdwijnen van zijn meester.
.. [k heb mij gr wis niet bezeerd. Baai!quot; zeide Pickwick, aan den anderen kant van den muur. „Maar ik vrees eenigszins, dat gij mij bezeerd hebt.quot;
„Ik hoop van neen, mijnheer!quot; zeide Sam. „Het komt er niet op aan,quot; zeide Pickwick opstaande. „Het zijn maar een paar schrammen. Ga nu heen. of men zal ons hoeren.quot; „Dag, mijnheer Iquot;
„Dag. Sam!quot;
Sam sloop stil heen, en liet Pickwick alleen in den tuin.
Nu en dan scheen er een licht door een of ander venster, en daarna op de trap, alsof de bewoners van het huis zich ter rust begaven. : Daar Pickwick voor het afgesproken uur niet te dicht bij de deur wilde komen, bleef hij in i een hoek zitten en wachtte op zijn tijd.
Het was een toestand, juist geschikt om iemand i angstig te maken; maar Pickwick gevoelde geene 1 ongerustheid of angst. wist, dat hvj een goed I oogmerk had, en verliet zich onvoorwaardelijk ; op den edeldenkenden .ieremias. Het was wel 1 eenigszins eentonig, om niet te zeggen vervelend; maar een clenkend mensch kan zich altijd dooroverpeinzing afleid im.; verschaffen. Piek wiek had zich half in slaap gepeinsd, toen hij door ! het slaan eenei\' klok in den omtrek werd opgewekt — het sloeg halftwaalt.
.Nu is het tijd,quot; dacht Pickwick bij zich zei-yen, terwijl hij voorzichtig opstond. Hij keek naar het huis; er was geen licht meer te zien. en de vensterluiken waren gesloten — alles was zonder twijfel naar bed. Hij sloop op zijn teenen naar de deur, en klopte zachtjes aan. Er verliep eenige tijd, zonder dat men opendeed; toen klopte hij nog eens, maar wat harder en vervolgens nog eens, weder wat harder.
Eindelijk hoorde hij voetstappen op de trap, en daarop scheen het licht eoner kaarsdoor het sleutelgat. Er werden eenige sluitboomen en grendels afgelicht en afgeschoven, en de deur werd langzaam geopend.
tie deur tring naar builen open, en naarmate zij wijder geopend werd. ging Pickwick achteruit om er achter te blijven, Hoe groot was zijne verbazing, toen hij uit voorzichtigheid eens even om den hoek keok, en zag. dat de persoon, die ; die dlt; deur geopend had, niet Jeremias Trotter, maar eene meid was, die eene kaars in hare hand had. Pickwick trok zijn hoofd spoedig w der terug.
.,llet is zeker de kat geweest, Sara!quot; zeide de meid tegen eene andere, die nog in huis was. „Poes, poes, poes!quot;
Maar daar geeue kat zich door het geroep liet lokken, deed de meid de deur langzaam weder : dicht, en liet Pickwick recht legen den muur staan.
„Dat is vreemd,quot; dacht Pickwick. „Zij zijn zeker later dan gewoonlijk opgebleven. Hoe ongelukkig, dat zij daartoe juist dezen nacht hebben gekozen!quot; Met deze gedachte sloop hij voorzichtig weder naar zijn hoek, om te wachten totdat hij het sein veilig zou kunnen her- lt; halen.
Hij had daar nog geen vijf minuten gezeten, toen er een felle bliksemstraal kwam, die door i een ratelenden, lang in de verte voortrollenden | donderslag werd gevolgd; terstond daarop volgde een tweede bliksemstraal, nog feller dan de eerste, en een tweede donderslag, nog geweldiger dan de vorige; en een oogenblik later begon het met groote droppels te stortregenen, Pickwick wist zeer wel, dat een boom gedurende een onweersbui een gevaarlijke nabuur is. Hij had een boom voor zich, een anderen achter zich, en nog twee aan beide zijden. Indien hij bleef waar hij was, kon hij licht het slachtoffer van een ongelukkig toeval worden; indien hij zich in het midden van den tuin liet zien, liep hij gevaar om als een verdacht persoon in hechtenis te worden genomen. Een paar malen beproefde hij over den muur te klimmen-, maar daar hij thans niemand had, om hem een zetje te geven, hadden zijne pogingen geen ander gevols;. dan dat hij zijne knieën en schenen schaafde en zich geweldig in het zweet werkte, „ Welk een verschrikkelijke toestand!quot;zuchtte ï\'ickwick, toen hij zijne nuttelooze inspanning staakte, en zijn voorhoofd afveegde. Hij keek naar het huis — alles was donker, zij zouden nu wel naar bed zyn. Hij wilde het sein nog eens beproeven.
Hij stapte op zijne teenen over den natten grond en tikte aan de deur. Hij hield zijn adem in en luisterde voor liet sleutelgat. Hij hoorde niets; het was vreemd Nog eens geklopt en geluisterd. Nu hoorde hij fluisteren, en daarop riep eene stem: „Wie is daar?quot;
„Dat is Jeremias niet,quot; dacht Ï\'ickwick, terwijl hij spoedig weder vlak tegen den muur ging staan, „Het is eene vrouwenstem,quot;
Nauwelijks had hij tijd gehad om dit besluit op te maken, toen het venster eener bovenkamer werd opgeschoven, en drie of vier schelle vrouwenstemmen de vraag herhaalden; „Wie is daar?quot;
Pickwick durfde zich niet bewegen. Het bleek duidelijk, dar de geheele kostschool op de been was. Hij besloot oin stil te blijven staan, totdat de opschudding bedaard was, en dan eene bovenmenschelijke poging aan te wenden, om
EE NE GEHEEL E KOSTSG
■ UIT HMD GEJAAGD.
|
den muur over te klimmen, of er zijn leven voor te laten. Uelijk al zijne besluiten, was dit het beste, dat in de, gegeven omstandigheden te nomen was; maar ongelukkig was het op het denkbeeld gebouwd, dat men het niet wagen zou i de deur weder te openen. Hoe groot was derhalve zijne ontsteltenis, toen hij de grendels hoorde afschuiven, en de deur langzaam zag opengaan. Hij ging weder stap voor stap ach-icruit; maar wat zou hij doen, wanneer de dikte van zijn lichaam verhinderde, dat de deur zoo wijd mogelijk geoprnd werd? „Wie is daar?quot; riep een koor van schelle stemmen, dat uit de eigenares van de kostschool, ; drie secondantes, vijf meiden en dertig kost-jongejuffers bestond, allen half gekleed, en meestal met papillotten in het haar. Pickwick zoide natuurlijk niet wie er wasj en nu begon het koor met allerlei varatirn het lied van: ..Hemel, wat ben ik verschrikt!quot; „Sara; riep de abdis van het Jonge-juftVou-wen klooster, die geheel achteraan bij de trap was blyven staan, tot de keukenmeid: „Sara! waarom gaal ge niet een eindje den tuin in?quot; ..Dat zou ik liever niet doen\', als \'t u blieft,quot; zeide de keukenmeid. .. yVat is die keukenmeid toch een dom schep-gt;1! zeiden de dertig kostjuffertjes. ...Spreek mij niet tegen. Sara !quot;\'zeide de abdis met iciuote dettigheid ..Ik zog u, datgij oogen* i\'iikk^lyk eens in den tuin gaat zien.quot; I \'quot; keukenmeid begon te schreien, en de werk-iieid zeido (lat het schande was. voor welke \'iibrschuftheid haar staandevoet de huur werd opgezegd. ••Hoort gij niet, Sara?quot; riep de abdis, ongeduldig met haar voet stampende. ..Hoort gij dejulfrouw niet?quot; vroegen de drie \'■condantes. Wat is die keukenmeid toch impertinent!quot; zeiden de dertig kostjuffertjes. De ongelukkige keukenmeid, op deze wijzi-in \'■ nauw gebracht, ging een paar stappen voor-i:\'. met hare kaars in zulk eene richting, dat zij ■minouvijjk iets kon zien, en zeide toen, dat z(j iü\'-ts zag, en dat het zeker de wind was go-■^\'quot;\'quot;t, ^\'cn wilde juist de deur weder sluiten, \'quot;quot;H een nieuwsgierig kostjufifertje, dat tus-inm de ii et van de deur had gekeken, zulk ! 1 11 vre.-selijk gegil aanhief, dat de keukenmeid, \'■\'•iKineid en al de voorsten hals over kop naar liiRnen stormden. - Wat scheelt me juffer Smithers toch ?quot; vroeg \'Hj\'lis, toen de bedoelde jongejuffor zich i\'1 dmaakte om Hauw te vallen. , ■ 0 - die man die man achter de \'leur! gilde mejufler Smither. Nauwi.\'lyks had de abdis dezen noodkreet g(. l!\'quot;\'quot;1. zij snelde naar boven naar haar slaapvertrek, deed de deur op het nachtslot, en viel j |
toen op haar gemak in flauwte. De kostjuffertjes, i secondantes en meiden namen de vlucht naar de i trap; en nooit had iemand zulk gillen, flauw- I vallen en dringen bijgewoond. Te midden dezer \' opschudding kwam Pickwick uitzijn schuilhoek | te voorschijn. „Dames - lieve dames!quot; zeide Pickwick. ..Hij houdt ons nog voor den gek!quot; riep de i oudste en leelijkste der secondantes, „ö, die I booswicht!quot; „Dames!quot; schreeuwde Pickwick, wienzijntoe- j stand wanhopig maakte, met eene vervaarlijke | stem. „Luistert toch! ik ben geen dief. Ik kom j alleen om de vrouw van het huis.quot; . O, welk een wreedaardig monster?quot; riep eene : andere secondante. „Hij wil juffrouw Tomkins 1 vermoorden.quot; Nu volgde een algemeen gestil. „Gaat toch de brandklok luiden !quot; riep een do- \' zijn stemmen. ...V\' gt; n neen!quot;riep Pickwick. ..Ziet my toch : aan! Zie ik er uit als een dief? Lieve dames! bindt mij handen en voeten, of sluit mij op in eene kast, zoo gij verkiest; maar hoort toch wat ik te zeggen heb!quot; „Hoe zijt gij in den tuin gekomen?quot; vroeg de werkmeid met eene tlauwe stem. „Roept de juffrouw, en ik zal haaralleszeggen.quot; schreeuwde Pickwick zoo hard hij kon. Jloept haar — weest maar stil, en roept haar; en gij zult alles hooren.quot; Misschien was het Pickwick\'s voorkomen, of misschien was het nieuwsgierigheid zoo onweerstaanbaar voor een vrouwelijk gemoed — om iets te hooren, dat thans achter een geheimzinnig gordijn verborgen was, waardoor liet verstandigste gedeelte der leerlingen vier of vijf personen bedragende — bewogen werd een weinig to bedaren. Door deze werd het voor slel gedaan, dat Pickwick, ten bewijze zijner oprechtheid zich terstond zou laten opsluiten: quot;n deze heer was dadelijk bereid om in eene kast te stappen, waai inatle dagscholieren hunne hoeden ophingen, Zoodrahij wasgeslö|en, vatten al de dame.s moed ^juffrouw Tomkins werd bij trebracht, naar beneden gevoerd en het verhoor begon. .. Waarom zijt gij in mijn tuin gekomen, man ?quot; vroeg julïrouw Tomkins met eene flauwe stem. ..Ik wilde 11 waarschuwen, dttt eene van uwe jongejuffers zich van nacht zou laten schaken, antwoordde Pickwick in de kast. ,,Laten schaken?quot; riep hot geheele koor. „Door wien? ..Door uw vriend (\'harles Fits Marshall.quot; „Mijn vriend? Ik ken zoo iemand niet.quot; ,,Anders Alfred .Jingle.quot; ,,lk hob die 11 naam nooit ii» mijn leven gehoord.quot; ..Dan ben ik bedrogen en belogen,quot; zeide l\'ick wiek. , Ik ben het slachtoffer eener schandelijke samenspanning. Zend toch iemand naar den K 11- |
SAMUEL PICKWICK.
10-2
Sam\'s vriendelijkheid te beantwoorden, zich bovenmate ergerde, dat iemand denken kon dat er, in den omtrek van haar Instituut voor longejuffrouwen, ma nspersonenzouden worde nu:\' duld.
De samenloop van omstandigheden, die Pickwick in zijn tegenwoordigen toestand had gebracht, was spoedig opgehelderd, maar noch onderweg naar de herborg, noch bij het avond maal, dat hij zoo hard noodig had, was er een woord uit hem te krijgen. Hij scheen nog geheel verbijsterd. Stechts eenmaal wendde hij zich tot Wardle, en vroeg;
„Hoe komt gij hier?quot;
„Trundle en ik wilden hier wat komen jagen, zeide Wardle. ,. Wij zijn van avond pas hier gekomen, en waren zeer verwonderd, toen wij van uw knecht hoorden, dat gij ook hier waart. Maar ik ben blijde, dat ik u gevonden heb.quot; vervolgde de vroolijke oude man, terwijl hij gt; Pickwick op de schouders klopte. ..Wij zullen nog een prettig uitst apje doen, en Winkle gelegenheid geven om zijn schot te verbeteren — niet waar oude jongen?quot;
Pickwick gaf geen antwoord; hij vroeg zelfs niet naar zijne vrienden te Dlngley-Del 1, maar begaf zich kort daarop naar-zijn kamer, nadat hij Sam belast had, om de kaars te lialen, wanneer hij schelde.
Na verloop van eeni-ren tijd schelde hij, en Weller trad binnen.
„Sam!quot; zeide Pickwick zijn hoofd van het kussen oplichtende.
„Mijnheer!quot; zeide Samuel.
Pickwick zweeg en Weller snoot de kaars „Sam!quot; zeide Pickwick nog eens, als nvt c ne wanhopige inspanning
„Mijnheer!quot; zeide Samuel weder.
„Waar is die Jeremias Trotter?quot;
„Hij is weg, mijnheer!quot;
„Met zijn meester, denk ik?
.Meester, of kameraad, of wat hij wezen mag, hij is met hem meegegaan, antwoordde Samuel. „Dat paar behoort bij elkander, mijnivor.
„Ik geloof, dat Jingle de lucht heeft gekregen van mijn voornemen.quot; zeide Pickwick, halt stik kende, „en dien kerel heeft gebruikt, om ude historie op de mou te spelden - he?\'
„Z \'O is het ook, mijnheer!quot; antwoordde s im. „Het was zeker alh-s gelogen?quot;
„Van het begin tot het einde, mijnheer! Hij
ft ons aardig bij den nous gehad, „ik geloof, dat hij ons een andermaal niel zoo gemakkelijk zal ontkomen, Sam!quot; zeide Pickwick.
„Dat geloof ik ook, mijnheer!quot;
„Als ik dien Jingle weer tegenkom, waar het ook wezen mag,quot; zeide Pickwick, terwijl hij met zijne vuist een deuk in zijn kussen sioeg, „zai hem niet alleen ontmaskeren, gelijk hij ver-nt, maar hem met eigen handen afranselen, ik heet geen Pickwick.\'
gol, lievojuffrouw: alsgii mij nift gelooft. Zend iernarul naar den Bngol om den knecht van Saimicl Pickwick te halen.
„Hij moet toch een fatsoenlijk man zijn hij heeft een knecht bij zich,quot; zeide juffrouw Tomkins tot eene der secondantes.
„Als het waar is, had die knecht wel beter op quot;hem mogen passen,quot; zeide de secondante. „Ik voor mij geloof, dat hij een krankzinnige is, en die zoogenoemde knechtzal zijn bewaker wezen, juffrouw!quot;
„(üj kunt wel gelijk hebben, juffrouw liwyn . hernam juffrouw \'l\'omkins. „Laaf twee van de meiden tiaar den Engel gaan, en do anderen hier blijven, om ons te beschermen.quot;
Dienteiiijevolge werden twee meiden naarden Engel gezi)nden om Samuel Weller te halen, en
-i(. .li je andere bleven achter, om juffrouw\'l\'i^m-
kins, de drie secondantes en de dertig kostjut-
fertjes te besciiermen. Pickwick ging in de kast |
op eene hoedendoos zitten, en wachtte metal j den moed en destand vastigheid, die hij kon verzamelen, de terugkomst derafgevaardigdenaf.
Er verliep anderhalf uur. voordat zij terug kwamen, en toen dit eindelijk gebeurde, herkende Pickwick, behalve de stem van zijn knecht, nog 1 twee andere st.etnrnen, die hom gemeenzaam in ;
1 de ooren klonken, hoewel hij zich maar niet kon bedenken, aan wie die stemmen toebehoorden.
Er volgde een kort gesprek. De deur weid geopend. Pickwick kwam uit de kast, en zag nu d- ge/anieniijkquot; bewoners van W\'etsgat • House, Samuel Weller en den ouden Wardle nu t zijn aanstaanden schoonzoon Trundles voor
zich staan. ..
zeide Pickwick, terwijl hi.i le hand vatte; ..geef toch deze juffrouw de noodige ar te do\' ii begrijpen, in welk ■n vreeselijken toestand ik mij bevind, (iii zult zeker alles reeds van mijn kn dit gehoord hebben. Zeg toch in allen gevalle, dat ik :_reen dief on niet krankzinnig ben.quot;
„Dar heb ik al gezegd, dat heb ik al gezegd, bes;e vriend\'.quot; antwoordde Wardle, terwijl uij de rechterhand van zijn vriend drukte, en\'I rund-Ie bij de linkerhand vatte.
„Kn wie gezegd heeft, of nog K-gt, dat niijn bef\'r \' ^ii ot e n dief is. viel S im hieiop in terwUi\' hü manhaftig vooruitstapte, „die is /, ,over van do waarheid, als hij nn-t mogelijk-heid maar wezen kan. En wanneer hier in huis manspei songt; n mochten zijn, d;- dat gezoüd te-Ie ben of nog zeggen, zal ik (tun met veel plei-1 zier beduiden dat zij het mis hebben, als de | dames maar wat uit den weg willen gaan,en ■ hen 11 n viior ■ én laten boven konv-n. Nad e ! Weller deze uitdaging met zeer vee! drift had uitgesproken, «heg hij met zijn vuist in zijne vlakke hand. en wierp daarbij juffrouw Tomkins ,gt;■11 vriendelijk lonkje toe. die, wei verre van
„Beste vriem Wardle driftig bij om \'s hemels wil inlichtingen, om han een ongelnkkigen
Iv
ik
du
of
IFDOCHTEIt. 103
DE MIJ KM K
|
„En wanneer ik dien huilebalk met zijn zwarte sluike haren weer tegenkom,quot; zeide Sara, „zal ik zijne oogen in goeden ernst laten óverloopen, of ik heet geen Weller. Goedennacht, mijnheer !quot; XVII. AANTOOSEXDB, DAT EEN AANVAL VAX RIIEUMATIEK IN SOJI.MHiE GEVALLEN HET VEK\'NCI\'T Sf\'HEKHT Hoewel het gestel van Pickwick veel inspanningen vermoeienis kon verdragen, was het niet bestand tegen zulk eene verueniging van aanvallen, als hij had geleden op den gedenkwaa r digen avond, waarvan in het voorgaande hóófd-stuk gewag gemaakt wordt. Gewasschcn te worden in de avondluchten ruw afgedroogd in \'■ene kast, is even gevaarlijk als eigenaardig. Pickwick moest naar bed, Öindat hij last kreeg van rheumatiek. Maar ofschoon de lichaaniskracditen yan den grooten man aldus waren veizwakt, behield zijn geest zijne vroegere frischheid. Zijne op-ueruimdheid was veerkrachtig en zijne goede luim keerde terug. Zelfs de kwelling, die het gevolg was van zijn lotgeval, had hem verlaten •■n hij kon zonder wrevel of,g rlegenheid deelnemen aan het hartelijke lachen, dal door eene zinspeling op zijn avontuur bi.j VVardlè weid •pgewekt. .Meer zelfs. Geduretide de twee dagen, dat Pickwick het bed incest houden, was Sam zijn gestadige rneigezel. Op den eersten dag trachtte hij zijn meester te vermaken door anekdoten en gesprekken ; op den tweeden vroeg Pickwick zijn lessenaar, pen en inkt en was den geheelen dag druk bezig. Op den dei\'den kon hij opzitten in zijne slaapkamer en zond zijn 1 \';neeht naar Wardle en Trundle met de bood- 1 quot;\'■hap, dat zij hem zeer zouden verplichten, in- ( dien zij dien avond een glaasje wijn bij hem wilden komen drinken. Die uitnoodigingwerd volgaarne aangenomen; en toon zij bij een glas wijn zaten, haalde Pickwick, telkens blozende, het, volgende vertelseltje voor den dag, dat hij zeil\' gedurende zijne jongste ongesteldheid had opgesteld, naar zijne aanteekenii.gen van AVel-ler\'s onverdraaid verhaal. DE VOORZ VXGIvR. EEN VERHAAL VAN Ol\'RHeHIK 1,1 EEDE, |
Eens leefde er in een zeer klein landstadje, r,p eon aanzienlijken afstand van Londen o( n klein mannetje, Nathaniel Pipkin genaamd, die voorzanger in het stadje was ett woonde in een huisje in het hoogstniatje. op tien ininuten af-stands van het kerkje; en dien men eiken dag van negen tot vier den kleinen jongens een weinig kennis kon zien aanbrengen. Nathaniel Pipkin was een onschadelijk, onschuldig, goedaardig wezen met een wipneus, x-beenen, schele oogen en een kreupelen gang; hij verdeelde zijn tijd tusschen de kerk en de school, en geloofde vast, dat er op den aardbol geen knapper man dan de predikant, geen indrukwekkender vertrek dan de gertkamer, en geen beter ingerichte school was dan de zijne. Eens, slechts eensin zijn :even had Nathaniel Pipkin een bisschop gezien een echten bisschop met neteldoek-sche mouwen om de armen en eene pruik op het hoofd. Hij had hein zien loepen en hooien praten bij eene bevestiging, bij welke gewichtige gelegenheid Nathaniel zoo bevangen werd door eerbied en ontzag, dat hij Hauw viel en in de armen van den hondenslager de kerk werd uitgedragen. Dit was eene groote gebeurtenis, een verschrikkelijk tijdstip in het leven van Nathaniel en het was de eenige, die ooit de kalmte zijns gemoed» had verstoord, toen hij op een mooien namiddag in eene vlaag van afgetrokkenheid des geest es toevallig zijne oogen opsloeg van de lei, waarop hij vonrem ondeugenden jongen eene vreeselljk groote optelling schreef, eu zij plotseling bleven rusten op het blozend geiaat van Maria Lobbs. de eenige dochter van den ouden hobbs, den grooteu zadelmaker aan den overkant. \\\'u hadden de oogen van Pipkins al dikwijls te voren op liet aardige gezicht van •Maria Lobbs gerust, in de kerk en elders, maar Maria\'s oogen hadden er nooit zoo helder en hare wangen nooit zon blozend nitgozieii, als bij deze bijzondere geleuvnheid. Geen wonder dus. dat Nathaniel zijne oogen niet van Mejutfrouw Lobbs kon afwenden; geen wonder,dat Mejnf-trouw Lobbs, bemerkende, dat zij door een jongen man werd aanv -daard, haar hoofd uit hel venster trok, waaruit zij gekeken had, het raam dichtdeed en het gordijn liel vallen ; geen wonder, dat Nathaniel, onmiddellijk daarna op d\' ii ondeugenden jongen aanviel en hom sloeg en stompte naar hartelust. Dit alles is zeer natuurlijk en bevat niHs wonderbaarlijks. Maat verwonderlijk is, dat iemand metPip-kin\'s eenzelvigheid zenuwachtig gestel en bijzonder schraal inkomen, van dien dag af het heeft durven wagen naar de hand en het hart te dingen van de eenigö dochter van deti op vliegenden ouden Lobbs Lobbs den groeten zadelmaker, die hot goheeie stadje met ééne penne.sl rei-k ha I kunnen aankoopen en de kosten niet eens gevoeld zou hebben den ouden Lobbs, die er voor bekend stond groote hoepen gelds te hebben uitstaan in (le bank van het naburigquot; vlek den ouden Lobbs, .\'mi wien men vertelde, dat hij ontelbare, onnitputtelijke schatten bezat, bewaard in de kleine ijzeren |
104 SAMUEL P
UK WIGK.
|
brandkast met het groote sleutelgat op den schoorsteenmantel in de achterkamer den : ouden Lobbs. die zooals men wei wist, bij j feestelijke gelegenheden zijne tafel versierde met een eciit zilveren theepot, melkkan en suikerpot, welke, zooals hij met trots gewoon was te zeggen, het eigendom zijner dochter zouden zijn als zij i-en man naar haar zin gevonden had, Ik herhaal, dat h$t verbazingwekkend en verwonderly k was, dat Nathaniel de stoutmoe- ! digheid had zijne oogen in deze richting ie laten vallen. Maar de liefde is blind; eni\'ipkin ! keek scheel; misschien verhinderden deze beide omstandigheden, dat iüj de zaak in het ware ; ! licht zag. Als nu de oude hobbs ook maar hot verwij-derdste denkbeeld had gehad van Pipkin\'s ge voelens, zou hij eens eventjes de school met den grond gelijk gemaakt, den meester van de aarde verdelgd of erme andero even wreede daad begaan hebben; want hij was een verschrikkelijke oude man. die Lobbs, wanneer zijn trots gekwetst of zijne drift gaande gemaakt werd. Vineken! Zulke reeksen van vloeken kwamen wel eens van den overkant aanrollen, wanneer Lobbs de luiheid aan de kaak stelde va n den inageren leerjongen met de spiliebeenen. dat Pipkin van afschuw in zijn\' schoenen stond te beven en het haar der leerlingen van schrik te b( r^e rees. Welnu! Xathani l Pipkin -ing dag aan dag. w ui neer de sebooluit wa^ en de h erlingen weg wa,rt:\'!! bij het voorraam zitten, keek, terwijl hij deed, alsof hij een boek las, tersluiks naar (bil overkant en zocht naar de held ure oogen van Maria Lobbs; «n hij had daar nog niet vele dagen gezeten, to n de heldere Oogen aan een Ir ■ vonraam veigt;chenen, schijnbaar ook druk bezig niet lezen. Dat vvaaaangenaam; verblijdend voer Pipkin - hart. lie- •V.mI hem reeds goed daar uren achtereen te zitten kijken naar dat aardige gezicht, wanneer de oog\'ai waren neergeslagen; maar toen Maria hare oogen van het buck Ijegon te vei heil\'n, en hunne stralen te werpm in d\' richting van Pipkin, kenden zijne tilijdschap en bewondering, geent- grenzen, landelijk. Op gt; • n dag, dat hii wist.dat de oude ],iiblis nit was, bad Nalhani\'I de stoutmoedig-held Maria een knsliandje te geven: en Maria gal hein, in plaats van liet venster te sluiten en het gordijn neer te laten, ook een kushandje en glimlachte. Hierop besloot Pipkin, wat Teuk gebeuren mocht, onverwijld zijne gevoelens aan te kweeken. I\'.en aardiger vnet,een vreolijker hart, mooiere kuiltjes in de wangen ofeene knappere gestalte huppt Iden nooit z.oO licht over de aarde, die zij to: sieraad strekten, als die van Maria L-\'bos, de dochter van den ouden zadelmaker. Kr lag in hare schitterende oogeii een schelnische blik, die zijn weg tot veel ontoegankelijker boezems |
zou gevonden hebben dan dien van Pipkin; en er was zulk een verblijdende klank in haar vroo-lijk gelach, dat het den hardvochtigsten men schenhater een glimlach zou hebben afgedwongen. Zelfs de oude Lobbs kon, hoe woest hij ook was, het gestreel zijner aardige dochter j niet weerstaan; en wanneer zij en haar nicht Kate, een sluw betooverend persoontje, gezamenlijk een doodeüjken aanval op den ouden , man richtten, zooals zij. om de waarheid te zeggen dikwijls deden, kon hij hun niets weigeren, al hadden zij een gedeelte gevraagd van 1 de onnoemelijke en onuitputtelijke schatten, die j in de ijzeren brandkast voor het oog verborgen waren. Nathaniels hart klopte hevig, toen hij dit aantrekkelijke paar op een zomeravond op een I honderd ellen afstauds voor zich zag in hetzelfde veld, waarin hij menigmaal tot in den nacht had rondgedoold, peinzende over de schoonheid van Maria Lobbs. Maar hoewel hij dan dikwijls gedacht had, hoe vlug hij naar haar toe zóu gaan om haar zyne liefde lo openharen als hij haar maar eens onnioette, voelde hij, nu zij onverwachts voor hem stond, al zijn bloed naar zijn hoofd stijgen, klaarblijkelijk, tot groot nadeel zijner beenen, die, beroofd van hunne gewone hoeveelheid, onder hem beefden. Wanneer zij stilstonden om eene bloem te plukken of naar een vogel te luisteren, stond Nathaniel ook stil en deed alsof hij mijmerde, zooals inderdaad het geval was; want hij dacht, wat hij wel doen zou als zij terugkeerden, hetgeen na eenigeu tijd onvermijdelijk moest ge-beuren, en vlak voor hem stonden. Maar ofschoon hij bang was naar hen toe te gaan, verloor hij hén toch uiei gaarne uit het gezicht; daarom wandelde hij vlugger dan zij het deden, talmde als zii talmde en stond stil als zij stilstonden!. Zoo hadden zij kunnen voortgaan tot de duisternis het bel. i had, als Kate niet sluw omgezien en Nathani\'1 gewenkt had te naderen, ia-was niets onweerstaanbaars in deze handelwijze van Kate; daarom nam Nathaniel de uitnóodi-ging aan; en na veel blozen van zijn kanten eene uitbundig lachen van het booze nichtje knielde Pipkin op het bedauwde gras neer en openbaarde zijn besluit daar altijd te blijven, tenzij hij mocht opstaan als de aangenomen minnaar van Maria Lobbs, Hierop weerklonk het v rooi ij k( 1 gelach van Maria door de kalme avondlucht zonder die kalmte evenwel te verstoren, zulk eenaangeiiamen klank had het — het bonze nichtje lachte nog uitbundiger dan te voren en Nathani\' l Pipkin bloeisde erger dan ooit. Toon ten laatste Maria Lobbs dringender werd aangezocht door den verliefden jongen man, wendde zij hiiar hoofd af en fluisterde liar1, nicht toe te zeggen, of Kate zei Ie ten minste, dat zij zich zeer vereerd gevoelde door mijnheer Pipkin\'s aanzoek; dat hare hand en |
nK GELUKKIG IC M [.WAAR.
1lt; i5
|
haai1 hart ter beschikking van haar vader wa-n u, maar dat nieniand ongevoelig kon /.ijn voor de verdiensten van Mijnheer Pipkin. Daar dit alles met veel ernst gezegd werd, Xatha-niöl met Maria naar huis wandelde en bij het scheiden om een kus worstelde, ging hij als een gelukkig man naar bed en droomde er den geheelen nacht van, den ouden Lobbs te verteederen, de brandkast te openen en Maria te trouwen. Den volgenden dag zag Xathaniel den ouden Lobbs op zijn oud grijs hitje uitgaan, en na |
ren uit te zoeken, die hij zou aandoen, want hij had geen keus, maar ze op het voordeeligst aan te trekken en ze eerst, een weinig op te knappen was eene zeer moeielijke en gewichtige taak. Kr was i en gezellig partijtje, bestaande uit Maria Lobbs, hare nicht Kate en drie of vier dartele, goedgeluimde meisjes met de rozen op de wangen. Nathaniel Pipkin kreeg het zichtbar\'- bewijs van hei feit, dar de geruchten aan-gaande de schatten van den ouden Lobbs niet overdreven waren. Daar stonden de echtmas- ! |
|
vele teekens van het booze nichtje aan hetraam, waarvan hij dc bedoeling niet begrijpen kon, kwam de magere leerjongen met de spillebee non overloopen om to zeggen, dat zyn melt; ster den geheelen avond niet thuis was en de datnes Mijnheer Pipkin precies te zes uur, op de-thee verwachtten. Hoe de lessen, dien dag werden afgehandeld, weten Xathaniel Pipkin en de leer-lingi-n evenmin als gij; hoe het pok zij, zij werden zus of zoo aigehandeld, en nadat de jongens heengegaan waren, had Nathaui\'quot;! ;ot -\'quot;■(I /es uur noodig om zich naar zijn zin te kleed\'-n. Niet, dat het vi-el tijd kostte de kin-sief zilveren theepot, melkkan en suikerpot op di• tafel, en • r waren echt zilvenut lepeltjes om de thee om teroeren, echt porseleinen kup-jes om ze uit te drinken en trummeltjcs van hetzelfde metaal, die de koekjes en de beschuit bevatten. De eenige donrn in het oogwaseen neef van Maria Lobbs, en broeder van Kate, die door Maria. Lobbs .Henryquot; genoemd werd en haar aan een hoek van de tafel geheel scheen in beslag te nemen. Het is ieuigenaarfl te zien, dat familieleden van elkaar houden doch het kan te ver gedreven worden, en Nathaniel Pipkin kon niet anders denk\' n, dan dat Maria |
SAMUEL PICKWICK,
106
|
Lobbs zeer veel van hare bloedverwanten moest houden, als zij om alle zooveel gaf als om dezen neef. Ook gebeurde het na de thee, toen het booze nichte een blindemannetjesspel voorstelde, dat Natganiöl bijna altijd geblinddoekt was; en wanneer hij den neef vastgreep, wist hij zeker «lat Maria Lobbs niet ver af was. En, hoewel het booze nichtje en de andere meisjes hem knepen, bij het haar trokken, stoelen in zijn weg zetten en allerlei dingen deden, scheen Maria Lobbs in het geheel niet bij hem te komen; en eens, eens kon Nathaniel i r een eed op gedaan hebben, dat hij het geluid van een kus hoorde, gevolgd door eene kleine terechtwijzing van Maria Lobbs en een half onderdrukt gelach van hare vriendinnen. Dit alles was zeer vreemd, zeer vreemd en het is niet mogelijk te zeggen, wat fijjathaniël niet zou «i daan Of gelaten hebben, als zijne gedachten niet plotseling in eene nieuwe richting waren geleid. De omstandigheid, diquot; aan zijne gedachh n eene andere richting gaf, was enn hard geklap aan (h voordeur, lt; n de- persoon, die zoo hard klopte, was niema nd anders dan de oude Lobbs zelf, die onverwachts was teruggekomen en er op los hamerde als i*en doodkistenmaker; want hij wilde zijn souper hebben. De onrustbarende tijding was nauwelijks door den mageren 1* it-jongen mede gedeeld, of de meisji s huppelden de trap op na ir de slaapkamer van Maria Lobbs. terwijl de neef en Nathaniel Pipkin bij gebrek aan betere srluiühoeken. in een paar kasten in de huiskamer werden geduwd; en toen Maria en het: booze nichtje hen verstopt en de kamer in orde gebracht hadde;i, openden dem voor den ouden Lobbs, die in het niet opgehouden had mei kloppen, gebeurde iet ongelukkigerwijze . dat de Loebs, die groeten honger had, vréese-lijk boos was, Nathaniel kon hem beorenknor-jen als e\' ti oude windhond, die pijn in de keel had; en telkens, wanneer de ongelukkige leerjong\' n de kamer binnenkwam, begon Lobbs op de meest heidensChe en ruwste wijze tegen hem uit te vallen, hoewel schijnbaar met geen ander duel dan om zijn gemoed lucht te geven door her nitsf.ooten van eeiiige vloekén, die hem in den weg zaten. Eindelijk wmd een klein opgewarmd souper o[gt; de tafel geplaatst:, winirop Lobbs gretig aanviel; en nadat hij het in een oogwenk ha I doen verdwijnen, zoende hij zijne dochter en vroeg zijne pijp, |
!)• natuur hel N\'athaniëi Pipkin\'- knie-\'n zeer dicht bijeengeplaatst, doch. toen hij den oud\' n Lobbs zijne pijp hoorde vragen, knikten zij togen elkaar aan, alsof zij elkaar wilden vergruizelen; want in dezelfde kast, waarin hij stond, huig aan een paar haken eene pijp met een bruin roer en zilveren kop, die hij gedurende- de laatste vijfjaren geregeld eiken mid-dag en avond in den mond van den ouden Lobbs gezien had. De beide meisjes gingen naar beneden om de pyp, en naar boven om de pijp en overal heen, behalve, waar de pijp was, terwijl de oude Lobbs op de wonderlijkste wijze rondvloog. Eindelijk dacht hij aan de kast en ging er heen. liet diende tot niets, dat een mannetje als Nathaniel van binnen aan de deur trok. wanneer een groote, sterke kerel als de oude Lobbs er van buiten aan trok. De oude Lobbs gaf er één ruk aan en open vloog ze, Nathaniël Pipkin onthullend, die recht als een paal in de kast stond en van top tot teen beefde. Wat een verschrikkelijken blik wierp de oude Lobbs hem toe, toen hij hem bij den kraag uit de kast trok en op een arm afstands van zich afhield! zij de gehee Nu oude ..Wel, wat duivel, moet gij hier hebben?quot; zei de oude Lobbs met een vreeselijke stem, Nathaniël kon geen antwoord geven en daarom schudde Lobbs hem twee of drie minuten heen en weer orn zijne gedachten even voor hem te ordenen. „Wat wilt gij hier ?quot; bulderde Lobbs, „Ik geloof, dat gij op mijne dochter afkomt, lie?quot; De oude Lobbs zeide dit in spot; want hij kon niet gelooven, dat Nathaniël zich zooveel had kunnen aanmatigen, Hoe groot was dan ook zijne verontwaardiging, toen die arme man antwoordde: „Ja, dat is waar. Mijnheer Lobbs, ik ben op it we dochter afgekomen, fk bemin haar. Mynheer Lobbs!quot; „ Wel, gij kinderachtige, kromme, ellendige schurk,quot; snakte de oude Lobbs, verpletterd door die afschuwelijke bekentenis; „wat bedoel je daarmee ?quot; ,Eu zoo iets in mijn gezicht te zeggen 1 Wel dromtiu is ik zal je worgen.quot; Het is voistrekt niet onwaarschijnlijk, dat Lobbs in zijn hevigen toorn aan deze bedreiging \'jevolg gegeven zou hebben, indien zijn arm niquot;t plotseling werkeloos was geworden door eene onverwachte verschijning, namelijk, den neef, die uit zijne kastsrappende, naar Lobbs toeging en zeide; „Ik kan niet toelaten, dat deze onschuldige persoon, mijnheer, die hier gevraagd isopeeti damespartijtje, zoo edelmoedig de schuld op zich neemt van hetgeen ik gedaan heb en bereid ben te bekennen. Ik bemin uwe dochter, mijnheer; en ik kwam hier om haar te spreken.quot; De oude Lobbs spalkte hierop zijne opgen wijd open, maar niet wijder dan Nathanè ! Pipkin. „(til,\'quot; Zei Lobbs, eindelijk genoeg bij adem om t( spreken. „Ik 1quot; \' „En ik heb u dit huis lang geleden verboden !quot; |
DE VKR3CH KIKKELIJKE OUDE LOB BS.
107
|
„Dat is zoo, of\' ik zou hier van avond niet stilletjes gekomen zijn.quot; Het spijt mij dat ik het van den ouüen Lobbs moet zeggen, maar ik geloof, dat hij zijn neef\' een klap zou hebben gegeven, als zijn lieve dochter met hare heldere oogen vol tranen zijn arm niet had vastgegrepen. „Houd hem niet tegen, Maria,quot; zei de jongeman, „als hij mij wil slaan, laat hemdanzi,in gang maar gaan. Ik zou voor al de rijkdommen der wereld geen haar op zijn grijs hoofd willen krenken.quot; De oude man sloeg bij deze woorden zijne oogen neer, en zij ontmoetten die zijner dochter. Ik heb er al een paar maal op gewezen, dat het zeer heldere oogen waren en, hoewel zij thans met tranen gevuld waren, was hun invloed volstrekt niet verminderd. De oude Lobbs wendde het hoofd af, alsof hij zich niet door hen wilde laten overreden, toen hij bij toeval het gelaat in het oog kreeg van het booze nichije, dat half bevreesd voor haar broeder en half lachend om Pipkin, zulk een betoove-rend en sluw gelaat vertoonde, als iemand, oud of jong ooit te zien krijgt. Zij sloeg haar arm streelend om dien van den ouden man en fluisterde hem iets in bet oor; en de oude Lobbs kon, wat hij ook deed, niet nalaten te glimlachen, torwij} een traan langs zijne wang rolde. Vijf minuten later werden de meisjes, gig gelend en bedeesd, uit de slaapkamer gehaald ; • ■n terwijl de jongelui zich vroolijk maakten, kreeg Lobbs zijne pijp en rookte ze; en het is opmerkenswaardig, dat di ze pijp, do heerlijkste was, die bij ooit smaakte. Nathanird Pipkin hield het vooi het beste niets van het gebeurde te laten uitlekken, en zoodoende steeg hij langzamerhand hoog in dr gunst van den ouden Lobbs, die hem mettertijd leerde rooken: en gedurende iele jaren plachten zij op srhoom- avonden in den tuin met groott.\' deftigheid te zitten rooken en drinken. Pipkin bekwam spoedig van de gevolgen zijner liefde; want wij vinden zijn naam m het kerkelijk register, als een getuigd bij het huwelijk van Maria Lobbs en haar neef; en liet blijkt, ook nit andere documenten, dat hij op den avond van het huwidijk in de stadsa\'-vau-genis werd opgesloten, omdat nij in een staat van verregaande dronkenschap, op straat veel buitensporiLfheden bedreven had, geholpen en aangezet door den mageren leerjongen met de spiilebeenen. |
XVIII. WA A KIN TWEE DINGKN BEWEZK.N WOUDEN : TEN EER-STH mo KKACHT VAN ICEX ZKNUWTOEVAL, EN TK.N TWEEDE DE MACHT DEK OMSTANDIGHEDEN, Twee dagen na het d ej e u ner van mevrouw Hunter bleven de Pickwickisten te Eatans-will, wachtten met angstig verlangen eenig bericht van hun geerden leidsman, Tupman en Stock wall waren weder aan zich zei ven overgelaten; want Winkle liet zich door eene drin geude ultnoodiging overhalen, om bij Pottin huis te blijven logeerenden wijdde al zijn\' tijd aan het gezelschap der beminnelijke echtgenoote van dezen heer. Om zijn geluk volkomen te maken, voegde Pott zelf zich tusschenbeide bij het «je schap. 1 liep verzonken in zijne plannen totbevordering van het alge me-m welzij u, en tot vernieling van den i n d e p e n d o n t, was deze groote man niet gewoon van de trotsche hoogte, waarop zijn verstand hem plaatste, tot do laagte van gewone menschen a f te dalen. Thans echter, als hei ware om zijne achting voor lederen Pickwickist: te toon en, stapte hij van zijn troon, en Wandelde op den vlakken grond, terwijl h^j zijn gesprek naar het begrip der alli-daagsche wezens inrichtte, met welke hij zich verwaardigde te verkeeren. Daar dit de handelwijze was, welke de vermaarde man (en opzichte van Winkle in acht nam, zal men zich lieht kunnen verbeelden hoe groot de verwondering van dezen laats ten was, toen, terwijl hij alleen in do voorkamer op het, ontbijt zat te wachten, de (leur haastig Lreopend en schielijk weder gesloten werd, en Pott met trotsche schreden op hem afkwam, zijne aan ge boden hand wegstlet, en heilniet eene schorre stem toesnauwde; „SlangIquot; „Mijnheer!quot; riep Winkle uit. van zijn stoel opspi ingende. ,Slang, mijnheerlquot; herhaalde Pott met eene gillende stem; toen vervolgde hij op ee.nzwaren, brom menden toon; „Slang, zeg ik, mijnheerl Neem het, op zooals gij wilt.quot; Wanneer nu iomand, van wien gijdeu vorigen avond zeer vriendschappelijk afscheid hebt genomen, u. als gij hein des morgens wederziet, met den naam van slang beufOet, is het niet onredelijk te vermoeden, dat er in dien tusschen tijd iets on aan géha aansis voorgevallen. Dit d ach: Winkle ook. Wat echter het opnemen van bet woord slang betrof, wis! hij niei juist hoe dit best, te doen. en zeide derhalve, toen hij zich een poosje bedacht had ..Slang, mijnheer Poft .\' Wat meent gij, mijnheer? Is het gekheid?quot; Gekheid, mijnheer?quot; riep 1\'ott, uit, met eene beweging zijner hand,als wilde hij zijn ga si den trekpot naar bothoofd werpen. «Gekheid, mijnheer? — Maar neen, ik wil bedaard blijven!quot; |
108
|
En ten bewijze /ijner bedaardheid, wierp hij zich schuimbekkend op een stoel. „Maar, mijn lieve man!quot; begon Winkle. ■\'Lieve man?quot; viel Pott, hem in de mie. ..Hoe durft gij zoo iets tegen mij zeggen, mijnheer! Hoe durft gij mij in het gezicht zien, en dat zeggen ?quot; „O, als ge zoo lu gint,quot; hernam Winkle. „Hoe durft gy mij in het gezicht zien, en slang tegen mij zeggen?quot; „Omdat gij het zijt.quot; „Dat zult gij mij bewijzen, mijnheer!quot; riep Winkle deflig uit. Op het diepzinnige gelaat-des redacteurs ver- I toöndezich een kwaadaardigeglimlach,terwylhij den Independent van dien morgen uitzijn I zak haalde, met zun vinger op (lt;n artikel wees, en het blad, over de tafel heen, Winkle toesmeet Deze nam het papi\'-r op, en las het volgende: „Onze v( racht\' lijke tegenstander heeft de vermetelheid gehad, om, in eonigélatfe aanrnerkin- | gen over de laatste vvrkii^zing. het heiligilorn des huiseliikrii levens te scHifnden, lt; n, op eene zeer onkieschi-wijze,depnr.soonUike«angeietrenheden ; van onzen gewezen eandidaat, den heer Fizkin, aan te roeren, die. hieraan twijfebm wij niet, in Wf : wil zijner ti ucnwooidige. onverdiende en alleen voor zijnlt;\' vijanden schandelijke nederlaag, eemn «al onze verltgenwoordigt r z il we/.en. Hoe ; durft onze laau\'ge\' stiue :lt; _■ nstander zoo iets onderstaan . Wat zou e si-havuit zeLrtren, indien w «-venals hij. alii\' welviK\'i.1! lijkhf\'iil den schop gaven, en d* gordijn ophievgt; ii, digt; gi-lukkig zijn huisi lijk lev.-u door d-- bespotting, omniet te zgt;-ygtgt;n verf-.i-iimr, van het algi-mern bewnart! Wa; zou hy /\' If v ,:..eu, indien wij sl.chts bij- ; zonderheden aanhaalden, die door de geheele - t.i I bekendzijn,t ndieiedereert|neteigeneoogen ■\'.i behalve «nz- blindi tegenstander, wat., indien wij de p u\'elen phiatsien, die ons zoo op het oogenblik dooreen vernuftig medeburgeren corrt spondent worden toegezonden? or F.r.N vi li.i:s\' foj\'. O I\'ot. !uct rpfht hi- r vuil ^olior rcn ! A - lier maar liMilt Kfinn»*n vvotfli loon u liet biriden «loor «!\'• trouw. lint /ij u H\'\'L\' (\'ftis tnj.pen zou. Pan \'/.tuidr zo, tl zijt L\'ij nog yjxt\'fi kink»?], k «.doof l.ft vagt;f. •1 i liov-r tocTi. Want tin inn-i .\'ij hd toe li \\Vquot;1 tloen, Hair litïbben afgestaan aan \\V .Wat.quot; zei Je Pott op een pleehtigen toon, ..wat. rijmt op kinkel, tampzaligé?quot; .. W.it op k i n n e 1 rijmt ?quot; zeidquot; mevrouw Pott die op dit . ..renblik binnent rad... Wat op kink e 1 rijmt? Wei Winkle zou ik denk\' n;iil.s het woord niet \'e 1\'• iijk was, om bij d\' n naam van onzen vriend te kunnen passen.quot; Dit zeggende, zaj zij den quot;tu -\'t\' ideti l\'i.-k wie kist met \'euvrie-ndeiy ken |
glimlach aan, en reikte hem hare hand toe. De bedremmelde jonkman zou die in verstrooiing hebben aangevat, indien Pott niet vol verontwaardiging was tusschenbeide gekomen. „Terug, vrouw! — terug!quot; zeide de redacteur. „Zult gij hem nog voor mijne oogen de hand geven ?quot; „Wel, Pott\'.quot;zeide zijne verbaasde echtgenoote. „Rampzalige, zie eens hier!quot; schreeuwde Pott. „Hier! „Op t en vuilen Pott!quot; Pot — dat ben ik; en hier, hoe zij u foppen zou,quot; dat zijt gij, vrouw, gij !•quot; Metdeze uitbarsting van gramschap, welke met iets vergezeld ging, dat op eene huivering geleek, toen hij zijne vrouw in het gezicht zag, wierp Pott haar het nornmer van den Independent voor de voeten. „Ik verzeker u, Pott,quot; zeide de vi rbaasde mevrouw Pott, terwijl zij bukte om het blad op te rapen. „Ik verzeker u, Pott....quot; Pott schrikte voor den smadelijken blik van zijne vrouw. Hij wendde eene wanhopige poging aan, om zijn moed bijeen te zamelen; maar hij was dien terstond weder kwijt. Mr ligt niets verschrikkelijks in het korte ge zegd; „Ik verzeker u, Pott!quot; wanneer men het zoo eenvoudig leest, maar toon, waarop het werd uitgesproken, en de blik, welke het vergezelde, en die beide den «ngelukkigen Pott met eene toekomstige wraak schonen te dreigen, dreven hem geweldi\'-r in het. naüw,Deonbedrevenste opmerker had duidelijk in zijne trekken kunnen lezen, dat hij zeer gaarne iedereen,die op dat ooirenhlik in zijne laarzen had willen staan, zijn beste paar had willen present doen. Mevrouw Pott las het artikel, gafeen luiden gil en wierp zich zoo lang zij was op het karpet neder, waar zij zoo hard bleef liggen schreeuwen ei met de hakken harer schoenen trappen, dat n • mand aan de teederheid van haar gevoel twijfelen kon. „Lieve vrouw!quot; zeide de verschrikte Pott; ..ik heb immers niet uezegd dat ik het geloofde; ik.,.quot; Maar de stem van den ongelukkige werd loor het gegil zijner echtirenoote verdoofd. „Mevrouw pott! ik bid u, lieve mevrouw, we. - toch bedaard!quot; zeide Winkle; maar het gillen en trappen werd nog harderen geweldiger dan te voren, .. Liefste !quot; zeide Pott, „het doet mij innig leed. Als gij niet om uwe elg\'tie gezondheid denken wilt, denk dan toch om mij beste vrouw! De tnens\'chen zullen voor het hui\'sblij ven stilstaan.quot; Maar hoe ijveriger Pott smeekte, des te ijselijker werd tiet gegil. lukkig bezat mevrouw Pott eene bondge-noote in eene amgejuffer, die den naam droeg van hare kamenier, maar die bovendien nog ver-s ■heidene posten bekleedde, waarvan een der voMfnainnste was, dat zij \'nare meesteres te hulp kwam bij eiken wensch en elke begeerte, die met de irezindheid van den arisen Pottin tegen- |
VKROXTRILSTKNDE TOESTAND VAN MEVROUW J\'OTT.
spraak stond. Het gegil bereikte de ooren dier overaan zulke kwellende gedachten\' ik heb nooit jongt11 Lifter, en deed haar naar do voorkamér snellen met een spoed, welke de keurige schikking van hare muts en krullen geheel in wanorde dreigde te brengen.
„Ach, mijn lieve mevrouw!quot; riep de bond-gonoote wanhopig uit, terwijl zij naast de op den grond uitgestrekte mevrouw Pott neder-knielde. „Ach, lieve mevrouw! Wat is er toch gebeurd ?quot;
„Mijn man — mijn barbaarse he man ....quot;
snikte de lijderes.
Het was duidelijk te zien, dat Pott begon te zwichten.
..Het is schande,quot; zei de de bondgenoote op j redacteur van den Independent willen af-een verwy eenden toon. „Hij\' zal u nog eens een 1 ranselen?quot;
dood op het lijf jagen, mevrouw! Anne. lieve : „Stil. stil, mevrouw! Houd u toch bedaardquot; meviouw: | antwoordde de bondgenoote. „Dat zal hij zeker i
I ott trok meer en meer terug. De vijand zette als gij het gaarne hebben wilt quot;
de\'1 aanval voort. „Zek(.r,quot; zeide Pott, toen zijne vrouw weder
„ Acn! verlaat mij met, — verlaat mij niet, aanstalten maakte tot een nieuwen toeval. „Ze- I 1 anny. prevelde mevrouw 1\'ott, terwijl zij ge- ker; dat spreekt vanzelf.quot;
zegde Fanny krampachtig bij hare handen greep, „Wanneer? I\'anny? wanneer?quot; vroeg me „(oj zyt de eenige, die mij goed behandelt, i vrouw Pott, die het nog niet met zich zei ve eens fanny. , , . 1 was, of zij flauw zou vallen.
„Nooit, mevrouw! nooitquot; riep Fanny snik- i ,,Terstond.quot; zeide Pott. „Dat spreekt van Kend uit. --„Omijnheei^wi-cstoch voorzichtig!quot; zelf voordat de dag om is,quot;
Gij weet het niet, hoeveel kwaad het mevrouw | ,.0 Fanny!quot; zeide mevrouw Pott; „datisde lt; oen kan, Het zal u eena berouwen - dat heb eenige manier, om den laster den mond te stol-ik nltijd gezegd. | peil! (,n njy in mjjrie eer t,., herstellen.quot;
1 ai \'nt; zette een zeer verlegen gezicht, j ,.(lij hebt groot gelijk, mevrouw!quot; antwoord-maar sprak geen woord. de Fanny. „En geen man, die deu naam van man
„Acn fanny. als gij eens wist, hoe lief ik verdient, kan wekeren het te doen quot;
dien man gehad heb!quot; zeide mevrouw Pott met Daar er nog altijd een zenuwtoeval bleef drei-eene (lauwe stem. _ ; g(.n, zeide Pott nog eens. dat hij het doen zou
t quot;V11, er u maar niet opnieuw, door daaraan i Maar mevrouw Pott was zoo getroffen door het .e denken, mevrouw!quot; zeide de bondgenoote. denkbeeld, dat men hare deugd had kunnen I ott wist zich niet meer te bergen van be- verdenken, dat zij nog een geruiinen tijd in nauwdheid. Het was lijd om den laatsten slag gevaar van een nieuw zenuwtoevarverkeWde. te slaan. hetwelk slechts door de zurgvuldigheid van de
■i „ quot; v®1?\' jnevrouw Pott, „nu wordt onvermifide Fanny en de herhaalde gebeden om ik zoo behandeld! Nu moet ik. in liet bijzijn van vergifflnis van den overwonnen Pott werd afge-vieetnden, verwijten en beleedigingen hoeren ! wend; en eindelijk toen zij dezen ongelukkigen Maar ik wil liet niet verdragen,quot; vervolgde zy, weder klein géhoog had gekregen, verklaarde te\' wi.il zij zich in do armen barer kamenier mevrouw Pott, dat zij boter was. ón zette zich overeind hief. „Mijn broeder de luitenant zal er aan het ontbijt.
zich mede bemoeien. Ik zal mij laten scheiden, j „Ik hoop toch niet, dat de laster van dat | \'aquot;.quot;y.: . , i sidiandelijk leugenblad den tijd van uw verblijf
•■liet zou niet meer zijn dan hij verdient, me- zal vei kortortiquot; zeide mevrouw Pott door de Miiiiw! zeide l anny. sporen barer tranen gliiiilacle-nde
Welke gedachten dit dreigement eener schei- „Dat hoop ik waarlijk ook niet,quot; zeide Pott I \' mg ook in den geest van Pott mocht opwekken, die in zijn hart wenschte, dat zijn «ast aan het inj wachtte zich wel die te openbaren, en ver- stuk brood, dat hij juist in zijn mond stak genoe-de zich mei tie nederige vraag; ,Lieve slikken moclit.
vrouw! wilt gij mij aanhoorén?quot; „\'lij zijt wel vriendelijk,quot; antwoordde Winkle
tranenvloed was het eenige antwoord va.n „Maar ik heb van morgen , . n briefje van mijn-mevrouw Pott, die het opnieuw op de zenuwen heerTupnian gekregen,\'waarin hii meldt dal er Kreeg, en ten laatste ofider het snikken de aan- een brief van mijnheer Pickwick is gekomen ! we/.igen vroeg, waarom zjj toch wel geboren bevattende liet verzoek, ons te linry bjj |,..m i ^as. en andere dingen van dergelijken aard. te voegen; en wij zouden om t waalf uur met „laetste. zeide Potl nu: „geef u toch niet, de diligence vertrekken.quot;
geloofd, dat dit artikel eenigen grond had ~ onmogelijk. Ik was slechts boos razend, mag ik wel zeggen — op den redacteur van den Independent, omdat hij het had durven plaatsen.quot; Dit zeggende wierp hij de onschuldige oorzaak van al deze opschudding een smeekenden blik toe, als wilde hij hem bidden om toch niet van den slang te spreken.
„Kn welke maatregelen denkt gij te nemen, om herstelling vaneer te krijgen ?quot; vroeg Winkle die zijn moed voelde aanwakkeren, naarmate hij zag dat Pott den zijne verloor.
„Fann.v!quot; zeide mevrouw Pott.
SAMUKL I\'M \'lv WK \'lv.
11)
|
„Maar gij komt. toch terug?quot; vroeg Mevrouw Pott. „Wel zeker,quot; antwoordde Winkle. „Maar het is toch immers zeker?quot; vroeg -mevrouw l\'ott, haar gast ter sluik een teednen blik toewerpendf\'. „Gij kunt er u op verlaten,quot; antwoordde Winkle. Het ontbijt werd verder stilzwijgend genut- ; tigd; want elk lid van het gezelschap makte om zijne of har- eigea «rieveii. Mevrouw Pott wus verdrietig over het verlies van ren galant; l\'otl zelf, omdat hij zoo onbedacht had beloofd den ; Independent af te nnselen; en Winkle, , umdat, hij zich zeiven in zulk gt; en onaangenamen toestand had gebracht, liet werd by twaalven, en tia een hartelijk afscheid, en herhaalde beloften om terug te komen, rukte W inkle zich lus, .Als hij ooit terugkomt zal ik hom vergifti gen,quot; dacht l\'ott, terwijl hij naar hot achterka-mertie ging, waar hij zijn kantoor hield. .Ais ik ooit U-mgkom, en ruij weer met die nu nschen inlaat,quot;dacht W\'inkle, terwijl hij naar de l\'auw stapte, .Mag ik lijden, dat ik zelf afgeranseld wordl \' Zijne vi ieiuli-n waren gerw.\'d, de diligence insgelijks, en binnen •■en half uur rlt; den zij den-zelfden w\' ,M:i ngs. dien Pickwick en Sam weinige dagen vroeg\' ! gereisd hadden. gt;aiu Wel Ier stond voor de deur van de Engel \'ip hen te wachten, en door h\' in werden zii naar het vertrek van Pickwirk gebraeht, waar zij, tot groote verwondering van Winkle \' ii stock wall, en tot nier, gei inua ontzetting van \'I upman, den oii\'leii Wardle en rrundle aan-troffen. Koe vaart gij?quot; zeide de oude man, Tup-man bij de hand vattende. „Kom! zet maar zoo\'n benauwd gezicht ni\' t! Wat gebeurd is, is g. heut\'l. Óm hareiitwii wensctiie ik dat gij haai\' .reki\'-ren hadt; om uW\'-ntwil be ■ ik blijde, da* .\'ij haar niet gekregen hebt. E«i» Jonge kef\' l, zooals gij. zal wed fens betor terecht ko-hp n lie ?quot; Met de/.\' ii troost gaf hU \'rupman • •■n klap op den rug. en beyui hartelijk te lachen. ..En hoe ga it li \' met ü? Vervolgde hij. terwijl hij Winkle en Stock wall tegelijk elk em- hand reikte. Ik heb Pickwick daar Juist gezegd, dat gij tegen Kerstmis allen bij ons moet komen. Dm zullen w:., eenebruilofr heb beu feii\'- bruiloft in vol \' staatsie.quot; „Kene bruiloft,quot; riep Stock wall verblee-kende. „ la. ■■\'■ne bi uiloft.quot; herhaalile de oude man. SehriK maar niet. Het is Trundle maar,\'lie ne t lsablt; la zal trouwen.quot; .(), is h\'-t d n ?quot; ze. Ie stoitkwall, ontheven v:iii eene twijfeling, die hem het har h el be-kl\'-md. ,.lk wenseb u ireluk. mijnheer! Kn boe maakt nlt; t Jozef?quot; |S Ï |
„Hij ? ■ zeer wel,quot; antwoordde de oude heer. „Zoo slaperig als altijd.quot; „En uwe dochter, en de overige familie?quot; „Allen zeer wel.quot; „Waar,quot; zeide Tupman, al zijn moed bijeen rapende, „waar is zij, mijnheer?quot; En hij keerde zijn hoofd om en hield zijne hand voor zijn oogen. „Zij ?quot; hernam de oude heer, sduilkachtigzijn j hoofd schuddende. „Meent gij mijne\' zuster?quot; i rupman gaf door een zwijgenden hoofdknik te kennen, dat zijne vraag de arme Kachel betrof, „Zij is weg,quot; zeide do oude heer. „Zij woont bij eene nicht, een heel eind uit de buurt. Zij kon de meisjes niet meer zien; daarom liet ik haar maar gaan. Maar de maaltijd is gereed. Gij zult wel hongerig zijn van het; rijden. Ik heb ten minste honger, al heb ik niet gereden.quot; De maaltijd werd met smaak gebruikt; en toen hij was afgeloopon, verhaalde Pickwick, tot verbazing en verontwaardiging zijner volgelingen, de ontmoeting die hij had gehad, en welk een trek de duivelsche Jingle hem had gespeeld. „En van de koude, welke ik in dien tuin heb gevat, heb ik nog een stijf boen,quot; zeide Piek wick ten slotte. „Ik heb ook een soort van avontuur gehad.quot; zeide Winkle met een glimlach ; en op verzoek van l\'ickwiek verhaalde hij, welk kwaadaardig schotschrift de Eata ns wiTM n d e pe n dent had geplaatst, en hoe driftig zijn vriend de redacteur daarover was geworden. Onder dit veihaal begon Pickwick\'s gezicht te betrekken. Zijne vrienden bemerkten dit, en toen Winkle zijne historie ten einde had ge-bracht, heerschte er eene diepe stilte. Pickwick sloeg heftig met zijne vuist op de tafel en begon aldus te spreken: ..Is het niet zonderling, dat wij niemands lu;is schijnen te kunnen binnentreden, zonder hem in moeite en verdrietelijkheden te wikke-i n? Is het niet een bewijs van onvoorzichtigheid of mo\'-t ik zeggen snoodheid mijner volgelingen, dat zij onder geen dak kunnen vertoeven, zonder het geluk en de zielsrust van een vrouwelijk wezen te verstoren? Is het niöt, zolt ik . . . i\'iekwick zou naar alle waarschijnlijkheid nog eene poos hebben voortgesproken, indien Sam, diquot; met een brief in de hand binnentrad, hem zijne welsprekende redevoering niet had doen afbreken Hij nam zijn bril van den neus, veegde de glazen at, zette hem weder op, en zijne s*em had haregewonezachtheid hernomen,toen hij zeide; „Wat hebt gij daar, Sam?quot; „Zoo even naar het postkantoor geweest,quot; antwoordde Weller,quot; „en daar dezen brief ge-vondeii, die er al twee dagen gelegen had.quot; „Ik ken de hand niet,quot; zeide Pickwick, ter- |
DE VERVOLGDE ONSCHULD.
111
|
wijl hij den brief opende. „ Bewaar ons, wat is dat ? Het moet eene grap zijn. Het kan niet waar wezen.quot; „Wat is er gebeurd?quot; was do algemeene I vraag. .Er is toch niemand dood?quot; vroeg Waidle, : die door het afgrijzen, datop Pickwick\'s gelaat I geteekend stond, ongerust werd. Pickwick gaf geen antwoord, maar schoof den brief over de tafel van zich af, en verzocht Tup-man om hem voor te lezen; waarop hij met een ir zicht vol wezenlooze verbazing achterover in zijn stoel viel. Tupman las met eene bevende stem den brief die van dezen inhoud was: Fbekmak\'s Court, Coknhill, Aug., 1827. Bardell contra Pickwick. „Mijnheer! ..Van Mejuffrouw Martha Bardell last ontvangen hebbende, om eene actie tegen UEd.aante vangen, wegens het verbreken eener trouwbelofte, voor welke de klageres hare schadevergoeding op vijftienhonderd pond begroot heeft zijn wij zoo vrij UEd. te berirhten, dat wij het proces in het (\'ourt of Common Pleas tegen u hebben doen aanteekenen, en verzoeken l\'Ed. ons per omgaande posr. den naam van den procureur te Londen te berichten, die UEd. in deze zaak bedienen zal, „Wij zijn, mijnheer, UEd. dienstwillige dienaren, Dodson en Fogg. „Den Heeïe Samuel Pickwick, Er was h is zoo oiltzottends in de stomme verbazing, waarmede ieder eerst zijn buurman en vervolgens Pickwick aanstaarde, datiedereen bevreesd scheen om te spreken. Eiticlelijk werd de stilte door Tupman afgebroken. ., Dodson en Fogg,quot;herbaalde hij werktuigelijk. „Bardell contra Pickwick,quot; |jeide Stock wall peinzende. „Geluk en zielrust van e. n onschuldig vrouwelijk wezen,quot; prevelde Winkle verstrooid. ..Het is een komplot,quot; zeide l\'ickwick, toen hij eindelijk zijn spraakvermogen terugkreeg; ..een schandelijk komplot tu^sciie;! die twi^oinha-lige procureurs, Dodson en l\'ogg, Jutlrouw Bardell zou nooit zoo iets doen; zij heeft er het hart niet toe; zij heeft . r geene reden toe. lletis de ongerijmdheid zelve.quot; „Over haar hart,quot; zeide Wardle niet een glimlach, „zult gij zeker het beste kunnen oonleelen. Ik wil ii niet ontmoedigen ; n aar mij dunkt, dat over de reden, die zij heeft. Dedson en Fogg veel beter kunnen oordeelen. dan iemand vm ons allen.quot; |
„Het is een schandelijke kunstgreep om mij geld af te persen,quot; zeide l\'ickwick. „Ik hoop van harte dat het niets anders is,quot; . hernam Wardle met een droog kuchje. „Wie heeft mij ooit op eene andere manier met haar hooren sproken, dan gelijk een commensaal met zijne huis waardin behoort te doen ?quot; vroeg Pickwick heftig. .Wie heeft mij ooit bij haar gezien? Zelfs niet mijne vrienden....quot; „Behalve bij éénegelegenheid,quot;zeideTupman. Pickwick verbleekte „Aha!quot; zeide Wardle. „Daar zullen wij het hebben. Gij zaagt toch niets dat eenig kwaad vermoeden kon geven?quot; Tupman zag zijn leidsman schroomvallig aan en antwoordde: ..Kwaad vermoeden juist niet; maar — hoe het kwam weet ik niet maar dat is waar, zij lag in zijne armen.quot; „Lieve hemel! riep Pickwick uit, toen het bedoelde room el hem weder levendig voorden geest kwam. ..Welk een vreesolijk voorbeeld van de macht der omstandigheden! Het is maar al te waar.quot; „En onze vriend was bezig met haar te troosten.quot; zeide Winkle vrij spotachtig. „Dat deed ik,quot; zeide l\'ickwick; ik wil het i niet ontkennen.quot; „Aha!quot; zeide Wardle, „voor iets, dat in \'t i geheel geen grotïd heeft, ziet dat er toch tame- I lijk verdacht uit. Niet waar, Plckwiek.\' O gij schalk! Wat hebt gij\' ze in de mouwen !quot; En hij lachte totdat de glazen op de tafel rinkelden. .. Welk een ijs\' iijke samenloop van noodlottige omstandUhedeii!quot; riep Pickwick uit ..Winkle - Tupman ik vraag u verschooning voor hetgeen ik daar straks gezegd heb. Wij zijn allen slachtoffers der omstandigheden, en ik ben het grootste.quot; Bit gezegd hebbende, verborg hij zijn hoofd in zijne handen, en bleef eono poos zoo zitten nadenken, terwijl Wardle de overige leden van het gezelschap in het rond glimlachend toeknikte en wenkte. „Ik moet toch welen, hoe hot mei de zaak gelegen is,quot; zeide Pickwick, weder opziende. „Ik moet die Dodson en Fogg spreken. Morgen ga ik naar Londen.quot; „Morgen zal uw been nog niet beter zijn,quot; zeide Wardle. .. Dan overmorgen. ivermorgen is het de eerste September; dan hebt gij beloofd om niet ons mede te rijden naar het bui\'engoeiI van Sir George Manning, en daar met ons te ontbijten, zoo gij niet mede kunt gaan jagen.quot; „Xu, dan den volgenden dag donderdag, \' hernam Pickwick, ..Sain!quot; ...Mijnlieer!quot; zeide Samuel. „(éi I wei plaatsen op de diligence naar Londen voor ons bestellen, tegen donderdag ochtend.quot; Samuel vertrok, en kuierde, met zijne handen |
ICKWICK,
tasch om, en een paar patrijshonden bij zich. |
..Wat ik zeggen wil,quot; thiisterde Wiukle den heer Wardle toe; ..zij denken toch wel niet, dat 1 wij patrijzen genoeg zullen schieten, om die j twee groote weitasschen vol te krijgen?quot;
..Vol krijgen?quot; riep Wardle uit. „Welzeker. Gij moet de eene en ik de andere vullen; en als wij ze vol hebben. Steken wij de rest in de ! zakken van onze jachtbuizen.quot;
Winkle stapte af, zonder verder iets te zeggen; maar hij dacht bij zich zei ven, dat, indien j liet gezelschap zoolang in de open lucht moest i blijven, totdat hij een dier weitasschen had ge- 1 vuld, de jagers groot gevaar liepen om koude I te vatten.
..Is Sir Geoffrey nog in Schotland, Martin ?quot; vroeg Wardle aan den langen boschwachter.
De boschwachter knikte, en keek met eenige verwondering eerst naar Winkle, die zijn geweer droeg, als verlangde hij, dat zijn rokzak hem de moeite zou besparen om den trekker af te drukken, en tO\'.-n naar Tupman, die het zijne vasthield, alsof hij er doodelijk bang voor was hetgeen, zoover wij weten, wel het geval zal zijn geweest.
„Mijne vrienden zijn nog niet zeer bedreven in het vak,quot; zeide Wardle, die den blik des boschwachters bemerkte. „Gij wéét wel, men is ; nooit te oud om te leeren; zij zullen nog wel goede jagers worden. Maar ik moet mijn vriend Winkle om verschooning vragen; die heeft meer gejaagd.quot;
Winkle glimlachte zeer bescheiden, en ging in zijne verlegenheid zoo wonderbaar onhandig met zijn geweer te werk, dat hij, indien het geladen was geweest, zich zeiven zonder twijfel op de plek zou hebben doorgeschoten.
..Als uw geweer geladen is, moet gij er zoo , niet ineeomgaan.quot; zeide de boschwachter barsch, „of ik wil verdoemd zijn, als gij geen koud vleesrh van iemand maakt.quot;
op dit gezegde\' gaf Winkle zyn geweer spoedig e.jne andere richting, maar zoo onbesuisd, dat de loop in een vrij onzachte aanraking met het hoofd van Sam Weller kwam.
„Heisa, mijnheer!quot; riep Sam, terwijl hij zijn hoed, die hem w;is afgeslagen, opraapte, en zijn achterhoof\'! wree f. ..Als gij het zoo aanlegt, zult gij niet eén schot uw weitasch vol hebben, en nog overhouden.quot;
De jongen met de lederen slobkousen proestte het uit, en wilde toen een gezicht zetten alsof hij het niet gedaan had. waarop Winkle hem een blik vol trotsche gramschap toewierp.
„ Waar hebt gij den jongen met, het eten gezegd dat hij ons wachten moest. Martin ?quot; vroeg Wardle.
..Hij zal maken, dat hij om twaalf uur bij One tree hill is, mijnheer!quot;
„Datis toch buiten het land van Sir Geoffrey; niet waar?quot;
i 112 SAMUEL 1
in zijne zakken eu zijne oogen op den grond, langzaam voort.
..Wit- duivel zou zoo iets in zijn hoofd krijgen 1quot; zeide Sam by zich zeiven Als men eens ,Jankt juffrouw Bardell, en een kleine jongen | er bij. .Maar zoo maken dit- oude snaken het j altijd! al zien zij er nog zoo stemmig uit. Ik had liet toch niet van hem gedacht waarachtig niet.quot;
Zoo peinzende, ging hij zijne boodschap doen.
XIX.
i EES AASHESAME DAG MET EEN ON A AUG EX AMEN AFLOOP.
De vogels, die, gelukkig voor hunne zielsrust en genoegen, in •••■ne zalige onwetendheid ver* I ki erden omtrent de toebereidselen, welke men gemaakt had, om op den eersten September tegen hen te veld r.e trekken, begroetten het begin van dien dag zonder twijfel als den schoon-sten morgen van den geheelen herfst. Menig I jonge patrijs stapte, met al de onbedachtzaam-: held der jeugd, over de stoppelvelden, en me-i nige oude beschouwd\' met zijne kleine ronde ! oogen de lichtzinnigheid van zijn makkermet ai de trol.-ehheid, die een wijzen, ervaren, vogel past; onbewust, van hun nakend verderf : koesterden zij zich te Zftmen in de stralender 1 morgenzon en eerüge uren later lagen zij dood \' op ilen grond. Maar wij worden al te aandoen-j lijk, en willen liever ons verhaal voortzetten.
()m het dan eenvoudig te zeggen, het was I een schoone morgen; zo\'gt; schoon, dat men nauwelijks kon geïooven, dat dlt;-weinige-maan-; den van een Engeiscben zomer reeds vervlogen waren- Heggen, velden, boomen. heuvels en le-i-den, alles bood het lt;\'k(,g slechts verschillende tinten van hetzelfde zachte groen ter beschouwing aan. Kr was nog bijna uven blad afgeval-I len, en nauwelijks een stipje geel vermengde 1 zich met de kleui- van den zomer, om te waat--«chuwen, dat de herfst begonnen was. De hemel was onb(\'wolkt; de zon scheen heldeer en warm; het gezang der vogelen en het ge.snis van duizenden insecten vervulden de lucht; en de tuintjes voor de boerenwoningen, vol bloemen van allerlei heldere kleuren, schitterden van den zwaren dauw, alsof zij mot juweelen waren,b -zaaid. Alles drer-ir nog het lachondt waas van den zomer.
Zulk een ochtend was het toe-n een open rijtuig, waarin dri« l\'ickwickiaten twantStock-wall had verkozen t. huis te blij veni, Wardle en Trundle, benevens Sain Weller naast den vot irnan op den bok. gezeten waren, voor het hek stilhield, waar zij door een langen bosch-wachter en een jorigen met lederen slol)koiiseii werden opgewacht, ieder niet eenegrootewei-
IP
PICKWICK 01\' HEX KRUI WAGE X.
113
|
„Ja, mijnheer: even er buiten, liet behoort aan kapitein Boldwig. Maar niemand zal ons storen, en het is daar plei/.ierig zitten.quot; „Goed,quot; zeide Wardle. „Hoe eer wij nu opbreken, des te beter. Zult gij maken, dat trij om twaalf uur bij ons zu\'t. Pickwick?quot; Pickwick was zeer verlangend om de jacht bij te wonen, vooral daar hij ongerust was, of Winkle er anders wel heelhuids zou afkomen. Op zulk een schoonen morgen was het ook verdrietig terug te keeren, terwijl zijne vrienden voortkruien, kon hij bij ons blijven, en over de hekken zouden wij hem wel heentillen.quot; |
„Dat zou heerlijk zijn,quot; zeide Sam Weller, die ook gaarne wilde meegaan, en er derhalve belang in stelde, dat deze voorslag werd aangenomen. „Goed bedacht, manneijel Ikzal den kruiwagen maar gaan halen.quot; De lange bosch wachter had er eerst veel tegen, da t een gezelschap jagers een heer op een kruiwa gen zou inedenemen, hetgeen hij, gelijk hij zeide, nog nooit gezirn had ; maar een goed woord en een |
een fooitje maakten weldra een einde aan zijn tegen stand. Pickwick Werd derhalve opeen krui warren gezet, en het gezelschap ging op weg. Wunile nge stapje met den langen boschwaehter vooruit quot;ii Pickwick, door Sam voortgekruid, kwam chteraan.
zich gingen vermaken. Hij zette derhalv z,\'6r treurig gezicht, toen hij zeid\'1:
- Dat zal ik wel moeten dO( n.quot;
een jager?quot; vroe
\'\'oschwachter.
„.Veen,quot; antwoordde Wardle, „en hij heeft bovendien een stijl\' been.quot;
••Hot spijt mij, dat ik niet kan medegaan quot; Z\' ide Pickwick. „Het spijt mi.i zeer.quot;
Allen zwegen inodel;jdend stil.
• Daar Kinds staat
„Halt San
iet n.
riep Pickwirk, toen zij Of midden van het eerste veld gekomen wa ..Wal scheelt er aan?quot; vroeg Wardle. • Ik wii geeQ stap verder voortge!citiid woi
er, Tl\' i i l,;|e(0n /ei,ifi lIquot; don\'quot; Pirkwiek vastberaden; „ais Winkl
* ii. „,\\ls tie knecht, van mijnheer hem wilde zijn geweer niet anders houdt,quot;
Die
F-\'.NS, iSAML\'KL PlCKWleK.
SAMITI. riClvWH\'K
Ill
„Neen, neen, ik meen de anderen,\' zeidede geheel verbijsterde Winkle.
„Die zijn al ver weg,quot; antwoordde Wardle, terwijl hij bedaard zijn geweer weder laadde. ,
„Binnen vijf minuten zullen wij wel een anderen tree]) vinden.quot; zeide de lange boschwadi-ter. ...Vis mijiiheer nu maar begon te vuren, zon hij misschien het schot juist uit den loop krijgen, \'egen dat zij opvliegt.quot;
Wel Ier schaterde het uit.
„Sam,quot; zeide Pickwick, die medelijden had met de verlegenheid van zijn volgeling Mijnheer!quot;
„Lach niet.quot;
„Neen, mijnheer!quot;
Wellcr vergenoegde zich nu met eenleelukgezicht te trekken, dat alleen door den jongen met de lederen slobkouzen werd gezien,die nu op zijne beurt in een luid gelach uitbarstte, waai vooi luj met ceit frisscheïi klap werd beloond door den boschwachter, die een voorwendsel noodtg had om zich om te kecren, ten einde zijn eigen lachen te verbergen.quot;
„Bravo!quot; zeide Winkle tot Tupman. „Ou hebt
toch geschoten.quot;
...la!quot; zeide Tupman met eene hoogc borst; „mijn geweer is afgegaan.quot;
(ioed zoo! Een andermaal zult gij wal raken,
als gij goed mikt. Het is zeer gemakkelijk; met
\'„.la wel,quot; zeide Tupman. „Maar het doet iemands schouders toch zeer. Ik viel bijna ichtei-over. Ik had niet gedacht, dat^die kleine geweren zoo hard zouden stooten.quot;
„D! gij zult er wel aangewennen,\' hernam de oude heer glimlachend. „Komaan! Is alle» gereed; — de kruiwagen ook!quot;
„Ja wel, mijnheer!quot; antwoordde Sam, en nu o-ing liet vorder.
Blijf daar nu staan met den kruiwagen, z.ei\'de Wardle, toen zij dit rijtuig over een hek hadden getild, en in een ander veld waren gekomen. , , ...
„Kom. Winkle!quot; vervolgde In.): „ga nu sta met mij mede, en pas op, dat gij nu niet weer
te laat komt.quot; , ,
„Neen. neen,quot; zeide Winkle. „Staan de honden al?quot; , . , „Nog niet. Stil, stil!quot; Zij slopen voort,en het
zou zeer stil zijn toegegaan, indien Winkle, ter-
wijl hij zijn gpwoor ivi6t. ziinc gewone oiilinnni\'j. held anders wilde aanvatten, niet bij toeval vuur had gegeven, en dat wel juist op het beslissende
oogenblik. .
Waarom deedt gij dat voor den duivel . zeide de oude Wardle,quot;toen de vogels ongedeerd
wegvlogen.
Ik heb nooit van mijn leven zulk een geweei gezien,quot; zeide de arme Winkle, terwijl hij het slot bekeek, alsof dit het helpen kon. „He\' gaat vanzelf at?quot;
„Hoe moet ik het dan houden?quot; vroeg de on-gelukkige Winkle. .. ,
quot; „Houd het met de tromp naar den grond, antwoordde Pickwick. t
Maar dat staat zoo gek,quot; Z\'-ude \\VmKle tegenstribbelend. _ ,
tick of niet, dal kan mij nier srhel\' n, bei-iijuii Piekwkk. „Maar ik wil mij voor eraiander zijn pleizier niet op een kruiwagi-n laten doodschieten.quot; . , ;. . .
Ik zi\'\' vooruit, dat mijnheeriemand zyn schot in quot;het H,)f zal blaz.-n. voordat hij er op bedacht isquot; bromde de lange boschwachter.
\' Nu, dan is het mij hetzelfde, \'zt-ide de armf Winkle, terwijl hij zijn geweer met den kolt naar boven onder zijn arm nam. ..Daar!\'
Nif-\'ts zoo goed als vréd»1 U* houdt-n, /jeicte Sam; en daarmede trok men weder vooit. „Halt!quot; riep Pickwick, toen zij een eind verder
wareii gekomen.
„Wat is het nu weer?quot; vroeir Wantle. „Dat geweer van Tupman is gevaarlijk, zewé
Pickwick. .. .
„Wat ze_\'t gij ? (ievaatiijk ? riep l.hpnianzeei
benauwd uit.
.la, als gij het zoo houdt, hernam Piekwtek. l iet spüt \'nü. da t ik u weder moet oplionden ; in aar ik kan waarlijk niet bewilligen mij te laten volt;»rtkruien, ala gii uw geweer niet houdt zooals
Winkle doet.quot; ,, ,..
,lk gelöot. dat het u geraden is, mynheer geiquot;,le de lange boschwachter. «Anders hebt gij va-el kans om zelf uw schot in uw gezicht te kritu\'en.quot;
i\'uptnan gaf met bereidwillige haast zijn ge-, weer de verlangde richting, en het gezelschap st apte- weder veert, de twe\' liefhebbers met. het geweer onderden arm, gelijk soldaten bij eene militaire bei:iafenis.
Plotseling bleven de honden staan, ende.ia-
gers insgelijks.
„Wat scheeiteraan lumnt\'pooten ? Ilmsten.ie Winkle. „Wat staan di-- honden daar gek!
„stil toch!quot; fluisterde Watdie. „Zietgij rm-t, dat zij wat gemerkt hebben\'.
„(ieinerkt hebben zeid- Winkle, terwijl lu.i half nieuwsgierig, half ongerust, rondkeek:wat zouden zij dan u\'einerkt hellt;beti ?
„I\'as op!quot; riep Wai\'dle, inde spanning van liet oofenblik. ..Uaar komen zij!
la- yölgd* een scherp, snorrend gedruiseli. lat
Winkle verschrikt deed ach teruitdein zen. Paf -nat gingen de twee geweren; de roek trok spoedig op, en verspreidde zich kronkelend in
de lucht. , , ,
„Waar zijn zij .\' Waar zijn zij vroeg W mkle. vól vuur en i i vei. „\'/eg mij inaai, wanneer ik schieten moet! Waar zijn zij toch
Waar zijn zij hernam Wardle, een paar patrijzen optapeiide, die lt;le honden aan zijne voeten hadden neergelegd. „ Wel, hier zijn z; i,
Tl\'I\'MAN VERWERFT ZICH JiOEM ALs Si\'HUTTKH.
1 15
|
V inzeil af.\' herhaald© Wardle eenigs-zins knorrig, „ik wenschte, dat liet vanzelf wat schoot.quot; „Dat zal óók wel gebeuren, \'mijnheerzei-di\' de boschwachter met eene zware profetische stem. „ Wat meent Lrij met dat gezegde?quot; vroeg; Winkle bits. „Wees maar bedaard, mijnheer 1quot; hernam de itosch wachter. „Ik zelf heb geene vrouw of kinderen, mijnheer! en Sir Geoffrey zal Wel voor de moeder van dien jongen zorgen, als hij op ; ijn land wordt doodgeschoten. Ik zou maarweer j laden, mijnheer!quot; ..Neem hem zijn geweer af!quot; riep Pickwick uit den kruiwagen, daar deze onheilspellende woorden hem hevig deden ontstellen. „Hoort gij niet? Xeetn hem dat geweer af!quot; Niemand had echter lust om dit bevel ten | uitvoer te brengen, Winkle wierp Pickwick een | blik van wederspannigheid toe, laadde zijnge-I Wt er, en stapte daarop met de overigen voort. Op gezag van Pickwick kunnen wij verklaren nat 1\'up man veel meer voorzichtigheid en beradenheid aan den dag legde dan Winkle. Tup-: lü.in s handelwijze was, gelijk vele dergewich-•-quot;te ontdekkingen, zeer eenvoudig. Hij had r spoedig begrepen, dat het vooral op twee j-untnn aankwam; vooreerst, om zijn geweer a-f ■\' schieten zonder gevaar voor zie li zeiven ; ten i n etiJe, om hot te doen zonder gevaar voor de quot;\'iistanders. Was men derhalve eens de moeie-i . j kheid te boven gekomen om het geweer naar willekeur te doen afgaan, dan kon men niet | •\'\'•lor doen, dan zijne oogen sluiten en in de Incht i schieten. Mens. toen Tupinan weder zulk een kunststuk i el verricht, zag hij, toen hij zijne oogen weder v-nd\' . een vette patrijs gewond naar omlaag mielen. llij wildejuist Wardle geluk wenschen I 111,1 zflnfc wisheid in het schieten, toen deze j \'ar hem toekwam, hem vriendelijk bij de hand vatte en zeide: . iupman! dat is de voirel. wauron irii sein ik t hebt.quot; N\' en toch niet,quot; zeide Tupman. ..-Ki wel, zeide Wardle. „Hij vloog alleen op, \' ik zag u het geweer op hem aanleggen. Ik i moet zeggen, dat de beste jager uat schot niet ■ \'i kunnen verbeteren. Gij zijtzulk een nieuwe-:i- niet als ik dacht. Gij lubt er meer aan gedaan.quot; } ni(\'btelooH betuigde Tupman, mot een be-■■\'■\'i\'-ideii glimlachje, dat hij het nog nooit ge ,!\'I:UI had. Die glimlach werd juist voor een Ai.!- van het tegendeel gehouden; en van dat \'quot;\'-\'\'•nblik af was zijn roem gevestigd. Het is de in:,a\' «iet. dat iemand zoo gemakkelijk :quot; !quot;émd is geworden: en zulk eene gelukkige l aienloop van omstandigheden heeft wol eens quot;•\'■et plaats, behalve bij het patrijzenschieten. |
Winkle brandde intusschen lesronder iets te raken ; nu eens zond hij zijn schot loodrecht de lucht in, en dan weder zoo dicht langs den grond, dat men voor de veiligheid der honden moest vreezen, A Is eene soort van vuurwerk beschouwd, was zijn schieten zeer aardig om te zien; maar wanneer het voor witschieten moesten gelden deugde hel volstrekt niet. Het is eene bekende waarheid, dat „elke kogel zijn adres heeft.quot; Is dit ook op hagel toepasselijk, dan waren de h.igels v;iii \\\\ inkle Z\'-ker ongelukkigo vondolin-gen, die van hunne natuurlijke rechten beroofd waien, en zonder adres een goed heenkomen moesten zoeken. „Wel.\' z.eide Wardle, terwijl hij bij den kruiwagen bleef stilstaan, en het zweet van zijn aangezicht veegde, „vindt gij het ook niet warm?quot; „Ja! \' zeide Pickwick: „zelfs zoo stil zittende, vind ik het brandend heet in de zon. I k weet niet! : hoe gijlieden bet uithoudt.quot; „Ja het is tamelijk warm,quot; hernam de oude heer. „Maar het is ook al over t waalven. Ziet gij daar ginds dien groenen heuvel ?quot; „Ja wel.quot; „Daar zullen wij ontbijten. En waarlijk, daar zie ik don jongen met de mand al aankomen. Hij heeft goed op zijn tijd gepast.quot; „ik zio hem ook,quot; zeide Pickwick weder ontluikende. „Dat is een brave jontren. Ik zal hem een -hilling geven. Kom, sam! krui mij voort!quot; „Hou maar vast, mijnheer!quot; zeide Samuel, wien hot vooruitzicht op eenige ververschingen\' nieuwe krachten gaf. „Uit den weg! En als mijn dierbaar leven u lief is, gooi mij dan niet om. gelijk de heer tegen den karreman zeide, die hem naar de galg reed.quot; llij versnelde zijn stap tot een drafje, reed zijn meester vin/ den heuvel op, en wipte hem knaphandig uitdenkruiwa gen, vlak naast de mand, die hij daarop met groeten ijver begon te ontpakken. „Kaltspastej, zeide Weller, bij wijze van al leenspraak, terwijl hij de eetwaren op het gias uitzette. „Zoo n ka 1 tspastei is goede knap, als men de juffrouw kent, die haar gebakkon heeften zeker weel, dat er geen kattenvleesCh in\' is. Maat wat doet er ook toe, als dat zooveel op kalfsvleesch gelijkt, dat de pasteibakkers zeiven er geen onderscheid in kunnen vinden.quot; •• Kunnen zij dat niet, Kun ?quot; vroeg l\'iekwick ,. Volstrekt niet. Mijnheor!quot;antwoordcle sant, zijn hoed aanrakende, , Ik heb eens in hetzelfde huis gewoond mei een pasteibakker.lt;-eii knap man in zijn vak; hij kon pasteien maken van al wat men maar wilde. „Wal hebt -ij tueli een boel katten, mijnheer Brooks?quot; zeg ik -ens, toen ik wat familiaar met hem geworden was „Ja,quot; zegt hij, „eene heele partij,\'■ ..oil moet machtig veel van lt;Jie katten houden ze-quot;Ik niet, maar andere mensehen.quot; zegt |
S AMU KL PKJKWICK.
UB
vasthoudende; „eenegezondheid. Onze vrienden te Dingley-Del 1!quot;
De gezondheid werd met toejuching gedron ken. , „Weet gij. wat ik doen zal, om mijne juist- ■ held in het schieten weder te herkrijgen?quot; zeide Winkle, die met een zakmes ham sneed: ..ik zal een opgezetten patrijs op een paal zetten, en daar ; naar schieten; eerst dichtbij en langzamerhand verderaf. Ik heb gehoord, dat het eene zeer nuttige oefening is.quot;
„Ik heb een heer gekend, mijnheer,quot; zeide Weller, „die dat ook wilde doen. Hij begon op twee ellen afstands, maar hij heeft het nooit weder geprobeerd, want met; het eerste schot 1 schoot quot;hij den vogel zoo glad weg, dat niemand er ooit eene veer van heeft weerom gezien.quot; „Sam!quot; zeide Pickwick.
„Mijnheer!quot; zeide Sam.
„Wees zoo goed uwe anekdoten te bewaren, i totdat men ernaar vraagt.quot;
„Zooals \'tn belieft, mijnheer!quot;
Hier gaf Weller met het eene oog, dat niet door de bierkan, die hij juist aan zijn mond zette, werd bedekt, zulk een koddigen wenk, dat de twee jongens het uitschaterden, en zelfs de lange boschwachter zich verwaardigde te glimlachen.
„Die koude punch vind ik overheerlijk,quot; zeide . Pickwick, terwijl hij de kruik oplettend aanstaarde. „en her is bijzonder warm vandaag, en -Tupman, beste vriend! een glas punch?quot;
„Met veel pleizier.quot; antwoordde Tupman:en toen zij te zamen een glas hadden gedronken, nam Pickwick er nog een, alleen om te zien of er ook citroenschillen in waren, omdat hij die niet wel verdragen kon: en toen hy er geen citroenschillen in vond, dronk hij nog een glas op het welzijn van hunne afwezige vrienden, en vervolgens nog ter eere van den onbekenden punchbrouwer.
Deze reeks van glazen had eene zeer merkwaardige uitwerking op den goeden Pickwick Zijn gelaat blonk van innig genoegen, een opgeruimde lach speelde om zijn mond, en de goed-hartigste vroolijkneid schitterde in zijne oogen. Langzamer hami zwichtende voor den in vloed va n den opwekkenden drank, die door de warmte nog sterker werkte, voelde Pickwick grooten lust om een liedje te zingen, dat hij in zijne jeugd gehoord had ; en toen hij zich de woorden niet meer kon herinneren, trachtte hij zijn geheugen te hulp te komen,door nog een paar glazen punch te drinken, die echter juist de tegenovergestelde uitwerking hadden ; want hij kon zich eerst de woorden van het liedje niet herinneren, thans kon hij in het geheel geen woord meer uitbrengen; en nadat hij was opgestaan, om eene aan-spraak tot het gezelschap te houden, liet hij zichopden kruiwagen nederzlnken, en viel bijna op hetzelfde oogenblik in slaap.
Toen men de mand weiier had gepaktendaarna bevond, dat het; eene onmogelijkheid was om
hij; „maar het is nu haar tijd nog niet -- i niet voor den winter.quot; — „Haar tijd nog niet? zeg ik. „Neen,quot; zgt;\'gt hij: „nu is het de tijd van de fruit; dan gebruikt men geene katten.\'] „ Wat meent gij1\'quot; zeg ik, , Wat ik meen?
zegt hij. ,.dat het mij niet schelen kan of de | slagers het vleesch duur houden. Mijnheer Wel-leriquot; zegt hij — hij vatte mij bij do hand en fluisterde het mij in het oor: „gij moet het aan niemand oververtellen, maar het ligt allemaal aan het klaarmaken. Alles komt van die lieve ; beestjes,quot; zegt hij,en laat mij een aardig cypersch katje zien, ,.en ik maak ze klaar voor ossen-vleesch, schapen vleesch oflamsvleesch, naar dat het besteld wordt. En wat meer is,quot; zegt hij, „ik kan in een oogenblik kalfsvleesch van ossen vleesch. of schapenvleesch van kalfsvleesch maken. net zooals het mij te pas komt.quot;
„Dat moet een zeer knap jongmensch geweest zijn. Sam!quot; zeide Pickwick met eene lichte huivering.
„Dat was hij ook, mijnheer!quot; hernam Wolier; „en zijne pasteitjes zagen er heerlijk uit. long -dat is ook • en goed ding, als het geen vrou wentong is Brood, ham, koud vleesch alles ; goed. Wat hebt ge daar in die kruiken, jon-
1 geu ?quot;
„Bier in deze,quot;antwoordde dejongen.een paar i kruiken, die meteen riem aan elkander waren vastgemaakt, van zijn schouder nemende, „en koude punch in die andere.quot;
„Ik vind, dat men zich met zulk een ontbijt al zeer goed kan behelpen,quot; zeide Weller, terwijl liij met inwendig genoegen zijn oog over de toebereidselen liet gaan. „ En nu, heeren,,. valt aan quot; gelijk de Engelschen tegen de Franschen zeiden, toe\'n zij de bajonetten hadden opgezet.quot;
Het gezelschap wachtte op geene tweede uit-noodis-\'inu\', om zich aan den maaltijd te zetten; en er was ook weinig aandrang noodig, om Weller, den boschwachter en de twee jongens te bewegen, om zich een eind verder op het gras neer te vleien, en met een gedeelte der levens middelen goede sier te maken. Een oudeeike boom verleende den twee groepen eene aangename schaduw, en een ruim verschiet van akkers en weilanden, met welia»\' heggen doorsneden, • n hier en daar door hoLitgewasafirewisseld,breidde zich voor hunne voeten uit.
.Het is hitr verkwikkelijk,quot; zeide i\'ickwi\'k, wiens goed ha 11 i~ gezicht door de zonnestralen was geblakerd.
„Dat is het inderdaad,quot;zeide Wardle. „Kom, oude vriend! een glas punch?quot;
„Met veel genoegen,quot; antwoordde, Pickwick en de tevredenheid, die. zich op zijn trekken afmaalde, toen hij het glas geledigd had, bewees, dat hij oprecht gesproken had.
„Dit -maakt u\'uerl,quot; zeide I\'ickwi\' k. „Ik zal er nog een nemen. Het is koel, zeer koel. Komaan, heerenquot;! vervolgde hij, de kruik bestendig
117
1 ickwiek wakkei\' te krijgen, hield men tezamen laad, ol liet beter zou zijn, dat Weller Zijn mees-tei terugkruide, ot dat men den slapende liet waar hij was, totdat allen gereed waren om naar huis te gaan. Daar Sam vriendelijk verzocht om bij het gezelschap te mogen bly ven, en hun verdere tocht niet langer dan een uur duren zou, besloot men eindelijk tot het laatste. Het gezelschap begaf zich weder op weg, en liet Pickwick op den kruiwagen gerust leggen slapen.
Het is zeer waarschijnlijk, dat hij in de koele schaduw zou hebben doorgeslapen, totdat zijne vrienden terugkwamen, indien men den goeden man daar slechts met rust had gelaten. Maar men liet hem daar niet met rust, en hoe het kwam, dat hij gestoord werd, zal de lezer terstond vernemen.
Kapitein Boldwig was een kort, hoogmoedig mannetje met eene stijve zwarte das en een blauwe jas; en wanneer hij zich verwaardigde •■ens door zijne bosschen en velden te gaan wandelen, nam hij altijd een dikken stok en een | opper-en ondertuinman mede, aan welke hij met alle behoorlijke trotschheid en barschheid zijne j \'ievelen gal; waiu de schoonzuster van kapitein I I-old wig was met een markies getrouwd, en i het huis van den kapitein heette eene villa, \' ii zijn tuin een park, en alles was bij hem op I een groeten voet.
I\'ic kwiek had nog geen half uur geslapen, toen I de kleine kapitein Boldwig, door de twee tuinlie- j den gevolgd, zoo hard kwam aanstappen als zijne korte beenen en zijne deftigheid hem wilden toe- i l\'Hen; en tomi de kapitein bij den eikenboom | kwam, bleef hy staan, haalde eens adem, en be- i schouwde het uitzicht, alèof hij dacht, dat hot uitzicht het zich tot eene groote eer moest rekenen dat hij zich verwaardigde er naar te kijken. Toen stampte hij niet zijn stok op den grond en riep den oppertuinman.
..Hunt,quot; zeide hij. „morgen moet gij deze plek rollen ~ hoort gij9quot;
..Ja wel, miinheerlquot;
-Hn pas op, dat gij hier alles goed in ordo houdt - hoort gij?quot;
„Ja wel, mijnheer!quot;
,.Kn help rnij onthouden, dat ik hier een bord Mat zetten van stroopers en voetangelsen klemmen, om het gemeen volk hier vandaan te hou-\'ten - hoort gij; Hunt?quot;
••Ik zal er om denken, mijnheer!quot;
.Neem mij niet kwalijk, mijnheer,quot; zeide de ondertuirnnan, met zyne hand aan zijn hoed naderbij komende.
.. Wi-1, Wil kins! wat hebt gij te zos^ijen\';lquot; vroe,r ue kapitein. 6
..\\ecin mij niet. kwalijk mijnheer! - maar
IK\' ^eIoof» dat er vandaag hier stroopers zijn geweest.
, ..Haf.\'quot; zeide de kapitein, gramstorig rondziende,
„Ja, mijnheer! - ik geloof, dat zij hier gegeten hebben mijnheer!quot;
„Hoe duivels durft iemand dat doen?quot; riep kapitein Boldwig uit, toen hij de op den grond verstrooide kruimels en beenderen zag., Zij zijn waarachtig hier aan het vreten geweest. \' - ik wenschte, dat ik die schurken hier had,quot; vervolgde hy, terwijl hij dreigend zijn stof ophief.
„Neem mij niet kwalijk, mijnheer!quot;zeide VVil-kins; „maar . . . .quot;
•• at maar; he? snauwde de kapitein. Hij volgde mer, zijne oogen den schroom val ligen blik \\ an \\\\ ilkins, en nu ontwaarde hij den kruiwagen en Pickwick.
„Wie zijt gij, schobbejak?quot; zeide de kapitein terwijl hij met zijn dikken stok Pickwick eenige stooten uisschen de ribben gat\'. „Hoe heet gij?quot;
Koude punch,quot; mompelde Pickwick, en sluimerde terstond weder in.
„Hoe?quot; vroeg kapitein Boldwig.
| Kr volgde geen antwoord.
„Hoe zeide hij, dat hij heette?quot; vroeg de kapitein.
I irr\'n\'quot;11\'1\'1\' ^1\'\'00^ ik, mijnheer!quot; antwoordde I Wdkins.
..Zoo onbeschaamd is de kerel nog! i) riep kapitein Boldwig in razende drift, „ilij houdt zich maar slapende. Het is een gemeene vent i die zich zich vol en zat. heeft gedronken. Krui hem^ weg, Wilkins 1 Krui hem weg, zeg ik!quot;
..Waai\' moet ik hem naar toe kruien, mijn- 1 heer?quot; vroeg Wilkins zeer bedeesd
„Naar den duivel,quot;antwoordde kapitein Boldwig. r |
„Zooals gij wilt mijnheer!quot; hernam Wilkins. Wacht!quot; riep de kapitein.
„Wilkins bleef stilstaan.
„Krui hem naar de schutskooi, 2) zeide de kapitein. „Wij zullen eens zien of hij nog zal zeggen, dat hij punch heet, als hij bij zijnezinnen komt. Hij zal rnij niet voor den gek houden. Krui hem weg!quot;
Wdgens dit barsche bevel werd Pickwick i terstond weggekruid, en kapitein Boldwig zette \\ meteen gezicht vol edele verontwaardiging zijne I wandeling voort. \'
1 hibeschrijfelyk was de verbazing der leden van het. jachtgezel.sghap, tomizij terugkwamen en zagen, dat l \'ic kwiek verdwenen was en de krui-wairen ook. Dat iemand, dm een stijf been had, was opgestaan en heen gegaan, was op zich zelf i erds vi eemd; maar dat hij bovendien uil p lei zier een zwaren kruiwagen had weggereden was
I) l\'imcli, in liet Kngelsrh Ih hctzetnlc ats hij cim Tan-kliiaswen of Hansworst. Vi-ki
^ is eon afgepaalde pielt, of i,\', nabii
ei\'quot; dorp, waunn liet vee, dat verdwaald is, ol\',,,, ongeoor.ordile plaats gevonden wordt, of ook voor srlml,] \'quot;\'«laK wordt genornen, door liet gereelit ol\'dcn landheer voorloopig wordt opgesloten, Vnu
|
118 SAMUEL P volkoni\' ti onb^urijpi.\'lijk. Zij zochten overal rond, riepen, tloten, hichten maar alles was ver-geelsch: Pickwick kwam niette voorschijn; en nadat /.ij c-n uui\'ftatlden verspild met vruchte loos zoeken, begrepen zij tot hun verdriet dat zij zonder hem naar huis zouden moeten gaan. Intusschen was Pickwick, die vast bleet doorslapen. op di1 n kruiwagen naar de schutskooi gereden, en daarin nedergezet, tot ontzaglijke blijdschap niet alleen van de jongens uit het dorp, maar ook van drie vierden der geheele bevolking, die /.ich oiu h6t staketsel verzameld haddei , om te zien, wat hij doen zou als hij wakker vvrd. Had het hun reeds een uitnemend grtioeLten verschaft hem te zieu voortkruien, nog tienmaal grooter werd lum genot, toen hij. nadat hij eenige malen ..sata! geroepen hadj overeind kwam, en mi\'l onheschrijtelljke vi-rba. zing om zich heen zag. Eenalgemeen gejuich was natuurlijk het toeken, dat hij wakker was geworden. „Waar ben ik?quot; riep f\'ickwick uit. „In de Bchutskooi,quot; schreeuwde het volk. „Hoo ben ik hier uekomen? Wut. heb ik gedaan ? Wie heeft tnij hier irebraehtVquot; ,Holdwiu:, kapitein Holdwig,quot; was het eenige antwoord. , I, iat mij uit\'.quot; riep l\'ickwick. ..Waar is mijn kneebf.\' Waar/i.:n iniiie vrienden\'.\'quot; jij,, hebben u In den steek gelaten. Hoezee! Eu daarop kwam er eeno raap. en vervolgens (i ii aardappel en een ei aanvliegen, met nog eenige andere kleine bewijzen van de vroolijke stemming der volksmenigte. Het is niet te bepalen hoelang dit tooneel geduurd of hoeveel Pickwick geleden zou heb-1 ben, indien er niet een rijtuig was komen aan-i\'Ü\'leri, waaruit de oude heer Ward Ie en ^am Weiler stapten. In veel minder tijd dan er noodig is om dit te schrijven, was de eerste door het volk heengedrongen en had hij Pickwick in het rijtuig geholpen, terwijl do laatste ■ eene b\'ikspartij met den hondenslager hield. „Lo\'ip naar den vrederechterl riepen eenige stemmen. ..la. löop maar\'.quot; zei de Sam Wellor, tervvij. bi.i op den buk s;,rnii^. ..Doe hem mijn compli ment ■ het c.iiuiplment van mijnheer Weiier en zeg hern, dat ik zijn hnndenslagèr heb kapo geslagen, en a,ls liij een nieuwen aanstelt, zal ik morgen weerkomen en hem ook kapotslaan. Hijd voort, koetsier ../oodra ik weder in Londen kom, zal ik dien kapitein Bold wig «-en proces aandoen.quot; zeide l\'ickwick, toen het rijtuig buiten het dorp was gekomen. ..Ik geloof dat wij op verboden grond waren,quot; Zeide Wardle, .,Dat is mij hetzelfde,quot; zeide Pickwick, „irc zal hem voor do rechtbank dagen! „(in zult het wel laten,quot; zeide Wardle |
(,\'KWICK. „[.k zal____quot; begon Pickwick; „maar toen hij Wardle zag glimlachen, bedacht hij zich en vroeg: „ Waarom ?quot; „Omdat,quot; zeide Wardle, uitschaterende, „omdat zij zouden kunnen zeggen, dat het gebeurde onze eigen schuld was, en dat wij te veel koude punch hadden gedronken.quot; Pickwick mocht willen of niet, hij moest glimlachen; deze glimlach veranderde weldra in een schaterlach, waaraan het geheelegezelschap deelnam. Zoo bereikten zij in eene vroolijke stemming eene herberg aan den weg, waar zij ophielden om eenige ververschingeii te gebruiken, waarvan Sam Wellei eeu rijkelijk aandeel bekwam. XX. WAARIN BKSCHREVEN WORDT, HOE BOl\'SOS KN FOCm HCNSE ZAKEN liEMAïfOELEN EN UÜK.VE KLEKKKN ZICH VERMAAKTEN; ALSOOK. WKI.K EEN AANDOENLIJK TOON EEli EH PLA.VrS HAD. TOEN WELLEK ZIJN LANG V KHUKTEN VADER WEDERVOND. In de benijde-U voorkamer van eenzwait berookt huis, aan het einde van Freeman\'s Court, zaten de vier klerken van laodson en Fogg, zaakwaarnemers bij de gerechtshoven van K i n g\'s Be n ch en Ooth m o n-P leas te W est-m i n s t e r en sidliciteuren bij hethoogi goreidits hof del- kanselarij. De klerken kregen dagelijks omtrent evenveel licht en zon te zien,als iemand redelijkerwijze zou kunnen verwachten,dieondi i: in een put was gezeten; zonder evenwel gele genheid te hebben om over dag de sterren te zien, hetgeif^ de man in den put zou kunnen doen. Het kantoor van de Heeren Dodson enh.gg was een donker, vunzig vertrek, door een hoog beschot, waarachter de klerken verborgen zaten, in tweeën verdeeld. Behalve dit beschot, zag men nog een paar oude stoelen, eene klok, die bijzonder hard tikte, een almanak, een paraplu standaard, een kapstok en eene open kast,op welker planken eenigebundels morsige papieren, eenige met etiquetten voorziene doozen en eem partij gebarsten inktflesschen geplaatst waren. Op vrijdagmorgen, na de in de vorige lioold stuk beschrevene gebeurtenis, klopt Piek wiek. door Sa m vergezeld, aan de glasdeur, waarmede dit vertrek in de gang uitkwam, „Binnen!quot; riep eene stern van achter het beschot; en Pickwick trad met Sam binnen. „Is mijnheer Dodson of mijnheer Fogg l* huis mijnheer?quot; vroeg Pickwick zeer beleefd, terwijl hij niet zijn hoed in de hand hot beschot naderde. |
BIJ DODSON P,,\\T FOdO.
llli
-
mond; hij stak en ging heen. Zn\'
Fogg zich om.
zicht, en haalde „Hier, Wicks!quot;
rijd spoedig naar den declaratie aanteekenen.
W(
hij
bij — hé\'.
Over dii klerken u
Ze
gezin en klein goede I s noodig,
te steken,quot; Kn Jijj
hij heenging, dat li ., 11 ij is een kna p man i i ten slotte. e)p den toon
de kif ik die tegen 1\'ickwick
toe 11. zij
Hij ziet er org schraal en mijnheer!quot; zeide Fogg zeer wel hoe zijne manier is. \'\' - „Ja, mijnheer,quot; zeide K unsay, terwijl liij zijne hand in\'zijn zak stak ; ► de schuld is twee pond tier sh ill i n gs, en de kosten zijn drie pond vijf\'. Daar is het\' geld, inijnhee-r!quot; en hij zuchte als een olifant, toen hij hquot;t geld neerlegde, dat hij in een papiertje uad gedaan, Fogg keek e^rst naar het -eld .\'-n
er!quot; fluister-is zonderling n.quot;
n kuchieeens, ■n achter het
beschot te na kkon, die, nu zij door wat te prate ij lum geest hadden ontspannen, zich vnrwaardig den om op den vn emdeling te letten.
-Mijnheer Dodson is uit, en mynheer Fogg is i aan iets bezig, waar hij niet af kan,quot; antwoordde do stem, terwijl tegelükertyd het hoofd van den spieker, met eene pen achter het oor, over het beschot kwam kijken. Dit hoofd was met roode haren versierd, dio met pomade waren gladgestreken, enaan weerszoden meteenestijve krui tegen een plat gezicht aansloten, waaiiii een paar kleine oogen glinsterden. Verder vertoonde zich niets boven het beschot, clan een zeer vuil boortje en een oude zwarte stropdas.
„Wanneer zou mijnheer Dodson terug wezen, mijnheer?quot; vroeg Pickwick.
,,Ik weet het niet.quot;
„Zou mijnheer Fogg spoedig tyd hebben om mij te spreken, mijnheer?quot;
„Ik weet het niet.quot;
Daarop begon de klerk zeer bedaard zijne pen te vermaken, terwijl ee| ander, die onder de klep van zijn lessenaar een Si\'idlltz poeder mengde, goedkeun nd lachte.
„Ik zal dan maar wat vvachteri;.\'\'zeidePickwick. Kr volgde geen antwoord; hij zgt;\'ttezich derhalve op een stoel, zonder te wachten tot die h\'in werd aangebodmi, en Inisfcrde naar het tikken der klok en het fluisterend yesprekdrr klerken.
„Dat was om zich dood te lachen, niet waar?quot; zeide een van de heeriai, die een bruinen rok met koperen knoopen aanhad, aan hot slot van een verhaal /ijm r avonturen van den vorigen avond.
„Komiek,quot; zeide do ander.
-,\' om (\'iimlins was voorzitter,\'\' hernam de elt;\'ist, . Het was halfvijf toen ik naar Imis uing. en ik was zoo stlt; vig bezopen, dat ikhetsleü telg.it niet vinden kon, en de oude vrouw moesi opkloppen. Het zon mij benieuwen, wat l\'ogg 4en zou, als liij dat wist. Ik geloof, dat ion zak zou geven, nut. de banden er
snaaksche lachen.
„Jongens: daar heb ik van morgen zoo\'n grap ge/.ien van l\'Vigg, \'zeide de man metdenbrninen rok, .terwijl Jack naar boven was, en gij mot u beiden naar het zegel kantoor waart. Fogg zat hier bri-ven na te zien, toen die vent van (\'amberwell binnenkwam hoe heet hij ook weer ?quot;
., Ra.msay,quot; zeide had gesproken.
Juist, Ramsay!
hongerig uit. oo,
barsch gij weet „Komt nij betalen\'
gezegden begonnen al d»
toen naar hem, en bc^on te kuchen, waaruit ik wel begreep, dat het zoo vlot niet gaan zou. „üij zult wel weten, dat er eene declaratie is ingediend, die tie kosten zeer verhoogd ?quot; zeide l\'ogg, „Dat meent gij toch niet. mijn heer!quot; zeide Ramsay verschrikt, „Het uitstel was gisteravond pas om,quot; „Zeker meen ik het, inynheerlquot; zeide Fogg, „Mijn klerk igt; er iuist mede heengegaan. Wicks! is Jackson niet al uit, om die declaratie in de zaak van Hallman contra Ramsay in te dienen?quot; Ik zeide natuurlijk ja) en toen knikte Fogg weder, en zag Ramsay aan — ..Goede God!\' zeide Ramsav : „hoeveel angst heeft hot mij gekost om dat geld bijeen te schrapen, en dat helpt nu nog niet!quot; -„In het geheel niet,quot; zeide Fogg bedaard, „Ik zou u raden om naar huis te gaan, en nog wat meer bijeen te schrapen, en het dan bijtijds hier te brengen, „Wiuirachtiir, ik kan niets meer krijgen, zeide Ramsay, terwijl hij met zijne hand op den lessenaar sloeg „Wees niet brutaal, mijnheer! zeide Fogg,die met voordacht kwaad werd, „Ik ben niet brutaal, mijnhee r!quot; zeide Ramsay, „Dat zijt gij wel, mijnheer Iquot; zeide Iogg, „Vertrek, mijnheer! Sctieer u uit mijn kantoor, mijnheer! en kom terug als gij ii tat-soi1 nIi j k weet te gedrauun.quot; liamsay wilde nog wel spi eken, maar Fogg stopte hem telkens den vhis het geld weder in zijn zak, idra dodeur gesloten was, keerde net een blijden lach op zijn ge de declaratie uit zijn rokzak, zeide hij; „neem eene cabriolet, ■ ■ m pl e, i;11 iaat deze et ueld is,ser.uür; want
hij is een oppassend man met een groot huis houden en een inkomen van vijl en twintig shillings in de week; en als wij eens volmacht tegen hem hebben, dat eindelijk wel gebeuren zal, zullen zijne pafroons wel zorgen, dat wij betaald worden, \\\\ ij moet en daarom alles van hem ha len, wat wij kunnen ; en hot is een Chris-cht. mijnheer Wicks! want, met zijn groot inkomen heeft hij wel \' ene om zich niet in schulden lacht\' zimi vriendelijk toen t een I ast was hem te zien. zijn vak.quot; zeide Wicks der hoousto bewind\'
ring; „een razend knap man!quot;
De drie and( ren gaf.èn volmondiir hunn stemming tot deze verklaring en zeiden, i het u\'e\\al zeer mappig \\\'onfien.
„Dat zijn aardigt1 jongelui, mi do Sa.m zijn meester toe, ..en lie waar zij al eene grap van make 1\'ickwick knikte toestemmend■ ten einde di aanelacht der In-\' r
SAMUEL PICKWICK.
12\'»
|
„Misschien zal Fogg nu wel tijd hebben,quot;zeide Wicks. „ Ik zal het eens gaan zien,quot; zeide Jackson, terwijl hij zeer langzaam van zijn kantoorstoel klom. „Wie moet ik zeggen dat er is.\'quot; ..Pickwick,quot; antwoordde de beroemde held dezer geschiedenis. Jackson ging zijne boodschap doen, en kwam terstond terug met het antwoord, dat mijnheer Fogg mijnheel\' Pickwick aanstonds zou spreken. Daarop zette hij zich weder voor zijn lessenaar. „Hoe zeide hij, dat hij heette?quot; fluisterde Wicks. ,,Piek wiek,quot; antwoordde Jackson. „Het is de gedaagde in de zaak van Bardell.quot; Daarop hoorde men achter het beschot een gescharrel van voeten, meteen bedwongen ge lach vermengd „Zij nemen u in het ootje, mijnheer! tluis-terde Satn. „In het ootje \'.\'quot;hernam Pickwick... Wat meent gij, Sam.quot; Wgt; Her antwoon.de door met zijn duim over zijn schouder Ie wijzen; en toen Pickwick opzag, had hi.i het genoegen van te bemerken, dat de vier klerken, met spottende gezichten, hunne hoofden boven het beschot uitstaken, en den vermeenden roover van vrouwenharten en vrouwe-lükezielsrust nieuwsgierig begluurden. Zoodrahij opzag, dook de rij hoofden op eens naar beneden, en terstond daarop hoorde men het krassen van pennen, \'de als razend over het papier snelden. Het klinken der schel, die in het kantoor hing gaf Jackson een teeken om naar het vertrek van Fogg te gaan, vanwaar hij terugkwam om Piek-wi\'-k te zeggen, dat Fogg hem verwachtte, Piek wiek liet der halve sa m beneden,ging naar boven, en werd in eene achterkamer gelaten, waar Fogg i hem zou te woord staan. ..Is mijnheer Dodson al te huis?\' vroeg fogg. „Juist gekomen, mijnheer!quot; antwoordde Jackson. „Verzoek hem dan om hier te komen. „Goed, mijnheer!quot; En Jackson verwijderde zich. „(ia zitten, mijnheer!quot; zeide Fogg; „en hier is de courant. Mijn compagnon zal aanstonds hier komen; dan kunnen wij over de zaak spreken, mijnheer!quot; Pickwick zette zich neder en nam de courant aan; maar in plaats van te lezen, keek hij over het blad heen, om liet voorkomen van den rechtsgeleerde eens op te nemen. Deze was een oud ach tig man, met eon puistig gezicht, een zwarten rok en grijze broek; een wezen, dat omtrent evenveel nadenken en gevoel scheen te hebben, al s de lessenaar, waai aan hij zat te schrijven. N\'a een stilzwijgen van eenige minuten, trad Dodson binnen, eenzwaarlijvig defsig man met een barsch gezicht en eene zeer grove stern, , en nu begon het g\' sprek. |
„Dit is mijnheer Pickwick.quot; zeide Fogg. .Ah zoo! (lij zijt de gedaagde, mijnheer, in de zaak van Piardell?quot; zeide Dodson. „Ja, mijnheer!quot; antwoordde Piek wiek. „Zoo, mijnhe r!quot; hernam Dodson; „en welk voorstel komt gij doen?quot; „Juist,quot; zeide FOgg, terwijl hij zijne handen in zijne zakken stak, en zich achter in zijn stoel \'wierp; ..welk voorstel komt gij doen, mijnheer?quot; „stil, Fogg!quot; zeide Dodson; „laat mij hoo-ren, wat mijnheer Pickwick te zegen heeft.\' „Ik ben hier gekomen, mijne heeren!quot; antwoordde Pickwick, terwijl hij de compagnons zeer bedaard aanstaarde, „om n mijne verwondering te kennen te geven over den brief, dien ik onlangs van u ontvangen heb, en te vragen, welke gronden gij hebben kunt om mij een proces aan te doen.quot; „Ciron . . . .quot; zoover was Fogg pas met zijn uitroep gekomen, toen Dodson hem tot zwijgen bracht. ..Mijnheer Fogg!quot; zeide Dodson, „ik wilde juist spreken.quot; „Neem het mij niet kwalijk, mijnheer Dodson !quot; zeide Fogg. „Wat de gronden van hel: proces aanbelangt, mijnheer,quot; zeide Dodson op den statigen toon van een zedenpreker, „zult gij uw eigen geweten moeten doorzoeken. Wij mijnheer, lichten ons naar niets, dan naar de verklaring van onze cliënte. Die verklaring, mijnheer, kan waar zijn, of ook onwaar; zij kan geloofelijk zijn of ook on.geloofelijk; maar als zij waar en ge-loollijk is, dan aarzel ik geenszins te zeggen, mijnheer, dat de gronden, waarop wij het pro-t-eA beginnen, vast en sterk, ja onwankelbaar zijn. lt;iij kunt een ongelukkig man wezen, of ook een boos en gevaarlijk man; maar indien ik als lid van de jury onder eede verplicht was uitspraak te doen over uw gedrag, aarzel ik niet te verklaren, mijnheer, dat ik slechts eene uitspraak\' zou doen.quot; li.er rekte Dodson zich uit, en zag met een blik van deugdzame verontwaardiging eerst Pickwick en vervolgens Fogg aan, die zijne handen nog dieper in zijne zakken stak, zeer diepzinnig knikte enzeide: ., lie wis !quot; „Mijnheer!quot; zeide Pickwick, wiens gelaat eens zeer treurige en verdrietige uitdrukking aannam: „gij zult mij toch wel willen gelooven, als ik u verzeker, dat ik in dit geval een zeer ongelukkig man ben.quot; „Ik wil het hopen, tnijnlieerlquot; hernam Dodson. „Ik wil het zflfs wel gelooven. Indien gij inderdaad onschuldig zijt aan hetgene u wordt, ten laste gelegd, zijt gij waarlijk ongelukkiger, dan ik ooit gedacht had, dat iemand wezen kon. Wat zegt \'jij. mijnheer Fogg?quot; „Ik zeg juist hetzelfde, wat gij zegt,quot; antwoordde Fogg. meteen ongeloovlgen glimlach. |
ZEDELIJK (EN WETTELIJK» STAXDPUNT,
|
„De dagvaarding, waarmede het proces moest geopend worden,quot; zeide Dodson, „is behoorlijk aangeteekend. Mijnheer Eoggl waar is het praecipe boek?quot; „Hier,quot; zeide Fogg, terwijl hij een vierkant boek niet perkamenten band overgaf. „Hier staat het,quot; hernam Dodson. ..Mejuffrouw Martha Smithson, weduwe van den Heere Salomon Bardell, Eischeresse in zake van trouwbelofte, contra den Heer Samuel Pickwick, Gedaagde in genoemde zaak. Schadevergoeding |
..Zeker, mynheer! Kn ik kan u zeugen, mynheer, dat, indien onze cliënte onzen raad had gevolgd, de eisch driemaal hooger zou zijn ge-wor.st antwoordde Dodson. .. [k geloof,\' zeide Fogg, Dodson aanziende, „dat mejuffrouw Bardell uitdrukkelijk heeft gezegd, dat zij geen penning minder zou willen aannemen.quot; ..Dat is ook zoo,quot; zeide Dodson ernstig; want daar het proces pas begonnen was, zou het niet voordeelig zijn geweest om Pickwick, al had |
■i um. 2!S Aug. 1827. Alles in orde, mijn- deze daartoe gezindheid betoond, nu reod.s tot
quot;ee\'\': . een vergelijk te laten komen.
■ Ik moet dus begrijpen,quot; zeide Pickwick, , „Daar gij geene voorslagen doet, mijnheer!quot;
„dat het werkelijk uw voornemen is om dit pro- ! zeide Dodson terwijl hy in zijne rechterhand
1 es voort te zetten .\' j oene- strook perkament liet zien, en met de
..begrypen mynheerzcidi* Dodson, met linkerhand Pickwick een papier voorlegde, „zal
f-\' U gezicht, dat zoo naby een glimlach kwam, ik u er-me kopie van deze dagvaardiniTdiénen
als zijne deftigheid veroorloofde. „Wel, mijn- f. geven, mijnheer! Hier is hetoiTaneel, mijn-
neer, dat is dunkt my, nogal begrijpelijk.quot; heer!quot;
■•Kn dat er inderdaad vijftienhonderd pond „Zeer goed, mijnheer, zeer goed,quot; zeidri Piek-
•^liadevergoeding wordt: geëischt?quot; hernam wiek, terwijl hij vol gramschap opstond. ..Gy
quot; zult van mijn solliciteur hoeren, mijne heeren !quot;
SAMUEL PICKWICK.
|
„Dat zal ons zeer ve«l genoegen doen,quot; zeide Kosi-jr, in zijne handen wrijvende. „Zeer veel genoegen,quot; herhaalde Dodsitn, ter-wijl hij de deur opende. i ■ , ■ , . i;n voor dat ik heenga,quot; zeide l\'ickwick, zich in het portaal oinkeerencle, ..moet ik uzeggen, dat, van al de schandelijke, schurkachtige procéssen...... ..W\'iclu, mijnh» -\'rl con oogtinbliki»-11 viol Dudson hom uiterst belelt; f(l in (]«■ rede ...larks\' \'iileks! .. Mijnheer r zeiden de twe«\' klerken, ondei inn de trap te voorschijn komende. ,lk roep u slechts om te hooren, wat die he.\' r zegt.quot; hernüin Dodson. Eilieve, mijnheer: .M voort. Schandelijke schurkachtige processen, ze id et gij, .ils ik wel heb.quot; ..Dat zei le ik,quot; hernam Pickwick in blaken-den toom; „en ik 7.1-j nou: \'-ens, dat van al de .schurkachtig\' processen, die onit: begonnen wenleii, dit het sclumdelijkste is. „Cij hoort liet wel, Wicks?quot; zeide Dodson. „(üj zult die uitdrukkingen niet vergeten, .Tack.son?quot; zeide Poirg. Mis- , hieii zmidt gij wel lust hebb( n om ons zwendelaars te noemen, mijnheerzeide Dod-gt;-,n. J\'t uw Lraiv^-m:iar, mijnheer: Als gijdaar ])]■ izier in hebt bedundi gij u volstrekt niette geiieeren.quot; .......... „Dat zijt -ii ook, zeido l\'ickwick. ..\'\'il zijt een paar zwendelaars.quot; ..Zeer wel,quot; /.elde Dndson, ,Gij kunttoch wel goed hooren, dji ir beneden\'.\' „Ja wel, mijnheer!quot; antwoordde Wicks. „Kom anders liever een paar trappen hoo-/ ■].}.\' i-\'.. ,.iii uw gang maar,mynheer: Wilt gij uns ni.-t voor dieven en af- z.eüi\'i-.s uitscheldGn ? Of misschien hebt gij lust om mis gew\'dddadii.\' aan te tasten? In dat geval liehoeft Li-ij ii niet te «enteren, mijnheer: \\Vij zullen geen leu nii 11 - \'en teuenstaud hie den. I ia uw ganv: maar, mijnheel\'. p. 1-!» in iclit Pickwick in eene-i-oote verzoe-kinir, door zich binnen het bereik zijner ^eslo ten vuist te plaatsen, en • r val\' weinl\'-\'aaivt-P twijfelen of deze heer zon tersrond aan de\'Irin-gende uitnooüging van den-sojliciteur vi.ddaan hebben, indien Sam, die op het leioren van den twist w is toegeselvoten, hem niet bij den arm had ue^répen. „ l-!quot;U nppari ijt ie is wel eeiie aa rdige uitspa \' 1. uimr, m 1 ir niet\' me\' recht-geh erd«n; want die si.Hlen altiid valsch. \' ia met mij mee, mijnheer-! Ais u-ij lust li ebt om iemand uit te schelden, kom dan op straat en scheld mij uit. Hier zou die Hei jiebleTij wat te duur uitkomen.quot; Pi\' zegende trok Wellerzondercomplimen ten /ijn meevier de \'i ip af, de deitf uit c-n oeu eind w\' * de straat op. 1 oi-n lied hü hem lquot;s. en hield /ich ^eieed om lu\'in te vi.dgen, waar |
hij zou heomraan, Pickwick stapte stilzwijgend voort, M an si 0 u-House voorbij, en sloeg j c heaps ide in. Sam begon zich reeds Ie verwonderen. waar zij zouden heengaan, toen zijn 1 meester zich omkeerde en zeide: .Sam: ik ga 1 terstond naar mijnheer Perker.quot; „Dat is juist de man, dien gij gisteravond had moeten gaan spreken,quot; zeide Sam. „Dat geloof ik nu ook,quot; hernam Pickwick. „Maar ik heb mij wat warm gemaakt, en zou eerst wel wat willen drinken „Weet gU ook, waar ik iets zou kunnen krijgen, Sam?quot; W.-ller\'s kennis van Londen was zeer uit-gebreid en eigenaardig. Zonder zich een oogen ! blik te denken, antwoordde hij: „In de tweede ste-4 aan de rechterhand op een na het laatste huis. Neem de tafel dichtst bij den haard, want die heeft geen poot in het midden, zooals al de andere, en dat is zeer ongemakkelijk. l\'ickwick volgde den raad van zijn knecht en trad, nadat hij Sam een wenk had gegevep ui» mede te traan\', de aangewezen herberg binnen, waar hern, op zijn bevel, spoedig een glas eo^na--^roi? werd voorgezet terwijl Sam, die op een eerbiedigen afstand, maar toch aan dezelfde tafel al-- zijn meester, was gaan zitten, eene kan porter bekwam. Hei vertrek had een zeer eenvoudig voorkomen. en .-eheon hootdzakelijk door koetsieis eii voerlieden te worden bezocht, want verscheidene heeren die blijkbaar allen dit edele be-roep uitoefenden, zaten hier en daar te rook on en te drinken. Onder hun getal trok ec-11 zwaar-üjvig b- jaard man met een rood gezicht, die : aan den overkant alleen aan een tafeltji zal, inzonderheid do aandacht van Pickwick. Deze man zat met zeer veel smaak ie rooken; maar telkens, wanneer hij eeiii-^e trekken had geda.aii n:vm hij zijne pijp uit den nmnd, en zatf i-erst Sum ea YBrvolL^efts l^ickwick zeei oplcttond aan; dan verborg hij weder in eene bierkan zoovee! van zijn gezicht ais de kan verbergen kon, e 11 begon daarna weder bij afwisseling te rooken en de vreemdelingen aan te kijken. Eindelik b-gde hij zijne b^-nen op een stoel, en raokte sraehtig en zonder opbonden door, ter-Wi;| hij. d-ior de r-iekwolk heen, de nieuw aan-gekomeneH strak bleef aanstafftn. De eerste bewegingen van den zwaarlijvigen 11 iii waren Weller s :imd-e ht ontsnaptj maai loen hij bemerkte, dar l\'ickwick zijne quot;-..gen telkens naar denzolfden kant weidde, begon hij o\'..k naar dien kant to kijken en hield daarbij zijne hinid boven zijne oogen, alsof hij den dikken rooker eeni-s/,ins herkende, en zich wildt ver/.ekereii. dat bij het wel had. Zijne twijfeling werd e.diter spoe lig opgelost, want nadat de zwa irlijvige man eene dikke rookwolk had uitgi-iblazen sprak hij mei eene schorre stem /.eer laimzaam deze woorden uit: „Wel zoo, . gt;amp;e:quot; |
DE O [.\'DE V\\rEf,LKR \'rREEDT OP.
128
|
„quot;W\'ie is dat, Sam?quot; vroeg Pickwick- quot;Had ik dat ooit gedacht, mijnheer!quot; zeide Sam, terwijl hij een paar verbaasde oogen opsloeg. , Het is de oude.quot; „De oude?quot; herhaalde Pickwick. „Welke oude?quot; ...Mijn vader, mijnheer!quot; antwoordde Wel Ier. „Iloe gaat het. ouwetje?quot; Kn met deze tref-tende uitbarsting van ouderliefde, maakte Wel-Ier op zijne bank plaats voor den zvvaarlijvigen man, die met de pijp in den mond en de kan in de hand naderde, om hern te begroeten. „Welzoo, kampje!quot; zoide de. vader, „Ik heb u in geen twee jaren gezien.quot; „Ik u ook niet, oude paai!quot; hernam de zoon, „Hoe vaart mijne stiefmoeder?quot; „Ja, wat zal ik u zeggen,Satnpji-,!quot;antwpordde de oude Weller, op een zeer plechtigen toon. Ei kon geen liever vrouw wezen dan mijne tweede, toen zij nog eene weduwe was; en al | wat ik nu van haar zeggen kan, Bampje, is alleen dit. dat het doodjammer ia, dat zu|k eene aardige weduwe niet alleen is gebleven. Voor eene vrouw deugt zij niet, Sampje!quot; ..Niet?quot; N\'roeu\' Sam. De oude quot;WeIIer\') schudde het lioofd en antwoordde met een zucht: ..Ik had het bij ■-.•.-i keer moeten laten, Sampje! ik had het bij een keer moeten laten. Spiegel u aan uw vader, jongen! en wees zoolang gij leeft voorzichtig met weduwen, vooral als zij eene herberg hebben geh du den.quot; Nadat de oude Weller dezen I vaderlijken raad op een zeer aandoenliiken toen had uitgesproken, stopte hij eene versche pijp. en uing weder dapper Man het rook en. ...Neem mij niet kwalijk, manheer!quot;zeide hij na eene geruime pdosstilzwijgenshet ondefwerp wéder opvattende, tot Pickwick. „Past niet op 1 u, hoop ik, mijnheer? Ik hoop niet, datgij eem-weduwe hebt genomen,quot; ■ Neen, toch niet,quot; .........rdde Pickwick lachende; en terwijl hij lachte, fluisterde Smn zijn vader in, in welke betrekking hij tot dien heer stond. ...Neem mij niet, kwalijk, mynheer!quot; zeide de oude Weller. terwijl hij zijn hoed afnam ..ik hoop. dat gij niet; over Sami.je klagen hebt ?quot; „Volstrekt niet,quot; zeide Pickwick. -Daar ben ik blij om, mijnheer!quot; hernam do oude man. ..Ik le b veel gedaan om hem eene goede opvoeding te geven. Toen hij nog een 1 I ii ppii artikel v ei 111• I ■ m tii\'.quot;il\' v If \\ irw. Nov. \' s- i ■^el i rij ft. Mevrouw Lynn l.inton: Öê ondp WpIIpi- IhtIi «erki-lijk lipsinan. wij licübi\'ii hpin Ki\'kcml. Het wasdeondquot; ..l\'.quot;1...... . \'ü\'1 n!gt;lt;\'\'lagen tlissi-lifii l.oiulcn en IloolieaU\'i-ile ilil li,-.-m-e reed. Toch is wa irst-liijiilij llt; de lt; inde Weller niet zoozeer het portret van C-ên man. als de type van vole. JJeor dim een Pelioolineesti-r uit V..rksliir.-quot; maakte ann-spraak op d, «er van liet origineel te zijn van s, neers. f lioolineester in Nirklel.v. .r. i:. |
kleine jongen was, heb ik hem al op straat laten loopen en zijn eigen fortuin la.ten zoeken. Er is niets beter om (e maken, dat een jongen bij de li and wordt.quot; „Die methode is toch eenigszins gevaarlijk, zou ik meenen,quot; zeide Pickwick glimlachend. „En gelukt niet eens altijd,quot; voegde Sam er bij. ..Men heeft mij laatst nog deerlijk bij den neus gehad.;\' „Hoe kwam dat?quot; vroeg de vader. Tot antwoord verhaalde de zoon in weinige woorden, hoe hij zich door de kunstgrepen van .leremias Trotter had laten foppen. De oude Weller scheen met de grootste aandacht naar dit verhaal te luisteren, en toen het geëindigd was, zeide hij;.. Was eigt;n van die kerels niet lang en dun, met lang haar en eene tong in zijn mond, die ieder oogenblik op hol ging?quot; „Ja.quot; antwoordde Pickwick. „De ander is een vent met zwarte haren en een grooten kop, on draagt oén roodachtige livrei?quot; ..Ja, ja. dat is hij!quot; riepen Pick wiek en sam beiden tegelijk. „Dan weet ik, waar zij te vinden zijn,quot; hernam de oude- Weller. ..Zij zitten allebei -ernst te I |is\\vic h.quot; ,.Te I p s wic h?quot;riepPickwick vi nvönderduit. „Zeker waar,quot; hernam de oude Weller; ,,en ik zal u zeggen hoe Ik hot weet. Tusscliertbeide rijd ik wel e\'iis op de diligence naar 1 p s w ich, en dal gebeurde juist, daaes naden nacht, toen gij die koude hebt gevat, en te O.h el m s fo rd dat is juist, de plaats, waar zij op de diligenco moesten wachten n .m ik hen in, en zij reden rnee tot Ipswich toe, en de knecht - die met dat roode pak vert -kle ini,j, dat, zij daar eene peins blijven zouden.quot; ..Ik zal hem vólgen,quot; zeide Piek wiek. „Ik wil Ipswich ook wel eens bezichtigen.quot; ../.ijl gij wel zeker, oude, dat, zij het waren?quot; vroeg Sam. „Ja wel, Sampje!quot; was het antwoord. „Zij : zien er allebei zoo raar uit, en het verwond.-rde mij toen al, dat die heer zoo familiaar met zijn knecht was; en wat meer is. daar zij beiden (iji de voorste bank zaten, kmi ik hooren hoe zij larhlen, omdat zij, zooals zij\'zeiden, den ouden brilleman zoo hadden beet gehad.quot; „Wien zeiden zij?quot; vroeg Pickwick, „Den ouden brilleman, inijnle ■ r! En ik geloof dat zi u da armee meenden.quot; Poen de oude Weller begon li spreken, was al het leed. da.t.linglo hem bi-rokkend had, Pickwick voor den gei-lt;at. gekomen,er was no.; slechts noodig om do schaal tedoenover-dat „oude brillemanquot; wa - da nine een veert slaan, en Vpldoetidr „Ik zal hij ine „Ovf mijnheer!quot; zeide de oude hem volgen,quot; z.-ide Piek wick, terwijl zijn vuist op de tafel sloeg. ■gen rijd ik weer naar Ipswich, Weller. ..van de S t i e r |
SAMUKL PICKWICK
|
in quot;Whitecliapoil; en als gij inderdaad voornemens zijt naar Ipswich te gaan, zou het | beste wezen, dat gu met mij medereedt.quot; j „Dat is waar,quot;\' hernam Pickwick. „Ik zou naar Bury kunnen schrijven, dat zij mij te I Ipswich konden vinden. Wij rijden mede. Maar haast u zoo niet, mijnheer Weller! Wilt \' gij niet eerst wat gebruiken?quot; „Al te goed. mijnheer 1quot; zeide de oude \\V eller, | die nu bleef staan. „Een glaasje brandewijn zou | misschien niet kwaad wezen, om uwe gezond-: beid en het welzijn van -Sainpje t«.\' drinken. \' „Zeker niethernam Pickwick. „Öeef eens | een glas brandewijn.lquot; 1).- brandewijn werd gebracht, en na Pickwick i en sam te hebben toegeknikt, goot Weller den inhqüd van het gla- in eens in zijn wijd | keelgat. „Knap gedaan, vader!quot; zeide Sam. „Maar pas op, oude paai! of gij zult weder last van het pootje krijgen.quot; „Ik heb een radicale remedie daartegen gevonden. Sampjelquot; hervatte de oude Weller, terwijl hij het glas op de tafel zette. „Ken gencesiniddel tegen het podagra zeide Pickwick, en haalde zijn notitieboekje voor den da.\'. „Wat is dat\'.\'quot; „Het pootje, mimh er!quot; antwoordde Weller, „is e. tie kwaal, die van al te Veel pleizier en gemak komt. AIs gij O\'dt le t pootjo krijgt, mijn- j heer, trouw dan maar met eene w-duwe. die een tri-sehe schelle stem heett en ze ^oed weet te gebruiken; dan krijgt gij het nooitweer. Dat i middel k m nooit missen, rtiijnheerl ik gebruik het nu alle dagen, en ik kan u verzekeren dat het helpt ti _\'en alle kwaien, die van te veel plei-zi\'-r kome-n.quot; Na dit onwaardeerbare geheim te hebben geopenbaard, dronk de oude Weller zijn glas nog eens ledig, slaakte een diepe zucht, maakte eene kunstige buigingen ging langzaam naar buiten. „Wei. gt;im! wat denkt gij van hetgeen uw vader daar zegt?quot; vroeg Pickwick glimlachend. „Ik denk, mijnheer,quot;zeide Sam.,dat het een slachtoffer van het huwelijk is gelyk de kapelaan van Blauwbaard zeide, toen die goede man begraven werd.quot; Tegen deze gegronde uitspraak was ui\' \'s in I te brengen; en derhalve begaf Pie,kwiek, nadat bij de verteritiiir betaald had, zich verderop we/ naar Uray\'s lnn. Het was reds acht uur g\'-slaaen. toen hij dezen stangen tempel der rechtsgeleerdheid bereikte, en de onafgebroken stroom van heereii mot beslijkt- -ehoenen, oude witte hoeden en kale zwarte rokken, die uit de verseliiilende uitgangen te voors\' hijn kwam, deed hem vreezen, dat hij de meeste kantoren reeds sloten zou vinden. Toen hij een paar steile morsige trappen was opgeklommen, werd zijne vrees bewaarheid. De buitendeur van den heer IVrker was gesloten, en de diepe stilte. |
welke daarachter bleef heerschen, nadat Sam verscheidene malen daartegen had geschopt, bewees duidelijk, dat de klerken reeds vertrokken waren. „Dat is nu al zeer pleizierig, Sam!quot; zeide Pickwick. „Ik weet vooruit, dat ik van nacht j geen oog zal kunnen toedoen, als ik de gerustheid ; niet heb, dat ik een man van het vak heb geraadpleegd.quot; „Daar komt eene oude vrouw naar beven, mijnheerquot; zeide Sam. „Vrouwtje! waar zijn de klerken van mijnheer Perker.quot; „Naar huis,quot; zeide een magere, armoedige, ■ oude vrouw, die boven aan de trap eerst eene poos bleef stilstaan om adem te scheppen. „Naar huis; en ik kom het kantoor schoonmaken, j „Zijt :4i de meid van mijnheer Perker?quot; vroeg Pickwick. „Ik ben zijne schoonmaakster,\'-was het antwoord. _ , i „Het is zonderling, Sam!quot; zeide Pickwick half fluisterend, „dat zij in deze I n n s die oude vrouwen schoonmaaksters noemen. ^ at zou de reden daarvan wezen?quot; „Misschien omdat zij zulk een geweldigen hekel hebben om iets schoon te maken, antwoordde Sam. „Dat kan wel waar zijn,quot; hernam Pickwick terwijl hij de oude vrouw aanzag, wier voorkomen, zoowel als dat van het kantoor, dat zij intus-schen had opengesloten, een ingewortelden al-keer van zeep en water kenteekenden. „Weet e-ij ook waar ik mijnheer Perker vinden kan, v vouwtje ?quot; Wel neon,quot; antwoordde do oude vrouw knor-lig. „Hij is immers uit de stad.quot; „Dar i.s ongelukkig,quot; zeide Pickwick. „Waar is zijn oudste klerk — weet gij dat ook!quot; „Ja wel, maar ik mag het niet zeggen,quot; ant-woordde de schoonmaakster, ,,Ik heb dringende zaken met hem to verhandelen,quot; zeide Pickwick. „Kunt gij niet tot morgen wachten?quot; vroeg do vrouw. „Niet goed,quot; antwoordde Pickwick. ., W elnu!quot; zeide de oude vrouw; „als er iets kwam, dat haast had, moest ik zeggen, waar hij was, en ik zal hot dus maar zeggen. Ga maar naar de E k st er, en vraag naar mijnheer Lowten,dan zullen /.ij u wel bij hem brengen. Hij is de klerk van mijnheer Perker.quot; Na no/ onderzocht te hebben, in welke straat-de bedoelde herberg te vinden was, klommen I \'ic kwiek en Sam voorzichtig de! steile trap weder af, en namen de reis naar de Ekster aan. Deze tempel, aan de nachtelijke feesten van den heel- Lowten en zijne metgezellen gewijd, was eiirenli.jk niets anders dan eene gewone kroeg. Boven de deur hing een bord waarop eene zwarte vlek te zien was, die eene ekster moest voorstellen, en voor de vensterruiten zag men eenige |
IN DE EKSTER.
125
|
biljetten met de prijzen van vorschillon le dranken. en een bericht aan het publiek, dat er in de kelders van het etablissement een voorraad van 500,000 vaten bier aanwezig was, hetgeen den voorbuganger natuurlijk nieuwsgierig moest maken naar do richting, in welke deze ontzag lijke gewelven in de ingewanden deraarde voortliepen. Toen Pickwick binnentrad, kwam er terstond eene bejaarde vrouw van achter een scherm te voorschijn, en plaatste zich achter de toonbank. „Is mijnheer Lowton hier, juffrouw?quot; vroeg Pickwick. „Ja wel, mijnheer!quot; antwoordde de waardin. - „Charles, breng mijnheer eens bij mijnheer Lowten.quot; „Hij kan nu niet komen,quot; zeide een jongen met rood haar. „Mijnheer Lowten is juist aan het zingen, en het zou hem van de wijs helpen. Hij heeft meteen gedaan, mijnheer!quot; Nauwelijks had de jongen dit gezegd, of een verdoovend geweld, dooreen vastgetrommel op de tafels en het klinken van glazen voorgebracht, kondigde aan, dat het gezang ten einde was; en Pickwick werd naar binnen bij my n heet Lowten gebracht. Het bericht „daar is een heer om u te spre ken. mijnheer!quot; deed oen jonkman met ren bol opgeblazen gezicht, die aan het boveneinde dn-lalel zat, met eenige verwondering omzien, en zijne verwondering werd niet geringer, toen hij Iemand voor zich zag staan, dien hij volstrekt niet kende, „Ik verzoek u verschooniug, mijnheer!quot; zeide Pickwick. . Het spijt mij, dat ik u en de andere heeren moet storen; maar ik heb iets !.• zoggen, dat haast heeft; en gij zult mij zeer verplichten, als gij mij daar aan het eind der kamer een oogenblik wilt aanbooren,quot; Üe jonkman stond op, ging metPickvvick naar een donkeren hoek van het vertrek, en luisterde oplettend naar zijn jammerlijk verhaal, „Ah ! \' zeide hij, toen Pickwick had uitgesproken. „Dodson en Fogg slimme vogels knappe lieden, mijnheer!quot; Pickwick gaf te kennen, dat hij ook reeds be-speuid had, dat Dodson én Fogg slimme vogels waren, en Lowten vervolgde; .Perker is uit, do stad en komt mot voor het einde der volgende week terug. Laat mij echter de papii-ren maar hier, dan kan ik tot zoolang alles doen wat noodig is.quot; „Daarvoor ben ik .juist hier gekomen,quot; hernam Pickwick, en gaf hem tegelijk het document over. „A\'s er iets bijzonders voorvalt, kunt gij aan hot postkantoor te Ipswich aan mij schrijven,quot; ••Het is in orde,quot; hernam de klerk, entoen hij zag, dat Pickwick nieuwsgierig naar de tafel keek, vervolgde hij: „H-bt gij lust. om ons een |
f uurtje gezelschap te houden ? Wij hebben van avond juist eenige vroolijke gasten; allemaal klerken, evenals ik (ii.j zijt van buiten de stad gekomen, denk ik? Blijf wat hier,als trij pleizier hebt\',\' l\'ickvvi c k k o n z u I k ee n h e e r lij k e ge I e ge n h e i d om zijne menschenkennis te vermeerderen niet verwaarloozen. Hij liet zich naar do tafel bnai-gen, waarmede hij, toen hij aan het gezelschap met alle plechtigheid was voorgesteld, zich naast den president moest nederzetten, waarop ; hij terstond een glas van zijn geliefkoosden drank bestelde. Tegen zijne verwachting bleef er eene diepe stilte heerschen, „Ik hoop, dat u dit niet hindert, mijnheer!quot; zeide zijn rechterbuurman, die een geruit over-; hemd met mozaïeke knoopen aanhad, en opzijn gemak eene sigaar rookte, „In het minst niet,quot; zeide Pickwick, „Hoewel ik zeil niet rook, vind ik den reuk toch zeer aangenaam,quot; „Ik zou het nietkunnen laten,quot; viel een heer, die tegenover hem zat, hierop in, ..Voor mij is | het rooken eten en drinken.quot; Pickwick wierp een blik op den spreker, en dacht bij zich zeiven dat het wel gued zou zijn, tils het rooken ook de plaats van schoon linnen kon bekleeden. Daarop volgde wei I or eene poösstilzwijgens, Pickwick was een vreemdeling, en het was blijkbaar, dat zijne tegenwoordigheid lo t gezelschap geneerde, „Mijnheer Grundy zal zoo goed zijn oen liedje te zingen,quot; zeide de voorzitter. „Dat zal hij niet,quot; zeide firuncly, „Waarom niet,quot; vroeg de voorzitter. „Omdat hij niet kan,quot; was het ant woord. „Zeg liever, dat gij niet wilt,quot; hernam de voorzitter. „Welnu dan, ik wil niet,quot; zeide Orundy; en zijne barsche weigering werd wcilerom door eein poos van stilte gevolgd, „Wil niemand iets doen om ons tearnusee-ren?quot; zeide de voorzitter mismoedig, „Waarom amuSèert gij zelf ons niet,quot; riep eene stern van het ondereind der tafel, „Luister, luister!quot; riep do heer met het geruite overhemd. „Omdat ik maar een liedje kon,quot; zoiiln de voorzitter, „en dat hel» ik ;il gezongen. Kit er staal boete op, als men hetzelfde ii^je twee maal op i;én avond zingt,quot; Op dit, antwoord viel niets te zeggi-te en de stilte hervatte hare heerschappij. „Hoeren!quot; hervatte Piek wiek, in dohoop van een onderwerp op hot tapijt te brengen, waarover al do leden van hot gozel^cliap zouden kunnen medospreken: „ik ben van avond in een gebouw geweest, dat uij allen zekerlijk door en door kont, maar dat ik sedert j.ircn voor het eerst wederzag, en waarvan ik /.eer weinig weet |
\'ICIvWiGK.
SA NU \'
2(5
|
Ik m* \'\'ii O ruy\'a Inn. Wat zijn «Ik- [nas \') toch zonderlinge antinke gi;bou\\vfH Daar hebt i-ri.i Opgehaald,quot; [luisterde de voorzitter Pickwick toe, „waarover ten miaste eea vaa nas zonder ophondea zou kuaaea voort-prat\'ii. Nu zult uij doa ouden Jack 1\'.amber eeas hooien; hij spi\'tekt nooit over iets anders dan over die [aas, ea heelt er zoolang alleen jn gewotHid, totdat hu halt simpel geworden is.quot; De .lack Bainber, dien Lovvten bedoelde, was een kort aiannelje, met höoge schouders eii «■en li elafhtiu- gezicht welks trekken i ickwick nog niet had te zien gekregen, daar Jack de gewoonte had run \'/.i-er gebukt te zitten, als hij niet sprak. Doch toen de oiuk man zijn hoofd ophief, en Pickwick met zijne grijze oogen een doordringenden blik toewierp, verwonderde deze zich. dat zulk een opmerkelijk gelaat zijne aandacht et-n öogenblik luid kunnen ontsnappen. Ken grijuzend\'■ yrlimlach was de vaste uitdrukking van zijne trekken geworden; hij leunde met zijne kin op zijne lange, ontvleesde hand, die niet nagels van eene buitetigewone lengte was voorzien; en terwijl hij zijn hoofd op zijde üet hangen, en zijne kleine oogen onder zijne inlue, urijzo wenkbrauwen fonkelden, had zijn glurende blik eene zonderlinge uitdrukking van woestheid en loosheid, die he* geheel» gelaat eon afschiuvelijk voorkomen ^at. XXI. WAAI:IN PK IU;DI: MAN ZM.N MI-;\\ HI.INI.soxijkk-WKItl\' A AN HOEKT E.N IIKT VKHtlAAL DOEI A AK\'iA ANPE DF.N ZO.NDERI.tNI.nN l 1.1 NT. .,He\'. wie sprak daar over de Inns? zei de oude man, wiens voorkomen en manieren in h- • vorige hoofdstuk kort zijn lirs.\'hreven. „Ik, mynlie.■)•\',quot; zi;ide l\'ickwlck. „Ik maakte d!-■ opmerking, dat het zulke zonderling\' antkke grbouweti zijn.quot; |
„Gij?quot; zeidi\' de oud\'.\'man ver.iehi\' lijk. „A\\\'at we» t van den tijd. toen jongelieden zich in dii eenzanie vort rek ken opsloten, ea lazen, lazen, uren en nachten achtereiui, totdat hun ver-cand door hunne tiachtelijk\'- studien werd irekreiikt. totdat al hunne ziels- en lichaamskrachten war\'-n uitgeput, en zij bezweken on-il.-r die onniituurlüke opoffering hunner jeugdige levenskracht aan hunne oude, muffe boe- | ken? Of spreekt gij van een anderen en lateren tijd wat weet gij van de slapende tering 01 de heete koorts de heuglijke gevolgen van een lustig en vroolyk leven waataan zoo menigeen in diezelfde vertrekken gestorven is? En hoe velen, die vruchteloos om barmhartig- | held smeekten, denkt gij wel, hebben daar • wanhopig een kantoor verlaten, om in den i Theems of in de gevangenis eene rustplaats | te vinden? Die Inns zijn geene gewone hui- I zen. Er is geen paneel in die oude beschotten, ot het zou, als het geheugen en spraak bezat, j een verhaal kunnen doen, waarvan u de haren te berge zoude rijzen. Hoe alledaagsch en | eentonig zij er nu quot;Ok mog\'-n uitzien, ik zeg u. mijnheer, het zijn zonderlinge nude gebou- ■ wen,quot; eu ik zou liever menig akelig sprookje willen hoeren; dan de ware geschiedenis van die ouderwetsche kamers.quot; Kr was iets zoo zonderlings ia het vuur, waarmede de oude man het woord had gevat, en in heit onderwerp, dat zijne geestdrift had opgewekt, dat Pickwick geen antwoord gereed had. De oude man bedwong zijne drift, nam den glurenden blik weder aan, die bij zijne hartstochtelijke rede was verdwenen, en vervolgde i „Beschouw hen in een ander licht, zoo weinig dichterlijk en romanesk als gij het vinden kunt! Welke heerlijke plaatsen van langzame pijniging blijven zij tóch: Denk aan deaonbemiddelden man, die al wat hij bezat opgeotterd, zich doodarm gemaakt, zijne beirekking- n geplunderd heeft, \'tm een beroep t.e leeren, waarmede het noodlot besloten heeft, dat hij nooit een stuk-brood zal verdienen. liet wachten de hoop de teleurstelling ■ de angst — de armoede de wanhoop en tot slot do zelfmoord mis-chien. of nog beter, een armzalig leven, als een verloopen dronkaard. Heb ik geen gelijk in hetgeen ik van die oude gebouwen zeg?quot; Kn hij wreef In zijne handen, als ware het van blijdschap, dat hij een nieuw gezichtspunt voor zijn geliefdkoosd onderwerp had gevonden. Pickwick staarde den ouden man met bran-dende nleiiws.\'ieiigheiü aan; de overige leden van le t gezelschap glimlachten en zwegen stil. „Men imur nog wel van de Duitsche univer siteiten spreken!quot; vervolgde de oude man... Wij hebben te huls genoeg van het romaneske, zonder dat wij eene halve mijl ver behoeven te traan. Maar men denkt er niet aan. „Het is waar,quot; zeide Pickwick lachende, „ik had ook nooit gedacht, dat deze Innseeniger-rnate romanesk konden zijn „Dat wist ik wel,quot; zeidedeoudeman. „Mvenals een vriend van mij; die zeide altijdWat voor raars is er toch aan die ouderwetsche kamers ? ..lb t is et niet richtig,quot;zeide ik. „Gekheid. |
SPOKEN\' IX DK IXXs.
|
zeide hij. „Men is er zoo eenzaam,quot; zelde ik. ..Volstrekt niet,quot; zeide hij. — Op zekeren ochtend kreeg hij eene beroerte,juist toen hij zij ne buitendeur wilde openen. Hij viel met zijn hoofd tegen de deur aan, en daar bleef hij achttien maanden lang liggen. Iedereen dacht, dat hij uit de stad was.quot; „En hoe werd hij eindelijk gevonden 1quot; vroeg Pickwick. „Men besloot de deur open to breken, omdat hij in twee jaren geene huur had betaald. Dit deed men ook. En zoodra de deur openging, kwam een geraamte, ineen blauwen rok, korte broeken zijden kousen, den smidsknecht, die het slot had opengestoken, tegen het lijf vallen. Dat is toch nog al raar, zou ik denken, he?quot; En de oude man wreef zich met onbeschrijfelijk genoegen de handen. „Welk een vreemd voorval!quot; zeide Pickwick, terwijl hij den verhaler door zijn bril aandachtig bekeek. „Vreemd?quot; zeide de oude man. „Och neen! (lij vindt dat maai\' vreemd, omdat gij er niets van weet. Het is komiek, maar niet ongewoon.quot; , Komiek ?quot; riep Pickwick onwillekeurig uit. „Wel zeker komiek vindt gij liet dan niet zoo?quot; hernam de oude man, terwijl zijn gluren-den blik nog afschuwelijker werd; en zonder op een antwoord te wachten, vervolgde hij; „ik veet nog zulk een geval. Dat gebeurde in Cli f-ford\'s Inn. lv n losse knaap woonde op eon paar achterkamers, sloot zich op in eene kast op zijne slaapkamer, en nam een extract van rattenkruit in. De huisbewaarder dacht dat hij weggeloopen was. on zette de kamers te huur. Kr kwam een under, die ze huurde. Maar hoe het komen mocht, hij kon des nachts niet slapen; hij was altijd onrustig en angstig. „Dat is raar,quot; zeide hij. „Ik zal in de andere kamer gaan slapen en hier werken.quot; Dit deed hij en sliep gerust; maar nu ondervond hij, dat hij des avonds niet lezen kon. Hij was altijd angstig en zenuwachtig; hij moest telkens de kaarsen snuiten en om zich he.-u kijken. „Ik kan het niet begrijpen,quot; zeide hij, toen hij eens laat uit de komedie kwam, en een gla:-, koude grog Mond te drinken, met zijn rug te^en den muur opdat hij zich niet zou kunnen verbeelden, dat er iemand achter hem was. . ik kan niet, begrijpen,quot; zeide hij; en toen viel hem juist die kust, in hel oog, die nog altijd gesloten was gebleven, en lui voelde eene koude rilling over zijn geheele lichaam. ..Ik heb dn zonderlinge huivering al meer gevoeld,quot; zeide hij. „Ik Zon haast denken, dat het met die kast niet rich-tig is.quot; Hij raapte al zijn moed bijeen, sloeu \'net den pook het slot aan stuk, opende de deur, on ja wel, daar stond de vorige huurder recht overeind ineen hoek, met een (leschje in zijne hand, en een gezicht zoo zwart als eene lei,quot; |
„Welke vreemde dingen vertelt gij ons, mijnheer, zei Pickwick, terwijl hij den ouden man i onderzoekend door zijn bril aanzag, „Vreemd!quot; zei het oude mannetje. „Onzin; gy vindt ze vreemd, omdat gij er niets van weet. Zij zijn grappig maar niet ongewoon.quot; „(irappig!\' riep Pickwick onwillekeurig uit. „Ja, grappig, is niet?quot; antwoordde het oude mannetje met een duivelschen glimlach, en ging daarna, zonder op een antwoord to wachten, | aldus voort: „ik heb een anderen man gekend - laat eens zien — het is nu veertig jaar geleden die in een der oudste Inns, een oud, vochtiir, | vervallen stel kamers nam, diejaren achtereen ; gesloten en ledig waren geweest. Er waren | eene hoele boel geschiedenissen aan verbonden en zij waren alles behalve vroolijk; maar 11ij was arm en de kamers waren goedkoop en dat was vooi hem de hoofdzaak. Hij zag zich genoodzaakt eenige vermolmde meubelstukken over te nemen, onder andere eene groote houten kast voor papieren met groote glazen deuren en een groen gordijn van binnen ; een tamelijk nutteloos ding voor hem, want hij had geen papieren om er in te leggen; en wat zijne kleeren betrof, die droeg hü zonder moeite met zich rond. Xu, hij bracht al zijne meubelen op de kamers -- het was een heele handwagen vol en plaatste ze zoodanig dat zijne vier stoelen, zooveel mogelijk op een dozijn geleken. s Avonds ging hij bij het vuur zitten en dronk het eerste glas van twee kan whiskey die hij op krediet had genomen, en was nieuws gierig te weten of ze ooit zouden betaald worden, en zoo ja, binnen hoeveel .jaren, toen zijne oogen vielen op de glazen deuren van de houten kast. „Ja, ja!quot; zei hij, ..Als ik niet verplicht geweest was dat leelijke meubelstuk tegen de schatting van den ouden uitdrager over te nemen, had ik iet s geriefelijks voor het geld kunnen koopen,quot; „Ik zal je eens wat vertellen, oude jongen,quot; zei hij, hardop tot di kast sprekende, bij gebrek aan andere toehoorders. „Als het niet meer kostte om je oud geraamte af te breken, dan je aan oud hout zou opleveren, zou ik onmiddellijk een vuurtje van je stoken,quot; Nauwelijks had hij deze woorden uitgesproken, toen een geluid, gelijk een flauw gekreun, uit de kast schoen te komen. Het verschrikte hem eerst, doch bij nadere overweging, kwam hij tot, het besluit, dat het een jorme klant moest zijn op de aangrenzende kamers, die uit was geweest om te, eten. Hij zetti zijne voe ten öp liet haardscherm en nam den pook om den haard op te stoken. 1\'p dat,oogenblik Ie r haalde zich hot geluid; en toen een der glazen donreii langzaam was opengegaan, word ereem vermagerde gestalte in een vuil en versleten gewaad zichtbaar, die rechtop in de kast stond. |
I N SAMUEL PICKWICK.
De Lredaante was lang en dun en Uroeir eene minste al geheel weg. „En, mijnlieer,quot; zei de uitdrukking van kommer en angst op het ge- huurder, hem achterna roepende, „als gij zoo laat; maar er was iets in de kleur der huid, goed wondt zijn de andere heeren en dames, S
die nu in oude leege huizen gaan spoken, er op te wijzen, dat zij het elders veel gezelliger kunnen hebben, zoudt gij de maatschappij eene groote weldaad bewijzen.quot; „Ik zal het doen,quot;\' antwoordde het spook; „wij zijn toch suffers, en ik kan niet begrijpen, wij zoo dom hebben kunnen zijn.quot; Met deze woorden verdween . de geest, en wat vrij merkwaardig is,quot; voegde ! de oude man er bij met een sluwen blik op de leden van het gezelschap, „hij kwam nooit meer terug.
„ Dat verhaal is niet kwaad, als het waar is,quot; zei de man met het geruite overhemd, eene nieuwe sigaar opstekende.
„Als?quot; riep de oude man uit met een blik van diepe verachting. ,.Ik geloof,quot; voegde hij er bij zich tot Low ten keerende, „dat hij ook nog zal zeggen, dat het verhaal aangaande\' den zonderlingen client, die wij hadden, toen r ik bij een advocaat op het kantoor was, niet waar is — het zou mij niets verwonderen.quot;
..Ik Zal niet wagen er iets van te zeggen, daar ik het nooir gehoord heb,quot; merkte de sedert dien tijd \'snachts den eenitren tijd. ■ man met de mozaike knodpen aan waarop ik dn aarde weder b\'-zoeken kan „Ik wou, dat gij het eens herhaaldet, mijn-
rondgedoold over de tooneeb n mijner langdu- heer,quot; zei Pickwick.
ri.:\' ellende. Dit vertrek is van mij; laat het „la, toe.quot; zei Lowten: ..niemand heeft het . rni.j behouden.quot; gehoord dan ik. en ik ben het bijna vergeten.quot;
„Als ui.i er op staa| hier te verschijnen,quot; zei Dlt;- oude man zag tiet gezelschap rond en dt huurder, die den tijd bad zijie tegenwoor lonkte afschuwelijker dan ooit, alsof bij \'zege-digheid van geest te berkrii\'gen gedurende deze vierde in de oplett endheid, die op elks gelaat prozaïsche verklaring van den geest, ..zal was afgeteekend Daarna streek hij langs zijne ik le t met het grootste genoegen afstaan; kin, keek omhoog, alsof\'hij zich de gebeurtenis-maar ik zou u gaarne t-.-ne vnag oen, als-.\'ij sen weer voor den geest riepen begon als volgt; het mij vergunt,quot; „Spreek op,quot; zei de verse hij
ning barseh. „Welnu,quot; zei de huurder, ,,ni\' t, HET VEPHAAL AAXOAANDE DEX
dat de opmerking op u alleen doelt, want zü ia ZONDERLINGE CLIËNT.
eveimoèd toepasselijk op alle geesten, die ik
ooit boorde noemen; maar het schijnt mij Het doet weinig tot de zaak, hoe of waar eenigszins onbegr^peiyk toe, dat. terwijl gij de de geschiedenis, die ik wil verhalen, tol mijne seheoiiste plekjes dei aarde kunt bez.oi-ken kennis i- gekomen. Zoo ik die vertollen wilde wam it standen zijn voor n denkiieeldig geloof in dezelfdquot; orde, waarin ik haar gehoord hob, ik gij altijd naar de/elfde plaatsen terug zou ik in het, midden moeten beginnen,en,als keert, w aar gij liet ongelukkigst gewei 4 zijt quot; ik aan het slot was gekomen, weder naar het „Drommels, dat Is zeer waar : daar heb ik begin moeten teruggaan. Het zal genoeg zijn te vroeirer nooit ian gedacht,quot; zei de gees; „(lij zeug.m.dat een gedeelte der daarin voorkomende zie\', mynheer,quot; iring bewoner voort, „dat omstandighedenvoorniijneoogenplaatshadden; déze kamer zeer ongezellig is. Te oordéelen wat het overige betreft, weet ik zeker, dat de naar die kast, Z\'ai ik baast /.lt;\'ggen, da t ze niet zaak zich zoo heefttoegedragen, en er leven nog geheel vrij van ongedierte is; en ik houd het verscheidene mensChen, die zich het gebeurde er werkelijk voor dat udi een ve-d beter kwar- maar al te wel herinneren.
tier kunt vinden; om niets te zeggen van het „In de Boro ugh High stree t, bij de Londensch\' klimaat, dat hoogst onaan^e st. George kerk, staat, gelijk bijna leder-naam is.quot; een weei, de kleinste schuldgevangenis van
„Gij hebt groot üeÜ.jk, mijnheer,quot; zei do Londen de Marsh al soa. L Hoewel geest, beleefd; „ik zal dadelijk elt;-ns ve imdering
in\'b\' Zoeken, iiii i» ^-ili \\\\e.kquot;iid-, iii.l de\'/i ] Dczb ^cvarigcnin Is 181\'.) biiiteii\'gnbritik nostfi\'.d
woorden b verdwijnen; zijn-- beenon waren ten «-n vervoiKcuK afeebrokw. J, r.
en in het spookachtige voorkomen der geheele gestalte, dat men nooit bij een aardsch wezen heeft opgemerkt. „Wie zijt gij?quot;zei de nieuwe huurder die doodsbleek werd, doch den pook in zijne hand hield en op het punt was een aanval te doen op het gezicht van het spook. „Wie zijt gij?quot; „Gooi rni.j niet met den pook, antwoordde de gedaante. Al miktet gij hem nog zoo zuiver, hij zou zonder tegenstand door mij heengaan en zijne kracht uiten op het hout aciiter mij. Ik ben een geest.quot; „En wat hebt gij hier wel noodig?quot; stamelde de huurder,
„In deze kamer,quot; antwoordde de verschijning „werden ik en mijne kinderen tot den bedelstaf gebracht. In deze kast werden de papieren van een lang rechtsgelding, jaren achtereen opeengestapeld; en toen ik gestorven was van verdriet en teleurstelling verdeelden in deze kamer twee sluwe schrapers het vermogen, w.-arvoor ik gedurende mijn ellendig leven ge streden had en waarvan eindelijk ge-en penning overbleef voor mijne ongelukkige nakomelingen. Ik heb hen van deze plaats weggeschrlkt en
ISHALSEA.
129
|
deze gevangenis sedert, eenige jaren zulk een pool van onreinheid niet meer is als vroogor, heeft, zij toch zelfs in haar verbeterden toestand weinig, dat den bewoners het gemis hunner vrijheid kan verzoeten. De veroordeelde mis dadiger heeft in Newgate eene even goede gelegenheid om lucht te schoppen, als dé arme schuldenaar in Mars hal soa. „Misschien is het verbeelding, of misschien komt het, doordat ik mij niet uit de gedachten kan zetten, wat ik in vorige dagen daar heb gezien; maar dat gedeelte van Londen is |
„Velen, wier oon\'en de dood nu reed gesloten heeft, hebben dat tooneel hu; genoeg beschouwd, toen zij voor liet eerst de gevangenis van Marshai sea binnentraden; want de wanhoop komt zelden met den eersten slag van den tegenspoed, iemand vertrouwt dan nog op de vrienden, d ie hij nog niet hoeft beproefd, en herinnert zich, hoe dikwijls en hoe gul zijné vroolijke makkers hem hunne diensten hebben aangeboden, toen hij die niet noodig had; hij koestert nog hoop — de hoop eem-r gelukkige onervarenheid en hoewel de eerste slag hem doet lam |
,wte zijt gij, schobbejak?quot; zeidk de kapitein, tejfwmi, hij met zij eenige stoot ek tusscijen de kibben gaf. „hoe heet gij.
doet die hoop hem het overei herhaalde loe spoedi op hot gelaa rmagerd, en d nir had aam
hoofd weder ui, totdat hij het teleurstellingen ; vertoonde zich , dat reeds door jor de opsluiting enonien, in die
het
ik
lnÜ onuitstaanbaar. De High street is breed, de winkels zijn fraai; het geratel van rijtuigen, de voetstappen van een onophoudelijke!! men-schenstroom, alle geluiden, die een druk gewoel en levendig verkeer aanduiden, weergalmden daar van den ochtend tot in het midden va n den nacht: maar de straten in do nabijheid zijn donker en armoedig; losbandigheid en behoefte huisvesten in de Opgepropte stegen, gebrek en ellende in de enge gevangenis; een akelige nevel schijnt, voor mijne oogen ten minste, over die plek te hangen, en aan alle voorwerpen eer. düodsche en afzichtelijke kleur te geven.
Dickms, Samct.i, Pickwick,
bnk ken opbeuren, en onder de zwaarte v.
weder zinken laat.
dan de wanhoop c den honger was ve lt; ene ziekelijke kb dagen, toen het geeiiebeeldspra kige uitdrukking wa -. ais men zeide, dat d\' schuldenaren zonder hoop op verlossing in de gevangenis lagen te rotten! De barbaarschheid der wet is tlia\'ns wel eenigszins gematigd; maar er hebben toch nog voorvallen plaats, die het hart doen bloeden.
9
_____ 11 ■
SAMUKL I\'lCKWI\' K.
180
„Twintig jaren geledon, zau: men in die straat, eiken morden, cene moeder en «■•on kind, die dagelijks, zoo zeker als de zon opging, naar de gevangenis kwamen. Dik w ijls k wameii zij, na een nacht van rnstoloozen angst een vol uur te vroeg, en dan ging de moe,lor geduldig weder heen, bracht het knaapje naar de oude in ug, en tilde hem in hare annen op, om hem te laten zien, hoe het water in dcstral\' ii der morgenzon glinsterde, en wolk eene lcvendighi:id reeds op de rivi\'T heerschte, door de totdn-reidselen tot den arbied of het vermaak, waaraan de dag zou worden gewijd. Zoo trachtte zij dan het kind { ene poos bezig te hóuden; maar spoedig zette zij het weer neder, om d« tranen af te wisschen, die han; oogen verblindden, want geen zwo m van nieuwsgierigheid of genoegen vertoonde zich ooit op hel ziekelijke, uitgeteerde gezichtje van hot kind. De kleine had nog weinig herinneringen; maar die waren allen van denzelfden aard allen stonden zij in verband met de armlede en hot ongeluk zijnor ouders, l ren lang zat hij op den schoot zijner moeder.kuste mlt; ♦ kinderlijk medelijden, de tranen af, die langs hare wangen rolden\', en kroop dan stil naar een donkeren hoek, waarop hij schreide, totdat hij in slaap viel. Do zwaarste rampen der armoede hengelen dorst, koude en gebrek - had hij gekend, sedert de eerste ontwikkeling züuer verstandsvermogens; en dat was de reden, dat zich bij dit knaapje niet het minste spoor vertoonde van , de onbekommerde vroolijkheid, die anders den kinderlijken leeftijd eigen is.
„De vader en moeder zagen dit aan met eene zielosmart, die zij niet in woorden durfden uitdrukken. De gezonde, forsche man, die tot den zwaarsten lichamelijken artu id in staat zou zijn geweest, werd zwak en ziekelijk in dlt;--ii ong-zonden dampkring een^r volg\'-propte gevatuio-nis; de teodere vronw bezweek onder den drnk • van haar leed, en het arme kind verkwijnde, i
„De winter kwam met weken van regen ■ n koude. De arme vrouw had een ellendig kanv rtje betrokken, dicht hij de gevangenis van haar echtgenoot; en hoewel deze verandering door eene steeds klimmende armoede was vnorgeschreven, j gevoelde zij zich gelukkiger, nu zij nader by hem was. Twee maanden lang stond /.ij niet haar kleinen metgezel, ve\'.^ens • «nte, v or de
poort, als die d..... morgens tte.,pt-nd werd. ■ p
zekeren dag kwam zij niet; he: was voor het eerst, dat dit gebeurde. Den volgenden morgen kwam zij alleen. Het kind was dood.
Zij, dié over sterfgevallen in de huisgezinnen van armen koelbloedig sproken. als - ene gelukkige verlossing van smart vo ir den glt; storvone, en eene wenschelyke bevrijding van bezwaar v« -««r de overgeblevenen, v,,,n ni\' ; hoe hjtttr zulke verliezen zijn. Een stitzwjjg\'uide blik van liefde en achting, wanneer alle andere e,,-- ii zt\':h koel van ons afwenden, — dlt; bewustheid, dat wy •
toch de genegenheid van één wezen bezitten, terwijl alle anderen ons verlaten hebben is een steun, een troost in het zwaarsto lijden, «He i voor geene schatten te koop zijn. Uren lang ! had hot kind aan de voeten zijner ouders geze- : ten, terwijl hij zijne handjes geduldig over elkan- | dei\' hield geslagen, en zijn bleek gezichtje tot ] hen ophief. Zij hadden het van dag tot dag zien wegkwijnen; en hoewel het in zijn korten levens- ; tijd zoo Weinig vreugde had genoten, en het nu was overgebracht naar het verblijf van rust en vrede, - zegeningen, welke het op de wereld nooit had gekend,-zij waren toch zijne ouders, en dit verlies verscheurde hun hot hart.
„Op hot gelaat der moedor was ook duidelijk te lezen, dat de dood spoedig een einde aan hare rampen zou maken. De medegevangenen van haar echtgenoot waren huiverig, om hem in zijne diepe droefheid door hun bijzijn tot last te wezen, en lieten hem alleen in het bezit \'\'an het vertrekje, dat hij vroeger met twee ande;e gevangenen had bewoond. Zyne vrouw deelde dit vertrok met hem: zonder pijn, maar ook zonder hoop, kwijnde zij weg, en wachtte geduldig naar her uur barer verlossing.
„Op zekeren avond was zij in de armen van haar echtgenoot flauw gevallen, en had hij haar naar het opene venster gedragen, opdat do lucht haar zou doen bijkomen, toen het licht derjnaan, dat haar gelaat bescheen, hem zulk eene ontzettende verandering in hare trekken deed bespeuren, dat hij van schrik onder hare zwaarte wankelde, als ware hij een machteloos kind geweest,
„Zet mij neder, George!quot; zeide zij met eene flauwe stem. Hij deed zulks en zette zich naast haar neder, terwijl hij zijn gezicht met zijn handen bedekte, en in tranen uitbarstte,— „Het valt mij hard u te verlaten, George!quot; zeide zij. „Maar het is Gods wil. Ik bid u, lieve man ! draag uw leed met geduld. O, hoe dank ik Hein, dat hij onzen lieveling heeft weggenomen! Hij is nu in den hemel. Wat zou hy hier gedaan hebben, ■ zonder zijne moeder?quot; — „Neen, Mary! neen, gij zult niet sterven!quot; riep haar echtgenoot uit, terwijl hy van zijn stoel sprong. Hy stapte haastig op en neder, en sloeg zich met do vuisten voor hei hoofd. Toen zette hij zich weder naast haar. nam haar in zijne armen, en vervolgde bedaarder; „Schep moed, lieve vrouw! schep moed. (lij zult nog wel herstellen.quot; — „Nooit, lt; ieoi Lce! nooit,quot; zeide de stervende.,,Laat mij nu naast mijn kind begraven; maar beloof nuj, als gij ooit dezeakeligo plaats mocht verlaten, en rijk worden, dat gij ons dan zult laten overbrengen, naar een stil kerkhof op het land, — ver, ver van hier, — waar wü in vrede kunnen rusten; belooft gij mij dat?quot; - „Ja, ja!quot; zeide de man, terwijl hij zich woest voor haar op de knieën wierp. „.Spreek nug maar een woord, Mary! Zie mij nog maar ééns aan; nog . . . .quot;
I
I ».
lil
GESTORVEN\' VAX KOM MEI f. K.N (.; El 5 HEK,
1 Hl
|
„Hij zweeg; want de arm, die om rijn hals was geslagen, werd stijf en zwaar. Eoil diepe zucht ontsnapte de benauwde borst der vrouw; | hare lippenbe wogen zich, en een glimlach speelde um haar mond: maar de lippen waren bleek, en i do glimlach bleef strak. Hij was alléén op de I wereld. „Dien nacht, in do doodsche stilte van dat I akelige vertrek, knielde de rampzalige man naa st het lijk. zijner vrouw neder, en riep God tot I g«tuige van een vreeselijken eed, dat hij zich zeiven, dat uur af, geheel toewijdde aan het j eenige doel, om haar dood en dien van zijn kind i t0 wreken; dat hij van dat oogenblik af, tot aan | het laatste van zijn leven, al zijne krachten zou besteden, om dat enkele doel te bereiken; dat j zune wraak onverzoenlijk, voorbeeldeloos wezen zou, en hij het voorwerp van zijn haat door do ! geheele wereld zou vervolgen. „In dien eenen nacht hadden wanhoop en woede zulke verwoestingen in zijn voorkomen aangericht, dat zijn medegevangenen verschrikt terugdeinsden, toen hij hun den volgendenmorgen voorbijging. Zijneoogen waren roodengezwollen, zijne wangen doodsbleek, en zijn rug was go-bogen, als die van een afgeleefden grijsaard. In zijne verbijsterde zielesmarte had hij zijn onderlip bijna doorgebeten, en het bloed; dat\'langs zijne kin was gevloeid, had zijne das en zijn hemd bevlekt. Geen traan bevochtigde zijn oog; geene klacht ontsnapte zijn mond; maar zijne woeste blik, en de ijlhoofdige drift, waarmede hij hot binnenplein op en neder liep, waren kenteekenen der koorts, die in zijne aderen gloeide. „Men achtte het noodig het lijk zijner vrouw zonder uitstel buiten de gevangenis\'te brengen. Hij hoorde dit bericht met de grootste bedaardheid aan, en erkende de noodzakelijkheid van i dezen maatregel. Bijna al de bewoners der gevangenis waren bijeengekomen, om deze soort van plechtigheid bij te wonen; zij weken haastig ter zijde, toen de weduwnaar verscheen, die zich dicht bij de deur van het voorportaal plaatste. Nu naderde de ruwe doodkist, langzaam op de schouders van eenige mannen gedragen. Diepo stilte heerschte in het rond, slechts afgebroken door het luide snikken der vrouwen en de schof-telende stappen der dragers op den steenen vlo. r. \'oen zij de plek bereikten, waarde weduwnaar -tond, bleven zy stilstaan. Hij legde zijne hand op de baar, verschikte werktuiglijk het zwarte Kleed, dat haar bedekte, en gaf den dragers een \'\'■enk om verder te gaan. Do oppassers in hot voorportaal namen hunne hoeden af, toonde kis! voorbijgedragen werd; emi oogenblik latn-w ord de deur weder gesloten. De woduwnaarzay verwilderd om zich heen, en stortte met een u;Jn slae 0P den Ki\'ond. tvJ ?lc£;n. !^ng werd \'lag en nacht bewaakt, nnrrJ^kin \'■\'!ende koorts lag; maar geen ogenblik verliet hem de bewustheid van zijn i |
verlies en van den eed, dien hij had afgelegd. Mot de vliogoiule snelheid der razernij zwierf zijne verbeelding rond van het eone tooneol naar\'het andere; maar allen stonden zij, op eone of andere wijze, in verband met het hoof ddenkbeeld, dat zijn geest bestendig bezighield. Hij voer op \'•ene onafzienbare zee, meteen bloedroode lucht boven zijn hoofd, en de schuimendo golven schenen litt tschip te willen verzwelgen. Voor zich uit zag hij een .\'inder vaartuig tegen den gierenden : storm worstelen. i,)e zeilen fladderden, aan repen ; gescheurd, langs de masten, en het dek stond vol nienschen, die zich aan de verschansing i badden vastgebonden, en waarvan toch telkens \'■enigen door de baren, die over het dek heen-; sloegen, werden medegesleept. Zijn schip zeilde echter door mot onweerstaanbare vaart, totdat het tegen den spiegel van hot andere vaartuig aanbonsde en het verpletterde, üitdeontzetlende draaikolk, die het zinkende wrak naliet, steeg een gil op, zoo luid en schel het was de noodkreet van honderd drenkelingen totééuake-ligen klank ineengesinoltcn dat hij verbeven het krijgsrumoer der elementen uitklonk, en de lucht den hemel en den oceaan scheen to door-1 klieven. Maar wa t was dat — dat oude grijze 1 hoofd, dat boven de oppervlakte der zee oprees, en in doodsangst om hulp schreeuwde? Een blik -- en hij sprong over boord, en zwom met krachtige slagen naar die plek. Woldra bereikte bil\' don drenkeling. Het waren zijne gelaatstrekken. De oude man zag hem aankomen, en trachtte vruchteloos hom te ontwijken; maar hij greep hem, en sleepte hom naar beneden, vijftis honderd vademen diep, totdat hot worstelen van den grijsaard al flauwer én flauwer werd, en eindelijk geheel ophield. Hij was dood, hij had h-m omgebracht; hij had zijn eed gehouden. „Hij zwierf over het gloeiende zand eener uitgestrekt! woestijn, blootvoets en alleen. De 1 zandwolken verstikten en verblindden hem; de I fijne korrels drongen in do poriën zijner huid, I en hot jeuken maakte hem bijna dol. Reus- \\ achtige massa\'s van dezelfde .stof, door den wind \' voor tg\' dreven en door de brandende zon besche- i nen, wandeldon in de verte voort als levende yuurpilaron. Do gebeenten van menschen, die : in deze akelige woestijn waren omgokomen, lagen verstrooid voor zijne voeten; een ontzettend helder licht viel op alles in het rond; en zoover ! zijn oog reikte, zug hij niets dan voorwerpen l van schrik en afgrijzen. Vruchteloos wilde hü schreeuwen; zijne tong kleefde aan zyn geho-melte, r-ii hij sneldquot; aU rasw-nd voorwaarts. Mei bovennatuurlUko kracht begiftigd, waadde hij door hei zand, totdat bij. door vermoeienis en 1 dorst uitgeput, bewusteloos m-derzonk. Welke : verkwikkende koelte deed hem herleven ? Welk geruisch was dat? Water! Ja, het was eene | bron; en de heldere beek stroomde voor zijne j |
SAM [JEL PICKWICK.
|
vonten. Hij dronk, sU oki.i /JJne pijnlijke l. tkn op don oever uit, en viel m ei iie vrrkwikki lijke i sluiinerinif. lint m.\'nicht van naderende voetstappen dei id hem ontwaken. Een oud iTian mot | grijze haren kwam vvair-ri lend aan(onizijnbrandenden dorst ti k- i-iien. Hij wa- het wedorl Hij hIoi zijiv armen om don urijsaard hi enf en iiield hem ieru^. De oude woistelde\'Stuiptrek-kend, en selireeuwdi om water, i-en enkelen drop watur, om zijn leven te redden. Maar hij hield hem stevig vast, en hi^schouwde met ii:re-tlgo oogen zijn do\'fijlsangsi: •.•n toen het iiootd levenloos op de horst nederzonk. stiet hij het lijk met zijn v..et Van zirh. \' „Toeh de koorts hem verli i en zyne bewust- ! held terugkeerde, vi rnarn hij, dal hij rijk en vrij was; dat zijn vader, die hem in de gevangenis had willen laten sterven, die hen, welke den zoon veel di rba.ardoi- waren dan zijn ei^en leaven, reeds van gebrek en verdriet had laten otiko» men. — in zijn donzui bed do \'i-\'vonden was. Hij was wel voornemens geweest, om zijn zoon • i tot een bedelaar te maken; maar, verwaten op i zijn gezondheid, had hij het maken van een i testament uitgesteld, totdat het te laat was. en ! nu mocht, bij, van spijt over zijn verzuim, in ■ j Hoe verrassend deze tijding ook wezen nieicht, I George vi-nrat toch g\' en oogenblik het doei, : wanrvoquot;!\' lui leefde; hy v-r-rat f lt;-n •\'..•;enb.ik, I dat zijn vyand de eigen vadi r zijner vrouw was — ! de man, die hem in de gevangenis had laten wer-I pen, en die, toen zijne doi. hter en haar kind aan I zijne vin-ren oai leirmhanigheid smeekten; hen | zi ti hie v had ui\'Liejaagd. e\', hoe vei\'wenschte hij | de zwakf.e;-! die h-ie belet te om op te .«\'aan en | zijne wraak li\'^ine.en.quot; „Hij liet zich, ver van het toon ■ \' van zi a j verlies en zijne ellende, naar eene atgelegen • woning bij de zi -kas: verv.-ep :i j hoop, dat bi daa\' zij quot;fUri en zijn Hik i zou herkrij-i n, wan! aeale waven v oor altijd I gevloden; maar orn zijne lichaamskrachten te i herstellen en over zijne lievelingsonderwerp te ! peinzen. Kn hier verschafte f-en bimze geest hr m j eene gelegenheid voor zijne eerste, gruwelyke I wraak. ,Het wasz .mer; en in naargeestige -rodachten j verzonken, was hij gevvuonte^eii h navondzijne eenzame woning te verlaten, en langrs i en -nlal I pad onder aan den voet dér klippen naar ee ne afgeb gene piek te wandelen, die hem, toen hij haar voor de oer:gt;t« m mU» zocht, bijzonder w.h 1 bevallen. F\'an zette hij zich op een sfi-eti neder, I begroef zijn gezicht in zijne handen, en bleet\' [ daar uren lang zitteb somtijd- totdat het \' geheel nacht was geworden, en de laiiLre schatlu : wi n der dreigende klippen boven zijn hoofd alle voorwerpen in zijne nabijheid in zwarte duisternis hulden. „Hier zat hij ecna des avonds in zijne gewone |
houding, en sloeg nu en dan zijne oogen op, om de gouden lichtbaan te beschouwen, die in het midden van den oceaan begon, en zich tot aan zijn uitersten rand, waar de zon onderdook. uitstrekte, toen de diepe stilte werd afgebroken door «-en luid geroep om hulp. Hij luisterde, in twijfel, of hij wel had gehoord; maar toen het ge roep nog luider hervat werd, i sprong hij op, en snelde naar den kant, waar hij i den noodkreet hoorde. .Hij begreep terstond wat er gebeurd was: eeiiige kleederen lagen verstrooid op het strand; op geringen afstand was een hoofd nog even boven het water zichtbaar; en een oud man. die wanhopig zijne handen wrong, liep langs den oever heen en weder, en riep luidkeels om hulp. Do zieke, die zijne krachten thans genoegzaam herkregen had, trok zijn rok uit, en snelde naar de zee, met het voornemen om er zich in te werpen, en den drenkeling aan land te slee pen. „Haast u mijnheer om\'sHemels wil! Help, help 1 Hij is mijn zoon, mijn eenige zoon!quot; riep de oude man met de grootste ontroering uit. Mijn eenige zoon, die voor de oogen van zijn vada r verdrinkt !quot; Op hot eerste woord, datde grijsaard uitsprak, staakte George zijn loop. sloeg zijne armen over elkander, en bleef onbeweeglijk staan. ,.Groote God!quot; riep de oude man terugdeinzende i „Helling!quot; -- George glim lachte, maar zweeg stil. - „Helling!quot; zeidquot; de oude man ijlhoofdig „Helling! mijn zoon! Zie, zie!quot; En naar do lucht hijgende, wees de rampzalige vader naar de plek, waar de jonkman Op leven en dood worstelde. „Hoor!quot; ver-.Igde hij. „Hij roept! Hij b eft nog\'. Red hem!quot; (leorge glimlachte nogmaals, en bleef onbe-wi uquot; i k als een standbeeld. — ..Ik heb u kwaad •J. daan,quot; gilde de oude man, terwijl hij zich ii zijne knieën wierp en zijne handen vouwde, ..Wreek u! Neem al wat ik heb - mijn leven: Werp mij in het water, en ik zal sterven zon der hand of voet te bewegen! Doe dat, Heiling! doe dat — maar red mijn zoonl Hij is zoo i jong, nog zoo jong om te sterven!quot; — „Luister!quot; zeide George, terwijl hij den ouden man woest bij den arm greep. „Leven om loven wil : ik hebben: en dit is oen. Mijn kind is voor de oogen van zijn vader gestorven; en zijn doodsstrijd was veel langer en pijnlijker dan die, waarin die jonge lasteraar zijner zustei nu, terwijl ik spreek, omkomt. Toen hebt gij gelachen orn ons lijden — gelachen in het gezicht uwer docht r. waarop do dood reeds zijn ■ gel gedrukt had. Wat dunkt, u nu daarvan ? Zie. tiaar, daar!quot; Zo- sprekende wees lui naai de zee. De laatste W\'.rsteling van den stervende beroerde nog • idee oogenblikken de kabbelende golfjes -\' ti toen was de ph-k waar hy verzonken was, i niet meer te onderscheiden. |
133
WK A A K.
„Drie jaren waren verloopen, toen een heer j uit zijn eigen rijtuig stapte voor de deur van een Londensche procureur - wel bekend als iemand, die zich in zijne practijk om geene\'j,\'quot; moedsbezwaren bekommerde - en om eon u-e-heitii gesprek verzocht. Hoewel hij noq in het j best van zijn leven scheen te zijn, was zijn gelaat bleek en vervallen; en er was geene groote schranderheid noodig, om te zien, dat |
ziekte of verdriet hem meer hadden doen veranderen, clan het dubbele getal zijner levensjaren alleen had kunnen doen.
,, „Ik wilde u eene zaak in handen geven,quot;
zeide de vreemdeling.
„Do procureur maakte eene gedienstige buiging, \'
en wierp een blik op den dikken bundel papieren, |
dien de vreemdeling in zijne hand hield. Deze had dien blik bemerkt, en vervolgde; ..liet is geene gewone zaak; en het heeft mij veel moeite ! en geld gekost om deze papieren in handen te krijgen.quot;
„De procureur wierp een nog nieuwsgieriger blik op den bundel; waarop de bezoeker (bv,en losmaakte, en een aantal acceptation, schuldbekentenissen, contracten en andere papieren op i de tafel uitspreidde.
„„Op deze papieren,quot; zeide de vreemdeling,
„heefr, de man, wiens naam zij dragen, gelijk - .I zien zult, aanzienlijke sommen opgenone n.
Het was eene stilzwijgende afspraak tu-sele n hem en de menschen, die hem deze papieren heliben laten teekonen en van wie ik ze, stuk voor stuk, voor het drie- on vierdubbele hunner nominale waarde heb gekocht — dat zij van \' ijd tel i ijd zouden vernieuwd worden, lotdat liquot;! te :, , n kwam te betalen; maar nergens staat iets van zulk eene overeenkomst onlangs zware verliezen al die schulden tegelijk kan hij onmogelijk bedrag is
-luist zoo,quot; hernam de client. „Wat moe ten wij nu doen ?quot; vroeg de procureur. ..DOenVquot;
heriialde de vreemde!ine ploi.-.elingopsUiivendi ■
„Van alt middelen eobruik maken, die di wej aandehandgeeft. al!lt;^ kunstgrepen aan wenden,
die slechts te bedenken zijn, oui ilien kerel,
dien ik een lanuzane n, kwellonden dood heb toegedacht, te ruïneereny zijie goederen aan (o slaan, hem uit huis en hof te jagen, en hem al oen beiUdaar in de L\'evaileenis (e laien •sterven,quot;
„Maar de kosten, mijnhl. i\'lquot; hervatle de procureur, toen hij zich v: n zijne verbazing had hersteld, „Als er van den schuldenaar g\'ene lw laling te krijgen is, wie zal dan do ko-ten betalen?quot; „Noem maar eene som,quot;zeide .!•• „Hij vreemdeling, wiens hand zoo geweldig beefde. , i quot;\'a m ! dat hij de pen, lt;lie hij opvatte, nauwelijks kon ; m; vasthouden; „en gij zul! terstond hel geld heo het gi zi» ben. spreek! Weesniet bang, dat eij je veel zr.lt | di-niijd
vragen. Niets is mij te veel, als gij mij mijn oogmerk maar doet bereiken.quot;
„De procureur noemde in het wild eene aanzienlijke som, als het voorschot;, dat hij vorderen moest, om tegen allo mogelijke verlies gewaarborgd te zijn; moer om te zien, hoever zijn cliënt in ernst sprak, dan in gedachte, dat deze dien eisch zou inwilligen. De vreemdeling schreef een briefje op zijn bankier voor het volle bedrag, en verwijderde zich.
„Het briefje werd dadelijk betaald; entoen do procureur zag, dat hij zijn zonderlingen cliënt kon vertrouwen, ging hij in ernst aan het werk. Twee jar\' n lang zat I lelling tusschenbeide gehee le dagen op iiet kantoor de papieren ua te zien, naarnjaie zij inkwamen. Met oogen. die van blijdschapglhisl orden, las en herlas hij de brieven, waarin zijn schuldenaar, terwijl het eene proces na het andere begonnen en doorgezet werd, om me i\' ; ijd ii en ee-luid verz.\' e ht. Op alle verzoekm om (\'n kort uitstel, was slechts één antwoord
dat het iMd er we/.en west.Sb ubelen,huizen, landen t\':!gt; s werd op zijne beun verkocht, want do enne executi\' volgde op de an iere; en deoude ii i.tn zelf z1 et ineen klt; ri;er zijn opgesloten, indien hij de waakzaamheid der gerechtsdienaren niet ■ eleure\'sleld \' ti de vlucht genomen had.
„De haat van Meiling, verre van door don gowenschleii uitslag zijner maatregelen te worden bevr- duel, schei n hoe langer hoe vuriger te worden. Toen hij vernam, dat de oude man ewhiehl wa •, l quot;iide zijne woede geene palen. Hij knai ie op zijne tanden, trok zich de haren uit het hoofd, en ovaiaadde de beambten, die met het be vel to: iiihechtenisnemitiu\' waren
vervloeking. 11 ij !e toi, bedaren bren-ringeii, dat men den ntdekken. Naar allo ■ \' zonden, om hem n in ontwas hot
de ijsedij!, •aigerma o verzekt wel zou ( igenten u gt; mogeliji om ziine
mtgoz liet zi gen, d vlucht\' kanten
Op te : hot w( dekker verleoj spoor.
.. Min eCli laat aan de om dezen llt; die zijne st bevelen on reeds voor en zoodra
n, met edits f
gesidire\\ en. I lij Ie- fi geleden; eh als hij om wordt aangesproken, n.quot; „Het geheele ■enige duizenden ponden,quot; zeide de toen hij de papieren had nagezien.
)or le \'ling
e li;aen werdi seiuhlplaats tt os. K\' tl half jaar men hom niet o|
vru(
HOLT
maar n, en
was
ijl: kwam Ileliii; van wl- n inonsedert
n niets hoord bad, op een iiVond woning van zijn protftó\'eur, en vroeg ipreken. \\ oord it de ri hl geloerde, ein had herkend, zijne knecht kon ■ hem l\'iniion te laten, siond Heiüng Ie -n. Hij wa bleek en builen adem; hij de deur der kanier gesloten had.
Wek
•1 nederzinketi, (ai Jjelde ,.fk heb hom eindelijk ijvroeg do proeureiir.
:• wu \'I\'d \'el leiling. „ Ilel lat w ij hemeeiie poos uit • n; want bij heid\'tdaaral eleefd. 11 ij isdöodarm.quot;
liet hij zich op et met een liauwo f ttevondeil.quot; - „Hit llOUe • n
l st
em: ,, Waar is I Zlcll sidlU
1\' O W n,quot; a
i »(
non niet k\\\', a hthebben vo allerellendig
■lor
SAMUEL PICKWICK.
|
— „Nu zult gü hom zeker morgen laten vatten ?quot; hernam de procureur. - „Ja,quot; antwoordde Helling. „Maar wacht! Neon — overmorgen. 0 ij zult wel verwonderd zijn over dit uitstel,quot; vervolgde hij met een akeligen glimlach; ..maar ik had iets vergeten. Overmorgen is het een gedenkdag in zijn leven. Laat hem dan vatten.quot; -„Goed!quot; zeide do procureur. ,Zult gij den beambte zijn adres geven?quot; — „Neen; laat hij overmorgenavond om acht uur hiér op mij wachten; dan zal ik zelf medegaan.quot; „Hij kwam op den bepaalden tijd, en nadat hij eene huurkoets had laten halen, beval hij den koetsier naar den Uoek van Old-Pancras-road te rijden. Het was reeds geheel donker, toen zij uit het rijtuig stapten, don blinden muur van het ¥■ eart\'senijkundig hospitaal langs gingen, on eeno achterstraat insloegen, die toen Little Collogeatroet genoemd werd, en, wat zij thans ook wezen moge, in dien tijd tr akelig genoeg uitzag, en bijna door niets anders dan velden en slooten omringd was. „Nadat Hoiling de rdsmuts, die hij droeg, in zijne oogen had getrokken, en zijn mantel dicht had omgoslagen, bleef hij staan voor het armoedigste huis der geheele straat, en klopte zacht aan de deur. Eene vrouw deed open, en grootte Heiling als een oud bekende; waarop deze, nadat hij den beambte had toesetluisterd, dat hij beneden moest blijv\' n, zonder gedruisch te maken naar boven ging, de deur der voorkamer opende en i inn. n trad. „Het voorwerp van zijnquot; nasporing en zijn haat, thans een afgeleefd oud man, zat aan eene 1 armoedige tafel, waarop eene dunne kaars brandde. i 1 ij schrikte toen de vreemdeling binnentrad, on yr-i half overeind. ,. „Wat mr.\' Wat nu?quot; zeide do grijsaard, „Welke nieuwe ramp zal mij overkofnon? Wat i moet gij hier?quot; soreken,quot; antwoordde Heiling, die zich t\'-gi-lijk nederzette en zijne muts en zijn mantel afwierp. H l spraakvi-nno-\'on si-heen den ouden man eensklaps te bi-wctren. Hij zonk achterover in zijn stoel, sloeg zijne hahdon wamen, en staard-de V\'i\'scliijning aan mot e n blik vol afschuw 1 en onI zetting. i „ „Zes jaren v-\'xir dezen dag,quot; zeide Heiling, „lu b ik het loven geèischt, dat g^ mij schuldig i w aart: voor het leven van mijn kind. HU het lijk van uwe dochter i ren, dat ik leven zou heb ik in rnijn voorrK i ware zulk • bet ge va geilaehte aan haar ge , ui * gehong\' -rdo gezichtje v \'! mij krach\' hebben gpgi Mijn t\'i-r \'■ (quot;•«ir f -an nog Wei. Dit. i- mijn 1 huiverde, en zijn trne noder. . Morggt; u verlaat. oude! heb ik gezworn tiaar te wr.-ken. Nooit men .; wankeld.; raaaral eewee-r, dan zon gt;V-ne n, of aan \'iet .- op i-htlldig k ind, Vcir inioe taak. i I i ! \' ■ helli/i U I a- oude man tik\'-n machteloos Engelatid,quot; zeide luldig lijdr |
Heiling, na eene poos van stilte. „Dezen nacht verwijs ik u tot den levenden dood, waartoe gij haar verwezen hebt — eeno hopelooze gevangenschap.quot; „Hij zag den ouden man aan en zweeg Hij nam de kaars op, om zijn gezicht nauwkeurig te beschouwen, zette die zacht weder neer, en verliet het vertrek. „ „Gy moet eens naar den ouden man gaan zien,quot; zeide hy tot de vrouw, terwijl hij de deur opende en den beambte wenkte, om met hem heen te gaan. „Ik geloof dat hij niet wel is.quot; De vrouw spoedde zich naar boven, en—vond hem dood. Eeno beroerte had hem doen sterven. „Onder eene eenvoudige zerk, op oen dorpskerkhof in Kent, waar wilde bloemen zich met het gras vermengen, en het bekoorlijke omliggende landschap de schoonste plok in den tuin van Engeland uitmaakt, rust het gebeente der jonge moeder bij dat, van haar lieveling. Maar het stof van den vader vermengt zich niet met het hunne; ook heeft de procureur, van dien avond af, nooit iets vernomen, dat eenig licht verspreiden kon over den verderen levensloop van zijn zonderlingen cliënt. „Ik zou u nog meer kunnen verteljeü,quot; zeide de oude man, terwjjl hij Pickwick, die nog met aandacht blee f luisteren, met blijkbare zelfvoldoening aanzag, „maar ik moet van avond vroeg to hui- wezen, en heb geen tijd meer.quot; Zonder een woord verder te zeggen, nam hij zijn hoed van een kapstok, en ging de deur uit. Daar de heer met het geruite overhemd in slaap gevallen was, en het grootste gedeelte van het gezelschap zich op eene zeer geestige manier vermaakte met kaarssmeer in zijn glas to laten druipen, achtte Pickwick het best, on-opgemerkt te vertrekken; en nadat hij zijne | vertering en die van zijn knecht had betaald, groette hij de waardin van do Ekster, en blt;-„\'.if zi.-h met Sam naar het logement, waar j 11 ij voor het oogenblik zijn introk had genomen. XXI1. Pli\'KWIi\'K KBIST NA VB IPSWICH, WAAR 111.1 KEN KOMANKSK A VOXTITM! HKEF-r MKT EKNK I.1A.MK VAN MIDDEI.I;AUKN LEEFTIJD. »Ih dat, do bagage van uw heerschap, Sampje?quot; vroeg de oude Wolier, toen zijn liefhebbende zoon met een reiszak en oen valies het binnenplein van de Stier opkwam. ..•Hi hadt wed verder mi- kunnen raden, ouw( t je!quot; antwoordde sam, die eerst zijne vracht nederzette, en or vervolgens zelf op ging zitten, ..en mijn heerschap zelf zal aanstonds komen.quot; |
135
|
„Met een cabriolet, denk ik? zeide de vader. „Ja. Hij heeft twee mijlen gevaar voor acht stuivers genomen,quot; antwoordde de zoon. „Hoe maakt stiefmoeder het van morgen?quot; „Wonderlijk, Sam! wonderlijk,quot; antwoordde de oude Weller met deftigen ernst. Zij is nu ; onder de Methodisten geraakt, Sampje! en zij is razend vroom geworden. Zij is al to goed voor i mij, Sampje! Ik voel dat ik haar niet verdien.quot; „Gij hebt het zeer ver in de nederigheid go-| bracht,quot; merkte Sam aan. „Dat moogt gij wel zeggen,quot; hernam zijn vader met een zucht. „Zij is nu in do weer j met eene uitvinding, om gvoote menschen weer tot kleine kinderen te maken. Haar mond staat j geen oogenblik stil van de wedergeboorte. Ik I mocht wel lijden dat zij er inderdaad werk | van maakte, Sam! Ik zou waarlijk gaarne zien, ; dat uw stiefmoeder weder een klein kind werd. Ik zou haar dadelijk bij eene min besteden. -Wat denkt gy wel, Sam!quot; vervolgde hy na eene i poos stilzvvijgens, terwijl hij met den vinger zeer I bedenkelijk tegen zijn neus tikte, „wat denkt gij | wel, dat die wijven, waar zij zich meo ophoudt, : laatst gedaan hebben ?quot; „Ik weet het niet,quot; antwoordde Sam. „Wat : was het?quot; |
„Zij hebben eene groote theepartij aangelegd voor een kerel, dien zij haar herder noemen.quot; zeide Weller. „Toen ik quot;s morgens voorden | printwinkel over onze deur stond te kijken, zag i ik er een bericht van „toegangsbiljett( n eene ha 1 v e kroon, bij hetcornitétebeko-m en.S e c r e t a risj u If r o u w W e ller.quot;E n t o e n ik te huis kwam, zat het comité al in onze achterkamer: veertien vrouwen. Ik wenschte, dat gü het eens gehoord hadt, Sampje, hoe ze daar zaten te beraadslagen, en te stemmen en besluiten te nemen, en allerlei zotternij te maken. Ik weet zelf niet, of hot was omdat ze mij zoo plaagden om ook mee te doen, of omdat ik dacht dat ik wat raars zon zien, - genoeg, ik nam i ook elt; n kaartje, en vrijdag avond om zes uur i kleèdde ik mij netjes aan, en gitig met de oudo vrouw naar een huis op eene bovenkamer. Daar j zag ik theegoed klaarstaan, wel voor dertig personen, en eene partij juffrouwen, die aan-{ stonds met elkander begonnen te fluisteren en , j mij aankeken, alsof zij nog nooit een dikken koetsier hadden gezien. Ken poosje later hoorde ik beneden een groot rumoer, en daarop kw.nn er een magere kerel mot eon rooden neus de trap op. die zoo hard als hij kon balkte; „Daar i komt de herder zijne getrouwe kudde bozooken!quot; Hel duurde niet lang, of ik zag een dikken vent komen, mei eon groot bleek gezicht, en geheel in het zwart. Toen hadt gü dat spelletje eens moeten zien, Sam! „De kus desvredeslquot; I zeide do herder, en daarmede begon hij al de vrouwen te zoenen; on toen hij daarmede vo-daan had, nam de roodneus zijne beurt. Ik was juist voornemens om ook te beginnen — vooral omdat er een heel lief juffertje naast mij zat— maar juist kwam uwe stiefmoeder met theewater binnen. Toen gingen zij aan den gang. Dat zingen hadt gij eens moeten hooren, Sam, terwijl de thee stond te trekken ! Kn wat werd er üvu\'eten en gedronken !Gü hadt oens moeten zien. Sam, hoe die herder met do ham en de broodjes huishield! Ik heb nooit zoo geweldig zien eten. ik zou niemand raden om den roodneus voor vast in den kost te nemen; maar hij haalde nog niets bij\' den herder. Welnu, toen het theedrinken gedaan was, zongenzij nog eens, en daarop tn L(on de border te preken. Hij deed het goed, dat moet ik zeggen: vooral alamen bedenkt, dat al die broodjes hem toch wel een beetje in den wegmoeten hebben gezeten. Maar op eens hield hij op, en schreeuwde zoo hard hij kon: „ Waar is de rampzalige zondaar?quot; En toen de vrouwen dat hoorden, begonnen zij mij allen aan te kijken en te kermen, alsof zij op sterven lagen. Ik vond dit wel wat raar; maar ik zeide r toch nifis van. Een poosje daarna hield hij weer op, en keek mij strak aan. Nu was het weer: „ Waar is de zondaar? Waar is do ramp-zaligi- /.ondaar?quot; En toen begonnen de vrouwen woer te kermen, nog tienmaal harder dan eerst. Hierop kreeg ik het te kwaad, deed daarom oen paar stappen vooruit, en vroeg: „Zegt ge dat bijgeval op mij vriend?quot; Ik dacht dat hij excuus zou gevraagd hebben; maar in plaats daarvan, bcuon hij mij uit te schelden voor al wat leelijk is. Geen wonder, dat ik kwaad werd. Ik gat hein er eerst een stuk of zes voor zich zeiven, en toen eenigen om aan den roodneus over te doen, en ging heen. Gij hadt die vrouwen eens moeten hoeren schreeuwen, Sam, toen ik haar herder onderdo tafel bokste! — Maar daar zie ik uw heerschap aankomen,quot; Terwijl bij dit zeide, stapte Pickwick uit eene cabriolet. „.Mooi wer, rnijnhoi r!quot; zrido de oude Weller. .Zeer mooi,quot; zeide l\'ickwick. „Zeer mooi,quot; horhaaldo oen lieer mot rood haar. lt; n eigenwijs wipneusje en een blauwen bril, die op hetzelfde oogenMik als l\'ickwick uit eene ciibriolct was gestapt, „(laai, gij naar 1 p k w i c h, mijnheer ?quot; „•la,quot; antwoordde Pickwick. „Eene zonderlinge samenloop van omstandig-licden. Ik ook.quot; l\'ickwick maakte eene buiging. „Gaat gij buitonop?quot; vroeg de vreemdeling. Piekwick boog nogmaals. „lieer, hoe zonderling! ik ga ook buiteiiop. Dan zullen wij va i en zeker te/amen reizen,quot; zeide do vp emdoling. die oen verbazend doftig en geheimzinnig voorkomen had, en bij elk woord, dat hij zeide, nadrukkelijk knikte, terwijl hij zoo ve.-gonoc d udhnlachte, alsof hij de merkwaar- |
SAMUEL PICKWICK
130
|
digate ontdekking had gedaan, waartoe het men-schelijk vernuft ooit gekomen was. „Ik verblijd mij in het vooruitzicht op uw gezelschap mijnheer!quot;zeidu Pickwick, „Ja!quot; zeide de vreemdeling; „het ia een geluk voor ons beiden, niet waar?Gezelschap weet gij - gezelschap is — is zeer verschillend van eenzaamheid - niet waar?quot; „Dat is niet te ontkennen,quot; Zeide Sam, zich met een vriendelijken lach tn het gesprek mengende. „Dat spreekt vanzelf, — gelijk de voddenraper zeide, toen de meid hem verweet, I dat hij geen gentleman was.quot; „Aha!quot; zeide do vreemdeling, terwijl hy, met i een trotschen blik, S un van het hoofd tot de | voeten bekeek. „Een vri\' iid van u mijnheer?quot; „Dat juist niet,quot; antwoordde Pickwick met ecne zachte stem. ..Hij is eigenlek mijn knecht, maar ik laat hem nogal vrijheid; want tusscheii ; ons, hij is een origineel, en ik ben eenigszins j trolsch \'■!\' lii rn. „Zoo!quot; zeide de vreemdeling. „Dat hangt van : iemands smaak af. Ik houd niet van oriuineelen. ik zie er il-i noodzak\'-iijklM il niet van in. Hue heet gij, mi.üihcer?quot; „Hier is mijn kaartje, mijn In er!quot; antwoordde Pickwick, die d-ze ruitcr!i;ke vraa.; en d\'- zon dcrlinge manieren van don vreemdeling zeer grappig vond. „Ah!quot; Z\'-ido deze, terwijl hij hei kaartje bij zich stak. „Pickwick -- góed, Ik weet gaarne hoo iemand lu i t; dat haalt vlt; el last uit. Hier is mijn kaartje, miiuhei\'r! .Ma.. mi.s,zooa!.sgy ziet, mynheer! •- Ik heet Magnus.Die naam ia nogal goed. niet waar, mijnheel ?quot; „Een zeer goede! man,quot;zeide Pickwick, thans geheel buiten staat om .-en j\'limiach te be d win—e n, „l»at zou ik denken;quot; hernam Magnus. „En ik le b or e» n goeden voornaam bij. Met uw verlof, mijnheer. bezie h.a kaan. wat nader. Petrus Magnus». Dat kiinkt •: n et waar, mijn lieer? „\'Al er gei d,quot; zeide I ie]; wiek ,l)e voorle! ters he -b ai »••• • bijzlt;gt;ndlt;-i be gun Mugan weder. „\'/•\'! ■ \'ar ! I\', .M., dat kan beteek enen pesi n; e i-i, d i e m. .\\l.- ik aan goed. bekenden adirijt\', tegt;-k«-ii ik w.d .-. tis „Na den middag.quot; \'j /.ij bben er altijd ploi-zier in mr n ee.T Piek v. iei; !quot; ..Ik b\' -rr;\' \'ei r w. da\' •/quot; \' i \'■ hun een Uitnemend •.•.«•n.»••.\'«•n moei ver-ehaHeti,quot; zeide Pickwick, e. ii weiniu: alV insti^ op hol geluk • d\' r bekend\' ii van Magnum, die zoo goedkoop : pleiziei h elden. i liet e sprek Werd ilgebrok\'-n door het be I richt da i.|« i.iili- Uce l\'Uel t. Wedlleji; en j men zou i a tond zijn ae-ei e ien indien Magnus |
niet ongerust was geworden, dat men zijne bagage, die uit een rooden zak, een gestreepten zak, een pak in blauw papier en een lederen hoedendoos bestond, vergeten had opteladen. Hij wilde zich niet laten geruststellen, voordat men deze voorwerpen weder uit hunne bergplaatsen had gehaald, en toen voor zijne oogen opnieuw geborgen. Eindelijk was alles in orde, en de diligence reed af, ten aanschouwe der geheele bevolking van W hitech apel. „Geen mooie buurt hier, mijnheer!quot; zeide Sam, zijn hoed aanrakende, gelijk hij altijd deed, als hij met zijn meester in gesprek wilde treden. „Daar hebt uij wel gelijk in, Sam!quot; zeide Pickwick, terwijl hij zijne oogen liet rondwaren in de woelige en morsige straat, welke zij doorreden. „Het is toch opmerkelijk, mijnheer,quot; zeide Sam, „dat armoede en oesters altijd samen schijnen te gaan.quot; i) ..Ik begrijp u niet, Sam,quot; zeide Pickwick. „Ik meen, mijnheer,quot; hernam Sarn,,,dat hoe armer eene plaats is, des te meer oesters men er schijn;, te eten. Ziedaar, mijnheer! om de zes huizen heeft men telkens een oesterwagen: de j s;raat is er geheel mee bezet. Ik wilgeen Sarn Weller boeten, als ik niet geloof, dat als iemand : arm is en niet moer weet, hoe hij hot stellen zal, hij naar buiten loopt en uit despeiatiooesters gaat eten.quot; „Dat Is ook zoo,quot; zeide do oude Weller; „en met gepekelde zalm is het net eenerlei.quot; „Dat zijn twee merkwaardige bijzonderheden, waarop ik nooit had gelet,quot; zeide Pickwick. ..Zoodra wij stilhouden, zal ik ze aan teekenen.quot; ..Met zulke even leerzame als onderhoudende \'-.\'esproken wist Sam Weller den tijd der reis t\' korten. Hij had nooit gebrek aan stof, en wan-neer hij een ougonblik stilzweeg, word deze gaping in het gesprek door Magnus aangevuld, die zich uiterst verlangend toonde, om met de le-veiis1-\'quot; -cl\'iquot;\'|, njs zi,jner medereizigers bekend :e werden !n-i-cheiibeidezijne bekommoring ;■ kennen yaf, dat zijne bagage niet goed zóu overkomen. In de uroole straat van Ipswich, aan de linkeih ai id, een weinig voorbij het stadhuis, staat e.-ae herberg, die wijd en zijd onder don naam van het O roote Witto Paard bekend is, en boven welker deur men eon sle.-nen beeld aanschouwt van oen dier met zwierende manen en staart, waarin men, met oenigo moeite, de • »fblt;.elding van een dol geworden koetspaard kan herkennen. Do oorzaak der vermaardheid van deze herberg is dezelfde, waaraan eene paa^ehos, i on in de nieuwspapieren als eene I II. I is (jiirnerkoiiHwaarili;?. dut .lustijils de m-sti-rs zmo irm-akoquot;|i . ........lal zij c.\'iie uitkomst waivr. Velcur- I1HM1. .1. l\'j. |
m HET GROOTE WITTE PAARD. 137
} merkwaardigheid vermelde raap, of een var- ! antwoordde van dézen, wicn de namen Slock wall,
I ken, dat op eeno kermis te kijk is, hun roem j Winkle en Tupman geheel onbekend waren,
te danken hebben — namelijk aan hun ontzag- , begreep, dat zijne vorige reisgenooten nog niet
lijken omvang. Nergens vindt men zulk een | waren aangekomen, zeidé hij; „Danzullen wij
j doolhof van donkere gangen, zulke lange rijen alleen eten. Breng ons naar eene afzonderlijke
! van vochtige, duistere kamers, zulk een verba- j kamer.quot;
1 zend aantal kleine hokjes om te eten of te sla- | De oppasser ging hun voor, en bracht hen
pen, onder hetzelfde dak bij elkander, als bin- i door een lange donkere gang naar een ruim,
! nen de muren van het Groote Witte Paard i maar slecht gemeubileerd vertrek, waar in een
te Ipswich. | roestigi -n haard een klein vuur zijn best scheen
Het was voor de deur dezer reusachtige her- : te doen om vroolijk te branden, welke poging
berg, dat de Londensche diligence eiken avond evenwel jammerlijk mislukt mocht heeten. Na
ep 1h,!|zelfde uur stilhield, en dat i\'ickvvick, Sam | verloop van i -n uur wejsö den reizigers eon vrij
Weller, en l\'etrus Maeaius thans al-tapli n. slechte inaallijquot;! voorgezet; en zoodra de tafel
• IMyft gij hier losjoeri•n., mUnboer?quot; vroee was alVenomen. .■■•hovi n Pickwick en Magnus
Magnus, nai.lat hij al zijn bau i-;\' \'behomleti in de hunii\' stoelen bij den haard, en nadat zij ten
gam; h.i] zien brengen. genoeire \\Mn den lierbergier een IIesch duron, „■\'a, \' antwoordde Pickwick, : niaaruiti rsl slechten poitwijn hadib ngenomon,
„Le-ve liemel!quot; zeidc Ma-.\'mis: „heb ik Öoit. gingen zij voor eigen |)l(ijzier cognacgrog zitten
in mijn leven zulke merk waai dige toovallighe- drinken.
ibai gezien. Ik blijt hier ook logei\'ü n. tkhóoji ivims Maeiuis was zeer spra ikzaam van I
dat wij te zarnen zullen eten .\'quot; aa.rd, en de geestrijke drank deed tn ni de i
»Met,genoegen,quot; antwoordde Piek w,i-k. „Maar diep-te ledieimen van zibi Iühwih aan den dag i
Ik moet eerst onderzoeken, of mijne vrienden brengen.
leeds hier zijn gekomen of niet.quot; Nadat hij lang en brolt;-il had gesproken «ver |
Hij riep een oppasser, en toen hij uit de zich zelvon, zijne betrekkingen,zijne vrienden, !
SAMUEL PICKWICK.
138
|
zij no vermaken, zijne bezigheden en zijne broeders (de meeste babbelaars hebben veel van hunnebroeders to vertellen), staarde hij Pickwick eenigeminuten lang door zijn blauwen bril strak in het gezicht en vroeg toen met een bescheiden glimlach: „En waarom denkt gij wel, mijnheer Pickwick I waarom denkt gij wel dut ik hier gekomen ben ?quot; „Op mijn woord,quot; zeide Pickwick, „dat is moeilijk te raden. Misschien heb je bierzaken i te doen.quot; „Half geraden en half mis,quot; hernam Petrus Magnus. „Probeer het nog eens mijnheer!\' „Ik moet mij waarlijk op genade of ongonado • overgeven,quot; zeide Pickwick, en afwachten of gij het my zeggen wilt, of niet, want ik ben zeker dat ik het nooit raden zou. al probeerde ik het ook den geheelen nacht.quot; „Wel nu hi hi — hi!quot; zeide Magnus, met een beschroomd lachje: „wal. zoudtgij wel denken, mynheer Pickwick i als ik hier gekomen was, om een huwelyksvoorstel te doen?Hi hij hi!quot; „Denken ? Dat gy zeer veel kans hebt om een gunstig antwoord te krijgen,quot; antwoordde Pickwick op zijn goedhartigsten toon. „Inderdaad?quot; hernam Magnus. „Zoudt gij dat waarlijk denken? In ernst? Zonder gek-| heid?quot; „Waarlijk en zonder \'-rekheid,quot; antwoordde Pickwick. „Welnu,quot; zeide Magnus, „dan /.al ik u tot vertrouwde van een klein geheim maken. Ik tu.uik zelfs geene zwarigheid om u :e zeggen, mijnheer Pickwick! hoewel ik vreeselyk ja-loorsch van aard ben dat de juffer hier in huis is.quot; „Daarom zijl gij dan vüórdenetenzoodikwyls • i kani\'T nil-quot;loopen ?quot; Z\' ide Pickwick schalkachtig. „SI! Ja. ey hebt gelijk, maar ik was zoo mal niet, om haar nu te willen spr-. ken,quot; „NTiet ?quot; ■■n\' Dat zou niets geven nu ik /•gt;\'• pas j van reis ben gekomen. Ik wacht tot mi r-: gen; dan heb ik eens zooveel kans. In dien zak : mynhei r l\'i»-kwiek! heb ik ei-n pak kli \'-ren, en in die doos quot;en hoed, die ik geloof, dat mi; van onbelaalbaren dien-a zull\'-ii wezen om etfgt; et te maken. «Jij zult wel gezien luibben hoeveel zorg ik er vandaag voor gedragen hfb; want ik geloof mijnheer! dat zulk\'...... pak klo- ren en zulk een ho-d voor geen geld terug te kri jgen zou-d- n zijn.quot; 1\':\' kwiek wi n.si-hte dlt; !i cig\' ii tardlt;-r on; eliat-ban* kb \'i \'it .-«hik met hun bezit.: en Magnus seheen v\'gt;-«r een poos in di\'-ji gepeins verzonken. „Het is ••\'ii b\'/eldsehoon meisje.quot; zeide hij ; euidelijk. .,/oo watrliik!quot; » idc Pickwick. |
„Zonder weerga, hernam Magnus, „Zij woont eeaiige uren hier vandaan, mijnheer Pickwick! Ik hoorde, dat zij van avond hier zou aankomen, en morgen den geheelen voormiddag hier blijven: en ik wilde zulk eene gunstige gelogen-heid niet verzuimen. Ik ben van gedachten, myn- ! leer! dat eene herberg juist de rechte plaats is ■ om eene Juffer een huwelijksvoorstel te doen. | Op reis moet Zij het eenzame van haar toestand nog meer gevoelen dan te huis. Denkt gij dat ook niet, mijnheer Pickwick. „Het komt mij zeer waarschijnlijk voor,quot; antwoordde deze. „Neem mij niet kwalijk, mijnheer Pickwick,quot; hervatte Magnus; „maar ik ben een beetje nieuwsgierig van aard. Waarom zijt gij toch hier gekomen ?quot; . Om e\' ne veel m inder aangename roden,quot;antwoordde Pickwick, wiens gelaat bij deze herinnering eene hoogere kleur aannam. „Ik ben hier gekomen, mijnheer! om de valschheid en boosheid te ontmaskeren van iemand, die myn vertrouwen op de schandelijkste wyze heeft misbruikt.quot; „Lieve h\'.\'inel;quot; zeide Magnus: „dat is inderdaad iets zeer verdrietigs. Het is eene dame, | niet waar .\' O, ik heb he al gemerkt. Maar ik zou uw gevoel niet willen kwetsen door verder ti-. vragen. N\'een, noen, mijnheer! zulk een onder- ; werp is tquot; smartelijk. Bekreun u volstrekt niet om mij, mijnheer Pickwick! indien gij uwe aandoeningen lucht wilt geven. Ik weet ook, wat ; hot zegtdoor eene bemindobedrogen te worden, mynheer! ik heb dat reeds drie of viermaal ndervonden.quot; .Ik ben zeer verplicht voor uw modelijden i met mijn vermeend ongeluk,quot; zeide Pickwick, terwijl hij zijn horloge opwond, on het op do tafel voor zich legde; „maar . . . ,quot; „Xe. n, neen!quot; riep Magnus uit; „geen woord meer. Het onderwerp ontroert u to zeer; dat zie :!: v..-:. li-..- laat is het, mijnheer Pickwick?quot; gt;ver twaalven.quot; .. Lieve heincl! dan moetik naar bed. Het zou niet raadzaam wezen, laat op te blijven. Ik zou er morgen bleek van kunnen zien.quot; Vol vree - voor zulk eene ramp, trok Magnus aan de schol, en nadat hij zijne bagage naar z ijn slaapvertrek had laten brengen,b\' gafhij zieh, met1 en blaker ittdo hand, op weg naar den eenen kant van het huis; terwijl l\'ickwiek,insgelijks j van ivn blaker voorzien, oen meid Volgde,dié hem di\'quot;!\' een doolhof van gangen naar don an-j deren kant, bracht. „!gt;!\' - uw\' I ainei-. niijnhe\'-r!quot; zeide de mejil. ..i.roed,quot; /.\'Me Pickwick, terwijl hij om zich he.-n z.ig. 11\';t was eeTi tamelijk ruim vertrek, | me\' : .vee ledikanten en een vroolijk brandend vuur iti den haard: over het geheel zag het or | vei\'l lquot; tor uit, dan Pickwicks korte ondervin-ling van dee-quot;rlefeliJkhedon, die in hotGroote | |
GEZELSCHAP. 130
ONVËRWACri\'l
|
; Witte Paard te bekomen waren, hem had doen verwachten. „Er slaapt toch niemand in dat andere bed 1 zeide Pickwick. „Wel neen, mijnheer!quot; „Goed! Zeg mijn knecht, dat hij mij morgen om halfnegen wat heet water moet brengen. Van nacht heb ik hem niet meer noodig.quot; „Goed mijnheer!quot; En daarmede wonschte du meid Pickwick goedennacht en liet hem alleen. Pickwick zette zich op een stoel bi,j het vuur neder, en dacht na over de voorvallen der laatste dagen, totdat hij op het punt was om in slaap te vallen. Hij besloot daarom naar bed te gaan, en wilde zich juist gaan ontkleeden, toen hij zich herinnerde, dat hij zijn horloge beneden op de tafol had laten liggen. Hij was zeer aan dit horloge gehecht, dat hij reeds eene reeks van jaren in zijn vestzak had bij zich gedragen; en hij begreep, dat hij onmogelijk zou kunnen slapen, indien hij het niet onder zijn kussen of naast zijn bed hoorde tikken. Daar hij evenwel zoo laat in den nacht niet wilde schellen, deed hy zijn rok, dien hij juist had uitgetrokken, weder aan, nam zijn blaker op, en ging stil naar beneden. Hoe meer trappen hij afklom, des te meer scheen hij er nog te moeten afklimmen; en toen hij een nauwe gang doorging en zich reeds verblijdde, dat hij eindelijk beneden was gekomen, vond hij aan het einde- nog een trap. Eindelijk kwam hij toch beneden, en nü dwaalde hij ci n aantal gangen door, en keek eene menigte kamers in, totdat hij eindelek, juist toen hij zijn voornemen wanhopig wilde opgeven, de deur van het vertrek opende, waarin hij den avond had doorgebracht, en zijn horloge op do tafel zag liggiu. Vol blijdschap gre ep hij het op, en ging hij zijn slaapvertrek weder opzoeken. Was echter zijn reis naar beneden vol bezWaren en twijfelingen geweest, op zijne terugreis geraakte hij in nog veel grooti-re verlegenheid. Reeksen van deuron, waarvoor laarzen van allerlei trroot te en ma a k-H op de wacht stonden, strekten zich in alle mogelijke richtingen uit. Wel twaalf malen gebeurde het, dat hij de kruk een er deur had omgedraaid, die hij voor de zijne hi^ld,\' n eene grove stem met een „wie duivel is daar?quot; of ..wat moet je hebben?quot; hem met verwonderlijken spoed op de teenen deed wegsluipen. Hij begon wanhopig te worden, toen ec neopen-laan-dé deur zijne aandacht t rok. Hij keek naar binnen -- oindi\'iijk was hy te recht. Daar stonden de twee ledikanten, welker plaatsing hij zich duidelijk herinnerde, en hei vuur brandde- mnr. Zijne ka n -, reeds niet lang toen hij die had gekivgen wa.-i door den tocht in de Ltungen alireloopen, ■ n giiiij; uit oji het pogenbük, dal hij do deur aehl r zich sloot. ,, I lei komt er niet op aan,quot;\'zeide hij bij zich /.elven : „ik kan mij bij het licht van het. vuur wel ontkleeden.quot; |
De ledikanten stonden aan weerszijde van de j deur, en achter elk ledikant was eene smalle | ruimte, waarin een matten stoel stond, zoodat men, indien men verkoos, van achteren in bed I kon stappen. Nadat hij de gordijnen van zijn ledikant aan de voorzijde had dicht geschoven, zette hij zich op den stoel neder, en trok langzaam ! zijne schoenen en slobkousen benevens zijn rok en vest uit. Daarop deed hij zijne das af, en zette op zijn gemak zijne slaapmuts op, die hij gewoon was met een paar bandjes onder zijn kin vast te strikken. Zoover was hij gekomen, toen hij door een zeer onverwacht voorval in zijne bezigheid werd gestoord. Er trad namelijk iemand meteen kaars in de hand de kamer binnen, en zette, na de deur gesloten te hebben, het licht op de tafel neder. Pickwick luisterde met angstvallige verbazing. De onbekende, wie het ook wezen mocht, was met zoo weinig gedruisch en zoo onver wacht binnengekomen, dat Piek wiek geen tijd had om te roepen of de deur vast te houden. Wie kon het zijn? Een dief? Zou misschien iemand, 1 die hem met een horloge in de hand naar boven j zien gaan, op booze gedachten zijn gekomen? [ Wat zou hy doen ! De eenige manier, waarop Pickwick zijn ge-hoimzinnigen bezoeker kon te zien krijgen, zen-dor groot gevaar te loepen, dat hij zelfgezien werd, was in het ledikant te kruipen en aan den anderen kant tusschen de gordijnen uit te kijken. Tot dezen maatregel nam hij derhalve zijne toevlucht , Terwijl hij met zijne hand do gor-dijnen zorgvuldig dicht hield, zoodat er niets te voorschijn kwam dan zijn gezicht, zijn bril en zijne slaapmuts, verzamelde hij al zyn moed, en keek uit. Pickwick viel bijna in zwym van ontzetting. Voor den spiegel stond eene dame van middelbaren k-cllijd, druk bezig met hour haar op te ntrijkon « n in gele papillotten te wikkelen. Op welke wijze zij ook in de kamer rechtgekomen zijn, het was duidelijk,dat zij voornemens was den geheolen nacht daar b1 blijven; want zij had eene nachtkuars ne t i;tai scherm medegebracht, welk\'; zij met lofwaardige voorzichtigheid voor brand, op lu t midden van elcii vloer in eene kom met wate r had nedergezet. De) geheele toestel had veel van eone iviisneluigo vuurbank in een \' zeer kléin zootji-. „De- h\'-ine l sta mij bij!quot; dacht Pickwick. „Mov I veo -chrikkelijk !quot; „Hm!quot; zeido de elame; e\'n In-: hoofd van , I\'ie kwiek verdwe-en achter de gordijnem mot de\' snelheid van i-i-n automaat. „Zulk een ontzettend voorval he1!) ik nog nooit, beleerd,quot; daclil de; arme l\'ie-kwiek, terwijl liet kouel\'■ /.we.-i onder zijne slaapmuts pandde. ; .. Nooit! Het is i iselijk.quot; Het was lean evenwel onmoge-lijk zijn ve-rlan-geii t- bedwingeiï om te zie-n wat er voorviel ; en li ij siak\' derhalve zijn hoofd weder buiten. De |
140 SAMUEL
|
toekomst liet zich nog donkerder dtin )lt;.• voren. [)lt;• dame had hiire units opgozot, «.•n .itaarde peinzend in liet vuur. „Do zaak wordt onrustbarend,quot; redeneerde l\'ickwick by zieh zelvi n. ,ik kan (lit onmogelijk zoo laten voortgaan. Aan do !gt;• laardheid van deze dame kan ik duidelijk zien, dat ik in eene verkeerde kamer moet gekomen zijn. Ais ik i.-gun haar spreek, zal zij het gohlt;\'ellt;! huis in op.schud-ding brengen; en als ik hier blijf, zullen de gevolgen nog erger zijn.quot; Het zal onnoodig zijn te ze\'j-ren, dat Pickwick zoo zedigen kiese h was, als eon sterveling slee hts wezen kan. Het denkbeeld, dat eeiie dame zijne slaapmuts zien zou, was genoeg om hem van zijn stuk te brengen; maar hij had do verwensch-te bandjes in den knoop getrokken,en hij mocht doen wat hij wilde, hij kon de muts niet van zijn hoofd krijgen. Hij moest zich evenwel ontdekken. Er was nog slechts e-se manier om dit te doen. Hij verschool zich weder achter do gwr.ii.i-nen, en zeide hardop; „Ha -- hm!quot; Dat de dame van dit onverwacht geluid schrikte, bleek duidelijk daaruit, dat /.ij het scherm van haar nachtblaker (iïnverstiet. Hat 1 zij zich zelve overreedde, dat dit geluid het uitwerksel haror verbeelding moest anwei stzijn, bleek weldra oven duidelijk; want toen l\'ickwick, j doodsbenauwd dat zij flauwgevallen was, hei waagde om m-g eens uit te kyklt;- n, slaardezij ■ weder evenals te voren peinzend m he* vuur. „Zij moet e no zeer anv- • .-r!ir kk- u vrouw wezen,quot; die ht Pickwick, terwijl hij zijn hie.id binnenhaalde. „Ha hm!quot; | Deze klanken, zoo gelijk aan die, waarmede, volgens het sprookje, de wilde reus Bluuderboro ^ woon was te- kennen te geven, dat de ia!\'. 1 i moest gedekt worden, waren al te duidelijk hoorbaar, om ze nogmaals voor eenuitvverksi ! , der verbeelding te houden. „De heim-l zij mij genadi-jr!quot; z-ide de\'lanv-; : „wat, is dat?quot; Het is het is het is inaar n u hlt;-quot;f, meju (Trouw !quot;/.eide l\'ickwick achter de gordijn, n. ..Men hei • !quot; riep de dame moteou ij-, lek. n -■:!. „Nu ben ik v rloreM,quot; dacht Pick\'.sii k. „Men vreemde man!quot;gilde d dame. Xoir een olt;e^enblik, en zij zou ht t huis in opschudding brengen. Hare kleed.-ren rit-lden, t\'.rwij! zij naar de d. ur snelde. „Mf juffrouw!quot; zei Ie. Piek wie; . in d- l»-dwel-ming zijner wanhoop -\'ijn h- ofd buiten se nde; .. Mejutlrouw!quot; Hoewel hij met dit bedrijf geen bepaald oogmerk had ..r. iiad, had het echter.. n zeereeluk k e.r gevolg. Dt verschijning van Pek wiek\'s slaapmnts deed de dame. di- opliet punt was om naar buiten te snellen, in den vei - •-n hoek van liet verm-k terugdeinzen, van w i.-Jf zij l\'ickwick vol -chrik • ii V-quot; Inzing blei aar. 1 ; ■ li. terwei des haar insgelijks Vol ontzetting aanstapte. |
„Rampzalige!quot; zeide de dame, terwijl zü hare handen voor de oogen hield. ,.wat wilt gij hier!quot; „Niets, ine.juilVouw! in het geheel niets,quot; antwoordde Pickwick ernstig. „Niets?quot; herhaalde de dame terwijl zij opzag. „Op mijne eer, me.jufl\'rouw! niets,quot; zeide Pickwick, en knikte daarbij zoo nadrukkelijk met zijn hoofd, dat de pluim van zijne slaapmuts begon te dansen. „Ik sterf bijna van schaamte, mejuftVouw! dat ik eene dame met mijne slaapmuts op moet aanspreken (hierrukte zij de hare haastig af); „maar ik kon ze niet van mijn hoofd krijgen.quot; (Ten bewijze van dit gezegde trok hij aan de pluim.) „Het is maar al te duidelijk, mejuffrouw; dat ik deze slaapkamer verkeerdelijk voor de mijne heb aangezien. Ik was hier nog geen vijf minuten geweest, m- juffrouw, toen gij plotseling binnenkwaamt.quot; Indien dit onwaarschijnlijke verhaal inder-1 daad waar is, mijnheer,quot; zeide de dame, geweldig snikkende, „verwijder u dan terstond.quot; „M. \' lu-i er.\'ötste pleizier, mejuffrouw 1quot; hernam Pickwick. „Dadeli; 1lt;. iiiijnh. - r!\'quot; zeide de dame; „of—quot; „Op het oogenblik, rn juffrouw Iquot; viel l\'ickwick haar srn-l in de rede; „op het oogenblik. iiij spiit. mij zeer, mejuffrouw!quot; vervolgde hij, to n hij aan het voeteneinde van het ledikant i te voorschijn kwam, „dat ik do onschuldige | oorzaak van dezen schrik ben geweest; het spijt mij ontzettend, en Do dame Wets naar de deur. Deze benarde j e nisia i eii-rheid deed éen schoon en trok van Pickwick\'s karakter met bijzonderen luister uitblirt-kgt;\'U. Hoewel hij in zijne haast, evenals eono oude nachtwacht, zijn ho- d over zijne slaapmuts ! had op.\'--;\', t, en daarbij zijn. schoenen en sleb knusen ie de hand en zi.in rok en va-stover zijn aria .Iroeg, kort nic \'sliein zijne gowoné beleefd-11eid doen verheien. .li.- spijt mij ontzettend, mejuffrouw P\'zeido nij nie-, . one zeer diepe buUiiinr. „Indien dal, zoo i -, mijnhe-r, laat inij dan ■ oud a s- en Iquot; zeide dlt;gt; dame. tegenblikk» lijk, mejutfrouw!!\'hernam Pickwick, terwijl hij de deur opende, en daarbij ziji .- . a ..-nen ne t eöri harden smak op den gr-.ad Ie vallen, „ik hoop, mojUfVrotlW,quot; ver-hij, terwijl hij zijne schoenen weder opraapte, • n z:-h omkeerde om nog eens te liuiu\'en. ..ik hoop, mejuffrouw, dat mijn onbe-spr le n kar.ik\'er .-n de eerbifd, di\'-n ik vooruwe . kse k quot; -\'■. r. mijzullen vrijwaren....\'\'.Maar voor-lat bij kon ei:-preki-n, duwde de danii heinde . .er e . e de deur voor zi.in neus dicht. 11.» vei-\', led. n tot teyii denheid Pickwick ook h.-igt;ben niochl, dat hij i\'ne! zoo weinig ongo- i,i - -en uit /.uil e,ai netelig geval was verlost, was zijn ■■ eenwoordisjentocstand toch geenszins oenijdeTiswaardig. Allf eti en half gekk-ed stond hij, n het midden van den nacht in de gang |
XIII.
HIT DE VKRLECiENIirilD GEHEl
Ml
|
van een vreemd huis. Dat hij in hot donker /ij\'nc kamer/.on kunnen vinden, helgeon hü f-ne poos geleden niut ciais lijc-t bo hulp flt;gt;nor kaars had kumirii doen, was Jang niet waarschijnlijk on indien hij iiij /.ijno vruchtoloo/.i\'poging om zulks te doon, het minste goruclit maakte, liep hij gevaar, dat een of ander waak/aam rci/.iu\' i\' hom een kogel iu het lijf joeg liij kon niets boti;r doi. n, dan Mijven waar hij was totdat de dag aanbrak. Nadat liij op den tast eonig» schroden was voortgegaan en t«t zijn schrik, over verscheidene laarzen had gestruikeld, zotte hij zich derhalve in een hóek neder, om met zooveel geduld als hij kon, den dagraad af te wachten. liij behoefde echter zijn geduld niet zoolang te rekken; want hij had pas korten tijd in zijn hoek gezeten, toen hij, tot zijne onbeschrijfelijke ontzetting, aan het einde van do gang i- tnand met een licht zag aankomen. Zij no vree.sging echter spoedig in blijdschap over. toen hij/.i,;n getrouwen bediende herkend-•. He; was inderdaad niemand anders dan Samuel Wel lor. dk-nu eerst naar bed wilde gaan, daar hy opgeblo ven was om wat met den knecht te praten, die naar de aankomst dor nacht-diligonco moest wachten. „Sam!quot; zeide Pickwick, eensklaps te voor schijn tredende; „waar is mynslaapvertrek?quot; Sam staarde zijn meester met onbeschrij f\'-iijko verbazing aan, het wagt; eerst tötn lt;leze zijne vraag driemaal had herhaald, dat liij zich omkeerde en vooruitging naar het lang glt;-/, ichte vertrek. „Sam!quot; zeide Pickwick, toen hij in bed stapte, „ikhebmy van nachtopzulkecnebuitenL;. wono manier vergist, als ik nog ooit i:vhoord hel).quot; „Dat lijkt wel, mijnheer,quot; hernam Sam droogjes. „Maar ik heb vastbesloten, Sam,quot; zei ie. Pickwick, „dat ik, al blijf ik zes maan en in dit huis, er nooit meer alleen door.M.quot; „Dat is het voorzichtigste, dat gij doen kunt, mijnheer!quot; antwoordde sam. „Hetis altijfl goed, dat gij iemand hebt om op u te passen, als uw verstand eens op den loop gaat.quot; „Wat meent gij daarmee, Sam ?quot; vroeg Pickwick. HU kwam overeind, ging weder liggen, en wenschte zijn knecht goeilehnacht. „Goedennacht, mijnheer\'.quot; /,gt; ide Sam. Toen hij buiten do deur was gekomen, bleof hij staan — schudde zijn hoofd - ging eenige stappen voort - stond stil snoot zijde kaar schudde, wederom zyn hoofd - en begaf zich eindelijk naar het sohelt; n in oen diep gepeins verzonken, naar zijm kanier. |
WAARIN SA MI\' Kt. WKI.i.r.K EEN 10» VOORI.OOElGK MAATKKfil-.I.K.N jNKCMT. OM ZMNK Si Hl\'1,1 gt; AAN .11\' li KM I AS TUOTTBB A I-\' TB DOEN. Vroeg in den morgen, welke op den merk-waardigen nacht volgde, die door liet avontuur van l\'ickwick en de dame nn t de gele papil-lotton werd gokentoekend zat de oudé |V el Ier, in eene kleine achterkamer zich gereed to maken voor zijne reis naar Londen. Ilij zat in eene zeer gnsiige houding om zijn portret te laten schilderen, en hier is het. IL i is zo\' r wol mogeiyk, dat Weller\'s proflei in zijne jeugd oen stouten en sprekende omtrek had gehad; doch ten gevolge van zijn bijzonder voedzamen leefregel en zijne onverschilligheid voor do rampen en wederwaardigheden des levens, was zijn gezicht zoo geweldig uitgezet: en niet zooveel vetoverladen, dat, wanneer men zijn f.elaat niet viak van voren beschouwde, net zeer moei.dijk was, iets anders te onderscheiden, dan do punt van een ronden en rooden neus Dezelfde oorzaken hadden bij zijne kin n\'g eene deftige onderkin go voogd..; en zijne kleur vertoonde de eigenaardige afwisseling van tinten, welke men slechts bij hei ren van zijn beroep of bij halfgaar biefstuk kan waarnemen. Om zijn hals droeg hy ei n donkerrooden doek, dien hij zoo hoog om zijne kin wikkelde, dat het moeielijk was, de plooien van den doek en die van de kin van elkander te Ónderscheiden. Hieroverdroeg hij een lang vest met breede roode strepen, en daarover wed- rum een groenen rok, met groote koperen ; knoopen versierd, van welke de twee knoopen i op den rug zoover van elkander stonden, dat niemand zich kon beroemen, dat liij die ooit te g lijk had gezien. Zijn haar, dat kort, glad en zwart was, kwa m even ónder den broeden rand van zijn lagen hoed te voorschijn. Zijne beenen s;aken in eene korte broek en kaplaarzen, i n d-no koperen horlogeketting meteen cachet on sleutel van hetzelfde metaal,bengelde onder zijn broeksband. Wij zeiden, dat de oude heer Weller zich gereed \'maakte voor zUn tocht naar Londen: hU was li\'-zig met proviand in te nemen. Voor hem op de tafel stond eene kan bier naast een stuk kond vl\' i sch en een lang brood waaraan hij beurteling .met ge i ren ge onpart ijdigheid, zijne aandacht schonk. Hij had juist eene dikke snede van het laood afgnsooden, toen de voetstappen van iemand, die de kamer binnentrad, hem deed opzien. Hot was zijn zoon, die voor hem stond. „Morgen, simpje!quot; zeide de vader. Do zoon beantwoordde di* n groet en nam daarop eene tiksche teug uit de bierkan. „Het spijt my machtig, Sampje,quot; vervolgde de v uier, nadat hij insgelijks cfn slok had genomen, „het pij! mij machtig, lt;iat ik van u hooren |
SAM 1\'EL PICK WK \'K.
|
moot, dat gij u doordien kerel iiictzijii bruinen rok hebt laten bedotten. Ik had nooitgedaclit, dal iemand h i p ueiim _■ was, oni on Jonden, die i VVodier heet, zoo beet t( nemen, nooit,quot; «Keno weduwe natuurlijk uitgezonderd,quot;/ride Sam. pi\'-ene weduwe, Sampjelquot; hernam de oude Wol lor, terwijl hij een weinig verkleurde, „eene weduwe maakt eene uitzondering op alle regels. | Ik heb wel eens gehoord, met hoeveel andere I vrouwen eene weduwe gelijk staat wanneer het | er op aan komt, iemand beet te nemen. Ik | geloof vijf en twintig, maar ik weet niet zeker, \\ of het er meer waren.quot; „Nu ja,quot; zeide Sam, „ik had beter nv eten ; oppassen.quot; j „Beter inocton oppassen ?quot; herhaalde do oude ; Wolier, terwijl hij met zijne vuist op do tafel | sloeg. „Ja, zeker hadt jrij beter moeten oppassen. 1 Ik ken een jongen, die niet de helft of het vierdepart van uwe opvoeding heeft gehad, en zich toch nooit zoo zou laten bedotten. Dat. zeg ik, Sampje,!quot; In de opgewonden stemming, waarin deze verdrietige gedachte hem gebracht had, stond de oude Wolier op, schelde en be-l stelde nog c-n pint bier, „Het helpt niet, of wij er nu over praten,quot; i zeide Sam. „Hot is voorbij en niet te veranderen, 1 | dat is een groote troost, gelijk zij altijd in I T u r k ij e zeggen, als zy een verkeerden den kop ; ! hebben afgeslagen. Het is nu mijne beurt, en j als ik dien Trotter wgt; der onder mijn bereik krijg, 1 zal hij er ntet zonder kleerscheuren afkomen. | Ik zal het hem duchtig betaald zetten.quot; „Dat hoop ik, Sampje, dat hoop ik,quot; hernam • de oude Weiier. „Dat is op uwe gezondheid, en dat gij spoedig deschande moogt uitwisschen, die gij de familie hebt aangedaan.quot; Het bekrachtigde dezen wensch met eene teug, die omtrent twee derde van do versche pint uit d( kan 1 deed verdwijnen, en reikte het overschot zijn zoon toe, die het aanstonds naar binnen zond. „En nu, Sampje,quot; hernam de oude Weller, „moet ik naar het kantoor, om de vrachtlijst te halen en naar hetopladentekyken; war.teene diligence, Sampje, is net als oen jachtge weer, men dient goed naar liet laden tgt;\'zien als men er geen ongeluk mee wil krygen.quot; Deze vaderlij ke koetsier-grap word door .Samuel mot een kinderlijken glimlach beantwoord.Zijn eerwaardige vader vet volgde op c* nplechtigen toon; „Ik moet u nu verlaten, Sampje, en niemand W(11 wanneer ik u zal weerzien, Mi.-si hien heeft, uwe si.iefinoeie r mij den dood aangedaan, of misschien zijn er duizend andere ding. n «rebeurd, voordat -\'ij we\' r iets van mij te hooren krijgt, (jij moet deeor van de familie ophouden, Sampje! en ik hei) goede hoop, dat gij dit doen zult. Ziedaar, ik vertrouw u evengoed als mij zeiven; maar M,n raad moet ik u toch gevon. Al.-i gij [ ooit lioven de vijftig jaren oud wordt, en u de gt; lust. bevangt om te trouwen het is hetzelfde mei wie ^a dan naar uw eigen kamertje, als gij er een hebt, en neem eene portie rat tenkruit ; | in. Verhangen is gemeen; daar moet gij u niet ; mee ophouden. Neem rattenkruit, Sampje! rat- | tenkruit, en gij zult er naderhand blij om wezen.quot; |
Met deze aandoenlijke woorden zag quot;Wellerzijn | zoon strak in het gezicht, keerde zich langzaam om, en ging de deur uit. In de naden kende stemming, wel keditafscheid had teweeggebracht, verliet Samuel het O roe te Witte Paard, begaf zich naar de Sint-C\'lo-; mensk\'rk, en trachtte zijne droefgeestigheid te verd tij ven door eene wandeling in den omtrek van dat oude gebouw. Hij had eene poos rondgezworven, toen hij zag, dat hij in eene stille achterstraat gekomen was, of liever op een soort van plein, dat er zeer eerwaardig uitzag, en, gelijk hij nu ontdekte, geen anderen uitgang had, dan dt engte, door welke hy was binnengekomen, Hii wilde juist terugkeeren, toen eene onverwachte verschijning hem aan den grond scheen te nagelen. In zijn droefgeestige verstrooiing had Samuel nu en dan naar een der ouderwetsche huizen zijne igt;ogen opgeslagen, om een aardig dienstmeisje aan te zien, dat eene gordijn ophaalde of een venster opende, toen eene groene tuinpoort achter op het plein geopend werd, en een man daaruit kwam, die de deur zorgvuldig achter zich sloot, en daarop met snelle schreden de plek naderde, waar Sam stond. Op zich zelf was er in deze omstandigheid niets bijzonders; want in vele wereldstreken komen er mannen uit tuinen, sluiten groene deuren achter zich dicht, en gaan zelfs met snelle schreden heen, zonder daardoor iemands bijzondere aandacht te trekken. Het blijkt derhalve duidelijk, dat er in dezen man, of in zijne manier van doen, iets bijzonders wezen moest, dat Samuel\'s aandac ht trok. Of dit het geval was of niet, moeten wy aan de beslissing dor lezers overlaten, wanneer wij getrouwelijk verhaald hebben, hoe de bedoelde man zich gedroeg. Gelijk wij gezegd hebben, stapte hij met snelle schreden voort: maar zoodra hij Samuel in het oog kre\' j, bleef hij aarzelend stilstaan, alsof hij twijfelde wat hij doen zou. Daar hij echter do ..roene deur had dichtgetrokken, en do plaats slechts i. n uitgang had, beureep hij spoedig, dat hij niet kon vermijden Samuel voorbij te gaan. Hij nam derhalve zijn vorigen driftigen stap weder aan, en zag daarbij strak voor zich. Het zonderlingste van hem was, dat hy onder het gaan zijne gelaatstrekken op de wonderlijkste en afschuwelijkste manier in allerlei bochten wrong. Neoit werd het gewrocht der natuur door zulk een zeldzaam kunstvoortbrengsel onkenbaar e quot;maa kt, als dat, waarmede de man op dat oogon-bük zijn gezicht mismaakte. |
nNDKIMIOl\'D Tl\'sscllHN SAM WKLLKIl KN JliltKNffAS TKOTTKH.
|
„Tiet is raar,quot; zeidi\'Sam bij zich zi|yen. toeu de man naderde. „Ik had wel willen zweren, dat hij het was.quot; Moe dichter de vreemdeling in Sam\'s nabijheid kwam, des te afschuwelijker werden de u\'ezichteii, die hij trok. „Ja waarlijk,quot; zeide Samuel hij zich zei ven; „op dat zwarte haar en da t roodbruine pak zou ik wel willen zweren, maar ik heb nog van mijn leven zulk een gezicht niet gezien.quot; De grimassen maker was intusschen zeer dichtbij gekomen, en zijn gezicht was op zulk ene akelige wijze verwrongen, dat men er onwillekeurig van ijzen moest. Zijne kunst hielp hem echter niet; want Sam herkende nu de kleine oogen van Jeremlas Trotter te duidelijk, om langer te twijfelen. „Halt!quot; riep Sam met eene forsche stem. De man met het afschuwelijke gezicht stond stil, zag met groote verbazing naar alle kanten om zich heen, behalve naar den kant waar Samuel stond, en wilde verder gaan toen eene herhaling van het forsche „halt!quot; hem weder deed stilstaan. Thans kon hij zich niet meer houden, alsof hij niet wist van waar die «tem kwam, en daar hem niets anders overschoot,zag hij Samuel eindelijk vlak in hei gezicht. „Het helpt u niet, Jeremias Trotter! schei dus maar uit met die gekheid. Ge zijt zoo mooi niet, dat gij u zeiven met geweld leelijk behoeft te maken. Kijk recht uit uwe oogen, of ik sla zo blind, In plaats van scheel. Hoort ge ?quot; Daar Samuel zeer geneigd scheen om van woorden tot daden tekomen.zetteJeremias zijn en, sprong toen vroolijk op, en zeide: „Wat zie ik, mijnheer Walker?quot; „Ja!quot; hernam Sam; „machtig blij dat gij mij ziet, niet waar?quot; „Bly?quot; hernam Jeremlas,,,Och, Mijnheer Walker! hadt gij eens geweten, hoe ik naar deze fntmoetlng heb verlangd! Het is al te veel. mijnheer Walker! De blijdschap overweldigt mij.quot; Met deze woorden barstte Jeremias in een stroom Van tranen uit. sloeg daarop zijne armen om Sam heen, en drukte deze vol verrukking tegen zijne borst. „Laat los!quot; riep Sam, ten hoogste vergramd over dit bedrijf, en nut eene vruchtelooze poging om zich uit do armen van zijn harts-t.ochtelijken vriend te bevrijden. .. Laat los, zeg ik\' Wat hebt gij over mij te huilen, gij wandelende brandspuit?quot; „Omdat ik zoo blij ben, dat Ik u zie,quot; antwoordde Jeremias, terwUI l-ü, ziende dat Samuel\'s vechtlust begon te zakken, dezen langzamerhand losliet. „Ach,mijnheer Walker! het is te veel.quot; „Te veel?quot;herhaalde Sam. „Zoo denk ik er ook over. Wat hebt gij mij nu te zeggen he?quot; |
Trotter gaf geen antwoord: want hij had ge-zijne oogen af te drogen, nu te zeggen, voordat ik zeide Sam op dreigenden ............ o„ te zeggen?quot; „Ik, mijnheer Walker?quot; vroegTrotter vol onschuldige verbazing. „Noem mij geen Walker, ik heet Wolier; dat weet gij quot;wel. Wat hebt gij nu te zeggen ?quot; „Lieve deugd, mijnheer Walker! Weller, meen ik. Ik heb u zeer veel te zeggen, als wij maar eens ergens bij elkander zitten, waar wij op ons gemak kunnen praten. Als gij eens wist hoe ik naar u verlangd heb, mijnheer Weller......quot; „Dat zal hard zijn geweest, denk ik,quot; merkte Samuel droogjes aan. „O zoo hard,quot; hernam Jeremias, zonder te blikken of te blozen. „Maar geef mij de hand, mijnheer Weller.quot; Sam staarde hem een oogenblik aan, on toen, alsof hem eensklaps iets Inviel, voldeed hy aan zijn verlangen. „Hoe vaart uw goede bravo meester ?quot; zeide Jeremias. „Dat is nog een eerwaardig man mijnheer Weller! Ik hoop dat hij geen kou vatte in dien vreeselijken nacht?quot; Het oog van Jeremlas nam voor een oogenblik zulk eene schelmachtige ulterukking aan, dat Sam zijne vuisten met geweld moest vasthouden, zoo heftig was zijn verlangen, om die met do ribben van Jeremias kennis te laten maken. Hij bedwong zich evenwel, en antwoordde, dat zijn meester zeer wel voor. \' .0 daar ben ik blij om,quot; hernam Jeremias „Is hij hier?quot; „Is de uwe hier?quot; vroeg Sam, bij wijze van antwoord. „Ach ja! hij is hier, en — het spijt mij, dat ik het zeggen moet, mijnheer Weller! — hij maakt het hier nog erger dan voorheen.quot; „Zoo, zoo?quot; zeide Sam, „IJselijk gruwelijk!quot; zuchtte Trotter. „In eene kostschool?quot; vroeg Sam. „Neen, niet in eene kostschool,quot; antwoordde Jeremias, wat denzelfden schelmachtlgen blik, dien Sam reeds eenmaal had opgemerkt. „In het huis met die groene deur?quot; vroeg Sam. zijn makker scherp aanziende. „Neen, daar niet, daar niet,quot; antwoordde Jeremias, met (ene snelheid, die bij hemiotszeer ongewoons was. „Wat deedt gij daar dan?quot; vroeg Sam met een scherpen blik. „Misschien bU ongeluk binnen do deur gekomen — he?quot; * „Mijnheer Weller!quot; zeide Jeremias; „ik heli er niets togen om u mijne kleine geheimen te vertellen; want gij weet wel, hoeveel zin wij in elkander kregen, toen wij elkander voor de eerste maal ontmoetten. (lt;ij herinnert u nog wel hoeveel plelzier wij op dien ochtend samen hadden?quot; doen met „Wat hebt gij mij u cle hersens insla? toon. „Wat iiebt gij nee; |
SA Ml KI, PICKWICK.
III
|
„Ja wel, „VVat nu?\' Welnu I hernam .Icrenii.-is zei r langx.nam, en op den fluisterenden toon van iemand, die een gewichtig geheim openbaart: „in dat huis niet di\' groene tuinpoort houden zü een aantal bedienden, mijnheer Wel Ier 1 en daaronder eene keukenmeid,dieeen aa rdigsi imnietjeheoft bijeen-gespaard, waarvan zij, als zij een goed huwelijk kon doen, een komenijswinkeltjo zou opzei i e\'n, begrijpt gij? Ik heb haar het eerst gezien in de kerk, waar zij gewoonlijk naar toe gaat -een zeer net kerkje, niynlu er Weller, waar do liederen gezongen worden, die ik gewoonlijk bij mij draag. Hij hebt zeker dat boekje wel eens gezien. Ik raakte met haar bekend, mijnheer Weller! en nu is het al zoo ver, dat ik\'in vertrouwen zeggen kan, dat ik binnenkort elt;. n kotnenijsman zal worden.quot; „(lij zult een raar soort van komenijsman wezen,quot; zelde Sam, terwijl hij Jeromias niet een blik vol di\' pen afkeer aanzag. „Het groote voordeel hiervan, mijnh. er Weller, zeide Jeremlas. terwijl hem de tranen in de oogen kwamen, „zal wezen, dar ik dan de dienst van dien slechten man zal kunnen vaarwel zeggen, en een beter en deugdzamer leven zal kunnen leiden meer overet-nkomsiigd\' manier, waarop ik ben opgevoed,quot; „Ik geloof, dat gy eene aardige opvoeding h? la gehad,quot; zeide S im. -Iv ne uitmuntende opvueding, mynln • r Wel-ler!quot;^ hernam Jeromias, die, toen hij zich de onschuld zyner jeugd herinnerde, zijn zakdi-\'-k voorden dag haalde en droevig begon te schreien. . Gij moet een lieve jongen zijn geweest,om mee naar school te gaan,\'\' zgt; ide Sam. „Dat was ik, mijnhe\'-r!quot; zeideJeremias met een diepen zucht, „Iedereen hiquot;ld evenveel van mij.quot; „Dat verwondert mij nier,quot; zeide sam. ,kn wat in iet uwe lieve mo- Ier van u u-shouden hebben Iquot; Op d-.ze woorden hield Jeremias zyn zakdook voor zijne oogen en begon opnieuw te schreien. at scheelt den man toch!quot;zeide Sam ne t verontwaardiging. „De waterwerken te\'\' h e 1 -. a zijn niemendal bi) hem. Waarom huilt gij nu? — 1 omdat gij zulk een schavuit /■, t g.-wordt n?quot; „Ik kan mijne aandoening niet bedwingen, mynheer \\V eller! \' antwoordiie Jsretnia „als i k er aan d\'-nk, dat mijn meester de lucht moest k i ij ge n, dat ik met den uwen had gesproken, en mij met geweld me lenam indiepostkquot;et.,s;lt; ii nadat hij di-- li v«gt;.j ingc-jufler had overp-.-d, om \'• te zeggen, dat zij hem ie t kende,end. schee; matres h el omgekneht om dat ook te zoggen. — dat hij ha tr totm liet zitten, om eene nog voordei ■ liger parti! te zoeken, - ach.mijnhf er Weller! ik kan er niet aan denken.quot; wa.s dat het geval?quot; zei-Ie .Sam. „Anders niets,quot; antwoordde Jerennas. y.eer goed, zcMe «am ougeduldit,\'. |
„Ik zou wel een beetje met u willen praten, Jeremias, \' zeide Sam, foen zij bij do herberg gekomen waren. „Als gij niets anders te doen i hebt, kom dan van avond om acht uur in het Groote Witte Paard.quot; „Gij kunt erstaatop maken,quot; zeide Jeremias. „Gij zoudt er wel aan doen,quot; hernam Samuel met een veelbeteekenenden blik; „anders zou I ik ii misschien aan de a ndere zijde van die groene tuinpoort komen opzoeken, en dan kon ik u die keukenmeid wel eens afvrijen begrijpt gij ?quot; „Gij kunt er staat op maken,quot; zeide Jeremias, drukte daarop Samuel met hartelijke warmte de hand, en verwijderde zich. „i\'as op, Jeremias! pas op,quot; zeide Sam, terwijl hy hem nazag, „of ik zal u ditmaal ieelijk beet nemen!quot; Hij bleef Trotter staan nakijken, totdat deze buiten zyn gezicht raakte, en begaf zich toen naar het slaapvertrek, vanzijn meester. „Ik heb het potje te vuur gezet, mijnheer!quot; zeide\' Sara. „Wat voor potje?quot; vroeg Pickwick. „Ik heb hem gevonden, mijnheer!quot; „Wien?quot; „Dien raren kerel, en dien huilebalk met zijn zwart haar.quot; „is hot mogelijk. Sa.m?quot; riep Pickwick uit. „Waar zijn zij? Waar zijn zij?quot; „Stil — stil!quot; hernam Samuel; en terwijl hij zijn me- ster hielp kleeden, deelde hy dezen het plan mede, oat hij reeds by zich zeiven had gemaakt. .. Maar wanneer zal dat gebeuren. Sam ?quot; vroeg Pickwick. -Alb\'* nu. tier; ijd, my n hoer!quot; antwoordde Sam. Of hot mettertijd gebeurde of niet, zal later blijken. XXIV. WAj\\ 1: [N\' l-,T[;-s MAGNUS JAl.OERSCH EN DE e.vneKKM.M-: DAME BAKU WORDT, EN DE NOODLOTTIGE OE VOLG EN DAARVAN VOOR DE Pi( KWICKISTEN. i ■ ■ a -vick nn.ar de kamer ging waar by en Magnus den vorigen avond hadden doorgebracht, vond hij daar dezen heer, die zich met het grootste gedeelte van den inhoud der twee reiszakken in staatsie had aangekleed, en thans vol onrust het vertrek op en neer wandelde. „Goedenmorgen, mijnheer!quot; zeide Magnus. „Wat dunkt n hiervan?quot; „iaat, zal effect: maken,quot; antwoordde Pickwick terwi. 1 hij rne; een goedhartigen glimlach zyn reismakker van liet hoofd tot de voeten bekeek. ..Ik geloof het ook,\' zeide Magnus. „Ik heb mij laten aandienen, mijnheer!quot; „Inderdaad?quot; zeide Pickwick. |
MAO NTS GAAT TE KADE BI.I PICKWICK.
„■la,quot; hernam Magnus, „on de knecht 1c wam : in\'ootspraak, door (•(•■nc zenuwachtige ongerust- j
terug met de boodschap, dat zij mij\'om eir uur heul was aangetast, waarvan het verlies van eet- I
zou afwachten, liet is nu kwartier voor elven.quot; lust, «•.■n«; nciginu- om het theegoed om te stooton,
„Dan begintde t^d te naderen quot;zeide Pickwick, l ( ene akelige poging om grappig te wezen, en j
„Dicht te naderen,quot; hernam Magnus, „zeer een onweerstaanbare aandrang om ieder oogen-
dicht al te dicht, om heel pleizierig to wezen! blik op de klok tezien, de voornaamste konteeke- !
dunkt ii dat ook niet, mijnheer?quot; non waren,
„Zelfvertrouwen is van veel belang in zulke i ..Ui lil hi !quot; lachte Magnus, opgeruimd- i
omstandigheden, merkte Pickwick aan. | beid veinzende, terwijl hy van-angst trilde. „Nog 1
„Dat geloof ik ook,mijnheer!\'quot; hernam Magnus, j maar twee minuten, mijnheer Pickwick! Ben ik !
..Ik ben ook gerust,mijnheeründerdaad,mijnheer I bleek ?quot;
„Niet bijzonder,quot; antwoordde Pickwick. Er volgde eene poos van stilte.
Noem mij niet kwalijk, mynheer Pickwick!quot;
ook wol eens iets gedaan?quot;
ij meent f en hu wel ij ksvoorstel gedaan ?quot;zei- | de I\'ickwick,
„Ja.quot;
„Nooit,quot; zeide Pickwick met bijzonderen na- j druk; „nooit.quot;
„Gij weet, derhal ve niet, hoe men het best een j begin maakt?quot; zeido Magnus,
I\'ickwick! ik kan niet begrijpen, waarom iemand in zulk een geval bang zou moeten wezen. Er steekt niets in waarvoor men zich behoeft te scha-
men. Het is eene overeenkomst tot wederzydsch zeide Magnus; „maar hebt gij in uw jongen tijd voordeel. De een krijgt eene vrouw, en de andere een man; zoo denk ik over de zaak,mijnheer Pickwick.quot;
Dit is een zeer philosopliisch denkbeeld, hernam Pickwick, „Maar het ontbijt staat te wachten, mijnheer Magnus! Kom!quot;
Zij namen plaats aan de ontbijttafel; maar het bleekspoedig, dat Magnus, niettegenstaande zijne
Xjickens, Samuel Pickwick.
|
146 SAMUEL PU „Ik In 1 ei4 wol oons ovi-r gedacht,quot; zeidc Pickwick; „maanhiarikmijnodenkbetsliloHninv j mor op de proef heb gi steld, wil ik u niet aanra- ■ den er u naar to richten.quot; „Met zou nitj toch/oor verplichten, als L,rij mij : den eenofuiideronr;iad wildot govon, mijnheer zeido .Magnuf, terwijl hij nog oen blik op de klok wierp, die thans vijf minuten over elven woes. ,, W\' lnu, ruijnhoürlquot;\' zi ido riokwick, mot dieii plechti\'.\'ou i-rriHt. waardoor hij zijn woorden zulk een onwoor.-jtaanbaren nadruk wist te geven; „Ik j zou ho-iiniu n, nüjnhei r! mot do schoonhoiii on de uitmun|i.ndo hoedanigheden derdamo mijne i hulde te bewijzen, on daaruit zou ik mijne eigene ; onwaardigheid afleiden.quot; ...Ja wel -- goed,quot; zeido Magnus. ,, Wel te verstaan, mijne onwaardigheid alleen in \' betrekking tot haar, mynheerlquot; hernam Pickwick, „want om te toonen dat ik geen volstrekt onwaardig persoon was, zou ik haar eene ; korte schets van mijn vroeger leven en tegenweer- j dige omstandigheden modedeelen. Daaruit zou ; ik het besluit, opmaken, dat ik voor iemand anders een zeer wonscheiük partuur zou zijn. Vervolgens zou ik over de warmte van mijne liefde en de diepte van mijn eerbied uitweiden. Misschien zou ik het dan ook wagen haar bij do hand te vatton.quot; „Ja, dat begrijp ik,quot; zeido Magnus; „datzou een punt van belang wezen.quot; „Dan zou ik,quot; vervolgde\'Pickwick, met toenemende warmte, naarmate het toonoel met levendiger kleuren voor zij ne verbeelding oprees, „dan zou ik, mijnheer! tot de eenvoudige en hartelijke vraag komen; „Wiltgij mij hebben!quot; Ik geloof wel te mogen onderstellen, dat zij hierop het hoofd naar een andoren kant zou keeren.quot; „Dat zou ik ook denken.quot;zeide Magnus; „want als zij dat niet op het rechte tijdstip deed, zou het mij geheel in de war brengen.quot; . Ik geloof zeker, dat zy het doen zou,quot; hernam Pickwick. „Daarop, mijnheer I zou ik hare hand drukken en ik donk, ik de n k. mynheer Magnus! dat ik vervolgens, altijd onderstellende dat de dame geen tegenzin in mij had, zachtjes den zakdoek zou wegtrek kon, dien zij, zoover ik uit myne geringe menschonkenniskanopmaken,op dat oogenblik voor hare oogen zou houden, en haar oen eerbiedigen kus ontroovon. Ik geloof\', dat ik haar kussen zou, mijnheer Magnus! en indien ik mij niet geheel bedrieg, zou de dame, indien zij mij hebben wilde, mij op dat oogenblik eeii schroomvallig ...la!quot; in het oor fluisteren. \' Magnus koek verwilderd Opj staarde Pickwick een oogenblik stilzwijgend aan, drukte hem daarop de hand, en (de klok stond reeds tien minuten over elven) snelde toen mot wanhopigen moed do deur uit. Pickwick had omtrent een kwartioruursaileon gezeten, toen do deur van het vertrek weder |
;kwiok\'. geopend word. Hij koerde zich om, indemeening dat Magnus terugkwam, doch aanschouwde, in | plaats van dezen, het vroolijke gezicht van Tup ! man, het openhartige gelaat van Winkle en de schrandere trokken van Stock wall. Terwijl Pickwick met hen sprak, kwam ook Magnus binnentrippelen. ..Mijne vrienden! do hoor, van vvien ik daar juist sprak, mynheer Magnus,quot;zeido Pickwick, „fw dienaar, mijne hoeren!quot; zeide Magnus, die blijkbaar zeer ontroerd was. „M ijnheer Pickwick! laat ik u een oogenblik spreken een oogenblik.quot; Dit zeggende, pakte hij Pickwick by een knoop | van zijn rok, en trok hem naar het venstor. „ Wensch mij geluk, mijnheer Piek wiek!quot; zeido hij. „Ik heb uw raad letterlijk gevolgd.quot; „En het is alles goed afgeloopen, niet waar?quot; vroeg Pickwick. j „Het kon niet beter,quot;antwoordde Magnus. „Zij is de mijne.quot; „Ik wensch u van harte geluk,quot; zeide Pick wick, i terwijl hij zijn nieuwen vriend de hand drukte. „Gij moot haar zien, manheer!quot; zeide Magnus. „Hierheen, als \'t u belieft! Verschoon ons een oogenblik. mijne heeren!quot; Dit zeggende, trok hij Pickwick mede, tot voor eene volgende deur in do gang, en klopte zachtjes aan. . Binnen!quot; riep eene vrouwenstem, en zij traden binnen. „Mejuffrouw Witherflcld!quot; zeide Magnus,! „vergun mij u myn byzonderen vriend, don hei r Pickwick voor te stellen! - mijnheer Pickwick, mejuff\'rouw Witherfleld.quot; De dame stond aan het andere einde van het ; vertrek, en terwijl Pickwick boog, haalde hij zijn bril uit zijn vestzakje en zette dien op; doch nauwelijks had hij dit gedaan, of hij deins | de met een uitroep van verwondering terug, terwijl de juffer met een half bedwongen gil haar\'gelaat in hare handen verborg, en op een stoel nederzonk, hetgeen ten gevolge had, dat Petrus Magnus als vastgeworteld op de plek staan bleef, en nu den eenon, dan do andere aanstaarde met een gezicht waarop de grootste schrik en verbazing geteekend stonden. Het to val was, dat Pickwick, zoodra hij zijn bril had opgezet, in de aanstaande mevrouw Magnus de dame had herkend, in wier vertrek hij don vorigen nacht verdwaald was geraakt, tei-wijl deze insgelijks het gezicht herkende, dat zij met het ijseiyke van oene slaapmuts had omringd gezien. „Mijnheer Pickwick!quot; riep Magnus vol verbazing uit, „wat beteekent dit?quot; — Watbotee kent dit, mijnheer?quot; herhaalde hij op een hielen , en dreigenden toon. , Mijnheer\'.quot;zeide Pickwick, eenigazins verontwaardigd over den gebiedenden toon, die Magnus 1 zoo spoedig aannam, „ik meen die vraag niet te beantwoorden.quot; |
KKN OUD BEKK.VDI\'I
1 r
|
„Niet, mijnheer?quot; zeido Magnus. „Noen,quot; hernam l\'ickwiek. „Ik ben niet voornemens een woord te zeggen, waardoor ik deze dame zou kunnen compromitteeren, of eeno : onaangename herinnering in haar gemoed op | wekken, indien zij niet zelve daartoe hare toe-I stemming geeft.quot; „Mejuffrouw Witherfleld!quot; zeide Magnus, „kent gij dien heer?quot; „Of ik hem ken?quot; herhaalde zij aarzelend. , Ja, mejuffrouw!quot; ik vraag of gij hem kent,quot; : zcide Magnus woest. „Ik heb hem gezien,quot; antwoordde zij. „Waar?quot; vroeg Magnus. „Waar?quot; „Dat,quot; antwoordde do dame, terwijl zij op-| stond en haar hoofd afwendde, „dat zou ik voor t de geheele wereld niet willen zeggen.quot; „Ik begrijp u, mejuffrouw!quot; zeide Pickwick, „en eerbiedig uwe kieschheid. Ik zal het nooit | openbaren; daar kunt gij u op verlaten.quot; „Op mijn woord, mejuffrouw!quot; zeide Magnus; „de betrekking, waarin ik ten opzichte van u geplaatst ben, in aanmerking nemende, moet ik zeggen, dat uwe koelbloedigheid bewonderenswaardig — inderdaad bewonderens-; waardig is.quot; „Wreede Magnus!quot; riep de dame uit, en vergoot daarop een vloed van tranen. „Pacht uwe aanmerkingen tot mij, mijnheer,quot; viei Pickwick er thans op in. „Ik alleen ben te laken, zoo er iemand te laken is.quot; „0! zijt gij alleen te laken, mijnheer?quot;her-I nam Magnus. „Ei, ei! Maar ik begrijp zeer wel, waarom gij nu zoo spreekt. Gü hebt berouw over uw voornemen, niet waar?quot; „Over mijn voornemen?quot; riep Pickwick uit. „•Ia zeker,quot; hervatte Magnus. „Gij behoeft mij zoo verwonderd niet aan te kijken. Ik weet nog wel, wat gij gisteravond gezegd hebt. Gij waart hier gekomen, om de valschheid entrou-: weloosheid te ontmaskeren van iemand, die uw vertrouwen had misbruikt, niet waar?quot; IBij deze woorden lachte hij zoo schamper als hij kon, nam zijn blauwen bril af, dien iiij, bij deze tegenwoordige vlaag van jaloezie, waarschijnlijk voor j overbodig hield, en liet zyne kleine oogen op i eene akelige manier door zijn hoofd rollen. „Niet | waar?quot; herhaalde hij nog eens,enlachtte daarop weder, nog hoonender dan eerst. „Maar gij zult : ur voor boeten, manheer!quot; ,Waarvoor boeten?quot; vroeg Pickwick. „Wacht maar, mijnheer! wacht maar!quot; zeide Magnus, terwijl hij met haastige schreden do i kamer op en neer stapte. Pickwick opende de deur van het vertrok,stak ^ijn hoofd buiten,en riep: „\'Pupman, Tupman!quot; Terstond daarop trad Tupman, met een tame-\'ijk verwonderd voorkomen, do kamer binnen. ,/Iupman!quot; zeide Pickwick: „een eeniger-kiesch geheim, waarin deze darne is betrok- : ken, ia de oorzaak van een geschil, dat zooeven |
tusschen dezen hoeren mij is ontstaan. Wanneer ik hem, in uw bijzijn, verzeker, dat het hem niet aangaat en geene betrekking op zijne zaken heelt, zat ik u nauwelijks behoeven te zeggen, dat hij, indien hij het geschil blijft voortzetten, een wantrouwen omtrent mijne waarheidsliefde te kennen geeft, hetwelk ik als ten hoogste be-leedigend zal beschouwen.quot; Dit zeggende, wierp hij Magnus een blik toe, waarin eene geheele eneyclopedie lag opgesloten. Pickwick\'s rondborstige en mannelijke taal had gewis ieder verstandig mensch moeten overtuigen ; maar ongelukkig was het verstand van Magnus op dit oogenblik voor geene redelijke overtuiging vatbaar. In plaats van Pickwick\'s verklaring op te nemen, gelijk by had behooren te doen, blies zij zijne drift tot eene gloeiende hitte aan, en begon hjj te redeneeren over hetgeen men zijne oer verschuldigd was, en meer dergelijks, terwijl hij zijne reden klem gaf, door driftig op en neer te stappen en aan zijne hax\'en te trekken; welk een en ander hij tusschenbeide afwisselde door zijne gesloten vuist dreigend voor Pickwick\'s menschlievend aangezicht te houden. Pickwick, die zich zijneronschuld bewust was, en wien het verdroot, dat hij do dame van middelbaren leeftijd ongelukkig in zulk eene netelige zaak had gewikkeld, was ook niet zoo bedaard als anders. Het gevolg daarvan was, dat men van het eeno woord tot het andere kwam, en hoe langer hoe harder schreeuwde, totdat Magnus eindelijk zeide, dat Pickwick van hem hoeren zou, waarop Pickwick met loffelijke beleefdheid antwoordde, dat zulks hem zeer aangenaam zou zijn. Hierop snelde de dame doode-lijk ontsteld de kamer uit, terwijl Tupman Pickwick bij den arm nam en half met geweld medetrek, zoodat Magnus alleen aan zijne overdenkingen werd overgelaten. Indien mejuffrouw Witherfleld eenige ondervinding in de wereld had gehad, zou zij wel geweten hebben, dat zulke onstuimige tooneelen en dreigementen zeer zelden ernstige gevolgen hebben; maar dewijl zij doorgaans op het land had gewoond en nooit de debatten van het parlement had gelezen, was zij met dit spraakgebruik der beschaafde wereld onbekend gebleven. Hiervan was het gevolg, dat, toen zij zich op hare slaapkamer had opgesloten en over het voorgevallene begon na te denken, do vreese-lijkste tooneelen van bloed en moord voor hare ontstelde verbeelding oprezen, waarvan het ten voeten uit geschilderde portret van Magnus, gelijk hij, met een half dozijn kogels in de linkersborst, door vier mannen op de schouders werd weggedragen, nog een der geringste was. Hoe langer zij bleef nadenken, des te grooter werd haar angst; en eindelijk nam zij het besluit, om zich naar de woning van den eersten overheidspersoon der stad te begeven, en dezen |
|
148 SAMUEL te smoken, Pickwick on Tüpman onverwijld in hechtenis le laten neinen. Kr bi stonden verschillende l edonen, die Imnr tot dezen stap aanzetten; doch di\' voornaamste daarvan was, dat zij zoo doende Maunus ren onteuenzi\'^^elijk bewij\'s van hare genegenheid en bezorgdheid voor zijn welzijn zou geven. Zij was te wM bekend met zijne jalot rsrhe inborst, om van do ware reden harer ontroering op het gezicht van Pickwick te durven spreken, on vertrouwde | tevens, dat zij genoegzamen invloed op hem j bezat, om zijne jaloezie tot stilte te brengen, ; indien Pickwick slechts uit den weg geruimd | quot;was, en er geone roden tot vernieuwden twist ontstond. In deze stemming zette zij haar hoed op, deed haar dook om. en begaf zich zonder dralen naar het huis van den Mayor. Deze Mayor, George Nupkins Esquire, i was ten naastenbij de deftigste on aanzienlijkste man, die de snelste hardVooper, op den langsten dag van het geh ole jaar. tus« hen het opgaan en ondergaan der zon. zou iiebben kunnen opsporen. Op dezen ochtend was hij in eene bijzondere verdrietige on onrustige stemming; want er was een oproer in de stad geweest. De jongens van de talrijkste school die er in de stad bestond, hadden oene samenzwering gesmeed, om bü een gehaten fruitverkoopor de glazen in te smijten, en daarbij hadden zij den hondenslager uitgejouwd en den constable een man, dio dit ambt reeds vijftig jaren lang had bekleed, en toegeschoten was om het oproer te stillen met stcenen geworpen. Nupkins zat nu in zijn leuningstoel, met een hoogst achtbaar zuur gezicht, en blakende van gramschap, toen hem werd bericht, dat eene dame hem verzocht te sproken. Met vreosolijke bedaardheid gaf hy bevel, dat men de dame zou binnenlaten, en dit bevel werd, gelijk al de besluiten van keizers en andere groote potentaten, oo_ronblikkelijk gehoorzaamd. Met oene ontroering, die haar een zeer belangwekkend voorkomen gaf, trad mejuffrouw Withertield binnen. „War hebt gij mij te zoggen, mejuffrouw?quot; vroeg Nupkins, nadat zijn bediend- de dame e^n stool gegeven en hot vertrek verlaten had. „Het is iets van een zeer onaangenamen aard, rnimheer!quot; zoide mejuffrouw Wither field. „Dat kan ik wel denken, mejuffrouw!quot; lier-nam Nupkins, en zotte oen vnondoUjk gezicht. „Wees bedaard, mejuffrouw! en zeg mij nu war de reden van uwe komst is.quot; Bij dit gezegde, werden zijne trekken weder baivh; want do regent Zegevierde over den mensch. ..Her is een zeer treuiig geval voor mij, ! mijnheer! dat ik dit moet komen aangeven,quot; zei-le mejuffrouw Withertield; „maar ik vreos, dat hier oen tweegevecht zal plaats hebben.quot; „Hier, mejuffrouw !quot;zeide de Mayor. „Waar?quot; „In Ipswich.quot; „In Ipswich, mejuffrouw; - een tweoge- |
IC K WH\'K. vecht in ipswi- liquot;quot; zeide Nupkins, door dii ontzettend bericht geheel van zijn stuk gebracht. ; Onmogelijk, mejuffrouw! Ik bon overtuigd, dal niemand in deze stad aan zoo iets zou durven donken. Weot gij wol, mejuffrouw, hoe waak | zaam on zo stodolijko polilie is? Hebt gij ei nooit van gehoord, hoe ik, den vierden Mei, laatstleden, met niet meer dan zestig buitengewone constables l) bij mij\', in een kring i doordrong, waarin men eon prijskamp wilde bonden, en. met gevaar van het slachtoffer van het razende gepeupel te worden, een vuistgevecht tusschen Dumpling van Middlesex en Hantam van Suffolk verboor!? Een tweegevecht in Ipswich, mejuffrouw: Neen, ik kan niet gelooven, dat er twee menschen zoudoir/.ijn. vermetel genoog om in deze stad zulk oene vredebreuk te doen ontstaan.quot; ..Mijne aangifte is lielaas maar al te gegrond,quot; zeide de dame. „Ik ben bij den twist tegenwoordig geweest.quot; „liet is verbazend,quot; zeide do regent, terwijl hij aan de schel trok. „Laat mijnheer Jinks hier komen, maar terstond!quot; riep hij vervolgens zijn knecht toe. Kort daarop trad een blooke, magere, armoedig gekleede, reeds vrij bejaarde klerk de ka | mer in. „Mijnheer Jinks!quot;z- ide Nupkins, „deze dame is aangifte komen doen, dat er hier in de stad oen tweegevecht zal plaats hebben.quot; Jinks, die niet wist wat hij zeggen zou, glimlachte zeer nederig en bedeesd. „Waarom lacht gij, mijnheer Jinks?quot; Jinks zette dadelijk zijn gezicht in eene ernstige plooi, „Mijnheer Jinks!quot; zeide de Mayor, „gij zijt een zot.quot; Jinks zag den groot en man zeer deemoedig aan. en beet op zjjne pen. „Misschien vindt gij iets grappigs in deze aangifte, mijnheer! Maar ik kan u zeggen, mijnheer Jinks! dat gij zeer weinig roden hebt om | te lachen,quot; biomde Nupkins. De uitgehongerde Jinks zuchtte, als wist hij maar al te wel, dat hij weinig reden had om vroolijk te wezen. Vervolgens plaatste hij zich,op bevel van den Mayor, aan eene tafel, om de verklaring van mejuffrouw Witherfield op te i schrijven. „Die Pickwick is derhalve de principaal?quot; zeide Nupkins, toen het verhaal ten einde was. „Ja,quot; antwoordde mejuffrouw Witherfield. Ij Op minmaiiinK van hot bestuur quot;f van een c o n s t a t) 1 f ia ioder lin^M-lwlmian verplicht de uitvoerders der wet d»* behulpzame hand te lecnein. en ze!!\' al* co ns table dienst doen. Heeft men tijd en staven RcnoeR, dan voorziet met zulke buitengewone const a b 1 e s special o o n s t a b 1 e s) ook ieder met een const a b 1 e-s t a f. VfiRT. |
119
|
„En die andere moeitemaker — hoo heet hij ook weer, mijnheer Jinks?quot; „ T u p ma n, ra ij n heer.\'\' „ Tup man is de secondant?quot; „Ja.quot; „De andere principaal is weggeloopen, zegt, gij, mejuffrouw?quot; „Ja,quot; antwoordde mejuffrouw Witherfleld, met een droog kuchje. „Begrepen,quot; zeide Nupkins. „Het zijn zeker een paar vechtersbazen uit Londen, die hier gekomen zijn om do onderdanen van Zijne Majesteit om hals te helpen, in de gedachte, dat zoo ver van de hoofdstad de arm der wet zwak tui verlamd zou zijn. Zij zullen tot een voorbeeld i worden gesteld. Maak de bevelen tot inhech-i tenisneminggereed, mijnheer Jinks!quot; De Mayor schelde weder, en gaf bevel, dat Grummer boven zou komen. Kort daarop kwam er een man binnen, die weinig bijzonders had, behalve een rootten neus, eene schorre stem, en een paar onrustige rollende oogen. Het was Grummer, de constable. ..Is de stad nu rustig, Grummer?\' M a y o r. „Dat gaat nogal wel, mijnheer!quot;antwoordde Grummer. „Hot oproer is zoo goed als gedaan, vooral mi de jongens uit elkaar zijn geloopen, om cricket te gaan spelen,quot; „Niets helpt in deze dagen dan krachtige maatregelen, Grummer!quot; zeide de Mayor op mahhaftigentoon, „Als het gezag derkonink-luku beambten miskend wordt, moet de oproer-akte gelezen worden. Als de burgerlijke macht de vensters niet beschermen kan, Grummer! moet de militaire macht de burgerlijke macht schermen, en de vensters tegelijk. Dat is een \'quot;quot;-insel van de constitutie, geloof ik, mijnheer •links!quot; ..Wis en zeker, nujnheer!quot; zeide Jinks. ,.\'éiod!quot; zeide de May or, terwijl hij de bevel-schriftett teekonde. „Grummer! brongdeze per-Honen van middag voor mij. Gij zult hen in bet Groote Witte Paard vinden. Zorg, \'lat ltij de noodige hulp bij de hand hebt, en niaak zooveel spoed als gij kimt quot; Nupkins .schelde zijn knecht, om mejuffrouw ^ ii hor Held uit te laten, die zich vol diepen eerbied voor het doorzicht en den moed di s M a y o rs verwijderde. Nupkins zette zich vervol ■ -vns aan tafel, terwijl Grummer zich op weg quot;gaf, om, door eene roemrijke uitvoering zijner l egenwoordige taak, do schande uit te wissehen, ^aarnierje hij on do andeia: vertegenwoordigor x\'1quot; ^ll\'ie Majesteit do hondenslagei\' - dien morgen waren bevlekt. |
intusKclien luidden l\'iekwiek enzijnevrienden, u\' heel onbewust van deze ontzaglijke toebereid-sV.,on\' Z\'ch gerust aan tafel uezet. Zij waren quot;Üzonder opgeruimd en spraakzaam, l\'iekwiek ! was juist bezig met, tot groot vermaak zijner | volgelingen,inzonderheid van Tupman,zijn avontuur van den vorigen nacht te verhalen, toen de deur geopend werd, en er een leelijk gezicht in de kamer kwam kijken. De oogen in dit leelijke gezicht bleven eene korte poos strak op Pickwick gevestigd, en waren, naar het sciieen, weltevreden met den uitslag van hun onderzoek; want het lichaam, dat bij dit leelijke gezicht behoorde, kwam nu ook langzaam de kamer binnen, en thans aanschouwde het gezelschap een oudachtig man met een roeden neus — maar wij willen den lezer niet langer in onzekerheid laten : hot was niemand anders dan Grummer. vroeg do De handelwijze van Grummer kwam den verzamelden Pickwic kisten zeer ongemeen voor. Het eerste wat hij deed, was de deur van binnen te grendelen; daarop veegde hij met zijn zakdoek i ziJ11 gezicht af, legde vervolgens zijn hoed, met | zijn zakdoek er in, op een stoel, haalde een ! koperen staf met eene koperen kroon versierd,uit zijn zak, en zwaaide dien met eene statige spookachtige houding voor het, gezicht van Pickwick. Stuck wall was de eerste, die het stilzwijgen afbrak, dat door de algemeene verbazing was veroorzaakt. Hij zag Grummer eene poos strak aan, en zeide toen op een nadrukkely ken toon: i .. Dii is co no besproken kamer. Giummer zchudde zijn hoofd en antwoordde „Kr is geen bijzondere kamer voor Zijne Majesteit, als men eens binnen de huisdeur is. Dat is de wot. Sommige zeggen wel, dat liet Imis van ecu Engel,schman zijn kasteel is; maar dat is malligheid quot; De Pickwickisten zagen elkander vol verbazing aan. .. Wie is mijnheer Tupman ?quot; vroeg Grummer. Wat Pickwick betrof die had een zeker instinct hem aanstonds doen kennen. „Ik heel Tupman,quot; zeide deze. „en wie zijtgij ?quot; „Ik heet Wet ?quot; zeide Grummer. ..Hoe?quot; vroeg Tupman. .. We (quot;lieiiiaaldeGrumnier, „ wet. civiele macht en uitvoerend bewind. Dat zijn mijne titels, en hier is mijne volmacht. John Tupman en Jack l\'iek wiek ! of hoe anders uwe voornamen zijn legende wetten oh besluiten van onzen souve-relnen Hoerden Koning volgens hei. statuut daartoe strekkende - Piekwick en Tupman bo-vengenoc md, ik neem u in hechtenis. „ Wat meent gij met die onbeachpfth Tupman opspringende. „Maak datgij uitkomt!quot; ,,Heidaar!quot; zeide Grummer, terwi, greoten spoed naar de fleur liep, en dit duimen ver opende. ,.Dubblev!quot; dquot; riep LllieJ* 1 hij met ■ een paar „ 11 ier ben ikzeide een zware stem i „Kom binnen, Dubblev!quot; zeide Gn Op ilit bevel wrong een man, van voet lengte en evenredige breedte, zijn :ang, 31\'. ruim zes laam •zicht door de half geopende deur, hetgei bloedrood deed worden. |
SAMUEL PICKWICK.
„Zijn de andere buitengewone constables \' stad heerschte (want het was een halve vacan- ; bij\' de hand?quot; vroeg Grummer. i tiedag, en de schooljongens waren nog niet
Dubbley, die kort van stol\' was, knikte toe naar huis), hardnekkig weigerde om naar den stemmend. ; anderen kant der straat te gaan en Pickwick\'s |
„Laat dan uwe afdeeling binnenkomen, Dub- | woord van eer, dat hij zich rechtstreeks naar ; bleylquot; zeide Grummer. | den Mayor zou begeven, aan te nemen; Pick- |
Dubbley gehoorzaamde: on een half dozijn wiek enTupman verklaarden bovendien volmon-kerels, waarvan ieder oen korten stok met een ; dig, dat zij geen rijtuig wilden betalen. Het koperen kroontje in de hand had, kwam met den j geschil werd heftig en duurde lang; zoodat de stormpas binnengerukt. Toen de afdeeling in j dienaren der wet reeds op het punt waren om j slagorde was geschaard, stak ieder zijn sta fin ! den knoop door te hakken en de weespannigen zijn zak. Pickwick en zijne volgelingen stonden weg te dragen, toen men zich herinnerde, dat op als één eenig man. 1 er op de binnenplaats der herberg eene oude ■
# Wat beteekeut deze gewelddadigheid?quot; vroeg i draagkoets stond, die voor een jichtig heer ge- 1 Pickwick. maakt was, en waarin Pickwick en Tupman
„ Wie durft mij in hechtenis te nemen?quot; vroeg • zeker plaats genoeg zouden hebben. De draag- | Tupman. ^ koets werd in de gang gebracht, Pickwick en 1
„Wat moet gij hier hebben schobbejakken?quot; i Tupman wrongen er zich in, en haalden de I riep Stockwall. ; blinden op; men vond spoedig een paar dra |
Winklu zeide niets, maar zag Grummer aan gers, en de optocht zette zich in beweging. De 5 met een blik, welke, indien deze nog eenig ge voi l buitengewone constables omstuwden de I had gehad, hem zijn hoofd had moeten doorboren j draagkoets. Grummer en Dubbley stapten ze-1 en er aan den anderen kant weder uitkomen. : gepralend vooruit, Stockwall en Winkle stap- | | Men kon er evenwel geen uitwerksel van be- i ten gearmd achter hot koetsje, terwijl de on- j I speuren. gezeepten van Ipswich do achterhoede uit-
Toen Grummer en zijne helpers bemerkten, maakten.
dat Pickwick en zijne vrienden geneigd waren De winkeliers der stad, hoewel zij van den om zich tegen het gezag der wet te verzetten, aard van hot misdrijf slechts een verward begrip begonnen zij zeer bedaard hunne mouwen op te ; haddon, begluurden echter ditschouwspelmeton- I i stroopen,, alsof het vanzelf sprak, dat zij, om gememic vreugde en stichting. Daar zagen zij den ; ; hunne boodschap naai behooren uit te voeren sterken arm dor wet met twintig goudslagers I de Piekwickisten eerst mOt eenigo vuistslagen krachten op twee booswichten uit de hoofdstad I moesten neervellen, en dan oprapen en moene- nederkotr.en; het was hun eigen Mayor, dit I men, Pickwick had deze beweging niet onopge- het ontzaglijke werktuig bestuurde; het waren i ; merkt gelaten. Hij fluisterde een oogonblik met hunne eigene stadgenooton, die hot in bevve Tupman, en gaf daarop zijne bereidwilligheid ging brachten; en door hunne vereenigde po- j te kennen om naar het huis van den Mayor gingen waren de twee misdadigers nauw Inge te (gaan, maar verzocht Iegelijk alle aanwozi- paktirulebekrornponruimtevaneendraagkoetsje. ; gen te bedenken, dat het zijn ernstig voorne- Veelvuldig waren de uitdrukkingen van be won men was, om zich, zoodra hij zich weder in dering en goedkeuring, waarmede Grummer I vrijheid bevond, over deze ongehoorde inbreuk werd veroord, die, met zijn staf in de hand. j op zijne rechten als Engelschrnan op eene irc- aan de spits van den trein voortstapte; en door ! d nchte wijze te wreken, waarop al de aanwo- deze vereenigde blijken der alge moene ^bed : jiigen hartelijk b\'.\'gonnon te lachen, Grummer keuring begeleid, trok do stoet langzaam en 1 alleen uitgezonderd, die de minste oneerbiedig- plechtig door de straten,
! held omtrent het goddelijke reeht der stedelijke Sam Wol lor, die het geheimzinnige huis met I
overheid vor eene hoogst sirafban muiterij de gn.M-ne tuinpoort eens was gaan opnemen, i scheen te houden. kwam juist zeer onvoldaan met den niets 1h-
Doch toen Pielcwick zijne bereid^vi\'lijhcid teokenonde uitslag van zijn onderzoek terug, | had ilt;- kennen gewn, om zieh .-cin het ge/, ig : toen hij (■\'•n volkshoop de straat zag inkomen der wel te onderwerpen, en de oppa sers, stal- die een voorwerp omringde, dat veel vaneen : knechts on meiden, die uit. don gedn-igden te draagkoetsje had. Hij ging op zijde, om hem genstand op ••en,-pieizilt;irigo vechtpartij hadden ! te laten voorbijgaan; en toen lui hoorde, dat I gehoopt., ju; ■ l.elemv\' \' i i wildon afdruipen, hot volk met alle maditjuföhte en schreeuwde, deed zich ••.•ue onvoorziene inoejolijkheid op. begon hij, om zijn verdriet over zijne mislukte Mot. allen oerhieil voor do W\'-nL\'e overheid, onderneming wat te verzotten, lustig mede h l»rote.-;t;ix)rde Pickwick evenwel manhaftig er schroeuwen.
tegpii. om al een niisdadi-.a-r, door Ie dienaren De draagkoets wat mét do daarbij bchoorendi der gert ■ h t igh.e i d omringquot; 1 en liewaukt.over do lij fwaelit rlt;lt;nds voorbjjget rok ken, en Kaïn juich\'\' straat !lt;• uraan; terwijl Orummer, by tc-.ron- nog hartelijk mot het. gepeupel tnedeoh zwaai woonligheid onrustige stomtaing, die nog in do ; dy j0(.t zijn hoed, alsof hij opgetogen was van
151
|
verrukking (hoewel hij natuurlijk volstrekt niet wist wat er te doen was) toen het onverwachte gezicht van Stockwall en Winkle hem eensklaps deed ophouden. „Wat is er te doen, heeren?quot; riep Sam. „Wien hebben zij daarin dat schild wachthuisje ?quot; Beide heeren antwoordden tegelijk, maar hunne stemmen werden door het geschreeuw van het volk verdoofd. „Wie is het?quot; schreeuwde Sam nog eens. Het antwoord was wederom onhoorbaar; maar aan de beweging der twee monden kon Sam zien, dat zij het toovérwoord „Pickwickquot; uitspraken. Dit was genoeg In een oogenblik werkte Sam zich door hot gedrang, hield de dragers tegen, en plaatste zich vlak voor den opgeblazen Cl rummer. „Zeg eens, oude heer!quot; zeide Sam; „wien hebt gij daar in die kast?quot; „Uit den weg!quot; zeide Grummer, die door zijne tegenwoordige populariteit een nog hooger denkbeeld van zijne eigene waardigheid had ge-1 kregen. „Sla hem op zijn kop, als hij niet uit don | weg gaat!quot; zeide Dubbley. „ik dank je wel, oude heer,quot; zeide Sam, „voor uwe beleefdheid, dat gij mij ten minste eerst vraagt of ik ook liever uit don weg wil gaan; en dien anderen heer, die er uitziet, alsof hij uit een reuzenkijkspeiletje was weggeloopen, bedank ik ook voor zijn vriendelijken raad; maar ik had toch liever, dat gij mij antwoord | gaaft op hetgeen ik vraag. ■- Hoe gaat het, | mijnheer? Dit laatste gezegde werd met de I vriendelijkheid van een beschermer tot Piek-: wiek gericht, die voor het voorste venstertje kwam kijken. Sprakeloos van verontwaardiging hief Grummer zijn ronstable-staf op, en hield dien Kam i voor den neus. j „Het is wel een mooi stokje,quot; zeide Sam, ! „en dat kroontje is netjes gemaakt; men zou haast zeggen dat het echt was.quot; „Terug!quot; riep Grummer ten hoogste verbolgen, en om dit bevel klem bij te zotten, stiet ■ hij met de eono hand het koperen zinnebeeld ; der koninklijke waardigheid Sam tegen do borst, en pakte hem met de andere hand bij zijn kraag, een compliment, dat Weller beantwoordde door i hem een vuistslag te geven, die hem ebed om-bui telen en vlak op een der dragers neerkomen, welken Sam, opdat hij wat zachter zou liggen, eerst had op den grond gesmeten. |
Hot is onzeker, of Winkle werd aangetast door eono vlaag dier razernij, welk hot uitwerksel is oëher bewustheid dat men onrecht lijdl. of door Weller\'s dapperheid werd aangestoken; maar dat is zeker, dal iiij, zoodra hij Grummer zag vallen, op een kleinen jongen losging, die toevallig dh-ht bij hem stond, en dezen een klap om zijne ooren gaf. Stockwall maakte zich intusschen ten strijde gereed, door zijn rok uit te trekken; maar hij werd aanstonds overvleugeld en vastgehouden. Om hem en Winkle recht te doen, moeten wij zeggen, dat zij niet de minste poging aanwendden om Weller te ontzetten, die, na een dapperen tegenstand, door de overmacht werd overweldigd en gevangengenomen. Daarop schikt\' du trein zich weder in orde, namen de dragers hunne vracht weder op, en trok de stoet weder voert. Grenzenloos was de verontwaardiging, waarmede Pickwick dit vooral aanschouwde, hoewel hij niets anders zag dan Sam, die de buitengewone constables als een kegelspel door elkander smeet; want zijne pogingen, om de deur of de raampjes van het draagstoeltje te openen, waren vruchteloos. Met hulp van Tup-man gelukte het hem eindelijk het dak open te stooten en op de bank te klimmen ; en toen hij er in geslaagd was zich op deze wijze zichtbaar te maken, begon hij het volk aan te spreken, om het onder het oog te brengen, met welke ongehoorde onrechtvaardigheid hij behandeld werd, en om iedereen tot getuige te nemen, dat zijn knecht eerst was aangevallen. Hij was nog in het midden van zijne redevoering, toen de trein voor het huis van den Mayor stilhield. XXV, ONDKR A ND K RB KODDIGE VOORVALLEN WORDT HIERIN VERHAA LT, HOE DKFTIO EN ONPARTIJDIO DE HEEK NUPRINS HET RECHT HANDHAAFDE, EN HOE WELLER DEN BAL VAN JEREMIAS TROT TER MET EVENVEEL KRACHT TERUGKAATSTE, ALS DIE HEM EERST WAS TOEGEWORPEN; BENEVENS NOG IETS, DAT MEN OI\'ZMMK PLAATS ZAL AANTREFFEN. Blakende was de gramsr-hap van sam Weller, toen hij tegen wil en dank W\' rd medee.ovoerd, talrijk waren zijno si-hirnpsohoten op hetuitwen-dig voorkomen van Orummor en zijn makker, en stoutmoedig en krachtig de woorden, met welke hij alh aanwezigen uitdaagde, om, zes tegelijk, tegen hom op te komen. Stockwall en Winkle luisterden mol droefge( tl\'.ren eerbied iiivar de Welsprekende redevoering, welke Pick- | wiek, hoezeer Tupman hom smeek ie om het deksel van Ininno gevangenis w. ^er te sluiten, bijna, in i \' ii adem voortzette. Maar Weller\'-;toorn maa k te spoed i\'.i plaatsvooruenelovendigeiiionwa-gierigheid, toen do stoot den ingang van hetzelfde pkinlje doortrok, waar hij den weggo- i loopen Trotter had ontmoet; en doze nieuws- | quot;i.\'rie\' 1!eid \'.ling weder, .ui in blijde vi l li:\'zingovit, toen i Iruiiimer, nadat hij zijnen volgelingen een |
I
SAMUEL PICKWICK.
152
|
bulderend „halt Iquot; had toegeroepen, met statige schreden de groene poort naderde, waaruit Trotter was te voorschijn gekomen, en driftig aan de schel trok. De kleine deur van de poort werd door een aardig dienstmeisje geopend, hetwelk, nadat zij over het oproerig gedrag der gevangenen en de hartstochtelijke redevoering van Pickwick vol verbazing hare handen ineengeslagen had, weder naar binnen ging, om den knecht te roepen. Deze verscheen, en zette een der groote dubbele di uren open, om den draagstoel en de gerechtsdienaren in te laten; en zoodra deze binnen waren, .sloeg h ij de deur weder dicht, vlak voor den neus van het volk, dat, ontevreden met aldus te worden buitengesloten, en nieuwsgierig om te zien wat er voorviel, zijne aandoeningen lucht gafdoquot;!\' r.og een paar uren tegen do poort te schoppen en aan de schel te trekken. Aan dit vermaak namen allen beurtelings det-1, drii: ol\' vier gelukkigen uitgezonderd, die een luikjr ontdekten, waardoor men (■■ a uitzicht had op niets, en daardoor blevi-n kijken, met dezelve onvenmn ibare volharding, waarmede nieuwsu\'i\' ri-jojongen.- fiuntn-neiizenplatdrukten tegen do ruiten van ei n apnt-hokerswinkcl wanneer e.\'ii dranken man o honden kar is overreden en in eenoachterkamer verl -inden wordt. Onder aan eene trap, die naar de huisdeur voerde, en die aan wo-Tszi. ion door elt;-n Ameri-kaanweheaioi - in eeno groei a -! ebbe werd l»1 waakt, werd de draagstoel neden-i-zet; en kort daarop werden l\'ilt;-kwiek{-nzijtn- vr \'.-ndi-adoorhei voorportaal en de gang naar hot V\'-rtn-k gebracht waarin di- Mayor gehoor verleende, Het toonei-l was indrukwekkend genoeg, en volkomen berekend om het gemond van schuldigen mot schrik te vervullenen hun een waardig denkbeeld van de gestrenge majesteit der wet in te boezemen. Voor eene machtig groote boeken-j kast, in een macht!u grooten lenniii\'-r-d.oH, aan I eem muchtig groot\'1 tad\' i, niet ern machtig dik i boek voor zich, zaf Mayor NnpkiiK. die er i zelf nog vrol irrooter en niachti^oi uitzag dan i al wat hem pinringeo. |H\' tafel wagt; mei op ! elkander gi Mfapelde papieren lM.;dokt,lt;ii:ian het ; einde zag men het hoofd en de-rliouders va.n I Jinks er boveit ui\' konien, die deed alsof hij druk ergens méde bozig was. Toen allen binnen waren I sloot de kneelit die, in het voorbijgaan gezegd, Muzzle hectte.eiidoorzijivdidtigen meester altijd luj zijn toenaam werd genoemd de deur, en plaatste zich acht\'T zijns me\'ster .stoel, om verdere be velen af te wachten, terwijl N\'up kins hen, die liem t\'-uen wil en dank waren komenli\' /oeki n.niet lt;tr.ikk\' ld , ken ians: i-n de, „Wie is dat nu, (iruinmervroeg hii, op Pickwick wijzende, die, u\'ewooh zijnde om voor zijne vrienden le i, woord te doen, ia n weiniu\' naderbij gekomen was en m-i -Hn hquot;-quot;! in d\' hand eene bel\' i i Ie buiging ma ■: |
„Dat is Pickwick, mijnheer!quot; antwoordde Cru mmer. „Wat is dat voor praat, lomperd?quot; zeide Sam Weller, terwijl hij naar voren doordrong .Neem mij niet kwalijk, mijnheer! maar die oude met zijn roeden neus zal nooit als ceremoniemeester aan den kost komen. Kijk, mijnheer!\'\' vervolgde hij, terwijl hij G rummer op zijde stiet, en den M a y o r met koddige gemeenzaamheid aansprak: „dit is mijnheer Samuel Pick wick E s q u i r e, en dat is mijnheer Tupman en dat mijnheer Stock wall, en daaraan denanderen kantataat mijnheer Winkle, —allemaal fatsoenlijke lieden, mijnheer!quot; die u uitmuntend zullen bevallen, als gij het pleizier hebt nadere kennis met hen te maken. En daarom,mijnheer! hoe i rd\'T gij dien hapschaar van u vooreen paar maanden naar den tredmolen zendt, des te eer-\'!• r /.uilen wij goede vrienden met elkander worden. Eerst het werk en dan het pleizier, zoeals Richard de derde zeide, toen hij in den Tower dien anderen koning doodstak, voordat hij de kleine kinderen vermoordde.quot; Bij het slot zijner aansprak streek Weller met zijne mouw zijn hoed op, en knikte vrien-; delijk tegen Jinks, die hem met onbeschrijfelijke i ontzetting had aangehoord. ,, \\V ie is die man, O rummer ?quot; vroeg de M a y o r, Ken schrikkelijk dolle vent, mijnheer!quot; antwoordde Gruminer. „Hij heeft do gevangenen willen ontzetten en ons te lijf komen; maar wij hébben hem aangehouden en hier gebracht.quot; „(lij hebt wel gedaan,quot;zeide de M ayor. ,.llet is maar al te duidelijk, dat hij een gevaarlijke schobbejak is.quot; „Rij is mijn bediende, mijnheer!quot; viel Pickwick vol gramschap hierop in, „Zoo uw bediende\',\' Ei 1quot;zoideNupkins. „Eene sainenspanriing, om den loop dor wet te stremmen en hare dicnaien te vermoorden. De bedien.j.- van Pickwick! Toeken dat aan mijnheer Jink-!quot; Jinks gehoorzaamde. „En hoe heet. ^ij, kerel ?quot; bulderde Nupkins. ./Weller,quot; antwoordde Sam. „Ken zeer goede naam voor de govangenislijst van N e w _ca t e.quot; zeide Nupkins. Dit was eene grap, en bijgevolg hieven Jinks, ■r, Dubbley, Muzzle en al de buitenge-) nstabl es een schaterend gelach aan. op, mijnheor Jinks!quot;zoide (i wo no c „Toeken zijn naa de Ma or. „Twee I\'s, oude Hier begon oen constable w der tlt; droigdi in zulk mgen,quot; zeide Sam. o n gel u k kigo b u i te n ge won o lachen, waarop de May or hem dadelijk te laten vastzetten. Elet is ■ inistandigheden zeor gevaarlijk om oen verkcei\'den man te lachen. „Waar woont gijvroeg de Mayor. .. Waa rik plaats kan vinden,quot;antwoorddeSain. „Toeken dat. aan, mgnheor Jink.s!quot; zeide Nup- |
HET VERHOOR.
|
kins, die zijne gramschap bijna niet langer kon bètoomen, „Zet er oen dikken streep onder,quot; zei :lo Sam. „Hij is een land\'.ooper, mijnheer Jinks!quot; zoide de Mayor. ,,Volgens zijne eigene bekentenis is hy een landlooper; niet waar, mijnheer Jinks?quot; „Wis en zeker, mijnheer!quot; „Dan zal ik hem als zoodanig in hechtenis houden*quot; zeide ISTupkins. „Dat scliijnt hier al heel aardig te gaan met de Justitie,quot; bromde Ham. Als ik wat te zeggen had, zou ik allen vrederechters ver- I |
„Spijten?quot; riep de woedende Mayor uit. „Ik zal er voor zorgen, dat zulk een schandelijk plichtverzuim u spijten zal. Ik zal u tot een voorbeeld stellen. Grummerl Neem dien kerel zijn staf af\'. Hij is dronken.quot; Ik ben niet dronken, mijnheer!quot;zeidedoman. „Gij zijt wel dronken,quot; hernam do Mayor. „Hoe durft gij zeggen, dat gij niet dronken zijt, als ik zeg dat gij het wel zijl ? - Ruikt hij niet naar brandewi n, Grummor?quot; „IJselijk, mijnheer!quot; iantwoordde drummer. „Ik wist wel, dat ik gelijk had,quot; zeide Nup-kins. „Toon hij de kamer inkwam kon ik het |
n, dat hij di\'mki^n wa i ie hl gij ;,relet, mijnheer Jinks?quot;\'
W is on zeki r, uiijnh( r!quot; autWiinrddo Jink.s. II hel) van moi-gi\'ii nog gOen dntj) sh-rken zotte drank ^obrnikt,quot; zeide de man, die mdeidaad zoo nuchter was als iemand wi-z* n kou.
bieden, zolveii domme Hfrgt; ken te begaan, , hom ;il a waarvoor zij andi-ren in heehteii;: /.\')uden laten m ook ni(
Over dezen si-liliuii beiron een anilor der bui j tengewone eonstahlos te lachen,
i daarop zulk oen bovennatuurlijk i rustigyezi ! dat de Mayor hom terstond ontdellt;ti,
-Grummor!quot; zoide Napkins, di^ bloedrSc
..Hoi durft gij in mijn gezicht,Hogen, kero] ?quot; bulih ide XiipUns. „/lol. gij niid, dal oiidrohken
........ \' ■ ■ ■ ■ ■ - . ■ . | ■ 1 gt; 1 I I • , • . i • i w M ( • i \' l \' 1 • I • , gt; \' j 1 1 ■ gt; ! 1 ■ ■ . „ /
\'erd van kwaadheid; .Jen dlnTI gij zulk en is, inijnhecr Jinks?quot;
genieenen deugniet, als die kond is, tot buitengewoon constable aanstellen? Hoedurfigii zoo iets doen?quot;
,,Het spijt mij van harte, mijnheer!quot; stotterdi Ommmer.
Wis en zeker, mijnte er!quot; antwomddo Jinks. Mijnheel\' Jinks!quot; zeido Nupkins. „Ik zal hem om ver i,Uiting der OVoidieid in liechleni ; laten nemen. Ma k hefi bevelschrift geree.l niijnheer , Jinks!quot;
154
En de ongelukkige constable zou zeker : achter de traliön zijn geraakt, indien Jinks, die de raadsman des Mayors was, en een paar jaren op een notarieel kantoor had doorgebracht, zijn meester niet had ingefluisterd, dat hij vreesde, dat het niet gaan zou. De Mayor hield derhalve eene aanspraak, waarin hij zeide i dat hij, uit achting voor de familie van den ,
schuldige, niet anders zou doen dan hem be-| rispen en ontslaan. Dientengevolge Werd de ongelukkige omtrent een kwartier lang uitge-i scholden, en daarop weggezonden, en al de die-I naren der gerechtigheid gaven door een eerbic- ; | dig- gemompel hunne bewondering voor des j Mayors grootmoedigheid te kennen.
„Laat Grummer nu den eed afleggen, mijn- i ; heer Jinks!quot; zeide Nupkins.
Grummer logde dadelijk den eed af en begon | zijn verslag; maar daar hij uitweidingen scheen , te willen maken, eu Nupkins bedacht dat het bij na etenstijd was, bekortte de M a y o r het verhaal, door zijn constable eenige vragen te | doen, welke deze zooveel mogelijk met .ja beantwoordde. Zoo liep het verhoor spoedig teneinde, I waaruit bleek, dat Weller zich aan\'twee geweld-, dadige aanvallen, Winkle aan een klap en Stock-! wall aan een dreigement had schuldig gemaakt, i En toen dit alles ten genoegen van den May or i was afgoloopen, begon deze met Jinks te Huiste-ren. Het overleg duurde omtrent tien minuten, •links ging weder naar het eind van de tafel en de Mayor wilde, nadat hij een paar malen gekucht had, juist eene aanspraak beginnen, toen l\'ickwick hem voorkwam.
„Neem mij niet kwalijk, mijnheer, dat ik u ! in de rede val,quot;.\'.eide Pickwick; ,maar voordat gij het verslag, dat ik zoö even heb aangohoord, tot den grondslag van eenige uitspraak of eeni-gen maatregel stelt, moet ik aanspraak maken op mijn recht om gehoord te worden, zoover de zaak mij persoonlijk betreft.quot;
„Houd uw mond, mijnheer!quot;antwoordde de I Mayor barscli.
,Ik ben genoodzaakt mij t\'\'onderwerpen....quot; | begon l\'ie-kwick.
rI[oud nvv mond, mijnheer\'quot; herhanlde N\'up-i kins; „of ik zal een c o ns! a !i! e imvlen om u achtera 1\' !lt;• bri ii\'j:i n.quot;
„(lij\' kunt uwe constables bevelen w:U.\'jrij verku si, mijnheer!quot; honuim l\'ickwick; ,on uil hel staaltjr, d;it ilgt; gezien heb van de manier ; w uirop l\'i.i hen onder bedwamr houdt, twijfel ik i niet, ot/.ij zullen alles doen wal gij hun beveelt;
maar ik zal blijven aandringen op mijn recht : om gehoord te worden, totdat, men mij met ge-weid tot zwijgen brengt.quot;
„l\'ickwick en liet nrht boven alles!quot; riep Sam hardop Uit.
„Houd u stil, s,iiii !quot; zeide rii kwick, „Zoo slom als i\'i\'ii tremiiiel met eet) gal (-r in,quot; hernam Ham.
Nupkins staarde Pickwick aan, vol verbazing over zijne ongehoorde vermetelheid, en wilde, naar het scheen juist een heftig antwoord geven, toen Jinks hem bij de mouw trok, en hem j iets in hetoortluisterde.DeMayorantwoordde met een zachte stem; daarna werd er weder j eene poos gefluisterd. Het was duidelijk, dat I Jinks den Mayor waarschuwde om voorzichtig te zijn. Eindelijk verduwde Nupkins zoo goed hij kon — en dat was tamelijk slecht — zijn ongeduld en tegenzin om verder naar iets te luisteren, wendde zich tot Pickwick, en vroeg bits: „Wat heb je te zeggen?quot;
„Vooreerst,quot; zeide Pickwick, terwijl hij door zijn bril een blik wierp, die zelfs Nupkins bedremmeld maakte, „vooreerst verlang ik te weten, waarom ik en mijn vriend hier zijn gebracht.quot;
„Moetik hem dat zeggen,quot; fluisterde de M ay o r tot Jinks.
„Dat zou wel het beste zijn, mijnheer!quot; fluisterde deze terug.
„Men heeft mij onder eede komen aangeven,quot; zeide de Mayor, „dat het te vreezen is, dat gij een tweegevecht wilt houden, en dat die andere, : Tupman, daarbij uw helper en medestander is, 1 Daarom -- niet waar. Jinks!quot;
„Wis en zeker, mijnheer!quot;
„Daarom heb ik u beiden gedagvaard zoo behoort het immers, mijnheer Jinks?quot;
„Wis en zeker, mijnheer!quot;
„Om om - wat links!quot; zeide de May o r verdrietig.
„Om borgtocht te stellen, mijnheer!quot;
„Ja, daarom heb ik u gedagvaard -- gelijk ! ik juist zeugen wilde, toon mijn klerk mij in j de rede viel - om borgtocht te stellen.quot;
„Voldoenden borgtocht,quot; fluisterde Jinks.
.. i [el moot voldoende borgtocht wezen,quot; zeide de M a y o r,
, Van inwoners der stad,quot; (luisterde Jinks.
Van inwoners uit deze stad,quot; zeide de M a y o r,
.Vijftig pond ieder,quot; fluisterde Jinks; „en natuurlijk ingezetene burgers.quot;
„Ik moet twe■\' borgtochten vorderen,quot;zeide de M a vor met groote deftigheid, „van vijftig pondieiIer,en natuur!ijk,va,n ingezeteneburgers.quot; :
„Maai-, mijnheer\'.quot;zeide l\'ickwick, dié, evenals Tupman, zijne verUiziii-\'.\' en verontwaafdigiim-nauwelijks meer bedwingen kon, „wij zijn geheel vreemd in deze stad. Ik ben hier evenmin met ingezetene burgers bekend, als ik het voornemen heb om een tweegevecht te houden.quot;
„Dat dacht ik wel,quot; zeide- de Mayor; „dat daeht ik wol niet waar. mijnheer Jinks?quot;
.,Wis en /.eker, mijnheer!quot;
„Hebt gij nog iets te zeggen?quot; vroegXupkins.
l\'ilt;-kwiek had nog /eei\'veel te zeggen, en zou
i dit ook zeker gezegd hebben, zonder dat het hein iquot;t.- had kunnen baten, indien Sam hem op hot, ; oogenblik niet bij de mouw had getrokken, en
EEN WAARDIG OVERHEIDSPERSOON,
155
|
hij zich daarop zoodanig ir. een ernstig gesprek met zijn knecht had verdiept, dat hij de vraag van den Mayor geheel vergat. Napkins was er de man niet naar om tweemaal hetzelfde te vragen, en begon derhalve, onder de eerbiedige stilte der constables, dadelijk zijn beslissend vonnis uit te spreken. Weller werd veroordeeld tot eene boete van twee pond voor zijn eersten, en een van drie pond voor zijn tweeden geweld-dadigen aanval. Vervolgens werd Winkle met een pond, en Stockwall met een pond beboet, en bovendien moesten zij den eed doen, dat zij ten opzichte van alle onderdanen van Zijne Majesteit, en in het bijzonder omtrent zijn getrouwen dienaar, Daniël Grummer, den vrede zouden bewaren. Wat Pickwick en Tupman betrof, was hot reeds bepaald, dat zij onder borgtocht ontslagen konden worden. Zoodra hij had gesproken, trad Pickwick, wiens gelaat thans weder door oen goedhartigen glimlach werd opgeluisterd, naar hem toe, en zeide: „Neem mij niet kwalijk, mijnheer! maar ma:; ik u verzoeken u een oogenblik afzonderlijk t(; spreken over iets, dat voor u zei ven van bijzonder belang is?quot; „Wat?quot; zeide de Mayor. Pickwick herhaalde zijn verzoek. „Dat is een zonderling voorstel,quot; zeide Napkins. „Een afzonderlijk gesprek?quot; „Een afzonderlijk gesprek,quot; herhaalde Piek wiek op een vasten toon. „Maar dewijl ik hei I bericht, dat ik u wenschte mede te deolen, gedeeltelijk aan mijn bediende te danken heb, zou | ik verlangen, d.-it hij erbij tegenwoordig was.quot; Nu pk ins, Jinks en al de constable s zagen elkander verwonderd aan. Ken.skiaps verbleekte Napkins. Zoa misschien die Weller in «•■••n oogenblik van berpuw, eene geheime samenzwering tegen zijn leven ontdekt hebben? De gedacht\'! was ijselijk. Hij was een openbaar persoon; en hij werd nog bleeker, toen hij om .(alius Caesar en Perceval dacht. I)e M n, y or zag Pickwick no\'_r eens aan, en wenkte Jinks. „Hoe denkt gij over dit verzoek, mijnheer Jinks?quot; prevelde Nupkins. Jinks, die niet wist wat hij denken moest, en bang was om iets Ic misdoen, glimlachte zeer dubbelzinnig en flauw, rn schudde daarop langzaam zijn hoofd. .,M\\inheer Jinks!quot; zi\'ide de M a y o r deftig, ..gij zijt ern ezel!quot; lt; )|i dit gezegde glimlachte Jinks weder, maac nog (lauwer dan eerst, en schoóriangzaain weder i naar zijn eigen hoek. Nupkins bedacht zich nog een oogenblik, gaf daarop Pickwick en Welloreen treken om hem te volgen, en bracht hen naar oen vertiekje, da. in de gehoorzaal uitkwam. Ilior verzocht hij jprkwit-k, quot;in naar hot andere einde van dlt;\' vertrek te gaan,\' n\'zeide daarop terwijl hij de : kruk der half geopende deur in zijne hand hield. |
om bij den minsten schijn van vijandelijkheid terstond de vlucht te kunnen nemen — dat hij gereed was om te hooren wat men hem to zeggen had. „Ik zal terstond ter zake komen, mijnheer!quot; zeide Pickwick, „Het is iets, dat u van nabij betreft. Ik hel) alle reden om te gelooven, mijnheer! dat gij een schandelijken bedrieger onder uw dak huisvest.quot; ,,Twee,quot; viel Sam hierop in; „in de geheele wereld vindt men de weerga niet van dien bruin-rok, wat huilen en bedriegen betreft.quot; „Samlquot; zeide Pickwick; „indien ik mij door dezen heer wil doen verstaan, moot ik u verzoeken uwe praatzucht te bedwingen.quot; „Spijt mij, mijnheer!quot;hernam Samuel: „maar als ik aan dien Jeremias denk, kan ik het niet nalaten de kraan eens even open te zetten.quot; „Inéén woord, mijnheer!quot; zeide Pickwick, „is het vermoeden van mijn knecht gegrond, dat eene zekere kapitein Fitz-Marshall den vrijen toegang tot uw huis heeft? —Ik vraag dit,quot; vervolgde hij, toen hij zag dat Nupkins op het punt was om uit te vallen, „omdat ik, in dit geval, weet, dat die man . . . .quot; „St. st!quot; zeide Nupkins, terwijl hij de deur sloot. „Wat weet gij van hem?quot; „Dat hij een eerloos fortuinzoeker is — een schurk, dat hij er een middel van bestaan van maakt om lichtgeloovigen op deschandeliiksteen vermsfcelste wijze te bedriegen, mijnheer!quot; zeide Pickwick, die door zijne eigene gezegden in vuur geraakte. „Goede hemel!quot; zeide Nupkins, die bloedrood werd on dadelijk een geheel ander voorkomen aannam. ..Mijnheer Pickwick ga toch zitten, mijnheer! Dat meent gij toch niet in ernst. Kapitein Fitz-Marshall: . . .quot; „Noem hem maar geen kapitein,quot; zeide Sam, „en ook geen Fitz-Marshall; hij is geen van belden. 1 i ij iseen reizende komediant,datishij,en hij heet Jingle; en als er ooit een vos in een bruin pak heeft geloópen, dan is het Jeremias Trotter.quot; „Hot is maar al te waar, mijnheer!quot; zeide Pickwick ais .antwoord op een verbaasden blik van Nnpkins, „en ik had glt; lt;gt;nn andere reden om hier in de stad te korncn, dan dat ik den kerel, j van wieti wij spreken, wilde ontmaskeren. Daarop deelde hij den vauon tstellenisbed wel n i j den Nupkins oen kort verslag mede van al de : gruwelen, waaraan .lingle zich had schuldig gemaakt. Ilii veihaaldo, hoo hij den bedrieger had ■ ontmoet, hoe de booswieht iuiïrouw Wardle I had ge ehaakt, en daarna voor eene som geld | van haar had afgezien, en eindelijk hem «elven | in het midden van den nacht, naar eene kost- | school had gelokt. |)i! verhaal deed Nupkins beurtelings blozen i ii voi bleeken. Hij had bi j gelegenheid van een i wedren met den kapitein kennisgemaakt. Upge- |
10(3
|
togen over zijne lange lijst van adellijke be-kenden, xijne reisverhalen, en voorname manieren hadden mevrouw Napkins en hare dochter niet alleen de bezoeken van kapitein Kit/. Marshall ontvangen, maar hem ook overal geïntroduceerd, en zoo dikwijls by hare vriendinnen van hem gesproken, en met zijne kennis gepronkt, dat hare boezemvriendinnen, mevrouw Perken-ham en hare dochters, van spijt en jaloezie meenden te barsten. En nu zouden zij moeten hoeren, dat hij een doodarme fortuinzoeker, een rcizendo komediant, een gemeene bedrieger was 1 Hemel! wat zouden de Porkenham\'s zeggen? Hoe zou mijnheer Sidney Porkenham zich opblazen, als hij vernam, dat hij voor zulk een mededinger had moeten plaats maken! Hoe zou Nupkins zelf\', by de volgende vierendeeljaarszittingen, den ouden heer Porkenham onder de oogen durven komen ? Welk een gevaarlijk gebruik zou deopposi tie der regeeringspartü van dit vooral weten te maken, indien het wereldkundig werd! „Maar,quot; zeide Xupkins; terwijl, na eene «••• ruime poos stilzwijgeiis, zijn gelaat een weinig ophelderde, .maar, dit is toch niet meel\' dun een los verhaal. Kapitein Fitz-Marshall is een man van een zeer innemend voorkomen — en hot zou mij niet verwonderen,dat hij vole vijanden had. Waarmede kunt gij uwe opgaven bewijzen ?quot; „Laat hij my eens onder do oogen komen.quot; zeide Plek wie kg , dat is al wat ik vraag en verlang. Laat hij mij en mijne vrienden onder de ooir-\'ii komen, on gij zult geen verder bewijs noodig hebben.quot; „Dat kan gemakkelijk geschieden,quot;zeide Xupkins, „want hij komt van avond hier. En dan zou het ook niet noodig wezen dat de zaak wereldkundig werd, alleen om den jonkman /elven nier geheel ongelukkig te maken. Ik zal venwel te voren mijne vrouw er over raadplegen. In alle gevallen, mynheer Pickwick! móeten wij eerst die rechtzaak al\'d\'n-n, voordal; wü iets and\' ! bij de hand nemen. Wi iv./,00 goeij met mij nog eens naar de andere katner te tjaah.quot; Zij gingen weder naar de gehoorzaal. .,(i rummer!quot; zeide do M a v o r nilt; t eene ior Jclie stem. „Mijnheer!quot; antwoordde (5rummer, mei den glimlach van eon gunsteling. „(leeno fainiliariteit. mijnhei i-lquot; zejde tie Ni 1 v 0 r barsrh. „Dat. golaeh is/.eei ongi-pasi. Ik verzeker u, dat gij zeer weinig reden hebt om te lach\'-n. Was dat verslag, dat eij mij gedaan In;lit, (Ir- znivete waarheid!quot; Mijnheer!quot; stotterde (inimmer; „ik . . .quot; „AI1.1! (lij wordt verlegen!quot; zeide\'de Mayor. „MUnheor Jinks! ziet gij wel hoi verb ren hij wordt „Wis •■n zeker, mynheer!quot; „(inimmerhervatte do Mayor; „la it mij uw verslag nog eens hooron. Maar wees gewaarschuwd, pasop! — Mijnheer Jinks! teeken zyne woorden aan.quot; |
De ongelukkige Grummer trachtte zijn verslag te herhalen; maar door de ongeloovige blikken van Nupkins, en het ernstige gezicht van den schrijvenden Jinks, geraakte hij, bij zyne eigene verlegenheid en neiging tot uitweidingen, binnen drie minuten in zulk eene verwarring, dat hij zich zeiven ieder oogenblik tegensprak, en Xupkins ronduit verklaarde, dat de kerel niet het minste geloof verdiende. De boeten werden derhal vek wij tgescholden,en Jinks had in een oogenblik een paar borgen bij de hand. Grummer, die eerst zulk eene deftige rol had gespeeld, werd ten slotte met schande de kamer uitgezonden als een voorbeeld van het onstandvastige der menschelijke grootheid en het wisselvallige van do gunst der aanzienlijken. Mevrouw Nupkins was eene statige vrouw met een blauwen grijzen tulband en eene lichtbruine pruik. Hare dochter, mejuffrouw Nupkins, bezat al de trotschheid van hare mama zónder tulband, en al hare boosaardigheid zonder hare pruik; en wanneer de gevolgen van deze twee beminnelijke eigenschappen moederen dochter in eenige onaangenaamheden wikkelden, hetgeen niet zelden gebeurde, kwamen beide daarin overeen, dat zij de schuld opdeschou-ders van mijnheer Nupkins legden. Het was derhalve niet vreemd, dat mevrouw Nupkins, \' toen haar man kwam modedeelen, wat hij van Piofcwick vernomen had, zich plotseling herinnerde, dat zij zoo ietsaltijd verwacht en dikwijls voorspeld had, maar dat haar raad nooitgevolgd werd, dat /.ij inderdaad niet wist, waarvoor haar man haar hield, en zoo voorts. „De gedachte alleen,quot; zeide mevrouw Xupkins. terwijlzy met moeite eenzeer klein traantje in haar oog perste, „de gedachte alleen, dat men mij zoo voor den gek heeft gehouden, is genoeg on mij de tering in te doen krygen. Dat hebt gi j aan uw\'■ papatedanken,quot; vervólgde mevrouw \\upkins tot hare dochter. „Hoe dikwijls heb ik hern verzocht, dat hij naar de betrekkingen van den kapitein / ai onderzoekon! Hoe dikwijls heb ik bij hein aangedrongen, dat hij een beslissen-den stap zou doen! Xiemarul zou het kunnen gel 00 ven.quot; „Maar, lieve vrouw!quot; zeide Xupkins; gij hebt immers zelve gezegd, dat gij zeer op den kapitein gesteld waart; gij hebt hem telkens ha r gevraagd, en hom overal geïntroduceerd.quot; ..Daeht ik het niet, I lenriëtto?quot;zeide mevrouw Xupkins op een toon, .alsof haar het grootste I onrecht wedervoer. „Heb ik niet vooruit gezegd, | dat uw p 1 pa mij van alles de sehuld zou go ven ? Heb ik h t niet gezegd?quot; Hier begon zij to : snikken. ..Ach, pa!quot; riep Henri\'tte uit, en begon insgelijks te snikken. „Is het niet al te erg/\' zeide mevrouw Nup- |
SAM WK I, I. MI; IN ÜE KMfKKN\'.
I kins, „tin hij ons zooveel spol. en schande lioeft „Dnarin zit julsl do kunst,quot; hernam Muzzle, j berokkend, dat hij mij nu verwijt, dat ik er de „Pas op dat treoiljo, mtjuheer Wnllèi-! De dames | oorzaak van zou zijn?\'\' zouden schrikken, als !-rij kwaamt te vallen.quot;
, Hoe kunneii wij ooit weder in gezelschappen , „Mci-veoi dames zijn er wol?quot; vroeg Sam. | komen!quot; zeide Menriotte. \' „In onze keuken maar twee,quot; antwoordde
„lloe zullen wij dePorkenKtim\'s wodor in do ; Muzzle. „ Wii hebben nog een jongen en eone ! oogen durven zien!quot; zeide mevrouw Nupkins. lt; meid. om het morsige werk te doen; maar die
„Maar wat bekommert uw papa zich daarom! \' eten in het waschhuis.quot;
| Wat kan hem dat. schelen!quot; Deze1 vreeselijke i „Zoo, in het waschhuis?quot; zeide Sam. i gedachte deed haar een stroom van tranen ver- I „.Ja.quot; liernam Muzzle. „Toen zij pas hiorkwa-gieten, en hare dochter volgde haar voorbeeld, i men. lieten wü hen bij ons aan tafel etijp; maar Mevrouw Nupkins bleef weenen, totdat zij tijd I dat ging niet. De meid heeft schrikkelijk gehad gehad om over de zaak te donken oh tot het j mei ne manieren, in do jongon smakt zoo hard besluit te komen, dat zij niets beiers zon kunnen .als hij eet, dat wij hel onmogelijk bij hem kon doen, dan i\'ickwick en zijne vrienden te ver don uithouden, nozen weg, mijnhrer! als\'tu bezoeken om te blijven, totdatde kapitein kwam,en liel\'i; dezen weg.quot; en hij ópendo met eene be-Piekwiek alsdan de gevraagde gelegenheid to ge- h-efde bïdging de deur van de keuken, ven. Indien hot dan bleek, dat hij de waarheid „Mary!quot; zeide Muzzle tot het aardige diens! | had gesproken, kon men den kapitein de deur ; iin\'isje, „dat is mijnheer Weller. Mijnheer heeft uitjagen, zonder dat men buitenshuis er iets van hom bier bij ons gezonden, en gezegd, dat wij vernam; en den Porkenham\'s kon men gemak ke- moeten maken, dat hij tevreden is.quot;
lijk wijsmaken, dat kapitein f\'itz .Marshall plot- „Mijnheer weet wel wat hy doet, en heeft mij seling had moeten vertrekken, omdat hij, door niet. verkeerd gezonden,quot; zeide Sam, terwijl hij 1 den Invloed zijner familie, tol gouverneur uen- Mary niet hewondoringaanstaarde. „Alsik hier raai van Sierra Leone, Sang u r Point,of woonde zou ik allijd tevreden zijn, als Ik maar i een ander van die gezonde streken was benoemd, bij Mary mocht blijven.quot;
: waar het den Europeanen zoo goed bevalt, dat „Och, mijnheer Wellerzeide Mary blozend. : zij. wanneer zij er eens gevestigd zijn, bijna „Wol, heb ik ooit?quot; riep Sara do keuken-\' nooit terugkomen. I meid uit.
Toen mevrouw Xupkins en hare dochter hare ; „Hemel! ik had n daar niet gezien, Sara!quot; tranen hadden afgedroogd, was Nupkins blijde j stotterde Muzzle. „Mijnheer Weller, laat ik u | de zaak op de dooi\' zijne echtgenoote voorge- i introduceeron!quot;
stelde manier te schikken. Bijgevolg werden : „Hoe vaart gij, mejuffer?quot; zeide Weller. „Ik | Pickwick en zijne vrienden, mulat zij de sporen bon blij, dat ik u zie, en hoop, dat wij lang ken-: van het tweegevecht hadden afgewassehon, aan nis zullen houden, gelijk de man zeide, die een de dames voorgesteld, en zetten zich kort daarna bankbriefje gevonden had.quot;
| aan tafel; terwijl Weller, wien de May o r, met i Toen de plechtigheid der introductie was af-züne gewoneschranderheid, thans voor den knap- geloopen en Mary en de keukenmeid genoeg sten jongen van de wereld hield, aan de hoede hadden gelachen en gebloosd, zette het viertal 1 van Muzzle werd toevertrouwd, met uitdrukke- zich aan tafel, Weller\'s spraakzaamheid en goed lijk bevel om hem mede naar beneden te nemen 1 voorkomenoefendeopzifneniauw© vrienden zulk ! en goed te onthalen. i een onweerstaanbaren invloed uit, datzij voordat
„Hoe gaat het, mijnheer?quot; zeide Muzzle, ter- : de maaltijd nog half was afgeloopen, op den verwijl hij Weller de trap af naar de keuken bracht, trouwelijkscen voet met elkander omgingen, en „Wel,quot; antwoordde Sam; „ik ben niet veel Weller een omstandig verhaal deed van aide veranderd, sedert ik u een poosje geleden zoo ; schelmstukken van Jeremias Trotter.
deftig achter uw heerschap zag staan. j „Ik heb dien Jeremias nooit mogen lijden,quot;
„Gij zult mij niet kwalijk nemen, datlk toen j zeide Mary.
niet veel op u lette,quot;hernam Muzzle. „Mijnheer „Dat moogt gij ook niet, meisjelief!quot; zeide | had ons toen nog niet met elkander bekend ge- j Sam.
maakt, begrijpt gij? Wat is h|j machtig met u gt; ,, Waarom niet?quot; vroeg Mary.
ingenomen, mijnheer Weller!quot; I „Omdat h-elijkheid en bedrog niets to maken
„Ja,quot; zeide Sarn; „wat is hij eon aardige j hebben met schoonheid en deugd,quot; antwoordde snaak!quot; Sam. „Niet waar, mijnheer Muzzle?quot;
„Niet waar?quot; hernam Muzzle, „(lij hebt volkomen gelijk,quot; antwoordde deze,
„En zoo geestig!quot; zeide Sam. j Mary begon te lachen en zeide, dat do keuken
en wat kan hij aanspraken houden !quot; zeide j meid haar aan het lachen had gemaakt; en de Muzzle, „Wat gaat, dat vlot — niet waar?quot; keukenmeid begon te lachen en zeide, dat het
„Verwonderlijk,quot; zeide Sam; „hel: eene woord | niei waar was,
schijnt hot andere te verdringen. Men kan er „Gij hebt my geen glas gegeven,quot; zeide haast niet wys uit worden.quot; , Mary,
SA Mlquot; KL IT OK WICK.
15«
|
„Drink met mij, ipoisjeliel\'lquot;zel(l« Sam. „7M uwe lipjos aan dil \'-rhis, dun kan Ik u eon kus geven uil de tweede hand.quot; „Foei! schaam u, mijnheer Weller!quot; /.eido Mary. „Daar steekt geen kwaad in. I let is alios natuurlijk; niet waar, Sara,?quot; „Vraag mij niet, deugniet!quot; antwoordde de keukenmeid, gillende van pret. In het midden van al deze vroolijkheid, hoorde men aan de tuinpoort schellen, en de jongeheer, die in het waschhuis at, ging opendoen. Weller was ten toppunt van zijne beleefdheid voor het aardige kamermeisje, Muzzle hield zich bezig mei: voor te dienen, on de keukenmeid had juist opgehouden met lachen, om een grooten hap in haar mond te steken, toen do deur van de keuken geopend werd en Jeremlas Trotter binnentrad, Wij zeggen daar, dat Jeremias binnentrad; maar deze opgaaf wordt niet dooronze gewone nauwkeurigheid gekenteekend. De dour ging open en Trotter werd zichtbaar. Hij zou binnengetreden zijn, en was op het punt om zulks te doen, toen hij Weller in het oog kreeg, een paar schreden achteruitdeinsde, en als versteend van verbazing on schrik, het onverwachte tooneel bleef aanstaren, „Daar is hij!quot; zeide Sam, vlug opspringende, „quot;Wij waren juist over u aan het praten. Hoe vaart gij ? Waar zijt gij zoolang gebleven? Kom binnen!quot; Dit zeggende greep hij den lijdzamen Jerernias bij zijnen kraag en trok hem de deur in, die hij vervolgens sloot, en waarvan h\\j den sleutel aan Muzzle tor hand stelde. „Dat is al heel grappig,quot; riep Sarn. „Denk eens aan! Boven heeft mijn meester de eer om den uwen te spreken, en intusschen hebben wij het pleizier om u hier beneden te hebben. Hoe gaat het metu we vrijerij,entnetdenkomenys winkel ? Wat ben ik blij, dat ik u zie, en wat ziet gü er vergenoegd uit! — Niet waar, mynheer Muzzle,quot; „Dat vind ik ook,quot; zeide Muzzle, „Hij is zoo blij dat hij mij ziet,quot; zeide Sam, „Kom! ga zitten! ga zitten!quot; i Trotter liet zich geduldig op een stool bij j den haard zetten. Hij staarde met zijne kleine | oogen eerst Weller on vervolgens Muzzle aan, I maar sprak geen woord, „N\'u,quot; zeide Sam, „zou ik u, in het bijzijn i van deze dames, wel eens willen vragen, of gu niet de fatsoenlijkste jongeheer zijt, die ooit met een bonten zakdoek en een gezangboekje in den zak liep.quot; „En die ooit met eene keukenmeid zou gaa i trouwen,quot; riep Sara met verontwaardiging. ..Die smeerlap!quot; „Kn naderhand een komenijswinkolopzetten!quot; zeide Mary. „Wil ik u eens wat zeggen ?quot; begon Muzzle, wien d( zo twee laatste gezegden do gal deden |
overloopon, opeen plechtigén toon, „Deze juffer (hier wees hij op de keukenmeid) is mijne bo-minde, en wanneer gij u vermeet, mijnheer! om te sproken van met haar een komenijswinkol op te zotten, beleedigt gij mij ten hoogste • begrijpt gij, mijnheer!quot; Muzzle, die, evenals zijn moester, groote gedachten van zijne eigene welsprekendheid had, zweeg hier stil, en wachtte op een antwoord, maar toen Joromias ook stilzweeg, vervolgde hij : „Het kan nog wel een poosje duren, mijnheer! voordat men u boven roept, omdat mij n meester juist bozig is met uw meester af te rekenen; en gij hebt alzoo tijd om een hartig woordje met mij te spreken .....verstaat gij dat, mijnheer ?quot; Muzzle wachtte wederom naar een antwoord en wederom stelde Jeremias hem teleur, „Het spijt mij,quot; vervolgde Muzzle, „dat ik mij in het bijzijn van dames moet verklaren, maar de nooddwang zal mij verontschuldigen, lie achterkeuken is ledig, mijnheer! Als gij met mij daar naar toe wilt gaan, kunnen wij elkander onderhanden nemen, totdat er gescheld wordt. Mijnheer Weller zal toezien dat hetzuiver spel blijft. Volg mij mijnheer!quot; Dit zeggende ging hij naar de deur, en begon, om geen tijd te verliezen, onderweg zijn rok uit te trekken. Nauwelijks had de keukenmeid de laatste woorden van deze bloeddorstige uitdaging gehoord, of zij gaf een ruwen gil, vloog op Jeremias aan, die op dat oogenblik van zijn stoel opstond, en zotte, met al de kracht eener zenuwachtige vrouw, de nagels van hare hand in zijn breed plat gezicht, terwijl zy hem met de andere genoeg haren uitplukte, om er zes dozyn ringen van te laten maken. Nadat zij, metal den ijver, welke hare teedere liefde voor Muzzle haar inboezemde, deze heldendaad had vei richt, trad zij wankelend terug, en, daar zij\'een zeerteeder en licht aandoenlijk gestel had, viel zij op haar stoel tlauw. Op dit oogenblik werd er gescheld, „Dat is om u te doen, Ji-remias!quot; zeide Sam, en zonder Trotter tijd te laten om een woord te spreken, of het bloed af te wisschen, dat uit de schrammen vloot, welke de thans bewuste-looze dame over zijn gezicht had getrokken, greep hij hem bij den eenen arm, terwijl Muzzle hem bij den anderen vatte; en zoo werd Jeremias, hal f\' voortgeduwd, half voortgesleept, de trap op naar de voorkamer gebracht. Hier aanschouwde men een treffend tooneel, Alfred Jingle, Esquire, alias kapitein Fitz-Marshall, stond bij de dur, met zijn hoed inde hand en een glimlach op zijn gelaat, zonder | eenige aandoening over zi.jn hoogst onaangena-men toestand aan den dag te leggen. Tegenover hem stond Pickwick, die zonder twijfel eene | • rnslige zedenpreek had gehouden; want hij had de linkerhand onder het pand vanzijnlrok.en zijne | rechterhand uitgestrekt in de lucht, hetgeen zijne |
|
I gewone hoüöiim\' was, wanneer hij eonc deftige aanspraak hield. Op cenigen afstand stond Tup-man, uit wiens trekken de grootste verent waar-; diging sprak, on die door zijne twee jongere vrienden zorgvuldig werd vastgehouden ; en aan het eind van het vertrek zag men mijnheer, mevrouw en de jongejutler Nupkins, wier blikken evenveel trotsch\'; gramschap als verdrietige «pijt tr kennen gaven. ,, Wat weerhoudt mij.quot;\'/.ride Xnpkinsmetnrh-terlijke deftigheid. „Wut weorhoudt rnij, om deze liedeti als bedriegers en oplichters in Ivchtenis te laten nemen? Het is eene dwaze barmhartigheid. Wat wciahoudt mij?quot; „Trotschheid, goede vriend! trotschheid,quot;ant-l woordde Jingle luclitigweg. „liet zou niet gaan deugt niet een kapitein in de val, niet waar? eene dochter bezorgd — en nu zelf gefopt - het praatje van de stad datomdeheele wereld niet zou een mal figuur maken : erg mal.quot; „Rampzalige!quot; zeido mevrouw; ,wij verach-i ten uwe laaghartige lastertaal!quot; „Ik heb hem altijd hatelijk gevonden,quot; zeide j Henriëtte. „Natuurlijk, natuurlijk,quot; hervatte Jingle. „ Een lang jonkman — vorige beminde •- Sidney Porkenham — wel rijk, maar niet zoo rijk als de kapitein, niet waar? — hij moest uit den weg - de kapitein boven alles - niemand ergens zoo gezion als de kapitein alle meisjes het hoofd op hol — niet waar, Je-remias?quot; Hier begon Jingle hartelijk te lachen; en Jo-remias grinnikte insgelijks, terwijl hij zich vergenoegd in de handen wreef; het was het eerste geluid dat men, sedert hij nu in huis was gekomen, van hem had gehoord. „Mijnheer Nupkins!quot; zeide mevrouw, , dit gesprek is niet voegzaam voor de ooren der bedienden. Laat die ellendelingen wegbrengen.quot; „Terstond, lieve vrouw!quot; zeide Nupkins. „Muzzle!quot; „Mijnheer! zeide Muzzle. „Doe de voordeur open.quot; „Als \'tu belieft mijnheer!quot; „Vertrek uit mijn huls!quot; zeide Nupkins, tor-wijl hij deftig met zijn arm zwaaide. Jingle glimlachte en ging naar de deur. „Hoor eens!quot; zeide Pickwick. Jingle keerde zich om. „Ik had eene veel heviger wraak kunnen nemen over de behandeling, die gij en uw huichelachtige vriend mij hebt aangedaan.quot; Hier maakte Jeremias eene zeer beleefde bui-ging* en legde zij in ■ hand op het hart, „Ik zeg,quot; zeide Pickwick, die driftig begon te worden, „dat ik eene veel heviger wraak had kunnen nemen; maar ik vergenoeg mij mot u te ontmaskeren, hetgeen ik als mijn plicht aan de maatschappij beschouw. Dit is eene zacht- |
SCHEID. 159 moedigheid, mijnheer! welke ik hoop, dat gij niet vergeten zult.quot; Toen Pickwick zoover gekomen was, hield Jeremias mot koddigen ernst zijne hand achter zijn oor, als vreesde hij een enkel woord van deze aanspraak te verliezen. „Ik heb or nog slechts bij te voegen, mijnheer!quot; vervolgde Pickwick, die thans geweldig kwaad werd, „dat ik u voor een schelm hoiid voor een ( i n schurk; erger dan Ik ooit gezien of van gehoord heb, behalve dien schijnheiligen schobbejak mot zijn bruinen rok.quot; „Ha, ha!quot; zeide Jingle, „Een goede jongen, die l\'iekwick vol courage voor zoo n oud man — maar moet u niet drittig maken -■ zeor ongezond. - Nu, vaarwel! tot weerziens! houd u maar goed. Kom, Jeremias!quot; Mot deze woorden zette Jingle luchtig zijn hoed op, en stapte de kamer uit. Jeremias bleef nog staan, zag om zich heen, glimlachte, maakte toen eene spottende buiging voor Pickwick, wierp Sam een blik toe, welks tergende onbeschaamdheid zich niet laat beschrijven, en volgde zijn achtenswaardigen meester. „Blijf hier. Sant!quot; zeide Pickwick, toon deze Jeremias wilde volgen, Sam scheen te aarzelen. „Blijf hier!quot; herhaalde Pickwick, „Mag ik dien Jeremias in den tuin niet wat afkloppen?quot; zeide Sam. „Neen,quot; antwoordde Pickwick. „Mag ik hem dan de deur niet uitschoppen?quot; vroeg Weller, „Volstrekt niet,quot; antwoordde Pickwick. Voor de eerste maal, sedert hij in zijn tegen-woordigen dienst was gekomen, zette Weller een onvergenoegd gezicht. Maar terstond helderden zijne trokken weder op; want de listige Muzzle had zich achter de deur geplaatst, en door het rechte oogenblik waar te nemen om uit te schieten, gelukte het hem Jingle en zijn knecht om ver te loepen, zoodat zij de trap aftuimelden en beneden zeer onzacht op de stekelige aloe\'s nederk wamen. „Nu ik mijn plicht vervuld heb, mijnheer,quot; zeide Pickwick, zich tot Nupkins koerende, „zal ik met mijne vrienden u vaarwel zeggen. Terwijl wij u danken voor uw gastvrij onthaal, moet ik u tegelijk in ons aller naam verzekeren, dat wij het niet zouden hebben aangenomen, of ons op deze wijze uit onze voorafgaande ongelegenheid hebben willen redden, indien een diep gevoel van onzen plicht ons niet daartoe had go-noopt. Wij koeren morgen naar L enden terug. Uw geheim is bij ons veiligquot; Na op deze wijze te hebbengeprotesteerd tegen de behandeling, die zij des morgens hadden ondervonden, maakte Pickw ick eene diepe buiging voor de dames, en verliet, in weerwil der uitnood iging van het gezin om nog wat te vertoeven, met zyne vrienden het vertrek. |
I -........-
i 1 GO
|
,Zot. uw h.»-d op, Mm!quot; zeidc I\'ickwick. „Di\'1 liut benodfii, inijnliei i\'!quot; •/■ ide W.din-. on sprong do trap ;i,f om lu iu to haUui. Ku gebeurde hlt;-t:, dat er niemand indi\'keukon was dan hot bevallige dionstmeisje; en tiaar do hoed van Sam was weggeraakt, moest hij dién zoeken, en Mary lichtte hem daarbij. Zij zochten overal, en de hulpvaardige Mary, wie hel spoot, dat zij den hoed niet vindon kon, ging op hare knieAn liggen, om onder t i-n hoop goed te zoeken, di- in efii hook achttT df deur lag. I iel was oon vvondorlijke, sclieeve hoek. Men kon d\' niet inkomen, of men moest eerst de deur toe doen. „Hier is hij,quot; zeidt Mary. „1 hij dal niet?quot; „Laat mij eens zien!quot; zeide Sain. Mary had do kaars op den grond gezet; en daar deze zlt; er II mw brandde, moest Sam insgelijks op zijne knieën gaan liggen, voor hij kon zien of hel zijn hoed was of niet. De hoek was bijzondei nauw on bekrompen, endaardmir -de schuld lag a m\'nkm i ml dan aan den man, die het huis gebouwd had waren Sam on het bevallig\'- dienstmeisje noodwendig zeer dichtbij elkander. „Ja, dat is hij.quot; zeide Sam. „Gtoedcnnacht T\' „Goedennacht 1quot; zoide liet bevallige dienst-meisje. „Tot wt orzionslquot; zoide Sam. en daarbijliothij don ho\'-d wedor vallen, die niet zooveel moeite gevonden was. „Wit zijt gi.i toch lomp!\'\' zeide Mary. ..Gij zult hem weer laten vallen, als gij niet oppast.quot; En opdat Sam den hoed niet weder zou laten vallen, zotte zij zelve dien op zijn hoofd. Misschien zag hot gezichtje van Mary er nog bevalliger uit, toen het zoo\'vlak voor dat van Samuel kwam, of misschien gebeurde het bij toeval, doorda t zij zoo dicht bij elkander waren, dit is onzeker; maar het is tevens zeker, dat Sam haar een kus gaf. „Zoudt gij nu willen zeggen, dat gü dat niet met voordacht doodt?quot; zeide Mary blozende. „Waarlijk niet.quot; zeide Sam. „Maar nu doe ik het wel met voordacht,quot;endaarmed\' gafhij haar nog een kus. „Sara!quot; riep Pickwick over de leuning van do trap. „Daar kom ik al, mijnheer!quot; zeide Sam, ter-wijl hij de trap opsprong. „Waar blijft gij zoolang?quot; vroeg Pickwick. „Kr was iets achter de deur, mynheer!quot; antwoordde Sam; dat maakte dat ik die eerst niet : kon open krijgen.quot; Zoo eindigde het eerste tijdperk van Sam | VVoller\'s liefde. |
X X \\ I liKVATTKXIt» Bl.N Ktil.l VKIlSI.Ati VAN DUN VÜRDKI.-KN I.OOI\' ni:i( I\'UOOKIM\'IU-; VAN e.AI.-DKLr, OONï-liA ffcKWICK. Nadat Pickwick door Jingle te ontmaskeren, het voorname oogmerk van zijn tocht had bereikt, besloot hij terstond naar Londen terug te k\'-eren, ten einde zich te vergewissen, welke maalrt-gelon de ht-eren üo-Json en Poggintus-scb\'-n t egt• n hem hadden genotnon. Dientengevolge nam hij den volgenden morgen niet zijne drii vrienden en zijn knecht de terugreis aan, • ii had hei genoegen nog denzelfden dag gezond en wel de hoofdstad te bereiken. Ui\' i\' namen de vrienden voor eene korte poos va ii elkander a fscheid.Tupman, Wink leen Stock-wall begaven zich elk naar zijne woning om de riquot;\'gt;d;ue toebereidselen te maken voor hunne aanstaande reis naar Dingle y-D el 1, terwijl I\'s kwiek viMirloopig (eno kamer betrokinhet bekende, u-\'v de, ouderwelsche logeinent tie W i t-te Arend. Pickwirk had zijn middagmaal gebruikt, zijne two. de kan porter geledigd, zijn zijden zakdoek over zijn hoofd gelegd, zijne voeten op liet haard-ijzer gezet, en zich achterover in zijn leuningstoel laten zakken, toen Sam Wel lor binnentrad, quot;ii hem in zijne vreedzame overpeinzingen stoorde. „sam!quot; zeide Pickwick; „ik dacht er juist aan, dat er nog veel good van mij bij juffrouw Bar-dell, in t! o s w e U-s t re e t is blijven liggen. Dat diende wel gehaald te worden, voordat ik Weder uit do stal ga.quot; „Best mijnheer!quot; zeide Sam. „Ik zou dat goed voorloopig wel bij mijnheer Tupman aan huis kunnen laten brengen,quot; zeido Pickwick; „maar het moet eerst bij elkaar gezocht en gepakt worden. Oü moest t- ns naar G o s w e 1 Is treet gaan en dat beredderen.quot; ...Vu terstond, mijnheer?quot; vroeg Sam. „Ja,quot; antwoordde Pickwick. „Maar wacht! er is nog huur te betalen,quot; vervolgde lig, terwijl hij zijne beur ; uithaalde. „Het vierendeeljaars i w- I - ts; met Kerstmis om. maar ik wil mij er af maken. Ik moet eene maand vooruit d\' kamers opzeggen. Hier is een briefje, waar mede ik dar doe. Geef dat over, en zeg julfrouw Bardell, dat. zij een bordje kan aanslaan zoodra zij maar wil.quot; „(iii.-ii, mijnheer!quot; zeide Weller. „Anders niets?quot; „Neen, Sam! Anders niet.quot; Sam ging langzaam naar do deur, alsof hij nog ie*s verwachtte, opende dielangzaam,stapte langzaam naar bulten, en,bad die langzaam weder di\'-ht gedaan, maar nog niet, geheel, toen Pickwick riep: ,,Sarn!quot; |
SAM WELLEK OA AT OP VERKEN\'X FN 0 IJ IT,
)o, m r.quot;\'
im clij k ook \'el, d; eens baas, jongx ste t: \'hap 1 wee
i.ie. /,i
1,quot; antw
golukki: en, dat
Bardell van do boven, sen, dio
it j; zes. je!\' ■hee rede na; mi
•nam ar wih
5 zijne en sin
trap op -
„Ja, mijnheer!quot; zcide \\Vollor, die spoedig terugkwam.
„ik hel» er niets tegen, Sam. ais gij eens tracht te onderzoeken, hoe juffrouw Bardell zcive omtrent mij gezind schijnt te wc/,en. en of het inderdaad waarschijnlijk is, dat zij dat schandelijke en ongegronde proces zal voortzetten. Ik zeg, dat ik er niets togen heb, indien gij lust mocht hebben om dat te doen, Sam!quot;
Sam knikte even, ten teeken dat hij zijn moester begrepen had, en begaf zich op weg, terwijl
„Z moert
„en i] „W haar klein De onder hoods Do
Sam ; „hoe vaart oorddi: de kb ine Bardell,
amuol. „Oa Ie spreken,
k:i:iI\'S op de met zijne
iron af-
he ik ha
|
j Pickwick weder op zijn gemak ging zitten, om I een dutje te doen. Het was bijna negen uur, toon Sara O o s w e 11-| street bereikte. Er was licht op do boven-i kamer, en öp de gordijn zag men de schaduwen | van twee vrouwennmtsen. Juffrouw Bardell had j \'lerhalve gezelschap. Sam klopte aan, en na een tamelijk lang tijdsverloop, dat noodig was om i eene kaars aan te steken, hoorde Sam een paar j kleine laarzen de trap afkomen en de jongeheer 1 Hardell opende de deur. |
geteekend, warea de hoofdsieraden van een paar ; goede vriendinnen van juffrouw Bardell die eens i even waren aangekomen om een kopje thee te i drinken en e n warm soupi1 tje te gebruiken, • dat uit gobradene kluitjes en geroosterde kaas I zou bestaan, die op do spaarkachelwerden ge- j reedgemaakt. Juffrouw Bardell zat zeer graioeg- \\ lijk motdezquot; vriendinnen te keuvelen, toen haar i zoontje met zijne boodschap binnenkwam. „De knecht van mijnheer Pickwick?quot; zeide | juffrouw Bardell verblfeekende. |
Dickens, Samuf.l Pickwick.
11
|
162 s.VM T KL .W\' 1 li\' V\' tiM!quot; ; i jullniuw Cluppins. „Ik zon liet riiet golooJ\'d liebbi;n, als ik er niet zelve by iullrouw Sanders. JufVronw \' \' jipin waseenkiein.iiiagér,leven- ; grooto, dikko, grove vrouw, beidt i rouw\' vrien-(linnen \\ n ju 11 Vouw lianii\']]. De nO(quot;!- jjiap v.\'.i \'onvt rwarli\' en wrrasseudi JuftVöiiw Hard\'-li wn- er van ontroerd, en wist niet, nfzi . nidi!]-de inslaande omstandiglieden, wel op oene and\'-re wijze i\' ni-;gt;\'uemeenscliap met den kr.\' ;ht vati mijnheer l\'iqRwic.k hel#;n moHii, lt;la . «loor iiiftach».-» comst van de heeren Dodsou un FC\'gg. In de\'ze verlegenheid was na-tuurlijk he; eerst, wat haarinvH den kleinen jongen een klap te ■ ven. omdat li ij Sam had opengedaan. Bit gebeurde dan ook, en deknaapbegon erbanneli k te .schreeuwen. „Wilt wel .-.til zijn, .-tout\'- joogon!quot;zeide • juffrouw Sanders. „Zij is büihaidien al gimoeg geplaagd,\'quot; zeide jutlVouw Chippin- medelijdend. Deze zedekundige opmerking bracht den jon- j genheer sle chts nog harder aan het schreeuwen. „Wat zal ik doen zeide juffrouw Bardell. „tk geloof, dat gij hem moest te woord staan,quot; ; zeide .juffrouw ( luppins; „maar vooral niet zon d- r getuige.quot; „Ik geloof, dat de wet altijd twe\'- getuigen bij zoo iels voOrsehrUft,quot; zeide juffrouw Sanders, I die, evenals do andere vri\' ndin, van nieuwsgio j righeid brandde. „Misschien zou hef best. zijn, dat ik hem maar • hier lief komen.quot; zeide juffrouw Bardell. „Dat zou het vast,quot; zeide ju \'rouw Oluppins snel. „Kom maar boven, vriend 1quot; maar doe eerst, de voordeur dicht.quot; Wed 1 er gehoorzaamde ter eend, en zoodra hij op de kamer was, begon hij aldus zijp.\'- boodschap te doen: „Spijt mij machtig, al-- ik u eonigszina hinder, juffrouw: •„•olijk de huisbreker zeide, toen hij de oude mevrouw op het vuur lelde; maar mijn heerschap i* pas in d\' dad gekomen en gaat, spoedig wi er naar buiton; het is dus niet te ver-ander-n.quot; „Her is waar, d- jonkman le ed\' --.•.•n schuld aan liet_ - u zijn nu ster Liedaaa heif .quot; zlt;\'ide juffrouw Oluppins, die hot voorkomen eri de uit,-drukkiinron van W( Mer lamel ijk vreemd vnd, „Z\'-kor niet,quot; zeido juf\'riunv sand-r-,die gelijk uit hare a ngstige blikken op de pan was :öp te maken, bji zich /,»-lve berekende, hoe ver de kltifjjes Wel. zouden s:tekken, ihdien Sam ten eten werd g vraagd. ,D© re-den, waarom ik hier kom,quot; vervolgde Sam, zondei op deze :ozogd\':,n acht te geven, „is, de-ze- innieiijkvooreer;-!..iin v inwe je mi,in heerschap de- kanna ■ ■ konu n opzi .tgen daar is zijn bri\'dje; t\'-n tweede, om de huur te Malen — daar is het geld; ton derde, om t.\'zeggen, |
PICK WICK. dat zijn goed moet worden bijeengepakt en me- j d.\'gegoven, als hij er iemand om zendt; ten vierde dat gij do kamers aan een ander kunt verhuren zoodra gij maar wilt. Dat is nu de hoede historie.quot; j;ij al wat er voorgevallen Is,quot; zeide julfrouw Hardell. „hoh ik altijd gezegd, en zal altijd zeg- ; gi-n, dat mijnheer l\'ickwick, slechts één geval uit uezonderd, zich altijd als ee n fatsoenlijk man hen ft gednnren. Hij hchialde altijd zoo prompt ils de bank.quot; Dit zeggende, hield zij haar zakdoek voor hare oogen, en ging do kamer uit, om ene eiuitantie te halen. Sam wist wel, dat, indien hij zijn slechts stilhield, de vrouwen zonder eenig. n twijfel aan hot praten zouden geraken, en derhalve keek hij beurtelings naar de kluifjes, de kaas, de muur en den zolder, zonder een woord te spreken. „Die arme vrouw,quot; zeide juffrouw Cluppins. „Dat moogt gij wel zeggen,quot; zeide juffrouw Sanders. sam sprak geen woord. Hij zag dat zij reeds op weg waren. „Ik kan waarlijk niet zwijgen,quot; zeide juffrouw éduppins, „als ik aan zulk eene vreeselljke trou-welooshejd denk. Ik zou niet gaarne iets willen ze-gen, elatu hinderen kon, jonkman! maar uw meester is een ondier, en dat zou ik hem in zijn gezicht zeggen, als hij hier was.quot; „Ik mocht het wel lijden,quot; zeide Sam. „(Üj ziet zelf, hoe zij het zich aantrekt. Zij doet don goheelen dag niets dan treuren,behalve als er uit menschlievendheid een paar vriendinnen komen om haar wat op te beuren,quot; vervolgde zij, met een blik op de kaas. „Het is ijaelijk.quot; „Ja. wel i, selijk,quot; herhaalde juffrouw Sanders. ..En uw meester is toeh een man, die geld he ■ ft, vriendvervolgde juffrouw Cluppins, zeer rad spiekende. „Voor de kosten behoefde hij Immers nie-t bang te zijn, als hij eene vrouw nam. Hij heeft waarlijk niet de minste schijn van ver-onts.-huldiging voor zijn gedrag. Waarom trouwt hij haar niet.quot; „Ja wellquot; zeide Sam; „daar zit hem de knoop,quot; „Ik zou hem wel tot reden weten te brengen, al - ik. haar was,quot; hernam juffrouw Oluppins. „Kr i- e-jlukkig nog recht in hfct land voor ons, a-rnie vrouwen; en dat zal uw meester te zijnen i-; imdervinden, vriend! voor dat wij zes m ! inden vorder zijn.quot; De-ze troostrijke gedachte deed haar gezicht w-Ier ophelderen, en zij knikte juffrouw Sanders glimlachend toe, die insgelijks glimlachte en knikte. ..Het proces gaat door; daar valt niet aan te twijfelen,quot; dacht Sun bij zich zeiven toen juffrouw Bardell nn.-t de quitantieterugkwam. , Uier Is de\'luitantie, mijnheer Wolier,quot; zeide .Hiffrouw Bardell. „Ik hoop toch, dat gij een |
«AM WKLLER HIJ JUI\'PIIOUW BARDKLL
|
dorpje zult gvbruiken van hot eon ofiindor al was liet maar om konnis to houden.quot; *am zag terstond in, wat hij winnen kon, en I gar zijne toestemming. Juffrouw Barclell haalde uil1 ene kast eene zwarte flesch en oen wijnglas: en zoo groot was de verstrooiing, waariii zij bij hiU-e diepe zielesinart verkeerde, dat zij, na het I as V()0r,«ani t(; l\'ebben volgeschonken,\'nogdrie glazen uit de kast kreeg en die insgelijks vol schonk. „lleerejuflrouw]3ardell,quot; zeide juffrouw (\'lui). puis; „zie eens, wat gij daar uitvoert.quot; i „Nu dat is eene mooie grap.quot; riep juffrouw Sanders uit. ,,Ach, mijn arm hoofd!quot; zeide julfrouw liar dell met een glimlachje. Sam begreep dit alles zeer wel, en zeido daarop terstond, dat hij \'savonds nooit iets gebruikte als er geene dame mot hem meedronk. Hierover werd hartelijk gelachen, en om i\'om zijn 7,111 te geven, nam julfrouw (Sanders een klein proefje, en toen Sam zeide, dat het moest rondgaan, namen zij allen een proefje, Daarna deed de kleine juffrouw Cluppins het voorstel om eens te drinken op den goeden af-\'or. p van het proces en daarop ledigden do da-nios liare glazen en werden dadelijk zeer spraak- „Gij zult wel gehoord hebben wat er gaande is, mynheer Weller?quot; zeide juffrouw Bardell Sim er Z00 iets van gehoord,quot; antwoordde „Het is ijselijk, dat iemand zich op zulk \' «-•ene manier in opspraak moet laten brengen : mijnheer Weller!quot; zeide juffrouw Bardell; „maar zie nu, dat er geen andere weg op is\' en mijne solliciteurs, de hoeren Dodson en zeggen, dat wjj zulke duchtige bewijzen heb\' I quot;■n dat, wij het proces moeten winnen. Ik weet met wat ik zou beginnen, als ik het verloor mynheer Weller!quot; \'cwuui, Het denkbeeld alleen, dat juffrouw Bardell net pioces zon kunnen verliezen, deed juffrouw 200 dieP quot;quot;troeren, dat zij spoedig haar want schenken en uitdrinken; Zt L rU gevoeId,!\' «eiük zü naderhand zeide quot;at indien zij geene tegenwoordigheid van geest «« ï\'v\'iiS;, zquot;lks te ■Saiii^anneer za\' dc zaa\'v\' bepleit worden ?quot; vroeg Bar\'lell\' (\'ljrLUiri 0t Maart\'quot; antwoordde juffrouw koeü\'n1 Zquot;llen er een\'^l getuigen moeten op-nlet waar? \' zeide juffrouw Cluppins. „ at geloot ik,quot; zeide juffrouw Sanders \' 1 up pins,7\'1,1 rn0et het winnon \'quot;hern.\'im Juffrouw „Ik hoop het,quot; zuchtte juffrouw Bardell \' Wetnntquot; twf\'/el zeidejnlfrouw Sanders. _____u\' Z0ldü «ani, terwijl hij\' opstonden |
zijn glas nederzette; „al wat ik zeggen kan, is, dat ik er het boste van hoop.quot; „Ik dank u, niijnheer Weller?quot; zeide juffrouw Bardell aangedaan. „Ln wat die Dodson en l\'ogg betreft,quot; zeido Sam, die zulke dingen op speculatie doen en de andere goede, brave lieden van hetzelfde beloop, die de menschen voor niemendal tegen elkander ophitsen, en hunne klerken uitzenden om overal kleine krakeelen op te zoeken, die met processen aan den gang zijn te houden, a I wat i k van hen zeggen kan, is, dat ik wensch te, dat zij hét loon kregen, dat ik hun gaarne zou willen geven.quot; • Oi. h ja ! zeide Juffrouw Baruell zeer vergenoegd : „Ik wenschte ook, dat zij het loon kregen dat alle goede, brave menschen hun zouden willen geven.quot; „Daar zeg ik amen op,quot;hernam Samuel; „en i zij zouden er dik en vet van worden. Nu ik wenseh u goedennacht, dames!quot; Tot groot gonoegen van juffrouw Sanders liet de gastvrouw Sam vertrekken, zonder van de kluifjes en de kaas te sproken, die kort daarop met smaak werden genuttigd. Vvoller begaf zich weder naar de Witte Aren d, en deed zijn moester een trouw verslag van al wat hij bij zijn bezoek, omtrent de inzichten en handelwijze van de heeren Dodson en rogg, had opgemerkt. Bij een onderhoud met 1. erker op den volgenden dag werden de berichten van Sam meer dan bevestigd; en 1 ickwiek begon zich gereed te maken voor een iverstmisbezoek op Manor-Farm, met het strooiende vooruitzicht, dat een eiseli tot schadevergoeding wegens het niet nakomen eener trouwbelofte, te zijnen laste twee of drie maanden later voor het hof van Com raon-Pleas zou worden bepleit, terwijl de eischeres niet alleen wat uit een toevalligen samenloop van omstandigheden te maken was, maar ook de hongerige sluwheid van Dodson en Fogg in haar voordeel had. XXVII. SAMtnci, WEI,r,Bil nOKT KEN l\'Kl.fiRlMSIÖOIlT naak DORKING, EN HKZOEKT ALDAAR ZIJNE STIEFMOEDER. Ii.iar er nog twee dagen moesten verloopen 1 voordat de l\'ickwicklsten naar Dinglev-Dell zouden vertrekken, zette Sara, die vroeg gege- 1 ten had, zich in «-en achterkainertje van de j Witte Arend nedor, om op zijn gemak te be- i denken, hoe hij dien tijd op de beste wijze zou dooi brlt; ngen. Het wasbijzondermooi weder; on hij had nog geene tien minuten nagedacht, toen |
SAMl\'Kii PK\'KWK\'K.
If. I
|
lioni .■.ia tc ihui iitl * I. ouult;. i\' lictVio 0V\' r. i n Ivi li- m zlt;«o lovt-mlig vo.-r den geest kwam, dat hij zijn vador en zijne stiet\'inood i: ( on- behoord\'■ te bozo» \\\'on, d;U hij zich vi\'Twuiidorde liquot;1 het inoin l\'u\' wus, lat hijtotnevi ii nooit uaa dien plicht had ■■(laeiit. Vol ijvi •• quot;in zijn verzuim zonder uitHtel wed te maki\'i!. \'Jiing hij terstond de train.;i n,.ar zijn jikm sti r en vi rzoeiii lien; hid n-- quot;uue vei lot, om zim iml.\'iijk v.,ornemen toga m vulv.on-n. „W\'iil 7,1 !ci*r. \'i,:in! wel)zeker!quot; zeidi 1\'ick-wick, w;- !.-■ oop-n iclin^ierden van gei.m^eii ; . : ■ i \' ■ ■ bi zat. „Wel z.tker, .-aia\'.quot; Woller maakte en dankbare buiging. _ „M\'t verheugt mij te 7.ien,datgij uw kindei • „Ti.it heb ik altijd gedaan,nnjnhf ^ vi^zeideSam. | „Dat inoi \' eene strooiende gedachii\' voot u wez.\'it, •■amiquot; zeide Pickwick goedkeurend. „Ja W\'i, mijnle .-r!quot; zeide Kam. ik iel» van mijn vad.\'i\' hebben wilde, vro1 gik ei a.ltijd zeer beleefd en vriendelijk orn; en als hij liet mij nii t :_■ ven wou, nam ik hot Böaar weg; anders mocht ik eens iets kwaads gedaan h-h-ben, ui\' spijt dat ik het niet krlkeii kon. Op di\' manier heb ik hei a vuT verdriet, b\' -spaat d, j mijnheer!quot; Pickwick, terwijl hij glimlachend zijn hoofd : schudde. II.! was alles goed gemeend, mijnheer , hernam s-cnuel; „gquot;lijk de man zeide, diquot; van zijn. vrlt; sw w-uli-p, omdat zij niet gelukkig met hem scheen te ziin.quot; „Gij kunt gaan, Sam!quot; zeide Pickwick. quot;Dunk je, mijnheer!quot; zeide Sam: hij maakte daarop eene fraaie buiging, ging zich bijzonder netjes aaukleedon, nam vervolg, ns lt;1 ne plaats op dgt;- di. -\'•■rv en ■ i naar Dorking. De Marquis van Oranby was in juffrouw Weller\'- 1 eone herbergen uir.spanning van de eerste k\'l r—het huisst.ond vink aan de r; weg, on wa ■ ui-it groot geno\'-g om gemakkelijk.-n klein u- n-•••\'-\' om gezellig te wezen. Aan oen ijzeren stang, die boven de deur uitstak, hing een gro\'it bord, waarop in on hi ; boven ijf geschilderd zag van «en heer met eem nod gezwollen -zici\'t, ineen tood\'-n r-k i\'ietblauv.e opslagen en met • en blauwe gt; tr . ... die lucht moest v. rb.-ilden, boven zijn driekanten hoed. Het wa het welgelijkend portre\'van den Mar-qui-, van (iranby, roemyuchtiger gedachtenis. Voor het venster van de gelagkanv r f-sonden f.enige geianiupis en eene rij heMere. brandewijn i!1 ■■■chen De open vensterluiken droegen ver-icheidi-ne opschriften niet vergulde letters, waarin de goede bedden en uitmuntende wijnen werden aangeprezen; terwijl de menigte van boeren en stalknechts, diquot; bij dquot; sUldeur Rn don p ■ardentrog stonden, met grond deden |
ei i.ioed. u, dat het bier en de brandewijn hier insgelijks goed van soort waren. Toen Sana \'Well, r van de diligence was geklommen, bleet iiij een oogenblik staan, om met het oog van een ervaren reiziger op deze kleine teekenen van een bloeiende atlaire te letten; en zeer w-1 tovn den met hetgeen hij zag, stapte hij ver volgens liinneu. \\V;it moet je hebben?quot; riep eene schelle vp\'.nweii tem, zoodra Sam zijn hoofd binnen de deur s\' ik. uu zag om naar den kant, vanwaar hij de dem hoorde. Daar zag hij eene vrouw, die er * ■ 11netijk e. Z\'-t en doorvoed uitzag. Zij zat m de gelagkamer bij den haard, en was bezig met tiet vuur aan te blazen, om het theewater aan d- -n kook te maken. Zij was niet alleen; want aan de andere zeide van den haard, op een .t.iii i . 11 11 i ■ ..uderwetschon stoel met een hoogen rug, zat. oen man met een kalen zwarten rok en een mg bijna zoo lang en recht als die van den stoel zei ven. , , , , , Deze man. die terstond de geheele aandacht van sam tot zich trok, had een bleek, langwei-pig gezicht, een donkerrooden neus, en een uitzicht, dat iemand aan eene ratelslang deed d-nken; het was tamelijk schrander, maar ontwijfelbaar slecht. Hij droeg eene korte broek .•n zwarte katoenen kousen, even vaal en kaal als zijn rok. De lange punten van zijne witte das hingen zeer slordig en onschilderachtig ever ziin dicht toegeknoopt vest. Een paar handschoenen, een breedgerande hoed en eene oude paraplu lagen naast hem op een stoel ; ; .-ii aan de zorgvuldigheid, waarmede deze voer- \'.verpen waren nedergelegd, kon men zien, dat de roodneus wio hij ook wezen mocht, niet voornemens was om spoedig weder heen te gaan. Om hem recht te doen, moeten wij zeggen, laf het zeei onverstandig van hem zou geweest a, indien hij zulk een voornemen had gekoesterd\'; want naar allen schijn had hij een uitge nreiiion kring van bekenden moeten bezitten, om redelijkerwijze te kunnen denken, dat hij ergens eene betere rustplaats zon vinden dan hier. Het vuur begon juist vroolijk te branden en de ketel zacht te zingen. Op de tafel stond een blaadje met theegoed; eene pan, waarin eeniii\' sneden geroosterd brood in boter lagen ?■- sissen, stond voor het vuur, en de roodneus zelf was bezig met door middel van eene lange vork eene groete snede op dezelfde smakelijke \'inmier gereed te maken. Naast hom stond een .tampend- glas rumgrog; en telkens, wanneet riij zijne snee brood omhoog hield, om te zien of zij goed bruin werd, nam hij een slokje, en zag daarbij de juffrouw, die het vuur aanblies glimlachend aan. Sam verdiepte zich zoodanig in de beschon wing van dit vrccd/aani toonecl, dat hij op |
1G5
|
eerste vraag der lijvige juffrouw volstrekt treon acht gaf. Niet voor zij die tweemalen, telkens met eene schellere stem, had herhaald, viel het hem in, hoe ongemanierd dit zijn gedrag was. „De baas te huis?quot; vroeg Sam, ais antwoord op de vraag. „Neen,quot; zeide juffrouw Weller; want de lijvige dame was niemand anders dan do gewe-zene gade en eenige erfgenaam van den heer Clarke zaliger. „Neen, en ik verwacht hem ook niet.quot; „ Komt hij vandaag dan niet hkir?quot;vroi g Sam. „Mogelijk ja, en mogelijk neen,quot; antwoordde juffrouw Weller, terwijl zij de snee brood bo terde, die de roodneus juist van de vork had genomen. „Ik weet het niet, en wat meer is, het kan mij niet schelen. Bid maar intusschen, mijnheer Stiggins!quot; De roodneus deed zulks, en viel daarop vivi-tig op de snee brood aan. Het voorkomen van den roodneus had Sam aanstonds doen vermoeden, dat hij do onderherder was, van wien zijn achtenswaardige vader had gesproken. Zoodra hij den man zag eten, hield alle twyfel op; en hij begreep, dat hij niet lang moest dralen, indien hij op eene goede ontvangst wilde hopen. Hij stak di rhalve dadelijk zijn arm over de onderdeur van dc p-lagkamer, schoof den grondel af, en trad zonder omslag binnen. „Hoe vaart gij, moedertje?quot; zeide Sam. ..Ik geloof waarlijk, dat het een van de Vu I-ler\'s is!quot; zeide juffrouw Weller, terwijl zij Sam aanzag met een gozicht, dat alles behalvi blijdschap te kennen gaf. „Ik geloof het ook,quot; zeide de onverzettelijke Sam, „en ik hoop, dat do eerwaardige heer hM mij niet kwalijk zal nemen, als ik zeg, dat ik wenschtedat ik uw eigen Weller was, moedertje!quot; Dit was een dubbel compliment, hetwelk bo-ieekende, dat juffrouw Weller eenezeei; bevallige vrouw was, en dat Stiggins het voorkon: n van een geestelijk heer bezat. Hot maakte een zeer merkbaren indruk, en Sam nam deze gelegenheid waar om zijne stiefmoeder een kus te geven. „Laat staan!quot; zeide juffrouw Weller, terwijl zij hem van zich afstiet, „Schaam u, jonkman,quot; zeide de heer met den rooden neus. „Neem mij niet kwalijk, het was goed ineond,quot; zeide Sam. „Maar gij hebt veiijk ; iie( 1 js niet raadzaam als eene stiefmoeder noi: jong ! w en er zoo goed uitziet; niet waar, mijnlilt; ■ r?quot; I „Hei is alles ijdelheid/\' zeide Stiggiie), „Och ja!quot; zuchtte juffrouw Weiier, terwijl zij hare muts weder rechtzette, Ham dacht, bij zich zeiven, dat zij gelijk liad-don, maar zeide niets. |
De onderherder scheen lang niet in zijn scl.ik niet het bezoek van Sam; en toen de indruk van het compliment voorbij was, zette ook juffrouw Weller een gezicht, alsof het haar volstrekt niet zou gespeten hebben, indien haar schoonzoon was weggebleven. Daar hij er echter was, en dewijl men hem fatsoenshalve do deur niet kon wijzen, gingen zij alle drie tezamen zitten theedrinken. „En hoe maakt vader het?\' vroeg Sam. Op deze vraag hief juffrouw Weller hare handen omhoog en sloeg hare oogen naar den zolder, al^of het onderwerp al te smartelijk was om er over te spreken, Stiggins slaakte een kermenden zucht. „Wat scheelt mijnheer?quot; vroeg Sam. „Hij is zoo diep ontroerd, dal uw vader zoo voortgaat nut .. .begon juffrouw Weller te antwoorden, „O, is het andersnif.-t!quot; viel Sam haar in do rede. „Hij heeft er maar al te veel reden toe,quot; hernam juffrouw Weller zeer epstig. Stiggins nam nog eene snode geroosterd brood, en kermde erbarmelijk „Hij is zoo schrikkelijk goddeloos!quot; zeide juffrouw Weller. „Een kind des toorn. !quot; riep Stiggins uit. Daarop nam hij een grooten hap uit zijne snee brood, en ben-on mot een vollen mond weder te kermen, Sam evoelde eene -aerki neL\'i . om den v,vh - rw:i:i reen Ie er si s i, den on vi gt;. . ieciil .. Wal ie quot; (]( ai : Han toch uitgevoerd ?quot; .Uitgevoerd?quot; zeide: jnfrrölnv Wolk-r. „Hij heefteen verstokt hart. iVzouitmuntendi man neen, schud uw Imofd niet, mijnheer Stiggins! want Ik wil en zal zt-irvni. dat gij een uitmuntend man zljt — deze uitmuntende man komt hier avond aan avond, en blijf! uren ach* tef \'-n zitten, zonder dat lc er he; minste uit-werksel van zie.quot; „Dat. is raar,quot; /.•■ide Sam. ..Als ik in zijne | plan ik we-, zoudt. : er siiifiüg i- :i uitwerksel van ■ :\\va e worden, dat verzekor ik u.quot; „Hij : : v-iblind en verstókt, daar zl! het 1 „Ach, mijn j\'-!i;.\'d:v vrii nd! ho:1 lia.d hij anders In\'! snv-. l-a-M van Z( \'tien onz^r vrooms!lt;- znsters kunie-n wei lei «taan, en h.-XFi; verzoekquot; e afslaan, • ■Mi li \' w.\'nlen van on/,1, ed -!• \\- t-, i-nieing é: ■: 1 e,. t) indl quot;• l| : I W •• \'• • • n met wolk-;- hui-quot; -• en zeillt; kiindige . ik\'l .■ l;en to voorz; hi !quot; \'id, •uiiligi zal:\'nek-n \' quot;- -ie - , .Wat Zijn dat voor dingen?quot; ., Di- , W\'dke, v-rmaak nvt ond\' rrii-hl \\ - reeni-■\'■\'•ii, \' - i i\'gt;ii;.\'i- vrl\'-ml! ,intwoordd- • iv:rins, daar z;j a ve-rhalmi, ne \'r :aii-hout- sneilen l.i \'Vatf. tl.quot; Ik heb / wa l In k-nociiwlkkquot;-!:- zien ha ie.quot; n, met bedel- |
100 SAMUEL PICKWICK.
|
briefjes on dat soort van goed er op, niet waar?quot; Stiggins nam zijn derde snee geroosterd brood, en knikte toestemmend. „En wilde hij die juffrouwen haar zin niet doen?quot; vroeg Samuel aan zijne moeder. „Hij bleef zijne pijp zitten rooken, en zeide wat zeide hij ook van de negerkinderen, mijnheer Stiggins?quot; „Hij zeide: „dat is maar lorrendraaierij 1quot; antwoordde Stiggins diep ontroerd. .. Lorrendraaierij,quot; herhaalde juffrouw Weller, en beiden begonnen erbarmelijk te zuchten. Misschien zouden er nog een aantal goddeloosheden van denzelfden aard ontdekt zijn geworden; maar het geroosterde brood raakte op, en de thee werd slap, weshalve Stiggins, die bemerkte dat Sam niet voornemens was om spoedig heen te gaan, zich eensklaps herinnerde, dat hij eene afspraak met den herder had, en haastig afscheid nam. Nauwelijks was het thi/egoud weder woggezot, of er hield eene diligence voor de deur stil, de oude Weller trad binnen, en aanschouwde zijn zoon. ..Zoo, Sampjelquot; riep de vader uit. „Daar ben ik, oude paai,quot; zeide de zoon, en zij drukten elkander hartelijk de hand. „ Welkom hier, Sarnpje!quot; zeide de oude Weller. ,./ijt gij al lang hier geweest?quot; j „Een half uurtje.quot; „En hebt gu\' zoolang vrede kunnen honden met uwe moeder? Ik begryp waarlyk niet, hoe gij dat hebt gedaan gekngun. Ik mocht wel lijdén, dat gü mij dat kunstje eens leerdet.quot; „Stil!quot; zeide Sam; „zij is in huis.quot; „Zij kan ons niet hooren,quot; hernam de oude Weller.quot; „Als zij thee gedronken heeft, gaat zij altijd een paar uren naar de keuken, om daar op den bezem te rijden. Komaan, Sampje 1 wij zullen samen eens gaan zitten dampen.quot; Dit zeggende, maakte Weller een paar glazen cognacgrog gereed, en kreeg een paar pijpen, waarop vader \'ii zoon ieder aan een kaait van den haard, deftig gingen zitten drinken en rooken. „Iemand hier geweest. Sampje?quot; vroeg Weller na eene langdurige stille. Sam knikte toestemmend. .Vent met, een rooden neus?quot; vroeg de vader. Sam knikte weder, „Aardige kerel, niej waar s.inr\'quot; zeide Weller, _\'eweldig dampende. „sehijnt zoo,quot; antwoordde Sam. .Knappe rekenmeester,quot; zeide Weller. ..Hoezee,?quot; vroeg Sam. „Maandag komt bij achtien pon c e l^enen, en dan vraagt hij dinsdag om i-n shilling, om het tot een halve kroon te maken, woens-•lag leent hij nog een halv\' kroon, om er vijf shillintr van te maken En zoo gaat hij door, telkens met, nog eens zooveel, totdat het ineen ommezien vijf guinjes wordt, — net als die som in het rekenboek over de nagels van een hoefijzer. weetje?quot; |
Sam gaf door een hoofdknik te kennen, dat hij zich het door zijn vader bedoelde vraagstuk herinnerde. „Gij hebt dus niet voor die wollen buisjes willen inteekenen?quot; zeide Sam, nadat hij weder eene poos had zitten rooken. „Wel neen!quot; antwoordde do oude Weller; „ Wij zouden die kleine zwarten daar over zee met wollen buisjes doen? Maar wil ik u eens wat zeggen. „Ik zou een mooi sommetje willen geven, als men voor zekere menschen hierin het land eene partij dwangbuizen wilde laten maken.quot; Toen hij dit gezegd had, richtte hij zich langzaan weder op, en gaf tegelijk zijn zoon een veelboteekenenden wenk. ,, Ik vind het ook vrij raar, zakdoeken te willen zenden aan lieden, die niet weten wat zij er mee doen moeten, merkte Sam aan. „De fijnen hebben altijd zulk eene draaierij I aan de hand, Sampje!quot; hernam de vader. „ Ver- I leden zondag ging ik eens wandelen, en wie zag | ik daar aan de deur van de kerk staan, met ! : euii groot bord in hare hand? — niemand anders | i dan uwe stiefmoeder. Ik geloof vast, dat zij er | voor een paar guinjes klein geld op had; en j terwijl do kerk uitging, regende het aldoor ko- | l peren munt. Waarvoor denkt gij wel, dat zij | dat geld willen gebruiken, Sampje?quot; „Misschien weder voor een theegezelschap,quot; ! zeido Sam. „Het lijkt er niet naar,quot; hernam de vader; „om het watergeld\') van den herder te betalen,quot; ; „Het watergeld van den herder?quot; zeide Sam. „Ja!quot; hernam de oude Weller. „De herder was j al drie vierendeeljaars schuldig en gaf maar geen I geld misschien omdat het water hem van weinig dienst is, want hij drink, zeer weinig van dien gemeenen drank. Maar dat was de Compagnie hetzelfde, en omdatbij niet betaalde, werd /ijtie pijp dichtgemaakt. Wat begint nu de herderquot; Hij loopt naar de kerk, en klaagt dal hij een heilige is, die vervolgd wordt, enzegtdat hij hoopt,dat het hart van den man, die de kraan had toegedraaid, vermurwd zal worden, maar dat hij rei Ie heeftom te vreozen, dat hij rechtuit naar de hol gaat. Daarop houden de vrouwen ter-tond pene vergadering, benoemen uwe moe \' der tot voorzitster, en nemen het besluit on; den volgenden zondag eone collecte te doen; en die geven zij geheel aan den herder, Kn als hij niet genoeg gekregen heeftom het watergeld 1 In ii \\v\'gt;r«U lint water uit TlifMiniK of amlcro Htroornen lt;loor middel van pijpen imllt;\'hui/.én geleid. !gt;\'\' \'bruiker betaalt daarvoor jaarlijk»\'\'ene zekere sum i ui o»\' Wiiten «mi paKuie, diode hoofd pij pmi en pompen i iiderliondl , en blijft hij met zijno bntaling ten a\'-hteren, dan sluit men zijne pijp al. |
1(57
|
voor zijn geheele leven te betalen, wil Ik een botmuil heeten, Sainpje.quot; Deoude Welierrookte eenige minuten in stilte zijne pijp, en vervolgde toen: „Het ergste van die herders is, dat zij alle jonge meisjes het hoofd op hol brongen. De arme kinderen weten niet beter of het hoort zoo. Maar zij worden gefopt, Sam! zij\' worden gefopt.quot; „Dat geloof ik ook,quot; zeide Sam. „En wat mij het meeste hindert, Sum,quot; hernam de oude Weller, „is dat zij haar tijd en geld vernestelen om kleeren te maken voorzwar-ten die ze niet noodig hebben, en niet denken om de blanke christenen, die er gebrek aan lijden. Als ik mijn zin had, Samuelj zou ik ciilt; luie herders elk achter een zwaren kruiwagen zetten, en hen den geheelen dag steenen laten kruien Dat zou er al die gekheid wel uitschok-ken, denk ik.quot; „Toen de oude Weller, met een aantal wenken en knikken, dat zachte geneesmiddel had voorgeschreven, en daarop zeer deftig de asch uit zijne pijp klopte, hoorde men in de gangeene schelle stern. „Daar komt zij aan,quot; zeide de oude Weller; en terstond daarop trad juffrouw Weller de ka mer binnen. „Zoo! zijt gó\' daar terug?quot; zeide juffrouw \'.Voller. „Ja, vrouw!quot; antwoordde Weller, die zijne pijp weder stopte. „Is mijnheer Stiggins al teruggekomen?quot; vroeg juliïouw Weller. ,Neen, vrouw!quot; antwoordde Weller, terwijl hij zijne pijp aanstak; „en wat meer zegt, ik zou het ongeluk wel kunnen overleven, al kwam hij nooit terug.quot; „Wat ben jo toch een beest!quot; zeide juffrouw Weller. ..Dank jo wel,quot; hernam de man. „Kom, kom, vader!quot;zeide sam: ..g* \' iic vrii-n-\'lelijke complimenten, als er vreomdnn bijzijn. Daar komt de eerwaarde heer d\' deur in. Op dit gezegde veegde ju(Vrouw Weller de tranen al\', die zij juist; in hare oog\' n had geperst; en haar man schoof onvergenoegd zijn st,oo] achteruit. Stiggins liet zich gemakkelijk overhalen om nog eenige glazen rumgrog te drinken, en tus schonboido een lekker soupeetje te gebruiken. Hij zat aim donzell\'den kant als de oude Wei Ier; en telkens wanneer hij zulks doen kon, zonder dat zijn vrouw le t bemerkte ua!\' de:\'.\' zijn zoon een teek en van zijne\' heimelijke gezindheid, door den onderherder achter zijn rug met zijne vuist te dreitren. Het, gesprek word hoofdzakelijk door Stiggins en julTrouw Weller gevoerd, en liep voernann.--lijk over de deugden van den herder, do vrnom-beid zijner kudde en de goddeloosheid va,n alle andere menschen. Slechts nu en dan brak de oude Weller deze stichtelijke redenen af, door half overluid iets te1 zeggen, dat op zekeren heer, Stiggins geheeten, zinspeelde. |
Toon Stiggins eindelijk eenige ontwijfelbare kenteekenen begon te vertoonen, dat hij zooveel rumgrog gedronken had, als hij gevoegelijk verdragen kon, nam hij zijn hoed tn vertrok: en terstond daarop werd Sam door zijn vader naar bed gebracht. 1 )e achtbare oude heer drukte zijn zoon met- warmte do hand, en scheen nog iets te willen zeggen, maar toen julTrouw Weller aankwam, liet hij dit voornomen varen, en wensehte hem kortaf goedennacht. Den volgenden morgen stónd Sam vroeg op, i en na een haastig ontbijt, maakte lyj zich gereed om naar Londen terug te koeren, Nauwelijks had hij zijn voei laihen de deur ^ezet,ol\' zijn vader stond voor hom, „Gaat ge weer heen, Sampje ?quot; vroeg de oude Weller, „Zoo dadelijk,quot; was het antwoord, „Ik wensehte, dat gij di n s:ig .1; in uw zak kondt steken en meenemen.quot; „Ik schaam mij over u, oude paai!quot; zeide Sam op een verwijt enden toon. „Waarom laat i gij toe, dat die kerel zijn rooden neus in de ; Ma\'rquis van Gran by stéekl ?quot; „Omdat ik getrouwd ben, Samuel!quot; antwoord-j de de oude Weller op een zeer ernstigen toon: - „omdat ik getrouwd ben. Als gij ook lt; ons getrouwd zijt, Samuel! zult gij veel begrijpen, dat gij nu nog niet bi -rijpt; maar of het der moeite waard is zooveel uit: te staan om zoo weinig te loeren, Lelijk de -j hoolkuaap zeide, toen hij aan hot eind van het: a,blt; was gekomen, dat zal nog i bezien staan. Ik zou denken van neen.quot; „Nu,quot; zeide Sam, „goedendag!quot; „Wacht neg waf, Sampje!quot; zeide. zijn vader. ..Ik wil allei.-n dit nog zej-^en.\'\' zoid\' Sam zich omkeoronde, ..dat, als ik de eigenaar van de Marquis van ■ 1 ranl- wa en die stiggins bij mij brood kwamroostlt; rlt; n,dan zou ik.,.quot; „Wat?quot; vroeg d - oudt Wol lor niet vuur, ,, Waf?quot; ..Zijn rum vergiftigen,quot; antwoordde sam. ...Veen!quot; zeide Weller, terwijl hi /ijn zoon de hand --\'duidde. ..Meent, irfj d;u -u ? Zendt gij dat waarlijk doen „Ik zorl hein e\'-vsti niet al o- h.p-.-i .- -inpak-. in de rgt; nt-Oli laten villen, • d- -• el er op doen! en als zachtheid nii ■ h - an zou ik het op e- ne andero manier bepriquot; v n.quot; ])e (inde Weller schonk zijn z-gt;un van de hoogsic bewonderin. -ai-. :i, I. hoen, om over zijn raad na. •- deak zag hem na, totdat, hij aan oen ........ wei\' kwam, en blt; vm da.iroji , Terw;j,l hij voortwandeMe, daejit Inj over de gévolsen van ziin raad; gt; •• lt;»n b i i k e.-, a un -n, sam \\ 111 den . 1 1 waar- -n |
SAMUEL PICKWICK.
108
|
schijnlijk of onwaarschijnlijk was, dat zijn vader dieri zou opvolgen. Doch spoedig /..■tte hij het onderwrrp uir zijn hoofd, met de troostrijke gedachten, dat de tijd alleen het leoren zou; en dit is juist het denkbeeld, waarop wij den lezer wilde brongen. XXVIII. WAARIN MEN DB BESCHRUVINO VINDT VAN KKXE VHOOUJKi: kkbstmis, beneve.ns kenk bruiloft EN fvENIGE ANDERE VERMAKELIJKHEDEN, DIB O [-\'SCHOON ZIJ IN HARE SOORT EVEN LO.F-WAAUD1GE GEBRUIKEN ZIJN ALS HET HUWELIJK ZELF, IN DEZE VERBAS TKi;:\'B TIJDEN NIET ZOO GETROUW MEER WOUDEN (iEHOUDEN. Liu - n vrooi ijk verzamelden zich do Piek-I wie,;,-i :i i.p don morgen v.- n (ion twee en j twi: Mi Di\' er. iquot; :quot;. Kfrstiiiiï. diobii uitstek aan •n. ivrPi .•■zelliijheid ■ ti blijdschap ut-wijde j.ig, w ;.s opnandén; het oud(\'jaar maakte ! zich gen. vd om, gelijk e^n der oud; \'wijsgeoren, 1 zijn\' vrienden om zich te melon, en onder I fee- : ■ ui^ch en uozangstiien zachtie verscheiden. H i was gt; en schoon*- en vr-olijke tijd, eft j vn.i ■ en wi.-lgomöed kl«gt;Vquot;quot; t\'-n minste vilt;-r Kn ; rd;:;ld, talrijk zijn de harten, welken het le. st lt; eu korten t.\'-l van irenot en vn \'i -f h\'-nkt. Hoi vele fainili\'-n, wier leden door \' riis\'f-iiquot; - ■■ ■vm-l de - levens wij\'d en ziju i v-rs\'ro-iid, worden ilan horeenigd, en ontni\'i- ;I-u i.\':kandermetdif blijdscliapdesweder-zie!;--\', w \' ki- zulk ■ : ■ n rijk en znivei ge-not ople-vr. \' Zo-»wel li\'-t god,-1; • 1 quot; U\' . i-\'e-ef delquot; besci\' ■ !t \'-ti- volken, als ooduistereöverleverln-■reu va:i ruwe wile- n, haar onder de eerHte zai.- h\' Ivt- \' -llen, di- /.ij in een toekomstigen ■jolui- ■quot; hojii-n te smaken, Hoevelë oude herinner.uL\'en cn ir-iosluimerdo gevoelens van vri- :id !» i a liei\'i!\'- wor\'ji u n : iJoor het Kei .V - T ■\' I -t\'1W k : . Wij schryvi n deze woon\'- n op vde uren i afs anii i van de plek. w.i.ir wij up di( n dag, 1 iar\'-n quot; ht- i-eii, .ne- n vroo :: n, viinndschap-; pol ii n k r,:iiil i,i! ■ i: i quot;11 ■ si. \\ .i■ iiar\' i n, dli\' toen zoo vr-ioiijk doe\'-i\'ii, kl •ppi-n uiquot;! m-- r; vele o n, • \'(ii-n zim lev. -v nsti-rden, zijn \'ii\'i.ns uii-iedoofd; en ve\'- handen,die wij i toen drukten, zijn nu gevoe;1 ilt;()ud; : oti ter\'■ \'.■.•men ons te\'k n-\' al die \'I \' s lern^-! keert, Ir i oude huis, het vi-rtrek de vroolijko stemmen en lachtmd»- ^-zichfeéh\',. i d- gerin^sti-bijni i ; tn-lieiie Ion van -iie lgt;li,;dquot; i;er-!ta vonden, zoo li-voiiilig voor den gc-st. alsof wij het la i(«io van di -1 quot;n ei r-f ren lt;j -vii-rd ii gt; Uien. Heerlijk, ggt; •\'••■jrend Kerstfi - :. -i.it on; weder |
onder de begoochelingen onzer kindsche dagen kan verplaatsen, — dat don grijsaard de ge-i noegens zijner jeugd kan herinneren, en den ■ reiziger, die in do afgelegene wereldoorden i omzwerft, naar zijn eigen huis en vreedzamen haard kan terugvoeren! Maar wij hebben ons zoozeer verdiept in do ! uitmuntende hoedanigheden van hot Kerstfeest, | dat wij Pickwick en zijne vrienden, die, in mantels en jassen gewikkeld, boven op de diligence naar Muggleton zijn geklommen, in do koude 5 laten zitten. De koffers en reiszakken zijn opgeladen, en Weller helpt den conducteur eene - root - mand, waarin een reusachtige kabeljauw is gepakt, in do voorste wagenkast duwen, daar men dit zeemonster tot het laatste hooft gelaten, opdat het veilig zou rusten op een dozijn vaa\'i\'-s met oesters, allen het eigendom van Pii■ k wiek, op wiens gelaat de grootste aandacht i si iai geteekend, terwijl Sam op verschillende | manieren beproeft om de groote mand in de bekrompen ruimte te dwingen, zonder iets te v i d. i\' ■ itd.it de conducteur, de mand in het i: Uien ••en duw geelt, die daarop terstond in di * verdwijnt, tegelijk met het bovenlijf van den conducteur zei ven, die, niet denkende nat di - wi-i-rbarsii-\'e mand zoo spoedig wijken zou, »quot; vermaakderaansehomverszeeronzacht v.; ; • eli. Piek wiek glimlacht hierop vrien- \' ili-ü k, en geeft den conducteur, die spoedig ; wi i. : «pkrabbelt, een shilling, om eens op i ziju.* \'.omlhi-id t\'- drinken, en do conducteur i.-it, m- quot; i -n shilling in do hand en door ■ am gevigt;!gi|, naar de herberg, waarschijnlijk ! - in e, : i.ritvangen geldstuk tot het bestemde i \'nrü k aan te wenden, daar beide, na verloop van vijf minuten terugkomende, sterk naar braie lew km rieken. Vervolgens klimt de koetsier | up di n bok. N.-im springt achterop, de staljon-- ie- !;:(,i-n de paarden los, de koetsier roept het i gewone ,.\'tis klaar!quot; en men rijdt: af. W\'-ldi zijn zij de stad uit, en bereiken don ;.! wlt; u\'. De wieh-n, die eerst over de straat- i lei-nen rate|de-n, snorren nu over den ellen. | trd li vriizen grond; een klap met de zweep ■ • de paarden in galop, en de koetsier neemt vee;, .-ii teugels in zijne reehterhand, haal! v iquot;. met ziint: linker zijn zakdoek uit zijn , i-n \\. -i tlo irmede zlt;\'er langz iain zijn vii-.riioofd af, gedeelte-lijk uit gewoonte, gedeeltelijk om te laUlt;n zien, hoe gerust en bedaard : id, van zoovee] ondervinding als hij, niet vier paarden rijdt. Men nadert -n dorp, en het geluid van den | hoorn des conducteurs doet een der oude heersn. | da i.innen zitten, wakker worden. Hij laat h : raa.mpj. in-der, kijkt eens uit, en onderricht i:ti in e-\'e; k-; ontwaakten reisgenoot, dat.nn-n z. -o zal ophouden, waarop deze besluit zijn (ie,: i ui\' te stellen, totdat men van paarden heeft verwisseld. |
EEN LUCHTIG TOERTJE. 169
Nu rijdt men het dorp in, Pickwick slaat | wick\'s vingers zijn zoo verkleumd, dat hij vijf den kraag van zijn jas neder en ziet nieuws- ; minuten werk heeft om den halven shilling | gierig rond; de koel sier zegt hem, hoe het dorp i te vindon, die hij betalen moet. De koetsier | heet, 011 hij deelt dit bericht aan zijne reisge- roept hun een waarschuwend „komt dan, hee-i nooten mede. Winkle, die op den hoek zit, loopt 1 ren!quot; te gemoet, en de oude heer binnenin j gevaar van zijn verheven zetel af te tuimelen, , vindt het zeer vreemd, dat iemand in huis gaat | terwijl het rijtuig snel den hoek dor staat | als hij weet dat er geen tijd toe is. De achter-| omslaat; en nauwelijks is hy van zijn schrik ; blijvers klimmen op, en de diligence rijdt weder j bekomen, of men houdt voor de herberg stil. 1 voort. De kragen worden weder opgeslagen, de De buitenop zittende passagiers klimmen af, i huizen raken uit liet gezicht, en men snort I stampen met hunne voeten en gluren eenigszins weder voort met eene vaart, die de koude
afgunstig de boeren aan, die in de gelagkamer fri.-scho winifilucht door iaMSon --n mantels; om het vuur zitten. i doet li. midrlng.\'n,
De eondiicleur rept zich ZÖoveol liij kan mei Op deze wij zo werd do tocht naarMugglc
di\' 1\'oods •happen, die hij te verrichten heeft; ton voortgezet, en d\' .s iiamMdaus hm drie unm
Weldra zijn de paarden gewisseld: de koetsier stonden 1\'\'kwiek en zijne vrienden ue/.wiul en
kijkt om. en wil roepen: \'lis klaar;quot; maar de wel voor ih Blimwo i.tcnw. Pick wiv-k was
twee dikke jM-creti /.ijn er nog niet. Allen gaan juist |)-\'/,iu met /.iino oe.s)lt;gt;rvaatp s na (»- tellen
aan het roopen, zoo hard zij kunnen; men hoort toen hij zich hij iiet pand van :-;iin rok voelde
een antwoord uit het huis: en l\'iek.wiek en trokken.
lupman komen huiten adem aanloopen, want lii.i koerdgt; zich om, ■ n \'a.- den If ..-lUHtigdeii
zij hobben elk oen glas bier gedronken, en IMek lijt kn cht, van den ouden hlt; gt; r \\\\ n Jle, n deze
SAMUEL PICKWICK.
170
|
geschiedenis bekend onder den eernaam van „de dikke jongen,quot; voor zich staan. „Aha!quot; zeide Pickwick, „Aha!quot; zeide do dikke jongen, en wierp te gelijk een vergenoegden blik op de oestervaatjes. Hij was nog dikker geworden, en zune wangen gloeiden als vuur. „Uw gezicht is nog rood genoeg, mannetje zeide Pickwick. „Ik heb vlak voor het vuur zitten slapen,quot; antwoordde Joé. „Mijnheer heeft mij met do kar gestuuul, om uw goed naar huis te brengen. IIy zou ook eenige losse paarden meegezonden hebben; maar hij dacht, dat gij liever zoudt willen wandelen, omdat het zoo koud is,quot; „Ja, ja, wij willen liever wandelen,quot; zeide Pickwick, die zich huiverend herinnerde, op welke manier hij de vorige feal naar M a n or-Farm was gekomen. „Sani!quot; „Mijnheer\'quot; zeide Sam, „Help den knecht van mijnheer Wardle ons goed op de kar laden, en rijd dan niet hem mede. Wij wandelen vooruit,quot; Dit gezegd hebbende, sloeg hij met zijne drie vrienden \'\'en voetpad in, en was weldra uit het gezicht. Sam staarde den dikken jongen met verbazing aan, maar zeide niets, en begon vol ijver het goed in de kar te ladèn, terwijl Jozef er op zijn gemak bij bleef staan kijken, met i on gezicht, als vond hij het heel pleizicrig, dat - un alles alleen deed. „Paar!quot; zeide Sam, to( u hij den laatüleii reiszak in di kar wierp; „nu is alles er in,quot; „Ja,quot; zeide de iongen, op vergenoegden toon: „nu is alles er in.quot; Hoor eens. jonL\'e twei honderd ponder!quot; zeide Sam; „als ik zoe\'n knaapje was als gij, zou ik mij in een -spel J-aten kijken; daar zou geld mee te verdienen zijn,quot; „Dankje!quot; zi-ide Jozef. „Clij hebt toch niets op hei hart, dat u kwelt?quot; zeide sam. . Niet dat ik weet.quot; antwoordde Jozef. ..Als ik ii zoo a,-inzie, zou ik half en half denken, dat gij verdriet liadt om een meisje, dat ii niet hebben wildé.quot; zeide s mi. Jozef schudde zijn hoofd, „Daar ben ik blij om,quot; zeide Sarri. „Lust .i-ij wel wat te drink n .Ik tioiel me\'t valleien,quot; m wnorddi Je\'/,* t. , hat dai\'hi ik wel,quot; zeide Sam. „M iar ik meende eigenlijk of gy wel een slokje zoudt lusti\'ii om warm te blijven; maar ikzonhaa i denken, dal. gij met al da\' vet op lu-t li;! nooit koudi\' moet voelen.quot; „Somtijds,quot; /.eid\' Jozef; .nm ir ik lust wel \'•en slokje.quot; .Kom dan maar mclt;.quot; zoide - i m. /.ij gingen naar de u\'ei.igl-,amer. en dlt; ilii • jongen goot in eins een irias eutfna»* m zi: ie keel zonder zijn gezicht te- vertrekken: ■\' ue\' |
heldendaad, die hem aanmerkelijk in Sam\'s achting deed rijzen. Toen Sam zelf eene dergelijke daad had verricht, gingen zij weder naar buiten en klomnu n op de kar, „Kunt gij rijden?quot; vroeg do dikke jongen. „Ik zou het welhaast denken,quot; antwoordde Sam. „Daar dan,quot; zeide Jozef, terwijl hij Sam de teugels in de hand gaf, en naar een zijweg wees. „Het is al rechtuit. Gij kunt niet verdwalen.quot; Met deze woorden legde hij zich op de koffers en reiszakken neder, en viel oogenblikkelijk in slaap. „Logger en lomper stuk vleesch heb ik van mijn leven niet gezien,quot;zeide Sam. „Word eens wakker, slaapkop!quot; Maar de slaapkop wilde niet wakker worden; Sam gaf derhalve het paard de zweep, en reed op een stijven draf naar Manor Farm. Intusschen wandelden Pickwick en zijne vrion- j don, wier bloed door de beweging weder sneller begon te stroomen, vroolljk voort over het hard • bevrozen veld, totdat zij den hoek van eene laan j bereikten, en hun een luid „hoezee!quot; iu de \'• ooren klonk, dat door den ouden Wardle werd aangeheven, die hun met,een talrijk gezelschap te gemoet kwam. De oude heer zag er, zoo mogelijk, nog vroo- i 1 ijker uit dan ooit te voren. Zijn gezelschap bestond uit Isabella met ha.\'ir get rouwen Trundle, benevens Ernelia, en nog acht of tien jonge dam\' die allen op de bruiloft genoodigd waren w. Ik ii den voUondon dag zou worden gevierd, en uit wier oogen al de blijdschap en hoogmoed straalden, welke jonge dames by zulke gewich tige voorvallen doorgaansten toon spreiden. De velden in het rond weergalmden van haaf gejuich en gohi\' h. Onder zulke omstandigheden was de plechtigheid der introductie zeer spoedig a fgi-loopen, of liever, men d,-n-ht. daarbij om geene plechtigheid i-n twee mimiten later schertste Pickwick net de jonge dames, die niet over een hek wilden klimmen, terwijl hij er naar keek \'i quot;t die, daar zij kleine voetjes en nette enkels hadden, i-ene poos bovenop bloven staan, en zeiden, dat zij al te bang waren om zich te bewegen, even vroolijk en ongedwongen, alsof hij luiarjaaen lang had gekend, liet verdient ook eenige op merking. dat si,ockwa!l vei 1 meer ijver betoonde om Kmilia tlt; helpen\', dan wi 1 noodig scheen, dewijl het, hek slechts drievoet hoogwascner twee steencn bij lagen-; tei wijl eene jonge dame met gitzwarte oogen en jsoer nett-- met bont ! lt; gt;|t lt;1#\' vOoli\'inh\'M door «li\' vrldon in viiult u lt;-u lii» r mi «ia ir liekkf-n ■.•••plaa\'• (. \\vwlk«\'uirt,/-•«.;i|s. I)ij (gt;• larKi»*, \\vonllt; n. inunr waarliij /ijfi door uiiddel vao \\vlt;• Ikup d «t mot wfin; \' iM\'.f it»\' k.iii overklirnmcM. |
171
|
omzette laarsjes schrikkelijk gilde, toen Winkle haar wilde helpen. Dit alles was zeer grappig en vermakelijk; en toen men eindelijk het hek over was en weder op effen grond voortwandelde, deelde Wardle aan Pickwick mede, dat zij te zamen de meubels van het huis waren gaan zien, dat het jonge paar na Kerstmis zou betrekken. Dit bericht deed Isabella en Trundle eene kleur krijgen, gelijk die van den dikken jongen, toen hij in de herberg voor het vuur had zitten slapen; en de jongejuffer met de met bont omzette laarsjes fluisterde Emilia iets in het oor, en wierp toen een schalkschen blik op Stockwall, waarop Emilia antwoordde, dat zij mal was, on | tegelijk bloedrood werd, terwijl Stockwall, die I zoo zedig was als de groote genieën doorgaans zijn, voelde dat hij bloosde en in stilte wenschte, dat de jongejuffer met hare spottende oogen en nette laarsjes gezeten had waar de peper ! groeit. Waren zij buiten zoo opgeruimd en vroolyk, • zij waren zulks niet minder bij de hartelijke | welkomst, die hun te beurt viel, toen zij het huis binnentraden. Zelfs de bedienden grinnikten van genoegen, toen zij Pickwick wederzagen; , en Emma wierp Tupman een half beschaamden, half onbeschaamden blik toe, die haar zoo bekoorlijk maakte, dat liet wonder was, dat hi t beeld van Napoleon in do gang zijne over elkander geslagene armen niet uitstak om haar te omhelzen. De oude grootmoeder zal op hare gewone plaats in de voorkamer; zij waseenigszins uit baar humeur, en bijgevolg buitengemeen doof. /.ij ging nooit uit, en gelijk vele andere oude vrouwen van denzelfden stempel, beschouwde /.ij hot als eene soort van huiselijk hoogverraad, wanneer iemand de vrijheid nam om te doen wat zij niet kon doen. ...Moeder,\' zehh Wardle, „daar is mijnheer l\'ickvvick. lt;Jij kent hem nog wH?quot; „Val mijnheer Pickwick maar niet lastig met \'■\'■ne oude vrouw zooals ik ben,quot; zoide zij zeer droog. „Er is immers niemand, die naar mij omziet, gelijk ook zeer i),ilu11rIijk is.quot; „Kom, mevrouw!quot; \'/eido Pirkwick: „Gij moet \'■en oud vriend zoo niet wegzenden. Ik had gehoopt eens op mijn gemak niet u te praten en nog een spelh tje to s|)eleti; en voordat wij twee dagen ouder zijn, zullen wij dat jonge volkje eens laten zien, hoe zij eene menuet moeten dansen.quot; I\'e oude vrouw kwam i\' eds in eone beleid Initn, maar wilde dit niel, terstond laten blijken. en zelde derhalve : .. 11lt; versta er niets \\ an,quot; ■ \' quot;■kheid. moeder!quot; Zei de \\V:i idle. „ Kom, Wees 1111 niet, knoriig\' Denk aan Isabella. (1 ij moet bel arme meisje ook wat moed inspreken.quot; De oude vrouw verslond dit wel; want bare lippen beefden. Maar de ouderdom heelt zijne |
kleine gebreken; en zij was nog niet volkomen bevredigd. Zij streek den rok van haar kleed nog eens glad, en zeide; „Ach, mijnheer Pickwick! toen ik nog een meisje was, waren de jongelieden heel anders.quot; „Daar valt niet aan te twijfelen, mevrouw!quot; zeide Pickwick; „en dat is de reden, dat ik haar, die nog eenigszins op de goede oude soort gelijken, in eere houd.quot; Dit zeggende, trok Pickwick Isabella zachtjes naar zich toe, gaf haar een kus op het voorhoofd, en wenkte haar om zich op een bankje aan de voeten van hare grootmoeder neer te zetten. Do oude vrouw was nu volkomen verteedert; zij omhelsdeharekleindochter, en hare kwade luim werd door een vloed van tranen geheel weggespoeld. Niets ontbrak dien avond aan het genoegen van het gezelschap. Ernstig en stemmig zaten Pickwick en de oude vrouw met elkander te spelen, en luidruchtig was de vroolijkheid aan de groote tafel. Nog lang nadat de dames zich verwijderd hadden bleven de heeren bij den hee-ten kruidenwijn zitten; en gerust was de slaap en aangenaam waren de droornen, welke daarop volgden. Het is eenigszins opmerkelijk, dat de droomen van Stockwall alle mor, Emilia Wardle in verband stonden, en dat in die van Winkle eene jongejuffer met gitzwarte oogen en nette met bont omzette laarsjes de voornaamste rol speelde. Vroeg lt;ip den volgenden morgen werd Pickwick gewekt door een gedruisch, dat zelfs den dikken jongen in zijn slaap bad kunnen storen. Ilij ging overeind zitten en luisterde. Men liep onophoudelijk heen en weder, en aan alle kanten hoorde men roepen, deuren openen en toeslaan. I\'ieksvick begon zich te verbeelden, dal er een of ander ongeluk moest gebeurd zijn, en wilde Juist, ter hulp snellen, toen hij heldor wakker werd en zich de bruiloft herinnerde, op dezen plechtigeii dag oordeelde hij het voegzaam zich niet bijzondere zorgvuldigheid te | kleeden; eu teen hij dit. gedaan bad, ging hij 1 de trap af naar bel ontbijtvertrek. Onderweg zag hij :il de meiden, met fonkel- | nieuwe rozoroode kleedjes en witte linten op hare mutsen, met onbeschrijfelijke haasten drukte heen on w* eer sn ellen. De oude grootmoeder zat in volle staatsie in baar louningslnel, uil,gedost in een gebloemd zijden kleed, dat in twlnlisr ; jaren geon daglicht had ge/,um, behalve eon en kelen straal, die door eene reet in de kast was geslopen, waarin hel pro n k ge waad zoolang was bewaard. Trundle was zeer vergenoegd en op- , geruimd, maar toch een weinig bedremmeld. De rustige oude hoor des buizes deed /ijn best om een vrooli.ik en onbezorgd voorkomen aan Ie nemen, heiLteon hem bitter slecht, gelukte. Al de jongo dames waren in tranen en in wit neteldoek : een paar nilL\' zunderd. wien het geluk was te beurl gevallen, om in het geheim de |
172 SAMUEL PICKWICK.
bruid en hare speelnootjes te zien, die nog boven ! „Goed,quot; zeide Sam; „steek er ook een takje
waren. Al de Pickwickisten haddén zich deftig palm op. De andere schotel aan den overkant,
uitgedost: en op het grasperk voor het huis Zoo! nu ziet het er mooi uit, gelijk de vader
hoorde men een ijselijk geschreeuw van al de , zeide, toen hij zijn kleinen jongen den kop had
mannen en jongens, die op Manor-Farm te afg\'dagen, om hem het scheelzien af te wennen.quot;
huis behoorden, en uit alle macht sprongen en Daarmede i^ing hij een paar stappen achteruit,
juichten, waartoe zij door de opwekking en het overzag met inwendig genoegen de gemaakte
voorbeeld van Sam werden aangemoedigd, die toebereidselen, en wachtte geduldig op de terug-
zich reeds zeer gezien had weten te maken, en komst van het bruilofsgezelschap, dat zich
zoo goed onder hon te huis was, alsof hij daar echter niet lang wachten liet.
was geboren en opgevoed. I „Kom, Wardlelquot; zeide Pickwick, zoodra allen
Eene huwelijksplechtigheid is een geoorloofd gezeten waren; „een glas wijn, tor eere van
onderwerp voorschertsen spoltorn yen, hoe wei de dozen heuglijken dag!quot;
zaak toch waarlijk g\'\'ine gekheid is; wij spn- „Met pidzinr,quot; zeide Wardie,. „Jozef! — och
ken alleen van deplechtïgheid, en verzoe- hij slaapt alweer!quot;
ken uitdrukkelijk geen verborgen schimp op den : „N^en, mijnheer! ik slaap niet,quot; zeide Jozef,
echten staat in onze woorden te zoeken, die uit oen doi.ker hoekje voorden dag kwam,
Ondi r de vreugde, waartoe zulk eene gelegen- waar hij met den inhoud van een vloeschpas-
beid opwekt, vermengen zich de smart van de teitjo had kennis gemaakt.
ouderlijke woning te moeten verlaten, de af- „Schonk mijnheer Pickwick eens in.quot;
Kcheidstranen van ouders en kind, en de bewust- Jozef gehoorzaamde en posteerde zich vervol-
h\'id dat men de dierbaarste en teederste vrienden «uw achter den stoel van zijn meester, van
van het goiukkigate gedeelte\'les menschelijken waar hij hot vernielen on verdwijnen der lek- j
levens vaarwel zegt, om met anderen,dio men kenujen, die hij had heipon opzetten meteen
nog niet beproefd heeft en nog weinig kent, trouri.: genoegtbeschouwde.
zorgen en stormen te gemoet te gaan; natuur- „Mevrouw Wardle!quot; zoide Pickwick: „wij ;
lijke aandoeninir\' n, ni.-i wier !)■ ■^■hniving wij oude lii-den moeten te zam«n eon glas wijn
dit hoofdstuk geen zweem van tn urigho; ! wil- drink\' n, tlt;-rgt;110 vandezoh\' iiglijkegelieurlenis.quot;
Ion gf\'v n, evenmin ai.- wij wi.;nscho\'a verdacht De oude dam»; zat in volle staatsie aan het
!lt;• worden, dat wij er ni\' d(-zimdert willquot;\'ii gt;pol ien. bovenoin !• van di- tafel, tüssehen Pick wick en
Wij willen daarom sb\'^lits kortaf z«v.\'^en, dat Ion- pas^ehuwlt;|e kleindochter. Pickwick had
di- plecht i-dii\'id door don oirloii jiredikant in de niet er luid gesprakoii, en toch verstond zij
ki r:-, van Di ngli-y-Dell w-rd voltrokken, cm , hem ong^nblikkelijk en ledigde op zijne gezond- |
menden naam va n l\'iidjwick nog li-zon kan in lead een vol glas. Daarna begon do goed» ziel
hot r-.\'i-itor, da in do kerk wordi b-waard; eon omstandig verhaal, iioe liet op hare eigene
dat de Jongquot;1 dane- me\' do zwarte oogon haar bruiloft was toeg\'.\'gaan, doorvlochten met eene ,
naam mot .m-iio zeer onvaste hand teek\'-nde. en V\'-rhand\'ling over de schoenen methoogohak-
de Inndt.eekeiiint: van Emilia, h •. i\'de spi-1- ken, •!:lt;• toon in do mode waren, en oenige
nootje dor bruid, geheel onleesbaar is; dat alles \\ levensbijzonderheden van deschooneLadyTol* |
/.•-quot;r good afliep, on d- jonge dairiquot;het lang liniglower, die zij in hare jeugd had gekend,
zoo i quot;lijk nier vonden, .li-/.ij LT\' oacht h old\'u; Dr. oude vrouw lachte daarbij zeer smakolijk,
■ it dat, lio\'-wrl d\'\' eigenares dor zwar:quot;oocr\'n want zij had diquot; am-kdoten altijd voor zoor 1
fi\'-r-n Winkle Z\'\'ide, dal zij -nooit tot h-d onder- komiek gidioudon,en de jonge dames lachten
gaan van zulk oene Miido^nlijko plquot;Ch!iude-id iiisg\'dijks, omdat zij niet wisten -wat grootnipe-
zou knniu u besluiten, wij mi-srrónclo ri-denen dor toch v-ro-ide. hetgeen di-oude vrouw even
hebben pja to denken, da1 zij zich hierin ver- wol in do beste luim bracht. Vervolgons werd j
Uier mogen wij ie\'.: 11\'jV\'\'\'-lt n.dat l\'irk- de bruilof:.-\'koek in stukken gesneden en rond-
wi\'-k de eerst- was, di\' di- bruid kuste, en dat -i liend; en men zag hier en daar eone jonge
hij. quot;lil doende, haar w n zwan- gouden koten dame eon -tuk W\'-gstoppotr dat zij des nachts ;
om den hals wierp, w.i-ira-ui ••quot;it kostbaar hor ondoo haar hootVlkusson wilde le.\'gen om van
lou\'i\'hing,wolkovoorwi-rpeti o i/ru\'-m mdaod\'rs hair aanstaande te droonien, bodgeen tot niol.
In-! LT\'-zien, dan de kuopm m, die /.ij iovi iquot;-le- A\'-.j;oks\'-\'ioron en b\'quot;Z(;M aanleiding gat\',
vi rd. Ken vroolljk klxktto; ii toooii.\'•! tarop Pa oaia nnodigde Pickwick zijne oude kon- j
het.\' indeib-r pleehti^hoi-i aan,\' ii li\' i i .-haji nis. Mi!Ier, uit, om ( en glas wijn mol hom to
koerde naar Manor-Farm terug om to ont drinken.
bijten, ..Laat mij meodpen,quot;zeide do (aide predikant,
.. Waarmoeleii de, vlquot;esrh jiaH\'ij: • --laan, i\'in.\'\' ..\'in to ij ook!quot; riep de predikant ■■vrouw.
opimneter •quot; vroe/ sun den dil.\'-o ....... n, ,,Kn mii ook1quot; riepen oen paar arme blood-
wioii hi.i hielp om do tafel aan o ri\' ht\' ti. v-rw inten v.;a hot onder indo dor tafel, die
De i-mgen we. s naar do plaats, die -/..or d\'-z.e /■••■r harMrg. •/••ton. anakelijk gedronken en om lekkernij bestemd was. . die grappen gelachen hadden.
HKT ÜIM\'ILOF\'rsi\'KMST.
|
Pickwick\'s oogen glinsterden van ^rniquot; ..i n bij elke niouwu aanvraag om mndo to d\'^n: zijn gezicht glansde van welwillende vrooliikiioid. : quot; „Heeren en dames!quot; zeido hjj plotseling, terwijl hij opstond. „Luister, luister, luister!quot; riop Sam Wcller, die zijne uitgelatene blijdschap niotmeer-ïetoornen kon. „ Laat al de bedienden binnonkDinen!quot; riep de oude Wardlc, en vi ihoeddo daardoor dal sam door zijn meester openlijk bestra It werd, hetgeen anders zeker zou gebeurd \'zijn. „(leef elk een glas wijn, om de gezondh\'-id mee te drinken, (la nu uw gang maar, l\'ick-wiek!quot; Onder de diepste stilte van hot gezelschap, het fluisteren der vrouwelijke en hel bedrom-meld rondkijken dor mannelijke bediendeti,nam Pickwick weder hot woord. „Hoeren on Dames noen, ik /.eg niet hoeren en dames ik noem u liever inijno vrienden en vriendinnen, als tie danu-\' mij zulk eene groote vrijheid willen vergunnen. . . . Hier werd hij door de luidruchtige toejuiching der dames in de rede gevalen, waarmede do heeren niet verzuimden in te stemmen, en men hoorde de eigenares der zwarte oogen duidel ijk zoggen, dat zij dien goeden mijnheer Pickwick wel een kus zou kunnen geven, waarop W inkle zeer beleefd vroeg, of dit niet door middel van oen plaatsvervanger zou kunnen geschieden, het geen de jongojuffer antwoordde met een „loop heen!quot; als een blik, die zeido „als gij kunt!quot; „Beminde vrienden en vriendinnon!quot; liervat.te ■ Pickwick; „Ik wilde de gezondheid instellen van de bruid en den bruidegom. God ze-ene hen!quot; (Gejuich en tranen.) .Mijn jongen vriend Trundle houd ik voor een braaf, rechtschapen man; en ik weet dat zijn jeugdige vrouw een lief en beminningswaardig meisje is, dat in oen anderen kring evenveel geluk zal overbrengen als zij twintig jaren lang in haar ouderiyk huis om zich hoen heeft verspreid.quot; (Hif i begon de dikke jongen mot een stentorstem te huilen, en werd door Sam by zijn kraag uit de kamer gebracht.) „Ik wenschto,quot; vervolgde Pickwick, „dat ik nog jong genoeg was om de echtgenoot harer zuster te wordenquot; (gejuich)! „maar, dit zoo niet zijnde, ben ik blijde, dat ik oud genoeg bon om haar vader te kunnen wezen; want nu zal mon mij niet van eenige slinksche oogmer-| ken verdenken, wanneer ik zeg, dat ik haar beiden bewonder, liefheb en hoogacht.quot; {0« juich en snikken.) „Dobruidsvader, onze vriend daar, is een voortretl\'elijk man, en ik bon trotsch op zijne vriendschap.quot; (Groote beweging.) „/.ijne goedhartigheid, rechtschapenheid, tnonsehlio-vendheid en gastvrijheid x.ijn boven mijn lol.\' (Een luide kreet van goedkeuring word bü elke eigenschap, vooral bij de laatst\'-, door de arme bloedverwanten aangeheven.) „Mogozijne doch- | tor zooveel geluk smaken, als zelfs hij zou kun- gt; I nou wenschon, en moge hij in de beschouwing | van haar geluk dat genoegen en die zielsrust vinden, welke liy zoozeer verdient! Dit, dit durt | ik zeggen, is ons aller wonsch. Drinken wij dan j op hunne gezondheid, lang leven en welvaart!\' |
Bij dit slot; barstte oen stroom van toejuichingen los, bij welke do longen der bediende, onder Sain Woiler\'s bestuur ou voorgang, nogmaals hun vermogen toonden. Er kwam geen einde aa.n hot drinken van gezondheden, voordat 1 hot geheimzinnig\', verdwijnen der anno bloed- | verwanten hot toeken gaf, dat liet, tijd was om , up te breken. Bij hot middagmaal onlmoetto men elkander weder, nadat de hoeren, op aanraden van \\\\ ardlo, i cone wandeling van eenige uren haddon gedaan, ! 1 om do uit werkselen van den wijn, dien zij bij hot ontbijt hadden gedronken, te doen verdwij-non. De arme bloedverwanten hadden met hot- , zelfde oogmerk don goheolen dag in bod gelogen; maar dewijl zij ongelukkig hun doel niet : kondon bereiken\', bleven zij waar zij waren. Sam j hield onder do bedienden do pret levendig, en i die dikke jongen verdeelde zijn tijd tusschen • eten en slapen. | Het middagmaal was even feestelijk en luidruchtig als hot ontbijt: maar er werden geone tranen bij gestort. Daarop volgden hot dessert en nog (\'enige gezondheden, vervolgons koffie en thee, en toon het bal. Het grootste en boste vertrek van Manor-Parm was eono lange, mot donker hout beschoten zaal, met oen hoogen, wijden schoorsteen. Aan hot einde daarvan zaten, in oen groen prieel, do beste vioolspelers en do eenige harpspeelster van geheel Muggleton. Langs de wanden stonden op speeltafeltjes een aantal zilveren kandelaars met vier armen. Het tapijt was opgenomen, de kaarsen brandden helder, het vuur in den schoorsteen vlamde en knapte, en overal weergalmden opgeruimde stemmen en vrooi ijk gelach. Indien iets hot belangrijke van dit, toonoel had kunnen verhoogen, zou hot de merkwaardige omstandigheid zijn geweest, dat Pickwick, voor de eerste maal, zoolang zijn oudste vrienden hot verheugde zich zonder slobkousen vertoonde. „Zijt gij voornemens todanson?quot; vroegAVardlo. „ Wol zeker,quot; antwoordde Pickwick. ../iet. ge niet, dat ik er mij voorgekleed heb?quot; Dit zeggende, wees hij naar zijne broek en zijden kousen, „(lij mot zijdon kousen Iquot; riop Tupman schertsend uit. „Kn waarom niet, mijnheer? waarom niet?\'\' vroeg Pickwick driftig. „O! er bestaat natuurlijk geone reden waarom gij zo niet dragen zoudt,quot; hernam Tupman, „Dat zou ik ook donken - dat zou ik ook |
SAM I Kl, PICK Wil \'K.
174
|
donken,\' zoide l\'ickwick op con zeer beslissen den toon. \'I\'liprniin had willen lachen; maar t.oen iii.j bemerkte, dat de zaak ornstig was, zotte hij ook oen ernstig gezicht, en zoide dat het zeer tijnc konsoti waren, „.Dat zou ik donken,quot; zoide Pickwick, zijn vrit ik! strak in liet gezicht ziende. Gij ziet toch niets buitengi\'woon.s aan die kousen, mijn heer?quot; „Volstrekt niet volstrekt niet,quot; antwoordde Tiipinun en droop stil af, waarop Pickwick\'s gelaat zijne vriendelijke uitdrukking weder aannam. „Ik geloot, dat wij allen gereed zijn,quot; zeide Pickwick, die met (ie oude dame den dans zou opleiden, en, in zij n brandenden lust om te beginnen reeds viermalen begonnen was. ..Begint dan maar!quot;zeide \\Vardle. „Vooruit!quot; De twee violen en de harp speelden op, en l\'ickwick begon terstond den eersten\'toer. toen men aan allo kanten in de handen klapte en den muzikanten toeriep om op te houden. „Wat scheelt er aan?quot; vroeg Pickwick. „Waar is Arabella Allen?quot; riepen verscheidene stommen, ..I.n Winkle?quot; voegde Tupman cr bij. „Hier zijn wij!quot; riep Winkle, terwijl hij met zijn\'/ bevallige danseres uit oen hoek te voorschijn kwam. Het zou moeilijk zijn geweest to zeggen, wie op dat oogenblik eene hoogere kleur had, hij of de jonge dame met de zwarte oogen. „Het is toch vreemd. Winkle Iquot; zeide l\'ickwick, eonigazins netelig, „dat gij niet maakt bijtijds op uwe plaats te zijn.quot; „In het geheel niet vreemd,quot; zeide Winkle verward. „Nu ja,quot; hernam Pickwick, toon Arabella hem in het oog viel, met een veolbetoekenendon glimlach: ,,nu ik mij wel bedenk, kan het wel wezen, dat het niet vreemd was,quot; Men had echter geen tijd, om langer over de zaak te donken; want de muzikanten begonnen nu in ernst, l\'ickwick danste, het vlugst en vroolijkst van allen, door alle toeren en paren heen, do zaal op en neder, en wist van geen uitscheiden. De oude dame was reeds ademloos ! op een stoel neergevallen; maar hij bleef op zyne plaats, trapte met zijne voeten do maat lachte de dames too, met eone vriendelykheid en opgeruimdheid, waarvan allo bi ichrijving goon denkbeeld zou kunnen geven. Lang voor dat l\'ickwick het dan^-n moede was, had hot jonge paar zich reed ; verwijderd. Men gebruik te echter naderhand nogeenvoor-tivtl\'elijk avondmaal, dat in een der beneden-vertrekken was aangericht, en bleof nog een goruimim tijd bij elkander zitten : en totn Pickwick den volgenden morgon laat ontwaakte, kun hij zich Hauw herinneren dat hy timchen dertig on veertig menschon, don een na den ander, had nitgenoodigd, om, zoodra zij\' in honden kwamen, in de Witte Arend hij horn to komen eten, hetgeen hy terecht vobr een bewijs hield, dat hij den vorigen avond nog iets meer had gedaan dan dansen. |
„En dan komt het gehoolo huishouden van j avond in do keuken, om spelletjes te spelen, 1 niet waar, meisjelief?quot; vroeg Sam, torwijl hij vertrouweiyk mot Emma stond te keuvelen. .. la, mijnheei Weller!quot; antwoordde zij. „Dat gebeurt op Kerstavond altijd. Mijnheer zon om alles in de wereld die gi.\'woonto niet willen afschaffen. Ham was brandend nieuwsgierig, om te zien wat er gebeuren zou, en begai\'zich bijtijds naar do keuken, waarin, volgons het jaarlijksch gebruik, dat de voorvaderen van den ouden Wardlo i sedert onheuglijke tijden hadden in acht geno- | men, al de leden van het huisgezin bijeenkwa- j men. Mot eigen handen hing Wardle aan een haak, j in het midden van den zolder, een groote ma- i rentak op, en dit bedrijf gaf onmiddellijk aan- | leiding tot een onbeschrijfelijk gedrang, gelach i en tumult, onder hetwelk Pickwick mot een ridderiy\'ko galanterie de oude grootmoeder bij de hand nam, en, nadat hij haar onder den ge-heimzinnigen tak had gelijd, met alle deftigheid i een kus gaf. De oude vrouw onderwierp zich goedschiks aan deze plechtigheid: maar dejonge dames, die niet zoo doordrongen waren van eer- i bied voor dit oude gebruik, of misschien dachten, dat het de waarde van oen kus vergrootte, indien het een weinig moeite kostte dien te bekomen, gilden en worstelden, dreigden en verscholen zich, in een woord, deden al wat zij i konden, om zich aan de plechtigheid te ent- i trekken, behalve buiten het vertrek de vlucht te nemen — totdat een paar der minst stout- 1 moedige hoeren op het punt waren om de zaak op te geven; toen begrepen zy allen, dat verdere tegensporreling niets baten zou, en lieten zich gewillig kussen. Winkle kuste de jonge dame met de zwarte oogen, en Stockwali Emilia; terwijl Weller, zonder er veel op te letten of de plechtigheid wel vlak onder den maren-lak voltrokken werd, Emma en de andere meis- | jes kustte, zoo vaak hij maar kon. Wat de I andere bloedverwanten aangaat, zy kusten iedereen. een paar leeiijke jongejutfers niet uitgezonderd, die, in hare ontsteltenis, zoodra do marentak was opgehangen, vlak daaronder lie- j pen, zonder het te weten, Wardle stond met zijn rug naar hot vuur, met het grootste genoegen het gewoel aan te kijken, en do dikke j jongen nam zij ie kans waar, om een bijzonder lekker vleeschpasteitje, dat voor iemand anders was bewaard, Weg te kapen en op te muizen, j Toen het gegil had Opgehouden, allogezich- | ten gloeiden, en alle krullen in do war waren, en Pickwick, nadat hij, gelijk boven verhaald |
BIJ WAIlDU\'l. 175
KKN KI\'.HSTAV
|
is, do uroolnioodiM had gekust, oudur den ma-rcntuk stond, en, mol. oen glans van genoegen i op zijn golaat, om zich hoen zag, schoot de jonge j damo met de zwarte oogon, nadat zij oone poos | mot du andere jonge dames had gefluisterd, \' eensklaps toe, sloeg haar arm om zijn hals, on gaf hum een hartolijkon kus op zijnu linker-j wang. Dit was liet toeken, en voordat Pickwick ! wist wal hem gebeurde, vielen Sjle moisjeK hom j op het liji\', om hom te kussen. liet was vermakelijk l\'lckwick to zien staan in het midden van (lie groef) dartele meisjes, i die hein heen en weder trokken, en waarvan de ; eeno hem op zijn kin, de andere op zijn neus, de derde op zijn bril kuste, en het schaterende | gelach te höoren, waarmede hij hartelijk in-| stemde; maar nog vermakelijker was het, hem eene poos later, met een zijden doek voor de ! oogen gebonden, langs den muur te zien rond-, tasten, en mot hot grootste pleizier voor blinde-• mannetje spelen, totdat hij eindelijk een der arme bloedverwanten ving; toen was het zijne beurt om den blindeman te ontwijken, en hij deed zulks met eeno vlugheid en vaardigheid, diede bewondering van alletoeschouwersgaande maakte. De arme bloedverwanten vingen iedereen, dien zü dachten, dat gaarne gevangen zou willen worden, en als de lust begon te verflauwen, lieten zij zich zeiven vangen. Toen 1 men het blindemanspel moede was, begon men snapdragon •) te spelen; en toen mendaar-i mede de vingers had gebrand en alle rozijnen i op waren, schaarde men zich bij het hoog opvlammende vuur om een smakelijk avondmaal I en eene ontzettend groote kom met heeten kruidenwijn, waarin, volgens het oude gebruik, een I aantal gebraden appelen sisten. „Dit,quot; zeide Pickwick rondziende, „dit noem ik eerst gezelligheid.quot; „Ons onveranderlijk gebruik,quot; antwoordde I Wardle. Iedereen zit bij ons op Kerstavond, zooals gij ziet dienstboden en de rest; en | hier wachten wij, tot de klok twaalf slaat, om het Kerstfeest in te wijden, en verdrijven den 1 tijd met pandverbeuren en vertellen. Trundle, ; rakel het vuur eens op, mijn jongen.quot; Omhoog vlogen de heldere vonken bij duizenden, toen de houtblokken bewogen werden. De roede vlam verspreide oen helderen gloed, die tot in het verste hoekje der kamer doordrong en zijne vroolijke tint op elks gelaat afteek er.de. ..Kom,quot; zei Wardle. „een lied een Kerstlied ! Ik zal er een zingen, bij gebrok aaneen beter.quot; „Bravo!quot; zei Pickwick. I) Kou spel, wiinrhij men rozijnen lilt een kum met vlammende brandewijn moet trachten te halen. VKUT. |
„Vul eens aan,quot; riep Wardle. „Het zal ten minste twee uren duren, voordat gij den bodem der kom ziet door de donkere, schoone kleur van den kruidenwijn heen; dient u allen eens en dan het lied.quot; Hierop droeg de vroolijke, oude heer met eene volle, kiachtige slem zijn kerstlied voor. ! Het verwekte onstuimige toejuichingen want j vrienden en enderhoorigen luisteren goed en ! de arme bloedverwanten vooral waren bepaald verrukt. Weer werd liet vuur aangevuld en ging de kruidenwijn rond. „Wat sneeuwt het!quot; zei een der mannen zachtjes. „Zoo, sneeuwt het? zeiquot; Wardle. „Onstuimige, koude nacht mijnheer,quot; antwoordde de man; „en er is oen wind opgestoken, die de sneeuw als een dikke witte wolk over de velden drijft.quot; „Wat zegt Jem?quot; vroeg de oude dame. „Daar is toch geen ongemak, wel?quot; „Keen, neen, moeder,quot; antwoordde Wardle; „hij zegt, dat er een sneeuwstorm is, en een snerpend koude wind. Ik kan het hoeren aan het gehuil in den schoorsteen.quot; „Ah!quot; zei de oude dame, „er was juist zoo\'n wind en zoo\'n sneeuw, herinner ik mij, verscheidene jaren geleden Juist vijf Jaar, voordat uw vader stierf. Het was ook Kerstavond en ik herinner mij, dat op dienzelfden avond het verhaal gedaan werd van de spoken, die Gabriel Grub wegvoerden. „Het verhaal van wat?quot; zei Pickwick. ,Oh, niets—niets,quot; antwoordde Wardle. „Van oen ouden koster, die door de spoken werd medegenomen, zooal- de menschen hier in den omtrek gelooven.quot; ..Gelooven!quot; riep de oude dame uit. „Is er iemand stoutmoedig genoeg om daaraan te twijfelen? Gelooven! Hebt gij niet van kindsbeen i af gehoord, dat hij werkelijk door de spoken werd meegenomen, en weet gij niet, dat het zoo is?quot; „Heel goed, moeder, dan werd hij meegenomen, zooals gij wilt,quot; zei Wardle, lachende. „Hij werd meegenomen door de spoken, Pickwick, en nu genoeg.quot; „Neen, nei-n,quot; zei Pickwick, niet genoeg, dat verzeker ik n; want ik moet er het myno van j hebben.quot; Wardle glimlachte, toen elk zijn hoofd vooroverboog om te luisteren; en, nadat hij den overigen kruidenwijn met onvermoeide hand had rondgediend, dronk hij op Pickwick\'s ge-zondhuid en begon als volgt: — „Maar lieve hemel, tot welk een lang hoofdstuk hebben wy ons laten verleiden! Wij vei-klaren plechtig, dat wij zulke niutige beperkingen, als hoofdstukken, geheel vergeten waren. Komaan dan maar, laten wij den geesten vrij : spel geven ineen nieuw hoofdstuk. Hettooneel j |
SAMUEL PICKWICK.
170
|
ontruimd en goon uitzorulerins . ■ ..uuiki voor do spoki\'ii, dames en hoeron.quot; XXIX. IIET VEUMAAli VAN DK SPOKEN, DIE EEN KOSTER STAI.KN. \') In eon oude abdijHtad hier in den omtrok, diende eeno lange, lange poos geleden zoo lang, dat liet verhaal waar moet zijn, omdat; onzo overgrootvaders het al blindelings ueloof-den als knster en doodgraver een zekere (lahriel (irub. Nu is het echter geenszins noodzakelijk, dat iemand, dii koster en voortdurend omgeven is door zinnebeelden der ster-felljkheid, daarom een droefgeestig en zwaar-moediu man zij; tie aansprekers zijn de vroe lijksto kerels van de wereld, en ik had eens de eer op een vertronwelijken voet te staan mot een drager, die in de samenleving en buiten diensttijd een grappige en schertsende klant was, onverschillig weg een liedje zong en den inhoud naar binnen sloeg van e.in goed, stevig glas, zonder op te hóuden om adem té halen. Maar in strijd mot den gewonen retrel was Gabriel Grub een venijnige, dwarsdrijvige, nor-sche korol, een droefgeestig en teruggetrokken man, die met niemand andera omging dan zich zeiven en eeno oude veldtlesch, die in zijn groot, diep vestzakje paste; evn man, die iedereen, wélke hem ontmoette, mot zulk een boos aardig en zuur gezicht aanzag, dat men het \' moeilijk kon ontwaren, zonder er zich een wei-! nig door ontstemd te gevoelen. Op oen Kerstavond kort voor de schemering nam Gabriel Grub zyne spade op schouder, stak zijne lantaarn aan en begaf zich naar het oude kerkhof; want hij moest den volgenden morgen een graf klaar hebben en daar hü zich zeer neerslachtig gevoelde, dacht hij, dat ftet hem misschien wat zou opvroolyken, als hij dadelijk zijn werk voortzette. Terwijl hjj de oude straat opging, zag hij het vroolijko licht der vlammende vuren door do oude ramen schijnen en hoorde het luide lachen en de vroolijko kreten van degenen, die er om vergaderd waren; hij bemerkte de drukke toebereidselen voor (iet feest van den volgenden dag en rook de talrijke, heerlyke geuren, die daarvan het gevolg waren, terwijl /.ij uit de keukenramen in wolken opsiegon. Dit alles was gal on aloë voor hot hart van Gabriel Grub; en wanneer groepen van kinderen de huizen uithuppelden, do straat overtrippelden en, voordat zij aan de : overdourea konden kloppen een half dozijn, krulhariu\'e schelmpjes hun tegemoetkwamen en zich om hen heen schaarden, wanneer zij do i trappen opstroomden om den avond met hunne kerstspelen door te brengen, grimlachte Gabriel Crub en greep zijne spade steviger vast, wanneer hij dacht aan mazelen, scharlakenkoorts, griep, kinkhoest en nog eeno groote menigte andere bronnen van vertroosting. |
In deze gelukkige stemming schreed Gabriöl voort, terwijl hij de blijde groeten van de buren, die hem voorbijkwamen beantwoordde met een korten, barschen snauw, totdat hij de donkere stei insloeg, die naar het kerkhof loidde. Nu had Oabriël Grub verlangd de donkere steeg te bereiken, omdat het een akelige plaats was, die zijne stadgenooten niet gaarne bezochten, behalve op helder lichten dag bij zonneschijn; bijgevolg was hij niet weinig verontwaardigd oen jong [knaapje een grappig lied te hooren uitgalmen over oene plezierige Kerstmis en dat nog wel in dit heiligdom, dat Coffin Lane ge-iinemd werd, sedert de dag\' n der oude abdij on den tijd dia- kaalgeschoren monniken. Terwijl Gabriël voortliep en het gezang naderde, : bevond hij, dat hot uitging van een kleinen lt; jongen, die haast maakte om zich bij een der • partijtjes in de oude straat te voegen en die, zoowel voor de gezelligheid als om zich tot het feest voor te bereiden het lied, zoo hard hij j kon, uitgalmde. Oabriël Grub wachtte, totdat 1 de jongen dicht bij hem was, duwde hem toen in i\'on hoek en sloeg hem een keer of zes met zi.i iie lantaarn op het hoofd, om hem te dwingen zijne stern te wijzigen; en, terwijl dejon-g ii wegliep met de hand aan zijn hoofd en een geheid ander deuntje zong, schaterlachte Gabriöl Grub in zich zeiven, trad het kerkhof binnen en sloot hot hok achter zich. Hij trok zijne ei uit, zette zijne lantaarn neer, en in het onvoltooide graf afdalende, werkte hij er ongeveer een uur aan met recht O\' I\' :i lust. Maar do aarde was hard geworden door de vorst en het was geen heel gemakkelijke t eak zo los te breken en weg te graven; en hoewel do maan schoon, was zo nog zeer nieuw en verspreidde weinig licht over het graf, dat in de schaduw dor kerk lag. Op eiken anderen tijd zouden deze hindernissen Gabriöl Grub zeer droevig en ongelukkig gemaakt bob-ben, maar nu was hij zoo voldaan, over het bes! rallen van het knaapje, dat bij weinig acht sloeg op de weinige vorderingen, die hij gemaakt had, en mot grimmige tevredenheid neerzag in hot graf, toen hij voor dien avond met werken ophield. |
Dg VKRSfMIRlKTE DOODOHAVMI.\'
„Ho! ho!quot; lachte Gabriel Grub, terwijl hij zich Hot \\va, de echo,quot; zei Ciabriöl Orub, de op een liggenden grafsteen, zijne geliefkoosde fleach aan den mond brengende.
rustplaats, neerzette, en zijne veldflesch voor „Die was hét niet,quot; z. ide eene diepe stom. den dag haalde. Gabriël sprong op en stond als aan den grond
.,Ken doodkist op Kerstmis I cell korstge- gonagcdil van verbazing i.-n schiik; want zijne schenk. Ho! ho! ho! | oogen rustten op een* gedaante, die zijn bloed
•.Ho! ho! ho!quot; herhaalde eene stem, dicht deed verstijven.
achter hem. Op een sta ruiden grafsteen, dicht bij hom zat
Gabriel hield eenigszins onthutst stil, terwijl (••■■n vreemd woze-n,\' dat, zooals Gubriv\'i dadelijk hö zijne flesch aan de lippen bracht, en zag ! erkende, niet tot deze wereld behoorde. Zijné rond. De bodem van het oudste gral bij hem I lange spookredi! i\'-ru beom-n, die tot aan den grond
|
was niet stiller en rustiger dan het kerkhof in het Ideeke maanlicht. De koude rijp glinsterde ep den grafsteen en fonkelde gelijk snoeren van juweelen in het beeldhouwwerk der oude kerk. be sneeuw kraakte onder de voeten en spreidde quot;vei de grafheuvels zulk een dicht en gl.ad bekleedsel, dat het lijken seiienen in hun doods iiomd gewikkeld. Niet het zwakste geritsel verbrak do diepe stilte van het plechtig taferee\'. liet geluld zelf scheen bevroren te zijn, zoo koud en stil was alles. |
hadden kunnen n aken, waren omhooggetrokken en op eene zondorlinge wijze gekruist; zijne gespierde armen waren bloot en zijne handen rustten op zij no knieën. Om zijn kort, rond lichaam, droeg het eenè natnvsluib ndebekleeding, versierd met lus.seheii; eene korte mantel fladderde op zijn rug; de kraag ervan was 111 lange punten ultgesnedén, en diende het spook tot plooisel of halsdoek; zi,jne schoenen waren aan de teenen in lange punten omgekruld, opzijn hoofd drgt;«gt; .t het een breed gc randen hoed in |
ÖICKF.NS, SAMUKL I\'ICKWICK.
12
w
|
ITS •Uui vorm van wn suikerbrood en;S^8ierd met ceno enkele veer. De hoed wjis berijpt en de geest, zag «t uit, alsof hij-al twee of drie eeuwen zeer gemakkelijk op den steen gezeten had. Hij zat volmaakt stil; zijne tong was uitgestoken, als in spot; en hij grijnsde Gabrio! aan, zooals dat alleen een spook doen kan. „Het was de erho niet;,quot; zeid\'- de geest;, (labriél verstijfde van sHirik en kon geen antwoord geven. „Wat doet gij hier op Kertsavond ?quot; zeide de geest op barschen toon. „Ik kwam om een graf te delven, mijnheer,quot; stamelde GabrKi. „Welk man doolt rond tussehen graven op kerkhoven op zulk eene avond als dezen?quot; riep de geest uit. „Gahriël Grub! Gabriel Grub!quot; gierde eenkoor van woeste stemmen, dit\' uit alle hoeken van hot kerkhof schenen te komen. Gabriil zag angstig rond, - doch er was niets te zien. „Wat hebt gij in die tlesch?quot; zeide liet spook. „Jenever, mijnheer,quot; antwoordde de koster, meer dan ooit bevende; want hü had ze van de smokkelaars gekoeht en dacht, dat zijn ondervrager wel eens ambtenaar bij het departement van inkomende rechten in de geestenwe reld zijn kon. „Wie drinkt jenever, alb-i n op een kerkhof en zulk een avond?quot; zei het spook. „Gabriel Grub! Gabriel Grub!quot; riepen de stemmen weer. Het spook loerde boosaardig naar den verschrokken doodgraver en riep, zijne stem verheffende, uit: „En wie is dus onze billijke en rechtmatige prijs?quot; Op deze vraag antwoordde het onzichtbare koor met een gezang, dat scheen voortgebracht te worden door de stemmen van verscheidene koorknapen, die zongen bij liet krachtig galmen van liet orgel in de oude kerk een gezang, dat op den wind naar ..!lt;• ooren des doodgravers scheen geleid \'lt; worden en in do verte wegstierf; het. refrein er van was altijd hetzelfde: „Gabri\'l Grubl lt;.,ibri\' 1 Grub!quot; Ket -pook zeide grijnzend; „Wel ( abricl. wat zegt gij hiervan?quot; De koster snakte naar adem. „Hoe vindt gij dat?quot; zei do geost, terwijl hij zij tie voeten aan weerszijde van den steen in de lucht wierp, en met evenveel behagen naar de omhooggekeerde punten keek,alsof bij het meest nieuwerwetsehe paar Wellingtons van geheel liondst root beschouwde. ,.Het is hot is heel vreemd, mijnheel.quot; antwoordde de doodgraver, halfdood van schrik, „heel vreemd en heel aardig, maar ik ben van plan om heen te gaan en mijn werk af te maken, als gij er niets tegen hebt.quot; i m II- \'Hk- |
..Werk?quot; zeide de geest, „wat voor werk?quot; „Het graf, manheer; het graf maken,quot; stamelde de koster. „Ah, zoo, het graf!quot; zei do geest; „wie delft een graf, op een tijd, dat alle andere mensrheu vroolijk zijn, en wie vindt er pleizier in?quot; Weer antwoordden de geheimzinnige stemmen, „Gabrii\'-I Grub! Gabriel Grublquot; ,.]k ben bang, dat mijne vrienden u willen hebben,quot; zei het. spook, terwijl het zijne tun-verder over de wang heen stak dan te voren en het was eene verbazend groote tong „ik ben bang dat mijne vrienden u willen hebben, Gabriel,quot; zei het spook. „Met verlof,mynheer,quot; hernam de verschrikte koster, „dat geloof ik niet, zij kennen mij niet. mijnheer; ik geloof niet, dat de heeren mij ooit gezien hebben, mijnheer.quot; „O, jawel,quot; antwoordde do geest; „ wij kennen den man met hot norsche gelaat en den grim-migen blik, die van avond de straat door ging, terwijl hij de kinderen kwaad aanzag en zijne spade steviger vastgreep. Wij kennen den man die van kwaadaardigheid den jongen sloeg, omdat die vroolijk kon zijn en hij niet. Wij konm ■ hem, wij kennen hem.quot; Hierop liet do geest een hard schril gelach hooren, dat do echo\'s twintigmaal herhaalden; en, zyne beenen in de lucht werpende, ging hij op zijn hoofd of liever op de punt van zijn lan gen spitsen hoed op den smallen kant van den grafsteen staan, waarvan hij met buitengewot -behendigheid\'een luchtsprong maakte naar d--voeten van den koster en zich daar neerzet\'\' in de houding van een kleermaker op een-werktafel. „Ik, ik vroes, dat ik u moet verlaten, mijn heer,quot; zeide de koster, eene poging aanwendende om zich to bewegen. „Ons verlaten,quot; zei de geest, „Gabriel Grub ons verlaten, Ho, ho, holquot; Ti i\'vvijl het spook lachte, bemerkte do kostlt; voor oen oogenblik een schitterenden gloed in de vensters der kerk, alsof het geheole gebouw verlicht was; het licht verdween, het orgel deo-i oen vroolijk deuntje hooren on geheele scharen van geesten, volkomen op don eersten gelijkend-stroomden het korkhof binnen en begonnen mot di grafsteonon haasje over te spelen, geen oogenblik opbond\' ndo om adem te halen, maar acht\' ! elkander met verwonderlijke behendigheid den hoogsten overspringende. De eerste geest was oen verbazende springer, met wient geen dei andoren kon wedijveren; en de koster kon. zell\'a toen zijn schrik op het hevigst was, niet nalaten op \'te merken, dat, terwijl de ander-geesten zich tevreden stelden met over de middelmatige grafsteenen te springen, de eerste de familiegraven. ijzeren hekken, ja alles met evenveel gemak oversprong, alsof hot straatpalen waren. SA.Ml\'KL l\'K\'KWK\'K. * \' |
■i
IJ-; VEN DE BEKLDK.N.
IT\'.i
|
Ton laatste bereikte hot spel een hoogen ■ graad van opgewondenheid, het orgel speelde ; vlugger en vlugger en de spoken sprongen gauwer en gauwer, terwijl zij buitelingen maakten en op den grond rolden. De koster werd . draaierig door de snelle beweging, die hij aan-| schouwde, en zijne knieën knikten, als de gecs-; ten hem voorbij vlogen, totdat de kening der I geesten, plotseling naar hem toeschoot, hem bij i den kraag nam en met hem door den grond zonk. Toen Gabriel Grub den adem teruggekregen | had, dien do snelheid der afdaling had belom-j mord, bemerkte hij, dat hij in een soort van | hol was, omringd door groepen van leelijke, ; grimmige spoken; midden in het vertrek op eene verhevenheid zat zijn vriend van het kerk-hof en vlak naast hem stond Gabriel Grub zelf, niet in staat zich te bewegen, ,.Koud van avond,quot; zei de koning der geesten, „zeer koud. Breng eens een glas met iets warms!quot; Op dit bevel verdwenen haastig een half dozijn | gedienstige geesten met een voprtdurenden glimlach op het golaat, die Gabriel Grub daarom voor hovelingen hield, en keerden dadelijk terug | met een beker vloeibaar vuur, dien zu den koning aanboden, „Ha!quot; riep de geest, wiens wangen en keel doorschijnend werden, toen hij het vuur verzwolg. „Daar wordt men eerst warm van! Breng ■■on roemei van hetzelfde voor Mijnheer Gmb.quot; Tevergeefs beweerde de ongelukkige koster, j dat hij niet gewoon was \'s avonds iets warms te gebruiken; een der geesten hield hem vast, ! terwijl een ander liet vlammende vocht door i zijne keel goot; de goheele vergadering gilde van hot lachen, terwijl hy hoestte en snikte en i de tranen wegveegde, die overvloedig uit zijne I oogen stroomden, nadat hij de brandende teug | had ingezwolgen. „En nu,quot; zei de koning, terwijl hij den kos ! ter spookachtig de spitse punt van zijn hoed hi het oog stak en hem daardoor de hevigste Pijn veroorzaakte; „toon nu den man van ellende en droefgeestigheid eenige tafereelen uit onzen grooten voorraad.quot; Toen do geest dit gezegd had, dreef oene I dikke wolk, die het achtereinde der grot verduisterde, langzamerhand weg en onthulde, schijnbaar op een grooten afstand, een klein | en karig gemeubileerd, docli net en zindelijk vertrek. Eene menigte kleine kinderen waren quot;in een helder vuur geschaard, zich vastklemmende aan de kieederon hunner moeder en om haar stoel dartelende. Do moedor I stond nu en dan op en schoof het venstergor-| dijn, op zij, als om naar iemand uit te zien; : een eenvoudig maal stond klaar op tafel, en een leuningstoel bij het vuur. Br word aan de i deur geklopt, de moeder opende zo, de kinderen drongen om haar\'neep en klapten van vreugde in de handen, toen hun vaderbinnentrad.Hij was nat en moe en schudde de sneeuw van zijne kleeren, terwijl de kinderen zich om hem heen schaarden, niet veel ijver zijn mantel, hoed, stoken handschoenen grepen en ermede de kamer uitliepen. Toon hij vervolgens aan den soboron maaltijd bij het vuur ging zitten, klpmmen de kinderen op zijne kiiieén, ging de moeder naast hem zitten en schenen geluk en gezelligheid door het geheele huisgezin te heerschen. |
Maar er kwam bijna onmerkbaar eene verandering in het tafeivol. Het ging over in quot;eene slaapkamer, waar het schoonste en jongste kind op sterven lag: de rozen waren van zijne wan gen en het licht uit zijne oogen verdwenen; en juist toen de koster erop neerzag met eene belangstelling, die hij nooit te voren gevoeld of gekend had, stierf het. Zijne jonge broeders en zusters schaarden zich om zijn bedje en vatten het bij zijn teer handje, dat koud en zwaar was; doch zij deinsden terug bij de aanraking en zagen met schrik naar zijn kinderlijk gelaat; want hoewel het schoone kind kalm en rustig scheen te slapen, zagen zij wel, dat het dood was en beschouwden het als een engel, die uit een heerlijken en gelukkigen hemel op hen neerzag en hen zegende. Weer ging er eene lichte wolk over het beeld en veranderde het taferecj. De vader en de moeder waren nu oud en hulpeloos en het go-tal der omstanders was tot op de helft verminderd; doch tevredenheid en vroolijkheid zetelden op elks gelaat en straalden in elks oogen, terwijl zij zich om den haard schaarden om oude geschiedenissen te vertellen of aan te hoeren. Langzaam en vreedzaam daalde de vader ten grave en spoedig daarna volgde hem de deelgenoote in al zijne moeiten en zorgen naar hare laatste rustplaats. De weinige overlevenden knielden neer bij hun graf en besprooi-den het groene gras, dat het bedekte, met hunne tranen; daarna stonden zij op, en gingen droevig en rouwig heen, doch lioten geen bittere kreten of wanhopige klaagtonen hoeren; want zij wisten, dat zij elkander eens zouden weerzien. Weer begaven zij zich naar do woelige wereld on herkregen hunne vroegere tevredenheid en vroolijkheid. De wolk trok voor het beeld en onttrok hot nan het oog van den koster. „Hoe vindt gij dat? zeide het spook, ter wy\'l hy zijn groot gezicht naar GabrK i Grub koerde. ttabrl\' l mompoldo, dat het heel aardig was of zoo iets, en keek eenigszins beschaamd, toon liet spook zyne vurige oogen op hom vestigde; ,,Oij oen ongelukkig man!quot; zei hetspookop een toon van buitengewoni verachting. „Gy!quot; Het scheen van plan er nog meer bij de voegen, doch de verontwaardiging belemmerde |
MCKWICK.
-luit, dat deze wereld lang niet te versmaden ! i.-.. Nauwelijks had hij die gevolgtrekking ge-maakt, of de wolk, die het laatste tafereel had bedekt, scheen hom te bonevolen en in slaap te wiegen. Kén voor één verdwenen de geesten uit zijn gezicht, en bij het verdwijnen van den laatste viel hij in slaap.
De dag was aangebroken, toon Gabriel Grub ontwaakte en bevond, dat hij lang uit op den grafsteen lag met de ledige veldflesch naast i zich en zijne jas, spade en lantaarn, alle wit van | den rijp op den grond verspreid. De steen, j waarop hij het eerst den geest had zien zitten, stond paalrecht voor hem on het graf, waaraan hij den yorigen avond gewerkt had, was niet ver at. In liet eerst twijfelde hij aan de wer-kelijklieid zijner lotgevallen, maar de hevige pijn die hij in de schouders voelde, wanneer hij beproefde op te staan, verzekerde hem, dat het i : ••hoppen der geesten zeker niet denkbeeldig was. Hij werd weder aan hot wankelen ge-
• bracht, \'toen hij bemerkte, dat or geen voet-stappen in de sneeuw waren, waarop de geesten
i haasje-ever gespeeld hadden, doch gaf zich 1 daarvan spoedig rekenschap door te bedenken, i dat geesten geen merkbaren indruk op den | grond achterlaten. Hij stond op, zoo goed hij kon met de pijn in den rug, sloeg den rijp 1 van zijne jas, trok ze aan en keerde zijn go-zicht stadwaarts. Hij was eon ander man en kon ei- niet aan denken, terug te keeren naar .ene stad, waar met zijn berouw gespot en aan zijne bekeering getwijfeld worden zou. Hij aarzelde ei nige oogenblikken, en ging daarna heen | om elders zijn brood te zoeken.
De lantaarn, de spade en de veldflesch werden dien dag op het kerkhof gevonden. Er werden vele gissingen gemaakt omtrent het lot j van den koster, doch men kwam spoedig tot | het besluit, dat hij door de geesten weggevoerd i was; en het ontbrak niet aan geloofwaardige ; eetuitren, die hem duidelijk door de lucht hadden zien vliegen op een kastanjebruin paard i met één oog, het achterkwartier van een leeuw ei den staart van een beer. Ten laatste werd dit alles heilig geloofd en de nieuwe koster placht voor eene geringe belooning aan nieuwsgierigen een flink groot stuk van den kerkhaan te laten zien, dat toevallig door het genoemde | paard in zijne vaart door de lucht afgeschopt
en een naar jaar later door hem zeiven op het | j kerkhof gevonden was.
Ongelukkigerwijze werden deze verhalen \\ \' eriiusziiis gttlogeiistraft door het onverwacht .\' rsduiiion van Gabri\'-l Grub zelf, die oen tien • I iaar later als een haveloos, tevreden, rheuma tiseh oud man terugkwam. Hij deed zijn ver baal aan den geestelijke en ook aan den bur-j gemeester; ea na verloop van tijd werd het als van geschiedkundige waardebeschouwd,hetgeen
• nog he len het geval is. Zij, die aan het ver- ,
ISO SAM. U EL 1
zij no spraak; daavoin hi\'-f lift oen zijwr^uig-zamo boenvu omhoog, sliii^erJi1 hot 0011 weinig boyon /.ijn liool\'d otn \'/i.ifii dool zeker to trotten on brai\'Ut (labriM ( ■ u goeden, itiukon schop to. Onmi\'ldollijk hierop drongen al douanwo-zi_\' -pok\'ii om hem heeii en schopten hem mei \'loogor.loos volgens de vaste en onverander-lijkf gewoonle van aardacho hovelingen, die schoppi n. wier. vorsten schoppen, en liefkoozen, wien vor ten liefkoozen.
„\'i\'o.in li\' in nog meer!quot; zoitle de koning der geesten.
i;ij (i ze woorden trok de wolk weer weg on onthulde ••en rijk en schoon land \' hap ten huldigen dage is er nog zoo oen op eono halve mijl : i\' ■■■1;! n11 s van de oude abdij .-trad uelogen. lgt;e zon .-eheen aan den helderen, blauwen hemel, het waier glinsierde in hare stralen, de boomen \'eken grpener en de bloemen schooner | van kleur door haar opvvekkenden invloed. Het water kabbelde voort met een aangenaam ge 1 hiid; de boomen ritselden in den zachten wind, 1 die -u hunne bladeren suiste; de vogels kweelden op ae takken en de leeuwerik zong omhoou1 den morgen zijn welkomstlied. Ja, he! wa . morgen, een heldere, geurige zomermorgen; het kleinste blaadje, het geringste . m : : .• was bezield met leven. De mier kioop naar haar dagolijkschen arbeid, de vlin-tier li i ldi rde en ko\'-sterdi zi- h in de warme •/ui!;\' ••iralen; duizenden insekten spreidden hunne deoi-chijnende vleugels uit en schiepen ■ not in 1. in kort, maar gelukkig leven. De mcnsch wandelde voort, vervuld van hettafe-i i.-l, en alb s was glans en luister.
,fi ij een ongelukkig man!quot; zei de koning ije: - :gt; n op \' eti meer verachtelijkeri toon dan vor n. tin weer zwaaide hij met zijn i - i : weer daalde dit neer op do schouders van d\'-n k- ••-\'■•r en w. er volgden de andere geesten lie; voorbe- ld van hun opperhoofd. Nog menigmaal k e. am en verdween de wolk en gaf nog menige les aan Gabriel Grub, die, hoewel zijne i schouders krompen van pijn door de herhaalde kennismaking met de voeten van het spook, met onverminderde belangstolling toezag. Hij bemerk to, dat mensehen, die hard werkten om \' in irig stukje brood te verdienen, opge-
don onwetend ten het lieflijke gelaat dor natuur een nooit opdrogende bron van opge-ei ; idh\' id en vreugde was Hij zag, dat vrqu-wen, de ■ r ;e en zwakste yan Gods.sc.hepse-l ie ie b- -it t\'-^.-n Verdriet, tegenspoed lt; n ellende kenden, bmdat zü onnltputtolljk waren ui 4 te s nheid on t oewijding. V\'oeral zag hij dat maun\' n, die, eelijk hij, morden over de vr\'H.iiiklh d van anderen, hetgemeen-ih mikruid ep d\' .•\'• .i\'one oppervlakte der aarde waren; on, Ka al bet goode der werfdd tegen het kwade te hebben opgewogen, kwam hij tot hot be-
E, KENNISSEN. 181
TWEE NI EU
|
haal van den weerhaan geloofden, konden niet gemakkelijk worden overgehaald om het te la-ton varen, keken zoo w^js, als zij konden, haalden de schouders op, wezen naar hun voorhoofd en mompelden zoo half, dat Gabriel Grab al do jenever had opgedronken en dan op den grafsteen in slaap was gevallen; en wat hij in het hol van het spook gezien had, trachtten zij te verklaren door te zeggen, dat hij de wereld gozien had en wijzei geworden was. Doch di ze meening, die nooit zeer algemeen was, liet men langzamerhand varen; maar, hoe het ook zij, dit verhaal heeft, daar Gabriel tot het einde zijns levens last van rhoumatiek had, ten minsio ééne moraal — en die is, dat, indien iemand op Kerstmis nurksdi wordt en op zjjn ci ntjo drinkt, hij er geen zier beter aan toe is, al is de sterke drank ook nog zoo goed en evenveel | graden boven peil als die, welke Gabriel Grub i in hot hol van het spook zag. XXX. MOK UK PICKWK\'KISTKNMCT TWICE VKKUiKLOVKNDIJ JONOEIIKKKEN IN KENNIS WEK DUN GK BRACHT, HOE ZIJ ZICH OP HET IJS VEUMAAKTEN, EN HOE HUN BEZOEK 01\' MANORI\'AUM AAN EEN EINDE KWAM. „Vriest het nog, 8am ?quot; vroeg Pickwick, toen : /.ijn bediende hem des morgens, op den errsten Kerstdag, zijn scheerwater kwam brengen. „Het water in de wasehkom was bevroren,quot; | antwoordde Satn. „Het is vinnig koud,quot; merkte Pic,kwiek aan. „Goed weer voor iemand, die een warm pa,k | aan heeft,quot; hernam Samuel, „zooals do ijsbeer zei toen hij leerde schaatsenrtjden.quot; „ik zal binnen een kwartier beneden kornon,quot; zeide Pickwick, terwijl hij zijneslaapmut«afzel te. „Goed mijnheer!quot; zeide Ham, „dan zult gij \'■en paar boenafzetters vinden.quot; .. Beenafzetters?quot; hernam Pickwii\'k,terwijl hij in het bed overeind kwam: „wat zijn dal quot; i „Begrijpt gij dat niet, mijnheer?quot; vroegSam verwonderd-. Ik dacht, dat iedereen hel wi t, i dat een beenafzetter een chirurgijn is.quot; „O, oen chirurgijn,quot; zeide Piek wie i. glimlachend. -Maar hot zijn nog geen volleerde k-enaf/. t-| Iers,quot; vervolgde San); „zij worden nog gedrild.quot; „Met andere woerden, hel zijn studenten in de chirurgie, niet waar?quot;merkte Pickwick aan, \'■n Ham knikte toesleimnencl. „Haar ben ik blijde om,quot; zeide Pickwick, terwijl hij niet, drilï zijne sl.iapmuts op de d ikeii | nedcrwierp. , Pat z.yn wakkere lieden. Hun oor-; deel wordt door ondervinding en nadenken f e |
scherpt, en hun smaak door lezen on studeeren verfijnd. Ik ben er zeer blijde om.quot; . Zij zitten in de keuken bij het vuur sigaren te roeken,quot; zeide Sam. „Zoo?quot; hernam Pickwick, terwijl hij in zijne handen wreef. „Het bevalt mij, dat zij zich zoo weinig op hunne geleerdheid laten voorstaan. Het zijn zeker geene verwaande kwasten.quot; „Do een zit met zijne boenen op de tafel,quot; vervolgde Sam, zonder naar zijn meester te luisteren, „en drinkt klaren brandewijn; en de ander — die met zijn bril op heeft een vaatje oesters op zijne knieën, en maakt ze open alsof zijne handen stoommachine;; waren; en telkens als hij er eone hoeft iiitgeslurpt, gooit hij met de schelpen naar don dikken slaap kop, die in een hoek zit te droomen.quot; „Louter uitspattingen van het geme,quot; zeide Pickwick. „Gij kunt heengaan. Kaïn!quot; Sam ging heen; en na verloop van een k war-tieruurs kwam Pickwick beneden. „Daar is hij eindelijk,quot; zeide Wai\'dle. „I\'iek-wick! dat is mijnheer Benjamin Allen, de broe der van de jongejuffer jollen; wij noemen heni doorgaans Ben en dat kunt gij ook doen als gij wilt. Deze heer is zijn vriend, mijnheer....quot; „Mijnheer Bob SaWyer,quot; viel Benjamin Allen hierop in, waarop beide jongeheere^ben harte- \' lijk gelach aanhieven. Pickwick maakte eene buiging, welke door -do jongeheoren met eene buiging wi rd beantwoord, en daarna vielen zij met voel graagte 1 Op hel onthijt aan, zoodat i\'iekwick L \'le ■nlu d had om hen beiden nauwkeurig op te nlt; men. j Benjamin Allen was i en tamelijk dik, breed en plomp jonkman, mei kort g( knipt ■■.varl haar, en een bleek, lang gezicht. Hij drei g een bril en eene witte d.is. Onderzijn zwarten, tot aan den hals dubt toeuekneopten jas vertoonde zich het gewone getal b enen ■ n voeten in oene grijze broek en lane niet fraai glimmende la irzeu. Hoewel de mouw n van zijn ndc vim kort waren, kon m n echter gei-in boorden van een overhennl li peuren.en ofschoon zijn gezicht lang gtmóeu\' wa om zgt; gt; r 1 wel *-enige \\\'1 rkiirliiu:: door ini.bii-1 van .. n j boordje te kunnen verdragen, \\va: e.r vai zulk eon versiersel geen spoor te ontdekk\' n. Hij zag er uit, ai \'Of hij in langen tijd niet vw atgi ■ toft, i en rook Merk naar echte havana. Bob Sawyer droeg een .i-is, welks -n-ale iar goone bekende mode zweemde, en li:! i in zijn i voorkomen en houding tamelijk veil van die ongemanierde vrijpost igheid onslordighe :d, welke jongenhei ren eigen zijn. dio op straat bi.i dag | sigaren roöken, on des nachts schri. euWeil ei; \\ zingen, dlt;gt; kottiehuisknechlsbij lumrn ■leopna-men roepen, en zich meer andere dgt;-: .-•gt;•:i. ke ! aardigheden vi-roorloven. Hü droeg ■•■■nt rnite broek, een morsig vest mot bij/ond\' r groöte ; overslagen, en buitenshuis een dikken -;o:. nnd i |
SAMUEL PICKWICK.
182
|
een grooten knop. Handschoenen gebruikte hij | nooit en over het geheel had hij veel van een verloopen Robinson Crusot\'. „Een heerlijke ochtend, mijne heeren!quot; zeide Pickwick, begeerig om met zijne nieuwe bekenden een gesprek aan te vangen. Bob Sawyer knikte stilzwijgend, en Ben Allen vroeg om den mosterd. „Zijt gij van morgen ver gekomen, mijne heeren?quot; vroeg Pickwick weder. ,, VanMuggï e t o n,quot;antwoordde Allen kortaf. „Clij hadt gisteravond hier moeten wezen,quot;\' zeide Pickwick. „Dat zouden wij ook,quot; hernam Bob; „maar de brandewijn in de Blauwe Leeuw waste goed, om er inderhaast afscheid van te nemen. Niet waar, Ben!quot; „Dat denk ik,quot; antwoordde deze. „En de var- ! kenskarbonaden waren ook niet slecht.quot; „Waarachtig niet,quot; hernam Bob, on daarmede vielan do twee vrienden met vernieuwden ijver op het ontbijt aan, alsof de herinnering van hun , laatste avondmaal hun eetlust had doen aan- | wakkeren. „Er gaat toeli niets boven het prepareeren, als men iemand honger wil doen krijgen,quot; zeide Bob; terwijl hij hot gezelschap rondzag. Pickwick huiverde. „Wat ik zeggen wil,quot; zeide Allen, „hebt gij dat been al klaar!quot; „Omtrent, \' antwoordde Bob. „Voor een kin-derbeen is het sterk gespierd. „Zoo,quot; zeide Allen onverschillig. „Bijzonder,quot; hernam Bob met een vollen mond. „Ik heb een urm besteld,quot; zeide Allen „Wij nemen met ons allen een cadaver, en de lijst is bijna vol, maar wij hebben nog niemand kunnen vinden, die den kop hebben wil. Lust gij hem?quot; ,Neon!quot; antwoordde Bob. Ik heb geen geld voor zulke dure\' iiefhebberijon.quot; „Gekheid!quot; zeide Pen. Waaraehtig niet,quot; hernam Bob...De hersenen zou nog schikken; maar oen\'.reheede kop is iny to machtig.quot; ..St. st., lie ren!quot; viol Pickwick er thans.op in, ..ik hoor de dames komen,quot; Nauwi lijk- had hij dit gezegd, of de dames, die: onder het hofl\'elijk geleide van Stock wall. Winkle en Tuptnan eerie vroege ochtend wamte-ling hadden gedaan, traden binnen, „Hemel! p n!quot; riep Arabella \'ilt., op e. n toon die bewees, dat hei gezicht van iiaar broeder haar mequot;\' verbaasde dan verhein/de. „Ik ben gekomen om n morgen naar huis mee te nemen,quot; zeide Penjamin. Winkle verbleekte, .Zie: gij Pol) Snwyer niet, A rabel li \'quot;vroeg Pen opeen eenigszins verwijtenden toon. Arabella reikte den vriend baars broeders met be-valhgen zwt r de hand: 1 n Winkle voelde eene opwelling van haat, toen Bob de aangeboden hand in het oog vallend drukte. |
„Maar Ben ?quot; zeide Arabella blozende, „zijt gij reeds aan mijnheer Winkle voorgesteld?quot; „Neen, Arabella!quot; antwoordde haar broeder ernstig, „maar het zal mij veel pleizier doen.quot; Daarop maakte hij voor Winkle eene knorrige buiging, terwijl Winkle en Bob Sawyer een blik van wederzydsch wantrouwen wisselden. De aankomst der twee nieuwe gasten en de dwang, die Winkle en de jonge dame met de ge voerde laarsjes daardoor werd opgelegd, zou waarschijnlijk de vroolijkheid van het gezelschap op eene zeer onaangename wijze hebben gestoord, indien de opgeruimde Pickwick en de goedhartige Wardle niet alle krachten ten gemeenen beste hadden ingespannen. Het gelukte Winkle zich langzamerhand in de gunst van Benjamin te dringen; ja hij trad zelfs in een vriendelijk gesprek met Bob, die, door het ontbijt, het praten en den branden wijnopgewekt, hoe langer hoe komieker werd, en op eene schertsende manier eene aardige anekdote verhaalde over het uitsnijden van een gezwel aan iemands hoofd, waarvan hij tot groote stichting van het gezel schap, door middel van een oestermes en een wittebrood, eene zichtbare voorstelling gaf. Daarna begaf men zich gezamelijk naar de kerk, waar Allen vast in slaap viel, en Sawyer zyne gedachten vernuftig van het. aardsche aftrok, door zijn naam in de bank te snijden met letters van vier duim lengte. Toen het gezelschap uit de kerk was gekomen, en eenige verversclüngen had gebruikt, deed Wardle het voorstel om een uurtje op het ijs te gaan wandelen. „(üj zult zeker schaatsenrijden, Winkle?quot; voegde hij er 1 ij, „Ja wel ja wel,quot; zeide Winkle. „Maar maar ik ben hot een beetje ontwond,quot; „O! rijd toch eens mijnheer Winkle!quot; zeide Arabella, „Ik zie het zoo gaarne.quot; „Ik zou het zoo gaarne doen,quot; antwoordde Winkle blozende; „maar ik hebgeeneschaatsen.quot; Dit bezwaar werd spoedig uit don weg geruimd Trundle had twee paar en de dikke jongen zeide, dat er nog wel Zes paar beneden lagen; waarop Winkle een zeer benauwd ge- 1 ziehl /.et te, en zeide dat hij er zeer blijde om 1 was. De oude Wardle ging het gezelschap voor naar een tamelijk grooten bevroren vijver; en mulat Sam en .lozef de sneeuw die dos nachts gevallen was, hadden weggeveegd, bond Pob Sawyer mot eene snelheid, die Winkle ten hoogste wonderbaar voorkwam, zijne schaatsen aan, en begon kringen en achten te snijden, en andere kunststukjes te verrichten, die de bewondering van Pickwick, Tupman en de dames verwierven, wier verrukking den hoogsten trap P reikie, toen Wardle met Peniamin en Pob |
WINKLE OP SCHAATSEN.
183
|
eenige geheimzinnige ovolutiön uitvoerden, die zij een Schotsen dans noemden. Al dien tijd was Winkle, wiens gezicht en handen blauw van de koude waren, bezig geweest met het aanbinden van zijne schaatsen, en had met bijstand van Stockwall, die evenveel van schaatsenrijden wist als een Hindoe, de riemen in een hoogst merkwaardige verwarring gebracht. Eindelijk werden de ongelukkige schaatsen doorSam stevig aangegespt en Winkle overeind gezet. „Komaan, mijnheer!quot; zeide Sam op een aanmoedigenden toon: „Geef hun nu eens een lesje.quot; „Wacht een beetje, Sam!quot; zoide Winkle,die geweldig beefde, en, met den angst van een zinkenden drenkeling, Sam bij den arm greep. ..Wat is het hier glad!quot; „Dat is niet geheel ongewoon op het ijs, mijnheer!quot; hernam Weller, „Sta vast, mijnheer!quot; Dit laatste gezegde van Sam werd uitgelokt door eem- beweging, waardoor Winklede dwaze neiging aan den dag legde, om zijne voeten in de lucht te gooien en zijn achterhoofd op het ijs te bonzen. „De schaatsen deugen niet voor mij, geloof ik,quot; zeide Winkle, die ieder oogenblik uitgleed. „Ik vrees, dat de rijder niet voor deschaat- n deugt, mijnheer!quot; antwoordde Sam. „Komaan, Winkle!quot; riep Pickwick geheel onbewust, dat er iets aan haperde. „De dames wachten ai op u.quot; „Ja, ja,quot; antwoordde Winkle met een akeligen rlimlaeh. „Ik kom al.quot; „Zal aanstonds beginnen,quot; zeide Sam, met een poging om zich los te maken. „Komaan, mijnheer!\'! Wacht nog een oogenblik, Sam,quot;hijgde Winkle, terwijl hij Wellers arm nog vaster klemde. „Ik bedenk mij daar, dat ik een paar rokken tc huis heb, die ik niet noodig heb. Die zult -ij van mij krijgen, Sara!quot; „Dank j^, mijnheer!quot; . Laat uw hoed maar staan, Sara!quot; zeide Win-l;le snel. „Gij behoeft uwe hand niet los tola- n, om hem af te nemen. Ik had u van morgen vijf shillings willen geven voor een korst-inisfooi. Die zult gij van middag hebben Sam!quot; ..Al te goed, mijnheer!quot; Maar houdt me nog een beetje vaat,Sam!quot; hernam Winkle. „Wiltgi-?/00! zoo gaat hot goed. ik zal er spoedig weor aan gewennen. Niet te gauw, Sam! niet te gauw!quot; Winkle boog zich mei een stijven rug diep voorover, en scharelde aldus, door Sam getrok-Ken, op eene zeer zonderlinge en hoogst onbe-valligc manier over hot ijs voort, toen Pickwick, \'lie aan don overkant stond, in zijne onschuld nep; „Sam!quot; ,.Mijnheer!quot; riep Weller terug. ..Kom eens hier.quot; ••Laat los, mijnheer!quot; zeide Sam. „Hoort gu |
niet, dat ik geroepenword?.Laatlos,mijnheer!quot; Met eene geweldige inspanning rukte hij zich uit de handen van den armen Winkle, die daarbij een forschen zet kreeg. Met eene vaart en juistheid, die hij noch aan zijne behendigheid, noch aan zijne vorige oefening te danken had stoof de ongelukkige midden tusschen de andere rijders in, juist op het oogenblik, dat Bob Sawyer een kring van weergaloozeschoonheidin het ijs sneed. Winkle bonsde tegen hem aan. en met een geweldigen smak stortten beiden op liet ijs neder. Pickwick kwam terstond toeloopen. Bob Sawyer was alweer opgestaan, maar Winkle was veel te verstandig, om zoo iets met schaatsen aan te beproeven. Hij zat op hot ijs, en deed eene stuipachtige poging om te glimlachen; maar al de trekken van zijn gezicht toekende angsten nood. „Hebt gij u bezeerd?quot; vroeg Benjamin met zeer veel belangstelling. „Niet erg,quot; antwoordde Winkle, die ijverig zijn rug wreef. „Ik moest u eens cone lating doen,quot; zeide Benjamin zeer begeerig. „Neen, ik dank u,quot; antwoordde Winkle snel. „Ik geloof, dat het ugoed zou doen,quot; hernam i Benjamin. „Ik dank u,quot; zeide Winkle. „Liever niet.quot; „Wat dunkt u er van, mijnheer Pickwick?quot; zeide Bob Sawyer. Pickwick gloeide van drift en verontwaardiging. Hij wenkte Sam en zeide op een straften toon: „Doe zijne schaatsen af.quot; „Maar ik was pas begonnen,quot; bracht Winkle er tegen in. „Doe zijne schaatsen af!quot; herhaalde Pickwick nog ernstiger. Het bevel was stellig; en Winkle verzette er zich niet teiien, toen Sam stilzwijgend gehoorzaamde. Piek wiek verwijderde/.ieh eenige schreden van do omstanders; wenkte vervolgens zijn vriend, zag hem mot een strakkon blik in de oogen, en uitte daarop, met eene zware, maar duidelijke en n.idrnkkeiijkestem,deze w-rkwaardige woor don: „Gij zijl een kwakzalver, mijnheer!quot; „Wat?quot; zeide Winkle terugdeinzende. „Een kwakzalver, mijnheer!, Of, als gij wilt, j dat ik duidelijker spreek: een bedrieger, mijn- j hei-r!quot; .Met deze woorden draaide l\'ickwick zich i langzaam om, en begaf zich weder naar het ge- | zolschap. Terwijl Pickwick dit korte gesprek hield, hadden Sam en .lozef te zamon een glijbaan gemaakt, en waren bezig zich daarop heerlijk Ie vermaken Sam vooral betoonde zich een meester in dek mist. De glijbaan was lang en breed, en de beweging had iets zoo pleizierigs, dat Pick wick, die door het lang stilstaan koud was geworden, niet nalaten kon de glijders te benijd\' n. „Dat zon goed zijn om warm te worden,quot; zeide hij tegen Wardle, die door hot schaatsenrijden geheel buiten adem was geraakt. |
N
SAMUEL PICKWICK.
IS\'t
„Dat zou het zeker,quot; antwoordde Wardle. j „Kunt gij glijden?quot;
„Ik heb liet: wel eens gedaan toen ik eon jongen was,quot; antwoordde Pickwick.
„6y mooat hot nog oens beproeven,quot; zeide j Wardle.
„Och ja, mijnheer Pickwick !quot; riepen al de da- ! mes.
„Om u te pleiziercn zou ik het gaarnè doen,quot; hernam Pickwick. „Maar het iswi-l dertig jaar, dat ik niet gegleden heb.quot;
„Kom, kom, gekheid!quot; zeide Wardle, terwijl hij met zijne eigene voort varendheki zijn schaatsen van zijne voeten trok. Daar! Ik doe Hóede.quot; Kn oogenblikkelijk vloog de vrooUjke oude man ; de glijbaan af, met eene snelheid, welke die van Sam zeer nabij kwam en den dikken jongen ge-heel iu de schaduw plaatste.
Pickwick bedacht zie h,trokzijnehandschoenen ! uit, en stak •/.gt;■ in zijn za i;. nam driemalen een I loopje, en bleef evc-u zoovele malen pal staan, nam nog een loopje, en gleed toen, onder het gejuich van al de tot -■chouwer.s, met zijne beenen omtrent lt; ene el van elkander, lanstzuain en .matig do glijbaan ten \' inde.
„Houd den pot aan de kook. mijnheer!quot; zeide Sain, en Wardle nam wede-r eon lquot;\'gt;pje, gevolgd door Pickwick,Sam, Winkle, Bob.Jo/.efeii Stock-wall, die dicht op eikanders liieHi vok\'den, en met zooveel ijver gled-n, al«of hun leven van hun spoed afhing.
ili t was zeer belangrijk og te merken, hoe Pickwick zich bij he:, u-ii.alen \'-\'edro--.--; hooang-stighij omzag naar den .i ihter hem » m . quot;i enden glijder: hor- lan r/aam de kracht van zijne vaart afnaai, «■n hij zich vporzichtiu:onK\'lraaido; hoo genoeglijk hij lachte, wanneer hij tie baan ten einde was, en hoe dri trig hij door C\'\'sneeuw naar | het andere einde liep om we-lor beginnen. Kn wanneer hij overhoop werd •• -worpen hetgeen door elkander gerekend, omidc\'derdo inaal i gebeurde - was le i verni.i lijk te zien, met i hoeveul haast hi; op \' gt;r-i. \'.iju h-» I opraapte, lt;-11 weder naar zijne plains liep mei .-quot;n ijver, dien niets kon verzwakke-n
Ib\'t glijden ging hoe : m hee beter, en het gelach werd he- lane;.-!; hoe harder, te n men op een- een krak hoorde. Allen vluchtten naar den oever, en lt;ilt;- dimes begon non eillen, K n groote brok ijs was verdwenen;hei waierbor- I relde er over heen, en de h-quot; i van Pickwick j dreef in het m-ddeti; dit wa- al wat;menyan
Pickwick /a..
lt;.)ntz\'ttiiiquot; en in r-l w.nen opidk ■ \'■n; \'lt;■-teekend . de manneii verb1,, ke n eri de vrouwen ; violen Hauw : sla wadi en Winkle: oen-el ka»-i der hij de hand, en .staarden als bedwelmd naar de piek. waur hun)• i : .nan was gt;crz oik- n : ier. ; wijl l upman, om poel : hulp ilt; er;aic..ren,en tegel ij k hnn, die hem neichten hoot\' n,een duidelijk begrip van bet Jtcdieurd\' li ven,zoo hard
hij kon wegliep, en luidkeels schreeuwde: Brand! brand!quot;
Op dit oogonblik, toen Wardle en Sam voorzichtig het gat naderden, en Allen haastig met zijn vriend Sawyer beraadslaagde, of het niet raad zaam zou zijn alle aanwezigen een lating te doen
juist op dit oogenblik zag men een hoofd en een paar schouders boven het water uitkomen, waaraan men het gelaat en den bril van Pickwick herkende.
„Houd u maar een oogenblik boven — maar een onkel oogenblikje!quot; riep Stockwall.
,,.Ia, ja ik bid u, ik bezweer u — om mijnentwil!quot;schreeuwde Winkle metdiepeaan-doening. Dezebezwering waseenigszinsonnoodig; want het was waarsehijnlijk, dat, zoo Pickwick al geen lust had gehad om ten pleiziere van een ander boven te blijven, hij toch uit eigen beweging zijn best daartoe zou gedaan hebben.
„Voelt gij grond?quot; vroeg Wardle.
„Ja zeker,quot; antwoordde Pickwick kuchende. „Ik kwam op mijn rug neer, en kon eerst niet op mijne voeten komen,quot;
De klei, die m n achter op zijn rok zag,ge-| tuigde dat hij de waarheid sprak; en toen de vrees der toeschouwers nog verder werd gestild ! door het bericht, hetwelk zij aan den dikken jongen te danken hadden, dat het water nergens ! meer dan vijf voet diepte had, begon men wonderen van heldenmoed te verrichten, om Piek-wick te redden. Na wol geplas, gekraak en ge haspel gelukte het hun eindelijk, den armen man | op hot droge te halen.
..n, hij zal eene doodolijke verkoudheid vat len!quot; riep Emilia uit.
..Ach, die goede, oude man!quot;zeide Arabella. „Laat ik u dezen doek omdoen, mijnheer Pickwick !quot;
„Dat zal het beste wezen,quot; zoidt Wardle;,,en als gij hom omhebt, loop dan naar huis, zoo gauw alsinvobeenen ubrengen kunnen,en kruip ; terstond in bed.quot;
Dadelijk werd or nog een dozynomslagdoeketi aanu -boden. Men zocht drie-of vier der dikste uit, en wond Pickwick er in, die vervolgens onder gdolde van Weller, zich in den draf zette, en hel zonderlinge schouwspel opleverde vaneen bejaard heer, die druipnat en zonder hoed, met .aan her lijf gebonden armen, alsof de drommel hom op de hielen zat, door het veld rende. Doch in zulk een dringenden nood dacht Pickwick a m geen fatsoen, maar bleefdoor Sam getrokken en geduwd, voortdraven, totdat hij de deur van ; M a no r-Fa r m bereikte, waarTupman vijf minuien vroeger was aangekomen, nn de oude groot-mo -der hartkloppingen van schrik had doen krijgen, door haar in do verbeelding te brongen, dat, er brand in den keukenschoorsteen was eene ramp, die de oude vrouw zich altijd met gloeien de k len i\'■) i afmaalde, wan neerieni au dhaar slechts de minste ontroering veroorzaakte.
DE GEREDDE DRENKELING.
185
|
Zoodra Pickwick in bed was, legde Sam in zijne kanier een groot vuur aan, en bracht hom zijn middagmaal. Kort daarop kwam het gezelschap hem bezoeken, en vierde, om eene groote punchkom gezeten, zijne gelukkige redding. De oude Wardle wilde volstrekt, dat men daar blijven zou; en derhalve werd het bed tot presidentszetel verheven, en Pickwick tot voorzitter benoemd. Toen de punchkom ledig was, werd er een tweede en vervolgens eene derdu gebracht; en toen Pickwick den volgenden morgen ontwaakte, kon hij niet den minsten zweem van verkoudheid of rheumatisme bespeuren, hetgeen be |
Doch voordat zij vertrokken, namen deze twee heoren, met een tamelijk guheimzinnig voorkomen, Pickwick ter zijde, en nadat Bob, ten bewijze zijner aangeborene geestigheid en zijne aangeleerde kennis van lu-tmenschelijk lichaam, zijn vinger tusschen een paar van Pickwick\'s ribben had ingeboord, vroeg hij: „Zeg eens, oude jongen! waar hangt gij uit?quot; Pickwick antwoordde, dat hij de Witte Arend op dat oogenblik als zijne woonplaats beschouwde. ,,Uij moest mij eens komen opzoeken,quot;zeide Bob Sawyer. |
|
i wijst gelijk Bob Sawyer terecht aanmerkte, dat er in zulke gevallen niets z in heilzaam i-a!-heele punch, en dat, indien dit. middel niet helpt, I zulks alleen daaraan is te wijten, dat: de patient er niet genoeg van heeft gebruikt. Het vroolijke gezelschap ging den volgenden ; morgen uiteen. Pickwick en zijne vrienden bi ! klommen wederom de diligence. vanMugglc-j \'on, en ook Arabella Allen ging op reis naar hare woonplaats die Winkle y.i kcr wi 1 zal 1 geweten hebben, hoewel wij moeten bekennen | dat zij ons onbekend is onder do hoede en\' I het geleide van haar broeder Benjamin en zijn 1 boezemvriend Bob Sawver. |
„Haar hebt gij mijn ailres,quot; hernam Bob, een kaartje overgevende. „Ba n tstreet, in d(\' Borough; het is dicht bij de 11 igh.Street, aan de rechterhand.quot; .Ik zal hot wel vindon,quot; zeide Pickwick. ..Kiim Donderdag over veertien dagen,quot;zeide Pgt;ob, ..en breng de audi ren mede. Ik grefdan ecu partij: e aan ( enige vrienden,allemaal studenten in de medicijnen.quot; Hiermede gaven zij elkander de hand en seheidden. Mi srliieu zon men ons kunnen vragen, of ondor dit korte gesprok Winkle niet mei Ara- ! , M( |
SAMUEL PICKWICK.
|
bella Allen en Stockwall met Emilia Wardle ; jluisterden, en zoo Ja, wat de jongelieden elkander wel vertelden. Hierop antwoorden wij, dat deze heeren, wat zij ook met de jonge dames mogen gesproken hebben, gedurende het grootste gedeelte der reis geen woord voor Tupman of Pickwick over hadden, maar integendeel zeer dikwijls zuchten, niets wilden drinken, en er zeer treurig en mismoedig uitzagen. Indien onze schrandere lezeressen uit deze eenige voldoende gevolgen kunnen afleiden, zal het ons zeer aangenaam wezen. XXXI. DAT m.OOTBl.IJK OVER HECHÏZAKEN HANDELT. Verspreid in verscheidene hoeken en gaten van den Temple vindt men een aantal donkere en morsige kamers, waar men den gehee-Jen namiddag onophoudelijk een zwerm van solliciteursen notarisklerken, metpapierenonder hunne armen en in hunne zakken, ziet in-en uitloopen. Er bestaan verschillende graden van deze klerken. Vooreerst heeft men den arti-cledclcrk, die leergeld betaald heeft, en eens /,ijne eigene zaken hoopt te doen. Hij laat op rekening werken by zijn kleermaker, wordt op gezelschappen gevraagd, kent eenige lieden in ! aanzienlijke straten, en gaat elke lange vacantle i uit de stad, om zyn | vader te bezoeken, die ! koets en paarden houdt; kortom, hij is de aristocraat der klerken. Vervolgens heeft men den | gesalarieerden klerk, die het grootste gedeelte van zijn wekelijkseh inkomen van dertig s h i b lings aan zijne vermaken en kleederen besteedt, ten minste driemaal in de week voor half geld naar het Ad-élphi-Theatre gaat, dan de : appelwijnkt\'klers bezoekt, en eone morsige eari-: catmir van de la itst afgedankt\'.\' mode voorstelt, lgt;an komt de bejaard-• kopiist met oen groot huishouden, die altijd armoedig en dikwijls aan den drank is. Eindelijk zijn er no« de kantoor-! jongens, in hunne eerste jassen, die met yepasto minachting op schooljongens nederzien, en hun best doen om den hoe; te spelen. Er beslaan nog veie bijsoorten van deze klassen; maar allen, die er zijn, kan mon, onder den kantoortijd, de l bedoelde kamer-; zien in- en uitloopen, l)e/.gt; donkere schuilhoeken zijn de kantoren der rechtsgeleerden. Hier maakt men dagvaardingen, pleidooien, declaration, en e- n aantal andere vernuftig uitgedaehtw kleine machines, om de omlei ilanen vm Zijne M.ijesu-it !e knijpen en uil te zttiwn, en de praktizi ns een goed inkomen en «en genoeglijk leven te bozor-; gen. 1 let zijn ne- stal la . e vochtige vertrekken. |
waarin ontelbare rollen vermuft perkament een onaangenamen geur verspreiden. Tien of twaalf dagen, nadat Pickwick en zijne vrienden weder in Londen waren gekomen, tegen halfacht uur in den avond, kwam een man met een bruinen rok met koperen knoopen haastig een dezer kantoren binnenloopen, en haalde een smalle strook perkament uit zijn zak, waarop de eerste klerk een onleesbaren zwarten stempel drukte. Daarop haalde hij nog vier papiertjes uit zijn zak, die elk eene kopie van het perkament behelsden, met opengelaten ruimten voor do namen; en nadat hij die had ingevuld, snelde hij weder hoen. De man met den bruinen rok en de cabalis-tiscliedocumenten in zijn zak wasniemandanders dan onze oude kennis Jackson, van het kantoor van Dodson en Fogg, Doch in plaats van zich weder naar het kantoor te begeven, ging hy rechtstreeks naar de \'Witte Arend,en vroeg daar, of\' mijnheer Pickwick te huis was. Men vroeg wie hij was, en hij noemde zijn naam. Daarop ging de knecht naar boven, om mijnheer Jackson aan te dienen; maar deze bespaarde den knecht die moeite door hem op de hielen te volgen, en voordat de man eon woord spreken kon, het vertrek binnen te treden, waar Piek wiek en zijlied rie vrienden, welke hij dien a vond juist bij zich had genoodigd, gezellig om don haard zaten. „Hoe vaart gij, mijnheer?quot; zeide Jackson, terwijl hij Pickwick vriendelijk toeknikte. Pickwick boog met ibn tamelijk verwonderd gezicht; want hij herkende den bezoeker niet. „Ik kom van Dodson en Fogg,quot; zeido Jackson tot opheldering. Pickwick stoof terstond op. Ga naar mijn zaakwaarnemer, mijnheer Perker,quot; zeide hij. Oppasser! laat mijnheer uit,quot; „Neem mij niet kwalijk, mijnheer Pickwick!quot; zeide Jackson, terwijl hij zoer bedaard zijn hoed op den vloer nederlegde, en de .strook perkament uit zijn zak haalde; „maar persoonlijke over-.riften, door de klerk of bediende, in zulke go vallen — gij we.-t wel, niynlieer! in rechtzaken is niets zoo goed als voorzichtigheid.quot; liij keek hel perkament eens in, zag daarop met een vriendelijken glimlach om zich heen, en vervolgde, „Kom! laat ons om zulk eene kleinigheid ..■ ene woorden krijgen ! Wie van do hoeren heet stöekwall?quot; lieze vraag deed stockwall zoo in hot oogval lend vdirikken, lat ei geen v- nier ant woord noodig was. „Ah\' ik dacht het wol,quot; /,■ i Ie Jackson,nog vriendelijker dan le voren, „Ik zal u liiermedo moeten ias:!-,\' vallen, mijnheer!quot; .Mij riep Stockwall uit. ., Het is maar eene diigvaanling als getuige, in ib--/ mk van B irdell eon tra Pickwick,quot;hernam .!.!• .sun, terwijl hij oen der papieren uitzocht, en een shilling uitzijn vestzakje haalde. De |
187
|
zaak zal den veertienden Februari voorkomen. Dit is voor u, mijnheer Stock wall!quot; Dit zeggende, hield hij hem het perkament voor den neus, en stopte hem het papiertje en den shilling in de hand. Tupman had dit bedrijf met stilzwijgende verbazing aangezien. Jackson wenddezich eensklaps tot hem, en zeide: ,,Ik vergis mij, geloof ik, niet met te denken, dat gij mijnheer Tupman zijt?quot; Tupman zag Pickwick aan; maar dewijl hij in de wijd geopende oogen van dezen heer geeno aanmoediging kon lozen om zijn naam te ver loochenen, zeide hij; „Ja, mijnheer; ik heet Tupman.quot; „En die andere lieer is Winkle, geloof ik,quot; zeide Jackson. Winkle stamelde een „jaquot; uit; en oogenblik-kelijk had de behendige Jakson elkderheeren i en papiertje en een shil ling in de hand ge-- peeld. „Ik vrees, dat gij mij wat al te lastig vinden zult,quot; begon Jackson weder, „maar ik moet nog iemand hebben. Ik lees hier Samuel Weller, mijnheer Pickwick 1quot; „Roep mijn knecht boven,quot; zeide Pickwick. De oppasser vertrok met vrij\' groote verwondering, en Pickwick gaf Jackson een wenk om te gaan zitten. Er volgde eene drukkende stilte die eindelijk door den onschuldigen gedaagdn werd afgebroken. „Ik geloof, mijnheer!quot; zeide Pickwick, terwijl hij onder het spreken hoe langer hoe gramstori-ger werd, „dat uwe principalen willen beproeven om mij op getuigenis van mijne eigene vrienden schuldig ti? verklaren?quot; Jackson tikte met zijn vinger tegen zijn neus, om aan te duiden, dat hijdemanniel was om \' i n geheim te verklappen, en antwoorddescliert-vnd: „\'k Weet het niet, mijnheerlquot; „Waartoe zouden anders die dagvaardingen dienen?quot; hernam Pickwick. ..-.la, mijnheerlquot; antwoordde Jai-kson,terwijl hy glimlachend zijn hoofd schuilde, „daar mag mijnheer Perki r naar radon; i n al ; hij Ie i, nii i iaden kan, zal hij liet wel hooren, als de zaak voorkomt.quot; Pickwick was op het punt -un zijne verontwaardiging te laten uitbarsten, toen Sam de kamer binnentrad. ,.saniuel Wi lier?quot; zeide Jackson vragenderwijze. „Dat is een van de waarsfr woorden, die gij in jaren hebt gesproken,quot; zeide Sam zeer onnoozd. •■Hier in eene dagvaarding voor u, en eoö shilling van Dodson en Kogg,quot;znidn.lackson. •• ^ \' 1, dat is vriendelijk van die imercn Dodson en Kogg, dat zij mij, van wien zij zoo weiniu\' wi ten. een present sturen.quot; zeide Sam. Ik neem het met zeer vei 1 dank a a n, mijn In er 11 ndnrdaad, men kan er aan zien, dat die hoeren een goed hart hebben. Ik ben or waarlijk van aangedaan.quot; |
Dit zeggende veegde hij met zijne rechtermouw zij n oog af, waarmede hij het voorbeeld der meeste beroemde acteurs bij treffende familietoonee-len volgde. Jackson scheen eigenlijk niette weten, wat hij van Sam denken moest; en daar hij niets meer te zeggen had, nam hij zijn hoed op en vertrok. Pickwick sliep dien nacht zeer slecht; de aanklacht van juffrouw Bardell was hem op eene zeer onaangename wijze weder in het geheugen gebracht. Den volgenden morgen ontbeet hij vroegtijdig, en begaf zich daarop met Sam naar Gray\'s-In n-Square op weg. 1 n N e w gate-street bleef h ij staan, keerde zich tot Sam, en zeide meteen zucht: „Dat proces zal den veertienden van de volgende maand moeten voorkomen, Sam!quot; „Dat is heel toevallig, mijnheer!quot; zeide Sam. „Waarom toevallig?quot; vroeg Pickwick. ..St. Valentijnsdag, i) mijnheer,quot; antwoordde Sam. „Een uitgezachte dag, om over eene trouwbelofte te handelen.quot; Maar Weller\'s glimlach deed hot gelaat van zijn meester niet ophelderen. Pickwick keerde zich om, en zij stapten zwijgend naast elkander voort, totdat zij hot kantoor van Perker bereikten. Tusschen de halfgeopende deur stond Lowten in gesprek met oen man van een zeer vervallen en armoedig voorkomen. Zijn gelaat droeg de sporen van gebrek en verdriet, bijna van wan-hoop. Het gevoel zijner armoede kwelde hem; want hij schoof bedeesd ter zij\'de, toen Pickwick naderde. „Weet gij niet wanneer hij terugkomt?quot; vroeg de vreemdeling. Neen,quot; antwoordde Lowten, „Dat zal nog wel wat duren. Als mijnheer Perker eens uit de stad is. komt hij doorgaans niet spoedig terug.quot; .,l it di stad?quot; zeide Pickwick. „Hoe ongelukkig !quot; „Wacht even mijnheer Pickwick!quot; zeide Lowten. . Ik heb eon brief voor u liggen. Ga zoolang binnen. Als u\'ij over veertien dagen eens komt hoeren, mijnheer Watty I zal hij mis-| schien wel terug wezen,quot; Mn hiermede deed hij, toen Pickwick en Sa,in binnen waren, don man de deur voor den neus dicht. „Zulk een plaaggeest van een bankroetier heb ik nogilooit gezien,quot;zeide i -owten op den toon van iema nd, die over eene mishandeling;klaagt, „Zijn boel is nog geen vier jaar in de kanselarij; en ik mag een schelm wezen als hij mij niet tweemaal in de weok komt lastig vallen. Dezen weg, li op si. valent ijnsdiih, men in k n ^ i a m/l,/.nekt (\'li . i-! /.ijl) wijlje, hi- ccr-1c man ofquot; illt; eerste vrouw, welke uien oji \'lien ilajr ziet, noemt men /ijn valentijn , o 1 /ijn. valentine. deze naam geel\'t men «lan ook aan zijne i hemiteie. atsmeile au» (u\'gese.henken, hrieven, elïz., welke ! men op dien dan in selierts of ernsi elkander toezendt. vkht. |
188 SAMUEL
PICKWICK.
|
mijnheer Pickwick! mijnheer Perker is te huis, en voor u heeft hij wel tijd.quot; Dit zeggende, geleidde hij Pickwick naar de kamer van zijn principaal. „Ha, zoo mijnheer!quot; zeide Perker, zon\' haastig opstaande. „Wel! wat nieuws brengt gij mede? Ook iets van onze vrienden in Freeman\'s Court? Zij hebben niet stil gezeten, dat weetik wol. Ja, het zijn knappe lieden, mijnheer! knappe lieden.quot; „Het zijn groote schurken,quot; zeide i\'ickwick. „Nu ja, als men het zoo nemen wil,quot; hernam Perkor; „dat wil ik wel toegeven. Op woorden wil ik niet vitten; want gij kunt natuurlijk de zaak niet in datlichtbeschouwen,alsieraand van het vak. Ik heb Sergeant\') Snubbin tot advocaat aangenomen, liet is de eerste man in zijn vak, cn heeftdriemaal meer to doen dan iemand anders. Ondor ons gezegd en gezwegen; Sergeant Snubbin laat het heele hof naar zijne pijpen dansen.quot; „Zij hebben mijne drie vrienden gedagvaard,quot; zeide Pickwick. „Dat moesten zij wel doen,quot; hernam Porker. „Gewichtige getuiiren; zo hebben u in teue delicate positie aangetroffen.quot; „Maar zij is vanzelve flauw gevallen,quot; zeide Pickwick. „Zij heeft zich vanzelve in mijne ar-| men geworpen.quot; „Zeer wel mogelijk, mynheer!quot; hernam I \'erker. I „Ik wil ii wol gelooven; maar wie zal dat be-I wijzen?quot; „Zii hebben mijn knecht ook gedagvaard,quot; i zeide Pickwick, die door dlt; vraag van f\'-rker I eenigszins van zijn stuk werd gebracht. i „Zeer natuurlijk, mijnheor!quot; zeide Perker. . Dat \\ wist ik wel vooruit. Dat had ik u wel \'■ene maand geleden kunnen zeggen. Gij lx \'-rijpt wel, mijnheer! wanneer gij uwe zaken weder in uwe eigene handen neemt, nadat gij ze aan uw solli-citeur hebt toevertrouwd, moet gij ook de gevolgen daarvan dragen.quot; Hier richtte Perki r zich statig op, en knipte eenige korrels snuit\' van zijn j a b o t. i ..En wat zouden zij door ziine getuigenis wil -j len\'bewijzen?quot; vriquot; L\' Pickwick na eene pou.-- van ; stilte. ,Dat gü hem naar de eischeres hebt gezonder., : om een vergelijk aan te bieden, zou ik dei.ken,quot; antwoorddi Perker. „Maar ik geloof niet, dat zij \' vee! van hem halen zullen.quot; „Dat denk ik ook niet,quot; zeide Pickwick, in weerwil van zijn ongenoegen glimlachende bij i het denkbeeld dat Sam als getuige zou optreden. „Wat zuilen wij nu doen!quot; ..Wij kunnen niets anders doen, dan de getuigen insgelijks ondervragen, om hen. als le t mogelijk is, zich zeiven te doen tegenspreken, en Ij Sorgcant is in Kn^ïaiul Jde tiU\'l pp ris pleitbc^ zorK»»r« van den epr-tpn rang. Viüt. |
den rechter in de war te brengen. Verder moeten ; wij ons op de welsprekendheid van Snubbin en op de Jury verlaten.quot; „En als de uitspraak nu eens in mijn nadeel j was?quot; zeide Pickwick. Perker glimlachte, nam een snuifje, pookte in het vuur, haalde zijne schouders op,enbewaarde een veelbeteekend stilzwijgen.\' „Gij meent, dat ik dan de schadevergoeding zou moeten betalen?quot; hernam Pickwick ongeduldig. Perkor gaf het vuur nog een zeer onnoodigen stoot met den pook en zeide: „Ik vrees van ja.quot; „Dan moet ik u zeggen,quot; zeide Pickwick met grooten nadruk, „dat het mijn vast voornemen is, goene schadevergoeding hoegenaamd te betalen. Neen, Perker! geen penning van mijn geld zal in de zakken van Dodson en Pogg ko- • men. Dat is mijn onherroepelijk besluit.quot; En I tot bekrachtiging daarvan gaf hij een harden slag op de tafel. „Ja, mijnheer!quot; zeide Perker, „gij moet het weten; maar . . . .quot; „Waar woont Sergeant Snubbin?quot; vroeg Pickwick haastig. „In Lincoln\'s Inn Old Square.quot; „Ik zou hem wel eens willen spreken,quot; zeide Pickwick. „Se rgean t Snubbin sproken, mijnheer!quot; riep !\'erker in verbazing uit. „Dat kan niet. Onmogelijk\'. Zoo iets\'gebeurt nooit, zonder dat er vooraf j i en consult bepaald on het honorarium daarvoor betaald is. Onmogelijk, mynheer! onmogelijk.quot; j Pickwick bleef echter op zijn stuk staan, en liet gevolg was, dat liet onmogelijke mogelijk werd, en Perker hem in eigen persoon naar het kantoor van den grooten Snubbin geleidde. Het was een ruim vertrek, mot eone groote tafel in het midden, die met eene menigte kleine, met reed li ui toegebonden pakjes papieren was bedekt. Achter deze tafel zat een bejaarde klerk, wiens welgevoed voorkomen en zware gouden horlogi•ketting do blijken opleverden dat zijn meester eene voordeelige praktijk had. „Is mijnheer Snubbin op zijne kamer, mijnheel Milliard quot; vroeg Perkor zeer beleefd. „Ja,quot; was het antwoord; ..maar hij heeft het geweldig druk. Kijk eens hier! Aan al die zaken is nog niets gedaan; on het expeditie-honorarium is er toch bij betaald.quot; „Dat mag nog praktijk hoeten!quot; zeide Perker. ..Ja 1quot; hernam de klerk zeer tevreden; ..en hot beste is nog, dat niemand behalve ik het schrift van mijn principaal lozen kan,en daarom moeten zij op de adviezen wachten, totdat ik ze gekopieerd heb ha, ha, ha!quot; „Hetgeen iemand ook niet voor niemendal doet, is wel?quot; hernam Perkor, „ha, ha, ha!quot; !gt;•■ klerk lachte med-; maar het was geen hartelijke ronde lach; hot was integendeel een inwendig gegrinnik, dat Pickwick zeer mishaagde. |
RIJ «KROKANT SN IT,BI.N. 189
|
„Maar, mijnheer Milliard!quot; zekle Perker, eensklaps zijn ernst hernemende, terwijl hij den groeten man des jrrootcn mans in een hoek trok; .,gij moet uw principaajbewegen öïn mij en mijn client een opgenblik te woord te staan.quot; „Dat is immers onmogelijk,quot; zeide de klerk; maar in weerwil dezer onmogelijkheid liet hij zich toch overhalen, om de kamer uit te gaan en spoedig kwam hij terng met de boodschap, dat zijn principaal zich had laten bewegen, om, tegen alle regelen en gebruiken aan, de hoeren terstond af te wachten. |
legde zijne pen neder, maakte eene verstrooide buiging, wenkte hen om te gaan zitten, en wachtte, wat zij zeggen zouden. ..Mijnheer Pickwick is de gedaagde in Bar-dell contra Pickwick, mijnheer!quot; zeido Perker. ..Ik heb die zaak aangenomen, niet waar!quot; zeide Snubbin. Perker knikte, en Snubbin wachtte stilzwij-gend, wat er nu volgen zou. „M ijnheer Pickwick verlangde u te spreken, mijnheer!quot; zeide Perker, „om u te zeggen, dat |
Sergeant Snubbin was een man van vijf ! hij ontkent eonigen grond of reden tol deze j
en veertig of vijftig jaren, met een bleekgeel klacht gegeven te hebben; en dat hij, indien i
gezicht. Hij had die botte, geestelooze oogen, hij niet in gemoede van zijn recht was over- j
welke men veelal bij menschen vindt, die vele tuigd, liever in het geheel niet zou procedee- j
jaren met ingespannen studeeren hebben door- ren. Dat was immers uwe meening - niet |
gebracht. Dat hij bijziende was, bleek bovendien waar, mijnheer Pickwick?quot;
reeds uit de lorgnet, die hij aan een lint om „Juist,quot; zeide Pickwick.
zijn hals had hangen. Hij had weinig haar, het- Snubbin hield zijne lorgnet voor zijn oog, en
geen gedeeltelijk daaraan was toe te schrijven, keek Pickwick oplettend aan; toen wendde hy
dat hij reeds vijf en twintig jaren de rechtsge- zich met een Hauwen glimlach tot Perker, en i
leerde pruik had gedragen, en hij was zeer vroeg: „Staat do zaak gunstig voor mijnheer
achteloos en slordig gekleed. Toen Perker en Pickwick?quot;
Pickwick binnentraden, zat hij\' te schrijven. Hij Do procureur haalde zijne schouders op.
190 SAMCKL PICKWICK.
|
„/ijl gij voornemens getuigen te dagvaardon ?quot; Neen.quot; De glimlach op Subbin\'s gelaat werd dnide-I lyker. Hij wierp zich achterover in zijn stoel, j en kuchte dubbelzinnig. Deze teekenen van zijn I voorgevoel, hoe gering zij ook waren, gingen voor i Pickwick niet verloren, die in weerwil der waar-I schuwende wenken van Perker, zijn bril steviger opzette, en met nadruk aldus begon te spreken: „Het zal u waarschijnlijk eenigszins bevreemden, mijnheer! dat ik tot zulk een einde een gesprek met u verlangde te hebben.quot; — Snubbin trachtte een ernstig gezicht te zerten, maar de glimlach kwam terug. Heeren vaii uw vak, mijnheer!quot; vervolgde Pickwick, „zien den mensch van zijne slechtste zyde. Gy kent do juries -ik heb het oogmerk niet, hen of u te beleedigen — maar gij weet toch bij ondervinding, hoeveel er van het effectmaken afhangt; en gij moet daardoor genegen zijn om te denken, datanderen, om te misleiden en te bedriegen die maatregelen aanwenden, waarvan gij, die ze op eene eerlijke wijze en met het loffelijke doel om uwe cliënten te helpen, gebruikt, de waarde zoo wel kent. Hieruit is, naar mijn inzicht, hetalgemeenebegrip gesproten, dat rechtsgeleerden wantrouwend en achterdochtig zijn. En daar ik begreep, dat gü ook mij zoudt kunnen verdenken, mijnheer! bon ik hier gekomen, om u in vollen ernst en naar waarheid te verklaren, dat ik aan de valschbeid, waarvan men mij beticht volkomen onschuldig ben; en hoewel mij de onschatbare waarde van { uw bijstand wel bewust is, mijnheer! zou ik, ; indien gij mij niet oprecht gelooft, liever van de hulp uwer talenten zijn verstoken, dan die genieten.quot; Lang vóór hot slot dezer aanspraak was snubbin in gedachten verzonken. Hy bad verstrooid zijne pen opgenomen, en word eerst na verloop vaneenigen tijd de tegenwoordigheid züner clien ten weder gewaar. Hij hief zijn hoofd op, en vroeg tamelijk bits: „Wie is mijn assistent in dit proces?quot; „Mijnheer Phunky, mijnheer!quot; antwoordde I Perker. „Phunky!quot; hornamSnubbin. „Dien naam heb 1 ik nog nooit gehoord. Hij moet nog zeer jong wezen.quot; ...Ja,quot; zeide Perker. .Hij is pas begonnen. Ilü is nog geen acht jaren voor de balie.quot; „Ik dacht het wel,quot; zeide Snubbin, op diesoort van medelijdenden toon, waarop men doorgaans van oen hulpeloos wichtjeaprookt. „Ikzal hom i-ens hier laten roepen.quot; Perker gat het adres van den jougdigen rechts geb eide op; de klerk vertrok met zijne bondschap, en hot duurde niet lang, of Phunky trad de kamer binnen. Deze heer, een kind in de praktijk, maar anders een volwassen man, had een zeer bedeesd en bedremmeld voorkomen, het tr--volg eener onnatuurlijke schroomvalligheid, die uit zijn gebrek aan geld, begunstigers of onbo-schaamdheid sproot. Ilij groette met do uiterste beleefdheid. |
„Ik heb nog nooit het genoegen gehad u to zien, mijnheer Phunky!quot; zeide snubbin, met hoogmoedige vriendelijkheid. Phunky boog zich zeer nederig. Hij had Snubbin acht jaren lang gezien, en dikwijls genoeg benijd. „Ik hoor, dat gij in dit proces rnijn assistent j zijt?quot; zeide snubbin. Indien Phunky rijk was geweest, zou hij zijn klerk hebben laten roepen, om er naar te vragen; indien bij verstandig was ge woest, zou hü eeno poos diepzinnig hebben nagedacht, om zich te herinneren, of hij, bij de menigte zijner bezig-• heden, ook deze had op zich genomen, of niet; maar dewijl hü noch rijk noch verstandig wax (ten minste niet in dezen zin,) werd hij rood en maakte eene buiging. ., Hebt gij de papieren gelezen ?quot; vroeg Snubbin. Phunky handelde weder onverstandig; want in plaats van zich te houden, alsof hij zich de zaak slechts flauw herinnerde, bloosde hü nog sterker, en maakte nog eeno buiging; want hij had de papieren niet slechts gelezen, maar zelfs twee maanden lang, wakend ofslapend, aan niets anders gedacht. . Dit is mijnheer Pickwick,quot; zeide Snubbin, mot zijne pen wijzende. Phunky boog zich voor Pickwick met al den eerbied dien een eerste client moet inboezemen, en vestigde toen zijne oogen weer op den voornamen advocaat. „Gij moet eens met mijnheer Pickwick mede gaan,quot; zeide snubbin, „en - en — hooren wat hij heeft mede todeelen. Wij zullen er naderhand over consulteeren.quot; Met dezen wenk, dat men hem lang genoc.; had opgehouden, maakte Snubbin een einde aan het gesprek. Hij maakte eeno vluchtige buiging voor het gezelschap, en boog zich toen weder over do voor hem liggende papieren, die betrekking hadden op een eindeloos proces, hetwelk daaruit was ontstaan, dat iemand, die reeds honderd jaren dood was, een voetpad had afgesloten flat van eene plaats, van waar nooit iemand kwam, naar eene andere plaats liep, waar nooit iemand naar toe ging. Op het plein heen en weder wandelende, hielden Pickwick, Perker en Phunky eene lange beraadslaging, waarvan het resultaat hierop neerkwam, dat het zeer moeielijk te zeggen wax hoe de zaak zou worden uitgewezen; dat het zeer gelukkig was, dat de tegenpartij Sergeant Snubbin niet had kunnen\'krijgon; dat men nu het beste moest hopen, enz. Vervolgens maakte Pickwick zijn knecht wakker, die een uurtje zeer gerust had geslapen, en keerde niet dezen naar de City terug. |
JUFFROUW IJADDUO OXTI.AS\'I\'
GKMOI\'in.
|
XXXII. IVEVATTKNDE KF.XK UITVOKRIGE nEM BJ.IVINC VAN KBNH VROOLIJ1CK l\'AHTI.l, WKI-KK DOOR HOU SAWVER 01\' ZIJN KA.MEK GEÖEVEN WERD. Er hcerscht in La n t-s t r e e t eene rust, wdko lt;io ziel met eene zachte trenrigiieid vervult. De straat is stil en afgelegen, er staan altyd een aantal huizon te huur, waarin hij, die zich van de wereld verlangt af te zonderen, eene zeer geschikte woning kan vinden, want nooit zal eriei s voorvallen, dat hem verleidt om uit het venster re kijken. In dit gelukkig oord schijntzich eene kolonie van ten achter geraakte ambachtslieden , te hebben gevestigd, waarvan de meerderheid hare inkomsten zoekt te vergrooten door het ver-| huren van kamers, en, als een gezondelichaams-oefening, het mangelen bij de hand neemt. Deze bevolking is echter alles behalve aan de buurt ; gehecht, tegen het einde van elk vierendeeljaars ziet men daarvan telkens een groot gedeelte, doorgaans desnachts, verdwijnen. Delandsbelas-tingen worden in dit gelukkig verblijf van rust en vrede slechts zelden ingezameld, hol betalen der huishuur is zeer wisselvallig, en do waterpijpen worden niet zelden toegedraaid. Bob Sawyer en Ben Allen zaten naast elkander bij het vuur op den avond, waarop do eerstgenoemde Pickwick on zijne vrienden had uitge-noodigd. Alles was gereed om do gasten te ont-I vangen. De paraplu\'s in de gang waren in een hoek bij elkaar gezet; do hoed en doek van de meid, die anders op de leuning van de trap hingen,. waren weggenomen, en er stonden slechts twee paar klompen op de mat, terwi jl op de onderste trede van de trap eene nachtkaars vroolyk stond te branden. Bob Sawyer was in eigen persoon de noodige geestrijke dranken gaan koopën, en wasim tden brenger medegegaan, opdat de flesschen niet nan een verkeerd huis zouden worden bezorgd. De punch was in de slaapkamer in eene roode aarden pot gereedgemaakt, en de glazen, die men voor deze gelegenheid uit de herberg had geleend, stonden in een hak op het portaal achter de deur. Hoe heuglijk liet wezer; mocht, dat alles zoo goed in orde was, hing er toch eene wolk over het gelaat van Bob Sawyer. Ook de trekken van Ben Allen, die aandachtig in hetvuurstaarde, hadden eene treurige uitdrukking, en zijne stem klonk droevig, toen hy na een lang stilzwijgen zeide: «Hoe ongelukkig, dat zij nu juist op haar poot :;aat spelen! Daarmede had zij wel tot morgen mogen wachten.quot; |
„^ij doet hot uit kwaadaardigheid,quot; zaido Sawyer met verontwaardiging. ../.ij zegt, dat, :ils ik oene partij kan geven, ik hare rekening ook wel kan betalen.quot; j „Hoelang loopt die al?quot; vroeg Allen. Inliet i voorbijgaan, eene rekening is de merk waardigste ■ locomotief, die het menschelijk vernuft nog heeft uitgevonden. Zij\' loopt zoolang men haar maar 1 laat loopen, en blijft nooit vanzeive stilstaan. „Een maand of vier,quot; antwoordde Sawyer. Allen kuchte, en keek weder in het vuur. „Het zou duivelsch onaangenaam wezen, als zij levon ging maken terwijl die vreemden hierzijn,quot;zeide hij eindelijk. ..Beroerd,quot; zeide Sawyer, „beroerd!quot; Op dit oogenblik werd er aan de deur geklopt, en voordat Sawyer tijd had om „binnen!quot; te roepen, vloog de deur open, en stond een klein vrouwtje, dat van drift en kwaadheid beefde, in het midden van het vertrek. „Mijnheer Sawyer!quot; zeide zij met een gillende stem, terwijl zij haar best deed om zeer bedaard te schijnen: „wilt gij wel zoo goed zijn om mijne rekening af te doen ? want ik moet van-: daag mijne huur betalen, en de huisheer staat er naar te wachten.quot; „Het spijt mij, juffrouw Raddie!quot; antwoordde Sawyer zeer zachtzinnig, „maar . . „Maar wat wat ?quot; viel juffrouw Raddie hierop in, die hoe langer hoe driftiger werd. Bob Sawyer gaf haar zeer nederig een verslag van den treurigen toestand zijner geldzaken en voegde daarbij de heugeljjkste beloften voor de toekomst en een vriendelijk verzoek om nog eenig geduld. Maar .juffrouw Haddie was juist bij den ongelukkigen BobSawyerbovengekomen, om het pleizier te hebben van eens duchtig uit te varen; zoodat het haar waarschijnlijk niet eens aangenaam zou zijn geweest, indien zij betaling had gekregen; want de complimenten, die zij even te voren met haarman in do keuken had gewisseld, hadden haar juist op zulk eene uitspanning belust gemaakt. „Denkt gij, mijnheer Sawyer,quot; vervolgde zij, hare stem verhefTende, opdat de buren haar zouden kunnen hooren, „denkt gij, dat ik mijne kamers zal blijver; afstaan aan een kerel die nooit voor zijne huur zorgt, en van wien men zelfs geen geld voorzijn ombijt krijgen kan?Denktgij, dat eene arme vrouw, die met eere twintig jaren in deze straat heeft gewoond, zich verkiest dood te werken voor eene partij luie doenieten van Jongens, die niets uitvoeren dan rocken en drinken, in plaats van iets bij de hand te nemen om h u mi e rekeningen te kun nen betalen? Denk tigij...quot; „Maar vrouwtje! . . . .quot; begon Allen bevredigend. „Wees zoo goed om uwe gedachten voor u i zei ven te houden, mijnheer!quot;zoidejuirrouw Rad- \' die, die van zeer schielijk thans zeer langzaam I begon te spreken. „Hebt gij hier kamers gehuil rd?quot; „Neen,quot; antwoordde Allen, .dat wel niet....quot; „Dan zal het goed zijn,quot; hernam JulFrouw j Raddie, „dat gij blijft bij uw beroep, om de |
SAMUEL PICKWICK.
arme lui in hot hospitaal arinon en boenen ti ..AVat is i-r «lan getieurlt;i, mynheer ■\' vioeg
breken, en dat gij n niet bemoi it met hetgeen u Pickwick met belangstel ling.
niet aangaat.quot; ..Och er is een man ingebracht, die uit een
„Maarquot;vees toch v.oo onredelijk niet,quot; begon venster was gevallen; vier verdiepingen hoog,quot;
Allen. antwoordde Hopkins. „Maai het zal toch een
„Wat zegt gij daar?quot; vroeg juffrouw Raddie, mooi uwai wezen.
verbleekende van woede. „Wees zoo goed, dat „Meent ...ij daarniedo, dat de ongelukkige
notT eens te zeggen, miinheer!quot; veel kans heelc om tt\' lieistellcn . vioeg 1 ick*
„üet was niet kwaad gemeend,quot;zeide Allen wiek.
zeer beleeftl; want hij begon eenigs/.ins ongerust „Neen, toe!) ni\'l, zeide Hopkins. ..Ik geloot
te worden voor zijn persooniyko veiligheid. integendeel, dat hij er niet van zal opkomen.
„Ik vraag of gij dat op mij hebt gezegd?quot; Maar de operatie zal zeer interessant zijn —
hernam juffrouw Raddie op een gezagvoerenden het zal heerlijk wezen om te zien, als Slashei
toon, terwijl zij de kamerdeur wijd openz\' tte, hom opereert. quot;
„Nu ja dan!quot; antwoordde Allen netelig. „Ts die mijnheer .Slasher zulk een knap ope-
„Nu \'ja dan?quot; herhaalde juffrouw Raddie, rateur?quot; vroeg Pickwick,
I zoo hard schreeuw, lido als zy slechts kon, opdat „/.ijn weerga is in gele el Engeland met }
i haar man er in de keuken door gesticht zou b vinden, zlt;\'ido IIopkinH. „\\ei leden week heelt
worden. Ja, dat dacht ik wel. Iedereen weet hij nog eon iongen een be.-n afgezet. De jongen
1 wel, dat hij mü in mijn eigen huis vrij kan at vijt appelen en een stuk peperkoek op, en
\' mishandelen, terwijl niijn slaapkop van\' i n man Juist t\\V\'\'e miiuiten mulat alles voorbij was, ;
| daar beneden zit te drootnen, en niet nu\'er om ziide hij, dat hij zich niet langer voor den gek i
mij geeft dan om een stiaathond. Hij moest wilde laten houden, en hel zijne moedei zou i
j zich schamen, - hier begon zij te snikken zeggen, als zij hem niet hielpen.quot;
„dat hij zijne vrouw zoo laat mishandelen door „Dat is het merk waardigste bewijs van be- ,
een paar jong. ■ niiiisclu nvilders, die\', eiieschande heiidiHe id, dat ik ooit gehoord heb, zeide
voor het huis zijn; maar de lafbek is te bang, Pickwick,
om die smeerlappen onder de ooge ii te komen „Och! dat wil noguiH veelzeggen, heinam ;
hij durft niet - hij durft niet!quot; Zij zwe g,om Hopkins, „ni. t waar, Kob?quot; |
te hooien of haar man nog geen teek en van „W* 1 net ui zeide Sawyer. „In onze praktijk
leven gaf; en toen zij zich hierin vond teleur- komen dagelijks dingen voor, die.fog veel merk-
gesteld, ging zij onder voortdurend snikken de waardiger zijn.
trap af naar han achterkamer, waarvan zij de l-angzanv rhand kwamen nogeenige gasten, deur met een vervaarlijken slag achter zich Het speeltafeltje werd uit den hoek gehaald, en dicht smeet. Op dit oogenblik werd (r g- klopt, de punch in eene witte aarden kan op de tafel en nadat dit kloppen zes malen herhaald was, ly-zet. Hot ge-zelscgap vermaakte zich omtient ging do meid de deur opendoen. drie uren lang met kaartspelen, en stond daarna .Woont, hier mijnheer Sawyer ?quot; vroeg Pick- i op, om zich in de hoeken te drukken, terwijl wiek. de gastheer do tafel voor het avondmaal liet ...Ia wel,quot; antwoordde de meid. -Ga n.aar \'lekken. Het ging hiermede niet zeer snel, want naar boven do eerste donr.quot; En da/innede io bedieniMr was uIIoh behalvoprompt011 vlug, i gine zij heen en nam de kaars mede. en toen de gasten gezeten waren, bemerkte De vrienden stommelden derhalve naar boven, men nu het eene dan het andere gebrek. Tot ; waar zij door Bob Sawyer werden ontvangen, dessert kwamen er sigaren en een paar flesschen die niet naar beneden\' had durven gaan uit brandvw^n voor den dag; maar de glazen moesvrees, dat juffrouw Raddie hem opwachtte. Nau- ten eerst naar de keuken om gespoeld te woi-welijks had hij zijne gasten, met zooveel opge- : den, want men had er maar juist genoeg. Dit ruimdheid als hij inderhaast verzamelen kon, veroorzaakteeeneonaangenamepauze,waarvan welkom geheeten. of er werd wederom geklopt. quot; n der gasten «obruik maakte, om eene lange „Dat zal Jack Hopkins wezen,quot; zeide SaWylt; r; anekdote te verteller: van een zeer bekend en het was inderdaad Jack Hopkins, die kort persoon, wiens naam hem echter ontschoten was. : daarop de kamer binnentrad. Hij droeg eeó Bersrt weidde hij lang en breed uit over eenige i zwart fluweelen vestmet verguldeknoopen» en bijomstandigheden; maarvervolgenskonhyzich i fen blauw gestreept Overhemd. \' maar niet bezinnen, wat eigenlijk het geestige .Hoe komt gy zoo laat. Jack?quot; vroeg Benja- ^-zegde was, waarop hij zijne toehoorders had • min Allen. I willen vergasten.
.Ik ben in het hospitaal opgehouden,quot; was ..Het was waarlijk, i.-t» buitengewoons, Zei-
het antwoord. de hij.
„Was er wat nieuws?quot; „Jammer, dat gij het vergeten hebt, zeide
Niet voel bijzonders. Een onverwachte pa- , lawyer, terwijl hij luisterde of hij do glazen
: tiënt.quot; nog niet hoorde klinken.
103
|
Het spijt mij machtig,quot; hernam de verteller. „Men zou zeggen hoe is hot mogelijk! Ik heb dat geval zoo dikwijls verteld. Maar het zal mij straks wel te binnen komen.quot; Hij bedacht zich eene poos en wilde juist het woord weder opvatten, toen de meid met de gespoelde glazen binnenkwam, welk gezicht Bob sawyer eene opgeruimdheid inboezemde, zooals hij sedert het gesprek met zijne huis-waardin niet had gevoeld, „Kom Betsy Iquot; zeide hij vriendelijk : ,.geef nu wat warm water. Haast u wat, meisje.quot; |
„Maak toch om zulk eene beuzeling geen ongenoegen!quot; zeide Pickwick, die de verlegenheid en ergernis van zijn gastheer bemerkte, koud water is evengoed.quot; „Xog beter zelfs,quot; zeide Benjamin Allen. „Mijne huiswaardin is tusschenbeide niet wel bij het hoofd,quot; zeide Sawyer met een akeligcn glimlach. „Ik vrees, dat ik haar de huur zal moeten opzeggen. „Dat zou ik niet doen, Bob!quot; zeide Allen. „Ik moet wel,quot; hernam Sawyer met heldhaftige standvastigheid. ,lk zal haar morgen betalen. |
Aiinuor,
en meteen de huur opzeggen.quot; Koe hartelijk wenschte de arme slokker, dal hij dit had kunnen doen!
De stemming van het gezelschap was door deze onaangename tusschenkomende omstandig-lt;e verwondering, die uit de oogon der gasten | iieid niet vroolykor geworden, en. om zich wat \'aide, vervulde den gastheer met nieuwen | op te beuren, begonnen de mei/steu niet bij-quot;d. ..Breng dadelijk warm water (ladelyk!quot; zonderen ijver kouden cognacgrog te drinken. Ie hij. met eene door wanhoop forsche stem. Het eerste merk lm re v vólg hiervan was, dal Ik kan niet,quot; antwoordde do meid. „De twee jonneheoren, die elkander onder het kaartspelen reeds in de veeren hadden gezeten, de vijandelijkheden begonnen te vernieuwen. Kerst
• Warm water kunt gij niet nrügen,quot; ant-
...Viet krijgen? riep Sawyer uit.
Ni en. De juffrouw heeft gezegd, dat ik het nk-! geven mocht.quot;
i\'illroirw heeft het vuur uitgedoofd en den ketel sloten, voordat zij naar bed ging.quot;
! N-, Sa me Kr, Pk kwu k.
UlC!
jü
SA.MUKL l\'ll.\'lvWlt\'K.
U4
|
bleef liet eene poos bij zure gezichten en ver- ! acIUdijk schouderophalen, maar eindelijkoor- : deelde een van beide het voegzaam om /.ichduidelijker te verklaren. „Sawyér!quot; riep hij. .Wat is er Noddy?quot; riep Bob. „Het spijt mij, Sawyer, hornam Noddy, „dat I ik in een vriendschappelijk gezelschap totonaan-genaainhedcii aanleiding moet geven, maar ik kan inderdaad niet nalaten mijnheer (lunterte zeggen, dat ik hem niet voor een g e n t le m a n houd.quot; „En het zou mij spijten. Sawyer,quot; viel Gunter hierop in, „als ik uwe buren eenigen overlast aandeed; maar ik vrees, dat ik genoodzaakt zal wezen om hen te laten schrikken, door het jonge mensch, dat daar gesproken heeft, uit liet venster te smijten.quot; „Wat meent gij daarmee, mynheer?quot; vroeg Noddy. „Wat ik zeg, mijnhd\'r!quot; antwoordde Gunter. „Ik zou het u wel eens willen zien doen, mijnheer!quot; hernam Noddy. „Gij zult het voelen, mijnheer!quot; zeide Gunter. ! „Ik verzoek, dat gij uw kaartje geeft, mijnheer!quot; zoide Noddy. „Ik ben het niet voornemens, mijnheer!quot; antwoordde Gunter. „Waarom niet, mijnheer?quot; vroeg Noddy. , Omdat gij het voor uw spiegel zoudl steken, om hen. die u komen bezoeken, in de valsche verbeelding te brengen, dat er een gent le m a n bij u was geweest,quot; antwoordde Gunter, „Mijnheer, ik zal morgenochtend een vriend van mij bij u zi nden,quot; zeide Noddy. „Zeer verplicht voor de waarschuwing,quot;hernam Hunter. .Ik zal de meid zeggen, dat zy het zilvt r moet wegsluiten.quot; Op dezen laatst en uitval oordeelden de overige | leden van hef gezelschap het noodig.om tusschen-beide te komen, /.ij Inelden den twisteihlen het onbehoorlijke van hun gedrag voor oogen, met dit gevolg, dat, na lang praten en haspelen. Noddy langzamerhand verteederd werd, en be- ■ tuigde, dat hij mijnheer Gunter altijd voor zijn boezi-tn vriend had gehouden.Gunter antwoordde hierop, dat mijnheer Noddy hem tot nog toe waarlijk dierbaarder was geweest dan zijn vlee^che-lijke broeder. Toen stond Noddy op, en bood met edelmoedige openhartigheid Gunter zijne hand aan. Gunter druktt vervolgens die hand niet hartelijke warmte; en allo aanwezigen zeiden, dat d\' twist op eene voor beide partijen hoogst eervolle wijze was gevoerd en bijgelegd. Orn het herstel van den vrede te vieren, hief Hopkins luidkeels een vroolijk liedje aan; maar ongelukkig geraakte hij reeds in den eersten ; regel van de wijs, en daar de gasten het. ieder op zijne wijze, me lezongen, is het licht te denken, welk een trail accoord het geheel vormde. Stil\'quot; riep Pickwick, toen het eerste vers uit was. Mij dunkt, ik hoor iemand roepen.quot; |
Er volgde terstond eene diepe stilte, en Sawyer verbleekte. „Ik hoor het weder,quot; zeide Pickwick. „Doe toch de deur eens open!quot; Zoodra dit gebeurde was de twijfel opgelost. „Mijnheer Sawyer! — mijnheer Sawyer!quot; riep eene schelle stem van het portaal der tweede verdieping. „Het is jutlrouw Raddie,quot; zeide Sawyer, met de grootste verslagenheid om zich heen ziende. . Wat moet dat beduiden, mijnheer Sawyer!quot; schreeuwde de stem weder. „Is het niet genoeg, dat iemand jaar en dag op zijn geld moet wachten? Moet nu nog het heele huisten onderste boven ? Het is een leven om de brandspuiten op de been te brengen, en dat om twee uur in den nacht. Jaag die kerels de deur uit!quot; „Gij moest u wat schamen,quot; zeide de stem van mijnheer Haddie, die uit eene slaapkamer scheen te komen. „Schamen?quot; schreeuwde juffrouw Raddie. „Waarom gaat gij niet naar beneden, en schopt hen allen van de trappen ? Dat zoudt gij doen,als ge een man waart.quot; „Maar schatje!quot; zeide Raddie zeer zoetsappig; „ik alleen ben immers tegen al die dronken kerels niet opgewassen?quot; „Neen dat zijt ge ook niet,lafbek,quot;antwoordde juffrouw Raddle verachtelijk. „Hoe is het, mijn-lieer Sawyer, zullen zij heengaan of niet?quot; „Zij gaan al, juffrouw I Zij gaan al,quot; zeide de rampzalige Bob. — „Ik geloof, dat het maar raadzaam zal wezen,quot; vervolgde hij, zich tot zijne vrienden keerende. „Ik dacht wel, dat wij te veel leven maakten.quot; „Dat is niet uit te staan,quot; zeide Jack Hopkins „Kom, Bob! nog een vers. Ik begin.quot; „Och neen. Jack!quot; viel Bob hierop in. „Het is wel een mooi liedje; maar het zal toch beter zijn, het maar bij dateene vers te laten. Mijne huislieden zijn zoo ongemakkelijk.quot; „Wil ik eens voor n naar boven gaan,quot; vroeg Hopkins, en dien vent afranselen, of dat wijf van de trap -mijten?quot; „Zeer verplicht voor uwe goede bedoeling,quot; antwoordde de ongelukkige Bob Sawyer. „Maar itn alle verdere onaangenaamheden le voorkomen, geloof ik, dat het beter zal zijn maar dadelijk te scheiden.quot; „Gaan zü haast, mijnheer Sawyer!quot; schreeuwde juffrouw Raddie weder. „Dadelijk, juffrouw.quot; Zij gingen ook dadelijk. Pickwick, die de witte nachtmuts van juffrouw Raddie op het bovenste portaal zag, wilde nog eene poging tot eene minnelijke schikking aanwenden; maar de ver* toornde huiswaardin beantwoordde zij ne beleefde veront schuIdiging meteeuigescheld woorden. Hij klom derhalve spoedig de trap af, en stond binnen w» inige oogenblikken met zijne vrienden op straat. Benjamin Allen, die door den bran- |
|
EEN UITNOODIGING dewijn cn de ontroering in eene zeer weemoedige stemming was gebracht, ging tot aan ! de London-bridge met hen mede, en openbaarde onderweg Winkle, wien hij zeker voor : den meest geschikten persoon hiald om dit ge-■ heim te bewaren, dat hij vast besloten had, om iedereen, die naar de hand van zijne zuster Arabella durfde staan, zijn boezemvriend Bob Sawyer uitgezonderd, zonder genade de keel af | te snijden. Toen hij zün besluit, om dezen smar-telijken broederplicht te vervullen, met held-haftigen nadruk: had ontboezemd, barstte hü in tranen uit, trok zijn hoed in de oogen, verliet het gezelschap, klopte aan verscheidene deuren en ging eindelijk op de stoep van een ledig huis liggen, waar hij den nacht doorbracht met nu eens een slaapje te doen, en dan weder aan te kloppen, in de vaste verbeelding, dat hij daar woonde en zijn sleutel vergeten had. Toen zijne gasten op het eenigszins dringend aanzoek van juffrouw Raddie vertrokken waren, bleef Hob alleen zitten nadenken over het vermaak van den avond en de waarschijnlijke ge beurtenissen van den volgenden dag. xxxm. DE OUDE WELLEK HELPT ZIJN ZOON EEN BRIEF SCHHIJVEN, EN DE JONGE WELLEK HELPT ZIJN VADER DEN MAN MET DEN ROODEN NEUS EEN GEDEELTE DEK OPENSTAANDE HEKENINO BETALEN. De morgen van den dertienden Februari, toen, lijk de lezer weet, het gewichtige proces nog gt;\'ifi-hts één dag was verwijderd, was een drukke \' d vooi\' Samuel Weller. Van des morgens \'ot des namiddigs twee uur moest hij 01\'phoudèlük tusschen de Witte Arenden ;i\'i kantoor van Perker hwm en weer loopen ; \'■■\' t omdat er iets hoegenaamd te doen was, \'• ■nit het consult was afgeloopenen alle noodigo maatregelen waren genomen; maar omdat Piek wiek, die zeer ongerust en ongi durig was, zyn procureur onophoudelijk briefjes zond, die niets \'quot;■lielsden dan de vraag: „Mijnhe?r Perkerl gaat i1\'1.quot;*. lög goed?quot; waarop Porker telkens een \'■quot;■if\'fje tot antwoord schreef, hetwelk luidde: Ünheer Pickwick 1 alles gaat zoo goed ais het quot;i. hoewel er, gelijk wij reeds gezegd hebben, \' i\'-vnlijk volstrekt niets gaande was, en er niets ! \'i gebeuren, voordat het hof den volgenden u zitting hield. Doch, wanneer iemand voor \' \' \' \'ste maal een proces heeft, is het niet Datinirlijk, dat hij een weinig ongedurig en is; en Sam, die zich naar de mensche-\'Jko zwakheden wist te schikken, verrichtte al |
VOOR SAM WELLER. • 195 deze nuttelooze boodschappen met die onverstoorbare bedaardheid en goedwilligheid, welke onder zijne eerste en beminnelijke karaktertrekken behoorden, Sam had zich met een goed middagmaal versterkt, en wachtte in de gelagkamer naar den warmen drank, waarmede hij zich, volgens den last van zijn meester na zijne vermoeienis zou verkwikken, toen een jongen van omtrent drie voet hoog, wiens kleeding de loffelijke eerzucht kenteekende, om eens tot den rang van stalknecht op te klimmen, het huis binnentrad, en eerst in de gang, toen naar de trap en vervol gens in de kamer keek, alsof hij iets scheen te zoeken; waarop de meid, die het niet onwaarschijnlijk achtte, dat hij iets anders zocht dan hem toekwam, hem aansprak meteen „wat moet je hebben jongen?quot; „Is hier iemand, die Sam heet?quot; vroeg do knaap. „Hoe moet hij verder heeten ?quot; vroeg Weller. „Wat raakt dat jou?quot; was de wedervraag. „Gij zijt tamelijk scherp, jongetje?quot;zeideSa,m, „Maar als ik u was, zou ik dien scherpen kant niet al te veel laten zien, anders mocht iemand dien eens stomp slijpen, Wat moet het beduiden dat gij hier komt, en naar Sam vraagt, nog ruim zoo beleefd als een wilde Indiaan ?quot; „Omdat een oude heer het mij gezegd heeft.quot; antwoordde de jongen. „Wat voor oude heer?quot; vroeg Sam. „Die op een diligense naar Ipswich rijdt, en bij ons afstapt,quot; antwoordde de jongen. „Dat is mijn vader, meisjelief!quot; zeide Sam, die meende, dat hij de meid deze opheldering verschuldigd was, „Ik geloof waarlijk, dat hij mijn van niet eens goed weet. — En wat verder, jongeheer!quot; „(üj moest van avond om zes uur bij hem komen, omdat hij u wilde spreken in het Blauwe Zwijn op de Leaden hall Market. Moet ik zeggen, dat ge komt?quot; „Ja wel,quot; zeide Sam; en de jongeheer verwijderde zich en gaf onder het heengaan een bewijs zijner muzikale talanten, door het fluiten van een voermansliedje. Nadat Sam zijn meester, die in zijne tegenwoordige onrustige en opgewonden stemming veel liever alleen wilde zijn, om verlof had ge-vrangd, begaf hij zich, lang vóór het bepaalde uur, op weg, en wandelde da,ar hij tijd in over vlood had, naar het Mansion House, waar hij staan bleef, om op zijn gemak eene poos naar de menigte van cabriolets en andere huur-rijtuigen te kijken, welke, tot schrik en ontzetting van alle oude vrouwen uit den omtrek, zich daar verzamelen. Toen Sam hier een half ! uurtje had doorgebracht, begaf hij zich door | een aantal zijstraten en stegen, verder op weg naar IjOa den hall Markot. Daar hij den! tijd, dien hij over had, moest zoek brengen, en j |
: 19() \' SAMUEL PICKWICK.
I te dien einde naar al wat zijne aandacht trok j Voor heeren en dames, die niet vlug met de
bleef staan gapen, is het geenszins te verwon- pen zyn, is het schrijven van een brief geene
I deren, dat hij ook voor het venster van een gemakkelijke taak. Zonder op het verloop vandeu
boekwinkeltje staan bleef; maar zonder verdere tijd acht te slaan, had Sain ruim anderhalf uur
verklaring moet het bevreemdend schijnen, dat doorgebracht met letters van een halven duim
hij nauwelijks zekere prenteti in het oog kreeg, grootte te teekenen, hetgeen niet zonder onge- |
die daar te koop hingen, of hij schrikte, gaf lukken was toegegaan — want wanneer hyeene |
een klap op zijn rechterbeen, en riep uit; „Als verkeerde letter met zijn pink uitveegde, koste
ik dit niet imii gezien, zou ik er waarlijk niet het hem veel moeite, om denieuwe,dieop de vlak
om gedacht hebben, voordat het telaat was!quot; moest komentestaan,zichtbaar genoegte maken
De prent, waarop Sam zijne oogen had geves- \' toen de deur geopend werd, en zijn vader
tigd, toen hij ditzeide, was een levendig gekleurde binnentrad.
afbeeldingvantweemenschelijkeharten,die,aan „Zoo, Sampje!quot; zeide de vader.
eene pijl geregen, voor een frisch vuurtje lagen „Zoo, oude blauwroklquot; zeide de zoon. „Wat
te braden, terwijl twee camnbalen, een man en zijn de laatste berichten van stiefmoeders ge- |
eene vrouw, naar de mode gekleed, de heer met zondheid?quot;
een blauwen rok en witte broek, en de dame „De patient heeft e- n goeden nacht gehad,
: meteen rooden mantel en een parasol vandezelfde i maar is van morgen bijzonder onrustig en onge- :
kleur, met hongerige blikken, langs ei n slinger- makkelijk,quot; zeide de oude Wolier.
pad, op den maaltyd afkwamen. Éen zeer inde- „Zij wordt dus nog niet beter?quot; vroegSam.
cente jongeheer, die niets anders dan een paar „Erger integendeel,quot; antwoordde de oude.
vlerken aanhad, speelde voor kok. In Öe verte „Maar wat voert ge uit. Sampje?quot;
zag men den toren der kerk van Langham- j Ik heb al gedaan,quot; antwoordde Sam,eenigs-
| place, en het geheel vormde eene valentine, zins bedremmeld. „Ik ben aan het schrijven ge- |
■ waarvan, gelyk door een bericht voorhet venster weest.quot;
I w-rd aangekondigd, in dezen winkel een groot „Dat zie ik,quot; hernam Weller. „ïoch niet aan
| .assortiment vdprhunden en voor achttien pence een meisje, hoop ik!quot;
; het stuk te koop was. ..Waarom zou ik er niet voor uitkomen?quot; ant-
,.Ik zou lift waarlijk vergeten hebben,quot; zeide woordde Sam. „Het is eene valentine.quot;
i Sam, en dit zeggende, trad hij zonder dralen den „Wat?quot; riep de vader vol ontzetting uit.
I winkel binnen, en vroeg om een velletje best „Eene valentine,quot; herhaalde Sam.
verguld postpapier en eene stijve pon, die niH „Samu\'l. Samuel!quot; zeide de oude Weller op
sprikkelde. Zoodra hy het verlangde had beko- een verwijtenden toon, „dat had ik niet van u
men, ging hij verder naar Lea den hall-Mar- gedacht. Gy hebt het waarschuwend voorbeeld
ket, en dat wel mot eene haast, zeer verschil van uw vader gezien, die zoo zwaar voor zijne ■
I lend van zijn vorh-\'en langz unen tred. Toon hy misstappen heeftmoetenboeten. Zoo dikwijls heb
| hier rondzag, ontdekte hij een bord, waarop de ik er met u over gesproken. Gij hebt raet eigen :
i kunstige schilder een voorwerp bad afgebeeld, oogen uwe stiefmoeder gezien, en dat is eene les,
| dat een zweem had van ■ en blauwen olifant; die ik niêf dacht, dat gy zoudt kunnen vergeten
i met een haviksneus in plaats van een snuit. Hij - en toch - neen, Samuel! ik had het niet
! Vermoedde\' terecht, dat dit het b lau w e Z vv ij n van u gedacht.quot; De brave man was zoo diep oiit-
i moes\' wezen, trad ht • huls binnen, en vroeg naar roerd, dat hij Samuer.s glas aan zijn mond zette,
j zijn vader. en het leeg dronk.
„Het zal nog wel een uur aanloopen, voordat „Wat scheelt er aan?quot; vroeg Sam,
• hij hier komt,quot; z-dde de jongejufler, dü\' hot op- „Zwijg maar, zeide zijn vader. „Hot zal wel
i zicht over het butl\'et voerde. een zware slag voor mij wezen op mijn ouden
, Goed!quot; zeide Sam. „Ge-t my dan, als \'tu dag; maar ik ben nogal taai, en dat is een troost,
j belieft, \' en glas cognacgrog en don inktkoker.quot; zooals de oude kalkoen zeide, toen de boer vojr
Het verlangde werd gebracht; het meisje nemens was hem te slachten.quot;
■itampit daarop de kolen In den haard vast op , Wat zal een zware slag wezen?quot; vroeg Sam.
1 elkander, zoodat het vuur nier hard branden „U te zien trouwen, Sampje ! U het slachtott\'er
i kon. en nam d\' ii pook mede, opdat men het niet van het huwelijk te zien worden, terwijl gij in
I zou kunnen aanstoken. San» plaatste zich aan uwe onschuld denkt, dat gij er veel geluk van te
1 een tafeltje dicht bij den haard, en haalde zyn wachten hebt. Dat is een zwareslag voorhet hart
velletje postpapier en zijne stijve pen voor deft van een vader.quot;
da_\'. K\'-r-\'t bek\' i\'k hij zijne stijve pen om te „Gekheid!quot; zeide Sam. „Ik ga nog niet trou-
I zien of er ook haartjes in waren; toen veegde wen, en derhalve behoeft gy het u niet aan te
hl; de tafel af, opdat er geen*- kruimels onder trekken. Ik weet wel, dat gü verstand van zulke
I het papie. /oud\'a komen; daarna sloeg hij zyne zaken hebt. Laat n eene püp geven, en ik zal u
! mouwen op, en zette zich in postuur om te den brief voorlezen.quot;
i gaan schreven. Wy weten niet zeker, of dit aanbod van eene
CUPIDO IX „HET BLAUWE ZWIJN.quot; 197
pijp of wel de troostrijke gedachte dat er bij ; om u te schrijven,quot; las Samuel, „want gij zijt zU 11e familie een noodlottige onbedwingbare een lief meisje van top tot teen.quot;
trouwzucht in het bloed zat, den ouden heer ,üat is heel aardig gezegd, Sampje 1quot; merkte tot bedaren bracht. Misschien droegen beide de oude Well er aan.
oorzaken daartoe bij; want terwijl hy den twee- „Dat denk ik er ook van,quot; zelde Ham, zeer den troostgrond bij zich zeiven mompelde, trok j gevleid door deze lofspraak.
hij aan de schel, om den eersten te besteilen. { „Weet gij, wal ik vooral goedvind, Sampje ?quot; Vervolgens trok htf zijn jas uit; en nadat hij i hervatte de oude Weller; „dat gij er ook geene zijne pijp had aangestoken en zich met zijn rug | gekke namen inbrengt — geen Venus of zoo naar het vuur geplaatst, zoodat hij tegelijker- | iets. Ik weet waarlijk niet, waar het toe dient, tijd het volle genot der warmte hebben en te- ; om een meisje Venus of Engel te noemen gen den schoorsteenmantel leunen kon, gaf hij, [ Sampje?quot;
met een gezicht, waarvan de trekken door den j „Ik ook niet, quot;zeide Sam.
invloed van den tabak reeds veel verzacht wa- „Men zou haar evengoed een meermin of een ren, zijn zoon verlof om „op te dreunen.quot; Sam : eenhoorn kunnen noemen, of kortweg het wa-doopte zijne pen in, om onder de hand te kun- ; pen van Engeland, waarop men eene ge- I nen corrigeeren, en begon met een theatrale 1 heele menagerie van onbekende beesten bijeen j houding: i heeft.\'\'
„Beminnelijke . . . .quot; „(iij hebt groot gelijk,quot; zeide Sam,
„Halt!quot; zeide de oude Weller, terwijl hij aan : „Lees nu maar voort, Sampje!quot;
ii\'\' schel trok. „Een dubbel glas van je weet • Sam gehoorzaamde en las, terwijl zijn vader wel, meisje.quot; • met groeten ernst bleef staan rooken : „Voordat j
Het meisje verscheen, verdween, kwam terug ; ik u zag; dacht ik, dat de eene vrouw net i en verdween nogmaals met groeten spoed. zoo was als de andere.quot; .
„Zij schijnen u hier al te kennen,quot; zeide Sam. • „Dat zijn ze ook,quot; merkte de oude Weller j „Ja,quot; zeide zijn vader. „Ik ben hier wel eens , terloops aan.
mi-er geweest, (ia nu maar voort. Sampje!quot; „Maar uu zie ik,quot; vervolgde Sam, „dat ik Beminnelijke . . . .quot; herhaalde Sam. 1 het glad mis heb gehad, en dat ik zoo blind
„Het is toch geen vers?quot; viel hem de oude 1 ben geweest als een stokoude knol ; want er is in de rede. geen meisje zooals gij, en ik vind u oneindig
„Neen, neen!quot; antwoordde Sam. j veel liever dan alle anderen. - Ik dacht dat
„Daar ben ik blij om,quot; hernam de oude. ik wel zou doen, als ik hier een beetje stout .Ken vers is niet natuurlijk. Niemand spreekt sprak,quot; zeide Sam, opziende.
■■\'it op rijm, behalve de hondenslager op feest- Do oude Weller knikte goedkeurend, en Sam \'lagen, of de kerels, die met Warren\'s schoen- vervolgde:
srneer te koop leppen, en zulk gemeen volk. j /Daarom maak ik gebruik van het voorrecht Met verzenmaken moet gij u nooit ophouden, | van dezen dag, lieve Mary - zooals de lieer 1 quot;impje! Begin nu maar weer! met schulden zeide, toen hy op Zondag uing
Met den deftigen ernst van een recensent | wandelen — om u te zeggen, dat, den eersten i nam de oude Weller zijne pijp weder in den keer toen ik u zag, uw portret zich in mijn mond; en Sam begon weder: „Beminnelijke hart heeft gedrukt, in veel korter tijd en veel - •iioene neen, schoone die e moet eene 0 beter gelijkend, dan ooit een portret met de zjn. Ik ben een beetje in de ver — ver — | silhouetteermachine werd gemaakt, waarvan gij weet niet, wat hier staat,quot; zeide hij, terwijl misschien wel gehoord hebt, en die in twee en hij zich verdrietig met zijne pen achter het I een kwart minuut een portret maakt, met lijst, | oor krabde, en peinzend naar den zolder zag. glas en al.quot;
Kijk er dan naar,quot; zeide de oude Weller. „Ik ben bang, dat dit naar een gedicht gaat -l\'at doe ik al,quot; zeide Sam; „maar daar is gelijken, Sampje!quot; zeide de oude Weller zeer eene vlak op dat woord. Ver ver. , . ,quot; bedenkelijk.
„Verlegenheid misschien? zeide de oude j „In het geheel niet,quot; zeide Sam, en las spoe-Weller. 1 dig voort om niet langer over dit netelige punt |
„Neen, dat niet,quot; zeide Sam. „Wacht eens! | te spreken. „Lieve Mary!quot; neem mij voor uw | !quot; \'./,7 verbouwereerd heid - ja verbouwereerd- | Val ent ij n, en onthoud wat ik gezegd heb, j •ieid-\' Lieve Mary! hiermede besluit ik. Dat is
■•Ik zou denken, dat verlegenheid beter alles,quot; zeide Sam.
was,\' merkte de oude heer aan. „Maar scheidt dat niet wat al te bot uit,
-Maar zou verbouwereerdheid niet fat- Sampje?quot; vroeg de oude Weller.
soenlper wezen?quot; hernam Samuel, „Volstrekt niet,quot; antwoordde Sam. „Zy zal !
••bat zou wel kunnen zijn,quot; antwoordde de wenschen, dat er nog meer in stond: en dat is i \'ll\'de. „Oa maar voort, Sampje!quot; de grootste kunst in hot brieven schrijven quot;
-Ik ben een beetje in de verbouwereerdheid „Nu, dan heb ik er vrede mee,quot; zeide de
I\'.lH
|
oude Wolier; „en ik mocht zelfs wel lijden, dat uwe stiefmoeder, wat haar praten betreft, er ook zoo over dacht.quot; Sam zeide, dat hij dit ook wel lijden mocht; daarop vouwde iiij den brief dicht, deed er een ouwel op, schreef het adres: „Aan Mary, werkmeid bij mijnheer Nupkins, te Ipswich in Sof folk.quot; Toen de brief alzoo gereed was om op de post te worden gedaan, begon de oude Wélier over de zaak te spreken, waarom hij zijn zoon daar had bescheiden. „Eerst een woordje over uw heerschap Sampje!quot; zeide hij. „Hij moet morgen voor het hof komen, niet waar?quot; „Ja,quot; zeide Sain; morgen zal de zaak dienen en bepleit worden.quot; „Welnu!quot; zeide de oude Weiier. „Misschien heeft hij getuigen noodig om te verklaren, dat hij altijd van onbesproken gedrag is geweest, of om een alibi te bewijzen. Ik lieb eens over de zaak gedacht, en hij moet maar gerust wezen, Sampje! ik heb eenige vrienden opgezocht, die alles willen getuigen wat er noodig is. Maar ik zou raden om den goeden naam te laten iloepen, en hot bij een alibi te laten houden. Niets zoo goed als een a li b i, Sampje!quot; onder het uitspreken van dit rechtsgeleerd advies zette de oude heer een zeer diepzinnig gezicht; daarop verborg hij zijn neus in zijn glas, en gaf over den rand heen zijn verbaasden zoon een geheimzinnigen wenk. „Wiit meent itü?quot; zeide Sam. Denkt gij misschien, dat hij voor Old-Bailey moét komen ?quot; „Dat maakt geen verschil, Sampie!quot; antwoordde de oude. ,Het is hetzelfde voor wat voor hof hij komen moet; een alibi zal hem er door helpen. Wij hebben Tom Wildspark, die een manslag had begaan met een alibi vrij gekregen, toen al die groote pruiken zeiden, dat niets hem helpen kon. Ik geloof zeker, Sampje, dat uw heerschap er koud om is, als hij geen alibi bewijst quot; Daar de oude Weller de vaste overtuiging koesterde, dat de Old-Bailey hot-hoogste gerechtshof van geheel K n g e 1 a n d was en de gebruik\' n en regelen van dat hof ook bij de recht s-pleging voor alle andere rechtbanken moesten gevolgd worden, predikte zijn zoon voor doove ooren. Vruchteloos trachtte Sam hem te bedui-den, dat er in dit geval geen alibi te pas kwam; (!lt;■ oude heer bleef voor zlfne ineening kampen, dat zonde; alibi Pickwick .he! slachtofferquot; zou worden. Toen gt;am begreep, dat alle moeite vruchtelo( - zou wezen, stfipte hij van dit onder werp af, en vroe_\' zijn vader, wat het tweede punt was, waarover hij hern wilde spreken. „Dat is iets. wat het huishouden betreft,quot; Zeide de oude Weller. „Die Stiggins. . . .Dat is die tnet zijn roeden neusquot;quot; vroej-Sam. |
„Dezelfde,quot; antwoordde de vader, „Die roodneus komt tegenwoordig uwe stiefmoeder zoo druk bezoeken, dat ik nooit kan thuiskomen, of hij zit er. Hij is zulk een goed vriend van het huis, Sampje, dat hij, als hij niet bij ons is, nooit gerust kan wezen, als hij geene gedachtenis van ons heeft medegenomen.quot; „Als ik in uwe plaats was, zou ik hem eene gedachtenis geven, waaraan hij jaar en dag ge noog had,quot; zeide Sam. „Hen oogenblikje!quot; hernam de oude Weller. „Ik wilde zeggen, dat hij tegenwoordig altijd eene platte flesch medebrengt van omtrent anderhalve pint, en die met besten rum volschenkt voordat hy heengaat. „En leeg diinkt voordat hij weerkomt, zou ik denken?quot; zeide Sam. „Schoon,quot; antwoordde de oude Weller. „Hij laat er nooit iets in, dan de kurk en den reuk. Nu wilde ik n vertellen, Sampje! die kerels hebben van avond eene vergadering van de Bri n c k I a n e-a f d e eI i n g v a n h e t Vereenigde groote E ben h a é z er\'s M a ti g h e i d s ge n o o t sc h a p. Uwe stiefmoeder zou er naar toe gaan, maar zij is rheumatisch, en moet te huis blijven; en ik, Sampje! ik heb allebei de toegangkaartjes,die voor haar gestuurd waren.quot; Hij openbaarde dit geheim met eenonbeschrij fel ijkgenoegen,en bleef daarna zoo onophoudelijk met zijn eendoog knippen, dat Sam begon te vreezen, dat hij eene be roerte in zijn rechterooglid had gekregen. „En wat nu?quot; vroeg Sam. r Wel,quot; antwoordde zijn vader, nadat hij voorzichtig had rondgezien; „ wij zullen er met ons beiden bijtijds naar toe gaan; en de onderherder de onderherder....quot; Hier werd de oude heer door eene lachbui overvallen, die zoo langdurig en hevig was, dat hij gevaar liep van te stikken. „Wel, heb ik ooit zoo iets bijgewoond!quot; zeide Sam, terwijl hij zijn vader op den rug klopte. „Waar lacht gij zoo om, oude dikzak?quot; „Stil, Sampje!quot; zeide de oude Weller einde lijk, nadat hij met nog grooter voorzichtigheid nog eens had rondgezien. „Een paar van mijne kennissen, die veel van eene grap houden, hebben dien onderherder beetgenomen; en als hij bij de Ebenhaözer komt, (dat niet missen kan, want zij zullen hem brengen, en als het noodig is naar binnen duwen,) zal hij zoo dronken zijn als hij ooit in de M a rq u is van G ran b y was, en dat is niet weinig gezegd. De oude Weller lachte weder even hartelijk als eerst, en stelde zich daardoor weder aan hetzelfde gevaar bloot, dat door hetzelfde krachtige middel werd afgewend. Niets kon Sam beter naar den zin zijn geweest dan de voorgenomene grap, om den roodneus te ontmaskeren, en diens wezenlijke hoedanig heden en m igingen ten toon testellen; en daar het uur der vergadering niet veraf was, begaven vader en zoon zich dadelijk op weg naar li ric k |
VERSLAG VAX HET MATIGIIKIDSCOMITH.
199
|
lane. Sam vergat evenwel niet, in liet voorbijgaan zijn brief op de post te doen. De maandelijksche vergaderingen der U r 1 c k-1 a n e afdeeling van liet bovenvermelde matigheidsgenootschap werden gehouden in een ruim on luchtig vertrek, tot hetwelk men door middel van eem; sterke en gemakkelijke steektrap op klom Do president was Anthony Humm, een I bekeerde brandspuitgast, tegenwoordig school meester en tusschenbeide reizend prediker; en de secretaris was Jonas Mudge, van beroep krui denier, eu een belangeloos voorstander des ge-nootschaps, daar hij aan al de ledtm thee verkocht. Vóór het openen der vergadering zaten de dames op banken bij elkander, en dronken thee, totdat zij genoeg hadden; en op het midden van de met e,en groen kleed bedekte tafel stond eene kist met eene sleuf in het deksel, en niet ver van daar de secretaris, die meteen vriendelij ken glimlach dankte voor elke vermeerdering van de rijken schat van koper, dien de kist reeds bevatie. Op dezen avond dronken de dames machtig viid thee, tot groofen schrik van den ouden Wolier, die zonder op Sam\'s waarschuwende elle-boogstooten te letten, mot onverholen verbazing naar alle kanten rondzag. ; „Sampje!quot; fluisterde de oude Weller: „als sommige van die menschen morgenochtend niet algetapt moeten worden, dan ben ik uw vader niet:; dat zeg ik.quot; Stil toch 1quot; mompelde Sam. ..Sam, fluisterde zijn vader, eene p()os later, op oen toon van groote ontroering; „let óp hetgeen ik\' zeg, mijn zoon! Als (lie secretaris nog vijf minuten zoo voortgaat met thee en boterhammen\', zal hij barsten.quot; ..Laat hem zijn gang gaan !quot; zoido Sam. „Wat taakt het u?quot; ..Ais het nog langer duurt, Sampje,quot; zoide ie oude Weller even zacht, ..houd iic het voor mijn menschel ij ke plicht, op te staan en die lui \'\' waarschuwen. Diejongejuffor daar ginds hoeft ioi al negen groote koppen theein bet lijf. Ik zie ,,;l I\'quot; voor mijne oogen opzwellen.quot; l-r is weinig twijfel aan. of de oude Weller \'é i zijn menschlievend voornomen ten uitvoer •iquot;bben gebracht, indien het in elkander zetten v;quot;1 het theegoed niet gelukkig had aangekon-yi-T\'l, dat men met drinken gedaan had. Daarop de tafel in het midden gezet en de verga-■\'\'•ling geopend. Anthony Humm,een lang man meteen bleek -\'•ziclit, plaatste zich inden voorzittersstoel,ou n i i.it een kort. woelig heertje, met eene korte quot;quot;o-k, die eene soort van albeschik scheen te stilte had geroepen, zeide de voorzitter met \' no beleefde buiging, dat mot goedvinden zijnor oroedersen zusters van d\' Bricklane afdeeiing. |
secretaris hot rapport van het comitlt;\' zou •oile/en. De dames beantwoordden dit voorstel | door met hare zakdoeken te wuiven; en nadat de secretaris zeer nadrukkelijk had gehemd, en het hoesten, dat eene vergadering altijd overvalt wanneer er iets bijzonders zal verricht worden, voorbij was, werd iiet volgende document 1 voorgelezen; „Het comité heeft in de afgeloopen mand ; zijne gewichtige taak voortgezet, en heeft het genoegen, de volgende nieuwe gevallen van bekeering tot matigheid te kunnen mededoelen, 11, Walker, kleedermaker, met eene vrouw : en twee kinderen. Deze man bekent, dat hy, toen hij nog in betere omstandigheden was, do gewoonte ha l, om zwaar bier te drinken, en zegt, dat hij niet volkomen zeker is, of hij niet twintig jaren lang, tweemaal in de week, oen glas hondenneus heeft, gedronken, een drank, die, gelijk het comité bij verdere navraag gebleken is, uit warme porter, bruine suiker, jenever en nootmuskaat bestaat,quot; (Een zucht en een „zoo is het ookquot; van eene bejaarde vrousv.) „Hij is tegenwoordig buiten werk en broodeloos, en denkt, dat dit het gevolg van de porter moet wezen quot; (toejuiching), „of anders van het, verlies van zijn rechterhand. Hij weet het niet zeker, maar gelooft, dat, indien hij zijn leven lang niet anders dan water had gedronken, zijn kameraad hem niet met eene roestige naald gestoken, en daardoor dit ongemak veroorzaakt zou hebben. Hij heeft tegenwoordig niets dan koud water te drinken, en is nooit dorstig.quot; (Langdurige toejuiching.) ..Betsy Martin, eene weduwe, metéén kind en e\' n oog. Zij gaat uit schoonmaken on wasschen, en heelt nooit meer dan iquot;n oog gehad, maar weet, dat hare moeder jenever dronk; en het zou haar niet verwonderen, als dit haar oen oog had gekost. Zij acht het ook niet onmogelijk, dat zij, indien zij zJch altijd van sterken drank had onthouden, nu al twee oogen zou gehad hebben. Waar zij nir werken ging, was zij voorheen gewoon achttien pence daags en bovendien oen pint porter en een glasjenever te krijgen; maar sedert zy lid van de B ri c k I an e-afdeeling is geworden, heeft zij, in plaats daarvan, drie en een halvon shilling gevraagd,quot; (Hem- oorvi-rdoovend\'- toejuiching volgde quot;p dit allerbelangrijkst berirht,) „ID-nry Beller was vele jaren lang ceremoniemeester bij de d i nors van verschillende gilden en dronk dan veel vreemde wijnen. Het isook wel mogelijk, dat hij nu en dan een paar llesschen modo naar huis nam; hiervan is hij niet zeker, maar het is wel zeker, dat, indien hij er medonam, hij ze ook leegdronk. Hij is tegenwoordig koortsig, neerslachtig en ziekelijk, en heelt altijd dorst, hetgeen hij toeschrijft aan den wijn, dien lii.j voorheen gedronken heeft, ,. l\'homas Burton, koopman, in vc ische waar. en leverancier van don Lord.Ma voren anden |
SAMUEL PICKWICK.
aanzienlijke persom-n,quot; (Hot noemen van dezen ..Daar komt hij Sam!quot; zoido de oude WoIIit,
naam de il de vergadering met ingespannen wiens uezicht bloedrood werd door het geweld,
oplettendheid toeluisteren).,. Hij lieeft een houten dat )ii| zich moest aandoen, om zijn lachen te
been, hetgeen hem, daar hij dengeheelen dag j bedwingen.
langs de straat loopt, tame.ijk duur uitkomt, | „Spreek geen woord,quot; antwoordde Sam; „an-
Hij was gewoon halfsleten houten beenen te | deis kan ik mij niet goed houden. Hij is dicht
dragen, en alle avonden een glas jenever met | bij de deur; ik hoor hem er tegen bonzen,
heet water te drinken Ja somtijds twee Xauwelijks had hij dit gezegd, of de deur
glazen.quot; tDiepe zuchten.) , Hij ondervond, dat vloog open, en broeder Tadger trad metbroe-
: die halfsleten houten beenen zeer spoedig on- der Stiggins binnen, onder de toejuiching der
bruikbaar werden, en is vast overtuigd, dat de vergaderden, die tegelijk met de zakdoeken wuit-
invloed van den sterken drank ze deed splijten den en met de vo. ten stampten. Broeder Stig-
en verrotten. Hij koopt tegenwoordig nieuwe , gins beantwoordde de/e teekenen van blijdschap
houten beenen, en drinkt niet anders dan water slechts met een botten glimlach, terwijl hij met
en slappe thee. De nieuwe beenen duren eens glazige oogen strak voor zich keek, en zwaai-
! zoolang als de anderen voerheen deden, en hij end naar de tafel ging.
schrijft zulks alleen aan zijne tegenwoordige „Zyt gij niet wel. broeder Stiggins?quot; tluis-
matigheid toe.quot; i Kene zegevierende toejuiching.) terde Hurnm.
„ Met mij is alles in orde, mijnlieerlquot;antwoor(ld-
De voorzitter deed vervolgens het voorstel Stiggins zeer barsch, maar met een dikke tong.
om een matigheidslied te zingen, eu terstond ,./,oo, zoolquot; zeide Ilumm, terwyl hij een paar
hief men een lied aan, waarvan een jonge bödt- stappen achteruitging.
roeier Op den Theems de held was, die zijne ..Ik geloof niet, dat iemand hier zou willen
roode wangen, kracht en vroolijkheid alleen aan zeggen, dat ik dronken ben. mijnheer!quot; zeide
het waterdrinken te danken had. Alle schoone Stiggins.
meisjes, alle voorname dames wilden slechts ..Zeker niet, zeker niet, antwoordd* Humni.
door hem g.-roeid worden, en lieten met afschuw ..Ik zou het hem niet raden,quot;hervatte Stiggins.
de brandewijndrinkers staan. Het geheeleteedere De vergadering was nu doodstil, en \'Wachtte
geslacht was hem genegen, en eindelijk achtte met verlangen naar het hervatten der zooge-
een iomre lt; n rijke schoone zich iioo-st geluk- naamde werkzaamht den.
kig, dat de waterdrinkende sloeproeier haar tot ..Wilt gy de vergadering aaDspreken,broeder?
zijne gade verkoos. zeide Humm meteen uitnoodigenden glimlach.
Wat ineenen zij met dat teedere geslacht, „Neen, ..mynheer!quot; antwoordde Stiggins. Sampje?quot; fluisterde de oude Wellerzyn zoon toe. j „Neen, mijnheer! Ik wil niet.quot;
„De vrouwen quot; antwoordde Sam. De aanwezigen zagen • Ikander met wijdge-
..Dat hebben zij zoover niet mis, Sampje!quot; opende oogen aan, terwijl een gemompel van
hernam de oude. ..De vrouwen moeten inder- verwondering het vertrek rondliep.
daad een zeer schaapachtig geslacht wezen. ..Ik zeg, mijnheer!\' zeide Stiggins met woeste
om zidi door zulke spitsboeven te laten be- gebaren, ..ik zeg, mijnheer! dat d-jze vergade-
dotten,quot; ring dronken is. Broeder, Tadger, mijnheer!quot; hier
Het hfertje met\'Ie kort\' broek, du eene poos scheen hij in gramsi-hap op te stuiven, en keerde
ti voren was heengegaan, kwam op dit oogen- zich plotseling tot liet kleine heertje, dat vlak
blik terug, en fluisterde met een zeer ernstig gé- bij de deur was blijven staan : „gij zijt dronken.\'
zicht den voorzitter iets in het oor. Ditzeggende, gaf hij. ten bewijze van zijn loftely-
...Mijne vrienden!quot; zeide Humm: „een afge- ken ijver om de vergadering nuchter te houden vaardigde van de Dorking afdeeling van ons | en te dien eindéalle dronkaards daaruit te ver-genootschap, broeder m Lririns, staat beneden en j Jagen, broeder Tadger een stomp vlak voor
verlangt gehoor.quot; zijn neus; die. zoo geducht aankwam, dat de
De dames wuifden ijverig met hare zak- arme broeder hals over kop van de steektrap
doeken, want broeder Stiggins was zeer ge- afbuitelde,
acht en bemind bij de vrouwelijke leden der Dit scheen voor de vrouwen het teeken te
afdeeling. wezen, om een vervaarlijk gegil aan te heffen.
„Ik meen, dat hij kan worden toegelaten,quot; Allen vlogen op, en snelden naar de broeders,die
zeide de voorzitter met giTiotedeftiglieid, ..Broo- zij in hare armen slóten en om bescherming
der Tadger! wees zoo goed om den broeder smeekten. Deze bewijzen van teederheid en ver-
bitinen te leiden.quot; trouwen waren broeder Humm bijnaduurtestaan
Broeder Tadger zoo heette het kleine gekomen: want daar hij bijzonder gezien en be
he\'-rrje inet de korte brquot;ek klom met grooten mind was, wierpen zich zoovele vrouwen op zijn
spoed de-deektrap af, en terstond daarop hoorde lyf. dat het weinig scheelde of hijwasinhai\'
men hem met. den eerwaardigen Stiggins naar armen gestikt. In de opschudding werden de
boven stommelen. meeste kaarsen omgeworpen, en aan alle zyden
DE OUDE WELEER GAAT STIGGIXS TE LIJF,
201
|
hoorde men niets clan een verward geschreeuw cn gejammer. ,,8ampjelquot; zeide de oude Weller, terwijl hij zeer bedaard zijn jas uittrok; nu moest gij eens naar buiten gaan en de wacht roepen.quot; .En wat wilt gij in dien tijd uitvoeren?quot; vroeg Sam. |
.Laat mij maar begaan\'.quot;antwoordde zijn vader. ,. Ik zal intusschen eens afrekening houden inetdionStiggins.quot; En voordat Sam hem kon tegenhouden, had hij zich een weg gebaand naar tot buiten op de straat: hij liet liem zelfs niot los. voordat zij aan den hoek waren gekomen. Hier bleven de twee W\'eller\'s staan,en luisterden naar het geschreeuw van het gemeene volk, dat te hoop was geloppen, en eerst met groote blijdschap den eerwaarden Stiggins naar een veilig nachtverblijf zag wegvoeren, en vervolgens zich vermaakte mot de leden der B r i c k 1 a n e-afdeeling, die zich zoo spoedig mogelijk uit de voeten maakten, na te loopen en uit te jouwen. |
|
1 quot;ii hoek van het vertrek, waar hij den eer waarden heer volgens de regnlen derbokskunst telijfging. ..Kom met mij mi-elquot; rirp Sam. „Kom maar op, schobbejak!quot; riep de oude k i ller, en spreidde aanstonds, ten koste van iggins, (urnebehendigheid en viughlt;-id tentoon, die voor zi,jne jaren t-u otnvung inderdaad ver-W\'Jiideiiijk mochten heeten. I\'aar Sain begreep, dat woorden niets zouden neipeii, iiing hij zijns vaders jas over zyn arm, -r^ep daarop den ouden man bij zijn kleed, en \'lok hem met geweld mede dtlt; steektrap af, en |
XXX 1,1. HBTWKI.K (fBMKBli IS TOEGEWIJD AAN EEN VOL-LEDIH EN (; I,TROUW VEKSLAfi VAN HKT MURKWAAKD1ÖE PROCES VAN HAR-DELI. CONTRA PICKWICK. „Ik zou wel eens willen weten, waarmede de forem an van de j ury, wie hij ook wezen mag, van morgen heeft ontbeten,quot;zeideStockwall,om op den ocht( nd van den gewichtigen vei rtienden Februari het gesprek aan den gang te houden. |
|
202 SAMUEL „II; hoop, dat hij smakelijk ontheten heeft,quot; zckle l\'erk\'T. ^Waarom?quot; vroeg l\'ickwiek. „Dat is van zeer veel belang, inynheer!quot; antwoordde I\'erker. „Een gezworene, die in een goed humeur is en goed ontbeten heeft, is goud waard. Als de gezworenen ontevreden zijn of honger hebben. doen zij altijd uitspraak ten voordeele van den eischer.quot; „Lieve hemel!quot; zeide Pickwick ontzet. ..Waarom doen zij dat?quot; „Ik weet het niet,quot; antwoordde Perkerzeer koel: „misschien om tijd te winnen. Als het bijna etenstijd is wanneer de .1 u ry gaat beraadslagen, haalt de foreman zijn liorlogeuit: „Zoo! het is tien minuten vóór vijven; en ik eet anders om vijf uur.quot; — „Ik ook,quot; zeggen al de anderen. behalve een paar, die al om drie uur moesten gegeten hebben, en nu wel lust zouden hebben om de anderen wat honger te laten lijden. De foreman glimlacht en steekt zijn horloge weder bij zich. ..Welnu, heeren! wat zullen wij zeggen ? Voor den eischer of voor den gedaairde? Ik wil u de wet niet voorschrijven maar ik zou haast denken dat de eischer gelijk heeft.quot; Dan zeggen twee of drie anderen terstond, dat zij er ook zoo over denken, en daarop zijn zij het spoedig eens. „Tien minuten over negenen,quot; zeide I\'eiker, op zijn horloge ziende. „Het is tijd om te gaan. Proces over het breken eener trouwbelofte — bij zoo iets i-, het hof doorgaans bijzonder vol. Gij zoudt wel doen. als uij eene knets bésteldet, mijnheer! of wij zullen vrij laat komen.quot; l\'ickwick trok terstond aan de schel, en nadat er eene koets was gehaald, nam hij met l\'erker en zijne drie vrienden daarin plaats, s un Wel Ier, Lown-n en de blauwe zak volgden in eene eahriolet. „Lowten!quot; zeide Perker. toen zij in de voor-zaal van het gen i htshof waren gekomen ; „breng de vrieiidêii van mijnheer Pickwick naar do studeni\' i.i auk; mijnheer Pickwick zelf zal ik liever by mij houden. Dezen weg, mijnheer! de/.en weg.quot;\' Hiermede vatte hij Pickwick by de mouw, en bracht hem naai een lage bank, vlak onder de 1.--ena trs der pleitende advocaten. Deze bank is ten gerieve der procureurs aidaar geplaatst, die, wanneer zij daar zitten, den eer sten advocaat, wanneer zij zulks onder den loop der rechtspleging nood iff achten, gemakkelijk iets kunnen toetl listeren, terwijl zij tevens, daar deze bank veel lager dan de anderen is, voor de meeste toeschouwers onzichtbaar zijn. Menzit hier natuurlijk niet den rug naar de rerhtsge-le. rden, en het Lrehoor, en mot het gezicht naar den rechter. .Dat is de getuigenbank, geloof ik,quot; zeide Pickwick, en wees naai eene soort van preekstoel met een koperen bek, aan zijne linkerhand. |
„Ja wel, mijnheer!quot; antwoordde Perker, terwijl hij een aantal papieren uit den blauwen zak haalde, dien Lowten voor zijne voeten had nedergelegd. „En daai\' zitten de gezworenen, niet waar?quot; zeide Pickwick, terwijl hij naar een paargesloten banken aan de rechterhand wees. „Ja wel, mijnheer!quot; antwoordde Perker, en nam een snuifje. Pickwick was te onrustig om te blijven zitten. Hij stond op, en zag om zich heen. Er waren reeds tamelijk veel toeschouwers in degalerij,en niet weinig gepruikte heeren in de banken der rechtsgeleerden, waar men reeds eene tamely k volledige collectie der verschillende neuzen en bakkebaarden zag, Voor welker rijke verscheidenheid rle Engelsche advocatenstami met recht beroemd is. De heeren, welke processtukken hadden. droeuen zorg die zoo te dragen,datiedereen ze zien kon, en wreven er zich tusschenbeide mede onder den neus, om de aanschouwers des te beter te doen bemerken, dat zi,i praktijk hadden. Andere heeren, die geen processtukken bezaten, hadden een dik in perkament gebonden book onder den arm; en nog anderen, dien het zoowel aan processtukken als aan boeken ontbrak, staken hunne handen in den zak, en zetten daarbij zulk een diepzinnig gezicht, als zij slechts konden, of liepen onrustig en driftig heen en weder, om daardoor de bewonderingen aandacht van oningewijde vreennlolingen gaiindete maken. Allen hadden zich, tot groote verwondering van Pickwick, in kleine groepen verdeeld, en praatten onder elkander op de onverschilligste wijze over het nieuws van den dag — jnistalsof er geen proces ophanden was. Eene buiging van Phunky, die zich in eene bank achter die der pleitende advocaten nederzette, trok de aandacht van Perker; en nauwelijks had hij deze buiging beantwoord, of Sergeant Snubbin trad binnen, gevolgd door zijn klerk Milliard, half verborgen achter een grooten rooden zak, dien hij voor zijn principaal neder-lesrde, waarop hij Perker de hand gaf en zich verwijderde. Vervolgens traden er nog twee se r-geants binnen, en daaronder een meteen dikken buik en een rood gezicht, die Sergeant Snubbin vriendelijk toeknikte, en zeide dat het mooi weer was. „Wie is die man met dat roode gezicht.die tegen onzen advocaat knikte en zeide dat hei mooi weer is?quot; fluisterde Pickwick. ,,sergeant Ruzfuz.quot; antwoordde l\'erker; „de i \' rsie advocaat van onze partij. Die heer achter hem is mijnheer Skimpin,zijnadsistent,quot; Pickwick was juist op het punt. om, met den grootsten afschuw voor zulk eane koelbloedige snoodheid, te vragen, hoe Buzfuz, die immers advocaat van zijne partij was. zich kon vermeten om tfüvn Snubbin, diei miners zijn advocaat was te zegg1\'n dat hij het mooi weer vond toen I\'KTCWICK. |
RECHTER. 203
VOOR I)EX
|
hij hierin verhinderd werd door een algemeen opstiiiin der heeren van de balie, en het luide geroep van „stilte!quot; dat deofücieien van het Hof aanhieven. Hij zag om, en bemerkte, dat deze opschudding, door \'het binnentreden des rechters werd veroorzaakt. De heer 8tareieigh, die, daar de eerste edel-ach tb. heer rechter wegens ongesteldheid afwezig was, de plaats van dezen bekleedde, was een bijzondei\' kort manneke, en zoo dik en rond, dat hij geheel en al gezicht en buik scheen te wezen. Hij kwam op twee kromme beentjes binnentrippelen, en nadat hij eene deftige buiging voor de advocaten had gemaakt, en deze met eeiU\' deftige buiging hadden geantwoord, plaatste hij zijne beentjes onder, en zijn driekanten hoed op zijne tafel; en nu kon men niets meer van hem zien, dan een bol rood gezicht met twee kleine schele oogen, en een gedeelte Van een groote, allerkomiekst opgemaakte pruik. Zoodra hij zich had nedergezet, riep een ge lechtsdienaar in de zaal met \'.\'ene gebiedend* stem, „stilte,quot; waarop een ander op de galerij met eene toornige stom insgelijks „stiltequot;riep i n drie ol vier anderen bij de deurm hetzelfde bevel op nog knorriger toon herhaalden. Toen \'lit geschied was, begon een in het zwart gekleed heer, die wat. lager dan de rechter geze ten was, de namen der gezwö|enen ofj ti-lezen, \'■n nu bleek liet na lang en luid schreeuwen, dat er slechts tien gezworenen waren gecompareerd. Sergeant Buzfuz verzocht daarop, dat men de jury zou aanvullen, en de heer in het zwart preste twee der aanwezigen, welke de bevoegdheid hadden orn als gezworenen dienst, te doen: het waren een kruidenier en een Apotheker. „Antwoordt bij het oplezen van uwe namen, mijne heerenlquot; zeide de heer in het zwart, „opdat ik u den eed kan afnemen. — Richard Upwitch 1quot; „Hier!quot; zeide de kruidenier. ..Thomas Groffin!quot; Hier!quot; riep de Apotheker. „Neemt liet boek, heeren! Oy zult volgens recht en geweten., .quot; „Ik moet om verschooning verzoeken,quot; zeide T- apotheker, een lang, mager man, met bleek -•zicht: „Ik hoop, dat het gerechtshof mij zal vrijstellen.quot; „Op welke gronden, mijnheer?quot; vroeg recht-ter fstareleigh. • Ik heb geen bediende, edelachtbare heer!quot; antwoordde de apotheker. Jjan moest gij er een haren.quot; ^ -Oaar heb ik geen geld voor, edelachtbare heer!quot; zeide de apotheker. , --1\'aar liadt gij voor moeten zorgen, mijnheer !quot; beet de rechter hein toe. terwijl zijn gezicht nog rooder word; want rechter.Slareleurlrwns e- niirszins oploopend, en kon g\' ene teirenspraak velen. I |
„Ik zou er ook voor zorgen, edelachtbare heer!quot; hernam de apotheker, „als mijne zaken zoo goed gingen als zij moesten; maar dat doen zij niet.quot; „Neem mijnheer den eed af,quot; zeide de rechter op een beslissenden toon. Het formulier van den eed werd nogmaals begonnen; maar de apotheker brak de lezing daarvan wederom af. ..Moet ik dan volstrekt den eed afleggen, edelachtbare heer?quot; vroeg hij. ,,Ja zeker!quot; antwoordde de kleine rechter zeer vinnig. „Goed, edelachtbare heer!quot; zeide de apotheker zeer gelaten. „Dan zal er een moord begaan worden, voordathetprocesisafgehandeld -anders niet. Laat mij nu maar zweren!quot; Dit gebeurde ook, voordat de rechter weder het verinogen had om te spreken. „Ik wilde niets anders zeggen, edelachtbare heer!quot; zeide de apotheker, terwijl hij zeer be- 1 daard ging zitten, „dan dat er niemand in mijn ! winkel is gebleven dan mijn loopjongen. Hij is i een knappe jongen, edelachtbare lieer! maar hij \' heeft nog niet veel verstand van medicijnen, en I ik weet bij ondervinding, dat hij altijd magnesia j met rattenkruit, en senna stroop met lauda- \' num verwart. Dat wilde ik maar zeggen.quot; Met i deze woorden schikte de apotheker zich op zijn i gemak, zette een zeer tevreden gezicht en scheen ! zich op het ergste te hebben voorbereid. Pickwick beschouwde den langen apotheker met eene huivering van afgrijzen, toen er eene kleine opschudding in de zaal ófltstond, en onmiddellijk daarop ju ffVouw Hardell binnentrad, die door julTrouw Uluppins naar hel andere einde van de bank, waarop Pickwick zat, word geleid, en half flauw daarop nederzonk. Achter haar verschenen Dodson en Eogg, die voor deze . gelegenheid elk een treurig en medelijdend ge zicht hadden gereed gehouden, de eerste met de paraplu, de tweede met de overschoonen van juffrouw Bardell. Ten laatste trad julTrouw Sanders binnen, met den jongenheer Bardell aan de hand. Toen julTrouw Hardell haar zoontje gewaar werd. deinsde zij terug- maar spoedig bedacht zij zich, en omhelsde haar lieveling met uitgelaten teederheid; daarop verzonk de goede vrouw weder in een toestand van stompzinnige verdooving, en verzocht dat men haar toch eens zeggen zou waar zij was. Als antwoord op deze vraag keerden de juffrouwen Cluppins en San ders hare hoofden om. en begonnen te schreien, terwijl de heeren Dodson en Fogg de eischeres smeekten om toch bedaard te blijven, Buzfuz wreef zijne oogen niet eene grooten witten zakdoek,en wierpeen veeibeierkenenden blik naar de jury, terwijl de rechter zicht baar ontroeide, en verscheidene aanschouwershunne aandoeningen door oen drogen kuch te kennen gaven, en tegelijk zochten te verbi iLren, |
SA Mi: F. L I\'ll \'K WIG IC.
|
.Dat hebben zij waarlijk schrander bedacht,quot; fluisterde 1\'erker Pickwick toe. „Die Dodson en Fopg zijn toch baz^n. Zij hebben er uitmuntend den slag van om elfect te maken.quot; Terwijl Perker sprak, en juffrouw Bardell langzaam weder bijkwam, nam juffrouw OIup pins den jongenheer Bardell bij de hand. en nadat zij zorgvuldig had nagezien of zijn buisje behoorlijk was toegcknoopt,plaatste zij hem op een paar schreden atstands, vlak voor zijne moeder, zoodat hij niet missen kon de aandacht en het mededoogen zoowel van den rechter als van de gezworenen op te wekken. Dit gebeurde echter niet zonder een heftigon tegenstanden vele tranen van den jongenheer zei ven, die waar-schu\'nlijk vreesde, dat deze ceremonie slechts rriic voorbereiding was, om hemoogenblikkelijk ter dood te lat\' ii brengen, of ten minsto voor zijn geheele leven gevarigen te zetten. „Bardell contra Pickwick!quot; riep de heer in het zwart, nadat hij op de lijst had gezien. „Ik ben de advocaat der eischeres,edelachtbare lu erlquot; zeide Buzfnz. „Wie is iiw assistent, collega Buzfuz?quot; vroeg dt- rechter. Skimpin maakte eme buiging, ten teeken dat hij de man was. ,,Ik ben voor den gedaagde hier verschenen, edelachtbaïe heer!quot; zeide Snubbin. ,Hebt gij een assistent, collega Snubbin?quot; vroeg de rechtei. „Mijnheer Phunky, lt;\'Jelachtbailt;\' hei-rlquot; „Phunky,quot; herhaalde de rechter, teiwyl hij de namen der advocaten opteekende. „Ik heb het immers wel? Ik heb nog nooit het genoegen gehad, don naam van mijnhi er te hooien.quot; Phunky maakte eem- diepe buiging, terwijl hij rood werd tot in het wit van zijne oogen, en een gezicht trachtte te zetten, alsof h\\i niet wist. dat icderron hem aankeek; eene poging, welke nog nooit iemand gelukt is, lt;;n naar alle waarschijnlijkheid nooit iemand gelukken zal, „Ga voort,quot; z.t-ide de rechter. N\'u weergalmde nogmaals het „stilte!quot; en daarop nam skimpin het woord, om den gi-z*.verenen een denkbeeld van de zaak te geven. Dit denkbeeld moét echter zeer flauw zijn geweest; want Skimpin vond goed alle bijzonderheden, die hem bekend waren, voor zich zeiven te houden, en toen hij, na verloop van twee of drie minuten, ophield met sproken, waren de gezwo-reiii-n nog omtrent even wijs als in het begin. Vervolgens stond Buzfuz op, met al de sta-tigheid, welke om den ernstigen aard der zaak gevoftlerd werd; en nadat hij oen oogenblik met de heeren Dodson en Fogu\'gefluisterd, ztin tabbaard opgehaald en zijne pruik rechtgezet had, richtte hij tot de gezworenen het woord. |
Hij begon met te zeggen, dat hem in den geb -elcn loop zijner praktijk — van het eerste oogenblik af, d:it hij zich aan de studie en beoefening der rechtsgeleerdheid had toegewijd geene zaak was voorgekomen, welke hem zulk eene diepe ontroering had doen ontwaren, of hem zulk een innig besef had ingeboezemd van de zware verantwoordelijkheid, welke hijopzuii had geladen, —eene verantwoordelijkheid, moest hij zeggen, tegen welker zwaarte zijne krachten niet bestand zouden zyn, indien lijj zich niet ondersteund gevoelde door de stellige overtuiging, dat de zaak van waarheid en recht, of, met andere woorden, dat de zaak van zijne be-leedigde, mishandelde en onderdrukte cliënte, zou zegepralen door de uitspraak van een twaalf tal edele en schrandere mannen, welke hy thans in die bank voor zich zag. De advocaten beginnen altijd op deze manier, dewijl zij zich daardoor op een goeden voet met de gezworenen plaatsen, die zich gestreeld gevoelen door de gedachte, dat men hen voor zulke knappe lieden houdt. ()ok ditmaal maakte deze toespraak een zichtbaren indruk, en verscheidene gezworen en begonnen aan teekeningen te maken. .Gij hebt van mijn geleerden vriend gehoord, mijne heeren!quot; vervolgde Buzfuz, ofschoon hij zeef wi l wist, dat zijn geloerde vriend eigenlijk niets gezegd had, „gij hebt van mijn geleerden vriend gehoord, dat de eischeres vergoeding vraagt voei het verbreken eenertrouwbelofte, en de schadevergoeding op vijftienhonderd pond begroot wordt. Maar gij hebt van mijn geleer den vriend, die zich tot de algemeene opgaaf der daadzaken bepaalde, de bijzondere omstan-digheilen niet gehoord. Ik zal u deze omstan digheden voordragen, mijne heeren\' — nietalleen voordragen, maar ook door de verklaring i ener boven alle verdenking verheven getuige bewijzen. „De eischeres. mijne heeren!quot; vervolgde Buzfuz met eene zachte en treurige stem is,,eene weduwe - ja, mijne heeren eene weduwe! Wijlen mijnheer Bardell is, nadat hy jarenlang de achting en het vertrouwen van zijn vorst, als ontvanger van deszeifs koninklijke inkomsten genoot, zacht ontslapen, om elders die rust en dien vrede te zoeken, welke het tolkantoor nimmer kan opleveren.quot; Bij deze aandoenlyke beschrijving van liet overlijden van mijnheer Bardell, die in eene kroeg, bij eene vechtpartij, door een slag met eene bierkruik een gat in het hoofd had gek re gen, en aan de gevolgen daarvan gestorven was, begon de stem van den spreker te beven, en met diepe ontroering vervolgde hij; „Kenigen tijd vóór zijn sterven had zijne gade bem een pand hunner liefde een knaapje-geschonken, Met dit knaapje, hét eenigaandenken van den dierbaren overledene, verwijderde juffrouw Bbrdell zich van de wereld, er. ver borg zich in de stille afzondering van Gos wellst reet\' en hier plaatste zij voor hot venster van hare beneden voorkamer een geschre |
DE ZAAK DER EISCHKRES \\V01!1
BEPLEIT.
\'2\' )5
|
ver. aankondiging, aldus luidende: „Gemeubi-leere kamers voor een ongetrouwd heer te huur.quot; Hier zweeg de spreker een oogenblik stil, terwijl verscheidene gezworenen de bewoordingen van het bijgebrachte documentopteekenden. „Er staat geen datum op; niet waar, myn heer?quot; vroeg een der gezworenen. „Neen, mijnheer!quot; antwoordde Buzfuz; „maar ik kan met volle overtuiging zeggen, dat het nu juist drie jaar geleden voor het venster dei-benedenvoorkamer van de eischeres werd geplaatst. Ik gevoel mij verplicht de aandacht |
ik hulp en troost te wachten; in ongetrouwde heeren zal ik bestendig iets vinden, dat mij ! herinnert wat mijn Bardell was, toen hij mijn i jeugdig hart wist in te nemen; aan ongetrouwde j heeren zal ik derhalve mijne kamers verhuren.quot; j Door deze treffende en aandoenlijke gedachten geleid, gedreven door aandoeningen, we\'.ke tot de edelste behooren, waarvoor onze onvolmaakte natuur vatbaar is, — droogde de eenzame weduwe hare tranen, meubileerde hare kamers op de eerste verdieping, drukte haar knaapje aan hare moederlijke borst, en plaatste |
Ier gezworenen op de bewoordingen van dit de aankondiging voor het venster linrorbencdf
l ....... ■ • ■ • - - . . . - « V...». a i,, , * ■ 1 I - 1 \' I I I ( I 1 ■ J. M lt; 1 1 V 4 t 1 1
111 uinent te vestigen i „Oemeubih-erde kamers voorkamer. Bkï»,d (Ji- aankondiging daar lang\'^
voor ecu ongetrouwd heer!quot; Juffrouw Bardell\'a Neen! De slang loerde reeds op haar prooi
elden van het andere geslacht, mijn heef- do lont brandde reels Jo mijn was reeds
aren uit nrnn l;i n \'(! 11 rio-.. Iu.^r-lwm \\vi m»* \\ «U. 1................i,. ♦
Ie boosheid was reeds aan he werk, Ivt drie dagen - slechts drie dagen mijne heeren! verloopen waren, kwam er een schepsel op twee beenen dat naar den ui terlij ken schijn een man, geen gedrocht go leek en klopte aan de Kinsdeur van juffrouw irdell. Hij deed navraag, huurde de kamers betrok die
vr
waren uit eene langdurige beschouwing gegraven \'\'\'T uitmuntende eigenschappen van haar ver-\'quot;t en echtgenoot voortgesproten. Zij kende gei ui geen wantrouwen — geene achterdocht;
z\'j was yoJ argelooze gerustheid en vertrouwen,quot;
■Mijn Bardell,quot;zeidede Weduwe, „mijn Bardell quot;■vas een man van eer mijn Bardeii was een quot;\'•in van zijn woord mijn Bardell was gewi (
verrad
ngetrouwd heer; van ongetrouwde heeren heb
------ reeds den volgenden dag Die
Bardell was ook eens een man was Pickwick -■ Pickwick, do gedaagde,quot;
De spreker, die zich bloedrood had ge-
SAML\'KI. PICKWICK.
2( iü
|
schreeuwd, zwoeg hier ee» oogenklik stil om :ideni tr haltiii. Deze stilte doed rechter Stare-leigli wakker worden, dio terstund ineteene pen zonder inkt iets opsc\'hreef, en een zeer bedenkelijk gezicht zette om de gezworenen in de verbeelding te brengen, dat hij met gesloten oogen zet-r diepzinnig had nagedacht. Buzt\'uz vervolgde: „Van dezen Pickwick zal ik slechts weinig zeggen. Het oiulerw» rp in niet zeer uitlokkend; en ik, inijite heeren! ben de. man niet, en ook gii, mijne heeren, zijt de mannen niet, om met genoegen to verwijlen by een tooneel van gruwzame hardvochtigheid en stelselmatige schurkerij.quot; Pickwick, dio reeds eene poos als op brandnetels had gezeten, vloog thans op, alsof hij een plotselingen aandrang gevoelde, om den redenaar, ten aanzien van liet geheele Hof\', op het lijf te vallen. Perker hield hem echter, ofschoon met veel moeite tegen, en nu luisterde hij naar het vervolg der redevoering met een blik van verontwaardiging, welke ni\' t dn opge-togt nheid der juffrouwen Cluppins ra Sanders een bijzonder sterk contrast vormde. „Ik /.fg stelselmatige schurkerij, mijne In-er-ren!quot;zeide Buzfuz, terwijl hij zich zeer in het oou loopend tot Pickwick wi-ndde, ,.en inc\'ien Piek wiek, de gedaagde, hier aanwezig mocht zijn, gelyk men mij gezegd heelt dat het geval is. moet ik hein zeggen, dat het welvo-.-geiijker zou zijn geweest, en hij int er verstand en minder onbeschaamdheid zou getoond hebben, indien hij weggebleven was. l.k moet hem zeggen, mijne heeren! dat alle leekenen van mis-i! quot;Uen of bevret indiiii:. welke hij zich in ilit gerechtshof mocht veroorloven, u niet zullen misleiden: dat Lnj wel weet, waarvoor zulke tcfkeiieu té houden zijn; en verder moet ik hem zeggen, mijne heeren! _vlijk de edelachtbare heer rechter u zegiren zal, dat i1en bedienaar des rechts zich, bij de vervulling van zijn plicht, deer geene dreigende blikken of gebaren \'laat verschrikken of tot zwijg.-u brengen; en dat elke poginc, om zulks te doen, op lo t hoofd van hem. die dit wagon durft men, hij moge eischer moge Pickwick, ot\' Brow son heeten.quot; huis kc n, hij f Stih-s, of Thomp- U\'- iaa. had natuurlijk het :r oogen op Pickwick langzarnerheid van waardieing, en ver- 1 )e itw IK zal •k twee i, in linen. II lien gehe \'.ijn eten wanneer wi ze W( weiding iel, om alle H izfiiz daaMn-ner edele veron |
klein verstelde, het opmaakte als het terugkwam, en in een woord zijn vole vertrouwen genoot, Ik zal u bewijzen, dat hij haar zoontje dik wijls geschenken gaf, en door eene getuige wier verklaring mijn geleerde vriend onmogelijk zal kunnen tegenspreken id\'verzwak ken, doen bevestigen, dat Pickwick het knaapje eens vriendelijk indewangen kneep, en hem vroeg of hij nog wel alikas-sen had, welke, naar ik vernomen heb, eene bijzondere soort van knikkers zijn, — en dal Pickwick zich vervolgens van deze merkwaardige uitdrukkingen bediende: „Hoe zou het u aanstaan als gij\' eens weer een vader kreegl ?quot;..... ik zal u verder bewijzen, mijne heeren! dat Piek wiek, omstreeks een jaar geleden,eensklaps uithuiziger begon te worden, en voor langen lijd uit de stad ging, als ware hü voornomens langzamerhand zyn omgang met. de eische: es af te breken; maar tevens zal ik u doen zien, dat zijn bt sluit toen nog niét vast genoeg stond, of dat zijn beter gevoel indien hij het bezit hem overwon, of dat de deugden en talenten der eischeres hem zyn laaghartig voornemen deden vergeten; want ik zal u duidelijk bewijzen, dat hij, bij zekere gelegenheid, toen hij weder in de stad was bekomen, haar een onbewinpeld huwelijks voorstel heeft gedaan, hoewel hij vooraf had zorg gedragen, dat er bij deze plechtige verloving geene getuigen tegenwoordig waren. Deze omstandigheid zal ik boven allen twijlel verhellen, door de getuigenis de ongewillige, zeer onge willige getuigenis, mijne heeren ! — van drie zij-ntfr vrienden, welke op dien ochtend gezien heb ben, dat hij de eischeres in zijne armen hield gesloten en door vriendelijke woordenen liefkoo zingen hare ontroering trachtte te doen bedaren.quot; Dit gedeelte der redevoering had een zichtbaren indruk op het gehoor gemaakt. De rede naar haalde twee stukjes papier te voorschijn,en vervolgde: .. F.n nu mijne heeren! nog slechts een enkel woord. De partijen hebben briefwisseling gehou den. Kr zijn nog twee brieven voorhanden, onloochenbaar door de hand van den gedaagde •-\'■■schreven, en die meer zeggen dan geheel\' boekdeelen zouden kunnen doen. In deze brieven ziet men het geheele karakter van den man bloot-gelegd. Hut zijn geene openhartige, vurige ontboezemingen van hartstochtelijk gevoel:inteken-deel. het zijn bedek te,geheim zinnige wen ken. maar uit wier met sluwe dubbelzinnigheid gekozene bewoordingen gelukkig veelmeerisop temaken, dan wanneer zij de teederste betuigingen en \\ erkia ringen behelsd en. Deze brieven moeten met een nauwlet tend, achterdochtig oog onderzocht worden; want blijkbaar had Pickwick reeds toen hij z.e schreef hot oogmerk, om een dorden, wion zij toevallig in handen mochten komen te mis leiden en \'• blinddoeken. De eerste luidt aldus: „dar ra way, twaalf uur. Lieve juffrouw 15. Coteletten en somata saus, de uwe. Piek- |
1
eii bedaarder toon:
vi bewijzen, rnijne heeren! dat Fick-;aren lang.zondereenige tusschenpoo-■ huis van jnffronw B.irdell is blijven zal u bewy zen, dat juffrouw Hardell, -e n tijd lang. hc-m oppakte,bediende, klaar m lakte, ziin linnen uitzocht, i- waschvrouw het kwam halen,hei
GETUIGENIS VAN JIJFFKOUW CI.Ul\'PINS.
wiek. \' Wat beteekent dit, mgne heeren ! Cote- \\ zonder een zucht te slaken, de ellende welke hij
letten t-\'ii tomata • saus. De uwe, l\'ickwick. ( heelt aungt/fifdit. E^ne se.luidevei\'i^oediiig, inyne
leltenl Barmhartige hemel! En tomata-saus! hoeren! - eene zware schadevergoeding is do
Mijne heeren! moet het geluk en de zielsrust eenige straf, welke gy\'hem kunt opioggeii, de
eener deugdzame en argelooze vrouw door zulke eenige voldoen,ng, welke«g de rainpzaïigeéische-
armzalige kunstgrepen verstoord worden; — : reskunttoewgzen. En zulk een .schadevergoeding
Het tweede briefje heelt geenedagteekening. verwacht zij thans van edele, rechtsc iiapemquot;
„Lieve juflrouw B. Ik zal niet voor morgen grootmoedige, rechtvaardige schrandere en me-
tehuis komei). Langzame wagen.quot; En dan volgt delijdende gezworenen, hare beschaafde land-
dit opmerkelijk gezegde; „Over de beddepan genooten.quot; Na dit welsprekende slot zijner rede
behoeft gij niet ongerust te zijn.quot; De beddepan ! zette Sergeant Bu/.fuz zich neder terwijl
Ik vraag u, mijne heeren ! wie was ooit ongerust rerhter Stareleigii wakker werd.
over eene beddepan? Wanneer werd iemands „Roep Elisabeth Cluppinslquot; zeide Buzfuz,na |
ji\'inoedsrust door eene beddepan gestoord? een oogenblik rust wed^r opstaande.
Waarom zegt hij zoo uitdrukkelijk, dat j utlroiiw De naastbystaande deurwaarder riei): „Elisa- !
Bardell niet ongerust behoeft te zijn over die beth Tupkins!quot; de i.weedn, een weinig verder, i
be\'ddepan, zoo dit niet, waaraan ik niet twgfel, veranderde dezen naam in Klisabeth Jubkins; i
bedekte uitdrukking is om een verborgen en de derde, bij de deur, schreeuwde zoo hard\'
•rloed te kennen te geven - of eene spreekwijze, j hy kon; Elisabeth Mutllns!quot;
om eene vroeger gedane belofte aan te duiden, Intusschen was iullrouw Cluppins, tnol bij-
vvaarschgnlgk overeenkomstig eeneafspraaktot stand der heeren Dodson en Eogg, in\'de getu\'i- ;
geheime briefwisseling, waarmede Piek wick ten genbank geklommen, de juffrouwe\'u Bardell en j
\'quot;.gmerk had om haar ongehinderd tekunnen ver- Sanders bleven onder aan de trap gereedstaan. !
; tten, maar waarvan ik geene nadere verklaring om haar, zoo het noodig was, met eau de i
kan geven. Hu wat beteekent dat „langzame Cologne en spiritus hij te springen.
wa-i-n?quot; Ik weet niets anders dan dat Pickwick „Wees bedaard, juflrouw cluppins!quot; zeide
daarmede zich zeiven bedoelt; en niet zonder Buzfuz; en het natuurlijk gevolg dezer aanma-
ied.-n geeft hij zieh dien naam, want dat hij ning was, dat zij oogenblikkelijk nog veel har-/.u\'k eene langzame wagen geweest is, daarin , der begon te snikken en er zieh zeer onrust
iigt zyne schuld; maar ik twijfel niet, mijne barende teekenen vertoonden, dat zij op hel
in-eren! of hij zul tot zijne schade ondervinden, punt was van flauwvallen.
\'ie ! hij beter zou gedaan hebben, indien hij zijné ,. Bedenk u eens, jufïrouw Cluppins!quot; zeide
welen had gesmeerd.quot; Buzfuz, na eenige onverschillige vragen, „of gij
!)e redenaar zweeg hier een oogenblik, om te niet op zekeren morgen in de achterkamer van
P\'u ot de gezworenen om zijne grap zouden juflrouw Bardell zijt geweest, terwijl uwe vrieie
edien; maar toen niemand er eenige aardigheid din de kamer van ingnhoer l\'ickwick stofte.quot;
Jquot; ■quot;\'quot;I-u te vinden, behalve een groentever- .iJa wel,quot; antwoordde juflrouw Cluppins; ,dat
koepei, die misschien op dit punt bgzonder prik- weet ik nog wel.quot;
k\' :igt;aiirwas,dewül hii dien morgenjuistde wielen „Die kamer Was vlak achter de- kamer van
■ ni zijn kar gesmeerd had, aelne Buzfuz liet mijnheer Pickwick, niet waar?quot;
ra ■ Izaam, eerst nog wat aandoenlijks te zéggen, „Ja wel, mijnheer!quot; was het antwoord,
quot;quot;\'\'dal hij zijne rede besloot „Wat deed gij in die achterkamer juffrouw?quot;
) •Maargenoeg hiervan, mijne heeren !quot;zeide lig. viel rechter Stareleigh hierop in.
quot;\' is moeielijk te schertsen met weemoed ^Edölacbtl-ar- heer en heeren van de j u ry!quot; m net halt. De hoop en vooruitzichten mijner : antwoordde juflrouw Cluppins; „ik wil u niét ;
nte zijn verwoest en vernietigd, /ij heeft bedriegen.quot;
- n bordje aangeslagen «ui toch is zij „Dat zou ik u ook niet raden.juffrouw!quot;
\'teler commensaal. Ongetrouwde heeren, die zeide de rechter.
quot; juist zouden passen, gaan voorbij, maar „Ik was daar,quot; Ie mam juffrouw, „buiten
; «ee,ie vilt tioodiging om hare kamers te weten van juffrouw Bardell.\'ik was met mijn
\' in hare woning lieerscht e.-ne akelige mandje uitgegaan om drie pond aardappelen
\' zel.\'3 de stem van haar zoontje zwijgt; hij te halen, en die kostten toen fw.-een een halve
\'i-r\'et zijn spel. wanneer hij zijn moeder ziet penny, toen ik zag dat de deur van juffrouw
quot;\'\'men; hij denkt niet meer om alikassen of Bardell op een kier stond.....quot;
•mkkers. Maar Pickwick, mijne heeren! Piek „Op wat?quot; riep de rechter\'uit.
• ; K, do medoogeniqoze verwoester dezerhuise- „Gedeeltelijk openstond, edHaehtbarlt; heerquot;\'
ease in de woestijn van G os w el I s t re e t, zeide smibbin.
\'quot;•kwiek, die de bron van geluk heeft ver- „Zij zeide op een kier,quot; hernam de rechter
i11 1 |(;k wiek-, niet zijne veiaderlgketomata- met een wantrouwenden blik.
/ \'■ \'-n beddepan, Pickwick verheft nog met „Dat is hetzelfde, edelachtbare heer!quot; z.ildc quot;\'quot;\'\'onbeschaamdheid hethoofd,en beschouwt,1 Smibbin. De rechter scheen zeer te twijfelen,
208
en zeide dat hij het zou annteekenen; en daar- zijnde een veelbelovend jong advocaat van twee
op vervolgde Jullrouw Cluppinsl of drie en voertif.\'Jaren, die natuuriyk zijn best
„Ik ging naar binnen, mijuheer! om eens deed om een getuige, van wien iedereen wist,dat
even goeden morgen te wenschen, en toen ik hij gunstig voor de tegenpartij gestemd was,
juffrouw Bardell niet beneden vond, ging ik de van zijn stuk te brengen.
trap op. en zoo kwam ik in de achterkamer, „Nu, mijnheer 1quot; zeide Skimpin: „zoudt gij en toen hoordeikstemnieninde voorkamer,en...quot; : nu wel zoo goed willen zijn, om den edelacht-
„Eu toen hebt gij geluisterd, niet waar, juf- baren heer rechter en de heeren van de jury frouw?quot; zeide Buzfuz. ; te zeggen hoe gij heet?quot; Hij boog zijn hoofd
,.lk vraag wel excuus, mijnheer 1quot; zeide juf- op zijde, om scherp op het antwoord te letten,
frouw üluppins. „Voor zoo iets zou ik mij veel en wierp de jury een blik toe, waarmede hij
te goed rekenen. De stemmen waren zoo hard scheen te willen zeggen, dat men van de getuige
mijnheer! dat ik ze wel hooren moest, of ik niets dan leugens had te verwachten, en hij
wilde of niet.quot; waarschijnlijk zou beginnen met een valschen
..Nu goed, mejuffrouw Cluppinsl Gij hebt naam op te geven\'.
| al zo o niet geluisterd, maar toch verstaan wat ,.Winkle,quot; was het antwoord.
er gezegd werd. Behoorde e.-n van die stem- „Hoe is uw voornaam, mijnheer,quot; vroeg de
men aan mynheer Pickwick\'?quot; kleine rechter netelig.
„Ju, mijnheer!quot; „Nathaniel, mijnheer!quot;
En nu verhaalde juffrouw Cluppins zeer 1 „Zoo, Daniel. Geen anderen naam?quot;
langzaam en tot antwoord op eene menigte Xathaniël, mijnheer! — edelachtbare heer
vragen, het gesprek tusK-hen Picls wick i n juf- wil ik Z\' ggen.quot;
frouw üardell, mquot;t welk-; inhoud de lezer reeds „Nathaniel Daniël of Daniel Xathaniël?quot;
| bekendis. _ „Neen, edelachtbare heer! enkel Xathaniël -
De gezworenen schenen nu kwaad vermoeden ik heet geen Daniël.quot;
j te krijgen, en Buzfuz zette zich neder. De ge- ; „Waarom zegt gil dan eerst, dat gij Daniel
zichten der leden van do jury werden zeer heet. mijnheer?quot; vroeg do rechter.
, bedenkelijk, toen snubblu zeide, dat hij de „Dat heb ik niet gezegd, edelachtbare heer!quot;
getuige geene vrau\'i-n hail te doen, on dat zijn antwoordde Winkle.
Client hem gemachtigd had om ie verklaren, „Dat hebt gij wel, mijnheel-!quot; zeide derech-
dat het verhaal van juffrouw (\'luppius over het ter met een gramstorig gezicht. „Hoé zou ik
geheel waarheid behelsde, Daniel hebben kunnen opschrijven, als gij het
Nu het ijs eens gebroken was, scheen juf- niet gezegd hadt, mijnheer?quot;
! frouw Cluppins deze gelegenheid voor zeer ge- Tegen dit argmm-nt was niets in te brengen,
schikt te houdi-n, um e. n kort v. i ~laj van hare „Mijnheer Winkle heeft geen al te best, g«-
eigene huiselijke omstandigheden te geven. Zij heugen, edelachtbare heer!quot; zeide Skimpin, nog-
begon niet liet Hof te onderrichten, dat zfl eene maals een blik naarde jury werpende: „maar
! moeder van acht kinderen was, en hoop koes- ik denk, dat wij het we] wat voor hem zullen op-
terde om haar o-htgenoot over een maand of frisschen, voordat wij met hem gedaan helijien.quot;
zes met ee-n negendquot; te verblijden. Haar belang ..Ik zou u raden voorzichtig te zijn, mijn-
wekkend verhaal werd eehier door deu onge- heer!quot; zeide de rechter, met een onheilspellen-
dnldigen rechter afgebroken, die zich over hare den blik op den getuige.
spraakzaamheid zoo driftig maakte, dat hij bevel De arme Winkle \'naakte eene buiging, en
gaf om haaf, zoowel als juffrouw Sanders, uit trachttquot; een onbekonimerd gezicht te zotten,
de zaal te verwijderen; waarop de dames op hetgeen, in zijne tegenwoordige benauwdheid,
eene ze-T beleefde manier door Jack-\'ori werden hem volmaakt het voorkomen gaf van een be-
: uitgeleid. trapt\'n zakkenroller.
.Nathaniel Winkle!quot; riep skimpin. ..Nu, mijnheer Winkle!quot; zeide skimpin; Kluis-
„Hier,quot; rii.-p eene flauwt- stem. Winkle klom ter nu eens naar mij, als het u belieft, en
op de bank der getuigen, en nadat hij d\'-n eed veroorloof mij, tot uw eigen bestwil, u aan te
had afgelegd, maakte hij •■.•ie jfrer eerbiedige raden om dè waaistdiuwing van den edelachtba
buiging voorden lerhter. ren heer rechter in acht te nemen en voorzich-
„Zigt;\'niet naar mij, mijnhei r!quot; zeide de rechter tig te zijn. Gij zijt, geloof ik, een bijzonder
vinnig, tot antw.iord op iez.en beleefden groet, vriend van mijnheer Piekwick, den gedaagde.
../. lt;• naar de jur.v.quot; Is dat niet zoo?quot;
Winkle gehoorzaamde, en wendde zich naar „Dat ik mijnheer Pickwick heb gekend, zal
den kant, waar hij d e;ht d- jur\\ wezen zou; nu omtrent.....quot;
want zijn* ontroering en verlegenheid waren .Als ik u verzoeken mag. mijnheer Winkle!
/•••• groot, dat iets te zien e.-n Vidslagene on- tracht de vraag niet te ontduiken. Zijt gij een
mogelijkheid voor hem was. bijzonder vriend van den gedaagde, of niet ?quot;
Daarop werd hij ondervraagd do o-skimpin, „Ik .wilde juist zeggen, dat . . . .quot;
WINKLE WORDT ONDERVRAAGD. 209
|
„Wiit yij myne vraag beantwoorden, of niet, in ij ii lieer?quot; .Indien gij niet antwoordt, zal ik uin hechtenis laten nemen, mijnheer!quot; snauwde de kleine rechter. „Komaan, mijnheerIquot; zeide Skimpin. ,,Ja ot\' neen, als \'tubelieft!quot; „Ja,quot; zeide Winkle. |
„En waarom hebt gij mij dat niet dadelijk gezegd, mijnheer? Misschien kent gij deeische-res ook wel — zeg mijnheer Winkle!\'\' herhalen wat ik vraag.quot; Hierbijzeitedegeleerde heer zijne handen in de zijden, en keek met een wantrouwenden glimlach naar de gezworenen. Deze vraag gaf aanleiding tot eene reeks van in dergelijke gevallen zeer gewone brutaliteiten. Eerst zeide Winkle, dat hij niet wist hoe vele malen hij juffrouw Bardell gezien had. Daarop werd hem gevraagd, of hij haar twintigmaal had gezien, waarop hij antwoordde: „Ja, wel meermalen.quot; En nu vroeg men, of hij haar dan wel hondermaal had gezien, of hij zweren kon. |
|
-Ik ken haar niet — ik heb haar wel gezien.quot; Zoo! Gij kent haar nii-t, en gij hebt haar • gezien. Zoudt gi, wü! zoo got.-d willi ii zijn {lt;■ hoe gij dat meent, mijnheer Winkle ?quot; „Ik meen, dat ik gexm goede kennis van haar ben, maar haar wel eens gezien heb, als ik mijnheer l\'ickwick kwam bezoeken.quot; „Hoe dikwijls hebt gij haaf gezien, mijn- -Hoe dikwijls?quot; ■bi, mijnheer Winkle! Hoe dikwijls ? Al gij zulks verlangt, wil ik wel twaalfmaal voor u Dk k ! Ns, Sa mi ri I\'ickwk k. |
dat het meer dan vijftigmaal was gewirst. of hij niet wist, dat hij haar ten minst:»,\'vijf\'en zeventig malen had gezien, en zoo voorts: het slot van dal alles was, dal hij gewaarschuwd werd om voortaan bedachtzamer te zijn en ti letten op hetgeen hi,j deed. l\'oen dt getuigeop deze wijze geheid van zijn stuk was gebracht, werd het verhoor aldus voortirezet: „Herinnert gij u ook, mtjnhei-r Winkle! dat gij den gedaagde op zyne kamersin (i os wel 1-street hebt bezocht, op zekeren bijzonden n morgen, in de maand Juli van het v rieden.iaar?quot; I gt; |
SAMl\'EL PICKWICK.
|
„Ja wel.quot; „HadL gy toen niet twee vrienden bij n, die 1 Tupinlgt;n en Stock wall heeten?quot; „Ja.quot; „Zijn /.ij hier.quot;\' „Ja, Zij ...belt;,\'on Winkle, zich met een ; angst val lii^en blik naar de plek keerende, waar j zijne vrienden stonden. „Zie naar mij, als \'t u belieft, mijnheer Winkle! en niet naar uwe vrienden,quot; zeide Skimpin, nogmaals de gt-zworenen een yeelbe-teekenenden blik toewerpende. „Zij moeten zeggen wat zij weten, zonder eerst met u af te spreken, indien dit niet rends gebeurd is.quot; Uier zag hij nog eens naar de jury. ..Zegnu, mijnheer! wat zaagt gij. toen gij dien morgen de kamer van den gedaagde binnenkwaamt? Kom it maar mrde voor den dag, manheer! Het moei toch vrogt; ger ol\' later uitkomen. „Mijnheer Pickwick, de gedaagde, hield de eischeres in zijne armen, met zijne handen om haar middel,quot; antwoordde Winkle aarzelend; „en de eischep s sele en Hauw te wezen.quot; „Hebt gij toen den gedaagde iets hooren zeg-ien ?quot; „Ik hoorde hom tegegt;n juffrouw Hardell zeggen goede vrouw,quot; en haar verzoeken om bedaard t» /ijn, want wat men wel denken zou als er iemand kwam, of iets dergelijks.quot; „Nu heb ik u nog slechts t\'i iié vraag te doen, unijnht-er Winkle! en verzoek u daarbij aan de waarschuwing van den edelachtbaren heer rechter te d\'-nken. Zoudt gij kunnen zwei en, dat I \'ick wiek de gedaagde, bij die gi h-uenheid niet, zeide ; „Lieve juffrouw Hardell! wees toch bedaard; gij zult immers mijn vrouw worden.quot; of iets dergelijks ?quot; „Dat dat heb ik niet verstaan,quot; zeide Winkle, vol verbazing over deze aanvulling van zijnge-zeurde. „Ik was op de trap, en kon hein niet di.; lelijk hooien; maar ik geloot...quot; „iJi heeren van de jury behoeven niet te weten wat Lrii gelooft.quot; viel Skimpin hem in d\' rede, „itij waart dus op de trap, en kon It niet duidelijk hooren; maar -ij wilt niet zwe ren, dat Pickwick deze woorden niet gebe-zi-1 heetiquot; is her niet zooOf wilt gij erop zweren ?quot; „N\'eon, ncii! antwoordde Winkle; en Skim-pin ite zich met een zegepialenden blik neder, Ue z.iak van den got igt; n l\'ickvvick had thans zulk ••.■n verdacht voorkomen gek reuen, dat l\'hiink ■. begreep zijn best tr moeten doen om • lquot;n -\'eda ig-ie in een eenigszais voordeeliger liciiT te plaatsen. lUi stond derhalve op, om op zijne beurt Winkle te ondervragen, iu de hoop, dat hij d\' zen iels van belang zou doen zi giren. Of hem dit -\'eiukte, zal spoedig blijken. Jk trei gt;of, mijnheer Winkle.quot; zeide Phunky, .. la* iiiijnbeer i\'ickwick nier, jomr meer is?quot; |
,Wel neen,quot; antwoordde Winkle; „hij is oud genoeg om mijn vader te wezen,quot; „Gij hebt mijn geleerden vriend gezegd, dat gij mijnheer Pickwick lang gekend hebt, Hadt gij ooit roden om te denken of te vermoeden, dat ; hij zou gaan trouwen?quot; „Neen volstrekt niet,quot;antwoordde Winkle, zoo I haastig, dat Phunky wel zou gedaan hebben, 1 indien hij hem terstond had laten heengaan. Advocaten zeggen, dat er twee soorten van slechte getuige zijn: onwillige en al te gewillige. Het was het lot van Winkle, van het eene uiterste in het andere te vallen. „Ik moet nog verder gaan, mijnheer Winkle!quot; zeide Phunky. met de uiterste beleefdheid. „Hebt gij in het gedrag en de handelwijze van mijnheer Piek wiek jegens de andere sekse ooit iets gezien, dat u kon doen vermoeden, dat hij, in welk geval ook, aan een huwelijk dacht?quot; ..Neen, volstrekt niet,quot; antwoordde Winkle, „Was zijn gedrag, ten opzichte van vrouwen, altijd dat. van een man, die, nu op zekere jaren gekomen zijnde, zich vergenoegt met zijne bezigheden en vermaken, en met vrouwen eveneens omgaat, als een vader met zijne dochters zou omgaan ?quot; „Ongetwijfeld,quot; antwoordde Winkle in de volheid van zijn hart, „Ik meen ja-jazeker,quot; „Hebt gij in zijn gedrag jegens juffrouw Bar-de 11 of eenige andere vrouw nooit iels bespeurd, dat u verdacht voorkwam?quot; zeide Phunky, zich gereed makende om te gaan zitten want Sergeant Snubbin wenkte hem. „Ne ~ neen,quot; antwoordde Winkle; „een enkel geval uitgezonderd; maar ik twijfel niet, of dat zou gemakkelijk op te helderen zijn,quot; Dit noodlottige antwoord zou Winkle niet ontvallen zijn. indien de ongelukkige Phunky was gaan zitten toen Snubbin hem wenkte, of indien Buzfuzzich terstond tegen het onregelmatig verhoor van Phunky had verzet, hetgeen hij echter met voordacht niet had gedaan, daar hij zag hoe Winkle zich overijlde, en hoopte, dat hij iets zeggen zou, hetwelk hem voordeelig zou kunnen wezi n Zoodra de woorden Winkle\'s lippen ont-sivipt waren, zette Phunky zich neder; en Snub bin riep Winkle tamelijk driftig toe, dat hij kon heengaan, hetgeen deze terstond wilde doen, toen Buzfuz hem tegenhield. „Wacht een oogenblik, mijnheer Winkle!quot; zeide Buzfuz. „Zou de edelachtbare heer rechter de goedheid willen hebbenden getuige te vragen, waarin dat. enkele gevai bestond, dat hem in het gedrag van dien heer, die oud genoeg is om zijn vader te wezen, verdacht voorkwam?quot; .GÜ hoort wat d^ geleerde heer zegt, mijn-le ei\'quot; zeide de rechter, zich tot dendoodelijk ontstelden Winkle keerende, „Waarinbestond die verdachte omstandigheid!quot; |
I
SAM TREEDT ALS GETUIGE OP. 211
|
.Edelachtbare heer!quot; zeide Winkle bovendo : van angst. „Ik wilde er liever van zwijgen.quot; „Dat geloof ik wel,quot; hernam de rechter; „maar gij moet het zeggen.quot; Onder de diepe stilte van alle aanwezigen, verhaalde Winkle stotterend, dat die verdachte omstandigheid niets anders was, dan dit Piek-■ wiek, te middernacht in het slaapvertrek van | oene dame was ontdekt, hetgeen, naar hij ge-j loofde, was uitgeloopen op het afspringen van liet huwelijk der bewuste dame, en aanleiding | had gegeven, dit wist hij zeker, dat het geheele gezelschap met geweld voor den Mayor en vrederechter van Ipswich was gebracht. „Gij kunt heengaan, mijnheer!quot; zeide Snub-j bin. Winkle kloih van de bank, en ronde als j waanzinnig de zaal uit en naar de Witte An nd, waar hij eenige uren later door een oppasser werd ontdekt, die hem akelig ker-i mende, met zijn gezicht in de kussens eener i sofa gedrukt, vond liggen. Tupman en Stockwall werden vervolgens één voor één opgeroepen. Beiden bevestigden de verklaringen van hun ongelukkigen vriend, en ook i beiden werden door de vragen waarmede men I hon pijnigde, bijna tot wanhoop gedreven. Susanna Sanders werd toen geroepen, om , eerst door Buzfuz en vervolgens door Snubbin ondervraagd te worden. Uit hare antwoorden bleek, dat zij altijd gezegd en geloofd had, dat I Pickwick met julfrouw Bardell trouwen zou; i dat na het flauwvallen in .Inli, de geheelo buurt over dir huwelijk den mond vol had gehad; dat j zij er zelfs juffrouw Mulberry, de mangelvrouw, \'ii juffrouw Bunkin, do strijkster, van had hoo j ren spreken, en dat hut haar verwonderde, dat zij deze juffrouwen niet in de zaal zag; datzij i Pickwick den kleinen jongen had hooien vra-! gen, of hij niet gaarne weereen vader zou wil 1 len hebben; dat zij niet wist, dat juftrouw i Bardell toen met een bakker verkeerde, maar wel wist, dat de bakker toen vrijgozel was en tegenwoordig getrouwd is; dat zij nief bezweren wilde, dat juffrouw Bardell niet veel vau den bakker hield, maar dacht, dat de bakker niet veel van juffrouw HardHI hield, omdat hij anders g ene andere zou getrouwd Imbben; dat zij dacht, dat juftrouw Bardell was Hauw gevallen, omdat Pickwick haar vt rzocht den trouwdag te bepalen, dewijl zij (getuige) ook was flauw gevallen toen mijnheel Sanders haar daarom vroeg, en meende, dat Ie f met iedere fatsoenlijke vrouw zoo gaan moest; dat zij Pickwick met den kleinen jongen over knikkers bad hooren sproken, maar niet onder eede durfde verklaren, wat eigenlijk een alikas was. Op « enige vragen van den lechferantwoorddezij, datzij, toen zij met münheei Sanders verkeerde ook minnebrieven van hem ontvangen had. evenalsan-dere fatsoenlijke meisjes; dat mijnheer Sanders haar in die brieven dikwijls boutje had genoemd, maar nooit coteletje of tomata-saus; dat hij veel van schapebout hield, en misschien indien hij zooveel van coteletten en tamata-sous had gehouden, haar ook wel die naampjes zou gegeven hebben. |
Nu verhief zich Buzfuz met nog meer deftigheid, zoo dit mogelijk was, dan te voren, en schreeuwde: ,Roep Samuel Weller!quot; Dit was onnoodig; want zoodra Sam zijn naam hoorde noemen, wipte hij vlug op de bank, legde vervolgens zijn hoed naast zich op den grond, plaatste zijne armen op de leuning, j en keek van zijne verheven standplaats, met j een zeer vriendelijk en vergenoegd gezicht in het rond. „Hoe heet gij, mijnheer?quot; vroeg de rechter. „Sain Weller, edelachtbare heer!quot; was hef antwoord van Sam, die zijn naam als een echte Londenaar, zoo uitsprak, dat men niet onderscheiden kon, of hij Weller of Voller zeide. . Wordt uw naam niet eene V of eene W geschreven?quot; vroeg de rechter, „Dat ligt volkomen van den smaak en het be- j lieven van den man, die hem spelt, edelachtbare ! heer!quot; antwoordde Sam. „Ik zelf ben maar een ! paar malen in mijn leven in de gelegenheid ge- | weest om mijn naam te spellen, en toen heb ! ik het met eene W gedaan.quot; Hier riep eene stem van de galerij: „Hecht I zoo, Sample! — Zet eene W, edelachtbare heer! j zet eene W.quot; „Wie is dat, die het hóf durft storen?quot; riep | de kleine rechter, naar omhoog ziende. „ Deur- j waarder!quot; „Ja, edelachtbare heer!quot; „Breng dien man terstond hier.quot; Maar dewijl de deurwaarder den man niet vin- 1 den kon, was het ook onmogelijk hem voor den rechter te brengen; en na eene groote opschud- { ding, gingen allen, die waren opgestaan, om te ! zien wie daai geroepen had, weder zitten. Zoodra zijne verontwaardiging hem weder toeliet te | spreken, wendde de kleine rechter zich tot den getuige, en vroeg: „Weet gij wie dat was, mijnheer?quot; „Ik zou haast denken, dat het mijn vader was, ; edelachtbare beer!quot; antwoordde Sain. „Ziet gij hem nog hier?quot; vroeg de rechter. „Neen, edelachtbare heer!quot; antwoordde Sam. terwijl hij strak naar den zolder keek. „Als gij hem hadt kunnen aanwijzen, had ik hem terstond in hechtenis laten nemen,quot; zeide I de rechter. Sarn maakte eene dankbare buiging, en keerde zich met een even vriendelijk gezicht tot Buzfuz. „Nu mijnheer Weller!quot; zeide Buzfuz. Nu, mijnheer!quot; hervatte Sam. , Ik geloof, dat gij bij mijnheer l\'ickwick, den gedaagde, in dienst zijt? Spreek wat hard, mijnheer Weller!quot; „Ja wel, mijnheer! ik zal wel maken, dat gij |
8A.MI KL I\'ICKWR\'K.
•J 12
|
mij goed hooren kunt,quot; zeide Sani. „Ik ben in , dienst bij mijniicer Pickwick: en het is wat een kostelijke dienst.quot; ,,Weinig te doen en veel fooien, deuk ik?quot; zeide Buzfuz schertsend. „O ja, mijnheer!quot; antwoordde Sam, „fooien genoeg, zooals de soldaat zeide, toen hij honderd en vijftig stokslagen moest krijgen,quot; „Gij behoeft ons niet te zeggen, wat de soldaat of iemand anders zeide,quot; viel de rechter ; hierop in, „Gij moet niet verder antwoorden dan ii gevraagd wordt,quot; „Zooals \'t u belieft, edelachtbare heer iquot; zeide Sam, „Herinnert gij u, dat er iets bijzonders plaats had op den morgen, toen ge bij tien gedaagde in dienst kwaamt zeg, mijnheer Weller?quot; vroeg Hu/.fuz, „Ja wel, mijnheer!quot; antwoordde Sam, „Wees zoo goed de jury te zeggen, wat dat was.quot; „Toen kreeg ik een heel nieuw pak kleeren, heeren van de jury!quot; zei Sam; „en dat was in dien tijd iets heel bijzonders voor my,quot; Dit maakte een algemeen gelach gaande, en de kleine rechier keek met een gramstorig gezicht over zijn lessenaar heen, en zeide: „Ik zou u iaden om op te passen, mijnheer!quot; „Dat zeide mijnheer Pickwick toen ook edel- ; ai\'htbare heer!quot; z-ide Sam. „Kti ik heb er ook op gepast. Ik ben wat zuinig op dat pak ge- W.\'St,quot; De rechter staardi sam e ne poos zeer barsch aan; maar Sam\'s gezicht bleef zoo helder en bedaard, dat de r-chter niets zeide en Buzfuz een wenk gaf om voort Ie gaan. „Zoudt gij mij willen zeggeH, mijnheer Wel-Ut!quot; zeide Buzfuz, terw.d hij zijne armen over i elkander slo-g en zich half tot de j ury keerde, als wilde hij zijn» gewisheid te kennen geven, dat hij den getuige nog wel klein zoo krijgen; .zoudt ge mij quot;..iilen zeggen, mijnheer Weller! dat gij ïdets gezien hebt van dat flauwvallen van ie eischeres in de armen van den gedaagde, waarvan gij door de getuigen hebt hooren ver-liabrr?quot; Niets gezien, mijnheer!quot; antwoordde Sam, „Ik ben in d- gang gebleven, totdat zij mU riepen, en toen was de oude vrouw er niet meer,quot; „Bedenk u wel, mijnheer Weller!quot; zeide Buzfuz, ttTwjjl hij eene groote pon in den voor hem staanden inktkoker doopte, om Sain schrik i.iin te jatten met het denkbeeld, dat zünantwoord opgt -chreven zou worden. „Gij hebt in de gang gestaan, en toch niets gezien. Hebt gij ooiren, mijnheer Wt lier?quot; ..Fa wel. mijidieet ik heb oogen,quot; antwoordde San,; „eu dan zit juist de knoop. Als ik in pquot; lafs daarvan een paar verrekijkers 111 mijn hoofd had, zou ik misse.hien nog-niet eens door |
eene trap en eene deur kunnen zien; en met i gewone oogen — begrijpt ge wel? - gaat dat nog veel minder.quot; Op dit antwoord, dat zonder eenigen zweem van scherpheid werd uitgesproken, begonnen de toehoorders weder te lachen, terwijl de rechter glimlachte, en Buzfuz een zeer mal gezicht zette. Na een kort overlegg met Dodson en Fogg, wendde de geleerde heer zich tot Sam, en zeide : met eene pijnlijke poging om zijne spijt te verbergen: .mijnheer Weller! ik zal u nog eens iets vragen over een ander punt, als gij er niets tegen hebt.quot; „Zooals u wilt, mijnheer,quot; zeide Sam zeer goedhartig. „Herinnert gy u, dat gij op zekeren avond in November van het verleden jaar, bij juffrouw | Bardell aan huis zijt gekomen?quot; „Ja, dat kan ik mij nog best herinneren, mijnheer!quot; antwoordde Sam. „Zoo! herinnert gij u dat nog, mijnheer Weller?quot; zeide Buzfuz, weder moed scheppende. , „Ik dacht wel, dat wij eindelijk nog wat hooren zonden.quot; „Dat heb ik ook wel gedacht, mynheer!quot; zeide Sam, die door dit antwoord de toehoorders we- I der aan het lachen hielp, „Gij kwaamt zeker om over dit proces te spreken niet waar, mijnheer Weller?quot; zeide ! Buzfuz terwijl hij den gezworenen een veelbe- ; teekenden blik toewierp, „ik kwam eigenlijk om de huur te betalen,quot; j antwoordde Sam; „maar wij raakten toch ook | over dit proces aan het praten.quot; „Zoo!quot; zeide Buzfuz, zich verheugendèin het vooruitzicht eener gewichtige ontdekking. „Kn wat werd er over dit proces gesprokén? Wilt gij wel zoo goed zijn, dat eens ie verhalen?quot; „Met alle pleizier, mijnheer!quot; antwoordde Sam, „Nadat de twee eerzame juffers, die daar straks hier hebben gestaan, zoo het een en ander gezegd hadden, dat niets om het lijf had, begonnen zij zich machtig te verbazen over de ontzettende onbaatzuchtigheid van de heeren Dodson en Pogg die twee heeren die daar dicht bij u zitten.quot; Dit trok natuurlijk aller aandacht op Dodson en Pogg, die zulke deftige en bescheiden gezichten zetten, als zij slechts konden. „De procureurs der eiseheres,quot; zeide Buzfuz. „Zij spraken derhalve met lof over de onbaatzuchtigheid van de heeren Dodson en Pogg, niet waar?quot; „Ja wel,quot; zeide Sam. „Zij zeiden, datzij het zoo mooi van die heeren vonden, dat zij die-zaak op speculatie hadden ondernomon, gt; n voor al die kosten mets in rekening zouden brengen, als zij Pickwick het. geld niet konden uitknijpen.quot; Dit onverwachte ant woord deed alle aanschou-wers in laehen uitbarsten: Dodson en Fogg wer- |
UITSPRAAK TEX NADEELE VAN PICKWICK.
218
|
den bloedrood, en haasten zich om Buzfuz iets in het oor te fluisteren. „Gij hebt gelijk,quot; zeide Busfuz met geveinsde bedaardheid. „De voorbeeldelooze domheid van dezen getuige, edelachtbare heer! maakt het onmogelijk eenige opheldering van hem te bekomen. Ik zal het Hof niet ophouden door hem verder te vragen. Oij kunt heengaan, mijnheer!quot; „Heeft ook een van deheeren lust om mij nog iets ta vragen ?quot; zeide Sam, terwijl hij zijn hoed opraapte en zeer bedaard om zich heen zag. Ik niet, mijnheer Weller! ik dank u,quot; zeide Snubbin lachende. „Gij kunt heengaan mijnheer!quot; zeide Buzfuz, terwijl hij ongeduldig met zijne hand wenk te. Sam ging derhalve heen, nadat hy de heeren JJodson en Fogg zooveel kwaad had gedaan als hij kon, en van Pickwick zoo weinig had gezegd als slechts mogelijk was, hetgeen ook van het begin af zijn oogmerk was geweest. Sergeant Snubbin hield vervolgens eene lange en krachtige redevoering ten voordeele van den gedaagde, waarin hij hot gedrag en karakter van Pickwick met de hoogste lofspraken overlaadde; maar dewijl de lezer de deugden en verdiensten van dezen heer voorzeker ruim zoogoed weet te beoordeelen, als de geleerde Snubbin \'lafirtoe in staat was, voelen wij ons niet geroe-, \'1 om zijne gezegden omstandig te vermelden. Hg trachtte ook aan te toonen, dat de brieven, welke zijne tegen party had laten voorlezen, j «hts betrekking hadden op Pick wick\'s middagmaal en de toebereidselen, om hem, bij zijne terugkomst van buiten de stad, op zijne kamers te ontvangen. Kortom, hijdeedzijn best; ongelijk i quot;t oude spreekwoord zegt, do beste kan niet \' er doen. Daarop gaf rechter Stareleigh op de gewone \'vUze een kort verslag van de zaak. llij las zoo-veel van zijne aanteekeningen voor, aishijimler-\'• •■•ist kon ontcijferen, en maakte daar terloops i • liigeaanmerkingen by. Indien julfrouw Bardell • • -vk had, zeide hij moest l\'ickwick ongelijk hebben; en indien men de getuigenis van juf- ouw f.\'luppinsgeloolwaardigachtte, moest men \'lie gelooven. Indien, de gezworenen begrepen, quot; 11 l\'ick wiek zich aan het verbreken eoner trouw-lett- had schuldig gemaakt, moesten zij ton ■ eerdeele van de eischeres uitspraak doen; maar mdien zij integendeel meenden, dat er nooit eene \' quot;iivvbelofte gegeven was moesten zy don go-\'iaagdo in het gelijkstellen. De gezworenen be--aven zich daarop naar hunne kamer, om te \'quot;■raadslagen, en de rechter naar de zijne, om zich \'\',3ne carbonado en een glas wijn teive rsterken, fjr verliep een angstvol kwartieruurs; de j ü r y kWiina terug en de rechter werd geroepen. Piek-zette zyn bril op, en staarde meteen onrus-- \'Goppend hart den woordvoerder van dej u r v éi het gezicht. |
„Zyt gij eenstemmig, mijne heeren ?quot; vroeg de heer in het zwart, „Ja,quot; was het antwoord. „Doet gij uitspraak voor de eisclieres, mijne heeren, of voor den gedaagde?quot; „Voor de eischeres,quot; „Op hoeveel wordt de schadevergoeding door i u bepaald, mijne heeren ?quot; ip zevenhonderd en vijftig pond,quot; Pickwick nam zijn bril af, en stak dien langzaam in het brillehuisje en zijn zak; daarop trok hij zeerbedaard zijne handschoenen aan, en volgde werktuigelijk zijn vriend Perker, die de zaal 1 verliet, /ij vertoefden eone poos in een vertrek, 1 waar Perker de leges betaalde. Hier vond 1 Pickwick zijne vrienden; en hier ontmoette iiij ook de heeren Dodson en Fogg, die vergenoegd, in hunne handen wreven, „Gij denkt zeker, dal gij uwe kosten betaald zult krijgen?quot; zeide Pickwick, Fogg antwoordde, dat hij het wei dacht, en Dodson zeide glimlachend, dat zij het zonden beproeven, „Gij moogt het zooveel en zoo dikwijls beproeven als gij wilt,quot; zeide Pickwick gramstorig; „maar van mij zult gij geen penning van de kosten of de schadevergoeding bekomen, al moest ik het overige van mijn leven in gijzeling doorbrengen,quot; , Ha, ha 1 \' ?eide Dodson, „Gij zult u wel bedenken vóór de volgend^ zitting van het hof.quot; „Dat zal wel schikken, meenheer Pickwick!quot; i grinnikte Fogg, Sprakeloosvan verontwaardigingliotPickwiek zieh door zijn coliiciteur en zijne vrienden naar buiten brengen en in eene koets plaatsen, die de altijd weikzame Sam Weller besteld had, Sam hail het portief gesloten, en wilde juist op den bok klimmen, toen hij zich op den schouder voelde rikken, llij zag om en zijn vader stond voor hem, l)e oude man schudde treurig zijn hoofd, en zeide op een verwijtenden toon : „Ik wist: wol wat er van komen zou, als liet zoo werd aangelegd. OSainpje, Sampje! waarom niet voor een alibi gezorgd!quot; XXXV, WAARIN riCKWICK 01\' DE OBOAellTK KOMT, DAT HIJ WKI, KENS NAAK HATII ZOU KUNNEN OAANj KN OOK INDEK-DAAD 011 HEIS GAAT, ...Maar, mijn goede heer!quot; zeide Perk. r.toen hij, op den morgen na den ongein k kigen atloop van het proses, bij Pickwick op diens kamer was, gij kunt dat toch niet in ernst meenen. Laat on* nu zonderdrift en overdrijving spreken. |
|
2U SAMUEL Gij kunt toch niet in ernst rneonen, dat gij die kosten en schadevergoeding niet wilt betalen ?quot; . Geen penning,quot; zeide Pickwick op een vasten I toon. „Een man een man, een woord een woord, gelijk de woekeraar zeide, toen hij den wissel niet wilde vernieuwen,quot; zeide yam, die bezig was met het ontbijt weg te ruimen. „Sam!quot; zeide Pickwick, „wilt gij wel zoo goed zijn om naar beneden te gaan?quot; „Ja wel, mijnheer!quot;antwoorddeSain en volgde ; terstond den zachten wenk van zijn meester. „Neen, Perker!quot; zeide Pickwick zeer ernstig: \' „mijne vrienden hebben reeds hun best gedaan om mij van dit besluit af te brengen, maar vruchteloos. Ik zal volgens mijne gewoonte blijven leven, totdat mijne tegenpartij eene volmachttot lijfsdwang tegen mij kan bekomen; en als die lieden slecht genoeg zijn, om zich daarvan te | bedienen en mij In hechtenis laten nemen, zal i ik mijblijrnoedigonderwerpen. Wanneer kunnen i zij dit doen?quot; ] „Met de volgende zitting van hot gerechtshof, } mynheer! Juist over twee maanden.\' „üoed!quot; zeide Pickwick. „Voor dien tijd, beste \\ vriend\' moet ik niets meer van het geval hooren. j En nu,quot; vervolgde hij, terwijl hij omzichheenkeek 1 en zijne vrienden aanzag meteen goedhartigen 1 glimlach en een vuur in zijn oog, dat. door geen bril kon verduisterd of verborgen worden, „nu is de vraag, waar zullen wij naar toe gaan?quot; Tupman lt; n Stockwall waren te zeer aangedaan over de heldhaftigheid van hun vriend, om I antwoord te geven; terwijl Winkle zijne smart . over zijne noodlottige getuigenis van den vorigen i dag nog niet genoeg te boven was, om waarover i het ook wezen mocht, een enkel woord te spreken; het gevolg hiervan was, dat Pickwick ver-! geefs op een antwoord wachtte. ,Komaan! quot; zeide hij; „als gij het aan mij overlaat om eene plaats te noemen, zeg ik | Bath. Ik geloof, dat wij geen van allen daar i ooit geweest zijn.quot; Dit was ook zoo; en daar Perker die zeker I meende te zijn, dat Pickwick, indien hij zich | wat verstrooide, wel tot andere gedachti n zou i komen, en weinig lust zou hebben om zich i gevangen te laten zotten dit voorstel met ijver ondersteunde, werd het met algemeene stemmen aamrenoin\' ti. ^am moest terstond naar j het diligencekantoor gaan, om voor den vol-| genden ochtend vijf plaatsen te bestellen. Er waren nog juiHt twee plaatsen binnenin en drie buitenop te krijgen. Sam betaalde die, | en nadat hij met den klerk van het diligence i kantoor e\'iiige complimenten had gewisseld over 1 eene valsche halve kroon, die deze hem voor echt wilde teruggeven, wandelde hij weder naar de \\V i 11 e A r e n d, om het goed van zijn meester te pakken. Den volenden mor.:, n was het weder zeer |
ongunstig om te reizen; het was vochtig, mistig en regenachtig. De paarden van de diligences, die door de stad waren gekomen, dampten zoo geweldig, dat de passagiers buitenop onzichtbaar waren. De couranten venters waren stijf van het nat; het water liep met een straal van de ! hoeden der rondventers van sinaasappelen, die hunne hoofden in de portieren staken, en de | reizigers met het opgevangen vocht besproeiden. De andere kooplieden, welke anders om eene I diligence zwerven, die binnenkort zal afrijden hadden wanhopig hunne posten verlaten. Aan Sam VVeller de zorg overlatende voor lu.n bagage, die door zes of acht kruiers zeer onzacht werd neergesmeten, zochten Pickwick en zijne vrienden, die bemerkten, dat zij een kwartier te vroeg waren gekomen, eene schuilplaats in de passagierskamer, waartoe iemand anders niet licht overgaat. Deze passagierskamer was natuurlijk zeer koud en onbehagelijk anders zou het geen passagierskamer zijn geweest ■ en, tot bevordering der gezelligheid, door beschotten in een aantal kleine hokjes al-gedeeld, welke ieder voor één persoon bestemd schenen te zijn. In een der hokjes zat een man van omtrent vijf en veertig jaren, met een barseh gezicht, een hoog, kaal voorhoofd, een met zwart haar begroeid achterhoofd en dikke zwarte bakkebaarden. Hij droeg een bruinen rok, die tot aan zijne kin was dichtgeknoopt; eene reismuts van zeehondenvel, een jas en een mantel lagen naast hem. Toen Pickwick binnentrad, keek hij met een zeer barsch gezicht, dat hem een bijzonder deftig voorkomen gaf, van zijn ontbijt op; en nadat hij dien heer en zijne vrienden eene poos had aangestaard, begon hü te fluiten op eene manier, waarmede hij scheen aan te duiden, dat hij wel eenigszins vermoedde, dat men hem wilde beet nemen, maar dat dit met een man als hij niet gelukken zou. Op een stouten toon riep hij vervolgens den oppasser toe, om hem nog eene snede geroosterd brood i te brengen; en daarna begon hij weder te tlui-lt; ton. ging, terwijl hij op het bestelde moest wachten, naar den haard, nam zijne rokspanden onder I zijne armen, keek naar zijne laarzen en peinsde. „Waar zou de diligence te Ha th stilhouden | Dat zou ik wel eens willen weten,quot; zeide Pickwick tot Winkle, „Hum — he — wat?quot; viel de vreemdeling hierop in. „Ik zeide slechts iets tegen mijn vriend, mijn-heer!quot; zeide Pickwick, altijd gereed om in gesprek te treden. „Ik zou wel willen weten, voor welke herberg de diligence in Hath stilhoudt. Misschien weet gij het.quot; „Gaat gij naar Hat h ?quot; vroeg d\' vreemdeling, „Ja,quot; antwoordde Pickwick. „En die andere heeren?quot; „Insgelijks,quot; zeide Pickwick, |
215
|
„Niet binnenin; — als gij binnenin komt, wil ik verdoeiiid zijn,quot; zeide de vreemdeling. „Neen, niet allemaal,quot; hernam Tick wiek. „Neen, niet allemaal,quot; herhaalde de vreemdeling met bijzonderen nadruk. „Ik heb twee plaatsen, als zij het hart hebben om zes men-schen te proppen in die verwenschte kast, waar nauwelijks plaats voor vier personen is, zal ik eene postsjees nemen en hen verklagen, ik heb het den klerk gezegd, toen ik mijne plaatsen betaalde, en ik laat mij niet voor den gek houden. Neen, dat om den duivel niet!quot; Dit zeggende, ging de barsche heer naar de schel, gaf een geweldigen ruk aan het koord, en beet den oppasser toe, dat hij do snede brood, die hij be steld had, binnen vijf seconden moest brengen, of anders naar den duivel kon loopen. „Mijnheer!quot; zeide Pickwick, „het is geheel niet noodig, dat gij u zoo driftig maakt. Ik heb slechts twee plaatsen binnenin besteld.quot; „Ik ben blij, dat ik het hoor,quot; hernam de barsche man. „Ik haal mijne woorden terug. Ik verzoek verschooning. Hier is mijn kaartje. Laat ons kennis maken!quot; „Met alle pleizier, mijnheer!quot; zeide Pickwick. Wij zullen reisgenooten zijn, en ik hoop, dat wij genoegen zullen hebben in elkanders gezelschap.quot; „Dat hoop ik,quot; zeide de barsche heer. „Ik wi-et het. Uw voorkomen bevalt mij. Daar is mijne hand. Mag ik nu weten, wie gij zijt?quot; Op deze vriendelijke toespraak volgde natuurlijk eene wederzijdsche uitwisseling van namen 1 n begroetingen. De barsche heer, die Dovvler heette, onderrichtte nu den heer Pickwick op zijn gewonen stroeven toon, dat hij voor zijn pleizier naar Bath ging, dat hij voorheen militair was geweest, en tegenwoordig zaken deed; en (lat hij do tweede plaats voor niemand anders had besteld, dan voor mevrouw Dovvler. zijne gemalin. ■ Zij is een schoone vrouw,quot; voegde hij er bij. „Ik ben trotsch op haar, en met raden.quot; „Ik hoop het genoegen te hebben mij daarvan te overtuigen,quot; zeide Pickwick glimlachend. „Dat zult gij,quot; hernam Dowler. „Zij moet u loeren kennen, zij moet u hoogachten. Ik heb haar op eene zeer zonderlinge manier tor mijne vrouw gekregen - door middel /an een stouten eed. Zoo is het gegaan. Ik zag haar, bemind\' haar, vroeg haar; zij bedankte mij. „(üj bemint •en ander?quot; „Ach! verschoon mij!quot; „Ik kf\'ii hem.quot; — „Nu ja.quot; — „Goed! als hij hier quot;Uifr, zal ik hem villen.quot; -De Heer beware mijlquot; riep Pickwick onwillekeurig uit. „Kn hebt gij dien heer toen gevild, mijnheer!quot; vroeg Winkle met een bleek gezicht, • Ik schreef hem een briefje. Ik zeide, dat het quot;lij speet, maar dat ik mijn woord van eer had verpand, dat ik hom villen zou. M ijne eer stond |
j op het spel. ik had geene keus. Als officier | moest ik mijn woord houden. Het speet mij, : maar het kon niet anders. Hij luisterde naar rede. Hij begreep, dat ik niet anders kon. Hij ■ nam de vlucht. Ik trouwde haar. Daar is do diligence, daar rdt zij in.quot; Dit zeggende, wees hij naar eene diligence, welke juist voor de deur stilhield, en waaruit een vrij aardig gezichtje met een blauwen hoed keek, waarschijnlijk naar den heklhaftigen man zeiven. Dowlerbetaalde zijne vertering,en snelde met muts, jas en mantel naar buiten. Pickwick en zi,jne vrienden volgden hem. Op reis viel er niets voor, dat eene bijzondere vermelding verdient. Dowler verhaalde een aantal anekdoten, die zijne eigene dapperheid en stoutheid in het helderste daglicht plaatsten, 0n I vroeg telkens zijne vrouw, of het niet, waar was, waarop deze dan tolki-ns nog eene of andere i omstandigheid bij liet verhaal voegde, welke Dowler vergetenofuitbescheidenheid verzwegen had; want deze bijvoegselen dienden allen, om i aan te toonen, dat mijnheer Dowler een nog : veel geduclitor man was, dan hy zelf reeds had te kennen gegeven. Pickwick en Winkle (\'lie insgelijks binnenin zat) luisterden vol be wonde-i ring, en onderhielden zich tusschenbidde met i mevrouw Dowler, die zeer bevallig en innemend was; zoodat met de anekdoten van den hold-haftigen Dowler, de bekoorlijkheden zijner echt-genoote, de opgeruimdheid van Pickwick, en Winkle\'s bekwaamheid om toe te luisteren, het , gezelschap in de diligence den tijd zeer aangenaam doorbracht. Met de passagiers buitenop ging het als gewoonlijk. Zij waivn zei.-r opgoruinul en spraakzaam hij het begin yan elk slation, zeer neerslachtig en slaperig in het midden, en weder helder wakker tegen het einde. Er was een jong heer, met een mantel van gom elastiek, die den ! geheelen dag sigaren rookte, en een ander jong heer, met eene caricatuur van een jas, die\'-en groot aantal sigaren aanstak, maar na een paar trekken misselijk werd, en ze d\' i hal ve weirwierp, als hij dacht dat niemand naar hem zag. Nog een paar reizigers schenen veel verstand te hebben van paarden en rundvee. Telkens werd er door den koetsier een Joh of Hill aangeioepen, die een witten kiel droeg en \'-en eindje meereed. Een middamnial onderweg xou vooreen halve kroon zeer goedkoop zijn geweest, als de reizigers zich maar niet genoodzaakt hadden gezien, om het te laten staan. Tegen zeven uur in den avond bereikten Pickwick en zijn gezelschap het doel hunner reis. en begaf zich elk naar zijne kamer in het Witte Hert te Bath, vlak over do grooto bronzaal. Nauwelijks had men den volgendenmorgen ontbeten, toen een knecht, een kaartj\' van Dowler kwam brengen, met een verzoek van dien heer, om een vriend te mogen introdu |
! 210 SAMUEL i
ICKWrCK.
|
I ceoren. Kort daarop trad Dewier met zijn vriend het vertrek binnen. Deze vriend was een bevallig jonkman van even boven de vijftig jaren. Hij droeg een lichtblauwer! rok met glimmendeknoopen, een2war-: te broek en glimmende laarzen. Een gouden j lorgnet hing aan een lint om zyn hals; in zijne ! linkerhand hield hij, op eene ongedwongen manier, eene gouden snuifdoos; een aantal ringen prijkten aan zijne vingers, en aan zijn overhemd schitterde een gouden speld. Bovendien prijkte hij mei eene gouden horlogeketting, en hij had i een ebbenhouten rotting met een gouden knop i in zijne hand. Zijn linneïigoed was zeer helder, zeer lijn en zeer stijf; zijne pruik zeer glanzig en fraai van krul. Hij was geheel geparfumeerd. Op zijn gelaat vertoonde zich een stereotype glimlach; en zijne tanden waren zoo uitmuntend Onderhouden, dat het op een geringen afstand hoogst moeielijk was de valse he van de echte te onderscheiden. „Mijnheer Pickwick,quot; /.fide Dowler: „mijn vriend Angelo Cyrus Bantam, de ceremotlfe-meester. Bantam! mynheer Pickwick. — Nu kent gij elkander.quot; „Welkom te Bath, mijnheer!quot; zelde Bantam. „Inderdaad, een vereerend bezöek. Wat is I het lang geleden, mijnheer Pickwick, dat gij I hier de baden zljt komen gebruiken! Het komt I mij eene eeuwigheid voor. Mijnheer Angelo Cyrus Bantam vergezelde deze woorden met verscheidene zeer sierlijke bulgingen. „H\'\'t is zeker lang geleden,quot; zelde Pickwick: „want zooveel ik weet, le n ik nog nooit in 1 Bath geweest.quot; ,Nooit in Bath geweest, mijnheel Pickwick?quot; riep (Je ceremoniemeester vol verbazing 1 uit. .Nooit in Bath geweest? Ha, ha! Gij wilt mij wat wijsmaken, mijnheer Pickwick! Hét is grappig. Ha, lia, ha!quot; „Tot mijne beschaming meet ik zeggen, dat ik het ernstig ineen,quot; hernam Pickwick. „Ik ben Inde:daad nog nooit hier geweestquot; ..O! Ik begrijp u wel,quot; zelde de ceremonle-meester met een zeer vergenoegd gezicht. „Ja, ja, goed, zeer goed. Oij zijl de heer, van wit-n wij gehoord hebben. Wij kennen u al, mynheer Pickwick! wij kennen u.quot; Bie verwenschte couranten hebben zeker een versla.\' van dat proces geplaatst,quot; dacht Pickwick. ,./ij hebben alles van mij gehoord.quot; „Gij zilt immers die heer, die op (\' 1 a p h i m I Green woont.quot; hernam Bantam, die door on-voor/.ichtluheid koude vatte, nadat hi.i portwijn had gedronken, en daardoor het gebruik zijner armen en beenen verloor; die onmogelijk vervoer! kon worden, en voor wien het water uit het Koningsbad op (lesschen werd getapt en naar Londen gezonden, waar hij aan zijn , eigen huis oen bed nam, en denzelfden dag beter werd?quot; |
Pickwick betuigde zyn dank voor het hierin opgesloten compliment, maar had toch zelfverloochening genoeg, om het af te wijzen; en daarop maakte hij zich een oogenblik van stilte ten nutte, om zijne vrienden voor te stellen, hetgeen natuurlijk den ceremoniemeester bijna buiten zich zeiven bracht van verrukking. „Bantam!quot; zelde Dowler; „Mijnheer Pickwick en zijne vrienden zijn vreemdelingen. Zij moeten hunne namen teekenen. Waar is het boek ?quot; „Het register van voorname vreemdelingen,quot; antwoordde Bantam, „zal ten twee ure in de bronzaal liggen. Wilt gij zoo goed zijn, onze vrienden naar dat prachtige gebouw te geleiden, en mij hunne handteekeningen te verschaften?quot; „Mot genoegen,quot; antwoordde Dowler. „Maar wij zijn reeds lang gebleven. Het is tijd om heen te gaan. Ik zal over een uur terugkomen.quot; „Van avond Is er bal,quot; zelde dlt;\' ceremonie-meester opstaande. ..De balavonden in Bath zijn oogenblikken In het paradijs doorgebracht; er ligt waarlijk eene toovèfkracht In zulk eene vereenigingvan muziek,schoonheid,smaak, fa Jiion, etli|uette en — vooral in de afwezigheid van allo gemeene winkeliers en handwerkslle-den. die met het paradijs onvereenigbaar zijn, en elke veertien dagen hun eigen almagania in de G uildhall hebben. Vaarwel! Vaarwel!quot; En terwijl hij telkens bij herhaling verzekerde, dat hij zich oneindig verheugd, gevleid, vereerd en verrukt gevoelde, ging AngeloCyrus Pgt;autam, ei ivmoniemeester van Ba th, de trap af, stap te in zijne elegante calèche, en reed weg. Op het bepaalde uur begaven Pickwick en zijne vrienden zich, onder het geleide van Dow Ier, naar (ie gezelschapszaal, en schreven hunne namen In het vreemdellngenboek - eene be leefdheid, waarover Bantam wederom verruk: was. De ceremoniemeester beloofde, dat hij Pickwick vier kaartjes voor de avond-assembléi zou zenden; maar wat hij er ook tegen zelde, Pickwick wilde volstrekt, dat Sam ze ten vier ure aan zijn huis op Q ueen-Slt;| uare zou ko men afhalen. De vrienden deden vervolgens eene wandeling door de stad, en Sam werd met zijne boodschap weirgezonden. Met zijn hoed op een oor, en zijne handen in zijne vestzakken, stapte Sam op zijn gemak naar Queen-Square, en floot onderweg eeni-ge der nieuwste airtjes, met al de variati n. waarmede zij voor dat edele instrument, het draaiorgel, waren gearrangeerd. Toen hij voor het huis kwam, waarvan hem het nommer gi zegd was, hield hij op met fluiten, en klopte luchtig aan, waarop terstond een welgevoede knecht, met eene prachtige livrei en een gepoederd hoofd de deur opende. „Woont hier mijnheer Bantam, kameraad\'quot; |
KKS (JE POE IER DE LAKEF.
211
|
vroeg Surn, geenszins onthnlst door het luisterrijk voorkomen van den gepoederden knecht. ,,Waarom, jonkman?quot; was de trotsche wedervraag van den statelijken lakei. „Omdat, als hij hier woont, gij eens met dit kaartje naar hem toe moest gaan, en zeggen, dat mijnheer VVeller op antwoord wacht,quot; zeide Sam, en stapte tegelijk het voorhuis binnen, waar hij zich op de bank nederzette. De gepoederde knecht sloeg de deur hard dicht, en zag Weller zeer barsch en deftig aan; hetgeen |
„Gij eet vroeg mijnheer!quot; zeide de gepoederde knecht. „Omdat mij het avondmaal dan beter smaakt,quot; antwoordde Sam. „Zijt gu al lang in Hath geweest?quot; vroeg de knecht. „Ik heb het genoegen nog niet gehad iets van u te vernemen.quot; „Ik heb nog niet veel opzien gemaakt,quot; antwoordde Sam. „Want wij — ik meen mij zei ven en do andere heeren zijn eerst gisteravond hier aangekomen.quot; |
„Eene fraaie stad, mijnheer\'.quot; zeidede knecht. „Dat schijnt,quot; merkte Sam aan.
„Ploizierig gezelschap, mijnheer!quot; hernam de cpoederdu knerht. „/eer knappe, aardige lieden knecht eene gunstige meening van Sam doen onder onze kameraden, mijnheer!quot;
door Sam , die juist met voel aandacht den paraplustandaard bekeek, niet eens werd opgemerkt.
Naar het scheen, iiad de wijze, waarop zijn meester liet kaartje ontving, den gepoederden
quot;pvatten, want roen hij terugkwam, glimlachte „Dat vind ik ook,quot; zeide Sam, „Zoo vriendeiyk bij zeer vriendelijk, en zeide, dat bet: antwoord en spraakzaam, vlt; )oral a Is ze iemand niet kennen.\'
terstond gereed zou zijn.
pvatte. ..(ü.i hebt wel gelijk. Doet gij er ook aan, mijnheer?quot; Dit zeggende, haalde hij eene snuifdoos uit zijn zak.
..(tij hebt wel gelijk, mijnheer!quot; z.eidedegi
„Ooed!quot; zeideSam. .Zegden ouden heer, dat poeierde, die dit gez \'\'ij zich niet bthoeft te overjachten. Volstrekt opvatte. ..Gij hebt w
-•■quot;n haast, lange kameraad! Ik heb van nüdd.K al gegeten.quot;
SAMUEL PIC KW f(\'K.
218
|
„Neen,quot; antwoordde Sam. „Ik moet er altijd van niezen.quot; „Ja, het is moeielijk in het begin, manheer! Maar men kan er zich toch langzamerhand aan wennen. Het beste leert men het met koffie. Ik zelf heb lang koffie in mijn-\' doos gehad, mijnheer! Het ziet er net uit als rapé.quot; Het geluid der kamerschei deed hem zijne snuifdoos spoedig weder in zijn zak steken, en naar de studeerkamer van zyn meester snellen. In het voorbijgaan zij hot aangemerkt, dat wy vele menschen gekend hebben, die nooit lazen of schreven, maar toch een achterkamertje hadden, dat zij hun studeervertrek noemden. „Daar is het antwoord, mijn 14eer!quot; zeide de gepoederde knecht. „Het spijt mij voor u, dat het zoo groot is. Het zal u onderweg lastig wezen, „Het is niets,quot; zeide Sam, een briefje en een zeer klein pakje aannemende. „Ik hoop, dat ik die sjouwer ij nog wel zal kunnen doorstaan en overleven.quot; „Ik hoop, dat wij elkander zullen wederzien, mijnheer 1quot; zeide de gepoederde knecht, terwijl hij Sam tot op de stoep volgde, „Gril zijt al te goed, mijnheer!quot; antwoordde Sam, .Maar wat ik u bidden mag, vermoei u niet al te zeer. Spaar toch uwe dierbare gezondheid, Bedenk hoeveel er aan u verloren zou worden.quot; Met deze aandoenlijke woorden keerde Sam zich om en vertrok. „Een zeer zonderling jongmensch!quot; zeide de gepoederde knecht, terwijl hij Sam nakeek met een gezicht, waaruit duidelijk bleek, dat hü niet wist wat hy van hem maken moest. Sam zeide niets. Hij schudde slechts zijn hoofd, glimlachte eti ging zijns weegs, terwijl zijn gezicht scheen te kennen te geven, dat hij aan iets dacht, hetwelk hij zeer grappig vond. Dien avond, precies kwartier vóór achten, stapte de ceremoniemeester Angelo Gyrus Bantam, voor de deur van het assemblee huis, uit zijne 1 ili c he, rnethetzel fdelorgnet,dezelfdepruik, dezelfde tanden, dezelfde ringen, dezelfde doekspeld en dezelfde rotting. De eenige verande ring in zijne uitrusting bestond daarin, dat hij een nog hchter blauwen rok aanhad met eene witte zijden voering, en een wit V\' st, eene korte broek en zwarte zijden kousen droeg, en, zoo mogelijk, nog een graadje sterker was geparfumeerd. Aldus uitgerust, vatte de reremoniemeestor pest in de groote zaal, om de gewichtige plichten van zijn ambt te vervullen, en de gasten te ontvangen. Daar Bath vol was stroomden de gasten en de halve schellingen voor thee in grooten getale de /.aal en de kas binnen.. In de danszaal, de ;ange speelzaal, op de trappen en in de rangen was het gedruisch van stemmen en voetstappen inderdaad verbijsterend. Kleedjes ;t ■ ü : S I m p |
ritselden, vederen zwierden, kaarsen flikkerden, juweelen fonkelden. Er was ook reeds muziek, geene dansmuziek, want het orkest speelde nog niet, maar de muziek van lichte, vlugge voetstapjes, en nu en dan een vroolyk ge lach van eene zachte meisjesstem, in Ba th en overal elders zoo welluidend en streelend voor het gehoor. Overal straalden levendige oogen vol blijde verwachting; en waarheen men zich wendde, zag men eene bevallige gedaante sierlijk door de menigte zweven, welke men nauwelijks uit het oog verloren had of zy werd door eene andere, even bekoorlijk en aanlokkelijk, vervangen. In de theezaal en om de speeltafeltjes zwierven oen aantal oude datnes, die er zeer verwonderlijk | uitzagen, en ziekelijke oude heeren, die met • zooveel lust en ijver al de kwaadsprekende geruchten van den dag bepraatten, dat men dui- i j delijk genoeg kon bemerken, dat babbelen en i lasteren hunne aardse he zaligheid uitmaakten, ; ! Onder deze groepen zag men ook eenige mama\'s, j I die naar partijen voor hare dochters zochten, 1 j en, terwijl zij oogenschijnlijk in gesprek verdiept : • waren, niet nalieten nauwkeurig op de meisjes j I te letten, welke gedachtig aan liet moederlijk I bevel, om haar tijd wel te besteden, reedsbe-i gonnen waren hare netten uit te spreiden, door naar met voordacht vergeten sjaals te zoeken, handschoenen aan te trekken, met kopjes te rinkelen, enz,; schijnbaar onbeduidendemanoeuvres, i maar met welker hulp ervaren kunstenaressen in de coquetterie verbazend veel kunnen uitrichten. Bij de deuren en in afgelegen hoeken stonden verschillende groepen-van hersenlooze jongelieden, die alle graden van gemaaktheid en zotskappcrij ten toon spreidden, en alle verstandige lieden in hunne nabijheid om hunne dwaasle id en verwaandheid dedim lachen, terwijl zij zich zei ven streelden met de gedachte, dat zij voorwerpen der algemeene bewondering waren; eene genadige beschikking der Voorzienigheid, waarom geen weldenkend man zal morren. Kin del ijk hadden op eenige banken, aan het einde van de balzaal, reeds eenige dames, die de veertig al voorbij en nog ongehuwd waren, voor den avond post gevat. Zij dansten niet, omdat niemand haar ten dans vroeg; zij speelden niet, opdat men niet denken zou, dat zij alle hoop opeen huwelijk hadden laten varen en bevonden zich in een toestand, die haarde beste gelegenheid aanbood om van iedereen kwaad te spreken, zonder dat mon bijzondei op haar lette. Tusschen alle deze groepen gleed de ceremoniemeester Angelo Cyrus Bantam met lichte, onhoorbare schreden heen. Xu was hij hier, dan daar. Den eenen groette hij met eene statige buiging, den anderen met een familiaar knikje f |
VOO RXA A M GEZEL SC IIA P.
219
|
voor ieder had hij een vriendelijken glimlach over. „Ga naar de theezaal, vraag om de waarde van uwe sixpence, giet er heet water op, noem dat water dan thee, en drink er van zooveel gij lust,quot; zeide Dowler, terwijl hij Pickwick, die, met mevrouw Dowler aan zijn arm, het kleine gezelschap voorging, naar do theezaal geleidde. Zoodra Bantam de vrienden zag, wond hij zich als een kurketrekker door het gedrang, en verwelkomde hen met opgetogen blijdschap. „Zeer vereerd, mijnheer!quot; zeide Bantam. Bath mag trotsch wezen op uwe tegenwoordigheid. Mevrouw Dowler! gij zijt het sieraad van deze zalen. Ik maak u mijn compliment over uwe veeren.quot; ..Is hier iemand?quot; vroeg Dowler achterdoch tig. „Iemand? De élite van Bath, Mijnheer Pickwick! ziet gij daar die dame met dien gazen tulband ?quot; ..Die dikke oude dame?quot; vroeg Pickwick in zijne onnoozelheid. „St, mijnheer! In Bath is niemand dik of oud. Het is de Douairière Lady Snupha-nuph.quot; „Ei zoo!quot; zeide Pickwick. „St! Kom een weinig dichter bij mij. Ziet gU daar dien heer aankomen, die met zooveel smaak gekleed is?quot; ..Die met dat lange haar en een bijzonder laag voorhoofd?quot; vroeg Pickwick. „Juist, Dat is de rijkste jongeheer, die zich tegenwoordig in B a t h ophoudt. De jonge L o rd Muslanhed.quot; „Waarlijk?quot; zeide Pickwick, .;Zooals ik u zeg. Gij zult hem zoo meteen hooren spreken, mijnheer Pickwick! Ik zal een praatje niet hem maken. — Hoe vaart gij, hoogwelgeboren heer?quot; ..Zeew wawm. Bantam!quot; zeide de hoogwelgeboren heer. „Gij hebt gelijk, hoogwelgeboren heer! Het is hier vrij warm,quot; zeido de ceremoniemeester. ..Hebt gij mijn postkaw vetje aw gezien0quot; vroeg de hoogwelgeboren heer. ., Hemel, neen!quot; riep de ceremoniemeester uit, ..Ken postkarretje? Welk een brillant idóe!quot; „Ik dacht, dat iedeween mijn poslkavvWetje aw gezien had,quot; zeide de hoogwelgeboren heer. • Hei is het aavvdigste, netste, ewegantste ding, dar gij ooit hebt zien wijden awwes compweet in owde; met een bwievenkistjoen eene weuning om de bank. Gistewochtend ben ik ew mede komen binnenwyden. Ik had een wooden wok aangetwokken, en mijne wijknechts vew yoow-quot;it wuten wijden; en waawachtig, awwe men-schen dachten dat het de post was, die op een ongewoon uuw aankwam. Het was ijsewijk komiek.quot; De hoogwelgeboren heer lachte hartelijk |
om deze geestige grap, en de ceremoniemeester insgelijks. Pickwick, die er waarschijnlijk weinig grappigs in vond, dat een jong edelman voor pestlijder speelde, zag ernstig voor zich. Toen het dansen begonnen was, begaf Pickwick zich naar de speelzaal, om eens te zien wat daar omging; maar tot zjjn ongeluk; want nauwelijks was hij binnengetreden, of hij werd door den ceremoniemeester aangeklampt, en met drie bejaarde dames, die reeds eene poos naar een medespeler hadden ui\' gezien, aan een speeltafeltje geplaatst, nadat hij eerst met het gezelschap was bekend gemaakt, en vernomen had, dat de dames L a d y Snuphatmph, Mevrouw Wugsby en mejuffer Bolo waren. Juist toen de kaart gegeven was, kwamen twee jonge dames binnentrippelen, en plaatsten zich achter den stoel van mevrouw Wugsby, waar zij geduldig bleven wachten, totdat deze omzag. ..Wel Jane!quot; zeide mevrouw Wugsby: „Wat is er?quot; „Ik kwam u vragen, mama,quot; fluisterde de jongste en bevalligsce van de twee, „of ik met | den jongs ten heer Crawley mocht dansen.quot; „Goede hemel, Jane! Hoe kunt gij zoo iets j in uw hoofd krijgen ?quot; antwoordde hare moeder ! met verontwaardiging. „Gij weet immers wel, | dat zijn Vader maar een inkomen van achthon-| derd pond heeft, dat met zijn dood ophoudt? i Neen — volstrekt niet.quot; „Ma!quot; fluisterde de andere, die veel ouder | was dan hare zuster, en een zeer gemaakt en coquet voorkomen had : Lord Mustanhed is mij | voorgesteld. Ik zeide, dat ik meende, dat ik , niet geëngageerd was, ma!quot; „Gij zijt een verstandig kind,quot; antwoordde | mevrouw Wugsby, terwijl zij hare dochter met haar waaier een tikje op do wang gaf; „u kan | ik altijd vertrouwen. Hij weet zelf niet, hoeveel geld hij heeft.quot; I)it zeggende, gaf zij liaro.pud-I ste dochter een kus, wierp hare jongste een | gramstorigen blik toe, en nam hare kaarten weder op De arme Pickwick had nog nooit met drie i gestudeerde whistspeelsters te doengehad. Zij i speelden zoo fijn, dat hij waarlijk bang voor haar werd. Als hij eene verkeerde kaart op speelde, scheen mejuffer Bolo hem met hare 1 oogen te willen doorboren; als hij overwoog | hoe hij spelen moest, wierp Lad y Siuipha,niiph , zich achterover in haar stoel, en zag meteen blik vól ongeduld mevrouw Wugsby aan, welke I dan hare schouders ophaalde, als wilde zij zeg-i gen, dat zij twijfelde, of er wel ooit een eind ■ aan komen zon. Na het einde van elk spel vroeg i mejuffer Bolo knorrig, waarom hij niet zoo of 1 zoo had gespeeld; en Pickwick, die dan den loop van het spel reeds vergeten was, kon hare aan I klachten slechts met een beschaamd stilzwijgen I beantwoorden. Nu en dan kwamen er menschen |
SA ML\'KL PICKWICK.
220
|
naar het spelen kijken, hetgeen Pickwick verlegen maakte en zijne aandacht aftrok. Deze omstandigheki. en het onophoudelijk gewoel en gedruisch om hem heen, waren de oorzaken, dat Pickwick tamelijk slecht speelde, en dat mejuiTer Polo, toen het speelgezelschap ten ell ure uit elkander ging, met groote ontroering opstond, en in den draagstoel, waarmede zij naar huis werd gebracht, een stroom van tranen vergoot. Na zijne vrienden te hebben opgezocht, die allen betuigden, dat zij een zeer genoeglijken avond hadden doorgebracht begaf Pickwick zich met hen naar het Witte Hert, en toen hij zijne onrust met een glas punch tot bedai\' n had gebracht, ging lui naar bed, en viel terstond in slaap. XXXVI. I BEVATTKN OE DK \'iKHgt; HIEDENIS VAN i\'RINS BI.ADCl) EX EKN\' MERKWAABDIO OXFIEII,, DAT WINKI.K ÖVEIÏKWAM. Daar Pickwick voornHmens was ten minste j twer maanden in Bath door te brengen, ooi-! deelde lii,j het raadzaam, voor zich zei ven en zij-i ne vrienden kaniers te huren; en daar zij eene | gelegenheid vonden, om vooreen redelijken prijs ! een gemeubileerd bovenhuis in de Po val C\'rt - ce nt te huren, dat meer vertrekken b^ vatte dan zij nopdiu \'aadden, deed Dowler liet voorstel, um e. n paar kamers van hen over te nemen. DeZ( voorslag werd aangenomen; dri\' dagen later waren zi.j in hun e nieuwe woning gevestigd; en nu begon Pickwick geregeld het water te gebruiken. Hij dronk een groot glas viquot;,r hel ontbijt, en wandelde ei-n heuvel op, en nog (•! n glas na het piubijt, en dan wandelde hij eon heuvel af; en t.a elk glas verklaarde hij plechtig en nadrukkelijk, dat hy zich veel beter gevoelde, waarover zijne vrienden hunne blijd-schap betuigden, hoewel zü vooraf nie: geweten hadden, dat te rn iets -\'-heelde. lgt;e groote bronzaal is een ruim vertrek, versierd met Corinthische pilasters, eene galerij voor muzikanten, en een standbeeld. Gr is ook i en groot buffet met eene marmeren vaas. waaruit. het water geschept wordt in groote geelachtige glaz( n, uii welke de badgasten het drin keii; en het -loet i\'mand goed aan het hart. te zitii met hoeveel deftigheid en moed zij het leelijke water inzwelgen. Dicht bü d \'hand zijn de baden, waarin een gedeelte van het gezelschap zich gaat afspoelen. Behalve de/,\' zijn er nog twee bronzalen, de eene bestemd voor beuren en dam» •!, die niet gaan kunnen, en daarom op rol-\'en worden voortgereden, tot groot gevaar voor de teenea der gasten, di^- hunne beenen nog gebruiken kunnen. Óveral zag men wandelaars, met en zonder krukken en stokken. De g,-regelde watquot; diinkers waaronder Pickwick behoorde, kwamen eiken morgen in de bronzaal bij elkander, en deden dan en corps eene wandeling, uve; dag en des avonds ontmoette men elkander weder, opdenamiddagwandeling, in de leeszaal, den schouwburg of op de assemblee. Zoo ging her ring aan dag. Hot was jammer dal deze levenswijze, bij al het genoeglijke, dat zij aanbood, echter iets eentonigs had. |
Op zekeren avond, na een op deze wijze door-gebrachten dag, zat Pickwick, nadat zijne vrienden naar bed waren gegaan, alleen op, omzijn dagboek bij te schril saai, toen er aan de kamerdeur werd geklopt. ..Neem mij niet kwalijk, mijnheer!quot; zeide juffrouw Craddock, de hui«waardin; „maar hebt gij soms nog iets noodig?quot; „Keen, juffrouw!quot; antwoordde Pickwick. ..De meid is naar bed, mijnheer!quot; hernam juffrouw (quot;raddock; en mijnheer Dowler heeft gezegd, dat hij wel zon opblijven, om op me vrouw Dowler te wachten, daar het gezelschap, waar zij naar toe is, zeker pas laat zal scheiden. Daarom dacht ik, mynheer, als gij niets meer noodig liadt, kon ik wel naar bed gaan. „Wel zeker, juffrouw!quot; zeide Pickwick. „Goedennacht, mijnheer!quot; zeide juffrouw Craddock. „Goedennacht, juffrouw!quot; antwoordde Pickwick. Juffrouw craddock sloot de deur en Pickwick ging door met schrijven. Binnen een half uur was Pickwick met zijn dagboek gereed. Hij wreet zorgvuldig het vloeipapier over de-laatst o bladzijde,sloot zijn boek, veegde zijn pen aan de binnenzijde van een zijner jaspanden af » n opende de la le van den lessenaar om het zorgvuldig weg te bergen, Lr lagen in die lade een paar vrij dicht be-schreven bladen schrijfpapier, zoo toegevouwen, dat de titel, die met, eene flinke hand geschreven vvas, geheel zichtbaar was. Haar hieruit bleek, dat het geschrift goen particulier eigendom was en op Bath betrekking had, ontvouwde Pickwick het, stak zijne kaars aan, trok zijn stoel dichter bij het vuur en las als volgt; De ware legende van Prins B\'.adud. Nog geen tweehonderd jaar geleden stond • r op een der badhuizen te dezer stede een opschrift, ter eero van haar machtigen stichter. den beroemden Prins Bladud. Dat opschrift is nu uitgewischt. Vel o honderden jaren voor dien tijd was van geslacht op geslacht de oude legende overgeleverd, dat de vermaarde Prins door rnelaatsch-beid aangetast, bij zijne terugkomst uit het oude Athene, waar hij een schat van kennis had opgedaan, het hof zijns vaders vermeed en in zijne gedruktheid met landbouwers en zWij-nen verke* rde. |
221
EEN SCHHANDlvR ZWIJN.
|
Onder de laatste (zoo zegt de legende) bevond zicli een zwijn met een ernstig en plechtig gelaat; waardoor de prins zich voelde aangetrokken — want hij was ook ernstig - een zwijn van een peinzenden en teruggetrokken aard; eendier, dat uitmuntte boven zijne makkers, welks geknor verschrikkelijk en welks tanden scherp waren. De jonge prins zuchtte diep, als hij liet statige zwijn aanzag; hij dacht aan zijn koninklijken vader en zijne oogen werden vochtig van de tranen. |
i borrelden de heete bronnen van Bath Hij wiesch zich en was genezen. Nadat hij naar het hol\' zijns vaders geijld en hier snel teruggekomen was, stichtte hij deze stad en hare beroemde baden. Hij zocht het zwijn met al den ijver eener j eerste vriendschap maar, helaas! het water I i was zyn dood geweest. Het had. onvoorzichtig genoeg, een te heet bad genomen en de natuurkundige was niet meer !\'| 1 Hij werd opgevolgd door Plinius, die ook het | |
|
wt schrandere varken baadde zich gaarne in vette, natte modder. Niet s zomers, zooals gewone varkens nu \'loen en zelfs in die verre eeuwen deden om zich te verkoelen — een bcwys, dat het licht \'ler beschaving, ivods flauw, begon te glo-quot;\'n maar op koudlt; winterdagen. Zijn lijf\' was altijd zoo gjanzig, en zijn srf/.iclit zoo \'-dank, dat do prins besloot, de zuiverende hoedanigheden eens te onderzoeken van het jV\'itter, waartoe zijn vriend zijne toevlucht nam. \'lij nam dr proef. Onder die zwarte modder |
slachtoffer werd van zijn dorst naar kennis. Zoo luidde die legende. Luister nu naar de ware. Verscheidene eeuwen geleden leefde in pracht en praal de vermaarde en beroemde Lud Hu-dibras, koning van Britannie. Het was een machtig vorst. De aarde beefde, als hij liep; zoo dik was hij. Zijn volk koesterde zirh in hef lirht van zijn gelaat: zoo rood en gloeiend was het. Hij was werkelijk op en top een koning 11 ij was niet zeer lang. maar zeer breed en w-at hij in hoogte |
\'222 SAMUEL
PICKWICK.
|
te kort schoot, maakte hij weer goed dooi\'zijn omtri k. Als eenig ontaard vorst uitdeu uieiivveii tijd met hem kan vergeleken woiden, zou ik zeggen, dat het de egt; rvvaardigo kuning Cule is. De goede Lud had eene koningin, die achttien Jaar vroeger een zoon gekregen had. Bladlui genaamd. Deze werd eerst naar eene voorbereidingsschool binnen zijns vaders gebied en toen hij tien jaar was onder vertrouw\' baar geleide tót voltooiing zijner opvoeding naar eene school te Athene gezonden; endaar men op die school niets in rekening bracht voor het blijve n gedurende de vacantia en aiet van te voren behoefde kennis te geven, wanneer men een leerlinu\' wilde wegnemen, bleet hij daar acht jaren, na verloop waarvan zijn koninklijke vader zijn kamerheer overzond om af t^ rekenen en den prins naar huis ie brengen; na het volbrengen van dezen last werd de kainerhe-T met vreugde kreten ingehaald en kreeg dadelijk een Jaargeld. Toen koning Lud den prins, zijn zoon, zag en vond, dat hij tot zulk een knappen jongen was opgesiroeid. bi -rn-ep hij terstond, wat een voornaam ding ie-t was hem dadelijk te laten huwen, opdat zijne kinderen het roemrijke ge slacht Lud tot in de verste eeuwen zouden voortplanu n. Met dit doel zond hij een buit\'-n ifewodii iiezantschap, bestaande uit aanzienlyke t dtdlieden, lt;lie niets bijzonders te doen luulüen en winstgevende bezigheid verlangden, naar een naburig koning om diens schoone dochter voor ziin zoon ten huwelijk te vragen en tevens te kennen te geven, dat hij met zijn broeder en vriend op den besten voet verlangde te kö-men. maai. indien zij het aangaande dit hu-wel ij k niet, een? konden worden, hij in de on-aangename noodzakelijk beid zou komen een inval in zijn koninkrijk te doen en hem de Gogen uit te steken. Hierop antwoordde de ander\' koning die de zwakste van de twee wasi, dat hij ziji: broeder en vriend om zijne goedheid en grootmo\'di-\'heid zeer verplicht was en, dat zijne dochter kant en klaar was om te huwen, wanneer het Prins Bladud behaagde h:iar te komen halen. Nauwelijkshadditantwoord Britanni- bereikt, • ■f de jehe.-ie natie was verrukt van vreugde. Van alb- k r ie-n hoorde men niets anders dan het leven - ui feesten en vermaken, belialve het gerinkei van lei ,\'eld, dat liet volk aan de koninklijke schatmeesters b. •aaide om de kosten te b\'-\'rij i\'-n van dez* bliide pleejuiglieid. Het was bi; de/- treiegetiheid. da\' koning laid, op zijn troon gezeren te midden van al zijne mi-nisfers, opstond en d-n opplt; rreclm r in de overstelping zijns getnoeds beval de lieerlijkste wy-tien en de minstreelen te laten binnenkomen; eene daad van goedgunstigheid, die door de onwetendheid van geschiedkundigen,aan kuning (ade is toe-geschreven in die beroemde •licht |
regels, waarin zyne majesteit wordt voorge-gesteld als Roepeml um zijne pijp on roepend om zijne kan Kn roepend om zijne drie minstreelen. Dat is klaarblijkelijk een onrecht, de nagedachtenis van koning Lud aangedaan, en eene onverdiende verheerlijking van koning Cole. Maar, te midden van al deze feestelijkheid en vreugde was er een persoon, die niet dronk wanneer de fonkelende wijnen waren ingeschonken en die niet danste, wanneer de meistree len speelden. Dat was niemand anders dan Prins Bladud zelf, ter wiens eere een geheel volk op dat oogenblik zijne keel geweld aandeed en zijne beurs terdege aansprak. De zaak-was, dat de prins het recht van den minister van buitenlandsche zaken vergeten was om hem (den prins) eene vrouw aan de hand te doen, en in strijd met alle beginselen van politiek en diplomatie zich zelf reeds verbonden had met de schoone dochter van een Atheensch edelman. Hier hebben wij een treffend voorbeeld van een der vele voordeelen van de beschaving en veredeling. Indien de prins in latere tijden geleefd had, zou hij misschien dadelijk liet voorwerp van zijns vaders keus gehuwd hebben en dan ernstig aan het wei k zijn getogen om zich te ontdoen van den zwaren last. die hem drukte. Hij zou misschien getracht hebben haar hart i te breken door opzettelijke beleediging en ver-waarloozing; of, indien vrouwelijke zielskracht en de trotsche bewustheid van hare vele grieven haar onder deze mishandeling hadden staande gehouden, waarschijnlijk beproefd hebben haar van het leven te berooven, en zich ; voor goed van haar te bevrijden, Noch het eene, noch het andere kwam in Bladud op; hy verzocht om audientie bij zijn vader en legde hem de zaak bloot. Het is een oud voorrecht van koningen om alles te beheerschen behalve hunne hartstochten. Koning Lud ontstak in hevige woede, wierp zijne kroon te_ren de zoldering aan en ving ze weer op want in die dagen hielden de ko ningen de kroon op het hoofd en nier inden Tower L stampte op den grond, sloeg zich tegen liet voorhoofd, was verwonderd, dat zijn eigen vleesdi en bloed tegen hem opstond, riep eindelijk de wacht binnen en beval haaiden prins op stianden voet weg te voeren en in e.-n hoogen toren gevangen te zetten; eenebehandeling welke de vroeuerekoningen gewoonlijk hun zoons aandeden, als die een huwelijk wilden sluiten, dat hun vader niet naar den zin was. i ïlians worden de kroonjttwpeli\'ii naniciijk tiewnard in de11 Tower van Londen, vroetrer \'-i-nt\'citadeï, k\'inii\'k-lijk i\'uli\'i-, grrechlHliof en gevangenis, nn wa)quot;-nniBgazijn en mupentn K. |
ONTSTAAN DEK HEETE BRONNEN VAN BATH.
228
|
Toen Prins Bladud bijna een jaar in den hoogen toren was opgesloten geweest, niet geen beter uitzicht voor z(in lichamelijk oog dan een steenen muur en geen beter verschiet voor zijn geestelijk oog dan langdurige gevangenschap, begon hij natuurlijk te denken aan ontvluchten, dat hem na maanden voorbereidens gelukte. Als eene voorzorgsmaatregel liet hij zijn mes in het hart van den gevangenbewaarder achter, uit vrees, dat de arme kerel (die huisvader was) door den woedenden koning als medeplichtige beschouwd en gestraft, zou worden. De vorst was waanzinnig over het verlies van zjjn zoon. Hij wist niet, aan wien hij zijne woede zou koelen, totdat hij gelukkig aan den kamerheer dacht, die den prins thuis gebracht had, en hem niet alleen van zyn jaargeld maar zelfs van zijn leven beroofde. Ondertusschen doolde de jonge prins te voet en goed vermomd door zijns vaders gebied, opgewekt en opgebeurd in al zijne ellende dooide zoete gedachte aan de Atheensche maagd, die de onschuldige oorzaak was van deze harde beproeving. Eens hield hij stil in een dorp om uit te rusten; en daar hij zag, dat men vroolijk danste in het groen, vroeg hij aan een pretmaker, die bij hem stond, de oorzaak dezer blijdschap. „Hebt gij niet gehoord, o vreemdeling,quot; was het antwoord, „wat onze genadige koning onlangs heeft bekendgemaakt?quot; „Bekendgemaakt I Neen. Wat bekciulge-maakt?quot; hernam de prins — want hij was langs weinig bezochte wegen gereisd en wist niets van hetgeen op de gropte wegt-n wa.lt; voorgevallen. , W el,\' ant woordde de boer,di* vn\'emde dame die met onzen prins wilde huwen, is in dt-n •-\'dit getreden met een edelman uit haar eigen ■ tnd; dat heeft de koning bekendgemaakt en tevens, dat er groote openbare feestelijkheden op handen zijn; want nu zal natuurlijk Prins lila-dud terugkomen en de dame huwen, die zjjn vader heeft gekozen en zoo schoon is als de zon, zooals ze zeugen. Op uwe gezondheid, mijnheer. Lang leve de koning!quot; De prins bleef niet langer toehooren. Hij vlood heen en verborg zich in het dichtste gedeelte van een naburig bosch. Voort, voort zwierf hij dug en nacht: inde brandende zon, in den kouden, bleeken ma\'D\'e--diijn, bij de schrale hitb- van den middagen de vochtige koude van dén nacht; bij het grijze hiorgenlicht en den roodeó avondgloed. Zpo weinig lette hij op tijd of plaats, dat hij, naar Athene willende reizen, in het tegenwoordige Bath terechtkwam. |
Waar thans Bath ligt, was toen na me lijk nog geene stad te bekennen. Er was geen spoor van menscheiyke woningen of menschelijke wezens te ontdokken; maar wel dezelfde schoone landstreek, dezelfde afwisseling van bergen en dalen, hetzelfde schoone kanaal, dat zich tot in de verte uitstrekte; dezelfde hooge bergen, die, gelijk de moeiten des levens, op een afstand gezien en gedeeltelijk gehuld in den helderen morgennevel, hunne ruwheid en st herp-held verliezen en zich geheel glad en effen voordoen. Geroerd door de schoonheid van het liellijke tafereel, zonk de prins neer op het groene gras en baadde zijne gezwollen voeten in tranen. „Ohlquot; zei de ongelukkige Bladud zijne handen vouwend en zjjne ougi-n bedroefd ten hemel heffend, ik wenschte, dat mijn zwerven hier mocht eindigen; dat deze dankbare tranen, waarmede ik ijdele hoop en verachte liefde betreur, altijd vreedzaam mochten vloeien. Zijn wensch werd verhoord. Het was in den tijd der heidensche goden, die somtijds den menschen hun zin gaven met eene stiptheid, die in sommige gevallen bepaald lomp was. De grond Opende zich onder de voeten van den prins; hij verzonk in den afgrond; en oogenblikkelijk sloot die zich weer voor altijd boven zjjn hoofd, behalve, waar zijne heete tranen uit de aarde opborrelden en. waar zij sedert dien tijd altijd zjjn opgeweld. Het is opmerkelijk, dat tot den huldigen dag toe, eene groote menigte bejaarde heeren en dames, die vergeefs eene wederhelft hebben gezocht, en bijna evenveel jonge, die er eene wenschen te vinden, zicli jaarljjks naar Bath begeven om van het water te drinken, waaraan zij veel kracht en troost ontleenen. Dit bewijst de goedojiigenschappon der tranen van Prins Bladud en bevestigt ten sterkste de waarheid dezer legende. Pickwick geeuwde verscheidene malen toen hij aan het einde van het handschrift gekomen was, vouwde liet zorgvuldig op, legde het weer in den lessenaar en ging naar bed. Volgens ge-.voonte bleed\' hij bij de deur van Do wier staan, klopte aan en zeide goeden-nacht. ,.Zoo! zeide Do wier. ..\'iaat gij naar bed? k W ou, dat ik ook kon. Akelige nacht, stormachtig. Niet waar?quot; Erg,quot; zeide Pickwick. Pickwick ging naar zijn slaap ven rek, en Dow Ier plaa tste zich wed ei* op zij n stoel voor lm t v u u r. om zijne overjjlde belofte om op te blijven totdat zijne vrouw te huis kwam, te vervullen. Het is altjjd iets zeer onaangerMtams, voor iemand op te blijven, maar vooral, wanneer die iemand van een vroolijk gezelschap moet komen. Gij kunt niet nalaten te denken, Ime de tijd. die u zoo schrikkelijk verveelt, voor hen voor-bij vliegt; hoe langer gjj hierover denkt, des te meer verflauwt uwe hoop, dat zij spoedig korm n |
224
|
zullen. Terwijl Dowler voor het vuur zat, gevoelde hij eeno niet onnatuurlijke verontwaardiging over de barbaarschheid der menschen, die zoolang bij elkander verkozen te blijven. Zijn humeur werd er niet beter door, toen hij bedacht, dat hij in het begin van den avond zich verbeeld had hoofdpijn te hebben, en daarom te huis gebleven was. Terwijl hij zoo morrend nadacht, werd hij natuurlijk hoe langer hoe slaperiger; hij meende, dat hy toch wel wakker zou blijven, al haalde hij een kussen, om wat meer op zijn gemak to zitten; en vol trotsche blijdschap, dat, indien hij ernstig wilde, de slaap geen vat op hem had, viel hij zoo gerust en vast in slaap, als slechts mogelijk was. Het sloeg juist drie uur, toen twee dragers, i do een kort en dik, en de ander zoo lang en : dun als een lantaarnpaal, meteen draagstoel de lt;\' re see t; r opkwamen. De wind maakte het hun ! zeer moeielijk, om met hunne vracht op de been te blijven, vooral, toen zij op de hoogte kwamen, waar het zoo geweldig waaide, dat mevrouw ; Dowler, die in don draagstoel zat, van angst in ! elkander kroop. Zij waren zeer blijde, toen zij den draagstoel konden neerzetten, en klopten ; driftig aan. Zij wachtten eene poos, maar niemand deed open. Klop nog lt;-ens,quot; zeide mevrouw Dowler; „maar wat harder, als \'t u belieft.quot; De korti\' drager klopte met alle macht, terwijl de lange midden op straat ging staan, om te zien of bij geen licht bespeurde. Kr kwam niemand, en alles bleef donker. „Gij moet nog maar eens kloppen,quot; zeide mevrouw Dowler, half schreiende. „Is er geene schel, mevrouw 1quot; vroeg de korte drager. „Ja,quot; zeide d» Jongen, die medegegaan was, om de toorts te dragen; „maar ik heb al zoo-! lang staan bellen.quot; „Dat geeft ook niets,quot; zeide mevrouw Dowler; „want !u t IJzerdraad is kapot.quot; N\'u ging de korte op zijne teenen staan, en bleef met al zijne kracht hameren, totdat hij moede werd; toen loste de lange hem af, en zoo vervolgden zij beurt om beurt. Eindelijk begon Winkle te droomen, dat hij | in een club was, waar de leden het heel druk maakten zoodat de president telkens zijn hamer moest gebruiken, om de orde te herstellen; vei volgens had hij oeue verwarde voorstelling va-i eene verkooping, waar de afslager, dewijl | niemand op iets bieden wilde, alles voor zich zelven toesloeg; en eindelijk kwam het hem in de gedachten, dat er mo eliik wel aan de deur ge i klopt kon worden. Om zeker van zijne zaak te wezen, bleef bij nog eene poos liggen lulstei en; : en toen hij In de dertig slagen had geteld, was hü overtuigd, en maakte bü zich zelven de opmerking, dat hij toch zeer licht sliep. Het kloppen duurde zonderophouden voort. Verwon |
derd wat er toch te doen mocht zijn, stond Winkle op. trok haastig zijne kousen en pantoffels aan, stak eene kaars aan, wikkelde zich in ; zijn kamerjapon, en ging naar beneden. „Daar hoor ik eindelijk iemand komen, me vrouw!quot; zeide de korte drager. „Ik wou, dat ik met eene zweep achter hem : zat,quot; zeide de lange. „Wie is daar?quot; vroeg Winkle. „Maak maar geene praatjes, slaapkop! \' zeide ; de lange, in de meening, dat de vrager een ! knecht was. „Doe open!quot; Winkle, nog maarhalf wakker, gehoorzaamde : werktuigelijk, opende even de deur, en keek uit. Het eerste, wat hij zag, was het roode schijnsel : van de toorts. Verschrikt door de gedachte, dat-er brand was. deed hij de deur wijd open, en j stak angstig zijn hoofd vooruit, niet wetende of . hij de kast, die hij voor zich zag, voor een draagstoel of eene brandspuit moest groeten. Op dit oogenblik kwam er een rukwind, die de kaars j uitblies en de deur toesloeg, terwijl Winkle door eeno onweerstaanbare macht op de stoep weru | gedrongen. „Dat hebt ge mooi gemaakt, kameraad!quot; zeide de korte drager. Winkle, die door het raam van den draagstoel I eene dame zag, keerde zich ijlings om, en begon uit alle macht te kloppen, terwijl hij in ver bijstering de dragers bad en smeekte, dat zij toch weder zouden heengaan „Maakt toch dat gij wegkomt!quot; riep hij. „Ik hoor menschen aankomen. Laat mij in de draagkoets! Bergt mij toch holat mij!quot; Ondertusschen rilde hij van koude, en telkens ; als hij den klopper oplichtte, speelde de wind op eene zeer lastige manier metz(jnkamerjapon, „Daar komen zij aan! Er z^jn dames bij. Bergt mij toch! Gaat toch voor mü staan!quot; schreeuwde Winkle. Maar de dragers, die bijna stikten van het lachen, bewezen hem niet de minste hulp en de dames kwamen al nader en nader. Winkle gaf een wanhopigen klop, de dames waren nog maar twee huizen ver. Hij smeet don blaker uil zijne hand, en vloog by mevrouw Dowler in den draagstoel. Eindelijk had juffrouw ( \'raddock het kloppen en de stemmen gehoord: zij kleedde zich een weinig aan, ging naar de bovenvoorkarner, om te zien wie er was, en schoof het venster open. Juist op het oogenblik dat Winkle eene schuilplaats in den draagstoel zocht. Nauwelijks zag juffrouw 0 raddock, wat er op straat voorviel : of zij irat een ijselijken gil, en riep Dowler toe, dat hij terstond moest wakker worden, want dat zijne vrouw met een anderen man wegliep Dowler sprong op, vloog naar de voorkamer, waar hij ;egelijk met Pickwick aankwam, en keek naar buiten. Het eerste wat hij zag, was de draagstoel, buiten welken nog een godeolte van Winkle\'s lichaam zichtbaar was. |
WINKLE ONZACHT IN ZIJN SLA Al\' GESTOORD.
|
„Nachtwacht!quot; schreeuwde Dowler in volle woede\' „Houd hem vast — sluit hem op, totdat ik beceden kom! Geef mij een mes, juffrouw Craddock? Ik zal hem de keel afsnijden; dat | zweer ik!quot; Dit zeggende, rukte hij zich los uit ; do handen van Pickwick en juffrouw Craddock, greep een klein dessert mesje, en vloog naar de straat. Maar Winkle wachtte niet op hem. Nauwelijks hoorde hij het verschrikkelijke dreigement van den heldhaftigen Dowler, of hij sprong weder uit den draagstoel, schopte zijne pantoffels uit, koos het hazenpad, en rende, door i dien tijd was? Dit zullen wij den lezer in het volgende hoofdstuk verhalen. |
XXNVII. WAARIN EEN GEZELSCHAP WORDT liESCHKEVEN, DAT SAMUEL WELLEK MET ZIJNE TEGENWOOU-DIGHEID VEREERDE, EN OOK VERHAALD WORDT, HOE ZIJN MEESTER HEM MET EENB GEWICHTIGE EN MOEIELIJKE ZENDING BELASTE. „Mijnheer Wellerlquot; zeide juffrouw Craddock |
|
Dowler vervolgd do Crescent in het rond. Toen hij weder voor het huis kwam, stond de deur open. Hij stoof naar binnen, smeet Dowler de deur voor den neus dicht, ijlde naar zijn ■slaap verf rek, barricadeerde den ingang met stoelen en tafels,en pakte zijn valies, om met hetaan-breken van den dag de vlucht te kunnen nemen, Dowler kwam hem door hot sleutelgat toeroepen, dat hij hem den volgenden dag gewis de keel zou afsnijden; en na een luidruchtig ,\'t sprek in de voorkamer, waarbij Piek wik vele vruchtelooze pogingen aanwendde om Vre lete -•lichten, ging ieder naar bed en kwam er stilte, -Misschien vraagt men, waar Sam Weiier al op den morgen van dezen gewichtigen dag. „daar j is een brief voor u.quot; |
„Dat is raar,quot; zeide Sam; „want ik ken geen I heer onder mijne bekenden, die in staat is om ! er een te schrijven.quot; „Erzal misschien lotsbijzondors gebeurd zijn.quot; | merkte julfrouw Craddock aan. „Dat moet er zeker,quot; m ide Sam. „ Het js op | zich zelf al een mirakel, dat een van mijne keu- : nissen een brief schrijft. Van mijn vader kan | hij niet wezen. Die schrijft alt ijd metdrukletlers, ; hetgeen daarvan komt, dat hij, toen hij /l.-h zeiven leerde schrijven, nooit andere voorschrif- j ten had dan de groote biljetten ia de dil igence- | |
l)ICKK\\ -. Sami n, I\'lCKWH K.
15
I
226
|
kantoren. Ik kan niet begrijpen van wien die brief komen kan.quot; Terwijl Sam zoo redeneerde, deed hij, wat vele inenschen doen, wanneer zij in het onzekere zijn omtrent den schrijver van een brief; hij be-i keek dien van buiten aan alle kanten. Eindelijk | kwam hij op den inval om den brief te openen, 1 en te beproeven, of hij daardoor iets naders ver-i nemen zou. Hij deed zulks en las langzaam het ; volgende: „Ken fatsoenlijk gezelschap van heeren in conditie maakt mijnheer Weller hun compliment, en verzoekt om het genoegen van zijn 1 gezelschap dezen avond op eene kleine so iré e | van oen gekookten schapebout, met hetgeen er I bij behoort. Men zal precies om halt\'tien aan tafel gaan.quot; Dit briefje was ineen ander gesloten, hetwelk : luidde: „John Smauker, de heer, die eenige dagen geli \'.• li het irenoeLivii had, uiijnhcei Weller aan liet huis van hun gemeenschappelijken bekende mijnheer Bantam, te ontmoeten, neemt de vrijheid mijnheer Weller de ingesloten uitnoodiging te zèndeii, en verzoekt ZEd. om negen uur bij j hem aan huis te komen, wanneer hij het ge-noeaen zal hebben, mynheer Weller te intro duceeren. John Smauker.quot; „Nu!quot; zeide Sam; „die kan ook met spek schieten. Ik heb nog nooit gehoord, dat iemand een gekookten schapebout een soirê e noemde, Ik ben benieuwd, wat z\\| wel tegen een ge-bradenen zouden zeggen.quot; Zonder hierover evenwel verder na te denken, gitm Ham zijn meester verlof vragen om dien avond te mogen uitgaan, en verkreeg ditoogen-blikkelijk. Eene poos vóór den bepaalden tijd wandelde hij derhalve naar 9 tl eens-Square, en rt ed.s in de Verte had hij het genoegen zijn nieuwen vriend Smauker te ontdekken, die, met zijn uvpoederd hoofd tegi-n een lantaarnpaal ui\'it\'imd, met een© sigaar in den mond op hem wachtte. ,Hoe, vaart gij, mijnheer Weller?quot; vroeg Smauker. „Dat begint te schikken,quot; antwoordde Sam, ..Kn hoe vaart gij, kameraad?quot; ,Ja, dat is maar zoo, zoo.quot; „i;y hebt n zeker overwerkt,quot; zeide Sam. „Ik was er wel i-ang voor. O ij moest waarlijk uwe krachten wat meer ontzien.quot; „Het werken is zooveel niet gewelt;-st, mynheer VVolli r! hernam John. „Jk geloot, dat het van dien slechten wijn komt. Ik vrees, dat ik mij verdebaucheer.quot; ,Zquot;0 waarlijk ?quot; zeide Sam. „Dat is eene lee lljke kwaal.quot; |
„Maar gij weet wel, mijnheer Weller!quot; antwoordde John: „de verzoeking is zoo groot.quot; „Dat is wel waar,quot; zeide Sam. „Ik ben ongelukkig, mijnheer Weller! Als het noodlot iemand in het midden van de groote wereld plaatst, is hij aan verzoekingen blootgesteld, waarvan anderen bevrijd blijven. Ik heb vele goede vrienden, die mij komen bezoeken, en als men scheukt, drinkt men wel eens wat meer mede, dan dienstig is,quot; „Dat zeide mijn oom ook, toen hij eene herberg opzette,quot; zeide Sam. „En de goede man had gelyk; want binnen drie maanden had hy zich doodgedronken.quot; Mijnheer Smauker gevoelde zich niet weinig beleedigd door deze vergelijking tusschen hem en den overleden herbergier; maar dewijl Sam zijn gezicht in dezelfde stemmige plooi hield, zag hy dit over het hoofd en zeide vriendelijk: Het zal tyd wezen, om te gaan.quot; „Dat donk ik ook,quot; zeide Sam, „anders mócht de so irée eens aanbranden, en dat zou jammer zijn.quot; „Wil ik u mijn arm geven?quot; vroeg John. „Zeer vriendelijk, maar ik wil er u niet van berooven,quot; zeide Sam, „Als het u eveneens is, steek ik liever injjne handen in de zakken,quot; Hierop stapte hy voort, en begon meteen te fluiten. Zijne nieuwe vriend huiverde van afschuw voor dit onfatsoenlijk geluid, en sloeg eene zijstraat in. „Dezen weg,quot; zeide hij: „wij zullen er spoedig wezen.quot; „Zoo!quot; zeide Sam, op wien het bericht, dat hy weldra onder een gezelschap fatsoenlijke heeren in conditie zou komen, geen den minsten indruk maakte. j „Maar gij behoeft niet bang te wezen, mynheer Weller!quot; zeidr John. „Dat heeft geen nood,quot; zeide Sam, „Gij zult eenige zeer iraaie uniformen zien, mijnheer Weller!quot;vervolgdeJohn;„en misschien zullen sommige van de heeren eerst wel een weinig stijf en stug wezen, maar zij zullen spoedig vriendelijker worden,quot; . Dat is zeer goed van hen,quot; zeide Sam, „En gij begrijpt,quot; hernam John, op den toon van een machtigen beschermer, „gij begrijpt, daar gij een vreemdeling zijt, zult gy het in hel begin wel wat hard te verantwoorden ! hebben,quot; „Zij zullen het toch niet al te erg maken ?quot; vroeg Sam. „Neen, neen!quot; antwoordde John, terwy\'l hij een snuifje nam, „Maar er zijn eenige komieke | snaken onder ons, en gij begrijpt wel, dat die i niet zullen nalaten, u wat in de maling te nemen; maar gij moet er Ü maar niet aan storen. „Ik zal mijn best doen, dat zij mij niet onder den voet krijgen,quot; zeide Sam. „Dat is goni,quot; zeide John, „Ik zal u bijstaan. Thans had len zij een kleinen kruidenierswin- |
HET VOORRECHT EBNER MOOIE LIVREI. 22 7
|
kei bereikt, waar John Smauker binnentrad door Sam gevolgd, die, zoodra hij achter den rug van zijn vriend was, eenige koddige grimassen maakte, en door nog andere teekenen, aan den dag legde, dat hij eon onbeschrijfelijk pleizier had. Zij gingen den winkel door, en nadat zij hunne hoeden in de gang hadden opgehangen, traden zij eene kleine achterkamer binnen, waar Sam een vollen luister der soli\'ée op eens voor oogen kreeg, In het midden van het vertrek stonden twee bij elkander geschoven tafels, bedekt met drie tafellakens van verschillenden ouderdom en op verschillende tijden gewasschen, doch zoo geschikt, dat zij zooveel mogelijk een geheel vorm-den. Hierop lagen messen en vorken voor zes of acht personen. Eenige dezer messen hadden groene, andere roode en een paar gele hechten; zoodat, daar al de vorken zwart waren, het geheel een schilderachtige mengeling van kleuren aanbood. De borden voor de gasten waren achter den haard te warmen gezet; en de gasten zeiven warmden zich voor denzelven. Deaan-z.\'-nlyksteonder hen scheen een tamelijk zwaarlijvig heer te wezen, met een vnurrooden rok uu-t lange panden, eene broek van dezelfde kleur, en een opgetoomden hoed. Hij stond met zijn rug naar het vuur, en scheen pas te zijn i\'innengekomen; want behalve dat hij zijn hoed ti\'j.; op het hoofd had, hield hij den langen ■\'ik nog in zijne hand, dien heeren van zijn bü\'oep doorgaans in eene schuinsche richting ■ ven het rijtuig uitsteken, als zij op het achterbankje staan. „Smauker, oude vriend — uwe hand!quot; zeide de ai i r in het rood. John Smauker haakte het bovenste lid van ■ . n pink zijner rechterhand in die van den heer ia het rood, en zeide dat hij verheugd was, dat i ij er zoo goed uitzag. ..Ja,quot; zeide de heer in hel rood; „allo men-■\';hen zeggen dat ik eene gezonde kleur heb; • i dat is waarlijk wel een wonder. Do laatste v-i-rtien dagen lu-b ik alle dag twee uren lang ater het oude wijf geloopen, zonder iets andurs doen, dan te specüleeren op de manier, waarop zij haar verwenschte oude bruine japon vast* aakt; en als dat niet genoeg is om iemand vdoi\' zijn géheele leven tot een druiloor te maken, mag ik lijden dat ik mijn vierendeel-. tars huur niet krijg. Alle aanwezigen begonnen hg r tel ijk te lachen; en een heer, met oen geel met passemen t omzet buis, fluisterde zijn buurman, die met eene -1 oeno korte broek prijkte, \'oe, dat Tuckle dezen avond bijzonder kon lek was. ■ Wat ik zeggen wil, Smauker!quot; zeide Tuckle; • gij....quot; het overige fluisterde hij zijn vriend in het, oor. „Dat is ook waar,quot; zeide John. „Hoe kon ik |
het vergeten! - - Mijne heeren! mijn vriend, de heer Weller.quot; „Hot spijt mij, Weller! dat ik tusschen u en het vuur sta,quot; zeide Tuckle met een familiaar knikje. , Ik hoop, datgij niet koud zi.it, Weller!quot; „Volstrekt niet,quot; zeide Sam. „Iemand zou wel een klomp ijs moeten wezen, als hij koud was met zulk een goed vlak voor zich. Als zij u in een koffiehuis op don haardrooster zetten, zouden zij de steenkoolen wel kunnen sparen.quot; Daar dit antwoord eene eenigszins stekelige toespeling op het roode pak van Tuckle scheen te bevatten, zette deze een barsch gezicht; maar langzamerhand schoof hij van het vuur weg, en zeide met een gedwongen glimlach, dat het niet 1 kwaad was. „Zeer verplicht voor uwe goede getuigenis, | mijnheer,quot; zeide Sam daarop. „ Wij zullen lang- j zamerhand wel nader kennis maken. Ik wacht | maar op eene gelegenheid om het nog beter te maken.quot; Hier werd het gesprek afgebroken door het ■ binnentreden van nog een paar gasten; en kort i daarna begonnen de kruidenier en zijne vrouw j het avondmaal op te zetten, dat uit eon ge- { kookten schapebout met knollen en aardappelen bestond, Tuckle zette zich als president aan het [ hoofd van de tafel, terwijl een der laatst inge- j komen heeren, die aan eene oranjebroek kenbaar j was, als vice-president tegenover hem plaats j nam. De kruidenier ( rok een paar zeemen handschoenen aan, om er de borden rnede rond to | geven, en plaatste zich toen achter den stoel ; van Tuckle. „Harris!quot; zeide Tuckle op een gezagvoeren-den toun. „Mijnheer!quot; zeide de kruidenier. „Hebt gij uwe handschoenen aan?quot; „Ja wel, mijnheer!quot; „Neem dan het deksel van den schotel quot; Met de grootste nederigheid deed de kruidenier wat hom gelast was, en gaf daarop Tuckle gedienstig het voorsnijmes aan ; maar terwijl hij dat deed, gaapte hij toevallig. „Wat moet dat beduiden, mynheer!quot; vroeg Tuckle scherp. „Xoem het mij niet kwalijk, mijnheer!quot; zeide de kruidenier, zeer ontluist. „Ik deed het bij . ongeluk, mynheer! Ik ben gisterenavond zeer 1 laat opgebleven.*\' „Wil ik eens zeggen wat ik van u denk, { Harris?quot; zeide Tuckle met statige barschheid. „Gij zijt een gerneene hond.quot; „Ik hoop, mijne heeren,quot; stotterde Harris, „dat gij een beetje geduld met my hebben zult, mijne heeren! Ik weet, wel, mijne heeren ! hoeveel ik u verplicht ben vpbr uwe klandisie, en ook voor uwe recommandatie, als er bij partijen ! meer bedienden dan anders noodig zijn. fk hoop, dat gy over mij tevreden zijt, mijne heeren!quot; |
•22H SAMUEL
;;K W IUK..
|
„Neen, dat zijn wij niet,quot; zeide Tuckle; ,,daar ! scheelt veel aan.quot; „Wij houden u voor een lompen ezel,quot; zeide i dt; heer met het gele buis. „En voor een gemeenen smeerlap,quot; vervolgde de heer met de groene broek. „En voor een onverbeterlijken deugniet,quot; voegde de heer in het oranje er nog bij. De arme kruidenier maakte slechts eene nederige buiging bij elk scheldwoord, dat hem door de dwingelanden in het klein naar het hoofd word gesmeten; en toen ieder iets gezegd had om zijn aanzien te toonen, sneed Tuckle den schapebout voor. Nauwelijks was men begonnen te eten, of de deur werd driftig geopend, en een heer met een lichtblauwer! rok met tinnen knoopen trad hot vertrek binnen. „Tegen dlt;\' wet,quot; zeide Tuckle; „gij komt te laat.quot; „Neen, neen! Ik kon niet anders,quot; zeide de man in het blauw. „Ik beroep mij op het gezelschap. Het was om eene dame te doen; Ik moest haar uit de komedie halen.quot; „O! dat is wat anders,quot; zeide de heer in het oranje. .,Het is zoo, op mijne eer!quot; hernam de man in het blauw. „Ik had beloofd, dat ik onze jongste dochter om halfelf zou komen halen, en zij is zulk een lief, mooi meisje, dat ik het waarlijk niet over mijn hart kon verkrijgen om haar to leur te stellen. De heeren zullen het mij niet kwalijk nemen, maar een voorschoot bedekt alle verzuimen.quot; „Ik begin erg te krijgen, dat er wat van aan is,quot; zeide Tuckle, toen de nieuwaangekomene zich naast .Sam had nedergezet. „Ik heb al een paar malen opgemerkt, dat zij zwaar op uw schouder leunt, als zij in of uit het rijtuig stapt.quot; „Zwijg toch stil, Tuckle!quot; zeide de heer in het blauw. „Dat is niet mooi van u. Het kan wel wezen, dat ik eene onder vier oogen gezegd heb, dat zij een goddelijk schepsel is, en zij een paar goede partijen heeftaangewezen, zonder dat iemand er «Ie reden van wist, maar neen, Tuckle! en dat wel als ei vreemden bij zyu dat giiat niet aan; iemand moet bescheiden kunnen wezen.\' Daarmede haalde hij zijne das op, streek zijne mouwen glad, kuchte, en zette oen gezicht alsof hij nog veel had kunnen zeggen, indien bescheidenheid hem hot zwijgen niet l had opgelegd. Het voorkomen van den heer in het blauw, \' dif \'T inderdaad niet kwaad uitzag, en wiens houding en gelaat hem als een vroolijken ongo-geneerden klant kenteekendon, had van het begin af de aandacht van Sam Wel Ier getrokken; maar toen dlt;! man op deze wijze bquot;gon j op te snijden, kreeg Sam nog meer trek orn i kennis met hem te maken, en hij deed zulks |
met zijne eigenaardige rondheid en voortvarendheid. „Uwe gezondheid, mijnheer!quot; zeide Sam. Ik kan u verzekeren, dat uwe manier van omgang mij bijzonder wel bevalt. Wat gij daar zegt, vindt ik alleraardigst.quot; De blauwe man glimlachte, alsof hij aan zulke complimenten zeer gewoon was, maar wierp niettemin Sam een goedkeurenden blik toe, en zeide, dat hij hoopte, dat zij nader kennis zouden maken, want dat hij, zonder gekscheren, een flinke gast scheen te wezen — juist een man naar zijn hart. „Gij zijt zeer vriendelijk, mijnheer!quot; zeide Sam. „Wat zijt gij toch een gelukskind!quot; „Hoe meent gij dat?quot; vroeg de heer in het blauw. „Wel, die jongejutfer. Zij weet wel, waar Abram don mosterd haalt; dat heb ik al gemerkt,quot; antwoordde Sam, en deed vervolgens een oog toe, terwijl hij langzaam zijn hoofd schudde, op eene manier, welke voor do IJdelheid van den blauwrok ten uiterste streelend moest wezen. „Ik vrees, dat gij een groote schalk zijt, mijnheer Weller!quot; zeide de blauwrok. „Neen, toch niet,quot; zeide Sam. „Dien eernaam laat ik u over. Gij zult er zeker meer mee to doen hebben dan ik, gelijk de man binnen den tuinmuur tegen den man bulten den muur zeide, toen de dolle stier den weg opkwam.quot; „Nu, orn u de waarheid te zeggen, mijnheer Weller,quot; zeide de blauwrok, „ik geloof, dat zij op mijn uitzichten mijne manieren heeft gelet.quot; „Ik geloof, dat zij dat niet wel zou kunnen laten,quot; merkte Sam aan. „Hebt gij óók iets van dien aard aan de hand,quot; vroeg de gelukkige blauwrok. „Eigenlijk nog niet,quot; antwoordde Sam. „Wij hebben geene dochters bij ons in huis; anders zou ik er natuurlijk eene van hebben ingepakt. Maar ik geloof ook niet dat ik mij met iets minder dan met eene gravin zou ophouden. Ik zou mij kunnen vergenoegen meteen ryk meisje, al had zij geen titel, als zij heel smoorlijk op mij verheid was, maar anders niet.quot; „Gij hebt groot gelijk, mijnheer Weller!quot; hernam de blauwrok. „Iemand moet zich niet weggooien; en wij wij, die mannen van de wereld zijn, mijnheer Weller! - wij weten toch, dat eene goede uniform, vroeger of later, bij eene vrouw ens fortuin maakt. Dal: is immers ook de eenige reden, die het de moeite waard maakt, dat men eene conditie aanneemt,quot; „Het zou anders gekheid wezen, \' zeide Sam. Zoover was dit vertrouwelijk gesprek gevor-derd, toen er glazen op de tafel werden gezet, en de presidont de heeren herinnerde, dat ieder diende te bestellen wat hij drinken wilde, voor dat de herberg gesloten werd. De moesten namen cognacgrog. Sain noemde den kruidenier |
OPWEKKENDE KRACHT VAX OESTERS EX PUNCH.
2-\'i(
|
„een razenden schobbejak,quot; en bestelde eene groote kom punch — twee omstandigheden, die hem in de achting der aanwezigen niet weinig deden rijzen. „Mijne heeren!quot; zeide de blauwrok, met het air van een echten dandy, „ik stel de gezondheid van de dames in.quot; „Luister, luister!quot; riep Sam. „De jonge minnaressen Iquot; „Tot de orde, tot de orde!quot; riepen verscheidene stemmen; en Johan Smauker, die Sam had geïntroduceerd, meende hem te moeten onderrichten, dat de uitdrukking, die hij gebezigd had, verboden was. „Welke uitdrukking?quot; vroeg Sam. „Minnaressen, mijnheer!quot; antwoordde John, met een zeer donkeren blik. ,,Wij kennen hier zulke woorden niet.quot; „0, goed!quot; zeide Sam; „dan zal ik mijne uitdrukking verbeteren, en haar „de lieve meisjesquot; noemen, als onze vriend Vuurvlam er niets togen heeft.quot; Sommigen schenen te twijfelen, of het wel geoorloofd was, den president onder de benaming van „onze vriend Vuurvlamquot; aan te duiden; maar de quaestie werd niet in omvraag gebracht. De president zelf koek Sam vrij barseh aan, maar achtte het waarschijnlijk het best om te zwijgen. Na eene korte poos van stilte, begon een heer mot een geborduurden rok, die hem tot op de hielen reikte, met zeer veel ijver zijn grog om t roeren; vervolgens stond hij op, en zeido, mot eene geweldige inspanning, dat hij het ge-zeischap iets had mede te deelen; waarop de voorzitter terstond verk laa rde, dat het gezelschap met veel genoegen zou luisteren naar hetgeen Je heer met den langen rok mocht te zeggen hebben. „Ik bon eenigszins beschroomd om u aan te -preken, mijne heeren!quot; zeide de man metden langen rok, „omdat ik het ongeluk heb van een koetsier te wezen en slechts als honorair lid deze aangename soirees mag bijwonen; ik gevoel nüj zeiven verplicht, mijne heeren! u eene treurig\'- omstandigheid bekend te maken, die ik vandaag gehoord heb. Onze vriend, mijnheer Whiffers,quot; (hier werden aller oogen op den man m het oranje gevestigd) „heeft zijne conditie opgezegd.quot; Alle aanwezigen schenen verbaasd. ,lt;Hi moogt wel verwonderd zijn, mijne hee-ren!quot; vervolgde de koetsier. ..liet is mijne zaak niet om te zeggen, waaraan dit ijselijke verlies voor onzen kring is toe te schrijven, maar ik verzoek mijnheer Winders ons het gebeurde te verhalen, opdat zijne viienden zijn edel gedrag kannen bewonderen en tot voorbeeld nemen.quot; Allen drongen op dit voorstelaan, en Whif-|ers begon derhalve zijn verslag. Hij zeide, dat quot;U gaarne in zijne conditie had willen blijven. |
De uniform was net en rijk, de dames in de keuken waren zeer vriendelijk, en zijn werk was, dit moest hij bekennen, niet zwaar, dewijl hij doorgaans niets anders te doen had, dan met een ander heer, die insgelijks zijn afscheid had genomen, in het voorhuis op de bank te zitten. Gaarne had hij het gezelschap de bijzonderheden van het ergelijk voorval willen besparen, waarvan hij nu melding zou moeten maken; maar, dewijl men eene verklaring van hem vorderde, was hij genoodzaakt zonder omwegen te zeggen, dat men van hem had willen hebben, dat hy koud vleesch at. Het is onmogelijk het afgrijzen te schilderen, hetwelk deze openbaring in het gemoed der toehoorders gaande maakte. Ten minste een kwartier lang hoorde men niets dan een gemompel en gebrom van afkeuring. Mijnh \'or Whiffers gaf vervolgens zijne bezorgdheid te kennen, dat hij zich deze beleedi-ging door zijne eigene goedwilligheid en inschikkelijkheid had op den hals gehaald. Hij herinnerde zich duidelijk, dat hij zich eens had laten overhalen om gezouten boter te eten; en eens, toen er plotseling iemand in huis ziek was geworden, had hij zich zelfs zoover vergeten dat hij een emmer mot steenkolen naar boven had gebracht. Hij hoopte, dat hij zich door deze openhartige bekentenis zijner misgrepen niet in de achting zijner vrienden had vernederd; en zoo dit het geval mocht wezen, dat dan de cor-daatheid, waarmede hij zijn misnoegen over de laatste schandelijke beleediging had getoond, hem weder in hunne gunstige meening zou herstellen. Een algemeene toejuiching volgde op deze aanspraak, en men dronk plechtig op de gezondheid vau den edelen martelaar, waarvoor de martelaar zijn dank betuigde en de gezondheid van mijnheer Weller instelde, wien hij wel het genoegen niet had van nabij te kennen, maar die een vriend van mijnheer Smauker was. en daarom alleen in elk fatsoenlijk gezelschap ten hoogste welkom moest wezen. Sam begreep, dat het hem nu voegde ook eene aanspraak te houden; hij stond derhalve op, en zeide op een luchtigen toon: „Vrienden\'en kameraden! ik ben u allemaal ten hoogste dankbaar voor dit compliment. De eer is haast al te groot, vooral als men bedenkt van welke lieden het afkomstig is. Ik had al veel van u gehoord; maar ik moot u zoggen, dat ik nooitgedacht had, dat gij zulke lieve jongens waart, als ik nu zie. Ik hoop maar, dat gij goed zult oppassen, om geen kruimel van uw fatsoen te verliezen, dat zoo mooi staat als iemand over de straat gaat, en dat ik altyd met zooveel pleizier heb gezien, zelfs toen ik nog een kleine jongen was, half zoo lang als de stok van onzen vriend Vuurvlam. En wat onzen gelen vriend betreft, dien ik als een slacht u Her der dwingeland ij moet aanmerken. |
SAMUEL PICKWICK.
|
ik kan niet anders zeggen, dan dat ik hoop. dat hij net zulk eene goede plaats zal krijgen als : hij verdient, en dan geloof ik, dat hij nooit j weder over eene koude soirée zal behoeven te klagen.quot; Sam ging met een zeer vergenoegd gezicht j weder zitten, en nadat zijne aanspraak luid-| ruchtig was toegejuicht, begon het gezelschap i op te breken. „Wat! gaat gij ook al heen, oude jongen?quot; I zeide Sam tot zijn vriend Smauker. „Ik kan niet anders,quot; antwoordde John. „Ik heb het Bantam beloofd.quot; „Dat is wat anders,quot; zeide Sam. „Misschien zou hij u de conditie opzeggen als gij geen woord hieldt. Maar wat weerga! wilt gij ook al weg, Vuurvlam? Kn mij met de grootste helft van mijne punch laten zitten? Kom, gekheid! Bli,if nog wat!quot; Ttickle kon deze iiitnopdiging niet weerstaan. | Hij legde zijn hoed en stok, die hij juist had | opgenomen, weder neer, en zeide, dat hij nog lt; ! een enkel glaasje tot afscheid wilde drinken. Daar de heer in het blauw denzelfden weg heen moest als Tuckle, liet hij zich insgelijks 1 overhalen om te bleven. \'I\'oen de punch begon I te minderen, liet Sam een partij oesters komen i uit den winkel van den kruidenier, die ook in i dit artikel handel dreef, en zijne gasten werden I zoo vroolijk, dat Tuckle met steek en stok, tus-schen de schelpen op de tafel, een horlepijp j danste, waarbij de blauwrok muziek maakte op i een schrander uitgedacht instrument, dat uit i eene kam en een papiertje bestond. Eindelijk 1 was de punch op, en het drietal begaf zich op weg om elkander te huis te brengen. Zoodra i Tuckle in de open lucht kwam, kreeg hu een onwederstaanbaar verlangen om zich op eene stoep neder te vleien, en Sam, die het onbeleefd ; vond hem tegen te spreken, liet hem zijn zin doen. Daar de steek echter bedorven zou zijn | indien hij op straat was blijven liggen, zotte ; Sam dien den blanwrok op het hoofd, bracht ; hem vervolgens naar zijn huis, zette hem daar i in balans tegen de deur, gaf hem den grooten stok van Tuckle in de hand, schelde aan, en ging bedaard zijns weegs. Don volgenden morgen kwam Pickwick veel vroeger beneden, dan hij anders gewoon was op te staan, en schelde. „Sarn!quot; zeide hij, toen zijn bediende binnentrad, .doe de deur dicht.quot; Sam uehoorzaainde. , Kr heeft hier van nacht een ongelukkig voor-; val plaats gehad, Sam!quot; zeide Pickwick, „het : welk mijnheer Winkle voor eene of andere go-; Welddadigheid van manheer Dowler heeft doen vree\'/en.quot; „Ja, dat heeft de oude vrouw mij al verteld, mijnheer\'quot; zeide Sam. „En tot mijn leedwezen, Sam,quot; vervolgde |
Pickwick, „heeft mijnheer Winkle, uit vrees voor deze gewelddadigheid, de vlucht genomen quot; „De vlucht genomen?quot; herhaalde Sam, „Hij heeft van morgen vroeg het huis verlaten, zonder mij er iets van te zeggen,quot; zeide Pickwick, „Hij is weg, en ik weet niet waar hij gebleven is,quot; „Hij had hier moeten blijven en zijn man moeten staan, mijnheer!quot; zeide Sam verachtelijk. „Het zou niet veel moeite gekost hebben, om dien Dowler in zijne schelp te doen kruipen.quot; „Ik heb ook al eens getwijfeld, Sam, of hij wel zoo\'n held is,quot; zeide Pickwick. „Maar dat moge wezen gelijk het wil, Winkle moet opgezocht en teruggehaald worden.quot; „En als hij niet wil terugkomen, mijnheer ?quot; zeide Sam, „Dan moet hij gedwongen worden, Sam!quot; „Wie zal dat doen, mijnheer?quot; vroeg Sarn met een glimlach. „Gij!quot; antwoordde Pickwik. „Als \'tu belieft, mijnheer!quot; Met deze woorden verliet Sam het vertrek, en kort daarop hoorde men hem de straatdeur toetrekken. Een paar uren later kwam hij zoo bedaard terug, alsof hij slechts eene gewone boodschap was gaan doen, en bracht het bericht, dat iemand, wiens beschrijving volmaakt op Winkle paste, dien morgen met de diligenc( van het Koninklijk Hotel naar Bristol was vertrokken. „Sam,quot; zeide Pickwick, hem bij de hand vattende; „gij zijt een knappe kerel, een juweel van een kerel. Oij moot hem narijden, Sam! Zoodra gij hem gevonden hebt, moet gij het mij schrijven. Als hij wil wegloopen, dan geeft gij hem een pak slaag of sluit hom op. Ik geef u volle vrijheid en volmacht, Sam!quot; „Zeer goed, mijnheer!quot; zeide Sam. „Zeg hom,quot; zeide Pickwick, „dat zijn gemeen gedrag mij zeer mishaagd heeft, — dat ik er zeer misnoegd en verontwaardigd over ben.\'\' „Ik zal hem de boodschap doen, mijnheer!quot; zeide Sam. „Denkt gij, dat gij hom vinden zult, Sam?quot; vroeg Pickwick, terwijl hij zijn knecht ernstig in do oogen zag, „O, als hij maar ergens is, zal ik hem wel vindon,quot; antwoordde Sam met het grootste zelfvertrouwen, .Goed,quot; zoldp\' Pickwick. „Hoe eerder gij voltrekt, des te beter.quot; Daarop stelde Pickwick zijn getrouwen be diende eene som gelds ter hand, met den last om terstond den vluchteling te gaan nazetten, Sam pakte het een en ander in een valies, en ging heen: maar aan het eind van de gang bleef bijstaan, keerde terug, en slak zijn hoofd binnen de deur, .Mijnheer!quot; fluisterde hij, „Wat is er, Sam?quot; vroeg Pickwick. |
|
,,Ik heb u immers welbegrepen; nietwaar, mijnheer?quot; „Ik denk van ja,quot; antwoordde. Pickwick, j „Het was letterlijk gemeend van dat pak slaag, niet waar, mijnheer?quot; „Ja wel,quot; antwoordde Pickwick. „Doe al wat gij noodig acht. (jij hebt mijne orders.quot; Sam knikte meteen veelbeteekenenden wenk. haalde zijn hoofd terug, en begaf zich blijmoedig op reis. XXXVHL HOE WINKLE, TOEN HIJ DEN H Eli UN ONTLIEP, ZEEK (1BRU8T EN BEDAARD EEC UT UIT IN HET WATER STAPTE. Nadat de ongelukkige Winkle een zeer on-rustigen en angsligen nacht had doorgebracht, verliet hij het huis, waarin zijne vrienden nog i;igen te sluimeren, zonder te weten, waarheen hij zijne schreden zou richten. Do edele en menschlie ven de bedenkingen, welke hem tot liezen slap bewogen, kunnen niette hooggewaardeerd of geprezen worden. „Indien/1 zoo rede-lieerde hij bij zich zei ven, . indien deze Dowler zich onderstaat (waaraan ik niet twijfel) om zijne dreigementen tegen mij ten uitvoer te brongen, zal ik niet kunnen nalaten hem uit te Mgen. Maar hij heeft eene vrouw: eene vrouw, die hem liefheeft, en wier beschermer en ver-Z\'irger hij is. Hemel! indien ik hem in mijne quot; \'quot;\'le woede van liet leven beroofde, hoe zou het mij dan naderhand te moede zijn!quot; Door deze pijnlijke gedachte word het hart van den Z ichtaardigen jonkman zoo gevoelig getroffen, ■i d zijne feniorn tegen elkander knikten, en tee-kquot;fH\'ti der diepste ontroering zich op zijn gelaat ; V\' rtoonden. Hij nam derhalve zijn valies op, -loop stil naar beneden, trok de afgrijselijke straatdeur, zoo zacht als mogelijk was, achter \'h tóe, en ging heen. Voor het Koninklijk Hotel zag hij juist eene diligence staan, die naar Bristol zou afrijden; zonder zich lang i\' bedenken, nam hij eene plaats, reed mede, •\'ii kwam zonder eenige bijzondere ontmoeting Bristol aan. Mij nam eene kamer in de Groene Boom; ■ ■ti daar hij voornemens waa niet aan Pickwick t\' schrijven, voordat volgens zijne berekening de Woede van Dowler eenigermate bedaard was, -\'quot;g hij uit om de stad e\'-ns te bezichtigen, die iiem een vveinig morsiger voorkwani, dan hij er (\'\'\'ne gezien had. Nadat hyd*-dokken, de \' \' nepen en de groote kerk in oogenschoir.v had genomen, wilde hij weder naar zijn logement -\'aan; maar dewijl de straten van Bristol even-niin op een geregolden aanleg als op zindelijkheid kunnen bogen, was het Winkle onmogelijk, in het doolhof van kromme, elkander in alle richtingen kruisende straten, don terugweg te vinden, en hij zag rond naar een fatsoenlijken winkel, om zich te laten terecht wijzen. |
Weldra viel hem een pas nieuw geschilderd huis in het oog, dat zoowat het midden hiel l tusschen een winkel en een gesloten huis, en door de voor het venster staande flesschen als de woning van een dier geleerde heeren werd gekenteekeüd, dir zicb met de beoefening der geneeskunde in den ruimsten omvang bezighouden, en de beroepsplichten van dokter, chirurgijn en apotheker tegelijk uitoefenen. Winkle trad den winkel binnen, ruim voorzien van laden en flesschen met vergulde opschriften, en daar hij niemand vond, klopte hij met een halve kroon op de toonbank. Ken geluid in do kamer achter den winkel, alsof twee personen daar met een pook en eene tang aan het schermen war-n, hield plotseling op, .n na verloop van korten tijd trad een jong heer van een zeer geleerd voorkomen, met een groenen bril op den reus, en een dik boek in do hand, den winkel in, plaatste zich achter de toonbank, en vroeg wat de vreemdeling verlangde. Maar nauwelijks had \\\\ inkle zijn mond geopend, om te antwoorden, of de jongeheer wierp zijn boek hoog in de lucht., ving het met grobte behendigheid w-■dei-op, juist op hot oogenblik toen het ilc flesschen op de toonbank met eene aigeheele vernieling bedreigde en hief een schaterend gelach aan. Ti n hoogste verwonderd over zulk eene ontvangst, trok Winkle onwillekeurig naar de deur terug. „Wat!quot; riep de geleerde heer uit: „kent.gij mij niet?quot; Winkle antwoordde stotterend, dat hij dit genoegen niet had. „Wel, dan heb ik nog hoop,quot; zeide de geleerde heer. ..Als het ueluk mij maar eenigszins meeloopt, kan ik nog de heli\'t van aldeoude wijven in Bristol bezoeken. Pak u voort, verin ufte dokter!quot; Met dezen uitval smeet de geleerde heer /ijn l.oek in een hoek van den winkel; daarop nam hij zijn bril af, en nu herkende Winkle de trekken van Robert Sawyer. „ Hadt gij mij waarlijk niet herkend?quot; vroeg ; .Sawyer, terwijl hij Winkle met hartelijkheid de hand drukte. „Op mijn woord,quot; antwoordde Winkle. „Het verwondert mij. dat gij mijn naam niet gezien hebt,quot; zeide Sawyer, terwijl hij zijn vriend j do deur wees, waarop men met groote letters ! las: „Sawyer, opvolger van Nockemorf.quot; „Bat is mij niet in het oog gevallen,quot; zeide Winkle. „Als ik geweten had, dat gij het waart,| zeide Sawyer, ..zou ik naar buiten zijn gevlogen, 1 om u in mijne armen le sluiten ; maar ik dacht, dat het de ontvanger van de rijkabelasling was, i en ik wilde juist zeggen, dat ik niet te huis |
SAM I\'KL I\'ICK Wit \'K.
2:;
|
was, maar dat ilc mijnheor Sawyer de boodschap doen zou; want hij kent mg nog niet, t-vennun als de ophaler van het straat-en lantaarngeld. De vent van de kerkenbela.-.ting begint mij te kennen, vrees ik; en die duivel van liet water-geld kent mij al te wel, want ik heb hem eens eene kies getrokken. Maar kom binnen, kom | binnen!quot; Zoo babbelende, trok hij Winkle mede naar de achterkamer, waar onze oude kennis Benjamin Allen bij het vuur zat, en zich den tijd verdreef door met den gloeienden pook ronde gaten in den schoorsteenmantel te boren. „Dit is inderdaad een genoegen, dat ik niet verwacht had,quot; zeide Winkle, „Wat woont gij hier pleizierig!quot; „Dat gaat nogal,quot; hernam Sawyer, „Kort na die heerlijke partij heb ik mijn examen gedaan, en toen moest mijne familie opdokken, om mij in eene zaak te zettên. Om er wat deftig uit te zien, heb ik mij toen ook een zwart pak en een bril aangeschaft.quot; ..Kn uij doet zeker al aardige zaakjes, niet waar!quot; vroeg Winkle, „Ja wel zaakjes,quot; hernam Sawyer, „Zij zijn zoo klein, dat ik na verloop van ren paar jaren al de winst wel in een wijnglas kan doen en met een aalbesseblad toedekken.quot; „Dat meent gij toch niet?quot; zeide Winkle. „Uw voorraad . . Alles maar voor de leus,quot; viel Sawyer er op in. „IV helft van de laden is ledig, « n de andere helft kan niet eens open.quot; „Oij steekt er imne is den gok mee?quot; zeide Witik ie. „Neen, waarlijk r.iet,quot; antwoordde Sawyer, en bewees zijne verklaring, door naar den winkel t\'1 u\'un en aan de knoppen van eenige valsche helen te trekken. „Al wat ik echt in mijn win-k \'1 heb, zijn de bloedzuigers, en die heb ik voor e- n prijsje overg nomen,quot; „Dat zou ik niet gedacht hebben,quot; riep Winkl\' zeer verwonderd uit. ,Dat hoop ik ook niet,quot; hernam Sawyer; „want waartoe zou anders mijn opstal dienen? Maar wat zult gij gebrniken? Hetzelfde als wij ? Goed, Ben! reik den pat• - ntmaagverwarmer ei ns aan.quot; Allen haalde glimlachend een»1 groene ll -sch, half vol cognac, uit (« n kastje. „Er moet umm-is gt-en water bij?quot; vroeg Sawyer, , Verschoon mij,quot; zeide Winkle, „Het is nog wat vroi-g. Ik :,.al er liever wat water bij doen, ; al- irij rf niets tegen hebt.quot; „Volstrekt niet. als irij het met uw geweti n kunt overeenbriiigen,quot; antwoordde Sawyer, tervvi.il hü met don groot sten smaak een glas cognac in zijn keel goot, „Hen! de retort quot; |
Allen haalde uit hetzelfde kastje i nn koperen keudljt\', waarop Sawyer, geiijk liij zeide. zi-er gesteld whs, umdat het er zoo laboratoriumachtig uitzag. Nadat men in dit merkwaardige keteltje, door middel van een verschen schep steenkolen, die Sawyer uit een kast haalde, waarop men soda wa te r las, en weinig gewoon water had gekookt, verdunde Winkle zijn cognac en le t gesprek werd algemeen. Doch spoedig werd het afgebroken door do komst van een jongen met eene grijze livrei, een hoed met een gouden band, en een mandje aan den arm, „Hier, Tom, gij straatslijper!quot; riep Sawyer, zoodra de knaap den winkel binnentrad „Gij hebt zeker weer loopen spelen,quot; „Neen mijnheerI dat heb ik niet,quot; zeide de jongen, „Dat zou ik u ook afraden,quot; hernam Sawyer op een dreigenden toon. „Wie, denkt gij, zal een doktor laten halen, als hij zijn jongen op do straat\'ziet knikkeren en ravotten? Gij moest daartoe te veel eer in uw beroep stellen, gij deugniet! Hebt gij al do medicijnen weggebracht?quot; „Ja, mijnheer 1quot; „De poeders voor het kind in dat witte\'nuis, waar pas dat groote huishouden is komen wonen, en die pillen, om viermaal daags in te nemen, bij dien knorrigen ouden heer, die het podagra heeft?quot; „Ja, mijnheer!quot; „Doe dan do deur dicht en ga op den winkel passen,quot; „Kom!quot; zeide Winkle toen de jongen was heengegaan; „hot is toch zoo erg niet, als gij mij wilt wijsmaken. Mr zijn toch medicijnen te bestellen.quot; Sawyer keek eerst in d\' n winkel, om te zien of er ook vreemden warén, die hem konden hoeren, en zeide toen, zich tot Winkle buigende, met i-ene zachte stern ; „Hij brengt het altemaal aan verkeerde huizon,quot; Winkle keek zeer verwonderd op, en zijn vriend begon te lachen, „B\'grijpt gü het niet?quot; hernam Sawyer. „Hij schelt maar ergens aan, stopt de meid eene partij medicijnen zonder adres in de hand, en loopi terstond weg. De meid brengt het goed boven; en mijnheer leest de papiertjes: „Drankje om in to nemen bij het naar bed gaan — pillen als naar gewoonte — waschmiddel gelijk gis-ti-ren de poeders van Sawyer, opvolger van Nockemerf, chirurgijn, apotheker en chemist.quot; Hij iaat het zijne vrouw zien, en zij leest het ook ; dan gaat het naar de keuken en wordt nog eens gelezen. Den volgenden dag komt de jongen weerom. „Compliment van mijnheer Sawyer - abuis geweest — een ongeluk -zon veel wlt;\'g te brengen.quot; Zoo word ik bekend, en dat is de hoofdzaak. Het. komt veel goed-kooper uit dan adverteeren. Wij hebben een Ileschje, dat reeds half Bristol is rond geweest, •n nog niet ged tan heeft,quot; |
1_
GEHEIMEN VAX HET GEXHESKUNDIOE VAK. 2;i3
|
„Nu begrijp ik het,quot; zeide Winkle. „Hoe uitmuntend bedacht!quot; „O!quot; hernam Sawyer, zeer opgeruimd: „Ben en ik hebben te zamen een aantal zulke loopjes verzonnen. De nachtwacht krügtachttien pence in de week, om telkens als hij voorbijkomt, aan te schellen; en des zondags komt myn jongen, even vóór het gezangr, als de menschen niets te doen hebben dan rond te kijken, buiten adem de kerk binnenstuiven, om niij te roepen. „Lieve Hemel!quot; zeggen de menschen dan: „er is vast was. Hij bad nu omtrent drie weken bij zijn vriend gelogeerd, die zich evenmin op matigheid in het gebruik van sterken drank kon beroemen, als Benjamin op het bezit van een sterk hoold, en het natuurlek gevolg daarvan was, dat deze jongeheer, gedurende den geheelen bovenge-melden tijd, onophoudelijk in een toestand had verkeerd. Welke tusschen half nuchteren en smoordronken heen en weder zweefde. |
„Beste vriend!quot; zeide Benjamin Aden, toen Sawyer voor eene poos de kann-r had verlaten, |
|
■ quot;iitand ziek geworden. Sawyer wöl\'dt daar ge-hiiahl. Wat heeft die man veel to doen!quot; Heb en lien wierpen zich op himne stoelen, \'■li hieven een schaterend gelach aan. Toen zij uitgelachen hadden, kwam het gesprek op on-\'i\'-iwerpen, waarin Winkle meer onmiddellijk belang stelde. U ij hebben reeds gemeld, dat Benjamin Allen, •quot;s. hü wat veel had gedronken, eene bijzondere neiging had om sentimenteel te worden Thans had deze aanleg zich op eene zeer merkwaardige wyze ontwikkelil, waarvan de oorzaak deze om zijn jongen weder met eenigo vrrkeerdo boodscliappeii te belasten, .,beste vriend! ik ben diep rampzalig.quot; |
Winkle betuigde zijn innig medelijden, en vroeg ol hij iets doen kon. om do smart van den ongelukkigen student te verzachten. „Niels, brave jongen ! - niets,quot; antwoordde A llen. „(Jij zult u A ra bel la nog wel InTinnen n mijne zuster Arabella ren kh iu meisje, Winkle! mei zwarte oogen toen wij lo zamen bij Wardle wan-n ? Ik we.-t niet oI\'l-ü op liaar gelet hebt - zij ziel er nogal aardig uit. |
SA Ml\'KL PICKWICK.
231
|
Misschien zult gij u haar voorkomen weder te binnen brengen, als gij mij oplettend aanziet.quot; Winkle had geene hulp noodig om zich de gelaatstrekken der bekoorlijke Arabella te herinneren, en dat was gelukkig; want het gezicht van haar broeder Benjamin zou van weinig dienst zijn geweest, om zijn geheugen op het spoor te brengen. Hij antwoordde met zooveel bedaardheid, als hem mogelijk was, dat hij zich de bedoelde jongejuff\'er nog zeer wel herinnerde, en hartelijk hoopte, dat zij volkomen welvarend was. „Onze vriend Bob is een charmante jongen,quot; was het eenige antwoord, dat Benjamin gaf. „Ja wel,quot; zeide Winkle, wien deze vereeni-ging van benamingen zeer onaangenaam in de ooren klonk. ..Ik had hen voor elkander bestemd; zij waren juist voor elkander gepast, ja voor elkander geboren,quot; zeide Benjamin, terwijl hij met veel nadruk zijn glas neerzette. ..Het noodlot heeft daarin uitspraak gedaan, mynheer! Zu schelen slechts vijfjaren en zijn beiden in Augustus jarig.quot; Winkle was te zeer verlangend om te hooren wat er volgen zou, om eenige verbazing over zulk een merkwaardigen samenloop van omstandigheden aan den dag te leggen, iioe verwonderlijk die ook wezen mocht. Benjamin veegde zich derhalve eenige tranen uit de oogen, en vervolgde met te zeggen, dat, in weerwil van al zijne achting en genegenheid voor zijn vriend, Arabella dwaas en plichtvergeten genoeg was, om ronduit te verklaren, dat zij niet alleen geen zin in hem had; maar hem zelfs onder hare oogen niet kon dulden. „En ik geloof.quot; zeide Benjamin ten slotte, „ik geloof, dateene vroegere genesjenheid de schuld hiervan is.quot; „Hebt gij ook eenig vermoeden, wie het voorwerp dier genegenheid zou kunnen zijn ?quot; vroeg Winkle aarzelend en beschroomd. Benjamin greep den pook, zwaaide diun op een krijgshaftisre wijze boven zijn hoofd, gaf er een ge lachten slag mede in de lucht, die zeker op een hoofd, dat hij in zijne verbeelding zag, moest neerkomen, \'\'n besloot met opeen nadrukkelijken toon te zeggen, terwijl hij nogmaals met den pook in de lucht zwaaide; „Ik wou, dat ik hetwistl Ik zou hein laten voelen, hue ik over hem dacht!quot; Bit alles was natuurlijk zeei streelend voor het gevoel van Winkle, die eene poos stilzwijgend bleet\' zitten, maar eindeUik, zijn moed bijeenrapende, vroeg, of mejuffrouw Allen te genwoordig in Kont was. „ Veen, m en!quot; antwoordde Benjamin, terwijl hij den pook neerlegde en een slim gezicht zette. „Ik begreep wel,dat hel daarbij Wardlede rechte plaats niet. was vooreen vvedlt; i Hpannig meisje; en daar ik, nu onze ouders dood zijn, haar natuurlijke beschermer en voogd ben, heb ik haar hierheen gebracht, om eenige maamlen bij |
eene oude tante te logeeren, waar het heel ver velend en eentonig is. Dat zal haar wel tot rede brengen, geloof ik; en als dat niet helpt, zal ik eens wat met haar op reis gaan.quot; „Dus is zij nu bij die tante hier in Bristol\'quot; \' vroeg Winkle stamelend, „Neen, neen!quot; antwoordde Benjamin,teiwijl hij met zijn duim over zijn rechterschouder wees: „niet hier in Bristol - daarginds. Maar stil! daar is Bob. Geen woord, beste vriend! : geen woord!quot; In dit korte gesprek had Winkle genoeg gehoord, om zijn gemoed met de grootste onrust en angst te vervullen. Dat vermoeden eener vroegere genegenheid kwelde hem het meest. Zou hij zelf het voorwerp daarvan zijn? Zou het voor hem wezen, dat de schoone Arabella den vroolijken Bob Sawyer verachtte? Of had hij een gelukkigen medeminnaar? Hij besloot haar op te zoeken, het mocht kosten wat het wilde. Maar hier kwam een geduchte hinder paal in den weg; want hij kon onmogelijk raden, of Benjamin\'s „daar gindsquot; een afstand van drie, dertig of driehonderd mijlen moest te kennen geven. Hij had echter geen tijd om lang hierover na to denken; want kort nadat Sawyer weder was binnengekomen, werd er een vleeschpastei van den bakker gebracht, waarop zijn vriend hem uitnoodigde orn te blijven eten, Eene schoonmaakster, die bij Bob den post van huishondster waarnam, dekte de tafel; en mulat men van de moeder van den loopjongen een mos en eene vork had geleend (want Sawyer zat nog een weinig schraal in zijn huishouden), gingen de drie vrienden aan den maaltijd. Na het middagmaal haalde Sawyer den groot-sten mortier uit zijn winkel, en maakte daarin een portie punch gereed, (lie hij met den stamper zeer kunstmatig en apothekerachtig omroerde. Daar hij nog een eenloopend gezel was, had hij slechts e n punchglas in zijn bezit, hetwelk Wink Ié als gast werd toegewezen. Bon Allen kreeg een trechter, waarvan de pijp met eene kurk was toegestopt, en Sawyer behielp zich met een van die hooge ronde glazen, waarop een aantal van die geheimzinnige teekenen zijn gegraveerd, en waarvan apothekers zich bij het gereedmaken van recepten bedienen, om vloeistoffen af te meten. Toen men met deze toebe reidselen gereed was, werd de punch geproefd en uitmuntend bevonden, en nadat men de overeenkomst had getroffen, dat Sawyer en Allen tweemaal zouden mogen inschenken te gen Winkle eens, gingen zij eendrachtig aan het drinken. Zij zongen niet, omdat Sawyer zeide, dat dit niet deftig stond; maar om zich voor dit bedwang schadeloos te stellen, praatten en lachten zij zoo hard, dat men hen zeker tot aan het eind van de straat hooi en kon. De vroolijkheid |
EDELMOEDIGHEID VAN DOVVLEE.
285
|
van Bob Sawyer was langzamerhand tot het dolle gestegen, terwijl de stemming van zijn vriend Allen reeds weder tot het sentimenteele was gedaald, en de punch mortier was bijna gt-ledigd, toen de loopjongen kwam binnenstuiven en de boodschap bracht, dat er eene meid was gekomen om te zeggen, dat mijnheer Sawyer terstond bij haar meester aan huis moest komen, die een paar straten ver woonde. Deze stoornis deed het gezelschap uiteengaan. Toen Sawyer, nadat hem de boodschap omtrent twintigmaal herhaald was, haar eindelijk had begrepen bond hij een natten doek om zijn hoofd, om weder nuchter te worden; en nadat lui gedeeltelijk zijn oogmerk had bereikt, zette hij zijn groenen bril op en ging heen. Winkle, die het onmogelijk vond om Allen tot een redelijk gesprek, hetzij over het onderwerp, dat hem het naast aan het hart lag, of over eenig ander, te brengen, wilde niet wachten totdat zijn gastheer terugkwam, maar nam afscheid, en ging weder naar de Groene Boom. Zijne ongerustheid, en de stemming, waarin de gedachte aan Arabella zijn gemoed had gebracht, waren de oorzaken, dat zijn aandeel van den punchmortier die werking niet op hem uitoefende, welke de krachtige drank anders op hem zou gehad hebben. Nadat hij derlnlve aan het buffet een glas sodawater met brandewijn had gedronken, trad hij, meer terneergeslagen dan opgewekt door het gebeurde van den avond, de koffiekamer binnen. De eenige persoon, dien hij daar aantrof, was \'•en heer, die met zijn rug naar hem toe voor het vuur zat. Het was vrij koud voor het «ei zoen, en de heer schoof rjjet zyn stoel op zijde, om den nieuw aangekomene plaats bij den haard te geven Wie beschrijft echter de ontsteltenis van Winkle, toen de vreemdeling, hem zoodoende het gelaat van den wraakzuchtiger! en bloed-iierigen Dowler vertoonde! Winkle\'s eerste gedachte was aan de schel te trokken; maar ongelukkig hinghe\' koord vlak achter Dowler\'s hoofd. Voordat hij zich bedacht, had hij reeds een stap voorwaarts gedaan. Toen hij dit deed, schoof Dowler haastig achteruit. ..Mijnheer Winkle, wees bedaard 1 Sla mij niet : dat zal ik niet verdragen. Een klap nooit!quot;\' zeide Dowler, met een veel zachtzinniger gezicht, dan Winkle van zulk een oploopend man had verwacht, ..Ken klap, mynheer?quot; stamelde Winkle. ..Ken klap, mynheer!quot; hernam Dowler. „Wees bedaard! Ga zitten, en luister naar mij.quot; ..Mijnheer!quot; zeide Winkle, die Van het hoofd \'ot de voeten beefde: „voordat ik mij laat be wegen, om naast u of over n te gaan zitten, zonder dat er een bediende in de kaincr is. moet ik vooraf eenigen waarborg hebben. Gij hebt u gisterennacht een dreigement tegen mij laten ontvallen — een vreeselijk dreigement, mijn-1 heer!quot; Hier werd Winkle doodsbleek, en bleef steken. |
„Dat is waar,quot; zeide Dowler, met een gezicht, i bijna even bleek als dat van Winkle. „De om-i standigheden hadden oen verdacht voorkomen. : ! Zij zijn nu opgehelderd. Ik respecteer uwe dap-I perheid. De bewustheid uwer onschuld gaf u het recht om op mij verstoord te zijn. Daar is mijne hand. iieik mij de uwe.quot; „Inderdaad,mynheer!quot;zeide Winkle, onzeker j of hij zijne hand zou geven of niet, en bijna ! : bedeesd, dat Dowler dit zeide, om hem onver- i ! hoeds op het lijf te vallen, „inderdaad, mijn- | heer? ik . . . .quot; „Ik weet wat gij zeggen wilt,quot; viel Dowler j | hem in de rede. „Gij gevoelt u beleédigd. Zeer I natuurlijk. Met mij was het hetzelfde geval. ; Maar ik had ongelijk. Ik vraag u verschooning. Laat ons vrienden zijn, en vergeef mij?quot; Dit zeggende, maakte Dowler zich bijna met geweld van Winkle\'s hand nn ^ster, drukte die heftig, 1 en betuigde, dat hij Winkle voor een man van eer hield, en hem nog hooger achtte dan ooit te voren. „Ga nu zitten,quot; zeide Dowler. „Vertel mij alles. II oo hebt gij mij gevonden? Wan neer zij t gij mij nagereden? Wees opeiihartigen zeg rn ij a lies.quot; „Het is geheel toevallig.quot; zeide Winkle, ten uiterste verbaasd over de zonderlinge en onverwachte wending, welke het gesprek nam. „Daar ben ik blijde om,quot; zeide Dowler. „Ik werd van morgen wakker. Ik had mijn dreigement vergeten. Ik lachte om het voorgevallene. Ik vond het g.appig Ik had niets kwaads in den zin. En dai zeide ik ook.quot; „Tegen wien?quot; vroeg Winkle. „Tegen mijne vrouw. Gij hebt eene belofte gedaan,quot; zeide zij. - .. Dat is waar,quot; zeide ik. „Eene zeer onbedachte gelofte,quot; zeide zij. „Dat is ook waar,quot; zeide ik. „Ik zal om vergiffenis vragen. Waar is hij?quot; -Wjen meent gij?quot; vroeir Winkle. „r,quot; antwoordde Dowler. „Ik ging naar beneden. Gij waart niet te vinden. Dick wiek zag donker, schudde zijn hoofd, hóópte dat er geen geweld zou plaats hebben. Ik begreep alles! (iij waart uitgegaan, misschien om een vriend op te zoeken of pistolen te haten. „Hij is een man van eer,quot; zeide ik. „Ik bewonder hem.quot; Winkle knikte, en nu hij begon te zien hoe de vork in den steel zat. zette hij een zeer deftig irezicht. „Ik liet een briefje voor u achter,quot; hei nam Dowler. „Ik zeide, dat het mij speet; en dat was de waarheid. Dringende bezigheden riepen mij hier. Gij waart niet tevreden, zocht my op, wildet eene persoonlijke verontschuldigimr hebben, Gij hadt gelijk; maar het is nu vöorbij. Ik I heb mijm zaken hier afgedaan. Morgen rijd ik weder naar Bath. Ga mede.quot; Naarmate Dowh rverdei sprak, werd Winkle\'s |
SAMUKL PICKWICK.
|
gezicht hoe langer hoe ernstiger en barseher. Het duistere, in tiet begin van hun gesprek, was nu opgehelderd. Dowler had evenveel afkeer van een tweegevecht als hij; kortom, deze snoever en blufler was ecu lafbek, zoo groot als er een wezen kon; en daar hij Winkle\'s afwezigheid aan eene reden toeschreef, die zijne vrees hem ingaf, had hij denzelfden stap als deze gedaan, en zich uit voorzichtigheid uit de voeten gemaakt; totdat alle drift bedaard zou zijn. Toen Winkle de wezenlijke toedracht van het geval begreep, zeide hij met een zeer grimmig gezicht, dat hij volkomen voldaan was; en dit, zeide hij op een toon. waaruit Dowler moest opmaken, dat, indien hij bij ongeluk niet voldaan was geweest, er onvermijdeliik iets zeer verschrikkelijks zou hebben plaats gehad. Dowler scheen diep doordrongen van de overtuiging van Winkle\'s grootmoedigheid en goedhartigheid ; en de twee verzoenendn vijanden wen achten elkander met veelvuldige betuigingen van eeuwige vriendschap een goeden nacht. Tegen halfeen uur. toen Winkle een kwartiertje het zoete ie not van den eersten slaap had gesmaakt, werd hij gewekt door een luid kloppen aan zijne kanvrdeur, hetwelk zoolang aanhield, dat hij eindelijk overeind kwam, en vroeg wie er was en wat men hebben wilde. :,Daar is een jong inenacb, die zegt, dat hij li terstond sprekon moet, mynheer!quot; antwoordde de stom van eene meid. „Een jong mensch?quot; riep Winkh- uit. (lt; ij behoeft er niet aan te Iwijfelen, mijnheer!quot; antwoordde eene andere stem door liet sleutelgat. „En als die linve jongeheer niet dadelijk wordt binnengelaten, is het zeer wol mogelijk, dat zijne beenen eerder in de kamer zullen zijn dan zijn gezicht.quot; Dit zeggende, gaf tiet jonge mensch een schop tegen de deur, om do beteekenis zijner spreukmatige uitdrukking iip eene tastbare wijze te verduidelijken. „/.ijt gij het Sam?quot; vroeg Winkle, terwijl hij uit zijn bed sprong. .,tfij kunt nooit zeker weten, of iemand wel degene is, voor wien gij hem houdt, als gij hem niet voor u ziet staan, mijnheer!quot; zeide dezelfde stem. Winkle echter twijfelde niet en deed de deur open, hetgeen hij nauwelijks gedaan had, of Samuel Weller trad met zeer veel haast binnen, sloot vervolgens de deur achter zich toe, en zeide, terwijl hij bedaard don sleutel in zijn zak stak ; „Gij zijt me een lief heerschap, gij, mijnheer !quot; „Wat moet (lil beduiden. Ham?quot; vroeg Winkle met verontwaardiging. „Maak oogenblik-kelijk dat gij wegkomt! Wat moet dit beteo-kenen?quot; |
„Wat dit beteekenen moet?quot; hernam Sa muel. „Kom, kom, mijnheer! dat is nu een beetje al te machtig, zooals de jongejuffer tegen den pasteibakker zeide, toen zij een vleesch-pasteitje had gekocht en van binnen niets dan vet vond. Wat dit beteekenen moet? Nu dat is grappig, dat moet ik zeggen,quot; ..Maak de deur open en verlaat oogenblik-kelijk de kamer,quot; zeide Winkle. „Weet gij, wanneer ik de kamer zal verlaten, mijnheer?quot; zeide Sam op een nadrukkelij-ken toon, terwijl hij bedaard op een stoel plaats nam, „Net op hetzelfde oogenblik als gij, mijn-lieer! Het is welwaar, als ik genoodzaakt ben, om u op mijn rug weg te dragen, zal ik een allerkleinst oogor,blikje vóór u buiten de deur wezen; maar ik hoop, dat gij hot niet tot het uiterste zult laten komen; en als ik dat zeg, zeg ik niet meer of minder, dan de heer tegen den koppigen alikruik zeide, toen hij hem niet met eene speld uit zijn horentje kon halen, en daarom bang begon te worden, dat hij hem tusschen de reet van de deur zou moeten kraken.quot; Aan het slot dezer voor hem bijzonder lange aanspraak zette Sam zijne handen op zijne knieen, en zag Winkle vlak in het gezicht, met een blik, die duidelijk aantoonde, dat het zijn vast besluit was, om geenszins den gek met zich te laten steken. ,. t f ij zijt me een lieve jongeheer,quot; vervolgde Sam, op den toon van een zedenpreker, „dat gij onzen ouden heer allerlei last op den hals haalt, terwijl do goede man nooit iets anders wil doen, \'lau wat recht en billijk is. Gij zijt nog veel erger dan Dodson, mijnheer! En wat Fogg aangaat, die is een engel, bij u vergeleken.quot; -Toen hij dit laatste gezegde met een klap op zijn knie had bekrachtigd, sloeg hij niet een blik vol afschuw zijne armen over elkander, en wierp zich achterover in de leuning van zijn stoel, alsof hij op de verdediging van den misdadiger wachtte. „Beste Sam!quot; zeide Winkle, terwijl hij zyne hand uitstak, en onder het, spreken zijne tanden tegen elkander klapperden, want hij had de preek van Weller in zijn nachtgoed staan aan hooren: „beste Sam ! ik vereer uwt gehechtheid aan mijn uitmuntenden vriend, en het doet mij waarlijk leed, dat ik hem eenige reden tot mis-noegcii heb gegeven. Daar, Sam, daar!quot; „Dat mag u ook wel spijten,quot; zeide Sam knorrig, maar vatte toch op eene eerbiedige wijze de aangeboden hand aan; „en ik ben blijde, dat, ik het, van u hoor; want de man is veel te goed. en ik zal zorgen dat niemand hem op den kop zit. Dat zeg ik.quot; „Gij hebt groot; gelijk, Sam!quot; zeide Winkle. „Maar ga nu naar bed, dan zullen wij er mor geti wel verder over spreken.quot; „Het, spijt mij, mijnheer!quot; zeide Ham; „maar ik kan niet naar bed gaan,quot; „Niet naar bed gaan?quot; herhaalde Winkle. |
WINKLE EX SAM KOMEN TOT EEN VERGELIJK.
237
|
„Neen,quot; zeide Sam, zijn hoofd schuddende; I „daar kan niets van komen.quot; „Gij wilt toch van nacht niet reeds weder ! terug, Sam?quot; vroeg Winkle verwonderd. „Neen, pfgy moester grooten zin in hebben,quot; i antwoordde Sam. „Maar ik mag niet uit de j kamer gaan. Mijnheer heeft het uitdrukkelijk ! belast. Ik moet u geen oogenblik alleen laten, en u terstond terugbrengen.quot; |
„Hoor eens, Sam!quot; zeide Winkle. „Ik moet nog twee of drie dagen hier blijven; en wat meer is, gij moet ook hier blijven en mij bij- | staan, om een gesprek met eenejongejult\'er te i bezit zijner kamer laten, mits liet hem vrijstond, om de deur van bulten te sluiten en den sleutel mede te nemen; wel te verstaan, dat, ingeval van dringend gevaar, de deur terstond zou geopend worden. Don volgenden morgen zou er een brief aan Pickwick geschreven en met Do wier medegegeven worden, en daarin zou men zijne toestemming vragen, dat Sam en Winkle met het reeds gemelde oogmerk nog eenigen tijd te Bristol bleven, en om antwoord met de eerste diligence verzoeken. Indien dit antwoord gunstig was, zouden de contracteerende partijen te Bristol blijven, maar zooniet, dadelijk naar Bath |
|
bekomen — mejuffer Allen. Gij herinnert u 1 haar nog wel, Sam? Ik moet en wil haar spreken, voordat ik uit Bristol vertrek.quot; Mik dezer gezegden werd door Sam blt;-antwoord i met een onverbiddelijk hoofdschudden en een j nadrukkeUik: „Daar kan niets van komen.quot; Nadat Winkle lang gepraat en alles verhaald liad, wat er tusschen hem en Üowler was voorgevallen, begon Sath evenwel te wankelen, en 1 • indelijk werd er een vergelijk tot stand gebracht, waarvan de voornaamste voorwaarden aldus luidden: |
Sam zou heengaan en Winkle in het gerust terugkeeren. Eindelijk moest Winkle plechtig | beloven, dat hij intusschen geen gebruik zou j maken van eenig ongeoorloofd middel om te | vluchten \'t welk het venster of de schoorsteen I hem mocht aanbieden. Toen dit verdrag beklonken was, sloot Sam de deur en verwijderde I zich. Hij was bijna beneden gekomen, toen hij staan bleef, en zijn sleutel weder uit zijn zak haalde. „ Daar heb ik het pak slaag vergeten,quot; zeide hij, zich half omkèerende. „En mijnheer heeft het i toch uitdrukkelijk gelast. Hoe dom! Maar het j doet er niet toe,quot; vervolgde hij, terwijl zijn ge- ! |
SAMUEL 1\'IC K WICK.
238
|
zicht ophelderde; „het kan morgen nog wel gegeven worden.quot; Getroost door deze gedachte, stak Sam don sleutel weder in zijn zak. zocht zonder eenige gewetensknaging een slaapvertrek op, en was weldra, evenals de andere bewoners van het huis, in diepe rust gedompeld. XXXIX. HOE SAM WKU.KU DEK VKELIKFDEN WINKLE TKN DIENSTE SToND, K.N WAT HEI\' GEVOLU ZIJNKK IU Ll\' EN VOOHSPUAAK WAS. Den geheelen volgenden dag hield Sain, die besloten had Winkle geen oogenblik alleen te laten voordat hij nieuwe instructi\' n van zijn \' meester had ontvangen, den vluchteling nauwkeurig in In t olt;\'g. Hoe onaangenaam het Winkle ook vallen mocht, zoo nauw bewaakt te worden, achtte hij het echter beter, zulks te verdragt-n, dan zich, door een openlijk verzet, aan hot gevaar bloot te stellen, dat hij met geweld werd weggevoerd, een maatn gel, welke Sam ronduit zeide, dat hem eigenlyk door zijn plicht werd voorgeschreven. Kr is niet aan te twijfelen, of Sam zou weldra het besluit hebben genomen, om Winkle, aan handen en voeten gebonden, naar Bath te brengen, indien Pickwick door tri •en antwoord op den briefte geven, dien Do wier hem had overhandigd, zijn bediende nog langer in onzekerheid had gelaten. Maar om acht uur des avonds trad Pickwick zelf zeer onverwacht de koffiekamer van de (i ro e n \'• Hoorn binnen, en zeide Sum met een glimlach, dat hij zeer wel had gedaan, en nu niet verder op schildwacht behoefde te blijven, ,.lk hield liet voor het best zelf te komen,quot; zeide Pickwick tot Winkle, terwijl Sam hem zijnjas hielp uittrekken, „om te onderzoeken, of gij ten opzichte van deze jongejuffor inderdaad ernstige voornemens hebt, voordat ik mijne toestemming gaf, om Sam in de zaak te gebruiken.quot; „Ernsfi\'-re voornemens?quot; riep Winkle met drift. „Ja waarlijk! Van gn rise her harte!quot; „Bedenk,quot; zeide Pickwick met schitterende oogen, „dat wij haar in het luiis van onzen | uitmuntenden en gastvrijen vriend höbben ont moet. liet zou eenealechte vergelding voorzijie vriendschap zijn, indien wij met het hart en do 1 rust der jongejuffer een lichtzinnig spel dreven. | Zoo iets zal ik nooit toelaten; neen, mijnheer! | nooit toelaten.quot; „Dat is mijn voornemen volst rekt niet. mijn heer!quot; riep Winkle hartstochtelijk uit. „Ik iiquot;b langen rijpelijk over de zaak nagedacht, en ik gevoel dat mijn levensgeluk in Arabella is besloten.quot; |
„Dan zit het in een klein doosje, mijnheer!quot; viel Sam met een welwillend lachje hierop in. Winkle zette een tamelijk barsch gezicht, en Pickwick beval zijn bediende, op een on vergenoegden toon, om niet te spotten met eene der beste aandoeningen van het menschelijke hart; : waarop Sam antwoordde, dat hij zulks ook met | zijn weten nooit zou doen, maar dat er zooveel ; goede aandoeningen waren, dat hij niet wist, wel- i ke de beste waren, als het hom niet gezegd werd. | Winkle verhaalde daarop, wat er met betrek- | king tot Arabella, tusschen hem en haar broeder Benjamin was voorgevallen, en zeide, dat hij daarom alleen een gesprek met die juffer ; verlangde, opdat hij haar zijne liefde zou kunnen | openbaren. Vervolgens zeide hij, dat hij uit de 1 wenken en toespelingen van Benjamin moest opmaken, dat Arabella tegenwoordig ergens in j den omtrek van de Downs was opgesloten, en | dat dit alles was, wat hij had kunnen ontdek- ■ ken. Men besloot daarop, dat Sam, gesteund ; door deze onbepaalde aanduiding, op eene ont- i dekkingsreis zou uitgaan en dat Pickwick en 1 Winkle in tusschen de stad zouden door wandelen, en ook eens bij Sawyer aangaan, in de hoop, dat zij omtrent het verbluf der jongejuffer iets j naders zouden vernemen, Sam Weller begaf zich den volgenden morgen vroeg op weg, zonder zich door de gedachte, | dat zijne taak zoo goed als onuitvoerbaar was, te laten ontmoedigen, en wandelde de straten op en neer, zonder iemand te ontmoeten, die I hem de minste terechtwijzing kon geven. On tel- ; baar waren de gesprek ken, welke hij aanknoopte met rijknechts, die de paarden, en met kindermeiden, die de kinderen een luchtje lieten scheppen; maar op zijn slimme, vragen kreeg hij geen enkel antwoord, dat hem zijn doel eenigszins nader bracht. In vele huizen woon den vele jongejuffers en de meeste van haar werden door de knechts en meiden verdacht gehouden van smoorlijk op iemand verliefd te wezen, of gereed te zijn dit bij de eerste gelegenheid te worden, maar onder al deze jongejuffers was geene Arabella Allen te vinden, en derhalve bleef Sam even wijs als te voren. Tegen een sterken wind in, stapte Sam over de Downs, en dacht bij zich zeiven, dat hij wel eens wilde weten, of men hier altijd zijn hoed met beide handen moest vasthouden. Kin-delijk kwam hij op een met boomen beplanten weg, waarlangs verscheidene kleine buitenplaat-sen verspreid lagen,en aan heteindeeenerblind-loopende laan zag hij voor eene staldeur een rijknecht, die daar ledin rondslenterde, terwijl hij waarschijnlijk zich zalven wilde wijsmaken, dat hij iets uitvoerde met eene spade en een kniiwagen. Wij moeten hier aanmerken, dat wij bijna nooit {•«•n stalknecht luierende hebben aangetroffen, die niet meer of min het slachtoffer van dit zonderling zelfbedrog was. |
SAM WELLEK OP EEN ONTDEKKINGSTOCHT.
239
|
Sam begreep, dat hij met dezen stalknecht ook wel eens een praatje mocht maken, vooral dewijl hij moede begon te worden, en er niet ver van den kruiwagen een groote steen lag. Hij kuierde derhalve de laan op, zette zich op den steen neder, en begon met zijne gewone ongedwongenheid een gesprek. „Goedenmorgen, oude vriend!quot; zeide Sam. „Middag, wilt gij zeggen,quot; zeide de stalknecht, Sam knorrig aanziende.quot; Oij hebt gelijk, oude vriend!quot; hernam Samuel. „Ik wilde ook middag zeggen. Hoe gaat het?quot; „Niet beter sedert ik u zie,quot; antwoordde de grommige stalknecht. ..Dat is toch raar,quot; zeide Sam; „want gij ziet er zoo vroolijk en pleizierig uit, dat het iemands hart goed doet, u aan te zien.quot; De knorrige stalknecht zette een nog don kerder gezicht, zonder dat Sam zich hierom iiekreunde, en terstond vroeg of zijn meester niet Walker heette. „Neen,quot; bromde de stalknecht. „Of Brown ?quot; vroeg Sam weder. „Neen.quot; „Of Wilson?quot; „Neen, ook niet,quot; zeide de stalknecht. „Dan heb ik het mis,quot; zeide Sam, „en heeft hij toch de oer niet om een kennis van mij le wvzen, gelijk ik eerst had gedacht. Uit beleefd-lu id voor mij behoeft gy hier nier. ie blijven,quot; vervolgde hij, toen de stalknecht den kruiwagen naar binnen reed, en zich gereedmaakte om ii dubbele deur te sluiten. „Geneer u maar niet; ik zal het u niet kwalijk nemen.quot; „Ik zou je wel voor eene halve kroon de hersenen willen inslaan,quot; zeide de knorrige lalknecht, de eene deur sluitende. ..Daarvoor kan het niet,quot; antwoordde Sam. „Het zou u ten minste levenslange vrije kost \'ii inwoning opleveren en dat zou te goedkoop zijn. Doe mijn compliment binnen. Zeg hun, dat zij met, het eten maar niet naar mij wachten, in Ook maar niets voor mij bewaren, want het Z\' i koud wezeiij voordat ik kom quot; De stalknecht werd hierop geweldig kwaad; bij /i\'ide evenwel nmts, maar ging naar binnen n ini\'i t de deur met een slag achter zich dicht, /.onder te luisteren naar Sam\'s vriendelijk ver-zof\'k om hem een lok van zijn haar tol. eene Hfijachtenis te laten. ^ im bleef op den steen zitten peinzen, en was jniat op de gedachte gekomen om binnen don quot;intrek van vijf mijlen om Bristol heen aan a!llt;* deuren aan te kloppen hij berekende, \'i:lt bij er honderd en vijftig of tweehonderd •laa^-s zou kunnen afdoen en te beproeven, el hij op deze wijze juffer Arabella zou kunnen quot;ntdekken, toon een toeval hein eensklaps deed ontmoetten, wat hij zonder hetzelve misschien !n 8een jaar zou gevonden hebben, |
\'n de laan, waar hij zat, kwamen nog drie of vier tuindeuren uit van even zoovele kleine buitenplaatsen. De huizen, welke bij deze tuinen behoorden, lagen grootendeels achter het geboomte verscholen. Toen Sam nog op zijn steen zat te peinzen, werd eene dezer deuren geopend, en kwam er een dienstmeisje buiten, om eonige karpetten uit te slaan. Sam was zoo diap in gedachten verzonken, dat hij, toen hij even had opgezien en bemerkt, dat: zij een zeer net figuurtje had, waarschijnlijk niet verder op het meisje zou hebben gelet, indien zijne galanterie hem niet had doen overwegen, dat de karpetten vrij zwaar schenen te zijn, en het meisje niemand had om haar te helpen. Wolier was op zijne manier zeer galant; en zoodra was hemde bovengemelde omstandigheid niet onder de aandacht gekomen, of hij stond op en ging naar het meisje toe. „Liefje!quot; zeide Sam, haar zeer eerbiedig op zijde komende; „gij zult uw net figuurtje bederven, als gij die karpetten alleen uitslaat. Laat ik u helpen !quot; De jonge dame, die zich uit OVergroote zedigheid had gehouden, alsof zij niet wist dat er een heer zoo dicht bij haar was, keerde zich om - zonder twijfel iwant dit zeide ze nader hand zelve) om dit aanbod van een vreemdeling van de hand te wijzen; maar in plaats van te spreken, deinsde zij terug en gaf een half onderdrukten gil. Sam zag ook zeer vreemd op; want in het gezichtje van het nette dienstmeisje herkende hij de trekken van zijne Valentine het bevallige kamermeisje bij mijnheer Nupk iris. .. Heden, lieve Mary, zijt gij het?quot; riep Sam uit. ..Hernel, mynheer Weller!quot; zeide Mary: „wat laat gij iemand schrikken.quot; Op dit verwijt gaf Sam geen antwoord in woorden; ook welen wij niet juist te zeggen wat hij deed. Wij weten slechts dat Mary na eene poos uitriep: „Laat toch staan, mynheer Weller!quot; en dat de hoed van Sara eenige oogen-blikken te voren op den grond was gevallen; uit welke beide omstandigheden wy welgenegtn zouden zijn op te maken, dat het antwoord in een of meer kussen had bestaan. Maai hoe komt gij toch hior ?quot; vroeg Mary, toen zij het afgebroken gesprek weder kon aan-knoopen. „Ik kwam u opzoeken, hartjolief,quot; zeide sani;, wiens hartstocht hem voor een enkele maal zijne waarheidsliefde deed vergeten. „En hoe wist, gij, dat ik hier was\'.\'quot; vroeg Mary. „Wio kan u gezegd hebben, dal ik te Ipswich een anderen dienst heb gekregen en wij loon hierheen verhuisd zyn ? Wie kan n dat gezegd hebben, mijnheer Weller?quot; „Ja,quot; zeide Sam meteen schalkachtigen blik, „daaiquot; zit juist de knoop. Wio kon mij dit gezegd hebben?quot; „liet was Muzzle toch niet?quot; vroeg Mary. „Wel neen,quot; antwoordde Sam, ernstig zijn |
SAMUKL PICKWICK.
|
hoofd schudtlcndp. „Mu/zle was het nietquot; Dan moet het do keukenmeid zijn geweest,quot; zeide Mary „Xatuurlijk,quot; zeide Sam. „Zoo iets heb ik van mijn leven nog niet gehoord,quot; zeide Mary. ^ I „Ik ook niet,quot;zlt; ide Sam. ..Maar, lieve Mary I hier nam hi,j een zeer teederen toon aan, „ik j heb eene andere zaak bij de hand, eene zaak • | van gewicht, waarbij daarenboven veel haast 1 is. Er is een van de vrienden van mijn heer- ! | schap — mijnheer Winkle. Gij herinnert u hem j nog wel?quot; „Met dien groenen rok?quot; zeide Mary. „Ja, ik 5 kan mij hem nog best voorstellen.quot; „Welnu!quot; zeide S.un, ..die is gruwelijk ver-| liefd geworden — verliefd to to ver zijne ooren toe.quot; i „Lieve hemel!quot; riep Mary uit. „.Ia,quot; zeide Sam; „maar dat zou niemendal wezen, als wij het meisje maar konden vinden.quot; En nu deed hU, met vele uitweidingen over de bekoorlijkheden van Mary en hetgeen hij had uitgestaan, sedert hij haar de laatste maal had gezi\'1!). een getrouw verslag van Winkle\'s tegenwoordige omstandigheden. „Wel, li eb ik ooit zoo iets gehoord!quot; riep Marv uit. „Neen. dat hebt gij zeker niet,quot; hervatte Sam. „En daar loop ik nu rond, net als de wan-| delende jood, o.n naar die juffer Arabella Al-; len te zooken.quot; „Wie?quot; riep Mary vol verbazing uit , Mejuffrouw Arabella Allen.quot; herhaalde Sam. „Wel mijn hemel!quot; riep Mary uit op de deur ; wijzende, die de norsche stalknecht achter zich ! had dichtgesmeten; „daar hebt gij het huis, . waar zij nu al ze.s weken gi logeerd is. T)e tweede i meid, die tegelijk kamenier is, heeft het mij ] laatst op een morgen zelve verteld.quot; Wat?quot; zeide Sam; „daar in het huis hier-i naast?quot; „Ja, zeker,quot; antwoordde Mary. I Dit bericht ontroerde Sam zoo geweldig, dat : hij het volstrekt noodig achtte, zich aan Mary ; vast te houden, en eerst na eene kleine stoei | eri,i was hij bedaard genoeg om weder ter zaké te komen. „Had ik ooit zoo iets kunnen denken!quot; zeide I Sam. „Daar naast Je deur! Ik heb eene boodschap aan haar, en heb al deu heeleu dag rond-1 gcloopen, om haar die te brengen.quot; „Dat kunt gij nu nog niét doen,quot; zeide Mary; „want zij wandelt nooit In den tuin, eehalve : des avonds; en zij gaat nooit, dan met: de oude ; juffrouw.quot; Sain -lacht eenigo oogenblikken na,en bracht eindelijk het volgende plan tot stand. Mei het vallen van den avond wanneer Arabella ge j woon was in den tuin t\'- wandelen zou hij tenigkomen, en door Mary in den tuin van het j huis gelaten worden, waar zij behoorde. Dan zou |
hij op den muur klauteren, onder de overhan gende takken van een grooten pereboom, waar-tusschen men hem niet licht zou ontdekken; en zoo zou hij Arabella zijne boodschap doen, en indien het mogelijk was, een onderhoud met Winkle tegen den volgenden avond met haar afspreken. Toen dit plan inderhaast was overlegd en goedgekeurd, hielp Sam het meisje de | karpetten uitslaan, hetgeen zij zoolang hadden uitgesteld. Dat karpetten uitslaan is lang zulk een onschuldig (-ling niet, als het wel schijnt; het opvouwen is ten minste eene zeer bedenkelijke zaak, indien er al in het uitslaan zelf geen kwaad steekt. Zoolang dit duurt, en het paar, dat elkander helpt, op eene karpetlengte van elkandei verwijderd blijft, is het zulk een onschuldig vermaak als men maar bedenken kan : maar wanneer de twee gaan opvouwen, en de afstand tusschen beide afneemt, wordt het spel gevaarlijk. Wij weten niet hoeveel karpetten er bij deze gelegenheid werden opgevouwen; maar wij durven verzekeren, dat Sam hot bevallige dienstmeisje even zoovele malen kuste, als er karpetten te vouwen waren, Weller begaf zich naar de naaste herberg, at en dronk daar met mate, totdat het donker begon te worden, en ging toen weder naar do laan Nadat Mary hem in den tuin gelaten, en dringend had aangemaand om toch voorzichtig ie zijn en zijne artnen en beenen niet in gevaar te stellen, klom sam in den pereboom, om daar te wachten totdat Arabella kwam, Hij moest zoolang wachten, dat hij de hoop bijna reeds had opgegeven, toen hij lichte voetstappen hoorde, en terstond daarop Arabella met langzame schreden zag aankomen. Zoodra zij bij den pereboom was. begon Sam, om op eene niet schrikbarende wijze zijne tegenwoordigheid aan te duiden, verscheidene helsche geluiden temaken gelijk men zou kunnen denken dat iemand natuurlijk eigen zouden moeten zijn, die van zijne jeugd af eene zeero keel, schorheid en kinkhoest tegelijk had gehad. De jongejuffer wierp haastig een blik naar do plek, van waar het akelige geluid kwam, en daar haar schrik vooral niet minder werd toen zij een man in den pereboon) zag, zou zij zeker de vlucht gt-nonieti en gerucht gemaakt hebben, indien de vrees niet gelukkig hare krachten verlamden haar pp eene tuinbank had doen nederzinken. „Daar gaat zij nu flauw vallen!quot; zeide Sam verslagen, „Moe gek is het toch, dat die meisjes altijd moeten flauw vallen, als het volstrekt niet gelegen komt! Holla, juffrouw hoe heet zij nu ook weer? juffrouw Winkle!quot; Of het de tooverkracht van Winkle\'s naam of iets anders dat, was, Arabella deed bijke-men, doet niets ter zake. Zij lichtte haar hoofd op, en vroeg met een flauwe stem; „Wie is daar en wat moet. gij hebben?quot; |
SAM WK IJ,ER IN HKX B00J1.
■2\\ 1
|
„Stil!quot; zeide Sam, terwijl hij op den muur wipte. „Ik ben het maar, mejuHer!quot; „De knecht van mijnheer Pickwick?quot; zeide Arabella. „Dezelfde, mejufïer!quot; antwoordde Sam. „Ik kom van mijnheer Winkle, mejuffer! die hee-lemaal\' desperaat is.quot; „Ach!quot; zeide Arabella, die opstond on naderbij kwam. „Het is inderdaad zoo,quot; vervolgde Sam. „Gisterennacht dacht ik, dat wij hem zouden moeten 1 alles van u gehoord van dien chirurgijn met (.■en bril op.quot; |
„Van mijn broeder?quot; vroeg Arabella. „Ik weet niet recht wie uw broeder is, me-jutter!quot; antwoordde Sam. „Hetisdeslordigste van do twee.quot; „O ia, ja!quot; riep Arabella uit „Spreek voort, bid ik u!quot; „Welnu, mejuffer!quot; zeide Sam; „van hem heeft hij\' gehoord, hoe het met u gesteld was. : En mijnheer Pickwick gelooft, dat, als gij hem |
|
vastzetten. Hij heeft den geheelen dag genaast iiij bezeten was, en zegt, als hij u morgen nif\'t sproken kan, wil hij wat i) wezen, als hij zich niet gaat verdrinken.quot; ■ Ach, neen, neen!quot; liep Arabella, terwijl zij hare handen in elkander sloeg. -Dat zegt hij, mejuffer\'quot; hernam Samuel bedaard. „Hij is een man van zijn woord, en \'k geloof, dat hij het doen zal ook. Hij heeft |
! N\'iunelijk verdooiml. - gt;;ini is to kicsrli om het letMijke woord uit te 8]gt;rekf.\'n. Vi.uT, nirt spoedig te woord staat, die twee chirurgijns hem nog zooveel extra lood in zijn hoofd zullen jagen, dat het naderhand niet eens mei t | deugen zal om op sterk water gezet te worden.quot; ! „Ach, wat kan ik doen om die ongelukken ! te verhinderen?quot; riep Arabella, uit. „Het. geheelc geval komt daarvan, dat zij denken, dat urij aan iemand anders zijt gehecht,quot; zeide Sam. „Het zou inderdaad goed zijn, als gij eens met hem spraakt, mejuffer!quot; ...Maar hoe? waar?quot; riep Arabella uit, „Ik durf niet alleen buiten de deur komen. Mijn |
DlCKI SaMI I I. I\'ll kwick.
SAMUEL PICKWICK.
2! 2
|
broeder is zoo hard en onredelijk. Ik begrijp wel hoe vreemd het u moet voorkomen, dut ik op deze wijze met u spreek; maar ik ben zet\'r, zeer ongelukkig.quot; En hier begon do arme Arabella zoo bitter te weenen, dat Sam ene-valeresk werd; en niet kon nalaten zich tot kampvechter der verdrukte maagd aan te bieden. Het kan wel wezen, me juffer,quot; zeide hij met vuur „dat dit een beetje vreemd is; maar al wa l ik zeggen kan, is, dat ik inlet alleen gereed, maar ook gewillig ben, alles te doen, om een (joed eind aan de zaak te maken; en als liet Ergens toe helpen kan, cm een van die chirurgijns uit het venster te smijten, dan ben ik de man, die het doen zal.quot; Dit/.eggende, sloeg hij, om \'zijre bereidvaardigheid des te duidelijker aan den dag te leggen, driftig zijne mouwen op, met groot gevaar, om van den muur te tuimelen. Hoe vleiend dit aanbod ook wezen mocht, 1 wr. s Arabella het toch van de hand, tot groote i verwondering van den edelnioetligen 8aim Eene , poos lang weigerde zij zoo hardnekkig Winkle i het onderhoud toe te quot;staan, waarom öam ook aandoenlük verzocht, maar toen de komst van i een derde het gesprek dreigde te storen. Huis- . tcrde zij hem, mot vele dankbetuigingen, haastig I toe. dat het wel mogelyk zou kunnen zijn, dat , zij den volgenden avond een uur later in deu tuin zou wezen. Sam begreep dit zoer wel,en nadat Arabella hem een van hare liriste lachjes had geschonken, trippelde ZU luchtig heen, ter-! Wyi Kam opgetogen bleef over hare bekoorlijk-; heden en haar verstand. Nadat Sam van don muur was geklommen, t\'ii nog eenic oogenblikkeM aan zijne eigen \'ifi-langen had gewijd, keerde hij naar de Gr Se no Boo m terug, waar zijn lang uitblijven reeds • ■enii-\'e bevreemding en ongerustheid had verwekt. „Wij moeien voorzichtig wezen, zeide i ick-i wiek, nadat hij aandachtig naar het verhaal van Sam had geluisterd, niet om onzent wille maar om wille van de jongejuffór. Wij moeten zeel voorzichtig: wezen.quot; „Wij?quot; Zi\'ide Winkle met bijzonderen nadruk. Pickwick beantwoordde dit gezegde met\'\'en blik van verontwaardiging over den toon, dien Winkle had g\'b\' /igd; maar spoedig nam zijn ; gelaat d\'■ \'Jtewone vriend* lijke uitdrukking weder aan. toen hi.; ant woordde : „Ja, w ij mijnheer! ; want ik zal met u medegaan.quot; „(iij ?quot; y.i ide Winkle. Ja.,quot; antwoordde Piek wiek zachtzinnig. ..Het is quot;wei niet onnatuurlijk, maar toch zeeronvoor zi\'-hiig van de jongejutVer gehandeld, ilatziju dit onderhoud heeft toegestaan. Maar als ik de vriend van u lieiilen, en oud genoeg oni uw vadei- t\' wezen er b(i tegenwoordig ben, zal de laster nooit zgnlt; stem tlt;-gen haar kunnen |
verheffen.quot; Toen Pickwick dit zeide glinsterden zijne oogen van genoegen over zijne eigene voorzichtigheid ; en Winkle was door dit bewijs der achting van zijn vereerden vriend voor zijne beminde zoo diep getroffen, dat hij Pickwick met warmte de hand drukte. „«am!quot; zeide Pickwick, „bestel eene koets t. -gen morgenavond; maar wat vroeger dan eigenlijk noodig is, opdat wij ruim den tijd heb ben,quot; , , l)en volgenden avond stond de koets op den bepaalden tijd voor de deur, en nadat Sam zijn meester en Winkle daarin had geholpen, klom hij naast den koetsier op den bok. Op eenigen afstand van de plaats, waar zij verwacht worden, stapten zij af, gaven den koetsier last om op hunne terugkomst te wachten en gingen te voet verder. Toenzij eenige schreden gedaan hadden, haalde Pickwick, met een genoegelijken gli rnlacli en verscheidene andere teekenen van zelfvoldoening, uit een zijner rokzakken een dievenlantarentje, dat hij uit voorzorg had medegenomen, en welks vernuftig maaksel hij onderweg aan W inkle vei klaarde, tot niet geringe verwondering der w* i- nige voorbijgangers, die zij ontmoetten, „Het zou my wel te pas gekomen zijn, Sam, zeide Pickwick, zich vergenoegd tot zijn bediend\' koerende, die achterna kwam, „als ik in den tuin van de kostschool zulk een dingetje bij mij had gehad.quot; „Het zijn aardige dingetjes, als men er goei, mee weet om te gaan, mijnheer\'.quot; antwoordde Sam; „maar als men niet gezien wil worden, geloof ik, dat men er den meesten dienst van heeft, als er get-n licht in brandt.quot; Deze aanmerking scheen Pickwick eenigsziiis uit het veld te slaan; want hij stak het- lau-! tarentje weder in zijn zak, en zij stapten stil-\' zwijgend verder. Hierheen, mijnheer!quot; zeide Sam. „Hier is de i laan. Ik zal maar voorgaan,quot; Zij sloegen de laan in, en hier was het tamelijk 1 donker. Terwijl zij op het gevoel voortgingen, haalde Pickwick een paar malen het lantarentje 1 voor den dag, dat een schitterenden straal van omtrent oen voet middellijn van zich wjerp.Dez»-lichtstraal maakte een zeer fraai eflect man ; scheen tevens de voorwerpen in het rond nog don ki-rder te maken. Eindelijk kwamen zij aan den quot;Tooten steen, waarop Pickwick en Winkle zich ncdorzetten t-rwijl Sam vooruitging, om te zi-mi of Mary reeds stond te wachten. Spoedig kwam hij terug met de boodschap, dat de deur open alles sill was. Winkle en Pickwick slopen hem na, en zoo kwamen zij in den tuin. Hh i /gt;eid( i.-d.-r e.-nige malen „st!quot;en daarop scheen niemand te weten, wat er nu moest gedaan worden, „Is mejuffrouw Allen al in den tuin, Mar\\ . vroeu1 Winkle ontre-erd. |
i DIEVEXLAXTAARN\'. 243
TOEGERUST MET EE?
|
„Ik weet het niet, mijnheer!quot; antwoordde zij. ,Het beste zal wezen, dat Weller u in den boom | helpt; en misschien zal manheer Pickwick zoo j .\'■oed willen zijn, om te zien of ook iemand de | iaati inkomt, terwijl ik aan het andere einde van den tuin de wacht houd. Lieve hemel! wat is dat?quot; „Dat mooie lantarentje zal ons allen nog om een lichtje helpen,quot; zeideHam netelig. „Zie toch voor u mijnheer! het licht schijnt vlak op het venster.quot; „Heere!quot; zeide Pickwick, zich haastig om-. ■ :• nde; „dat was mijne bedoeling niet.quot; ..N\'u schijnt het op dat andere huis, mijn-lieer!quot; knorde Sam. „Wel ijselijk!quot; zeide Pickwick, zich weder irnkeerende. „N\'u op den stal, en zij zullen denken, dat lt;t brand is,quot; zeide Sam. „Doe die lantaren toch üclit mijnheer!quot; „Het is de zonderlingste lantaren, die ik ooit in mijn leven gezien heb!quot; riep Pickwick uit, ;••• -r verschrikt over de uitwerkselen, die hij ■, -n zijne bedoeling had voortgebracht. „Dat .\'eitje werkt verbazend sterk.quot; ..Liet zal ons allen te sterk zijn, als gij het ■ zijn gang laat gaan. mijnheer!quot; zeide Sam, . ijl Pickwick zich inspande, om de schuif iii; te doen, hetgeen hem eindelijk gelukte, mar hoor ik de jongejuffer. Kom, mijnheer Winkle! nu naar boven.quot; .Wacht, wacht!quot; zeide Pickwick. „Ik moet 1; r eerst spreken. Help mij naar boven, Sam!quot; ./. ichtjes aan, mijnheer!quot; zeide Sam, terwijl zijn hoofd tegen den muur zette, en van zijn i vene voetbank maakte. ..Stap nu maar op!quot; .. :k ben bang, dat ik u zeer zal doen, Sam!quot; gt;\'• Pickwick. \'quot;jen nood, mijnheer!quot; antwoordde Sam. -li lp een handje, mijnheer Winkle! Sta v- maar!quot; r eene inspanning, die voor een man van ; Z!Ji:quot;jarenenoinvangbijnabovennatuurlijkwas, j - Pickwick op den rug van zijn knecht, die vi rvolgens langzaam oprichtte, terwijl Pick- j zich aan den muur greep, en Winkle hem j de beenen vasthield; zoo gelukte het hun i,;! ouden heer in de hoogte te hebben, totdat 1 1 bril juist boven den muur uitkwam. ■ iirik niet, meisjelief!quot; zeide Pickwick, toen Arabella zag. „Ik ben het.quot; mijnheer Pickwick!quot; riep Arabella uit. i och heen! Laten zij allen heengaan! Ik ;\'oo bang. Lieve mijnheer Pickwick, blijf toch niet! Gij zult vallen, en een ongeluk | ■lt; rijgen.quot; ■ ^ eea maar niet ongerust, Heve jongejuffer!quot; 1 \'quot;„f\'ickwick; ..er is geen gevaar. - Sta vast, i\'n- riep hij daarop naar omlaag ziende. .■•\'a «\'el; mijnheer!quot; antwoordde Sam. „Maar -e belie)eft daar niet langer te blijven dan gij i\'\' i/.ier hebt. Gij zyt een beetje zwaar.quot; |
„Nog maar een oogenblik, Sam!quot; zeide Pickwick. „Ik wilde slechts zoggen, lieve jongejuffer! dat ik mijn vriend niet zou veroorloofd hebben u zoo heimelijk te spreken, indien de toestand, waarin gij u bevindt, hem eene andere keus had gelaten; en opdat het onwelvoegelijke van dezen stap u geene onrust zou baren, zal het u misschien aangenaam zyn. dat ik erbij ben. Dat is al wat ik zeggen wilde.quot; „Waarlijk, mijnheer Pickwick! ik ben u veel verplicht voor uwe goedheid en zorg,quot; zeide Arabella, hare tranen afdrogende. Zij zou waarschijnlijk nog meer gezegd hebben, indien het hoofd van Pickwick niet plotseling uit haar gezicht was verdwenen, toen zijn voet van den schouder van Sam afgleed, waardoor hij tamelijk onzacht op den grond nederkwam. Hij stond echter dadelijk weder op, en nadat hij Winkle had toegefluisterd om zijn gesprek zoo kort mogelijk te maken, liep hij met al den ijver van een jongeling naar buiten, om in de laan de wacht te houden. Winkle klom terstond op den muur, maar keerde zich nog even om, en verzocht Sam om toch vooral op zijn meester te passen. „Laat dat maar aan my óver, mijnheer!quot; zeide Sam. ..Waar is hij? Wat doel hij?quot; vroeg Winkle. „Hij staat daar met zijne lantaren op de wacht.quot; antwoordde Sam. Heb ik ooit zulk een man gezien! Ik geloof waarlijk, dat zijn hart vijl en twintig jaar later is geboren dan zijn lichaam. Winkle had niet naar dit antwoord gewacht. Hij had zich reeds van den muur laten glijden, zich aan Arabella\'s voeten geworpen, en schilderde haar thans hot vuur en de oprechtheid zijner liefde af met eene welsprekendheid, die zelfs Pickwick waardig zou zijn geweest. Terwijl dit in de open\' lucht voorviel, zat een oudachtig heer, een groot geleerde, die oen paar huizon verder woonde, op zijne studeerkamer eene natuurkundige verhandeling teschrij | ven. Wanneer zijne gedachten bleven steken, i keek hij nu eens naar den zolder, dan eens naar den vloer, dan weder naar den muur; en wanneer dit nog niet voldoende was om zijne denkbeelden to yet helderen, kook hij het venster uit. in een dozer suffende pauzen, staarde de geleerde heer verstrooid in de duisternis naaf ; builen, toen hij plotseling een schitterend licltt i dicht langs den grond zag voortglijden, enter-stond weder verdwijnen. Kort daarop zag hij dit nog eens, en vervolgens verscheidene malen achtereen. .\\u legde de geleerde zijne pen neder, en begon na te denken, aan welke natuurlijke oorzaak dit verschijnsel zou zijn toe te schrijven. Deze lichten waren geene eigenlijke verhevo-liugon, want daarvoor waren zij te laag; ook |
SAMUEL PICKWICK.
244
geene glimwormen, want daarvoor waren zij te I hoog; dwaallichtjes, lichtende vliegen of vuur-: werken konden zij mede niet wezen. Wat kon dit licht dan zijn? Gewis een buitengewoon en wonderbaar verschijnsel, dat nog geen natuur-i kenner Ooit had waargenomen, iets, waarvan de j ontdekking voor hem bewaard was gebleven ; en met welks openbaring, ten nutte der nakomeling-j schap, hij zijn naam onsterfelijk zou maken. Vol I van deze gedachten teekendo hij den dag, het I uur en de minuut aan, waarop hij deze verschijnselen had waargenomen, welke hij tot hetonder-j werp eener verhandeling wilde nemen, waarover 1 de geheele geleurde wereld verstomd zou staan.
Hij wierp zich achterover in zijn leuningstoel, | om over zi,jne toekomstige grootheid te peinzen.
öp dat oogonblik verscheen er weder zulk een j geheimzinnig licht, solütterender dan te voren.
en danste, naar het scheen, in de laan op en i neder, zich bewegende in eene baan, nog veel i ongeregelder dan die eener komeet. De geleerde was on\'-\'i\'huwd, anders zou hij zijne vrouw heb 1 ben geroepen, om haar met zijne ontdekking te ! verbazen; nu schelde hij zijn knecht.
„Pruffle!quot; zei de hy; „er is van avond iets zeer buitengewoons in de lucht. Hebt gij dat gezien!quot; Hiermede wees hij naar buiten, waar het licht zich weder vertoonde.
„Ja wel, mijnhetn\'!quot;
„Wat denkt gij daarvan, Pruftle?quot;
„Wat ik daarvan denk, mijnheer?quot;
„Ja. Gij zyt een buitenman. Wat zoudt gij wel deuken, dat de oorzaak van die lichten was?quot;
De geleerde zag glimlachend Pru file\'s ant • woord tquot; gemoet, dat hij ei1 geene oorzaak voor wist te vinden. Pruffle dacht eene poos na.
„Ik geloof dat het dieven zijn. mijnheer!quot; zeide hij eindelijk.
„Gij zijt een domkop gaan,quot; zeide de geleerde.
„üankje, mynheer!quot; zeide Pruftle, en ging j heen.
De geleerde kon evenwel niet rusten bij de ; gedachte, dat Zijne verhandeling voor de wereld ! zou verloren gaan, hetgeen gewis het geval zon | zijn indien het vermoeden van Prufile niet in i d\' geboorte gesmoord werd. Hij zette zijn hoed : op en ging haastig naar den tuin, met het besluit om de zaak nauwkeurig te onderzoeken.
„Eene poos vroeger was Pickwick zelf, die zich verbeelde, dat, hij aan het eind der laan iemand hoorde aankomen, zoo hard hij /ion te-ruggeloopen, en had mi en dan de schuif van het lantaarnt je geopend, om niet in do sloot te raken. Nauwelijks had hij alarm geroepen, of Winkle klauterde weder over den muur, en Arabella Hie lde naar huis; de drie avonturiers liepen ijlings den tuin uit, en de laan af, toen zij schrikten van den geleerde, die zijne tuindeur opende.
„Laat de lantaarn eens even schijnen,quot; Huis-
terde Sam, die de voorste was, zijn meester toe.
Pickwick deed wat hem verzocht werd, en toen Sam, een paar schreden van zich af. het hoofd van een man zeer voorzichtig van achter eene deur zag komen uitkijken, gaf hij den nieuwsgierigen een klap om zijne ooren, zoodat . zijn hoofd tegen de tuindeur bonsde. Daarop ! nam Sam spoedig zijn meester op den rug, en liep achter Winkle de laan af, met eene snel- i heid, die, met den last, welken hij droeg, inder- i daad verwonderlijk was.
Daar zette hij zijn meester neder, en ging op een frisschen draf verder. Binnen weinige minuten zaten Winkle en Pickwick in de koets, die terstond voortreed, en voor de Groene Boom stilhield, voordat Pickwick weder op zijn adem was gekomen.
„Neem mij niet kwalijk, mijnheer!quot; zeide Sam, toen hij Winkle uit het rijtuig hielp; „ik hoop, dat er geene vroegere neiging in den weg stond?quot;
Winkle vatte zijn nederigen vriend bij de hand, en fluisterde hem in liet oor: „Alles gt; in orde Sam!quot; waarop Wel Ier, tenteeken, dat hij hem wel begrepen had. driemaal met zijn vinger tegen den neus tikte, en met een zeer vergenoegd gezicht naar binnen ging.
Wat den geleerde betreft, hij betoogde in eene meesterlijke verhandeling, dat die zonderlinge lichten een uitwerksel der electricitei: waren geweest, en bewees dit voldingend door de omstandigheid, dat er, toen hij zijn hoofd buiten de deur stak, een licht voor zijne oogen had geschittert, en h;j daarop een electrieken schok had ontvangen, die hem wel een kwartier lang bedwelmd had. Deze verhandeling dei-alle geleerde genootschappen verrukt staan, en den schrijver voortaan als een lieht der wetenschap beschouwen.
en gij kunt heen-
XL.
WAARIN PICKWieK LN \' OMSTANDIG HEPEK
JEHEEL ANDERE GERAAKT.
den tijd dien Pickwick me: Bath doorbracht; verhei-zonder dat er iets bijzonder voorviel; enjuis\' toen de zitt ingen van het gerechtshof wedt \' begonnen waren, keerde het gezelschap na Londen terug, waar Pickwick met zijn h diende weder in de Witte Arend zijn intrek nam.
Op don derden morgen na hunne aankoms , ; jaisttoen al de klokken van de hoofdstad negen, en derhalve te zarnen omtrent negeuhondeul sloegen, stond Sam voor de deur van de W i 11 e Arend een luchtje t« scheppen, toen er een
Het overige van zijne vrienden te
|
IN NAMBY\'S K rijtuig kwam a a nr yd en on stilhield, welks zonderling- voorkomen zijne aandacht trok. Uit dit rijtuig stapte een man van omtrent veertig jaar, zeer opzichtig gekleed; zijne doekspeld, cachetten en ringen waren (Iriemaal zoo groot als men ze gewoonlijk draagt; maar daarbij had hij een grove jas aan. Het was de aandacht van Sam niet ontsnapt, dat, toen deze man uitzijn rijtuig stapte, een ander, die er zeer armoedig en haveloos uitzag, en eene poos de straat op on neer had gedrenteld, zich hij hem voegde. sam, die wel vermoedde, wie die twee vreemdelingen waren, posteerde zich in de deur. „Op zij watlquot; zeide de man met de grove jas, terwijl hij trachtte voorbij te dringen. „Wat moet ge?quot; vroeg Sam, het dringen met een gevoeligen stomp beantwoordende. ..Dat gaat zoo niet met mij!quot; zeide de man met de grove jas, terwijl hij zijne stem verhief en zijn gezicht verbleekte. „Kom hier, Smouch!quot; De man met de havelooze plunje schoot toe, ( ii trachtte Sana aan den anderen kant voorbij re komen, hetgeen hot natuurlijke gevolg had\', terwijl gt;Sam hem wilde tegenhouden, zijn principaal gelegenheid had om door te sluipen. I) man met de grove jas vroeg naar de kamer van mijnheer Pickwick, en ging daarna naar boven, door Sam gevolgd, die, tot ver maak der bedienden uit de herberg, de vrij-béid nam om den vreemdeling door gebaren u kennen te geven, dat hij hem verachtte en mnarte. Smouch bleef in de gang staan. I\'ickwick lag nog te slapen, toen de vreem-■ iiug met Sam binnentrad. Het gerucht, dat zij maakten, deed hem ontwaken. „Water om te scheren, Sam!quot; zeide Piek w:-k. achter de gordijnen. „Een oogenblik geduld, mijnheer!quot; zeide de \\ i eemdeling, terwijl hij het gordijn openschoof. ■ Ik heb hier eene executie tegen u. ten be-a ve van Bardell. Hier is het bevelschrift, en ■ i; i\' hebt gij mijn kaa rtje.quot; Dit zeggende wierp lil! zijn kaartje op het dek en haalde tege-mk eeii gouden tandenstoker uit zijn vestzak, De naam is Namby,quot; zeide de Sheriffs-oHicier (want dat was de vreemdeling), toen i\'ifkwick zijn bril opzette, on; het kaartje to ■ \'quot;ii. ..Namby in (\'oleman-s! root.quot; ^ 1 hans kwam Sam Wolier, die tot nog toe -mlzwijgend don blinkenden hoed had aange-^taard, welken Namby op zijn hoofd had ge-1 ^l\'-n, tusschenboide met de vraag: „Zijt gij quot;\'ii kwaker?quot; ■ ik zal u wel eens loeren wie ik ben,quot; \'mwoordde de verontwaardigde dienaar der w\':t. „ik zal u wel betere manieren leeren. vriend!quot; -Dank je,quot; zeide Sam, „en ik zal het li ook ■■quot; ii; Neem uw hoed af!quot; Dit zeggende sloeg mi Namby zijn hoed van het hoofd, met zoo- |
OFFIEKAMER. 2-iö veel geweld, dat deze van schrik bijna zyn tan denstoker had ingeslikt. „ Mijnheer,i\'ick wiek !quot;zeidedeonthutste plaatsvervanger van den Sheri ff, „ik word door uw knecht in do uitoefening van mijn plicht gewelddadig aangevallen. Ik neem u\'tot getuige.quot; „Getuig niets, en zie niets, mijnheer!quot; viel Sam hierop in. „Doe uwe oogen toe, dan smijt ik hem terstond het venster uit.quot; „Sam!quot; zeide Pickwick gramstorig: „als gij nog één woord spreekt, of eene hand naar dien man uitsteekt, geef ik u dadelijk uw afscheid!quot; „Maar, mijnheer!quot; begon Sam. „Houd uw mond,quot; viel Pickwick hem inde rede, „en raap dien hoed weder bp.quot; Maar dit weigerde Sam ronduit; zoodat Nam- • by, die haast had, zich verwaardigde orn dit zelf te doen, maar niet zonder eon aantal dreigementen tegen Sam, die hem met de grootste bedaardheid aanhoorde, en niets anders zeide, ; dan dat, indien mijnheer Namby zoo goed wilde zijn, om zijn hoed weder op te zetten, hij dien zou wegslaan tot in het eind van Je andere week. 1 Namby achtte het echter niet geraden te beproeven, of Sam zijn woord zou houden, maar I riep Smouch boven. Deze kwam terstond, en nu zoide Namby zijn handlanger, dat het arrest \' had plaats gehad, en gelastte hem, te wachten ; totdat de arrestant zich had aangekleed, waarop 1 hij zich verwijderde. Smouch verzocht Pickwick op een knorrigen toon, om zich wat te haasten, | dewijl het een drukke tijd was, en zette zich toen op een stoel dicht bi) de deur neder. I\'ickwick beval zijn bediende om een huurkoets te gaan halen; en zoodra hij zich gekleed had reed | het drietal te zamen naar Cole man-street. I In een nauwe en donkere straat hield het rijtuig stil voor een huis\'), welks vensters met | ijzeren traliën waren voorzien; terwijl op den deurpost de naam en titel van „Namby, o l\'fi-cier der Sheriffs te Londenquot; te lezen | stond. De deur werd geopend door een heer. die voor een verarmden tweelingbroeder van 1 Smouch had kunnen doorgaan, en Pickwick naar 1 de kofliekamer bracht, in deze koffiekamer, waarin een walgelijke tabakslucht, beenschte, vond Pickwick drie personen bij elkander zitten. Toen hij sam had uitgezonden om Perk or te gaan roepen, plaatste hij zich in een donkeren hoek, om zijn gezel- i schap oplettend te kunnen opnemen. Het bleek hem weldra, dat, een van de drie, een bejaard ; man. die er bleek en vervallen uitzag, een winkelier was, wiens zaken door ziekte en tegenspoed waren achteruitgegaan, maar die, hoewel j zijn toestand bijna hopeloos was, zich nog met het uitzicht op verlossing uit zijn nood bleef vleien. 1 De twee anderen waren beter bekend met hun 1) Iv n zuogennamd pp ttn Ki nglion Be coiu» voorloo-pige sclmlrlgoviingenis ol\' gyzelintr. |
SAML\'KL PICKWICK.
24(5
tueatand, waarin zij zich door hun eigen schuld . hadden gebracht, gelijk duidelijk ble\' k uit hunne gesprekken die Pickwick zoo weinig bevielen, , dat hij een knecht verzocht om hein eeno andere kamer aan te wijzen. In deze kamer, die tamelijk wel gomeubileerd was, en waarin hij bovendien het genoegen had om jullrouw Xamby boven zijn hoofd op eene slechte piano te hooren spelen, bleef hij zitten wachten totdat I\'erker verscheen, tegelijk met het ontbijt, dat bij besteld had.
„Zoo, mijnheer!quot; zeide Perk er: ..zijt gij gevangen? Nu, ik kan niet peggen dat liet mij spijt; want nu zult dj het verkeerde van zulk eeue handelwijze wel inzien, ik heb hier eene opgaaf van ai de kosten; laten wij dit nu maar in eens afdoen en geen tijd verliezen. Xamby zal nu wel te huis zijn. Hoe wilt ge, mijnheer\', zal ik een briefje op een bankier schrijven,of wilt gij het doen?quot; Dit zeggende, wreef hy met gevi\'insdr opgeruimdheid in zijne handen; maar toen hij de oogen van Sam ontmoette, kon hij niet nalaten dezen een trenrigen blik toe te werpen.
„Perker!quot; zeide Pickwick: „ik verzoek u mij hiervan niet moer te laten hooren. Ik zie er geen nut in om langer hier te blijven, en zal daarom van avond naar de gevangenis gaan.quot;
„(lij kunt toch niet naar Whitecross-street gaan, mijnheer!quot; zeide Perker. „Daar zijn zestig bedden in e\'-ne zaal, en de deur is zestien uren daags gesloten.quot;
„Als het mogelijk is, wil ik liever naar eene andere gevangenis gaan,quot;hernam Pickwick. „Zoo niet, dan moet ik mij daar zien le schikken,quot;
..Ais gij het. dan niet anders wilt, kunt gij naar de Pleet gaan mijnheer!quot; zeide Perker.
„Qoed,quot; Zfide Pickwick. „Zoodra ikóntbeton heb, zal ik mij daarheen laten brengen.quot;
„Bedaar, mijnheel\'! Gij behoeft, u niet zoo te haasten om ergens te komen, waar andere menschen zoo gaarne vandaan uaan,quot; hernam de goedhartige zaakwaarnemer. „quot;VVij moeten een habeas corpus lichten: en dar kan niet voor vier uren gebeuren. Zoolang moet gij | ten minste hier nog wachten.quot;
„Ook goed,quot; zeide Pickwick, met onwankelbaar geduld. „Dan kan ik hiererrsteten, Sam! bestel quot;en bief.st.uk, precies om twee uur.quot;
Daar Pickwick, in weerwil van al wat Perker zeidi1, standvastig liij zijn plan bleef, gebruikten de beide herren op dnii bepaalden tijd hun biefstuk, en reden toen te zamen naar Chancery-lane. Toen zij bü den ingang van Sergeant.»-[ n n waren afgestapt, geraakte Perker in quot;en klein geschil met den koetsier over de vracht; en Pickwick ging een weinig op zijde,om den 1 stroom van menschen teontwyken, die elkander verdrongen, om naar buiten Ie komen, en zag daarbij nieuwsgierig om zich heen.
Zij, die het meest zijne aandacht trokken.
waren drie of vier mannen, als heeren, maar vrij armoedig\'gekleed, die voor de meeste voor- ; bijsnellende zaakwaarnemers hunne hoeden afnamen, en hier iets te doen schenen te hebben, hoewel Pickwick niet kon gissen wat dit wezen mocht. Zij drentelden heen en weder, met hunne handen op den rug, en fluisterden nu en dan oen der voorbijgangers iets in het oor. Pickwick herinnerde zich, dat hij die mannen voorheen wel meer onder dien boog had zien staan, en : werd zeer nieuwsgierig om te weten wat zij daar toch uitvoerden. Juist wilde hij Xamby, die naast hem stond, vragen, wat dit voor lieden waren, toen Perker naar hem toekwam, en hem verzocht om spoedig mee te gaan, dewijl zij geen tijd te verliezen hadden. Hij ging vooruit, en Pickwick volgde hem, men een van de bovengemelde lieden, die kreupel ging, naar hem toe kwam, hem zeer beleefd groette en een beschreven kaartje aanbood, hetwelk Pickwick, om den onbekende, niet door eene weigering te belee-digen, aannam en bij zich stak.
„Kom!quot; zeide Perker, zich omkeerende, \'gt;n; te zien of Pickwick achter hem was. „^at moet gü?quot;
De laatste vraag was tot den kreupele gericht, die, zonder dat Pickwick er op had gelet zich bij het gezelschap had gevoegd. Tot ant woord raakte de man nogmaals met de uiterste blt; leefdheid zijn hoed aan, en wees hem naar Pickwick.
Neen, neen!quot; zeide Perker glimlachend. ..Wij hebben u niet noodig, vriend 1quot;
„Neem mij niet kwalijk mijnheer!quot; zeide de kreupele: „Mijnheer heeft mijn kaartje aangenomen. Ik hoop, dat gij mij nemen zult. Mijn heer heeft tegen mij geknikt. Laat bij lOaar zelf spreken! — Hebt gü nietgeknikt, mijnheer v\'
„Gekheid quot; zeide Perker. „Hebt gij geknikt. Pickwick? Het was een misverstand.quot;
„Mijnheer heeft mij zijn kaartje gegeven, zeide Pickwick, terwijl hij dat. weder uil zijn zak haalde. „Ik heb het aangenomen, omdat hij zulks scheen te verlangen; ik moetbekennei dat ik ook nieuwsgierig was, om te weten wat er op stond. Ik ...quot;
1 Perker barstte in een luid geluid uit, en ga! den kreupele zyn kaartje terug, zeggende dai het een misverstand was.
„Het is maar een borg,quot; fluisterde hij 1\'ick wiek toe, toen de kreupele zich onvergenoog\'\' omkeerde.
„Wat is hy?quot; riep Pickwick uit.
„Ken borg,quot; antwoordde Perker.
„Een borg?quot; herhaalde Pickwick.
„Ja, mijnheer! Daar staan er wel een na dozijn hiér. Zij blijven borg voor zooveel g wilt, en vragen niet meer dan een halve kroo: : Ken zonderling beroep, niet waar?\' zeide Pei ker, terwijl hij een snuifje nam.
„Wat? Wilt ge zeggen, dat die mensehet
PICKWICK OP WEG NAAR DE KLEET-ÖEVANGENIS. 247
hun brood verdienen met voor eerie halve kroon j Beurt om geholpen te worden, en nadat de ue- ;
een meineed te doen ?quot; riep Pickwick uit, wien j wone formaliteiten vervuld waren, werd het j
dit bericht inderdaad had doen ontstellen. ! lichaam van Samuel Pickwick aan de bewaking
.Meineed is liet zoozeer niet, mijnheer 1quot; her- van den gerechtsbode toevertrouwd, om door
nam Perken „Dat is een leelijk woord, mijn- j hem aan den opzichter der Eleet-gevangenis ;
heer! een zeer leelijk woord. Het is een legale • te worden overgegeven, en daar in bewaring
fictie, anders niet.\'\'Dit zeggende, haalde hij zijne | te worden gehouden, totdat de boete en kosten
schouders op, glimlachte, nam nog een snuifje, 1 in het geding van Bardell contra Pickwick
en ging vooruit naar het kantoor van de rech- ten volle betaald waren.
tersklerken. 1 „En dat zal lang duren,quot; zeide Pickwick
Dat was een bijzonder vuil vertrek, met : lachende. „Sam! ga eene huurkoets halen. —
eene lage zoldering, en zoo donker, dat men, I\'erker! vaarwel, goede vriend!quot;
hoewel het buiten nog helder dag was, genood- , „Ik zal mederijden en u brengen,quot; zeide {
zaakt was op de lessenaars licht te branden. Perken
Aan het eene einde was de deur van de kamer I „Ik zou liever alleen met Sam willen gaan.quot; :
der rechters, voor welke een hoop zaak waarne- j zeide Pickwick. „Zoodra ik daar wat te huis
mers en klerken stond, die naar de orde, waarin , ben, zal ik u schrijven en u verzoeken om eens
zij op de lijst voorkwamen, werden opgeroepen, bij mij te komen. Tot weerziens derhalve!quot;
Telkens, wanneer de deur openging, ontstond Dit zeggende, é\'apte Pickwick in de koets,
er een geweldig gedrang; en daar er, behalve | die nu gekomen was; de gerechtsbode plaatste !
de gesprekken tusschen de heeren, die wachten zich naast hem, Sam klom bij den koetsier op
om den rechter te spreken, doorgaans hevige den bok, en het rijtuig reed voort.
woorden werden gewisseld tusschen ben, die „Een buitengewoon man,quot; zeide Perker, ter-
hem gesproken hadden, was er zooveel leven, wijl hij zijne handschoenen aantrok.
als er in zulk een bekrompen vertrek goedschiks „Wat zou hij een bankroetier wezen, mijn- |
te maken was. heer!\'quot; zeide Lowten, die zijn meester hier had
Deze gesprokken waren nog de eenige klan- opgewacht. Wat zou hij de connnissarissen
ken niet, die de aandacht stoorden. Achter éene kwellen! Als zij van gevangenzetten spraken,
balie, aan het andeie einde van de kamer, stond zou hij hen maar uitlachen.quot;
en klerk met een bril op, die de affidavits De procureur scheen niet zeer gesticht over
opmaakte, welke bij hoopen tegelijk naar den deze eigenaardige schatting van l\'ick wick\'s ka-
1-chter werden gebracht, om te teekenen. Eene rakter; want hij verwaardigde zijn klerk niet
menigte procureurs klerken moesten den eed met een antwoord.
doen, en daar hetonmogelijk wasem hen allen te- De huurkoets reed intusschen de Fleet- i
gelijk tè laten zwefefcn, was hier even veel gedrang street af, gelijk huurkoetsen gewoonlijk doen. 1
■ ils aan de deur van het paterre, wanneer Zijne „De paarden liepen beter,quot; zeide de koetsier.
Majesteit don schouwburg met zijne tegenwoor- „als zij iets voor zich hadden,quot; en daarom hield
digheid vereert. Een ander ambtenaar riep de | hij het rijtuig achter eene kar; als dekarstil-
faraen af van hen, die reeds den eed hadden hield, stond de koets ook stil, en als de kar
-\'edaan, om hun de door den rechter geteekende voortreed, kwam do koets ook weder in bewe-
.1 t\'fidavits ter hand te stellen. Dit alles te ging. Doch de Tijd doet wonderen, en met be-
\' unen maakte zooveel rumoer en opschudding, hulp van dien ouden lieer komt zelfs cone
dut iemand, die er niet aan gewoon was,hoo- huurkoets eene halve mijl ven ilindelijk hield j
ren en zien verging. Bovendien waren een jonge de koets voor de poort der Kloot-gevangenis
kerk met eene tenor- en een oude met eene stil, en Pickwick stapte af. De gerechtsbode
basstem tegelijk bezig met het uitgeven van ging vooruit, over zijn schouder omkijkende,
processtukken, die door de belanghebbenden om te zien of iickwick Wel volgde. Zij gingen
moesten worden afgehaald, en schreeuwden zoo links af, en kwamen zoo door eene open deur
hard zij konden de nanmn uit vanlfen, die aan in eene soort van voorzaal, en by eene andere
\'le beurt waren. Zonder zich hierdoor to laten zware de®, die naar hei binnenste der geyan-
\'linderen, ging de klerk met den bril op onop- genis leidde, en voor welke een zwaarlijvige
houdelijk voort met beeedigon,\'en herhaalde oppasser met een sleutel in zijne hand de j
telkens het verminkte formulier, dat op één wacht hield. Hier zeide men Pickwick, dat hij |
\'oen, en zooveel mogelijk in één adem, aldus blijven moest totdat hij „voor zijn portret had
werd uitgesproken; gezeten.quot;
Neem het boek in uwe rechterhand, dit is „Voor mijn portret gezeten?quot; riep Pickwick |
uw naam en handteekening, gij zweert, dat de uit.
inhoud van dit uw affidavit waar is, zoo „ WIJ moeten u eons uitteokenen, mynheer!quot;
belp u (iod, een shilling eepast, als \'t n be- antwoordde de oppasser.
Heit, geld weerom heb ik nietquot; ..Wij verslaan dit: bier opperbest.quot; In een
-N\'a lang wachten kwam Pickwick aan do oogenblik is hot portret klaar, en altijd spie-
SAMUEL PICKWICK.
2 IS
|
ktvnd gelijkend. Ga zitten, mijnheer! en doe alsof gij te huis waart.quot; Pickwick zette zich op een stoel neder, en Sam lluisterde zijn meester in, dat de uitdrukking „voor zijn portret te zitten,quot; niets anders beteekende, dan te wachten totdat de oppassers hem nauwkeurig hadden bekeken, om hem van de bezoekers te kunnen onderscheiden. „Ik hoop, dat de schilders wat spoedig zullen komen, Sam!quot; zeide Pickwick; „want ik zit hier niet op mijn gemak.quot; „Zij zullen er zoo meteen wel wezen.quot; zeide Sam. ,.Zie eens, mijnheer! daar hangt eene klok.quot;\' „Dat zie ik,quot; hernam Pickwick, ?,En daar een vogelkooitje.quot; vervolgde Sam: „eene gevangenis in eene gevangenis.quot; Toen Sam deze wijsgeerige aanmerking maakte, zag Pickwick, dat het zitten begonnen was. De zwaarlijvige oppasser werd door een ander afgelost, zette zich toen op eene bank neder, en zag Pickwick van tijd tot tijd vluchtig aan, terwijl de lange magere man, die hem had afgelost, zijne handen onder zijne rokspan-den stak, en den nieuwen gevangene een ge-ruimen tijd strak aanstaarde. Een derde heer, met een knorrig gezicht, die waarschijnlijk in zijn theedrinken was gestoord, want toen hij binnenkwam, had hij nog een brok van eene boterham iti zijne hand, plaatste zicli dicht bij Pickwick, zette zijne handen in zijne zijden, en keek hom oplettend aan, terwijl nog een paar anderen met zeer ernstige en nadenkende gezichten zijne trekken be studeerden. IV operatie scheen Pickwick vrij slecht te bevallen, want hij schoof zeer onrustig op zijn stoel he n eti weder; maar lui sprak tot nit mand een woord, zelfs niet tot Sam, die achter zijn stoel stond, en ernstig nadacht, gedeeltelijk over het genoegen, dat hij hem zou verschaft hebben,indien de wet hem had toegelaten om al de oppas sera, den een na den ander, af te rossen. Kin-delijk was het portret gereed, en men z.i-ide Pickwick, dat hij nu verder naar binnen kon gna li- „Waar zal ik van nacht slapen! vroeg Pickwick. „Van nacht? — dat weet ik zoo net niet, antwoordde de zwaarlijvige oppasser. „Morgen krijgt gij een slaapkameraad, en dan zult gij een goed bod hebben. Don eeralen nacht is men doorgaans nog niet goed te huis; maar morgen zal alles wel terecht komen.quot; Na eenig oven n weer praten, ontdekte men, dat een der oppassers een bed te huur had, en Pickwick maakte aanstonds gebruik van de gelegenheid, om het voor dien nacht te huren. „Ga maar nr e,quot; zeide de man, „dan zal ik het u meteen laten zien. Het is niet groot, maar een overheerlijk bed. Dezen weg, mynheer!quot; |
Zij gingen de binnendeur door, en eenige trappen af. De sleutel werd achter hem omgedraaid, en Pickwick bevond zich voor de eerste maal in zijn leven, binnen de muren eener gijzeling. ■ «i.; m it te .}\\ : \' »1 ill! XL1. WELK GEZELSCHAP PICKWICK IN DE FLEET-(rEVAXOBXIS AANTROK, EX HOE HIJ DEN EERSTEN NACH 1\' DAARIN DOORBRACHT. Tom Roker — ZOO heette de man, die met Pickwick was medegegaan — bracht dezen rechtsaf, door eene ijzeren deur, die openstond, en een tweede trap op, naar een lange morsige gang, zeer flauw verlicht door een venster aan ieder einde. „Dat is de ondertrap,quot; zeide Roker, over zijn schouder naar Pickwick omziende. ..Zoo,quot; antwoordde Pickwick, terwijl hij een blik wierp op een donkere steenen trap, die naar eene rij van gewelven onder den grond scheen te geleiden; „en dat zijn zeker de kelders, waarin de gevangenen hun kleinen voorraad van steenkolen bewaren? Het ziet er daar wel zeiT onbehagelijk uit. maar die kelders moeten toch gemakkelijk zijn.quot; Dat zijn ze ook. en toch hebben de men-schen, die er in wonen, er altijd wat op te zeggen.quot; „Wat!quot; riep Pickwick uit, „Wilt gij in ernst zeggen, dat die akelige gaten de woonplaatsen van menschelijke wezens zijn?quot; „Wel zeker; waarom niet?quot; vroeg Poker met verbazing en verontwaardiging. ,.I.even daar beneden inderdaad menschen?quot; riep Pickwick uit. ..Wel zeker, zeg ik,quot; antwoordde Roker vin-nig; „en zij sterven er dikwijls ook.quot; De twijfel van Pickwick scheen Roker zeer verstoord te hebben; want hij ging brommend vooruit, een andere trap op. „Daar,quot; zeide hij, toen zij een dergelijke gang, als do vorige, bereikt hadden: „dat is de gang van de koffiekamer, en daarboven zijn er nog twee; en de kamer, waar gij vannacht slapen zult, is de opzichterskamer hierheen!quot; Zijl klommen nog een trap op, verlicht door c-enige kleine vensters, die op eene open plaats uit zagen, welke door muren was omringd, waarvan de top me\' ijzeren pennen was voorzien. Dit, zeide Roker, was de kegel plaats, en aan den anderen kant was eene dergelijke, maar kleinere die de beschilderde plaats heette, omdat daar voorbeen op de muren zeilende schepen en andere voorwerpen waren te zien, die een gevangen schilder in zijn ledigen tijd daarop had afgebeeld. Nadat Roker dit bericht had medegedeeld. |
IX DE I■\'LKET-GEVANGEX1 s.
|
meer, naar het scheen, om zijn liart van eene belangrijke merkwaardigheid te ontlasten, dan omdat hij meende dat Pickwick daarin zou belang stellen, sloeg hij eene nauwe gang in, en opende de deur van een vertrek, dat er lang niet uitlokkend uitzag, en van acht of negen ijzeren slaapsteden was voorzien. „Dat is eene kamer 1quot; zeide Roker, terwijl hij zich omkeerde en Pickwick zegepralend aanzag. |
Het gelaat van Pickwick gaf echter zoo weinig genoegen over het voorkomen van dit vertrek te kennen, dat Roker, om zijn gevoel met iemand dat hij er in het geheel niet over gedacht had, juist gelijk hij, die hem aanzag, het verkoos op te vatten. Nadat Weller zijn oog weder geopend had, vroeg hij, waar het bed was, waarin men volgens het zeggen van Roker, zoo overheerlijk sliep. „Daar staat het,quot; antwoordde Roker, naar een roestig ledikant wijzende, dat in een hoek stond. „Daar moet iemand wel in slapen, of hij wil of niet.quot; „Slaapbollen moeten er voor onderdoen,quot; zeide Sam, terwijl hij het bedoelde ledikant met een |
|
\' d celen, naar Sam Wol Ier omzag, die alsnog een statig stilzwijgen had bewaard. ..Dat is eene kamer, vriend!quot; herhaalde hij. ..Dat zie ik,quot; zeide Sam, met een bedaard knikje. ..Zulk eene kamer zoudtgij in het Earring-don-ho\'tel niet vinden, niet waar?quot; hernam Hoker, met een vergenoegd lachje. |
Weller beantwoordde deze vraag door op eene ongedwongen? wyze zijn eene oog toe tc knip-Iquot;11\' hetgeen kon beduiden, dat hij het wel zoo •-edacht had, of dat hij liet niet had gedacht, of blik vol afschuw beschouwde. „En die andere heeren,quot; vervolgde hij, met een z\\jdelingsrhen blik op zijn meester, als wilde hij zien of deze nog geen berouw kreeg over zijn besluit, „die andere heeren zijn immers fatsoenlijke lieden ?quot; ..Dat spreekt vanzelf,quot; antwoordde Roker. | „Kr is er éi-n onder, die olkcn dag zijne twaalf kannen bier drinkt, en nooit zijne pijp neerlegt. I zelfs niet onder het eten.quot; ..Dat moet een allerfatsoenlijkst man wezen.quot; zeide Sam. Zonder zich door iets van hetgeen hij gehoord | |
2Ó0
|
of\' gezien had te laten afschrikken, kondigde Pickwick glimlachend zijn voornemen aan, om dién nacht de slaapverwekkende kracht van het bed eens te beproeven; waarop Roker, na ge-zeiid te hebben, dat hii zich te bed kon begeven wanneer hij verkoos, zich verwijderde, en hem i met Sam in de gang staan liet. ilet werd donker; dat is te zeggen, men stak, ter eere van de duisternis, die buiten begon te vallen, eenige gaslampen aan in de gang, waar het nooit licht was. Daar het tamelijk warm was, hadden verscheiden bewoners der talrijke ! kleine vertrekken aan beide zijden van de gang hunne deuren half opengezet, In het voorbijgaan keek Pickwick met veel nieuwsgierigheid en belangstelling naar binnen. Hier zaten eenige L\'rove kerels, in eene wolk van tabaksrook, Hlechts ten halve zichtbaar, bij half geledigde bierkannen luidruchtig te praten of kaart te spelen, In een aangrenzend vertrek zag men een bewoner, bij het schijnsel eener kaars, vooreen hoop morsige, gehavende papieren gezeten, die van ouderdom bijna in stukkeu vielen, voorde honderdste maal een lang verslag zijner rampen schrijven, aan een aanzienlijk man gericht, wiens bogen het geschrift nooit zouden inzien, bf wiens hart ef nooit doorzon getroffen worden, In eene derde kamer was een man met. zijne vrouw en een troep kinderen bezig met voor het kleinste een bod op den vloer gereed te maken, en in eene vierde, vijf le, zesde en zevende vond men weder hetzelfde tooneel als in de eerste, maar sterker gt; n ruwer gekleurd. In de gangen zei ven, en vooral op do trappen, stonden en kuierden een aantal menschea. Sommigen kwamen daar omdat hunne kamers te ledig en te eenzaam, anderen omdat die\'to vol en tgt;\' warm waren, en de meesten omdat zij onrustig en ongedurig waren, en niet wisten, wat zij met zich zeiven zouden uitvoeren. Men zag hi or menschen van alle klassen, van den dag looner in zijn linnen buis, tot den geruineerden i verkwister in zijn kostbare huisjas, doch nu t de ellebogen door de mouwen; maar allen had den hetzelfdouitzicht; een mengsel van verveling, licht/innigheid en onbe-chaamdheid, eene vage-bondachtige snoevende imversrhilliuhoid, die niet met woorden kan worden beschreven, maar waarvan ieder die zulks verlangt, een denkbeeld kan krijgen, wanneer hij slechts eene schuldge vangenis wil gaan bezoeken, en de eerste groep, die hij daar ontmoet, met dezelfde oplettendheid aanziet, als l\'ickwirk deed. „ M ij dunkt, Sam !quot; merkte Pie kwiek aan, „dat het gevangenzetten voor schulden eigenlijk bijna in \'t geheel geene straf is,quot; „Niet, mijnheer?quot; vroeg Weller, „(iij ziet hoe die kerels drinken, rocken en spelen,\'* zeide Pickwick, „Het is onmogelijk dat het hun veel schelen kan,quot; „Daar zit het juist, mijnheer\'.quot; hervatte Sam. |
„Hun kan het niet schelen; zij hebben toch pleizier. Maar die anderen, die zitten te kniezen, die geen bier drinken en niet kegelen, die wel zouden willen betalen als zij maar konden, en , zich schamen omdat zij vastzitten, dien valt het zooveel te harder. Weet gij hoe het er mee gelegen is, mijnheer? Zij, die altijd in kroegen en herbergen hun tijd te zoek brengen, voelen het in \'t geheel niet; en zij, die altijd werken als zij maar kunnen, voelen het al te veel. Metis ongelijk, zooals mijn vader zeide, als zijn grog niet juist half en half was. Het is ongelijk, en daarom deugt het niet,quot; „Ik geloof, dat gij gelijk hebt, Sam!quot; zeide Pickwick toen hij eene poos had nagedacht. „Misschien is er nu en dan wel eens een eerlijk man, die het hier naar zijn zin heeft,quot; hernam Weller, peinzende; „maar ik heb nooit van ■ en gehoord, behalve van dat mannetje met het morsige gezicht en den bruinen rok, en bij hem ; kwam het door de gewoonte.quot; „Wie was dat dan?quot; vroeg Pickwick. „Dat is het juist, wat geen mensch ooit geweten heeft,quot; antwoordde Sam. „Maar wat heeft hij dan gedaan?quot; „Hij deed hetzelfde wat velemenschen doen. die met naam en toenaam bekend zijn.quot; antwoordde Sain. „Hij tastte dieper in zijn zak. dan de bodem was, „Dat wil met andere woorden zeggen, liij i maakte schulden,quot; zeide Pickwick, „Juist, mijnheer!quot; antwoordde Sam. „En dat was de reden, dat hij hier werd gebracht. Het was iii -t veel: de schuld bedroeg negen pond. , en de kosten omtrent vijfmaal zooveel: maar hij j bleef hier toch zeventien jaren. Zoo hij rimpels in zijn gezicht kreeg, werden ze zeker door het vuil bedekt, want hot morsige gezicht en de ■ bruine rok zagen er bij\' het eind quot;an die zeventien jaren nog net zoo uit als in het begin. Hij i was een goed mannetje, dat geen kwaad deed, i altijd klaarstond, als hij iemand kon helpen, en altijd meekegelde. maar nooit won. Op het laatst mochten de oppassers hem bijzonder wel lijden, I en des avonds zat hij altijd bij hen in hunne kamer te praten en sprookjes te vertellen. Eens op een avond zat hij daar haar gewoonte alleen met een bijzonder goed vriend van hem, die de wacht had, „Bill!quot; zeide hij op eens, „het is nu al twaalf jaar, dat ik die markt daar buiten niet gezien heb.quot; „Dat weet ik wel.\' zeide de oppasser. „Ik zou ze graag nog eens even willen zien,quot; zeide het mannetje, „Eizoo? zeide de oppasser, en rookte zijne pijp, alsof hij , niet begreep, waar de ander heen wilde. Doch i het, mannetje Het hem niet los, maar zeide: , „Luister eens. Bill! Ik heb mij dat nü eens in het hoofd gezet. Laat. mij nog eens de straat zien, voordat ik sterf; on als ik geene beroerte krijg, zal ik, op de klok af, binnen vijf minuten terug zijn.quot; ..En hoe zou ho t met mij afloopen. |
|
PICKWICK IS gt; als gij eens eene beroerte mocht krijgen ?quot; zeide de oppasser. — „Wel,quot; zeide het mannetje, ..dan | zouden de menschen, die mij vonden, mij wel te huis brengen; want ik heb mijn kaartje in | mijn zak. Nommer twintig, tweede verdieping.quot; j En dat was waar; want als hij met een nieuwen { gast wilde, kennis maken, haalde hij altijd een 1 kaartje uitzijn zak, waarop dat nommer stond; I en dat was de reden, waarom men hem altijd Nommer Twintig noemde. De oppasser keek ; hem eerst eens strak aan, en zeide toen zeer 1 ernstig; „Twintig! ik zai u vertrouwen; gij zult een ouden vriend niet in ongelegenheid i brengen.quot; — „Neen jongen! ik hoop, dat ik iets beters daarachter heb,quot; zeide het mannetje, en klopte daarbij op zijn vest; en toen kwam | er in ieder van zijne oogen eon traan, hetgeen iets zeer bijzonders was; want iedereen dacht, dat er nooit een droppel water op zijn gezicht kwam. Hij gaf den oppasser de hand en ging naar buiten.quot; „En kwam nooit terug?quot; zeide Pickwick. „Dat is mis voor dezen keer, mynheer!quot; antwoordde Sam; „want hij kwam binnen twee minuten terug, rood van kwaadheid, en zeide, dat hij büna door een huurkoets overreden was. dat hij het er niet bij zou laten, en zich wilde : laten villen, als hij er niet bij den Lord ; Mayor over klaagde. Zij hadden veel moeite hem tot bedaren te brengen, maar twee jaren lang wilde hij zelfs niet buiten de deur kijken.quot; „En toen stierf hij waarschijnlijk,quot; zeide , Pickwick. „Neen, mijnheer!quot; hervatte Sam. ...Maar hij kreeg lust om eens eene kan bier te gaan drin- | ken in eene nieuwe herberg aan den overkant; | en toen vond hij de kamer zoo mooi, dat hij ! er alle avonden heen wilde. Eene poos ging dat j goed, en hij kwam altijd terug een kwartier voordat de poort gesloten werd. Eindelijk kreeg hij zooveel pleizier in de herberg, dat hij niet meer om den tijd dacht, en hij kwam alle . avonden wat later, totdat eens op een avond zijn oude vriend juist de poort sloot en den sleutel al had omgedraaid, toen hij kwam aan-loopen. „Hou, Bill!quot; riep hij. „Wat! zijtgij i nog niet te huis. Twintig?quot; zeide do oppasser. „Ik dacht, dat gij al lang binnen waart.quot; ...Veen, ik was ernog niet,quot; zeide het mannetje lachende. .. Wil ik u eens wat zeggen, vriend ?quot; zeide de oppasser, terwijl hü langzaam en knor-• rig de poort opende. „Ik geloof, dat gij onder I slecht gezelschap zi.jt g -taakt, en dat spijt mij van u. Ik zou u niet gaarne hard willen behandelen, maar als gij niet maakt, dat gij op een behoorlijken tyd terugkomt, zoo waar als ik I hier voor u sta, dan laat ili u in het geheel niet meer in.quot; Het mannetje beefde van schrik, en zefte naderhand geen voet nicer buiten de muren van de gevangenis.quot; i\'oen Sam zijn verhaal geëindigd had, zeide |
EERSLACHTIG. 251 Pickwick, dat het tijd voor hem was om heen te gaan; Sam moest in eene naburige herberg gaan slapen, en den volgenden morgen vroeg terugkomen, om te hooren welk goed zijn meester uit de Witte Arend wilde gehaald hebben, sam maakte zich gereed om dit bevel te gehoorzamen, maar kon niet ontveinzen dat hij i het met grooten weerzin deed. Hij ging zelfs zoover, dat hij vrij duidelijk zijn voornemen te ; kennen gaf, om in de gang te blijven slapen; ; maar dewijl Pickwick hiervan volstrekt niet wüae hooren, nam hij eindelijk afscheid. Het is niet te ontkennen, dat Pickwick eene j groote mate van neerslachtigheid en onrust ge. voelde — niet uit gebrek aan gezelschap, want de gevangenis was zeer vol, en door eene enkele flesch wijn te schenken, had hij met een aantal der vroolijkste snaken kunnen kennismaken; maar hij was alleen ondereen hoop gemeen volk. en gevoelde levendig wat het zeggen wilde, zich zonder hoop op bevrijding in eene gevangenis te bevinden. Wat het denkbeeld betreft, om zich zeiven te bevrijden door Dodson en j Fogg hun zin te geven, dat kwam geene enkele \' maal in hem op. In deze gemoedsstemming wandelde hij de gang nog eenige malen op en neder, welks morsigheid hem nu meer dan te voren walgde, terwijl de tabaksrook hom geweldig hinderde, (ie,stadig werden er deuren toegeslagen door menschen die in- en uitliepen, en het geluid van stemmen .-n voetstappon weergalmde zonder ophouden in alle gangen. Eene jonge vrouw, met een kind in hare armen, die van zwakte en uitputting nauwelijks voort kon, ging met haar man, die geene andere plaats had om met haar te spreken, de gang op en neder. Toen zij Pickwick voorbijgingen, hoorde hij de vrouw wanhopig snikken; op eens barstte zij in zulk eene geweldige vlaag va.n droefheid uit, dat zij zich aan den muur moest vasthouden, terwijl haar man het kind Van haar overnam en haar trachtte te bedaren. Het hart van Pickwick was Ie vol, om dit | iiol1 te dragen: en hij ging de kamer binnen, om zich naar bed te begevn. De iipzichterskamer was wel e.-n zeer armoedig en akelig verblijf, daar zij in al wat sieraad en gemak betrof, nog ver bij de slechtste ziekenkamer van oene graafschapsgevangenis ten acI)• ter bleef, maar Pickwick genoot daar toch voor het oogenblik het voorrecht om alleen te W\' zen. Hij zette zich derhalve op het voeteinde van zijne | ijzeren slaapstede, neder, terwijl hij bij zich zeiven dae it, hoeveel de opzichter wel jaarlijks uit het verhuren van dit morsige hok zou trekken. Toen hij zich door berekening overtuigd had, , dat dit niet minder kon wezen, dan hei; bezit eener kleine st raat; in eene der voorsteden van Londen hem zou opbrengen, begon hij zicfirte 1 verwonderen, wat toch eene magere vlieg, die |
25Ü SAMUEL
JK Wlt\'K.
|
over zijne broek liep, kon bewogen hebben om in eene benauwde gevangenis te komen, daar zij immers de k* ns tusschen i en aantal veel vroolijker en luchtiger woningen had; en hij kwam tot het zeer waarschijnlijk besluit, dat het, insect niet bij zijn verstand moest wezen. Nadat lui dit punt had beslist, begon lui te gevoelen dat hij slaperiger werd; hij hnalde derhalve df slaapmus uit zijn zak, die hij des morgens uit voorzorg had medegenomen, kleed de zich op zijn u-mak uit, stapte in bed, en viel weldra in slaap. Nauwelijks had Pickwick een half uur geslapen, ot\'een leven, zoo geweldig dat de vloer er van dreunde, deed hem verschrikt wakker worden. Hij kwam overeind, en bleet\'eene po( s zitten, als versfn-nd van verbazing over het roone»-!, dat hij voor zich zag. [n het midden van hrt vertrek zag hij een man meteen mvtenen rok met brede panden, eene korte broek en grijze wollen kousen, die met e-ne zonderlinge caricatuur van vlugheid en zwier eene htuiepijp danste, hetgeen, bij zijn fraai ■lanskostmnn, eene allerzotste vertooning maakte, Ken ander, blijkbaar smoordronken, en die waar-vhijnUik door zijne makkers in bed was u\'-smeten, zat overeind, «■•n zontr. met éenekla-ireii\'le sletn en treurige eebaren, zooveel hem van \' en vroolijk drinklieilje wilde te binnen m? hi eten; terwijl een derde, wiens voorkomen en k leed ij geheel den yerlooperii lichtmis ken-t.et kendfa;, en die met een zwaren bakkebaard pronkte, bij afwisseling\' den «lanseren den zan-■_.t roeiuichte en fijne pret uitschreeuwde. Deze man was «1«\' eerste, die bespeurde dat Pickwick wakker was; en lui verzocht daarop d\'-n danser met spottenden ernst, öm mijnheer niet in zün s:aap te storen. ...Jongens neen!quot; zeide de danser, met ge-a. takten si-hrik omkijkende. „Maar mijnheer is ai wakker. Hoe vaart gij, mijnheer \'.\' en «le oude i ■ uiw, en uwe lieve dochtertjes? Als gij een pak\'» naar huis zendt, doe er dan mijn compliment in, en schrijf erbij dat ik het wel eerder zou hebben gezonden, maar bang was, dat het niet heel zou overkomen,quot; .Houd mijnheer niet op met uwe compli-menten. terwij gij ziet dat hij snakt naar wat drinken,quot; zeide de man me f den bakkebaard sehertsende. „Waarom vraagt gij mijnheer niet, wat lui gebruiken zal?quot; ..Dat is onk waar,quot; hernam de ander. ..Maar laat mij eerst het onuitsprekelijke genoegen hebben om uwe slaapmuts voor u op te hangen, mijnheer?quot; Dit /.e-\'irende, rukte hij Pickwick kn i Mltandiir za no siaapmtlts af, en zet te «re even belnaidig op het hoofd van defi dronken zanger. Iemand eene slaapmuts te ontweïdiyren, en dilt;\' eert onbekenden heer van een morsig uitwendig voorkomen op het hoofd te zetten, is wel eene tardige, maar toch zeer vrijpostige grap Ook |
Pickwick beschouwde de zaak in dat licht; en zonder met een enkel woord van zijn voornemen 1 kennis te geven, sprong hij uit zijn bed, en gaf ! den grappenmaker een stomp voor zijn borst, «lie hem voor een oogenblik van zijn adem be roofde. Daarop maakte hij zich weder meester | van zijne slaapmuts, en hield in eene verdedigende houding stand. „Kom maar op!quot; riep Pickwick hijgende: „ik | wacht je allebei.quot; En tegelijk slingerde lui met zijne vuisten om zich heen, als wilde hij door het ten toon spreiden zijner vechtkunst zijne vijanden schrik aanjagen. Hij dacht niet anders of hij had een moord-dadigon aanval te wachten; maar hij bedroog zich. Zijne vijanden staarden elkander eene poos \' verwonderd aan, en barstten vervolgens uit in j een hartelijk gelach. .. Wel drommels, wat zUt ge gauw bij de hand !quot; riep de danser uit. ..Kom. ga maar schielijk weer naar bed, of gij zult kou vatten, Toidi goede vrienden, niet waar?quot; „Ja wel,quot; zeide Pickwick, wiens drift reeds bekoeld was, en reikte den danser de hand. „Ik hei\'t Mivins,quot; zeide de danser. „En ik Smangle,quot; zeide de man met den bakkebaard, terwijl hij Pickwick insgelijks de hand reikte, „Dat doet mij veel pleizier,quot; zeide Pickwick, en stapte weder in bed. „Zult gij voor het Hof komen, mijnheer?quot; „Wai voor Hof?quot; vroeg Pickwick. „Hel Hof in Portugal street — het Hof tot behulp van insolvente schuldenaren.quot; „O neen,quot; antwoordde Pickwick; „daarvan zal ik geen gebruik maken.quot; „Gij zult misschien spoedig weder vrij kn-men?quot; vroeg Mivins. „Ik vrees van neen,quot; antwoord je Pickwick. „Ik ben hier gebracht, omdat ik weiger eene schadeloosstelling te betalen.quot; „Ah zoo Iquot; zeide Smangle. „Mijn ongeluk heb ik aan het papier te danken.quot; „(rij zijt derhalve een papierkooper of boekhandelaar?quot; vroeg Pickwick, .Boekhandelaar? Neen, waarachtig niet. Ik ben geen koopman of winkelier - daarvoor zou ik mij schamen. Als ik van papier spreek, meen ik rekeningen quot; „Zoolquot; zeide Pickwick. .Isdatuwemeeninglquot; „Ken faisoenlijk man kan wel eens itt ongelegenheid komen,quot; hervatte Smangle. „Wie kan daarvoor? Daar zit ik nu in K loet gevangenis. Maar wat maakt het mij9 Ik ben er daarom niet erger aan toe.quot; „Volstrekt niet,quot; zeide Mivins, en hij had volkom\' u gelijk; want Smangle was er thans rot; beter aan toe dan voorheen, daar het bedrijf. waardoor hij zich in zijne tegenwoordige woonplaats had gebralt;dit, had bestaan in het verkoopen van eenige jnweelen, dat hij niet had |
OESTuORÜJ-; NACHTRUST,
|
! betaald, maar terstond in eene bank van leening j gezet. „Mijn mond is al droog van het praten,quot; | zeide Smangle. „Mij dunkt, wij moesten onze j kelen eens spoelen met een slok heeten wijn. I De laatst ingekomen zal het betalen, Mivins zal j het gaan halen, en ik zal het helpen uitdrinken. Dat is eene billijke en regelmatige verdeeling ] van het werk, of ik heb er geen verstand van.quot; Niet gezind om nogmaals ongenoegen te krij-j gen, keurde Pickwick dit voorstel goed, en gaf i het geld aan Mivins, die, daar liet bijna elf |
„O neen, dat zeg ik niet,quot; antwoordde Sman git»: „ik zeg uitdrukkelijk, dat hij een zeer fatsoenlijk man is. Maar ik geloof, dat het toch niet kwaad zou zijn, als er eens iemand naar beneden ging om op te passen, dat hij niet bij ongeluk met zijn snoet in de kan valt, of het, geld dat hij terug krijgt, op de trap verliest. - Zog eens, mijnheer! wilt gij eens naar hem gaan kijken?quot; Dit gezegde werd tot een mannetje gerh.ht, dat er zeer bedeesd uitzag, en wiens kleeding de grootste armoede kenteekonde. Onder het |
uur was, terstond naar de koffiekamer snelde, vorige gesprek was hij, alsof het nieuwe van „Zeg eens!quot; tluisterdo Smangle, zoodra zijn zijn toestand hem bedwelmd had, doodstil op vriend de kamer verlaten had: „wat hebt gij zijn bod blijven zitten,
„(üj weet wel waar do kofflekamer is?quot; vervolgde Smangh\', „Loop daar reus hivn, en zeg dat gij komt om hem de kan te helpen dragen. Of wacht eens daar valt mij wat in. Weet te i gij hoe wij hom kunnen foppen ?quot; 1 lier zag hij
Hoe dan? vroeg I\'ickwick.
„Laat hem zoggen, dat hij voor het overschot maar sigaren moet koopon. Dat is een goede inval. Loop gauw, om hem dat te zeggen.
j vriend — m:
| schudde bedenkelijk zijn hoofd.
hem gegeven?quot;
„Ken halve sovereign,quot; antwoordde Piek wiek.
„Hij is een zeer fatsoenlijk man,quot; zeide Sman gle, „en oen aardige snaak. Hij is mijn
„Gij wilt toch niet, zoggen, dat hij in staat 1 /-011 zijn om het geld voor zich zeiven te ge-, bruiken?quot; vroesr i\'ickwick.
lar..,Hier bleef hij steken en Piekwi -k gluipend aan.
SAMUEL PICKWICK.
2.V1
|
Ze /.ijii nil t ver volgde Sinangle, zich tot Pickwick keerende. Ik zal ze wel rboken.quot; Deze streek was zoo machtig fiin, en werd door Smangle met zulk eene koele onbeschaamdheid uitgevoerd, dat Pickwick geen lust zou gehad hebben om hem te keer te gaan, al had hij daartoe de macht geluid. Kort daarop kwam .Mivins met don heeten wijn terug, waarvan door Smangle i en gedeelte in twee gebarsten kommen werd overgegoten, met de aanmerking, . dat men onder zulke omstandighedt n niet al te nauw op zijn fatsoen moest letten, en dat hij voor zich niet te trotseh was om uit de kan tt drinken, hetgeen hij dadelijk bewees door er een hartigen teug uit te nemen. Toen op deze wyze eene wenschelükeeensgezindheid was tot stand gebracht, begon Smangle zijn gehoor te vergasten op het verhaal vau eenige merkwaardige avonturen, waarin hij nu I-u dan betrokken was geweest, en waarin eenige anekdoten voork wamen van een volbloed paard en een mooie Jodin, die beide evenveel liet\'1 hebbers hadden getrokken. Lang vin )r het slot dezer merkwaardige schetsen uit het leven van een gentleman had Mivins zich naar bed begeven en was in slaap gevallen; zoodat het gehoor van Smangle nog Mi.chts uit Pickwick en den bedeesden vreemdeling bestond. Deze twe. schenen niet zooveel smaak te hebben in zijne verhalen, als men mUschien had kunnen verwachten; want terwijl smangle midden in eene lange vertelling was, viel Pickwick Vquot;iir de tweede maal in slaap. XLir. : : VAT IKNM . EVEN AT.S HET VOHKiE, DE BEVESTI-•.ÜNO MCI! OUD!: SHKKI\'K, KAT I-E TBGKSSPOEO IKMAXII M r ZOSDBRUJCOE SLA APKAHEBAÜKX liEKKND MAAI:\'!\', ENquot; E\' \'VEN DIEN HEI BE-: ICHT Kt-NEK TUfilS\'i. WAARMEDE 1\'f- KW1CK Zl.IN BEDIENDE VEUKASTE. Toen Pickwick den volgenden morgen zijne • ■ogen opende, was he: e\'rste voorwerp, dat hij d i.irmede a inscivltwde, gt;:un Wel)er,die op een kl\'-in zwart valies zat. en, naar het scheen in diepe gedachten verzonken, met strakke blikken de st.itige gedaante van den h\'-or Smangle aan-staarde, terwyl Smangle zelf, half geklf\'d op den kant van zijn bed gezeten, eene wanhopige en hojietooze poging aanw* ndde, om sam, door d\'-zon 1 ven strak aan te kijken, van zijn stuk t\' brengen. Wij nquot;omen zijm poging wanhopig |
• n hopeloos, dewijl Sam met c-n veelomvatten-den blik. smangle- in eens van het hoofd tot de vo\' en opnam, mot alle teekenen van het hartelijkste genoegen onafgewend bleef turen, maar zich niet meer schoen te bekommeren, hoe dit Smangle zou bevallen, dan wanneer deze een steenen beeld of eene houten pop ware geweest. „Wel, zoudt gij mij nu weerom kennen?quot; zeide Smangle met een zuur gezicht. „Ik zou er overal een eed op kunnen doen, mijnheer!quot; antwoordde Sam vriendelijk en opgeruimd. „Wees niet impertiment tegen een gentleman, mijnheer!quot; zeide Smangle, „Volstrekt niet, mijnheer!quot; hernam Samuel. „Als gij mij maar zegt, wanneer er een wakker wordt, zal ik zorgen, dat ik eene partij complimenten klaar heb. Daar dit gezegde eene zijdeiingsche verklaring scheen in te houden, dat Smangle geen gentleman was begon deze in ernst kwaad to worden. „Mivins!quot; riep Smangle driftig. ,. Wat is er te doen ?quot; vroeg deze van zijn bed. „Wie duivel is die kerel?quot; „Dat moest ik u vragen,quot; zeide Mivins, ter- i wijl hij slaperig zijn hoofd buiten het dek stak. „Heeft hij hier iets te maken?quot; „Neen,quot; antwoordde Smangle, „Smijt hem dan van do trappen, en zeg iiem, dat iiij maar moet blijven liggen, totdat ik hem kom opschoppen,quot; hernam Mivins; en nadat hij dezen versiandigon raad had gegeven, keerde hij zich om, en sliep weder in. Daar dit gesprek op personaliteiten scheen te zUllen uitloopen, achtte Pickwick het op dit oogenblik gepast een woordje mede te spreken. „Sam!quot; zeide hij. „Mijnheer!quot; hernam deze. „Is er ook iets nieuws sedert gisterenavond?quot; Xi\'-ts bijzonders. Mijnheer !quot;antwoorddeSam met een blik op Srnangle\'s bakkebaard, „Dit zoele, broeiitre weer heel t het onkruid zoo verbazend doen opschieten, dat men er haast van schrikken zou; maar anders weet ik niet,quot; „Ik wil opstaan,quot; zeide Pickwick; „geef mij schoon goed,quot; Welke vijandig\'\' gezindheden Srnanglo ook moge gekoesterd hebben, zijne gedachten namen spoedig een anderen loop. toen hij het valies zag uitpakken, waarvan de inhoud hem terstond i t n zeer gunstig denkbeeld scheen doen opvatten, niet slechts van Pickwick, maar ook van Sam, die, gelijk hij bij de eerst voorkomende gelegenheid verklaarde, hard genoeg, dat het voorwerp zijner loftuitingen hem hooren kon, een echt origineel, en derhalve juist een man naar zijn hart was. Wat Pickwick betrof, de achting, die hij voor dezen heer had opgevat, was onbeperkt, „Kan ik iets doen,om u te dienen, mijnheer?quot; vroeg Smangle, „Niet dat ik weet; zeer verplicht,quot; antwoordde Pickwick |
ZOEKEND NAAK EENE K\'AAI KK.
|
„Hebt gij ook linnen, dat in de wascli moot? Ik heb een knappe waschvrouw aan de liand, die tweemaal in de week mijn goed komt halen; en dat komt al zeer toevallig - het is vandaag juist haar dag. Wil ik wat van dat kleine goed bij het mijne doen ? De moeite heeft niets te beduiden. Waartoe zouden wij menschen met elkaar zijn, als wij elkaar nil t hielpen wanneer wij elkander noodig hebben ? Zoo sprekende- plaatste Smanglè zich zoo dicht mogelijk bij het valies, terwijl zijne blikken de hartelijkste en onbaatzuchtigste vriendschap te kennen gaven. ..Hebt gij iets voor den oppasser, om af te borstelen?quot; vervolgde Sm^ngle na eene poos. „Niet het minste, goede vriend!quot; zeide Sam, zijnmeester hetantwoord uit den mond nemende. Als wij één van beiden zelfs aan het afborstelen gingen, zou het misschien wél zoo pleizierig zijn, zooals de scliooljongen tegen den meester zeide, toen hij zich niet van den knecht wilde laten afrossen.quot; ^Of iets, dat ik in mijn kistje naar de wasch-vrouw kan sturen ?quot; hernam Smanglo. zich met ee.n tamelijk benepen gezicht van Sam tot Piek-•vii.-k keerende. .. Niemendal, mijnheer!quot; antwoordde Sam. ,,Ik vrees, dat uw kistje met uw eigen goed al p.pvol zal zijn.quot; iit gezegde vergezelde hij met zulk een veel- eekenenden blik op dat gedeelte vanSmangle\'s gewaad, welks voorkomen doorgaans eene proef an de bekwaamheid eener waschvrouw ople-vgt; rt. dat Smangle zich omkeerde, en, voorloopig ten minste, van alle aanslagen op Pickwick\'s béiii-.s en garderobe afzag. Hij ging zeer on-vwuenoegd naar de kegelplaats, waar hij icht en gezond ontbeet met een paar van de sigaren, die den vorigen avond gekocht waren. Mivins, die niet rookte, en insgelijks reeds lanir geen crediet meer had, bleef in bed lig-gen, en, om zijne eigen woorden te bezigen, -Mep voor zijn ontbijt. Nadat Pickwick in een hokje naast de koffiekamer, waar men tegen een verhoogden prijs h\' i bestelde kon gebruiken, ontbeten, en Sam • in «-enige noodzakelijke boodschappen uitgezonden had. begaf hij zich naar de kamer der \'■ppassers, om van Roker te vernemen, hoe het verder met hem gaan zon. „Daar iiebt gy een biljet voor nonnner zeven • n twintig op de derde verdieping.quot;zeide Roker, nadat hij een dik boek had geraadpleegd. „Daar is nog i\'-éne plaats open.quot; „Woont daar dan meer dan i.n persoon op eene kamer .\'quot; vroeg Pickwick. „Zooveel Roker. -En hoeveel nam Pickwick. was het antwoord kwiek kuchte. ils er plaats voor is,quot;- antwoordde zijn er al in die kamer?quot; her- |
,,De een is een dominé,quot; hervatte Roker, terwijl hij het biljet invulde, „en de tweede is een slachter,quot; „Wat?quot; riep Pickwick uit, „Een slachter,quot; herhaalde Roker, terwijl hij zijne pen, die geen inkt wilde geven, niet de punt op de tafel stompte, „Hij is in zijn tijd een] baas geweest. Gij zult éié.k nog wel weten, wat voor een kerel Tom Martin geweest is, zeg Neddy?quot; Deze vraag was tot een anderen oppasser gericht, die een paar schoenen zat schoon te maken. „Dat zou ik denken,quot; antwoordde deze. „Het is alsof ik hem nog zie aankomen,quot; zeide Roker, verstrooid voor zich starende, alsof hij een aandoenlijk tooneel uit zijne jeugd voor zijne verbeelding terugriep, . toen hij dien kolen-drager zijn vet had gegeven, tusschen die twee dienders, met een stuk grauw papier met azijn op zijn rechteroog. Wat vliegt die tijd toch om!quot; Daar de heer, tot wien deze aanmerking gericht was, en die een stilzwijgend denker scheen te zijn, slechts door een onverstaanbaar gebrom antwoordde, nam Roker zijne pon weder op, „Weet gij ook wie de derde heer is?quot; vroeg Pickwick, niet zeer in zijn schik met deze be schrijving van zijn toekomstigen huis-of liever kamergenoot. ..Wat is die Simpson, Neddy ?quot; vroeg Roker. „Simpson?quot; herhaalde Neddy. ..Ren paarden-kooper, geloof ik.quot; ..Dat zal wel waar wezen.quot; hervatte Roker, terwijl hy het boek toedeed, en Pickwick een papiertje overgaf. „Daar is het biljet, mijnheer!quot; Lang niet weltevreden met de willekeurige manier, waarop] men hem eene kamer aanwees, zonder zijn eigen smaak in het minst te raadplegen, overlegde Pickwick nog eene poos bij zich zei ven, wat hij doen zou. Ten laatste begreep hij, dat het vóór alle dingen raadzaam zon zijn, om do driehëeren, met welke hij zou moeten samenwonen, eens te zien en te.spreken, en klom derhalve naar de derde verdieping. Nadat hij eenigen tijd had besteed met op de Hauw verlichte gang naar de nommer.s te kijken. die op semmige deuren neg hall\'zichtbaar waren, sprak hij eindelijk een bierjongen aan. die de ledige kannen kwam ophalen. „Waar is nomraer zeven en twintig, jongetje?quot; vroeg Piek wiek. „Vijl deuren verder,quot; antwoordde de knaap, „Er is een mannetje aan de galg opgeteekend, dat onderwijl eene pijp rookt.quot; Deze aanwijzing volgende, ging Pickwick verdei\', totdat hij de boven beschreven beeltenis Ontdekte, en klopte lei mannetje op het \'-re-zicht, eerst zacht, daarna harder, ilij deed zulks verscheidene malen, maar zondert enig gevolg, zoodat hij het eindelijk waagde de dear te openen en binnen te kijken. |
j
i 250
|
Er was slechts \'V-a persoó.h in liet vertrek; en deze lag zoover hij kon, zonder het evenwicht kwijt te raken, uit het venster, zich vermakende met proefnemingen, om vlak op den hoed van een goeden kennis te spuwen, die beneden op de plaats stond. Pickwick kuchte, stampte op den vloer, en gebruikte andere dergelijke middelen, om zijne tegewoordigheid aan te kondigen; maar dewijl hij hiermede niets vorderde. ging hij eindelijk naar het venster en trok den vreemdeling by zyne mouw. Deze trok snel zijn hoofd naar binnen, keerde zich om, !gt;\' keek Pickwick van het hoofd tot de voeten en vroeg, nadat hij eerst iemand had aangeroepen, wiens naam met eene d begint, op een barschen toon wat hij hebben moest. „Ben ik hier niet op nommer zeven en twintig ?quot; vroeg Pickwick. „Wat zou dat?quot; hernam de ander. ,Ik heb hier een biljet,quot; antwoordde Pickwick, terwijl hij zijn papiertje zien liet. „Roker had u toch vvel ergens anders kunnen stoppen,quot; zeide Simpson (want het was de paar-denkooper), na eene poo j van ontevreden stilzwijgen. Pickwick was van hetzelfde gevoelen, maar oordeelde het in de tegenwoordige omstandigheden raadzaam, er zich niet over uit te laien. simpson peinsde eenige oogenblikken, stak daarop zijn hoofd weder het venster uit, en riep eenige malen een woord,\'dat Pickwick niet verstond, maarwaaisihijn lijk eenbij naam van Mart in was, dewijl kort daarop dez.e lieer in een blauwen kiel en met kaplaarzen de kamer binnentrad, gevolgd door (in ander die eenafgesletenzwarten rok aanhad, en wiens gemeen, rood opgezwollen gezicht hem het voorkomen gaf van een aan den drank verslaafden kapelaan, die hijookinder daad was. Toen deze twee heeren het nieuws gehoord hadden, gaven zij terstond in krachtige uitdrukkingen te kennen, dat hot hun bijzonder slecht beviel, en daarop begonnen zij zacht met .Simpson te spreken. Intussdion zag Pickwick eens in het vertrek rond, waarin eene walgelijke morsigheid en eene zeer benauwde lucht heerschten. Van vloerkleed, gordijn of vensterluik was niets te ontdekken. Het eenige ameubletnent bestond in drie vuile matrassen, elk in een deken gerold en in een hoek opgezet, zoodat zij eene soort van tafel vormden, waarop eenig keukengereedschap was geplaatst. Eene kast scheen er niet fe wezen. Het was wel waar, dat er weinig was om erin weg te zetten; maar hoe weinig van waarde of omvang zulke dingen ook mogen wezen, maken stukken brood, hompen kaas, vuil linnen, en gebarsten schotels en borden, met eene roestige tamr en et n blaasbalg zonder pijp, toch een verwarden boel, wanneer deze voorwerpen over den vloer van een bekrompen vertrek verspreid |
liggen, dat drie heeren tot slaap-en huishoudkamer dient. „Er zal toch wel wat aan te doen wezen.quot; zeide de slachter eindelijk. „Hoeveel moet gij hebben, om op te draaien ?quot; „Neem mij niet kwalijk,quot; zeide Pickwick; „ik begrijp niet wat ge meent,quot; .. Wij willen u drie schillingsin de week geven,quot; j hernam de slachter, „als gy een ander kwartier i opzoekt.quot; „En nog een maat bier toe, om er die dadelijk op uit te d-rinken,quot; zeide de kapelaan. „Ik ben waarlijk zoo onbekend met de gebruiken van deze plaats,quot; zeide Pickwick, „dat ik u nog niet begrijp. Kan ik dan eene andere kamer krijgen ? Ik dacht, dat daartoe geene mogelijkheid was.quot; De drie heeren zagen elkander vol verbazing aan. „Heb ik ooit Iquot; zeide Martin met een mede-lijdenden glimlach, „Als ik zoo weinig van de wereld wist, zou ik mijn hoed opvreten met de gesp er bij,quot; riep de kapelaan uit. „Dat zou ik waarachtig ook,quot;zeide de paarden-kooper mei hoogen ernst. Na deze inleiding begonnen de drie heeren van ondervinding, allen tegelijk, Pickwick te beduiden, dat het geld eene even uangbare munt in do Pleet was, als overal op de wereld; da\' hij voor geld oogenblikkelijk alles kon bekomen, wat hij verlangde; en dat, zoo hij geld bezat, en er niet tegen had om het te verteren, hij maar zeggen moest, dat hij eene afzonderlijke ; kamer wilde hebben, en men hem er dan ter-! stond eene zou bezorgen, die hij zelf volkomen naar zijn zin kon laten meiibileeren, 1 liermede ging hlt;.-t gezelschap tot wederzljdsch I genoegen uiteen. Pickwick klom weder de trap j 1 af, en ging naar de kamer der oppassers; terwijl de drie heeren zich naar de koffiekanit r i begaven, om daar de vij fshill ingste verteren, i die de kapelaan met bewonderenswaardig | schranderheid en behendigheid van Pickwick had geleend, „ik dacht het wel,quot; grinnikte Roker verge-i noegd, toen Pickwtck zeide waarom hij wa-teruggekomen. .. Heb ik het niet gezegd,Neddy,quot; „De gevraagde antwoordde met een gebrom, dat „jaquot; motst beteekenen. „Ik dacht wel, dat gij eene af/ouderlijke kam- r j zoudt willen hebben,quot; hernam Roker. „Wach\' j eens\'. Gij zult ook wel meubelen noodig hebben. Die zul: gij zeker van mij hurenZoo behoor hot eigenlijk.quot; -Met alle pleizier,quot; zeide Pickwick. ,Er is eene knappe kamer op de tweede ver diepimr, die de kanselarijgevangene nu heeft,quot; hervatte Roker. „Die zal u op een pond in d\' week komen. Maar dat zal u zeker niet kunnen schelen vquot; |
^P|
PICKWICK VINDT TEX LAATSTE- EEN EIGKX KAMER.
|
..In het geheel niet,quot; antwoordde Pickwick. „Ga dan maar mee,quot; zeide Roker, die met zeer veel drift naar zijn hoed greep. „In vijf minuten zal de zaak in orde wezen. Waarom hebt gij niet terstond gezegd, dat gij van zins waart, om fatsoenlijk te betalen?quot; Evenals de oppasser had voorspeld, was de zaak spoedig in orde.-De kanselarij-gevangene was daar zoolang geweest, dat hij al wat hij in de wereld bezat had verloren, maar het recht op eene eigen kanjer had gewonnen. Daarliet hem echter dikwijls eenige ongelegenheid ver-gevangenschapen ontbering die had afgeknaagd en gescherpt. |
„En waarzult gij nu gaan wonen, mijnheer?quot; vroeg Pickwick, terwijl hij het geld, dat voor i de eerste week vooruit betaald moest worden, j op de waggelende tafel neertelde. De ongelukkige streek met eene bevende hand j liet geld op, en zeide dat hij het niet wist, | maar zien zou waar hij ergens een plaatsje kon j vinden. ,.Ik vrees m{jnheer,quot; zeide Pickwick met eene : medelijdende stem, „dat gij uw in trek zult moeten | |
|
izafikte, dat hij geen stuk brood om te eten H, was hij gereed, oin PickwicK tegen betaling m twintig shillings in de week zijne kamer te staan. l \'-en het accoord gesloten was kon Pickwick et nalaten hem met tieurige belangstellng te schouwen. Hij was een lang, mager man, met \'quot;dsbleeke, holle wangen, en levendige, ruste-heen en weer zwervende oogen. Zijne lip. ■n waren even bleek alszijn voorhoofd, en zijne ■enderen kwamen onder de oude jas, wa mn J gewikkeld was,zoo spitsen hoekig uit,alsof ■ ijzeren tand van den tijd eener twintigjarige DlCKKNS, Sami ki, i\'ickwm k. |
nemen in eene kamer, waar reeds meer perso hen gehuisvest zijn, en dat hun gezelschap u misschien tot last zal wezen. Wat ik u bidden mag, beschouw deze kamer steeds als de uwe, wanneer gij naar rust en stilte verlangt of iemand van uwe vrienden u komt bezoeken.quot; „Vrienden?quot; herhaalde de arme gevangene, met een dolle stern. ..Als ik diep onder den grond in mijne kist-lag, kon, ik nietmeer vergeten en verlaten zijn, dan ik nu reeds hen. Ik ben dood - dood vOOr de maatschappij zonder het medelijden verworven te hebben, dat men hun schenkt, wier zielen ten oordeel zijn ge- |
li 58
nM\'poii, Vrietulen om mij te komen bc/.oeken? Mijn God! hier in deze gevangenis ben ik in het best van mijn leven opgesloten enoudgewor-1 den. en er is geen mensch, die bij mijn sterfbed zal staan, .•a als ik dood ben zeggen zal: „Het is een zegen voor hem, dat hij is afgelost.quot;quot; De aandoening, die, terwijl hij sprak, eene ongewone levendigheid aan zijne trekken had gegeven, bedaarde toen hij zweeg; hij sloeg zijne verdorde handen krampachtig in elkander, en verliet met haastige maar slepende treden het vertrek.
„Hij is zoo\'n beetje uit zijn humeur,quot; zeide Roker met, een glimlach. „Het ga-at heai als do olifanten; zij voelen het nu en dan, en dan worden zij wild.quot;
Nadat liokerdeze teergevoelige opmerking had gemaakt, begon hij aanstalten te maken, om h\'-t vertrek in orde to brengen; en zoo groot was zijn ijver, dat de kamer in korten tijd met een tapijt, een ledikant, zes stoelen, eene tafel, eea theeketel ea verscheidene aadore kleiae be-n^odigdheden was voorzien, waarvan de huur, volgens eene zf-er billijke berekening, op zeven en twintig s hi 11 i n g s en zes penc e in de week werd bepaald.
„Is er nog iets, daar wij u mee kunnen dienen?quot; vroeg Koker, terwijl hij meteen vergenoegd gezicht om zich he» ii zag, en het geld voor de ■ ■eiste week huur in zijne hand liet klinken.
..ia,quot; zeide Pickwick, die eenigen tijd in diep gepeins had gezeten. ..Is hier niet iemand, die boodschappen kan doen, en dergelijke?quot; „Buiten, meent gij?quot; vroeg Roker.
„Ja wel. Iemand, die in en uit kaa gaan. d en gevang\'ne.quot;
...Ta wel.quot; zeide Roker. „Er komt wel eea arme duivel hier, die een goeden vriend aan den trmenkant heeft, en gaarne zulk een postje zou willen hebben. Wil ik h-m bij u sturen?quot;
...Vishet u belieft.quot; antwoordde Pickwick. „Of nquot;en wacht eens! Gij spreekt daar van den arnv-nkant dien zuu ik wel eens willen zien. i i : zal zelf naar hem tor.\' gaan.quot;
!quot;• arinenkant van e-.-ne schuldgevangenis is, de naam reeds te kgt; anen geeft, dat ge-de\' te, waar de 1 llendigste en beklagenswaardigste klasse van -ohuld- naren is opgesloten. Een .•■ii.gene,die verklaar!, dat, hij aan den annen-kaai behoort, betaald geene huur of andere onk \'Sten. Hij heeft bo vdDdion aanspraak op eene uitd\' eiing van lev nsmiddelen, welke bekostigd wordt uit i quot;n fonds, gevormd door de legaten van lief ladige mensihen. Nog weinige jaren go-Inden zag men ia den muur der F 1 eet-gevangenis ne ■, ort van ijzeren kooi, waarin een man zat, vaa een ellendig en uitgehongerd voor-komen, die van tijd tot tijd. met eene bus rammelde, en met een treurige stem riep; ..Gedenkt den armen schuldenaars!quot; Het geld, dat in deze bus kwam, werd onder de armquot; gevangenen
| verdeeld, die bij deze vernederende bedelarij ; elkander aflosten.
Hoewel men dit gebruik heeft afgeschaft en de kooi weggebroken, is de toestand dezer on-i gelukkige gevangenen dezelfde gebleven. Men i vergunt hun niet langer bij de poort der gevangenis het medelijden en de liefdadigheid der | voorbijgangersin te roepen; maar men laat, voor j i den eerbied en de bewondering van volgende eeuwen, de rechtvaardige en heilzame wet nog onveranderd, die bepaalt, dat de forse he mis-I dadiger zal gekleed en gevoed worden, en dat i I men den van alles ontblooten schuldenaar van | koude en gebrek zal laten omkomen. Br gaat geene week voorbij, waarin niet eenigen dezer lieden, in onze schuldgevangenissen, van honger j zouden moeten sterven, indien hunne medege-i vangenen hun niet te hulp kwamen.
Vol dergelijke gedachten klom Pickwick de i smalle trap op, aan welks voet Roker hem verlaten had. Hij was zoo aangedaan eu opgewonden, dat hij nauwelijks meer wist, wat hij kwam i doen, toen hij de hem aangewezen kamer bin-i neatrad,
Het voorkomen van het vertrek bracht hem spoedig weder tot zich zei ven; doch nauwelijks had hij een blik geworpen op een man, die in eene neerslachtige houding by den schoorsteen zat, of hij liet zijn hoed uit zijne handen vallen, en bleef als versteend vaa verbazing staan.
Ja, met havelooze kleederen, zonder rok, in een morsig hemd vol gaten en scheuren, met verward over zijn gezicht hangende haren, bijna onkenbaar door de verandering, die honger en kommer in zijne trekken hadden teweeggebracht zat daar Alfred Jingle, met zijn hoofd in de hand, in het smeulende vuur te staren, een beeld der jammerlijkste ellende.
Niet ver van hem stond, tegen den muur ge-. leund,.. eu sterk gespierd landman, die tusschen-beide met eene oude karwarts tegen de kaplaars sloeg, die zijn linkervoet versierde, terwijl hij i aan den rechter een oude slof had. Tusschen-beide mompelde hij een van die klanken, waarmede een jagerzijn paard aanmoedigt. In zijn verbeelding was hij op een dolle steeple-chase1), üe arme man! Nooit had hij bij een wedren op het vlugste paard van zijn rijk voorzieaen stal half zoo snel over hot veld gejaagd, als hij de ; loopbaan had afgerend, die op de Fleet was uitgeloopen.
Aan den anderen kant van het vertrek za1 op ( i ne kist een oud man, met zijne oogen op den vloer geslagen, terwijl zijn gelaat voor geene \' andere uitdrukking meer vatbaar schei n te zijn. dan die van doffe naargeestige wanhoop. Een
1) Kerkioronjacbt. waart»\') men. om fphp we(klingj*t Uaj\' (UvarB over en (Joor al wat in drn wep: is. up c?lt;»n kr-rk-i turen af p nt: eene dolle liefhebberij, waarbij niet stel Jen i armen of beenen worden gebroken.
|
DB] Am klein meisje, zijn kleindochtertje, stond aan zijne knieën, en trachtte door allerlei kinderlijke lief-j koózingen zijne aandacht te trekken, maar de oude man hoorde of zag haar niet. De stem, die I hem eens als muziek in de ooren had geklonken, wekte zijne aandacht niet meer op. Zijne leden trilden, alsof hij de koorts had; zijn gemoed scheen reeds dood te wezen. Verderop stonden nog drie mannen bij elkan-| der, die luidruchtig praatten. En voor hot venster zag men eene bleeke, uitgeteerde vrouw, de vrouw van een gevangene, die met groote zorgvuldigheid een verdorden bloemstruik begoot, waaraan nooit weder een groen blaadje zou uitbotten ; misschien een maar al tejuistzinnebeeld van de taak, die zij hier kwam verrichten. Dit waren de voorwerpen, die Pickwick in hot. oog vielen, toen hij met verbazing óm zich | heen zag. Met gerucht van iemand, die haastig de kamer kwam binnenstrompelen, deed hem naar de deur zien, en in den binnenkomende herkende hij, door de lompen, morsigheid en : ellende, die hem bijna onkenbaar maakten, heen zijn ouden bekende, Jeremias Trotter. Mijnheer Pickwick 1quot; riep Jeremias overluid. Jingle keek op, en sprong verschrikt overeind. Mijnheer Pickwick?quot; mompelde hij. „Ja, zoo - raar logement — wonderlijk met my I u-\'loopen mijn verdiende loon.quot; Daarmede i - i ak hij zijne handen in de gaten, waar voorheen : kz;ikkon waren geweest, liet zijn hoofd op \\ :u borst zinken, en zette zich weder neer. Pickwick was aangedaan; Jingle en Trotter ■/,;ijen er beiden zoo diep ellendig uit. De be-moerige blik, dien Jingle onwillekeurig naar oen rauw stukje schapevleesch had geworpen, dat \'rotter had medegebracht, maakte hunne om-s: indigheden duidelijker, dan een verklaring ■ mi twee uren kon gedaan hebben. Pickwick --■Jingle vriendelijk aan, en zeide: „Ik zou u wel eens alleen willen spreken. Wilt gij een oog\' nblik met mij komen?quot; ..liaarne,quot; zeide Jingle, haastig opstaande. • Kan niet ver loopen geen nood, dat men \' h hier al te veel zal vermoeien mei wan-u een park met een muur er om heen manesk, maar niet zeer uitgebreid altijd te i* t\' vinden slechte bediening, maargoe-•quot; oppassing,quot; -Gij hebt uw rok vergeten,quot; zeide Pickwick, quot;ii zij op het portaal waren gekomen, ••Hm!quot; zeide Jingle. „Duurleven hier kon •i\'\' hlet gebetoren men moet toch eten ie maag moet toch iets hebben.quot; ■ Wat meent gij?quot; vroeg Pickwick. -.Opgegeten,quot; antwoordde Jingle, ..Laatste quot;•» — kon toch niet anders. Van een paar eirzen al veertien dagen geleefd - eene week \'•■;in eene zijden paraplu met ivoren knop : zooals ik u zeg Jeremias kan het go-tuigen.quot; |
Drie weken van eene zijden paraplu en een | paar laarzen geleefd?quot; riep Pickwick uit, die van zoo iets nooit had gehoord, behalve van ; noodlijdende schipbreukelingen. „Maar al te waar,quot; zeide Jingle. „Bank van leening — hier de briefjes nog — bagatel voor ; gekregen zooveel als niets allemaal ! schurken.quot; „01quot; hernam Pickwick, wien dooi\' deze ver- i | klaring een licht opging: „nu begrijp ik u. Gij | : hebt uwe kleeren verpand?quot; „Alles — van Jeremias ook — alle hemden weg doet er niet toe - bespaart waschloon. Zal spoedig gedaan zijn — blijven liggen — van honger sterven dan de lijkschouwing arme • gevangenen gebrek aan het noodige mag ! niet publiek worden natuurlijke dood, zegt do lijKschouwer armenbegrafenis - verdiende I loon — alles voorbij het gordijn valt.quot; Jingle sprak deze zonderlinge optelling zijner vooruitzichten met zijne gewone radheid van tong uit, en met eenige vertrekkingen van zijn gezicht, dieglimlachenmoesten verbeelden. Pickwick kon echter wel bespeuren, dat Jingle geheel anders te moede was, dan hij het wilde j doen voorkomen, en toen hij dezen strak, maar j niet onvriendelijk aanzag, bemerkte hij, dat hij | tranen in de oogen had. „Brave man!quot; zeide Jingle, hem de hand drukkende, terwijl hij zijn hoofd omkeerde. Ondankbare schurk kinderachtig te huilen | kan het niet laten .....zware koortsen — zwak | ziek -- uitgehongerd. Alles verdiend; maar veel geleden erg.quot; Volkomen buiten staat om ■ zich langer goed te houden, en misschien nog I meer overmand door do poging, welke hij daar-| toe had aangewend, zettii de ongelukkige avon-! turier zich op de trap nedsr, verborg zijrii gezicht in zijne handen, en snikte ais een kind. „Kom, kom!quot; zeide Pickwick met aandoening: „wij zullen zien wat er aan te doen is, | als ik alles van u weet. Waar is Jeremias?quot; „Hiér, mijnheer!quot; zeide deze, terstond te ! voorschijn komende. „Kom hier!quot; zeide Pickwick,met eene poging j j om een barsch gezicht te zetten, terwijl vier j I groote tranon over zijne wangen biggelden. I „Daar!quot; „Daar!quot; het had niemand kunnen verwonde- \' 1 ren, indien het present, dat dit woord verge- | zeide, in een t\'risschen Oorveeg had Ik taan; want Pickwiek waa bedrogen, beschimpt on be-leedigd door den bedelaar, dien hij op dii oogen- : blik geheel in zijne macht had. Moeten wij de waarheid zeggen? Hot was iets, dat Pickwick uit zijn zak haalde, en dat klonk toen het in de hand van leremias viel. Onze braw oude i vriend wachtte niet, om te zien hoe zijne gift werd aangenomen, maar keerde zich om en | spoedde zich voort. • Toen hij zijne kamer weder binnentrad, vond |
2tiü SAMUEL P
CKWiCK.
|
hij Sam op hem wachten, tlio de aanstalten, welke daar voor het gomak eti genoegen van zijn meester waren gemaakt, met eene zeer komieke soort van ontevredene tevredenheid in oogenschouw stond te nemen. Daar het hem zeer onaangenaam was dat zijn meester zich naar de gevangenis had laten brengen, en daar wilde blijven, scheen Weller hetzijn plicht te achten, om vooral niet te veel genoegen te toonen over iets. dat hij daar zag of hoorde. „Wel, Sam Iquot; zeide Pickwick: „ziet het er hier nu niet knap uit?quot; „Zoo tamelijk, mijnheer!quot; antwoordde Sam, terwijl hij met verachting om zich heen zag. „Hebt gij Tupman en onze andere vrienden gesproken?quot; „Ja, mijnheer! Ik heb hen gesproken. Zij zuilen morgen komen; t-n ik wasmachtu verwonderd, toen ik hoorde dat zy vandaag niet kwamen.quot; „Luister eens, Sam!quot; zeide Pickwick, nadat hij zich een poos had bedacht. „Ik heb u iets te z.eggon.quot; „Ik luister al. mijnheer!quot; zeide Sam. „Ik heb terstond al ingezien, Sain,quot; hernam Pickwick op een ernstigen toon, „dat het hier uueiie g\'.ede plaats is voor jongelui.quot; „Hn voor oiulgt; lui ook niet, mynheer!quot; merkte Wrller aan. „Daar hebt gij gelijk aan, Sam,quot; zeide Pickwick. ..Maar le t kan wel gebeuren, dat oude lieden hit!\' moeten komen, omdat zij onvoorzichtig en al tegoed van vertrouwen zijn geweest, t-n dat jonsrvlii\' len hier gebnu-htworden, doordat zij, wie zij dienen, te veel om zich zi-lven alleen denken. Voor zulke jongelieden is het in alle opzichten beter, dat zij hier niet blijven, 11. grüpt gU mij- Sam?quot; „Nog niet, mijnheer!quot; zeide Sam stug. „luiik er dan eens over, Ham?quot; zeide Piek wiek. „Ja, roünhfcr!quot; hernam annuel, na eene poos stilzsvijgeiis. „Ik begin te zien, waar gij naar toe wilt; maar ik vind, dat gij mij veel te hard ■)|j het. lijf valt, gelijk de koetsier tegon den hagel zeide.quot; „Ik zie, dat gij mij begrepen hebt, Sam!quot; zeide Pickwick. „Ik kan het niet goedvinden, dat gij jarenlang in eene plaats als deze ledig zoudt rondslenteren; en bovendien komt liet mij voor. dal het al t- gek zou staan, indien iemand, die om schuld in de gevangenis zit, een knecht hiel i. NV-n. Sam! gij zult mij een tijdlang moeten v rlaten. „Ah zoo, mijnheer! dus maar voor een tijdlang\'quot; vroeg Weller. eenigszins schimpend. „.Ia; voor zoolang ik hier blijf.quot; antwoordde Pickwick. , Uw loon zal ik u blijven betalen. 1gt;\'- een uf ander van mijne drie vre nden zal u iraarne bij zich nemen, al ware. het slechts uit achting voor mij. Kn als ik ooit hier uitkom, i Sam,quot; vervolgde 1\'ickwiek rm-t gemaakte luchthartigheid, „geef ik u mijn woord, dat gij terstond weder bij mij zult komen.quot; |
„ Wil ik u dan eens wat zeggen, mijnheerVquot; zeide Sam met eene zeer ernstige stem. „Dat accoord deugt in het geheel niet; laten wij er daarom maar niet verder over spreken.quot; „Ik meen het in ernst, Sarn,quot; zeide Pickwick, i „en heb mijn besluit genomen.quot; „Zoo, mijnheer! hebt gij dat ?quot; hervatte Sam vastberaden. „Goed, mijnheer! ik dan ook!quot; Dit; zeggende, zette hij zijn hoed op, en snelde op eens de kamer uit. „Sam!quot; riep Pickwick hem na. „Hooreens!quot; Maar Sam was reeds de gang af, en kwam niet terug. XLIII. HOE SAM WELLER IN ONGELEGENHEID KWAM. In een hoog vertrek, waar weinig licht en nog minder versche lucht binnenkomt, in Por-tuga 1-street, Linco 1 n\'s-1 nn-fieIds, zitten het geheele jaar door, twee, drie of vier hee-ren met pruiken voor kleine lessenaars. Aan hunne rechterhand hebben zij eene bank met, procureurs, aan hunne linker oen perk met insolvente schuldenaren, en vlak voor hen een hellend vlak van het üisol vent Co u rt, en het vertrek, waarin zij zitten, is het I nsol-1 vent-Qourt zelf. Sedert onheuglijke tijden was het onder alle heeren van den kalen adel in Londen de gewoonte, om dit gerechtshof als hunne gewone verzamelplaats en toevluchtsoord te besc.hou-I wen. Het is altijd vol; en opeen en hetzelfde i oogenblik vind men hier meer afgedragen rok-i ken bij elkander, dan er in een rond jaar in geheel Houndsditch te koop worden aan geboden, en meer ongewasschen gezichten en i borstelige baarden, dan er van den opgang tot den ondergang der zon aan al de pompen en in al de barbierswinkels tusschen Tyburn en |, Whitechapel gereinigd en geschoren zouden kunnen worden. Men denke niet, dat deze menschen het min-1 ste te verrichten hebben in de zaal, waarin zij zich met zooveel stiptheid verzamelen, of eenig belang hebben bij hetgeen daar verhandeld i wordt. Zoo dit het geval was, zou het niet te verwonderen zijn, dat zij zoo trouw opkomen. ; Eenigen slapen bijna zoolang als de geheel-zitting duurt; anderen brengen in hunne zakken of zakdoeken een portatief middagmaal mede, en kauwen en luisteren met evenveel genoegen; maar men heeft nooit gehoord, dat iemand van hen het geringste persoonlijk belang had bij een der voorkomende z:iken. Zij zitten |
DE HEER SALOMON
261
|
daar van het begin tot het einde. Als het regenachtig weer is, komen zij doornat, en dan is het in de zaal zoo vochtig en dornpig als een moeras. Iemand, die hier voor eene enkele maal eens kwam kijken, zou deze zaal wel voor een aan den Genius der Schraalheid gewijden tempel kunnen houden. Er is geen bode of\'deurwaarder bij dit Hof, die een rok draagt, welke voor hem gemaakt is; geen bediende of beambte, die een frisch en srezond voorkomen heeft, behalve een kleine deurwaarder met een wit hoofd en een appelrond gezicht ; en zelfs dezen man schijnt dit voorkomen niet van nature eigen te zijn, maar, evenals eene in brandewijn gelegde-kers, door de bederfwerende kracht van dit j\'-cstrijke vocht te zijn medegedeeld. Zelfs de pruiken der procureurs zijn slecht gepoederd en uit de krul. Doch de attorneys \'i, die voor de com-ir issarissen aan eene groote tafel zitten, zijn de -Toetste rariteiten. Ieder van hen houdt er een ii\'iuiwen zak en eequot; loopjongen op na, welke laatste doorgaans een belijder van den Israëlie-;:-chen godsdienst is. Zij hebben geene vaste kantoren, maar behandelen hunne zaken in de ielagkamer van eene herberg of op het, binnenplein van eene gevangenis, waar zij zich troeps--■ ■ \'A\'ijzt Verzamelen, en op allo mogelijke ma i \' i\'i\'n klanten zoeken te bekomen. Zij zien er nerig en verloopen uit; en het ergste, wat ■ \'Ti hun doorgaans kan verwijten, is, dat zij dronkaards m bedriegers zijn. Hun voorkomen gt; niet innemend, en hunne manieren hebben • • - ze- r eigenaardigs. De heer Salomon Pell, een medelid van deze -eleerde broederschap, was een dik man, mot ■en bleek, bol gezicht, gekleed in een jas, die het eene oogenblik groen, hot volgende bruin : in kleur was, met een fluwcolen kraag, die ■ \'.elfde eigenschappen van een kameleon bezat. Zijn voorhoofd was smul, zijn gezicht broed, zi;i) hoofd groot, en zu\'n neus stond zoo gewel- ■ scheef, dat hij zeer weinig tot sieraad van :i aangezicht toebracht, hoewel hij, tot ver- -oeding, een zeer nuttig lid voor zijn eigenaar M\'as. daar deze, kort van hals en aamborstig zijnde, hoofdzakelijk door zyu neusadcmhaalde. ..Ik weet zeker, dat ik hem er door help,quot; Peil. persoon. zelde • Weet gij dat goed?quot; hernam de wien hij deze verzekering gaf. ■ Hf t is ontwijfelbaar,quot; zeide 1\'ell, „Maar nis bi,, naar een onkundigen knoeier gegaan was, -Tijpt, gij, dan had ik voor de gevolgen niet willen instaan.\'quot; ■ Xeen, dat zou ik zeker niet,quot; hernam Peil ZiinkwiiariM\'in^rs of n^-ntcn. iti\', gi\'quot;n grand alfi •liitswleerilcii lielidt-ven li» Iv/itten. |
met een zeer diepzinnig gezicht, en schudde bedenkelijk zijn hoofd, De plaats, waar dit gesprek werd gevoerd, was eene herberg vlak tegenover het I n s o 1-vent-Court; en de tweede spreker was niemand anders dan de oude Weller, die hier ge komen was, om een vriend te troosten en op te beuren, die, gelijk zoovele anderen, een verzoekschrift had ingediend, om als iemand, die builen zijne schuld in de onmogelijkheid om te betalen verkeerde, ontslagen te worden, en over wiens zaak dezen morgen uitspraak zou worden gedaan. Het spreekt vanzelf, dat Pell do zaakwaarnemer van dezen insolventen schuldenaar was. „En waar is George?quot; vroeg de oude heer. Peil wees naar eene achterkamer, waarheen dé oude Weller zich aanstonds begaf, en waar hij met de hartelijkste vreugde door een \' half dozijn zijner kunstbroeders, werd ent- i vangen. De insolvente heer, die ongelukkig ! gespeculeerd had met het leveren van paarden I voor een diligencedienst en daardoor in zijne ■ tegenwoordige ongelegenheid was geraakt, zag i er zeer welgedaan uit, en trachtte zijn angst to i doen bedaren, door het gebruik van garnalen en i porter. De begroeting tusschén Weller i n zijne vrien- j den bleef strikt beperkt tot het vrijmetselaars- ; leeken van hun beroep, bestaande in het omdraaien van de rechtervuist, en een gelijktijdig i opwippen van den pink. Wij hebben eens twee | knappe koetsiers gekend (thans, helaas! lang ter zielei; zij waren tweelingen, en hielden machtig veel van elkander. Op den weg naar : Dover reden zij twintig jaren lang dagelijks elkander voorbij, zonder ooit een anderen groet te wisselen dan dezen; en toch waren zij zoo aan elkander gehecht, dat toen een van beiden stierf, de andere verkwijnde en zijn broeder ! kort daarop volgde. „Wel, George!quot; zei ie de oude Weller, nadat hij zijn jas had uitgetrokken en zich deftig nedergezet: „hoe gaat het? Is alles in orde?quot; George knikte toestemmend. „Eu is do vrachtlijst ook al klaar?quot; vroeg Weller verder. „O, gij meent den ifrVentaris,quot; zeide Peil. . Ja, daar heb ik voor gezorgd.quot; Weller gaf door een knik zijne goedkeuring te kennen, wendde zich daarop tot Peil. en vroeg, naar zijn vriend George wijzende: „ Wan neor neemt gij hem do dekens af?quot; O, gij denkt daar weer aan de paarden,quot; hernam Peil. „llij staat het derde op de lijst ; en ik geloof, dat het over een half uur zijne beurt zal zijn. Ik hob mijn klerk gezegd, dat hij mij moest komen waarschuwen,quot; De oude Weller staardePotl met verwondering aim, en zeide nadrukkelijk: „En wat zult gij gebruiken, mijnheer ?quot; |
SAMUEL PICKWICK.
12
|
„Waarlijk,quot; antwoordde Pell. ..Oij zijt al te — I Op mijn woord van f^r, ik ben niet gewoon -Het is nog zoo vroeg, dat ik inderdaad — Maar j anders, een glaasje rum, meisje!quot; Hot buffetmeisje, dat deze bestelling reeds vooruitgezien had, bood hem op hetzelfde oogen-blik een glas aan, en ging heen. „Heeren!quot; zeide Peil, terwijl hij een blik om zich heen wierp: „op den voorspoed van uw vriend\'. Ik ben er geen minnaar van om mij zeiven te prijzen, mijne heeren! dat is mijne gewoonte niet; maar ik kan toch niet nalaten te zeggen, dat, als uw vriend niet zoo gelukkig was geweest, om in de handen te komen van ■naar ik wil liever zwijgen, wat ik zeggen wilde. Uw gehoorzame dienaar, mijne heeren! Hij leüigde zijn glas in één teug, smakte met zijne lippen, en zag met zelfvoldoening de om hom hem staande koetsiers aan, die hem als een rechtsgeleerd orakel beschouwden. .Wat wilde ik daar ook zeggen,quot; begon hij weder. „Ik geloof, dat gi.j juist zeggen wildet, dat gij niets tegen een tweede glaasje zolult hebben, mijnhei r!quot; zeide Wolier met deftige scherts, lila, ha!quot; lachte Peil. „Die is niet onaardig. Maar zoo vroeg in den ochtend zou het Ik weet het niet maar kom, nog eentje! - Hm!quot; Deze laatste klank was een plechtige kuch, waarmede de spreker de ongepaste vrooly kheid wilde tegengaan, die zich bij een paar zijner toehoorders begon te openbaren. „De vorige Lord Kanselier mocht me bijzonder wel lijd\'-n,quot; zcide Peil. „Dat was mooi v in hein,quot; morkte Weller aan. „Waarom zou hij niet?quot; viel de eiwnt van Peil er op in. „Ik herinner mij daar,quot; hervatte Peil, „dat ik eens bij h-m ten eten was. Wij waren maar met ons beiden; maar alles was zoo prachtig, alsof er twintig menschon verwacht werden. Het groote zegel lag op een stommeknecht aan zijn rechterhand, • u een geharnast man meteene staartpruik en zijden kousen, stond met een blooten degen in zijne hand bij den sciK-pter op wacht; want dat gaat zoo dag en nacht door, „Peil!quot; zeid( de Lord Kanselier toen; „Ik wil het niet zwijgen, Poll! Uij zijt een knap man; gij kunt iedenen door het Insolvent-Coun helpen. Peil! en uw vaderland behoort trotseh op u te wezen.quot; Dat waren zijne\'\'igen woordi-n, mijne heeren. „fii.i wilt mij vleien, edel grootachtbare heer!quot; zeide ik. „Negt;-n, Peil! zeide hij: ..als ik dat: doe, mag ik verdoemd we/en.quot; ilt;1e hii dat?quot; viel Weller er op in. ...lawr\'.. \' antwoordde Peil. hun had het Parlement hem moeten beboeten voor zijti vloeken,quot; zeide WoIUt; „\' ii als hii rijk hefT gewv^.-f was, zou d i\' ook wel gobeurd zijn.quot; |
„Maar, beste vriend!quot; bracht Peil hiertegen in, „hij zeide het in vertrouwen.quot; „O!quot; zeide Weller, na zich een oogenblik , bedacht te hebben- „als h;i in vertrouwen verdoemd wilde zijn, dan is het wat anders,quot; „Natuurlijk,quot; zeide Peil. „Het\' onderscheid moet iedereen in het oog vallen.quot; „Ja wel. Nu is het een heel ander ding. Vertel maar voort, mijnheer!quot; „Neen, mijnheer! ik zal niet voortgaan.quot; zeide Peil, met eene zachte en ernstige stem. „Gij\' hebt mij herinnerd, mijnheer\', dat dit gesprek geheim en in vertrouwen werd gevoerd, i Ik, ben onvoorzichtig geweest. Gij zult mij wel = verontschuldigen, mijne heeren! ik gevoel, dat ik het recht niet heb om van zoo iets te spreken, buiten toestemming van mijn edelen vriend.quot; ; Daarmede stak hij zijne handen in zijne zakken, zag met barschheid om zicii neen, en rammelde vastberaden met drie koperen stuiverstukken. ; Nauwelijks had hij op deze wijze zijn edel 1 besluit aangekondigd, of de jongen met den blauwen zak kwam binnenstuiven, en bracht de verwachte boodschap, waarop het gezelschap | terstond de herberg verliet, de straat overstapte. en aanstalten begon te maken om zich vechten-: derhand een weg naar het midden der gerechtszaal te banen, hetgeen doorgaans een moeielijk ! werk is. Daar Weller een stevig man was, wierp hij zich terstond met zijn volle zwaarte in het gedrang, in de hoop dat hij nog eeïje goede plaats zou kunnen krijgen. Zijne hoop werd ei-hter niet i vervuld; want daar hij verzuimd had zijn heed af te nemen, werd dit hoofddeksel hem over de oogen geslagen door een ongezien persoon, op wiens teenen hij vrij onzacht was neergekomen. Het scheen wol, dat die persoon terstond daarop berouw gevoelde over zijne drift; want met eon gemompelden uitroep van verwondering trok hij den ouden heer buiten de zaal en haalde hein met tamelijk veel moeite zijn hoed weder uit de oogen. „Samuel!quot; riep de oude Weller, toen liij in staat was om zijn redder in het gezicht te zien. Sam knikte. „Oij zijt een lief gehoorzaam jongetje,quot; zeide de oude Weller, „om zijn vader zoo\'n slag op \' zijn kop te geven.quot; „Hoe kon ik weten, dat gij het waart?quot; zeide de zoon. , Dacht gij, dal ik het aan de zwaarte van uw voet zou voelen?quot; „Dat is ook waar. Sampje,quot; hernam de vader, die reeds weder verzoend was Maar wat komt iiij hier Uitvoeren? L\'w heerschap heeft hier niets te maken, /ij zullen hem niet voor insolvent willen verklaren.quot; Dit zeggende, schudde hij zeer plechtstatig zijn hoofd. „Wat een oude dwarskop!quot; riep Samuel uit: „aï:ijd, maalt hij van Ih sol ven ten en van alibis. Wie heeft dan van insolvent gesproken?quot; |
KEN GETROUWE KNECHT.
L\'liS
|
De oude AVeller gaf geen antwoonl, maar bleef zeer ernstig zijn hoofd schudden. „sta toch zoo niet met uw bol te wiegelen,quot; ; zeide Sam ongeduldig, „als gij niet wilt dat hij van het onderstel af bruit, en luister haar rede. j Ik ben gisteravond naar de Markies van Gran by geweest, om u op te zoeken.quot; „Hebt gy\' de Markiezin van Granby gezien Sampje ?quot; vroeg de oude Weller met een zucht, „Ja wel,quot; antwoordde Sam. „En hoe zag die lieve dame er uit?quot; „Tamelijk raar,quot; zeide Sam. „Ik geloof, dat zij hare gezondheid verwoest door pijnappel-rum en andere sterke medicijnen van dezelfde soort.quot; „Zoudt gij dat waarlijk denken, Sampje vroeg de vader met veel belangstelling. „Ja zeker,\' antwoordde de zoon. De oude Weller vatte zijn zoon bijdehand, en drukte die hartelijk. Do uitdrukking van zijn gelaat scheen daarbij niet zoozeer ontsteltenis of vrees, dan wel zachte, stille hoop aan duiden. Berusting, ja zelfs opgeruimdheid stond ook in zijne trekken te lozen, toen hij : langzaam zeide: „ik ben er nog niet zeker van, Sampje! en gij moet er niet vast op re-kenen, wantik mocht mij eens bedriegen; maar ik geloof haast, jongen! — ik geloof iiaa.si. iat de onderherüer eene leverziekte heeft.quot; „Ziet hij er zoo slecht uit?quot; vroeg Sam. „Zijn gezicht is bijzonder bleek,quot; antwoordde zijn vader, „behalve zijn neus; die is nog veel rooder dan anders.quot; Naar het scheen kreeg de oude man, terwijl hij dit zeide, de rum weder in zijne gedachten, \'Aant hij zette een zeer donker en peinzend ge-zieht; maar weldra helderden zijne trekken weder op, en begon hij zijn gelaal: in allerlei zonderlinge plooien te wringen, gelijk hij door-; gaans deed, als hij bijzonder wel iii zijii schik was. „Maai nu heb ik wat te zeggen,quot; begon ~ im. „Doe nu uwe ooren eens open, en spreek -•en woord voordat ik gedaan heb.quot; Na deze noodwendige voorafspraak, verhaalde Sam, zoo eek nopt hom zulks mogelijk was, het laatste üi\'.i kwaardige gesprek tusschen hem en zijn meester. ■■Zou die arme sukkel daar alleen willen Wijven,quot; riep de oude Weller nil, „zonder iemand, die hem bijstaat? Dat kan immers met. sarnuel! dat kan niet,quot; ..Neen, zeker niet,quot; zeide Sam. „Dat wistik i wel. voordat ik hier kwam.quot; ••Zij zullen hem levend opvreten, Sampje!quot; hernam de oude man. Samuel knikte toestemmend. , zullen hein bedriegen en bestelen, zoo \',ili;d zij maar kunnen, Sampje!quot; Sam knikte nogmaals. |
.. Xeen, dat kan er niet door,quot; zeide de oude Weller ernstig. „Gij profeteert zoo knap als de roode Ni xon, i) op het prentje, in die zeéstuiversboek-jes.quot; zeide Sam. „Wie was dat, Sampje?quot; vroeg de oude man. „Dat is hetzelfde,quot; antwoordde Sam. „Het was geen koetsier, en dus kan het u niet schelen.quot; • Ik heb eens een stalknecht gekend, die zoo heette, zeide de oude Weller nadenkend, ,,ITij was het niet,quot; hernam Samuel, „De | heer, dien ik meen, was een profeet.quot; „Een profeet? Wat is dat voor een mensch ?quot; vroeg de oude man, terwijl hij zijn zoon strak aanzag. „iemand, die vooruit zegt, wat er gebeuren zal,quot; was het antwoord. ..ik wou, dat ik hem kende, Sampje!quot; zeide de vader, „Misschien zou hij mij iets kunnen vertellen van die leverziekte, daar ik zoo met een van sprak. Maar als hij dood is, en zijne affaire aan niemand heeft overgedaan, gaat het niet meer. Wat wildet gij zeggen, Sampje?quot; ..Wel, dat gij geprofeteerd hebt, hoe hét met mijn heerschap gaan zou, als hij daar alleen bleef. Weet gij geen manier om voor hom te zorgen?quot; „Neen, Sampje,quot; antwoordde de oude man. nadat hij zich eene poos had bedacht. „In het geheel niet?quot; vroeg Sam „Neen,quot; antwoordde de vader; „of,quot; hier helderde zijn gezicht op, terwijl hij zijn mond dicht bij het oor van zijn zoon hield, en fluisterde: „of wij moesten hein, zonder dat de oppassers het merken, in eene kist, of als eene oude vrouw verkleed, er uit zien te krijgen,quot; Sam beantwoordde dit voorstel mot een ver-aehtelyken blik, en herhaalde nogmaals zijne vraag. „Noen, zeide de oude man: „als hij niet wil hebben, dat gij bij hem blijft, weet ik er niets op. Wij staan voor het hek, Sampje!quot; „Weet gij\'wat ? hernam Samuel, „Gij moest mij eens vijf en twintig pond leenen.quot; v \'Vat zou dat helpen?quot; vroeg de oude man, „ I)at doet er niet toe,quot; antwoordde Sam. „ Het zou wel kunnen gebeuren, dat het u in het j hoofd kwam, om mij het ie ld over een uur terug te vragen, en dat ik dan brutaal zeide, ! dat ik u niet wilde betalen, \'■ ij zoudt toch uw eigen zoon voor dat geld niet laten oppakken en ! naar de Kleef brengen, gij onnatuurlijki gie ■ rigaard ?quot; Na dit antwoord wisselden vader en zoon ene menigte slimme felographische wenken en tee- ! kenen, waarna de oude mïin op eene stoep ging j „ 1) lt;\'«\'» «•«am\'Kirer van naam in liet (iraafsehap \'-hesliin\'. j j,; |
SAM,UKL I\'ICKWICK.
264
|
zitten, en laclite totdat zijn gezicht zoo rood word als bloed. „Wat zijt gi,j toch een oude lachebek!quot; zeido Sam, ontevreden over dit tijdverlies. Hoe kunt gij daar zoo gaan zitten suizebollen, terwijl ei-zooveel te doen is? Waar is het geld?quot; „Ik zal er u aan helpen, Sampje 1quot; zeide de oude man, terwijl hij zijn gezicht weder in eene ernstige plooi zette. ..Houd mijn hoed maar eens vaat.quot; Nadat de oude man zich van dit hinderlijk voorwerp had ontdaan, wrong hij zijn lichaam op zijde, en rekte zijn arm zoolang uit, totdat hij zijn rechterhand in zijn diepen zak kreeg, waaruit hij. na lang tivkken, eene oude portefeuille haalde, die den omvang van een boek-deel in groot octavo had, en met een riempje was toegeknoopt. \'Poen hij i ■ rst een paar zw\' rp koorden, e»\'tiige U\' spen en een monsterzakje voor graan had uitgepakt, kwam hij aam-en rolletje smerige banknoten, waarvan hij de gevraagde som afnam en aan Nam overhandigde. „Kn nu. Sampje!quot; zeide de oud\' Weller, nadat hij zijne si-hatN-n weder ingepakt en de portefeuille in zijn zak gestoken had, „ntt weet ik wel iemand, die de rest; van do zaak in een oogenblik zal klaren. Hij is een man van de wet. Hainpje! lt;*nheeft, her-enen evenals dekikvorschen, door zijn gelieele lijf tot aan de toppen van zijne vinuters. Hij is een vriend van den Lord Kanselier, Sampje! en behofcft dien maar te zeggen wat hij hebbi-n wil. om u voor uw geheele leven op te sluiten, als het niet anders wezen moet.quot; „ Neen,quot; z.-ideSam. „daar komt niets van. Ui ■ n gebabbel ni\'-t don Knn.-gt; lier dat bevalt mii in \'t geheel niet. Misschien zou ik er-lastjnede hebben, om er naderhand weer uit te komen.quot; Om zijn zoon genoegen te- doen, gaf de oude Weller in dit opzicht to.-, en ging dadelijk den geleerden s tlomon PelJ opzoeken, wien hij verzocht, om hem terstond een dwangbevel voor de som van vijf en -twintig pond end. kosten te hezoru.-n, ten einde zonder vertoei zekeren Samuel Weller in hechtenis te laten nemen. 1 )e /a.i k waarnemer, die in eene bijzonder vroo-1; ke luim was, daar de paardenleverancier inderdaad ontslagen was geworden, betuigde, da t hij Sam\'s ireheehtln id aan zijn meestei hoogelijk bewonderde, en verklaarde, dat deze trek hem herinnerde aan zijne eigene verkleefdheid aan zijn vriend, den Kanselier. \\\'ervolgens ging hij met; don ouden Weller naar den Te mp l e, om do schuld ti- bezwep n, waarvan zijn jongen, met behulp van den blauwen zak, dadelijk eene deciaiati- had opgemaakt. I utu- \' h, ti was Sun, na-lat hij plechtig aan 1 den thans veroerliikten p lardenleverancier en diens vrienden, als de zoon van den heer Well- r I was voorg\'-st-dd, im t bijzondere beleefdheid ont-! vanu\'-ii. en uitgenoodigd om deel te nemen aan j het tra-\'tement, waarop allen by deze^- legen-heid onthaald werden, eene uitnoodiging, welke hij met gretigheid aannam. |
De vroolijkheid der heeren van dit beroep is doorgaans van een stillen en deftigen aard; maar bij deze feestelijke gelegenheid achtten zij het voegzaam zich wat meer vrijheid te vergunnen. Nadat men de gezondheid van den eersten commissaris en van Salomon Pell had gedronken, die nu weder een nieuw bewijs zijner onbegrijpelijke knapheid had gegeven, deed een pokdalig heer met eene blauwe das het voorstel, dat de een of ander een liedje zou zingen. Iedereen begreep, dat, daar de pokdalige heer naar een liedje verlangde, hij maar zelf zingen moest. Maar dit weigerde -Ie pokdalige heer ronduit en in tamelijk barsche bewoordingen, hetgeen, gelijk in dergelijke gevallen meer plaats heeft. e--ne eeiiigszins scherpe woordenwisseling ten gevolge had. „Mijne heeren 1quot; zeide de paardenleverancier: „liever dan het genoegen bij deze gelegenheid te storen, zal mijnheer Weller het g-\'zolschap misschien wol pleizier willen doen?quot; „Ik ben eigenlijk niet gewoon orn zonder viool te zingen,quot; zeide Sam. „Maar voor een gerust leven doe ik alles, zooals de man zeide, tóen hij de post van waker óp de vuurbaak aannam.quot; Na deze voorafspraak hief Sam Weller terstond - en hoogdravend en aandoenlijk gezang aan, hetwelk wij\', daar het niet algemeen bek- nd i.-. onzen lezers mededeel-ai. Wij nemen de vrijheid hunne aandacht te vestigen op de kunstig--maat van het lied, die bij het lezen, maar vooral bij het zingen, een fraai effect maakt. H () M A X Ö E. Op 11 mi ni o\\v-lièi kwam Turpin lt;jens 0|» zijn bnüne merrie aanhollen; Kn daar kwam lt;le koets van den bisschop ook M*\'t vier zwarte paarden aanrollen. ..Zoo,quot; daehfc hij. .,die komt net van pas!quot; Kn stak zijn hoofd meteen door het glas. pcb !quot; /ei de hissehop, benauwd voor zijn kas, Ik wou dat die man al K^han^en was! Dat Wrtx het begin van de kim lit. Koor. Igt;at was het begin van de kluelit. „Wel zdul Turpin; zegje dat\' Dien wen.sch zult gij u beklagen. Kn terstomi had hij \'-en {«istooi al klaa*1. om »gt;.-n kogel in \'tlijf hem te ja.rquot;n. Die grap vond de koetniiT wat dol. Kn joeg meteen zijn paarden op hol; Nfaar Tnrpin die schoot hem vlak door zijn bol. Kn tal toen zijn zakken allebei vol. Kn dat was het eind van de kluelit. Koor. Kn dat was het eind van de klucht. |
|
SAM W ELL ER Z „Ik geloof, dat dit liedje een schimp is op j de heeren van ons vak,quot; zeide de pokdalige ! heer; ,.en ik wil den naam vjni den koetsier i weten.quot; „Dien weet men niet,quot;antwoordde Sam. „I-lij i had zijn kaartje niet in zijn zak.quot; „Ik ben er tegen, dat hier van politiek wordt gesproken,quot; hernam de pokdalige hoer; „en ik zeg, dat dit liedje, in dit gezelschap, zeer politiek is, en, wat overeen uitkomt, dat het niet waar is. Ik zeg dat de koetsier zich niet op de vlucht heeft laten doodschieten, maar gevochten heeft als een leeuw, en daar blijf ik bij.quot; Daar de pokdalige heer dit met bijzondere |
XGT EEN\' LIED. 265 Ik zal de geheele schuld afdoen in termijnen van zes pence in de maand,quot; zeide sam. „Daar wil ik mij niet mee inlaten,quot; antwoordde zijn vader. „Ha, ha, ha, die is komiek,quot; zeide Pell, die eene rekening van de onkosten zat op te maken. , Ik heb nog nooit zulk eene grap beleefd. Daar, Benjamin, kopieer dat eens,quot; en hij glimlachte weder, toen hij den ouden Weiier de rekening voorlegde. „Dank je, dank je,quot; hervatte hij, toen hij do banknoot van vijf pond, die de oude koetsier hem toereikte, in zijn zak stak; „zeer verplicht, mijnheer Wellerl Lw |
|
kracht en nadruk zeide, en hot gevoelen van het gezelschap niet eenparig scheen te wezen, Z\'Hi er waarschijnlijk eene nieuwe vvoordenwis-■üiig zijn ontstaan, indien de oude Wellerniot gelukkig met l\'ell was binnengetreden. .Alles in orde Sanipje!quot; zeide de ouletnan. „De deurwaarder zal om vier uur hier ko-tie\'ii,quot; zeide Pel). „Gy zult toch in dien tijil niet vvegloopi-n? Ha, ha, ha!quot; „Misschien zal mijn barbaarse he vader zich nog wel laten verbidden,quot; zeide Sam grienend. ..Neen!quot; zeide de oude Weller „\'ich toe!quot; smeekte Sam. -Neen!quot; bulderde de onverbiddelijke scluild-eischer. |
zoon is een braaf jonkman. Ken braaf jonkman!quot; herhaalde hij, terwijl hij zijn jas toe-k noopte. Op den bepaalden tijd Verscheen de deur waarder. Sam had zich inlusschen reeds zoo bemind gemaakt, dat de aanwezige heeren l)e-sloten, om hem gezamenlijk naar de gevangenis te brengen, /.ij begaven zich op weg; d« schuld-eiserher en de schuldenaar wandelden gearmd over de straat, dedeurwaardei ging vooruit, eh de acht dikke koetsiers volgden op een paar passen afstand». Voor het koffiehuis Serge-auts\'sfnn werd halt gehouden om eenitri! hartsterking te gebruiken; en daarop ttek de stoet weder voort. In Fleet-street had een |
SAM TEL PICK WICK.
|
I klein oponthoud plaats, veroorzaakt door de j omstandigheid, dat do acht heeren in twee ge-j lederen wilden blijven marcheeren; en men was genoodzaakt den pokdaligen heer achter tela- | {•■li, om even met een kruier te boksen, met de afspraak, dat zijne vrienden hem op den te- ■ I rugtocht weer zouden modenernen. Behalve dat I viel er onderweg niets bijzonders voor. Toen I zij de poort van de Fleet bereikten, begroet i i ten zij den ongelukkigen schuldenaar met drie I daverende hoezee\'s; en nadat allen hem dc hand hadden gegeven, lieten zij hem aan zijn i lot over. Toen Sarn, tor, verbazing van Roker, met de | gewone formulileiten in bewaring was gegeven, ging hij terstond naar de kamer van zijn mees-! ter, en klopte aan de deur. „Binnen!quot; riep Pickwick. Sam trad binnen, nam zijn hoed af en glim-| lachte. „Ha. sarn, mijn gpedc jongen Iquot; zeide Pickwick blijkbaar opgetogen, dat hij zijn nederuen vriend wederzag. „Het was gisteren geenszins mijne bedoeling om u te krenken door hetgeen ik zeide. gU trouwe borst! Leg uw hoed neer, Sa m! en laat ik u eens y.i ggen, hoe ik het eigen-hik gemeend heb.quot; .Kan dat niet een oogenblik wachten, mijnheer?quot; vroeg Sam. „Ja wel,quot; antwoordde Pickwick. ..Maar waar-1 om?quot; „onidar ik voor het oogenblik iels voor mij z- 1 ven te doen heb,quot; antwoordde Sam metcenige verlegenheid. ,. Wa\' hebt gij dan te doen?quot; vroeg Pickwick V\' rwonderd. „Och, niets bijzonders, mijnhe.-r!quot; antwoordde Sam. „Weinu, als het inets byzoielers is,quot; hernam i\'ickwick,. kunt gij eerst wel naar mij luisteren.quot; „Het zou toch hetor zijn, gel....jf ik, dat ik er elt;-!gt;t voor zorgde,quot; zeide Sani. „Maar wat moet gij dan doen, Sam ?quot; vroeg I\'ickwiek ten iioo„rste verwonderd, ..(jch Iquot; zeide Sam. alsof hij de woorden met moeü- tri\' zijne keel moest dwingen, „ik moot maken, lat ik een bed krüg.quot; „Ken bel?quot; riep Pickwick ontzet. „Ja, • en bed, miinheer!quot; antwoord b sun. „Ik b- ii ■ • n irev:ingen man. Ik ben van middag voor .-\' huid in he\'htenis .\'•.•nomen.quot; „er voor schuld in hechtenis genomen ?quot; ri\'-p . Pickwick uit, terwvi le; opeen ar..el nederzonk. ...la, V\' •or schuld, mijnh\'-er!quot; antwoordde Sam; „en de man, die mij irilt; r gè?et heeft, zal mij niet loslaten, voordat gij zelf loskomt.quot; „Lieve hemel!quot; riep Pickwick uit; „wat meent gij?quot; „Wat ik \'/.oj, mijnheer!quot; antwoordde Sam. „En al duurde her veertig j iren, ik zal met pleizier gevangen blijven; en al was het in |
Newgate geweest, het zou mij toch hetzelfdege-weest zijn. Nu is het er uit, en daarmee basta!quot; Metdeze woorden,die hij met hartstochtelijken nadruk nog eens herhaalde, smeet Sam in buitengewone gemoedsbeweging zijn hoed opuen grond, en bleef met over elkander geslagen armen zijn meester aanstaren. XLIV. WA All IX GKHANDELD WOEDT O VEE VEKSCHTLLENDE KLEINE VOORVALLEN IN DE FLEET EN OVER HET GEHEIMZINNIGE UEDEAO VAN WjNKLE, EN OOK VERHAA LD Wquot;UDT, HOE DE ARME K ANSELAELI-G E .\'AN GENE EINDELIJK BEVRIJD WERD. Pickwick gevoelde zich door de warmte van Sam\'s gehechtheid te zeer aangedaan, dan dat hijoverde overhaasting, waarmedezijn getrouwe bediende zich voor een onbepaalden tijd in eene gevangenis had laten opsluiten, eenige verstoord- | held of ontevredenheid had kunnen aan den dag 1 leggen. Het eenige, waarop hij aandrong, was | da; hij den naam van den schuldeischer wilde weten, die Sarn had laten gevangen zetten; I maar dien naam bleef Sam hardnekkig ver-zwijgen. „Het zou tot niets ter wereld dienen, mijn- ; heer!quot; zeide Sam herhaalde malen. ..Hij is | een kwaadaardig, gierig, inhalig haatdragend, wraakzuchtig schepsel, met een hart zoo hard, • dat er geen verzachten aan is. zooals de do- j min\' van den ouden zieken heer zeide, die zijn j geld liever aan zijne vrouw wilde vermaken, j dan er eene kerk van laten bouwen.quot; „Maar bedenk, Sam!quot; zeide Pickwick; „de som is zoo klein, dat zij zeer gemakkelijk te betalen is; en nu ik er in toestem, dat gij bij mij blijft, moest gij bedenken van hoeveel meer dienst gij mij zoudt kunnen wezen, wanneer gij vrij uit en in kondet gaan.quot; „Ze r verplicht, mijnheer!quot; zeide Sani deftig. „Maar ik heb er geen zin in.quot; „Waar hebt gij geen zin in, Sam?quot; „Wel, mijnheer! Ik heb er geen zin in om dien onbarmhartigen vijand een gunst te vragen.quot; „Maar h\' t is geene gunst, dat hij zijn geld aanneemt, Sam!quot; zeide Pickwick. „N\'com het mij niet kwalijk, mijnheer!quot; her-varte sam. „Maar het zou eene groot, gunst vo\'ir hem we/.eu, dat hij betaald werd en hij ver UeiVt het niet. Daar zit het hem.quot; Daar Pickwick zag, dat hij niets vorderde, gaf bü tdi laatste met tegenzin zijne toestemming, dat s.nn zijn intrek zou nemen bij een schoenmaker, die op t-en der bovenste trancen |
HOK DE SCHOEX.MAKER ÖERUIXEKHD WERD.
L\'r,-,
|
een eigen vertrekje had, waarvan hij wel een gedeelte wilde verhuren, Xaar dit hokje bracht Sam de matras en het beddegoed, dat hij van Koker had gehuurd, en toen hij zich des avonds te slapen legde, was hij reeds zoo goed te huis alsof\' hij in de gevangenis was geboren, en zijne geheele familie drie menschenlevens lang daarin was gevestigd geweest. „Rookt gij altijd in bed, oude schoorsteen?quot; vroeg Sam zijn huiswaard, toen zij beiden zich te slapen hadden gelegd. ,.Dat doe ik, Jonge snaak,quot; antwo\'ordde de schoenmaker. „Mag ik vragen, waarom gij onder die tafel : verkiest te liggen?quot; vroeg Sam verder. „Omdat ik. voordat ik hier kwam, gewoon was in een ledikant met een hemel op vier stijlen te slapen, en ik vind, dat de pooien van I de tafel denzelfden dienst doen.quot; Dit gesprek werd gevoerd, terwijl Wolier op ! zijne matras aan het eene einde van hot vertrek, en de schoenmaker aan het andere einde op de zijne lag uitgestrekt; en het kamertje werd verlicht door het schijnsel eener u-acht-i kaars en de pijp van den schoenmaker, die onder de tafel als eene kool gloeide. Hoe kort dit gesprek ook ware, deed het Sam toch een gun stig denkbeeld van zijn huiswaard opvatten; en hij richtte zich op zijn elleboog overeind, om dezen wat nauwkeuriger op te nomen, dan hij tot nogtoe gedaan had. Het mannétje had een geelachtig bleek gezicht en een borstelige» baard, gelijk alle schoen-makers. Di\' hoekige trekken van zijn gelaat vormden een tamelijk zonderling geheel, waar-va» de uitdrukking echter niet terugstootend was en dat door een paar oogen werd opgeluisterd, die eens een zeer vroolijken glans moesten gehad hebben, daar zii zelfs thans nog schitterden. De man was zestig jaren, en had de hernel weet, hoelang reeds gevangen gezeten; zoodat het zonderling genoeg was, dat zijn gezicht nog (•en zweem van vn||gt;lijkheid of tevredenheid had. Met; zijne korte boenen krom onder het lijf gehaald, lag hij in een toestand van benijdenswaardige zielsrust tn rocken en in het licht tc kijken. ../ijt gij al lang hier geweest?quot; vroeg Sam, eene poos van stilzwijgen afbrekende. ..Twaalf jareö,quot; antwöórdde de. schoenmaker, en beet tegelijk een stuk van zyne pijp. „Ongehoorzaamheid aan het gerechtshof?quot; vroeg sam. De schoenmaker knikte. ..Maar waarom zijt gij ook zoo koppig?quot; hei-vatte Sain op een tamelijk strallon toon. ..Wat hebt gü er aan, om uw leven in dezen men-schenstal te verslijten? Waarom geeft gij niet toe, en zegt den kanselier, dal. het u spijt, dat gij zijn gerechtshof ongehoorzaam zijl geweest, en het niet weer zult doen. |
„Och Iquot; zei de schoenmaker glimlachend, „gij hebt geen verstand van die zaken. Waardoor denkt gij wel, dat ik geruïneerd ben?quot; „Het eerste begin zal geweest zijn, dat gij schulden hebt gemaakt?quot; zeide Sam. „ Ik ben nooit iemand een penning schuldig geweest,quot; antwoordde de schoenmaker. „Raad nog l ens 1quot; „Dan hebt gij u misschien ingelaten met huizen koopen,quot; zeide Sam, „dat in goed En-gelach zooveel zegt als gek worden, of hebt gij willen bouwen, dat niet veel scheelt van razend zijn,quot; De schoenmaker schudde zijn hoofd, en zeide: „Raad nog eens!quot; „Gij hebt toch geen proces begonnen?quot; vroeg Sam achterdochtig. ..Nooit van mijn lcvx\'n.quot;antwoorddedescho( n-maker. ..ik zal het u maar zeggen. Ik ben geruïneerd, doordien iemand mij een legaat heeft gemaakt.quot; „Kom, gekheid!quot; zeich sam. „ik mocht wel lijden, dat een rijke vijand mij op die manier in den grond wilde boren. Ik zou hem stil laten begaan.quot; „Gij gelooft mij zeker niet,quot; zeide de schoenmaker, bedaard zijne pijp rockende. „Alsik in uwe plaats was, zou ik het missschien ook niet doen; maar het is toch waar.quot; „Hoe kwam dat dan?quot; vroeg sam. j „Dat zal ik u zeggen.quot; antwoordde de schoenmaker. „Een oud heer, voor wien ik werkte, j kreeg eene beroerte en stierf. Hij liet vijfduizend pond na.quot; . Dat wa.s zeer fatsoenlijk v in hom,quot; merkte ; Sam aan. „Hij maakte mij een legaat van duizend pond,quot; hernam de schoenmaker, , omdat ik met eene verre nicht van hem getrouwd was, die niets in de wereld bezat. Zij is döpdV: God hebbe hare | ziel, en zij er voor gedankt dat zij dood is!quot; „Nu verder!quot; zeide 8am. „Hij wist wel,quot; hervatte de schoenmaker, „dat zijne neven eu nichten reeds bij zijn leven I over zijne nalatenschap haddon gekeven, en daarom benoemde hy mü tot executeur, en lif t. mij de overige vierduizend pond op trouw.quot; „Wat wil dat zeggen?quot; vroeg Sam, die na | de vermoeienissen van den dag slaperig begon te worden, op een droornerigen toon. „Dat wil zeggen, dut hij mij vertrouwde om hot geld volgens het testament te verdoelen,quot; antwoordde de schoonmaker, in zijne pijp blazende. „Dat „trouwquot; ia een term van de rechtsgeleerden.quot; „Ja, een term,quot; merkte Sam aan, „dat kan wel wezen; doch van do zaak zelve hebben zij bedroefd weinig. Manr nu verder! „Wel,quot; zeide de schoe|jinaker. „toen ik het testament wilde laten bekrachtigen, zetten de neven en nichten, die gruwelijk nijdig waren |
1 -JllS
|
omdat zij :il het u\'flrt niet kregen, er een caveat tegen.quot; „Wat is dat?quot; vroeu; Sam. ..Een rechtsinstrument, dat zooveel zeggen wil als: het is mil en van geene waarde.quot; „Zoolquot; zeide Sam. „En toen?quot; „Zij konden het onder malkaar niet eens wor- | den,quot; vervolgde de schoenmaker, „omeen proces tegen het testament te beginnen: daarom haal- I : den /ij dat caveat weder in, en ik betaalde al de legaten. Maar nauwelijks had ik dat gedaan, | of een van de neven begon alleen een proces, om ln-t testament te vernietigen. Eenige maanden daarna werd de zaak bepleit voor een doof 1 gt; oud heer. in erne achterkamer, daar dicht bij tu t st. Paulskerkhof. Eerst stonden vier advocaten elk een dag lang tegen hem te schreeuwen: j i toen had hij noveen paar weken aioodig-, om er over te denk\' n en zes dikke doelen vol bewijzen : : te lezen , en toen deed hij uitspraak, dat de erflater niet wel bij liet hoofd was geweest, en dat ik al het grid moest teruggeven en do kosten. 1 ; betaU n. Ik appelleerde; en toen kwam de zaak i : vM gt;r vier slaperige he. ren die alles al te voren -in dar andere hof hadden ueheord, waar zi.i advocaten zonder werk zijn; heteenigr onderscheid i is, dat zij daar doctors en in dat andere dinlt;_\' j dgt; legaten heeten. als crij dat begrijpt: en zij j : zeiden, dat die oude heer het bij het rechte | .■inde had gehad, en bevestigde zijne uitspraak, i \'l\'n tn kwamen wij in de kanselarij, waar wij nog ; zijn, en waar ik wel blijven zal. Mijne advocaten | ii\'-l.bt-n miine duiz\' •;.! pondal lang opgestreken; de kusten zijn tot ri.aiduizend pond opgeloopen; j Voor die lt;ch;ild ben ik hier gezet, en hier zal 1 ;k dan quot;.iit w.-i blijvn schoenen lappen, totdat ik so-rf. Menige heeren heblien er van gesproken j iim de zaak voor het parlement te brengen, en i ik geloof ook wol, da: zij het zouden gedaan | hrhtien; maar zij hadden geen tijd om bij mij rr komen, en ik had geen gelegenheid om naar \' hen toe te gaan. Toen begonnen mijne lange brieven hun ?e vervelen, ■ ti zagen zii van de l zaak af. En dit is de zuivere waarheid, zónder 1 • lat ik er iets heb aüielaten of biiiredaan, zooals , vijf\'ig mensehen hier binnen en daar buiten, kunnen ..\'etuigen.quot; !gt;■ schoenmaker zweet;, om te zien welken j indruk zijn\' i;ewehlfdenls op Sam had tromaakt; | i\'.en hij echter bemerkte, dat deze in slaap %vas j gevallen, klopte hÜ deaseh uit zijne pijp, legde j die mot een zacht ie der, trok het dek over zijn ^ hoofd, en ging ook slapen. [I\' ll volgenden morgen zat i\'ickwick alleen in j zijne kamer, daar Sam in het vertrekje van den seb .enmnker bezig was met de schoenen van | vijn mee-iter t. poi\'ts.\'ii en zijne zwarte slobkousen te borstelen, toen er aan do deur wrd | -■i klopt, en v-iordut l\'iekwick „binnen!quot; kon roepen, trad Smangle rb kamer in. „Moe v uirt gjj?quot; zeid:-deze heer, vriendelijk , |
knikkende. ..Zeg eens! verwacht gij van morgen ook visite? Drie heeren, die er zeer fatsoenlijk uitzien, hebben beneden naar u gevraagd, en aan alle deuren geklopt, waarvoor onze collega\'s die zich de moeite gaven om voor niet open te doen, hun de huid hebben vol gescholden.quot; „Lieve hemel! hoe kunnen zij zood waaszijn ••quot; riep Pickwick uit. „Ja, ik twijfel niet, of het zijn vrienden van mij, die ik gisteren reeds half en half verwachtte.quot; „Vrienden van u?quot; riep Smangle uit, terwijl hij Pickwick bij de hand vatte. „Verduiveld! dan zijn het vrienden van mij ook, en van Mivins ook. Een aardige snaak die Mivins; niet waar?quot; „Ik ken dien heer nog zoo weinig,quot; zeide I\'ickwick aarzelend, „dat ik . . . .\' „Gij moet nader kennis met hem maken,quot; zeide Smangle, zijne hand op Pickwick\'s schouder leggende-. „Gij zult pleizier in hem hebben. Die man. mijnheer,quot; vervolgde Smangle met ernstigen nadruk, „heeft eene hoogte in het komieke bereikt, welke het tooneel van Drury-lane tot eer zou strekken. „Irtderdaad?quot; zeide Pickwick. „Op mi ne eer,quot; hernam Smangle. „Gü moet zijne vier katten in een kruiwagen eens aanhooren; men zou erop zweren, dat het vier lovende katten waren. Dat is sterk, niet waar? Gij kunt u niet verbeelden, wat hij al niet kan. Hij heeft maar i-én gebrek — dat kleine zwak. • laar ik u al van gesproken heb.quot; Daar Smangle op dit oo.n\'enblik vertrouwelijk en medelijdend zijn hoofd schudde, begreep Pickwick, dat hij verwachtte, dat hij iets zeggen zou; hij zeide derhalve: „Achen keek daarbij onsreduldig naar de deur. „Ja. het is ongelukkig.quot; hernam Smangle friet een diepen zucht. ..Als dr geest van zijn grootvader op dit oogenblik voor hem oprees, mijnheer: wat denkt gij dat hij doen zou? Hij zou hel spook geld te leen vragen.quot; „Dat is erg,quot; zeide Pickwick. „Maar ik vrees, dat, terwijl wij hier staan te praten, mijne vrienden naar mij zoeken.quot; .Ik zal hen hierheen brengen, mijnheer!quot; zeide Smangle, naar de deur gaande. „Tot weerziens! Ik zal u niet met mijn gezelschap lastig vallen, terwijl zij hier zijn. Maar a propos.... \' Dit \'zeggende bleef Smangle plotseling staan, deed de deur, die hij reeds geopend had. weder dicht, sloop op do teenen naar Pickwick, en fluisterde: „Zoudt gij mij een halve kroon kunnen leenen. tot het laatst van de volgende week ?quot; Pickwick kon nauwelijks een glimlach onder drukken, maar haalde toch met een ernstig ge zicht het •„\'• vraagde uit zijn zak, en liet hot in Smangle\'s reeds ultgest rekte hand vallen; waarop deze zich terstond verwijderde, en kort daarop voor de drie bezoekers de deur opende. „Ik ben zeer blijde, dat ik u zie,quot; zeide Plek- |
WINKLE IS BLIJKBAAR WANHOPIG.
2t)i.i
|
wick, terwijl hij Tupman, Stockwall en Winkle achtereenvolgens de hand yaf. Het drietal was zeer aangedaan. Tupman schudde treurig het hoofd, Stockwuli haalde met blijkbare ontroering zyu zakdoek voor den dag en Winkle ging naar het vensteren snikte hardop. „Goedenmorgen, heeren!quot; zeide 8am, die op dat oogenblik met de schoenen en slobkousen binnentrad „ Weg met de treurigheid! zooals de kleine jongen zeide toen de schoplinatres dood was. Welkom in het paleis, heeren !quot; |
,.Ik had gehoopt, Sam! dat - niets — | niets —quot; antwoordde Winkle onthutst. Pickwick zag Tupman en stock wal verwon- | derd aan, alsof hi.j van h«n eenig verklaring van Winkle\'s zonderlingen uitroep verwachtte. „ Wij weten van niets,quot; zeide Tupman overluid, tot antwoord op deze stilzwijgendt vraag. „Hij is sedert een paar dagen zeer ongedurig, | en geheel anders dan voorheen in zijn spreken | en doen. Wij vreesden, dat er iets voorgevallen j was, maar hij zegt van neen.quot; ..Neen, neen!quot; zeide Winkle blozende, toen |
1
zeid
terwijl deze neerkni zijn meester vast h chtenia lat
Pickwick, Sam op zijn 1de om do knoppen, a nemen.
:. „Ik verzeker u, s voorgevallen. 1 k voor een poos uit had gehoopt, dat
geven om mij nasd ge-
..Die kwast,quot;
hoofd tikkende,
slobkousen van ..die kwast heeft zich in hf om bij mij I(; blijven.
„Wat?quot; riepen de vrienden uit.
„Ja, heeren!quot; zeide Sam: „ik ben een ga-vangen man; ik zit zoo vast als een muur.quot;
„Gij gevangen ?quot; riep Winkle met onverklaarbare hartatochtelykheid uit.
„Heisa, mijnheer !quot; zeide Sam, opziende. „Wat scheelt u?quot;
gij Sam verlof zoudt hebben te vergezellen.quot;
Pickwick zette oen nog meer vt zicht dan in het. begin.
„Ik geloof,quot; zeide Winkle mot renc haperende stem, „dat Sam er niets togen gehad zou hebben om met mij mede te gaan; maar nu hi.i gevangen zit, is het onmogelijk, dat
Pickwick lieiii strak aanzat münht\'or! «-r is inderdaad niet zal voor niijne eigene zaken di\' stad moeten gaan, en ik
SAMUEL PICKWICK.
1,0
|
«preekt vanzelf, en ik moet alleen op reis gaan.quot; Toen Winkle dit zèide, voelde Pickwick met eenis^e verwondering, dat de vingers van Sam beefden, alsof hij verrast of verschrikt was. Sum zag ook Winkle aan, toen.deze zweeg, en hoewel liet slechts voor een oogenblik was, schenen zij echter elkander te verstaan. ..Weet gij hier iets van, Sam?quot; vroeg Pick- 1 wiek scherp. „Neen, mijnheer!quot; antwoordde Sam, terwijl i hij weder met zijne gewone vlugheid begon te j knoopen. „In het geheel niet. Ham?quot; hervatte Pickwick. „Ik heb tot op dit oogenblik niets van de zaak gehoord, mijnheer.quot; antwoordde sain; „en zoo ik er al naar raad,quot; vervolgde hij, met een blik op Winkle, „staat het mij niet vrij er van te spreken, omdat ik het wel eens mis kon hebben.quot; „Ik heb het recht niet om verder navraag te doen aangaande de bijzondere aangelegenhe den van een vriend, al is hij ook. een vertrouwd vriend,quot; zeide Pickwick na eene poos stilzwij--ens. Alleen moet ik zeggen, dat ik er niets van begrijp. En nu genoeg ervan!quot; Pickwick bracht nu het gesprek op andere onderwerpen over, en Winkle scheen langzamerhand zijne bedaardheid te herwinnen, hoewei hij zich toch verre van volkomen op zijn gtüuak bevond. Men had zooveel te praten, dat. de morgen zeer spoedig verliep; en toen Sam ten drie ure do tafeldekte, en vervolgens eene gebraden schapebout en eene vleeschpastei met eenige groenten en kannen porter opzette, .ringen allen smakelijk aan het eten, zonder zich er aan te storen, dat het maal in de gevangeniskeuken was toebereid. Va den maaltijd liet Pickwick eenige flesschen wijn halen, en \'oen deze geledigd waren, luidde de schel, ten u-eken dat de b-zoekers moesten vertrekken. Doch zoo het uredrag van Winkle des morgens ■aadselachtig was geweest, hot werd volkomen • verklaarbaar, t oen hij van zijn vriend afscheid nv.est nemen. Hij bleef dralen, totdat Tupman én Stockwall reeds de deur uit waren, trad (iaaie;, met eene pi ehtige, spookachtige houding op Pickwick toe. en drukte deze le hand, met e\' Ti gezicht, waarop de- uitdrukking van \' tn^edlgo vastberadenheid en diepe treurigheid : een v! e- seiyk mengsel vormden. „Ooeileniiaetit, beste vriend!quot; mommelde Winkle tu- ele n zgne op elkander geklemde tanden. „Cod ze gene u. beste jongen Iquot;-\'zeide de goed hartigquot; Pickwick, terwijl hij den handdruk van zijn vriend beantwoordde. „Kom dan, Winkle!quot; riep Tupman in de gang. ...fa, zoo meteen,quot; antwoordde Winkle, „(loe-dennacht!quot; |
„Goedennacht!quot; zeide Pickwick. Daarop wenschten zij elkander nog eens goedennacht, en vervolgens nog wel zesmalen, terwijl Winkle de hand van zijn vriend steeds vasthield, en hom met dezelfde zonderlinge uitdrukking aanstaarde. „Is er iets voorgevallen?quot; vroeg Pickwick eindelijk, toen zijn arm zeer deed van het schudden. „Niets.quot; antwoordde Winkle. „Nu dan goedennacht!quot; hervatte Pickwick, met eene poging om zijne hand los te trekken. „Mijn vriend, mijn weldoener, mijn geëerde leidsman 1quot; prevelde Winkle, die hand nog vaster drukkende: „beoordeel mij niet te hard, wanneer gij hoort, dat ik, tot het uiterste gedreven door hinderpalen . . . .quot; Kom dan,quot; zeide Tupman, zijn hoofd binnen de deur stokende, „of wij worden opgesloten.quot; „Ja, ja! ik ben gereed,quot; zeide Winkle, en rukte zich als met geweld los. Terwijl Pickwick in stomme verbazing het drietal in de gang nazag, verscheen Sam boven aan de trap en fluisterde Winkle iets in het oor. „O zeker gij kunt er u op verlaten,quot; zeide deze hoer overluid, „Dankje, mijnheer!quot; zeide Sam, ..Zult gij het niet vergeten?quot; „Vast niet,quot; antwoordde Winkle. „Ik wensch u geluk, mijnheer!quot; zeide Sarn, zijn hoed aanrakende. „Ik zou gaarne hebben willen madegaan; maar mijn meester gaat natuurlijk voor alles.quot; „Het strekt u tot groote eer, dat gij hier blijft,quot; zeide Winkle, en ging met deze woorden de trap af. .Allerzonderlingst,quot; zeide Pickwick bij zich zeiven „Wat zou die jonkman toch voornemens zijn?quot; Hij zat nog eenzaam te peinzen, toen de stem van Roker, den oppasser, vroeg, of hij mocht binnenkomen. ...la wel,quot; antwoordde Pickwick. „Ik breng u een zachter kussen, mijnheer!quot; zeide Roker. „Dat ik u gisteravond geven moest, was maar voor behulp.quot; „Ik dank u,quot; zeide Pickwick, en bood den oppasser vervolgens een glas wijn aan, hetwelk deze mei graagte aannam en uitdronk. ..lie- spijt: rnii te moeten zeggen, dat de man, van wien gij deze kamer hebt gehuurd, van avond zeer slecht is, mijnheer!quot; zeide Roker, toen hij zijn glas ie erzette. „Wat\' die kanselarij-gevangene?quot; riep Pickwick uit. ..Hij zal niet lang meet een kanselarij-gevangene wezen, mijnheer!quot; hernam Roker. .(Jij doet mij ontstellen,quot; zeide Pickwick. .Wat meent gij?quot; „Hij heeft het al lang op de borst gehad, |
|
DOOD VAX DEN mijnheer!quot; antwoordde Roker; „en vana.\'ond : is\' liij zeer benauwd. De dokter heeft, al vóór zes maanden gezegd, dat niets hem redden kon, als hij geene verandering van lucht kreeg.quot; . Groote Hernel!quot; riep Pickwick uit. „Die I man is dus al zes maanden langzaam door de | wet vermoord ?quot; „Dat kan ik niet zeggen, mijnheer!quot; zeide S Roker. „Denkelijk zou het overal eveneens met hem zijn gegaan. Hij is van morgen in de ziekenzaal gebracht. De dokter zegt, dat hij zooveel mogelijk moet versterkt worden, en de opzichter heeft hem wijn en bouillon gestuurd, uit zijn eigen huis. Met is de schuld van den opzichter niet, dat begrijpt gij wel, mijnheer!quot; „Dat spreekt vanzelf,quot; zeide Pickwick haastig. „Ik vrees toch,quot; hervatte Roker, „dat hij er aan heengaat. Ik heb er met Neddy op willen ! wedden, twee tegen een; maar hij wildeniet, \'■•ii hij had groot gelijk. Goedennacht, mijnheer!quot; „Wacht eens!quot; zeide Pickwick ontroerd. „Waar is die ziekenzaal?quot; „Vlak boven de kamer, waar gij geslapen I hebt,quot; antwoordde Roker. „Als gij wilt, zal ik ii den weg wijzen.quot; Zonder een woord te spreken, zette Pickwick zij ii hoed op, en volgde den oppasser, tlie stilzwijgend vooruitging, totdat hij zacht cene deur opende en Pickwick wenkte om binnen le tn -\'ien. Het was een ruim vertrek, mot naakte muren en een aantal ijzeren bedsteden, in eeii | van welke de schim van een man lag uitgestrekt. Dt ongelukkige lijder haalde zwaar en pijnlijk kleunend adem. Naast liet bed zat een oud man met een sehoenmakersschootsvel, en las uit den | bijbel voor. Het was de gelukkige erfgenaam. De zieke legde zijne hand op den arm van zijn \'ippnsser, en wenkte hom om op te houden. De schoenmaker sloot het boek, en legde het op het bed. ..Doe het venster open,quot; zeide de zieke. Dit geschiedde, en eeu verward gedruisch van i ijtuigen, voetstappen en mem-cheiistemmen, tot \'■eu z waren brom menden toon versmolten, drong in het vertrek. Nu en dan kon mén een schel ■-\'■lach of eenige klanken van een vroolijk liedje onderscheiden, die terstond weder in hot alge meen gedruisch - den gollslag van de mstelooze zeo des leven.-!, die daar buiten woelde vereren gingen. Zulke klim kon hebben altijd iets, tmirigs voor iemand, die stil daarnaar luistert; hoeveel to meer voor hem, dio bij een sterfbed waakt, „Er is hier geen lucht,\'\' zeide de zieke roet eene flauwe stem, „Zij wordt hier verpest. Zij wa- frisch, toon ik die, vóór jaren, daarbuiten madeindo; maar zij wordt heet en zwaar, als zij binnen deze muren komt. Ik kan or geen ■ulem in halen,quot; ..Heb maar quot;. duld,quot; Z( idedooud* man. „W\'ii hebben er beiden zoolane in ceademd.quot; |
EL A HIJ-O E VA XG EX K. ::71 Er volgde eene poos van stilzwijgen, en in dien tijd traden de twee toeschouwers nader bij het bed. De zieke vatte eene hand van zijn | medegevangene tusschen zijne beide handen, en lüold die vast. „Ik hoop,quot; zeide hij daarop, zoo flauw, dat | zij zich over het bed moesten heen buigen, om 1 de halfgesmoorde klanken op te vangen, welke zijnen koudon, loodkleurigen lippen ontsnapten, | „ik hoop, dat mijn genadige Hechter daarboven i acht zat geven op do zware straf, die ik hier I op aarde heb ondergaan. Twintig jaren, mijn i vriend! in dit ij se lijk graf. Mijn hart. brak, \' toen mijn kind stierf, en ik het in zijn kistje i niet eens een kus kon geven. Ach! hoe vreese- ; lijk eenzaam en verlaten ben ik sedert dion tijd i geweest, midden in dit woeste gedruisch! Moge ! God mij vergeven! Hij heeft mijn eenzamen, i slependen dood gezien.quot; Hij vouwde zijne handen, en nadat iiij nog iets had geprov-old, dat zij niet konden verstaan, viel hij in slaap; hot was slechts een slaap j in het eerst, want zij zagen hem glimlachen. } Zij tluisterden eene poos met elkander, en ! daarop bukte de oppasser over het bed. maar ! richtte zich haastig weder op, „Bij God! hij j heeft zijn Ontslag gekregen!quot; zeide hij. Het was ook zoo. Maar hij had reeds bij zijn j leven zoozeer het voorkomen van een doode i gehad, dat zij niet gezien hadden, wanneer hij j stierf. XLV, KBN A AN l)Ot:X LM IC TOOXKK1. TI/SSeHES SA MC Et WICU.l-H EX ZI.INK FAMU.IK, riOKAVICK DOKT i:i:XK IIEIS DOOK OH KI,KINK WK UK LD DIE MM lï KWOONT, K.N N KBMTf II KT I\'-KSLITI, OM VOOH HEI VKRVOMi ZOO WKINI\'. MOGELIJK MET HAAK IN AAN HA KING TK KOM EN. Toon Samuel Wellor eenige dagen in do ge vangen ia had doorgebracht, ging hij op zekeren morgen, nadat hij zyn meester had bediend, en deze rustig bij zijne boeken en papieren zat, de kamer uil, ni\' l hot voornomen om em paar uren zooveel pleizior te maken als hij kon. Daar het mooi weer was, kwam hij op do gedachte, dat hoi tot zijn oogmerk wel dienstig zou zijn, in de openo lucht eono kan porter te drinken. Hij ging derhalve naar de tapperij, kocht eene kan bier, besprak daarbij eene courant van voor eergisteren, en begaf zich vervolgens haar do kegelplaats, waar hij op oeno bank ging zitten, om zeer bedaard en deftig phizier te hebben. Eerst nam lui eene teiiL\' uit do kan.daaroo |
SAMUEL PICKWICK.
keek hij omhoog naar een venster, en schonk „Sampje!quot; zeide de oude Weiier, terwijl hij
een Platonisch lonkjo aan eerie jongejuft\'er, die zijn voorhoofd afveegde: .ik vrees, dat ik mij
er voor zat aardappelen te schillen. Vervolgens nog eene beroerte op het iyf zal lachen.quot;
ging hij de courant zoo omvouwen, dat hij de „En waarom zou dat wezen?quot; vroeg Sam. politieberichten buiten moest krijgen, en daar , „Wat is er nu weer gaande?quot;
dit een tamelijk lastig werk is, als het een beetje „Wie denkt gij, dat ik meegebracht heb, waait, nam hij nog eene teug bier, toen hij er . Samuel?quot; vroeg de oude Weller, terwijl hij mede klaar was Toen las hij eenige regels, en 1 een paar stappen achteruitging, en zijn mond
hield op, om naar een paar kegelaars te kijken, dicht kneep.
die een spel uitspeelden; en toen het uitwas, „Perker?quot; zeide Sam.
riep hij „bravo!quot; en zag om zich heen, of de De oude Weller schudde zijn hoofd, terwijl andere toeschouwers in zijn gunstige meening 1 zijne zwellende wangen te kennen gaven, hoe-deelden. Natuurlijk moest hij daartoe ook naar veel moeite het hem kostte om niet uit te schade vensters kijken; en dewijl de jongejulfer teren.
nog met hare aardappelen voor haar venster ..Wie dan?quot; zeide Sam.
zat, was het niet meer dan eene gewone be- „Uwe stiefmoeder,quot; zeide de oude man -
leefdheid, dat hij haar nog eens toelonkte, en, en liet was gelukkig, dat hij zijn mond open-in pantomime, hare gezondheid dronk; hetgeen \' deed, om dit te zeggen, daar de onnatuurlijke
hij dan ook deed. Xadat hij eindelijk een klei- spanning zijner wangen thans een graad had
nen jongen, die dit laatste bedrijf met een open bereikt; die ze in korten tijd onvermijdelijk had
mond had aangestaard, een vreeselijk gramsto- moeten doen barsten - „uwe stiefmoeder, rigen blik had toegeworpen, sloeg hij zijne 1 Sampje! en den rood neus. Ha, ha, ha! Ho, ho, ho 1quot;
beenen over elkander, en begon in goeden ernst Daarmede barstte hij in een schaterend lachen I
te lezen. uit, terwijl Sam hem aanstaarde met een spot- i
Maar nauwelijks was hij in zijne lectuur ver- tendon grijns, die zich langzamerhand over zijn
diept, of hij meende dat hij in de verte zijn gcheole gezicht verspreidde.
naam hoorde roepen,. Hij bedroog zich ook niet; ..Zij zün gekomen, om een seen ernstig woordje
want die naam vloog met spoed van mond tot met u te spreken, Samuel 1quot; zeide de oude
mond. en weldra weergalmde het overal: „Wel- Weller, terwijl hij zijne oogen afveegde. „Maar
Ier. Weller!quot; houd uw mond van dien onnatuurlijken schuld-
„Hier!quot; riep Sam met eene stem als eene eischcr, hoort gij ?quot;
klok. ..Wat is er tlt;- doen ? Wie moet mij heb- ,Wat! weten zo dat dan niet?quot;
bon? Is er een coener gekomen, om te zeggen ../.ij weten er niets van,quot; was het antwoord,
dar mijne buiteivnlaats in brand staat?quot; „Waar zijn zij?quot; vroeg sam.
„Er is iemand in de gang die naar u vraagt,quot; „In de tapperij,quot; antwoordde de oude. „Denkt
zeide een man, die dicht bij hem stond. gij, dat gij den roodneus ergens anders zult
„Pas dan eens even op de courant en die vinden, dan waar drank te krijgen is! Wel
kan, beste maat!quot; zeide Sam. neen, Samuel! Wij hebben van morgen wat
Hij snelde tei stond de tr.mg in, naar h\' i voor- pleizierig met elkander gereden. Sampje! Ik
portaal, en het eerste, dat hem daar in het oog had de kar ingespannen, die uw stiefmoeder al
viel, was zijn beminde vader, die op de onderste had toen wij trouwden, en er een leuningstoel
trede van de trap zat, en met geregelde tus ingezet voor den onderherder, en — het is waar
schenpoozen, onophoudelijk en zoo hard hij kon, wat ik u zeg,quot; vervolgde hij op een zeer ver-
„Weller!quot; riep. aduelijken toon, „hij moest eene ladder hebben, |
„Waarom zet gil zulk een ko-J op,quot; vroeg om op de kar te klimmen.\'-
Sam, „dat gij nu al zoo rood zijt als een razende ..Steekt gij er den gek mee?quot; riep Sam uit. i
glasblazer? Wat, is er te doen?quot; .„Neen, zeker niet, Sampje!quot; zeide zijn vader;
„Ik was bang, dat gij eens waart gaan wan- „en gij hadt eens moeten zien hoe hij zich i
delen, Sampje!quot; zeide de oude man, „en ik u vasthield, toen hij er opklom, net alsof hij bang ■
niet te huis zou vinden.quot; was om van eene hoogte van zes voet te plet- •
..Wilt, gij het shell toffer der gierigheid nu ter te vallen. Eindelijk kwam hij er toch in. er.
neg beschimpen?quot; zeide Sam. „Maar waarom wij roden weg, en het is wel mogelijk, Sampje! 1
zijt gij daar op do trap gaan zitten .\' Daar ik zeg, het is wol mogelijk, dat hij met het
woon ik toch niet.quot; omdraaien van de hoeken een beetje gehotst is.quot; :
„O Siunpje! er is zulk eene klucht ophanden!quot; „Gij zult bij ongeluk tegen de palen hebben |
zeide de oude Weller opstaande. gereden,quot; zeide Sam.
Daar sam bij zijn vader de teekenen eener „Ik vrees, dat ik er een paar van heb mee naderende lachbui meende waar te nemen, zeide j genomen,quot; hernam de oude man, mot een veel
hij, om de/,e voor te komen : „Houd u bedaard, beteekenenden wenk; „den boelen weg over
oude! Heb ik ooit zoo\'n lachebek gezien! Wat wipte hij telkens van zijn stoei af.quot;
is het nu weer ?quot; quot; Hier begon de oude man zijn hoofd te schild-
273
|
den, terwijl er tegelijk een schor gerochel in zijne keel ontstond, en zijn gezicht verbazend begon te zwellen — verschijnselen, die zijn zoon niet weink; ongerust maakten. „Wees maar niet bang, Sampje, wees maar niet bang,quot; zeide de oude man, toen hij met vee! moeite en door geweldig met zijne voeten op den grond te stampen, weder op zijn adem was gekomen „ Ik probeer maar om zachtjes te lachen, zonder dat men het hoeren kan.quot; |
„Ik zou u dat probeeren afraden,quot; zeide Sarn. „Ik vind het een vrij gevaarlijk verzinsel.quot; tapperij bereikt, waar Sam een oogenblik stilstond, om zijn vader, die achter hom nog grinnikte, over zijn schouder een loozen, veelbetee-kenenden blik toe te weipen. Daarop trad hij binnen. „Moedertje!quot; zeide Sam, terwijl hij de dame zeer hoffelijk een kus gaf, zeer verplicht voor uwe vriendelijke visite. „Hoe gaat het, herder?quot; „O, Samuel!quot; zeide juffrouw Weller, „datis ijselijk.quot; „In het minst niet, lieve juffrouw!quot; zeide Sam. „Vindt gij het wel, herder?quot; |
|
„Bevalt het u dan niet, Sampje?quot; vroeg dn oude rnan. ..Volstrekt niet,quot; antwoordde Sam. • Tk geloei\' toch,quot; hernam zijn vader, terwijl trancn hem bestendig langs do wangen rol-\'en, „da t het iu;j wel te pas zou zyn gekomen, l:gt; ik dat kunstjo in den grond had verstaan, quot;et /.ou veel woorden tusschen uwe stielmor i\' en mij hebben uitgehaald. Maar ik vrees (\'a\'\' gil gelyk hebt, .Samuel! men zou er wel eene beroerte van kunnen krijgen.quot; Onder dit gesprek hadden zij de deur van de |
Stiggin.s hief zijne handen omhoog, en verdraaide zijne oogen dermate, dat er niets dan i het wit ol liever het geel van to zien was, maar zeide niets. „Heeft die heer de eene of andere kwaal, die j hem zoo zeer doet?quot; vroeg Sam, zijne stief- ; moeder vrasrend aanziende. „De goede- man is bedroefd, dat hij u hier ziet,quot; antwoordde juffrouw Weller. „O! is het dat maar?quot; zeide Sam. „Ik was i bang, dat hij de peper vergeten had, teen hij zijn laatste komkommers heeft gegeten. Ga |
is
SAMU KL PiCKWIUK.
•271
zitten, mijnheer!quot; Het zitten is het oeuige, waar hier niet extra voor betaald wordt.quot;
„Jonkman!quot; zeide Stiggins op een gezwollen toon; „Ik vrees, dat de gevangenschap u niet verzacht heelt!quot;
„Neem mij niet kwalijk, mijnheer!quot; zeidi\' Sam. .. Wat was dat daar, dat g\\j zoo goed waart te zeggen?quot;
„Ik geloof, jonkman! dat deze kastijding uw herte niet veranderd heeft,quot; hervatte Stiggins, zijne slem verheffende.
„Dat is wel vriendelijk van u gezegd, mijnheer!quot; zeide Sam. „Neen, mijn hart zit nog op de rechte plaats. Ik blijl\' u wel dankbaar voor uwe goede meening, mijnheer!quot;
Op dit oogenblik hoorde men een geluid, dat een zweem had van een hoogst onvoegzaam gelach, van den stoel komen, waarop de oude Weller zich had nedergezet; en nu begreep julfrouw Weller, nadat zij spoedig alle omstandigheden had overwogen, dat het haar paste om het langzamerhand op de zenuwen te krijgen.
,, We 11 er!quot; riep de juffrouw, „kom eens hier!quot;
.Dank,je wel, schatje!quot; antwoordde de oude lieer, „ik zit hier heel goed op mijn gemak!quot;
Julfrouw Weller barstte in tranen uit.
„Wat scheelt er aan?quot; vroeg Sam.
„Och, Samuel!quot; antwoordde juffrouw Wol-ba-; „uw vader maakt mij rampzalig, is er dan i ■_recn uoed aan hein te doen?quot;
.Hoort gij wei, oude?quot; zeide Sam. „Uwe vrouw wil weten, of er geen goed aan u te doen is.quot;
.Ja, ja!quot; antwoordde do oude Weller; ..ik bedank haar wel voor hare vriendelyke vraag, en ik geloof, dat een pijpje mij wel goed zou dogt;-n. Zoudt gij mij daaraan oek kunnen helpen, Sampje?quot;
Hier liet juffrouw Weller nog eenige tranen vallen, en Stiggins kermde.
„Wel duivels! daar wordt di j anno heer alweer zoo naar!quot; zeide Sam. .. Waar voelt gij het nu, mijnhefi
..Op dezelfde plaats, jonkman!quot; antwoordde Stiggins. „Op di-z-Ifde piaats.quot;
, Kn waar is dat, mijnheer?quot; vroeg Sam met een zeer onnouzc) gezicht.
„In de bmst, jonkman!quot;antwoordde Stiggins, terwijl hij zijne paraplu togen zyn vest drukte.
Op dit treffend antwoord begon juffrouw Wel Ier,die hare aandoeningen onmogelij k langer kon bedwingen, overluid te snikken, en gaf tegelijk hare overtuiging te kennen, dat d- roodneus een heilige was; waarop de oude Weller de vrijheid nam, binnensmoivls aan te nierken, dat hij dan ?eker onder de wonderlijke heiligenbéhoorde, „Ik vrees, juffrouw!quot; zeide Sam, „dat \'lie le er met zijne verdraaide oogen dorst bfgmt te kt i.jgt-n van dit aandoenlijk tooneel. Heb ik het niet geraden?quot;
De juffrouw zag stiggins vragend aan, en deze zette tot antwoord een akelig gezicht, waaruit duidelijk bleek, dat hij een verschrikkelijken dorst had.
„Ja, ik vrees ook, Samuel, dat zijne aandoeningen hem dorstig hebben-gemaakt,quot; zeide juffrouw Weller treurig.
„ Wat is uw gewone borrel, mijnheer?quot; vroeg Sam.
„Ach, jonge vriend!quot; antwoordde Stiggins: „alle borrels zijn ijdelheden,quot;
„Maar al te waar,quot; zuchtte juffrouw Weller, terwijl zij toestemmend niet haar hoofd knikte.
„Dat kan wel wezen, mijnheer!quot; hervatte Sam. „Maar wat is uwe beste ydelheid? Welke ijdel-held lust gij het liefst?quot;
„Ach, jonge vriend!quot; antwoordde Stiggins. „Ik beschouw ze allen met verachting. Maar, zoo er eene minder hatelijk is dan de anderen,quot; vervolgde hij, „is het dat vocht, dat men rum noemt warm met drie klompen suiker ; op een bierglas.quot;
„Het spijt mij, mynheer!quot; zeide Sam. „dat deze soort van ijdelheid hier verboden is. en niet verkocht wordt.quot;
„O, hoe hardvochtig zijn die verblinden!quot;\' riep Stiggins uit. „O, hoe barbaarse li zijn die onmenschelijke vervolgers!quot;
Met dezen uitroep hief hy zijne oogen weder naar den zolder, en sloeg zich met zijne paraplu verscheidene malen op de borst; en om hem recht todoen, moeten w^j zeggen, dat zijne ver ontwaardiging geheel oprecht en ongeveinsd : scheen te wezen.
Nadat juffrouw Weller en de roodneuzige heer in de krachtigste uitdrukkingen tegen dit onmenschelijk verbod hadden uitgevaren en de ; bewerkers daarvan met vrome vervloekingen ; overladen, sloeg de laatste voor, eene flesch port | wijn te gebruiken, met een weinig water geheet en met suiker en specerijen vermengd, als goed I voor de maag, en-minder naar ijdel heid smakende dan e-enig ander mengsel. Dit word derhalve : besteld, en terwijl men er naar wachtte, zagen • juffrouw Weller en Stiggins den ouden Weller j aan en kermden.
„Wel, Sampje!quot; begon de oude: „viudt gij j niet, dat deze vroolijke visite u machtig op beurt? liet gesprek is al heel levendig en plei-zie rig, niet waar, Sampje?quot;
„(iy zijt een verhard zondaar!quot; zeide Sam; en ik verzoek u, om mij niet meer met zulk\' onstichtelijke aanmerkingen lastig te vallen.\'\' Verre van door deze gepaste tefcchtwyziii-tot inkeer \'te worden gebracht, trok de oude Weller een spottend gezicht; en daar dit wangedrag zijne vrouw en Stiggins zoo geweldig ergerde, dat zij hunne oogen toeknepen, en zich op hunne stoelen heen en weder wiegden, alsof zij op heete kolen zaten, vond hij verder goed. door gebaren zijn lust te kennen te geven, om
GODSVRUCHT ICN
GODDKLOOSHEID.
|
: den gezegden Stiggins voor zijn neus te stompen, | met welke pantomine hij zich niet weinig scheen te vermaken. Eindelijk was hjj bijna op de daad j betrapt; want toen de bestelde wijn werd binnengebracht, sprong Stiggins zoo driftig op, dat I hij met zijn hoofd tegen de vuist van don ouden koetsier bonsde, welke op dat, oogenblik slechts een paai duim van zftn gezicht verwijderd was, „Waarom grijpt gij zoo lomp naar dat glas?quot; : zeide Sam, snel gevat. „Gij hebt mijnheer ge-stoeten. Ziet gij niet?quot; „Het was bij ongeluk, Sampje!quot; zeide de oude | Waller, een weinig onthutst door het onver-! wachte van dit voorval. „Probeer eens of dit niet helpt,quot; zeide Sam, rolt;gt;n de roodneuzige heer met een pijnlijk ge-i zicht zijn hoofd wreef, en reikte lierii tegelijk \\ K-n glas heeten wijn toe. „Wat dunkt u van i die ijdelhoid, mijn heer?quot; Stiggins gaf geen mondeUjkantwoord, maar 1 zijne daden zeiden genoeg. Hij proefde eens van din drank, legde zijne paraplu op den grond . der, proefde nog eens, streek zeer weltevreden zijne hand een paar malen over zijne maag, dnmk toen het glas in één adem ledig, en hield I het; op, om het nog eens te laten vol schenken, ■lutt\'rouw Weller scheen insgelijks den drank i\'t slecht, te vinden. Eerst zeide zij, dat zij er nmogèlijk een droppel van drinken kon; daarop •■fde zij een klein dropje, toen een grooten \'Iryppel, en eindelijk een aantal droppelstege-: : ; en daar hare aandoeningen van dien aard I waren, dat zij door het gebruik van geestrijke \' hten,bijzonder werden opgewekt, liet zij bij | \' ii droppel heeten wijn een traan vallen, en ■V\' rd eindelijk geheel overstelpt door hare smart. \'o oude Weller zag dit alles met een onver--!iioi\'u-d gezicht aan; en toen Stiggins, na zijn ! v,cede glas, erbarmelijk begon te zuchten, kon niet nalaten, zijne ontevredenheid door een \'W gemompel te kennen te geven, waarvan • :!^,!,:\'n het woord „draaierijquot; verstaanbaar was, 1 1,1 hij verscheidene malen herhaalde, ••Wil ik u eens wat zeggen, Samuel!quot; Muis-\' i ie iie oude man, nadat bij zijne vrouw en ■ i.-ains eene poos aandachtig had aangestaard ; l -ik geloof, dat uwe stiefmoeder en die roodneus al \' lif-i van binnen iets hebboh, dat niet deugt.quot; ■, ^Vat meent gü ?quot; vroeg Sam • Ik meen. Sampje!quot; hernam de vader, „dal , het vocht, dat zij drinken, niet, in hunne maag i ■\'quot;quot;\'Jnt te komen ; het. vei andc 11 meteen in warm j water, en loopt dan hunneoogen weder uit, (lij ml er zeker van wezen, Hunipje! het is een nuier gebrek binnen in hun lijf.quot; , oude man bevestigdo deze Wetenschappe-••\'■ verklaring met zoovele wenken en grim; s ,JütTroviw Weller er op lette, en daar \'quot;•greep, dat zij zelve of Stiagins het, onder-■ ip yan hatelijke aanmerkingen moest wezen, v H zij quot;p het punt om het nog voel erger op |
de zenuwen te krijgen, toen Stiggins, zoogoed hij kon, opstond, en tot stichting van het gezelschap, maar inzonderheid van Sam, eene aanspraak ging houden, waarin hij zijn jongen vriend op eene hartroerende wijze bezwoer, om, in den afgrond van goddeloosheid, waarin hij geworpen was, toch op zijne hoede te zijn, zich vooral voor huichelarij en eigenwaan te wachten, en zich hem (Stiggins namelijk) ten voorbeeld te -stellen, iu welk geval hij spoedig totdo troostrijke overtuiging zou komen, dat hij zelf een braaf en godvruchtig man was, en al zijne vrienden en bekenden red- en radelooze zondaarskinderen waren; eene overtuiging, welke iemand een bijzonder zielsgenoegen verschaft. Verder bezwoer hij hem, om vooral de ondeugd van dronkenschap te vermijden, welke hij bij de onreinheid der zwijnen vergeleek, en bij die verderfelijke kruiden, welke, naar men zegt, het geheugen wegnemen, wanneer men ze kauwt. Toen hij zoover met zijne aanspraak was gekomen, worden de gezegden van den eerwaarden en roodneuzigen heer zeer duister en verward, en in het Vuur zijner welsprekendheid waggelde hij heen en weder, zoodat hij eindelijk de leuning van een stool moest grijpen, omstaande te blijven. Stiggins zeide zijnon toehoorders niet, dat zij op hunne hoede moesten wezen tegen valscheprofeten en onheilige spotters met den godsdienst, die, zonder verstand genoeg te hebben om de eenvoudigste gronden er van te besefion, en zonder een hart to bezitten om deeerste plichten er van te gevoelen, in do maatschappij gevaarlijker wezens zijn dan dieven en moordenaars, daar zij zwakken en onkundigen verleiden en verderven, het heilige in bespotting en verachting brengen, en eene smet werpen op eene menigte rechtschapene menschen van verschil lende, op zich zeiven eerwaardige sekten; maar daar hij eeuo geruime poos over den rug van den stoel bleet leunen, terwijl hij zijn eeiu\' oog gesloten hield en met het andere onophoudelijk knipte, is het te onderstellen, dat hij dit alles wel dacht, maar het voor zich zeiven hield. Onder deze aanspraak bleef juffrouw Weller onophoudelijk zuchten en snikken; terwijl Sam. ! overdwars op een stoel zittende, den spreker i mot een onnoozel vriendelijk gezicht aanstaarde. I en tnsschenbeide eens naar zijn vader kei k, die in het begin veel pret had gehad, maar op de helft in slaap was gevallen, ..Bravo! mooi zoo!quot; riep Sam nit, toen de roodneus gedaan had, en zijne oude handschoe nrii weder aantrok, „Ik hoop, dat het u goed zal doen, Samuel!quot; zeide juffrouw Welh r plochtig. „Oat zou ik wel denken, antwoordde Sam. „Ach! als ik maar hopen kon, dat het ook uw vader goed zou doen!quot; zuchtte inffrouw Weller, |
v .*■
SAM IE li PICKWICK.
27*)
|
„Üankje, mijn schut!quot; zi-ide haar echtgenoot. „Zijt gij zelve al wat beter, nu gij dat medi-cijntje \'hebt ingenomen, liefste?quot; „Spotter !quot; riep juflrouw Weller uit. „Duisterling!quot; zeide Stiggins. „Als ik geen beter licht krijg, dan dien maneschijn van u, kameraad!quot; zeide de oude man, „zal ik wel in het donker moeten rijden, totdat ik op stal kom. Maar als Brui n nog langer op stal blijft, staan, zal hij niet te houden zijn, als wij terug rijden, en misschien vliegt dan de leuningstoel uit de kar, met den herder er in.quot; ; Op dit gezegde raapte Stiggins, met blijkbare ontsteltenis, zijn hoed en zijne paraplu op, en ; deed het voorstel, om terstond te vertrokken, hetwelk door juffrouw Weller werd goedgekeurd. Kam ging mede tot bij do poort, en nam teerhartig afsch\'id. „Sampjo!quot; fluisterde de oude Weller, nadat hij voorzichtig had rondgezien : „maak uw heerschap rnijn compliment, en zeg hem, dat, als hij tot andere gedachten komt, hij het mij maar eens moet laten weten, ik heb meteen kabinet werker eene manier uitgedacht, om hem hier alt te krijgen. Een piano, Samuel! — een piano!quot; Met deze woorden gaf hij zijn zoon een stoot voorde borst, en ging tegelijk een paar schreden achteruit. „Wat meent gij?quot; vroeg Sam. „Ken forte piano, Samuel!quot; antwoordde do vader op een nog gehe.irrtzinniger loon, die hij huren kan, en daar nietop gespeeld kan worden.quot; „En waartoe zou dat dienen?quot; vroeg Sam. „Hij moet hem weer laten weghalen, Sampje!quot; was het antwoord. „Vat gij hot nu?quot; „Wel neen!quot; antwoordde Sam. „Er zit u\'eeii werk in,quot; fluisterde zijn vader. „Hij kan er gemakkelijk in liggen, met zijn hoed op en zijne schoenen aan, en door de pooten ademhalen; want deze zijn hol. Hij moet maar zorgen, dat hij terstond naar A meri k a op reis kan gaan. Dt Amerikanen zullen hem niet overgeven, Samuel! als zij maar zien, dat hij geld te verteren heeft. Daar moet uw heerschap maar blijven, totdat juffrouw Bardell dood is, of Dodson on Fogg opgehangen zijn; en het laatste zal waarsrhy nlijk wel heteerstgebeuren. Als hij dan terugkomt, heeft hij maar een boekte schri,jven over de Amerikanen; dat zal zijne reiskosten wel dekken, en meer nog, als hij hen maar genoeg beschimpt.quot; Zeer nadrukkelijk Hui-terend liad deoude man deze haastige schets van zijn ontwerp gegeven, groette toen, als vreesde lui, dat een verder gesprek den indruk van zulk eene gewichtige openbaring zou verzwakken, zijn zoon op koet-siersomnier, en verdween. Sam had zijn gezicht nauwelijks wederineene effen plooi g\' Zei, toen i\'ickwlck hem aansprak. „Sam!quot; zeide hij. .Mijnheer!quot; zeid\' -a.m. |
„Ik ga, eens eene wandeling door de gevangenis doen, en wilde u medenemen. Ik zie daar een gevangene aankomen, dien wij wel kennen, San;!quot; zeide Pickwick glimlachende. „Hij is een oud vriend van u, Sam!quot; m I ««Kif 8 II fv:?;? F-\'-W. ■■ ffiwr \'Sii : „Een oud vriend van mij, mijnheer?quot; riep Sara verwonderd uit. „Gij zult hem zeker nog wel kennen, Sam!quot; hervatte Pickwick, „of anders vergeet gij uwe bekenden spoediger dan ik dacht. Stil, stil! Spreek geen woord, Sam! Daar komt hij.quot; Nauwelijks had hij uitgesproken, of Jingle stond voor hen. Hij zag er niet zoo jammerlijk ; uit als te voren, daar hij een halfsleten rok aanhad, dien hij met behulp van Pickwick uit eene bank van leening had gelost. Hij droeg ook schoon linnengoed, en had zijn haar laten knippen. Hij was echter nog zeer bleek, en toen iiij, op een stok leunende, langzaam kwam aankruipen, was het licht te zien, dat ziekte en gebrek hem veel hadden doen lijden, en dar hij nog zeer zwak was. Hij nam zijn hoed af, 1 toen Pickwick hem groette, en scheen zeer onthutst en verlegen, toen hij Sam Weller zag. Dicht achter hem kwam Jeremias Trotter, wien het, hoe groot de lijst zijner ondeugden i ook wezen mocht, niet aan trouw en gehecht beid voor zijn makker ontbrak. Hij zag er nog vuil en haveloos uit; maar zijn gezicht was toch zoo ingevallen niet, meer, als toen hij Pickwick eenige dagen geleden ontmoette. Toen hij voor onzen menschlievenden ouden vriend zijn hoed afnam, prevelde hij eene verwarde dankbetuiging, waarbij hij Verscheiden malen herhaalde, dat hij van den hongerdood was gered. „Q-oed, goed,quot; zeide Pickwick, hem ongeduldi. in de rede vallende, „Gij kunt met Sam volgen, Ik moet u eens spreken, mijnheer Jingle! Kunt gij gaan, zonder hem vast te houden?quot; „Ja wel, mijnheer!quot; antwoordde Jingle. „Da: ! gaat nogal. ■ Niet te gauw beenen wat zwak hoofd wat duizelig aanlbeviiigachti-■ gewaarwording — zeer lastig.quot; „Hier. geef mij uw arm!quot; zeide Pickwick. „Neen, neen!quot; zeide Jingle. „Al te goed on mogelijk!quot; „Kom, kom! gekheid,quot; hernam Pickwick. „Leun maan op mij. mi,!iihe,*rl Geene comp menten!quot; Daar Pickwick zag, dal Jingle verlegen lt; onthutst was. maakte hij een einde aan zijii aarzeling, door den arm van den ongelukkige komediant in den zijne te nemen, en, zond1 er verder over te spreken, met hem voort tlt; gaan. Al dien tijd had het gezicht van Sam We! Ier zulk eene overstelpende verbazing uitg ! drukt, als men zich nauwelijks kan voorste len. Nadat hij in de diepste stilte zijneoogi , van Jeremias naar Jingle en van Jingle na.-; i Jeremias had laten dwalen, mompelde hij hu zich zelven de wöorden; „Wel wie duivel!quot; |
GEVALLEN, lO
NOG GERED.
|
welke hij ten minste twintig malen herhaalde; 1 daarna scheen het spraakvermogen hem weder : te begeven, en staarde hij weder in stomme ver-; hazing nu den een, dan den ander aan. „Kom, Sam!quot; zeidc Pickwick, omziende. „Ik kom al, mijnheer!quot; antwoordde Sam, i terwijl hij werktuigelijk zijn meester volgde, en nog zijne oogen niet van Jeremias afwend-j de, die stilzwijgend naast hem bleef staan. Jeremias hield zijn oogen eene poos op den -rond geslagen; en Sam, die de zijnen strak op het gezicht van Jeremias hield gevestigd, | ü\' P \'le menschen, die hem tegenkwamen, to-yen het lijf, struikelde over de kleine kindoren, • u stiet zich aan trappen en deuren, zonder dat hij zulks scheen te bemerken, totdat Jeremias li\'-leesd opzag en zeide: „Hoe vaart gij, mijnheer Weller!quot; „Hij is het!quot; riep Sam; en nu zijn vermoe-■ ii in overtuiging was veranderd, sloeg hij met de hand op zijne dij, en gaf zijne aan-■ • ■iiingen lucht door een lang aanhoudend en ■ciiel gefluit. ..Het is wat met mij veranderd, mijnheer!quot; ide Jeremias, „Dat lijkt wel zoo,quot; riep Sam uit, terwijl hij i quot;t onbewimpelde verwondering der lompen ■ii\'houwde, waarmede zijn makker omhangen quot; i*. „Het is een slechte ruil geweest, manheer i ■ ■itt.er! gelijk do man zeide toen hij voor eene \'i1, halve kroon tweo valscbeshillings en pence kopergeld had gekregen. „Dat is wol waar,quot; antwoordde Jeremias, zijn ii\' ld schuddende. „Het is nu ge- u bod rog, inhi er Weller! Tranen,quot; vervolgde hij, met i blik, waarin voor liet oogenblik eenige nerts scheen te liggen, „tranen zijn niet de I nige blijken van droefheid of nood, en ook d- beste niet. „Xeen, zeker niet! antwoordde Ham met n druk. --^Ü kunnen geveinsd wezen, mijnbeer Wel-Ifr!quot; zeide Jeremias. „Dat weet ik,quot; hervatte Sam. „Sommige ii: nschen hebben zo altgd in voorraad, en kun- II u de kraan openzetten, wanneer zij maar willen.quot; • Ja,quot; hernam Jeremias, „maar deze andere Lnu\'en zijn niet zoo gemakkelijk na te maken, quot; nheer Weller! men moet er veel voor lijden, om ze te krijgen.quot; Dit zeggende, wees hij naar z\'\'ii ingevallen wangen, en haalde zijne inouw !T\' om een arm te laten zien, die er uitzag \'i of men hem tusschen de vingers zon kun-breken, zoo dun en hoekig was bet been, \'•;tt slechts met het vol overtrokken scheen te wezen. ■ Wat hebt gij met n zeiven uitgevoerd?quot; zeide Sam ontzet. Aiets,quot; antwoordde Jeremias. ■•Mets?quot; h-rhaalde Sam. |
„Ik heb sedert verscheidene weken volstrekt niets uitgevoerd,quot; zeide Jeremias, ..en bijna even weinig gegeten en gedronken.quot; Sam nam met een enkelen blik een overzicht van Trotter\'s vermagerd gezicht en armzalige \' kleeding; daarna vatte hij hem bij\' den arm, en begon hem mot drift en geweld mede te trekken. „Waai wilt gjj naar toe, mijnheer Weller?quot; zeide Jeremias, vruchteloos worstelende om zich j uit de krachtige vuist van zijn ouden vijand los te maken. „Kom maar mee!\'\' zeide Sam. Hij verwaardigde zich niet oenc: andere verklaring te geven, totdat zij de tapperij bereikten; en toen vroeg bij eene kan porter, die hem oogenblikkelijk werd voortgezet. „Daar!quot; zeide Sam: „drink dat uit, en keer dan de kan ten onderste boven, om mij te laten zien. dat gij de medicijnen hebt ingeno-men.quot; „Maar inijn lieve mijnheer Weller!quot; begon Jeremias. „Drink uit! \' beval Sant op een straffen toon. Op dit bevel zette Jeremias de kan aanzijn j mond, en lichtte die langzamerhand omhoog. Slechts eens haalde hij tusscbenbeide diep adem, maar zonder zijn neus uit de kan te halen, die hij eenige oogenblikken later op armslengte van zich afhield, ten onderste boven. Er liep niets uit dan een weinig schuim, dat langzaam van den rand droppelde. „Knap gedaan!quot; zeide Sam. „Hoe voelt gii u nu?quot; „Beter mijnheer! Voel beter,quot; antwoordde i Jeremias. „Dat moet ook wel, zeide Sam, op den toon : van een geleerde. „Het is even goed, alsof men : gas in een luchtbol laat. Ik kan met het bloote I oog zien, dat gij dikker zijt geworden. Wat zegt gij van nog zoo eentje?quot; „Neen, dankje mijnheer!quot; antwoordde Jere- \' mias. „Liever niet.quot; „Wel! wat zegt gij dan van wat eten?quot; vroeg Sam. „Dank zijquot; uw braven meester,quot; zeide Jeremias, „w;.; hebben kwartier vöór drieën eene achape-bout met aardappelen gehad.quot; „Wat! heeft, hij u eten bezorgd ? vroeg Sam met nadruk. „Ja, autwoórdde Jeremias. En hij\' beeft nog meer gedaan, mijnheer Weller! Toen mijn mees ter ziek was, heeft hij eene kamer voor ons ge luiurd • oerst woonden wij In een hondenhok en toen is hij\' des nachts naar ons komen zien, opdat niemand er van weten zou. Mijnbeer Weller!quot; vervolgde hij, terwijl t hans echte t ranen in zijne oogen stonden, „zulk een meester zou ik kunnen dienen, totdat ik dood voor zijne voeten neerviel.quot; |
SAMUEL PICKWrCK.
■_\'Ts
|
rAls je blieft, vriend!quot; viel Sam hierop in: ■ ,\'/.\\vii\'4 (iaar maar van.quot; Jerenüas zag verbaasd op. „Zwijg daar maar s an, zeg ik 1quot; hernam Sam !, op een vasten toon. ,,Niemand dient hem dan ik alleen, begrijpt | gij? En nu wij daarop gekomen zijn,quot; vervolgde ; hij. terwijl hij het bier betaalde, „zal ik u nog eens een geheim vertellen, Ik heb nooit gehoord, verstaat ge wel, van engelen met spanbroeken en slobkousen, en ook nog nooit op eeno schilderij of prent een engel gezien meteen bril op, | hoewel er toch misschien wel kunnen we/.eil, al j heb ik ze nier gezien; maar let op hetgeen ik zeg. Jeremias Trotter! hij is toch door en door 1 een engel, zoo goed als d1 boste; en laat ik I maar eens iemand vinden, die het durft tegen-I sprekt n!quot; Nadat Sam deze uitdaging met eei:lge nadrukkelijke gebaren had bekrachtigd, begaf hU :lt;ich op wrg om het voorwerp zijner lofspraak te gaan opzoeken. Zij vonden Pickwick op do kielplaats zoo vfi\'diopt in oen ernstig gi-sprek met Jingle, dat hij de groepen, die om hem heen stonden, met geen enkelen blik verwaardigde; en toch waren het bonte groepen, wel waardig dat men er al ware het slechts uit nieuwsgierigheid, eens naar ] keek. „Welnu!quot; zei de Pickwick, toen Sam en zijn makker naderden: „wacht eens af, hoe hel rhet-uwe gezondheid gaat, en denk er intusschen eens over na. Maak de begrooting eens voor mij op, als gij er lust toe hebt; dan zal ik er nader met, u over spreken, (ia nu naar uwe kamer. Gij zijt vermoeid, en niet sterk genoeg, om lang op de been te blijven.quot; Zond\'T den geringsten zweem van zijne vroegere levendigheid, zelts niet. van die akelige, gi\'dwongem vroolijkheid, welke hij had aangenomen toon Pickwick hem het eerst in zijne ellende aantrof. maakte Alfred Jingle stil-zwi,jgond eene diepe buiging, en nadat, hij Jeremias een wenk had gegeven, om hém nog niet te volgen, gin-, hij langzaam heen. .-Een zonderling toonecl is dit hier; nietwaar, Sam?quot; zeide Pickwick, terwijl hij vergenoegd om zich heen zag. ,lgt;it is hot zekf-r, mijnhror!quot; antwoordde : Sam. „Er gebeuren nog mirakelen,quot; vervolgde | hij bij zich Z\'-lvcu. ,Ik heb het al heel verkeerd, als er by dien Jingle geene waterlauders voor den dag kwamen.quot; De j laats, waaropzij zich bevonden, wasjuist ruim geien-g voor eene kaats-of kegelbaan, en wer i gedefdtelijk door den naar den St. Pauls k\'-rk gekeerden gevel der gevangenis ingesloten. In allquot; mogeUjke lioudingen van Instfdoijze verveling zittende of rondslenterende, zag men hier een groot aantal gevangenen bijeen, waarvan de meesten in dgt; - gevangenisd-n dag afwachtten, waarop het hunne beurt, zou zijn, om voor het |
Insolvent-Court te verschijnen, terwijl i anderen reeds voor dat gerechtshof waren ge weest, en voorloopig weder naar de gevangenis waren gezonden, waar zij nu wachtien, totdat i zij hunne zaak in een voordeeliger licht konden j plaatsen. Kenigen waren armoedig, anderen z wie rig gekleed; Velen zagen er morsig, weinigen zindeliik uit; maar allen drentelden en zwierven oi) en neer, met even woinig doel of lust, ais de beesten in eene menagerie. Een aantal menschen lag uit de vensters, dii op deze wandelplaats uitzagen: sommigen hiel den een gesprek met hunne bekenden beneden; j anderen gooiden met ballen, en trachtten d\' hun toegeworpeno op te vangen; nog anderen keken naar het kaatsen en kegelen. Morsig\' havelooze vrouwen liepen heen en weer naar de algemeene keuken in een hoek van depl-aars: in een anderen hoek waren kinderen aan bet spelen, vechten en schreeuwen; het klotsen dei omvallende kegels en het roepen der spelers vi-rmengden zich onophoudelijk met deze i-n honderd andere klanken; alles was vol gedruisch en gewoel, behalye een klein schuurtje aan het einde van de plaat?, waar stil en koud, het lijk : van den kanselarij gevangene, die den vorigen nacht gestorven was, op eene ,zoogenoemd■ lijkschouwing wachtte. „Zendt ge niet eens een tluitwinkel willei; zien, mijnheer?quot; vroeg Jeremias. „Wat meent gij\'.quot;\' vroeg Pickwick op zijie beurt, „Zijn daar misschien vogeltjes te koop V „Wel neen, mijnheer!quot;antwoordde Jeremi-i ■ „Een iluitwinkel is, waar sterke drank te kooi is.quot; Daarop verhaalde hij. dat, dewijl het iedereen op zware straf verboden was om sterken drank in de gevangenis te brengen, en deze waar door de daarin opgeslotene heeren en dames quot;p hoogeu prijs werd gesteld, de oppassers het ceie voordeelige speculatie vonden, oogluikend te-te laten, dat twee of drie gevangenen jenevn verkochten, en de winst met hen deelden. „Deze maatregel is langzamerhand in alleschnldgevan-genissen ingevoerd, mijnheer!quot; zeide Jeremia-J\']n dan komt er dit nog bij, inijnhc^-r!quot; zeid-Sam, „dat de oppassers goed bij de hand zin om iedereen te pakken, die de zonde begaat, behalve hen, van wie zij geld trekken, en ai dat dan in de courant komt, worden zij voo hunne waakzaamheid geprezen. Zoo snijdt hlt; mes aan twee kanten.quot; ...luist zoo, mijnheer Wellnr!quot;zeide Jorerni-i; „Maar worden die kamers nooit doorzoch om te zien of er ook sterke drank verborg\' is?quot; vroeg Piek wiek. ...la wel, mijnheer!quot; antwoordde Sam ; „man do oppassers weten het van te voren, en waai-schuwen do fluiters; als gij dan komt zoekei ■ kunt gij er naar fluiten.quot; Jeremias klopte nu aan eene lage deur, welk\' door een man werd geopend, die, zoodra v- |
LTW BARDELL. 27\'.)
NAAR JUFFIK
|
waren binnengetreden, er den grendel weder opschoof. Hij sprak geen woord, maar zag zijne bezoekers aan meteen veelbeteekenenden grijnslach, die door Jeremias en Sam op dezelfde wijze werd beantwoord. Daarop haalde de\'man oeuc groote platte kruik met jenever van onder zijn bed, en schonk drie glazen in, die door Jeremias en Sara werden geledigd. „Meer?quot; vroeg de fluiter. „Neen,quot; antwoordde Jeremias. Toen Pickwick betaald had, werd de deur wederom geopend, en het drietal stapte naar buiten, tewij! de fluiter Roker, die op dat oogenblik voorbijkwam, met een vriendelijken hoofdknik groette. Van deze plek wandelde Pickwick al de gangen door, aide trappen op en af, en daarna weder-mn do plaats ovor. Het grootste gKleelte van de bevolking der gevangenis scheen tot dezelfde klasse te belmoren als Mivins, Smangle, de dronken dominé, de slachter (ii de paardenkooper. Overal heerschte dezelfde morsigheid, hetzelfde uvwoel engedruisch. Overal scheen men benauwd en gejaagd; en de menschen verdrongen (dkan-d\' r en dwaalden rond, als schimmen in een on-rnstigen droom. ,ik heb genoeg gezk n,quot; zeide Pickwick, toen hij zich in zijne kamer op een stoel wierp. .Mijn hoofd doet mü zeer van al d^tgewemel, 1 mijn hart ook. Voortaan zaljik in mijne kamer, gevangen blijven.quot; En ïiij bleef standvastig bij zijn besluit. Drie maanden lang hield hij zich dengeheelen dagopgesloten, en kwam slechts des avonds laat, wanneer de me -ïte zijner medegevangenen naar bed waren, of in hunne kamers speelden en dronken, voor eene korte poos in de opene lucht. Zijne gezondheid begon onder deze levenswijze merkbaar te lijden; maar ii och door het smeek en van Perker ■ n zijne vrienden, noch door de dikwijls her-haalde- waarschuwingen van Kam Weiier, liet hij zich overhalen om van zijn onwankelbaar besluit af te ga tn. XI, VI. WAAHIN DK HKKUKM DODSON R.N VOiHÏ, DOOR KKN KI.ISK.N EN AAKDIOBN TREK, TEOH I.I.IK Hrx.N\'E KIESCKIIEI.D EX UKBsTKi-H KID AAN DEN\' 1) A\' ■ LEGHEN, Het was in de laatste ,veek der maand Juli, quot;en een huurcabriolet op een tikschen dial\' 0 8 wel I s t ree t kwam binnenrijden. Behalve \'ten voerman waren er drie personen in dit rij-quot;dg bezeten: twee magere dames, die er belden vinnig uitzagen, en een zwaarlijvig hoer, |
! die droomerig en stilzwijgend van aard scheen te zijn, en telkens, wanneer hij het waagde iets | te zeggen, door een der voormelde vinnige dames werd afgesnauwd, liij het inrijden der straat kreeg het drietal verschil óver het huls, waarvoor het rijtuig moest stilhouden. Allen kwamen daarin overeen, dat zulks voor de deur van juffrouw Hardell moest plaats hebben ; maar de zwaarlijvige heer beweerde, dat dit eene groene deur had, terwijl de vinnige dames staande hielden, dat het eene gele deur moest hebben. ..Houd hier stil voordie groene deur, koetsier!quot; zeide de zwaarlijvige heer. ..O, gij dwarsdrijver!quot; riep een van de dames uit. ..Rijd Voort, koetsier, tot voor die gele den r.quot; „Waar moet het wezen?quot; vroeg de voerman, i die zijn paard reeds had opgehouden. „Het is voor mij hetzelfde, als ik het maar weet.quot; „Voor die gele deur,quot; herhaalde de dame. Maar nadat de cabriolet op een vollen draf tot voorliet huis met de gele deur was gereden, en de eene dame zegevierend had aangemerkt, dat. zij meer leven maakten dan iemand die nu t zijn eigen rijtuig kwam, en de voerman afgeklommen was, om de dames er uit te helpen, zag men het ronde hoofd van den jongenheer • Bardell voor den dag komen uit het bovenvenster van een huis met een bruins deur, een weinig verder. „Duivelsche plaaggeest!quot; boet een der vinnige dames den zwaai lijvigvn heer toe. ..Maar, schatje! het is mijne schuld niet,quot; zeide do lieer. „Spreek mij niet tegen, kerel!quot; hernam de dame. „Die bruine deur, voerman! O, als ooit eene vrouw geplaagd is geweest meteen smeerlap van een vent, die voor zijn pleizieroveral haar fatsoen wi _sinijl, dan ben ik het.quot; „Gij moest u schamen. Raddle!quot; zeide de | andere dame, die niemand anders was dan juf ; frouw Gluppins. „Wat heb ik dan gedaan?quot; vroeg Raddie. „Spreek mij niet tegon, ezel!quot; snauwde zijne vrouw. „Ik mocht anders mijnesekte1) eens ; vergeten en u een klap geven.quot; Onder dit gesprek had de voeÉnan hei paard | bij den toom gevat, en leidde het op de allerschandelijkste manier stapvoels naar de deur, die de jongeheer liardell reeds had geopend. /00 sluipend en kruipend moesten zy het huis 1 harer vriendin naderen, in plaats dat zij op een dollen drafkwamen aansnorren,de voerman van zijn bok sprongen daverend aanklopte;, het por- ! tier met een zwaai opende, en de dames even bellt; * I\'d als een eigen koetsier uit In t rijtuig ■ hielp. De staatsie was gëheel mislukt; zoo te i rijden was uog gemeener dan te voei teuaan. i I 1 Zij bedoelt kolesc. I; |
280 SAMUEL 1
ICK W7.CK.
|
„Wel, Tommy!quot; zoklo juffrouw Clupplns, „hoe vaart uwe lieve moeder?quot; „Heel wel,quot; antwoordde de jongeheer. „Zij zit in do voorkamer Zij i.s al klaar, en ik ben ook klaar; ei!quot; „(laat er nog Iemand anders mede, Tommy ?quot; vroeg julVrouw Oluppins. „Juffrouw Sanders en juffrouw Hosiers gaan allebei mede,quot; was het antwoord; „en ik ga ook mede, ei!quot; „ Die akelige jongen!quot; zeidejuffrouw Cluppins. „Hij denkt altijd alleen om zich zeiven; juf-i ifrouw Rogers!quot; vervolgde zij. „Is dat de juf-| fiMttw, die de kamers heeft gehuurd?quot; De jongeheer Bardell stak de handen in zijne zakken, en knikte juist vijftienmaal,om j te beduiden, dar het die juffrouw eh niemand I anders was. J „Lieve hemel!quot; riep juffrouw cluppins uit: „dat is oen \'heel gezelschap!quot; „Als gij eens wist wat er in de kast staat, zoudf gij wel wat anders zeggen,quot; zeide de jongeheer „Wat staat er dan in. lieve jongen?quot; zeide juffrouw \' luppins fleemend. „Zeghel mij maar stilletji s; Tommy!quot; „Neen, dat zeg ik je niet,quot; antwoordde de jongeheer, terwijl hij zich omkeerde, en zijn geliefkoosd vermaak, om over het hek van do stoep te voltigeeren, bij de hand nam. „Welk een brutale kwajongen!quot; prevelde juffrouw Oluppins bij zich zelve. „Kom, Tommy! zeg het tante Cluppins maar eens!quot; „Moeder zeide, dat ik niet mocht.quot;antwoordde, de jongeheer; „maar ik krijg er óók van.quot; Bemoedigd en vervroolijkt door dit vooruitzicht, zette hij zijne lichaamsoefening met nieuwen lust voort. Terwijl dit Verhoor plaats had, waren Haddlo en zijne wederhelft met den voerman in geschil gekomen over de vracht. De voi rman hield echter zijne streng zoo goed vast, dat juffrouw Haddie genoodzaakt was hem zijn zin te go ven, waarna zy met wankelende schreden de stoep opkwam. „Hoere, Marianne! wat is er gebeurd?quot; zeide juffrouw Cluppins. „Ik ben er zoo van ontsteld, Betsy!quot; antwoordde juffrouw Haddlo, „en Haddie blijft er hij slaan als eon kwajongen, hij bemoeit zich niet niets.quot; Deze klacht was niet zeer billijk; want toen Raddie zich in den twist, had willen mengen, had züne goede vrouw hem op zij gesfooten en toetresiKuiWd, dat hij zijn mond moest houden. HU had echter geene gelegenheid om zich te verdedigen; want juffrouw Haddlo vertoonde blijkbare voorteekenen lt; ener flauwte, hetgeen ti rstond in de voorkamer werd bespeurd, en juffrouw Bardell met d\'* juffrouwen Sander en Hogers, benevens het dienstmeisje der laatste. |
naar buiten deed snellen, om haar in huis te 1 halen. Dit. deed zij onder een algemeen beklag en gejammer, alsof hare vriendin een vree-selijk ongeluk overkomen was. In de voorkamer werd juffrouw Raddie op de sofa nedergezet, i\'ti juffrouw Hogers liep terstond naar hare kamers om een rouktleschje met sal volatile fe halen, hetwelk zij vervolgens uit zuivere goedhartigheid en medelijden de lijde-res zoo dicht onder den neus hing, dat deze met den uitersten spoed verklaarde, dat zij we der geheel boter was. „Ach. lieve vriendin! wat moet gij geschrikt zijn!quot; zeide juffrouw Hogers. Dit was het toeken voor al do dames om een nieuw beklag aan te heffen; zelfs hot dienstmeisje van jut- | frouw Hogers, dat dertien jaar oud en drie voet lang was, stemde mede in den jammerkreet, j „Maar wat ia er toch gebeurd?quot; vroeg juffrouw Bardell. „Ik werd op eens zoo overrompeld,quot; ant- 5 woordde juffrouw Haddie op een verwijtenden toon. De dames zagen Haddie met verontwaardiging aan. „Hef geval was eigenlijk zoo.quot; zeide die on- • gelukkige heer, f rwijl hij een weinig naderbij trad. „Toen wij betalen wilden, kregen wij ver schil met den voerman van de cabrio....quot; Ken luide gil, dien zijne vrouw gaf, zoodra zij dit ^ woord hoorde, stopte hem den mond. .(lij moest het maar aan ons overlaten om haar tot bedaren te brengen Haddlo!quot; zeide juffrouw Cluppins. Zoolang gij hier blijft, zal zij niet beter worden.quot; Al do dames waren van hetzelfde gevoelen;! en derhalve word Haddlo do deur uitgeduwd, met de aanmaning om op de plaa ts een luchtje te scheppen. Hij had daar omtrent een kwartier op en neer gewandeld, toen juffrouw Bardell hom mot een zeer benauwd gezicht kwam Zeggen, dat hij nu wol kon binnen komen, maar dat hij toch vooral voorzichtig moest zijn met zijne vrouw. Zij wist wel, dat hij het zoo kwaad niet meende; maar Marianne was lang niet van de sterkste, en ais hij niet voorzichtig was, kon hij haar wel eens verliezen, als hij het in het geheel niet verwachtte, en dat zot; naderhand eene ij-elijke gedachte voor hem wezen, enz. enz. enz. Raddie hoorde dit alles met het, grootste geduld aan, en toen hij de voorkamer weder binnentrad, was hij zoo zacht als een lam. „Wel, Haddlo!quot; zeide juffrouw Bardell, nadal de dames eene poos over onverschillige zaken hadden gepraat: „gü moogt er wol trotsch op zijn, dat gij en Tommy de oenige hoeren zijt. om zoovele dames heel naar de Spanjaard te 1 lam 11st ead te brengen. Mag hij niet, juffrouw Rogers?quot; Wel zeker,quot; antwoordde deze met een deftig glimlachje: want da,ar zij de kamers had gehuurd, en do oenige dame van lief gezelschap was, die |
OXHEDREVHXllKfD VAN MUXIIEKK H.ADJJJJ-:,
281
|
eene meid hield, werd /ij als de aauzieniykste van allen beschouwd, en bewaarde ook haar fatsoen. „ Welzeker!quot; herhaalden de twee andere dames. „Ik ben er ook trotsch op, juffrouw!quot; zeide Haddie, die weder een weinig scheen op te lui ken. „Om de waarheid te zeggen, toen wij in de cabr....quot; |
I^ij de herhaling van dit woord, hetwelk Zoovele pijnlijke herinneringen opwekte, hield juffrouw Haddie haarzakdoek voor hare oogen, en gaf een half gesmoorden gil. Juffrouw Bardell oni te vertellen hoe zij hem over de kast, waaruit al die heerlijkheid te voorschijn was gekomen, had willen uitvragen; maar gelukkig stuitte hij zich zeiven door zich aan eene teug wijn te ver slikken, en zoo dreef dat gevaar over. Daarop wandelde het gezelschap naar de plaats, waar de diligence van Hampstead afrijdten na verloop van een paar uren trad men den theetuin de K pan j aard binnen, waar li et eerste bedrijf van den ongelukkigen Haddie bijna de oorzaak was, dat zijne arme vrouw het weder op de zenuwen kreeg. Zijn vergrijp bestond |
|
wierp daarop Raddie een tuornigen blik toe, I orn hem te beduiden, dat hij beter deed te i zwijgen, en gaf vervolgens de meid van juf- i trouw Rogers een wenk. Dit was het teeken om de geheime schatten van de kast ten toon te spreiden, die uit een schoteltje mot siuaas- ] appelen, een ander met beschuitjes en een tlesch ; allerslechtsten portwijn bestonden, hetwelk alles ter eere van juffrouw Rogers was aangeschaft, en door allen met het grootste genoegen werd -ébruikt. Juffrouw Cluppins werd geweldig in net nauw gejaagd door oene poging van Tommv. |
daarin, dat hij voor zeven personen thee bestelde, terwijl (gelijk al de dames aamnerkteni voor zes personen voldoende zou zijngeweèst, daar Tommy immers zeer goed uit moeders kopje had kunnen drinken, als de knecht er niet oplette, en de thee toch oven goed zou zijn geweest, rir was echter nu niets moer aan t»1 doen; en het theeblad kwam, met zeven kopjes en schoteltjes, en brood en boter naar evenredigheid. Het theedrinken bracht de dames echter in eene betere luim. en weldra waren zij druk aan het praten. „Wat is liet leven op het land t\'ch genoeglijk !quot; |
SAMUEL PICKWICK.
282
|
zuchtte jutlVouw Rogers. „Ik wou dat ik er al- j tijd wonen kon.quot; „o, dat zon u niet bevallen, Juffrouw 1quot; zeide juffrouw Baivleil meteenit;e overhaasting; want, uit hoofde van hare kamers, achtte zU het niet I raadzaam zulke denkbeelden aan te moedigen. „Ik zou denken, dat Lrij veel te veel aan de gezelligheid gewoon zijt, om nu\'t het stille land-i leven tevreden te kunnen zijn, juffrouw!quot; zeide j juffrouw Ciuppins. .Voor mensi hen, die niemand in de wereld hebben, of die om het e*n of ander ongeluk I treuren, is het land zeer goed,quot; merkte Raddle aan, die weder ren weinig opgeruimder begon rond te zien. «Een gewond harl, zegt men, vindt rust op het land.quot; Al had de ongelukkige er een half uur over nagedacht, om het eens zeer erg te maken, hij ! : had niets voor den da? kunnen brengen, dat erger was. Juffrouw Bardell, die door dit ge zfgde aan hare teleurgestelde huwelgksuitzich-: ten werd herinnerd, barste in tranen uit, en ter-\' stond daarop begon haar teerhartiu-zoontje mot j een harden strot te aecompagneeren, „Zou icaiaad kumv n gelooven. juffrouw!quot; I riep Juffrouw Raddle uit, „dat i quot;ii man zoo ! brutaal kan wezen, om «•••ne ongelukkige vrouw zoo in haar eer te tasti-n, als hij doet?quot; „Maar beste!quot; zeide Haddle onthutst, „ik dacht | niet....quot; „(lij dacht, niet?quot; hehaalde zijne vrouw met de diepst\'- verachting. „Oa uit mijne pogen, ; kerel!quot; „Maak u toe li niet driftig, Marianne!quot; viel juffrouw Ciuppins hierop in. „Denk om uwe ge/ondheid 1 Ga toch wat op zij. Riddle! u\'ij hiieler! haar maar,quot; „Me: b.-sle zou zijn, dat gij ons all- • n Het the- drinken, rn Jnii.-\'-r!quot; zeid\'• jnffrouw Rogers, terwijl zij w(\'d( i\'niet haar réuklleschje voor den ! dag kwam. Juffrouw Sanders, die volgens hare gewoonte, druk niet de^ boterhammen bezig was, zeido het zelfde; en de ongelukkige Raddie, dmop stil a f. liet sprak vanzelf, dat do Jongeheer Bardell nu door zij ia moe !\' !- aan haar hart moest worden gedrukt; doch daar hij voor zulk eenc aaidigheid al wat te groot was, raakte hi,j met zijne laarzen jp het tie eblad, on schopte eenige kopjes omver. G\'lïikkig werd Jutlrouw Bardell spoedig weder beter; en toen zij haar ze ntje «enige loalen had gekust, zette zij hem weder te er. zeide, dat zij niet. wi t hoe zij zoo dwaas kon wezen, en schonk nog e n kopje thee in. Op dit o\'iixenblik hoorde men eon rijtidg aankomen; on toen de dames opkeken, zagen zij e-ene huurkoets, de voor den ingang van den tuin stilhield, „N\'og meer gezelschap,quot; zeide juffrouw Sanders. „Het is e. ti heer,quot; zeide jnttiouw Raddie, |
„Heden, het is mijnheer Jackson, de klerk van Dodson en Fogg!quot; riep juffrouw Bardell uit. „Lieve Hemel! zou mijnheer Pickwick betaald hebben?quot; „Of willen trouwen ?quot; zeide juffrouw Ciuppins, ,, Heere, wat talmt hij!quot; zeide juffrouw Rogers, | „Waarom haast, hij zich niet wat?quot; Nauwelijks had zij dit gezegd, of Jackson. • die een oogenblik had staan praten met een man, : vrij armoedig in de kb-eren en met: een dikken stok in de hand, die insgelijks uit hot rijtuig | was gekomen, keerde zich om en naderde het gezelschap. „Hebt gij wat nieuws! Is er iets voorgeval- ! len, mijnheer Jackson?quot; vroeg Juffrouw Bardell met do grootste nieuwsgierigheid. „Niets, dat ik weet, juffrouw!quot; antwoordde Jackson, „Hoe varen do dames? Ikmoetuom verschooning vragen, dat ik, u hier kom storen; maar proceszakon, dames! proceszaken...quot; Hij besloot met een glimlach en eene zeer zwierig© buiging. Juffrouw Raddie fluisterde juffrouw Rogers toe, dat hij een zeer elegant jong heer was. „Ik ben in Goswel 1-stroet geweest,quot; her vatte Jackson; „en toen ik van do meld hoorde, dat gij hier waart, heb ik eene koets gonó-men om u op te zoeken. Mijn patroons zeiden, dat ik n noodzakelijk terstond moest medebrengen, Juffrouw Bardell!quot; „Heere!quot; was do uitroep van juffrouw Bardell bij deze onverwachte boodschap. „Ja,quot; zeide Jackson, en beet op zijne lip, „Het moet om iets van veel belang wezen, dat geen oogenblik uitstel kan lijden: ten minstezoozeide Dodson en Fogg allebei. Ik heb de koets laten wachten om er u in mede te nemen,quot; „Hoe zonderling!quot; riep Juffrouw Bardell uit, „Hare vriendinnen zeiden allen tegelijk,dat liet. 1 och iets van zeer veej belang moest wezen, dewijl Dodson en \'Fogg anders niet, zoo haastig iemand zouden zenden; en verder begrepen zij, dat, daar de zaak zooveel speed vereiSÊhte, het 1» ste zou zijn terstond mede te rijden. Juffrouw Bardell gevoelde hare IJdelheid niet weinig gestreeld, dat. hare soilicitenrs haarinot zulk ei no geweldige haast moesten spreken, en begreep, dat dit voorval haar aanzien in de oogen van juffrouw Rogers niet weinig moest verhoog» -1. Kerst glimlachte zij; daarop veinsde zi j over deze stoornis zeer on vergenoegd te wezen; en eindelijk zeide zij, da\'zij dan maar zou me-iegaan. „Maar wilt gij niet eerst iet sge brui ken, mijn heer Jackson?quot; ze-ide juffrouw Bardell vriendelijk. „Wij hebben zoo weinig tijd,quot; antwoordde Jackson, „en daar staat een vriend op mij te wachten,quot; vervolgde hij, met een blik naar den man met zijn dikken stok. „O! vraag uw vriend om hier bij ons te komen!quot; zeide Juffrouw Bardell. ,,Dankje, liever niet,quot; antwoordde Jackson |
BUJTEN VERWACHTINCi.
^S3
|
met eenige verlegenheid. „Hij is niet gewoon aan het gezelschap van dames, en dat maakt hem wat bedeesd. Het beste zon zijn, dat wij maar terstond wegreden.quot; Daarbij werd nog afgesproken, dat Tommy, benevens de juffrouwen Sanders en (Jluppins, met juffrouw Bai\'dell zouden mederijden, terwijl Raddie juflrouw Rogers naar huis zou brengen; daarna stapte men terstond in het rijtuig. „tsaak!quot; zeide Jackson tegen den man met den dikken stok, die op den bok zijne sigaar zat te rookon, toen juffrouw Bardell in de koets wilde stappen. ..Wat is er?quot; „Dit is juffrouw Bardoll.quot; O! dat heb ik al zoolang geweten,quot; zeide de man. Juffrouw Bardell nam daarop plaats, en Jack sou zette zich naast haar. Juffrouw Bardell kon niet nalaten te peinzen over hetgeen de vriend van Jackson gezegd ha I. „Wat weten die reelus-geleerden en hunne klerken toch alles! Ik ge loof, dat zij alle menschen kennen.quot; „Het is een leeUik geval met die kosten van mijne patroons, niet waar?quot; zeide Jackson, toen de juffrouwen Sanders en Cluppins iti slaap wa-ivn gevallen. „Uwe kosU-nivk^ning meen ik.quot; „liet spijt mij wel, dat zij hun geld niet kunnen krijgen,quot; antwoordde jtilfrouw Bardell. „Maar als zij die dingen op speculatie ondernemen, kan het niet anders, of /.ij moeten nu en dan een verlies lijden.quot; „Ik lieb gehoord, dat gij hun na het proces • •I-u cognovit i) voor hel bedrag der kos \'ii hebt gegeven;quot; hernam Jackson. „Ja dat was maar eeno formaliteit,\'\' ani -i woordde juffrouw Bardell. „Xatuurlijk,quot; zeide Jackson droogjes. . Xh-ts ; anders dan eene formaliteit.quot; Zij reden verder. Juffrouw Uardell yH in slaap, en ontwaakte niet voordat de koets stilstond. „Zijn wij daar al bij Fro em an s 1\' o u r l.Vquot; vroeg zij. „Wij rijden niet zoo ver,quot;antwoordde Jackson. „Wees zoo goed om hier maar uit tu stappen.quot; juffrouw Bardell, nog niet geheel wakk\' r, voldeed aan dit vorzook. Hot huis, waarvoor zij stond, zag «-r zonderling uit. lOen hooge blinde muur, met eene deur in het. midden, en in het ! portaal eene gaslantaarn. „Komt, dames!quot; riep de man met den dikken stuk,terwijl hy juffrouwSanderswakkerschudde. : „Wij zijn er.quot; Juflrouw Sanders wekte hare vriendin, en stapte uit het rijtuig. Juffrouw Bardell waa op Jackson\'s arm leunend \' en md Tommy aan de hand, het portaal reeds ingetreden. Zij volgden. Het vertrek, dat zij binnentraden, had een 1; Ken gcsihrift, waarbij men liet rt\'c.litnuititf\'! eener Mimlilvordering enz. erkent. |
neg ongewoner voorkomen dan het portaal. Kr stonden zooveel mannen, en die keken haar allen zoo brutaal aan. „Waar zijn wij hier?quot; vroeg juffrouw Bardell, stilstaande. „Het is maar een kantoor, juffrouw!quot; antwoordde Jackson, terwijl hij tiaar haastig door eene deur leidde, en omkeek, om te zien of de andere vrouwen volgden. „Pas op, Isailk!quot; „Wees maar gerust,quot; antwoordde de man met den dikken stok. De deur viel achter hen dicht, en zij gingen eenige trappen af. „Daar zijn wij er eindelijk, zonder slag of stoot, juffrouw Bardellquot; z.\'-lde Jackson, terwijl hij zegepralend om zich heen zag. „Wat meent gij?quot; vroeg juffrouw Bardell met een angstig kloppend hart. „Ik zal liet u zeggen,quot; antwoordde Jackson, haar een weinig op zijde trekkende. „Gij moet maar niet schrikken, juffrouw Hardi 11! de heeiva Dodsoh en Fogg zijn, zooals gij weet, do kiesch held en mi-nschlievi ndheid zeiven. Als lieden van zaken konden zij niet nalaten u voor die kosten tc laten executeuren; maar zij wilden toch uw fatsoen en gevoel zooveel mogelijk omzien. Wat moet gij blijde wezen, dat zij de zaak-zoo fijn overlegd hebben! Clij zijt indoFleet, juffrouw! Ik wensch u goedonnacht!quot; Terwijl Jackson zich met zijn makker zoo spoedig mogelijk verwijderde, trad een ander man toe, die een grooten sleutel in zijne hand had, en bracht de verschrikte vrouwen naar een and*Te steenen trap, die naar eene deur leidde. Juffrouw Bardell gaf een ijselijkon gil. Tommy sc.lireeuwde luidkeels, juffrouw (jluppins kromp in elkander, en juffrouw Sanders liep weg; want daar, vlak voor hen, stond de beleedigde Piek wiek, die zijn avondluchtje ging scheppen, en naast hem Sam Weller, die, toen hij juffrouw Bardell znu\', me\' spuitende eerbiedighoid zijn hoed afruim, terwijl Pickwick haar met ve: orit^ waardiging den rug toekeerde. „Plaag die vrouw niet!quot; riep de oppas-er Öam toi!. „Zij is laar pas ingekomen.quot; „Gevangen?quot; vroeg Sant, terwijl hij zijn holt; i weder op/.ette. „Wie heeft haar laten pakken, en waarvoor? zeg kameraad!quot; „Dodsett en l-\'ogg.quot; antwoordde de oppas^ei ; „eene exr-cubie op een cognovit voor proces kosten.quot; „Hier! Jeromias, Jeretnias!quot; riep Sam, de gang instuivende, „Loop gauw naar mynheer Porker. Zeg, dat ik hem laat roepen. Ik geloof, dat dit wat goeds zal geven. Dat is een pni je. Hei! Waar is mijn heer.-chap gebleven?quot; Mnar niemand gal\' antwoord op deze vraag; want Jeretnias was, zoodra hij zijne boodschap had gehocird, in allerijl heengevlogen, \'it juf frouw Bardell was in goeden ernst in zwijm gevallen. |
SAMI\'KL PICKWIiMC.
|
XLVII, HOClKDZ A K KL 1.1K TOKfiKWIJI) AA.N PUOCESZAKEN, DIK TEN VOOHDEEI.B VAN DODSOX K.N* KOOG A KLOOrHN. WINKI.K KOMT ONDER Itl.f-ZONDKRE OMSTANDIOICEDEN /. 11N VKIKND hkxoekkn; KN* HET MI.MKT, DAT PICK-wick\'s menschuevendhejd stkrker IS DAN ZIJNE IIA RON EKKIOII EI Igt;. Zoo hard hi.i loopun kon, remle Jeromias Trot-tor Ho I b or ii langs - nu midden op straat, dan over li\' r voetpad, somtijds, wanneer de volte, of rijtuigen hem belemmerden, in de goot en stond niet stil, voordat hij de poort van (J ray\'s Inn bereikte. Doch, hoezeer hij zich ook gehaast had, was de poort reeds een half ; uur gesloten; en toen hij Perker\'sschoonmaak- : ster had opgezocht, die in eene achterstraat niet ver van n rays\'Inn, l)i.i eene getrouwde ; dorhter in huis woonde, was het nog slechts een kwartier vóór den tijd, waarop de gevangenis voor don nacht gesloten zou worden. Toen moest h\'f.vten nog worden opgespoord; on nauwe 1 lijks had Jeremias dezen in de Kkster gevonden en hem de boodsi hap van Sam overge : bracht, of do klok sloeg tien uur. „ I laar!quot; zeide Low ten; .nu is het te laat. ■ Oij kunt van avond niet meer binnenkomen, ; vriend! Gij zult van nacht op straat mogen : blijven,quot; „Ik kan overal slapen,quot; zekleJercmia». „Maar zou in\'t toch niet best wezen, (lat wij van avond nog naar mijnheer I\'erker gingen, om morgen zoo vroeg mogeUjk klaar te zijn?quot; , Als het iemand anders hetrpf,quot; hernam Low ten, nadat hij zich eene poos had bedacht, „zat liet Perker niet best bevallen, dat ik bij hem a-m huis kwam; maar nu het om mijn heer Pickwick te doen is, kan ik, dunkt mij, Vquot;igt;r ivkening van het kantoor wel eene cabriolet nemen,quot; Z odra Lowten dit besluit had genomen, zotte hij zl.in hoed op, en nadat hij het verza melde gezelschap had verzocht om gedurende zijne ifwezigheid «••.■n vice president, te benoemen. ging hij naar het rnastbygelegene vvagen-vt-.-r, riep om eene cabriolet, en belastte- den voerman om naar Montague Place, Hussel-Square, te rijden. 1\' rkerhad juis\'een g. zeischap ten oten, gelijk bl-ek uit het licht in de voorkamer, den klank • ener piano, en do •sterke eten-lucht in het portaal en de gang Mij larzelde echter niet, om het gezelschap te verlaten, toen men hem kwam zeggen, dat zijn klerk hem verlangde te spreken, en begaf zich naar de eetzaal, waarbij Lowten en Trotter vond slaan, ten halve zichtbaar bij het tlauvve licht eener dunne kaars welke zijn hulsknecht, die een halve livrei droeg |
en don klerk geen beter licht waardig keurde, of) de tafel had gezet. ..Wat is er gebeurd, Lowten?quot; vroeg Perker. „Is er een brief van belang gekomen?quot; „Neen, mijnheer!quot; antwoorddeLoMen; „maar hier is iemand mot eene boodschap van mijnheer Pickwick,quot; „Van Pickwick!quot; riep Perker uit, terwijl i hij zich driftig tot Jeremias keerde. „Wat is | er?quot; „Dodson en Pogg hebben juiTrouw Bardell voor hare proceskosten laten gijzolen, mijnheer!quot; antwoordde Jeremias, „Is het mogelijk!quot; riep Perker vol verbazing uit, „Zooals ik u zeg,quot; hernam Jeremias, „Het schijnt, dat zij haar, zoodra hot proces was uitgewezen, een cognovit hebben laten teekenen.quot; „Wel drommels!quot; riep Perker uit, terwijl hij met zijne linkervuist in zijne rechterhand sloeg. „Die Dodson en Fogg zijn de doorslependst.o guiten, met wie ik ooit heb te doen gehad.quot; „Zij zijn de slimste procureurs, die ik ooit gekend heb, mijnheer!quot; merkte Lowten aan. „slim?quot; zeide Perker. „Dat geloof ik. Zy zijn nooit te vangen. „Dat is waar, mijnheer! nooit!quot; zeido Low- i ton; en daarop stonden meester en knecht eene \' poos vol verrukking te peinzen, alsof zij nadach- \' ten over een der schoonste en heerlijkste uit- | vindingen, die het menschelijk verstand ooit gedaan hoeft. Toen zij oen weinig van hunne verrukking bekomen waren, volvoerde Jeremias \\ het overige van zijn last, Perker knikte naden- I kend met zijn hoofd, en haalde zijn horloge voor | den dag. Ik zal precies ten tien ure daar zijn,quot; zeide hij. „Sun heeft gelijk; zeg hem dat. Wilt gjj i een glas wijn, Lowten?quot; „Ik dank u, mijnheer!quot; ..(lij meent ja, geloof ik,quot; zeide Perker, terwijl hij zich omkeerde en van de zijtafel eene tl\' sch en een paar glazen kreeg. Daar Lowten inderdaad j a gemeend had, sprak { hij niet verder tegen, maar vroeg Jeremias, I zeer hoorbaar fluisterend, of hij niet vond, dat het portret van mijnheer Perker, hetwelk tegenover den schoorsteen hing, bijzonder gelijkend was, waarop Jeremias natuurlijk volmondig „jaquot; zeide, Vervolgens dronk Lowten op de gezond held vad mevrouw Perker en de kinderen, en Jeremias op de gezondheid van Perker zei ven. De\' knecht scheen het beneden zich te achten, j lieden, die om kantoorzaken gekomen waren, uit te laten en zij lieten derhalve zich zeiven uit. De procureur begaf zich weder naar zijne j vo\'quot; kamer, de klerk naar de herberg, enJere- I nüas naar Go ve n t-G ar de n M a ric e t, om den naeht onder een groentenrmind door te \' brengen. |
DH BESCHERMER DEI\' WKIM WE,
|
Den volgenden morgen, juist op liet bepaalde uur, klopte de kleine, goedhartige procureur aan Pickwick\'s deur, die met bijzondere vlugheid door Sam geopend werd. „Mijnheer Perker, inijuheerlquot; zeide Sam tot zijn meester, die in eene peinzende houding bij het venster zat. „Ik ben blij, dat gij zoo terloops eens aankomt, mijnheer! Ik geloof haast, dat mijn heerschap een woordje of anderhalf met u te spreken heeft.quot; Perker antwoordde 8am met een blik, waarmede hij te kennen gaf, dat liii wel begreep, niet te moeten zeggen, dat men hem had laten halen; daarop gaf hij Sam een wenk om naderbij te komen, en lluisterde hem iets in het oor. „Zoudt gij dat denken, mijnheer\'?\'zeide Sam, verbaasd terugdeinzende. Perker knikte en glimlachte. Sam zag eerst den kleinen rechtsgeleerde aan, | keek toen naar zijn meester, daarna naar den zolder, en weder naar Perker; vervolgens glim-| lachte hy, begon hardop te lachen,greepzijn hoed, 1 die op den vloei\' lag, en liep, zonder een woord te : spreken, de deur uit. „Wat beteekent dat, mijnheer?quot; vroeg Piek- ■ wiek, terwijl hij Perker mot verbazing aanzag. 1 ,,Hoe komt Sam zoo verwonderlijk?quot; „Och, het is niets,quot; antwoordde Perker. „Kom, mynheer! schuif uw stoel naar do tafel. Ik heb u vee! te zeggen.quot; „Wat zijn dat voor papieren? vroeg Piek-: wiek, toen Perker een met rood lint toegebonden pakje op de tafel legde. „De papieren in de zaak vati Bardell con tra Pickwick,quot; antwoordde Perker, terwijl hij met zijn tanden den knoop losmaakte. Pickwick schoof zijn stoel terug, wierp zich achterover in de leuning, vouwde zi,ine handen, en zag zijn rechtsgeleerden vriend barscli aan ten minste, zoover het hom mogelijk was een ■ barsch gezicht te zetten. „Gy hoort do zaak niet gaarne noemen,quot; zeide Perker, nog bezig met den knoop. „Neen, toch niet,quot; antwoordde Pickwick. „Dat spijt mij, hernam Perker; „want het | zal het onderwerp van ons gesprek moeten zijn.quot; ..Ik wilde liever nooit meer van do zaak hop-run, Perker!quot; zeide Pickwick haastig. „Gekheid, gekheid, mijnheer!quot; zeide Perker | het pakje losmakende, terwijl hij Pickwick tersluiks, .maar oplettend aanzag. „Ik moet. er | over spreken. Ilc ben met opzet daartoe hier gekomen. Zijt gij bereid, om te hoeren, wat ik te zeggen heb? Er is geeno haast bij. Als het u op het oogenblik niet. gelegen komt, kan ik i wel wat wachten. Ik heb de courant medege I bracht. Ik ben tot uw dienst, wanneer gU verkiest. Daarmede sloeg de kleino rechtsgeleerde zijne beenen over elkander, en deed alsof hij ; met bedaardheid en ijver wilde gaan lezen. |
„Kom!quot; zeide Pickwick met een zucht maar tegelyk met een glimlach: ,zeg maar, wat gij te zeggen hebt. Het zal wel weer het oude liedje zijn.quot; „Met eenig verschil, mijnheer! met eenig verschil,quot; zeide Perker, terwijl hij bedaard de cou-| rant opvouwde en weder in zijn zak stak. „Juf-i frouw Bardell, de eischeres in dit proces, is | binnen deze muren, mijnheer!quot; „Dat weot ik,quot; zeide Pickwick. „Goed,quot; hernam Perker. „Eu gij zult dan ook i wel weten, hoe zij hier komt ilc meen om | welke redenen, en wie haar hier hebben laten | brengen?quot; „Ja wel. Ik weet ten minste, wat Sam mij 1 daarvan verteld heeft,quot; zeide Pickwick, met ge-| veinsde onverschilligheid. „ik geloof, dat hetgeen Sam u verteld heeft, de waarheid is,quot; hernam Perker. „En nu, mijn-j heer! is de eerste vraag, die ik u doen moet, i of die vrouw hier moet blijven?quot; „Hier moet blijven?quot; herhaalde Pickwick. „Hier moet blijven,quot; zeide Perker nog eens, | terwijl hij zijn cliënt strak in het gezicht zag. „Hoe kunt gij dat aan mij vragen?quot; hernam Pickwick. „Dat hangt at van Dodson en Fogg; 1 dat weet gij wel.quot; ..Daar weot ik niets van, mijnheer!quot; hervatte : Perker op een vasten toon. ..Dat hangt niet , van Dodson en Fogg af. (gt;ij kent die menschen : zoo goed als ik. mijnheer! Het hanut: geheel en alleen van u af.quot; „Van mij?quot; riep Piek wiek uit, terwijl hij met ; zekeren ouwillekeurigen schrik van zijn stoel I opsprong, maar zich terstond weder nederzette. Perker tikte een paar malen op zijne snuifdoos, opende die, nam een Hkschen greep, drukte het deksel weder toe, eu herhaalde de woorden: „Van u!quot; „Ik zeg,quot; hervatte de kleine rechtsgeleerde, i wiens moed door het snuifje scheen te zijn a in j gewakkerd, „ik zeg, dat het geheel en alleen van u afhangt, of zij spoedig weder in vrijheid zal worden gesteld, of haar levoö lang hi\' i gevangen zal blijven, Kaat mij uitspreken, mijn heer, als het u belieft; en blijf bedaard zitten; anders zult gij u zeiyen maar in het zweet ; werken, zonder dat het iets helpt. Ik zeg,quot; | vervolgde hij, do twee verschillende punten op • zijne vingers optellende, ,.ik zeg, dat niemand, j dan gij alleen, haar uit dit kerkerhol kan vellessen, en dat gij zulks op geene andere manier kunt doen, dan door die geldwolven van Free : mans Court de wederzUdsche proceskosten te betalen. Houd u bedaard, mijnheer!quot; Pickwick, wiens gelaat onder deze aanspraak de vreemdste veranderingen had ondergaan, en die op het puntsclioen\'te zyu om in gramsrhap uit te barsten, bedwong zijn ongenoegen zoo goed hij kon; en Perker zotte, nadat hij zijne overredingskracht door een tweede smiiljehad |
SAMl\'KL PICKWIi \'K.
iWi)
|
opgescherpt, op de volgende wijze zijne rede l voort; „Ik heb juffrouw Bardell van iilorgen gi spro ken. Wanneer gy de kosten betaalt, kunt gij geheel vrijkomen van hot betalen der schadeloos- i stelling; en bovendien - en ik weet, dat dit in uwe o )gen van veel meer belang is — ei-ne vrijwillige bekentenis krijgen van hare hand. in den vorm van een brief aan mij, dat Dodson en Fogg haar op de gedachte hebben gebracht, om dit proces te beginnen, en haar daartoe hebben aangemoedigd en opgestookt; dat het haar zeer veel leed doet, zich als een werktuig te hebben laten gebruiken om u verdriet en schade te berokkenen, en dat /ij mij verzoekt om bij ii voor haar té spreken en om vergiffenis te verzoeken . .quot; „Indien ik de kosten voor haar betaal,quot; zeide 1 Pickwick met verontwaardiging. „Waarlijk, een zeer kostbaar document!*\' „Er wordt- van ggt;cu indien gesproken, mijnheer:quot; zeide Perker zegepralend. „Hier is de brief, waarvan ik spreek. Van morgen ten negen ure is die dooi\' eenlt;\' vrouw aan mijn kantoor gebracht, voordat, ik, ik verklaar dit op miine eer, de minste onderhandeling met juffrouw Hardell had aangeknoopt. quot; Do kleine ; rechtsgeleerde zocht den brief uit zijn pakje, schoof dien Pickwick toe, en nam wederom een snuitje. „Is dat al, wat.gij mij te zeggen hebt\'\'quot; vroeg Pickwick. „Nog niet alles,quot;antwoordde Perker. „Ik kan op het oogenblik üiet zi ggen, of die bewoordingen van het Co g n o vi t, hel beloop der omstandigheden en de bewijzen, die wij kunnen bij : brengen, voldoende zouden zijn, om er de aan- 1 klacht van eene samenspanning op te gronden. , fk vrees van neen, mynheer! Ik geloof, dat zij flaarvoor If- slim zyn. Maar ik durf toch zeggen, dat het gebeurde in zi,in geheel beschouwd, vol «loonde zal zijn om u in de meening van alle vveidenkend\'-n te rechtvaardigen. Hn nu, mijn heer! moet ik u dit onder het oog brengen en de zaaic \'ian uw • igen oordeel overlaten. Die honderd et» vijftig pond, of zooveel het wezen mag _ ik noem nu maar een ronde som is voor u zoo goed als niets. Kern jury heeft te uwen nadeele uitspiaak gedaan. Hare uit spraak is onrechtvaardig go Wee st — toegestemd; maar do gezworenen meenden toch, dat /.ij naar waarheid uitspraak deden, en zij stelden u in het ongelyk. Nu hebt trij oene gelegenheid, om u met een gering verlies op een veel hooger standpunt te plaatsen, dan gij zoudt kunnen doen door hier te blijven; want uwe volstandige^ weigering, om u aan d« uitspraak der gezworene;! te onderwerpen, zal door irenachen, dien niet ken nen,lou t •■r aan stugge,d war drijvende,dornrm; hardnekkigheid worden toegeschreven; geloof mij, mijnheer\', aan niets anders. Kunt gij n nog |
bedenken, om van deze gelegenheid gebruik te maken, zoo doende tot uwe vorige levenswijze terug te keereu en uwe gezondheid te herstellen, - uw getrouwen knecht uit eene gevangenschap te verlossen, die anders moet voortduren, zoolang gij leeft, — en bovenal, daar gij zoo doende eene edelmoedige wraak kunt uitoefenen, eene wraak naar uw hart, dat weet ik, mijnheer! ~ door deze vrouw te be vrijden uit een verblijf van ondeugd en ellende, zoo vreeselijk, dat, als het aan mij stond, geen man daartoe zou worden verwezen, terwijl het de gruwelijkste barbaarschheid is, eene vrouw daarin op te sluiten? Ik vraag u, mijnheer! niet als uw rechtsgeleerde raadsman, maar als uw oprechte en ware vriend; wilt gij de gelegenheid laten ontsnappen om zooveel croed te doen, alleen om niet tegelijk eenige guinjes in den zak te brengen van een paar schurken, wie het op zulk eene som volstrekt niet aankomt, maar die des te gretiger zulle»! worden hoe meer zij winnen, en zich daardoor misschien tot eene schelmerij zullen laten verlokken, waarbij zij betrapt worden? Ik heb u al deze redenen slechts zeer flauw en onvolledig voorgedragen, mijnheer! maar ik verzoek u, denk er over na; overweeg ze bij u zeiven. zoolang gy wilt. Ik zal met geduld op uw antwoord wachten,quot; Voordat Pickwick kon antwoorden, of ivrk- r een snuifje nemen, waarmede hy zich, nu zulk eene lange redevoering, noodzakelijk moest verkwikken, hoorde men voor de deur eenige stemmen mompelen, en daarop zacht en schroom vallig aanklappen. „Och!quot; zeide Pickwick, op wien de toespraak van zijn vriend een zichtbaren indruk had gemaakt, „dat is een gemaal aan die deur! Wie is daar?quot; ,,Ik mijnheer!quot; antwoordde Sant Weller, terwijl hij zijn hoofd binnen de kamer stak, „Ik heb op het oogenblik geen lijd, Sam!quot; zeide Pickwick, „Neem mij niet kwalijk, mijnheer!quot; hervatte Sam; „maar hier is eene dame, die iets bijzon-dei- te ze.rmlt;n heeft,quot; „Ik kan nu geene dame afwachtten,quot; antwoordde Pickwick, voor wiens verbeelding de gedaante van juffrouw Bard el l Oprees, „Dat is nog niet zoo geheel uitgemaakt, mynheer!quot; hervatte Sam, ztjn hoofd schuddende, „Als gij wist, wie dicht bij u was, mynheer! geloof ik, dat gij wel een anderen toamp;h zoudt fluiten, gelijk de havik zeide, toen hij om den hoek een roodborstje hoorde zingen quot; „Wie is er dan? vroegquot; Pickwick, „Wilt gij het zien, mijnheer?quot; vroeg Sam terug, terwijl hij zijne hand aan de deur hield, alsof hij een vreemd beestje te kijk had, „Hei zal wel zoo moeten wezen,quot;zeide Pickwick, terwijl hij Perker aanzag, „Komaan dan! Het spel zal beginnen!quot; riep |
DRINGEN. 287
OPHKLDJ
|
Sam. „Haal de gordijn op! De personen, dioyij daar zuil zien verschijnen, zijn do twee vluchtelingen.quot; Dit zeggende, opende hij de deur; en de personen, die nu met tamelijk veel overhaasting binnentraden, waren NaUraniel Winkle, en aan zijne hand het juffertje, dat te Dingley-Dell een paar met bont omzette laarsjes had gedragen, en dat thans, bedeesd en blozend naderende, ! met haar lila-zijden kleedje en den kanten voile i over haar hoed, er nog bekoorlijker uitzag dan ooit te voren. „Mejuffer Arabella Allen !quot; riep Pickwick uit, terwijl hij haastig opstond. ..Neen!quot; zeide Winkle, zich op zijne knii t ii werpende: „mevrouw Winkle. Vergiffenis, b ste vriend, vergiffenis!quot; Pickwick durfde nauwelijks do getuigenis zijner oogen gelooven, en zou zulks misschien ook niet gedaan hebben, indien die niet ware bevos* tiifd geworden door het veelbeteekenend glimlachen van Perker, het gezicht van Sam en het knappe dienstmeisje op den achtergrond, dio al wat er gebeurde met innig genoegen schuinn -••ule te slaan. „O mijnheer Pickwick!quot; zeide Arabella met eene zachte stem, alsof zijn stilzwijgen haar ontrustte: .kunt gij mij mijne onvoorzichtigheid | vergeven\'?quot; Pickwick gaf op deze vraag geen mondei ijk antwoord, maar nam met groote haast zijn bril af, vatte de jonge dame bij hare beide handen, en kuste haar verscheidene malen ach- reen - misschien meer dan volstrekt noodig • was. Daarop, haar nog steeds bij eene hand vasthoudende, zeide hij tegen Winkle, dat hij een -roote schavuit was, en beval hem op te staan, hetgeen Winkle, die zich eene poos lang op eene Z\'-er boetvaardige wijze mei. den rand van zijn noed onder den neus had gewreven, ook dadelijk deed; waarop Pickwick hem verscheidene malen !» den rug klopte, en Perker do hand gaf, die O niet achter te blijven, eerst de jongo vrouw ■ daarop ook Mary een hartolijken kus gaf, ; Winkle de hand drukte, en zijne, vreugdeblijken besloot met zooveel snuif op te halen, dat. een half dozijn menschen, met neuzen van gewone \'instructie, daaraan genoeg zou hebben gehad, om zich dood te niezen. • Maar, meisj\'-lief!quot; zeide I ickwick, ..hoe is ■\'at alles toch toegegaan? Kom ga zitten, en ^ rtel het mij eens! Wat ziel zij er goed uit; niet waar, Pi-rker?quot; vervolgde Pickwick, ter-| WÜ1 hij Arabella met zooveel trptschheid en -\'enoeiren beschouwde, als ware zij zyno eigene •e\'chter geweest. „Overheerlijk, mijnheer!quot;antwoordde de klei ne rechtsgeleerde. ..Als ik niet getrouwd wan, gij : spring in-\'t-veld! zou ik u waarlij\'k kunnen \'quot;■nijden.quot; Dit zeggendes gaf hij Winklo een ■ stoot voor zijne borst, welke deze op dezelfde |
wijze beantwoordde, waarop zij beide hartelijk begonnen te lachen; maarniet zoo hartelijk als Sam Wellor, die juist zijn hart had opgehaald niet achter de kastdeur zijn liefje te kussen. „Ik kan u nooit dankbaar genoeg wezen, Sam!quot; zeide Arabella, met den bekoorlijksten | glimlach, die men zich kan voorstellen. „Ik i zal nooit vergeten, hoe gij u in den tuin te | Clifton hebt gewaagd.quot; „Spreek er maar niet van, movrouw!quot; ant- 1 woordde Sam. „Ik heb de natuur maargehol- j pen. gelijk de dokter tegen de moeder van het kind zeide, dat hij aan een lating had laten | doodbloeden.quot; „Mary! Ga zitten, kindlief!quot; zeide Pickwick, ! om een einde aan deze complimenten te maken. ; „Zeg nu eens - hoelang zijt gij al getrouwd ?quot; Arabella wierp een beschaamden blik op haar heer en gemaal, en deze antwoordde: „Nog maar i drie dagen.quot; .,Nog maar drie dagen!quot; riep Pickwick uit. „En wat hebt gij dan die drie maanden lang j uitgevoerd „Recht zoo!\'\' viel Perker hierop in. „Kom ; aan! Waarmede kunt gij uwe luiheid veront- 1 scliubliuen ? Gij ziet. dat mijnheer Pickwick zich alleen daarover verwondert, dat de zaak j niet reeds lang haar beslag heeft gekregen.quot; I ..Hel duurde lang,quot; zeide Winkle, terwijl hij ! zijne blozende jonge vrouw aanzag, „voordat ik ! Bella kon overreden om de vlucht te nemen; ; en toen ik haar daartoe overreed had, duurde het lang, voordat wij eeno gelegenheid konden vinden. .Mary moest ook eene maand vooruit ; hare huur opzeggen, eer zij uit haar dienst kon gaan, en zonder hare hulp hadden wij niets kunnen uitrichten.quot; „Op mijn woord,quot; riep Pickwick uit, die nu zijn bril weder had opgezet, en beurtelings A rabella en Winkle aanzag, met zulk een glans van genoegen, als goedhartigheid en liefde eeji menschelijk gelaat slechts kunnen ïnodedeelen ..op mijn woord, gij schijnt uwe zaakjés Zeer j systematisch te hebben overlegd. En weef uw broeder dat alles reeds, mijn hartje .1\'\' „Ach neen!quot; antwoordde Arabella verblee-kende. „Lieve mijnheer Pickwick! Hü moet het van niemand anders vernemen d in van u. Hij is zoo opvliegend, zoo bevooroordeeld, en hij hoeft hij heelt zooveel op met zijn vriend, mijnheer Sawyer,quot; vervólgde zij, hare oogen nederslaande, „dat ik voor ijse-iijke gevolgen bevreesd bon.quot; ../.ij heeft gelijk,quot; zeide l\'erker zeer defllg. ..(lij moet die zaak voor hen in hinden nemen, mijnheer! Die jongelieden zullen n eerbiedigen, al zouden zij naar niemand anders willen luiste ren. Gij moet ongelukken voorkomen, mijnheer! Driftig bloed driftig bloed.quot; Hij nam een snuifje, en schudde zeer bedenkelijk zijn hoofd. „Gij vergeet, lieve Arabella,quot; zeide Pickwick |
SA MI\'KL PICKWICK.
|
vriendeUik, ..ui.j vergeut, dat ik een gevangen man ben.quot; „Neen, dat vergeet ik waarlijk niet, mijnheer!quot; liernam Arabella; „dat, heb ik nooit vergeten. Ik heb er bestendig aan gedacht, hoeveel -jij in dit akelig verblij f moest lijden; maar ik hoopte, dat gij uit zucht voor ons geluk zoiult willen doen, wat gij uil medelijden met u zei ven niet doen wildot. Als mijn broeder het eerste bericht van u ontvangt, geloot\'ik zeker, dat het u gelukken zal, mij met hem to verzoenen. mi is mijn eenige nabestaande op de wereld, mijnheer I\'ickwick! en als gij niet voor mij spreekt, vrees ik, dat ik ook hem verloren hei). Ik heb verkeerd - zeer verkeerd gehandeld; dat gevoel ik maar al te zeer!quot; Dit zeggende, verborg d\'- arme Arabella haar gelaat ! in haar zakdoek, en begon bitter te schreien. Deze tranen maakten op het gemoed van Pickwick reeds zeer veel indruk, maar toen mevrouw Winkle, hare oogen atdrogende, hom met do zachtste tonen van ecne bijzonder zachte stem begon te smeeken en te vleien, werd hij zeer onrustig, en wist lui niet war te doen gelijk bleek Hit de ongedurighéid, waarmede hij zijn bril afveegde, zijn neus wre\'-f, over zijne \'knieën fctivek, en zijne handen wrong, l\'erker (bÜ wien het jonge paar des mur_rens vroeg was aanir^p ien) tradia.- terstond met deze besluitelquot; \'sheid zijn voordeel te doen. Met de puntigheid en gevatheid van e- n r- clusgy-I leerde, bi. ld hij zijn rliriit, voor o.\'gen, datde | oude heer Winkle nosr onbekend was iiie-t iion ! srewichtiiren stap, dien zijn zoon op de lad ierdes 1 levens had -edaan; dat de vooruitzichten van ! jen geachten zoon geheel daarvan afhingen, ,ljit ■ iciif.- ..nd- :!■■■ i\' W ink 1\'■ hem me; s-t.i, ■..■■■] . J\' ü:!\' ■ : ■ :; w\'-i i ll1 ld als Vl\'i quot; ■ j ger bleef beschouwen, hetgeen zeer onwaar-sc.hünliik wa^ indien Iv; gebeurde lang voor hem -elieim gehöitden werd; dat, indien Pickwick naar Bristol ging, om den jongenheer Allen te spreken, hij evengoed ook . ens naar 15 i r in i n g h a ni kon gaan, om d.-n ouden heer Winkle op te zoeken; dat de oud- heer Winkle voldoende redenen had, om Pickwick eeniger-mate ais den v ^gd . n raa.dsman van zijn zoon te besidiouweii; en dat de laatstgenoemde heer deiiialv.1 in zeker opzicht verplicht en het aan zijn goeden naam vet-chuldigd was, om den meergemeldquot;!! ouden heer Winkle persoonlijk en mon leliiig verslag te doen van allo bijzon-(|, rln I ii v.-m het gebeurde en van het, aandeel, hetwelk hij daarin gehad had. |
Zoover wa ren de onderhandelingen gevorderd, toen Tupinan en Stockwall juist bi,jtijds aankwamen; en daar liet noodzakelijk was hun een duidelijk begrip van le t gebeurde te geven, werden al de bijgebracht\' redenen nog eens om standi g uit. \'-n gezet, waarop alie aanwezigen mag eens op hunne eigene manier huflla eigene redenen voordroegen. Ten laatste was Pickwick door al het redeneeren zoover gebracht, dat hij zelf niet meer in staat was om te redeneereu, en nauwelijks meer wist, waar hem het hoofd stond. Hij stond op, sloot Arabella in zijne armen, en zeide, dat zij een allerliefst vrouwtje was. Hij wist nier hoe het kwam, zeide hij, maar hij had van het, eerste oogenblik, dat hij haar zag, bijzonder veel van haar gehouden; hij kon het niet over zijn hart verkrijgen om het geluk van jongelieden in den weg te zijn, en zij mochten derhalve met hem doen wat zij wilden. ■ Zoodra Sam Weller deze verklaring hoorde, zond hij Jeremias Trotter naar den geleerden Peil, om de quitantie te halen, die zijn vader uit voorzichtigheid aan dien heer in bewaring had gegeven, om ingeval van nood terstond gereed te zijn; vervolgens besteedde hij zijn ge-lieolen voorraad van gereed geld, om vijl en twintig gallons bier te koopen, welke hij zelf op de kegelplaats uitdeelde aan iedereen, die lust had om er van mee te drinken; vervolgens liep hij door de geheele gevangenis overal ho-zee te roepen, totdat hij schor was, en nam toen zijne gewone wijsgeerige bedaard-li id weder aan. Ten drie ure in den namiddag zag Piek wiek voor het laatst in zijne kamer rond, en baande zich toon langzaam een weg door het gedrang der gevangene schuldenaren, die op hem wachtten. om hein de hand te geven, totdat hij de op-passerskamer bereikte. Daar keerde hij zich om, en zag met glinsterende eogen om zich heen. Onder al die vermagerde gezichten ontwaarde hij geen enkel, dat door zijn medelijden en zijne liefdadigheid niet eenigermatö was ver-vroolijkt. „Perker!quot; zeide hij, terwijl hij een jonkman wenkte om naderbij te komen; „dit is mijnheer Jingle, van wien ik u gesproken heb.quot; „Zeer goed, mijnheer!quot; zeide Perkor, terwijl hij jingle scherp aanzag, „Gy zult mij morgen wederzien, jonkman! Wat ik n te zeggen heb, zal u, hoop ik, onvergetelijk wezen,quot; Jingle maakte eene .- rbiedige buiging, beefde zeer toen hij de hand nam, die Pickwick hem toereikte, en verwijderde zich, „Jeremias zult gij wel kennen, denk ik?quot; zeide Pickwick toen hij nader trad. „Ja, dien deugniet ken ik wel,quot; zeide l\'erker schertsend. „Pas op uw vriend, en maak, dat gij morgen om . en uur bij de hand zijt, hoort gij? Is er nu nog iets?quot; „Neen,quot; antwoordde Pickwick, „Sam! hebt gij dat pakje aan uw ouden huiswaard gegeven ?quot; „Ja, mijnheer!quot; antwoordde Sam, „Hij ging aan het huilen, en zeide, dat het al te veel was. Hij wenschte maar, dar gij er eene vliegend--tering voor hem hail kunnen bij doen; want |
PICKWICK ZEGT DB FLEET VAARWEL. 280
|
zijn oude vriend, de kanselarijgevangene, was nu dood. en hij wist nergens een ander te vinden.quot; „Die arme man!quot; riep Pickwick uit. „God zegene u allen, mijne vrienden!quot; Toen Pickwick dit vaarwel uitsprak, hief de menigte een luiden kreet aan, en velen drongen toe, om hem nog eens de hand te geven, maar hij stak zijn arm door dien van Perker, en verwijderde zich met haastige schreden, en in eene gemoedsstemming veel treuriger dan loen hij do gevangenis binnentrad. - Ach! hoeveleon-„Wat is er, Sam ?quot; vroeg\' Pickwick, zijn hoofd buiten het portier stekend. |
„Ik wou, dat die paarden ook ruim drie maanden in de Fleet waren geweest,mijnheer!quot; „Waarom, Sara?quot; vroeg Pickwick. „Wel mijnheer!quot; antwoordde Weller, in zijne handen wrijvende, „wat zouden zij loopen, als dat waar was!quot; |
gelukkigen liet hij daarin achter, en hoevele rampzaligen liggen daar nog in ellende te ver ■ machten!
Een vroolijko avond was hot voor ton minste \'••■■n gezelschap inde witte Arend, enopgo-i\'uirnd klopten de harton van twee menschen,
die den volgenden morgen de deur dier herberg uitstapten. Het waren Pickwick en Sam Wc lier,
waarvan do eerste in eene gemakkelijke oost-
koets stapte, terwijl de laatste vlug op het boven • bij elkander in het kamertje achter den winkel; de achterwielen geplaatste zitbankje klom.
XL VIII.
VEIIHAAJ. HOE IMi KWICK, MET BI.ISTANH VAN HAM I\'KI, WKI.I.KU KEN K POUI Ml AANWIONDDE OM MKT JIABT VAN UKNM A MIN AI.I.KN TE V EBT EE I) E H E N KN DEN TOOHK VAN ROHER\'I\' SAWYER AF TK WENDEN,
De heeren Ben Allen en Bob S;iwver zaten
en terwijl /.ij bezig waren met een ballet je kal I\'s-kt te verorberen en èVerhnnne toekomstige
„Mijnheer!quot; riep Sam zijn meester too.
l\'.l
Dickkns, Sa.mcfi I\'ickwici
\'290 SAMUEL
PICKWICK,
|
vooruit/.iclitcn te praten, kwam het gesprek natuurlijk genoeg, op de klandisie, welke de voornoemde Bob reeds had gekregen, waaruitde twee vrienden do kans wilden berekenen, welke hij nog bezat, om door het eerwaardige beroep, waaraan hij zich had toegewijd, een toereikend bestaan te verwerven. „Kn derhalve,quot; zeide Sawyer, den draad zijner redeneering voortzettonde, ..en derhalve geloof I ik, Ben! dat zij tamelijk onzeker is.quot; ,. Wat is onzeker?quot; vroeg Hen, de bierkan neder-\' zettende, waaruit bij eene teug had genomen. „Vv\'i-l, de kans,quot; antwoordde Bob. J) jalquot; hernam Benjamin. „Ik was daar vergeten, waar wij aan waren. Ja, de kans is wel onzeker.quot; „Het h wonderbaarlijk.quot; zei Sawyer nadenkend, „hoe df arme lui mij begunstigen. Zij komen mij op alle uren van den nacht opkloppen, en slikken medicijnen in eene hoeveelheid, dik niet. denkbaar zou geacht hebben, Z(j laten zich bloedzuigers zetten en spaanactie vliegen leju\' ii met eene volharding, eene beterezaak waardig, en houden niet op hunne familien op • •en- waarlijk schrikbarende wijze te vermeer-d\' ren. lt; ipé n dag hebben zes toekomstige kraam-vrouweti mij met haar vertrouwen vereerd.quot; „Dat is toch zeer vleiend en vereerend voor u, niet waar?quot; zHde Benjamin, terwijl hij nog een stuk gehakt nam. „Dar is het wel,quot; antwoordde Bob; ..maar niet /.■■\'gt; vUnend en vereerend. als mij het vertrouwen z 1 : wezen van patiënten, dieeen paar shillings over hadden. De affaire is in de advertentie zeer Juist beschreven, Ben! Het is eene zaak met z.\'i-r Vi el klandizie machtig drukke klandizie maar dar is ook alles.quot; „Bob!quot; zeide Benjamin, terwijl hij mes en v.rk nederU\'gde en zijn vriend strak in de o n zag, .ik zal u eens wat zeggen.quot; „En dat is?quot; vrotSawyer. ,Öij moet maken, dat gij zoo spoedig mogelijk ,V ! lla\'s duizend pond in handen krijgt,quot; Drie percents geconsolideerde bank-annui-n, t-\'^enwoordiu\' staande op haar naam in h\'-r bo\'4; of dn boeken van den gouverneur en : .ïiipagnif dei\' bank van E n g e land zeide sawyi\'C met def\'tigen ernst en de nauwkeurig-hquot;-!\'l van een rechtsgelei-rde, om to toone® hoe-vlt;-; belang hij in die duizend pond stelde. ,Precies,quot; zeide Benjamin. „Zi.i krijgt het ka-p.raal in handen, zoodra zij meerderjarig wordt o: -p uw\' Over een Jaar wordt zü meerderjarig; • n i:- gij maar courage hadt, zou het geene m! 1 behoeven te duren, of ze vvas getrouwd.quot; ..Zn is een allerliefst bekoorlijk schepselt je,quot;\' gaf flobert Sawyer ten antwoord, .-n heeft, Z\'.over ik we.-t, slechts-\';n gebrek. Maar ongelukkig is die i nk\' le fout een gebrek aan goeden maak. zy he. ft geen zin in mij,quot; .Ik geloof, dat zij zelf niet weer, waar zij |
zin in heeft,quot; zeide Benjamin verachtelijk. „Dat kan wel wezen,quot; merkte Sawyer aan. „Maar ik geloof ook. dat zij zeer wel weet, waar zij geen zin in heeft, en dat is van nog meer belang.quot; „Ik wou,quot; zeide Benjamin, zijne tanden op elkander klemmende, en een toon aannemende, meer gepast voor een Indiaansche wilde, die rauw wolvenvleesch verslindt, dat hij met zijne vingers van elkander scheurt, dan voor een beschaafd jong heer, die met behulp van mes en vork kalfsgehakt eet, „ik wou dat ik wist of er ook een schurk was, die het hart had om naar haar te vrijen, en haar te willen trouwen, | Ik zou hem doodsteken. Bob!quot; „Ik zou hem een kogel door hetUjfjagen,quot; : zeide Sawyer; terwijl h(j ophield in het midden van eene teug bier, en moorddadig over den rand van de kan heenkeek. , En als dat niet genoeg was, zou ik er dien weer uithalen, en hem zi\'quot;i naar de andere wereld helpen.quot; Benjamin bleef eene poos, in diepe gedachten, verzonken,zijn vriend aanstaren, en zeide toen; „Gij hebt haar nog nooit ronduit om hare hand gevraagd. Bob?quot; „Xeen,quot; antwoordde Robert, „Omdat ik wel zag, dat het niet helpen zou.quot; „Gil moet het doen, voordat gij vier en twintig uren ouder zijt,quot; hernam Benjamin met wanhopige bedaardheid. Zij moet u nemen; zij zal mij zeggen, waaromniet; ik zal mijn gezag laten gelden.quot; N\'u — wij zullen zien.quot; zeide Sawyer. „Wij zullen zien, mijn vriend!quot; hervatte Benjamin op straften toon. Hij zweeg eenig • oogenblikken, en vervolgde toen met eene van ontroering bevende stem; „Gij hebt haar van een kind af aan bemind, mijn vriend! gy hebt haar bemind, toen wij nog schoolkameraads waren, en zelfs toen was zij ai spijtig en eigen-\' zinnig en beantwoordde uwe jeugdige liefde met verachting. Weet gij nog wel hoe gij haar eens, metal het vuur van kinderlijke teederheid. twee ronde anijsbeschuirjes en een appel wilde opdringen, die gij netjes in een blad had op ue vouwen, dat gij uit uw schrift had gescheurd ?quot; „Ja wel,quot; antwoordde Sawyer. „En zij versmaadde uw geschenk, geloof ik ?quot; zeide Benjamin. „Ja, dat deed zij,quot; hernam Robert, „Zij zeide dat ik het pakje zoolang in mijn broekzak had gehouden, dat de appel warm geworden was, en zij hem daarom niet meer lustte.quot; „Ik herinner het mij nu,quot; zeide Benjamin treurig. J\'.n toen aten wij dien zelf op, ieder bij beurten een hap,quot; Sawyer gaf door een treurig, n en donkeren blik te kennen, dat hij zich dat alles nog wei herinnerde; en de twee vrienden bleven eene poos ieder in züne eigene ge.lachten verzonken l zitten. |
|
VERKEEHD Terwijl Bob Sawyer en Bon Allen zoo bij elkander zaten, on terwijl de jongen met het irrijze pak zeer verwonderd dat liet middagmaal zoo buitengewoon lang duurde, van tijd tot tijd met een benauwd gezicht naar de glazen deur koek, daar iiij door een geheimen angst gepijnigd werd aangaande do portie kalfsgehakt, die op het laatst zijne hongerige maag ten deel zou vallen, reed er door de straten van Bristol, op een bedaarden draf, een donkergroen geschilderd brommertje, getrokken dooreen weldoorvoed bruin paard, en gemend door een man met een barsch gezicht, wiens beenen gekleed waren gelijk de beenen van een rijknecht, terwijl zijn lichaam door een koetsiersjas was overdekt. Zoo zien er doorgaans do rijtuigen uir. welke door zuinige oude dames worden .■■.•houden; en het was ook eeno oude dame, die de eigenares van dit rijtuig was en er in zat. ..Martin!quot; zeide de oude dame, terwijl zij het vuorglas liet zakken, om den barschen koetsier ■ roepen. ..Wat belieft?quot; zeide de barsche koetsier; vwijl hij den rand van zijn hoed aanmakte. . Naar mijnheer Sawyer!quot; zeide de oude dame, „Ik reed er al heen,quot; was het antwoord van • . a barschen koetsier. De oude dame gaf met een hoofdknik het genoegen te kennen, hetwelk dit bewijs der i ehranderheid van den barschen koetsier haar ! ehafte; de barsche koetsier gaf het dikke ■u ne paard de zweep, en na korten tijd waren \'•n te zamen voor de deur van Sawyer gels\' men. Martin!quot; zeide do oude dame, toen het .mfnertje stilhield. Wat belieft?quot; zeide Martin. .. lioep den jongen om op het paard te passen,quot; Ik zal zelf wel op liet paard passen,quot; zeide ■l;ui:in, terwyl hij zijne zweep op het dak van het brommertje neerlegde, ..Neen. dat volstrekt niet,quot; zeide do oude ne, ,.l\'we getuigenis is van zeer veel bela.ng, \' quot; -l) moet met mij binnengaan, (iij moot mij \'■n oogenblik alleen laten, zoolang hot gesprek iurt; hoort gij?quot; Ik hoor,quot; antwoordde Martin. Waar wacht gij dan nog op?quot; Op niets.quot; Dit zeggende liet de. barsche ■: (sier zich langzaam van liet wiel zakken, \'v i irop hij zich, op de punt van zijn rechter-quot;t, . ene poos lang zeer kunstig in evenwicht ■ ei gehouden; en nadat hij den jongen mot : -rijze pak had buiten geroepen, opende hij I1\'\'\' portier, sloeg de tree neder, slak zijne met \' quot;U zeemlederen handschoen bedekte hand in : rijtuig, en haalde de dame er uit, rnet quot;eürent evenveel beleefdheid en omzichtigheid, ■llv ware zij een oude hoededoos geweest. .Lieve hemel, Martin!quot; zeide de oude dame; |
BI\'IOREFEX, 291 I „nu ik hier ben, ben ik zoo ontsteld, dat ik op | mijne beenen sta te beven,quot; Martin kuchte eens achter zijn zeornou handschoen, maar gaf verder geen teeken van mede- i lijden. De oude dame vatte derhalve maar moed, | stapte de stoep op en Martin volgde haar. Zoodra de oude dame den winkel binnen trad, kwamen Allen en Sawyer, die de brandewijntlesch spoedig j hadden weggezet en een paar erg stinkende | ileschjes hadden ledig gegoten, om den reuk j van den tabaksrook te verbergen, in eene vervoering van blijdschap de kamer uitstuiven. ,Lieve tante!quot; riep Benjamin uir, „wat zijt gij goed en vriendelijk, dat gij eens naar ons komt ky ken! Mijnheer Sawyer, tante! Mijn vriend Bob Sawyer, van wien ik u gesproken heb, betreffende - gij weet wel, tante !quot; En daarop liet Benjamin, die op liet oogenblik niet buitengewoon nuchter was, hel woord . Arabellaquot; volgen, hetwelk hij fluisterend wilde uitspreken, maar dat hard genoeg klonk, om door iedereen verstaan te worden, die niet zoo doof was als een kwartel, ..Beste neef Benjamin!quot; begon do oude dame, zeer kortademig en bevende van het hoofd tot I de voeten. „Maak u niet ongerust, beste jongen, ! maar ik geloof dat het goed zou zijn, als ik mijnhoor Sawyer eerst eens alleen sprak - voor i een oogenblik slechts.quot; „Bob!quot; zeide Benjamin, „wilt gij mijne tante in de kamer laten?quot; „Met zeer veel genoegen,quot; antwoordde Bob, terstond een hooggeleerd gezicht zettende, „Dezen weg, mevrouw! Maak u maar niet ongerust, i mevrouw! Ik twijfel niet, mevrouw! of we zullen i u spoedig wel weder in orde hébben. Hier, mevrouw! deze deur!quot; Zoo voortsprekende, bracht : Sawyer de oude dame naar een stoel, sloot de deur, zette zich op een anderen stoel dicht by haar en wachtte, om het verslag van een. of\' andere ongesteldheid te hooren, het welk hij hoopte dat hem aanleiding zou gev. n tot eene kunstmatige behandeling i n eene lange rekening. Hol eerste, wat ■ Ie oude dame do. d, was. dat zij I heftig haar hoofd schuddeen begon te schreien, i .Zenuwachtig,quot; zeide Sawyer imMeUidend. 1 „Kaïnferstroop met water, driemaal daags, en \' een zenuwdrankje vóer het naar bed gaan,quot; „Ik weet niet hoe ik beginnen zal.mijnheer Sawyer! zeide de oude dame. „Het is zoo smartelijk en tn uiig.quot; „(lij behoeft niet te beginnen, mevrouw,quot; hor-nam Sawyer, „Ik kan alles wel raden. Het/it in hot hoofd.quot; „Hot zou mij zeer bedroeven, indien ikden ken moest dat het hart er s. huid aan had,quot; zeido de oude dame met een zucht, ..Daarover behoefl gij volstrekt mei bang te zijn, mevrouw!quot; hernam Sawyer. „De . ers\'c aanleiding is eigenlijk de maag.quot; „Mijnheer Sawyer!quot; riep de oude dame uit. |
SAMUEL PICKWICK.
29i
|
„Er valt niet aan te twijfelen, mevrouw!quot; hervatte Bob meteen verwonderlijk geleerd gezicht. „Een huismiddeltje, bijtijds gebruikt, zou alles hebben voorgekomen.quot; „Mijnheer Sawyer!quot; zeide de oude dame, met nog meer ontroering dan te voren: „dit gezegde is tegen iemand in mijne omstandigheden een hoogstongepaste vrijpostigheid; of het moest wezen, dat gij n in het oogmerk van mijn bezoek vergist. Indien het aan mij gelegen had, om door eenig behoedmiddel het gebeurde te voorkomen, zou ik dat zeker gedaan hebben. Hot zal maarbestwezen,datik dadelijk met mijn neef spreek,quot; vervolgde zij, terwijl zij met verontwaardiging met haar werkzakje zwaaide en opstond. „ Wacht een oogenblik, mevrouw 1quot; zeide Sawyer. „Ik vrees, dat ik u niet recht begrepen heb. Wat is er gebeurd?quot; „Mijne nicht, mijnheer Sawyer!quot; hernam de oude dame, „de zuster van uw vriend....quot; „Ja wel, mevrouw!quot; zeide Sawyer vol ongeduld; want hoewel de oude dame zeer ontroerd was, sprak zij met eene tergende langzaamheid, gelijk oude dames dikwijls doen. Ja wel, mevrouw.quot; „Heel t, drie dagen geleden mijn huis verlaten, mijnheer Sawyer! onder voorwendsel, dat zij mijne zuster, eene andere tante van haar,zou gaanbezoeken, welkeiliegroote kostschool heeft, even voorbij den derden mijlpaal,met dat houten hek en dien grooten lindeboom.quot; Hier zweeg zij, om op haar gemak hare oogen af te vegen. „De duivel mag dien lindeboom halen !quot; zeide Bob, die in zijn angst til zijne geleerde deftigheid vergat. ..Spreek toch wat schielijker, mevrouw! Maak \'en beetje meer stoom!quot; „Dozen morgen quot; vervolgde de oude dame zeer langzaam, „dezen morgen....quot; „Is zij teruggekomen, denk ik,quot; zeide Bob driftig. „Is het niet zoo? Is zij niet teruggekomen ?quot; „Neen, dat niet,quot; antwoordde de oude dame. „Ik heb een brief van haar gekregen.quot; Kn wat schrijft zij?quot; vroeg Bob met vuur. „Zij schrijft, mijnheer Sawyer!quot;antwoordde de oude dame, „en dat was het juist, waarop ik u wilde verzoeken om Benja min bedaard en langzamerhand voor te bereiden, zij schrijft. dat zij - ik heb den brief in mijn zak, mijnheel Sawyer! maar ik heb mijn bril in het rijtuig laten liggen, en hot zou mij toch niet gelukken, als ik beproefdeom u zonder bril den regel te wijzen. Om kort te gaan, mijnheer! zy schrijft dat zij getrouwd is.quot; „Wat?quot; zeide of liever schreeuwde Robert Sawyer, „Dat zij getrouwd is,quot;horhaaldedeoudedame. „Sawyer luisterde niet, verder, maar vloog do kamer uit naar den winkel, en schreeuwde met een verva irlyke stem: „Ben ! zij is weggekaapt!quot; |
Benjamin Allen, die achter de toonbank mei het hoofd op zijne knieën, had zitten sluimeren, hoorde nauwelijks dit schrikbarende bericht, of hij stoof op, vloog op Martin aan, greep dien stilzwijgenden koetsier bij zijn das, en gaf zijn voornemen te kennen om den onschuldigezon-der verwijl te verworgen, welk voornemen hij, i met eene overijling, welke dikwijls het gevolg der wanhoop is, en met chirurgicale behendigheid en kracht, ten uitvoer begon te brengen. Martin, die weinig omhaal van woorden maakte en zich niet op het bezit eener buitengemeene welsprekendheid kon beroemen, liet zich deze i operatie eenige oogenblikken goedschiks welgevallen ; maar toen hij bemerkte, dat het onver raijdeliik-.- gevolg daarvan hem weldra buiten de mogelijkheid zou brengen om ooit meer op huur of fooitjes aanspraak te maken, gebruiktehy den weinigen adem. die hem nog was overgebleven, om een vloek te mompelen, en gaf Benjamin een stomp, welke dezen deed om vertuimeien. Dewijl zijn bespringer hem echter bij zyne das vasthield, was hij wel genoodzaakt dezen naar den grond te vergezellen. Daar lagen zij met hun beiden te worstelen, toen de deur van den winkel werd geopend, en her, gezelschap vermeerderd werd door de komst van twee onver wachte bezoekers - Pickwick en Sam Welle; Hei, denkbeeld, dat in den geest van Sam opkwam, toen hij het tooneel in den winki aanschouwde, was niet anders, dan dat Martin door do firma van Sawyer, opvolger van Nockenmoïf, was gehuurd om sterke medicijnen in te nemen, of om toevallen te krijgen en zich te laten bijhelpen, of om zich nu en dan u vergiftigen, ten einde de kracht van een nieuw uitgevonden tegengift te beproeven, of zijn eiget; lichaam op eene andere manier te laten gebrul ken tot proefnemingen, strekkende om de vot deringen der geneeskunde te ondersteunen, en den weetlust, welke in de harten dezer twe jonge beoefenaren dier wetenschap gloeide-, ■ bevredigen. Ongenegen om zich met do zaak t( bemoeien, bleef Sam derhalve stokstil staan | toekijken, alsof hij het grootste belang stel in den uitslag der proefneming, waarmede men zich op dit, oogenblik onledig hield. Pickwi •, dacht er geheel anders over. Met zijne gewone voortvarendheid schoot hij dadelijk op de tw-vechters toe, en riep luidkeels de omstanders om hen te scheiden. Dit deed Sawyer, die tot nog toe geheel ver bijsterd was geweest door de ijlhoofdige woe. van zijn vriend, tot bezinning komen; en m \' behulp van dezen jongenheer hielp Pickwiek Benjamin Allen overeind. Toen Martin bemerkt--. I dat hü nog maar alleen op den vloer lag, stoul hij insgelijks op, enkeek vrjj onnoozel om zich heen. „Mijnheer Allen!quot; zeide Pikwick: „wat is gebeurd, mijnheer?quot; |
DE VERLEIDERS WOEDEX ONTMASKERD.
|
„Niets, mijnheer:quot; antwoordde Benjamin op • rii trotschen, uitdagenden toon. „Wat scheelt hem?quot; vroeg Pickwick, zich tot sawyer keerende. „Is hij niet wel?quot; Voordat Bob kon antwoorden, greep Benjamin j Pickwick bij de hand, en prevelde op een uiterst i treurigen toon: .Mijne zuster, mijnheer Pickwick! mijne zuster!quot; „O, is het anders niet?quot; zeide Pickwick. „Dan zal ik u wel spoedig geruststellen. Uwe zuster | is gezond en wel, mijnheer ! en ik hen hier ge-| komen, om ,,,quot; „Het spijt mij machtig, heeren! dat ik u in , uw pleizier kom storen, zooals de koning zeide, i toen hij het parlement liet uiteengaan,quot; viel sam Weller hierop in, die door de glasdeur i li i.l gekeken; „maar er is hier nog eene andere aardigheid. Daar ligt eene oude, eerwaardige ; dame op den vloer. Zij wacht zeker maar op : h-; anatomiseeren, galvaniseeren, of een ander kunstmiddeltje om weder springlevend te wor- ..Dat heb ik vergeten,quot; riep Benjamin Allen m:. „Het is mijne tante,quot; „Goede Hemel!quot; zeide Pickwick; „die arme vrouw! — Zachtjes, Sam! zachtjes!quot; -Hoe kan iemand toch mal te pas komen!quot; \' : ;te Sam Weller aan, terwyi h\\j de tante op | quot; stoel tilde, „Kom, kleine beenat\'zetter! geef j ii;i ■■\'■ns gauw wat le ruiken,quot; Dit laatste gezegde was tot den knaap met iif grijze pak gericht, die, nadat hij het paard aan de bewaring van een straatjongen had toe-\'gt; arouwd, naar binnen was gekomen, om te zan wat al dat leven beduidde. Door de ver-dgde pogingen van den grijzen jongen, Bob wvor r-n Benjamin, (die, nadat iiij zijne tante \\ ii schrik had doen flauwvallen, met alle liefde zijn best deed om haar weder bij te helpen) \'• r 1 de oude dame eindelyk weder tot bewust-hf 1 gebracht, en toen keerde Benjamin zich \' «\'••i verbijsterd gezicht tot Pickwick, om \'•\'■yf-n te vragen, wat hij wilde zeggen, toen hij \' alk eene onrustbarende wijze, werdgf sloord\', „Wij zijn hier onder vrienden, niet waar?quot; Z\'ale Pickwick, nadat hij zijne keel geschraapt ■ naar den man van weinig woorden met het : ■■ ■hf gezicht had omgezien, die het brommer-v\' met het dikke paard mende, [ l\'it herinnerde Sawyer aan do omstandig-i\'i, dat de jongen mot het grijze pak met O\'igen en gretige ooren stond teluiste-\'\'•■\'i. Nadat liij den aankomenden chemist by \'l\'\'.\'! kraag van zijn rok had opgegrepen en buiten kamerdeur weder had laten vallen, gaf hij \' ■••kwiek de verzekering, dat hij thans zonder schroom kon spreken. quot; we zuster, mijnheer!quot; zeide Pickwick, zich fot Benjamin Allen keerende, „is in Londen gezond en gelukkig. |
-Met al haar geluk heb ik niets te doen. mijn-gt; heer!quot; zeide Benjamin, en zwaaide verontwaar-■ digd met zijn arm. „Maar ik heb met haar man wei iets te doen, i mijnheer!quot; viel Sawyer hierop in. „Ik zal op twaalf passen afstands iets met hem te doen ; hebben, en hem iets te doen geven, dien verraderlijken schurk!quot; Dit was op zich zelve eene zeer deftige oorlogsverklaring; maar Bob verzwakte de kracht van zijn gezegde door er nog iets bij te voegen, dat op bloedige neiizen en blauwe oogen betrekkina\' had, en zeer ondeftig was. „Manheer!quot; zeide Pickwick: „voordat gij op den bedoelden heer zulke benamingen toepast, behoort gij onpartijdig en bedaard te overwegen, ! in hoeverre hij schuldig is te noemen, en bovenal te bedenken, dat hij een vriend van my is.quot; „Wat?quot; snauwde Bob Sawyer. „Hoe heet hij? Hoe heet hij?quot; schreeuwde Benjamin. „Mijnheer NijthaniOl Winkle,quot; zeide Pickwick op een vasten toon. Benjamin rukte zijn bril af, smeet hem op den vloer, vertrapte hem onder den hak van : zijne laars, en nadat hij zeer oplettend de stukken opgeraapt en die in drie verschillende zakken gestoken had, sloeg li ij zijne armen over ! elkander, en staarde Pickwick met dreigende oogen in het goedhartig on vriendelijk gelaat, , „Dus zijt gij\' de man, :n ij n heer, die dit huwelijk 1 aangeraden en tot stand gebracht hebt?quot; vroeg Benjamin eindelijk, „En dit zal mijnheer zijn knecht wezen, denk ik,quot; viel de oude dame hierop in, „de man, dien men om mijn huis heeft zien rondsluipen, en die mijne bedienden wilde verleiden om tegen hunne meesteres samen te spannen. Martin!quot; „Wat belieft?\' zlt;ide de bar.^che koetsier, een i stap naderbij komende, „Is dat de man, dien gij in de laan hebt ; gezien, zooals gij mij van morgen hebt gezegd ?quot; Martin, die, gelijk reeds gebleken is, een man van weinig woorden was, keek Sam Weller eens aan, knikte met. zijn hoofd, en bromde: „Dat is hij.quot; Weller, die geheel niettrotsch was, glimlachte vriendelijk, toen hij in den man, die hem zoo strak aanzag, den knort i gen stalknecht herkende, en zeide, in zeer beleefde uitdrukkingen, dat zij oude kameraads waren. „En dien bra ven man zou ik daar bijna ver-worgd hebben!quot; riep Benjamin uil, „Mijnheer Pickwick! hoe durft gij toelaten, dat uw slungel van een knecht de hand leent om mijne zuster te schaken? Ik vorder, dat gij oogen-blikkelijk zegt, hoe dit zich heeft toegedragen, mijnheer!quot; „Spreek, mijnheer!quot; riep Sawyer op een vergramden toon. „Het is eiai schandelijk komplot geweest,quot; zeide Benjamin. |
SAMl El, PICKWICK.
2I..M
„Een gauwdk-venstreek,quot; zeide Bob. „ Een snood verraad,quot; merkte de oude dame aan.
„Hoort my toch aan!quot; smeekte Pickwick, j toen Benjamin zich in de leuningstoel liet zin- ! ken, welke voor de patiënten bestemd was, die i gelaten moesten worden, en tegelijk zijn zakdoek uithaalde. „Ik heb volstrekt geen deel j aan de zaak gehad, behalve dat ik tegenwoor- i dig ben geweest bij één gesprek der jongelie-den; hetwelk ik nietkon verhinderen, en waarbij | , mijne tegenwoordigheid, naar mijne gedachten, j 1 imtliü: was, om den schijn van onwelvoegi-lijk-| held weg te nemen, welke deze samenkomst an- ; I ders zou gehad hebben. Dit is alles wat ik ge- | I daan heb, en toen wist ik zelfs niet dat de j i jongelieden er aan dachten om zoö- spoedig j i te trouwen. Maar let wel op,quot; vervolgde Pick- | | wiek, zich spoedig bedenkende, „let wel op: j ! ik zeg niet, dat ik hen zou hebben willen te-\' genhouden, indien ik geweten had, dat zij zulks 1 voornemens waren.quot;
„Hoort gij dat?quot; riep Benjamin. „Hoort gij i hem dat zeggen?quot;
„Ik hoop van ja,quot; zeide Pickwick zachtmoedig, terwijl hij om zich heen zag; „en,quot; vervolgde j | hij, terwijl zijn gelaat eene hoogere kleur aan- j | nam, „ik hoop, dat zij dit ook hooren, mijn- i 1 heer! dat ik, sprekende op gröhd van hetgeen
mij is medegedeeld, ronduit verklaar, dat gij, i | mijnheer! geen recht had, om gelijk gij hebt i willen doen, de genegenheid van uwe zuster te : dwingen, er. dat gij veekur had moeten pogen | i om door haar vriendelijk heideninschikkelijkheid | het gemis van andere, nauwere betrekkingen te vergoeden, van welke zij ongelukkig reeds in Bare vroegste jeugd word beroofd. Wat mijn jongen vriend aangaat, moet ik zoo vrij zijn te zeggen, dat hij, zooveel zijne uiterlijke omstandigheden betreft, ten minste even goede vooruit-; zichten heeft, als gij, en misschien veel betere, en dat ik, indien de zaak niet met gepast\'1 bedaardheid en gematigdheid besproken | wordt, er in het geheel niet meer over wil spreken of hooren.quot;
„Ik wou nog even een klein woordje voegen bij de woiinli\'ii van den achtbaren heer, die daar zoo pas heeft stilgezwegen,quot; zeide Sarn Weller, naderbij komende; „namelijk dit: iemand uit het gezelschap heeft mü een slungel genoemd.quot;
„Bat heeft niets met de zaak te maken, Sam!quot; viel Pickwick hierop in. „Houdt der halvH uw mond.quot;
„Ik wilde daarover ook niet verder smeken, mijnheer!quot; hervatte Sarn. „Dat is al wat ik zeggen wou. Misschien gelooft dio heer, dat dk jongejutfer hem afgewonnen is; maar dat lijkt. it niet naar; want in het begin van het vi ijen hoeft de jongejuffer gezegd, dat zij hem : volstrekt niet kon uitstaan. Niemand \'heeft hem uit don wtjg gedrongen, en al had de
jongejuffer mynheer Winkle nooit gezien, het zou voor hem toch hetzelfde zijn geweest. Dat is al wat ik wilde zeggen, mijnheer! en ik hoop, dat die jongeheer er nu mee tevreden zal wezen.quot;
Eene korte poos van stilte volgde op deze troostrijke aanmerking van Weller. Toen stond Benjamin van zijn stoel op, en betuigde dat Arabella nooit weder zijn gezicht zou zien; terwijl Bob Sawyer, in weerwil van Sam\'s vleiende verzekering, zwoer, dat hij op den gelukkigen bruidegom eene geduchte wraak zou nemen.
Maar juist toen de zaak zulk een dreigend voorkomen had aangenomen, en alle hoop op eene minnelijke schikking verdwenen scheen, vond Pickwick eene ijverige hulpgenoote in do oude dame, die, blijkbaar getroffen over de wijze, waarop hij de zaak van hare nicht had bepleit, het waagde Benjamin eenige troost gronden voor te houden, waarvan de voornaam ste was, dat het toch misschien gelukkig kon heeten, dat het niet erger was. Hoe minder men er over sprak, zeide zij verder, des b eerder zou alles geschikt wezen; en het was op haar woord, toch zoo erg niet. Gedane za ken hadden geen keer; alles had twee handvatsels; men moest alles ten boste opnemen, die zijn neus afsneed, schond zijn aangezicht: en nog een aantal dergelijke bewijzen, all\' even nieuw en hartsterkend. Op dit alles ga Benjamin geen ander antwoord, dan dat hi; : niemand, vooral zijne tante niet, wilde belet digen of voor het hoofd stooten, maar dat hv : als zij er niets bijzonders tegen had en hen j zijn eigen zin wilde laten doen, liever het ple; • zier wilde hebben om zyne zuster tot den doe toe, en tiog een poos daarna te haten.
Toen hij dit besluit omtrent vijftigmak I had aangekondigd, werd de oude dame einde 1 Ujk boos, en vroeg hem op een zeer bitsen : statigen toon, wat zij gedaan had, dat thans dt reden kon zijn, dat men haar stand en jaren -Bi», ontzag, en zij verplicht was om haar eigen ni \' zoolang te bidden en tesmeeken, wkn zij x.k ; al vijf en twintig jaren vóór zijne geboorte kquot; herinneren, en wien zij had gekend, voordat;; i nog een enkelen tand in zijn mond had, om nilt; ! te spreken, dat zy er bij was geweest, toen hei voor de eerste maal het haar werd geknipt, lt; van andere gewichtige plechtigheden gedureii i zijne onnoozele kindsheid, waarbij zij zich ak i had laten vinden met eene nauwgezet heid, wc I haar wel aansprak gaf op zij nebesten dkea\'-h tin, liefde en gehoorzaamheid.
Terwijl de goede vrouw haar neef op d j wijze de les las, hadden Bob Sawyer en Piek wiek zich onder een druk gesprek naar k achterkamertje begeven, waar de lt; lerstgenoen i heer verscheidene malen eenedon kergroenetle voor zijn mond zette, onder wier invloed züre
|
IN DE ,,GRlt; trekken langzamerhand eene tevredene, ja zelfs genoeglijke en vroolijke uitdrukking aannamen. Éindelijk kwam hij met de flesch in zijne hand het kamertje uit, en nadat hij gezegd naddat het hem speet, dat hij zich zuo mal had aan--esteld, verzocht hij het gezelschap om eens op het welzijn van mijnheer en mevrouw Winkle te drinken, wier geluk hij zoo verre was van te benijden, dat hij zelfs gaarne de eerste wilde zijn, om hen te feliclteeren. Toen Benjamin dit hoorde, sprong hij plotseling van zijn stoel overeind, rukte zijn vriend de flesch uit de hand, en nam eene hartelijke teug. De flesch ging nog eenige malen van hand tot hand en allen be-!uigden elkander hunne blijdschap, met zulk een hartelijk genoegen, dat zich zelfs op het houten uezicht van Martin eene soort van glimlach vertoonde. .. Komaan!quot; zeide Bob Sawyer, in zijne handen wrijvende; „nu moeten wij to zatnen eon vroo-lijken avond hebben.quot; ..Het spüt mij, dat ik naar de herberg moet UTUgkeereri,quot; zeide Pickwick. „Ik ben tegenwoordig niet aan beweging gewoon, en mij no reis heeft mij buitengewoon vermoeid.quot; „Blijft gij niet een kopje thee drinken, mijn-heer Pickwick?quot; vroeg de oude dame met on- \'■rstaanbare vriendelijkheid. -Ik dank u; liever niet,quot; was hét antwoord, waarheid is, dat Pickwick in de blijkbaar . iet ieder oogenblik toenemende bewondering en ingenomenheid der oude dame eene dringende \'■\'•den zag om zich terstond te verwijderen. Jlij ducht aan jufirouw Bardell; en elke blik, dien • ; oude dame op hem wierp, deed hem het k\'ituie zweet uitbreken. Daar men Pickwick volstrekt niet kon over-li.iien om te bliiven, maakte men, op zijn eigen V\'-.rstel, de afspraak, dat de heer Benjamin Ai en hem op zijne reis naar den ouden heer Winkle zou vergezellen, en dat de postkoets den volgenden morgen om negen uur voorde zou staan. Daarop nam hij afscheid, en \' -af zich met zijn getrouwen Sani naar de \'■roene I!oom, waar hij reeds een naclit-•\'••rbUjf had besteld. Opmerking verdient, dat Martin, toen hij Sam de hand gaf, zijne gelaatstrekken op eene stuipachtige manier verwrong, en op hetzelfde oogenblik glimlachte en • quot;ii vloek mompelde, hetgeen, volgens do verklaring van hen die met do hebbelijkheden van ,\'\'quot;\'1 barsc.heiH koetsier hot best bekend waren, \'quot;■teekende, dat hij buitengemeen met Sam was niuenomèn, en om de eer zijner voortdurende vriendschap verzocht. ^al ik eeus afzonderlijke kamer bestellen, \'ounheer?quot; vroeg Sum, toen zij .De Groene i gt;00111quot; bereikten. ■ Wel neen, Sam,quot; antwoordde Pickwick; : •■\'i-\'iar ik in de kofliekamer gegeten heb i ti spee-n:iar bed zal gaan, is het nauwelijks do I |
ENE BOOM.quot; 295 moeite waard. Zie eens, wie er in de reizigers- ; kamer is, Sam.quot; Weller ging zijne boodschap doen en kwam dadelijk terug om te zeggen, dat er slechts een eenoogig heer was; en dat hij en de waard samen een bowl bisschop zaten te drinken. .,Ik zal mij bij hen aansluiten,quot; zei Pickwick. „Het is eene rare klant, die met het One oog,quot; merkte Weller aan, terwijl hij voorop ging. „Hij neemt een loopje met den waard mijnheer, totdat hij niet recht meer weet of hij op de zolen zijner laarzen of op den bol van zijn hoed s aat.quot; De persoon, op wien deze opmerking betrekking had, zat achter in de kamer, toen Pickwick binnentrad, rookte eene groote Goudsche pijp en hield zijne oogen strak gevestigd op het ronde gezicht van den waard, een man met een koddig voorkomen, wien hij juist een wonderlijk verhaal gedaan had, hetgeen bleek uit verscheidene uitroepingen, als: „Wel, dat kan ik niet gelooven! Het vreemdste, dat ik ooit gehoord heb! Dat is niet mogelijk!quot; en andere uitdrukkingen van verbazing, die onwillekeurig van zijne lippen kwamen, als hij den strakken blik van den eenoogige ontwaarde. „Dienaar, mijnheer,quot; zei laatstgenoemde tot Pickwick. „Mooio avond, mijnheer.quot; ..Heel mooi,quot; antwoordde Pickwick, toen de bediende eene kleine karaf cognac en wat heet water voor hem neerzette. Terwijl Pickwick zijne cognacgrog aanmaakte. zag de eenoogige hem nu en dan ernstig aan en zeide eindelijk; „Ik geloof, dat ik u meer gezien heb.quot; „Ik kan mij u niet herinneren,quot; hernam Pickwick. „Dat geloof ik wel,quot; zei de man met het eene öog. „Gij kendet mij niet, maar ik kende twee uwer vrienden, die tijdens de Verkiezing in de Pauw te Eastanswill verblijf hielden. „O, .ia wel!quot; riep Pickwick uit. ...Ia, ja.quot; hernam de eenoogige. .,Ik vertelde hun een klein voorval betreffende een mijner vrienden, Tom Smart genaamd. Misschien hebt | gij hen er over hooren spreken.quot; ..Dikwijls,quot; hernam Pickwick glimlachende. „Dat was uw oom, is niet?quot; „Neen, neen, maar een vriend van mijn oom,quot; antwoordde de eenoogige. „Het was een zonderling man, die oom van i u,quot; merkte de waard hoofdschuddend aan. „Dat kan gezegd worden,quot; geloof ik,quot; ant- j woordde de man met het eene oog, ,Jk zou n : van dien oom iets kunnen verhalen, dat u zou verwonderen, heeren,quot; „Zoo?quot; zei Pickwick. .J/iat ons het in alle gevalle maar eens hooren.quot; |
SAM 1\'KL l\'ICKWICK.
296
|
De eenooyige man schepte een glas bisschop | uit de bowl en dronk er van; deed een flink- j ken trek aan de Goudsche pijp, en riep Sam i Weller, die bij de deur stond te dralen, toe, : dat hij niet behoefde hoon te gaan, tenzij het lt; noodig ware, omdat het verhaal geen geheim i \\v;i3. Daarna vestigde hij zijne aogen op die van den waard en ging voort met de woorden van het volgende hoofdstuk. XL IX. BEVATTENDE IIET VEBHAAL VAN DEN OOM DES HANDELSREIZIGERS. ..Mijn oom, heeren,quot; zeide de handelsreiziger, „was f en der vroolijkste, aangenaamste en knapste kerels, die ooit geleefd hebben. Ik wou, dat gij hem gekend hadt. heeren, lij] nadere overweging wensch ik toch niet, dat gij hem gekend hadt, want in dat geval zoudt gij allen, naar den gewonen loop der natuur, op dit oogenblik, zoo niet dood, dan toch den dood zoo nabij zijn, dat gij hokvast zoudt zijn go-vvorden en de gezelschappen zoudt- hebben laten varen, hetgeen mij van het onschatbare genoegen zou beroofd hebben, u op dit oogenblik toe te spreken, Heeren, ik wou, dat uwe vaders en moeders mijn oom gekend hadden. Zij zouden verbazend veel van hem gehouden hebben, vooral uwe eerbiedwaardige moeders; dat weet ik. Indien er twee dingen uitmuntten boven de ven-, die hem tot eer strekten, dan waren het, zou ik zegden, zijne slappe punch en zijn avondgezang. Vergeeft mij, dat ik uitweid over deze droevige herinneringen aan verleden grootheid; gij zult niet elke week een man zien gelijk mijn oom. Ik heb het altijd voor een voornaam punt in mijn ooma karakter gehouden, heeren. dat hij de boezemvriend en makker was van Tom Smart uit het groote huis van Bilaon en islum. Uateaton-Street, City. Mijn oom haalde geld op voor Tig. in en Welp», maar gedurende een langen tijd, maakte hij vrij wel dezelfde reis als Tom; en den allereersten avond, dat zij elkander ontmoetten, vatte mijn oom genegenheid voor Tom en Tom voor mijn oom op. Zij wedden om een nieuwen hoed, voordat zij elkander een half uur gekend hadden, wie het beste oort punch kon aanmaken en ze het vluirste opdrinken. Men was van oordeel, dat mijn oom het icewmnen had, u it het aanmaken bctreCt, doch Torn Smart, overtrof hem in het drinken met ongeveer eon hal f zout lepel tji- vol. Zij namen elk nog een oort om op elkanders gezondheid te drinken en waren voortaan altijd trouwe vrienden. Het heeft zoo moeten wezen, heeren; wii kunnen het niet helpen. Wat zijn uiterlijk aangaat, was mijn oom een |
ziertje kleiner dan de middelgrootte; hij was i ook een beetje dikker dan het gewone slag van menschen, en misschien was zijn aangezicht een tintje rooder. Hij had het Icoddigsto gezicht, dat ge ooit gezien hebt, heeren: zoowat gelijk ; Punch met een mooier neus en kin: zijne pogen knipten en fonkelden altijd van goede luim; en een glimlach - niet een van uwe onbe- ; teekenende, droge, gemaakte lachjes, maar een werkelijk vroolijke, hartelijke, goed geluimde \' glimlach - stond voortdurend op zijn gelaat. Hij werd eens uit zijn sjees geworpen en sloeg met het hoofd voorover tegen een mijlsteen. Daar lag hij nu, bedwelmd en zoo geschonden in het gezicht, door eenig grint, dat er bij lag, dat, om mijn ooms eigen krachtige uitdrukking re, gebruiken, zijne moeder hem niet zou gekend hebben, indien zij weder op aarde had kunnen verschijnen. Inderdaad, wanneer ik aan de zaak denk, heeren, ben ik daar vrij zeker van, want zij stierf, toen mijn oom twee jaar en zeven maanden oud was, en ik houd het voor zeer waarschijnlijk, dat zelfs zonder het grint, zijne kaplaarzen do goede dame niet weinig in de war gebracht zouden hebben, om niets te zeggen van zijn koddig rood gezicht., Hoe het ook zij, daar l ig hij, er. ik heb mijn oom dikwijls hooren zeggen, dat ie man, die hem ophielp, zeide, dat hij (mijn oom) even vroolijk lachte, alsof hij bij wijze van traktatie uit de sjees getuimeld was, en dat, nadat men hem adergelaten had, hij de eerste flauwe trekken van wederkeerend leven gaf door in bed op te springen, in een luid gelach uit te barsten, de jonge vrouw, die de spoelkom vasthield,te kussen en dadelijk een schaapscotelet en eene ingemaakte noot te vragen. Hij hield zeer veel van ingemaakte noten, heereu. Hij vond altijd, zeide hij, dut zij zonder azijn genomen, het bier smakelijk maakten. Mijn ooms groote reis had plaats gedurend» het vallen der bladeren, wanneer hij geld ophaalde en bestellingen aannam in het noorden ; gaande van Londen naar Edinburg, vanEdin-burg naar Glasgow, van Glasgow terug naar Kdinbure en van daar naar Londen met de smalt. Gij moet begrijpen, dat zijn tweede bezoek aan Edinburg voor zijn eigen pleizier was. Hij placht er weer voor eene week heen te gaan, om zjine oude vrienden eens te gaan opzoeken; en door te ontbijten bij den eene, koffie te drinken bij den andere, te eten bij een derde en te soupeeren bij een vierde, maakte hij er gewoonlijk eene vrij voordeelige week-van, Ik weet niet of een van u, heeren, ooit heeft deelgenomen aan een echt, degelijk, gast vrij Schotsch ontbijt en dan is uitgegaan om zijn twaalfuurtje te nemen met een schepc oesters, mgeveer een dozijn flesschen ale en een paar kruikjes whiskey om te besluiten. Indien gii dat ooit gedaan hebt, zult gij mg toegeven. |
WHISKEY\' TODDY
|
I dat het een vrij sterk hoofd vereischt om latei-te gaan eten en soupeeren. Maar, lieve hemel, dat alles heteekende niets voor mijn oom I Hij kon er zoo goed tegen, I dat het voor hem slechts kinderspel was. Ik heb hem hooron zeggen, dat hij eiken dag met | de lui uit Dundee kon uitgaan,en \'s avonds huis-| waarts keeren zonder tezwaaien; en toch hebben die waarschijnlijk een even sterk hoofd en evon sterke punch, heeren, als gij tusschen de beide i polen zult aantreffen. Ik heb gehoord van een ; man uit Glasgow en een uit Dundee, die vijf-| tien uren achtereen tegen elkander op dronken. I Zij waren beiden, voor zoover men er zich van |
en om de vrooUjklieid te verhoogen. Het was een schitterend souper. Er waren gerookte zalm en Noorweegsche schelvischjes, een lamskop en een leverworst — een vermaarde Schotsche schotel, heerén, die, zooals mijn oom placht te zeggen, wanneer hij op tafel kwam, hem toescheen veel overeenkomst te hebben met een cupido\'s maag — en bovendien nog eene groote menigte andere dingen, waarvan ik denamen vergeten ben, doch die niettemin zeer goed waren. De deerns waren lief en aangenaam; de wethoudersvrouw een der beste schepselen, die ooit geleefd hebben; en mijn oom in een door en door goede stemming; hetgeen ten gevolge |
|
: kon overtuigen op hetzelfde oogenblik bedwelmd, ! maar deze kleinigheid;amp;argolaten, waren zij er geen ziertje minder om. Op een zekeren avond, nog geen vier entwintig uur voor den tijd, dien hij bepaald had l om scheep te gaan naar Londen, soupeerde mijn | oom bij een heel oud vriend, een zekeren wethouder Mac . . . met nog vier lettergrepen er i achter, die in het oude gedeelte van Kdinburg I woonde. Er waren de vrouw van den wet hou-i der, zijne drie dochters, zijn volwassen zoon i en drie of vier dikke spraakzame, oude :Schot-sehe lui met dikke wenkbrauwen, die de wethouder vergaard had ter i^ere van mijn oom |
at ue jonu\'o aaims m-n ganseiien giggeldeh en lachten, de oude dame het uitschaterde en di wethouder met de andere oude lui bulderden, totdat zij er rood van werden. Ik herinner mij niet juist meer, hoeveel glazen whiskey toddy •( iedere man dronk na het souper; maar dit, weet ik, dat omstreeks een uur in den morgen de volwassen zoon des wethouders bewusteloos werd, terwijl hij het eerste 1 Whiskey (vim ln\'t ICelti\'-clH\' uis^f honthn levenswater is Schotsche jenever, waaraan «Innr h\'-rooken met tnrt\' een bijzondere smaak i- gegeven. Whiskey toddy is whiskev mot warm water en suiker. Iquot;quot;.. |
|
298 SAM TEL 1J vers probeerde van „Wiinpje brouwde een spin- i tje mout;quot; en daar mijn oom al een half uur : de eenigc. man was geweest, die boven de tafel I zichtbaar was, viel het hem in, dat ln-r bijna lijd werd om heen te ^aan; vooral, omdat het | drinken om zeven uur begonnen was en hy ook | ; gaarne op een fatsoenlijk uur wilde thuiskomen. Maar, bedenkende, dat het misschien niet ■ ! heel beleefd was juist op dat oogenblik te gaan, ! verkoos hij zich zolven tot voorzitter, maakte I nog oen «las aan, stond op om op zijne nigen . gezondheid to drinken, hield tot zich zalven eene sierlijke en vleiende aanspraak en dronk eeru- toast met grooto geestdrift. Nog werd niemand wakker; daarom nam mijn oom nog een dropje ditmaal zuivere whiskey, om te maken dat hij geen hekel kreeg aan todcly en zijn hoed geweldig beetpakkende, ging hij de straat op. Het was een woeste winderige nacht, toen mijn oom de deur van den wethouder sloot, en nadat hij zijn hoed stevig op zijn hoofd had gezet, om (jon wind te verhinderen hem mee te nemen, stak hij zijne handen in den zak en kerk naar boven om eens even den staat van het weer op te nemen. De wolken dreven voorbij de maan met duizelingwekkende snelheid; nu eens haar geheel verduisterende, dan eens haar vergunnende m vollen luister te voerschijn te konilt; n en haar licht te werpen op allo voor- I werpen in het rond. om straks met vernieuwde | snelheid haar voorbij te drijven en alles in duisternis te hullen. „Werkelijk, dat kan zoo niet,quot; zc-ide mijn oom, terwijl hij het weer toesprak, alsof hij zich persoonlijk beleedigd gevoelde. „Da: is in hot geheel niet, wat ik : voor mijne p is noodig heb. Het deugt volstrekt niet,quot; zeide mijn oom met voel nadruk. Nadat hi, die woorden verscheidene malen herhaald ; had, herkreeu\' hij met eenige moeite zijn even-wi.\'ht - want hij was e-n beetje duizelig ge worden door het naar boven kijken — en stapte vroolijk voort. Het huis van den wethouder stond in ..the lt;\' inougatequot; en mijn oom ging naar het andere einde van Leith Walk, een goede drie kwartier looperi.s. Aan weerskanten verhieven zich naar den donkeren hemel hooge grimmige, eenzame huizen met door den tijd gehavende voorgevels en vensters, die iti het lot van de oogen der stervelingen schonen te doelen en van ouderdom d d\' en ingevallen te zijn geworden. Zes, zeven, acht verdiepingen hoog waren de huizen; verdieping gestapeld op verdieping, zoonis kinderen bouwen met kaarten; z(j wierpen hunne schaduw over den ruw bestraten wig en maakten d-n donkeren nacht nog donkerder. Menige lantaarns niet \'olielampen waren op grooto afstanden van elkaar verspreid, maar dienden slechts om den morsigen ingang aan te wijzen van ( on of andere nauwe stee-: ofte |
i(_K WK MC. toonen, waar oene gemeenschappelijke trap naar de verschillende bovenverdiepingen leidde. Terwijl mijn oom op al deze dingen een blik wierp met het gelaat van iemand, die ze te dikwijls gezien had om ze nu eene groote oplettendheid waardig te achten, ging hij midden in de straat loopen met een duim in elk vestzakje, en deed zich nu en dan te goed aan brokstukken van verschillende liederen, gezongen met zooveel goede luim en vuur, dat de rustige, goede menschen uit hun eersten slaap opschrikten en lagen to beven in hun bed, totdat het geluid in de verte wegstierf; en dan, gerustgesteld door het denkbeeld, dat hot slechts een of andere dronken deugniet was, die huiswaarts ging, zich warm toedekten en weer insliepen. Ik ben uitvoerig in het beschrijven, hoe myn oom midden door de straat liep met zijne duimen in zijne vestzakjes, hecren, omdat,zooals hij dikwijls placht te zeggen, en terecht, er niets bijzonders aan dit verhaal is, tenzij gij van den beginne af duidelijk begrijpt dat hij geenszins eene neiging had tot het wonderbaarlijke of romantische. Hoeren, mijn oom ging voort met zijne duimen in zijne vestzakjes, terwijl hij het midden der straat in beslag nam en nu eens oen vers van een minnelied dan eens van een drinklied zong, en wanneer hij beide moede werd een welluidend deuntje lloot, totdat hij de Noorder Brug bereikte, welke het oude en nieuwe gedeelte van Rdinbufg verbindt. Hier stond hij oen oogenblik stil om te zien naar de zonderlinge, onrogolmatige groepen van lichten, die boven elkander, in de verte zoo hoog in de lucht flikkerden, dat zij sterren geleken of waro luchtkasteelen schenen te verlichten, terwijl de oude, schilderachtige stad beneden in diepen slaap verzonken lag. in zeg, hoeren, mijn oom stond hier eene minuut stil om rond te zien, en ging dan even voornaam voort als te voren, terwijl hij het weer, dat een weinig opgeklaard was, hoewel do maan onderging, zijn compliment maakte en het midden van den weg hield met het gelaat van iemand, die wel eens had willen zien, dat hom dat rechtbotwistwerd. Docherwas toevallig niemand, die lust had daarover met hem te strijden; en dus schreed hij met de duimen in zijne vestzakjes en zachtzinnig als een lam voort. Toen mijn oom het einde van Leith Walk bereid had, moest hij een vrij groot stuk woes-ten grond oversteken, dat hem scheidde van eene korte straat, waardoor hij regelrecht naar huis kon -\'aan. Nu was or dien tijde op dit stuk woesten grond eene omheinde ruimte, die toebehoorde aan een wagenmaker, die met de Post eene overeenkomst had aangegaan betreffende het koopen van oude, versleten postwagens; en daar mijn oom zeer veel van wagens |
|
PLOTSELIXliE GKIV ! hield, onverschillig of zij oud, nieuw of\' tus-i schenbeide waren, kreeg iiij In t dadelijk in den zin van zijn weg af te wijken met geen ander j doel dan door de omheining naar deze wagens ; te kijken, waarvan hij zich herinnerde onge-1 veer een dozijn gezien te hebben en die nu in een zeer verlaten en onttakelden toestand op een hoop stonden. Mijn oom was een zeer ! voortvarend, vastberaden persoontje en daar hij vond, dat hij door de omheining niet goed een kijkje nemen kon, klom hij er overheen en begon, terwijl hij zich bedaard op eene oude as neerzette, de postwagen met veel ernst te be schouwen. Er waren er misschien een dozijn of meer 1 mijn oom was hieromtrent niet zeker, on daar ; hij eene angstvallige waarheidsliefde aangaande | getallen bezat, wilde hij daar gaarne af zijn -maar daar stonden zij allen op i-u lioop in den ellendigsten staat, dien men bed nken kan. De portieren waren uit de hengels gelicht en ver wijderd; de bekleeding was er uitgetrokken; slechts een reep hing hier of daar aan een verroesten nagel; de lantaarns en de dissel-hoornen waren verdwenen, het. ijzerwerk was roestig en de verf afgesleten; de wind lloot door de reten in het naakte houtwerk; en de regen, die zich op het; bovendek verzameld had viel drupsgewijze met een hollen,akeligen klank naar binnen. Het waren de vervallen geraamten van af-gedankte wagens, die er op die eenzame plaats | en op dien tijd van den nacht, kil en naar uit zagen. Mijn oom liet het hoofd op zyne handen rusten en dacht aan de drukke, werkzame mensehen, die jaren te voren in do oude wagens waren voortgerold en nu even stil en veranderd waren; hij dacht aan de menigte men-schen, wien een dezer versleten, vermolmde voertuigen gedurende vele jaren eiken avond, weer of geen weer. het met spanning verwachte bericht, den gretig verbeiden postwissel, de beloofde tijding aangaande gezondheid en vei ligheid, de plotselinge aaitkondigiög van ziekte en dood had overgebracht. De kóópman, de minnaar, de vrouw, de weduwe, do moeder, de scholier, zelfs het kind.\'da\' naa.r de denr wag gelde bij het kloppen van den briovenbestel-ler, hoe hadden zij allen uitgezien naar de aankomst van dun ouden wagon! Kn waar wa | ren zij nu allen? Ih eren, mijn oom placht te zeggen, dat hij op dat oogenblik aan dat alles dacht, maar ik vermoed, dat hij het later in een of ander hoek | heeft gelez.\'ii, want hij ga.f duidelijk te kennen. : dat hij in eene soort van slaap viel, toen h(,j op de oude as naar de vervallen postwagen zat i te kijken, en dat hij plotseling gewekt werd door eene torenklok, die meteen hollen klank j twee uur sloeg. Nu is mijn oom nooit een |
NTE VERWISSELING. 299 1 vlug denker geweest, en indien hij aan al die dingen gedacht had. zou hij zeker op zijn aller ! minst tot goed half drie werk gehad hebben, j Ik bon daarom bepaald van opinie, heeren, dat mijn oom in slaap viel zonder aan iets gedacht te hebben. Hoe het ook zij, eene torenklok sloeg twee j uur. Mijn oom ontwaakte, wreef zijne oogen en : sprong verbaasd op. Een oogenblik, nadat de klok twee geslagen i had, was die geheele verlaten en stille plek ; een tafereel geworden van buitengewone levendigheid en opgewektheid. De portieren der wagens hingen weer in de heugels, de bekleeding was hersteld, het ijzerwerk was zoo goed als nieuw, de verf was weer aangebracht, delan- , taarns waren aan, kussens en overjassen lagen op eiken bok, dragers wierpen pakjes onder elke bank, conducteurs laadden brievenzakken in, ; stalknechts wierpen emmers water tegen de ; vernieuwde wielen; eene menigte mannen lie j pen rond en staken een disselboom in eiken | wagen; passagiers kwamen aan, valiezen werden naar boven gereikt, paarden werden aangespannen; in het kort, het was volkomen i duidelijk, dat elke postwagen dadelijk zou vertrekken. Heeren, mijn oom opende zijne oogen j bij da\' alle- zoo wijd, dat hij zich tot het i laatste oogenblik z\\ins levens verwonderde, hoe het kwam, dat hij ze ooit weer heeft kunnen openen, „Kom aan,quot; /.ei e ne stem, toen mijn oom eene hand op zijn schouder voelde. „Gij zijt geboekt voor eene plaats binnen in, (Hj mie-H\' maar instappen.quot; „Ik geboektlquot; zei mijn oom, zich omk.e-rende. .Ja, Zeker.quot; Mijn oom kon niets zeggen, heeren,zoo verbaasd was hij. Het vreemdste Van al was, dat, \' hoewel er zulk e no menigte menschen waren, en zich elk oogenblik nieuwe gezichten vertoonden, men niet kou zegden, waar zij vandaan kwamen: zij schenen op eene zonderlinge wijze uit don grond of uit de lucht te komen en óp dezelfde manier wei.-r te verdwijnen. Wanneer een drager zijn bagaee in den wagen gezet en zijn gold ontvangen had, keerde 1 hij zich om en was verdwenen; en voordat mijn oom zich kon verwonderen ovevzijn verdwijnen. kwamen er eon half dozijn andere te Voorschijn, die voortsukkelden onder liet ge wicht van pakken, welke groot gene\' g schenen om hen te verpletteren. De passagiers waren ook allen zoo zonderling gekleed groote ir--galeneerde jassen met lange panden, groote opslagen en zonder kragen; en pruiken, heeren, ■ gnjöie stijve pruiken met een vlecht van achteren. Mijn oom kon er geeiie leegte van krijgen. „Nu, stapt gij in of niet .\'quot; /• i de persoon. |
aoo SAM l.\'EL PICKWICK.
|
die mijn oom te voren hiid aangesproken. Hu was gekleed als een conducteur, met eene pruik op het hoofd, vervaarlijk groote opslagen aan zijne jas, eene lantaarn in de eene hand en in de andere een zeer groote donderbus, die h;j bezig was in zijn handkoft\'erlje te stoppen. „Stapt gil i in of niet. Jack Martin ?quot;zei de conducteur, terwijl hij mijn oom de lantaarn voor het gezicht | hield. .Zeg eens!quot; zei mijn oom, een paar passen achteruit gaande. „Dat is familiaar 1quot; ..Zoo staat het op de passagierslijst,quot; antwoordde de conducteur. „Staat er geen Mijnheer voor?quot; zei mijn oom; want hij vond, heeren, dat indien de Post het : geweten had, zij het zou hebben afgekeurd, dat enti conducteur, dien mijn oom niet kende, liem Jack Martin had genoemd, „.Veen,quot; hernam de conducteur koeltjes, „Is do vracht betaald?quot; vroeg mijn oom, „XatuurUik,quot; antwoordde de conducteur, „Zoo?quot; zei mijn oom. „Komaan dan maar; wt-lto wagi-n ?quot; / - Deze,quot; zei de eondueteur, terwijl hij wees op een ouderweischeii Edinburg-Londenschen postwagen, waarvan de tree was nei\'rgelaten 1 en het portier openstond. „Wacht; hier zijn de andere passagiers. Laat hen eerst instappen.quot; Terwijl de conducteur dit zeide, verscheen | er eensklaps vlak voor mijn oom een jong heer met • ■ ne g-po-jerde pi\'uik, eene hemelsblauwe met zilver gehorduurd, en met zeer ruime jein-ien, diquot; not buckram •„\'\'•voérd waren. Tig-•-.n en Welps d -len in gedrukt katoen on vest.-ngoed, ht-ereu, dus kende mijn oom dade ■ uk alle stoffen. Genoemde heer droeg eene korte br. \' k, lt; • ne soort van lange slobkousen over zijne zijden kousen, en schoenen met nes-pon; hij had plooisels in de mouwen, een drie-kantiixen hoed op le t hoofd en een lang spits zwaard op zij. Zijn vest reikte hem tot half over de dijen en dlt;- einden van zijne dashin-op zijn middel. Hij staptquot; deftig naar het portinr, rukte /i;n hood af en hield hem een iim ver boven zijn hoofd, terwijl hij tevens O.- pink in de hoogte stak, zooals sommige gemaakte tm-nschen i. en, wame er zij een kopje thee drinken. Daarna \'rok hij zime voeten bijeen, maakte ren diepe, deftige buiging en stak vervolgen» zijne linkerhand uil. Mijn oom wilde juist op hem toestappen om hom harte-Hik de hand te drukken, toen hij bemerkte, dat deze beleefdheden niet voor hem, maar voor eene jonge dame waren, die juist op dat OOgen-blik bij de trede verscheen, gekleed in een ouderwetsch groen tluweelen gewaad, met ee.i iang lijf en overhemdje. Zij luid geen hoed op, heeren, maar een zwart zijden doek om het hoofd geslagen; zij keek eventjes om, toen zij in den wagen wilde s\'appen, en vei toondo zulk |
een schoon gelaat, als mijn oom nog nooit gezien had, zelfs niet op eene schilderij, Zü stapte in, terwijl zij haar kleed met ééne hand ophield; en, zooals mijn oom alijd zei met een knoop erop, wanneer hij het vertelde, zou hij niet geloofd hebben, dat beenen en voeten zulk een staat van volmaaktheid konden bereiken, als hij ze niet met eigen oogen gezien had. Maar, hoewel mijn oom het schoons gelaat slechts even gezien had, had hij opgemerkt, dat de jonge dame een smeekenden blik op hem had geworpen en angstig en bedroefd scheen te zijn. Hij had ook gezien, dat de jonge man met de gepoeierde pruik, in weerwil van zijn vertoon van galanterie haar stevig bij den arm pakte, toon zy instapte en haar dadelijk gevolgd was. Ben buitengewoon leelijke kerel met eene gladde, bruine pruik, een donkerpaars pak, een zeer groot zwaard en laarzen tot aan zijne heupen, behoorde tot het ! gezelschap; en toen hij naast de jonge dame ging zitten, die bij zijne nadering in een hoek wegkroop, werd mijn oom bevestigd in zijne oorspronkelijke meening, dat er iets geheimzinnigs gaande was, of, zooals hij zélf altijd zeide, dat er ergens een steekje los was. Het is bepaald verrassend, hoe spoedig hij besloot de jonge dame, met welk gevaar ook voor zich zei ven, te helpen, indien het noodig was, „Dood en bliksem!quot; riep de jonge man uit, zijne hand op het zwaard leggende, toen mijn oom binnenkwam, „Bloed en donder!quot; bulderde do andere man. Hierop trok hij zijn zwaard en deed zonder complimenten een uitval naar mijn oom. Mijn oom had geen wapen bij zich, maar greep den leelijken kerel met groote behendigheid zijn driekantigen hoed van het hoofd, kreeg de punt van het zwaard juist door den bol, drukte den hoed ineen en hield het stevig vast, „Prik hem van achteren,quot; riep de leelijke man tot zijn metgezel, terwijl hij worstelde om zijn : zwaard terug te krijgen, „Als hij het hart heeft,quot; schreeuwde mijn oom, terwijl hij op eene dreigende manier den hak \'van een zijner schoenen toonde. „Ik sla hem zijne hersens uit. als hij et heeft, of anders verbrijzel ik zijn kop.quot; Op ditoogenblik: al zijne ; k r a c h t i n s p a n n e n d e, r u k f e m ij n o o m d e n I e e 1 ij k e n I man het zwaard uit de handen en wierp het juist i het raam uit, waarop de jongeheer nogmaals „Dood en bliksem!quot; riep, en op eene zeer dappere manier zijn zwaard greep, maar het: niet trok. Misschien was hij bang, heeren, zooals mijn oom j glimlachend placht te zeggen, de jonge dame schrik aan te jagen. ..N\'u heeren,quot; zei mijn oom, terwijl hij met vastberadenheid ging zitten, „ik heb geen lust in de tegenwoordigheid eener dame gedood te worden, hetzij met of zonder bliksem, boven- |
301
|
dien hebben wij op deze n is bloed en donder genoeg gehad; als gij er dus genoegen mede neemt, zullen we stilletjes biyven zitten. Hier, conducteur, raap het kaasmes van dien heer I eens op.quot; Zoodra mijn oom dit zeide, verscheen de conducteur aan het portier met het zwaard in de hand. Hij hield zijne lantaarn omhoog en keek mijn oom ernstig aan, toen hij het bin-nenreikte. Op dat oogenblik zag mijn oom tot zijne groote verbazing bij het licht der lantaarn, dat het rondom het portier wemelde van conducteurs, die allen hunne oogen ernstig op hem gevestigd hielden. Hij had zyn geheele leven zulk eene zee van witte gezichten en roode lichamen nog niet gezien. „Dat is hot vreemdste, dat ik ooit heb aan-getroilen,quot; dacht, mijn uom. „Mag ik u uw hoed teruggeven, mijnheer?quot; De leelijke heer nam zijn hoed stilzwijgend aan, keek naar het gat in den bol met een vragenden blik en zette hem eindelijk op zijne pruik met groote deftigheid, die een weinig werd verminderd, doordat hij op hetzelfde oogenblik hevig moest niezen en den hoed weer j van het hoofd liet vallen. „In orde!quot; riep de conducteur met de lan-j taarn, terwijl hii achter opstapte. Weggingen I zij. Mijn oom keek uit het portier, toen zij de i binnenplaats uitreden en merkte op, dat andere \' postwagens met postiljons, conducteurs, paar-! den en passagiers in de rondte reden mot do geringe snelheid van vijf mijlen per uur. Mijn ; oom brandde van verontwaardiging, hei ren. Als 1 een handelsman gevoelde hij, dat men geen ! loopje moest nemen met de brievenzakken m | besloot een adres in to dienen bij de postdiroc tie, zoodra hij Londen bereikte. Op het oogenblik waren zijne gedachten meei ! bij de jonge dame, die in den versten hoek van den wagen zat, met het hoofd zorgvuldig iu ; haar omslagdoek gewikkeld, terwijl de lieer met de hemelsblauwe jas tegenover haar en dn man met het donkerpaarse pak naast haar zat en beiden haar goed in het oog hielden. Als zij maar even haar omslagdoek deed ritse-1 len, kon mijn oom den leeii.ikon man zijn zwaard . hoeren grijpen en uit de- ademhaling van den andere opmaken (het was zoo donker, dat hij | zijn gelaat niet zien kon), dat hij zich zoo op ; wónd, alsof hij haar ineens wilde verslinden. Dit wekte meer en meer mijn ooms belang stelling op en hij besloot, wat er ook gebeuren mocht, er tot het einde toe bij te blijven. Hij i was vol bewondering voor heldere oogen. lieve I gezichten, en mooie boenen en voeten; in het | kort hij hield van alle vrouwen. Het zit, in on/e familie, heeren ik houd er ook van. |
Talrijk waren de kunstgrepen, dio mijn oom j \':e haat. nam om de oplettendheid der dame te \' trekken of met den gi-heirnzinniiren hoor oen gesprek aan te knoopen. Zij waren alle vergeefse h ; de heer wilde niet praten en de dame durfde niet. Hij stak liet hoofd nu en dan het portier uit en schreeuwde hard om te weten te komen waarom zij niet sneller reden. Hij schreeuwde totdat hij heesch was, maar niemand sloeg de minste acht op hein. Hij ging achterover in den wagen liggen en dacht aan het mooie gezicht, de voeten en de beenen. Dat was beter; het kortte den tijd en verhinderde hom zich te verwonderen; waar hij heen ging en hoe het kwam, dat hij zich in zulk lt; en zonderlingen toestand bevond. Niet dat het hem erg zou gekweld hebben, want hij was een zeer vrijmoedig, insehik\'kelijk wispelturig en onverschillig persoontje, die oom, heeren. Plotseling stond de wagen stil. „Hola!quot; riep mijn oom, „wat is er nu aan de hand?\' „Hier uitstappen quot; zei de conducteur, terwijl hij de tree neerliet. „Hier?quot; schreeuwde mijn oom. „Hier!quot; hernam de conducteur. „Daar kan niets van komen,quot; zei mijn oom. ..Heel goed, blijf dan maar waar gij zijt,quot; zei de eonductenr, „Dat zal ik doen,quot; zei mijn oom, „(Ja uw gang maai\',quot; zei de conducteur. De andere passagiers hadden deze samenspraak met groote oplettendheid aangehoord, en daar zij merkten, dat mijn oom vast besloten had niet uit te stappen, drong de jongste hem voorbij om de dame uit den wagen llt; heipon. Op dit oogenblik onderzocht de leelijke man het gat in den bol van zijn driekantigen hoed. Toen de jonge dame voorbijschoof, liet zi.i een harer handschoenen in mijn\'ooms hand vallen en terwijl zij hare lippen zoo dicht bij miju ooms gezicht bracht, dat hij haar warmen adem op zijn neus voelde, lluisterde zij zachtjes het enkele woord „hulp!quot; Heeren, miju oom sprong dadelijk met zulk een drift de koets uit. dat ze hevig op de veeren schommelde. „Ha! gij hebt u bedacht, is niet?quot; zei de conducteur, toen hij mijn oom op den grond zag staan. „Mijn oom zag den conducteur eeni-re «eeon den aan, twijfelende, et hot. niet goed zou zijn hom zijne donderbus afhandig te maken, ze in het. gezicht van den man met het groote zwaard af te schieten, de rest van hel gezelschap met don laadstok op het hoofd te slaan, de jonge dame beet te pakken én zich in den kruitdamp uit de voeten :e maken. Bij nadeie overweging liet hij dit plan echter varen, daar hei een weinig te tragedisch was om het uit te voeren, en volgde de beide geheimzinnige mannen, die met de dam\'- in hun midden een oud huis bin-nengingen, tegenover hetwelk d( wagen had stil gehouden. Zi.i gingen do gang in, gevolgd door mijn oom. Van allo gebouwen, die mijn oom ooit gezien |
! 802 SAMUEL PICKWICK.
|
had, was dit het raec.stbouwvallig en verlaten, i Het zag ei; uit, alsof het eens ei ae groote uit-i spanningsplaats goweeat was, maar het dak was i op\' verachaidene plaatsen ingevallen en de trnp-I pen waren steil, ongelijk mi versleten. Er was | een groot\'.* haard in de kamer, die zij binnengingen en de schoorsteen was zwart van den rook; doch geen warm vuur verspreidde thans * | zijn licht. De witte vederachtige asch van ver-: brand hout lag nog op den haard, maar de vuurpot was koud en alles donker en akelig. „Nu,quot; zei mijn oom, toen hij rond kc-k, „het 1 1 is wel war gek, geloof ik, met een post wagen i te reizen met eene snelheid van zes en eene : halve mijl per uur en dan in een hol als dit voor een onbepaalden tijd stil te houden. Het | zal bekend gemaakt worden; ik zal een stuk in de nieuwsbladen Z(:^ n.quot; Mijn oom zei dat met eene tamelijk luide ; stem en op eene rondborstige, vrijmoedige wijze ; met het doel om de beidr vreemdelingen aan het spreken te brengen. Maar de eenige notitie, die zij van hem namen was, dat zij tot elkander fluisterden, terwijl zij hem kwaad aanki\' ken. De dame was in het andere einde van de | kamer en waagde het eens met haar hand te 5 wuiven, alsof zy mijn oom om bijstand smeekte. Eindelijk, traden de beide vreemdelingen een weinig nader en begon het gesprek in ernst. O ij schijnt niet te weten, dat dit eene be-sprokon kamer is, kerel!quot; zei do heer in het 1 hemelsblauw. „Neen, kerel, dat weet ik niet,quot; antwoordde mijn oom. ...Maar als dit eene kamer is, die-Ni. rat besteld is, zou ik denken, dat de alge . meene kanier .tl Z\' er gezellig mod zijn.quot; Met deze woorden ging mijn oom in een stoel met • hoogen rug zitten en nam mot zijne oogen zoo : juist de maat van genoemden Iver, dat Tiggin ca WVlps h-\'ift volgens dM-baitine ««-dnikt I ; katoen voor een pak hnddeii kunnen leveren en dat wel oi duim te veel of te weinig. „Ga de kamer uit,quot; zeiden beidi\'mannen tegelijk, tervvijl zij hun zwaard grein n. , Wat belieft?quot; Z(\'i mijn oom, die hunne bedoeling iiU i scheen te begrijpen. ..(ia de kamer uit, of gij zijt e.-n man dlt; s doods,quot; ze-i de leolijke kerel met het groote zwaard, o-rwiji hij het meteen uit de schevde 1 trok en in h\'-e rond zwaaide. .. W iv met hem:quot; riep de heer in het. hemelsblauw, ins-elijks zijn zwaard trekkende \'-n on paai passou aditeruitgeinde. „Weg met hem 1quot; De dame _ia.f een luiden gil. Vu muntte mijn oom altijd uit door groote stoutrnoed iiheid en groote- tege-nwoordighe-id van geest. Óodurende al den tijd, dat hij zoo j onverschillig schet-n voor hetgi-i-n er gebem Ie, \' had Inj sluw rondgezien naar een werptuig of waj i n. en op hetzelfde oogenblik, dat de zwaarden getrokken wérden, ontwaarde hij in den |
hoek naast den schoorsteen een oud rapier met opengewerkt gevest, in eene verroeste scheede. Met i en sprong greep mijn oom het, trok liet uit de schoede, zwaaide het dapper boven zijn hoofd, riep de dame luide toe uit den weg te | gaan, slingerde den stoel naar den man in het ? hemelsblauw en de scheede naar dien in hot don- | kerpaars, en gebruik makende van de verwar- | ring, viel hij hun beiden holderdebolder op het lt; Ujf. Heeren, er bestaat een oud verhaal — waar, maar daarom niet slechter - betreffende een knap, jong iersch heer, (tie op de vraag, of h;j viool kon spelen, antwoordde, dat hij het wel meende te kunnen, doch het niet zeker kon zeggen, omdat hij hot nooit geprobeerd had. Dat is niet ontoepasselijk op mijn oom en zijn schermen. Hij had nog nooit een zwaard in de hand ge- i had, behalve e-e-ns, toen hij in Richard den Derde j speelde op een lief heb berytooneel: bij welke ge- | legen beid er met Richmond afgesproken was, dat hij zich van achteren zou laten doorste- I ken, zonder iets tegen te doen; maar hier was hij aan het houwen en splyten met twee erva- j ren krijgslieden, viel uit, pareerde, pookte, sneed en kweet, zich op do manhaftigste en behendigste wijze van zijnetaak, ofschoon hij tot op : dit oogenblik nooit gemerkt had, dat hij de minste bedrevenheid in de kunst had. Dit bewijst alweer, hoe waar het oude spreekwoord is dat oen rnènsch nooit weet Wat hy kan, voor- 1 dat hij er do proef van neemt, heeren. Het geraas van den strijd was verschrikko-Ujk; eik der drie strijders vloekte als oen ket- i ter, en hunne zwaarden kletterden meteen leven, alsof al de messen en stalen voorwerpen van .Vowport Market tegelijkertijd teg\'-n ; elkander rammelden. To- n de strijd op het b-evst was, trok de dame, waarschijnlijk om mijn oom aan te moedigen, haar doek geheel van hei gezicht, af en vertoonde een gelaat van zulk eene verblindende schoonheid, dat hy te-glt;-n vijftig man zou hebben willen vechten om er r-n glimlachje van te ontvangen endante sterven. Hy had reeds te voren wonderen gedaan, maar nu begon hij er op los te slaan, als een razende, dolzinnige reus. Op dit oogenblik liet de heer In het hemelsblauw, die omkeerde en zag, dat de jonge dame haar gelaat, ontbloot had, \' en uitroep hooien . van woede en jaloerschheid; en zijn wapen naar haar schoenen boezem keerende, richtte hij het op haar hart. hetgeen mijn oom een angstkreet deed slaken, die door het geheele gebouw weerklonk. De dame sprong vlug op i zij en den jongen man het zwaard tdt de hand grijpende, voordat hij zijn evenwicht terug had, dreef zij he-m naar den muur, en spelde hem daar stevig vast, door het zwaard tot aan het gev.-st,d Kir zijn lijf e-n het paneelwerk te steken. Dat was een schitterend voorbeeld. Mijn oom |
KIDDEI
;[D.
308
|
1 deed met een luiden triomfkreet en eene onweerstaanbare kracht zijn tegenstander indezelf-! de richting achteruit gaan, en terwijl hij het oude rapier juist midden door eenamp;groote bloem ! van zijn vest stiet, klonk iiij hem vast naast j zijn vriend. Daar stonden zij nu beiden, heeren, terwijl zij zieltogende hunne armen en beenen rondsloegen, als de hansworsten, die door een | touwtje worden in beweging gebracht. Mijn | oom zeide later altijd, dat dit een der veiligste middelen was, die hij kende, om een vijand van kant te maken; maar er was iets tegen, wat de kosten aanging, daar met het dooden : van eiken man het verlies van oen zwaard go-paard ging. „De post, de post!quot; riep de dame, naar mijn oom toeloopende eft hare schoone armen om ! zijn hals werpende: „wij kunnen nog ontkomen.quot; „Kunnen?quot; riep mijn oom uit; „wel, mijne waarde, er is toch niemand anders meer te dooden, is wei?quot; Mijn oom was eenigszins teleurgesteld, heeren, want hij dacht, dat een beetje vrijen na de slachting aangenaam zou zijn, al was het alleen maar voor de verandering. „Wij hebben hier geen oogen\'Jik te verliezen,quot; zi-i de jonge dame. „Dat (wijzende op den jongenheer in het hemelsblauw) is de i•enige zoon van den machtigen Markies van Kille-toville, „Welnu, mijn waarde, ik ben bang dat bij : dien titel nooit zal krijgen,quot; zei mijn oom, terwijl hij koel naar den jongen man zag, die zooals ik beschreven heb, ais een meikever te-• • n den muur gestoken was. ..Gij hebt de erf-üiaking vernietigd, mijn liefje,quot; „Ik ben door deze schurken van huis en vrienden weggerukt,quot; zei de de jonge dame, terwijl haar gelaat van verontwaardiging gloeide, „Die helm daar zou mij binnen een uur met ge i weid getrouwd hebben.quot; „Vervloekt zij zijne onbeschaamdheid!quot; zei I iiH:n oom, een zeer veraohtelijken blik vver-1 nde op den stervenden erfgenaam van Kille-; loville. ..Zooals gij\' kunt opmaken uit hetgeen gij -■zien hebt,quot; zei de jonge dame, ..stond het gezelschap klaar om mij te vermoorden, als ik mij tot iemand om hulp wenddo; Indien hunne | medeplichtigen ons hier vinden, is het met ons -•■daan. Over twee minuten kan hel te laat zijn. \'•■ post!quot; Bij deze woorden viel zü, overstelpt •ieor hare aandoeningen en de inspanning, die lo t haar gekost had om den jongen Markies vau Killetoville dood te steken, in mijn ooms armen Mijn oom ving haar op en bracht haar quot;aar de voordeur Daar stond do postkoets loet vier langstaartige, getuigde, zwarte paarden niet golvende manen; maar er was geen koet si\'-r, geen conducteur, zelfs geen stalknecht bij. |
Heeren, ik hoop mijn ooms nagedachtenis geen onrecht aan te doen door te zeggen, dat, hoewel vrijgezel, hij al meer dames in zijne armen gehouden had; inderdaad ik geloof, dat hij er eene gewoonte van maakte, buffetjuffrouwen te kussen; en ik weet van geloofwaardige getuigen, dat hij eens of tweemaal eene waardin op eene zeer gevoelige manier aan zijn hart heeft gedrukt, ik wijs op die omstandigheden om aan te toonen, wat eene bijzondere persoon die schoone dame moet geweest zijn, om mijn oom zoo te betoovereh; hij placht te zeggen, dat zoolang haar lang donker haar over zijn arm hing, en hare schoone oogen hem aanzagen, toen zij bijkwam, hij zich zoo vreemd en zenuwachtig gevoelde, dat zijne beenen onder hem beefden. Maar wie kan in een paar zachte, lieve oogen zien, zonder een vreemd gevoel te krijgen? Ik niet, heeren. Ik bon bang in een paar pogen te zien, die ik ken, om u de waarheid te zeggen.quot; „Gij zult mij nooit verlaten,quot; tluisterde de jonge dame, „Nooit,quot; zei mijn oom. En hij meende het ook, ..Mijn dierbare redder!quot; riep de jonge dame uit, „Mijn lieve, goede, dappere redder!quot; „Houd op,quot; zei mijn oom, haar in de rode vallende. . quot;Waarom ?quot; vroeg do jonge dame, „Omdat uw mond zoo schoon is, wanneer gij spreekt,quot; hernam mijn oom, „dat ik vrees, ruw genoeg te zullen zijn, er een kus op te geven.quot; Do jonge dame hief hare hand op om mijn oom te beletten het te doen, en zeide neen, zij zeide niets, zij glimlachte. Wanneer gij naar een paar der schoonste lippen der wereld kijkt en ze langzaam zich tot een schelm-schen glimlach ziet plooien — a!s gij er zeer dicht bi j zijt en niemand anders tegenwoordig is kunt gij uwe bewondering van hunne schoone gedaante en kleur niet beter uitdrukken, dan door ze dadelijk te kussen, Dat dci d mijn oom, en ik acht hem erom, „Luisier!quot; riep de jongedame, schrikkende, „Het geraas van wielen en paarden 1quot; „Dat is lïet,quot; zei mijn oom, luisterend^. Ilij had een goed oor voor wielen en pliardenge-trapp\'1; maar er schenen zooveel paarden en rijtuigen uit devorte naar hem toe te jakkrreti, dal het onmogelijk was naar hun aantalle gissen. Het geluid geleek op dat van vijftig hoefstallen met zes volbloed paarden in elk, „Wij worden vervolgd!quot; riep de jongi- dame, haar handen in elkaar slaande. „Wij worden Vervolgd Mijne eenige hoop rust op u!quot; Kr stond zulk eene uitdrukking van schrik op haar gelaat, dat mijn oom dadelijk ■•on besluit nam. Hij lichtte heir in de koets, zei, dat, zij niet bang moest zijn, drukte zijne |
SAM UKL PICKWICK.
304
|
lippen nogmaals op de hare eu sieeg op den liok, ua haar aangeraden te hebben het raam op te trekken, om de koude lucht buiten te houden. „Wacht eens,quot; lieverd, riep de jonge dame. „ Wat scheelt eraan?quot; Zii mijn oom van den bok. „Ik moet u spreken,quot; zei de jonge dame; ..maar één woordjr, mijn liefste.\'\'\' ...Moet ik afstappen?quot; vroeg mijn oom. De dame antwoordde niet. maar glimlachte weer. Wat een glimlach 1 hij deed den vorigen geheel in het niet zinken. Mijn oom daalde in een oogwenk van zijne zitplaats af. „Wat is het, mijne beste?quot; zei mijn oom door hot raam ziende. Du dame leunde toe-vallig op hetzelfde oogenblik Vöorovi-r en mijn oom dacht, dat zij schooner scheen dan ooit te voren. Hij was toen zeer dicht bij haar, dus moet hij het wel weten. „Wiit is er, mijne beste?quot; zei mijn oom. ..Wilt gij nooit iemand bnninnen behalve mij en nooit iemand undeis trouwen?quot; zei de jonge dame. Mijn oom deed er een plechtigen eed op, dal hij nooit mot iemand anders zou trouwen, en de jonge dame trok haai hoofd binnen en het raam omhoog. Hij sprong op den bok, zette zich in postuur, nam de leidsels, greep di\' zweep, die op de koets lag, gaf het rechter paard i en tik en weg gingen 4e vier langstaart ige, zwarte paarden met golvende manen en eene snelhe id van vijftien goede mijlen per uur: Wat snorden zij voort. Het geraas achter hi-n word luider. Hoe sneller de oude wagen ging, des te sneller kwamen de vervolgers inerischen, paarden, honden, alKs spande samen. Het leven was verschrikkelijk, doch boven alles verhief zich de Mem der jonge dame, die mijn oom aanzKte en gilde: ..sneller, snellerlquot; Zij vlogen voorbij de donkere boomen, zoo vluur als veeren voor een orkaan. Huizen, hekken, kerken, hooibergen, voorwerpen van elke soon snorden zij voorbij met eene snelheid en een geraas, zooals bruischende waters plotseling laten hooien. Nog altijd werd het geraas der vervolgers luider, en nog altijd kon mijn \'oom de jonge dame wO\' St hoorenschreeuwen: „sneller, sneller!quot; Mijn oom hanteerde zweep en leidsel, de paarden vlogen voort, totdat zij schuimbekten en li•cli word hei geraas van achteren heviger en riop de jonge dame: „sneller, sneller!quot; Mijn oom gaf op hot kritieke oogenblik een harden stamp en vond dat de morgenschemering was begonnen en hij op eene wagenmakerswerf op den bok van een ouden Kdinburgschen postwagen zat. bevende van nat en kou en met de voeten stampende om ze warm te maken. — Hij steeg af en keek verlangend naar binnen om de jonge dame te zien: Helaas! er was noch portier noch zitting aan de koets — het was maar een romp. |
Natuurlijk wist mijn oom zeer goed, dat er iets geheimzinnigs achter stak en dat alles juist zoo gebeurd was, als hij het placht te vertellen. Hij bleef getrouw aan den eed, dien hij de jonge dame gedaan had: hij wees om harentwil verscheidene niet te versmaden waardinnen van de hand en stierf eindelijk als vrijgezel. Hij zeide altijd, hoe zonderling het was, dat hij door toevallig over die omheining te klimmen, ontdekt had, dat; de geesten van postkoetsen paarden, conducteurs, koetsiers en passagiers gewoon waren eiken nacht,-eene reis te maken; lui voegde er bij, dat hij de eenige levende geloofde te zijn, die ooit aan een dezer uitstapjes had deelgenomen; en ik geloof, dat hij gelijk had, heeren — ik heb ten minste nog nooit van een anderen gehoord. „Ik zou wel eens willen weten, wat die geesten van postwagens in de brievenzakken vervoeren,quot; zei de waard, die met groote oplettendheid het geheele verhaal had aangehoord. „Natuurlijk onbestelbare brieven,quot; zei de reiziger. . O. ja., dat is waar,quot; hernam de waard. „Daar had ik nooit aan gedacht.quot; HOK l\'ICKWICK -NAAK BIRJt t^O H A.M HK1SDE, OM MET DE-N OUDKN HKER W1SICLE TB ONDEB-HANDELEN, EN HOE HIJ EEN ONVEU-WACHTEN REtSUKNOOT KREEO. Precies kwart vóór negenen werden de paar den voorgespannen, en\' nadat Pickwick en Sam in het rijtuig plaatshaddon genomen, ontving de postiljon bevel, om eerst naar het huis van mijnheer Sawyer te rijden, ten einde Boni1 min op te nemen. Zoodra hei rijtuig voor de deur met het in \'toogvallende Opschrift. „Sawyer, opvolger van Nockenmorf\' stilhield, stak Pickwick zijn hoofd uit het portier en zag tot zijne niet ge ringe verbazing, dat de jongen met het grijze pak druk bezig was met de luiken voor de vensters te zetten. Dit was op dat uur van dei-dag een zoo ongewoon bedrijf, dat het terstond twee denkbeelden in Pickwick\'s geest deed opkomen: het eerste, dat. er een bijzonder goe i vriend en patient, van den heer Sawyer over- |
EKN VROOLIJKE RlvISGEXOOT.
|
leden was; rte tweede, dat die heer zelf bankroet was. „Wat is er te doen ?quot; riep Pickwick den jongen toe. „Niemendal, mijnheer 1quot; antwoordde de jongen met een grijnslach, welke hem zijn mond van het eene oor tot het andere deed vertrekken. „Kant en klaar,quot; riep Bob Sawyer, die eensklaps, met een bijzonder klein, oud en smerig valies in zijne hand, en een dikke jas over zijn „Wat zullen ze gek kijken, niet waar?quot; zeide Bob, terwijl hij met zijne mouw zijne tranen afveegde. |
„Maar, mijnheer!quot; zeide Pickwick meteenige verlegenheid: „ik had er volstrekt niet opgerekend, dat gij met ons zoudt mederijden.quot; „Neen, dat weet ik wel,quot;hernam Bob. „Dat is juist de aardigheid.quot; „O, zoo!quot; zeide Pickwick; „is dat de aardigheid ?quot; „Wel zeker,quot; antwoordde Bob. Daar zit juist |
|
,Oij?quot; riep Pickwick u... .Ja wel,quot; antwoordde Bob. „Met pak en zak. ■ \'aar, Sam! vang!quot; Xadat by met deze weinige oorden Weller\'saaridachi had get rokken, wierp Bob zijn valies omhoog, dat door Sam zeer knaphandig werd opgevangen, en onder hel achterbankje geborgen. Daarop trok Sawyer, met behulp van den grijzei; jongen,en met inspanning van alle krachten, de jas aan, die hem te nauw en te klein was, stak daarna zijn hoofd in het portier \'•\'an het rijtuig, en begon te schateren van het lachen. |
niet der moeite waard is, dat ci n andererop pa.st.quot; Xadai Sawyer op deze wijze hetongewone verschijnsel had opgehelderd, barstte hij Weder in een schaterend lachen uit. „Maar. mijnheer!quot; zeide Pickwick op een ernstigen toon: „gij zult toch zoo onbezonnen niet wezen om uwi- patiënten te verlaten, zon der te zorgen, dat. een ander uwe praktijk voor u waarneemt ?quot; „Waarom n ietwas Sawyer\'s widervrnag. ,.lk zal ei\' geld mede uitwinnen. Kr is geen een nn, de deur kwam uitstuivon. „Ik ga mee.quot; de grap, dat ik zoo op eens verdwijn, enden winkel op zich zeiven laai. pas-;ini, daar het toch |
Dickkns, Samcki Pr
SAMUEL PICKWICK.
81 KJ
|
onder, dit-; betaalt. Bovendien,quot; hier liet hij zijne stem dalen tot een vertrouwelijk gefluister, „zij zullen er zelfs beter bij varen; want mijn voorraad is geheel op, en ik heb geen crediet om ; opnieuw in te koopen. Ik zou genoodzaakt I wezen om allen zonder onderscheid opiiirapillen i te geven, en dat zou sommigen waarschijnlijk ! niet goed bekomen. Het is.derhalve tot aller j bestwil, dat ik heenga.quot; In dit antwoord lag eene overredingskracht i opgesloten, waarop Pickwick niet was voorbe-| reid. Hij bedacht zich een poos, en zeide toen, I op een minder vasten toon dan in het eerst: „Maar in deze postkoets is slechts plaats voor | twee personen; ik heb mijnheer Allen mijn woord gegeven.quot; „ Wees maar niet bekommerd,quot; hernam Rob. «Ik iieb alles al bij mij zeiven overlegd. Sam en ik zullen te zamen op het achterbankje gaan zitten. Ziel Hier heb ik een papiertje, dat ik | met ouwels op de deur zal plakken. „Brieven I en boodschappen te bezorgen bij juffrouw Cripps, • aan den overkant.quot; Juffrouw Cripps is de moe-i der van mijn loopjongen. „Het speet mijnheer | Sawyer goweldig,quot; zal zü zeggen, als er iemand naar mij komt vragen: «maar hij kon er niets aan doen. Hij is van morgen vroeg gehaald naar een consult vairdrieberonmUcchirurgijns buiten de stad. Zij konden het volstrekt niet zonder hem stellen. Hij moest komen, het mocht kosten | wat het wilde, om bij eene gevaarlijke operatie I te helpen. Op die manier,quot; vervolgde Bob, „geloof ik. dat het uitstapje mij meur goed dan : k waad zal doen. Als het in eene van de couranten i komt, ben ik er zeker bovenop.Daaris Ben. Kpm-aan 1 Nu maar ingestapt\'.quot; Mpt deze woorden stiet hij den postiljon op zijde, hielp zijn vriend met overhaasting in het Hjtuig, sloeg het portier dicht, sloot zijne deur, stak den sleutel in zijn zak, plakte het briefje onder zijn naam, sprong op het achterbankje, en riep den postiljon toe om vóórt te rijden, • en dat alles mot zooveel drilt en spoed, dat men reeds een eind ver was, voordat Pickwick recht begonnen was te overleggen of het wel goed en behoorlijk was, dat Sawyer mede reed. Zoolang zij door de straten van Bristol re den, hield degrappigc i3obzijn geleerden groenen bril op, en nam de grootste wolvoegelijkheid in acht, daar hij zich -beperkte tot het uiten van eenige k winksliwn, waarmede hij Sam Weller den tijd trachtte te korten; maar zoodra zij buiten de stad waren gekomen, stak hij tegelijk zijn bril en zijne deftigheid in zijn zak, en begon zich te vermaken met liet aanrichten eener verscheiden beid van potsen,dio de strekking hadien om de aandacht der voorbijgangers te trekken, en zoowel het rijtuig als de reizigers tot de voorwerpen (••■ner meer dan gewone nieuwsgierigheid te maken, Do minstaanstootelijke dezer pof sen bestond in eene kunstige nabootsing van een airtje op don waldhoorn en de vertooning van een rooden zakdoek, dien hij aan een rotting had gebonden en mot eene trotsche en uitdagende houding heen weder zwaaide, |
„Ik kan niet begrijpen,quot; zeide Pickwick, een ernstig ges\'prek met Benjamin afbrekende, waarin hü dezen de talrijke goede hoedanigheden van zijne zusteren Winkle had pogen af te schilderen, , ik kan niet begrijpen, wat de inonschen, dieons voorbijrijden, toch aan ons zien, om onszoo na te kijken.quot; „Ons rijtuig is bijzonder net,quot; zeide Benjamin met oenigen hoogmoed. „ Het gebeurt hun nietalle dagen dat zij er zoo een te zien krijgen.quot; „Het is mogelijk,quot; merkte Pickwick aan. „Misschien. Het kan wezen.quot; Misschien zou Pickwick zich zeiven hebben overgehaald om te gelooven, dat dit inderdaad het geval was, indien hij niet juist op dat oogen-blik bij toeval uit het portier had gekeken, en gozien, dat de gezichten der voorbijgangers alles behalve eerbiedige bewondering aan den dag logden, en dat er tusschen hen en do personen, die op het achterbankje zaten, telegrafische teekenen schenen gewisseld te worden. Nu viel het hem eensklaps in, dat dit alles wel aan eenige grappen van zijn reisgenoot Robert Sawyer kon te wijten zijn, „Ik hoop,quot; zeide Pickwick, „dat onze onbezonnen vriend, daarop het achterbankje, geene malligheid maakt,quot; „n neen!quot; antwoordde Benjamin, „Behalve wanneer hij in de wolken is, is Bob zoo bedaard als iemand wezen kan.quot; Hier hoorde men een lang uitgehaald hoorn-getoet. opgevolgd door eene reeks van allerwonderlijkste geluiden, die alle bliikbaar uit geene andere keel dan die van Bob Sawyer konden komen, Pickwick en Benjamin zagen elkander veelbe-teekenend aan; en de eerste stak, nadat hij zijn hoed had af\'.renoinen, eerst zijn hoofd en vervolgens zijn geheele bovenlijf uit het portier; totdat hot. hem eindelijk gelukte zijn snaakschen vriend in het oog te krijgen. Bob Sawyer zat, niet op.het achterbankje, maar, met wijd uitgespreide beenon, boven op het dak van de koets. Hij had den hoed van Sam schuins op zijn hoofd gezet, en had in de eene hand een verbazend dikke boterham, terwijl hij in de andeie een matten itesch van de grootste soort hield. Hij nam beurtelings een imp en een slok, en wisselde dit eenigszins eentonige vermaak af door tusschenbeide hoezee te roepen, of met de voorbijtrainrers allerlei grappen te maken. De roode vlag was recht, overeind aan de leuning van het achterbankje gebonden, waarop Sam, met den hoed van Bob Sawyer versierd, zeer op zijn gemak gezeten was, bezL\' met smakelijk eem- boterham op te eten (eene | tweelingzuster van die, welke boven op het rij- |
307
malen tegen het glas tikte, alsof het verzocht om binnengelaten to worden.
„Wat is dat? riep Pickwick uit,
„Het lijkt wel een matten tlesch,quot; zeide Ben-: jamin, terwijl hij door zijn bril het bedoelde 1 voorwerp oplettend beschouwde. „Ik geloof haast dat het de llesch van Bob is.quot;
Hij had volkomen gelijk: want Bob Sawyer had zijne tlesch aan het eind van zijn rotting gebonden, en klopte daarmede tegen het glas, om zijn verlangen te kennen te geven, dat zijne v.iienden binnenin, als goede kameraden eens zouden mededrinken.
„Wat zal ik doen?quot; zeide Pickwick. „Die streek is nog gekker dan de vorige.quot;
„Het beste zou zijn, dat wij do tlesch aannamen,quot; antwoordde Benjamin. „Als wij haar hielden, had hij zijn verdiende loon, niet waar!quot; „Dat had hij,quot;antwoordde Pickwick, „Zou ik ?quot; vik geloof, dat er niets boter aan te doen is, zeide Benjamin.
Daar deze raad met zijne eigene meening | overeenstemde, liet Pickwick het glas zakken, I en maakte de tlesch van den stok los, waarop i deze weder werd opgehaald, on men Bob Sawyer j hartelijk hoorde lachen.
„Wat is hij toch een vroolijke snaak !quot;zeide Pickwick, terwijl hij, met de llesch in zijn hand, i zijn reismaker aanzag,
„Dat is hij,quot; zeide Benjamin.
„Men kan niet boos op hem worden.quot; „Onmogelijk,quot; zeide Benjamin.
Onder deze belangrijke woordenwisseling had Pickwick in verstrooiing de kurk van de tlesch | genomen.
„ Wat is er in .\'quot; vroeg Benjamin losweg. „Ik weet hot niet,quot;antwoorddi\' Pickwick even i onverschillig, „Aan den reuk zou ik zeggen, dat | het punch was.quot;
„Zoo!quot; zeide Benjamin.
j „Ik geloof het wel,quot; hernam Pickwick, die altijd op zijne hoede was tegen do mogelijkheid om onbedacht eeneonwaarheid to zeggen; „maar 1 zeker weet ik het niet. Daartoe zou ik er van I moeten proeven.quot;
„Wel prooi dan eens:\' zeide Benjamin; „wy dienen tocli te welen wat er in is.quot;
..«Denkt gij dat?quot; hernam Pickwick, „ N\'u, als gij er nieuwsgierig naar zyt, heb ik er niets tegen,quot;
Altijd bereid om zijn eigen verlangen aan dal van een vriend op te offeren, nam Pickwick i een tamelijk lang proefje.
„Wat is het? vroeg Benjamin met vrij wat I drift.
„Dat iy raar,\' antwoordde Pickwick, met j zijne lippen smakkende, „Ik weet hetnogniel • recht. Ja,quot; vervolgde hij, nadat hij nog eens had geproefd, „het is toch punch,quot;
Pickwick zag Benjamin en Benjamin zag Pick- I wiek aan. Benjamin glimlachte; Pickwick niet. 1
I tuig werd genuttigd), niet een gezicht waaruit | duidelijk bleek, dat de pret hem uitmuntend | beviel.
Dit was reeds genoeg, om een man, die zoo-| veel gevoel voor liet welvoegelijke be/.at als | Pickwick, ten uiterste te ergeren; maar er kwam \' nog meer bij. Juist op dat oogenblik kwam eene van binnen en van buiten volgepakte diligence hun te ge moet rijden, en de passagiers legden ; hunne verbazing onverholen aan den dag. De zegenwenschen van eene lersche familie, die bedelende het rijtuig naliep, waren insgelijks 1 van een luidruchtiger, aard, vooral die van hot j mannelijk opperhoofd van dit gezin, die deze ! vertooning voor eene soort van politieke zegetocht scheen te houden.
..Mijnheer Sawyer!quot; riep Pickwick uit, zoo j I hard iiij kon. „Mijnheer Sawyer!quot;
„Heidaar!quot; antwoordde deze heer. terwijl hij met de grootste koelbloedigheid over den kant I van zijne zitplaats naar omlaagquot; keek.
../ijl. gij dol, mynheer?quot; vroeg Pickwick. ..Volstrekt niet,quot; antwoordde Bob. ,,Vroo!ijk, anders niet.quot;
.,Vroolijk, mijnheer?quot; riep Pickwick onwille-| keurig uit. „Neem dien schandaleusen roeden 1 doek at. Ik verzoek — ik zeg het u, Sam ! neem dien doek af!quot;
Voordat Sam kon gehoorzamen, streek, Bob i\'eedelyk zijne vlag, en nadat hij die in zijn \' ik had gestoken, knikte hij Pickwick vriendelijk tor. veegde den hals van zijn tlesch af, en zette di\' voor zijn mond; waarmede hij, zonder eene eimoodige verkwisting van woorden, te kennen dat hij Pickwick met die teug alle be-denkelijk geluk wenschte. Daarna deed Bob zeer ze:gvuldig do kurk weder op de tlesch, keek Pickwick nog eens vriendelijk aan, nam een -■\'joten hap van zijn boterham, en glimlachte.
..Kom! zeido Pickwick, wiens opwelling vul misnoegen niet. bestand was tegen Bob\'s quot;ii ■ rstoorbare koelbloedigheid; „laten wij niet meit van die zotheid hebben!quot;
■Noen, neen!quot; antwoordde Bob, terwijl hij Ui\'der met Sam van hoed verwisselde. „Ik | w\'!,y het niet eens van zins; maar hol rijden | maakte mij zoo luchtig, dat ik het niet laten ! Kon.\'
■ Hoilenk toch hoe gek het staal!quot; zoido Piek \' wiek op een vermanenden toon. „Denk toch om «w fatsoen!quot;
■•\'\'ij hebt gelijk,quot; zeide Bob. „Het past niet vquot; \'i\' \'-en fatsoenlijk man. Het is uil.quot;\'
\'^enistge.stold door deze verzekering, trok ^.\' kwlck zijn hoofd weder binnen, haalde het i op, _ en hervatte zijn afgebroken gesprek 1 Bi-ajaniin. Maar nauwelijks had hij dit ge l,Ul\' o\' _hij zag eenigszins vreenul op over de I \' \'•H\'l\'üning van een ovaal, donker voorwerp aan den buitenkant van het portier, dat eenige :
samuel pickwick,
weder eenige flesschen bier, madera en portwijn | voor den dag, en werd de matten tlesch voor de [ vierde maal gevuld. Onder den vereenigden in ; vloed dezer geestrijke vochten deed Pickwick en Benjamin een slaapje van dertig m ijlen, ter- ; v/ijl Bob Sawyer en Sam op het achterbankje , duötten zongen.
Het was reeds donker, toen Pickwick genoegzaam wakker werd, om uit het portier te kijken. | De hoopsgewijze bijeenstaamle woningen langs j den weg, de vuilzwarte kleur van alle zichtbare voorwerpen, de dampige lucht, de met sintels | en puin bestrooide wegen, de roode gloed van ovenvuren in de verte, de dikke rookwolken, lt; die langzaam uit de torenhooge schoorsteenen rolden en alles in hot rond zwart en donker maakten, het flikkeren van lantarens op een i afstand, de lompe met ratelonde ijzeren of zware balen en kisten beladen wagens, die langzaam j voortreden, — dit alles gaf te kennen, dat men ! do groote fabriekstad Birmingham naderde.
Terwijl het gezelschap de nauwe straten door reed, die naar het hart van de stad voeren, werden deze teekenen van drukte en arbeidzaamheid nog veel duidelijker merkbaar. De straten waren vol werklieden. Een do fgednnsch klonk uit elke woning; lichten schenen door alle : vensters van onder tot boven op de zolders, en het rommelen en stampen van machines deed do muren trillen. De vuren, wier glans men op mijlen afstands had gezien, vlamden hier hoog op in de groote smederijen en fabrieken. Het bonzon van hamers, het sissen van stoom en het onbeschrijfelijk stampen, knersen en kla-teren der werktuigen, vormdeeen oor verdooven concert.
De postiljon reed op een stijven drat door o ruime straten en voorbij de fraaie winkels, welke men tusachen do buitenwijken der stad en he Oud Koninklijk Hotel aantreft, voordat Pickwick begon na te denken over den treden en moeilijken aard der taak, welke hij hier moest vervullen.
De moeilijkheid om zich daarvan op een-voldoende Wijze te kwijten, werd geenszins v. minderd door het ongevraagde gezelschap vnn Robert Sawyer. Om de waarheid te zeggen, Pickwick dacht bij zich zeiven, «lat de tegen woordiglieid van dezen jongenheer eene .-i was, die; hij bij deze gelegenheid zeer wel h : kunnen missen, en zou er wel wat voor hebb i; overgehad, indien hij Bob op dat oogenblik to\' op een afstand van ton minste vijftig mijlen ha-kunnen verplaatsen.
3(
„Het zou zijn verdiende loon wezen,quot; zeide do liuitstgenoenide op een strallen toon, als wij alles opdronken.quot;
„Dat denk ik daar juist ook,quot; zeide Benjamin. Dat is dan op zijne gezondheid!quot; hervatte Pickwick. Daarmede nam de brave man eene trissche teug uit de tlesch. en gat haar aan Benjamin over, die niet draalde zijn voorbeeld te volgen. Nu glimlachten zij beiden, en de punch werd langzamerhand en vroolijk opgedronki-n.
„Zijne grappen zijn toch wel aardig, zeide Pickwick, toen de tlesch ledig was. „Zij bevallen
mij wel.quot; ,, , n
„Hü is een allerbeste jongen, hernam Benjamin; en ten bewijze, dat zijn vriend Bob een allerbeste jongen was, begon hij Pickwirk omstandig tequot; verhalen, hoe dat jonge mensch eens i zooveel gedronken had, dat hij er eenekoorts van kreeg, die hem bijna naar de andere wereld had geholpen. Dit verhaal was nog niet ten einde toen het rijtuig voor de Klok te Berkeley-Heath stilhield, om van paarden te verwisselen. D , „Hier blijven wy immers eten? vroeg bod, die voor het portier kwam.
„Eten?quot; herhaalde Pickwick. Wij hebben nog maar negen tien mijlen afgelegd, on wij moeten i zeven en tachtig en halve mijl ver wezen.quot;
„Dat is juist eene reden om iets te gebrui-j ken, als versterking tegen de vermoeienis bracht 1 Sawyer hier tegen in. :
Maar hoe kan men om halftwaalf eten? | hervatte Pickwick, nadat hij op zijn horloge
1 had gezien.
„Gij hebt gelyk,quot; zeide Bob; „het moet een ■ lune\'h i) wezen. Heidaar! Lunch voor | vier personen Laat de paarden nog maar een kwartiert e op stal. /.el alles op, wat er klaai i is en ei migquot; flesschen best bier. eneen proefje 1 echte madera, hoort gij?quot; Nadat Bob met 1 veel drift en ijver deze bevelen had uitgevaar-i digd. stoof hij het huis binnen, om te zien of ! -/.ijiv orders behoorlijk werden uitgevoerd. Hij i kwam in minder dan vijt minuten teiug, en i verklaarde, dat het eten overheerlijk zou wezen.
De maaltijd verd. nde inderdaad deze-n lof. en I ook Pickwick en Benjamin bleven nietarhterlijk, i om hlt; rn alb1 eer te bewijzen Het drietal ledigde een paar flesschen bier en eene flesch madera; \\ en toen, nadat de paarden waren voorgespannen \' . n de matten flesch weder met punch was gevuld, ieder zijne plaats weder innam, liet hel . hoorngetoet zich lustig hooren. en wapperde do i roode vla_\', zonder dat Pickwick er het minste tegen inbracht.
in de Hopst lak te Tewkesbury bloven zij het middagmaal gebruiken. Hier kwamen
Pickwick had den ouden heer Winkle ru i\' gezien of gesproken, hoewel hij een paar ma.-\' een brief van hem had gekregen,en hem g -i stige antwoorden had gezonden op zijne vragen betreffende het zedelijk karakter «n gedrag va\'-zijn zoon. Hij begon thans in te /.ien, en -voelde zich daarbij lang niet op zijn gemak, •
I) I. u n lt;\'li n-ienifn -tn KriRi\'\' -••hendsn maaltijil tus-\' lnMi hquot;t onb\'it «n b(-t raid\'! ntnuiftl, ons twiinlfnurij»\'.
EEX LAAT BEZOEK.
309
|
! hij den ouden hoor Winkle waarschijnlijk niet uunstig voor zich zou innemen, wanneer hij hem voor de eerste maal in het gezelschap van Robert .Sawyer en Benjamin Allen kwam bezoeken, die beiden eenigszins bestoven waren. „Maar ik zal doen watik kan,quot; zeide Pickwick, pogende zich zeiven gerust te stellen. „Ik moet hem van avond nog gaan bezoeken, want dat | heb ik op mijn woord beloofd; en als zij met geweld wilden medegaan, moet ik het gesprek zoo kort mogelijk maken, en hopen, dat zij om hun eigen wil, hun fatsoen zullen houden en zich zelven niet ten toon stellen.quot; Terwijl bij zich met deze overdenkingen troostte, hield de postkoets stil voor de deur van h e t O u d K o u i n k 1 ij k H o t e 1 Nadat Ben ju min uit zijn verwonderlijk z waren slaap ge wekt en door Sam bij zijne kraag uit het rijtuig gesleept was, kon Pickwick afstappen. Het gezelschap werd in een goed gemeubileerd vertrek gebracht, en daar gekomen, vroeg Pickwick terstond den knecht, waar mijnheer Winkle woonde. „Hier dichtbij, mijnheer!quot; antwoordde de knecht. „Geen vijfhonderd stappen ver. Mynheer Winkle is kaaimeester, mynheer! Hij woont hier heel dichtbij, mijnheer!quot; Hier snoot de knecht eene kaars uit, en deed alsof hij die weder wilde a ansteken, ten einde Pickwick gelegenheid te geven om verder te vragen, indien hij er lust toe had. „Iets gebruiken, mijnheer?quot; vroeg do knecht, t e r w y 1 li ij, wa n h o p i g o v e r Pi c k wie k \'s s til z w ij ge n, de kaars weder aanstak. „Thee of koffie, mijn-he\'.r? Eten, mynheer?quot; „Op het oogenblik niet.quot; ..Goed mijnheer! Souper bestellen, mijnheer?quot; „Nog niet.quot; ..Uoed mijnheer!quot; Hij ging zacht naar do deflr, bleef echter 1 staan, keerde zich om, on vroeg op oen aller-vriendelijksten toon: „Moet ik de meid hier zen-j den, heeren?quot; ,,Zooals gij wilt,quot; antwoordde Pickwick. „Zooals mijnheer wil.quot; „En geef eene 11 esch sodawater,quot; zeide Bob : lawyer. „Sodawater, mijnheer? Als \'cubelieft, mijnbeer!quot; En nu zijn gemoed, naar allen schijn, | van een vreeseüjken last was ontslagen, dewijl 1 indeUjk iets was besteld, verdween de k neclil | uit hot vertrek. Herbergknechts stappen of draven nooit. Zij bezitten een eigenaardig en ge-1 beirnzinnig vermogen om eene deur uitleglippen, dat geen ander sterveling eigen is. Toen er door het drinken vaneen paar glazen sodawater weder \'■enige tm keiien van loven in i Benjamin Allen wa-\'-en opgewekt, liet deze heer zich overhalen om zyn gezicht en zijne handen i \'\' wasschen en zich door Sarn te latenafborslelen. |
Nadat Pickwick en Sawyer insgelyks de wanorde hadden hersteld, welke de reis in hunne kleeding had teweeggebracht, begaf het drietal zich gearmd op weg naar de woning van mijnheer Winkle; Bob Sawyer omhulde zich, al voortwandelende, met eene wolk vantabaksrook. Omtrent vijf minuten gaans ver stond, in een stille fatsoenlijke straat, een oud, van rooden steen gebouwd huis, met een stoepje van drie trappen voor, en een koperen plaat op de deur, waarop men met dikke kapitalen de woorden „Mr. Winkle,quot; las. De klok sloeg juist tien uur, toen Pickwick, Allen en Sawyer voor dit huis bleven stilstaan. Toen zij hadden aangeklopt, opende een net en knap dienstmeisje de deur, en keek vreemd op, dat zij drie vreemdelingen zag. „Is mynheer Winkle te huis, meisje?quot; vroeg Pickwick. „Hy is juist aan zijn souper, mijnheer!quot; was het antwoord. „Geef hem dit kaartje, als \'tu belieft,quot; hernam Pickwick. „Zeg, dat het mij spijt, dat ik hem nog zoo laat moet lastig vallen; maar dat ik hem gaarne nog van avond wilde spreken, en zoo even pas in de stad ben gekomen.quot; Het meisje zag beschroomd Bob Sawyer aan, die zijne bewondering over haar net figuurtje door eenige zonderlinge grimassen te kennen gaf; en nadat zij een blik had geworpen op de hoeden en jassen, die in de gang hingen, riep zij een ander meisje om op de deur te passen, terwijl zij naar boven ging. Deze schildwacht werd spoedig afgelost; want het meisje kwam weldra terug, en nadat zij de hoeren om verschooning had gevraagd, dat zij hen op de stoop had laten staan, bracht zij hen ih een vertrek, dat half een kantoor, half eene kleedkamer-geleek, daar de voornaamste tot gebruik of sieraad bestemde meubelen bestonden in een lessenaar, een waschtafeltje en spiegeltje, een laarzonknecht, een hoogen kantoorstoel, vier gewone stoelen, eene la fel en eene ouderwotsche hangklok. Tegenover den schoorsteen zag men de deuren eener hangkast, terwijl een paar planken voor boeken, een almanak en eenige liassen met stoffige papieren de wanden versierden. „Het spijt mij, dat ik u daar aan de deur heb laten staan, mijnheer!quot; zude het dienstmeisje, onder hot aansteken van eene lamp, Pickwick mot een innemend glimlachje aan sprekende; „maar ik ken u in het geheel niet, en er zwerven zooveel gauwdieven, die . . „Er is in het geheel geene verontschuldiging noodig, jongedochter!quot; zeide Pickwick vrien-delyk. „In het, geheel niet, liefje!quot; zeide hob Sawyer, terwijl hij om aan het stoeien te geraken, zijne armen uitstak, en in de kamer heen en weder wipte, zoodat het juffertje de deur niet kon uitkomen. Deze aardigheid scheen echter hel |
SAMUEL PICKWICK.
810
|
meisje volstrekt niet te bevallen; want zij gaf t dadelijk als hare bijzondere meening te kennen, j dat zij den jongenheer Sawyer voor een ,,ake- | ligeu ventquot; hield; en toen zijne beleefdheden | een weinig dringender werden, sloeg zij hem op eens hare lieve vingertjes in zijn gezicht, en sloof met eene menigte uitdrukkingen van tegenzin en verachting de kamer uit. Toen Bob van het gezelschap der jongejuft\'er was verstoken, moest hy Iets anders verzinnen om zich bezig te houden. HU doorsnuffelde de laden van de tafel, deed alsof lui de ijzeren kast wilde opensteken, hing d-n almanak het achterste voor teu\'en den muur, probeerde om i de laarzen van den ouden heer Winkle, over | de zijne heen, aan te trekken, en richtte nog anden grappen met het huisraad aan, die hem het grootste vermaak verschaften, terwijl zij Pickwick met onbeschrijfeiyken angst en afgrijzen vervulden. Eindelijk ging do deur open, en trad een kort oud lieer, met een bruinen rok aan, de kamer binnen. Zijn hoofd en gezicht vormden | een w.iar evenbeeld van dezelfde lithaamsdeelen bij gt;!fii jongenheer Winkle, met dit onderscheid, da! het hoofd van den ouden heer kaal was. Hij had hot kaartje van Pickwick in de evne hand, en een zilveren kandelaar in de ande re. „Hoe vaart uil, mijnheer Pickwick?quot; vroeg de oude heer Winkle, terwijl hij den kandelaar neerzette, en Pickwick zijne hand aan bood, „Kog wel. hoop ik? Ik ben blij, dat ik u eens zie. Oa zitten, mijnheer Pickwick! Deze heer is....?quot; „Mi;n vriend, de hu er Sawyer,quot; viel Pickwick hem in de rede. „Een vriend van uw zoon,quot; O!quot; zi\'ide de oude hier Winkle, terwijl hti Bob (■ ni.-t/ins onvriendelijk aanzag, , Ik hoop, dat jrij welvarend zij!, mijnhee)?quot; „Zoo p\'Zond als een visdi,quot; antwoordde Bob. .Die andere heer,quot; zeide i\'ickwifk,.,is, gelijk gij zien zul\' uit den brief, dien ik heb medegebracht, insgelijks lt;■gt; n nauwe betrekking, of . Hij heet Allen.quot; „Die hlt;\'i\'i?quot; vroc-ar de oude beer Winkle, terwijl hij iner het kaartje, dat hij in zijne hand had, naar Benjamin Wees, die in slaap was gevallen in zulk eene houding, dar er niets van hein zichtbaar w is, dan zijn rug en de kraag van zijn rok. Pickwick was op het punt om deze vraag te beantwoorden, en Benjamin\'s naam en titels vollediger op te geven, toen cie komieke Bob, om zijn vriend tot bezinning te brengen, dezen • ■en /■ 1 Ltevoeligen kneep in het dik van zyn arm gaf, dat hij niet, een luiden gil overeind sprong. Zoodra Benjamin ontwaarde, datereen vreemdeling voor hem stond, trad hij naderbij, vatte den ouden heer Winkle bij beide handen, en schudde die omtrent vijf minuten lang recht hartelijk, terwijl hij eenige half verstaanbare betuigingen mompelde, dat hij machtig blijde was hem te zien, en besloot met zeer gul te vragen, of hy ook iels wilde gebruiken, of liever wilde wachten totdat men ging ontbijten. Daarop zette hij zich neder, en zag met een wezenloozen blik om zich heen, alsof hij niet I het flauwste denkbeeld had, waar hij zich bevond, hetgeen ook inderdaad het geval was. |
Dit alles bracht Pickwick zeer in het nauw, en zulks te meer, dewijl de oude heer Winkle I vrij duidelijk zijne verbazing aan den dag legde over het buitengemeen, om niet te zeggen aan- | stootelijk gedrag der twee jongeheeren. Om dadelijk ter zake te komen, haaldovhij een brief uit ziju zak en bood dien den ouden heer Win- j kle aan, met tie woorden; „Dit is oen brief van uw zoon, mijnheer! Uit den inhoud zult gij zien, dat zijn toekomstig geluk en welvaart daarvan afhangen, dat gij dien met vaderlijke genegenheid opneemt. Gij zult mij verplichten, wanneer gij dezen brief met bedaard- lt; beid en koelheid wilt lezen, en naderhand over de zaak met mij spreken, op dien toon en in dien geest, als, naar mijne gedachten, daarover behoort te worden gesproken. Van hoeveelaan-belang uw besluit voor uw zoon is, en hoe angstig hij verlangt het te vernemen, kunt gij daaruit afleiden, dat ik, zonder vooraf belet te vragen, zoo laat en,quot; hier wenkte hij, hoewel bijna onmerkbaar, naar zijne twee reisgenooten. „onder zulke ongunstige omstandigheden bij u j kom,quot; N\'a deze voorafspraak stelde Pickwick den verbaasden Winkle een verzegeld blad supra t\'ju velin papier ter hand. aan al de vier zijden dicht met schuldbekentenis en berouw beschreven Toen zette hij zich weer neder, en bespiedde d. : aandoeningen van den ouden heer, wel is waar met angstige oplettendheid, maar ook met he\' openhartige gelaat van iemand, die gevoelt dat hij zijn bedrijf niet behoeft te verontschuldigen of te vergoelijken. De oude kaaimeester draaide den brief tus I schflö zijne vingers rond, bezag dien van achtei i en van voren, bekeek zeer nauwkeurig hetdikk-naakte jongetje op het cachet, en sloeg toen zijn. oogen naar Pickwick op. Vervolgens zette hi zich op den kantoorstoel, haaklede lamp naa; zich toe, brak het zegel los, opende, den brief, en maakte zich gereed om hem bedaard doo te lezen. Juist op dit oogenblik kwam Bob Sawyer, wiens vernuft eene korte poos had liggen sin meren, op de gedachte om de handen op zijn knieën te zetten, en een gezicht te trekken, bj niets beter te vergelijken, dan bij het porti. \' van den beroemden hansworst Griinaldi. N gebeurde het, dat de oude heer Winkle, ie plaats van, gelijk Bob dacht, metalie aandacl:1 den brief te lezen, over het blad heen nieman |
DE OUDE WINKLE LAAT ZICH NIET UIT.
|
anders aankeek dan Bob zeiven; en tiaar hij terecht vermoedde, dat hec bovengemelde gezicht getrokken werd om hem te bespotten, vestigde hij eensklaps zijno oogen op die van Bob met zulk een barschen ernst, dat de trekken van Grimaldi trapsgewijze in eene zeer treilende uitdrukking van verlegenheid en schaamte overgingen. „Zeidel gij iets, mynheer\'quot; vroeg de oude heer Winkle, na eene dreigende stilte. „Neen, mijnheer!quot; antwoordde Bob, die thans in geen enkel opzicht meer naar een hansworst geleek, dan door de buitengewone roodheid zijner wangen. ..Weet gij dat wel zeker, mijnheer?quot; , „Ja wel, mijnheer! ja wel.quot; „Ik dacht het toch,quot; hernam de oude heer met nadruk en verontwaardiging; „of hebt gy mij misschien aangezien?quot; „O neen, mijnheer! in het geheel niet,quot; antwoordde Bob mot de grootste beleefdheid. .Zoo, dat doet mij pleizier,quot; zeide de oude heer Winkle; en nadat hij den verslagenen Bob nog een zeer gramstorigen en deftigen blik had toegeworpen, nam hij den brief op, en begon in vollen ernst te lezen, Pickwick zag hem aandachtig aan, toen hij van den laatsten regel der eerste bladzijde op den eersten der tweede bladzijdeoverging; inatfr niet het minste teeken ontdekte van het geheim der aandoening, welke de lezer gevoelen moest bij het bericht der hnwelijksverbinteniB van zijn zoon, dat, gelijk l\'ickwick zeer wal wist, in de eerste zes regels voorkwam. Be oude heer las den brief tot aan het laatste woord, vouwde dien toen zeer zorgvuldig un tietjes weder op; en juist toen Pickwick eene geweldige uitbarsting van de eene of andere aandoening verwachtte, nam hij eene pen op, en vroeg, zoo kool, alsof zij over do on versrliil-ligste kantoorzaken spraken: Wat is Xathani-öl\'s adres, mynheer Pickwick?quot; „De Witte Arend, tot nog toe,quot; was het antwoord. 1. Waar is dat!quot; |
D o tn ba rd-St re laten .zeggen om hém en zijne jonge vrouw, die tot hem opziet om troost en ondersteuning, op te beuren en te bemoedigen ? Bedenk toch, mijnheer!quot; „De Witte Aren „George Vard. „Te Londen?quot; Ja.quot; „De oude lieer schreef zeer langzaam, het adres achter op don brief, sloot (lien torn in zijn lessenaar, en zeide, terwijl hij opstond en zijn sleutelboa weder in zijn znk stak : „Anders hebben wij niets met elkander te verrichten, niet waar, mijnheer l\'ickwick?quot; „Anders niets, mijnheer?quot; riep de goedhartige man in verbazing uit. .Ander* niets? Hebt KÜ dan niets to zeggen over deze gewichtige gebeurtenis in het leven van onzen jongen vriend\'.\' Wilt gij mij filet opdragen om hem van de voortduring uwer genegenheid en be scherniing te verzekeren? Wilt, gü mij niet-; ■t. „ik zal mij bedenken,quot; antwoordde de oude heer „Op het oogenblik kan ik niets zeggen. Ik ben een man van zaken, mynheer Pickwick! Ik overijl mij nooit; vooral niet, wanneer, gelijk thans het geval is, iets mij niet bijzonder bevalt. Duizend pond is niet veel, mijnheer Pickwick!quot; „Gij hebt groot gelijk, mijnheer!quot; viel Benjamin hierop in, juist wakker genoeg om zich te herinneren, dat het hem niet do minste moeite had gekost om zijne duizend pond op te maken, „Gij zijt een man van verstand -Bob! die oude weet zijn weetje wel,quot; „Het verheugt mij ongemeen, dat gij mij de eer bewijst van dit te zeggen, mijnheer!quot; zeide do oude hei r Winkle, terwijl hij 1-ionjamin, die met diepe wijsheid zijn hoofd schudde, verachtelijk aanzag. „De zaak is deze, mtinheer Pickwick ! Toen ik mijn zoon verlof gal\', om voor een jaar of daaromstreeks op reis te gaan, ten einde eens to zien wat er in de wereld te koop is thetgeen hij onder uw opzicht heeft gedaan), opdat hij zijne zaken niet zou beginnen als een melkbaard, die zich door iedereen laat beet nemen, was het. geenszins onze afspraak, dat hij vrijheid had om zulk een dollen stap te doen. Hij weet dat zeer wel; en derhalve kan het hem niet, verwonderen, zou ik om die rede mijne hand van hem aftrek. Hij zal van mij hoo-ren, mijnheer Pickwick! Goedennacht, mijnheer! — Grietje! laat eens uit.quot; Al dien tijd had Bob zijn vriend Benjamin door wenk\' n en aanstoot en I nichten te beduiden, dat het zijne zaak was om eens een woordje op zijn pas te spreken; en het gevolg daarvan was, dat Benjamin eensklaps een kort maar krachtig bewijs van natuurlijke welsprekendheid gaf, „.Mijnheer!quot; zeide Benjamin, terwijl hij den ouden heer met een paar flauwe, slaperige oogen aanstaarde, en zijne rechterhand deftig open neer /.waaide; „gij gij moest u schamen.quot; „Als broeder van de jongejnffer zijt gij zeker een zeer bevoegd n )ch ter in de zaak,quot; a n t woord-de de oude heer Winkle, „Daar! dat is genoeg. Niets meer ei\'van, mijnheer Pickwick! Goe dennacht. heeren!quot; Met deze woorden nam hij de kaars op, opende do deur, en wees op eene beleefde wijz.e naar de gang. „Het zal u berouwen, mijnheer!quot; zeide l\'ickwick, zijne tanden vast op eikanderklemmende, om zijne gramschap binnen te houden, daarbij gevoelde, dat hij dit in het belang van zijn jongen vriend v^ rplicht was. „Ik ben tot hiertoe van een ander gevoelen,quot; antwoordde de oude heer Winkle. „N\'og eens, heeren! ik wensch u goedennacht!quot; |
HAMUEL l\'lf\'KWieiv.
312
|
Pickwick stapte met toornige schreden de gang door en de straat op. Bob Sawyer, geheel verslagen door den vasten toon van den onden heer, sloop hom na. Een oogenblik later rolde de hoed van Benjamin de drie trappen van de , stoep af, en zijn lichaam volgde terstond daarop. Het gezelschap begaf zich naar de herberg, en I ging naar bed, zonder met olkander te sproken | of een avondmaal te gebruiken; en juist voor-i dat hij in slaap viel, dacht Pickwick bij zich I zeiven, dat, indien hij geweten had, dat de oude i heer Winkle zoo geheel en al een man van zaken was, hij zich waarschijnlijk nooit met zulk eene boodschap aan dezen heer zou hebben belast. W AA KIN riCKWICK EKN Of OEN BEKENDE OKT.MOET, AAN WELKE (iEU KKUiE OMSTANDHiHEID DE LEZER EEN THKKFEND TOONKEL ÏE DANKEN HEEFT, WAAUIN TWEE (iHOOTE MANNEN OPTREDEN. Den volgenden morgen ontwaakte Pickwick ten acht ure. Het gezicht van den ochtend was niet zeer geschikt om zijn gemoed te vervroo-lijken, of de neerslachtigheid te verdrijven, waar mede do onverwachte afloop van zijn gezantschap hem had vervuld De hemel was bewolkt i n donker, d- lucht vochtig en guur, de straat nat en slijkerig. De rook bleef boven de toppen der schoorste nen hangen, alsof hij geen moed had om omhoog te rijzen, en de regen viel langzaam en traag naar beneden, alsof het hem aan lust ontbrak om te kletteren. Op het voorplein van den stal stond een haan, van elke vonk zijner gewone levendigheid beroofd, op i\'én poot in een hoek to druilen; en een ezel, die met een hangend\' n kop onder een afdak stond, zag er zoo mismoedig en droomerig uit, alsof het dier over zelfmoord peinsde. Op de straat waren parapluicii de eenige voorwer pen, die men zag, en het klossen en plassen van overschoenen de eenige klanken, die men hooni., Onder het ontbijt werd er zeer weinig ge-. proken. /Hfs Bob sawyer gevoelde den invloed van h\' t weder en de ongeregeldheden van den vorigfn dag en was stom. Onder het vervelend wachten of bet weer niet nou zou ophelderen, werd het laatste Lon-df-nsche avondblad gelezen en herlezen, meteen ijveren t-n»\' belangstelling, waarvan men slechts in zulke uren van nood \' \' n voorbeeld ziet. De ruiten van het vloerkleed werden met even taai geduld in alle richtingen niet passen afgemeten, en men maakte zoov» el gebruik van de vensters. |
om er uit te kijken, dat eene verhooging van het venstergeld niet onbillijk zou zijn geweest. Elk onderwerp van gesprek werd opgevat en weder losgelaten; en toen Imt eindelijk twaalf 1 uur was geworden, zonder dat het weer opklaarde, trok Pickwick manhaftig aan de schel i en bestelde eene postkoets. Hoewel het harder regende, dan het te voren had gedaan, en het slijk zoo ruimschoots door i de opene glazen van het rijtuig naar binnen spatte, dat zij, die er iu waren gezeten, het weinig beter hadden dan zij, die op het achterbankje zaten, was er toch in de beweging en het gevoel, dat men vorderde, iets zoo aangenaams, vergeleken bij de verveling om in eene donkere kamer opgesloten naar den regen te kijken, dat, toen men afreed, iedereen zeide, dat zij bij de verandering veel gewonnen hadden. en zich verwonderde, dat men die zoolang had kunnen uitstellen. Toen zij te Coventry stilhielden, om van span te verwisselen, dampten de verhitte paar den zoo geweldig, dat zij den stalknecht geheid onzichtbaar maakten, wiens stem men echter uit don mist hoorde verklaren, dat de Maatschappij tot redding van Drenkelingen hem de gouden medaille wel mocht geven, omdat hij f den postiljon zijn hoed had afgenomen. Het water. dat vim den rand afliep, zou, volgens het zeggen van den onzichtbaren stalgeest, den postiljon binnenkort hebben doen verdrinken, indien hij nier. genoeg tegenwoordigheid van geest had bezeten, om dezen zijn hoofddeksel af te rukken, en zijn gezicht met een stroowisch af te vegen, „Dat is eene pleizierige reis,quot; zeide Bob Sawyer, toen hi,i, na een glas cognac te heb-; bon gedronken, zijne bouffante weder om-knoopte. „Heel pleizierig,quot; antwoordde Sam bedaard. „Gij schijnt het u niet erg aan te trekken.quot; hernam Bob, „Ik geloof niet, dat het iets helpen zou, als ik het mij aantrok, mijnheer!quot; antwporddeSam, „Daar is niets tegen in te brengen,quot; hervatte Bob, „.la, mijnheer!quot; zeide Weller, ..Al wat is, is recht, zooals de jonge edelman heel vergenoegd zeü\'e, tóen men hem op de pensioenlijst zette, omdat zijn moeders ooms stiefvaders grootvader eens den koning een zwavelstok had gegeven, om zijne pijp aan te steken.quot; „Die inval was nog zoo kwaad niet, Sam!quot; zeide Bob goedkeurend, „Dat is juist, wat die jonge edelman op eiken betaald igzeide.zoolang hij leefde.quot;hervatteSam. „Toen gij nogchirurgijnsl ;orling waart,quot; zeidt Sam. na eene korte poos van stilte, met eene ; zachte srem, en een veelbeteekenenden blik op den postiljon, „zijt gij toen wel ooit bij een postiljon geroepen!quot; |
OVER POSTILJONS EX KZKLs.
|
„Dat kan ik mij niet herinneren,quot; antwoordde | Bob. „Of hebt gü ooit een postiljon in liet gasthuis zien liggen?quot; vrceg Sam weder. „Neen,quot; antwoordde 15ob; „Ik weet er geen voorbeeld van.quot; „Of hebt gij ooit een dooden postiljon, of op een kerkhof het graf van een postiljon gezien ?quot; vroeg Sam, zijn verhoor voortzettende. „Neen nooit,quot; antwoordde Bob. „Dat geloof ik wel,quot; horvatte Sara zegevierend. „En er is nog iets, dat gij nooit gezien hebt en ; |
„Dat zal ik u zeggen,quot; antwoordde Sara. „Ik wil niet volhouden, zooals anders zeer verstan dige menschon doen, dat postiljons en ezels allebei onsterfelijk zijn; maar dat wil ik zeggen : als zij voelen, dat zij stijf worden en niet meer voor hun werk deugen, dan loopen zij te zamen weg, en niemand weet, waar zij blijven; maar ik geloof, dat zij wegloopen, om in eene andere wereld pleizier te gaan hebben, want niemand heeft ooit gezien, dat een postiljon of een ezel in deze wereld eenig pleizier had.quot; Sam weidde nog verder uit over deze vreemde |
nooit zien zult; en dat is, een dooden ezel. Nie I en geleerde theorie,brachteen aantal statist isciii\' mand heeft ooit eon dooden ezel gezien, behalve opgaven en and\'-rr bewijzen bij, om haar te stadie heer l) met zijne korte zijden broek, die ! ven en kortte zoo zich zelven en Bobden lijd, dat meisje met hare geit kende; en dat was een totdat men Dun church bereikte, waar Fransche ezel, derhalve waarschijnlijk niet van men een drogen postiljon en vorsche paarden
het echte ras.quot;
„Maar wat heeft dat met de postiljons te maken?quot; vroeg Bob.
kreeg; de volgendf wisselplaats was 1)a v e n t ry. en de daarop volgende \'L\'owe,ester; en aan het eind van elk station regende liet harder dan bij hot begin.
„Dat gaat niet,quot; zeide Bob, voor het portier komende, toen men voor de Moorkop te
1) Ham bedoelt Steine. wicn Mp lezers van de ......, i
^ p n t i in (Mjt a 1 .lonrney in zijne hosohrijvin^ wol lOWCCSt\'lquot; luiu .stll^ohoildon. .. Ilrl 18 llict (gt;111
zullen herkennen
uit te houden.\'
I
314 SAMUEL
\'IvWICK.
|
„Hue-re!quot; zeide Pickwick ontwakende, want Itij had zeer gerust zitten slapen: „mij dunkt, dat gij daar buiten nat wordt.quot; „Zoo, dunkt u dat?quot; hiernam Bob. „Ja, zoo | wat vochtig.quot; Bob was inderdaad vochtig genoeg; want het i water droop uit zijne mouwen en van de panden ! van zijne jas; zijn geiieele gewaad blonk van liet nat. „Tamelijk vochtig, ziet gü?quot; vervolgde Bob, terwijl liij zich uitschudde en daardoor eene kunstmatige regenbui om zich heen versi reidde, evenals eene poedel, die pas uit het water komt. „Het is zoo goed als onmogelijk, om van nacht door te rijden,-\' viel Benjamin hierop in. „Dat is niet te doen, mijnheer!quot; merkte Sam aan, die zich nu ook in het gesprek mengde. „Gij zoudt di dieren mi-shandelen, mijnheer! als gij dat van hen wildet vergen. Kr zyn hier bedden te ki ij.\'en, mijnheer!quot; vervolgde hij, zijn meester aansprekende, liet is hier netjes en zindelijk. In een half uur kunnen 55(1 een goeden maaltijd klaar hébben, mijnheer! Een paar hoentjes, mijnheer,kalfskarbonade ,sniji)Oonen | en aardappelen. Als ik het zeggen mag,quot; mijnheer\' gij zoudt het beat doen als gy hier bleel\'t. 1,uister naar raad, zooals de dokter zeide.quot; De w lard van de Moorkop kwam op dit oogenblik juist, bijtijds zijne deur uit, om Wel-ler\'s aanbevelende verklaring aangaande de geriefelijkheden der Inrichting te bevestigen, en zijne woorden kracht bij te zetten me; eene reeks van akelige berichten omtrent den staat der wegen, twijfelingen of ei op de volgende wisselplaats wel paarden zouden te krijgen zijn, de zekerheid, dat het den geheelcn nacht zou blijven regenen, de even onfeilbare zekerheid, dat hel den volgenden morgen zou ophelderen, en vele andere redenen om te blijven overnachten, welke herlquot; rgiers altijd bij de hand hebben. „Ja,quot; zeide P: kwiek; maar ik moet een nrie!\' naar Londen zenden, zon dat hij morgen- : ochtend vroeg besteld wordt, of anders, wat er j ook van komen moge. zelf doorrijden.quot; De herbergier glimlachte van verrukking. Niets was gemakkelijker, dan dat mijnheer zijn brief in een vei grauw papier wikkelde,- n hot pakje nu t de post k ir of nae htdilig \'-nee van Birmingham mede-gaf. Als er zooveel haast : bij was, kon rnijnifer op het adres zetten: „ei to, ei t o,quot; of wel, wat nog beter aan het doel zou beantwoordden: „eene halve kroon voor | den brenger, mits terstond bezorgd wordende.quot; ; „N\'n, g—\'l,quot; zeide Pickwick; „dan zullen wö 1 blii ven.quot; „Breng licht in de voorkamer,John!quot; riep de herbergier, en stook het vuur aan ; de heeren zijn nat. Dezen w- g, heeren! kom aan, i John! de kaarsen,quot; Dadelijk werd er lich\' gebracht en eenige | |
blokjes hout en stukken steenkool op het vuur geworpen. Binnen tien minuten kwam de knecht ! do tafel dekken. De gordijnen waren dicht geschoven, het vuur vlamde helder op, en (gelijk altijd in eene fatsoenlijke Engelsche herberg) alles zag er uit, alsof men de reizigers dagen lang had verwacht en alles vooraf gereedgemaakt. Pickwick schreef haastig een brief aan Winkle, waarin hij dezen niets anders berichtte, dan dat hij door liet slechte weder was opgehouden, maar den volgenden dag zeker te Londen zou zijn, tot welken tijd hij alle verder verslag van zijn wedervaren uitstelde. Dit briefje werd haastig in een vel grauw papier gepakt, en door Sara naar de-waardin gebracht. Vervolgens wilde Sam, nadat hij zich bij het keukenvuur had gedroogd, zich weder naar zijn meester begeven, toen hij, eene halfopen deur voorbij komende, bij toeval een blik in de kamer wierp, en bleef stilstaan, op het gezicht van een heer, die een grooten hoop couranten voor zich op de tafel had liggen, en in eene daarvan zat te lezen. Deze lectuur scheen hem echter niet bijzonder te bevallen; want up zijn gelaat vertoonde zich een grijnslach, die zijn neus optrok, en al zijne trekken eene treffende uitdrukking van trotsche verachting deed aannemen. „Ho!quot; zeide Sam; „dat gezicht heb ik van mijn leven meer gezien. Het is dat heerschap uit Ea tans will, of ik laat mij voor een dom-koinp uitschelden.quot; Sam begon geweldig te hoesten, om de aandacht van den lezenden heer te trekken; deze zag op. keerde zich om en vertoonde inderdaad het schrandere en diepdenkende gelaat van den geleerden redacteur der il a t a n s w i II G a z et t e. ...Veem mij niet kwalijk, mijnheer!quot; zeide Sam, met eene buiging der deur intredende. „Mijn meester is hier, mijnheer Pot-t!quot; „Stil, stil!quot; zeide Poft, terwijl hij Sam geheel naar binnen trok, en met een geheimzinnig en vreesachtig gelaat de kamerdeur sloot. „Wat scheelt er aan, mijnheer? vroeg Sam, oplettend om zich heen ziende, „Noem mijn naam niet,quot; antwoordde Pott, „Het is hier alles bruin. Indien het verblinde en dolle gepeupel wist, dat ik hier was, zou het mij in stukken scheuren.quot; „Zoudt gij denken, mijnheer?quot; vroeg Sam. ,. Ik zou het slachtofTer hunner razernij worden,quot; antwoordde Pott. .Maar wat wildet gij van uw meester zeggen, jonkman?quot; „Hy is met een paar vrienden op reis naar Londen,quot; antwoordde Sam, en hij blijft van nacht hier logeeren.quot; „Is mijnheel- Winkle er bij ?quot; vroeg Pott met een donker gezicht. . Neon, mijnheer!quot; antwoordde Sam. „Mijnheer Winkle blijft tegenwoordig te huis. Hij is ge trouwd.quot; |
EEN GELEERD ARTIKEL.
315
hetgeen elka nder Bij de in do be zag de re
welli spfeii
1, ^
„Getrouwd?quot; riep Pott met vreeselijke heftigheid uit. Hij zweeg, glimlachte kwaadaardig, on vervolgde toen, op een dollen, wraakzucht adomenden toon: „Dat heeft hij er voor!quot;
Nadat hij op deze wijze zijn doodeiykeu haat-had lucht gegeven, en zijn wreedaardiger! triomf ovamp;reen gevallen vijand tentoongespreid, vroeg Pott, of de vrienden van Pickwick blauw waren ; en toen hij, tot zijne blijdschap, van Sam, die evenveel van de zaak wist als Pott zolf, om bevestigend antwoord had gekregen, ging hij met Sam naar de kanier van Pickwick, waar hij op de hartelijkste wijzo werd verwelkomd, en men terstond afsprak, om gezamenlijk te eten.
„En hoe gaat het in Eata ns wi l.1?quot; vroeg Pickwick, toen Pott zich bvi liet Vuur had nedergezet. „Is de I nd\'ependen t nog in wezen?\'\'
„Ja, inijnheerlquot;antwoordde Pott. „Nog kruipt do In de po nd e n t voort op het rampzalig spoor, dat hij heeft ingeslagen, veracht en verfoeid zelfs door die weinigen, die van zijn jammerlijk en ellendig aanzijn kennis dragen; verstikt door het vuil, dat hij zelf zoo ruimschoots om zich heen werpt. Verdoofd en verblind door de uitwasemingen zijner eigen smetstof, verzinkt het vuige dagblad, zelf gelukkig onbewns\' van zijn vernederenden toestand, al dioper en dioper in da t verraderlijke moeras, hetwelk, hoewel het een vasten steun bij de laagste en hedorvenste klasse dennaatschappij schijnt te vinden, totboven het hoofd van den aterling opzwelt, on hetspoedigin het siyk zal bedelven.quot;
Nadat hij deze voorspelling (welke oen glt;-df \' Ito vaneen hoofdartikel der vorige Week uitmaakte) met groote kracht had uitgebazuind, zweotr de redacteur om adem te halen, en zag daarbij Bob Sawyer zeer deftig aan.
„Zijt gij no\'jr jonir, mijnhoi-r?\'quot; zeide Pott.
Bob knikte.
„Gij ook, inijnhoorVquot; zoido Pott, zich tot Ben-Ja mi n keerende.
Benjamin-erkende zich schuldig.
„Er. gij zijt. zeker beide doortrokken van de b lau \\v e beginselen, welki ik, volgens mijn eed en plicht aan het vaderland, zoolang ik loof, zal voorstaan en handhaven?quot; vroesr Pott,
, Dat kan ik zoo recht niet zoggen,quot; antwoordde Bob. „Ik ben ....quot;
«N\'iet bruin mijnheer Pickwick?quot; viol Pott hem in de rede. „Uw vriend is immers niet b ru i ii ?quot;
„Neen, noen,quot; antwoordde Bob. „Tot nog toe ben ik eeno soort van Schotsch bont,eene mengeling van allerlei kleuren.quot;
„Dan zijt gij een wank el aar,quot; hernam Pott zeer plechtstatig. ..een wan keiaar. Ik zou u gaarne eeno reeks van acht artikels laten lezen, mijnheer! die ik in deEatanswill Gazette Deb geplaatst. Ik durf zoggen, dat gij dan spoedig tot een vast en onwankelbaar besluit zoudt komen, mynhoer!quot;
„Ik zou zeker zoo blauw vvordon als eene lei, | lang voordat ik aan hot eind was gekomen,quot; ant- | woordde Bob.
Pott zag hem een oogenblik twijfelachtig aan, 1 en keerde zich toen tot, Pickwick, zeggende: „Gij hebt zeker de letterkundige artikels wel gelezen, welke, in de laatste drie maanden, van j tijd tot tijd in de Eatan swl 11-Gaze tte zijn ; opgenomen, en zooveel --- ik mag zeggen, zulke i algemeene oplettendheid en bewondering hebben i opgewekt ?quot;
„Ik moet bekennen,quot; zeide Pickwick met eenige verlegenheid, „dat ik zoovele andore bezigheden heb gehad, dat hot. mij waarlijk aan tijd heeft ontbroken om die artikris te lezon.quot;
„Dan moet gi,j het nog doen, inijnheerlquot; zi-ilt;jo i Pott met een strak gezicht.
„Zeer gaarne,quot; zeide Pickwick.
„Het was een uitvoerig ci itisch opstel, ovei de philosophie dor Ghineozen,quot; zeide Pott.
„O, zoo!quot; hervatte Pickwick. „Van uwe hand waarschijnlijk?quot;
„Van mijn medewerker,mi,jnheerlquot;antwoord- ; de Pott met waardigheid.
,, Een zeer geleerd ondorworp,quot; zeido Piek wiek, „En het is in die artikels zeer geleerd be- i handel\'!, mijnheer!quot; hervatte Pott meteen bijster ■ geloerd gezicht, „Mijn medewerker heott or, op mijn verzoek, opzettelijk de Encyclopaedia ! Bri t ta n nica over nagelezèn,quot;
„Ei zoo!quot; zeido Pickwick. „Ik wist niet,dat er in dat werk iets over de philosophie der ! i\'hineezen te vinden was,quot;
„Hij las mijnheer,quot; antwoordde Pott, terwijl j hij zijne hand op Pickwick\'s knie legde, met den glimlach van een man, die zich over | zijno verstandelijke tneerderheid veriiougt. „hij las over t\'hina op do lettor C, en over de philosophie onder letter P, en voegde, !
herinnering aan do quot;v-leerdhoid loeldlt;! artikelen was ten toon gi lacteur met zooveel trotsche defti om zich heen, dat. het oenegeruime poos duurde, voordat Pickwick moed gevoelde, om hot gesjm-k weder op te vatten. Toen het ■.•■-\'Hat van Pott eindelijk zijne gewone uitdrukking weder had aamronomen, zeide hij:
Zou ik mogen vragen, mijnheer! welk oogmerk u zoover van huis hoeft doon begeven
..Hetzelfde oogmerk, dat mi.i steeds bij mijn reusachtigen arbeid bezielt en ondersteunt, mijn-heer!quot; zeide Pott, met oen zoditren glimlach: het welzijn van mijn vaderland.quot;
„Gij hebt dus waarsclnjnli,|k i enestaatkundige zending?quot; merkte l\'ickwick aan.
Ja. mijnheer!quot; antwoordde Pott; „zoo is het ook,quot; Daarop kwam hij met zi n mond dicht aan Pickwick\'s oor, en fluisterde met een zware.
daar vond, in zijne artikels bij
SAMUEL PICKWICK.
|
holle stem: „Moruvnavond, mijnlieef! geven de bruinen te Birmin gharn een bal.quot; „Is het mogelijk!quot; riep Piokwkk uit. „Ja, mijniioerl en een souper,quot; zoido 1\'utt. „Spreekt gij in ernst?quot; vroeg Pickwick. Pott knikte nadrukki lyk met zijn hoofd. Hoewel Pickwick, uit beleefdheid, deed, alsof het bericht van Pott hem deed versteld staan, wist hij toch zoo weinig van de stedelijke politiek, dat hij buiten staat was om zich een denkbeeld te vormen van het aanbelang der gruwe-i lijko samenzwering, welkquot;- do redacteur op hot , oog had. Pott bemerkte dit wel, en haalde terstond het laatste nommer der Eatanswill-Gazette uit zijn zak, waaruit hij het volgende artikel las: B li ü I N K KUIPEIUJK.N. „Een basiliscusachtige dagbladschrijver heeft onlangs zijn zwart venijn uitgebraakt in eene i;i Iele en hopelooze poging om den eervollen naam van onzen voortreffeiijken en roem waar-digen vertegenwoordiger den Honourable Mr. .Slumkey, te bezoedelen - den naam van dien Slum key, van wien wij, lang voordat hij tot zijn tegenwoordigen luisterrijken post werd verheven, voorspeld hebben, dat hij eenmaal, gelijk hij thans is, h-i sieraad en de roem zijns vaderlands wezen zou. Die verachtelijke dagbladschrijver heeft zich vroolijk gemaakt over een prachtig gedreven en uiterst smaakvol be-w.rkti n kolenemmer, welke dien roem waardigen man door zijn verrukte kiezers is aangeboden. De lasteraar wilte kennen geven,dat de Honourable Mr. Slum key zelf, door de derdehand, meer dan drie vi rdon van de door inschrijving bijeengebrachte som, welke voor dat geschenk is besteed, zou hebben bijgedragen. Zi\'-t dan hef kruipende ongedierte niet in, dat, zelfs indien dit zoo ware, de Honourable Mr, Slumkey, indien zulks mogelijk is, slechts in een nog beminnelijker en glansrijker licht dan to voren zou verschijnen? Is het mogelijk, dat hij, hoe dom hij ook wezen moge, niet begrijpt, dat dit innemende en roerende verlangen om de wenschen dor kiezers in vervulling te brengen, hem voor eeuwig dierbaar moet maken :ian de harten zijner medeburgers, die niet enrer dan zwijnen zijn of, roet andere woorden, dii- nii\'t zoo dé\'p gezonken zijn, als die dagbladschrijver zelf9 Dit zijn de kunstgrepen der bruine kuiperij! Maar het zijn de eenige kunstgrepen niet. Het verraad is aan den dag gekomen. Thans, nu het zwijgen niet meer baton kan, verkondi.\'en wij sloutmoedig, terwijl wij de besciierming van ons land en de consta-bles inroepen, dat er aanstalten gemaakt worden om een bruin bal te geven; dat dit in het hart eener bruine landstreek, in eene bruine stad zal plaats hebben; dat dit door |
een bruinen balletmeester zal worden gedirigeerd; dat er vier ultra bruine leden van het parlement bij tegenwoordig zullen ziin, en dat er bereids bruine toegangkaartjes voor zijn gedrukt! Moet de satansche dagbladschrijver niet huiveren? Laat hij krimpen van machtelooze woede als hij de woorden leest, waarmede wij eindigen: wrj zullen dat bal BLi WON K.N !quot; „Daar, mijnheer!quot; zeide Pott, terwijl hij het. papier weder bij zich stak: zoo staan nu de zaken.quot; Daar de herbergier en een knecht op dit oogenblik binnenkwamen, oro den maaltijd klaar te zetten, legde Pott zijn vinger op de lippen, ten teeken dat zijn leven in Pickwick\'s handen was, en hij op de geheimhouding van dien heer vertrouwde. De heeren Sawyer en Allen, die onder het lezen van het artikel uit de Eatans-w il 10 a zet te zeer oneerbiedig in slaap waren gevallen, werden wakker, zoodra zigt;j slechts het tooverwoord „etenquot; hoorden fluisteren, en schoven terstond hunne stoelen bij de tafel. Onder het gebruiken van den maaltijd verwaardigde Pott zich eenige oogenblikken over huiselijke zaken te spreken, en deelde Pickwick mede, dat zijne vrouw, dewijl de lucht van Eatanswill niet gezond voor haar was, eene reis deed, om de verschillende badplaatsen te bezoeken, ten einde haar vroegere gezondheid ; en opgeruimdheid te herwinnen. Dit was slechts eene kieschebewimpeling van de omstandigheid, dat mevrouw Pott haar dikwijls herhaalde dreigement ten uitvoer had gebracht, en tengevolge eener schikking, waarbij haar broeder de luitenant als bemiddelaar had gehandeld, van haar man was gescheiden, en met hare getrouwe bond-genoote alleen woonde, onder beding dat Pott haar de helft van zijn inkomen zou uitkeeren. Terwijl de groote Pott over dit onderwerp en andere van nog meer belang uitweidde, en tusschenbeide het gesprek kruidde met voorlezingen uit de kinderen van zijn brein, hield er voor de herberg een diligence stil. Een heer, die er in zat, liet het glas neer, stak zijn hoofd uit het portier, en vroeg of bij, indien hij daar wilde overnachten, een bed kon krijgen, „Ja weI, mijnheer!quot; ant woorddede herbergier. „Kan ik er op aan?quot; vroeg de vreemdeling, die bijzonder wantrouwend van aard scheen te wezen, „Gerust, mijnheer!quot; antwoordde de herbergier. „Goed!quot; zeide de vreemdeling. „Ik blijf hier, koetsier! \'Conducteur, geef mij mijn reiszak eens aan,quot; Na op een vrij snibbige manier de andere passagiers goedonnacht te hebben gewenscht, stapte de vreemdeling af. Hij was een kort mannetje, met stijve zwarte haren, die a la stekelvarken of a la schoenborstel waren gesne- |
POPULAR] TRI
31quot;
|
den, en over zijn geheele hoofd steil overeind stonden. Zijn uitzicht was statelijk en dreigend; zijne manieren waren gebiedend; zijne oogen scherp en rusteloos; geheel zijn voorkomen gaf een trotsch zelfvertrouwen en eene bewustheid van oneindige verhevenheid boven alle andere menschen te kennen. üe vreemdeling werd in de kamer gelaten, die te voren den vaderlandlievenden Pott was aangewezen; en de knecht zag, met stomme verbazing over zulk een buitengewonen samenloop van omstandigheden, dat hij nauwelijks de kaarsen had aangestoken, of ook deze heer |
De herbergier werd geroepen en verscheen. „Zijt gij de herbergier zelf ?quot; vroeg de vreemdeling. „Ja, mijnheer!quot; was het antwoord. „Kent gij mij ?quot; vroeg de vreemdeling. „Neen, mijnheer!quot; antwoordde de herbergier. „Ik heet Shirk,quot; zeido do vreemdeling. De herbergier maakte eene flauwe buiging. „Slurk,quot; herhaalde de vreemde op een trot-schen toon. ,Kent gij mij nu, man?quot; De herbergier krabde zijn hoofd, keek naar du vreemde lint den zolder, zag toen glimlachte en |
|
I haalde eene courant uit zijn zak, en begon te j lezen, met denzelfden trek van verontwaardi-l ging en verachting op zijn gezicht, welken hij, i een uur geleden, tot zijne niet geringo bevreem-j ding op hei edele gelaat van Pott had zien j versclujnen. De ktK-cht bemerkte bovendien, dal, ! terwijl do verontwaardiging van Pott was opgc-\' wekt door eene courant, welke ten opschrill I droog The Eatanswill Independent, de | onbeschrijfelijke verachting van dezen heer werd gaande gemaakt door (•quot;•» blad, getiteld 1 he | K a t a n s w i 11 G a z e t t, e. „Roep uw meester!quot; zi\'ide de vreemde\'ling, „Als \'tu belieft mijnheer!quot; zeido de knecht. |
„Kent gij mij niet, man?quot; vroeg de vreemdeling op een gramstorigen toon. De herbergier bedacht zich gt; en poos, gt; u antwoordde eindelijk: „Neen, mijnheer! „Hemel!quot; riep. de vreemdeling uit, terwijl hij mei zijne vuist, een slag op dr tatVl gaf: „is dat populariti it ? De lierbergier week een paar stappen achteruit naar de deur. „Dit,quot; hervatte de vreemdeling, terwijl hij den herbergier strak aanstaarde, „dit ia dan de dank voor jaren van z^rg en arbeid ten nutte van het algemeen! Ik kom nat en vermoeid van de diligence . geen verrukte volksdrom snelt toe |
om zy\'ii kampvechter in te halen: dquot; klokken geven geou geluid; zelfs mijn naam vindt geen weerklank in hunne met eene ijskorst bedekte harten! Het is genoeg,quot; vervolgde de ontroerde Siurk. terwijl hij de kamer (Op en neer stapte, I ..het is genoeg om den inkt in iemands pen te | doen bevriezen, en hem te bewegen om hunne zaak voor altyd te verlaten.quot;
..Zegt gij cognac, mynheer?quot; vroeg de her-: bergier, om op deze wijze een nuttigen wenk te geven.
-Hum,quot; z\' i le shirk, zich driftigomkeerende. „Hebt gij niet ergens vuur aan?quot;
\\\\ ij kunnen lier hi rdadelijk ;uinmaken,mijn-j heer!quot; antwoordde do herbergier,
..Dat zou geetie warmte g«veii voordat het \'UM was om naar be 1 t\' uaan,quot; zeidlt; Slurk. ■ i ..Is er iemand in de keuken?quot;
Kr was niemand, en er lag een heerlijk vuur j ; aan.
..Dan zal ik mijn rumgrog bij liet vuur iti : d\' keuken gaan drinken,quot;zeid- Shirk. Hij nam | derhalve zijn courant op, en Iquot; gaf zich met ! ■\'.;\'.ge srhreden, achter den herbergier, naar da\' nederige vertrek. V\'ei-volden.-; wierp hij zich 1 naa-t dun haard op een stoel, zett\'-zijn gezicht i Weder in eene plooi van verachting, en begon . ni\' \' zwijgenden ernst te U-zi-ij en te drinken, \'
Nu wilde het ongeluk, dat de duivel der f.ve. dracht, terwijl hij ep dat oogenblik over de Me\'or kop heonvloog on uit ijdelc nieuwsgierig- 1 heid naar beneden keek, in do keuken Slurk : gerii.st. en wel bij het vuur, en P^tt, eenigszins i» le-vi ld door den wijn, in eene kamer zag ; zit •• \'ii. Daarop streek die k waadaardige met voor-delooze snelheid in het laatsttronoemde ver- ! •k neder, en bracht het Bob Sawyer in het ■o(\'•!, om, ter bereiking van zjjnc idea duivels\' : \'ze oogmerken, aldus te spreken:
„Daar hebben wij iet vuur laten uitgaan! 1\'. n maakt het bijzonder koud; niet waar?quot; -Dat vind ik ook,quot; zeide Pickwick huiverend. ..Het zou zo», kwaad niet zijn, als wij bij liet v 1 in de Keuken nog eene sigaar gingen i • n,quot; hernam Hob.
„Dal zou heel pleizii rig wezen, denk ik,quot;zeid( !\': • kwiek, - Wat dunkt u er van, münhe.;r Poft?quot;
Pelt. schonk het voorste! zijne goedkeuring; \' ü de v: i reizigers begaven zich, i\' der niet zijn glas in i.ie hand, naar de keuken,\'met Sarn aan he: hoofd van den stoe t, om den weg te w\\ize.u. De vreemdeling zat nog te lezen; hij zag op, en maakte e.-n,. onwillekeurige beweging van schrik. Pott deed hetzelfde.
at scheelt u?quot; fluisterde Pickwick, „.\'\'at ongedierte!quot; antwoordde Pott.
.Wat voor ongedierte?quot; vroe.gPickwick ter-wij; hij naar den grond zag, uit vrees van op een /rooten scharrobuter«\'fgpinnekop teI rappen.
„Dat oijedif.rte.quot; fluisterde Pott, terwijl hij Pickwick bij den arm vatte, en naar den vreem-
deling wees. „Dat ongedierte Slurk, van den I nd e penden t.quot;
„Hetj beste zou misschien wezen, dat wij maar w der heengingen,quot; fluisterde Pickwick.
,.Xooit, mijnheer!quot; antwoordde Pott met buitengemeene manhaftigheid. „JSTooit!quot; Met deze woorden zette hij zich op een stoel aan den anderen kant van den haard, haalde eene courant uit zijn zak, en begon tegen zijn vijand te lezen.
Natuurlijk las Pott in een nommer van den I Independent, en Slurk in een van de ; Gazette; en ieder lezer gaf op eene hoor-! bare wijze zijne verachting voor het geschrijf | van den ander te kennen, door schamper te lachen en smadelijk den neus op te halen. Ver-! volgens begonnen z;j hunne meening duidelijker j | te kennen te geven, daar het mompelen van I „zotquot; „jammerhartigquot; - „vuilaardigquot; -„leugensquot; — schurkenstrekenquot; — „flauwquot; — ; „lorriequot; „gootwaterquot; en de andere critische aanmerkingen van denzelfden aard.
Bob en Benjamin aanschouwden deze teekens van haaf, en vijandschap met een genoegen, dat ; hen hunne sigaren nog veel smakelijker deed j rooken ; en toen de ij ver der mededingers begon te verflauwen, sprak de boosaardige Bob den j uitgever van den Independent zeer beleefd ; aan, zeggende:
„Mag ik uwe courant eens inzien, mijnheer als gij die uit hebt?quot;
„Gij zult in dit prul zeer weinig vinden, dat uwe moeite beloont, mijnheer!quot;antwoordde sluik, terwijl hij op Pott een duivelachtigen blik wierp.
„Gij kunt zoo meteen dit papier krijgen,quot; zeide Pott, bleek en bevende van woede. „Ha, ha! de onljeschaamdheid van dien kerel zal u d1\'en lachen.quot;
De woorden prul en kerel werden met vrees lijken nadruk uitgesproken, en de gezichten der beide redacteurs begonnen van kamp-lus! te gloeien.
„De gemeenheid van dien guit is eigenlijk wat al te walgelijk,quot; zeide Pott, alsof hij Bob Sawyer aansprak, maar met een toornigen blik op Slurk.
N\'u begon Slurk hartelijk te lachen, vouwde zijne courant met eene andere kolom buiten, en Z\' ; Ie, dat de domkop hem inderdaad amuseerde.
„Wat is die kerel een ontzettende weetniet!quot; zeide putt, wiens g.-zieht nog hooger rood werd.
„Heb: gij de zotternijen van dezen lafbek wel ooit gelezen?quot; vroeg Slurk, zich tot Bob wendende.
„Xeen,quot; antwoordde Bob. „Is het - co gok? „O, geweldig geweldig!quot; antwoordde Slurk, .Dat is toch al te erg! riep Pott op dit oogenblik uit, nog veinzende in zijn lectuur verdiept te zijn.
bei trc
flO\'
boe
sag
EE NE GEWELDIGE VECHTPAKTIJ. 319
Indien het u mogelyk is, een paar paragrafen opstond en den aschschop greep, „bedenkt toch
vol boosaardigheid, laaghartigheid, leugen, ver- om \'sHemels wil! —: Help, Sam: — Heeren,
raad en huichelarij te lezen, zeide Shirk, ter- laat u toch - houdt hen van elkander.quot;
wijl hij Bob de courant toereikte, „zult gy Metdezeonsamenhangendeuitroepingenwierp
misschien nog eens lachen over den stijl van ; Pickwick zich tusschen d© woedende vijanden,
dien knoeier, die geen volzin kan schrijven, ! juist bijtijds om aan den eenen kant een slag
zonder de grofste taalfouten te maken.quot; 1 met den reiszak en aan den anderen kant een
„Wat zegt gij daar, mijnheer?quot; vroeg i\'ott, met den aschschop te krijgen. Hetzij de ver- I
bevende van kwaadheid. \' tegenwoordigers der staatkundige partijen van i
„Wat raakt u dat, mijnheer?quot; Eatanswill door gramschap verblind wer- |
„Knoeier, zegt gij, mijnheer?quot; hernam Pott, den, of dat zij, als schrandere redeneerkundigen, j
„Juist zoo, mijnheer! knoeier,quot; antwoordde dadelijk het voordeel inzagen, dat zij een derden
Shirk; en blauwe ezel, als gij dat liever tusschen hen belden hadden, om al de slagen |
hoort, ha ha!quot; | op te vangen, zij schenen Pickwick volstrekt 1
Pott antwoordde geen woord op deze sghert- niette bemérken, maar bleven, terwijl zij elkan- !
sende beleediging, maar vouwde zijn nommer der duchtig uitscholden, onversaagd met reiszak
van den Independent zorgvuldig op, en en aschschop stoeten en slaan. Waarschijnlijk
legde het op den grond, vertrapte het, onder zouPickwickzijnenienschlieveudetusschcnkomst
zijne laars, spuwde er op, en nadat hij dit alles : duur te staan zijn gekomen, indien Ham, die op
met zeer veel omstandigheden had verricht, het, geroep van zijn meester kwam toeschieten,
wierp hij het in het vuur. niet dadelijk een einde aan het gevecht had
„Daar, mijnheer!quot; zeide hij, terwijl hij van gemaakt, door een ledigen meelzak óp te vatten,
den schoorsteen terugtrad; en zoo zou ik met en dien den ongetiaakbaren Pott over het hoofd
den schavuit doen, die dat prul schrijft, indien en de schouders te trekken.
ik mij niet, tot zijn geluk, door de wetten van „Neem dien anderen dolleman zijn reiszak af!quot;
mijn vaderland liet weerhouden.quot; riep Ham, die den gevaarlijken Pott in den
„Doe dan maar zoo, mijnheer!quot; riep Shirk meelzak had gevangen en om zijne armen vast- 1
overeind springende. „Achter die wetten zal hij hield, Bob en Benjamin toe, welke stil waren
zich nooit verschuilen, in een geval als dit. (Ja blijven staan kijken, de en met eenlanct i en
uw gang maar, mijnheer!quot; de ander met een scheerbekken in de hand. ge-
Luister, luister!quot; riep Bob Sawyer. reed, om den eersten, die bewusteloos nederviel,
„Dat is knap gezegd,quot; merkte Benjamin aan. eene ader te openen. „Laat uw zak los, gij klein
„Gauwgangmaar, mijnheer!quot;herhaaldeSlurk. kwaadaardig kreng! of ik zal er u zelf iii stop-
1\'ott wierp hem een blik van verachting toe, pen en u laten smoren.quot;
die «en ander door den grond had kunnen doen Ontzet door deze bedreiging en geheel buiten
gaan. adem, liet de voorvechter van den I ndepen-
„Ga uw gang maar. mijnheer!quot; herhaalde dent zich ontwapenen; en daarop nam sam
shirk nog eens met eene daverende stem. zijn gevangene den domper van het hoofd, en
„Ik wil niet, mijnheer!quot; antwoordde Pott. liet hem lo.s.
„Ah zoo! wilt gi| niet?quot; zeide Shirk opeen „Gaat, nu stil naar bed,quot; zeide Sam. .of ik
smalendeii toon. „Hoort gij dat heeren? Hij wil «top i-r u allebei in. ik zou u wel-lcl-\'in krijiten,
niet. Hij is niet bang; maar hij wil niet. Ha, al waart gij met u twaalwn, Hn w.-r» nu
ha, ha!quot; zoo goed, als hei u belieft, om met mij mede
„Mijnheer!quot; hervatte Pott, wien de gal nu te gaan, mijnheer!quot;
Weder overliep: „Ik beschouw u als een schavuit. Dit zeggende; vatte Sam zijn meester bij den
als een man, die zich zei ven door zijn schande- arm, en bracht hem de deur uit; terwijl de
lijk, verfoeielijk en afschuwelijk openbaargedrau\' vijandige redacteur door den herbergier en zijne
buiten do maatschappij heeft geplaatst, in mijne 1 bedienden, onder toezicht van Bob en Ben ia min.
oogen, mijnheer! zijt\' gij in uw personeel en naar hunne slaapvertrekken werden gebracht,
openbaar karakter nietsanders dan een schavuit. Zoolang /ij el kantier konden hooren; bleven zij
de verachtelijkste van alle schavuiten.quot; bloeddorstige dreigeinonten uitschreeuwon, die
De verontwaardigde in d ope n de n t wachtte als uitdagingen tot :éen doedel ijk tweegevec.ht
niet naar het slot dezer smaadrede, maar greep op den volgenden mor. en kenden opgevat wor
met beide handen zijn volgepakten reiszak, den. Doch toen zij over de zaak nadachten, be
zwaaide dien hoog in de lucht, en liet hem grepen zij beiden, dat zij het best zouden doen
met alle kracht op hel hoofd van Pott neder door het papier tot kampplaats te v- rkiezén
dalen, juist met de punt waar een harde haar- Zij heryatter, derhalve zonder uitstel hunne
borstel zal. De bons, die door de geheele keuken vijandelijkheden, on geheel Katansw ill
gehoord werd, deed de Gazette op den vloer weergalmde van hun heldenmoed met de
ineenzinken. pen.
..Hoeren!quot; riep Pickwick toen Pott weder Zij waren den velgenden moiven reeds vei\'
|
;»i .SAMUEL I trokken, voordat de andere reizigers opstonden; | en, daar het weder nu opgehelderd was, reed , het gezelschap met none postkoets verder naar Lond en. UI. BEVATTKN\'DK KK.S\'k MKUKVVAARDUiK VKKANDKRING IN DK FAMILIE WELLER, EN HET ONGEVAL, DAT DEN ROODNEIZIGEN STI(ilt;ilNS DAARDOOR OVERKWAlf. Daar Pickwick het voor onkiesch en onvoegzaam hield, Bob Sawyer of Benjamin Allen aan ■ het jonge paar voor te stollen, voordat hij dit had voorbori\'id om deze heeren te ontvangen, en hij do teergevoeligheid van Arabella zooveel mogelijk wonschte te verschoonen, deed hij het voorstel, dat hij en sam bij de Witte Arend zouden afstappen, terwijl Benjamin en zijn vriend voorloopig ergens anders zouden gaan losieeren. Dir. plan werd goedgekeurd en i ten uitvoer gebracht. Bob en Benjamin begaven zich naar eene ncdevige berbers? aan het uiterste einde van de Borough, waar in vroe-. ge re dagen hunne namen dik wy isuchter de deur, i aan het hoofd gt; ener lange en verwarde, met kryt geschreven rekening, te lezen waren ixe-weest. „Heer! zijt tre daar, mijnheer Welh r?quot; riep ; het bevallige dienstmeisje uit, toen zij sam bij \' de deur ontmoette. „Daar ben ik.quot; zeide Sam, nadat hij er zijn i meester had laten uitsraan. „Wat ziet srij or lief uit, Mary:quot; „Och, WelUa-! wat,zijt uri,i altijd vol gekheid!quot; | zeide Mary, „haat toch .-taan.quot; ..Wat moet ik laten s:aan,\'meHelief?quot;vroeg | Sara. „Wel dat,quot; antwoordde Mai y. „Kom. ga maar heen!quot; Dit zetrgende. duwdezy Sara glimlachend tegen den muur aan, en klaagde, dat hij hare muts gekreukt m haar geheele haar uit dn krul j gebracht had. j „En dan rnaakt gü nog, dat ik niet zeggen ; kan, wat ik re zeggen heb,quot; vervolgde zy. „Kr heeft hier al vier dagen een brief voor u gelegen. üy waart pas een half uur weg, toen hij kwam; er staat nog wel „eitoquot;1! bui-tenop.quot; „Waar in die brief, liefje?quot; vroeg Sam. ..Ik heb hom voor u iiewaat t. anders zou hij I al lantr zijn weggeraakt,quot; antwoordde Mary, „Daar is hij; het is truer dan gy verdient.quot; Hierop, en na eenige kleine coquette loopjes, die haar niet onaardig stonden, en zich beperk-\'ICKWIOK. |
ten tot de vrees, dat zy den brief verloren had, en te wenschen, dat dit niet het geval was, haalde zy dien uit haarfijnen, hagel wilton halsdoek, en reikte hem Sam toe, die het papier met de grootste galanterie kuste. „Lieve hemel!quot; zeide Mary, terwijl zij haar halsdoek weder glad streek, en veinsde niet te begrijpen wat Sam meende; ..zijt gij zoo blij met dien brief?quot; Sam antwoordde door een lonk, van welks krachtige beteekenis geene beschrijving bet flauwste denkbeeld zou kunnen geven, plaatste zich toen naast Mary op de vensterbank, opende den brief, en begon te lezen. „Alle drommels!quot; riep Sara uit, „wat is dat?quot; „Er is toch geen ongeluk gebeurd, hoop ik?quot; zeide Mary, over zijn schouder kijkende. „Welke oogen!quot; zeide Sam, terwijl hij opzag. „Let maar niot op mijne oogen; gij zoudt beter doen, als gij uw brief laast,quot; zeide Mary, en glimlachte daarbij zoo schalkachtig dat hare schoone oogen nog veel onweerstaanbaarder werden. Sam herstelde zich eerst door een kus van zijn schrik, en las toen het volgende: „Markgraaf van Gran By, te Dorking Woensdag. „Myn zoon samuel! Het spijt mij zeer dat ik het genoegen heb u eene kwade tijding te brengen uwe stiefmoeder heeft koude gevat omdat zij onvoorzichti. to lang ki den regen op het natte gras heeft gezeten om oen herder te boeren die niet kon uitscheiden voor laat in den avond omdat hij de klok van zijn mond met zooveel cognac had opgewonden dat hij die niet kon stilhouden voordat hij wat nuchter werd dat vele uren duurde de dokter zegt dat als zij naderhand heeton cognacgrog gedronken had in plaats van vooraf dan zou er geen kwaad van -lt;■ komen zijn hare wielen werden dadelijk gt-smeerd en alles gedaan om haar weer aan den gang te brengen uw vader hoopte dat zij wei weer in het spoor zou zijn gekomen maar toen zij den hoek om moest mijn jongen ging zij den verkeerden weg en rolde den heuvel af zoo srauw als men ooit gezien heeft de dokter kwam terstond met den remschoen maar het hielp ui;\' en gisteravond tien minuten voor zessen beeft zij den laatsten tol betaald zij heeft den rit in veel korter tijd gedaan dan gewoonlijk misschien komt het wel omdat zij zoo weinig bovenop had geladen uw vader zegt dat als gij mij wilt komen bezoeken zal hij het gaarne hebben want ik ben zeer eenzaam Sampje. X.B. Hij wil het zoo geschreven hebben maar ik zeg dal het ni\'\' goed is en daar er zooveel te doen ia denkt hij |
1
lt; ito heteek\'Mif .sp-M^üg.
EEN!■; THEITKIGE TIJDIXCi.
dat uw heerschap er niets tegen zal hebben dat hy het hebben wilde. Dat doet hy altijd zoo. Gh zal hij ook niet samnel daar ken ik hem te goed hebt gelijk, lieve Mary!quot;
voor daarom laat hij hem groeten en ik ook en Nadat Sani zich omtrent, dit punt had ge-hlijt Samuel eeuwig uw vader rustgesteld, u\'in!4\' hij den brief nog eens over
lezen, en nu scheen hij voor het eerst een dui-„Tony Weller.quot; \' delijk begrip van den inhoud te krijgen, en 1 riep treurig uit:
_ , . _ „Zoo is de arme vrouw dan dood! Dat spijt
„Wat een onverstaanbare brief!quot; zeide Sam. j mij. Zij zou zoo kwaad niet geweest zijn, als ..Hoe kan men weten wat hij meent mot „hyquot; die herders haar maar met rust hadden gelaten, en „ik?quot; En het is de hand van mijn vader ^ Het spijt mij.quot;
|
quot;quot;k niet, behalve zijn naam met drukletters; \'lat, is zijne hand.quot; ■ Misschien hééft hij dien brief door iemand \'nders laten schrijven, en naderhand ondert.ee-Krnt,quot; zeide Mary. -NVacht eens!quot; hervatte Sam. Hij las don \'■riel nog eens over, tusschoilbeide even ophon-\'quot;••■nde, om na te denken. „Gij hebt het geraden. Lquot;1 heer, die hem geschreven heeft, wilde alles quot;i\'dentelijk verhalen; maar toen is mijn vader -• komen, heeft over zijn schouder gekeken, en quot;\'es in de war gebracht, door te zegden, hoe |
Sam uitte deze woorden op zulk een treuri- | ge n toon, dat Mary hare oogen nederslocL1\', on j een zeer ernstig gezicht zette. „Maar,quot; zeide Sain met een zucht, ti\'i\'wyl hij | den brief opvouwde en bij zich stak, liet heeft ! zoo muoten wezen, en wat geleurd is, is niH te veranderen; zooals dn oud - jutfrouw zeide, toen zij met haar knecht: was getrouwd. Wat : zegt gy er van, Mary?quot; Ma ry schudde haar hoofd, en zuchtte insgelijks. „Tk moot mijn heer om verlof vragen,quot; zeide ; Sam, |
ÜICKKNS, SAMei I I\'ICKWK K
SAMUEL PICKWICK.
3-2:
|
Mary zuchtte nog eens -- de brief was zoo ; aandoenlijk! „Vaarwel!quot; zoide Sam. „Vaarwel!quot; zeide Mary, terwijl zij haar hoofd naar een anderen kant keerde. „ Wij zullen elkander toch de hand geven, niet i waar?quot; zeide sani. Mary reikte hem eene hand toe, die, al was do eigenares slechts eene meid, toch een zeer klein en net handje was, en stond op om heen : te gaan. ..Ik zal niet lang wegblijven,quot; zeide Sam. „Gij /.ijt altijd weg,quot; hernam Mary, terwijl zij haar hoofd een klein weinigje in den nek wierp. | „Gij komt nooit, mijnheer Weller! of gij gaat terstond weder heen.quot; sam trok de nederige schoone dichter bij zich, en begon een fluisterend gesprek, dat niet lang was voortgezet, of Mary keerde het hoofd om, en I verwaardigde z.ich om Sam weder aan te zien. , Toen het paar scheidde, achtte het meisje het noodig, otn naar boven naar het kamertje te gaan, ten einde hare muts en hare krullen in orde te i brengen, voordat zij zich weder voor hare meeste-rgt; s vertoonde. Met dit oogmerk wipte zij eindelijk de trap op, terwijl zij Sam over de leuning nog menig knikje en lachje toewierp. „Ik zal niet langer dan een, of op zijn hoogst .......dagen wegblijven, mijnheer!quot; zeide sam, nadat hij Pickwick het bericht had medegedeeld van het verlies, dat zijn vader had ondergaan. „Blijf zoolang weg als noodig is, 8am!quot;antwoordde l\'ickwick. „Onderdezeomstandigheden ueef ik u volle vrijheid.quot; sam maakte eene buiging. „Gij moet uw vader zeggen, Sam!quot; hervatte Pickwick, „dat, indien ik hem in zijne tegen-wooniigeomstandigheden van eenigen dienst kan zijn, ik hem gaarne alle mogelijke hulp zal bewijzen.quot; ..Dank. • . mynheer!quot; antwoordde sam. „Ik zal het hem zeggen, mijnheer!quot; Met nou\' t-mige betuigingen van wederzijdsche genegenheid en goe Iwllligheid namen meester en knecht afscheid. Het was juist zeven uur, toen Sam Weller, p een geringen afstand van de Markies van G ran by, van den bok eener diligence klom, die door Dorking reed. Het was een koude, nevelachtige avond. De straat had een naav-•geestig voorkomen, en he donkerbruin\'- gelaat van den \' dolen en dapperen Markies scheen een nog treuriger uitdrukking dan gewoonlijk te hebben, terwijl hy, onder een klagend gepiep, langzaam in den wind heon en weder zwierde. De vensterluiken van het huis waren gesloten ; van de menschen, die doorgaans om en voor de deur stonden, was niemand te zien; de plek ; was eenzaam en verlaten. Daar gt;am niemand zag. wien hij vooraf iets had kunnen vragen, ging hij stil mar binnen, |
zag om zich heen en herkende in de verte zijn vader. De weduwnaar zat aan een rond tafeltje, in het vertrekje achter de gelagkamer, en rookte, met strak op het vuur gevestigde oogen, bedaard zijne pijp. Het bleek, dat de begrafenis dien dag had plaats gehad; want om zijn hoed, dien hij niet had afgezet, zag men nog den i rouwband, welke, ter lengte van omstreeks anderhalve el, over de leuning van zijn stoel naar beneden hing. De oude Weller was diep in ge- i dachten verzonken; want, hoewel Sam hem verscheidene malen bij zijn naam riep, bleef hij met hetzelfde strakke gezicht zitten rooken, en zag : niet op, voordat zijn zoon de hand op zijn schou-der legde. „Zoo, Sampjeiquot; zeide de oude Weller; „gij zijt welkom.quot; „Ik heb u al wel zes maal geroepen,quot; zeide Sam; „maar gij hoort niet!quot; „Xeen.Sumpje!quot; hernam de oude Weller weder peinzend in het vuur starende; „ik zat te denken,quot; „Waarover?quot; vroeg Sam, terwijl hij op een stoel bij den haard plaats nam, „Over h a a r, Samuel!quot; antwoordde zijn vader, en wenkte met zijn hoofd in de richting, waarin hot kerkhof van Do rkin g lag, ten teeken, dat de overledene juffrouw Weller het onderwerp zijner overpeinzingen had uitgemaakt, „Ik dacht, Sampje!quot; hervatte de oude man, en zag daarbij zijn zoon, over zijne pijp heen. zeer ernstig aan, als ware het om dezen te verzekeren, dat, hoe buitengewoon en ongelooflijk deze verklaring ook wezen mocht, hij die echter met bedaardheid en in vollen ernst aflegde, „ik dacht, Sampje, dat het my toch eigenlijk spijt, dat zij dood is.quot; „Dat past u ook,quot; merkte Samuel aan, „en daarom vind ik het goed.quot; !)gt;■ vader knikte, ten teeken, dat dit gezegd\' hem welgevallig was, vestigde toen zijne oogei; weder op het vuur, hulde zich in eene wolk van tabaksrook, en verzonk weder in diep gepeins „Toen zij ziek was. heeft zij nog zeer verstandig i gesproken, Sampje!quot; zeide de oude man, terwijl hij, na een langdurig stilzwijgen, de rookwolk met zijne, hand wegdreef. „Wat heeft zij dan gezegd?quot; vroeg Sam. „Het was zoo of zoo omtrent, Weller!quot; zei ze, „ik vrees, dat ik niet met, u geleefd heb. zooals ik had moeten doen,quot; zei ze. „Gij zijt eet. braaf en goedhartig man, en ik had het u t-huis pleizieriger kunnen maken. Ik begin nu te zien,quot; zei ze, „nu het, te laat is, dat, als een | getrouwde vrouw vroom wil wezen, zij beginnen moet met hare plichten in huis waar te nemen, en die haar het naaste zijn, genoegen te geven, en dat, terwijl zij op een behoorlijken tijd na.n \' de kerk gaat en oefeningen en biduren bijwoont, zij die dingen niet tot eene verontschuldigin-maken moet voor luiheid, eigenzinnigheid of n ï |
VAN WEDUWNAAR. 323
GEVAARLIJKE TOESTA
|
erger. Ik heb dat alles gedaan,quot; zei ze; „ik heb geld en tijd verspild aan menschen, die nog meer schuld hadden dan ik; „maar ik hoop, Weller!quot; zei ze, „dat gy, als ik dood ben, mij zoo in uwe gedachten zult houden als ik was, voordat ik met die lieden bekend raakte, en zooals eigenlijk mijn ware aard was.quot; — „Susanna!quot; zei ik; want ik was er machtig van aangedaan, dat wil ik wel bekennen jongen! „Susanna!quot; zei ik, „gij zijt eene goede vrouw voor mij geweest. Die andere dingen, daar moet gij maar niet om denken, en maar moed houden, dan zult gij het nog wel beleven, dat ik dien Stiggins een gat in zijn kop sla.quot; Zij lachte daarover, Samuel!quot; besloot de oude man, terwijl hij, met behulp zijner pijp, een zucht onderdrukte; „maar een paar dagen daarna stierf\' zij toch.quot; „Wij moeten bedunken,quot; zeide Samuel, met het lofwaardige oogmerk om zijn vader zoo goed hij kon eenigen troost toe te spreken, toen de oude man eenige minuten had doorgebracht met langzaam zijn hoofd te schudden, „wij moeten bedenken, dat alle menschen moeten sterven, de een vroeg, de ander laat.quot; „Daar hebt gij gelijk in, Sampje!quot; zeide de oude man. .En alles wordt door de Voorzienigheid bestuurd,quot; hervatte Sam. „Dat zegt gij wel,quot; antwoordde zijn vader, rwijl hij ernstig en goedkeurend knikte. ..Hoe zou het anders met de lijkbezorgers en dood--ravers gaan, Sampje!quot; Verdwalende in het uitgestrekte veld van gissingen, hetwelk deze gedachte voor hem opende, legde de oude Weller zijn pijp op de tafel, en stookte met een peinzend gezicht het vuur aan. Terwijl hij hiermede bezig was, kwam de keukenmeid, eene vrouw, die er voor hare jaren nog zeer frisch uitzag, en in rouwgewaad was gekleed, met zachte schreden de kamer binnen; en nadat zij Sam glimlachend had toegeknikt, plaatste zij zich stilzwijgend achter den Stoel van zijn vader, waarop zij hare tegenwoordigheid aankondigde door een zacht kuchje, dat zij, n haar meester hier niet op lette, dooreen ander, dat wat harder was, liet achtervolgen. ..Welnu!quot; zeide de oude Weller, terwijl hij den pook liet vallen, en zijn stoel wegtrok: ..wat is het nu weer? „Gij moest een kopje thee drinken, dat zou \'\' goed doen,quot; zeide de frissche keukenmeid op een Heemenden toon. ..Ik lust geen thee,quot; antwoordde de oude Weller tamelijk onstuimig. „Ik wou dat gij quot; Het overige van het gezegde was on verstaan baa r. „Wel, lieve tijd!quot; zeide de keukenmeid met een blik naar den zolder: „wat kan het ongeluk een mensch toch doen veranderen!quot; ■ Hat kan wel wezen,quot; bromde de oude man; \'quot;r.ar ik ben niet van zins om verder te veranderen.quot; |
„Ik heb nooit iemand zoo ongemakkelijk gezien,quot; zeide de keukenmeid. „Dat kan ook wel wezen,quot; hervatte de oude Weller, „maar het is tot mijn eigen bestwil, en dat is hetzelfde, waarmede de schooljongen zich troostte, toen hij een pak slaag gekregen had.quot; De frissche keukenmeid schudde met een treurig en medelijdend gezicht het hoofd, en vroeg daarop Sam, of zijn vader waarlijk niet zijn best moest doen om zich wat op te beuren en niet zoo te zitten mijmeren. Gij begrijpt wel, mijnheer Samuel!quot; zeide zij, „evenals ik hem zelf gisteren nog gezegd heb, het kan niet anders, of hij moet zich eenzaam en verlaten voelen; maar hij moest zich toch wat laten opbeuren, want wy nemen allen deel in zijn verlies, en willen met hart en ziel alles voor hem doen, wat wij maar kunnen; en men kan toch nooit zoo ongelukkig wezen, of het kan nog wel weer beter worden, zooals een zeer braaf heer tegen mij zeide, toen mijn man gestorven was. Hier hield de troosteres hare hand voor den mond, kuchte nog eens, en zag den ouden Weller zeer vriendelijk aan. „Daar ik u op het oogenbllk hier niet noodig heb, zou het mij pleizier doen als gij heengingt,quot; zeide de oude Weller stroef en ernstig. „Maar, mijnheer!quot; zeide de keukenmeid, „ik heb niets gezegd, of het was hartelijk welgemeend.quot; „Dat kan wel wezen,quot; hernam de oude Weller, „Samuel! laat haar eens uit, en doe de deur j achter haar dicht.quot; De keukendame begreep dezen wenk; want zij verliet terstond het vertrek, en trok de deur met een geweldigen slag achter zich toe. De oude Weller veegde het angstzweet van zyn voorhoofd, wierp zich achterover in zijn stoel, | en zeide: „Sampje! als ik eene week - maar (V-ne week — hier alleen bleef, zou die vrouw mij I met kracht en geweld trouwen, voordat do acht dagen om waren.quot; „Is zij zoo gek op u?quot; vroeg Sam. „Gek?quot; herhaalde zijn vader. „Ik kan haar ! niet van mij afhouden. Al sloot ik mij op in j eene kast met oen patentproefslot, zou zy toch wel een middel weten, om bij mij te komen, j Sampje!quot; „Het is toch wat te zeggen, als men zoo bemind is,quot; zeide Sam glimlachend. „Ik ben er in het geheel niet grootseh op, ! Sampje!quot; antwoordde de oude man. „Het is I eene ijselijkheid. Ik word zoo uit huis en hof j gejaagd. Nauwelijks heeft uwe armn sliefmoeder den geest gegeven, of de eene oude vrouw stuurt i mij een pot met confituren, de andere eene Hosch i kruid er wijn, en de derde zot een grooten trekpot vol kamillenthee, en komt die mii zelf brengen.quot; Hier zweeg hij, zette oen gezicht dat |
SAMUEL PR\'KWIC\'K.
321
|
den Ltrootaten afschuw moest te kennen geven, en nadat hij eens had rondgezien, vervolgde hij; ,Hot waren allemaal weduwen, Sampje! behalve die met de kamillen, dat was eene jonge vrijster van drie en vijftig jaren.quot; Sam antwoordde dooreenschalkachtigen blik; en nadat de oude man een halsstarrig brok steenkool had in stukken geslagen, meteen gezicht zoo vol barschheid en kwaadaardigheid, alsof hij den pook boven hot hoofd van eene der op gemelde weduwen had gezwaaid, zeide hij: „Kni\'tom, Sampje! ik begrijp dat ik nergens veilig bon dan op den bok.quot; , iïoe zoudt gij daar veiliger wezen dan ergens anders?quot; vroeg Sam. „Omdat een voerman van eene diligence een voorrecht heeft boven alle andere menschen,quot; antwiquot; 1de de oude man, terwijl hij zijn zoon strak in de oogen zag. „Omdat een voerman zniuler hinder doen kan, wat andere menschen niet mogen doen; omdat een voerman, tachtig mijlen ver, met alle meisjes en vrouw. u op een vriendschappeUjken voet kan omgaan, zonder dat het iemand in de gedachten zal komen, dat tüi voornemens is om er e^-ne van te trouwen. Welk ander man zou zoo iets kunnen zeggen, Sampje?quot; „Daar is wel wat van aan,quot; zeide Sam. „Als uw heerschapeen voerman was geweest,quot; hernam de oude Wellor, op den toon vaneen redenei renden wijsgeer, denkt gij dan, dat de ury hem zou veroordeeld hebben, :il was het mogelijk geweest, dat die juffrouw de zaak /.nuver had kunnen drijven?Zij hadden het niet durven doen.quot; .Waar •m niet ?\'\' vr ••.•g sam, een weinig spottend. Waaf-m niet?quot; her\'uaalde de oude man. „Omdat het t\'\'Sfen hun geweten z«gt;u zijn geweest. Een vnt-rman is een- soort van middending \'us-chen ..•ti • .i wd ••n ongetrouwd : en dat weten alle adV\'iea-en.quot; „(I;; :a»\'«nr misschien, zy overal zi ■• wat mquot;j iemand hun dit kwalijk Zijn vader knikte. „}.[oe he\' kmnt weet oude Wclh r; ,,ma ir dat man, die alle dagen gert , rijdt, bij alle rneis • s in quot; hernam Samuel, en vrijen, zonder neemt?quot; dat dat ik niet,quot; hernam de weet ik, dat een voer-jeld heen en Weder de s\'.eden, waar hij d quot;.rkomr. een wit v heeft, en dat zij hem alien nakijken, zonder dat - ene v in hen op de L\'.\'dachte komt, eiat hij haar tot zijne vrouw Zquot;U willen nemen.quot; Hi.i stopte eene versehe pijp, gemak am. zett- een ernstiu zicht, t-n vervolgde. ,Daarom, Sampjedaar ik het VO\'r zeer onraadzaam houd, om hi\'-r te blijveii, en te moeten trouwen, quot;f ik wil of niet, en daar ik aan den anderen kant geen lust heb, om mij stak die lt;gt;{gt; zijn m peinzend ge |
zelven geheel af te scheiden van die onmisbare leden der maatschappij, heb ikmij voorgenomen, i om weder als voorheen op de diligence te ryden, I en in de li el-S a va ge te stallen, waartoe ik toch eigenlijk geboren ben.quot; „En hoe zal het dan hier met de affaire gaan?quot; vroeg Sam, „Die wordt verkocht,quot; antwoordde zijn vader; ; „het huis, met alles wat er aan vast is; en van het geld — dat heeft uw moeder nog belast, niet lang voordat zij stierf — moet tweehonderd pond voor u geplaatst worden in — hoe heeten die dingen ook weer, die daar in Londen altijd zoo op en neer gaan?quot; „Omnibussen?quot; vroeg Sam. „Neen!quot; hernam de oude man: „die dingen, die morgen zooveel meer, en overmorgen zooveel minder waard zijn, en daar het Parlement altijd zoo over praat, ,0! het zullen effecten wezen.quot; „Juist, effecten,quot; zeide de oude Wel Ier. ..Tweehonderd pond moet voor u in effecten worden belegd.quot; Het is wel goed van de oude vrouw, dat zy zoo om mij dacht,quot; zeide Sam; en ik blijf er haar ten hoogste dankbaar voor, „De rest is voor mij,quot; vervolgde de vader; „en als ik van den bok raak, ij het voor u. Maar pas op, myn jongen! dat gij het niet alles in eens verteert, en dat geen weduw er achter komt, dat gij zooveel geld hebt, of het is met u gedaan.quot; Nadat de oude man deze waarschuwing had uitgesproken, vatte hij met een veel opgeruim-. der gelaat zijne pijp weder op. De* gedachte, ; dat dit gesprek voorbij was, scheen zyn gemoed bijzonder te verlichten. „Er klopt iemand aan de deur,quot; zeide Sam. „Laat maar kloppen,quot; antwoordde zijn vader met deftigheid, Sam gehoorzaamde dit bevel. Toen word er nog eens geklopt en nog eens, en toen zonder ophouden, totdat Sam vroeg, waarom de klopper niet werd binnengelaten. „St !quot; fluisterde de oude man, met vreesachtige blikken: doe maar alsof gij het niet hoort, Sampje! Het is misschien eene Van de weduwen,quot; Daar het kloppen niet scheen te baten, nam de onzichtbare bezoeker, na een kort tijdsverloop, het stoute besluit, om de deur te openen en eens binnen te kijken. Het waa echter geen vrouwenhoofd, dat zich tusschen de reet van do deur vertoonde, maar het bleeko gezicht met de zwarte sluike haren van Stiggins. De oud\'-Weller liet zijne pijp uit den mond vallen. De eerwaarde heer op.-nde uiterst langzaam en voorzichtig de deur. totdat de opening juist wijd genoeg was, om zijn lang lijf te laten binnenslippen; toen sloop hij de kamer in, en de-d de deur zeer zacht en zorgvuldig achter zich dicht. Nadat hij, zich vlak voor Sam plaatsende. |
|
STIGGIXS WORDT zijne handen en oogen ten hemel had geheven, ; om de onuitsprekelijke smart aan te duiden, ! waarmede de ramp, welke de familie getroffen j had, hem vervulde, schoof hij den stoel met de hooge leuning in zijn gewonen hoek bij den schoorsteen, zette zich op den uitersten kant van de zitting, haalde zijn zakdoek uitzijn zak, ! cn hield dien voor zijne oogen. Terwijl dit plaats had, bleef de oude Weiier ichterover in zijn stoel geleund zitten, met zijne hand op zijne knieën, wijdgeopende oogen, en I een gezicht, waarop de grootste verbazing te | lezen stond. Sam zat aan den overkant, en wachtte stilzwijgend, maar met brandende nieuwsgierigheid, hoe dit tooneel zou alloopen. Stiggins hield zijn rooden zakdoek een ge-ruimen tijd voor de oogen, terwyl hij naar zijn ( beste vermogen zuchtte en steunde; daarop stak ; hij, alsof hij met inspanning van alle krachten zijne aandoening bedwong, den doek in zijn zak, | ■ n knoopte zijn rok dicht. Vervolgens stookte ; hij het vuur wat op; daarna wreef hij in zijne handen, en zag Sam aan. „O, mijn jonge vriend!quot; zeide Stiggins, met 1 iie zachte stem de stille afbrekende; „dat is • ■en zware slag.quot; Sam knikte, maar zeer flauw. ..Ook voor den man des toorns,quot; vervolgde •üggins. „Der vromen bloedt het hart.quot; Sam hoorde zi.jn vader mompelen, dat hij veel ist hadom een vrome zijn neus aan het bloeden 1 maken; maar Stiggins hoorde hiervan niets. „Weet gij ook, jonkman,quot; fluisterde Stiggins. Twijl hij zijn stoel dichter bjj Sam schoof, „of \'ij Emanuel iets heeft nagelaten?quot; „Wie is dat?quot; vroeg Sam. „De kapel,quot; antwoordde Stiggins; „onze kapel, ■nze schaapskooi, mijnheer Samuel!quot; ..Zij heeft de schaapskooi niets nagelaten,quot; ■ iitwoordde Sam op een vasten toon, „en de herders on de beesten en de honden ook niets.quot; Stiggins ierp Sam eerst een sluwen blik \'ue, keek toen eens naar den ouden heer, die i met gesloten oogen stil bleef zitten, even alsof hij sliep, trok vervolgens zijn .stoel nog naderbij, en zeide; ...Viets voor mij, mijnheer Samuel?quot; Sam schudde zijn hoofd. „Dat had ik toch verwacht,quot; zeide Stiggins, verbloekendezoover hij verbleeken kon. „Bedenk , ii eens, mijnheel\'Samuel! geetie kleine gedach- 1 tenis ?quot; ■ Niet zooveel als die oude paraplu van u waard antwoordde Sam. ..Misschien,quot; zeide Stiggins aai zeiend, nadat bij eene poos diep had nagedacht, „misschien zal zjj mij hebben aanbevolen in de zorg van i dien man des toorns, mijnheer Samuel?quot; ..Dat zou ik wel denken,quot; antwoordde Satn. ••Ik heb hem ten minste daar zoo even van u hooren spreken!quot; |
COEL ONTVANGEN. 325 ..Zoolquot; hernam Stiggins, terwijl zijn gezicht ophelderde. „O, dan zal hij wel veranderd zijn. Wij zouden hier zeer genoeglijk met elkander kunnen leven, nietwaar, mijnheer Samuel? ik zou op de zaken kunnen passen, terwij 1 gij uit waart, niet waar?quot; Stiggins slaakte een lang gerekten zucht, en wachtte naar antwoord. Sam knikte, en de oude Wel Ier liet een allerzonderlingst geluid hooren, het was geen zucht, geen hoest, geen gesteen, geen gebrom, maar scheen van al deze geluiden iets te hebben. Aangemoedigd door dit geluid, hetwelk, naar zijne meening, berouw of boetvaardigheid te kennen gaf, zag Stiggins om zich heen, wreef in zijne handen, glimlachte en schreide bij beurten; toen stond hij op, ging op zijne teenen dooide kamer naar de welbekende kast in den hoek, nam er een groot glas uit, en deed zeer bedaard vier klompen suiker daarin. Toen hij zoover i gekomen was, zag hij om zich heen, en slaakte een kermenden zucht. Vervolgens ging hij zacht naar hel buffet en kwam terug mef het glas half vol rum; toen nam hij den ketel met water, dat over het vuur hing te koken, goot het glas vol, roerde het mengsel om, proefde eens even, ging zit ten, nam een hartigen slok, en hield op om adem te halen. * De oude VV• •lier, die, met allerlei zonderlinge grimassen, zich nog wilde houden alsof hij sliep, had onder dit bedrijf geen woord gesproken; maar toen Stiggins het van zijn mond nam om adem te halen, stoof hij eensklaps op, rukte den onderherder het. glas uit do hand, en smeet dezen het overschot van den rum met water vlak in zijn gezicht, en het glas op den grond. Daarop greep hij den eerwaarden heer bij zijn kraa.:, en begon hem uit alle macht te stompm en te schoppen, terwijl hij telkens, als zijne laars met het liehaam van Stiggins in aanraking kwam, een nieuw en krachtig scheldwoord uitstiet. „Sampje!quot; zeide de oude VV aller, .,/, t mijn hoed wat steviger op,quot; Sam. als een gehoorzame zoon, drukte zijn vader den hoed met den langen rouwband stijf op het hoofd, en toen dreef de oude man, zijn arbeid met vernieuwde kracht opvattende, Stiggins voor zich uit, de gelagkamer en de gang door, de voordeur uit, en de straat op, terwijl hij den ontstelden herder bij zijne kraag vasthield en den geheelen weg over bleef schoppen, met eene kracht, die. telkenmale, als de kaplaars omhoog werd geheven, eer scheen te vermeer-deren dan af te nemen. Zoo sleurde de, oude Wel Ier den roodneus, die ,:ieh vruchteleos wilde los worstelen, en bij eiken nieuwen schop van pijn kromp, naar een paarden trog vol water, stopte hem met bet hoofd daarin, en hield hem onder, totdat hij bijna stikte. „Daar!quot; zeide de oudé Weller, terwijl hij al zijne kracht verzamelde tot een laatsten schop. |
|
toen hij Stigguis eindelijk toeliet om zijn hoofd uit den trog te halen: „laat nu nog een ander van die luie, verzopen herders hier komen, dan zal ik hem ook tot brij ranselen en naderhand verzuipen. Kom, kampje! ga mee naar binnen, en schenk mij een glas brandewijn in. Ik ben geheel buiten adem geraakt, jongen!quot; lui. ükhklzenue het afscheid van alfked jingle en 1ehemias ïbotter, benevens een oi ii-tend vol •iEWIi-HTUiE bezk lt; heden, EN ItESI.riTENDK met een razend UEKLOl\' aan dk deur vak degt; heek perker. Toen Pickwick, na cene vriendelijke voorafspraak en na herhaalde verzekeringen, dat er volstrekt gu ne reden bestond om den moed te laten zakken. Arabella don ongelukkigenafloop van zijne reis naar B i r m i n g h a m mededeelde, barstte zi,j in tranen uit, en hiel\', luid snikkende, een hartroerend ueklaagaan, dat zjj de rampzalige oorzaak was geweest, die een vader van zijn zoon vervreemd had. „Maar kindlief 1quot; zei de Pickwick op een vrien-deiyken toon, „het is uwe schuld niet. Gij kon det onmogelijk voorzien, dat de oude heer er zoovee! tegen zou hebb- n, dat. zün zoon in het huwelijk trad. Ik houdmij verzekerd,quot; vervolgde hij. mi-t ei a blik op haar bekoorlijk gezichtje, .dat hij nii t vermoedt van hoeveel genoegen hij zich zeiven berooft.quot; .Ach, mijn lieve mijnheer Pickwick,quot; riep Anuit\'.hi uit, „wat zullen wy doen, als hij zoo b*\'Os op ens blijft?quot; .We,, geduldig wachten, totdat hij tot andere _\'i-la \'htei. komt,quot; antwir .rde Pickwick op vroo-Ivken toon, .Maar. mijnheer Pickwick! hoe zal het met Nath uia\' l L\'aan, a!s zijn vader zijne hand van hem aftreet hernam Arabella. .In dat .al, kindlief!quot; antwoordde Pickwick, ..durf i-. wei voorspellen, dat hij hier of d.mr een ander vriend zal vinden, dieniet werkeloos zal blijven, als het erop aankomt, hem in d- wereld voort te h Ipen,quot; Pt- w;ck kon de bete\' kenis van deze woorden niei /.ortze-r verbloemen, • f Arabella be-greep hem o -if-nbiikkelijk. Zij sloeg hare armen om zijn hals, kuste hem niet vuur, en begon nog harder snikk\'-n dan te voren ,Kom, kom !quot; zeide Pickwick, terwijl hij haar b,; de hand vatte: „wij zullen nog eenige dagen wachten, en zien, of hij schrijft, of op eeniirv ander\'- manier den brief van uw man beantwoordt. 7,ogt;\' ne\'-n. dan heb ik, in plaats van een, wel een half dozijn plannen bedacht, om u op |
eens gelukkig te maken. Wees nu maar gerust.quot; Dit zeggende, drukte Pickwick Arabella de hand, en gebood haar, hare oogen af te drogen, en haar man niet te bedroeven, waarop Arabella, die het beste en liefderijkstejongevrouwtje van de wereld was, spoedig haar zakdoek in haar werkzakje stopte. Toen Winkle daarna bij hen kwam, waren hare oogen even glansrijk en haar glimlach even schalkachtig, als toen zij bij de eerste ontmoeting zijn hart zoo onweerstaanbaar had geboeid, „Die jongelieden bevinden zich toch in een pijnlijken toestand,quot; dacht Pickwick, toen hij zich den volgenden morgen aankleedde, „Ik zal eens naar Perker gaan, en hem over do zaak ; raadplegen. Daar Pickwick bovendien naar Gray\'s-Inn-square werd gedreven door een angstig verlangen, om, zonder verder uitstel, met zijn goed-hartigen en welmeenenden procureur af te reke nen, ontbeet hij met alle haast, en bracht zijn besluit met zoo veel haastten uitvoer, datdekloknog geen tien had geslagen, toen hij Gray\'s-Inn bereikte. Het was nog tien minuten vóór dat uur. toen hij de trap beklom, die naar de kamers van Perker voerde. Do klerken waren nog niet gekomen, en, om den tijd te verdrijven, keek hij uit het venster van het portaal. Het frissche licht van een schoenen October ochtend deed zelfs de zwart berookte huizen een weinig ophelderen. Sommige der stofterigc vensters hadden waarlijk een vroolijk voorkomen in den glans der zonnestralen, die op de glazen flikkerden. De eene klerk na den anderen kwam met snelle schreden het plein op, wierp een blik op de klok, en vergrootte of verminderde zijn spoed, naarmate-van den tijd, waaropzijn kantoor heette geopend te worden. De klerker van halftien werden plotseling zeer vlug ter been, en de heeren van tien uur namen eene allerdeftigste langzaamheid aan. De klok sloe_ tien, en nu zag men een drom van klerker binnenstroomen, ieder sterker in het zweet dar zijn voorganger. Aan alle kanten hoorde mei; deuren opensluiten; als door tooverij kwamen voor elk venster hoofden te voorschijn, de por ti- rs begaven zich op hunne posten; de schoon maaksters verloren bijna hare sloffen door dlt; haast waarmede zij zich wegspoedden; de brie-venbi steller snelde- van de eene deur naar d\' indere; de geheele rechtsgeleerde bijenkorf wa ■ vol leven en beweging. „(üj zijt er vroeg bij, mijnheer Pickwick!\' zeide eene stem achter hem. .Ha, mijnheer Lowten!quot; zeide deze. toen h: zich omkeerde en zijn ouden bekende zag. „Dat heet loopen !quot; zeide Lowten. terwijl li: een sleutel uit zijn zak haalde, in welks p een peiinetie was gestoken, opdat er geen vul in zou komen. |
DWAASHEID VAN JEIiEMlAS TIK )\'r\'l,EH.
|
„Gij schijnt u gehaast te hebben,quot; hernam Pickwick glirnlacliende, toen hij den klerk aanzag, wiens gezicht zoo rood was als vuur. „Dat geloof ik,quot; zeide Lowten: „het sloeg halftien, toen ik nog te huis was. Maar dat doet er niet toe; ik ben hem toch voorgekomen.quot; Zich hiermede troostende, opende Lowten de deur, liet Pickwick binnen, en raapte de brieven op, die de brievenbesteller door het luikje van de deur had gestoken. Daarop trok hij in een oogwenk zijn rok uit en een anderen aan, met kaal-gesleten mouwen, die hij uitzijn lessenaar haalde, hing zijn hoed aan een kapstok, legde eenig papier gereed, stak eene pen achter zijnoor, en wreef vergenoegd in zijne handen. „Ziet gij, mijnheer Pickwick .\'quot; zeide hij: „nu ben ik in orde. Laat hij nu maar komen, zoodra hij verkiest. Hebt gij ook een snuifje bij u?quot; „Neen, dat heb ik niet,quot;antwoordde Pickwick. „Dat spijt mij,quot; hernam Lowten; „maarhet komt er niet op aan. Ik zal eens even uitloopen, om eene flesch sodawater te halen. Vindt gij niet, dat mijne oogen wat wonderlijk staan, mijnheer Pickwick?quot; De aldus aangesprokene zag Lowten op een afstand in de oogen, en verklaarde, dat hij daaraan geene buitengewone wonderlijkheid bemerkte. „Daar ben ik blij om,quot; zeide Lowten. „Wij zijn van nacht wat laat opgebleven, en ik ben van morgen nog een beetje van streek. Maar, wat ik zeggen wil, Perker heeft die zaak voor u in orde gebracht.quot; .Wat?quot; vroeg Pickwick. „De afrekening met juffrouw Bardell ?quot; „Neon, dat meen ik niet,quot; antwoordde Lowten. ..Ik meen de schikking, om dien man naar Denierary te zenden; gij weet wel — dien snaak, voor wien wij, voor uwe rekening, negen-tig percent betaald hebben, om hem uit de Fleet te krijgen.quot; „O, Jingle,quot; zeide Pickwick, „Ja wel, Hoe zal het met hem gaan?quot; ..Alles is in orde,quot; antwoordde Lowten, terwijl hij eene pen vermaakte, ,.De agent te Liverpool zeide, dat gij hem zoo dikwijls pleizier hadt: gedaan, toen gij nog in uwe zaken waart, en dat hij hem op uwe aanbeveling gaarne wilde plaatsen.quot; ..Dat is goed,quot; zeide Piekwick. „Daar ben ik blijde om.quot; „Maar, wat ik zeggen wil,quot; hernam Lowten, •■•n maakte tegelijk een nieuwe spleet in zijne pen; „wat is die andere een malle drommel!quot; „Welke andere?quot; „Wel die knecht, of kameraad, of wat hij wezen mag gij weet wel. Trotter,quot; „Zoo?quot; zeide Pickwik. „Ik had altijd het tegendeel van hom gedacht.quot; „Ik ook,quot; hernam Lowten ; maar nu zie ik, hoe men zich in een rnensch kan bedriegen. |
Wat zegt gij er van, dat hij mede naar D e me-rary gaat?quot; „Wat!quot; riep Pickwick uit. „En ziet hij al\' van al wat hem hier aangeboden was?quot; „Hij heeft het aanbod van Perker, die hem achttien shillings in de week wilde geven, en voorthelpen, als hij zich goed hield, zoo maar weggegooid, alsof het niemendal was,quot; zeide Lowten. „Hij zeide, dat hy met den andere mede wilde; en toen hebben zij Perker overgehaald om nog eens te schrijven, en hem eene plaats op dezelfde plantage te bezorgen, waar hij het niet half zoo goed zal hebben, als een banneling in N i e u w Z u i d W ales.quot; „Die dwarskop!quot; zeide Pickwick, terwijl zijne oogen glinsterden. „Die dwarskop 1quot; „Dwarskop ?quot; herhaalde Lowten verachtelijk; „een domkop is hij. Hij zegt, dat die andere do eenige vriend is, dien hij ooit gehad heeft, en dat hij aan hem gehecht is, en zoo al meer. Vriendschap is goeden wel, als men maat weet te honden, In de Ekster, bij voorbeeld, zijn wij bij onze flesch allen goede vrienden, maar ieder betaalt zijn eigen gelag; en zich zeiven voor een ander te benadeelen is eene duivelsche gekheid. Niemand moet zijne zinnen op iets anders zetten, dan op twee dingen; eerstop nom-nier een, en clan op de meisjes, dat zeg ik. Ha, ha ha!quot; Lowten besloot zijne rede met een hartelijk gelach, half schertsend, half verachtelijk, maar bedwong zich terstond, toen hij op de trap den voetstap van Perker hoorde; waarop hij met verwonderlijke vlugheid op zijn kantoorstoel j wipte, en ijverig begon te schrijven. De begroeting tusschen Pickwick en zijn j rechtsgeleerden vriend was warm en hartelijk; j maar nauwelijks had hij zich in den armstoel van den procureur nedergezet, of er werd aan de deur i geklopt, en een stem vroegof mijnheer Perker te ! spreken was, „Dat is een van onze vrienden een van die i twee gauwdieven,quot; zeide Perker. „Het is Jingle ; zelf. Wilt gij hem zien, mijnheer!quot; „Wat dunkt, u?quot; vroe^\' Pickwick aarzelend. „O, waarom niet ?quot; hernam Perker. ..Kom maar binnen, die daar klopt!quot; Jingle en Jeremias traden naast elkander binnen; maar, toen zij Piekwick zagnn, bleven zij verlegen staan. „Kent gij dien heer niei vroeg Perker. „Goede reden voor,quot; antwoordde Jingle. „Mijnheer Pickwick oneindige verplichting mijn leven gered een man van mij gemaakt - /al u nooit, berouwen, mijnheer!quot; „Het verheugt mij dat gij zoo spreekt,quot; zeide Pickwick „Gij ziet er nu veel beter uit.quot; „T\' te danken, mijnheer! groote verandering Fleet is machtig ongezond.quot; zeide Jingle, terwijl lijj zijn hoofd schudde. Hij was fatsoi nlijk en zindelijk gekleed, evenals Jcemias, die zoo I stijf als een staak achter hem sto..d, en Piek |
828
|
wick met een onbewegelijk gezicht aanstaarde. „Wanneer gaan zij naar Liverpool?quot; vroeg Pickwick, zich halt tut IVrker koerende. „Van avond om zeven uur, mijnheer!quot; antwoordde Jeremias, een stap naderbij komende. ..Met de diligence, mijnheer!quot; „Hebt gij al plaatsen genomen?quot; „Ja, mijnheer!quot; antwoordde Jeremias. „CHj blijft dus bij uw besluit om mede te : gaan?quot; „Ja mijnheer!quot; antwoordde Jeremias. „Om Jingle eene behoorlijke uitrusting mede te geven,quot; zeide 1\'erker, overluid tot Pickwick het woord richtende, „heb ik op mij genomen een voorschot te doen, met beding, lt;lat er elk vierendeeljaars een gedeelte van zijn salaris zal worden ingehouden, zoodat die onkosten in een i jaar vergoed zullen zijn. ik moet u stellig af-• raden, mijnheer! om verder iets voor hem te ; doen, voordat her blijkt dat hij dit door een 1 goed gedrag verdient,quot; „Behoort zoo,quot; zeide Jingle met eene vaste stem. „Menschenkenner gmeit gelijk — vol i komen.quot; „Dat gij zijne schulden voMaan, zijne kleeren iiit de bank van leening gelóst, hem in de ge-v an ge n i s o n d o i s t e u n d e n z ij n o rei s kV\' s t e n b e t aa 1 d hebt, is u r-eds op meer dan veilig pond te staan gekomen,quot; vlt;: rvolgde PerKer,Zonderlt;iphet gezrgde van Jingle te letten. „Is maar oen ......r-ch-t,quot; zoide Jingle haastig. „Zal alles beialen op mijne zaken passen zuinig \'e ven eiken penning hesparen. Gele koorts mis-ch n da\' buiten mijne schuld anders, . , 1 Fl r bl- i fhij stoken, gaf een slag op den bol van zijn hoed, streek zijne hand over zijne 0\'-_\'en, i-n Zquot;*.te zich op een stoel nedr. „Hij wil ze-r.-\'M, mijnheer!quot; zeide Jeremias, noj een w-mL\' naderbij komende, „dat hij als de gele koorts hem maar niet wegraapt, al het ■-\'••ld ■ al te! iig_quot;Vlt; n. Als hij nrrir in leven blijft, zal hij hot /gt;-ker d* quot; n, mim\'i\'er Pickwick! Ik zi! erop i-tten. Hij Is hef vast voornemens,quot; vervolgd- hij met grooteri nadruk. „Ik zou er w-1 op wi\' .-i zweren, fiat hij het doen zal.quot; i. -d,quot; z»-idf l\'i\'-kwick, die wel twintigmaal zijn voorh- ifd (ladirefronst, terwijl Perker 1 ijst der weldad.-n oplas, die hij Jingle had bewezen, maar zonder dat de kleine rechtsgeleerde hierop had willen acht geven, „Oil moet ma.ir ppas- n, dat gij niet weder den geheèlen dag crtckef speelt, 11\\ uwe kennis met Sir Thom is Blazo niet vernieuwt, dan zult gÜ wel gezond büjven,quot; Jin. -\'iimlachte over dezen vegt; m iar zette toch e-n tamelijk verslagen gezicht. Pickwick wilde daarom over iets andets gaan spreken, toen Perker hem voorkwam. „Hier is een brief voorden agent,quot; zeide hU. „(quot;■♦•ft hetn dien, als gij te Liverpool komt; |
en laat mij u raden, heeren! om in West-Indi\' niet al te veel grappen te maken. Als gij u nu niet verbetert, hebt gij groote kans om aan do galg te komen, en dat zou dan ook niet meer zijn dan gij verdiendet. En nu zoudt gij het best doen, als gü mijnheer Pickwick met mij alleen liet, want wij hebben nog over andere zaken te spreken, en de tijd is kostbaar. Dit zeggende, keek Perker naar de deur, met een blijkbaar verlangen om het afscheid zoo kort mogelijk te maken. Jingle maakte het kort genoeg. Hy dankte Perker met weinige woorden voor de vriendelijkheid en den spoed, waarmede hij hem geholpen had; daarop koerde hij zich tot zijn weldoener, en bleef eene poos bedremmeld staan, zonder te weten wat hij doeil bf zeggen zou. Jeremias verloste hem uit zijne verlegenheid; want met eene nederige, dankbare buiging voor Pickwick nam hij zijn vriend bij den arm, en bracht hem buiten het vertrek, „Een veelbelovend paar!quot; zeide Perker,toen dó deur ge .-loten was, ..Ik hoop, tof hun eigen bestwil, dat zij woord zullen houden,quot; zeide Pickwick. „Hoe denkt gij er over? Zou er kans wezen, dat zij waarlijk en bestendig verbeterd waren?quot; Perker haalde twijfelachtig zijne schouders op; maar toen hij de spijt en teleursfeliing zag, die zich op het gelaat van Pickwick vertoonden, antwoordde hij; „Het is mogelijk.en ik wil het hopen. Thans hebben zij buiten twijfel berouw; maar de ellende, die zij hebben doorgestaan, is ook nog versch in hun geheugen. Wat ervan hen worden zal, wanneer de herinnering is verflauwd, is een raadsel, dat ik evenmin kan oplossen als gij. Maar wat de uitslag wezen moge, mijnheer!quot; vervolgde hij,terwijl hij zijne hand op Pickwick\'s schouders leirde, „uw oogmerk blijft toch even goed en edel. Ofdie soort van weldadigheid, welke zoo voorzichtig, en berekenend is, dat zij. opdat men niet bedrogen en in zijne eigenliefde gekwetst worde, slechts zeer zelden wórdt uitgeoefend, ware jnenschlie venheid of eene valse he vertooninK daarvan te noeni\' n is, hiervan laat ik de beslissing over aan men.-chen. die meer verstand hebben dan ik. Maar zoo die twee verbeterdquot; gauwdieven morgen op een diefstal werden betrapt, zou ik toch van uw te drijf eene hooge meening blijven koesferen.quot; Na deze aanmerking, die I\'erker met veel meer levendigheid en vuur uitsprak, dan aan rechtsgeleerde Leren doorgaans eigen zijn. schoof hij zijn stoel bij zijn lessenaar, en luisterde naar Pickwick\'s verslag van de halsstarrigheid van den ouden heer Winkle. „Laat hem maar eene week tijd,quot; zeide Perker, met een voorspellenden hoofdknik. „1)\' nkt gij, dat hij z d toegeven?quot; vroeg Pickwick, |
EEX LAATSTE KAXs,
|
Ik geloof het wel,quot; antwoordde Perker. ..Zoo niet, dan moeten wij beproeven wat de over-redingskunt der jonge dame vermag; dat zou een ander hét eerst gedaan hebben.quot; Terwijl Perker een snuitje nam en eenige grimassen maakte, omzijn hooge gedachte over de overredingskunst van jonge dames nog duidelijker te kennen te geven, hoorde men in hot buitenkantoor eene vraag en een antwoord mompelen, en Lowten klopte aan de deur. „Binnen!quot; riep Perker. |
„Lieve Hemel!quot; zeide Perker, op zijn horloge ziende. „Ik had hen om twaalf uur besteld, om die zaak van u met hen af te doen, mijnheer Pickwick! Ik had hun maar eene borgstelling gezonden, en daarop hebben zij u laten ontslaan. Dat komt al heel ongelegen. Wat wilt gij doen, mijnheer? Wilt gij in de andere kamer gaan ?quot; Daar de andere kamer juist die was, waarin Dodson en Foggstonden te wachten, antwoordde Pickwick, dat hij wilde blijven waar hij was, te meer daar Dodson en Fogg zich behoorden |
|
De klerk kwam binnen en deed met eer ge-hfimzinnig gezicht de deur zorgvuldig achter zich toe. „Wat is er?quot; voeg Pél\'ker. „.Men vraagt u te spreken, mijnheer!quot; .. Wie?quot; Lowten keek naar Piek wik en knikte. „Wie vraagt mij te spreken? Kunt gij niet antwoorden, Lowten?quot; ..Het is mijnheer Dodson, mijnheer!quot; zeide Lowten, „Kn hij heefl miinheor Foggmedego-bracht,quot; |
to schami\'ii, om hem in het gezicht te zion, in plaats dat hij voor hen beschaamd zou moeton zijn; welke laatste omstandighoid hij.metei n hoogrood gezicht en velerlei teekenen van verontwaardiging, Perker verzocht wel in het oog te houden. „Goed, mijnheer, zeer goed,quot; zeide Perker. ..Maar ik moet u zeirgen, dat uij u z* ■ i l.c driegt, indien gij verwacht, dat Dodson of zich in het minst zullen schamen pmu\'of iemand anders in het gezicht ti zien. Laat hen bin-nenkomen, Lowlon !quot; |
|
330 SAMUEL P Low ten verwijderde zich niet een grijnslach op zijn gezicht en opende daarop de deur voor Dodaon en Fogg, die achter elkander de kamer binnentraden. „Ziet gij mijnheer Pickwick wel?quot; zeide Perker tot Dodson, de veer zijner pen naar do plek richtende, waar die heer gezeten was. ..Hoe vaart gij, mijnheer Pickwick?quot; vroeg Dodson overluid. „Heer! Hoe vaart gij, mijnheer Pickwick? • Nog wel, hoop ik? Ik dacht al, dat gezicht is i 1 mij bekend,quot; zeide Pogg, terwijl hij een stoel j | nam en glimlachend om zich heen zag. Pickwick beantwoorddedezehegroetingendoor | | oven niet zijn hoofd te knikken; en toen hij j \' zag, dat Fugg een biunh-l papieren uit zijn zak haalde, stond hij op, en ging naar het venster. „Mijnheer Pickwick behoeft niet heen te gaan, | mijnheer Perker!quot; zeidde Pogg nier een nog vriendelijker glimlach dan eerst, terwijl hij den j rooden band losmaakte, waarmede het pakje was toègehonden ...Mijnheer Pickwick weet er wel : van. Wij hebben geene geheimen voor elk- ; ander. Hi, hi, hi!quot; „Volstrekt niet,quot; zeide Dodson. , Ha, ha, ha!quot; Daarop gingen de twee compagnons tezamen | zitten lachen verblijd en genoeglijk, gelijk menschen, die geld zullen ontvangen, wel meer doen. „De njeuwsuierigheid zal mijnheer Pickwick duur te staan komen,quot; zeide de geestige Fogg, terwijl hij zijne papieren uitspreidde. „Het bedrag der kosten is honderd drie en dertig pond, zes shillings en vier pence, mijnheer Perker!quot; Nu gingen Fogg en Perker aan het nazien, vergfiijken en rekenen; en terwijl zij hiermede bezig waren, wendde Dodson zich beleefd tot Pickwick. ( lij : ;;t niet zoo ^ -\'.er meen mijnheer!quot; zeide hij, „a\'s toen ik de laatste maal het gencogen : had u te zien!quot; „Wel mogelijk, mijnheel! antwoordde Pickwick wiens oogen van verontwaardiging fonkelden, zonder dat zulks op het ••de\'.e paar den minsten indruk maakte. „Ik geioof\' het ook. Ik ben in dkn \'ijd door een paar schurken geplaagd \' ii vervolgd -quot;-worden.quot; p. rker hoestte geweldig, en vroeg Pickwick, of hij de courant niet ■ ons wilde inzien; welke vim ! g Pick wiek kortaf me\' ,neen,quot;Itcantw( gt;ordde. „Lr laat zich wel denken,quot; zeide L \'dson. , „Ik wil wel golteven, dat gij in de Fleet , overlast hebt moeten lijden. Men vindt daar j illeil\' i slag van mensciu-n. Waarwasuwe kamer mijnheer Pickwick?quot; Op de verdieping van de koffiekamer.quot; ant-1 woordde de zwaar beUedigde man. „Ei zou!quot; zejde Dodson. .Dat is, geloot ik. . \' een ztlt; r pleizierig gedeelte van het gelgt;.gt;uw.quot; „/.eer pleizierig,quot; antwoordde Pickwiekdroog. ; |
D- gezegden van Dodson werden door eene koelheid gekenteekend, welke, in de tegenwoordige omstandigheden, voor iemand van een opbruisend temperament inderdaad tergend was. Pickwick bedwong zijn toorn door eene reusachtige inspanning, maar toen Perker voor het. volle bedrag een kassiersbriefje schreef, en Fogg dat in zijne brieventasch legde, terwijl een zegevierende glimlach over zijn bol, rood gezicht speelde, en dezelfde glimlach zich ook aan het barsciie gelaat van Dodson mededeelde, voelde hij het bloed van verontwaardiging in zijne wangen tintelen. „Nu ben ik tot uw dienst, mijnheer Dodson!quot; zeide Fogg, terwijl hij de brieventasch in zijn zak stak, en zijne handschoenen aantrok. „Goed!quot; zeide Dodson opstaande. „Ik ben ook gereed.quot; „Het doet mij zeer veel genoegen,quot; zeide Fogg, die door het kassiersbriefje in eene goede luim was gebracht, „met mijnheer Pickwick te hebben kennis gemaakt. Ik hoop, dat gij thans niet meer zoo slecht over ons denkt, mijnheer Pk-kwiek! als toen wij voor de eerste maal het genoegen hadden u te zien.quot; „Dat hoop ik,quot; zeide Dodson, opdenhoogen toon van belasterde deugd. „Ik vertrouw, dat mijnheer Pickwick ons thans beter kent. Hoe gij ook in hot algeméén over de heeren van ons vak moogtdenken, ik verzekeru. mijnheer! dat ik geen wrok of wraakzucht koester, wegens de uitdrukkingen, waarvan gij goedvondt, u in ons kantoor in Freeman\'s Court, Corn hill, te bedientbij de gelegenheid, welke mijn compagnon op het oog had.quot; „O neen, neen! Ik ook niet,quot; zeide Pogg. op den toon van iemand, die van ganscher harte eene beloediging vergeeft. „Ons gedrag zal voor zich zelf spreken, mijnheer! begon Dodson nog eens, „en, hoop ik, altijd zich zelf rechtvaardigen. Wij hebben reeds eenige jaren gepractiseerd, mijnheer Pickwick! en oiw vereerd gezien met het verteouwen van vele zeer achtenswaardige cliënten. Ik wensch u goe ienmorgon, mijnheer!\'\' „Qoedenmorgen, mijnheer Pickwick!quot; zeile Fogg; en dit zegg. nde, nam hij zijne paraplu onder den arm, trok zijn rechterhandschoen uit, en reikte Pickwick de hand van verzoening toe. Maar deze, die van verontwaardiging gloeide, stak de handen in zijne zakken, en beschouwde den procureur met een blik, die evenveel verachting als verbazing uitdrukte, , Lowten!quot; riep Perker op dit oogenblik, „doe do deur open.quot; Wacht een oogenblik,quot; zeide Pickwick. „Ik wii spreken, Perker!quot; „Mijn beste heer! laat de zaak hierbij blij ven, bid ik u!quot; zeide Perker, die onder het geheele gesprek 1\'p heete kolen had gestaan. „Mijnheer Pickwick! ik verzoek...quot; |
PICKWICK ZEGT DODSON EX FOGG DE WAARHEID.
831
|
„Ik wil niii geen stilzwijgen laten opleggen, mijnheer!quot; viel Pickwick hem haastig in de rede. „Mijnheer Dodson I gij hebt goedgevonden om mij aan te spreken.quot; Dodson keerde zich om, en boog glimlachend zvjn hoofd. „Mij aan te spreken,quot; herhaalde Pickwick, by\'na buiten adem; „en uw compagnon heeft mij zijne hand aangeboden, en gij hebt beide een toon van grootmoedige vergevensgezindheid tegen mij aangenomen, die eene mate van onbe schaamheid aan den dag legt, welke ik zelfs van u niet had verwacht.quot; „Wat, mijnheer?quot; riep Dodson uit. „Wat, mijnheer?quot; herhaalde Fogg. „Weet gij niet, dat ik het slachtoffer van uwe schandelijke streken ben geweest?quot; vervolgde Pickwick. „ Weet gij niet, dat ik de man ben, dien gij gevangen gezet en geplunderd hebt ? Weet gij niet, dat gij zaakwaarnemers zijt geweest in het proces van Bardell co n tra Pickwick? „Ja, mijnheer I dat weten wij wel,quot;antwoordde Dodson. „Natuurlijk weten wij dat,quot; zeide Togg, terwijl hij, misschien bij toeval, op zijn zak klopte. „Ik zie. dat gij met genoegen daaraan denkt,quot; zeide Pickwick, terwijl hij voorde eerste maal in zijn leven beproefde om een smalenden lach op zijn gelaat te roepen; eene poging, die hem deerlijk mislukte. „Hoewel ik lang verlangd heb om u met ronde woorden te zeggen hoe ik over u denk, zou ik toch, uit inschikkelijkheid voor mijn vriend Perker, zelfs deze gelegenheid hebben laten voorbijgaan, indien gij niet zulk een onvoegzamen toon en zulk eene onbeschaamde gemeenzaamheid hadt aangeno men — onbeschaamde gemeenzaamheid, zeg ik.quot; zeide Pickwick, terwijl hij zich totFogg keerde^ met eene woestheid, welke dezen heer met de grootste overhaasting naar do deur deed afdeinzen. „Pas op, mijnheer!quot; zeide Dodson, die, hoewel hij de grootste van do twee was, zich voorzichtigheidshalve achter Fogg had verschanst, en met een bleek gezicht over het hoofd van dezen heen keek. „Laat hij u maar slaan, mijnheer Fogg! maar sla vooral niet weerom!quot; „Neen. neen; ik zal niet weerom slaan,quot;zeide Fogg, en ging, dit zeggende, nog wat meer achteruit, tot blijkbaar genoegen van zijn compagnon. die zoodoende langzamerhand de deur uit, in de andere kamer kwam. „Gij zijt,quot; vervolgde Pickwick, den draad zijner rede weder opvattende, „gij zijt een juist bij elkander passend paar laaghartige, schurkachtige recht,verdraaiors en afzetters.quot; ,Zoo!quot; zeide Perker. „Is het nu uit?quot; „Alles is daaronder begrepen,quot; antwoordde |
Pickwick. „Zij zyn een paar laaghartige, schurkachtige rechtverdraaiers en afzetters.quot; „Als \'t u belieft, mijne heeren!quot; zeide Perker, op den vriendelijksten toon van verontschuldiging. „Hij heeft alles gezegd, wat hij zeggen wilde. Gaat nu toch heen! Lowten! is die deur open?quot; Lowten, die op eenigen afstand in zijne vuist stond te lachen, antwoordde van Ja. „Nu dan — kom dan — goedenmoigen — goedenmorgen — als \'t u belieft, mijne heeren! — Lowten! de deur open!quot; riep Perker, terwijl hij Dodson en Fogg, die zich dezen dwang gaarne lieten welgevallen, het kantoor uitdrong. „Dezen weg, mijne hoeren — waarom verlengt gij dit.... Lieve Hemel, Lowten! waarom doet gij de deur niet open?quot; „Als er nog recht in Engeland is, mijnheer !quot; zeide Dodson, zich tot Piek wiek keerende, terwijl hij zijn hoed opzette, „zal dit u duur te staan komen.quot; „(!ij zijt een paar laaghartige...quot; „Wij zullen u wel vinden, zeide Fogg, met zyne vuist dreigende. „Schurkachtige rechtverdraaiers en afzetters,quot; vervolgde IMckwick, zonder op de dreigementen le letten, die hem werden toegevoegd. „Afzetters!quot; riep Pickwick, naar hot portaal loopende, toen de twee procureurs de trap afgingen. „Afzetters!quot; schreeuwde hij, terwijl hij, zich uit de handen van Perker losrukkende, zijn hoofd uit het venster stak. Toen Pickwick zijn hoofd weder binnenhaalde, was zijn gelaat kalm en opgeruimd. Hij ging met snelle schreden naar het kantoor, en verklaarde, dat hij zijn gemoed van een zwaren last had ontheven, en er zeer blijde over was. Perker zeide niets, maai\'schudde zijne snuifdoos leeg, en zond Lowten er mede heen. om die weder te vullen. Toi n hief hij een schaterend gelach aan, dat ten minste vijf minuten duurde; en na verloop van dien tijd zeide hij, dat hij eigenlijk zeer boos moest wezen, en dat zeker ook worden zou, als hij met ernst aan her gebeurde kon denken, hetgeen nu het geval nog niet was. Kom!quot; zeide Pickwick; „hu moetik nog met u afrekenen.quot; . Eveneens als met die anderen ?quot; vroeg Perker, weder in den lach schietende. „Neen, neen,quot; antweorddè Pickwick, terwijl hij zijne portefeuille uithaalde, en zijn zaak waarnemer de hand reikte: „ik meen slechts onze ireldzaken afdoen, (iij hebtmij vele diensten bewezen, die ik niet met geld betalen kan, en ik zou het ook ,niet willen doen; want ik wil liever uw schuldenaar blijven.quot; Na deze voorafspraak gingen de twee vrienden eenige lange rekeningen nazien, welke Perker«v-n voor één openlegde en nogmaals nazag, en die |
.SAM U KL PI CIC WICK.
;i;52
|
door Pickwick, met vernieuwde betuigingen van achtingen vriendschap, in eens werden betaald. Nauwelijks waren zij zoover gekomen, of men hoorde een razend geklop aan de buitendeur; het was geen gewone forsche dubbele klop, maar eene onafgebroken reeks van enkele kloppen, alsof de klopper, eens begonnen zijnde, vergat uit te scheiden. „Lieve Hemel!quot; zeide Perker, wat is dat?quot; „Ik geloof, dat er aan de deur geklopt wordt,quot; zeide Pickwick, als ware er nog eenige twijfel aan geweest De klopper bleef inuisschen niet zooveel geweld op de deur beuken, dat Pickwick zich de ooren dicht hield. „Het geheele huis zal in oproer komen,quot; zeide Perker. „Lowten I hoort gij daar niet kloppen ?quot; „Ik zal terstond de deur gaan opendoen, mijnheer\'.\'quot; antwoordde Lowten, die iii-èene alkove zijne handen stond te wasschen. De klopper scheen dit antwoord te hooren en te willen beduiden, dat hij onmogelijk wachten kon. Het was om dool\' te worden. .,Wel ijseUiklquot; zeide Pickwick. „Haast u wat, Lowten 1quot; zeide Perker, „of de deur zal splijten.quot; Lowten snelde naar de deur; diaaide den kruk om. en zag wat men in het voLende hoofdstuk zal vernemen. 1JV. WAAKT K VEBH A .-\\ LD WOIJHT, WAT II KI liAZlXDR (tKkLar I\'.KTIIvKKM\'K. KX WA Al.\'IX KKNI\'-E BBL A KOH 1.1KE O NTI.\'KKKJJC\'\' EN VOORK i)ltES AAMiAANIi: STOCK WA Lt EN ZEKF.IIE JOX\' iE DAME, De gedaante, welke de verbaasde klerk aan--c iouwde, toen hij d\'\'deur opende, was di- van een jongen - een verwondei lyk dikken jongen die, in eene soort van livrei gekleed, stokstijf op de mat stond, met zijne oogen toe, alsof hij slief). Nog nooit had Lowten ;;ulk een dikken jongen gezien, behalve op eene kermis ineen spel; en dit, met de bedaardheid en slaperigheid van zijn uitzicht, zoo verschiller,ee van het voorkomen, dat men met reden bij iemand, die zoo driftig klopte, kon verwachten, wasde oorzaak, dat de klerk vo; verwondering staan oleef, „Wat is er te doen!quot; vrocir de klerk. De verwonderlijki ;\'»ngi n gafen antwoord, maar knikte een paar malen, en de klerk verbeeldde zich, dat hij hem zacht hoorde snurken, „Wat moet gü hebben?quot; vroeg Lowten, De jongen haalde zwaar adem, maar «af anders geen geluid. Toen de klerk zijne vraag driemaal herhaald had, wilde hij juist de deur weder sluiten; maar op dat oogenblik opende |
, de jongen zijne oogen, en lichtte zijne hand op, i alsof hij weder wilde gaan kloppen. Toen hij zag, dat de deur open was, keek hij verwonderd op, en staarde Lowten wezenloos aan. „Waarom klopt gij zoo ?quot; vroeg de klerk nijdig. „Hoe?quot; vroeg de jongen op een slaperigen toon. „Hoe?quot; herhaalde de klerk, „Wel.als vijftig ; huurkoetsiers.quot; „Omdat mijn heer zeide, dat ik niet moest ophouden met kloppen, \' antwoordde de jongen, „want dat ik anders misschien in slaap zou i vallen,quot; „En wat hebt gij te zeggen?quot; vroeg do klerk. „Hij is beneden,quot; antwoordde de jongen. „Wie?quot; „lUijn lieer. Hij wil weten pf gij te huis zijtquot; Lowten keek eens uit het venster; en daar hij I boneden op de straat een open rijtuig ontdekte, waarin een oud heer zat, die oplettend naar boven keek, waagde hij hot op goed geluk af, dien heer te wenken, waarop deze terstond uit het rijtuig sprong. „Dat zal uw meester zijn, daar in het rijtuig, denk ik?quot; zeide Lowten. De jongen knikte. Alle verder vragen was overbodig, daar do oude Wardle op dit oogenblik de trap opkwam, en, Lowten in hei voorbijgaan toeknikkende, terstond de kamer van Perker binnentrad. „Pickwick1quot; zeide de oude lieer, „geef mij uwe hand, beste vriend ! Ik heb pas eergisteren gehoord, dat gij u in eene gevangenis hadt laten opsluiten. Waarom hebt gij dat toegelaten. Per-j ker?quot; „Ik kon er niets tegen dóen, mijnheer!quot; ant-woorddo Perker glimlachend, terwijl hij een snuifje nam, „Gij weet hoe halsstarrig hij is.quot; „Ja, dat weet ik, dat wc-et ik,quot; hernam de oude beer, „Maar ik ben toch biii, dat ik hem zie. Ik zal hein niet licht; weder uit mijne oogen laten.quot; Met deze woorden gaf hij Pickwick nogmaals de hand. en vervolgens ook Perker, Daarop wierp hij zich in een armstoel, terwijl zijn rond gezicht van blijdschap en gezondheid gloeide. „Wel!quot; zeide Wardle, „wij beleven rare histories, (leef mii een snuifje, vriend Perker! Wat is dit toch voor een tijd.quot; „ Wat meent gij . quot; vroeg Pickwick. „Wat ik moon,quot; hernam Wardle. „Dat ik geloof, dat alle jonge meisjes dol zijn. Dat is geen nieuws, zult gij zeggen? Wel mogelijk; maar het is toch waar.quot; „Kn zijl: «ij naar Londen komen reizen, mijnheer, om mij dat te zeggen?quot; vroeg Perker. „Niet alleen daarom,quot; antwoordde Wardle, „ofschoon het toch de voornaamste reden van mijne komst is. Hoe vaart Arabella?quot; „Zeer wel,quot; antwoordde Pickwick; en zij zal gewis zeer blijde zijn u te zien.quot; |
|
NOG MEKR „Die kleine wilde heks!quot; hornam Wardle. „ik had wel lust gehad, om haar t\'avond of morgen zelf te trouwen. Maar nu het anders gegaan is, ben ik er toch mede tevreden - rechtin mijn ; schik.quot; „Hoe hebt gij het vernomen?quot; vroeg Pickwick. „Van mijne dochters, gelijk vanzelf spreekt,quot; ant woordde Wardle. „Zij kregen eergisteren een j brief van Arabella, waarin zij schreef, dat zij in het geheim en buiten weten van haar mans vader getrouwd was, en dat gij naar hem toe j waart gegaan, om zijne toestemming te vragen. |
WELIJKEN. 333 „Maar dat is het mooiste nog niet. tiet is nog maar de helft van al de geheime vrijerijen, komplotten en aanslagen. Wij hebben zes maan den lang boven geladen m;inen gewandeld, en zij zijn eindelijk gesprongen.quot; ,, Wat meent gij riep Pick wick verbleekende. „Ik hoop toch niet, dat er nog een geheim huwelijk. . . .quot; „Neen,quot; viel Wardle hem in de rede. „Zoo erg is het niet.quot; „Wat is het dan?quot; vroeg Pickwick. „Ben ik er in betrokken?quot; |
|
toen zijne weigering het huwelijk niet meer kon verhinderen, en al de rest. Ik hield die gelegenheid voor zeer gepast, om eens een ernstig woordje tegen mijne dochters te spraken, ik zeide dan, hoe akelig het was, als kinderen zonder bewilliging van hunne ouders in het huwelijk traden, en zoo voorts; maar, wat ik zeggen mocht, ik kon maar niet don minsten indruk op haar maken. Zij vonden het nog veel akeliger, als er eene bruiloft gehouden werd zonder speelnootjes. Kortom, ik had evengoed eene predikatie voor Jozef kunnen houden.quot; Hier hield do oude heer op, om eens hartelijk te lachen, en vervolgde daarop: „Moet ik die Vraag beantwoorden, i\'erkerquot;quot; vroeg Wardle. |
„Als gij zoodoende u /.elven nu t compromitteert, mijnheer!quot; „Nu dan, ja!quot; zeide Wardle. „Hoe zoo?quot; vroeg Pickwick angstig. „In hoe v^rro?quot; „Uw jeugdig Opbruisend bloed maakt u zoo driftig,quot; hernam Wardle, dat ik bijna benauwd ben om het u te zeggen. Maar als Perker tus-schen ons beiden wil gaan zitten, om alle ongelukken te voorkomen, zal ik het wagen.quot; Nadat Wardle de kamer gesloten en zich mei een tweede snuifje uit de doos van Perker ver- |
|
a:U sterkt had, begun hy \'U; ontdekking van zijn groot geheim op de volgende wijze; „Oij moet daa weten, dat mijne dochter Isabella - Isabella, die met\'rrundle getrouwd is, zooals gij weet . . . „Ja, ja, dat weten wij,quot;zeide Pickwick onge-duldig. „Breng mij toch niet van de wijs, als ik pas begin\'. Toen Hinilia, nadat zy mij den brief van Arabella had voorgelezen, met hoofdpijn naar bed was gegaan, kwam Isabella by mij zitten, en begon over dat huwelijk te praten. Wel, papa!quot; zeide zij; ,wat denkt gij er van?quot; -...la,quot; zeide ik. „het is maar zoo wat. ik hoop dat het goed zal atloopen.quot; Ik antwoordde op die manier, omdat ik juist op mijn gemak by den haard zat, en niets te doen had; en ik wist. dat zij aan het praten zon blijven, als ikhaarzoo half en halt\' tegensprak. Beide mijne dochters zijn juist het evenbeeld van hare moeder, en nu ik oud word, zie ik haar gaarne zoo bij mij zitten; want haar uitzicht en stem herinneren mu aan den milukkigsten tijd van mijn leven, • n ik voel mij dan voor een oogeriblik weder even jong als toen. ..Het is een huwelijk uit genegenheid, papa zeide Isabella, na eeno poos van stilzwijgen. „Ja,quot; zeide ik. „maar zulke huwelijken zijn juist niet altijd de gelukkigste.quot; „Dat trek ik in twijfel,quot; viel Pickwick hem met warmte in de ivde. .Goed. hernam Wardle. „Trek alles in twijfel wat gij maar wilt, als hot uwe beurt is om to spreken ; maar valt mij niet in de rvlt;io. ,lk vraag \\\\ versehooning.quot; zeide Pickwick. 7.: :.s u -• schonken,quot; antwoordde Wardle. .Het spijt mij. ia? gij zoo t^gen een huwelijk geneut-nheiJ zijr ingenomen, papalquot; zeide :-.ibe;ia, een weinig kleurende. — -Ik meen het 7.. • erg niet.quot; zeide ik. en tikte haar op op de wansr, 7. „• vrienii\'-lijk als een ■ ude grove k r--l zooals dat i en kan; ..want uwt moeder is uit genegenheid getrouw], en _r hebt lat ook ge-la ui.quot; — .Zoo meende ik het niet, -apa 1quot; zeide Is-.bella. .Ik wilde eigenlijk eens over Emilia met u spreken.quot; quot; ■kwiek sprong verschrikt op. .\'A i- scheeit u ?quot; vroeg Wardle, zijn verhaal a * igt;r* ken Ie, antw r id- Pickwick. maar ,Ik heb n oit ■!■■ kunst verstaan, om iets or- • ienteliik en gere^-M te verteiien,quot; zeide Wardle. .Ik /.a. hequot; nu ook maar kort afmaken; .dat wint i l uit. „Om kort te gaan; Isabella kwam eindelijk z \' •v-r, dat zij mv zeide. dat Kmil.i ze. gt;■ \'»ngei;;ickig was; lat zij en uw mge .-iend stock wall s-der Keratmi8briefw:«»elingha iden gehou ien; dat zij. als eene goede dochter, het b-sluit ha l eenomen. om, naar het voorbeeld van haaroud vriendinnetje en schoolkameraadje. |
met hem weg te loopen; maar dat zij op dit punt eenige gewetensknagingen had gevoeld, vooral daar ik hen beiden altijd nogal goed had behandeld, en dat zij het daarom voor het beste had gehouden my de eer te bewijzen, mij eerst te vragen, of ik er ook iets tegen had, dat zij zich op de gewone, alledaagsche manier met elkander lieten trouwen. Dat is alles, mijnheer Pickwick! en als het u nu gelegen komt, om uwe oogen weder tot hum. e gewone grootte te brengen, en mij te zeggen, hoe gij denkt dat wij behooren te handelen, zult gij mij pleizier doen.quot; Het eenigszins hekelende slot van den goeden ouden heer was niet geheel ongepast; want het gelaat van Pickwick had êene uitdrukking van wezenlooze verbazing en verlegenheid aangenomen. die wonderlijk was om aan te zien.quot; ..stockwallsedert Kerstmis?quot; warende eerste woorden, die den mond van den verslagen Pickwick ontsnapten. „Ja, sedert Kerstmis,quot; herhaalde Wardle. „Wij moeten slechte brillen gehad hebben, dat wij het niet vroeger hebben gezien.quot; „Ik begrijp het niet,quot; zeide Pickwick nadenkende. „Ik begrijp het waarlijk niet.quot; „Het is toch gemakkelijk genoeg te begrijpen,quot; zeide de oude heer korzelig. ..Als u\'ij jonger waart geweest, zoudt gij al lang achter het geheim gekomen zijn: en bovendien,quot; vervolgde, hij na eenige aarzeling, „de waarheid is, dat ik, die van lt;11 r geval niets wist, sedert eenige maanden Kmilia zoo wat heb gedrongen, om als het met haar zin overeenkwam namelijk, want ik zou geen meisje ooit tot een huwelijk willen dwingen — om, zeg ik, een gunstig antwoord te geven op de aanzoeken van een jong heer in onze buurt. Ik twijfel er niet aan, of zij heeft — want anders zou zij geen meisje zijn geweest --om haar eken waarde en den ij ver van stock-wal! te vererooten, hem deze omstandigheid met gloeiende kleuren afgeschilderd, en zoo zijn zij beide tot het besluit gekomen, dat zij een paar barbaarseh vervolgde, ongelukkige gelieven waren, wien geen ander redmiddel overschoot, dan een geheim huwelijk of een diep water. ■ Nu is ■ie vraag, wat is er te doen?quot; „Wat hebt gij gedaan?quot; vroeg Pickwick, „Ik?quot; .ik meen. wat gij gedaan hebt, toen uwe getrouwde dochter u dit verhaalde?quot; „O. ik heb een dommen streek gedaan,quot; antwoordde Wardle, .gelijk natuurlijk was,quot; „Juist zoo,quot; viel Perker hierop in, die onder dit gesprek verscheidene malen aan zijr, horlogeketting getrokken, zijn neus gewreven en andere t .ijKen van \'ng* duld s^gevön had. „Dat is zeer natuurlijk. Maar verklaar u wat nader.quot; „Ik stoof geweldig op, en maakte dat mijne moe Ier het van schrik op de zenuwen kreeg,quot; zeide Wardle. SA Mr HI, PICKWICK. |
ÜE DIKKE JONGEN IN VERRUKKING. 335
„Dat was zeer verstandig,quot; merkte Perker gevaar zou hebben geloopen om zijn eerste slaap-
aan. ..En wat deed gij vervolgens?quot; ie met den dood te bekoopen.
..Ik bromde en raasde den geheelen dag, en Toen zij aan de Witte Arend kwamen, [
bracht het geheele huis in rep en roer,quot; ant- I hoorden zij, dat Arabella, zoodra zij een briefje
woord de de oude heer. „Eindelijk begon het mij | van Emilia had ontvangen, waarin deze haar
te vervelen, om mij zei ven ontevreden en allen, ! meldde dat zij in de stad was, eene huurkoets
die om mij heen waren, verdrietig te maken, i had laten komen, en met hare meid naar de
Ik huurde derhalve te Mu ggleto n een rijtuig, ! Adelphi was gereden. Dair Wardle in de stad \\
liet er mijn eigen paarden voorspannen, en reed nog eenige zaken te verrichten had, zond hij den |
naar Londen onder voorwendsel, dat Emilia dikken jongen met het rijtuig naar zijn hotel, I
hare vriendin Arabella eens moes1- bezoeken.quot; i om te zeggen, dat hij en Pickwick om vijf\' uur |
„Zoo? Hebt gij uwe dochter dan medege i zouden komen eten.
bracht?quot; vroeg Pickwick. j Met deze boodschap reed de dikke jongen I
„Zij is tegenwoordig in Osborne\'s hotel in i heen, en sluimerde, terwijl hij over de straat-
1 Adeiphi,quot; antwoordde Wardle; „wanneer na- \\ steenen hotste, zoo gerust op zijn bankje,alsof
i meiijk uw verliefde vriend baar niet gesciiaakt hij in een donzen heil had gelegen. Door een
j heeft, sedert ik van morgen uitging.quot; merkwaardig mirakel werd hij vanzelf wakker.
„Gvj zijt dus verzoend?quot; vroeg Perker. . toen het rijtuig stilhield, en nadat hij, om zijne |
„Wel, in het geheel niet,quot; antwoordde Wardle. zinnen wat op te frisschen, zich eens goed had |
; „Zij heeft al dien tijd zitten grienen en pruilen, uitgeschud, ging hij naar boven, om zijne bood-
i behalve gisterenavond, na het theedrinken. Toen schap te doen.
1 heeft zij met veel omslag, om het in het oog Of nu dit schudden, in plaats van Jozefs • 1 te doen vallen, een brief zitten schrijven; maar hersenen vlugger te maken, die geheel in de i ik deed, alsof ik er niet op lette.quot; war had gebracht, of wel zulk een aantal „Ik geloof, dat gij mijn raad wilt aannemen,quot; nieuwe denkbeelden had opgewekt, dat hij alle zeide Perker, nadat hij zijne oogen van het pein- gewone gebruiken en regelen vergat, of wel, dat zende gelaat van Pickwick naar de levendige hij (hetgeen ook mogelijk is» zich niet weertrekken van Wardle had laten dwalen, en zi,jne houden kon van half in slaap te vallen terwijl j denkkracht met een snuifje had opgewekt. j hij de trap opklom, ontwijfelbaar is het, dat : Beide heeren beantwoordden zijne vraag met ! hij de voorkamer binnentrad, zonder yooraf aan j eene gretige toestemming. de deur te kloppen, en dat hij toen een heer
„Nu dan!quot; zeide Perker, met zooveel drift zag, die, met zijn arm om zijne jonge meesteres {
opstaande, dat hij zijn stoel omwierp- „mijn geslagen, zeer vertrouwelijk naast deze op de i
raad is, dat gi,i te zamen heengaat, óf heenrijdt, sofa zat, terwijl Arabella en hare bevallige
of op eene andere wijze maakt dat gij vvegkornt; dienstmaagd aan het andere einde van liet ver |
want ik ben u hartelijk moede. Als gü nog trek voor het venster stonden, en zich hielden,
geen besluit hebt genomen, wanneer ik u weder- : alsof zij voor niets oogen hadden, dan voor de lt;
zie, zal ik u zeggen wat gij doen moet. voorbijgangers op de straat. Toen de dikke jon- j
„Dat is fraai,quot; zeide Wardle, die niet wist of gen dit onyerwachte verschijnsel aanschouwde,
hij zou lachen of boos worden. deed hij eenen uitroep, terwijl op hetzelfde i
„Kom, kom, mijnheer!quot; hernam Perker. „Ik oogenblik de dames een gil gaven, cn denbeer
ken u beiden veel beter, dan gij u zeiven kent. een vloek ontsnapte.
Gij hebt, dat weet ik zeker, uw besluit reeds „Wal moet gij hier hebben, gt;/el?quot; zeide de
genomen.quot; j heer, die, zooals wij nauwelijks zullen behoeven |
Dit zeggende, greep hü zijne snuifdoos, en gaf te zeggen, niemand anders dan Stock wail was.
daarmede eerst Pickwick en vervolgens Wardle Het antwoord, dat de doodelijk verschrikte
een stoot in de ribben, waarop zij alle drie Jozef op deze vraag gaf, was het enkele woord:
hartelijk begonnen te lachen, maar de twee oude „Juffrouw!quot;
heeren het hardst. „Wat hebt gij rnij te zeggen, domme jongen?quot;
„Gij komt vandaag by mij eten,quot; zeide Wardlt- | vroeg Emilia, haar hoofd omkoorendi-,
tot Perker, toen deze hem uitliet. „Mijn heer en mijnheer Pickwick komen om :
„Ik kan het niet beloven, mijnheer!quot; zeide vijf uur eten,quot; antwoordde Jozef.
Perker. „Maar ik zal, in allen gevalle, van avond „Maak, dat gij wosrkomt,quot; z-ddquot;- Stock wall,
wel eens aankomen.quot; den onstelden jongeling een vreesdijken blik 1
„Ik verwacht u om vijf uur,quot; zeide Wardle. toewerpnnde.
„Kom, Jozef!quot; En toen jozef wakker was ge- „Neen, neen!quot; zeide Emilia snel. „Lieve Ara-
worden, reden de twee vrienden weg in het bel la, geef mij toch raad!quot;
rijtuig van Wardle, dat uit menschlievendheid Daarop gingen Emilia. Slock wall, Arabella, met eon door con hekje omgeven achterbankje en Mary te zamen naar een hoek van het verwas voorzien voor den dikken jongen, die, als trek, en bleven een poos met elkander fluisteren, , hij op een gewoonvoetbankje had moeten staan, terwijl de dikke jongen stond te dutten.
SAMUEL PICKWICK.
836
|
„Jozet\'!quot; /.eicie Arabella eindelijk, terwijl zij nice ecu allerbetooverendst glim lachje umzag. „Hoe vaart gij, Jozef?quot; ,,Gij zijt een beste oppassende jongen, Jozef 1quot; zeide Emilia. „Ik zal om u denken quot; „Jozefiquot; zeide Stockwall, terwijl hij den verbaasden jongen naderde en hem bi.j de hand i vatte, „ik heb voorheen niet. geweten, dat gij ; zulk een knappe jongen waart. Daar hebt gij I vijf shillings.quot; „Van mij zult gij er ook vijf hebben, Jo-zeilquot; zeide Arabella, „omdat gij een oude kennis van mij zijt,quot; en schonk tegelijk den dikken indringer nog een harer liefste lachjes. Daar de dikke jongen tamelijk traag van begrip was, scheen deze plotselinge ingenomenheid met zijn persoon hem ten uiterste te verbazen; en hij zag in het eerst ongerust en verwilderd om zich heen. Eindelijk begon zich op zijn bol -i-zicht een grijnslach te vertoonen: daarop stak hij eene halve kroon in elk zijner broekzakken, en barstte, terwijl hij zijn»\' handen in die zakken steken liet, voor de eerste en et-nlgo maal in zijn leven in een luid gelach uit. ..Hij begrijpt ons, zie ik,quot; zeide Arabella. ..Hij moet terstond wat eten hebben,quot; merkte Emijia aan. l\'quot;en de dikke jongen dit gezegde hoorde, was hij op het punt om weder te. lachen. Nadat men nog eene poos gefluisterd had, trad Mary naderbij, en zeide: ..Jezef! als gij er niets tegen hebt, zal ik vandaag mer. u euu.quot; • •Kom dan maar mee,quot; zeide de dikke iongen driftig: ik heb eene overheerlijke vleeschpastei gezien.quot; Me\' deze woorden stapte Jozef vooruil,, naar hes eetvertrek, w aarheen Mary hern volgde, die onderwt L\' al de knechts betooverde, en al de meiden j.iloersch maakte. Daar stond de vh-eschpastei waarvan Jozef had gesproken, eu bovendien een schotel met biefstuk, een. schaal met aardappelen en eone kan bier. ia zitten,quot; zeide Jozef, terwijl hij zelf oen stoel nam. „Wat ziet dat er lekker\'uit - en ik hi t zon\'n honger! Wilt gy hier vat van?quot; verv-igdo hii. terwijl hij zijn mes tot aan het hecht in fte vleeschpastei stak. ..Iv n klein stukje als\'t u belieft quot;antwoordde Mary. Jozef gaf Mary f-en klein stukje, nam zelf een groot stuk. en wilde juist beginnen te eten, toen hij zich bedacht, zijne handen, zonder erhter zijn mes en vork neder te leguon, op /ijne knieën liei zakken, en, terwijl hij zich\' op zijn stoel vooroverboog, zeide: ..Mary! wat ziet «ij er toch goed uit!quot; |
l\'aar hij dit op een loon van bewondering Zi iJé, was het wM gerie\'/j; maar in zijne oogen had hij toch zooveel van een kannibaal, dat het compliment daardoor vrij dubbelzinnig werd. „Heer Jozef 1 \' zeide Mary, alsof zy zeer verlegen was, „hoe komt u dat in het hoofd?quot; De dikke jongen antwoordde met een zucht, nam daarop eene teug uit de kan, en begon\' vervolgens in goeden ernst te eten. „Wat is die jongejuffrouw Emilia toch een liet meisje!quot; zeide Ma-y, na een langdurig stilzwijgen. Jozef, die thans eene goede portie binnen had, vestigde zijne oogen op Mary en zeide: „Ik weet er een, die nog liever is,quot; „Zoo ! zeide Mary. ,,Ja zeker, hernam Jozef met ongewone levendigheid, „En hoe heet zij?quot; vroeg Mary, „Hoe heet gij?quot; „Mary,quot; „Zoo heet zij ook. Gij zijt het zelf!quot; zeide Jozef, terwijl hij,ótahétcompiimentnogaardiger te maken, zijne oogen allerijselijkst scheel trok; het, is waarschijnlijk, dat hij Mary een lonkje wilde toewerpen. „Uij moet niet zoo praten,quot; zeide Mary. „Gij meent het toch niet,quot; „Niet? ■ riep Jozef uit. ,,lloor eens, . . .quot; „Welnu?quot; ,,1-ilijlt gij hier wonen?quot; ...Neen,quot; antwoordde Mary, „fk ga vanavond weder heon. Waarom?quot; „01 riep Jozef met diepe aandoening uit: „wat zouden wij pleizierig met elkander eten, : als gij hier bleeft,quot; ,,ik zou u \'nier tusschenbeide wel eens willen komen opzoeken,quot; zeide Mary, en plooide het tafellaken, alsol zij zeer bedeesd was ..Maar dan zoudt gij mij 90k een pleizier moeten doen. Jozet keek van de vleeschpastei naar het biefstuk, als dacht hij dat pleizier en eten ojiaf- i scheidoaar waren; daarop haalde hij eene zijner hal ve kronen uit den zak, en staarde die angstig aan, „Begrijpt gij mij niet?quot; zeide Mary, Jozef keek nog eens naar zijne halve kroon, en zeide mei eene flauwe stem: „Neen!quot; ••lie juffrouwen zouden gaarne hebben, dat gij tegen den ouden heer niets zeidet van den heer, dien gij daar boven hebt gezien, eu ik zou het ook gaarne hebben,quot; „is het anders niet?quot; zeide Jozef, terwijl hij tie \' blijdschap zijne halve kroon weder opstak: „ik zal er van zwijgen,quot; ,. Üegrijpt gij ?quot; hernam Mary. ., Mijnheer Stock-wall houdt veel van juffer Emilia, en zij ook van hem; en als gij er iets van zeidet,zou de oude heer u allen meenemen, heel ver, waar gi j nooit iemand zoudt kunnen zien.quot; „Ik zal er geen woord van sjiivken,quot; zeide Jozef manhaftig. |
STOCK WALL\'S TEG-KN WOORDIGHKID VAN O EEST.
|
„Dat is braaf van u,quot; zeido Mary. „Numoet ik naar boven om mijne jull\'rouw te kleeden.quot; „Ga nog niet heonlquot; smeekte Jozef. „Ik moet wei,quot; antwoordde Mary. „Tot weerziens 1quot; Met de gratie van viugheid van een olifant, stak de dikke jongen zijne armen uit om Mary een kus te ontrooven; maar dewijl er geene groote behendigheid noodig was om hem te ontsnappen, greep hij niets dan de Ijle lucht, waarop hü, uit spijt, nog ten naastenbij een pond biefstuk opat, en vervolgens gerust ging zitten slapen. |
trad Stokwall het vertrek, dat hij zoo even verlaten had, weder binnen, en toen hij het gezelschap, dat hem zoo ongelegen kwam, de deur hoorde naderen, nam hij de vlucht naar een aangrenzend vertrek, de slaapkamer van den ouden heer Wardle. Nauwelijks had hij de deur gesloten, of hij hoorde aan de stemmen van hen, die de voorkamer binnetraden, dat liet Wardle, Pickwick, Winkle en Benjamin Allen waren „Gelukkig dat ik tegenwoordigheid van geest genoeg had om hem te ontwijken,quot; dacht Ntock-wall met een glimlach; en ging op de teenen |
ül
I \'i-ze
kanl,
en wenschte vurig, dat de dames wis\'en in welk een toestand hij zich bevond. lgt;n enkele maal waagde bij bet door bet sleutelgat te roepen, toen er een knecht voorbijging; maar hij durfde
Het gezelscliap op de boveiikamer had zooveel te zeggen, men moest zoovele plannen bespreken, om de vlucht te nemen en te trouwen, ingeval de oude Wardle zich niet wilde laten vermurwen, dat het hall vijf was, voordat ^tockwall al scheid nam. Di\'datnes gingen naar Emilia\'s slaapvertrek om zirh to kieeden, en de minnaar wilde zich verwijderen. Maar nauwelijks was hij bij de trap gekomen, ol\'hij hoorde de stem van den ouden Wardle beneden, en tóen hij over de leuning keek, zag hij dezen met nog eenige heeren naar boven komen. Daar \'Je inrichting van hei huis hem onbekend was.
naar eene andere deur bij deur komt in dezelfde gan mij stil wegmaken.quot;
lli.j vond echter een bin staande, dat di- deur gesh Wardle schelde een knei flesscben bosten wijn, en g, te berichten, dat hij met zijn gekomen, Btockwall kou ie(
derpaa ten was.
lit, lx stHdi\' eeniglt; if last om de dami\'; i\' vrienden was aan Ier woord verstaan
n zoo kan ik be-
het le g uit.
la;
Dickkns, Samm i, Pickwick
SAMUEL PICK WICK.
838
|
dit niet to herhalen, toen hem in de gedachten kwam, hoe het met een heer was afgeloopen, dien men in een dergelijken toestand had gevonden, en over wien liij dien morgen onder de rubriek „politiequot; in de courant had gelozen. Hij zette zich derhalve bevende van angst opeen valies neder. „Wij zullen maar niet op Perker wachten,-\' zeidf Wardle, terwijl hij op. zijn horloge keek. 1 „Hu is altijd een man van de klok. Als hij kan komon, zal hij er op zijn tijd wezen; en kan hij niet, dan zou het wachten toch niet helpen. Ha, daar is Arabella!quot; „.Mijne zuster!quot; riep Benjamin uit, terwijl hij ! haar op eeno zeer theatrale manier in zijne armen ! sloot. „Foei, Benl wat ruikt gij naar tabak!quot; zeide Arabella, wie dit blijk van vurige genegenheid volstrekt niet beviel. „Vindt gij dat?quot; hernam Benjamin. „Ja, het is wel mogelijk.quot; Zeker was het mogelijk; want hij was zoo pas uil oen vroolijk gezelschap van twaalfdiirur--iinsleerliiiui n gekomen, met wie hij in een bekrompen vertrekje een paar uren had zitten roeken. „Maar ik ben toch verrukt, dat ik u zie, Arabella!quot; zeide Benjamin. „Daar!quot; zeide Arabella, terwijl zij haarbroe der hare wang aanbood. „Maar pak mij niet weer zoo aan; gij kreukelt mij zoo.quot; H zc verzoening bracht Benjamin, over wi\'-ns aandoenlijkheidooderzekereomstandighedenwlj vroeger hebben gesproken, de I ran en in de oogen. „Hebt dj mij geen woordje tu zeggen?quot; riep Wardle met open armen. „Zeer zeker. Ik heb u zelfs teel te zeggen,quot; ilnisterde Arabella toen de goede oude heer haar omhelsde. „Gij zijt een gruwzame, gevoel-hquot;\'Ze barbaar.quot; „i iij zijte-jiie kleine rebel,quot;antwoorddeWardle, insgelijks fluisterend; „en ik vrees, dat ik u mijn huis zal moe: - n verbieden. Menschen zooals at;, die zieh maar in spijt van iedereen laten tn■uwen. rr.oest men niet zoo los laten loopen. Maar kom!quot; vervolgde hij overluid: „aan tafel! O ij utquot; t naast mij zitten. Jozef! Wat weerga, de ion gen is wakker!quot; Inde rdaad was Jozef, tot groote verwondering van zijn meester, helder wakker; en er was bovendien eone levendigheid en drift in al zijne bewegingen, die men bij hem nog nooit had bespeurd. Zoo dikwijls zijne oogen die van Emilia of Arabella ontmoetten, grinnikte en glimlacht\' hij; en eens had Wardle er op willen zwgt; ren. da: hi,; den j\'-nuen ■■\'•n wenk zag geven. De oorzaak dezer verandering in Jozefs voor-| komen en gedrag was daarin gelegen, dat hij gevoelde welk e- n gewichtig persoon hij geworden was, nu btj het vertrouwen der jonge dairies bezat; en het grinniken en wenken moest be-teekenen, dat zij zich volkomen op zijne trouw konden verlaten. Daar echter deze aanduidingen meer geschikt waren, om achterdocht op te wekken dan te verdooven, en bovendien eenigs- ! zins lastig waren, achtte Arabella het voegzaam , die nu en dan te beantwoorden door hare wenkbrauwen te fronsen of haar hoofd te schudden; maar Jozef hield dit voor waarschuwingen, om toch vooral op zijne hoede te zijn, en begon alsdan met vernieuwden ijver te grinniken en te wenken. |
„Jozef!quot; zeide Wardle, nadat hij vruchteloos in al zijne zakken had gezocht. „Ligt mijne ; snuifdoos daar ook op de sofa?quot; „Neen, mijnheer,quot; was hel antwoord. „O! ik bedenk mij,quot; hernam Wardle; „ik I heb die van morgen in raüne slaapkamer laten staan. Ga ze eens halen.quot; De dikke jongen ging naar het slaapvertrek, en kwam na verloop Van omtrent ecne minuut terug met de snuifdoos in de hand, en een ge zicht zoo bleek, als dat van zulk een dikken jongen met mogelijkheid wezen kon. „Wat scheelt u?quot; riep Wardle uit. „Niets — niemendal,quot; antwoordde Jozef bevende. „Hebt gij een spook gezien?quot; vroeg de oude heer. „Of te diep in de flesch gekeken?quot; vroeg Benjamin. „(lij hebt gelijk, geloof ik,quot; fluisterde Wardle dwars over de tafel: „hij is zeker dronken.quot; Benjamin antwoordde, dat hij in deze mee-ning doelde, en daar hij zeer veel endervinding van de zaak had, werd het vermoeden, hetwelk Wardle reeds een half uur twijfelachtig had gekoesterd, tot zekerheid, en hield hij zich overtuigd, dat Jozef dronken was. „Houd hem maar eene poos in hot oog,quot; fluisterde Wardle. „Wij zullen spoedig merken wat er van aan is.quot; De on gel ukkige j o ngen had siec h t seeni gewoor-den met Stoekwail gewisseld, die hem verzocht had, om in het geheim een of ander zijner \' vrienden te verzoeken hem te bevrijden, en hem toen, opdat zijn lang wegblijven niet tot eene ontdekking zou leiden, niet de snuifdoos de kamer uitgedrongen. Jozef stond eene poos met een zeer verslagen gezicht, bij zich zeiven te-overleggen wat hij doen zou, en ging toen naar beneden om Mary op te zoeken. Maar Mary was, nadat zij hare meesteres had helpen kleeden, naar huls gegaan, en Jozef kwam terug in nog grooteren angst dan te vozen. Wardle en Benjamin zagen elkander aan. „Jozef!quot; riep Wardle. „Wat belieft u. mijnheer?quot; „Waarom zijl gij de kamer uitgegaan?quot; Jozef zag met een wanhopigen blik om zich heen, en stamelde toen: „ik weet het niet, mijnheer!quot; |
(\'KflEIMZINNTd OK DRAG VAN DEN\' DfKK\'MN* JONGEN.
389
! geloof ik, zeido Wardle. „Kom niet te dicht I bi) hem; de jongen is kwaadaardig. Trek eens j aan de schel en laat hem naar beneden brengen.quot;
..Juist toen Winkle het schelkoord had gevat | werd zijne hand tegengehouden door een alge-i m?em\' uitroep van verbazing. De opgesloten minnaar trad, meteen gezicht, dut van schaamte en verlegenheid gloeide de kamer in, en maakte eene buiging voor het gezelschap.
Wat is dat?quot; riep Wardle uit, terwijl hij Jozef losliet en terugdeinsde.
„Ik had mij, toen gij binnenkwaamt, in de kamer verscholen, mijnheer!quot; zeide Stockwall.
..I-, mil ia! zeide Wardle op een verwijtenden toon, „ik verfoei alle laagheid en bedrog Dit is ten hoogste onwelvoegelijk en niet te verontschuldigen. Dat heb ik niet aan u verdiend Emiha! \'
..Lieve vader!quot; zeido Emilia: „Arabella kan getuigen iedereen {kan getuigen Jozef kan geungen - dat ik van dit verschuilen niets geweten heb! Augustus! om \'s Hemds wil zeg toch hoe gij daar komt!quot;
stockwall, die slechts wachtte, om gehoor te i krijgen, begon terstond te verklaren, hoe hij in zulk een neteligen toestand was geraakt; iioe zijne vrees om tot huiseiyk ongenoegen\'aanleiding te geven, hem Wardle had doen vor-quot;i\'J\'len, toen dezo binnenkwam, en hoe hy geen ander voornemen had gehad, dan zich door de andere deur te verwijderen, maar, toen hij die ^ gos\'oten vond. tegen wil en dank had moeten I blijven waar hij was. Mij had in een pijnlnko ! ongerustheid verkeerd; maar thans gevoelde hu ! geen leedwezen over het gebeurde, daar hel, hem i een gelegonheid verschafte, om ten aanhoore der wederzijds,-li. vrienden te verklaren, dat hi; de dochter van -Ion heer Wardle viirlL-en oprecht beminde, dat hij met trotschhoid kon z(gt;ggen dat zijne liefde beantwoord werd; en dat imn\'on zij lt;luizend mijlen ver van elkander verwijderd waren, en door de golven van den oceaan «e-scheiden, hij nooit, dien gelukkigen (iid zou vor-geton, toon hij voor het eerst en\'zoo voort en zoo voort.
Nadat stockwall dit alles gezegd had, maakte ill wooer eene buiging, keek in den bol van zijn need, en ging naar de deur
„Halt!quot;
wat. . . .\'
,. Viiurvattend is.quot; viel daar hij vreesde, dat er komen.
..(ioed van al wat vuurvattend is.quot; ver volgde Wardle. „Waarom hebt gtf my dat niet lang geleden gezegd?quot;
•J\'l mij uw vertrouwen geschonken?quot; liet I ickwiek er op volgen.
„Lieve hemel!quot; zeide Arabella, die den post van advocaat opvatte: „waartoe dient nu dat vragenquot; 0(j weet immers wel, dat gij uw hoog-
riep Wardle. „In naam va
al
Pickwick een erger
hier op in, woord zou
../mo /tide W ardle; „weet igt;-ij het niot? I n si ulcer mijnheer Pickwick ook eens van die kaas.quot;
Pickwick was den geheelen tijd in de beste I .mm en zeer spraakzaam geweest, en zat t hans zeer druk mot Emilia en Winkle te praten. Hij I nam een stukje kaas, en wilde zich omkeeren om het gesprek weder voort te zetten, toen de j dikke tongen bukte, met zijn duim ov. r /.iin | schoudor wees, en daarbij het afschuwelijkste geziclit trok, dut iemand ooit gezien heelt* be-I halve in eene pantomime.
...Mijn hemel! riep 1\'ickwick opspringende. A/at komt . . . ?quot; Hij bleef steken; want Jozef
i h:(u /I,C 1 wt;der opgericht, en stond te slapen, I of hield zich zoo. \'
..Wat. is er te doen?quot; vroeg Wardle.
\' Di« Jozef heeft zonderlinge manieren,quot; zeide
l ickwick, den jongen ongerust aanziende. „Het
zal u misschien vreemd dunken, dat ik het zegmaar het komt mij voor, dat hij tusschenbeidé met wol bij het hoofd is.quot;
I mijuheer Pickwick! zeg dat toch niet!quot; : liepen Emilia en Arabella beiden tegelijk. ..Ik ^ben er natuurlijk niet zeker van,quot; hernam Pickwick, terwijl iedereen verwonderd stilzweeg; „maar zijn gezicht was daar op het \'ogen jhk ,. . . O!quot; gilde hij, terwijl hij overeind .•gt;pi oug. „Daar heeft hij mij met een scherp in-■itiument in mijn been gestoken. Die jongen is met te vertrouwen.quot; j b n
„Hij is dronken !quot;bulderde Wardle opstuivende, ..trek aan de schel! Roep do knechts! Hij is dronken. • :
.,N\'i\'en. Hep Jozet, op de knieën vallende, toen ■
zijn meester hom bij den kraag green. Noen\'ik ben niet dronken.quot; h ik
„pan zijt gij dol dat is nog erger. Hoep \'■\'* knechts!quot; zeide de oude heer.
„Noen, ik ben niet dol; ik ben wel bij mijn vorstand, hernam Jozef schreiende.
j ..Hoe duivel komt het u dan in het hoofd ma mijnheer l\'ickwick met een scherpinstru immt m zijn boen te steken?quot; vroeg Wardle gramstong.
. Hij wilde mij niotaanzien,quot;antwoorddeJozef 611 ii ie est hem wat ze^g-en/\'
-Wat moest gij zeggen?quot; vroegen zes stem-men tegelijk.
fozef steunde, wierp een blik naar de deur ! . s\'il\'\'ipkainer, steunde nog eens, en begon opnieuw te schreien.
-Wat moest gij zeggen?quot; vroeg Wardle noe ^•us, tor wijl hij Jozef bij zijn kraag heen en wrijor schudde.
vr.:iyaohtz\' idquot; Pilt;^\'wi\'\'lv. ..E iat mij eens
jongen^quot; \' W,ldlt;,t ^ nii\'\' Zo^cn» arnie ■h\'J.f m0e8t quot; wat influisteren,quot; antwoordde -Wj wilt mijnheer Pickwick zijn oo
«k
SAMUEL PICKWICK.
810
|
moedig hart op eon rijker schoonzoon had gezet t en dat gij zoo barseh en opvliegend zijt dat i iedereen bang voor u is, behalve ik? Geef hem de hand, en laat nog wat eten boven komen, om \'s hemels wil, want hij ziet er uit, alsof hij j half verhongerd is; en bestel meteen wijn, want . gij zult in geen verdraagzaam of verdragelijk humeur komen, voordat gij ten minste twee flesschen achter uwe knoopen hebt.quot; De goede oude heer trok Arabella bij haar j oor, cn gaf haar zonder de minste bedenking een kus. Daarop kuste hij ook zijne dochter hartelijk, en gaf Stockwall vriendelijk de hand. „In \'een opzicht heeft zy ten minste gelijk,quot; ! zeide Wardle opgeruimd. „Schel eens, om wijn te bestellen.quot; De wijn werd gebracht, en op hetzelfde oogen-blik trad Perker het vertrek binnen. Stockwall i werd aan pene zijtafel bediend, en toen hij ge daan had met eten. schoof hij zyn stoel naast | dien van Emilia, zonder dat Wardle er iets van | zeide. De avond was overheerlijk. De kleine Perker was de geest van liet gezelschap, hij vertelde grappige anekdoten, en zong een ernstig lied, dat bijna even komiek was, als zijne anekdoten. A rabeila waszeerinnemend, Wardle zeer vroolijk, 1\'lekwiek zeer opgeruimd. Benjamin Allen zeer luidruchtig, de gelieven zeer stil, W inkle zeer spraak zaak, en allen waren zeer vergenoegd. LV DB Uni.EWiDE SALOMON l\'KM,, ni.löESTAAS DOOR EES t.\'IT\'iELEZES COMITÉ VAN KOETSIERS, BRE-M\'T DE ZAKEN VAN DEN OUDEN HEER WELLEK IN ORDK. „Samuel!quot; zeide de oude Weller, op den dag na de begrafenis zijn zoon aansprekende; „Ik heb het gevonden. Ik dacht wel, dat het daar liggen zou.quot; „Wat hgt;bt gij gevonden?quot; vroeg Sam. „Het testament van uwe stiefmoeder,quot; was het antwoord, „waarin staat van le effecten, waarvan ik gisteravond sprak.quot; „Had zl) u dan niet gezegd, waar hetjag?quot; „ Neen, sampje 1quot; antwoordde de oude W^Ucr. „/ij had te veel te doen met mij om vergiffenis te vragen, en ik met haar wat moed In te spreken, zoodat ik vergat, er naar te vragen. Kn al had ik er om gedacht, dan weet k toch niet, of ik er wol van zou gesproken hebben; want ik vind hef zoo wonderlijk, om iemand naar zijn geld en goed te vragen, als men hem in zijne \'ziekte oppast. Het is net alsof men een passagier, die van de diligence is gevallen, op helpt en tegelijk de hand in zijn zak steekt.quot; N\' tdat de oude Weller door deze vergelijking |
zijne meening had verduidelijkt, haalde hij een morsig metgroote letters beschreven vel schrljf-papier uit zijn portefeuille, „Hier is liet testament,quot; zeide hij, „Ik heb het in den zwarten trekpot op de bovenste plank van het buffet gevonden. Voordat zij getrouwd j was, placht zij h ire banknoten daarin te bewaren, Ik heb haar menigmaal het deksel zien afnemen, als zij eene rekening moest betalen, Sampje! De arme vrouw! zij had in al de trekpotten in het huis wel een testament kunnen stoppen, zonder dat zij er eenig ongemak van zou gehad hebben; wantin den laatsten tijd dronk zij nooit thee, behalve op matigheids-avonden,\' Dan legde zij een grondje van thee, om den sterken drank daarboven op te gieten.quot; „Wat staat er in?quot; vroeg Sam „Wel, wat ik u gezegd heb,quot; antwoordde zijn vader. „Twee honderd pond, om in effecten te beleggen, voor mijn stiefzoon Samuel, en al hot overige van mijn goed aan mijn echten man, Tony Weller, dien ik tot mijn eenlgen executeur benoem,quot; „Is dat alles?quot; vroeg Sam, „Ja,quot; antwoordde zijn vader. ,,En daar wij de eenigen zijn, die er mede te maken hebben, en wij er volkomen mede tevreden zijn, kunnen wij, naar mij dunkt, dit papier wel in het vuur gooien.quot; „Wat gaat gij beginnen?quot; vroeg Sam, zijn vader, die het vuur reeds oppookte, om zijn voornemen te volvoeren, het papier uit d\' hand rukkende. „Gij zijt een mooi stuk van een executeur,quot; „Hoe zoo ?quot; vroeg de oude Weller, „Hoe zoo?quot; herhaalde Sam, „Wel, dat testament moet immers worden be wezen en bezworen, en — wat weet ik al meer.quot; „Meent gij dat in ernst?quot; vroe4 de oude man. Sam stak het testament in zijn zak, en gaf door een blik te kenm n, dar hij het zeer ernstig meende. „Dan zal ik u eens wat zeggen,quot; zeide de oude Weller, nadat hij eene poos had nagedacht, „Dat is een gevalletje voor den vriend van den Lord Kanselier, Peil moet het in orde brengen, Sampje\' Hij is juist de man voor een ongemakkelijk proces! Wij zullen met hem meegaan naar het Insolvent-Court, en als er een alibi, , , ,quot; „Heb ik ooit zoo\'n raren haspel gezien!quot; viel Sam hem in de rede, „De man zijn hoofd loopt om van insolvent-courts en alibi\'s en allerlei malligheid, (üj zoudt beter doen met uwe jas aan te trekken en mede naar do stad te gaan, in plaats van daar te staan preek-a over dingen, daar srij geen verstand van hebt „onk goed, sampje!quot; hernam de oude man, „Ik wil alles doen, wat te pas komt. Maar dat zeg ik u. Peil moet de zaak behandelen niemand anders dan Peil,quot; |
341
HET TESTAMENT VAN WIJLEN JITRKOUW WELLER.
|
Nadat hij dit voorbeding luid gemaakt, en i Sam er in had bewilligd, maakte de oude man | zich gereed, en stapte met zijn zoon de deur uit. „Vier hoofden zijn beter dan twee, Sampje!quot; : zeide de oude Weller toen zij te zamen in eene i sjees naar Londen reden; „en die erfenis van uwe moeder is een vette brok, dien een advocaat | misschien wel alleen zou willen opslokken; | daarom zullen wij een paar van mijne goede vrienden medenamen, die spoedig „hei!quot; zullen ; roepen, als de wagen niet recht gaat. Het zijn twee van de heeren, die u toen naar de Flee t gebracht hebben, en zij zijn de beste paardenkenners, die ik weet.quot; En ook de beste advocatenkenners?quot; vroeg Sam. „Die goed over een paard kan oordeelen, kan over alles oordeelen.quot; antwoordde zijn vader, zoo stout beslissend, dat Sam het niet geraden achtte hom tegen te spreken. Volgens dit verstandig overleg, preste de oude Weller onzen pokdaligen bekende en twee andere dikke koetsiers — waarschijnlijk daarom uitgekozen, dewijl hij dikte en wijsheid voor onaf-scheidbafe metgezellen hield om hem met raad en daad bij te staan. Pit gezelschap begaf zich naar de herberg in Portugalstreet, en zond een bode nanr het Inso 1 ve nt-Cou r t aan den overkant, om Salomon Pell te roepen. (ielukkig was l\'ell in de zaal. Daar hetgeen drukke tijd was. zat hij op een bank een koud maal te gebruiken, dat hij\'in zijn zakdoek had medegebracht; en zoodra hij do boodschap ont ving, stak hij spoedig eenige papieren in zijn zak, en spoedde zich naar de herberg. „Uw dienaar, mijne heeren!quot; zeide Peil, toen hij binnentrad. „Uw onderdanige dienaar! Ik zeg jhet niet om u te vleien; maar waarlijk, als iemand anders mij vandaag uit de zaai had laten roepen, ik zou niet gekomen zijn.quot; ,.Zoo druk?quot; vroeg Sam. „Druk?quot; herhaalde Peil. ,,lk bezwijk er onder, zooals mijn vriend, do laatste Lord Kanselier, dikwijls tegen mij zeide, als hij uit hel hooger-huis kwam. Hij was dan altijd doodaf.quot; Hier zweeg Poll en schudde zijn hoofd; waarop de oude Weller. nadat hij zijn buurman had aangestooten, om dezen te doen opmerken, welke aanzienlijke vrienden de rechtsgeleerde had, vroeg of al dat werken niet slecht voordquot; gezondheid was. „Dat zou ik denken,quot; antwoordde Peil. „De Lord-Kanselier zeide dikwijls: „Peil! hoe drom mei gij al dat werk met den kop kunt uithou den, begrijp ik niet.quot; -- „Ik begrijp hot ook niet,quot; antwoordde ik dan. - „Peil!quot; zeide hu dan, en dan zag hij mij altijd met zekere afgunst aan. maar hij meende het toch goed, enik nam het hem nooit kwalijk; „Peil! gij zijt een wonder. een wonder!quot; Gij zoudtook veel van hem |
gehouden hebben, mijne heeren ! als gij hem gekend hadt, Meisje! geef mij eens een glaas-i je rum.quot; Hij zuchtte, keek nadenkend om zich heen en | naar den zolder, dronk het glas uit, en vervolgde: „Maar het staat een rechtsgeleerde niet vrij aan zijne bijzondere aangelegenheden te denken, als men zijn bijstand in rechtszaken noodig | heeft. Wat ik zeggen wil, mijne heeren! sedert | wij elkander de laatste maal gezien hebben, hebben wy een treurige gebeurtenis moeten be-weenen. ik heb de advertentie gelezen, mijnheer Weller! Lieve hemel! nog maar twee en | vijftig jaren — denk eens!\' Dit aandoenlijk gezegde was tot den pokdaligen heer gericht, die bij toeval vlak naast den spreker zat, en daar hij niet wist wat hij zeggen zou, onrustig op zijn stoel heen en weder schoof, en ten laatste verklaarde, dat jongelieden ook ; kunnen sterven, hetgeen door niemand werd tegenspreken. „Ik heb hooren zeggen,quot; hernam Peil, „dat zij eene knappe, brave vrouw geweest is, en ! zoo goed....quot; „Ja wel, ja wel, mijnheer!quot; viel de oude Weller hem in de rede. ..Zij was weduwe, toen j ik haar trouwde. Maar 1 te weekhartig, en laten : het werk gaan.quot; maak mij nu niet ai wij liever terstond aan Dit woord klonk Poll want tot nog toe was weest, of men hem iets voor hem te ver hem sle( een «las ils muziek in de ooren: ij iu het onzekere geen roepen, omdat er en viel. dan of men hts wilde noodigen om een borrel of punch te drinken, en nu was de twijfel opgelost, zonder dat hij eenig verlangen daarnaar had laten blijken. Hij nam echter het testament, dat Sam hein op last van zijn vader overreikte, met drift aan, en zonder zich den tijd te gunnen om het geheel te lezen zeide hij; „Zoo! het testament van de overledene. Gij zijt executeur, zie ik; en zijn die heeren mede-erfgenamen ?quot; „Neen!quot; antwoordde do oude Weller. „Sarn en ik zijn de eenige erfgenamen; en die andere heeren heb ik medegebracht, om te zien of alles goed gaat — als eene soort van getuigen,quot; „Zoo!quot; hernam Peil. „Ik heb er niets tegen. Maar vi\'iór alles moet ik u een voorschot van vijl pond vragen. Ha, ha, ha!quot; Nadat het comité had beslist, dat de verlangde vijf pond kon worden voorgeschoten, telde de oude Weller hot geld uit. en daarop had er eene lange beraadslaging plaats, waarin eigenlijk niets werd afgehandeld, maar waarbij Peil, ten genoegen der heeren getuigen, betoogde, dat, indien de zaal; niet in zijne handen gesteld was, alles verkeerd zou zijn afgeloopen, om redenen, die niet bepaald werden opgegeven, maai zonder twijfel voldoende waren. Toen men zoover gekomen was, versterkte l\'ell zich met |
SA.MUKL I\'ICKAVICK.
drie karbonailen en eenige glazen bier, ten koste De heeren waren opgestaan, hieven langzaam
; van den boedel, en daarop begaven zij zich te hunne glazen omhoog-, zette die op hetzelfde
zamen naar Doctor\'s Commons. oogenblik aan hunne lippen, en odIc op hetzelfde
Een volgenden dag ging men nog eens naar , oogenblik, maar ledig, weder op de tafel, en
1 Doctor\'s Commons, en had toen veel te de gewichtige plechtigheid was voorbij.
i doen niet een stalknecht, die getuigen zou, „Mijne heeren !quot; zeide Peil: „al wat ik zeggen maar ongelukkig dronken was, en, tot groote kan, is, dat zulke bewijzen van vertrouwen en ergernis der beambten, niet zweren, maar wel genegenheid voor oen man van rnijn vak bijzon-\' vloeken wilde. In de volgende week moest men der streelend zijn. Ik wil den schijn niet heb-; hetzelfde doen en eenige andere kantoren nog ben, alsof ik mij zeiven zou willen prijzen; verscheidene malen bezoeken, en ook onderhan- maar om uwentwil ben ik hartelijk blijde, dat delingen aanknoopen om het huis en den stand gij bij mij gekomen zi,jt, in plaats van naar den j te verkoopen; dagelijks was er iets te doen, een of anderen knoeier te gaan, die de zaak in ; hetgeen Peil niet kon veranderen, wien al deze , den grond bedorven zou hebben. Gij zult mij formaliteiten des te meer tyd roofden, daar elke zeker wel de getuigenis geven, dat ik iamp;dereen i bijeenkomst met een ontbijt, middag-of avond- ; goedkoop en goed bedien, en mijn vriend, de maal w rd besloten, waaraan hij zich welstaans- \\ laatste hord-Kanselier, heeft, dikwijls gezegd, halve niet onttrekken kon. dat ik mijn vak in den grond versta. Indien Kindelijk was men zoover gevorderd, dat er gij zoo goed zoudt willen zijn, om mij bij uwe een dag bepaald werd, waarop, door bemidde- vrienden te recommandeeron, zal ik u zeer dank-; ling van den eflectenilnakelaav Wil kins Flasher, 1 baar wezen, en ik twijfel niet, of uwe vrienden wien Peil had aanbevolen, het erfdeel van Sam zullen u ook danken voor uwe recommandatie, in effecten beb\'gd, en het geheelo vermogen van wanneer zij ondervinden, hoe zij door mij beden ouden Weller te gelde gemaakt zou worden, diend worden. Uwe gezondheid mijne heeren!
Voor deze feestelijke gelegenheid hadden de Daarop betaalde de oude Weller de vertering,
twee Weller\'s vader en zoon, zich bijzonder en nu begaf het gezelschap zich op weg naar
net gekleed. Do getuigen hadden palmtakjes, de city.
; een zelfs eene uitgebloeide dahlia in hunne Het kantoor van (len effecten makelaar AVilkins !
knoopsgaten gestoken .en zich in plechtgewaad Flasher wasopeenebóvenkamerachti rdeBank;
gedost, dat is, zij hadden zoovele kleederen zijne woning was een buitengoed te Brix ton; j
; over elkander aangetrokken, als slechts eénigs- zijn paard en tilbury stonden in den stal van
i zins mogelijk was; want daarin bestaat, zoo- een huurkoetsier in de buurt, zijn rijknecht 1
lang er diligences zijn, het denkbeeld, dat een was op dit oogenblik op weg met een present :
diligencekoetsier zich van een plechtgewaad van wild naar het W es t-E n d; zijn boekliouder 1
vormt, was gaan eten; en zoo kwam het. dat Wilkins
Peil wachtte hen in de gewone herberg af. Flasher zelf „binnen!quot; riep, toen Peil met zijn
en zelfs hij droeg bij deze gelegenheid hand- gezelschap aan de deur van zijn kantoor klopte.
I schoenen en een schoon overhemd. Toen Flasher de reden hunner komst verno
„Kwartier vóór tweeën,quot; zeide Peil, op de men had, verzocht hij hen om te gaan zitten j
klok ziende. „Als wij kwartier over tweeën bij en een oogenblik te wachten, en zette daarop
mijnheer Flasher komen, zullen wij juist, den zijn gesprek voort met een elegant jonkheer.
■ besten tijd treilen.quot; die boven op den lessenaar zat, en meteen liniaal ;
..Als wij in dien tnsschen lijd eens een glaasje vliegen doodsloeg. De bezigheid, waarop Flasher j bier dronken?quot; zeide een van de getuigen. een gedeelte zijner aandachthad gevestigd, be-„of een oestertje slurpten?quot; liet een ander stond daarin, dat hy, kunstig op zijn opgewipten ! er op volgen. kantoorstoel balanceerende, met de punt van „Om mijnheiT Weller met den afloop der een pennemes naar een rood op een doosje vaatzaak geluk te w enscheii,quot; zeide Peil. geplakt ouweltje mikte,dat hij telkens vlakin het ..Ik heb er niets tegen.quot;\'zeide de oude Weller. midden trof. Beide heeren droegen wijd open-i „sam 1 trek eens aan de schel.quot; staande vesten, kleine laarzen en groote ringen. Sum gehoorzaamde. De oesters en het bier kleine horloges en groote cachetten, kunstig geworden dadelijk klaargezet en door het. gezel- knoopte dassen en sterk geparfumeerde zak-1 schap met smaak genuttigd, doeken.
..Mijnheer Poll!quot; zeide de oude Weller, nadat „Ik wed om een half dozijn llesschen wijn !quot;
i hij elk Zijner gasten en zich zeiven een glas zeide Flasher.
cognacgrog had laten voorzetten: „ik was voor- .,Ik wed nooit om oen half dozijn.-\'antwoordde
| nemens geweest om de gezondheid van do ellec- zijn vriend. „Een dozijn, zeg ik!quot;
i ten in te stellen; maar Sam heeft mij Inge „Top, Simraery! top!quot;
lluisterd, dat ik veel beter zou doen, ais ik u Beide heeren haalden een gouden potlood-
met dit glas voor uwe moeite bedankte. Op pennetje uit, hun zak, en teekenden de wedding-
: uwe gezondheid alzoo mijnheer Peil!quot; schap in een notitieboekje aan.
342
DE OUDE WELLEK ONTVANGT ZIJNE ERFENIS.
|
„Hebt gij dat van morgen gehoord van Boffer?quot; vroeg Simmery. „De arme duivel is uit zijn huis gezet.quot; „Ik verwed tien guinjes tegen vijf, dat hij zich de keel afsnijdt.quot; „Top!quot; „Neen, wacht! ik bedenk mij,quot; hernam (\'\'lasher. „Misschien knoopt hij zich op.quot; „Ook aangenomen. Hij maakt zich van kant.quot; „Berooft, zich van het leven.quot; „Goed. Maar binnen hoeveel tijd?quot; „Binnen veertien dagen.quot; „Drommels, neen!quot; riep Simmery uit. „Dat is te lang. Binnen eene week.quot; „ Laten wij het verschil dealen !quot; hernam Pias-her. „Tien dagen.quot; „(loed. Tien dagen. Beide heeren haalden wederom hunne notitie-boekjes voor den dag, en teekenden daarin aan, dat indien Boffer zich zeiven binnen tien dagen van iiet leven beroofde, Simmery aan Flasher vijf guinjes zou betalen, terwijl, indien hij zulks niet deed. Flasher de som van tien guinjes aan Simmery zou Hitkoeren. „Het spi,jt mij toch, dat hij bankroet is,quot; zeide Piasher. ..Hij gaf heerlijke diners.quot; „En hij had keurigen wijn,quot; merkte Simmery aan. „Als de boel verkocht wordt, zal ik er mijn knecht heenzenden om een partijtje\' van dien vierenzestlger te koopen.quot; Wat duivel!quot; zeide Flasher. „Mijn knecht moet er ook heen. Vijf guinjes, dat mijn knecht meer biedt dan do uwe!quot; „Aangenomen.quot; De weddingschap werd weder aangeteekend, en kort daarop drentelde Simmery heen, om op de effectenbeurs te gaan zien, wat er te doen viel. Flasher verwaardigde zich nu om te hooien wat Peil te zeggen had, en nadat, hij e^nige aquot; drukte biljetten had ingevuld, verzocht hij het gezelschap om hem naar de bank te Volgen. Wel Ier en zijn vrienden keken verbaasd op over al wat zij zagen, maar Sam beschouwde alles met onverstoorbare koelbloedigheid. Toen zij in de zaal gekomen waren, waar zij hunne zaak moesten afdoen, lieten Peil en Piasher hen e^ne poos staan, terwijl zij naar liet testamenten kantoor gingen. „Waar zijn wij hier!quot; fluisterde een der uquot; tuigen den ouden Weller in hel oor. ..In her effectenkantoor,quot; was het antwoord. „En wat zijn die heeren daarachter die toon banken?quot; „Effecten geloof ik,quot; antwoordde Welleiquot;, „Is het niet zoo, Sampje?quot; ..Denkt gij dan, dat effecten levendemenschen zijn?quot; zeide Sam eenigszins verachtelijk. „Hoe zou ik anders weten?quot; hernam zijn vader. ..Ik verbeeldde het mij. Wat zijn zijdan „Klerken,quot; antwoordde Sam. |
„En waarom eten zij allen boterhammen met | ham, vroeg de oude Weller. „Omdat dat bij hun werk behoort, geloof ik,quot; antwoordde Sam. „Dat doen zij hier altijd, den geheclen dag door.quot; Weller en zijne vrienden waren nog niet be- i komen van hunne verbazing over dit zonder- i linge reglement, toen Flasher en Peil terugkwamen, en nu was de zaak welke daarin bestond, dat de gelden, die de overledene op de | boeken der Bank had staan, op de namen van j haar weduwnaar en stiefzoon werden overge- ; boekt — spoedig afgeloopen. Daar de oude Weller zijn aandeel terstond te ; gelde wilde maken, ging Flasher naar de etf\'ei-. tenbeurs, en kwam weldra terug met eene assignatie op de bankiers Smith, Payne en Smith, voor vijfhonderd en dertig pond, waarop hij met voorname onverschilligheid zijne provisiein den zak stak, en weder naar zijn kantoor kuierde. De oude Weller wilde eerst volstrekt niei 1 anders dangoud voorzij ne assignatie aannemen ; maar toen de getuigen hem onder het oog brach- I ten, dat hij dan een zakje zou moeten koopen, I om het in te doen, liet hij zich de betaling met banknoten van vijf pond welgevallen. . Mijn zoon en ik,quot; zeide de oude Weller, toen zij van den bankier kwamen, „hebben na den . eten iets van belang te doen, en daarom moesten wij alles maar terstond afmaken.quot; Men begaf zich naar eene herberg, vroeg om eene afzonderlijke kamer, en zette zich daar neder, om de rekening te veretfenen. Sam zag de rekening van Peil na, en d« getuige n haalden eenige posten daarop door; maar in weerwil van Bell\'s verklaring, dat men hem onrecht aandeed en hij aan de geheele zaak geen penning verdiende, had hij er echter genoeg méde gewonnen om er eenige inaaiHen van te leven. De getuigen dionken daarom nog een borrel en vertrokken, dewijl zij des avonds nog op den bok mue.-sien. Peil wachtte nog eene poos,om te zien of er niets meer te eten of\'te drinken kwam, nam toen zeer vriendschappelijk afscheid, en liet Sam met zijn vader alleen, „Sam 1quot; zeide de oude Weller, terwijl hij zijné portefeuille in zijn zak stak: „met het geld voor het huis en den stand maakt dat elfhonderd en ; tachtig pond. Nu naar de Witte Arend!quot; LVL KKX HKLANOltUK CKSPRKK. Tl ssem.N DETWK), WKU.KB\'S EK f\'UKWICK, l\'.N KF.N ONVKI. WACHT BKZOKK VAN EEN quot; I) I1KKK MKl KK.N BRUINEN ROK. Pickwick zat in zijne eenzaamheid na b denken over velerhande zaken, vooral over de omstandigheden van Winkle en zijne echtgenoot. |
SAMCKL ITCK Wl\' \'K.
■■ill
|
en hoe hij op de beste wijze voor het jonge paar : zou kunnen zorgen, toen Mary de kamer kwam binnentrippelen, en eenigszins haastig zei de: „Noem mij niet kwalijk, mijnheer! Samuel is daai, en vraagt of hy met zijn vader mag boven-1 komen.quot; „Wel zeker,quot; antwoordde Pickwick, „Dankje, mijnheer!quot; zeide Mary,en trippelde i weder naar de deur. „Sam is zeker nog niet lang terug?quot; vroeg I Pickwick. ..lt;) neon, mijnheer!quot; antwoordde Mary driftig, ..Hij is daar pas gekomen. Hij zegt. dat hij verder om geen verlof meer vragen zal.quot; Misschien bedacht Mary zich, dat zij dit laatste | bericht met meer warmte had overgebracht, dan wel noodig scheen, ofmisschien bemerkte zij den | goedhartigen glimlach, waarmede Pickwick haar : aanzag, toen zij had uitgesproken; zeker is het, I dat zij haar hoofdje liet hangen, en denhoek | van haar wit voorHchoöt met eene nauwkeurigheid bezag, waarvoor niet do minste reden te vinden was. _Ze. dan,|dat zij bpyeiikomen,quot;zeide Pickwick, 1 en Mary snelde heen. Pickwick wandelde het vert rek een paarmalen op en neer, en wreef intusschen, in gedachten ; verzonken, zijne kin. „Welnu, laat het zoo wezen!quot; zeide hij eindelijk, op1 * ■ n vriendc 1 ijken, maar eenigszins treu-rigen toun. „Ik zou hem op geeno betere wijze voor zijin: gehechtheid en trouw kunnen be lootten. Met is bef, lot van een eenzaam oud man, dat zij, die hem omgeven, nieuwe betrekkingen aan knoop»-ii en \'hem verlaten. Ik heb gei n ivcht om te verwachten, dat het mij anders ga Neen, if \' n!quot; vervolgde hij opgeruinider; -•iar zou zelfzuchtig on ondankbaar zijn. ik moest iüijde wezen met eene gelogenhei 1 om hem zoo _r ed te verzorgen; en dat ben ik ook waarlijk!quot; Pie kwiek was in deze gedachten zoo verdiept, geweest, dat er reeds viern aal aan do deur was gekiept, voordat hij het hoorde. Hij ging haastig zitten, nam zijn gewoon geno\' glijk voorkomen wgt; der aan, antwoordde, op den vijfden klop, \' ii nu trad Sam met zijn vader de kamer binnen. ,Ik b\'-n blijde dat ik u wederzie. Sam!quot; zeide I\'jrksvick. Ho\' - vaart gij, mi.iiihet\'r Wel Ier?quot; n Heel L-oed; dank je, mijnheer!quot; antwoordde de weduwnaar. -Ik hoop dat gij ook welvaart, mijnheer \' I k zou n wel eenseven willen spreken, mijnhert ! als gij eeti oogenblik tijd hebt.quot; ..Ik ben tot uw dienst, mijnheor Weiler!quot; antwoordde\' Pickwick. „Sam ! geef uw vader oen stoel.quot; -Dankjquot;. Samuel! ik heb er al een,quot; zeide de oude Weiler, terwijl hij lt;ett stoel nam. „Her. is een mooie dag weer, mijnheer!quot; vervolgde hij, terwij hij zich nederzette en zijn hoed op i den grond legde. |
„Dat is het waarlijk,quot; zeide Pickwick. „Overheerlijk weer, mijn heer! quot;hernam de oude Weiler. Hier kreeg hij eene zware hoestbui; en toen die over was, zag hij zijn zoon aan, knikte, wenkte, en maakte verschillende gebaren, nu verzoekende, dan weder dreigende, terwijl Sam zich hield, alsof hij er niets van bemerkte. Pickwick, die begreep, dat de oude man eenigszins verlegen was, deed alsóf hy zich bezighield met een boek, dat voor hem lag, open te snijden, en a\'ditte geduldig, totdat Weiler voor den dag zou komen met hetgeen hij te zeggen had. „Ik heb nooit zulk een kwajongen gezien, als gij zij t, Samuel!quot; zeide de oude Weiler, terwijl hij zijn zoon met verontwaardiging aanzag; „nooit itt al mijne levensdagen quot; „Wat doet hij, mijnheer Weiler?quot; vroeg Pickwick. „Hij wil niet beginnen, mijnheer!quot;antwoordde de oude man. „Hij weet wel, dat ik niet spreken kan. als ik iets bijzonders te zeggen heb; ■ n daar staat hij nu. en ziet mij hier zitten als een uil, en u den kostbaren tijd ontrooven, en helpt mij toch met geen enkel woord op weg. Dit is niet mooi van u gedaan, Sam!quot; zeide Weiler, en veegde daarbij het zweet van zijn voorhoofd; „lang niet mooi.quot; „(rij hebt mij gezegd, dat gü spreken zoudt,quot; antwoordde Sam. „ Hoe kon ik denkon, dat gij al bij het begin zoudt blijven steken.quot; „fiij hadt wel kunnen zien, dat ik niet in staat ben om te beginnen,quot; hernam zijn vader, „((ij zaagt immers wel, dat ik uk het spoor was \' it tegen boomelt en hekken moest aanrijden. en toch wildei, gij geene hand uitsteken om mij te helpen-. Ik schaam mij over u, Samuel!quot; „De zaak is eig-nlijk. mijnheer!quot; zeide Sam met eene buiging, „dat mijn vader zijn geld gebeurd heeft.quot; .Hoed, zeer goed, Samuel!quot; zeide de oude Weiler. met e-n tevreden knikje. „Ik meende het zoo kwaad niet, jongen! Zeer goed! zoo komt gij recht op den man af.quot; Hü knikte nog eenige malen zeer vergenoegd, en bleef toen zitten luisteren, hoe Sam zou vervolgen. „(Jij kunt wel gaan zitten, Sam!quot; zeide Pickwick, begrijpende dat het gesprek langer zou duren, dan hij eerst gedacht had. Sam maakte nog eene buiging en zette zich neder. Toen zijn vader naar hem omzag, vervolgde hij. „Mijn vader heeft het geld, dat mijne moeder in effecten had gelegd, losgemaakt, en het huis met de affaire overgedaan\' en de som, die hü voordat alles heeft gekregen, bedraagt elf honderd en tachtig pond.quot; „Zoo waarlijk9quot; zeide Pickwick. „Dat verheugt mij Ik wensch er u geluk mede, mijnheer Wed Ier! dat gij in zulk oen goeden doen ziit.quot; Wacht een oogenblik je, mijnheer!quot; zeide de oude Weiler bedenkelijk, „(quot;a voort,Samuel!quot; |
TOW WKLLKirs VEKTROUWHN IN PICKWICK.
345
|
„Dit geld,quot; hervatte Sam, na oenige aarzeling, ..zou hij gaarne ergens willen bergen, waar hij wist dat het veilig was, en ik zou dat ook gaarru! zien; want als hij het in handen houdt, zal hij hetaau goede vrionden leenen. ofpaardenkoopen, of zijne portefeuille verliezen, of het zich op d^ eene of andere manier laten aftroggelen.quot; „Zeer goed, Samuel!quot; zeide de oude Weller, met zooveel tevredenheid, alsof Sam de grootste lofrede op zijne schanderheid en voorzichtigheid had gehouden. „Zeer goed! |
„En daarom,quot; vervolgde Sani,quot; „daarom is hij ii te pas komen om de kosten van dat proces te betalen. Ik zeg niet anders, dan — gij kunt het houden, totdat ik het weerom vraag.quot; Met deze woorden stopte Weller den heer Pickwick zijne portefeuille in de hand, raapte zijn hoed op, en liep met een spoed, dien nnn va,n zulk een zwaarlijvig man niet verwacht zou hebben, do kamer uit. „Houd hem tegen, Sam!quot; riep Pickwick op een ernstigen toon. „Haal hem terug! -.Mijnheer Weller! .... hoor eens!quot; Sam zair, dat zijn meester gehoorzaamheid |
r. ui\' r( lt; • hem met
l * i c kwiek.
d vatte: mynheer id! ik he
Ls op de
terwyl i w V\'-r*
n vam n trok
en arm, e kamer, vriend!quot; man bij elpt mij.
le han larom.
W(
Mi nieor \'kwiek ■, ren ver*
medegekomen, om u te zeggen, of aan te bieden, of liever om te verzoeken, «lat . . ,
„om te zeggen.quot; viel zijn vader hem ongeduldig in de rede, „dat ik er niets mededoen kan. Ik ga weder op eene diligence rijden, en kan het nergens bewaren; of ik moest het aan den conducteur geven, om er op b passen of het in em der zakken van de portieren steken, en dan mochten de passagiers in verzi ^king komen. Als gij het voor mij wildet bewaren, mijnheer! zondt gij mij veel pleizierdoen. Misschien,quot; vervolgde hij, Pickwick naderendeen hem in het oor fluisterende, „misschien/.on he!
„ik zou nu Wi lier verdrietig.
„Ik verzeker n. goede vriei geld, dan ik kan noodighebben,quot; „veel meer. dan een man van teren kan, al leefde hij nog z „Niemand weet Imeve, ] h, v,
verlangde; hij trap was, bij d weder naar de
„Mijn goed\' hij den ouden trouwen ovlt;Tst
■n wa
SAMUEL PICKWICK.
34(5
|
merkte de oude dat hij het beproefd heeft. Wolier .uui. „Wel mogeUjk,quot; hernam Pickwick: „maar ; dewijl ik geen voonienieu heb om zulke proeven ■ te nemen, is het niet waarschijnlijk, dat ik ooit : gebrek zal krijgen. Ik moet u verzoeken om dit terug te nemen, mijnheer WellerIquot; „Goed!quot; zeide de oude Weller met een zeer onvergenoegd gdzicbt. „Onthoud wat ik zeg, Sarnpjel Ik zal een wanhopigen staji doen.quot; hat zult gij wel laten,quot; antwoordde Sam. Deoude Weller bedacht zich eenepoos,knoopte toen zijn jas dicht, en zeide op een dreigenden toon; ..Ik ga tolbaas worden. Zog uw vader i maar goedendag, Samuel! Ik ga een tolhek ; pachten, en kom er zoolang ik leef niet vandaan.quot; Deze bedreiging was zoo verschrikkelijk en Weller scheen zoo diep gekrenkt door de wei-gerimr van Pickwick, dat deze, na zich eene poos bedacht te hebben, zeide; „Welnu, mijnheer Weller! Ik zal het gold dan houden. Mis-scliien kan ik er me r goeds mede uitrichten, dan ^ij zoudt kunnen doen.quot; „Dat zou ik ook denken, mijnhoer!quot; zeide ! de oude man wiens gezicht ophelderde. „Dat is dan afgedaan,quot; zeide Pickwick, ter- ; wijl hij de porlefeuille in zijn lessenaar sloot. „Ik ben n zeer verplicht, goede vriend! maar ga nu wat zitten; ik moei u om raadvragen.\'\' De oude Weller. die. terwijl Pickwick de portefeuille wegsloot, van innig genoegen had gegrinnikt, zc-tte spoedig een ernstig gezicht. „(iij moest eens een ooaenblik buiten de kamer traan Sam,quot; idquot; Pickwick; Sam verwijderde zich, en zijn vader sloe-een paar verhuis le oogen op, terwijl Pickwick vervolgde ; .Ik sji ióof dat gij den huwelijken siaatniet voor zeer vorkiesolük houdt, injjnheer Weller?quot; Ijc oud• • man selmdd- liet hoofd. Degi dachten, ■ dat de eene of andore god ieloozn weduwe Pickwick in hare netten had -jevangen, benam hera de -praak. ..Hlt; bt gij, toen yii ne t uw zoon binnen-kwa imt. nu ! beneden een meisje gezien?quot; vroe^ Pickwick. „Ja wel,quot; antwoordde Wi lier kortaf. „Eu Ie ie be viol z: u? /.eg mij nu eens op:■ el ■. hoe gij haar vondt !quot; „Ik vond haar frisi.-h en van zessen klaar,quot; a,nt woor Ide Weller. op den toon vaneen kenner. „Dat is -quot;.ij ook,quot; Ie mam Pickwick; „dat is zij ooi:. En hoe vondt gij hare manieren quot; „Heel aa rdig.quot; antwoordde Weller. „Heel aar dig en kantig.quot; 1 te i ui -1gt;- beteokonis. d:\' Weller aan dit laaiste woord iiechtte, was niet wel te bepalen ; maar uit zijn tottn bleek duidelijk, dfi\'het eenlt;\'gun stii:e uitdrukking was en derhalve was Pickwick er evenzeer mede \'evre len, alsof hij een volkomen versta mi ba i r ant woord had ontvangen |
„Ik stel zeer veel belang in haar,quot; hernam Pickwick. De oude Weller knikte. „Ik meen belang in haar welzijn,quot; hervatte Pickwick. „Ik zou gaarne zien, dat het haar wel ging, begrijpt gii ?quot; „Klaar en duidelijk,quot; antwoordde Weller, hoewel hij nog niets begreep. „Dat meisje heeft genegenheid voor uw zoon,quot; zeide Pickwick. „Voor sam?quot; riep do vader uit, „Ja,quot; zeide Pickwick. „Het is natuurlijk,quot; zeide Weller na eenig bedenken. „Het is natuurlijk, maar zorgelijk. Samuel moot oppassen.quot; .Hoe zoo?quot; vroeg Pickwick. „Oppassen, dat hij geen woord tegen haar spreekt antwoordde deou d e ma u;,, anders mocht hij in zijne onnoozelheid iets zeggen, waarover zij hem kon aanklagen, dat hij eene trouwbe lotte had gebroken. Gii kunt de vrouwen nooit vertrouwen, mijnheer Pickwick, als zij eens een oog op u geworpen hebben. Zij hébben iemand If id, voordat hij er om denkt. Den eersten keer, dat ik trouwde, is het mij ook zoo gegaan, mijnheer! en zoo is Sampje in de wereld ge komen.quot; Gij geeft mij niet veel aanmoediging om verder te spreken,quot; zeide Pickwick; „en toch zal het beste zijn, dat wij terstond ter zake komen. N\'iet alleen heeft dit meisje genegenheid voor uw zoon, mijnbeer Weller! maar uvv zoon heeft ook genegenheid voor haar.quot; „Wel zoo!quot; zeide Weller. „Datis eene mooie boodschap voor eon vader, om te hooren. „Ik heb verscheidene malen op hen gelet,quot; vervolgde Pickwick, zonder op deze aanmerking acht te geven, en twijfel er in het geheel niet aan. Als ik nu geneden was om hen te zainOh in eene affaire te zetten; of hun iets tr bezorgen waarvan zij ordentelijk leven konden, wat zoudt gij daarvan zeggen, mijnheer Weller?quot; Eerst trok de man een scheet gezicht over etai plan. volgens hetwelk iemand wiens geluk hem niet onverschillig was, in het huwelijkzou treden; maar toen Pickwick verder over de zaak sprak, \'-n hem voorhield, dat Mary geene weduwe was. werd hij handelbaardf r. Pickwick had zeer va-f 1 invloed op hem, en Mary was hem inderdaad bevallen, gelijk reeds gebleken was uit eenige zeer on vaderlijke lonkjt s, die hij haar had toegeworpen. Eindelijk zeide hü, dat het hem niet vo*-gdquot; Pickwick teg\'en te spreken, en dat hij zich gaarne naar zijn raad wilde schikken; waarop Pickwick hem bij zijn woord vatte, en Sam weder binnenriep. „Sam !quot; zeide Pickwick, zijne keel schrapende, uw vader quot;tt ik hebben over ti gesproken.quot; „Ja, over u hebben wij gesproken, Sampje.quot; zeide de oude Weller, deftig en nadrukkelijk. „ik ben zoo blind nier,quot; sam, hernam Piek- |
SAM WE],LEE\'S BELOoXIXC.
81\'
|
wick, „of ik heb reeds lang gezien, dat gu voor hot meisje van mevrouw Winkle eene bijzondere genegenheid hebt.quot; „Hoort gij dat, Samuel?quot; zeide de vader, op denzelfden toon als vroeger. „Ik hoop, dat er geen kwaad in steekt, mynheer,quot; zeide Sam, zijn meester aansprekende, „als een jonkman een goed oog heeft óp een meisje, dat er lief uitziot on oen goeden naam heeft ?quot; „Wel neen,quot; zeide Pickwick. „Volstrekt niet,quot; voegde de oude Wellor er bij, vriendelijk maar in deftigen ernst. „Verre van in zulk een natuurlijke zaak iets kwaadste zien.quot; hervatte Pickwick, „is het mijn verlangen om u iu dit opzicht te helper en uwe wenschen te bevorderen. Met dat oogmerk heb ik met uw vader gesproken, en daar ik bevind, dat hij er eveneens over denkt als ik... „Omdat het meisje geene weduwe is,quot; viel de oude Weller hierop in „Omdat het meisje geene weduwe is,quot; herhaalde Pickwick glimlachend. „Ik verlang u te ontslaan van den dwang, welke uwe tegenwoordige betrekking u oplegt, en, tot beloon ine van uwe trouw en vele uitmuntende hoedanigheden, u in staat te stellen om dit meisje te trouwen en voor u zeiven en uw gezin een onafhankelijk bestaan te verwerven, Het zal mij een waar en groot genoegen wezen, Sam!quot; vervolgde Pickwick, wiens stem tot nog toe eenigszins gebeefd had, maar die nu een vaster toon aannam, „hot zal mij een waar en groot genoegen wezen, voor uw toe kbmstii? welzijn naar mijn best vermogen te zorgen.quot; Er volgde eene diepe stilte, welke eindelijk door Sam wei d afgebroken die met eene zachte en heesche, doch vaste stem zeide; „Ik blijf u zeer dankbaar voor uwe goedheid, mijnheer! die juist naar uw aard is; maar er kan niet van komen.quot; „Kan er niet van komen ?quot; riep Pickwick vol verbazing uit. „Samuel!quot; zeide de oude Weller zeer deftig. ..Ik zeg, er kan niet van komen,quot; herhaalde Samuel harder. „Hoe zou het met u gaan, mijnheer?quot; „Goede jongen!quot; antwoordde Pickwick : „het onlangs voorgevallene met mijne vrienden zal mijne levenswijze geheel veranderen; ik word ook oud, en hel) rusten stilte noodig. Ik scheid uit met reizen, Sam!quot; „Hoe weet gij dat, mijnheer?quot; hervatte Sam. „Gij denkt dat nu wel; maar indien gij eens van meening kwaamt te veranderen, dat niet onmogelijk is, want uw hart is nog maar vijf en twintig jaren - hoe zou het u dan gaaii. zonder mij? Lr kan niet van komen, mynheer! Er kan niet van komen.quot; „Goed gezegd, Samuel! Er is wel wat van |
! aan,quot; zeide de oude Weller aanmoedigend. „Ik spreek na lang beraad, Sam! ik ben zeker I dat ik mijn woord zal houden,quot; zeide Pickwick, | zijn hoofd schuddende. „Ik scheid uit met ! reizen.quot; j „Juist daarom,quot; hervatte Sam. „Juist daarom I moet gij altijd iemand bij u hebben, die met u kan omgaan, die weet hoe gjj het gaarne hebt, en gewoon is u te bedienen en op te vroolijk^n. Als gij een knecht wilt hebben, die or wat knapper en fatsoenlijker uitziet dan ik, goed en wel neem er een; maar met loon of zonder loon, i met kost en inwoning of zonder kost en inwoning - Sam Weller, dien gij uit de oude herberg in de Borough hebt gehaald, blijft by u, ■ het moge gaan zoo het wil!quot; Bij het- slot van deze verklaring, welke Sam met zeer veel ontroeringhad uitgesproken,stond de oude Weller van zijn stoel op, en, zonder aan tijd en plaats te denken, zwaaide hij zijn hoed boven zijn hoofd, en riep driemaal luidkeels hoezee. „Brave jongen!quot; zeide Pickwick, toen de oude Weller zich weer had nedergezet, tamelijk verlegen over zijne eigen geestdrift: „(lij moet ook om het meisje denken.quot; „ I k d e n k o m h e t m e i sj e, ri||j n h e er!quot; an t w oo r d d • ■ Sam. „Ik heb om haar gedacht en haar gezegd hoe de zaken staan, Zij zegt, dat zij wachten wil, totdat ik haar trouwen kan; en ik geloof, dat zij het meent. Als zij\' het nier «loet, dan is zij zulk een meisje niet, als waar ik haar voor gehouden heb, en dan iaat ik haar met pleiziei loopen. öi.j kent mij wel, mijnheer! Ik heb mijn besluit genomen, en daaraan is nu niets te veranderen,quot; „Wie kon dit beslui! bestrijden ?Pickwick niei. wien de onbaatzuchtige gehechtheid van zijn nederigen vriend meer genoegen verschafte, dan duizend vriendschapsbetuigingen van de aan zietdijksl o mannen hem hadden kunnen schenken. Terwijl in de kamer van Pickwick dit gesprek werd gevoerd, trad een klein oud heer met een bruinen rok, dooreen kruier, die een valies drpey:, gevolgd, de voordeur in; en nadat hy « en bed had besteld, vroeg hij\' den knecht, of daar zekere mevrouw Winkle logeerde, waarop hij natuurlijk een toestemmend antwoord ontving. „Is zij alléén ?quot; vroeg de kleine oude lieer. Ik geloof van ja, mijnheor!quot; antwoordde dgt;-knecht. „Ik kan hare meid roepen, mijnheer! als gy.. ..quot; „Neen! dat behoeft niet,quot;antwoorddedcoude heer snel, „Wijs mij hare kamer eens, maar zonder mij aan te dienen,quot; „Wat belieft u, mynheer?quot; „Zijt gij doof?quot; „Neen, mijnheer!quot; „Luister dan, als het u belieft. Kunt gij mij nu verstaan?quot; „Ja wel, mijnheer!quot; |
I-
SAMUEL PICKWICK.
348
|
„Goed! Wijs rati de kamer van mevrouw Winkle, /.onder mij aan te dienen.quot; Tegelijk stopte hij den knecht vijf 8h illi ngs in de hand, en zag hem strak in het gezicht. „Maar mijnheer!quot; zeide de knecht, „ik weet niet of.....quot; „Gij zult het wel doen,quot; zie ik, viel de oude ■ heer hem in de rede. ..Doe het dan maar terstond, dat bespaart tijd.quot; De toon van den ouden heer was zoo koel, | kort en droog, dat de knecht de vijf shillings : in zijn zak stak, en hem zonder een woord te spreken naar boven bracht. „Dit is de kamer, niet waar?quot;zeide de oude heer. „Ga nu maar heen.quot; De knecht gehoorzaamde, bij zich zeiven den-! kende, wie die heer wezen mocht en wat hij hebben wilde. De oude heer wachtte, totdat hij uit hot gezicht was, en klopte toen aan de ; deur. „Binnen,quot; riep Arabella. „Hm! een lief stemmetje in allen gevalle,quot; prevelde de oude heer; .maar dat beduidt \' niets.quot; Mij opende de deur t n trad binnen. Arabella die zat i\'-werken, rei s toen /ij een vreemdeling zag met eenigi- verlegenheid op, die haar niet onbevallig stond. „Wijf zitt\' n mevrouw!quot; zeide de onbekende, terwijl hij de deur weder dicht deed. Mevrouw | Winkle, als ik wel heb?quot; Arabella boog haar hoofd. „Die met den zoon van don ouden Winkle in B ir m i n gli a tn getrouwd is ?quot; vervolgde de onbekende, terwijl hij Arabella met blijkbare nieuwsgierigheid aanzag. Arabella boog wederom haar hoofd, en zag ong rust om zich heen, alsof zij twijtVlde cfzy om hulp zou roepen. ..ik heb u verrast, naar ik zie, mevrouw!quot; zeide de oude heer. „Ik moet bekennen ja ee«igszins,quot; antwoordde Arabella met steeds toenemende verwondering. „Ik zal een stoel nemen, als gij er niets tegen hebt, mevrouw!quot; zeide de vreemdeling. Hij zette zich neder; on nadat hij zeer bedaard een brillehuisje uit zijn zak, en uit dat huisje een bril had gehaald, zette hij dien op. „Gij kent mij niet. mevrouw!quot; zeide liü, ter wijl hij Arabella zoo strak aanzag, dat deze inderdaad beangst werd. „Keen, mijn heer,quot; antwoordde zij beschróömd. „Neen,quot; hernam hij. „Gij kunt mij ook niet weet mijn naam toch wel. zeide Arabella bevende, zon-weten waarom. „Mag ik uw kennen; maai mevrouw!quot; „Weet ik dien!\' der zelvt recht te naam dan vragen?quot; „Zoo meteen, mevrouw!quot; antwoordde de vre emdeling, dü\' zijne oogen nog niet van haar fij |
: gelaat had afgewend. Gij zijt zeer kort geleden getrouwd, mevrouw?quot; „Ja!quot; antwoordde Arabella nauwelijks hooi-baar, en legde zeer ontroerd haar werk neder, toen eene gedachte, die reeds vroeger bij haar was opgekomen, meer sterkte verkreeg. „Zonder uw echtgenoot te hebben voorgehouden, dat het voegzaam was eerst zijn vader te raadplegen, van wien hij, naar ik meen, afhankelijk is?quot; zeide de vreamdeling. Arabella hield haar zakdoek voor hare oogen. „Zonder dat gij, zelfs op eene zijdelingsche manier, onderzoek hebt gedaan hoe de oude man dacht over iets, waarin hij natuurlijk zeer veel belang moest stellen?quot; hernam de vieemde-ling. „Ik kan hel niet ontkennen, mijnheer!quot; ant-woordde Arabella, ..En zonder zelve genoegzame middelen te bezitten, om uw ec li tgenoot de geldel ij kevoordeelen te vergoeden, die hij zou gehad hebben, indien lui me! goeddunken van zijn vader getrouwd was,quot; zeide de oude heer, „Dat is het, wat knapen en meisjos onbaatzuchtige liefde noe-■ men, totdat zij zeiven knapen en meisjes heb-I ben, en de zaak uit een geheel ander oogpunt beschouwen.quot; Arabella weende heete tranen, terwijl zij tot hare veronlschuldiging bijbracht, dat /.ij jongen onervaren was, dat de liefde alleen haar tot zulk • i-nsiap had gebracht, ••n dat zü sedert hare vroegste kindsheid van den raad en het bestier harer ouders beroofd was. ..Het was verkeerd,quot; zeide de oude heer op een zachteren toon, „zeer verkeerd. Het was i romanesk, overijld, kortom, eene dwaasheid.quot; Het was mijne schuld, geheel mijne schuld, mijnheer!quot; zeide de arme Arabella weenende. „Gekheid!quot; hernam de oude heer, „Hetwas uwe schuld toch niet, dat hü op u verliefd werd. Maar ja!quot; vervolgde hij, terwijl hij Arabella vrij schalkachtig aanzag: „het was wel uwe schuld; hij kan het niet helpen.quot; Dit compliment, ofwel de; zonderlingemanier, I waarop de oude heer het te pas bracht, of de verandering van zijn toon - veel vriendelijker dan in het begin - of alle drie deze omstandig-- heden tegelijk, drongen Arabella tusschen hare tranen een glimlach af. „Waar is uw man?quot; vroeg de oude heer hardop, terwijl hij een glimlach, die zich juist op zijn eigen gelaat begon te vertoonen, onderdrukte. „Ik verwacht hem ieder oogen blik, mijnheer!quot; antwoordde Arabella. „Ik heb hem overgehaald, | om eene wandeling te gaan doen. Hij is zeer droefgeestig omdat hij niets van zijn vader heelt vernomen.quot; „Droefgeestig?quot;zeide de oude heer. „Zoo -dat heeft hij er voor,quot; |
WINKLE AAN ZIJN ZOON. 349
BEZOEK VAN DEN OUDEN
|
„Ik vrees,quot; hernam Arabella, „dat hij om mijnentwil zoo neerslachtig is; en ik. mynheer! lijd daardoor dubbel, daar ik hem in zijn tegen-woordigen toestand heb gebracht.quot; Om zijnentwil moet gij het u niet aantrekken,quot; zeide de oude heer. „Hij heeft niet meer dan hij verdient. Ik ben er blijde om — zeer blijde, zoover het hem aangaat.quot; Nauwelijkshad hij deze woorden uitgesproken, of men hoorde een voetstap op de trap, dien hij en Arabella op hetzelfde oogenblik schenen te herkennen. De oude heer verbleekte; en, zich geweld aandoende om bedaard te schijnen, stond hij op, toen Winkle de kamer binnentrad. „Vader!quot; zeide Winkle, verbaasd terugdeinzende. „Ja!quot; zeide de oude lu;er. „Wat hebt gij nu te zeggen?quot; Winkle bleef stilzwijgen. „Schaamt gij u niet?quot; vroeg de oude. heer. Winkle gaf geen antwoord. „Welnu! Schaamt gij u, of schaamt gij u \' niet?quot; herhaalde de oude heer. ■ „Neen, vader!quot; antwoordde Winkle, terwijl I hij Arabella\'s arm in den zijnen nam. „Ik schaam j mij niet noch voor mij zeiven, noch voor ; tóijne vrouw.quot; „lil zoo!quot; riep de oude heer spottend uit. „Het spijt mij zeer, dat ik iets gedaan heb, dat uwe genegenheid voor mij heeftverininderd,quot; zeide Winkle; „maar ik moet tcu\'eUjk zeL;uvn, dat ik geene reden heb, om mij te schamen, omdat ik Arabella tot mijne vrouw heb gekozen, evenmin als gij u over zulk eene schdondochter zult behoeven te schamen.quot; „Geef mij uwe handj Nathaniel!quot; zeide de mide heer met eene veranderde stem; en geef mü een kus Arabella! Gij zijt toch een zeer lief schoon-j dochtertje.quot; Na verloop van korten tijd ging Winklr Piek-| wiek opzoeken, en toen hij met dezen terug-| kwam, gaven allen elkander de hand. „Mijnheel-Pickwick! ik dank u hartelijk voor I al de vriendschap, die gij mijn zoon hebt be-i wezen,quot; zeide de oude Winkle op een gullen, | rondborstigen toon. „Ik ben wat haastig, en | toen ik het laatst met u sprak, was ik verrast | en uit mijn humeur. „Ik heb over de zaak nage-1 dacht, en ik ben tevreden. Is het neodig mij nog j verder te verontschuldigen ?quot; j „Neen, volstrekt niet,quot; antwoordde Pickwick. „Gij hebt gedaan, wat nog ontbrak, om inij volkomen vergenoegd en gelukkig te maken.quot; Nu gaf men elkander nogmaals de hand, en i wisselde eone menigte van gezegden, die men complimenten zou kunnen noemen, indien zij niet. hetgeen anders met zulke gezegden zelden het geval is, volkomen oprecht en welgemeend waren geweest. |
| Sam had, als een goed zoon, zijn vader naar I de Hell Savage vergezeld, en toen hij terugkwam ontmoette hij, dicht bij de deur, den dikken Jozef, die een brief van Emilia Wardle had weggebracht. „Zeg eens!quot; zeide Jozef, met buitengewone spraakzaamheid: „wat is die Mary toch een lief meisje, niet waar ?quot;0, ikhoudzooveel van haar ?quot; Weller gaf geen antwoord; maar nadat hij ten hoogste verbaasd over de vermetelheid van den dikken jongen, dezen een oogenblik strak had aangestaard, bracht hij hem bij zijn kraag naar den hoek van de straat, gaf hem daar zijn afscheid met een schop, wel niet hard, maar met zeer veel bedachtzaamheiu en plechtigheid toegediend, en ging daarop fluitende naar huis. LVII. WAARIN DE PU\'KWICK-CI.UB WORDT ONÏBOSDHK, KN Al.l.KS TOT I80EBS «K.V\'.IBGBS AFLOOPT. Eene geheele week lang na de heugelijke aankomst van den ouden heer Winkle, waren Pickwick en Sam den geheelen dag uit, kwamen slechts even vóór het etensuur te huis, en gedroegen zich dan met eene stijfheid en geheitn-zinnigheid, die hun anders gehelt; l vreemd waren. Hot was blijkbaar, dat er gewichtige zaken ophanden waren, maar omtrent haren aard vormde men zeer uiteenloopende gissingen. Soimnigen, waaronder Tupman behoorde, koesterden de gedachte, dat Pickwick over een huwelijk In beraad stond; maar dit denkbeeld werd door al de dames verworpen. Anderen geloofden, dat hij voornemens was eene verre reis te doen, en dat hij bezig was met daartoe de noodige toebereidselen te maken; maar dit werd door Sam zelven volmondig ontki nd, die, toen Mary hem m het verhoor nam, onbewimpeld verklaarde, dat. zijn meester niet weder op reis zou gaan. Eindelijk, toen al de leden van het gezelschap hunne hersenen, zes dagen lang, met ijdele uis-sinten en na vorschingen hadden gek weid, besloot men om Pickwick zelven naar de reden te vragen, waarom hij zich aldus van den omgang zijner vrionden verwijderde. Met dit oogmerk verzocht Wardle allen in de Adelphi ten eten, en toen de llesch een paar malen was rondgegaan, achtte hij het voegzaam ter zake te komen. „Wij zijn allen verlangend om te weten.quot; zeide hij, „waarmede wij u verstoord hebben, dat gij ons zoo verlaat, en al uw lijd aan eenzame wandelingen besteedt.quot; „Zoo!quot; antwoordde Pickwick. „Het is zonderling, dat ik juist voornemens was om vnndaag eene verklaring daarvan te geven. Laat ons derhalve nog eens inschenken, dan zal ik uwe nieuwsgierigheid voldoen.quot; |
SAMUEL PICKWICK.
850
|
Hier zweeg mompel om do tab-1 „Het huis dat ik ! Pickwick, .staat t.-giquot;\' oten tuin en eene Keer aangename ligging. Ik heb het voorzien met al wal tot nut enge-: mak noodig is, en ook met liet een of ander, ilit tot sieraad moet dienen; maar daarover zult gij zeiven oordeelen. Sam blijft daar bij mij wonen, op aanbeveling van Ivrker, lub ik\'-ene i huishoudster genomen eene oude vrouw en bovendien zooveie bedienden als zij noodig achtte. Ik zou mijn toekomstig verbHif gaarne willen inwijden met eens plechtigheid, waarin ik veel belangstel. \\is mijn vriend Wardle er niets tegen heeft, vrensch ik, dat de bruiloft van zijne dochter in mijne nieuwe, wonim1-gevierd worde op den dag, waarop ik die betrek. .long\'Iieden vergen«iegd i-n gelukkig te zien,quot; vervolgde hij met eenige ontroering, ^is altijd het grootste genoeiren van mijn leven geweest. Het zal mijn hart goeddoen, wanneer ik onder iiiijn eigen dak getuige wezen mag van het geluk mijner dierbaarste vrienden.quot; Pickwick zweeg nngmuals, er. Emilia en A rubella snikten overluid. „Ik heb mondeling en schriftelijk met de club onderhandeld,quot; herva tie Pickwick, „en tiaar van mi.iii voornemen kerm b gegeven.Oedurendeonze lange ati.ezigheid hoeft zij door inweTidigeon-cenighlt;-den veelgeleden, en de^eoniatondigheid, vereenigd Tiet. mijn bedanken voor het lidmaatschap, hci\'ft tot han ontbinding aanleiding gegeven. De Pickwick club bestaat, niet meer.quot; |
„H-t zal mij nooit berouwen,vervolgde Piek wiek met eene zacht*- sti-m, „dat ik by na twee .■aren oquot;c|er allerlei nienHiIien heb doorgebracht, lioe kinderachtig zulk ct^ne avonturenjachtook ne-nig--. n moge zijn voorgekomen. Bijnagcheel trijn vorig leven had ik aan kantoorzaken toe g\'-wijd; ik heb nu veel gezien, waarvan ik vroeger geen denkbeeld had, en ik hoop, dat ik zoodoende mijne kennis vermeerderd en mijn gemoed veredeld heb. Zoo ik weinig goeds heb gedaan, ik vertrouw dat ik nog minder kwaad heb aangericht, en dat mijne lotgevallen en ontmoetingen eene bron van onderhoudendeen ge-noegiyke herinneringen voor mij zullen wezen. : God zegene u allen!quot; De flesch gin^ mot groote snelheid rond; en nadat Pickwick niet euii genoeglijken glimlach om zich heen had gezien, vervolgde hij aldus: „Al de veranderingen, die onder ons zijn voorgevallen, — ik meen het liuwt -lijlc dut reeds tot i stand gekomen is, en dat, hetwelk eerlang tot stand komen zal, inet de veranderingen, welke I daaruit moeten voortspruiten hebben mij de noodzakelijkheid doen inzie;: omeenenistig plan | voor mijn volgend leven le .beramen. Ik heb | iKsloten mij in eene stille beviillige bumt nabij | Londen neder te zetten. Ik heb een huis gevonden, dat mij bevalt, en het reeds gehuurd en gemeubileerd, liet is nu gei heel in orde, en ; ik ben voornemens het terstond te bellekken, daar ik hoop, dat Ik nog lang genoeg zalle ven, om daar eenige jaren v,-ui stil genoegen door te hrengi-n, waal- mij, zoolang ik leef, het gezelschap mijner vrienden zal vervrooli.i\'ken en ik i! i laai huup te st it ven, met. d e .sr feeli\'iule bs-wastheid, dar zij met lief-Ie aan my ■zullen blijven denken.quot; en, terwijl een zacht ge-heen liep. gehuurd heb,\'\' D li 1 w i eh ; het bi vervolgde heeft een Met deze woorden schonk Pickwick, met eene bevi-nde hand, hel glas vol, en dronk het ledig; en zijne oogen waren vochtig, toen zyne vrienden gez imenlijk opstonden, en hem van goeder harte bescheid deden. \\ nor het huwelijk van Stockwall waren niet vele toebereidselen noodig. Daar hij geen vader of moeder meer had en gedurende zijne minderjarigheid Pickwick zijn voogd was geweest, was leze nauwkeurig bekend met zijne bezittingen en vooruitzichten. Het daarvan gegeven verslag | was voor Wardle volkomen voldoende — geUjk trouwens bijna ieder verslag zou geweest zijn; want de goede oude man was buiten zich zei-i ven van blijdschap — en nadat hij Emilia een i rijkelijk uitzet had beloofd, werd het huwelijk ! op den vierden dag, van dien tijd af t^rekenon, bepaald; eene haast, welke drie modemaaksters en een kleermaker bijnawanhopigendol maakte. Met postpaarden voor zijn rijtuig, ging de oude i heer Wardle den volgenden dag op reis, om j zijne moeder naar Londen te halen. Toen hij j met zijne eigenaardige omstuimigheid de oude I dame het bericht mededeelde, viel zij terstond flauw; maar, nadat zij spoedig weder was bij-geholpen. traf zij bevel om dadelijk hare damasten zijden Japon in te pakken, en glmr toen i een ige omstandigheden van denzelfden aard verhalen, die bij hot huwelijk der thans reeds overleden oudste dochter van Lady Tollings-| lower hadden plaatsgegrepen, waarmede zij drie uren doorbracht, en toen hot verhaal nog niet half ten einde had. i Mevrouw Trundle moest ook weten, welke gewiebtige gebeurtenissen te Lo n de n ophanden waren; en daar het raadzaam was hare gezond | beid te ontzien, moest haar man haar deze I tijding niededeelen, opdat zy niet te zeer zou \'\' ontroeren. Het bleek echter, dat zij er in \'t geheel niet van schrikte; want zü schreef da- | delijk naar M u ggl eton, om eene nieuwe muts 1 en een zwart satijnen kleedje te bestellen, en i gaf bovendien haar voornemen te kennen om de plechtigheid bij te wonen. Daarop liet Trundle den dokter halen, en de dokter zeide, dat me vrouw zelve het best moest weten, hoe zij zich gevoelde. Mevrouw Trundle antwoordde hierop, dat zij gevoelde, dat de reis haar geen kwaad zou doen, en dat zij vast besloten had te gaan; waarop de dokter een verstandig man, die wel wist wat voor hem zeiven en andere menschen goed |
|
BES1 was, zeide, dat, indien mevrouw Trundle te huis moest blijven, zij zich zelve misschien meer kwaad zou doen door daarover te prullen, dan : de reis haar doen kon, en dat het daarom mis-; schien raadzaam w:rs, dat zij maar ging. /.ij ging derhalve, nadat de dokter haar uit voorzichtigheid een half dozijn drankjes had gezon-i den, om onderweg te gebruiken. Behalve deze bestellingen, moest Wardlenog j twee kleine briefjes bezorgen aan twee jonge-juffertjes, die speelnootjes van de bruid zouden wezen. Natuurlijk waren de juffertjes, bijna ontroostbaar, dat zij voor zulk eene gewichtige plechtigheid „nietsquot; gereed hadden en geen tijd hadden om „ietsquot; gereed te maken welke laatste omstandigheid den waardigen vadersder bedoelde jongéjuffertjes meer genoegen dan verdriet scheen tr geven. Er werden cchtt-r em paar oude kleedjes vermaakt en een paar nieuwe mutsen gekocht, en de jongejuffnrtjes zagen er zoo goed uit, als men slechts had kunnen verwachten; en daar zij, bij de plechtigheid, op de behoorlijke oogenblikken weenden en siddtrden, vervulden zij hare taak tot bewondering van alle toeschouwers. Hoe de twee arme bloedverwanten naar L o n-den kwamen of zi||i\'voet gingen, of achter op een rijtuig klommen, of met eene boerenkar medereden weet niemand; maarzij waren er vóór Wardle: en zij waren ook de eersten, die op den morgen van den bruiloftsdag aan de deur van Pickwick kwamen aankloppen. Zij waren echter hartelijk welkom; wantPick-wick vroeg er niet naar, of iemand arm of rijk was. De nieuwe bedienden waren zeer vlug en gewillig; Sam was uitgelaten van blijdschap, en Mary prijkte met hare schoonheiden met nieuwe linten. De bruidegom, die een pa ir dagen te voren het huis had betrokken, begaf zich bijtijds naar de kerk van Dulwich. om zijne bruid af te wachten, in gezelschap van Pickwick, Benjamin Allen, Robert Sawyer en Tupman; ook Kam ging mede, die voor deze geleden leid eene nieuwe, prachtige livrei had gekregen, en in zijn knoopsgat een witten strik droeg, welken zijn beminde hem had geschonken, in de kerk ontmoetten hen de Wardle\'s, de Winkle\'s, de Trundle\'s en de bruid met hare speelnootjes; en nadat de plechtigheid was voltrokken, reden de koetsen naar heihuis van Pickwick, waar men zou ontbijten, en Perker het gezelsehap reeds wachtte. Hier waren al do lichte wolkjes, die tiet ernstige gedeelte van het feest had nagelaten, spoedig verdwenen; aller oogen schitterden, en men hoorde niets dan gelukwensrhen en lofspraken. Alles was even schoon, liet grasperk voor het huis, de tuin daarachter, de kleine oranjerie, de eetzaal, de voorkamer, de slaapvertrekken, en vooral de studeerkamer met schilderijen en leu ningstoelen, ouderwetsche kabinetten en tafels, |
.UIT. 3öl en eene verbazende menigte boeken, -en dan een groot venster, met het uitzicht op het grasperk i en een bevallig landschap, waarin men hier en daar een enkel huis zag liggen, half achter ge boomte verscholen, en dan de gordijnen, de tapijten, de stoelen en de sofa\'s, — alles was zoo fraai, zoo beknopt, zoo net en getuigde van zulk een goeden smaak, zeide iedereen, dat men waarlijk niet wist, wat men het meest moest bewonderen. In het midden van dit alles stond Pickwick mot een genoeglijken glimlach, die Ieders hart stelen moest. Hij was zelf de vorblijdste van allen, en drukte denzelfden menschen telkens weder de hand; en wanneer zijne handen hiermede niet bezig waren, wreef hij die van genoegen. Hij elke nieuwe uitbarsting van nieuws gierigheid of goedkeuring keerde hij zich naar een anderen kant, en verhoogde de algemeene vreugde door de blijdschap, die uit zijne oogen straalde. Het ontbijt is gereed. Pickwick geleidt de oude dame (die zeer breedvoerig over Lady Tolling-lower heeft gesproken) naar het boveneinde eener lange tafel; WardP zet zich aan het andere einde, de vrienden scharen zich aan beide zijden, en Sam plaatst zich achter den stoel van zijn meester. Het gelach en gesnap houden op; Pickwick doet het tafelgebed, en ziet daarna om zich heen, terwijl het volle gevoel van zijn geluk hem de tranen over de wangen doet rollen. Verlaten wij onzen ouden vriend in een dier oogenblikken van onvermengd geluk, van welke wij, indien wij er naar zoeken, er altijd eenigen vinden, om ons voorbijgaand bestaan te ver-vroolijken. Er zijn donkere schaduwen op de aarde; maar het contrast maakte de lichten sterker. Sommige menschen hebben, evenals vleermuizen en uilen, betere oogen voorde duisternis dan voor het licht: wij, die andere gezichtswerktuigen hebben, werpen liefst onzen laatsten blik op de hersenschimmige metgezellen van menig eenzaam uur, terwijl zij voor eene poos door den vollen zonneschijn van aardsch geluk worden beschenen. Het Is bet lot van de meeste menschen, die lang leven en veel in de wereld verkeeren, dat zij zich vele vrienden verwerven, en ze, volgens de wetten der natuur, weder verliezen. Metis het lot van alle schrijvers en dichters, dat zij zich denkbeeldige vrienden schoppen, en ze. volgens de wetten der kunst, weder kwijt raken. 11 iermede is hun ongeluk nog niet geëindigd; want men eischtbovendimvlat zij zeggenzullen, hoe hot met de gewrochten hunner verbee lding is afgeloopen. Om ons naar dez» buiten twijfel kwade |
SAMUEL PICKWICK.
|
Do tlesrli giiii: met uTooto snelheid rond; en muliit 1\'iekwiek met ecu geiioeglyken glimhicli I om zicii lieon had gezien, vei\'volgde liij aldus: „Al de vei\'aruleriiigen, die onder oiks zijn voorgevallen, ik ineen liet lui welijk dat reeds tot | stand gekomen is, en dat, hetwelk eerlang tot stand komen zal, niet de veranderingen, welke 1 daaruit moeten voortspruiten - hebben mij de ! noodzakehikheid doen inz.h\':i om oen ernstigplan | vi.or rnyn volgend leven te beramen. Ik lieb besloten mij\' in eene stille bevallige buurt nabl,] ! Londen neder te zetten. Ik heb een huis«e-i vonden, dat mij bevalt, en het reeds gehuurd en gemeubileerd. Het is nu geheel in orde, en I ik ben voornemens het terstond te betiekken, daar ik hoop, dat. ik nog lang genoeg zal leven, l om daar eenige jaren van stil genoegen door te ! brengen, waar mij, /.o i.ang ik leef, ht-l gezel-~\'\'hap mijner vrienden zal vervroolijkeii en ik • • innaai hoop te sterven, met de srreelende bewustheid, dat zü met liotVle aan my zulten hlij-: ven denken,quot; Hier zweeg hij even, terwijl een zacht gemompel om de tafel heen liep, ..Het huis dat ik gehuurd heb,quot; vervolgde l\'vkwick, staat t-- Dulwich; het heefteen gi \'Oteii tuin en eene zeer aangename ligging. : Ik heb h^t voorzien met al wat tot nut en gemak noodig is, en ook met het een of ander, dat tot sieraad moet dienen; maar daarover zult gij zeiven oordoelen. Sam blijft daar bij mij wonen. Op aanbeveling van IVrker, heb ik eene | huishoudster genomen - eene oude vrouw -en bovendien zoovele bedienden als zij noodig aehtte. Ik zou mijn toekomstig verbUii\'gaarne willen inwijden met eene plechtigheid, waarin ik v-el belang stel. Als mijn vriend Wardleer i niets u-gen heeft, wehsch ik, dat de bruiloft van zijne dochter in mijne nieuwe wonini\'ge-v;erii w..rde op den \'i tg, waarop ik die betrek. Jci!iuelie(len v rgenoegd en gelukkig te zi-n,quot; veryplgde hij nvt eenige ontroering, „is altijd het grootste genoegen van mijn leven geweest. H\'-t zal mijn hart goeddoen, wanneerik onder mijn eigen dak getuige wezen mag van het ge-hik mijner dierbaarste vrienden,quot; i\'ickwkk zweet\' nogmaals, en Emilia en Arabella snikten overluid. Jk heb mondeling, n schriftelijk met declnh onderhandeld,quot; hervatte Pickwick, en haar van mijn voornemen kennisgegeven.Oedurendeonze lange af.,ozigl;eid heeft zij door inwendige on-e.-nighedquot;it v.-el u\'e..-den, en deze omstapdigheid, vei-enigd met mijn bedanken voor het lidmaatschap, heeft, tot har. ontbinding aanleiding gegeven. D« Piek wiek club b. staat niet meer.quot; ..He: zal mij ii\'joit berouwen, vervolgde Piek wick met eene zacht\' stem, „dat ik bijna twee jar Ti o\' Ier allerlei menschen heb doorgebracht, hoe kinderachtig zulk e ne ■ivonturenjacht ook menigeen moge zijn voorgekomen. Bijna geheel |
irijn vorig leven had ik aan kantoorzaken toe gewijd; ik heb nu veel gezien, waarvan ik vroeger geen denkbeeld had, en ik hoop, dat ik zoo- ; doende mijne kennis vermeerderd en mijn gemoed veredeld heb. Zoo ik weinig goeds heb gedaan, ik vertrouw dat ik nog minder kwaad heb aangericht, en dat mijne lotgevallen cn ontmoetingen eene bron van onderhoudende en genoeglijke herinneringen voor mij zullen wezen, (fod zegene u allen!quot; Met deze woorden schonk Pickwick, met eene bevende hand, het glas vol, en dronk het ledig; en zijne oogen waren vochtig, toen zijne vrienden u\'ez imenlijk opstonden, en hem van goeder harte bescheid deden, N oor het huwelijk van Stockwall waren niet vele toebereidselen noodig. Daar hij geen vader of moeder meer had en gedurende zijne minderjarigheid Pickwick zijn voogd was geweest, was i leze nauwkeurig bekend met zijne bezittingen | en vooruitzichten. Het daarvan gegeven verslag ! i was voor Wardle volkomen voldoende — gelijk trouwens bijna ieder verslag zou geweest zijn; want de goede oude man was buiten zich zei-i ven van blijdschap — en nadat hij Emilia een | rijkelijk uitzet had beloofd, werd het huwelijk op den vierden dag, van dien tijd af u rekenen, bepaald; eene haast, welke drie modemaaksters en een kleermaker bijna wanhopig en dol maakte. Met postpaarden voor zijn rijtuig, ging de oude heer Wardle den volgenden dag op reis, om ; zijne moeder naar Londen te halen. Toen hij met zijn. eigenaardige omstuimigheid de oude dame het bet icht mededeelde, viel zij terstond flauw; maar, nadat zij spoedig weder was by-geholpen, trat\' zij bevel om dadelijk hare damasten zijden japon in te pakken, en ging toon | j eenige omstandigheden van denzelfden aard i verbalen, die bij Imt huwelijk der thans reeds : ! overleden oudste dochter van Lady \'rollings- I lower hadden plaats gegrepen, waarmede zij drie I ! uren doorbracht, en toen het verhaal nog niet i half ten einde had. j Mevrouw Trundle moest ook weten, welke \' gewichtige gebeurtenissen te Lo tide n ophanden waren; cn daar het raadzaam v^as hare gezond beid te ontzien, moest haar man haar deze tijdinu mededeelen, opdat z\\i niet te zeer zou ! ontroeren. Het bleek echter, dat zij er in \'t ! geheel niet van schrikte; want zij schreef da- i del ijk naar M u gg 1 e to n, om eene nieuwe muts i en een zwart satijn.ai kleedje te bestellen, en [ gaf bovendien baar voornemen te kennen om 1 de plechtigheid bij te wonen. Daarop liet Trundle ! den dokter halen, en do dokter zeide, dat mevrouw ! zelve het best moest weten, hoe zü zich gevoelde, i Mevrouw Trundle antwoordde hierop, dat zij i gevoelde, dar de reis haar geen kwaad zou doen, en dat zij vast besloten had te gaan; waarop de dokter een verstandig man, die wel wist wat voor hem zeiven en andere menschen goed |
|
was, zeide, Oat, indien mevrouw Trundle te huis moest blijven, zij zich zelve misschien meer kwaad zou doen door daarover te pruilen, dan de reis haar doen kon, en dat het daarom misschien raadzaam wiis. dat zij maar ging. Zij ging derhalve, nadat de dokter haar uit voorzichtigheid een half dozijn drankjes had gezonden, om onderweg te gebruiken. Behalve deze bestellingen, moest Wardle nog , twee kleine briefjes bezorgen aan twee jonge- j | juffertjes, die speelnootjes van de bruid zouden l wezen. Natuurlijk Waren de jaffertjes, bijna ! ontroostbaar, dat zij voor zulk eene gewichtige | plechtigheid „nietsquot; gereed hadden eu geen tijd hadden om „ietsquot; gereed te maken welke laatste omstandigheid den waardijen vaders der bedoelde jongejulfertjes meer genoegen dan verdriet scheen te geven. Er werden echter e^n paar oude kleedjes vermaakt eu een paar nieuwe mutsen gekocht, en de jongejuffertjes zaglt;-n er zoo goed uit, als men slechts had kumn ii verwachten; en daar zij, bij de plei htighrid, op de behoorlijke oogenblikken weenden en sidderden, vervulden zi,j hare taak tot bewondering van alle toeschouwers. [loe de twee arme bloedverwanten naar Londen kwame n of zij te voet gingen, of achter op een rijtuig klommen, of met erne boerenkar medereden - weet niemand; maarzij waren er vóór Wardle: en zij waren ook de eersten, die op den morgen van don bruiloftsdag aan de deur van Pickwick kwamen aankloppen. Zij waren editor hartelijk welkom; want l\'ick-wiek vroeg er niet naar, of iemand arm of rijk was. De nieuwe bedienden waren zeer vlug en gewillig; Sam was uitgelaten van blijdschap, en Mary prijkte met hare schoonheiden met nieuwe linten. 1 gt;e bruidegom, die een paar dagen tevoren het huis had betrokken, begaf zich bijtijds naar de kerk van Dulwich, om zijne bruid af te wachten, in gezeisch ip van l\'ick wiek, Benjamin Allen, Robert Sawyer en Tupman; ook Sam ging mede, die voor deze gelegenheid eene nieuwe, prachtige livrei had gekregen,en in zijn knoopsgat een witten strik droeg, welken zijn beminde hem had geschonken. In de kerk ontmoetten hen de Wardle\'s. de Winkle\'s, do Trundle\'s en de bruid met hare speelnootjes; en nadat de plechtigheid was voltrokken, reden de koetsen naar het huis van Pickwick, waar men zou ontbijten, en Perker het gezelschap relt;-d8 wachtte. Hier waren al le lichte wolkjes, die het ern stige gedeelte van het feesf had nauelaten, spoe-| dig verdwenen; aller oogen schitterden, en men \' hoorde niets dan gelukwensehen ■ n lofspraken. Alles was even schoon, liet grasperk voor het luiis, de tuin daarachter, de kleine oranjerie, de eetzaal, de voorkamer, de slaapvertrekken, en vooral de studeerkamer met schilderijen en leu ningstoelen, ouderwetsche kabinetten en tafels, |
eu eene verbazende menigte boeken, en dan een groot venster, met hel uitzicht op het grasperk I en een bevallig landschap, waarin men hier en daar een enkel huis zag liggen, half achter ge | boom te verscholen, en dan de gordijnen, de j tapijten, de stoelen en de sofa\'s, — alles was \\ zoo fraai, zoo beknopt, zoo net en getuigde van | zulk een goeden smaak, zeide iedereen, dat men ; waarlijk niet wist, wat men het meest moest bewonderen. In het midden van dit alles stond Pickwick | met een genoeglijken glimlach, die ieders hart i stelen moest, iïij was zelf de verblijdste van allen, en drukte üenzelfden menschen telkens weder de hand; en wanneer zijne handen hiermede niet bezig waren, wreef hij die van ge- 1 noegen. Bij elke nieuwe uitbarsting van nieuws gierigheid of goedkeuring keerde hij zich naar een anderen kant, en verhoogde de algemoene vreugde door do blijdschap, die uit zijne oogen straalde. Het ontbijt is gereed. Pickwick geleidt dcoudo dame (die zeer oreedvoerig over Lady Tolling-lower heeft gesproken) naar het boveneinde eener lange tafel; Wardle zet zich aan hetandere einde, de vrienden scharen zich aan beide zijden, en Sam plaatst zich achter den stoel van zijn meester. Het gelach en gesnap houden op; Pickwick doet het tafelgebed en ziet daarna om zich heen, terwijl het volle gevoel van zijn geluk hem de tranen over de wangen doet rollen. Verlaten wij onzen ouden vriend in een dier oogenblikken van onvermengd geluk, van welke wij, indien wij er naar zoeken, er altijd ^enigen vinden, om ons voorbijgaand bestaan te ver-vroolijken. Er zijn donkere schaduwen op de aarde; maar het contrast maakte de lichten sterker. sommige menschen hebben, evenals vleermuizen en uilen, betere oogen voorde duisternis dan voor het licht: wij, die andere gezichtswerk-tuigen hebben, werpen liefst onzen laatst en blik op de hersenschimmige metgezellen van menig eenzaam uur, terwijl zij voor oene poos door den vellen zonm schijn van aardsch geluk worden beschenen. Het is het lot van de meeste mensehen, die lang leven en veel in de wereld verkeeren, dat zij zich vele vrionden verwerven, en ze, volgens de wetten der natuur, Weder verliezen. Het is het lot van alle schrijvers en dichters, dat zij zich denkbeeldige vrienden scheppen, en z.e. volgens do wetten der kunst, weder kwijt raken. Hiermede is hun ongeluk nog niet geëindigd; want men eischt bovendien,dat zij zeggen zullen, hoe het met de gewrochten hunner verbeelding is afgeloopen. Om ons naar deze buiten twijfel kwade |
SAMUEL PICKWICK.
|
gewoonte te schikken, laten wij nog eenige levensberichten volgen van do bij Pickwick verzamelde bmiloftsgasten. Daar Winkle en zijne vrouw door den ouden heer in volle gunst waren aangenomen, betrokken zij kort daarna een nieuw gebouwd huis, geen half kwartieruurs van Pickwick\'s woning verwijderd. Winkle wi ld to L o n de n agent of correspondent van zijn vader.en verwisseldezyn oud jagorspakje met de gewone kleeding van een Engelschman,zoodat hij naderhand het voorkomen had van een ordentelijk christenmensch. Stockwall en zijne echtgenoote vestigden zich te Dingley-Dell, waar zij eene kleine hoeve kochten, en die, meer tot vermaak dan voordeelshal ve, bebouwden. Daar Stock wall tusschen-beide verstrooid en melancholiek is, behoudt hij tot den huldigen dag onder zijne vrienden en bekenden den naam van dichterlijk genie, hoewel wij nil t weten, dat hij iets gedaan heeft om deze meening te staven. Wij kennen vele beroemde mannen vvijsgeeren, letterkundigen enz. — wier naam op denzelfden grondslag rust, Tuptnan koos, toen zijne vrienden getrouwd waren, K i c h m o n d tot woonplaats. In de zomermaanden gaat hij dagolliks, zeer jeugdig en zwicrisr ^ekli-ed, op hot terras wandelen, waardoor hij de bewondering der ongehuwde oiui-achtige dames, welke daar insgelijks komen wandelen, heeft opgewekt. Hij heeft nooit weder een huwelijksvoorstel gedaan. Robert Sawyer is, nadat zijn naam op de lijst der bankroetiers was verschenen, in gezelschap van zijn vriend Benjamin Allen naar Ben ga le n vertrokken, waar deze beide heeren aanstellin-gttn bij de Coat-[ndische Compagnie hadden gekregen, Zij heb\'oen u- i-i ■ veertienmaal de gele koorts gehad en toon besloten om wat ingetogener te leven, sedert welken tijd het hun wel gaat. Juifrouw Bardell verhuurt nog hare kamers aan ongetrouwde heeren, maar heeft nooit weder iemand aangeklaagd over het verbreken van I rouwl). lofto. Hare si d licit eurs, de herren Dodson en Fogg, blijven hunne zaken voortzetten en verdienen veel gidd; men houdt hen nog algy-meen voor schrikkelijk knappe lieden, |
Sam Weller hield woord, on bleef twee jaren ongehuwd. Na verloop van dien tijd stierf de oude huishoudsror en l\'ickwick verhief Mars-tot. dien rang, quot;iider voorwaarde, dat Zij onverwijld met Sam zou trouwen, hetgeen zij zonder morren deed. Daar men dikwijls een paar fris-sche kleine jongens aan de achterdeur van den tuin h eft gezien, is er geen grond om te vermoeden, dat het huwelijk van Sam kinderloos is gebleven. De oude Weller jved nog een jaar lang op eene diligence, maar kreeg toen de jicht, en moest dei hal vi zijn beroep vaarwel zeggen. Pickwick had echter den inhoud zijner portefeuille zoo voordeelig uitgezet, dat de oude man eèn ruim inkomen had. Hij woont nu in een fat-suenlijke herberg bij Slooters-Hill, waar hij als een orakel wordt geëerbiedigd. Hij is zeer tndsch op zijne kennismet Pickwick, en koestert steeds den grooisten afschuw van alle weduwen. Pickwick zelf bleef te D u Iwic h wonen, waar hij zijn ledigen tijd besteedde met de aanteeke-ningen in orde te brongen, welke hij naderhand aan den secretaris der eens zoo beroemde club ter hand stelde, of met Sam Weller te hooren voorlezen, wiens invallende gedachten over liet gelezene hem altijd het grootste vermaak verschaften. In het eerst had hij veel overlast van de talrijke aanzoeken, waarmede Stock wall. Winkle en Trundle hem vereerden, om bij hun kroost den pest van doopgetuige te bekleeden, maar tegenwoordig is hij daaraan gewoon geraakt. on besehouwt. hot als iets, dat vanzelf spr ekt. Hij heeft nooit reden tot berouw gehad • ■vrzij ue weldadigheid jegens Alfred Jingle, daar deze man en .Teremias Trotter, na verloop van dien tijd, waardige leden der maatschappij zijn geworden, hoewel zij nooit naar hitland hebben willen terugkeeren, waar zij vroeger hunne rol hadden gespeeld. Pickwick beginl nu war zwakkelijk te worden,; maar zijn geest is nog even jeugdig als voorheen, en men ziet hem nog dikwijls de schilderijen in de galerij Viin Dulwich bezichtigen, of bij mooi weer inde schoone o nistreken wandelen. A lie a rme lieden in den omtrek kennen hem, en nemen.alshij voorbijgaat, zeer eerbiedig den hoed af. Hit isde afgod der kinderen - of liever van allen, die met hem omgaan. Jaarlijks doet hij eene reis naar Manor-Farm, wanneer de oude heer Wardle een L\'rnot familiefeest geeft; en bij deze en allo andere gelegenheden neemt hif fcijn getrouwen saiü mede, tussidieu wien en zijn mee.stei-ei nr we lerkeerige gehechtheid blijft voortduren, die door den dood alleen ontbonden zal worden. |